.
.â
i
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
II
3088 879 O
DE NATUURLIJKE HISTORIE.
NAAR DKX VrKRDKN DUCK \ A\
âWAGNER'S ILLÃSTRIRTE NATÃRGESCHICIITEquot;.
A OOB NKDHIiLAM) I3E\\ Kk'KT
DOOK
D. HORN,
PIUKCTKTTR URB BUKS HOOOEUR HUR(iI!BS(IIOOI, TE IIKI.MONIi.
MET :tlt;M! (JEKLIIl Kin: \l i:\
NAAR AQT'AKHLLEN VAN W. HOFFMANN.
KN
iïsgt; FRAAIE ll(gt;UT(il!AVl KMN.
BELK UM.
ZUTl'HEN. SCJ11LLEMANS .v VAN
BIBLIOTHEEK DIERGENEESKUNDE UTRECHT
VOORBERICHT VAN DO BKWKKKKK.
Toen tie uitgevers mij vei'zochteu dit boek voor Nederland te bewerken, aanvaardde ik die taak gaarne en met toewijding, omdat ik de overtuiging had, dat door de uitgave van zulk een werk bij velen de lust tot de studie der Natuurljjke Historie zou worden opgewekt ot' aangewakkerd.
Wie de gelegenheid heeft en zich de moeite getroosten wil, de vrucht van mijn arbeid te vergelijken met het oorspronkelijk werk, zal spoedig bemerken, dat dit bij de bewerking eene aanzienlijke uitbreiding ondergaan heeft. Verscheidene onderwerpen zijn m. i. daarin zeer stiefmoederlijk bedeeld, b.v. de levensverrichtingen der planten en de deltstofkunde in haar geheel. Ik vond het wenschelijk meer uitvoerig te wijzen op de veelvuldige betrekkingen tusschen de dieren- en de plantenwereld, vooral ook met het oog op den Nederlandsehen landbouw. Eindelijk moesten tal van dieren en planten, die voor onze Indische bezittingen van belang zyn, zoowel huis- als wilde dieren, cultuur- en boschgewassen, uitvoeriger besproken worden dan in 't, oorspronkelijke werk het geval is. Zoo werd de omvang van het boek ruim een derde grooter.
Ik hoop, dat de waarde er van daardoor eveneens gestegen is eu dat deze bewerking niet minder bijval en betrekkelijk niet minder lezers vindc dan het oorspronkelijke werk in Duitschland. Dan zou ik de voldoening smakon iets te hebben bijgedragen tot de verspreiding van de âKennis der Natuurquot; in wijden kring en daardoor tot verhooging van het peil der beschaving in ons land.
1). 11 O KN.
Helmond
vooiï i! kim:.
Er zijn tegenwoordig ongeveer een half millioen vei'soliilleiule soorten van levenile (georganiseerde) wezens belicnd. Hiervan behooreu er 350000 tot bet dierenrijk. Men kent 'iri'M) verschillende zoogdieren, 10Ã00 vogels, 3500 reptielen en 10000 vissehen. Samen dus 20000 gewervelde dieren. Veel grooter is het aantal ongewervelde dieren. Men telt reeds meer dan 200000 gelede dieren, 40000 weekdieren, 10000 straaldieren en daarbij nog een leger van oerdiertjes, waarvan het aantal nog steeds toeneemt. Het aantal der tot nu toe bekende plantensoorten bedraagt meer dan 120000, en nog steeds worden nieuwe soorten gevonden.
Dit overgroote aantal verschillende vormen te leeren kennen, /.elI's maar die, welke tot een der grootste nfdeelingen van hot dieren- ot' plantenrijk behooreu, is voor een mensch eenvoudig onmogelijk. Daar de beschrijving van al de tot nu toe bestudeerde soorten talrijke hoelcdeelen, ja groote bibliotheken zou vullen, zal er altijd behoefte bestaan aan werken, waarin alleen het belangrijkste uit alle drie de rijken der natuur op beknopte, maar toch degelijke wijze beschreven wordt. Al is er nu wel geen gebrek aan zulke werken, ieder, die zoo een in'beid onderneemt, zal zich daarbij door andere beginselen laten leiden en bijzondei e overwegingen doen gelden en hij zal daarom ook voor een bjjzonderen kring van lezers juist het gewenschte leveren. Bij de samenstelling van deze kleine Natuurlijke Historie is getracht een p ipulair boek te leveren, bestemd voor ieder, die zin heeft, voor de natuur, te midden waarvan hij loeft en die hem zooveel genietingen verschaft; die door al wat hij ziet in dierentuinen, menagerieën, tentoonstellingen enz. wordt opgewekt tot- het opdoen van meerdere kennis van de voorwerpen, die zijne aandacht trokken; die iets wil weten van de tallooze dieren en planten, wier producten hij dagelijks gebruikt.
Het aantal der te beschrijven voorwerpen moest voor dit doel zeer beperkt, de beschrijvingen zeer beknopt worden. De beschrijving der vormen en de systematiek werden dan ook weinig op den voorgrond geplaatst; de bijgevoegde afbeeldingen moeten den lezer helpen zich ecne goede voorstelling van het voorwerp te maken. Daarentegen werd op de eigenaardigheden
VOORREBICMT.
van do levenswjjze, de ontwikkeling en den liclmitnisbonw van dieren on planton, op do betrekkingen dor schepsels jegens elkander en voornamelijk op hunne boteokonis voor don nionseh, hunne cultuurhistorische rol en hunne belangrijkheid voor handel, landbouw, boschcultuur enz. den moesten nadruk gelegd.
Het dool was, zoover de ruimte dit toeliet, het moest wetonswaavdigo uit de drie rjjkon der natuur en de meest praotische toepassingen, die van hare producten gemaakt worden, in onderhoudenden vorm aan don lezer moe te deelen. Zoude door dit boek oen der lezers er toe opgewekt worden op eon of ander gebied der Natuurlijke Historie voor zijn genoegen verdere studie te willen maken, dan kan hij do daarvoor noodigo werken gemakkelijk te weten komen. Zeker geeft geene studie meer genot. De studie der natuur is en blijft steeds eene bron vol van gezonden drank, verfrisschend en lavend, sterkend en hartverheffend, waarvan het genot nooit tegenstaat
VI
111/.
I N H O 1).
|
Hlz- It c !TI e it M c li..............1 H o t ^ or a u m t o............:! Vr 1 o e » c. h o ii v o t............8 Hersenon, ruKjjomorg en zenuwen................12 De vyf' zinnen............IT Do voeding.......20 D o hu id.........3a Monsclionraaseii.....37 II «' t IM «gt; r e ii r ij k . . . . 4u CJKWEKVKLDE DIKKKN. ... 41 KoogilitM't'ii................41 Apen..........41 Vleermuizen..............47 Roofdieren........50 1! u i d o 1 d 1 o re ii..............73 Knaagdieren.......77 Tniideiooze dioren . . . . 88 VoelhoevigoJi......89 E e n h o o v i g e n..............96 Herkauwers of Tweehoevi- K'en..........100 Zoo -zoogdieren.....115 VOKHN 120 Rootvogols.......122 Zwaluwen........128 Zangvogels.......130 Krakers.........ISO Papegaaien........136 Vinken.........139 Raafaohtigon.......142 Sch reeuw vogels......145 Kolibri's........146 Klim vu .fels. ...... . 147 Koekoeken........148 |
Grootsnavoligen......150 lioop vogels.......151 DuifaohtigoJl.......151 Hoenderacbtigen......153 Kortvleugeligen......158 Steltloopers of Moorasvogels . 160 Zwemvogels.......165 lii-iii|Mgt;iilt;l«gt; «lieroii.....172 Schildpadden......178 Hagedissen .......175 Slangen.........179 Amphibiën.......184 ViNMClK-ii.........187 UeenigovisBclien.....188 Kraakbeenige visschen . . 203 ONOEWERVKLllE 1)1 KREK. . . 207 GELEDE DIEREN......207 liiMCt'tx'ii.........207 Kevers.........211 Vlies vleugelig en.....223 Vlinders.........234 T wee vie u geli ge n.....247 Xotvleugeligen......253 Rechtvleugeligen.....257 II al f v le u ge ligen......262 ......267 Wpiiiticlili^c «lieren.....268 Mcliiiiiltlit'i-t'ii.......272 WORMEN.........277 ItorNli'luoriiK'ii......97H ICIlt;gt;lt;gt;(l/.iiiu;lt;'i'N.......279 llriiml- lt;»r Siioolworiiidi . 280 IMiilnoriiioii..............282 Kaïlt'nlü'rlJt'N.......284 WEEKDIEREN.......284 |
vin
|
NlnkUfii STRAALDIKBKM. . ⢠â SlokollinWIiüOii. Kwallen lgt;ol.t pt-n lt;gt;lquot; KofaiiUlior» VORMLOOZE PIKKEN. . Innisiodiorl.j»'» ⢠loi'mniiiil't'i'd1 II o t 1' 1 a it t »' u r i.j â¢Â» De v o o d i n k dor !gt; 1 n n t e !)(gt; voortplanting il / ii (1 c ....... I j e v e n's K o h e li i o (I e n i s /. a a tl p 1 ft u t e n lilz. 2H^ 287 200 29;j 204 201 206 208 300 301 302 302 30.r) 310 ill 3 |
/,aalt;l|gt;lantlt;gt;a '1'\\ r,WV.AADLOBIUGK l'l.AX l' 11X IjQHliloembladigon . . ⢠V o r k r o o i (1 -1gt; 1 o o m li 1 ft lt;1 i K lt;'11 liloemblndloozon . E R N Z A A1) I J O H1? 10 R N . . NAAKTZADKSE l'EANTEX . Hot 11 «⢠M's t of lgt; li v IJ k K \v u r t s- of K i c /. e 1 k' o 81 o o n t e i K a 1U ii e h t c o n t e ....... RdolRCHtoenten..... M igt; t ii Ion c ii li ii mi p o r 18 o n Zwuvol....... Stenii- of Klip/out Koolstof...... 1' o t r oleu ...... niz.. 319 319 320 352 370 383 40-1 408 410 424 434 458 441 451 452 454 459 |
MEN sen.
!)lt;⢠iiicnscli is zonder twjjfcl omlcr alle sclicpscleii (i|i Aanlc lict nicost volmaakte. Niet alleen door de ^aven van zijn geest innnt hij ver hoven alle andere uit, maar ook door de inrichting van zijn lichaam, den drager van den geest.
\ ele dieren, vooral die der hoogste klassen des dierenrijks. vertoonen. zoowel wat den nitwendigen als wat den inwendigen honw betreft, vele punten \an overeenkomst met het mensehelijk lichaam. Wat wij in het volgende van den inensch nieedeelen. geldt dan ook grootendeels voor deze dieren.
liij niet weinig dieren zijn zelfs enkele lichamelijke vermogens beter ontwikkeld dan hij den mensch: de hond heeft scherperen reuk. de arend kan beter zien. de haas sneller loopen. liij geen sehejisel evenwel zijn de verschillende vermogens zoo harmonisch ontwikkeld, in geen dierljjk lichaam kan het geestelijk leven een zoo boog standpunt bereiken als bij den mensch. en daarbij missen alle dieren liet vermogen zich door een gearliculeerde spraak met imns gelijken in verbinding te stellen.
liet inenseheljjk lichaam bestaat uil hoofd. romp. armen en beenen. liet hoofd is bolvormig. het voorhoofd hoog gewelfd, de hersenkas betrekkelijk zeer groot. De gelaatshoek bedraagt bij de Knropeanen NO STi graden en daalt hij geen ras onder (gt;.quot;gt; graden. Deze hoek wordt gevormd door (Ie lijn. die Kauknsisch ras. Xojj-or. Onrang-oi'taiKf.
,.4.% 1 , -ij i I. Gélnatshock.
Viin het niMidcn des voor-
hoofds over den neus tot aan de middelste snijtanden loopt, en de lijn. die van de ooropening langs den bodem der neusholte gaat. liet acliterlioofdsgat. aan weerszijden waarvan zich de gewrichten bevinden, waardoor het hoofd aan de wervelkolom verbonden is. ligt aan den onderkant des schedels; hij dieren ligt het altijd verder naar achteren. De wervelkolom is betrekkelijk kort, daarbjj
\Va(i \Mn's \:itiiiirlijki' llisforif, ..
I)(3 IlK'HSf-h.
'zoo «'M'Imm'cii, lt;Iji( het hovnistc lt;'11 lid onderst^ ^'('doolh1 clkjindcr in cvniwicl
Wan db cc ii
Slaapbecn Aohtrrhoordsbi'i'ii
Halswervels
Si'houderbladc'ii
Ware ribben Horstwervel
Valsehe ribben 1 iendenwi'rvel
Hekken Htaartbeen
Handwortel Middelhand Vinder
Dijbeen
Kuitbeen Seheenbeen
Hielbeen Sprongbeen
Middelvoetsbeenderen Teenen.
Fig-. 2. Het inensebelijk geraamte.
houden. Door ili'ii houw van den voet, de plantsing en den bouw der liccncii is alleen de menscli in staat reclitoj) te gaan. De hand, voorzien van een zeer beweeglijken duim. en geleid door een verstand, dat zieli de ervaringen door
11 quot;I uvnumitr
muloron (ipn'i'ilmtn weet ten miftc (c mukcn. is in shmt workziiamlieflcn fc vcrriclitcn. die g'l'cn uikIoi- aarilsch wezen kan vollircnu'cn. Dooi' dc voi'w^nif'ing van velen tot guiuioixchappen. genuH'iitoii en statca vcnnag dc nicnsrii nog ontzaglijk veel inciT.
inwendig is het inon«('helijk lichaam uit zeer vcrschilicndc dcclen samen-gestold. die alle ia hot nauwste verhand mot elkander staan en die verscliiHondo stelsels vormen.
Het gei-iiamte (heenslelscl).
Vorgeljjkt men het inensclielijk lichaam mot o(^ne machine, dan zijn de heondereil. met hunne gewrichten, seharnita'en, kammen en uitsteeksels, de liefhoomen en â stangen van het kunstwerk, die aan hot geheel zoowel don vasten vorm als het noodzakeljjk vveerstandsvennogen vericonen en hot in staat stollen de noodige kracht te ontwikkelen en behoorlijk te gehruiken.
In het geheelc lichaam zijn '21.'! hoenderen voorhanden de 3tgt; tanden niet meegerekend. Den voormuimsten steun van het lichaam vormt do wervelkolom of de ruggegraat. Deze is samengesteld uit'26 at'zonderlijke heendoren, n.1, 7 halswervels, i'2 horst- of' ruggewervels, 5 lend en we rve 1 s. hot heil igheen eu het staart- of stuitbeen. De wervels van do mggegraat zijn door kniakbeen en bandon op zoodanige wijze met elkander verbonden, dat terwijl elke wervel zich slechts weinig kan verplaatsen ten opzichte van do aangronzciide. allo samen evenwel een naar verschillende zijden zeer buigzaam geheel vormen.
Do bovoiisfo halswervel, do ringvormige atlas, draagt het hoofd. Iemands wervelkolom kan tengevolge van een ongeluk kigen val in de prille jeugd verbogen worden. Zoo iemand wordt, als zij zich naar buiten ombuigt, bultig; als ze zich naar binnen buigt, krjjgt hij een hollen rug. Spierzwakte en bloedarmoede, heen verweek ing en longziekten kunnen evenzoo verbuigingen of ziekelijke vergroeiing van de wervelkolom en daardoor misvorining van het heide lichaam veroorzaken. Kene breuk van het bovenste doel der ruggegraat veroorzaakt den dood (nekbrenk); op lagergelegen plaatsen veroorzaakt zjj verlamming der boenen. Mot is voor kinderen zeer gevaarlijk door volwassen personen alleen bij het hoofd aangevat en opgoliclit te worden, daar licht eeno ontwrichting van don eersten en tweeden halswervel hiervan het gevolg kan zijn.
De beenderen van het hoofd vormen den schedel. Men kan ze tot twee groepen brengen; de eene vormt de hersenkas en omsluit de hersenen; de andere, onder deze liggend, maken het aangezicht uit. De aangezichtsbeenderen omgeven de oogkassen, de neusholte en de mondholte. De hersenkas wordt door H vlakke beenstukken gevormd, namelijk het voorhoofdsbeen,
1)0 lUOllSfll.
do |)«i(I(! wiilulbcon(1 crcii, do Iioido sluaphooTidoron, hot aolitcrlioofds-hoon, lust wiggoltoon on hot /oof'lioon. Dozo lioondorcn /ijii mot talrjjko. lundvoi'iniü'o wifsfooksols. dio in (dkiindoi1 S'i'iil'oii- nun do zoo^oniiimulo nu don \;ist siiniongovdo^d. don bodoin \';tii do horsonkus lust /ooflsoon. dut huur vuu do noiisludto scdioidt on hot wiggohoon. 11 ot aangoziclit bostuat uit \\ al/.ondorlijko lioondoron; óón oi' van. tlo ondorkauk. is liowoogljjk vorbondon
aan do lioido slua|d)ooiuloi'on. Dis (indoi'-kaak kun door oono valscho liowoging nir hot gewricht gowrongon worden, waar door mondklem ontslaat. In zoodanig geval drukke men de onderkaak eerst schoot naar honodon on dan naar do gowriciits-holhs terug.
Do hoven- en do onderkaak dragon in holton (tandkassen) .'i'2 tandon, die inwendig uit zacht tandhoon. aan do op|)or-vlukte uit oono zoor harde iioonmassa, hot glazuur, hostaan. Zelden hooft do niensch roods hij do gehiiorte oen of , , ,, ... moor tanden, meestal broken do 8 snij-
l itf. Df monsolu'ljjkc sclu'tlcl vim ter zijde.
A Vo(U'lioorlt;lsl)(Mii. 1'. WiindbiTii. (' Slnapbcfn. fjindcil rci'sl ill het tweede lllllfjilJir I) \VvlfiiK' ! I' lt;1 li 1\IH'(â ii, lquot; lUtvi-nkiiiik. lt;gt;
Ncustii rniliTcn 11 (inil.ildiak. K \(-lik'r-li..of.is- V(l|uvil de ï hoektanden lucii. n-h \\ ciiklu'aiiNvlxi^i'M des vooilmotabci'iis nu l
lut jukbrenuitHtCfksfl (/gt;). - VodihoolMsluTnuit .....iw-f .l,,/,* .nn nil /» vlidi» dn nnrsh'
Mr. ks.-l vail hrt Juki.....ii. r/ licvcnkuaksuilsD oksri lt;'11 MMJlsr (Ic/c a.m ('1 K(' /j|(U (U (lt;I gt;H
» r vun. ' Ondcrsii' mini van lu-l jukbrcii. / Slaap- . . )n i .iw| ,, 11 ,,
uilshi'ksi'! van hel jukbcrn mrl liet jnkhicnnit- tWCC K IC/CM. I )('/â lt;1 tillincll \;MMll
stcckscl van hot slaapbi t-n (//) satnon don jnkboo^ . .
vorinrnd; daaronder df ^laap^nu-v r. //Openingquot; van \;|ii ;if' het ZCVCIKlC IcN ('USjail 1' ^,(»\V(K)llll|k
den nitNvendigon ^i-lioorgang-. / Hcimbdci l van lift slanpboi'ii. / reptdnitstcokscl van liet siaapbom. //' Voorliooldbi'cnuitstooksfl van lt;!«⢠bovenkaak, /' Voorste nousuitsteeksol. quot; Kin. /gt; ()penin«- voor de uithvdiritf van de oinlerkaaksNiatfador. gt;/ Hoek van di- oii'lrrkaak. /â Krooniiitsleeksei. .« (i»*wrielitsuit-stookgt;el ervan. quot; Opt-nin^. waardoor e« n aany-e/.iehts-slajfatlor en een aftiige/iolitszeimw nitlrelt;'di. / Kruisnaad, //â¢. Soliubiiartlt;l.
in dozolt'do volgorde weer uit (molktunden), en worden door ovonvool nieuwe vervangen. .Met hot negende jaar komen nog vier nieuwe kiezen en soms eerst in hol quot;'.stts jaar de vier liiiitste. Voor do gezondheid en hot lange bolioud dor tanden kan men veel doen. door zo dagelijks te reinigen en door plotselinge afwisseling van koude en warme spijzen en dranken to vernijjdon.
De i'i horstworvols zijn hijzonder stevig en van grooto doornuitstooksels voorzien, die men in 't midden van den rug kan voelen: zij dragon elk oen paar ribbon. Dit zijn platte boondoren, die zich naar voren onibuigen ou door middel van kraakboonstukken eonigszins hewooglijk verbonden zijn met het horstboen, zoodat zij hij het adoinhalen op en neer kunnen gaan. De 7 bovenste paren rihbou zijn ware. de overige zijn valscho ribbon; de laatste zijn niet onmiddellijk niet liet borstbeen verbonden en worden naar beneden toe korter.
'j'T.iaiiitt
Bimieii de hierdoor g'cvornulu UorsfUus li^cn de longen en liet hart (/.ie l)lz. .'!()). lief hovenste quot;â¢â edcelkquot; vmii de borstkas dient tegelijkerfjjd tot iianheehting der armen. Om aan de beenderen en spieren der verse haften, zijn voor eiken arm nog twee heenderon aimwez.ig. liet erne.
het s I e n t e I hee m . is /.wnk S-vor-mig gebogen en is aan hef eene uiteinde niet het borst been verbonden,
terwijl het andere aan het schouderblad vast /,it on daarmede den schouder vormt. 1 [et sehouderbliul is een groot, plat been, van driehoekigen vorm, dat y.ieh van den sehoudrr tot diidit bij den rnggegrnat uitstrekt en sleehls door vleeseh (spieren) en banden op y.ijne plaats gehouden wordt. Aan de aehter/jjde
draagt het een grooten kam. waardoor een groote aaiilieehtin^splaats voor spieren wordt gevormd. Aan het voorste uiteinde van het schouderblad is het op per-arm been door een gewricht verbonden. Door den bolvorm van het gewriehtshoot'd van bet oppcriirmbeen. die in de gewrichtskom van het sidionderblad past, is de arm in alle mogelijke richtingen beweegbaar. De beweeglijkheid wordt bier, ( venals bij andere gewrichten, bevorderd door de bekleeding van ge-wrichtshoold en gewrichtsholte met eene laag volkomen glad kraakbeen en door de afscheiding van een dik olieachtig vocht daartussclien, waardoor zij als hel ware gesmeerd worden. Elk gewrieht is door een stevigen. vliezigen. band. den beurs band, omgeven, die de bende beenderen met elkander verbindt; soms zijn er nog andere ge w r i c h ts b a n d e n . die dienen om ze op hunne plaats te
1 )lt;â worvclkolom, «l»1 borstkas on do schoiiderbecndcrrn van vort n.
it Atlas, h l)c draaier met de spil ft. . I.aatsli'halswervel. (I iOcrste, c laatste borstwervel. /' Eerste, 1). Mcil Spreekt VMII eene ver- .'/laatste lendenwervel. A Kerste, /laatste ware rilt.
1 /. Kib k raak been. / Valsehe rib. m Vrij «'indiffCiKle
stuiking. indien, tengevolge van een ':'.i,; .quot; i{lt;gt;lt;i'i»?n--|. .. tiWiaum.
voiMiiiquot; in t s t i'ck sicl \;in het ho ist In i-n -/ Slrllte meen.
vonnis' uitsteeksel van liet borstbeen. 7 Sloutelbeon. Iwiiv/wiln..' Ilit Schouderblad. gt;⢠«oNvriehtsholte voor het oppor »)( \\( 0II1Ã, llll- jtrmbeen. / Solioudertop. n Kavonboksuitsteeksel.
al. stoot of verkeerde
T)o in on sell.
(inrmtinle run tien linlicrarin.
A Oppcrarnibeen.
a Gowrichtskuobbd. h Hals. c- (iroot il klein spienütsteeksol of rolheuvel, c Pees-groeven. /' iihmeiiste (j buitonsto oppor-annnitsteoksel. h (iewrichtskuobbel ter ver-l)incliiig met do ellepijji. Aan ile aehterzijde bevindt /icli boven de rol een diepe groeve voor de opneming van het olleboogsuitsteeksel, dat bij hot strekken van don arm als pal dient.
15 Kllopiii).
/.; Klloboogsnitstceksel. I Oewriiihi sliolto der ollepijp tor verbinding met de rol i p Onderste gewriebtsknubboltje der ollepijp.
C Spaak bot'ii.
in Gewrichtsknobbel. u (iewrichtsliolte. o Knobbel voor do aanboditing: van de pees der annbuigspier. q Onderste gowrichtsknobbel van het spaakbeen.
1) I laiKlwortoIbccntjes.
1 Schuitheon. 2 Maanbeen. Driekante
boen. 4 Erwtenbeen. 5 Groot f) klein
veelhoekig been. 7 Hoofdbeen. 8 Haakbeen.
]â ] MidilolliaiulslioriHhü'cn.
r. (iâro.
F Ving^'rhcondtM'cn (kootjus).
De duim met 2 U^.,) do overigo vingers met v! kootjes (S^.S;,).
(leruitmlf- vuv hul rech!erheen. A Dijlictm.
n, b, c en d als bij hot oppcrarnibeen. r liuiteiisto /' binnenste dijbeenknobbel. (j Knieschijf.
15 Hchecnbcoii.
i Bnitenste k binniüiste sclieeiibeonknob-bel. ot lünnenknokkol.
(' Kuitbeen.
I Kop van bet kuitboon. n Buitonknokkel. I) Yoetwiii'telbeemlei'en.
I iSprongbton. '2 lliolbeen. ^5 Scbuitbeen. I Kerste, 5 tweodc, (I derde wigboon. 7 Teer-lingbeen.
!â¢; M iddeh i lefsbeein leren.
o ( I .-i).
i'1 Teeliheendei'en (kootjes).
De groote toen met 2 kootjes de
overigo met 3 kootjes ('ii'/-'!1,).
f)
Hot gonuinite. 7
rekking of sclicuring dor hiuidcu van een gownVhf lundt plums goliiul, Wiit zrcr pjjiilijk is, doch dc licwcging nict goiiool licicninicil, .Men lioude hcf dan zoo rustig niogdjjk en koele hot at' door omslagen van jjs. sneeuw of koud water (liefst in een blaas) om ontsteking te voorkomen. Hij verrekking laat liet gewricht geene bewoging meer too; de gowrielitsknoliliel moet door een geneesheer weer op zijne plaats gebracht worden en de volkomen gonoziug eisebt veel tijd.
liet benedeneind van bel oppor.irinl...... is door een
knobbel verbonden met bot de ollopijp, waardoor hot elleboogsgewricht, ontstaat, dat met een scharnier kan vergeleken worden on slechts bewoging in eeno enkele richting toelaat. Naast de cllepjjp ligt hot spaakbeen.
dnt do lt;S kleine, in twee rijen gerangschikte b a n d wo r I e I-iieentjes draagt. liet kan om de lengte-as van dc ellepjjp draaien, waarbij de hand natuurlijk moodraait.
De band wortel beent jes zijn door peozigo, stevige banden aan elkander verbonden en vormen hot handgewricht.
Daaraan sluiten zich dc 5 m i d d o 1 h a n d s b e e n d e r e n,
dio op hunne beurt de 5 vingors dragen. De duim bevat 'i, do overige vingers :i kootjes.
Aan het lager gedeelte der wervelkolom zitten dc beenderen van het bokken met heup- en zit beenderen. /e geven aan enkele ingewanden bescbnttiiif;
en dienen tevens tor aanbechting der beeiien. Deze hebben wat hun gcraanite betreft veel overeenkomst mot de armen. (Zie Hg. lt;i en 7). liet dijbeen is evenals bet opperarmbecn een zeer sterk pijpbeen en draagt aan
liet boveneind zijdelings een bolvormig gewrichtslioofd, Vin)r(.r!i. , âââ.ion d.Thand-
I,» ii ⢠⢠1 . i i. i t wortel. 2 Handen tustichon
waarin00 hef lil vrwr holvonnige gowrichtslioltc v.ill hor lumtiwortel .gt;n miadolhand,
. . . . . . . . . , , , ⢠i ^ tusschon middolhand en vin-
bokkon is hovostlgli. Aan het l)OlV()l,nilgO ncnodonoilKl ffrrbccntjcs, 4. tusaohen dc yin-
t» , Kt'rkootjoH.
is bot door een scbarniorgowricbt verbonden met hot
sc li 0 en be e n. Dit kil iegewricht is nog versterkt door eene knieschijf, een roiulachtig, bijim bartvorniig. klein beentje, dat door stevige banden op zijn plaats gehouden wordt. Naast bet scheenbeen loopt het kuitbeen, dat daarmede onbeweeglijk verbonden is. j\an scheen- en knitbeon zitten de 7 voet wort el boe n duren. Het bovenste is bet sprongbeon, het achterste en het grootste is het hiel been. Aan de voorste rij der voetwortelbeenderen hechten zich de 5 middelvoets beenderen, die de teenen dragen. Deze bestaan evenals de vingers elk uit kootjes, behalve de groote leen, die er '2 bezit.
T)e niensch.
Aanvaukflijk. zjjii allis deden vm: hef. guraamh! zacht, kraakheenaehtig. Zjj zijn, evenals ih; hai'd geworden lieenderen, met hef beenvlies o verf rok ken. Daarin verfakken zieli falrjjke liloedvafen, die voor een deel in hef inwendige der heenmassa dringen, om daar de grondstoffen aan te voeren, noodig voor den groei en voor de verharding van hef nog zachte heen. Voor het laatste, doel dient de beenaarde, waarvan phoRpIiumiro kalk het hoofdbestanddeel vormt; zij begint bij groofere skelefdeelen gewoonlijk op meerdere plekken tegelijk. De daarfnssehen gelegen kraakl)eeiiig(! doelen hebben onderfnssehen gelegenheid zich nog langen lijd door groei te vergrooten, tot ook zij eindelijk verbeend zijn. liij kleine kinderen is de schedel tusschen de beide watulheenderen en het voorhoofdsbeen nog heel week. zoodat men den polsslag in de hersenen er door kan waarnemen. Kerst na bet twintigste jaar verbeenen de naden van den schedel volkomen, l it den nifwendigen vorm des schedels is niets met zekerheid op le maken omtrent den vorm van de daarin aanwezige; hersenen en dns ook niet omtrent de geestelijke vermogens van den mensch (l'hronologie).
Daar bij kinderen de; beenderen nog zacht en kraakheenaehfig zjjn, heelt men er goed op te letten, dat door slechte houding des lichaanis, le nauwe kleeding enz. geen misvormingen van het geraamte worden te weeg gc brac lit (eorseffen hij jonge meisjes!). Ook ziekten, b.v. de Engelsche ziekte, en ontoereikend voedsel in de prille jeugd kunnen de oorzaken zijn van eene onregelmatige ontwikkeling ,,,, ,(, lichte, breekbaarheid van bet geraamte. Beenbreuken hebben overigens meer plaats bij oudere; mensehen dan bij kinderen, omdat bij de eersten de beenderen bros zijn. i'dj hef heeleu eener beenbreuk vormt zich eerst weer een kraakbeenige stol', die langzamerhand verbeent.
Volkomen ontwikkelde beenderen bevattei.....geveer tweederde van hun gewicht
aan beenaarde en een derde aan kraakbeenige; stof (lijmste)f), elie door langelurig koke-n in dicht gesloten ketels in lijm overgaat, lle-t binnenste van ele groofere bernderen is in de'ii regel ge;vnld niet eeai los, spemsaehfig weefsel, dat met (ionkerreioel merg ge'.vuld is. Van de' pjjpbeendeivn is he't middelste ge-deelfe lied e-n met merg gevuld.
\ Icoseli en vet (spierstelsel).
(ijj kunt uw lichaam vergelijken met e'en bootje-, elat met riemen wordt veiorf-bewogen. Armen e'ii beemen me'f luinne; stevige lange be;e.nd(;ren zjjn de rieaneu. waarme'e geroeael worelt en ele vleesch- of s p i e r b n n el i'1 s, elie er aan veiorkomen, zjjn eh* re)e;iers, elie1 ele* rieaneai hanfeereat. /00 heanerkt gij voor aan den boveaiarm eaaie; elikke. sjioedveinnige vlee'schmassa, elie' in 't midden he-f elikst is. liet bove;nste; niteinele' van eleze' armspier is aan het se'hoiiderhlad bevestigd.
Vlfo. li VII vel
liet Jindcrr uitrindc loopt in rcnc snuillc, (]uiiii(k. zcrr Vii.sfc pees i-iif, die «ümi liet sptuiklxMMi \jist zit. Daar, wnar Ijijzondcrc kraclHii^v m-im igt;igt;n lwgt;igt;n lwgt;\'igt;wfiirlt;l
/.jjn, hi'/.it dil (likwjjls kiimincn cii nitstcclvscls.
mot de IuiikI iiiinf Itovcii scliuif't dl' zoo (looi-UW wil de spier docf siimriilrck ken, ijiin wul'dt /,ij kortci' en dikker en de hcMcdciiariii wordt naar hoven getrokken.
De inwendige bouw van eene vlecsch- oi' suier-mnssii kunt f^'c zeer gemakkelijk bij liet eien van kali's- of rundvleeseli waarneineii. Iedere spier is door een blauwaeliti^' wit vlies omgeven, dat aan de uiteinden in pezen uitloopt. Zij bestaat uit een grooter of kleiner aantal spierbundels, die weer een fijn, vliezig- omliulsol bezitten en in evenwijdige
ricliting samengevoegd zijn. Eindelijk is iedere snier- lt;» opperarmbeen. h Kiiopijp. . Kiii-. ii- ⢠boo^sg^wricht. '/ArinbuiR-spior. ' Oor-
IjimkIcI weer sjillicn^'cstcld Uit spici'vc/cls, die door «pronn:. / AanlioulHintf er van.
bet ongewapende oog niet te onderscheiden zijn. Door liet microscoop gezien, blijken deze spiervezels zoowel in de lengte als dwars gestreept te zijn. (Zie lig. 10). Zij zijn liet, die bet vermogen bezitten zich samen te trekken. Dit geschiedt door den invloed der zcunwen, die hen als het ware het bevel daartoe van onzen wil overbrengen. Hoe deze werking van de zenuwen op de spiervezels plaats heelt, is nojr een raadsel; houdt zij op. dan verslapt de vezel weer. Hij de samentrekking eener spier wordt warmte ontwikkeld. Ook ondergaan de sappen, die zij bevat, een verandering van samenstelling en wanneer eene spier dikwijls achter elkaar ol langen tijd aehtereeii geprikkeld wordt, wordt zij vermoeid. Zij gehoorzaamt dan aan den prikkel der zenuw minder snel en moeilijker en eindelijk in t geheel niet meer. Zij heeft dan een tijd lang rust noodig om zich weer te herstellen, 'lediirende dezen tijd zuigen de Ivmphe- en bloedvaten, die evenals de zemivveii de spier als een fijn vlechtwerk doordringen, de veranderde, als het ware verbruikte, sappen nil de spier open voeren ze weg, terwijl het bloed ((gelijkertijd nieuwe voedingsstoften tot herstel der spier aanvoert. Door eeuc geregelde afwisseling van inspanning en rust kunnen de spieren aanzienlijk versterkt worden, evenzoo kau men ze door aanhoudend gebruik buitengewoon oefenen in vlugheid. Het is geen inensch mogelijk alle spieren zijns lichaams geljjkmatig te ontwikkelen. \ ele spieren worden zelfs bijna algemeen van de prilste jengd al zoo veronaebtzaanid. dat zij op lateren leeftijd in 't geheel niet meer aau den wil gehoorzauien. De teenen, die wij gewoonlijk iti een vast omsluitende voctbekleeding bergen, kmuien we later nauweljjks meer tot eene noemenswaardige verrichting gebrniken. Volken daarentegen, die altjjd op Iiloote
9
Do nioiisch.
voelen fi'iiiin, en personen, die zomlei' liandcn gelioi'eu zijn. volbrengen er dingen mee, die we slechts met onze vingers mogelijk achten. Men heeft menschen gekend, die zich met behulp der teeneu geschoren hebben, die aan tafel er vork en lepel mee gebruikten, er mee genaaid en geschreven hebben. N og in 't begin van 18o(j leefde in Parijs een man, Cesar Ducornet, die, zonder armen geboren zijnde, met de teenen het penseel hanteerde en als bekwaam schilder bekend was. Bij bergbewoners ontwikkelen zieh, tengevolge van het inspannend bergbeklimmen, de spieren der beenen bijzonder krachtig; evenzoo bjj dansers, ofschoon op eonigszins andere wijze, en enkele snelloopers konden het zoover
brengen, dat ze een paard in snelheid en volharding evenaarden. Mogen ook vele verhalen van reuzen en sterke menschen uit vroeger tijden overdreven zijn, een feit is liet, dat er ook tegenwoordig arbeiders, worstelaars en athleten voorkomen, wier spierkracht in armen, nek of andere lichaamsdeelen verbazend groot is. Goochelaars, virtuozen op muziekinstrumenten en andere kunstenaars kunnen door de snelheid en zekerheid, waarmee ze handen en vingers bewegen, do meest verrassende dingen volbrengen, alsof ze tooverden.
Er zijn ÃW paren spieren met gestreepte vezels in ons lichaam voorhanden, liet zijn de werktuigen voor de willekeurige bewegingen. Vele er van komen aan het hoofd voor en bewerken hier de veranderingen in de gelaatsuitdrukking, het openen en sluiten van mond en oogen, de bewegingen bjj het spreken ; ViK, 10. 01«,ld,, g-f'stret'pu''quot;pii'r- andere zitten aan de armen en beenen en aan den o,quot;iirquot; inif'wai'ida- skl u'isi'!!'!'.'.quot;quot;i» romp. Zij dienen voor liet strekken en buigen, het
spi,11'. (Vergroot). mmil vergroot. i â i , i ir i i.
zijwaarts wenden en draaien, het ophenen en neei laten der lichaamsdeelen. Op sommige plaatsen liggen ze in drie lagen over elkander. Ze hebben niet alle den vroeger beschreven vorm; sommige zijn plat, vlakvormig uitgebreid, zooals die, welke den buikwand vormen en over borst en rug liggen. Bij kram]i ontstaat samentrekking van de betrokken spier tegen onzen wil in, terwijl bij verlamming zekere spiergroepen niet meer aan den wil gehoorzamen, liet komt nog wel meer voor, dat spieren zieh samentrekken en dus bewegingen veroorzaken, buiten onzen wil om, of zelfs in strijd daarmee, liet zijn de zoogenaamde reflexbewegingen: door gemoedsindrnkken worden de aangezichtsspieren buiten onzen wil om geprikkeld en veroorzaken door hare samentrekking veranderingen in de gelaatsuitdrukking, die den aard der gemoedsindrnkken
â 10
Vleescb en vet.
viM'railoii. ZdiuIci' het te uillcn, moetfii wc luclicn ot'wcoiu'ii ; cciu' prikkcliii};; in dt» luclitpjji) otquot; iiai'o takken voroorzaakt hoesten: vele menschen ki'jjg'i'ii rillingen en krampen als ze bloed zien; andere niezen, zoo ze, naar de zon kijken; dooi' het zien van akelige voorwerpen ot' reeds door er van to houren spreken kan braken ontstaan, liet sluiten der oogen, zoo een voorwerp ai te dicht liij liet oog; dreigt te komen, het inslikken van iels, dat achteraan in den mond komt, het plotseling terugtrokken van de hand. zoo men dc brandende kachel aanraakt, bet uitstrekken der armen om zich daarop te steunen als men valt. zijn alle zulke reflexbewegingen, waarvan de moeste als zeer nuttig moeten erkend worden. Kene verklaring er van zullen wc later, bij het zenuwstelsel geven.
De werkzaamheid der spieren bij gyimiastisoho oefeningen, werken, loopen enz. komt In â¢r glt; 'hcele lichaam ton goede. Dc bloedsomloop en dc bloedvorming worden er door geregeld, dc hersenen tot rust gebracht, dc wil versterkt, het becnstclsol krachtiger ontwikkeld; ademhaling en spijsvertering worden er door bevorderd.
Spierzwakte kan door eeue gezonde voeding, verbonden met passende werk-zaamheden, genezen worden. Door afkoeling kan pijnlijk spicrrheumatisinc ontstaan. Ook door trichinen, kleine microscopische ingewandswormen, kunnen dc spieren zeer pijnlijk aangedaan en zelfs geheel verwoest worden, zoodat zelfs dc dood het gevolg kan zijn. Deze wormen kunnen slechts door hot eten van vleescb van een zwijn, dat aan de trichine-ziekte lijdt, in ons lichaam geraken. Men kan er zich dus voor behoeden, door varkcnsvlceseh alleen Hink gekookt of gebraden te nuttigen en niet rauw of onvoldoende gekookt.
Behalve de besproken spieren, die we willekeurig kunnen doen werken (an imale spieren) zijn er in ons lichaam nog andere, die reeds aan hunne lichte kleur te herkennen zijn. uit gladde, ongestreepte vezels bestaan en zich samentrekken en verslappen zonder dat daarop onze wil don geringsten invloed kan uitoefenen. Het zijn de gladde of organische spieren. Zij komen uitsluitend in de ingewanden voor in don wand van don slokdarm, de maag, de darmen, bet onderste gedeelte der Inchtpjjp, liet middelrif, dc urinobiaas enz. Slechts hot hart maakt eene uitzondering, omdat het uit spieren bestaat met gestreepte vezels, terwijl zijne bewegingen toch onwillekeurig zijn.
Het vleescb der dieren, dat met dat van den inensch zeer veel overeenkomt, kan ons ook inlichten omtrent zijjne stotfeljjkc samenstelling, liet bestaat meestal voor drie kwart van zijn gewicht uit water, de rest bestaat gedeeltelijk uit in water of spiritus oplosbare stotfon, gedeeltelijk uit in water onoplosbare vezelstof (fibrine). De laatste is eene eiwitachtige stof en als voedsel voor den mensch van het grootste belang. I1nsschen de spiervezels bevindt zich het vleeschsap. dat veel overeenkomst heeft met zwak verzuurde melk.
Tusscheii en om de spierbundels vindt men in vele licbaamsdeclen vet
III' mensch.
iifn'c/L't. Dit bosfimt uir uiturst kleino holletjes (vcrcolleu), ilio zich sumciivtiugcn tot (IriiitVoi'inigc lobl ion, we Ike met fijne bloed vuiltjes doortrokken zijn. lU'f vet kau iiiuir oinstandigheden drieërlei beteekenis lieblieii. De vetlung, die zich ouder de huid uitstrekt en die hij vele diereu eeiie iumzieulijke dikte bereikt (wulvisch, vetgans), houdt de liehaainswarmte tegen en biedt grooten tegenstuml aan het indringen der koude vau luiiten. Xe is dus een hesehuiteude. verwarmende mantel.
Hij overvloedige voeding wordt dikwijls de overtollige ......lingsstof iu den V(irm
van vet tusschen het biudwi'et'sel afgezet. Zulke ojieenhoopingen van vet vormen zich in de nahijheid der nieren, aan horst en huik, in hef aangezicht, aan armen en heenen enz. I'ersonen van rustigen aard hobhen daartoe meestal meer aanleg dan die met een leveudigen geest of' prik kei haar gemoed. Hij quot;â¢ebrekkiire voedinff of' hij ziekte, b.v. koorts, die het licliaam verzwakt, wordt meestal de vetvoorraad eveuzoo snel weer door liet hloed opgenomen en verbruikt. Sommige vetdeeleu worden evenwtsl zelfs liij langdurig gebrek aan voedsel niet verbruikt. De vetmassa, die aan de achterzijde van een oogbol zit, vormt een zacht veerkrachtig kussen, waardoor beschadiging van het oog door druk veelal wordt voorkomen. Aan de voet/,ooien en in de handvlakte bevinden zich vetlagen, die goede diensten bewjjzen tot verzachting van eiken druk en stoot. ()|i andere plek ken verhinderen zij onderlinge wrijving en verschuiving van spieren en andere deelen. Hier kunnen ze evenwel, wanneer ze ziekeljjkerwijze zich al te sterk afzetten, hinderljjk hij de beweging eu voor de betrokken personen zeer bezwaarlijk worden.
Hersenen, riiggeinerg en /eniiwen. (Zi'innvstelsel).
Drukt een steentje iu uw schoen uw kleinen teen. dadelijk kimit de tjjding daarvan in uw hoofd aan en even snel gaat het bevel naar hand en voet om den rustverstoorder te verwijderen. Alle deelen des lichaams, slechts de baren en nagels uitgezonderd, zijn van zenuwen doortrokken. Dit zijn tamelijk vaste draden of buizen van verschillende dikte. De meeste vertakkeu zich als de twijgen van een boom totdat de laatste vertakkingen zoo fijn zijn, dat men zelfs met eeu vergrootglas niet in staat is hun loop te vervolgen. Vele daarvan hebheu de eigenschap aan hun uiteinde voor allerlei inwerkingen, die het lichaam ondervindt, zeer quot;woelig te zijn. De eeue is uiterst gevoelig voor licht, andere voor gehiidstrillingeii, weer andere voor de inwerking van riekende of smakende stoffen, de meeste evenwel voor de zoogenaamde gevoelsindrukken in engereu zin, zoowel die van buiten komen als die. welke iu het lichaam zelf worden voortgebracht. Deze zenuwen zijn de gevoels- of z i u t u i g s z e u u we n . Evenals door middel der telegraafdraden berichten uit alle oorden des rijks naar de hoofdstad worden
12
Ilcrsi'iicii, riiKPTi'iiH'i'p: i n ai'iinwiMi. | ;gt;
overffi'lti'iiclit, zoo wordt dour do jfcvoolszonuwon vmii olkoii jirikkol. dion /ij ondervinden, omniddeliijk hei'ield naai' de hersenen gezonden. De zenuwen inoefen een lieimnlden graad van gevoeligheid ol' jirikkeibaarlieid hezitten. wil men zich liehagelijk gevoelen, /oowel sloin]iziiinigheid. een gevolg van te geringe prikkelhanrlieid der zenuwen, als hovennialig verhoogde prikkelhaarlicid, zijn teellenen van onwel zijn. 1 leide toestanden kimnen het gevolg zijti van onvoldoetide voeding, van aanhoudende kwelling der /.innen ol' van den geest, o( eindelijk van het geliruik van vergiftige stoffen (tabak, (i|iiuni, spiritualiën, sterke kofHe. thee en/,.). Van oogen ett ooreti. neus en mond,
en van alle andere deelen des li( haams worden dus de ontvangen prikkels over-gehracht naar de hersenen. I lier komen /.ij pas tot hewttst/.ijn en wordt de aard er van herkend. Omtrent ons zieleleveu.
hoe howustzijn en wil. gedaehteti eti rede-neeritigen, herinneriagoti en wenschen otit-staan, is ons nog niets met zekerheid hekend.
Van de hersenen en het rttggemerg gaan verder nog zenuwdViiden uit naar alle (leeleu des lichaams. die de hevelen van den wil naar de spieren overbrengen en wier fijnste vertakkingen met hun steinpelvormig uiteinde mot de spiervezels vergroeid zijn.
/ij prikkelen deze tot samentrekking en doen zoodoende hewegingen ontstaan. Men noemt ze It e weg i n gs/, e n n w e n ; zij zjjtt van de gevoelszentiwen in hun uiterlijk niet te onderscheiden. De hersenen vormen het centrale deel van hef animale zenuwstelsel, waarin drieërlei werkzaamheden plaats hebben: het opnemen van indrukken en het overbrengen daarvan naar de hersenen, hef verwerken er van, zoodat zij tot bewnsf/jjii komen, en oindeljjk hef overbrengen van hef hevel tof samentrekking ol' verslapping aan de spieren der verschillende licltaamsdeelen. De hersenen zjjtt in verhouding tof de grootte des lichaams bij den tuensch hef grootst en wegen I I 1 K(l (bij vrouwen gewoonlijk 1 ,, KG tuinder dan bij mannen); de hersenen van hef veel grootere paard wegen slechts :t , KG en die van den rensaedtfigen walvisch slechts'2 1 K(gt;.
Do hersenen zijn in de hersenkas goed geborgen en tegen beschadiging beveiligd, niet alleen door de hersenpan, maar ze zijn ook nog door vliezen omgeven. Zij bestaan uit twee hoof'datdeelingen: de groote en de kleine
Ie
on»f.
De rm'lisrli.
her se ii en. Do groote lig'gon in liet voorste en bovenste deel van tie hersonkas. de kleine in Jiet achterste en laagste deel. Hindu afdeelingen zijn door ecne dicpe ovurlaogsche groeve in erne linker- en rouhturhelf't verdeeld, die elkander
wederkcerig schijnen te kannen vervangen, de Va roI sb r n «â met elkander vurlionilen ;
(iroote en de rudlter-
Hersenen, rngffenierg en zenuwen.
zoor iiiideoligo govolgoii voor do Iioi'soiion liohlion, dio aniileiding govon tof Hjdoljjko of duurzamo vornhindsvorliijstoriiifj,' of zelfs don dood kuimon veroorzaken.
A'an don grond dor liersoneii onlspriiigiiii I'J panui zcimwtakklt;'ii, die naar de oogon. ooren, den neus, den wortel der tong en naar andere dooloii van liet hoofd gaan. Door het verlengde merg staan do hersenen in vorhinding niet het rugge-inerg, dat zich in oene holte van do wervelkolom (rnggemorgska na a 1) bevindt en zich tot aan het heiligbeen uitstrekt. Het is evenals do hersenen door o vliezen omgeven. Tussehon elke twee elkandor opvolgende wervels tieodt een paar zenuwen daaruit te voorschijn, die zich in de naburige lichaanisdeelon vertakken. Zeer talrijk zijn de zonnwtakkeii. (ii(^ zioli naar de armen en heenon begeven, l it het verlengde merg treden 4 paar zeiiuwstammeii, die naar maag en darmen gaan. Do meeste dezer zonuwstamnien bevatten gevoels- en bewegingszennwen, waarvan de eerste in de zintnigon hun oorsprong nomen, de laatste in de spieren eindigen. Hlcehts enkele zouuwstammen uit de horsenon bevatten uitsluitend gevoels- of uitsluitend hewegingszonuwen.
Behalve de genoemde zenuwen, die direkt met de hersonen en liet ruggenierg in vorhinding staan, komen in het lichaam, voornamelijk in de huik- en borstholte, nog zenuwen van anderen aard voor, die de levensverrichtingen beheerscheii en op do voeding en den groei hetrekking hehben. Zjj bestaan uit talrijke lij'ne draden, die een net vormen met talrijke zenuwk n oopen (gangliën), dit zijn kleinere of grootero opeenhoo[)iiigon van zenuwmassa, waaruit zenuwdraden ontspringen. Aan beide zijden van de ruggegraat vindt men in de lichaamsholte «â ene rij zulker zenuwknoopen. die met elkander en mot de zenuwen van het ruggenierg verbondon zjjn en die huiino fijne netvormige vertakkingen naar de ademhalingsorganon, hot hart en de spijsverteringswerktuigen zenden. De uiteinden dezer ze nu won zijn voor oen doel nauw verhonden mot do gladde spieren, die niet aan onzen wil onderworpen zijn. andere omgeven de bloed- en Ivmphvatou en de talrijke klieren in het lichaam en regelen do werkzaamheden dezer organen. Men noemt deze zenuwen het sympatische of vegetatieve zenuwstelsel: het staat in nauw verhand met het li e r s e n-r u gge m e r g of animale zenuwstelsel. Een ziekeljjke toestand van een deel van eerstgenoemd stelsel oefent ook invloed uit op het andere. Allo deelen van beide zenuwstelsels schijnen uit dezelfde stof te bestaan, die rijk is aan eiwit en aan phosphorhoudend vet. Tjjdens hunne werkzaamheid worden hesfanddoelen er van verbruikt en deze inoefen door nieuwe vervangen worden, die het bloed aanvoert. De zenuwen moeten dus, evenals de spieren, na oen tjjd lang werkzanm geweest te zijn, rust genioton. Daarom is de slaap eene wezenlijke behoefte voor don mensch â het hersenlevou, tenniinste voor zoover liet met zelfbewustzijn gepaard gaat, staat dan stil. Volwassen personen moeten dagelijks 7 uren slaap genieten, kinderen en zieken meer. Hij persiinoii met levondige
ir.
1»«' nniiiscli
vcM'lieeldiiig' werken sommige deelen der hersenen ook tijdens den slmip verder.
............ hel: .......... ontetnnt. Dmirhij outhreeki evenwel de helioorljjko sainen-
hnng tnssehen de entstiine vonrsfcllingen en meeshil «Mik het heldere zelfhewnstziju. In zick(dijke teeshindeii knimen het hewnsUjjn en de vele nndere werkzaamheden van den geest slupen en het ludiaam toeh dingen volbrengen, die liet anders slechts
in wakenden toestand kan verrieliten. Daardoor ⢠uitstaat liet slnapwandelen (somnambulisme). De vegetatieve zennwen schijnen geen rusttijd noodig te lieblien; de ademhiiling, de bloedsomloop en de groei b.v. gimn steeds onafgebroken voort.
NV orden zintiiigszenuwen te sterk geprikkeld, d dan kan eene tijdeljjke. ja zelfs eene blijvende volkomen ongevoeligheid daarvan het gevolg zijn. N\ ie in de zon kjjkt. khii een tijd lang niets anders meer onderscheiden, zelfs voor goed blind worden.
De veelvuldige verbindingen van gevoels- en be weging;-zeim wen, en haiir gemeen scha ppel ij ken oorsprong in denzeifden zenuwknoop kiiniien Wy/aiW quot; dienen ter verklaring van de reflex bewe-m WnSw gingen. N\ orden sommige gcvoelszennwen
II nHU geprikkeld, dan knii deze prikkel in een zoo-
___jf IuÃIKI genaamd reHexeeiitrum gedeeltelijk overgaan
Ill
op eene bewegingszennw en ilit heeft beweging van eenig lichaamsdeel ten gevolge, zonder dat onze wil daarbij in het spel treedt. (Zie hlz. lüj. Ook de zoogenaamde weerpjjn is hierdoor ver-kliiarbanr. leniiind kan kiespijn krijgen, wanneer hij zeer schrille tonen moet .........ren. Alle
k«..^fl'mnr'r'iWJliarquot;it ''«â¢'.quot;â¢nim-nuwon tanden in eene kaak kunnen pijn doen. wanneer
komen. l)e lgt;«'i(ir symplmtisclic zenuw- ' J '
een oiikclc ziek is. ontstckiiii»- aan hart of
symplmtisdiip zunuw strengen lt;â zijn door twee fijne nan beid» zijden met lirt rnggemerg^venwijdiKU»opend( strepen aangreilnid.
lever doet pijn in den oksel ol ontstaan; ontsteking van liet heupgewricht pijn aan de knie.
De gcvoelszennwen brengen de prikkels, die zij aan hare uiteinden ontvangen, over naar de hersenen. Worden zij in hun verder verloop door buitengewone omstandigheden geprikkeld, dan ontstaat in de hersenen steeds de indruk alsof deze prikkeling op de iiiteimlen ingewerkt had. Stooten of drukken we b.v. aan het elleboogsgewrieht tegen het zoogenaamde muisje, de plek aan het been. waar
den
h»' viiT /iiim-n.
de Zfiiiiw over hccnloopf;, die vim den vierden of'vjjftlcn viii^'t'r komf. dan voelen we minder pijn aan den ellebooj»' dan in die twee vingers. Ja. we zonden dezelfde liijn Inj ztKtdanige gelegenheid nog in die vingers ineenen ie voelen, als de ^eheele hand reeds sinfs jaren was afgezet.
De vijl' xiniini.
De helangrijkste gevoelszennwen van ons lichaam, waardoor we'*in staat zijn les waar te nemen, wat ten (ais aanwezig is,
staan met hjjzondere werktuigen in verliinding, n.l,
mef de z i nt li ige n, ieder zintdi^' is hestemd voor het opnemen van eene bepaalde soort van indrukken. .Men onderscheidt vijl' z i n n e n :
gezicht, gehoor, reuk.
smaak en gevoel, \ oor de waarneming van licht,
voor liet zien, dienen de
oogen, liet OOg ligt goed IS. I)tlt; oogbollen, ffozichtKKvnuwen en oogspieren.
. . . A Oogbol. H (' Voorste oogas. (quot;Igt; Dwarse oo^iis. De (lorde, lood
hcscliur ni ('CMUâ holte Mill quot;â¢Â«'«â¢lite oo^as kan nii-t «etcckrn.l worden, zij staat in het punt (quot; loodrecht op liet papier. K Gezichtszenuw. F Kruispunt der beide «vzi.-hts-(1(' hardo {iniM^CZlclltshccil- /,',luwen! quot;buitenst*' rvclite, /; binnenste rechte oogspier; de spieren
k en h draaien den oogbol om de loodrechte oo^as; . hovenste rcehtc i lei-en rlii» ovonwnl mi. '/1 ki i oogrspier. Haar te^enwerkstor, de onderste rechte oogrspier. is dtior c quot; quot; MM 1 \quot;l\\( I op ZOO- oii/.ielnlmnr; dez.- Iw. r spieren dmaim .In, â.ârbol ,1, .hVi.rsus el).
,1,,, â¢..........Bovenste seliuiiie oogspier ilie nnnvankelijk nN .«/.e van de nan-
(iailln( \\ ||ZI mef eene \et- lieehtmifsplants nan ln-t nehterstr K-edei ltc drr ixiirholte Tiaar vimi-ii
i iiii gt; saat, doen met haar dunne pees eerst door oen Ins treedt, die iiiwendi(,'
lailg is oekleed, eat alle aan de bovenzijde des oogluds hevestiwrd is. Zij doel di'ii oogbol dim dr
voorste as MC draaien. Haartcgenwerkster,de ondersteselieeveooffspii r, heWCO'inu'en van den OOO'liol ontspringt aan In t binnenste eind van den rand der oogrbolte (aan dr
nenszijde) loopt naar biiiteu, iiebterwnai'ls oinliooK1 en iicrlit /ilt;-li bij . geilia kkcdjjk kunnen plaats naquot; ''''j ''quot;''tquot;quot;Kbol evenals f/ om lb' voorste oosas draai i'n.
heidien en dat een niet te sterke drnk of stoot er tegen niet oiiiniildidljjk kwetsing van het teere orgaan ten gevolge heeft. Zes spieren zitten in de oogholte aan den oogbol hevestigd en dienen om dezen te bewegen. Aan den voorkant bevinden zich de beide oogleden. Aan de buitenooghoeken zitten de traanklieren, die traimvloeistof afscheiden, waardoor de oogbol voebtig gelioudtni en stofvrij gemaakt wordt; deze vloeistof vloeit door de traanbuisjes naar de neusholte. De wimpers houden stof en allerlei kleine voorwerpen terug en verzachten al te scherp licht. De wenkbrainven dienen hoofdzakelijk om het zweet, dut van het voorhoofd vloeit, zijdelings langs het oog te leiden.
De oogbol is bijna bolrond, uitwendig bekleed niet een stevig wit vlies, het W.iiiNtiB's Natiiinlijke Historie. o
De monscli.
liiirdc od ji'vI i cs ^(Miiiinnd. ............â scliijiicMd t'ii houdt ullo liclit vim ter zijdt.'
tcni}-'. Ann den voorkant is dit witte vlies vcrvmi,i-vn door ci-n sicvig en taai. niiiai' volkomen kleurloos en dooi'/ielitifi' vlies, het lioorn vl ies, «lat een weinig sterker gewelfd is en als een liorlügeglas op den ooglxd zit. Inwendig is het liarde oogvlies liekleed met een zeer vaatrijk, zwart gekleurd vlies (va at vlies), In het achterste gedeelte van het oog treedt de gez i c h t sze n n w liinneu, een zenuwstam ter dikte van eene ganze]ieii, die uit den zdogenaamden gezichts-heuvcl van de hersenen ontspringt, /ij verdeelt zich hier in een uiterst fijn netwerk van zenuwen, waardoor het nelvlies gevormd wordt, dat de achterste van den ougwaad bekleedt. De holte van het oog wordt doorde k rista Hens leclingen verdeeld. I gt;e kristallens is een volkomen doorzichtig, week lichaam, dooreen teer vlies omgeven en van eene lensvormige gedaante, die voor geringe wijzigingen vatliaar is. |)e kleine ruimte vóór de kristallens, de voorste oogkamer, is gevuld met het wa te r i g v oc h t, eene waterheldere, dunne vloeistof. De grootere ach torsto oog-k a m e r is gevuld met eene halfvloeiliare, ook volkomen doorzichfiü'e stof, het glas-
t'iir. 10. O Viiatvlir». (U «itasvlics. It IKiorziclitig: hoornvtios.
I Ucfc^nboowvlies K (Jliisticliaaiu. 1- 1\ristullfiis. N Nrtvlics. 1 i (⢠li j| ji ]]it \ óól' de kristallens 1' Pupil (opening). à (ti'/iilitszi'nuw. \ VoorKte oogkamer.
\v ttard oogvlies. hevitult zich verder nog een
verschillend gekleurd (hlauw, grjjs, groen of liruiu) vlies, het rege n hoogvl i es (iris), eene voortzetting van het vaatvlies, dat door liet hoornvlies heen zichthaar is, In het midden daarvan is eene cirkelvormige opening, de oogappel ot |uipil, die zich hij te schel licht vernauwt, hij weinig licht en hij het zien iu de verte wijder wordt; het licht vindt hierdoor toegang tot het inwendige oog. liet oog laat zich uitstekend vergelijken met eene kleine camera obscura, een werktuig dat men bij eiken photograaf kan te zien krijgen. Het bestaat nit een kastje, waarvan de achterwand verplaatsbaar is en uit matglas bestaat, terwijl in eene opening van den vóórwand eene bnis ge/.et is, die eenige glazen lenzen bevat, liet licht, dat van eenig voorweip uitstralend, door deze lenzen dringt, wordt zoodanig gelirokcn. dat op de matglazen plaat een omgekeerd, verkleind beeld van dat nverp ontstaat, mits de plaat op behoorlijken afstand geplaatst is. Wordt doorschijnend oog van een wit konijntje in een papieren koker gebracht en
18
1'«' vjilquot; zimiHii. j i)
hoiiilt men dit met de voorsfo opciiiiiii' voor om i'.MMfii. diin /iot men op den !iclihT}gt;TOlilt;l vim lief oog- ccii liccld viin liet i'.iaiii en vim de dafirvonr nauwczigc voorwcriicn.
Ilt't sterk gckronulo hoornvlies, lier waterig vocht en de glasmassa uit de oogkamers, maar vooral de kristallens oeleneii samen dezelfde werking op hel lieht uit als de lenzen in de eamera ohscura. Daardoor wordteen verkleind heeld gevormd van de voigt;i'\ver|ien, die zich vóór het oog hes inden en waarvan het lichl in het oog dringt. Vult dit heeld op liet netvlies, dan gt;:ien we hef voorwerp in zijn juisteii stand, al is het gevormde heeld omgekeerd, wat waarschijnlijk een gevolg is van de ervaring, opgedaan door waarnemingen in onze prilste jeugd, toen we door de andere zinnen den waren stand der voorwerpen leerden kennen.
Als het voorwerp, waarnaar we zien. dichter hij komt, kunnen wij door de werking van spiereu de kromming der kristallens vergrooten om het heeld jnist op het netv lies te doen vallen. Dit vermogen, liet a c c o m oil a t i e v e r m o g e n , is voor iedereen heperkt. zoodat voorwerpen op zcéi1 korten alstand (minder dan lOc.M) door niemand duidelijk gezien kunnen worden. Met toeneinenden leeftijd gaat liet meer en meer verloren de persoon kan eindelijk nog slechts voorwerpen op grooten afstand duidelijk zien (mits ze niet te klein zjjn), hij is vérziend geworden. \ èrziendheid komt ook reeds hjj jeugdige personen voor, indien Imn oogns d. i. de afstand van kristallens tof netvlies te kort is. IVrsonen wier oogas te lang is. zijn bijziend; ze kunnen alleen voorwerpen, die dielirhjj zijn, duidelijk zien, lieide gehreken kunnen door het dragen van een hril verholpen worden; hij
vèrzienden met hol-, hij bjjzienden met hol geslepen lenzen, ........ verrekijkers
en vergrootglazen (lonpen en microscopen) kunnen we onze oogen te hulp komen.
I't'tzij om ......'Werpen op zeer grooten afstand of om zeer kleine voorwerpen op
korten afstand duidelijk zichthaar te maken. De kristallens kan tengevolge eener ziekte t roe hel en witachtig van kleur worden, dan wordt de pupil grijs; men noemt dit de grauwe staar, zjj kan tot volslagen hiindheid leiden. Wanneer de grauwe staar oorzaak van hiindheid is, kan de arts het gezielitsverniogen
weer herstellen door met eene naald, ....... hel harde oogvlies heen, de kristallens
in haar geheel of stuksgewijze op den hodem der oogholte te doen vallen, waar
ze allengs wordt opgeslorpt. Ken sterk vergroofend hrillenglas vóór hef oog ........
dan de kristallens vervangen. Is even wel de gezielifszemiw ziek. hetzij hinnen het oog of hniten hef oog op haren weg naar de hersenen, of is dit het geval met dat deel der hersenen, waar de gezichtszenuw eindigt, dan is ongeneeslijke hiindheid
daarvan het gevolg, ofscl...... hef oog er uitwendig volkomen gezond uitziet en
(Ie pupil glanzend zwart is; men noemt dit de zwarte siaar, Kleurlilind-heid IS eene ziekte van het oog, tengevolge waarvan de kleuren der voorwerpen in i geheel mei of slechts gedeellcljjk onderscheiden kunnen worden. Vooral hjj
jit niiMlsrli.
sj)()()r\vi'«l)i'iimljt('n liccf'l di'/.o ziekte wwls dikwijls guvflar doen ontstaan, omdat zij de kleuren der signalen niet konden onderselieiden. Door algenieeiu' lieliaams-zwakte, ingewandswornien enz. kan voorbijgaande geziclitszwakte ot Idindheid veroorzaakt worden. Een sterke aandrang van bloed naar het oog kan ook eji lier netvlies iirikkelend werken en de zieke meent vonken, vliegen en allerlei andore dingen te zien. die in werkelijkheid niet aanwezig zijn. Het is hekend, dat wij bij een slag op het oog een hliksemstraal meenen te zien. Elke prikkeling der gezichtszenuw in of buiten het oog worden we als een liehtindruk gewaar. Met gezonde oog kan soms kleine, in de lucht zwevende puntjes meenen te zien. ..mouehes volantsquot;, waar in werkelijkheid niets aanwezig is. Dit gezie'it shed rog ontstaat door kleine vezels of korrels, die in het glaslichaain zweven en waarvan de schaduwen op het netvlies vallen. Ook is het gezonde oog in vele omstamlig-heden onderhevig aan ander geziehtshedrog, wat betreft de betrekkelijke grootte, den vorm, de rieliting, de kleur en den afstand der voorwerpen. Dat we met heide oogen slechts enkelvoudig zien, moet aan de ervaring van onze prilste jeugd af worden toegeschreven; dit geschiedt evenwel slechts dan. wanneer beide oogen naar een zelfde punt van het voorwerp gericht worden en de beidden van het voorwerp dus op overeenkomstig' plekken van het netvlies vallen. Doen wjj dit niet, zooals bij het scheel zien, dan zien wij duhbel, waarvan we ons gemakkelijk kunnen overtuigen, door naar een ver verwijderd punt te kijken en, zonder onzen blik daarvan af to wenden, een vinger tusschen onze, oogen en dit punt te brengen; wij zien dan den vinger dubbel.
liet is voor een ieder een dure plicht voor de oogen, des meus(dten voornaamste zintuigen, groote zorg te dragen on alles, wat een slechten invloed er op uitoelent, te vermijden. Zoo is het zeer nadeelig voor het oog in te sterk licht te zien; het kijken naar de zon zou plotseling blindheid kunnen veroorzaken (voor de waarneming der zon, h.v. bij zomverduisteringen, kjjkt men door donker gekleurd of met lampzwart bedekt glas). Even nadeelig is liet bij te zwakke verlichling, h.v. in de schemering of hij maneschijn te lezen, te schrijven of andere fijne werkzaamlieilen te verrichten. Schadelijk is ook plotselinge en herhaalde afwisseling van licht en donker. Hij iijne werkzaamheden mag het oog niet te dicht bjj hot voorwerp, waarnaar we zien, gehouden worden; dat zou de oorzaak van bijziendheid kunnen worden. Sterke wind, tocht, zelfs Iijne luchtstroomingen door vensterroten, groote hitte, rook, scherpe dampen en stof kunnen ontstekingen in
het oog vei.....rzaken. Is een klein vreemd lichaampje in het oog gedrongen, dan
mag men niet wrijven, daar men hierdoor het hoornvlies ernstig zou kunnen beschadigen. Men trekke het bovenste ooglid met de wimpers iets omlaag en bewege den oogbol naar beneden; wassche het oog dan met koud water nit of gebruikc desnoods de pum .........II linnen doekje om het vreemde voorwerp te verwijderen.
c20
De vjjl' ziiiiii'ii.
iSmiis inrriit uien na vcrwijdcriiiji' van iict vrccnuli^ voorwt'ri) liif noji' in liet 00^' tc voelen; men late zich door dat v.ilsclu' gevoel niet misleiden. Zijn de eogen ontstoken, dan liinile men er niet een doek vast voor; men lnvsolicrnie ze ilooi'er losweg een selierm voor te liinden. liet is een zeer gevaarlijke grap iemand van aeliteren t(! naderen en liem de oogen vast dieiit te- honden; er zou plotselinge liliiuiheid door kuiinen ontstaan. Deze kan ook het gevolg zijn van een slag op liet hoofd, wanneer daardoor de zoogenaamde geziehtslienvels, de uiteinden der geziclitszemuven in de hersenen, sterk worden geschokt,
Is liet oog hot orgaan voor het licht, waardoor we kleur en vorm van alle dingen huilen ons, zelts van de ver verwijderde sterren, kunnen ondersclieideu, liet rijk der tonen wordt voor ons ontsloten door het oor. Door deze wonderlijk gehonwde poort dringt de muziek, zoowel als de geest van het woord door tot onze ziel. Ken sterk geluid kuniien we reeds door het gevoel waarneiuen, de tijne onderselioidiiig der tonen geschiedt evenwel slechts door het gehoororgaan.
Men onderscheidt aan het oor drie verschillende afdeelingen: het uitwendige, het middel- en het inwendige oor. liet uitwendige oor hestaat uit de oorschelp en den gehoorgang. De kraakbeenige oorschelp kan slechts weinig bijdragen om het geluid op te vangen. Door den gehoorgang wordt het naar liet inwendig oor geleid; het oorvet, dat in den gehoorgang wordt afgeseheiden. dient misschien om het indringen van insecten te beleninieren. Aan het eind van den gehoorgang bevindt zich het trommelvlies, een strak gespannen, teer vlies. Aan de
andere zijde daarvan ligt de middelste afdeeling van het ....... de troinmelliolte,
die met lucht gevuld is en door de buis van Mustachius met de keelholte (achter de neusholte) in gemeenschap staat. Daardoor kan de lucht in de trommelholte niet alleen steeds ververscht worden, maar wordt tevens gezorgd, dat zij steeds dezelfde spanning heeft als die iu den gehoorgang. Was dat niet het geval, dan zou liet trommelvlies of' naar binnen óf' naar buiten gedrukt
worden, wat op de gehoorscherpte een zeer schadelijken invl.....1 zou liehbcn.
Aan het einde der troimnelholte, tegenover het trommelvlies, bevinden zich twee
door vliezen gesloten openingen, die naar het inwendig........ het labyrinth of
doolhof, leiden. Naar de gedaante dezer openingen worden zij het ronde en het ovale venster genoemd. Kene rij van kleine beentjes verbindt het trommelvlies met het ovale venslor; zij worden door pezige banden op hunne plaats gehouden. Deze geh oor be e u tj e s worden de h a nier, het a a. n bee ld en de s t jjg be u ge 1 genoemd. De hamer is met zjjn steel vastgegroeid aan het midden van het trommelvlies, zijn kop is verbonden met bet aanbeeld. Dit beentje splitst zich aan zjjn benedeneind in twee takken. De langste daarvan is doormiddel vaneen klein, lensvorinig heentje met den stjjgheugel verbonden. Met ovale grondvlak van den stijgbeugel eindelijk is in aanraking met bel vlies van het ovale venster
quot;Jl
Dn nienscli.
â Mie:
liet quot;â¢('luid. dut door dm scliooi'g'ang- in ii«'t ikh' dringt, brengt liet
1 )(./(⢠Iii'wcging wordt op do go]iooi'i)oontjo« ovorgoln'uclit on door dozo
wjit trouwens ook kan gescliieden door do ineht in de troimnoliiolto en door de lioenigo wanden van de/e.
Hot inwondigo oor. dooliiot' ot' labyrinth, hovhidt: zich in eene liolto van het r o t s I) e e n. Dezo lieenige holte bestaat uit drie afdoolingon: het voorhof, de drio ha It cirkel voi'mi ge kanalen on hot slakkenhuis. Hierin zit hot vliezig labyrinth, dut uit dezelfde doelen bestaat en uitwendig den-zelfden vorm hooft. Het is mot eene waterige vloeistof gevuld, waarin zoor ine. vaste liehaampjes, gohoor-
«aiiK. li 'Iromni'iviies, CTniimiiclholtc. |) Muis viin V.iistn- , /weven Het vlie/,iquot;,o
i'hius (üorti'om pet). !gt;.â ir.-lio,.rl.lr,1|i.-s: F. llMinrr. K A.m- sl((ntj(s. /,\\(\(n. mi \ nlt;/.ini
Im-c1lt;I. 11 StijBb.Milicl. II Voorhof. I f)o drio halfcirkc lvor- , i, ,ie,.;;.....
miffr kanalen. K IVomnu'ltrap, naar lift ronde venster 1. voorhot en U( lialtillkl ivotnil^l
voerend. M Voorboftrap. N Slaupbri'il. O OorBpeekselkher. , .
kanalen z||n (eenvoudige iaiizen. /oor ingewikkeld is do bouw vnu hot vliezige slakkoiihuis. In vorm komt hel overeen mot den gewonden horen van do tuinslak; liet is evenwel door een
tussclionschot in twee liolf'ten verdeeld : de bovenste en de onderste gang. Dit tussoliensoliot besfaal gedeeltelijk nit been. gedeeltelijk uit een vezelig vlies en is met ontelbare fijne plantjes, staafjes en cellen bedekt, die men met de toetsen van eene piano vorgolijkt. Op de binnenvlakte van het vliezige doolhof vertakt zich de gehoorzenuw. Al deze inricliHngen moeten dienen om de versehillende soorten van geluid (tonen KiK. 1H. De (fehoorbcentje* van en go(lrnis(di). die door de lucht naar bet oor worden slttVk'v'''r(lri,ó,ilt;gt;t. ^{^quot;namér1! Itop' overgebracht, op de gehoorzenuwen te doen inwerken
2 huls, Ian«: uitstcrksi'l. stcol des hamers, l1' Amihcrld: .» licluinni,
(» kort-, 7 Innff uitsteoksol, s lens- i ⢠i i»
vormiK beentje lt;les aambt olds. i » vci'slnnd Villi ('IkuiKH'r te (miM'l'SclH'Klcll. I )(
(J Stijgbeugel: kopje des stijff-
bengels. â..i,i.m ln.f o'chooi' kan dooi' oefening zeer ver-
zoodanige wijze, dat het mogeljjk is zo niet behulp and vi scherpte van hot
hoogd worden, (iooofende jagers en vogelaars onderscheiden zelfs in 't vrije veld la't zachtste gedruiscli. .Muzikanten hooron versehillen in hoogte, sterkteen klank der tonen, waarvan gewone nionschen niets merken, lïjj ziekelijke locstandon van het oor kan nien geluiden ineenen waar te nemen, die in werkelijkheid niet
1)lt;lt; vijf zinnen
lu'shiiin. Zoo nu'cnf nu'ii soms in die (iiiistandi^liciil muziek, klokkengelui, gesuis, dierlijke ofmonselKiljjko shnnmen, quot;tgeruisidi vun Wiiferen dergeljjke geluiden re hooren.
De liefeekenis vun de verscliillemle deelen van her oor is minder goed liekond dan die van liet oog en ook do ziekten van liet oor /jjn veel moeilijker to onderzoeken en te genezen. Door gelirekkige vorming of ziekten van het oor kunnen hardlioorigheid ot'doofheid ontstaan. I â¢oolgehoren menscdieii (d' die hot in de prilste jeugd geworden zijn. leoren ook nier sproken, omdat zij de sprank van anderen niet hooren. Ze zijn doofstom, doeh kunnen door stelselmatig onderwijs leeren sprekon. Door sterken toidit kan ontst(dlt;iug in de inwendige dooien van het oor veroorzaakt worden, die van hevige ooipjjnen en ziokoljjko uitvloeiingen vergezeld is en dikwijls hardlioorigheid ten gevolge heeft. Dit gebrek kan ook ontstaan door verstopping van den nitwendigen gehoorgang (meestal met verhard oorvet), in welk geval de arts don gehoorgang sleehts te zuiveren hoeft om hot op te heffen. Kou hevige oorveeg kau soms plotselinge doofheid ten gevolge hebben. Eeno verstopping van de huis van Enstaehius. tengevolge van eeno verkoudheid (eiitarrh) iu de nensholto, geeft aank'iding tot suizen iu het oor. üij kinderen komt niet zelden in de keelholte tussehen do beide openingen
der buizen van Eustachins eeno slijm- (fopi-nd. A Voorhof. » Slakkenhuis. (',. «V c, tie :(
liaU'cirkclvormig-c kanalen, a Tak der ^eljoorzcnuw.
vlieswoekering voor, die liellt aanleidiiuv quot;It ^V-.' ^vonnitfe. V.gt;rwij.lin(r..n (nmpull.-n) der
, gt; vliozige naltoirki'Ivorniifft' Kanalen, i'i noIvonniKquot;. h , cl-
geeft tot verstopping van dezo buizen ,iptis,'h zquot;kjquot;- '' Si11â¢Â»1quot;!»quot;'-en daardoor tot steeds erger wordende hardlioorigheid, die gepaard gaat met dofheid van geest en met zeer gebrekkige leerzaamheid. Dir gebrek kan onmiddellijk hersteld worden wanneer do arts er vroeg genoeg bij geroepen wordt, zoodat er geen sporen van overblijven. Wordt dit verzuimd, dan ontstaat daardoor hardlioorigheid in den hovigston graad, die onherstelbaar is. Ziekte der gehoorzenuw is oorzaak van ongeneeslijke doofheid. Daar de tanden en kaakbeenderen in staat zijn de geluiils-trillingon over t(! brengen naar het inwendige gehoororgaan, kan het vastklemmen eener dunne eaontehoueplaat, die liehr in trilling geraakt, tussehen do timdon bevorderlijk zijn aan het hooren. wanneer do hardlioorigheid een gevolg is van eoa gebrek aan den gohoorgang of in de trominelholre.
Hot reukorgaan is veel eenvoudiger samengesteld dan oog of oor. Het bovenste gedeelte der iiensholte, n.l. de heide bovenste neiisscho Ipon en het bovenste gedeelte! van het neust nsse li enschot, zijn met oen slijmvlies overtrokken, waarin zich eeno laag reehtopstaande evlhidrische cellen hevindt.
o j De menscb.
TiihscIicii «leze kdincn de re n k ist a a Ij t' s voor. fijne licliiiimipjcs in den vorm van staiif'ji's. en (laiiriiicdc staan «Ie spoclvorinigc reukcolien lt;'ii do fijne vertak kinken tier re u k ze n nwe n in verliiiidin^. ISjj de gewoae inadeiiiini'- en uiladeiniiig komt de Ineht sleclits weinifj; niet deze deelen in aaiirakiiif;;. Zoodra de luelit mei kracht wordt ojilt;i'esnoveii. komt zij evenwel in veelvuldige iianraking niet de zintnigscelleii van den neus. Slechts gasvormige stoffen kuiinen (iaarop inwerken en brengen daarin sclieiknndige veraiidcringeii tewi'eg, van wier aard wij niets weten. Hike stof. die reuk heeft, moet dus dimi|) of gas omwikkelen. Soms kunnen we dit goed merken, zooals hij kamfer, waarvan de lioeveelheid sterk afiieemt, zoo we haar in de luclit laten liggen. Iljj andere riekende stoffen is evenwel
de hoeveelheid dam]) of gas, die ze afgeven, zoo gering, dar hunne aanwezigheid in dc lucht zich zelfs aan elk M vvetenselia|»|)elijk onderzoek oiittrekl. W ij hehhen heele-iniial geene voorstelling van dc stoffen, met hehulp waarvan de speurhond het spoor van een dier vindt, dat er uren geleden geloopen heeft, liij catarrh kan het reuk-vlies droog worden of wel
Kit'. 20. Dl' wand van de rechter neus- en mondholte, n liovensto, i i ilnri!' (Mine te sterke /. middelsir. , onderste neussehelp. ,/ liovenkaak. , Ziieht (fe- lquot;,l K'in (11,ul 1 nlL quot; sn 1 K' hemelte. /' Keelholte. ;/ MondiiiB der huis van Knstai'hins. /lt; Keuk- ... .i',.1,,
/enuwvleeht. ' Verlakltin^en van den bovenkaiikstak van de drie- sljjlliafst lit Hflll^ lil Zit l\( iI|Kt 11 iloeiilfe zenuw (/t*), die van m uit ook het neusslljinvlies van tast/.enuwen . T I '1
voor/ii't in die verder op den ooKholletak afeei ft. waar '/ een tak toi'stillltl geraken. lil 'lelde van is. / Tak der driedeefiire zenuw.
gevallen is het reukvermogen verzwakt of zelfs geheel opgeheven. Sterke onaangeimiue reukgewaarwortliiigen kunnen niisselijklieitl, zelfs ecne flauwte veroorzaken: van den anderen kant wordt door sterke prikkeling tier reukzenuwen dikwijls iemand, die buiten kennis geraakt is, weer gewekt, liet niezen wordt niet door de reukzenuwen, maar door eeue prikkeling van de gevoelszenuwen veroorzaakt.
Kunnen wij door tien reuk slechts gasvormige stoften gewaar worden, door den smaak, die zijn zetel heefl iu de tong en in het zachte gehemelte, kniinen slechts vloeibare stoffen worden opgemerkt. Droog zout, dat we op de tong leggen, proeven we niet vóór het gedeeltelijk opgelost is. De tong, uit talrijke kleine
e doeleinden dienen, /ij is het moet hij het kauwen en slikken een fijn tastvermogen (dat vooral dient
spieren samengesteld, moet voor verse voornaamste werktuig bij tie spraal meewerken, in hare punt is de zetel va
T)o vijl' zinnun.
om mis te waiirscliuwcii. wiiiiiii'it in iir h|pjjz('ii Imnlr ilin^cn voorknnuii. die wr niet mogi'M inslikken) en einiielijk is zij sinjiakzintnig. Mi't de ]iiiiir iler rong' en liet, midden der tongvlakre [iroeft men lijjim nirls, zclt;n' goed dnurenfegen met den wortel. Ook de /.jjwiinden en di' onder/.iide helilien sloelits heel weinig smaakvermogen. De heele o|i|)ervliikte der tong is met eene slijinerige liuid overtr(dlt;keii. waarop /icli tulrjjke grootere en kloinere verlievenliedrn. /.oogenaanidi' ])Uj)illen bevinden, waarin de smaak- en gevoels/.ennwen eindigen. De omwalde papillen, die den vorm eener V lieblien en op het arhterste gedeelte der tong voorkomen, zijn de hoofdzetel van het sniaakziatiiig. De een vindt den smaak en den reuk eener stof aimge-naam, terwijl een andere die akelig vindt, Vandaar het spreekwoord:
over smaak valt niet te twisten.
Toch zijn reuk en smaak voor den menscli zeer belangrijke zinnen.
niet alleen omdat ze ons genot verschaften en ons daardoor liet eïs^v,
voldoen aan de behoefte aan voedsel tot eene aangename taak maken,
maar vooral ook, omdat zij als waarschuwing dienen voor schadelijke of giftige gassen, voor ongenietbare of vergiftige stoffen en voor bedorven spijzen. Hr bestaat geen fijner werktuig voor de ontdekking van luehfbederf dan het reukorgaan en de sclieikundige bezit iu vele gevallen geen boter hulpmiddel voor de ontdekking van schadelijke of vergiftige stoffen dan de tong. Smaak en reuk werken dikwijls samen om den indruk te bepalen, dien zekere stof' bij het eten op ons maakt, Zoo is dat. wat men den smaak van aardbeziën, wjjn en andere stollen noemt, voornamelijk haar reuk; houdt men bij het eten den neus dicht, dan proeft men ze bjjnu niet.
De gevoelszin is over het heelo lichaam verspreid, Ilierbij onderscheidt men nog het algemeen gevoel, waardoor we veranderingen waarnemen, die in het eigen lichaam plaatsgrijpen, b.v. smart ol vreugd, beliaaglijkheid. vermoeidheid enz, van het bijzonder gevoel, dat ons inliehting verschaft omtrent de dingen
q/. De niensch.
Iiuitcn ons. Dii lantstc limt zii'li in tnsi/.iii. iiliiiits/in, drukzin civ/,, omlcrsclicidcn. Wij kunni'ii (laarincc den voi'in. ilc hardheid of' zaclitlicid. dc meer of inindcrc ruwheid en andere eigenaardi^lieden van de nppervlalde eens voorwerps heoordecden. evenals zijne zwaarte en temponitimr. De inertoo meewerkende gvvoelszenuwen verdeden zieh over alle deelen der huid on vertakken zich aan de uiteinden ia lijne draadjes, lief aantal zcnuweiildeii op een hepaaid oppervlak der linid is evenwel zeer versehillend. daarom heeft uien aan sommige deelen een zeer fijn tastvermogen, b.v. aan de vingertoppen, de lippen, de punt der tong, terwijl dit aiidero liehaamsdeelen veel geringer is. Kaakt men met de heide stompe punten eens passers de. toppen der vingers aan. dan kan men met gesloten oogen de hoide punten gewaar worden, al zijn ze niet meer dan I mM van elkander verwijderd. Op den rng daarentegen en reeds op den hovenann hrengen heide punten maar een enkelen indruk te weeg, zelfs wanneer ze meer dan I c.M van elkander verwijderd zijn. Blinden kunnen met de vingertoppen verheven drukwerk lezen en andere fijae dingen voelen, die voor een gewoon menseh op die wijze niet te omleraeheiden zijn. Ook door het gevold kunnen in ziekolijken toestand zinshegooehelingen voorkomen. I).v. het gevoel alsof er mieren over de huid kruipen enz.
De voeiling vim den uiPiiscli.
|)(,())' d,. werkzaamheid van spieren en zenuwen, en voor de ontwikkeling van de lichaamswarmte worden de in ons lichaam aanwezige stoffen onufgehroken verbruikt en moeten weer door nieuwe worden vervangen, ({een deel des lichaams hljjft gedurende slechts korten tijd onveranderd wat het was. Steeds heeft er vernieuwing plaats, De hestauddeeleu, waaruit het, is samengesteld, worden veranderd en weggevoerd, doch ook onmiddellijk weer door nieuwe vervangen. Hij sommige stolfcn gaat deze wisseling snel, hij andere, zooals h.v. laj de
hèenderen, I.....ft /ij langzaam plaats, liet lichaam laat zich met eene zeer
ingewikkelde machine vergidjjken. waarvan de verschillende deelen gedurig vergaan, maar ook weer onmiddellijk hersteld worden, zonder dat ze ophoudt te werken. Het komt overeen met het schip der Argonauten. welks afzonderlijke deelen tijdens de vaart alle door nieuwe werden vervangen en dat op liet eind schijnbaar
on veranderd terugkeerde.
| let levende lidmatn gevoelt de hehoefte om dc stoffen, die het verloor, onmiddellijk te vervangen, vandaar het gevoel van honger en dorst. De menseh gebruikt voedingsmiddelen als spijs en drank, waarin al de hestanddeelen voorkomen, noodig voor de vorming der stoften, waaruit zijn lichaam is samengesteld, Mehalve water, zijn dit voornameljjk: zetmeel, suiker, eiwit en vet en verder ijzer,
I»'1 VOOtlilliT.
|gt;ln»s|gt;|i(U7,mir. kjilk. kciikcii/oin en/. I). '/c viicilciidi' sfoit'cil mortcM ziiodani^'c vcnmdcringcn ondergiian. dat /r in bloed wdrdcn om^czcf. A lie vcrricliriiin'cn, die liicrop iM'ti'ckkiiig ludilwn. nocinl nicn dc «[i ij s ver t (M'i 11 ff oil dc daiti'hij wi'i'kzaiiK' organen zijn de spijsverteringsorganen. De s|gt;jjzen worden, zoo ze niet vloeiliaar zijn, eerst in den mond, door middel der tanden, lijn verdeeld en tegelijkertijd met speeksel vermengd. Hoe heter de spijzen gekauwd of hoe lijner ze verdeeld worden, zoo gemakkelijker en vollediger heeft de spijsvertering plaats, evenals de kolfie vollediger en sneller zijn extract aan het kokend water afgeeft, naarmate ze lijner gemalen is, liet speeksel wordt door â¢gt; paar. in de iiahjjheid van den mond liggende, speekselklieren afgezonderd en door even zoovele huisjes naar den mond gevoerd. Met helnilp hiervan wordt de spijs tot een weeken spjjshrok verwerkt, die gesehikt is om ingeslikt te worden, en tevens wordt er eene zelfde vi^raiuha'ing door teweeg gehraclit als die het mout hij het hronwen in het gerstemeid doet ontslaan; zetmeel wordt in lielit oplosbare suiker omgezet.
Door den slokdarm komt de spijs in de maag. De slokdarm is eene vliezige hnis, die door de borstkas, achter het hart en de longen langs de linkerzijde van de rnggegraat gaat, door liet middelrif dringt en aan den maagmond eindigt. Het middelrif is een stevig vlies, dat de horst- van de huikholte scheidt; het hegint zijdelings onder de valsche rihhen, is sterk naar hoven gewelfd en gaat langs de onderzijde der hartkuil (maagkuil).
De maag ligt vlak onder liet middelrif, iets naar links en hestnat uit een spiernjken. vliezigen zak met ftuweelaelitig hinnenhekleedsel. Het Huweelaclitig voorkomen van den inweiidin'en maagwand heeft zijn grond in ontelhare kleine huisvorniige kliertjes (lehklicren), waarmee hij hezct is. Deze solieiden het zure ninagsap af, dat de vaste oiwitstoffen (het gewone eiwit wordt in de maag ook vast) verandert in gemakkelijk oplosbare peptonen. Deze worden voor een deel reeds in de fijnste bloedvaten, die in den maagwand voorkonten, opgezoden. Dit kan natuurlijk slechts met vloeibare stoften geschieden: al wat in het darmkanaal niet kan omgezet worden in eene vloeistof is onverteerbaar en moet weer uit het lichaam verwijderd worden, Is eene spijs vloeibaar of licht in eene vloeistof te veranderen, dan is zjj gemakkelijk te verteren. Vetten evenwel worden, al y.jjn ze bij de temperatuur van de maag vloeibaar, daarin niet opgeslurpt : ze zijn niet zoo gemakkeljjk te verteren. \\ ater en dergelijke dranken worden in de maag buitengewoon snel, hitmen een halfuur of in nog korter tjjd, opgezogen. De meeste spijzen blijven 'â¢2, 4 tot (1 uur in de maag eer ze haar verlaten, andere kunnen zelfs nog langer tjjd behoeven, vóór ze behoorlijk verwerkt zijn, üniniddellijk ttiulal men gegeten beeft blijft de maag een tijd lang uiterlijk rustig, zondert evenwel rijkelijk maagsap af. dat zielt met de spijzen vermengt en er
IK' meiisHi.
/,ijn scheikiiiidi^c working op iiiloufunt. Allengs bo^inl lt;'vcn\vei de maag zich van (ie linker/jjde ;it' wormvormig simien te frekken, de spjjzen worden daardoor door el kaai* gekneed on in gedeelten door de tweede ojtoning der maag, liet portie i', in den dunnen darm gep(;rst. Hebben de samentrekkingen der maag met voldoende hevigheid in de tegenovergestelde richting plaats, dan heeft dit braken ten gevolge.
De dunne dnnn is bij een volwassen meiisch 7 M lang. Men beweert, dat liij bij iichtverteerbare spijzen genieten, iets korter is dan bjj zulke, die zwaar verteerbaren kost gebruiken. Hij is in veelvuldige op- en neergaande kronkelingen in de buikholte geborgen en wordt door het huik vlies omliuld. liet voorste gedeelte van het buikvlies heet het darm se heil, het is plaatselijk met vetlaagjes bedekt en hondt de
________darmen op linnne plaats. In dit darmseheil
' bevinden zich drie kleine oiteningen. Door sterke.
inspanning of' andere oorzaken kunnen deze openingen zieli venvjiden zoodal: deelen van den darm daardoor naar buiten dringen. Dan is een zoogenaamde brenk ontstaan. I)(^ brctdv-banden dieiu-n om het herbaalde uittreden der darmen op die plaatsen to verhinderen. Het deel van den darm, dat omniddelljjk aan het portier grenst, heet de twanH'vingerige
Kiif. 22. Darmlianaai, ik lever, nivli'csch- darm, zoo genoemd omdat hij ongeveer de klier ni mill Umifixoalagrn. I Slokdarm. j # i * â¢
- Mhmr-. -J Porti» r. :{ iMill. 4 A1 vlrj-sch- leno-tc hrrtl Villi l'i viim'ci'hrcedloil. In (lil (Ijll'lll-Ulii r. .» Lover. (1 Oalblaas. / 0 Durularm, n '
ai;,m!''i gedeelte niolldeti de nitlo/.ingshnis der lever
lIS'o⢠1'j' '(, ps tljBom'iVUJ^ w'lvsr, en die der a I v I ee se h k 1 i e r uit. Delever
12 dalciuU1 IcartHdarm. 13 Endeldarm. .. i i â¢â¢ i i n â¢
h^t jian de iTclircr/ijdc4 als een ^'roor. roodliruin. in twee lobben vei'ihvdd lichaam over de maag heen. Zij ontvangt door wijde aderen het donkergekleurde, nit de verschillende deelen des lichaams terugkeerende bloed en scheidt de gal at', eene geelbruine, zeer bittere vloeistof, die zich in de galblaas verzamelt en zich, als de spjjshrjj uil de maag in den twaall'viugerigen darm overgaat, hierin uitstort. I)(^ gal belemmert het rotten van den spijsbrij, zij bevordert de verdceling van het vet in uiterst fijne bolletjes, op gelijke wjjze als de boter in de melk verdeeld is. maakt het daardoor geschikt in den darmwand te worden opgeslurpt, en veroorzaakt waarsehjjnlijk nog andere veranderingen in de spijzen. De a I vleeseh-klier li^'t achter de maag en scheidt uit bet bloedeen sap af. dat veel overeenkomst heeft niet het speeksel en op gelijke wijze als dit verterend op de spijzen inwerkt.
28
viKMlitu-
Men nici'iif, dat hel vonni I het no^'inmwc/i^c/.ohiu-cl in suiker (loef (ivcr^iinii. Inde luibijlKÃd van de lUMiig' lig't aim do linkerzijde nog de mill, wier linietie ihilt;gt;' niet liekend is. I'roeven op honden liewij/en, dat ze gemisl kan worden, zonder dat de g'e/.ondheid er zielithaur schade door lijdt. Ten sjotte wordl ook noy door den darniwand zelf' een sjijinerig vocht, darmsap, in pronte hoeveelheid afgpsclieidon, dat ook nog' verterend op den spijshrij werkt, ofschoon men zijne werking niet met zekerheid kan aangeven en dat verder nog dient om de onverteerbare deelen te omludlen. opdat ze gemakkelijk verder kminen glijden. De beweging van den inhoud des darms wordt voortgohracdil door wonnvonni^e samentrekkingen van den darmwand. die aan de maag beginnen en van daar uit langzaaiu vooi'tgaan. Zij geschieden door den invloed van de vegetatieve zemiw-kuoopen o]gt; de gladde spiervezeKs voor de onwillekeurige bewoghin'. dus quot;â ehcel liuitcn onzen wil om en zonder dat wij er iets van gevoelen. I )e hinnenzijde van den darmwand hoeft weer even als die van den maagwand een Huweelachtig aan/ien. Zij is bedekt met de zeer fijne darm vlok ken, waardoor de vloeibare inliond van het darmkanaal wordt opgewogen. Dit sap gelijkt veel op melk. wat aan de fijn verdeelde vetbolletjes, die het bevat, moet worden toegeschreven.
Hit den duimen darm komen de nu van de moeste voedingsstoffen ontdane overblijfsels der spijzen in den d i k k o n d a r m . waarin verder alles wat nog bruikbaar is, wordt opgezogen door de daarin aanwezige bloedvaatjes. Waar de dunne darm in den dikken darm overgaat, bevindt zich eene plooi, die als klep dienst doet. om het terugtreden dezer stoffen te verhinderen. Daar bevindt zich ook een blind eindigend verlengsel van den dikken darm. de blinde darm. die nog een worm vormig'verlengsel bezit, waarin veel dannslijm wordt afgescheiden. De verteerde stoffen worden, zooals reeds vermeld is, gedeeltelijk door de talrjjke fijne bloedvaatjes van inaaquot;' en darmen opgezogen en vermengen zich dus direct met het bloed, gedeeltelijk worden zij door de darmvlokken opgezogen, vanwaar zij naar huisjes in den darniwand gevoerd worden, die zich tot steeds wijdere buizen vcreene'en. .Na een rijkclijkcn maaltijd zijn deze met een inelknchtig vocht, chvl genaamd, gevuld; het zijn de chylvateu. Door de chvlvaten wordt de elivl naar talrijke klieren in het darmscheil gevoerd, waarin zij groote veranderingen ondergaat, tengevolge, waarvan ze meer en meer op kleurloos bloed gaat gelijken. Ten laatste komt zjj in eene wijde huis, de borstbuis, en hieruit wordt ze over-gestnrt ia de ondersleutelbeensuder, waar ze zich met het donkere, blauwroode bloed vermengt, dat zijn omloop door het lichaam volbracht beeft en naar het dichtbij gelegen hart terugkeert.
1F et hart ligt in hel midden der borstholte, met het onderste dunne gedeelte naai' links gekeerd on is door een bijzonder vlies, het hartzak je. onjgeven. Inwendig is het door een tussclienschot in eene linker- en eene reehterhelft verdeeld.
Ik- men sell.
die niet. met ('IkiuiiliT in vcrliiiutin^ shiiui. I )lt;â Wiind van lift Imrt is uit sterke siiii'ivn sinnen,gesteld, die y.icli met gelijkmatige (iissclicii|gt;nozeii saincntrekki'ii en weel' Verslappen. Iedere liartelielft is weer door een tusselifiiwand in eene kleinere at'deeiin^'. den boezem, en eenc grooteiv, lt;le kainer. verde(dd.
Her ddiiker gekleurde aderlijke Idncd. vermengd met de verteerde voedin^ssappen. wordt door de holaderen in den r c e li t e r li o e / em van liet liart gevoerd. Hij
de samentrek king van deze al'deeling wordt het ....... eene opening in hel tussehen-
selmr in de r e lt;⢠li I e r k a m e r geperst. Kene vliezige klep. het d r i e s 1 i p p i ge k la pv I i es. aan deze opening helet liet hloed terug te stroomeii. wanneer een volgend
oogenhlik de/.e knmer ziidi op hare henrt samentrekt : dnavbij wordt al het hloed in de longslagader gestuwd. Hierin is evenzoo eene klep. het halvemaanvormige klajivlies, voorhanden, dit' het terugstroomen van het hloed onmogelijk inaakt. Nadat het hloed door de longen gestroomd is, keert hef door een 4-tal Ion ga de ren. die in den I i ukerboczom uitmonden, weer naar het hart terug, liet heeft in de longen eene groote wijziging in zijne samenstelling oiulergiiMii. is in slagaderlijk hloed veranderd en helder rood van
IV. ai. [),'borstingrvvaiKk'ii: liet hart nut (If grooti! klenr gewiirdeii. Hiermede heett het bloi'dvatstammcn rn il('longrn (voor con Wi'miff trriiK- , quot; ... i ⢠i i
1 Hechter2 linker borstkamor. Krolitrr-, |,1(M.(| (|r|| klcilM'll K I'I 11 g 1 (H) p V()l-
I linker hartboezeFii. â ') Bovenste, â¢'» ondorste lobftder.
7 Lontf-slaK-ader. s Lon«:a«leren. '⢠lt;!'oote sla«-- l,,...,.),! 'jVckl (!lt;' lillkcï'IxKV.cill /ie 11 sjlllK'll.
a»ler (aorta). 10 Linker II rechter iiootdslaK-adrr. quot;«.mim.
IJ Link.ri:$ reeliter lioi)t'«la«ier. 14 Linkeri:» reeli- . u liot diirlii â I Mil \\ (Vl,,,('
ter sleutelbeen slagader, ir. Linker-, 17 reehler sleu- (iJlll WOKit IK l (1.1.11111 .1.1 II \N lt; /.ln'
telbeenader. 18 Luehtpijp. IU l^-ehter luchtpnpstak. . . i i .. .. ...... 14kl.cf lu.t t w,. â¢
â¢J»» Hovenste. 21 middelste, '-quot;i onderste rechterUmglob. m (IC llll KlTKMniCl ^(JKlst. iM 1 l W » ' 5:; Bovenste, 24 onderste llnkerlonglob. . , , . . ⢠i , i ..
slippig klapvlies InMrt weer den
terugkeer naar den boezem. Eindelijk wordt het hl.....I. wanneer de linkerkamer
no
zich samentrekt, door de groote slagader of aorta uir het hart geilre\en. De samentrekking van de heide boezems en afwisselend daarmee die der beide kamers gesehiedt tegelijkertijd. De laatste wordt men gewaar door het kloppen van het hart en door den polsslag, dien men in alle grootere vertakkingen van de aorta kan merken. Deze vertakkingen worden de slagaderen genoemd; zij bezitten een stevigen. uit drie lagen bestaanden wand. waarvan de middelste rijk is aan spieren, /ij voeren het bloed door steeds lijner wordende vertakkingen door alle deelen des liehaams. opdat hot er zijne functies
)aarbij
het weer ill donkergekleurd aderlijk bloed over, dat door de aderen
an ve
uaat
Do voodinir.
sliiitciKl in niim^t fiinn vi.rhi I-1-i no-mi (quot;i'tt'rion) voor, (h-K'^trccptc lijnon de adoiM-n
pi.l.llN III (K | .st njiu \lt; I r.lKKm^ell (V,Op link.Thrllt zijn all.TM d.-
I i i i- li ⢠1 ad» rt'ii. op do rochti'rlu'lt't alleen de sla»r-
\ail (Ir .sljl^ldcrril, (lie. ills MMil l'VJIJI (jCS . (Ie a(U.|vn «eteekmd. r liet hart.
, , .. , , De KTOote slagaderen en hare hoofdtakken.
SjlKM'VCZCls. (|(» /('IMl Weel Icn. (H1 IkmMIccI lell ril ' / /â¢quot; De ^i oote aderstaninn n niet hunin
takken. Longslagndereii. /7gt; Longaderen.
Jnlc jnidcrc Ix'sfjiiHldccIcn der hlocd'
weefsels netsgewijze oinhnllen. Daar staat bet bloed door den uiterst teeren. voor vloeistoffen licht doordringbaren wand dezer vaatjes met de wcefselbestauddeelen als hel ware in directe gemeenschap. Zoo geeft het aderlijke bloed, dat uit het hart in de longen komt. daarin aanzienlijke hoeveelheden koolzuurgas en waterdamp af', die we uitadenieu en neemt in plaats daarvan zuurstof
I'm muiisrli.
eopjierliuid.nagolHtMi haren), s(K) heelt het bloed drieërlei functies
maal vcrBi-ool. t(1 :
IZuurstof' aan de weefsels af te geven, waardoor de verbranding van beslanddeelen lt;ler weelkds mogelijk wordt, die de bron is der liehaamswamite ^ en zonder welke geen orgaan in staat zoude zijn eenig werk to verrichten.
ssjjtq 2quot;. Voedingsstotfeii aan de weefsels af te geven, die Æ dienen inoeten voor hun groei en om de storten, die tengevolge der verbranding zijn verloren gegaan, door nieuwe te vervangen.
De verbrandingsprodiicten, die in de weefsels ontstaan zijn, daaruit op te nemen, daar hunne opeenhooping daarin werkeloosheid en zelfs den dood er van ten gevolge zou hebben.
Door de verandering in samenstelling, die een gevolg-is van deze verriclitingen, wordt het bloed in deze haarvaatjes weer donkerrood van kleur, aderlijk. De haarvaatjes vereenigen zich weer tot wijdere bloedvaatjes, die uit alle deelen des lieliaains in steeds wijdere vaten â¢nkoinen. Dit zijn de aderen, waardoor het aderlijke oed Weer naar het hart wordt teruggevoerd. De slag-
ze vormen zich door ver-eeniging weer de aderen. Deze laatste hebben veel slapper wanden dan de slagaderen; worden zij geopend (bij verwondingen), dan vallen zij vanzelf weer dicht, terwijl de slagaderen in die omstandigheid wijd geopend blijven. I il de eerste vloeit dan ook slechts weinig donker bloed, uit de laatste gutst het heldere
n'n!' h'ó'r/.'ni, jiib'ren splitsen zich dus meer en meer tot er de tijne haar-
i- Kcchtrr kami'i' u loiiffslas
ndcr./lt; liong-. / l-ong-ador. vaatiictteii uit ontstaan, en uit
Dc roodc ldo('dli(diiiiiiii]gt;j('s en dus oollt; liet Mood Mir ludilcrrood van kleur en lift
uit ilf iii^ciidcindt' lucht up.
/ell', die doiikiT lilnnw rood waren, worden
A
bloed, dat nu h 1 n g'ad er I jj lc fi'cwoi'deii is. is hierdoor ft'c-seliikt giiwordeu iilli: veri'ieli-tin^eii tevervidlen noodzakelijk voor het onderhoud en den groei der weefsels. In de tijne liaar-
.f
CV
n
)
r;-' ü
m
maatjes, die als vertakkingen
M
der u'roote slamideren in
lit haanisdeelen voorkomen (lie-
De voodingr,
rii(ilt;I(3 bloed met geweld te voorscliijn. De grootere aderen liggen veelal aan do oppervlakte des lieliaams vlak onder de linid. waai'door zij als hlauwaelitige strepen lieensclienieren. De groette slagaderen, wier verwonding wegens het groote Itloed-verlies. dat er door ontstaat, groot gevaar ojilevei't. liggen gelukkig diep onder de Itnid en de spieren verbolgen. Worden zij bij ongeluk geopend, dan moeten /jj aan de zijde van liet hart dichtgeknepen of' diehtgebouden worden.
De groote ader, waarin alle aderen zich vereenigen, die het bloed van de ingewanden (maag en darmen) terugvoeren, heet de poortader en vertoont de bijzonderheid, dat zjj zich ia de lever nogmaals vertakt, om zich weer in haarvaatjes te verdoelen. In deze haarvaatjes worden tut het bloed de stoffen afgescheiden.
die de gal vormen; het bloed ondergaat daarin dus vóór het naar het hart terugkeert |
eene zuivering, maar de stoffen, waarvan het hier wordt bevrijd, zijn nuttig en onmisbaar voor de spijsvertering.
Anders is liet in de nieren. liet aderlijke bloed, dat hierheen gevoerd wordt vóór het naar het hart terugkeert, wordt hier gezuiverd van tal van stoffen, die door verbranding en slijtage in de verschillende weefsels ontstaan zijn. en door hot bloed daaruit waren opgenomen. In het klierachtige weefsel der nieren worden de meeste dezer .stofion in de urine- /
. . . .. . ill Fig:. 27. Di' nieren, x Het middel rit', h !)(⢠slok-
I) U I 8J e s oil! Villi (UIMV door (Ie dann. ( Morst-, '/ buikslagfadcr, die icd. r icii.
nierslaprader nan beide zijden nfgevon. ^/quot;Onderste urineloiders quot;â¢evoerd te worden naar de holadcr, «lio nan Hkc /jjdi-oenenii-raderopneemt.
Æ/ Linker nier. // Nevennter. i l nneleider. k l n-
li ri neblaas. waaruit zo als urine het t Kcohtor londenspicr.
lichaam verlaten.
liet bloed brengt bij zijn onafgebrokon kringlooji aau do verschillende liehaanis-deoleii niet juist zooveel voedingsstoffen als volstrekt noodzakelijk is. maar. zooals 't in oen goed huishouden hoort, is er gerekend op onvoorziene behoeften, dus gezorgd voor een zekeren overvloed. Deze overbodige voedingsstoffen gaan evenwel niet verloren; fijne haarbuisjes, die overal in de weefsels voorhanden zijn, blind eindigen en zich tot steeds grootero vaten vereenigen, hebben tot taak deze overvloedige voedingsstoffen uit de weefsels op te zuigen. .Men vindt in deze lymph-vaten dan ook steeds eene kleurlooze vloeistof', do lymphe. Zij wordt door talrjjke klieren gevoerd, waarin zij veranderingen ondergaat, die haar meer en moei' op bloed doen gelijken, en wordt eindeljjk in de horsthuis met de chvl
W.ujxi-.r's Natmirl|jke Historie. li
Dit menscli.
in liL't bloed uitgestort. Ziekten van deze lympliklieren. dikwijls met opzwellingen daarvan gepaard, worden serophuleuze ziekten genoemd.
De ciiulbewerking. die liet bloed moet oudergaan. vóór liet weer geschikt is zijn kringloop door liet lichaam te beginnen, heeft plaats in de longen, door de a d c 111 li a 1 i n g. De inademing kan zoowel door den mond als door de neusopeningen plaats hebben, doch moet bij voorkeur door den neus geschieden, daar de lucht hierin gelegenheid hooft stuf af te zotten, vocht op te nomen en oen bootje warm te worden. Adeinhaling door don mond hoeft droogte van do kool en dikwijls ontsteking dor slijmvliezen (verkoudheid. keol|iijn) ton gevolge. l)c ingeademdo lucht komt in do luchtpijp, waarvan hot bovenste dool hot s t r o 11 e li li o o I d vormt, /.jj bestaat uit kraaklioenig' ringen en is inwendig met oen toer sljjmviies overtrokken, dat zoor gevoelig is voor de inwerking van vreemde lichanion. wier aanraking door reflex werking hoosten veroorzaakt, waardoor de lioliamen dikwijls weer verwijderd kunnen worden, liet strottenhoofd bestaat uit gvooter, srevigor kraakbeoiistiikkon en drangt aan den voorkant lt;le zoogenaamde schildklier, Hiiinen hot strottenhoofd bevinden zich de stembanden, n,l, twee stevige, vliezige banden, Avaartusschon de driehoekige stemspleet open bljjft. liij het sproken en zingen, in quot;t algemeen liij het luid verlieffen der stom komen de stembanden in trilling, tengevolge van den nicer of minder krachtigon luchtstroom, die door de stemspleet geblazen wordt, en verwekken daardoor het geluid. De toon wordt gewijzigd en verkrijgt zijn cigoimardigon klank door de vormveranderingen. die keel-, neus-en mondholte ondergaan tengevolge van de bewegingen mot kaken, lippen, tong en zaelit gehemelte, Bjj het inslikken van spijzen en dranken wordt do opening van het struttenhoofd door het strot k lep,je bedekt, om to voorkomen, dat vreemde stoffen in de luchtpijp dringen. Men moot dan ook gedurende hot eten en drinken streng vermijden te sproken of te lachen, daar hierbij het strotklepje wordt opgelicht en spijzen in de luchtpijp kunnen komen (verslikken), die zoo zij niet door hoesten kunnen worden verwijderd, den verstikkingsdood kunnen veroorzaken.
In de borstholte verdoolt de hiehtpijp zich vooreerst in twee groote takken. Deze vertakken zich in de longen veelvuldig in steeds fijner en fijner wordende buisjes, die ten laatste haarfijn worden en in uiterst kleine blaasjes, longblaasjes, eindigen, Tussehen deze longbuisjes in slingeren zieh de vertakkingen der longslagader, wier haarvaatjes do wanden der longblaasjes bedekken, Tussehen het bloed in deze haarvaatjes en do lucht in de longblaasjes kan nu de uitwisseling
I»'- huid.
van giisscn plaats hebben, waardoor hef bloed slagiidt'rlijk wordt. De beide longen /.ijn omgeven door een vaatrijk vlies, liet longvlies; /ij vullen de borstholte geheel, voorzoover hare ruimte niet door andere organen is ingenomen, liet in- en uitademen wordt gewoonlijk vergeleken met de werking van een blaasbalg. De ribben worden door de werking van spieren opgelieht, om een volgend oogenldik weer te dalen, liet middelrif' wordt door samentrekking zijner spieren strak gespannen, en een volgend oogenblik weer slap. Heide bewegingen werken samen om de horstholte afwisselend te verwijden en te vernauwen, waardoor de longen afwisselend uitgezet en samengedrukt worden. De uitzetting heeft inzuiging van de Ineht van buiten ten gevolge; deze bestaat voor 1 van haar volume uit zuurstof en voor '/0 nit stikstof. De zuurstof uit de longen wordt grootendeels in het bloed opgenomen. Worden de longen samengedrukt, dan wordt een gedeelte van haren inhoud naar buiten geperst: stikstof', koolzuur en waterdamp worden uitgeademd. De uitgeademde Ineht verschiIt dus zeer van de ingeademde, Zjj is ongescliikt geworden voor de ademhaling en daardoor is het te verklaren, dat mensehen.
die in eene kleine, goed gesloten ruimte worden opgesloten, of die in te groot aantal in één lokaal opeengehoopt worden, zonder dat er versehe lu
lijk inoefen stikken. Ook bij opgehangen geworgde of verdronken personen is de dood een gevolg van het onderbreken der ademhaling. Soms gelukt het, wanneer de betrokken personen nog niet geheel dood zijn. ze weer in t leven terug te roepen, door kunstmatige ademhaling toe te passen. Heeds door den persoon afwisselend op den rug en op de zijde te leggen, gelukt dit. omdat hierbij de borstkas afwisselend verwjjd en vernauwd wordt. Beter doet het de deskundige door doelmatige heweging der armen.
Dat de uitgeademde lucht water bevat zien we in de koude aan de vorming van wasem, aan het beslaan van een koud glas, dat we voor den neus houden en aan het vochtig worden van de hand, waarin we uitademen, In den loop van één etmaal ademt een volwassen persoon ongeveer 500 U water uit.
Do huid.
Geheel het menscbelijk lichaam is door de huid overtrokken. De huid beeft vooreerst de taak de gevoeliger organen te besehutten en bezit op zulke
Do nieiiscli.
plaatsen, waar /jj gi-ootoro drukkingon te verduren heeft, inwendig vetknssens en uitwendig' hoornaehtige eelrbekleedingen. Deze laatste /.jjn verdikkingen van lier lioornaclitig vlies, de opperlui id. die de bovenste Imidlaag vornit, ongevoelig is en groeten weerstand biedt aan liet binnendringen van vloeistoften. Onder de opperhuid ligt eene dunne laag gekleurde cellen, wier kleur door de opperhuid heensehemert en die aan de huid der niensehcn de /oer versehillende tinten en kleuren geeft. Do dikkere, onderste Imidlaag wordt de lederhuid genoemd. Dat ze werkelijk dikte en vastheid genoeg bezit om er leer van te kunnen looien, daarvan getuigt menige geschiedenis uit oude. donkere tijden en de llussitenaauvoerder Ziska verlangde niets onmogelijks, toen hjj beval, dat men na zijn dood eeiie krjjgstrom met zjjne
huid moest hesjtanuen.
In de huid liggen talrijke, kleine vetklieren. hoofdzakelijk bestemd om de luiid en de daaruit voortkomende haren lenig te maken. De huid der negers, die tluweelaehrig op 't gevoed is. moet zelfs herhaaldelijk met vettige stoften worden ingewreven, zal ze niet ruw en bros worden. Deze vetk liertjes zjju liet. die wjj als kleine ver-bevenhedeu op de huid zien, m / Z als we kippevel hebben.
Kijf. iiO. IjoodrcchU' doorsm-ili' vnn de iiu'nsclu-lljki' huid, 20 1),. Icilcrhidd ilt;j riil; 'Tin nnml vcrtfn.ot. A Opperhuid. II Slijml.iMK (slijmnrt vuil Malpitfhi). II IS I l|K ,1,111
lt;' l.c'dciliuid. I) \ ctccllrn. I Mlocdvnl. 2 Zcmiwc n. ,'1 Kluwi n vim 1.1,,.âli,.-onf l.w lt;.ti ei-u /wcftklnTljc. -MNtnc ut iintndint,' i-imut /woflklii'r. j Tnst- 'UOl li 11,1,11 \ ailtjl S lil l\mpn\atl 11 pnpilKn, li Haar lal^t'siicdt'ii), 7 TiilKklii'r, s MundiiiK der kiiiT. i ⢠⢠i* i i
'.I Ilamv.akspii'r. 10 Haarzak,ji', luiitrnslr- laaf?; II biiitonslc laai;. 'quot;U uaai'lll emillgeil lie gevoels-12 Spiorvi'Zcl. 13 Haarwortel. I t Bastlnag. tr. .Mcix til Haarpapil.
zenuwen; we hebben vroeger reeds gezien, dat zij als tastorgaan dienst doet, ünitendien bevat de huid nog de zweetkliertjes. fijne buisjes, die aan 't ondereind tot kleine kluwens zjju sameu-gerold, een kronkelend verloop hebben en aan de oppervlakte in fijne openingen, z w ee t por i é n uitmonden. Zij dienen tot bloed zuivering. I it het bloed der haarvaatjes, waarmee zij omsponnen zjju, seheiden zij stoften af, die daaruit noodzakelijk moeten worden verwijderd; deze vormen het zweet. Dit wordt, ten bedrage van ongeveer I K(i per dag, in dampvorm afgezonderd en bestaat grootendeels uit waterdamp, doeh bevat ook koolzuur en andere stoften met zeer onaangenainen reuk, hevige vergiften. De oppervlakte der huid bedraagt bij een volwassen persoon ongeveer I ' M 1. Daar hare werking als nitseheidingsorgaan niet minder belangrijk is dan die der longen en nieren, is eene beschadiging van een groot
/i
M^iiscln'iirass.-n.
deel er van /oei' gwaarlijk (Ijrandwimdon. iiuiil/ii-ktcn) en lircfr men vdoral zorg to dragon voor hot solioonliouilou or van. Ook diont mon liaai' to hohoodoii voor lihiatsoljjko stoi'ko afkoeling (kon vatton).
Haron on nagels lieliooron tot de huid; /.ij worden door haar gevoed. Ze he/itton geon zonnwon. zoodat we eono heschndiging er van niet voelen; tooli vortoonon zij oen oigonaardig loven, wat roods liierait idijkt. dat ze sloelits eonc l)o|)ualdo lengte lioreiken. als ze niet atgesiiodon worden; in het laatste geval evenwel steeds weer aangroeien. Als oen man al de haren, die hij tijdons zijn loven Hot atsnijdon. kon sanionvoegon. zon hij oen haarprnik \aii ininstons fi M lengte verkrijgen. De nagels zijn hoornplaten, die zi(di voortdurend aan do hasis vernienwen ; do hoornstot' wordt door het lilood der lederhnid at'goschoidon. Worden zij niet nt'gosiiedon of slijten ze niet at', dan horoikon zij oone lengte \aii 'i 5e.M en kroimnen zioh om do toppen der vingors en toonon. I)aar zo talrjjko. zoor gevoelige zenuwen Itedokkon on vastheid geven aan de vingertoppen, mogen ze niet te kort worden at'gosnedon en nog minder nfgeheten.
.Mciisclioiiriisson.
Men verdoolt allo hekonde measidionstannnen in 5 hoofdrassen, die alle woei-in tah'ijko kleinere groepen verdeeld kunnen worden. 1 )oze indeoling is gogi'ond op de klenr der huid. do heharing. ilen vorm dos soliedels en andore eigonscliappon. Do hoofdrassen zijn:
lu. Het Kaukasisch ras (Tahel 1. Fig. ! lïuropoaan: Fig. - Araiiior; l'ig. ;i Niihiër). Hiertoe worden alle volksstannncn gerekend, die F.uropa hewdiien. Iiohalvo do Hongaren en do noordelijke Finnen en Laplanders: verder de in W est-Azië wonende volksstammen aan deze zijde van de Oh. do Kaspisohe zee en don Uanges en in Afrika de Ahessiniërs en de Mooren. De huid is hij dit ras witaohtig vleesehkleurig tot holderbrnin en goolnehtig lirnin. De haren zijn lang en zacht, moor of minder wollig of glad. liolit of donker van klenr. De schedel is rondaehtig. hot voorhoofd hoog en gewelfd, de wangen rood. de gelaatslioek tiissohou 80quot; en de tandon staan loodrecht, de lippen zijn slechts matig dik.
do baard is sterk.
2o. Hot Moiigoolsche ras. Hiertoe hohooron allo overige bewoners van Azië met uitzondering der Maloiërs op Malakka en de eilanden. Daartoe hohooron do Kalmukkon, ivirgiozen, .Mongolen, ('hinoozon (Tabel I. Fig. 'n. Finnen. Laplanders en Hongaren, zoomede de Fskimo's on de (Iroonlaadcrs in Amerika. De huidsklenr is bij dit ras stroogeol. het hoofdhaar zwart en sluik, botrokkeljjk spaarzaam. Do schedelvorm is oein'gszins vierkant, hot voorhoofd breed, plat en neergedrukt, liet aangezicht eveneens breed eu plat, lt;lo neus kort. stomp en
;S
I Je lueiiscli.
Iirccil. de uoguu met nauwe oog,spiert, ooglodcn seliocf naai' hiiim'ii en beiindon gericlit, «Ie golaiitshook ligt tusschen 7'gt;quot; en 80°,
3o. Het Aet]iio])iscli ras omvat alle bewoners van Afrika (Tabeli. Pig. 5 neger), behalve de Meuren en Abessiniërs, en tevens «1«; negers of Papoea's van den Indiselu'n archipel en \ieu\v-llolland (Talud I. Fig. li Australiër). De huid is diep/wart. grijs- tot bruinzwart, zelfs tot rabarberkleurig. Het hoofdhaar is kort. wollig, gekroesd en zwart, de schedel schijnt zijdelings samengedrukt te zijn. de hersenkas versmald, het voorhoofd bolvormig gewelfd, terugtredend; de neus is klein, breed, dik. opgewipt en van boven ingedrukt; de lippen dik gezwollen. De bovenkaaksbeenderen steken iu het aangezicht uit; de kin treedt daarentegen terug, de tanden zjjn schuin geplaatst, de gelaatshoek bedraagt 70°â75°.
i. liet A m e i'i k a a n sc h e ras (Tabel 1. Fig. 7 Noord-Auierikaaui omvat alle oorspronkelijke volksstammen van Amerika, behalve de (iroenlanders en de Eskimo's. De huid is bruinachtig koperkleurig, liet haar zwart, sluik en spaarzaam, de baard zwak ontwikkeld, het voorhoofd kort, de oogen liggen diep, daarentegen steekt de neus sterk vooruit, het aangezicht is breed met vooruitstekende wangbeenderen.
Het Maleische ras is over een deel van het Zuid-Aziatisch vaste land verspreid (Malakka), over de Soenda-eilanden, de Wolukken, de Philippijnen. Marianen (Tabel I, Fig. 8 Maleier) «'n over een groot aantal Zuid/.ee-eilanden (Tabel 1, Fig. !) l'olynesiër). De huidskleur is geelbruin tot zwartbruin, de haren zijn zwart, sluik of krullend: bet aangezicht is br«'«'d. d«^ neus dik en breed, de mond groot en de lippen zijn dik. De schedel is ovaal, tameljjk smal. het voorhoofd en de wangbeenderen een weinig vooruitstekend.
Al deze onderscheidingskenmerken gelden evenwel, zooals reeds gezegd is, slechts heel in 't algemeen, want onder elk dezer menschenrassen komen talrijke verschillen voor tusschen volkeren, stammen, families en personen, zooals wij /,«⢠dagelijks in onze omgeving kunnen opmerken. Welk verschil tusschen een Zweed of Schotlander en een Italiaan of Spanjaard, tusschen een Franschman en een Rus, tusschen een jongen knaap en een grijs moedertje enz., en toch behooren ze allen tot het Kaukasisch ras!
De lengte van een man bedraagt gewoonlijk 13/;i -Ml; de heele lichaamslengte is S maal zoo groot als de lengte van het hoofd, 1(1 maal die van het aangezicht. Hjj kinderen zijn de lengteverhoiulingen anders, liij de geboorte bedraagt de lengte meest U) .',0 cM; in t eerste levensjaar is de groei 15 5gt;U c.M. dan tot het 7de jaar 8 cM per jaar, later tot het ÃOste of 25ste jaar minder. Als uitzonderingen komen nu en dan zeer kleine mensch«'n. dwergen, en zeer grooh'. reuzen, voor. Zoo verhaalt men van een dwerg in Engeland, die bij zijne geboorte slechts woog en die een klomp tot wieg kreeg. In zijn 6de jaar was hij
:;s
.Mcii^-ln-urrtssfii.
nas :iS c.M lang en !!' i l\'' /waar; lijj was gclu'cl dihido/.cI i'ii (lii-rlijk. Mrt zija â¢iOstc jaar had hij reeds liet voorkomen van een grijsaard. Als voorbeelden van luiitengewoon kleine menselu'ii. die nanwkeiiriji genieten/ijn. worden aangevoerd:
een tViesehe hoer (17511 die O.H-Si M groot was. een ........... edelman, .losejili
Uiirvilaski. 0.7~gt;H M: de dwerg van Itristol (1751) (I.7S7 .M : Hehe. dwerg van koning Stanislaus van Polen O.SiCi M ; de dwerg van het graafschap Norfolk 0.9(gt;.quot;j M. la Midden-Afrika heefr men een heiden volksstam ontdekt, de Akka s lt;d' Tikki-Tikki's. die dwergaehtig klein is. De meeste mannen worden sleelits I 1 M lang, vele hlijven zelfs ver onder die maat. Op jaarmarkten en kennissen laten zich bijna elk jaar. hehalve dwergen, ook reuzen voor geld zien. Men leest van een snellooper van August den Sterke, die 'i..quot;))! M lang en naar verlaaiding dik was. De reus van Frederik den (iroote was 'J.-i'JS M lang. de reus \an l'arjjs ( 1755) 'J.i S't M . de reus Thoreshv uit Engeland M. de |ioi tier van hertog
Ivai'ei Kugi'iiius van Wurtemherg '2.ll.)'i M. drie Kngelselte reuzen M.
â¢J.lill M en quot;J.'.t'.ll M; de reus Cupa mis nit I'lnlaiid t2..'f75 M; een garde-du-corps van den hertog van lirnnsw ijk '2.401 .M en de reus (ialli te 1 rient 'J.VJi M. Ken volwassen man weegt meestal tusscheii .»â¢â¢ en liquot;1 K(i: men kent echtei gevallen van meiischen. die een gewicht van 'â -'â¢â¢n -â¢)quot; K'1 hereikt hchhen. i'-en pasgehoren kind weegt :) li' Klt;i en neemt in het eerste levensjaar 5 (i Klt;i aan gewiidit toe. Van het Ãde tot het 7de jaar hedraagt zijne gewichtsvernteer-dering 15 K(i.
iiuitengewone lengte en dikte kan men niet door het gehruik van kolossale hoeveelheden voedsel doen ontstaan; wel zou licht, door zhh te wennen aan bovenmatig eten en drinken, een verwijding van maag en darmen kunnen ontstaan, die vaak zeer kwade gevolgen heeft. De volwassen mensch heeft tot onderhoud van zijne gezondheid slechts behoefte aan cene matige hoe\eel-lieid voedingsmiddclun. tenminste zoo hij nii^t tot buitengewone lichamelijke inspanning gedwongen is en zoo do spijzen rijk zjjn aan verteerbare voedingsstollen. Matigheid en eene oordeelkundige alwisseling van arbeid en rust zijn dan ook de beste middelen om de gezondheid te onderhouden en zicli een lang le\en te verzekeren. Ofschoon reeds Mozes uitriep; Ons leven duni't 70 jaat en a.gt; het bijzonder lang is Sü. â zoo komen toch steeds gevallen voor. dat menschen ouder dan Kid jaar worden. De sterfteljjst van het Russische rijk van 187.5 toont aan. dat er dat jaar onder de overledenen niet minder dan MDI waren, die over de 10(1 jaar oud werden. .Met weet. dat de Zweed Andcrsson 1'i 7 jaar. de Kngelscliman
l'arre I ö'i jaar en !) maanden en de Kngelschinan Jankins 100 jaar oud gegolden is.
Zooals verschillende personen veel van elkander kunnen afwijken, zoo ook de verschillende volkeren, die alle hunne eigenaardigheden hebben, zoowel wat hun uiterlijk als wat hun aanleg en karakter betreft. Wat groot verschil tusschen
40 Het (ticionnjk.
(Ifii lovondigi'ii, voor imli'iikkon zoo vatbaren. Incliti^x'ii Fraiiscliman en den pliIt'^matisclK'ii, vofinelijkcn en hcrokcnilcn Mn^clsclnnan. den liai'tstoclih'ljjken Italiaan en den koelen, stoeren Fries! Wjj zouden geen eind vinden, wilden we alle wetenselia])|)eii, kunsten en versehillende gaven opsoninieu. waarin enkel(! pei-soueu en soms geheele volkeren boven anderen uitmunten. Vergeljik de zwervende lierderstnnunen van de hoogvlakte van Azië met de visehvangende Kskimo s ot de indiaansclie jagerstammen uit Amerika en vergelijk deze allo niet de volksstammen, die door den lamHionw aan vaste woonplaatsen gelionden zjju. dorpen en steden gesticht en geregelde Staten gegrondvest lieblien I Met de wijze van liet levensonderhoud en de geestelijke ontwikkeling van een volk hangen zjjne staatsinstellingen, zijne zeden en godsdienstige begrippen ten nauwste samen.
De nienseh biedt, zooals reeds vermeld is. met betrekking tot de inrichting van zijn lichaam, vele punten van overeenkomst met het dierenrijk aan. Toch staat hjj. wat de harmonische ontwikkeling betreft der verschillende stelsels, die zijn lichanni samenstellen en waarop voor een deel ook de werkzaamheid van liet zenuw- en hersenlevcu berust, ver boven de hoogst ontwikkelde (lieren.
Ken machtig verschil tussdien de mensehen- en dierenwereld ligt ook hierin, dat het dier slechts weinig nut trekt van de ervaringen, die zijne voorouders hebben opgedaan. De nienseh daarentegen laat al wat hij gedurende zijn leven heeft verworven als erfenis na aan zjjne verwanten en aan zjju volk. bevestigt het door woord en schrift en levert het over aan ver verwijderde stammen en aan late geslachten. Tevens wordt in het leven van beschaafde volkeren de arbeid in zoo oneindig veel onderdeelen gesplitst, dat ieder het hem toekomende aandeel daarin op de meest volmaakte wijze kan volbrengen.
/jjn geest verheft den nienseh even hoog boven het dier, als dit boven de plant en het mineraal uitsteekt. De inenschheid vormt een rijk op zich zelf. dat naar voortdurende geestelijke volmaking streeft.
HET DIEEEN RIJK.
Alle dingen in de natuur verdeelt men in drie groote afdeelingen: het dierenrijk, het plantenrijk en het m i n e raai- of d e 1 f s t o f fo n r ij k. De beide eerste afdeelingen bevatten de levende, georganiseerde natuurproducten d. i. zulke, die voorzien zijn van werktuigen of organen, waarmee zij zich voeden en vermenigvuldigen. De delfstoffen zijn levenloos, niet georganiseerd, hun ontbreken zulke organen en daarmee bet vermogen zich te voeden, uit zichzelf
Zoogdieren. Apon.
g'i'ooii'ii en zich voort fr planten, liet (hVivnrjjk Ix'staat nit sclicnsrls. wjniraü n men merkt, diit vx* liewustzijii liobben; zij vocli'n, hebben een wil en kumien zicli willekeurig bewegen. Bij de eenvoudigste en kleinste organiselie wezens is het evenwel dikwijls moeilijk hierover te oordeelen en daarom is het bjj vele moeilijk uit te maken of men ze als dieren of als planten moet Ijesehouwen. .Men verdeelt de dieren vooreerst weer iu twee groote groepen: de Gewervelde dieren, die een beenig geraamte (skelet) bezitten, dat meer of minder ovei'een-komst heeft met dat van den menseb en de Wervellooze dieren, die het inwendig beenig geraamte missen. Igt;e gewervelde dieren worden in 5 klassen ingedeeld: de Zoogdieren, de Vogels, de Kruipende dieren, de Ampliibiën en de Visschen.
Z O O G DI E11E N.
Deze zjjn meestal niet haren bedekt. De vrouweljjke zoogdieren brengen levende jongen voort, en zoogen die met melk, die ze in haar eigen lichaam voortbrengen. Zij ademen door longen en bezitten rood, warm bloed. De meeste bezitten i nooten. In hunne inwendige organen vertoonen zij zeer voed overeeid;omst niet den menseh. In hooldziiak geldt alles wat wc hebben medegedeeld van het geraamte, het spierstelsel, de zenuwen, de zintuigen en de voeding van den menseh ook van de zoogdieren, elaar zjj slechts in bijzonderheden daarvan afwijken, die meestal iu nauw verhand staan mot hunne levenswijze, en die op den uitwendigen vorm of den graad van de ontwikkeling hunner organen betrekking hebben. Men kent tegenwoordig ongeveer '2000 soorten, die zeer versehillen in grootte. I )e dwergmuis is met den staart 5 eM groot, de giratfe (i M hoog, de wahisch bereikt eeue lengte \-iiii ol! M en wordt 12500 lv(i zwaar. \'oor 't grootste gedeelte leven zij op het vaste land en wel meestal op den bodem ; eenige. zooals de mol. leven in den grond, andere als apen en eekhoorntjes op hoornen: de vleermuizen beAvegen zieh iu de lucht. Walvissehen en robben leven iu het water. In elk geval is de lichaamsbouw geheel ingericht naar de levenswijze. Xaar dea vorm der voeten kan men ze iu drie groepen verdeden, en wel: lo. die met nagels of klauwen aan de teenen: '2o. die met hoeven; lio. die met viuvni-mige voeten. De zoogdieren zijn voor tins de belangrijkste dieren, vooral ook omdat zij de meeste en de nuttigste huisdieren hebben opgeleverd.
A pen.
De Apen zijn vooriiameljjk voor het leven op boomen ingericht. Ze bezitten \ handen met een duim, die tegenover de overige vingers kan gebracht worden. De nagels hunner vingers zjju plat en glad, evenals die van den menseh. Zij bewonen bijna
I lot (lieren rij lx. Zoogdieren.
uitsluitend de warmere luelitstreken der narde. Voor den ineiiscli zijn zo \roorid daardoor belangwekkend, dat zo niet alleen vele zijner handelingen nabootsen, maar ook in bun wezen en bunno wjjze van doen vee;] vertoonen, wat aan menscbelijke eigenaardigheden, goede en kwade, herinnert. Zeer beminnelijk komt ons hunne buitengewone teederbeid voor hunne jongen voor en hun gezellig «araonleven. De Apen dei' oude wereld (Azië en Afrika) zijn van de .Vmerikaansebe in 't oog loopend versciiillend. De groep, die het meest op den mensch gelijkt is die der Menschapen. Hiertoe behoort de Orang-Ootan {Pilh-ecua Sulyrus. Tab. k2, l''ig. I), die de eilanden Borneo en Sumatra bewoont. De .Maleisebe inboorlingen hebben hem dien naam gegeven, die âbosebmenschquot; beteekent, omdat zij bcnveren, dat hij eigenlijk een mensoh is. die slechts den scbjjn aanneemt van niet te kunnen spreken om niet te moeten werken. Trots de ^roote overeenkomst met den menseh. is de orang-oetan een dier en wlt;d een, dat geheel voor het leven op de hoornen geschapen is. Jlij blijft een hoofd kleiner dan de mensHi. daarbij is de huid voorzien van eene dichte, roodbi'iiine haarbekleeding; alleen bet aangezicht is kaal. Op den grond beweegt hij zich zeer onbeholpen. Zijne armen /.jjn hijzonder lang. Wil hij loopen. dan steunt hij op de knokkels en de naar binnen gebogen vingers der vóórhanden, heft zich met de armen in de hoogte en slingert lichaam en achterpooten vooruit. Kan hij
ziidi met de handen op zij aan iets vastliondcn. dan is hjj in staat ook een eind op de achterhanden rechtop te loopen; bij treedt daarbjj evenwel slechts op den buitenranden er van. Zjjne achterpooten zjjn betrekkelijk zwak en daarbjj krom. Hjj komt slechts zelden op den grond, meest om te drinken of om handen en gezicht te wasschen. De orang-oetan bewoont de groote, vochtig-warme bosschen. die zich in de nalnjlieid der rivieren uitstrekken. Daar begeeft
si. Schrii'-l van een ouden hij zich langzaam van den eeueii boom op den anderen, orang-oetan. '
(icwooiilijK trokken (jeze apen in families van 5 of (1
leden gemeenschappelijk voort. Het oudste mannelijke dier is de aanvoerder en
bewaker; hjj geeft met groote omzichtigheid acht op elk gevaar en zoekt naar
voedsel; de wijfjes dragen de jongen aan de borst. of. als ze iets grooter zijn,
op den rug. De orang-oetan grjjpt met de voorhanden de verwijderde takken
vast en trekt zijn lichaam na. Al zijne handelingen zijn langzaam en bedachtzaam.
Met de achterbanden kan hij even goed, zelfs nog beter, grijpen dan met do
voorhanden. Hij bezit geen staart. Hij vreet jonge spruiten van pahnboonien en
haalt zich de noten van den kokospalm naar beneden. Met zijne groote hoektanden
bjjt hjj aan de punt den lt;i cM dikken vezeligen bast door, houdt de noot met do
Ap.-n,
â li viist en sclioiirt or don 'uist dan vlugger at' dan ocn nionsch dat met oone liijl zou kunuon. Mot do vingois hoort liij vordor door con dor drio kiemgatou aan hot dikko oind dor hardo, houtigo srhaal, drinkt do daarin aanwezige molk nit on slaat dan do schaal stuk om ook do korn op to vroton. Tegc.'n den |iantor kan hjj zich mot hohul]) zijner sterke tanden flink verdedigen, met te boter j'csnltaat, omdat het heolo a|iongozclsclia)i aan ieder hunner, die door oen vijand wordt aangevallen, hijstand verlocnt. Zeer voel teoderhoid vortoonen tic oudo orang-ootans voor hunne jongen. Zoo n jong aapje is wol is waar naar het uiterlijk een leeijjk dier mot vcrschroinpeld. rimjielig gelaat, doch do moeder liefkoost oil verpleegt hot als eene nienseheljjko nuMHU'r haai' kind. Zoodra hot zelf hogint te klimmen, verliest do moeder hot geen oogenhlik uit hot oog; dreigt een gevaar, dan roept zij hot naar zich toe, noemt het togen de horst of o]) don rug en gaat er moe op de vlucht. Sterft oen jong aapje, dan kniest de moeder zich gewoonlijk daarover in korten tijd dood. Verliest daarentegen eene apeiimooder Itjj ongeluk haar loven, dan noemt oen andere na]) uit de familie, mannetje of wijfje,
do a pen woes ids pleegkind aan en hostoedt er allo moodorljjko zorgen aan. In gevangenschap komt het dikwijls genoog voor, dat groote apen kleinere van eene andore soort als hun kinderen aannemen, al zijn ze reeds volwassen. Zoo nam h.v. een orang-oetan op het schip een klein aapje iedoren koer,
als dit gestraft moest worden, in heschor-ming. l)c kleine vluchtte dan naar de horst des orang-ootans en deze klom met hem hoog in hot want; daar bleef hij tot naar zijne moening elk gevaar voor zijn beschermeling geweken was. Op eene dergeljjko manier is men gewoon den gevangen aap aan zijn meester te doen wemion. Ken ander dreigt den aap met een stok of zweep, de meester neemt het heangstigde dier in bescherming en spoedig wordt hij door dezen als zijn bescherm hm' beschouwd.
In de hosschen van liorneo is het overdag wel warm genoog voor den gevoeligen orang-oetan, tegen de nachtelijke koelte zoekt hjj zich evenwel te heschutten. ilij houwt zich op oen hoom een nest van omgebogen of afgebroken takken, die hij in elkander vlocht, liet heeft ongeveer don vorm van een groot vogelnest en wordt van boven met gras en loof belegd. De aap maakt zich zelfs een kussen van bladeren, strekt zich 's avonds als een menscli op zijn zacht leger uit en dekt zich met bladeren toe. Een tamme orang-oetan droeg op zijn bed alle kleeren bij elkaar, die hjj machtig kon worden en toen men hem hooi gaf, schudde hij dit eiken avond behoorlijk op, vóór hjj er zich op neervleide, lljj
Voet vnn don oranj?- l'itf. -'W. Voet van oi'tnn. orang-ootAn.
IlH ilicroinijk. Zooplii-nn.
wioseli zich in een kom gelaat on handen, droogde zielt met een liauddoek at', wieseh daarna den handdoek, wrong hem uit en hing hem op om te drogen en gooide dan de kom leeg. De ornng-ootan is voor den menseli in de wildernis niet gevaarlijk, hjj verwijdert zieh steeds uit streken, waarin menschen zich vestigen. Ontmoet hij hen, dan vlucht hjj slechts langzaam. Wordt hij evenwel in t nauw gebracht, dan weet hjj zich met zijne krachtige armen en tanden flink Ie verdedigen. Oude orang-oetans zijn daarom moeiljjk te overweldigen; jonge vangt men in strikkou, vooral nadat de oude wijfjes eerst gedood zijn. Zij wennen zich licht aan den niensch, zijn vreedzaam en goedmoedig van aard eu leeren gemakkelijk allerlei dingen doen, die anders slechts door den mensch worden verricht. Zoo leeren zij met mes en vork aan tafel eten, waarbij ze evenwel liefst met de boenen onder zich zitten; zjj leeren knoopen lostornen, uit een glas drinken, na den maaltijd een tandenstoker gebruiken, op de schepen de
I if,. .{4. Ilmiil \ ,ui di n gorilla. :)5. Voet vnn den gorilla van bonoden.
zeilen bremsen enz. Men verhaalt van een orang-oetan. die de kunst verstond een bakoven behoorlijk te stoken. Ze verdragen in den regel de gevangenschap niet lang, vooral niet als zij naar Europa worden overgebracht, liet is hun hier bHjkbaai te koud en de lucht is te droog, spoedig doen ze eene longziekte op. waaraan /r sterven.
Aan de westkust van Afrika leven twee soorten van apen. die veel op den oiang-oetau gelijken. De eene is de zwarte ('himpansé (7Vo'//o(/;/(e.s idiicr). die in talrijke gezelschappen samenleeft, vreedzaam van aard is en zieh ook een nest op de boomen als nachtlege]' bouwt, .long laat hjj zich goed vangen en temmen. De andere soort is de evenzoo zwart gekleurde (iorillu ( Tnvjlodittet (â¢oi'illd, l ab. Mg. 2). Iljj is de grootste en sterkste van het geslacht en leeft bijna uitsluitend op den grond, II ij wordt zoo groot als een man. is breed geschouderd, heeft krachtige armen zoo dik als een mans dij en leeft in families l'jj olkaar. .Men zegt, dat hij met één slag een mensch gemakkelijk- kan doodslaan, zelfs een geweerloop knu krom buigen. l )oorde inboorlingen wordt hij zeer gevreesd, toch schijnt hij den mensch niet aan te vallen. Wordt hij zelf aangevallen, dan
45
ontwikkelt lij] eenc wocsHiciil en kraclit, wanr niets tegen liestiind is. zoodat lijj /ich teg'en lt;ie kraelitigsto roofdieren kan verdedigen.
De ()ost-imlisrlie Ij a ngai'mapon of' (1 i hlions (Ihilobali'*) lieidjen ook geen staart. Zij onderseiieiden y.ieii van de reeds genoemde door de Imitengewone lengte Imnner armen, die tot aan lt;le enkels reiken en door de vlugheid Imnner bewegingen. Zij springen zoo snel van tak tot tak en van hoorn tot hoorn, «lat uien ze niet zwaluwen heeft vergeleken. Zij maken daarhjj sprongen van meer dan (i M.
De meest hekende apen uit fndië zjjn de Siankapen (Sfintioiiillifciis) sierlijke, hehendige dieren met langen staart. Kene soort er van, de Hamman, wordt door de Indiërs als heilig dier zeer hoog gehouden en verpleegd. .Men bouwt hem bijzondere huizen en tempels, veroorlooft hom alle kattekwaad en bedreigt den menscdi, die liem kwaad zou doen. met den dood. De Meer katjes lOrcitiiillnrns) uit Afrika evenaren de langarmapen wat vlugheid en hohendiglioid betreft. Zij leven in groote troepen samen en plunderen gaarne de maïs- en gieisiakkers der negers. Ken oude inamudijke aap voert bij deze rooftochten den troeri aan en vermaant door een luid gesehreeuw tot de vlueht. zoodra eenig gevaar dreigt. Ze vernielen daarbij gewoonlijk veel meer dan /.ij opeten. Dij hunne sprongen in de doornaehtige mimosen en aeaeiaboomen verwonden zjj zieh soms deerlijk aan de stekels. Zoodra het gezelschap tot rust komt, doorzoeken ze wederkeerig elkanders vacht om ze van ongedierte te zuiveren. Ze zijn wel niet veel grooter dan eene kat, doch weten zieh zelfs tegen een kraclitigen arend niet goed gevolg te verdedigen. Ken reiziger zag eens, dat zoo een roofvogel een halfvolwassen meerkat je op een boom greep om het weg te voeren. De aap hield zich niet alle vier de lianden aan een tak vast en schreeuwde jammerlijk; oogenblikkeljjk was de arend omringd door ecu dozijn van de sterkste apen. die schreeuwend en tandenknarsend op hein aanvielen en hem zoo toetakelden, dat de arend moeite had zijn leven te redden. Toch zijn deze diertjes gemakkelijk te vangen, door gebruik te maken van hiuine hebzucht en eigenzinnigheid. Zij laten niet graag iets los, waarvan ze zich eenmaal hebben meester gemaakt. Men legt uitgeholde pompoenen, met rijst of maïskorrels er in, in hunne nahjjheid op den grond, nadat men een gat in de schil gemaakt heeft, dat juist groot genoeg is om ze in staat to stellen er hunne leege smalle hand door te steken. Nieuwsgierig komen ze dicht bij. bcsimftelen het vreemde lichaam, steken er hunne hand in. die ze mot korrels vullen, doch kunnen haar nu niet meer terugtrekken. Ofschoon zc daardoor zeer belemmerd zjjn in hunne bewegingen, laten ze zelfs hij de vlneht de eenmaal gevatte korrels niet los en worden dus gemakkelijk gevangen. Doodt men een wijfje, dan bljjft liet jong gewoonlijk hij het lijk zijner nioeder en laat zich licht grijpen.
De Magots (Maaicm, Tab. li. Fig. I!) staan tnsschen de meerkatten en de
Hut ilii'i-onrijk. Zoogdieren.
bavianen ia. Eenc soort, de Z w jj n saap (Mawcti* nemMeinm), «lic y.jjn naam ontlwnt aan den vorm van /ijn staart, is merkwaardig wegens zijne duik- en zwemkunsr. terwijl de meeste andere apen liet water vreezen en er in verdrinken. Rene tweede soort is de staartiooze Turksehe aap of .M a got (Innum ttcuii-dalux), die in Noord-Afrika en zelfs op (iibraltar voorkomt en dikwijls door berenleiders wordt gedresseerd. Ook de .lava-aap (Inutr-- cynomolgtis), de in tenten ea spellen meest vertoonde soort, behoort tot deze groep.
De Bavianen {Ci/uocephalu») bewonen in meerdere soorten Afrika en Arable. Het zijn zeer sterke dieren met een snuit als een hond en een gebit, dat niet achterstaat bij dat van een panter. Ze beklimmen zelden boomen. leven op de steile rotsen der gebergten, soms in troepen van honderden en voeden zich met bladeren, uien. vruchten en insecten. Ze keeren graag steenen om ten einde de daaronder verborgen insecten, slakken en spinnen, vooral ook schorpioenen,' te vangen. I )e laatste vatten zjj behendig aan en trekken er den giftstekel af vóór ze hem opvreten. Voor slangen en andere kruipende dieren zijn zij daarenteo-en, zooals ook andere apen. geweldig bang en de grootste baviaan, die een strijd met den laipaard niet ontziet, vlucht vol schrik voor de kleinste slang. Zij worden voor de bewoners dezer landen eene ware plaag, daar ze niet slechts de velden plunderen, maar ook alleen zijnde menschen, vooral vrouwen, niet zelden aanvallen en ze op de afschuwelijkste wijze mishandelen. Worden zjj op Innme rotsen aangevallen, dan doen ze steenen op hun vervolgers neerrollen. Ze zijn over t algeineen zeer leelijk. maar daarin munt de Mandril (/Vz/oo Murmon) met zijn helderblauw en rood gevlokt gezicht en het vuurroode ziteelt (de kale eeltplek, waarop hij zit) boven alle uit. Ofschoon de bavianen de akeligste onder alle apen zijn, die door hunne boosaardigheid en valschheid zelfs gevaarlijk kunnen worden, worden toch niet zelden jongen er van getemd, vooral de wijfjes van den Habuïn (Cynocuph. Bahu'in Tab. 'i. rig. i). Zoolang ze jong zijn, zijn het aardige dieren, die door Innme guitige streken en plagerjjen in een apengezelschap veel vermaak geven. Worden zjj ouder, dan ontwikkelt zich zoowel in hun uiterljjk als in hun karakter het dierlijke meer en meer; zjj worden zoo boosaardig en woest en nemen zulke afschuwelijke manieren aan, dat ze niet meer geduld kunnen worden. Hetzelfde geldt trouwens min of meer van alle andere apen. Men vangt jonge babuïns door kuipen met dronkenmakend vocht (gierstebier) in hun nabijheid te plaatsen; weldra zjjn ze dronken, vallen dan in slaap en worden nu gemakkelijk gekluisterd en weggevoerd.
De Apen van de nieuwe wereld (Zuid-Amerika) zijn bijna alle kleiner en zwakker dan die van de oude wereld. Ze bezitten alle een staart: bij vele is deze naakt en als grijp- of rolstaart liet krachtigste en gewichtigste orgaan van het dier. Ze hangen zich daarmee op aan de takken en grijpen er zich bij
'f(i
Ap.-n.
hot k li mini'ii mee vast als met eene haiul. Zo Ixv.irten geene wang/akken als de moeste apen der oude wereld en de duim Immier vnorliand kan niet tegenover (1(! iindero vingern gebraelif worden; dikwijls ontbreekt die zelfs. De Brulaap (\fiicetet) van Uraziliö is berucht door zijn vreeseljjk gebrul, dat bij met ineerdei'e soortgonooten quot;s a vonds en 's morgens in de boomkronen aan beft . De brulapen zijn, als de meeste Amerikaansebo Apen. ernstige, droefgeestige dieren, waarin niemand bebagen scbept, docb die ook niemand eenig kwaad doen. De Slingerapen (Ateles) en de Rolapen (('.obus) zijn merkwaardig door bun grjjpstaarl en door de zonderlinge bewegingen, die zjj lgt;ij bet klhmnen maken. De Indianen bovecbten deze apen terwjjl ze in de boomkronen rusten en treffen ze door middel lumner lange blaaspijpen met kleine vergiftige pijlen, waarvan de punten afbreken, zoodra bet dier ze wil uittrokken. De Indianen gebruiken de buiden en eten bet vleesoh, dat evenwel door Europeanen niet genuttigd wordt. De ('a p ue ij n o ra pe n (Tab. 'i. Fig. 5), de Zjj de upon, de Leeuwenapen en de Eekhoornapen zijn kleine, sierlijke soorten, die meest niet grooter zjjn dan oen eekhoorntje, doch weinig leerzaamheid vertoonen. De Xaehtaap slaapt over dag in holle boomen en klimt 'snachts roud om inseeteu en vogels te vangen.
Hierbij sluit zicb de familie der Halfapen of M a k i s (Tab. '2. Fig. (gt;) aan. die men de nachtapen der oude wereld zou kunnen noemen. Daartoe behooren de .Maki s op Madagasear. de (falago's in Midihd-Ai'rika. de Lori's in Zuid-Azië enz. liet zijn meest kleine dieren van de grootte eener kat tot die van een eekhoorn en eene muis. Overdag slapen ze in eene donkere schuilplaats, 's Avonds klimmen ze spookachtig stil en langzaam in bet struikgewas en de boomkronen rond om voedsel te zoeken, 1 lunne beharing is dicht en zacht als zjjde: hunne groote nachtoogeii lichten in't donker. Zjj voeden zi(di niet vmehten, insecten en kleinere zoogdieren. Ook overrompelen zij den slapenden vogel, dien ze met eieren en al opvreten. De Fladdermaki bewoont de Zuid-Aziatisclie eilanden. Hij draagt tussehen de ponten eene behaarde vlieghuid. die hij als valselierin uitspant, wanneer hij van den eenen boom naar den anderen o[) groeten afstand overspringt. Daar aangekomen klimt hij langzaam, insecten en vruchten zoekend, tot in den top en springt van daaruit weer selmin naar den volgenden boom omlaag. Hij vormt den overgang van de apen tot de vleermuizen,
Vleernuiizen.
De Vleermuizen of H and vleugel i ge dieren zijn meest kleine dieren, bestemd om zich tijdens de schemering of den nacht in de lucht te lie wegen. Men kent ongeveer '250 soorten, waarvan er in Europa ongeveer ;i(i voorkomen. Hunne voorste ledematen zijn geheel vervormd tot Hadderwerktuigen, met middel-
^ Hi't ilioroniyk. Zoojfilieron.
hands- en vingcrbocntjcs. dü' zeer lang en dun zijn en verj-eleken worden met de lialeinen der |iara|gt;luie. Want voornamelijk tusschen deze beentjes is de vlie.n-huid u,.spannen, die zich evenwel ook tot de a.diterpooten en zelfs tot den staart uitstrekt. Vóór ze gaan Hadderen, wordt deze vlieghnid altijd met olie ingewreven o.n ze zacht te houden. Deze olie wordt uit klieren afgezonderd, die zich tusschen neus en oogen bevinden. De haren der vleermuizen wijken van .li,, van alle andere zoogdieren af, doordim ze bezet zjjn met selm.efvorraige windingen, waardoor zij beter de warmteuitatraling tegengaan. De duim aan de voorhand is gewoonlijk zeer kort en voorzien van een gekromden klauw, waarmee zij zich ergens aan kunnen ophangen. Haar gezicht is zwak, daarentegen zijn gevoel en mik buitengewoon ontwikkeld. Dit is reeds eenigszins op te maken uit de buitengewone ontwikkeling der oorschelpen en der vliezige aanhangsel-van den neus. De ooropeningeu kunnen meestal door beweeglijke klepjK n ,...sloren worden, waarsehijulijk om liet zeer gevoelige oor tegen al te sterke â...luiden te beschermen. Men neemt als zeker aan. dat de vleermuis het vliegen d,.|. insecten duidelijk hoort of liever de luchttrillingen, die er door ontstaan, voelt, liedekt men haar de oogen, dan fladdert het dier rond als voorheen met dezelfde zekerheid en zonder ooit tegen iets aan te vliegen. Snijdt men ze ..venwel de Madvormige aanhangsels of de groote oorschelpen en kleppen at. dan wordt ze daardoor volkomen hulpeloos. Naar het voedsel, dat ze gebruiken, verdeelt men de vleermuizen in twee groepen: de Vruchtenete rs en de i âsecfeu eters. Tot de eerste groep belmoren slechts weinig soorten, bewoners van tropisch Azië en Afrika. Eene soort, de Vliegende hondof Kalong ( rdnli*. Tab. tgt;. Fig. 7) komt veelvuldig voor op de Soenda-edanden.
[â grootte en vorm van den kop gelijkt hij op een vos. Overdag hangen ze hij honderden aan de boomtakken op donkere plaatsen in het bosch en 's nachts badderen ze in lange rijen naar de fruittuincn om er allerlei vruchten te roeven. Ze worden door de inboorlingen in netten gevangen en gejaagd; hun vleesch wordt gegeten, doch zou eene bisamlucht hebben, die het voor Europeanen minder
smakelijk maakt.
De insectenetende vleermuizen zijn klein en komen in niet minder dan 1 1 soorten in ons vadcr'atul voor. Van de Bladneuzen of Vampyrs. die zich onderscheiden door de groote. zonderlinge, vliezige aanhangsels ami den neus. komen in ons land slechts twee soorten voor, n.1. de Groote en de Kleine h oefijze rn e us. beide uitsluitend in de bergholen van Zuid-Limburg. De meest bekende bladneus is de Vampyr (Pliyllostomlt;i s,u'ctmm, Tab. '2, Fig. «). Hij leeft in de heetste deelen der wereld, n.1. in Cruyana, Mrazihë en Mexico. Overdag slaa])! hij. aan de achterpooten hangend, met den kop naar beneden in een donkeren schuilhoek, zelfs onder de daken der huizen. Valt de duisternis
in. dan fladdert hij onlioorbaar rond om vliogeii. kevers, iiaclitvlinders en andere inseefen te vangen. Voor afwisseling zou hjj vrueliten eten. Komt er in hef dorre jaargetijde gehreic aan zulk vnedsel. dan tracht liij zich te voeden niet lier bloed van grootere dieren als; hoenders, kalveren, jiaanleii. muildieren enz. Hij zet zich zachtjes neer op liet slapende dier. zuigt vooreerst de huid eventjes omhoog, zonder dat het dier er iets van voedt en maakt dun in de oppervlakte een klein wondje, zoo groot als een speldeknop. I)e wonde gaat nooit door de huid heen in t vleesch, en nadat de vanipvr er Moed heeft uitgezogen en weggevlogen is. Idoedt ze maar weinig 1111. Kleine dieren kunnen daardoor wel is waar verzwakt worden, vooral als de iianvallen zich dikwijls herhulen: het ergste evenwel is, dat niet zelden vleesch vliegen hare maden in de wonden leggen en aanleiding geven tot verzweringen en dat het meestal geschiedt in een jaargetjjde, waarin de dieren toch al in slechte conditie verkeeren. Dat de vanipvr zich ook aan menselien, en wel aan de teenen. zou vastzuigen, wordt wel als zeldzaamheid verhaald, het brengt evenwel niet het minste gevaar mee, In zjjn vaderland wordt de vanipvr dan ook volstrekt niet gevreesd. Trouwens onze inlandsche hoefijzerneuzen maken hef duiven en andere kleine dieren ook wel eens lastig door bloed-zuigen. Een natnurvorscher sloot een aantal hoefijzer-neuzen en groofoor-vleermuizen in een vertrek op.
Ier wijl de laatste in de .schemering nog sliepen, quot;werden zij door de eerste verwond en werd haar bloed afgezogen.
Toen daarop later in den nacht de eerste sliepen. ' '»⢠80- Qrooti- iiocfijzi rnciH. werden zij door de grootoor-vleermuizen aangevallen en werden hun stukken uit het lichaam gevreten.
Tot de Gladneuzen hehooren onze ininndsehe Grootoor {l'lvcutiis) met zijne groote oorschelpen met kleppen en een bijzonder fijn gehoor en gevoel. Zij houdt zich op t platte land en in de steden in de nahjjlieid van woningen, tuinen en plantsoenen op en is zeer algemeen. Ook ile J) wergvlee rinuis en de iiaatvlieger zjjn algemeen in de nabijheid van huizen. De Yr oe gv 1 i ege n de vleermuis, die zelfs soms reeds overdag jaagt, en dan ook niet zelden, hoewel meestal vruchteloos, door roofvogels wordt vervolgd, komt het meest in de grensprovinciën voor.
Overdag hangen onze vleermuizen zich in donkere scliuilplaatseii aan de achferpooten op; bij het intreden van bet koude jaargetijde in holle hoornen, kelders, bouwvallen, sclioorsteenen, zolders enz. en beginnen dan haar winterslaap. Maanden lang blijven zjj in een diepen slaap verzonken, alsof alle leven geweken
ware; zij gebruiken geen voedsel, de teinperatmir van haar lichaam daalt meer
Waonfr's Nafuuilijko ITistono. /
liet (lieronrijk. Znogdioren.
en moor, hiii'c /iiituigon iiciiion zolfs do storksto indrukkon van liuiton uiot moor waar, on van do ademhaling on hot kloppen van hot hart is nauwelijks iets te hespouron. Zoodra do temperatuur dor Inoht stijgt Ijeginnon zjj als hot ware te horloven; sommige soorten roods vroeg in 't voorjaar, andere eerst wanneer de tomperatnnr dor lucht voel hooger geworden is. om dadelijk weer liet gewone loven te hoginnon. De stofwisseling was al dien tijd uiterst gering in verhnnd mot den bijna volkomen stilstand aller lovonsverriohtingon; en do gi'ooto voorraad vet, dien zij voor hot l)oO-in van don winterslaap in haar liehaam hadden opgehoopt, was voldoende voor hare voeding, lijj het ontwaken zijn zo dan ook zeer vermagerd, doch niet verzwakt.
Het zijn zeer nuttige dieren, die geen inousch oenig leed doen, ook geen spek vreten, maar tal van lastige vliegen, schadelijke kevers, iiachtvlinders en andere nachtelijke insecten dooden. Haar gehit stemt overeen mot dat van de insectenetende roofdieren en in hare maag vindt men steeds slechts overblijfsels van insecten. In warme gewesten zjjn ze in veel grootw ⢠aantal voorhanden en komen ze 's avonds soms in scharen van duizenden te voorsclnjn. De jonge vleermuizen il of 2) zuigen zich dadelijk na do geboorte! vast aan do borst barer moedor en worden ook bij hot fladderen altijd door deze meegevoerd, tot zij in staat zijn zich zelfstandig te voeden. Do wjjfjes lioudcu zich met hare jongen op in bijzondere schuilplaatsen, waar zij den mannetjes den toegang ontzeggen tot lt;1«' jonden volwnssoii zijn.
Hoofdleren.
Do Roofdieren vertoonen, wat betreft grootte en uitwendig voorkomen, in-ooto verscheidenheid, maar stommen daarin met elkander overeen, dat zo zich voornamelijk mot het vleesch van andere dieren voeden en dan ook tanden bezitten, die geschikt zijn voor het vangen en verscheuren hunner prooi. In elke kaak hebben zo lt;gt; snijtanden, 'J groote en spitse boek- of slagtanden, achter deze eenige scherp-randige valsche kiezen, dan één of meer kiezen, die met scherpe, spitse uitsteeksels voorzien zijn om er vleesch mee te snijden en daarachter nog een of meer met stompe knobbels bezette maalkiezen. Hun lichaam is steeds zoo lenig en krachtig gebouwd als voor do jacht op hunne prooi vereischt wordt. De van 4 of rgt; teenen voorziene ponton zijn zoowel voor hot loopen (zwemmen, graven, klimmen) als voor het grijpen ingericht. De teenen zijn gewapend mot min of moer scherpe, stevige klauwen. Over hot algemeen bezitten zij bjjzonder scherpe zinnon (gezicht, gehoor, reuk), die bon in staat stollen de prooi op te sporen, en vertoonen ze groote slimheid, zoowol bij de jacht op andere dieren, als wanneer het er op aankomt zich aan do vervolging hunner vijanden te onttrekken. Do meeste dezer
Koordi.'ivn.
dieren wordon door den mcnseli wt'gcns huiinc moordlust golmnt; slwhts weinig zijn licm van nuf. Xanr lu;t voedsel, dat zo gewoon zijn to gebruiken, vordoclt men zc in twee groepen : lt;lo I n soe teuoters en do Yorsc li ou rende d ieren.
1 )l' insectonetci's zjjn allo sleelits klein, voornaniolijk tot een naehtelijk i)estaan en volo zelfs tut hot leven onder den grond he.steind. Hot liost liekend onder lion zijn de Mollen (TrW/»/ Tab. quot;2. Pig. !)), waarvan men tot nu toe i soorten kent. J)e Gewone mol is ongeveer eene hand lang, rolrond, met korte nooten en oen Huwoelaehtigon pels. Do voorjiooten zjjn zoor krnelitig gebouwd, de voeten spiidevonnig, met de binnenvlakte naar buiten gerielit en geschikt om de aarde los te woelen, zijdelings weg to drukken en naar aeliteren te werpen. De snuit is zeer verlengd, kegelvormig en is voor hot dier een uitstekend werktuig; tastend onderzoekt de mol daarmee den grond, voor lijj er zieh doorheen wrkt. Door zijn scherpen ronk ontdekt liij aard wurmen, engerlingen en andere hisccton-larven, die in do aarde leven en waarmee hij zich voedt, /ijne oogen zijn zeer klein en worden gewoonlijk door de haren bedekt. De ooroponing kan gesloten en /oo tegen het; indringen van aarde beschut worden; toch kan hot dier zeer scherp hooren en hoven den grond ook tamelijk goed zien. De mol bouwt zich. liefst onder dikke boomstronken, op ⢠1 'gt; a â gt;lt;) cM diepte oen nest. Dit bestaat uit eene ketelvormige ruimte, die hjj mot hooi, mos, wortel-vezels en dergelijke dingenzaclit bekleedt.
In dezen ketel verpleegt hot wijfje dek
hare jongen, jaarlijks , ' ' Van terzijde Kezicn Plattegrond.
f tot stuks. Jjczo Fijr. Woning- vnn den mol.
zijn aanvankeljjk hoogst hulpbehoevende wezentjes, niet grooter dan eene boon.
Van den ketel uit gaan gangen schuin naar hoven, die in eene horizontale.
kiingwmigc gang uitkomen, vanwaar weer 'gt; buizen schuin naar buiten en
naai beneden voeten in eene tweede grootere. kringvormige gang. die dieper
ligt. \ an hieruit komt de mol in den tunnel, die naar zijn jachtterrein leidt.
Deze is zoo wijd, dat de mol er zich gemakkelijk in beweegt, en is soms .*)((
-100 passen lang. De wanden zijn glad. doordien de aarde er vast aangeplempt
is; hij staat door verschillende gangen met de buitenste kringvormige gang
in geineenscliap. Dit stel gangen om het leger vormt een waren doolhof, waardoor
andere dieren b.v. de wezel, die den mol dikwijls tot in zijn nest vervolgt
â¢h n \seg naar het nest niet gemakkoljjk vinden, en de mol in staat is in tijd van
nood altijd nog door eene der gangen den tunnel te bereiken, 's Morgens vroequot;-.
Het ilieronrijk. Zoogcliorou.
S middags till 's iivonds trokt liij gewoonlijk door de» tuimel om zich oj) grooton afstand van zijn nest op jaeht te hegeven. Bemerkt hij door zijn seller]) gehoor ol' Hjneii reuk een worm of insect, dan hnant iijj zieli gravende een weg daiiriieen, waarbij inj veelvuldig molwlioopen opwerpt, als hij n.l. door het graven de aarde vóór zjjn snuit zoo vast heeft samengedrukt, dat ze hem verderen ............
belet. Mij vreet zeer veel.
in bossehen en weilanden wordt hjj door zijn jagen zeer nuttig; in tuinen
daarentegen bederft hjj ....... zijne loopgraven en molshoopeu vele gewassen en
wordt er daarom verjaagd. Daar hij gaarne drinkt, houdt hij zich bij voorkeur op in de nahijheid van rivieren en heken; ontbreken deze. dan graaft liij zich verticale gangen (putten), waiirin zich het water verzamelt, 's Nachts komt hij soms aan de oppervlakte van den bodem, overrompelt dan bjj gelegenheid muizen en kleine vogels, die hij opvreet, maar valt zelf dikwijls uilen, wezels en andere roofdieren ten prooi, Tegen /ijnsgelijke is hij hoogst onverdraagzaam. Twee mollen, die elkaar ontmoeten, bevechten elkander op leven en dood. De (roudinol (Criistirhlori*) aan de Kaap onderscheidt zich door den prachtigen metaalglans zijner vacht, waardoor bjj alle zoogdieren overtreft.
Een dergelijk onderaardsch leven leiden ook de Spitsmuizen (Sow), die door haar lichaamsvorm meer aan de eigenlijke muizen doen denken. Ze onderscheiden zich van deze door haren spitsen, verlengden snuit, hare sterke mnskuslnebt en vooral door het taudstelsel. Xe vallen met waren moordlust veldmuizen en insecten aan en worden voor ons daardoor zeer nuttig. De Wa tersjiitsmnis {Crossoint*) o-rijpt wel is waar bjj gelegenheid ook karpers en andere visschen aan en bijt hun den kop stuk om de hersenen te verorberen, gewoonlijk evenwel vreet zij iimoctenlarven, kikvorsehen. jonge kreeften enz. In het Kaapland leven de verwante r.uisslu rpers (Miurosrlvie*) op dezelfde wjjze als hier de spitsmuizen; door hunne lange, dunne achterpooten en bliksemsnelle sprongen komen ze overeen met do springniuizen. In Oost-indië beklimmen de evenzoo hiertoe hehoorende Spitshoorntjes {GlaiUMe*) behendig de boomen, oin daar jacht op insecten te maken. Tot de spitsmuizen behoort ook liet kleinste aller bekende zoogdieren, de Toskaansche w i m persp itsm u is (Pnrliijnrd rlrusca), die met den 3 cM langen staart slechts (i cM groot is.
Eene derde groep van iiisccteneters is door den Egel (Krimtce.m ntmim'im, Tab. '2 b'ig. 10) bjj ons vertegenwoordigd, die zich van alle inheemsche dieren
Roofdieren.
oiulerschcidt door zijne talrijke stekels op den rug. Hij is kort, g-eclronquot;'en gebouwd, ongeveer 25 e.M lang en 12 e.M hoog; liet staartje is ongeveer 2.5 c.M lang. Het wijfje is iets grooter en kraeiitiger. iets liehter van kleuren de stekels reiken op liet voorhoofd verder naar heueden : de kop schijnt daardoor wat langer. De snuit is spits en van voren gekerfd; do egel kan er de veldmuizen zeer behendig mee uit hare gaten en gangen halen, hoe plomp en onbeholpen hij er overigens ook uitziet. II jj krabt zich gaarne cene holte als leger onder liet struikgewas of opeene verscholen plek. Soms graaft hjj zieh zelfs een behoorlijk bol, 1 . M diep onder den grond en met twee uitgangen naar tegengestelde zijden, liij hevigen wind verstopt hij den uitgang aan de windzijde net als het eekhoorntje. Om zieh eene zachte bedekking voor zijn leger te verschaffen rolt hij zieh met den rug over loof en mos, dat aan de stekels blijft hangen en dat hjj zoo meevoert. (Jedurende den winter houdt hjj, tot een bol opgerold, een winterslaim. Hij rolt zich evenzoo tot een rondom met stekels gewapenden bol op, zoodra hij van iets schrikt of een vjjand meent gewaar te worden, of wanneer hij van eene steile hoogte naar beneden stort, wat bij zjjne plompheid en zjjn slecht gezicht niet zelden gebeurt, (iroote roofvogels, b.v. uilen, storen zich evenwel niet nan zijn stekels, maar hakken met hun scherpen snavel door de huid heen, en de vos dwingt hem zich te ontrollen door hem op den rug te leggen en met zijne stinkende urine te besproeien; ook zou hij hem voor dat doel in 't water rollen. De end wordt soms als huisdier gehouden om de lastige kakkerlakken en muizen te vangen; hij wordt evenwel lastig door het eeuwig gestommel en geknor gedurende den nacht, en ook door zijn onaaugenamen reuk. De jonge egels zijn aanvankelijk witachtig van kleur en hebben nog korte, zachte, teruggeslagen stekels: ze worden soms door de eigen moeder opgevreten. De /igeuners braden hem. in eene laag leem gehuld, op het open vuur om hem te eten. De oude Ãomeincu gebruikten egelhuiden om laken te kaarden en betaalden er hooge prijzen voor. Zeer nuttig maakt de egel zich nog door de giftige adder te vervolgen en op to vreten. Merkwaardigerwijze heeft de beet van dit gevaarlijke dier voor hem geen schadeljjke gevolgen, evenmin het eten van Spaansche vliegen, die voor andere schepsels hoogst vergiftig zijn. Zelfs arsenik en opium zouden hem weinig kunnen deren. Mehalve dierlijk voedsel eet de egel ook wel afgevallen vruchten en zaden.
De afdeeling der ^ e rsc h e u re n d e dieren bevat meerdere groepen van dieren, waarvan men er eene, die der lieren, ook wel alleseters genoemd heeft, daar de dieren, die er toe behooren. tenminste in de jeugd, evengoed plantaardig als dierlijk voedsel gebruiken. De gewone Bruine beer (l'rsus ttfi-los, lal». 2 l ig. 11) is een zoolganger, omdat hjj niet alleen met de teenen, maar met de geheide zool vmi den voet op den grond treedt, in tegenstelling met de meeste andere roofdieren, die teen gangers zijn. Daardoor is
r- j Het ilioroiuijk.
hij in stiiat ecu tijd lung op zijne acliterpooteii rechtop te loopcn. In vroegei1 tijden richtte men Item at' tot dansen door den metalen l)odein /jjner kooi tc verhitten en met tiuit en trommel mnziek daarliij te maken. Zoodra hij dan later dc mnziek weer hoorde, hegon hij ook vanzelf te dansen. \ rochet k^aiu lijj overal ia Middel-Europa voor en nog in I7n7 werd er een hij I'hmeii in Saksen gedood. Xu nog zjjn in de Zwitsersche Alj)en enkele ontoegankelijke dalen, te midden der rotsen, door beren hewoond. De Karputen. de Skandinavische quot;cheigten. de l'vreneeen. vooral evenwel de groote wouden van Aziatisch ünslaud tot Kamtschatka toe, zijn nog rijk genoeg aan dit wild. De heer komt gewoonlijk in -lanuari als Mind, hulphehoevend wezen ter wereld en wordt door de oude herin op de teederste wijze verwarmd en verpleegd. Deze verdedigt haar kroost op de krachtigste manier, ook tegen den vader, die niet zelden lust gevoelt zijn eigen jongen op te peuzelen. De heer heklimt Ijjsterbesboomen om zich bessen te verse Indien, hij zoekt bosch- en hraanihessen in quot;t bosch, hij «â â raast sa|)))ig gras al' als eene koe. maar nog meer houdt hij van graanplanten. vooral van haver. \ oor afwisseling vangt hjj ook kevers en muggen, krabt mierennesten open om de mieren met hare |ioppen op te vreten en is overgelukkig als hij een bijenstok vindt en den honig daaruit kan plunderen. Men verhaalt, dat vele Aziatische volken Juist van zjjne verzotheid op honig gebruik maken om hem te vangen. Zjj hangen een zwaar blok aan een touw voor het vlieggat van een bijenstok; de beer slaat dat op zijde en herhaalt dit telkens, tot hjj door de herbaalde slagen van liet terugvallende blok verdoofd wordt en in puntige palen op den grond neervalt. Men zegt ook, dat de jonge beer zjjne moeder langer dan een jaar vergezelt en door haar. desnoods met oorvegen, wordt opgevorderd, om op zjjne jongere broertjes en zusjes te passen, 's Winters slaapt de beer veel meer dan 's zomers; hjj zoekt zich dan eene goed beschutte schuilplaats op en laat zich daar ondersneeuwen. Bjj slecht weer komt hjj dagen lang niet te voorschijn. Een eigenlijke, onafgebroken winterslaap houdt hij niet. Wordt de beer ouder, dan houdt hij meer van krachtigen vleeschkost; heeft hij gebrek aan wild. dan valt hjj de huisdieren van den boer aan. Hij nadert sluipende, zoo behoedzaam mogelijk, het weidende vee, stort er zich eindelijk brullend op en velt liet neer. Zelfs uit den stal haalt de beer zich soms een stuk vee door de deur open te breken of door het dak binnen te dringen, lljj is in staat eene koe dooi' de opening in het dak naar buiten te trekken en met een gedood paard over een smal paadje te loopen. Daar hij veel schade doet, wordt hij overal ijverig vervolgd, waar hij slechts zijne tegenwoordigheid verraadt. De jager neemt gaarne dashonden mee op de berenjacht. Deze vallen
I
Hoofdieren. 55
wootlcnd op don boer aan on houden hem zoo aanhoudend hezig, dat do jagor lioin op zijn gemak kan schieten. De lieer hospeurt den nadorenden mensoh op mooi' dan IÃL) ]ias afstand en maakt zich dan gaarne uit de voeten, is hom de torngtoeht afgesneden, heeft lijj zijne jongen te verdedigen of is hij gewond, dan richt hij zich oji do aehterpooten omhoog en schrijdt op den jager toe. Brengt deze hem niet eeno doodelijko wonde toe in do hersenen of in hot hart, dan hooft hij een harden strijd om hot leven te voeren, ilij moet trachten hem met liet jachtmes zijne voorste klauwen te verlammen of af te hakken en hem dan, zoo mogelijk, van terzijde diepe steken in het hart toehrengen. I.nkt hem dat niet, kan iiij den heer ook niet verdoovon door oen kraciitigon slag mot den geweerkolf tussclion de oogon, dan omarmt de heer hem zoo krachtig, dat de rihhen breken en de jager is in oen oogenhlik verniorsehl. ()[» een boom zou do jager goene toevlucht kunnen vinden, daar do beer zelf uitstekend klimt; ovenzoo loopt en zwemt liij sneller on met meer volharding dan een mensch. iu vroeger tijdon joeg men den boer met groote honden, die hem staande hielden tot de jager hem mot do lans doodde. In noordelijk Spanje hoeft men boronjagors, osoro's, die alleen den hoer tegemoet treden. In do linkerhand dragon zij oen scherpen dublicleii dolk, die in bet midden bet handvat heeft en aan de beide uiteinden scherp is. Zoodra de lieer zich opricht, stouten zo hom eeno punt in de borst. De hoor beproeft hot wapen met den kop te verwijderen, doch boort zich daarbij do andere punt in do keel, terwijl de man hom van terzijde mot het scherpe jachtmes doodelijko wonden toebrengt. Een groote beer levert tot '200 Kü eetbaar vloeseh op; zijn vet is zeer gezocht voor zalf en voor de vacht wordt f'20âÆ 40 betaald. Jong gevangen heren zjjn koddige beesten, worden evenwel mot toeiiemenden leeftijd norseher en boosaardiger, zoodat men zo nooit met gerustheid kan vertrouwen.
in i'alestina op den Lihnnun leeft de geelwitte S\ rische beer (/'/vsk.s i^ahe/linn*), Noord-Amorika heeft een zwarten en oen grijzen boer, beide zeer sterke dieren. De Zwarte beer of Haribal (l'. americamtx) voedt zich voornamelijk met plantenkost en wordt minder gevreesd. Do Grijze- of (Irislvbeer fimu-, door do Ainerikanen schertsenderwijs Kjihraïm genoemd) brengt daarentegen algemeen, waar hij zich ophuudt, schrik en ontzetting teweeg. Jljj wordt tot 1 . M lang en bereikt een gewicht van .'150âi50 K(r. Zou een boor gedood te hebben, geldt voor het grootste bewijs van dapperheid eens Indiaans en geeft don jager hot recht een halssieraad te dragon, vervaardigd van de klauwen en do tandon van het verslagen dier, waarop hij zeer trotsch is. Znlk oen heldenfeit wordt dan ook steeds f'ecstehjjk gevierd. Duch zelfs deze gevreesde reuzenheer vertoont nu en dan beminnelijke eigenschappen. Zoo had eens oen jong ge vangen lt;â 11 getemde grisly innige vriendschap gesloten met eeno kleine antilope. Toen
Het (lieminjk. Zo'gt;g(li« ion.
dezo door oen wordenden buldog werd aanbevallen, vatte de heer den hond inef zijn pooten aan on omanmlc hom /00 stevig, dat hij ternauwcrnoocl ontkwam aan verstikking en iinilend or van door ging'. Znid-Aziö liolt;'t't weer andere berensoorten. Eene daarvan de 15man of' Maleisciio beer {Jlrlarclo* riHiltiyawi*) wordt maar i' M lang en 2 M hoog, heoft eene kortliarige, glanzend zwarte vacht en op de borst eene hoefijzervormige, geelachtige vlek. Hij klimt zeer behendig en leeft vooral van boomvruchten, waardoor hij den planters dikwjjls zeer onaangenaam wordt. Eene andere, grootere en sterkere soort, de Lippen beer (Proehihts lahütltis), verkreeg zjjn naam door de gewoonte, die hij heeft, om de lippen ver vooruit te steken en de spijzen daarmee te grijpen. Hij bewoont de Zuid-Aziatische berglanden, vreet ook wel voornamelijk planten, b.v. suikerriet, maar ook de honigraten der bijen, boommieren en termieten. Zoo honger of drift hem drijft, valt hjj ook mensehen aan, slaat gewoonljjk met zijne klauwen naar liet aangezicht, om zijn tegenstander de oogen uit te rukken, en wordt daarom zeer gevreesd. Jong gevangen laat hij zich licht temmen en evenals de bruine beer tot dansen, ombuitelen en dergelijke kunststukjes africhten. De reusachtige, witte 1.1 s beer (Thal-amarctos polaris. Tab. Fig. l'i), die soms meer dan 22 M lang en 550â800 KG zwaar wordt, bewoont de koudste streken binnen den poolcirkel. Zijn dikke pels en het vele vet. dat zich daaronder afzet, stellen hem in staat de strengste koude te verdragen. De ijsbeer zwemt en duikt uitstekend en weet op meesterlijke wijze zeehonden te overvallen en visoh uit het water te halen. Den mensch ontwijkt hij zooveel mogelijk, wordt evenwel een vreeselijke tegenstander, zoo bij aangevallen of getergd wordt. De Eskimo's trekken met tweeën, begeleid door hunne honden, onversaagd op de jjsbeerjacht uit. De honden brengen den beer tot staan; zoodra hij zich voor den aanval opricht, bedreigt de eene jager hem schijnbaar van voren en de andere brengt hem van terzijde den doodebjken lanssteek in liet hart toe. Het vleesch dor ijsberen is een der hoofd voedingsmiddelen der noordelijke eskimo's; de lever wordt voor schadelijk gehouden. Tot de familie der beren behooren ook nog meerden' kleinere roofdieren. Een der meest bekende is de Wase h li eer (/Voei/ox Idlur). Hjj bewoont het grootste deel van .\oord-Amerika en voedt zich even gaarne met vruchten, wortels en andere plantendeelen, als met insecten, slakken, vogels en vogeleieren en kleinere zoogdieren. Daar bjj hoendrrhokken en duiventillen niet zelden plundert, wordt hij ijverig vervolgd; jaarlijks komen dan ook meer dan 100.000 stuks huiden van den âschup ' of ..racoon ' in den handel, die als bont verwerkt worden. Om zijne hoogst dwaze manieren wordt hij soms als huisdier gehouden, ofschoon bij door zijne niet te bevredigen nieuwsgierigheid, door zijn plaaglust en vooral door tie liefhebberij 0111 voor zijn genoegen allo mogelijke dingen in water te wassciien, zeer lastig kan worden. In vele opzichten
Rool'diercD. - -
.) /
geljjkon (1(3 N(Misl)ereii of Coati's (Aosiw), die evenzoo Middel- en Zuid-Anierika liewonen, oj. den wascliheer. Zjj trekken alleen of in kleine gezelsclinimen door de bosselien, woelen met luinnen zeer verlengden snuit den grond om, om wonnen en insecten te zoeken en klimmen even vlug nis de waseliltereu op hoornen. De iu de heete gewesten van Amerika levende WikkeIneus (Cenvhyte*) bezit een grijpstaart, waanneê lijj zich hij het klimmen aau de takken vastlioudt, en eene zeer lange tong, die hem voornamelijk hij het iilnnderen van hijenstokken goede diensten bewijst.
In ons land (in de grensprovinciën en in de Veluwe) is nog één lid der heren-fiimilie behouden gebleven, n.1. de Das (Male* Tii.ru*, Tab. â¢_gt;. l-'ig. |;{), die s| a eek woordelijk geworden is om zjjne traagheid en om zijn isegrinnnigen. eenzel-vigen aard en beroemd om zijn nitgebreiden onderaardschen bouw en de daarin heerschende zindelijkheid. Hij is zonder den 1.', c.M langen staart, 7:. c.M groot, plomp gebouwd, zwartachtig grijs aan den kop, met zwarte en witte overkingschè Strepen. Gewoonlijk verlaat hjj zijn hol slechts in de stilte van den naclil om voedsel te zoeken. Iljj krabt wortels uit den grond, vreet eikels en beukennootjes, nfgevallen ooft, druiven, insecten, muizen, kikvorschen, konijntjes, op den grond nestelende vogels enz. Zjjn fraaie bouw beeft i S vlucht- en luchtgaten en wordt hem dikwijls op listige wijze of met geweld door den vos af handig gemaakt. Zijn vlceseh is eetbaar en zijne huid wordt voor ransels en dergelijke dingen gebruikt, fn Duitschland worden jaarlijks ongeveer .quot;iUO dassen gedood.
Het Amerikaansche Stinkdier (Mephitis) beeft een heel fraai uiterlijk, de grootte van eene kat. lange haren, een dichtgephiiinden staart en gewoonlijk brci-de, afwisselend zwart en wit gekleurde, overlangsche strepen. Overdag blijven deze dieren m de bossehen verborgen in gaten in den grond, om met de schemering hun langzamen tocht te heginnen. ten einde kikvorschen, muizen, ratten, jonge hazen, vogels enz. te vangen. Komt hun hierbij een inensch of een dier. waar-\aii zij gevaar duchten, te nabij, dan bespuiten ze den vjjand op een afstand van I - met eene vloeistof uit een naast de aarsopening gelegen reservoir, die aan stank alles overtreft, wat bekend is, bij vele mensehen onmiddellijk braken of eene Hauwte veroorzaakt en zelfs den jaguar op eene overhaaste vlucht jaagt. Afrika en Indie bezitten in de verschillende soorten van Honigdassen dergelijke dieren, 'lio ook âvaders van den stankquot; genoemd worden, maar toch niet iu dezelfde mate lastig worden als het Amerikaansche stinkdier. De honigdassen zoeken hij voorkeur de honigvoorraden en larven der bijen, die in die streken hare cellen in den grond bouwen, als honnnels en sommige wespen hier. Hun dichte pels. het taaie, zeer loszittend vel en de vetlaag daaronder beschutten ze tegen den steek der bijen.
