-15
- ' ...... â....... _ â ' - * .W : S
i IK DEN STRIJD â
TEGEN DE
I BEKORINGEN. 1
DOOR
?! CAROLÃS VAN DEN ABEELE, S. J. W
Naar het Ond-Vlnamsch opnicuir howprkl SV^, DOOR sil
P. B. BRUIN, S. J.
m
r£~ ^ ' â â
V-\ \quot; ^ ^ ^
o- -:
. gt;.*.r
- ' ,f\ ,
quot;n,
.*1'»,. â¢-.* ' * -'-T \. ^ '⢠j
â 1 '; â A / ~ J
WAr-v..: sr -^k,
v- ' . â:;:v ^ ^
GüLPENgt;^:^7f^gt;:/i»
DRUK VAN M. ALBERTS amp; ZONEXT^ Wl fGEVERS. =}§
-dfi 80
Vak 49
« nil Ml. I m.ll HHWWJi ll,.iHHUJ«_JllUJU JIJ,--------- I.P.1.....L^.. .,11111111s
IN DEN STRIJD
tegen de
BEKORINGEN.
door
CAROLUS VAN DEN ABEELE, S.J.
Xaar het Ond-Vlaamsrh opnieuw bewerkt
,y ^ ''*â v
door
------
P. B. BRUIN, S. J.
GULPEN, 1890.
jmïl'K VAX M. ALBERTS cS: ZONEN'. â UIRiEVERS.
â^â^ip-
'
ââ
â #
lmprimatur.
P. MANNENS,
â¢S. Theol. Docl. ct Prof. Librorum Censor.
Rwamundce, 14 ifaji 180(1.
Na tiet verschijnen van het tweede werkje van P. Van den Abeele schreef mij een degelijk kenner van het geestelijk leven, tevens man van rijpe ondervinding, het volgende. »De heide door U uitgegeven ascetische werkjes heb ik met het grootste genoegen gelezen. Het spijt mij, dat ik zeniet vroeger gekend heb; want zeker had ik velen aangeraden ze te lezen. Wat mij', vooral heeft getroffen is, dat de schrijver de kunst zoozeer verstaat om zielen, die zich op de volmaaktheid toeleggen, te bemoedigen: en daar zijn er zoovele, die bemoediging noodig hebben! Gij verricht een mittig werk met de uitgave; en ik beloof U, dat ik ze zooveel mogelijk zal aanbevelen