De quot;Wezel- of Mnrterachtige roofdieren onderscheiden zich door een zeer slank, cilindervormig lichaam en korte pooten. De mooiste der iidandsche marter-
Hot dieromyk. Zoogilioron.
achtigeii is lt;le Edel- of Boo mm arte r {Mustda Marles, Tab. Tijj,'. li), die mui ile rugzijde doulverbruin, aan do keel dooiergeel ('iij een variëteit witachtig), aan de zij en den buik geelachtig gekleurd is. De beharing is dicht, zacht en glanzend. Zijn licliaam is 50 cM en de staart 27 cM lang, aan de schoft is hij 2.') cM hoog. Zjjn gebit doet hem reeds kennen ais een onzer bloeddorstigste roevers. 11 ij bewoont de meest afgelegen en dichtste bosschen; als leger dient hem eene zaclit bekleede holte in een boom, of wel een verlaten roofvogel- of eekhoornnest. In 't klimmen is hij een meester, zelfs het flinke eekhoorntje ontkomt hem niet. Liefst overvalt hij vogels. Leveren hem de boomkronen niet genoeg voedsel op zijn honger is zeer groot dan jaagt hij op den grond. De daar broeiende vogels hebben in hem hun gevaarlijksten vjjand, die hen onverhoeds overrompelt en worgt. Maar ook alle zoogdieren, die hij slechts meent te kunnen overweldigen, valt hij aan: muizen, ratten, hamsters, konijnen, hazen en zelfs jonge reeën. Iljj bijt kleine dieren den achterkop stuk, grootere verscheurt hij den hals. Sterkere dieren, als hamsters en hazen, grjjpt hij met alle vier de pooten vast en rolt zich met hen over den grond tot zij door zijne beten gedood zijn. Xu en dan eet hij ook aardbeien en braambessen en rooft Injj zoete vruchten uit de tuinen, 's Winters, nis zijn voedsel schaarscli wordt, nadert hij, door honger gedreven, soms de menscheljjke woningen. Slaagt hij er in door eene kleine opening-waar zijn kop door kan, glipt het slanke lijf ook door in een kippenhok of duiventil te dringen, dan richt hij daarin vreesehjke verwoestingen aan. Zoo lang hij er nog iets levends in gewaar wordt, bljjft hij aan quot;t moorden, likt het bloed op. dat uit de wonden drupt, vreet iets van de hersens op en sleept ten slotte een enkel stuk mee. Het gemakkelijkst wordt hij in vallen gevangen. Igt;e kostbare vacht (waarde Æ JÃ. a Æ 12. â¢), vergoedt den jager ruimschoots de moeite. Aanmerkelijk kleiner dan de edelmarter is de Fluwijn, ook Huis- of Steen-in art er genaamd, (Mmlcla foina), die overal in de gematigde streken van Europa voorkomt en zich gaarne in de nabijheid der menschelijke woningen, onder steen-hoopen of in schuren en stallen, ophoudt. Zijne beharing is donkerbruin met grauw-witten ondergrond, keel en borst zijn wit. Iljj is even vlug als de boommarter on voor het gevogelte nog veel gevaarlijker. Soms knaagt hij door het hout heen, of graaft een gat onder den muur door om zijne prooi te bereiken. Lvemnin als kleinere dieren van allerlei aard, versmaadt hij onze fijne frnitsoorten als kersen, abrikozen of druiven; gedroogd ooit is voor hem eene lekkernij, waarmee hij licht gelokt kan worden. Wegens de groote schade, die hij aanricht, wordt hij met bijzonderen ijver vervolgd, zoodat hij in ons land al bijna even zeldzaam geworden is .als de boommarter. Met Sa bel dier (Marles /ibrllina) vindt men alleen in de meest afgelegen woudstreken van Siberië en Kamtseliatka ; liet geljjkt in zijne levenswijze veel op den edelmarter. Het geldt in Rusland als eene der zwaarste straffen,
liu' 'M i'T'ii.
veroordeeld te worden tot de sabeldierjacht, daar de jager hierbij weken iann' in de viiuiigste winterkou de onlierbergzaamste, eenzaamste streken te Ijewoiien heeft, om er met voortdurend levensgevaar de vallen voor die dieren te plaatsen en üe na te gaan. De zeldzaamheid van het dier is oorzaak van den hoogen nrjjs van zijn pels. Evenzoo in Siberië, maar ook in Skandinavir en geheel Middel-Europa (ook in ons land) komt de Hermelijn of de Groote wezel (.l/eWe.s erminea) voor. 's Zomers is hij bruin met geelwit ten buik, 's winters sneeuwwit met zwarten puilt aan het staarteind. N'rooger werd zijne vacht zoo hoog gewaardeerd, dat ze alleen voor vorstelijke kleedingsstukken gebruikt nioeht worden. Die van onze inlandsche hermelijnen is ook 's winters niet zuiver wit en verkleurt spoedig, zoodat ze weinig waarde heeft. De levenswijze van den hermelijn komt veel overeen met die van den Kleinen wezel (Mirrlrs vulyoris). Deze is/under den 5 cM langen staart l.V-ilt;S eM lang. daarbij zoo krachtijr en vlua-. zoo brutaal en bloeddorstig, dat hij niet slechts muizen, maar ook groote ratten, waterratten. mollen, zelfs hazen en konijnen aanvalt. Hij vervolgt hen als een hond,
springt grootere dieren onverhoeds op den rug, bijt hun de slagaderen aan den hals open en klemt zich aan het slachtoffer vast tot het levenloos neerzinkt. Hij likt niet wellust het warme bloed op, dat uit de wonde vloeit, doch laat do rest liggen om weer een nieuw slachtoffer te zoeken.
/ijn hootdvoedsel bestaat uit muizen.
Oiigelootijjk is het aantal muizen, dat iijj doodt, wanneer deze veelvuldig voorkomen; zelfs als hij verzadigd is met bloed, gaat hij voort er steeds meer te vermoorden, Hjj vervolgt ze zelfs in bare gangen. De wezel is daarom voor den landbouw hoogst nuttig. De Hu using (Marlf* I'ldoriu*, Tab. 'i, Kig. |r,, houdt zjjn verbljjf veelal in de onmiddellijke nabijheid van den niensch. onder ilieiis eigen dak. in schuren, stallen, hoopen hout enz. Hij begint 's avonds zijne rooftochten, vreet ook wel muizen en ratten, maar sticht tevens in het konjinenhok en ouder het gevogelte groot onheil, daar hjj evenals de edelnmrter alles worgt, wat onder zijn bereik is. Het geelwitte Fretje (Murlr* Furo), dat uit JN'oord-Afiika is ingevoerd, wordt geiiruikt om de wilde konijnen uit hunne holen in voor de uitgangen gespannen netten te jagen. Men houdt hef voor een albinovorm 1)
1) Albino's zijn Terscholdonhadeii, die ondor velo diersoorten voorkomen, on zelfs ook l.ij raenschen. Ze omler.siheidou zich dooi- de witte klmir der liai-en, een roeden oogappel en grootore sfovoeligluhl van de normale dieren: witte koniinen, muizen, ratten, katten, olifanten, raven enz.
}|ct ilieroniijk. ZuofrJiorcn.
van lt;len Afriktinnsclien biinsing wegens /.ijiu' witte kleur, rootle oogen en /ijno
geveeliglieid voor de koiule.
Tot de fiimilie van den marter behuoren nog meerdere dieren van Noord-Europa, Noord-Amerika en Nourd-A/ië, die om liunno kostbare luiiden jjverig vervolgd worden. Zoo de Ca nadasclie marter of' Po kan (AfaWes cnnoih-nm), de Moerasotters en de Vise hutters. Van moerasotters vindt men in Xoord-Enropa den Niirz (Viwn hdreola), in Amerika den Mink (IV.-on (imerimtiw). Tut de vischotters behoort de Gewone viseliotter {Lutra vuhjarls, Tab. -2. Fig. IC), die overal in de gematigde, noordelijke luelitstreken in de nabijlieid van visdirijk water voorkomt, lljj richt groote verwoestingen aan onder de visscben. wordt danrom jjvei'ig vervolgd, maar is niet gemakkidijk te krijgen. Hij bereikt een lengt() van ongeveer 1 M. de staart is ongeveer halt' zoo lang; aan de schoft is l,ij i hoog. De vacht is glanzend donkerbruin en blijft ook in het water
steeds clrooquot;'. De viseliotter graaft zich ......len oever een bol, waartoe twee
nijpen toegung geven. De hoofdpijp eindigt gewoonlijk in een natuurlijk ocverhol. onder een boom of op eene iindero verborgen plek, 1 â1 M onder den waterspiegel; do tweede pijp dient voornamelijk als luehtgat en komt uit op den oever. Het dier be/.it zwemvliezen tussehen de teenen, zwemt en duikt uitst(d;end en voelt zi(di in het water beter thuis dan op het land. Soms verbergt het zich evenwel ook in holle boomen. De viseliotter wordt meestal in vallen gevangen. In Duitsehland worden jaarlijks omstreeks aOOK stuks gedood en wordt ook hnii vleesch gegeten. Do Zeeottcr (Knh,ydm marina) bewoont slechts de westkust van Xoord-Amerika, en de Koerilen. Hij voedt zich met zeekreeften, schelpdieren en kleine visscben. die hij op ondiepten en aan het strand der zee, zoowel als in de rivieren en binnenmeren hij de knst vangt. Zijne vacht overtreft, wat den quot;lans betreft, bet schoonst fluweel en wordt daarom voor bontwerk zeer dnar betaald. Door de sterke vervolging, waaraan het daardoor blootstaat, is bet dier zeer zeldzaam geworden. Voor zijne jongen is de zeeotter buitengewoon teeder; hij draagt zo bij gevaar in den muil weg of houdt ze, zwemmende, tussehen de voorpooten. Men vertelt, dat een wijfje, dat men de jongen ontnomen had. zich daarover dood getreurd heeft.
De Veelvraat (GkIo borcalis) houdt bet midden tussehen de marters en de beren. Het is een roofdier van 75 cM lengte met een '20 e.M langen, lang behaarden staart, dat in noordelijk Muropa en Azië voorkomt en waarvan ook eene verscheidenheid, de Wolverene, in Amerika bekend is. Zjjn naam dankt hjj aan onware verhalen, volgens welke hjj onverzadigbaar zou zjjn. \\ el beeft hij flinken eetlust; hij vreet lemmings, sneeuwhoenders, jonge rendieren en elen-dieren, maar hij presteert in bet vreten niets buitengewoons. Hij klautert gemakkelijk op lage boomen, springt van daaruit grootere dieren op den rug en doodt
(gt;()
I.VoWi.'m:
ze door do slagadw-s door te bijten, .lonji' ^â evangen woidf lujj /.eer tam en is hij vennakeljjk om zijne koddige maniereii, doeli ouder ^ewordeii vi'i'tooiit itij zich nurkseh en wild. Tegen de honden verdedigt liij zich met zijn scherp gebit en zijne klauwen, doch hij verjaagt ze ook door ontlasting zjjner stinkklieren.
De II ondaclitige roofdieren bezitten in 't algemeen een dun. slank liehaam, een spits toeloopenden klt;ij) en booge pooten. Hiertoe behooren verscliillende zeer gevaarlijke roovers, maar tevens de trouwste en kostbaarste aller roofdieren, de Huishond (Cmiitf lamiliaris), die zieb inniger dan eenig ander dier aan den mensch hecht, hem in de meest verschillende omstandigheden en onder alle standen hulp en bijstand verleent en bereid is met liefde zijn eigen leven op te otteren ter verdediging zijns meesters. Men gelooft, dat er oorspronkeljjk verschillende wilde hondensoorten bestaan hebben, die reeds sinds onheugelijke tijden zijn uitgestorven, min of meer geleken op den poedel, den das. den dog. den hazewind enz., en die de mensch heeft weten te temmen. Daarna moeten zij veelvuldige veranderingen ondergaan en zich onder elkaar vermengd hebben en in den loep der tijden zouden zich daaruit al onze huishonden ontwikkeld hebben. De tamme
honden vertoonen zulk......tzacbljjke verschillen, dat men omstreeks 200 scherp
onderscheiden rassen kan opsommen. Wij zullen slechts eenige der belangrijkste in t kort vermelden. I)e Hazewind is te herkennen aan zijn slank lichaam, zijne hooge pooten, zijn zeer verlengden snuit en zijne groote vlugheid, waardoor hij in staat is een haas of een hert loopende in te balen. ()p hem gelijken de honden, die in Afrika de dorpen tegen hvcna's, luipaarden en jakhalzen verdedigen, liet zijn ook hazewindhonden, die voor de beduïnen in de woestijn, de vlugge antilopen jagen en van wier bekwaamheid soms het bestaan van heele families afhankelijk is. Zij worden even hoog gewaardeerd als een goed paard. De Buldoggen zijn beroemd om hun moed en hunne wildheid. Drie hunner zouden hef tegen een beer, vier zelfs tegen een leeuw met goed gevolg' kunnen opnemen. Zij storten zich onversaagd op den sterksten vijand en houden met uiterste hardnekkigheid alles vast. wat ze eenmaal beet hebben. Soms richt zich hunne bijtlust zelfs tegen bun eigen meester, en men verhaalt eene vroolijke geschiedenis van iemand, die door zijn eigen kwaadgeluiinden dog bidet werd op te staan en die daarom den heelen dag te bed moest blijven liggen tot anderen hem uit deze ge\angenscbap verlosten. De buldog wordt wel is waar voor weinig leerzaam gehouden, toch is oa. een geval bekend, dat een dog gewoon was voor zijn baas een rijtuig te halen, waarbij hij den koetsier blaffende den weg wees naar de woning. Het waren buldoggen, die men vroeger gebruikte om weggeloopcn negerslaven te achtervolgen en de Spanjaarden maakten bjj de verovering van Amerika met deze honden jacht op de naakte Indianen. Vooral een âHezerilloquot; was wegens zijne onvermoeidheid berucht. Zeer mooi, groot en kraebtig gebouwd zijn de
(il
Het tli'-roniijk. Zoo^tlicreii.
bcrocmdo St. Hcniardslioiulon en diiaroiKlcr is er een, âRai'i'y gvimumd. voonil horoemd geworden, doordien liij meer dan iO ineiisrlien het leven gered heeft. Eens droeg iijj zelfs een knaapje op zijn rug naar het klooster, waar hij, aan de hel trekkende, toegang vroeg. Doze honden worden in alle hospitalen (toevluehtsoorilen)
van de Alponpjissen g'elioudcn en afgGi'iclit om l'ij (Iroig'ond omveer, sneeuwstorm of lawinenval. het spoor te zoeken van onder de sneeuw bedolven of uitgeputte reizigers.
De Mops is, wat zijne gedaante betreft, een dog in 't klein. \ oor ongeveer tO jaren scheen hij bijna geheel uitgestorven. 20 jaar later werd hij weer, evenals vroeger, een geliefkoosde kaïnerhond, in den laatsten tijd heeft hjj als zoodanig
Hool'ilk' ron.
Avcpr moeten pliiuts maken voor den Eagelsclion terrier, lift is cru vcrdriotiov. knorrige gezel, die meestal veel te lijden heeft van zijn eigen vet. Even klein, maar van geheel anderen aard, is de Dashond, dadeljjk te lierkennen aan zijne korte, kromme pooten en aan zjjue afhangende ooren. Hij is zeer inoedi11'. heeft geduchte tanden, en is een hartstochtelijk jager. Hij wordt gebruikt om reeën en hazen op te sporen, om ze den schothereiden jager tegemoet te jagen ofwel voor de jacht op vossen en dassen, die hjj in hun hol vervolgt en er uit drijft. De eigenlijke jachthonden onderscheidt de .jager in een groot aantal verschillende rassen, voornamelijk naar de manier, waarop zij jagen, die hnn gedeelteljjk is aangelioren. doch waarop zo voor een groot deel gedresseerd zjjn. Een der meest gewaardeerde is de Duitsche staande hond of l'atrjj shond. 11 ij speurt het in zijn scluiil-hoek verborgen wild. patrijzen en hazen, op en wijst het den jager aan door op een korten afstand er van, onbeweegljjk, met den blik strak er op gericht, te blijven staan. De Bloedhond vervolgt het spoor van bet aangeschoten wild. De Parforce honden zijn er op afgericht het hert of den vos op de drijfjachten te vervolgen.
\ ele verscheidenheden der honden munten uit door hunne lange, zachte, zijdeachtige haren, h.v. de eigenlijke Zijde hondjes. Daartoe hehooren ook de zeer goedaardige Spaniels, die ook voor de jacht op kleinere vogels to gebruiken zjjn. De grootste langharige honden zijn de \ew-foundlanders, beroemd om hunne goedaardigheid, hun trouw en hun ijver om drenkelingen te redden. De aardigste speelmakker voor de kinderen is de Doedel, van wiens vroolijken aard, slimheid en leerzaamheid men ontelbare verhalen doet. Kleine nabootsingen van den poedelvorm vertoonen de aardige Lce u wenhond je s, de Houlogneser hondjes en dergeljjke schoothondjes. Harde, soms horstel-aebtige beharing bezitten de Pin schors, waarvan men weer een aantal rassen onderscheidt. Hun gelaat heeft soms iets van dat van een aap (aaphondje). De I! a 11 e n p i n se h e r of Smous wordt hoog geschat om den jjver en de bekwaamheid, waarmee hij heel vrijwillig jacht maakt op de lastige ratten. De ndgisebe hond of Schipperke wordt vooral in België gehouden en is als trouwe waakhond zeer in de gunst der schippers, zooals de witte Kees bond een trouwe begeleider der voerlui is. Op ecnige eilanden der Grooto Zuidzee en bij de menscheneters in de binnenlanden van Afrika worden bonden, die op den kees gelijken, doch zeer kortharig zjjn, gemest om gegeten te worden. Ook de Eskimo-hond en de Kamtschatka-hond gelijken op den keeshond, maar ze zjjn veel grooter en sterker, ongeveer als een wolf; ze zijn in Groenland en Kamtschatka de belangrijkste, soms de ecnige huisdieren, 'h Zomers moeten ze voor zich zelf zorgen; hij het begin van den winter worden ze gevangen, vastgelegd en met gedroogden of ingelegden visch gevoed, om als trekdieren voor de sleden dienst te doen. Vier honden trekken een last van 1Ã0 KG over de
Hot dicronrijk. Zoog'ilieroii.
losse Huuuuw io 4'i uien ver. Zoowel in Mexico ills in Peru werden reeds vóór de aankomst der Europeanen tamme lionden door de Indianen als liuisdieren geliouden. Ten slotte vermelden we no^ den Her d e r s li oud, die tot de verstandigste rassen liehoort. elk woord en lederen wenk /ijns meesters verstaat en die zijn gedrag' tegenover de aan zjjne zorg toevertrouwde kudde geheel regelt naar diens wensch. Ongelukkig wordt de hond, deze onschatbare huisvriend des menschen, soms door eene vreeseljjke ziekte, de h o n d sd ol li ei d, overvallen en wordt daardoor de schrik van zjjne heelc omgeving. Het is van veel belang, de eerste svmptomen van deze ziekte te kennen, /ij openbaai't zich reeds vroeg door ongewone knorrigheid en neerslachtigheid, eene heesehe veranderde stem, door gebrek aan eetlust of door het vreten van allerlei onverteerbare dingen, happen in de lucht enz. Zoo'n hond dient men goed op te sluiten, zoo men hem niet afmaakt. Wie het ongeluk heeft door een dollen houd gebeten te worden, moet unmiddelljjk de hulp van een bekwaam geneesheer inroepen, die de wonde door uithranden of uitbijten zooveel mogelijk van de ziektestot zal zuiveren en zeer waarschijnlijk eene spoedige behandeling in het Instituut Pasteur te l'arjjs zal aanraden, waardoor met zeer groote waarschjjnljjkheid het uitbreken der versehrik-keljjke ziekte voorkomen wordt. In Hgypte, West- en Zuid-Azié leven in de nahijheid van steden en dorpen ontelbare honden, die geen meester hebben, zich holen in den grond graven, die zjj tot leger gebruiken en 's nachts de straten zuiveren van afval en vuilnis, waardoor ze er zich zeer verdienstelijk maken; door het plunderen van wijnbergen richten ze soms groote schade aan. De Australische Dingo, die geheel in de bosschen leelt. en de wilde hond van liuenos Ayros zijn ook eigeuljjk verwilderde honden, omdat ze van tamme dieren afstammen. De in Indië voorkomende wilde honden, b.v. de Buansu en de Kolsun (op Java komt rutilan* in troepen van '20â30 stuks voor), houdt men voor stamrassen der tamme honden. De Step pen bond in Afrika is eene heel andere diersoort. Onder de overige soorten van het iiondengeslacht zijn de Wolf en de Vos de meest bekende. Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat er in heel Middel-Europa Wolven {(.Uum lupus, Tab.'i. Fig. 17» voorkwamen, in de vorige eeuw nog in ons land. In Pommeren, Oosten West-Pruisen worden nog jaarlijks vele dezer roofdieren gedood. In de Kussisehe provincie LvHand werden in t jaar IKÃ.'i door wolven verscheurd; I ónou schapen. ISüO runderen, 1800 paarden, liOOO lammeren en geiten, 'idUO varkens, 700 honden en 1800 ganzen en hoenders. Gedurende den zomer houdt de wolf zich meestal schuil, lljj verbergt zich in dichte bosschen en graanvelden, voedt zijne jongen op met dieren, die het bosch hem oplevert, of met van de kudde afgezonderde huisdieren, die hij bespringt en verscheurt. Voor den mensch is hij dan minder gevaarlijk ; hij gaat hem schuw en angstig uit den weg.
I: .f.li. 1.1
W iinneor evenwel in den winter ilc .succuw den IkkIcih lirdckt. w.iiiiicit do wolven /elfs imiizcn, kikvorsclien en kevers niet meer kniinen inarlitig worden om iuui niet te verzadigen honger te stillen, dan verzamelen /dj ziidi in de streken, waar zij veelvuldig' voorkomen, tot groote troepen en trekken huilend op roof uit. Een oude wolf werpt zich als iutiivoerder op, de andere volgen in lange rijen diens voetstappen, en zoodra eene prooi ziidi vertoont hegint onmiddellijk de wilde jacht.
(ieen wonder, dat men, vooral in bewoonde streken, dit gevaarlijke rooldier met den grootsteu ijver en met alle mogeljjke wajieiis vervolgt. Men houdt er groote drijfjachten, spant vallen en klemmen of' legt valkuilen aan. I leze worden los bedekt eti van een lokaas voorzien ; eene lage heg er omheen noodzaakt den wolf tot een sprong, waardoor hij in de diepte van den kuil terecht komt. Men verhaalt, dat men eens een wolf, een vos en eene oude vrouw hij elkander in zoó'n valkuil vond, die alle even bang voor elkander waren. Tegenwoordig worden de wolven veel door middel van strychnine vergiftigd. Een dood schaap wordt het vel afgestroopt, het vreeselijke vergift wordt in kleine insnijdingen van het vleeseh gebracht, en daarna, de huid er weer overheen getrokken. Vreet een wolf er nu van. dan is hij verloren. De huid van den wolf geeft slechts geringe vergoeding voor al de schade, die hij gedurende zjjn leven aanrichtte. Igt;e wolf is nog steeds over het geheelc noordelijke Halfrond verspreid. De Amerikaansclie I'ra i ri e w o I f' gelijkt veel op den iMiropeesehen, doch zou minder gevaarlijk zijn. Veel interessaliter dun de afschuwelijke Isegrim is zijn neef Reineke. de Vos (\'iiliifs widijnris. Tab.'J. |quot;iy, IS), die in tallooze fabels, gedichten en jachtverhalen verheerlijkt is. Door zijne spreekwoordelijke slimheid is hij in staat geweest zich, trots de talrjjke vervolgingen, waaraan hij blootstaat, zelfs in de diclitstbevolkte streken te handhaven. Hij bouwt zich een goed verborgen hol met meerdere vluchtpijpen en tevens nog op verschillende plaatsen in de buurt kleinere holen, waarin hij in geval van nood eene schuilplaats vindt. Ontdekt bij een dassehol, dan verdrijft hij (irimbaard door diens woning met zijne uitwerpselen te verpesten of hij verjaagt hem met geweld, om er zelf in te gaan wonen. Overdag houdt hij zich schuil, tegen den avond sluipt hij er met de grootste omzichtigheid uit, om op roof uit te gaan. Hij doet zich het liefst te goed aan ganzen, hoenders, kleine vogels, konijnen en hazen, maar vreet ook muizen en ratten, sprinkhanen, kevers en andere insecten, ja, voor afwisseling zelfs slakken en wormen. Dat hij gaarne druiven en andere zoete vrnchlen snoept is bekend, hij sluipt, om ze te krijgen, groote tuinen binnen. Zoo listig als hij bij het vangen zijner prooi te werk gaat. zoo slim weet hij zich aan elke vervolging te onttrekken. Gedurende den zomer krijgt men hem nooit in de val. s winters slechts dan. wanneer zij hoogst voorzichtig gespannen is en wanneer hij reeds een tijd lang gewoon geraakt is op die plek iets te vinden,
........... quot;'en er steeds opnienw lokaas heeft gelegd. Wanneer slechts één .......
WAiixr.u's Natuurlijkt' Historie.
lift dionMirijk. Zuo^UiL-nMi,
in de klem gorankt is, bijt hij dien üf' en loopt ii|) drie pooton weg. De jagor lokt hem met lokaas op eene bepaalde plek, en loert daar 's nachts in eene sdiietliut op hem. liij (Irijt'jaeliten weet de vos uitstekend door de drijvers heen te sluipen en speelt liij den jagers nog allerlei parten. Zoo worgde hij tijdens eene drjjfjaeht voor do oogen der schutters een aangeschoten haas, groef hem zelfs onder de sneeuw en wist nog te ontkomen. Hoeren hadden eens een vos in eene schuur gevangen en kwamen met knuppels op hem af om hem dood te slaan. Reineke ontsnapte evenwel tussohen Ininne heenen door en nam als herinnering nog eene gans mee, die hij in de nabijheid van het huis te pakken kreeg. Ingeval van nood legt de vos zieli zelfs voor dood neer. liet wijfje brengt in het voorjaar :gt; li, ja zelfs 9 jongen ter wereld. Deze zijn in de eerste 10âli dagen blind. De aandoenlijke verhalen van de teederheid des vaders voor moeder en kroost in dien tijd, zijn gebleken volkomen onwaar te zijn. liet mannetje heeft het wijfje lang voor de geboorte der jongen verlaten en kent deze dns niet eens. Demoeder voedt ze met de grootste zorg op en brengt ze, zoodra ze in staat zijn vleesch te vreten, allerlei kleine dieren als kevers, muizen, kleine vogels enz, bij voorkeur levend, om de jongen daarmee! te onderrichten iu de edele jachtkunst. Bjj dreigend gevaar draagt de moervos de jongen in den muil naar een ander hol. zoo ver mogelijk verwijderd. In andere landen komen ook andere vossoorten voor, afwijkend in grootte en kleur. Vele, zooals b.v. de Zwarte- en de zoogenaamde Zilvervos, worden om hunne vacht zeer duur betaald. De Poolvos (Vut pes Udjopufi). die 's zomers bruinachtig, 's winters sneeuwwit is. bewoont alle landen binnen den noordeljjken poolcirkel gelegen, zelfs kleine eilanden in de IJszee, waarop geeue andere dieren voorkomen. Hij voedt zich voornameljjk met schelpdieren en andere door dc zee op het strand geworpen dieren. Tegenover menschen, die in zjjn gebied komen, treedt hij hoogst brutaal en indringerig op. liij vreet hun de levensmiddelen op terwijl ze slapen, zelfs al hebben zij ze onder hun leger geborgen, sleept zelfs dingen mee, waarmee hij niets kan uitvoeren en bevuilt de rest, die hij niet kan wegdragen. Zijne vacht komt jaarlijks bij vele duizendtallen in den handel, is evenwel weinig waard. De warme luchtstreken van Azië en Afrika zjjn door meerdere soorten van .lak halzen (O'x/.s bevolkt, die
het midden houden tussclien wolf en vos en die, waar ze veelvuldig voorkomen, lastig genoeg kunnen worden, liet kleinste dier van dit geslacht is de Kennek (Meijalotis '/.erdit) of Ooi'vos, met groote ooren, doch overigens zeer sierlijk gebouwd. Ilij houdt zich op in de woestijnen en steppen van Afrika.
In Zuid- en Middel-A frika leeft de Step pen bond (l.i/caoii pieln*) in groote troepen bij elkaar. Hij bezit ongeveer de grootte en den lichaamsvorm van een slagershond en is daarbij levendig wit, zwart en okergeel gevlekt; zelden zijn er twee geheel gelijk geteekend. Hij vormt den overgang tussclien de Honden
li'tofdiiTcn.
t'ii ilc llyona s. \mii do laatsti1 is de (i cs 11'cc]) t c livona (Ih/aeitu ^iriiiln, Tal). -J, Fi»-. 19) hot inoost liokond. Zjj komt voo] voor in .Voord-Afrika on hct warmo godeolte van A/.iö on is ong-ohvijf'old oon dor loolijksto dioren. Ovordag verborgt /o zich in rotskloven, in /olfgogravon ladon of in dicht struikgewas on verlaat hare sohuil|daats niet voor hot volkomen iiaeht geworden is. I laar quot;'olaat is afkoorwokkond, hoosaardig en dom tegelijk, haar geschreeuw oon afschuwelijk gehuil. Haar geliefkoosd voedsel zijn krengen, die zo reeds op grooten afstand liespourt en die met hui»! en haar, hoenderen en al, verslonden worden. Door honger gekweld, slui|it ze in weinig hevolkte streken om do menschelijke woningen. Wanneer ze hier niet door de honden verjaagd wordt, waarvoor /,lt;⢠steeds op do vlucht gaat, doorsnuffelt zo de puin- en afvalhoopen, verslindt zelfs oud leer. met hloed gedrenkte aarde en andere onnoemhare dingen, doch rooft ook ecu scliaap. eene geit of een dergelijk dier. dat zich niet verdedigt. Aan don inensch waagt ze zich niet licht, het minst aan mannen, ja, ze laat zich door steen worpen verjagen, (loeh keert huilend terug, wanneer ze op die plaats maar eenmaal wat eetbaars heeft gevonden. Do hyena's worden in klemmen en valkuilon gevangen. Arabieren zoeken ze overdag in hare schuilhoeken op en maken zich van de levende dieren meester. Zo werpen de hyena oen doek om don kop, waarin deze zich vastbijt; dan wordt haar een strik om den hals gelegd, waarmee ze naar buiten getrokken wordt, om zo daar met knuppels te dooden of te stoenigen. .Men denkt zijne wapens te onteeren, door ze tegen dit verachte dier te gebruiken. Vele Arabieren en Turken hebben angst om de hyena te dooden. daar ze haar voor oen betooverd wezen houden. Hiertoe draagt niet weinig haar nachtelijk gehuil hij, vooral dat van de sterkere Gevlokte hyena {Ih/arna irociita), die in Zuid-Afrika algemeen is en tot in Abessiniö toe voorkomt. Zij laat zich ook moeilijker temmen dan de gestreepte, die soms, als ze jonquot;' gevangen werd, zoo tam wordt als een hond. liet geschreeuw der gevlekte hvena gelijkt op een afgrjjseljjk gelach en is huiveringwekkend, liet dier is ook gevaarlijker voor den inensch en men verhaalt, dat het niet zelden 's nachts in de hutten der Kaffers sluipt en de kinderen van huune ouders wegroof't. De schade, die de hyena onder de huisdieren aanrielit, is veel aanzienlijker dan het nut. dat zij sticht door het opruimen van doode dieren; men vervolgt ze daarom overal, waar slechts de gelegenheid bestaat, met alle mogelijke middelen.
De Vi verreachtige roofdieren of Ci vet-katte n vormen den overgang tnsschen de marters en de katten, zoowel wat den lichaamsbouw, als wat hun aard betreft. Zij worden alleen in de boete streken der oude wereld aangetroffen, liet meest bekende dier dezer groep is de Egyptische Ichneumon (llrrpeslcs Irhneiitnon, Tab. Fig. 2(1) of de Fharao's rat, die door de oude Egyp-tenaren als heilig vereerd en ingebalsemd werd. Men verbaalt van liet dier. dat
(i7
li-'t ilicrciirijk. /quot;â¢â¢u'diti'i
tiiigcvoor zoo groot als oen kat is, nuuir slanker 011 vluggor, dat hot den krokodil zou doodoii on diens eieren roovon. Alcmvo waarnoinors hebben hiervan niets kuniien beniorkon: wol wordt het voor mogelijk gehouden, dat do ielmoiinion git'tslangen doodt en opvreet. Hoenders en hoendereieren en andere vogels vreet hij daarentegen dos te moer. en daarom wordt hij tegenwoordig in Egypte even zoor gehaat en vervolgd als hij ons de marter. Do Civetkat (I'/ivv/v; C.ivclhi) was oorspronkelijk in (ininea inheeniseh ; /e is zoo groof als een middehnntigen hond, heeft evenwel een meer kataehtig uiterlijk. Hare vaeht is op geelgrjjzen grond zwartbruin gevlekt, /e wordt in Noord-Afrika, Znid-Kuropa eti \Vc8t-Azië in kooien of stallen gehouden en niet vleescli, vooral gevogelte, gevoed. Zjj sidieidt namelijk, evenals de stinkdieren en vide marters, in een bijzonderen buidel civet af. eene kleverige stof. die buiteiigcwnon sterk riekt en door velen als geneesmiddel, door anderen als reukmiddel gebruikt wordt. De talrijke andere soorten bewonen meest het warme Azië en gelijken in gedaante en levenswijze zeer veel op elkander. Ze leven als onze marters van kleine zoogdieren en vogels en kunnen ook evenals deze uitstekend klimmen.
De Kataehtige roofdieren zijn de mooiste, de krachtigste en de volmaaktste aller roofdieren. Ilnii lichaam is gedrongen gebouwd, de kop roudaehtig en het gebit uitstekend ingericht voor de vangst liuimer prooi en voor het verscheuren van «quot; vleescli. De snijtanden zijn klein, de hoektanden daaren
tegen zeer groot en stevig en de kronen der kiezen zjjn voorzien van scherpe, uitgetande randen en spitse uitsteeksels, die hij gesloten mond in elkander grijpen. Als hoofd-
Fig. 4^. KatU'klauw.
«Klauw, c Wi-rkraclilige band, Wnl,lt;,,1 di,',lt,n du wier lange, slevige, gekromde
^ovi'n0quot;'ii wlierpe khniweii ingetrokken en uitgeslagen kunnen
wordt, r Pi'i's van 'Ie buigspier, , i i i i i . i u
wiinriiiiH' .!.â kiimw wonit imur worden. .Naai- de kleur der vacht verdeelt men ze m
bui Irn ^' bracht. '/ Pees om don , mi i ' ' i i â i
klnuw teruK ui trokken. verscdulleiide groepen. Do katten met eenkleurige vacht
zijn in de oude wereld vertegenwoordigd
door den Doe n w (l-'rlis l.i'n. Tah.:!. Dig. 1),
die Afrika en het Z, W. gedeelte van
Azië hewoont. In vroeger tijden kwamen
ook in Z. O. Europa leeuwen voor. De
koning der dieren wordt, zonder den ^ M
langen, in eene pluim eindigenden staart.
bijna '2 M lang en onderscheidt zich door
zjjne ruige manen, die den kop zeer dik
manen bezit, kiest in het dichtste doorn-
boscli of in eene rotsspleet een zoo verborgen mogelijk plekje om er hare 'J 'i
jonge welpen te bergen. De jagers maken dikwijls, als de oude zich verwijderd
doen schijnen. De leeuwin, die geene
li'iMl'li'T'-n. dj)
lieoft, mot de grootste voorzichtigheid van de gelegenheid geliruik haat'de jonden fc ontvoeren. Zulke jong gevangen dieren laten zich temmen en gedragen zich, zoolang zij jong zijn. vleiend en vertrouwelijk als jonge karren. Ze lierkennen zelfs na jaren nog limine verplegers. Zijn de welpen wat groorer, dan lirenyr de oude hun dieren, die maar halt' dood of zelfs nog geheel zonder letsel zijn. Zij moeten er zich mee oefenen in hot vangen eener prooi. Later begeleiden de jongen de heide ouden hij hunne nachtelijke roofmcliten. Somwijlen zoekt de leeuw zich reeds overdag eene geschikte plek. om ei' quot;s nadirs wild te vangen, (iaarne legt hij zich in de nahijlieid van drinkplaatsen in hinderlaag en .springt met een \ ei'\aarijjken sprong het slachtoHcr op den rug. Door een paar slagen met zijne geweldige klauwen kan lijj een paard of een hullel neer\'ellen. Ileeft hij een dier met de eerste sprongen niet kunnen ovenneesreren, dan ziet hij gewoonlijk van verdere vervolging af. Dikwijls heft hij hij zijn nachrelijken gang een vreeselijk gebrul aan en verspreidt daardoor algemeene ontzetting, doch smns bespringt hij ook volkomen geruischloos zjjne prooi. Met een geweldigen sprong snelt hij over de .M hooge. dichte doornheg, waarmee de bewoners van Middel-Afrika him erf trachten te beselmtten, en bespringt een stuk vee. dar hij nog naar buiten heeft te slcuieii. Met een tweejarig rund in den ninil maakt hij denzelfden reuzensprong weer terug. Heeft hij zich verzadigd, dan doen zich gewoonlijk hvena s en jakhalzen tegoed aan de rest van den buit. Men leeuw brengt hierdoor enorme schade teweeg. Men heeft berekend, dat het vee, dat hij in één jaar doodt, circa /'.quot;it»00 waarde heelt, en daarbij wordt hij 1IS jaren oud. De leeuwenjaelit is steeds eene gevaarlijke onderneming, ilaar het verwonde dier zijn vervolger woedend aanvalt. Men verhaalt, dat eens een leeuw een troep van ÃOO Arabieren op de vlucht gejaagd heeft, nadat hij een man gedood en zes verwond had. Als zeldzaamheid is ook een geval hekend, dat een enkele Arabier een leeuw met een knuppel doodsloeg. Wordt hij niet getergd, dan grijpt hij den mensch zelden aan. 't minst overdag, en vooral niet wanneer de mensch tegenover hein zijne kalmte bewaart, noch dreigt, noch vlucht. 11 ij valt slechts da n dieren of men se hen aan, als hij hongerig is of uitgedaagd wordt. Is hij oud en zijn zjjne tanden stomp geworden, dan dijjft de honger hem naar de dorpen. Hij rooft dan geiten en ten laatste ook menscheti. In den hoogsten nood vreet hij zelfs gras. Leeuwenvleesch wordt door verschillende volkeren genuttigd en zou op kalfsvleesch gelijken. De huid heeft geeue groote waarde en is meestal vol litteekens; toch wordt zij bereid en door liefhebbers wordt er/ ISO voor gegeven, Stoutniocdige jagers wagen het'snachts alleen op den leeuw te loeren, om hem niet een welgemikt schot neer te vellen. Door zulke jachten is bijv. de Franscho Gérard algemeen beroemd geworden. Daar iu de halve duisternis liet schot altijd min of meer onzeker is, en zelfs bij (loodeljjko verwonding met een gewonen geweerkogel het dier altijd nog kracht
0
Hei (lioreiiiijk. Zoogdieren.
genoeg bezit om don jager met klauwen en tanden deerlijk te havenen, gebruiken de leeuwenjagers gaarne kogels, die in het lichaam van den leeuw ontploften, waardoor hij inwendig geheel uit elkander gescheurd en spoedig gedood wordt. De kleur en het voorkomen der manen varieert lijj de leeuwen in de verschillende streken, die ze bewonen; eene soort in Indië heeft in 't geheel geene manen.
De A m e r i k a a n s c h e leeuw (hdlis concolor), ook Poema of' Koegoear genaamd, komt met den Afïikaanschen slechts daarin overeen, dat hij ook éénkleurig is. gewooidijk geelachtig rood. Hij bezit geene manen. Liefst houdt lijj zich op in bosschen, vooral aan de randen er van, doch ook op de vlakten der Pampas komt hij voor. In liet woud jaagt lijj op grootere vogels en kleinere zoogdieren, klimt zelfs op booinen en vervolgt hier de apen, waarbij hij behendig sprongen van 5 7 M van tak tot tak maakt. Doet hij een aanval op eene kudde schapen, dan vergenoegt hij zich niet met één stuk. maar hij doodt in écu nacht wel .Ml schapen, wier hloed hij drinkt, llij kan .'i IvU bloed in eens nuttigen. Om de groote schade, die hij doet. wordt lijj op alle mogelijke wijzen vervolgd. Meestal neemt hij de vlucht, zoodra lijj merkt, dat menschen of honden hem naderen en vertoont slechts dau moed, als lijj volkomen in t nauw gedreven is. Van de gestreepte katten is de Tijger (Feiis ligrin, Tab. 3, Fig. 2) de schoonste, grootste en hloeddorstigste. Dit machtigste aller roofdieren komt in de meeste landen van het heete en gematigde Azië voor; zoomede op de naburige grootere eilanden, het meest iu Indië en Aehter-lndië. Ook op Java wordt hij nog veel aangetroffen, vooral in het zuiden van Bantam is hij menigvuldig, over hel algemeen overal waar wilde zwijnen, zijne geliefkoosde prooi, worden aangetroffen. llij bereikt eene lengte van l'2/;i M tot aan den wortel van den staart; deze laatste wordt '2/., M lang. Het lievelingsverbhjf van den sluwen, vermetelen roover vormen de dicht met riet en hamboes .hegroeide moerasstreken. Uier loert lijj niet slechts op wild en op huisdieren, maar ook menschen worden al te dikwijls door hem aangevallen en van uit eene hinderlaag met een bliksemsnellen sprong geruischloos neergeveld en meegesleurd. In vele streken van Indië schijnt hij zelfs liij voorkeur menschen als prooi te kiezen, waardoor hij in staat is heide dorpen te ontvolken, daar de hewoners eindelijk gedwongen zijn naar elders te verhuizen. Soms werd door tijgers de gemeenschap tusschen verschillende plaatsen tijdelijk geheel onderbroken, daar ze een ieder, zelfs goed gewapende en door fakkeldragers omgeven reizigers, aanvielen. Slechts zelden zal een tijger van een mensch schrikken en voor hem vluchten; het zou moeten zijn, dat hij plotseling in zijn leger werd opgeschrikt, hezig met de vertering van een rjjkeljjk maal.
Door Indische en ('hineesche vorsten werden vroeger dikwijls, in den laatsten tijd nog slechts in enkele gevallen, groote tjjgerjaeliten ondernomen, b.v. in door den keizer van China, die daarbjj (JOOO menschen en lUOOO paarden
70
HiMifilicn ii.
gebruikte. Gewoonlijk liehaalden ze daarbij niet veel succes. Veel meer resultaat geven de jachten, door een enkelen Europeaan met slechts weinige begeleiders ondernomen. Zoo doodde kapitein K'ice eigenhandig (iS tjjgers en verwondde er nog veel meer. De wonden door een tijger veroorzaakt zijn meestal dondelijk. De klauwen dringen tot 12 c.M iliep in het vleesch. Daarbij heeft het dier zoo groote kracht, dat het paarden en buffels neervellen kan. Men beweert, dat het zelfs jonge olifanten en neusboorndieren kan overweldigen. I!ij drijfjachten wordt het krenpelboseh geheel door netten omgeven; de tjjgers. die er in zijn, worden door vuurpijlen en zwervers er uit verjaagd en den jagers tegemoet gedrt!ven. die hunne standplaats op verhevenheden hebben. Ook olifanten worden gaarne bij de jacht gebruikt, ofschoon het gebeurd is. dat de tijger den jager onverhoeds van zijne booge zitplaats naar beneden haalde en wegsleepte. In Amerika neemt de .laguar of Once (Felis onca) de plaats in van den koningstijger in Azië en wordt hier ook eenvoudig tijger genoemd. Hij staat, wat grootte, vlugheid en bloeddorst betreft, tamelijk wel met dezen op eene lijn. maar is door donkere vlekken en kringen geheel verschillend geteekend. Dikwijls genoeg worden menseben zelfs in de nabijheid der woningen door hem aangevallen ; ja. het is gebeurd, dat onvoorzichtige schippers in hun boot midden in de rivier door hem quot;werden aangegrepen, daar hij uitstekend kan zwemmen. De jaguar loert aan den rivieroever soms op visschen, die hij door een slag met zijn poot behendig op den oever weet te slingeren; hij overrompelt de schildpad aan het strand, legt ze op den rug en scheurt haar met zijne klauwen het vleesch uit bet harde pantser. Groote schade richt dit geduchte roofdier aan onder de kudden; geen wonder dan ook, dat zijne overmeestering als eene bjjzondere heldendaad wordt beschouwd. De Indianen trachten hem met hunne honden op een boom te jagen, cn schieten hem dan met behulp van lange blaaspijpen met kleine, maar vergiftigde pjjlen. Het dier slaat op de kleine wondjes geen acht, maar weldra oefent het vreeseljjke wurari-vergift zijne doodeljjke werking uit en lijj stort naar beneden. Enkele koene jagers gaan ook wel geheel alleen, gewapend met een mes. den jaguar te lijf, strekken den linkerarm, die met eene schapenvacht omwoeld is, uit naar het zich tot den aanval oprichtende dier en stooten het met den rechterarm van terzijde het mes door het hart. In dezelfde streken van tropisch Amerika, die door den jaguar en den poema bewoond worden, leven ook nog verschillende kleinere soorten van hetzelfde geslacht, b.v. de Ocelot, de M a r-guay. de langstaartige Tjjgerkat, de ('olocolo en de Pampaskat. Ze zjjn voor den mcnscb slechts lastig, omdat de meesten hunner gaarne het kippenhok plunderen en kleine huisdieren rooven. In Afrika speelt de Luipaard (hwiwdii* anthptofmn, Tab. I!, Fig, (i). de rol van den koningstijger. Zijn schoon uiterlijk met de prachtig gevlekte huid en de buitengewone lenigheid in
II' ' ' 1 i'T'.'iiriiiv, ü-i' ii.
ui /jjiic lu'wc^in^cMi worden ddor alle wajiriKinicrs Ix'womlerd: toch is hij terecht algemeen gehaat, lljj dringt met verregaande vennetelheid niet slechts in de dorjien, maar /clfs in de erven en de Wdningen der inensclaa) en vermoordt linniu* lunsdieren. Daarbij verscheurt hij veel meer dieren dan lijj vixii' zjjne verzadiging behoeft en is dus hoogst schadeljjk. \\ aar men hem niet met voldoende succes niet vuurwapenen kan vervolgen, wordt hij in vallen gevangen, die als groote niai/.envallen zijn ingericht. De Aziatische l'antcrs geljjkon zooveel on den lui-paard, dat men ze dikwijls als eene verscheichndicid daarvan heschouwt. Op Java vindt men den iets kleineren Zwarten panter en verder in vorschillende streken van Azii- en Afrika nog tal van andere groote katten, ii.v, den Irhis in Middel-Azië, den M a rm orl n i pa a rd in Malak ka en op .lava, den Serval in geheel Afrika, den Tarai in Indië, den Koe roek op de Soenda-eilanden. Vroeger ook in Nederland, tegenwoordig nog hier en daar in Duitschland, vooral in afgelegene wouden in 't gebergte, leeft de woeste Wilde kat (Cains ferus, Tab. Fig. 4), die eenig nut doet door het wegvangen van mnizen, maar door den jager gehaat wordt wegens de schade, die zij onder het kleine wild aanricht, Hoe klein ze ook is. moet de schutter, die ze op een boomtak gewaar wordt, toch zeer voorzichtig niet haar zijn en zorgen dat hij ze zeker treft, want als hij bet dier slechts verwondt, springt het woedend naar zijn gezicht en kan hem ieeljjk toetakelen. Overdag verbergt zij zich gaarne in rotskloven in eenzame naaldbosschen. in holle hoornen of in dasse- of vosseholen. eerst met het vallen van den nacht gaat ze op prooi uit. Onze bekende Huiskat (Calm ilomrsiirusi) stamt niet van de inheemsche wilde kat af, maar naar alle waarschijnlijkheid van de .Vubische kat. Deze werd waarschijnljjk in Egypte voor het muizenvangen getemd en van daar uit werd het nuttige dier naar Europa en andere werelddeelen gevoerd, ledereen weet. hoe onontbeerljjk poes in de huizen is. wier bewoners door ratten en muizen geplaagd worden. Men heeft berekend, dat wanneer de muizen talrijk zjjn, een goede kat over de 7000 muizen in één jaar verorberen kan, behalve die, welke ze alleen voor haar genoegen dood b|jt. Het is onzeker of de door lang, zijdeachtig haar gekenmerkte Angorakat en de geheel staartlooze kat van het eiland Man ook van onze huiskat afstammen. - De laatste groep der katachtige roofdieren is die der Losschen. De (fewone losch {I.ijh.c vuhjaris. Tab, â¢!, Fig, 5), werd in enkele exemplaren nog in deze eeuw in Duitschland gedood, zoo in INIS een in den Harz. in ISUi een in Wurtcnberg. H|j is bijna even lang als de luipaard, heeft evenwel korter pooten en bezit als alle losschen eene haarpluim aan de punt der ooren, In de Alpen wordt b|j nu nog eene enkele maal aangetroffen, in Noorwegen en Rusland veel meer. Zijne levenswijze en zijne gewoonten komen overeen met die van alle wilde katten. Menschen valt hij niet aan, als hij niet getergd of in 't nauw gebracht wordt; des te gevaarlijker is hij voor het wild en in een-
1 i1M'fdi * T''n.
sfrckcn voor het vee. |]cii zeer bolfing'wckkcnil dier. dut den ko]i rn dr ovoriyc ci^ennai'dig'lioden der katten, daarhjj evenwel de hooge [looten en ook een deel der goedmoedigheid van den hond Iiezit, is de (fnepard iCi/ïiailuriis jubiitus) of' de .lach tl ui paard. II jj komr in Afrika en A/i(: in quot;t wild voor. Iiint zich in strikken Viingen en geniakkelijk fenuncn. In A/,ii; wordt hij door rijke lui voor de gazellenjaeht aangewend. De vorsten der Mungnlen namen vroegei'
Inj limine groote j'iiehttochten soms wel 100 stuks giie|iarden mee. dl.....uier
toezi(dit vun In'j/.onder daurin geoefende jagers stonden. Igt;e guepard nudert het in de vlakke steppen grazende wild. terwijl hij tegen den wind in als een slang over den huik kruipt, tot op 20 M afstand, springt dan met weinige, bliksemsnelle sprongen op het naasthijzijnde dier en vat het hij den nek.
Huhlelilicn'ii.
De Huideldieren zijn uitsluitend hewimers van het tropisch Amerika en van Anstralii' met de in de nahijheid daarvan gelegen Zuid-Aziatische eilanden, /ij vormen eene der zonderlingste groepen van de zoogdieren ; eenige komen, wat uiterlijk en levenswijze betreft, overeen met de roofdieren, als honden, beren en marters, andere gelijken op spitsmuizen, bazen, springmuizen en eekhorens. Zij stemmen met elkaar slechts overeen in de wijze, waarop ze hunne jom'-en opvoeden en de daarmee in verband staande eigenaardigheden van hun lichaamsbouw. De jongen der buideldieren zijn namelijk bjj hunne geboorte veel minder ontwikkeld dan die van andere zoogdieren. De jongen van den kengueroe. die toch bijna manshoogte heeft, zijn slechts zoo groot als eene boon, die vnn het opossum slechts zoo groot als eene erwt. Daarhjj zien ze er uit als een
klompje gelei, waaraan geen.......... noch ooren, geene behoorljjke ledematen.
noch bind of haar te onderscheiden zijn. Aan den buik bezit het oude buideldier eene diepe huidplooi, die zich bij vele soorten tot een werkeljjken buidel verwijdt. Minnet, dezen met haren bekleeden buidel bevinden zich de melktepels. Het oude dier legt de jongen dadelijk na de geboorte aan de melktepels in den huidel. De tepels zwellen in den mond der jongen open zoo bljjven deze er aan vastzitten, (irooterc buideldieren dragen de jongen langer dan een half jaar in den buidel met zich mee. totdat deze er zich tot volkomen dieren ontwikkeld hebben. Later komen ze eerst telkens met hun kopje uit den buidel om nieuwsgierig in de wereld rond te kijken, dan veriatim ze dien. doch zoeken er bij gevaar of koel weer telkens weer beschutting in. Men kan de buideldieren in drie groepen verdeden; de vleeschetende roofdieren, de insecteneters en de planteneters.
Nan de Roofbuid eldieren is de Z e h r a hu i d e I h on d (rin/Zuciiins
op Van-Diemansland het grootste en sterkste. Hij .......It daar geheelde
ZllllH'
0
Hot dierfurijk. Zoogdicicn.
rol van een wolf, waarop hij ook, wat zijn kop lietreft, iets gelijkt, terwijl liij door «Ie strepen zijner huid aan den zeitra herinnert. Overdag Imndt hij zich in rotskloven of in dichte bossehen verborgen, 's nachts zoekt hij aan liet strand geworpen zeedieren, jaagt op kengoeroe s en ander wild, en doet aanvallen op de kudden schapen der kolonisten. De Europeanen hebben hein in de nabijheid hunner aanplantingen zooveel mogeljjk uitgeroeid.
Veel wilder en woester gedraagt zich de zwarte Bui del beer (Diahohis Hi'sinm), dien men wegens zjjn toomelooze woede en kwaadaardiglieid eenvoudig âden duivelquot; genoemd heeft, ofschoon hij veel kleiner is dan de bnidelhond. Voor de kolonisten wordt hjj vooral daardoor schadelijk, dat hij 's nachts gaarne binnen de erven sluipt en hier onder het pluimgedierte groote verwoestingen aanricht. Aan hetzelfde vergrjjp maken zich ook de gevlekte Buidëlmarter en de Buidelrelmuizen schuldig. Deze laatste zjjn slechts klein, maar het zijn zeer behendige klimmers, even bloeddorstig als kwaadaardig. Zjj ontzien zich zelfs niet den mensch aan te vallen, zoo deze hen bij hun nachtelijk moordwerk stoort, In Amerika komen verschillende soorten van Buidelratten voor. De meest gewone, de Virginische Buidelrat (Didclphis virginiana. Tab. ;i, Fig. O) of de Opossum is als al hare verwanten een boomdicr. Zjj bezit een langen, kalen grjjpstaart, waarmee ze zich aan een boomtak vnj kan ophangen en doen schommelen, om zoodoende oen verwijderden tak te kunnen grijpen. Ofschoon ze traag van natuur is, bekruipt ze toch vooral 's nachts kleine zoogdieren en vogels en doet ze even verderfelijke {lanvallen op het kippenhok als onze hunsing. Wordt zjj hierbjj verrast en in 't nauw gebracht, dan spert zjj den muil wijd open, doch bijt niet. Soms houdt zij zich ook als dood en verroert zich niet. zelfs hjj de zwaarste mishandelingen; zoodra evenwel haar pjjniger zich heeft verwijderd, gaat zij er van door. als ware niets voorgevallen.
De A e n e as-rat (l'liilundiw ilorsiijrr) komt, wat hare gedaante betreft, met het opossum overeen, doch is kleiner en minder schadelijk. /ij houdt zich in de dichte bossehen van Brazilië meestal in de hoornen op en dankt haren naam aan de ge-FiK.45. De Acncns-mt, woouteom hare halfvol-
Huid- hli. ren.
wassen jonden op den rug mee fc voitcii. Zij sliiaf hicrtdc (leit liingcu g-rijpstnnrt over den rug en de jongen houden zich met hun eigen staaltjes daaraan vast. Het evenzoo in trojuscli Amerika voorkomende K ra h-li u i d e 1 di e r (l'liilduilrr (â (incricoruK), bereikt eene lengte tot 40 c.M en heeft een liijna even langen grjj|i-staart. In de boomkronen en het kreupelhout zoekt bet 's nachts vogels niet hunne eieren en jongen; op den grond vangt het kleine zoogdieren, en met bijzonderen ijver krabben en kreeften aan de oevers der wateren. Op gelijke wijze als de bevers en de waterratten leeft de Wateropossum {Chironairs vKririialii*) aan de kust van het tropische Zuid-Amerlka. Zijne vacht is door (i zwarte dwarsstrepen even opvallend als fraai geteekend. De zwemvliezen tusschen de teenen maken het dier voor het waterleven geschikt, liet bewoont gaten in den oever, vangt viscli en andere waterdieren, doch gebruikt ook plantaardig voedsel.
De overige buideldieren zijn bewoners van Australië en der naburige eilanden. I )e 1! ii i d e Ida sse n i l'cr(nnclcn), gelijken in hunne levenswijze meer op ratten dan op dassen; ze hebben merkwaardig dunne pooten en eene slurf om er mee in den grond to woelen. Hiermede graven ze vooral gaarne in bouwland, waar ze wormen, insecten en ook wortels zoeken; ze maken zich hierdoor eenerzijils even nultiyals ze van den anderen kant lastig en schadelijk zijn. De Vliegende h u i d e ld iere n of Koeskoes (Phalangida), komen, wat gedaante, grootte en klimkunst betreft, geheel overeen met ons eekhoorntje, slechts met dit verschil, dat zij den dag in boom-holen of in zelfgegraven aardholen slapende doorbrengen en den nacht gebruiken om voedsel te zoeken. Dit bestaat uit teere bladeren, knoppen en vruchten: als de gelegenheid zich voordoet worden ook insecten, vogeltjes of eieren verorberd. Ze bezitten een grijpstaart, dien ze even behendig weten te gebruiken :ils hunne Amerikaansche verwanten. Tusschen de pooten zet hunne huid zich tot eene vlieghuid voort. Springende spreidt het dier die als een valscherm nit en kan daardoor, zonder zich te bezeeren, uit den top van een hoog'en boom op den gTond springen. Eene soort dezer vliegende buideldieren is maar zoo groot als eene huismuis. De Gevlekt e koeskoes (Chxch* nviculaliis) op XieuAv-Uiiinea en de \ os-koeskoes (Phnlangesla ailpina) in Xieuw-I lolland, zijn ook wel boomdieren met een grijpstaart, doch ze zijn veel trager van aard dan de vliegende buideldieren en grooter; ze doen door bun gluipend wezen meer aan de lori's denken, Daarin stemt ook met hen overeen de Australische beer of Koala (Plu's-die evenwel slechts eene lengte van § .M bereikt en zoo langzaam klautert, dat een geoefend mensch hem kan inhalen. Hij voedt zich met boombladeren: wegens zijn smakelijk vleesch wordt hij veel gejaagd.
De belangrijkste planten-etende buideldieren zjjn zonder twijfel de Kengoeroe s. «heren, wier kop op dien van den haas geljjkt, maar door de lange krachtige achterponten, den zeer gespierden, grooten staart en de korte voorpooten een hoogst
Hdt clierenrijk. Zoogilioi'fii.
oiu'i'iiitiirdi^ vuoikimini ln'/itft'ii. De gTontorc' soorten van dit fjcslnrhl-, li.v. de Reu /.lt;⢠ii - Icc iigoeroo (Mdci'op'i* 'J'1!quot;-quot;'Y-quot;s- 1lt;i!i. â gt;, lquot;'iu'. /) on di' Rood f1 kcn-^ocroc {]f(ici'opiis laniger) wonlon 1| M liln{^â , zonder don staart, die bij do eerste soort noo- c.M. liij de tweede nog I M lang is. /(ddon loopt eon kon-fi'doroe op allo vior de puoten : waariiij liij dan de aehrerpooten tussehen do la^'o voorpooten iuselmift on op den staart steunt, die als vijfde poot dient. Meestal Imwoegt hij zieh mot do aeliterpooton springend en maakt, als hij aclitervolgd wordt, den staart als een soort lialanoeerstok gebruikend, soms sprongen van 7 1U M. dio elkaar snel opvolgen. De kongoeroe voedt zich mot gras. kruiden. bladeren van struiken en dergelijke plantendeelon. Jn voederrjjke streken worden soms troepen van 50 en meer stuks aangetroffen, die evenwel niet bijoen blijven. lt;gt;m zjjn vleesidi en do huid werd hij van oudsher door do inboorlingen als het voornaamste wild zoor geschat. De Australische negers verdoelen zieli bij deze jacht in verschillende afdeelingen, omsingelen do grazende dieren en drijven ze wodorkeerig naar elkander toe, De Europeanen beoefenen de kengooroe-jaeht voor hun genoegen. Zc gebruiken daarbij drjjt'honden, die oven vlug als sterk moeten zijn. liet schuwe, vreesachtige dier vlucht met grooto volharding; wordt hom verder dc weg afgesneden, dan verdedigt hef zich tot het uiterste tegen de honden en tracht hun met de krachtige achterpooten hot lichaam open te scheuren. Kan hot zich liij zoo n vervolging te water begeven, dan heeft het veel voor op de honden. Do kengoeroe grijpt zo, als zo een voor een naderen, met do voorpooten en duw t ze onder water, waarbjj de honden èf verdrinken of ton minste zooveel hebben ondervonden, dat ze blij zijn het hazopad te kunnen kiezen. Worden do kengoeroo's in oeno streek lastig, omdat zo er zoo talrijk voorkomen, dat zo het vee de weideplaatsen afgrazen, dan organisoeren de kolonisten grooto drijfjachten, waarbjj de dieren in oene lange, trechtervormige, stevig omheinde ruimte gedreven worden, waarin men zo in grooto menigte doodt. Do genoemde grootore soorten en meerdere andere leven op de uitgestrekte steppenvlakten van Australië, andere soorten komen meer in dichte bosschon voor. De Rots-kcu-goeroe (l'élrojnle) kiest steile, moeilijk toegankelijke rotsen tot verblijfplaatsen springt hier even meesterlijk als do apen; eene soort huppelt zelfs op de hoornen.
Verwant mot de buideldieren is het zonderlinge Vogelbekdier (Omithof-h illicitly iiarxilarK*. Tab.;!, Fig. 18), dat aan do rivieroevers van Australië wordt aangetroffen. In zijne gedaante en beharing vertoont het eonige overeenkomst met den mol. Mot graaft tot 'i M diepe holen met één uitgang onder water en één op den oever. I itwendigo ooren ontbroken. Zjjn muil is tandeloos en geljjkt op een eendensnavel. Hot dier schijnt daarin een tijn tastvermogen te bezitten, doorwoelt er. evenals do eenden, het slijk mee op don bodem en aan den oever dor rivier om de daarin aanwezige weekdieren, insecten en wormen te verslinden. In zjjn inwendigen
7lt;i
Huid'-.'divivi;. 'jn
liomv vi'i'tount hef vogelbekdier, evenals de ook in Aiistralii'quot; levende Mieren-ejfc 1 {Kfliidnn flifstriu), iiieniy puur vim overeeMkomst niet de vogels. Hef merk waardigste is zeker, dat ze eieren leggen en uitbroeden nis de vogels : nadat de jonden in zeer onvolkomen toestand zijn nit^ekoinen. worden zij aan de nielk-tepels gebracht, die in diepe linidplooien iniii den buik liggen, wnnraaii zij zich vastzuigen. l)c niicrenegel is met stekel- bezet als onze egel en In-zit een kokervormigen snavel, die slechts eene nauwe opening beeft, 's Xaehts woelt hij mieren- en termieteimesten open en grijpt de insecten met zijne Innge, worinvnrmi^e tong. waaraan ze vastkleven en waarmee lijj ze in den mond brengt.
Knaagdieren.
De Knaagdieren danken bun naam aan de buitengewoon groote knaagtanden, waarvan er twee in de boven- en twee in de onderkaak voorkomen.
Deze kraebtige snjjtanden zijn harder dun bij andere dieren en groeien gedurig van onderen aan in dezelfde mate als ze van boven afslijten. De knaagdieren knagen er zelfs zeer harde plantendeelen. als noreschalen en bout mee stuk. vele gebruiken ze ook bij den
aanleg van onderaardsebe gangen, /ij bezitten geene 1.....ktanden.
vele ook geene kiezen. De kiezen zijn ineesfnl ingericht lor het
fijnmalen van plantaardige stoffen. i'itf. tii.
II. sMijlniiili'n
De gewone hekhoorn (Sctunm viihjari*. Tab. :i. fig. s». is v*a haas-
de bekende vrooljjke gast der bosscben in de.....stcljjke provincies van ons
vaderland en in -Voord-Drabant. die in alle klim- en springkunsren nu-esrer is. liet aardige, aan zijn breed behaarden, langen staart en zijne rossigroode kleur hebt te herkennen diertje legt boog in de booinen gewoonlijk verscheidene nesten aan. of neemt die van eksters, notenkrakers en dergelijke groote vogels in bezit, die bet dan van een dak voorziet. Daarin schuilt het bij guur weer en's nachts en ook gedurende den winter, dien bet grootendeels slapende doorbrengt. Waait de wind van den kant, waar zich de opening van het nest bevindt, dan verstopt het gevoelige dier deze en maakt aan den tegengestelden, beschutten kant eene 'ind( m opening, s Zomers voedt de eekhoorn zicb voornamelijk met booniknoppen, in den herfst met hazelnoten, eikels, beukenotcn en illidere droge zaden; aan quot;'ie der naaldboomen sdijjnt hjj zelfs de voorkeur te geven, lïjj gelegenheid wordt ook een vogelnestje overrompeld; bij ledigt de eieren, vreet de jongen op en zelfs de ouden worden gedood en opgevreten, als bij ze kan vangen, legen den winter hoopt hij in gaten van boomen en dergeljjke schuilplaatsen voorraden op van zaden, die hem tijdens den winter tot voedsel dienen, legen den aanval van uilen en knikedieven weet hij zicb te beveiligen, door in
Het dierenrijk. Zoogdieren.
IX
ccmc sohi'ooHjjn om don stam heen te loopon. Zjjn R-rootsto vijnml is de edel-nmrter, die evon bekwaam klimmer is als hij; niet zelden springt de eekhoorn, ais hij door dezen vervolgd wordt, van angst uit den top van den boom op den quot;â¢rond. Daarbij worden staart en pooten horizontaal uitgestrekt en het dier komt langzaam en onverlet op den grond aan, loopt snel naar een anderen boom om dien te beklimmen en zich zoodoende te redden. Jong gevangen eekhoorntjes laten zich gemakkelijk temmen en worden zeer mak. Men houdt ze in eene groote kooi, die evenwel van binnen met blik moet bekleed zijn. om haar tegen de knaagtanden te hesehermen. Worden zij ouder, dan worden ze valscli en kwaadaardig. Soms komen ook zwarte en zelfs witte eekhoorns voor. In Uusland worden met behulp van vallen of door ze te schieten (de Tocngoezcn gebruiken hiertoe stompe pijlen) zeer vele Grijze eekhoorntjes gedood; jaarlijks worden ongeveer '2 millioen huiden er van uitgevoerd. Ze worden meestal in Duitsehland als âvehquot; ot' âgrauwwerkquot; (petit ^ris) verwerkt en veel in China verkocht. De staartlmreu worden voor schilderspenseelen gebruikt. In Xoord-Amerika vermenigvuldigen zich in sommige jaren de daar inhecmsche Grijze [Sdiirm cinercux) en Zwarte eekhoorns (S. niijer) zoo buitengewoon sterk, dat zij voor den landman hoogst schadelijk worden. In Pensylvanië doodde men er in 1747 meer dan 428()Ã.Q0 stuks. Deze dieren worden ten laatste door gebrek aan voedsel genoodzaakt hunne woonplaatsen te verlaten; ze trekken dan in tallooze sciiareii voort, vervolgd door alle mogelijke roofdieren. Ten laatste breekt gewoonlijk eene besmettelijke ziekte onder hen uit, waardoor ze bijna alle worden opgeruimd. In warmere streken leven talrijke andere soorten van dit sierlijke ⢠â¢â¢eslacht, zoo b.v. in Oost-Indië de Iv o n i n gseek h oo rn (Scïki-kk ïnn.riinns), die zonder den staart eene lengte van 1 .2 M bereikt, en de Dwergeekhoorn (.S. e.eilix), die nog kleiner is dan de huismuis. Daar komen ook verschillende soorten van Vliegende eekhoorns (Pltwomij*) voor, die eene voortzetting der huid tnssclien de pooten aan beide zijden des liehaams als een valscherm kunnen uitspannen, waardoor ze in staat zjjn ontzagljjke sprongen naar ver verwijderde, lager geplaatste takken uit te voeren. De gewone Vliegende eekhoorn (SciHvopteru* xibiriem) bewoont in niet gering aantal de berken- en sparrebosschen van Rusland, wordt evenwel weinig opgemerkt, omdat hij een nachtelijk leven leidt. In hetzelfde land, zoomede in Noord-Amerika, woont ook het Aardhoorntje (Tuinias), een fraai gestreept, klein diertje, dat als de hamster holen in don bodem graaft en daarin ook met behulp zijner wangzakken voorraden voor den winter opbergt. Bekend zjjn de op de Alpen voorkomende Marmotten (Arctoiii;^ mannota, Tab. 3, Fig. !)), die vroeger veel door rondreizende jongens uit Savoye langs de deuren vertoond werden. Ze zjjn iets grooter dan konijntjes, doch plomper. Zij leven dicht in de nabijheid van de
Knaagtliuron.
oduvvigo sneeuw der ^lcfsclicrH en voeden zicli met ^nis. wortck'ii en aljxMikruidon. Hij het geringste gevaar vluchten ze iti diepe gaten, die zjj op de hellingen der Itergen gegraven hebhen en zoodra de winter intreedt, trekken ze zieh terug in mime, diepe holen, veel lager in quot;t gebergte gegraven, wier toegangen ze afsluiten. In de prairieën van Noord-Anierika leeft de nauw verwante 1*ra ir ie h on d (Ciinoiiii/* I.Kdocirianti*). Zijn naam heeft alleen hetrekkiug up het gekef. dat hij doet hooren ; in liehanimsvorm gelijkt hjj iets oji eeni'marmot en op een hanister. in vele streken der prairieën komen ze in zoo groot aantal voor, dat de reiziger dagen lang te midden hunner holen kan trekken. Uit Rusland kwam de Ziesel {XltemwpliUlii*) naar Oost-Europa over en leeft in vele streken, geheel oi) de wijze van den hamster, op de velden in zelfgegraven holen, waarin groote voorraden voedsel voor den winter worden opgestapeld.
De Rel m u i zen {Muo.rinn) komen in gedaante veel met de eekhoorns overeen, ze leven als deze op de hoornen, maar het zijn. in tegenstelling met de eekhoorns, naelitdieren. De (ïewone re lm nis (Gli* mh/nris), iets kleiner dan eene rat, werd door de Romeinen in groote potten, zoogenaamde glirariën. gehouden, met fruit en andere plantenstoff'en gemest en in den nazdiner, als zij vet was. als lekkernij gegeten. In het Duitseh wordt zij â.Siehensehlafer'quot; genoemd, omdat zij de 7 koudere maanden des jaars slapende doorbrengt. Daarin komt zij overeen met de Haze 1 muizon. De Kleine hazelmuis nrrl-
Innarius) is een allerliefst diertje, een eekhoorntje in 't klein. Zij wordt zeer lieht tam. doeh blijft ook in de gevangensehap getrouw aan hare gewoonte om overdag te slapen en eerst als de nacht invalt levendig te worden. De Uroote hazelmuis {hlcomi/n .\iicln) maakt zich gehaat, omdat zij fruitboumen, vooral de fijnste soorten, plundert.
De .Mol ratten gelijken viïel op de mollen, zij graven als deze veelvuldig vertakte gangen en pijpen onder den grond, worden evenwel veel schadelijker dan deze, daar zij zieh voornamelijk met plantenwortels voeden. In Rusland en Klein-Azië leeft de hiertoe behoorende Blindmol (.S/w/im Ti/iihhis). een zeer kwaadaardig, onaangenaam dier, met oogen zoo groot als een papaverzaadje, die onder de huid verborgen liggen en daarom ongeschikt zijn, om er mee te zien.
De echte muizen en ratten zjjn algemeen bekend. De lluisrat of Zwarte rat (Mus rnHux) zou in de I'2de eeuw of iets vroeger uit l'erzië naar Europa overgekomen zjjn, doeh waarschijnlijk was ze er al in voorhistorische tjjden. Zij leidde ongestoord haar verderfelijk bestaan, aan alles knagend en vretend en alles \v egsleepcnd, in onze woningen en op zolders, tot omstreeks het jaar I T'JT de iets ni'ootere en sterkere Bruine rat (Mus decumnnm) van de Kaspische zee en de Kuniaansche steppen uit, haren intocht in Europa begon. Overal, waar zij zich vertoonde, ontspon zich oen hevige strijd tusschen haar en de zwarte rat. die
Het (licivnrijk. i.
f^cwuonljjk eimlig'dt' met Jeu ondergnng «Ier laatste. De bruine rat vermenigvuldigde zich iiji ])laatseii, waar ze rjjkelijk vocdnel en veldoiaule beseliutting vond, op sclirik-liareiulc wijze. Zno werden er b.v. in een slachthuis te l'arjjs binnen 'i weken HiOÃd stuks afgemaakt. Allerlei soorten van vallen en klemmen en evenzoo vergift weten de brutale, vraatzuchtige dieren te ontwijken; zelden laten zich meerdere op dezelfde wijze vantteu. liet beste middel tegen haar bljjft altijd eene goede kat.
die den kamp met het kwaadaardige beest niet schuwt. Soms vond men in een nest 14, 20 of nog meer ratten, wier staarten, waarschijnlijk tengevolge van ziekelijke uitscheidingen, aan elkaar kleefden en schijnbaar aan elkaar geknoopt waren, zoodat do dieren zich niet konden verplaatsen en door medelijdende kameraden gevoed moesten worden, liet waren de zoogenaamde rattenkoningen, waarvan wonderlijke verhalen in omloop waren. Soms vindt men ratten en muizen met witte vacht en mode oogen (albino s of kakerlakken), die wel iu kooien gehouden en afgericht worden tot allerlei kunststukjes. Van dc Eigeljjke muizen komen in ons land \ soorten voor. De Huismuis {Mus il-umilm) is de meest gewone en meest bekende. Ze brengt jaarlijks ongeveer .'iO jongen voort (ieder keer \ tot lt;S stuks) en het is daardoor licht genoeg verklaarbaar, dat zjj. niettegenstaande alle katten, vallen en andere uitroeiingsmiddelen, altijd nog talrijk genoeg voorkomen. De jonge muisjes zijn aanvankoljjk blind, worden door de moeder met groote teeder-heid verpleegd en kunnen eerst den loden dag zien, liij dc Moschmuis i ,1/quot;* â lt;11 raliii(s) is de onderzijde door hare witte kleur scherp algescheiden van de bruingrijze bovenzijde. Met hare lange achterpooten beweegt zij zich meer .springend dan andere muizen. Ze is voor de boschcultunr schadeljjk door het opvreten der uitgezaaide boomzaden. Meer schade doet zjj wanneer ze zich op het veld begeeft en daar. op de wijze der veldmuis, aan dc graanvruchten groote verwoestingen aanricht of wanneer zij in de huizen dringt, wat niet zelden gebeurt, om daar op de wijze der huismuis allerlei kwaad te stichten. De Bra ndmuis {Mus (Kiriiriti*). met eene overlangschc streep over den bruinrooden rug, leeft op bouwland, doch komt slechts zeldzaam voor. De Dwergmuis (M. ininnlm) is de kleinste en interessantste van haar geslacht, /c munt uit door hare klim- en bouwkunst. Haar kunstig nestje hangt zij tusschen rietstengels of takken op; het wordt door haar uit reepjes gespleten grasblaadjes in den vorm en de grootte
4
|
' | |
|
j | |
Kiian^ilirMvii.
vim ci'ii fi'aiizt'iici geweven. Aan de eene zijde is ile iiiuiwe ingang. De inwendige holte is met de zaadwul vau woilcyras ot wilgen zacht belvieiul, l)e dwergmuizen voeden zich voornamelijk met graan, doch vreten ook dierlijke spijzen; daar ze meestal niet zeer talrijk zijn, is het nadeel, dat zc aanbrengen, niet zeer groot. \\ ij komen nu tot de \\ oei mui zen (Arvicoliuu), \ ooral op kleigrond en op i lage veen komende \e ld mui zen (.I/v/co/k ((/â ca//.1;) gei'ogeld voor; 011 zandgrond vindt men ze minder, op zeer schralen zandgrond slechts zeldzaam. In somnnne jaren kunnen zij zich op eene ontzettende wijze vermeerderen, zoodat de bodem er vol van zit. geheel doorwoeld is door hare gangen en het voorkomen heelt van eene spons met ontelbare gaten, lijj het ploegen worden de muizen dan niet
zelden bij duizenden door de ploegschaar doorgesneden. Men kan het aantal, opeen hectare aanwezig, soms up tienduizenden schatten. In het district Zabern a d Rijn in Duitschlancl werden in 1822 in 14 dagen 1750(100 stuks muizen gedood. Hare voortplanting heelt dan ook met verbazende snelheid plaats; niet alleen dat
een wjjlje jaarlijks i worpen van 5.....-0 stuks voortbrengt, maar de jongen krijgen,
als ze nauwelijks :t maanden oud zijn, dus in 't zelfde jaar dat ze geboren zijn. zelf dikwijls nog meer dan eens jongen. Crampe berekent, dat een enkel wijfje na één jaar eene nakomelingschap van IDS muizen kan hebben. (ïeen wonder, dat wanneer dikwijls in t voorjaar volstrekt geen buitengewoon groot aantal muizen wordt aangetroffen, in den herfst; de dieren eene ware plaag voor den landman kunnen worden. Zij vernielen soms alles wat op hef veld groeit; aardappelen en Wagner's Xatuuiljjlic Historie. ,
SI
li-1 «licn'iinjk. Zoojrdicrcn.
knollen, do zaden van peul- en graangewassen en van allerlei andere planten worden met graagte verslonden, jonge grasscheuten en wortels afgeknaagd, goiieele planten losgewoeld, in één woord, zoowel bouw-als weiland worden volkomen kaal afgevreten, zoodat er van den oogst niets terecht komt. Ook wanneer ze niet zoo talrijk zijn, doen ze nog genoeg schade, daar ze groote voorraden van granen, erwten, boenen en andere zaden, wortels enz. voor den winter verzamelen en omdat niet weinige met de schoven in de, schuur gebracht worden, waar ze hare verwoestingen voortzetten. Wanneer de nniizeplaag haar to|)piint bereikt heeft, ziet men deze dieren soms plotseling verdwijnen; meestal tengevolge eener besmetteljjke ziekte, die de door gebrek aan voedsel verzwakte dieren in korten tijd alle te gronde richt, soms ook zonder dat men hunne lijken vindt, op nog geheel raadselachtige wijze. De volgende jaren zijn meestal, omdat de bodem zoo buitengewoon sterk doorwoeld werd, en de lijken dezer dieren niet weinig mesf opleveren, buitengewoon vruchtbaar ; vandaar bet oud-1 lollandsche spreekwoord : de âmuizetand geeft goud in 't land.quot; Dit neemt niet weg. dat al het mogelijke gedaan dient te worden om eene muizeplaag te voorkomen, of, zoo ze er eenmaal is, te temperen. In de eerste plaats dienen hare natuurljjke vijanden gespaard te worden : de kleine en de groote wezel, de bunsing, de vos, de egel onder de zoogdieren; de buizerd, de kerkuil, de torenvalk, de roeken en andere kraaien, de kobmeeuw onder de vogels. Verder kan men ze op talrijke wijzen zelf verdelgen: niet eenvoudige vallen, door vergift of door cylindrische gaten in den grond te graven. Vooral in het voorjaar dient men op deze wijze aan hare vermeerdering paal en perk te stellen; later in het jaar heeft het weinig doel. daar zij dan toch reeds den oogst vernietigd hebben en ze 's winters vanzelf door koude, overstroomingen, gebrek aan voedsel en door hare natuurlijke vijanden sterk gedund worden. Van de verwanten der veldmuis noemen we de Wortelmuis (Arvicola oecoiwmu*), die veel voorkomt in oostelijk Siberië. Het kleine diertje legt zich in den grond holen aan met :t % kaniers en verzamelt in elke kamer -4â5 KG wortelen, die als wintervoedsel moeten dienen. De arme bewoners dezer streken graven deze voorraden uit en gebruiken al wat er genietbaar van is voor zichzelf. Als geduchte woelcr in ons land is de Waterrat (Hypudaeux umphibim) berucht, die evenals de mol gangen graaft door tuinen en velden, doch daarbij veel meer kwaad doet dan deze, omdat zij plantaardig voedsel gebruikt. In vijvers vreet zij vischkuit en visehbroed op, grijpt zelfs oude karpers en andere visschen aan, trekt jonge eendjes met de pooten onder water, om ze te verslinden en is dus algemeen gehaat, /ij graaft meestal verscheidene holen dicht bij het water, liefst met een uitgang onder water en zwemt en duikt even behendig als ze loopt, graaft en klautert. Vóór den winter verzamelt zij een groeten voorraad knollen, wortels, granen en zaden in hare holen, waarmee ze zich gedurende den winter en
Kiiii.i'jili' i ⢠ii.
quot;t volgende voorjuar voedt. De waterratten kimneii ook zeer gevaarljjk worden duor liet doorwoelen van dijken, die dan hjj hoog water geen weerstand kniinen liieden aan den waterdruk, waardoor overstroomingen kunnen ontstaan. Xoord-Anierika. voornamelijk Canada, herbergt de Bisamrat il-'ihrr zilicthicKx), een dier. dat geheel dezelfde levenswijze heeft als de waterrat; haar vel komt als Jiisamquot; in den handel, en wordt veel als bont gedragen. In X nor wegen woont de Lemming iMijode» Lciniius) op de eenzame hoogvlakten der gebergten en leeft daar oj) dezelfde wijze als de hamster hier. Men zegt, dat deze dieren om de 7 jaren in onnoemelijk
aantal, door gebrek aan voedsel gedwongen, .......te toehten ondernemen, waarbij ze
van de bergen neerdalen tot aan de zeekust, zieh door niets laten tegenhouden, en ten slotte alle omkomen. I»e reeds genoemde ilamsfer (Criretus I'mnvnUwius, Tab.;{. Fig. 10) vermeerdert zich in vruelitbare streken met drogen leembodem soms zoo sterk, dat hij tot eene ware landplaag wordt. Hij bezit groote wangzakken, die hij vooral gebruikt om er groote hoeveelheden granen en peulvruchten mee in de kamers zijner ondernardsche holen te sleepen, als wintervo(a'raad. De hamsters komen in ons land gelukkig alleen in zuideljjk Limburg, en dank zij den grooten ij\ei, w aai mee zij er \er\olgd worden, slechts zelden voor. Onze oosteljjke naburen hebben er in verschillende streken grooten last van.
Eene der kostbaarste bontsoorten levert de liever (Castor Fiber, Tab. 3. Fig. 4 1) op, die eene bijzondere familie van knaagdieren vormt, en ongeveer I M lang is. Il|j is geheel gebouwd voor het leven in 't water, bezit zwempootcn en een zonderlingen, broeden, platten, onbehanrden staart, die hem als roer dienst doet. I5jj het zwemmen maakt hij alleen gebruik van de achterpooten en den staart; de voorpooten dienen als grijp werktuigen. Vroeger bewoonde dit merkwaardige schepsel, in groote koloniën vereenigd. bijna alle landen van Europa (ook ons land); tegenwoordig komt hij nog maar afzonderlijk voor en wel het meest in het noorden van Amerika en Xoord-Azië. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit meelhoudende wortelstokken, als die der waterlelie s en uit de schors van jonge boomtak ken. Zijne snijtanden zijn buitengewoon sterk en scherp: hij kan met een beet een tak van :gt; cM middellijn zoo glad afsnijden, als ware het met een stalen werktuig gedaan; hij velt zelfs boomen van 1 , M middellijn, waartoe hij ei eene diepe, ringvormige gleut in knaagt tot zij neerstorten. Ivomt de bever in eene streek afgezonderd voor, dan graaft hij zich van het water uit eene gang in den oever en aan t eind daarvan een hol, dat op dat van den vischotter geljjkt. Hebben zicb daarentegen meerdere bevers aan dezelfde beek of rivier gevestigd, dan brengen zij gemeenschappelijke bouwwerken tot stand, liet is hun er om te doen, dat het water altjjd op geljjke hoogte blijft, ongeveer I M booger dan de toegangen hunner woningen. Ze leggen daarom dwars door de beek een dam aan, dien ze uit boomstammen vervaardigen, nadat ze deze in stukken van I M
11. t ilieromijk. ZouL'iUereii.
lengte doorgeknaagd liobben. Do tussclienruimteu worden met geschilde takken van verschillende dikte aangevuld en het geheel met leem ut slik hestreken, dat tussclien borst en voorpooten anngevoerd wordt. Zoo een dam is aan de basis ;! 'i M dik en wordt naar boven toe smaller; hij stuwt het water op tot de -owenschte hoogte en is zoo stevig, dat mensehen er over kunnen loopen. Als toevluchtsoorden bji hoog water leggen y.jj de zoogenaamde burchten aan. halt'bolvormige gebouwen, uit takken en sljjk samengesteld, die op bakovens gelijken en hoog boven den waterspiegel uitsteken, inwendig bevat de burcht eene met houtspaanders bekleede ruimte, die als leger dient en daarnaast nog eene tweede, waarin takken van wilgen, populieren en berken, wortelstokken van waterlelie's enz. als voedselvoorraad worden bewaard. De toegang tot den burcht bevindt zich onder water. Stijgt het water bij uitzondering zoo hoog, dat het in den burcht dringt, dan baant de bever zich een uitweg door het dak en ontwijkt daardoor. Hij kan zich met zijn gebit flink verzetten tegen zijne vjjanden; met één beet kan hij een hond een poot afbijten. Om zijn fraaie vacht is hij aan voortdurende vervolging blootgesteld; er wordt DJ 40 gulden voor betaald. De jagers vangen hem in vallen, waarin ze vcrsche takken ids lokaas aanbrengen, die ze met bevergeil bestrijken. Dit is eene zalfachtige massa, die het dier zelf ia een bijzonderen buidel afscheidt en die vroeger als een opwekkend, krampstillend geneesmiddel zeer gezocht was. In een groot deel van Zuid-Amerika leeft een veel op den bever gelijkend dier, de .Moerasbever (.!/;/quot;-l,o(a)iiun Coijini), waarvan de huiden in groote menigte, als Raconda-nutria ol Amerikaansche ottervellen, bij ons worden ingevoerd.
()mdat zij eenige geljjkenis vertoonen met hazen, verkreeg eene Zuid-Ameri-kaansche groep van knaagdieren den naam van Wolhazen of Haasmuizen. Daartoe behoort de op de Andes in Chili voorkomende Ohinchilla (Kriom;^ ChinchiUu), wier zachte, teere vacht zeer gezocht is, en de N i scache (/.((f/osief/MfN hHdioilachilm), die de i'amjias van Bueno-Ayres bewoont en wiens levenswijze met die van den prairiebond in Noord-Amerika overeenkomt. De viscache is zonder den staart bijna M lang en heeft veel van een konijn, maar is vroolijker en brutaler. Hij wordt gebaat, vooral wegens de talrijke pijpen, die hij vlak onder de oppervlakte des bodems graaft en waarvan er wel 40 a 50 van één hol uitgaan. Daar deze dieren gezellig bjj elkander wonen, zijn soms groote vlakten geheel door hen doonvoeld, wat voor ruiters zeer gevaarlijk is. \ reemd is het, dat deze dieren alle mogelijke, voor hen geheel onbruikbare voorwerpen, die zij bij hunne nachtelijke tochten vinden, naar den ingang hunner holen sleepen, zoodat de bewoners der pampas verloren messen en dergelijke dingen veelal daar terugvinden.
In de woestijnen en steppen van Afrika en Azië vindt men de zondeilinge Springmuizen in talrijke soorten. De sierlijke diertjes huppelen op de lange.
K UMa^ditTOii
dunne aelik'i-pooten, die er bijna nis vogelpooten uitzien, huitenjiewoon snel en gebruiken diuirbij den langen staart als roer. I )e kleine voorpooten gebruiken zij oni ziclt liolen in den grond te krabben en otn wortels en knollen uit te grnven. die liun voornaamste voedsel vormen. Mene der kleinste springmuizen, de Labrador-huppelmuis {.liicithi* Ltdiradoriux), bewoont de nourdeljjke gebieden vati Xooi'd-Amorika. Zo bereikt ongeveer de grootte van onze bosrlmmis en, is geelachtig' leerbruin gekleurd. Itt deti naberfst omhult zij zich in hare onderaardsche woning met een bul vati vochtige klei. die later verhardt. Hierin rolt zij zich tot een bal samen, om in volkomen zekerheid haren winterslaap te houden. De Egyptische springmuis (U'/ltuniijs Kfi/i/jiildcu-i) is een alleraardigst diertje. 16 c,M lang, met een kalen staart van '21 cM lengte, die aan bet eind eene haarpluim draagt. Zij bewoont holen op zulke plekken iti de woestijn, waar eenigen plantengroei bestaat, en voedt zich met uitgegraven wortels, bollen, zaad en andere plantendeelen. Bij voorkeur gaat zjj quot;s nachts op voedsel uit, ofschoon ze zich gaarne koestert in de heetste middagzon. De Arabieren vervolgen de springmuizen gaarne om hun vleesch ; de vergiftige brilslang zou zich voornamelijk met deze dieren voeden.
I )ezelfde levenswijze leidt de Za n d-springer {Scivteles Jucuhoi) in Middel-Azi(;. Hij is zoo groot als ons eekhoorntje en bouwt zich iti den leentbodem tamelijk groote en kunstige holen. Wordt hij vervolgd, dan vlucht hij daarin en verstopt de toegangen. Jljj houdt er ook zijn winterslaap. De Mongoolsche knapen vervolgen hem ijverig, daar zjjn vleesch gaarne genuttigd wordt.
In Zuid-Afrika leven de Springhazen (l'cdctus (jt/jri') in talrijke gezelschappen bij elkander. In grootte ett beharing komt dit dier overeen met deti haas. Zijn staart overtreft het lichaam in lengte en is van den wortel tot de punt behaard. De onderaardsche holen dezer dieren hebben zoo talrijke, zich veelvuldig kruisende pjjpen. dat het moeiljjk is hern door uitgraven machtig te worden. Hoven den grond laten ze zich alleen na zonsondergang zien. Bij vervolging maken zij sprongen van 7 10 M, die elkander snel opvolgen; bij koel. regenachtig weer zjjn ze traag en gemakkelijker te vangen.
Het dio ren rijk. Zoogdieren.
De H t e k (! 1 v a v k o n a vormen evenzoo ecne /eer eigenaanlige. groop van kniuigdieren. liet Gewone s t e k e 1 v a r llt; e n [Ihjutri.r cyislala, lal).:), Fig. i'J) bewoont voornamelijk de noordkust van Afrika, docli wordt ook in Italië en (Jriekenland aangetroffen. Het lichaam is maar I- . M lang; het dier ziet er evenwel door de lange stekels, waarmee de achterste helft van het lichaam gewapend is. veel grootor uit. liet voorste deel des licliaams is met borstels, de nek met sterke- manen bekleed. Het is een traag, droefgeestig en, evenals alle stekeldragers, stompzimiig schepsel. lt; )vcrdag slaapt het in zelfgegraven holen en eerst als het donker wordt, wandelt het langzaam rond. om wortels uit te quot;â¢raven, kruiden, distels en dergelijke planten te bemachtigen, en aan de schors der liootnen te knagen. Zijn gebit is zóó krachtig, dat het zonder moeite dun ijzerblik en tamelijk dik ijzerdraad kan doorbijten. Vnor zjine verdediging maakt het niet van de tanden maar van de stekels gebruik; het richt ze op en doet eenige sprongen achterwaarts tegen zijn vijand aan. Hierbij ratelt het geweldig met de staartstekels en verliest gewoonljjk ook eenige stekels, daar zjj maar los in de huid bevestigd zijn De stekels worden wd als peimehouders gebruikt. In tropisch Amerika komen meerdere soorten van stekelvarkens voor, die een grijpstaart bezitten en als bekwame klimmers op de hoornen levrii, b.v. de I rson (l'.i'^lliizou dorwilion), het H or s t el s te ke I va r k en {CJiiiiHomy* siihsiiinonK*) enz.
De llalfhoevigen zijn Znid-Amerikaansche knaagdieren. Ze onderscheiden zich door de hoefvonnige klauwen. Het meest bekende dier dezer groep is het Guineesche biggetje ((ïcivui ('.ohu ), verkeerdelijk ook wel marmotje quot;â¢enoemd. ilat als huisdier gehoudeti wordt, In 't midden der 17de eeuw werd
O
het door Nederlanders ingevoerd en vele natuuronderzoekers meenen, dat het van den in Brazilië en Paraguay in 't wild levende Apera (Caria Alieren) afstamt, ofschoon dit door anderen wordt tegengesproken. Tot deze groep behoort verder het Wa terzwijn (llijdrochoerii* (jtpijluira), een der grootste knaagdieren ; zijne lengte bedraagt 11 B -M : het leeft aan de oevers der rivieren in Paraguay en komt er in kudden voor, die aan den oever grazen, maar zich bij gevaar onmiddellijk in 't water storten, waarin ze uitstekend zwemmen en duiken. Zjjn vleesch wordt gegeten.
De eigenlijke Hazen vormen de laatste groep der knaagdieren. De Gewone haas (l.i'jius limidu*) is ovtu' een groot deel der aarde verspreid. Ofschoon hij overal doer tallooze vijanden vervolgd wordt, heeft hjj zich door zijne snelheid en voorzichtigbeid, maar vooral door zijne snelle voortplanting, altijd nog weten te handhaven en elk jaar komt hij weer in groote menigte voor. Ecne moerhaas kan iu één zomer 'i maal jongen voortbrengen, lederen keer - â ' stuks; de jonge hazen, die vroeg in tjaar meestal reeds in Februari geboren zjjn. kunnen vóór den herfst reeds weer jongen voortbrengen. De haas graait nooit
Knnairdifi'M.
oen hol, maar kient ccii âlegerquot;, hetzij tusschen planten ot' o[) kale plekken op het land. soms ook wel in de hossehen. (iewoonlijk heeft hij verscheidene legers, die hji naar de weersgesteldheid verwisselt. Zjjne kleur stemt meestal zoozeer overeen met die van den bodem, waarop bij rust, dat hij bijna niet gezien wordt, zoo hij stil blijft liggen. Den dag brengt bij slapende door; zoodra het donker wordt, verlaat bij voorzichtig het leger, om voedsel te zoeken. Dit bestaat uit gras, jonge graanphmten, koolplantcn en andere kruiden, jonge takjes en zelfs, vooral 's winters, de schors van hoornen en struiken, lljj kan op bouwland en in tuinen, boonikweekerijen. plantsoenen en bossclien dus heel wat kwaad doen. Door enkele jagers, die hem overdag door de bonden uit zijn leger doen opjagen, op drjjfjachten, waarbij eene groote uitgestrektheid door talrijke drjjvers wordt omsingeld, die hun kring meer en meer vernauwen, 's nachts door enkele jagers, die op hein loeren op de plaatsen, waar hij gewoon is zijn voedsel te komen zoeken en eindelijk met strikken, worden er jaarlijks duizenden gedood, wier gezocht vleesch evenwel volstrekt geene vergoeding verschaft voor al wat zij liebbcn opgevreten en bedorven. De Sneeuwhaas (/.c/ors- t'ariiit-tili*, Tab..'), Fig. !â¢!)
bewoont de boogere deelen der Alpen en de noordelijke koude gewesten, 's Zomers beeft hij de kleur van den gewonen haas,
s winters wordt zijne vacht sneeuwwit, behalve aan de punten der ooren, die zwart zijn. Het Konijn il.i'liin ('itniciflks) graaft in zandige. droge, heuvelachtige streken bolen met verscheidene uitgangen en daar één wijfje in een zomer 7 maal 8 jongen werpt, zou het mogelijk zijn. dat binnen 'i jaar van één enkel paar I ,'27(1.n()(l afstanmudingen zouden ontstaan, indien geen van de dieren omkwam, (ielukkig hebben zij talrijke vijanden onder de roofdieren, want bet zijn hoogst schadelijke dieren. Ze vreten niet alleen allerlei kruiden, evenals de bazen, en knagen schors en jonge takken van de boomen, maai' doen bovendien veel kwaad door liet graven van gangen in den grond, zoodat zij in onze duinen de beplanting met iiclm, die bet verstuiven zou verhinderen, of met boomen, veelal in den weg staan. Het is vooral ook. omdat ze plaatselijk veel talrijker voorkomen dan de hazen, en zich ook nooit ver van de holen verwjjderen. dat de schade, die ze doen, meer gevoeld wordt. Men ontziet dan ook geene moeite om ze uit to roeien. Ze
87
Met (lioionrijk. Z iog'liovèli,
wordi'ii gescliotoii on in strikken gevangen, dikwijls met behulp van liet fretje, dat ze uit hunne holen jaagt. Het tamme konijn, dat goed vleeseh oplevert, is van liet wilde afkomstig en wordf in vele verseheidenlieden gefokt. De Alpenpij ph a as (Isujomis ftlpinm) bewoont de hoogere gehergten van Siberië en legt zich hooistapels aan van ' M hoogte om als wintervoorraad te dienen.
Taiidclooze tlieren.
De tamhdooze dieren hebben geene of slechts weinige tanden. Steeds ontbreken snij- en hoektanden; de kiezen zjjn zeer onvolkomen.
De Luiaards bewonen in meerdere soorten de oerwouden van tropisch Zuid-Amerika. vooral van Iimzilië. Zij danken bun naam aan liunne langzame bewegingen en aan hunne stompzinnigheid en onverschilligheid. De Drieteenige luiaard of Aï (Bradyptts Ifkhtclylm, Tab. y, Fig, 14) is een der moest gewone soorten, 45 c.M lang met 1 cM langen staart. Zjjn gelaat gelijkt op dat van een uil of een kleinen aap. liet licbaani is niet lange baren bekleed, die op dor gras ge-Ijjken. De aï hangt zicli met bebiil|) zijner groote, sikkelvormige klauwen aan de takken op. Geheel onbeweeglijk, tot een klomp samengebald, brengt hij in deze houding den dag slapende door; in de schemering begint bij de bladeren af te vreten, liet wijjfje krijgt maar één ,jong, dat het steeds met zich mee voert. De aï klautert langzaam, maar zeer behendig en voorzichtig. Vrijwillig verlaat hij den boom nooit, zoolang bij in diens bladeren voedsel vindt. Wil men hem er af trekken, dan houdt bjj zich met groote kracht aan den tak vast. Voor verwondingen is bjj zeer ongevoelig. Op den grond gedraagt bij zich hoogst onbeholpen; hij tracht zich met zjjne klauwen aan eenig voorwerp vast te klemmen, om er zich aan voort te trokken; daarentegen zwemt hij tamelijk goed. Zjjn voornaamste vijanden zjjn boomslangen en roofdieren. â⢠In vroegere tijden leefden op aarde buitengewoon groote soorten van luiaarden, waarvan men skeletten gevonden heeft. bijv. het Megathe ri um of de Re u zen 1 u ia a rd, die zoo groot was als een olifant.
De Gordeldieren leven ook' voornamelijk in Zuid-Amerika. Zij danken hun naam aan het eigenaardige pantser, uit hooriiachtigo schilden bestaande, dat hun rug bedekt. Deze schilden liggen in rijen, liij eon der meest bekende soorten, de Ar mad ill (Euphmcim xe-ccinctua. Tab. 3, Fig. 15). bevinden zich (» gordels van grootere, langwerpige schilden in do heupstreek. Het dier is niet grooter dan eene kat, heeft oen plompen, rolronden romp en een kop. die op dien van het varkon gelijkt. De teenen zijn met geweldige klauwen gewapend, die hot vooral voor het graven gebruikt. lt; )vordag boudt het zich in oen z.elfgegraven hol verborgen, 's avonds komt het daaruit te voorschijn en zoekt, langzaam en moeilijk loopend.
Taiuleloozo ilioivn.
mieren- en termieten nesten op. Onder deze nesten graaft liet in korten tijd eene gang. die eene valkuil voor deze insecten wordt. Deze worden met de kleverige, met vezels bezette tong gevangen. Het dier wordt zeer lastig door de vele holen, die het in de vlakten graaft en die niet zelden aanleiding geven tot het vallen van ruiters. Het vervolgde dier weet zeer heliendig aan zijne vjjanden te ontsnappen; merkt het ze op. dan graaft het /icdi uogenblikkelijk in den grond en is in drie minuten volkomen in den bodem verdwenen, als het vóór dien tijd niet door de honden werd vastgegrepen. In vroeger tjjden bestonden gordeldieren van de grootte van het neuslioorndiei*.
De Miereneters voeden zich op gelijke wijze als de gordeldieren. De \ nrnnii juhaht, lal), li, Fig. Di). heeft eene aaii/ienljjkegrootte,
/onder den meer dan M langen staart bereikt hij eene lengte van I pr. Het dier is zwart en aschgrauw gekleurd en draagt op den rug dichte manen. De snuit is slnrpvormig verlengd. De mondopening is zoo nauw. dat men er den duim nau-weljjks kan insteken. Tanden ontbreken heolemaal; het dier gi'ijpt zijn voedsel uitsluitend met behulp zijner wormvormige, dunne tong, die het \ M ver kan uitsteken. Deze is kleverig en draagt aan her eind cenige kleine, harde, spitse punten. De teenen der voorpooten van dezen miereneter zijn niet gi-oote, sehei'pe klauwen gewapend: bij draagt deze bij het loopen naar binnen geslagen en treedt op den buitenrand der voeten. Hij bewoont Paraguay en l'cru en houdt zich daar op in streken, die rijk zijn aan termieten) en mieren. Heeft hij een nest dezer dieren gevonden, dan slaat hij met zijne klauwen eene opening in de vaste wanden daarvan, steekt de lange tong te midden van de naar buiten stormende diertjes, en slikt deze bij honderden tegelijk in. I let is een nuttig, vreedzaam dier, dat zich evenwel, wanneer het al te zeer geplaagd of vjjandig aangetast wordt, zeer goed met zijn lange klauwen weer te verdedigen, waarbij het zich op de aehrerpooten opricht.
hen derde \orm van miereneters zijn de 8 ch u lid i e re u. Hun gebeele lichaam is met vaste, hoornachtige sclinbhen bedekt, zoodat her op een grooten pijnappel gelijkt. liet J i a u g s t a a r t i g e schub dier tclrftdochflii. Tab. 1», Fig. J 7).
wordt I M lang en bewoont Middel-Afrika. Het Kortstaart!ge schubdier (Mini* pentadm-lule) is nog .J JI langer en komt in Zuid-Azië en op de eilanden van den [ndischen Archipel voor. Wat voeding en levenswijze betreft, stemmen de scliubdieren met de gordeldieren overeen.
Veelhoevigen.
Terwijl bij al de tot nu toe behandelde dieren de teenen van klauwen of nagels voorzien zijn, zijn bij de hoefdieren de teenen beschut door vaste hoeven. Naar het aantal dezer hoeven verdeelt men ze in drie orden.
S!gt;
Het (licreiirijk. Zoo^li»'!».'!!.
Di» Vcolhoevigon of Dikhuidigeu zjin incest groote dieren; ja, hiertoe lieiiooren zelfs de grootste Imidzoogdieren. Jlun romji is plomp en massief; de pooten /ijn kort en dik. de voeten liehben meerdere teenen ; iedere teen is van een hoef voorzien. Ilij de meeste komen ia het gebit alle drie soorten van tanden voor; het darmkanaal is matig lang; het voedsel voornamelijk plantaardig.
De Olifanten {lïleplKi*) /.ijn de grootste en zwaarste dieren van het vasteland. Iliuine hoogte bedraagt in den regel niet meer dan M, doch. knmien tot (iOOl) K( i zwaar worden. Alleen de hnid van zoo'n dier weejrt '1000 KG-, ireeft das
O O
aan '20 mannen genoeg te dragen. Het meest merkwaardige lichaamsdeel van dit reusachtige dier is zonder twijfel do neus, die den vorm heeft aangenomen van een heweeglijkcn slurp. Daarmee kan hij allerlei werkzaamheden verrichten en in getemden staat allerlei kunststukjes uitvoeren, vooral met behulp van het gevoelige vingorvormige aanhangsel, dat aan het eind daarvan voorkomt. Ilij kan er mee kusten «penen, klokken luiden, Hesschen, horden en geldstukken aanvatten, een geweer afscliieten enz. In vrijheid rukt hij er gras mee af en brengt dit in den mond, doch hij ontwortelt er ook matig dikke hoornen mee, om er de wortels af te vreten. Men weet, dat een toornige olifant met zijn slurp een anderen den 12 c.M dikken slagtand stuk sloeg. De olifant neemt gaarne een had. duikt liefst heelemaal onder, en steekt dan alleen den slurp boven de oppervlakte uit, om adem to kunnen halen. Hij zwemt uitstekend. Na het bad laat hij reigers en andere vogels gaarne toe, zich op hem neer te zetten, om hem van de waterdieren te bevrjjdeu, die op hem zijn blijven zitten. Zijn gebit is /eer merkwaardig. In de onderkaak ontbreken snij- en heektanden. In de hoven-kaak komen de twee reusachtige slagtanden voor, die, ver buiten den mond uitsteken, hjj het inannetje ieder 7n -00 lv(i zwaar zijn, en waarmee hij in 't hosch allerlei wortels uitgraaft. Zo moeten als snijtanden beschouwd worden; hoektanden ontbreken ook in de bovenkaak. .Men vindt aan elke zijde in de beide kaken slechts één kies, die evenwel kolossaal groot is. Is deze door het kauwen afgesleten, dan ontwikkelt zich daarachter een nieuwe kies, zoodat, als de eerste uitvalt, de laatste gebruikt kan worden. Dit kan gedurende zijn leven zes maal plaats hebben; men beweert trouwens, dat de olifant meer dan 100 jaar oud wordt. .Met het '24ste jaar beeft hij zijn vollen wasdom bereikt. Zjjne slagtanden e:i zijn slurp zijn geduchte wapens, waarmee hij zich tegen de grootste roofdieren uitstekend weet te verdedigen. Daarbij komt, dat ze in troepen van 20â 100 ,-luks gezellig samenleven. Van zoo'n troep is bet sterkste en verstandigste dier de aanvoerder. Hij gaat met groote omzichtigheid vooruit naar do drink-en badplaatsen, naar de weideplaatsen in het boseh en naar de slaapplaats. Soms leiden oude niauneljjke dieren een eenzelvig leven; deze zjjn dan in den regel uiterst woest en hoogst gevaarlijk, daar zij zonder de geringste aanleiding andere dieren
1)1)
en monsclieii aanvallen, in tegenstelling mot «Ie gezellig lovende olifanten, die goedmoedig en vreedzaam van aard zijn. Men onderselieidt den iiidisclien olifant (Klupha» inilicu*. Tal). 4, Fig 1), als bijzondere soort van den Afri-k aan se h en (/â¢â¢'. africanim). De Indische heeft kleinero oorscheipen en een gewelfd voorhoofd. De Afrikaansche wordt vooral om zijne slagtanden gejaagd, die her ivoor opleveren. De negers graven op de olifantspaden diepe valkuilen, of wel ze lokken de dieren mot hjjzondore kruiden niiar plaatsen in het hosch, die omheind zijn door slingerplanten,
die ze besprenkeld hebben mot een sap, waarvan de olifanten oen grooten afkeer hebben.
Daar worden de dieren met lansen gedood.
Ook door enkele jagers wordt de jacht op deze dieren uifgeoefond. Zij sluipen tot dicht bjj de olifanten, en dooden hun buit door een welgemikt schot achter hot oor. In Indiö en op (Vylon worden niet zelden olifanten crevan^on met hot ,
dool ze te temmen, teneinde zo daarna tot het
verrichten van allerlei arbeid te gebruiken. Rene geschikte open plok in het bosch wordt omgeven door oeno omlieining van vast aan elkander verbonden boomstammen, die zoo goed mogelijk verborgen wordt. De toegang tot deze ruimte (corral) vormt eene lange, zich trechtervormig verwjjdende gang, die rechts en links ook door oeno schutting van boomstammen is afgesloten. Nu wordt oeno groote drijfjacht op olifanten gehouden, waaraan soms meer dan .'iOiH) mensehon deelnemen. In oen omtrok van vele mijlen worden alle olifanten opgejaagd in de richting naar den corral, 's .Nachts wordt het terugkooron van de olifanten door groote wachtvuren belennnerd. Zijn ze tot den trechter genaderd, dan worden zjj door geweldig geraas, geschreeuw, getrom, getiuit, geweerschoten en met fakkels en groote vuren in den corral gejaagd en de ingang wordt mot zware balken achter hen gesloten. Vu worden zjj gekneveld met behulp van tamme olifanten, die er telkens een van de andere afzonderen en daaraan afleiding verschaffen : men slaat stevige strikken om hunne pooten ou bindt ze vast aan zware boomstammen. Sommige hunner gaan hierbij dood van opwinding. Zijn de anderen door honger en dorst gedwee geworden, dan biedt men hun voedsel aan, laat zo door tamme olifanten naar de badplaats geleiden, laat ze, als ze met den slurp slaan, zich bezeren aan spitse, jjzeren stangen en temt ze binnen eenige maanden. .Nog beter bereikt men dat dool. door ze van begin af met zachlbeid te behandelen. De tamme olifanten worden gebruikt bij don aanlog van wogen en als lastdieren, om hout. stoonen en andere zware lasten te dragen. Do Engelschen gebruiken ze zelfs in hot leger tot het dragen van
lift iliiTonnjk. /'quot;.lu-'li»'!-. ii.
kanoiuion. Daar ecu olilanr dadelijks rgt;0 K(i hooi vreet, is Inj een zeer duiir huisdioi', vandiiftr, dat alloen rjjko Indiërs hem als proukdier houden, om er op to rijden, in eeiie tent zittende, die hoven o|gt; den rug wordt vastgehecht. Bij de tjjgerjaclit bewjjst lijj goede diensten. Vele olifanten zjjn zeer verstandige, aardige dieren, die zelfs voor het bewaken van kleine kinderen gebezigd kunnen worden; andere daarentegen blijven boosaardig, slecht gebunieurd eu vervallen zelfs dikwjjls tot ware razernij, waarbjj ze veel onheil kunnen stichten. Vroeger werden door de Indische voreten honderden olifanten meegevoerd bij hunne oorlogen. De Ivarthagers hebben ook Afrikaansehe olifanten daartoe afgelicht. De oude Homeinen leerden hun allerlei kunststidcken voor hun vermaak. Zoo lieten ze hen letters teekenen met een griffel, op schuin gespannen koorden op en neer loopen, met hun vieren een vijfden, die den zieke voorstelde, op een baar dragen, op de maat dansen, aan een prachtig gedekten diseh uit gouden en zilveren vaatwerk eten, met inachtneming van alle mogelijke vormen der etikette. Tegenwoordig wordt de Afrikaanscdie olifant niet meer als huisdier gehouden.
In voorhistorische tjjdeu hebben op olifanten gelijkende dieren, doch andere soorten, in streken geleefd, waar zij later niet meer werden aangetroffen. Zoo vindt men in .Noordelijk 8iherië vele overblijfsels van den Mammoeth (Klcphas primujenim). Enkele dezer dieren heeft men nog gevonden, die geheel in het ijs gevroren en daardoor behouden gebleven waren. Ze waren met dichte, lange haren bekleed, die in den nek bjjna manen vormden. ITunne lange, sterk gekromde slagtanden komen als Siberisch ivoor in den handel. .Men heeft zoo een tand gevonden, die 7 M lang was. Van een ander dergelijk dier, den .Mastodon, vindt men in Amerika talrijke overblijfsels.
Een overgangsvorm tusschen den olifant en het neushoorndier is de Tapir. Men kent eene Aziatische en eene (of twee) Amerikaansche soort. De Indische tapir (töiiiiochoeni* indicm) wordt op Malakka en op Sumatra aangetroffen, hij bereikt eene hoogte van meer dan I M en eene lengte van '2' M en hoeft in zijne gedaante iets van een zwijn met plompe poolen. Zijn kop loopt uit in een korten slurp, waarmee het dier kan grjjpen en takken afbreken, lljj is zwarten heeft midden over den romp eene hreede streep van witachtig grjjze kleur. De Amerikaansche tapir (Tab. 'i. Pig. 2), is daarentegen gelijkmatig grjjsbruin van kleur en wordt in de moerassige bosschen van tropisch Zuid-Amerika gevonden.
Voor den Europeaan is het nuttigste dier dezer groep het Huis zwijn {Sm scro/'d), wiens talrijke rassen waarschjjnljjk van verscheidene wilde soorten afstammen of door kruising ontstaan zijn. De bij ons voorkomende vormen zijn gedeeltelijk van het gewone, wilde zwijn afkomstig, n.1. de kroesborstelige en de langoorige rassen, gedeeltelijk zijn ze door kruising van deze rassen met andere, van het Indische wilde zwijn afkomstige, Chineesche zwijnen verkregen, n.1. de Komaan-
V.'clli.M,vi-. h.
se lie ('ii Iji^cIscIic nissen. Hot {fewonc Wil do zwijn loofde vroogor in do moosto limdon van Europii, vooral in moeras- on watorrijko stroken. Op bonwland bracht het »gt;o ontzaglijk veel schade te woog, door hot plnudoreu en doorwoelen van mot aardappelen, peulvruchten en knollen liegrooido velden, dat men overal, waar de landhotnv word uitgeoefend, mot alle macht getracht heeft het uit te roeien. Voor öO jaren kwam het nog in de groote hosschon in hot oosten van ons land voor, waar het sinds dien tijd ook verdwenen is. In geheel .Middel-Europa is het naar de uitgestrekte wouden en in de hergstrokon teruggedrongen en men vindt het nog slechts in de Karpaten, hot Bohemer woud. hot Jïeuzengehergte, het Thuringer woud. de Vogesen en do Ardennen, vooral in de moerassige gedeelten er van. Do wilde /.wijnen liehhen helmefte aan iiaden; waar geen water is. wentelen ze zich in 't moeras. Vandaar ook de neiging van ons huiszwijn om zich in vocht te wentelen. \ erstandige fokkers bieden het zw jjn eeno goede gelegenheid aan tot haden, doch houden do stallen droog en zindelijk, wat zeer bevorderlijk is aan do gezondheid der dieren. I gt;e wilde zeug. het vrouwelijke zwijn, werpt (i-l'J bontgestreepte jongen en wroet met deze gemeenschappelijk eeno kuil in den grond, die als leger dient. 1 )o over is gewoonlijk oen-
i i F iff. .V2. liet WiKle zwijn.
zaam, en vooral als J
hij getergd wordt, een zeer gevaarlijk dier. I)e hoektanden in beide kaken worden lang en groeien omhoog, ver buiten den mond uitstekend. Ze zijn spits, driekantig en het dier kan er vroeseljjke wonden mee slaan. Vroeger werden ze gejaagd met behulp van groote honden, die ze staande hielden, waarna ze door speren of met het jachtmes werden afgemaakt. Tegenwoordig worden zij gesohoton. Voor de jacht worden zo veelal in goed afgesloten wildparken gehouden. De tamme zwijnen, die in verschillende streken gehouden worden, zijn meestal afkomstig van de daar voorkomende wilde zwijnen; zoo ook op Java en in Afrika. Daar de Mohainmedanen het zwijn als onrein dier verachten en elke aanraking er mee zooveel mogelijk vermijden, worden in do uitsluitend door hen bevolkte streken de wilde zwijnen haast niet vervolgd. Het is daarom dat in zulke streken in Zuid-A.zie en op de Aziatische eilanden meestal veel tijgers voorkomen. Somtijds heeft het genot van varkeiisvleeseh, voornamelijk
lift diorciirijk, Zoogtlioron.
als het niet behoorlijk gekookt is. slrclitc gevolgen voor don iiUMiscli. 1 it (1«' viimi'ii, die ei' soms in voorkomen, ontwikkelen zicli lintwormen, en zitten er triehini'ii in, dan zijn deze, in de maag van den menseli komende, de oorzaak vim de gevaarlijke trichine-ziekte. In Engeland vooral heeft men zich met veel ijver toegelegd op de varkensfokkerij en zelfs vorstelijke personen hebben zo bevorderd. .Men heeft er dan ook dieren gefokt, die 5(K) (100 lv(i wogen. Ofschoon zij gewoonljjk voor stompzinnig worden gehouden, zijn er tal van voorbeelden bekend van tamme zwijnen, die uitstekend gedresseerd waren. Toen l-odewijk XI van Frankrijk ziek was, werden door een zjjner onderdanen biggen gedresseerd, om tot afleiding van den zieke in gala-uniform op muziek te dansen. Ken jager bezat een varken, dat hem als de beste staande hond bij de jacht op patrijzen behulpzaam was. Een boer had 4 zwijnen gedresseerd om zijn wagen te trekken en reed daarmee in galop naar de markt. In Londen vertoonde er een zijne leerzaamheid door woorden samen te stellen uit losse letters, door den tijd op te geven, dien een hem voorgehouden uurwerk aangaf enz. In Zuid-Frankrijk worden zjj gebruikt om truffels te zoeken, die diep in den grond groeien. Nergens worden zooveel varkens gefokt en geslacht als in Noord-Amerika (Cincinnati, Chicago); de daar bestaande slachterijen zijn fabelachtig ingericht, liet vet der dieren wordt als zoodanig verzonden of men maakt er olie ivoor zeep» en stearine (voor bougies) van, het vleesch wordt gezouten en overal heen gezonden, uit het bloed worden lierlijnsch blauw en andere dergelijke producten bereid, uit de beenderen beonderenkool voor de suikerraffinaderijen. Zuid-Amerika heeft in de Pekari of het Xavelzwjjn (Dicoftjles torquatvs) zijn wild varken, dat kleiner is dan ons huiszwijn ca dat in eene rugklier eene sterk riekende vloeistof afzondert, waarom het ook Bisamzwijn genoemd wordt. Het houdt zich op in de bosschen. tot talrijke troepen verecnigd. Op Celebes en eenige naburige eilanden komt het llertezwijn (l'orcris hahiruta) voor, met hooge pooten. een slank lichaam en zeer lange, bovenwaarts gerichte slagtanden, waarvan die der bovenkaak door de bovenlip heengroeien, en die bjj den ever aan een gewjj doen denken. Het Afri-kaansche boschzwijn (Vhacochocrm Aeliani) is door de dikke huidplooien in het aangezicht vreeseljjk leelijk. Zijne geweldige slagtanden hebben aan de basis een omtrok van l'i cM. Het X eushoorndier (Ithinoeei'os) is waarschijnlijk het dier, dat in het boek Job als éénhoorn vernield is. Men kent 7 soorten, waarvan ei- eenige eene gladde huid en twee hoornen op den neus hebben, andere hebben eene geplooide huid en twee hoornen, nog andere eene geplooide of in schilden verdeelde huid en maar één hoorn. Deze laatste eigenschappen vertoont het Indische nenshoorndier (/i//. iiulicns, 'lab. 4, Fig. ;i). Het hoorn is eigenlijk maar een huiduitwas, wordt 2 ..â I M lang en is een geducht wapen. Het op Sumatra levende neushoorndier heeft twee hoornen en is niet
Vot'lliooviyvn.
zeer boosaardig, daarentegen zijn de zwarte, tweelioornige Ziiid-Afrikaaiisclugt; soorten algemeen gevreesd. De huid dezer dieren is ongeveer 3 cM dik. op den rug zeer hard, aan de zijden evenwel zachter en door een geweerkogel of' een krachtig geworpen speer gemakkelijk to doorboren, in hare levenswijze stemmen de verschillende soorten tamelijk wel overeen. Gedurende hef warmste gedeelte van den dag liggen zij in diepe moeraspoelen, bijna geheel ondergedoken, om zitdt re beschutten tegen de steekimiggen en vliegen, of' wel zij rusten in het dichte bosch. Daarbjj snurken zij zoo luid, dat zij zich daardoor aan den Jager verraden en slapen zoo vast, dat deze tot dichtbij kan naderen. In de koele schemering en bij helderen maneschijn in den nacht grazen zij en vreten het struikgewas at', waarbij de plompe dieren soms takken van 4 c.M dikte mee doorslikken. Zij treden hij hunne regelmatige t-ochten naar do drinkplaatsen diepe paden uit door het hosch, die soms door de mensehen gebruikt worden, wanneer de dieren de streek verlaten hebben, liet nenshoorndier is in gewone omstandigheden een vreedzaam dier, dat kleinere schep-els geen kwaad doet en door grootere niet wordt annge-vallen; eene vogelsoort, de Madenhakker, beschouwt zelfs den breeden rug van het kolossale dier als zijne weideplaats, waarop hij insecten, bloedzuigers en andere wonnen zoekt. Wordt evenwel het nenshoorndier door een vijandelijken aanval ot' door iets ongewoons geprikkeld, dan kan het vreeselijk driftig en woedend worden en stormt dan, met den kop omlaag en de hoornen vooruitstekend, op zijn vijand in. Hij een zoodanige gelegenheid heeft een nenshoorndier zelfs eens een wagen benevens den daarvoor gespannen os voortgesleurd, het tuig vernield en den os gedood. Een volwassen oud nenshoorndier kan 3â4 M lang en 12 ;t- :i M hoog worden. Daarbij heeft het aan den romp een omvang van 3 M en een gewicht van ongeveer 2000â-3000 KG. liet vleesch wordt gegoten, de huid tot pantsers en schilden verwerkt, van de hoornen maakt men drinkbekers, waarvan men gelooft, dat ze de macht hebben de aanwezigheid van vergift in den drank te verraden door hem te doen schuimen.
liet plompste en leelijkste van alle dikhuidige zoogdieren is het Nijlpaard i llippopohimvs amjiliHnKS), dat niets op een paard gelijkt, doch meer overeenkomst vertoont met een reusachtig,
zeer vet varken, liet wordt tot 5 M lang. De huid is hard en meer dan cM dik: een gewone geweerkogel dringt er nauwelijks door, lt; bider de huid ligt eene speklaag van lt;s~ Ki c.M dikte; hierdoor wordt het dikke lichaam
betrekkelijk licht, en het plompe dier fig, :,:;. Schedel vnn liet Xijiimar.l.
Ht.'t dierenrijk. Zuog-dirren,
in staat te zwemmen met eene suelhekl gelijk aan die, waarmee een slank roeibootje kan bewogen worden, liet beweegt zich onder water even gemakkelijk op elke diepte en kan zonder bezwaar de op den grond der rivier groeiende planten afgrazen, 's Nachts verlaat het nijlpaard dikwijls de rivier om tochten te maken naar de naburige bosschen of naar graan- en suikerrietvelden, waar het alles verwoest, liet is een gevaarlijke tegenstander voor den menscii, vooral in het water. Toch is het monsterachtige dier in vele gedeelten van Afrika, waar liet vroeger veel voorkwam, door den inensch geheel uitgeroeid, b.v. in Neder-Egypte, en komt nu nog slechts in de minder bevolkte streken van Midden-Afrika voor.
De kleinste veelhoevigen zjjn de Klipdassen (Ifyra.f), diertjes zoo groot nis een konijn, die de rotskloven van Oost-Afrika en Arabië bewonen en die den overgang vormen tot de iialfhoevige knaagdieren.
Eenliocvigen.
De eenhoevige dieren zijn alle nauw verwant aan het l'aard (Equua (Udiullm), het nuttige huisdier, dat sinds onheugelijke tijden door den inensch getemd is. In de steppen van Middel-A zie leeft nu nog een dier. T ar pan genoemd, dat veelal als een der stamvormen van het tamme paard beschouwd wordt, doch waarschijnlijk slechts een verwilderd paard is. De tarpans leven in groote kudden gezellig bij elkander. De oudste en sterkste hengst is de aanvoerder der heele schare. Terwijl de kudde graast, geeft liij met de grootste waakzaamheid acht of er eenig gevaar dreigt. Wordt hij een verdacht voorwerp gewaar, dan gaat hij er in een wijden kring omheen om te onderzoeken, wat het is. De jacht (ij) tarpans is de lievelingsuitspanning der Kirgizeu. Men tracht ze te omsingelen en naar een bergpas te drijven, waar jagers in hinderlaag liggen, liet vleesch wordt gegeten; trouwens deze volken nuttigen ook dat van geslachte tamme paarden bij hunne feestmalen en in vroeger tijden gold ook hier het paarden-vleesch als het kostbaarste gerecht. De tarpans zijn in staat zich, evenals tamme paarden, met tanden en hoeven tegen deu wolf'te verdedigen, vooral als meerdere hengsten met een enkelen wolf te doen hebben. Worden zij door meerdere roofdieren aangevallen, dan scharen de hengsten zich in een kring om de merricn en veulens en ontvangen de aanvallers met zulke krachtige hoefslagen, dat deze in den regel spoedig den strijd opgeven. In Middel-Afrika komt eene wilde paardensoort voor, de Koemroh, waarvan misschien de kleine ponny-rassen afstammen.
Van de talrijke paardenrassen is het Arabische ras het edelste. De Arabier beschouwt zjjn paard als een dierbaar lid zijner familie; hij verpleegt het met de grootste zorg en behandelt het steeds liefderijk. Goede merriën worden nooit verkocht. Ab-del-Kader bestrafte ieder met den dood, die zijne merrie aan een
DU
5
Kniihoovigon.
97
(Christen vcrknclir. Dit wordt door den Arihicr als eciu) ^rootc /oude licscliouwd on moil kent iiu'iiig' gov;iI, dut lijj. niottogoiistiiande do Iioogo g'oldsoiiinioii. die or voor goliodon wordoil. niet vuil /ijli geliefkoosd ros wilde sclieiilen. liet Araliiscdie paard is zoor slank en fraai geliouwd. heeft eeno lireede horst on loopt uiterst vlug mot grooto volharding; hot kan dun ook grooto afstanden door do woestjin afleggen, to meer daar hot zoor matig is.
Do Kirgiozen en .Monkelen hezitten ook fraaie jiaardon. Ze worden in grooto kudden gohoudon en do iiiorriön worden gei nol kt. De melk laat men in grooto
Iccrcii zak ken n'istcn en lid /w a k-dronkciiina krndc vocht, «lat men /no vcrkrijj^f. wordt als danvlijkscln1 drank ^'ohrnikt. I ii (|lt;gt;/(⢠^'o^isto paardcniidk (kociiiis) wordt ook door destillatie eeno soort van brandewijn verkregen. Naast de Arabische paarden worden tegoiiwoordig de iMigelsehe als do odol.sto lieschouwlt;1; zo werden door kruising van ingevoerde Arahische paarden mei het (KU'sproiikidjjke Kngolsclio lus voortgehraelit. 1'.nkiâ Ie renpaarden zijn woreldheroonid geworden, h.v. de Heli|is, die iiaron hozittor in 17 maanden tijds ooiio som van ruim ;iOOüOO gukhni aan bij wedrennon gewonnen prijzen opbraeht. Men onderseboidt meer dan 150 \ ei schillende paardonrasson. ontstaan iloor talrijke kruisingen van do weinige oorspronkelijke rassen in versohillende stroken. In Nederland komen voor; het Zeeiiwsclie paard, voel ovoreeiikomst hohheude niet het zware, plompe, sterke l'lngelscho kurropaard, hot Vlaauisclio paard, ontsfaun door kruising van het /eeuwsoho met Wuiskk's Natmuiyko Ilistorio. 7
lift flicroiirijk. Zoog'dioron.
liet kleinere Norinundischc paard, liet Friesclie paard, door kruising van liet Vlaamselie paard niet liet Nunnandisdut verkregen, selioone, slanke dieren, zeer ge/oelif nis tuigjiaarden en als harddravers en het (felderselie paard, waarscliijnljjk door kruising van het oorspronkelijk inlandselie jiaard niet Andahisische paarden ontstaan. niet groot, gedrongen gelmuwd, vlug, sterk en levendig en zoowel voor rijpaard als voor tuig- en werkpaard geseliikt. IK* Shetlandselie ponies zjjn de kleinste van hun geslacht. Paardenkenners heoordeelen den ouderdom van liet paard naar zijn gehit. Vooreerst kennen zij den leeftijd, waarop de verschillende snijtanden in onder- en hovenkaak w isselen. Zijn alle melktanden verdwenen, dan wordt de Iccrrijd nog nagenoeg opgemaakt uit den vorm van de kroonvlakte der verscliillende snijtanden en uit dien van het merk, d. i. eene holte, omgeven door een rand van émail, die zich op de kroonvlakte der onderste snijtanden tot liet Sste jaar, op die der hovenkaak tot het â 11de jaar vertoont. De vormveranderingen van dit merk en zjjn verdwijnen is een gevolg van de afslijting, die de tand door het gebruik ondergaat. Bjj goede verpleging kan een paard 40 jaar oud worden, de meeste zijn evenwel na 20 jaar reeds ongescliikl voor den arbeid. De geschiedenis maakt melding van verschillende beroemde paarden, bjjv. van Hucepbalus, bet paard van Alexander den (iroote. Voor meer dan één paard is na zjjn dood een marmeren standbeeld opgericht. Goede paarden hehhen niet zelden hun ruiter het leven gered, andere daarentegen, door slechte hehandeling hoosaardig en valsch geworden, namen vaak wraak door hunne beulen te dooden. In de noordelijke landen van Europa, waar tijdens den langen winter bet voedsel schaarsch is, gewent men de paarden viseh te eten, terwijl ze in Paraguay in tijd van nood met gedroogd vlccseh gevoed worden. Oorspronkelijk kwamen in Amerika geene paarden voor; zij werden er door de Spanjaarden ingevoerd en droegen niet weinig hij tot de verovering van Mexico en Peru. Op de groote grasvlakten van dit werelddeel, de prairieën, pampas en llano's, werden ze later in tallooze kudden gehouden, waarvan er vele totaal verwilderden. Deze verwilderde dieren, ('imarrones en Mustangs, worden door de veefokkers en reizigers vooral gehaat, omdat zij de tamme paarden tot zich lokken en in hun gezelschap opnemen. Terw ijl de wilde targans ontembaar zijn, kunnen deze verwilderde dieren meer of minder gemakkelijk getemd worden, wat dan ook veel gedaan wordt. Daartoe worden zij met behulp van lasso's gevangen. Kunstruiters vertoonen paarden, die op bet woord gehoorzamen, speelkaarten onderscheiden, schijnbaar kunnen rekenen enz. Soldaten-paarden verstaan de trompetsignalen uitstekend en Arabische paarden hebben zelfs meermalen hun in den strijd gevallen meester met de tanden aan de kleeren gevat en naar zijne tent gedragen.
De Ezel (Asinu* oalyat'is) onderscheidt zich reeds door geringere grootte en zwakkeren lichaamsbouw van het paard. IJuiteudien heeft bij langere ooren, korte,
!gt;S
Ecnlioevi^on.
reclifopstdiuulc luaniMi en in pluahs van dt'ii over zijiio goliQok' longtc niet luireii liezotten staart een, die alleen aan het eind lang'e haren draagt. Men neemt als waarsclijjnljjk aan. dat de tainme ezels, die in verschillende landen in eigensehappen veel van elkander afwijken, al'kninsti^ zijn van versehillende wilde ezelsoorten. Als de stanivorin van den Enropeesdien en l'erzisehen ezel heschouwt men den Ivoelan (Aximis Oiiiigrr, Tal), i Fig. 4), die in de steppen van Midild-Azié nu nog in kleine kudden in I wild voorkomt, en dien men in Noord-1'er/.ië nog in valkuilen vang't, om hem te temmen. \ oor zoo een jong gevangen cu goed gedresseerden ezel of de van hein afstammende dieren, wordt tot 70(1 guidon pci stuk lietaald. /e zijn krachtiger, vlugger en opgewekter dan onze Langoor, nemen genoegen met hetzelfde karige voedsel en zijn veel gewilliger en minder koppig en nukkig dan deze. Ook de in Noord-Afrika gehouden ezels zijn veel opgewekter dan de onze. Men vermoedt, dat zij van den Wilden ezel (Asimix dfricinu*) afstammen, die in de steppen oostelijk van den N'ijl voorkomt, In de Aziatische steppen leeft nog eene andere soort van wilden ezel, de I) s c h i g ge ( a i nl llallezel (Asituis hfinionK*), die iets grooter is dan de gewone. Alle wilde ezelsoorten leven als de wilde paarden in kudden hjj elkander, die onder de leiding van een hengst slaan. Ze zjjn even ving als schuw on voorzichtig, en worden gejaagd om hun mooi vel, dat tot leer verwerkt wordt, en om hun smakelijk vleesch. /ij worden met behulp van eene tamme paarde-merrie, waaraan men de kleur van de ezels gegeven heeft, oj) korten afstand gelokt en door den jager, die zich in hinderlaag bevindt, geschoten. Soms worden door talrjjke ruiters drijfjachten gehouden op heide kudden, die in bergkloven gejaagd worden, welke door jagers bezet zjjn. Paard en ezel worden dik wijls gepaard, Is ⢠Ie vader een paard en de moeder eene ezelin, dan noemt men het dier een muil-ez el. liet jong van een ezclhengst en eene paardemerrie wordt in tl i I d i e r genoemd. De jongen hebben steeds lichamelijk de meeste overeenkomst, met de moeder en wat hun aard en hunne vermogens betreft met den vader. Vooral in berglanden, b. \. in Spanje en in de ( ordillera s van /uid-Amerika, worden muildieren veel meer gebruikt dan paarden of ezels, Zjj kunnen lasten dragen van löO K(J, leggen dagelijks (i / Duitsehe mijlen af en hebben op de steile, slechte bergwegen een zeer vasten tred.
Afiika bezit nog meer dieren van het paardengeslachi. die om hunne boute kleuren I jjgcrpaarden (////(/)o//;/W.s) genoemd worden. Daartoe behoort de Qna gga {II. (Jmumn), waarvan de voorste helft des liehaams met strepen versteld is. liet Hinke dier houdt zich gaarne op in gezelschap van antilopen en struisvogels en is reeds meermalen getemd geworden. De Douw (//. Iliirchclti) is op 't beele lichaam, met uitzondering van de poolen, gestreept, de Zebra (It. Zebra, Tab. i Fig, 5) vertoont donkergrijze strepen op lichtgelen grond over
1)9
Hot (lifiimrijk. Zoos'dii'ron.
ion
het hcclo lii'liiiain. I)t' lieidc Imitsk' soorten zijn vorsproid van liet Knaplmul tot Abi'ssiiiiö en komen ook iu de gebergten voor. Gedurende den regentijd grazen de zebra's, tot kndden van 10. '20, ja soms 100 stnks vereeiiigd, in de kruidrjjke steppen. Zij verdedigen zieli moedig tegen hyena's en zelfs tegen luipaarden, die ze door bijten en slaan met de pooten van zich af weten te weren; slechts de leeuw is iquot; staat hi j een plotselingen aanval een stuk van de kudde te rooven. De struisvogels, die zich gewoonlijk op dezelfde plaatsen ophonden. dienen den zebra's als wachters. Zoodra de schuwe, waakzame reuzenvogels iets verdachts gewaar worden, worden ze onrustig; de zebra's gaan gemeenschappelijk met hen op de vlucht, in snellen draf rennen ze over de vlakte, in bergstreken klauteren ze uitstekend, en na weinige minuten zjjn ze buiten het gezicht der vervolgers, Verdrogen in het dorre jaargetijde de planten der steppen, dan zijn de zebra's genoodzaakt te verhuizon en komen dan niet zelden in bebouwde streken, waar zij groote verwoestingen kunnen aanrichten. Men tracht de velden dooi' den aanleg van valkuilen tegen hen te beschutten. Hun vleesch is eetbaar, hunne mooie huid wordt zeer hoog geschat. De prachtige dieren laten zich, helaas, niet tot rijden en trokken africhten; het zijn de wildste van alle paardensoorten Zelfs heel jong gevangen zebra's vertoonen zich volkomen onhandelbaar bjj pogingen om ze te temmon. Worden ze voor een wagen gespannen, dan beginnen ze dadeljjk te hollen en koeren slechts met eenige brokstukken van het rijtuig terug. Een ze li ra sprong met zjju ruiter iu de rivier en toen de man toeh vast bleef zitten, heet het dier hem een oor af.
Herkanwers of Twcelioevigen.
De herkauwers of twee hoe vigen vormen eene zeer soortrijke en voor den inensch hoogst I«'langrijke orde van zoogdieren, daar de meeste en nuttigste onzer huisdieren er toe behooren. De naam herkauwers heeft betrekking op hunne eigenaardige voedingswijze!. Ze voeden zich met planten, die, na niet of slechts weinig verdeeld te zijn geworden, reeds worden ingeslikt. De spjjsbrok komt dan in de voorste en grootste afdeeling der uit vier afdeclingen samengestelde maag, nl. in «le pens. Later, als het dier rust, komt de spijze, die onder-tusschen daarin geweekt is en reeds «'en begin van vertering ondergaan heeft, weer broksgewjjz«' in den mond terug, wordt daarin nu fijn gekauwd en tot eene dunne hrjj verwerkt en daarna voer den tweeden keer ingeslikt, waarbij ze nu door de slokdarinspleet in de boekpens. en van daaruit ia de lebmaag komt (zie tig. 55). In de laatste heeft de eigenlijke vertering jilaats. hare dikke wanden zijn dan ook met talrijke lehklieren bezet, vandaar dat men ter verkrijging van
Herkauwers of IwcehoMVi^t'ii,
leb of niaiigsaj). die lijj de kiiaKlicmding noodig is, sleeliis ecu stuk van de liiiiiienzjjdc van eene kall'sinaag te gebruiken heeft. Wat bij liet herkauwen nog niet lijn genoeg geworden is. komt ook bjj het tweede inslikken weer in de pens, doch gaat dikwijls, na hier verder geweekt te zijn. dooi' de muts direkt naar de boekjiens en de lebniaag. I)c muts is inwendig met netvormige verhevenheden bezet, vandaar de naam netmaag, dien men er ook wel aan geeft: de boekpens is voorzien van groote huidplooien, die evenwijdig aan elkander ver naar binnen dringen, zoodat de spijze in deze aldeeling een grooten weg heelt te doorloopeu. Aan het gebit vinden wij soms alle drie de tandsoorten, meestal ontbreken evenwel de snijtanden iu de bovenkaak en dikwjjls de hoektanden. Ili^t darmkanaal is zeer lang.
omdat de spijzen niet gemakkelijk verteerbaar en uiet rjjk aan voedings-stollen zijn. Aan elketi poot zjjn twee teenen, die van hoeven voorzien zijn;
meestal staan daarachter en hooger op nog twee kleine, onvolkomen ontwikkelde teetien. Vele dezer diereu zjjn tot vetvorming geneigd. Ze zijn over alle werelddeelen en alle zonen verspreid, uitgezonderd Australië. Men verdeelt ze in horen-
quot; HiuKUJvrm. /» n muis 01 nerinnng'. c üoeKpons.
loozc, gtnvoinrngoiule en hollioornigo. c,' ^ begin vim dm dfimi.
Tot de horen looze hehooren maar weinige diersoorten; do belangrijkste daarotider is de Dromedaris (('â¢quot;-tHi.'lK* Droiiwdix/'iiis, Tab. \ i'^ig. tgt;). Iu wilden toestand wordt dit nuttige dier nergens meer aangetrollen, getemd komt het voor in Arabië, een deel van Zuidwest-Azië eti in Noord-Afrika tot aan den zuidelijken rand der Sahara. Naar zijn uiterlijk is het een zeer leelijk dier eti ook zijn karakter wordt als koppig, boosaardig en zeer onbeminnelijk besclireveu. Voor de bewoners der steppen en woestijnen is het evenwel onmisbaar. De breede kussens der voetzolen stellen het dier in staat over het beete woestijnzand te loopun; in vochtige .streken is het onbruikbaar. Door zijn zeer krachtig'gebit kan de dromedaris dorre woestijngewassen, zelfs de met doornen bezette takken der mimosen kauwen. De bovenlip is tweespletig en wordt voor het grjjpen van voedsel gebruikt. Dij rijkelijke voeding wordt het dier licht vet. Zijn bult. voorbeen misschien klein en slap. nauwelijks ;i Kd zwaar, verkrijgt eene iuuizienlijke grootte, eene strak gespannen huid en een gewicht van 15 IvU. Gebruikt hij sappig voedsel, dan heeft hij in langen tjjd geene behoefte aatt water; zelfs bij
101
Het iliemirijk. Zoopdiemi.
droog voedsel drinkf liij sleclits om den derden dag. Men kan hom er zelfs aan wennen 'i (i dagen lang dorst te lijden. Om hem te kunnen lieladen woj'dt liij gedwongen neer te knielen. liet /adel wordt boven op den hult bevestigd, de last wordt aan de heide zjjden opgebangen. De Arabieren onderscheiden naar bun uiterlijk en andere eigenschappen wel i2(t rassen van éénbultige kameelen. De sterke lastdieren kunnen tot :)o0 Klt;lt; dragen en loggen daarmee per uur een half tot drie kwart Duitsclie mijl af. rustig voortstap])ende. De snelloopendo rjjdieron (lleiri) zijn liebter van bouw. loopen dravende en leggen bjj een ilage-lijkschen mai'scb vnn Ki uur ÃO Duitsclie mijlen af. Zij houden dat zelfs 3 i dagen achter elkander vol. De melk van den dromedaris is zeer dik en vet. liet vleeseh daarentegen taai en zeer droog. De huid levert een slecht leer op; de in het voorjaar uitvallende winterbaren worden tot vilten dekens verwerkt. Hun mest is in de woestijn soms dc eenige brandstof, in Perziö en Indië heeft men de kameelen ook bjj den krijgsdienst in gebruik, om lichte kanonnen to dragon. In Middel-Azië wordt de Tweebultige kameel of bet Trampeldier {kemel, haclrisch kameel, Camelus hdelrhom*) op dezelfde wjjze gohruikt als in Afrika de dromedaris. Zijne lange wol baren zijn zcwr gezoebt voor allerlei weefsels; de nomaden vervaardigen er de vilten dekens van. waaruit ze hunne tenten samenstellen.
Zuid-Amerika bezit vier diersoorttui. die verwant zijn met den kameel en die door velen als verscheiden beden van ééne soort beschouwd worden. De Lama (Auchenia Lorna, Tab. i Pig. 7) is de meest bekende. In zijn uiterlijk staat bij tusschen den kameel en liet schaap. Hij beeft in zjjne levenswijze veel van den kameel, doch de vethnlt ontiireekt en bjj is meer voor bet leven in bet gebergte gescbapen. Snel en zeker klautert bij langs liergbcllingen en over klippen; zoodra bij in de warme laaglanden gehmebt wordt, gaat bij kwijnen. De Indianen op de lioogvlakten der Cordillera's bonden bem sedert onheugelijke tijden in groote kudden als buisdier. De maunclijke lama's gebruiken zij als lastdieren, die 50 K.({ en soms meer kunnen dragen. Als de wilde stamvorm der lama's wordt door velen do Guana co {Auchenia llmnaco) beschouwd, die nu nog tamelijk veel in 't wild voorkomt. Hij klautert bebendig tegen de steilste rotsen op. Om zijn vleeseh en zjjne huid wordt bjj gejaagd. De Alpaca (/1. I'aeo) is kleiner dan de lama en wordt, om zjjne zachte, schoon glanzende, meest witte of zwarte wol. in groote troepen op de hoogvlakten dor Cordillera's gehouden. Zjj blijven bijna het heele jaar door in vrijheid en worden alleen om ze te scheren in omheiningen gedreven. Van de wol worden reeds sinds oude tjjden dekens, mantels en andere klcedingstukken vervaardigd. De Vicunnia {A. Vicanna) houdt hot midden tusschen den lama en den alpaca en is roodachtig geel van kleur. Op de in het wild levende troepen dezer dieren worden door de Indianen groote drjjljaclifen gehouden, om het vleeseh en do huiden.
I lork au wrs uiquot; i wooIkhv i^on.
Evoiieous lioomloos, «loi'h overigens inooi' gelijkend lt;»j) liertcn en antilopen, is de kleine fyroep dei' M uskuslt;li eren, waarvan men ongcvcei' (i soorten kent. Hot echte M u s k n sd i e r (.I/osc/iks iiioxchifcra) is een aardig diertje van 75 eM lengte en (10 e.M iioogte. liet komt o]) de liooggeliei'gten van .Middel-Azië voor. van de llindoekuseh tot aan den Amour. Hot innskusdior scheidt in eon door oene huidplooi gevormdon zak oene vettige stof at', de muskus, die als reukon geneosiuiddol in gebruik is.
In de tweede gToep dor herkauwers vcroenigt men alle soorten, die een gewei dragen. Het voorlioofdshoen dezer dieren draagt twee heenige uitwassen, de zoo-gouaauKlc rozenstokken. Deze zijn door de behaarde huid bedekt, in het voorjaar scheiden zich uit het bloed der daarin voorkomende bloedvaten groote hoeveelheden boonstot' af en daaruit ontwikkelt zich in weinige weken het gewei. Inwendig bestaat het aan-vankoljjk uit oene zachte stof', die door sommige volken. b.v. do ('liiiieezeu ou de Lajilandors gegeten wordt. De buitenzijde is met de bchaardo huid bedekt, waarin talrjjke bloedvaten aanwezig zjjn, die het bloed, noodig voor de stot'vorniing, aanvoeren. De weeki; stof' verandert door opneming van phosphorzuro zouten in eono vaste beenmassa. Aan do basis van hot gewei vormt zich oen krans van beeukralen, die de bloedvaten moer en meer insnoeren, naar gelang zij dikker worden, /oodra het gewei hard geworden is, zjjn do bloedvaten verdroogd en het dier wrijft nu de verschrompelde huid (don bast) togen boomstaunnon en rotsen af. Alleen het manneljjke dier draagt een gewei, slechts bjj het rendier is het bjj beide geslachten aanwezig, /oodra in het voorjaar weer een groote aandrang van bloed naar de huid van den rozenstok ontslaat, wordt de verbinding van het gewei met de rozenstokken losser en het valt at'.
liet Ede 1 b e rt (Ccrvm AVxp/nts) is het schoonste der inbeomscbo dieren dezer groej). liet wordt 'i 'i'/s M lang en bereikt oene hoogte van 1 1M aan den sidiof't. Vroeger was bet over geheel Muropa en over M idibd-Azii' tot het Baikal-meer verspreid. Daar het op bouwland aanzionljjke schade on aan jonge aanplantingen in de bosschen zelfs zeer voel kwaad doet, is het in vele streken van Europa liijua geheel uitgeroeid; men vindt hot nog slechts in de groote bosschen
Hel diommjk. Zoogdieren.
(bij (ins (iji de luidde Vcluwc) fii in hel lidowclici'^tc, dikwijls ook in oinrastci'de wildparken. Hel herteknlf' bezit nog geen gewei, liet wordt door zijne moeder met zorg verpleegd en vol moed verdedigd. De hertekoe is in staat den vos en dergelijke vijanden door krachtige slagen met de voorpooten te verjagen. In het eerste voorjaar krijgt het jonge hert aan beide zijden eene enkele stang als gewei (spieshert); in het volgende voorjaar wordt dit afgeworpen en ontwikkelt zich een nienw gewei met een zijtak (gaffelhert). In elk volgend jaar verkrijgt het hert, als het gezond is en rijkelijk voedsel vindt, één tak (eind) meer aan elke zijde van het gewei en wordt daarnaar zesender, achtender enz. geiiuemd. .Men heeft geweien aangetroffen met nicer dan (iO einden, en die lö lv(i zwaar
waren. In den iicrlsf worden de iniiimcljjkc lici'tcn zeer strijdliisl:i^', terwijl zo Miidors zoor \ reesacht ii;quot; zjjn. Ze du^'eii elKjnider door lievig ^ehnd uit, vooral gedurende den nacht cn vechten met hnime geweien met groote woede. Soms gebeurt het. dat de takken der geweien door den hevigen stoot zoo in elkander verward raken, dat de dieren zich niet meer van elkaar kiiimen los maken en beide herten om het leven komen. In andere jaargetijden houdt liet hert zich over dag verborgen, en gaat pas quot;s avonds uil om te grazen, (faarne sluiten ze zich dan bij elkander aan tut kleine troepen, die ook gezamenlijk de badplaatsen in ondiep water opzoeken om te baden. In den zomer is de beharing roodbruin (l)nitsch; liothwild), in den winter is ze meer grijsbruin van
Herkauwers ol' t\vlt;'«'lilt;»eviffcn.
li leur. Men heeft wel crus licrton gcti'iiul. ze zelfs voor liet rijtuij»' gespainicn (ze zjjn te zwiik in r kruis om er op te rijden), doeh worden ze ouder, dan ontwnnkt lielit iiiin strijdlust, die reeds voor iiienig tnetiselt noodlottig geworden is, liet hert wordt op verscliillende wijzen gejaagd: De jager loert er oj), als liet 's avonds naar zijne weidt;- ot liadplaats gaat ol zoo liet s morgeus van daar naar zijn leger terugkeert, ot' wol hjj bekruipt de grazende kudde, ol' eimleljjk hjj laat; door drijvers de dieren uit liuiuie selmil-plaatseu opjagen en naar zilt;'li toe drijven, N'roeger werden groote hertejaeli-teu geliouden door om don rund van het hoseh netten te spauuon of'
touwen, waaraan lappen gehouden waren, .Men dreef hot wild dan naar eoue vrije plek of in
dat door hou-
een vijver, waar het door
jagers woi'il ueergesidioten. Hij de parloree-jaehten werd het In den opgejaagd werd, te paard zoolang vervolgd, tol het eindelijk uitgeput neerliet vleeseh wordt gegeten, ile huid levert een goed leer op, van het gewei worden allerlei k leine voorwerpen vervaardigd, â In andere landen bestaan nog vele soorten van herten, die zieh door gedaante, grootte, kleur on door don vorm van het gewei van het onze onderselioideti, InNnord-Amerika vindt men hjjv,, bidialve het groote a pil i hert (dcruus tuinadamp;im), wiens gewei '25 K(i zwaar wordt, hot Virginisehe hert,
lót,-, 511. Hcebokffowcii1!!. , .
dat gaarne op de vlakke prairieën graast. De Indianen hullen zieh in de huid van een hert en weten in deze veriiioumiing langzaam dicht to naderen.
Kleiner en sierlijker dan hot edelhert is het Damhert {Itama /'/oO/cmw), wiens gewei broede, platte, sidiopvonuige eiiidon draagt, liet is 's zomers roodliruin niet lichte plekken, 's winters gelijkmatig grijsbruin van kleur. Het komt in /iuid-huropa in t w ild voor en wordt hier iu herlenkanipen gehouden. Nog kleiner
105
Hul dierenrijk. Zuogdioreii.
is de Hcc (Capnvli* rul,ja ris), die in ons land nog- op de Ardmve en in Limburg tamelijk veelvuldig- voorkomt, Olsclioon ze ook wel 't bouwland bezoekt, doet ze daar slechts weinig- schade. In de bosschen stieht de ree evenveel kwaad ais het bert, liet gewei van den reebok heeft meestal aan elke stang drie einden, soms i of r,. .Viet zelden komen hier zonderlinge misvormingen van liet gewei voor. Ook de reebokken vechten in Augustus veel met elkander. De reegeit beschermt haar jong met groote zorg tegen gevaren, Is dit nog- te klein om snel genoeg te kunnen vim-hten, dan wordt liet door de oude genoodzaakt zich neer te leggen om zich te verbergen. Door zich kreupel te houden, lokt zij den vijand van het jong weg, totdat zij meent, dat het in veiligheid is on gaat dan zoo snel mogelijk er van door, om later langs verre omwegen terug- te keeren. Getemde reebokken worden, als ze oud zijn geworden, dikwijls even kwaadaardig en gevaarlijk als de herten, de wijfjes daarentegen zijn meestal zeer mak.
Een der belangrijksteen nuttigste dieren dezer groep is het Hon dier (Tnmndm i'iikj'Id, lab, i Hg. 8), waarvan het wijfje ook een gewei draagt. Het beeft de grootte van het edelhert, doch is veel plomper gebouwd. Het leeft in alle koudere landen van Europa (doorwegen. Lapland), Azië en Xoord-Amerika in het wild. komt in groote troepen voor en neemt, zoo beter voedsel ontbreekt, zelfs met de korstmossen van boomen en rotsen genoegen. Door de rendierbrems en 'h' rendierdazen (vliegen), die hare eieren op den rug of in den neus des rendiers leggen, wordt liet elk jaar tot groote tochten gedwongen. De Noorweegsche trekken zich terug naar de gletschcrs en sneeuwvelden, de Aziatische en Ame-rikaansche trekken van de zuidelijker bossehen naar de noordelijke inossteppen iloendras). Zoowel de Siberisehe volken als de Indianen wachten de trekkende rendierkudden, die steeds denzelfden weg nemen, af, liefst daar, waar zij lijj hun terugkeer naar liet zuiden de rivieren moeten overtrekken, en richten er eene groote slachting onder aan, ten einde zich groote hoeveelheden vleesch als wintervoorraad, huiden enz, te verschaffen, In Noorwegen, Lapland en Siberië wordt het tamme rendier in groote kudden gehouden en evenais bier het rund, soms met behulp van goede honden, op de weide gedreven. Zulke kudden verstrekken aan gebeele volksstammen het levensonderhoud. De zeer vette melk wordt gedronken, het vleesch gegeten, gewei en beenderen worden tot allerlei gereedschappen verwerkt. de huid verschaft kieeding, de pezen leveren touw en garen op. In Lapland wordt het rendier voor de slede gespannen, in Oost-Si ben'ë gebruikt men het als last- en zelfs als rijdier. De ruiter neemt plaats op den schoft van bet dier. daar het in het kruis te zwak is om een mensoli te kunnen dragen, In dezelfde streken, doch ook nog zuidelijker, leeft ook de Eland (Al cc* julxiln), een kolossaal dier van meer dan '/â M lengte en 'i M hoogte, liet weegt meestal '-'HU ;iUO lv(i, ja soms wel ÃÃU K(lt;, liet gewei van den maiincljjken
Hork huw urs of iwoelioevigon.
clniiil licistiiiit uit (.'('iic gi'üote. [ilaltc liioun. ünn den lniircnnind met talrijke takken bezet en kan tot 20 K(i /.waar worden. Opvullend is de slnrpvurniifi' verli'n^de, zeer beweegljjke bovenli[). De eland leeft in liosebrijke. nioerassen en voedt zich voornaineiijk met looistofliondende takken en knoppen. (lanriie seliilt lijj de sehors van jonge boonien at' en wordt daardoor zeer schadelijk voor de houtteelt. Door weeke moerassen weet bij te trekken door zich op de achterste pooten te zei ten en zich met de voorpooten vooruit te schuiven, of door zich on ééne zijde te leg'gen en zich met de pooten voort te bewegen. Hij zwemt uitstekend.
Ook onze O, indiselie eilanden bezitten verscheidene soorten van deze familie. De grootste is het W a ter hert (('.rri'us (Kiniim*) op liorneo en Sumatra. Op Java, lïorneo en Celebes komt het .lava-hert /'((.ssa) voor. Buitendien vindt men er verselieiilenc soorten van rei'ën.
De derde hoofdgroep der herkauwende dieren onderscheidt zicb door het liezit van horens van de vorige. De hoorn bestaat uit een inwendig Iteenig gedeelte, dat een uitwas van bet voorhoofdsbeen vormt en hoornpit genoemd wordt, en daaromheen de holle h o o r n s c h e e d e, eene linidvorming, dii'slechts aan de punt massief is. i)e horens worden niet afgeworpen, doeh groeien zoolang het dier leeft. Met vrouwelijke dier heeft meestal zwakkere, soms zelfs in t geheel gecne horens. \\ ij brengen tot deze groep, ééne soort, die slechts met huid en haren bezette hoornpitten bezit, nl. de (ii ruffe (CtmiclopattlaliH (liftiU'o, Tal), i Fig. !)). lt;.)p het voorhoofd draagt zij nog een beenigen bult, als 'r ware de aanleg van een derden boren. De giraffe is het hoogste aller dieren, liet gelieele dier wordt ö (i M boog. de schouderhoogte bedraagt â¢! M. lier kruis is weer % lager. De lengte van den romp bedraagt ii'M. liet gewieht ')(10 K(J. Opvallend lang is de bals, waardoor het dier in staat gesteld is bet loof der inimoseuboonien te bereik(!n, dat zijn voornaamste voedsel uitmaakt, liet vat de takken met de lange tong aan en breekt ze af. Met behulp der tong kan de giraffe zelfs eene bloem op den grond afplukken, ze moet daarbij evenwel bare voorpooten zeer ver uit elkander zei ten. Niet zelden trekken tamme gi-raffen in diergaarden de kunstbloemen van de dameshoeden af. De huid is prachtig gekleurd, geel en bruin gevlekt en stemt daardoor in tint zoozeer overeen met de verweerde, met korstmossen bekleede stammen der miniosen en acacia's, dat men ze
108 Hot dioienrijk. Zoogdieren.
tt' midden dezer booiiieii, wiiurtusselieii /.ij y.ieh gewoonlijk ophouden, in do verte niet kim onderscheiden, liet zijn l)e\voners vitit AlVika, van den Zuidraiul der Sahara tot aan de Oranje-rivier. Ze houden zieh in troepen van (i iU stuks op, doeh worden steeds zeldzamer, tengevolge van de sterke vervolging, waaraan ze van de zijde der mensclien liloot staan. Ze loopen zeer vingen laten zich zeer uiociljjk vangen; dit lukt alleen bij Jonge dieren, die ook getemd kunnen worden en zich dan vreedzaam en goedaardig gedragen. Tegen roofdieren kunnen /.lt;⢠zich door krachtige hoefslagen Hink verdedigen. Het geslaeht der Antilo|ien is hnitengewoon rijk aan soorten. Wij kunnen slechts enkele der belangrijkste bespreken. Kene der meest bekende is de in Noord-Afrika en in Arabic inhoeinscbt! (ia ze Me ^(IdzeUa horens), een hoogst sierlijk diertje, ongeveer I M lang on M hoog, niet eene geelachtige kleur, die geheel overeenstemt met die der steppen, waarin het zich ophoudt. Hare dunne horens zijn liervorniig gebogen. Zij kumen in kleine kudden van '2 lt;S stuks voor, doeh deze ver»â¢enigen zich soms tot troejien van 80 i(U) stuks. Ze zijn even sciiuw als n hig. Hare vlucht geschiedt met zoodanige vlugheid en vulharding. dat de beste ruiter ze niet inhaalt. .Men richt valken af om ze te vangen en tracht ze ook door valkuilen ol strikken machtig te worden. De leeuw is haar gevaarlijkste vijand, In de oogen des Arabiors is de gazelle het schoonste aller dieren en hare oogen worden door de Arabische dichters bezongen als de schoonste en heerlijkste, die er bestaan. De Springbok IAulidorca* Kuchori!) van Zuid-Afrika is door zijne toebten beroemd geworden. Hij leeft in talrijke troepen in het zuiden der groote steppen, noordelijk van het Kaapland. Drogen hier evenwel de waterplassen uit, dan vereenigen die troepen zich um naar het zuiden te trekken, ten einde water en voedsel te zoeken. Ze vormen daarbij onafzienbare scharen van honderdduizenden. In Zuid-Afrika leven ook de Dwergantilopen of Duikerbok-ken {lt; ./'jilaxldiilm* meiyrns, lab. i Fig. |(»), kleine sierlijke dieren, die de kunst meesterlijk verstaan door kreupelbosch en gras te sluipen om zich te verbergen. De in geheel Zuid- en Oost-Afrika verspreide Klipspringer (Oreotragm salta-tri:c) leidt te midden der steilste, minst toegankelijke rotsen in de gebergten van dit werelddeel eene zelfde levenswijze als in Indië de Goral (Swnorlioedtts (iorul) en als in Kuropa de (iems ((miicIIh vnpicn^m, Tab, 'i l'ig. II). Deze laatste heeft in vorm, grootte en kleur veel overeenkomst met verschillende soorten van geiten, is evenwel meer gedrongen van bouw, met sterker pooten en meer gespierd. Hare horens hebben den vorm van een scherp omgebogen haak. De gems bewoont in kudden de hoogste toppen der Alpen, hoog boven de bosschen, waarin zij zich 's winters schuil houdt, 's Morgens dalen de kudden naar de lager gelegen weideplaatsen af. waar zij alpenkruiden, knoppen en takjes van struiken en s winters zelfs boomschors afvreten, (jledurende den middag
IIorkrtuwtTs of twoohocvisfon.
rusten /c ^'iijiriic lt;»|) (mmi gixnl Ix'schut en hoscluidiiwd plekje: den nvoiid
trekken /e weer najir hoven, fn elke kudde heeft één dier de leiding en dit H'eefr tevens met de grootste e|)inerk/.iniinlieid nclil ej) idles N\;ir eeFii^ ^cNiinr seliijnl ojt te leveren, üespeurt hot iets. wat imiiit' ocnigszins voiflnolit sciiijnt, dan waarscliuwt liet de overig'e met een hoescli n'etluif ut gesnuif en sliunpt daarbij met een voorpoot op deit grond. De geiieele troep vlueht dan naar de moeilijkst toegankelijke hoogten. De gem/.en klauteren daailtij laags rotswanden op en neer. die voor andere sehepsels onhegaanhaar zijn. .Men heeft er ge/ion, die sprongen van meer dan \ M hoogte en andere, die er van 7 M lengte deden. Algemeen bekend is de hartstocht, waarmee vele alpenbewoners de gem/.enjaeht uitoefenen, trots de groote gevaren, die ze meebrengt en de inspanning, die ze vergt. Dagen lang klautert de jager tussehen de rotsen rond. eer hij er in slaagt de zeer schuwe, waakzame dieren onder schot te krijgen. Niet zelden ontsnapt het getrotten dier nog door de vlucht ol het stort in een afgrond, waaruit de jager het niet kan omboog halen. I leeft hij de gems wcrkeljjk buit gemaakt, dan moet hjj het Ã,gt; -40 K'i zware dier op den nek naar huis dragen op paden, die voor den onbeladen hergbestjjger reeds niet zonder levensgevaar Ijegaanbaar zijn. En de geheele winst voor al die inspanning gaat li? 15 gulden niet te heven I In 1 irol en een groot deel van Zwitserland zijn de g'enizen zeer zeldzaam geworden. In enkele deelen der Meiersche alpen en in het âSalz-kammergut . waar de koning van Iieieren en de keizer van Oostenrjjk uitsluitend het j'aehtrecht hezitten. bestaan er nog vele. Buitendien komen ze ook vuur op de Pyreneeën, de Karpathen. den Kaukasus en iti de Hiberische booggehergten. Veel overeenkomst in haren geheelen lichaamsbouw met de gems vertoont de (faffelgems [Aïililncajira nmericuna). wier horens evenwel galfelvonuig g'edeeld zijn en daardoor geljjken op het gewei van een reehok. Zjj leeft in troepen op de uitgestrekte prairiei'ti van Xourd Amerika, is zeer schuw, vlucht hij gevaar met buitengewone snelheid en zwemt daarbij zelfs over breede stroomen. Wolf en Indiaan lokken haar naar zich toe door hare nieuwsgierigheid te prikkelen door allerlei vreemde houdingen aan Ie nemen.
Onder de talrijke antilopensoorten van Znid-Afrika bereiken er eenige eenc aanzienlijke grootte, zoo h. v. de Ivoedoe-a u ti I o pe (Streiixiccrox cupensis), die zonder den staart bjjna M lang en aan den schoft l3/:i M hoog wordt. Hare horens zijn gewonden, worden l1/:; M lang en daarbij zoo dik. dat ze tot het bewaren van zaden, olie enz. gebruikt worden. De huid is aangenaam grijsbruin gekleurd met witte strepen. Xog grooter is de M 1 a n d-a n t i I op e, die zelfs meer dan :gt; M lang en '2 M hoog wordt en een gewicht van 350 400 KG bereikt; zjj gul ij kt veel op een rund. Terwijl het vleesch van het Hertcbeest of de Koe-antilope (AcroiuUus Cauma), dat -1/.! M lang en l1/» M hoog is. geprezen
Hot (lieroiirijk. Zoogdieren.
wordf als zri»r sinnkclijk, is dat der \\ a fc rbo k k (Mi (Kohus ('llipsiitri/mnïis) wegons zijne onatmgenaiiK' lucht vulkumcn onguiiietbaar. Do grootere' antilopen-sddrtcn wcfuii /icli hij vorvulgin^' flink te verdedigen en kunnen van hare lioi'ens een voor de Jagers zeer gevaarlijk lt;gt;vliruik maken. De meest zonderlinge Afri-kaanselie antilope is de Gnoe ((jihthleim* (luu, 'lab. A i'if^'. I-), ook Wildebeest f-enaaind. /.ij scliijnt eene wondei'ljjke eoinbinatie van verschillende diervormen te zijn: de rouip, de manen en de staart zijn die van een paard van gemiddelde grootte, de pooten zijn die eener antilope, de kop met de naar voren als een haak gekromde horens, gelijkt op dien van een rund. (»|i de Znid-Kussische en Middel-Aziatische steppen graast in talrijke kudden de Step |ien-ant i lope (O-mw/jw Salga), wier bovenlip bijna slurpvormig verlengden uiterst beweeglijk is. Mare horens hebben ongeveer koplengtc en zijn liervormig' gebogen. Langer,
......... weer gewonden en daarbij spitser zijn de horens der Ta I la h-ant il ope
(Ccrricaiini iiirhiniiiiis), die in Zuid-AIVika leeft en tot'2 M lang is. De Indische antilojie ((,(*!'i'lftjtri' hezoui'tlvd) van Oost-lndic heeft horens, die schroefVorinig gewonden en een weinig naar achteren gebogen zijn. Het sierlijke dier, door de 11indoe s Safi genoemd, wordt door de Indische dichters om zjjne schoonheid reeds van oudsher gevierd en bezongen. Op \. Celebes leeft de Boschkoe {Aii(ielt;ni (Ifjitvsaiivriiis), waaroj) ijverig jacht gemaakt wordt.
l?jj de Antilopen sluiten de Geiten zich aan. De Huisgeit (Ca-pra hirats) is vooral voor arme menschen en in onvruchtbare bergstreken ««n nuttig huisdier. /ij levert rijkelijk melk en smakelijk vleesch. hare huid wordt tot fijn leder verwerkt. Kr zijn ontcdbai'c rassen. Van welke wilde diersoort deze afstammen is niet met zekerheid bekend. Vele houden de in West-Azië in het gebergte voorkomende Ãezoargeit (llirru* Afijaijrm) voor den stamvorm. Eene der schoonste soorten is de Angorageil. die oorsjironkelijk in Klein-Azië gehouden werd.
/ij bezit een prachtig vlies, uit lange zijdeachtige haren bestaande. .Nog schooner en fijner is het haar der Ivasehmirgeit. die voornamelijk in Tibet gefokt wordt. Daaruit worden de beroemde Ivaschmirshawls vervaardigd, waarvan het stuk op de plaats zelf 700 900 gulden kost; in Europa zijn ze natuurlijk nog veel duurder.
\aii de Europeesche w ilde dieren is de Steenbok {Cupra Ihe.r) nauw verwant aan de geit. Hjj wordt niet slechts in de meest ontoegankelijke doelen der Alpen (l'iemont) aangetroffen, doch ook op andere hooge gebergten. De horens zijn zeer sterk, met dwarsringen bezet en in een halveu cirkel gekromd. Zij bereiken eene lengte van meer dan 1 M.
Horkivuynirs of twoolioovigon, ,| a
ll(gt;fc Sell aap (Oris ,ivies) is zeer liclimgrjjk om zjjnc wol. Zijn vlcesch wordt gegeten; melk levert liet (lanrenteg(!n slcrlits in geringe hoeveelheid op. Hi't sell aap is door zijne domheid en zijne on vorsehilliglieid of geduld .spreokwoorchdijk geworden. De g(die(de kudde volgt hlindelings het leiddier, zelfs als dit in liet water ot van eene rots naar heneden springt. Kr zijn weer talrijke rassen hekend. Vooral het Spaansche inerinoschaap is om zijne fijne W(d hcroemd. Door kruising
met merinoschapon heeft men ook elders, ......-al in Saksen en in Kngeland, de
sehapen zeur veredeld. In liet Knaplaml en in Australië wordt de scliapenfokkerjj zeer in t groot gedreven. In ons land komen voornaineljjk twee rassen voor. liet Krieselio schaap, waarsclijjnljjk van het Rngtdsrhe Leicesterras afkomstig. he/.it geene horens, grove wed en is zeer geseliikt voor vetmesting, waarna hetdO (i:gt;KG kan wegen, liet II o 11 an d se h e se h a ii ]). oorspronkelijk op Texel geteeld, is groot met hooge poolen en langen staart. Kop. ooren en pooten zijn met korte, gladde haren hezet, het o\ erige lirhaam met diidite wol, die fijner is dan die van het Friesehe schaap, liet wordt niet zoo vet als dit. De Texelsehe sehap(dlt;aas is heroemd. liet Spirafi 1 hoomige schaap in Turkije levert slechte wol, doch uitstekend \ lecsclt op. De heide geslacditen hezitten groote horens, die gewoonljjk spiraalvormig geliogen, soms recht zijn. Het V otst u i tsc ha a p in Middel-Afrika en Perzië vertoont nan weerszijden van den korten staart een dikken vetklomp, die door eene naakte huid hedekt is en geeft weinig grove wol. Als den stamvorm onzer scha ponrassen wordt door velen de Moeflon (Ovis Musi,,1011) op Sardinië en (quot;orsika, door anderen de A rgali (Ca^rovis Ar,jnli)
uit Azië' beschouwd. De laatste hereikt evenwel de gr.....te van een éénjarig rund:
zijne gewonden horens zijn tot I ! , M lang en wegen IT, oquot;) K(i. De rotsge-heigten \an Noord-Amerika eti Kaïiitschatka herhergen eene nauwe verwante schaapsoort, til, het Dikhoorn ((.niii'ovis iiwiihmci). Alle wilde scdiapen zijn uit-st(dlt;ende klimmers en komen in kudden voor, die door een ram worden aangevoerd. Ook het tamme schaap klautert goed en wordt h.v. in de Alpen naar de hoogstgelegen weiden gedreven.
De Musk u sos ((Ivihiis tnoschiilus)
is een tusschenvorm tusschen rund en schaap. Iljj bewoont de koudste strek en vau het noorden en kan met het schraalste voedsel zijn leven onderhouden. In den winter is hjj met eene dikke wolvacht bekleed, die weer door lang sluikhaar hedekt is. Jlet vleesch van den muskusos is voor ieder niet-Kskimo ongenietbaar, wegens zijne sterke muskuslucht. Slechts weinig grooter dan deze wilde os uit de poolstreken is de Jack (Poejihai/us
lift «licronrijk. Zooffdicrcii.
(irtiniiioi*), een licwoiici' van de iMiogcrc (IccIcmi van het Iliinalaya-gclii-ro'te. Hij licwoont de minst toegankelijke rotshellingen en is buitengewoon schuw. In 't nauw gotlreven igt;t verwoml. wordt hij hoogst gevaarlijk. ()u(l(^ diereu zjjn ontem-1 mar, Jong gevangen /jjn ze evenwel gemnkkeljjk te temmen en worden dan dooide iuhoorlingen veel als huis- en trekdieren geli(ailt;leii. Vun oudsher stant de staart van dit dier. die met lange, zijdeaehtige haren hezet is, hij de Aziaten in hoog aanzien; hjj wordt als vliegen])hiiin, als hehnsieraad, als standaard «'iiz. gehi'uikl (,.]iaardestaai'ten ), l)e liuflels (llnludu*) overtrellen ons rund in grootte, hehheu ook dikkere horens en henunnen vooral waterrijke streken. De wildste van dit geslaehl is de Ka apse he huffel {Buhultis cuff er), die
Alrika's wouden en moerassen van de Kaap tot aan den Nquot;ijl hew.....it, en daar
als liet meest doldriftige, kwaadaardige en woeste alier dieren gevreesd wordt. Hij komt als alle wilde runderen in kudden voor: alleen oude. laiiteiiii'ewoon
O
kwaadaardige diereu leven alleen en deze zjjn voor den inenseh het gevaarlijkst. Verwond storten zij zich onvervaard op eiken vijand. De hulisehe huffel (Hidiahis vuhjarix) houdt men als huisdier in /ui(l-Azi(;. N'oord-Af'rika en Zuid-Europa, waar er verschillende rassen van voorkomen. Daartoe hehoort ook de K a i'hou \\ van de Soenda-eUanden. die evenwel ook op ('evlon, op Timor, de I'hilippijnen en de Marianen gehouden wordt. \\ ildr kaï'honvven /ijn onbekend, verwilderde kunnen soms voor reizigers hoogst gevaarlijk worden. Ook de tamme karbouw ziet er valseh en gevaarlijk uit. doch laat zich zelts door ecu kind regeeren. Hij is op .lava en andere eilanden van den Indischen Archipel het helangrjjkste huisdier, onmishaar voor de hehouwing dei' sawali's, uitstekend trek- en zelfs rijdier. Hij verschaft hovendien melk en na zijn dood vleesch, vet en goed leder. Daarhij neemt hij genoegen met harde rietgrassen en zeggen, een voedsel, dat andere huisdieren versmaden. \oor den Javaan is de karhouw in den regel dan ook de meest waardevolle hezittiiifi'. hij wordt door hein met de grootste zoig verpleegd en zelfs in zjjne woning opgenomen. In Italië en Hgypte zijn haffels ingevoerd ter hebouwing der natte rijstvelden.
Verwant aan de buffels zijn de Itisons. waarvan oene soort vroeger in .Middel-Europa verspreid was, n.l. de Wisent of Au er os (Hmumts llison. Tab. i Fig. 13). liet is een kolossaal dier van 18/.. 'i1/;; M hoogte, a2/»- '(-'/.i M lengte en van oOO Iâ¢)()() l\(i gewicht. Kop. hals en horst /ijn met dicht, lang wolhaar hezet, waardoor de wisend een woest uiterlijk verkrijgt. In Europa is dit wild nog slechts op ééne plaats voorhanden. In het woud van Hialowicza in liittauen (Kusland) \sorden nog eenige honderd stuks met zorg' hescherind en ver-
pleegd en slechts op hevel des keizers mag er een enkel van gedood of mogen eenige kalveren gevangen worden. In den laatsten tjjd sclijjnen ze sterk te verminderen, wat zeker voornamelijk moet worden toegeschreven aan den te kleinen kriiiquot;.
Floikauwors of twcelio'-vi^cii.
waai'toe deze dieren Itcperkf zjjii. Ook in den Kaukasus komen ze nog voor. De Amerikannscho liison gelijkt veel op den wisent, zoo zeifs, dat velen liem voor dezelfde soort aanzien. In de pmin'eën aan de Missouri kwam li ij kort gidedon nog in groote kudden voor, die zieli soms vereenigden tot troepen van duizenden. Vroeger verschaft en deze dieren aan de meeste Indianen-stammen van \. Amerika hun hoofd voedsel. Werden zjj door gel)r(dlt; aan voedsid en water gedwongen groote tochten te maken, dan werden zij door (k1 Indianen gevolgd. ()iider allerlei vennommingeii, h.v. als wolf, hert of hntf'el, slupi'ii deze tot dicht hjj de grazende kndde, doodden er enkele met pjjl en speer, en maakten een nuttig gebruik van al de deelen van het lichaam. Later richtten jachtgezelscliappen groote verwoestingen aan onder de hisons, zoodat zij dan ook in de laatste jaren bijna volkomen zijn uitgeroeid, waardoor de jagende Indianen in verscheidene streken hroodeloos werden.
liet helangrjjkste geslacht der runderen is zonder twijfel dat der Eigenlijke runderen {Hos), omdat hiertoe ons II nisrund (lias Inures) behoort. De talrijke rassen daarvan hebben ongetwjjfeld hun oorsprong in verschillende soorten van wilde runderen, die tegenwoordig voor het meerendeel zijn uitgestorven. Dit is zeer zeker het geval met onze Kuropeesche rassen, die van vier soorten schijnen af te stammen, waarvan de belangrijkste is de Oeros (lias Ui'Uh), omdat hot nog zoo lang niet geleden is, dat deze diereu in 't wild voorkwamen. Ten tjjde van .lulius Cesar kwam de oeros met don wisent in de (Jermaansche bossehen nog algemeen voor; zelfs voor tweehonderd jaar werd hjj nog in Duitse
aangetroffen. In omrasterde parken in Schotland leven nu nog afstammelingen van den oeros, ten minste hot melkwitte Wilde park rund wordt algemeen daarvoor gelumden. liet leidt geheel de levenswijze der wilde runderen in andere streken en komt in kudden voor, die door een sterken stier worden aanu'evoerd. De
kooien zonderen zich af als ze jongen hebhen, tot de kalveren de kudde kunnen volgen. Deze diereu zijn zeer schuw en waakzaam en weten zich uitstekend togen roofdieren te verdedigen. De tamme runderrassen verschillen zeer naar hunne afstamming, de streek, waarin ze voorkomen, in verband met voedsel en Wagner's Natuuiiijko Historie. y
Hot (lioronrljk. Zou^lieren.
klimaat en naar dit; eigeimdiappeu dor ruuderen, die door do mcnsclicii in do vorscliilleniii' landon hof lioogst op |irijs gesteld worden. Zijn do lang-gehooriido Stoppenrundoroii in Oost-Europa on Azië zooi' good bestand togen weer en wind, koude t'ii hitte, him vlooseh is sloolit, /.ij geven slechts weinig melk. doch het zijn goede trekdieren; goon ander runderras kan het uitlionden in die boorn-looze vlakten, waar de temporatnur zoo sterk wisselt en de voorraad water zoo veranderlijk is. De rassen van de Noord-Duiteche laagvlakte onderseheiden zich door hunne kolossale melkproductie, zo laten zich goed mesten, kunnen over de 1000 KG zwaar worden, maar zijn weinig geschikt om als trekdieren gebruikt te worden.
Van de Engelsche runderrassen zijn do âShorthornquot; vooral geschikt tot vetmesten; zij hereiken eone ontzaglijke grootte en worden ware vleesehklompen; kop en pooten blijven tijn. De Zwitsersche rassen zijn bekend om hunne uitstekende melk, ofschoon de hoeveelheid, die ze geven, niet groot is; voor vetmesting zijn ze weinig geschikt, daiireiitegen howjjzen ze uitstekende diensten nis trekdieren. Wat onze Nederlandsclie runderrassen betreft, zjj behooren tot die der Noord-Duitsclie laagvlakte. Die. welke in j\Toord-IIolland. Friesland en Groningen op kleigronden voorkomen, zijn vermaard om hunne melkproductie en worden in ver verwijderde landen ingevoerd, om er de zuivelproductie te bevorderen. Andere, voornamelijk door kruising mot Engelsche shorthorns ontstaan, munten meer uit door liinme geschiktheid om gemest te worden. Ontzaglijk groot is hot aantal runderen, dat in de steppen van Middel-Azië, in Soedan en in de Zuid-Ameri-kaanscbe Pampas gehouden wordt. In vele streken van Zuid-Amerika zijn deze dieren half verwilderd, ze trekken in groote troepen van plaats tot plaats oin nieuwe weiden te zoeken, begeleid door herders te paard (gaucho's) en worden vroeger alleen om de huid bij diiizondon geschoten, zoodat hjjv. van Huenos-Ayros jaarlijks 800000 stuks huiden werden uitgevoerd. Tegenwoordig worden ze meer op prijs gesteld en ook om bun vleesch en vet geslacht. In Spanje en in de Amerikaansche landen met Spannsche bevolking behooren stierengevechten tot de geliefkoosde volksvermakeljjklteden. Do dieren worden daarbij op alle mogelijke wijzen, door menschen te voet en te paard, gesard en geplaagd, en eindehjjk. als
hunne woede ten top gestegen is. doodgestoken. ...... De Indische Zebu (lion indicm),
met een vetbult vóór op den rug, is eone ruiulersoort van zeer zachte geaardheid. Hij wordt getemd en op gelijke wijze als ons rund, doch bovendien als rijdier gebruikt. De Afrikaanschc Zebu, met langere, naar voren gerichte horens, is de stamvorm van het Soedansche tamme rund. Het Groote wilde rund (Bos mndaiciiti) van de Soenda-eilandeii (Java on Borneo), op Java liuiittnuj gennnmd. wordt er veelvuldig gejaagd.
Door hun melkrijkdom, bun sinakohjk vleesch, hunne kostbare huid, die zulk
Zoo-zoogiliorcn.
(liiiii'zauiii leer geeft, zelfs door luiime horens, beenderen en hoeven, geven de tamme runderen den inenscii zooveel voordeel, dat men ze de nuttigste aller huisdieren mag noemen. .Meerdere Indische volksstammen bewezen hun daarom bjjna goddelijke vereering en het dooden van een geheiligd rund werd als cone zware misdaad met den dood gestraft.
Zee-zoogdieren.
De Vinpootigen, de Zeekoeien en de Wal v isc ha chtige dieren zjjn geheel ingeriebt voor het leven in het water, vournameljjk in de zee. Daartoe Ilehooreu de grootste aller zoogdieren. Hun liehaain is zwaar en plomp gebouwd, doch bezit afgeronde vormen. Meer of minder dikke spoidagen onder de huid beschutten de dieren tegen de afkoelende werking van bet water. Vele honden zich bij voorkeur in de koudste zeeën op.
De Zeehonden danken bun naam aan bun blaffend geluid. I)e Gewone zeehond ((jildccplidlus rihilitiK*) bewoont de kusten van bet .Noordelijk gedeelte van den Atlantischen Oceaan en komt ook aan die van lt;lo Noord- en de Oostzee voor. 11ij bereikt eene lengte van 1%- -2 M. De zwart- en witgevlokte Oroen-landsche zeehond (l'iKjopliUu» grornlatiilicHx) is voor de im'este Oroenlandsehe stammen zeer belangrijk. De vangst van dit dier is zelfs bet lioofdbodrjjf van den Groenlandcr, het moet hem en de zijnen van bijna al liet noodige voorzien. Hij kont dan ook alle gewoonten van zijn wild. De zeehond zwemt even uitstekend en vlug als een roofviscli; of bij op den rug of op zij ligt, zich hooger of dieper in het water bevindt, is hem onverschillig. Zoo bij duikt, moet bij telkens na eenige minuten aan de oppervlakte komen, om adem te halen. De dikke speklaag, die hij onder de huid bezit, maakt bom betrekkelijk licht, zoodat hij zelfs in het water liggende kan slapen. De voorpooten zjjn kort, de voeten breed, plat, de teenen door zwemvliezen verbonden, ze gelijken op de vinnen van een visch. De achterpooten zjjn met den korten staart recht naar achteren gericht en eindigen ook in vinvormige zwemvoeten. Kan bij met behulp der pooten uitstekend zwemmen, loopen kan hij er zoor slecht mee. Op het land kan hij kruipen door zich eerst op de borst te steunen, het lenige lichaam dan sterk te buigen, een Imogen rug makend en bet lichaam nu, op de achterpooten steunend, met een ruk te strekken, dus ongeveer als de spanrupsen, I let is eene schuivende en huppelende beweging, waardoor bij zich evenwel met de snelheid van een menseh kan verplaatsen. De zeehonden kruipen gaarne op de kust om zich in de zon te koesteren. Gcwoonljjk komen ze in groote kudden voor, die op plaatsen, waar ze weinig aan vervolging blootstaan, uit honderden dieren bestaan. Een mannetje houdt talrijke wijljes, waar hij dikwijls bard om te kampen heeft
Ild (lioromijk. Zoogdioron.
met modcdingers. I Iet wijfje brengt één jong voort op tiet land, daar wordt dit ook door haar gezoogd en niet groote /.org bescliermd. Eerst na oenige maanden kan liet jonge dier zweminen, het blijft een \'ol jaar bij de moeder. De Groen-lauders tracliten in humie lichte bootjes (kajaks), de slapende of soms ook de overmoedig spelende robben te naderen en een hunner een harpoen in het lichaam te werpen. Aan den harpoen is cene lange lijn verbonden en aan het eind daarvan eene groote. met lucht gevulde blaas. De verwonde zeehond duikt, doch de drijvende blaas wijst den jager de plaats aan, waar hjj zich bevindt. Zoudra hjj boven komt om te ademen, wordt hij door lanssteken afgemaakt. De traan van den zeehond vult de lamp van den Eskimo, de huid dient hem tot kleeding en om zijne booten en zonierhutten te overtrekken, de darmen geven een waterdiehten mantel, het vleesch is zijn hoofdvoedsel, de pezen worden als garen en draad gebruikt, de beenderen leveren allerlei gereedselmjipen op. Verschillende soorten, de zoogenaamde pelsrohhen, worden voornamelijk 0111 hunne zachte, donzige vacht vervolgd. Tegenwoordig wordt de jacht daarop vooral in de Behringzee uitgeoefend, waar zij in 't voorjaar bij milliuonen verschijnen, om den zomer np de rotsige eilanden doei' te brengen, terwijl /ij zich 's winters in de nabijheid van de meer zuideljjke Aziatische en Amerikiiansche kusten ophouden. De wijfjes krijgen bijna onmiddellijk na aankomst jongen; zij verlaten nu en dan de rotsen om voedsel te zoeken. De oudere mannetjes blijven den heelen zomer op de rotsen zonder voedsel te gebruiken. De jacht is, om het uitsterven der dieren te voorkomen, aan strenge reglementen onderworpen en wordt door Uussische, Engelsclie en Amerikaausche vissehers uitgeoefend. Alleen de jonge mannetjes mogen, en nog wel in beperkt aantal, gedood worden; dit geschiedt op het land door ze met een knods één slag op den neus te geven; in het water worden zij geschoten. Eene mooie huid wordt in Londen met H ;i0 betaald. in 1S!(o werden er 'lli0.500 in den handel gebracht. De zeehonden voeden zich met weekdieren, kreeften en visch. Ofschoon in 't algemeen de waterzoogdieren stompzinnig zijn, maakt de zeehond hierop eene gunstige uitzondering; hij is even listig als vermakelijk, vooral in getemden toestand. Men heeft hem zelfs tot de vischraiigst afgericht. Verschillende soorten van robben munten uit door hunne grootte, zoo bijv. de Hlaasrop {Sh,))imatojii(s crititaiH*), die de noordelijke zeeën. Groenland en Xew-Foundland bewoont en eene lengte van 2V:i M bereikt. Het mannetje draagt op den kop een huidzak, dien het willekeurig kan opblazen. De Zee-olifant (Maovrhinm eliphantinué) wordt 7â10 M lang en krjjgt een omvang van 5-â(I M. Het mannetje hoeft een sluip vorm ig verlengden neus. Deze dieren kwamen vroeger in groote troepen voor op de woeste eilanden der zuidelijke IJszee. Hjj het intreden van hot koude jaargetijde trekken zij naar een zachter klimaat, bijv. naar Patagonië, om in 't voorjaar dik gemest, op
Zeo-zooirdioroii.
reuzigo v(;tkl(im|M'n gelijkciKlc, naai' di' koudcic inliuidcn torug to kci'icn. waar lniimi' jongen geboren en gezoogd worden en waar zij maanden lang onlieweeglijk blijven liggen, zonder voedsel te gebi'niken. Zij zijn door de walviselivangers grootendeels uitgeroeid. De Zee beren (Arcloi'i'iilialus). zoo genaamd om hunne belmring en om den vorm van hun kop, komen zoowel in de .Noordelijke als in do Zuidelijke IJszee voor. liet zjjn zeer strijdlustigo dieren, die zieh ook op het land vlug kunnen voortbewegen. Ze vechten niet alleen dikwijls onder elkander, maar verzetten zieii ook met groote woede tegen den mensrh. De naar hunne manen genoemde Zee-leeuwen (OlKria, Tab. 'i- Fig. 15) ovortrelfen de zee-beren in grootte en kracht, maar zijn vreedzamer van aard dan deze. Verwant met de zeehonden zijn de in bet hoogste Noorden levende \\ al rus sen ( /V/V/icWihs Itosnmrm, Tab. 4 Fig. 14). De walrus wordt .â )âlt;i M lang, krijgt een omvang van :i '( -M en een gewicht van 7l)(l 1500 K(i. Zeer merkwaardig zijn bij hem de 00 75 eM lange, stevige hoektanden der bovenkaak, waarmee hij uit bet slijk oj) ondiepe plaatsen schelpdieren opgraaft, die zjjn hoofd voed srl uitmaken. Met deze geweldige slagtanden vechten de mannetjes in den paartijd met elkaar, tevens worden zij als vrceselijke wapens tegen den mensch gebruikt. Reeds op bet land zijn het gevaarlijke tegenstanders, die woedend op hun vijand aanvallen; schippers in lichte booten moeten nog veel meer voor hen op hunne hoede zijn. De dieren eener kudde staan elkaar trouw bjj en laten zieh daarbij noch door geweerschoten, noch door bijlslagen of lanssteken atschrikkcn. Ze trachtten met hunne slagtanden de boot aan te grijpen en te verbrijzelen. De Eskimo s van noordeljjk Groenland loeren 's winters op hen aan de luchtgaten in het ijs, werpen ze met harpoenen en bevestigen de lijn aan palen, die ze in het ijs hebben aangebracht, liet zwartachtige, traanrijke vleesch dezer dieren is het hooldvoedsel der stammen aan den Smithssond en aan de Behringstraat. De slagtanden worden als ivoor in den handel gebracht.
De groep der Zeekoeien of Sirenen vormt den overgang van de zeehonden tot de walvisehaehtige dieren. De voorpooten gelijken op vinnen, achter-pooten ontbreken, de achterste lichaamshelft is vischvorniig; ze eindigt in eeiu' horizontaal geplaatste, halvemaanvormige staartvin. Hiertoe behooren slechts enkele diersoorten. De meest bekende is de Du gong {llullcnre (vlacait). Hij bewoont ondiepe plaatsen aan de kust van de Indische en de Uoode zee (o. a. ter Z. en W. kust van Borneo en in de Molukken) en voedt zich met de daar groeiende planten. Soms zwemt hij ook de groote rivieren op. Het wijfje verpleegt haar jong met groote zorg, houdt het bjj het zoogen met de voorpooten tegen de borst en heft daarbij de bovenste lichaamsbelft uit het water op. liet gezicht hiervan heeft waarscbijnljjk aanleiding gegeven tot het sprookje van sirenen of zeemeerininnen, die half mensch, half visch zouden zijn. Door vele volken wordt
Het «lierenrijk. Zoogdieren.
hot vlecsoli vuil den dugong gaarne gegeten; Europeanen vinden liet zoetachtig en oneetlmar. \ an de tanden worden kralen vervaardigd, waaraan lier liijgeloef allerlei wonderlijke werkingen toeselirjjf't. ()[gt; de ( Virolinon wordt de lioveniste halswervel (atlas) dezer dieren door vorstelijke personen als hoogste ordeteeken aan her handgewricht gedragen. Aan de kust en in de grootere rivieren van het ti'opiseh /uid-Anierika en \\ esr-Atrikn worden M a n a I i s of 1 j a in a. n r ij n e n {Mduidiiti) aangetroflbn. Deze worden ijverig vervolgd om hun vleesch, vet en vei. Andere soorten van zeekoeien zjjn door de ijverige vervolgingen der visseliers geheel uitgeroeid.
De \\ a 1 visehaehtige dieren gelijken uitwendig veel op visschen. Dat zij door longen adeinhalcn, waartoe ze telkens weer aan de oppervlakte moeten komen, dat zjj warm bloed hezitten en vooral, dat zij levende jongen (gewoonlijk niaar een) voorthrengen en deze zoogen, zjin eigenschappen, waaraan ze gemakkelijk als zoogdieren re herkennen zjjn. Van de Dolfijnen is de (lewone dolfjjn (Drljiliinius llrlfihix, Tah. 'i Kig, |(i) van oudsher hekend. Hij werd vroeger in talrjjke sagen en verhalen verheerlijkt, leeft in alle zeeën van het Noordelijk Halfrond, wordt à *gt;.M lang en houdt zich in kleine troepen van (i -l() stuks op. Deze zwemmen altijd in eene rechte lijn aehter elkander, volgen soms snelzeilende schepen dagen lang en voeden zich met visschen, kreeften, inktvissehen en andere zeedieren. De kaken zjjn hezef met (alrijke (tot 200) spitse en harde tanden. Zij zwemmen huitengewoon goed en zijn dan ook zeer moeihjk te hereiken. In de Noordzee is de meest voorkomende dolfjjn de nruinvisch {I'tiocaoia cüiiDniiiii*), die hij de visseliers zeer gehaat is om de verwoestingen, die hij onder de haringen, niakreelen, zalmen en andere kostbare z.ee\ isschen aanricht, («evreesd is de Orka {(h'chnis ()ri:(i), ook wel verkeerdelijk zwaardvisch genoemd, een hoogst roofzuchtig en verslindend dier, dat niet alleen walvisschen en andere grootere zeedieren vervolgt, maar in zijne kwaadaardigheid zelfs de booten der visseliers zou aangrijpen. Hij bezit eene sabelvormige rugvin, die naar den staart toe gebogen is; vandaar de naam zwaardvisch. Meerdere dezer dieren vallen soms een walvisch woedend aan, scheuren hem ellenlange stukken spek nit het lijf, ja zelfs de tong uit den mond, en zjjn soms oorzaak, dat hij in zijne angst op het strand zwemt, waar hjj omkomt. Voor vele der noordelijke eilanden en kusten werden de Z warte doI fij n oförindewal {(lldhicciihulus Hlahieepii), en de Witvisc h (Daliihmuiifnnis Lmtam) een zegen. Nadeit een troep dezer groote dolfjjnen, dan worden zij door de bewoners naar het ondiepe strand gedreven en daar afgemaakt. Hjj storm stranden zij ook niet zelden, ze blijven dan hulpeloos liggen en sterven spoedig; de meesten laten daarhjj een luid gebrul hooren en storten rjjkeljjk tranen. Hven groote beroemdheid als de dolfijn genoot vroeger de Narwal (Miinotlan Maitocerux) ofliever iliens wapen.
Zci'-zoofrdiiTOii.
|)o inaiinclijko narwal, die 5â7 M lang wordt, bezit twee van seliroet'wiiulingen voorziene, reeiite slngtaiuleii van - M lengte, die hard algt; ivoor zijn. .Meestal is een er van afgebroken of niet tot ontwikkeling gekomen. Deze slagtanden werden vroeger voor de borens van liet fabelachtige Eenlioonulier gehouden; men sehreef er allerlei wonderkrachten aan toe, zoodat zoo'n tand schatten waard geacht werd. Zoodra zijne werkelijke herkomst bekend werd. verdween ook het geloof in zijne eigenschappen en daarmede zijne waarde.
De Potvisch of Cachelot (IVinwtni' iniiciweiiluiltis) bereikt eene lengte van -') 'J i M, zijne onderkaak is niet talrjjke s]}itse tanden bezet, de bovenkaak is tandeloos. De kop is verbazend groot t'/s van het liehaani). de schcdelheen-ileren bevatten groote holten, die een vloeibaar vet bevatten, dat buiten het lichaam stolt; dit is de spermaceti. Bovendien levert hij groote hoeveelheden spek. waaruit uitstekende traan gesmolten wordt, en u inbcrgr jjs, eene afscheiding van het darmkanaal. di(gt; in klompen van .'!(» c.M middellijn en soms '25 Kd zwaarte in de ingewanden worden aangetroffen, om haren sterken geur als parfumerie gebruikt wordt en per Gram -3 gulden kost. Een volwassen pot-visch weegt ongeveer 100000 K(J en levert 5000 K(i spennacetie. De dieren worden ijverig vervolgd, maar de jacht is niet zonder gevaar, daar zjj in hunne woede zelfs zeeschepen aanvallen en er reeds meermalen in den grond hebben geboord. Ze komen in alle warmere zeeën, o. a. ook in onzen Indischen Archipel, voor. leven in kleine gezelschappen en verdedigen elkaar, wanneer zij worden aangevallen.
De eigenlijke Walvissehen vormen de laatste groep dor zoogdieren. De gewone (i r o e n I a n d s c h e walvisch {lidltit'iid Mi/titici'lH*. lab. 4 Fig. 17) is een kolossaal dier van '20 '25 M lengte. Hij zwemt uitstekend met behulp van den staart en de betrekkelijk korte borstvinnen, die als voorpootcn te beschouwen zijn. Soms kan een stoomboot hem niet inhalen en bij zou voor schepen zeer gevaarlijk kunnen worden, ware hij minder vreesachtig en schuw en meer verstandig en vastberaden. Do kop heeft ongeveer 1 u zijnei' lichaamslengte. In zijn geweldigen muil zou een roeiboot met bemanning kunnen plaats vinden, 'landen ontbreken; in plaats daarvan bezit hij de uit balein bestaande baarden, die met lange, op paar- , ,, , â , , , wâ,
n 1 ' i-'ig. c».quot;). Schortel van don Grocnlamlsi'hcn \\ ah iscli.
dehaar gelijkende, vezels bezet
zijn. Als voedsel gebruikt het reusachtige dier bjj voorkeur heel kleine diertjes (kwallen, schaal- en weekdieren) en misschien bij toeval kleine vischjes. De
Hot tliomiiijk. Zoogdieren.
wiilvigohvaiigst vormt (â¢lt;â¢11 voornaam bwlnjf voor (UMioonlclijkc/.ccvarcndc volknn. Nedcrlandors, Engdsdicii en Anicrikniioii liohbcii daiirin met elkaar gewed-ijvcu'd. Niin I(i7(i I T'J'J zonden de Xederlanders .'VS)id stdiepen tot dat doel uit, maakten wulvissehen Imir en lieliaalden dnannee eene winst van liijna
ÃOO inillioen gulden. In ISïj ximl \oord-Anierika alleen naar de Zuidzee (iÃO zeilschepen met eene bemanning van l:{50(l man ter walvisdivangst. Zoodra men in de verte aan de water- en wasemzuilen, die de walviscli lijj bet uitademen als een paar fonteinen uir de neusgaten (spuitgaten) spuit, de aanwezigheid van het dier bemerkt heelt, worden dadelijk de booten uitgezet, waarin behalve de roeiers ook de harpoenier plaats neemt. Men tracht zoo behoedzaam mogelijk dicht bij het dier te komen ; de harpoenier werpt hem den harpoen in het lichaam en de walviscli duikt pijlsnel in de diepte. De aan den harpoen bevestigde lijn rolt even snel at. lederen keer als de gewotide walviscli weer hoven komt, om adem te halen, wordt hij opnieuw gewond, tot hij eindelijk dood aan de oppervlakte diijft. I egenw oordig wordt hjj veelal met behulp van kleine kanonnen met ontploftende kogels geschoten, liet spek wordt in lange repen afgesneden en op het dek uitgesinolten. Een walviscli van 'iU M lengte weegt ongeveer TUUOO K(i, dus ongeveer evenveel als 30 olifanten of 200 ossen, en levert :!0()ü0 KG spek, waaruit Ã-iOOO KG traan gesmolten wordt, die eene waarde heeft van ongeveer /1500. De 1500 KG balein, die hij oplevert, heeft eene waarde van ruim y 'ioOü. Ken enkele walviscli kan den visschers dus /' 5000 opbiengen. Niet zelden evenwel keert een schip terug zonder dat een walviscli gezien werd. en menig ander schip blijft in bet ijs vast zitten of wordt er door verbrijzeld. Behalve de Groenlandsche walviscli worden ook andere soorten vervolgd, tegenwoordig vooral de Zuidelijke walviscli (llalacna uiixlralis) in den Gmoten Oceaan. Veel gevaarlijker is de strijd met den Viuvisch {Balar-noptera hoops) in de noordelijke zeeën. Dit dier wordt ;i;! M lang, is slanker gebouwd dan de walviscli en gedraagt zich bij vervolging zeer koen en woest. Ook de Ke pork a n of Langarmige viuvisch (llulurini (oiKiinuinu) bereikt de aanzienlijke lengte van '25 :!0 M en schijnt in alle zeeën van het Noorden en het Zuiden voor te komen.
V O G K L 8.
Tiet lichaam der vogels is vooral ingericht voor het vliegen. De romp is van voren afgerond, stork gespierd en naar achteren toe versmald, daarbij weinig beweeglijk; hals en kop zijn daarentegen zooveel beweeglijker. De beide kaken
Vojfels. J â¢_gt;[
zijn niet een hoonmditig bckli-wlfcl liodckt rn vorinon (liiannoc den .snavel; do voorste ludcüiiatcii zyn in vleugels veranderd, de aehterste zijn puofen om er oji te loopen en te /.ilten. Nel liehaani is liekleed niet kleine, zaelite donsveereit en mot grooterc en liardore slag- en dekpennen. De groote slag[)enneii maken de voorste ledematen tut vleugels; de groote vederen aan den staart zijn de stmir-pennen. \ ele vogels bezitten liovendien nog bjjzondere sierpennen. Kiais oer jaar. meestal vóór den winter, vallen de meeste veeren uit en worden duoi' nieuwe vervangen (ruien). Ujj vele vogels vertooneu de veeren in liet voorjaar sterkeren glans en levendiger kleuren (liet bruiloftskleed), watevenwel niet aan liet ontstaan
van nieuwe veeren moet worden toegescliroven. Meestal verwijdt zieli bij de vogels de slokdarm tot een krop, waarin liet voedsel, ter voorbereiding voor de eigenlijke vertering in do maag, wordt geweekt. De maag bestaat uit eene gewone leb-maag en eene spiermaag. De laatste heeft een dikken gespierden wand, die inwendig van eene ruwe hoornbudekkiug voorzien is en waarin de spijs, dikwijls met behulp van ingeslikte steentjes, wordt fijngewreven. Alleen bjj de uitsluitend vleesehctende vogols is de spiw'inaag klein en baar wand dun en slap. De longen zijn zeer groot, zjj staan in verbinding met groote iuehtzakken in de liebaams-holte eti zelfs met bet inwendige van vele beenderen, die bol zjjn en geen merg
Ik'f dioronrijk. Vogols.
bcvatton. Do vogel kun zich naar willekeur met meer of minder lucht opvullen. Tengevolgi' van zijne kraeiitige atlomlialing is liet hloed van den vogel iets warmer dan dat der zoogdieren. De meeste vogels bouwen ter verpleging iumner jongen een nest. Ze leggen eieren, die ze door bunne lieliaamswarmte uitbroeden, l iet broeden kan ook kunstmatig geseliieden. door de eieren een bepaalden tijd op de temperatuur van liet vogelliehaam te houden en voor voldoende luelitvervorsobing te zorgen. Vele vogels verbuizen jaarlijks vóór den winter naar verre streken met zachter klimaat, om in het gunstige jaargetjjde weer naar hun vaderland terug te keeren ; dit zijn de I i'ek vogels. Andere verecuigen zich vóór het iuti'eden van den winter totgroote troepen, die gedurende het barre jaargetijde in oen wijden omtrek rondzwerven; dit zijn de zwerfvogels, \og andere bljjveii iiet heeie jaar o]) dezelfde plaats wonen ; dit zijn de stand vogels, l'itwendig onderscheiden zich de vogels van elkander vooral door den vorm van snavel en pooten, die voor hunne leefwijze passend zijn. Fig. (ill geeft een overzicht van de voornaamste voetvormen, zooals ze bij de verscbillendc orden voorkomen, die in quot;t volgende nader beschreven zijn.
Roofvogels.
De Roofvogels maken jacht op andere dieren, om zich met hun vleesch en bloed te voeden. Zij liezitten eene lireede. sterkgespierde borst en lange vleugels en zijn daarom goede vliegers. Zij hebben een korten, dikken, harden, aan de punt als een scherpen haak omgebogen bovensnavel, die aan den rand dikwijls nog eene tandvormige insnijding bezit en aan de teenen lange, stevige, sterk gekromde en scherpe klauwen. Hun gezicht is zeer scherp. De spiermaag is vliezig. De kleur van het gevederte verandert zeer met den leeftijd, doch is gewoonlijk dof.
De Dagroofvogels hebben in de Adelaars of Arenden hunne
krachtigste en schoonste vertegenwoordigers. De gewone Steenarend (.l//m7« l'ulva, Tab. 5 Fig. I) bereikt, van den snavel tot het einde van den staart gemeten. eene lengte van ÃO c.M; zijne vlucht (de afstand der beide vleugelpunten bij uitgespreide vleugels) bedraagt ruim 2 M. Ilij kiest de hoogste boomen van eenzame bossehen of liever nog ontoegankelijke uitsteeksels van hooge, steile rotsen als nestplaats, liet nest is uit boomtakken en stukken hout ruw opgebouwd en met eene laag heidekruid en wol bekleed. De arend legt daarin twee of drie eieren, doch dikwijls wordt maar een enkel jong groot gebracht. Dit is aanvankelijk blind en niet geel dons bekleed. De ouden voeden het gemeenschappelijk op. De steen-adelaar verheft zich tot op buitengewone hoogte in de lucht en
I --
Roofvogels
bcsclirjjf't daar wijde kringen; iijj sclijjnt in de lnrlit to zweven en lieweeg't de vleugels slwhts weinig. Zjjn srlierp oog. met goudgele iris, ontdekt diep Itelleden dp den Imdem den haas. de ree ol' hel hertekalt' en den vogel in het krenpelliont ot o|» liet water. Als een jiijl nir den boog stort bij zieli niet samengetrokken vleugels en liitgcsfrekre klauwen up zijne prooi neer. iljj slaat de klauwen diep in zijn slaelitolfer. Kleinere dieren voert hjj mee in de lucht, grootere werpt hij neer, om zi' met zijn snavel te dooden. N oor geiten, schapen t'n dergelijke dieren is hij zeer gevaarlijk, vooral voor de jongen, (lemzen en steenbokken overvalt hij, zoo ze zich op gevaarlijke plaatsen bev inden, en stort ze door één vleugelslag in den afgrond. Zelfs kinderen heeft hij reeds dikwijls nntvoerd. Is de jonge adelaar krachtig genoeg gewerden en beeft hij loeren vliegen, dan onderrichten do ouden hem in do jacht, .long gevangen dieren laten zich door don inensch temmen. De Kirgiezen in Middel-,\zië richten den steen-adelaar af vuur de jacht op herten en wolven. Om de grnoto schade, die hjj aanbrengt, wordt hij ijverig vervolgd. Mij wordt geschoten of in klemmen gevangen, waarin een levend dier als lokaas dient. Ook de jongen wonion wel uitbot nest gebaald, wat altijd een levensgevaarlijk werk is. vooral omdat do ouden, als ze den indringer gewaar worden, dezen niet ontembare woede aanvallen. I )e steen-adelaar spuwt, evenals alle roofvogels, de onverteerbare deelcn dor dieren, die hij verslond, als voeren, haren, wol, klauwen, harde beenderen enz., tot ballen gevormd, uit. Iljj is enkele malen in .Nederland aangotrotfen. Kleiner dan de vorige is de Sc hroeu \va re nd (.1. naevia), die in de moerassige streken van Duitschland niet zeldzaam is. Zjjn naam dankt hij aan zjjn ver-klinkend geschreeuw, dat op de lettergrepen; .ieljef! geijjkt. Hij kiest voornamelijk kleine gewervelde dieren tot prooi. Xog kleiner is de in Zuid-Europa en Afrika levende Dwerg-arend (.1. Deze roestbruine vogel met
zwarte plekken maakt bij voorkeur jacht op duiven, patrijzen en kleinere vogels. De Ko ni it gsa rend (Aiinild Iniiicriiilis) hoort thuis in Zuid-Knropa en Afrika, lil zijne levenswijze komt hij mot den steen-arend overeen en is nauwelijks iets kleiner dan deze. Om zijn majestueus voorkonien, zijne hooge vbioht. zjjne kracht eu zjjn moed. werd bij veelvuldig als zinnebeeld in wapens aangenomen. Hetzelfde hebben do Voroonigde Staten van Xoord-Anierika niet den Witkoparend [lldlidclus Iciiciici'itlKihis) gedaan, die daar do sterkste roofvogel is. Hij houdt zich gaarne op in de nabijheid van liet water, grjjpt bij gelegenheid visscben op ondiepten, stoot oji zwanen en dergelijke groote watervogels en ontneemt ook dikwijls don Vischarend (l'iinilioii liitliae(tis) zijn buit. Deze laatste voedt zich nitslnitend met viscb. Hij zweeft statig in kringen boog boven het water, stort zich dan bliksemsnel op een viscb, dien hij heeft opgemerkt, duikt en komt kort daarna mot zijn buit naar boven, om hein op een rustig plekje op te vreten. De Secretarisvogel of SI a ng e n v r e t e r 'y/n'-
Het dierenrijk. Vogels.
ijcriiniis Sccrolarii(s) in Afrika is niet :illeen Iktucmk! gewonlcn door zijno hmgü stcltpooton, waai'duor lijj op oen kraanvogel geljjkt, cu door zijne vederenkuif aan het aeliterlioot'd, waaraan liij den naam secretaris dankt, maar vooral door /jjn voimIscI. Men lioudt liein in Zuid-Af'rika gaarne! op boerderijen, om deze van slangen te zuiveren. Hij verstaat de kunst meesterlijk zelfs de meest vergiftige en de vlugste slangen, met zijne sprongen te vermoeien, waarna hij ze door zjjne krachtige vleugelslagen verdooft en met den snavel den kop openhakt. Hij vreet ze dan met kop engifttanden stuksgewijze op, zonder daarvan eenig nadeel te ondervinden.
Nog uitstekender vliegers en bloeddorstiger roovers dan de reeds genoemde roofvogels zijn de Edel val ken. De Trek valk (Falco [icnyriini*) is een der
1 ik. liT. skelet vnn i'm lanuniTtriiT. i HuIswitvwIs, i|(,sr|, vliegers onder de vogels, en daarom
2 vorkvormig slcutelnocn, .5 ravonlu^kssleutclboen, ^ ^
4 borstbiMMi, ') scluiudcrhhul, (5 oppiTftrinbcen, 7 ,. .. i .. i. i .. i .......*1
spankbccii, s cllcpijp, hAndwortel^ 10 iniddcl- ClC cUlldt \ (,lI Sj)l ( 1(1. Ajjlir
iiand, II duim, 12 bekken, Ut stanrtwervels, 14 . . n i i i â
KcbonnbcKD, is loopbeen (rnid.leivoet). verbazend snelle vlucht maakt nem zoo
overmoedig, dat er een b.v. den jager de pas geschoten eend voor den neus wegkaapte en ze hoog in de lucht wegvoerde.
De eigenljjke Jae lit valk ('/'. ('.(indicans. Tab. 5 Fig. I!) is ietw grooter dan de trekvalk. Zijn gevederte vertoont zwarte plekken op een witten grond. Hij bewoont (iroenland, IJsland, Noorwegen lt;'n Silirrii'1 en kiest zijn voedsel hoofdzakelijk onder de talrijke watervogels der kust. Vroeger meer dan tegenwoordig richtte men edelvalken af tot de jacht. Zjj werden op den trek in netten gevangen (hier te lande vooral in Valkcnswaard), eerst werd hunne wildheid gefnuikt en dan gewende ineu ze er aan op de vuist des jagers te vliegen, om daar gevoed te worden. Ten slotte werden zij er op gedresseerd jacht te maken op vogels, hazen en ander wild. Aan het pluimgedierte en het wild doen de edelvalken niet onbeduidende schade. Onder de iulandsche valken is de Torenvalk (/â¢'. linnunculm) de meest algenieene. Hij bouwt zijn nest in boschjes en oude gebouwen en voedt zich voornamelijk met muizen, waardoor hij zich voor den landbouw zeer verdienstelijk maakt. De Havik [A^lur overtreft de
m
Huofvogels.
valken nog iu roofzucht im moordlust, zoiulor ilut hij liunno (mIcIci' oigcnschiippcii liozit. ifij waagt zich hij de vervolging van duiven en hoenders zelfs o|i het erf der hoerderjj en wordt dan ook niet zelden in vallen gevangen, waarlijj eene levende duif als lokaas dient. Wat de havik voor patrijzen, hazen, eenden en andere dieren van die grootte is, is de kleinere Sperwer (Asltir nisus) voor alle kleinere vogeltjes en zoogdieren, liet is al geheurd, dat een sperwer zich door de ruiten stortte om een aanval te doen op een zangvogel, dit' in eene kooi voor het raam hing. Zeer nuttig voor den landbouw is de Buizerd (Jhdeo vahjari*), die voornamelijk jacht maakt op muizen en die in geheel Ruropa de meest alge-meene roofvogel is, De Blauwe k u i k e n tl i u f (Cimi* ci/antiM), de O ra uwe kuikendief cencraceus) en de Bruine kuikendief m/'Hs) zijn trekvogels, die 's zomers hier broeden en vooral op vogeltjes jacht maken, doch ook muizen, hagedissen en zelfs insecten (vooral sprinkhanen) vervolgen.
De Gieren vormen eene groep van roofvogels, die, hoewel ze een zeer on-oogeljjk en haveloos uiterlijk bezitten, in de streken, waar ze voorkomen, gewichtige diensten bewijzen, In Egypte wordt b.v, de gewone Aasgier (Avop/mm /Wc-nojitcrus, Tab, 5 Fig. 4) algemeen gespaard, daar hij wegen en straten zuivert van krengen en allerlei walgelijke stollen, die bij de daar heerschende hitte de lucht in korten tijd zouden verpesten. Deze gier heeft eene lengte van (i() c.M, zijne vlucht bedraagt l3/:i en zjjn uiterlijk is even onaangenaam ids dat van al zjjne verwanten. Kop en hals zijn naakt, geel; de snavel en de klauwen zijn betrekkelijk stomp. Trots zjjn plompen bouw. waardoor hij slechts in staat is van den bodem op te vliegen nadat hij een aanloop genomen heeft, kan hij zich toch langen tijd op groote hoogte ophouden. Iljj beschrijft daar wjjde, statige kringen en volgt soms dagen lang de karavanen, loerend op een neerstortend dier. Waar zich aas bevindt, verzamelen zich in korten tijd tah'jjke gieren, die het waarschijnlijk door den reuk gewaar worden. Bij een dergelijk walgelijk maal blijven de aasgieren aanwezig tot alles is opgeruimd. Zij stoppen zich vol tot in de keel. bemorsen daarbij hals en kop op afschuwelijke wijze en niemand waagt het ze dan te naderen, daar ze de gewoonte hebben ieder, die hen stoort met deu stinkenden inhoud van hun krop te bespuwen. De onuitstaanbare stank, dien ze bij zich hebben, deelt zich mede aan de nestplaatsen in de rotskloven en zelfs aan hunne eieren. Zij grijpen nooit levende wezens aan en doen dus geen dier kwaad. Talrijke andere soorten van gieren komen in tropisch Afrika en Azië en zelfs in
^ Hot dierenrijk. Vogels.
Zuid-Eiiropii voor. Do L a mm or gi or {Gmiurhis Ixd-IxiIhs, Tal). 5 Fig. t2), die ,1,. KuropwHclic liooggcbcrgton bowwiit, leidt moer do loveuswijzo dor nromlen, daar ]ijj zioh bijna uitsluitond mot lovoiido dioron vooilt on door zijne aanvallen ü|) zoogdieren en zelfs op mensclion zeer seliadolijk en zelfs gevaarlijk is. In goval van nood vreet liij ook nas en wordt dan ook dikwijls gevangen in vallen, waarin een dood dier als lokaas dient. Als eigenlijke koning onder do gieren moet men den Kondor {Suivorhumplm* Cryphm, Tab. 5 Fig. 5) beseliouwen, di(. i J1 lang wordt en eono vlucht lieeft van :i M. Hij houdt zich op in de eenzaamste deolon der Zuid-Amerikaunsclie Cordillera's, broedt daar zonder oen âest te bouwen op rotsen, die zich :«lüOâ5000 M boven don zeespiegel verheffen, cn stijgt van daaruit hijna zonder zijne vleugels te gehruikon, tot op zoodanige hoogte, dat hij zich aan het meiischelijk oog als eene donkere pnnt voordoet. Dagelijks vliegt hij op grooto afstanden naar het strand der zee of tot in de oosteljjke prairieën, om 's avonds weer naar zijne rotskloof terug te koeren. Zijn gevederte is zwart, plaatselijk wit gekleurd, de naakte hals is aan de basis door
een kraag van witte donsvederen omgeven.
|)e X ach t roofvogels wijken in hun uiterlijk sterk af van de dagroofvogels. De grootste in Europa is de Oehoe of Uroote Ooruil (Bubo numnuix, Tab. n Fig. (i), een vogel van 00 cM lengte en met eene vlucht van hijna -2 M. Overdag zit hij rustig in eene rotsspleet of drukt hij zich in een donker gedeelte van het bosch dicht togen een lioomstam, wiens kleur overeenkomt met die van zijn gevederte. Wordt hij hier gestoord, dan opent hij de groote gcellieh-tcnde oogen, trekt evenwel elk oogoublik het aan den hinntmooghoek aanwezige witte knipvlies er over heen. daar het licht hem verhlindi De kop is katachtig rond, schijnt door het afstaande, losse gevederte zeer dik en draagt twee veder-pluimpjes, die op ooren gelijken. Rondom do oogen bevinden zich kransen van eigenaardige veoren, die men do sluiers noemt. De ooropening is zeergroot; zij kan gesloten en wijd geopend worden, waardoor het gehoor van don vogel zeer scherp is. Jegens den niet-wolkomen bezoeker gedraagt de oehoe zich op wonderlijke wijze. Hij klapt met den korten, scherp-haakvormig gebogen snavel, heft afwisselend do beide pooten oniiioog, a, h. w. om de lange, scherpe, kromme klauwen te laten zien, al zijne veeren doet hij te berge rijzen en begint dan hevig te blazen het is nu raadzaam hom met rust te laten, want hij schroomt volstrekt niet een aanval met snavel en klauwen te doen. In de schemering gaat hij op de jacht; hij vliegt wel niet zeer vlug, maar toch goed en daarbij als alle uilen volkomen onhoorbaar. In den paartijd jagen de oehoe's door het bosch cn laten daarbij hun oehoe! op huiveringwekkende wijze klinken. \ oor alwissehng laten zij nu eens een klagenden roep, dan weer gejank, geblaas of gelach hooren. De groote oogen stralen als lichten door het donkere bosch. Dit dit nachtelijk bedrijl
Roofvog-cls.
van den ikjIioü is zonder twijfel, de sage van den wilden jager ontstaan, en het is zeker ia staat den onkundige schrik aan te jagen. Meiischeii valt do oehoe niet aan, tenminste zoo lang hij niet door hen in t nauw gedreven is; daarentegen ontziet hij zich niet reekalven aan te vallen en van de kleinen' dieren: hazen, konjjiien, egels en vogels, is er geen voor zijne klauwen veilig. Door zijn sterken eetlust gedreven, vreet hij zelfs kikvorsehen en kevers. Zijn nest houwt hij uuregohnatig van dorre takken in eene holte van een zuo weinig mogelijk genaakbaren rotswand. Om de gruote schade, die hij aanricht, vervolgt de jagen-hem met den grootsten ijver. Kan hij hein levend in zjjne macht krijgen, dau gebruikt hij hem om eene oehoehut op te richten. Hij plaatst den mot een loeren riem op eene stang gebonden oehoe op don top van oen heuvel en lokt daardoor allo dagroofvogels aan. die in de nabjjheid komen. Van uit eene verhorgen hut, dicht in de nabijheid, worden al do schadelijke daaronder doodgeschoten. De in ons land het meest algemeen voorkomende uilensoort is de Kerk- of Torenuil (Slrix Hammed), die zelfs te midden van steden en dorpen in torons en andore schuilplaatsen nestelt, ja soms in duiventillen. Hij doet do jonge duiven volstrekt geen kwaad en wordt door deze dieren ook niet gevreesd. Zelfs kan hjj er nut stichten door het verdrijven der ratten, die er niet zelden huishouden. Voor don landhouw verdient hjj ton volle onze heschenniug, daar hjj niet alleen een dor jjverigste verdelgers van veldinuizen is, maar ook in gezelschap van deu Boschuil (Slri.i dlnco) meikevers en andere schadelijke insecten in groote menigte doodt. De kerkuil is bruinachtig geel, mot witte en zwarte vlokken. Zijn nachtelijk gekrijsch kliidlt;r akelig; men maakte er âkom meequot; van, en vroeger was hjj dan ook als doodenvogol zeer gevreesd, tot men in hem een zoor nuttigen vogel loerde kennen. Behalve de beide laatstgenoemde soorten, komen nog in ons land voor: de Ha nsui 1 ((Hu* vntyari*) in hosschen. do Vcldu il (O, bmehyotm) op weilanden, en do zeer algemeen voorkomende Stee u-u i 1 of l'oepu il {Slrix noclud), de kleinste onzer uilen. Zij zijn alle zoor nuttig. In de warmere gewesten komen talrijke en soms mooi geteokondo uilensoorten voor. Een dier van dit geslacht, de Sn eon wui 1 (S. nyeted), bewoont do noordelijke Poollanden en dwaalt slechts eene enkele maal in zeer strenge winters tot iu ons land af. Indo jeugd is hij wit en grijs gevlekt, later wordt hjj zuiver wit. Onze uilen blijven ook 's winters in deze stroken; sonuuigo, als de ransuil, zijn zwerfvogels ; de andere zijn standvogels, die evenwel bij strenge koude en slecht weer soms dagen achtereen hunne schuilplaatsen niet verlaten. Van de Amerikaanscho uilen is de 1'rairie u i 1
Het dioroTU'ijV. Vofrols.
(Pliolanptjin.r cimiciiIiD'ia) intcrcssaiif omdat hij de viM'laton holen van Viseacha's cit I'l'iiiric-iiuirniofjcs bewoont en zirli op de praincvlakte to iniddon dezer knaagdieren in ^rodr aantal ojilimidt en met hen in de hesle verstfindhonding leuft.
/w aluwcii.
Do liiertoo beliooreiulo vogels lieMien oon kioinon, jiiatton, spits toeloopenden snavel, doch oeiio liijzonder wijde keelopening. 11 mine vleugels zijn lang, smal en meestal spits en stellen hen tot een buitengewone snelle en meesterlijke vluelit in staat. De pooten zijn klein en zwak. 1 liertoe beliooren de Nnchtz wal uwen, de (J ierz wa 1 ii w e it en de l^igenlijke zwaluwen.
De Nquot;aclitzvva 1 uwt»n ot' Ueitemelkers (Capriiniihjiis) komen door de kleur, het los geviulerte, lt;le geruischlooze vluelit en ile groote iiiieiitoogi'ii overeen met kleine uilen, üvenlag zitten zij in de lengte op een diep-bescliaduwden boomtak, wiens kleur overeenkomt met die van baar gevederte, en slapen, 's Avonds vliegen zjj uiterst bebendi^ rond, om insecten te vangen. Stil zittende laten zij een spinni'iid geluid hooren. De hier voorkotnende M u r o p e e se h e nachtzwaluw, G e i te m e I ke r of Vliegende pad ininctal nu, Tab, 5 Fig. 7) wordt ongeveer MO c.M lang. Haar gevederte is aan de rugzijde ascb-grauw, zwartbruin en i'oestgeel gevlekt. Door het verdolgen van nacbtvlimiers in de boswcben is zij zeer nuttig. Versehillonde nacbtzwaluwen van het tropisch Amerika brengen luide, klagende tonen voort, die de daar levende Engelseh sprekende bevolking met kleine zinnen vergelijkt. Eene soort roept ,, Who are youquot; (wie zjjt gij ?), andere roepen Work-away (werk! ga weg!), Will v-eome-go (Willem, kom! ga!), Whip-poor-Will (slaag, arme Willem!). Eenige Amerikaaiische en vooral verschillende Afrikaansche soorten munten uit door lange siervi'deren aan vleugels en staart. In gedaante! en kleur komt de vreemdsoortige Vet vogel of' üuacliaro (Stealonds airijnmniH) met de nachtzwaluwen overeen. Hij nestelt in groote scharen in holen en donkere rotskloven der Amerikaansehe Andes en houdt zich daar gedurende den dag schuil. Met het vallen der duisternis vliegt hij rond en voedt zich met vruchten, waarvan hij, evenals zijne jongen, zeer vet wordt. De Indianen gebruiken hot vet der jongen als spijs.
Tot de tweede groep behoort de Gierzwaluw (Cypsehts «pus), met verbazend lange, zeisvormige vleugels en zeer korte, zwakke pooten met klemvoeten (tig. 00), waarmee zo zich tegen een muur vasthoudt. Zij is ongeveer 20 cM lang, roetzwart gekleurd, met witte keel. Haar nest maakt zij in reten van muren van torens en andere hoogo gebouwen uit stroohahnen en dergelijke dingen. Zij vreet
si â â â $ /'
icW . ,
â
m
I '
m fe..
ilPI
:V ,1
!â : â 'â â O: â #â â â â â â â : 1: -
H ' â i
Zwuluwcii.
voorul muggen. (.)()!lt; de Sji Icinguuc ((loUovulm r^cnlciilu), dio door hare cetbari? nesten bokeiul gewordtui is, Ijelioort tot deze groep. Zij komt op de Soenda-eilaiulen voor, bouwt Imtif nest in do holen, die de zee in de steile rotsen aan de knst uitgevreten heeften gebruikt daartoe uitslniteii(i liaar taai, kleverig speeksel, dat tot eene half'doorzichtige, geelachtige massa verhardt. De bewoners van Java en andere eilanden verzamelen deze bijna ongenaakbare nesten met groote moeite en gevaar, zuiveren ze van de er aan klevende veeren en verzenden ze voornamelijk naar China, waar ze als lekkernij duur betaald worden.
De eigenlijke zwaluwen zijn de algcmeene lievelingen van het volk geworden. De lluiszwaluw (llirmulu urhica, Tab. 't Fig. S) voornamelijk in de steden en de 15 o e r e n z wa I u w {llirunild ruslicu, Tab. 5, Pig. 9) vooral op het land, hier en daar ook heide soorten gemeeuschappelijk, gelden bij hare aankomst in April ol -Mt-i als boden des zomers. Haar nestelen aan ol'binnen in het buis wordt bijna overal als een zinnebeeld van een vreedzaam, gelukkig familieleven gaarne gezien. De boerenzwaluw is door haren zeer diep uitgesneden, vorkvormigen staart gemakkelijk van de huiszwaluw te onderscheiden. Ook nestelt de eerste altijd binnen gebouwen, gewoonlijk tegen een balk aan ; haar nest is van boven open. terwijl dat van de huiszwaluw zich buitenshuis bevindt en eene kleine, ronde opening als vlieggat heeft, heide soorten voeren in den snavel slijk en natten leem aan, door-kneeden die stollen met haar kleverig speeksel en plakken klompjt.'s daarvan tegen elkander. Vooral de boerenzwaluw gebruikt daarbij ook stroo en haren. Met nest wordt ten slotte inwendig met haren of veertjes zacht bekleed. Terwijl het wijfje de witte eitjes bebroedt, zingt het mannetje in de nabijheid zjjti zacht, tjilpend lied. De hulpelooze jongen worden door de beide ouders onvermoeid met muggen, vliegen en andere kleine insecten gevoed. De ouden zjjn dan den gelteelen dag op de jacht : bij warm weer vervolgen zij de insecten hoog in de lucht, bij donkere, regenachtige lucht doorzoeken zij de scbnilplaatsen aan gebouwen en in het houtgewas, vliegen laag over den grond en over de oppervlakte van het water heen en grijpen zelfs insectenlarven uit het water. De zwaluwen behooren tot de beste en snelste vliegers onder de vogels; op don grond kunnen zij zich met hare korte pootjes iles te moeilijker bewegen. Ze broeden gewoonlijk tweemaal in den zomer, In September verzamelen zij zich tot groote scharen, houden eerst eeuige dagen vliegoefeningen, overnachten gemeenschappelijk op een groot dak en zijn op een goeden morgen plotseling verdwenen: ze hebben hun grooten tocht naar het verre Zuiden aanvaard. Na enkele dagen zijn ze do Middellandsclie zee gepasseerd en hebben Afrika bereikt; hier verblijven zij deels aan de Westkust, deels trekken ze langs den .Njjl, In t volgende voorjaar komen ze weer terug, meestal weer naar hare vroegere nesten. De Oeverzwaluw (Colylo W/wm«) graaft in leemige of zandige oeverwanden een I 'J M lange gang en maakt
Waunkk's Natiuu'Ujko Historie. lt;)
Het dioromiik. Vogels,
aan 't uitciuile daarvan Imar nest. In do Vorconigde Staten van Xnord-Amcrika sluit de P n r |( u rz w a I li w (l'rovitf jiurimreit) zich aan liij lt;l(^ meiiHcludjjko woningen en is daar de algeaiccne lieveling van 't volk geworden. De Ariel (C.hi'lidon Arii'l) neemt in Aastralië du plaats in onzer luiiszwalmv, haar leeinen nest is van een koker als ingang voorzien. De in Indié en ()ost-Afrika wonende Dra ad z \v a I u a\ Æ/7/Æ tau') onderscheidt zich door lt;le tot dunne draden
verlengde beide zij veereu van den staart.
Zangvogels.
De orde der zangvogels bevat kleine en raiddelgroote vogels, die meestal uitmunten door hunne luide, klankvolle stem en hun schoon gezang. I )e vleugels zijn van gemiddelde lengte, de snavel is kort en zwak priemvormig, recht of zwak gebogen, de hoven snavel aan heide zijden van een kleinen tand voorzien, die soms zeer onduidelijk is. Ze stemmen hierin met roofvogels overeen, dat zij meest strijdlustig van aard zjjn en dat sommige hunner behalve insecten ook kleinere vogels en kleine zoogdieren (muizen) aanvallen en opeten. Huitendieu eten ze ook bessen en andere vruchten, sommige zelfs zaden.
De hiertoe behoorende Vliegenvangers zijn kleine, weinig
schuwe vogels, die zich gaarne in de tuinen ophouden en daar nestelen. De Grauwe Vliegenvanger (M. ijrholu) is grauw en wit geteekend. Hij kiest zich gaarne de onderste takken van een boom als standplaats en geeft scherp acht op voorbijvliegende insecten, vooral vliegen en muggen. Komt er een in zijne nabijheid, dan schiet hij er in een boog op af en zelden grjjpt hij mis; spoedig keert hij nu naar zijne vorige plaats terug. Amerikaansche en Indische soorten zouden zelfs kleine vogels aanvallen. Onder de Amerikaansche is de Koningsvogel (V'/mu/m* iiilreiiidns) daardoor bekend geworden, dat hij op de brutaalste manier de sterkste roofvogels, zelfs arenden, aanvalt en zoolang verontrust, tot zij zich uit zijn gebied terugtrekken. De Waaierstaart-vliegenvanger (.1/, llahdlifera) uit Australië oefent de jacht op dezelfde wijze uit als onze inheemsche soorten. Hij zjjn aanval op insecten spreidt hij den niooieu waaierstaart uit en tuimelt daarbij niet zelden om, als sommige duiven. De aan de Kaap levende Ka indragende vliegenvanger (M. n-islnOi) bouwt een mooi, hangend nest uit fijne vezels in den vorm van een hoorn. â Nog meer dan de genoemde vertoonen de Klauwieren den roofvogelaard. De Klapekster of X e ge ml o od e r (I ,(iïii its ci'cu hitot\ lab..) Iquot; ig. Iquot;) neemt bij voorkeur zijne standplaats in dicht, doornig kreupelhout en gaat hier bij het
130
Zangvogels. -|;H
vangOM zijner prooi ovonals de \iic^cii\iiM^i'r te werk. Hij heeft de gewoonte zijn buit eerst ixiin do dorens to spietsen of tiissehen de tukken of s te enen vnst tt^ klonimon, om hom dan g'eniakk(djjkor te kunnon opi'ton. Zijne pooton zijn niet stevig genoeg om de prooi op gelijke wjj/e vnst te houden nis de roofvogels. Ilij stelt zieli niet tevreden met vliegen en kevers, mnnr ook kleine vogels, muizen en spitsmuizen vallen zijne moordlust ten prooi. Ilij bootst dikwijls de stommen van andere vogels zijner omgeving na. Grootore roofvogels, die in zijno nabijlieid komen, grijpt hjj onversaagd en zonder ophouden aan, en ofschoon hjj niet in staat is hun ernstig kwaad te doen. mnakt hij het hun zoo lastig, dat zij spoedig het veld ruimen, vooral ook omdat hjj door zijn geschreeuw alle andere vogels op hen opmerkzaam mnakt. De klnu-wieren zjju voor den landbouw eerder schadelijk dan nuttig te noemen.
De Zijdevogels vormen eene fiimilie. die haren naam dnnkt nan het zijdeachtig zuchte eu zeer levendig gekleurde gevederte. De Pestvogel {/ioinhijcHht i/arrulu) komt enkele malen, wanneer de strenge koude hem uit zjjne woonplaats iu het hooge noorden venlrijft.
in Middel-Europa aan. Zijn onreyehnntiquot;' vcrschij-
1 â ' r ig. «w. iMi'i-uigcvvci Kt; n»*si der uuuieimeeH.
uen werd vroeger als de voorbode der pest
beschouwd. Ilij onderscheidt zich van al onze vogels door de hoogroode hoornplaatjes aan de punt der vleugelpennen, (ianrnc vereenigt hij zich tot kleine gezelschappen, die zich meestal dicht bij elkaar op een tak neerzetten. Als lievelingsspijs gebruikt hij bessen van allerlei struiken, doch hjj vangt ook insecten op de wijze der vliegenvangers. Eene Noord-Amerikaansche soort wordt om haar smakeljjk \ leesch ijverig vervolgd.
Van de Siervogels zijn de Klipvogels (Uuineola) door hunne schitterende kleuren beroemd geworden. Eene oranjekleurige soort bewoont Uunvnnn (It. crocea), eene dergehjke Peru. Zo houden zich in de minst toegankelijke rotskloven schuil en doen een geluid hooren, dat gelijkt op het miauwen eener jonge kat. In den paartijd verzamelen zich de prachtige vogels op vnj gelegen rotsplateaus, zooals onze korhoenders op hunne paarplaatsen. Daar voeren de mannetjes wonderlijke dansen uit en ontplooien zjj hun gevederte in de grootste pracht, waarbij tie wijfjes als toeschouwsters fungeereu.
Hot (lierenrijk. Vogels,
De Mcozcii {l'iirit*) /.ijn een vroolijk bowco^lijk volU ji', dat zicli den heekMidaj;' in quot;t ii'chooiutc oj)hoiidt, in lt;!(â meest vei'schillcnde standen zieli aan de dunste twijgjes vastklemt en langs alle takken op- en nour klimt, waarbjj hot voonlurcnd tjilpten roept, ijverig zoekende naar verborgen inseeten, hunne eieren, larven en poppen. Nn en dan snoepen ze olierijke zaden of hessen. In de gevungenschap gedragen ze ziek tegenover zwakkere vogels dikwijls afschuweljjk, daar zjj ze plotseling overvallen en hnn oogen en hersenen uitpikken. Toeh heliooren zij tot onze nuttigste vogeltjes, die het geheele jaar als zwerfvogels hier blijven en beter dan eenig ander dier het houtgewas van insecten weten te zuiveren. In loof hout treft men vooral de groote Koolmees (P. major Tab. 5, Fig. II) en de Blauwmees of rimpelmees (/' cocruhnis) aan, beide levendig geel. zwart, wit, grijs en lilanwaebtig geteekend. Dennen worden door de kleine Zwarte mees (/'. nier) bewoond. Deze soorten nestelen in bolle hoornen of andere holten. De Staart mees (/'. candol/ioi), het 15 a a r d in a n n o t j e (/'. hiaruiicus) en de Duidelmees (/'. pciidKlinus), welke laatste niet in ons land voorkomt, zijn daarentegen beroemd als hoogst bekwame nestbouwers. De buidelmees maakt een vast, dicht, buidelvormig nest van vilt, uit de zaadwol van wolgras, wilgen enz. vervaardigd. Het is 15 'JO cM lang en jO âllJ e.M breed, eindigt in een hals als eene Hesch, wier mond don ingang vormt t'ii wordt aan een rietstengel vrij opgehangen. De staartniees bewerkt haar nest uit mos en wol, bindt deze stollen met spinmgdraden en rupsenspinsel aan elkander, bekleedt het uitwendig met korstmossen en verbergt bet in eene vorkvorniige vertakking. Het is bolvormig, zijdelings van een klein vlieggat voorzien en kost het. paartje minstens li weken ingespannen arbeid. Eeu dergelijk kunstwerk is ook het nest van het Goudhaantje (Iteyulu* crocoaiphalm), bet kleinste onzer vogeltjes, dat slechts !) cM lang is. liet komt voornamelijk in dennenbosschen voor en is als insectenetende zwerfvogel zeer nuttig voor de boomcultuur.
Tot de eigenlijke Zangers moet in de eerste plaats de Nachtegaal (Sylviit l/nscinia, Tab. 5 Fig. 12) gerekend worden. Einde April komt hij uit zijn winterverblijf in Noord-Afrika weer bij ons aan en begint dadelijk met den bouw van zijn nest. Dit is komvormig, wordt uit grashalmen, dorre bladeren, wortelvezels, haren enz. geweven en laag hij den grond in het struikgewas tus-schen gras en bladeren verscholen. Het wijfje bebroedt de 4 a. â¢gt; grijsgroene eitjes afwisselend met het mannetje. In dezen tijd, van half Mei tot half â luni, zingt het laatste bijzonder fraai en soms den heelen nacht door. De jongen worden met miereneieren, wormpjes en insectenlarven gevoed. Ook de ouden voeden zich met insecten, die ze op den bodem zoeken; in den herfst eten ze ook hessen. Zij zijn weinig schuw en laten zich daarom al te gemakkelijk vangen, iets wat trouwens in de meeste lauden wettelijk streng verboden is. De
Z;ingvo}jrols.
in Oost'Europa Mlgonicoii voorkonuMido naclih'ganl (Si/lrin I^nloniekf) is iets grootoi' en krachtigor dan do onze en boven aan de horst wolkachtig gevlekt. Als kamurvogel is het Roodborstje (Sylvia ntlnroht, Tab. .quot;i Fig, I.')) zeer bomind. liet valt in loofbossehen op door zijne roestroode keel en borst, zijn fraai gezang en zijne zeer vertrouwelijke geaardheid, liet vreet, evenals vele soorten van dit gcalaeht, insecten en hnnne larven, slakken en wormen, tegen het najaar ook sappige vruchten en is tegenover andere vogels zeer onverdraagzaam. Sommige roodborstjes blijven hier quot;s winters over. Zeldzamer, maar ook fraaier gekleurd, is het 1! I au w borst je (.S. smTirn); bij liet mannetje is de keel prachtig lilauw met eene witte vlek en zwarten rand. In tuinen, ja zelfs in gebouwen, nestelen onze heide inlandsche liood staartjes graag, n.1. het Gewone rood staartje (S. ithoeuihmi*) en het Zwarte roodstaartje (S'. lilhi/s, Tab. 5 Fig. li). Van de talrijke inlandsche Gras-musschen noemen wij slechts de Zwartkop (S, alricaiiilld), die door zijn fraai gezang uitmunt; hjj dankt zijn naam aan het zwarte voorhoofd hij het mannetje, dat als meteen kapje bedekt is. Buitendien komen hier nog talrijke I! osc h z a n-gers en Uietzangers voor. Van de intlieemsche zangers noemen wij den Oyste n-za nger (S, cixlicoln)
in Znid-l']nropa, die beroemd is door
. . . .. .... Fig. 71. lift wint'rkoninkjr m«'t jonden vóór het iii'st.
iu^ kunstige wijze, waarop hij net-
bladeren met zijn snavel doorboort en met plantenvezels aan elkander naait. Hij vertoont daardoor duidelijk zijne verwantschap met de Suijdervogels (N. in Oost-Indië, die boombladeren aan elkander voegen, om in de zoo gevormde holte hun nest uit zaadwol te houwen. Zuid-Afrika bezit ook meerdere hiertoe beboerende vogelsoorten, die uitmunten door hunne kunstvaardigheid bij het bouwen der nestjes. Als een der kleinste zangers hebben wjj het Winterkoninkje (TroyloilyUm iiarvidiis, Tab, 5 Kig. 15) te noemen, dat het heele jaar door in heggen, tuinen en kreupelhout zijn overmoedigen. vroolijken aard vertoont, liet is dadelijk te herkennen aan zjjn bijna loodrecht opgericht staartje en sluipt door de takken met de behendigheid eener muis. Ook dit vogeltje bouwt een kunstig en in verhouding tot zijne grootte zeer ruim nest, dat soms uit inosstengeltjes bestaat, die tot een dicht vilt verwerkt zijn. en bolvormig is. liet winterkoninkje laat zelfs midden in den winter zjjn vrooljjk lied klinken. Op een steenigen bodem, heidevlakten en andere woeste gronden zijn de Tapuiten (tituwolu) de
Hot dierenrijk. Vopeis.
vervolgers van de inscctcn. Aan do oevers van beken, vijvers on rivieren lioiulen de sierlijke K wikstaarten (Motiicilld) /icli op, lri|gt;pe!en met flinke passen en steeds met den langen staart wippend, ook achter den ploegenden landman voort en vangen muggen. vliegen en andere insecten. Hun gezang is van weinig lieteekenis. /jj lieliooren tot de trekvogels : niei zelden lilijti de \V i t te k w i k-staart (.1/. (ilh(t) quot;s winters hier over.
De Lijst e r s zjjn iets grooter dan de zangers; de hier voorkomende soorten vertonnen evenals deze sleehls weinig in 't oog loopende kleuren en voeden zich met insecten of met sappige vruchten (hessen, kersen), naargelang van het jaargetijde. Van de eigenhjjke lijsters komt de /anglijster (Timhts t}iusiciis. Tali..') lquot;ig. I(i) tamelijk vroeg in het voorjaar hij diis aan en verhlijdl ons met haar fraai, fluitend gezang, dut mee tot de schoonste gezangen onzer inheemsche vogelwereld behoort, liet is een levendige vogel van lli cM lengte, op den rug hrninachtig, aan den buik lichtgrijs met donkere strepen. Tegenover andere vogels gedraagt zij zich, als alle lijsters, driftig en twistziek. Haar nest bouwt zij dicht liij den grond en verdeelde spaanders van vermolmd hout, die met haar speeksel zoo zijn saniengelijmd, dat het waterdicht is.
Om haar gezang is ook de Merel (Timht* inrnihi, Tab. 5 Pig. 17)
bemind. Het mannetje is geheel zwart, met een goudgelen snavel.
Zeer veel gevangen worden Kramsvogels (7'. [jilaris). Zij bewonen in den zomer de noordelijkste streken van ons werelddeel, waar ze ook broeden, komen iu October en \ovem-berop den trek naar het Zuiden bieren voeden zich met de hessen onzer bos-schen. Alle lijsters zijn voor de hout-teelt en den landbouw hoogst nuttige vogels, daar zij niet alleen vele
Zangvogels.
scliiak'lijke insoctcii vordelgon, mnar ook de zaden der bossen verspreiden, die zij uitspuwen, waardoor zij veel liijdragen tot liet opkomen A'an onderliout in bossohen. De schade, die ze doen door liet eten van kersen, is in vergelijking met du diensten, die ze ons bewijzen, van weinig beteekenis. Van de nitliuemschc lijsters is liet meest bekend de Xoord-Aincnkaansehe Spotvogel ( /'.
en wel door zijne bekwaamlieid in liet nabootsen van allerlei klanken. Hij wordt in zijn vaderland veel als kaïnorvogel gehouden en verselial't als zoodanig veel genoegen. Zijn eigen gezang is heel fraai, dorh midden in eene strophe onderbreekt hij zich, om zjjn meester na te bootsen als dii' zijn jaelithond Huif. onniiddelhjk daarna schreeuwt hij als een angstig hoen en brengt den geheelen hoenderhof in opschnddiiig, hierop zingt hij als een dor daar voorkomende zangers, kraait daartussclien als een liaan of bootst voor afwisseling het knarsen van een kruiwagenrad na. /jijn nest en zjjne jongen verdedigt hij niet do grootstij onversaagdheid ; schreeuwend en krijschend vliegt hij zolfs op lionden en katten al', die zich in de nabijheid van zijn nest vertoonen en het zou hem zelfs niet zelden gelukken de zwarte slang (Colibor constrict or), die de nestvogels vervolgt, door vleugelslagen en pikken met den snavel te verjagen en zelfs te doodon. In Oost-lndië komt de Timalea (Timalm iiilcata) voor, waarvan hot gezang bestaat uit eene herhaling der 5 eerste tonen der toonladder (c. lt;t. c. /. ;/). Zij voedt zich voornamelijk met mieren. De AVa t or spr e eu w {(lindm mimticm) gelijkt eonigszins op de lijsters. Hij is donker van kleur, maakt ijverig jacht op waterinsecten, zelfs op kleine visehjes, zwemt en duikt uitstekend en blijft zelfs in den winter bij ons. steeds in de nabijheid van het water op plaatsen waar dit niet dichtvriest.
Australië bezit in den Liervogel {Mi'iiiirn xxitcrba, Tab. .gt; Fig. IS) een even prachtigen als vreemden vogel. Iljj bereikt de grootte van een fazant, hot mannetje bezit daarhjj een langen staart, die do gedaante eoner lier heeft. Ilij is buitengewoon schuw en houdt zich in do voor den mensch nauwelijks toegankelijke kloven in de gebergten van Nieuw-Zuid-Wales op. Iljj vliegt bijna nooit, hoogstens dat bjj bij een verdacht geluid een hoogen sprong over hot struikgewas hoen doet, om naar den onbekenden vijand om te zien. Jagers trachten hem soms onder schol te krijgen door hem met boliden te vervolgen en licm op de onderste takken van een boom te jagen: zij lokken hom ook wol daarmee, dat zo den staart van een vroeger godoodon liorvogol op den hoed binden. De liervogel bootst evenals de spotvogel den zang van andere vogels in de omgeving, hot gehuil des wildon dingo's en andere geluiden na; zjjn eigen gezang is ook niet onaangenaam.
Hot dioioni'ijk. Vogels
Krakers.
I )i' Krakers zijn vcrstninli'lijU /eer lic^iatdc, ^'('/.clli^ levende vogels mef een gedrongen gebouwd lielianm. korte, kraeldige pooten, vleugels vim gemiddelde lengte, een dikken kop inet haakvormig gehogen of'kegelvomiigen snavel. I Iet gevodorte is veelal fraai en levendig gekleurd, do spiennaag dikwandig, g(;seliikt voor hel verteren van hard voedsel. Plantaardige stoffen vormen liet voornaamste voedsel en wol voomaineljjk vaste korrels (vriieliteii en zaden); zelden wordt ook dierlijk voedsel gegeten. Mannetje en wijfje blijven het geheclo leven bij elkander.
I'aiic^iiaicn.
De orde der Papegaaien is oven rjjk aan soorüni als deze vogels belangwekkend zijn om hunne eigenaardigheden. \ ele deskundigen stollen ze om limine leerzaamboitl en andere voortreflelijke eigenseliajipen als de hoogst ontwikkelde groei) aan het hoofd aller vogels en velgelijken ze met de apen, waarmee ze werkelijk veel overeenkomst vortoonen. Do snavel is buitengewoon groot en dik, do bovensnavel iets heweegljjk: daarbij is hij hard en bij de meeste soorten krachtig genoeg om bont met gemak door te bijten on harde noten te kraken. Mij wordt door den vogel bij het klauteren als een derde poot gebezigd. Van don andoren kant plegen de papegaaien de voeten a. h. w. als banden te gebruiken; ze vatten er de spijzen mee aan en brengen zo er mee naar den bek. Do papegaaien leven bijna uitsluitend in de heete gewesten, houden zieli gewoonlijk in zwermen op on wijken in grootte en kleur, die meestal prachtig is, zeer van elkander af. Doeehte Papegaaien (I'silliicm) behooron in Zuid-Amerika en Afrika thuis. In Afrika leeft do grijs-bevederde, van een rooden staart voorziene Jako (I'sl/hicn* crilhucu*. Tab. (i Mg. I), dien men gaarne, wegens de gemakkelijkheid, waarmee hij leert praten, in kooien houdt. Men vindt trouwens van dezelfde soort slimme en domme vogels; zulke, die hcelemaal niets loeren en andere, die biiitengowoon leerzaam zijn. Men verhaalt van enkele dezer dieren voorbeelden, waaruit sehjjnt te blijken, dat ze, ten minste tot op zekere hoogte, begrip hebben van den zin der gesproken woorden. Gewoonlijk worden zij en ook andere papegaaien door matrozen ineegobraclit, die hunne eerste leermeesters zijn. Do groep dor G r o e n p a p e ga a i en, waartoe de Amazone-papegaai [Chrjisotin amnzoiiicns) behoort, is voornamelijk groen gekleurd, doch vele soorten zijn ook mot bjjna allo andere kleuren plaatseljjk versierd. De Dwergpapega aien {Puiltanila) zijn de kleinste dor familie en
Papegaaien.
I'M
{ivcnzoo vooi'iianiolijk groen van kleur. De in ürazilië inliocinsrlic gewone somt, (l'. itasserhia), hoeft de grootte eeuor nuiscli, eene soort van Nii.'u\v-('uineii is nog kleiner (/'. itygnmea), Of'selioou i)jj alle papegaaien ilo paartjes zeer aan elkander gehecht zijn, bereikt het innige, teedere samenleven zijn toppunt hij de kleinere soorten. Heide echtgenooten zitten steeds dicht hij elkander; als het eene diertje vreet, doet het andere dit ook; slaapt het eene, dan slaapt ook het andere; is het eene ziek, dan wordt het door het andere verpleegd: sterft er een van, dan volgt ook het andere hem gewoonljjk spoedig in den dood. ten minste als hem niet spoedig een ander echtgenoot gegeven wordt. Dezelfde teederheid. waarmee de papegaaien elkander bejegenen, vertoonen ze ook bij de verpleging hunner aanvankelijk zeer leehjke jongen; zij nemen zelfs de jongen van andere vogels aan, zoo deze verlaten zijn. Men kent een geval, dat een tamme papegaai de jongen van een paar vinken opkweekte. De meeste papegaaien voeden zich met boomvruchten, knoppen, jonge bladeren enz. De in Indië en Australië voorkomende Lori's en Lorikots (Loriiis) eten het honigsap der bloemen, dat zij met hunne penseelvonnig verdeelde tong oplikken. Zij trekken van de eene bloem naar de andere, bewegen zich in de takken op dezelfde wijze als onze meezeil en zez.ijn daarbij zoo weinig schuw, dat een jager er meerdere na elkander kan doodschieten. De evenzoo iu Australië en op de naburige eilanden voorkomende Ka ka toe s (Caaidiki) voeden zich voornamelijk met korrels en worden wegens de verwoestingen, die zij in de graanvelden aanrichten, door den landbouwer zeer gehaat. De groote Ueclkuif-Ka katoes {tjideriliix, Tab. (i Fig. 2) met hun schoon, zuiver wit gevederte worden door de planters zeer ijverig vervolgd, wanneer zij in dichte zwermen op de tarwe- of maïsvelden neerstrijken. Deze zwermen, soms uit duizenden samengesteld, brengen den nacht door in de dichte kronen der hoogste boonien van 't hosch en vliegen 's morgeus onder afschuwelijk geschreeuw uit, om voedsel te zoeken. Ze graven ook knollen en kleine bollen (uien) niet behulp van den kraebtigen snavel uit den grond. Door het zeer teeder klinkende woord âkakatoe quot; drukt de vogel zijne behagelijke geinnedstem-ming uit en doet zich dan zeer beminnelijk voor. Mene beleediging, die hij ondervund, vergeet hij evenwel nooit, maar zelfs na langoren tijd zoekt hij zich nog op gevoelige wjjze te wreken. De ka ka toe's nestelen gemeenschappolijk en kiezen als nestplaats holen in rotsen of boomeu. De in Australië voorkomoiule Inka-kakatoo (Cacmhin Laulhente.ri) heeft eene prachtige kuif, die opgericht aan den grond vuurrood, iu 't midden geel en aan den top wit is. De Moluk-ken-kakatoe (Plisnoloitlni* iiwlticccnsis, Tab. li hig. ^i) onderscheidt zich door zijn wit gevederte met bleekrooden schijn en zijne menieroode kuif. De Ne us-kakatoe (Uinneliti nmi-i-ux) dankt zjjn naam aan den zeer verlengden en hoogst beweeglijken bovensnavel, die hem voortretfehjke diensten bewijst bij het
lift (liercurijk. Voguls.
uitgraven dor knollen van Urdmlecrii en nndcii' gewassen. De bontlievedeide Nestor {Xcstur prodiicii(fi) wordt slochts op liet kleine Filipseiland, dielit Inj Norfolk, aangetroffen en voedt zieli ook voornameljjk met uitgegraven wortels. De lïaat'-kakatoe {('(ilyiiturhyitcliKs Haithsii) is /wart. De S lurf'papegaai (Mifrotjluxtiiitt (itvri'inin*) of' ('a sinalos van Xieuw-Cruinea is met uitzondering van het roode aangezielit gelijkmatig diepzwart gekleurd, hij is een der grootste papegaaien. Zijne tamelijk lange, vlee/.ige tong is van boven uitgehold, aan de punt afgeplat en wordt door den vogel als een lepel gehrnikt, om er de zaden mee op te nemen uil de gekraakte vruchtsehalen. Op Xieuw-Zeeland leeft de zonderlinge Ivakajio [SIriijKjis Itabrdiilihi»), dien men, omdat hij voornamelijk eene naehtelijke levenswijze leidt, ook Xaehtpapegaai genoemd heeft. Hij woont in aardholen of' onder boomwortels, loopt evenals een hoen bijna altijd op den grond en bedient zich slechts zelden van zijne vleugels. De groep der Ara's onderscheidt zich door een langen staart en do levendige kleuren van het gevederte. De gewone roode Ara (.Iivi Macao, Tab. (i Fig, 4) bewoont Brazilië en valt daar ook soms in groote zwermen, alles vernietigend, in tuinen en velden. Heeft de jager enkele dezer vogels gewond, dan keeren do overige gewoonlijk kort daarna tot de gevallenen terug, als wilden ze trachten hen bij te staan. Daardoor wordt het mogelijk een hooien zwerm te doodon. Als nestplaats kiezen de Ara's evenals de meeste papegaaien holten in boomeu, die zij zoo noodig met den snavel verwjjden. Hij het zitten op de eieren steekt dikwijls de lange staart uit het vlieggat en verraadt den vogel. De Indianen nemen graag jonge papegaaien uit de nesten, voeden zo in Inume hutton op en gewennen ze aan het in- en uitvliegen, op de wijze onzer hoenders en duiven, /ij nuttigen hun vleeseli, ofschoon dil bij vele soorten wel hard is. Ken heel blauw kleed draagt de eehtc A r ara u n a (.lm liiinciiilhinaf, Tab. li Kig. 'gt;), die in Brazilië voorkomt, l'raclitig gekleurd zijn de in Australië iuheeinsche Pa ra kloten (l'laliccrcax)-, zjj spelen daar op wegen, in do nabijheid der hoeven en. helaas, ook op de graanvelden de rol onzer musschen en worden daarom als deze vervolgd. Daarentegen worden jaarlijks hdiiderden van do alleraardigste U oI fpa pegaai en {Mclnijsitldciix inalalalits') van daar bij ons ingevoerd en in kooien en volières gelioudoii, daar zjj gemakkelijk met gierst te voeden en tot voortplanting te brengen zijn. Men kent voorbeelden van papegaaien, dit' moer dan U) jaren in de gevangenschap geleefd hebben en meent, dat sommige zelfs tot 100 jaren oud kunnen worden.
Vinken. 130
Vinken.
Do orde dor Vinken of' M nsoliucIitipc vogels bevat kleine vogels van de gvrlnantu on/.or inuscli mot korten kegel vorm igon, zeldon liaakvonnig gelitigen of' zolt's gekrnisten snavel. Ilnn goveilerte is gewoonlijk eenvoudig gekleurd en zonder nietaalglans. Zij zijn zeer gezellig en voeden zieli mol allerlei zaden, doeh ook met insecten. Do meeste vinken hehlien eene Initio stem. vele zingen zelfs zoor mooi; lijj alle soorten loven steeds mannetje en wijfje Idijvend lijj elkander.
Als een der aangenaamste zangers is de Veldleeuwerik (Almulu urrfnsm) bekend. Zeer vroeg in bet voorjaar koeren deze vogels in ons land terug, na den winter in de landen om de Middeilandselie zee te hebben doorgebraeht. In een kuiltje op bet veld bonwen zij lum nest. broeden tweemaal gt; jaarsen kunnen in één zomer 8 10 jongen opvoeden, die zij met inseeten grootbrengen. In den herfst zoeken zij zaadkorrels op den bodem en eten voor afwisseling ook teero. groene bladeren. Zij verziimelen zich dan tot duizenden, die gemeonsehappoliik op den grond zittend overnachten. Vogelaars spannen 's nachts lange netten over do rustende vogels en brengen de gedoode diertjes tor markt. In ons land en in Duitsehland worden er jaarljjks millioenen gegeten. Niet alleen om liet prachtig gezang, dat zij. in eene spiraallijn hoog in de lucht sijjgond. doen hooren. verdio-nen zij beschermd te worden, maar ook omdat zij voor den landbouw bepaald nuttig zijn. al brengen zo ook eonig nadeel te weeg door het eten van zaden. Nog fraaier is het gezang van den Ito o m I ee u wo r i k i t. cr'/e/wf). die mimlor talrijk voorkomt, en voornamelijk do heide bewoont. D(! aan zijne kuif te herkennen Kuifleeuwerik (.1. criMcila, Tab. (i big. li), beeft zich vooral bemind weten te maken door zijne vertrouwelijkbeid, wanneer hij s winters in de nabijheid van do woningen der meiiscbeu voedsel zoekt. Dit doet ook de (ioelgors (Kmberiza citrinclla, Tab. li Kig. 7), die door hare goudgele kleur aan don kanarievogel herinnert. Do (J ran we gors (K. mitilarid) en de IJ ietgors nchocnirluK) zijn minder in 't oogloopend gekleurd. Om hun smakelijk vlecsch worden vooral in Zuid-Europa, in ons land ook wol in Xoord-lJrabant, ile Ortolanen (/â¢.'. horlulana) op den trek gevangen. Zjj worden dan met gierst vetgemest cu als lekkernij gegeten of verzonden. In de kersen-boomgaarden maakt ziek de Appolvink of Dik bok (Coccothraiixte* vnhjari*) zeer gehaat, omdat hij het vlecsch van de kersen verwijdert om de pitten op te eten; den steen weet bij met zijn krachtigen bek in de spljjtvlakte te kraken. Hij komt in ons land slechts weinig voor, vooral in Gelderland en Drenthe. Verwant daarmee is de Zuid-Amerikaansche Kardinaal (l'nrouriu dom'uiicana). Zijn gevedertc is op tie rugzijde fraai donkergrijs, aan den buik wit, aan den kop prachtig bloedrood
Het dierourijk. Vogels.
140
gekleurd. Evenzoo de in Chili zeer gehate li a rit a (I'lujlolonia ram), die met zijn zaagvormig ingesneden snavel gaarne de jonge scheuten der planten aan den grond afsnijdt en daardoor veel meer vernielt dan hij als voedsel gebruikt. De S i e r - T a n a g r a (TaiKdjra ornata) van Brazilië behoort tot de prachtigste vinken, liet gevederte van lief mannetje is in den panrt jjd helder schariakeni'ood; vleugels en staart zijn diepzwart. De in hetzelfde land levende Organist (Kuigt;houc violaeeu) dankt zijn naam aan de heerlijke tonen, die hij voortbrengt en die met de opvolgende tonen van de toonladder overeenkuinen. ()ok Middel-Afrika bezit talrijke prachtvinken, zoo den naar zijn bree-den, karmijnrooden halsband genaamden Halsband vi nk {A))iadina faaciala), den Ekstervink {tgt;iwtne4e* cucnllutu) en vele andere. De eigenlijke Vinken zijn als uitstekende zangers en vroolijke, opgewekte vogels algemeene lievelingen van 't volk geworden. De Vink of Boekvink (Friidjilla codebu, Tab. lt;i Fig. .S) is tegenover hare soortgenooten zoo onverdraagzaam en ijverzuchtig, dat men van de laatste eigenschap gebruik maakt, om ze te vangen. Ken tam vinkenpaar moet de wilde lokken, waardoor deze in de nabijheid der lijmstokken komen, die hen viisthoudcn. of wel ze worden in slagnetten van groote verscheidenheid gevangen. De verpleging van vinken met inooien ..slagquot; is zelfs in vele streken, b.v. in Thuringen, eene ware hartstocht geworden. !)(,⢠boekvink is een trekvogel, ofschoon er ook 's winters overbljjven. Hij voedt zich voornaincljjk met zaden, die hij op den grond vindt, en brengt daardoor schade te weeg, vooral de trekvinken in 't najaar, la het voorjaar voeden de vinken zich ook met insecten en de jongen brengen zij er uitsluitend mee groot. In de boomgaarden zijn ze dan ook bepaald nuttig. De Keep of Berg vink (7'. Motitifriiiyitl'i) komt 's winters op den trek hierheen, doch is evenals de Sneeuw vink [MuntifriiiijiUu nivalis) bewoner van het hoogo Noorden van Europa en Azië. De Kanarievogel {l'rimjil/a canaria), zoo algemeen als kamervogel gehouden, stamt van de ('atiarische eilanden af en werd in de -15e eeuw door de l'ortngeezen in Europa ingevoerd. De wilde vogel heeft een groenaclitigen rug, asehgrauwe vleugels en goudgelen buik. Vooral in den Bovonharts worden er duizenden gefokt, om ze te verzenden, zelfs naar Amerika en Rusland. De Hijst,vogel (/lt;'. onjzicoru, Tab. (i Kig. 9) wordt wel is waar om zijn rose en heldergrjjs gevederte (de snavel is karmijnrood), ook hier te lande gehouden, doch wordt in zijn vaderland Oost-Indië zeer gehaat, omdat hij er de rijstvelden deerlijk plundert. Ken zeer goede zanger is de Kneu of 11 en nep vink (/â¢', cannahina), die haar nest gaarne in laag houtgewas, zelfs in tuinen bouwt, en in zachte winters als stand vogel hier blijft. Zij is kaueelbruin, het mannetje heeft in 't voorjaar eene bloedroode borst. Nog vroolijker en opgewekter is het eeuwig beweeglijke Sijsje (Friinjilla liet hoort eigenlijk in 't .Noorden en Oosten van Europa te huis, nestelt bij ons zelden, doch komt
Vinküii.
liier 's winfti's veelvuldig in ^(«elseluipjjon voor. '/jij /.werven dun rond. voeden zich liefst met de zaden vnii elzen en berken en doen dns geen kwaad, liet is bekend, dat bet vogeltje in de kooi versebillende kunststukjes kan leeren, b.v. zjjn voedsel ot' water in een wagentje ot'een enmiertje naar y.ieb toe te balen enz. liet 15 ra in s ij s j e of' Paapje linnriti), met kai'inijnroode kleur, leidt dezelfde levenswijze als liet sjjsje, doch komt bier 's winters minder voor. De Distelvink of l'utter (/*'. curduclk. Tab. (i Pig. 10) broedt bier vrij algemeen in loofhout en tuinen; zijn nest gelijkt op dat van den vink. Hij is de bontste onder de inbeemscbe vinken en wordt ook als kamervogel gebonden, 's Winters bewoont liij /iiiid-Kuropa. De (loudvink (l'firrlmlii cKlt/itri*, Tab. (i Pig. II) met lioldergniuwen rug, zwarte kruin en roodo borst is iets grooter dan de vorige. Zijne vertrou wel ij k lioid brengt hem lieht iu gevangenschap, zijne tluitende stem en zijn goed muzikaal geheugen stellen hem in staat melodieën te leeren, die hem worden voorgespeeld. Hoewel de goudvinken en hunne jongen uitsluitend zaadeters en dus schadelijk zijn, komen de aardige vogels te weinig voor, dan dat men ze ter wille van (bui landbouw of de boschteelt zou moeten uitroeien. Verwant met den goudvink zijn de wjjnroode llaakvinken (Pinicola Kmicleidor), de levendig karmjjnroode K a rm jj nv i n k e n (lïriillirolnrn.r friilhriniis) en de bijna evenzoo gekleurde Rozen vink (Aquot;, rosrn*), die het noorden der oude werelden de zeer fraai, grijs en rood gevederde 'Woest jj ntrompetters {Jlmnnnlesyilliit-ijinrKK), die de oasen der groote Afrikaanscbe woestijn bewonen. I!ij deze zangers sluiten zich onze Mnsschen aan. De liing- ofVeldmusch ii'i-hijillit nionlaiui), die als standvogel de randen van loof bosschen, tuingaarden, weiland en bouwland bewoont, haar nest in holle booinen of in struiken bouwt en na den broedtijd in groote troepen voorkomt, is zeer schadelijk, daar zij zich liefst met graan (tarwe) voedt en ook de jongen met onrijpe graankorrels naast insecten groot-brengt. De Huis m u s c h ilornexticd, Tab. 8 Pig.
12), komt bijna uitsluitend in de nabijheid der menscbeljjke woningen voor, in alle streken waar graanbouw wordt uitgeoefend. Zij voedt zich met graan en andere zaden.
jonge erwtjes, kersen en kiemende planten, waardoor zij veel schade te weeg brengt. Hare jongen
141
If'-t diereniijk. Vogols,
(intiestiil :t ina;il i -7 stuks), voedt; zjj voornamelijk met insecten, waardoor zij eenig- nut sticht. Wivar zij veel voorkomen weegt evenwel het voordeel niet op tegen lier groote nadeel, dat zij op bouwland, in tuinen en kersenhooingaarden veroorzaakt. De brutale wjjze, waarop zij tegen andere vogels en tegen den niensch optreedt, hare onverdniagzaainheid en slimheid zijn genoegzaam bekend. Van de inlieemsche vinken noemen wij nog de Kruisbekken (Lo.ria ci(rvirostru), de papegaaien van het Noorden. Hunne groote snavels, wier punten elkander kruisen, zijn er geheel op ingericht om de harde schuhben der tlcnnenkegels van elkander te brengen, ten einde er de zaden met de tong tussehen uit te halen. Zij houden zich in streken op, waar zij rijkeljjk voodsel vinden, blijven het geheele jaar hier en broeden hunne eieren zelfs in den winter uit, daar in dien tijd de zaden der
naaldboomen rijp zjjn. â Onder de nit-heemsche vogels dezer groep zjjn vooral de kleine op vinken gelijkende Wevervogels door hun nesthouw interessant. De Grezcllige wevervogel (l'locrus sociits), licwoonl zuidelijk Afrika en komt in scliareu van liunderden voor. Deze scbaren zoeken een gesehikten boom als nestjilaats uit, maken daarop een vlakge-wolfd dak van grashalmen tot beschutting tegen den regen, en ieder paartje af-zonderljjk hangt dan zijn nest aan de enderzijde van dit dak. De in dezelfde streken levende M a b a 1 i - w v o r s (I'. Mnhali), omhullen hun zakvormig nest, ter beschutting tegen de boomslangen met stijve graswortels en de in Oost-Indië voorkomende N el i c u r vi-we ver (/'. jiciixilis) hangt het zijue aan den toj) eener dunne twijg boven bet water op,
Kunravlili^t'ii,
Deze orde bevat vogels, die meestal grooter zjjn dan die der vorige groep, een grooten, stevigen, eveneens kegelvormigen snavel en tamelijk lange, krachtige wamhdpooten bezitten. Aan hun gevederte is zwart de hoofdkleur: dikwijls ver-toonen zjj een prachtigen metaalglans. Verstandelijk zjjn deze vogels meestal hoog begaafd.
HaafVhtigroii.
De liici'toc bchooi'cnde Spree uwen bezitten een betrekkelijk langen, dunnen, rechten snavel. De (fewone spreeuw (Slii-rmix viilijari», lab. lt;i Fig'. '1 â¢!) is. als al zijne verwanten, een zeer gezellige vogel. Soms keert hjj reeds in Februari weer tot ons terug, leeft dan paarsgewijze tot de jongen zijn groot gebracht en kiest als nestplaats gaten in boomen en zeer gaarne zelfs kunstmatige vogelnestjes (spreeuwepotteu), die men tegen den muur of tegen een boomstam in de nabijheid der woningen ophangt. Zoodra de jongen voor zichzelf kunnen zorgen, vereenigen zich de spreeuwen uit eene streek bjj duizenden tot groote zwermen. Deze bezoeken weilanden en velden, om er zich aan inseeten, wormen en slakken te goed te doen. en 's avonds wordt de gemeen-schappelijke slaapplaats betrokken, waartoe zij gaarne het dichte riet of kreupelhout in de uabijheid van hot water kiezen. Hier worden zij 's nachts soms bjj honderden gevangen om gegeten te worden. Ofschoon zij in tuinen kwaad doen door het uittrekken van plantjes, liet opvreten van jonge erwtjes en kersen, en vooral in kersen-boomgaarden door liet moven van vruchten zelfs zeer groote schade kunnen aanbrengen, zijn het. zonder twijfel hoogst nuttige vogels, die onze bescherming verdienen. Te meer, danr zij door hun aangenaam gezang, hunne opgewekte en vroolijke natuur veel levendigheid en gezelligheid in onze omgeving aanbrengen. Zij kunnen melodieën en soms zelfs woorden leeren nabootsen. De A m e ri ka a use he Koevogel (/(Vwi/n /«'CoWs), die evenzoo in scharen bijeen leeft, laat op de wijze van den koekoek de zorg voor zijne nakomelingschap over aan andere kleine vogels. Het wijfje legt haar ei in het nest van vliegenvangers en andere insecteneters en laat het door deze uitbroeden. Afrika bezit eenige soorten van M aden hakk e rs (1lnigt;1itiya), die de ruggen der bufl'els van bremsen-maden bevrijden en die daarom door de plompe, dikhuidige beesten gaarne worden geduld. Vele raafaehtige vogels munten uit door bijzondere leerzaamheid en door hunne zucht om zich meester te maken van allerlei hlinkende eu heldergekleurde dingen. Zoo maakt b.v. de Australisch e a t la s voge I {l'HloiKirlojiichus wici'm) in bet kreupelhout gewelfde gangen of galerijen, die hij uit takken samenstelt en wier bodem hij met steentjes, beenderen, schelpen enz. belegt. Aan het eind van zoo eene gang maakt hjj eene ronde verwijding, die hij met gekleurde veeren versiert, zonder ze als nest te gebruiken De Oost-Indische en Japansche Mi no (Kuhihc* indicm) is zwart met een paar gele buidlapjes aan den kop. Deze onoogelijke vogel heeft het vermogen woorden verrassend goed na te praten. Dit is ook het geval met de Australische PI uit kraai (Barila Tilnccn), die daar als huisvogel gehouden wordt, zooals verschillende raafachtige vogels hier, als de raaf, de kauw, de ekster en de notenkraker. De grootste en krachtigste onzer raaf-aebtigen is zonder twijfel de Haaf ('.'wws f.'omc), die zich niet ontziet groote roofvogels aan te vallen en zich jegens zwakkere dieren soms als moordenaar en
Hot. dieionrijk. Vogels.
quot;â ruw/.amu tiran gedraagt. Iljj Ici'f't in bosschen, houwt zjjn nest in liooge boomen, voedt zich vooral intst het vleosch van allerlei dieren, valt soms zelfs lammeren en zieke schapen aan, en vreet ook krengen, welke zijn fijne reuk hem reeds uit de verte verraadt. Hij is voor het wild en het pluimgedierte zeer schadelijk ; door het verdolgen van veldmuizen doet hij eenig nut. De Bonte kraai conti.r, Tab. (I Fig. l i) is kleiner, aan hals en borst grijs gekleurd. Zjj wordt door sommigen als eene meer noordelijke verscheidenheid van de geheel zwarte, algemeen verspreide Zwarte kraai corona) beschouwd. Beide soorten zjjn zeer drieste, indringerige vogels, doch tevens voorzichtig en schuw. Al wat genietbaar is dient hun als voedsel, zoowel uil hel dieren- als nit liet plantenrijk: insecten, slakken, kleine zoogdieren en vogels met hunne eieren, krengen, kersen, druiven en andere vruchten, zelfs kool en sla. Hoewel zonder twijfel schadelijk voor de jacht en door liet vervolgen van nuttige vogeltjes, is het nut, dat ze doen door het verdelgen van ongedierte, van groot holang. Ook de zwarte H oek fnujiletpm), die den ploeg volgt om wormen, engerlingen, emelts en andere zeer schadelijke insecteiilarven op te pikken of uit den grond te halen, die in 't voorjaar tallooze meikevers en in den herfst ook veldmuizen doodt, maakt zich daardoor voor den landhouw verdienstelijk. Van den anderen kant kunnen deze dieren veel kwaad doen door ontkiemende graankorrels van het land op te pikken, bet graan uit de aren te balen, erwten van de struiken te plunderen en vruchten te rooven. Waar zij niet in te groot aantal voorkomen, weegt de schade, die ze teweeg brengen, niet op tegen het nut, doch soms vindt men honderden nesten hij elkander in het hooge gehoomte, en dan is de groote schade, die zij veroorzaken, reden om ze te verjagen. I gt;e vroolijke, gezellige, zeer leerzame Kauw moncilula) nestelt op hooge gehouwen en kan door de groote massa's droog hout, die zij voor den nestbouw daarin opstapelt, brandgevaar doen ontstaan. Zjj voedt zich op gelijke wijze als de vorige soorten. De meest diefachtige vogel der geheele groep is de Ekster I'ika, Tab. lt;i Fig. 15). Aan haren langen, wigvormigen staarten liare opvallende teekening in wit, glanzend metaalgroen en zwart is zij gemakkeljjk te herkennen. Zij bouwt een kunstig nest, dat ruim en overdekt, van buiten met dorens hezet en inwendig met aarde bevloerd is, en wel in de hoogste takken der boomen in de nabijheid van akkers, tuinen en weiden. Ze is zeer sluw en leerzaam, doch maakt zich gehaat dom1 de rooverijen. waaraan zjj zich vooral tegenover zwakkere vogels, hunne jongen en eieren schuldig maakt, en hoewel ze nut aanbrengt door het verdelgen van voor den landbouw schadelijk gedierte, heeft zij daardoor geene aanspraak op onze bescherming. Do Vlaamse he gaai of Meerkol ((larruhix iillt;i)ilt;l(irhis), is een der fraaiste inheemsche vogels, vooral door de lichtblauwe, wit en zwart gestreepte vleugelpennen. Zijn hoofdvoedsel bestaat uit eikels, beukenootjes en andere zaden en vruchten, waarvan hij zelfs wintervoor-
Raafachti^on.
raden zciii opstapelen. Ilij lunvoonf de Itosscluni, waar liij als de gvduehtKte vijand van kleinen* vogels (naelitegaleii, gnismusselieti, Ijjsicrs, mecy.cn enz.) veel kwaad sticht. 1 )e lgt;i'uine, witg'estippeldf* X otek ra kei' {(jfi'ijiH'idi/i'h's tlt;nc/j^j heelt dc/.ell'de levenswijze als do meerkol, doeli zoekt ook kever- en andere insoeten-lai'ven in verniohnd hout en dankt zijn naam aan de graagte, waarmee hjj hazelnoten vreet. Hij komt slechts 's winters voor in onze deimehosschen. De beroemdste aller raaf'aclitigen zjjn de verschillende soorten van Paradijsvogels. Ze leven alle op Xieu\v-( iuinca en de nahjj gelegen eilanden i'ti komen in hunne levenswijze overeen met den (iewonen paradijsvogel (l'amdimt u/hhUi). Slechts het mannetje bezit de prachtige siervederen, en wordt in Indië als hool'dversiering gebruikt. Hij is wel niet pootlons, zweelt niet altijd ia de lucht, en drinkt niet slechts dauw en licht, zooals eertijds gelabeld werd; wel houdt hij ziclt met zijne talrijke wijljes in de hoogste toppen der boomen in dichte bossclien op en voedt hij zich met zachte, saprjjke vruchten, als b.v. vijgen, en buitendien met sprinkhanen en andere insecten. Een bepaalde boom wordt gewoonlijk als nachtkwartier gebruikt. Dezen trachten de inboorlingen op te sporen, waarna zij zich tusschen zijn looi verborgen, om quot;s avonds de aankomende vogels met pjjlen te dooden. Bjj den gewonen paradijsvogel zijn de tijne, zijdelingsche vederbossen goudgeel, bij den op het eiland Waigina levenden Rood en paradijsvogel (/'. mbm, Tab. (i Fig. IS) daarentegen prachtig rood en aan het eind in een cirkel gebogen. De kleine K o n i n g s-p a r a d ij s v o g e 1 {(dcinnuru* regim) leeft op de Aroe-eilanden en op Ternate. Zjjiie beide middelste staartvederen zjjn zeer lang, tot bijna aan de punt vlagloos, hier evenwel met rondachtige vlaggen bezet, die schroefvormig gedraaid zijn. De Ivraagkop (himmtclu'is iiKiijnn*) is zoo groot als eene duif eu heeft een -/s M langeti staart: zijn gevederte schittert, evenals dat van de 1' a r a d ij s-e k s t e r ijnhiris)
met een wonderlijken raetaalglans in de meest verschillende kleuren.
Eenige overeenkomst met do raatachtige vogels vertoont onze W iele waal (örioim gnlhuhi, Tab. (i Fig. 17), naar zijn tluitenden roep in 't Duitscb pi rol genaamd. Het mannetje is helder goudgeel met Huweelzwarte vleugels. Hij is oen nuttige insecteiivenhdger. doch een onverbeterlijke kersendief. Ilij behoort tot de trekvogels, en bouwt een sierlijk nest in de hoogste boomtoppen.
Sell reen w vogels.
lot deze groep behoort eene hecle reeks vogels, die in hunne gedaante groote verscheidenheid vertoonen. De meeste dezer vogels zijn bosebhewoners. broeden in holen en voeden zich hoofdzakelijk met: dierlijk, weinig mot plantaardig voedsel. Slechts weinige zijn zangers, vele daarontegeu geweldige schreeuwers.
Wabnbb's Natuurlyko Historie. i n
Hot «licrciirijk. Vogels,
Kollbri's.
De orde dor kolihri's bevat de kleinste aller vogels; sommige soorten zijn nauwelijks grooter dan eene hommel. Zjj bezitten een dunnen, langen soms ook gebogen snavel en eene buisvormige tong. /ij zijn in staat liet lionigsap uit de bloemen te zuigen en tegelijkertijd de kleine vliegen en kevers te vangen, die hetzelfde voedsel met hen deelen. Men kent er meer dan ^00 soorten van. Eene der meest voorkomende is de afgebeelde Gewone kolibri {Trochiiu* iiioscIiUuk, Tab, (i Fig, lt() uit Brazilië, liet zijn bewoners van Amerika van af den (ilsten graad X. breedte tot Vuurland toe. In de gebergten komen sommige soorten tot aan de sneeuwgrens voor. Het geve--derte der mannetjes is met zulke prachtige kleuren versierd en bezit zulken schitterenden metaalglaus, dat men de kolihri's met levende edelgesteenten vergeleken heeft. Vooral do keel, rug en kruin munten in dit opzicht uit. Ver-
O c-'
schillende soorten hebben eene bijzondere veder versiering aan de wangen, andere een vreemd gevormden staart. De wijfjes zijn altijd weinig in 't oogloopend.
k 1 i in voyvls,
Klim vogels.
Dozu ordo dankt haren naam aan do Itjjzondure bckwaamlioid in lugt;t klimmen, waardoor de meeste soorten, dit' er toe behouren, /ieli ondersclieiden en die bevorderd wordt door liet liezil van klim vouten en dikwijls van een stijven staart, die als stnl dient. Daartoe lielioorcn de, wat lidmanisvorm en kleurenpracht betreft o|i kolibri's gelijkende, in /uid-Amerika levende. S u ik e r voy e 1 s (.Vco liirinia). Hun nest heeft meestal den vorm eener retort (van den seheikitndige). Otaler den naam 151 o e m / n igers (('.iiuii/i-is) heeft men eene dergelijke groep vogels samengevoegd, die /nid-Afrika. Madagaskar en lt; )(ist-ln(lir' lu'wonen. .Vustralië bezit de daarop gelijkende llonigvogels (l'hiledoii). /c hebben alle ecne aan de punt penseelvormig verdeelde tong en een inwendig niet uitgeholden bek. In den vorm des snavels komt met hen overeen onze mheemsehe Hop (//az/w /'â¢/«'/is. Tab. (i Fig. 'JO), een trekvogel, die er wel met zijne groote, bonte kuif fraai genoog uitziet, maar wiens naam, om zijne gewoonten, de sehimpnaam voor onzindelijken geworden is, Weeke insectenlarven, die hij in den mest zoekt, vormen zijn geliefkoosd voedsel en bij het vreten maakt hij zich zoo vuil, dat een afschuwelijke stank van hein uitgaat. Xog grooter onzindelijkheid heerscht in zijn nest. Hij broedt in ecne holte van een boom, maar verwijdert er de uitwerpselen der jongen niet uit, zooals andere vogels, die in holten broeden, zoodat het nest zich door den stank reeds op een afstand verraadt. Het Boomkruipertje (Cerlhia famUiarix) is een klein grijsbruin vogeltje, dat Hink als een muisje langs de boomstammen omhoog loopt en met z.iju langen, dunnen, gebogen snavel de insecten en hunne eieren, die in spleten of kloven van de schors en in de hoekjes zitten, met den grootsten ijver oppikt. Het maakt zich daardoor in boomgaarden, tuinen en bossohen zeer verdienstelijk. I letzelfde doet de M uurkruiper (Tichoilroina mut'uria) op de hoogere rotswanden der Alpen en Pyreneeën. Hij zoekt, van de ecne spleet naar de andere, van het eene uitsteeksel op het andere huppelend, de daar verborgen insecten. De Leem hans {i'nr-narim mfm) in Brazilië bouwt zich een nest van leem, met houtsplinters, stroo en dergehjkc dingen vermengd, op een breedeu tak of een boomstronk, Hjj geeft daaraan den vorm van een kleinen bakoven, die inwendig door een loodrechten tusschenwand in ecne voorkamer en de broedruimte verdeeld is. Het zonderlinge bouwmoestertje is 15 cM lang. op den rug kaneelbruin met eene witte keel.
De Spechten hebben krachtige klimvoeten, waarmee zo zich aan de schors der booinen Hink kunnen vastklemmen. Zij steunen daarbjj tegelijk op den staart, wiens pennen bijzonder hard en veerkrachtig zijn. Met den stevigen, toegespitston, wigvormigen snavel hameren de spechten gaten in de schors en soms zelfs in bet hout der booinen op plaatsen, waar zich hisectenlarven daarin ophouden. Met de dunne, zeer
Het dierenrijk. Vogels,
veevkiaclitige t^ii scherp toi'ge.spitstc tong, lt;li«' zij zeer ver uit den mond kunnen steken, spietsen zij dan de blootgelegde'insectenlarveii, ()i('of (l()()r weorliiiakjes aiiii de punt öf door het kleverig speeksel daaraan hlijven zitten. 1 [iordoor mukeii zij zieli natuurlijk zeer nuttig. Mene der seiioonslc inlaudschc soorten is de (jroene specht {Picm viridi». Tab. lt;i Fig. 21), zoo genoemd naar de hoofdkleur van zijn gevcderte. IIjj bemint, als al zijne verwanten, bosschen met oude boomon, die bein voldoende voedsel opleveren, en nestelt bij voorkeui aan den rand Min bet boscb. Hij vliegt tamelijk moeilijk ia korte bogen, gewoonlijk laag hij den grond en klimt in eene schroetijjn tegen den stam op. Zijn nest holt bij zeil uit in een boomstam, waarvoor bij er gewoonlijk een kiest, die reeds ziek hout bevat of hol is, doch niet zelden legt hij het aan in volkomen gezonde stammen, die bij daardoor zeer beschadigt. Gewoonlijk maakt hij meerdere nesten, die, wanneer hij ze verlaten heeft, voor tal van kleinere vogels geschikte broedplaatsen opleveren. Hij doet ook kwaad door het vreten van talrijke hoschniieren, die soms zijn hoofd voedsel vormen. Ook zaden van dennen, eiken, beuken, hazelnoten vreet hjj gaarne. Maakt men de rekening op van liet nut en de schade door hem aangebracht, dan schijnt hjj meer kwaad dan goed te doen. De Bonte speelit (/'. major) bewoont vooral dcnnenbosschen. Ilij laat de mierennesten ongemoeid, daar liij zeer zelden op den grond komt. Hij hamert met den snavel veel tegen het hout, waardoor een eigenaardig geluid ontstaat (âsnorren ), met welks nabootsing men die vogels kan lokken. Overigens geldt van hem wat van den groenen specht vermeld is. Nog- komen hier voor: de Zwarte (/'. nmiiiiis), de Kleine groene (/'. cd 11 quot;N), de Middelste bonte (l\ gt;HC6?/w.s) en de Kleine bonte specht (/'. mniov). De bonte spechten zijn wit, zwart en rood geklemd, de zwarte is zwart met een rooden kruin. Alle spechten in ons land zijn zwerfvogels. Afrika. Azië en Amerika hebben hunne bijzondere spechtsoorten, waarvan men er bijna 300 kent.
Koekoeken.
De Koekoeken zijn vogels met matig langen, eenigszins gebogen snavel, korte tong en een draaiteen: de buitenste teen kan namelijk willekeurig naar voren of naar achteren gericht worden. Hiertoe behoort de alom beminde lentebode, de Koekoek (('.ucuhix canonic. Tab. (i Fig. 24), die hall April van zijne winterreis naar Afrika tot ons terugkeert en zijne aankomst dadelijk door zijn aangenaam klinkend geroep verkondigt. Door zjjne kleur heeft deze zonderlinge vogel wel eenige gelijkenis met den sperwer, ook door zijne onverdraagzaamheid jegens kleinere vogels, die hem algemeen haten. Vandaar zeker het sprookje, dat
Koekoek I'ii.
liij quot;s winters in ecu spmvor voraixlcrt. lift wjjfjc van don koekoek logt hare oioren in de nesten van kleinen' vogeltjes (grasmuseli. roodliorstjo, kwikstaart, winterkoninkje enz.). Merkwaardig is liet. dat deze eieren steeds in kleur over-oenstennnen mot dio, welke reeds in hor nest aanwezig zijn. \\ aarsclijjnljjk legt elk koekoek-wijtjo eieren van bepaalde kleur, en kiest liet de nesten van zulke vogels uit, om er zjin ei in te leggen, wier eieren dezelfde kleur vertoonen. Deze broeden liet vreemde ei niet de hunne uit en voorzien don jongen koekoek evengoed als hunne eigen jongen van voedsel. De eerste, dit' verbazend gulzig is, maakt zieh evenwol van het leeinvonaandeel meester en groeit snel. Weldra begint hij de zwakkere vogeltjes één voor één uit het nest te dringen, tot hij er alleen in overbljjft. De ouden sloven zieh af om hun pleegkind, dat steeds grooter eetlust vertoont, de noodige insecten en larven te bezorgen, zelfs wanneer de jonge koekoek, het enge nest verlatend, reeds op de takken rondhuppelt, tot deze eindelijk krachtig genoeg geworden is. om zelf zjjn voedsel te zoeken. Dit bestaat uitsluitend uit insecten, voornameljjk de voor de houtteelt schadelijkste rupsensoorton. De wand zjjner maag is soms zoo bezet met rnpsenhaar, dat deze inwendig bebaard schijnt te zjjn. De koekoek duit geene andere soortgenooton op zijn terrein en alleen, waar eene rupsenplaag in aantocht is of reeds bestaat, vindt men meerdere dezer vogels bij elkaar. Soms kunnen zij dan do ontwikkeling of de uitbreiding der rupsenplaag tegenhouden, liet zijn dus voor do hout-teelt hoogst nuttige vogels. Heeds in Augustus verlaten ze onze bosschen. De in de Voroenigde Staten levende Am er ika ansc h e koekoek (CkohIk* tnvr-riranv*), die ,,Ivau, Kan!quot; roept en ook wol Uegonkraai genoemd wordt, bouwt zelf een nest en voedt ook zijne zelf-uitgobrocde jongen op; hetzelfde doen vele zijner Afrikaanscbe neven. Afrika en Zuid-Azié bezitten meerdere soorten dor nauw verwante II o n igkoe koe k en (Iniliwlof). De meest gewone Zuid-Afrikaanscbc soort is de 11 on i ga a n w ij z o r (/. filhironlrin). Hij gelijkt, wat de kleur betreft, op de gewone niusch tai is ook maar weinig grooter. Evenals andere soorten van dit geslacht, heeft hij de eigenaardigheid andere dieren en ook den mensch opmerkzaam te w illen maken op alles wat hem bjjzondor opvalt. Tot dit dool nadert hij den niensch driestweg, schreeuwt levendig: Cherr! Cherr! slaat met zijne vleugels, neemt allerlei zonderlinge houdingen aan on tracht den mensch te bewegen hem te volgen. Wordt hieraan voldaan, dan voert do vogel hem naar oen nest van wilde bijen, op wier larven hij verzot is, soms ook naar een kreng, dat vol inscctenlarven zit, ja soms wel eens naar een leeuw of een luipaard. De honigkoekoeken leggen hunne eieren in de nesten van verwante vogels, b.v. die van klauwieren, spechten, wielewaals enz. liet wijfje legt het glanzend witte oi eerst op den grond, vat het dan met den snavel aan. werpt een ei uit hot nest des vreemden vogels en legt het zijne er voor in do plaats. Nadat het
Ij-Q Hot dieronrlik. Vogels.
jong ongeveer oen maand door de pleegouders is verzorgd geworden, wordt het door de ware ouders gelokt, om zieh bij lien aan te sluiten.
OrootsmiYuligcn.
Dü Groo ts navol igüii liebben een grooten kop met groeten, dikken, wijde lucht-liolten bovattenden snavel, die .liep gespleten, dikwijls aan de randen getand en soms van een belmvonnigen uitwas voorzien is. De pooton /-ün zwak, weinig geschikt om er mee te loopen; het gevederte is meestal prachtig; de geestvermogens daarentegen zipi zwak. Daartoe bebooren de in Oost-Afrik» en Zuid-Azië levende Neushoornvogels {liucen», Tab. « h\. 22). In gedaante komen zjj unge-veer met den raaf overeen, dol zij bezitten een verbazend grooten, dikken snavel, die nog een grooten uitwas draagt, die tuin den hoorn des neushoorns herinnert. Zjj zijn zeer schuw en vreesachtig en houden zicb gaarne in de dichte boomkronen der wouden verborgen. Al vreet do neushoornvogel ook wel vruehteii, vooral sapnjke bessen, zijn hoofdvoedsel bestaat uit kleinere dieren: vogeltjes, muizen en kik-vcrschenzelfs aas laat hij ziel: smaken. Zijn snavel is in verlumding tot de grootte zeer licht. Verwant met de neushoornvogels zijn de Toekans ot Pepervreters Tab. (i Fig. 25), die ook verbazend groote,
lichte snavels bezitten. Ook zij voeden zich met sappige vruchten en knoppen, loeren evenwel ook, in het dichte loof verborgen, op voorbijvliegende kleine vogeltjes, wier nesten zij soms zelfs plunderen. Hun eigenaardig geroep hebben de Portugoesch sprekende bewoners als âDios te dequot;, d. i. (onl zegene u! \ci-klaard. De meeste soorten van dit geslacht zijn /.eer levendig gekleurd en hebben over de borst en den voorhals breede, scharlakenroode, zwarte eu gek; of witte banden. Om hunne veeren worden deze vogels door de Indicrs gaarne vervolgd, evenals de veel er op gelijkende Arassaris (Plrnxjlo^). Nog meer gezocht om hun prachtig gevederte zijn de soorten van bet geslacht Trogon { I rorjon âicxicmw, Tr. re^lnvlms), die op den rug in kostelijk goudglanzend donkergroen, aan den buik in heerlijk scbarlakenrood schitteren en daarbij lange, gebogen staartpeiinen dragen. Hij al die niterhjko pracht zijn de trogons evenwel vervelende,
stompzinnige vogels, die overdag onbeweegljjk op een tak in het dichtste der Braziliaansche en Mexikaansche oerwouden zitten, en slechts in de morgen- en de avondschemering op de wijze der vliegenvangers op voorbijvliegende insecten jacht maken. Eene der schoonste soorten zou vroeger door de oude heerschers 111 Mexico in bijzondere vogelhuizen verpleegd zijn geworden, alleen om de vederen, ({jo dienden tor vervaardiging dei' om hunne schoonheid beroemde vogelmantels. Ken der schoonst gekleurde inlandsche vogels is de 1,1 svogel {Alcedo lp.hl.,,
lt;irootsiiav«'lijron.
ir.i
Tub. (i Fig. 215). lljj wordt gezien aan den oever ecner beek of eens vijvers, waar iiij, op een overhangenden tak zittend, op kleine visschen loert, is er een dieiitbij genoeg gekomen, dan stort hjj zieh bliksenusnel in 't water, grijpt zijne prooi met den kraelitigen, langen, vierkanten snavel, verseliijnt kort daarna weer op dezelfde plaats boven water en vliegt naar zijne zitplaats terug. Hier vat hjj don viseh eerst met den staart aan, slaat hom tegen een steen dood. werpt hem dan omhoog, vangt hem in den mond op, en slikt hem in zjjn geheel met den kop naar voren in. .Vis nestplaats graaft de jjsvogel zich een hol in den leemigen grond, dicht bij den oever. De onverteerde overblijfselen der vissehen (graten en schubben) spuwt hjj in ronde ballen uit. in Amerika en Afrika bestaan verschillende soorten van Ijsvogels, die eene dergeljjke levenswijze leiden. De Grooto ijsvogel (Akedo ijiijaiileu) wordt in Australië wegens zijn geschreeuw de âlachende ezelquot; genoemd, en niettegenstaande hij van tijd tot tijd eens een jong hoen van den kolonist kaapt, wordt hjj toch geduld, omdat hij de giftslaugen ijverig vervolgt. Op de Zuidzee-eilanden wordt een ijsvogel ( I. «icru) als heilige vogel beschouwd, lljj houdt zich in de kronen der kokospalmen op en vangt de insecten, die om de bloesems der palmen zwerven. - De in Zuidoost-Europa cn Azië veel voorkomende, fraai bont gekleurde ISjjonvreter (Miropx) ontleent zijn naam aan bet feit, dat hij voornamelijk jacht maakt op bijen. Ook de Duitsche Papegaai (Coniciu* ijdrrnhi) is prachtig gekleurd: korenbloemen-blauw, zeegroen en roestrood. Zjj komt als zwerfvogel soms tamelijk veel voor in Oostelijk Europa-, doch wordt gewoonlijk slechts iu enkele exemplaren aangetroffen. I lij voedt zich met insecten en wormen.
Loopvogels.
Deze vogels bezitten pooten, geschikt om er Hink mee teloopen; bij de meest karakteristieke vogclordes dezer reeks zijn ze zelfs ten koste van de vleugels zoozeer ontwikkeld, dat bet vliegvermogen geheel verloren is gegaan.
Dnifiicliliuroii.
De Duifachtige vogels hebben gespleten voeten (drie teenen naar voren, één op gelijke hoogte naar achteren gericht; de teenen zjjn aan den grond niet door vliezen aan elkander verbonden). De klauwen zijn kort, stomp en weinig gekromd. De vleugels zjjn lang en spils. De snavel is aan de punt gewelfd en hard, overigens zacht, aan den wortel door eene washuid bedekt, waarin zich de
15'J Hot ilierenrijk. Voxels.
iiciisgatcn lii'vindcn. Kroji en s]li(gt;l,nlllMf^â /ijn lijizoiidcr ^ocd onrwikkcld. Zij pikken gaiirno steentjes op, om daarmee in de spiernmag In^t voornamelijk uit zaadkorrels bestaande voedsel fijn te wrijven, /ij leven paarsgewijze en leggen lietrekkeljjk weinig (gewoonlijk 2) eieren. De jongen komen in zeer hulpbehoevenden toestand daaruit te voorsehjju en worden door de oudeu aanvankelijk gevoed met eene kaasachtige stol', die zich in den krop alseheiVIt, later met zaden. De lluisdnif (Culuiiibx lii'm tlumexlicu) is sedert de oudste tijden als huisvogel gehouden, om j^e^eten te worden en ook reeds door de oude Oostersdie volken als postduif gebruikt. Er zijn tallooze variëteiten van ontstaan, die evenwel alle gaarne weer tot den oorspronkelijken vorm torugkeereu. De raad shoe ren. meeiiwt.jes, c a p u e ij ti e rs. pauwstaarten, k ro p p e rs, t u i m e I a a r s, wrat-duiven. postduiven enz., ondi'i'seheiden zich onderling door afwijkend gebouwde lichaaiasdeeleii en door hare bevedering. Men neemt algemeen aan, dat zij allo afstammen van de K o t sd u i f' {('.olunihit Ht-ia), die in Zuid-Europa, Noord-Afrika en \\ est-Azi(,; rotss])leten en hooge gebouwen bewoont. Deze bezoekt de akkers, om er oj) den grond liggende zaden, ook reeds ontkiemende, te eten. Ook de rotsige kusteu van Noord-Europa herbergen 's zomers tal van rotsduiven, die als trekvogels in 't voor- en najaar in groote zwermen laiif-'s onze kusten trekken. Zij laten zich gemakkeljjk naar duivenslagen lokken, en worden dan spoedig tam. Zij vliegen uitstekend. Postduiven leggen in ééne minuut eene halve duitsche mjjl
af. Van Parjjs naar Keulen vloog er eene liinnen de twee uur. Zoowel de huis- als de rotsduiven doen op het veld eenig kwaad, door het plunderen der aren van het graan, van de hauwen van 't koolzaad en van de peulen der erwten, ofschoon zij meestal slechts de op den grond liggende zaden zoeken. Zij vreten ook tal van onkruidzaden en doen daardoor eenig nuttig. Tn onze bossclicn nestelt de groote Hout- of Ringduif' (C. Pahnnbvn, Tab. (1 Pig. 'Jti), die .40 cM lang wordt en gemakkelijk te herkennen is mm de witte plek aan iedere zijde van den hals en op de vleugels. De houtduif is in noordelijke streken een trekvogel, ook ons land verlaat zij meestal in 'f begin van October, om in Maart terug te koeren, ofschoon er niet zelden zwermen als zwerfvogels den winter overblijven ; in Zuid-Europa is het een standvogel. Zij kan als de meeste duiven buitengewoon snel vliegen. Zij eu de kleinere K leine boschduif er/o/s), die slechts zelden hier voor-
Duiven.
komt. zijn voor tic liouttcolt iiadcolig door liet oppikken van rle uitgezaaide boomzaden, vooral die van naaldlioomen. De overblijvende zwermen zwerven (gt;]) dc akkers rond en wanneer er sneeuw ligt, komen ze niet zelden in tuinen, waar ze de kool afvreten. In t voorjaar eten zij ook wel knoppen van boomeii. Veel grooter zijn de verwoestingen, die de Trekduiven iithji-iiloriii. Tab. (i Mg. -quot;) in Noord-Amerika aanrichten. Zij komen in ontzaglijk groote zwermen voor en nestelen ook gezellig bij elkander in de bosselien. Zulke nest[ilaatseii strekken zieli soms over een gebied uit van I'J Duitsrbe mijlen lengte en -mijlen breedte, en menige boom draagt 50 '100 nesten. Men heeft berekend, dat een zwerm trekduiven omstreeks |()(i(i millioen stuks bevat en dat deze in een dag tmillioen schepels van allerlei zaden kunnen verorberen. Van onze inheemsche wilde duiven is de Torte I d u i f'(de kleinste cn de bontste. Wegens de teederheid. waarmee de paartjes samenleven, is /ij steeds door de dichters geprezen en wordt zij soms als kamervogel gehouden, evenals de isabelkleurige en paarlgrjjze Laeh-duif r/.s'o/v'a), die in het Zuiden te huis behoort. Afrika, Azië on Australië bezitten talrjjke duiven-soorten. waarvan de fraai geelgroen gekleurde soorten op de Molukken,
die zieli met kruidnagels, muskaatnoten en dergelijke speeorijen voeden,
zeer gezocht zijn.
Prachtig gekleurd is ook de in Australië voorkomende Manenduif'
I5;i
((â ulloenofi iiicohat'H'ii'). De vee ren van den sterken metaalglans; de hals draagt ii'oudglanzeuile opstaande veeren. de staartpenncu zjjn zuiver wit. Ze, is een der zoogenaanide Aardduiven, die vlug over den grond loopend, zaden en insecten zoeken, doch ook over grootte afstanden kunnen vliegen. De grootste duivensoort is de ivroonduif (C. coronata, Tab, 0 Fig, 28), die in indië voorkomt, en daar op de erven in taiuinen toestand gehouden wordt. Zij draagt op den kop eene kroon vau fijn verdeelde veeren en wordt .quot;i ö |\(i zwaar. Haar vleesch wordt zelfs nog boven dat van den kalkoen verkozen.
) zijn levendig groen en blauw niet
llociMicnu'liliffcn,
|
Uij de Eigenlijke hoenders is de naakte huidlobben van levendige kleur kop van versierd. lief in |
mannetje gewoonlijk met enkele gevallen in plaats |
Het ilierenrjjk. Sr(i}r('ls.
daarvan mot eeno vcdcrpluini. ll(!f vliogvcrnlogen is meestal sleclitis gering, daar de vleugels kort en afgerond zijn; loopen kunnen ze daarentegen zooveel te flinker. Zjj bezitten zitvoeten (zie Fig. (1(5). De klauwen zijn breed en stomp, zij krabben er mee in den grond om voedsel te zoeken. Van krop on maag geldt hetzelfde, wat bij de duiven is meegedeeld. De mannetjes zijn levendig geklemd,
dragen aan de pooten soms scherpe sporen als wapens, en vóór den staart op den rug lange, gebogen vederen ter versiering. Ons II iiis hoon {('kiIIhk dnriie*ticii*) stamt met zjjne talrijke rassen (1 iantamras, dwerghoen, Dorking-,
Kijf. 80. lïuislinïin met hoen en kuikens. Sj )a (l n SC li-, ( oellill-
eliina-, en nramaputraras, de Hollanders, de boereidvippen enz.), vermoedelijk van meerdere wilde hoendersoorten af. Men vindt nu nog in 't wild: het I! a n-kivahoen (Tab. 7 Fig. 1), op het vasteland van fndië en op Java, Sumatra en andere O. Ind. eilanden; de (langégar of Ayam-alas in de groote bosschen van de binnenlanden van .lava, het F a zant hoon in Voor-lndië en het Staart-looze hoen op Ceylon, die alle getemd kunnen worden en min of meer op sommige rassen gelijken, liet hoon is, om zijn vleoseh zoowol als om zijne eieren, reeds in de oudheid een zeer belangrijk huisdier geworden. Laat men hot niet broeden, dan kan het in één jaar wel '200 eieren loggen. Eon haan loeft, zooals bij de meeste hoendoraehtigen, met meerdere honnon samen en kampt om haar niet eiken andoren haan, die in zijne nabijheid komt. De Spanjaarden en andere volken maken van deze eigenaardigheid gebruik om hanengevechten te vertoo-nen, nadat zo de dieren eerst nog scherpe, stalen sporen aan de pooten bevestigd hebben. Reeds lang geleden liet men in Egypte hoendereieren in groot aantal in bjjzondore verwarmingstoestellen uitbroeden. Eeno broedkip kan 14 1(5 eieren uitbroeden. De kuikens kunnen kort na het uitkomen roods loopen on hun voedsel zoeken. Do («owono Fazant (J'hiimmm cdlchicv*) komt in do omgeving van den Kaukasus in het wild voor, is evenwel van daar uit in geheel Europa ingevoerd. Hij loeft als halfwilde vogel 's zomers vrij in de bosschen, doch wordt vóór den winter opgevangen om hem in hokken of op zolders gedurende bet gure jaargetjjde beschutting en voedsel te geven. Op vele plaatsen loven de fazanten ovenwei ook in ons land geheel onafhankelijk van den niensch in't wild, in den paartijd gewoonlijk
â '.
.
-I
I ' â Jp
. .
Hoomlcrnulitigen.
ééii haan met 7 a S hennen, en voi-den zioli voornaineljjk met hessen, «jjraan en allerlei zaden, groene Itladen en knoppen, insecten, wormen en slakken. Een der praelitigste vogels van dit geslacht is de uit ('hina en Zuicl-Silterio ai'komstigo (i ou d 1 akensehe Fazant (Phiisiiimiis ihcIiis), Tab, 7. Fig. -), dien men om zync gevoeligheid voor voelit en koude slechts in hokken kan houden. Met hem samen houdt men ook veelal den Zilverfa/.a nt (l'h. ni/ctlicinen^), zeld/amer ook wel den 1\ e v e o s i - f a s a n t (/'/(, vencralu*), wiens staartpennen wei I M lung worden. Deze en andere fazanten-soorten zijn in Zuid-Azië inheenisch; aan de liellingen van het lllmaiava-geliergte leeft ook de (â¢lans-fazant (Ijoiiliophorm), wiens gevederto een mctaalglans vertoont, die het op gepolijst metaal doet gelijken. Door hun orachtiir cevederte is eene hcele reeks van Zuid-Aziatisidie hoendervogels beroemd geworden. De het langst bekende en bij ons ingevoerde is de l'auw (l'nvo crislutus).
lljj komt nu nog in Indië in scharen van U) 50 stuks voor cji houdt zich op dezelfde plaatsen in het bosch op, die ook de tijger hij voorkeur bewoont. De Javaansche soort (/'. miilinis) onderscheidt zich hoofdzakeljjk door den vorm der kuifvederen en de kleur van de naakte plekken aan den kop. De pauwen zijn zeer vraatzuchtige boschbewoners, die zelfs slangen en hagedissen verslinden. In de hossehen van Sumatra leeft de Argusfasant (.Uy/us 'jiyu ulensV op de Soenda-eilanden en in Thibet de (ilatispauw (Vdijiileclon) en de Hoornfasan t [Tvigoimn).
Afrika bezit meerdere soorten van l'aa rlhoenders (Sumuhi Melcityrix), wier donkergrijs gevederte met parelachtige, witte vlekken versierd is. Ze zijn hij ons als huisdieren ingevoerd, worden evenwel door hun hard geschreeuw en door hnnne onverdraagzaamheid tegenover andere Imisvogels onaangenaam. Veel meer geacht en nuttiger is de uit Xoord-Amerika bij ons ingevoerde Kalkoen (Melwijfix (lallopaim), ofschoon zijne teelt veel opmerkzaamheid vordert, daar de jonge kalkoenen zeer gevoelig zijne voor koude en vocht. In de bosschen van Noord-Auierika trekt nu nog de wilde kalkoen in kudden heen en weer, naar gelang de behoefte aan voedsel hem daartoe drjjft. Een hoogst koddig schouwspel zon het zjjn, zoo'n schaar kalkoenen over eene hreede rivier te zien trekken, liet zijn zeer slechte zwemmers en zij schijnen elkaar door geschreeuw en allerlei wonderlijke gebaren eerst moed te willen inboezemen. Eindelijk wagen zo het over te vliegen. Vallen er in het water, dan kunnen zij met de pooten over de rivier roeien.
Het (lieroiiryk. Vogels.
l.W
In do L'on/aaniste bergwouden van Duitsfliland, Noord-Europa en Wcst-Azio komt de uiterst schuwe Anerliaa n (7Wmlt;) I'i-oyullm, Tab. 7 Fig. !)) voor. liet is de grootste der Europeesche hoenders, daar lijj eene lengte van I M en
een gewieht van 'i lv(i bereikt. Hij voedt zich met insecten, bladen, knoppen en zaden, die hij oj) den grond zoekt. Wordt hij een monsch gewaar, dan vlneht hij loopende. Hij is een standvogel. In April lokt de auerhaan. op een daarvoor uitgekozen boom zittend, zijne hennen tot zich, waarhij hjj eigen-aardige loktonen voortbrengt, die op het geluid bij het slijpen der zeis gelijken. .Moedig strijdt
renden jager, die van de goede golegenlieid gebruik maakt, om hem te dooden. Verlvnldiger komt liet Korhoen (Telrao laln.r, Tal). 7 l^ijj,'. i) voor. dat ook in ons land op de heidegronden van Oroningcu, Drente, Ovcnjsol en in Limburg wordt ajuigetroffon. Zijn staart lierinnert. door de beide gebogen zijdelingsche voeren, aan dien des liervogels, De korbaan is kUsiner dan d(! auerhaan, heeft evenwel in zijne levenswijze veel overeenkomst met dezen. IIij is door geheel Middel- en Xoord-Europa en Azië verspreid en komt soms in tamelijk groot aantal voor. In liet voorjaar is de paartijd; dan verzamelen zich op gunstig gelegen open plekken in het boseh liü, 40, soms 100 stuks. De hanen doen luide loktonen klinken en voeren op den bodem de wonderlijkste dansen uit, waarbij ze met de vleugels sleepen, den snavel tegen den grond drukken en den staart waaiervormig uitspreiden. - Nog kleiner is liet llazel hoen (/(om's/f .vi/re.sVm), in âNoord-Europa voorkomend. De baan beeft op den kruin oene oprielitbare kuif en leeft met een enkel hoen samen. Zij zijn zeer schuw en voorzichtig en bonden zich liefst op in bergstreken met gemengde bossehen. Van de Ainerikaansche boseldioenders is het ('upido-boscli boen { Trlyna merkwaardig door de
zeer eigenaardige versiering, die het mannetje in den paartjjd draagt. Aan elke zijde van den hals draagt bot dan een bundel van IN veeren. die als kleine vleugels kunnen worden opgericht. IhiileiKlien zwellen de lellen aan de keel dan op tot heldergele blazen van cioi'grootte. liet Sneeuw hoen ^.iigopnit iifiiinm) bewoont het booge gebergte in de nabijlieid der sneeuwgrens en de landen, binnen don Noordelijken Poolcirkel gelegen. Zijn gevederte is buitengewoon dicht en reikt tot aan de nagels der toenen, waardoor de pooten op hazenpooten gelijken. In den zomer heeft het de bruinachtige kleur der rotsen, in den winter is het sneeuwwit, zoodat het niet licht wordt gezien. Even ongevoelig als de sneeuw hoen
(Iers voor do koude, zijn de Vlieglioenders (l'lerode*) voor de wannte. Deze bewonen imnieUjk de steppen van Middel-A/Jë en de woestijnen van Aral)ië en en Afrika. Twee soorten broeden ook op de heet»! eampo's (steppen) van Zniil-SiMinje. 1 gt;ij uitzondering hebben we liier onder de lioenderaehtigen mot goede vliegers te doen. lijj liet opvliegen stijgen /.lt;⢠met snorrende vleugelslagen bijna loodrecht omboog en schieten dan nog sneller dan duiven vooruit, /ij leven in**^ groote scharen bijéén en worden veelvuldig gevangen om gegeten tc worden. Merkwaardig is ook hier de volkomen overeenstemming hunner kleui'met die van hunne verblijfplaats, liet (i anga-vliegho en (/'/. ammrivs) uit Spanje heeft de kleur van den leembodem der eampo's (roodachtig grjjs), bet Z a n d h o e n (Pl. ewudm) is even levendig geel gekleurd als het bijna goudkleurige zand der woostjjn en het gevederte van het (Jestreepte vlieghoen (Pl. IJchlensleiiiii) vertoont dezelfde verscheidenheid van tinten als de steppen, waarin het dier zich ophoudt. De vlieghoenders voeden zich met de zaden der woestijn- en steppenplanten, vliegen 's morgens en quot;s avonds naar de drinkplaats en houden gedurende het heetste gedeelte van den dag rust om het voedsel te verteren. De in Middel-Azië veelvuldig voorkomende heldergrjjze S t e p p e n li o e n d e r s (Siirrlin^lcn imrado.rnn), met ééne zeer lange slugpen in eiken vleugel, behben zich reeds verschillende malen plotseling in groote troepen in geheel Europa tot aan onze kust en zelfs in Engeland vertoond. In onze duinen hebben er zelfs overw interd en in het volgende jaar gebroed; toch zijn ze er later weer spoorloos verdwenen. Onder onze Veldhoenders is de Patrijs (Pfrdi.r cinerea Tab. 7 Pig. 5) zonder twijfel èn om zijn smakelijk vleesch èn om zijn nut voor den landbouw, het meest belangrijke, lljj wordt dan ook door de jagers zooveel mogelijk tegen zjjne talrijke vijanden beschut. Toch zouden de patrijzen reeds lang door roofvogels, vossen, marters enz. zijn uitgeroeid, indien zij zich niet bijzonder sterk vermenigvuldigden. In een ondiep kuiltje op den grond broedt het wijfje '12â10 eieren uit. De jongen volgen spoedig de moeder door het graan, de klaver of ander gebladerte op bouwgrond. De jongen voeden zich bijna uit-sluitend met insecten. Nadert een vijand, b.v. een mensch, dan wendt de moeder allerlei listen aan om hem van haar kroost weg te lokken; zij houdt zich vleugellam of stapt zelfs schijnbaar strijdlustig op den vijand aan. om later langs een omweg tot de jongen terug te koeren. Ook het mannetje vertoont dezelfde teederheid voor de jongen. JDe geheele familie blijft tot het volgende voorjaar bijeen; zjj vormen de vluchten, die 's winters zoo ijverig door do jagers vervolgd worden. Heerscht er gebrek aan voedsel, dan voegen zich verschillende vluchten tot groote re troepen samen (trekhoenders). De volwassen patrijzen voeden zich met zaden en bladeren; doch ook met insecten en hunne larven. Vroeg in het voorjaar paren ze; terwijl het wijtje broedt, houdt het mannetje trouw de wacht.
Hot dieronrijk. Vogels,
Minder talrijk is do Kwartel (Coturnix dactylisonans), die ieder door haar eigenaardigen loktoon (âslagquot;) kent. liet is oen trekvogel, die zich in den herfst aan de kusten dor Middollundsche zee in zulke sciiaron verzamelt, dat men er soms in de iiiil)ijlieid van .Napels lOOÃOO stuks vangt, om ze toeten. InO. Indii'1 wordt eene soort (Tumix piKjna.i) gevangen, om de mannetjes met elkander te laten vechten. â Eene zeer eigenaardige groep vormen de Looph uenders,
liewonei's \iüU Australië, Nieuw-Uuinea, de Molukken en de l'hilippijnen. Het zijn vogels van middelbare grootte, die zich door de wijze, waarop zij voor het uitbroeden der eieren zorgen, van alle andere vogels onderscheiden. Zij krabbelen namelijk zand, loof'en allerlei plantenstoften bjj elkander tot oen hoop, die eene hoogte van I à M en eene middellijn van ⢠gt; M heeft. Te midden daarvan bergen ze de zeer groote eieren. In zoo'n hoop komen soms zooveel eieren voor, dat zij door meerdere wjjtjes moeten gelegd zijn. Door de zonnewarmte en de warmte, die door het broeien der plantenstoffen ontstaat, worden de eieren uitgebroed. De daaruit komende jongen kunnen reeds na :lt; dagen zelfstandig leven, liet voedsel bestaat uir insecten, zaden en groene plantendeelen. Mene soort, de Talegalla, wordt om hare grootte en om de naakte huidlobben aan den kop door de kolonisten in Australië âwilde kalkoen ' genoemd. Andere soorten, die ook in het Oostelijk gedeelte van onzen (). I, Archipel voorkomen (Meyapodhis), bereiken slechts de grootte van een patrijs.
Kort vlciiffcllycii.
Deze orde bevat de grootste aller vogels; zij kunnen in 't geheel niet vliegen, doch uitstekend loopen. Hunne pooten zijn lang en krachtig; de achterteen ontbreekt. In hun lichaamsbouw naderen /ij in enkele opzichten tot de zoogdieren.
De Struisvogel (Slrulhio cuinehi*, Tab. 7 Pig. (i) is de grootste levende vogel; hij wordt tot 3 M lang en bijna .quot;»() KG zwaar. De lange, krachtige pooten hebben slechts '2 teenen, met nagels, die op stompe klauwen gelijken. Gewoon loopende maakt de struisvogel passen van l'/» M, vluchtende voert hij sprongen uit van 23/:i M zoodat een renpaard hem nauwelijks kan inhalen. Wil men hem te paard jagen, dan moeten meerdere Jagers elkander attossen om hem te ver-
158
Kortvlougelijren.
159
moeien. HU bewoont de woestijnen van Arabië en Afrika en voedt zioli met zaden, bladeren, knoppen en zelfs met takken van woestjjnplaiiten. Evenals de hoenders slikt hij ook steentjes in. Dank zij zijn landen hals, kan liij op grooten afstand rondzien, ook heeft hij een scherp gehoor, zouilat hel niet gemakkelijk is hem te naderen. Kop en hals zijn kaal, met slechts weinige horstelvorinige voeren bezet. Het njann^lje leeft jjjet i lt;ï wjjljes samen: liet roe^ deze met een gebrul, dat gelijken zou op dat van den leeuw. De wijfjes krabbelen een ondiepe groeve in het zand en leggen daarin hare eieren gcmeensehappelijk. Soms zouden er tot (iO stuks in één nest gevonden worden en meestal ook nog enkele daarbuiten. Overdag broeden de wjjfjes afwisselend, '»nachts broedt het mannetje. Dit beschermt dan nest en jongen tegen jakhalzen en andere roofdieren, die het door één slag met zijn poot kan dooden. De negers halen de eieren soms uit, wanneer de wijfjes zich verwijderd hebben; daarbij zorgen ze het nest en de overige eieren niet met de hand aan te raken, daar de struisvogels zich anders er van terugtrekken. Een struisvogelei is ongeveer zoo groot als een kinderhoofd en zijn inhoud is zoo groot als dien van i kippeneieren: i mannen kunnen er zich mee verzadigen, liet vleesch van oude struisvogels is zeer hard en taai. In Zuid-Afrika worden struisvogels veel als huisdieren gehouden, om de prachtige vleugel-dekpennen en stuurpenneu, die ze opleveren. Deze worden maal in de twee jaren uitgetrokken; ze worden in Azië en Europa als hoedtmversieringduur betaald. Men schat de waarde, der jaarlijks verkocht wordende vederen op 7 millioen gulden. De vleugels van den struisvogel zijn kort en de slagpennen bezitten geene eigenlijke vlag, daar de fijne takken geen samenhang hebben; ze kunnen dan ook den zwaren vogel niet dienen, om er zich mee van den grond op te heffen. De huid is vast en dik als leder. In Zuid-.Vmerika leeft ookeene soort struisvogel, n.1. de Nandoe (IVioa amerkana). Hij bewoont de wijde Pampas van Paraguay tot Magellaansland en komt in zijne levenswijze met zijn Afrikaanschen verwante overeen, doch is bijna de helft kleiner. Merkwaardig is, dat de door de wijfjes in een gemeenschappelijk nest gelegde eieren slechts door bet mannetje worden uitgebroed. Op de wijde steppen in het binnenland van Australië komt de Emu (Drotnaim novae llnllanduiii) voor, een sterk gebouwde vogel van M lengte, die in zijne levenswijze! ook op den struisvogel gelijkt. Zeer eigenaardig is het gevederte van dezen reuzenvogel. Deveeren ontspringen paarsgcwjjs uit één wortel en de schaft is bezet met borstelvormige tukken. De kleur is donkerbruin, aan de onderzijde iets lichter. De C'asuaris ((Msiiarhi* (julcalüs) wjjkt iu verschillende opzichten van de reeds genoemde reuzenvogels af. 11 ij houdt: zich in de dichte bosschen der Mol ukken op, eet slechts zachte plantendeelen, bladeren en bessen, en heeft aan zjjne korte vleugels in plaats van slagpennen dikke, aan de punt ver-breede, vlaglooze kielen. Boveu op den kop draagt hij een beeuigeu, helmvonnigen
Het dieroiirijk. Vogels,
uitwas, die van eene hoombelileocling' voorzien is. Een dor vreemdste vogels is de Kiwi (Aiilcri.r een vogel, ilic zich gi^lurende de warme uren
viin den dag in de donkerste, niet vurens begroeide, kloven van de gebergten
vim Jüeuw-Zeeliind verborgen houdt, en eerst 's avonds te voorsebjjn komt. Vleugels en staart ontbreken hijnn geheel. Iljj draagt bet kegelvormige lidmam tnmelijk reelitop en wijkt door zijn zeer langen, duimen en iets gebogen snavel van alle overige vogels dezer groen nf'. Iljj voedt zich met wonnen en insecten. Op N iell\v -/eeliin(l worden Migidbeenderell gevonden, die nog veel grooter zijn dan die des struisvogels. Men heeft de uitgestorven vogels, waarvan zo afkomstig zjjn tot het geslacht Dinoruis gehraelit, waarvan de grootste, Moor genoemd, misseliieu eerst vóór i00 jaren is verdwenen. Bijzonder veelvuldig vindt men nog eierschalen, voor ecu deel li maal zoo groot nis etui struisvogelei en die een inhoud hebben, gelijkstiiiindc uan dien van I ö(I kippeneieren. Dok de Kiwi is in zijn vaderland reeds zeer zeldzaam geworden en zal zeker spoedig zijn uitgestorven.
SIclllooitcrs ol' .Hoeriisvo^cls.
Deze orde dankt haren naam aan de lange, dunne pooten van de meeste vogels, die er toe belmoren. 15jj alle is niet alleen het loopbeen, maar ook liet onderste gedeelte viim den scheen onbevederd, waardoor de vogels in staat zijn door ondiep water of door het moeras te waden, zonder dat het gevederte nat wordt. Deze pooten worden waadpooten genoemd, De meeste moerasvogels zjjn goede vliegers, enkele zijn goede loopers, vele waden in ondiep water, andere kunnen ook zwemmen. Het kniegewricht vertoont bij vele eene inrichting nis bij een knipmes, waardoor zoo een vogel zonder moe te worden uren lang op één been, stokstijf kan blijven staan. De meeste dezer vogels gebruiken dierlijk voedsel. Den overgang van de hoenderachtige vogels tot de steltloopers vormt de Trapgans {Otis Tarda, Tab. 7 Fig. 7), die de oostelijke helft van Middel- en Noord-Europa bewoont en eene enkele maal in ons land verdwaald raakt. Het is een der grootste Europeesche vogels, want hij wordt meer dan I M lang, zjjne vlucht bedraagt 22/3 M en hij bereikt een gewicht van Ij KG. Op uitgestrekte vlakten.
MocrasYOgi Is,
die rijk aan graanvt'ltlen zijn, hondt lijj zich in kleinen' ot grootei'e troepen gedurende hot goheole jaar op. Mot do grootste waakzaamheid wordt door deze vogels acht gegeven op een naderenden vijand en bij dreigend gevaar verlietfen ze zich na een korten aanloop in de lucht. I'rots himne grootte, vliogon zij noed ou lang achtereen. De trapganzen voeden zich met korrels on met do hinderen van koolplantcu; de jongen worden bij voorkeur met insecten grootgebracht. De jager neemt allerlei listen te Wat (vermommingen, wegschuilen in wagens of' in overdekte kuilen) om ze onder schot, te krijgen, liet vleesch heeft weinig waarde, daar het hard en onsmakeljjk is. ()nde trapganzen sterven zeer spoedig in gevangenschap en jonge dieren laten zich moeilijk opvoeden en temmen.
Tot. de echte Mo er as vogels behoort de Reiger of Blauwe reiger (Ardea rinerea, Tab. 7 Pig. 8), een aanzienlijke vogel van l1/» M hoogte met mooie kuif en langen, rechten, seherprandigen snavel. In Maart komen de reigers als trekvogels hij ons aan; zij vliegen daarbij /.eer boog in eene schuine lijn achter elkander. Den winter brengen zij in Italië en Afrika door. Zij zoeken eenzame streken op, die rijk zijn aan slooten, moerassen, plassen en meren en nestelen gemeenschappelijk iti hooge hoornen op moeilijk toegankelijke plaatsen (reigerbosch). Vroeger werden deze reigerbosschen door de jagers zeer in eere gehouden voor de valkenjacht. In de buurt er van heersebt een ondragelijke stank van de uitwerpselen dier dieren en de rottende overblijfsels van visch, die den bodem bedekken. De reigers zijn uiterst waakzaam en voorzichtig; cenige hunner houden steeds op de hoogste punten der omgeving de wacht, staan daarbij onbeweeglijk op één poot, den kop tusschen de schouders ingetrokken, doch met hunne listig vonkelende oogen alles waarnemend, wat in den omtrek plaats heeft. Nadert iets verdachts, dan stooten ze een luid gesehreeuw uit, ter waarschuwing van de andere, die bezig zijn met visschen. Behalve visch eten ze ook kikvor-schen, salamanders, inseeteularven eti zelfs de jongen van andere watervogels. Zij loeren, onbeweeglijk op één poot in het ondiepe water staande, tot een dier de onvoorzichtigheid begaat in de nabijheid te komen, of wel ze naderen het behoedzaam en grijpen hunne prooi plotseling met den scherpen snavel aan. Jong gevangen reigers laten zich wel temmen, doch zijn nooit te vertrouwen. Zonder aanleiding doen zij onverhoeds met hun spitsen snavel een aanval op het aangezicht en de oogen, en kunnen daardoor zeer gevaarlijk worden. Dezelfde wijze van aanval volgt ook de bruingevlekte, korthalzige Roerdomp (Ai'ih'u Mrllm-is). Ilij houdt zich eenzaam verborgen in ontoegankelijke, met riet begroeide moerassen, komt eerst als de seheinering begint voor den dag, en jaagt onwetenden schrik aan door zijn geschreeuw, dat op het loeien van een os gelijkt. Nog grooter nachtelijk geraas maken de X a e h tre i ge rs, waarvan eene soort, de K wak (Arden uiictiivru.r), hoewel zeldzaam, in ons land voorkomt, ilij komt Wacnt.k's Nntuui'lükc Ilistorio.
lm
Hot dierenrijk. Vogvls.
in het kreupolhuut in do nabijheid der grooto rivieren voor. Eene Amerikaansclie soort zou 's iiiiciits een geschreeuw aanhefien, alsof iiondenlen indianen met elkander aan 't vechten waren. â De Kraanvogels gelijken op de reigers, doch hebben veel korter snavel. De gewone Kraan ((Inns cinerea) is zoo mogelijk nog voorzichtiger dan de reiger en bewoont slechts moerassige streken, waar hij steeds een vrij uitzicht heeft. Hij komt in Middel- on Oost-Europa voor en bezoekt ons land slechts op den trek. De kranen leven in gezelschappen bjj elkander en voeden zich niet alleen met visschen, kruipende dieren, wormen en insecten, maar zij eten ook bladeren en zaden, waardoor zjj wel eens den landman schade aanbrengen. Veel goedaardiger, sierlijker en daarbij speelscher en vroohjker dan onze ernstige kraan, is de Xnmidische kraanvogel (üms virgo), dien men. om zijn zachtaardig karakter, ook wel âNumidischejonkvrouwquot; noemt. Hij komt niet alleen in Xoordoost-Afrika. maar ook in Azië tot in Indië en hot Baikalmeer voor. Het noorden en westen van Afrika wordt bewoond door den Kroon-k ra a n vogel imvonia), een statigen vogel van 'tis M hoogte en
versierd met eene zeer fraaie vederenkroon op den kop. De meest bekende moerasvogel is zonder twijfel de Ooievaar (C.iconia nlba), dien men zoowel in Europa als in Azië alom met bijzondere voorliefde in bescherming neemt. Dit geschiedt niet wegens last groote nut, dat hij aanbrengt, want, al vreet hij wel eens muizen en slangen, zjjn lioofd-voedsel bestaat uit kikvorschen en visschen, en zelfs jonge bazen en vogeltjes worden verslonden. Voor een deel is het misschien om zijne vertrouwelijke geaardheid, zijn deftig, ernstig voorkomen en zjjn voorbeeldig familieleven. De hoofd-roden is zonder twijfel, omdat vroeg in het voorjaar de verschijning van het bekende ooievaarpaar in het dorp, door
oud en jong met vreugde wordt begroet, omdat zij meestal de eerste boden zijn van de naderende lente.
Het paar begint bij terugkomst niet het oude nest te herstellen. Dit is uit takken, graszoden en aarde stevig, maar ruw gebouwd, meestal in de nabijheid der men-sclioljjke woningen, op een beogen lioom of zelfs op een schoorsteen. Het wijfje legt er i a 5 eieren in en bebroedt ze, terwijl liet mannetjes er de wacht bij houdt. Daarbij kleppert lijj met zijn snavel en weet door zijn geklepper uiting te geven aan al zijne gevoelens. De jongen worden door beide ouders aanvankelijk met insecten en wormen gevoed, later met het gewone voedsel der ouden. Ze worden door ben met de grootste toew ijding verzorgd en onderwezen in alles Avat een welopgevoede ooievaar moet kennen. Xn eene maand kunnen ze reeds vliegen. Tegen het eind van Juli beginnen de ooievaars uit eene streek zich tot troepen te verza-
Mocrasvoirols. j
melen, om zieli ton sloth* op con woilaud to vorooni^oa. ()iiiion en zwakkon wordon nu mood oogenloos nitgostooton ot' zelfs gedood, daar zij do grooto ivis tooh niet zouden kuimon ineoinakon t'ii mot luid gokloppor vorhettcn do ovorigon zich hoog in do lutdit, om den toelit naar liet hartjo van Afrika te aanvaarden, waar zij don winter zullen doorlirengon. Daar on in liet lieeto Azië komen lien zen-ooievaars voor. De Indisclie Argala (Li;i)liiigt;lifos Ari/nln. Tali. 7 l-'ig. 0, wordt lquot;/:i M hoog, heeft oen geweldigen snavel, een naakten hals en kop en een liuidolvormigen krop. Hij wordt in Indië algemeen hesehermd, zelfs door de wet, die eeue zware straf stelt op liet moedwillig doodon er van. Daardoor is de vogel zoo driest geworden, dat hij in de straten der steden en op do erven der boerderijen rondwandelt om, evenals de gieren, aas en afval, zelfs beenderen en met bloed gedrenkte aarde te verslinden. Zijne keidis zoo wijd, dat hjj zonder hezwaar eeue kat, een Jongen vos en dergelijke dieren in hun geheel inslikt. Zijn Afri-kaansche verwante, do Mara hoe (LriitoiiHlo* Mumbtt), wordt zelfs '2â.«⢠.. M hoog, doeli stemt in zjjne levenswijze geheel niet den Argala overeen. De Heilige Ibis (//«'s rdigiitm, Tab. 7 Fig. 10), aan den dunnen, sikkelvormig gekromden snavel te herkennen, werd door de Egvptonaren zoo hoog vereerd, dat ze zelfs zijn lijk gebalsemd bewaarden. Een zeer vreemden snavel, die aan de punt platgedrukt en sehjjfvormig verbreed is. bezit de Lepelaar (l'lnlah'ii hnuvroiiia). Hjj komt in ons land van April tot September vooral in de nabjjheid der .Maasmonden voor, loeft gezellig en voedt zich met vissollen, slakken, wormen enz.
Tot di* steltloopers heliooren nog eeue menigte kleinere, flinke vogels, die evenwol in kleur en vorm weinig bijzonders vertoonen. Een der meest merkwaardige is de Kemphaan (Machrtes imjnnx, Tab. 7 Tig. 11 ). Het duii[iootige en langsna-velige vogeltje houdt zich in gezelschappen op in vlakke, boomlooze, vochtige met gras begroeide streken, liefst aan do oevers van meertjes. De dunne snavel is slechts aan de punt hard, dient als tastwerktnig en wordt in den weeken grond geboord om wormen en insecten te zoeken. De kemphanen zjjn zeer levendige, opgewekte en vroolijke vogels, die elkaar veel plagen en zeer spoelsch zijn. In den paartijd worden zij minder verdraagzaam. Do mannetjes krijgen dan een eigeiiaardigen kraag van voeren, die bij versohillondo vogels nicest verschillend gekleurd is, lichter of donkerder gevlekt. Keue beperkte ruimte wordt als kampplaats gekozen. Iedere haan, die aan den strijd zal (leelnemen, neemt een hoek er van in bezit en doet van hieruit zjjne aanvallen op den buurman of verdedigt zich tegen dezen. Diepe wonden worden gelukkig niet geslagen, daarvoor zijn de snavels te zwak, slechts vleugelslagen worden uitgedeeld en de mooie kragen deerlijk gehavend. De zwakkere mannetjes vluchten ten laatste en de sterkere verzamelen een 7- of S-tal wijfjes om zich heen. die ondertusscheii nader bij gekomen zijn. Do nesten zijn eenvoudige kuiltjes in den grond. De i eieren zijn
Hot (iicrcnryk. Vogols,
groen met donkoro vlekken. Hun vleosdi wordt zeer gesol uit. Dit la.'itsle is in nog liooger mate liet geval bjj do Snippen. In ons land broedt do Poel snip (Scolo-[iux major), de Watersnip (S. ijuirnuitjo) en het li u k J e (S'. jdUhiiilu). Zijleven in de moerassige weilanden van insecten en lumne larven en van wormen, die
ze diep uit den weeken bodem balen. Het zijn trekvogels. De meest bekende is de 11 o n t sn i p (N. nixllcola), die zich in de bosscben ophoudt en vooral op den trek hier wordt aangetroffen in het voor-en bet najaar. Deze vogels I rekken 's nachts, doch houden zich soms lang op in de stroken, ⢠lie zij doortrokken. Alle snippen worden om hun smakelijk vleesoh ijverig door de jagers vervolgd.
Zeer algemeen verspreid, van Zweden tot Japan, en in ons land een der meest voorkomende moerasvogels is de Kievit {VaneUux cristatus, Tab, 7 Fig. I'J), een trekvogel, die van Maart tot September onze laaggelegen weilanden bevolkt. Hij bezit een korten dunnen snavel, ecne kuif' op den kop en een prachtig metaal-glanzend gevoderte. Zeer gezocht zijn de olijfgroene, zwartbruin gevlekte eieren, die ten getale van â¢! of 4 in een kuiltje op den grond gelegd worden. Daar de kieviten door het verdelgen van tnllooze wonnen, insectenlarven en slakken op de weilanden zeer nuttig zijn, is het voortdurend uithalen der nesten zeer ten nadeele van den landbouw en dan ook door de wet verboden. Even algemeen als de kievit is in ons land 's zomers de Tureluur (Tolanus calidri*), met kraehtigen snavel, grijs en zwart gekleurd. ITij komt op dezelfde plaatsen als de kievit voor. De Water ral (Hallux wtnalicm) en de ICwa rtel koning (Crex pratensis), met korten snavel, zjjn evenzoo trekvogels, die in moerassige streken hun voedsel zoeken. Aan onze kusten komen nog talrijke andere soorten voor als; de S t randloopers (Triuga), de Grutto (Limosa), de K luit (lincur-virodra), de Scholekster (liaeinuloims). In onze heidestreken: de Plevieren (Charadrim) en de Wulpen (Sumenhin). Het in Zuid-Europa en Azië voorkomende Sul tanshoen (i'orplii/rio hyacinlhinm) is prachtig blauw gekleurd en heeft een lakrooden snavel. De Amerikaansche Chirurgijns (1'orra) zijn aller-
11)4
1(15
liefste, fraaie diertjes mer een vreedzaam karakter, die door liunne zeer lange teenen in staat gesteld zijn liehendig te loopen up de zwentniende bladen der waterplanten.
Zwemvogels.
De horst der zwemvogels is breed en gewelfd, liet lichaam wordt naar achteren toe smaller en glijdt daardoor gemakkeijjker door hot water, de pooten staan ver naar achteren, de teenen zijn door zwemvliezen verbonden of daarmede omzoomd. Het gevederte is dicht, ondoordringbaar voor water; onder de huid bevindt zicli dikwijls eene verlaag, die zoowel ter beschutting tegen de koude van het water, als ook ter vermindering van liet betrekkelijk gewicht dienst doet.
De prachtig rood gekleurde Flamingo (i'Uornicoplerm antiquorum, Tab. 7 Fig. M i, die met zijn langen, dunnen hals eene hoogte van 1 '2 M bereikt, doet nog aan de steltloopers donken, doch heeft zwemvliezen tusschen de 3 voorste teenen. Enkele troepen dezer vogels komen reeds in Zuid-Europa voor, talrijker zijn zij in Afrika en Azië. Zij marscheeren als soldaten in rijen dooide moerassen en lagunen en in het ondiepe water aan de oevers der rivieren. Verliezen zij hierbij den grond, dan zwemmen ze voortreffeljjk. Zij doorwoelen den modder, om kleine dieren te zoeken, waarbij zij den kop zoo houden, dat de bovensnavel beneden ligt. De snavel is zeer vreemd van vorm. hjj is in t midden knievormig naar beneden gebogen, de ondersnavel is het grootst, de bovensnavel past er in. De dikke tong is inwendig met een olieachtig vet gevuld en geldt bij de fijnpi'oevers als eene bijzondere lekkernjj. Ook het vleeseh der Jonge dieren zou zeer smakeljjk zjjn. De flamingo bouwt zijn nest op eene opgehoogde plaats in het moeras; men verhaalt, dat hij er den vorm van een kegel aan geeft, zoodat hjj bij het broeden de pooten aan de zijden kan laten afhangen als een ruiter, anderen beweren, dat hij met ingetrokken pooten op zijn nest zit als andere vogels. De jongen zouden reeds dadelijk in de eerste dagen do ouden in het water volgen en uitstekend kunnen zwemmen.
De orde der Eendachtige vogels is bijzonder belangrijk. Zij leveren vooreerst het meeste dons, dat zoo veel als vulsel onzer kussens en bedden gebruikt wordt. Als het zachtste dons opleverend, is de Ei dereend (Ftdle rnollmima. Tab. 7 Fig. 15) beroemd. Zjj bewoont do kusten van Groenland, J .Island en andere noordelijke eilanden en komt s winters als trekvogel ook aan onze kust voor. Het is een echte zeevogel, die kleine visschen en vooral schelpdieren eet. uitstekend duikt on gemeenschappelijke nestplaatsen kiest. Het wijfje maakt bet eenvoudige nest van zeewier en zeegras, doch bekleedt het inwendig
Jlit ilioroiuijk. Voy-.ls,
met dons, dut liet zichzelf aim den huik uittrekt. Op plantseu, waar het verzamelen van dons door de wet geregeld is, worden de vogels ia alle opzichten gespaard, men stoort ze niet en maakt ze daardoor zoo weinig schuw, dat ze zich op hun nest met de hand laten streeleu zonder op te vliegen. Men wacht met het inzamelen van het uestdons tot de jongen vlug geworden zijn, zoodoende verkrijgt men wel wat minder dons, doch men kan dan ook op eene jaarlijks terugkeerendo ophreng'sf rekenen. \\ aar eieren of' jongen worden weggenomen en /.ell's soms twee maal, staan de hroedplaatsen spoedig leeg. Met vleesch der eidei'eenden is als dat der andere van zeedieren levende Duikeenden (Fidi.c) tranig. Aan onze kusten komen 's winters vele soorten in menigte voor. Hetzelfde geldt van de Zaagbokken (Mergus), met bijna cylindrischen snavel en lange tanden aan de randen daarvan. De Zwemeenden, die geen huidzoom aan den achterteen en een breeden snavel bezitten, duiken minder goed dan de lieide eerste groepen; zij houden zich meest in zoetwater op. voeden zich voornamelijk met plantaardige stoffen, ofschoon ze ook vissehen en vischkuit, insecten, slakken en wormen gaarne eten en hebhen over 't algemeen zeer smakelijk vleesch.
De \.\ 11 de Eend (,hms hosclni*) is de meest gewone soort, liet mannetje
is in zjjti bruiloftskleed prachtig gekleurd, liet wijfje, evenals het mannetje in gewone tijden, roestkleurig geel met bruine vlekken. De eenden broeden op den grond onder struikgewas, soms evenwel op hooge boomen in verlaten ekster- of kraaiennesten, /jj kunnen aan de te veld staande granen veel nadeel doen, vooral in den herfst, wanneer zo zich tot groote troepen vereenigen vóór het begin van den trek, In dat jaargetijde worden tal van wilile eenden gedood om hun vleesch. Vooral de vangst in de zoogenaamde eendenkooien is merkwaardig. Op zeer eenzame plaatsen, waar een groote ])las is. worden van daaruit in verschillende richtingen vijvers (âpijpenquot;) gegraven, die hoe langer hoe smaller en ondieper worden. Aan den ingang van die vijvers worden aan beide kanten achter elkaar talrijke schermen geplaatst, waarachter zich oen man, de kooiman
1 (jo
'/wcmvotreU,
ot' kooikor, verborgen kan lioudon. Alles wordt vorder dicht beplant niet bout eu boven do pijpen worden netten gespannen, die in eene fuik eindigen (zie fig. 88). Tamme eenden moeten nu dienen, om de voorbij vliegende troepen wilde eenden te lokken. De eerste zijn gewend aan den ingang der pijpen gevoederd te worden. Zoodra een troep wilde eendon in den plas is aangeland, werpt de kooiman van acliter do scbormen gerstekorrels in den ingang der naa8tbijgelegen pijp; de tamme eenden komen hierop af en worden gevolgd door de wilde. De
kooiman bdct ze steeds verder en verder de pijp in, en laat zich soms daarbij helpen door een hondje, dat zich telkens aan den oever vertoont en dat de eenden, door nieuwsgierigheid gedreven, volgen. Zijn ze ver genoeg de pijp in. dan vertoont do kooiman zich plotseling aan den ingang. De wilde eenden vliegen vol schrik in de fuik en worden daarna gedood. In één dag werden op deze wijze reeds meer dan '1()Ã0 eenden gevangen. Ook K rikken of inter-talingen (Auas ct'ccca), Slobeenden of Lepelbekken (/1. clypeulu) Smienten of Fluiteenden ( t. iicnelope) en andere soorten komen hier meer ot
Hot (lioroimjk. Vogels.
ininder vour. I)»* li e r^'c c n d (.1. hidoi'iiG), die in do (luiuoii broodt,
hetzij in verlaten of in nog' bowoondo konijnonlioloii. levort (gt;]gt; hot eiland Itottuiii tal van smakolijko oicron op; haar vleosch is tranig.
Ouzo Taunno eend stamt van do wilde ceiid atquot;. Do aan do roodo oogringen lioi'kcnliarc Tui'kscho oond. dio ook hier getornd gehouden wordt, komt uit Amerika; haar eigenlijke naam is Itisameend (I. Diosrhata). Xauw verwant met de eenden zijn de (ianzon.
Onze Tamme gans stamt at'van do wilde Grauwe gans (Anscr cuicreun), die in het Oosten van Europa hroodt, o]i den trok troopsgowijze hiorhoen komt, evenals do Zaadgans (.1. soijdtiDi) en de Kolgans (,1. tdbiji'cins), die meer in 't Noordon hroeden. Zij voeden zich uitsluitend met jilantaardig voedsel en kunnen aan do to velde staande gewassen en op grasland veel schade doen. liet vleesch van do jonge ganzen is zeer smakelijk; do voeren hebben groote waarde. In do poolstreken komen nog talrijke soorten van ganzen voor, doeh ook de warmere gewesten hebben er, b.v. Egypte de Egyptische gans. Australië bezit de Hoendorgans (Cereopsis Novae llollirmliuc) een grooten vogel, die zoowel tot de steltloopers als tot de hoenderachtigen nadert en zich voornamelijk met plantaardige stoffen voedt. Het zou oen gewaardeerde huisvogel kunnen zijn, zoo hij zich in den broedtijd niet in do hoogste mate onverdraagzaam tegenover andere huisdieren gedroeg, zoodat hij zelfs woedend koeien en paarden
aanvalt. Nog grooter en statiger dan de ganzen zijnde Zwanen. De meeste hunner zijn zuiver wit van kleur, slechts de Zuid-A merikaansehe zwaan heeft een zwarten hals en de Au stralisehe is lieelemaal zwart. Onze Tamme zwaan is afkomstig van den (Jewonen zwaan (Gyymis Olor, Tab. 7 Fig. 10), die aan den wortel van den rooden snavel een zwarten knobbel bezit. Zoowel deze als de Wilde zwaan bewonen Noordelijk Europa en komen op den trek hierheen; de gewone zwaan slechts zelden. De wilde zwaan laat tweeërlei geluiden liooren; een luid geschreeuw, dat op de lettergrepen âkillkliiquot; gelijkt en een zacht geluid, dat als âangquot; klinkt. In de nabijheid klinkt het geschreeuw ruw en gillend, op grooter afstand zou het met bazuingeschal, klokgelui en vioolklankeu vergeleken kunnen worden. Op plaatsen, waar hij iu open water voedsel vindt, zooals b.v. aan de kusten van IJsland, blijft de zwaan ook 's winters over. NV aar het water dicht-
Zwonivo.u'i-ls,
vriest, is hij gethvongon naar zuidcljjkcr streken te trekken. Hij kan evenals zijne verwanten slechts moeilijk en sleehts van liet water uit ujivlienen ; heeft hij evenwel eenmaal eme aanzienlijke hoogte bereikt, dan komt hij vlug J^oruir. De noordelijke volkssrununen vervolgen de zwanen vooral om hun vleeseli en overvallen /.e in kleine hootea op hunne broedplaatsen ten tijde, dat zij door hef ruien de meeste hunner slagpennen verloren hebben.
De .Meeuwen onderscheiden zich van de meeste genoemde zwemvogels door hare lange, spitse vleugels, die haar ia staat stellen even vlug als aanlioudend te vliegen. Van de eigenljjke meeuwen zijn tal van soorten bekend: eene dei' schoonste is de Haring mee aw (Lani* ftmu*) die op Tab. 7 Kig. 17 is afgebeeld. Zij leven alle in troepen bij elkaar en nestelen soms bij duizenden paren naast elkaader op afgelegen plaatsen aan het strand of op lage eilanden. Overdag zijn ze steeds in de weer. Zij strjjken onophoudelijk over de zeeoppervlakte heen, z.elfgt; zoo deze hevig bewogen is, om zonder te duiken, vissehen en andere kleine zeedieren. die zich dicht bij de oppervlakte wagen, te vangen. Ook doorzoeken zij bij ebbe het strand, waar zij levende dieren zoowel als aas, dat aangespoeld is. in menigte vinden. Vele soorten, b.v. de Zilvermeeuw (/.. (ttycnUtlm) en de kleine Zeemeeuw (L. ctinm), bezoeken vaak het zoetwater verin het binnenland. en vangen ook landdieren, zelfs muizen, (irootere soorten ontnemen zwakkere strandvogels den hult, zooals b.v. de 15 n rge m e e s ter (7gt;. j/Zoccfo), die in quot;t .Xooi'den broedt. De Jagers (/âestW») verschaffen zich bijna uitsluitend op deze wijze hun voedsel. Hoewel zeer krachtig gebouwd, zijn het minder bekwame visehvangers. Zij komen slechts enkele malen - vooral bij stormen â- uit het Xoorden op onze kust. De Zeezwaluwen (Slrrnn) zijn kleiner dan de meeuwen, als deze over de kusten aller zeeën verspreid, en in staat duikend den visch uit het water te halen. Het Visclidiefje (SI. hiromhi) broedt in onze duinen, op weiden en in moerassen en houdt zich in het binnenland op, overal waar water is, zelfs aan de grachten onzer steden. De (»route stern (S. canliaca) levert met de zilvermeeuw op het eiland Uottum tal van smakelijke eieren, die door den strandvoogd worden verzameld en verkocht. De kusten van Amerika zijn bevolkt door den zonderlingen Schaarbek (Hijnchop* Hhjm), wiens snavel zoo sterk zjjdelings is saniengedrukt, dat hjj op de bladen eener schaar geljjkt. De ondersnavel is i c.M langer dan de bovensnavel en wordt door den vogel gebruikt om schelpdieren te openen.
De Stormvogels stonden van oudsher bij de zeevarenden in hoog aanzien omdat men geloofde, uit hunne wijze van doen het naderen van den storm te kunnen voorspellen. Hene der meest, gewone soorten is de Xoordsche stormvogel (Procdlaria- glacialis, Tab. 7 Tig. 18), Dij bereikt eene lengte van 'id c.M en trekt soms in scharen, die in de verte up wolken gelijken. Half vliegend.
Met (lioroiiriik. Vugols.
half over de oppervlakte van bet water loopend, maken deze vogels jaclit op kleine visschen, weekdieren, kwallen en sclmaldioren. Ze houden ziek gaarne op. waar wtilvisschen verblijven en verraden deze aan den visscher. Op do overhljjfsels der gevangen en van spek en baleinen ontdane reuzendieren vallen ze als gieren aan. Zij hebben gemeenseliappelijke broedplaatsen op de randen en langs de hellingen der rotsen aan de kust en worden ijverig gejaagd, daar veeren en vlcesch gebruikt worden. Dit laatste is zoo tranig, dat men verhaalt, dat men slechts een draad katoen door het liehaam heen te trokken heeft, om liet als lamp te kunnen gebruiken. Do zeeën in de nabijheid van den Zuideljjkeu Poolcirkel worden weer door andere soorten bewoond. De grootste soort dezer groep is de Albatros (Diomeilea exsulam), die de zeeën der geheide aarde bewoont en zoowel aan de zuidpunt van Amerika als in de Behringzee veel wordt aangetroffen. Hij bereikt eeue lengte van 1 Vs en eene vlucht van â'i 31.
De Pelikanen bewonen warmere landen, die rijk zijn aan groote rivieren en meren, üe Gewone pelikaan (l'clccariv» oiioerohthis, Tal). quot; l'ig- 1 'â¢') komt voor in Zuidoost-Europa, Afrika en Azië. Het zijn groote vogels, I M lang en met eene vlucht van meer dan M. De ]dutte snavel is 30 c.M langen draagt van onderen een wijden, vliezigen zak, waarin de pelikanen visch kunnen bergen. Zij leven in groote gezelschappen bij elkaar. In groote cirkels zweven zij boog boven het water, loerend of zich visch dicht hij de oppervlakte vertoont. Geschiedt dit, dan stort de pelikaan zich met ingetrokken vleugels plotseling daarop neer, duikt met den bek vooruit onder wateren komt na korten tjjd weer boven, gewoonlijk met een visch in den keelzak. Hij eet zijne prooi vliegende op of hrengt ze aan zijn jongen in het nest. dat zich op een hoogen boom of eene rots bevindt. De Schollevaar (Carbo connorcnius) is een vraatzuchtige vischroover, die daarom door de vissehers gehaat wordt. lt;)ok jegens andere vogels gedraagt hij zich zeer boosaardig en onverdraagzaam. Troepsgewijze overvallen de schollevaars zelfs reigers en kraaien, verdrijven ze uit hunne nesten en nemen deze zeifin bezit, la China worden zij voor de visch vangst afgericht; een ring om den hals belet ze den gevangen visch in te slikken, dien ze nu naar den mensch hebben leeren brengen. Als een koning dei-zee zweeft de Fregatvogel {TachypeUm uqmlm) gedurende het grootste deel zijns levens over de golven des Oceaans, niet zelden meer dan 100 Mijlen van de kust verwijderd. Zijne vlucht bedraagt zijne lengte I M; zijne kleur is
zwart. Ook de Keerkri ngsvogel (I'lmcton ncllirrniis) wordt tnsschen de keerkringen door de zeevaarders zwevend aangetroffen, jacht makend op vliegende visschen. Aan de boschrijke oevers der groote stroomen van Amerika en Afrika loert do SlangenhalsvogeI (/'Inlas) op visch. Do lange dunne hals met den kleinen kop gelijkt op eene boomslang. De snavel is lang. zeer dun en aan de randen van weerhaken voorzien. Pgt;jj het zwemmen steekt alleen de hals met den
170
ZwtlllVu-fi.V
kop boven liet watoi' uit. Even voorzichtig en slim als deze vogel zieli aan de vervolging der menselien weet re onttrekken, even roekeloos en dom is de bekende Jan van (ient (.Sit//« nlhd), een groote zeevogel, wit van kleur. Op St. Kilda, in Sehotland en andere rotsachtige kustlanden of eilanden van noordelijk Europa, waar deze vogels lijj duizenden gemeenscliappelijk nestcdi'ii. worden de jonge vogels en de eieren in ontzaglijke menigte geroofd, zonder dat het aantal dezer vogels merkbaar vermindert.
Van de Duikers bewonen meerdere soorten, b.v. de Fuut (Podiceps cris-tatun) en de Dodaars of Kleine duiker (I'. rninor) onze zoete wateren; zij houden zich evenwel in den regel zoo goed schuil, dat ze zelden gezien worden. De pooten staan bij deze vogels zoo ver naar aeliteren, dat ze slechts moeilijk en waggelend kunnen loopen; ze vallen daarbij zelfs licht om en hebben dan moeite zich weer op te richten. Het lichaam wordt tamelijk verticaal gedragen en lijkt wel op eene langlialzige tleseh. In het water bewegen ze zich daarentegen buitengewoon vlug en behendig; ze zwemmen uitstekend, zoowel aan de oppervlakte! als geheel ondergedoken. Ze voeden zich met kleine vissollen, kik-vorschlarven enz. en trekken in den herfst naar Zuid-Europa. Hoewel ze zeer korte vleugels bezitten en dan ook moeite hebben met opvliegen, kunnen ze er, eenmaal op zekere hoogte in de lucht zijnde, buiten verwachting goed mee vooruitkomen.
De Zeeduikers, waartoe de l.lsduiker ((.(ihiinhiis (/Iticiuli* Fig. H!)) behoort, vliegen nog beter dan de vorige,
bewonen 's zomers de kusten dei'
Xoordeljjke IJszee en komen quot;s w inters aan de Europeesohe kusten.
Door den uitsluitenden vischkost,
dien ze genieten, zijn het vleesoh en de eieren dezer vogels zoo tranig en slecht van reuk, dat ze niet genietbaar zijn. Hunne huiden worden dikwijls verwerkt tot moffen en ander bontwerk.
De Alken komen in bun lichaamsbouw met de duikers overeen, doch hebben door hun korteren hals en den meestal korten, dikken snavel een papegaaiachtig voorkomen. Zjj bewonen uitsluitend de koude zeeën van het Noorden. De vleugels zijn kort en worden behalve om te vliegen ook gebruikt om er onder water mee te roeien. Voor het uitbroeden der eieren worden de randen der steile, rotsachtige kusten gekozen. Do alken bewegen zich wel is waar op den vlakken grond zeer onbeholpen, maar tegen de rotswanden opklauteren kunnen ze tameljjk behendig. De. eieren worden meestal op het naakte gesteente gelegd en ze zitten
H»t tliorcnryk. Vojr«.-Is,
er soms in rijen bij honderden en duizenden naast elkander op te broeden. Men kent er talrijke soorten van, die in hare levenswjjze bjjna geheel overeenstemmen.
De Ueuzenalk (.I/ca iriiijeniii*), die vroeger in (iroenland veelvuldig voorkwam. sehijnt geheel uitgeroeid te zijn; daar bij niet kon vliegen was hij gemakkelijk genoeg te dooden. De Groote alk (A. tarda, Tab. 7 Fig. '21) bewoont bij duizenden de rotskusten van Engeland en de Faroër-eilanden en wordt daar jaarlijks door koene vogeljagers van eieren en vederen beroofd. De mannen laten zich soms aan touwen neer om de broedplaatsen te bereiken, waarbij niet zelden ongelukken gebeuren. De Kleine alk ol' Zeekoning (Merytdim allé) bljjft zelfs gedurende den winter in 't hoogste Noorden en vliegt even uitstekend als de zwaluw: hij moet evenwel verhongeren wanneer de zeeboehten langeren tijd dichtvriezen. Do Papegaai duiker {Mormom arctica*) kan met gemak 30â40 M diep in zee onderduiken, om daar jacht te maken op vissehen.
Zeer merkwaardig zijn de kolonies van Vetganzen of Pingnins, die in de Zuidzee voorkomen, vooral die van den Koningspinguin {Aplenodylcs patagonica. Tab. 7 Fig. t22). lljj is een aanzienlijke, fraai gekleurde vogel van 1 M lengte en 15 KG gewicht, rijk aan tranig vet. Hij bewoont in groote gezelschappen de woeste eilanden der Zuidzee en nestelt in scharen van 30- -40 duizend in rijen naast elkander. Oude mannetjes, broedende wijfjes en de ruiende jongen houden zich streng van elkander afgezonderd. Het w ijfje legt maar één ei, dat de grootte heeft van een zwanenei. Zoolang het broedende is, wordt het door het mannetje van voedsel voorzien, dan voeden de beide ouden het jong met visch en andere zeedieren, uit hun krop. Den overigen tijd brengen de pingnins bijna uitsluitend in de zee door en gebruiken daarbij hunne korte vleugels als roeivinnen. In plaats van slagpennen hebben ze slechts kleine schubvormige veertjes. Worden zij op het land door menseben verrast, dan beffen ze een geweldig geschreeuw aan. half brullen, half kwaken, trachten in de zee te ontvluchten, doch verdedigen zich ook met geweldige snavelslagen. De evenzoo in de Zuidzee levende Goud-duiker (Eachiptes chrtt*ocoma) is slechts zoo groot als eene eend. Op den rug is hij zwart, op den buik wit en aan elke zijde van den kop draagt hij eene mooie gele vederpluim.
Iv R1' I P EN DE Dl EK EN.
De kruipende dieren worden zoogenoemd naar den sluipenden, kruipenden gang, die aan de meeste hunner eigen is. I Iet bloed dezer dieren heeft ongeveer denzelfden
scUiidpaciiU'ii. 17:!
warmtegraad nis de omgeving en is dus minder warm dan dat der dieren uir de vorige dierklasse. Men noemt ze koudbloedige dieren. In de koude gewesten ontbreken zij geheel, in de gematigde luchtstreken komen /ij slechts in gering aantal voor, maar in de warme zijn zij zeer veelvuldig. De kruipende dieren der koelere streken bonden oen winterslaap, die der beete gewesten brengen bef droge jaargetijde slapende door. Zij bezitten alle een beenig geraamte. I itwendige, ooren ontbreken. De meeste leggen eieren met zachte, lederachtige schaal of zonder schaal ââ bij eeuige komen de jongen reeds vóór hot leggen der eieren uit. De Aiuphibiën of tweeslachtige dieren, zoo genoemd omdat zij in hunne jeugd als waterdieren, later als landdieren leven, worden veelal als eene bijzondere klasse van de andere kruipende dieren afgescheiden. Zij wijken daarvan niet alleen af door hunne gedaanteverwisseling, maar ook door hunne naakte huid. De kruipende dieren vcrscbillcn overigens zooveel van elkander, dat er geene andere gemeenschappelijke kenmerken van zijn op te noemen.
Seliilii|ia(blcn.
De sehildpttdden zijn door een vast beenpantser omgeven; dit is ontstaan door vergroeiing van deeleu van het geraamte met de onderste, verbeende huid-lagen. Zoo werken de ruggegraat en de ribben mee tot de vorming van het rugge-schild, evenals het verbreede borstbeen deel uitmaakt van het bnikscbild. Vele soorten kunnen kop en ledematen binnen het pantser terugtrekken. De grootste soorten leven in de zee. De gOWone Zeeschildpad of Karetschildpad ((.hal on id imhricata, Tab. 8, Fig. i) wordt zoowel op de kusten van tropisch Amerika als bij verschillende eilanden van den ludiscben Oceaan aangetroffen. Zij bereikt eene lengte van 1 M en een gewicht van 100 KG. De pooten zijn ingericht voor het roeien; alle teenen zijn door een gemeenschappelijk vlies verbonden, liet ruggesehild is door ilt;gt; hoornachtige platen, verharde huidlagen, bedekt. Deze leveren het bekende gele. bruingevlekte, gladde schildpad op. dat tot kammen, doezen, mesheften en dergelijke dingen verwerkt wordt. De wijze, waarop deze schildpadplaten worden verkregen, is nog al gruwzaam. Men houdt het levende dier boven het vnnr. waardoor de platen week worden en rukt deze dan af. De dieren worden daarna weer in zee geworpen; men zegt. dat ze weer nieuw schildpad voortbrengen, hoewel minder dik en mooi. Eene volwassen schildpad levert ongeveer i KG schildpad op van lt;i mM dikte. Maar vleesch is niet smakelijk en ongezond, daarentegen zijn de bolvormige, week-schalige eieren eetbaar. In .bun kruipt de schildpad op het zanderige strand, graaft eene kuil in het zand. legt daarin hare 100 of meer eieren, bedekt
174 Het ilieroinijk. Kruipendo dieren.
ze met zand en Iaat liet uitbroeden er van aan de zon over. Van de jon quot;-en worden de meeste kort na het uitkomen door vogels, kleine zoogdieren en visseheii opg'evroten, omdat hare pantsers nog' week zijn. In sominigo streken is liet inzamelen van schildjiadeieren van veel belang. Zoo o]gt; de zandbanken van de OriiU)ko, Essequibo en Amazone-rivier, waar ze jaarlijks iu ontzaglijk groot aantal gevonden worden; zij zjjn meestal afkomstig van de â .Al lange Sch eensc h i ld pad (Poüocne)nis r.vixinaa). liet eiwit, dat bjj het koken niet stolt, laat men wegloopen, en eet alleen den buitengewoon smakeljjkon dooier. Daaruit wordt ook eene olie bereid, die in kruiken voor later gebruik wordt bewaard, liet vleeseh van de groene Iv e uz en se h i I d pad { Chdonia Midus) is lust meest geschat. Deze wordt lang', weegt liöOâ500 KG, wordt in de nabijheid der Antillen en der Hahanui-eilanden gevangen en wordt dikwijls levend naar Engeland verscheept. Schildpadden kunnen zeer lang honger Ijjden, sommige wel een jaar lanquot;'. Ze kunnen ook geweldige verminkingen verdragen; er zijn voorbeelden bekend van schildpadden, die men do hersenen uithaalde en die nog 0 maanden rondliepen ; bij andere, die men den kop had afgesneden, klopte hot hart nog na 14 dagen en de afgesneden kop beet nog na een half uur. Op den rug gelegd, kunnen zij zonder hulp niet meer op hunne pooten terecht komen. Van de zeeschildpadden noemen wij nog de LedersehiIdpad (Sjjliunjis mcrcurialis), die in alle warmere zeeén voorkomt. Zjj wordt 850 KG zwaar, doch haar vleeseh geldt voor ongezond. Haar ruggeschild is loderaeiitig, met overlangsche ribben bezet. In liet zuidelijk gedeelte van het Ifimalaija-gebergte heeft men ovcrbljjfsels gevonden van eene uitgestorven schildpad (Colossocheli/s Atlas), die ü M lang en ü.' M hoog was. Al de genoemde schildpadden voeden zich met plantaardige stoffen, hetzelfde is
het geval met de Lan d-schil dp a d den (Teshi-c/o), waarvan eene Euro-peesche soort, de fraaie G r i e k s c h e s c h i 1 d-pad ( T. (jraeca), bekend is. De 1! ivier- en Moe-r a s s lt;⢠h i 1 d p a d d e n daarentegen zjjn zeer k waadaa rdige roofdieren, die zich met levende visschen, kruipende dieren en weekdieren voeden, soms zelfs den mensch aangrijpen, zooals b.v. de Amerikaansche Staartsch ildpad (Chdydm serpentina), een dier van I 'A; M lengte, dat veel gelijkt op een alligator met schildpadpantser. Even roofzuchtig is de Amerikaansche L ederschildpad (Trionix
Hairt'tlissfii.
feru.r), die zelfs jonge alligators opvreet. De evenzoo in tie watereu van tropisch
Amerika levende Matainate (('.hel;^) is een der leelijkste ilicri'ii. dir men kent.
Haar tot een slurp verlengde kop en lange hals zijn met groote. de pooteu met
kortere huiduitwassen bezet; daarbij verspreidt liet wanstaltige schepsel nog een
iikeligen stank. De Brazili-
aansche Cargodo (PlaJr-
nu/s depressa) kan haren
langen hals niet binnen het
pantser terugtrekken, maar
zij verbergt hem zijdelings
onder de randsehildcn. Van
de Australische schildpad-
Fig-. 92. Matamatf.
den bezit er eene een langen slangenhals (Chelodina Xovae llollandiae). In \oord-Dnitschland komt op enkele plaatsen de kleine Moerasschildpad (h'ingt;i* eiirojtaea) voor. die zich met aardwormen, slakken, waterkevers, doch ook met visschen voedt.
Hagedissen.
De hagedissen hehben een langgestrekt lichaam met zeer langen staart. De vier pooten zjjn zoo kort, dat zij bij haren gewonen gang den buik over den grond slepen. De staart dient bij vele deels als wapen, deels om er zich sprongsgewijze mee te bewegen. Naar de huidbekleeding worden ze in 3 groepen verdeeld:
De Krokodillen of' Pantserhagedissen zijn de draken der sagen; en werkelijk, al bezitten zij ook geene vleugels, en spuwen zij geen vuur, ze zjjn toch vreeselijk genoeg. De hoornschilden. die in dwarsrijen het iiehaani bckleeden. zijn zoo hard. dat een gewone looden kogel ei'licht op afstuit. De sedert de oudste tijden meest beruchte soort is de Xij 1 - k rokod i I (Crococlilns vuhjuris, Tab. 8 Pig. 2), die vroeger ook in Egypte voorkwam en daar als heilig dier vereerd, gevoed, met gouden oorringen versierd en na den dood gebalsemd werd. Tegenwoordig wordt hij nog in den JJovennijl aangetrott'en en in de meeste rivieren en meren van Middel-Afrika. Overdag slaapt hij gaarne op de zandbanken in den heeten zonneschijn, 's nachts maakt hij jacht op visschen en op allerlei landdieren, die de drinkplaatsen bezoeken, lljj zwemt hoogst behoedzaam onder water tot in de nabijheid zijner prooi, stoit zich dan plotseling daarop en grijpt ze met het vreeselijk gebit vast. om ze eerst te verdrinken en dan te verslinden. Hij doet wel is waar eenig nut door het opruimen van krengen in het water, doch is algemeen gehaat, daar hij ook den mensch en
H'I (licn-iirijk. Ivruiix-iidc di'-rt-n.
'1 7(i
diens huisdieren aanvalt. De negers trachten hom op zijne slaapplaats te verrassen. werpen hem een zwaren harpoen diep in 't lichaam en dooden hem vervolgens. liet vleesch is slecht en wordt zelden gegeten, daarentegen is de muskus, die het dier in klieren aan de onderkaak afscheidt, lijj de Afrikanen zeer hemind als reukmiddel. In woede laat de krokodil een luid gebrul hooren. De grootste dieren dezer soort worden (gt; 7 .M lang. De wjjfjes graven hare 5lt;l (i() eieren in hot hecte oeverzand; zij licwaken de eieren evenals dc jongen, die er uit te voorschijn treden, doch kunnen niet licletten, dat gewoonlijk in de eerste dagen meer dan twee derde er van door andere dieren, ja zelfs door de mannelijke soortgenooten, worden opgevreten. De kaken der krokodillen, waarin /ij buitengewone kracht ontwikkelen, zijn bezet met talrijke, kegelvormige, holle tanden. De oogen zijn van drie oogleden voorzien, de ooropeningen met kleppen sluitbaar. Tnsschen de teenen der achter|iooten hehhen zij zwemvliezen. De
Uavial (Guvitilis iiamjelicim) bewoont den Ganges en onderscheidt zich van den gewonen krokodil door zijn langen, snavelvormigen snuit. Hij wordt door de bewoners van Malabar als heilig dier vereerd en op sommige plaatsen in vijvers gevoed en aangebeden. De op de Zuid-Aziatische eilanden levende Crovodihts biimrcfdw is om zijne roofzucht zeer gehaat en gevreesd. Men beweert, dat evenveel menschen als door de tijgers worden gedood, door de aanvallen dezer dieren het leven verliezen. .11 ij trekt niet alleen soms schippers uit hunne booten, maar zelfs verbrijzelt hij deze soms, door de geweldige slagen met zijn staart, om zich van een der opvarenden meester te maken. Van de Amerikaansche krokodillen komt de Spitskrokodi 1 (t.V. ttctdm), wat gedaante en karakter betreft, geheel overeen met den Nijlkrokodil. Hjj bewoont de Antillen, zoomede de noordelijke deelen van Zuid-Amerika. Dp de Savannen houdt hjj tijdens het dorre jaargetijde in het verdroogde slik een soort van winterslaap, om eerst te ontwaken, wanneer de regen invalt en de tijd der overstrooiningen aanbreekt.
ITapedissr-n.
De van oen snooksimil; vnor/.icnc A lligators of' Kna i ma n s zjjn in de watoren van liet warme Amerika zeer algemeen, dorli worden gewoonljjk mi mier gevreesil dan do vorige soort. Op vele plaatsen laten ze zieli door de herders met knuppels verjagen, zoo zjj een aanval op de drinkende kudde willen doen, doeli op andere plaatsen worden vooral oude mannetjes in den paartjjd zeer gevaarlijk-. De meest bekende is de M i ss i ss i p pi-ka n i m a n (('.hampmt liich(s), die in alle zuidelijke sti'oomen dor Vorecuiigile Staten voorkomt, zieli met viscli voedt, soms zelfs paarden en andere dieren aanvalt, doelt voor den menstdi in den regel uitwijkt.
De tweede groep der hagedissen heeft eeno met sehnbhen hedekte huid. Daartoe helioort de wonderlijke Kameleon {lt;'.liuinacleiiii africdnii*. Tal). S Fig. 3), die in Afrika te luiis hoort. Het is een zeer traag, goedmoedig diertje van ongeveer M lengte, dat voornamelijk daardoor vermaard geworden is, dat het zijne kleur plotseling kan doen veranderen. In nistigon, kalmen toestand is het donker olijfgroen met gele strepen en blauwe vlokken. Wordt het diertje opgewonden, dan wordt zijne kleur eerst geel. vervolgens bruin, bij plotselingm schrik zelfs zwart. Somwijlen krijgen hierbij de beide lieliaainshelften versehilleiide kleuren. De kameleon bezit verder, als vele andere hagedissen, hel vermogen zieli zoo sterk op te blazen, dat lijj wel bijna tweemaal zoo dik wordt. Zjjne pooten gelijken op die van een papegaai, hij plaatst .quot;i teenen naar voren en 2 naar aehteren; buitendien houdt hij zich nog met zijn langen grijp-staart aan de takken vast en blijft dan ook dagen lang onbeweeglijk zitten, tot toevallig een insect diehtbij komt. Dan
vormige, van voren knodsvormig verdikte tong pjjisuel daariuuir uit en lier diertje blijft door het taaie, kleverige speeksel er aan vast zitten. In geval van nood kan hij ook een paar weken honger lijden. Met elk oog kan hij naar willekeur in een andere riehting zien. De inheemsehe (lewone hagedis (ImcoHh nyili», Tab. 8 Fig, \) is een allerliefst. Hink diertje van ongeveer een span lengte. De kleur is zeer verschillend, slechts kruin en staart zjjn altijd bruin. Zij leeft op zanderige, begroeide plaatsen, houdt zieli bij koel of regenachtig weer steeds in gaten in den grond verborgen en maakt hij warm weer jacht op kleine insecten. Den winter brengt het diertje in een hol slapende door. Het wijfje legt in Juni Gâ^8 eieren in het mos en laat deze door de zon uitbroeden. Merkwaardig is het afbreken van den staart, zoo men het diertje daaraan vastgrijpt; niet zelden ontkomt het hierdo ir nog op het laatste oogonblik aan zjjn vjjand.
Waonku's Natuiuiyko Historie.
werpt de kameleon de lange, worm-
Hot (licn'imjk. Kruiin'iido diorfti.
ITS
Do staart groeit wt'cr aan, hoewel liji iets minder lang wordt. Afrika en Azië herbergen in do Monitors (Vnrtimis) dieren, die door Imnne grootte ii]» krokodillen gelijken. Zoo is de N ijlinonitor (1. iiilolicu*) hijna M lang, liij zwemt uitstekend on vervolgt gaarne jonge krokodillen; in zijne scliorpe klauwen en stevige tanden bezit hij geduchte wapens. De in rotsachtige streken voorkomende monitors. Ii.v. de Witkeelige (1. xlltniiiddrifi), kan zich met zijne klauwen zed stevig aan de steenen vastklemmen, dat twee man nauwelijks in staat zijn hem er af te rukken. De Ameiven (Ameivao), in Zuid-Amerika, worden evenzoo 1 '/.i M lan^' en snekiii in de nahijheid der woningen zelfs de rol van roofdieren, doordien ze jonge huisdieren kapen en zich zelfs tegenover den mensch ernstig te weer stellen. De Mexikaausche Korstkagedis (Ifelodermn horridum) is merkwaardig door haren vergiftigen beet; hare tanden staan met giftklieren in verbinding, (leheel onschadeljjk daaremtegen, trots hun angstwcd^kiMulen naam. zijn de Draken en Hasilisken der tro])ische gewesten. De Urnine draak (Draco [uncus. Tab. S Fig. 5) wordt ongeveer V» lang en bewoont de hoornen der Zuid-Aziatische wouden. Daarop klimt hjj zeer bedachtzaam rond en vanfft insecten. Zijne ribben zijn zeer lang en beweeglijk, hjj spant daarmee de hnid zijdelings uit als een paar vleugels en kun dan op geljjke wijze als de vliegende eekhoorn op aanzienlijken afstand van boom tot boom Hadderen. Op .lava komt de Vliegende draak (/). vitlun*) voor. l'len dergelijk boomleven leiden de basilisken. De Dra z i 1 i a a ns c h e basilisk (Thmliscm wilnilm) wordt tot I M lang. Hij draagt op den achterkoj) een eigenaai'digen uitwas, aan de keel een huidzak en op don rng een huidkam, zoodat hij er vreemd genoeg uitziet. Vandaar de naam, waarmee men in den ouden tjjd een denk beeldig fabeldier aanduidde. De Amboineesclip basilisk (//. timfmnnisis) is I' M lang en leeft op de Soenda-eilanden. Hij draagt een kam op rug en staart. Met de basilisken verwant zijn de in Amerika voorkomende Leguanen (op Tab. S Fig. (i zie h/mtm (Icliadissinui). Hel zijn boomhagedissen van bijna â¢gt; M lengte: zij voeden zich als roofdieren met kleine vogels, zoogdieren, kruipende dieren, insecten enz., doch vreten ook bessen en andere plantaardige stoffen en leveren een zoo smakelijk vlecsch o]), dat de Indianen er gaarne jacht op maken. Ze werpen hun strikken om den hals en trekken ze daarmee naar beneden op den grond of wel ze plaatsen vallen, vangen ze in netten of schieten ze met vergiftigde pijlen. De jagers dienen steeds goed op hunne hoede te zijn, daar de. dieren gaarne onverhoeds op den mensch afkomen en hem geduchte wonden kunnen slaan. Men heeft overblijfsels gevonden van eene Leguaan-soort {hjnaiioilon), die M lang was en waarvan de dijbeenderen zelfs die van den olifant in dikte overtreffen. In de landen om de Middellandsche Zee leeft de Gecko {Plulgt;i(1iirl\iJns murdli*). Hij verkrjjgt een span lengte en heeft een somber, padachtig uiterlijk, 's Xachts kruipt hij tegen
ITafff dissen.
de muren op, /.i'lts fcgcn kiiiticrjilnfonds, om vlieg'cn fc viuigcii. Ilicrliij lioudf lijj zich vast met de kloverigw /.uigsvliijven, die aan de uiteiiuhai der teoncn voorkomen.
Een nantnl liagedissen vormen den overgang tot de slangen; daartoe behoort onze llazelworm (Atii/uin Irnifili*, Iquot;ali. S 7). 1)001' liet gemis mui pooteu
gelijkt liij op eene kleine slang, doch is door bet bezit van oogleden en door de gladde, glinsterende, roodachtig grjjze sclmbben. die de huid liekleeden, gemnk-keljjk daarvim te omlerscheideii. \ au de lieren i^. evenals lijj de slangen uit-wendig niets ziehtliaar. Ilij komt op zimderigen hodian voor, voedt zich met slakken en wormen en brengt den winter slapende door in een hol in den grond. Hij brengt levende jongen ter wereld. Vat men hem Hink aan, dan breekt ook lijj dit dier de staart licht af, om zich spoedig (laarna weer te herstellen. In Arahié en .Voord-Afrika leeft de Schink (Sr/, 1 mlt;'fjir'm 11 een diertje met vier graatpooten. een span lang, een duim dik en geel gekleurd. In vroeger tijden schreef men aan het gehrnik dezer hagedissen wonderlijke genezingen toe en verkocht men ze in de apotheken.
17!»
Lot de derde groep der hagedissen behooren dieren, die in plaats van eene geschubde eene geringelde huid bezitten en geene of aHeen voorpooten hebhen, zooals de I) u li I) e I I o o p e r (.\t)iplilsliiirnii die nog h'genwoordig door de bewoners der Antillen als genees- en heelmiddel zeer gezocht is. Waarschijnlijk is het geloot in de heelkracht van dit dier ontstaan door zijn wonderlijk herstellingsvermogen, daar het verloren lichaainsdeelen spoedig terugkrijgt. In vroegere perioden hesfonden hagedissen van kolossale afmetingen, die lange tladderwerk-tnigen bezaten (ViiTodnclijhix) â . andere, die, in de zee levende, op visscben geleken (Irhllt i/omniriis) enz.
Sla ngcii.
De slangen gcdjjkcn alle o|i elkander door den langgestrekten. rolronden vorm huns lichaams, waaraan geene pooten of vinnen voorkometi. De huid is met sidmbhen heilekt. Oogleden en uitwendige ooren onthreken. Dlt;⢠lange, gespleten tong wordt als tastwerktnig gebruikt. De rugwervcls zijn zoodanig aan elkander verbonden, dat zij zoo vrij mogelijk beweegbaar zijn. De ribben beginnen onmiddellijk aebter den kop en zjjn in buitengewoon groot aantal voorhanden. 100 100 paar. Borstbeen en middelrif ontbreken. De slangen kruipen door het lichaam in zijdelingsche kronkelingen te buigen, waarbij zij zich met de ribben voortsclmiven. De beenderen, die hare mondholte begrenzen (kaken en andere schedelbecnderen), zijn door rekbare banden met elkander vereenigd. Daardoor zijn zij in staat muil
lid (limnirijk. Knii|Mjinlo lt;lilt; rcii.
on kool ontzaglijk t,o vorwjjden. Zij zijn bijzonder stork gespierd; toch zijn de slangen trage dieren, die langen tijd onbeweeglijk blijven liggen, maar ook plotseling oven vlugge, als krachtige bewegingen kunnen uitvoeren. Het zijn alle roofdieren; */s der soorten zijn niet vergiftig; de andere zijn giftslangen.
Onder de N iet-vergifti go sla ngen zjjn de 1! e uzens 1 a n gen {Hoa) de grootste en krachtigste. De Gewone reuzenslang iHon coiiMriclov, Tab. X Fig. S) leeft in de warm-vochtige woudstrekon van Zuid-Amerika en bereikt oone lengte van '2 â¢gt; M, enkele malen zonden er zelfs gevonden zijn van (gt;â40 M lengte. Zij houdt zich in do nabjjhoid van hot water op; meestal klemt zij zich met het staarteind aan een boomtak vast, waarbij twee kleine klauwen baar dienst doen, die aan het achterste gedeelte van het lichaam voorkomen en in verbinding staan met de beide in bet lichaam verborgene achterste ledematen, die niet (ot ontwikkoliug gekomen zijn. Dikwijls verbergt de reuzenslang de voorste helft van het lichaam under don waterspiegel of onder het afgevallen loof. Nadert een zoogdier van do grootte eelier ree of kleiner hot water, om te drinken, dan werpt de slang er zich bliksemsnel op, grijpt het liefst bij snuit en neus aan en slaat er do beide rjjen haakvormig naar achteren gebogen, spitse tanden in, waardoor een ontsnappen der prooi onmogelijk is. Door haar lichaam om dat van haar slachtoffer te kronkelen, wordt het dier gedood, zijne ribben worden gebroken en nu begint do slang langzaam den buit iu zijn geheel in te slikken. Zij trekt er haar lichaam als het ware langzaam overheen, nadat zij do prooi door rijkohjko bevochtiging mol haar dik spooksel glibberig gemaakt hooft. De spijsvertering is buitengewoon krachtig; van een dier, dat zij verslonden hoeft, worden slechts zeer weinige doelen onverteerd uitgescheiden. Na een rijkelijk maal zoekt do rouzenslang oen rustig plekje, waar zjj tijdons de spijsvertering blijft slapen en is dan zoo onbeholpen, dat zo zelfs door jongens met stokken kan worden doodgeslagen, /ij verraadt hare aanwezigheid door haar afschuwelijken stank. Haar vloesch wordt zoor zelden gegeten, terwijl dat van vele andere slangen voor smakelijk gehouden wordt; daarentegen wordt haar rijkelijk vet als geneesmiddel bij kwetsuren en andere kwalen gebruikt. Eeius andere Hraziliaansche reuzenslang, do Anaconda {Hou uuirinu), wordt 7â40 M lang. Zij houdt zich of in het water zelf, of dicht in do nabijheid or van op en bereikt een omvang van moor dan â ;i M. Men verhaalt, dat deze slang soms menschen aangegrepen en vooral kinderen omgebracht heeft. Dit zou in nog sterker mate het geval zjjii niet de i'hyton's (Pijlhon hivitlalvs, ScliHcidcri etc.), die in Afrika en zuidelijk Azië leven. Aan de westkust van Afrika worden dergelijke monsters als fetissen door de priesters gehouden en als goden vereerd. Als de schoonste aller reuzenslangen wordt de in Australië iiiheemsche liu iten slang (Morelid tnyu*) geroemd. Haar naam
ISO
is ontlcuml nan do g'lnn/cndc. gek'. iiiitvDi'inigc [tick, wiiiinncc Iiarc hlimw/wartc rug/ijdi! vei'siiii'd is, /ij voedt /icli inot kleine buideldieren, lani/en en voxels. Van onze inheeniselie slangen is de Kingslang of lleiaal {Tmiiiilo-iiohts mtlri.r, Tal». S Fig, !gt;) do moest gewone. Zij is gcniakkelijk te lioikennon aan de twee witgele, zwart gezoomde vlekken aan de zijden van den hals. Overigons is â¢haar lichaam blauwachtig grjjs. met enkele donkere stippen. Zij komt liefst in de nabijheid van water voor, baadt zich gaarne, zwemt uitstekend en voedt z.icli voornamelijk met kikvorsclien. Maandelijks vervelt zjj; alsdan burst de opperhuid, die de schubben en oogen bedekt, aan de lippen open en het dier sluipt er uit, voorzien van eoiie nieuwe, volkomen doorzichtige opperhuid, die na eenigen tijd troebel wordt. Don winter brengt de ringslang in een aardbol slapende door; de rolronde eieren legt zij op eene vochtige, warme plaats b,v, in een mesthoop. Ze is onschadobjjk en laat zich zelfs temmen. .Men kent van betzelfde geslacht wel HO soorten, Eene tweede, hier zeldzamer voorkouiende soort is do Gladde slang (Coronrlla Incris). Zjj is bruin en vertoont op don rug twee rijen donkerbruin gekleurde vlekken, die soms paarsgewijze verbonden zijn, waardoor zij dan wel iets op de adder geljjkt. Haren lievelingsbuit vormen hagedissen. In de voebtig-hooto wouden der tropische gewesten komen talrijke soorten van Boomslangen voor. Zij bezitten een buitengewoon dun lichaam: slangen van I M lengte zijn nauwelijks 1 cM dik. Zij schitteren mot den praobtigston metaalglans en de levendigste kleuren, Huitougewoon vlug glijdou ze voort in do takken der boomkronen en vervolgen kleine vogels en de jongen daarvan, naeht-slakken en insecten. Daarbij zjjn zij geheel onsehadelijk, zoodaf op .lava kinderende (i lausslang (Dri/opliis iimsiiKi) temmen en spelenderwijze om den hals wikkelen.
De Oiftslangen ondcrschoidon zich door bet bezit van een paar haakvormige gifttanden, lt;lio. aan de bovenkaak voorkomen en die bij gesloten muil in twee huidplooien teruggeslagen zijn, doch zich oprichten, zoodra do slang don muil opent. Deze gifttanden zijn bol eu staan in verbinding met eene giftklior. Itij het bijten dringt bot vergift door de holte der tanden in de wonden. De beet veroorzaakt dan ook bijna plotseling verlamming van hot gebeten schepsel, opzwelling der getroffene doelen en spoedig daarna den dood. De werking is oenigszins versehilleud naar gelang tie toinperatuur hooger ot lager is (in 't laatste geval is zij zwakker), doch hangt ook af van do hoeveelheid vergift, die do slag tor beschikking had en van de lichaamsdeelen. die gotroflen werden, daar zij in vleozige dooien minder sterk is dan op andore plaatsen, Wjj bobbon in ons vaderland gelukkig slechts éene soort van giltslangon, do Adder {Vipera lienc, Tab. 8 Fig. iO), die zich op zonnige, droge en open plekken in bet bosch, liefst tusschou bosobbessenstruikjes ot ander laag struikgewas ophoudt. Zij wordt het meest iu noordelijke provincién en plaatselijk in N. lira bant
Hot dierenrijk. Kriii|ioiuló dioren.
t'ii de (losfcljjkc ^icn.^pniviiicK'ii MJin^t'tidHcn. 1 n den/.(Hiiicscliijn ligt/ij Iraji^ saincii-gerold om zich te verwuriiieii, 's nuolifcs gaat ze op roof uit. Haar voedsel bestaat voorna mei ijk uit inuizen; komt vr, in de nabijheid eener muis, dan werpt zij zieli bliksemsnel daarop, brengt haar den doodeljjken beet toe en wacht nu rustig de werking er van af'. De muis sterft reeds na quot;3 minuut. ^N'iet altijd vertoont de adder de lichte kleur onzer afbeelding, noeh de donkere zigzagstreep op den rug, waaraan zij in den regel zoo gemakkelijk te herkennen is. Dikwijls is zjj donkerdei' van kleur, het wijfje zelfs altijd en wordt dan licht voor eone ringslang gehouden, wier halsvlekken ze evenwel mist. Nauwelijks zijn twee adders te vinden, die in kleur geheel overeenstemmen, 's Winters vindt men meestal meerdere adders bij elkander in aardholen of holle boomen in een toestand van verdooving: zoo brengen zij het gure jaargetijde door. De bunsing spoort die plaatsen gaarne op en maakt zich meester van de slapende dieren als een gemakkelijken buit. In ons land hoort men gelukkig weinig van incnschen, die door adders gebeten zijn. In Duitsehland zouden jaarlijks nog 1 ig.Mm! dn «diicr. v,||1 (|j(gt; geva||on voorkomen, waarvan gemiddeld .'J met doodeljjken afloop; maar zelfs in gunstige gevallen is een langdurig gesukkel het gewone gevolg van de vergiftiging. Wie gebeten wordt zuige de wonde onmiddellijk uit en lande het gebeten lichaamsdeel flink af. Verder late hij de wonde met behulp van ammoniak uitbijten of uitbranden. Als het beste middel wordt het gebruik van sterke spiritualiën (cognac, rum, brandewijn, jenever) in groote hoeveelheid aanbevolen. De in Italië levende adders (V. lii'di en 1'. Anpis) werden vroeger gebruikt ter bereiding van Theriak, «lat voor een geneesmiddel werd gehouden. De woestijnen van Afrika zijn de woonplaatsen der Hoorn-adders (Ceraslen acijnpliai'-m). Hare kleur stemt geheel overeen met die van den woestjjnhodem en zjj worden vooral daarom dooi'de reizigers gevreesd, omdat zij 's avonds soms in grooten getale tot de wachtvuren naderen. Den naam ontleenen zjj aan een paar korte, hoornachtige verhevenheden boven de oogen. Nog meer gevreesd is de in Zuid-Afrika levende Knalslang (Echidna nrielam), die zich op den steppengrond moeilijk laat onderscheiden door de licht- en donkerbruin gestreepte teekening op den rug. Eene der meest boruehte giftslangen is de Indische Brilslang (Snja Iriinulian*, Tab. 8 Fig. II). Zjj is 12/s M lang; vertoornd richt zij het voorste derde gedeelte baars lirhaams recht oj) en breidt de eerste ribben horizontaal uit, zoodat dit lichaamsdeel den vorm van een plat schild aanneemt. Daarbij wordt op de rugzijde eene teekening zichtbaar, die aan een bril herinnert. De brilslang is zeer strijdlustig en wraakgierig. Zij werpt zich met een sprong op haren vijand en vervolgt hem zelfs, zoo hij ontvlucht.
iBBia
Sliuitfon.
De rndisolu' brilslang on do daiirop golijkondo KjryuHhcIio lirilslang {Soja tlajr) zijn roods sinds oudo tijden voor allorloi gooeltoltooren aangewend geworden. De zoogenaamde slau-genbezweerdors keimen alle gewoonten en cigeiuiardiffhedeii d(;zer anders algoinoeii ge-
O O
vreesde giftslangen; ze trokken haar de gift-tanden uit wi gewennen zo zicli op to riiditon en lieon en weer te bewogen naar don toon van tluit of trom of naar do bewegingen der bandon, tot zij vermoeid neerzinken. Voor de genezing dor wonden worden in elke strook,
ja in Imlio zelfs baast in ieder dorp, andere middelori aangewend, bot boste bewijs, dat geen enkel er van doel treffend is. Door do Kuro-peoscho artsen wordt in den laatsten tijd mot goed gevolg bet gebruik van spiritushoudende dranken in groote booveolheid voorgos(diroven.
De brilslang zon zieb boofdzakoljjk mot kikvorschcii voeden: kloinere dieren sterven 1 iV l!() minnton na den beet, oen groote bond na oen unr. oen mcnseli na '2 i- uien. Op Ceylon word deze slang vroeger in tompols verpleegd en met suiker en molk gevoed. In tropisob Amerika buist do boruobto Katelslan^
(CroUihis ilurixxKs, Tab. N Fig. !-). De ratel, wier geluid op I â¢quot;gt; quot;JO pas tr booren is, ontstaat waarsidiijnlijk doordien bij elke vervolling een boornaobtigo ring, die dool uitmaakte van di' oude afgestroopte opper-bnid, aan do punt des staarts blijft zitten. Zoodra bet dier in toorn geraakt, ratelt bet mot opgoriebton ratel; anders is bet zoor pblegmatisob en daarom minder gevaarlijk dan nienigo andere giftslang. De grootore ratelslangen, die zelden meer dan l'/j, M lang worden, bezitten gewoonlijk 15â18 staartriugen. Liefst kiest do ra-FiK. 97. .v Sein.....I, BOifttotwtclck-ihtratclnlnngr. tolslaug zieli kleine zoogdieren tot prooi:
1 IJovt'nkniilc. 2 Tusschonkaaksbccn. ^Onderkaak. . . , . . i
4 Neusbetin. :» Slaapln-.n. C Vi.'ikaiith.Mn. 7 V.r- l'alton, imil/lMl ('11/. A\] hoildt ZK'll (laaiUDl hi'ineitt'boon. 8 Huitriisto, 9 binnonstc yU-u^clbt^on.
10 (lil'ttand. 11 Uil'ttand «â ''opciid. 1'J (Jiftklicr door o-jijipm» (in m (ir()lt;»'l', 01)011 LlTJlSSlClâ¢]M'II
do voorste slaapspicr bcilt-kt. 13 AcliU'rstc slaap- ,
spier. 11 Ondorkaaksspccksclklicr. 1quot;» NVusoponine:. s;lll |ie( wai'HK'l'O Amerika. WUlirill OOK (10
Met dicmirijk. Kruipoiid»! ilioren.
zougT'tiiiiimdc iiniincliomlcn liiiimi' ncilci/.cUingcii lu hlicn. Ojidcr dc/c kiuiagdicron riditon /jj grootc vorwocstiiigen «au; zo ontvolken soms geilede kolonio's. In do holon dor pmiriohondon liondcn z(! uok ganrno linren wiiitcrsliui |). inccstal mt'orderc liij elkiiiidci'. Do Ii a ii s ad d o r {Triijuiiigt;cei)li(iliis laiiccoldlus) is cip Miirtiniqno on St. Iiiioio tot eenc ware landplaag geworden. Meer dan oU slangensoorten zijn bekend, die de zee tot verblijfplaats hebben. Zij bezitten geene vinnen, docli zweininen kronkelend niet behulp van linn zijdelings saiiiengedriikten staart. Voornamelijk kiezen zij de zeestraten tnssehen de eilanden tot verblijl', doeli worden ook soms door stormen in de open zee gedreven, liare git'ttanden zijn wel is waar klein, doeh zij knniien niettemin doodelijke wonden veroorzaken. Keiie der in den Indisolien Oeeaan meest gewone soorten is do Tweekleurige zo«sl« ng (l'rlamis bieoloi'), die door afwisselend heldergeel en zwart gekleurde ringen bont geteckend is.
Aniphibiön.
De «mphibiën bezitlen eene naakte huid, die vocht afselieidende klieren bevat, waardoor zij steeds vochtig is. liet geraamte is zeer eenvoudig en verbeent niet volledig. Zij doorloopen. nadat zij uit het ei gekomen zijn, eene gedaanteverwisseling, hebben meestal eene geringe grootte, doch vermenigvuldigen zich zeer snel. Men onderscheidt ze in staartlooze of Ki k vor se h ac li tige n en die met staart of S«1 «m and or ach tige n.
De kikvorschaehtigeii bewonen in talrijke soorten de gematigde Inchtstrekeii en komen zelfs tot in de koude streken van Lapland voor. De Groene Kikvorsch (Ilana esculrnla, Tab. 8 Fig. 13) ontwaakt- in April uit den winterslaap, dien hij in den modder van siooten en vijvers heeft gehouden. Gedurende dezen slaap 1 leeft lijj door middel van de huid, de in het water opgeloste lucht ingeademd. In Mei beginnen de mannetjes met hunne bekende muziek, waarbij hunne grooto keelblazen te voorschijn treden. De wijfjes loggen dan hare talrijke sdianllooze eieren, wier vliezig omhulsel in bet water sterk opzwelt tot eene geleiachtige massa en die, tot klompen vereenigd, op den bodem zinken. De nit doze eieren te voorschijn komende larven bezitten geene ledematen, doch een grooten. zijdelings samengedrukten staart, die door een zwemvlies omzoomd is en waarmee zij zwemmen. Na eenigen tijd ontstaan de aehterpooten, later de voorpooten, terwijl de staart langzamerhand verdwijnt. Kven groote wijziging ondergaat de manier, waarop zjj ademhalen. De larven bezitten aanvankelijk uitwendige kieuwen, die spoedig verdwijnen; doch dan hebben zich inwendige kieuwen gevormd, die door eene spleet aan weerszijde achter den kop met het water in geineensehap staan.
AiiipliiliWiii.
Eindt'ljjk vi'i'ki'ijgcn /.ij luii^cii en iiuiiniiati! dc/c zich (Miiwikkclcii. venlw ijiien (li; kieuwen. I^ig. 08 sfelt, de versehillende ontwikkeliiigsidestaiiden Villi eene vorscli|)iid (de vuurjiad) voor. lgt;ij de moeste kikvoi'sclisooi'ten is de tong van voren vastgegroeid en arhler vrij. en kan zoo snel imar buiten omgeslagen worden, dat ze er insecten met groute zekerheid mee vangen. Igt;e groene- of waterkikvorseli is mooi groen gekleurd en met gele strepen en zwarte vlekken geteekend. Zijik! dijen worden in vele streken gegeten. De meest algeineene kikvorsrli in i'liii'opa is de limine ol'
Cl r a s k i k v o r se li (It. h'iaporitriti). die meer op liet land leeft, zelfs soms ver van liet water, zieli met inseeten,
slakken en wormen voedt en daardoor nuttig is voorden landhouw. lljj houdt evenzoo een winterslaap in den modder,
komt evenwel reeds zeer vroeg in
't voorjaar daaruit te voorseliijn en reeiis m .Maart worden de eieren gelegd, die, tot groote klompen vereenigd. bovendrijven. De reus van dit geslaeht is de lilt I vorseli (II. miujicns), die tot 350 (I zwaar wordt. Zijn romp is '20 cM. met de pooten 'm cM lang. lljj bewoont Noord-Amerika, terwijl de Hoorn vorseli (Cardloiriii-is lloiri), die zich door twee vei'hoogingen op den kop ondei'-sebeidt, in /uid-Ainerika te luiis hoort. De 15 o o m k i k v o r s e li [ih/ln ririili*. Tab. 8 Pig, li) wordt dikwijls in kamers gidiouden. Hij bezit zuigselijjt'jes aan de punten der teoiuiti, waarmee hij zich zelfs aan de onder/.jjde der bladeren kan vasthouden, om daar te loeren op voorhjjkoineiid(Miiseel:en. In de trojiisehegewesten ko-meii talrijke bontgekleurde boomkikvorsellen voor. .Minder bemind dan dit vroolijke. luidk wakende gi-slacbt zijn de nauw verwante Padden. Kone der leeljjkste daaronder is de S n r i ii a a msc h e pad (/V/w ilorshjet'ii, Tab. 8 l'ig, I .T), een breed, platgedrukt dier van '20 cM lengte en 10 cM breedte, dat in de 8urinaamsclie moerassen leeft. liet inannetje strijkt de eitjes over den rug van het wijfje, de linid daarvan zwelt op en omsluit elk eitje afzonderlijk. De uitgekomen jongen blijven in de bolten op den rug der moeder hun verblijf houden tot de gedaanteverwisseling is ufgeloopeti. Waai'scliijidijk voeden zij zi(di ondertusselien met kleine diertjes en plantaardige stoften, die in de moerassen voorkomen. De bruingrijs gekleurde pud wordt nog afziebtelijker door den zwavelreuk, dien ze verspreidt.
Ih't (liororirijk. Krui[)»ii(lo dioron.
luliecmsclie padden zijn (1(^ Ocwonc l'ad (Bufu cinereux) en de Kleine of' Uroene l'ad {II. calainita), welke laatste te herkennen is aan de gele streep op den rug. Heide zijn algemeen gehaat, ofschoon ao niemand kwaad doen en volstrekt niet vergiftig zjjn, doch in angst slechts een scheri), onaangenaam riekend vocht uitscheiden. Door het verdelgen van slakken, insecten en hunne larven, waarop zij in den nacht jjverig jaeht maken, zijn zij zeer nuttig voor den landhouw. Men brengt ze tegenwoordig veelal in tuinen, hroeihakken en plantenkassen, om de planten van nachtelijk ongedierte te zuiveren. Den winter brengen zij in aard holen door, ver van het water. Men vond ze dikwijls in holen van liet gesteente op tamelijke diepte onder den grond en maakte daaruit de gevolgtrekking, dat zij buitengewoon taai van leven zouden zijn. Op/.etteljjke proeven hebben evenwel bewezen, dat padden in zulke holen slechts dan langen rijd kunnen Mijven leven, wanneer door kleine openingen lucht en water en hiermee kleine insecten, wormen enz. in haar bereik komen. Op wandelingen door veld en lioseh hoort men uit plassen en slooten in ons land slechts zelden het eigenaardige geroep der Vuur pad (Jiombinator iijiwm) klinken, die zich, dank zij hare vuilgele kleur, licht in troebel water verborgen honden. De buikzijde van dit dier is oranjegeel met zwart- of blauwachtige vlekken; zij zwemt zeer goed en huppelt op het land nog vlugger dan de groene kikvorseh. De vuurpadden honden het midden tusschen kikvorschen en padden en behooren tot de Vorseh padden.
Van de salamanders is de Aard- of Vu u rs al a m ander Qialamandru macidoaa, Tab. 8 Pig. 16) in vochtige bossehen in ons land slechts zelden in (ielderland aangetrolfen; in bergachtige streken komt hij veelvuldig voor. Door de oranjegeel en zwart gevlekte hnid heeft hij zon'n zonderling voorkomen, dat vele sprookjes van hem in omloop zijn. Zoo meende men met zijne hulp vuur te kunnen uitdooven en goud te kunnen maken. In het voorjaar zoekt het wijfje van dezen salainnndcr het water op en brengt daarin levende jongen voort met uitwendige kieuwen en pooten. Deze verblijven daarin tot zij de gedaanteverwisseling hebben ondergaan, wat eerst na een half jaar bet geval is. Dan (in October) begeven zjj zieh op het land en leiden hier een nachtelijk leven, llun voedsel bestaat uit kleine insecten en jonge slakjes. In den zomer bjj zonlicht en gedurende den heelen winter houden zij zich onder boomwortels en in rotsspleten en vochtige moszoden verscholen. Wordt de salamander boos, dan neemt hij wel eene dreigende houding aan met wijd geopenden muil, maar bijten kan bjj niet. Daarentegen scheidt hjj uit klieren in den nek een wit schuimend vocht af, dat op hagedissen en dergelijke kleine diertjes eene vergiftige werking beeft en dat ook slangen, ooievaars en andere groote dieren afschrikt. Den nicnseh deert dil vocht slechts wanneer het met teere. zeer gevoelige deelcn der hnid in aan-
Ampliil'i'ii.
187
raking komt. b.v. aan do ongeil uf dc li[ipen. Dc boiit jiokli'iirdc Watersala-niaiidoi' {Triton cfidulm), liwft con zijdtdings ssuinigodruktuti staarf. en geeno oorklici'on. Do wijfjes hccliicn in Mei liaro cit'icn aan de waterplanteii vast, tet'wijl de niannetjes in dien tijil van 't jaar een grooteii vliezigen kam o|) den rug dragen. Zij zijn bekend geworden duur him taai leven, (zij kunnen over gloeiende kolen lioeiikrni|ien) en door de gemakkelijkheid, waurniec verloren lichaanmdeelen zieli weer herslellen. Zij lirongoii hel iiiij'aar op her land door en honden als de landsalamanders een winterslaap: do rest van 'r jaar loven /.o in 't waler. waar zo zich met allerlei kleinere dieren, kikvorseheierun en viseliknit voeden. I )i' Olm {l'ivtrns tnujttiiieHx, Talt. 8 l'ig. 17) wordt slerhts in de onderaardsclie wateren der Krainer aljioii aaiigetrolfeii. Hij wordt 2') fof eM lang en is kleurloos; langoren tijd aan het licht Idoofgestelil. wordt hij langzamerliimd blauwzwart. Hij voedt zich met wormpjes, inseotenlarven en slakken, die hij in zijn donker verbljjt' door den reuk gewaar wordt. ()ogon en ooren zijn verborgen onder de teere huid. Hij ademt zijn hecle leven lang (loor uitwendige kieuwen en gelijkt dus op de larve van een salamander. De Axololt (Ainlih/sldhui A.iohill, Tab. S l^ig. 18), die in Mexico voorkomt en daar ter markt gebracht wordt om gegeten te worden, is langen tjjd ook slechts met uitwendige kieuwen bekend geweest en daar Inj zich in dien toestand ook voortplant, dacht men het volkomen ontwikkelde dier voor zich te hebben, omdat de meeste andere gewervelde dieren zich eerst voortplanten, wanneer zjj tot volle ontwikkeling gekomen zjjn. Later bleek, dat men slechts larven gekend had, daar volo dezer dieren zich in omstandigheden, die men nog niet volledig kent, tot volkomen salainanders ontwikkeld hebben. Daarom meent men dan ook, dat alle vroeger als Ivi e u wsa 1 ama n d e rs beschreven soorten slechts larven zijn van ware salainamlers. Zoo zou de Ameri-kaanselie Vischsalamander de larve zjjn van den SI jjk duivel (.Sa/ium'Wroj/.s (jiijanleus) en de alleen van voorpooteu voorziene Ar in sa la m a nd e r (Si,vu), die van den Aalsa la man d er (Ampitiurna l.riilurli/lwti). Van den Olm beeft men nog geen hooger ontwikkelden vorm loeren kennen. De .lapansche b'euzen-salaninnder (Hiehohiia nuiximu) wordt 1o M lang.
\r i s s (' 11 ilt;: n.
Men kent ongeveer 10000 vorscliillendo soorten van visschcn. Ze zjjn alle ingericht voor het leven in het water en daartoe van kieuwen voorzien, waarmee zij do in het water opgeloste lucht kunnen inademen, liet voornaamste
H. t (licionrijk. Vissclmn.
liewcgiTi^'sorgaan is do stunrt met lt;lo staiirtvin. Do borstviinicn worden voomamolijk voor hot sturen gobruikt, do luiikviniion dionon vooral om lid: omkantolon to liolotton. \ cli^ vissolion lioblton oono mot Inobt govuldo zwomblaas, door wier ^ uitzotting of iidirhnping zij bctrokkolijjk liolitor of zwaarder worden en zioli (his in hot water op- of neerwaarts bewegen. Hot bloed dor vissehen is slechts weinig warmer dan het water, waarin ze leven; men noemt ze daarom koudbloedig. De moeste planton zich voort door eieren, die ze in buitengewoon groot, aantal (soms wel Vs millioen) loggen (kuit schieten); slechts enkele brengen lovende jongen tor wereld. Do nieesto vissehen zijn roofdieren, die of vissehen, of andere
fis:, iiii. Vis^iiMclmbbcn, waterdieren als voedsel gebruiken. Hun ii'ebit is daai'N'oor 1 Krlnvst'liul) (karper).
Lgt; iMimsr'iuMrivii.rbaars). mgoriclit. bij vele is het zelfs geweldiü' verscheurend. Slechts
(iIaiiK8chulgt; (steur). 'J on
UiiKhl'lM stekZhSb sbiat zoowol in zeewater als in zoetwater te
looi),' in lUn i ii m rtjimii. . (|(1 bewonen óf de zee óf het zoetwater. Naar
liet geraamte oiidorsehoidt men alle vissehen in boeniffo on k r a a k b e o n i ffe
lt;gt; O
vissehen.
De Heonige vissehen hebben een gernaiute. dut in zijiuMdornaamsto deeleu verboond is. Hiertoe behooren de meeste vissehen en danrom worden ze weer in onderafdoelingen verdoold, waarvan de eerste, de Stekel v in n ige, zich onderscheiden door vinnen, in I bijzonder door rugviminon. die van een grooter ot kleiner aantal stekidige stralen voorzien zjjn. Wij zullen slechts eenige der meest helangrijke soorten noemen. De li aarzen zjjn om lum smnkelijk vleosch
.......... roofzuchtige Rivierbaars [l'crra Ihicialilie, Tab.!) fig, 1).
die hier te lande gewoonljjk ' .M lang wordt. De zijden zijn goudgeel, de rug is donkergroen gekleurd, met 5 !» dwarshanden. Hij bevindt zich in de meeste /ooto wateren van Europa en Xoord-Azië. het meest in meren mot helder water. Hier loert hij gaarne in oeverholen of op andere schuilplaatsen op voorbij-koniendc kleinere vissehen en andere waterdieren. Zijne vniatzucht maakt zijne vangst gemakkidjjk. daar hij steeds even gulzig hapt in het lokaas der hengel-haken. In hot voorjaar schieten de wijfjes kuit, die kloni|isgewijze aan steenon of andere harde voorworpen blijft hangen en circa .'U)0000 eitjes bevat.
De Kleine 1'ieternian (7i'iic/iiiuis e/'/xo'M), die aan onze kust in hot zand verborgen op kleine zeedieren loert, is merkwaardig om de vergiftige stralen zjjner eerste rugvin, die moeilijk te genezen wondon veroorzaken. Komen ze in de netton onzer visschers, dan worden deze vinnen afgesneden en daarna worden zji hun vleosch ter markt gebracht. De Knorhaan (7/7;//« hinnido) komt evenzoo aan onze kust voor en dankt zijn naam aan het knorrend geluid, dat hjj \oorlbrengt: ook zijn vleesch is eetbaar. Do \ liegende zoehanen (Ducly-
V issrhcn.
lojilcrun) zijn visclisoorh'ii. lt;lir mecrdüiT voeten limn' /.ijii. en tot 'i M lioo^' nit hot watci' kuniKMi springen, waiirhnvrn /,ij /.icli met bolmlp luimifi' IitcimIc horstviiincn .quot;)() (K) M ver /.wevende kunnen houden. Kene soort, de (iewone vliedende zeehaan (IK colitnn*) hewoont de Middellandsche zee ; eene andere (len Indisehen
in onze heken en rivieren is de l)oii-
Oceaan. E(mi zeer bekende, kleine visoi derpad (Collv* (lahio). njj krui])t gaarne onder steenen en zoekt daar wormen en inseetenlarven. Nog' veelvul-digei' komt l)jj ons de Stekel haai'H ((itlstcfnslt'us x/li-nuchio) N'onr, dilt;, niet eethaar en door zijne scherpe opricht-hare rug- eu huikstekels ook voor de roolVisschen zeer ge-vaarlijk is. !!(gt;(; mannetje vervaardigt van wortels eu andere
]gt;lantendeiden ecu eivormig nest met twee openingen aan de uiteinden, waarvan de doelen door eene slijmachtige stof. die zich aan de oppervlakte \an zijn lichaam afscheidt, samengevoegd zijn. Nu lokt hij een wijfje en drijft dit in liet nestje, waar het kuit schiet om daarna het nest aan de andere zijde weer te verlaten. Hij herhaalt dit tot het aantal eitjes groot genoeg is en nu worden deze door hein met de grootste zorg hewaakt en vooral tegen soortgenooten
met ontemharen moed hesehermd. Ook wanneer de jongen zijn uitgekomen hijjyen zij in en huiten het nest nog lang onder de hoede van het mannetje, tot zij in staat zijn geheel zelfstandig te leven. Ite stekelbaarsjes zijn zeer strijil-lustige en vreeselijk vraatzuchtige vischjcs. die door het vernielen der visebknit groot nadeel aan de visseherjj kunnen toebrengen. Nog veel onaangenamer voor de visschers is do Uraakvisch (ScovpciaiKi iwxugiillicci) in de nabijheid van â¢Mauritius. Hij slaat met zijne scherpe kop-en rugstekels op verraderlijke wijze diepe wonden, die zeer moeilijk genezen. Hij is mooi rood gekleurd, zijn vleesch is ongenietbaar. De tot 'i M lange Omberviseh {Sciaeiid luiuiln) in de Middellandsche zee en de even groote tot 50 KG zwaro Trommelvisch (Pognnknchromis) mn de Noord-Amerikaansche kust zijn merkwaardig om de Huitende en trommelende ge-kiidou, die zij nu ou dan doen hooren. Prachtig van kleur zijn de talrijke soorten
IS!)
TTot difM'onrfjk. Vissrlioii.
100
van Iv I i p v i sschon (CJiiiclodnii). Zij houden zicli aan lt;1lt;' rotsaohtig'c «evers en o|t ondiepten io de warmere /.eeï'ii op en worden met de kolihri's vergeleken. Zij zijn versierd met het zuiverste rood. blauw, gesel, bruin en Huweelzvvart, schitteren daarbjj met den levendigstcn goud- en zilverglans en bezitten eene korte, booge gedaante. De nauw verwante Japansehe Sjiuitviseh (C.hdmim rosttrttm) is 15 cM lang en l)ezit een langen buisvormigen snuit, wjmnueo bij een watcM'straal I tot 'i M ver naar een aan den oever zittend of in de lucht vliegend insect kan spuiten. Men der belnngrijkste \ isschen onder de stekel vinnige is de Makreel (ü-ombi'r Hcoinhrm), een zeevisch van 3(gt; tot 50 c.M lengte, die uan de bovenzijde blauw, van onderen zilverw it is. In Mei en .luni naderen zij in ontelbare menigte de kusten der Noordzee, evenals de Fransche en Rngelscbe kusten, om kuit te schieten en worden dan soms in ontzaglijke hoeveelheden gevangen. Zoo werden in 182:5 bij Yarmouth ongeveer I1/- millioen stuks gevangen van -i KG zwaarte. Men bedient zich hierbjj van (gt; M booge. id M lange netten, welke door drijvers met den bovenrand aan de wateroppervlakte gehouden worden. Soms worden 12 tot 15 van die netten aan elkander geknoopt, en zoodoende het, water op een afstand van 2 KM afgezet. De vissehen blijven met de kieuwdeksels in de mazen van het net vastzitten. Zij worden versch. doch nog meer gezouten en gerookt gegeten. Ook in onzen Oost-lndischen Archipel worden versehilleude soorten van Makreelen en verwante geslachten ijverig gevangen, vooral om gezouten en gedroogd naar de binnenlandsche markten vervoerd te worden. Voor de Middellandsche Zee is de Tonijn (77i//h»»s o/A/r/c/.s) bijzonder belangrijk. Hij levert veel en goed vleeseh op, daar deze visch 150 -000 KG zwaar wordt. De tonijn is op den rug zwartbruin, aan de zijden en den buik grjjsachtig gekleurd met zilverwitte vlekken. Den meesten tijd houdt hij zich op grootere diepten op. Om kuit te schieten nadert hij in grootere of kleinere scharen de kust. Daarbij wordt hjj dooi' dolfijnen en haaien vervolgd, terwjjl hjj van zijn kant ansjovis en dergeljjke kleine vissehen vreet. Aan de Italiaansche kust worden met reusachtig grootc en zeer sterke netten heele zeeboezems afgesloten, die gewoonljjk door de tonijnen bezocht worden en zoo worden er soms duizenden tegelijk gevangen. Ook van dit geslacht worden verschillende soorten in onzen ludiscben Archipel in onnoemelijk aantal gevangen, vooral in het oostelijk gedeelte er van. De grootste visch dezer groep is de Zwaard visch (.\7p/i/quot;s (lliulius), die 7 M lang kan worden en dan meer dan 400 K(i weegt, Hij bewoont de Middella ndsche Zee en den Atlantischcu Oceaan en dankt zijn naam aan de zwaardvorniige verlenging der bovenkaak, die hem als wapen dient. Hij voedt zich met kleine vissehen en kwallen, wordt evenwel soms in zoo bevigen graad door blinde woede overvallen, dat bij voor lichte bootjes gevaarljjk kan worden. Er zijn meerdere gevallen bekend, dat dis zwaardvisschen met bun
Vissclion.
1!»1
zwnni'd tot 30 cM diep door de seluM'psliclilccilirif;' en ilo planken heen lionrilcn. Het zwaard werd danrlijj afgcltrokcn en stopte liet lek. en de viseh zelf verloor daarbij wnarsclnjnlijk liet leven. De Spiegel visschen (/'/c/i/ko'/.s) en Zon-nevissehen i/.t'ns) wedijveren met de klipvisschen wat lietreft den metaal-fi'lans hunner zeer kleine sdniblien. liet zijn bewoners der warmere zeeën. Afzicbtelijk leeljjk is daarentegen de Padvisch (CJiirDiwclrit scaltrv). Hij kan zicb bolvnnili^ opblazen en ziet er met zijn scbeef^espleten muil en zijne liorens wonderlijk genoeg uit; daarbjj draagt hij aan de uiteinden der vinnen buid-plaatjes en tusschen de ruwe knobbels der huid vleezige draden, waarmee hij waarschijnlijk de kleinere vissollen tot zich lokt. De merkwaardige Hiiihulm
imidiitloi'. Va M lang. mooi oranjegci^l en groen van kleur, kan zijn snuit snel als eene laiis uitstrekken, om daarmee zijne prooi, insecten en kleine schaaldieren, aan te vatten. Hij leeft aan de kusien van Indië. In de moerassen en plassen van dit land en op Java wordt de vermaarde KI i inbaars (/iaangetroffen, die 'jü k2.quot;gt; cM lang wordt en op den rug grijsbruin, aan den buik geelachtig ffcklcurd is. Afzonderlijke cellen
aan de kieuwhogen, die eene sponsachtige massa vormen, dienen als bewaarplaatsen voor water. waarmee de kieuwen vochtig gehouden worden. Daardoor kan hij zich gerninien tijd buiten het water ophouden. Met behulp der stijve stekels van vinnen en
Hot dierciinjli. Visschcii.
kieiivrdeksels kan hij zich tusschen de wortels van de vole ^^'^illi}^â groeiende moomsboomen toi o|gt; zekert- luwgte buiten het water begeven, om zich meester nialccn van de insecten, waarvan het water wemelt, dat de gruote ruime bladscheeden dezer planten vult. Zijn vlccsch werdt door de inlaiidsche bevolking v(*el genoten. Talrijke soia'ten van de fiimilie dei' Klimvissehen worden in Indië in ontzaglijke hoeveelheden geviingen en zells gekweekt. Daartoe behoort de Q o er a mi {Oxphnimvrni* olfd.r), de meest aristocratische tafelvisch van Java. lu 't wild wordt iiij zelden aangetroffen, doelt in geheel Oost-Azië, zelfs in Australië en in Kngelsch en Franscii (iiiiana in vijvers aangekweekt. Hij wordt 10 lk2 K(« zwaar. De Oaboe ot' Slang-k limvisch (Ophiocephalm hivim) wordt open-gespleten, vlak uitgestreken, met zout en soms ook met specerijen ingewreven en gedroogd en vormt als zoodanig een stapeiartikel op de inlandscbe markt. Ilij wordt trouwens ook vcrsch gegeten en komt ook op de tafels der Europeanen. Hetzelfde geldt ook van den Ba jong (O. 4riallt;ia) en van andere soorten, die plaatselijk in kolossale liocveelhcdcn voorkomen. De Zeewolf (Atirrri'hichii* hipiis) dankt zijn naam aan zijn zeer krachtig gebit. Boven in den mond heett hij onder)! rijen tanden; daarmede verbrijzelt hij slakkenhuisjes, schelpen en de schalen van schaaldieren, om zich met de daarin aanwezige dieren, zoomede met kleine vissehen te voeden. Hij stelt zich ook tegenover den visscher te weer. Ilij wordt 11/,quot;, I M lang en door bewoners van (iroeidand en I.Island gegeten. De P a ]) e g a a i v i s s c he n (Scitrun lluviil), die (Jriekeidands rotsige kusten bewonen, gelijken op papegaaien door hnnne levendige kleuren en den suavelvormigen muil. De Boter vi sch {iliiiwtlm inuraeti-oidex) is zeer slank, degenvormig en daarbij zoo glibberig als ware hij niet boter bestndven, zoodat hij licht ontsnapt uit de hand, die hem aangrijpt.
De tweede onderafdeeling der beenige vissehen wordt door de W eekvin-nigen gevormd, wier rugvin één harden, stekeligen straal vooraan en overigens
slechts weeke, gelede stralen hevat. Daartoe Ixdiooren de den iikmiscIi het meeste nut aanbrengende vissehen. De familie der Karpers is over de zoete wateren van bijna alle deelen der aarde verspreid en bevat
mee van de smakelijkste
zoetwatervissehen. De Gewone karper capi'h. Tab.!) Fig. 'i) met
vier vleezige baarddniden wordt in geheel Middel-Europa in vjjvers geteeld, die
1 !)2
Viss.'lK'i
meestal iit'wisscleiul na eeiiige jaren weer als bouwland ^ehruikt worden. l']r moeten diepe en ondiepe vijvers zijn, de eerste om er den viseli in te laten overwinteren. de laatste, om hem in de gelegenheid te stellen kuit te schieten. Deze hestaat uit (gt;00000 700000 eitjes, door welk gi'oot aantal de teelt der karpers
zeer heguustigd wordt. Deze voeden zich hoofdzakelijk met plantaardigestoH'en. vooral quot; ...
venuolmdo planteiideelen schijnen zij met graagte te eten. doch ook wornien'eu
iuseeteiilarvi'ti, zelfs kikvorscheu en salamanders worden versloiKh'tt. Ta uden ont lire-ken; zij bezitten heel achter iu de keel een paar harde wrijfplaten. waartusschen zij het voedsel kunnen fijn wrijven. De karpers kunnen een hoogen ouderdom bereiken: er zijn exemplaren bekend, die reeds 50') jaar oud zijn. Zij bereiken eene lengte van 11 M en worden 15 K(i en meer zwaar. Zij laten zi(di africhten om op het luiden eener klok naar eene bejiaalde jilek aan den oever te komen, waar zij voedsel ontvangen. Gewoonlijk brengt ineu in een karpervijver één of twee snoeken, die de al te sterke vermeerdering dier dieren tegeuhoudeu en ook nuttig zjjn door de oudere karpers een beetje tot levendigheid te prikkelen. Ofschoon oorspronkelijk in Zuid-Oost Muropa te huis behoorend. hebben ze zich overal in 't westen verspreid. Vooral iu wateren, waar weelderigen plantengroei bestaat en waarin geen sterke stroom is, komen zjj soms veelvuldig voor. liet sierlijke Goudvischje (O/pW/o's KundHs) komt ttit Ohiua ett wordt in glazen in de kamer gehouden, waar het met ouwels en miereneieren wordt gevoed. In Indic wordt de goudvisch en enkele verwante soorten in daartoe aangelegde vijvers aangekweekt voor de Kuropeesche en (quot;hineesehe tafels. De \ ijvers worilett veelal bevolkt met jonge viscbjes van 3 tot 'i maanden, die door de landbouwers uir het binnenland op hunne onder water gezette rijstvelden uit kuit gekweekt worden. De Barbeel (Harbus IIiiihuIilisj, een groote tot 00 cM lange visch. die tot S K(i zwaar kan worden, dankt zijn naam aati de vleezigc baarddrailen aan den tnoud. Iljj komt in onze rivieren algemeen voor, valt ook kleinere visscheu aan en levert een goed, zacht vleeseh op; zijne kuit zou schadelijk voor de gezondheid zijn. Ook de Zeelt (Tiiicn vuhjitrix), die (10 c.M lang wordt, komt veel in onze rivieren voor en levert smakelijk vleeseh. Verwante soorten komen in den Indischen Archipel veelvuldig voor en worden verscb en gedroogd, vooral door de inlanders en (,'hineezen gegeten. De Grotidel (Guhio pii rial ills) is een kleine, aan de zijden zwart-blauw gevlekte visch. dit' zich quot;s winters graag naar nieren begeeft, waar hij, soms in groote scharen vereenigd, zjjti winterslaap houdt. Ook de meeste andere riviervissehen houden een soort winterslaap, waartoe zij zich in holen aan de oevers tusscheu boomwortels of op andere rustige plekjes terugtrekken. Tot de meest voorkomende visscheu in beken en rivieren behooren de Wi t v i sse h e n, die geene baarddraden dragen. Zjj levtai minder aan den bodem, dan wel op geringe diepte onder de oppervlakte en voeden zich waoneb's Natuurlijke Historie. i
II.«t iliomiriik. Visscln-ii.
Iioofd/.iikclijk niet ilicrlijk voedsel; zelf Noriiien /ij evenwel het Itootllvoedsel voor iindere rdolvisselien, viioi'iil voor den snoek. Dinirtoc lieliooren de \ oren (l.i'ii-i'iscus ruliliquot;), in alk' zoete watemi /..'«r gemeen en gemakkeljjk te liorkcnnon iiau de roode oogringi'ii en de ciniiiiberroodo vinnen, en liet A lvertjc (/-.
op den rug olijfgroen en aan de zjjden mooi zilverwit gckleunl. 1 let laatste visclije wordt veel als lokaas voor andere visscdien gobrnikt en in 1* raakrijk worden zijne sclmbben aangewend ter vervaardiging van valsche paarlen. De Hra sem (Albi-nmis Imima), 48oM lang. en de Hl ei (A.blirvu), ^2 e.M lang, behooren evenzoo tot de meest gewone rivierbewouers. De Donderaal of Modderkruiper (C.uhili* fossilis) wordt bier en daar als weerprofeot in glazen gebonden, daar hij bij donker weer of bij naderend onweer aan de oppervlakte komt. Zjjne kleur is bruin-zwart met gele en bruine overliuigscbe strepen, aan den buik in bij roodachtig geel. Gewoonlijk houdt bij zieb in den modder op. waarin bij gaten en gangen boort. De familie der Snoeken is vooral wegens haren roofzuebtigen aard berucht. De gewone Snoek (7',W lucim. Tab. (i Fig. â¢'!) is de meest vraatzuchtige en grootste roofvisch van het zoetwater. Iljj kan in zijn twaalfde jaar ongeveer 1 ;; M lang en meer dan 10 KG zwaar worden; meu verbaalt van reuzeusnoeken, die '2 M lang (^ii KG zwaar waren, iljj houdt zich gaarne op in oeverholen, tusscheu het riet en andere waterplanten verscholen, en loert daar op voorbjjkomende kleinere visscben. Ook andere dieren valt bij aan, zoo zijn watervogels en waterratten niet veilig voor hem Zelfs rnenschen. die in't water baadden of zich aan den oever stonden te waselien. werden meermalen door hem in armen en beenen gebeten. In vjjvers duldt men slechts kleine snoeken om de groote, trage karpers wat in hunne rust te storen; groutere moeten verwijderd worden, daar zij allengs den heelon vijver zonden uilinoordcm. Hij wordt veel met den bengel gevangen, daar bij smakelijk vleesclt geeft. Als lokaas wordt een levend, klein vischje gebruikt; heeft hij aangebeten, dan moet men hem niet dadelijk uit bet water willen trekken, maar hem den tijd laten bet lokaas in te slikken. Buitendien wordt hij met een strik van koperdraad gevangen, wanneer bij dicht bij de oppervlakte in slapende toestand âstaatquot;; soms wordt bij met een kogel geschoten en ook veel in netten en fuiken gevangen.
De grootste Europeesche zoetwatervisch is de M eer-va 1 (Sihirns (ihtnis), een plomp gebouwde visch. die -2 I] M lang en 50 tot 100 K(i zwaar wordt en voornamelijk in groote ri-i%. 105. üi' ïui'crvni. vieren, b.v. indenBeucden-
Vissdu-n.
Doimu. vdorkoint. In ons l.-md werd hij vnic^iü' in liet lliiiiflcinmcriiiccr ;i;ni-gctn.ffon. tegen woord !«â Wdrdi hij noS slccliis zelden in de ovei^eldeven plussen (liiurvan fi'evonden. 'l'uli'ijke soorten komen in idle (rojiisclie gewesten voor. Op «ie pus onder witter quot;'e/.oUe rijstvelden o]i .lnvii zijn ze reeds te vinden, ulsof ze uit den giond wnren op^ekoMien. /e worden, voornl door de iidnnders. \ e(d genuttigd. De S i d d e r in e e r vul I Mlt;il((ogt;iilcriiri(* ctaclriens) hezit liet verinogen willekeurig dengenen, dio hem aiuiriiukt. eleetrisclie slngcn toe te lirengen. die evenwel voor den mensch niet liejumld geviiarlijk zijn. Hij komt in de Afiikaanmdie rivieren voor. N ikji1 ieder, die eene zeereis ni.-mkt. leverende vliegende vissehen een l)elangwekkend schouwspel op. Zij heliooren tot zeer \(usehillende tiimilién. In den Atlantisidieii Oceaan is de meest gewone, de Vliegende visch [IC.ivcdchis rolilan*. Talgt;. '1 l'^ig. 'H. Ilij ^ ^
is slechts I 2quot;) cM. lang.
houdt zich in grnnte scholen bjjéén op en springt van de toppen der golven uit gaarne in een boog hoog in de lucht.
Gewoonlijk verheft hij zich slechts 1 2 M hoog. soms zon hij evenwel wel (i M hoog
i ,.. . i , U)il. De vlicfrondc visi'h.
kunnen stjjgen en zich met
behulp der groote borstvinnen wel .'ÃO seconden lang in de luchl kunnen zwevende honden, waarbij hij m(!er dim i.')!) M atlegt. Door zich op deze wijze huiten bet water te hegevoa weet hjj veelal aan de vervolging zjjner vijanden te ontkomen. De Har in g (C.liiiicit ffiiri'iuiiis. Tah. !) Fig .quot;)) is voor de volkeren in de omgeving der Noord- en Oostzee de belangrijkste zcevisch: vandaal' dat de Hollanders vroeger de haringvangst de ,,groote visseherijquot;. de walviscb- en kabeljauwvangst de kleine visseherij' noemden, (iedureade een groot deel van het jaar houdt hij zich in de diepte der zee op en voedt zich met kleine vischjes en schim Mieren. Van half Juni af begint hij in groote scholen in de nabijheid der kusten te verschijnen niet het doel er kuit te schieten, wat tot November aanhoudt. De kuit van één haring bevat 30000 iOÃOO eitjes. Toch komen ook groote scholen van haringen voor. die nog niet tot geslachtsrijpheid gekomen zjjn (hum. noch kuit bevatten) en die maatjesharingen genoemd worden. Op sommige plaatsen verschjjnen de haringen in onnoemelijk aantal; over uitgestrekte oppervlakten is de bovenste waterlaag tot op nanmerkelijke diepte geheel met hitringen gevuld; booten, die zich te midden daarvan bevinden, worden door de dicht op elkander gedrongen dieren opgelicht. De gesehoten
lit:,
lift dioronriik. Vissclion.
kuit licdckl gi-oohi opjwrvlalih-n der z«»! als eene witgrijze massa. In uiulero jarfu komen oj» (lezclt'dc piaatfson sloclits weinig haringen voor, doch /Jjn ze elders weer talrjiker. Zoo werden in I74lt;S in een enkelen zeeljoe/.em in Seliot-land haringen gevangen ter waarde van niiin 700001» gulden. Vroeger was de haringvangst hjjna uitsluitend in handen der Ilollauders; trouwens eerst door de uitvinding van het haringkaken, d. i. de verwijdering der ingewanden
vóór het inpekelen, ....... Willem Beukelsz. van lüervliet in de 1'ie eeuw. kreeg
de vnnquot;'st groute heteekenis. Later begonnen ook de Noren er zieh o]gt; toe te lequot;quot;en en eindelijk de Hngelschon, die tegenwoordig verreweg de meeste bnit maliën. Ze worden verseh gegeten (panharing), gezouten (pekcillmring; of' gerookt (hokkingen). Kr zijn vele rassen; die van de Oostzee zijn de kleinste en /.wakste, de I lollandsclie en Kngelsrhe haringen zijn reeds grooter en heter, de Xoordselie zijn het grootst en het vetst. De âgroote visseherjj'quot; geschiedt mei o-roote drijfnetten (de zoogenaamde haringvleet). Deze bestaan uit een 7(1 tal netten, die aan elkander gehecht zijn, verticaal in het water hangen, en een gezamenlijk oppervlak van 15' M breedte en '2'iOO M lengte beslaan. Zij worden niet kurk(m en tonnen onder water drijvtanle gehouden. De voortzwemmemle visseben hljjven met de kieuw deksels in de mazen hangen. De vleet wordt s namiddags uitgezet en s nachts tegen - a .{ uur begint men ze in te halen. De quot;â¢evangen visch wordt (anniddelljjk gekaakt en in tonnen gejickeld (pckelharingt; is «laarvoor geen tijd. dan wordt een gedeelte ongekaakl in het ruim gezouten (steurbariiig): deze laatste wordt meestal later gerookt. Behalve maatjesharing, die no11' niet geslachtsrijp is, vangt men volle baring, die nog de kuit of'de hom bevat en schoot- of ijle baring, die ze reeds heeft geschoten en die minder waarde heeft. De groote visscherij geschiedt met loggers, aanvankelijk in de nabijheid der Sbetlands eilanden, later volgen /.\] de visseben meer zuidehjk naar de Kngelsc.be kust. Met de bommen van de Noordzee-vissehersdorpcu wordt de vangst van den aanvang af aan de Kngelsche kust uitgeoefend; zjj brengen vooral veel stearharing aan. De vangst in de Zuiderzee heeft met kleine scheepjes (botters of schokkers) plaats en levert vooral bokking op: ook de panharing komt gewoonlijk van daar op de markt. De Zuiderzee-baring is veel kleiner dan de Nnordzee-liaring. Men schat het aantal haringen jaarlijks aan de Kuropeesche knsten gevangen op '1000 millioen stuks. De aan de Amerikiiansche kust voorkomende haringen verschillen zoo zeer van de Kuropeesche, dat zij als eene bijzondere soort moeten worden hcscbouwd. De Sprot ((.. siirallii*), een klein soort haring, wordt in ontelbare scliolen in de Noordzee en aan de Kngelsche kusl aaiigctrolien en evenzoo om hun vleesch gevangen. De Hardel of Sardine (sarilitid) in de Middellandsidie zee en de Ansjovis {hiiiji'didix l'.nci'dsicholiix. tig. 107j in de Zuiderzee en de Zceuwnche strooineu, worden om hun lijn vleesch
Vissclicn.
ijvorig vervolgd. .Men lukt de scholen met lnntareiis ot'groote vuren in zeer cngniazige netten en de vangst wordt, op verschillende wijzen toebereid, iiiiar alle werelddeelen verzonden. De Elft aluxa) is eene groote liaringsoort van de .Noordzee. die(i(l ÃOcM lang is en in het voorjaar de rivieren opzwonit. om daar kuit te schieten. In do Maasmonden worden ze
soms Inji duizenden gevangen
, .. , Fig. 107. Do ansjovis.
om versch ot gerookt gegeten te worden. (Jok in den Tndisclien Arclnpel komen talrijke liaringsoorten voor, waarvan nog al werk gemaakt wordt (handeng. temhang enz.), doch vooral de troehoek-visscherij is er van groot helang. De Troeboek (AIkiish inacriuns) is een soort elft. die tweemaal quot;s jaars van Februari tot April en van September tot Noveiiibei' op de kust van Sumatra en liorneo vorschijnt in ontziigljjke sidiokui, die bijna uitsluitend uit wijfjes bestaan, die haast tot barstens toe met knit gevuld zijn. De vissclien leveren een smakelijk vleesch. maai' hoofdzaak is de kuit. die, gezouten, niet alleen naar de passars van den Archipel, maar ook heinde en verre naar het buitenland verzonden wordt. De vangst bedraagt meer dan 10 inilliocn vissclien en geschiedt met groote netten; alleen van Sumatra's O. kust gaan er minstens 500 vissehersvaartuigen op uit.
Een onzer merkwaardigste vissclien is de /alm {Sulino salur, Tab.!) I'ig. 0). (fedurende het koude jaargetijde bewoont hij de zee en houdt zich op diepe
plaatsen in de nabijheid der riviermonden op, waar hij zich vet mest. /.....Ira
het voorjaar aa nbreekt begint bet trekken, dat tot September of October aanhoudt. In scholen van .'!() 'iO sluks komen /ij in de rivier, in wier monding zij zich geruimen tjjd ophouden om langzaam te wennen aan den overgang van zee- tot rivierwater. Dan trekken zij de rivier op. met gemak tegen den stroom opzwem-mend en verwonderlijke kracht en volharding ontwikkelend bij het overwinnen van elke hindernis, die hun voortgang in den weg staat, /.ij voeren sprongen uit van 4 5 M hoogte en van 'gt; 7 M wjjdte om over eene stiwinversperring te komen of een waterval te overschrijden, /oo trekken zij den üjjn op tot in de ondiepe bergstroomen der Alpen; in de Elbe dringen zjj tot in de beken van het Eichtel-gebergte en evenzoo in andere Noord- en Middel â Europeesche rivieren. In de snelvlietende, heldere bergstroomen met steenigen bodem schiet de zalm kuit, om daarna zeer vermagerd en verzwakt weer stroomafwaarts naar zee terug te keeren. De jonge zalmen blijven in de rivier tot zij Dl maanden oud en ongeveer 'iO c.M lang zijn geworden, gaan dan langzaam naar zee, doch keuren, wanneer ze tol geslachtsrijpheid gekomen zijn,
1!)7
Mot. (lioionrijk Vitsschun,
1!IS
wccsr in (Iczcltdc rivier torug', waarin ze geboren zijn. De zalm bereikt een gewielit van 10. ja in zeldzame gevallen zelfs van 20âio K(i. Om liet zeer smakelijke, voedzame vleescli wordt do optrekkende zalm met grooten ijver door den mensch gevangen. In Engeland wordt hjj veelal met den lieng^d ge vangen of men plaatst versperringen in de rivier, waarover de zalm heen springt, waarbij hij ineen daaraehter geplaatst reservoir terecht komt, en bij de Engolselion is de liefhehberij in deze sport zoo sterk, dat zij niet zelden maanden doorbrengen in do eenzaamste en onherbergzaamste streken van Noorwegen, alleen om zalm tu hengelen. De meeste worden in de riviermonden in groote netten gevangen, die de geheele breedte der rivier afsluiten. To Kralingen kwamen er in 1 Si)Li niet minder dan 75000 ter markt. Met de Dnitsche regeering is een verdrag gesloten, waarbij in ons land de zalmvangst van 15 Augustus tot 15 October gesloten is en verder van Zaterdagavond 0 uur tot Zondagavond (i uur. Dit beeft ten doel: lo. de uitroeiing der visscben in den Ivjjn tegen te gaan, die oiigetwjjfeld het gevolg er van zou zijn, zoo men niet aan een voldoend aantal de golegenbcid gaf in de bergstroomen kuit te schieten, en 2o. onze oostelijke buren ook oen deel to gunnen van den kostbaren buit. In Noord-Siberië levert de zalm voor vele stammen het boofdvoedsel op. Daar men vroeger vaak de jonge zalmen, die men als zoodanig niet herkende, in ontzaglijke hoeveelheden doodde, cn ook door andere oorzaken, verminderde de zalmrijkdom in de meeste rivieren sterk, zelfs werden de visschen in vele rivieren geheel uitgeroeid, in den laatsten tijd beeft men met goed gevolg getracht het aantal zalmen weer te doen toenemen, door er jonge zalmpjes in te planten, die men zich verschafte door kunstmatige viscbteelt. Deze bestaat hierin, dat men geslachtsrijpe dieren vangt: door over bun buik te strijken doet men ze kuit schieten in bakken met water; de eitjes worden daarin bewaard tot er de jonge vischjes uitkomen en deze worden in bassins met stroomend water gevoed en opgekweekt tot ze groot genoeg geworden zijn, om in de rivieren te worden overgeplant. Op dezelfde wijze worden ook andere viscbsoorten kunstmatig geteeld. De verwante Forellen (Stthno h'urio) worden als de fijnste riviervisschen zeer geschat, ze komen in snelvlietende, heldere stroianen voor, wier oevers met struikgewas begroeid zijn, vooral in bergstreken, in ons land alleen in de Geul. lief zijn roofdieren, die wat vraatzuelit en driestheid betreft, niet bij den snoek achterstaan. Zij verlaten de rivier niet en worden meestal met den angel gevangen. Van de talrijke andere zalmsoorten noemen wij nog den Vlagzalm (Thymullm vulgaris) in de bergstroomen van Noord- cn Middel-Europa, den Spiering ((temem cperluims), die uit zee in de rivieren dringt om kuit te schieten en ook in ons land in enorme hoeveelheden gevangen wordt, en d(3n Iloufing {('.orcgonux oxitrrlnjnchus), die voornamelijk in den Donau leeft cn als geduchte roofvisch tot 50 K(l zwaar wordt. De Caiiforniscbe zalm
Vissollen.
(.S. ,iii in nul) wordt jiiiirljjks in (iiitzn^lijkc iiu'iiifi'U-gi'Vüiigi'ii; zijn viccscli is. in liiisscn
gi'oonscm'oi'd, oen l)e-liuig'rjjk luinilclsartikol.
De tiiniilic dei' Scliel-v issclie ii is vcxir de vis-sciicrji in de Nodi'dciijkc zi '('(quot;'ii \ au lust grootste iic-liuig'. i)(' gewuiic S c li c 1-
V i se il (ns . 1 (';//lt;'/('//(fs.
Tul..!» Fii;. 7), is gewdon-
lijk I 'i KO /wiuir en
wordt op de .kusti'll (Ier
Noordzee en die vim
(i rool-üritiiiinië in groote
seliolcn aunji'etrofren en
inn zijnsinakelijk vleeseh Fig-. lOiS. Dt' Forel.
gevangen, om in ver-
sclicn toestand tot. diep in liet liinneidand verzonden lu worden. De vangst i^eseliiedt met den visi'iiiiuak. waaraan door onze visscliers ineestii! ecu prik ais lokaas bevestigd wordt, soms ook een haring. Hnn hoofd voedsel schijnt uif weekdieren (slakken en schelpdieron) te Imâ¢staan. Van veel meer lietcekonis is de Kabel jauw {(UiiUix niorrlnni). liet is een zeer viiiatzuelitigo roof'viscii van aanzienlijke quot;â¢rootte (gewoonlijk I M lang en (i 7 K(i zwaar, in enkele gevallen zijn er van quot;Jü en :!lt;⢠Ivtf gevangen), die zich verbazend sterk vermenigvuldigt. De kuit van een wijfje zou 4â8 inillioen cities bevatten. Ofschoon men dc iaarliiksche vangst van kabeljnuweii op gemiddeld oUO inilliotai stnks mag schatten, is van eene venniiidering van hun aantal niets te bespeuren.
Hunne eigenlijke woonplaats is de diepe zee. waar allerlei zeedieren: schaaldieren, weekdieren, visselien. enz., hun tot voedsel (tienen, in net voorjaar volgen zij de hariiigseholen naar dc kust, waar ze dan met Innidlijii of beug in groot aantal gevangen worden, om verseli gegeten te worden. Doeli in ontelbare menigte komen zij in andere jaargetijden naar de minder diepe plimtscii in de Noordzee cu den Atlantiseiieu Oceaan, om er kuit te schieten. Aan de kust van Noorwegen en bij de Doggcrsbauk verschijnt: de kabeljauw midden in den winter om er in
1 !)|l
Hol dierenrijk. Visschen.
h'ebruan kuit to schieten, op do Imuk van Xew-i oundlaiid oei'st in .Mei. Vooral O]) d(! laatstgenoemde plaats is liet aantal dezer dieren onbegrijpelijk groot en eeno ontzaglijko visschersvloot uit Amerika, Engeland, Frankrjjk, lielgiö en Nederland verzamelt er zich om kabeljauw te vangen. De vangst geschiedt er met de beug, een stel van vischlijiieii ter gezamenlijke lengte van '2 15 duizend M. waaraan tot 4500 snoeren zitten, die ieder een vischhaak dragen, Iedere baak wordt van lokaas voorzien; een prik, haring, de ingewanden van reeds gevangen kabeljauw enz. Do kabeljauw is zóó gulzig, dat hij in alles hapt. (Jok wordt hij veel in netten gevangen. Die, welke niet vcrscb ter markt gehraclit kunnen worden, worden gezouten (laberdaan of' zoutcvisch) of in de lacht gedroogd (stokvisch, klipvisch). De goedkoopte van den gezouten of'godroogden, voedzamen vlsch maakt hem tot een onmisbaar volksvoedingsmiddel. De leverlraan is het vet uit do lever van don kabeljauw.
Ook do P1 a tviss eli en zijn zeer belangrijk voor de visscherjj. Het zijn zonderlinge visschen: hun lichaam is eigenlijk sterk zijdelings sinneiigedrukt, en wordt door de rug-, de staart- en dc aarsvin omzoomd. Kéne zjjdi! is wit viin kleur; bet is die, waarop zij liggen, daarom wordt zij gewoonlijk de onderzijde genoemd; de andere (de bovenzijde) heeft in den regel de kleur van den zeebodem, waarop zij zich bevinden, en biedt in dit opzicht dns veel verschil. De kop is onregelmatig van vorm, geheel verwrongen, zoodat het grootste deel van den mond en de beide zeer beweeglijke oogen aan de hovenzijde gelegen zijn. Zij kannen zich onder het zand op den zeebodem verbergen, zoodat alleen de oogen, die sterk uitpuilen, zichtbaar zijn. In deze houding loeren zij op voorbijkomende sehaal- en weekdieren of wormen, do grootore soorten zelfs op grooten viscb. b.v. kabeljauw, om deze dieren, met oen plotselingen sprong, bliksemsnel te grijpen. Do kuil schieten /.ij op dezelfde plaatsen, waar ze zich gewoonlijk ophouden. Toch weet men. dat sommige in bepaalde jaargetijden regelmatig trekken van diepere naar minder diepe plaatsen en omgekeerd, b.v. do tarbot, die in de Noordzee in hot voorjaar naar dc ziiiidbanken komt om in den zomer weer in de diepte te verdwijnen. Mnkclc zwemmen in groot aantal de rivieren op, b.v. de bot. die in den Ãijn zelfs bij Mainz gevangen is. De moeste leveren uitstekend vleeseli. zoo: de Schol il'ldlcimi vHlijariii), 4lt;S cM lang met mode, ronde vlekken aan de bovenzijde, de Hot (/'. flwm) IS2 cM, de Schar (/'. Unuindu) van dezelfde grootte, de Tarbot (Wtotnbm mK.viimi», Tab. ü big. S). die (i()âi)() cM groot wordt en zelfs eene zwaarte van !'() K(i bereikt heeft, en de l ong (No/wt nihiaris), die li'2 c.M lang wordt en waarvan in Londen jaarlijks ongeveer 90000 schepels ter markl konuai. Al deze visschen leven nicestal o|gt; ondiepe, zandige plaatsen in zee en worden door onze visscbers in groot aniital gevangen op de zandplaten, die zich op eenigen afstand onzer
200
V i vSCih.! II é
kust ('vcinvijdig ilaariian uitstrek keu, ot wel in de oiulicjiii hiinicii/.co l)iiiiiiii deze /.iuulplati'ii, tot op I uur afstand onzer kimt. Zij worden in srhroinietten, die over den bodem der zee getrokken worden, gevangen en nieesta! levend ter markt gebracht, voor een groot deel in Londen. De Heilbot i //////KK/ZrisNi/s rul-f/i/zvs) bewoont voornameljjk de Noordelijke IJszee en wordt tot - M lani!' en -00 'J.M) K(i zwaar, liet is een root'viseh. die zich ook i)|i diepere plaatsen ophoudt.
De Zuiger vi seh iKchciwi* llctiiora) is een merkwaardig visclije uit de Middellandsche zee. I let bezit boven op den ko]) een eigenaardig schild, met dwars geplaatste plaatjes, die neergelegd en opgericht kunnen worden en cenige overeenkomst met een raamjalousie hebben. (Zie ii^1. 110). Met dit schild kan hij zieh vastzuigen aan steenen,
grootere visschen, schepen enz. en ééne soort, die bij .Mauritius leeft, zou gebruikt worden om er visschen en schildpadden mee te vangen. De nog kleiner Ijenidogaster bezit in zijne tot schijven vervormde borst- en buikvinnen twee toestellen, waarmee hij zich vast zuigt.
!lij voedt zich met kleine schaaldieren.
De tamilie der Alen. met hun langgestrekt. slangvormig Hcliaam. waaraan gecne buikvinnen voorkomen, en zonder of met kleine in de huid verborgen schubjes, bevat slechts rootvissehen, die zich veelal ook met krengen voeden. De Aal of Hivierpaling iAiniiiilla riilt/ariK, Tab. !' Fig. !)) is een kraiditige, behendige visch, meestal ongeveer I M lan^' en - tot .'{ IvQ zwaar en met geduchte tanden gewapend. Hij kan bjj uitzondering I A M langen i'J1 KG zwaar worden, ilonge visselaui. kikvorschen, slakken en waterinsecten vormen zijn gewoon voedsel, waarop bij in den nacht jacht maakt, terwijl bij den dag meestal, in oeverholen of in den modder verborgen, slapende doorbrengt. Ook s winters houdt hij zirh op die plaatsen verscholen. Do volwassen alen trekken van October tot December naar zee om daar kuit te schieten. De .jonge aaltjes. 'gt; 0 cM lang. die zich waarschijnlijk op zeer aanzienlijke diepte in zee uit de eitjes ontwikkelden en groote gedaanteverwisselingen ondergaan hebben, komen in t voorjaar weer terug naar de rivieren en zwemmen in ontelbaar aantal, breede, zwarte banden langs de oevers vormend, stroomopwaarts, in eiken zijtak der rivier dringend, evenals in kanalen, slootea en zelfs in riolen. De grootste hindernissen weten zij hierbij te overwinnen; zij klimmen tegen loodrechte rotsen, muren en planken op, kunnen een heel eind over den grond voortkruipen en zelfs de groote waterval van Schal hausen is niet in staat hun het voortdringen tot in het meer van ('onstanz te beletten. Ook de volwassen aal is zeer taai van leven.
Het (lieroiirijk. Visschen.
hij kan geniiiiicn tijd luiiti'ii liet wati'i' vcrUjjvcii on ook vrccisoljjkc vonvondingon venlnigcn. zondci' liet leven to verliozon. Hij wordt om zijn uitstekend vleesdi vooi'iiI in ons land veel gevnngon. waarbij men van netten, aalkorven en Iijj/ondere snoeren (ncureni gebruik maakt, licroemd zjjn de groete inrichtingen voor de aal vangst in de lagunen van Comachio. Deze staan door een stol kanalen met â¢sluizen in verbinding mot de I'o en met de Adriatisolie zee. In liet voorjaar worden do jonge aaltjes (inontóe) in de lagunen on do l'o toegelaten. In don herfst worden de sluizen opnieuw geopend, om do volwassen alen gelegenheid te geven naar zoo te trekken, maar deze worden op bun weg daarheen in talrijke fuiken gevangen. Men seliat de jaarlijksehe vangst op I millioen Kt). Men ondersebeidt verschillende rassen als: de diksnuitige of aal. die aan do rugzijde bruin aan de buikzijde geelaohtig is en de dimsunitige of paling, van hoven zwartachtig, van onderen wit, die om zjjn smakelijker vloesch het meest gezocht
is. De Ze opa ling {l'.oiKjor rnhiiir/s) komt aan onze kust voor en wordt'2 IJ XI groot. De Muraeno {Mimieim Helena) van do Middellandsche zee. is berucht o-cworden, doordien do weelderige Uomoinen uit do oudheid dit dier in zeewater-vijvers bielden en vetniestten met het vleeseb hunner slaven. De Sidderaal (Oiliniiolm ehvtfieiix) wordt in de zoetwatorplasseti van tropisch Zuid-Amerika gevonden. 11 ij wordt i-'/g M lang en 8 cM dik en bezit hot vermogen sterke electris(di(! slagen toe te brengen, waardoor zelfs paarden en muildieren verdoofd en verlamd worden, zoodat zij neerstorten en verdrinken. Wanneer do sidderaal eenigo ontladingen van zijn eloctrisch toestel hoeft doen plaats hebben, moet hjj (â enige dagen rust hebben, vóór hij het weer kan gebruiken. Dit toestel neemt van de lengte des lichaams in en bestaat uit lagen van vliezige cellen, die met eeuo geelachtige massa gevuld zijn. liet is te vergoljjken met eene \ oltasidu; znil.
Tot do twee laatste ouderafdeelingon der heonige visschen behooren slechts weinige visschen. Uit de groep der Trosk ieu w igon zijn do in de Noordzee
ViSM'lH'll,
levciido / c c li a it i (I c n {SijijuuIIiiis ai:iis) inn li nu lie voortpliintiiigs^otscli icdcnis incrk-waardig. liet inaimctje licwuarr iiiuncljjk tlo eitjes in Inj/oiuliTe iifoeil/akjes en \erleent nok uitn de iiit^'ekoinen jottyen een tijd luny daarin Iieseliufriiij4', let'wiil liet wijfje er zieii niet liet minst om bekominert. De :M iango. /evenkantige mmp der zeenatild is mot hinde patifsierlijston be/.et. \og Itardef pantser lie/itten de kleine, vreemd gevormde Zeed rankjes (fq/mK*) nit de [ndiselie zeeën, die als curiositeit dikwijls gedrongd naar Kurojia worden uitgevoerd, liet Zeepaardje (IliinHMimph IjirriroMrin, Tab.!) Pig. ld) wordt 15 tot -O e.M lang. Zijn verblijf is de Middellaiidwlie zee en wel znlke plaatsen, die dielit met zeeplanten begroeid zijn. Aan deze jilanti'ii houdt liet zirh niet zijn grijpstnurt \ast, neemt van uit zjjiie seliniipKtfits met zijne levendige, zeer beweeglijke ooquot; jes de omgeving scherp waar en stort zich snel op voorbijtrekkende kleine zeediertjes, die zjjn voedsel vormen. I)e \\ lorviseh {l'h i.ujKcs} heeft baiidvnrmige,
gedeeltelijk vertakte en gekleurde aanhangsels, waardoor hij in zijn uiterlijk veel overeenkomst verkrijgt met de wieren, waartnssclien hij zicb opboudt.
De \astkakigen vnrmen de laatste groep; hierbij zijn alle landen tot een gelijkmatig, ivoorachtig bekleedsel der kaken vergroeid, liet vleesch der hiertoe hehoorende visschen is niet eetbaar, van eenige zelfs bepaald vergiftig, zooals b.v. van den Mgelvisch (Diodou l/iji-itui*. Tali. !⢠l'quot;ig. II). Deze visch. die slechts in de tropische zeeën voorkomt, kan zich door het inslikken van Inclit sterk opblazen, waardoor hij bijna kogelrond wordt en de talrijke beetiluirdc stekels, waarmee hij rondom bezet is, zich oprichten, zoodat hij er gevoelige wonden mee kan veroorzaken. De Klomp- of Maanvisch (OrllirinjnriscKs Malu) gelijkt op oen I 1M grootcn zwemmenden kop. die met f oene lange rng- en aarsvin hezet is. Mij wpfdt IdlJ 'J.iO K( J zwaar, ook zijn vleesch is niet eetbaar. 1 )e kleine, hoogstens 1)5 e.M lange Ivofferviseh (' (gt;lt;-trucion Iriiiiiclar) doet denken aan eene driekanten,
uit beeniffc wanden yo-
vormde kast, waaraan kop
en staart beweeglijk zijn verbonden. De zijilen zijn bekleed met zeszjjdige been-schilden.
De tweeile hoofilafdeeling der visschen zijn de K raa k been igc visschen. geraamte is voornamelijk uit kraakbeen samengesteld en bestaat hij de
Hot (lieroririjk. Vissrlnjii.
minst volkomen sooiicn. /.elf's alleen uit eene krankheenigo atreng'. 11iei'lde lie-hooren zeer groote vissclten. lgt;o II nso of 1!«' 1 nga {Aciiicnucr llv^n) liereikr eene lengte van 'i M. Zijne luiid is bezet met 'i overiangselie rijen van heenseliilden. Hij wordt wel is waar in de meeste groote rivieren van Europn aangetroffen, het veelvnldigst evenwel in de Knspiselie zee en in de Znid-Hnssiselie rivieren. Einde Maart nadert hij de kusten in groote scholen en wordt dan of in netten gevangen oi' met visehhaken, die in groot aantal aan lange lijnen gehnoopt zijn. Zijn vleeseh is eethaaiquot;, doch de, kuit en de zwemhlaas zijn van nog grooter waarde. De kuit wordt gezouten en als kaviaar verzonden, van de zwemblaas wordt vischlijm vervaardigd. Door Rusland wordt jaarlijks 15000 K(r visehljjm en '200000 K(J kaviaar uitgevoerd, waartoe 100000 stuks dezer visschen moeten gevangen worden. De Steur (AriiwiiMT Shiria) heeft groote overeetdvomst met den huso en wordt als deze gehruikt, doch hereikt meestal slechts eene lengte van '2 M en een gewicht van 100 KGr. liet zijn beide trage visschen. die veel in den modder liggen en zich met weekdieren en wormen voeden.
Als iie gednehtste. omcrzaileljjkste roofdieren zijn daarentegen ih^ Haaien he-ruclifc. Zij bezitten een vreeselijk gebit, de landen zijn lang. zeer scherp en zaag-vonnig ingesneden, ze staan in -i o rijen naast elkander, de achterste zijn reserve-tanden, die achtereenvolgens de plaats der andere innemen. De gevreesde; M e n s c li e n h a a i (('.tcrrluirids vnhjarin, lab. 0 Fig. I^), bewoont de .Middellandsche zee en den Atlantischen Oceaan. Men kent gt^vallen, dat bij een mensch midden door beet. Dikwijls nadert lijj de plaatsen, waar menschen baden om er een te grijpen. Hij zwemt even snel als onvermoeibaar en begeleidt soms een schip weken lang om keukenafval enz. in ontvangst to nemen. Daar evenwel ieder man. die over boord valt, door dit gezelschap in levensgevaar komt. dragen de matrozen hem een doodeljjken haat toe en wordt lijj op elke wijze vervolgd. Zijne vangst is niet gemakkelijk, daar hij soms 500 K(j zwaar wordt en hij met zjjn staart en zijn gebit doodeljjke wonden kan toebrengen, liet vleeseh is grof en tranig en heeft een onaangenamen reuk. zoodat het bijna nooit gegeten wordt. De huid van vele haaisoorten wordt om de harde korrels, waarmee zij bezet is, als polijstmiddel aangewend: van andere wordt leder vervaardigd (chagrinleder). In tiroenland worden jaarlijks ongeveer lidUO Nourdsche
Vissclion.
Iiaaicu gevangen, om nif de lever tvanu te liereiden. het vlei'scii dient daar als voedsel voor de honden. Men hikt de visschen met ingewanden van zeehonden, die men in galen van hot ijs hangt en trekt /,e dan aan stevige haken uit het water. Ze zijn zoo gulzig, dat zij licht in elk aas happen en in lain maag vindt men dan ook soms de omnogeljjUste dingen: gereedschannen. zakken en/.., die het dier verslonden heelt. Do llanierviseh (Sjiln/rint /(/(/((c/m/) is even gevaarlijk als de vorige, heeft evenwel door zijn wonderlijken, hainervorniigen kop nog at/Jeh-teljjker uiterlijk. Hij wordt i M lang en tiiïü K'i zwaar. Als de meeste haaien hrengt hij levende jongen voort. De Hondshaai {Sc;iUiinn trmicnia) wordt sleehts .M lang; daar staat tegenover, dat hij steeds in gezelsehajipen leeft en zieh overal hij de vissehens gehuat maakt door de vi'rwoesting'en, die hij onder de nuttige visschen aanricht, liaakt hij in groot aantal in de haringvleet en andere netten dan worden (leze niet zelden door hom gescheurd en de vangst daardoor hedorven. Hij hijt licht in het aas en laat zich dns gemakkelijk vangen, heeft evenwel geene waarde, omdat zijn vleeseh wogcns de hardheid niet te genieten is, /jjne vierkante, platte, van vier gekronkelde draden voorziene eieren, hehhen eeni' gele, hoornachtige schaal en worden aan zeeplanten vastgehecht. De grootste van dit gclieele moversgeshicht is de Heuzenhaai (Scliiclu'), diesoms eene lengte \an l'J.M bereikt, N'oorwe-reldlijke soorten zouden zelfs tot i .\l lang geworden zijn. Den overgang van de haaien tot de roggen vormt de Za ag-visch (l'rislls (iiduiuorion), die, ofschoon lijj wel eene lengte van quot;gt; M hereikt,
wegens zijn zwak gehit zich slechts met
kleinere zeedieren voedt. De lange zaag is een verlengsel van den snmt en doet dienst als geducht verdedigingsmiddel. Aan elke zijde is zij met IS lli scherpe tanden bezet. Men verhaalt, dat de zaagvisch woedende geveehten levert met den walviseh en hem daarbij leeljjk toetakelt. Zijn vleeseh is ongenietbaar.
De Koggen vertocaien een van de tot nu toe belnindelde visschen geheel afwijkenden vorm. Hun lichaain is platgedrukt, de rugzijde zwak gewelfd, de omtrek scheef vierkant of elliptisch. De zeer groote borstvinnen omgeven den sehijf-vonnigen romp, de staart is dun, zwoopvonnig en bjj den Stekelrog (11«ja elamla. Tab, !) Fig. 43) met verscheidene rijen doornen bezet, (ieuoeinde viscli leeft niet II andere soorten van dit geslacht in de Noordzee; hij zoekt tijdens het gure jaargetijde grootere diepten op. doch nadert 's zomers de kusten. Zijne eieren hebben eene leerachtige schaal en dezelfde gedaante als die der haaien.
Het dierenrijk. Visschen.
Hij wordt gewoonlijk 45 cM lung nn Itreed, is een gednclik' vijand van plat-vissclten en andert! /.eedieren, die zicii dp den zeeltodem ojtitondcii en levert eet-itaar vleosclt oji. De reus dor geheele familie is de /oogeiiaainde Zeeduivel of' Hoorn rog {(.Icithaloplwu tlioholm), die den Atlatitisehen Oceaan bewoont. Mett verzekert, dat er exentjilitrcii dezer soort gevangen zjjn. die 7 M lang en !' M breed waren en een gewicht van 500â-1000 KG hadden. De kleine l'tjistaart-roggen (Ti'ijyon) wortlen gevreesd, omdat wonden, veroorzaakt door Itmt langen, getanden staartstekei, zeer pijnlijk en moeilijk Iteelitaar zijn. De Sidderrog (Tcirpmlo mannondu) heeft liet vermogen eleetrisebe slagen toe te brengen, die evenwel niet gevaarlijk zijn.
De laatste groep der kmakbeenige visscben is die der Hond bek ken, zoo genoemd, omdat zij hef vorinogen bezitten den mond volkomen cirkelvormig te openen en zich daarmee vast te zuigen. De Zeeprik of Lamprei (l'clromipon iiKiriinis, Tab. !l j-'i^-. I 'o. die tot I M l.mg wordt en de Noordzee hewoont, zuigt zich vast aan grootore visscben. boort cr zich diep in en voedt zich ntef liunne l(!veiissa|)]ien. Hij liccfï aan iedere zijde 7 kieuwopeningeii en dankt daaraan den naam N egonoog (mn elke zijde zijn. de oogen nieegerekend, evenwei slechts S openingen). De Ãi vierprik (Pelfomifzoti /hiwafiliii) is slechts 40 cM lang en hewoont de rivieren en beken van gematigd Europa, lljj wordt veel gevangen om voor de kahcljauwvangst gebruikt te worden.
De meest eenvoudig geiionwdc visch is de blinde Sijjinaal (Mii.riiw (/InliiHind), een bewoner der Nottrdzeeknsf. lljj is 'Jd e.M lang, vingerdik en geljjkf veel op een worm. Daar hij geeiie oogen heeft, moeten de baarddraden aan zijn mond als zijne voornaamste zinfuigen heschomvd W(trden. I lij zoekt gaarne dooile visselum op en krnipf door den mond in hnn lieliaam, om ze van binnen naar buiten te verteren ; ook op levenden visch leeft hij parasietiseh. Den overgang tot de ongewervelde dieren vormt hef La n cetvi sclije (Ainithioxus lunccolaluk), dat geen duidelijken kop bezit; itogen en hart ontbreken, het bloed is kleurloos; hef
geraamte besfaaf slechts uit eene kraakbeenige ruggestreng, zonder eigenlijke hersenkas en hef lieliaam is geheel dnorselnjnend. I let dier gelijkt dus geheel op een worm. lief bewoont de zanderige kusten van
de Noordzee en de Middi'llnndsche zee en voedt zieli met kleine waterdiertjes.
2()()
(!.â !.m1.' (lioron.
207
ONGEWKRVKLDK Dl Eli KN.
Do volgende (licrklassen niKliM'schüidcii /icli mui de tot mi toe holiiiiidcldc, door liet ^ciiiis van eon inwendig bcenig- of kraakhoonig gcraainf^ en van oigonljjk»! Iicrscncn. Men brengt/o tot 5 grooiion; (Jelode dieren, Wormen. Weekdieren, Straal dieren en Vormloo/e dieren.
(iKLKHK IUI;HI:N.
Hot lichaam der gelede dieren is uit talrijke ringen of leden sanien-gesteld en voorzien van paarsgowijze voorkomende, gelede ]elt;ioinatoii. De uitwendige Ix'kleeding der leden is meer of minder hard. Iioornaelitig en vormt liet Imid-skehit. zoo genoemd, omdat liet niet alleen tot steun der lieliaamsdeelen dient, maar ook tot lieseherming der daaronder gelegen organen en als aanlieclitingsplaats iler talrijke spieren. Het zenuwstelsel bestaat uit een /.enu\vkiioo|i boven den slokdarm waarvan de zenuwen der zintuigen uitgaan (hcrseiiknooi)), en dilt;^ door den slokdarmring verbonden is met eene reeks zeninvknoopen, clie in de licbaams-holte liggen, door zenuwdraden met elkander in verbinding staan en waarvan, naar beide zijden symmetriscli verdeeld, zenuwen naar de verschillende organen uitgaan (buikmerg). De afzonderlijke leden hebben door deze inrieliting een meer zelfstandig en onafliankelijk bestaan dan bij de gewervelde dieren. Van een bij het graven met de spade middendoor gedeelden veennml leefde de voorste helft nog S'J uur en bjj de achterste helft verdween elk levcnsteeken pas na l((8 uur. Het koude bloed is bjj de meeste witachtig of kleurloos, bjj eenige groen, oranje, bruin of rood. De meeste ademen door middel van een stel vertakte luchtbuizen, die zich bij vele door het heele lichaam verspreiden, terwijl zjj bjj andere tot eene bepaalde holte beperkt zjjn (longen). Andere ademen door middel van kieuwen. Bijna alle gelede dieren ondergaan bij hunne ontwikkeling eene gedaanteverwisseling. Vele leven niet lang meer nadat deze volbracht is. /ij -worden verdeeld in: Insecten, 1) u i z e n d poo t e n, Spinachtige dierenen Schaaldieren.
1 \SMC TKN.
De meesten insecten vertoonen aan hun meestal langgestrekt lichaam duidelijk drie afdeelingen: de kop. het borststuk en het achterlijf, die of slechts met dunne
Hot (liorcnriik. Insecton.
stcH'ltjos of met lirccdc \'lakken ami t'lkandor vci'lioiulcn zjjn. Aan den kop boviiult zicli dc moiid met de daartoe; lichoor.sinlc in oud werk t u i giui, die naar gelang' van liet voedsel, dat het dier gebruikt, /.ijn iiigerieht om te l)jjten of te knagen, om te steken in de luiid van dieren of planten en sappen uit de wonde te zuigen, of wel tot liet opzuigen of oplikken van vloeibare stoffen. Aan den kop komen ook de sprieten of voelhorens voor, die als tastwerktuigen dienen, maar waarschijnlijk ook bjj vole als gehoor- of renkwerktuigen dienst doen. Verder zijn er de beide groote samengestelde oogeu aan te vinden, wier oppervlakten uit regelmatige, zeszijdige vlakjes bestaan, waartusseheii zich fijne borsteltjes bevinden. Mik dier vlakjes is de voorzijde van een enkelvoudig kegelvormig oogje (Fig, 117). Hjj de mieren bestaan de samengestelde oogeu ieder uit .quot;gt;(1 enkelvoudige; oogjes, bij de gewone vlieg uit 4000. bij den glazenmaker uit I.M 1(1(1. bij een dagvlinder uir I7(MI()
en bij enkele kevers zelfs uit '25000 oogjes. Buitendien bezitten vele insecten ook nog quot;i of 3 kleine, enkelvoudige oogjes op het voorhoofd. De ringen van het borststuk dragen 3 paar pooten aan de onderzijdo; aan de bovenzijde komen er in den regel i, soms vleugels aan voor,
die evenwel bij vele ontbreken. De voorvleugels zjjn dikwijls vervormd tot hoorn- of perkamentaehtige dekschilden. l iet achterlijf bestaat uit een aantal ringen, die met weeke huidplooien beweeglijk aan elkander verbonden Kitf. ut;, iiuiiisiiciut van cm zijn. Vele insecten bezitten een buitengewoon groot aantal
spieren, waarmee zij in staat zijn eene verbazende kracht Ktuk' â¢'imbo'-Htstuk. Caohicrlijt.
en snelheid te ontwikkelen, de kleinheid van bun lichaam in aanmerking genomen. In volkomen ontwikkelden toestand ademen zij alle door luchtbuizen, die zich voor een deel aan de borst, voor een deel aan de zijden van l.et achterlijf openen en zich inwendig vertakken. I gt;c vliegende insecten kunnen door opneming of door uitstooting van lucht hun lichaam betrekkelijk lichter of zwaarder maken: bij sommige goede vliegers komen groote verwijdingen der luchtbuizen (luchtzakken) voor. liet witachtige bloed vult do geheele lichaamsholte en wordt door bet ruggevat, dat de plaats van het hart inneemt, in beweging gebracht. I)il ruggevat bestaat uit S trechtervormige afdeelingen, die van openingen en Kleppen voorzien zijn en zich uitzetten en samentrekken. 1 let bloed wordt daardoor van achteren naar voren geperst en stort zich uit de voorste opening van dit vat
I nsccU'ii.
0V(M' in dc liclinainslioltc. I)o vdortplMiitiiig gcst-liit'dt bjj vclf iiiscctcn hiiitcn^cwuoii snel. de iiieosto loggen eieren; weinige* «iiorlen brengen reeds uitgekomen larven of' zelfs poppen tor wereld. Sommige motten zonden tot 20000 eitjes kniinen leggen, liijen 5000. de \vilgenlimitvliii(ler 1000. de vloo gelukkig slechts 1|)e uit de eitjes to voorsehijn komende larven noemt men maden ot'eigenlijke larven, indien zij noch een duidolijken kop. noch pooteu hezitton: engerlingen, indien zij een duidolijken kop en â¢') paar hoornigo pooten hebben; en rujisen. zoo zij moer dan .'i paar pooten dragen, /ij vervellen vier- tot zesmaal, groeien in den regel snel en nomen daarbij soms goleidoljjk de gedaante aan van het volkomen insect, tot zij
... . ii t- t . dai'mriiig,3buik'nii'i«iiugt;t
volledig ontwikkeld zijn (onvolledige gedaa n t e verwi s- d.'«liuirvan uituaanaf
nuwi'ii.
seliug); andere lieliouden daarbij de gedaante der larve, tot zij zich eindeljjk verpoppen. Do pop eet niet en verplaatst zich in den regel niet; zij is door eene harde pophuid omgeven. Daaraan laat zich in sommige gevallen reeds uitwendig do gedaante van het volkonien insect lierkeunon, zooals bij de kevers; men noemt zo dan eene onbedekte pop. liij andere insecten zooals bij de vliegen, is de poplmid de verharde, ineengeschronipelde laatste larvebuid; de pop heet dan oen tonnetje. Hij nog andere, zooals bij de vlinders, zjjn de doelen van het insect allo dooi' de nieuwe pophuid ingesloten en uitwendig niet te herkennen: dan is het eene ingehulde pop. Na eenigen tijd barst de pophunl open en het volledig ontwikkelde insect treedt te voorschijn met eene aanvankelijk weeke huid en vochtige ineengeschrompelde vleugels. .Spoedig verhardt do huid, waarbij het dier soms groote kleur- en vormverandering ondergaat, de vleugels worden gespannen en gedroogd en nu is de volledige gedaanteverwisseling volbracht. Vele insecten behoeven meerdere jaren om lumne ontwikkeling te voleindigen : andere doorloopeu ze in één jaar; bij nog andere kunnen zich in don loop van één zomer twee of moor generaties ontwikkelen. De lovende jongen voortbrengende bladluizen krijgen zelfs weinige dagen na de geboorte weer jongen, zoodal zelfs 10 geslachten in één zomer kunnen ontstaan.
Zoodra de winter aanbreekt, verdwijnen alle insecten als bij toovorslag. \ ede gaan te niet. maar hunne eitjes of wol do larven of do poppon blijven den winter over, om hot volgend jaar aan nieuwe geslachten liet aanzijn te geven. Andere verschuilen zich en houden een winterslaap; dikwijls alleen de wijfjes, die in hot voorjaar dadelijk beginnen eitjes te leggen.
Hoe klein deze dieren ook zijn, door bun groot aantal is hun invloed op don monscli en zijne cultuurgewassen en op de in het wild levende planton en dieren
Waüxku's Nntuui'ljjko Uistorio. 1^
'20!)
Hol (lici'onrljk. Inseeton.
niisscliicii ^routci' diin die van ccnigc andcn1 dierklasse. Menig lielangnjk natuur-pmlukt iieei'l de inenseli aan inseeton ie danken; daarentegen maken vele hem liet leven sums lastig en sumniige kunnen /.elf's gevaarlijk voor lioni worden. Zijne eidtnui'U'ewassen worden soms door ontelliare insecten aangovallen en verwoest. \ an geene dierklasse /.ijn de hetrekkingen tot de jilantenwereld zon veidvnldig en helungi'jjk als van deze,
liet leven der insecten is dikwijls eng verbonden aan dat van een of moer plantensoorten. Vele voeden /.icli met hare Naderen, stengels, wortels, vruchten of zaden. Andere zoeken honifj; ol'stuifmeel in liare bloemen of leven er parasietiseh oji. Vele leggen er liunne eitjes op of in. omdat hunne larven aan de oppervlakte of in liet inwendige der planten voedsel vinden of eindelijk alleen, omdat zjj er eene schuilplaats op vinden. Zoo heeft men op den eik in Duitsddand niet minder dan .Vi7 verschillende insectensoorten aangetroffen, op den appelboom 1^;!. op den (ds Mik op tarwe 5;gt;. op gerst 20, op den taxus slechts 2. AVederkeerig zjjn deze dieren voor de planten niet minder gewichtig. I)e meerderheid der bloeiende planten zou zich niet kunnen voortplanten zonder medewerking der insecten, omdat deze voor de bestuiving zorgen, die anders niet zon kunnen plaats hebben. Ontelbare planten worden, hetzij reeds in den kiem of in jeugdigen toestand, hetzij iti volwassen staat door hen gedood, wat voor de ontwikkeling der in het wild levende planten volstrekt noodzakelijk is. om hare al te sterke vermeerdering tegen te gaati. Want tengevolge van de ongelooflijke snelheid, wanrmee de planten zich voortplanten, zou haar aantal anders spoedig zoo groot worden, dat de bodem daaraan ruimte, noch voedsel zoude kunnen verschaffen, dat ze elkander licht en lucht zonden ontnemen. Worden onze cultuurgewassen er door aangevallen, dan doen de insecten den mensch soms ontzaglijk veel schade, 'ruinier zoowel als landbouwer, boomkweeker en houtteeler moeten voortdurend voor deze kleine vernielers op hunne hoede zijn. Hij de snelle voortplanting der insecten is het zelfs wonder, dat zij de plantencultuur niet geheid omnogelijk maken. Dit hebben we te danken aan hunne talrijke vjjmiden, die wij reeds onder de gewervelde dieren aantroffen en die niet lief minst onder de insecten zelf voorkomen, vijanden, die zich uitsluitend of grootendeels voeden met de viilwassen insecten of wel met hunne eitjes, larven of' poppen, of die er luinne jongen mee grootbrengen of' eindelijk, die zich in hun lichaam ontwikkelen en zoo hun ondergang bewerken. Ook door ongunstige weersgesteldheid worden sums ontelbare insecten of larven daarvan gedood, plotseling invallende koude of cene hooge temperatuur, langdurige droogte of regen zijn oorzaak, dat vele omkoincn. I'lene lage temperatuur vertraagt de ontwikkeling der larve, waardoor lief volkomen insect dikwijls ontijdig geboren wordt, als bet gewone voedsel er niet meer is of de tijd, die voor de voortplanting geschikt is, reeds voorbij is.
Kovels. '2 | J
\\ iiiiiKMM' zich (ius soms sommige iiiscctciisodi'tcn op liuifi'iisjiori^c wijze vcriiu'-nitfvuidifi'on. zoodiit /.ij (gt;ciu' ware iandpliin^ worden, moet dit. heliahe aan de aanwezigheid van volop voedsel, worden toegeschreven aan cene vermindering van het aantal hunner vijanden of' aan eeite liijzonder gunstige weersgesteldheid tijdens hunne ontwikkeling. 'lt;cIukkig ziet men in zulke gevallen ook hnnne \'ijandeii, vooral die uit de insectenwereld zeil, zoo wonderlijk snel in aantal toenemen, dat deze spoedig paal en perk stellen aan hunne verwoestingen. Eindelijk Idijkt uit het vorige reeds voldoende, dat ook tal van diersoorten geheel af'liankelijk zijn van de inseeten, omdat zij hun voornaamste, soms hitii eenig voedsel vormen of voor luimie ontwikkeling onmishaar zijn.
Men verdeelt de insecten in een zevental orden.
Kevers.
Hij de kevers ot torren zijn de afdeelingen des lichaams hijzonder duidelijk zichthaar. I gt;e inondopening is steeds van hijtende. zich zijdcliiigs tegen elkander hewegende vreetwerktuigen voorzien. De voorste horstring is sterk ontwikkeld en vrij. hij draagt aan de onderzjjde het eerste paar pooten. De tweede draagt aan de bovenzjjde twee gewoonlijk hoornachtige deksidiilden, die hij het vlieiren niet bewogen, doch onder een rechten hoek worden opgelicht; aan de onderzijde komt het tweede paar pooten voor. De derde horstring draagt aan de hovenzjjde de dunvliezige. dikwijls zeer groote omlervleiigcls.
die hij het vliegen uitgespreid, in rust evenwel van huiten naar binnen samengevouwen en onder de dekschilden verborgen worden; aan de onderzijde zit het derde paar pooten. Titsschen de aanhechtings-plaatsen der dekschilden is nog het kleine ..ritgge-schild op te inerken. De voeten (tarscn) bestaan meestal uit 5 leden, soms zijn er evenwel slechts 4, of' 2 duidelijk te zien. liet eindlid draagt klauwen, geene zuignapjes. De bovenkaken ziju naar gidang der voedingswijze verschillend gevormd, soms zeer groot en krachtig. De onderkaken dragen gelede kaaktasters, aan de onderlip onderscheidt men de kin, de liptasters en de tong. Alle kevers ondergaan eene volledige gedaanteverwisseling. I it de week scha lige eieren komen pootlooze of van lt;i hoornachtige, gelede pooten voorziene larven voort met een duidelijken, hoornaclitigen kop. Diegene, die in de aarde of in het hout leven, missen de oogen. De meeste keverlarven
,).| ó Hot dioronrjik. Insoctoii.
leven verlior^cn. zijn ilan witacliti^ geel gekleurd en liolioeVon gewoonlijk meerdere jaren, om zicli /oover te ontwikkelen, dat de verpopping plaats vindt. De poppen zijn onbedekt. Men vindt ze vrij liggend in de holte, waarin de larve /jeli ophield, of wel in een cocon, die door de larve vervaardigd werd vóór ze zich verpopte, ol' eindelijk met de punt van het achterlijl' opgehangen aan de Naderen. Alleen in I hutschland kent men meer dan 1400(t keversoorten; die. welke over de geheele aarde voorkomen, schat men op 80000 soorten.
De Zandkevers (Clcindelu. Tab. Kt Pig. 1) maken 's zomers op zonnige zandplekken jacht op andere insecten, die zjj. even vlug loopend als vliegend, met hunne sterke, gelande kaken grijpen en dooden. De dekschilden zijn dofgroen met bleeke vlekken. De larven graven zich op dezelfde plaatsen gangen, waar ze voorbijkomende insecten insleuren. Veelvuldig treft men op zandwegen den Veldzand-looper (/;. cinniirxlris), die snel opvliegt, maar zieh spoedig weer neerzet; zijne larve loert in liet zand verborgen op insecten. De Loopkevers of Schallebijters '.(ifohii*) zijn meest niet minder roofzuchtige dieren. De (iouden loopkever immltix. Tab. 10 Fig. ij) bezit geene ondervleugels en kan dus niet vliegen. Zijne dekschilden zijn met elkander vergroeid. De loopkevers houden zich liefst op lang gelegen, vochtige gronden op en zjju voor den landbouw hoogst nuttig door bet vernielen van talrijke insecten en larven, die ze nitslnitend op den grond vervob'cn. Toch zijn er enkele, waarvan men grond heeft te ineenen, dat zij ook plantaardig voedsel gebruiken. Als zoodanig berucht is de Hultige loopkever ('/.ihrii* iiihhm), een zwarte, mei overlangsche striemen geteekeiide kever van 15 mM lengte, die zeer veel schade doen kan. I gt;e larve treft men soms in groote menigte aau op graanvelden; zij is 'J 1 in.M lang, met platten kop, bruin van kleur en knaagt de jonge graanhalmen af. De volwassen kever zou de jonge korrels in de aren uitvreten. Hij komt iu (ielderland, Noord-Brabant en Limburg voor, ofschoon niet talrijk. De in Zuid-Duitsehland niet zeldzame lUniliardeerkever (lirarhiHHs oriiilam. Tab. 10 Fig, 'd is 8 inM lang, heeft een donkerrood lichaam en zwartblauwe dekschilden en herinnert door de wijze, waarop hij zich verdedigt, aan de Amerikaansche stinkdieren. Komt een vjjand hem te na, dan bespuit hi| hem met een bijtend vocht uir zijn achterlijf, dat zelfs op de huid van den meiiseh roode \lekken \croorzaakt. Daar hij dit kan herhalen, gelukt het hem meestal te ontsnappen. Een groote, fraaie, goudglanzende kever is de l'oppen-roover (('.iilosotna xi/cophinila, Tab. 10 I4 ig* '')i die evenals zijne larve een moordlustig en ijverig vervolger is van schadeljjke rupsen en poppen, die hij op de booincn opzoekt. De larve vestigt zich soms in het nest van processie-rnpsen. waarin zij groote slachtingen aanricht. Deze kevers zijn voor de houtteelt hoogst nuttige dieren, die evenwel in den regel niet in groot aantal ......komen.
Meerdere keversoorten houden zieh als roofdieren in het water op, zoo de
Kt'vcrs.
(» c ra n (1 e wa te r i'oo I k c ver (/h/lisi-iis I)»'/(' iJl» in.M lan^'c rw
'i i inM liroodü, zrcr kiiich% gebouwde kever is olijt'groen tot /w art van kleur en gcmakkeljjk aandeu Itreeden,
gelen rand zijner dekseinlden tc lierkcnnen. li ij moet wel is waar telkens aan de oppervlakte van het water komen,
om adem te halen, doch duikt en zwomt uitstekend en is een onvermoeide en niet te verzadigen vervolger van alle/wakkere waterdieren, zelfs van jonge vischjes. Iljj grijpt zijne prooi met de voorpooten aan en hrcngt zo daarmee als met handen imarden mond. 's Avonds verlaat hij gaarne liet watei' en vliegt dan luid snorrend rond. In vraatzucht en gulzigheid wordt hij slechts door zjjne larve overtroffen. Deze zwemt kronkelend met, helmlp van twee staartaanhangsels. die tweerjjig lichaard zijn. De hoveukaken waaiTnee zij liarc) vangst aangrijpt, zijn doorlioord en men heweert, dat hij den lieet een vocht in de wonde wordt uitgestoit, dat de prooi onmiddtdlijk doodt, evenals hij de git'tslaugen. liet wjjtje van on/.en kever legt de talrijke eieren op den hodem in het water. De uitkomende jongen zijn /,00 vraatzuchtig, dat ze elkander verslinden. De verpopping gcschiedt in een hol aan den oever. De na H weken uitkomende kever is aanvankelijk nog witachtig geel en week. I'erst nadat/.ijne huid hinnen S dagen verhard is, waagt hij zich uit zjjn schuilhoek. De spinnende watertor (IIijilraphilus iiicaun) komt in grootte en vorm met den vorigen overeen. Iljj houdt zich vooral in staande wateren op en zwemt minder snel dan de vorige. Men dacht vroeger, dat hij zich voornamelijk met planten voedde, doch het is gehleken. dat hij en zijne larven geduchte movers zijn, die zelfs soms groot ere visschen stukken uit het lijf liijten. .Merkwaardig is het nest. dat het wijfje vervaardigt uit spindraden, die uit 4 openingen van het achterlijf uittreden en die het, zich aan do onderzijde van een hlad eener waterplant vasthoudend, door heen en weer bewegen van zjjn lichaam, tot eene ruime hlaas sainenspint, waarin het de eieren legt. Deze met lucht en eieren gevulde blaas drijft aan de oppervlakte van het water tussidien de planten rond, totdat de jongen zich een uitweg banen.
De kleine Draai kevers [Gijriim*) worden quot;s zomers bijna op elk stilstaand water opgemerkt, /ij zwemmen als levende, blauwzwarte, gepolijste staalbolletjes
INI 'lioreniijk. Insecleii.
bliksonisnol in kringen u|gt; don wntorspiogcl rond on nonion liij liet duiken nog
oono luciithol als voorraad moe. Als voedsel gebruiken zij kleine waterdiertjes.
Eone Injzondore groej) vormen do Mestkevers, lialt'bol-
vormige, gedrongen gebouwde, krachtige kevers, mol oen |iantser,
dat or uitziet als ware hot van blauw ou zwart gepolijst staal.
Men treft do gewone Mestkevers (({eotn^Hia en AiHhhUu»)
's zomers dikwijls op do wogen aan op paarden-en rnndermest. Fig. 121, Uc draftikever. . , ' . , , , , ,
waarin ze lumne eieren leggen. Do r: I Ion k evers {Aimchti*)
vormen balletjes uit most; in elk balletje leggen ze oen ei om bet daarna in den
grond te begraven. De in allo landen om do Middellandsclie zee lovende JI ei 1 igo
tor (Alcncldis naccr, 'l'ah. 10 i'quot;ig. !)j werd lijj de (aide Kgyptenaren vi'reerd als
hot zinnohoeld dor kracht, die de hemollichamon draait en howeegt. De takken
van zjjn borstschild worden met de stralen dor zon vergeleken. Vele niestkovors
dragen op kop of' borststuk horons, zooals b.v. do Gehoornde mestkever
{Geotfupes li/pliocus), die twee Introns op hot borstschild bezit, de Maan kever
(Cojiris lunarix), waarvan hot mannetje een spitse horen op don koji en stompe
horens op hot borstschild draagt. Do Sticrkevor (AiUliojilndjux hninis) draagt
op don kop twee lange, dunne horens. Tot de Reuzen kevers behoort onze
inlandscbo .XeuBhoornkover (Oi'i/i'hv naticurui*, Tab. 10 Kig. 10), die cM
lang, roodbruin van kleur en op don kop mot oen achterwaarts gebogen, lange
horen gewapend is. Hij komt voor in run en vermolmd eikenhout. De veel
grootere. in tropisch Amerika te huis behoorondo 11.or k u Ie skever {iSoindwm
Hercules, Tab. 10 Fig. II) wordt D_' cM lang on bezit twee achter elkander
geplaatste horens op den kop, oon klein en oen groot. Overigens komt hij voel
met don vorigen overeen. Do (f oliath kever (GolialhKx ijitjaiilci(s) van 10 c.M
lengte, grjjs mot zwart gestreept borstschild, is in West-Afrika iidioemsch. In
zijn lichaamsvorm gelijkt hij op den prachtig goudgroen glanzendon Gouden
tor ((.Uih.miii auralu. 'i'ab. 10 Fig. 12), dien we 'szomers niet zelden op rozen
en andere bloemen aantrotfen. maar die niet voel grooter dan I'» m.M wordt,
Do larven van dit geslacht komen in mierennesten voor, waar zij door do mieren
geduld worden. Kone belangrijke groep is die dor Ãlad kevers, waartoe de
Meikever (Melolonlhn vulyari*) behoort. Zoowel als engerling als in volkomen
ontwikkelden toestand richt hij ontzaglijke schade aan, wanneer hij, zooals in ons
land vooral in do streek tusschen Arnhem en Wageningen om de 3 jaren plaats
vindt, in groote menigte voorkomt. Het wijfje legt einde Mei in losse, vruchtbare
aarde, 'gt; lOcM onder de oppervlakte, hoopjes eieren van DJ '20 stuks, in het
geheel ongeveer 40. .\a 3 of i- weken komen daaruit de larven te voorschijn,
die zich aanvankelijk met vergane plantendeelen voeden (humus). Zoodra de
winter aankomt, kruipen zij dieper in den grond en beginnen zij reeds aan fijne
K overs.
Ie kiiiiu't'ii. \iiii
nu ut' worden do wortels dor planton t gehool loven zij ;i ot' 1 jaren in den grond, waar zij Horen zoo grooto se met
liet ilioroniiik. Insodoii.
ningTii quot;gt;11 livctoliter gcvtHij?cii. Mon gcliniikt de godoodc kevers nis mest of als \otider voor varkens en kippen. In Holland en Utrecht komen lt;le lioliandscho meikevers voor, eene soort, die in grootte en vorm weinig afwijkt van de gewone, dezelfde levenswijze heeft, doch nooit zoo talrijk is. De Duin kever (.1/. fulUi) in de duinen, is veel grooter dan do meikever, 30 cM lang, dc engerling vreet de wortels van de hehnplanten af. Hij is op de deksehilden onregelmatig wit gemarmerd. De kleine .lunikever (Ainphhvalhis nolslitialis) is een meikever in 't klein; ofschoon liij ook dezelfde levenswijze leidt, brengt hjj geone noemenswaardige schade te weeg. Zeer veelvnldig wordt soms ook het I! o z e n k e v e r I j e {PhijUoiwrllta hoiiicola) aangetroffen, met donkergroen halsschild en roodbruine deksehilden, en wel op bloeiende vlier, op rozen, braambessen en andere bloemen. Doch ook eiken en ooft)toornen berooven ze van hunne bladeren, terwijl de larven zich met wortels van koolsoorten, gras, klaver, rozen en andere bloemen voeden. De kleine diertjes kunnen dus groote schade veroorzaken. De naar leer riekende 11 e r m i e t k e v e r (Osmodcnud cremita) vindt men einde .luli aan bolle appelboomen. waarin de larven soms gezellig leven. De grootste der inlandsche kevers is het Vliegend hert (Ltwanm cervm, Tab. 10 Fig. 8'), wiens larve in vermolmde eiken leeft en (1 jaar behoeft vóór ze zich kan verpoppen. De mannelijke kever heeft geweldige bovenkaken, die aan een hertegewei doen denken. Daarmee zou bij wonden aanbrengen in jonge eikentakken, om niet zjjne ^hoekige, behaarde tong het uitvloeiend sap op te likken, (jevangen vliegende herten laten zich met zulke takken, zoomede met honig en suikerwater geruimen tijd in't leven houden. Ze komen in ons land in de Veluwe en zelden in Lintburg voor. De tot de Cj 1 a n s k e v e r s behoorende Kool z a a d g 1 a n s k e v e r (Xilidttla (tenea) is voor den landbouw daardoor zeer schadelijk, dat hij de bloemen van het koolzaad vernielt en dan nog dikwijls zijne eitjes legt op de vruchtbeginsels der gespaard gebleven bloemen. De larven vreten de zaadjes uit de hauwen. Waar deze kleine kevertjes veel veorkonien, kunnen zjj den koolzaadoogst dus geheel vernietigen. Zij zijn ii.r»--3 nij\l groot, hebben eetie metaalglanzende, groene kleur eti knotsvormige sprieten. Zij gelijken veel op de Aard vlooien, die evenwel draadvormige sprieten en springpooten bezitten. Hoe klein deze diertjes ook zijn, door het onuoemeljjk aantal, waarin ze dikwjjls voorkomen, kunnen zij den oogst van koolzaad, mosterd en andere cnltnurgewassen. vooral uit de familie der kruis-bloemigett, totaal vernielen, daar èti de volwassen kevers èn de larven de bladeren en stengels dezer planten afvreten. Vooral zoolang de planten jong ztjn, hebben zij er veel van te lijden. De M i k en a a rd vl oo (llallica (Jiuircetoi-mn) vreet de knopjteti en bladeren van eikenstruiken af ett hare larve laat niets dan de nerven der bladeren over, zoodat zij het eikenhakhout soms geheel kunnen ontbladeren. De roode larven der Hijenkevers (' Trkh oiies fipitiviv». T. alccanm.
Kevers.
Tab. 10 Fiji'. Hi) leven in de liiji'iistokki'ii en zoiidt'ii, iiiilt;ir mrii iuccikIc. de liijciiliii'ven opvToton: dit wordt door nieuwere onderzoekers lietwist. die beweren, dat ze er van do uitwerjiselen dor bjjen en van afval leven. De kevertjes zijn ruw behaard en met zwarte en roode dwarsliandeu versierd. Tot de familie der Blad kevers of lt; f o u d li a a n tj e s behooren talrijke soorten, die zieb lt;t|) de bladeren opbonden. Zoowel de volwassen kevers als ook de birven vreten liet bladinoes uit, zoodat alleen de nerven van bet blad overblijven en. waar zij tiilrjjk voorkomen, kunnen zij door het ontbladeren der cultuurplanten groote schade aanrichten. Do bladkevers zijn klein, langwerpig-rond van vorm. met half bolvormige, gewelfde dekschilden en meestal trani. soms ze'fs prachtig gcddeurd. Mr zjjn talrijke soorten bekend; elke soort komt in den regel slechts op eene bepaalde plantensoort voor; zoo het Po pul ie rkevertj e (Chn/somnla Tab. 10 big. Ui) op populieren, het E 1 z e n b a an t j (⢠((Idllcnicn uhiï) op elzen, de Mosterd tor ((.'o/a/z/im Soiihiar) op kruisbloemige planten enz. Daartoe behoort ook de beruchte D o 1 o r ad o k e ver (C.hvijs(tyiielt/ (1 iV zich
in Amerika zoo schrikbarend snel vermenigvuldigde en over het geheele land verspreidde, toen de kolonisten in het verre westen den aardappel begonnen te kweeken. Daar leefden deze diertjes tot dien tijd op wilde Solaniimsoorten. In Europa nam men de strengste maatregelen om hun invoer te beletten of ze uit to roeien; want niettegenstaande de genomen moeite, vertoonden zij zich toch o]) enkele plaatsen. De Coloradokever is vuilgeel met roodaehtigeu weerschjjn, de dekschilden zijn leerkleurig geel met 5 zwarte, overlangsclie strepen,
bet halsschild is met onregelmatige, zwarte vlekjes geteekend en zwart gerand, ook de kop en pooten zjjn roodachtig geel niet zwart. De kevers overwinteren; zoodra de aardappels uitkomen beginnen zij aau het loof te knagen. De larven,
die in ontzaglijk aantal geboren worden, vreten evenzoo de bladen af en verpoppen zich in den grond. In 't midden van Juni verschijnt eene tweede generatie, die de ontbladering der planten voortzet, ja zelfs eene derde generatie kan in één zomer tot ontwikkeling komen. Waar zjj veel voorkomen, kunnen natuurlijk de planten haast geene knollen voortbrengen. De larve van den vnurrooden. piependen Lelietor (Crioccris me.rdujera, Tab. 10 Pig. vit2), doet zieb te goed aan de bladeren der witte
! I 7
H» i dierenrijk. Iiisectoi».
leliën en bedekt lifiur lichiiain met liare zwarte uitwerpselen, om zich tegen de zonnestralen te lieselmtten. Zjj verpopt zich in een omlmlsel, nit verhard speeksel vervaardigd. Op de aspergeplanten leeft de Asperge tor {Criocem mtiamgï), die liet loot' en de jonge takjes afknaagt en soms veel kwaad aan de planten doet. Op zjjne gele dekschilden vertoont hij zes zwarte puntjes in een kruis. Oeene familie telt zoovele soorten als die der Hn uit tor ren, waarvan er vele tot de schadelijkste insecten moeten gerekend worden. Hun kop is smiit-vormig verlengd, aan het eind van den snuit vindt inen bijtende monddeelen, ook de meestal knievormig gebogen sprieten zijn daarop ingeplant (zie tig. 124). liet zijn meest kleine, trage dieren, die niet of zelden vliegen. Met ban snail boren zij in de bloemknoppen, de vruchtbeginsels of in de jonge twjjgen der planten, om daarin hunne eieren te leggen. De larven vinden daar voedsel en ondergaan er ook meestal bare gedaantevenvisseling. Hij gevaar trekken de kevertjes linnne pootcn tegen bet lijf, laten zich op den grond vallen en blij ven daar onbeweeglijk liggen ; ze zijn dan zeer moeilijk te onderscheiden. De belangrijkste zijn: De Zaad-kevers (/iVnc/o'.s); daartoe behooren de \\ i k k e n-. Erwten- en Doonen-kevers. die aan de vrnchtbeginsels dezer planten of aan de jonge vruchten hunne eitjes leggen; de larven vreten de zaadjes nit. De II a ze I n oo t - s n n i t k e v e r {Ittiliiniiiiis iiiicwiij, zie tig. DJ'i. liet wijfje boort met haren snuit een diep gat in
de weeke jonge hazelnoot; daarin wordt I een eitje gelegd. De larve vi'eet de zaad-korrel ii'edeeheliik op en verlaat dan de
i van den appel; de larve vreet de meeldra
noot, om zich in den grond te verpoppen. De Appolbloesemk e ver iAnllioiioinii* liomorum, Tab. lo big. 1!'^) doet schade aan onze appel-en [lereiioomen. liet wijfje legt één eitje in een bloemknop, liefst
den en de vrnehtbeginsels uit, zoodat van de bloem niets te rechtkomt; ook de verpopping heeft in den uitgeholden. zieh niet openenden bloemknop plaats. Ofschoon de wijfjes vroeg in bet voorjaar meestal tegen den stam opkruipen om de bloemknoppen te bereiken, kunnen zij er ook vliegende bijkomen. Teerbanden zijn dus geen afdoend middel om de bloemen er tegen te beveiligen. Verschillende soorten van Den nen sn ui ttorren zijn voor de tiaald-boonten zeer verderfelijk. De kevers knagen gaten in den bast. wat tot hars-
Kevers,
uitvloeiing aanloiding gcct'r en liij jonge Iioompjes dikwijls dcti dood ton gevolge heeft. De larven oidwikkelon zich in hel hout, waai' zij zich ook verpoppen en doen niet minder schade. Zij kunnen soms zoo talrijk worden, dat zc groote verwoestingen in de naaldliossehen aanrichten. De Kalander of Zwarte koren mot ( ('.aUttulra ijmmriu) houdt zich op de graanzolders op. waar elke larve een korrel hewoont en uitholt; zij kunnen massa's graan vernielen. -Voor de hout- en oot'tteolt zijn de verwante Sehorskevers zchu' gevaarlijke insecten. Deze kleine, onooglijk bruin of grijs gekleurde diertjes, gewoonlijk rolrond en gedrongen gebouwd, niet geknopte sprieten, grijpen wel is waar in den regel slechts ziekelijke hooinen aan, doch kunnen zich daarin in den loop van weinige jaren zoo sterk vermenigvuldigen, dat zij hij gebrek aan zieke ook gezonde staminen aantasten en heele hossehen volkomen vernielen. Zoo werden in 1 7S;! op den llartz door den 1)e n neusc lieerd e r (Ihjha'gu* geilumide
één zomer anderhalf millioen dennestammen vernield. N'roeg in liet voorjaar komt de dennenscbeerder uit zijn schuilhoek aan den voet der denneboomen te voor-selijjn. Half April begint liet wijfje, liefst op gevelde of omgevallen booinstanmien of op afgebroken takken, doch onk op ziekelijke staninien. een gaatje in de schors te boren. Het graaft daarna eeue gang van 7 a 8 cM lengte tiissehen schors en hout, de zoogenaamde in oed c rga ng, waarin het. voortgravend. aan beide zijden eitjes legt. De kleine larven, die daaruit ontstaan, graven elk ecne gang ongeveer loodrecht op de moedergang. Deze harvcgangen worden wijder, naarmate dc^ diertjes groeien; zij bereiken dezelfde lengte aks de moedergang en zijn aan het eind verbreed. Tti deze ..wiegquot; hoeft de verpoppijig plaats. In 't laatst van â¢Iquot;li ot begin Augustus is het insect volkonien ontwikkeld en boort zich een uitweg door de schors. Dat ziekelijke boonien tengevolge van deze verrichtingen spoedig dood gaan, spreekt van zelf. De grootste schade veroorzaakt evenwel het jonge kevertje: dit vliegt op de eindloten der denneboomen, boort zich daarin door tot in het merg, en begint dit nu uit tc vreten, wat het afsterven der eindknoppen ten gevolge heelt. De verdorde eindtakken vindt men na een storm soms in ontelbaar aantal op den grond en de boonien zien er als afgeschoren uit. De groei der hoornen wordt hierdoor op jammerlijke wijze gestoord. Later in don herfst zoeken de jonge kevers eeno schuilplaats aan den voet der boonien onder mos. onder de schors enz. en vreten dan dikwijls nog gangen tot in het bont. waardoor zij nienigcn boom doen kwijnen.
De meeste schorskevers bepalen zich tot het graven van gangen, betzjj tusschen schors en bout. hetzij alleen in de schors of alleen in bet hout. Zoo de Letterzetter (Haslriclnts Iijiiitijraiihu*) in de sparren en larixen (zie fig. I 'jquot;j) en talrijke andere schorskevers der naald boonien. In Duitscbland worden âvatig-hoonienquot; in de bossehen gelegd, waarop de schorskevers in grooten getale aan-
Hot tlierenrijlv. Iiiseotct».
leliën lt;ii Iwdokt linar liclmiun met hare zwartü uitwerpselen, om zich tegen de zonnestralen te beschutten. Zij verpopt zich in een omhulsel, uit verhard speeksel vervaardigd. Up de aspergeplanten leeft de Asp erge tor (Critweris itsiniraiji), die het loof en de jonge takjes afknaagt en soms veel kwaad aan de planten doet. Op zijne gele dekschilden vertoont hij zes zwarte puntjes in een kruis, (ieene familie telt zoovele soorten als die der Snuittorren, waarvan er vele tot de schadelijkste insecten moeten gerekend worden. Hun kop is snuit-vormig verlengd, aan het eind van den snuit vindt men bijtende monddeelen, ook de meestal knievormig gebogen sprieten zijn daarop ingeplant (zie tig. 124). Het zijn meest kleine, trage dieren, die niet of zelden vliegen. Met hun snuit boren zij in de bloemknoppen, de vruchtbeginsels of in de jonge twijgen der planten, om daarin hunne eieren te leggen. De larven vinden daar voedsel en ondergaan er ook meestal hare gedaanteverwisseling. Bij gevaar trekken de kevertjes hunne pooten tegen het lijf. laten zich op den grond vallen en bljjven daar onbeweeghjk liggen ; ze zijn dan zeer moeilijk te onderscheiden. De belangrjjkste zijn; De / a a d-kevers (/iVi'Wm*); daartoe behooren de Wikken-, Erwten- en Boonenkevers, die aaii de vriichtbeginsels dezer planten of aan de jonge vruchten hunne eitjes leggen; de larven vreten de zaadjes uit. De II aze 1 n oo t-sn n i t ke ve r (Jtaltiiiutiis iiiichdi), zie tig. l'J'i. liet wijfje boort met haren snuit een diep gat in
de weeke jonge hazelnoot; daarin wordt een eitje gelegd. De larve vreet de zaadkorrel gedeeltelijk op en verlaat dan de noot, om zich in den grond te verpoppen. De Appelbloesemkever (AiiIIioiiuiuks Itoinoriiin, Tab. 10 Fig. I!l) doet schade aan onze appel-en pereboomen. liet wijfje legt één eitje in een bloemknop, liefst van den appel; de larve vreet de meeldraden en de vruchtbeginsels uit, zoodat van de bloem niets te recht komt; ook de verpopping heeft in den uitgeholden, zich niet openenden bloemknop plaats. Ofschoon de wijfjes vroeg in het voorjaar meestal tegen den stam opkruipen om de bloemknoppen te bereiken, kunnen zij er ook vliegende bijkomen. Teerbanden zijn dus geen afdoend middel om de bloemen ertegen te beveiligen. Verschillende soorten van Den nen snuit torren ziju voor de naald-boomen zeer verderfelijk. De kevers knagen gaten in den bast. wat tot hars-
Kt'vers,
uitvloeiing nanloiding' ^'cctr cu hjj jougi; lioompjcs dikwijls den dood ten gevolge heeft. De larven ontwikkelen zich in liet hout, wiuir zjj zicli ook verpopiien en doen niet minder seliade. Zij kunnen soms zoo talrijk worden, dat ze groote verwoestingen in d(! naaldliossehen aanrichten. De Kalander of' Zwarte koren mot {l'.itlaiuh'd ijnmarui) houdt zieli op de graanzolders op, waar elke larve een korrel bewoont en uitholt; zij kunnen massa's graan vernielen. -Voor de hout en ool'tteelt zijn de verwante S e h o r s k e v e r s zeer gevaarlijke insecten. Deze kleine, onooglijk liruin of grijs gekleurde diertjes, gewoonlijk rolrond en gedrongen gebouwd, met geknopte sprieten, grijpen wel is waar in den regel sleehts ziekelijke lioomen aan, doch kunnen zich daarin in den loop van weinige jaren zoo sterk vermenigvuldigen, dat zij bij gebrek aan zieke ook gezonde stammen aantasten en heele bossehen volkomen vernielen. Zoo werden in I/S.i op den llartz door den D e n n e 11 s c li e e rd e r gedurende
één zomer anderhalf millioen dennestammen vernield. Vroeg in het voorjaar komt de dennenseheerder uit zijn schuilhoek aan den voet der denneboomen te voorschijn. Halt April begint het wijfje, liefst op gevelde of'omgevallen boomstammen of op afgebroken takken, doch ook op ziekelijke stammen, een gaatje in de schors te boren. Het graaft daarna eene gang van 7 a 8 eM lengte tussehen seliors en hout, de zoogenaamde moedergang, waarin het. voortgravend, aan beide zijden eitjes legt. De kleine larven, die daaruit ontstaan, graven elk eene gang ongeveer loodrecht op de moedergang. Deze larvegangen worden wijder, naarmate de diertjes groeien; zij bereiken dezelfde lengte als de moedergang en zijn aan het eind verbreed. In deze ..wiegquot; heeft de verpopping plaats. In 't laatst van Juli of begin Augustus is het insect volkomen ontwikkeld en boort zich een uitweg door de schors. Dat ziekelijke boomen tengevolge van deze verriehtingen spoedig dood gaan, spreekt van zelf. De grootste schade veroorzaakt evenwel het jonge kevertje; dit vliegt op de eiiulloten der denneboomen, boort zich daarin door tot in het merg, en begint dit nu uit te vreten, wat het afsterven der eindknoppen ten gevolge heelt. De verdorde eindtakken vindt men na een storm soms in ontelbaar aantal op den grond en de boomen zien er als afgeschoren uit. De groei der boomen wordt hierdoor op jammerlijke wijze gestoord. Later in den herfst zoeken de jonge kevers eene schuilplaats aan den voet der boomen onder mos. onder de schors enz. en vreten dan dikwijls nog gangen tot in het hout. waardoor zij menigen boom doen kwijnen.
De meeste schorskevers bepalen zich tot het graven van gangen, hetzij tussehen schors en hout, hetzij alleen in de schors of' alleen in het hout:. Zoo de Letterzetter (lldsiriclnis /niahji'i11)hks) in de sparren en larixen (zie Fig. I'J5| en talrijke andere schorskevers der naaldboomen. In Duitschland worden ,,vang-boomen in de bossehen gelegd, waarop de schorskevers in grooten getale aan-
Ui l (iicrenrijk. K^vltk.
vallt'ii, (im cr huuiu! eitjes in Ic Icgiji'ii. \!óór de verpoppiiijj,' itiiiuts lieeft. wiinleii (le/.c vaiig'liooiiicM (intseliorst en (Ie schors met de liuveti vcrlinind. l)e ^ pcn-spi ntkc vers. (ScoIhIhk rfeslructor) leggen liuitiu! eieren onder de schors van
kwijnende ypeiibodinen. vernienigvuldigen zieli zeer sterk en tasten later ook de gezonde booinen nan. die, omdat de rambiumlaag tiisselien bast en liont ^eiieel wordt weggevreten, spoedig ^â ('ddod worden. Ook op eiken, beuken, osselieti, appel- en perebooinen enz. leven \erseltiliende soorten scltorskevers, die alle even schadelijk kininen worden. Ook fraaie kevers levert deze familie op; zoo de in lirazilië tliuis hoorende I i r i 11 a n t k e v e r (('.urculio imjieridiis), wiens dekscliilden van talrijke rendaclitige kuiltjes en verltevenheden Noorzien zijn en als edel metaal schitteren. Een zeker aantal keversoorten volgt liet liout zelfs in onze woningen en vernielt (inzc nieub(ds en werktuigen, ja. liet dak boven ons boofd en het scltip, waarin wjj varen. EtMie daarvan is de S t jj f k o p-k I e p k e v e r (Aiiohiinn i)rrlitiax), ook wel doodskloppertje genoemd, (inidat bet met de onderkaken een regelmatig tikkend geluid maakt, dat door bjjgeloovigo menschcn als de veorbode van een sterfgeval wordt beschouwd. Zij boren gangen in bet hunt, evenals de larven, wat bet eerst wordt gemerkt aan liet stotiige houtzaagsel ('ti (Ie gaatjes, waaruit dit te voorschijn kwam. Wordt zoo'n klonkevertjc a'evanu'en, dan houdt het zich dood evenals de
Fi(f, t'.'d. lil' ktopki'Vcr, 1
siiuittdrreii en laat /.icb zelfs door verwondingen niet tot beweging brengen, liet Mnsen in k evertje (Anlhrinins mvsetmnn, Fab, l(t Kig, 7) wordt op bloemen, vooral die der schertnbloeinige planton, aangetroffen. De larve richt in tnnseunis. vooral in insectcn-verzamclitig(;n en aan opgezette dieren, groote verwoestingen aan. De Spektor (Uwmcsler hmlnrik», Tab. lO hig, (gt;) knaagt aan vleesch, sp(dlt;, huiden, p(dswerk enz,, evenals zijne larven, die zich in deze voorwerpen verpoppen. Hij overwintert als kever. De Kniptorren hebben de eigenaardigheid, dat zij, zoodra zij op den rug worden neergelegd, met een knakkend geluid kunnen opspringen, om weer op buutte pooten tereebt te komen. Dit geschiedt met behulp van een uitsteeksel onder aan het voorborststuk, dat in eeue groeve past aan het vooreinde van bet middenborststuk. Zjj zjjn smal en slank gebouwd en bezitten zeer tecre, zwakke pooten. De belangrijkste is de Zaad-kniptor {Klater argrJisi, Tab. K) Fig. I.'}), wiens draadvormige larven als rit naalden 1 'i jaren lang de wortels van graaiiplanten, knollen en kool-
KVvhs,
gtnvassen afknn^n, soms ook de ^Taiiiiskmyds uan den grond doorliijton, en aan allerlui culhinrgcwasson guduchtu schado kunnen te weeg hrengen. ja den oogst geheel kunnen doen mislukken. In tro|iiscli Middel-Amerika lt;'ii Mexico leeft een tamelijk groote kever van dit geslacht, del'ueujo (Tah. KJ. I,1ig. 14), die l)croeind is om den sterken litditglans, dien liij in liet donker afgeeft. Indianen vangen hem quot;s avonds door hem met een gloeiend stuk kool te lokken, dat zij aan een stok heen en weer /waaien. De Mexicaansche dames bevestigen hein levend ia liet haar of in tullen zakjes aan de kleeren, om er op hunne avondwandelingen mee te pronken. De larve voedt zich met het merg van suikerriet en wordt dus zeer sehadeljjk, waar de kever in grooten getale optreedt. De in Drazilië voorkomende l'rachtkevers, waarvan er een (/(oyimsOV iiiiiaiihui) r, c iM i ang wordt, en soorten vau het geshu'ht llrdrhidlK* worden evenzoo. in gouddraad gevat, als versieringen gedragen. De witte, vingerdikke en zeer vette larve van een .lavaanselien kever {Loniio snul is), die in het merg van palmen leeft, wordt door de ('liinee/.en als kostbare lekkernij zeer gezocht. Knie zeer merkwaardige rol in de liuislionding der natuur spelen de Doodgravers (jVivo/i/ki/'kn rcsiiillo e. a.). NN'aarseiiijnljjk door den reuk geleid, vinden zij krengen van niuizen, mollen, vogeltjes en dergelijke kleine dieren. Meerdere dezer kevers woelen nu de aarde daaronder weg, zoodat het doode dier dieper en dieper in den grond zinkt tot op â gt;(⢠e,\l diepte, Ligt liet op eene harde plek, dan wordt het niet buitengewone inspanning naar een losser bodem voortgeschoven. Xa volbraehten arbeid leggen zij hareeieren in het krengen laten dit nu aan de uitkoniende larven over, die er zich mee voeden.
\ ier van zulke kevers begroeven eens in 50 dagen mollen, 'i kikvorsclieu, .'i kleine vogels, 'J sprinkhanen, de ingewanden van een viseh en twee stukken rundslever. De zwarte Aaskevers (Silplm') voeden zich met hetzelfde soort voedsel, doch maken ook jacht op inseeten. De Ivrengtorren (llislcr), die in mest en allerlei rottende stoffen leven, sluiten zich hierbij aan. Zjj kunnen bij gevaar kop en pooten onder hunne harde lichaamsbekieeding terugtrekken en doen hierdoor, zoowel als door hun vorm, aan schild padden denken. Hij de Kortsc h i Idke vers (Sliipiiulinns) reiken de dek-sehilden slechts over een deel van het achterlijf, /.ij hebben de gewoonte bij gevaar het achterlijf in de hoogte te houden, evenals de zaudwespen, ofschoon ze
Het (lieminjk. Inscctfii.
niet kiinium stoken; zo vorsproidon daarbij evenwel een sterken reuk. liet meest ontmoet men de Keizerlijke r oof'k o r t sc li i 1 d k e vo i' (.S7«/)/i. carsarcxs, Tali. 10 Kig. H), mot roode jHtohMi on goudgitltt plok kon aan Iiorststuk on achterlijf. Als vervolgers van insecten y.jjn zij en Imane larven nattig voor den landbouw; vele soorten houden zich vooral aan krengen en in vergane plantcnstoifen op. Een der merkwaardigste inlandsche kevers is de Glimworm l l.aniiiiiriis Hoclihirri, Tab. 10 l ig. 15). llij is smal (ni slank gebouwd en onooglijk bruinaehtig gekleurd: het mannetje is van woeke dekschilden voorzien, terwijl het wijfje noch vleugels, noch dekschilden bezit. (Daitsch: .lolmnniskiiler cn .lohanniswiirin-ehen). l it twee vlekken aan de buikzjjde stralen zij in het donker een zacht, blauwachtiir licht uit. dat zii naar willekeur sehijnen te kunnen versterken of
verzwakken. De larve, die ook dezelfde eigenschap bezit, voedt zich voornamelijk met slakken. Hen tweede, hier te laade voorkomende soort (/.. HltCIKlillltln), is iels kleiner. De eenige kever, die tegenwoordig nog medicinale aanwending vindt, is de Spaanse he vlieg (Lijltd vesicalorin. Tab. ld f'ig. IiS), die hij ons zeldzaam ia (lolderlaml wordt aangotrotfon. /.ij voedt zich met bladeren van essehon en ligusterstrniken. la 't oosten van Dnitseldaiul komen ze soms in groot aantal voor en worden zij voor de apothekers verzameld, die er trekpleisters (Spaansche vliegen) van bereiden. Hun sap trekt blaren op do huid en is zeer vergiftig. De volwassen kever is .'i cM lang, met lange dunne sprieten en weeke dekschilden, die gewoonlijk metaal-goadgroen. soms ook koperrood of blauwgroen gekleurd zjjn. De larve zon zich volgens sommigen met engerlingen, volgens anderen, evenals de kever, met plantenwortels voeden. De blauwe Oliekever {\hloi' riolamis. Tab. 10 Fig. I7i wordt vroeg in het voorjaar, langzaam op den grond kruipend, in bossehen a ingetrolfen. Vleugels ontbreken, de dekschilden zijn zoo kort. dat het achterlijf, dat vooral bjj het wijfje sterk gezwollen is, er bijna geheel onder uit komt. I 'it de voetgewrichten scheidt hij bij aanraking eeno gele, olienehlige vloeistof af. die eeno bijtende werking uitoefent, overeenkomend met die van bet sap der Spaansche vlieg, liet wijfje verbergt hnre meer dan 1000 dooiergele eieren in X 10 cM diepe, zelfgegra ven gaten in den grond. De zwarte kleine larven, die na :! weken daaruit te voorschijn kinnen, klimmen op planton en loeren in de bloemen up honigzoekende bijen. Zij hechten zich aan deze vast
Kevers. ooo
en luien zich door hen naiir dm l)jjciisfok in de lir.....leclloii dragen. I )iiar vreten
zij liet bjjenei op, vervellen en krijgen nn eene gt;;clieel andere ueda.inle en eene
weeke huid; zij voeden zieli verder met I.....ig. vervellen nogmaals en verpoppen
zich ten slotte in den lijjenstok. Waarde M ee I f o r i/'lt;â¢/,tiiolilcr) zieh in meel of hrood voorrad en ia menigte oplioudt. kan hij aanzienljjke schade te wee^-hrengen. van den anderen kant wordt juist deze kever dikwijls door vu^elliel-hehhers gefokt, om met diens larven, de hekende gele m e e I wo r m e ?i. de insecten-etende zangvogels in de kooien te voeden. De liok torren ((ïfniHilii/.r) danken hun naam aan hunne lange, als liokkehorens naar achteren geki'oinde sprieten, /ij voeden zich met uitvloeiende plantensappen en zijn dikwijls met metaal-glanzende ot honte kleuren versierd. De larven ontwikkelen zich in het hout, meest van ziekeljjke hoornen, en vreten daarin gangen, die met zaagmeel gevuld zijn: daarin heeft ook de verpopping plaats. Hen der schoonste onder de inlandsche kevers is de Muskushoktor (Cdliicliroinn 'iiiouhiitiiiii, Tah. ju Fin.. '20), die met prachtigen, goudgroenen koper^lans schittert en
staftUilauwe sprieten bezit. Zijn naam is .......... aan den sterken mnskusreuk.
dien iijj verspreidt. Zeer algemeen is de I)e nnen ho k to r [AxliiiKDnn* (irdilis). wiens sprieten :i r. maal zoo lang zijn als zjjn lichaam. Hij houdt zich bijna uitsluitend op in bjjna afgestorven demiestannnen en is dus niet schadelijk. Algemeen bemind zijn de H i c v e n h e e r s b e e s t j e s {Coo incUa sr^lm^uiuchtUi, Tab. Il) Hig, '2;!). Hunne larven zjjn de ijverigste vervolgers der bladluizen, die ze met luie doorboorde kaken aanvatten en uitzuigen. De kevers overwinteren en voeden zich eveneens met bladluizen. \ roeger werden ze als middel tegen kiespijn aangewend.
VliesvlengeliiiTii.
De orde der vliesvleugelige insecten bevat ongeveer evenveel soorten als die der kevers. De meeste hebben een slank lichaam, waarvan de drie hoofdafdee-lingen gewoonhjk door steelvonnige leden aim elkander verbonden zijn. De beide achterste borstringen dragen twee paar vliezige vleugels. Slechts in enkele gevallen zijn deze gekleurd, steeds evenwel met talrjjke aderen of buizen doortrokken, waardoor zij in vele velden zijn verdeeld. De dierkundigen geven aan al deze velden een bijzonderen naam en bepnlen er de soorten naar. De beide samengestelde oogen nemen het grootste deel van den kop in ; op de kruin hebben bijna alle nog 'b in een driehoek geplaatste, enkelvoudige oogen. De monddeelen gelijken bij vele op die der kevers; bij eenige nemen zij evenwel een gewijzigden vorm aan, waardoor zjj geschikt worden om er vlnoistolfen mee op te nemen. Talrijke
llt; l ilion-iiriik. Insect»'!!.
soorten hi'zitlcu eonc legljoor om er de oioren inco te loggen in liet imvendige van dieren en plnnten ; andere bezitten een nngel nis wapen. Zij doorloopen eene vol-ledigc gt'daaiih'verwisseling bnitcn het water, inet weinige in lijjzondcrc, zecü' kunstig gebouwde cellen. De larven zjjn liij de meeste pootlooze maden, hij andere gelijken zij. wat tie ponten betreft, op de rupsen der vlinders. Zij bezitten behalve boven- en onderkaken nog spin werktuigen aan den mond, met behulp waarvan zij een omhulsel (cocon) vervaardigen, om er zich in te verpoppen. .Naar het al of' niet voorhanden zijn van eene legbour verdeelt men de vliesvleu-geligcn in twee groi^en : de Le glio o r d i'ag(! n de n en d(\ A n ge I d ra gen d e n.
De IMad wespen zijn insecten, die het uiterlijk eener gewone vlieg vertoonen; tamelijk trage schepsels, langzaam in al hunne bewegingen. De wijfjes bezitten eene kunstig ingerichte legboor met twee scherpe zaagbladen, die zij uit eene splcet-vormiu'e opening aan het achterlijf kunnen doen uittreden. Met deze zaag maakt de wesp met moeite eene insnijding in de schors van een tak tot in het spint en legt
daarin een eitje, dat zij met een kleverig schuim bedekt en vastlijmt. Om (1 zulke insnijdingen te maken, heeft ze '10 uren lang Hink te werken. Hare l(i ÃO eieren te plaatsen kost haardusnict geringe inspanning. De daaruit te voorschijn tredende larven voeden zich met de bladeren der gewassen, waarop zij zich bevinden. In verband hiermede zijn zij meestal bruin of groenachtig gekleurd. Door het bezit van ;gt; paar horstpooten en talrijke buikpooten geljjken zij op rupsen, doch het aantal pooten is in den regel veel grooter dan hij deze; meestal hebben ze er I I paar. Ook bezitten zij slechts 'J oogen; men noemt ze ba staa rd r u pse n. Deze kunnen, waar ze in grooten getale voorkomen, zeer schadelijk worden voor de planten, waarop ze leven: zoo bijv. die der Dennen-bladwespen (/.o/i/ii/cks /i/m). die de dennenaalden afknagen, die der Deren-spinsel b 1 ad w e s pe n {l'H'la /'//rM, die een spinsel maken om de bladen, waarmee zij zich voeden, en zich op den grond neerlaten om daarin, door een cocon omgeven, te overwinteren; die der 1* r u im e n b 1 a d w espen (Srlaiidria fideicorui»), welke ziidi voeden met de kern der jonge pruimen en oorzaak zijn. dat deze onrijp afvallen, en vele andere soorten.
De Goud wespen heeft men de kolibri's onder de vliesvleugeligen genoemd, niet slechts om hare geringe grootte en verbazende vlugheid, maar vooral ook om hare kleurenpracht. De meeste er van schitteren ia goudglans of in metaal-glanzend rood. groen en blauw, lijj de Uewone goud wesp {('Jn'ijm hjnHa. Tab. 12 Fig. 1) schitteren borststuk en kop in 't schoonste groen, het achterlijf
OQ/i
\
Vlicsvloup'ligron.
is ills voi'guld. Men treft haar en andere soorten op xoiinige plekken op hloeinen en kruiden aan. Ilaro eieren leggen de wijfjes gaarne in de nesten van andere insecten, wier larven of spjjsvoorraden de goudwe.splarxcn dan opvreten. Om deze reden worden ze ook wel koekoeksvliegen genoemd.
De Galwespen zijn allo zeer klein en daarliij niet levendig gekleurd. Met liare legboor boren zij in verscliillende plantendeelen en leggen in de gemaakte insnijding een of meer eitjes, die een eigenaardigen invloed op het plantendeel uitoefenen, waardoor sterke opzwelling-en of' uitwassen ontstaan (gallen). Hierin ontwikkelt zich de larve en heeft meestal ook de verpopping plaats. Het volkomen insect baant zich een weg naar huiten. De Gewone eikenhlad-wesp (Cinips infcrns) doet op de onderzijde der eikenhladeren de kersgroote gallen ontstaan, galappels genaamd, die zoo rijk zijn aan looistof'. Die. welke door de Ijevantsclio eikenhlad wesp ipicreus lincioviac^ worden voortgebracht, worden voor het zwartverven. de hereirling van inkt en om te looien gebruikt. Eene andere soort 0 iirlioli) brengt kleine gallen voort aan de bladstelen, eene derde ('.. (pirrru* hdccnrum) aan de hloeinstelen, eene vierde ((â . rnilicii*) aan iiloot liggende wortels. Ken groot aantal andere planten herhergen cvenzoo hare eigenaardige galwespen. Zoo ontstaan door de K oze n ga I w e sp e n (T,'. raxin'. lalgt;. I'J F'ig. 2) aan rozenstruiken de groote, vezelige als niet mos begroeide! uitwassen (slaapappels of hedeguars), waarin meerdere larven zich ontwikkelen en overwinteren. Merkwaardig is de ontdekking, dat uit de gallen van vele galwespen andere galwespen ontstaan, die niet op het moederdier gelijken en alle van het vrouwelijke geslacht zijn. Doze veroorzaken door hef leggen van eieren op andere plaatsen ook geheel andere gallen, totdat op het eind van den zomer de gallen ontstaan, waaruit zich de oorspronheljjke mannetjes en wijfjes weer ontwikkelen. Men noemt deze vreemde wijze van voortplanting heterogenie.
De Sluipwespen zijn meest even klein als de vorige, leggen evenwel hare eieren in de lichamen van andere dieren, voornameljjk insectenlarven, doch ook in eieren en in poppon van insecten. Overal, vooral aan planten, zoeken zjj hare slachtoffers op en leggen daarin zooveel eitjes als er larven mee gevoed kunnen worden. De Ivoo Irups-slu ipwesp (MicrogaKtcr ijlomeralint) richt onder de zoo schadelijke koolrnpsen groote verwoestingen aan. Wanneer de rupsenplaag steeds groote re afmetingen dreigt aan te nemen, vermeerderen de kleine sluip-wespjes zoo sterk, dat weldra haast goene enkele rups meer onaangestoken hlijf't. liet shiipwespwjjfje legt talrijke eitjes in ééne rups; de larven, die daaruit voortkomen, voeden zich ten koste van hare âhospesquot; en vóór dat deze tot verpopping kan overgaan, boren zij zich naar hniten en omhullen zich in de nabijheid van de overblijfsels der rups met een geel coconnet je. Zoo eindigt eene rupsenplaag dikwjjls nog sneller, dan zij zich ontwikkelde. Wat hier van de koolrupsen is
Waosku's Nutuui-lijko Historie. ] r.
Imrh(sndus), dat ze hare geheele ontwikkeling volbrengt in een eitje van den I! i n gi^ 1 r u p s v 1 i n d (! r (Giixlropaohu immlria).
!n de twoedo afdeeling der Vliesvleugeligen vereenigt men alle geslachten, wiel' wijljes met een angel gewapend zijn. Deze staat meestal in verbinding met een blaasje, dat eene vergiftige stel' bevat en waaruit bij liet steken een weinig vergift in de wonde vloeit, en is overigens zeer verscliillond van maaksel. Wanneer de (i raafw espen daarmee rupsen, spinnen, vliegen en andere insecten steken, gesehiedt dit niet om ze te dooden, doeh dan is het doel ze te verlammen en te vordooven, waardoor zoowel hunne vlucht als hunne spoedige ontbinding tegengegaan wordt. Ze graven kleine holen in zacht, vermolmd hout, in leem-Wiinden lt;gt;l' zandhellingeii, waarin zij de verlamde prooi stoppen, leggen tiu hare eieren daaraan en sluiten daarna den ingang met geschikt materiaal, h.v. stukjes hout, steentjes enz. De larven voeden zich met de zoo tot hare beschikking gestelde dieren. Zoo boort de Zeefwesp (C.rahro crihnriii*), die zwart en geel geteekend is, gangen in vermolmd hout; de Zand wesp Tab. 1'2 Fig, It)
(^n verwante soorten vervaardigen hare holen op zandige hellingen en wegen, liefst op zonnige, droge plaatsen en kiezen meestal rupsen tot prooi, waardoor zij zich nuttig maken,
Rene merkwaardige familie is die der Mieren, die vooral belang inboezemt door de gezellige levenswijze en de gemeenschappeljjke werkzaamheden dezer dieren, waarbij de verdeeling van den arbeid, die in do menseheiyko maatschappij zulke grootsche resultaten oplevert, reeds in sterke mate bestaat. Reeds in ons
Hot (lioronrijk Insocten.
meegedeeld geldt ook voor andere rupsensoorton, dio alle oene bijzondere sluipwesp als hare aartsvijandin vreezen. Eeue de/.or sluipwespen is zoo klein (/c/i»iei(»)io)/
Vliesvleusfelisren.
liind alleen komen een groot anntal soortcüi voor, die in liarc Uncnswjjze vcol van elkandei' verschillen. Steeds leven de mieren in groete stnlcn liijeen. waarin men iiiiiimetjes, wjifjes en geslneliteloiize dieren (inderseheidt. He man net jes en wijfjes zijn slanker gebouwd, liebhen grooterc oogen en kortere [ledteu dan de gosla-chteloozen en be/.itten omniddellijk na de verpopja'ng (in Augustus) vleugels. Zij verlieffen zich daarmee slechts eenmaal in de lucht, om hare hruilol'tsvlucht te houden. Terwijl de mannetjes achterblijven en omkomen, koeren de wijfjes spoedig weer op den grond terug, ontdoen zich omniddelljjk van hare vleugels, waarin ze dikwjjls door de geslachtelooze werkmieren geholpen worden. Nu worden zij door deze naar het nest gevoerd, waar zjj dadelijk beginnen met het leggen van eieren. Zij gaan hiermee voort tot het koud wordt, worden dan door de werkmieren meedoogenloos uit het nest gejaagd en komen om. De goslaclite-loozo mieren brengen den winter slapende door; het zijn eigenlijk onvolkomen ontwikkelde wijfjes, die steeds ongevleugeld zijn. lïij sommige soorten komen zij in twee soorten voor, waarvan do sterkste en krjjgshaftigste soldaten, de andere werk miereu genoemd worden. De eerste zijn van krachtige kaken voorzien, waarmee zij ook den gevonden buit in stukken verdoelen, terwijl de zwakker gebouwde werkmieren hem naar huis dragen, om als voedsel voor de larven te dienen. Wijfjes, werkmieren en soldaten bezitten eene giftklier : sommige geslachten hebben een angel, die daarmee in verbinding staat, andere daarentegen missen den angel, doch spuiten haar vergift uit bet achterlijf in de wonden, die ze met de kaken hebben gemaakt. Uitwasschen der wonden met ammoniak is het beste tegemniddel; voor kleinere dieren is het vergift doodelijk. De woningen der mieren vertoonen groote verscheidenheid. De kleine bruine Weide mier (Formim nii's-liilum) richt op graszoden lage, half bolvormige hoopen op uit aard deeltjes, die zjj met voeht aan elkander kleeft. De (iele mier (/â¢'. /Inra) gebrnikt houtsplinters, aarde en spinneweefsel ter vervaardiging barer gangen iu het weiland. De Roode bosehmier (/â¢'. ri(fii) maakt zeer groote nnerenhoopen in bet bosch. nit denne-
Il»*t dierenrijk. Insccton.
luuildon, houtHplintei'8, stukjes schors, steentjes enz. samengesteld. Uitwendig sden ze er zeer onregelmatig uit, inwendig zijn ze een toonbeeld van zindeljjklieid en netiieid en bevatten zjj tal van gangen en grootere kamers in verschillende verdiepingen. De Roode tuinmier [Mijrmicn ruhni) verbergt hare woningen onder muren en steenen; de Bruine mier {Fonnica fusca) kiest leem en klei als bouwmateriaal en de Zwarte mier (F. fulhfinos») knaagt horizontale gangen, kamers en verbindingswegen uit in oude eiken- en wilgen-stanunen enz. In tropische gewesten zijn soorten, die holle hoornen als woonplaatsen kiezen of die hare op bijenstokken gelijkende, groote nesten aan de boomtakken ophangen, liet bouwen der woningen, bet opkweoken der larven, de verzorging van de eieren en poppen, het verschatten van voedsel, dit alles is de taak der werkmieren. Er zijn mierensoorten, wier geslachtslooze vormen ongeschikt zijn om al deze werkzaamheden te volbrengen, (b.v. bij l'ohjwjm ntfeseens en Fnnnica mmtjui-nea); deze berooven andere mierenstaten van hunne larven en poppen (vooral die van /â¢'. etmicularia en fusca') en laten de zicli daaruit ontwikkelende miei'en, als slaven, de noodige werkzaamheden in haar nest verriehten. De larven zijn maden met onvolkomen mond werktuigen; het voedsel, vooral bestaande uit tijngekauwd vleesch, wordt haar door de werk mieren in den mond gestopt. De poppen zitten al of niet in een cocon; wanneer deze aanwezig is, wordt de pop gewoonlijk mierenei genoemd. De poppen worden bij droog, zonnig weer naar buiten gebracht; zoodra het kond of nat wordt, dragen de arbeidsters ze weer in het nest. Ze worden veel verzameld, om als voedsel voor insecten-etende vogels en goudvischjes te dienen. Het voedsel der mieren bestaat zoowel uit plantaardige als dierlijke stoften; zoete vochten en vruchten, allerlei insecten, die ze met haar vergift dooden, het vleesch van krengen zijn haar gewoon voedsel: het zijn echte alles-eters. Bij het veroveren van den buit, het vervoer daarvan naar het nest en bij den strijd tegen vijanden ondersteunen zjj elkander; zij sehijiien elkander met behulp der sprieten mededeelingen te kunnen doen. Wintervoorraden worden niet verzameld. Merkwaardig is de verhouding der mieren tot tal van insecten, die zjj in hare nesten dulden, b.v. de larven van den gouden tor (zie bl. til i) en van andere kevers, en deze is nog niet voldoende opgehelderd. Het best kent men die tot de bladluizen. Zij houden n.1. zeer voel van bet zoete vocht, dat deze uit twee buisjes op het achterlijf uitscheiden. Overal, waar de bladluizen in groeten getale zich ophouden, vindt men tal van mieren, die ze met de sprieten over den rug stroelen, om haar tot uitscheiding van een druppel vocht te bewegen, die dadelijk door de mier wordt opgeslurpt. In de nesten van onze gele mier en van andere soorten worden bladluizen gevonden, die op graswortels leven. Do miereu behandelen deze dieren met de meeste vriendschap, ontblooten de wortels der planten ten hare behoeve en brengen zo van het eene nest naar het andere, om van hare
Vlicsvlougreligen.
zoete (ifsclieidiiifquot;' te kimncn genieten: ze zijn a. li. \v. tl(! inelkkoeieu der mieren. In (ie tropiselie gewesten (reden verseliillende miereiusoorten zoo selmdelijk tegenover den nienseli O]), dut l).v. in N\ est-Iiulië oj) meerdere [iliiatsen de cultuur vun suikerriet moest worden opgegeven. Renige, zooals de in Mexico ..soldatenquot; genoemde soort {formica cepliahile*), trekken in scharen van soms iOOOOO stuks voort en roeien al het in de huizen levend ongedierte uit. In West-At'rika onderneemt de Trek mier {Ammmn arcem) dergeljjke rooftochten en zuivert in korten tijd do huizon van ratten, muizen, hagedissen, kakkerlakken en dergelijke dieren, waarbij zij evenwel ook den niensch tijdelijk op de vluelif drjjt't. Zij doorknagen soms inwendig het hout der woningen en brengen deze tot een spoedig verval. Van onze mieren is de roode bosehmier bepaald nuttig, daar alle boomen in den omtrek van haar nest volkomen zuiver gehouden worden van insecten. Ook de kleinere mieren op het veld en in do tuinen maken zich op deze wijze nuttig. In onze huizen kunnen ze soms zeer lastig worden.
De Wespen hebben een slank, bijna niet behaard, geel en zwart geteekend lichaam en leven meestal gezellig. In dit geval vindt men onder haar weer
mannetjes, wijfjes en geslaehtelooze dieren, welke laatste kleiner zijn dan de andere, doch die alle gevleugeld zijn. Alleen enkele wijfjes overwinteren hier te lande; deze beginnen in het voorjaar cellen te bouwen voor hare eieren en larven, en gebruiken daartoe fijngeknaagd hout, plantenvezels, vooral gaarne de schors van esschen, welke stoffen zij met speeksel vermengen en tot oene papierachtige massa verwerken. De larven worden niet zoete vruchten, gekauwde insecten en stukjes vleesch gevoed, en zijn reeds na hi dagen volwassen. Dan sluit de larve
Hot dierenrijk. Insoctoii.
2:H)
de opening liarer cel mot oon spinsel on spint zich eon cocon, 1'it deze cocons komen werksters (niet volkomen «nhvikkolde wijfjes) te voorseliijn, die onnikldeilijk hare moeder in don bouw van nieuwe cellen en in de verpleging- van het tweede en derde broedsel ondersten non. liet nest wordt daardoor steeds grooter en bestaat ten laatste uit meerdere lagen van cellen, die alle hare opening aan do onderzijde hebben, regelmatig zeshoekig van vorm zijn en dicht tegen elkander sluiten. De verschillende lagen, raten, zjjn door korte zuiltjes met elkander verbonden. Soms is het nest onbeschut aan den tak van oon boom opgehangen, meestal is het in een hollen boom ot' in den grond aangelegd of wel liet is beschut door een omhulsel van meerdere bladen van dezelfde stof, waaruit de cellen gebouwd zjjn. met oen vlieggat aan de onderzijde. Bij de Paarde wesp of Hoornaar (Vesjm crahro), de grootste en meest gevreesde onzer inlandsche wespen, wordt het nest s/j, M breed en ziet er aan den buitenkant uit, als ware het uit gemalen houtzaagsel samengesteld, liet bestaat uit afwisselend stroogeel en bruin gekleurde lagen. Do mannetjes zorgen voornamelijk voor liet schoonhouden van het nest. liet aantal bewoners kan tot KlOUd klinnnen. In October heeft plotseling eene groote verandering plaats in bun zorgzaam en njjver bestaan. Do nog niet volwassen larven worden uit de cellen gesleurd en dood gestoken, de geheelo staat lost zich op en weldra blijft er niets van over als een twee- of drietal der krachtigste wijfjes,
die zich in het binnenste van het nest verbergen. De Oe-wone wesp (Vespa vulgaris) bouwt haar nest inden grond. Andere soorten (V. media, 1'. sylvcslriii) hangen het nest op aan een tak. De wespenste-ken zijn zeer pjjnljjk. Meestul blijft de angel, die van weer-haakjes voorzien is, in de wonde zitten, wat den dood van liet dier ten gevolge heeft. Men doet het best den angel zeer voorzichtig uit de wonde
te trekken en deze met am-
moniak uit t e wasschen of met
koude omslagen te behandelen. De wespen vallen niet zelden bijen aan, om den honig te roeven, dien zij meevoeren en zijn dus voor de bjjenhouders schadelijk. Ook kunnen zij veel schade doen door het afknagen der schors van boonion en door het knagen aan zoete vruchten. Merkwaardig is de voortplanting der
Vlifsvlüuirolitfon.
Fran st'h'! W esp (I'olhtes ijalliva). Haar nest bestaat uit ot'tn1 i'iikoli'. onbeschutte raat, die aan eene plank of een muur bevestigd is. Het is aangelegd door een van de wjjtj'es, die overwinterd liebbon. De eerste, door bet wjiljc alleen groot-gebraebte larven ontwik kelen zicb tot kleine wijljes (geenc wci'ksters). Dc/e leggen, boewei er nog geene mannetjes bestaan, weer cities, l it de eerste dezer eitjes ontwikkelen zieb de mannetjes en eerst uit de volgende worden weer grootere wijfjes geboren.
Het voor den menscb meest belangrijke dier onder de vliesvlcugeligi' insecten, is zonder twijfel de Honigbij nuililicAi)), die door bein in tie bijenkorven
wordt geteeld. Deze hjjen vormen groote staten, waarin de vei'deeling van den arbeid zeer ver is voortgezet en die soms (iO.OOO individnen bevatten Daaronder bevindt zicb één goed ontwikkeld, eierleggend wijfje, de koningin, eenige honderden mannetjes, de darren, en verder verscheidene duizenden onvolkomen wijfjes, de werkbjjen. De koningin en de werkbijen bezitten een angel, die bij de darren ontbreekt. De angel is door eene barde scbeedc oingcven, waaruit bij bjj bet gebruik te voorschijn treedt. Hij bestaat uit een gootje, dat in verbinding staat met eene giftblaas en over wiens verdikte randen twee van weerbaakjes voorziene stekels kunnen bewogen worden. Deze stekels maken de wonden, waarin door het gootje een druppeltje vergift vloeit. Voor kleinere dieren is de wonde doodelijk; steekt de bjj grootere dieren of den menscb, dan blijft de angel liebt in de wonde zitten en de bjj zelf wordt het slachtoffer van haar wapeu. De koningin is grooter dan de werkbjjen; zij bezit een slank achterlijf en mist den toestel voor het verzamelen van stuifmeel.
dien de werkbjjen aan de achterpooten bezitten. De darren zijn plomper, ruwer behaard, hebben grootere oogen en missen eveneens dezen toestel. Deze bestaat bjj de werkbijen uit een borsteltje aan het eerste zeer groote voetlid, waarmee zij het stuifmeel verzamelen en het zoogenaamde korfje aan den scheen, waarin zjj het meevoeren.
De monddeelen zijn voornamelijk ingericht om honigsap uit de bloemen op te likken, doch zij bezitten ook kleine zwakke bjjtwerktuigen ( bovenkaken). Het dunne honigsap,
dat de werkbijen oplikken, komt vooreerst in den krop of houigmaag, die sterk gespierd is. Daarin wordt bet omgezet in honig, die door samentrekking der maagwanden door do bjj kan worden uitgespuwd, om dadelijk als voedsel voor andere bijen of larven gebruikt of als wintervoorraad bewaard te worden. Ken gedeelte wordt in do lebniaag verteerd, terwijl de bijen zicb in den korf in groote getale aan de achterpooten ophangen
Ilol dioroiirijk. Insoiton.
en daarbij vormt zich (laaruif dan tevens liet was, dat /.ij tusselien do ringen aan de onderzijde van liet achtcrliif in dunne plaatjes uitscheiden. Deze plaatjes worden met du aohterpooteu opgenomen, in den mond gebracht, daar gekauwd en met speeksel vermengd, en nu opgestapeld, om door andere werkbijen gebruikt te worden voor liet opbouwen der cellen. Deze cellen zjjn tot afhangende raten vereen igd; elke raat bestaat uit twee lagen cellen, wier openingen zich aan weerszijden bevinden. Zij zijn (i-hoekig van vorm en sluiten met het door li vlakjes gesloten einde tegen elkander. Aan de randen der raten bevinden zich nog onregelmatige, peervormige cellen met dikke wanden, die veel ruimer zijn en uitsluitend dienen als kweekplaats voor de koninginnen. De andere cellen dienen om er de werkbijen en de darren in op te voeden en als bewaarplaatsen
voor honig en bijenbrood. Dit laatste is een mengsel van stuifmeel en honig, lt;lat als voedsel voordo larven dient. De werkbijen en de koningin overwinteren in den korf, die goed gesloten is. en voeden zich in dien tijd met den honig, die als wintervoorraad verzameld is. Zoodra het warm wordt, komt er leven in den staat. Tal van werkbijen vliegen uit om honigsap te verzamelen, andere! maken den korf schoon en de koningin begint eieren te leggen, |()() tot 1000 stuks per dag. In elke cel wordt één ei gelegd. Aanvankelijk ontwik kelen zich daaruit slechts werkbijen. Na drie dagen komt de kleine, wormvormige made uit, zij ,n. m igt; i ii . i wordt door werkbijen gevoed met
1«iff. 185. mjencnlcn. Hoven (larrcncvllcn mot een dar. â¢' quot;
In 'tmldilon werkbijccllcn met wcrklgt;iji-ii. liciiiMlen ccnc lillimlnvuul .l.if vn.inirmn.liil/ nif koningin met twee kunin^rnnocclion (rechts i n iinks). !) quot;1)100(1, (lat VÃOIIianu lIJK lilt
stuifmeel bestaat, en is na 5 dagen volwassen. De werkbjj sluit nu de cel met eene wasplaat dicht, de larve spint zich een zjjdeaehtig onilmlsel en na l'i dagen breekt de volwassen werkbij zich een weg door het deksel, om onmiddellijk hare taak te aanvaarden. Later worden in iets grootere cellen de darreneieren gelegd, waaruit zich darren ontwikkelen, die daarvoor in 't geheel 24 dagen noodig hebben. Eindelijk worden eieren in de konitiginueiieellen gelegd, waaruit larven komen, die honingrjjk voedsel krijgen en dientengevolge ook slechts 10 dagen behoeven om de gedaanteverwisseling te
VliosvloHgeligen.
volbrengen. Is de eerste koimi^in op liet punt uit hare eei Ie treden, d, /ij een eigenaardiy geluid liooren. De geheele slaat komt daardoor in rep en roer. en weldra verlaat de oude koningin den kort', vergezeld van eenige duizenden werklnjjen, die spoedig in den vorm van een langwerpigen klomp aan een tak gaan hangen. Zoo is de eerste âzwerm gevormd, die door den bijenhouder in een ledigen korf' wordt opgevangen en die nu een nieuwen staat vormt. De jonge koningin, die spoedig daarop uittreedt, zil nu alle andere koninginneidarven of poppen in hare eellen met haren angel dooden, zoo /ij daarin niet verhinderd wordt door de werkbijen. Dir geschiedt alleen dan, wanneer het aantal hijen in den korf nog al te groot is. In dit geval moet zij. zoodra eetie tweede koningin op het punt staat te verschijnen, weer vergezeld van een aantal werkbijen, den korf verlaten â dit; is dan een ,,jufferzwermquot;. De jonge koningin, wier eerste werk het was alle nog aanwezige koiniiginnelarven of poppen te dooden, vliegt vervolgens uit den kort, omstuwd door de darren. Na deze liruilof'tsvlucht keert zij in den kort terug en begint nu. evenals de vorige koningin, eieren te leggen, waarbij zij steeds door een hofstoet van werkbijen vergezeld is, die haar ook rjjkeljjk van honig voorzien. Kene koningin zou in een jaar lOOOnO eieren kunnen leggen en zou 5 jaren oud kunnen worden. Later in den zomer ontstaat dikwijls op dezelfde wijze nog één zwerm. Kort daarna, in Augustus, worden de darren, die geen werk
iliU
verrichten, doch vee gebruiken, door de werkbijen gedood (diirrenslaclit). Zonder eene koningin kan de staat niet blijven bestaan; zou haar een ongeluk overkomen en zijn er geene koninginne-larven in den korf', dan wordt eene jonge werkbij-larve in eene groo-tere eel gebracht, met kon ingi mie voedsel gevoed en dan ontwikkelt zich daaruit eene nieuwe koningin, Elke bijenstaat vormt een volkomen afgesloten geheel: geene bijen, tot een anderen stok be-hoorend, worden daarin
Hit dici'onrijk. Inseitoii.
toegelaten, liet vlieggat wordt steeds streng liewaakt, vooral ook om te zorgen, dat geene vreemde indringers, die soms op honig belust: zijn. toegang vinden. In een bijenstok vindt men soms na een gunstigen zomer een zestal raten, die 15 Klt;i wegen, namelijk cirea 4'/2 KCI was en de rest honig. Tegenwoordig wordt hier veelal de zeer zachtanrdige en vlijtige Itiiliaansehe iiij gekweekt. In Amerika werden angellooze bijen gehouden, tot men er de onze invoerde. Azië en Afrika zijn rijk aan soorten, die in 't w ild leven en waarvan honig en was verzameld worden. Do Hommels komen, wat haar kort, gezellig leven betreft, in vele opzichteu overeen met de wespen. Van de (fewone aard hommels (Itonihus lenvslris) overwinteren sleehts weinige grootc wjjfjes in een zelfgegraven hol in den grond. Elk dezer legt don grondslag voor een staat. Zij legt in een hol in den grond een aantal eieren en stapelt naast de uitkomende larven eene liDeveelheid stuifmeel op, waarin door de larven holton worden uitgevreten, die op rondaebtige cellen gelijken. /00 worden een aantal werkhommels groot gebratdit en met do hulp van dezt! eene tweede generatie van werkhommels, mannetjes en tweeërlei wijfjes, groote en kleine. Uit de eieren van de kleine ontstaan slechts mannetjes. In den herfst sterft de geheele staat uit. op enkele wjjfjes na. De op eene hommel gelijkende, blauwvleugelige II out hij (.Vi/'ofo/»' riolneaa), knaagt «erst in verrnohnd hout eene meerdere centimeters diepe gang, verdeelt deze door tusselienwanden van houtsplinters in cellen en legt in elke cel een ei en een bal van stuifmeel. De llozenbjj {Mcjjacliite cenliiiicularis) bekleedt eene dergelijke gang met cirkelvormig uitgesneden stukjes rozen- of esschenbladeren en vervaardigt ook de tusschonwanden der cellen uit dezelfde stnf. De l'a rasiethom mels {l'xilhjinia) leggen hare eieren in de nesten van andere hommels, die de daaruit komende larven als hunne eigene opkweeken. Kr komen slechts mannetjes en wijfjes voor.
Viindors.
Onder alle insecten trokken de vlinders het meest de aandacht door luuino kleurenpracht. In hun lichaamsvorm en hunne levenswjj/.e komen zij veel niet elkander overeen. '/,'[] hezitten '1 vleugels (enkele zijn vleugelloos), die vliezig en geaderd, doch aan beide zijden met zeer kleine schubjes, fijn als stof, liedekt zijn. Deze schubjes zijn met een klein steeltje bevestigd in kleine indeukingcii der vleugels en bedekken elkander gedeeltelijk, ongeveer als de pannen van een dak; zij vallen licht uit. Hun vorm is zeer verschillend, aan den voornmd zijn ze meestal ingesneden, hunne oppervlakte is met overlangsche en dwarse strepen geteekend. Aan deze schubjes danken de vleugels kleur en teekening. De mond-werktuigen zijn bij de vlinders ingericht tot het opzuigen van honigsap uit
i
Vlinders.
bloemen en bestaan uit co no lange buis, die in rust spiraalsgewjizo wordt opgcroltl. iiij sunnuigo zijn ze weinig- of niet ontwikkeld; in I laatste geval gebruikt de vlinder geen voedsel. Uelmlve de samengestelde oogen bezitten zij ook twee
enkelvoudige oogjes, die evenwel (inder de beharing weinig in 'f oog vallen. Do gedaanteverwisseling- is volledig. De larven zijn de bekende rupsen, met Injtemb-moiulwerktuigen, een spintoestel aan de onderlip, zes paai-oogen en kleine sprietjes. Zjj bezitten 3 paar gelede borstpouten en nog H paar vleezige bnikpooti'ii. waarvaa liet laatste paar. dat nooit ontbreekt, de naselmivers lieeien. Hij de landmeters ot' spanrnpsen komt, behalve de naselmivers, nog slechts één paar bnikpooten voor. Over het algemeen zijn de rnpsen zeer vraatzuehtig. De ]ioppen zjjn ingehnld. Men kent omstreeks ÃOOOOO verschillende soorten van vlinders, die wij in ii hoofdgroopeii verdoelen.
De Dagvlinders omvatten meer dan 5000 soorten. Wanneer zjj rustig zitten worden de vleugels naar boven samengeslagen; hnn lichaam is dim en slank : zij bezitten draadvormige, aan don top verdikte sprieten. Een der schoonste iulandscbc dagvlinders is de Xonimervlinder (Wmrsaa MnlmiUi, Tab. II Fig. I a b c). Men ontmoet hem den heelon zomer door, het meest togen het eind. liet wijfje, dat in kleur niet van bot mannetje verschilt, hecht de kleine eitjes aan de onderzijde van brandnotclbladen. Na «S dagen komen de rupsen te voorschijn en vreten zoo onvermoeid door, dat zij na 14 dagen reeds volwassen zijn. Zij zijn geelachtig, vleeschklenrig lirnin of zwartachtig gekleurd en met gele, vertakte, dooniachtigc haartjes bezet. Zij leven eenzelvig en houden zich altijd tusschen samengesponnen bladeren verborgen. I!jj liet verpoppen hangen ze zich met enkele zjjden draden aan het achtereind op. De pop is hoekig en vertoont goudglanzende vlekjes. Na 14 dagen komt de vlinder er uit te voorschijn. De pophnid barst aan bot kopeiude open en door de spleet baant de vlinder zich een uitweg. Daarbij scheidt hij eenige druppeltjes van een rood vocht uit,
â j:Ci
Hot dierenrijk. Insecten,
wat op plaatsen, waar volo (k'/.cr vlinders uitkwamen, aanleiding gaf tot het .sprookje van oen bloedregen. De vleugels zijn aanvankelijk nog nat, ineengeschrompeld en klein. Door bewegingen met liet achterlijf pompen de vlinders lucht in de aderen of luchtbuizen der vleugels, waardoor deze uitgespannen worden en den behoorlijken vorm verkrjjgen. De volkomen ontwikkelde vlinder vliegt onzeker op en neer gaand. Hij gebruikt slechts honigsap, dat hij met zijne lange rol tong opzuigt. De poolen zijn betrekkelijk zwak. De kop is klein, de samengestelde oogen zijn groot, de beide opvallend groote en behaarde tasters worden opgericht gedragen. Vreemd is het, dat de weekhuidige rups van den noinmervlinder niet door de stekels der brandnetel wordt beschadigd. Tot hetzelfde geslacht behooren andere bontgekleurde âschoenlappersquot; als: de Distelvlinder (l'. curd ui), waarvan do rupsen op brandnetels, distels en l'hloxen voorkomen, de Dag-pauwoog (1'. ./o. Tab. II Fig, kJ), de Koningsmantel (F. .\ntio\)a), zwart met gelen zoom en kleine blauwe vlekken, de Kleine en de Groote aurelia (1. urlictw en V'. /Wi/dWom); de rupsen der laatste soort leven gezellig in een uit weinige draden gesponnen nest in fruit- en andere loofboomen (^n kunnen de toppen der takken kaal vreten. De poppen hangen zich met den kop naar beneden op. De Apahira Iria is merkwaardig, doordien hij van de eene zjjde gezien bruin, van ile andere blauw schijnt. Zjjue vleugelschubjes hebben een prismatiscben vorm en zijn op de verschillende zijden anders gekleurd; hjj houdt zich voornamelijk in de toppen der boomen op. De l'aar 1 cmoe rka pel 1 en (Aiyiimris) vertooncn op de onderzijde der vleugels paarlemoeracbtig spiegedende vlekken. Eene der mooiste is de Keizermantel (.1. I'liphia), wiens vleugels aan de onderzijde groen zijn met purperaehtig glinsterende spiegelstrepini, en aan de bovenzijde bruin met zwarte strepen en vlekken. De Lycaenen {Liicaciia) vertooncn oj) de onderzijde der vleugels talrijke, kleine vlekjes, de bovenzijde is prachtig blauw of goudkleurig; de wijfjes zijn doffer van kleur. Zij behooren tot de kleinste onzer dagvlinders. De K o n i n g i mie p a g es of Zwaluwstaarten {l'iijülio Mdchdon, Tab. II Fig. lia, b) behooren daarentegen tot de grootste. Met de zwaluwstaarten verwant zjjn de in de tropische gewesten \(lorkomi'iide pracditvlinders, waarvan enkele tot '20 cM vleiigidspanning hebben en de heerlijkste metaalkleuren vertooncn. Men heeft ze in do beide groote groepen der Grieksche en Trojaansche ridders verdeeld en hunne soorten naar de personen uit de llomerischo gezangen benoemd. Zoo is bij den op de Molukken en l'hilijtpjjnen levenden Friaiuiis {Orniltioiilerd Primmi*) het mannetje op de bovenvleugcls lluweidachlig zwart gekleurd met smaragdgroenen rand, de onder-vleugels /jju smaragdgroen met zwarten rand en met zwarte en goudgele vlekken-In Zuiil-Ainerika prijkt do groote Meuelaus Menelnus) in prachtig
hemelsblauw, NeoptolemuK (M. NeoiilolemtiK) is van boven azuurblauw met
Vlinders.
praclitigen imstanlglan» en levendige klourspoling. Hector (.1/. Uevtor) licef'r on (loiikej'cn grond een inittblauweii chvarsband. De wijfjes zijn liij vele dezer Ridders geheel afwijkend gekleurd, ja liet geval doet zich voor, dat hij dezelfde vlindersoort 'J of ;i verschillende vormen van wijfjes zonder eenigen overgang aangetroffen worden. Zoo is hij den in Amerika levenden Mem non (/'«/i/Z/o Memiion) de eene vorm der wijfjes nnder.s gekleurd als het mannetje, de tweede vorm daarentegen vertoont dezelfde kleuren, maar bezit aan de achtervleugels lange, spatelvormige aanhangsels. In bergstreken treft men den Apollo (Ihrili* Ajiollo) aan, met geelachtige, halfdoorziditige vleugels; de voorvleugels z.ijn met zwarte, de achtervleugels met witte vlekken met rooden rand geteekend. Wegens zijne groote waakzaamheid is bjj mociljjk te vangen. De meest algemeene en minst beminde onzer dagvlinders /.ijn de Wi tj es (/Vec/V), Het Geaderde witje (/'. (.'/v11(id'jiy lab, II big', i) houdt als rups leelijk genoeg luns in de boomgaarden; zjj spint de zoogenaamde ,,kleine rupsennestenquot; en overwintert daarin om in het volgende voorjaar bjj het verschijnen der eerste bladeren haar verderfelijk werk voort te zetten. Ju Juni verpoppen de rupsen in hetzelfde spinsel, in Juli komen de vlinders voor den dag en leggen onmiddellijk eieren op de bovenzijde der bladeren, waar in Augustus de kleine rupsjes uit komen, die weldra met het spinnen van hunne nesten beginnen, \iet zelden wordt het Groote koolwitje (Pieris Immicae) voor den landman zeer schadeljjk, doordien de gele, zwartgevlekte rupsen van dezen vlinder de bladeren der verscbillende koolsoorten afvreten. Daar deze vlinder door zijne snelle ontwikkeling in gunstige, warme zomers zelfs in generaties kan voorkomen, zijn de rupsen soms in onnocinelijk aantal aanwezig en worden dan eene ware landplaag. Zjj overwinteren als poppen, waarvan er vele omkomen door koude, vogels, sluipwespen en andere vijanden. De eerste generatie van koolwitjes, die zich vroeg in 't voorjaar vertoont, is weinig talrijk; de rupsen daarvan doen ook niet veel kwaad, omdat zij vooral op in 't wild groeiende planten leven, In Juli verschijnt tie tweede generatie en daar een wjjtje een '2(K)-tal eitjes legt aan dt; onderzijde der koolbladeren, kunnen nu de rupsen groote verwoestingen aanrichten. Verschijnt, wat zelden voorkomt, nog eene derde generatie, dan gaan meestal alle te niet, omdat er in den regel geen tijd is voor de verpopping vóór den winter en ze als rups niet kunnen overblijven. Minder algemeen en daarom minder schadeljjk zjju: het Kleine koolwitje (P. rcipea) en het Kleine geaderde witje (/'. /10/»'). De rups der witjes wordt dikwijls door sluipwespen aangestoken en door hare larven uitgeteerd, zoodat, in plaats van eene vlinderpop, een hoopje sluipwespeneocons er uit voortkomt. De Auroravlinder (^Authocluiv'is cuvdumiiiisj Tab. II Pig. 5) is een der schoonste witjes. De witte ondervleugels zijn aan de onderzijde met helder groene boomteekeningou versierd; de punten der bovenvleugels zijn bij het
Het (lieronri)lc. Insectou.
maniu#' mooi oranjekleuri}? met zwart uiteinde. Ni(4zol(li'n treft men in den herfst op weilanden liet Dam bord {Malamijmt Cnlulhea) imn, met witachtige vleugels en talrijke hoekige, zwarte vlekken. Een zeer mooie dagvlinder is ook deOitroen-vlinder {Coiias Rhamni), die helder geel gekleurd is, met eene oranjevlek op eiken vleugel.
A vond vlinders, wier vliegtijd in den regel in de avond- en morgen-sehemering valt, zijn in minder talrijke soorten voorhanden dan de dag- en de nachtvlinders, limine sprieten nemen naar de punt geleidelijk in dikte at. I)ij het stil zitten bedekken de lange, smalle vleugels het lichaam dakvormig. liet zijn meest krachtig gebouwde vlinders van aanzienlijke grootte, die in snelle vlucht snorrend vooruitscliieten, en met hunne lange roltong in zwevende houding honig uit de bloemen zuigen. Hunne kleuren zijn wel minder schel en bont, doch de teekeningen zijn meest zacht en aangenaam. De rupsen zijn zeer groot en dik, draquot;vn meest aan het achtereind een hoorn en richten zich, wanneer zij gestoord worden, met het voorste gedeelte des lichaam» op, zoodat ze in deze bonding aan een Egyptiscbeii sphinx doen denken. Zjj hebben Ki poolen. De Doodsh oofdn i 1 (.quot;fyhm.r Mropos Tab.11 Fig. (») heeft onder alle avondvlinders bet meest de aandacht der menseben getrokken, liet is een groote, diklijvige vlinder, die niet zeer algemeen voorkomt. De vaalgele teekening op de donkci gekleurde borst, gelijkt op ecu doodshoofd en prikkelt daardoor reeds de verbeelding. Nog vreemder is het piepende geluid, dat hij doet hooren, en dat bij voortbrengt door de voorste tasters snel tegen den korten slurp te wrijven. Zijne groote, dikke, geelgroene rups, op den rug met helderblauwe, hoekige strepen, aan de zijden met donkergroene strepen geteekend, leeft meestal op aardappelloof, doch ook wel op andere gewassen. Zij komt alleen 's nachts te voorschijn en moet dus met de lantaarn gezocht worden. In September kruipt de rups in den grond, verpopt zich daar zonder eerst een omhulsel te maken en de vlinder komt in den regel eerst in .Inni van het volgende jaar voor den dag. Bij den Wolfsine 1 kzwerver cn andere soorten komt de vlinder reeds in denzelfden zomer uit en overwinteren do eitjes. De Avondpauwoog {Smrriiilhus ocdlalm) heeft op de mooi rosekleurige ondervleugels eene blauwe pauwoogvlek. Zijne rups vindt men het meest op wilgen. Nauw verwant, doch eenvoudiger gekleurd, zijn de I'o p u 1 i er z, w er ve r, de L i n de n z w e r v e r, de Eikenzwerver enz. De Dennenzwer ver (S. iiimslri) wordt soms seliadelijk, omdat de rups zich met dennennaalden voedt. De Zygaenas zijn gewoonlijk zeer traag en vliegen slechts bij hecten zonneschijn levendig rond. Zij zijn tamelijk in 't oog loopend gekleurd. Zoo heeft eene der meeste gewone soorten, de St. .lansvlinder {Ztjijaena lilipendulac, Tab. II Fig. 7) op de metaal-glanzende, blauwgroene voorvleugels (i purperroode vlekken, de roode achtervleugels
Vlinders. 239
bezitten ecu zwarten rand. De rupsen vervimrdi^eii /.ieli aan graslialmen een dicht, geel spinsel en veranderen daarin in eene kleine, eivormige pojt. De Se sin's hebben slechts weinige, gekleurde schubben op de vleugels, waardoor zjj op vliesvleugelige insecten gelijken. De Wespklcurige Scsia (N. a^ifoi'mis. Tab. 11 Fig. 8) gelijkt niet baar zwart en geel gekleurd licbaani en de glasheldere vleugels veel op eene wesp. J)o rupsen honden zich twee jaren lang in het bout van populieren op. laag bij den grond: zjj vreten daarin en soms in den wortel talrijke gangen en kunnen oorzaak worden, dat jonge stammen door den geringstcn wind omvcrwaaieu.
De Nachtvlinders dragen de vleugels in rust daksgcwjjze ot'horizonfaal uitgespreid, in zeldzame gevallen zelfs om het lichaam gerold. De rupsen spinnen vóór bet verpoppen in den regel een cocon.
De belangrijkste groep der nachtvlinders zijn de Spinners en daaronder is de Zijdespinner (llomhi/.r ntori. Tab. II l-'ig. !) a lt;l) voor den mensch de nuttigste aller vlinders. Oorspronkelijk hoorde hij in China t huis. Van daar uit werden zijden stoften tot buitengewoon hooge prijzen verkocht, terwijl de uitvoer van rupsen verboden was. Men verbaalt. dat in het jaar oiVJ verscheidene monniken in bolle wandelstokken rupseneieren uit China naar (iriekenland overbrachten en op deze wijze de zijdecultuur in Europa zouden hebben ingevoerd. Deze cultuur kan slechts daar met goed gevolg worden uitgeoefend, waar de moerbeziönboom, vooral de witte, goed in 't wild gedijt. De eieren worden gedurende den winter op eene droge plaats bewaard en in het voorjaar, wanneer de moerbeziënboomen beginnen uit te loopen, aan eene hoogere temperatuur blootgesteld, om ze uit te broeden. De rupsen zijn wit of geelachtig, zij worden aanvankelijk met de jonge, teere blaadjes dezer boomen gevoed, later met oudere bladeren, die dagelijks ververscht moeten worden en nooit nat mogen worden toegediend. Men heeft verder nog te zorgen, dat de temperatuur in bet lokaal gelijkmatig blijft, dat er steeds zuivere lucht aanwezig is. dat uitwerpselen en zieke of doode rupsen zorgvuldig verwijderd worden en, na een viertal vervellingen ondergaan te hebben, zijn de rupsen na i quot;gt;0 dagen volwassen. Nu worden zij met dorre takken bedekt, waar ze opkruipen om zich te verpoppen. Vooraf spinnen zjj een coeon, waartoe zij i (i dagen noodig hebben. Het buitenste omhulsel spinnen zij natuurlijk bet eerst en wel uit grovere, onregelmatig heen en weer gelegde draden, die niet te gebruiken zijn; meer naar binnen toe wordt de goudgele tot witte draad steeds mooier, gelijkmatiger van dikte en regelmatiger gelegd. De draad is niet opgewonden als het garen van een kluwen, maar gaat in zig-zag op en neer. Hij ligt in meerdere lagen over elkander en bereikt eene lengte van 250 -350 M, Nadat de cocon voltooid is, ligt de rups er nog ;i i dagen in, vóór ze zich verpopt. Laat men den vlinder tot
hrbmbkvm'P*
Hot (lieroiirijk. Insocton.
komen, dan gaat do cocon vorloron, want liij haant zioli con uitweg uit zjjno S'ovangonis, door oon (lni])[tol vociit oj) liot óóno oindo to laton vallon, waardoor do draad oniniddollijk wordt opgolost. Orn do y.ijdo to vorkrijgon wordon do cocons oorst in heoto luclit van fiOquot; -70quot; (!. gobradit of wol, wat voor hot af'liaspolon van don draad toch noodig is. in kokend water. Do enklt;do draad is to fijn. om gehruikt to kunnen wordon. men voegt liâ20 oooondradon hij elkaar. Hot uitwendig omhulsel, dat zich niet laar afhaspelen, wordt tot vlokzijde of zijdepapier verwerkt. Van 10 (i eieren verkrijgt men 25000 rupsen. I )o/.( hohben 400 K(J moorheziënhladoren noodig en geven liO KO cocon, die 'lt; K(J gespoimon zjjdo opleveren. Men rekent, dat één persoon 50000 ruj)son kan verzorgen. Om nieuwe oioron te vorkrijgen, moet men natunrljjk een zeker aantal vlinders laten uitkomen. Daar in sommige jaren hesmottelijke ziokfen onder de rupsen zijn uitgohroken. waardoor de opbrengst geheel vernietigd werd, hooli men dikwjjln hoproofd andere verwante rupsen voor ilo zijdeteelt op te kweekon. Vooral niet die van liet geslacht der Nachtpa uwoogen (flnlumia) zijn proeven genomen. Do Nacliipatiwoogen vertoonon op de groote, zacht in grijs lt;'n bruin geteokonde vleugels witte en gele oogvlekken. Do bij ons algeineen voorkomende soort (Sahnttin cariihii) vreet als rups de bladeren van sloeprniinen, rozen enz. Deze vervaardigt, om er zich in te verpoppen, oen peervormigen cocon uit zoo dicht geweven draden, dat bij or uitziet als van damast of loer. Als do grootste aller vlinders wordt do Atlas (Sdliirnid Alias') uit /uid-Azië genoemd. Met zijne schoon gevormde, aan de punt zeisvormigo gekromde en broede vleugels hoetf hij eone vlucht van 20 c.M. De vleugels zijn aangenaam roodgeel en plaatseljjk roodgrijs van kleur en in t midden van eone groote, wigvormige oogvlek voorzien. Do rups vervaardigt oen cocon, die in China een grof soort van zjjdo oplevert. Nog meer wordt de Ai 1 anthu.sspinner (.S. C.ijntlna) in China en Japan voor het winnen van zijde gebruikt. Do boom, waarop hij leeft,
Ailanthus glandulosa,
groeit ook hier Ie lande in 't wild en men meent, dat de ciiltniir van dezen zjjdovlinder ook hier zou kunnen wordon uitgeoefend. Ook hoeft men beproefd den in â¢lapan voorkomenden (8. ./lt;*)«((-Mm), die op oikcboonu'ii leeft, te kweekon. Di'rupsen worden hier evenwel grooten-
240
Vliinlf rs.
deels door de vogels «â¢vdood. 1)(' nuu'sto sjunnors zijn /eer scliadelijkc insccfon : wij zullen de mwst bmichto liiiu'vt'rmokk'n. l)c 1)i'nnc n sj)inn c r ((Idslropaclui Pitii) hooft bi'uinachtigo, met grijs en wit gutwkende vleugels. l)c sterk behaarde rups is lt;S() jmM lang. eveneens bruin en grjjs geteekend en aan de staalblauwe streep op den tweeden en derden ring van bet horststuk te berkennen. De jonge, balf'volwassen rupsen kruipen, zoodra de naelitvorsten intreden, onder bet mos op den grond en bonden daar een winterslaap. In bet volgende voorjaar beklimmen zjj weer de denneboomen en beginnen nu eerst voor goed aan de dennenaaldeii te vreten, wat tot bet midden van .luni voortduurt. Hoewel zjj in ons land nooit in zoo groot aantal worden aangetrotten. dat zij merkbare schade aanrichten, worden zij in Dnitscldand tot de grootste vijanden der deimenbosseben gerekend, daar/ij ze totaal kannen vernielen. De rupsen verpoppen zich in een cocon, dien zjj tussclieu de naalden of in do spleten der schors spinnen. Voor de oof'tboomen wordt de R i ngel r u p ssp i u n e r ((idslroitachti neiislrin, Tab. i I Fig. Ida b) verderfelijk. Dt'ii naam dankt de vlinder hieraan, dat bij zjjne eitjes in den vorm van een vasten, steenharden, grijzen ring om de dunue takjes der boomen vastkleeft. De hieruit voortkomende rupsen worden wegens hare helderblauwe, bruine en gele strepen ook wel livreirnpscn genoemd. Jong zijnde, blijven zij familiesgewjjze bij elkander, eerst later verspreiden zij zich, wanneer zjj meer voedsel noodig hebben. Zij vreten vooral de knoppen uit en tevens de jonge bladeren. Reeds in Juni verpoppen zjj zich in een tussclieu de bladeren verborgen cocon, waaruit in Juli de licbt-okergele, met roodbruine dwarsbaiiden geteekende vlinders voor den dag komen. De Rrocessierupsspi nners (Itdmby.r proeossinnca) kunnen zeer acbadelijk worden voor de eikenbosscben. wanneer zij in grootc menigte voorkomen. Do kleine vlinder beeft bruingrijze voorvleugels met donkere dwarsbaiiden. Op het eind van den zomer worden de eitjes in hoopjes van 450 200 stuks op de schors der eikestannnen gelegd. In Mei komen de rupsen uit, die steeds bjjéén blijven. Overdag rusten zjj in een gemeenscbappeljjk, dicht, buidelvormig nest, tegen zonsondergang trekken zij in geregelde volgorde tegen den stam op. Voorop gaan er enkele in ééne rij dicht aebter elkaar; dan volgen er ccnigc in dubbele rijen, daarna trekken zij in i- en 5-voudige rijen, waarna de breedte der rijen weer afneemt, zoodat ze een dichten troep vormen, die in 't midden het oreedst is en aan de beide uiteinden steeds smaller wordt, vandaar den naam processierups. Zij brengen den boelen nacht vretende door, om eerst tegen zonsopgang weer naar liet nest terug te keeren. Zij ontbladeren de eikeboonien Soms beelemaal en tasten dan niet zelden ook andere loofhoomen, zelfs kruiden aan. In 't laatst van Juli verpoppen zjj zich in hetzelfde nest. Niet zelden treft men in de nabijheid der nesten poppenroovers en de larven daarvan aan; ook tal van vogels, sluipwespen, vleermuizen enz. bebooren tot bare natuurlijke Waöskb's Niituurlijko Historie. '10
lift dierenrijk. Iiiscclm.
vjjainlcn. .Nii't iilleou doen /ij veel kwnnd aan het hout, maar door liaro haren kuimon zij ook voor inonsclion en (lieren zeer hinderlijk, zelfs gevaarljjk worden.
Deze haren breken licht af' en zijn van zeer fijne haakjes voorzien. Raakt men eene rups aan. dan veroorzaken zij dezelfde brandende pijn en ontstoking der huid, alsof' men eene brandnetel had aangeraakt. Erger is het wanneer de haren in mond-, neus- en oogholte dringen en de teere huidvliezen prikkelen, waardoor deze licht in hevige ontsteking geraken. Met bezoeken der cikeubosschen, waarin deze plaag heerscht, mag dan ook niet zonder behoorlijke voorzorgen geschieden (een masker van metaalgaas voor bet aangezicht binden). Do processierups komt in ons land uitsluitend in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg voor. De Non vlinders {Lipuris Miniucha, Tab. II. Fig. 11 /t b) vermeerderen zich in sommige Jaren op zoo ontzaglijke wijze, in den laatsten tijd ook in ons land, dat zjj voor groote uitgestrokthoden bosschen verderfelijk worden, daar de rupsen de boomen geheel kaal vreten. De vlinders verschijnen op 't laatst van Juli; men vindt ze dan overdag met dakvormig samengeslagen vleugels tegen de boomstammen zitten. De eitjes worden in hoopjes van 20 â 50 stuks op de schors gelegd, zooveel mogelijk verborgen. Deze overwinteren. In Mei komen de rupsen te voorschijn, dit' zich quot;t liefst met naalden van deunen en
Vlimlors.
.s|gt;iinvii VDcdoii, (locli ook aiKlcrc iHHimcii niet spurcu. Ook de verwante I'la k k c r ot' Zw a in \ I i n der (L. disiiiir) kan veel kwaad aan liet houtgewas doen. De trage, plompe wijfjus met vuilwitte vleugels, die zwart geteekend zijn, cu een vuilwit lijf, dat aan 't dikkere aclitereind met bruingele wolharen beklcod is, zitten in den nazomer tegen de stammen van loofboomen of tegen schuttingen, /ij leggen HOU- 500 eieren in hooj)jes tegen de boomstammen aan. Deze worden niet do liruingele wolliaren van haar acditerlijf bedekt en overw interen. De rupsjes komen 'f volgende voorjaar uit; zij zijn met zeer lange baren bedekt, do kleur is Iiebtgrijs, zwart gemarmerd: op elke geleding dragen zjj blauwe wratten. Zij kruipen tegen tien booinstani op en vreten bladeren en knoppen van eikm en ander loofhout, ook van onze ooftboomen. De zwarte pop vindt men einde Juli tusseheu de bladeren met weinige draden bevestigd. Xiet minder kwaad doen de rupsen van den Bas taardsat jj n vlind er (/,. ehrywrrhoeft), die in een nest overwinteren on die van den Donsvlinder (/.. aurilhia), die van elkander afgezonderd in een klein spinsel den winter doorbrengen, /jj vreten in liet voorjaar knoppen en bladeren der ooftboomen af, doch ook van andere loofboomen. Do üeeren onderscheiden zich door hunne levendige kleuren. De (ievvone lieer {h'itigt;rei)ia cnjd) heeft bruine voorvleugels met witte strepen, roede ondervleugels met blauwe, zwart begrensde banden. De rups is niet lange, bruine en zwarte baren bekleed en voedt zich met de bladeren van verschillende planton, /ij overwintert in den grond en verpopt zich in 't voorjaar.
Do l'ilen zijn zoo genoemd wegens de sterke beharing van hnn kop, waardoor deze veel dikker schijnt dan hjj werkelijk is. Daartoe behooren voornamelijk donker gekleurde vlinders van gemiddelde grootte. Van vele zijn de rupsen voor landbouw en bouttecU zeer schadelijk. /00 richten de (i ra suilen (Kpisemn gi-aminw) op graanveklen en weilanden somsgroote verwoestingen aan. De wijfjes leggen een paar honderd eitjes aan het benedeneind der grasstengels, /ij overwinteren als rupsen, die vooral in 't voorjaar onverzadelijk zijn, soms van bet eene grasveld naar het andere trekken en in een dun spinsel meestal vlak onder den grond verpoppen. De A a rd ru [I s-11 i I e n (Agvoliti) zjjn zoo genoemd, omdat de rupsen in den grond leven, waar zij zich voeden met de wortels, knollen en andere onderaardsche deelen van allerlei planten. Die, welke zich niet in een knol ophouden, kruipen 's nachts ook boven den grond, om zich aan de bovenaardsehe plantendeelen te goed te doen. /jj overwinteren in den grond, hetzij als rups, hetzij als pop; men vindt do uilen dan ook van Mei tot Uctober. A. acgelum is zeer schadelijk voor wintergranen, winterkoolzaad, knollen, mangelwortels en aardappels, A. Iritici voor wintergranen en boekweit, A. vaU'ujem voor éénjarige dennen en Inrixcn. De Ga in ma-uil (Plusia gamma) vertoont op de donkergrijze voorvleugels eene liclitgole teekening iu den vorm der Urieksche letter gamma (/), vandaar den
liet tlioionrijk. liisoitoii.
naam. De rups is kaal, groen met (i overlaiigselie-witte strepen eu eone geelaclitijje streej) boven ile poüten. Zij voeden zich niet allerlei kruidachtige planten, uitgezonderd grassen en granen. De vlinders planten zicb vei'bazend snel voort, kunnen als rupsen, poppen of als volkomen insect overwinteren en worden dan ook bet beele jaar door aangetroffen, liet aantal rupsen wordt soms verbazend groot, zij trekken dan van bet eene stuk land naar bet andere, alles kaal afvretend en kunnen zoo over eene groote uitgestrektheid den oogst van koolzaad, erwten, wikken, klaver, vlas, hennep, allerlei tuingewassen, zelfs van aardappels vernietigen, zooals in '18'21) in de provincie Groningen bet geval was.
Zoo leven de rupsen van den Kool-nil op koolplanten, die van den Sla-uil op koolplanten, sla en asperges en kunnen aan die gewassen veel kwaad doen. De gevaarljjkste vijand onzer dennenbossehen is zonder twijfel de Gestreepte d e n n e n r u ]) s-u i 1 (Traclicji iiiniperda). Kop, borststuk en voorvleugels van dezen uil zijn geel-roodacbtig grijs, de laatste gevlekt; het achterlijf en de achtervleugels zjju bruinaebtig. De onhehaarde. gladde rups heeft eene groene grondkleur met bruingelen kop, het lichaam is overlangs gestreept. De uil hecht vroeg in 't voorjaar de eitjes aan de naalden in de toppen der denneboomen, (i tot 8 aan elke naald. De rupsjes beginnen met de jonge naalden der nieuwe loten door te bijten en af te knagen, later tasten ze ook oudere naalden aan. De jonge scheuten, maar ook zelfs ki- tot 3-jarige takken, verdorren en de boomen worden niet zelden gedood. In 1854 en '58 werden in Oelderland alleen bjjna 1UUU IIA dennenbossehen door deze rupsen verwoest en nog veel meer zeer beschadigd. Midden Juli zjjn de rupsen volwassen en verlaten zij de boomen, om zieb onder het mos te verpoppen, waar zij ook overwinteren. Do schoonste en grootste uilen zjju de Weeskinderen (Caloaila). Het gewone Koode weeskind nupla) heeft met roede en zwarte banden geteekende ondervleugels; de rups leeft op eiken. Hel Blauwe weeskind fm.ciiii, Tab. 44, Fig. 42«b) vertoont blauwe en zwarte banden op de ondervleugels; de rupsen leven op essoben, beuken, enz. Geheel naakt, op den rug donkerrood, aan den buik vleeschkleurig is de vingerdikke, 0 cM lange rups van den Wilgen rups-vlinder (Cosum lignipenla). Zjj vreet twee tot vijfjaar lang gangen in bet hout van wilgen, populieren, appel- en pereboomen, doch ook in dat van andere loofboomen en veroorzaakt daardoor niet zelden hun dood, daar eene windvlaag vaak voldoende is ze op de plaats, waar zich de wijde gangen in het bout in grooten getale bevinden, te doen afbreken. Hoewel deze rupsen in den regel beginnen met ziekelijke boomen aan te tasten, sparen zij, talrijker wordend, ook de gezonde niet. De verpopping beeft eveneens in het bout plaats. De vlinder is grijsbruin gewolkt; het wijfje bezit eene legboor, die als een verrekijker kan worden uit- en ingeschoven; daarmee legt bot de eitjes in bet spinthout. liefst
VlindcMs,
up plaatsen, waar de schors gespleten is. ViTwant is tie H o p v I i n d e r (//c/i/^/ij.s liiiniili); hij is boven zilverwit, henoden /-wartaehtig bruin. De iX m.M lange, geelwitte rups van dezen vlinder boort in den wortel der hopplant en, waar /.ij veel voorkomt, worden er geheele hopaanplantingen door vernield.
De Spanners of fia nd meters dragen in rust hnmie breeile. soms mooi nitgesnoden vleugels horizontaal uitgespreid, soms zelfs omhoog opgericht, llnn naam is ontleend aan de eigenaardige manier, waaroj) de rupsen kruipen. Deze missen de middelste bnikpooten ; /.ij brengen daarom de achterste pooten bij hor loopen dicht Inj de borstpooten, waarbij zij het lichaam sterk naar boven krommen. In rust houden zij zich soms slechts met de achterste pooten vast en strekken het lichaam lijnrecht onder een scherpen hoek van den tak af, waarop /.jj zitten. Daar hare kleur overoenkomt met die der boomschors, hebben zij eeue bedriegelijkc gelijkenis met kleine brokstukken van takjes. Als schadeljjkste dezer kleine vlinders is de Kleine W i n t er v 1 i n d e r (l'.limiulohiu hruinald. Tab. II Fig. Ik b) bekend. Hij verschijnt midden in den winter, zoodra do grond niet meer bevroren is. Do wijfjes, die slechts kleine vleugelstompjes hebben en niet kunnen vliegen, kruipen tegen do boomstammen op om de eitjes tegen de nog sluimerende knoppen te leggen. Daaruit komen zeer vroeg in het voorjaar de rupsen te voorschijn, dio do knoppen uitvreten en later do bladeren en op kerseboomen zelfs de onrijpe vruchten aantasten, In 't begin van .luni zijn zij volwassen, laten zich dan aan een draad naar beneden en verpoppen in den grond. Aan de ooftboomen, dio zij bij voorkeur aanvallen, doen zij veel kwaad, daar zij ook talrijke bloesems vernielen. Men kan ze er tegen beschermen door het leggen van teerbanden om den stam, waardoor de wijfjes worden tegengehouden. Ook andore loofboomon lijden natuurlijk zeer door do vraatzucht dezer rupsen. Hr komen in ons land verschillende soorten van dit geslacht voor, die alle ongeveer dezelfde levenswijze leiden. Andere spanrupsen zijn zeer schadelijk voor allerlei andere gewassen.
Het wijfje van den Dennonspan rups-v 1 i ndor (IhiiKthis piniarid) legt 7â8 eieren in ééne rij op elke dennenaald. De rupsen vreten de naalden af. De Bessenb 1 adrups (Xereue ijromtloriiUti) komt in September uit. overwintert in den grond en begint in hot volgende voorjaar eerst Hink te vreten aan bladoren en bloemen van bessenstruiken, die ze soms geheel kaal maken. In 't begin van Juni laten zij zich aan een draad naar beneden om in den grond te verpoppen.
Nog blijft eene groote groep van vlinders te bespreken over, die om hunne geringe grootte en teoren bouw den naam van Ivlein vlinders verkregen hebben.
O o o ~
Daartoe behooren de 15 lad rol Ie rs, wier larven in door haar zelf samengerolde bladeren leven, daarvan eten ener zich in verpoppen. De E i k en b lad ro 1 Iers (7oWc/.c virklaua) kunnen niet onbelangrijke schade aan eikeboomen te weeg brengen,
Hot dierenrijk. Insecton.
daar do rupsen knoppen en bladeren afvrotou. Hergniann's blad i'olIer (T. Ilciyj-
iiKiiiiiiinid) deet veel kwaad aan rozen, wier knoppen door de rupsen vernield worden. De rupsen van verseli ijlende lleliniu-soorten bosehadigen de knoppen of jonge sclienten der dennen, b. v. de Dennenknoprups (//. liirkmarni) de Dennen-lotru |)S (11. JUioliaiia) en andere. Daartoe behooren ook de âwormenquot; van appels en péren en die der pruimen. De vlin-dertjes le^'c-en in Juni of' Juli de eieren
Fig. 140. Do Eikonbladrollor.
aan de onrijpe vrueliten, één ei aan elke vruelit. De larven boron er zich in tot in de kern en de vrueliten vallen vroegrijp af; gewoonlijk zijn de rupson er dan nog in en verpoppen zich in den grond of op een ander donker plaatsje. Vooraf spinnen zij een omlmlsel, waarin zij overwinteren. Do Lichtmotten hebben vvonnvorinige larven met Hpaarpooten.
Sommige leven in vet, aan huiden enz., zooals bijv. de Vet mot (1'ijrulis piiujiiialh). Zjj verbergen zieh daarbij onder een spinsel. De vlindertjes zijn zeer klein, van boven geelachtig, beneden asehgrauw van kleur; daartoe behoort ook de Wasmot (Galleria iiicllioiiclla), wier larven gangen boren in de honigraten der bijen, zich met was voeden en soms den ondergang der bijenstokken te weeg brengen. De rups van de Koolzaadmot (Bolys manjarilalid) vreet de hauwen van het koolzaad uit. Zeer rijk aan soorten is het geslacht der Motten, wier l(gt; pootige larven ook op wormpjes gelijken. Sommige dezer rupsjes zijn zoo klein, dat zij, zooals b.v. de Roze n in ij nr ups raydla),
in 't inwendige van bladeren spiraalvormige gangen uitvreten zonder de opperhuid aan beide zijden te beschadigen. In ou/e huizon maakt zieh de Tapijt- of kleedermot (T. jidlionrlht) zeer gehaat. Hare rupsen knagen gaten in wollen goederen en in bontwerk en vervaardigen zieh uit de afgeknaagde baren kokers om het lichaam, die zij met zieh meevoeren. De Iniren dienen tevens als voedsel. De rupsen van de Koreninot ijnnifüa) vreten als âwitte korenwormquot; de graankorrels op de graanzolders uiten spinnen deze bij elkander. JNadal zjj volwassen
240
Vlinders.
zjjii, spinnen /.ij draden over het ^riian. doch vei'|iu|i|H'ii zieli meestal in reten van vloer en liuiken of in de voeden van muren, nadat /ij eon eoeon in den vorm van een graankorrel vei'vaiirdigd hehhen. De nmijes komen in liet liegin van den zomer te voorschijn. Andere mot-rupsen leven van bladeren, zoo die der
I
quot; spinselmotten {IhjiiniKiiiifiild), die, na overwinterd Ie hehlien, een aantal hinderen met haar spinsel omgeven en deze alVreten, wnarnn yy zij andere takken opzoeken om hetzelfde te r
â ' l-'iff. I Ui. Koroimiof. I. VlindiT.
herhalen; zij laten alleen do nerven en de 2. iiups. s. Kun», een grannkomJ
Ki' 14quot; Kli'O- f lUinbnrr 11. I. Pup.
Mormöt in.'t' opporhliid aan één zijde over. Ze worden
' wel âtrekmadonquot; genoemd en brengen in üelderlaiul soms groote sebade aan de appolboumen te weeg.
Hij de Veder mot ten (Alnciln) zijn de boven-vlougols in twee, lt;l(! ondervleugels in meerdere doelen gonpleten, die op witte veertjes gelijken. De / , S ïquot;1
rupsen leven op verschillende boomon 011 struiken, / w ^
worden ovenwol, daar zjj slechts in gering aantal |..iK U4_ vijfvintrige vrdi'imot
1 ⢠I 1 1 â¢â¢ 1 i r IV 1 quot;H't
voorkomen, mot scnauolijk. liet inoost trott mon do
zuiver witte Vijfvingerige voderniot (/I. pcnltKlncitiH*) aan, die â¢gt; veertjes als vleugels bezit.
Tneovleugcligeii.
De tweevlengeligo insecten bezitten, zooals hun naam reeds aanduidt, slechts twee vleugels; do achtervleugels ontbreken of zijn door tril kolfjes, tijne stoeltjes, die een bolvormig kopje dragen, vertegenwoordigd. Door de buitengewoon snelle beweging hunner vleugels brengen zij een gonzend geluid voort. De mond-doelen zijn ingericht voor het opzuigen van vloeistotlen en veelal mot stekels gewapend, om er eone wonde mee te maken in de huid van niensehen, dieren of pliinten. Do getlaanteverwisseling is volledig, de larven zijn pootlooze maden en de poppen zijn èf onbedekt (muggen), of het zijn Umnotjes, door de ineen-schrompeling van de larvehuid ontstaan.
De Muggen zijn slanke, teere, en sierlijk gebouwde diertjes met dunne pooton, doch behooren tot de grootste plagen op aarde. Zij leggen meestal hare eieren in of op het water; in het laatste geval maken zij er kleine schuitjes van, die aan de oppervlakte drijven. De daaruit komende larven dragen ademhnizen aan het staarteind, zwemmen daarom niet den kop naar beneden en leven van rottende plantaardige en dierlijke stoffen in bet water. Als poppen behouden zjj hare
Hel dieren lijk. Insecten.
lx; ww'glijkli eid, dücli vreten niet. '/ij liezitten in dezen tee.'-taiiil twee adenilini/.en aan liet borststuk en /wemnien dus niet den kop omlioug'. l!ij het uitkomen der mug drijft de [xjpliuid als een bootje op het water en daar dit licht, omkantelt, bestaat er groot gevaar, dat de mug in het water raakt en omkomt. Sleehts de wijfjes stoken en zuigen bloed, de mannelijke muggen vergenoegen zieh met honig en andere plantensappen. Bjj het steken boren de wijfjes niet sleehts de â¢4 steekpriemen, die in den snuit zitten, diep in de wonde, doeh laten er ook haar bijtend speeksel invloeien, dat ontsteking veroorzaakt. Daardoor ontstaat de opzwelling en het jeukende gevoel. Daar voor de volkomen ontwikkeling der mug van het oogenblik af. dat het ei gelegd wordt, sleehts a i weken noedig zijn, kunnen in één zomer '(⢠ii 5 generatie's elkander opvolgen en daar één wijfje .'iüO a .400 eieren legt, is het verklaarbaar, dat deze plaaggeesten vooral in moerassige of waterrijke streken van de polen tot aan den evenaar in tallooze scharen voorkomen en vele streken voor mensehen en voor dunhuidige (lieren tijdelijk onbewoonbaar maken, lïeeds onze Steek mug (t.V/c.r iii^icua) kan het
ons dikwijls lastig genoeg maken. Tegen haren steek wordt inwrjjviug met ammoniak niet goed gevolg aangewend. De wijfjes overwinteren op hesehutte plaatsen, veelal in onze huizen, üeruelit is de Colum-batser mug (Shiiulia Duieiilala), die in Hongarije in vele jaren in onmetelijke wolken versehijnt en koeien, paarden enz. met den dood dreigt, wanneer ze niet door groute vuren worden besehermd. Ze ont-talijke holen van het kalkgebergte, in het stroomgebied van den Donau. Zij behoort tot de Iv r i e b e 1 m ugge n of Knazen (Siinuliti), waarvan ook in ons land verschillende soorten voorkomen, die ons op vele plaatsen het buiten zitten gedurende verscheidene weken in den zomer onaangenaam maken, door baar gekriebel in 't aangezicht. Zij gelijken door den gedrongen bouw van haar lichaam op kleine vliegjes.
De Muskieten in de tropische gewesten bchooren tot dezelfde geslachten [C.nlc.r an Sinixlia). Tot kwelling der menschen lossen zij elkander regelmatig af, zoodat steeds nieuwe scharen tot den aanval aanrukken. Arme menschen trachten zich door rook, meer welgestelde door muskietennetten van gaas er tegen te beschutten. De Lan gpoo tm n gg e n zijn niet alleen grooter dan de vorige soorten en aan hare lange pooten te herkennen, maar zij steken
wikkelen zich in di
IVeovleugoligon.
ook niot t'ii lt; mt NN ik kelen zich niet in lief NVJitcr. doch m den hcdcni. 1)0 wijfjes leggon in Juni of .luii de ciijcs op Itouwlaml ot' weiden. De maden, erneiteii of liomelten geuoonid, voeden zieli met vergiine |)liniteii(leelen of wel niet de wortels van verseliillende plailtcn. De laatste soorten wurden soms /eer sclnideljik. daar z!i in liet voorjaar de zomergranen en andere cultuurgewassen duor hare vraat-znclit dooden. De \ liogmuggun golijken meer op vliegen dan op muggen. De l li i n \ I i og m u g {llihio hoiiiilnniiti) is seliittereiul zwart van kleur: het wijfje op den rug van het iinrststuk en ami het hecde ii(diterlljf geelaehtig rood. liet legt de eitjes in Mei ten getalo van 1(10 nf meer in hoopen op den grond. De met kleine haakjes bezette, grijshrnine maden met zwarten kop voeden zieli met do lijnste doelen der wortels van levende en afgestorven planten. Zij hlijven s winters over en luiimon vooral in 't tweede jaar belungrijko seliade te weeg hrengen. /jj komen vooral in tuinen voor. De I! o n \v in u gge n zijn weer dun en slank, zwart van kleur, met mode oogjes en lange, dunne pooten. De made der Thomas-rouwmug (Sciuru Thonuic) is de hekende .. 1 leerwnnnquot;. Zij komt soms in geweldige scharen voor en deze trekken soms ver weg, om voedsel te zoeken. Dit beistaat uil vergane bladen van loof- en naaldhoomen. De made der I oren-rou\vmiig (.S. l'//ri) vreet zich in liet vruchtbeginsel der perehloemen en is oorzaak, dat de vrucht spoedig afvult. Zij is )i m M lang, geelachtig van kleur. De Gal muggen zijn kleine teere mugjes, mot lange sprieten en algeronde, hehaarde vleugels. De maden leven in planten en veroorzaken soms galachtige uitwassen daaraan. Daartoe behoort de lle«senmug (Ccridoinijid dcsinicior), die in Duitschland en Amerika soms op lt;h^ graunveldcn groote \ei'woestiugeii aanricht. De zwartgekleurde, op den buik Idoedroodi^ nuig is slechts - lang' en legt in April hare SO 100 eieren, elk afzonderlijk of twee
aan twee aan de onderste knoopen tussclien de bladscheede en den halm. De maden zuigen het sap der plant uit en verzwakken haar zoo, dat de aar zieli niet behoorlijk kan ontwikkelen en de halm licht door de wind afbreekt. De mugjes vliegen in Augustus en September en de wijfjes leggen nu hare eieren in het pas uitgekomen wintergraan (rogge en tarwe), waaraan de larve niet minder kwaad doet, zoodat er twee generaties van in één jaar ontstaan. In ons land schijnt zij gelukkig niet voor te komen. Dit is wel het geval met de Gele tarwegalmug ((,. Iritifi). Ilet wijfje is van eene legboor voorzien; daarmee steekt het door de katjes der tarwe- of roggebloemen, om er oen tiental eitjes in te leggen. Daaruit komen maden, die soms ten getale van 30 aan het vruchtbeginsel zuigen, waardoor dil in 't geheel niet tot ontwikkeling kan komen. Zijn zij iu geringer aantal aanwezig, dan ontstaat er wel een graankorrel, die evenwel klein bljjft en vroeg rijp is. De made is in ;i weken volwassen en begeeft zich dan onder den grond, waar zjj in 't volgende voorjaar verpopt.
liet dierenrijk. Insecten.
Verscliilleude andere soorten doen kwaad aan andere gewassen, zooais de Kooien de Erwtengal mug hransicac en /quot;«'), die de zaden aantasten. De P) en ken ga im ng /quot;!/t) doet op de lienkenbladeren kleine, roodachtige gallen ontstaan. De Wiigenrozengaimug rosarin) legt de eitjes in de eind knoppen der wilgen, waardoor deze veranderen in do eigenaardige âwilgen-rozenquot;, hetgeen den groei der plant zeer lielemmert. Van sommige gal mugsoorten brengen de maden weer levende larven, voort, die dit op hare beurt weer doen ; tot eindelijk op bet eind van den zomer maden ontstaan, die zieh gewoon verpoppen en waaruit zieh weer mugjes ontwikkelen.
De Dazen of Bremzen zijn al even booze plaaggeesten als de muggen, overtreffen deze evenwel in grootte en brengen pijnlijker steken toe. De, bijna üVj cM groote Hun der brems (Tulianus boviiiu»), die zwartbruin van kleur is,
met eene rij witte vlekken op den rug en met breede dwars-banden op het achterlijf, houdt zich bij koel weer in bossehen op en vergenoegt zich dan met uitvloeiende boomsappen. Op zwoele dagen daarentegen zoekt zij runderen en paarden op, die zij reeds op groeten afstand bespeurt en kwelt deze dieren op afschuwelijke wijze. De stekel van het wijfje wordt door de degen-vormige boven- en onderkaken gevormd en dringt door een ossevel heen, zoodat soms het vee op de weide druipend van bloed zijn heil in «Ie vlucht zoekt. De witachtig grijze maden der brems leven in den bodem op weiland; daar verblijven ook de '272 e.M lange rolronde poppen tot de vliegen er uit komen. Men tracht de paarden door een bremsnet, het rundvee op sommige plaatsen door inwrjjving met een aftreksel van notebladeren tegen deze insecten te beschutten. De Paardcbrumh is iets kleiner, asehgrijs van kleur met witte vlekken; zjj tast voornamelijk paarden aan en de Regenbrenis of Blinde daas (Jlaemaloiioda jiluviali*) maakt het ook den menscb lastig en steekt zelfs door de kleederen heen. Haar bloeddorst is zoo groot, dat zij zieh zuigende gemakkelijk laat grjjpen. De lioofvli egen bezitten een dolkvormigen stekel, waarmee zjj andere insecten doorboren, om ze uit te zuigen. De Axilun ijcnnuniaus is 20 inM lang, aardkien rig grijs met schitterend blauw achterlijf. De farven leven van vergane plantendeelen. De /weefv liegen worden zoo genoemd, omdat zij zich dikwijls
250
Twoevleugeligren.
geruinion tijil op ocius plaats zwovcmlo houden; zij gelijken soms op honimcls of' wespen en doen lijj het vliegen meest een hrouimend ot' Huiti'nd geluid hooi'en. Daartoe behoort do Sljjkvlieg (HriMnli* iena.f), in het Noorden van ons land âblinde bijquot; gelieeten, wier dikke maden in vuile vlouistoffcn van goten en riolen leven en van eene lange ademhalingshuis voorzien zjjn (rattestaartmaden). De Piepende zweefvlieg (Syi'ill-a /.»»'/h'ch») looft in tuinen en weilanden op de bloemen en laat een piepend geluid hooren als men ze aanraakt. Andere soorten zijn mittig, omdat de larven jjverige hladluisverdtdgers zjjn, zoo bijv.de A ]ip el-boom zweefvlieg (Si/rpltus injraxlri). De Horzels zijn vooral merkwaardig om de levenswijze der larven. De op lumunels geljjkende wijfjes der Hnnder-horzel (OiKh'm boei*) leggen hare eieren op of in de huid der runderen. De maden vreten zich daar in en veroorzaken een etterend gezwel van de grootte van een duivenei. I )aarin blijven zij !) maanden lang leven, banen zich dan een uitweg en verpoppen in den grond. De runderen zijn zeer bang voor deze vlieg en loopcn als razend rond, wanneer zij zieh op hun rug neerzet, liet spreekt van zelf, dat zij er ouder lijden, zoo een groot aantal (soms IDU)
op ben voorkomt. Ook hier zou inwrjjven met een aftreksel vim notebladeren en azijn besehufting geven. De niaileu der Se h a p e 11 li o rz el (Orslris ori*) kruipen in de neusholte van het sehaap en dringen iu de heenige holten, die deze begrenzen.
draaiziekte der scliapen, die, wanneer er zieh vele maden iu ophouden, zelfs den dood dezer dieren kan ten gevolge hebben. Zijn de maden volwassen, dan verlaten zij haar verblijf weer door den neus om zieh in den grond te verpoppen. Verwante soorten leven in de neusholten van herten eu reeën. Al deze dieren zjjn razend van angst, zoo de vliegen op hen afkomen om bare maden aan de neusgaten af te zetten. De vrouweljjke l'aardenhorzel ((Jnslrm cqui) hecht hare eieren aan de haren van het paard, meestal aan voor-pooten (ui horst. De larven, die weldra uitkomen, veroorzaken een gekriebel, dat bet paard aanleiding geeft om die plaatsen te belikken. Zoo komen de larven in den mond eu vandaar met de spijzen in de maag. Hier boren zij zieh vast in den maag- en darmwand, soms bjj houderden. en voeden zich met de sappen, die zij daaruit zuigen of met den etter, die zieh in de wonde vormt. Zij houden zich hier 10 niaauden lang op, om dan met de uitwerpselen het darmkanaal te verlaten en zieh in den grond te verpoppen. Merkbare schade schijnen zij niet teweeg te brengen. De 1'ara s ietvl i egeu, die veel op de gewone kaniervlieg gelijken, ontwikkelen zich in het lichaam van rupsen en bastaardrupsen, die aan
Zij veroorzaken de valschc
Ili't (lieronrijk. Iiisocton.
de oppcrvlakk! van planton loven, op do wjjzc dor sluip wespen on voroorzakon lt;loii dood dozor (lieren, inccslal zelfs vóór do verpopping. Zij kunnen veel hjjdrag'on oni eelU) inseetenpliiag te dooii oplioudeii. zoo de 1) e n n e n r u p s-pa r a s i e t v 1 i e g (Xeniorea ijlabwUi), die de gestreepte dennenrups en de nonvlindorrnps aantast.
N'aii de Eelito vliegen is de Gewone kamorvlieg ilutiii'slicu) de
meest liekende en door liare verregaande brutaliteit lastig genoeg, al stookt zij niet. Niet alleen, dat ze ons in liet aangezicht kruipt, maar zij bederft door bare siioeporiglicid onze dranken, waarin /.ij verdrinkt, zij bevuilt alles in onze woningen met hare vloeibare uitwerpselen. Het gesloten houden der ramen of het plaatsen van gazen horretjes daarin is het beste middel ze uit onze vertrekken te houden. De eieren worden liefst in paardenmest. doch ook in andere rottende stoffen gelegd. De maden komen reeds na eenige dagen uit en groeien zoo snul, dat zij reeds na I i dagen volwassen zijn. Daarna veranderen zij in een donkerrood, rolrond tonnetje, waarin zich de eigenlijke pop bevindt. Hot volkomen insect komt na l i dagen daaruit voor den dag. Daar eeno vlieg (K) 70 eieren legt en lijj de snelle ontwikkeling dezer dieren in één zomer meerdere geslachten elkander opvolgen, is bet te hegrjjpen. dat zij op bet eind van den zomer, trots spinnen, zwaluwen en andere vijanden, zoo buitengewoon talrijk zijn. Meestal breekt in don herfst cone schimmelziekte onder haar uit, waardoor bijna alle worden gedood. Sleehts enkele blijven 's winters over, Als lastige vloeschbedervers in onze huizen, doeh nuttige opruimers van krengen in de vrije natuur, noemen wijde Grauwe vleeschvlieg {Safcojtliaga carnurUt, Tab. l'i Fig. 14) en de 15lauwe bromvlieg {Musea mmiloria) met staalblauw achterlijf en roodbruine oogen. Zij leggen hare eieren of de reeds uitgekomen maden op vloeseli, doode dieren of mest. De maden vreten zich daarin gangen en zijn reeds na 5 8 dagen volwassen. Dan kruipen zij uit het vleesch weg om zich als tonnetje te verpoppen. Zij vermenigvuldigen zich verbazend snel; uit éene vlieg zouden in één zomer 800 millioen nakomelingen kunnen ontstaan. De Schapen vlieg (.Viwca sericala) veroorzaakt bij de schapen de ,,vliegen- ot wormziektequot;, doordien do maden zich door de huid aan liet achterste deel des lichaams boren en het levend dier het vleesch tot op het been uitvreten, wanneer door de elkander snel opvolgende geslachten bet aantal maden op verschrikkelijke wijze aangroeit. De Steekvlieg (Stomonys mlcilntm) wordt meestal met de de gewone kamervlieg verwisseld, doch heeft een langen, spitsen snuit. Vooral op regenachtige dagen dringt zij ook in onze woningen en steekt zeer gevoelig, zells door de kleedoren heen. om bloed te zuigen. De Tsetsevlieg ((llnssitui mor-tiUiitn) maakt in sommige streken van Zuid-Alrika bet houden van runderen en paarden onmogelijk, daar haar steek deze dieren langzaam doet uitteren en sterven. De familie der BI oo m en v I i ego n bevat vliegen, die veel gelijken op de echte
'252
Nol vk'iigolip'ii.
vlieden, doch de niudeii ontwikkelen zicli veelul in levende pliinteiideelen : liluden, stenyids, iiollen, knolieii en/,., t'ii kunnen soms merkimre schade iinn de te veld sluande gewassen doen. Zoo kan de made dei' Koolvlieg r\iitli(gt;tniii(i hnissicuc). die zich iu den onderaardsehen stengel van koolplanfen ophoudt en daaraan opzw'ellingen veroorzaakt, die later in rotting overgaan, den oogst van koolzaad en knollen geheel doen verloren gaan. Verwant daarmee is de Kaas vlieg (JHophila casei), wier springende maden in de kaas leven en het bederf daarvan lievordereti. ilierhij sluiten zich de Luis vliegen aan, die van alle andere tweevleugeligen daardoor afwijken, dat de wijfjes slechts ééne volwassen larve voorthrengen, die dadelijk na de geboorte verpopt. Deze vliegen leven parasietisch op allerlei dieren: De l'a a r d e n 1 u i s vl ie g {llijipobusi-d upiind) op paarden, runderen en honden; de Sc ha pen I u is vl ieg (MHopluaju ovinus) (schapenteek), die vleugelloos is, houdt zich tusschen de wol der schapen op, om zich met het bloed dezer dieren te voeden en kan den groei der schapen tegenhouden ; de \ oge I-I nis vlieg (Oruilhonm) is evenzoo ongevleugeld en houdt zich soms in groot aantal tusschen het gevederte der vogels op, wien ze ook bloed uitzuigen. Ook de beruchte \ looien leven in vele soorten ])arasietisidi oji verschillende warmbloedige dieren, liet beste middel er tegen is zindelijkheid. De Ciewone vloo U'nlc.r ifrilmi*) legt hare D2 eieren op rottende stoffen in vuile hoekjes. De maden voeden zich met dierlijke overblijfsels, verdroogd bloed,
slijm enz. en verpoppen reeds na N dagen in een cocon, Insectenpoeder is het beste middel tegen deze lastige springers. In West-lndië en tropisch Zuid-Amerika bewoont de Zand vloo (/'. iteiiflriiiis) droge zandplekken.
Het wjjfje zuigt zich gaarne vast aan de beenen der menschen en legt hare eieren onder de nagels, waardoor kwaadaardige ontstekingen kunnen ontstaan, zoo zij niet spoedig verwijderd worden.
Netvleugeligcn.
Deze insecten danken hun naam aan de talrijke, een netwerk vormende aderen, waarmee hunne 'i vliezige, sterk glanzende, doorzichtige vleugels doortrokken zijn. Zij zijn slank gebouwd, zonder dekschilden en leven meest van roof. De groote
Het dierenrijk. Insocten.
kop (Iraa^t '2 samongosteldo en buitendien '2 of enkolvoudige uogen. I)lt;' monddoelen zijn bijtend.
Do O lazonmak vrs of' L i bu 11tui leggen Imnno eieren in stilstaand water. Do zich daaruit ontwikkelende larven zijn buitengewoon vraatzuchtige roofdieren, die niet alleen elk ander waterinsect, maar zelfs kleine viscbjes en kikvorseh-larvon aanvallen. Hierbij dient de onderlip als gnjpworktuig. Zij bestaat uit Iioornaelitige platen, waarvan de laatste eeno soort tang draagt en is in rust tegen de onderzijde van den kop teruggeslagen (masker). Nadat de larven in den loop van lo 12 maanden heriiaaldelijk liuidwisselingen bobben ondergaau. verkrijgen zij bjj de laatste vlengeistoinpj'es; eenigeu lijd later kruipen zij langs do stengels van waterplanten omboog, en nadat de huid is opgedroogd, barst deze op de rugzijde open en het volkomen insect komt er uit te voorschijn. Na korten tijd zijn zijne vleugels uitgespannen en hard geworden en de glazenmaker begint zijn leven in de luebt, waar lijj eveneens als geducht roofdier ijverig insecten vervolgt en zich daardoor soms zeer nuttig maakt. Bij regenachtig weer traag, wekken zij bij warm, zonnig weer ieders bewondering op door hunne vliegkunst, daar zij in snelheid inenigen vogel overtrefi'cn en op de grilligste wijze met liet grootste gemak plotseling van richting veranderen. De Gewone juffer (AtjHon róv/o, Tab. 12 l,1ig. 5), eene der kleinere soorten, is glanzend staalblauw, groen en bruin gekleurd. De grootere soorten dragen de namen: (j I a ze n m a k o r. Korenbout, Wrattenbijter, enz. (fewoonlijk zijn mannetje en wijfje verschillend gekleurd.
254
De Haften (Eendagsvliegen) leven als larven meerdere jaren in het
slik der wateren, verlaten deze eindelijk midden in den zomer, gewoonlijk bij nacht en verschijnen dan soms in tallooze menigte, de rivieren en hare
oevers bedekkend. 13e gevleugelde insecten zijn
zeer teer van bouw, gemakkelijk te herkennen aan de 2 of ;i lange borstel vorm ige aanhangsels van bet achterlijf. Hunne monddoelen zijn zeer onvolkomen ontwikkeld en worden nooit gebruikt, daar de dieren gedurende bun kortstondig bestaan geen voedsel
gebruiken. Het (leider sehe haft (Kphnnvm
ruhiatd) heeft bruinachtige, doorzichtige vleugels en is 2 cM lang. het verschijnt in Mei en .luni en leeft 2 a 3 dagen in volwassen toestand. Het veel grootere, wasgele Oeveraas (l'ulitKji'iiiit IdiKjicdida), dat in .luni aan de oevers van Maas. Waal en Kjjn eenige avonden achter elkander bij millioenen voorkomt, leeft
N'ï't vlcngolijifeii.
nis zoodiuii^' slechts enkele uren. FiVeniils hij de nhizennmkers verseiijjneii hij de luafste vci'vellin^' in liet watci' de vleii^'els((ini|ijes. Nadat de larven uit het water gekomou zjjn, HtriMipen /ij de laatste larvelmid at'. Men poptocstand kamt liij al deze dieren dus niet vuur en daarom noemt men de ^edaanteverwisselini; onvolledig. De K ok «rj u ff'e rs of' W'a ti-rinottc n (l'hri/iiarun). die in rust hare meestal donker gekleurde voorvleugels dakvormig dragen en ap vlinders gelijken, zwerven in liet voorjaar aan de oevers van vijvers en moerassen rond. De O-pootige larven leven in liet water en voeden zieh met plantaardig voedsel : zjj spinnen zich van zijdedraad een rolronden koker om her liehaam, dien zij met stukjes van hladeren, zand, kleine horens van waterslakjes. stukjes hout en andere dingen heplakken en tiaar hehoel'te vergrooten. Itij gevaar trekken zij zieli glt;dieel daarin terug, eu ook de verpopping heeft er in plaats. De (Jeruite Kokorj uf'f'e r {l'liriinut'iin romhicn) heeft geelhruine voorvleugels met ruitvormige vlekken. De larven worden door de vissehers gaarne als lokaas gehruikt (stekaas). Tot de Gaasvliegen liehoort de Mierenleeuw. Als volkomen insect gelijkt hij op eene Ju lief, doeli lie/it een kleineren kop en verdikte sprieten. De vleugels van den (iewonen mierenleeuw (Mi/rnirr.ilcini formicarius) zijn liruiu met zwartaclitifi'e vlekken: het dier is cM lang en wordt in zandstreken op zomeravonden aangetroffen. De eieren worden op zonnige plekken in lijn zand gelegd. De (i-pootige larve heeft een leelijk uiterlijk en gelijkt op eene teek; zij hezit een grijs, brood, hehaard liehaam en aan den kop twee krachtige, bruine, buisvormig doorboorde kaken. Dit is de zoogenaamde mierenleeuw, die slechts langzaam kan kruipen, doch de kunst verstaat zich snel rugwaarts in het zand te horen en een kleinen trechter als valkuil te vervaardigen, op wiens bodem de kaken even zichtbaar zjjn. .Mieren en andere kleine insecten.
die in 't voorbijgaan in den kuil vallen, worden oniniddelljjk aangegrepen en uitgezogen. Trachten zij te nntvluchten, dan werpt de mierenleeuw hen met een lading zand en doet ze daardoor weer naar beneden glijden. Tot dezelfde familie he-lioort de (ï e w o n e ga a s v I i eg (llemerohins ficrUi,
Tah, DJ. Fig. (i), die soms in onze woningen voorkomt. Zij hezit zeer teere, hreede vleugels en lange draadvormige sprieten. Hare eieren hecht zjj met kleine steeltjes aan de oppervlakte van bladen of' stengels, liefst op planten, die sterk door bladluizen bezocht zijn, daar deze voor de larven als voedsel dienen. Zij maken zich dus verdienstelijk als blad luizenverdelgers.
De K a in eel ha Isvl ieg (Raphidiu o/j/mi/is/'s), met een zeer smal voorborststuk, waardoor de lange, vierhoekige kop schuin naar boven gericht gedragen wordt, komt
t)r ,. Hot ilioronrijk. Insecten.
iâ (leniK'tibossclicn voor. Dc larven zijn flinke iaseetenroovera, die^ op do scliors der boomen leven, ilaaroiuler overwinteren en verpoppen. De Scliorpioen-vlieg {Pnnoriiii ronnmini»), met simitvonnig verlengden kop, heeft liaren naam te danken aan do overeenkomst, die liet aehtorlijf van liet niannetje vertoont met dat eener scliorpioen. De larven leven in den grond van vergane plantendeelen. De
................ nwrwf,.., vmiLven kleine iii?ecten in de vluelit i'ii zijn daardoor zeer nuttig.
Tot de schadelijkste insecten behooren zonder twijfel de Termieten, ook wel witte mieren irenoenul, die voornanielijk in de
O
lieete gewesten voorkomen, Zij wonen als do mieren in groote ge/.elseliajipen liij elkander, zijn evenwel zeer lielitselmw en houwen daarom, als zjj op voedsel uitgaan, steeds overdekte gan-quot;â en. Zij kleven daartoe aard-deeltjes, houtsplinters en dergelijke dingen vast aim elkaar. Maar voedsel hestaat uit dierlijke en afgestorven
plantaardige stuffen, waartoe ook het timmerwerk en de nieuhels der wc..........
papier, leer, allerlei eetwaren, kortom hijna alles, wat niet van steen of metaal is, moet gerekend worden. Zij vreten alles van hinnen uit, zoodat men van de aange-riehte ^ verwoesting niets bespeurt tot het meubelstuk of gebouw plotseling m elkander stort. Yoor pakhuizen zijn het de gevaarlijkste vijanden. Mannetjes en wijfjes zijn gevleugeld en vliegen voor korten tijd rond. Een wijfje wordt daarna dóór de geslaelitelooze arbeiders van hare vleugels ontdaan, in het nest gesleept, in eene cel in den vorm van een horlogeglas opgesloten en hier rijkelijk van voedsel voorzien. Haar achterlijf zwelt nu spoedig tot overinntige'grootte op; liet wordt 5 cM lang, terwijl dat der arbeiders niet meer dan 'gt; nvM lang is. Nu begint het wijfje onafgebroken'eieren te leggen, dagelijks tot «0000 stuks toe. Deze worden in cellen gehraeht door de arbeiders, die tevens de larven voeden en verzorgen. Het
âest wordt in dezelfde mate vergroot als bet getal der individuën toeneemt. HIJ verscheidene termietensoorten van West-Afrika bereikt het eene hoogte van 4 - M en een omtrek van 16 'iO M. l?ij eeltige wordt het bolvormig, bij andere zelfs paddestoelvormig gebouwd; weer andere bouwen in den grond, in boomstammen .d mantelvormig daaromheen. Eene der meest gevreesde soorten is de m Oost-lndie en Afrika inheemsche Termex bellicosm, wier nesten ook geslaelitelooze âsoldaten bevatten, die grooter en kwaadaardiger zijn dan de andere. De m Zuid-Kuropa voorkomende soort, T. hH-ifrnjus, kan reeds verwoestingen genoeg aan het hout-
â Hot dioronrp. Insectoii.
iu diMiiH'iiliosschcn voor. Dc larven zijn Hiuke insoctonroovcr., dio op .lo schors der Ijooiuoii loven, daaronder overwinteren en verpoppen. De Se hor pi oen-vlieg {l'nnori»' conimuni*), met snnitvonnig verlengden kop, heeft haren naam te danken aan de overeenkomst, die liet aeliterlijf van het mannetje vertoont met dat cener schorpioen. De larven leven in den grond van vergane plantendeelen. De
.âai....................vmiiren kleine insecten in de vlucht en zijn daardoor zeer nuttig.
Tot dc seliadelijkste insecten behooren zonder twijfel de Ter-mi eten, ook wel witte mieren genoemd, die voornamelijk inde heete gewesten voorkomen. Zij wonen als dc mieren in groote gezelschappen hij elkander, zijn evenwel zeer liehtschaw en houwen daarom, als zij op voedsel uitgaan, steeds overdekte; gingen, /iij kleven daartoe aard-deeltjes, houtsplinters en dergelijke dingen vast aan elkaar. Haar voedsel hestaat uit dierlijke en afgestorven plantaardige stotfen, waartoe ook het timmerwerk en de meubels der woningen, papier, leer, allerlei eetwaren, kortom hijna alles, wat niet van steen oi metaal is, moet gerekend worden. Zij vreten alles van binnen uit. zoodat men van de aange-Hd.te verwoesting niets bespeurt tot het meubelstuk of gebouw plotseling in elkander stort. Voor pakhuizen zijn het de gevaarlijkste vijmiden. Mannetjes en wijfjes zijn gevleugeld en vliegen voor korten tijd rond. Een wijfje wordt daarna door de geslachtelooze arbeiders van hare vleugels ontdaan, in het nest gesleept, in eene cel in den vorm van een horlogeglas opgesloten en hier rijkelijk van voedsel voorzien. Haar achterlijf zwelt nu spoedig tot overmatige'grootte op; het wordt 5 cM lang, terwijl dat der arbeiders niet meer dan quot;gt; inM lang is. Nu begint het wijfje onafgebroken eieren te leggen, dagelijks tot lt;S(K)0Ã stuks toe. Deze worden in cellen gebracht door de arbeiders, die tevens de larven voeden en verzorgen, liet âest wor.lt in dezelfde mate vergroot als het getal der individuen toeneemt. Bij verscheidene termietensoorten van West-Afrika bereikt het eone hoogte van 4 5 M en een omtrek van 16 -'20 M. Dij eenige wordt het bolvormig, bij andere zelts paddestoelvormig gebouwd; weer andere bouwen in den grond, in boomstammen ot mantelvormig daaromheen, Eene der meest gevreesde soorten is de in Oost-lndie en Afrika inheeinsche Trrmr* h.dlicosv*, wier nesten ook geslachtelooze âsoldaten bevatten, die grooter en kwaadaardiger zijn dan de andere. De in /mid-Fairopa voorkomende soort, T. lucifmjus, kan reeds verwoestingen genoeg aan het hout-
Uechtvlou^olig-oii.
werk van huizon, hoeken en jiapieren annrichkMi. De inlaudselie '2 niM lan^e Houtluis ot het Doodsk loppet'tje (/'««'ks hiiiiinchilit*) j^'eiijkt wel in incniquot;' oj)ziciif; op de termieten, wordt evenwel zelden selmdeljjk; het diertje is ongevleugeld en maakt een kloppend geluid door met de kaken tegen papi(:r, luait-splinters enz. Ie tikken.
Hcclitvleiigeligeii.
Do dieren uit deze afdeeling dor insecten bezitten 'i vleugels. Met voorste paar is smul, leerachtig en bedekt in rust do achterste vleugels. Deze zijn breeder en, ids ze niet gebruikt worden, meestal in de lengte waniervormig onder de bovenvlengols sameiigevouweu. Do loodrecht geplaatste kop heeft een hoog, breed voorhoofd en dunne, lange sprieten. De beide samengestelde oogen zijn groot, soms zijn ook 'i of 3 enkelvoudige oogen voorhanden. De krachtige vreetwork-tuigen zijn bij de meeste voor het knagen aan plantenstoffon ingericht cidcele soorten dezer groep zijn evenwel ook roofdieren. Hot borsistnk is met cone breede vlakte aan het achterlijt verbondmi. \ ele rechfvlcugeligen hehlien oene samengestelde maag, waarvan de eerste afdeeling van tanden voorzien is en als kanwrnaag dient. De wijfjes bezitten bij vele soorten oene lange tweekleppige logbuis, om er op bepaalde plaatsen de eieren mee te leggen. Do gedaanteverwisseling is onvolledig. De uit hot ei komende larven gelijken reeds opvallend op de ouden, missen evenwel de vleugels. .\a verschillende huidwisselingen beginnen deze zich als korte stompjes te vertoonen. Meestal leiden larven en volkomen insecten dezelfde levenswijze.
De Loopondo r e c h t v 1 e ugo I i ge n hebben slechts weinig verdikte achter-pooten. Daartoe bohooren de breedgebouwde Kakkerlakkon met van voren afgerond vuorborststnk, dat soms over den kop heenreikt. De Duitse he kakkerlak {lUulhi (jmtiiniica) komt bij ons veel voor in schepen, waar hij van schoepsbeschuit leeft, en in de branderjjon.
Hij is roodachtig geel, mot twee zwarte stropen over het voorborststuk. In onze woonhuizen is hij grooteudoels verdrongen door den grooteren. uit Oost-lndië ingovoerden Kou-konkakkerlak of Hakkerstor (11, oriculalis), die zich soms in massa's ophoudt in gebouwen, waar voorraden van levensmiddelen bewaard worden. In onze havenplaatsen is de nog grootere Am er ik a ans c li e kakkerlak (II giyun-leu) door do schepen ingevoerd en tot grooten overlast der bewoners heeft hij zich daar voor goed ingoburgonl. Hij is n,. k^uk^kukkcTiuk. bijlui «) cM lang en c2'/ j cil breed. De kakkerlak ken lioudeu veel van warmte en Waunkk's Natiuirlijkü Historie. # i7
II.'t iliiMvmiJk. Inscctfii.
wordmi dooi' koude licht gedood. Zjj lioudou zich overdag schuil, om '«avonds to voorschijn to komen. Zjj loopon zoor snol, vliegen goed en laten een trommelend geluid liooren. Suiker en andere voedingsstoffen uit het plantenrjjk, zoowel als dierlijke stoffen vormen hun voedsel: Ja, /.ij knagen zelfs nan papier, hoeken, leer, katoenen en wollen klceren enz. Vele vergiften schijnen op hen geene uitwerking te hebben en andere raken ze niet licht aan, zoodat ze moeilijk uit te roeien zijn. Ze overdag in hunne schuilplaatsen met kokend water of zwaveldamp dood en, is het beste middel om ze uit te roeien. De grootere soorten zouden door egels en katten worden gevangen en opgevreten. Hiertoe behooren ook de Oorwormen (I'dr/inda auricuhtriu, Tab. I'J Kig. 7), die ia tuinen door het uitvreten van liloeuKMi (Dahlia's) en zoete vruchten lastig worden. Om deze tegen hen te beschcnnen, plaatst men hloempotten of andere holle voorwerpen op de planten of in de nabjjheid en klopt er 's morgens de oorwormen uit, die er zich hij menigte in verscholen hebben. De tang aan bet eind van het achterlijt dient zoowel als wapen ter verdediging, als tot het ontplooien en het overlangs en overdwars samenvouwen der groote achtervleugels, die onder de kleine voorvleugels geborgen worden, liet wijfje legt vroeg in 't voorjaar de eitjes dicht bjj elkaar onder een steen, blijft er op zitten, alsof het ze uitbroedde en houdt do jongt; larven een tijd lang bij zich, om ze te beschutten als eene hen hare kuikens.
De V a tl gs p r i ii k h au en zijn echte roofinsecten ; zij bewonen slechts de warmere gewesten eu komen dus in ons land niet voor. In /uid-Duitschland komt reeds de Hiddende v a n gsp r i nllt; li aan (Mantix relujkmi, Tab. lü Pig. H) op struikgewas voor. Door /.iju dun lichaam en zijtU! groene kleur gelijkt hij op een tak. met daaraan zittende, smalle bladen. Hij zi( meestal onbeweeglijk loerend, met opgericht borststuk en opgeheven voorpooten, die tot roofwerktuigen zjju ingericht. Hun scheen is snijdend scherp en kan tusschen een paar eveneens scherpe ribben van de dij teruggeslagen worden, als het lemmet van een knipmes iu den steel. Met deze pootcn grjjpt en doodt liet dier andore dieren, zelfs zulke, die hem in grootte overtreffen. Zoo vrat een gevangen exemplaar niet alleen vliegen en sprinkhanen, maar zelfs jonge kikvorschen en eene kleine hagedis. Eene in Zuid-Amerika inheemsche soort (.1/. (injoüinn) van S c.M lengte werd verrast, terwijl hij bezig was aan een vogeltje te vreten, dat hij met behulp zijner roofpooten gedood had, toen hij het slapende op een boomtak aantrof. De Spoken behooren alle in de bosschen van tropisch Azië en van Urazilië tehuis. Vele worden meer dan 15 cM lang, hebben een dun, rolrond lichaam van goljjkmatige dikte en eene grijsbruine of groenachtige kleur, zoodat zjj volkomen op een stuk van een tak gelijken, waaraan de meestal onbeweeglijk uitgestrekte pooten als dunne twijgjes zitten. Vele soorten bezitten geene of onvolkomen ontwikkelde vleugels. Bij gevaar houden zij zich dood. Gedurende den nacht
Ki'i'lil vl'Miyvliu'cii.
waiulelen zij. spookaclifig vivonul. dooi' lu't stmikgowas. Iioudon zich gaf paai'sgcwjjzc! hij clkaiiiicr en voeden zich nier bladeren, lief Wandelend li (l'hi/lliinn siccifolium) in Oosf-Jndie gelijkt door den vorm. de groene kleur en den loop der aderen van de voorvleugels liedriegeljjk o|i een werkelijk blad.
I5ij do S]i r i n ge n d e re c b t-vleugeligcn zijn de dijen der achterpooten meer ot' minder verdikt, waardoor de dieren tot bet maken van groote sprongen in staat gesteld zijn. Mene groeji, de ((ra\ers. leven (inder den grnnd. Daartoe bcbmirl de N'eenmol ((iri/llolulim vidfidrin), die, waar hij in groot aantal voorkomt, eene ware plaag voor land- en ttiintnati kan worden, liet is een krachtig gebouwd. â quot;) c.M lang dier van donkere kleur cn niet een dreigend uiterlijk, dat evenwel den mensch niet bijten, noch op andere wjjze ^ .\f!\ V; Y'â V'
verwonden kan. De voorpoo-
voeden en kan daardoor /.eer veel
ten zijn zeer breed, schop-vormig, met getanden rand.
/ij doen dienst als uitstekende graat\veidlt;ruigen. .Met bidmlp er van graaft het dier \ lug gangen door losseti, muilen weide- en tuingrond, bijt de wortels der planton stuk om er zich mee t(
kwaad doen, Zjjn hoofd voedsel schijnt uit in den grond levende dieren te bestaan, s W inters begeeft de veemnol zich op grootere diepte in den grond, In dutii legt het wijfje in een bolvormig uitgehold nest, met vasten wand ongeveer IMM) eieren. De jongen blijven geruiinen tijil onder de hoede der moeder, liet nest kan in zijn geheid uit den grond gehaald worden en de plaats, waar bet zich bevindt, verraadt zich daardoor, dat er alle planten geel worden. Do veenmol zelf laat zich in bloempotten vangen, die met de opening op de hoogte zijner gangen zijn ingegraven. â De II u is k rekel (fiV'/Z/i/.s doiin'slicKs) is bekend als trouwe gast in bakkerijen en vooral op bet platte land dicht bij den baard, dus op warme plek jes. Overdag houdt hij zich rustig verborgen; 's nachts komt. hij uil zjjn schuilhoek te voorscliijn om allerlei eetwaren als voedsel te zoeken. De nuumetjcs laten daarbij aanhoudend hun scherp, eentonig gezang hooien, waardoor zij zeer lastig worden.
Il«'t (liiTonrijk. hisoctfu.
De Ycld k rekels (G. camiiestris) zjjn zeer algemeen op droge plaatsen, waar zij zich kleine holen graven, aan wier ingang de mannetjes hun gezang doen hooren. Zij loven van gras en andere kruiden en van zaden en vangen ook insecten.
Het geluid brengen zjj voort door de leerachtige voorvleugels, die aan de onderzijde van eigenaardig gewonden, uitstekende ribbon voorzien zjjn, togen elkander te wrijven. Van onze Sabolspri nk hanen, zoo genoemd naar de sabelvorinige sa beisprink haa n (l.ocuslii viridixnimn Tab. I'2 Fig. !») do grootste en meest bekende. Hij komt slechts in enkele exemplaren voor, vliegt weinig en kruipt langzaam, maar kan geweldige sprongen maken. 11 ij wordt soms door kindoron in oen huisje gehoudon en mot gras en bladeren gevoed. De inanneljos bobben een muzicktoestol aan do wortels der voorvleugels; de linker boven vleugel bezit van onderen oeno getande, stevige nerf, die uvor oeno kringvormige nerf' van den rechter vleugel gewreven wordt, waartusacbon
een dun vlies gespannon is. t De wijfjes leggen mot be
'/jij zijn volkoincn onseliiidolijk
X
logbooi* dor wjjfjes, is de (H rooiut
hulp van de logboor een 10 I'J-tal eitjes in oeno kleine holte in den grond. In don herfst sterven do volwassen sprinkhanen door de koude; alleen de eieren overwinteren. De in het voorjaar uitkomende jongen bij de dorde huidwisseling
't klein de gedaante der ouden,
komen de vleugels voor den dag, in Juli hebben zjj hunne volle grootte bereikt. Men treft ze meestal in struiken, enkele malen zelfs in boomen aan. Zjj vreten ook wel insecten. Do Vo 1 ds p ri nkbanen bezitten kortere sprieten dan de sabelsprinkhanen; de wijfjes hebben goene leg'boor; de mannetjes maken muziek door het wrjjvon van de schenen langs don stijven rand der voorvleugels. Zjj zoeken hun voedsel (stengels en bladoren van kruiden) uitsluitend op den grond. In ons land komen verscheidene soorten voor, geen van alle evenwel in zoo groot aantal, dat zij merkbare schade aan de te veld staande gewassen te woog brengen. Toch behoort daartoe ook de beruchte T re k sp r i n k h a a n (Acrijdhnii iniijraloriuni). Soms vertoonen deze sprinkhanen zich plaatselijk in onnoemelijk aantal, zooals zelfs in het naburige Duitscldand horhaaldeljjk het geval wras, en worden dan oeno ware plaag. Waar zjj zich eenige jaren lang ongehinderd kunnen
bezitten reeds in
voort|ilantcii, woidl linn mi Heeds de lurven vr en zoo zjjn ze geiiood/.aiiUr te trekken. Zoodra /.ij vleugels liezitten. verzaini'-len zij zicli dan soms tot onatzienhare zwermen, die als dikke wolken liet zonlicht onderselleppen eiisoms uren lang aan één stuk over
eene plants heentrekken en Ki(r. Tr..k«priiikh«an.
dus eene lengte van 11 i I).
Mjjlon moeten bezitten. Zjj vliegen niet zeer snel, steeds vóór den wind en brengen, wanneer zij naderen, ontzetting iian in alle streken, waar landbouw wonll nitgeuel'end. Waar zij zieh neerlaten, bedekken zij liet land mijlen ver. en al wat groen is, wordt soms in enkele minuten door de tallooze dieren afgevreten, zelfs dorre halmen en stengels blijven niet over. Kleinere zwermen kunnen, vooral als de dieren nog krachtig genoeg zijn om verder to vliegen, door vuur, rook. schieten en leven maken van eene bepaalde plaats verwijderd gehouden worden, doch zoo de dieren uitgehongerd en vermoeid zijn ot' in grootere zwermen aankomen, kan niets hen terughouden. Soms komen zjj uit Oost-Azië (Tartarjje) tot in .Middel-Kuropa. In 1748 bracht een zwerm, die uit 1 longarije overkwam, schrik aan in West-Europa, tot Frankrijk en Engeland toe. De treksprinkhaan is groenachtig bruin, met bruin en geelachtig gevlekte vleugels en een aan de onderzijde steenrood borststuk. Hij is .quot;gt; cM lang. Eene aan de Kaap de Goede Hoop voorkomende soort (.1. dectiMulor) zou zelfs het zaadkoren uit den grond opvreten. De Tartaarsche sprinkhanen (A IctrUtricuèn) verwoesten in sommige jaren in de Middel-Aziatische en Afrikaansehe landen alles op het veld. Daardoor en door het rotten der tallooze dieren, die daarbij omkomen, waren de «prinkhanenzwermen dikwijls oorzaak van hongersnood en ]iest in de door hen geplaagde streken. Gewoonlijk worden zjj gevolgd door heele scharen van insectenetende vogels, vooral door den rozenspreeuw. Aan de zwaarheiiroefde bevolking blijft soms niets over. dan de sprinkhanen versch gekookt of gedroogd, gestampt en als koek gebakken, in plaats van brood te nuttigen. Xiet weinige soorten dozer groep bezitten fraai rood. blauw, geel en zwart geteekende ondervleugels. In de streken, waar zij haast elk jaar verwoestend optreden, is het beste middel om ze uit te roeien de plaatsen, waar de eieren gelegd worden, op te zoeken (men vindt den grond daar in den herfst bezaaid met doode wijfjes) en in 't voorjaar de jonge vleugellooze larven in groote vangkuilen te dood en.
Vleugelloos zijn: de Sn i k er ga s t (Lt'ititina Hicchurina), een klein zilverwit, op
Kochtvlcu^eligeTi. 0(1 j
ntal verbazend groot, daar één wijfje circa 150 eieren â ten de streek, waar zij geboren werden, geheel kaal
Hol (lioronrijk. Insecten.
ecu vist'hjo gvljjkcml diertje, dat uit Amerika afkomstig zou zijn. Uet Imudt ziel) in vochtige vertrekken tussclien wollen goederen, lederwerk, Iioeken enz. op, veroorzaakt evenwel geene noemenswaardige sehade. De S p r i n g s ta a r t e n (Podwxt), gelijken lt;i|i eene vloo en kunnen met belmlp van den onder het lichaam teruggeslagen, ge vork ten staart uitstekend springen. Men vindt ze in verschil lende soorten, vooral in
i voorjaar, tussclien vochtig mos, in slooten en plassen, aan boomschors, zelfs in de plassen van sneeuwwater op de gletschers i Siieeu wspri ng-s taart Dcsoria ijlacialis), /ji voeden zich met vergane plantenstoffen. Ook de Hlaaspooten ( Thrliis) worden tot de rechtvlengeligen gerekend, ofschoon ze vleugelloos zijn. Zij danken hun naam aan de heehtschijfjcs. die ze in plaats van klauwen aan de pooten hezitten en zijn )iau\velijks 'J ai.M. lang. De (i ra a ii h 1 aa spoot (Th. ccn'nliion) legt de eieren aan graanplanten : de oranje-gelo larven treft men in de aren en soms tussclien halm en hladschecdo aan. Zjj verzwakken de plant zeer. door de sappen uil te zuigen, zoodat do korrels zich niet hehoorlijk ontwikkelen. De 1! oo d s taa r t i ge hlaaspoot (/7i.
iltilis) wordt soms voor de tuinlui lastig. Men treft hem slechts in serres aan, waar hij. door zijn zuigen, de jonge scheuten van verschillende planten doet verwelken.
Iliilfvleiigeligeii.
De mond werktuigen der hailvleiigeligen vormen een zuigsnuit, die hij de meeste tevens is ingericht om er mee te steken. Zij doorlioren er de huid van dieren en planten mee, om zich met de sappen daarvan to voeden. Soms laten zij daarbjj een bijtend vocht in de wonden vloeien, waardoor eene ontsteking ontstaat, die hij nienschen eene brandende pijn, bij insecten den dood veroorzaakt. Enkelvoudige uogon ontbreken. De eerste groep der Ha If v 1 euge-ligen is die der \V antsen. De voorvleugels zijn hieraan den wortel leerachtig, terwijl de andere helft vliezig is, evenals de achtervleugels. De snuit ontspringt aan de voorste punt van den kop. De kop is klein. De Landwantsen hebben een gedrongen, breed en platgedrukt lichaam. Zij verspreiden een onaangenamen reuk, die veroorzaakt wordt door eene vloeistof, die tussclien de achterpooten uittreedt. Zjj leven op planten, zuigen de sappen daaruit op en worden daardoor soms schadelijk. De F r a m b o z e n w a n t s [l'anlaUnmi haren ruin) bederft soms de vruchten, door er overheen te kruipen, waardoor de akelige lucht dezer dieren er aan blijft hangen. De meeste dooden ook insecten, wier sappen zij nitzuigen, waardoor zij eenig nut doen. De bekende Koolwants {l'.ulcraceu), het
HaHVloiiircli}:*'!!.
wijfje nu't roddc. het inamictjc niet wift(! vlckki'ii (i]i (it'll glnnzciidcn blnuwgroi'iu'n rug, leeft dj) kool en aiulei'e llt;rilisi)ioeinige planten. De Roud-poot igo b o o iii-
WillltH (/'. l'H /i I li 'N)
liriiiiiiuditig mot roo-de pooten, leeft op liuomen en/.. Als kuaiidsii- pliiiiggeest voor de liewoners van I^uropa is de vleugel-looze Wcogluis of wandluis [Acan-Ihia leiiiilaria) berucht. Men zegt, dut zij oorspronkelijk in üosf-lndië te linis lie-lioorde. Daar zij in
oud lioufwcrk langen tijd /.onder voedsel kan liljjven loven, wordt /.ij ine( iillerlei goederen zeer licht meegevoerd en is zij door de liandeldrijveilde volkeren over de meeste landen der aarde verspreid geworden. Overdag liondt zjj zich schuil in de nauwste spleetjes en gaatjes van \\
vloeren, muren, meubels, beddegoed enz... doch s nachts treedt zjj naiir huilen, om hare slachtoflers in den slaa|i te overvallen. De weegluizen vernieiiigviildigen zi(di verlci/.end snel, daar zjj, na eene onv()lledig(^ gediuinteverw isseling, reeds na lo of !i weken weer in staat zijn zich voort te phinteii.
Slechts door de grootste zindelijkheid, door voortilui'end de Bchuilplaatsen op te zoeken en te hestrjjken met petroleum of vergiftige vloeistoffen en door het vernielen der eitjes en jonjj staat hare vermeerdering tegen te houden. Kene verwante soort, de N er mom de w a ii t s (Iti'(Ikviiia â pt'.i'sontilm), zoo genoeind omdat de larve do kleverige ojtpervlaktc van haar lichaam met, allerlei stollen lasch, stof', /and enz. i liedekt, is haar grootste vijand, daar /.ij s nachts in de huizen op inseetenroof uitgaat . I laar steek is zeer pijnlijk.
De in het water levende wantsen bezitten dikwijls een smal. langgerekt lichaam, zooals de Gewone watcrlooper {.Ihjdromelre stiitj-rnmim, Tab. I'i Fig. 10), die door zijne lange, dunne pooten aan eenc spin doet denken. Dc uiteinden der voetjes zijn met mikroseopisch kleine haartjes bezet, die dc
larven, is men m
Ui-I tlicioiirijk. Insecten.
dioi'oii in staat stellen uiterst vlug over de (ipj ervlnktc van het water lieen te gljjden, zonder te zinken. Zij grijpen daarliij vliegen en imiggen aan, die in Imn bereik komen, dooden xc door ze te steken en zuigen ze uit. In het late najaar duiken zij onder water, zwennnen daar even behendig als aan de oppervlakte en den winter brengen zij door in het slik op den bodem. Ze zijn tamelijk gelijkmatig zwart van kleur.
De AV aterschurp loon (NojMi cinerca) zwemt langzaam op den bodem van stilstaande wateren of kruipt in het slik rond. Hij voedt zich met kleine waterdieren en steekt, zoo men hem wil vangen, met zijn korten, dolkvormigen snuit zeer gevoelig. Zeer algemeen wordt het Boots in a mietje (Solonerla ijlauea) op stilstaand water aangetroflen; het zwemt, bijna altijd op den rug liggend, ndesgewijze en steekt, zoo men het aangrijpt, zeer pijnlijk, waarom men het in Duitsehlaud ook wel âwaterbijquot; noemt.
De tweede groep dezer orde wordt gevormd door die, welke twee paar vliezige vleugels bezitten; soms komen deze alleen bij de mannetjes voor. De snuit ontspringt aan de onderzijde van den kop en is bij vele geslachten zoo lang, dat hij in den toestand van rust, onder de borst teruggeslagen zijnde, nog achter het licliaani uitsteekt. Van de hiertoe behoorende Cicaden komen hier slechts weinige en onaanzienlijke soorten voor. Rene daarvan, het zoogenaamd S c hui m be e stj e (Cerfoph simmaria), houdt zich als larve op wilgen, weideplanten en andere kruiden op. om er sap uit te zuigen en scheidt een deel daarvan als schuim weer af'. Hiermee bedekt liet diertje zijn lichaam, om er zieh mee tegen de zonnestralen en tegen zijne vijanden te beschutton. Men noemt die hoopjes schuim âkoekoekspogquot;. Daar zij meestal niet voel voorkomen, doen zij geene merkbare schade. De cicaden zijn licht aan hun korten, platgedrukten kop en hun gedrongen, naar achteren toegespitst lichaam te herkennen. De in Zuid-Europa veel voorkomende Esch-cicade (Cicada ami*) bereikt eene grootte van bijna l c.M cu gelijkt wel eenigs/.ins op eene groote bremsvlieg. Zij leeft op den Maiina-esch, waaraan zij door haren steek rijkelijke sapuitvloeiing te weeg brengt, wolk sap verhardt en den âmannaquot; vormt. Dé mannelijke cicaden brengen een helderen, schellen toon voort met behulp van een toestel, dat zich aan de onderzijde van het midden-borststuk bevindt. Eenige cicaden uit wanne landen zijn bekend door de wonderlijke uitwassen, die ze dragen, zoo b.v. de Dan taarnd ragers (/'Wj/om UUernaria) in Suriname, wier kop van voren een groot hol aanhangsel draagt, dat men niet eene lantaarn vergeleek en waaraan men ook ten onrechte het
Halfvlougeligen.
vei'itiofivn om (c liclilcn toorluvcf, Soinniig')' dc/.cr diorcii sclicidcn was at'; ilc Cliina-was is lid produrt van Fhtla l'nnlmln. De I! I a d I n i / r n vornu'ii cone zet'i' eigenaardige diergroep. Hare gedaanti' is lielaas een ieder al (e iiekend, daar zjj zicli zelfs op kamerplanten neerzetten, om zo uit te zuigen. Kop. borststuk en achterlijf zijn niet scherp van elkander to ondcrschoideii. Ofschoon ze lange, zeer dunne ptmteii hebben, bewogen de stompzinnige diorcn zich slechts langzaam, lijj vele soorten bezitten alleen do mannetjes vleugels, die ze evenwel slechts zelden gebruiken. Zij vliegen alleen bij zeer warm weer of wanneer zjj door den wind van haro voedingsplanteu worden afgerukt. Op do bovenzijde van het achterlijt' bevinden zich bij do nieesto soorten twee kegelvormige buisjes, waaruit een zoet sap. de honigdauw, wordt afgescheiden. Om dit sap worden do bladluizen door bepaalde mierensoorten regelmatig bezocht en belikt. .Merkwaardig is do wijze, waarop zij zich voortplanten. Bjj de meeste soorten overwinteren slechts de eieren, die in reten der schors of dergehjke schuilplaatsen gelegd worden. In het voorjaar komen daaruit uitsluitend wijfjes voor den dag: deze krijgen na korten tijd weer levende, vrouwelijke jongen, die zich weer op hare beurt op dezelfde wijze vermenigvuldigen. Zoo volgen elkander in één zomer tot 10 genera ties van deze zoogenaamde voedsters op. Xeemt men in aanmerking, dat eone voedster aan 80â100 voedsters het leven schenkt, dan kan mou geinakkelijk nagaan, dat in één zomer uit een enkel individu minstens 5000 milloen dieren zouden kunnen ontstaan, zoo zo alle bleven leven. Op het eind van den zomer worden mannetjes en gewone wijfjes geboren en deze laatste leggen de eitjes, die overwinteren, (ielnkkig hebben de bladluizen tal van vijanden in bijna alle klassen van het dierenrijk; vele komen om door koude en regen of worden door den wind van de plant, waarop zjj leven, afgeworpen. Toch kunnen zij zich op sommige plantensoorten op schrikbarende wijze vermeerderen, en daar zij, met den snuit in de bladeren, de jonge stengels of andere plantendeolen borend, niets anders doen dan de sappen der planten opzuigen, kunnen zij ontzaglijk groote schade aan allerlei gewassen te weeg brengen, vooral omdat zij meestal blijven op de plaats, waar zjj geboren werden en de plantondeelon, die er door aangetast zijn, weldra als met ecne dichte korst van bladluizen bedekt zijn. Vele soorten leven slechts op eone bepaalde plantensoort, andere zijn in dat opzicht minder kieskeurig. Enkele soorten leven in galachtige uitwassen van bladeren. Ook door den honigdauw kunnen zij aan planten, die in hare omgeving groeien, veel kwaad doen. De druppeltjes vallen op de bladeren, bet water verdampt, cene suikerachtige stof (meeldauw) blijft er op over, die de poriën verstopt, en waaraan stof en vuil hljjft kleven, waardoor do bladeren ongeschikt worden om hunne functies te vervullen. Tabaksrook, afwasschen of besprenkelen der planten met zeepwater, niet te sterk tabakswater of oen aftreksol van vlicrbloesems, bestrooien
Hei (lnivmiik. Inscdwi,
met ii'ifis ut (iilinkspoodcr of met PcreiseJi iMscotciipoodei' zijn iniddolun ter verdelging van de bliidlui/en, die naar gelangquot; der omstaiidiglieden kunnen worden aangewend. \ au do talrijke soorten zullen wij er sleelits twee nader liesjireken. 1 )e bruinroode üloedluis i Ih(nh/i'i'd), bevolkt soms de f'ruit-lioonien, vooral appelliooinen zoo diclit, lt;laf deze door liet witte, wollige pluis, dat den rug van liet dier bekleedt, er als besneeuwd uitzien. Drukt men ze dood, dan laten zij eene bloedroode vlek acliler. Zij steken deu snuit in de jonge takken lquot;' diep in het spintbout en doeu niet alleen misvorniingen daaraan ontstaan, maar verzwakken den boom geducht, lier afsnjjden en verbranden der aangetaste tak keu en hef zorgvuldig aI borstelen van den stam met zeepsop of andere vloeistoHen. waarbij men te zorgen heeft, dat geen enkel dier gespaard blijft, is het eenige middel om deze lastige plaag te bestrijden. De 1) ru ifl uis {Phijowm vuxldlri.r) is ile gedniditste vijand van den wijnstok, die sindlt; 1803 onberekenbare sehade heeft
I i«quot;. I'll. Pr «Iruillui'.. a (Jovlcugcid insect, h Vortistrr (f]) ren (sterk vi'igr.)
â ⢠Wortel van den wijnstok, door den druilluis mm^i'tast (nat. gr.).
aangebraelit in bijna alle wjjubouwstrolaMi van Knropa. Reeds vroeger was het dier in Amerika bekend. Men kent er twee vormen van. die slechts weinig van elkander afwijken. De eene leeft alleen aan de wortels der plant; haar steek veroorzaakt eene knolacbtige opzwelling aan de fijne wortel vezels, ten gevolge waarvan deze te niet gaan. De ongevleugelde voedsters, die in den voorzomer voorkomen, leggen eitjes, waaruit zich spoedig weer nieuwe dieren ontwikkelen, totdat 8 generaties daarvan ontstaan zijn. Dan ontstaan gevleugelde man netjes en wijfjes, die voor eene snelle verspreiding der plaag zorg dragen. De tweede vorm bewoont de groene, bovenaardsche jilantendeelen. vooral de bladeren, waarop zij galachtige uitwassen doet ontstaan, waarin ééue bladluis met hare eieren verblijf houdt. Ook deze dieren begeven zich in den herfst naar de wortels. Door de vernieling der fijne wortelvezels wordt de wijnstok gedood. Even hinderlijk als de meeste bladluizen zijn de Schildluizen, die op sier- en kamerplanten, op de ooft-boomen, den wijnstok en sommige boomsoorten onzer bosschen soms in groot aantal voorkomen en door bet uitzuigen van de sappen der planten groote schade doen. De wijfjes, die eene lialfbolvormige gedaante aannemen, ongevleugeld zijn en weldra alle geleding verliezen, leggen de eieren onder zich, terwijl zij steeds op dezelfde plaats vastgezogen blijven zitten en sterven dan. doeh haar lichaam blijft
Duuomlpootfii.
di! cirjcs goilurcmlc den winter lu'dclvkeu en zi'Hs nog con tijd lang do huvon, tot di'/o /ioli verspreiden. Do inannetjes zijn veol kloinor.
onderg'iian eono volkomen gedaanteverwisseling en zijn gevleugeld. Meerdere soorten leveren kleurstoffen op en zijn daardoor nuttig geworden; zoo do (.â oclionillo schildluis (Coccus euctt). Men logt om luirentwillo aanplantingen van Opuntia's (eone soort cactus) aan.
brengt de jonge schildluizen daarop en verzamelt later do linzongroote, roode, diklijvige dieren om zi' te dooden en gedroogd te verzenden. Daaruit wordt do prachtige karmijn-kleurstof horoid. Ãta'spronkelijk hoorl het dier in .Mexico t'huis; hot word evenwel van daar naar Zuid-Spanje. Algerii', de Kanariselio eilanden. lt; )igt;st- Indir-enz. ovei'gehraeht. \ roogor verzamelde men in Duitseh-land du l'oolseho coclienille (Piiriilu/i'ojilioi'K imlo-
niat) op de wortels dor overhlijvondo liard bloem (Sclerfnlhux imreunhix), en op
eikenhakhout wordt in (irickenland nog de M i k en s e h i 1 d I u i s / : : |
^ , i. â |
{l.ri-diüiini llicix) gezocht, die de ..Ivormes (oeno roode kleurstot') ' fj ïihfit', oplevert. Eeno Oost-Indische soort, do Ilt;n k se h i 1 d I u i s (f '.occiis â J
l.acco) steekt jonge takjes van do vijgeboomen aan. veroorzaakt daardoordo uitvloeiing van melksap, dat vorhardten hetgomlak vormt,
waaruit schol luk en tevens eone roode kleurstot'gewonnen wordt,
Xa do sclnldlnizon moeten nog de eigoidijke Luizen genoemd worden, die in verschillondo soorten (I'mHchIu* cajiili*, vrsli-mcnli, e. a,) onzindelijke monschen plagen. De Hoofd In is is roods na IX dagen volwassen en ondergaat goene gedaanteverwisseling. Zij bezit een dikken znigsunit, die mot haakjes llquot;quot;r bezet en van twee prioinvorniigo stekels voorzien is. Zij vo(
zich mot bloed.
D U I Z E N D I'OUT K N,
Deze klasse dor gelede dieren bevat slechts 500- 000 liclitschuwe soorten, wier lichaam uit talrijke, mot eeno harde huid bedekte loden is samengesteld. Mik lid draagt I 'J paar gelode pooton met óóu klauwtje. Eone eigenlijke gedaanteverwisseling heeft niet plaats. Do uit de eieren voortkomende Jongen vortoonen reeds den vorm van het volwassen dier, doch bobben slechts 0 paai* pooteu; bij elke vervolling komen er nieuwe segmenten en moer pooton bij. Sommige verkrijgen er moer dan 100 paar. De eigenlijke duizondpooton bezitten
V-v
I
l i/,'-. Hl.quot;». ('tx'lu'iiilK' -«cliihlluls. M ManiK'tJt', \\ Wijl'jr.
Hot: diorennjk. Insecten.
één paar pootcn, diclit bij den moiul, ilic nis grijiiwcrkfuigcn dienen, en in doorboorde klauwtjes eindigen, waardoor vergift vloeit in do wonden, die zij er mee \eioor/uken. liet zijn roofdieren, die zicli zeer ving bewegen, om zirli op lumne prooi, insecten en wormen, te werpen. Hij de groote soorten der heete gewesten, h.v. den in trojiiseli-Ainerika levenden Oift-8eo 1 opendor (Scdoiiettdra Hiorsilam, Tab. Iigt; f'ig. 11) en den in Oost-lndiö levenden R euzen-Scolo-pender (.s. -fujanleu) brengt de beet zelfs bij den menscli hevige ])ijiion te weeg en daarom zijn ze in deze streken evenzeer gevreesd als de scborpioenen. Enkele soorten, zooals de bier voorkomende Kloet rise be duizoiidpoot (Geojihilm elect rhuot), die â¢gt; cJI lang wordt, verspreidt in bet donkor een phosplioresceerend Hebt, doolt niet zoo sterk als do glitnwonn. Sobadeljjk zijn onze inliutdsclie soorten in quot;â¢een enkel opziebt. De M i 11 i o en p oo t en, met rolrond of balfcylitidrisob licbaain, zonder vergiftige grijpjiooten on met '2 paar pnoteti aan de moeste segmenten, voeden zich meestal met verwelkte plantendeelen of half vergane stoffen, soms ook met doelen van lovende planton, als kitolleii en vruohtoti. In liet Inat.sto geval doen zij, wanneer ze in groot aantal voorkoniott, sebado. Bij gevaar rollen zjj zich meestal spiraalvormig op. l)o meest gewone soort is de .luliix tam'xlri*. die soms aan aardappelen en wortelen knaagt en zielt in den grond oplioadt. Do mcesto dezer dieren houden ziob op donkere, vochtige pkiatsott. oinlor steeiion, mos, boomschors enz. op.
SriNACHTlö K DIEHKN.
Bij de spinaohtige dieren is kop en borststuk tot één stuk samengosmolten; de oogen zijn enkelvoudig; sprieten ontbreken. Do ademhaling geschiedt, hetzij door op longen gelijkende werktuigen, die aan het achterlijf voorkomen, of door in liet gebeele lichaam vertakte luchtbuizen. /,ij oiidcrgaatt geene of eene onvolledige gedaantovorwissoling, vervollen evenwel 4- (i maal.
De Kuropeoseho sehorpioen (Scorpio europaeuK, Tab. l'i l^ig. -pi) komt in geheel Zttid-Knropa voor op vochtige, donkere, duffe plaatsen. Overdag houdt bij zich onder steenon, boomwortels en dergelijke plaatsen schuil; zoodra hot donker wordt, komt hij te voorschijn en begint zijne jacht op insecten en spinnen. 11 ij vat zijne prooi met do groote scharen, die boven de mundopeiiingaan den kop voorkomen, en doodt ze door een steek met don gekromdon giftstekel, dien hij aan het eind van den staart draagt. Deze giftstekel is bol, hoeft onder do punt eene opening en staat met eono giftk lier in verbinding. Bjj don menscli veroorzaakt zulk een steek ongeveer evenveel pijn als oen wesposteek en heeft zelden gevaarlijke gevolgen : wel zou do steek van andore, grootere schorpioensoorten in Afrika on Arable levensgevaarlijk kunnen worden. Do Kuropeescbe schorpioen
Spiiialt; liti^«' ilioicii.
heeft (i oogeu, die 's nachts licliten: lijj wordt â quot;gt; cM lan^. Andere sehorpioeneu lte/,itten 8 tot 12 oogen, liereikcn ecne lengte van 1'2 c.M en varieeren in kleur van stroog-eel tot /wart. liet wijtje brengt ongeveer 50 jongen ter wereld, die reeds geheel op het oude dier gelijken, het een tijd lang verge/ellen en onder zijn lichaam heischutting /oeken. De grootste schorpioen (Ihilliiis c/'cc.. die in gedaante op een rivierkreef't gelijkt en /.wartliruin van kleur is. leeft in Oost-lndie.
Hjj di^ Spinnen is de huid weck. hoogslens perkaiuentachtig. liet achterljjf vertoont geene ringvormige geleding en hangt slechts met een dunnen steel niet het kophor.ststuk samen; dit laatste draagt 8 pooten en meestal 8 oogen. Ook de spinnen bezitten twee /.oogonaaimh' kaaksprieten; deze dragen aan het eind een klauwvormig lid. dut inwendig doorboord is en waaruit een vergift iu de daarmee veroorzaakte wonde vloeit. Daardoor worden insecten onmiddellijk verdoofd ; grootere warmbloedige dieren of den menseh zou dit vergift evenwel slechts weinig deren. Alleen de heet van de Vogelspin {Mi/iinle oniccriil)1*, Tuh. 4'2 Pig. 1.5) zou bij den inensch '24 uren lang een koortsMchtigen toestand en lievige pijn veroorzaken. Dit ruig bebaarde, leelijke dier is echter ook zoo groot, dat het eene maiislmnd taiuehjk bedekt. De meeste soorten van Migel-spinnea bewonen de oenvouden van tro]iisch Amerika en houden zich overdag schuil in gaten in den grond, die zij niet een grof spinsel bekleeden. 's Avonds loopen zij met lichtende oogen rond. om springende de insecten te vangen, die zij ontmoeten. Soms zouden zij zelfs kleine vogels overvallen, die zij door hun vergiftigen beet dooden en daarna uitzuigen. Zij kunnen zich tanieljjk sterk vermenigvuldigen, want één wijfje legt tot '2000 stuks eieren, waar om liet een cocon spint in den vorm van een hoenderei. De meeste eieren en jongen worden trouwens door miereu, sluipwespen en andere insecten verdelgd, terwijl de volwassen spinnen door apen en andere dieren vervolgd worden. Tegenover hare soortgenooten zijn de vogelspinnen, evenals andere spinnen, zeer onverdniagzaiini, zelfs het mannetje nadert het grootere wijfje slechts niet de grootste voorzichtigheid, daar het altjjd gevaar loopt er door te worden opgevreten. De vogelspin heeft aan de onderzijde van het aehtcrlijf' 4 spintepels, de meeste andere bezitten er (i. Op iederen spintepol bevinden zich talrijke openingen, waaruit de spin eene kleverige vloeistof kan doen treden. De vele fijne straaltjes vercenigen zich tot ecu enkelen draad, die spoedig verhardt. De vogelspin bekleedt niet haar spinsel slechts haar hol inwendig; eene andere soort van dit geslacht, de Metsel spin {('Acniza coemenlana), die in Zuid-Europa voorkomt, spint een deksel op baar hol, dat zij aau don buitenkant zoo netjes met aardkorrels en plantendeelen bekleedt, dat men het niet kan onderscheiden van de omgeving. In tuinen en op velden is bij ons de Zakspin (Lycosa mccalxi) algenieen. Zij vervolgt hare prooi loopend en vangt ze springend. Ook zij houdt zich s winters en
Hof (lieronrijk. Spinnchti^o diertMi.
overiliig' vcrliorg-cii in liolten in don gTdiic], dio van hinntwi met spinsel bekleed /jjn. Den eiercocon voert zij l.)o«tou(li}j met zit'li mede tot de jonge spinnen zijn uitgekomen; zij draagt hem als een zak aan het achter)jjf vastgeiieclit. Nauw
verwant is de Zuid-Huropeesclie Tarantel (/,//-cosci lih'Kitlidu'), die zeer gevreesd wordt, maar w ier beet volstrekt niet gevaarlijk is. Hare holten, waarin zij ook hare eieren bergt, legt zij aan op de berghellingen. De Sp r i ngsp i mi e n zjjn bij ons niet zeldzaam, ze zijn soms bont gekleurd en vangen bare prooi geheel op de manier der katten. Van de spinnen, die een web vervaardigen, trekt de Kruisspin diddema, Tak DJ
Fig. li) bij ons het meest de aandaeht. Hums wordt zij zoo groot, dat haar aehterlijfde dikte van eene hazelnoot verkrjjgt, hoewel zij niet ouder wordt dan een jaar. 's \\ inters blijft slechts de eiereoeon over. Haar donker, lijn behaard lichaam is met kruisgewijs geplaatste, witte punten geteekead. I laai'weii spint zjj liefst oji tochtige plaatsen in tuinen en schuren in den vorm van een verticaal geplaatst rad. Zij houdt zich iu het midden daarviin op of wel aan den rand, maar in dit geval is zjj met een draad aan het middelpunt verhuilden, lilijfr een insect aan de kleverige drilden hangen, dan schiet zjj er unmiddellijk op af, omspint het met draden, bjjt liet met de vergiftige kaaksprieten en begint dan de zachtere deelen uit te vreten; de hardere deelea worden daarna verwijderd, De gewone Huissuin (/donirnlica) spint een zwak trcelitervoriuig web in een hoek en legt in bet diepste gedeelte er van eene buis aan tot schuilplaats. Zoodra een insect in het web komt, stort zij zieh daarop. Terwijl alle andere spinnen spoedig verdrinken als zij te water geraken, duikt de Waterspin {Ai^mronccla (iiiniilicn) met gemak, zwemt uitstekend en klimt up de stengels der waterplanten rond. Zij is daarbij als bekleed met een zilveren mantel van luchtbelletjes, die waarschijnlijk door de haartjes worden vastgehouden, waarmee haar liehaain bedekt is. Huitendien kan de waterspin met hare spintepels grootere luehtblazcn vasthouden en mee onder water nemen. Deze worden met spindraden aan de oudi'rzijde van bladeren bevestigd en klokvurmigomsponnen, zoodat eene soort van duikerklok gevormd wordt. Daarin neemt het dier plaats en loert nu op insecten, die in de in het water drijvende draden verward raken. De 1) ra ad spi n nen (Thm-edhim) zija de kleinste onder de spinnen ; soms zijn ze niet meer dan ii mM groot. Zij leggen in struiken en kruiden kleine webben aan van unregelmatig zich kruisende draden. Meerdere soorten van spinnen zijn ook in staat vrjj iu de lucht zwevende
270
Spinadiiitfo dioron.
draden to spiniuüi; wonleu tlozo dooi' den wind inccgevoord, dan kunnen de spinnen daarmee tot op aanzienljjke hoogte opstijgen en zij trekken met liehulp dozer âherfstdradenquot; in den herfst over golieele landstreken voort. i)e llooi-Wiig en (Plialanijhcin opilici) belioorfc tof do Büs t a a r d sp i n n en, dii' door lueli tl luizen ademen, schaarvormige kaken en een geleed aehtcrlijt hezitten. doch hot spintoestol missen. !)e hooiwagen is een volkomen onsoluidolijk ilier, dat 's nachts jacht maakt op vliegen en muggen. Zoo is do kleine lioekon-scliorpiocu {ChelifiT cuncroidcs, Tal». l'ig. !â¢gt;), die tot de bastaard-schorpioenen behoort, zelfs nuttig te noemen, daar hij zich slechts met mijten, houtluizen (Psovm) en andere kleine diertjes voedt, die zich in oude boeken en tusschen papieren ophouden.
Tot do spinachtige dieren behooren ook do M jjtcn. wier aehterljjl mot het kopborststuk vergroeid is. Do monddeelen zijn naar gelang der levenswijze dezer dieren tot bijten of tot zuigen en steken ingorieht. Do oogen ontbreken bij sommige geheel, andere hebben er - of 'i, iioj;' andere bezitten er slechts een boven op don rug. Aanvankelijk bobben ze alle (gt; pooten, bij latere vervelliugen komen er evenwel nog twee bij. Tot deze groep behooren de kleinste gchMlo dieren, want sommige worden slechts '/â niM lang. Ken oiiscliadeljjk diertje is het bekende scharlakeiiroode Ge I u k ssp i n n e t j c (TroinhidiiDii ImloxcriccKm}, oen stomp-vierhoekig diertje, dat zich op den jitoimI tnsschon do gewassen ophoudt. De Spinnende u\\] t ((in tnnntsu* Irhtrint) is bij don tuiniiM' gehaat, daar /.ij zich g'aarne in plautenkasscn vestigl en hier aan de planten schade doel door het uitzuigen der bladeren, die zij mot een spinsel bedekt. Zij is ovaal. 1 , niM lang en roodachtig gekleurd. Ook op tuin- on boawlaud komt zij voor en kan, waar ze in groote menigte optreedt, aan allerlei cultuurgowassen, zelfs aau de boomen zeer veel kwaad doen. De lloendormijt DiViai/mws//((//nxoO trolt men soms in onnoomoljjk aantal in kippenhok ken aan.
de Voge 1 in ij 1 (lirniin-ni/mt.» avimn) in de kooien onzer kamervogols.
zoo zij niet zindelijk gehouden worden. DeKe-v o r 1 n i s (Gunmiasus couloplralorum) leeft op mestkevers, 50â(»0 stuks op één kever en eeno zeer kleine mijt, Acarus aairorunt, houdt zich
Het (licicnrjjli. Scliaalilioron.
weer op liet lichaam daarvan op. De Teken boren hunne /.uigundo munddoelen diep in de huid van warmbloedige dieren otquot; van don nieiisch, oni zieli zoo vol bloed te zuigen, dat haar licliaani tot iian/.ienljjke dikte opzwelt. De incest bekende is de Hou dentook (7.iw/lt;w Iticinun, Tub. 42 Fig. 16), die zich in de bosscheu op takken ot' bladereu ophoudt en. zoodra zich eene gelegeaheid aanbiedt, overgaat op het lichaam van een hond of een ander dier, zelfs op den incnsch. Volgezogen is haar lichaam zoo dik als eene hazelnoot geworden en eerder laat zij niet los. Men verwijdert ze door ze met benzine of terpentijn te bestrijken, waardoor /.ij loslaat; zon men ze met geweld willen uitrukken, dan breedst kop ol snuii in de linid af, waardoor ontsteking wordt te weeg gvbracht. Van de in 1'erzic levende (iiftnijjt {Ai'tjd* ficrsicns, Mallrh tic Miniich) wordt /(dis lieweei'd, dat haar l»eet voor den vreemdeling doodeljjk zou zijn. Van de \\ are mijten kunnen de Ivaasmijt {Awus .S/co) en do .Meelmijt {A, fariinw) het bederl der respecticsve waren verhaasten. Heruclit zijn de Sc h ui'Ctm ij ten, die bij niensehen en dieren eene akelige Imidziekttt veroorzaken, âde schurftquot;. Zoo de gewone (jravende schurttmijt coinmtoii*), die gangen
graaft in de huid bij mensch en paard en zi(di daar ongelootlijk snel voortplant, en de Zuigende scburttinijt (DcniKicdiilr* coinuiuiiis), luj bet paard, de koe en vooral bij bet schaap.
SC H A A L I) I K RE N.
Di ' schaaldieren bewonen bijna alle het water en ademen door kieuwen. De meest ontwikkelde onder hen bezitten eene harde huid, die kalk- of hoornachtig is en een kopborststuk, dat duidelijk van het achterlijf gescheiden is. Zjj hebben twee paar sprieten, die niet alleen als tast- maar ook als gehoor- en renkwerk-tuigen dienst doen en verder of enkelvoudige oogen, die afzonderlijk of tot groepen vereenigd voorkomen, óf samengestelde oogen. Rr zijn steeds meer dan A paar pooten, die voor de beweging geschikt zijn. De voorste zijn bij do meeste van schaarvormige eindleden voorzien en dienen als grjjpwerktuigen. Aan den mond staan verscheidene paren pooten, die als monihverktaigcn dienst doen, kaak-po otcn genaamd; aan het achterljjf bevinden zich kleine pootjes, die veelal gebruikt worden, om de eieren te dragen. De meeste schaaldieren voeden ziidi met dierljjke stoffen.
liet meest bekende dier dezer klasse is de E ivierkrccft {Aslnew /luviatilh), die in onze beken en rivieren veelvuldig voorkomt. Overdag houdt hij zich gaarne schuil in holen aan de oevers, onder steenen, boomwortels enz. 's iSachts verlaat bij zijn hol, om jacht te maken op allerlei waterdieren, soms zelfs op waterratten, die h|j
Si li.niIdiiTcii.
met /jjno kiarliti^'o sclmi'cn .H'i'ijpt- met lt;l(' â¢! jiarcii kankpoutcii lia:ir den inoiid brengt on met «Ie kaken opvreet. Ook krengen dienen liein tot, voedsel. Soms zoekt hij zelfs zijne prooi op liet land. Men vangt hem gemakkelijk in luiken, waarin rottend vleescli, doode kikvorselien enz. als lokaas gebracht worden. Inden zomer heeft lijj jonge kreeften meermalen, hii oudere éénmaal eene huidwisselinir plaats, liet harde, kalkachtige pantser, dat alle deelen des lichaams he-kleedt, harst op den rug open en het dier wringt zich met groote inspanning daaruit los. Eene maand lang houdt hij zich nu verhorgen, tot de dunne, vliezige huid.
die zich reeds onder de oude huid gevormd had.
weer verhard is door de kalkstof, die zich daarin afzet. Kort voor de vervelling vindt men in de maag van den kreeft kalksteentjes, waaraan men vroeger genezende werking toeschreef (kreeftsoogen). Zjj leveren een deel der kalkstof. die voor de vorming van het nieuwe pantser noodig is. Soms vreet de kreeft voor hetzelfde doel oinniddelljjk na de vervelling het afgeworpen pantser op. Hij zwemt met hehulp van zijn staart meestal rugwaarts, daar hij zich in beweging hrengt, door den staart met kracht tegen de onderzijde van het kopborststuk terug te «laan. Vroeg in 't voorjaar legt het wjjfje '100â-300 eieren, die het, aan de aanhangsels van het achterlijf gekleefd, meevoert. In Mei of .luni komen de 9 l.quot;» m,M lange, heldergrjjze jongen uit. die reeds de gedaante der volwassen dieren vertoonen en nog geruimen onder de hoede der moeder blijven. Zeer groote overeenkomst in den lichaamsbouw met onzen rivierkreeft vertoont «le Zeek reeft {Ihvnnins viihjari*, Tab. 12 Fig. 17), «lie evenwel '2 tot li maal zoo groot en een bewoner van «1«! rotsachtige ondiepten en kusten der .Noordzee is. Hij bereikt eene lengte van 30 t«it 45 «M en kan met zijne vervaarlijke scharen geducht knjjpen. Eéne schaar is gewoonlijk grootcr dan de andere. Met de grootste houdt hij zijne prooi vast, met de kleinste snijdt hjj or stuklam af. De visschers laten 's avonds kleine wilgen fuiken, van lokaas voorzien, op «le Ihividingsplaatsen der kreeften in het water zinken, waarvan bun «h» ligging wordt verraden door «hjim1 boei, die er met
W.aonkh's Nfttuurlljkü Historic. I S
II.t nicrciirijk. Slt;hi\aldilt;'rlt;'ii.
cciic lijn ;i an he vest i^d is. («cd ii rciidr (leu miclit. lt;gt;l I nj donker \\ rcr ol in t rochel w a tor ook overdag, sliiipen do kroeften in df val en woi'dcu dan lovend, doch mot vastgobonden st'iiaron ter markt gobraclit. .Men schat liet aantal, dat jaarlijks in do Xoord/cc ^'ovangen wordt, op 5 millioon. Toch vermindert hun aantal niet, trouwens oen enkel wijfje logt meer dan hidUO eioren, die aanvankelijk zwart van kleur y.ijn on onder don staart tusschen de jiuotjes gedragen worden. Later worden zij rood. De uitgekomoi) jongiai honden zich nog ongeveer lt;S dagen lang in de nabijheid der moeder oji en zoeken l)ij haar b(^soberming. Zij wijken in gedaante van de ouden af, bezitten aan de achterpooten bijzondere zwemtoestellen en /.wemmen, draaiende, levendig rond. Morst na de vierde vervelling gelijken zij op do volwassen dieren, ''ii den bodem kruipt de zeekreeft langzaam voort; wordt hjj evenwel verscdirikt, dan kan hij. door den onder het lichaam teruggeslagen staart plotseling met kracht te strekken, sprongen van 'iü M in het water uitvoeren. I )e Ga ril aa 1 ((.Vquot; lujoit i'iilijii i'is) is shndits / â ' cM lang; de schaal is hoornachtg, doorschijiu'iid, grijswit van kleur. Deze dieren zwemmen o[) den rug. lexcnin groote scharen bijéén en zijn zeer onstuimig in hunne bewegingen, twistziek en roofzuchtig van aard. Aan onze kust worden zij door de ga ma len v isschers iu eiigma/.ige netten (kuilnctteii) in onnoemidyk aantal gevangen. Behooren de genoemde soorten tot ile Langstaa rtigen, do llermietkrab ol' Snijder (l'ayunis liontlmrdits. Tab. 1'J l^ig. 18j wordt tot de 11 a ll'staa rtigen gerekend, liet achterlijf is niet met eene harde schaal bwlekt en wordt in den ledigen boren eener slak geborgen. Wordt haar bet gebruikte huis te nauw, dan zoekt /ij een grooter ii|i en wandelt daarmee tamelijk vlug op den bodem rund. I'ot de Ivortstaartigen behooren de Krabben. De (lewone landkrab oi furluru idvcurciiin* ruricohi) bewoont de eilanden van West-Indië en de, kusten van het naburige vasteland. \ an Februari tot April trekt zij in groote troepen naar zee, om hier hare eieren te leggen. Het wijfje draagt deze een tijd lang met zich mee; zijn ze door het water afgespoeld geworden, dan nemen de krabben in .Mei de terugreis aan naar het land en marcheeren daarbij meerdere uren gaans Hink door. Zij kunnen even behendig klanteren als groote sprongen uitvoeren en verdediü'en zich Hink met hare krachtige scharen. \\ orden zij zeer opgewonden.
dan gebeurt het, dat zij de «(diaren, waarmee zij haren vijand aangevat hebben, afslingeren. De scharen blijven nog ongeveer eene minuut knijpen, terwijl ondertusschen het dier ontvlucht. In den zomer verbergen zich de krabben eene maand lang in Inden in don grond, die zij met loof bekleeden. Hier wachten zij hare vervelling af \ reemd is de gewoonte van de Mossel-krab (/''//111il 1!''i'fs jlisu). een klein zeekrahje, om zich in de schelp eener mossel ol van een ander schelpdier in te kwartieren.
Schttiiluioreil.
Zij voedt zich met inici'oscopisclic diertjes en rottciule dierlijke stoltcii. die met liet Wiiter werden aan^cvdcrd : nan het selielpdier zeil' doet liet kralije niet liet minste kwaad. De doiikergrueiic. in de Jeugd met g'i'jjzc |iuiifcii geteekende S t rii n d k r ii li {lt;'.Krcluus iiuwtKis) is in alle l ]iir()|ii'csehe /cei'ii iu menigte voor-Innideii. Zjj wordl .quot;i S e.M groot en veel gegeten. I )e/,e krahlien /wcnmieii slecht met ht'ladp der ponten, doch loopen ving in alle richtingen, /.ij- en acliterwaarts en graven zich helicndig in het zand onder. Haar voedsel liestaat uit het vU'csdi van allerlei doode dieren ; hij gehrek daaraan maken zejacdit op kleinere zeedieren, vooral garnalen, waarhij ze grooic list en behendigheid ten toon spreiden. Ook van de oester en andere schelpdieren weten zij zich meester te maken trots de schelpen, waarin deze dieren geborgen zijn. De (tewoiie zeekrab {('.ancci' iii(lt;jiiri(-s) is 'J.quot;) c.M lang, zeer algemeen in de Xoord zee en leidt dcz.eltdc levenswjjze. \an de talrijke andere soorten noemen wij nog slechts de lienzen-krah (liiucliiiu Kimmiilicrl) op de kitsten van ilapan, wier schaarpooten 1.5 M lang worden.
Heken niet niodderigeii hodcin, slooten en poelen, worden soms door eene groote menigte \ lookroel'teti of Z oet \va tergar n a I en [ditiniiKiru* //ttüec) bevolkt.
lift (lioroniijk. Si-luiftldiorcn.
sDorlcn wonlcn N cM lanji'. ilc meeste zijn kleiner. Zij veranderen tijdens hare ontwikkeling van vorm en oiider^aan dus eene soort van g'edaantever\vinseliiig'. Hiertoe lielioort di' liekende, grijze M u u r-p i sse be d {Oiiisciw iHiwarhis, Tal». iV l'ig. 10). die ongeveer li! niM lang is, slechts iang/aani kruipt en zich met vergane stoffen voedt, liet wijfje draagt niet slechts de eieren, maar ook een tijd lang de jongen onder de borst niet zich mee. Op vochtige plaatsen vindt men in /nid-Kiiropii onder steenen ook de üproller {.\riinidilllt;( officinalis), zoo genoemd naar zijne gewoonte zich tot oen bal samen te rollen. Hij werd vroeger in de geneeskunde aangewend. De Wa torpisse bed (Axellm aijuutinut) is in onze vijvers niet zeldzaam. Zij kan niet zwemmen, doch kruipt op den bodem of op de waterplanten rond.
De Z w a a r d s t a a r t e n of Kogkreeften (fAmuJiis) zjjn schaaldieren van de kust van tropisch Amerika en der Molukkea. Zij worden .'!0 00 c.M lang.
liezitten een breed, schildvormig kopborststuk, een uit ringen saniengcisteld. terugtrekbaar achterlijf en een vrij langen, snjjdend-scherpeii staart.st(dlt;(d, die door verscliil-lende w ilde volksstammen als dolk of speerpunt wordt gebruikt. De meest bekende is de Hogkreefl; {l.ituiillus lioliiiihriiiiis) van de Molnkkeu, die olijfgroen gekleurd is. 11 ij is de grootste alier schaaldieren, daar hij tot 1 .'2Ti M lang kan worden. De wilden van \ieuw-Guinea en de Molukken maken punten voor hunne pijlen van de stekels.
Tot de Bladpootigen behoort de Watervloo (Daiilntia /m/i'.r), die in grootc menigte onze binnenwateren bevolkt. In het voorjaar is zij rood en komt soms zooveel voor. dat het water rood ziet. Zij bezit eene tweekleppige schelp, waar alleen de kop uitsteekt. De i (⢠paren pooten zijn bladvormig en doen dienst als kieuwen : de achterste sprieten, die vertakt zjjn. dienen als roei-werktuigen. Het '2 niM lange diertje strekt tal van vissclien tot voedsel. Ook de 8ch e 1 p v 1 o oi en ((.'//p/v'x) hebben eene tweekleppige schaal, doch deze omsluit het lichaam geheel, als bjj de weekdieren. Zij zjjn I 2 m.M groot en komen ook in het zoetwater voor. De Ãénoog (Vyclops ndgarh), niet dunne, weeke huid-bokleeding, één oog, geeno ledematen aan het achterlijf, dat aan het eind gevorkt is. bewoont onze slooten, vjjvers. regenbakken en goten. Het wijfje draagt de eitjes in twee zakken zijdelings van het achterlijf'. Tal van verwanten komen in zoet- en zeewater voor. De parasietisch levende \ isch luizen wijken nog meer van den gewonen vorm der schaaldieren af' en vertoonen soms in 't geheel geeiie
Fiff. 173. De rogkrectt. Mamictjc van oiKU-n-n gezien.
\Vquot;inii'ii.
I h4 l\ ji r |» (M* 1 u i s ( us folitacns) heelt een scliihh «U'liiinquot; knjJxirsisiuk
en ecno platte, gespleten staartvin.
D»! Rankpootigou worden vertegenwoordigd door de Kendeniossel (l'aittalmmi* unatlfcra), die meestal groepsgewijze aan hout of' andere drijvende voorwerpen met een langen, beweeglijken steel vastzit en praehtig gekleurd is, en de Zeepok (Hidanis oculariK), die op rotsen, hout, sehelju'ii en andere voorwerpen vastgegroeid is zonder steel, /.ij werden heide vroeger voor schelpdieren gehouden. De eendemossel heelt eene I w eekIciiliiue. de /.eeimk eene (i-kle|)i)isïe sidu^lp. Zij hezitten (i paar lange, veelledige pooten, die met lange, fijne draden hezet zijn en o|i ranken gelijken : hiermee vangen zij nneroscopisch kleine diertjes. Zoodra zij buiten het water komen, worden de poolen ingetrokken en de kleppen sluiten zich.
Al deze. dieren gelijken zoo weinig op de hooger ontwikkelde schaaldieren, dat men zeker geen grond zou hebben ze daarmee tot ééne klasse te vereenigen, indien zjj niet bij de gedaanteverwisseling, die zij ondergaan, of als volkomen ontwikkeld dier zoo groote overeenkomst vertoonden met de verschillende vormen, die ook de hooger georganiseerde sehaaldieren bjj hunne gedaanteverwisseling achtereenvolgens aannemen.
\v o h )i i: n.
De wormen stemmen daarin met elkander overeen, dat hun lichaam een langgerekten vorm liezil en dat de bewegingsorganen nooit geleed zijn of' geheel ontbreken. Dikwijls is het lichaam nir duidelijke segmenten samengesteld, bij andere is van geleding niets te bespeuren, liet zenuwstelsel bestaat als hij de insecten uit een dikkeren zenuwknoop boven den slokdarm en eene rjj van kleinere zenuwknoopen, waarvan de zenuwdraden uitgaan; hij de lager ontwikkelde wormen ontbreekt het geheel. Vele bezitten oogen. andere niet. liet lichaam is bij alle in een âhuidspierzak ' gesloten, die voor sterke samentrekking vatbaar is.
Wnlinrii.
â JTN
ll'l
K I \ (J - ()F IJÃÃSTKLWUK M K.\.
De Ring- of' 1!ufst c 1 \vormcn vcrtoonon duidolijU do moor ot' miiuloi' hilrjjko sogmonton. wiuirnit luiii liclmam is sainongestold. Zij hozitton meestal aan olko zijile dos iioiiaams eono otquot; twee rijen voetstompjos ot' kiio1)l)oltjes, die met iiorskds beztit zijn: lijj sommige (h.v. don aardworm) ontbreken do voot-sldinpjos, dooli do l,»oivst«ds zijn dan toch aanwezig. Hot zijn voornamelijk zee-liowonors. De Piuwoolon zeemuis (Aphroüila actihuila) is een 12cM lang dier uit de Noordzee. Hot lichaam is verlengd. ])lat mot ovalen omtrek. De rug is mot eono zeer dichte, viltigo beharing bekleed, met koporrooden of'goudgroenen glans, liohalve dezo haren hozil hor «lier nog lange, harde en seller)ie borstels ter verdediging; zjj y.jju aan de punt mot weerhaken bezet en bot dier kan ze naar willekeur uitstrekken of' torugtrokken; in rust zijnde, worden zij door twee kleppen als door eeno scheede omgeven. Aan de zjjden dos licbaams bevinden zich korte, vleezigo jiouten, die terugtrokliaar zijn. Do kop is duidelijk af'gosoheiden. daaraan komen sprieten en 'J i oogon voor; de mond is met vier krachtige kaken gowapond. Do Zoepior (.\rriiicitlii ^i^ciiloritut) hoort zich vretende in het zand aan onze kust, en wordt door do visschers verzameld, om als uitstekoud lokaas hjj de visscherjj mot den baak lo dienon. Dij is 12- 25cM lang, de middelste segmenten zijn met boomvormig vertakte, rootle kieuwen bezet. De kop hezit geeno oogen, noch sprieten: de ongenvapondo mond is uitstulpbaar.
Do KokerwoniUHi selieiden uit hun lichaam stoffen af, die tot een koker verharden. Bij sommige, h.v. bij den Gewonen kokorworm {l'cciinaria auriaima), zijn dozo stoffen slijmachtig; hij het vorbarden kloven er allerlei vreemde lichamen, als/mul, sohelpj'os. steentjes en/.., van buiten aan vast. Bij andore is do gehoelo koker kalkachtig, hard en gelijkt hij op oen slakkenhoron. De Terebellen leveren oen aantrekkelijk schouwspel op, wanneer zij uit den zuiverwitten, vederdikken koker hare scliarla kenroode k ieu wen uitstrek ken, die o[) sierlijke veertjes goljjken. Zij vormen een der grootste sieraden van een zeewater-aquarium.
Ook de Aardwormen bohooren tot dezelfde groep. Hiervan is de gewone Aard- of Regenworm {l.mnlii'icHs (Kjricolo, Tal). I li Fig. 1) hij ons een algemeen hekend voorheeld. liet schijnbaar naakte lichaam van dozen worm is met nieerdore rijen, paarsgewijs geplaatste bundels van horsteltjes hozot. die zoo klein zijn, dat zij slechts met behulp van een sterk vergrootglas te zien zijn: toch bewijzen zij het dier lijj hot kruipen holangrijke diouston. Het dier vr(!et zich Injna loodrechte
niuod/iiigviv
in Hen ^roiid, die soms /crr diep (- Mi reiken cu in rciH' vrrwijdin^' rindioMHi, wjiarin liet zich nprolt. 1)«' juirdwoi'iii lioinlt /ich ovcnhig' (huirin vcrsi'holi'ii en Imuill er ook /.ijn winterslaap in. s Nuclirs komt hij rr nil: soms allei'ii mot hot voorste godeoltc dos licluimiis. Ilji voodf zich g'oilcoltoljik mot do vorgano stotfoa van diorljjkon on plantiiardigon oorsproii»-. dio tussclicn do liodcm-dooltjos zitton, die liij inslikt, voor 0011 groot deel mot vorwolkfc Miidcvcn. lecir lovotido Idadoron on mot liet vloosoh van doodo insecton. Zijni' uit\vor|is(don vindt mon dii'lit bij do oponing van zijne gang aan do oppervlakte. Zij komou in omndooHijk aantal in vruelitbarou grond voor en vormenigvuldigon zioh zeer snol. Ze zijn tweeslachtig, in liet voorjaar zwellen sommige segmenten sterk op; daar bevinden zich dan klieren, waaruit zioh eon slijmerig vocht afscheidt, dat do talrijke eitjes omhult en na verharding een cocon daaiotnlieon vormt. De aardwormen bevorderen do huinusvorming. doorwoelen den grond, waardoor deze zoor quot;â¢oscbikt wurdt voor den plantengrooi en doen steenen enz. in don grond verdwijnen, door de aarde er onder weg te werken; zij zijn totaal onmisbaar om den bodem vruchtbaar te maken. Toch kunnen zij. waar zo al te veel voorkomen, schade doen door het afvroton van jonge, tee re plantjes. Merkwaardig is het herstellingsvermogen dezer dieren; zelfs een nieuwe kop kan zkh vormen, wanneer deze met niet meer dan 'i S segmenten werd afgesneden. In het slik onzer slooten enz. leven verschillende soorten van X a id en. kleine wormpjes, die zich meestal in kokertjes kunnen terugtrekken. Zij z.jjn daardoor merkwaardig, dat zjj zich niet alleen kunnen voortplanten door eieren, maar ook door deeling. In het midden van het lichaam ontstaat eene opzwelling, daaraan vormen zicb oogpunten, de overige doelen van den kop ontwikkelen zicb langzamerhand ook. en eindelijk scheidt zich de nieuwe worm van den eersten af.
B I - () K I) Z 1 I («' M I! s.
I)e 151oedzuigers bezitten noch voetstompjes, noch borstels; de talrijke plooien in de weeke, slijmerige huidoppervlak to beantwoorden niet aan de inwendige geleding. Zij bezitten aan het achtereind van het licluam en ook meestal aan bet vóóreind een zuignap, waarmee zij zich ungevcer ;ils de spanrupsen kunnen voortbewegen. In het midden van den voorsten zuignap, of als deze niet aanwezig is. aan bel vooreind van bet lichaam, bevindt zicb de mond, gewapend met drie harde, scherpgezaagde kaken. De Medicinale bloedzuiger tllifiido Dii'ili-cinalis) vreet wel is waar kleine waterdiertjes, doch lieist hecht bij zich aan
H' I cli*'ionrijk. Wonnon.
warinbloc'difi'o (lieren vast, om iuin bloed uit tlt;^ zuigen. Hjj wenl uit lluiigarjje voor medicinnal gebruik ingevoerd en veelal in bijzondere vijvers getokt, waardoor bij zieb in Europa sterk verspi'eiden kon. Kén worm kan ongeveer 10 G bloed zuigen, doch beeft dun twee maanden rust noodig. Kr zijn vele andere soorten, sonnnige zuigen zich bij voorkeur aan visseben vast. Eene in tb- vochtige bosseben van /uid-lndië levende soort, beebt zieli aan de beeuen der ineiisclieu en wordt door baar scber|ien beet en het uitzuigen van bloed lastig. De in onze slootea som» in groot aantal voorkomende Pa a rdenbloedzuiger (lluetnoim voivx), die tot INOe.M lang wordt, kan voor bet driidlt;eiide vee en de paarden gevaai'lijk woi'den. zoo bjj zieb in de keel of do iuclitpijp vastzuigt.
DRAAD- ü F S P O ]â ; I. NV O Jt M E N.
Do Draad- of' Spoelworrnen bezitten een langgerekt lichaam zonder geleding ol voetstompjes. De meeste leven als ingewandswormen in bet inwendige van andere dieren of planten : vele moeten zelfs versehillende verhuizingen van liet eene dier in bet andere volbrengen, eer zjj in een bepaald liehaamsdeel van eene bepaalde diersoort den boogsten trap hunner ontwikkeling bereiken. Zoo zijn er ingewandswormen van muizen, die eerst in het lichaam der kat tot rijpheid komen. Andere leven in de lever, aan de kieuwen. Ja zelfs in het oog van grootere dieren. De ontwikkelingsgeschiedenis van den (Jewonen spoelworm (Ascaris luinhricoiihfs) is niet voldoende bekend. Wel weet men, dat één wijfje in een jaar 00 millioen eieren kan voortbrengen, die zich in water ol' vochtige aarde ontwikkelen. Hoe deze dieren in het darmkanaal van mensclien of varkens komen, is onbekend. Talrijke andere soorten komen in de ingewanden van nienschen, huisdieren en wilde dieren voor, die soms tot gevaarljjke ziekten aanleiding geven. De Aarsmade {(l.ri/iiri* rcr»uciilin-is), die zieb in den endeldarm voornamelijk bij kinderen ophoudt, veroorzaakt een hevigen jeuk.
De bcruelite Medina worm of Draadworm (Hlarin iiicilitwtixia), die vooral in bet binnenland van Afrika den ineuscdi kwelt, zou met slecht drinkwater in bet liehaani komen. Ilij wordt slechts à ni.M dik, en 1 Jl lang en veroorzaakt aan de beenen der mensehen. waarin bij zich nestelt, kwaadaarlt;lige gezwellen, (lelukt liet hein in eene wonde aan te treffen, dan tracht men hein er langzaam uit te trekken door hem op oen bontje te winden, eene operatie, die soms meerdere dagen vordert. De Aalt jes zijn meestal zeer kleine wormpjes, die in den voelitigen bodem, in rottende stoffen of aan en in planten leven, liet Tarwe-
Draail- of SjMM-lwoiiiicn.
a a I ti c [Aiiijiiilliiht Tril lei) hoviiult /icli in onoiitwikkoldcn toestand in (leu bodem, waar liet (i S jaar kan leven zonder te veranderen, de gclogeulieitl ufwaelitend om land's eeno tiu'wcnlant oinlioog' t(! ki'iupen. Het boort zich in de nog niet volledig ontwikkelde bloem, om zich in oen meeldraad of in den stamper te vestigen. Daar veroorzaakt het eene gal, waarin het tot volkomen ontwikkeling komt en eitjes legt. De jongen, die do sterk gezwollen gal, die intussclien een bruinen, harden wand verkreeg, geheel vullen, komen meestul weer in den bodem terecht om opnieuw de gelegenheid af te wachten zich in eeno tarwebloem te ontwikkelen. Dit kleine diertje kan soms een vierde van den tarweoogst vernietigen. Nog schadelijker is het H oggeaa 11je (Aiiiiuilhihi hipsuch. dat ook nog kleiner is (de mannetjes I .'i, de wijfjes 0,04 1.1 mM). Deze diertjes leven in liet weefsel der jonge roggcplanten en van enkele andere; gewassen, als boekweit, spurrie, klaver enz. en veroorzaken den dood der planten, meestal reeds vóór ze bloeien. Zij kunnen den oogst geheel vernielen. De diertjes komen weer in den bodem terecht. Een eenmaal besmette bodem is moeilijk weer te zuiveren en men moet alles aanwenden om to voorkomen, dat hij besmet wordt door den aanvoer van mest of aarde, van besmette plaatsen afkomstig.
Vele andere soorten veroorzaken plantenziekten.
De Tricbine ('rfictunaa^ifulia) komt in het vleescb van bet zwijn en sommig»! andere dieren voor en kan. wanneer ze in groot aantal daarmee wordt gegeten, bij den mensch eene gevaarlijke ziekte, de trichinose, teweegbrengen, die zelfs doodeljjk kan zijn. Met het bloote oog gezien.
doen ze zich in bot vioesch als fijne, witte puntjes voor. Onder het microscoop vertonnen zij zich als zeer kleine, spiraalvormig samen-gerolde wormpjes, die in een doorzichtig kap-seltje zijn opgesloten. Komt triclimeus vleescb in het darmkanaal van een mensch, dan komen de wormpjes uit de kapseltjes vrij en vermenigvuldigen zich binnen uren honderdvoudig.
De jongen boren zich door maag- en darmwand heen. komen in de bloedvaten en worden door den bloedstroom meegevoerd naar verschillende doelen van het lichaam. Zij dringen nu uit do bloedvaten in de spiervezels, waar zij snel groeien, zich met een kapseltje omgeven en nu in dezen toestand jaren lang kunnen blijven leven, tot zij weer in de maag van een ander schepsel terecht komen, (leschiedl dit niet, dan gaan zij na eenige jaren dood. Oiidertusschen hebben zij in hun hospes eerst hevige darm- en bnikvliesontstokingen en daarna
Ili't (lieioiirijli. VVuriiniii.
wno pijnlijke MjiiVrzieklv te wtHt^ ^â¢cliniclit, die sUïdils na ^cruiiucii lijil gciiccsl. Door hot vici'scli nirt, aiuicrs dan hcliooMjjk gekookt of' ilnoi' en door gebraden te nuttigen, kan men /irh tegen liet gevaar dezer ziekte heveiligen. Door hel \ leescli te zouton, te drogen en te ronken worden volstrekt niet alle trieliineii. die er in voorkomen, gedood.
I' I. A TWO IJ M li X.
De IMatwornien hezilten in den regel een plat. hreed en /.eer week li(diaani. Zij heiihen I .'i znigmondeii. waarmee zij als parasieten de sappen van andere dieren opzuigen; hun darmkanaal is vertakt, welke takken hlind eindigen. Soinniige leven \ rij op de huid of tie kieuwen van vissehen. De moeste evenwel leven in liet inwendige van andere dieren en moeten, om zich volledig te kunnen ontwikkelen, van den eenen hospes naar den anderen verhuizen. De 1, e ver holte n (Vhlonnui) ontwikkelen zieli uit: eitjes op natten weigrond ol' in siilsiaainle
wateren. De larven zwemmen in het water vrij rond en zoeken eene jonge Begroeide poelslak (UrnxKeus pfrcijer) op. in wier kicuwholte zij zich vestigen. Zjj zwellen daarin sterk op door de ontwikkeling van kiemeellon in hun lieliaam, tot zij op zakken gelijken, gevuld met X DJ diertjes, die men rediën imemt. Daarin komen weer kieniecllen tot ont wik keling, waaruit zich een twaalftal jonge leverhotjes vormen. Zoo hevinden zich in de iidenihalingsholte der slak ruim honderd dezer diertjes en in dezen toestand kruipt de slak dikwijls uit het water in het vochtige weiland. Komt zij met het drinkwater of met gras in de maag van een schaap, dan dringen de jonge leverhniteu door tot in de lever, waar zij zich ten koste van het weefsel in de galgangen ontwikkelen en meestal den dood van het schaap door de botziekte veroorzaken. De eitjes komen met de uitwerpselen uit liet darmkanaal te voorschjjn en op natten weidegrond of in de slooten ontwikkelen zich daaruit weer larven. Ook runderen kunnen door de ziekte worden aangetast. Tof de platwormen behooren ook de
ââ
â js:i
li i ii t, w (i r in c n. Het MKU'st hcki'iid is de (J i' \v n 11 c lint; worm [Tciriiia solimu. Tab. I Fift'.-iji 'l'1' parusictiscli in don (Inniicii (Inrin van den incnscli lei't'f. Iljj lumdt zich. mot lichulji vim oen krans van fijne haakjes nan den /.uogvniiamdcn ,,kü[)quot;, aan den darinwaml vast en bereikt soms oeiio louvre van '2 â 'gt; M. Hij bestaat uit tal van duidelijk lio^ronsde âledenquot;, die zieli alle van den kop hebben afgoscheidon en waarvan er steeds nieuwe ontstaan. De/.e /jjn aanvanktdijk /.eer dun, dorb groeien snol. Do kleine kop sohijnt ilus aan een zeer dunnen bals te zitten, die geloideljjk in den romp overgaat. Elk lid is eigenlijk een dier op ziehzolf, dat door de geheele oppervlakte van bot liobaam voedsid opzuigt, noeb mond. noeb zintuigen, nocli bewegingsorgaiKUi bezit en evonmin bijzondori' adomlialiiigKworktuigeii. Wanneer de leden tot rjj|iboid gckoiiien zijn en talrijke eieren bevatten, schciden zij zicdi van don lintworm at' t;ii komen met de uitwerpselen buiten bol lichaam. De eieren zijn door oone harde schaal besobut en taai van loven. Misschien door bemiddeling van bot water komen zij in de maag van hot zwjjn. Daarin ontwikkelen zich do kleine larven, die zich door den wand van het darmkanaal boonboren en lueostal met den bloedstroom naar vorschilleiido doelen van het lichaam gevoerd worden, l'it de haarvaatjes dringen zij in bet weefsel en ontwikkelen zich daarin tot blaaswormen ol'v'hinen, die vooral veel in do lover voorkomen. Kene vin is oone elliptische blaas van I c.M lengte, die ongeveer 'i'/j maand voor bare ontwikkeling nnodig beeft, /ij is mot een waterachtig vocht gevuld en daarin vindt men don kop met do eerste leden van oen lintworm, die zich aan don wand der blaas ontwikkeld hoedt, In dozen â
toestand blijft do vin jaren lang onveraiulerd, tot zij mot bet vloosch van het varken in hot darinkanaal van den ineiiscb torooht komt, waar do blaas verdwijnt, do kop zich aan den dannwand vasthecht en de vorming van goslachtsrjjpo sogmoiitoii begint.
et spreekt vanzelf, dat door
vlecsch en liefst ook fijnhakkoii er van. de vinnon er in onschadelijk gemaakt worden, l it den blaasworm van hot rund kan op dezelfde wijze oen nog grootoren lintworm bij den ineiislt;di ontstaan (7 . Hij het schaap
⢠i i ii. it 177. Kop van den
ontwikkelt /ICll criio VIM lil (Ie licl'scilliolto ('li vorool/JIJIKI lintworm; (l»iarmmst t\vlt; lt;'
haakjes.
do doodoljjke âdraaiziektequot;. De lintworm, uit wiens eieren deze vin ontstaat, ontwikkelt zich in bot darinkanaal van den
iMm*
K-I dien'iiryk. Wookdifrnn.
'28-i
i; a I) k i; I) I e i; t .) i: s.
Do Kadordiurtjos, die voolal ook tot do worraon vvordon gtuvkond, zijn khnno doorschijiioado diortjes van nnuwelijks % inM longto, die lum naam danki'ii aaa do liowo^iii^s-lriiliai-on. dio doof Imimo aaahoadondc, trillondo liowoging liet voorkomen verkrijg-on van con draaieud rad. Zjj loven in zoot water. Sommige soorten, b.v. die in dakgoten voorkomen, hcldion do eigens(di:i|) na volkomen verdroogd te zijn geweest, weer te herleven, zoodra zij hevoelitigd worden.
NV E E K I) 1 I- H E gt;.
De weekdieren zjjn zeer verschillend vim uiterlijk, meestal water- en voornamelijk zeebewoners. Men rekent er '2(Ki(iU verschillende soorten toe. Ilnn lichaam vertoont slechts hij weinige een diiidelijken kop met oogen. is hij alle voorzien van cene weeke hnid, die zich op hepaaldo plaatsen in den ..mantel ' voortzet, waardoor de ademlialingswerktnigen bedekt worden. Verder bezitten zij eene dikkere of dunnere spiermassa, den .,voerquot; genoemd, die als bewegingsorgaan dienst doet, liij enkele weekdieren heelt, imii gehoororganen gevonden. De meeste voeden zich met dierlijke stoffen, slechts de weinige landdieren, die er toe behooren, vreten planten. Ze worden in de volgende groepen verdeeld:
K O ]' P O O T K J E \.
De koppootigen bezitten als de hoogst ontwikkelde onder de weekdieren niet alleen een dnidelijken koji met twee groote oogcu en een mond voorzien van krachtige, snavel vormige kaken en onigeven door vangarmen, maarzij bezitten zelfs binnen den kop een kraakbeenig weefsel, dat als het begin van een geraamte mag worden beschouwd. De romp is door een zakvormigen mantel omgeven, die er aan de rugzijde mee vergroeid is, In de niantelruhnte zitten de kieuwen; daarin monden ook het darmkanaal, de geslachtsorganen en de opening van den sepiazak (zie beneden); zij staat door twee openingen ia gemeenschap met het water. Die, welke zich in den kegel vorm igen voet, den trechter, bevindt, dient om het water met de uitwerpselen enz. te verwijderen : door de andere
KoppnoHfr'Mi.
dringt er watci' in. Dn ilicrcn niulorgann plotseling! kieurwisselingiMi; op quot;â (ïelaclitigen groml ontstaim in vingge (ipcenvolging lirninc. gele. rooile el'hlnnwe vlekken, [üeno lt;ler meest gewone soorten is de (iewone inkt\ isch (Ne/»/quot; officinalh) Tab. l.'l l^ig. i), «lie in alle Knropcesche zeeën, ook op onze kust, voorkomt. Verborgen in rotskloven of tasscben bet zeegras, loert bij op naderende zeedieren. De mond is omgeven door 8 kortere en 2 langere vangarmen. Deze zijn van talrijke znignapjion voorzien, die zicb vast beebten aan de omstrengelde prooi. Inwi'iulig in den inantid aan de rugzijde bevind! zicb eciic langwerpige ronde, iilatte kalkschaal, de rugplaat, die ook sepiabeen of'zeesc b u i m genoemd en als poljjstmiddel gebruikt wordt. Het dier bezit verder een sepia-zak. die ge vuld is met eeiio donkerbruine vloeistof, die bet naar willekeur kan uitspuiten, om bet water ondoorziebtig te maken en zoo aan zijne vervolger» te ontkomen. Van deze vloeistof wordt de welbekende bruine kleurstof vervaardigd, die als sepia in den baiulel komt. Het vleescb van oudere inktvisscben is sbjcbt, dat van de jonge dieren wordt dikwijls gegeten. \ ersebillende andere soorten van inktvisscben komen op onze kust voor. De (iewone aebtarm of/ee-polyp (Octopus mihjaris) bereikt met de armen, waaraan Did paar zuignappen voorkomen, soms eene lengte van 1 M.
Hij kruipt soms tamelijk vlug op liet strand, zwemt vooruit door met de vangarmen te roeien en achteruit door een waterstraal met kracht uit den treebter te spuiten. Iljj kan dezen waterstraal ook ge-liruiken, om er kleinere dieren ep het strand mee te treffen. Zijne (tieren zijn met korte steden tot trossen aan elk au «ter g«iheeln:
en zjjn «)nder den iiaain zecilruiv«ii h«d\end.
's Xacbts straalt bij soms, als ve!e zjjner verwanten, een zwak pbosphoresecerend licht uit. Hij voedt zicb met .s«'li«,lp(liereii.
krabben en visscben, «li«' hij met zijne vangarmen grijpt. De visscliers vangen
hem m«'t schepnetten of wel hij wordt aan «len baak gevangen, die tusseben witte cn r«t«)d«' stukjes g'«)e«l verlwrgen is. In tropisclie zeeën worden s«»iiis p«)lypcn van reusachtige grootte aangetroffen, ware zeein«gt;nsters. Zo«i trof bet Franscbe schip Alect«m in ISdl in «1«' nabijheid van Tenerif ecu polvp aan de «)ppervlakte zwemmend aim, die zonder de 8 met zuignappen b«gt;zette vangarim'ii (i M lang was. Hij was steenrood: zjjn lichaam was spoelvormig, in bet
'2srgt;
llquot;t tlierenrijk Weekdieren.
iiiidduii sterk ge/wollen en zijn gewiclit: word op '2000 IvG ^esehat. Men streed :gt; uren lang niet hom met schiotwaponon on traciitte hem met strikken te vangen, doch kon sieehts enkele doelen van hem machtig worden. De J'Vaiisclio natuuronderzoeker Volain trof in INT.') |,»jj het eiland St. Paul oen inktvisch. die van het eind van het lichaam tot aan de vaiigarinen 7l/:; M groot was. Do l'ap iernautilus l Ariionautus Aryo) komt in zijn lichaam,sllouw veel met don vorigen overeen: het wiitjo hozit evenwel oene schelp, die toer porkamontuchtig is en op een slakkenhuis golijkt. Ilol dier is niet met do schelp vergroeid, doeli deze
wordt vastgolinuden door twee dor armen, die aan de uiteinden schijfvormig verlirood zijn. I)ozo armen hebben ook do schelp afgezonderd en zorgen vooi' haren groei en voor do herstelling van beschadigde plokken. Het mannetje is veel kleiner en wijkt in /.jjn lichaamsbouw veel van het wijfje af, wat trouwens ook bij andere polvpsoorton het geval is.
De l'aa rlomoor-n a u-tilus (XidUilKS poinpaliii*, lab. I.{ 1'ig. 5) bezit oeno vaste, paarlenioerachtigo schelp, die in één vlak spiraalvormig gewonden is. Deze is verdoold in een aantal kamers, waarvan sloehts do voorste en grootste door hot dier bewoond is. Allo kamers staan door oeno buis mof elkander en mot het dier in verbinding; die buis dringt door het midden dor tussehoiischottoii. De mond is omgeven door talrijke draadvormige armen zonder zuignappon. Aan de oppervlakte versehijnt do nautilus sloehts zelden bij volkoinen windstilte en hij wordt dan ook zeer zeiden lovend gevangen. Moestal kruipt hij over don zeebodem en komt daarbij soms in do fuiken, wier lokaas hein lokt. De achterste kamers dor schelp bevatten luelit; naar gelang het dier deze samenperst of laat uitzetten, wordt hot betrekkelijk zwaarder of lichter en zal dus zinken of rijzon. Geheel daarmee ovoroenstommenJ in den bouw dor scholpen waren de talrijke soorten dor voorwereldlijke Amnioniten. wier versteende schelpen men in de kalkgoborgten in groote menigte aanlreft. De op dezelfde plaatsen voorkomende vingorvomigo Hulomn iton zijn waarschijnlijk de rugplaten van voorwereldlijke inklvisschen.
I )r Slukken of' Huikpüotig'cn hcwcgeii zicli voornunu'lijk laiigznnin kruipciul. He voi't vurint mui tie liuik/jjdc des licliiuiins lt;li' brecili' /ooi. waui'op zij ruston. Do rnooHfc slukken bezitten oen huissjo et' lioron, dat uir 00110 hoonmchfige stol' (conclivolino) eu koolzure kalk bestaat, /ij zjju daarmede vergToeid en kunnen hot dus niet verlaten: liet bestaat in den ro^cl uit één stuk. Do mantel li^f aan do rugzjjde van bot dier en scheidt liet horen at'. Do hinnonsti'laag van dit horen is kleurloos, doch weerkaatst het licht in talrjjke kleursehakeeringen; /.ij vormt het paarlemoer. De verdikking geschiedt dikwijls /eer ongelijkmatig, van daar de knobbels, /.olt's stekels, die men soms aan de oppervlakte aantreft. De kop met voelers en oogen is duidelijk te ondersclieiden. In den mond bevindt zich eene zeer beweeglijke tong, die met talrjjke hooruaehtige tijne tandjes dicht be/ot is; vorm eu rangscbikking de/er tandjes zijn voor de verschillende goslucbteii kenmerkend. 15jj lt;le Pugodeslak (Trochitti itugoihis) beeft d(^ tong ile zevenvouilige lengte van het overige lichaam, /ij wordt in rust spiraalvormig opgerold eu het dier is in staat met de tandjes aan de punt der tong de harde huisjes van andere slakken te doorboren en er de dieren uit te halen. Onder den mantel op den rug bevindt zich hij alle slakkeu de mantolhokt', die door één of'twee openingen met de buitenwereld in genieensehap staat. In deze holte mondt de anale opening uit en daarin komen de adomhalingswerktuigen voor.
Tot de Longslakken hehooreu de Naakte slakken, wier mantel /.eer klein en met tie gewone huid vergroeid is, op ééne opening na. In het inwendige van den mantel worden losse kalkkorrels of' eene platte, roodachtige, gestreepte schelp aangetroflén. De (lewone aardslak (.IWo;; wïoh), die tot'1'2 c.M
lang wordt en roodbruin, zelden zwart gekleurd is. komt, als al hare verwanten, liefst op vochtige, beschaduwde plaatsen voor, die met planten begroeid zjju. /ij behoort tot die, wier mantel slechts kalkkorrels bevat. De .V k k er aa rd s 1 a k (l.iuiux (iijresliti) bezit eene gestreepte schaal ouder den mantel eu kanopakkers eu in moestuinen zeer schadeljjk worden, zoo vochtig en warm weer bare ontwikkeling heguustigen. /ij voedt zich met zachte hladeren cn stengels van allerlei gewassen, en met vleezige vrnchteu, als afgevallen ooft. aardbeziën, komkommers enz. De eitjes worden op vochtige, verborgen plaatsen in hoopjes van (i 15 o]) den grond gelegd. De slak wordt 5 c.M lang. De grootste onzer naakte slakken is de Groote aardslak iLdikij' iiifixiihh*), die 1,5 dM lang wordt. De aardslakken worden meerdere jaren oud en overwinteren iu den grond; hij
Hel clicrciirijk. Wi'ckdicron.
droog waijii weer vcrscliuilcn zij /icli ondor slwiicn en planken of in den grond en rollen /ieh op, geduldig vochtig weer al'waclitend. Laat dit al te lang op zich wachten, dan drogen zjj geheel uit, i)e van eenkleurige of bont-gestreepte horens voorziene Tuinslakken (llcli.r) zjjn evenzoo planteneters. Aan den kop hezitten zij twee korte voelers en daarnchter twee langere, die de oogen dragen. De zeer talrijke soorten van dit geslacht sluiten bij aanhoudende droogte de monding van hun horen niet eene kalkachtige afscheiding van den voet en zoo is het aan sommige zelfs mogelijk in de regenarme Sahara te leven. Ook gedurende den winter vinden zij beschutting door meerdere achter elkaar geplaatste deksels. De groote, roodbruine, bolvormige Wijngaardslak (llcli.r lgt;omatia) wordt op sommige plaatsen in Frankrijk en B' lgië in zoogenaamde âslakkeutuineuquot; gekweekt en gemest, om ze op verschillende wijzen toebereid te eten. /ij komt in ons land in do duinen en vooral in Zuid-Limburg voor op struikgewas. Tot de NV a t e r-1 on g's I a k ke n behooren de meeste zoetwater-slakken. Zij bezitten alle horens. Daartoe behooren o.a. de l'oelslak (Limiwea) met trapvormig gewonden horen, de Sc h ij fhore nsla k {Planorlm) met in één vlak gewonden horen enz. Zjj voeden zich eveneens met plantaardige stoffen. De Zeeslakken ademen door kieuwen; de ademhalingsopening der mantelholte is soms tot eene buis verlengd. Zjj bezitten alle horens, die vooral bij die uit de tropische gewesten door hunne schoone vormen en hunne prachtige kleuren de aandacht trekken en reeds van oudsher door liefhebbers verzameld en soms zeer duur betaald werden. Zoo werd eens het i.uisje eener Echte wenteltrap {Scidnria ftrelkm) in Hugeland voor /'.'350 verkocht. Deze slak leeft in den I ndischen oceaan : de (iewone wenteltrap (S. tominimh) wordt reeds in de Middellandsche zee aangetroffen; beide bezitten een schijfvormig gewonden horen met hoog uitstekende, overlangsche ribben. De schelp van de Hond-mondslak (Turbo), die eene zeer dikke* paarlemoerlaag bezit, wordt door afslijpen ontdaan van de onoogelijke buitenste laag en glinstert dan met den prachtigsten groenen, blauwen en zilveren glans. Ook de horens der Tol hoornslakken (Trnrliun)' Perspectiefslakken (Soliirhnn), Torunslakken (Turraldla) en
12
Slakken.
Kogulslakkon (Cmim) zijn even sierlijk van vorm als van kleur. Du H i s-schopsni uts (Milrd i'iiiscopalis. Tab. li! Fig. 7) leeft in den Iniliselieu oceaan en heeft eeno langwerpig ronde schelp, die wit en oranje gekleurd is. 1 let dier spuit hij vervolging eene stinkende, bruine vloeistof uit. die zwart kleurt. De schelp der groote \ leuge Islak (Slromlms gujati) wordt soms in tuinen gebruikt, om er de perken mee te omzoomen. Onder de Stek el horen s is de groote Spinnekop (Murex Irihidii*) uit Oost-lndi*quot;1 een der meest in 't oog loopende vormen door de meerdere rijen van lange, gekromde stekels en door de huisvonni^v verleiii;iiig' der schelp. In de oudheid was de l'urperslak (Purpura jiaiuia, Tal). 13 Pig. lt;S) van de Middel-landsche zee beroemd en werd zeer gewaardeerd. I laar lichaam bevat eene klier, waaruit zich eene kleurlooze vloeistof' afscheidt, die zich in eene blaas verzamelt.
Deze vloeistof wordt, zoo zij aan de zonnestralen wordt blootgesteld, eerst citroengeel en groen en eindelijk violet. Zij werd door de oude volken als kostbare kleurstof voor het verven van wol gebruikt.
.Naar gelang de vin-ver tie vloeistof'van verschillende purperslakken of' stekelhorens iMiirr.r) niet elkander vermengde, of zc in geringere of grootere hoeveelheid gebruikte, het goed eens of' tweemaal behandelde,
en het korter of' langer tjjd aan het zonlicht blootstelde, verkreeg hij ook verschillende tinten van purper. De prijzen dezer kleuren waren zeer aan de
mode onderhevig. Van het Tyrische zoogenaanide dubhelpurper kostte het pond meer dan / ;i50. Door de schoonere en goedkoopere cochenille en vooral door den groeten vooruitgang, door de scheikunde in de vervaardiging van klenrstoffeu te weeg gebracht, is de purperslak geheel in onbruik geraakt. Van de Porseleinlioroaslakken (Cyitraea) kent men buitengewoon talrijke eu fraaie soorten. Mare schelpen zijn mooi rond van vorm, laten zich fraai polijsten, zijn zeer hard en vertoonen
groote verscheidenheid van j kleuren. De eene soort is
getijgerd, de andere als eene
OS')
FTot dicii-nrijk'. WcckdiiMoi!.
landkaart goteckeiul, c«no derde soort gelijkt in vorm eu kleur op een kleinen mol en/, liet meest bekend zjjn de Kauri's. Men vischt ze zoowel in den Indisclien Oceaan als aan de kust van Wost-Afrika ojgt;, waai' men ze als pasmunt en versiersel gebruikt. Ze worden bier als zoogenaamde slangenkopjes soms als versiering op riemen enz. gebruikt. Ze zijn wit met geien rand of omgekeerd.
S (' II E L 1' I) 1 E K E N.
De sebelpdieren zijn te herkennen aan hunne tweekleppige schelp en zijn ungeveer even rijk aan soorten als de slakken. Zij leven deels vrij, deels zijn ze, ten minste gedurende den laatsten tijd Inms levens, aan andere, voorwerpen vastgegroeid. Hunne beide kalkachtige, inwendig uit paarlemoerlagen gevormde kleppen zijn aan bet zoogenaamde, slot als met scharnieren aan elkander verbonden; aan den buitenkant daarvan zijn sterk gerekte of samengedrukte, veerkrachtige bande n aanwezig, die de scbelp steeds trachten te openen; inwendig bevinden zich krachtige spieren, die met de kleppen vergroeid zijn en die dienen, om de schelp gesloten te houden. De mantelranden zijn soms gedeeltelijk met elkander vergroeid; altijd blijft eene spleetvormige upening bestaan voor den voet en twee openingen aan de achterzijde, de ééne voor den aanvoer van water in, de andere voor den afvoer er van uit de mantelholte. Soms zijn de randen der laatste openingen buisvormig verlengd, waardoor zoogenaamde sipho's ontstaan. Aan den mantelrand bevinden zich bij vele afzonderlijke of tot groepen vereenigde oogen. Als gehoororganen worden op dezelfde plaats voorkomende ronde blaasjes beschouwd. Voeldraden zijn soms in menigte aanwezig. Een kop ontbreekt. liet hart bezit ééne kamer en twee zijdelingsche boezems. Eene der belangrijkste soorten is de Oester {Ostrca edulis, Tab. 1:$ Pig. !)), die overal aan de Zuiden Middel-Kuropeesche kusten, behalve aan die der Oostzee, wordt aangetroffen. Zij vormt daar banken, waarop dikwijls millioenen oesters voorkomen, die met de dikkere linkerschelp zijn vastgegroeid. Deze worden met ijzeren krabbers van den bodem afgerukt en in een zak, uit ijzeren ringen samengesteld, opgevangen. Op het kleine eiland Jersey alleen worden '250 groote zeilbooten, 1500 mannen en 1000 vrouwen en kinderen voor de vangst en verzending der oesters gebezigd. De jaarlijksche opbrengst wordt op 200000 Engelsche schepels geschat en daar zij om den tijnen smaak en de lichte verteerbaarheid van hun vleesch zeer gezocht zijn. is de opbrengst in geld eene zeer aanzienlijke. Op vele plaatsen, o.a. in onze Zeeuwsehe strooinen. werden dan ook, toen door de verbeterde middelen van
Scholpdioreii.
vervoor de rerzeiuliug lt;i|gt; grooto afstanden mogelijk werd, de oesterbanken op zulke roekclooze wijzo geplunderd, dut de meeste, trots de onbegrijpelijke vrucht-baarheid der oesters, weldra waren uitgeroeid. Toen begon men zich toe te leggen op de kunstmatige uesterteolt. De oester legt in 't voorjaar ongeveer een millioeu ritjes, die iu de inantelbolte blijven tot de zeer kleine larven er uit komen en de schelp verlaten. Deze zwemmen met behulp van trilharen vrij rond, doch zinken op den bodem, zoodra zij, na eene gedaanteverwisseling ondergaan te hebben, eene schelp krjjgen. Nu legt men op plaatsen in het water, die daarvoor als bijzonder gunstig bekend zijn, met kalk bestreken dakpannen oj) den bodem, waarop een grooter of kleiner aantal jonge oestertjes terechtkomen, die er op vastgroeien. In October worden deze pannen opgehaald en zoo krijgt men een meer of minder rijken oogst van âoesterzaadquot;. Deze jonge oestertjes worden den winter over bewaard in de oesterputten, groote gemetselde bassins, die met het water in verbinding staan, In het voorjaar worden zij weer op de natuurlijke oesterbanken of op andere geschikte plaatsen naar buiten gebracht, maar uitgespreid in platte houten bakken met een bodem van metaalgaas, die op elkander gestapeld worden en waarin zij tegen hare talrijke vijanden (visschen, krabben, zeesterren enz.) beschut zijn. in het volgende voorjaar worden zij vrij op do banken uitgestort, waar zij tot 'i jarigen leeftijd blijven: dan zijn zij volwassen, worden weer opgevangen, een lijd lang in bijzondere oesterputten bewaard (gespeend) en dan verzonden. Koude is voor de jonge oesters zeer gevaarlijk en soms oorzaak, dat de teelt geheel mislukt, In de. tropische gewesten vindt men bij ebbe smakelijke oestersoorten bundelsgewijze aan de wortels der niangrovebooinen vrij in de lucht hangen. Van de sierlijke Klapschelpen (Spondi//t(.s), wier kleppen niet lange stekels bezet zijn, worden ook meerdere soorten gegeten; evenzoo van de Ivamschel pen {fectcn), die door hare schelpen snel te openen en te sluiten tameljjk vlug kunnen zwemmen. Tot dit geslacht behoort de bekende St. Jaeobsmantel (l'cticii .lacolMeiis), wier schelp op tafel gebruikt wordt als schoteltje om er kleine gerechten op te dienen. De 7 ij 1 se help e n (Lima) kunnen vlug in het slijk kruipen. De I l a nier-schelpen (Mollens), bewoners der Zuidzee, gelijken op een banier, liet paarlemoer is meestal afkomstig van de echte Parelschelp (.l/Ww-(jrina murijaridfcva, Tab, I â¢'! Fig. 10),
wier kleppen tamelijk vlak zijn, tot ' ;) M breed worden en eene aanzienlijke zwaarte krijgen. Dit zeer
Mot ilim'iiri'K'. Wookdioron.
gcscliattc sclicljidicr treft men van den I'er/JscIion golf af'in den Indisclion Oceaan tot Nieuw-Ilolland en West-Mexico aan. In zjjne schelp, zelfs in liet imvendig'e van het dier, komen de echte parels voor, die nit volkomen dezelfde stof
bestaan ais het paarlemoer. Zij ontstaan, doordien een klein vreemd lichaampje, een zandkorrel, een ingewandsworm of iets dergelijks, zich omhult met dunne lagen van duor/ichtige kalkstof, afwisselend met zeer dunne organische vliezen. Men is zelfs in staat geweest door beschadiging der schelpen kunstmatig paarlen te doen ontstaan. Vele dezer schelpen worden jaarlijks door duikers aan de kusten van Cevlon, in den l'erzischen golf en in (Jochinchina uit zee opgehaalil. Vroeger hadden groote parels uog meer waarde dan thans. Karei V betaalde in 1505 voor eene groote parel SOOdO dukaten en l-'ilips II van Spiinje bezat er ecu zoo groot als een duivenei, wier waarde men niet wist te schatten. Bezitten al de tot nu toe genoemde schelpdieren slechts ééne sluitspier, een geheel gespleten mantel (Mi eene ongehjkkleppige, incest onregelmatige schelp, de volgende hebben twee sluitspieren en meestal min of meer samengegroeide mantelranden. Daartoe behooren: de Gewone mossel (Mytüm edtills) in de Noord- en de Oostzee, /ij hecht zich met de zwarte byssusdraden, die zich uit eene klier aan de basis van den voet afscheiden, vast aan steenen, rotsen, palen, kribwerk enz. en wordt bij massa's gevangen en gegeten. Haar voedsel bestaat uir allerlei overblijfsels van dierlijke en plantaardige stollen en zeer kleine plantjes en diertjes. Die, welke in onzuiver water leven, zijn soms zeer vergiftig. De liivierparelmossel (AliivHddouIn iiKininrilifi'ri') levert ook parelen op. die evenwel kleiner en minder
schoon zijn dan die der echte parelschelp. In Schotland, Zweden (gt;11 I hiitscbland werd deze schelp zelfs om de parelen gekweekt. Zjj leeft in helder stroomend water en de parelen bereiken soms de grootte eener hnzelnoot. Als grootste aller schelpdieren is de li euzenmosse I (Tridncna lt;//-gati) bekend, die in den Groeten Oceaan voorkomt (gt;n wier schelp 250 KG zwaar wordt. De draadbundels, waarmee zij zich vasthecht, zijn zoo taai, dat ze slechts met eene bjjl kunnen worden doorgehakt. Talrijke soorten komen nog
Ma uttilcUoren
in onze zoete wateren en in zee voor. Zeer merkwaunlig zijn de Steen biKU'ders of I'll o la don (i'lwlas), die gangen boren in liont en steen. Iluime met kleine, scherpe tandjes bezette sdielpranden worden hicrbjj als ocne vjjtgebruikt. IX' (re w one pliolade (l'holax dactijhi*) komt o. a, ook aan onze kust voor en boort zieb in hout en klei. Daar zij dit reeds in zeer jeugdigen toestand doet en de gangen steeds w ijder en dieper worden, naarmate zij groeit, kan liet dier deze nooit weer vorlaten. De beide met elkander vergroeide sipbo's stoken echter Imiten de gangen uit. zoodat het dier steeds in staat is water en voedingsstoften op te nemen. Deinde landsehe Zoo lovende li otsboorder {l.iiliothninis) boort zich /cits in
vast marnier in en lost waarschijnlijk het gesteente op met behulp eener vloeistof, die zich uit het lichaam afscheidt. Het meest be nicht is de Paalworm ( Vfvci/o ikinil's Tab. I .gt; Fig. I I). Dit dier gelijkt, uit zijn hol verwijderd, op een worm. Aan het vóóreind bezit het eeno kleine schelp, dio als boorwerktuig dient: vooraf wordt het hout waarschjjnlijk door een sap uit zijn lichaam reeds geweekt. De bnisvorniige, gekromde gangen worden inwendig met eenc kalklaag bekleed. De paalworm heeft aan onze zeeweringen, evenals in Venetië en op andere plaatsen, groote verwoestingen aangericht, ook schepen worden er door aangetast en moeten er door eene metaalbekleeding' tegen beschut worden. Ook de palen onzer zeedijken enz, worden op de hoogte tusschen de eb- en vloedlijn door dicht op elkaar geplaatste, dikkoppige spijkers beschermd.
.M A ,\ T !â ; I, D I K |; K N,
De maiitehlierou voriuen cem' bjjzondere groej) der weekdieren. Het zijn alle zeedieren, die geene vaste schelp bezitten, maar of door een leeraditigen, kraak-beenigen mantel omgeven, of gein â el geleiat â¢htig zijn. Het lichaam is meestal verlengd, tian beide zijden van eene opening voorzien, waardoor het water in- en
Het (lieronrijk. Straaldioren.
uittreedt. Een aantal soorten zitten Tast aan rotsen, schelpen enz., zooals do Zakpijpen (Bolhmid), die tot 12 c.M lang woiden. Andere, zoo als de Salpcn
[iSitlpa), vormen rondzwervende kolo-nie's uit talrijke met elkaar verhonden (lieren bestaande, die zicli door knoji-vormins' vermenigvuldigen. Maiir lieliaani is /.adil geleiachtig en iiijna doorzichtig. De Vuurlij ven (Pijro-sodui) verspreiden quot;s nachts een sterk liehr en gelijken op gloeiende metaal-staafjes. Zij leven in de warme zeeën en vormen koloniën, die op ecne holle liuis gelijken van 15 cM lengte, aan wier buitenwand duizenden kleine diertjes voorkomtin.
Tot de weekdieren hehooren nog de Armpootigen, zeediertjes, die door hunne schelp op kleine sclielpdieren gelijketi. doch in hun inwendigen bouw er van afwijken, vooral door het bezit van twee zeer lange met trillmartjes bezette armen, die in rust spiraalsgewijze opgerold ia de schelp geborgen worden, en die als ademhaliugswerktuigen dienst doen en tevens om het water met het daarin aanwezige voedsel naar de mondholte te voeren, la vroeger tjjden waren zij in grooter menigte dan nu voorhanden, wat uit de talrijke overgebleven schelpen blijkt; tegenwoordig vindt men ze slechts zeldzaam, aan den zeebodem vastgehecht. Ook de Mosdieren, die in mosvonnige kolonie's of stokken voorkomen, worden tot de weekdieren gerekend, liet zijn zee- of zoetwater-bewoners, hoogstens 1 'J mM groot.
ST HAAL DIEREN'.
De straaldieren danken hun naam aan den stralig-syminetrischen bouw van hun lichaam; d. i. alle liehaamsdeeleu zijn straalsgewijze om een middelpunt gerangschikt. Het zenuwstelsel bepaalt zich bij vele tot een keelring uit zenuw-mergdraden, bij de lager ontwikkelde is zelfs deze niet aanwezig. Vele hebben in gedaante overeenkomst met bloemen en andere plaatenvormen.
S T K K I] 1. II U ! 1) 1 (I K X.
Stekelhuidigeu zijn meestal vrij levende, d. i. niet vastgegroeide zeedieren, met eene leerachtige of kalkachtige huid, die bij vele met stekels bezet is. Daartoe
Stokolhuidigon.
beliooron lt;l(? /,et;k uinko ni ni ers (if 1 f o 1 o t li uri ën. Zij liczitlcn oen rolrond licluuim uil dciu' jjoloiitclitijj;^ st«f licstiinndc en liuliben wiu! iccriicliti^'c huid. die talrijke, dikwijls sierlijk yworindc kalkli('luuuii|ij('s bevat. Ann de voorzijde bevindt zie li de luondoiieniiig, die omgeven is door talrjjke. stralig vei'takle voelers, waarmee bet voedsel, uit dierlijke sloHen bostaaude, wordt vastgegrepen. I'it fijne openingen der buid kan bel dier weeke pootjes uitstrekken; dit zijn buisjes, die. naar gelang zij met water gevuld worden of niet. te voorsebijn treden ot verdwijnen en met bebulp waarvan bet dier langzaam kan kruipen, liet kan zieb ook bewegen door bet ingezogen water kraebtig door de aebferste liebaamsopeniiig uit te spuiten. Wordt bet aangegrepen, dan geraakt bet dier in een krampaebtigen toestand, waarbij de Imidspieren zirh zoo kraehrig saiuentrekken. dat de ingewanden door de beide liebaamsopeningen naar buiten geperst, worden of dat de huid van bet dier openbarst. De Holotbnriön vindt men in bjjnn alle zeeën. De op Tab. Di Fig, |o afgel)eelde (IIololliKi'ia iihiiutdiiiis) leidt iti de Noordzee, De grootste soorten komen in de zeeën der tropen voor. waar zij zieb in bet zand op het strand of' tnsseben zeeplanten en koraalritlen verborgen opbonden, .laariijks tridlt;ken talrijke schepen met Maleisebe vissidiers naar de noordkust, van Australië en naar de Molnkkeu om holotlniriën te vissollen. Daar komen soorten voor, die M lang worden. Men opent ze. verwijdert de ingewanden en droogt ze, om ze daarna, in bundels samengebonden, voornamelijk naar ( hina te verzenden, waar ze onder den naam van trepang een geliefkoosd voedsrl vormen.
De Zeeëgel {Erhinu* «phwrn. Tab. D! Fig. 13) beeft eene bijna bolronde gedaante. Zijne huid bezit een vast geraamte, uit .i-zijdige kalkplaten samengesteld. De mond bevindt zieb aan de onderzijde en is voorzien van een krachtig knuw-toestel, uit 5 kalkachtige tanden bestaande (âlantaarn van Aristoteles genaamd), waarmee bet dier kleine schelpdieren, schaaldieren, zeewier enz. kan vreten. Aan de oppervlakte is de huid met talrijke kalkachtige, soms mooi geteekendc stekels bedekt. Deze zijn beweeglijk en bet dier is in staat zich er mee op het zand te verplaatsen en er zich in te graven. Tussehen de stekels bevinden zich meerdere rijen van kleine voetjes of zuigbuisjes, die liet dier naar willekeur kan doen te voorschijn treden en intrekken. Mei behulp daarvan kan zich de zeeëgel zelfs aan eene glasplaat vastzuigen eu er langs opkruipen. lUiitendien bevinden zich aan de oppervlakte nog eigonaardige driebladige langen, die op beweeglijke stelen zitten en die waarschijnlijk gebruikt worden voor bet schoonhouden van de stekels en zuigvoetjes. De in de Middellandsche Zee veel voorkomende teen-ze eap pel (Echiuun suMililis) graaft zich holen in het gesteente op den bodem der zee eu bedekt zich ook gaarne met kleine steentjes, stukjes van schelpen, wieren enz. fnwendig is de darm spiraalsgewijze gewonden, zonder dat eene maag te onderscheiden is. Van eene in alle zuidelijke Europeesche zeeën voorkomende
Hot dierenrijk. St.raaldiemi.
soort (ï.'eliinn* rsevtenta) worden de 5 eierstok ken gegeten. In Marseille alleen zouden jaarlijks lüdddO dozijn dezer zeenpjieis ter markt gebracht worden: het dozijn wordt tegen '20 (i(l eeutimes verkoeht. lïij de meeste stekelliuidigen komcu uil de eieren larven, die een geheel anderen vorm vertonnen als het moederdier, niet zelden oji kikvorseldarven gelijken en zich vlug hewegen. Aan (leze larve ontstaan dan één of moer kiio|i|ien, waaruit zich dieren ontwikkelen, die de gedaante van het moederdier aannemen.
De Zeesterren lielihen meest een 5-stralig lichaam, hij vele soorten, h.v. de op 'lub. Di Fig. I 1 afgebeelde Wrattige y o n n e «t o r (Soladw .pappota), ilie eene iniddellijn van iM cM xcrkrjjgt en (i|i de liloem eener zonneroos geljjkl, komt een grooter aantal armen voor. De (iewmie zeester of Vijfvoet (Ademcun-llrioii nihi-ii*) is rood van kleur. Hare huid bezit een vast geraamte, uit kalkstaafjes bestaande, die beweeglijk mei elkander verbonden zijn. De onderzijde is met
talrijke, fijne draden bezet, die een hjjtond sap uitscheiden. Hier mede dooden de zeesterren waarschijnlijk hare prooi. Zij kunnen de armen op en neer bewegen, buigen en strekken, er den buit mee vatten, vasthouden en naar den mond brengen. Deze ligt aan l i». 190. De stckulslangskT. de onderzijde ia 't midden van
het lichaam. I)e zeesterren voeden zich met scheljidieren (oestersi en zelfs niet zich levendig bewegende yeedieren, waaraan ze zich vastzuigen. Op vide kusten van Europa zijn zij zoo talrijk, dat men ze als meststof gebruikt, liij de klaagsterren {Ophiuro) zijn de armen langer en dunner, breken licht af. doch herstellen zich weer even gemakkelijk. Hij de M edusen.sterren (l'.unjnlc) verdoelen zich de armen herhaahhdijk in zoo vele fijne takken, dat men bij eene Indische soort 80()Ã0 armranken gettdd heeft.
K \V A lik E X.
Alle hiertoe behoorendc dieren zijn zeebewoners. Zjj vertoonen groote verscheidenheid van vorm. bezitten een geleiachtig liehaain, zelden met eenige kraakheenige doelen; zij zijn dikwijls geheel doorziiditig, glinsteren evenwel aan de oppervlakte met de schoonste regenboogkleuren. Hare huid is zeer dun en beyit in eigenaardige,
K wiilleii.
kleine ItlaasjoH (kapsels) spirntiivonnig gewonden draden, die, /0« de kwal in aanraking komt met een dier of' een mensdi, in de huid daarvan dringen, een pijnlijk, hrandend gevoel veroorzaken en Idaren iloen ontstaan, alsof nirii ziidt aan hrandnetels gebrand had, \ elr soorten verspreiden in het doidver een helder, versehilleml gekleurd licht. Hare vermenigvuldiging heeft plaats met/.nogenaainde u'cneratiewisscliiiquot;'. De («eoorde zeekwal (Medusa aitriht. lah. Ill f'iquot;'. j.i)
O ~ '
van de Noordzee b.v. legt talrjjke eieren, waaruit langwerpige diertjes voortkomen, die volstrekt niet op kwallen gtdijken. /ij zwemmen een tijd lang met helnilp huiiner trilhaartjes vrjj rond, heehten ziedt dan vast aan eetie rots of' een ander voorwet']) en krijgen aan het vooreind eene door vangarmen omgeven indeuking. liet gelteele dier verlt;leelt zich weldra in een aantal afdeelingen. die als gelobde ringen zichtbaar z.jjti: het gelijkt dan op een aantal in elkander gezette trechters. Ten slotte scheiden deze afdeelingen zich van elkander af: zij leven 1111 als zelfstandige dieren voort, die zich allengs tot zeekwallen ontwikkideti. De lübkwallcn dragen 4 of 8 rijen van kamvormige zwemplaatjes. ribben, die uit trilhaartjes of blaadjes zijn samengesteld. Daartoe behoort de Vennsgordel (( '.csIuih Vtmrris) uit de M iddellandsehe zee. /.ij vormt een baud van 5 c.M breedte eti 1 I , M lengte. De genoemde ribben kmmen afzonderlijk of gemeetisidtappidijk bewogen worden en de kwal kan daardoor met groote vlugheid zwenketi en draaien. W'le soorten, bijv. I'jichuris. kutmen z.ilt;di door het sameukleppeu barer mondlobben, rttksgewjj/e snel voortbewegen. De 8 c li jj f k wa 11 e n bezitten een schijf- of klok vormig liehaam, aati welks ouderzijde de vangarmen en zuigtoestellen voiadvouieti. Behalve de geoorde zeekwal behoort hiertoe nog ('uviers's Zee padd es toe I {lthi:oshn)ia diwien), die iti de Noordzee voorkomt, tot ,M breed eti 10 lv(gt; zwaar wordt, maar na den dood uitdroogt tot eetiige spinwebaehtige, taaie draden van '1 (i, gewicht. De Hlaa sk wallen (/''/ii/so/z/jmvt) dragen aan een korten, hullen steel twee rijen holle kraakbeenstukken izwemklokken), aatt het achtereind talrijke zuigbuizett (voeditigsorganetii, met eieren gevulde holten (voortplantingsorganen) eti vertakte voeldraden. Al deze deeleti hebben zich aan de larve door knopvortning ontwikkeld en zijn te beschouwen als individu s. die elk slechts eene enkele functie te vervullen hebben ten behoeve van de geheele kolonie. De Blad kwal (llippopodnis) gelijkt op eene rijpe hopvrucht, de Bloemkwal 1/i'edoji/;;/«lt; roxc) op eene blauwachtige roos. Aan den waterspiegel in den Atlautischeu Oceaan verschijnt het 12 cM laitge, schoon glinsterende Bezaantje (l'ltijxiilia iwhujica) dikwijls in groote scharen; het richt een vlies willekeurig als zeil op en laat zich door den wind voortdrijven. Alle kwallen zijn roofdieren, die andere zeedieren, zelfs vissc.licn door hare netelorganen verlammen eti dooden, 0111 ze daarna uit te zuigen.
297
Hol (lierenrijk. Straaldieren.
i' o i, v i' i: x o r k o i; a a l d i i: i; i: n.
Do polvpüii /ijii uitshiitcml waterdieren on ^roofeiideels /.oobowonors. /ij leven gedeeilelijk id'zonderlijk, gedeolteijjk in grool; aantal l»ij elkander; soms vrij, soms Nastgegnxdd. Do kleinste lioldien oeno lengte; van li 1(.' m.M; de grootste, die alloen loven, worden ' '. M groot. 1 let liohaam is rolrond, van boven van oeno schjjt' voorzien, dio in hot midden do mondopening' en aan den rand een of moer kransen van vangarmen draagt. Daar deze gewoonlijk lioldor rood. blauw, groen ofandors gekleurd zijn. gelijken do dieren soms buitengewoon veel op bloemen on worden dan ook wel pla ntendioren genoemd. Vele sclieidon kalk- of lioornmassa's af', waardoor de zoogenaamde koraal- of polypenstokken ontstaan. De dieren leven of in groeven en bolton der polypenstokken, of zjj leven aan do oppervlakte daarvan en vormen eene boklec-ding van den stok. Door do wijze, waarop do dieren zieb verdoelen of de knoppen voortbrengen en dns do kolonicj vergroot wordt, verkrijgen de pol\peilstokken liuiiue eigenaardige boom- of strnikaebtige gedaante. Do in gcineonscbap levende polvpen staan met elkander in verbinding, door buizen, die do voedingsstoffen bevatten. W at liet eene dier van do kolonie gegeten hoeft, komt dns ook aan de andere ten goede. Behalve door knopvorming en dooling, planton zij zich ook door eieren voort. Vele bezitten vangdraden mot netolorganon, waarmede zij de prooi verlammen; zij van hun kant strekken weer aan vissollen en andere zeedieren tot voedsel.
De Zee a no mo non (Actinia) hebben eene leerachtige, taaie hnid, zitten met eene breedo schijf op oeno ondiepte vast, kunnen evenwel langzaam van plaats veranderen. Sommige verbergen zich mot liet achterste deel des lichaanis in het zand op den zeebodem. Hare straalsgewijze geplaatste vaugarinon geven aan de dieren een prachtig voorkomen en voel gelijkenis met anemonen, rozen, madeliefjes en andere bloemen. Do op Tab. Ki Fig. 10 afgebeelde soort is de Koude Zeeanemoon (Aciinia rubra). Do talrijke soorten leven van de poolzeeën tot aan den evenaar, do kleinste zijn zoo groot als eene erwt, de grootste hebben 12 cM middelljjn. Zij doodon, trots de weekheid van haar lichaam, krabben, visschon en andere zeedieren. Komt do prooi dicht genoeg bij, dan worpen zij er hare uotol-organon, die in kapsels geborgen waren, op af. Soms scheurt hun lichaam bij het verslinden der prooi, doch hot liorstollingsvermogoii is zoo groot, dat baar dat weinig hindert. Hij aanraking of vóór bot opkomen van een storm of onweer, trekken zij zieb samen. Zij brongen slechts weinig eieren voort. Daaruit ontwikkelen zich larven, dit.' op infusiediertjes geljjken, zich na weinige dagen vastzetten en tot nieuwe anemonen opgroeien.
Polvpon of kcinjililicroii.
De Z c o pa (I d o s l o c 1 of S p «n s k or a a 1 {l^iniiiid) is de grootsto lickcmlc Polyp: liij hooft oeno niifldollijn van '/ M on liowoont ooii scliijfvoniiigoii koraalstok, dio in hot midden uitgehold is on talrijko. sfraalsgowji/.o gorangsohikto hiadoii vertoont, liij behoort tot de Stconkom 1 on, waartoe ook tie fraaio .luf'l'cr-koraal (Ocidiua rinjincn) beiioort, met booinvorraig vertakten koraalslok en diepe holten voor de dieren. De lie k er k o ra len (C.iiri/oiiht/Uiti) vormen ilielil iueengewarde stokken, aan welker eindpunten de poivpen zitten. De Sterkoralen (Adfdcn) h'djben stokken van (i M middellijn, die mot knohhels bezet zijn en dielit op elkander geplaatste romlaehtige of hookige cellen vertoouen. Bij de lïoomkoraleu {Mixdvc\iovilt;l'i) zijn do stokken vertakt, '2 â¢gt; M hoog en bezet met zeer dicht op elkander geplaatste cilindrische cellen. Dé vlakke of vertakte T ra p p e n k o r a I e n {Tiu-ih'*) scliijnoii wegens de kleinheid tier cellen poreus; zij vormen rillen van '20 M omvang. Al deze koralen komen alleen in do warmere zeeën voor en zijn de vormers van de koraiih'iffeii. \ an de Schors polypen is het M d e 1 k o r a a. I (('.oriilliiiiii ndirirm, l'ah. I â '! I'ig. I 7), het meest beroemd, daar het reeds sedert oude tijden in de Middellandsche zee werd opgovischt, om uit den roeden. Iioogrorini^ veitaklen slok versierselen te vervaiir digeu. De stokken bereiken binnen 10 Jaar eeue hoogte van 1 M en zijn met cene witte schors overtrokken, waarin /icli op tamelijk groeten afstand van elkander de cellen bevinden voor de eveneens witachtige diertjes. Sommige stokken bevatten slechts mannelijke polypen, andere slechts vrouwelijke, weer andere zelfs tweeslachtige. In do waaiervormige lichaamsholte van het vrouwelijke dier ontstaan eitjes, waaruit reed» in het lichaam der moeder kleine, wormvormige larven te voorschijn komen. Deze bewegen zich een tijd lang vrjj in het water, zetten zich dan vast en stichten nieuwe kolonies. Do rijkste kolonies van odelkoralen bevinden zich aan de kusten van runis on Algiers op Si) 2(1(1 \| diepte. De visschers breken de koraalstokken van den bodem al', door er zware gekruiste balkon over te sleepen. die met stevige, zakvormige netten behangen zijn. waarin do koraaltakkon blijven hangen. Do opbrengst is zoor wisselvallig; in 188!) werden 160000 Kil bloedkoraal voor oene waarde van 10 millioen lires door ftaliaanscbc visschers gevischt. De / e e v e d e r o u (I'minn-lula spinosa, Tab. 13 Fig. 18) bezitten oen vedervormigen, niet viistgegroeidoii stok; de polypen komen aan de fijnste vertakkingen voor. Zjj drijven op do golven en leveren quot;s nachts een prachtig gozicht op. daar de talrijke kleine dieren als vonken lichten.
De Gewone arm- of Zoet watorpo lyp (IJijdru a mm) komt in zoetwater, aan de planten gehecht voor. Ken vast omhulsel ontbreekt; in samengetrokken toestand gelijkt zij op oen klompje gelei van de grootte van oen spoldeknop, uitgestrekt is hij 2 cM lang. Daar haar lichaam geheel doorzichtig is, blijft zij
Hoi (Uomirjjk. Vurmludzi' diuroii.
licht unopgcmorkt. liehalvc de vaiigariucii, die den mond omgeven, bezit zjj netelorgimeii; zjj wordt tot de Tv w a I p o 1 v ]ie n gerekend. Wordt liet dier stukgesneden, d.in ontwikkelt zieli nit eik stuk weer eeno nieuwe |hiI\[i. Eene verwante soort is de Groene armjiolvp (Ihjdru ririilis), ^ die evenzou voel voorkomt. Do kwalpolypeu voeden zieh
mot dierljjk voedsel en zijn zeer vraatziuditig.
Tot dezelfde groep beliooren de fraaie Zee borstels [I'himiildfiii) en Ta n d h o re n k o ra 1 e n {â Si'rlitlaria) der zee, die ook op onze kusten voorkomen, limine polvpen-stokken zijn zeer toer en vertakken zich vedervormig.
Ilierbij sluiten zich de Mosdieren aan. die liun naam danken aan de overeenkomst in vorm met mossen. De 11 oom w i e ren {h'/uslru) bedekken andere voorwerpen der zee en gelijken soms bcdriegeljjk op korstmossen of mossen.
Ook de Sponsen {S/ioit-ia) zijn met de polvpen verwant. Zjj seheiden een kalk-, kiezel- of' hoornaiditig skelet at. dat door liet sljjmaelitige lichaam van het dier bedekt wordt. l)il licliainn bezit geene bijzondere organen, het bestaat uit [)rotopliisina, waardoor sjajsvertering, ademhaling en nitseheiding plaats beeft. Zij planten zich door kiemen en eieren voort. Jleu kent groene, wceke zoetw atersponsen : de meeste sponsen leven evenwol in zee, zoo ook tie
300
tin-, en. (irwoiic (iniipolyi». N\ iisellspons {SnitiK/iu n/lirinuli*). die op ondiepten op 'i Nctclorgann. i i i
de kusten dor gevischt wordt en na zuivering van het diei
sche zee eu die van Amerika ke slijm in den handel komt.
voiniMtozi: dikkkn.
Tot deze laagste aller tliergroepon behooron slechts diertjes, die zeer klein, soms microscopisch zijn en waaraan bijna geene bijzondere organen te onderscheiden zijn, zoodat het weeke protoplasma, dat liet lie haam geheel of grootenduels samenstelt, dikwijls als atlemhalings-, spjjsvertcrings-, uitschoidings-, bewegings-en grijporgaan dienst doet. Van zintuigen of zenuwstelsel is niets te bespeuren. Zjj vermenigvuldigen zich meestal zeer snel door deeling of knopvorming; soms door middel van eieren. Men onderscheidt twee groepen:
rnfnsiodkM'tJos.
I N' FT SI EDI E I! T .1 ES.
I)lt;' Afgi (! t se Idi c r t j es ot' In fu wi clt;1 ic r t j lt;â s leCM'tli'men door liumu! geringe atinetingen eerst na de uitvinding van liet ini(gt;i,oseoii[) kennen. Men gat'hun dien naam. omdat men ze hot eerst in waterige aftreksels van allerlei iilantenstotf'en vond en meende, dat zij door oorspronkelijke voortbrenging (generatie e(|uivoea) uit vergane plantaardige en dierlijke stoHeii ontstaan waren. De kleinste er van, h.v. de puntvormige Moniin Terytiu, zijn minder dan O.Oül m.M groot. Zij bestaan alle uit eene halfvloeibare, geleiachtige stof van blauwachtige, geelachtige, groene of roode kleur. De infusiediertjes treden sums in zoo groote menigte oji. dat zij meelhouclende voedingsstoffen rood of het water groen kleuren (l o/ck.c (Hohdloy). \ (de zijn met een steel vastgegroeid, zooals de iu onze moerassen levende Klokdiertjes (Viriiic.iillci). Hun lichaam is klokvorniig en glashelder, de mondrand is met trilharen bezet, waarmee zij eene strooming in het water veroorzaken, die het voedsel naar den mond voert. De oudere dieren zjjn vastgegroeid, de jongen laten zich van den steel los en zwemmen vrij rond. Andere soorten bewegen zieli tamelijk snel met behulp van de talrijke trilharen, die öf over het geheele, bolvormige, rolronde of schijfvormige lichaam verspreid zjjn, of slechts om de mondopening gegroepeerd zijn. De mond ontbreekt bij verschillende geslachten.
Zij voeden zich voornamelijk met microscopisch kleine plantjes of met de overbljjfsels van vergane planten. Daarbij wordt ook toevallig een kleinere soortgenoot verslonden, die hun juist voor den mond kwam. Droogt de waterplas, waarin zich infusiediertjes bevinden, geheel uit, dan kunnen de diertjes zich inkapselen en in dezen toestand zonder schade den tijd der droogte doorbrengen.
De wind kan ze dan met het stof ver wegvoeren en de eerste regenbui wekt ze weer tot een nieuw leven op. De met behulp der trilharen buit gemaakte spijze komt door den mond en de
, . . , . ' , , , , kloluiicrtjcs. II,i
keel m het inwenuige van het lichaam, dat evenwel geene i-cnc met uitg-o-
strt'kton steol «'ii
bijzondere snijsverteriuystoestellen bezit, doch slechts met proto- uitKCKpmdc tril-â¢' i .» rgt; i nnarkrniiH, het au-
plasma gevuld is. Onverteerde stuffen worden weer door eene andere vi;^ViiTnK..tnIkkquot;ii opening uit het li(diaam verwijderd. De inondlooze soorten drukken n.'.i'i1 trnigirquot;'quot;!»'»quot;n
1 .. ⢠i i lii ⢠⢠i ii*i mondrand,
de spijzen oninmdcllijk met de wimpers in hel weeke liehaani.
Alle veniienigvuldigeii zich snel door deeliug, door lvno[)\oriniiig'en d(»or iMeren.
Hol plantenrijk
Wie soorten lichooveii voor de vorming eener nieuwe generatie door deeling iiauwcljjks een uur. Daiir zich â⢠ten minste aanviinkeljjk ieder nieuw gevormd diertjo in den/elfden tijd wederom deelt, zouden volgens berekening reeds binnen eenigo dagen I miliioen stuks uil een enkel individu kunnen ontsta-iin. In werkeljjkheid is de vermenigvuldiging wel aanzienlijk langzamer, maar toch nog verwonderlijk snel. Sommige zee-infusiediertjes lichten in het donker. Zoo de .\octiculu milnn'ilt;. I m.M groot, die het meest lijjdraagt tot het lichten der /.ee op onze breedte.
F O l\ A M I N I V M R i: N'.
liet kleine lichaam bestnat uit een protoj)lasma-k]om|)je, bekleed met eene doorboorde kalk- of kiezelschaal, die eeu- ot meerkamerig is, Door de opeiungen der schaal treden vangarmen (schjjnvoetjes) te voorschijn, waardoor het voedsel gegrejx'ii en tevens verleerd wordt en die telkens weer verdwijnen, liet zijn zeediertjes, die dikwijls in ontzaglijke menigte voorkomen en die eene gewichtige rol vervullen bij de vorniing van kalk-en kiezelgesteenten op aarde, die soms geheel uit de dikwijls zeer sierlijke pantsers dezer diertjes gevormd zijn. De Amoeben of Sljjmd iertjes uit het zoetwater zijn zonder twijfel de eenvoudigste diervormen. /ij missen de schaal, hebben dan ook geen vasten vorm, doch voeden zich overigens op dezelfde wijze nis de fbraminiferen met behulp van vangarmen, die telkens aan den omtrek van hun lichaam ontstaan en weer verdwijnen.
li KT PLANTEN RUK.
De planten zijn. evenals de dieren, levende wezens. Als bij deze is liet lichimni samengesteld uit organen, die de verschillende levensverrichtingen moeten volbrengen. Deze laatste bepalen zich evenwel tot die, welke noedig zijn voor de instandhouding van het individu (voedingsverrichtingen) en die, welke
Oi^iUion ilrr plaiit»'!!.
dienen voor do insbiiulliouiling dor soort (voortp 1 ant in gs v or r ilt;⢠h t in gon). Men aoiunt ze daarom do vogotatiovo lovonsvorriclitiiigcii, in tegenstelling
I -2 (.'t'lweet'sol. i Sniraalvntcii. Hh Kii'iiioiidf spoor. 1. en (I Kifriu'iid'' ztidtMi. 7 Ulortii van ociic grassoort: n kltMii riKiiiiUMitixir bluemdek, « stampor, lt;/ incchlriidrn. - /quot; kal'jos. S Itlocm im-ihm' U-Iic: a vruchtbüginscl, lgt; stijl, / stempels, lt;! riitcldraileu. lt; Ulociadi'lc. Hlorru i-ciicr kers: a vruchtWfginscl, /gt; stijl, r stempel, d mci'ldradi'ii, lt; KoIkbladiTen, /' bloiMukrooiibladcrcn. li» 17 Vruelilni; 10 Pitvrueht. II (Jevleugfld nootje. IJ Vlt;rzanielvrui'lit (bibsen) der brauiiibe^. !:» Dopvrueht met vruelitpluis. It Split vrucht. 15 DooHvrueht. IG Peul. 17. llnuw.
mot de animale, die uitsluitend door den mouse.!i en de dieren worden uitge-ool'end. Do laatste zij» ile be t r e kki ng« v i? r ri c li t i ngen, waardoor liet individu
Het plantonriik.
zich in Ixjtwkking kan Ktellon met zjjno omgeving, en de bewegings veivrieli-tingen, waardoor liet willekeurige bewegingen kan uitvooreu. Zintuigen, spieren en het zenuwstelsel ontbreken in liet plautenlichaam. Men mag dan ook aannemen, dat |)]anteii geen zelfbewustzijn bobben.
Vóór wij de levensverrichtingen der plant nader bespreken, dienen wij eerst de samenstelling van haar liehaam te besHiouwen, Alle planten zjjn uit cellen upgebomvd. Dit zijn blaasjes van zeer verschillenden verm, die meestnl zoo klein zijn, dat men zo slechts mei behulp van een microscoop duidelijk kan onderscheiden. h'ig. 1!W, I vertoont de bidvoi'ini^c! cellcn uit het zoogenaamde teelt wecd'sel van den stengeltop der vijg. Fig. I! 13, 2 sUdt stervormige ccllen uit het merg van de zegge vooi-. De cellen bezitten een celwand, uil eelsfcof of cellulose bestaande, eene stof. die in het dierlijk lichaam in quot;t algemeen niet voorkomt (zuivere watten en papier bestaan uit celstof). Oorspronkelijk zjjn de cellen steeds gevuld met protoplasrna. eene waterrijke, geleiachtige, korrelige stof, die veel overeenkomt met het protoplasina der dierlijke cellen. Dit protoplasnm is do eigenlijke lovende stof dor cel: alle loveiisverrichtingeii der plant gaan er van uit. lu vele cellen verdwijnt het protoplasina. zoodra zij zekeren leeftijd bereikt hebben, zij bevatten dan alleen lucht of zijn met andere stoffen gevuld. De meeste planten (alleen de laagst ontwikkelde niet) bezitten ook vaten. Dit zijn buizen, ontstaan door liet verdwijnen der tussclienschotten bjj talrijke in céne rij liggende cellen, die dienen voor do geleiding der sappen of als bewaarplaatsen voor sommige stotfeii (melksap); sommige zijn gedurende zekere rustperioden dor plant met lucht gevuld. De wanden der vaten vertoonen veelal verdikkingen van cigenaardigen vorm. In Fig. |!);}, 3 zijn spiraal ladder en stippelvaten afgebeeld uit de mergscheedc van de spar. De vaten zijn in de organen der plant op eene bepaalde manier samengevoegd en vormen in verceiiighig met zekere celwccl'sols de vailtbundels. Zij strekken zieli van de uiteinden dor fijnste wortel vezels uit tot in do jongste bladeren aan de toppen dor stengels, vormen do hoofdwegen, waarlangs zieli de \ oedingssappen bewegen en dienen tevens door hunne hardheid en stevigheid tot steun voor hot plantonlichaam in al zijne dooien. De nerven en aderen der bladeren zijn niets anders als vaatbmidels; scheurt men b.v. het bind vim een weegbree langzaam dwars door, dan worden de spiraalvatcn een eind wegs duidelijk zichtbaar. Zoo bestaan ook de stam en dc takken onzer houtige gewassen hoofdzakelijk uit vaat bundels.
De cellen, die aan de oppervlakte der plant voorkomen, bezitten aan den buitenkant zeer dikke, voor water ondoordringbare wanden (opperhuid- en kurk-cellon). Die, welke in het inwendige der plant uitsluitend tot steun van hare doelen dienen (houtvezels) of tot beschutting van sommige organen (steenen om de zaden, vruchtwanden) hebben eveuzoo dikke en harde wanden. Die, welke
Pf vnoilinir der jilnnt'-n.
(lioncn voor het op/.uig'cn van vooilin^sstotrcu ( worh-lhiircu) of liet vorvoor iIit sii|i|i('n in de jilnnt /jjn (liiiuvnlcgwi van zi'cr (liiniu', voor water ^'cmakkclijk doordringbaro wanden voorzien.
Uo voeding der pliiiiteii.
at vroeger in hot algemeen is o|)geinerlil omtrent de voeding van den inousch, geldt in hoofdzaak ook voor de planten. Zoolang zij leven heeft stofwisseling plaats; bestanddeelen van het lichnain worden verbruikt en moeten door nieuwe vervangen worden. Vandaar de behoefte aan voedingsstofleii. liij de planten zijn deze evenwtd van geheel anderen aard dan bij mensehen en dieren. De laatste knnnen zieh sleehts voeden met stoffen, die deel uitmaakten van het lichaam van andere dieren of van planten (organisehe stoffen), I gt;e planten daarentegen voeden zich op enkele uitzonderingen na sleehts met minerale stoffen, die in den bodem voorkomen, en met gasvormige bestanddeelen der lucht. Zij verwerken deze stoffen in hare bladeren, met medewerking van het zonlicht, tot organische stoften (a s s i m i I ee re n). Alle organiscbe stof is dus oorspronkelijk door de planten voortgebracht, terwijl de dieren deze stoffen weer verteren en de bestanddeelen ervan tijdens hnn leven en na hun dood weer teruggeven aan den bodem en aan de luclit, waaruit zij oorspronkelijk afkomstig zijn. Zoo ontstaat een kringloop der stof, die het voortbestaan van planten en dieren beide mogelijk maakt. De planten veranderen de minerale stoffen van den bodem en de lucht in organische stof, de dieren zetten de laatste weer om in minerale stoften.
Ook de wijze, waarop de planten hare voedingsstoffen opnemen, is geheel verschillend van die bij de dieren. Zjj bezitten geen mond. Voor de opneming van water met de daarin opgeloste bodembestanddeelen dienen de wortels. De jongste uiteinden daarvan (de wortel vezels) zijn voorzien van zeer fijne microscopische wortelharen: deze hechten zich vast aan de bodemdeeltjes en zuigen het vocht op, dat aan de oppervlakte daarvan voorkomt, waarbjj zjj zelf een zuur vocht afscheiden, dat stoften uit den bodem oplost, die in zuiver water onoplosbaar, maar voor de voeding noodzakelijk zijn. liet vocht, dat de wortel-haren opzuigen, dringt van daar in de aangrenzende cellen, komt zoo in de vaatbundels der wortelvezels en der stengels en wordt daardoor (bij onze houtgewassen door de vaten van het spinthout) naar de bladeren gevoerd, waarin de daar aanwezige voedingsstoffen als het ware verteerd worden. Ook de bladeren nemen voedingsstoffen op en wel voornameljjk koolzuurgas, dat altijd in de lucht voorkomt. Dit gas dringt met de lucht door fijne openingen in de opperhuid der Waovku's Natnurlijko Historic. on
Het plaütoni'iili.
bladorcii dm i (I in i) lid J i's) in ili' i'iiiiiih'ii tussclicii de ct'llcn vuil ln't IdiKlwci'lscl en kan van «laar «looi- de wanden luwn in het inw«!iidige der cellen komen.
ZoomIs wij reeds opmerkten, hoeft de verwerking dezer voedingsstoven jilnats in de bladeren (groene stengekhndtm kannen de bladeren in deze vervangen). Dit kan eveawi'l slechts in bepaahle omstan«ligheden plaats vinden. \ oor«'«'rst moet dt! temperatuur niet te laag, noch te hoog zijn. Verder moeten de bladeren bladgroen (chloroiilii/l) i)«!vatten, dat in de bladgroen k orri^ls voorkomt, die in het protoplasma «Ier groen«' planteiuleeh'n zitten. Kimloljjk moetea zij door zonlicht beschenen worden. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan vormt zich vooreerst uit koolzuur en water zetmeel, in den vorm van kleine korrels, te luidden van «le blfidgroenkorrels. Hierbij ontstaat zuursbd', «-on bestaiuideel zoow«d van koolzuur als van water. Deze zuurstof treedt door de huidmondjes uit, om /icli in d«! lucht te verspreiden. Ook bier moeten wij «ip «'en zeer uierk\vaardig«,ii kringloop wijzen; terwjjl de «lierlijke wez«'us zuurstof verbruiken en koolzuur er voor in de plaats gcv«'n. waardoor hoe groot de uitgestrektheid «lor atmospheer ook zij de luchr spoi'dig ongeseliikt zou worden voor de ademhaling, blijkt ons nu, dat de planten het koolzuur weer aan «!«⢠lucht onttrekken en er zuurstof voor in de plaats gev«'n. liet gehalte aan zuurstof en koolzuur in «Ie atmospheer blijft zoo door «1«^ samenwerking van dieren en planten standvastig.
liet zetmeel is «le grondstof, waaruit in liet plantenlichaam bijna alle andere plantenstolfen worden bereid: vetten of oliën, celstof, suikersoorten, d«' «'iwit-stoffen van hel protojilasina enz. Hiertoe is «le medewerking noodig van uog amlerc voedingsstotfen «ai wel van de ziaitcn van kalium, natrium, calcium, magnesium en ijzer, in 't bijzonder de sulphaten, phosphateu, nitraten en chloriden dezer metalen, «li«' in eiken vrm'htbaren b«)dcm in grooter of geringer hoeveelheid voorkoinen. meest als verweringsprodui'ten van de gesteenten. Eiuie bijzonder vooraani«' rol spelen hierbij de stikstoflioudende zouten, n.1. de nitraten en anmiouiakzouten. 111«' onmisbaar zijn voia1 «1«' vorining van eiwitstoffen en waaraan dns elke plant in groote hoeveelheid b«dioelte heeft. Zonder een behoorlijk gehalte aan deze stoften is dus ge«'n grond ges«dnkt voor «len plant«!ngroci. Shndits enkele planten zijn in zekere «anstan-diglieden in staat de stikstof uit de lucht t«' vvnverkeu (lupine e. a.). Daar de cultuur[danteu grooten«lo«'ls van li«'f lau«l verwijder«l wordiai en «laarine«le «tok bijna al «le zouten, die zij uit den bodem hadden opgenomen, wordt de voorraad daarvan in den ImmIoui steeds kleiner en weldra zou dc liodein ziju uitgeput, indien men niet «1«' weggev«ier«le stolhai daaraan grootendeels w«'«'r t«'riiquot;'sgt;'al in den vorm van mest. Niet alle planlen bebben «lezellde ziaiien
no â¢
noodig, «nu zich behoorlijk t«! kunnen ontwikkelen; etai bodem kan uitgi^mt zijn voor eene bepaalde plantensoort , «loch nog voldoeuilen voorraad van andere zouten
lion
Do voeding der planten. ,'{07
hevntton, die vont' ociio andere iilimlensoorï als vondingsstofteii kniinen dienen. 11ierop berust dt^ \v i sse 1 eu 11 u ur.
Vnn geene stot zijn voor liet leven dei' plant g'rooter hoeveelliedeii noodig dan van water, liet wordt vtiornaineljjk dooi' de wortels, soms voor een deel door de bladeren, opgezogen. De zouten, die uit den bodem worden opgenomen, vormen slechts een zeer klein deel van liet |danlenlieliaani. Men vindt limine bestamldeelen grootendeels terug (alleen de stikstof' uit de niiraten en aimnoiiiak-zOÃten niet) in de ascli, die liij de verliranding der |i!aiit overiilijft. Al de brundliare deeleu, dus verreweg het grootste deel van het pluntenliehaain, /ijn ontstaan uit water, koolzuur en stikstolverbindingen, liet water is dus in de eerste plaats zeer belangrijk voor de plant als eigenlijke voedingsstof'. Doeh het heeft nog andere diensten te verrichten. Alleen stoffen, die in water zijn opgelost, kunnen door de wortels worden opgenonieii en in het planten-lichaain vervoerd worden; het is dus het algemeen vervoermiddel, zoowel voor de nog niet verteerde als voor de reeds geassimileerde voedingsstotlen. l'jindehjk moet het water dienen om de cellen steeds gevuld te houden, zoo dat hare wanden gespannen zijn en de uit cellen samengestelde planteiidcelen zoo groote vastheid en stevigheid verkrijgen, dat zij in den liehoorlijken stand kunnen blijven. Bevat de plant geene voldoende hoeveelheid water, dan is het eerste gevolg, dat alle zaebterc deelen ikruidachtige stengels, toppen der takken, bliideren en bloemen) verslappen (verwelken). Nog meer waterverlics zon iiitdrnging en meestal den dood der plant ten gevolge hebben. De oorzaak van hel waterverlics der plant is de transpiratie, die voornameljjk door de liuidmondjes plaats heeft. Zet men eene plant in een pot met schijnbaar droge aarde onder ecne glazen klok. dan kan men zich overtuigen welke groote hoeveelheid water ze in betrekkelijk korten tijd verliest, want de klok beslaat imvendig spoedig met dikke waterdruppels. Die transpiratie is noodig om opneming der voedingsstoffen door de plant mogelijk te maken. Immers had zij niet plaats, dan zouden dooide zuigende werking der wortels spoedig alle cellen tot barstens toe gevuld zijn, en verdere opneming van water zou onmogelijk zijn. Maai' dan zouden ook geene voedingsstoffen uit den bodem meer kunnen opgenomen worden en na korter of' langer tjjd zon de plant verhongeren. Van veel belang voor de plant is de behoorlijke regeling der transpiratie in verband met de omstandigheden, waarin de plant leeft, liet waterverlics mag op den duur niet meer bedragen dan de wortels uit den bodem kunnen aanvoeren, anders zou de plant verwelken en ten laatste verdrogen; het moet minstens zoo groot zijn. dat de plant zooveel sap uit den bodem kan opzuigen als noodig is om haar te voeden. .Nu zijn vele omstandigheden van invloed op de verdamping; de grootte der gezainenljjke bladoppervlakte, de meer of mindere doordringbaarheid der opperhuid voor water.
Ifft plantomijk
het iianhil der luiidmondjcs en eindelijk de voeldi^lieidstoeistniid der luelit. Hij droog weer sluiten de liuidmondjes zich van zeil'; Inj vochtig weer openen zij zicli wijd om de (rnnspiratie te lievorderen. l'hintcii. die in droge lucht leven (op do heide, in de woestijnen. O]) de muren), hehben daarom kleine hinderen met dikke, weinig doordringhare opperhuid en een gering aantal huidmondjes (v.1). bezeinkruid, brem, heide, thym, muurj)oper); soms zijn er geene bladeren, maar in plaats daarvan stekels, h.v. hij de cactussen. Die, welke op den dicht beschaduwden bodem der hossclien. op moerassigen bodem en in 't algemeen in vochtige lucht loven, hezitten groote hinderen met teere huid en talrijke huidmondjes; v.h,: de tropische Musa's. de waterlehe's en de meeste moerasplanten. Woeslijnplanten liehhcn de merkwaardige eigenschap van bij de aanhoudende groote droogte, die op hare standplaats heerscht, g(dieel uit te drogen zonder het leven te verliezen. Bij de eerste regenbui ziet men do schijndoode planten plotseling opleven en in den korten tijd, waarin zij zich kunnen voeden, met verwonderlijke snelheid bloemen en vruchten voorthrengen.
De stoffen, die de planten uit de opgenomen voedingsstoften in de bladeren bereiden, worden gedeelteljjk gehruikt voor de ontwikkeling van nieuwe planten-dcelen en voor hun groei. Hjj vele planten dient een deel dier stoffen tot de vorming van roservevoedsel, dat voor later gebruik gereed gemaakt wordt en dat in bepaalde doelen der planten bewaard wordt izie hlz. 314). Eindelijk dient iiij alle planten een deel van die stoften ter vervanging van die. welke door de stofwisseling zijn verloren gegaan. Deze stoften moeten dus van de bladeren naar alle andere deelen der plant vervoerd worden. Dit geschiedt, nadat zij in vloeibaren toestand gebracht zijn. weer door de vaatbnndels (hjj onze houtgewassen door vaten van den bast).
Als oorzaak van de stofwisseling hjj de plant is evenals hij het dier de ademhaling te beschouwen, waardoor eene langzame verbranding van hestand-dcelcn liarcr cellen plaats heeft. In verband met de minder krachtige levensverrichtingen hjj de planten is zij van niet zooveel beteekenis als bij de dieren, maar toch voor elk levend plantendeel volstrekt onmisbaar. De daarvoor noodige zuurstof wordt uit de lucht opgenomen, die in het plantenlichaam dringt en het omgeeft, en hierbij wordt een ongeveer even groot volume koolzuur afgescheiden, juist als hij de dieren. Deze ademhaling is dus juist het omgekeerde proces van de opneming van koolzuur voor de assimilatie. Hjj zonlicht merkt men er niets van, omdat de hoeveelheid koolzuur, die de planten dan opnemen, veel grooter is dan die, welke ze afscheiden, en de hoeveelheid zuurstof, dit.' zij in vrijen toestand ontwikkelen, dan veel meer bedraagt dan die, welke zij voor de ademhaling noodig hebben. .Maar in het donker is de ademhaling zeer goed merkbaar door de vermindering van het zuurstofgehalte der ruimte, waarin ze
IK- vo.HÃiig «lor planten.
zich hrvmdcn, en de vcrmcrnlrriiig «lor horvi-cliirid koolzuur daariii. (klanten in slaapkmners!) Vatten wij samen, wat wij omtrent de voeding vermeld licblien. dan bljjkt dns, ihir het leven der |daiiteii gebonden is aan de volgende voorwaarden:
I o. De temperatuur moet binnen /.ekere grenzen liggen, üij te lage tempenitnnr honden alle voeilingsverrichtingen op.
'Jo. De planten moeten in /.nivere lucht leven, die zoow(d voor de ademhaling als voor de voeding noodzakelijk is. Inademing van vreemde gassen veroorzaakt dikwijls spoedig den dood.
Mo. De bladeren moeten veel door zonlicht beschenen worden. Zij zijn dan ook meestal zoo geplaatst, dat zij zooveel mogelijk het zonlicht kunnen opvangen «mi dat zij elkander daarbij zoo weinig mogelijk hinderen. Voor dit laatste doel zijn de bladeren bij vcrsrliillende planten op bijzondere wijze langs do stengels verdeeld en zijn ze dikwijls scheel' van vorm, meer of minder diep ingesneden dl' zelfs uit talrijke kleine blaitdjes samengesteld, zoodat de lichtstralen hun weg door de openingen daartussclieii kunnen vinden.
'ie. De bodem, waarin zij geworteld zijn. moet water en de noodige zouten bevatten; de wortels moeten er gemakkelijk doordringen en evenzoo do lucht. Wiint ook de onderaardsche deelen moeten ademhalen.
Enkele planten voeden zieli op geheel afwijkende wijze. In de eerste plaats ile parasieten of woekerplanten, die zieh op andere planten vestigen, met hare wortels in het weefsel daarvan dringen en zieh met de sappen daarvan voeden. Daar in haar lichaam in den regel in hef geheel geene assimilatie pkiats beeft, bevatten zjj geen bladgroen, zijn bare bladeren weinig of in 't geheel niet ontwikkeld en kunnen zjj ook in het donker blijven leven (bremraap, warkruid, maretakken enz.). Verder de sa p rop hy ten, planten, die op vergane plantendeelen of zelfs op dierlijke overblijfsels leven en zieh met de liestanddeelen er van voeden. Ook van deze is hetzelfde als bij de woekerplanten omtrent bladgroen, bladeren en licht op te merken. Daartoe belmoren vele Orchideeën, de paddestoelen en de schimmels, landelijk de insectenetende planten, die inrichtingen bezitten, waardoor zij in staat zijn kleine diertjes te vangen en te dooden en hun vlecseh te verteren. Daartoe bebooren de zonnedauw, het bliiaskruid, de Amerik, vliegenvangers enz. De kaarden in ons land, maar vooral de bekerplanten in Indië e.a.. lokken de insecten in het water, dat zieh in de bladscheeden of in de bekervormige aanhangsels der bladen verzamelt. Deze insecten verdrinken en vergaan daarin en hunne overblijfsels worden nu met het water door znigwortels opgezogen. Vooral planten op een stikstof'armen bodem bebooren tot de insecteneters.
Hot piant â¢â¢imjk,
l)c voortiilaiitin^' door /.«(It'll.
Dc voruK'iiigvuldigiug tier planten gi'sdiiedt langs ongoslachtol [jkon of langs geslachteljjkou wog. Men sprcokt van gosladit,olijke voortplanting, indien tweeërlei collen mannelijke 011 vrouwelijke,' sanionworken tot do vorniing van don aanleg eenor uiouwo plant. Do gosiaeliteljjke voort[)lantings-verrii'iitingon leiden liij do hooger ontwikkelde planten tot liet ontstaan van /.aden. Deze bevatten een kiem, tl. i. een zeer klein plantje, waaraan reeds do aanleg van wortel, stengel en bladereu te oudersebeiden is. Men noemt de planten, die zaden voortbrengen, Zaad plan tea of'ook, daar de zaden steeds producten van bloemen zijn, Bloeiende planten {Plianerin/trnieu), Aan planten, die geene zaden voortbrengen, ontstaan sporen. Deze bestaan slechts uit ééne cel ot' uit weinige cellen, bevatten geen kiem en ontwikkelen zich niet uit bloemdeelen. De Spore planten brengen dan ook nooit bloemen voort, vandaar de naam Bedekt bloeiende planton (di'iipliiffiiiuen), dien men er ook aan geeft. De hiertoe belioorende planten (wieren, paddestoelen, mossen, varens, paardestaarten enz.) zullen wij later behandelen en daarbjj dan ook de vorming en ontwikkeling van de sporen bespreken.
De bloemen (fig, 193, 7, 8 en ili ontwikkelen zich aan de stengels uit bloemknoppen, De belangrijkste doelen er van zjjn de stamper(s) en de meeldraden; deze zijn in den regel door één of meer kransen van bladeren van zeer bijzondereu vorm omgeven, die de b loem be k lood s el s vormen. Zijn al die bladeren geijjk van vorm en kleur, dan vormen zij het bloemdek; zijn ze ongelijk, dan zijn de buitenste meestal groen en vormen den kelk en de binnenste, die meestal anders gekleurd zijn, vormen de bloemkroon met soms nog eene bij kroon.
De stampers ziju de vrouwelijke bloemdeelen; daarin ontwikkelen zich de zaden uit de eitjes, die in hun onderste, verdikt gedeelte (liet vruchtbeginsel) voorkomen. Dit kan evenwel niet geschicden zonder dat stuifmeel, een product der mannel jjke bloemdeelen of meeldraden en wel stuifmeel afkomstig' van dezelfde bloem of van eene bloem der zelfde plantensoort zijn invloed op de eitjes heeft uitgeoefend. Dit geschiedt op de volgende wijze: Met vruchtbeginsel draagt, meestal aan den top van een meer of minder langen stijl, één of meer stempels. Deze stempels zijn, als ze rijp zijn, kleverig en dikwijls met haarvormige aanhangsels bezel, zoodat er gemakkelijk stuifmeel op blijft zitten, (iescbiedt dit, dan zwelt dc inhoud van de stuifmeelkorrcls door opzuiging van vocht sterk op en treedt door fijne openingen in den harden wand van den korrel in den vorm van zeer fijne buisjes naar buiten. Deze buisjes dringen door het weefsel van den stijl in de holte van het vruchtbeginsel en komen daar in
I»lt;' voorlplaiitinjr door zail«'n.
aanraking nui de ciijcs. waarmee /ij imiiiv vergroeien. Kerst wanneer lt;gt;j) de/r wijze liet eitje lie vrucht is. kan ei' /.icli een zaadkorrel uit ontwikkelen. Jlet stuifmeel ontstaat in de zoogenaamde li e I m k 11 o pj es. die op een steeltje, den li e I m (1 ra a d. zitten. I lelmkuopje en lielmdraad vormen samen den meeldraad. Xu is liet lang niet onverscliillig van welke liloem het stuifmeel afkomstig is. dat op den stempel eener hepaalde bloem komt. Stamt het af van eene bloem eeiier andere plantensoort, dan zal het in den regel zelfs geene stuifnuïelbuizen krijgen; liet kan dus de eitjes niet bevruchten lt;'ii oefent geene werking uit. Alleen als de plantensoort, die bet stuifmeel voortbracht, zeer na verwant is aan die, wier bloemen er door bestoven worden, kan de bevruchting der eitjes plaats hebben cn deze ontwikkelen zich dan tot zaden, waaruit bastaardvormen voortkomen n.1. planten, die zoowel eigenschappen der ééue als der andere plantensoort vertonnen. Is het stuifmeel afkomstig van dezelfde plantensoort, dan kan het uit dezelfde bloem komen of uit eene andere bloem van dezelfde plant of wel uit eene bloem eener andere plant. In liet eerste geval spreekt men van z e 1 f b es t li i v i u g. Deze zelf bestuiving levert bij vele plantensoorten in 'l geheel goene resultaten op; bij verreweg de meeste zijn de zaden, die tengevolge daarvan ontstaan, gering in aantal en klein, zij leveren slechts zwakke planten op. Slechts bij enkele planten levert zelfbesiniving bepaald goede resultaten op. Hij verreweg de meeste planten is kruisbestuiving, en wel door het stuifmeel, dat afkomstig is van eene andere plant, bepaald noodig. om goed zaad te verkrijgen, waaruit zich krachtige planten kunnen ontwikkelen. Xu zijn er vele planton, bij wie slechts kruisbestuiving kan plaats hebben, omdat de ééne plant slechts bloemen met stampers (vrouwelijke bloemen), de andere slechts bloemen met meeldraden i mannelijke bloemen i voortbrengt. Zulke planten noemt men tweehuizig. Vbd.: wilgen, populieren, groote brandnetel, avondkoekoeksbloem, hennep enz. Bij andere planten, komen manneljjke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant voor léénhuizige planten). Migenljjke zelfbestuiving kan hier dus ook niet plaats hebben, maar zelfs wordt er bij zulke planten meestal voor gewaakt, dat de bestuiving wel degelijk plaats beeft met stuifmeel van eene andere plant, en wel doordien de meeldraden en de stampers der zelfde plant niet tegelijk tot rijpheid komen. Als de meeldraden eener plant het stuifmeel afgeven, heeft de bestuiving der stampers dierzelfde plant, die eerder rijp waren, reeds plaats gehad met het stuifmeel eener in de buurt groeiende soortgeuoote, wier bloemen eeniüe das'en vroejj'er ontwikkeld waren. Ook het oniirekeerde kan voorkomen.
o o rgt; o
Ofschoon bij de meeste planten meeldraden en stampers in dezelfde bloem voorkomen, is toch ook bij deze gezorgd, dat zelfbestuiving in bet geheel niet ot alleen in tijd van nood d. i. wanneer anders in 't geheel geene bestuiving zou plaats hebben voorkomt. Soms is het stuifmeel rijp wanneer de stempel nog
Het plantenrijk.
niet gesel likt is om bestoven te worden of' omgekeerd ; dan weer lieliben helm-knoppen en stempels een zoodanigen stand, dat liet stuifmeel uit de helmknoppen de stempels niet vanzelf kan bereiken, noeh er door de insecten ot'den wind mee wordt in aanraking gebracht. Aan de insecten of' aan den wind is namelijk in alle gevallen van kruisbestuiving de taak opgedragen liet stuifmeel naar de stempels te voeren, lïij de i n s e c t e u b 1 o e m e n worden de insecten er heen gelokt door liet honigsap, dat door de nectarien in de bloemen wordt afgescheiden. ui wel door het stuifmeel zelf'. Door hare helder gekleurde, bij het groen der bladeren sterk afstekende bloemkroonbladeren of dekbladeren worden de bloemen reeds op een afstand door de insecten gezien of w el deze bemerken de aanwezigheid der bloemen door den sterken geur. dien ze verspreiden, zelfs in den nacht. In bet vooruitzicht er hun gelief koosd voedsel te vinden, vliegen zij er op af en trachten met hunne snuit den nectar te bereiken. .Vu is de bloem zoo ingericht, dat het insect zoodoende met een bepaald lichaamsdeel met de lielmknoppeu in aanraking moet komen. Zijn deze rijp en opengebarsten dan blijft het stuifmeel aan dat lichaamsdeel hangen. Daarmede beladen vliegt het insect van de eene bloem naar de andere bloem van dezelfde soort, komt in zulke, waar de stempel op bestuiving wacht en deze neemt daarin nu zoodanigen stand in, dat bij noodzakelijk in aanraking komt met de plek, die op het lichaam van het insect met stuifmeel beladen is. Wonderlijk zijn bij tal van bloemen de inrichtingen, waardoor dit doel bereikt wordt en tevens voorkomen wordt, dat zeil bestuiving plaats heeft. NN ij zullen bij de beschouwing van vele planten gelegenheid hebben hierop te wijzen. De windbloemen bezitten geene nectarien. zij zijn meestal reukeloos, vallen niet in t nog door groote en heldergekleurde bloetnbekleedselen. brengen zeer veel en fijn, droog stuifmeel voort, dat door den wind licht wordt meegenomen. en bezitten groote, vedervormige stempels, die ver uit de bloem uitsteken, om zooveel mogelijk stuifmeel te kunnen opvangen. Vele er van bloeien ook vroeg in het voorjaar vóór het verschijnen der bladeren, opdat liet stuifmeel de stempels gemakkelijk kunne bereiken.
Een groot gevaar voor de plant is het nat worden van het stuifmeel vóór dat dit zijne werking' kan uitoefenen, daar het daardoor onmiddellijk bederft, en ook het wegspoelen of verdunnen van het honigsap. lïjj zeer vele bloemen is dc bloemkroon of hef bloemdek zoodanig gevormd en zijn de deelen er van zoodanig met elkander vergroeid, dat de meeldraden er eene uitstekende beseliutting in vinden tegen den regen (de vlinderbloemigen, de leeuwenbekken enz.). Bij andere is de bloemkroon wijd geopend, zoolang er kans is. dat insecten de bloem bezoeken, maar nauwelijks dreigt eene regenbui of valt de nacht in of de bloem sluit zich (crocus, paardetibloem, boterbloem, roos en/.) of wel de bloemsteel buigt zich en de opening der bloemkroon wordt naar heneden gekeerd, zoodat noch regen.
Lcivorisy^srlikM.lonis tier Ziiailplaiiicn.
noch vocht ev in dringen (klokjes, tulpen, lelietjes van dalen, keizerskroon enz, i. \Cle bloemen ontluikén nier dan bij droog' weer (de gi'as.sem. Eindelijk zijn Viij vele planten de bloemen tegen regen en dauw besclnil door de stengelbladeren, die ze als een dak lieschutten (linde, stokroos enz.) of door bijzondere bladeren (bloemseheeden), die ze oinsluiten (annnskelk).
Heeft de bevruchting der eitjes plaats gehad, dan ontwikkelen zij zich tot zaden en bet vruchtbeginsel verandert tegeljjkertijd in eene vrucht, terwijl meestal de andere doelen «Ier bloem verwelken en afvallen. De taak der vrucht is tweeërlei. Vooreerst moeten er de zaden in bewaard blijven tot een gunstig tijdperk voor bet uitzaaien is aangebroken en in de tweede plants moet zij als het ware zorgen voorde verspreiding van het zaad. lt; ïcene plantendeelen vertoonen grooter verscheidenheid dan de vruchten (tig. I iKi. 10 I 71. Zij zijn éénzadig of bevatten meerdere en dikwijls een overgroot aantal zaden. I )e meerzadige vmchten zjjn al of niet door tusschenschotten in hokjes verdeeld (één- of meerhokkig). De vruehtwand is sappig (vleozige vruchten) of droog, vliezig of hard (droge vruchten). De laatste vallen, nadat de zaden rijp geworden zijn. in verschillende deelen uit elkander, die elk een zaadkorrel bevatten isplitvruehten en kluisvruchieni of wel zij springen op de eene of andere wijze open. om de zaden vrij te laten (doosvruchten). De verspreiding van het zaad kan op zeer vele wijzen geschieden. Bij waterplanten drijft liet op bet water en wordt dus daardoor ver van de moederplant weggevoerd. Hjj landplanten wordt het soms bij het openspringen der vrucht weggeslingerd. b.v. bij de ooievaarsbekken, het viooltje, het springzaad, de springaugurk. Soms wordt het zaad door den wind weggevoerd, nadat de vruchten zich geopend hebben. Dit wordt bevorderd doordien het zeer fijn en licht is( papaver, standelkruiden) of door de aanwezigheid van een harig pluis (wilg. populier, wederik, katoen enz.I of van vliezige vleugels (dennen en berken). Veelal worden de vruchten zelf verspreid en wel door den wind (iep. eschdoorn. paardenbloem. wolgras» of door dieren, die ze of onwillekeurig meenemen, omdat de vruebten er door haakjes aan blijven hangen (kleefkruid, klitten, varkensgras) óf willekeurig, om bet sappig of meelig vruchtvleesch. dat opgevreten wordt, terwijl de harde zaden, al of niet door eene harde schaal beschut, blijven liggen of met de uitwerpselen unbesebadigd op den grond terecht komen (steenvruchten, hessen).
l.cveiisgesclMcilenis der /iindpliinleii.
Bevindt zich het zaad in een lucht- en waterhoudenden, lossen bodem en is de temperatuur niet te laag, dan zijn de voorwaarden vervuld, die aanwezig moeten zijn voor het ontkiemen. Dit begint met het opzwellen van de
Hot plantonrijk.
/aadkonvl, tengevolge van het opzuigen van vocht; de zaad lm id harst weldra opon en s])i)c'(li^ komt lief wortcltjo van tk' kiem voor den dag, waaraan wortel-liaai'tjes ontshian, die niot de bodemdeoltjes vergroeien. lt;)ok stengel en blaadjes (liet pliumpjo) ontwikkelen zich snel. I''ij4'. IU3. i stelt liet kiem plantje van don (laileldalm voor, sterk verkleind; tig. l!):!. f» dal: van den lijnen den. beide met de zaailkorrol, waaruit zij zieli ontwikkelen, en fig. I!);!. (gt; dat van een beuk. De eerste, langst geplaatste bladeren van de kiem hebben meestal een bijzonderen vorm en tevens eene bijzondere functie te verriehten en dragen den naam van z a a d 1 ob lie li. Bjj den dadeljialm vindt men aan de kiem slechts écne zaadlob c. die dienen moet om de voedingsstoffen, die in de zaadkorrel naast de kiem zijn o|igelioopt, op te zuigen en naar de kiem te voeren. 1 )e moedcr|ilaiit heelt deze voedingsstollen daar opgestapeld als reserve-voedsel. dat dienen moet om de jonge kioiii|Hant, zoover te ontwikkelen, tot zij zelf in staat is bet voedsel uit den bodem on do luelit op te nemen, lïij den den bezit de kiem vele (10) zaadlobben. Deze worden groen, zoodra zjj in het licht komen, docb wijken in vorm van do gewone naalden at en verwelken zoodra hel voedsel, dat daarin door de inooderplant is weggeborgen, door de kiem verbruikt is voor hare eerste ontwikkeling. ISij den berk vindt men evoiieons reserve-voedsel houdende zaadlobben, maar slechts twee (Æ/). Daar tal van cigetischappen dor planton in nauw verband staan met het aantal zaadlobben Min de kiem. verdeelt men de bloeiende planten in drie grooto groepen, n.l. do Ké n za a d I o b I) igo n (palnien. grassen, leliën, tulpen, asperges enz.), die meestal smalle, reclitnervige bladeren hebben, onvertakte stengels en driolalligo bloomeu ; de \ ee 1 z a a d 1 o b b i ge u (kegoldragonde of naaldlioomen) en de Tweezaadlob b igen (onze loofboomen en struiken en do moeste kruiden mot vertakte stengels, bladen, die sterk vertakte nerven bezitten, en twee- of vijftallige bloemen).
liij vele planten ontwikkelt zich nit de kiem onmiddellijk een bovonaai'dsehe, bebladerde stengel, die week en sappig bljjft. en waaraan woldra bloemen ontstaan. Zoodra do vruchten, die zich uit de bloemen ontwikkelden, rijp geworden zjjii. sterft do plant geheel af. Dat zijn éénjarige kruiden.
liij andere planten ontwikkelt zich uit de kiem slechts een korte stengel, die zieli niet hoven den grond verheft, doch meer of minder talrijke bladeren draagt, die dicht op elkander staan en eene wortolroset vormen. In dezen stengel of in den wortel verzamelt de plant in hot eerste jaar een grooten voorraad reserve-voedsel, docb andore deelen ontstaan in dat jaar niet. Terwijl de bladeren in den winter meestal bevriezen, blijven wortel en stengel in den grond over en in 't volgende voorjaar ontstaat daaruit een hoogo bovenaardscbe stengel, meestal rijk met bloemen bezet (doorschieten), /jjn deze uitgebloeid en de zaden rijp geworden, dan sterft de plant af. Dit zjjn tweejarige kruiden (koolplanten, peomvortels.
l.t vrns-M scliit «li nis dor zajidplantcn.
duizendschoon, rogge enz.). Knktde planten hrengen ct'ti wortelroset voort, die langen tijd door l)Iijt't groeien, tot zich eindelijk na jaren een hloeiiHMidragcnde stengel ontwikkelt, die zaden voortbrengt, waarna de plant afsterft. â Igt;e .Vineri-kaanse'ho agave |aloé|, die in haar vaderland 7 S jari'ii leeft, tlocliin otizt'plantenkassen eerst o]) 10 IdO-jarigen leeftijd bloeit). Dit zijn veeljarige kruiden.
Nog andere planten brengen een on d e ra a rd .so li st(! ngeldeel voort, dat zeer verschillende vormen kan aannemen. Nu eens is hel een verlengde, dikke, knoestige stengel, die zeer langen tijd kun blijven leven, eene ongeveer horizontale richting heeft, en aan het ééne uiteinde vergaat, terwijl het andere voortgroeit ; men noemt hem een wortelstok. Kik voorjaar ontwikkelen zich uit knoppen van dien wortelstok nieuwe bovenaardsohe planten, die vóór den winter weer vergaan, nadat zij gebloeid en zaden voortgebraelit hebben. (W itte doovenetel. veldkers, lelietje van dalen, asperge, kalmoes, kweekgras, helm enz.),
I5ij andere planten is liet een korte, reehtopgaande stengel, die zich niet boven den grond verheft en elk jaar een worlelrosct en ecu bloemstengel voortbrengt; men noemt hem een sl engel voet (piiardenbloem, weegbree etiz.i lgt;iin weer zijn hel opzwellingen van oudernardsohe takjes, die in den grond blijven liggen als de overige planlondcelcn ut'storven. I it de oogen. die aan de oppervlakte er van voorkomen, ontslaan hel volgende jaar weer uieuwc planten. Ditzjjn s t o n g e I k u o 11 c u (aardappel). Of wel hot zijn opzwellingen van oiideraardseho wortclvozels, die in den grond overblijven, /elf bezitten zij geeno oogen, maar zjj staan in verbinding met knoppen van den stengel, die eveneons overblijven en waaruit zich in t volgende voorjaar do nieuwe planton ontwikkolon. Dit zijn wortelknollen. (Speenkruid, Dahlia).
I'lindolijk kunnen het korte siengeldoelen zijn. bezel met dikke schubben, die een scheut omhullen, waaruil zich de nieuwe plaut vormt. Dit zijn bollen (tulpon. uien. lelies enz.). Alle planten met dergeljjke onderaardsche stengcldeoloii zijn overblijvend, /.ij bloeien elk jaar. sterven in don herfst scliijubaar af. doch verschijnen elk jaar op dezelfde plaats opnieuw en dikwijls in vergroot aantal. Kik jaar wordt vóór den winter in het overblijvend gedeelte een groote voorraad roservevoedsel geborgen, dat dienen moet om hot volgend janr do jonge planton tot ontwikkeling te brongen en snel te doen groeien. Vele daarvan leveren dan ook, evenals de verdikte wortels of stengels der tweejarige planton, uitstekende voodingsstoll'en voor inoiiselien en dieren (aardappels, uien, peen wortels, mangolwortels, knollen, koolrapen enz.),
Kindolijk hebben we nog do houtige gewassen te bespreken. Hun stengel is door de afzetting van hontstof in de celwanden hard, houtig geworden on blijft, als do winter nadert en bladereu en vruehton afvallen, bestaan, evenals do houtige wortel in den grond. Tijdons do groeiperiode in den zomer hebben zich
Ilquot;t |i!aiiteiii'ijk.
in oksels (Ier hliiiliTcii knoppen glt;!V«rnul, itnigevcii en bcschut dooi' harde schublicn, wolko knoppen s winters blijven bestiiiin. Door de bladeren zijn in dien tijd ook gvooto hoeveelheden voedingsstoffen bereid en in de stengels nis reseve-voedsel opgehoopt. In het voorjaar zwellen de knoppen en ontw ikkelen zich, dank zij de aanwezigheid van dat reserve-voedsel. zeer snel tot bebladerde takken (bladknoppen) of tot bloemen- en bladerendragende takken (gemengde knoppen, vmebtbotten') of' tot sieehts hloemen dragende takjes (bloemknoppen). Wanneer deze planten zekeren leeftijd bereikt hebben, bloeien zij in den regel elk jaar en zij kunnen een zeer hoogen ouderdom bereiken, zoodat men duizendjarige eiken kent; een rozenstok aan de kerk te llildesheim is ruim 1000 jaren oud; de leeftijd van de ceders van den Libanon wordt op '2000 jaren geschat en die van de reusachtige Wellingtonia's uit de wouden van Californië op U)()0 jaar. In warmere luchtstreken zien wij de boomsoorten, die hier in den herfst hunne bladeren verliezen, s winters groen bljjven; de bladen bljjven langer dan één jaar leven, hoewel altijd slechts een beperkten tijd, en de boomen en struiken zijn dus nooit bladerloos. IVouwens ook in ons klimaat is dit met de meeste naaldboonien, de hulst, de niaagdepalm. de taxis en het klimop het geval. Daar de wortels niet meer in staat zijn water uit den bodem op te zuigen zoodra de temperatuur onder zekere grens daalt, is het natuurlijk, dat in het koude jaargetijde geene bladeren kunnen bljjven bestaan, dan zulke met harde, leerachtige huid, die weinig water door verdamping verliezen.
(iednrende haar korter of langer bestaan is de plant blootgesteld aan velerlei gevaren en daar zij zich niet kan verplaatsen, zou zij daartegen geheel weerloos zijn. indien zjj niet tal van bescherniingsmiddelen bezat, die haar dikwijls redden. \\ ij willen niet stilstaan bjj bescherming, die zjj geniet tegen koude en vocht door de bekleeding van stengel en bladeren, de omhulling der knoppen, door het tijdperk barer ontwikkeling enz. (Jok willen wij .slechts even er op wijzen, dat de planten, die het meeste gevaar loupen veel te Ijjden door den wind, daartegen het best gewapend zjjn: door de veerkracht en vastheid van den stengel, den stand der bladeren enz. Tegenover andere planten die haar van licht en lucht, voedsel en ruimte zouden berooven, omdat zij sterker groeien, kan eenc plant zich soms handhaven door er tegen op te klimmen, wat zjj op zeer verschillende wijzen kan doen (klimop, wijnstok, erwt, hop enz.) of wel door de harde doornen of stekels, waarmee stengel en bladeren bezet zijn en waardoor zij in staat is ecne ruimte om zich heen vrij te houden (braambessen, distels, acacia's enz.), liet meest is zjj bedreigd door de vraatziielit der dieren, doch ook hiertegen is zjj soms aan hare versehillende (leiden tamelijk wel beschermd. Vooreerst door do groeiwjjze: hoornen on klimplanten verheffen de meest blootgestelde doelen (bladeren en bloemen) zoo hoog boven den grond, dat zjj niet in het bereik zijn
riovojisifosrhicdoiiis tier zaatlplM ut on.
van lt;](! nuM'stc plantctuMcrs. Dikwijis liclibcn deze «Icclcn oen voor dc moostc dicrt'ii /ocr oiiaMiigcnanion sinmik of' zijn zr zcll's voor lien vergiftig, in iindcrc gcvalicii zijn zij hczct met doornen, stekels, lirandlmven of een kleverig voelit nfsclieidtMide liaren, die veie dieren er vun teruglioudtMi ze af fe weiden. Eiiuieijjk /jjn vrueliten en zaden dikwijls door zeer lianie srlmlen liescdiut. \ ooral de jonge, teere. nog niet volkomen ontwikkelde dericii lielilien aan dergelijke liesclinltingsiniddelen Ixdioefte en zoo vinden wij ook liij alle planten de jongste toppen der wortelvezels beschut door een hard weefsel, het wo r t e 1 in n t s j e. den stengeltop door de kleine liladeren van den knop, dien hij draagt. De jonge Idaderen zijn tegen de zonnestralen heselmt door s 1: e n n 1» 1 a d e r e n . die zi(di aan Imn voet ontwikkelden en dikwijls afvallen, zoodra het lilad de hesehntting niol meer noodig heeft (h.v. hij den appol), de jonge hhioiitdeclen door di'stevige groene kelkbladen, omwindsels (paardenbloem. inadelielje. peen. pctersidie), bloemsidieeden (iris. arnmskelk) enz.
Al deze inrichtingen kunnen in 't idgemecn de pliinl tdet boliocden tegen de talrijke gevariMi. die haar bedreigen. Merkwaardig is liet boe zij in den regel, zoo zij niet plotseling en voor goed gedood wordt, zieb nog kan herstellen of zirh in gunstiger omstandigheden kan brengen. \ ooral door de ontwikkeling van k n o p p e n . die anders niet tot ontwikkeling zouden geki nnon zijn. kan de plant zieh soms op wonderljjkc wjjze herstellen. Sommige houtige plnnfcn, wier bovcnaardsidie deelen geheel zijn afgevrcten. of o)i andere wijze zjjn vernield, brengen aan de wortels nieuwe knoppen voort, waaruit zich nieuwe stengels vormen, zoodat de plant toch blijft bestaan (ratelpopuher. â lapansehe peer). Andere, wier takken grooten-deels zijn verloren gegaan, brengen knoppen aan de ovi'rblijvende stengelslompen voort, waaruit zich nieuwe takken vormen (wilgen, valsclic acacia s, eiken, berken enz.). Ook bjj onze fniitboomen ontwikkelt zirh uit ih' zoogenaamde slapende knoppen steeds weer jong bont. nadat zij gesnoeid zijn. Soms vindt men naast een knop nog reserveknoppen, die zeer klein blijven, zoo de eerste zich behoorlijk kan ontwikkelen, doch waaruit zich takken vormen, zoo de hoofdknop werd afgevrcten of de daaruit ontstane tak door vorst, gebrek aan lucht oi andere oorzaken te niet ging (vlierboom, oogen der aardappels). Zelfs aan afgerukte bladeren en stengels kunnen knoppen ontstaan, waaruit zich nieuwe planten vormen. (Stekken van wilgen, rozen, fuchsia's, begonia's enz.). Worden de omstandigheden, waarin de plant leeft, steeds ougunstig'cr door gebrek aan voedsel of licht, dan kan zij zich dikwijls als het ware verplaatsen door het voortbrengen van bovenaards(die of onderaardsehe uitloopers. dat /.ijn takken van aanz.icnljjke lengte, die op een afstand der moederplant wortel sehieten en daar het aanzijn geven aan eene nieuwe plant. Op deze wjjze wordt ook dikwijls gezorgd voor belioorljjkc vermenigvuldiging in geval dc zaden dooi' ongunstige omstandigheden veelal niet
Hut plantenrijk.
M rin.l».il lom⢠nf «. «k, in .1⢠rr^ ......«
........................ -iquot;quot;1-quot;'1 -*quot;*» ****.....quot;
ââl ,|,. ââ.ImmrfclH- «ârtcl.lokl.-». Mho lt;* I-quot;quot;11quot;quot; * l»quot;1 quot;'quot;quot;l11quot;quot;111quot;1
........ .......«w ******* »»quot;quot; «⢠quot;quot;quot;quot;f' ......quot;
......................ins vim ««Hfo .â¢âltuutwnva,-n. Mol. ..............
;iis
........... -........... ..........
,1,,,, .......... .lien »â uil /,»ii.l kwwkt i '20. .!.⢠«.â knrliviil. .int m⢠1' quot;i i quot;
v('fknjquot;'t die volkomen dezolfdo iMKeiisoliappou lifzitten als de numdórpinnt, terwijl .Ie uit /mul getrokken ,.hinten dikwijls dezolftle fc | ..ii.vnscliMppen vertoonen als de wild.quot; stainvonn of daartoe naderen,
z.Kxlat liare vruehten of Idoemen niet de gewenselite eigonsel.api.et. verkrijgen.
Men kan daarl.ij op versel.illende wij/en te werk gaan; I tj ,.11
1)lallt,.â, die een wortelstok be/itten. is zij uitvoerliaar door verdeeltng
van den wortelstok; elk deel moet minstens één oog bezitten. Hij knol.tra geilde gewassen gesrhie.lt zij door het phu.ten van ktiolleti. hij bolgewassen door kleine bollen, die men door insinjdingen in den tnoedi'Hiol in groot aantal kan doen ontstaan. Vele bontgewassen brengen tal van wortelscheuten voort, zoo men den stam ol de stammen ,11,1,r bij den grond afsnijdt (populieren, kweeën). Klke scheut levert eene nieuwe plant op, Evenzoo laten zij zieb ver-enigvnldigen door sl ekken . jonge takjes, die men afsnijdt en in vochtige wanne aanle plaatst, ol door afleggers, takken, die aan de moederplant blijven,
luaar in den grond vastgezet worden, tot er wortels aan ontstaan zijn (wijnstok.
1
^ 'M)S
Kig. 199 en '201). Oculi'i'rt n.
riêV'iisiri'scliirdonis dor zaadjiIauU'i'.
liiizcliiiir, ro/ni). Vim vele iilimtcii lovcrcu /i'lfs de al'^rsiKMlcn IiIiiiIcihmi nieuwe planten, zoo men /0 met wanne, vochtige aarde in aaiiraking brengt (Hogonia's). Ehulclijk worden de veroticido l'ruitbooinon en Iioutige sierplanten (rozen) meestal vermenigvuldigd door enten en oeuleeren. waariiij éi''ii ot' meer knoppen van eene veredelde plant op den stam van een wildling tot ontwikkeling gehraelit worden.
Van de ongeveer 1201(01) verseliillende plantensoorten, die men kent. beliandiden wij slerhts de vooi'iiaaniste.
ZAAhPLANTKN OF lll.OKl KNDK l'LANTKN.
(PlKUicrojiamcn).
De bloeiende planten brengen zaad voort, dat eene kiem bevat (slechts bij enkele is die kiem niet tot ontwikkeling gekomen); /.ij bezitten voortplantings-werktuigen in den vorm van meeldraden en stampers, liet zaad zit in de vrucht opgesloten en is dus door den vruehtwand omgeven hij de B e d e k t z a d i ge n {Aiujiospciinrn) ot' het ligt. rjjp geworden, onbedekt tusschen de schubvormige vruchtbladen, wat bij de N aak tzntl ig«Mi (Oipnnoxiienuen) liet geval is, waartoe slechts de naaldboomen en de tropisclu! C'vcadeeën en 0netaei'cën heliooren. De bedektzadigen worden, naar gelang de kiem twee zaadlobben he/.it ot'slechts één. verdeeld in T weezaadhtbhigen (IHcoliilen) en Kenza adlobbigou (MuhihxiIijlen).
blt;quot; Klasse. TWKKZA .iÃMMtltlUK l'b VM KN.
(Diciiluien).
Tot deze groep behooren lt;le meeste gewassen, ongevoer XOOOO verschillende soorten, waaronder al onze inlandsche boomen en struikoii. Zij bezitten in den regel een vertakten stengel en meestal brcede bladoren. Deze hebben één hoot'dnert' met zijnerven, die zich vertakken tot een fijn netwerk van aderen, zooals men dat aan de halfvergane bladeren van populieren en andere planten prachtig kan zien (vinnervige bladen) ot' /ij hebben verscheidene hoofdnerven. die van één punt aan den voet der bladsclijjf uitgaan naar verschillende punten van den omtrek en die zich evenzoo vertakken (hand nervige bladen), zooals bij den wijnstok (tig. 209), den plataan, het kaasjeskruid enz.
II,.t. plantoniijk. Twonzfisaiolili Ifrc JiUnti-n.
/cor (likwijU /ijn do blmloirn dok aanion ^ontold (Hfj;. 'iOl In do
liloemcn komen in don regol lt;lo versoliillondo dooien voor ten getalo van twee âf vjjf ol' van een veelvoud de/.er getallen. De fwoe/aadlol.higon worden in drio groote (iiidork lassen verdoold naniolijk: do Noel- of I, o slgt; 1 o e in b 1 a d i g e n {I'ohiprhiUir), wier Idnemon voor/ion /ijn van eone bloemkroon, die uit meerdere vrije bladen bestaat, do Kon- ol' \' o r g r o c i d b I oe m bla (I i go n (Monopfliihw) mol iiloomon, wier bloemkroon uit oen stuk bestaat en de liloo m k i oo n 1 ooz i n (Aprlahir). die goeue ol' sleebts groen gekleurde bloomdekbladen bezitten.
l-i' ( Mid o r k 1 a s gt;o. Loslilocnililadiffi'ii.
Do hiertoe lieliooroude gewassen be/.itten meestal eene dubbele blooiubekleeding; de buitenste, de kolk. is gewoonlijk groen, slorlits bjj sommige bont van kleur, meorbladig ol' vergrooidbladig; de bloemkroon bestaat uit meerdere tot aan don
grond gescbeiden bladeren.
|)e l'e u 1 g e wa sson {l.iyiiDiinomir) danken limi naam aan liunne vrucliton, peulen genaamd (Fig. Ki). Deze /.ijn uit één vruehtldad ontstaan, wiens
randen vergroeid zijn; aan den daardoor gevormdon naad dragon zij de zaden on in rijpen toestand springen zij mot twee kleppen open. Hiertoe belmoren de in ons land voel voorkomende Vlinderbloemigen {Papilionaceri',,), waarvan de Erwt (l'iïinn satinnn. Tab. li Fig. 1quot;/') en do Hoon {Plum-olus mdijori^ algemeen bekend zijn. De .quot;) Idoomkroonbladon oener vlmdorbloem zijn ongelijk vfin grootte. Hot bovenste, grootste noemt men do vlag, de bolde zijdolmgselie de vloiige 1 s of zwaarden en de beide onderste, die meestal golioal of gedeeltelijk met idkander vergroeid zijn. vormen de kiel. In do kiel vindt men de 10 meel-dnuJon. die alle of allo op één na met de liolindraden vergroeid zijn. zoodnt .leze eone buis vormen, die liet vruchtbeginsel omsluit. Dit laatste draagt een stijl en ailn don top daarvan den stempel, die ver boson de buis uitsteekt, waardoor zelt'bostuiving onmogelijk wordt. Deze bloemen zijn geheel ingeridit voor de kruisbestuiving door insecten. Do meeldradonbuis bevat namelijk honigsap; eone bij zet zicli op de kiel iioer om zich daarvan moester temaken: door de zwaarte vim dit dier slaat de kiel naar bolleden en komen de rijpe liehnknoppon en de stempel met de onderzijde van het dier in aanraking, waardoor hot stuifmeel daaraan blijft hangen. Vliegt do bij nu naar eene andore bloem derzolldo soort om er honigsap te zoeken, dan wordt de stempel daarvan voorzien van liet stuifmeel, «lat zij meevoert en zoo hooft zij onwillekeurig kruisbestuiving doen plaats hebben. De beide zooeven genoemde planten zijn als voedingsgewassen
⢠⢠.
,
IVuI^t'wmsst'ii.
algomeeii goscliat, evenzoo de Turksclio boon (/'. mwltiflorus), die ook om Imre grofite, scliiirliikenroode Mocmtrosscn ills ni('r|iliiiit gekweekt wordt. Men laat ze langs liooge staken klinnncii. waar zjj zicli om heen windt. i)e teergebouwde Linze (i.rrmn lens) met Idadei'en, die uit (gt; paar smalle, kleine blaadjes zijn samengesteld, reelitopstaanden stengel en witte bloemen en de grove 1 ii in boon (1 iciii hihu), met wit en zwart gekleurde bloemen, worden evenzoo als voedingsplanteii gezaaid. De zaden dezer planten worden zoowel rijp als onrijp gegeten en belmoren door linn rijkdom aan eiwitstoffen tot de kostbaarste plantaardige voedingsstoffen: zij bevatten buitendien in onrijpen toestand veel suiker en rjjp in plaats daarvan zetmeel. I'alrijke \ linderldoeinigen worden als veevoeder verbouwd, zoo verseliillende soorten van Klaver en Wikke. Van de talrijke klaversoorten zijn de Roode klaxer (Tnfolinni pmlenxf) en de Witte klaver (7'. rrpena) de belangrijkste. Hnitendien hebben in vele streken de van blauwe bloemen voorziene IJnpskiaver of' Luzerne i Mr.dicKjo sulira) en de mooi rose bloeiende Espareette of 11 a n e k a m in e t j e s [Onobnichi* Kdlivn) als voedergewassen groote beteekenis. I )(gt; Gele Lupine (Luinnm liileus) wordt veel als groenmest aangoplanf. Op een bodem, die door gebrek aan stikstofverbindingen voor andere planten bepaald onvruchtbaar is. groeit de lupine soms Hink. Wij treilen bij deze plant eene merkwaardige eigensehap aan. die slechts bij sommige vlinderbloemigen en enkele andere plantensoorten voorkomt, namelijk dat zij de stikstof uit de lucht in zich opnoemt en verwerkt tot eiwitstoffen. Dit geschiedt evenwel aUeen door den invloed van bacteriën, wier kiemen in den bodem moeten aanwezig zijn en die zich in de wortels dezer planten ontwikkélen. Zijn deze kiemen niet in den bodem aanwezig, dan inoefen zij er eerst ingebracht worden door grond van eene andere plants, waar deze planten vroeger groeiden, er op te brengen. Worden de planten, nadat zij ten veile ontwikkeld zijn, onder gegraven, dan deelt men zoodoende aan den bodem eene zekere hoeveelheid stikstofverbindingen mee, waardoor hjj ook voor andere planten vruchtbaar wordl. Len der belangrjjkste gewassen dezer familie is de Indigo-plant (hidiijofent linctoriii). eene halfstruikaclnige plant, die 1 2 M hoog wordt, met vedervormig samengestelde bladeren en violette, tot dichte trossen vereenigde bloemen. Zjj hoort in Indië te huis en wordt ook op Java gekweekt. Men verkrijgt de planten nit zaad en reeds na twee maanden, wanneer zij beginnen te bloeien, worden zij met de zeis boven den grond afgesneden. Er ontstaan nu nieuwe scheuten, en zoo kan men in één jaar soms i maal de takken afsnijden. Men zaait in Indië alle of ;! jaren nieuwe planten. De bodem wordt er zeer door uitgeput. De afgesneden takken legt men met de bladeren en bloesems in groote waterreservoirs en laat ze gisten. De geelachtige vloeistof laat men in kuipen afvloeien, waarin zij door schepraderen voortdurend in beweii'iiur
1 DO
Waonkk's Natuurlijke Histoi-ie. 0|
II..f pliuitfiirijk. Tw'1''/.'imilIquot;I'l'i' plnnt*1!!.
en met de lucht in nunriikiiig gcibvnclit wordt. Danrdoor vormt zich de vaste, blauwe kloursfof. die liczinUt en die daarna ^edroogil wordt. 1 gt;e donkerblauwi* lij,-,, is voor de wol-, katoen- en liiinenververij eene der meest gewaardeerde
ideurstod'en, waarvan het kilogram met ongeveer Æ 7.â betaald wordt. Men berekent, dat er jaarlijks voor ongeveer HO a IU(l millioeii gulden in Europa ingevoerd wordt. 1'jeuige naverwante soorten, b.v. de Anil-lndigo[)lant, worden in tro-pisch Amerika en Afrika als vert'planten ge-kweekt. üelangrijk is ook de op J.ava in t wild groeiende I'twocui'iix* hiclicuSj die het \ roerei veel voor luxemeubelen gebruikelijke en kostbare zonnebout oplevert, dat prachtig rood gevlamd is Van onze inlandsche vlinderbloenugen wordt de Verversbrein (Gettislu tinctoria) gebruikt ter vervaardiging eener gele kleurstof. Men verzamelt daartoe de rijk bloeiende stengeltoppen van het circa l dM hboge struikje in bosschen met /andcrigen liodem, waar het algemeen voorkomt. Iteeds in /uid-Duitschland, maar meer in Zuid-Europii (Sjianje), wordt in lossen, goed doorwerkten bodem de lage / o e t h o u t s t r u i k (Jjli/ciirrhi'K i/lnhra) gekweekt om zijne zoete, gele wortels, die in kleine stukjes gesneden in thee als middel tegen hoest of ter bereiding van drop (door uitdamping van het aftreksel) worden aangewend. In Middel-Afrika en Wesl-lndië wordt de Aard noot (Aracld* xublcrraned) aangeplant, die hare één- tot tweezadige peulen in den grond verbergt. De zaden worden als voedsel gebruikt of ter bereiding van eene uitstekende oliesoort.
Vele vlinderaclitigen worden nis sierplanten gekweekt. Algemeen bekend zijn. de Gouden regen ((.'///Labiirnmn) met zijne lange, af hangende trossen van goudgele bloemen. De zaden van dezen boom zijn zeer vergiftig. De V ad se he acacia illohiinquot; l^cnd-ncdciii*), een â0 â¢!'' AF Iiooge boom, met dorens ill de plaats van steunbladeren en afhangende, ijle trossen van witte, welriekende bloemen, liet bout is voor meubels bruikbaar. De Knalpeul {Litliileu urborca), een struik met gele bloemen en zeer wijde peulen, die met gedriiiseh openspringen als men er o]) drukt. In Limburg wordt deze plant in t wild aangetroffen. De 151 a li w e regen (Wixltiriu cliineusin), eene houtige klimplant met afliangende, dichte trossen van blauwe bloemen. De \\ elriekende Lathyrus (Lalluji'ii* odtmihi*), een éénjarig kruid met 1â3 bloemige trossen van blauwe of witte bloemen niet violette of rose viaquot;1, en vele andere soorten.
\\UA ^ ? ; p-
' - w
IViik-vwasseri.
Van illt;' bij ons in lu-i wild gToeiendi' Vliruicsrbiownigcii nocincii wij nrtfgt;': lid lie/.emkruid ut' do Brem [Stirolhctmnm sco/xï/'/ms), waarvan de groote, goud-gide bloemen in lier voorjaar aan onze beiden zooveel levendiglieid geven. De lager groeiende lironisooi'ttMi {Genista), eveneens niet gele bloemen en echte lieideplaiiten. De tah'jjke Klaversoorten als de reeds onder de enltumnlanten genoemde roode en witte klaver, de geel gekleurde Steenkla ver (Trifolium tujmrium e. a.), die overal tusscben liet gras, op weilanden, langs wegen cüi dijken en op bouwland voorkomen. De lgt; u p s k I a ve r soorten, waarvan de II opk laver (.Mcdiinijti tiijiiiiniü), met zwarte gekromde peulen de meest algeineene is. De 11 o li i g k I a v e r sooi ten met lange trossen gele Idoemeii met zoeten lioniggeur, b.v. d(^ (ienieene llonigklaver (Midiiolti* o/'/irinalis) en de Kol klaver-soorten. met peulen, die in dwarse bokjes verdeeld zijn en groote, dielit o|gt; elkander geplaatste, gele bloemen, zooals de (i o boo nul e Kolk la. ver (l.uUis cor-nici'lalux). Zij hebben alle .'J-tallig samengestelde bladeren en leveren uitstekend voedsel voor het vee op. Verder noemen wij de verschillende soorten van Wikke en Latlivrnw. die als klimplanten in wei- en bouwland, in heggen en tusscben kreupelliout, langs dijken en wegen worden aangetroilen en die eveneens gaarne door het vee gegeten worden. Zij hebben gevederde bladeren.
De Caesa I p in ië n. eene tweede fiiniilie der l'eulgewassen hooren in tie beete gewlt;!steii te huis. Meerdere in Middel- en Zuid-Amerika groeiende groote boomsoorten, die er toe behooren. leveren kostbaar verfhout op, b.v. de I! ra z i 1 i a a n-selie ( aesalpinie \ lt; .ces il^inin hraxilirnsi*) bel roode lirasilie- of l''ernainbuk-hout, waar roode inkt en Weener lak van gemaakt worden, en de lil oed bont-boom (Il(ilt;;miilo.tiilmi cdhijicchidjunn) bet blauw- of'bloedbonf, dat in de katoen-drukkerij veel wordt aangewend. De laatste wordt; ook in onze Nederlandscbe bezittingen gekweekt, liet bloedhout bevat baematoxylin, eene gele, gemakkelijk oplosbare stof. die in zuilen kristalliseert en wnarmee men blauw, bruin en zwart kleurt, henige Afrikaansebe (-as s i as oo rt e n b.v. Cti**ia Idfuc.oUila, die zelfs in de dorre vvoestjjndalen nog groeien, leveren de bekende seimebladeii, een geneesmiddel. De Indische I a in a r i n d e b o o in (Tariicirindiis indicci) uil Oost-lndië, tegenwoordig ook in \\ est-lndië en /uid-.Vinerika gecultiveerd, levert uitstekende vriiehten op, die aks ooft gegeten worden. De vrucbteii van den in de landen om de Middellaudsebe zee iiilieemseheu St. J a u s b r oo il b oo m {Cnrutonia silitiua) zijn het zoete St. Jansbrood, platte groote peulen, die als voedsel en voor de brandewijn bereiding gebruikt worden.
De laatste familie dezer groep vormen de Mimosen. Zij komen ook uitsluitend in »le liefste gewesten voor en vormen zeer sierlijke struiken mot vedervormig samengestelde bladeren en fraaie, regelmatige bloemen, die als kleine balletjes aan dunne takjes zitten. Verschillende soorten, zooals het bekende Kruidje-
Mol jilantcnrijk. TwoozMiidlolibijro ])Ianton.
i'o c r - m ij - ii i c 1 (inidicd) vouwen do hoido liolfton (lei* hlaad ji^s, waaruit dr veilcM vormi};' simien^c.shsldc liludcrcn licstiinii. simu-n en laton don Idadstccl
lian^'t'ii. zoodrn zij iian^oraakt worden, een vei'sclijjnsel, dat ook hij de tol de vlindtirblocnii^on belioorendc '1 re k-k la ver (lledymrum yynim) wordt aangetniffcn. De niinioseii leveren het rozenhont op. De Ware acacia (Anicid vc.m) vormt in Afrika en Arabic ondoordringbaar, doornig kreupelliont. Deze plant scheidt aan de oppervlakte barer tukken de arnbische gom af, die nis kleef- en geneesmiddel zeer veelvuldig gebruikt wordt, liet sap van de Ontecliu-acacia (.1. cahichv) uit Oost-lndië is rjjk aan looistof en levert een hars, dat onder den naam van catecha of gamhier veel in de leerlooierij en ververij wordt aangewend. Talrijke andere soorten in 1 ndië leveren hout, looizuur, goniharseii, kleurstoffen, etherische oliëu en geneesmiddelen. Zeer merkwaardig zjjn de talrijke Australische acacias, die groote hosschen vormen. Zjjn deze planten nog Jong, dan ontwikkelen zich daaraan gevederde bladeren; later vormen zich geeue blaadjes aar de bladstelen worden breed eti bladvormig.
De Hoosbloem igen (Itosi/lorae) zijn hier in talrijke soorten voorhanden. Daartoe behooren de schoonste en tevens vele nuttige planten. Wij onderscheiden families. I)e eerste is die der Roosacbtigen (Komci'dc). Aan de Wilde roos (Rosa conina), die bij ons in heggen en aan wegen veelvuldig voorkomt, is de bouw cener rozenblocm duidelijk te zien. De bloembodem (de top van den bloemstengel, waarop de bloemdeelen zijn ingeplant) is urn vorm ig uitgehold en draagt op zijn verdikten rand 5 kelkslippen, 5 omgekeerd hartvormige, zachtrosc bloemkroonbladeren en talrijke goudgele meeldraden. Uinnen in de holte van den bloembodem vindt men de talrijke, met stijve haren bezette stampers, w ier stempels, door lange stijlen gedragen, daaruit te voorschijn treden. Terwijl de vruchten rijpen, wordt de urnvormige bloembodem sappig en rood en verandert in den rozehottel. I!ij de Centifolie (Rosa cen-lifdlid), die uit 1'erzië en den Kaukasus afkomstig is,
IJooshloi'imVon.
en de talrijke andere in onze tuinen gekweekte nixensoorten zijn ininder meeldraden, inanr zooveel Ie meer Ijloeinhlnden aanwezig; ja. Iiij vele sterk gevulde variëteiten zijn zelfs in 't geheel geene meeldraden en vruchtbeginsels meer voorhanden, zoodat zij onvruehtliaar zijn. Talrijke rozensoorien komen in onze hosschen en heggen in liet wild voor. zoo: de K g 1 a n t i e r roos (H. rtdii'initisii). de 1) u i n-roos {It. iihnpinntlifolia) enz. De gekweekte soorten stanimen, belialve van de bovengenoemde ceiititblie (mosroos en l'rovensehe roti») at van de ('lii noeselie roos {li. cliincnsix) (de theeroos en de roode Indische roos), de 1'ro veu seh e roos (It. (juliku) en lïengaal sc h e roos {It. xiw/Mv/Zomts) (maandrozen ,' enz. l it de hloemhladeren der centifolie wordt de heerlijk geurende rozenolie gedistilleerd. vooral in Turkije en Tunis. De l'ra in b o z e n iltnlnis iilaciis, komen in de hossehen. vooral in bergstreken, veelvuldig in het wild voor en worden in tidrjjke verscheidenheden in onze tinnen gekweekt om de geurige vrucliteii. /ij Ixdiooren tot het geslacht der Hraambessen, die in talrijke soorten in hosschen, heggen en kreupelhout voorkomen en door hare stekelige takken zeer lastig kunnen worden. De vrueliten zijn, evenals die der frainhoos, samengestelde bessen, die uit talrijke, kleine, eenzadige blessen bestaan, die o|i eeiie midlt;lenzuil, den liloem-hodem, bevestigd zijn, 15ij de A a r d h e i e n, w aar van verschil kuule soorten in talrijke variëteiten gekweekt worden en ook twee soorten inlieemseli zjjn gt;
en /â¢'. elnlior), zijn talrjjkc, droge,
éénzadige dopvruclltjes (i|i den stei'k gezwollen, sapjiigen bloemhodem ingeplant, De iiardhei wordt daarom eene s c h ij n v r u c h t genoemd. Zij vermenigvuldigt zich sterk doorhoven-aardsche uitloopcrs. Van de talrijke (i a n z e r i k-soorten met lichtgele bloemen en sierlijke, samengestelde bladen zijn het Zilverschoon i/'c-tcnlUla anserinu) en het \' jj l'v i u-gerkruid (/', ruplan*) het meest;
bekend; zij komen algemeen tusschen het gras voor en worden soms niet boterbloemen verwisseld. De Spiraea's, met groote pluimen van kleine witte of rose bloempjes, zijn kruiden of kleine heesters, waarvan ééne soort hier in 't wild voorkomt {Sjj. ülntaria) lt;'n talnjke andere veelvuldig als sierplanten gekweekt worden, liij bijna alle roosachtige bloemen ontbreken
320 Het plaiitoiirijk. Twc^ezaadlobbig't' planton.
ncctariön. De insecten hczne^en ze om het stuifmeel en brengen xoo de kruisbestuiving t(, weeg.
De A in an (1 e I a cli t igen (AmygtUdeaè) gelijken iu de sainonsteHing harer liloemen op de rozen, bezitten evenwel sleehts één enkelen stamper, die vrij in eene nrnvonnige uitliolling van den bloembodem staat. Daaruit ontwikkelt zich eeue vleezige, meest éénzadigo vrnelit. waarvan de zaadkorrel door eene harde schaal omgeven is (steenvrucht). Daartoe hehuorcn alle kersen en pruimen. De Zoete kers (Prunm avitm) wordt ia talrjjke verscheidenheden gekweekt en levei't de algemeen beminde, zoete km'sen. waartoe ook de knapkers behoort, als het eerste fruit. De Zure kers {I'. t.Vmx»*) werd door de K'omeineu uit Kh'iu-Azië ingevoerd; zjj levert de bekende Meikersen en Morellen. Beide soorten komen ook verwilderd voor met kleine vruchten. Het hout der kerse-bootnen is donker van kleur en vast. De W ei oh se lbo om (P. l/c/iw/efo) levert het geurige liont, waarvan iiijpestelen vervaardigd worden. I )(â V oge I k e r s (/'. aviion), met groote hangende bloemtrossen en zwarte niet eetbare vruehtcii, komt in onze bosschen in 't wild voor; terwijl de Laurierkers (/'. Lmtro cerams), een [irachtige. altijd groene heester met kleine trossen van witte bloemen, die in de bladoksels voorkomen, als sierplant gekweekt wordt. Ook van de 1'ruimen, wier blpemea '2 aan 'J staan, worden talrijke verscheidenheden aangeplant; de belangrijkste zijn die der gewone l'ruim (PrmtK* Jonu^lira), wier vruchten versch en gedroogd zeer veel gebruikt worden : zij zijn met een blauwachtig rijp overtrokken. De vruchten van onzen Sleedoorn (P. sfjinosa) /.jju wrang en ongenietbaar, die der veredelde llaverpruim (/*. insilUin) zijn bolrond en als kriekpruimen (zwart-violet), mirabelle (geel) en Eeine-Claude (groen) bekend. In West-Azië heeft men uitgestrekte boomgaarden van A b ri k o ze n (/'. Aruiciiidcii), De gedroogde vruchten worden in groote massa's naar de steppenlauden van dat werelddeel uitgevoerd. In Zuid-Europa en l'erzië geeft de Perzik (Prrmca i'iil-tjnri* Tab. I'i 1'ig. ahc) een heerlijk fruit, met onregelmatig gegroefden steen. De jonge bladeren van dezen boom bevatten, evenals de zaden der pruimen en van kersen (vooral de laurierkers en de bittere amandelen), eene bittere stof, waaruit men door distillatie blauwzuur, een zeer gevaarlijk vergift, bereiden kan. In de landen om de Middellandschc Zee komt de Amandelboom (Aimjijihfhts cominiini*) in 't wild voor en wordt bij iu nog grooter menigte gekweekt. Het vruclitvleesch is niet sappig; de zaden zijn bitter of zoet en worden voor de bereiding van allerlei lekkernijen gebruikt. De van een zeer dunnen steen voorziene kraakamandelen komen uit (friekenland. Ujj de Ap pelae h t i gen (J'nmacmv) neemt de urnvorinige bloembodem, waardoor de stamper is ingesloten, aan de vruchtvorming deel. Ilij wordt vleezig en sappig en bevat inwendig de eigenlijke vrucht, bet klokhuis, waarin verschcideni zaden (pitten) voorkomen, dit' meestal in
Hdiohlocinijri'ii.
inoordore, van een leerachtig bekleedsel voorziene hokjes zitten ('pitvruchten!. Daartoe hehooren tie incct-le overige inlaiKlsche Iruitbooinen. I)e wiltlc Appelboom (V'v/'hs mnhi*) en de wilde I'crclionm {l'ijrus rooutiituis) zijn doornig' on brengen ongenietbare vruchten ^
voort; de gekweekte daarentegen komen in honderden vurieteiten voor en leveren uitstekende vrnch-ten met zeer vemdiillentle eigen-stdiappen wat betreft grootte.
kleur, smaak, tijd van rijpheid,
dunrzaamheid enz. l'it vide soorten wordt appelwijn bereid. Men vermenigvuldigt ze door het zaaien der pitten, waardoor men evenwel weinig zekerheid beeft hoornen te krijgen, die de/elfde vruchten voortbrengen, als de moederplant. Daarom wordende zaailingen door oeuleeren. enten en copnleeren veredeld. Om laag' groeiende boomeii te verkrijgen worden zij op stammen der K wee [' .Iiloi ^' rii/i/i'i'i*] geenl. Deze phuit. niet groote. roDilaehtig'
witte bloemen en gele, welriekende vruchten, stamt at' uit West-Azië. Inheemsch zijn: de M ispel (.l/esp/Vus germa-nieiis) met groote witte, alleenstaande bloemen en ronde vruchten van de grootte eener walnoot, die pas eetbaar worden wanneer zij geheel verrot zijn; de M eidooj'ii ((.'â «-Ide.'ju* lt; gt;.i iinciinilin). die om zijn dichten groei en zijne scherpe dorens veel gebruikt wordt voor levende heggen.
()in de dichte, welriekende liloemtrossen wordt deze plant ook, evenals verschillende uithecinsche soorten van dit geslacht, als sierplant gekweekt; de D ij s te rb e s (Sih'I'k* niet govtnlerde bladen en vetdbloemigc
Hlt; t plunlenrijk. Twcfczaudlobhi^f' planhMi.
sclicmivonuige trossen, wordt, viiiik als sierplant anngojiljint, vooral om lt;le praelitig roode, besvormige vruehten, die 's winters voor tal van vogels een welkom voedsel vormen.
De Or an j e boom ac li ti gon (Avrunliaiiiae) worden in de landen om de Middellandsclie Zee, op do A/oriselie eilanden enz. in groofe menigte aangeplant. De (lowone eitroen (CilfK* medicu) is een boom van gemiddelde grootte met /eer vast bout, leeraelitige, vaste, glanzende bladeren en wille, heerlijk geurende bloomen. De vrnrbten zjjn of scherp znur of zoet ; de zoete worden gegeten, l'it de vrnebtscbil wordt eitroenolie gedistilleerd. Jle vnuliten ecuer variëteit, de Sn ead e-e i t roe n , bereiken een gewiekt van soms 2'/^ KG en leveren in suiker gekookt de sueade. De meeste eitroenen nil den bandel zijn afktanstig van den Limoen of Zn u r-e i t r oe n boom {('â . Linumuni). De Oranjeboom (('.Urns IKi'diiltdLtiiii') is reeds door zijne gevleugelde bladstelen van de vorige soorten te onderscheiden. De variëteit met zoete vruchten levert de Oranje- of Sinaasappelen, die een belangrijk bandelsarlikel vormen. Alleen in Kngeland wenden jaarlijks ongeveer 050 millioen dezer vruehten ingevoerd, l'it de bloemen wordt de welriekende ornnjebloeseniolie liereid. Kelie andere variëteit levert de bittere |)ommerans. De Dompel tn oes ((â . (Jfctiininta) draagt vru(ditlt;;n, die (i K(i zwaar worden.
De Bal semgewassen (TwhitilUiume) beboorea Injna alle in de tropische gewesten te buis r verscheidene er van leveren er fruit, li.v. de Indische Mangoboom {Mmujifcrc. indien), een boom van gemiddelde grootte met groote, glanzende bladen. De zeer smakelijke vruchten, die op eene mooie perzik gelijken, moeten evenwel eerst geschild en met water uitgetrokken worden, daar zij een terpentijnachtig sap bevatten. In Drazilië wordt de N ieren boom (Anaccnliioii occiiJmlitle) als fruitboom zeer gew aardeerd. De vruclitoit zelf zijn niervormig, zwart en ongenietbaar, maar de vruchtsteel zwelt op, noemt de gedaante van een ei aan en wordt sappig en eetbaar. Tot deze groep belmoren verder de Snmak-soorten, waarvan verschillende soorten (lilivx I//i'liiiiKm, Ith. ijhtbium') en de l'ruikenboom (11. (â¢(iHiiiin) veelviddig in parken worden aangeplant. De Vergif-sumak {II. loiriciJtleniiroii) in Xoord-Amerika beeft drieta 1 line bladeren en onooquot;'t!-
O ~
lijke groenachtige bloemen. Hij wordt daar gifteik genoemd en zeer gevreesd, daar gevoelige personen reedsquot; door eene vluchtige aanraking vergiftigd worden en een zeer pijnlijken huiduitslag op het heele lichaam krijgen. De bladeren van den Looiers-sumak (/{. coriaria), die in 1 longarije gekweekt wordt, worden dikwijls voor het looien der huiden aangewend (smak). De in Oost-Azie groeiende Vernis-sumak (/f. cmiicife.ra) levert het uitstekende tlanpansehe vernis voor het verlakken van houtwaren. Verwant met de Terebint hen is ook de kleine plantengroep, waartoe de van oudsher bekende Myrrhestruik (Amyris Opahui-
Wutfluuelkaclitlgen.
samiini) en (l(! \\ i ei'i» o k li (i o 111 (Hhmiu-IHii viyhIo) liclioorcn. Do ccrsle quot;i'iH'il :ils kleine struik in (ie orng'eviiig dei' liunde Zee, de laatste op de gelioi'gten van ÃOKt-Azii'. Heido leveren hars op. dat als reuk en geneesmiddel geliruikt wordt.
Eono karakteristieke familie vonueii de \\'o I I's me 1 k a e lil i ge n {l-,)iiihorhid-ctiac). Het zijn lioomeu of' struiken, soms ook caciusaelirige vetplantcn niet Ida-derloozen stam; liijna alle lu^vatten melksap. Hel zjjn eenlmi/.ige planten; de bloemen zijn door een kelkaelitig omliulsel omgeven, waarliinnen lii'i onze inlandsclu! soorten de gesteelde meeldnideii en de gestoelde stampers voorkomen. De op zandbodem veel voorkomende (1 y p r e s b 1 a d i ge w (ill's me Ik ( Iji ithorhia Tab. li big. 'An It) is gevuld met een wit melksap, dat er dadelijk in druppels uitvloeit, zoo eeltig deel wordt iitgesclieiird. Dit sap is seberp bijtend en beval een kleverig bars leene soort eaouteliouk). N'ele Afi'ikaansehe woll's melksoOrten (bijv. de I'.. (nilhiiim tnn) kt'jjgen een dikken, znilvoiinigeii stam, die, evenals bij een zuilvoriiiigen cactus, overlangselie groeven bezit, met doornen bezet is en weinig ot' in 't gebeid gcene bladeren draagt. Hij deze planten spuit bij de geringsti! beleediging bel zeer vergiftige sap uit. Vroeger werd bet als een sterk purgeermiddel gebruikt. Verscbillende negerslaininen in M'rika vergiftigen limine wapens mei dat sap en soms ook bet water in plassen, om zoodoende het wild te doodeii, llei sap van !â '. itliiisiilinrrd uil Hrazili(; verspreidt 's nachts een pbosphoresceerend licht. \an eene op de Kanarische eilanden groeiende soort: (/â¢.'. Imlsinnifnixi» kan hef sap zonder schade gebruikt worden. De nauw verwante II v e n a-g i 11 b oo m * llff-nunrhi 'ihihnso) aan de Kaap de (loede Hoop wordt tot bet vergiftigen van liyena's gebruikt; men strooit zijne fijngestampte vruchten op stukken vleescb. Nog meer dan de eigenlijke wolf's-melksoortcn is in .MiddebAmerika de M a s c h i n e 11 boo m (//'/'/eimquot;w hiiiiifiin'llii) gevreesd, niet gt;leelits omdat al zijne deelen zwaar vergiftig zijn, maar ook omdat de rook der brandende takken lijdelijk verblinding kan te weeg brengeu. Dat zells de uitwasemingen van den boom gevaarljjk zouden zijn, is overdrjjving. Het sap levert pijlgift. Zeer belangrijk voor de beefe gewesten van Amerika is de Maniok- ol K a s s a w e p 1 a n t (Jul i'ojth'i inunilml. rati, li I'ig, \ lt;ihr,) Zij wordt daar als struik vim manshooglo met ') 7-tallige bladen en bleekroode bloemen in verseliillende verscheidenheden gekweekt en levert na 0 1* maanden in bare armdikke en armlange, knolvormige wortels een rijken oogst. Hij sommige soorten worden deze knollen tot 15 KD zwaar, .Men wrijft of stampt ze tot een deeg, perst er het vergiftige sap uit en droogt hel overblijvend grof meel, dat op houtzaagsel geljjkt. Door hitte wordt de nog er in aanwezige gift-stof vernietigd. Hel moid, mandioka, kassavve of tapioka genaamd, wordt inden vorm van platte koeken gebakken of' met andere meelstotfen gemengd, Hen stuk land met maniok beplant levert evenveel voedsel op als (i even groote stukken
Hot phiiitonrfjlx. 'Iwcezandlobbi^»' phuili'ti.
;(:!()
Tot de kleine familie der 11 u I s ta e h t i g e n (Aquifoliaceae) behoort de in ons
land met tarwe; daarbij is de goede opbrengst van den oogst veel zekerder dan lijj Miirdappels en dergelijke knolgewassen. Van de overige boomea van Brazilië en (iiiiana. die tot deze groep belmoren, is de ('a oil t c ll o u e ii oo in (Siiihoniii r'Iaslica) een der belangrijkste, liet is een ÃO M booge. selioone boom niet drie-tallige bladeren en onoogelijke. gele liloenien. Men maakt borizontale insnijdingen in den stam. die door eene kleine, houten wig worden open gehouden en vangt het uitvloeiende melksap in daaronder geplaatste vaten op. Dit wordt mulat het is at'geschnimd, met 4 doelen water gemengd, waardoor de caoutchouc zich afscheidt en naar boven komt. De afgeschepte massa wordt met aluin behandeld, waardoor zij vast wordt en daarna uitgeperst, gedroogd en in vierkante blokken in den handel gebracht. Na een rusttijd van !! jaar kan de boom telkens op nieuw afgetapt worden. In het vaderland van den caoutehoueboom wordt hij zoo veel aangetrotfen. dat er meer dan iUOOO mensehen, meest Indianen, werk in de bosschen vinden, om het sap af te tappen en te verwerken. Door het steeds toenemend gebruik tot allerlei doeleinden (gevuleaniseerde eaoutehouc en eboniet) is de behoefte aan deze slof ontzagljjk toegenomen. Men bereidt dan ook eaout-chouc-soorten uit tal van andere planten in Indië en Afrika (b.v. Fkn* elastira), de caiMitehoucboom zelf is in Indië ingevoerd en wordt er tegenwoordig in groote aanplantingen gecultiveerd, liet in onze tuinen als rand plant gekweekte Hu \ u s-of Palmboompje (Jluxiis Mhijwvh'eiiK) groeit in het gebied der Middidlandsche zee boomvormig en krijgt er een stam van een voet dikte. Zijn hout is zeer fijn-vezelig, hard en bros; het wordt voor het maken van houtgravures gebruikt, die op glad gepolijste, vingerdikke schjjven er van worden gesneden.
(VdivlH'J'n.
land voorkouitMidc1 n'cwonc llulst (llc.r cniuifnliinn), een struik mof luinic. glanztMidc, stekelig- gctundc bliulci'cii. die quot;gt; winters igt;roc,'ii hlijvcn. Mciu1 vcnviintc snort, «lo 1' ii ragu a y s 11-ii i ]lt; ( /. itai'iiiiitiii/ensi*), groeit tnmeljjk veelvuldig in de bitmonliindon van /iiid-Anieriku en levert in zijne gedroogde en lijngewivven liladeren de I 'a raguav-t hee of Mate, die in die landen op dezelfde wijze wordt aangewend als elders de ('liineeselie thee.
\ an onze inheeinsclie lioomen moet hier de srhoonMoeiende. oorsiirmikelijk nit l'erzie ingevoerde \\ ilde kastanje {A'-mhift ) genoemd worden,
die om den dichten schaduw /jjiier tViiiiie kroon algemeen voor lanen en in parken wordt aangeplant. De stekelige doosvruchten hevaiten slechts I ol''J groote zaden niet harde, limine zaadhnid. die evenwel wegens hnn liiiteren. wriniiii'ti smaak
i
iongenietliaar /jjn. \erderde aan linnne greiite, handvormig ingesneden, (iverstaamle hliiden herkenhare l']sclidoorns (ylccc), die alle een wit. lijn vverkhont oplevci'en. /ij lirengen dithhcdc splitvrttchtcn voort, elke hellï is éénzadig en van een langen vlie/.igon vleugel voorzien. l)e (leineeue esoh d oom i i. I'snidii-iildid m'sli 1'ig. â gt;ongenietliaar /jjn. \erderde aan linnne greiite, handvormig ingesneden, (iverstaamle hliiden herkenhare l']sclidoorns (ylccc), die alle een wit. lijn vverkhont oplevci'en. /ij lirengen dithhcdc splitvrttchtcn voort, elke hellï is éénzadig en van een langen vlie/.igon vleugel voorzien. l)e (leineeue esoh d oom i i. I'snidii-iildid m'sli 1'ig. â gt; ii h^) en de I. iilnlatioiiln* zijn hoonien, wier stanmien eenc hoogte van 25 M en eene aanzienlijke dikte kmmen liei'eiken. De Kleine esehdoorn {A. en ui j u's/ fis j komt dikwijls als struik in onze liosselieu en heggen voor. Menige Noord-Amerikaaiisehe soorten, de S n i k e ra h o t'n (A. sciccliariinnti) e. a.. worden daar in t groot aangeplanl. Het worden lioomen van aanzienlijke hoogte en dikte, die men in het voorjaar aanhoort. IJet sap. dat door in liet boorgat geplaatste Imisjes uitstroomt, wordt opgevangen en onmiddellijk in het hoscli tot suiker verkookt. Mén boom levert 35â50 lv(i sap en daaruit verkrijgt men I uiââ¢- K(lt; suiker, die niet veel bij den rietsuiker aehterstaat. Men berekent, dat in Xoord-Ainerika op die w ijze jaarlijks ongeveer idOOOO K(i :ihornsuiker gewonnen wordt.
Tot do ('ed r c 1 e ei'ii behooren bjjna uifshiitend hoonien der liceto gewesten, vooral van Amerika. Daartoe behoort de om zijn prachtig hout zeer boog gewaardeerde M a b ago n i bo o tn (XwleleiiUi Mahmjoui), die in de vochtige, warme oerwouden der 1 londtnasbaai en der naburige streken als statige boom van 'J M niiddellijn. niet zeldzaam is. De bladeren zijn gevederd, de kleine witte bloemen zijn tot trossen vereenigd en leveren doosvruchten met gevleugelde zaden, Ploegen liouthakkers, uit 'iO tot '25 man bestaande, trekken er in
m
! Augustus naar de bosselien, vellen de boomen, beliakken de stammen en sleepen Augustus naar de bosselien, vellen de boomen, beliakken de stammen en sleepen
ze met behulp van assen naar de rivieren, waar ze er vlotten van maken, die ze naar de havenplaatsen laten al'drijven. .Men berekent, dat uit de genoemde baai jaarlijks 10 50 millioen Kubiekineter mahagonihout naar Knropa verscheept wordt. Een der meest voorkomende inheenische struiken in bosselien en kreupelhout is de Ka r d iua a 1 s in ut s {h'vonpinm cnropuens) van de luniilie der
FIt't ])lantenrijk. Twec/.iatlloljbijre planten.
lt;' c 1 a s 11'i li o e i'ii. ilij hczit tcgciiovcrgcstcldi'. Hjiigc/utigdc bliidcn on liclifgrocno bloonion, ilio in liijsclicrmrii in dt' oksels liaarvan voorkomen. Do naam is ontleeiui aan tieu vorm dor rose (loosvrnciiton. Deze bevatten witte zaden, die door een oranjekleurig onilmlsel omgeven ziju. Evenzoo de Vuilboom (liliuiunnti l 'rniKjiihi) tot de fiunilio der U hamneeën. llji bezit elliptiselie, ganfrandige, verspreide bladeren. De bloemen staan evenzoo in bijscliennen in de oksels der bladeren: zij zjjn groenaelitig wit, ö-tallig. De besaebtige steenvrnelit is eerst rood, dan zwart. De houtskool van dezen struik is zeer geschikt voor de bnskruit-bereiding. Heno der oudste (nlinurplanteii is de \\ ij n stok ilis riiiifmi) â . liij
wordt nu nog in quot;t wild aangetroifen in de landen tussclien de Kaspiselie en de Zwarte zee. klinil daar met behulp /ijner ranken (oigenljjk vervormde bloemtrossen) tegen de hoogste boomeii op en vertoont soms .stammen van Vi omtrek. Door versehil in behaiidoling en door den invloed van verseliillende kliinaten zjjn zoo talrijke versi'heid en heden dezer plantensoort ontstaan, dat men er in een tuin bij l'arjjs 1 U)(I naast elkander jilanton kon, liet best tiert de w ijn in de landen met eeue gemiddelde jaarhjkselie temperatuur van I'2 1 .'i C. De welriekende^ bloemen bezitten oen vijf-tandigen kelk, die spoedig afvalt en dan als een mutsje de bloem bedekt. In ons land worden de vruchten sleehts belioorljjk rijp in kassen of' op waniK! zonnige plaatsen tegen muren (Wost-laudsche druiven), In Middel-Duitsrh-
Fig. JOO. I)'' Wijnstok.Bloeiende tnk. /gt;. Vruchttros. ⢠i i
land. l-'rankrjjk. Hongarije, /witserland en Zuid-Muropa levert het druivensap door gisting den wijn. die wat geur. suiker en alkoholgehalte betreft zeer groote verscheidenheid aanbiedt. De Zuid-Eui'opeesche wijnen en die van Algerië, Madeira, Kaapland enz, zijn zeer rijk aan de laatstgenoemde bestanddeelen. De dikke druiven van de landen om de Middellandsclie zee leveren rozijnen op; eeue verscheidenheid met kleine kernlooze bessen verscliaft ons de krenten. In Noord-Amerika worden behalve ingevoerde soorten ook meerdere oorspronkelijke wijnsoorten gekweekt, zooals de Labruska, Catawba,
OoicN jiiirsboli Ixcii.
Voswijn en/., l it sIcohtiMi wjjit wórdt wijnazijn ^â cniaiikt. De wjjnsfucn sehoidt zich liij de wijnvonning' en liij liet vcnlorc higcrun van ilen wijn daaruit af'. De Wilde wingerd (/IwyWo/z/s tiiihuiiirfotiti) niet donkerblauwe hessen wordt veel tot liekleeding van muren en prieclcn aiuigejdaJit; vooral wanneer in den herfst de hladen zieh geel tot donkerrood kleuren, lovcrl hij een praehtig ge/.ichl op. De plant is uit Noord-Anu'i'ika afkomstig.
Ook de cultuur van de Vlasplant (l.imnti iisll(ilisKiimi)i), Tali. I i Fig. (I*/('lt;), die waaischjjulijk uit liet Oosten afkomstig is en over Kgvple naar Muropa ingevoerd werd, is overoud. Het is een kruidachtig |)lantje van ' M hoogte, met rechtop groeienden, dunnen stengel en fijne enkelvoudige, lancetvormige bladeren. De hemelsblauwe bloemen /ijn ritidlig en bloeien zeer korten tijd. /ij brengen 5hokkige doosvrucliten voort. De zaden zijn rijk aan olie en plantenslijni; zjj worden in de geneeskunde gebruikt, maar vooral om er lijnolie uit te persen, die veel aanwending vindt bjj de bereiding van olieverf, vernissen, drukinkt enz, liet lijnmeel en de lijnkoeken, die als veevoeder dienen, ontslaan als nevenproduct, Het voornaamste product der vlasplant is het vlas. dut uit de bastvezels der stengels bestaat. Deze worden verkregen door de planten in stroomend water of met heet water te rotten, waarbij alle weekere deeleu vergaan (het water wordt daardoor vergiftigd en stinkend); dan worden /.ij in de zon gedroogd, de bardere deelen worden gebraakt (gebroken) en door bet zwingelen van den vezel verwijderd, die daarna nog gehekeld wordt. KG groene vlas levert
ongeveer '100 KG vlas en iets meer werg. l it de vlasvezels worden garens van verseliillende fijnheid gesponnen en daaruit wordt linnen, damast, tullc. gaas. kant enz. geweven, l it één KG vlas kan fijne Drabantscbe kant ter waarde van l'iOOà gulden vervaardigd worden. Tegenwoordig wordt de vlasvezel dikwijls door sebeikundige middelen verkregen in plaats van door bet rotten. Verwant zijn de Ba 1 samienen, waarvan de bij ons in 't wild voorkomende soort, het Springzaad (Impatiem noli /((/e/e/v), merkwaardig is. doordien de rijpe doosvrucht l»jj de geringste aanraking plotseling openspringt, de zaden ver in de rondte wegslingerend. De als sierplant bekende Halsamien (IS. fihnhid) is uit Oost-lndië afkomstig. De vijftallige bloemen bezitten één kelkblad, dat van eene spoor (een buisvormig aanhangsel, dat als bewaarplaats voor honigsap dient) voorzien is. Tot de Ooievaarsbekken (Gcmniavme) behooreii de prachtig bloeiende 1* e la r go n i uui s met 5 ongidijke bloemkroonbladeren, die uit bet Kaapland afkomstig zijn en meestal onder den naam van Geraniums als kamerplanten gek weekt worden. De inlandsebe Geranium- en K r o d i u m soorten zijn algemeen verspreide kruiden met ö geljjke bloemkroonbladen, lü ware of 5 ware en 5 valsche (Jiehnknoplooze) meeldraden en vruchten, die rijp zjjudi' in 5 deiden uit elkander springen, waarbij de in elk deel aanwezige zaadkorrel ver weggeworpen wordt (kluisvruchtcu).
Hot plantenrijk. TwofzaaHlulibigc planten.
Do namen ooievaars- en reigersliek zijn ontleend aan den vorm dier vruchten.
Zeer helaiigTijk is de familie der Ma Iveacli tigon (Mal-mceae), niest zoozeer om de fraai bloeiende! in 't wild groeiende krniden. als de (Jroote in a I v a of liet Kaasjeskruid {Malvu ttilveiUri»), noch ook om de talrjjke sierpianten als do Stokroos (Mllidfii riisi'ii), het A 11 h a e a h o o m |gt;tj (! (1 lihisrus tyriacii*) enz. maar vooral om de Katoeup laut (G(mi^imi, Tab. *14 Fig. 7). Doze wordt in talrijke soorten en vei'scheidenlieden gekweekt, waarvan sommige! kruidachtig /jjn, ongeveei' hoog worden en na twee jaar afsterven; andere daaren
tegen houtig zijn en eene hoogte van 4 M bereiken. Alle bezitten diep ingesneden. 3-Iobbige bladeren en bloemen met 5-tandigon kelk en een JMtladigou bijkelk. De bloemkroon bestaat uit .quot;gt; geelachtige bloomkrooubladon, terwijl de talrijke meeldraden niet de helmdradon tot een zuiltje voreenigd zijn. De katoenplanteu brengen doosvruchten voort, die met.3â.quot;) klojipon openspringen en talrijke zaden bevatten van des grootte eoner erwt. die door lange tijm! draden, de katoenvezels, oiugeven zjjn. Om deze draden, die moestal wit en bij enkele soorten geel zijn, bv. bij den Chineeschen katoen ((â¢. rc.luiio^an), wordt de plant in Oost-lndii' reeds sedert overoude tijden aangeplant. Men kweekt ze uit zaden, houdt de aanplautiugen vrjj van onkruid en breekt bij de strnikvormige soorten de middelste takken af, opdat ze niet liooger worden dan 1 M en rijkelijk zijtakken ontwikkelen, Xa :tâi jaren worden de struiken , M boxen den grond afgehakt en laat men ze opnieuw uitloopen. Do plant geeft jaarlijks twee oogsten; de katoen wordt machinaal van de pitten bevrjjd en daarna gesponnen .en geweven. Sedert in 17S(t de spinmachine en in 1X51 het inachinale weefgetouw is uitgevonden, geschieden deze bewerkingen niet meer uit de band als vroeger. Kenc spinmaidiine levert in één dag zooveel draad als één menseh in een jaar kan vervaardigen. Eerst in de middeleeuwen kwam de katoen in Hnropa in gebruik; toen evenwel de aanbouw der plant in 177(i in Noord Amerika, en in 17SI iu lirazilic begon, is de invoer van katoen in Muropa (vooral Mngeland), zijne bewerking tot stoffen en do uitvoer daarvan naar alle werelddoelen op eeno kolossale manier toegenomen, regen \voordig wordt do katoenbouw ook veel in Oost-lndië (ook op do Soenda-eilandon) en Australië uitgeoefend; ja zelfs in Spanje (Valencia), Italië' (Napels) en ele Kriin. De plant ontwikkelt zich uitstokoud waar een zeeklimaat en oen ü'emiddelde warmt onraad van -â )quot; HOquot; (â hoorscht en quot;â roeit zelfs, waar deze niet
O O lt;'
moer dan ISquot; (! bedraagt. In Noord-Amorika is de grens der katoencultuur op 43' N, Hreodte, De wegens zijne reusachtige grootte en hoogen ouderdom beroemde A penhr ood boo in {Adaunoniit d'ujilahi) in Afrika (Senogambië) behoort evenzoo tot deze familie. Zijn stam heeft niet zelden '20, ja zelfs soms :10 M omvang; hij groeit boti'ekkelijk snel en is dikwijls inwendig hol. De 3 7-tallige bladeren worden, fijngestampt, door do negers gegoten eu de groote
CanKihooiii.
ziiaililoo/.mi li'vcrcn ccii vcrfVissclicnil voodiii^'siniddi'l. * )j) (l(i Socinla-cilcniilcii is ilc Duriohoom (Durio zihalhiciis) heroemd om zjjno groote vruclilen. dit'door do Le-wonoi's liij/oiidcr graag gegeten wonicn. Zij /.ouden lekkerder siiKiken duu de tijnsle room, doch liohlmu een reuk, a1lt;lt;diglt;'r dan kuoHook. De liossdieii van Zuid Amerika en Oost-Iiidi(; hevatlen talrijke soorten van AV o I Iioo me n {lloiiihii.i/), wier zaadpluis evenwel alleen voor liet vullen van kussens en matrassen te gebruiken is. l it onze ()ost-I udiselie bezittingen wordt veel kapok uitgevoerd, afkomstig van den Kapokboom (Eriodwidroii anfrac-iiKtsinn). waarvan de stammen ol' knuppels op .lava als telegraafpalen gebruikt worden.
Zij bezitten eene bijna ongelooflijke levensvatbaarbeid,
wortelen overal, waar men ze ui neu gromi sreeiu en zuiKe teiegraarpaieu neDiieu, als levende boomeu. zelden of nooit last van de witte mieren.
De familie der 1gt; uttneriaeeeën is wel slechts klein, want zij bevat niet meer dan ongeveer 7(1 boomgewassen der heete gewesten, maar daartoe behoort de ('a e aoboom ( Thuohroina ('.iicxm, Tab. M l'ig, S), van wiens zaden de cacao bereid wordt, een der hoofdproducten van Suriname, liet vaderlnnd van dezen boom is Middel-Anierika van Mexico tol (luiana en de Antillen, maar ook in tropisch Azië en Afrika wordt hij aangeplant, zoo op .lava. Manilla. Cevlou 1 Jour bon en de Kanarische eilanden. 11 ij groeit slechts in vochtig-warmc rivierdalen mot vruchtbaren bodem, liefst in de schaduw van hoogerc boomeu en is zeer gevoelig voor koude on ongunstig weer. Hij wordt uit zaad gekweekt, waarbij men de jonge plantjes tegen de zonnestralen beschut door er bananen en koraalboomen tussehen te planten. De boom wordt I ^..quot;i .M hoog on krijgt eene middellijn van '24 cM. 1)(^ bladeren worden (i ofi cM lang, zijn verlengd ovaal en donkergroen, leerachtig. De bloemen breken in bundels uit de takken, zelfs uit den stam en do blootliggende wortels; ze zjjn klein, fraai rose van kleur, maar slechts weinige levoron vruchten op (van do .'iOOO slechts ééne). Deze zijn komkommeraubtig, tot 15 cM lang en half zoo dik, van buiten geelrood. Inwendig vindt men in een witachtig, zoot smakend vleesch, in 5 overlangseho rjjeu gcplaatsl, talrijke cacaoboonen (.'Jü 70j. Dt'ze zijn amandelvormig, roodachtig bruin. De boom
fli't plantenrijk. Tweozaadlobbipo planton.
Moeit lust gehuele Jiw-r door. Gewoonlijk draagt een hoorn van zijn 6de tot zijn ;K»st(! 40»te jaar vruclitcn. De eerste oogst iieeli in Deeemlier en Januari, de tweede en voornaamste in Juni en Juli plaats. De Ijoonen worden van het weeke vruchtvleesoh gescheiden, daarna gerot, d. i. op hoopen, of' zelfs eenige dagen in den grond gelegd, om ze eeno soort van gisting te doen ondergaan en eindelijk gedroogd. Die der wilde eacaobooinen worden niet gerot. De hoonen worden nu geroost, gesidiild, liet vet (cacaoboter) er uitgeperst en daarna gemalen (cacao) of met suiker en speeerijen gemengd in platen geperst (chocolade). Als uitstekende, opwekkende en voedzame spijze komen de cacao en de daarvan bereide producten meer en meer in gebruik. De totale uitvoer uit de verschillende productielanden bedroeg in I80(» ongeveer quot;gt;4 millioen l\lt;i, waarvan ruim 3 millioen uit Suriname en bijna I millioen uit Java. Alleen in Nederland werden dat jaar ruim I 1 millioen geïmporteerd. De Zuid-Amerikaansche Indianen eten het vruchtvleesch en gebruiken de boonen niet. In Mexico worden de boonen door de Indianen als pasmunt gebruikt.
Nog ontzaglijk veel uitgebreider is bet gebruik van thee, een product van den Chineesellen tbeestruik (77im rliiiKuixix), waarvan men een opwek-
kcndeu. verfrisschenden drank bereidt, die voor vele volken ((liineezen. Australiërs, Eiigelsehen. Noord-Amerikanen, Xederlan-ders. Kussen) eene ware iiehoci'tc geworden is. I )(â luieveelheid, die jaarlijks buiten Azii' verbruikt wordt, schat men op 175 millioen K(i, waarvan Java en Madoera ruim li millioen leveren. 1 let verbruik in China alleen wordt op '201) millioen KM geschat. De plant is een altijd groene struik of kleine boom met glanzende, lederachtige, spits-ovale bladeren, die afwisselend aan beide zijden der stengels geplaatst zijn. De bloemen gelijken op die onzer hondsroos; zij bezitten een quot;gt; bladigen kelk, meestal (i kroonbladen in â¢'gt; kransen geplaatst, talrijke meeldraden en één stamper
Kitf. 'JIJ. De ('liinoorichc TliiM-struik. , .... o i i i\ . . \ i '
I Hlooicmlc tuk. 'J. Ovi rldii^srlic «loorsnedi' (l«'r HK't stijl (Ml â¢Â» sltklll|KMS. I )(' \ riK'hl IS ('IMH'
bloem. JK Vrucht. I. Zaadkorrel. , . ' i i i ⢠⢠i i
uolroiKH^ liolvkig(^ ojxMisjx'ingoiide doos-
vrucht met bruine zaden, zoo groot als eene kersepit. Oorspronkelijk waarscbijnljjk
in A.chter-1 udië tv huis behoorend, is de theeplant reeds vroeg in ('hina en Japan
ingevoerd en ook naar ('ochhi-China, Korea, Java en Sumatra overgebracht en
wordt in den laatsten tijd ook op de zuidelijke hellingen van het Himalaya
Myrti'ii.
gebergte gecultiveerd. Do éénjarige ziiailiiigeu woitleii op 1.5 \r afstand geplant, liefst op /oimige bergliellingon (dp .lava op 1200 \l lioogte). Eerst in liet derde of vierde jaar begint men de bladoren te plnkkon. Men snoeit de plant, om dicbte struiken te verki'jjgen, on bij beboorljjko verzorging kan zij 4(1 50 jaar oud worden. De eorsle oogst valt in den regentijd (half April half Mol en jaarlijks knnuen de Idadcren '2 'i. soms 5 maal geplukt worden. De fijnste thee leveren de zeer jonge blaadjes en knoppen van den eersten pluk. Met eiken la teren pluk vermindert de kwaliteit van liet produet. De Ohineozen ondeis( heiden meer dan 700 verschillende theesoorten. I u den handel worden vooral groene en zwarte thee onderscheiden, die niet van verschillende plantensoorten afkomstig'ziju. niaar die het verschil in kleur danken aan de verschillende wijze van behandeling. De bladeren worden eerst op bamboesinatten aan de zonnestralen blootgesteld tot zij verwelkt zijn. dan in ijzeren pannen boven een zacht vuur gekneed en eindelijk in de handen gerold. Daarbij verliezen zij een groot deel van bun sap. Hij de groene thee geschiedt de bewerking snel, bij de zwarte langzamer, zoodat zij eene soort gisting ondergaat. Ten slotte worden de gerolde bladeren boven een kolenvuur volkomen gedroogd. Slechtere soorten geeft men een aangenanmn geur door er welriekende bloemen mee te vermengen. Niet zelden wordt de thee ook kunstmatig gekleurd. De theestruik behoort tot de familie der ('amcliaceeën, waarvan de naam ontleend is aan de uit Japan afkomstige ('amclia (1 .ei uictliu Jquot; / gt;011 Ira). Deze is om hare prachtige, vroeg in het voorjaar of zelfs in den winter ontluikende bloemen een lievelingsstruik onzer bloem kweekers geworden, die in talrijke variëteiten in de bloem kussen gekweekt wordt. Vau onze inlandscbc boornen is de Linde (Tiliu Kimgt;(iricc() verwant met de genoemde planten. Hare zoet geurende bloemen, wier stengels halverwege met een groot, smal. lichtgroen schutblad vergroeid zjjn.
leveren de lindebloesenithee: de bast wordt.
nadat bij in water gezuiverd is. voor het maken van stevig vlechtwerk (matten, zakken enz.) *'
aangewend en het zachte hout is zeer geschikt voor snijwerk. De boom wordt om zijne prachtige,
eene dichte schaduw gevende kroon veelvuldig '
aangeplant, vooral voor lanen. ... . jy
De familie der M yrten (Mjirluccaé) bestaat
Vlg. -12. 1)( Linde, bloeiende tak.
uit talrijke nuoiiicn en struiken in de heete gewesten
met enkelvoudige, lederachtig stijve bladeren, en die meestal etherische oliën bevatten. In de bloem is de bloembodem met het vruchtbeginsel vergroeid. Zij bezit een kleinen 4 0 bladigeu kelk, waarmee evenzoo vele bloemkroonhladeren afwisselen, en talrijke meeldraden. Dc vrucht is eene met den kelk gekroonde
Waonku's Natuurlijke Historio.
ll^t plantenriik. Tweczaadlobbige ))lnnt('ii.
bos of een© doosvrucht. Do Gewone myrte (Myrlns communis), met 'iâ3 liokkige, /.wiii'tMauwc bossou, i-gt; oon boom otquot; struik van '2 â¢gt; M hoogte, ilio voel gekweekt wordt om hare hlooiondo takken, lt;lie algemeen voor bruidskransen worden aangewend. He 1'i m o n t boo in [Mi/rlu* iiimmild) in \\ ost-lndié, lovort
in zijne onrjj]) geplukte groote vrueliten van de grootte' eenor erwt de zoogonaamdo Engulseho specerij of liet piment, dat oen bijtend scliorpen specerijsmnuk bezit. Veel meer gezocht als specerij is de Kruidnagelboom (C.nvi/ojih ill us aromaticm. '1'ab. 1 't Fig. !)((/(), die oorspronkelijk slocbts op do .Molukkon voorkwam: later werd bij ook naar do Soveliellen. Bourbon en Cuvenne overgebraclit, doch daar levert bij voel minder goede speoorij op. In zijn vaderland groeit bij op de steile bergbellingen en bereikt er do hoogte van een korsebooin. De kruidnagels zijn de nog gesloten bloemknoppi'ii. Het vleezige, olierjjko, onderste gi-deelto is bet vrucbtbeginsel. dat met den bloembodem vergroeid is; daarop zitten 4 tandvormige kelkbladen en oven/.oo volo bloemkroonbladou, die aanvankelijk tol een rond kopje voroenigd zijn. Hij bet ontluikeu dor bloem laten zij elkander los en krijgen zij cono pcrzikblooinroodo kleur, liet inoogsten dor knoppen is een tamelijk lastig werk; zij worden afgeplukt ot' met bamboesstokken afgeslagen. Xu worden zij op borden aan een zacbt boutvuur blootgesteld, waarbij ze de zwarte kleur aannemen, en daarna in de zon gedroogd. De boom bloeit eerstin het ('de, soms pas in bet ITkIo jaar: dan levert bij jaarlijks I 5 K(i nagelen op. I if do rijpe vruebl en de bladeren wordt de kruiduagelolie bereid, die do verhittende, scherpe werking der kruidnagelen in nog hoogeren graad bezit. Zij mogen, evenals andere spoconjen dor heeto gewesten, sleehls in matige hoeveelheid in onze spijzen gebruikt worden, daar zij anders schadelijke uitwerking bobben. Men sehat den jaarhjkselieu uitvoer der Molukkon op HaOOUÃ K(i. Do Caja-poet-olie, bidaaul als pijnstillend wrijfmiddel, is afkomstig uit de bladeren van ]lrlaU;iirlt;( Iciirtdlmilrou, die op Celebes en Borneo groeit. Op do Molukkon groeit ook de 1.1 zerb outboom (Mulmsiitcro* vera), wiens zwaar hout zoo groote vastheid be/it. dat het slechts in verscben toestand verwerkt kan worden. Verscheidene Mvrtengewiissen bv. do .lambuso en do Ãuaj'ave leveren in de beide Indien aangenaam fruit. De Hraziliaansche .luvia {llerlhollolin), een inaehtige woudboom van meer dan .'id M hoogte met doosvruchten zoo groot als een hoofd, levert de hoekige paranoten. Nog machtiger stammen vormen de Australische
rm
U l'lli'l ik:ir hliL'l li.
K u c a 1 v p t u s-sooi'lcn of lt; Jom boom c n (liiictibiiihin). Zjj worden omstrocks (St) M hoog. De wouden van Australië bestaan voor '/â , uit deze liooineu, waarvan mcu ritint 120 soorten ketit. Iluiinc stanuucu werptMi van tijd tot tijd de buitetiste schors in groote stukken af en verkrijgen daardoor een /eer vreemd uiterlijk. De Naderen staan verticaal, dtts met de beide vlakken naar rechts en links gekeerd en geven daardoor weinig schaduw; dikwijls zijn ze groenachtig lilattw gekleurd. He Eucalyptus wordt tegenwoordig in de lauden om de .Middcllandsche zee gecultiveerd, niet alleen omdat hij verliazend snel groeit, en een zeer dicht, liijna niet verweerend hout oplevert, dat zeer ^'eschikl is voor den scheepsbouw, tttuar in streken, waar moeraskoortsen Iteerscheu, is de cultuur van deze planl oen middel om deze te bestrijden, l it de bladeren wordt ook een koortswereude drank getrokken. \ erwattt niet de M yiten is de lt; i r a u a a t b o o m (l'iiiiicii (/vctiiul inn), die uit Xoord-Afrika afkomstig is en in Zuid-Europa gekweekt wordt. De bloemen eu de appelachtige vruchten zijn scharlakenrood. De laatste worden gegeten, de schors der wortels is een uitstekend middel tegen den lintworm. Ook de lii/bo p horen behooren tot deze plantengroep, liet zijn boomen, die kenmerkend zijn voor de lage kusten der tropisehe gewesten, waar zij de beruchte Mangrove-of' M a n g 1 e w o u d e n vormen. De I! S M hooge stam wordt god ragen door sterk vertakte luchtwortels, die bij ebbe ver boven den slibberigen bodem uitsteken, terwijl zij bij vloed meestal geheel onder water staan. Tnsschen deze wortels blijven overblijfsels van planton en diereu, zand en slib zitten, zoodat deze bosschen de landaanslibbing zeer bevorderen. De boomen dragen glanzende, leerachtige bladen en groote roode of witte bloemen.
Nerwant hiermee zijn de \V e d e r i k a c h t i ge n [(himiydci'dc), waartoe onze talrijke soorten van 1! a s t aa rd wed e r i k { i'iiilohiinn) behooren. Dit zijn kruiden mei aren van rose of purporroode, zelden wit te bloemen, die 4-tallig zijn ('(-declige kelk, 't bloomkroonbladeii. N meeldraden, één stijl met i stempels) en met gekuifde zaden in de 'i-hokkige doosvrucht. Ook de St. Teunisbloem /'/Voi/vis)
met hare groote, zwavelgele bloemen behoort hiertoe en verschillende sierplanten, waaronder vooral de fuchsia s genoemd moeten worden, die tot de meest geliefkoosde kamerplanten behooren en in tal van verscheidenheden gekweekt worden. Zjj zijn afkomstig vim de Zuid-Amerikaansclie iKrh^in cocci urn. De Halorrliagideeëu bevatten waterplanten met onvolkomen bloemen, die oen onderstandig vruchtbeginsel bevatten. Daartoe belmoren de verschillende soorten van Duizendblad eu Lidsteng (//i/ywW.s), die onze vijvers
en slooten bevolken. De (ïewone kattestaart (Lyllnum Siilirdria), veel aan waterkanten voorkomend, niet oene lange aar van groote, purpere bloemen, die in kransen staan, is vooral merkwaardig doordien elke bloem tweeërlei meeldnulen bevat, die in lengte verschillen, en stijlen, die weer eene andere lengte behben
Hot jilantPiiriJk. TweraandlobUigp plantoti,
(iriinoriiltié). Hierdoor is do belioorlijko kruisbostuiving gewuarborgd. [miners, liet stuifmeel eener bloem, dat lum liet licluiiim van een honigzoekend insect lilijf'l hangen, kan daardoor sleolits woribdi ovei'geln'acht op ecu stempel, die even lanquot;' gcstceld is nis de helmknoppeu der eerste liloem en dc/e komt slechts voor in bloemen van eene andere plant.
De familie dor M u n r a c h H g o n i (jiri/niihitUccc] hevat talrijke, veelal sierlijke kruiden, die bjj ons zoowel in 't wild als in tuinen gekweekt, zeer algemeen voorkomen. Zij bezitten legenover elkander staande bladeren, een eenbladigen of 4 (i bkidigon kelk. 4 (i bloomkroonbhiden cu meestal IN meeldraden. Igt;e vrucht is eene doosvrucht, die meestal met ol' (i tandon openspringt. lgt;c kleine zaadjes zitten aan een een trim I zuiltje. A an do gek weckte nucmcn wij.' de A n j c 1 i e r {Dhmtlnis ckri/djihgt;/11 us), wier bloemen welriekend en meestal gevuld en daardoor onvriichtbaiir zijn m die daaruni door afleggers of stekken voortgeplant worden, de Du i zen d sc li oo n (/gt;,en do Orasanjelier (D. ithnmmts) ; verder verschillende soorten Silenen {Silene^ en Koekoeksbloemen {l.i/clini*) en de voor veevoeder bestemde Spurrie (Spcrijida nrvemi*). Van de in 't wild groeiende noemen wij: de Muur (Slrlhiriu inniliii). zeker wol het meest gewone onkruid op akkers en onbebouwde gronden, en andere soorten van dit geslacht, do verschilleude soorten van lloornbloom ffi'i-Hslhim). de A vond koekoeks-bloem (Lj/rlini* vexpei-lhiit), die tweeliiiizig is on wier grooto, witte bloemen zich 's nachts openen en dan ook een geur afgeven, zoodat zij zelfs in f donker gemakkelijk door de honigzoekeude insecten worden opgemerkt, oiiidoljjk lt;le Holderik i A'ii'osh'iiiiiv in korenvelden.
Op droge plaatsen komen in den nazomer de Vetplaiiteii (Crassulwfdc) in bloei. Hij haar wisselt hot aantal dor kelkslippen, bloemkroonbladen en meeldraden af van :! quot;JO; er zijn ook li 'JU stampers, die zich tot éénhokkige. veolzadigo kokervruchtcu ( vrachten met één iiaiid. die aan eene zijde openspringen) ontwik kelen, In hare dikke, saprijke bladeren verzamelen deze pin nton zoo grooton
voorraad water en voodiugsstofien, dat zij zelfs door weken lange droogte niet verhinderd worden te bloeien en de vruchten tot rijpheid te brongen. /oo groeit op de landelijke stroodaken liet lluislook (Seiniicrririnn Irctorum), mot eene roset mui eironde stekelpuiitigo bladeren en rose bloomeii; verwante soorten loven op gelijke wijze op de steenrotsen in bergstreken. Op muren, drogen zandgrond en daken komen talrijke soorten vim Seihau voor. als do Scherpe m u ur p epe r (.S. (Wi'i') met gele bloemen. Met deze familie verwant is die dor Steeubreekaclitigon (Saaifri'yeae), waarvan verschillende soorten nog de hoogste rotstoppen der Alpen iu de nabijlieid dor gletsehers en van de eeuwige sneeuw als dichte zodon bedekken. De meeste hloeien met witte, sommige mot goudgele en purpeiroode bloomen. Dc beide M iiclitbeginsols zijn gedeeltelijk
('acl usrtdit ijroii.
met den bloembodem vergroeid (liftlf-ouderstandig); do andere bloomdeelon zijn
vijfïallig. lt;Jii weilanden en akkers is 's zomors de i\ noidragende Steen-breek (Sarifraga nuldta) soms een der meest gewone liloein|ijes.
De stijve stengel draagt een tros van witte bloemen en aan den wortel een groot aantal knolletjes als erwten. 1 )e Ma-deren zijn niervormig,
diep ingesneden.
Nog vreemder dan onze vetplanten zijn de ('a etusaclitigen (t.V'c-liirene) rut trojiiseb Amerika. De Zuilcaotnssen {('.airus) vormen hoekige, met bundels van scberpe dorens bezette zuilen, die al of niet vertakt zijn.
geene bladeren dragen, inweixlig sappi gladde, leeraehtigi? huid bekleed zijn.
Heilige .Me.vienansclie soorten worden tot 15 M hoog en vormen zulk \rast hout,
dat zij als deurposten dienst kunnen doen. De bloemen zijn meest praehtig.
groot en levendig gekleurd: scbarlaken-of purperrood, goudgeel of wit. Zij hebben talrijke, lange meeldraden en een éénhokkig vruchtbeginsel, dat onder de bloem staaf. Eenc soort is als de ..Ivoningin van den nachtquot; beroemd,
en zoo genoemd, omdat zij hare hloeme nacht opent. 1 gt;jj ovale, platte leden
gebied der Middellandsche Zee inheeniseh geworden en evenals in haar vaderland om hare zuurachtige, verkoelende en aangenaam smakende bessen beroemd. F,cue andere soort. (O. luna) wordt in nil^-oaotuPof'nopI'l. 't groot aangeplant om er de (,'ochenille-schildlnis ojj te tokken.
gedurende den gt; u n t i a' s bestaat de stam uit zeer verlengd-]ene soort, de Oiniulia licu* indien, is in liet
ê
Jl(!t pliinlomijk. 'rwoi^junllolibi^o jilaiiti-n
Do soorten vim I']g*cI-Cclc tu s (Kchinoccclns) en Mc loon-i^actus (McJoccicIks) hebben den vorm van groote bollen, lingsom met uitHtukomle ribben versierd, die, de st(!kell)undels dragen. De Wratten-i'aetussen (.W«miUar'm) zien er uit als waren /ij uit grooto wratten samengesteld. Om haren rijkdom aan saji worden deze planten in do rottswocstijncn, waarin /ij bet wdigsi groeien, door reizigers en hunne dieren niet zelden voor liet stillen van den dorst genuttigd. \ ele soorten dezer vreemdsoortige gewassen hebben hel voorkomen van een grijsaards-hoofd, daar ze niet lange with; haren bedekt zijn; andere worden om hare van weerhaken voorziene stekels gevreesd.
De (i aiizevoeta('li tigen { (ïli)',iioiiodiiiclt;'quot;i') hebben kleine en onoogeljjk gekleurde bloeinen. die eveinscl dikwijN tot diclitgedrongen kluwens ot'lrossen samengevoegti zijn. Deze Idocmien zjjn twee-ot'éénslachtig, hebben een ^ 5 spletig, meestal groen bloemdek en evenveel niei'ldraden. I ii bet eeidiokkige vruchtbeginsel ontwikkelt zich een éénzadig, niet onenspringend vruchtje (do|)vrnebl), dat door het blijvend bloemdek omhuld is. \ erselnllenile soorti'ii bebooren tot de belangi'ijkste eultuur-gewassen. Zoo wordt de Suikerbiel (llrln vulyiifi*, lab. 14 1* ig. II u b c) oji goeden bodem met zorg verbouwd. Zij wordt verschillende malen van hare bladeren ontdaan um dikke wortels te verkrijgen en deze worden in den herfst feooirst. Nadut de bietwortel ge wauw â¢ben is. wordt zij in machines tot eene
O ' O â¢'
brei gestampt, deze wordt in zakken uitgeperst, het sap wordt, ontkleurd door lilt roeren door beenderen kool en dan uitgedampt om er de suiker nit te doen kristalliseeren, De uitgeperste, massa (pulp) wordt als veevoeder gebruikt. De teelt van suikerbieten heelt in de meeste landen van Europa en ook in ons land groote afmetingen aangenomen (in de provinciën X.-Brabant, Zeeland, (iclderland en Z.-Holland), waardoor de prijs van de rietsuiker belangrijk gedaald is. De ma u gel wortels en de roode bieten zijn variëteiten van dezelfde plantensoort. Als groenten worden Spinazie (Spimicla oleruceu) en dc Tuinmelde (Ali'iiilc.i' htiftrnsu) gekwet.'kt, en in het gebergte van Zuid-Amerika de Qiiinoa {('â iKtiWfiniliuti Ouhiotn om hare ineelrjjke zaden, die op gierst gel jj ken. Ganzevoetachtigen in verschillende soorten liedekken in menigte het zeestrand en de steppen met zouthoudenden bodem. Zjj geven door hare grijswitte of roodachtige kleur aan de streek een doodsch aanzien. Vele soorten, b.v. het Loogkrnid (Salsohi), ook in onze duinen voorkomend, werden vroeger verbrand, om uit de aseh soda te bereiden.
De familie der Zonncdau wach ti gen (IhvscruccKi;) bevat planten, dit^ meestal op inocrassigen veen- of heigrond voorkomen. De bloenideelen zijn in den regel 5-tallig, de bladeren dikwijls met sierlijke gesteelde klieren bezet, liet zijn veelal insectenetende planten, die in den bodem, waarin zjj wortelen, in den regel ook niet voldoende stikstof houdende voedingsstoffen vinden. Het
Vi'ooIh htip-n
mcosl algcmocn is liicr do Uo ml li I uil i ge z o n 11 cii a 11 w [Drutrru roliiiKlil'oUu), I)t; klienlnigciidc Imron van een blad luiigcn ziidi overeen inboet hoon. dat zich or oj) noorzot; dit wordt daardoor vastgohoudon on door don invloed van hot kleverige vocht uit de klieren spoedig godood en verteerd; door de l)la(lo|ipervIakte worden de verteerde sajipen als voedingsmiddel opgezogen. De harde overhlijfsols worden spoedig daarna losgelaten. Kone Ainerikaansc-ho soort van deze familie is het zoogenaamde Vliegen vangertje (Ãiomen mmdimln). Zijne bladeren vormen, evenals bij onze Drosora-soorteu, oen vvortelstandig reset, uit het midden vvaai'van zich do l.jcM lange bloomstongel met witte bloemen Yorhotf. De bladeren zjjno tweekleppig; hunne oppervlakte is met spitse stekels bezet en aan den rand op gelijke wijze bewimpeld. Zet zich oen insect op het uitgespreide blad neer. dun slaan zjjno beide helften snel togen elkander en houden het gevangen insect zoo lang vast, als het door zijne bewegingen het blad blijft prikkelen. Ook deze plant verteert de op deze wijze gevangen insecten. Zeer merkwaardig zijn de Hekerplan ton {Xriienllics) uit tropisch Azië. liet zijn soms klimmende struiken ot' haltstruiken met bladeren, waarvan de bladstool bludvormig verbroed is en ia een rank eindigt, die de beker- of kanvormige bladsclnjt' draagt. Deze is van een deksel voorzien en bevat eene waterige vloeistof. Insecten, die er ia terecht komen, worden verteerd en dienen de plant tot voedsel.
De Ceylonsohe bekerplaut (XciiciilhcH tlenlillaloriii)
is een kleine struik van l.quot;V '20 e.M hoogte, die in warme plantenkassen niet zelden wordt aangetrotfen.
De planten zijn tweohnizig, de bloemen bezitten kleine groene dokblaadjos en zijn viertallig. I)o familiedor V iool-achtigon {Violuceue) onderscheidt zich vooral door hare fraaie, 5-tallige bloemen, die eene symmetrische bloemkroon bezitten, geheel ingericht om do krnisbo stuiving door insecten te doen plaats hebben. Deze bezoeken de bloemen om zich van hot honigsap meester te maken, dat in een buisvormig verlengsel (spoor)
van een der bloembladen wordt afgezonderd uit twee draadvormige verlengsols van twee dor holinknopjos.
Zoor merkwaardig is het Welriekend- of Maart-Viooltje {Viola ndoraho, dat aan heggen, onder boomen en aan slootkanten niet zelden voorkoml, niet alleen om den fraaion vorm en don heerlijken geur
zijnor bloemen, maar vooral doordien, wanneer do gewene
bloemen uitgebloeid zijn zonder dat bevruchting plaats bad, diep onder do bladeren verscholen, nieuwe bloemen ontstaan zonder bloemkroon en die zich
Hoi plantonrjjk. L'wou/iuullobhigu phinit'ii.
niet openen. Dunrin lieef't /elfljestuivin^ plaats on er ontstaan tal van zaadrijke doosvriK'liten nit. Het grootbloemig Driekleurig1 viooltje (Viola tricolor), in de duinen en op zandgronden in korenvelden algemeen, is de moederplanr der algemeen beminde Penseé's. Vele andere soorten komen in 't wild en als sierplanten voor. De Welriekende reseda (lleseila nJoralu), de Wouw (li, Intcola), die vroeger om de gele verfstof, die /ij bevat, werd aangekweekt en veel in 't wild voorkomt, en de (iele reseda (li lutae) behooren tot de familie der K e se d a - ach t i g e n (lliwdnciife) met 'i 7 deeligen kelk. i- 7 bladigo bloemkroon en 11 30 meeldraden, liet vruchtbeginsel brengt eene éénliokkige doosvrucht voort, die zich aan den top opent door het uir elkander wijken der kloppen. Tot de llertshooiaclit igeu iltypei'kbimo) behoort het fraai geel hloeieiid St. .lanskruid {ll/ziwricini) iifrforuliiin), met talrjjke meeldraden, die tot .'! bundel» vereenigd zijn en met talrijke olievormende klieren in de bladeren, die als doorsdijjiiende stippels zichtbaar zijn. Verwant daarmee is de tropische familie der (liUlilrra's, wier liloemen den/.elfden bouw vertoonen. In de vruchten zjjn de zaden aan een eeiitraien zuuddrager bevestigd. Kenigo groote Zuid-Aziatische boomen, b.\. de ('eylonsche (iuttiboom {(inrciiiia iet/Iniiifn), leveren in bun goudgeel sap hel als kleurstof bekende, gominegut op. Ilene andere soort, d(^ M a n gos t a a n l)oo m ((imxinin miitiijodHnH) draagt op perziken geljjkende vruebten. die men als liet beste fruit der heete gewesten prijst. Ze zonden den smaak der ananas, der aarbei en der druif in zich vereenigen.
Hjj de Aa I b e h a. c li t i g e n { Itihexiaceiic) bevindt zich bet vruebtbe-trinsel onder de liloemdeelen en wordt tot eene saiiniu'e bes, die door de
o I I O
kelkslip]ieu gekroond is. I!r zijn ook 5 bloemkroonbladen en meeldraden. \ran vele soorten dezer familie, die in Middel-Azië en noordelijk Amerika bet talrijkst vertegenwoordigd is. worden de bessen als aangenaam, zuurachtig fruit gaarne gegeten: Koode en Witte aalbes (Itiliex rnhmni), Zwarte aalbes (It. nil pion), Kruisbes (II. ijrnxsiiliiriii). liet sap van de eerste soort wordt met bijvoeging van suiker tot bessensap en bessenwijn verwerkt; dat van de zwarte aalbes geeft den eigenaardigen smaak en de kleur aan den rooden jenever. In de heeto, dorre steppenlandeii van Middel-Azië en Afrika behooren talrijke soorten der K oin k om in erac b t ige n ((jicurliilKcciir) te buis. Zij ondersehcideii zich door snelgroeiende, ruwe ranken, groote gelobde bladeren en meest groote vruchten. De bloemen bezitten eene groote regelmatige blneinkroon, die uit â¢quot;gt; bladeren bestaat of éénbladig en H-sllppig is: zij zijn éénsliiehtig. Met vruchtbeginsel is onder-standig. Sommige soorten zjjn één-, andere tweehuizig. De vrucliten bieden eene wonderlijke verscheidenheid van voiinen aan, die door de cultuur nog grootor geworden is. Men beeft K e n z e n k al e ba ss e n [('.uenrhita -nui.nuui), wier vruchten .')(» K(j zwaar worden, van andere zijn ze slechts zoo groot als een
Ki iiisIiltM-iiii-.'ii.
appel, docli soms nllcrliot'st van vorm on toeki'iiinir. Sominiffo vniohtcn et'lüken
op oen tulband, anrlere op kunstig dniiii-
werk. In Oost-Iudië k woe kt men do
Fleschkalebas (C. Lcujeiiarld) om tl(*
vruolitwanden. in plaats van fiessohen of
ander vaatwerk te gebruiken, waarvoor
zo door dt? taai houtige structuur en do
lielitheid zeer gesoiiikt zjjn. l)o vruchten
der Komkommers {('.iicumnx mlicu)
worden zoowol vorseh ais .sla, alsook
ingelegd als /uur zoor vool gebruikt: in
't Westland, llolimaveen en d(! buurt van
Vonlo worden zij in 't groot nangejilaiit.
Do kleino konikommors worden augurkjes
genoemd. Do vruidit dor Meloen
nidlt;gt;) wordt om haren geur en smaak
zeer hoog gewaardeerd. Dit gewas is uit
hot warmere Azië afkomstig en kan hier
, . ' lt;(. liloi ii-iiilc tak; /., Vrui'lit; DoorHiiudn«IervruHil.
slocbts m nmeibakken gekweokt worden.
In do dori'(! stoppoii van/uid-li'iisland on A/.iö wordt liij voorkeur do Watermeloen dlriUhi*) gekweekt, wier vruohton «on gowiidit van 15 K(gt; bereiken, liet sappige, vi'rk'oelondo en aangenaam smakend vruehtvloesoli der watermeloen vervangt in dorre streken soms hot drinkwater: liet smelt op de tong weg zonder oen nocmenswanrd vast overblijfsol aeliter to laten. Do vruehteii der om do Middolbmdsohe zoo grooionde ('olo(|iiint (rdldci/ulli'^) ziju zeer bittor on haar gidnaiik kan den dood ten gevolge holibon, In hetzelfdo gebiod komt de S p r i n g a ug'u r k (Monioi'dlcii cht/ariion) voor, llare rijpe vruchten springen, zoo zij aangeraakt worden, met kracht van den stengel af en spuiten daarbij haren slijmorigen inhoucl door do ontstane opening uit, Oji deze wijze wordt voor eene wijde verspreiding der zaden gezorgd, Ken praehtig sieraad \oor de oerwouden van Zuid-Amerika vormen do talrjjko soorten van Passie b loom on (), /ij klimmen met hare okselrankini in snolion groei hoog tegen de hoomen op on hangen van tak tot tak als guirlandes noer, I laro bladeren zijn fraai gevormd, meestal diep ingesneden en do bloomen behooron tot de schonnsto. die men kont. De Dlauwbloeiendo pas s i e iil oeme n (/', cocriilitu, Tab, li b'ig, 10) en do roodbloeiendo Viei'kaule |) ass i o b I o e m (/'. n')
worden in plantonkassen dikwijls gekweekt. \ au de tweede soort worden in haar vaderland dis zure bessen, dio zoo groot zijn als een hoenderei, gegeten.
Eene dor meest soortrjjke families van ons vaderland is die dor Kruisbloe-
Hel. plimtoiirijk. Twceza.ulloliblgo plaiilon.
migon (CrUcifhute). ^I»'n kent over do 1'200 vorscliilK^nclc soorten, die hiertoe behooreii, waaronder vele nuttige kruiden. Do naam heeft betrekking op de vier bloemkroonbladeren, die in den vorm van een kruis geplaatst zjjn. Ook vier kelkbladereu zijn aanwezig. Van de 0 meeldraden zijn er 4 grooter dan de twee overige. Zij bezitten een stamper, die vrij in 't midden der bloem staat en ilie eene vrucht: voortbrengt, die onder den naam van bauw bekendis. Deze vrueht springt met twee kleppen open en de bolvormige zaden blijven aan den rand van het Uisschenschot zitten, waardoor zij in twee hokjes verdeeld was. Is de lengte der vruclit niet minstens 3 maal zoo groot als hare breedte, dan noemt men haar een bauwt je. Uit de sedert overoude tijden aangeplante Kuolplaut Fiir. J20. p.. spruiik.M.i âf oltiruceu) heeft de knust des tuinmans talrijke
iii --1)11111. verscheidenheden gekweekt. Zoo hebbiMi de verschillende
soorten bladerenkool vlak uitgespreide, soms gekroesde bladeren (boerenkool, savoijekool), die als groente gebruikt worden; bij do kopkoolsoortlt;'ii (witte en roode kool) sluiten de bladeren zich tot een vasten kop samen; bij de
spruitjes is de hecle stengel met kleine kopjes bezet; bij de koolraap zwelt de stengel tot een vleezigen eetbaren bol op en bij de bloemkool vormt de geheele bloeiwijze aiinvankelijk eene vreemdsoortige mergachtige massa, die gegeten wordt.
De witte Kaap of'Knol (B./v^w) wordt in eeue verscheidenheid gekweekt met dikke vleezige eetbare wortels; andere bezitten dunne wortels en worden om het zaad gekweekt (zomer- en win terraapzaad), dat een uitstekend voedsel voor kanarievogels en andere kamervogels vormt, maar vooral gebruikt wordt om er olie (raapolie) uit te slaan. Voor hetzelfde doel wordt ook Zomer- en Winter-k ooizaad {II. iinpns) aangekweekt, waarvan eene variëteit ook de Koolraap onder den grond oplevert. Als Zomcroliezaad ot' Iluttentut wordt de ('.Kmelimt «diva gekweekt, met jieervormige, gezwollen bauwtjes en gele bloemen. Zij komt ook tusschên het vlas in 't wild voor. De Zwarte en de itte Mosterd (liwmica nigra en Simqm alba) bevatten in de zaden eene sterk prikkelende etherische olie; zij worden als specerij en in de heelkunde gebruikt. Dergelijke eigenschappen vertoont in nog sterker mate de Mierik of' Peperwortel (Cochlearin Arinoraciu) in haren wortelstok; zij komt aan het zeestrand en op dijken voor en bezit witte bloetnen. Het Gewone lepelblad {('. oflidnalis) was vroeger als het beste middel tegen scheurbuik beroemd, de
rapavoraohtlgoi). 17
bladwon leveren eene iiiiiigeiiainn-hittei'C! sla op. Ook de Uitterkers (Lriiidiuui xdl icimi). lt;le Waterkers \ .Xnsturliiim ofliiiiiah;), de Bittere Nchlkers (Curdtnii i ui' mndfc'), do Ivaineniis (Hiipltniiti* tulii'ii*] en lianr kleineren vormde K ad ijs worden als .s])ij/en g'eliraikt en Ijohooren. helndve de Imilsie. iille Tut de wildgroeiende inlandselie jilanten. Vi'iór de invoering vim den indigo werd in vele streken de We*ede ilsuli* //iwlgt;gt;i'i'i) gekweekt. l)e lihtdoi'en werden tut Itullen samengeperst en daarmede werd echt blituw geverfd, l'elialve de/.e worden om luinne geurende en fraaie bloemen in on/.e tuinen aangeplant; de A iolier ot Leukooi (Midliiolu iiiiiiiin) uil ^nid-l'jiii'ojia, dlt;' M n n r h 1 n e ni {i cheiri), die /.(dd/aani in t wild voorkomt aan oude nniven, de lp e n-se li ei'I-kelk (Arahis aliiliin), de Xaehtviool (llc-'iieris ninlruindin) en de Willeen S c li e r in b 1 o e in i g e s e li e e t b 1 o e m ilhi'vis (tynnrn en /. iiinhulluln), ialrijke kruisbloemigen komen I)ij ons als onkruid ot veldbloemen voor. /00 vindt men liet 11 e r d e r s t Jt s j e ((,11 hiirsu jmsini'/*} mei /.ij 11 lt;â driehoekige luiuwljes
bijna ii|( elk tuin- en bouwland, tie Pinksterbloem {Litn.htmine [jnttcmix) 0[) grasland en langs waterkanten, do Ruige veld kers op zaudgroiiden, de Steenraket en Look zonder look {Sixijmbritnn ufjicinale en N. AUhtria) op onbebouwde |)laatsen, langs wegen en heggen, de Krodde (ShiKpis urvensis) op bouwlund en langs wegen, de V o o r j a .1 r s-v r o e g 1 i 11 g {Drahu vernn), de Hocrenkers (Tkla-ijii, iirvcn^ij) met groote rondi'
hauwtjes, op bebouwden zandgrond en aan wegen, de Zeeraket {(kikih; tuuriUma) in de duinen, en talrijke andere soorten.
De bloemen der l'apaveraelitigen (I'aitiireriircae)
komen in liet aantal der bloemkroonbladen met di(^ der vorige familie overeen; zij bezitten evenwel een vroeg afvallenden, één- of' tweebladigen kelk en talrijke meeldraden. De vrueliten zjjn doosvruchten van ver-sehillenden bouw. Meestal bevatten de planten melksap van verschillende kleuren. Bij het Amerikaanscli BI oed kruid (SaiKjuiti'iria) is dit bloedrood, bij onze S t i n k e n d e g o u w e [ChclidoniKin iixtjus) geel. bjj den Slaapbol (l'a[ini'i'j' soniul/armn) wit. De lantste plant wordt bier aangeplant om bare rijpe zaden, die eetbaar zijn, ids vogelvoeder dienst doen en waaruit de gemakkelijk verteerbare, ook bjj het verven gebruikelijke papaverolie geperst wordt. In heete gewesten, b.v. in het Oosten, in ludië en China, worden de onrijpe vrucht-
IM iiljuitoiirijk. r\veezaailllt;»l)bi^o planten.
beginsels ingesneden; 'iet sap, dut er uitvloeit, droogt snel op en levert zoo den opium. Deze onaangenaam bitter smakende stof bevat hevige vergiften, o.a. het in or ]p h i ne; /.ij wordt in de genoemde landen veel als een genotmiddel gebruikt, dat zeer sterke werking op de zenuwen uitoefent en den gebruiker in een verdoofden toestand brengt, waarin bem aangename visioenen voor den geest komen. Het veelvuldig gebruik, waaraan men meer en meer verslaaft, heeft een zeer noodlottigeu invloed op den phvsiken en geestelijken toestand van den menseh. (fewoonlijk wordt de opium gerookt. De Javaansehe opiumschuiver bezit een pijpje met een metalen- of bamboesroer van ongeveer één voet lengte en een kleinen kop, meestal van hout of aardewerk. In de holte daarvan wordt een balletje opium gestopt; nadat de opiumschuiver eene gemakkelijke houding heeft aangenomen, wordt de opium aan eene vlam aangestoken, hij brandt vrij snel op, maar de rook wordt in eenige halen langzaam ingezogen en zoo lang mogelijk in den mond gehouden en spoedig komt de schuiver in den gewensohten toestand tusschen slapen en waken. In Indië mag de plant niet worden verbouwd. De invoer geschiedt slechts dooi- de regeering (en smokkelaars?); het recht van verkoop wordt verpacht, in enkele residentie's geschiedt die alleen vanwege de rcfi'eerinj;'. I lier Ie lande wordt opium, en vooral de daaruit verkregen morphine, in zeer kleine hoeveelheden als pijnstillend, slaapwekkend en zweetdrijvend geneesmiddel gebruikt. Verschillende soorten Klaprozen (l'apuver, Tab. 14 Fig. 12) met prachtig-roode bloemen komen als lastig onkruid tusschen het graan, langs wogen, op onbebouwde plaatsen en in tuinen voor. De ronde of knodsvormige, schijnbaar veeiliokkige doosvruchten bevatten talrijke, zeer fijne zaadjes en openen zich met poriën, die onder do stempelplaat ontstaan, die de doos bedekt.
De Waterleliën (.\i/inph(te(ii (gt;ue) groeien in vjjvers, slooten. plassen, en in rivieren en beken op plaatsen, waar geen stroom is. Maar groote, vleezige wortelstok ligt in het slik op den bodem en zendt bladstelen en bloemstengels naar de oppervlakte uit. Van onze inlieemsche Witte waterlelie {Si/mphuca quot;Jha, Tab. iö Fig. 13) en (Iele plomp {Xapliur liUciim') drijven de groote, aan den voet hart-vorniig uitgesneden bladeren op den waterspiegel. De bloemen bevatten talrijke bloem kroon bladeren, die heel geleidelijke overgangen vertoonen van de kelkbladeren tot de eveneens talrijke nieeldraden. De vrucht gelijkt op die der papavers. In de /iiid-Aziatisehe wateren zijn Nymphum Lotos en Nelunihinm siiecminn als Lotosblocm bekend. Zjj was, als het y.innebctdd der zich verjongende natuur, in Mgvpte aan Isis en ()siris, in Indië aan Wisclinu. Drama, en aan tiw. Dr i.otoKbidcin. de Oagna gowijjd. De zaden zijn rauw en gekookt eetbaar.
foinonkolai'liticvii.
Ondut* do Zuid-Amorikaansclie wah'rlcliön trok de Virloria «â¢(â¢;//« door lime rousaclitige, cirkelronde bladeren en prticlifige liloetnen zee zeer de aiiiidnelif. dat men ze Iner te lande zelfs in bjizondere wanne plnntenkasscn kweekt. Men lieett er bladeren van S,l2S M omtrek en bloemen van 1 : , K(J zwaarte bjj iiangetroHen.
De l{anonke!achtigcn (Itaiiiiiiciilurcin1) van ons vaderland zijn krnidachtige planten, in den regel met een wortelstok. De meestal groote bloemen bezitten ;? ot' meer kelkbladen en of' meer bloenikrooabladen (dikwijls 5), die evenwel soms door lionigliakjes vervangen zijn ol' geheel (Uitbreken. Dikwijls is de kelk gekleurd, /ij hebben in den regel vele meeldraden en vele sliim|iers. Deze laatste gaan over in éénzadige dop- ot in veelzadige kokervrncbten: 'ijj enkele soorten in bessen. Zjj bevatten meestal een scherp, soms zeer vergiftig vocht. Zoo kan bet sap van verschillende soorten !gt; n t e ]⢠b I oe m e n
op dc huid trekken, b.v. van de I!la nrtre k k e nde boterliloem [H. si'clcriitu*), die veel langs en in slooten voorkomt, van het Egelgras (//. l-'lmuwuln) op moerassige gronden en aan waterkanten enz. Ook dc Scherpe boterbloem (H. (tcrls) wordt als vergiftig beschouwd (zeer algemeen in weilanden), üepaald vergiftig zijn: de fraai blanw lilociciide M o n n i k sk a p pe n {AcoiiHkih .Sifpcliu* en A. Li/coiiouum) met een groot, lielmvornng kelkblad, dat de twee gespoorde kroonbladen (honigbakjes) insluit ; zij worden veelvuldig gekweekt: verschillende soorten van Riddersporen (Delphiniion) nvt onregelmatigen 5-bladigen kelk en \ blocmkroonbladen, waarvan er twee gespoord zijn. welke sporen door het grootste, evenzoo gespoorde kelkblad ingesloten worden; do ( I e m a t i s-gt;oorten. {Clcmdlis), meestal klimplanten met gekleurden kelk zonder bloemki'oon. waarvan enkele om de prachtige bloemen gekweekt worden, en de X ieskruid-soorten (IIfllchorus) met buisvormige bloemkroonldaden. 1 )e jonge bladeren van het 8 p e e n-kruid (Ficorid mnnumloïdli.'x) worden diiavenfcgcn als voorjaarssla gebruikt; het is een der vroegst bloeiende planten met talrijke peervormige wortelknollen.
Vele soorten van A n e m o n e n nmnten door hare fraaie bloemen uit. Zoo de Bosc li-anemoon (Aiiettioiie neuwrom), een onzer eerste boschbloemen, met witten, gelen of purperen kelk zonder hloemkroon en hel \\ i I d e m a n s k r n i d i l'iihnillld vidiiciri*) met licht-violettcn kelk. Het fraaie, li(ditblanwe Lever-bloempje (lli'paticu nobilix) behoort eviaizoo tot deze familie. In tuinen vindt men nog de Akelei (Aiiidlegium), het Juffertje in 't groen {Xijelhi dmnuseena), de Pioenrozen (l'twonkt), Adonissoorten enz. Talrijke soorten Boterbloemen, Ki». 824. lln Wiia.-t.m««kruW.
Ui-I pl.iiilrnrijk. rwtT/iiiullohhiyc |tlaiil('f).
W a to r 1) o t er li 1 o c m c 11 [Halru.flilKm) en de Kli'ine plomp (('.uIiIki palutlris) beliooren tut do moost vöoi'komondo wildo plantunsoovtcn.
Do M usk aa tnotonbooin (Mj/ristim â tnoscliuhi, Tab. ii fig. i i) vormt mot woiiiig'i! vorwanto soorten eone fiimilio. dio lt;ip do Molukkon on do nabij gologon oilandon to lulls hoort, ilij boroikt oono hoogto van ongeveer '12 M. beeft kraa^gowijs geplaatste, borizontaal geriebte takken mot afbangendo, dunne twijgen. De bladeren zijn altjjd groen, mot een glanzend bovenvlak, zij gelijken o|gt; die van den lanriorboom. Do witte bloemen gelijken op die van bel lelietje van dalen, doch zijn reukeloos; dit' van sommige boomen bevatten slechts meeldraden, die van andere slechts stampers, de laatste leveren vruchten op. Deze zijn na ongeveer !» maanden rjjp en gelijken op kleine perziken. Zij bezitten een wit vruclih leescb van 1 c^l dikte, dat bij volledige rijpheid in twee helften openspringt. Daarbinnen ligt de bekende Muskaatnoot, omhuld door oen netvormigen, vleezigen zaadinantel van roode kleur. Dit is de foelie, die evenzoo als specerij gebruikt wordt. De boom draagt van zijn '1 5do tot zijn Sliste jaar onafgebroken bloemen en vruchten, dagelijks worden dan ook de van zelf afvallende vruchten verzameld, doeh in April, Juli en November vallen de eigenlijke oogsllijden. Toon in 1(121 de Oost-Indische compagnie bezit genomen had van do l5anda-oiIanden, trachtte zij door uitroeiing der nniskaatnotenboomen op do meeste en beperking van den aanbouw op I! der Eamla-eilaiulen de jaar-lijkscho pmdnetie dezer hooggewaardeerde specerjj te verminderen, om den aanboius en den handel geheel in banden te behouden. Tegenwoordig is de handel daarin vrij en de cnltuur van den boom ook op andere eilanden ingevoerd. I it genoemden tijd stamt nog het gebruik de noten in zeewater of kalkmelk te doopen om hunne kiemkraebt te dooden een geheel overtollig iniddol, daar de noot onmiddellijk van den boom in een gescbikten bodem komen moet, zal zij ontkiemen. Men berekent, dat jaarlijks .'iT.MuiO l\(J noten en foelie van de Iianda-eilandeu nitgevoiuHl worden.
De familie der Sc b e r m b 1 oe m i ge n ( l'mhdliferae), waarvan men meer dan 1000 verschillende soorten kent, is bjj ons zeer talrijk vertegenwoordigd. De hiertoe boboorende planten zijn meestal '2-jarige of overblijvende kruiden met verdikten wortel of wortelstok. De l'een (ihaicuti), de l'asti naak (/V.si/jnrw*). de Peterselie [l'clroselhiinn) en de Selderie (Apium) worden om hunne zoete, smakelijke wortels gekweekt, die als voedingsmiddelen gebruikt worden. De bladeren der sebermbloemigen zijn bij de meeste enkelvoudig- of veelvoudig gevederd. De bloemen staan in enkelvoudige of samengestelde schennen, waarbij de talrijke bloemstelen straalsgewijze uit één punt ontspringen, iiij elke bloem zit het vruehtbeginsel onder de overige bloemdeelen; de kelk is in den regel zeer klein of ontbreekt, de bloemkroon bestaat uit 5 moestal diep gespleten
1 quot;oi-iiactM'i'n.
Iiladcron, er zyn 5 vroeg afvallemle nieeldraden en twee stjilen. De vrucht verdeelt zich. wanneer /.ij rijj) gewnrden is. in de lengte in twee nootjes, die dikwijls aan de oj)[)crv]akte riiihen, vleugels eu groeven vertoonen en al of niet met stekels of haren bezet zijn. ()p deze verschillen zijn de helangrijkste onderseheidingskemnerkcn der soorten gegrond. Behalve de boyengcnioeinde worden nog de Karwei (Cumm (â nrvi) Koriander (C.ividvtlruin), Nenkel (Fooiirulum), Dille {Ane-lliKiri), Anijs (Piuipinella), Kervel (Anlhrisi'U)*) en andere om de zaden aangeplant, die als specerijen gehruikt worden of om er etherische olii'n uit tc hereiden. In de geneeskunde is ook het hars eener Vziatisehe soort (Fcrtdu .Isa foatidd) onder (h'ii naam van duivelsdrek, als krampstillend middel in gebruik. Verschillende andere soorten zijn daarentegen
als zeer vergiftige planten te vreezen, b.v. de Waterscheerling iCInild virion) aan den waterkant en de Gevlekte scheerling of Dolle kervel (('.onhim ninculalum) langs wegen,
weilanden, onder heggen enz. De II ondspetersel ie.
het Z (gt; v e n b I a d (Aegopidimn), de 1! c r e n k 1 a u w (I IffiicleiDii); de Watereppe [Siimi en Hcnilti), de 1) ro n k e n m a k e n d e kervel (('Jiacririjhillinn) en de 10 n ge I wor te 1 (Aittirlicn) zjjn zeer algemeen voorkomende onkruiden.
Hel Klimop (Ih'drrn llrlir) is de eenige vertegenwoordiger der Araliaceeën in ons land. Het is ecne luaitige klimplant met lie(ditwort(ds, die om hare mooie.
altijd groene, leerachtige bladen vaak tot beklecding
van muren wordt aangeplant, en in bosc-liac-btige streken
. . . . , riff. SSti. iv Diiivclsdivli.
tegen de noonusn opklimt, lie groenachtig gele nloemen i..mlt;H'iwij/.i-. .â¢.Vracht. -/.Vrm-ht,
(loorgcsmdcn.
staan in trossen en brengen zwarte, veelhokkige bessen
voort. Tot de Cornaceeën behooren de Eetbare kornoelje (Cormis nui*). dit^ voor heggen aangeplant worden en de Uoode kornoelje .â¢mvijiiinpa), die in bossclien in 't wild voorkomt, doch ook aangeplant wordt. De eerste heeft gele bloemen en roode steenvruchten; de laatste witte bloemen en zwarte steen-vnichten. Heide hebben tegenovergestelde, gaafrandige bladen. Talrijke sierstruiken van dit geslacht worden in parken gekweekt. Eindelijk vermelden wjj nog de sterk riekende Jasmijn (Plnladdpliis coronuriu) uit Z.-Europa, die met andere soorten
â i-i, Het plantoiii'ijk. Twoozaadldbbigo (iluntoii.
Vim dit gt'sliu'lit, evenals de Dculzia gracili* uit Jü.paii c. a. tot de inoesl gclicf-kousde sii'i'struiki'ii bcliooiwi. Hot zijn 1'hi Iade 11»lieoën, liecstorB met '⢠10 liladcrige blofinkroon. die met de !(gt; meeldi-adeii oj. (gt;eii ev.-iiveeldceliK..|i kelk ziin iiige|iliUil. liet undei'Htaiuiig' vriielitlieginsel brengt eene doosvruelit voort,
quot;i' Onderklasse. VergrotMd-ltloPinbiadige planleii.
(Mmiopctdliii'.)
Tot deze iif'deelmg worden alle t\\ee/.aadlobbige planten gerekend, wier bloem-kroonl.laden ten minste gedeelteliik met elkander vergroeid zijn en wier bloem-kroiui daardoor den vorm eener buis, eener klok. vaneen trechter oi een dergelijk voorwerp heeft. Kr is een kelk. die gewoonlijk eveneens vergroeidbladig is en slechts aan «len rand in tanden ot slippen verdeeld is.
|)e tainilif der O I ij t'a c li t i ge n biedt ons in den bekenden Seiing
(Surimj.i vulifiri*) een voorbeeld aan van haren bouw. 1 )e bloemen staan bjj dezen «leliefkoosilen sierstruik in samengestelde trossen en bezitten een korten i-tandigen kelk. eene bhuiwachtig-lila of witte, vierdeelige. tot eene lange huis vergroeide bloemkroon en twee meeldraden, wier helmdraden met de buis vergroeid zijn.
De vrucht is eene tweekleppige doosvrucht, liet belangrijkste gewas dezer familie
is de Olijfboom [Olra ciiropacn, Tab. I'i Fig. 15), die oorspronkehjk waar-seliijnlijk in de landen oostelijk en zuidelijk van de Middellandsche zee inlieenisch was. sedert lang evenwel ook' in geheel Zuid-Europa, alsook in Mexico, Peru en Chili in groote aanplantingen gekweekt wordt. In het wild komt de plant in den vorm van een lagen, sterk vertakten struik voor, wiens takken m dorens eindigen. Zij wordt gekweekt in den vorm van een boom met een 1 1 â -Hi M Imogen stam. In zijne gelieele groeiwijze gelijkt hij op onze knotwilgen, ook wat zijn levenstnaiheid, vertakking en bladvorm betreft, maar hij bemint meer zonnige, droge berghellingen dan vochtige weilanden. De bladeren zijn tegenovergesteld, altijd groen, leerachtig, aan de onderzijde zilvergrijs van kleur. Dikkere stammen ziju meestal hol en veelvuldig ingescheurd. De kleine, witte bloemen staan in trossen en verschijnen in April; zjj zijn klokvormig. i-deelig en bezitten '2 meeldraden. liet tweehokkige vruchtbeginsel draagt een korten stijl en twee stempels. Slechts een betrekkelijk gering aantal bloemen ontwikkelt zich tot vruchten, tic bmiimchtig groene, langwerpig ronde olijven, die in een witachtig groen, sponsachtig vlecsch van bitteren smaak een steen bevatten, waarin éen, zelden -
zmidkorrels zitten. Van November af worden de rijpe oljjven ingezameld. Zoowel het
vruchrvlecseh als het zaad zijn oliehoudend, zoodat de olijven 20 - '1 'i /â olie bevatten. De beste i'rovence-olio vloeit van zelt uit de volkomen rijpe, goed
i
Vli.Tarhii-ren.
gesorteerde en met zorg verzamelde vruchten of wordt na verwijdering der steenen door zacht persen daaruit gewonnen; zjj is groenachtig, van aangenamen smaak en reuk en volkomen helder. Door grooteren druk aan te wenden verkrijgt men de geelwitte olijfolie. Om nog meer olie. doch van mindere kwaliteit, te verkrijgen, worden het overblijfsel en de pitten met kokend water behandeld en nog sterker geperst. Soms laat men nog de sterk uitgeperste oliekoeken maanden lang in water gisten, wanrbjj eene slechte oliesoort komt bovendrijven, die als lampolie gebruikt wordt. Men rekent, dat een krachtige boom jaarlijks S a 9 KG olie oplevert. Men plant de boomen voort door stekken of door enten, in den laatsten tjjd ook veel door oculeeren op den stam van den Liguster (Liyuslnoti vuhjare), een nauw verwanten heester, die ook hier te lande in kreupelhout voorkomt en in parken wordt aangeplant om zijne witte, zoetachtig riekende bloemtrossen. \an onze inlandsche boomen behoort de fraaie Esch (FrK.vinu* e,relsi.or) tot dezelfde familie. Ilij bezit gevederde bladeren en zeer eenvoudige bloemen zonder bloemdek (zie tig. tgt;'27), die. tot groote pluiinen vereenigd. vóór de bladeren te voorschjjn komen. De tweehokkige vruchten zijn langwerpig, gevleugeld. Eene verscheidenheid met afhangende takken, de treu resch. wordt voor priëelen in tuinen aangeplant, liet hout van den esch is zeer taai en als werkhout zeer gezocht. Uil
v'v v
den Manna-eseh (F;1, o/'him) \ quot;N, /)-die in Zuid-Europa groeit, \^j|\
verkrijgt men door insnijdingen in den stam en de takken te maken, de zoete esch-nianna. die medicinaal gebruikt wordt.
De familie der Y1 ierachtige n {(Miirifoliaeeaè) omvat een aantal struiken en boomen iler gematigde noordelijke streken met tegenovergestelde bladeren, onderstandig vruchtbeginsel en besvruchten. De
welriekende Kamperfoelie ' i ^ ''t
(l,onicevt( vaiiri!ohurn) wordt t'itt.Dl' Hscli. I. lilocicndu tak. 2. lilnd. 3. ïweeslachtigi'
bloem. vrucht 6. Dezclt'do zonder vleugels. 7. Kiem.
om zijne groote, onregelmatig
buisvormige, welriekende bloemen gaarne gebruikt ter bekleeding van priëelen. De wilde soort [L. I'ericliimcinnri) wordt voor hetzelfde doel gebruikt, doch komt ook veel in 't wild voor. vooral in kreupelhout. De gewone Vlier (SamhucK*
Waoneii's Nalniirlijko Historic.
ij m
Het plantoiuijk. rweozaadlobhi^o plnntcii.
ni(jra), niet hare groote tuilen van witte, regelmatige en welriekende bloemen en zwarte bessen, komt in vele streken bijna op elk boerenerf voor, daar zoowel zijne zweetdrijvende bloemen en bessen, alsook de schors en de bladeren als huismiddelen gebruikt worden. Ook de Sneeuwbal {Viburnum opulus), die in hosschen vaak wordt aangetroffen, de uit N.-Amerika afkomstige Bnoeuwbes (Siimphoricarjms race moms) en verschillende andere heesters worden als sier-]dnnten gekweekt.
De familie der Iviuagewassen (Cinclionaceau) i.s beperkt tot de tusschen 5° N. 13. en 5quot; Z.B., op eene hoogte van ongeveer '2000 M boven de zee gelegen berglanden van Zuid-Amerika. De echte Kinaboom {('.inchona C.on-damiiicii, Tab. l i Fig. I (!) bereikt slechts eene hoogte van 5â(i M bij eeue stamdoorsne(l(! van ongeveer '/.i ⢠Hij groeit in de oerwouden van de Oostelijke hellingen der Andes in kleine groepen, die reeds in de verte kenbaar zijn aan de roodachtige kleur van het loof. De takken staan van afstand tot afstand in kransen, zijn bijna horizontaal gericht en dragen lt;i 12 cM lange bladeren, die lancetvormig toegespitst zijn. De kleine, bleekrose bloemen staan in eindstandige trossen en brengen kleine doosvruchten voort, die in meerdere hokjes talrijke, buitengewoon kleine zaadjes bevatten, die in zaadwol gehuld zijn. Het bruikbare deel van den boom is de ascligrauwe schors van stam en takken, die een geel. zeer bitter melksap bevat. In .Mei trekken inwoners van Ecuador en Peru in kleine gezelschappen naar de afgelygen wouden, bouwen daar hutten als nachtleger en voor het drogen der afgeschilde schors en vellen er de boomen, om ««r de schors van te winnen. Deze sehors is rijk aan chin ine, een kostbaar geneesmiddel tegen koorts en malaria. Daar men in de bovengenoemde streken dii boomen op de meest roekelooze wijze neervelde, zonder te zorgen voor nieuwe aanplanting, ware de totale uitroeiing van dit nuttige gewas te vreezen geweest, zoo niet de ^Nederlanders meerdere soorten naar .lava overgebracht hadden, waar deze boomen tegenwoordig- uitstekend tieren. Ook de Engelschen plantten ze in Oost-Indië aan. De stekken moeten iu broeikassen wortel schieten en worden eerst later in den vollen grond overgeplant. Men onderscheidt tegenwoordig niet minder dan 44 soorten.
Tot dezelfde natuurlijke familie behoort ook de Koffie boom (Co/fea arabica), die oorspronkelijk in de landschappen Enare en Caffa zuidelijk van Abessinië in 't wild groeide, tamelijk vroeg reeds naar Yemen in Arabië werd overgebracht en tegenwoordig op groote schaal op Java, Sumatra, Celebes en Ceylon, in Kngelsch Indië, Suriname en Brazilië is aangeplant. De aan zichzelf overgelaten boom wordt tot 14 M hoog en gelijkt, wat liet voorkomen van zijne kroon betreft, op een kerseboom. In de koffieplantages wordt hij uit zaad gekweekt, dat kort na het rijpen moet worden uitgezaaid. Op Java wordt de koffiecultuur vooral
Kiimiro wassen.
op eene hoogte van 'iüOâ1250 \l boven do zee uitgeoefend. \\Orden in een boscli de meeste lioonien geveld en de kofficstruik geplant in de se.liaduw van enkele, die gespaard werden, dan leveren deze struiken de hosehkoffie op. Wordt daarentegen de kofïietuin aangelegd op een geheel omgewerkt stuk land, waar tusschen de kodiestrniken ook groote,
schaduwrijke hooinen op geplant moeten worden, dan verkrijgt men tuinko/fie.
De haagkiiHir is afkomstig van planten,
die de inlander op sehaduwrjjke plaatsen binnen de omheining' der kampongs kweekt. De jonge planten worden in rijen op gelijkmatige afstanden geplant.
om gemakkeljjk hereikhaar te zjjn. Dooide hoofdas af te breken bevordert men de ontwikkeling van talrijke zijtakken
en de vorming van dichte heesters van
. ... . i-'i l'itf. 228. hi- Kot'fii'hoofii. Blocnicn lt;*11 vruchten
Tlianshoogrc. \gt; «ini1 met rijkGlijk rcg'Oll (IraK'-ixlf tak. I'.ov. n liiikgt; lt; ⢠n, vruclit, waarvan de
helft van den vlcc/Jgen vruehtwand afKTCRiKidcn is.
valt, moet voor behoorlijke bevloeiing
ffezoru'd worden. De kleine, witte bloemen komen ten quot;'etak! van tot 7 uit
o n n
do bladoksels te voorschijn; zij gelijken lt;)|i .lasinijnbloenien en hebben een geur als deze. De kelk is 'i a-spletig, de bloemkroon bestaat uit eeiK; trechtervormige buis met een 4â5-deeligen zoom. liet onderstandig vnuditbeginsel ontwikkelt zich tot eene vleezige bes, die aanvankelijk groen, dan scharlakenrood en ten laatste donkerrood van kleur is. Deze bessen rijpen het heele jaar door, doch de belangrijkste oogsttijd valt op .lava van April tot Juli, een halt jaar na den hoofdbloeitijd (October tot Januari). Het vrnchtvleesch der bessen is sappig, flauw zoet; daarin zitten twee zaadkorrels (boonen). Men laat de bessen, nadat zij één voor één geplukt zijn, in de zon drogen en bevrijdt de boonen dan uit het bros geworden omhulsel door er steenen walsen over te rollen of'met behulp van bijzondere molens. Later moet nog het perkamentachtige vlies vcrwjjderd worden, dat heide boonen omgeeft en eindelijk worden de boonen gedroogd en in zakken verpakt. Nadat de heesters M jaren lang vruchten geleverd hebben, worden zjj verwijderd, Sedert 1878 vertoont zich ook op Java de koffie-!)ladziekte, die het eerst op Ceylon optrad en door een zwam {lie mi lei a vusiulrix) veroorzaakt wordt; zij kan ontzaglijk veel schade doen. De Arabische koifie (Mokka) wordt voor de beste gehouden, dan volgt de .lava-koHie (Dreanger); dc Hraziel-kolfie is do slechtste. Toch is in de laatste jaren de cultuur in Brazilië op eene
ll«t plantenrijk, 'rweoznadlobhigc planton.
kolossale wijze uitgebreid, tengevolge waarvan de pnjs der kolKe zeer gedaald is, tot groote schade voor onze Tndischo schatkist, die voor een groot deel hare inkomsten aan do koffiecultuur dankt. De eerste koffiehuizen in Parijs en London ontstonden in de laatste helft der I 7de eeuw. Men berekent, dat jaarlijks ongeveer 700 millioen KG koffie op de lieeie wereld geproduceerd wordt. Inden laatsten tijd is de aanplant van Liberia-kotiie (('.olfco liherica) zeer roegenomen, die van de westkust van Afrika afkomstig is, maar tegenwoordig om hare groote vruchten, haar lijn aroma en het grooter weerstandsvermogen ook elders (o. a. op Java) gekweekt wordt.
Van onze inheemsche planten zijn de SterI»ladigen (Stellalae) het meest aan de voorgaande verwant. Hare kleine, regelmatige bloemen hebben een lâ6-tandigen kelkzoom, eene 4 (i-slippige bloemkroon, 4â(gt; meeldraden en een ii-hokkig onderstandig vruchtbeginsel. Daartoe behoort bet circa 12 cM hooge, sierlijke Lievo-vrouwenbed s troo {At^erulu oJoralu, Tab. li Pig. 17 «6), een boschkruidje met draaddunnen stengel en smalle, laneetvonnige bladen, die in kransen van (iâS stuks om den stengel staan. De witte, trechtervormige bloempjes staan in kleine trossen. Het plantje dient tot het kruiden van rijnwijn (meidrank). De geel of wit bloeiende Walstroo-soorten {Galiutu) versieren in den nazomer berghellingen en weiden en worden als voederplanten gebruikt. In Zuid-Europa en Klein-Azië. plaatselijk ook in zachtere streken van Middcl-Kuropa (vroeger veel in Zeeland) wordt de .Meekrap {Ituhia tinctnrum) verbouwd. De plant wordt ongeveer I M hoog. draagt aan eiken knoop van den ruwen, vierkanten stengel li stervormig geplaatste bladen en kleine, gele bloempjes. \a lt;i jam-wordt de pendikke wortelstok ingeoogst; deze wordt gedroogd en schoongemaakt en daaruit wordt het prachtige meekraprood, turkseh rood, en door bjjvoeging van andere stoffen ongeveer .'»0 verschillende kleursoorten verkregen, die voornamelijk tot het verven van wol en katoen dienen. Sedert het gelukt is het hoofdbestanddeel van den alizarine, ..meekrapworte]quot;. kunstmatig uit steen-kolenteer t(! bereiden, heeft de meekrapeultuur alle heteekenis verloren.
De M aa gd lt;! pa lmac li t i gen (Aponinurme) behooren grootendeels tot de heete gewesten van beide halfronden. Van onze inheemsche planten behoort er de Maagdepalm (Viitrn minor. Tab. II Pig. 18) toe, een fraai plantje, dat met zijne lange, rankvormige stengels den besclmduwden boschgrond bedekt en glanzende, leerachtige, altijd groene bladen en zeer mooie helderblauwe bloemen bezit. Deze hebben eene trechtervormige bloemkroon met .Vdeeligen zoom. die in den knop scheef gedraaid is, 5 meeldraden en '2 vruchtbeginsels mot gemeenschappeljjkeu stijl. De maagdepalm wordt ook in tuinen als randphmt gekweekt. De als sierplant veelvuldig gekweekte Oleander (.Senum oleander) behoort in do landen om de Middellandsche zee te huis en versiert daar met
t ii'iit.iauiiiuht i^on.
zijni! woolderige, purperen bloemtuilen de oevers van beken en rivieren. Het sup zijner takken is vergiftig'. Van de Noord-Anierikaaiiscbe snorten is liet Vliegen-vangend II ondengi ft (Aiiocijnum andvomemifolhtm) duardour merkwaardig, dat zijne kiokvormige bloemen zich oiuniddellijk sluiten, zoodra een insect er in kruipt om honig te zoeken. Daartoe behooren verder eenige der meest beruchte
fi'iftboomen der heete gewesten, b.v. lt;!( (Sl.ri/rhnos nn.r vtimii'd) van (Jost-Indië. Uit zijne schijfvormige zaadkorrels verkrijgt de scheikundige het strychnine, waarvan reeds zeer kleine lioeveelheden den dood veroorzaken kunnen. Ju sommige omstandigheden wordt evenwei dezelfde stof een uitstekend geneesmiddel en in ()(ist-Indië zelf gebruikt men do hraaknotcn als middel tegen den beet van de brilslang.
l it het sap van verschillende soorten dezer familie {Sirj/chnofi lo.rifc.ru, l'.cliilan rredu e. a.) bereiden de Indianen van (luyana het vreesebjke wurari-vergift.
waarin zij di» kleine pijlen ],,jK_ 2,_), doopen, waarmee zij uit lange blaaspijpen schieten.
Een daardoor gewond dier sterft in weinige minuten. De zaden van den Uiftboum van Madagascar {Tanghhiia inmenifera) zjjn zee vergiftig, dat een enkele zaadkorrel voldoende zou zjjn om 20 personen te dooden. Zij worden bjj de daar gebruikelijke rechtspleging gebezigd om bet al of niet schuldig zijn van den beklaagde aan te toonen.
Verschillende andere gewassen uit deze familie leveren in liun rijkelijk voorhanden melksap bruikbare caoutcboucsoorten, lgt;.v. de op de Soonda-eilanden inheemsche K ruikbloem (I'lceoht ehislira). De uit Xoord-Amerika afkomstige Zijdeplant {Asrhim cornuti, Dcc.) is overrijk aan molksiq» en bevat in bare doosvruchten zijdeglanzend lang zaadpluis, dat evenwel technisch niet bruikbaar is. De familie der (Jentiannaclitigcn (Gcnlhntaceae) bevat overblijvende kruiden met fraaie
Twooznadloljbiprc plant on.
bloemen en bittere sappen, waaraan koortsverdrjjvenfle eigenseliappen worden toegeschreven. Kelken bloemkroon zijn buisvormig met een 4â5-, zelden lt;1 8-deeligen zoom, die dikwijls van franjes of'draden voorzien is. I )(⢠meeldraden zijn in hetzelfde aantal aanwezig.
De doosvrucht is meestal tweehokkig en tweekleppig. De meesteen fraaiste Gentiaan soorten ((leiiliuiiK) bewonen het hooggebergte, bezitten heerlijke, blauwe, roode of' gele bloemen en worden om hare bittere wortels ingezameld, die als toevoegsel bij bier en brandewjjn aanwending vinden. Ook in ons land komen in duinvalleien en in heide- en veenstreken verschillende soorten voor (G. Aiiiarclla. G. cdiDjiosiris, (1. Ptieumo-nunthc). Het helderrood bloeiende Duizendgul den kruid {Krijlhraea) en de in moerassen
. ..r , i . Kiff. 230. I)«' Voorjanrs-Gcntiaan.
('11 V'ClM'll al^vinccih' gt;gt; utorkluvcr I Mctii/tt lillies I. Blooicndc tak. 2. Oviirlaiiffschi' door-
Kucdc der bloem.
Irifulidtii) zijn evenzoo bittere artsenijkruiden.
Tot de l( ii w b I a lt;11 g e ti (Hnriigincdi;) rekent men meer dan 700 plantensoorten, waarvan lt;le meeste één- of tweejarige of overbljjvende kruiden zijn uit do gematigde luchtstreken. Kelk en bloemkroon zijn in den regel regelmatig, o-slippig; het vierdeelige vruchtbeginsel gaat over in i nootjes, die door den blijvenden kolk omsloten worden. Vele dezer planten heeft men om bare fraaie bloemen in onze tuinen opgenomen, b.v. de blauwbloeiende Omphalode, do naar vanille riekende Heliotroop {Ilelioiropidm iianivinnum) enz. Het Ver-gee t-m ij-n i e tje (Mi/osolis) werd de algemeene lieveling onder de wildgroeiende liloemen. De meeste soorten dezer groep heblu'ii ruwe bladeren, die met stjjvc haren bezet zijn, b.v. lu^t oj) droge plaatsen veelvuldig voorkomende blauwe 8 langen kruid (l'xhinni vulgare), de naar versche komkommers riekende Uernagie (IUivikjo oflirimdis. Tab. 14 Fig. li)) met blauwe, zelden wit- of roodachtige bloemen, de Akker-kromhals {Lijcopsis arvensis), wier bloemen lichtblauw zijn met witte buis, de Smeerwortel {Sijmiihiildm (iffir.iiKilis) op vochtigen grasgrond en aan waterkanten e. a. In Zuid-Muropa wordt de Alcana {Alcdiiii tiiicforid) als verfplant aangeplant; haar wortel bevat een rood sap.
l)e familie der X aeh tsc haden (Sigt;liiiicaé) is buitengewoon rjjk aan soorten; men kent er ongeveer 1000, voor het grootste gedeelte overblijvende kruiden, die tot de warme en gematigde luchtstreken behooren. De belangrijkste plant dezer familie is voor ons de Aardappel {Sdlnnain lulferosutn) geworden. Deze was oors])ronkelijjk inheeinsch in de bei'gstreken van 1'eru en Chili, kwam omstreeks 1570 over Spanje naar Italië en werd in 1584 door Walter Raleigh uitVirginië
Il'-t plantcmijk.
;).')!)
naar Ierland overgebracht. Door Drake werd /,jj slechts iets meer Ilekend en eerst in de tweede liell'r der 1 He eeuw werd zij ineer algemeen verspreid. Sedertdien tijd zijn tallooze verscheidenheden gekweekt geworden. De eetbare ineeliiondoiide knollen ontstaan aan de toppen van onderaardsche stengels; liet zijn o])/.welliiigeii daarvan, die met knoppen bezet zijn (stengelknollen). De violette of witte bloemkroon is aan de basis kort buisvormig, haar zoom is radvormig uitgespreid en 5-slippig. De kelk is .Vtandig; er zijn rueoldraden, wier liclniknoppen aan elkander kloven en een stamper met 2-hokkig vruchtbeginsel. De sappige bessen, die daaruit ontstaan, hebben vergiftige eigenschappen; door het zaaien der daarin aanwezige zaden verkrijgt men nieuwe variëteiten, die men voortplant door de knollen te poten. Weeds in I7:ilt werd de aardappel in Ierland door eene ziekte aangetast, die men de droge of zwarte rotziekte noemde en die in dat land hongersnood ten gevolge bad. De ziekte nam vooral de overhand in de jureu IS Ui -49. Tegenwoordig is de aardappel over alle matig warme landen der narde verspreid; in do vochtig-warme streken der tropischo gewesten tiert zij evenmin als in het koude noorden. Onrijpe aardappels, slechte soorten en scheuten bevatten vergiftige stoffen. Op den duur verminderen de goede hoedanigheden dei-beste verscheidenheden, zoo men ze meer dan i-â5 jaar op hetzelfde land aanplant; men dient telkens na dien tijd pootaardappels van elders te gebruiken. Van verschillende verwante nachtschaden gebruikt men in Zuid-Europa de besvruchten als toespijs bij vleesch, groente enz. Zoo van den Tomaat (/.. /,//,â¢lt;),«rsicitm), die den tomaat, paradijs- of liefdeappel voortbrengt, die glanzig scharlakenrood, geel of wit van kleur is; evenzoo de bessen van de Kier plant (S. esntletiluia). Het gemalen vleesch der bessen van Spaansche peper (Cniisinnn (imiuxm)
levert de Spaansche- of Cajenne-peper; dc plant wordt vooral om de bes, die scharlakenrood,
oranje, geel of bont van kleur en door don ver-grooten kelk omgeven is, in tuinen gekweekt.
Zij is zeer vergiftig. De meeste verwanten van den aardappel zijn gevaarlijke giftplanten, zoob.v. de Zwarte nachtschade (S. uigrurn), een der meest voorkomende onkruiden in tuinen en op bouwland, met zwarte bessen, evenzoo het Bitterzoet (X duh'iiHKira), eene heesterachtige klimplant, aan heggen en tusschen kreupelhout op vochtige plaatsen, met ronde bessen. Talrjjke nachtschade-soorten van heete gewesten worden hecsterachtig, vele ook stekelig en doornig. De
rwce/iiadlubljig'e iilaiittüi.
uit Hnrlmrjju af'stiuiinicndc l.ijriinn Ijirrhdliini, wordt hior soms voor juioelen i'ii heggen aangeplant, doch woekert sterk en wordt daardoor lastig. Hij draagt lila bloemen en scliarlakenroodc langworpige hessen. De Wolfskers (.Hrlht-il(i)uii). Fa Ij, 1.) i'ig, 1) komt als ongeveer 1 M lioog struikaclitig gewas in bosselu'ii en aan hergliellingen voor; in ons land slechts /.eer zeldzaam. De laucetvorini^e hladen zijn door klierdrageude haren eenigszins kleverig, de at'hungende klokvormigc! Idoemen helibeii eene donker violette kleur. De vruelit is eene zwart gliin/.ende hes, aan den grond door den jdjjvenden, .^-deeligen kelk omgeven, liet sap dei-plant werkt, zooals dat van al de daaraan verwante planten, voornamelijk op liet zenuwstelsel en de hersenen, het hrengt ijlen, geestverstoringen, koorts, hevigen dorst, niisseljjkheid enz. te weeg. I!ij sommige ziekten dient het sap der wolfskers als artsenij; het daarin aanwezige atropine hrengt, . in geringe hoeveelheid in het oog gebracht, een sterke verwijding der pupil te weeg. De in den Levant inheenische A l rui n iXlinidviiijova ofjifhuijt') stond in vroeger tijden als quot;'enees-en toovenniddel in hoog aanzien, /ijn knolvca'migen, soms verdeiddca wortel i;'at men kunstmatig den vorm van een klein mannetje, dat schatten delven, geld vermeerderen en allerlei andere wonderdingen meer zou kunnen uitvoeren. Mven gevaarlijk als de wolfskers is de Doornappel (llniurn Slriniuiiiinm. Tab, 15 1'i^. -), die verwilderd in tuinen en up puinplaatsen en Ijouwland voorkomt. Zijne g'i'oote, boehtig uitgesneden bladen bezitten een onaangenamcii reuk: de groote, trechtervormige bloemen zijn geelachtig wit; de vruchten gelijken uitwendig door de stekels, waarmee zij bezet zijn. i)ijna op kastanjes, hevntten evenwel talrijke, roiidaclitige, bruinzwarte zaden, lieeds de renk der plant, de dump der zaden, die op eene heete kaehel gelegd zijn, kunnen verdooving, misselijkheid enz, veroorzaken. Het eten der zaden beeft een sterke werking op de hersenen en veroorzaakt waanzin en dood, wanneer de arts niet zeer spoedig door hraak-middclen enz. hulp verleent, liladeren en zaden worden onder bepaalde omstandigheden ook als geneesmiddelen aangewend, evenals die van het 15 i I z en kruid (Ihiusci'iiinis niijer, lab. I.gt; l^'ig. .'!), dat niet zeldzaam op puinhoopen, kerkhoven of andere onlxdionwde plaatsen wordt aangetroffen. Het heele uiterlijk dezer plant is afstootend ; bladeren, stengels en bloemkelken zijn klierdragend. vuil van kleur en van onaangenamen reuk. Zelfs de bloemkronen zijn donkergeel, met donkere aderen doortrokken. Het meest zijn verwisselingen van de wortels met den pastmaak wortel voorgekomen ; het eten er van heeft vergiftigingsverschijnselen ten gevolge, die zich in ijleu, zinsbegoochelingen, duizeligheid, razernij openbaren en in de ergste gevallen met den dood eindigen.
De Tabaksplant (Sicoliatm liihucinri) behoort evenzoo tot de naelitscliaden en bevat in al hare deelen eveneens een vergift, de nicotine, die onvermengd genoten, doodelijke werking heeft. De gewone tabak is een éénjarig kruid.
Het plaiifomijk.
NM'-litM'lmdcn.
iiorsproiikelijk in Middi'l-Amcnkfi inliccniscli en duur rcciU huij^'i'u tijd in ^vlii-uik : de cursti' boscdinjviiiju;' dei' ))liilit is v.-m een Ix'nclcidcf \1111 ('olunibus, don iiiitci' Romano fane, afkomstig' (14fl()); toon wordon reeds de samengerolde liladercn door de Indianen gerookt. i*e stengel is weinig vertakt, met klieraehtigc, korte haren bezet, I tot '2 M hoog. De xersjireide bladeren worden naar boven toe kleiner en smaller, kort behaard, iets kleverig, zwak gegolfd : gedroogd zijn ze bruin en licht breekbaar. De bloemen zijn tot eindstandige |ilnimen vet'eonigd. De kelk is bleekgroen, balt' zoo lang als de bloemkroon en blijvend. De treehtervonnige bloemkroon is van boven rnse, aan den grond groenaehtig; de zoom is geplooid, vijfdeelig. Kr zijn meeldraden, die met de bloemkroon vergroeid zijn; de vrucht is eene tweekleppige, vcclzmlige doosvrucht. Hehtdve deze soort worden nog voornamelijk de Marvland-tabak (.V. nuicropldiltii) en de Hoerentabfik i.\. rnsticd) aangeplant. Alle drie soorten tieren het best in de tropische gewesten, doch worden ook in Noord-Amerika en Middel- en Zuid-l'lnropa verbouwd. Zij verlangen een lossen,
zanderigen leem- of kalkhodem, die rjjk is aan plantenzomen (houtasch), daar de plant een bijzonder groot asehgehalte bezit (tS it; volkomen droge bladeren bevatten '2- li,' asch). Zij putten den bodem snel uit. Men trekt de tabaksplant uit zaad, dat men in Hnropa in broei bak ktüi laat ontkiemen; de jonge planten worden in rijen op afstanden van ongeveer I M overgeplant, lust onkruid met zorg gewied en de aarde om de plant opgehoogd. Zoodra de bloemstengel begint uit te schieten wordt hij afgebroken; ook alle zjjtakken worden verwijderd, opdat alle sap ten goede komt aan de stengelbladeren, die daardoor grooter en rijker aan aromatische stoften worden. Men begint de bladeren van ouderen af te plukken, de eerste zijn het zandgoed, de volgende vormen het aardgoed en de ö bovenste, die rijp zijn als de plant 90 dagen op den akker gestaan heeft en die de fijnste tabak opleveren, zijn het bestgoed. I)e bladeren worden aan draden geregen, in groote schuren gedroogd, dan worden zij, met zoutwater bevochtigd, een tijd lang op elkander gestapeld, om ze te doen gisten en daarna voor goed gedroogd. Zelfs de gunstigste oogst levert sleehts I quot; u der fijnste bladeren, (jeringere soorten worden gesaust om den smaak, den reuk, de kleur en de wijze van verbranden le verbeteren. De tabak wordt tot snuif verw erkt ( na zeer sterke toevoeu'inii'
iifii
Het plantenrijk. Tweezaadlobbigo idanton.
vim s;ais), tot dikke draden gesponnon (do zeer zware soorten') voor kauwtabak of tof rooktabak en sigaren verwerkt. Behalve de nicotine, waarvan liet gebulte in fijne soorten meestal zeer gering is, in slecbte soms Jl1/» % bedraagt, bevat de tabak nog eene zeer vergiftige, vlncbtige olie en aromatiscbe bestanddeelen. die zich bij bet verbranden ontwikkelen en waarvan de kwaliteit hoofdzakelijk afhangt. Over de gevolgen van het rooken is veel gesebreven; zooveel is zeker, dat bovenmatig gebruik en het gebruik door jonge personen in elk geval zeer belangrijke storingen, zoowel in het zenuwals in spijsverterings- en bloedsondoopstelsel te weeg brengt. J)e meeste tabak levert Amerika op, zoowel Zuid- en Middel-Amerika(Venezuela, Brazilië, Columbia, Mexico) en West-lndië (Cuba, Havana en Portorico) als Noord-Amerika (Maryland, Virginië, Kentucky enz.) Uit Azië zijn de Manilla-, Java- en Sumatra (Deli)-tabak zeer gezocht. In Europa leveren .\cderland (llelenaveen, rtrechten (ielderland), Hongarije, Turkije en Duitschland aanzienlijke hoeveelheden. De totaal uitvoer uit buiten-Europeesche landen bedroeg in 1882 ongeveer 18 4. millioen KG, de productie in Europa 'J'Jl millioen Klt;i. Trots de sterke tegenwerking, die het gebruik van tabak in Europa aanvankelijk ondervond de Sultan liet een cooker de pjj|i door den neus halen; in Rusland werd rooken bestraft met het afsnijden van den neus, de Paus bedreigde den rooker met den banvloek heeft het zich toch op een ontzaglijke wijze ontwikkeld.
De Winden (('.onvolvidaccae) zijn in den regel kruidnehtige klimplanten met windenden stengel, een .Vdeeligcn blijvenden kelk, eene trechtervormige bloemkroon met gaven of o-lobbigen zoom, die in den knop gedraaid is en eene 2âS-bokkige doosvrucht. De hiertoe beboorende sierlijke Akker winde (Convolvolus arvensé) is een lastig onkruid, omdat de stengel zich om de halmen van het graan windt De groote, witbloeiende 11 egge w i n d e (C. scpinm) komt in kreupelhont en heggen voor. Verschillende soorten worden als sierplanten gebruikt, o. a. de lp om ea (C. pw-imrals). De Jalapa (C. .hdapa) \iit Mexico levert de in de geneeskunde bekende â¢lalapwortel. Het belangrijkste gewas dezer groep is de Batate of Camote (lidtiUm echilis), die in alle heete gewesten om hare dikke, meelrijke knollen aangeplant wordt. Deze knollen worden zoowel rauw, als op verschillende wijze toebereid, gegeten en bezitten een zeer aangenamen, zoetachtigen smaak. De Warkruidsoorten tCvseuUt) zjjn echte woekerplanten, die op vlas (C. Epïlinum), op klaver, wilde thijm, boschbes en heide l'.pilhymum) of op brandnetels, wormkruid {E. europea) klimmend, hare roode, draadvormige stengels met behulp van zuigwortels danraan vasthechten en er de sappen uitzuigen. Zij bezitten geene bladeren. De bloemen zijn klein, vleeschrood tot geelachtig en tot hoopjes vereenigd. Op cultuurplanten worden zij zeer sclmdeljjk.
Tot de Lipbloemigen (Lahialae) behooren omstreeks 1400 plantensoorten. De naam is ontleend aan den eigenaardigen vorm der bloemkroon, die buisvormig is en in den regel aan den rand in twee deelen, boven- en onderlip, gespleten is. Van de 4 meeldraden zijn er twee meestal veel langer dan de beide andere
Lipbloomigoii.
(t.wcomachtigo inooldraclon). I lot vierdcelig, bovonstandig vruclitbeginsel ontwikkelt zich tof ciMio splitvruclit, di« in vier nootjes uit elkander vult, welke door den ö-tiindigen kelk (imgevnüi zijn. Ook door de kruisgewijs tegenover gestelde bhiileren en den vierkanten stengel ondersclioidon /.ij /.ich van vele andere planten. De meeste dezer planten, waarvan talrijke soorten hier, de meeste evenwel om de Middel-landsche zee te huis hooren, zijn rijk aan etherische olieën, die aan de deelen der plant een sterken, veelal aangenamen geur verleenen. Om deze reden worden er verscheidene gekweekt, zooals: de Tuin-Thym (Thyinu* vulgaris), een klein heestertje met gaafrandige bladeren, die aan den rand omgerold zijn, de Melissa {Melissa officinalis) met eenzjjdig geplaatste, in 3âli-tallige schjjnkransen vereenigde, witte bloemen, de IIvssop (H/issopus officinalis), een heester met smalle bladeren en meestal donkerblauwe bloemen, die dichte eindelingsche aren vormen, het Boonenkruid {Salureja horlensis) met sterk vertakten, halfhoutigen stengel,
smalle, s])itse bladeren, en lila of witachtige, kleine bloemen, meest 5 hijeen in de oksels der bladen, de La vendel (Laccndula Spica), een (iO cM hoog kruid met lancetvormige bladeren, di(^ aan den rand opgerold zijn, blauwe bloemen, tot ijle aren ver-eenigd, met bruine vliezige schutbladen; het Basilicum (Ocimnn Hasilicum), oen kruid met witte of roodachtig witte bloemen uit O. Indië,
di' Marjolein {Oriijanuni Marojuint) uit N.
Afrika mot eironde grjjsviltige bladeren en witte of lichtroode bloemen met diep gespleten kelk, de Salie {Salvia of/ici)ialis} met vrjj groote, violet blauwe bloemkroon en slechts 'i meeldraden,
do Pepermunt (Moilha jiiperila) uit West-Europa met bijna regelmatige, 4 spletige bloemkroon en 'i bijna even groote meeldraden e. a.
Van de liier in 't wild groeiende soorten noemen wij: de zeer algemeen voorkomende Witte Do oven o tel (La miwn album), wier
stengels en bladen aan die der brandnetels ^ 2S4 Ve pcpormim,.
i ⢠i 11 ....... i ,/ / ⢠, I Bloeiende tak. 2. Hlocm. Ovcrlangrsche
lierilinereil, do JloilIlLpllctcI (^G((Uopsisdoorsnede der bloem.
Hot plantemijk. Twoozaiullobbigo plnntcn.
uj) bouwland, de Andoorii (Stachi/K), en dc Brunol (l}runelln cKhfriris) tussclicii het gras, liet Kruipend zenogroen (AJaya replanft) in vochtig grfis, de Wilde Salie {Tcucvium Scordonia) op duin- en zandgrond en in bossehen, verschillende Mentha -soorten, de \ eIdsa 1 ie (.Squot;/vin iiratcxni*} en de Hondsdraf of Aa rd vei I (/iledtonm hederucan). De inrichtingen, waardoor lijj de meeste dezer i)loenicndekmis-hestniving door insecten bevorderd wordt, zijn zeer merkwaardig: haast elke bijzonderheid in den vorm der bloemkroon, den stand van de meeldraden en den stijl staat hiermee in verband, liet meest hekend is de wijze van hestuiving hij de veldsalie. De twee meeldraden bezitten korte helmdraden en deze dragen aan hun top een soort hefboom, die aan het eene uiteinde een knopje, met stuifmeel gevuld, aan het andere, kortere een hladachtig sehnlije draagt. Deze beide schubjes staan vóór de monding fier bloemkroonbuis. Zal eene hij den honig in die buis kunnen hereiken, dan moet ze de schubjes naar binnen drukken, het lange voorste deel van den hefboom gaat naar beneden en indien juist liet stuifmeel rijp is, wordt de rug van het insect met stuifmeel bedekt. Is het stuifmeel op deze wijze ontlast, dan pas komen de stempels tot rijpheid, die zich daarbij zoo sterk naar voren ombuigen, dat eene bij. die weer honig in eene bloem zoekt, met haren rug er langs moet strijken. Deze zal in den regel stuifmeel van eene andere veldsalicbloem meebrengen en zoo is de kruisbestuiving tot stand gekomen. Even merkwaardig in dit opzicht zijn de bloemen der verwante Leeuwenbek-aehtigen (Scroplmlarinma), die nog grooter verscheidenheid van vormen vertoonen, doch steeds min of meer tweezijdig symmetrisch zijn. De zaden zitten in eene tweehokkige doosvrucht. Eene der belangrijkste planton dezer familie is het Vingerhoedskruid (Diyiialift purpuniu. Tab. 15, Fig. 4). Alle deelen dezer plant bevatten een hevig vergift, het alcaloïde digi tal ine, dat eene zeer sterke werking op bet hart uitoefent en medicinaal in zeer geringe hoeveelheden wordt aangewend tot vermindering van hartkloppingen enz. Deze plant komt in hooge streken zeer veel in 't wild voor en bezit prachtige, lichtpurperen bloemen met wit gerande vlekken, zoodat zjj ook als sierplant gekweekt wordt. Fvenzoo om hare bloemen gekweekt worden de volgende; verschillende soorten Eereprjjs {Veronica), Leeuwenbek (Anthirrinum), Vlaskruid (JAnaria), Toorts (Vcrba*-i'iiin), I'anto 1 felbloemen ((kilceoiUma) e. a. Nan nl deze geslachten, behalve het laatstgenoemde, komen ook vele soorten hierin 't wild voor.Buitendien vindt men soms zeer veel Katelaars (Ilhiunllrus), Wilde weit (MeUtmpi/i'um nrvensc) en Hengel (.1/. prdleiisi;). Van de uitheemsche leen wen bekaehtigen is do in Middel-Amerika groeiende Ivalabasboom {('.rrsaimliquot; cujah;) om de schalen zijner vruchten merkwaardig, die men daar veelal als gereedschap gebruikt b.v. als schotel, korf, Heseh, pan, lepel enz. De vruchten worden zoo dik als een hoofd, ovaal of bolrond, maar laten zich, wanneer zij tijdens den groei omwonden worden, in allerlei gedaanten vervormen.
SleulclMooninclil
Het tot de kleine f'ainilie der Blaas k r u i lt;1 a e li t i g e n ( Lcnlihularicrde) bolioorcnde Watcrblaaskruid {t rliculavin) is wnegeheel ondorgodoken waterplant met draadvonnigcti stengel, die alleen hare tot ijle trossen vereen igde, gele, gemaskerde bloemen met Li meeldraden Ixjven den waterspiegel verlieft. De lijn verdeelde bladeren dragen laehtblaasjes, waardoor /ij drijvende gehouden worden, doch die tevens als inseetenvallen dienen. De daarin gekropen diertjes vinden den uitweg niet meer en worden verteerd.
.De Bremrapen (Dvohrauchr) zjjn ongekleurde (vuilgele) planten met sehnb-vormige bladeren en aren van gemaskerde bloemen met '2-maehtige meiddraden. liet zijn woekerplanten, d e op do wortels van allerlei kruiden leven (Bezcmkruid. walstroo, rupsklaver, klaver, tabak, hennej) enz.). Verwant zijn ook de Verbenaeeeën, waartoe, behalve ons inlandseh l.lzerhard (Vcrhena ofliciiinlis] en de als sierplanten gekweekte Verbena-soorten, ook de Tea k ho u t boom (Trclornu grandi*) uit O. Indië behoort, wiens bont het beste is voor scheepsbouw en ook voor timmerwerk en meubels in geheel Indië bjj voorkeur gebruikt wordt en meer en meer naar Europa wordt uitgevoerd. Op Java wordt het djatti-hout genoemd, liet middengedeelte van ,lava was vroeger met djatti-wouden letterljjk als overdekt, doch deze werden grootendeels uitgeroeid, daar de regeering er zich niet liet minst om bekommerde. Tegenwoordig worden dc ruim (iOOO K M -djatti-bosschen, die voornamelijk in Kembang zijn overgebleven, met zorg beheerd en tevens zijn (jJonvernements-aanplantingen aangelegd, die in de toekomst groote voordeelen beloven. Met hout munt uit door zjjne dunrzaandieid, hardluml. vastheid en veei'kracht, is zeer gelijkmatig van vezel, bezit zeer groot draagvermogen en is daarbij betrekkelijk licht en tevens gemakkelijk te bewerken. Ken jaar vóór de boomen geveld worden, wordt de stam ringvormig ingesneden om de sappen te vernielen, die anders een spoedig bederf van het hout /ouden veroorzaken.
Tot de S1 e u t e I b 1 oe m a e h t i ge n {l'rimulnceiic) bebooren talrijke plantjes met aardige bloemen. De kelk is éénbladig. buisvormig. De bloemkroon is van onderen buisvormig; de zoom is trompet-, trechter- of stervormig, regelmatig 5-lobbig. De bloem bevat 5 meeldraden tegenover de slippen aan de bloemkroon
gehecht en één stamper, di........ doosvrucht voortbrengt met zaden, die aan een
centraal zuiltje vastzitten. Deze vrucht springt aan den top met tanden open. De Tuin-primula (Prinmla claliiv. Tab. 15 Fig. 5) en de van de Alpen afkomstige Aurikel (/'. auricula) worden in de tuinen in talrijke klenrver-scbeidenbeden gekweekt. Andere Primula-soorten met gele bloemen komen veel in 't wild voor, hetzij in bosschen (/'. araalis) of op zandgrond en vochtige weilanden (/'. oljicinaiis). De W a t ei'v io Ii e r (Ifolloidn palluslris) komt veel in slooten en poelen voor. De witte bloemen staan in ijle trossen aan den top van den stengel, de hinderen zijn ondergedoken, liet Penningkruid (Jjy^imaclilu
Hot plantenrijk. Twoozaadlobbige planton.
nummularia) en andere soorten van dat geslacht met gele bloemen en de (luiehellieil {Anagallix urven.sk), met roodo en blauwe bloemen, komen algemeen voor. Verwant is de slechts in de tropischc gewesten voorkomende familie der Sapotacoeën, waartoe o. a. de Cà utia-perchaboom {Immndria Gntlu) behoort, liet is een boom van 20 22 M hoogte en wordt 1.5 31 dik. Zijne kleine bloemen komen trosgcvvjjze direct uit de takken tt! voorschijn; bijgroeit op Malakka tui onze O. ladisclic eilanden. Elke boom levert lüâ15 KG san. dat aan de lucht verhardt tot hot bekende gutta-percha. Dit product is in de laatste (SO jaar een zeer belangrijk handelsartikel geworden en wordt evenals caoutchouc op zeer verschillende wijzen verwerkt. Ook de Javaanscbe hl zerhout â boom (Sidcroxijlott nilidum) behoort hiertoe, het hout er van is zeer liard en deugdzaam en wordt voor huis- en scheepsbouw gebruikt. Verwant zijn ook de E henace cën, waartoe de Ebbo n ho a t boom (Maha chcnus) behoort, the het zwarte ebbenhout oplevert, dat uit Noord-Ctdebes en do Molukkon veel wordt nitgevtiertl.
Van de II eideac hti gen {/vricacmr) is de Struikheide (C'illiiiui. vidyaris] in onze heidestreken zeer algemeen. Zij bedekt als voethoog struikje nnjjlen velden bodem en heeft slechts weinig andere plantensoorten in haar gezelschap. ]gt;lt;â bladeren zijn zeer klein en staan in 4 rijen aan do stengels; do rose bloemen zijn vierdeelig en bezitten ook een rotiden, klokvormigen kelk; de doosvrucht blijft rijpende door don kelk omgeven. De plantjes vorsehaft'en eenig nut als brandstof enz., doch zijn door do bloemen, die rjjkeljjk honig aan de bijen verschaffen, voor de hjjenhouders belangrijk. Ook de Dopheide (lu-ica telmlix) met tie bladeren in kransen en de bloemen met 4-hlatligen, groenen kelk in dichte schermen, komt zeer algemeen op heidegrond voor. liuitengewoon rjjk aan Eriea-
soorten is het Kaajiland. Vele daarvan worden om hare talrijke, fraaie bloemen als kamerplanten gekweekt. Ook de sehoone Alpenrozen (Ithndodendron en Azulna) worden in vele prachtige verseheidenheden gekweekt, vooral die uit Intlië en van het gebergte aan de Zwarte Zee. Op de Alpen versieren It. fentujt'nmmi. en /?. Uirsilm lt;le hellingen boven de boomgrens op de prachtigste wijze met haregroote, purperen, trechtervorniige bloemen. De Bosbcsc li aoh tigen (\raccineae) zijn nauw verwant aan de heideachtigen. De Blauwe boschbes of KI ok ke heie n {Vaccin Km Mi/ri illus) met zwart-blauwe bessen en de .Rootle boschbes (K. vUis idueu) met roode bessen zijn de meest
:i(iü
Srtiiion{r«.'stol(Il)loernig«'ii.
lieki'ii(l(!. Hare Iccriiclniyc, glanzonilc lilmlcivn /.jiii alrijil groen, lii'idr snoricu bezitton wit- of roodachtige, bol- tot klokvormige bloemen met S mceldmlen. Zij groeien in groote menigte in hooggelegen bossehon en de bessen worden jaarlijks in groote massa's verzameld, om O]) allerlei wijze toebereid, gegeten of uls verfmiddel voor roeden Avijn gebruikt te worden. De K 1 o k-jesaehtigen {(â¢nminniulitccdi;) versieren wel met hare fraaie, blauwe bloemen bosch en veld ((.quot;in-paii'dci rotunilil'olia (â¢'. iivi'cisifulid, raiiuitculoiilcs e. a.), verschillendtï soorten worden ook in tuinen en als kamerplanten gekweekt medium,
lHirum'ulolh i^.a.). doch overigens leveren zjj geen noemenswaardig voordeel op. Hij de (ïu mpimiita*
hebben de bloemen een kink vorm, kelk en bloemkroon zjjn 5-slippig, de 5 meeldraden zijn met de helmknoppen aan elkander verbonden, het onder standig vruchtbeginsel bezit één stijl met stempels.
De vrucht is eene tolvonnige doosvrueht, die zich met poriën opent. Merkwaardig is de wijze, waarop door zelfbestuiving bij deze bloemen plaats grijpt, indien het insecten bezoek geene kruisbestuiving heeft veroorzaakt. De meeldraden rijpen vóór de stempels, liet stuifmeel blijft aan den stijl kleven, wanneer de helm-knopje» zich openen. Worden de stempels, nadat zjj zich uitgespreid hebben, niet door insecten bestoven, dan buigen zij zich groeiende naar beneden om, tot /ij eindelijk het stuifmeol der eigen bloem bereiken. Ons zeer algemeen, op zand- en heigrond voorkomend Zand klokje {Jdsiune montmut), met kleine blauwe tot hoofdjes vercenigde bloemen, behoort ook tot deze familie, evenals de tusschen het koren groeiende Kant vrucht (Spccitlaria Sjievuhm).
De meest soortrijke, al is 't ook niet de belangrijkste, van alle inheemsche planten-families is die der Same n ge s t e I d b I o e m i ge n (Cumposilaé), Haar voornaamste kenmerk is de bloeiwijze. De bloemsteel eindigt ia een verbreedcn, sehijfvormigen bloembodem, die door een enkel- of meervoudig omhulsel van groene blaadjes omgeven is (omwindsel). De bloembodem is al of niet met vliezige schubjes bezet. Talrijke in spiraal- of schroetlijneu gerangschikte, ongesteelde bloempjes zjjn er op ingeplant. Iedere bloem heeft een onderstandig vruchtbeginsel, dat den kelk draagt. Deze is in een vliezigen zoom of in een krans van al of niet vertakte haren (vruchtpluis) veranderd. De bloemkroon is buisvormig, van boven klok-of trechtervormig verwijd of eindigt in een lang lint; de zoom is 5-taiidig, Men onderscheidt buis- en lintvormige bloemen. Hij vele geslachten, zooals
Hot plautoiirijk. Tweczaadlol»l)ige iilanten.
Iiij de distels en do lilmnvc koronlilocin zijn alle lilocnicii liuisvormig; bij andere, zooals de paardenbluom, zijn ze alle lintvorinig en bij nog andere, zooals de ganzeliloem en kamille, zjjn de rand- of straaibloemen lintvorinig, de middelste of sclijjfbloemen buisvormig. De 5 meeldraden zijn met de helmknoppen tot een ring of eene bnis vergroeid, waai' de in 2 stempels eindigende stijl doorheen gaat. He vrucht is droog, éénzadig. niet-openspringend (dopvrucht) en meestal van vruchtpluis voorzien, dat de verspreiding er van door den wind zeer bevordert. Tot die met lintvormige straal- en buisvormige sclnjfbloemen hehooren: De als tninbloemen zeer gevierde Asters, dit- bjj ons op zilte gronden vertegenwoordigd zjjn door de van kleine, gele sebjjf-en blauwlila straaibloemen voorziene Zeeaster {.\dei' Tripdinm). In bergachtige streken van Dnitscliland komt de Bergaster (A. Ami'lius. Tab. 14 Fig. 0) voor. De talrijke gekweekte asters zijn of uit Noord-.Vmerika of uit China (A. (1lruii'Ji*ts) afkomstig. Verder de Zonnebloem i Ih'lidutliKs uHHHiis) met bare reusachtige bloem hoofdjes, groote oliehoudende zaden en bijzonder licht merg in de stengels. Ook de Aardpeer {If. tnhe.romm) niet meelrijke, eetbare Wdrtelknollen heeft groote blocinhoofdjes. Heide soorten stannnen af uit Amerika In honderden verscheidenheden wordt de Dahlia {Dalitin niritihi/ia) gekweekt. Ouk zij bezit wortelknollen en hoort in Middel-Amerika te huis. Tot de Helichrysumsoorten, waarvan er één (//. arenafinm) zeer zelden bier wordt aangetroffen, bebooren de Stroobloemcn of Immortellen, die in verschillende soorten uit Australië en Kaapland zjjn ingevoerd en zeer gezocht zijn. omdat bare bloemen zelfs in verdroogden toestand vorm en kleur behouden : weshalve zij veel voor kransen en guirlandes gebruikt worden. De Hijvoet iJrlcmixid rtilf/driti) en bare verwanten de Alsem {J. Ah.thi/liiiuti), de Dragon {A. Drwniirnliin) en vele alpenkruiden bevatten bittere, specerijachtige sappen en worden daarom
gedeeltelijk als .......erij. gedeeltelijk als medicijn of voor de
bereiding van likeuren gebruikt. De Room se he kamille {Aitthciiils nohilifi) en de (jlewone kamille {Mulricaria ('hu-mom it Ut. l'ab. 15 Fig. 7) zijn evenzoo als geneesmiddelen bekend. Eene der meest gezochte planten in het hooggebergte is liet Edel wit {GnujiliuUiirn leonlopodiiim), dat zich meer en meer in de incest afgelegen streken in bet gebergte terugtrekt. Het li oe re n \v o r in kruid (Tanocctiuii ritlj/nrc). dat een sterken bitteren reuk heeft, wordt als middel tegen motten gebruikt, liet Duizendblad (/[chitca Mittefoliuin) als heelmiddel voor wonden. De Wol verlei {Arnica montana, Tab. 15 Fig. 8). (i|i liooge veenachtige heidevelden zeer algemeen, met aangenaam riekende.
:u\x
Kaanleailit iuvn.
oriinjeklcui'igc hloomcn, wordt, oj) ^jiii-irus gezct, in soinini^c sti ckcii als uitwctidig geneesmiddel gebruikt. AVij noemen nog: de G anzebloemen, wanrvan de Gele (Clirijnaullicmurn sei/dHDi) als zeer scliadeljjk onkruid tnssclieu het groen in sommige streken zelfs van staatswege uitgeroeid werd en de Witte (f.'/i. Lex-canlhemum), die op weilanden en elders tusselien het gras zeer algemeen is en op een groot Madeliefje (Hetlis iicmniis) gelijkt. \ ele uitlieemsolie gan/e-bloemen, b.v. de Indische (Ch, indicinn), worden als kamer-en tuinplanten algemeen gekweekt. Het Groote- en het Kleine Hoefblad {Prlasilca officinalis en I iiHsihdji) 'i'arfnru), wier bloemstengels reeds in Maart of April vóór de bladeren voor den dag komen, aan slootkanten en op vochtig bouwland. De als sierplant gekweekte Sailor iljirliiciiiis Iinctorins) levert eene van oudsher voor het geel-of roodverven gebruikelijke kleurstof op, die in de zorgvuldig gedroogde bloemen voorkomt en voor de bereiding van blanketsel dient. Het zaad is een der lievelingsspjjzen der papegaaien. Van de Artisjokken (Ciinara C.avdancidus) worden de bloemscliermen als fijne groente genuttigd. Slechts uit huisbloemen samengestelde hoofdjes bezitten: de Distels (Canhius) en Vederdistels (C.irsiuiii) met paarse bloemen; zij zjjn berucht als moeilijk uit te roeien stekelig onkruid, dat bijna uitsluitend door ezels gegeten wordt. Verschillende Centauriesoorten zijn om hare fraai gekleurde bloemen zeer bemind, b.v. de Blauwe Korenbloem (CenUmrca Cyanm). De Klitten (Lappa) met haakvormig omgebogen omwindselblaadjes. De Goudsbloemen (Calendula), de Cineraria's e. a. worden veelvuldig als sierplanten gekweekt. Bij de volgende zjjn alle bloemen lintvormig: De Cichorei (C.idioriam Inly hu*), aangeplant om hare wortels, die gebrand en gemalen een surrogaat voor koffie opleveren, of om hare scheuten, die als sla en groente zeer gezocht zijn (Brnsselsch lof). Eene andere soort van dit geslacht, de Andijvie (C. rndivia), levert in hare gekroesde, teere bladeren eene uitstekende, bitterachtige sla. De Kropsla (Lacluca saliva) behoort hier evenzoo te huis, evenals de Sc horzen eer (Sixirzonrru hispanica, Tab. 15 Fig. 9), wier zwarte wortels gegeten worden. De Paarden bloem of Molsla (Ta ra.rami in ofjicinale) levert in het voorjaar in hare jonge scheuten ook al eene gezochte sla op. Overal op grasgrond, in bosschen, op de heide, zelfs op muren vindt men vele soorten van Haviks-kruid (llievaciam) met gele, bloemen. Melkdistels (Sonchia) komen op bouw- en weiland, in tuinen en moerassen zeer veelvuldig voor; Boksbaardsoorten (Tracioporjon), met lijnvormige, gaafrandige, parallelnervigc bladeren, meer langs wegen, dijken en op bouwland : de planten van de beide laatste geslachten bevatten veel melksap.
Do Kaardeachtigen (Dipmceae), waartoe de fraaie Sciabosa-soorten behooren. hebben in de bloeiwijze veel overeenkomst met lt;le samengesteld-Waonkii's Natuurlijke Historie. 24
:*0{)
Hot plantomijk. Tweezaadlolibiyo planton.
!)lo(!mig'on. De liloempjos zjjn ook tot lioofdji's vcreenigtl. die ilooi'een oniwiiulsel omgeven zijn. doch elk bloempje bezit \ vrije meeldraden en behalve den met het vruciitbeginsel vergroeiden ook nog een tweeden, buisvormigen kelk. De gewone Kaardebol Fultonum) wordt om zijne hoofdjes gekweekt, die gebruikt worden voor liet kaarden van laken, waarvoor zij door het bezit van stijve stroosehubben met gekromden top zeer geschikt /.ija. De K na ut in (Knmil-ia mivmis) en het Sehurftkrii i d (Scabiosu coiumharia) zjjn algemeen voorkomende kruiden met blauwe of lila bloemen. Hij de Vale r i aan ach ti gen ( Vitlerinceaé) is de 3â5-spletige kelk aanvankelijk opgerold en spreidt zich later ais veder-kroon op de dopvrueht uit. De bloemen bezitten Hof'minder vrije meeldraden. De («enieene valeriaan (Vidcricnui officinalis), voor wier reuk de katten eene bijzondere voorliefde bezitten, levert in haren wortelstok den valeriaanwortel op, die als krampstillend middel in gebruik is. De Veldsla (\'alerionella olitoriu) wordt veel als sla gebruikt.
olle Onderklasse. Bloombbidlooze planton.
(.1 pclaldc).
Tot deze afdeeling brengt men de tweezaadlobbige planten, wier bloemen slechts een enkelvoudig, minder volkomen bloemdek of in 't geheel geeno bloem-bekleedsels bezitten.
De familie der Thymelaceae is in onze bossehen door het Peper-li oompje (Daphne Mezcremn) vertegenwoordigd, een struikje van ongeveerd 11 hoogte, dat reeds in Februari met kluwens van ongesteelde, violette bloemen prijkt, die sterk en verdoovend ruiken, liet bloemdek is buisvormig, met wijden 'i-spletigen zoom. Rr zjjn S meeldraden aanwezig. De lancetvormige bladeren verschijnen veel later, tegelijk met de scharlakenroode bessen. Allo deelen dezer plant, voornamelijk evenwel de bessen en de versche schors, bevatten een scherp bijtend sap; de schors wordt dan ook dikwijls als huidprikkelend middel aangewend, in plaats van spaansche vliegen. Verscheidene uitheemsche soorten (b.v. D. lagetto op Jamaïca) leveren fraaie, voor weefsels geschikte bastvezels. De fnocarpas edvlis op Java, levert vruchten, die veel gegeten worden (gajam).
De Laurierachtigen (i.aurincae) behooren alle in de warmere landen te
370
liiiurionichtiiron.
Iiiii.s. on leveren ons menig product van waarde op. Haar lilocmdok is kelk-aclitig, klein, 4- lt;i-spletig; de lt;S of meer meeldraden openen Imnno lieimknopjes met klepjien. DoGrowone laurier (Luurm -nobi/is) groeit als Oâ--10 M hoogo Igt;oom in 't wild in de landen om de Middellandsclie /eo. I lij bezit, zooals bijna al /.ijne verwanten,
enkelvoudige, lancetvormigo, glanzendgroene 'daderen.
die leerachtig vast zijn en ouder dan één jaar worden.
De bloemen zijn klein, groenaelitig geel. Hij brengt /.wartblauwe, besvormige steenvruchten voort, die sdierp bitter smaken. De vrucbtstelen worden scharlakenrood. Om zijne fraaie groeiwijze en zijn geur wijdden de (irieken den laurierboom aan Apollo en bekroonden zij limine kunstenaars, diebters enz. niet een krans, van zijne takken vervaardigd, l it de bessen wordt eene olie verkregen (laurierolie). Verschillende Indische soorten leveren vruchten, hout.
plantaardige talk en bastvezels. De ('eylonsche Iva neel boom (J.uinuhtigt;t)u}'n i'/'i/lctii/ciiui) gelijkt zoowel in groeiwijze en bladvorin, als in den bouw der bloemen op den laurierboom. Men kweekt hein op ('evlon en elders in bijzondere aanplantingen in den vorm van heesters van iM hoogte en snijdt in 31 ei en Juni de â¢quot;i-jarige, slanke twijgen en stanimotjes at. Hiervan wordt de grijsbruine schors verwjjderd en daarna de daaronder gelegen, geelachtige bast in breede reepen afgesneden en
in de zon gedroogd. Dit is de echte kat.....I. geelbruin van
kleur, dun als papier en met een zoetachtigen speccrijsmaak.
Ceylon voert er jaarlijks Vi millioen KG ter waarde van bijna millioen gulden van uit. Tot -I7!t(i was ('evlon in t bezit der Xcderlanders, die door dwangwetten trachtten den aanbouw van en den handel in kaneel uitsluitend in hunne handen te houden. Toen ging het eiland over in het bezit der Engelschen, die sedert 1 (S3:) beide vnjj lieten. Tegenwoordig wordt de plant op Sumatra, .lavu.
liorneo en zelfs in Brazilië, de Antillen, China. Mauritius en Egypte aangeplant. Van den afval van den bast gt;
wordt kaneelolie gedestilleerd, uit de bladeren wordt eenc
op kruidnagelolie gelijkende etherische olie verkreiren. De ' isr.-ie. De Kunociiidoni,
. , a Uoopendc bloom, h Vrucht.
iiuiKlcrc soort (lonkcrbniino kancel is afkoiTistiü' van den r siuk
o in don handel komt.
Hot plaiitennjk. Twcezaadluhliige jilautun.
('ii ssifi-lcii no cl boom (/amru* i'iiks/h), dio in Oost -1 n (I it1, (Jocbin-CJhinu, ( hiiiii do meerte Zuid-Aziatisclio eilanden wordt atinge])lant. De scliors is dikker, grover en heeft eon schorperen smaak. Do onrijpe vrucliton, nog door de (J omgekrulde bloomdek-slippen gekroond, worden gedroogd onder den naam van âkaneelbloem' verzonden en evenzoo als specerij gebruikt. Een ander gewas van dezelfde familie is de Kamfer boom ((.amphorii offkinurum), die in dezelfde streken inbeemseh is ids do cassia-kaiieelbooin. Hij woidt 10 14 M hoog, lioeft geolaobtig witte bloomen, die in trossen in do oksels van bladeren voorkomen, en bessen zoo groot als erwten, van zwartroode kleur. Allo deelon van den boom ruiken en smaken naar kamfer en bevatten eene etlierisclio olie, de kamferolie. in liet bout hoopt zich, waarseliijnlijk door verharding van do olie, kamfer op in den vorm van fijne korrels of korsten. Men verkrijgt dit product door het bout te verdoelen ou de kamfer mot behulp van waterdam]) er uit te drijven of zo door verhitting in gesloten vaten te verdampen en den damp door afkoeling te doen verdichten. De kamfer is oen veel gebruikt geneesmiddel. In het boete Middel- en /nid-Amerika levert de Ah acute (I'er sea gralisshna) eene gezochte fruitsoort op. Do vrucht van dezen boom gelijkt in vorm en kleur op eene groote tafelpeer, heeft eene leerachtige schaal, daaronder een zeer sappig, toer vleeseh en inwendig nog eene harde kern van de grootte eener walnoot, Mot vruehtvleesch wordt met citroensap genoten.
Do familie der V eelknoopigen (Polugoneua) bestaat uit ongeveer iOU soorten van kruiden, waarvan er vele bij ons inhootnscli zijn. Do moeste er van liebben een knoopig-geleden stengel en enkelvoudige bladoren mot vliezige stoun-blaadjes. die tot eene scheodo vergroeid zijn. De bloemen staan in trossen of aren, zijn 3 - (j-doolig, hebben 3 0 meeldraden ou brengen éónzadige vruchten voort, die al of niet door het bloemdek omgeven zijn. Van de Zuri n g-soorten, mot (i-dcolig bloemdek, waarvan de binnenste slipjicn later do driekantige vrucht omsluiten, on die (i meeldraden on penseolvormige stempels bezitten, komen talnjke soorten in het wild voor. Van do Yoldzuring(i{t«»»«i' acelom) en den Tuinzuring (]{. piitlciilu) gebruikt men do bladeren als groente om hun zuren smaak, die zij danken aan hun groot gehalte aan zuringzuur; vroeger werden ze gebruikt om er het zuringzout uit te bereiden. Ook van hot geslacht Duizendknoop komen talrijke soorten in 't wild langs wogen, aan heggen en den waterkant voor, b.v. hot Varkensgras (/'. uviculora), de Addorwortel (/'. Bislorla), de Watorpeper (P. 11i/drojiipcr) e. a. De belangrijkste soort is de lioe k weit (/'. Intjoinjrum, Tab. 1 b'ig. 10). Deze cultuurplant is waarsclnjiiljjk van de hooglanden van Midden-Azië afkomstig en wordt in zand- en veenstreken niet zelden als veevoeder, moestal om hare melige zaden aangeplant. Daar zij slechts maanden tioodig heeft om tot volkomen rijpheid te komen, geeft zij velerlei
372
P«|M'nu:lit igen.
voordocslon. Zij wordt 1 ;tââ â¢'/s M hoog, heeft «Iriuhockigc bladeren met pijlronnig ingesneden voet en bloemen in tot schermen vereenigde trossen. Deze bioennüi bestaan uit een wit of roodachtig bloemdek, S meeldraden en een stamper mot knopvormige stempels. De vruchten rijpen niet tegelijk ; ze zijn zwart en gelijken op beukenootjes in 't klein. Zij bevatten een grijs, moeilijk verteerbaar meel, dat weinig voedingswaarde heeft. De plant is zeer gevoelig voor nachtvorsten; zij verschaft als zij bloeit, dim bijen rijkeljjk honig. (Jok op eene plant, die een belangrijk geneesmiddel oplevert, kan deze familie zich beroemen, n.l. de 1! ha barber. Men verkrijgt den grijsgelen, bitteren wortelstok in vuistgroote stukken uit de binnenlanden van Azië en wijst de Hhm-m \HilmaUtm aan als de plant, waarvan hij afkomstig is. Zjj groeit als een groot, overblijvend kruid in het gebergte van ISoord-Ohina, Indië en Tartarjje en brengt een manshoogen blo(;mstengel voort, bezet met talrijke,
kleine, geelachtige bloempjes. De wortelbladeren zjjn
Va.....7, Al groot, handvormig gelobd. Nadat deze in
den herfst zijn afgestorven, verzamelt men de wortelstokken, die stuk gesneden en gedroogd worden. Verscheidene soorten worden om de fraaie,
groote bladeren en bloempluiincn als sierplanten gekweekt; de bladstelen zijn als groente eetbaar; zij smaken naar kruisbessen.
Verwant zijn de Begon iaceeë n, fraaie, saprijke, knoopige kruiden uit tropisch Amerika en Oost-lndië, die tot de meest gezochte sierplanten heliooren.
De familie der Peperachtigen {Pijuirucene) levert ons de Zwarte peper (I'ipcr iriijrum) op. llc^t is een vingerdikke, (1- 7 M hoog tegen de boomstammen opklimmende of kruipende struik met vorkvormige, knoopige, kallt;! takken van de dikte eener ganzepen en afwisselend geplaatste, gestoelde, aan den grond hartvormig ingesneden, leerachtige bladeren. De bloemen staan in aren tegenover de bladeren en bevatten meeldraden en stampers. Zij bestaan uit een bolvormig vruchtbeginsel met a \ stempels (mi 2 helmdroadloozo meeldraden. De 20- -HO bolronde vruchtjes eener aar zijn eerst groen, later rood en eindelijk geel. De zwarte peper stamt oorspronkeljjk af uit de warme, vochtige bosschen van 'IVavancore en Malabar, maar de hoofdproductie is op Sumatra en l'orneo, in Siam en Malabar. De peper wordt vóór de volledige rjjpheid geplukt en op matten gedroogd. Witte peper verkrjjgt men uit rjjpere vruchten, die eenifre dagen in kalk. zout- of zeewater gelegd worden, om ze van de buitenste schaal te bevrjjden, waardoor het product ook minder scherp wordt. Op de Soenda-cilanden wordt ook de Dctelpeper (/Vpe)'
1 wccZiiiilt;l 1quot;!»l»iplanti'ii.
hetle) veel gekweekt. De met kalk lievoeliti^ile lieteHiladeren worden om een stuk noot van lt;le arekapahu gelegd om als zacht bedwelmingsmiddel gekauwd te worden, waardoor tanden en tandvleeseli rood en spoedig vernield worden.
Tot dt ('y tineeen behoort de beroemde I! e ii z e ii li I o e m (lllt;iflleniii Anwldi) van de Soenda-eilandeu. Zij groeit zonder eigenlijken stengel als een paddestoel op de wortels van Cissus-soorten, waarop zij woekert, /ij heeft eene doorsnede van I M, weegt 5 KG en bevat soms \ L vloeistof. Hare 5 vleezige dekbladereu zijn rood, met witte wratten bezet, /ij bezitten den reuk van rottend vleoseh en lokken daardoor vleesch-vliegen aan, die er zelfs hare maden op leggen en de bestnivinu; veroorzaken.
De Ar i s t o 1 o e h e e ë n omvat kruiden en heesters met kruipenden of knolaclitigen wortelstok en rneest windenden stengel. De bladeren zijn meestal hartvormig, soms voetvormig gedeeld. De alleenstaande bloemen bezitten een eénbladig
Fig. '242. Igt;i' Zwarte peper.
i Ken stuk van «Ii m i)i()«Mlt; nlt;i( n stcuK' i- p'okUuii'd l)locin(l^k met verwijden zoom () 1-2 Top van dm blot'ikolt. quot;
meeldraden, dii^ niet den stamper vergroeid zijn. De vrucht is eene meerhokkige doosvrucht. Van onze inheemsehe planten behoort hiertoe het bij Maastricht voorkomend Kuropeesch Mansoor (.Is^n-ron (.'«ro/ir/eio». Tab. 15 Fig. 17) en de geel bloeiende Hol wortel (Aristoloclna Cdemalilis). Iliermee verwant is de uit Xoord-Amerika ufkomstige l'ijpekop (.1. N'/'ho). die veel voor prieelbekleeding gebruikt wordt, en wier bloemen echte insecten-vallen zijn. waaruit deze niet eerder kuimen ontsnappen vóór de hestuiving door liuiine onbewuste medewerking is volbracht. Daarna verslappen de stjjve haren, die hun den uitweg uit de bloem versperden.
l)i! V o g e I 1 jj m of Maretakken (IVsrion album) tot de tamilie der 1 j o r a n t h a c e e ë n behooren. is eene tweebuizige woekerphint. in ons land alleen in Limburg voorkomend, op appel- en pereboomen, populieren en eiken. I )e stengels zjjn galfelvormig vertakt, de bladeren tegenovergesteld, leerachtig, langwerpig, altijd groen. De plant gelijkt op een kraaiennest, /ij brengt éénzadige hessen voort; nit de zaïlen wordt vogellijm gemaakt. De plant wordt in Imgelaiid bij de viering van het Kerstfeest als onmisbaar beschouwd.
De familie der Netelachtigen (Urliceaé) is in ons land slechts door weinige soorten vertegenwoordigd. De meeste groeien in heete gewesten. De Idoemen zijn éénslachtig met ongedeeld of vierdeelig bloemdek en i meeldraden
Hot planionrijk
V-telsirlitk'fM.
of' 1 stampei' met uénliokkig vruchtboginsel, waaruit zich eun éónzadif? nootje ontwikkelt. De Groote- en de K leine Brandnetel (l'rlica dioica en trroii*) zijn nis selindeiijke onki'iiiden en door hare eigenschap om gi'Voelig te hranden berucht. Zij zijn bezet met Mfne broze haren, die in eene fijne punt uitloopen, hol zijn en oen scherp bijtend voeht (niierenzunr) bevatten. Haakt men de plant aan, dan dringen do punten in de huid. breken af en het voeht dringt in de wonde en brengt ontsteking te weeg. Als pijnstillend middel dient afkoeling of bevochtiging der wonde met ammoniak.
In Zuid-Azië kweekt men eenige soorten van hetzelfde geslacht als belangrijke vezelplanten, b.v. de Witte- (U. nivea) en de 11 e n nepae h t i ge brandnetel (T. Cannabina). Op de Soenda-eilanden de / . iililis, 1'. tenavimmu enz. (raw/, heinrit enz.) In dezelfde streken komen evenwel ook soorten voor. die bjj aanraking geweldige, soms weken lang aanhoudende pijn veroorzaken, b.v. het Duivels-blad (I'. â iirenlmhua) op Timor en de cremilata in Oost-lndië. Alleen reeds de dampen, die deze vreeselijke planten afgeven, zijn in staat eene hevige ontsteking der slijmvliezen te weeg te brengen. De Nieuw-1lollandsehe Xetelboom (/'. jiyas) heeft 'soms eene stamdoorsnede van i M bjj eene hoogte van 40 M. Zijne brandende bladeren zouden vooral voor de paarden zeer gevaarlijk zjjn. Kone belangrjjke cultuurplant in Europa is de verwante Hennep {(ïtnaUi* mHva, Tab. 15 Fig. li). Jlet is een éénjarig kruid, dat een goeden, lossen bodem en veel warmte verlangt en in gunstige omstandigheden een stengel van i tot 'J M hoogte voortbrengt. Dc bladeren zjjn handvormig, uit 15 tot !) blaadjes samengesteld. aan den grond dos bladsteels zjjn zij van 'J kleine steunblaadjes voorzien. Door negers worden bennepbladeren in plaats van tabak gei'ookt; zij werken verdoovend; eveneens wordt bet verdikte sap der bladeren in Zuid-Azië als hasehich, een berucht bedwelmend middel, gebruikt. De aanzienlijkste hennepbouw bezit Rusland; dit rjjk voert jaarljjks ongeveer 75 millieeu KG bennepviszels uit, die geheel op dezelfde wjjze worden verkregen als de linnenvezels uit het vlas. De hennepvezels zjjn grover, maar ook duurzamer en langer dan de linnenvezels, zij worden daarom voornameljjk tot touwen, zeildoek, paklinnen, netten en dergelijke voorwerpen verwerkt. Het hennepzaad is oliehoudend, het dient tot vogelvoeder en als heelmiddel; de olie, die er uit geperst wordt, dient voor de bereiding van mindere soorten van zeep. De Hop (.Ihdntdus hlt;piditn) is een inheemsch gewas, waarvan door de cultuur verschillende verscheidenheden ontstaan zjjn. Zjj klimt als slingerplant ItJ -14 -M hoog op en is tweehuizig. Alleen de vrouwelijke planten, dus die met stamperbluemen, brengen de hop voort. Deze bestaat uit kleine, kegels vormende verzamelvruchten. De vliezige schubben daarvan scheiden kleine korreltjes af van eene soort hars, de hopbitter of lupuline, die het uiterlijk van zwavel vertoonon en aromatisch bitter smaken, Zjj zjjn voor do
Het plantenrijk. Twee zaatllobbige planten.
bierbereiding onmisljaar, geven aan dien drank een aangonainen smaak en maken hem duurzamer. Men verzamelt ook tie hopkegels der wilde planten; hier to lande
wordt de plant voornamelijk in Noord-lïrabant, Gelderland en Drente gekweekt.
Als eene der zegenrijkste planten wordt de 15 r o o d v r u c li 11) o o m (. 1 rto-ciirpiin) geroemd, die oorspronkelijk ()|i de eilanden der Zuidzee inheemseli was, vandaar uit evenwel naar vele andere streken der tropische gewesten (Indië, Z.-Amerika) verplant is. De meest bekende soort (A. is een
statige boom van liâlii M hoogte met groote bladeren, die op eike-bladereu gelijken. De plant is ééu-buizig, de bloemen zijn zeer klein, de meeldraad bloemen vormen groenachtige katjes, de stamperbloemen rondaclitige hoofdjes. Binnen '2 niaanden ontwikkelen die hoofdjes zich tot eene iVüâlv(} zware verzamelvrucht, zoo groot ids een hoofd, meloenvormig. Zij
bezit uitwendig eene ruwe schors, inwendig bestaat zij uit een zacht, week merg. .Men plukt ze vóór ze geheel rijp geworden is. ontdoet ze van de schaal en bakt het merg tusschen heete steenen of eet het met vieeseh-soep. In het merg zitten kastanje-vormige zaden, doch bij de meeste gek weekte vruchten ontbreken deze. De boom draagt 8 ~!) maanden lang vruchten; voor den tijd, dat deze er niet aan voorkomen, worden voorraden in kuilen gegraven, waar zij eene zure gisting oudergaan of wel ze worden in schijven gesneden en gedroogd. Drie boomen zonden voldoende zijn om een mcnsch het heele jaar door van hot noodige voedsel te voorzien. Op het kustgebergte van Venezuela in Z.-Amerika groeit op droge plaatsen een boom dezer familie, dien men om zijn
37()
NVtrliirhtiyvn.
rijkdom aan zoet, gezond on voedzaam melksap, den Koo Itouni ((ialdctodendroii ulile) genoemd heeft. Dit sap wordt dooi' de inboorlingen gaarne, met maïsbrood en tnaniokmeol vermengd, gegeten; bij lang staan scheidt er zich een plan ten was uit at', dat ter vervaardiging van kaarsen dient. Zeer bcrnrht was vroeger de Antjar of' Oepasboom (Anliarh toxicariu) op de Moenda-eilaaden. Hij behoort tot do hoogste en zwaarste hoornen van de oerwouden in die streken. Hot melksap der schors zou op do huid blaren en gezwollen en, door cene wonde in het bloed komende, een snellen dood veroorzaken; de inboorlingen zomlcn er vroeger hunne pijlpunten in gedoopt hebben, om ze vergiftig te maken. Tegenwoordig worden stukken van den bast door kneuzen en kneden van celweefsel bevrijd en tot eon soort van vilt verwerkt, waarvan allerlei dingen, o.a. kleedingstukkcn vervaardigd worden. Enkele andere soorten van deze familie in onze Indische bezittingen, b.v. de Karet (I rnxli^md leveren uitstekend gom-elastick.
Do Witte moerbeziënboom (Movm alba) is als voedingsgewas voor do zjjderups zeer belangrijk geworden, en is uit China in Europa ingevoerd sedert er de zijde-cultuur wordt uitgeoefend. Hendrik IV liet omstreeks KiOO in Frankrijk 20Ã00 van die hooinon aanplanten; van daar verspreidden zich boomon en rupsen naar Duitsehland, Nederland en Engeland. Do Zwarte moerbeziënboom (M, nigra) wordt om zijne zwart-roode, saprijke verzamelvruchten gekweekt; bij is uit: Middel-Azië afkomstig. De Verf m oerbezi ë n boom (limussonetm tincloria) uit tropisch Amerika, levert het geelhout, dat veel voor het verven gebruikt wordt. De Pa pier-moe r beziönboom (Jl.
fMpyrifmi) komt veel voor op de Zuid/ec-eilandcn; de bewoners vervaardigen kleedingstukken uit den bast. Van de honderden Vijgen-soorten, die bekend zijn, wordt de Gewone vjjgeboom (/'Vc(w curim, Tab. 15, Eig. 1'2) bij ons in potten, in de landen om do Middellandscbe zee als aanzienlijke boom in den vollen grond gekweekt. De bladeren zijn hartvormig, fraai gelobd; de bloemen cén-slaclitig ou ingesloten in een peervormig, hol lichaam, gevormd door don bloembodem, wiens rand zoo sterk uitgroeit, dat aan den top slechts eene kleine opening blijft, waardoor de bloemen gemeenschap hebben met de buitenlucht. Het is ook de vleezige, zoet en sappig geworden bloembodem, die de eetbare vijg vormt; deze is dus eene sclnjnvrucbt. (rroote beroemdheid verwierven de Indische Heilige vijg (/â '. indica rdiiiiosu) en andore soorten door bun eigen-aardigen, weelderigen groei, l it stammen en takken komen in groote menigte
Hi t plantonnjk. Tweozaadlobbig'e planton.
:!7S
luchtwortels te voorschjjn, die omlaag groeien tot zjj den grond bereiken, daarin dringen en nieuwe stammen vormen. Een tamelijk groot, dicht boscli bestaat soms uit een enkelen boom; zoo kent men er een op een eiland in de Nerhudda-rivier in Oost-lndië, dat, ofschoon het reeds gedeeltelijk is uitgeroeid, nog ;i50 grootcre en 3000 kleine stammen telt, die alle met elkander in verbinding staan en ecne ruimte van 700 M in den omtrek bedekken. Op deze boomen leeft de Gomlak-schildluis, die door haren steek het uitvloeien van sap te weeg brengt, dat na verharding den schellak vormt. Verschillende vijgensoorten bevatten in baar sap caoutchouc, zoo de Gomboom (F. elasticci), die om zijne groote, laticetvormige, leerachtige bladeren gaarne in potten gekweekt wordt. Van de Afrikaansche soorten is de Sykomore (/â¢'. ni/comonis) bijzonder beroemd. Zij brengt smakelijke vruchten voort van de grootte eener walnoot, geeft door het dichte loof hater kroon heerlijke schaduw en levert tevens eene geschatte houtsoort op, waarvan de oude Egyptenaren hunne mummiënkisten vervaardigden. Verschillende vijgensoorten, b.v. de Gift vijg (F. toxicaria) en de I) n i v â¢' 1 s v ij g {F. flaeinonum) zijn vergiftig.
De talrijke Wi 1 gachtigen (Sallcineaa) zijn over de geheele aarde verspreid. Boomvormige wilgen omzoomen de rivieroevers en woekeren op eilanden, zelfs in de heete gewesten; kleine heester- of kruidachtige wilgen, vormen dunne kussens op de hoogste bergen in de nabijheid van de eeuwige sneeuw en in de poolgewesten. De meeste wilgen munten uit door hunne levenstaaiheid, leder afgescheurd takje groeit, in vochtige aarde geplant, tot een nieuwen struik
of boom; boomen, wier kernhout geheel weggerot, zelfs uitgebrand is, blijven voortgroeien als waren zij onbeschadigd; van onze knot-wilgen(.S'«//.);a^«) worden telkens opnieuw alle takken afgesneden, steeds ontwikkelen er zich weer
nieuwe aan. De takken van den
Bi n d wi 1 g (N. vimhudü) en verwante soorten (teenen) dienen als vlechtmateriaal voor manden en ander mandemakerswerk. Het hout van den W a t e r w i I g (S. (.'(//)/â¢Â«() laat zich in fijne, gelijkmatige reepen splijten, die tot zeven en dergelijke dingen verwerkt worden. Verschillende
Okkornout arht i^'-n.
soorten leveren de gcoiidstol' Dp voor hot aunlcg^en Viiti ilt;ril)li(,ii lung's de rivieren, liet hout: der wilgen en der na verwante Populieren (Popuhis) is wegens zijne weekheid voor weinig' anders als voor klompen en lucifers te gelirniken. Heide geslachten zijn tweehnizig. De bloemen zijn tot katjes vereenigd en /eer eenvoudig gebouwd. De; meeldraadbloeinpjes bestaan bij de wilgen uit '2 meeldraden en een honigkliertje, de stamperbloemen uit een stamper met korten stijl en '2 stempels, lijj de populieren is geen honigkliertje, maar in plaats daarvan een klein bloemdek voorhanden, bet aantal meeldraden is groot er. evenals dat der stempels en deze laatste zijn vedervorinig. De hloenien der wilgen zijn insecten-, die der populieren windbloemen, /.ij ontwikkelen zich vroeg in het voorjaar, meestal vóór de bladeren. De zaden, in eene tweekleppige doosvrucht besloten, zijn van wolharen voorzien. De op begraafplaatsen vaak aangeplante Treurwilg (S. Pemlula) is uit Japan afkomstig. Van de l'opulieren is de Italiaansche I'ojiulier (/'. ilalica) met smalle, lange kroon algemeen langs wegen en in tuinen gekweekt, evenzoo de Kana-dasche (/'. uumilifeva), waarvan bijna alleen manneljjke exemplaren voorkomen. Zeer gezocht is ook de Zilverpopulier (/'. aruentea) met bladeren, die aan do onderzijde sneeuwwit, viltig behaard zjjn. Van den K atelpopu lier (/'. trr-nniln) komen de bjjna cirkelronde bladeren, door den eigenaardigen vorm hunner lange bladstelen, bij het zachtste windje in beweging, vandaar de naam. Talrijke andere, soorten worden hier in 't wild of gekweekt aangetroffen. De Olm of Yp (/ Iuihx ciinipestri*, Tab. IT) Fig. 13), die met enkele verwanten eene bijzondere familie vormt, is een statige boom. die een duurzaam, geschat hout oplevert. Zijne kleine, talrijke, roode, tweeslachtige bloempjes met klokvormig, 5-deelig bloemdek verschijnen zeer vroeg in 't voorjaar en de met vliezigen vleugelrand omgeven één/adige vruchtjes zijn reeds rij]) als de bladeren zich beginnen te ontplooien. De Platanen {Plnimiaic) vormen eene andere familie. Het zijn booinen, waarvan de schors jaarlijks afschilfert. De bloemen zijn éénslacbtig en staan in kogelronde katjes; in plaats van een bloemdek bezitten zij slechts schubben. De vrucht is éénzadig, leerachtig, gevleugeld. Zij zjjn uit het Oosten en uit X.-Amerika in verschillende soorten hier ingevoerd. Van de familie der Okkernootacbtigen (Juijlandme) is de Walnoot- of Okkernoot boom (â¢htglam rqjia) uit Azië bjj ons ingevoerd geworden en wordt vooral in Zuid-Europa veelvuldig gekweekt. Hij vormt stammen van '25â.'30 M hoogte en Iâ13M dikte, heeft enkelvoudig gevederde, geurende bladeren en éénslaciitige bloemen. De meeldraadhloemen staan in lange, groene katjes; de stumperhloemen zijn groen, met 4-spletig bloemdek en bevinden zich aan de uiteinden der takken. De vruchten zijn steenvruchten; van de groene, sappige schaal ontdaan, zjjn het de okkernoten, wier groote zaden gegeten of voor de bereiding van olie gebruikt
liet plantenrijk. Twoeznadlobbige planten.
worden. Het loof en het groene vruohtvleeseh kunnen wegens hun gehalte aan een bitter, bruin sap als genees- en verfmiddel gebruikt worden. Het donker gekleurde, vlammig geaderde hout van oudere stammen is als meuhelhout zeer
j e s (1 r a g c n d e n (CujiulifcrcK;) vormen eene der belangrjjkste families voor ons. want daartoe behooren de meeste en kostbaarste loofhoutboomcn onzer bosschen. De Hazelaar (Cori/lus Accllcma) levert ons een bekend voorbeeld op van den bouw der bloemen en vruchten hij deze familie. De meeldraad bloemen staan in katjes, die 5 cM langen afhangend zijn. i)e meeldraden zijn met de schubben vergroeid. De purperroode stempels derstam-))erbloemen komen igt;|) het eind van den winter uit de geopende knoppen te voorschijn. De vruchten zijn noten met eene steenharde schaal en zitten in een groenen beker, uit schutbladen der bloem gevormd, waaruit zij zich, rijp wordend, los maken. Bij den Lambertus-bazelaar is de schaal der vrucht dunner en de vrucht geheel door deu beker omgeven. De Turksehe hazelaar (Coryhi*
Co/urna) wordt een statige boem met een stam van van M dikte; zijne noten zijn grooter dan die van onze iidieemsche soort. Van den Eik komen in ons land '2 soorten voor, n.1. de Zomer of Ge-steel d e Eik (Quercus pedunculata) en de W in te r-eik (Cgt;. semsifolia). Beide zijn statige lioomen, die zeer langzaam groeien, doch eene hoogte van meer dan 30 M en een omvang van 8 M bereiken; zeer oude boomen, wier leeftijd op 700 tot 1000 jaar geschat wordt, zijn nog dikker, liet eikenhout is als brand-, timmer- en meubelhout een der meest geschatte en hardste houtsoorten. De schors van jonge stammen levert uitstekende looistof op voor het looien der huiden. De eikels dienen als varkensvoeder. Zuid-Europa bezit de Cere ik (O. cerris).
jke boomsoorten dezer familie.
De Na
r.
Fig. 248, lia/elnoton.
N;\pjlt;'s(lrnyoinU'U.
Kleln-Aziö (1(5 (i al-c ik {(J. infcrtoria)', van beide soorten staininen do voor do inktbcreiding on liet zwartvorvon gebruikelijke galappels, die door den steek van gal wespen ontstaan. O. Acyijlojis in Kioin-Azië levert de va-lonca, dit zijn vergroeide vruchtbekers, die voor dezelfde doeleinden gebruikt worden. De vruehten der Zuid-Europeo-sehe liallota-eik (lt;J. lUillota), evenals die van «enige Ainerikaansche soorten zijn eetbaar. De in bet gebied der M iddellandsrbo Zee veelvuldige Kurk-eik (IJ. tmber) en eenige nauw-verwante soorten leveren het kurk op: liet is eene eigenaardige woekering der buitenste schorslaag, die zonder nadeel van den boom kan worden afgeschild en die zich in 3 tot 5 jaar weer herstelt. De Verf-eik (IJ. liiicloria)
verschaft ons het Quereitron-huut voor het geel verven;
hij groeit in Amerika, waar meer dan '100 verschillende eikensoorten voorkomen. N ele eiken uit warmere gewesten bezitten altijd groene, harde bladeren, die soms stekelig zijn.
In het warmere gedeelte van Xoord-Amerika is de altijdgroene L e v o n s e i k (Q.
vifem), als fraaie, schaduwrijke boom , zeer verspreid en gezocht. De Beuk (luitjus Mlvaüca) vormt, vooral op kalkbodem, de prachtigste bosschen. Hij wordt tot 35 M hoog, soms meer dan I M dik en is in 150 jaar volwassen
Mot plantenrijk. Twet/Jiadloliltijro planlon.
en rooibaai'. Zjjiic vrueliten zijn drieliockig, (de bekende benkenootjes) en lie-vatteu eene eetbare olie (beukenolie), liet roodachtige bout is bard, zeer geschat als brandhout en wordt ook als werkbout gebruikt, liet is evenwel lang niet zoo taai, duurzaam en veerkrachtig als dat van den 11 a a g b e u k (Curiiimis brluhts), dat licht van kleur is en ter vervaardiging van handwerktuigen, machinedeelen, wagens enz. dient. In struikvoiin vormt dit gewas voortreH'eljjke heggen, die zeer dicht groeien cm bet snoeien goed verdragen. Zijne vruchten zijn onbruikbaar. I )e 1'. ch te kastanjeboom {(..iinlitncn rrscn. lub. lo Fig. I â¢quot;)) tlaareiitegen wordt Juist om zijne vrueliten zeer gewaardeerd. Hij bezit 15 cM. lange, smalle.
gezaagde, harde bladeren. Zijne bloemen zjjn onoogehjk ; de vruchten niet talrijke fijne stekels liezet. In Italië en Griekenland groeit deze boom in zulke menigte, dat iu sommige streken zijne vrueliten (marouen) een hoofd voedsel voor de armere bevolking vormen.
De 13 erk achtigen (ISctulaccnc) hebben evenals de vorige familie tweeërlei bloemen op denzelfden boom; zoowel de meeldraden- als de stamperbloemen zijn tot katjes vereenigd. De Berk {Be bit a verrucosa) brengt kleine gevleugelde nootjes voort. Hij neemt met schralen zandgrond genoegen. Van alle inheemsche hoornen onderscheidt hij zich door de witte kleur van de schors. Door distillatie verkrijgt men er berkenolie of berkenteer uit, die voor do bereidinlt;gt;'
ry-nzmnllohlnjreii.
:\h:Ã
van juchtleer gebruikt wordt. Van de .schors maken verschillende volkeren in Micldel-Azië tenten; de indianen van Noord-Anierika overtrekken met die van den daar voorkomenden I'apierberk (R pupynicca) hunne lichte bootje», liet berkenhout is sleclits voor brandhout geschikt. Het in het voor jaar afgetapte san der berkenstammen laat zich door gisting in inoussccrenden berkenwjjn omzetten. De licrk is door zijne fijru!. brnin^'ekleurde, neerbangeiule tak jes, zijn fijn gebladerte en witten stam een onzer sierlijkste houtgewassen. De Els (.Umts glutiuoivi) komt, wat den bouw dor bloemen betreft, met den berk overeen. De rondachtige. ongelijk-gezaagde blaxleren zijn in dlt;^ jeugd kleverig. Het hout wordt in het water zeer hard en is daardoor zeer geschikt voor waterwerken. liuitendien wordt het gaarne tot bakken, troggen, schoppen, klompen, schoenleestcn enz. verwerkt. In de noordeljjke streken van Europa groeit vooral de naar de kleur der schors genoemde Grjjze els (O. incmia).
In de veenstreken van ons land is de sterk geurende Gagel (Mi/rica Gulc) de vertegenwoordiger van de familie der (J agelachtigen (Muriccne). Deze planton zijn tweehuizig, de bloemen zijn in katjes vereenigd. Zij brengen nootjes voort, die door vleezige schutbladen omsloten zijn. De meeste soorten dezer familie zjjn uitheemsch. Eene in N'oord-Ainerika groeiende soort, de Wasstrui k (M. am-ftra), levert eene soort was op, die uit de vrucht verkregen en tot kaarsen verwerkt wordt.
211quot; Klasse. KKNZAADIiOBHKJE PLANTEN'.
(^Monocolillcti).
Tot deze planten behooren die, welke met één zaadlob ontkiemen. Hare stengels zjjn meestal onvertakt, en bij de houtachtige gewassen, die er toe behooren, nemen zij niet met den leeftijd in dikte toe, zoodat zij soms aan den top dikker zjjn dan aan den voet. De bladeren zijn meestal verlengd, parallel-nervig. De bloemen zjjn in den regel 3-tallig; zelden bezitten zij kelk en bloemkroon, wel dikwijls oen gekleurd bloemdek. Ook ontwikkelt zich bjj deze planten nooit een hoofdwortel; reeds bjj het kiemen ontspringen uit het worteltje tal van bijwortels en hot worteltje zelf komt niet tot ontwikkeling.
Do l*'0 Ondcral'deeling
bevat de éénzaadlobbigc planten, wier vruchtbeginsel onder de andere bloemdeelen geplaatst of geheel of gedceltcljjk daarmee vergroeid is.
lift plaiiteiuïjk. Kiiuzaadlobbigo iilanton.
Do familie der Hnlianen (Mumceae) is voor lt;ie bewoners der heete gewesten eene der belangrijkste. De daartoe behoorende Pisang {Mum sapietum) wordt in de meeste tropische landen als voedingsplant gekweekt. Daar de vruchten der talrijke gekweekte verscheidenheden geene kiembare zaden bevatten, worden /ij door stekken of spruiten vermenigvuldigd, die in den los omgewerkten bodem gepoot worden. In den tijd van JO maanden ontwikkelen zich uit de stekken krachtige stammetjes van 3 5 Al hoogte, die kruidachtig en door do over elkander liggende bladscheedeu bedekt zijn. De prachtige bladeren bereiken eene lengte van '2 tot .'3 II bij eene breedte van 2/» M en hebben eene sappig
groene kleur. Zij scheuren in de breedte licht in, waardoor de plant niet zoo licht omverwaait als anders bij de zwakte van den stengel en de grootte der bladeren licht zou gebeuren. Jonge bladeren worden als schotels en borden gebruikt, de grootcre worden als dakbedekking voor hutten aangewend. Eene verscheidenheid levert zeer taaie bastvezels op, die tot duurzaam touwwerk en allerlei weefsels verwerkt worden (manilla-hennep). Uit den top van den stengel verheft zich de armlange bloemstengel en buigt zich in een hoog henedenwaarts. 11 ij draagt talrijke bloemen, in halve kransen geplaatst. Deze geljjken eenigszinö op liphloemen en zijn witachtig violet gekleurd. Iedere bloem is voorzien van een gekleurd schutblad, heeft een (i-hladig bloemdek en (1 i VruühtcnrtrngomK' plant met worteischeuton. meeldraden, waarvan er soms enkele niet
,2 Vruuwolijkc. 3 Munnelijkf bloem. i i i- .T.
tot ontwikkeling komen. I it het vruchtbeginsel ontstaan op komkommers gelijkende, stomp-driekante vruchten, 5â8 cAI dik en tot 1 AI lang. Zij worden onrijp en rijp, rauw en gekookt of gebakken gegeten en vervangen niet zelden het brood. Eene plant brengt tot 20 KG vruchten voort. Nadat de stengel is afgehakt, ontspruiten uit den wortelstok nieuwe planten, die reeds na 3 maanden rijpe vruchten dragen. Daar men dus jaarlijks 3âi maal oogst, brengt iedere plantenstok wel 50 KG vruchten voort. De vruchten van de Echte banaan of Paradijs vijg (ifurn paradmaca), zijn minder aangenaam van smaak dan die der pisangs; zij worden rauw en rijp gegeten en herinneren aan aardbeziën. Hare bladeren zijn de grootste, die men
StainHkniidfii.
kont ('AJ'gt; M lung). In Ahossinii' wordt de Mhxh Kmele gekweekt. De vi'ucliteu dozer jtlant zjjii niet eethnur. doelt diiiirente^en levert de dikke stengel, /.nnliiiiiv hij non' jong is. oeue uitstekende groente op. die lijjna als verseli. zuelit tarwelirood smaakt en lielit vei'teerbaar is. De groene Milderen dienen tot veevoeder. Nauw verwant aan de Bananen is de familie der Cannaeeeën. waartoe de Murnnla uyundinnccit uit \\est-liidie lielioort. In de liloein lie/it ile eéne, zijdelings geplaatste jneeldraad slechts een éénhnkkig lielnikitopje, terwijl het tweede hokje tot een hloemhladaehtig aatthangscd vervortnd is. l'if den vlee/.igen wortelstok wordt door fijnwrjjven en uitwassehen een tijn. lieht verteerbaar zetmeel verkregen, de a rrow rout . die voor zieken en her-tellenden als voedsel wordt aanhevolen. De A m o in eeë n . voornamolijk tnt het tropisidt Azië en West-A tri ka hehoorend, leveren in de zaden meerdore liooggeschatte apecerjjeti op. De bloemen bezitten een dubbel bloemdek. dat bloemkroonaehtig gekleurd is. Van de (I meeldraden hljjven er klein en worden hloemkroon-aehtig, een derde verandert in eene honiglip. twee andere blijven selmbvormig en alleen de laatste, die den vorm van een blad aanneemt, draagt helmknopjes. Zoo stamt de (i uinea-peper (pa ra d ij sk o r re I s) van de Anumniin ijranum pumdki, die aan de kust van (iuinea (West-Afrika) te huis hoort, de kar da mom-korrels van de \l11')ii'i cKnla)))0)num op Malabar. De Alpiiiia tjiditxiia in Zuid-Azië levert de aromatisehe (I a 1 ga n t w o r t e 1. De (' u re u tn a |gt; la ut {Curcinnd lorn/a) verschaft ons in haren wortelstok de gele gember.
die zoowel als speeerij, alsook om de verfstof (cnrcuma),
die zij bevat, in don handel is. De lichte gember {/iiKjiher offivhiale) wordt zoowel in ( tost-als in West-lndië om haar wortelstok, de bekende gember, gokweekt. De stengel der gemberplant is ongeveer I M hoog; de lijn-laneetvortnige bladeron staan in 'i rijen. De bloemstetigels ontspringen afzonderlijk nit deu wortelstok, blijven lager en dragen geelachtig witte, wclriekenile bloetnen, wier onderste dekblad violet gevlekt is. Al deze planten zijn overblijvende kruiden, die vochtige lacht en warmte behoeven,
en fraaie, spits toeloopende. gaafrandige bladoren bezitten.
De familie der Stan d e I k r u i d e n ((hrhiilmr) is
eene der soortrijkste (men kent ongeveer 401 â¢() soorten)
en iiKM'sr lgt;('lang,\v(3kK(,n(l(i groepen v.-m liet plantenrijk. !)(»
bloem heelt bij do Orcltidoeën een onderstandig viuchtbeginsid met twee kransen van dekbladen, waarvan vooral de 'â gt; binnenste zeer vreemde vormen vertonnen, liet onderste blad zet zich naar achteren in eene spoor voort, naar voren verbreedt het zich tot eene groote lip. die door vorm en teekoning zeer in Waonkk's Ntttuiiiijke tlio-.
X
Hot plautonnjk. K';M/aa(llol»l(i.u«' idantfii.
t lt;H)o- vult en niet zelden de af'l)eelding cener vlie^, of spin vertooiif.
J)^ eeuigc nit'elilnuul is met don stjjl vergroeid, waardoor de steiii|iely,uil ontstaut. die zoowel den st('in|i('l als duarhovcji twee liidndlt;iio|ijes draagt, waarin lietstuil-inei'1 tot ti klompjes vereenigd is. |.)eze laatste zijn van een liechtkliertje voorzien, waarmee zjj licht tiljjven kleven aan i'enig voonver]). I let vruclitbeginsel ontwikkelt zich tot oene IJ-kloppige doosvruclit met zeer kleine en buitengewoon talrijke zaadkorrels, wier kiem weinig ontwikkeld is. De kleppen der vrnclit laten elkander aan de randen los zoodra deze rijp is, waardoor de wind in de gelegenheid is het zaad te verspreiden, liet zijn overblijvende kruiden met wortelstok of wortelknollen. De bladeren zijn eiikelvoudig', fraai sappig groen, gaafrandig en paral-lelnervig. Onze inlandsche orcliideei'ii gro(;ien op den bodem, liefst op kalklioudenden grond. Zoo maken meerdere soorten van bet geslacht Orchis in bet voorjaar een sieraad uit onzer weilanden en bosscben. Mare gedroogde wortelknollen leveren de sa lep op, een slijnilioiniend, zetmeelrijk genees- en iiebt verteerbaar voedingsmiddid. Zeer rjjk aan orcliidcei'ii zijn de vochtig-warme bosscben van Zuid-Azië en Brazilië. De meeste dezer soorten groeien op de boomeii. als val sc b (* woekerplanten; zij putten bet voedsel uit de aarddeelen en vergane
plantendeelen, die zicii tnsscben bare bundels van Incbtwortels opboopen en zuigen bet dus niet uit den boom, waarop zij loven. Bij vele zwellen de bladstelen aan de basis tot groene knollen op, die zeer saprijk zjjn. ⢠luist deze booni-orcbidcccn munten uit door bare prachtige bloemen met zonderlinge vormen en schitterende kleuren en teekeningen : niet weinige verspreiden buitendien een beerljjkeii geur. Vele er van worden dan ook niet groote zorg in onze warme plantenkassen gekweekt en voor nieuwe, zeldzame soorten worden buitensporig hooge prijzen betaald. De bloemen zijn geheel ingericht om de kruisbestuiving door insecten te doen plaats bobben en bij geene andere planten zjjn de hirichtiiigeu zoo vreemdsoortig en zoo doeltreffend als bij deze. Iloog geschat als kostbare specerij is de vrucht der N anille uriitiinlicu). Deze orchidee
uit de warme bossehen van Mexico, klimt hoog tegen de booinstaininen 011 en slingert zich in wijde bogen van tak tot tak. Hare afwisselend geplaatste bladeren worden tot '/â lt; M lang; hare fraaie bloemen zijn wit met violette en
A iiima^vwa-M'ii.
goolfichtigi! teokoning. I'i' vruchten zjjii Iquot;) i'M lange, dunnv doosvnit'liten, iu-wondig met ('(Mi hcorljjk goiircnd merg gevuld. Van Decoiuhcr tot Mmirt worden /ij door de Indianen verzameld en voorzichtiif gedroogd; overdag worden zij aan de zonnestrnlen iilootgesteld. s nachts, in wollen dekens gehuld, in houten kasten Imwaard. De |dant is naar .lava en andere streken overgehracht, waar men in vochtige, wanne bossohen, na den bodem van onkruid gezuiverd te hebben, de stekken plant en tegen de boomstammen opbindt, in het begin braehten de planten op .lava geene vruchten voort, omdat de insecten, die de bestuiving in Mexico deden plaats hebben, er niet voorkwamen: men moet er de stempels met behulp van een penseeltje kunstmatig bestuiven. De cultuur is tegenwoordig van weinig beteekenis, omdat de vrucht zeer in prijs gedaald is sints men âvaniline het riekende bestanddeel er van. kunstmatig bereidt. Als voorbeelden van renzenplanten onder de orchideeën noemen wij de llfiKoilherc van üorneo. die aren van '( ,M lengte voortbrengt en de Odhirtja's uit Zuid-Amerika, met bloemen van Mi cM niiddellijn.
De A nan asge\vassen (Hromelktceite) beliooren alle tot de warme gewesten en worden voornamelijk in Amerikaaangetroften. De Echte ananas {Ammasii sntiva) uit Zuid-A niei'ika wordt hier in plantenkassen gekweekt. Zij bezit een korten stengel, bezet met stijve, blauwachtig groene bladeren, die aan den rand scherp getand en aan den top van een puntigen stekel voorzien zijn. De bloemstengel verheft zich lood recht uit het midden der bladerenrozet en draagt talrijke, spiraalsgewijs geplaatste, kleine.
violette bloemen, die in de oksels van gele schutbladen staan. Zjj bestaan uit een buitensten krans van !! kelkachtige, vliezige en een binnensten van 3 bloemkroouacbtige dekbladoren; daarbinnen staan (! meeldraden om ecu stijl met 3-lobbigen stempel. I ld 3-liokkige vruchtbeginsel is met de basis van het schutblad vergroeid; deze basis wordt liij het rijpen der vrucht mede vleezig en zoo ontstaat de eigenaardige op een denappel gehjkende verzamel-schjjnvrncht, die, om haar aardbezieachtig aroma, zoo hoog gewaardeerd wordt. De bloemas zet zich nog boven de vrucht voort en draagt een e kroon van bladeren; dit stengeldeel is voor de voortplanting geschikt. De zaden komen meestal niet tot: ontwikkeling,
Verschillende ananas-soorten, b.v. Ilnvitelhi mrieijiüH, bedekken als een stekelig struikachtig gewas mijlen ver de «lorre steppen van Hrazilië, l it hare bladvezels wordt
ITil plantciiriik. Kniznnillolilii)?!? iilantoii.
garen- fii touwwerk vcrvaanligd. Andere soorten groeien in de Anierikaiinsehe wouden op de takken der hoonien ; zij springen dooi' lief stijve, dunkergrjj/.e loof on de meest scliarlukenroode bloemen sterk in 't oog. Eouc soort, de II aar-ananas (THIundsid -imioides), bedekt in liet warme Noord- en Middel-Amerika de boomeu, zelfs gelieele wouden, in onnoemlijk aantal. Zij doet door haar voorkomen aan onze witaelitig groene korstmossen denken en wordt voor hot vullen van nnitrassoii en/, gebruikt. De boomvorinige Agave i/hiavr mucri-cana), in .Mexico Magey genaamd, behoort oorspronkeljjk ook in Amerika to huis, is evenwel reods lung in ICuropa ingevoerd. Hare dikvleozige, stijve bladeren â n dicht iiij don htidein eone maehtige rozet;/ij worden à M en meer lang, en zijn van eene lange, scherpe, stekelige punt voorzien, zoodat heggen van deze planton zelfs een buffel tegeu-houdon. Van hare bladvezols wordt touw werk vervaardigd. Do bloemstengel ontspringt uit het midden der bladeren-rozet, schiet in korten tijd tot In M hoogte op, verdoelt zich aan den top lichrkroonsgewjjs in talrijke takken, die duizenden van zosdeeligo, groengele bloemen dragen. In Mexico snijdi men don jongen knop van den bloemstengel uit, bindt de naaste bladeren tot eene soort van kom bij elkander en schopt danruit dagelijks het rijkeljjk uitvloeiend, zoetachtige sap. N ier tot ö maanden lang kan men er dagelijks ongeveer 5 Hesschen uit verkrijgen. Dit sa]) laat men gisten en verkrijgt zoodoende de onder den naam van Pulque / bekenden, nationalen geestrjjken drank. Ter
wijl do plant in haar vaderland op haar 5e Sste jaar bloeit, doet zij het in onze serres pas, wanneer ze 10- -SO jaar oud geworden i^. .Va hot bloeien sterft zij af.
De Na reisach t i ge n (Ami/rijltidetic) omvatten ongeveer 500 verschillende kruiden, meest bol- of knolgewassen met smalle, glanzende, gaafrandige bladeren en fraaie bloemen, liet bloemdek bestaat uit 2 kransen van drie bladeren, die soms verschillend van vorm zijn. Mr zijn (i meeldraden. De vrucht is eone driehokkige, veolzadige doosvrucht. Hiertoe behoort het bekende Snee ii w klok jo (11 t.ilunlliiis ni cal /«), dat veel in tuinen gekweekt wordt, doch ook niet zelden in '( wild groeit eu reeds in Februari zijne aardige, witte, groengevlekte bloempjes ontsluit, Wordt het in dit gure jaargetijde niet door bjjen bestoven,
liisihlit iüfii
dan vindt zolfboxtuiving jtliiitls. De Lvwoju-m talivuru. die in vochtigebosschen soms in groot aantal voorkomt, brongt (Jorgelijko bloumoii voort, die eerst in Mei of' Jnni ontluiken. De liloemen der heerlijk riekende Nareis (Narcmm poclicus, Tal). I (gt; Fig. 1) hebben eene sehotelvorinige, gele bjjkroon niet rooden rand aan de keel van het witte bloenulek. Zij komt hier zelden in 't wild voor. Algemeen is de (iemeene nareis (.V. I'mtudonarcimte) met geel Idoemdek en bekervormige, gele bjjkroon. Rjjk aan nareisaehtigen zijn de di'oge streken om de Middellandsehe Zee, aan de Kaap en in Mexico. Vele soorten van Ama rillen. Bloedlelie's enz. worden als sierplanten gekweekt; bare sappen zijn meestal scherp ; bjj sommige vergiftig.
Ook de 1 r is a c h t i gen {Iridcue) prijken met prachtige bloemen, die evenwel slechts l\ meeldraden bezitten. Mij do Lissehen (Iris) zijn de drie binnenste, groote slippen van het (i-deelig bloeimlek teruggeslagen en soms fluweelachtig bebaard; de stijl splitst zich aan den top in drie bloembladachtige deelen, die aan de onderzijde de stempels dragen en de meeldraden bedekken. Du grootere bloemdekslippen zijn (1lt;! zitplaatsen voor de hommels, die bet honigsap uit de bloeind(dlt;bnis komen zuigen en die daarbjj stuifmeel op haar rug meenemen, dat zij in eene andere bloem met de stempels daarvan in aanraking brengen. De vrucht is eene driehokkige doosvrucht, die zich met drie kleppen opent; elk bokje bevat talrijke, in twee rijen geplaatste zaden. I )c (iele I i sc h of' 1' i n k stc r b I o e m (/. nsciidacoru») is algemeen aan slooten en plassen en op moci'assigen bodem. De bladeren zijn aan beide zijden sclierprandig. vandaar de naam ..Zwaardleliequot;. ^
dien men aan verschillende soorten geeft. Vele Iris- \
en (JladioIus-soorten uit Znid-Europa en Azii;
worden als sierplanten gekweekt ; de laatste bezitten knollen als voortplantingsorganen. Ook de ('roelissen met door eene vezelige schil bedekte knollen en éénbloeinige stengels, bchooren hiertoe. Onze iuland-sehe Voor jaiir«-erocu8 ((irocm vormi) en andere soorten worden als sierplanten gekweekt. I )c Sa ff'ra an ((!. sdiiriin) wordt in Znid Furopa om de clriesjilctige stijlen gekweekt, die als roodachtig gele specerij mi als verfstof' in den handel komen. Van 'JOOOÃO bloemen
Ki
K(i
\erkrijgl men '
saffraan.
Enkele bekende waterplanten moeten hier nog genoemd worden, die de familie der \ orschen-
verse 1
i uroii'e
l-'ig. 'J.'ts. I)e SalVrnnnplant. i Bloeiende plant. 2 Bloem. 3 Do drie ififiresncden st.'inpelK. 4 De drie-hoklvigf doosvnu'ht geopend.
11⢠â I plan I 'Mi rijk. Iv ii/aaillohhiu't; jihi n! en.
li c c f a cli t i ii1 c ii (Ihjclroi'liaridcae) siiinenstclleii. I )(â vooriinainstc dezer 2'luiizigo plautuiisoorten zijn de \ orsehen licet ut' het Ivikkerkruid (IhjilrodKwi* Morsti* nmue) met leeroe-htigo, rond-uiervorinigo, drijvende bladeren en witte bloomen en de Waterpest (iïlodm canadcmti*), afkomstig uit Noord-Amerika, doch lt;lie zich sints t lt;Stiü met verbiizende snelheid overal in ons land in rivieren, kanalen en slooten verspreid beeft. De laatste brengt hij ons alleen vrouwelijke bloemen voort, die roodachtig gekleurd zjjn.
De 2'll! Omleral'deeling
der éénzaadlobbige planten bevat de familie's niet één of inoer vruchtbeginsels, die vrjj staan, dus hovenstaudig zijn.
Tot de familie der L e 1 ieac h ti gen {LUiar.cae) worden meer dan 1000 plantensoorten gerekend, meestal kruiden met overblijvende hollen, slechts enkele zijn boonion. liet bloenidek is 0-bladig of 0-deelig, meestal leviuidig gekleurd. In den regel zjjn (1 meeldraden aanwezig. De Tulp {Tulipn Gesueriuna), uit de Middel-Aziatische steppen over ('onstantinoped iiij ons ingevoerd en in tallooze verscheidenheden gekweekt, biedt ons een bekend voorbeeld aan van deze gewassen. Haar bol is ongenietbaar, hjj blijft een gedeelte van bet jaar in rustenden toestand en drijft in bet najaar een scheut. Hieruit ontwikkelt zieh in het volgende voorjaar een stengel met weinige lancetvorinige, zittende bladeren en aan den top eene groote, klokvormige bloem met (i bloomdekbladeren. Hot vruchtbeginsel is stomp driekant en draagt aan den top 3 zittende stempels. De vrucht is eene li-kleppige, veelzadige doosvrucht, i it de omgeving der Middel-landsche zee werd ook de Hyacint (JlyacinlUm orientalis) bij ons ingevoerd, die door hare ljjinrormige bladeren en veelbloemigo trossen met eenbladig, Imis-vormig bloenidek zeer van de tulp afwijkt. Heide bolgewassen worden in ons land ia de omstreken van Haarlem en Leiden in ontzaglijke boevcelbeden gekweekt, om als bet ware de heele wereld van deze geliefkoosde, vroegblooiende siei'planten te voorzien. De voortplanting geschiedt door bollen, die eerst na :i -4 jaar hun vollen wasdom bereikt hebben. Nieuwe variëteiten worden uit zaad verkregen. De prachtig gebouwde, maar vergiftige Keizerskroon (Fd-lillaria imijeriidi*) is uit Perzië afkomstig, de heerlijke Witte lelie (l.illinn t lbinit), zoomede vele andere soorten van dit geslacht uit den Levant. De O ran jo-lelii' (/.. hulbifemm) komt zelden in Uroningen en Drente in t wild voor, de /,. MuHiujon (Tab. Iti. Fig. 2) boort in de bosscheii van Duitschland te huis; zij bezit purperen, donker gevlekte bloenubdvbladeren, die zich in den vorm van een tulband terugslaan. Alle lelies bezitten geschubde bollen. De Vogelmelk {(h'niUiugiduni) is in twee soorten tamelijk algemeen, de bloemdekhladen zjjn van
:VM)
\s|H'rJt :i- ||| ilT»'II.
hiimcn A\it, van liuihm gTociiiichtig of groongcstix'i'pt. ili' lilncinoti stium in ren tros of een sclionnvoniiigon tros. Hiertoe behooreu ook de talrijke soorten van j.ook (Allinm), waarvan er vele als fi-roenli.'of als speeerjj gekweekt worden, liet Moeslook (I. olrnnviini) lie(;fr smal-lijnvonnïge, (luideljjk gegroefde bladeren, en roodaehtige Idoemen. die geinet'nsidiapjielijk niet kleine bolletjes een xdieiin 1 gt;]i den top dos buisvormigen stengels vormen. Ook het Bieslook (.t. Xtioenojifatiunt) komt in bet wild op vochtige weilanden voor; do bladeren worden als kenkeu-groentc gebruikt. Gekweekt worden de l i of \juin {A. Crpu), de Sebalotte (vl. uscukniiftnn). de i'rei (/1. I'ornon) ea do Knoflook (.1. viiii'unn en wol om de bollen; de prei ook om de bladeren. Alle soorten bevatten eene scherpe, zwavelhoudende olie, waaraan zij den eigon-aardigen smaak en reuk danken. \ au de uitbeemscbe bolgewassen is het .N i e u w-/e e la n d s c h vlas (/ 'hoi'-tnhiiH tma.r) van belang. Zijne groote, zwaardvormige bladereu bevatten lange, taaie vezels, waaruit allerlei weefsel en touwwerk wordt vervaardigd. Men /.lot de plant dikwijls iu tuinen en parken. De meeste der 200 A 1 o(quot;'-soorten bewonen het Kaapland en/uid-Arabië. /.ij gelijken iu vele opzichten op de agave en op de bromelia's, hebben vleezige, donker gelsleurdo bladeren, die soms met witte wratten en vlekken hezet zijn en scharlakeuroode, prachtige bloemtross(Mi. Meerdere soorten, b.v. de S o (! o to ra-a 1 o e ( l'oc socoli'imt) in Arabië, de Getneene aloë (.1. mihjiifi») e. a., bevatten groote hoeveelheden van een zeer bitter sap, dat. tot eene vaste massa ingekookt, het als aloë bekende geneesmiddel oplevert. Verscheidene aloë-soorlen worden boomvormig, zooals de Ivokerhoom (A. (liclmldind) in het Kaapland, die 0 7 M hoog wordt, een stam van t1/.; M- dikte en eene kroon van â¢'U M doorsniide verkrijgt.
Van de Tijdeloozeu {('.'ilchica-rdr) is de o|gt; voiditige weilanden veel voorkomende II e r fs t ij d e 1 oo s (CoHncum l'ab. hi Fig. â¢gt;! merkwaardig om haar ongewoneu hloeiiijd. Mare lichtpaarse, rose of witte bloemen \crschjjuon iu den naherfst uit den onderaardscheu bol; de stengel met bladeren en doosvruchten komt daarentegen pas in 't volgende voorjaar te voorschijn.
Het bevallige, mot welriekende bloemtrossen bloeiende he Hot je der da Ion (Conralldriu iiiitjitlis) en zijne verwanten: de Sa 1 om on szego 1 {I'oIijijidkiIid-h), het Dal krui il {}litji.()illicinv»i hifoliiiui) en de I'arU i [mul rij al ia (lab. 10,
Hol. plantfiirijk. lv;nzniiillobliigi' [iluiitoii.
vergiftig. Tot deze fmnilie bi veelvuldig gekweekt wordt om ili
bloejnen, die roode bossen voortbrentfcn. li
b 1 o e d b o o ui {Ih'ui'unmi lt;1 i'(tai), w lens ingedroogd rood sap als drakenbloed bekend is, een veel gebruikelijk gomhars, dat trouwens ook uit andere Indische booiuen wordt verkregen. ()m zijne grootte was vooral een drakenbloedbooni op Teue-ritfe beroemd, wiens stam ecu omtrek van meer dan 20 M had. De na verwante familie der Dioseorecën, uitsluitend in de warme en heete gewesten
loorend, bevat meerdere als voedings-planten nuttige soorten, zoo de Gewone hme er wortel (Tdimis) en de V a ni s-wortel of Igname {Dioacorm (diiln). De meellioudenile, eetbare; knol der Igname wordt tol 'JO l\(i zwaar, ja eenigc knollen der Keuzen-I gn ame in West-lndië en Brazilië bereiken eene lengte van ü1/,-; M bij
Palmen.
('Of.M onihck en ccii gcwiclif, vun bijna (»0 l\(i, De Vannvoi'tclcn woeden in Inilie, den Indi,sclicn fuchipul en elders in de fnipiM'lie n'ewesien gekweekt, /ij leveren eene grootore opbrengst nan voediiigsstoüen dan de beste aardappels, doch de knollen moeten eerst door uittrekken met water, koken ot'roosten bevrijd worden van eene bedwelmende stol', /.ij worden in Indië bij sciiaarschte van rijst als voornaam voedingsmiddel gebruikt. Van de Smeerworiel worden de jonge spruiten, op dezelfde wijze toebereid als de asperges, gegeten.
De Familie der Palmen {l'uhiiui) belioort uitsluitend tol de warme luehtstreken. Er zijn ongeveer 800 verseliillende soorten van bekend. Xaar den vorm der liladeri'ii worden zij in twee hoofdgroepen verdeeld, namelijk, die met waaiervormige! en die met veder vormige bladeren. ïot de eerste groep bel looi'tde 8c lier inpalm (('onjiiha tnuhucitlifm.i)
(gebang op .lava), op Ceylon en in Oost-lndië inheemscli.
Het is een prachtige boom van meer dan 30 M hoogte mei pijhechten, zuilvormigeii stam (tronk), die aan den bodem evenwel slechts een omttek \ati / M heelt, llij draagt eene kroon in den \-orni v;m een sclierm, uit S 10 bladeren sainengesteld, die 10 |'J ,\| middelljjn hebben, de grootste, die men kent. Men snijdt er algemeen zonne-en regeiiscliermen. waaiers, hoeden, enz. van. Keepen er van worden gebruikt om er met ijzeren stiften op te schrijven. Igt;e boom bloeit slechts eenmaal, dan sterft hij. De bloemstengel, die zich uit dt! kroon verheft, wordt evenwel 10 .M hoog en draagt naar alle zijden takken van 0 M lengte niet ontelbare zijtakken en bloemen, liet is de grootste bloeiwijze nit het plantenrjjk; eene enkele brengt 'JOOOU gele vrucliten voort, zoo groot als eene walnoot. De i'almira oflt;fewone waaierpalm {Unnissu* jlnhcl/i-(ormis) {hnilur of Khiiilhniij in Indië) is eene der nuttigste planten van Oost-
hidië. llij wordt tot 'JOG jaar oud. ongeveer 25 M 1...... en ' M dik. De
vruchten worden zoo groot als een kinderhoofd en zijn in halfrijpeu toestand het smakeljjkst. Het meeste nut geeft de boom door zijn voor gisting vatbaar sap. .Men snijdt de toppen der bloenikolven af en laat liet sap in een er onder opgehangen nitgeholden ponijioen druppelen. \ ier weken lang kan men dagelijks liter van dezen toddy verzamelen, die als verkoelende drank wordt gebruikt, door gisting in pulmwjjn veranderd of wel verdampt wordt, om er palmsuiker (jagura) van te maken. Huitendien levert het merg van den stamsage op en de bladeren verschaffen den bewoners waaiers, schrijfmateriaal enz. De cenige vertegenwoordiger van de palmen in Europa is de Dwergpal m {('kmnaefups humilia), die in hel zuiden oj) beschutte plaatsen groeit. In Afrika geeft de Del eb pa lm iBora**ii* actliiiipiiv), met zijne waaiervormige bladeren van reus-
Hot |ilanleiiiiik. Iv-iiziiadl'ildti-r planU'ii.
aciitigc grootte, cvoii veelzijdig nuf. De evciizoo in AfViku voorkoineiule Ihjpluieui' thebuim ouderscbeidt zilt;,li van andoro palmen, doordien zjjn stain zieli liei'luuddelijk vorksgewijze vertakt. Wegens den smaak zijner vruchten wordt deze palm ook uel ,,peperkoeksboomquot; genoemd. De op de Seychellen groeiende Zeekokos (Lodoicea ScchcUamm') draagt de grootste der Itekende lioonivruehten. Zij hoblton een
omtrek van I M en wegen 20â'25 K(i. De N\ aspalm ((Ugt;riji)liit iMrifera) hewoont Brazilië en bereikt eene hoogte van l;i M. Aan de jonge hlauwachtige groene hladcü'en zweet eene wnsaehtige stof in den vorm van scbubben uit, die, met vet of bijenwas gemengd, voor de fabrikatie van waskaarsen gebruikt wordt. Van de palmen met vedervormige bladeren zijn zeer veel meer soorten bekend. Eene der belangrijkste is de Kokospalm ((Jocofi HUvifava) (Klapper in indië), die voor de dagel jjksdie huishouding van de bewoners der Zuidzee-eilanden en der Indisebe eilanden onmisliaar is, llij bemint een zonthoudendon bodem en wordt tegenwoordig bijna in alle tropische gewesten dicht bij de kusten aangeplant. De stam kan eene hoogte van 25 M bereiken en wordt Va M dik. De kroon bestant uit 12 - i bladeren, die i 'gt; M lang zijn en uit ecu sterke nhddelrib bestaan met talrijke I M lange bladslippen. De iniddelribben dienen voor het maken Min vischfuiken en bezems, de bladslip|ien als vleelitmatoriaal, de geheele bladeren als dak bek leeding, de vezels aan den grond van het blad voor het vervaardigen van paklinnen enz. De jonge, zachte bladeren w'orden als groente gegeten (pahnkool). Xiet Ie oude bladeren worden ook als papier gebruikt, oude worden tot fakkels in elkander gedraaid. De bloemkolt is aanvankcljjk door eene scdiecde omgeven en wordt I M lang. Aan den top draagt hij met ld raad bloemen, die geelachtig en weh'iekend zijn; laMieden draagt hij groenachtige stamporbktemen. Op eene gunstige standplaats begint de boom in hot tide jaar vrurhten te dragen en gaat daai'mec voort tot op (i()-jarigen leeftijd; van het 'iitste tot bet .'iUstc jaar is de opbrengst het grootst. Uit den afgesneden It loei kolf vloeit eene ruime hoeveelheid sap, dat
)'alm on.
]) a 1 ni w jj ii (iSf/ry of«;//'«) ojilcvort. Door disiillafie vi.-rkrijgt men liieruit a rak. Door liot voiwho sap to verkoken verkrijgt men palmsui kei'(jiigory), vaneen kraclitigen boom ongeveer 50 l\(i. federe hloeikolf brengt 'JO lilI noten voort van de grootto van een kindorhoot'd. I itwendig zijn zij door een taai weefsel van vezels (coir) omgeven, waaruit zeer sterk ankertouw, matten, loopers. borstels enz. vervaardigd worden. De eigenlijke noot beeft eone zwartbruine, steenharde schaal, waarvan drinkschalen, heften en andere dingen gemaakt worden. In jongen toestand is het inwendige der noot met een melkwit, waterig vocht gevuld, dat gedronken wordt. I it dit vocht scheidt zich. als de noot rijper wordt, van buiten af' de kern af. Halfrijp wordt deze. op verschillende wijzen toebereid, als voedsel gebruikt, (leheel rijp is zij hard. rijk aan olio (kokosolie, klapperolie), die om te branden, voor de bereiding van zalf. zee]) enz. gebruikt wordt en een belangrijk handelsartikel vormt. Voor de bewoners van Arable en Afrika is de Dadelpalm (/ilmiiliiera. Fab. 1(1 I ig. .quot;gt;) de belangrijkste boom. llij wordt in bijzondere tuinen, die bevloeid kunnen worden, gekweekt of in de nabijheid van bronnen en aan waterkanten aangeplant. De stam wordt I(( '20 M hoog, beeft beneden I M, boven 3/3 -M middellijn. De kroon bestaat uit 40â80 bladeren, die :i M lang zijn: de slippen zijn hard en rietachtig, .Manneljjke en vrouwelijke bloemen komen op verschillende planten voor. De eerste staan in veelvuldig vertakte kolven, die eik soms 12000 bloemen bezitten, /ij zijn geelachtig wit van kleur en worden dikwijls door de Arabieren afgesneden en aan de vruchtdragende booinen opgehangen, om de bestuiving te bevorderen van de stempels der stamperblocmen, die veel minder talrijk voorkomen. De vruchten (dadels) hebben don vorm van langwerpige pruimen, doch wijken in grootte en kleur zeer van elkander af. liet vrucbtvleesch is bij volledige rijpheid suikerzoet, de kernen zijn steenhard. In den regel worden de dadels afgeplukt vóór ze geheel rijp zijn en laat men zo, op matten uitgespreid, narijpen. ('Jedroogd laten ze zich lang bewaren. Soms perst men zo tot vaste koekachtige massa's samen, vooral de verscheidenheden, die geene znadpit bevatten. 1 let l»jj liet persen uitvloeiend sap is de dadelhonig of dadelstroop. De stammen van den dadelpalm zijn in vele stroken van Afrika en Arabiö het eenige timmerhout; wegens de eigenaardige groepeering der vaatbundels in den stam. die trouwens bij alle eenzaad lobbige planten wordt aangetroH'on, Jatcn er zich geen planken van zagen. lüj alle palnion is het inwendige van den stam losser dan de uitwendige lagen, die soms zoo hard zijn. dat de bjjl er nauwelijks door dringt. Hij sommige is de stam zelfs inwendig bjjna geheel gevuld met eene weeke, meelrijke massa, die eetbaar is na van de daartnssehen liggende vezels gezuiverd te zijn. Dit zuiveren geschiedt door de massa fijn te verdoelen en met water uit te spoelen, liet zoo verkregen meel is in dikkere of dunnere korrels bekend als Sago (Jav. pati) en is niet
If«'t plaiileiniik. plantt-n.
allern cicn grwiclitig \oiMlin^siniddcl voor de inlMiulsclie hcvolkin^ vjmi iiiiiai' is luik een lichingrjjk uitvoor.u'fikcl iinni' g'ewdi'dcn. Mcnc dor lit'stc
soorten wordt van den Eoliteu sagopalm (8lt;igm lluhi[ilui) verkregen, die in Zuid-Azië, op de Soenda-oilaiiden. de Molukken enz. inheeinntdi is, en dichte wonden vormt. De volwassen stam is 8 10 M hoog met eene middellijn van 00 tot 150 cM, de harde buitenlaag is slechts :!âi- cM dik. Na 0 tot 8 jaar brengt hjj een kolossalen bloeikolf' voort, waardoor hjj evenwel geheel nitgepnt raakt; na het rijpen dor vrucht sterft hjj. Vóór den bloeitijd wordt hij geveld, in de lengte gespleten en van het merg ontdaan. Kon krachtige palm levert (iOO NO0 K(J merg oj). De andere palmsoorten, die op .lava sago opleveren, zijn voonifxmeljjk de Aren {jirtiif/a siirclnn//de (ie bang (J 'iwi/phu itnihracidifrrd, zie boven) en de Woe n w an k oe n g {Cdri/nta mt,riimi). Met westelijk Afrika bezit in den OI i o-
palni {Kla'/s (/iiinccnsl*) een zeer belangrijken boom. Zijne gevederde bladeren zjjn quot;gt; M lang. Kon volwassen boom dezer soort brengt jaarlijks 000â800 steenvruchten voort, wier vrnchtwand rijk is aan eene vette olie, die onder den naam van palmolie een der belangrjjksto uitvoorproducten dier streken is. De Arecapalm {Arccu culcclih) wordt in geheel Zuid-Azië om zijne noten gekweekt; deze gelijken op muskaatnoten. bezitten evenwel een bijtenden smaak en oefenen eene bedwelmende werking uit. Zij zijn onmisbaar voor hot betel- of sirihkauwen. Do betelpruim bestaat uit een stuk der arecanoot, bladeren van den botelpoper of do sirihplant, gambirkoekjes, tabak en kalk :
al deze bostanddeiden worden afzonderlijk bewaard in de siridoos. De boom levert ook een extractief-stof, die rijk aan looizuur is, het is eene mindere soort gambir of catechu. Verscheidene palmsoorten, vooral ( 'ala inns-soorton, bezitten dunne, klimmende of kruipende stammen, die de grondstof voor allerlei vlechtwerk (men-belen. matton, ankerkabels) vormen of tot wandel- of parapluiestokken verwerkt worden. liet is de rotan (Spaanscli i'ieti, die in grootc hoeveelheden in verschillende doelen van onze Indische bezittingen verwerkt of naar Kuropa
K'-iuIonlvrods.
iiitgfVdcril wordK De 1'n n d a n (um1 n /ijii na aim de ])alnicii vcnvunt en geven, nis liclangrijk lianilelsproducl: dp .lava, vezels voor matten (tikar); de jonge selienten van I'iiiKlinnis odoi'nfworden als groente gehrnikt. de vnielilcn leveren voedsel up on de bloemen zjjn algemeen gezoeht om liun heerlijken geur.
Van onze inlieemsehe planten sluiten de L i se li d o d d c n (Ti/pliKccdc) zich bij de palmen aan. De bloemen zijn in i-ilindervonnige aren of kogelvormige hooldjes geplaatst, de manneljjke aan den top. de vrouwelijke lager. De eerste bezitten meeldraden; de laatste één stamper met I eitje. Het bloeindek is zeer onvolkomen, liet zijn moeras- ot' waterplanten, waarvan de L i se li d od d e n ( I///ihti) door liet flnweelaelitig voorkomen van de toppen der aren iti liet oog vallen, terwijl de Egelkoppen (Spiiri/iiiihnii) aan do bolvormige, stekelige vrneliten gemakkeljjk te lierkennen zijn.
De Ar n m s k eI ka e li tige n {Aroitlcdc) zijn wel is \v,aar grootendeels bewoners der warmere gewesten, doeh de in voehtige bosseben bij ons voorkomende Ivnlfsvoet ol (jevlekte Arn mskelk (Aimii itidrii/dtinii, Tab. 1(1 Fig. (i) kan er ons een goede voorstelling van geven. Hij bezit een knolligen wortelstok, langgesteelde. groote. spies-pjjlvorniigo bladeren van sappig groene klenr met bruine vlekken. De bloeiwijze wordt door eene geelgroene bloemsebeede omgeven. Jn t midden daarvan verheft zielt eeno loodreelite kolf, die onderaan een aantal stamperbloemen, daarboven eenige kransen van meeldraadbloemen en aan den top eene violette, nnakte knots draagt. De vrneliten zjjn scbarlakenroode bessen. Het sa|) der plant is bjjtend scherp eti wordt als vergiftig beseltouwd. In vele warme gewesten, vooral op de eilanden der Zuidzee, teelr men meerdere plantensoorten dezer familie als voedingsplanten, h.v. de ('oloeasia (A. colixvxiii), de Eetbare a r n ni s k e I k (('tdm/iinii i xruhiilinn) dv \riiiit macnifhizoji v. Daartoe worden horizontaal gelegen velden gekozen, die door een aarden wal omgeven en bevloeid worden. Hierop worden stukken knollen dezer vruchten gepoot en reeds na â gt; i maanden worden de volwassen knollen geoogst. Deze worden in t vuur geroost, om er de scherpe stoffen in te vernietigen. In Brazilië groeien in de oerwouden talrijke soorten dezer familie (Pholoi/riii/i'oii, AitlliKriinii e. a.) boven op de takken der boomen. Zij onderscheiden zich door groote. fraai gevormde bladeren, die niet zelden diep ingesneden en bont gevlekt of gestreept zijn. liij sommige heeft de bloeikolf eene middelljjn van Vo M. Verwant is onze Kalmus (Acorns (Mtmits), die, wat groeiwijze en bladeren betreft, op de liseli geljjkt en eene onoogeljjke bloeikidt he/it. zonder schcede. De wortelstok is als aromatisch middel in gebruik bij de bereiding van likeuren en confituren. De plant stamt af uit Azié, is evenwel over het grootste deel van Mnropa verspreid geworden.
lal van andere moeras- en waterplanten, tot deze groep der eenzaadlobbigen behoorend. komen in ons land \'oor: liet K e n d e n k r o o s {htiiinii) in verschil
;jt)8 ll't, planten rijk. K'^izaadlubbigc- planton.
lende soork^i, niet een klein. rond. iiliid.'iclitiy stengeltje en kleine di'jjvoiulc wortelve/A'ls, die bij soinniige soorten ontlireken. (lok komen daarniin soms Idoonipjes voor. De NV a t e r n \ m p h a c h t i g e n (.V(//Wm;//) in talrijke soorten, met /.eer onvolkomon i)loümd(dv aan de twee- of censkKditigo bloemen. Daartoe behoort liet (iemeene Zeegras {Zasfcrd mat'!na) op de wierbanken in de Zuiderzee en de Wadden, waarvan de lange, lijiivormige liiaderen als vulsel voor matrassi'Ji enz. dienen. Ook de in stilstaand en stroomend water voorkomende Fonteinkruiden (l'otctDioijcton) e. a. belmoren hiertoe. Zeer algemeen zijn in stilstaande wateren de \V a t er w eeg li reeae lit i gen (Aliauiarrac), met 3-bladigen kelk (^n li-bladige bloemkroon, (i, U of meer meeldraden en â¢gt;, (i of meer stampers. De Wa te r we eg b r e e-soorten (A//'sma) met groote, eironde tot laneetvormige, gaafrandige. netaderige bladeren, het i'ijlkrnid i Stif/ilfaria) mei langgesteelde, njjlvorniige bladeren en de Z w a n on b 1 oem (Hiiloiiiiis iimhclUiliis) met eenc scliennvorinige bloeiwijze, zijn dan ook algemeen bekend.
De familie der (' v pe rgra sse n {('u/M-raratd) telt meer dan 1200 grasachtijge gewassen in alle lucbtstreken. J)e meeste liebbcn smalle, soms aan den rand scherpe, zelfs snijdende bladeren met gesloten bladseheede. De bloemen vormen meestal aren. die soms weer tot schermen, trossen of hoofdjes vereenigd zijn. De bloemen staan in de oksels van vliezige katjes. Een bloemdek ontbreekt of is zeer onvolkomen. Er zijn â¢gt; meeldraden en één stamper met '2 of stempels. De laatste ontwikkelt zicb tot een nootje, liet meest beroemde cvpergras is
van Afrika nog veel voorkomende Papyrus riet men vroeger in Egypte en Z, Europa teelde voor de papierbereiding. Men schilde van den Imogen stengel dunne vliezen af, die naast en over elkander gekleefd werden, de zoo verkregen bladen werden met gomwater bevochtigd, door klopjien gehard en oindeljjk glad gestreken. Het Eetbare cvpergras (Vypi-nts rscu-htil ii.lt;) wordt nu nog om de .Middellandsche zee aangeplant, om zijne melige wortelknollen als voedingsmiddel tc gebruiken, '{'alrijke soorten van Biezen (.SV/r/ms) komen zeer algemeen voor op vochtigen veen- on heigrond, langs rivieren, sloolen en plassen, overal waar de bodem vochtig is. Van de hooger groeiende soorten dienen de taaie stengels als grondstof voor het vlechten van matten enz, liet Wollegras (Kriophoiuim) bemint moerassigen veen- en heigrond en valt in den tijd, dat de vruchten rijp zijn, in liet oog door de sneeuwwitte bundels van lange zaadwol. liet rijkst aan soorten is het geslacht Zegge iCarc.r). Daartoe behooren de âgrassoortenquot; van drassig geworden weilanden.
het in het binnenland {I'api/ni* (itilKpaiH), dat
t quot;VtlSSHi. 30!)
die de landman ..verzuurd iKiciuf. li ij gfctV xc don naam van /ure grassen: als vccMicdcr li(d)ljcii /jj wciniu- waarde.
De f'ainili(gt; der (irasseu i (i raHiiiKdi') liovat 'tdOO jdanteiiMJorten en daarondci' onze vnornaniuste voeding,sjilanten. Zjj gelijken zeer veel op elkander, reeds door de inwendig iiolle. sieehts aan de dikke knoopeu van lusselieuwandi'ii Noor/iene stengels (halmen). De bladeren zijn Ijjnvormig', parallelnervig en met eene lange scheede, die liet onderste gedeelte van het volgende stengellid omgeeft, aan de knoopen hovestigd: de randen der .scheede zjjn in tegenstelling met. die der eypergrassen niet vergroeid. Mladeren en halmen zijn rjjk aan kiezidzunr, waaraan zjj hunne hardheid danken. Op de grens tussehea seheede en l)ladsehijr zit een vliezig aanhangstd, het tongetje. De hloemen hestaan uit .'i meeldraden (zeiden 2) cti I stamper met siijl en twee groote, vedervormige srempels. Elke bloem is ingesloten in t\\et^ \liezige k r oo n k a IJ (gt;s. Ken zeker aantal dezer hloempje.s zijn tot aartjes of pakjes vereenigd, die weer door twee kelkkaf'jes omgeven zjjn. Die kafjes zijn dikwijls van lange kafnaalden voorzien. Meer-dere pakjes zjjn weer vereenigd tot samengestelde aren. kluwens, trossen, sdiermen of pluimen. De vruehten bestaan uit een eiwitliondend meel (kiemwit) en eene kleine kiem, alles door den daarmee vergroeiden vruchtwand oinceven (graan vrucht). De hestniving heeft door den wind plaats, liij droog weer wijken de katjes uit elkander, de helmdraden groeien snel in de lengte tot de groote helmknoppen ver uit het bloem]takje hangen, .Nu openen zich deze knopjes en het fijne, droge stuifmeel wordt door den wind meegevoerd en gedeeltelijk door de hoog uitstekende stempels opgevangen. Soms heeft ook zulfbestuiving plaats.
De Rogge (.SVm/c ccroah-) is in Noord- en Middel-Europa de belangrijkste graansoort. Zjj wordt verbouwd èn als winterrogge (2-jarig), (men zaait ze dan in den herfst), èn als zomerrog ( I-jarig), die in 't voorjaar gezaaid wordt en sieehts eenige weken later rijp wordt. De bloeinpakjes bevatten twee bloempjes en den aanlog van een derde; het buitenste kroonkafje draagt eene lange kafnaald. Het brood van roggemeel is voor groot deel der bewoners van Europa hel hootdvoedsel. Kogge wordt ook veel iu de jeneverstokorjjen verbruikt.
De Tarwe (TrUk-mn salimm) verlangt een iets warmer klimaat dan de '^ggc. Zij is in het warmere Zuid- en West-Europa en de overeenkomstige deelen van Azië en Amerika de belangrjjkste cultuurplant', die aan alle bewoners dier streken het dagelijksch brood levert. Van deze plant is het bloempakje uit 4 bloemen samengesteld, waarvan alleen de laagste vruchten voortbrengen; eene kafnaald aan de kroonkafjes komt alleen bij de zomertarwe voor, bjj de wintertarwe ontbreekt zjj. Er worden trouwens niet alleen verschillende verscheidenheden van de gewone tarwe, maar ook verscheidene andere soorten van dat geslacht
Hot ijlimloiinjk. Ki'iizaa(ll(ibl)igo ]ilaïiton.
vci'lidiiwd. I ld larwciiiccl is rijkci' aan eiwit i'ii vet dan liot rog-gtMiiecl en daarom voedzamer. In Mngeland brouwt men or bier van (ale). J let stroo is ook niet alleen voedzamer voor het vee dan roggestroo, maar ook gesclnkter voor vlechtwerk.
De (lewono gerst (llunhmm ml gure) bezit eene s.amengestelde aar, waarbij men telkens :! bloempakjes, uil éénc l)loem bestaande, bij elkander op één tand der spil aantreft; buitendien zjjn de onderste kroniikaf'jes der l)loempjes bjjzomler lang. De kroonkatjes vergroeien niet de rijpende graankorrel. In de noordelijke landen van PiUropa wordt van gerstemeel brood gebakken, bier wordt het niet
zelden niet roggemeel vermengd. .Men gebruikt de gerst veel gepeld (gort) en grof gemalen (gries) als spjjs. doch vooral de hierbrouwerjjen verbruiken ze in kolossale hoeveelheden.
De Gewone haver (Avcnu mtim) is do graansoort, die het verst noordelijk verbouwd wordt. De aartjes vormen groote pluimen ea zijn na den bloeitijd afhangend. Mik aartje bevat meestal 'J bloemen, ilie beide vruchtbaar zijn. Zoowel de groene plant als de vrucht zijn uitstekend paardenvoer. In koude, ruwe streken wordt van dit graan brood vervaardigd. Ilavergort en havei'ineel worden als lichtverteerbare en voedzame spijzen veel gebruikt. De (fierst (Pdiiitmm milüweum) stamt af uit Oost-lndië, doch wordt tegenwoordig in vele streken verbouwd, hoewel nergens heel veel; het meest nog in de Aziatische steppen. Hier te lande worden de kleine, haast bolvormige, gele korrels met
Grasson.
molk of watiii' gvkookl ais .s|iijs gebruikt; elders wordt er ook lirood vim getn.iakt. liet X »' g e r koren of de Durraii (Siir(/lii(in ndgare) bereikt eene aanzienlijke grootte. De halmen worden 2 â¢gt; ,\l boog, de breede bladeren I M lang. Het brengt dikke, kolfacbtige pluimen voort, l it de vruebten wlt;ii'dt meel en brood bereid ol' wel zij worden als die van de gierst gebruikt. 1 let negerkoren woi'dt in Afrika en Oost-Indië voel verbouwd. De Maïs (Zen mui») is trnrspronkolijk eene Ameri-kaauscbe graanplant. Lang vóór de ontdekking van Amerika werd zij door de Indianen verbouwd.
In 1560 werd zjj in Italië ingevoerd en verspreidde zich uit Z. Europa verder (Tarksehe tarwe) over alle warmere streken der oude wereld. In koelere streken bereikt zij slechts eene hoogte van 1 tot - M en wordt zij soms alleen voor veevoeder verbouwd. In lauden uls Mexico, (ïuiuea en dergelijke wordt zij zelfs tot (1 M boog; waar het voor den tarwebouw te warm is. levert de maïs dan ook veelal het boofdvoedsel voor den mensch.
Hare bloemen wijken van die der andere grassen sterk af, doordien de plant één-imizig is. De nieeldraadbloemen vormen eene groote pluim aan den top des stengels. De stamper-bloemen staan in groote kolven in de oksels dei' stengelbladeren.
Deze kolven zjjn door verschillende scheedeu omgeven. De j
gedrukte vruchten, geel tot rood van kleur, dienen om er brood van te maken, dat evenwel minder smakelijk is en spoedig bederft. Daarom wordt het meel veel niet andere meelsoorten vermengd of men kookt er eene dikke pap van (polenta). .Maïs ^ wordt ook als veevoeder, in bierbrouwerijen (Chicha in / Z. Amerikai en jeneverstokerijen gebruikt. Uit het zoete sap van den halm, die met merg gevuld is, wordt ook in sommige streken suiker gekookt. Er zijn niet minder dan 'JOO verscbci-denheden van bekend. De I» jj s( (Or»/:lt;/â xulim) verschaft in zijne meelrijke korrels aan bijna de helft der menschen het boofdvoedsel. Het sterkst wordt de rijstbouw in Zuidelijk en FiK 270 iv itijst Zuid-westeljjk Uliina uitgeoefend; ook op de Soenda-eilauden en 1'quot;quot;quot;si'opi rHi'.quot;quot;quot;quot;' â¢quot; Eng. Indic is de rijst het voornaamste landbouwproduct, zoodat VVaonkii's Nntuurlijkc Historie.
'â¢(it
n'ootv. roudachtlm'. iet?
ii-
Hef plaiitonriik. Iviizjuulloliliiyo planten.
iniHlukking van don oogst vaal hongersnood ton govolgo licct't. In onzo iiozittingon wordt do i'ijst (padi) liet moest in do mwah's verbouwd, ili(^ stedeii en dorpen omringen, liet zjjn aioost laag gelogen velden, die gonmkkoljjk onder water gezet kannen worden, doch ook als zij hooger gelegen zjin moet dit mogoljjk zijn, liotgoon soms den aanleg van kostbare kunstwerken vordert. De zaailingon (Mbit) worden op bjjzondei*» volden gezaaid, zoodra hot natte jaargetijde is aangebroken en die volden onder water staan. Na worden do eigenlijke rijstvelden met helmlp der kaï'lioawea beploegd; mot laat ze oen'tijd lang uitdampen, zet ze dan onder water en plant er de bibit op. Na eeno maand verheilon zich de groene sehouton reeds boven het water, liet veld wordt i tot I! malen van onkruid gezuiverd, waartoe men bet water tijdelijk laat aHoopon, en eerst wanneer do planten linn vollen wasdom bereikt hebben (zij worden l]/.lt; 51 hoog) en do groote blooniplnimen vcrschcucn zijn, laat men hot water \ oor goed aHoopon. Spoedig is de plant nu geel en tegelijk zijn de korrels rijp geworden. De halmen worden nu één voor één afgesneden en in hossen gebonden, die op liet veld blijven liggen om te drogen. De korrel is met de katjes vergroeid en wordt vóór het gebruik door de vrouwen met zware stampers in een langwripig uitgehold houtblok ontbolsterd: tegenwoordig bo.staan daarvoor inge-riehte inaehines (pelmolens). Hi'halw in /nid-Azië wordt tegenwoordig ook rijst volbouwd in Znid-Muropa, Afrika. Amerika en Australië. De Carolina-rijst is de beste. De gepelde rijst is rijk aan zetmeel, doelt arm aan stikstof en wordt meestal, door stoom of kokend water geweekt, met gedroogde viseh of gevogelte en verschillende sausen en vrnehton genoten. Do rijslzemelen zijn rijk aan stikstof (bijna I I %) en een uitstekend veevoeder. Rjjstmoel en stijfsel worden veelvuldig gebruikt. Uit rijst en suikerstroop of palmsap wordt arak bereid, liet Suikerriet (tiaccharum offiiiinuruin, Tab. Dl, Kg. 7) wordt in de meeste tropische gewesten in meerdere verscheidenheden aangeplant. Het vaderland is Oost-lndié en de Eupbraatoovers. De plant verlangt oen warm zeeklimaat mot eene gemiddelde temperatuur van 25 2!gt;quot; C. en een vruebtbaren, lossen, vochtigeii, doch niet moerassigen bodem. Nadat de bodem diep is oinge])loogd, worden armlange stekken in rijen diep in den grond geplant, en nog met aarde bedekt. 1 it elk oog ontspringt een bovonaardsche stengel, die aanvankelijk langzaam groeit en Hebt door het weelderig opsohiotend onkruid zon verstikt worden, indien niet v lijtig gewied werd. Later groeit hot riet sneller en bereikt eeno hoogte van iJ'/jj 4, ja soms van (i M. De halm is boven heldergroen, aan do basis bruin gekleurd, daartusschon vindt men allo kloursehakeeringon van purper tot heldergeel; zoodat een suikerrietveld vóór den bloeitijd een prachtigon aanblik biedt. De bladeren zijn zonder de schoede I '/iâ 1 Va M lang en (i 7 cM brood, met scherp gotanden, harden rand; de seheede is 30 e.M lang. Uit don top van
lt; irissen.
lt;llt;-n stiing(\l onhvikkolt /icli oonc «Yootc, sl.;rk vcrliikl;,'pluim nu-f klein.. Mocnicii.
'ü'' ,n,,lt; «Ã'leKlanzondo liaivn I.c/ot zijn. Vóór of kort na don l.looitijd worden lt;le liulmon, dio in wend iigt;' mei: een week saprijk nier^ gevuld /.ijn, aan den grond afgesneden; de wortelstok ken Mijvcn jiiren lan^ in den grond om een volgend jaar nieuwe halmen voort te lirengen. De gelieele ontwikkeling.speriode duurt KI 18 maandon. De. onrjipe toppen der lialmen worden verwijderd en de rest in stukken verdeeld en oniniddolljjk liisselien walsen uitgeperst, liet uitvloeiend sap wordt mot kalk lieliandeld en zoolang ingekookt en at^esehuinid tot de kristallisatie van de suiker liegint. Dit alles moet omniddelljjk plaats hehben om gisting te voorkomen. De donkergekleurde, niet kristalliseerende vloeistof is de melasse; daaruit wordt rhum vervaardigd. De ruwe suiker wordt naderhand gezuiverd (raltineeren). Daartoe wordt liij in weinig water ojigelost; do oplossing filtrt-ert men door grof verdeelde beenderen kool, waardoor /ij ontkleurd wordtquot;
cn verdampt dan hot water hjj lage tomperatuur in eene luclitledige n (vaeuuinpannen). Men laat de vloeistof nu in den vorm der bekende snikerlirooden kristalliseeren. Kandijsuiker verkrijgt men door in eene dikke suikeroplossing draden op te hangen, waaraan /icli kristallen afzetten. De rietsuiker-produetie bedroeg in 1881 ruim '2500 millioen K(J. Hiervan leverde Cuba hel meest âp. n.l. 582 millioen KO ; Java verschafte 2i2li
millioen Kti, Snrinanie bjjna I) millioen.
ilet gewone Hiet {l'lit'mjinilcs cotHtiin-nis), onzer stilstaande wateren, dat vooral in ondiepe plassen dikwijls in grooto hoev(!ollieid voorkomt, bereikt eene hoogte van . 1 'i M. De balm wordt tot verschillende doeleinden gebruikt; als grondstof voor het maken van daken, bij het berapen der muren, voor de vervaardigiiii;' van dokmatteii enz. \ eel gewiclitiger zjjn de reusachtige Bamboes-soorten (liuiti-hiifid) van tropisch Azië, liet ren/en bamboes van Malabar bereikt eene hoogte van 20 -30 M en aan de basis wordt de baiin '/.i M dik. De plant bloeit slechts zelilen en sterft dan. De Gewone lianiboes (liuhilnisu ai'imilirincva) vormt bepaalde graswouden (dschungel) van 15 20 ,M hoogte, sdi uilplaatsen voor tijgers en
, ⢠1 wonG bnmbooK.
Uldü^üll. IJü jonge Nvortulöcheuteil wordoil l iimnbucsboscli. 2 Stuk van den halm niet takken
in:]
--
\\)\ Hlt;'t |»laiit«kmijk. Kt'iizaatllobhigo planton.
opmeten en Minnen oiidi'f don naam alsrhai' of as/.ia, een liclangrijk liamlclsarriki'l. I)i' ('hiiu'i'zcn jnaken papier van l)aii)boes. \ an de IidIIo. (Incli zeer lianle, stevige en liclifr halmen werden allerlei ineuln'ls vervaardigd, ja. zjj worden zells al^inncen gebruikt voor den bouw van woningen en /elf's van bruggen. Huitondien worden er wandelstokken enz. van vervaardigd.
Van onze in t wild groeiende grassen kenl ini'ii meer dan 100 verscliillende soorten, die in onze weilanden en langs wegen en waterkanten, op de heide en in de duinen, in één woord, overal voorkomen. I)e meeste soorten worden als ,.zoetequot; grassen door den landman als veevoeder hoog gewaardeerd en de bloei van onzen veestapel moet hoofdzakelijk toeschreven worden aan de uitstekende grassoorten, die op onze laag gelegen weilanden (polders en uiterwaardeit) groeien. Tof de voedzaamste voor het vee hehooren : liet L a n g b 1 o e in - Z w e 11 k g r a 8 (lü'slucu fini(enm) op uiterwaarden, het Veld-Beemdgras (/â 'lt;»« pnilmni*) op hoogeu zandgrond, eti het Franseh raaigras (Avciiu dalior) op zwaren vochtigen grond; dit zijn alle Pluimgrassen. Van de Aargrassen noemen wij; het Kam gr as i'i'ishilus) op drogen h e i d egn md, de Heemlt;l-
Vussestaart {Aliijnviirii* iii'i'lciixis) op lage weideti. de \ eldgerst (llorih'KDi si'cnliiiinn) iti goede weilanden, bet (iewone I gt; a a i g r a s ook Hugelsclt Uaaigras gettoemd (l,tgt;liiiin pfrainie), de beste otizer grassoorten, op bijna elke grondsoort, en het Dodde- of '1'i m o t h ecg ra s {l'lilcnm op goede klei
en zandgronden. Met liedwelmende Kaaigrtis (Loliinn Icinnh'»!inn) levert bedwelmende zaden op. die zelfs vergiftig zijn. en is dus zeer schadelijk en zoo zijn er meer grassoorten, die geene of weinig voedingswaarde hebben, doch als schadelijke onkruiden uitgeroeid moeten worden. Mene der moest beruchte is de van ontzaglijk lange, onderaardscbe nitloopers voorziene Kweek (/rilimm jiralcusr). liet li el nigra s (/'sv/ihïh/i iiymitiynt) dient ter beplanting der duinen om tie verstuiving tegen te gaan. daar zijn kruipende wortelstok den bodem bindt, liet is zeer moeilijk alle deze grassen van elkander te loeren onderscheiden; /.e uitzaaien is nog bet beste middel.
;i'i' Klasse. NAAIvTZAIMUK IM,.VXTKN.
(Cl jlDinospi'i'iiii'ii)-
De N'aaktzadigen ontkietnen met 2 of meer in een krans geplaatste zaadlobben. Aan de bloemen ontbreken de bloetnbekleedsels. De meeldraadbloemen bestaan uit een»! verlengde as, die talrijke blad- of schildvormige meeldraden draagt met '2 of' meer helmhokjes. De stamperbloemen bestaan uit eene as, die bezet is met
I\ ru «'Mr.'i ;.T||(1«'||,
open viuclitliladi'ii, ilii' nan de liiiuioii/.jjdc de eitjes (Irnjicn ; bjj cidiolt'zitlcii dccitjcs zelfs oinniddellijk aan de as en ontbreken de vraclithladen. De vniehten zijn k e^el s.
De familie der (quot;yeadeeën bevat tropische gewassen, die veel op palmen gelijken. Daartoe behoort de Sa goboom (('.ijnm ciivinalis) van de lt;.)nst-liidiselie oilandeu, een boom met onvertakten stam. die 1'2 M hoog en (Kt e.M dik wordr en eene prachtige kroon draagt van 'i'/a M lange, gevederde bladeren. De mannelijke planten brengen aan den top eene bloeiwijze van nieeldraadbloemen voort, die aan de sporenhonders der paardestaarten herinnert. Di' vrouwelijke planten dragen aan den top kegels van stamperbloemen; lt;ie vriicbtbladeii ver-toonen aan de binnen/.ijde 2 (5 eitjes. D(^ kiem bezit - /nadlobben. De jongt; bladeren, die evenals die der varens aanvankelijk opgerold zjjn. worden in Imlië als groente genuttigd, het weeke merg van den stam levert eene mindere (pialireit, sago op. In vroegere tijdperken van het bestaan der aarde waren de ('yeadeeën zeer algemeen verspreid.
Veel belangrijker is de familie der X a a 1 d boo in e n dl' K e gr I d r a ge n d e n t'('.onifeme), daar zij naast de Xapjesdragenden de voornaamste houtgewassen bevatten. De bladeren zijn meestal smal en puntig, naalden. De bloemen zijn éénslachtig: meestal zijn de plnnten éénhuizig. De meeldraden vormen kleine eironde katjes, die in groot aantal aan eene as voorkomen. Daarin ontwikkelt zieh eene ontzaglijke hoeveelheid stuifmeel, dat zich bjj den geringsten wind als eene dichte, gele stofwolk verheft en dat nu direkt in aanraking kan komen met de eitjes, die onbedekt aan de binnenzijde der sehubvorniige vruchtbladen van de stamperbloemen liggen. Deze stamperbloemen zijn tot kegels vereenigd. De zaadschubben worden bij eenige soorten bij het rijpen vleczig en vergroeien tot een besvormigen kegel, zooals bij de verwanten der jeneverbes. Bij de meeste worden zij bij liet rijpen hard en houtig; zij leggen zich na de bevruchting vast tegen elkander, doch wijken, als de gevleugelde zaden rijp geworden zijn. wijd uiteen, opdat deze door den wind kunnen worden meegevoerd. De zaden hebben meestal verschillende jaren noodig om rijp te worden. Ook de bladeren worden gewoonlijk meerdere jaren oud, waardoor de buomen altijd groen zijn. ISijna alle hiertoe behoorende boomen zijn rijk aan hars. De 1 a \ is (Td.rix hdccata, Tab. la Fig. 15) komt slechts zelden in t wild voor, doeh wordt dikwijls in parken en tuinen gekweekt. Zij groeit buitengewoon langzaam, want een stam, die 600 jaar oud is, heeft slechts eene middellijn van M. Don ouderdom van Taxissen van 12 M omtrek, zooals/.(; in Knge.land voorkomen, schat men o|) ^duizend jaar. Met hout is buitengewoon dicht en dunrzaani, zoodat daarvan vervaardigde gereedschappen onvergankelijk zijn; het wordt dan ook voor kunst-houtsnijwerk zeer gezocht. De bladeren zijn van boven donkergroen, glanzig en vergiftig. De zaden zitten in eene scharlakenmode scliijnbes. De
Het planten rijk. NaaktzaJig'e planten.
.Teneversti'iiik (â Tiinipcru* communis) komt meestal als heester, zelden als boom voor. Hij is een bewoner onzer heiden en duinen. De bladeren bezitten eene scherpe punt: de schijnbessen zijn blauwzwart met aromatischen smaak en worden voor het bijen van den jenever gebruikt, liet roodachtige, welriekende hout van den viryhiiukh en ./. Ixtrniudiana uit N.-Amerika wordt voor potlooden gebruikt. Deze heesteriichtige gewassen worden, evenals de vergiftige, in de Alpen groeiende Sahina, veel als sierplanten in tuinen en parken gekweekt. Dit is ook bet geval met de uit Amerika afkomstige / hujn Occldcntnlik, waarvan het hout in zijn vaderland als werkhout gebruikt wordt, en de I hiijd oricnlulh uit China.. Terwjjl bij den eerste de takken in horizontale richting vertakt zijn, zijn ze het bij den laatste in verticale richting. De als eene obelisk slank opschietende Cipres {Cup,rssu* soup,Ti-iroix), met zijne donkergroene naalden, |ihint men in de landen aan de .Middellandse be zee op begraaf plaatsen en als sierbodin. De \ irginiscbe cipres virpiiiiaita) vormt in de warmere streken van N. Amerika uitgestrekte wonden, wier moerassigen bodem tallooze omgestorte boomen bergt. De C. disticha in
Mexico bereikt een zeer hooien leeftijd en krijgt buitengewone afmetingen. Nog staat bij Oaxaca dezelfde reuzenoipres, waaronder Ferdinand Cortezmet zijn geheel leger zijne tenten opsloeg. Uij is iü M hoog, zijn stam heeft een omtrek van bijna â¢Jo M en die zijner kroon bedraagt I 7ü .M. De M a m moethboom (.sVv/KOirt W'cllingloina) in Oalifornië is waarschijnlijk de grootste boomsoort op aarde. Men heeft stammen gemeten.
die bij eene hoogte van MOM en praehtigen, verticalen groei, aan de basis een omtrek van 27 M hadden. Hij komt slechts in gering aantal voor. in het zoogenaamde mammoefbpark in Oalifornië ligt zulk een reuzen boom, âde vader des wondsquot;, die aan den grond een omtrek van 35 M en eene hoogte van 1 W M had. Hij is hol en men kan er 57 M ver rechtop in loopen. â De Grove den (Pi mts silucsiris), te herkennen aan zijne vingerlange naalden, die twee aan twee aan den grond door «ene kleine, vliezige scheede omgeven zijn. vormt den voornaamsten woudboom van ons land en in de zandige vlakten van geheel
«i O
Middel-Europa. Iljj wordt ITi 30 M lioog, is zeer rijk aan bars en levert goed brand- en uitstekend werkhout (grenen). De Strand pijn (/'. Pinaster) heeft
40 (i
K- ycitiniuviKl.'ii.
langer naiildcn lt;1 il.M) en groorcrc. (ingi^toeldc kegels. Ilii komt veel op zandgroiifl voor, doch wordt minder lioog dan de grove den. De zaden van do in de Alpen en Siberië groeiende Arve (/'. Cciubru) en de Italiaatische l'inië (/'. i'inca) worden gegeten. I)(! Zilverspar (Ahiec [lecliinila. 'I'ali. -15 Fig. 10) heeft haren naam te danken aan de witte kleur van de onderzijde der naalden, die in twee rijen aan de takken staan. Zjj vormt prachtige bosschen in de gebergten op gemiddelde hoogte. Haar pijlrechte stam heeft op 150-jarigen leeftijd eene hoogte van 40 M en meer, en eene middellijn van I tot 1 Vs M Door aanboren verkrijgt men er Sti-aatshuiger terpen t ij n uit. liet hout i» als timmerhout en voor allerlei doeleiiulon ('scpamp;epsmasten, klankbodems, doezen enz.) zeer hoog geschat (dennenhout). De Spar (Pitiea e.relfid) heeft kortere, bijna vierkante naalden, die in halve kringen om de takken staan. Zjj is de eigenlijke woudboom der Mnropeesche gebergten en wordt op een ouderdom tusschen 70 en *140 jaren geveld. Jongere stammen geven hopstaken; sterkere worden veel gebruikt als stutten in mijnen; nog grootere stammen worden als timmerhout, voor masten, gereedschappen, booten enz. gebruikt (vurenhout). Als brandhout heeft het minder waarde, daarentegen worden volwassen boomen afgetapt om hars te verkrijgen. Ken boom geeft jaarlijks gedurende â¢!- 4 jaar '20 tot -'.quot;i KG hars, dat uit ingehakte wonden van den stam vloeit en dat voor de bereiding van pek. teer, lak. lampzwart enz. gebruikt wordt. De Lork (Larie (nmriiuvti) wordt met andere naaldboomen gemengd in bosschen of als sier)toom aangeplant en groeit tot een praebtigen boom op. De tecre, in bundels geplaatste naalden vallen in den herfst af, om met een heerlijk lichtgroene tint weer iu 't voorjaar te vcrsclnjnen.
Uit boorgaten in den stam verkrijgt men venetiaanscbe terpentijn, waaruit de terpentijnolie door distillatie wordt afgescheiden.
liet hout is een uitstekend, uiterst duurzaam timmerhout. Verwant is de Ceder [Lurid:
Cctlrus) van den 1 jibanon; de top van dezen berg is nog door een boschje van 400 boomen versierd, die reeds ten tijde van koning Salomo daar zouden gestaan hebben. Het cederhout wordt om zjjn aangenamen geur en zijne duurzaamheid zeer gewanrdeerd. De Nieuw-Zee- ......................................... .................
!gt; vroiiNvelijkr hlociwijzc: â iij|quot; kctf'-l. '2 Mt i l-1 a n d se h e Ka u r i-s pa r (AiiulhixawttntlM, 'l'quot;. 'â¢quot;'«.â¢nkuiii. lgt; aan lt;l.' binnen-
1X1 zijilc, Dek- ol vruchtschubbi'n van bmnon
waarvan men stammen van Kt M omvang k-czkh met de beide zaudUnoiipcn. i Zwui. gemeten heeft, is zoo rijk aan hars, dat de bodem rondom de boomen er soms
Kt?
HM plantonrjik. Sporc|iIaiillt;'ii.
volkomen mee gedreokt is. Hij herinnert daardoor aan den voorwereldlijken
Ba rn steon-den {I'in it es mccifer), wiens versteend hars den barnsteen vormt en die in de omgeving van de Oostzee groeide. Talrijke andere soorten zijn heliingrjjk om hun hout (Ameri-kannseh pitch-pine, cipressenhout enz,), om het hars, dat /.ij opleveren, b.v. het daraar-hars van Ikmnimra (tlljn oji de Molukken, om de eethare zaden, b.v. Auraearia's uit Z. Amerika en Australië en eindelijk als sierplanten. De Gnelum ynemon, die op onze
O. Indische eilanden eene uitmuntende
Kig.273. Ceder van den r.ibanon mi't vruchtdrngendcn tak. i t r i . i 11
vezelstot oplevert, is een voorbeeld
uit do derde familie der Xaaktzadigen, de (Jnetaeeeën. De bloemen bezitten
kleine bloeindekken. De gelede takken dragen groote, handiiervige enkelvoudige
bladeren.
SPOREPLAN TEN OF NIET-P)LOEI KNDE PLANTEN.
{Criiploucunen).
De Crypto ga men brengen geen eigenlijk zaad voort niet eene kiem er in. maar sporen, die sleehts uit één oi' een gering aantal cellen bestaan. Daaruit ontwikkelt zich in den regel door celdeeling een bladvorrnig lichaam of' een vlechtwerk van draden, iu elk geval een planten lichaam, dat een geheel ander voorkomen heeft dan de moederplant en voor kiem genoemd wordt. Hieraan ontstaan nu eigenaardige voortplantingswerktuigen, die het aanzijn geven aan eene plant, die op de oorspronkelijke moederplant gelijkt, of wel deze plant ontwikkelt zich uit een knop van de voorkiem. Mea noemt dit generatiewisseling (zie blz. De sporeplanten worden verdeeld in '2 afdeelingen n.1. Va a tor yp togam en, die vaatbundels bevatten en duidelijk stengel, wortels en bladeren vertoonen, en Celeryptogamen, zonder vaatbundels en zonder echte wortels.
Tot de Va a t e r y p t ogam e n behooren : de Varens, de 1* a a r d e s t aa r t e n, de Wat er va ren s en de Wolfsklauwen.
Va mis.
I)(i kliissc der N Jircns (/'/V/Vrs), Icvjif dr incest voiki itinic n ;inii/:rnlijkst(i pliinten dikIci' de oryptdg'anien. In vuolitige. si liaduw i-jjkc Imssclicn. nii iiiuron. mm waterkanten enz. vindt men een tamelijk aantal soorten daarvan in ons land. Mene der moost I tekende soorten is de Man netjes va ren (Anfililno» Fili.r uia*. Tab. Hl l^ig'. 8). Haar overblijvende wortelstok breng't jaarljjks nieuwe bladeren voort, die veeren of vanen genoemd worden en eigenlijk stengeldeelen /ijn. In den knol) zjjn /.ij sjiiraalsgewjj/e ojtgerold; zij groeien aan don top \ oort en drag'en de vooit-]ilantiiigsorganen. Ãc steel is met limine. \ lie/igi'siroosidnibbeii bezet. I )e veeren/.ijn dubbel gevederd, met lancet-ljjuvorniigen omtrek. lt; gt;|i de onderzijde ontstaan kleine. Iiruiae, roudarhtige viU(ditlio(tpjes, die ;i,in\iinkidijk door een niervormig, in 'r midden vastgeheeht vliesje (dek vlies je) bedekt zijn. Zoo'n jumtvormig vruelitboopje bestaat uit een aantal kleine, gestoelde sporeiiliouders (^iKii'iiinjli'n), Deze zijn lensvormig, door een vliezigen ring omgeven. Droogt ileze in. dun barst de s|i(iraiigie open en de microseopiseh kleine sporen vallen er nit. l it eene spoor ontwikkelt zieb ouder gunstige omstaudighedeu eeue bladvoi'inige voorkiem. die met draadvormige worteltjes iu den bodem bevestigd is. ()[i deze voorkiem ontstaan aan de onderzijde tweeërlei organen, die met de bevruelitingsorganen der zaadplauten te vergelijken zjjn. De antberidiën, die met de meeldraden vergeleken worden, zijn kleine buizen, die zich openen om falrijke zeer fijne drailen te laten uittreden, die zich iu het water levendig bewegen; dit zjjn de spermatozoïden ot zwertdraden. /-ij dringen in de a re h egon i ë n . organen, di»' met de stampers der zaadjtlanteu vergeleken worden, daar zij eeue eicel bevatten. Na op deze wijze hevrucht te zjjn geworden, ontwikkelt zich uit de eicel een knop. die een jong varenplantje voortbrengt. De wortelstok vim den muimetjesvaren wordt nog steeds met goed gevolg uls een middel tegen den lintworm aangewend. De in ons land groeiende varens zjjn alle betrekkelijk lage kruiden, dikwijls met zeer sierlijke veeren. Die van de II erts tong vitJi/iwc) zijn
langwerpig laneetvonnig met hartvormigeu voet. guafrandig. weinig gegolfd. Die van het Dubbel looi (/i/rv/im/m zijn kanivonuig, vindeelig. langweritig.
lederachtig; die van de M uurruit (Asiilcniuni Itiita Mio'tirio) zijn klein, II hoekig tot eivormig, 2âU vondig gevind, de blaadjes rond, ruit- of wigvormig, die der ^ jjtjes varen (Alhi/riiiiii b'di.v fcmina) zijn groot, langwerpig lancetvormig, dubbel gevind. Die van het fijne, sierlijke Venushaar (Atliunthum cfqiillux veneris) zijn '2 of 3 maal gevederd; de blaadjes wigvormig, de bladstelen lang, glanzig zwart. \ erder komen nog de Adel a ars va ren (l'teris tiijuilina), (de wortelstok vertoont op de doorsnede eene donkere tetdvening, die op den dubbelen adelaar van het Oostenrijksche wapen gelijkt) en verschillende Xiervarens {A^jiidiuin), met .'i voudig gevederde bladeren veelvuldig voor. De 111 u i m v a r e n , (Onnnoidd vcijulix) onderscheidt zich door de tot trossen vereenigdo snorangiën
IIlt;'1 planf onrijk. S|»on'|ilaiit('ii.
aan de toppen dor vee ren. lit don wortelstok van oen adelaarhvaron bereiden de Nicuw-Zeclamiers oen weinig vood/aain meel. dat als voedsel dient. Op do Zuidzeo-eilanden worden oenige toero kruidvarons gegeten; ook in België zouden jonge voeren van varens als groente gebruikt worden. In de vochtig-wanno kloven van ile tropisclio gewo.ston, li.v. in do Z.-Aniei'ikaanselio Corderila's en in N\Cst-Iinlii', groeien lioomvorinigc varens, die oeno iioogte van (i IdM Ijereiken. /ij dragon aan don top van don stam. die op oen palmstronk gelijkt, oene prachtige kroon van kolossaio voeren, die '2 M lang en soms viervoudig gevederd zijn. Op de Znidzoe-eilanden groeien vele kleine varonsoorten op de stammen en takken der hoornen als schijnbare woekerplanten. Zij voeden zich met do verwoorde boomschors en allerlei overblijfsels van planten, die zich tnsschon de wortels verzamelen. Men kent moor dan 20U0 verschillende soorten van varens. In vroegere aardperioden groeiden ook in Europa boomvarens, waarvan verkoolde stukken en afdrukken in de steenkolen worden aangetroffen.
De klasse der 1'a a r des ta a r te n {hiui^itaccac) is niet rijk aan soorten, doch zeer merkwaardig om den bouw dor hiertoe behoorende planten. De stengels zijn fijn gegroefd en duidelijk gelood, aan de basis van elk lid staan kleine bladeren in een krans, die samen ocno getande, rondom gesloten sclieede vormen. Ook de takken, die in kransen staan, vortoonen donzelfden bouw. De sporangiën komen voor aan de rugzijde van de (i-zjjdigo, gesfedde schildjes, die aren vormen aan de toppen der stengels. De sporen zijn van vier springdraden voorzien, met behulp waarvan ze ver weggeslingerd worden, zoodra ze rijp en droog zijn. l it deze sporen ontstaan evenzoo voorkioinon. waaraan zich anthoridiën en archegoniën vormen, l il oeno eicel dezer laatste ontwikkelt zich een nieuwe paardestaart. liet zjjn over het algemeen lastige en schadelijke onkruiden, voor het vee ongenietbaar. De A k k e r-p a a r d o s I a a r t (r^Kisriinti (trwnw, Tab. -It» Fig.!') dient om tin te schuren, het Schaafstroo (A'. hmnuló) om bout glad te jiolijsten. Ili^t tropisch Amerika bezit in don H euzen-pa ardestaart yiyanlcutri), die eone hoogte van II M boreiki. de grootste lovende soort. In vroegere perioden kwamen nog veel grooter exemplaren voor, wat uit de dikke stengels blijkt, die behouden bleven.
Do Water vare as {ttUhocarpcur) zijn kleine waterplanten, die in don regel duidelijke wortels on bladeren bezitten en aan don voet der bladeren tusschen de wortelvezels doozen voortbrengen, waarin tweeërlei soorten sporen, grootero en kleinere, voorkomen. Ons l* i I kruid {Pihdaria ylobul-ifera) soms langs slooten in groote hoeveelheid groeiend, kan als voorbeeld dienen. De doosvruchten van verschillende Xieuw-llollandsche .t/iovs/Zm-sourten worden door do inboorlingen als voedsel i nardoo) gebruikt.
Do Wolfsklauwen (Lycojtotliaceae) bezitten een liggenden of kruipenden
stengel, die (licht mot kleine liladeren be/et is: de s|K)r!ingiëii stium in de oksels der 1'lade ren cd van tot aren vereenigde sclmtldaden. Vers.liillende sierlijke Mig,menu-morton werden in plantenkassen als sierplant.ai gekweekt. I).. sporen \an de («emeeae woltsklanw {Li/co^oititnn rluvuluDi, Tal). 1(1 Tig, |(J). die op heibodem voorkomt, dienen als stroo^oedei' (lioksonnieel). In Mexieo en Peru groeit ecne soort (L. l,'iii,lopliilluin), di(gt; zich bij hef uitdrogen samenrolt, hij regen evenwel onmiddellijk hare fraai groene stengels en^aderen ontplooif. zoodat /jj den naam âopstamlingsplaniquot; verkreeg. In Zweden vlecht men van de stengels der gemeene wolfsklainv zaelite, warme matten voor den vloer der vertrekken. In de steen kolen beddingen vindt men overblijfsels van boomvomiige woltsklanw-SOOrtcIl ( L('lgt;fil(nlrinIl'OH ).
Al de volgende planten behooren tot de eel-crvptogainen.
De Mossen (Muhcï) komen in meer dan 'iOOO soorten voor. die ook bij ons goed vertegenwoordigd zijn. Zjj bezitten een zittende, enkelvoudige bladeren, die uil slechts eéne laag cellen bestaan, zeer snel water opzuigen en zonder nadeel kunnen uitdrogen en bevriezen.
I'agenljjke wortels ontbreken, er komen slechts wortelliaren aan den stengel voor. Vele soorten groeien altijd door aan den top voort en wel evenveel als door het afsterven der plant aatt de tegengestelde zijde verloren gaat. l)e Veen mossoorten (S^hatjiium) hebben een groot aandeel in de veenvorming in gemeensclinp met andere moeras-planten. Het zachte mostapijt van den bosehgrond wordt meestal door soorten van het geslaeht llyiumm gevormd, die ook het onderste gedeelte der boomstamnien bedekken. Zij zjjn er van groot belang, omdat zjj den bodem besclintten tegen uitdroging, de zaden der hoornen opnemen en de kiemplantjes bescherinen. Ook beletten zij het wegspoelen der teelaarde bij hevige regenbuien.
Bjj de mossen vindt men tnssehen afwijkend g(!vormde iilaadjes nntlteridiën met zwcrmdradeti of spermatozoïden en arc-hegoni«:n. 1 it deze laatste V vormen zich de mos vrucht en. Deze laatste verheften zich gewoonlijk op lange steeltjes (borstels)
en vormen bolvormige of verlengd eylindervormige 27,. st,lublâadi(f doosjes. Tijdens den groei zijn zij door een vlieziquot;' 1 ^ quot;fhi.iraBcii.ir Vruciitam-
â¢' wnd' luK: '/ doos, /. ut kscl, lt; stciM.
.| |'J Hot plfinlcniijk. Sporcplniiton.
of vp/rlig oinlmlsrl. lirt imitsjc. Iicdrkt. Zijn dc sporevruclitcn rijp. dan scliridt /ich lift bovennte dool van den dooswaiul als deksel al', lu hot midden dor doos ziet men dan oen haarfijn zuiltje en daar omheen zijn de tallooze sporen ^â¢erangseliikt. 1 'it dezo sporen ontstaat nu eerst oene voorkiem, als het ware een vleeiitwork van dradon. en daaraan komen knoppen, waaruit zich nieuwi' niosplanteii outwikkelon. Snimnige, in donkore rotssjileten grooieudo mosseit kaatsen door hunne voorkiem liet licht op zoo eigenaardige wjjze terug, dat het schijnt alsof' ze zelHiehtoud waren. Ornniddollijk nut geven de mossen weinig; ze worden als strooisel, pakinateriaal voor lireokhare waren, voor guirlandes enz. gebruikt.
De Levermossen (Ift'iniliceae) zijn minder rijk aan soorten en de daartoe liehoorende plantjes groeien gcwoonljjk nog meer verhorgen dan de eigenlijke mossen. De sporedoozen der leverinossen springen meestal mot i kleppen open en bevatten, behalve de sporen, nog talrijke spiraalvormig gewonden draden, zoogenaamde springdraden. die zich bij het drogen strek ken en daardoor de kleppen openen en de sporen verspreiden: hef middelzuiltje ontbreekt in den regel. 11et Leverkruid (Marcliiinlin iHilijmorplta) is aan wegen, bronnen en slooten algemeen, hot hoeft vlak uitgespreide stengels mot bladeren, die op den grond liggen. De sporenhoudors zijn doosvonnig. straal-sterviaanig en gestoeld; zij worden eerst door een omhulsel ingesloten, waar ze later doorbreken.
Hij al do nu volgende plantengroepen zjjn stengels en bladeren niet meer te onderscheiden; zij worden dan ook wel Thallusplanten ('1 lHtUoigt;hijten) genoemd.
Do eerste klasse is die der Wieren (AUjaa). Zjj is zeer rjjk aan soorten, daar men meer dan .100(1 verschillende plantonvormon kent. die er toe gerekend moeten worden. De meeste er van leven in zee: de overige in zoet water of ten minste op vochtige plaatsen. Van het flewone blaaswier (Fkcus wsiculoxus) is in Tab. I(i Fig. Ui een takeind afgebeeld. Het geheele gewas gelijkt opeen struikje van 1 M hoogte en groeit niet zelden op steenachtige ondiepten der Noord- en Oostzee. Versch is liet oljjfgroen van kleur, droog wordt het bruinzwart. Zijne takken zijn Idadvormig verbreed, van afstand tot afstand van blaasvormige opzwellingen voorzien, die inwendig met lucht gevuld zijn, waardoor de afgescheurde wieren aan de oppervlakte drijven. Andere opzwellingen van dergehjken vorm bevatten voortplantingscellen (sporen). I it de asch van het blaaswier en die van talrijke andere zeewieren bereidde men vroeger de varek-soda; tegenwoordig wordt er nog jodium uit verkregen, liet Uouzenwier {Miicrocyxti# pynfem) der Zuidelijke zeeën zou op verschillende plaatsen, b.v. aan de falk la nils-ei land (in, eono lengte van 100â400 M bereiken, het is dus de langste aller planten. De in de Noordzee groeiende Zeesnaar {Chorda bezit draadvormige stengels
van meer dan lü M lengte en meerdere andere soorten bezitten hladvonnigo takken van 10 15 M lengte.
Wit'icn.
A i'lc soorten van /eewiercii leven op oiuliejjfen en ImMlou een praehtigeti
iiiinlilillt; aan. eeni^e lieei ljik scliarlakenrood, iindere piiipef, violet, Hn weelaclitig ^i'oen. geel, wit, bruin en zwart van kleur. Ook in Imn vorm vertoonen zij de grootste verselnddenlieid, daar /.ij zich voordoen als naliootsingen van i'ikenluoC, \an peul-dragende gewassen, van bladereu en bessen dragende struikjes enz. Het lïeswier (Sttrijdsmin hticcifrrmii) komt als I M lang, sterk xci'takt plantje in den Atlantiselien Oceaan in zulk eene menigte drijvende voor. dat bet eene opjiervlakte bedekt (i -7 maal zoo groot als Dnitscliland (Saragassazee). liet groeit aan de kust. liet lersehe mos (Chomlrtt* fm/w») wordt medicinaal en techniscli gebruikt als slijingevend middel. Vele zee- en zoetwaterwieren bestaan slechts uit zeer teere draden, b.v. d(! Draadwieren (Cinifnmis), Mvenzoo het Penseel wier (lgt;r« fiu-â inihlid), dat in helder bronwater leeft; zijne takken bestaan uit tot penseelvonnige bundels vereenigde draden. Andere vormen slijmerige v liezen, met zelfstandig heen en weer trillende draden (Oiwillnrien) of dikkere geleiniassa's. met daarin gtdogen sporenzakken of afzonderlijke Hporen, als de Aardgelei (.Vos* or) enz. I )e eenvoudigste wieren eindeljjk zijn uit slechts ééne of weinige cellen samengesteld en vermenigvuldigen zicb vooi'iiainelijk door deeling. lOene groep bezit we(d\i\ slijmerige cel wanden, als b.v, de Desmidien (/'/â¢o/ocimvm.s). Knkele hiertoe hehoorende soorten kleuren de sneeuw der Alpen en der Poolgewesten plaatselijk purperrood; andere bedekken uitgestrekte vlakten op zee (de Uoode zee) en nog andere de schors der boomen en geven daaraan de uToene kleur, die zii zoo dikwiils ver Kene andere groep van eencellige wieren, de Dia-tomeeën, bezit een teer kiezelpantser, /ij vertoonen eigenaardige bewegingsverschijnselen, waardoor vroegere onderzoekers er toe kwamen ze tot de Infusiediertjes te rekenen. Zij hebben in vroegen; aard-perioden eene groote rol gespeeld bij de vorming van gesteenten en nog zetten zij zich op sommige plaatsen op den bodem der zee iu kolossale hoeveelheden af of vei inenigvuldigen zich iu veenmoerassen zoo
i I :i
41 4 fltit. pin aten rijk. Sporoplanten.
sterk, diit de mos- of veenbcdckk ing open barst en de witte kiezelgoer aan de ojijKM'vlakte tmult. Igt;e vlukto van Maagdenburg fot Sti'ttin rnsf op eene laag kiezelgoei' van (i I25 M dikte, die oj) vochtige plekken nog voortgaat zieb verder te ontwikkelen. lt; )|) I (I daarvan komen ongeveer I.U t.500.000 afzonderlijke wieren.
De Korstmossen (l.icht'iKv), dir vroeger als eene afzonderlijke klasse van planten bekend was, zijn gebleken wieren te zjjn, waarop zwammen parasitisch leven, /jj komen voor op rotsen, boomstammen of op den grond en wel als eoiie korst of als een bladvormig vlak thallns of eindeljjk in den vorm van een klein struikje, liet tbalbis bestaat nit eene scborslaag, eene losse Inerg-laag en eene tnsschen lieide gelegen laag van groenaebtige of anders gekleurde voortplantiiigscelleii (gonidién, eigenlijk de wiercellcn, waaroj) de andere deelen parasitisch leven). Meestal vertoonen zij uitwendig (!(me grijze kleur; bruine, gele en zells scliarlakenroode korstmossen worden even zoo aangetroffen, levendig groen gekleurde nooit. I)e sporen vormen zicb in bijzondere spoordragers, die uit kh'ine loodrecht naast elkander geplaatste buisjes bestaan, waaruit de sporen treden, zoodrn ze rijp geworden zjjn. De korstmossen zijn even ongevoelig voor koude als voor hitte: bun groei kan zonder schade door jaren lange rust onderbroken worden. Men vindt ze op de koudste deelen der aarde binnen de poolcirkels en op de hoogste rotstoppen der Alpen: zij hechten zich op de hardste rotsen vast en leveren door hunne verweering eene humusliiag, waar andere, meer volkomen planten in kunnen groeien. Knkele soorten, die de dorste steppen en woestijnen van Middel-,\zié bewonen, bieden aan de nomadische bevolking in tijd van nood eene, al is 'took zeer schrale, spijs. Het IJsland se he mos (Cclmria
hlandka. Tab. 10 Fig. II) is een van de struikachtige vormen, liet groeit in groote menigte in alle noordeljjke landen; in Duitseh-land op het gebergte. Men wendt het als geneesmiddel aan om de bittere stof, die het bevat. Noordelijke volkeren gebruiken liet in tijden van gebrek als toevoegsel bij het brood, evenzoo meerdere soorten van Gi/uophora, Ken zeer fraai struikachtig gewas is het K endier mos (Chulonid. rdrujifi'rina, Tab. 10 Fig. 12), dat ook hier op heidegrond en in bosscben algemeen voorkomt. Dit en talrijke andere korstmossen vormen in den winter het boofdvoedsel van het rendier. Het Ververs mos {Uoccella tinc-toria) komt aan de kust van Zuid Europa voor;
Zw.UIIIMCII.
moil beroidt daiiruit do foodc ovscilU; 011 poM'sio en lii't Idaihvc liikinoos; ook o«iiige audero koi'stinossGii, b.v. de Lecanom Parclln. dioiicu voor «en dci'felijk doel. Hef. lv01'a 1 e n mi o s ( t.ladouin cilt;cc}jlt;u'(i) wordt door toeristen iu quot;t n'elici'ntc gaarne als lieriniiemig nieegenoinoii. Ken vreenul voorkomen hebben de Haard-korstmossen (IJsricn.), die witachtig grijs van kleur zijnde, de boomstamnieu soms als lang afhangenden baard of haar|iniik bedekken en wel armlengte bereiken. De talrijke soorten van t'nnyndid liedekken tie booinstaimueu als tapijten.
De laatste Klasse van planten, die wij te bidiandelen hebben, is die der Zwammen {Fungi), Zij is even rijk aan soorten (meer dan 5000) als aan vorschcidenheid van vormen, liet thailns dezer planten bestaat uit biadgroenvrjje cellen ot draden, uit rijen van cellen samengesteld, die een teer draderig weefsel voiinon tyiycalinm), llieraan ontwikkelen zieii eén ol meiM' \-riiehtlieliameii, waai'aan de sporen ontstaan, die meestal verbazend klein zijn. zoodat ze zieb als stof in de luelit verspreiden en soms in het, water door trillende draden of wimpers zieb selijjnbaar willekeurig bewegen (zwermsporen). /ij leven op de overblijfsels van planten en dieren (saprophyten) ofwel als parasieten in of op planten en dieren. Vandaar, dat zij bladgroen noch zetmeel bevatten, en geen licht behoeven.
De meest bekende en aanzienlijkste zijn de -Paddestoelen, waarvan we twee soorten afbeelden. De gewone Vliegen/, wam (Agnricm mitmtriu*, Tab. I(i Fig. li) wordt in den nazomer in onze loofbosschen veelvuldig aangetrotfen. I it do in het vorige jaar ontwikkelde sporen ontwikkelt zich in den grond een fijn vlechtwerk van witte draden, die een dicht vilt vormen, liet groote vruchtlichaam, dat zich daaruit vormt, wordt algemeen voor de eigenlijke zwam aangezien. Aanvankelijk is bet door een taai vlies omgeven; het verheft zich op een uit los celweefsel bestaandon steel, doet dit vlies open barsten en vertoont zich dan als een halfbolvormigen, tot schijfvormigen hoed. Knkele overblijfsels van bet vroegere omhulsel blijven als witte verhevenheden op het scharlakenroodc bovenvlak van den hoed zitten. Aan de onderzjjde ervan staan straalsgewijs talrijke bladen loodrecht daarop. Deze zijn met eene teere huid overtrokken, welke de sporen voortbrengt, die telkens ten getale van vier op eene steelvormige verbooging staan. De vliegenzwam is, als de meeste barer verwanten, zeer vergiftig. Het genot ervan werkt tegelijkertijd verdoovend en scherp. De bewoners van Ivamtsehatka zouden ze bij de bereiding van een bedwelmenden drank gebruiken; hier wordt zij in stukken gesneden en met melk overgoten als vliegenvergift gebruikt. Hij vergiftiging met zwammen dient men het genotene zoo spoedig mogelijk door een braakmiddel te \ erwjjderen en drinke dan zeer veel lauw water of neme een eetlepel riciuusolie in. Van de eetbare paddestoelen noemen wij den Champignon (Agai'inis rampeslris, Tab, l(i Fig. 15) van witgeelachtige tot bruinachtige kleur
Hot plnntenrijk. Spoieplanteii.
met rose blaadjes en juiugeiiamon, nootaclitigcMi smaak. Men vindt hem 's zomers soms veel in weilanden op plaatsen, waar mest gelegen heeft. Brengt men deelen van liet micelium in mestbeddingen, dan kan men champignon» in groote hoeveellieid kweeken. Beludve deze, zijn nog talrijke andere soorten eetbaar; men moet er evenwel zeer voorzichtig mee zijn, daar ze door iemand, die ze niet goed kent, licht verwisseld worden mei vergiftige zwammen, die er veel op gelijken. Door ze meermalen in zoutwater uit te trekken of af te koken zou men er de giftige eigenschappen aan kunnen outneinen. Vóór de uitvinding der lucifers maakte men groote massa's zwam, voornamelijk van den hoed van Pohjiiorux fonioilarhiH, die zieh in bossclien op de boomstammen ontwikkelt. Men sneed hem in stukken, drenkte deze met eene oplossing van salpeter en klopte ze dan plat. Verwant daarmee is de bernehte II nis/wam (Merulhi* lacriiitiiuin), die in staat is het houtwerk van geheele huizen, schepen en injjnwerken te verwoesten, liet drenken van het vooraf goed gedroogde hout mot carbolzuur enz., maar vooral de verwijdering van vocht uit den bodem en van teelaarde, waarin de sporen zich ontwikkelen, zjjn de beste bestrijdingsmiddelen. liet myeeliuin van verscheidene dergelijke /.wammen licht in het donker (pliosiiliornscceron). Igt;jj de S e h ij f/. w a m in e n bevindt zich de sporen-voortbrengende huid aan de oppervlakte; van den hoed en legt zich daar in onregelmatige plooien. Daartoe behoort de eetbare Morielje {Moi'dii'lla ('xculciilii. Tab. Hi Fig. llgt;). Hij de TruHels (Tulmr eihirriinn, Tab. Mi Fig. 17) heeft het vraclitliehmun eene bolvormige gedaante en de sporen ontstaan inwendig. De echte truffel groeit in Zuid-Europa in eikenen kastanjebosschen onder den grond en wordt met behulp van honden en zwijnen gezucht. Hij wordt in schijven gesneden, gedroogd eu als lekkernij duur betaald. Vele kleinere zwammen groeien op de bladeren en stengels van andere planten. Verschillende soorten van Krhyphe bedekken de onderzijde van vele bladeren en vormen de meeldauw. K. Tm-kitn bedekt de Idaderen en de onrijpe bessen van den wijnstok en veroorzaakt een stilstand in den groei, zoodat de bessen uitdrogen en openscheuren (drnivenziekte. sedert 1850 bekend, tegenmiddel zwav(d). De grijsgroene Pc n s e e I se h i in m e 1 (l'ciiicillutn ijlaucuin) is de meest voorkomende schimmelzvvam in onze huishoudingen ontwikkelt zich op eetwaren, als brood, vleesch en vruchten en op inkt. Met Moederkoren is (sen uitwendig violet, van binnen wit lichaam, in grootte en vorm met de roggekorrel overeenstemmend, dat zich in rogge-aren, doch ook in andere grasaren vormt. De oorsprong ervan is te zoeken in eene zwam, Clavicei»» -purpurm, wier myeelinm op de jonge vruchtbeginsels der roggebloemen woekert en deze doodt. Hierop ontstaan sporen, die naar andere roggebloemen overgebracht worden, zich evenzoo op de vruchtbeginsels daarvan ontwikkelen en wel tot een violet-zwart, hoornachtig lichaam, het moederkoren. Komt dat in den bodem, dan overwintert het.
/w.unmon.
In t volgende vooi-jaar lirengt het sporciKlmgor.s voort, die wel een millioen spoivn opleveren, wnurdoor de ]»;ts tot oiitw ikk.'ling gel^omen roggeliloenien worden aang'otnst. Het moederkoren is vergil'tig. De Museardine (Itntnihis lUimwm, veroorzaakt den dood der zijderups, j),. 1'. ra n d se li i m ni e 1 s veroorzaken den Itrnnd in liet gniftn. De Smeer- of Htiiiki»r«nd (Tilh-lhi vurim komt op de tarwcplant voor. De niveeliimidradeii dringen door de o])])erliuid der joime plant en woekeren daarin voort, terwijl de plant voortgroeit. Kerst in de vrnclit-lieginsels begint de sporen-vorming ten koste dezer bloenuleelen; liet weefsel der g'dieele plant is dan in eene roetachtige massa veranderd. De Koestseh immels tasten evenzoo de granen aan. en verminderen de opbrengst van vruehreii en stroo. I )e ontwikkeling van den (i raa n se h i m mei (l'iwiiiia ijiuiminii) is zeer merk waardig. In het voorjaar ontstaan op de bladeren van den berberisstruik roode opzwellingen ; bier woekert eene zwam, die ééncellige sporen voortbrengt. Deze sporen ontwikkelen zich op grasplanten (granen) aan bladeren en halmen als roode strepen en brengen na weinige dagen weer dergelijke sporen voort, die zieh dus snel verspreiden. In den herlst ontstaan zwarte strepen: de sebinimel brengt na tweeeellige wintersporen voort, die zich in 't volgende voorjaar alleen op berberis-planten kunnen ontwikkelen. Zonder deze planten kan deze scliimmelplant dus niet tot ontwikkeling komen. Andere soorten behoeven op dezelfde wijze sommi^e soorten van de familie der noragineeën. De A a r d a p p e I s c li i m m e I il'criino-sjioru wfeslam) is de oorzaak der aardappelziekte. In .Inli of Augustus ontstaan bruine vlakken op de bladeren; bet mycelium van een schimmel woekert door het bladgroen en verwoest dit. Iets later ontstaat hieruit aan de onderzijde eene witte schimmel\iinning, waaraan zwermsporen ontstaan, die door den wind op den bodem en op andere aardappelplanten geraken en bij rijkelijke bevodifiging daarvan ontstaan hierop na iM .'!() uren weer liriiine plekken. Komen de sporen op de knollen, dan worden deze ook aangetast, waardoor y.\] meestal in rotting overgaan. Ken vierkante m.M van den schimmel brengt 3000 sporen voort,
zoodat eene enkele plant een geheel veld, ja een beele streek kan aanstoken. De scbimmel overwintert op de knollen. Door vochtig weer wordt zijne ontwikkeling zeer bevorderd, De (i e-
Waqnku's Natuurlijke Historie, - 7
W 7
Het plant en rijk. sporculanten.
wone si'liiininel [Mucon Muccih) bezit oen spinwebaditig mycelium cu een reohtopstaa-ndou vruclitdriiger mot bolvormige spornngiën. Hij ontwikkelt zich op oud, vocbtig' brood, bedorven vleesclispij/.eii en gistende vruchtensappen. De (vist/.wam iSurcharoyni^^'s Ceret'hiue) veroorzaakt de omzetting eener verdunde suikeroplossing in koolzuur en alkolud. Hij bestaat uit bolvormige of' ovale cellen, die dikwijls rozenkransvormige of vertakte snoeren vormen. Zij vermenigvuldigen zich door dcoling. De sporen bevinden zich aan de oppervlakte der druiven enz. Ook de A z. ij n s r h i m in c 1 (Mi/codenim acdi), die de omzetting van alkolio! in azijn onder opneming van zuurstof veroorzaakt, behoort hiertoe. De eenvoudigste zwanimcn /ijn lt;le cónceiligo liactericn of Splijtzwammen (Sfhi'.oitnjcctcii). Zij /.ijn microscopisch klein, bol-, staafjes-, recht- of gewonden-draadvormig. Heilige zjju gekleurd (bloedend brood). Zij vcnnenigvuldigen zich door dVarsdeeling. Zij komen in de lucht, in water en aan de oppervlakte van allerlei lichiiineu voor. Zij oefenen grooten en velerlei invloed uit op de doode en de levende natuur. In plantuardigo en dierlijke storten verooi'zaken zij de rotting : zij zetten animoniakverbindingcn om in salpeterzure zouten: in de wortels van de vlinderbloemige planten levende, nemen zij stikstof uit de lucht op om deze in eiwitstoffen om te zetten, die de planl ten goede komen. Kindelijk zjjn zij de oorzaak, die talrijke ziekten doen ontstaan: cholera, typhus, dyphteritis, pokken, hondsdolheid, long- en beentering, miltvuur, wondkoorts enz.
Vroeger dacht men. dat de meeste der kleinste, eenvoudig gebouwde schimmel-plauteii en bacteriën voortbrengselen der rotting of gisting zelf zouden zijn en dat zij zich daarbij dus uit niet-gcorganiseerde stof zouden vormen (spontane generatie). Pasteur heeft bewezen, dat zjj zich slechts uit sporen van dezelfde soort kunnen ontwikkelen. Deze zijn evenwel zoo klein, komen zoo veelvuldig voor en z.ijn soms zoo goed bestand tegen allerlei invloeden (droogte, hooge of lage temperntuur), dat het z.eor moeilijk is ze ergens uit te sluiten. De aseptische behandeling bij operaties en lt;lc antiseptische behandeling van wonden enz. vindt hierin haren grond en heeft onberekenbaar veel nut gesticht.
Het is de scheikniidigen nog niet gelukt eene enkele levende cel uit anorganische bestanddeelen te verkrijgen en daardoor de groote klove te dempen, die nog bestaat tusselieu de georganiseerde wereld der dieren en planten en de anorganische wereld van het delfstofrijk.
lïH (lolfstoflVn- quot;I niiniMiiliMiriik'.
HET DELKSTOFFBN- Oh' MINI-IKAI.MNliMK.
He (IcHstoircn of ininunikni liozittoii goeno ltjj/.omlmgt; werktuigi'ii of omun'ii: /ij zijn li ie t-»t'o rj-üii i sim'id of n no r ga n i s lt;⢠li. Zij lu'incn gi-en vncdscl tot (kit iu liet iii\\('ii(lig(gt; vim hun iicliuain voiieonl wordt, om te iliencn \oor linn groei en liuiinc vcriiii-iiigvuliliging'. Wamiocr zij groeien, iliin i^ hel ilourdicn gelijksoortige stol', als waarnil zij liestaan. zieh aan hun oppervlak afzei.
De mineralen vormen tie vaste korst der Aarde, waars au w ij sleclils de Itovenste lagen kennen. Over tien inwfiitligeii toestand der aarde kunnen wij sleehls veronderstellingen maken, maar we weten daarvan niets niet zekerheid, In overeen-slenimiiig met de hvpothese van den philosooph Immanuel Kanl uit Koiiiiigsfiergen en den Franst'heii geleerde graaf Pierre Simon de Laplaee omtrent hel ontstaan van tuis zonnestelsel, wordt algemeen aangenomen, dat het inwendige der aarde zit'li in gloeienden, vloeibaren toestand lievindt. Volgens deze hvptithese moeien wij tuis het (Uitstaan van liet zonnestels(d in zjjn legenwoordigtMi toesiand als volgt voorstellen: De ruimte, die tegenwoordig door ons zonnestelsel is ingemanen, was oorspronkeljjk gevuld met eene zeer ijle, gasvormige materie van ontzaglijk hooge temperatuiir. die reeds alle stoffen lievatte. die nog in hel zonnestelsel voorkomen. De uitstraling van warmte in de ledige, koude omgeving was oorzaak van eene verlaging der temperatuur, die genaard ging met verdichting der materie. Door den invloed der wederzijdsrlie aantrekking der stofdeeltjes ontstond nu eene centrale kern van grooter (lichtheid, omgeven door eene atmosplieer, die naar den omtrek toe ijler en jjler werd. Deze massa geraakte in eene ronddraaiende beweging van bet Westen naar het Oosten, die naar gelang de verdichting voortging, steeds sneller en sneller werd. De kracht, noodig om de tleelen aan den omtrek aan deze beweging te doen deelnemen (de iniddelpiintzoekende kracht), werd bij toenemende snelheid der wenteling steeds grooter. Mindelijk was de wederzjjdscbe aantrekking, die de stofdeeltjes oj) elkander uitoefenden, daartoe niet meer voldoende, liet gevolg was, dat zieh groote nevelringeii van de gasmassa afscheidden, die evenwel in de draaiende beweging om de centrale kern bleven volharden, l it deze ringen vormden zich bolvormige gasmassa s. die zich nu in eene ongeveer cirkelvorinme baan om tie kern bleven bewegen, doch tevens nog in denzelfden zin als de hoofdmassa om hare eigen as bleven draaien. In zoo eene afgescheiden gasmassa vormde zieh eene nieuwe kern en daaraan deden zich ook verder dezelfde verschijnselen voor als boven beschreven zijn. tengevolge waarvan zich daarvan do manen of satellieten afscheidden. J)e ringvormige gasmassa kon ook als
11!)
Hot delfstoffen- of mlnernlenrijlc,
zoodiinig bljjvon bestaan, waarvan wc voorbeelden lu-hbon in de ringen van Saturnus. Zoo zou zich dus gevormd hebben: eene ecntrale massa de Zon, daaromheen op verschillende tijden en ii|i verschillende afstanden de Planeten, waaronder de Aarde, en om die planeten de Satellieten of' Manen en de ringen van Sa turn us; al deze hemellioliainen, in denzelt'den zin draaiende om hunne as (van W. naar O.'), en alle planeten zich om de zon bewegende in dezelfde richting, evenals de satellieten zich in diezelfde richting om de planeten bewegen.
De Kraiische natuurkundige l'latean bewees door eene proef, dat werkelijk eene vloeibare massa, die in snel roteerende beweging gebracht wordt, zich op deze wijze gedraagt. Hij vulde een glas met een mengsel van water en j^kobol, dat hetzelfde soortelijk gewicht had als oljjfolie. Te midden daarvan bracht hij, met heliulp van eene pipet, eene zekere hoeveelheid olijfolie, die den bolvorm aannam en die bleef zweven op de plaats, waar ze gebracht was. Door het middelpunt van den oliebol bracht hij nu een ijzeren draadje met eenige wiekjes, dat men kon ronddraaien, waarbij ook de bol om dat draadje als as wentelde. Aanvankelijk zag men den bol zich afplatten, bij snellere draaiing scheidde zich eene ringvormige oliemassa van den bol af, die in denzelfden zin bleef ronddraaien, bij nog grootere snelheid scheurde deze ring en splitste zich in enkele bollen. di»1 om hunne eigen as wentelden en tevens in eene cirkelvormige baan om den eentralen bol bleven voortgaan. Uronden om aan te nemen, dat de aarde zich werkelijk zoo gevormd beeft, vindt men in de volgende feiten: lo. Het onderzoek van de zonnestralen (door het spectroscoop) leert, dat op de zon geeue andere sloffen voorkomen als op aarde bekend zijn. Eveneens leert het onderzoek van de samenstelling der meteoorsteenen, dat deze geene andere stofl'en hevatten. In overeenstemming met de theorie mag men daaruit besluiten, dat alle hemellichamen, tot het zonnestelsel behoorend, uit dezelfde stoffen bestaan.
2o. Do beweging' der planeten om de Zon en van de Satellieten om de planeten is geheel in overeenstemming met de theorie; evenzoo de afplatting van de Aarde en van de l'laneten.
:to. De Zon bestaat, volgens de waarnemingen der sterrekundigen, uit eene gloeiende, vloeibare kern, omgeven door eene atmosfeer van dampvormige stoffen, waarin telkens condensatie plaats beeft. Ook de grootere planeten schijnen nog in uien toestand te verkeeren,
De temperatuur van den bodem wordt steeds hooger, zoo men er dieper indringt. Dit verschijnsel is algemeen, ofschoon men op sommige plaatsen 70 M. op andere slechts 25 .M dieper heeft te boren, om eene temperatuursverhooging van 1° C te verkrijgen. Gemiddeld mag men aannemen, dat de temperatuur op :?() M Iquot; C hooger wordt. Daar het diepste boorgat slechts 1748 M is, d. i. nauwelijks
V-iniiiiitr lt;!⢠i ;i;i nlkorsi.
tién vimluizendsto van den tunilsh'iial. kan men evenwel Iiiiu-uit onmogelijk gevoljf-trekkingen maken omtrent de teinpevatuur in liet middelpunt der aarde. Zoo men een oogenblik aanneemt, dat de vorhooging der temperatuur op deze wjj/.e voortgaat, dan zou op eene diepte vau liOÃO M de temperatuur reeds lot het knok punt van water gerezen zijn, op W KM diepte zou eene temperatmu' van 2000quot; en in liet middelpunt der aarde die van iiOOOOOquot; (' lieerschea. De heete brouuen en de vidkauisclie' verselnjnscdeu zijn bewijzen, dat werkeljjk op aaiizieiiljjko diepte under de aardoppervlakte liooge temperaturen lieersclien. Dit zoude evenwel ook een gevolg kannen zijn van de scheikundige werkingen, die daar plaats vinden. Zooals reeds gezegd is, zijn de gegevens, die men hoeft omtrent de temperatuur op gruotere diepte, te gering en te vaag, dan dat men daaruit gevolgtrekkingen zon mogen maken omtrent die van de kern der aarde.
Neemt men aan, dat de aarde zich werkelijk op deze wijze gevormd heeft, dan moeten zich, tengevolge der afkoeling door uitstraling, eerst do minst vluchtige stoften verdicht hebben tut eene vloeibare, gloeiende kern. terwijl de meer vluchtige stoften deze als eene zeer dichte, hooge atmospheer omgaven. Aan de oppervlakte dier vloeibare massa zal zich bij voortgezette afkoeling oene korst van vaste stol' moeten gevormd hebben. Deze korst werd steeds dikker, doch moest tevens sterk krimpen, er moeten plooien en scheuren in ontstaan zijn; door die scheuren moet menigmaal een gedeelte der vloeibare kern naar buiten getreden zijn. zoodat deze korst een zeer onregelmatig oppervlak en groot verschil in dikte moest vertoonen. Deze dikke, vaste korst moest nu, als een scherm tussdien de gloeiende kern en de atmospheer geplaatst, eene veel snellere afkoeling van de laatste veroorzaken. Tengevolge hiervan moesten tie minder vluchtige bestanddeelen er van zich op de vaste aardkorst afzetten en eindeljjk moest ook de waterdamp zich beginnen te verdichten. Hoewel aanvankeljjk het neervallende water weer spoedig zal verdampt zijn door den invloed van de heete aardkorst, moest deze daardoor op hare beurt aan de oppervlakte sneller afkoelen, tot eindeljjk alle diejiere doelen aan de vaste aardoppervlakte zich met water vulden, Kr ontstonden groote zeeën, meren, rivieren enz. .Vu begon het water in veroeniging met de gassen der atmospheer op de vaste aardkorst in te werken. De kristalljjue gesteenten verweerden, de verweeringsproducten werden door het .stroomeude water meegevoerd; waar dit tot rust kwam, bezonken de vaste deel en ervan. Kwamen deze bezinksels droog te liggen, dan was er een bodem gevormd, geschikt voor de ontwikkeling van levende wezens. De eerste planten en dieren konden op aarde ontstaan. Tengevolge der inkrimping van de aardkost veranderde hare oppervlakte telkens van vorm. Hier verhief zich de bodem, ginds daalde hij. Vulkanische uitbarstingen, een gevolg van het indringen van groote massa's waterdamp dooide gesteenten tot aan de gloeiende aardkern, brachten telkens groote veranderingen
'ic2^2 Htif fli'lfstolTon- ol' iniiHTnlcjirijfv.
to wei'g in don vorm der aardoppervlakto. Do vordeoling van land on zoo was telkons aan grooto vomndoringen ondorliovig. Het eone bezinksel werd liedekt door liet aiulcre of door kristalljjno gesteenten, dio in vloeibaren toestand uit spleten dor aardkost naar hniton drongen, of wol door vulkanischo producten. Deze vorscliillcndo stoffen workton hji olkandor in en hraoliton wedei'keorig grooto veranderingen in liaro sanienstolling on structuur te woog. Daarbij kwam do invloed van boogo tcni|K'ralnron on sterke; dnikkingen, waaraan /.ij bloot stonden, liet is dus g-oen wonder, dat do aardkorst woldra uit cono grooto vorsclicidenlieiil gestoentou moost bestaan, die nion in quot;t algotnocn in drie vorschillendt; groepen kan verdoelen:
Ie. 1' 1 u t nil i sc. lie gostcoutcui, ontstaan door afkoeling en kristallisatie dor oorspronkelijke, vlooibare kern massa.
'2o. Vulkanische gesteenten, door de vulkanen uitgeworpen.
3e. Sec] i ni en tui re gestcentnn. ontstaan uit de hozinksels van hot water.
Hot spreekt van zelf. dat ook nog op andere wijzen nieuwo gesteenten kunnen ontstaan zijn, h.v. door do Dpoenbooping van groot(^ hooveidlioid stof, afkomstig van andere gostooiiton, die \orwecrd zijn, en die door dou wind op bepaalde plaatsen soms in kolossale hooveelliedon weidt aangevoerd.
Siiniinige {quot;â¢cstooiiten bestaan uit oimo onkido inineraalsourt; de ineosto daarentegen zijn saniengusttdd uit verschillende inineraalsoerloii. die op eigenaardige wijze mot elkander zijn verbonden,
Ken Mineraal hoeft eene bepaalde stdieikundige sameiislclliug; d.w. z. men vindt or bejiaaldc grondsloffoii in, die er in vaste verlioudingcn in voorkomen. Zoo bestaat marmer uit li! doelen Koolstof, 4gt;S dooien Zuurstof on 4(1 deelen ('alcium ; kwarts uit '21 doelen Silicium on 32 doelen Zuurstof; Steenzout uit 35,5 deel Chloor en 23 deelen .Vatriuiu, Men kent tegenwoordig ongeveer 70 elomenton of grondstoflen. Deze worden oudersclioideii in Xiot-motaloii en Metalen. De eerste zijn lleliuin, ' W'aiorslet'. '/uurstof, 'Zwavel, Selenium, Tellurium, 'Chloor, Broom, .lood. fluor, 'Stikstof. Argon, 'l'lmsphor, Arsenik, Antimonium, Hoor, 'Koolstof ('li 'Silicium. Do inotalon wiirdon weer in verschilloude groepen verdeeld : Do Alkali lt;quot;⢠n, zijnde 'Kalium, 'Natrium, Uubidinm, Caesium en Lithium; de Aa rd a 1 k a I i-m e t a 1 e u : üariiim, Strontium, 'Calcium en '.Magnesium; do A a rd in e ta Ion : 'Aluminium. Bervlliuiu, 'riiorium. N'ttrium, .Erbium, Luntaan, Didvm eu ('erium. Do nu volaonde Zware inotalon (mdorschoidt men noa-
lt; O O
in nlot-odok' en edele. Do eerste zijn: Koball. Nikkel, 'l.lzor, Mangaan, Uraan, Chroom, Zink, Cadmium, Indium, (lallium, Germanium, Lood, Thallium, Koper, Hismutli, Vanadin, Molybdan, Wolfram, Tin, Titaan, Tantal, Niobium en Scaudiuin. Do edele zijn: Kwik, Zilver. Goud. Platina, Palladium, Rhodium, IJuthoiiium. Iridiuiu en Osmium. Sommige dezer olementen komen slechts in
K-Miiiii'iki'ii 'It-r miii'Tiilt.'ii
enkele zeldzame mineralen voor; andere zijn wel zeer verspreid, doch worden steeds slechts in geringe lioeveellieden gevonden, weer andere treft men overal en in ontzaglijke hoeveelheden aan en kunnen als de hootd-groiulstoflen der aardkorst worden aangemerkt. Deze laatste zjjn met een toeken ' gemerkt. De elementen komen in de natuur zelden als zoodanig voor. d. i. vrij of niet-verbonden met andere stollen. In den regel vormen zij scheikundige verbindingen, die vast. vloeibaar of gasvormig kunnen zijn.
De vaste stoffen vertoonen dikwijls geen bepaalden vorm. daar zij compacte massa's vormen, waaraan geen spoor van kristallisatie is op te merken; men noemt ze dan vormloos of amorph.
Soms vindt men de vaste mineralen als lichamen, begrensd door platte vlakken, die bepaalde hoeken met elkander maken en die dan ook altijd een min of meer regehnatigen vorm hebben. Dit zjjn kristallen.
De meeste mineralen bestaan uit tallooze. kleine kristallen, die met elkander vergroeid zjjn. zich dan ook niet behoorlijk konden ontwikkelen en waaraan de kristalvorm niet of zeer moeilijk te herkennen is: deze noemt men kristallijn.
De studie van den kristalvorm is van zeer groot belang, omdat hij het gemakkelijkste herkenningsmiddel voor de mineralen is. daar niet licht twee mineralen gevonden worden, die denzelfden kristalvorm bezitten. N\ el kan het gebeuren, dat cene en dezelfde stol' in twee of meer kristalvormen voorkomt; men noemt zulke stoffen di- of polj morph; voorbeelden zijn: Llzersultide (eene verbinding van ijzer en zwavel), dat als pyriet en inarkasiet geheel verschillende kristalvormen vertoont. Koolzure kalk (eene verbinding van kalk en koolzuur), dat als kalk spa at en ar ra go niet voorkomt, Koolstof, die als diamant en graph iet gevonden wordt enz.
Nog andere eigenschappen kunnen als belangrijke kenmerken voor de mineralen dienen: Het soortelijk gewicht is zeer uiteenloopend, doch bij een bepaald mineraal meestal zeer standvastig. De meer of mindere hardheid kan dikwijls als herkenningsmiddel dienen. Terwijl talk zich niet de nagels laai krassen, is kwarts harder dan staal en met diamant, de hardste aller bekende stoffen, kunnen alle andere mineralen bekrast worden. Verder is te letten op de taaiheid of broosheid, do kleur, de sp 1 ijtbaarheid, d. i. de eigenschap van vele mineralen van zich in bepaalde richtingen gemakkelijk te laten splijten (kalkspaat, glimmer, diamant), het meer of minder doorschijnend zijn, den eigeuaardigen glans en vele andere eigenschappen op bet licht betrekking hebbende en aan al deze eigenaardigheden zijn do mineralen gemakkelijk genoeg te herkennen.
Wij zullen slechts de allerbelangrijkste delfstoffen bespreken, vooral die, welke een groot aandeel hebben in de vorming der aardkorst en die. welke de mensch voor allerlei doeleinden heeft leeren gebruiken.
II-'l â¢li'llsiuiltMi of iiiin»'r;iN'iiiijI\
Kwarts- ol' Uiezclgestccntcn.
De kwarts- ol' k iczolgestuuntou munten vooral uit dooi' liuimc grooto hurcllieid; zjj lirengen op glas krassen te weeg, laten zich moestal niet door een mes bekrassen en geven met staal vonken. Zjj zjjn soortelijk ongeveer dubbel zoo zwaar als water.
Kwarts in zuiveren, gekristalliseerden toestiind is 15 c i'gk r i s ta 1 (Tab. 17. Pig. 1). Dit bestaat uil glasaelitige, doorzichtige, soms ook gekleinde kristallen in den vorm van regelmatige, zeszjjdigo zuilen, die van boven in eene zeszjjdige livrauiide eindigen. Het wordt in kloven en holten van rotsen gevonden, die uit klezelrijke gesteenten zjjn samengesteld. In de Alpen (aan het St. (lothardgebergte) ontdekte men eens een zoogenaatnden kristalkelder, di(^ niet minder dan 50000 KU bergkristal bevatte, ter waarde van ruim tl. 50000; enkele kristallen wogen üOOâ700 K(i. De grootste er van worden in bet museum te Bern bewaard; ze zjjn diepzwart van kleur, daarbjj spiegelend glad en hebben eene lengte van (i!t ISquot; eM en een omtrek van 100 12'J e.M. (gt;|i het eiland .Mailagascar en in Brazilië heeft men kristallen van 5 M omtrek gevonden. 1 it de schoonste stukken sljjpt men tafelgoreedsehap, lenzen voor verrekjjkers en vergrootglazen, versierselen enz.; stukken van mindere waarde worden aangewend voor de fabrikatie der fijnste glassoorten (kristalglas). De kleur, die sommige kwartskristallen vertoonen, is te danken aan de aanwezigheid van geringe hoeveelheden vreemde bestanddeelen; zoo is de Rookkwarts donkorgrjjs-zwart gekleurd door organische stoffen. Vele dezer kwartsoorten worden om hare prachtige kleuren als half-edelsteenen geslepen.
Amethist (Fig. 17, Pig. '2) is violet gekleurd door mangaanverbindingen; het wordt vooral op ('eylon. in Brazilli'. Duitschland, I lon^arjje en Siberië gevonden. Citrlen k warts is geel; bet wordt ook valscbe topaas genoemd. Hozen-kwarts is rose, |k rase in is groen, Katoog is groenachtig geel en vertoont bjj draaiing eigenaardige liehtstrepen, waardoor het aan hef oog eener kat doet denken.
Veel meer dan de min of meer regelmatig gekristalliseerde kwartssoorteu komt het kristallijne Gemeene kwarts of het Kiezel voor. Het vormt op zichzelf geheele bergmassa's en is tevens een wezenljjk bestanddeel van verschillende, hoogst belangrijke samengestelde gesteenten (n.l, die uit verschillende mineralen ziji'. samengesteld). Het bezit eeue witte, grijze, blauw- of roodachtige kleur en glasglans, In fijn verdeelden toestand komt het algemeen voor als gewoon zand of kiezelzand.
De Vuurstee ii is een g'rjjzo ol' zwarte, soms geelachtige kiezelsteen met schelpvornilgeu breuk, die in den vorm van g roe te re of kleinere knollen meestal laagsgewijze in krijt of' mergel voorkomt. Hij is amorph. Wordt hij verbrijzeld.
Kwarls 'il'
tliiii levert liij scliorpkaiitige stukkon op. Zijn gobmik voor werktui^on en wapons in vóór-historisclie tijden on lator in de vuiii'stetMigeworeii niaakto hem xroi'goi' tot eene lielangrijke grondstot'.
Veel overeenkomst hiermee heeft de Agaat, die in bolvormige stukken (agaatamandelen) voorkomt, welke roiulaehtige holten in vulk.misehe gesteenten vullen. Iljj bestaat uit lagen van verschillend, meest levendig gekleurd kiezel. Roode, groene, lil.iuwe en witte lagen wisselen met elkander at' en zijn oj) vei'S( billende wijzen gerangschikt, waardoor de geslepen stukken eene groote vi-rscbeidenheid van teekeningen vertoonen (band-.
vesting-, ruïneagaat enz.). Agaten worden tot allerlei versierselen en gereedschappen verwerkt, svut bjjiiii uitsluitend in Oberstein ad \:ihe geschiedt. Daar was vroeger de voornaamste vindplaats: tegenwoordig komen de meeste agaten uit lira-zilië en Ib'aguay. De 'Toetsteen,
een door koolstot' zwart gekleurd, amorpb kiezel, wordi door de goudsmeden gebruikt, om bij benadering het goudgehalte van legeeringen te bepalen. Metalen laten er n.l. eene zichtbare streep op achter. Naar de kleur daarvan en naar de verandering, die ze ondergaat bij bevochtiging met salpeterzuur (sterkwater), waarin goud niet oplost, beoordeelt men het goudgohalte. ('alce doon is doorschijnend, verschillend gekleurd en wordt lot vervaardiging van allerlei gereedschap gebruikt. ' it Onyx, dat uil witte, bruine en zwarte lagen is samengesteld, werden vroeger kostbare cameeën gesneden. Opaal is een waterhoudend, amorpb kiezelgesteente, minder hard dan kwarts. De melkwitte! variëteit, met prachtige kleurspeling, is een edelgesteente.
Wat het ontstaan van kwarts of' kiezel betreft, voor een deel schijnt, bet als een plutonisch gesteente door het stollen van de gloeiend-vloeibare aardmassa ontstaan te zjjn. Voor een deel zeker ook door de medewerking van water en van planten en dieren. Ofsclioon het in den gewonen zin van het woord onoplosbaar is, kunnen groote watermassa's er toch aanzienlijke hoeveelheden van opnemen. In het water van den l!ijn vindt men op 100000 deelen i deelen kwarts opgelost, in zeewater :{ deelen, in dal van de (ieyser-bronnen op I.Island ruim 50 deelen. In de nabijheid van geysers vindt men dan ook aanzienlijke
Hot (lolfst.otTV'ii- ut' inineralciirijk.
lagen van kiezolsinfnr, die zich uit liet heete water hooft afgezet. Dat bergkristal zich evenzoo nit water heeft afgezet, doch door zeer langzame kristallisatie. wordt niet alleen bewezen door de eigenaardige wijze, waarop het voorkomt, maar ook door het feit. dat men met heliii!|) van het microscoop in zeer dun geslepen plaatjes er van kleine holten ontdekt, die water bevatten. De vuursteen is ontstaan uit de kiezelsehalen vaa üadiolariën (lot dc Foraniinifecreii lichoorend). Diatomeeën en /vvamnien; zij worden soms nog in du buitenste lageu van den vuursteen in gaven toestand aangetroffen. \iet zelden levert de vuursteen het materiaal voor de versteening van verschillende diervormen, vooral van Zeeappels. |)e I n t nsor i é n a a rde is evenzoo het product van dierlijk en plantaardig loven. Zij bestaat uit de losse of weinig samenhangende schalen van Diatomeeën. Deze kleine plantjes (I lt;M:I bevat er (100(1 millioen) onttrokken het kiezel nan het water, waarin het is opgelost, om er hare pantsers van te vormen. Deze laatste bezinken en vormen op den bodem der zee of in het zoetwater dikke lagen van een fijn, op meel gelijkend kiezel, dat door de aanwezigheid van vreemde bestanddeelen verschillend gekleurd is. De infiisoriënaurde wordt als polijstmiddel. ids vormzand. voor de bereiding van dvnamict enz. gebruikt. Zij wordt in verschillende streken van Duitscbland (Luuenbnrgerhcidc. Hessen enz.) in I fiatgai'jje, Italic, /weden, llrazilië enz. gevondeti. Men heeft er in tijden van nood wel brood van gebakken.
Niet minder belangrijk dan het kwarts in zijne verschillende vormen zijn de verbindingon van deze stof met metaaloxvden. de zoogenaaindc Silicaten 1). \;in do honderden silie.afen. dio men als ininoralen aantreft, licspreken wij sleidits enkele der voornaamste. Veldspaat komt voor iti kristallen, die den vorm vertoonen van eene zeszijdige zuil, die aan de beide uiteinden in 'i sclmine vlakken eindigt. 1 wee van de zijvlakken, die evenwijdig aim elkander liggen, zijn altijd grooter dan de andere en hebben sterkeren glans. In de richting dezer vlakken laat liet kristal zich zeer gemakkelijk splijten (vandaar de naam spaat). \eldspaat is eene verbinding van twee silicaten (dubbel-silicaat), id.: van Adiuniiiiiiin-silicaat on Kalium-. Natrium- of Ivalk-silicaat. Het is roodachtig wit van kleur, minder hard dan kwarts en gemakkelijk herkenbaar aan /,jjno paarlomoor-glanzendc spljjtingsvlakkcai. liet vormt een belangrijk bestanddeel van vele gesteenten, doch vormt ook op zich zelf' groote rotsmassa's. Jlet verweert licht. Op zjjne belangrjjke vorwoeringsproductcn komen wij nader terug. II oo r n b 10 n de is een groen of zwart mineraal, harder dan staal,
1) Kwarts is Silimm-oxydo, dat lot 'Ie zuo^onaannlo zure uxyden behoort, evenals pliosphoroxyde, /.waveloxyde, koolstol'oxyde, arslt;,iiiknxydo enz. Deze zure oxydon liebï)t*ii di' eigensrliap zich met metaaloxydon to kunnen vrMbindrii tot zouten, die naar gelang1 van het zmir-oxydc. dat z|j bevatten, genoemd worden: silicaten, phos p haten , sul fa ton, earbu naton, arsenat«'n «'iiz.
___
Kwiirls- uiquot; ki⢠1'^gt;'vtt'i'iitâ¢â¢ii.
ilocli minder hard dan kwarts. Zjj komt in kristallen voor in den vorm van 4- i)l' ti-zijjdi»'e zuilen, die in 'i driehoekige ot' miu ormijie vlakken eindigen, doch vormt meestal dichte rotsmassa's ot' een hestanddeel van samengestelde gesteenten. Igt;e liooi'dhestanddeelcii zijn Magnesium- en l.lzcrsiücaat, doch ook de silicaten van ('alcinm. Kalium, Natrium en Alumiuiuni komen in wisselende hoeveelheden voor. Daar dit mineraal licht smelthaar is, wordt la^t voia'..steenglasquot; gebruikt, waarvan knoopen en dergelijke dingen vervaardigd worden. Vugiet onderscheidt zich voornameljjk dooi' den kristalvorm van hoornhlende; het is rjjker aan kalk en verweert gemakkelijker. Ashest is een wit. lijnvczelig mineraal, dat zijdeglans hezit. De vezels laten zich gemakkelijk tot een groven draad spinnen, waarvan vuurvaste kleedingstukken, waterlihers en andere dingen vervaardigd worden. Daar het niet door loogen wordt aangetast, gebruikt men liet ook om deze te liltreeren. liet wordt in /witserland en 'I'srol gevonden, meestal in gangen van ser|)entijiirotscn, Se r p e n t ij n (Tab. 17 l'ig. I!) is een waterhoudend inagnesinm-silicaat. De lichlgeklenrde varii'tciten worden edele serpentijn genoemd; meestal zijn zij groen of' zwart gevlekt of' geaderd (slangensteen i, In vers ellen toestand is de serpentijn zeer zacht en laat zich dan op de draaibank bewerken en fraai polijsten ; in de lucht wordl hij harder. Men maakt er vjjzcls en allerlei kleine voorwerpen van. Hij wordt in de l'vreneecn, de Apennijnen, Silezië, Moravië, ('ornwallis en /weden gevonden. Ook Meer schuim heeft dezelfde samenstelling, liet is amorph. wit, geel of'grijsachtig en ondoorschijnend met schelpachtigen break en wordt ia serpentijnlagen gevonilen. voornamelijk in 'iriekenland. Moravië^ en Ivlein-Azië1. liet meerschuim wordt verwerkt tot pijpekoppen. Van den afval wordt kunstmatig meerschuitn vervaardigd, dat in was gekookt cn gepolijst wordt (oliekoppen), liet is zeer poreus, zoodat het aanvankelijk op water drijft. De Talksteen heeft evenzoo dezelfde samenstelling, doch is kristallijn, ofschoon hij gewoonlijk in bladerige of schubachtige massa's voorkomt. Hij is zeer zacht, vettig op het gevoel cn bezit paarlemoerglans. De iets hardere als Speksteen bekende variëteit wordt gebruikt om vlekken uit laken te maken en als poljjstniiddel voor gipsbeeldeti. spiegels enz. Men kan er zelfs mee schrijven op laken, zjjde enz. Zeer merkwaardig zijn de lt;j 1 immmersoorten. Zij bezitten een eigenaardigen paaiieinoerachtigen glans op de splijtingsvlakken en zijn buitengewoon gemakkelijk splijtbaar, lïeeds met de vingernagels, docli beter met een mes, laat glimmer zich in verbazend fijne blaadjes splijten. Deze zijn veerkrachtig en buigzaam. De voornaamste soorten zijn Kal iumgliminer en Magnesi um gl i m m e r. De eerste is volkomen doorzichtig. Qroote bladen er van worden als vensterglas, lainpeglazen, ruitjes in kachels, schutbrilleii voor smeden en steenhouwers enz. gebruikt, (flimmer wordt in den l'ral (Russisch glas). Siberië', \oord-Amerika. Scandinavië, Finland,
ff«'l .lolfstoffon- olquot; miiuMJiloniijk.
aim il(!ii St. Oollmnl enz. gevctiidon. Als Itegtamldcel van sanieii^ostelde gesteenten is de kaliuingliniiiivr een der meest verspreide mineralen. Do samenstelling komt overeen met die van kalinmveldspaat. De magnesinmgliininer bevat meer magnesinin. Iljj is meest donker van kleur en ondoorzichtig en komt Iiijna uitsluitend als hestanddeel van vele gesteenten voor. Olimmer verweert niet gemakkelijk en komt dan ook niet zelden gemengd met zand voor.
/ooals wij reeds o|iinerkten, komen de Iioven beliandeld*! delfstotfen in den regel niet als groote sameidiangende rotsmassa's voor. Meestal worden ze aange-troflen als de bestaatIdeelen van de sameng((stelde kristalljjne gesteenten, waarin zjj zonder liindiniddel met elkander vergroeid, a. li. w. samengesmolten zijn. /.elden zijn de bestanddeelen daarin in geljjkmatige hoeveellieden voorhanden; een der mineralen is meestal hei: heerseliende. Men uiilt;lttmdiei(lt verschillende groepen: Vekhyaulfijlw yoslcenten. Graniet is liet meest voorkomende van alle gemengde, kristalljjne gesteenten, liet bestaat uit veldspaat, kwarts en glimmer. Zjjne kleur hangt voornameljjk af van die van liet veldspaat; ze is dus meest roodachtig tot wit. (ieheele borgen en gebergten zijn er uit samengesteld. veelvuldig bestaat juist do centrale kern van de gebergten uit graniet, zooals bjj de Alpen, de Karpathon, hot Heuzeugebergte, do llartz enz. hot geval is. (Jraniet is zeer hard en moeilijk te bewerken. .Men breekt hot uit door middel van ijzeren of' houten wiggen: op vele plaatsen doet men de rotsen mot kruit ot' dynamiet springen om granietldokken to winnen. Het laat zich slijpen en fraai polijsten en wordt veel gebruikt om er voetstukken van standbeelden, zuilen, fondamenten van gebouwen, trottoirs, straatstoenen enz. van te maken. Wannoer het eeno leiachtige structnur vertoont, de korrels daarbij dun en glad zijn en er granaten in voorkomen, noemt men het gesteente Gr rami liet. Is het gesteente zeer rijk aan glimmer, die in dikkere of dunnere lagen voorkomt, dan wordt hot (Ine is genoemd. Dit komt even veelvuldig voor als graniet; oen groot deel dor Middel-Alpen, van do Itoheemsehe gebergten, hot Zwarte woud enz. zijn daaruit gevormd, ook in Skandinavië, Schotland, Brazilië en Canada is hot zeer verspreid. Het is minder geschikt voor tochniscli gebruik dan graniet. S yen iet bestaat uit veldspaat en hoornblende, dikwijls met weinig glimmer en kwarts. Hot gelijkt op graniet, doch is donkerder van kleur en wordt voor dezelfde doeleinden als graniet aangewend.
li. Glinimdrrijl;/' t/eislemlen. (Iliinmorlei bestaat geheel uit glimmerblaadjos if uit afwisselende lagen van glimmer en kwarts, liet is een zwartgrijs, glanzend gesteente, dat soms op potlood gelijkt, (iewoonljjk vindt men het iu de nabijheid van gneis en vormt het. evenals dit, uitgestrekte bergmassa's. Slechts de vastere soorten zijn tochniseh bruikbaar voor dakbeklecding, trappen enz.
(lïoornhlemlerijkf genleejdeu, 1 Iet belaugrjjkste is D i or i e 1 of (i ro en st ee n.
Kwarts of wnl^n.
dat uit groenzwarte lioornhlemle en grijs- lt;if' groenachtig wit veldsiiaat hestaiit. liet is korrelig of leiaelitig, niet zoo verspreiil als de vorige gesteenten en wordt als straatsteenen gebruikt. De oude Mgyptenai'en vervaardigden uit dit ..zwait |)or|)liyrquot; luiniie afgodsheelden.
1). Aïiiiii-llioudcndc ijcsli'erdeu. Het zwarte of bruinzwarte inelanbier hesfa;it uit veldspaat en augiet en bevat steeds niagneetjjzererts (/ie lateri. (Hsehoon inelaphier tamelijk veelvuldig voorkomt, b.v. aan den voet van bet lieuzen-gebergte, aan den liondsruek, den llartz, in ({obeinen enz. vormt hef nergens groote rotsmassa's. Het komt voor als Diebt melapbier. als .Melapbiei porphyr en Melapbier-mandelsteen.
I'orphyren noemt men in quot;tal^emeen gesteenten, welke uit eene dichte s'rond-massa bestaan, waarin kristallen verspreid voorkomen ; in bet melapbier porphyr zijn dit veldspaat kristallen. Kwarts- of fel si et porphyr is roodachtig gekleurd : eene dichte grondmassa van fijnkorrelig graniet bevat grootere kristallen van kwarten veldspaat. Diorietporphyr bestaat uit eene fijnkorrelige grondmassa van dioriet met groote veldspaat- en boornblende-kristallen, De porphyren zijn meest hard en moeilijk verweerbaar en worden daarom voorbouw- en straatsteenen boo^ gewaardeerd, /.ij laten zich ook polijsten en worden in Zweden en Siberië tot allerlei kunstvoortbrengselen verwerkt. .M a n d e I s tee ne n noemt men gesteenten, die in eene dichte grondmassa talrijke ronde, peer- of aniandelvormige holten bevatten, die waarschijnlijk daarin ontstaan zijn toen het gesteente nog in gesmolten toestand verkeerde, door de ontwikkeling van «ten of ander gas. Dikwijls zijn deze holten geheel of gt â dcelteljjk gevuld, b.v. met kalk, ealcedon, agaat enz. Men moet aannemen, dat deze laatste mineralen zich gevormd hebben uit waterige oplossingen of dampen, die in latere perioden het gesteente doordroiifi'en en waaruit zij zich in deze holten door kristallisatie afzetten (infiltratie).
Al de bovengenoemde gesteenten hebben zich waarsehjjnljik gevormd uit de oorspronkelijk in gloeienden toestand verkeerende vloeibare aardmassa en vormden dus de oorspronkelijke aardkorst. Het groote verschil in structuur is te verklaren als een gevolg van bet groote verschil iu de omstandigheden, waarin de overgang tot den vasten toestand plaats vond. De bovenste lagen koelden het snelst af en ondervonden den geringsten druk. (frooto kristallen konden zich bij bet stollen niet vormen en de talrijke damp- en gasbellen, die er in voorkwamen, behielden bij het stollen hun vorm (mandelsteeiien). De daaronder gelegen lagen koelden minder snel at en ondervonden grooteren druk; damp- en gasbellen hadden gelegenheid te ontsnappen: enkele bestanddeelen hadden gelegenheid zich in groote kristallen af te scheiden, de grondmassa daarentegen stolde als eene dichte massa (porphyren). De onderste lagen eindelijk koelden nog langzamer en onder sterkeren druk af; alle mineralen, die zij bevatten, hadden
n. l (IcII'stolVfii- i.r iniin raloin jik.
gclogoiilioid te kristallisoeron of vormden kristalljjnc korrels (granietaclitige gesteenten).
De grootste moeiljiklieid biedt de Aeiklaring' van het ontstaan der Ivristalijjne leigesteenten (gneis, gliniinerlei enz.). Men meent de leiachtige stnietnur dezer gesteenten te mueten toesciirjjven aan den invloed van de kolossale drukkingen, waaraan zij hlootstonden. Alleen de druk der atmosplieer moet ontzaglijk groot geweest ziju. Immers deze bevutte toen nog alle water, dat nu in vloeibaren toestand de aarde hedekt en de aardlagen doordringt, en alle koolstof', die nu als steenkool. Iiruinkool, tui l' en als hcstanddeel van planten, dieren en mensehen in vasten vonu aiinwezig is, moet toen als koolzuur deel der ntmosidieer liehhen nitgeinaakt.
Tot de kiezelrjjke gesteenten hclioeren ook de meeste vulkanische ge-s| een ten. Daartoe liehuort in de eerste plaats Dasalt. een grijs-zwait gesteente van aanzienlijke hardheid, dal gewoonlijk voorkomt als op ziehzeit' staande kegel-
vormige bergen of als rotsmassa's, die door andere gesteenten heen gebroken zijn. N iet zelden is eene uil de diepte komende basalt zuil van hoven niet eeu breeden kop bezet. De gesteenten. diecraan grenzen, vertoonen dikwijls deu invloed der hoogt; teinpera-tnur, die het \ loei ha re basalt had. toen het er mee in aanraking kwam: kalk is
in marmer veranderd, zamlsteeiien zijn saniengebakken en verglaasd, hrninkolen zijn verkoold enz. Men onderseheidt Korrelig basalt of Doleriot, uit kris-tallijne korrels bestaande. Dicht of Eigenlijk basalt. Porph y ra eh t i g basalt, dat kristallen van angiet en hoornhlende bevat en 15 as a 11 m a n d e 1-sieen. /jjne bestanddeeleii zijn veldspaat, augiet en magneetijzerrrts. Dikwijls bevat liet kleine kristallen van liet geelachtig groen gekleurde (tlivien. Zeer merkwaardig is zijn voorkomen in verticale, vjjf-tot zevenzijdige regelmatige zuilen; men vindt er van 100 M lengteen 7 M dikte naast andere van slechts weinige cM. Soms vertoonen de zuilen ook nog eene dwarsgeleding. Men verklaart do splijting in zuilen door het stollen van liet basalt te vergelijken met het verharden van stijfsel, waarbij als gevolg der inkrimping eveneens zulk eene splijting der massa in zuilen plaats vindt. Hasalt wordt aangetroffen iu de Auvergne, den Eifel, liet Westerwoud enz. Beroemd om zjjne basaltzuilen is het eiland Staffa met tie Fingalsgrut aan de westkust van Schotland (Fig. '270). liasalt wordt gebruikt
Vulkanische jrt'steoiitHi. /oi
i.» 1
als houw- en straatsteen. I)(' mo I e n s ( ui'n 1 a va van Xcilcnncniiii;' a.-ni het LaiicIiiT meor is eene basaltsoort en wordt in den vorm van inolfiistccnen, ddi jicls enz. In-iade en ver verzonden. l'lionoliHi of' K I i n k sf een vindt men dikwijls als begeleider van basalt, liet is een hard gesteente van uToenacbtig- zwarte klenr. dat zieli in g-roote platen laat splijten, die bij liet stukslaan een helderen klank quot;even.
Trachiet is lichtgrijs en vormt een onduidelijk, fijnkorrelig mengsel van veldspaat, glimmer en hoornblende, dat meestal poreus en zeer ruw op 'i gevoel is. Soms komen er grootere kristallen van veldspaat, glimmer en hoornblcndc in voor. als bij een porphyr. Men vindt trachiet in het Zevengebergte, hel Wester-wond, Italië, Zevenbergen enz. Sommige soorten leveren een ('raai. al is 'i ook niet duurzaam boiiwmateriaal op. Du dom van Keulen is van trachiet van den ..Draclientelsquot; gebouwd. Puimsteen is eene witte of grijze, zeer poreuze lavasoort. Mij is rijk aan holten, bijna schuimachtig. waardoor hij op waler drijft. Iljj komt in vulkanische streken voor. zoo op eenige Liparische eilanden, in Hongarije, de Anvergne. de omstreken van het Laacber meer enz. Mij wordt als slijp- en polijstmiddel gvbniikt. Obsidiaan is glasachtige lava. die oj) kunstmatig, zwart glas gelijkt. Het komt in de nabijheid van nog werkzame of van uitgedoofde vulkanen voor. Vroeger werden er pijlspitsen, punten van lansen enz. van vervaardigd. De I,a va . die nog tegenwoordig bij vulkanische uitbarstingen ontstaat, verschilt in samenstelling naar gelang van den aard der gesteenten, die in gesmolten toestand door den vulkaan worden uitgeworpen, (iewoonlijk is zij grijs tot zwart. Aan de oppervlakte en in de nabijheid van den krater is /ij meestal zeer poreus, een gevolg vim de groote hoeveelheid oververhitten waterdamp, dien het gesmolten gesteente bevat. De lager gelegen lagen zijn dichter, hier is zij ook duidelijk kristallijn; vooral in microsoopische sljjpstukken zijn de afzonderlijke mineralen als kleine kristalletjes duidelijk te herkennen. De afnietiiigen der lava-stroomen zijn zeer verschillend. Die van de Mauno l.ao van het jaar IS.MI was d05 O lang. gemiddeld 'fXÃO M breed en tot IOà M dik. Vooral op 1.Island zijn kolossale lavavelden. de grootste der wereld. De V it 1 ka 11 i se he asch i-, niets anders dan fijn verdeelde lava. Zij wordt soms in verbazende hoeveelheid nitgevv01 pen. zooals in /ii door den \ esuvins, waarbij .! steden er onder bedolven werden, of in 1815 door een vulkaan op het eiland Soembawa, waarbij niet alleen dit eiland geheel onder asch bedolven werd. maar deze zelfs tot op Celebes en Java toe den bodem bedekte. Aan de oostkust van dir laatste eiland lag zij nog meer dan '20 eM hoog. I. ras is vulkanische a.seh. die door den invloed van water verhardt.
Jloe hard en duurzaam in t algemeen bet kiezel en de kiezelgesteenten ook zjjn, toch zijn zjj niet bestand tegen de atmospherisclie invloeden. Vooreerst staat de oppervlakte der gesteenten bloot aan den verwarinenden invloed der zonnestralen. De temperatuursverliooging, die er een gevolg van is, gaal met uitzetting gepaard
Hot (IftllstoffV-n- quot;f mineralonrijk
en tengevolge daarvan ontstaan zelfs in 't hardste gesteente zeer fijne barstjes of scheuren. In deze dringt water. Bevriest dit in den winter, dan zet het zich ail en met onweerstaanham' geweld wordt de nauwe spleet, waarin het zich bevend, verwijd. Do verwijde spleet vult zich weer met water, dat op zijne beurt bevriest en zoo worden de barsten steeds dieper en broeder tot eindelijk grootere of kleinere stukken vaa de rots zijn losgerukt. Deze vallen in de rivierbeddingen of worden door het afstroomende regenwater daarheen gevoerd. Door de groote snelheid is het water in de Irnrgstroomen in staat zelfs zware rotsblokken over den bodem voort te stuwen. Door wrijving en schuring tegen elkander en tegen de rotsachtige bedding worden deze brokken meer en meer verdeeld en afgeschuurd, de hoeken en kanten worden afgerond en zoo ontstaan rolsteenen, grint en zand. die naarmate zij fijner worden, gemakkelijker door het water worden meegenomen, al verliest dit in den benedenloop der rivier meer en meer zijne snelheid. Daar waar do stroomsnelheid geringer is zet zich het zand in groote massa's in de rivier af. /00 ontstaan vooral aan de riviermonding groote zandbanken. Van de hoeveelheid der vaste stotfen. die jaarlijks door de rivieren naar zee gevoerd werden, krijgt men een denkbeeld, zoo men weet, dat do Rjjn bijna 2 millioen M:1, de Mississippi 75 millioen Men de (jnnges bijna dubbel zooveel daarvan er heen voeren. lt; gt;ok het zeewater schunrt en knaagt voortdurend aan de kusten; waar sterke branding is, worden zelfs de hardste rotsen ondermijnd en ware ons land niet door duinen en dijken beschermd, de zee hadde er zich al lang van meester gemaakt.
Behalve deze mechanische werkingen van het water lost het verder ook nog van de gesteenten, waarmee het in aanraking komt, grootere of geringere hoeveelheden op. W ij zagen reeds, dat geen enkel gesteente absoluut onoplosbaar te noemen is,
Eindelijk is de scheikundige invloed van de lucht eene der hoofdoorzaken der verweering van de gesteenten. Door de werking van de zuurstof der lueht ondergaan tal van gesteenten veranderingen, die eindigen met een totaal verval der mineralen, waaruit zij zjjn samengesteld. Misschien nog grooter is intusschen de invloed van het koolzuur. In verecniging met water worden daardoor tal van mineralen sterk aangetast en omgezet in stotfen, die gemakkelijk oplosbaar zijn in water. Vooral de working van het koolzuurhoudend water op veldspaat is zeer merkwaardig. Het kalium- of natriumsilicaat, dat hij bevat, wordt er door veranderd in dc zeer gemakkeljjk oplosbare carbonaten dier metalen, die met het water worden weggevoerd, liet andere bestanddeel, aluminiumsilicaat, blijft als zeer fijn poeder over. Op tal van plaatsen komt dit ver weeringsproduct van veldspaat en verwante mineralen in dikkere of dunnere lagen op of in den bodem voor. meestal vermengd met groote hoeveelheden zand en andere stoften, als leem, en vormt het hoofdbestanddeel der vruchtbare teelaarde. Waar deze
Klllkuvsf (Till ril.
slul sloclils woini^' \rc*ci)ul(! Ijoshtiidilock'ii licviii, vurnit /.ij ocnc /eer nlastisclic.
quot;liissji, die grooto waiirilt' hoeft jtis jgt;quot;roiulslot voor de vorvitiirdigiiig van bakisteondii, tlalqianiuui, bui/en, jgt;aunen en potten, pijpen en f'aience-artikelcn. Wordt ze eindelijk in volkomen /uivoren toestand gevonden ter plaatse, waar zij ontstaan is door de verweering van veldspaat, dan noemt men ze Porselein-aarde of Ivaolien; deze stof is voor de bereiding van porselein unontheerljjk.
De voornaamste verweeringsprodiieten der kiezelgesteenten zijn dus kiezelzand en klei. Vormen zij de hoofdbestauddeelen der teelaarde, zoo zelfs, dat vóór hun ontstaan onmogelijk planten of dieren op aarde konden voorkomen, en leveren zij di' ondstoffen op voor tal van industriën en kunstproducten, zij kunnen ook weer in hard gesteente veranderen. Zoo zijn de talrijke soorten Zandsteen ontstaan uit zand, waarvan de deeltjes door een of ander Inndmiddel (klei, kalk of kiezel) samengevoegd zijn. Van den aard van dit bindmiddel hangt de hardheid van den zandsteen alsmede zjjn weerstandsvermogen tegen de invloeden der atmosfeer af en dus zijne meerdere of mindere geschiktheid als bouwsteen. Leisteenen zijn ontstaan uit klei. die door den invloed van een sterken druk verhard is en eene leiachtige structuur heeft aangenomen.
\ an de wijze, waarop zand en klei zich in zoo machtige lagen op bepaalde plaatsen afzetten, zien wij overal om ons heen voorbeelden. De rivieren en beken voeren groote massa s dezer stoffen mee; de klei in zwevenden toestand, vooral bij hoog water; het zand doordien het over de bedding door het stroomendc water wordt voortgestuwd. \\ aar het water minder sterk stroomt, bezinkt de klei en hoopt het zand zich op. Zoo ontstaan de leemrijke rivier- en heek-la zinkingen lani^s de oevers \an rivieren en heken op de laag gelegen terreinen, die veelvuldig aan overstrooming blootstaan, en de zandbanken in de rivieren. \ oor bet grootste gedeelte worden deze stoffen evenwel door het water mee naar zee gevoerd. Op zekeren afstand van de mondingen der rivieren bezinken de soortelijk zwaarste deelen in de zee en doen er de oever wall en ontstaan. Deze geven aanleiding' tot het ontstaan van lagunen en delta's. Bestaan de oeverwallen uit los zand en waait de heerschende wind naar de kust toe, dan geven zij aanleiding tot het ontstaan der duinen. Kindclijk wordt het fijnste slib door de zeestroomingen ver van de mondingen der rivieren weggevoerd, om op ondiepe plaatsen dicht bij de kust of in inhammen daarvan, in 'f algemeen waai het water betrekkelijk rustig is, te bezinken en zoo ontstaan aanslibbingen. De bodem wordt, Maar deze aanslibbingen plaats hebben, steeds booger, tot hij de hoogte van den hoogsten vloed bereikt heeft en dan breidt het vasteland zich daar ter plaatse nit.
Waonku's NiitumlijU' llistoritv
Hot rlolfstnffon- of mlneraloniiik,
Kiilk^cstccnlcn.
Hot voornaamste kalkgostconto is Kalksteen, waarvan het hoofdbestanddeel koolzure kalk is, eene verbinding van een zwak zunr. liet koolzunr, met kalk. Door sterke verhitting laat ilit znur zich dan ook alt de verbinding verdrijven, waardoor levende of gebrande kalk ontstaat (het branden van kalk in de kalkovens). Deze laatste stof ondergaat in zuiveren toestand door de werking van het sterkste vuur verder geene verandering meer. doch laat zich met water blussehen. waarbij, onder ontwikkeling' van veel warmte, eene geheel nieuwe stof, bijtende kalk, ontstaat, die vooral veel voor de bereiding van metselspecie gebruikt wordt. De bijtende kalk is in water oplosbaar (op (gt;00 L water I K(i bjjtende kalk). Kalksteen of koolzure kalk is niet in water oplosbaar, doch gemakkeljjk in zure vloeistoffen (sterke azijn, zoutzuur, verdunde vitriool enz.), waarbij de stof hevig bruist, als gevolg van het vrij worden van het koolzuur, dat zij bevatte. Zelfs door koolzuurhoudend water wordt kalksteen opgelost, doch hierbij ontwikkelt zich geen gas, integendeel de koolzure kalk neemt nog meer koolzuur op en verandert daardoor in dubbelkoolzure kalk, die in water oplosbaar is. Door deze oplossing te koken of lang aan de lucht te laten staan, verliest zij weer koolzuur en de gewone koolzure kalk, die zich nu weer vormt, zet zich als vnste stof af. Water, waarin dubbelkoolzure knik is opgelost, noemt men hard water. Hjjna alle bronwater is min of meer hard. omdat liet kalkhoudend is. Evenzoo het water der rivieren; zoo bevat het Maaswater ruim 7, het Rijnwater ongeveer O'/n deelen koolzure kalk op de '100000 deelen. De Maas zou jaarlijks uit haar stroomgebied in frankrijk en België 014 millioen l\lt;i kalkverbindingen wegvoeren, de Elbe uit haar gebied in Bohemen I U) millioen Klt;gt; kalkaarde. Al dezo opgeloste kalk wordl naar zee gevoerd. Xu zou men verwachten, dat het zeewater daardoor een aanzienlijk kalkgehalte moest vertoonen en dat dit steeds grooter moest worden, daar de hoeveelheid water in de zee steeds standvastig hljjft en de kalktoevoer steeds aanhoudt. Men mag aaimemen, dat in |.)0()0 jaar de rivieren zooveel water naar zee voeren als deze bevat; dat dus in dien tjjd al het water der zee een kringloop volbracht heeft: van de zee naar het vasteland - vandaar terug naar zee. Zulk een tijdperk is in de geschiedenis der aarde zeer kort te noemen, en het zeewater moest dus lang verzadigd zijn met kalkverbindingen.
Hoe komt het, dat dit niet het geval is.' Het antwoord op deze vraag ligt voor de hand. zoo wij denken aan de talrijke zeedieren, die eene kalkschaal bezitten of in 't algemeen kalkstof uit hun lichaam afscheiden: schaaldieren, wormen, weekdieren, stekelliuidigen. knraaldieren en Ibraniiuilcreu in duizenden
Kiilkjrestoenton.
soorten on in ontolbnar aan fill nomen tijdens Imn loven knlkstot uit het water in zich op en scheiden deze in vaston vorm weer at'. .\a hun dood vergaan de weeke lichamen div.er dieren s|)oedig genoeg, maar de kalkatseheidingen, door dierlijke vliezen beschut tegen do inwerking van het water, hljjven hostaan en vormen op den bodem der zee lagen van aanzienlijke dikte, die al of niet gemengd met zand of klei, in den loop dor tijden op nieuw vaste kalkgesteenten vormen, die dikwjjls door op hefting van den bodem zich boven den zeespiegel verheffen en soms zelfs aanzienlijke gebergten vormen. Van de meeste kalkgebergten op aarde weet men. dat ze oji deze wijze ontstaan zjjn. De koraalriffen ontwikkelen zich nog steeds in de warmere zeeën en vormen machtige kalkmassa's langs de kust (kustriffen), dammen, die door een kanaal van het land gescheiden zijn
(dam- of wal riffen) of ringvormige eilanden, dit...... zoutwatermeer inslniten
(lagunenriffen of atollen). Ofschoon de polypen niet op grootere diepte dan MOM onder de zeeoppervlakte kunnen leven, bereiken sommige koraalriffen eeno hoogte van GOO M boven den bodem. Dit is slechts verklaarbaar door aan te nemen, dat de bodem der zee gedurende langen tijd aanhoudend gedaald is. De koraaldiertjes, die op te groote diepte kwamen, stierven af. doch hunne stokken bleven bestaan en vormden den vasten bodem, waarop jongere generatie's hare stokken konden verheffen, om op de gewenschte diepte te blijven. Wanneer na eeuwen de bodem zich weer ophief, kwamen de koraalriffen boven den waterspiegel en verhieven zich zelfs als steile rotsen boven de zee. Dergelijke verheffingen en dalingen van den bodem zijn meermalen waargenomen, in 1 Tno hief de kust van Chili zich (i M omhoog, in I82'2 weer ongeveer I M over eene lengte van 18(10 KM (gedeeltelijk ook tot Peru behoorend) en in I S.T, opnieuw. De kust van Zweden verheft zich zeer langzaam, ongeveer I M in eene eeuw. Zooals uit de strandl|jnen op de rotsen bljjkt, moeten vroeger ook plotselinge verheffingen aan die kust zijn voorgekomen. Gedaald zijn in den loop der ecuwen het polderland van Nederland, dat zooveel lager ligt dan de zeeoppervlakte, en de kust van Engeland, waar men op verschillende plaatsen bij ebbe overblijfsels van bosschen aantreft, die daar vroeger dus moeten bestaan hebben, en andere kustlanden.
Ui'schouwt men fijn gemalen krjjt door het inicrosc....... dan blijkt het te bestaan
uit ontelbare schaaltjes van foraminiferen, soortgelijke als waaruit het slib op den bodem der zee bjjna overal bestaat. Bijna alle kalkgebergten zijn uit zulke schaaltjes samengesteld: de krijtrotsen aan de kust van Engeland, de kalksteen van Montmartre, waaruit bijna geheel Parjjs is opgebouwd, de Kalk-alpen en de zich verder Oostelijk uitstrekkende machtige kalkgebergten tot aan de llymalaya, zij hebben allo denzelfden oorsprong het zijn producten van microscopische diertjes. Ook grootere dieren hebben tot de vorming van kalksteen bijgedragen. Sommige kalksteenen bestaan bjjna uitsluitend uit de schelpen van schelpdieren
Hot delfstoffen- of ininomlonriik
en slukkon, die door ocn luutnig of kalkaulitig liindniiiklol aau olkaiului- vorboudoii zija (scholpkalk). Ook stekelliuidigo dieren, die in vroegere perioden veel meer schijnen voorgekomen te zijn dan tegenwoordig, hebben door hnnne kalkafschei-dingen e(^i groot aundeol goimd in de vorxning van vele kalkgesteenten, y.ooals lilijkt uit de talrijke schalen er van, die mea daarin vindt. Dat de toppen der hoogste gebergten op aarde eenmaal deel uitmaakten van den zeebodem, is alleen verklaarbaar door aan te nemen, dat de aardschors, tengevolge van de inkrimping der kern, tal van onregelmatige plooien en rimpels moest verkrijgen, ongeveer als een appel, die uitdroogt. Werkelijk hebben de hoogste gebergten, als de Himalaya en do Andes, in verhouding tot de grootte der aarde, geene grooter afmetingen dan de rimpels van een appel ten opzichte van dezen.
In ons land komt kalksteen voor in Zuid-Limburg in den vorm van Krijt en Mergel. In het zachte krijt vindt men veelal lagen van groote, onregelmatig gevormde vuursteenen. De talrjjke overblijfsels van zeedieren, waaruit krijt en mergel grootendeels zijn samengesteld (vooral mosdieren, fbraminiferen en schelpdieren), bewijzen, dat het diepzee-vormingen zijn. Mergel is leemhondend en wordt veel als bouwsteen gebruikt, hoewel zijne zachtheid en poreusheid hem daartoe minder geschikt maken; aan de lucht blootgesteld, wordt zijne hardheid iets grooter. Vele harde, dichte kalkteenen worden als uitstekende bouwsteenen gebruikt (hardsteen, graniet). Sommige kunnen fraai gepolijst worden en vertoonen allerlei, soms bonte kleuren; deze worden wel marmer genoemd (Belgische marmersoorten). De echte Marmer is ontstaan door den invloed van sterke hitte op dichten kalksteen. Daardoor zijn alle sporen van levende wezens daaruit verdwenen en is hij fijnkorrelig, kristalIjjn geworden. Waar gloeiend-vloeibare gesteenten (b.v. basalt, graniet, syeniet) in aanraking'niet dichten kalksteen kwamen, is deze in marmer veranderd (Carrara in Italië. Griekenland). Ook de Litho-graphische steen is een zeer lijnkorrelige kalksteen; de beste wordt in Solenhofen in Beieren gevonden, maar ook in I'ruisen, Engeland, Italië en hVankrjjk komt hij voor. Mij wordt in 5âld cM dikke platen gesneden en geslepen. Met eene sóórt krijt of inkt, die rijk is aan vet, wordt er de teokening opgebracht (in spiegelbeeld), dan wordt de steen met water begoten, dat gretig wordt opgezogen, behalve daar, waar zich de teekening bevindt. Deze plekken nemen nu juist de drukklenreu aan, die op papier, linnen enz. kunnen worden overgedrukt (steendruk of lithographic).
Een anderen oorsprong hebben kalksinter, kalktuf en kalkspaatkristallen. Het water, dat de poreuze kalkgesteenten doordringt, neemt, dank zij zijn koolzuurgelialte. aanzienlijke hoeveelheden daarvan in zich op. Verliest dit water koolzuur of verdampt het gedeeltelijk, dan zet er zich de kalksteen weer uit af'als Kalksinter. Op deze wijze vormen zich in holen van het kalkgebergte de stalaktieteu en
Kalkpostecriton.
st a liigm ictcn ((Iruipslccn) uit de \\aterdni|i|)els. die dooi' de zoldering dringond. cci'st ccn tijdje daaraan Mijven liangon en door koolzniirvei'lies een weinig kalksteen daarop acliterlaten (waaruit zich op den duur de staiaktiet vormt) en dan
op den bodom vn 1 Ion, wiun* zij door vordjuniiin^ v;m hot wntor de rest van den kalksteen, dien zij hevatten, afgeven (vorming van den stalagmiet). Waar zich op den bodem grootere lioeveellieden van dat water verzamelen, kristalliseeren daaruil prachtige, glasheldere K al k s pa a t-kristallen (Taii. l i 1'ig. 'n. Beroemd zijn de Adelsberger grot in Kraïn. de Baumannsgrot in den llartz, de Dechengrot in \\ estfalen, de grot van 1 lan iu Itelgië enz. om de prachtige drnipsteenformaties. die zij hevatten. Ka I k tuf is een zeer poreuze steen, ontstaan door de vorming van korsten van kalksteen, aan de oppervlakte van mossen eu van deelen van andere planten. Doordien de planten voor hare voeding koolzuur aan het omgevende water onttrokken, moest de kalksteen, die daarin was opgelost, zich aan hare oppervlakte afscheiden. Xadat de plantendeelen vergaan waren, hieef de kalksteen alleen als poreuze massa over.
Na de koolzure kalk moet de zwavelzure kalk genoemd worden als helangrijk bestanddeel der aardkorst. Zij komt voor als (iips. Albast, Gipsspaat en A nh yd riet. Gips vindt men in kristallen of als een korrelig, vezelig soms zelfs aardachtig, kristallijn gesteente. Zeer dicht eu fijnkorrelig gips heet albast, (ieheele bergen zijn samengesteld uit gipsspaat. dat zeer gemakkelijk splijtbaar is in dunne blaadjes, die meestal volkomen kleurloos en doorzichtig zijn ( Mariaglas). Al deze gipssoorten ziju waterhoudend : reeds bij zachte verwarming geven zjj het water at. in de natuur vindt men ook watervrij gips. dat ontstaat als de kristallisatie plaats vindt bij eene drukking van meer dan '20 atni. Dit is anhydriet. Alle gipssoorten hebben slechts geringe hardheid en voelen zacht
437
Het .k-HUollVn. of miiiuralonrijK'.
aan. Zij zijn in groottt hoeveelheid in water oplosbaar (1 (i gips in iOO (J water) en die gemakkelijke oplusbaarheid is oorzaak, dat de gipsbergen dikwijls groute holten of grotten hcvartcn. Deze geven niet zidck-n aanleiding tot aardstortingen en zelfs tot lokale aardbevingen, b.v. in 1855 in het Wisper-dal in Wales, Het water der Noordzee bevat 0,012% gips. Talrijke gipslagen lieblien zich dan ook ongetwijfeld uit het zeewater afgezet. Andere hebben zich gevormd door de inwerking van zwavelzuur op kalksteen, welk zwavelzuur zijn oorsprong vindt in de verweering van zwavelhoudende ertsen (ijzer- en koperkies enz.).
De albast wordt voor de vervaardiging van kunstvoorwerpen gebruikt. Gips dient als meststof, doch vooral in gebranden toestand (d. i. nadat door zachte verwarming alle water er uit verdreven is) voor het maken van beelden, stukadoorwerk, gipsverbanden enz., waarbij men gebruik maakt van de eigenschap, dat het gebrande gips, met water tot eene brij vermengd, weer water opneemt en kristalliseerende verhardt.
Vloeispaat is eene verbinding van kalk met vloeizuur. dat meestal in den vorm van regelmatige, teerlingvorinige kristallen voorkomt (Tab. 17 Fig. 5). De kleur wisselt van wit en grijs tot geel, groen, rood en bruin. Grroote stukken worden tot allerlei kunstproducten verwerkt; kleinere stukken vinden veel aanwending als smeltmiddel hij het smolten van metaalertsen en hij de glas- en porseleinfabricatie. Ook voor de bereiding van vloeizuur, dat ais etsmiddel voor glas dient, wordt het gebruikt.
E (1 c 1 g e s t e c n t e n.
Te midden van het gruis en de rolsteenen. die zich als verwecringsproducten van de hardste gesteenten (kwarts, graniet, gneis enz.) in de kloven van het gebergte hebben opgehoopt, vindt men niet zelden edele steenen. Sommige soorten er van treft men ook aan ingesloten in de rots zelf, waar zij natuurlijk minder gemakkelijk te bereiken zijn. De moeste en schoonste verkrijgt men uit ('eylon, Oost-lndië, Brazilië, Australië, ('alifornië en het Kaapland; ook de Ural levert er op.
Gewoonlijk worden zij gevonden door rivierzand en grint uit te wasschen. Als het meest geschatte van alle edelgesteenten noemen wij het eerst den Diamant. II jj is de hardste van alle delfstoffen, krast zelfs liet hardste staal en kan slechts geslepen worden met behulp van diamantpoeder of van het pas onlangs ontdekte carborandum, eene verbinding van koolstof met silicium, die in den electrischen oven bereid wordt. Sommige diamanten zijn zwak gekleurd; de volkomen kleur-looze en doorzichtige worden meer gewaardeerd; het hoogst geschat worden de zeldzame zwarte diamanten. De diamant onderscheidt zich ook door zijn sterk
-
E«loI|?CSto«.'llt(3ll.
liclilln'ck'ciid on klourschittcnd vennoten. !)lt;» ruwo dijnnant wordi i'crst geklooid, dooi' van zijne spljjtbanflieid in bepaalde richtingen gebruik te maken, om hem een regelinatigen vorm te geven en daarna wordt iiij geslepen (Amsterdam, Antwerpeii). Kleine splinters worden voor het snijden van glas of voor liet graveeren op stoou en metaal gebruikt. De ge/arnenlijke tot nu toe gevonden diamanten schut men op ruini 4000 K(i; (1c meeste uit lt; )ost-lndit:, Brazilië en
Zuid-Afrika. Diamant bestaat uit zuivere koolstof'; liet is bij zeer hooge temperatuur brandbaar. In den laatsten tijd is liet gelukt bet kunstniatig te bereiden door koolstof in gesmolten ijzer op te lossen en onder sterken druk te laten kristallisecrcn. De op deze wijze verkregen steentjes zijn slechts klein en waardeloos. Een geslepen diamant van 1 - (I karaat) kost ongeveer 100â450 gulden: grootere steenen zijn evenwel in verhouding veel duurder. Bijzonder beroemde dianianten zijn: de Hegent (BW karaat), aan de Bruisische kroon toebehoorend, die op (i millioeii Mark geschat wordt; de diainant van den Groothertog van
flW lU'lfstuflVri- quot;f jiiiiH'ralniiijk.
ïoskanc (189 karaat), in 't ln'zir van de üosteimjksclio kroon, de Sanov (58 karaat), aan den Kussisclion Keizer toelielioorend. die I millioen francs waard zon zijn; de Kohinnr (berg des lichts), vroeger het eigendom van den Groof-mognl van Delhi, tegenwoordig van de Kroon van Engeland ( I0(i kar.); de Orlow (194 kar.) vormt de punt van den rnssischen scepter; de grootste Braziliaausclie diamant, de Ster van 't Zuiden, weegt geslepen hi(» kar.
lit zuivere aluinaarde hes taal de helderroode ilohijn ot' Korund en de traai hlauw gekleurde Saltier iTah. 17, lu'g. (i). Na het diamant zijn zij de hardste gesteenten. Hladerige korund uf diamantspaat en onzuivere, korrelige korund of Amaril worden als slijpmiddel voor andere edelgesteenten gebruikt. Volkomen kleurlooze steenen worden gebruikt om er microscooplenzen van te slijpen, troebele als taplagers in horloges, voor het draadtrekken enz. (lroote robijnen zijn zoo zeldzaam, dat ze zelfs duurder betaald worden dan oven groote diamanten. Robjjtum en saflieren komen van Ceylon en üost-lndië. Spinel is samengesteld uit aluin- en inaguesia-aarde; hij is groen, rood of geel van kleur met sterken glans en van groote hardheid. In doorzichtige kristallen vindt men hem bijna alleen in Oost-lndië, Zirkoon is donkerrood; de geel rood e verscheidenheid heet Hyacinth. Hij bezit een sterken glans en is een silicaat van (duin- en zirkoonaarde. Smaragd (Tab. 17. Pig. 7) komt gewoonlijk voor als diep-grasgroene kristallen, die den vorm eener zeszjjdigo zuil hebben. Hij wordt gevonden in Peru. den ('ral. Egypte en in de Salzburger alpen. Met is oen silicaat van aluin- en berijlaarde en is minder hard dan de vorige. De grootste smaragd bevindt zich in het liussisch mineralenkabinet en stamt af uit Siberié. Hij is IS cM lang, lü cM breed en l'! cM dik en weegt meer dan Kti. De Edele berjjl of Aquamarijn komt in zjjne samenstelling met smaragd overeen, is groen, blauw tot geel van kleur, laat zich in dunne blaadjes splijten en zon de grondstof verschaft hebben, waaruit de eerste brillen gemaakt werden, die daarnaar genoemd zonden zjjn. De gemeene berijl is troebel, geelachtig wit tot groenachtig, meestal rijk aan scheuren en barsten. Hij komt tamelijk veel in graniet voor, waarin men hem in kristallen vond, die '2 M lang en 1500 KG zwaar waren. I opaas wordt meer gewaardeerd dan het laatstgenoemd edelgesteente, hij is lichtgeel van kleur, heeft sterkeren glans en komt voor in kleine vier- tot acbtvlakkige kristallen, die zelden grooter zijn dan I c.M, De grootste topaas, die in Diiitschland gevonden is, weegt bijna (iO G. In den Ural heeft men er enkele gevonden, die 15 cM lang en breed zjjn en die hooge waarde hebben, roermaljjn kristalliseert in zeszijdige zuilen en heeft een zeer merk-waardigen invloed op het licht, dat er in bepaalde richting doorheen gaat, om welke reden hij in polarisatietoestellen gebruikt wordt. Ook wordt hij door verwarming electrisch. Het is een silicaat van aluinaarde met andere der reeds
M' t.ll'TI 'Ml hlltllle â¢â rtsf!!.
^oiiooiiulu iiai'dsooi'li'ii en ijzer, lithion en/,, en is mecslal liritiu lot /wnl wkleurd. Hoode variëteiten worden duurbetaald, (iranaten. Karlxnikcls en I'n i'dpen wijken in hunuu kleur slechts weinig van elkander at', /jj zijn donkerrood rot geelrood en worden l».v. in lïoheinen aang'etroflen in korrelvonnigc! kristallen, waarvan de grootste en meest waardevolle de grootte van eene okkernoot vertoonen. (ïeslepeu karlionkels lichten in 't. doidier als gloeiende kolen. Kleine korrels hebben geringe waarde en bevinden zieli in sommige rotssoorten (granaatrotsi in zulke hoeveelheden, dat men ze bij de ijzerfabrikatie als smeltmiddel gebruikt. Turkoois is een groenachtig blauwe, ondoorzichtige, zachte steen, die, gepoljjsi. sterken glans heeft; en van oudsher als sierstcen bemind was. Hij bestaat uit phosphorzuro aluinaarde, wordt zeldzaam in Dnitschland. doch zeer fraai in 1'erzië gevonden, ('hrysolith is niet; zeer hard, groen en doorzichtig. Ili; bezit glasglans en bestaat uit een magnesia-silicaat. Men vindt hem in Egvpte en Indië, Over den Edelen opaal zie blz. '(2.').
Als siersteen was vroeger ook de Lazuurstoen zeer gezocht;. 11 ij is prachtig hemelsblauw, soms ook door goudgeel zwavelkies gepuncteerd. Hij bestaat uil aluinaarde, kiezel, zwavel, natrium en ijzer, wordt in Perzië en Siberië gevonden en gebruikt voor versierselen en als schildersvcrf.
.Mclaicn en iiuiine ertsen 1).
Tot de belangrijkste delfstoften behooren zonder twijfel de Metalen en hunne ertsen. Niet, dat zij een belangrijk aimdeel hebben in de vorming der aardkorst, integendeel, verreweg de meeste miiken slechts een betrekkelijk zeer gering deel daarvan uit en liet is merkwaardig, dat juist die metalen, die het grootste soortelijk gewicht hebben, zooals platina (S. (i, 21.5), goud (S. (i, 19.2), kwik (S. G. 1-i.ti) en zilver iS, li. lo.,quot;)) er sledits zeldzaam in Noni'komen. terwijl ijzer (S. G. 7.8) en aluminium (8. G. 2.0) er liet meest in worden aangetroffen. Daar de zware metalen en hunne verbindingen onder alle mineralen het grootste H. G. hebben en de kern der aarde een veel grooter S. G. heeft dan de aardkorst, is het waarsclijjnlijk dat deze laatste voornamelijk uit zware metalen is samengesteld. (Mot S. G. der gesteenten, waaruit de aardkorst voornamelijk is samengesteld. ligt tusschen 2..'gt; en terwijl het S. (j. der Aarde in haar geheel .Vgt;(i bedraagt.) Werkelijk blijkt uit liet voorkomen van vele metalen en metaalertsen in de plutonisehe en vulkanische gesteenten, dat zij uit de gloeiend-vloei bare kern
1) Wij vtTstuan hioromlor .si».hts die nn-taliMi, wik- in liot «lagflijk.sfh loven ,ils zuoduni^ Itokcml zijn. De Alkaiiinotaleii (Kulium, Natrimii, en/..) t.'ii dt- Aaiii-Alkalirnctalen H.'alcinin, liariuin. enz.) .-n liuniie verbliidingoii zijn lii(,'r«»ndor niet lie^ie|ion. Daaroiiioyen waden or Arsenik ''ii Antimoon wol tuc ^nekentl.
li-I 'IfHstnirni- ui niiinualoiiiijk.
dor luirdo iit'kuiiisti^ /.iju, terwijl vele aiulciv, die in s(â (lilll(,lll:^i^â¢^, gi'stconlon voorkomen, «veneen» daaruif afkomstig kunnen zijn. Zeidon komen des metalen als enkelvoudige stollen, in gedegenquot; toestand voor. Meestal vindt men hunne ertsen, die naar gelang van hunne samenstelling worden onderscheiden in: Oxvden (znurstofverlnndingen), Sulfiden (zwavelvorbindingen, meestal kiezen of glanzen genoemd) en Zure ertsen (verbindingen van metalen met zuren, v. n. 1. zwavelzuur on koolzuur).
1.1/.er komt in gedegen toestand in de natuur zelden voor, het meest nog als meteoor jjzer, dat steeds een weinig nikkel en soms nog geringe hoeveelheden andere metalen on verbindingen daarvan bevat. Meteoorijzer valt hoogst zeldzaam op de aarde neer, veelvuldiger komen m e t eoor s tee n e n voor, die geen of weinig ijzer bevatten. Beide worden meteoriten genoemd en zijn dezelfde lichamen, die wij zoo dikwijls als vallende sterren waarnemen (vooral 10 Aug. en 13 Nov.). liet zjjn betrekkelijk kleine homelliehamen, dio zieh in bepaalde banen met verbazende snelheid om de zon bewegen en daarbij dikwijls zoo dicht bij de aarde komen, dat zij door haren atinospheer dringen. Hierbij ondervinden zij zoo groeten tegenstand, dat zjj gloeiend en dus lichtend worden, bare snelheid neemt sterk af en tengevolge hiervan gebeurt liet wel. dat zjj, gehoorzamende aan de aantrekkende kracht dor aarde, daarop neervallen. In Hrazilië heeft men een meteoorjjzer van lv(i gevonden; een ander wordt zelfs op 7000 KG geschat; meestal zijn ze veel kleiner en soms zelfs bereiken zjj de aarde als fijne stofdeeltjes.
De voornaamste ijzerertsen zijn: n De oxvden: blzerglans in blanw-zwart glanzende kristallen, vooral fraai op Elba; K ood-ij ze rerts, op Elba, in Zwitserland, de Vogesen en Canada; Magneet-ijzererts, meest dicht of korrelig, donkergrjjs, in Zweden, Xoorwegen, den lTral en Noord-Amerika. h Waterhoudende oxvden: Bruin-jj zererts, bet belangrijkste ijzererts van Duitschland en Oostenrijk; met leem vermengd vormt het de (iele ijzeroker; Idzeroer of Moeraserts, donkergeel tot zwart, in de laaglanden van het Noordelijk Halfrond, in den bodem van vochtige weilanden en moerassen uitgestrekte lagen vormend of in knolvormige stukken voorkomend, liet bevat zand, leem en meestal zuren (humus-, phosphor- of kiezelzuur) en heeft zich uit jizerhoudend water afgezet, e Zure ertsen: Spaatjjzersteen, grijsbruine kristallen: het beste ijzererts, daar het zeer zuiver ijzer oplevert. Het wordt veel in Sehotland, België en Engeland gevonden; ivo 1 enjjzersteen (black-band) is nier klei en kool gemengde spaatijzersteen en wordt in groote hoeveelbeden in de steenkoolformaties van Westjthalen, Hongarije, Engeland en Schotland gevonden, il Sulfiden: l'yriet. Mzerkies of Zwavelkies, groenachtig geel. imitaalglanzend. veelal in teerlingen gekristalliseerd, doch meestal in dichte massa's. Het komt veel voor in de hardste gesteenten, ook te midden der
Metalen â¢.,ri hunue ertst/n
slcrnkolrn, en goctl: soms jianlriding' tot «Ir /A'HVorhi'uiulin^ Viin dc/c (ren gevolg van de wamito-ontwikkeling, ilie plaats heeft wanneer liet oxydeert). Vindplaatsen: Ellia, Tyrol, Spanje, vele plaatsen in Diiitschland. Markasiet of Speerkies heeft dezolfdi' samenstelling, doeli een anderen kristalvorm, liet wordt ook in brninkolen en venen aangetroffen. Heide ertsen zjjn weinig geschikt voor de bereiding van ijzer, daar de zwavel er moeilijk volkomen uit te verwijderen is en de geringste sporen daarvan liet ijzer bros maken. Zij worden vooral voor de vitrioolbereiding gebruikt; zij oxydeeren gemakkelijk en veranderen dan in jj z e r v i 11' i o o I.
Om ijzer uil de ertsen te bereiden, worden zij eerst zooveel mogelijk van de aanliangomle vreemde (doove) gesteenten gezuiverd, dan in vlamovens geroost, om er water, koolzuur, zwavel enz. uit te verdrijven. De ertsen worden nu met toeslag gemengd (kalksteen, vloeispaat enz.) om de doove gesteenten, die op zichzelf' in den regel bijna onsnieltbaar zijn, licht smeltbaar te maken en daarna laagsgewijze, afwisselend met lagen cokes of houtskool, in de hoogovens gebracht, waarin zich door don invloed van de koolstof bij de hooge temperatuur, die daarin heersclit, het metaal in gesmolten toestand daaruit afscheidt. De doove gesteenten, die met het erts vermengd waren, zijn door den invloed van den toeslag tot slakken gesmolten, die het gesmolten ijzer bedekken. Dit laatste wordt van tijd tot tijd in vormen afgetapt en vormt nu het ruwijzer of gietijzer, liet bevat 3â 5% koolstof, is meest zwart-grijs van kleur, grofkorrelig, niet smeed- of welbaar en zeer geschikt om er allerlei voorwerpen: machinedeelen, kachels, kookkotels, pilaren enz. van te gieten. Daartoe wordt het in den regel eerst nog in kleine hoogovens overgcsmolteu. Om er smeedijzer van te maken, dat lichter van kleur, taai, vezelig, smeed- en welbaar, minder hard en zeer moeilijk smeltbaar is, moet bijna alle koolstof er uit verwijderd worden. Daartoe wordt het ruwijzer gesmolten en in dien toestand op verschillende wijzen met veel lucht in aanraking gebracht, waardoor de koolstof grootendeels verbrandt. Staal houdt, wat zijn koolstofgehalte betreft, het midden tusschen gietijzer en tunecdjjzer (1âS'/g %). Ook van de meeste andere eigenschappen geldt dit; het is gemakkelijker smeltbaar dan smeedjjzor, moeiljjker dan gietijzer; het bezit de hardheid van gietijzer en de smeedbaarheid van smeedijzer, is niet bros doch zeer veerkrachtig. Merkwaardig is de eigenschap, dat het gehard kan worden, door het in gloei enden toestand plotseling af te koelen; dikwijls wordt het hierdoor bros. Men kan staal op tweeërlei manieren bereiden: lo. Uitgaande van ruwjjzer op dezelfde wijze, waarop smeedijzer gemaakt wordt, doch dan moet men met de bewerking ophouden vóór de koolstof geheel verwijderd is (Hes se nier staal). 2o. I it-gaande van smeedijzer, dat aan zjjn oppervlak weer koolstof opneemt, zoo men het in houtskoolpoeder gloeit. Ten einde in dit geval eenc gelijkmatige massa te
[Tot ilolfstoffflii- of niineraleiivijk,
vorkrij^cn. wordt liet «looi' smeden y.orgvuldig door elkaar gekneed (cement-s t a a 1) of gesmolten (g i e t s t a a I).
De ijzerprodiictie Ixnlroeg in ISfJO:
|
de Vereenigde Staten . |
OiibOOOÃ Tonnen. |
|
lt; i root-Brit tanje . |
. 80,'J j ((00 |
|
Duitschland .... |
. . . 'i 058(100 |
|
Frankrijk..... |
002000 |
|
lt; 'ostenrijk-l iongarije |
S.MiOOO |
|
15clgië i 1889) |
. . . s:j-2000 |
|
Rusland..... |
. . . 740000 |
|
/weden..... |
. . . inoooo â |
|
20 jaren is zij ongeveer |
verdubbeld. |
hood is ongeveer I I maal zoo zwaar als water, heeft op de versehe doorsnede eene witaehtig-grijze kleur en sterken glans, wordt evenwel in de lucht spoedig dof en zwaitaclifig. liet is zeer week, rek- en pletliaar. gemakkelijk smelthaar, doch heeft geringe vastheid, liet. wordt gebruikt voor afdampschalen en voor lt;lo looden kamers der zwavelzuurfabi'iekeii, voor buizen, geweerkogels, hagel en in tal van legeeringen. Met voornaamste looderts is Loodglans (zwavellood, Tah. 17 Fig. !)), dat meestal in teerlingen of regelmatige achtvlakken kristalliseert en altijd zilverliondend is. Het komt in vele streken van Duitschland en lielgië, Mngeland. /juid-S])auje en Noord-Amerika in groote hoeveelheden voor. In I SS i produceerde Noord-Amerika l.'i'iSDT, Duitsidiland ltlt;SS I i, Spanji' DüOUü, l']ngeland (ISSI) lielgië 800(1 ton enz. Veel lood wordt verwerkt tot
loodglit (een oxyde), dat dient voor de glazuur van aardewerk, voor glasbereiding, om loodsuiker, loodazijn. loodwit, menie enz. te maken. Loodwit is hoofd/.akeljjk koolzuur-loodoxyde. menie is een zuurstofrijker oxyde, loodsuiker is azijnzuur-loodoxyde. In eiken vorm is lood zeer vergiftig!
Tin komt veel zeldzamer voor dan lood. Zjjn voornaamste erts de Tinsteen, een oxyde van tin. komt voornamelijk voor in Engeland ((,'ornwallis), Aehter-Indië. op de (ülanden iianka en Hilliton, in (â alifornië enz. Het is meestal bruin, glanzend en gekristalliseerd. Tin is bijna zoo week als lood en nog lichter smeltbaar. Het is zeer plethaar en onderscheidt zich door zjjn groot weerstandsvermogen togen de inwerking van lucht en vochtigheid. Daardoor vindt het zeer veel aanwending. Men maakt er schotels en borden, lepels enz. van; koperen en jjzeren gereedschappen worden dikwijls vertind, om ze tegen de inwerking van zure vochten en tegen het roesten te beveiligen. Vertinde ijzeren platen vormen het blik. Dun gewalst is het de tinfoelie, die voor allerlei doeleinden gebruikt wordt. o.a. om spiegels te beleggen (tin en kwik). Niet zelden wordt tin vervalselit met het goedkoopere lood. wat soms gevaar oplevert voor vergiftiging.
Motalon en hiiniif prtson.
Lcgeorliigen van tin worden /eer vuei gebruikt (brons, snelsoldoer en/.), liet tin van onze Oosl-lmiisclie «ilauduu Hanka en Hillituii is bekend om zijne zuiverheid. Op het eerste eiland wordt hel erts vanwege het O.-l. (ionvernement. op het laatste door de Uilliton-maatscliappij verwerkt, voornamelijk door ('hineesche arbeiders. De bodem van deze eilanden bestaat nil graniet en leigesieenten. doch deze hebben dikke lagen verwoeringsproducten opgeleverd, die overal aan de oppervlakte liggen. Te midden van de laatste vindt men op vele plaatsen tinertslagen, vooral in de moerassige â¢laaglanden: ook in het rivierzand komt tinerts voor. Het erts is dus oorspronkeljjk een bestanddeel van de hardere gesteenten geweest, waarin het trouwens nog wordt aangetroffen. Het tin wordt op zeer eenvoudige wijze met behulp van houtskool uit het erts verkregen ; beide eilanden zijn rijk aan bossehen, die voldoende houtskool opleveren. De liilliton-niaatseliappij maakt kolossale winsten (in IS7'2 fi inillioen), waarvan evenwel volgens de laatste coneessie een aanzienlijk deel in 's Itjjks sehatkisi komt. De
productie van tin bedroeg in 1801 :
In de Streats Settlements, Banka en liilliton . . ton
.. Engeland.............. O.t.Vi ..
,, Australië..............
In andere landen veel minder.
â¢jdr.dn ,, 18 '(.(50 ..
â W70 â
Zink is eveneens een witachtig metaal, dat evenwel eerst in den laatsten tjjd in zuiveren toestand in quot;t groot bereid wordt en veelzijdige aanwending vindt. Het voornaamste zinkerts is Mdele galmei, eene verbinding van zink met koolzuur; het is zeer verschillend gekleurd, komt zelden in kristallen voor. meest als dichte en nier- ot'druifvormige massa's ( Altenberg bjj A.ken, Silezië. Hongarije. Schotland enz.), (xewone galmei (zinksilicaat) en ülende (zinksullnat) zijn minder belangrijke ertsen. Sedert lang zijn talrijke zinklegeeringen in gebruik als; messing (zink en koper), toni bak, brons, klokken- en kanonneninetaal (zink. ko[)er en tin). Tegenwoordig wordt zinkplaat gefabriceerd en voor dakgoten, badkuipen, dak- en scheepsbekleeding enz. gebruikt. (iegalvaniseerd ijzer is jjzer, dat met eene zinklaag overtrokken is. Men bezigt zink ook voor gietwerk (beelden, versieringeni en eindelijk is het een hoofdhestauddeel dei' galvanische elementen. De productie bedroeg in I8I)'2:
In de Rijnprovincie en België .... 1 ton
., Silezië...........S7760 ..
.. Vereenigde Staten N.-A. 5X8(30
,. (lt; root-Brittan je .
., Frankrijk en Spanje ,, Oostenrjjk .. Polen.....
Hot ilelfstoffcn- of rninoralemijl:.
Kop or is een van de meest belangrijke metalen, dat niet zelden ook gedegen (Tab. '17, Fig. 10), soms zelfs in geweldige Mokken gevonden wordt. Zoo trof' men aan de Bovenzoet in N.-Amerika een stuk gedegen koper aan van 3500 K( i zwaarte; het was meer dan I1/ M lang en breed en '/s M dik. Het meeste koper wordt evenwel uit ertsen gewonnen. De voornaamste zjjn: Rood kopererts, eene zuurstofverbindiiig met coehenilleroode kleur (liij Lyon, in Cornwallis, liet Uralgebergh', liet Altaïgehergte, enz.), Koperglans, eene zwavelverbinding, zwartachtig loodgrijs (Oornwallis, Saksen, N.-Amerika), K o [i e r ki es, inessinggeel. dikwijls hout aangeloojien, bevat ijzer en zwavel (Saksen, do llartz, Cornwallis. /weden. N.-Amerika), en 1! o n t k dp e r k i e s . dat dezelfde bestnnddeelen hevat. doch bruinachtig tot koperrood is (Kngeland. Hongarije. Peru en (Ãiili). Buitendien vindt men als belangrijke ertsen en tevens siersteenen; Malachiet, een waterhoudend koolzuurzout van koper, dat prachtig groen van kleur is. lu den l'ral worden er stukken van 50 â1500 KU van gevonden, die dikwijls voor tafelbladen, vazen en andere kunstvoorwerpen verwerkt worden, (in den Ural, het Altaïgebergte. Cornwallis. N.-Amerika en Australië), en Koperlazuur, eene dergelijke verbinding, die blauw van kleur is en in den regel met malachiet samen voorkomt; dit erts wordt ook als verf gebruikt.
Koper munt uit door zijne taaiheid, rekbaarheid en smeedbaarheid en wordt aangewend voor pasmunt, voor huis- en kcukenvaatwerk en als dak- en scheeps-bekleeding.
In Amerika vervaardigde men werktuigen en wapens van koper in een tjjdperk, dat nog geene andere metalen bekend waren. Elders kende men het eerst Brons, eene legeering van koper, zink en tin, dat verkregen werd door uitsmelting van sommige ertsen, welke deze drie metalen bevatten. Messing (koper en zink), K I o k- en K a n o n n e n mot a a 1 (koper en tin), B e r 1 ij n s c h z i 1 v e r (koper, zink en nikkel) en andere legeeringen van dergelijke samenstelling als Argontau, Tom bak, China zilver enz. worden ontzaglijk voel gebruikt. Koper levert ook prachtige verfstoffen op: l'arjjzergroen, Bremergroen, Neuwiedhlauw; deze stoffen zjjn, als alle koperverhindingen, zware vergiften. Koperen en messingen pannen enz. moeten dus zeer zuiver en vrij van zuren gehouden worden, wil men geen gevaar loopen van vergiftiging; vooral hot laten staan van zout-of zuurboudende spijzen in koperen vaatwerk is zeer gevaarlijk, omdat het koper er bij aanwezigheid van lucht sterk door wordt aangetast en er in oplost. Do koperproductie bedroeg in 'I lt;S02 :
100277 ton 55! »07 ,, 20015 ,. I !((l(l(( ..
In de Vereenigde Stilten . ., Spimje en Portugal
Zuid-Amerika â Japan ......
AMt
Motalon on Inmno ortson.
In Duitschlimd......... 17960 ton
Australiö.......... c-ridO ..
Afrika........... (1120 ..
,, Rusland.......... i:)()(i
,, Italië........... '2ö()(l ..
,, Zweden en Noorwegen..... 1890 ..
,, Oostenrijk-liongarjjo...... I INT)
Groot-lirittanjo........ 700 ..
Kobalt komt niet gedegen in de natuur voor en wordt ook niet als/oodnnig gewonnen, l it de kolmltertsen liereidt men kobaltoxydo, dat veel gebruikt wordt voor het Nauw kleuren van glas en voor de vervaardiging van kobalt-liiamvsel. Hiertoe wordt kobaltoxyde samengesmolten met zand en potaseh en liet zoo verkregen glas tijngemalen.
Nikkel is eerst meer algemeen bekend geworden nadat bet in versebillende landen gebruikt werd als bestanddeel van bet metaal voor pasmunten, «lat evenwel ongeveer 75° (, koper bevat. Door zijne zilverwitte kleur en omdat lief vrij blijft van roest, wordt dit metaal meer en meer gebruikt, vooral ook om er iindere metalen mee te bedekken (vernikkelen), liet is goed smeedbaar en zeer rekbaar. Nikkeldraad overtreft jjzerdraad van dezelfde dikte nog met de lielft in vastheid. Ook is 't moeilijk smeltbaar. Over zijne legeeringen, zie: koper en zink. De voornaamste ertsen zjjn Hood- en \V itnik kelk les, verbindingen van nikkel met arsenik. De ontdekking van een nieuw nikkelerts in .Nieuw-('.â dedonië. Gar merit, dat magnesia bevat, gaf aanleiding tot eene zeer aanmerkelijke prijsvermindering van het metaal. Gedegen wordt het in de natuur sleehts in meteoorjjzer gevonden.
Antimoon wordt in vereeniging niet lood aangewend voor liet gieten van drukletters; met zink en tin geeft het 15 r i t an n i a-m e t a a I. Verbindingen ervan worden iu de vuurwerkerij en als artsenij gebruikt. Antimoon is een balf-nietaal met sterken metaalglans, kristallijn en zeer bros,
Arsenik is eene dergelijke stof, die een zeer algemeen voorkomend bestanddeel van andere metaalertsen vormt. Met wordt ook in legeeringen aangewend, doelt vooral bet oxyde er van (rattekruit) wordt veel gebruikt, ter bereiding van verf-stotten. hij de glasfabrikatie enz. Arsenik en zijne verbindingen zijn zeer vergiftig.
I! i s ni u 111 wordt vooral gebruikt voor het maken van gemakkelijk smeltbare legeeringen. Roze's metaal bestaat uit 'i deelen bismuth. I deel tin en I doel lood. liet smelt hij 93,7quot; (
Aluminium, âhet zilver uit kleiquot;, is in de laatste jaren meer en meer in gebruik gekomen, liet is tinwit. met levendigen glans en mooieii klank; het is smeed-, rek- en plet baar. bezit slechts geringe vastheid en is soortelijk zeer licht.
Hot (lelfstofl'Mi- olquot; minoraienrijli
lid houdt zich uilsfokciid in dc luclil. rc^cn dc wcrkiii^ van /ui'iiii (vooral lnj kookhitte) is hel nlct bcstaiui Nu dc ImroHliiig; van dit inetanl zeer gemakkelijk geworden is. daidlt; /.ij de kraeliligc? eleeiriselie sti'ooiiien. (Ii(! men op vele plaatsen met weinig kosten kan voortbrengen, en hel dientengevolge /eer in prijs gedaald is (van frs. 3000 in I (S()0 lol f'rs. ,'i op 'i oogenblik), maakt men er allerlei voorwerpen van voor versiering en da ge lijk sell gebruik. Vooral belangrijk zijn de legeeringen van dit metaal: Alnminium-lirons is koper met -10quot; 0 Alum, feeel, soms goudkleurig', zeer vast, daarbij bjjzomler smeed- en i'ekbaar), Alum.-messing (koper, zink en alum,), Nikkel-alum.-brons (vooral voor eliirurgiselie instriuiHMiten, omdat liet niet licht aangetast wordt door vloeistotfen en gassen). Alum.-zilver, Alum.-ijzer enz, hebben uitstekcnule eigensciiappoii en worden meer en meer gebruikt.
Kwik staat op do grens tusseheii de iiiet-edele en de edele nietaleii. liet is het eenige metaal, dat bij gewone temperatuur vloeibaar is. Men vindt het als kleine druppels in het gesteente, doch verreweg het meeste kwik wordt uit Cinnaber verkregen (Tab. 17. Fig, i:i). Deze verbinding van kwik met zwavel heeft eene prachtig roode kleur en wordt dan ook veel als verfstof gebruikt. De voornaamste vindplaatsen zijn: de Almaden in Spanje, blria in Ivraïn en de Nieuw-Almadeu in ('alifornië. Kwik wordt hij iOquot; vast; het verbindt zich gaarne met andere metalen (goud. zilver, koper, tin, lood en zink: niet met ijzer, nikkel en platina) tot vaste stoffen. Bij de afscheiding van goud wordt van deze eigenschap veel gebruik gemaakt, ook bij bet vergulden en verzilveren in t vuur. l'in-ainalgaina dient om spiegels te beleggen. Kwikdampen zijn zeer vergiftig, evenals de meeste kwikverbindingen. In 1891 werden geproduceerd:
In Spanje........tiesscben
,. ('alifornië........22004
.. Oosten rijk....... 15000
..Italië.........1O440
.. Uusland........10000
Zilver behoort tot de edele metalen, dat zijn die, welke zich niet direct met zuurstof kunnen verbinden, dus in de lucht hun glans belionden. Het komt gedegen voor in gangen in graniet, gneis en glimmerlei en wel in kleine kristallen (lab. 17, Fig. 1'n, die dikwijls draad-, haar- of' boomvormig samengevoegd zijn. De voornaamste zilverertsen zijn: Zilverglans, loodgrijs van kleur met metaal-glans, eene verbinding van zilver met zwavel. Donker roo dg u ld i ge r t s , rood ot donkergrijs met diamantglaus, eene verbinding van zilver, antimoon en zwavel en Licht roodgültligerts, karmijnrood met diamantglans, eene verbinding van zilver, arsenik en zwavel. Buitendien komt zilver veel voor als bestanddeel van lood en koperertsen. Zuiver zilver heeft onder alle metalen de
Mftaloii t'ii linnno ortsoti.
zuiversfc witto kleur cm den stcrksh-n -lans. I let is weckor dim Upon zcor smccil- en roklmnr, diiarlijj taai en hiincljjk vust. in den rcgel wordf lid met koper vermengd om er grooter luirdlieid iiun te geven. Door luelif en water wordi lier ni(gt;t aimgetnsr. Viindfinr zijn gebruik voor iiilerlei gei'etMlsclia]), sier-vooi'werpen, munten enz. De zilverproduetie is ont/agljjk groot en neemt, nog steeds toe; de prijs van liet metaal is daardoor in den laatslen tijd sterk gedaald.
J )e productie bedroog in 488-i;
in de Vereenigde Staten.......| 174^05 KO
.Mexico......................(I.^ÃXdS
Bolivia.......................'W UIS.')
Duitschland.........2i8l in
......................I igt;81 ()(i
Oostenri j k-IIongai'j je............49424
Peâ¢......................4590!»
'lapan......................'21121
' olunibia....................I X'jstl
Argentinië..................10109 ..
Rusland....................933()
Noorwegen..................(j:gt;S!(
l^rankrijk..........
Spsmje......................3n(52 ..
Australië....................2788
Tui'kije....................21(14
Zweden....................181(1 ..
Canada....................Kill ,
j, Australië....................4^0
Suits dien tjjd is de productie in -Amerika nog verdubbeld.
(«oud wordt als bet kostbaarste der edele metalen beseliouwd en komt sleelits in Hede^en toestand voor, gewoonlijk in boom-of mosvormis; samengegroeide kristallen, ol in platte stukken (Tab. 1 1, l-'ig. 15). liet is zeer verspreid, doch komt altijd slechts in betrekkelijk geringe hoeveelheden voor. Men onderscheidt berg- en wascligoud. liet eerste bevindt zich nog op zjjne oorspronkelijke ligplaats te midden van verschillende rotssoorten, vooral veel in kwarts, lier laatste was oorspronkelijk ook berggond. doch werd bij het vergaan van liet moedergesteente vi'lj lt;,n kwt mi voor ia aangespoelden bodem of' in rivierzand. Het goudrijkste n'ebied der aarde is het westelijk gedeelte van \.-Amerika. In 1818 stroomden uit alle streken der wereld goudzoekers naar (quot;alitornië, waar men aanvankeljjk in de losse rivierbezinkingen met geringe moeite schatten gouds kon verzamelen. In zeer eenvoudige werktuigen worden zand. klei en andere gesteenten met water Waünku's Natuurlijke llhloric. *â¢gt;()
riot iK'Hstoffon- lt;'f ininernlt'nrilk.
weggespoeld, terwijl de noorteljjk zware komdtjos en likuidjos goud aciiterblijveii (guudwassclierjj). Daarbij gaat evenwel veel goud verloren. Boter is du manier liet gesteente niet kwik te behandelen, dat ai het goud in zich opneemt, liet amalgama laat zich, daar liet vloeibaar blijft, gemakkelijk van hot gesteente afscheiden, liet kwik wordt er daarna door verwarming in dampvorm uit verdreven en het vaste goud blijft over. .Nadat de goudhoudende aardlagen en rivierbeddingen uitgeput waren, begon men het berggoud te winnen. Hiertoe wordt het harde gesteente, waarin het voorkomt, eerst in stampwerktnigen fijn verdeeld en daarna met kwik behandeld.
Later werden de goudzoekers naar de weinig minder rjjke goudvelden van Australië (Victoria) gelokt, waar goudklompen van 50.41 KG en van KG
gevonden werden. Eindelijk werden in Z.-Afrika (Transvaal) nog rjjke goudvelden ontdekt Uit hef overzicht van de goudprodnetie in verschillende landen blijkt, dat goud tot de moest algemeen verspreide motiden behoort. Het onderscheidt zich door zijne prachtige kleur en zijn sterken glans, die zeer lang blijft bestaan, door zijne buitengewone pietbaarheid, rekbaarheid en taaiheid. Bladgoud is zoo dun, dat het licht er met groene kleur doordringt. Het goudlaagje, waarmee de Byonner tressen bedekt zijn, heeft eene 'likte van /100000 mM. M en zegt wel eens, dat met één dukaat een ruiter en zijn paard verguld kunnen worden. Zuiver goud is zeer week, daarom wordt ter vervaardiging van munten, medailles, versierselen enz. eene legeering van goud met zilver of koper gebruikt. De goudproductie bedroeg in 1803 in ronde getallen:
in de Vereenigde Staten.....54000 KG
.. Australië......... 513000
,, Afrika.......... 4801)0 ..
Rusland tl ral en O. Siberië) . liTono
., de overige landen......3(i000 ,,
Welke landen hiermee bedoeld zijn bljjkt uit het volgende overzicht der prodnetie in 'I88'i :
|
Columbia....... |
. . . 5S(MI KG |
|
Mexico........ |
. . . 4780 |
|
Oostenrijk- Jlongarjje |
. . . 1058 ,. |
|
Canada ........ |
. . . li: (5 .. |
|
Brazilië........ |
. . . !)5'2 ,. |
|
Japan ......... | |
|
Chili......... |
. . . 4245 â |
|
Peru......... |
⢠⢠⢠1 / f) , j |
Zwavel.
.Argoiirinu'....................lis K(i
............loo
liolivia...........KiD
Zweden........... lo
'I'ui'kijo........... K» â
J liitiiin wordf in gi'dcfi'cn tocstiiiul, doelt meestiil vermengd met andere ntelitlett (ijzer, Koper, lood en/.), in l.e/hikingvn gevondett. ()ji zijne uorspronkelijke lig|ilaiitiseti is liet slechts weinig aangefrott'en. I)c voornaainsre vindjilaats is de üral. \ order is hef iti Columbia, Californië, Brazilië, Peru, Australië en op Borneo gevonclou. Platina is lijjna zilverwit, met sterke» metaalglans. Hef is hef soortelijk zwaarste metaal, heeft een zeer hoog smeltpunt (20OOquot;(')eii is hestaud tegen de itnverking van alle zuren (alleen door koningswater wordt hef opgelost). Om de laatste reden is liet voor den scheikundige oimiishaar, die er dagelijks schalen, kroezen, lepels enz. van gebruikt, I K(i platina kost ruim / l'idl).
/ w a v e I.
Zwavel (lab. I, Fig. Hi) wordt in de nabijheid van vulkanen algemeen .langetlotlen. ^Xa de uitbarstingen der vulkanen blijven deze in den regel nog 'angen fjjd zwjinelhoudende dam|gt;en (zwavidwatersfof. zwavelig zuur enz.) uirstooteti (sulfa t are). Uit deze gassen scheidt de zwavel zich af in den vorm van kleine kristallen, die mef de vulkanische asch vergroeien. Op het eiland Vulkano. in de nabijheid vit» \apels. op het 'irieksche eiland Mild, op .lava op den Welirang (de eenige van de Ardjoeno-foppen, die nog werkzaam is), in Californië en op IJsland wordt zwavel gewonnen, die op deze wijze ontstaan is. De meeste zwavel \indt men, in vcreeniging met gips, keukenzout en bituinineuse (dierlijke of plantaardige stolfen bevaftende) leisteeuen, als sedimentaire lagen in den bodem. De zwavel van Sicilië komt laagsgewijze voor te midden van kalkmergel, die zeer njk is aan overblijfsels van zeedieren en planten. Deze kalkmergel rust op gips- en keukenzoutmassa's mef bituminense leisteeuen en wordt bedekt door klei, die rijk is aan foramineferen. Hoe men zich dergelijke sedimenten moet ontstaan denken, zullen wij bij het sfeenzont bespreken. Waarschijnlijk heeft zich zwavelwaterstof'gevormd door den invloed van gassen, die door het verrotten van dierhjke en plantaardige lichamen ontstaan zijn, op gips en heeft zich daaruit tie zwavel afg-ezet. Waar zwavelwaferstof in de natuur ontstaat (b.v. in riolen) of opgelost in 't water van bronnen voorkomt (Aken, Pvstjan in Hongarije, lgt;e.\ in /iWifserland), zet zich daaruit licht zwavel af, De zwavel vindt men zelden gekristalliseerd, zij is zeer bros en een slechte geleider van warmte en elecfriciteit. Zjj smelt bij 1 j'Jquot; (of eene lichtgele vloeistof, bij verdere verhitting wordt deze
Hot ilnlfstnffrin- of minfralenriik.
steeds flikker, taaier en donkerder van kleur, eindelijk wordt ze liijna vast; voortgaande met verliitten, wordt zij weer dun vloeibaar en begint bij 4H0quot; te koken. I it den damj) zet zicli de vasto zwavel weer af ais zeer fijne kristalletjes (zwavelbloem). De zwavel wordt gebruikt voor de bereiding van buskruit en van zwavelzuur (in den laatsten tijd worden hiertoe meestal zwavelrjjke metaalertsen aangewend), voor het vuleaniseeren van e-aoutchouc (zwavel, opgelost in zwavelkoolstof', wordt met eaoutehoue sainengekneed en innig gemengd; de eaoutehoue blijft daardoor zacht en lenig, bij het gebruik van veel zwavel verandert hij in steenhard eboniet), voor het bleekeu van stroo en wollen goederen (dit geschiedt door ze in voehtigen toestand aan de werking van den damp bloot te stellen, die zich bij het verbranden van zwavel vormt), als geneesmiddel enz.
S lt; c e n /. o ii t.
Steen- of K lip zo ut is bet eenige mineraal, waarvan het genot voor menselieii en dioreu eeae levenslteluMjfte is (keukenzout). Wel is waar vinden de meeste dieren en vooral de vleeschetende «ene voldoende hoeveelheid zout in het voedsel, dat zij nuttigen, doch door alle planteiieters wordt bet als eene lekkernij gegeten, waar ze slechts in de gelegenheid daartoe zjjn. (tok de Samojeden, die zich bijna uitsluitend met rendiervleestdi voeden, hebben goene behoefte aan zout. Voor de negers, die bijna uitsluitend planten kost gebruiken, is daarentegen zout de grootste lekkernij. Men schat de hoeveelheid zout, die een inensch jaarlijks noodig heeft, up )gt; -7 KG. Veel waarde is hieraan evenwel niet te hechten, daar het gebruik er van in verschillende landen verbazend veel verschilt. Ook voor de fabrikatie van soda. liet conserveeren van vleesch enz. wordt ontzaglijk veel zout verbruikt.
Keukenzout is oplosbaar in water. Keue verzadigde oplossing bevat 'ifi -'11 zout. lijj snelle verdamping scheidt het zich uit de oplossing in fijne korrels af (fijn zout); bij langzame verdamping kristalliseert het in teerlingen van zeer regelinatigen vorm, die zich tot i-zjjdige pyramiden samenvoegen (grof zout). 15jj gloeihitte gaat het in damp over. liet komt in de natuur zeer veel voor en wel: lo. als steen- of klipzout in korrelige, dichte massa's, die beddingen van honderden M dikte vormen. Deze bestaan evenwel uit talrijke, dunne lagen zout van enkele cM dikte, die door dunne laagjes gips (anhydrid) van elkander gescheiden zijn ; zij rusten op gipsbeddingen en zijn dikwijls bedekt met dikke lagen van andere zouten, die ook in het zeewater voorkomen (Abraum-salze);
'io. als steppenz.out in regenarme streken, liet vormt hier eene dunne korst op den bodem :
:Jo. iu zoutbronnen (salinen), liet water dezer bronnen is meer of minder rijk
St e«iiizoM(.
ami /out, dat altijd van steenzoutlieildingtMi atkoiustig is, die in do diepte voui'liandcn zijjn;
-k). in hot zeewater. Met water der grootc zeeën bevat â¢1.5% keukenzout.
Waar in kleinere zeeën groote toevoer is van zoetwater, is liet gehalte lager (Noordzee -'/3%, Oostzee Idaarentegen in zeeën, die weinig gemeenschap hebben met den oceaan, doch waar de verdamping aanzienlijk is, wordt bet gehalte booger (Middellandsche Zee 3.7â5.!) %)⢠Waar in 't geheel geene gemeensebap met de wereldzeeën moer bestaat, zooals b.v. met de Uoode Zee het geval is, is liet water zelfs met zout verzadigd. Ook bet Eltonmeer, aan de linkerzijde der Wolga, is biervan een voorbeeld. Acht rivieren uit de zoutnjjke Kirgiezische steppen voeren er aanhoudend groote boeveelheden zout aan; het water verdampt; het zout moet zich dus op den bodem van het meer afzetten. Dit beeft in zoo groote boeveelheid plaats, dat 1 - van het zout. dat in Rusland verbruikt wordt, verkregen wordt door het eenvoudig uit het meer op te scheppen. De steenzont-beddingen hebben zich blijkbaar uit zeewater afgezet. Op welke wjjze dit geschied is, blijkt het best, wanneer we waarnemen wat op 't oogenblik op sommige plaatsen gebeurt. Zoo b.v. aan de oostzijde van de Kaspische Zee in de bocht van Karabugas. Deze zeeboezem is slechts door eene nauwe straat niet de zee in genieenschap; aanvoer van zoetwater ontvangt hij niet: de teiiiperatunr is er nog al hoog, zoodat de verdamping van water zeer aanzienlijk is, vooral door den invloed van den drogen steppenwind. Daar het water er hetzelfde niveau moet blijven behouden als in de Kaspische zee, stroomt er voortdurend water uit de zee in, ter vervanging van datgene, wat verdampt is. Dit water voert steeds meer en meer zout in den boezem aan (dagelijks :! millioen KG) en dit zout moet noodzakelijk op den bodem kristalliseeren, zoodra bet water der bocht met zout verzadigd is. Houdt eindelijk de aanvoer van water uit de zee op, dan zal langzanierhand alle water in den boezem verdampen: ook de zouten, die in geringere hoeveelheid daarin voorkwamen, zetten zich in vasten vorm af. De wind voert zand en stof aan, die de plaats, waar vroeger de zeeboezem bestond, geheel aan liet oog onttrekken en zoo is eene machtige, onderaardscbe zouthedding ontstaan. Dat zich onder en tusschen do zoutlagen gips bevindt, is natuurlijk, daar dit bestanddeel van het zeewater veel minder oplosbaar is en zich dus het eerst afzet, wanneer het water verdampt. Steenzoutlagen vindt men te Htassfurd bij Maagdenburg, te \\ ieliezka in Galicië. te Norwich in Engeland, in Spanje, Xoord-Amerika enz. Zoutbronnen of salinen komen zeer veelvuldig voor. Uit de laatste wordt op vele plaatsen zout gewonnen, door bet water eerst voor een groot deid te doen verdampen op de zoogenaamde gradeerwerken, waar men het druppelsgewijze uit een bak, op aanzienlijke hoogte aangebracht, door takkenbosscben heen, naar beneden iaat vallen. Is bij
Het ilelfstoffi'ii- of tniiioralniinjk
liet iiiiiir ln'iiciicii (li'iipjM'lcii door do voclvuldig'o naiiridcing met do lucht con S'i'oot dool \ ;iii hot Nvufoi' vonliinipt, dun woi'di do/oufojjlossing vordoi'in ^'iotjjzoron pannon langzniim bovon vuur vordnmpr. tor Iiot zout zicli in kristalion afscheidt. Ook uit /oowator wordt zout gowonnon. in hot Noordon door hot in bassins to laten hevriozon. Het water, dat onder de ijslaag overblijft, is zeer rijk aan zout on kan door verdamping boven vuur gemakkelijk tot kristallisatie gebracht worden, la warmere gewesten laat meu hot /oowator langzaam verdampen, üp Madoera wordt op deze wijze bijna alle zout voor de bevolking onzer Ã.-l. bezittingen gewonnen. i)e zou tt ui non van de Middeliandsclie zee leveren op deze wijze meer zout dan alle zoutbeddingen en salienen van Europa samen. De zoutproductio in Europa bedraagt:
in Engeland.......millioen l\(i
â Rusland.......l'iOÃ
.. Duitschland......I0ÃÃ
Spanje en Portugal . . . 7üü
l'ranki'ijk.......500
â Italië........
K « o 1 s t o f.
Rene geheele reeks van delfstoffen dankt haar ontstaan aan de koolstof uit hol plantenrijk, liet hoofdbestanddeel van het plantenliehaam is de houtvezel, die on quot;/n koolstof, 5 quot;Z,, waterstof en i'2 quot;/n zuurstof bevat naast geringe hoeveelheden stikstof en asebbestanddeelen (zouten). Staan de planten, nadat zij zijn afgestorven, bloot aan den invloed van de lucht, dan veranderen zjj eerst in bruinen humus, die op zijne beurt langzaam verweert, tot alleen de asehbestand-deelen in vasten vorm overbljjven. Blijven de planten na imn dood van de lucht: afgesloten, dan beeft geene bumusvorming plaats, maar de waterstof en de zuurstof verbinden zich langzamerhand met elkander tot water en met koolstof tot koolwaterstofgas (moerasgas) en koolzuur en er blijft een product over, dat rijker en rjjker wordt aan koolstof, naar gelang deze omzetting voortschrijdt. Hetzelfde heeft snel plaats, zoo men pla?itendeelen bjj afsluiting van do lucht sterk verhit: er ontwikkelen zich tal van dampen en we zien ten laatste slechts koolstof overbljjven (natuurlijk mot do asebbestanddeelen).
lt;'p dergeljjke wijze moeten we ons de verbazende massa's koolhoudende stoffen van plantaardigen oorsprong, die in de natuur voorkomen, ontstaan denken.
liet eerste product der verkoling van planten in de natuur is de Turf (HO % koolstof), dan volgen Hruinkool (72%), Steenkool (So N'i %)⢠Anthra-ciet (!M.quot;/â) («n cindeljjk Graphiet (Millquot; i.
Turf is de gedroofde voenstof. waiiiiiil de venen /jjn saniiMigeKtcld. Waar groote h()t'\'('('lh(,'(l('U al'fi'estorvcn planton door water van de luclit zijn afgessioton, vervenen zij. liet hangt van den aard der [)lanten af, ot'zjj liierbij hare structuur min of meei' hohouden, dan wel of die hjj het verveningsproces geheel en al verloren gaat. Het eerste is vooral hjj veenmos en bjj liontige planten (hoornen, heide) liet geval, het laatste hij de kruidachtige waterplanten (plompen, lisschen. riet, i'iissclien, eypergrassen). Men onderscheidt hoog- en la a g veen. Hoogveen vormt zich op een bodem, dit^ rijk aan vocht is, omdat de ondergrond voor water ondoordringbare lagen bevat en de afwatering moeilijk plaats heeft. Op zoodanigen hodem groeit gaarne de strnikheide (('ciIIkiih vulgaris). Door de vervening van deze planten wordt de waterrijkdom op die plaatsen steeds grooter, daar veen het water gretig opslurpt en sterk vasthoudt en weldra neemt de dupheide {Krica tri ral lx) de plaats der strnikheide in. /ij wordt op hare beurt opgevolgd door wollegras (Krlophonon vayinalum) en ten slotte door veenmos (SplKKjmtni), Het spreekt vanzelf, dat ook ecne der drie laatstgenoemde plantensoorten zich het eerst op dien bodem kan ontwikkelen en aanleiding geven tot veenvorming. Ook kunnen er tal van andere plantensoorten voorkomen; zoo groeien biezen en andere eypergrassen soms weelderig op zulke plukken. De veenvorming kan ook op den bodem van hosschen beginnen; in dat geval zullen na verloop van tijd alle hoornen afsterven en neervallend in het veen, daaronder bedolven worden en behouden hljjven (kienhout). Het hoogveen breidt ziel: in den regel van zelf meer en meer uit, vandaar, dat het in het midden steeds hooger is dan aan de randen; het neemt den vorm aan van een zeer vlakken heuvel. De dikte der veenlaag bedraagt in den regel li 5 M, doch in enkele gevallen is zjj veel aanzienlijker; aan de randen is zij dunner. De ondergrond, waarop het veen zich ontwikkelt, is meestal zand. soms laagveen; na afgraving van liet veen verkrijgt men vaak een drogen dalgrond, die. waar voor behoorlijke afwatering gezorgd wordt, geschikt is voor den landbouw (veenkolonién). In ons land kwam vroeger zeer veel hoogveen voor, vooral in de Noordelijke provincies ((Jrollingen. Friesland, Drente en Overijsel) en in .Noord-Brabant (de Peel), Voor hut grootste gedeelte zjjn deze venen afgegraven; er bestaan evenwel nog groote uitgestrektheden van, die aanzienlijke hoeveelheden turf en in den laatsten tijd vooral t ii r f s t r o o i s e 1 opleveren,
Laagveen vormt zich in stilstaand water (plassen en kleine nieren), \ an dun oever uit verspreiden moeras- un waterplanten zich meer en meer en bedekken weldra de geheele watervlakle. Deze planten sterven jaarlijks at en zinken. Zijn zij door hef water van de lucht afgesloten, dan begint de vervening en op den bodem verzamelt zich eene zwarte modder. Daarin vinden t volgend jaar nieuwe moeras- en waterplanten een uitstekenden bodem, en deze gaan op
IN I â¢!⢠]fs(olVt'ii uiquot; inini'iali'iiriik
liaro beurt op dezeH'dc wijze in vconmodder over, Zoo wordt do veculaaquot; steeds dikker, tot. de plas geheid gevuld is. ilot laagvoeu moet dus, in togenstelling mot hot hoogveen, vlak zjjn. Uaar do jdanton, waaruit het zich vormde, kruidaeiitiquot;-
o
zjjn, hebben de ovorbljjfsols or van daarin niindei' hunne structuur hohoiidon dan iu hoogveen. De ondergrond is zeer laag gedogen on bestaat uit klei of zand.
ordt hot laagveon uitgel)agg(;rd. dan ontstaat w eer oon ]ilas. De oppervlakte
er van levert bij hel.....rljjko afwatering oon prachtigen grasgrond (groenland).
Derrie is eene laagvoon-massa, die met klei en zand gemengd is en dus voor vorturving ongeschikt is; gewoonlijk vormt zij do onderste laag van hot veen. dat trouwens .'Jâl M dik kan zjjn. Een groot deel van de provincies 1 lol land en i trecht bestaat uit hiagveen; ook in friesland en iu kleinen; uitgestrektheden in andere provincies komt het voor. Ter verklaring van do veenvorming in Holland moet men aannemen, dat do bodem er vroeger hooger la^- ten opzichte van do zoooppervlakte dan nu. \\ ant was daar vroeger een moer geweest van meer dan 4.-)0 .M diepte (zoo diep ligt er de bodem, waarop het veen rust honodon A.I',) on van die nitgostrekthoid, dan zou daarin geono veonvorniing liohbon knnnon plaats vindon, omdat de sterke golfslag de welige ontwikkeling van moeras- en waterplanten zou hebben holemmerd. Het spreekt van zelf, dat allo vroeger behandelde moeras- en waterplanten tot do laagvoeuvorming kunnen hobhen ineogewerkt. Veen komt in de gematigde luchtstreken zoor voel voor. In l'iUropa aan den voet der Alpen, in Noord-Westelijk Duitschland langs dlt;â oevers der groote rivieren, in Xoord-Duitschland. in Ierland, Schotland, Zweden, en West- en Oost-llusland enz, In Azië vormen de Toondiu's oen uitgestrekt veengebied. Iu .\oord-Aniorika komt veen zoor voel\ uldig voor, b.v. in Massa-chusett, waar iedere plaats haar veengrond bezit. In Afrika heeft men daarentegen nog geen veen gevonden.
I) mi ii kool is niets anders dan turf. die oen voel langer verkol ingsproeos heelt ondergaan. I)il blijkt uit haren grooteron rijkdom aan koolstof, do grootore dichtheid, uit hot feit, dat de overblijfsels der' planten, waaruit ze zich gevormd hoeft, nog slechts door het microscoop te onderscheiden zijn en vooral daaruit, dat er geleidelijke ovorgangon gevonden worden van turf tot bruinkool. De bruinkool is dus ontstaan uit oudore voonhigen, die door zand- en leoinbozinkingon bedekt zijn. In den regel komt zij voor in uitgestrekte beddingen, die iâIt) M dik zijn. Deze bestaan uit brninkoollagen, die door zand- of kleilagen van elkander gescheiden zjjn. Men onderscheidt verschillende soorten als de Gewone bruinkool, eene vaste, min of meer dichte stof mot scliolpaehtigo of onregelmatige breuk; zij bevat in den regel slechts sporen van houtige weefsels. De Houtige bruinkool of Ligniet vertoont duidelijke houtstructuur; hot zjjn vooral naaldhooinon, die tot hare vorming hebben bijgedragen. De Aard-
450
Ivi'jlstllf.
in'lit ige bruiukdt)! ccnr losso, iiariluclitigo, gele lot liniints massa van gcringcn stiiucnliaiig. Do l'okkool is oeiui gluii/.oiulo. zwarte, vaste stol' mot seliolpaclitigc bronk. waaraan do samonstolling uit planten nog slechts door liet mioroscoop is waar te nemen. Zij laat /.ieli sijjpeu en poljjsten cm wordt als git gebruikt, om er allerlei versierselen van te maken. De meeste bruinkool wordt als brandstol' gebruikt. Door droge distillatie verkrijgt men er toer uit, die weer tot grondstof dient voor de bereiding van pa ra fine. De Keulsebe omber is eene bruine, aardaebtige bruinkoolsoort uit de omstreken van Keulen. I{ruinkool is zeer verspreid. Zij komt veel voor in Duitsehland (vooral in Saksen), Hohemen en llongarjje; in Noord-Europa en Engeland is zij zeldzaam, blsland, Noord-Amerika en Aehter-Indii'; zijn rijk aan lirttinkool.
Steenkool is evenmin seller]) van bruinkool te onderselieiden als deze van veen. Mr is dus reden aan te nemen, dat bruinkool bij voortgezette verkoling onder den sterken druk van de daarop rustende sedimentaire gesteenten in steenkool overgaat. Dat dit verkolingsproees in de steenkoollagen nog steeds voortgaat, wordt bewezen door de vorming van injjugns (licht koolwatorstofgas) en van koolzuur in de mijnen. Naar gelang dit proces verder voortgang gehad heeft, is de samenstelling der steenkool zeer verschillend en onderscheidt men daarvan verschillende soorten, als vet-, gas- of vlamkool en smids- of magere kool. De eerste bevatten nog veel vluchtige bestanddeelen, zijn dus zeer geschikt voor de gasfabrikatio en branden met gele, roetrijke vlam. De laatste zijn minder gemakkelijk aan te steken, branden zonder vlam. doch geven meer hitte. Antbraciet bevat nog minder vluchtige hestiinddeelen. is dns nog rijker aan koolstof, heeft een metaalaehtigen glans en ontwikkelt bij verbranding nog meer warmte.
Men vindt de steenkolen meestal in lagen van hoogstens I -5 M dikte, afwisselend met meestal veel dikkere lagen kicilci en zandsteen. In den regel is het aantal der steenkoollagen in eene stcenkoolbedding zeer ^root, dikwijls komen er .quot;)(â¢â'2U0 voor. soms ook maar - of Ook lt;le horizontale uitgestrektheid er van is in den regel verbazend groot; de steenkoolbedding van l'ittsburg in Pensylvanië zou 'ÃSdU KM2 oppervlakte hcbhen. In den regel zijn deze lagen door verhettingen en verzakkingen van den bodem veelvuldig gebroken, gegolfd, van elkander gescheurd enz.
Wat het ontstaan er van betreft, de duidelijke afdrukken en overblijfsels van planten, die men in de lei- en zandsteen vindt, waarop de steenkoollagen rusten, bewijzen, dat zij uit landplanten ontstaan zijn. die voornamelijk tot de vaat-ervplogamen behooren, veelal reusachtige afmetingen hebben en die op t oogenblik geheel uitgestorven zijn. Reusachtige varens, paardeslaarten (Cuhtmüi»), wolfs-klauwgewasscn (l.r.itulodctulrdn, Siijillarieii) hadden het grootste aandeel in de
lli't delfstMlft'ii- â¢tlquot; ïiiiiienilcnrijk.
sfconkoolvorming. lUiitciKÃi'ii vindt men daarin overl)ljjt'scis van ('voadceën en Conileron. Hedokt-zadige planten komen er niet in voor. Deze planten moeten op grooto nitgestrektlieden verveend zijn; na zekeren tijd werd hel veen bedolven onder zoet- of zeewater en bedekt door bezinkingen van zand en klei uit het water. Xa eeuwen missehien verhief de bodem zich weer hoven het water; opnieuw hedekte lijj zich met een woligen plantengroei, die op zijne beurt verveende en ditzelfde herhaalde zich soms honderden malen in den loop van een onberekenbaar aantal jaren.
Wat de verspreiding der steenkoolbeddingen betreft, in bijna alle landen van Europa worden zij aangetroffen. Groot-Brittaimië is er bet rijkst aan; daar strekken zjj zich uit over ongeveer V* van do oppervlakte. De grootste kolen-rijkdom bezit Xoord-Amerika, daarop volgt China. Japan, Formosa en Siberië zijn evenzoo rjjk aan kolen beddingen. Zelfs op .lava. (Kendang) op Sumatra (Ombiliën-velden) en Horneo dvoetei) vond men rijke steenkoollagen, die in den laatsten tijd ook ontgonnen worden. Zonder twijfel zal men ze ook in Afrika niet te vergeefs zoeken. Van de steenkolenproductie geeft de volgende tabel een overzicht:
(iroot-lirittanuiö......Ilt;S'2 millioen ton (iXü'i)
Vereenigde Staten.....I7il
Duitschland.......94 ,, ,, ,,
Frankrijk........ L'd .. ,, ,,
Oostenrjjk-l longarjje ... 10 .. .. (1lt;S!)Ã)
Melgië......... '20 .. .. (18!M;
Rusland........ li .. .. (iSlt;S9)
Canada......... M â â (1800)
Japan......... :! â â ,,
Spanje....... , 1.1'. .. ,, (1801)
Italië......... 0.:i0 .. â (1889)
/weden........ O.Ii .. .. (1888).
Ook in ons land komen steenkoolbcddingcn voor in Z.-O. Limburg. De domaniak mijnen in Kerkrade werden in 18 'ià door het Kijk voorden tijd van 00 jaar ter exploilalie afgestaan aan de Aken Maastrielitsche spoorwt^gmaatschappij. De productie bedroeg in 1887 5i5(i7 ton. In Heerlen is men dit jaar met de exploitatie cener mijn begonnen en boringen hebben geleerd, dat de steenkolen-bedding zich uitstrekt over een groot gebied, dat tot Amstenrade en Hrunsuin reikt.
/158
Op het groot»! belang der steenkolen voor de verwarming, voor industrieele doeleinden, voor de verlichting (gasfabrieken), voor de fabrikatie van honderden gewichtige stoffen uit de nevenproducten der gasfabrieken (kleurstoffen, carbolzuur. salvcilzuur, ammoniak enz.) behoeven wij zeker niet te wijzen.
~r.
IVtrnlfiim.
(i ra i) iiiot, (l(; liekondo /.aclilo, dunhlailcrigc. inchtiilg-liuizciidc. zwarte stof. die veelvuldig als snu,'erinid(I(d voor assen, voor hot maken van potlooden. voor hot glanzend maken van gietijzeren kachels enz. gebruikt wordt, is waarschijnlijk hot eindproduct van de verkoling der plantenresten. De meestal dunne lagen komen in de oudste sedimentaire gesteenten voor. .Men vindt het in iïohemen. Xeder-Oosienrjjk, Heieren ('Passan), Silezië en Saksen en buiten Kuropa in Siberië. Indië (-n Noord-Anierika.
I?arnsteen is oen verhard bars. van pijnboomen afkomstig (zie blz. 408) Hot wordt bjjna alleen aan de vlakke kusten der ()ostzco gevonden. Stukken,
waarin nog insecten duidelijk te onderscheiden zijn,
die voor duizenden jaren daaraan zjjn blijven kloven,
zijn niet zeldzaam. Ofschoon ook van plantaardigeii oorsprong, is dit mineraal toch op geheel andere wijze ontstaan dan do vorige.
P e trol e a in.
De Petroleum wordt op goede gronden beschouwd als oen product van dierljjken oorsprong. In de bezinksels, waaruit zoovele gesteenten ontstaan zjjn, kwamen zonder twijfel veelal tal van dierlijke lichamen voor, die in den loop der tijden volkomen vergaan zjjn. De gasvormige ontledingsproduoten er van zouden zich in de poreuso gesteenten tot eene vloeistof verdicht en den petroleum opgeleverd hebben, Do petroleum uit dim handel is geraffineerd. Het ruwe product is oen mengsel van zeer vluchtige, minder vluchtige en zelfs vaste koolwaterstoffen, Door distillatie in ijzeren pannen worden eerst de meest vluchtige oliën afgescheiden (benzine, naphta), daarna distilleert de voor verlichting geschikte petroleum over, die eerst bij eene temperaluur hooger dan tOquot; vlam mag vatten, bij verdere,' verhitting verkrijgt men minder goed brandende, zwaardere smeerolie en paraline en ten slotte blijft een soort zwart pek over.
Petroleum wordt op zeer vele plaatsen aangetroffen, (iewoonljjk heeft men tot aanzienljjke diepte (soms iOO M) in den grond te boren. Zoodra men de petruleumhoudeude lang bereikt heeft, ontsnappen meestal eerst groote hoeveelheden van brandbare gassen, dan spuit de olie soms als eene hoogo fontein uit het boorgat omboog of wel zij wordt in groote massa's uitgepompt,
Eene enkele bron in Ponsylvanië zou in de eerste dagen HL olie per
dag opgeleverd hebben, (fewnonlijk duurt die overvloedige opbrengst niet lang en is de bron zelfs na 'J 3 jaar zoo goed als uitgeput.
De voornaamste vindplaatsen treft men aan in Ponsylvanië, den Kankasus
Ifrt (lelfstuflVii- of inirK-ralcmijlx
^voornl Hak no) rn Doch er is Imjiui gihmi land. wjiiir gocn pclrolciini
aanwezig is- De meeste staten van N. en Z. Amerika zijn er rijk aan; in Afrika en Auslraliö, in China, Japan, ep Sumatra (i'erlak) en in vele landen van Europa is hij gevonden, en op talrijke plaatsen worden bronnen in exploitatie gebracht. Xoord-Amevika produceerde in 1S!)I meer dan NS millioen i11,. liet schiereiland Apscherou (liakn) 43 millioen. Sedert dien tijd is de opbrengst in N. Amorika dalende, in Kusland daarentegen neemt zij toe.
Asphalt is eene zwarte, pekachtige massa, die bij lage temperatuur smelt en met walmende vlam brandt, liet is waarschijnlijk door den invloed der lucht uit petroleum ontstaan en komt dan ook meestal in de nabijheid daarvan voor. In Kuropa viiult men het in Zwitserland (Neufchatel) en 1 lannovei'in kalksteen; op de Doode zee drijft het in groote klompen rond. Het wordt voor de bereiding van kit. lak en in den laatsteu tjjd veel voor plaveisel gebruikt.
R \ ] G I ST K \\.
|
\iil (soorten) 201. A allx'snchtifi-eii 1544. A uitje 280. Aalsiilaiiiniuli'i' 187. Annbocld 21. Aangezicht ;i. Aard-alkalitnetaleii 122. Aardappel MftS. Aardappelseliimmel 4 17. Aiirddmveu 1.'.,!. Aardt,relei 412. Aardhnorntje 78. Aardmetalen 422. Aard noot :i22. Aardpci r 308. Aardsalamander 18(i. Aardslakken 287. Aardveil :'.»l 1. Aarlt;lvlooien 2H». Aardwormen 278. Aarsmade 280. Aasgier 12.'». Abaeate .*i72. Abrikozen !i2(). Acacia (ware) :gt;24. Acacia (valsclie) :gt;22. Accomodatio 1!gt;. Achtarm («â¢ewone) 2srgt; Achterliool'dsbeen 4. Adder 181. Addcu'worlel ;{72. Adelaars 122. Ademhaling: (iMcnseh) \. AdemhalinKquot; (planten) .quot;^os. Aderen :;o, :?2. Aderlijk :{2. Adonis 341». Aeneasrat 71. Aethiopisch ras .'IS. AIVietsel-dierljes '.UH . Alleg-gers IJls. A«raai 425. A «-ave .'{.SS. Aï 88. Ajuin :»)I. Akelei :m. Akkerkromhals Albast 4:57. Albatros 170. Alcana 358. Alizarine :{5(». Alkaliën 422. Alken 171. Allitfulors 177. Aloë :W 1. Alpaca 102. |
A Ipenrozt n Alruin Alsem Aluminium 447. Altheabooinpje 1. A1 vertjes HM. Alvleesehklier 28. Amandelaohtiffen ;i2(.. A mandfdhoom 1420. A maril 4 10. A marillideeën :'i89. A mbergrijs 1 li». A mei vi n 178. Amethist 424. A merikaansch ras :is. Amnionilen 280. Amoeben 1402. Amomeeën H8r». Amorph 1214. Amigt;hibiën 172, 181. Anacanda 180. Ananas (echte) 387. A nanasgewassen .'{87. Andoorn ){lt;I4. Andijvie 3(59. Anemonen 1^. Angora geit 110. Ang-ora kat 72. Anhydriet 437. Anjelier Ansjovis Antneridiën 400. Anthraciet 454. Antilopen los. Antimoon 417. Antjar :i77. Anijs 351. Aorta 30. Apen 41. A penbroodboom 334. A ppelaehtigeu .quot;â¢2tl. A ppelbloesemkevt r 2ls. Appelboom 327. Appel vink 13«). Apollo 237. Acjuamarijn 140. Ara 138. Vrabischo gom :!24. Arak 395. Arallaccecu 351. A rchcgomië'n 40quot;.). Aren 3%. Arend 122. Ar ga la 103. Argali 111. Argeiitan 4 Ui, |
Argusfazant 155. Ariel 130. Aristolocliieeën 374. Armadill ss. Armpolypen 2,.Mt. Armpootigen 2U4. Armsalamander ls7. Arrowroot 3sr», Arsenik 447. Artisjokkt n 309. Arumskelkaehtigen ;;,.i7. Arumskelksoort'-n Arve 400. Asbest 427. Asperge 392. .\sj»ergeachtigen :lquot;.«2. Aspcrg^'tor 218. Asphalt 1(50. Assiniileeren 'AO'k Asters 308. Atlas (vlinder) 240 Atlas (been) :*gt;. Atropine .'{(»(». Auernaan I5ti. Aueros 112. Augiet 427. Augurken 311. Aurelia s 230. Auriekel 3t;5. Aurcoavlimler 2.'.7. Avondkoekoeksbl(»em 10. A vondpauwoog J Is. Avondvlinders 2:is. Axidott 187. Azijnschimmel IIs. Itaardk orst mossiii 115. Uaardmannetjc i.ij. Uaarsen iss. Habuin 1(5. Hactcri«;n lis, Ha.j ong 192. Hakkerstor 257. Halsaminen 333. Halsemgewassen .quot;'I's. Hananen 384. 15amboessotMten lOü. Handeng 197. Uanteng 11 I. Uarbeel 193. liaribal 55. liarnsteen 45'.». liarnsteendeii 407. Uasalt 430. I5asilieum :gt;(5.l. Itasilisken 178. |
Hogister.
|
Hastajirdrupscn '2'Jl. UastaardHUtijnvIimlcr 21.quot;». Itastaanlspinm-n 'J71. hastaardvortiHMi 'M I. liastaar»!wederik üMO. Matati* Haviancn lt». Itcdcktblocicndc plantni lïcdckt/.adiKvn .llt». HiMïtiid^ras KM. licenaardo s. visschcn iss. Beenvlies s. IW'^oniiicci'i'n 'M'.l. lii'kerkopal(Mi 'JlUK lii'k('i,j)laiitt,n Hekken 7. helemnii'len 28(1. IJeln^o 204. Hen^aalsche roos ;i2.'». Hen/.ino 15quot;,». IJerm ó:}. Meren (vliinli rs) 21.'». Herenklauw 1. Herg-tfoud 41!». lilt;'i«-Krislal 4-'4. lierkaehliKcn MÃ2. Hurken ;i82. Herlijnsch zilver 44(j. He.rna^r .'{.quot;kS. Herijl 44U. Hcseheriuiiigsiuiddelrn (planten) Hessenbladrups 215. Helelkauwen Hetelpepor i)quot;.?. Heuken iWl. HiMirsband liever M5. HevruehtinKquot; (planten) â 'â¢11. He/aantji' 2,.»T. Hezeinkruid 32J1. Hezoaixeit lil. Hieten :M2. Hiezen HJ)M. Hilsenkruid 3U0. Hjsamrat s.'i. Hjsniuti) 117. Hisons 112. Hitterkcrs :M7. Hitterzoct .'{.V.). Hlaaskniidachtig-en iiOl. Hlaaskwallen 21)7. Hiaaspooten 202. Hiaasrol) IK». H laas worm 280. Hladgroen .'MM». Hladkevt rrt 21 1, 217. Hladkwal 2(.»7. Hladlnizen 2(»r». Hladnenzon is. Hladpoolijfen 'J7(». Hladrollers 24.*». Hladwespen 224 Hlauwborstji' l:U. HIauwc regrn .'{22. Hiel I'M. iJlriule 11.quot;.. Jilinde darm 29. Hlindmol 71). Hloedhond i;:i. Hloedboutboom l{2.'i. Hlocdkrnid :»47. Hloedlrlics 1581). HloeijlichaampjoH .'M. Hloedluis 2GG. Hloedwci lil. Hloedzui^ers 271). Hloeiende planten ;'»!(», ;{|i». HloemlM kleeilsels iilO. Hloennl.'k 310. HloemenvlieKen 252. Hloemkroon 310. Hloemkwal 21)7. HloemkiMjonloo/f plantenJV.'o, Hloernzuig'er.s 117. Hoekenschorpiot n 271. |
Hoekwi-it .'{7,_). iJocrenkers .'117. boerenzwaluw IJ'.». Hoeren wormkruid .'Kis Hokje |(»4. Ilokshaard :u»l). boktorren 2211. IJolderik lilO. Mollen ilombardciTkcver JIJ. ilontkopererts 44(1. iloom kiK vorscb 185. I loom koralen 21)1). lloomkruipertje 117. jloommartel* 58. lloomslanKvn is|. lloomwants 20.». IJoon M'JO. Iloonenkever 2In. lioonenkruid .'lU.'l. Hootsmannetje 201. I'.oistbuis 21). Horstel stekel varken 80. honstelwormen 27S. jjorst wervels ;5, I. ilOöchbessen MO. hoselikoe 110. Hosehmuis 80. IJosehuil 1'J7. jlosehzangers i;'»:'». IJoseh/.wijn 04. Hot 2O0. Iloterbloein .'MO. Hoterviseh 192. I'.raaknotenboom 357. I'.raambessen 325. Ilrandmuis 80. Ilrnndncielsoorten 375. Hrandselmnmels 417. lirasem 11)4. I'.remrapen 365. lirernsen 250. Jlremsoorten 323. llreuk 2gt;i. Ilrjllantkever 220. Ilrilslann 182. Ilromelia s 3S7. llromvliehr 252. Brons 440. Hroodvruchtbooin i!70. Ilruan 50. llruinkool 454, 450. Mruinviseh 118. Ilruinijzrrerts 44J. Ilrulaap 17. Brunei 304. lUiansa 01. BullVls 112. Buidelbeer 71. Buideldas 75. Buideldieren 73. Bujdelmarter 74. Buidelratten 74. Buidelrelmui/.en 7 1. Buikpootitfe 2gt;»7. Bujsslurjnrs 152. Buis v Kustaehius 21. Buizerd 125. Bulvorseli 1JS5. Bunsin^ 51). Burgemeester 101). Buxus 330. Bijenkevers 210. Bijenvreter 151. Bijkroon 310. Bijvoet 308. lt; aeaobonm 335. ('aehelot 119. ('aetusaeiiti«,lt;'n 34 1. ('ai salpinen 323. ('alaniussoorten 31m:. (quot;aleedoon 425. ('anieliai-ecr-u 337. ('amota 302. Cannaeeeün 385. |
('aoutehoukbooin 330. ('apuevneraap ('argodo 175. ('asmalos 138. ('assia kaneelboom 37 ('assiasoorten 323. Casuaris 151). ('ateehu aeeacia 324. Ceder 401). ('edreleeën 331. ('elastrineeën .'{32. «'eleryptogainen 108. ('ellen 304. ( ellulose 304. C'elstof 304. ('entaurie. 301). ('Iiampignon 115. ('himpansé 44. ('hinazilver 440. rinnehilla 84. lt; quot;lirysolitb 141. ('hyl 21), 33. (quot;hylvaten 29. Cicaden 201. Cieadeeën 405. Cichorei 309. Ciniarones 1)8. Cineraria's 309. Cinnaber 448. Cipressen 400. Citrienkwarts 124. l'itroenl)«»om 32N. Civetkat 08. ('lematisHoorten 311). Coati 57. Coloealo 71. Coloeasia 397. Coloradokever 217. Coloquint 345. (quot;omi»osieteu 3(»7. Connuïeën 351. ('roeussoorten 389. Cryploganien 10s. ('ueujo 221. ( ureumaplant 385. Cypergnissen 221. Cytineeën 374. Dadels 31)5. I bidelhoniK' 394. DagpauwooK1 23(gt;. I )agrool,voK,els 122. I)agvlinders 2.35. Dahlia 308. I )alg'rond 4 50. halkrnid 391. Dambord 2.38. Damhert 105. Darmsap 20. Darmselieil 28. Darmvlokken 21). 1 )as 57. Dazen 250. Dell'stoll'enrijk 418. Delta's 43.quot;.. Den (grove) 4Ã0. Denneulioktor 223. I )eiinenhout 407. I gt;ennenknoprujgt;s 2 Ki. I gt;eunenUgt;trups 210. I )ennenselieerder 219. I )ennenspanrups 2 15 Dennenzwerver 231). Derrie 450. Desinidiën 113. Diamant 438. I )iatomeeën 413. Dierenrijk 10. I )igitaline 304. Djkbek 139. Dikhoorn 111. Dikke darm 21). Djlle 351. Dimorph 123. I gt;ing-o 04. Dioseorueën 392. |
Heister.
|
I )iorit't U's. Dionns 169. I )igt;tt'ls 1 )ist«'lvlimlcr L':!»!. I )jatti-li()ut :{()quot;gt;. Dodaars 171. I)()(ilt;l('^ras KU. II is. holle kei vt'l IT)!. DomliMaal I'M. hoiuierpnd 1*'.». hootlslioolMuil Dootlskluppcftjc l'.'T. Doolhol' 21. i)ooriin|)p('l I)ooveiu'l('l Douw hrajulspiimcn '^70. Draadworm 2S(t. I gt; raad/wal uw I Draai kevers 'J I hraakvisch is'.i. Dragon Draken 178. Drakenbloedbooui Dromt'daris 101. Dronkenmakendi' Iccrvd ü.'ts. Druifiuis 201). Druipsteen Md. DultheiwariKcr 17». Ihibbellool' 405) DU^oiik' 117. Diuracliti^en IM. Duikeenden Ilt;gt;(1. Duikerbok 108. Duikers 171. Duinen 4;W. Dninkevcr 2I(). Duitsche papegaai l »l. Duivelsblad ;i.quot;)7. Duivelsdrek 'l'»I. Duiven I.V2. Dui/'-mlblad IMiizendtfuldrnkruid il.'iS. Dui/i'iulknoop .quot;m^ Duizendpootcn 207, 2(17. Duizendsehoon HIO. Dunne darm 28. Durioboom :5'5rgt;. Durrab HM. Dsidiiffgetai 99. Dwer^antiloop Ids. Dwerg'arend Ij:;. 1 )wcrg,niuis s(». I)werg,papi,gquot;aai l.wi. Dwerfirvleertnuis |U. Dijbeen 7. Kbbenlioutbooni ;Hilt;; KbonaeeiMquot;'!! MGd. Kboniet 102. Milelffesteenten I 58. Ivlellierl lo.i. Kd(dkoraal 2(.»9. Kdoliimrter 58. IMe.lvalk en 121. I-Melwit Eekhoorn 77 Kekhoornapen 17. Meiibloernbladi^eii riendaciitiffen !lt;'â gt;. Kendaffsviieg-*'!! 2.'»I. Kendi'ii 1G(). Kendenkroos :»,.t7. Kendenmossel 277. Menhoevigcn '.gt;(gt;. Kenhuizig-e planten .quot;'.I I. r.riijari«v kruiden Hls. Kenoog 27(). Kenzaadlobbi^en ;gt;N, :»l*.gt;. :!s ! Kereprijs 304. Kgel r»2. iltrd^ras 'Mn. Kffelskonpi-n :Ugt;7. lig-elvisoli 2(K{. I'iglantierroos :{2.quot;gt;. lü der eend 105. |
Ilierplanl .'{50. Kiken :;s(). I.itjes (van planh-n) .:10. Kksler IM. Idand li));. Mlaudantilopf 1quot;'. I '.lemen t ell 122. i;Uà r.i7. Kllepi.ip 7. Kis lil/enhaantje 217. Kmelt 2 UK Kinu I Engelwortel .551. Knten ill'.». Krodiumsoorten Krtsen III Krwt .'{20. Krwtenkever 2ls. Kseh :{5:{. Ilseluloorn illil. Kskimobontl o^. K-parcetie ;'gt;2I. Kucalyptussoorlen Kzel os l-'a/.anten 155. Feimek r.(;. riaddennaUi 17. Flamingo 105. l luitkraai i n. i'luwetden /.ecmuis 27s. Fluwijn 58. Foelie Fonteinkruiden :'.0S. Foraminileren Forellen 198. Fratnbozeu .'{25. l'ratnbozonwants 202. Fregatvo^el l7n. Frotje 59, Fuchsia i{!{9. Fuut 171. (â aasvliegen 255 (laboe 192. UallVdK-eins 109. (Jagtd 'gt;s;{. (lagtdaebtigen (lal 28. Galajfo 17. (ialblaas 28. (lalmei 11... (Jalgantwortel üsr». (ialmuygen 24!». (lalwe-pen 225. (ian/.ebloefii IJOO. (lanzen 1(58. (Janzei ikaehtijjen 325. (lanzevoetaeiitiir- n â¢quot;gt;rJ (larmeriet 117. (iarnaal 271. (iavial 170. (lazellc 108, (leeko 17s. (lebaiiR :{9:{; 390, Gedaanteverwisstding' 2lt;'0. (leelbout .'{77. (leboor 17. (leboorbeentjes 21. (bdioorgaiiH: 21. (i(di(»orsteentjegt; 22. (leiten 10S. (leiteinnelker 12s (lelaatshoek I. (udede dieren 207. (lelukspinnetje 271. (Jeml)er (echte) :!s5. (tems 108. (Jentiaandciitigm ;{57. (lentiaansoorteii I5s. (leraarnte (inenseh) 2, (leraniuins 23!!. (lerst 100. (M'Vt)el 17, 25. (1cwervelde lt;lieren 11. (lewrieht 5. |
(le/icht 17. (iibbons |.quot;t. (lieren 12'). dierst ICO. (lier/waluw 12s. (lirtbcxun van MiohiyMM (ültmyi 272. (1 il'tslan^' n lsl. 'iipgt; i;;7. (lipsspaat i:'.7. (liralfe |(}7. (list/.wam 11^. (lit 157. dladiolussoorten dladde slatin lsl. (llansla/ant I. (llanskevers 210. dlanspauw l.»rgt;. (llansslang lsl. diaslichaam 1^. dlnzeniakers 254. (lla/uur I. dimmer 127. (Uimmerlei 42^. dlimworm 22.'. (1 neis 42S. dnetae. e.'?i |(»s. (1 noe 110. (loerami I'.'J. dollathkever 211. (loU'papejjraaien F's. (lomboom .â {7s. damlak-xi'hildluis .MS. (â¢oral 108. (lordeldicr ss. do ril Ia 11. dor/en I doud 140. doudduiker 172. (loud, n regen â¢â¢..'2. (Joudi'ii tor 2i I. (loudhaantjes 217. dondmol 52. doinUbbtem IK)'.', (loudvisidt lo;{. (1 oud Wespen 221. draafwegt;pen 220. draansehimniel 117 (1 raanvruelit :)99. (l radeerwerken 45::. dj-anaat lil. dranaatboom draniet ijs. i:;i;. dranujiet Ijs. draphiet 154. drasanjelier .quot;MO. ' 1 rasmusselien I . draissen 'M\k (1 reneidioiit lquot;ii. (Irieksehe selnldpatl 17 drindewal lis. (1 rislyijeei' drij/e beer (1 rneiipapega:ii I ' . droensteen 42s. drondid l'.d. tMondstolVen 422. (l rootoor 40. (Irootsnavellgen I5(». drutto 101. duaeharo I2S. dnanaeo 102. dtiepard 72. (luinfa|)eigt;er (1 iiiehelheil :{(,iii. (»uineeseh biggel ie (luttii-perchi'lMmm quot;-'f', duttibonm ((.'eylonx'in \ \ \r \ ) .UI. Haaien 205. Haarvaatjes 31. i Ilaasmui/en SI. Halten 254. I latr-'lissen 17quot;., 177. Ilallapen 17. I lalb irkt lvnrmine kanalen Ualt'ezel 99. |
|
UalfhoovigtMi 8(). llalorftK'i^'n'cn llalsNvervols Ilainor 21. llariK'rsi'lM'lp' ii lliuucrvisoh 2lt;gt;rgt; liaininau 4.'». Ilumstcr Hii. llnndvW'Utft .'«⢠_ llandwortt'llu'i'ntj»lt;. Iliun kiimnu'n Ilar«l(' oogvlies is. llardstiH'ii Huren 37. Hariutf 195. Hart llartboeziMH llartkaiiM-r Ilartzakje 29. Hauw, hainvtjc . Mgt;. Haver m. Havik 121. HavikskruiM Ha/ilaar JJHO. Hazelhoen 15(gt;. llazelnuii/en JV». Ifa/elworni 17'.». Hazen 8(). Hazewind 01. Ilciaal IH1. Ileideachtitfen :gt;lt;«(gt;. ilcidosoortlt;'n ll.Mlbot 201. Heiligbeen Ih'iliKe Ibis UU. Heilige tor 211. llelichrysiun :w;s. Heliotroop 'ft*. lleliudradon :M 1. Helmgras 401. l[ol in knopjes :'.11. Hengel 304. Hennep 37r). llennepnoti 1 Herdershond «14. 11 erderstasje 317. 11 eremiet krab 27 1. llert'sttijdeloos 301. Herkauwers l'^'. ilerkuleskovor 211. Hermelijn V.K llermietkover 2H». Ilersenbftlk 14. Hersenen 12. I lersenkaK 3. llortebeeBt 100. Hertezwijn 04. Hertshooiaeliligen '⢠l »⢠Hertstong 400. II essennmif 24'.». lleterogenie 225. Heup 7. Hielbeen Hoefblad 300. 11 oelijzerneuzen IS. Iloektanden 4. Iloendei aehtigen 1.»3. Hoendergans H».s. Ilolader 30. llolotliurien 205. Ilohvortel 374. Hommels 234. Homiaehtigen lt;gt;1. Hondengil' 357. llondsdollieid »'»1 lloiilt;l.s(lral' 3(i4. Ilondshaai 205. Hondspetei'seli 351. Honignanwijzer 140. Honigbij 231. Honigdas 57. Honigklavor :'23. lloni»?koekoek 140. llonigvoffels 117. 1 loopveen 45.k ÃMoiwageti 27 I. |
Hoornaar 230. iloorna«lders 182. Hoornblende 11». Hoornbloem 340. Hoornt'azant 1»gt;. Hoorn rog 20(gt;. Hoornvlies 18. i Hoornwieren â gt;«}'â¢â Hop (vogel) 14». j 11,»i. (plant) 3o». llópklaver â gt;'-3- Hopvlinder 24;». Horzels 251. Houtbij 234. Houtige gewassen Honting l'.gt;s. Houtluis 257. Huid 35. Huidskelet 208. Huidspierzuk 2lt;'.». Huisgeit 110. Huishoen 1.gt;4. Iluishond 'H. Huiskat 72. Huiskrekel 2.»0. Huislook :'.4(). Huismarter 58. Huismuis 80. Huisrat 70. Huisrnnd 113. Huisspin 270. Huiszwaluw râ'. Huis/wam 115. Huis/wijn 02. Hulst 331, Hulstaehtigen -gt;30. Huso 204. Huttentut 340. Ãyaeinth 300, 440. Hyena's 07. 11 vena giltboom 3i0. Hyrax Hyssop 3(i3. 342, fehneumon '»7. Innamen 302. ^ Immortellen 3(»8. Indigo plant 321. 1 nl'nsiediertjes 301. I nlusorienaarde 420. Inktvissehen 285. Insecten 207. Inseetenbloeinen :U 1. Inseetenetende planten Ipomea 302. Irbis 72. Iris (v. h. ook) 18. Irisaehtigen 3S«». Irissoorten 380. .la ek 111. .lagers [80. Jaguar 71. .lakhalzen «quot;.0. .lako 130. â¢lalope 362. ,jan y. Gent lil. Jasmijn 351. Java-aap 40. gt; Jeneverbesstruik RM». Jul Ver (gewone) 254. JulVerkoraal 200. JulVertje in I «roeji ..1'.». Junikever 2H-Ju via 338. Kaaimans 117. K aardealt;'hti«en Kaardebol 370. Kaasjeskruid 334. Kaasmyt 272. Kaasvlieg 253. K iibeljauw_10'.». 1\ akapo 137. Kakatoi-'s 13s. _ Kakkerlakken 2 â¢â¢. kalander 210. |
Kallmsboom Kalebassen 344. Kalfsvoet 307 Kalk (bijtende) l.»l. Kalkjfesteenten 4:11. Kalkoen 155. Kalksinter 430. Kalkspaat 437. Kalksteen 434. Kalktul' 437. Kalmus 307. Kalontf 48. Kameelhals\jieg Kameleon 177. Kamervlieg 252. Kamlerbooni 3lt;'J. Kamgras 404. Kamille 308. _ Kamperfoelie 3.gt;3. i Kamsehelpen 201. Kanarievogel 140. Kaneelboom 371. Kanonneiunetaal 11'gt;. Kaolino 433. _ Kantvrueht 307. Karbonkels 440. Karbouw 112. Kardinaal 130. Kardinaalsmuts 3S,». Karet 377. Karetschildpad 1 Karporluis 277. Karpers 102. Karwei 351. Kassaveplant 329. Kastanje (eehte) '{S'J. Katoenplant 334. Katoog 424. Kat test aart 330. ^ _ Kaukasisch ras :i(. Ivaurispar 107. Kauw 144. KeerkringHVOgel ho. Kegeldragenden 41.». Kegels 4(15. Kegelslakken 2s(,i. l\ eizermantel 2:01. Keizerskroon 300. Kelk 310. Kemel 102. Kemphaan 1OX Kengoeroe s 75. Keporkan 120 Kerkuil 127. Kersen 320. Kervel 351. Keulsehe omber l.n. Kevers 211. Keverluis 271. Kiel 320._ Kiem 307. Kienhout 455. Kieuwen 184, ls7. Kieuw salami\nders 1X7. Kievit 10 4. Kiezel 424. Kiezelgesteont»'!! 4'-1. Kiezidsinter 120. Kiezen 4. Kikkerkmid :100. Kikvorsehen 1^4. Kinaboom 354. Kinagewassen 351. Kiwi 10»). Klapekster 130. Klapper 394. Klaprozen 348. i Klapschelpen 201. ! Klapvliegell 30. Klauwieren 130. Klaver (roode) 321. Klaversoorten 32:?. Klein vlinders 24». KU'urblindheid 10. Klimbaars 101. Klimop 351. I Klimvogels 147. |
Hosristnr.
|
Klinkstoon 1:11. K lipdassi-M «Mi. K lipspririKcr ION. K lipvo^cls 1:11. Klipzout I.VJ. Klitten K loUdicrt.jcs Klokhuis Klokjrsiicliliyrn .'UIT. Klokkobcifii Klokkcnrnrtniil l IC. K lumpvisi-h 'JOH. Kluit itii. KliauK'ilicrrii 77. Kimlpi'ul ;Lquot;J. Kiialslan^' isj. K nautiii .gt;70. Knazon 24n. Knic^cwriclit 7. Kliicschijf 7. Kniptorrcn -JJO. Knoflook Ml. Knol Knoppen :il7. Knorhaan Ins. Koala 7.'». Kobalt 117. Koehoorn ;!77. Koepfuar 70. Koekoek lis. Koekoeksbloem 10. Koeinroeh IMI. Koeroek 71'. Kooskoos 7.'». Koevoffrl I4.quot;{. KoflV-rviseh 'in:!. K ot'fiebooni Kokerboorn ){!)!. KokerjutKer 2.quot;»:». Kokerwonnen 27s. Kolonijzersteen I IJ. Kolibri s NO. Kolsutu (Jl. Komkoinineraehti«:en :gt;l 1. Kondor I2IJ. Konin^innopage 23(». Konin«-sarenlt;l Koninffsniant» ! 'J.w;. Koningsvofircl i8o. Konijn 87. Koolplant .'Md. Koolraap :tM. Koolstor 454. Koolvlirg 'J.').'.. Koohvantx JIJ. Koolzaad :M(gt;. Koolzuur :n. Kootjes 7. Koper 140 Koperplans in;. Koperkii-s IKi. Koperlazuur 4 Ilt;:. Koppootig-t-n :{s|. Koraaldieren J'.ls. Koraal mos li:gt;. Korenbloem Korenbout J.M. Korhoen I Koriander .T)l. Kormxdje {.quot;gt; I. Korsthagedis I7s. Korstmossen 411. Kortsehildkevi-rs JJ|. Kortvleugeligen Korund 110. Kraagkop Mö. Kraait-n I II. Kraakbeenvisschon JO.i. Kraaienoogenboom .Ti7. Kraanvogels ldJ. Krabben 271. Krabbuideldier 7.'». Kramsvogels 1.'! |. Kreii«-torren ÃJI Kricladmuggen JIs. Krikken 17«'.. Kringloop (bloed) :!l. Waunkk's Natmnlijke llisluii,-. |
Kristallen IJ:!. Kristallens l^. Kristallijn IJ.'.. Krodde :M7. Krokodillrn 17'. Kropsla .'{(gt;{» K ruidje-roer-mij-nirt-aan ;ïj:?. K ruidnagolboom .'MS. Kruikbloem '.quot;â¢7. Knijpende dieren I7J. Kruisliekken I IJ. K ruisliessen .'{14. Kruisbestuiving '.I I. Krujsbloemi^eti :in;. Kruisspin J7o. Kunstmatige voortplantiiiff (planten) IJls. Kuikendiel' IJ.*», K uitbeen 7. Kwallen J»;lt;). K walpolypen Jiv.i. Kwartels l.»s. Kwarts 4J4. K wartsgesteentcn I J I. Kwee ;{J7. Kweekgras lol-Kwik 418. Kwikstaarten l.'M. Ijaagveen I.quot;».'». Laatvli»*ger II). I.abyrintli Jl. Lagunen 4MM. Lama 102. Lamantynen lis. Lammergier IJl», Lamprei 20(1. Lancetviselije JdC. Landmeters' J4r». Landsohlldpadden 171. Land wantsen J()J. Langarinapen 4.t. Langpootmng^en J|s. Lansadder 181. Lantaarndrager 2igt;4. Larven JOt». Laurier :571. Laurierachtigen .'{71. Laurierkers :sjlt;;. Lathyrus (welriekende) üjj. Lava 4in. Lavendel Laznnrsteen 411. Lebklieren J7. Lederliuid .'iO. Lederschildpad 171. Leem 4:{J. Leemhans 147. Leeuw (Amer.) 70. Leeuw (0. wer.) lis. Leeuwaapjes 17. Loeuwenbekachtigen .'Wil. Leeuwerikken I Leguanen I7s. Leisteenen 43:5. Leljeachtigen Leliesoorten .'('JO. Lelietje der dalen .'{quot;.H. Lelietor 217. Lendenwervels :i. Lepelaar H»:{. Lepelbekken I(i7 Lepelblad .'U(i. Leukooi 847. Letterzetter 21'.». Levengesehiedquot;nis (dei- planteti) :5i:{. Lever 28. Leverbloeini»je Leverbotten jsj. Leverkruid 4IJ. Levermossen IIJ. Libellen 2.VI. Lielitmotten 24(i. i.idsteng Ljervogel l.'lquot;). Lievenhi'erebeestje JJ.!. |
Lieve vrouwe bedstroo .'irxi. Liguster Limoen ;ijs. Linde .*i'{7. Lintwormen Js;:. I .in/. .'{J|. LipbloemigtMi :i(ij. Lipponbeer öl». Liseh :»s;gt;. I .isehdod«leii :!,.t7. Lithographische gt;teen i;ni-Longader .quot;.0. Longblaasjes I. Longen .'{4. Longvlies .{.quot;â¢. Longslagalt;ler .10. Longslakken Js7. Lood 444. Loodglans 444. Loodglit lil. Loogkruid :54J. Look zonder look :i47. Looksoorten :{tH. Loophoenders l.'i.s. Loopkevers JIJ. Loopvogels I.M Loranthaceen :{74. Lor is 17, I.'m. Lorikets i:!7 Lorius 137. Lork 407. Losbloeinbladigen :{i;(i. Lossehen 7J. Lotosbloem .'lis Luiaards ss. Luipaard 71. Luisvliegen j:.::. Luizen J(i7. Lupine :iji. Lupuline ;{7.quot;t. Luzerne :!JI. Lygniet l.'»lt;l. Lymphe {{:{. Lyniphvaten M:i. Lijnkoek Xl'l. Lijnrneel :{.'{:gt;. Lijnolie |{|{:'.. I .ijsterbes .'427. Lijsters i;{4. 1 Maagdepalm 1 Maagmond J7 Maagsap 27. Muankever Jl I. Maanviseh Jo:!, Madeliefje .'{(ill. Ma gey :{8S. Magneet-ijzerert s 4 IJ. Magots 4.quot;). Maliagoniboom .*{.'11. Maïs 101. Maki's 47. Makreel |})0. Malachiet 440. Maleisch ras ,'{s, Malveaelit igen :I. Ma in moet li !»J. Mainmoi'thbooni 40(!. Manati s lis. M an deïst eellen 4 JO. Mandril Ki. Manenduif l.quot;»:». Mangelwortel :!4J. Manglewouden 339. Mangoboom ilJfs. Mangostanboom .'{4 I Mangrove wouden Maniokplant .'{'20. Mannelijke bloeindoelcn .'iio. Mansoor .'{74. Manteldiercn J'.» M araboe Hi:{ Maretakken â¢quot; 174. Marguay 71. Marjolein .'{(IM. MO |
RichtinfT.
uu;
|
Marknsiet Marmer 436. Martfrachtiprm Maschiiu'llbootn ^-â¢l-Nliitninate 17:». Medina worm *JS0. Meduscnstorrcn Mtckrap Mecldimw 4 Hl. MiU'ldradcn :51lt;gt;. Meel my t 'JT'J. Nlfcltor 22H. Mc cl wormen 22^. Moerkatjes r». Meerkol 144. Meersehnim 4'_'». gt;li'orval 194. Meeuwen K'»'». McffattM ium Meidoorn iV2T. Mcikevrr '1\ l Mciaphier l'J'.'. Melisse :WU1. Melkdistel :Mgt;9. Meloenen :'gt;4*'. Mlt;'mnon 2'M. Menschapen 1-. _ Menschenra«sen â Mentha-soorten Merel i:M. Mergel 4:5(1. Messing 44'1. Mest Mestkevers -11. Metalen 441. Meteoriten 442. Metselspin 21»^. Middeliiandsbeenderen Middelvoetsbeendeii li .. Middelrif 27. Mieren 22(». __ Mierenegel 77. Miereneters Mierenleeuw 22.'». Mierik Ji4lt;». Millioenpooten 2»is. Milt 2'.». Mimosen 'i2^. Mineraal 422. Mineralenrijk HO. Mink lt;in. Mino 1 t:t. Mispel :i27. Modderkruiper I'M. Moederkoren 410. Moetlon 111. Moeraserts 442. Moeraskever *4. Moerasotter HO. Moerassehildpadden 1.4 Moerasvogels lilt). __ Moerbeziënboom .H lt;â Mol 51. M(»lensteenlavji 4:i.». Mol rat ten 7'.». Molsla '.m. Mongoolsch ras â¢'gt;lt;. Monitors 178. Monnikskap l''-Moor 1lt;10. Morellen 82(1. Morietje 11(1. Mos (lerseh) 41:1. Mos (l.lslandseh) 414. Mosdieren 21)4, M0(». Mosselen 2U2. Mossen lil. Mosvruebt lil Mosterd H4(i. Mosterdtor 217. Motten 24(1. Muggen 247. Muildier Muilezel W. Mui/en 7'.». MuseardiiU' 117. Musenmtor 220. |
Mn skaatnoten boom ^50. Muskieten 24S. Muskusdier lo:?. Nluskusos III. \Ius8ch«'n 141. Mustang ,»'s. Muur :U0. Muuraebtigen 10. Muurbloem :'47._ Muurkruiper 1 17. Muurpeper .MO. Muurruit 40'.'. Myeeluim II 1. NlyrrhestruiU ^2^. Mvrten :{:'»7. My ten 271. \aakte slakken 2S7. Naaktzadigen 101. Naaldboomen 40rgt;. Naalden 40.quot;gt; Naebtaap 17. Nachtegaal i:$2. Naehtpauwoogen -lo. Naeht reigers 1(11. N aehtsehaden_8»'s. Naeht viool Ii47. Nachtvlinders 2:v.i. Nachtzwaluwen 12S. Naden 4. Nagels :i7. Naïden 27'.». Xandoe IV.». Naphta 4.VJ. Napjesdragi uden .4H», Nareisaebtigen :^s-Narcissen 1489. Nasua 57. Navel/.wijn â â¢l. Nect»irirgt;n 312. Negendooder 1140. Negenoog 2ot;. Negerkoren 401. Nestor 138. Netelachtigen 371. Nete1 boom 375. Netelorganen 297. Netvleugeligen 2.»:'gt;. # Netvlies IS._ Neusbeen .'»7. Neushoomdii ren 94. N euslioornkever 214. Neushoornvogels ir»0. Neiissebelpen 2X Neustusscbenschot Nicotine 3G0. Nieren UB. Nierenboom ^28. Nieskruid 349. Niet-metMlen 422. Niezen 24. Nikkel 447. Nommervlinder 23.». Nonvlinder 212. Nörz do. Notekraker 11'». , Numenius 1(11. Nijlpaard 9.*». Obsidiaan Ml. Ocelot 71. Oehoe 12(1. ()epasboom :i77. oeros li;{. Oester 290. Oeveraas 2'»4. Oeverwallen 4:iM. Oeverzwaluw 129. Okkernootachtigen lt;9. Oliekever 222. Olii'anten 90. Olivien 430. Olm 187, 379. O lij ia eb ti gen 352. Olijfboom «52. 1 Ombervisch 189. |
Oinphalode 358. Once 71. . . 1 .. oir, Onderaardsohe stengeldeeh n â¢Â»!. Onderkaak 4. lt; )ntkiemen 313. Onyx 425. Oogappel 18. Oogas 19. Oogen 17. Oogkamers 18. Oogspieren 1«. Ooievaars l(gt;2. Ooievaarsbekken 333. Oor 21. Oorschelp 21. Oorvos (10. Oorwormen 258. Opaal 425, 441. Opium 340. Opossum 71. Oppcrarmbeen 5. Opperhuid 3(1. Oproller 27(1. Opnntia's 341. Orang-oetan 42. ()ranjeboomachtigen 3,_n. Orehideei'n 38(). Orehissoorten 3S(1. Organist IK». ()rka 11^. Ortolaan 139. Overblijvende planten â 'gt;â¢Â». Oxvden 142. Paalworm 293. 1'aapje lil. Paard 90 raardebloem 309. l'aardestaarten 408, 110. Paarlemoer 291. Paarleinocrkapellen -.0. i'aarlemoemautilus 2mo. l'aarlhoendcrs 1.» â¢. Padden 185. Paddestoel»*!! II-». I'advisch 191. Pagodeslak 287. Paling 202. ^ Palmboompje 330. lgt;almcn 393. Palmira 303. Palmolie 3110. Palmsuiker 303. Palmwijn 393. Pampaskat 71. _ Panaaneeën 39«. l'anters 72. PantotVclbooni 301. _ Pantscrliagedisscn Ij ». Papavcraehtigi n 357. Pupegaaiduikcr 172. l'apegaaien PKl. Papegaaivisch 192. Papiernautilus 28(1. Papillen 25. Papyrusriet 39S. I'aradijsvogi l 115. Paradijsvijg 384. l'arafinc 457. Parakieten 13;s. Paragnaystruik 331. l'aranoten 338. Parasieten 309. Parasictliommels 234. 1'arasictvliegcn 2.»l. Parelschelp 291. 1 Parra l(gt;4. l,assi(d)locmon 34.». Pastinaak 350, Pati 395. Patrijs l »7. Pauw 155. Peen 350. Pckan (10. Pekari 94. Pek kool 457. 1 Pelikaan 170. |
Hi'iristcr.
Ui 7
|
P.'hir^onium i'cnnmgskruid ivnscc 'M\. I'l'iiscflHchiiniui'l nu. Peper (zwarte) Pcperai htigen 'M'.). Peporboompje 370. IVpermunt j'epervreters I.quot;»(gt;. l'eptonen 'J7. I'erobooiii iJ27. l^erKpeetid'slakkeii 'Jns. IN-rzik Pestvogel l.'il. l'etorselio l{*)0 Petroleum 4.M). Peulen .'J'-'O. I'eulgeNN ssen PharaoV at «j7. Pliiladelp leei'-n Pholaden 203. i'honoliet 481. Pliyton's ISO. Pieterman iss. Pillenkevers 'J11. Pilkruid III. Pimentboorn Pinguins 172. Pinie 407. Pinksterbloem :i 17, liso. j'ioenrozen 341). Pisang 384. Pissebedden 27.quot;gt;. Pitvruchten 327. IMakker 243. Plantenrijk 303. Platanen 372. Platina 451. Platvisschen 200. Platwormen 282. j'levioren 1G4. Plomp (kleine) 3.'i0. Plomp (gelo) 318. Plutonisehe gesteenten 122. Poelslak 283. Poema 70. Poepuil 127. Polymorph IJl. Pommerans 828. Pompelmoes 32s. Poolsche cochenille 2(17. Poolvos lt;12. Poortader 33. Poppen 200. Poppcnroover 212. Populieren 379. Populierkevertje 217. Porphyren 420. Porseleinaarde 432. Porseieinhoornslak 2s,.gt;. Portier 28. Potviseh 119. Praehtkevers 221. Prairiehond 79. Prairieuil 127. Prairiewollquot; (gt;l. Prasem 124. Prei 391. Priamus 23»l. Primula's Proeessierups 212. Protoplasrna 304. Provensche roos 32.'». Pruikenboom 328. Pruimen 32(1. Puimsteen 131. Pupil In. Purperslak 280. Purperzwaluw 130. Putter 141. Pijlkruid 898. Pijpenkop 171. Pyriet 442. Pyropen 441. 4^uagga (^uiona :U2. |
Itaat 1 i:i. Kaalachtig» n 142. Knaigras 101. Kaap 31(1. Kaap/nad 34(1. Kaderdii rtjrs 2sl. Kadijs 347. Kamenas 347. liankpootigi-n 277. Hanonkelaehtigen 3 l'1-Hansuil 127. liarita 140. Ivatelaar 3GI. Katelslang 180. fatten 70. Hechtvleugeligi'ii '_'.quot;gt;7. Hediën 282. Kee 10(1. lleHexhrwe^ing ld. ld. llegmboogvlios 18. UegeiiNvoim 17s. Keigers Kil. Keigersbek 334. Kelmuizen 79. llendier 10(1. ilendi«'riiM)s 11 I. |Jest'(liiquot;gt; ;i II. Ifeservevocdsel 30S. Heuk 19. Keukorgaan 23. IIen/en 3K. lieuzenbloem 37 l. UouzenkevorH 211. Ueuzenliiiaard 88. lien/j-nmossel 202. Ileuzcnooievaars Ml.l, lio.u/.ensalamaiKler In7. Ãeuzensehildpntl 171. iieuzenslangen iso. I\liabarher .173. Illiatnneei:n 332. llhi/ophoren :5:io. ÃihlMMi I. |{ibkwallell 207. Ividdersporen 349. IIiet 403. Kietzangers i:;3. Kingelrupsvlindeis 22(1. Ringslang lsl._ Uingwormen 278. Kitnaalden 220. Uivierkreel't 272. Ilivierpnling 201. Kivierparelmossel 292. liivierprik 20(1. Kivierschildpadden 171. Ilübijn 440. Koerdomp KM. Koestschoionel 117. 1 loggen 20'). Kogge 309. Rogkreet'ten 27(1. Kolaap 47. Ivolklnver 323. Ivonde venster 21. Kondbekken 30(1. Kondinondslakken 2ss. Ivoodborstjo 133. lioodgultigerts 11^. Roodkopererts 44(1. Koodnikkelerts lin. Koodstaartje Kl'1-. Koodijzererts 142. lioot'dieren .*»0. Kool'vliegen I gt;0. Kool'vogels 122. Rookkwarts 124. Roos (wilde) 321. R(»osachtigen 321. Koosbloemigen i-'l. Kose's metaal 117. Rouwinuggen 210. Rozebott«'l 324. Rozenbij 234. Ro/.enkevertjes 21(1. Kozen kwarts 224. Ruggegraat :i. |
Kuggcmerg 12. K uggemergskanaal 1 â¢Â». Kuggevat 208. Kuggewervels 1. Kuitenslang ls('. Itunderen 11 i. Kupscn 23.quot;». Kupsklav. r :iJI. Iluwbladigen .'l'is. Kuwijzer 413. Kijst 401. Hijstvogels 140. fabeldier rgt;.s. Habelsprinkhanen 2(io. Saffier 440. Sailor 3(19. Safraan iisc». Sago 393, .39.'». Sagoboom 4( Salangane 120. Salep 3»8(}. Salie 3(13. Salie (wilde) 3(14. Salinen !.'»â¢_. Salomonszegel 301. Sulpen 204. Sumengesteldbloemigeu :id7. Samengestelde oogen 208. Supropliyten 300. Sardel 19(1. Sardine l'.Ml. Seabiosa 3G0. Scluial'stroo 110. _ Schaaldier 207, 272. Seliaap 111. Schaarbek 1(19. Schallebijter 212. Schalotte 301. Schapenvlieg Schar 200. Schedel :i. Schcelquot;bloem 3t7. Scheefkclk 1147. Schcel zien 20. Scheenbeen 7. Schcensehildpad l'quot;-. Scheerling (gevlekt) M 'l. Scliellak :i7s. Sclirlpdieren 209. Schelpvlooien 27(1. Sclielvissehen 199. Schermbloemigen :t.'»o. Schildklier 31. Schildpadden 17:». Schildluizen 2(1(1. Schimmel (gewone) 11^. Schink 179. Schol 200. Scholekster Idl. Scliollevaar 170. Schorpioenen 2(»s. Schorpioenvli' g 2'»d. Schorseneer 3(19. Schorskever 219. Schorspolypt n 29'.». Schouaerblad Schreeuwarend 12.1. Schreeuw vogels 11'». Schululieren so. Schuimbeestje 2(54. Schurl'tkruid :gt;70. Schurt'tmyten 272. Scln.jl'hoornslak 288. Schijf kwallen 297. Schijfzwam ll(;. Schijnvrucht 32quot;'. Scolopenders 2(1S. Secretarisvogel 123. Sedimentaire gesteenten 422. Selderie 3.M). Sepiubeen 2Srgt;. Sering â quot;â¢'â¢2. Serpentijn 427. Serum 31. Seryal 72. Sesia's 239. |
ïl^islrr.
|
Siddornal 202. SidfltTiuoorval IXgt;. Sidderrog 20(;. Sier vogels liJl. Silenen .'MO. Silii'rttrn 420. Sirenen 117, ls7. Siridoos Slftjipbeenderen I. Slaapbol .'{17. Slangen I7!gt;. Slangenlinlsvo^t 1 17() Slangenkruid 'X**. Slangenvri'ter 12.5. Slagaderen HO, .'V2. Slagaderlijk ;?lt;». Slakken 2s7, 44:5. Slakkenhuis 22. Slangsterren 2!)0. Slankapen I.). Sleedoorn Slentelbeen Sleutelbloeiiiaehtigeii ar».». Slingeraap 17. Slokdarm 27. Sluipwespen 22.\ SlurlnapegHai l'ls. Slijkduivel is7. Slijkvlie^- J .i. Sl ij maal 200. Slijmdierljes :»02. Smaak 17. 24. Smaragd 4in. Smeedijzer 14.quot;!. Smeerbrand 117. Smeer wortel .{5«. ;{1L'. Smienten 107. Sneeuwbal :{.'»4. Sneeuwbes ;{.quot;gt;4. Sneeuwhaas *7. Sneeuwhoen l .r,. Sneeuwklokje Mss. Sneeuwuil 127. Snippen 1'!4. Snoek r.U. Snuittorren 2In. Snijder 271. Snijdervogels Snijtamlen 4. Spaakbeen 7. Spaansehe peper Spaansehe vlieg 222. Spaatijzererts 442. Spanners 21.». Sparren 407. Speehten 147. Speeksel 27. Speekselklieren 27. Speenkruid .'UK. Speerkies 41.'.. Speksteen 427. Spektor 220. Spermacetie 11'.», Spermatozoïden ion. Sperwer 12.'». Spjegelvisch HM. Spiering r.»S. Spierweefsel s. Spinachtige dieren 207 2Os. Sp nasie ;;42. Spinel 140. Spinnen 2(50. Spinnekup 2N0. Spinnende watertor 2i;i. Spinners 2.J!». Spirea's ;{2.». Spitshoorntje :gt;2. Spitsmuis .'»2. Splijt/.warn lis. Spoelwormen 2gt;(). Spoken 2.quot;)8. Sponskoralen 200. Sponzen .'500. Sporen .»10, 108. Sporenhonders 400. Sporenplanten .quot;»10. 4Os. Spotvogel I.T». |
Spreeuwen Uil. Sprieten 20S. Sprintraugurk ;il.». Springbok 108. Springhazen s:.. Springmuizen 84. Springspinnen 270. Sp ri n gstaa rt en 2lt;12. Springzaad .'i;}.!. Sprinkhanen 2()0. Sprot IOC». Spuitviseh 100. Spurrie ;{40. Spijsvertering 27. Staal 44M. Staar l'.i. Staartbeen Staartsehildpad 174. Sfalagmiet' Ji 1:50 Stalaktieien lilll. Stamp, r ;»I0. Stanuelkruiden Steenbrei kachtigeu ;;io. Steenuil 127. Steenraket .147. Steek mug 24 s. Steekvlieg 'J.»l. Steenareml 122. Steenbok 110. Steenboorders 20:;. Steenklaver .'12.'{. Steenkolen }.'»4, 1.»7. Steenkoraal 2011. Steen marter .'«s. Steenraket .'547. Steen/ont I.V2. Stekaas 2.'».quot;». Stekelbaars 180. Stekellioren 2^1». Stekelliui«li(fen 2,.I4. Stekelvarkens 80, Stelo'lvinniwe vissehen 1 ss. Stekken .'.Is. Steltloopers ICO. Stembanden '14. Stempels ;»10. Stemspleet :i4. Stengelknollen .»Iquot;». Stengel voel .quot;â¢I.quot;». Sti'rbladigen .'{.'»0. Sterkoralen 201». Ster-tanagra 140. Stlt; ppenhoenders ir»7. Steppenhond 00. Stcunbladeren quot;»17. Steur 204. Stierkever -14. Stinkbrand 117. Stinkdier .quot;»7. Stinkende gouwe 17. St.-.laeobKinantel 201. St.-.lansbrood :»2.quot;». St.-.lanski uid 114. St.-Jansvlinder 2.is. Stokroos i|. Stormvogel 105». Straaldieren 207, i'Ol. Strandlooper 1lt;gt;4. Strnndpijn 400 Stroobfoemen .quot;UiS. Strotkleoje Hl. Strottenhoofd .11. Struisvogel 1 :»8. St.-Teunisbloem .'l.;'.». Stuifmeel 1110. Stijfkop klopkever 22o. Stijgbeugel 21. Stijl .HO. Sueade eitroen .'128. Suikerahorn .'i.O. Suikerbiet 1142. Suikergast L'iil. Suikerriet 402. Suikervogels 1 17. Sulfatore. Sulfieden 442. Sul tanshoen 104. |
Sumaksoorten :gt;2x. Sury ;{0:». Syeniet 112. Sijsje 140. Sykaiuore :i78. Tabaksplant :gt;lt;io. Talksteen 420. Tamerind(d)oom :i2.'l. Tandbeen 4. Tandelooze dieren ss. Tandhoorn koralen ;;oo. Tapir 02. Ta puit 1:5:;. Tarai 72. Tarantel 270. Tarbot 200. Tarpan !M». Tarwe iv.io. Taxis 40.». Teakhout .quot;»«».'». Teken 272. Tembang 107. Terebellen 27s. rennieten 2.»0. Tetsvlieg 2.quot;i2. Thallusplanten 112. Theestruik (Chin.) .IIIO. Thijm :o;2. i Thijmelaeeeën 5170. i Timolea 2:i.'gt;. I'imotheegras 401. Tin 144. Tinsteen 144. Toddy HIK!. Toekan l.gt;o. Toermalijn 440. l'oetsteen 42.quot;». 'j'olhoornslakken 28*. Tomaat 21)0. 'i'ombak 410. pong (viseh) 200. Tonijn UK». Toorts .'501 Topaas (valsehe) 424. Topaas 410. 'j orenslakken 288. Torenvalk 121. Traanklieren 17. Trachiet 4:51. Trampeldier 102. 'Trapgans 120. Trapponkoralen 200. rranspiratie (planten) 1107. 'Tras l.'.l. 'Trekklaver :524. Treksprinkhaan 2(50. Trek valk 124. Trichine 281. 'I'roeboek 107. Trommelholte 21. Trommelviseh 180. Trommelvlies 21. Troskieuwigen 202. Trulfels 11(5, Tuinboon .'521. Tuinmelde .'54 2. Tuinslakken 288. Tulp ;5!K). Tureluur 104. 'Turf ijl. Turfstrooisel 15'». Turkoois 441. 'Turksehe aap 4(5. Turluru 274. Twaalfvingerige darm 28. Tweehoevigen 1(H). 'Tweehuizige planten 511. 'Tweejarige kruiden :51 1. Tweevleugeligen 247. Tweezaadlobbitfen ::i4 ;110. Tijdeloo/en .'501 'Tijger 70. Tijgerkat 71 Tijgerpaard 195). |
|
ri :m. l ilt'ii (voffi'lsI IJt.. 1' ilen (vliiulors) l' i:5. ritloopi-rs .quot;.17. Triiu' I'rson 8Ã. Vaatbumlels :U)I. VsuitcryptoK'auifii Vaatvlics is. Vali'riaan .'{70. yaleriaaHachti«Tii :i7n. Valsclu' acacia Vampyr -IK, Vain-n 401». VanK-spriiiUhaiu n _ 'S. Vanille :5si;. VartMis -40S, 40quot;.gt;. Varkensgras '.quot;J. Varolsbrug* I I. Vastkaki«Tn 20.'». Vaten .Uil. NVderdistels IIO'.i. Vrdcrniollrn 'J17. Vrrlbiot'inbladiffen .1-0 Vi'dliocviK-en M». Vot'ljarigc planh ii ; I gt;. Vcclknoopitfrii :'»7'-'. Vrt !vraat »'.(). N ecl/aadiobbigoi :U I. Viicnmol Ã50. Vfciiinossen III. Vccrcn 400. Veld«:»'rs( 404. VchlhoiMidcrs I gt;7. Vfliikcrssdurtfii .117. Veldmuis s|. Veldsla :{7ü. Veldspaat l'JO. Veldsj»rikhaan 'Jlt;i(i. Velduil 127. Venen 4.gt;.quot;gt;. Venkel :551. Venusffordel Venushaar 400. Verbcnaeecën Verbenasoorten Verbrnndinf,' Verbeet inij nietje il.Vs. Ver^roi'id bloeinbladiyeii Verlengde mei^ 1quot;». Vermomde wants Vervenen 4.Vgt;. Verversbrern Verversruos Hi. Verwecring ((ler ^esteenlen) IM. Verziendheid 10. Vc^t S. Vetganzen 172. Vetplanten .'M0. Vetvotrel I'jS. Ve/elstolquot; II. Vieunuia 102. ViiiRferhoedskruid JKH. Vinken l.'i'.i, III. Vinnen yjnvisch I JO. Vjolier :',47. Vioolaehtitfen .ii :. Viseaehe si. Viseharend 12;'.. Visehdiel'je KJO. Visehiiiizen 270. Visohoiter GO. Visehsalarnanders |s7. Vissehen 1M7. yiv^*rr«â¢aehtiKâ ', rool'dienn 07. Vlaamselie ^raai 144. Vhlfi: (bhiennleel) 82(1. Vlatf/alm I'.is. Vlas (gt;iiru\v-Zeelandseh) 111. Vlaskruid .'!(gt;I. Vlasplant Vleermuizen 17. Vleeseh S. Vleugfis (hloemdi'eien) .520. Vhaigolslak 209. |
i N'leeselivlie^ 2 )2. Vlii éfen (eelite) 2.V2. Vliegende rcknoorn 7S. VlieKi-ndf hond 1gt;. Vliefferule pad l-s. Vlii'gende viseh I5».quot;i. Vlii'Kquot;ende zeehaan l-SS. Vliegiïnd hert 20lt;». Vlie/fi nvangers i;;i». Vliegenvangquot;rt.ie .quot;.12. Vlilt;'^enzwain llquot;gt;. Vlieghoenders ir»7. Vliegmuggen 21'.». Vlier \ lieraehtigen il.'i::, V li.^vhMi«vlitrlt;'n 22:1. Vlinderbloemigen '.20. \ linders 2154. Vloeispaat l.'IK. Vlooien 2 Vloekfeelten 27quot;.. Voeding' (mcnschi 2»'.. N eeding (planlen) Voidhorens 20.s. Voet w tuMt lhc. ntj.- 7. Vogrlb(d\dit r 70. Vogelkers .quot;2('.. Vogellijm quot;74. Vogelüielk .'500. Vogelspin 200. Voor hol' 22. Voorhoofdsbeen I. Voorkien 40S. \ oorlplanting (plant) ''Iquot;. Voren 104. Vorming der aardkorst 121. Vormloos (mineralen) 12.'5. Vormlooze dieren 207. \Orselien beetaeht igi li . ;!I0. \'orselipadden Isi;. \Os or». os-koeskoes 7 gt;. Vossestaart 101. Vroegling .'M7. \ roiiNvelijke bloenid.-. K n .'üo. Vrueht 01.'1. N'rnelitbeginsel ::|(». Vuilboom 002. Vulkanisehe aseh 401 Vulkanisehe gesteenten 12. Vulkaniseeren 152. Vurenhout 107. Vuurlij ven 201. Vuurpad ISIJ. Vuursalamander |s(i. Vuursteen 424. Vijfvingi'rkruid quot;Jquot;. N ijl'vnet 20G. Vijgensoorten :,.77. Vijlselielpen 201. Walnoot 070. Walrus 117. Walstroosoorlen Wnlvisehaehtige dn ren I |s. Wandbeenden ii |. Wamlluis 20:5. Wantsen 202. Warkruid 0t'.2. Wasehbeer Wasehgoud It''. Wasebspons Wasstruik quot;.s:;. Water (vo- ilingsiniddel) :io7. Waterblaaskrui»! 02quot;». . Waterbokken 110. ! Waterboterldoem O.'.n. Waterreppe OM. Waterig vocht is. Waterkers quot;.17. Waterklaver i-.s. Watorlello 848, W ate rlongslakken 2SS. Waterlooper 200. Watermotteii 2.quot;».quot;gt;. Waternypheaehtigen OüK. |
\Vateropi»ssum 7... Waterpepi-r 072. Waterpegt;t .O'.lO. \N'aterral H»4. Waterrat *2. Waterrool'kover 21-. Watersalamambr Is7. Watersi'heerling O.'.l. Watersehorpioen 2lt;)4. Wraterspin 27n. Waterspitsmuis .quot;.2, Waterspreeuw i;!.quot;gt; Watervaren Itis, ill. Waterviolier OOr». Watervloo 27«'.. Waterwi egbre.- Waterweegbn eaehtigen VVaterzwijn Wederikaohtigen W.-ede iin; \V'â¢.â¢giuis 20;;. WVi'kditTen 207, 2s 1. \\ eiâ kvi11'ii^lt;⢠n IM2. W 'eskinderi n 21 I. Weieliselboom â !20. Wenkbrauwen 17. Wmtf itrappen 2ss. W ervelkolom :'â¢. w. rvellooze dieren I. Wespen 22'.». We/ehu'htigen '.7. We/els ,quot;.:». Wev. rvogels I 12. Wielewaal II.quot;». Wenn 112. W jerookhoolli ''2 Wierviseh 2(»quot;'. Wiggebeen 4. W ikke 021. Wikkelbeen .quot;«7, Wikkmkever 2is. Wildebeest IK». Wilde kastanje 11. Wildemanskruid .540. Wildr weit .101, W i 1de \\ in^erd 'l i'.», W ilgeachti^en 07s. W il^enrups 244. Wilgensoorten 07s. \\ iiiipergt; 17. Wimperspitsmuis .quot;.2, W indblo' tnen .quot;.12. Winden 2.02. Wintertaling I'm. Wintervlinder 21 ». Wisent 112. Wisseleultuur :u»7. Winterkoninkje l -Witjes 207. Witkoparend 12 i. Witnikkelkies 4 17. Wit viseh 110, TM. Woekerplanten 000. WoelmU)/lt;'n Hl. Woenwankoeng ;iolt;!. \\ (M-stijntrompetter lil. Wolbootuen :iquot;..'». woir »ii. Wolfskers 000, Wolfsklauw-en los, lil Wolfsnudkaehtigen â 2'.1. Wolha/.en si. Wollegras 0'.»s. Wolverene 00. Wolverlei 00s. Wormen 207, 277. Wortelharen 00... W'ortelkmdlen 01... Wortelmuis S2. ! Wortelmutsje quot;.17. Wortels 00.quot;». Wortelstok 01quot;., Wouw 'H j. Wrattenbijter 2quot;.I. Wulpen 104. i Wurari :«r»7. 1 Wijngaardslak 28ö. |
ââ
Hesristor.
470
|
Wijnstok IJainwortel ÃD'J. f.lp ;!7:» l.lpcnspintkcvcr 'J20. Ijsbeer Usduiker 171. Ijsvogels I.M). Uuriimi 81». IJ/er 112. IJ/erglans 142. 1 Jzerhoutboorn .'^x, ;»lt;!'gt; Uzerkies H'J. Uzeroer H'J. Uzeroker 442. Zuadkfvns -Jls. Zaadlobben 1. /aadplanten MH», Zaaguekken /aa^viseb /aden :{!(», Zakpijpen -quot;.U. Zakspln 2(11». Zand 424. Zandhoen Zandkevers 212. Zandklokje .â «i7. Zandlooper (vebl) 212. Zandsprin«rlt; r s.quot;». Zandsteen 4 Zandvloo 2.quot;).». Zand wesp 22«!. Zangers 1.'{2. Zangvogels I Zebra '.M). Zebu 11 I. Zeeanemoon 2i»s. Zceappej 21 gt;4. Zeeberen 117. Zeeborstels .quot;.(M», Zeedraakjes 20.'{. Zeeduikers 171. Zeeduivel 20(5. Zeeëgel 21».'». Zeet'been 4. |
/eefwesi) quot;J'-Ml. Zeegras :il»S. Zeelionden II.quot;». Zeekoeien 1 17. /eekokos JIM. Zeekoinkomnicr Zeekoning 172. Zeekreeft 273. Zeekwal 2117. Zeeleeuwen 117. Zeelt UW. Zeenaablen 20.'{. Zee-olifani IHi. Zeeotter (»0. Zeepaddestoi'l 2U7; Zeepaling 202. Zeepier 27S. Zee polyp Zeepok 277. Zeeprik 2(M;. Zeesehildpadden 17:'.. Zeesebuim 2s.quot;». Zeeslakken 2SH. Zeeslang ls4. Zeesnaar 412. Zeesterren 21m;. Zeevederen 21»1». Zeewolf 11 »2. Zeezoogdieren II gt;. Zeezwaluwen Hgt;1». Zegge :!1»S. Zelf bestuiving ül I. Zenegroen :J()4. Zenuwen 12. Zenuwknoopen !.'». Zenuwstelsel I.». Zetnieel IKK). Zeus nu. Zevenblad Ziesel 71». Zilver 4 is. Zilverglans 448. Zilverschoon :»2.i. Zilvervos (KJ. Zink li:.. Zinnen 17. |
Zintuigen 17. Zirkoon 440. Zitbeenderen 7. Zoethoutstruik '.22. Zoetwatergarnalen 27.». Zoetwaterjiolypen 21H». Zotneroliezaad :M«:. ZoinuMlauwachtigcn I542, Zonnehout .'{22. Zonnestelsel 4 Ut. Zonnester 2Hi;. Zonneyiseh 1:M. Zoogdieren 41. Zouttuinen I.M. Zuigerviseh 201. Zure ertsen 442. Zuringsoortcn .»72. Zuurstof I. Zwaarden (bloemdef-len) ;gt;20. Zwaardstaarten 27(1. Zwaardvisch 11H) Zwaluwstaarten 2.,K». Zwaluwen 128. Zwammen 414, 11.'». Zwamvlinder 24.quot;«. Zwanen 108. Zwanenbloern :.l».s. Zware metalen 422. Zwarte korenmot 211». Zwartkop 1 Zwavel I.M. Zwavtdkies 442. Zweefvliegen 2.gt;0. Zweet kliertjes Zwemeenden 1(5(». Zwemvogels KT». Zwenkgras 41 (. Zwerfdraden 40(J. Zwervers Zwijnsuap 4(i. Zi.jilevogels l.'ll. Zijde apen 47. Zijdeplant .â {quot;gt;7. Zij ga en a's 2H8. |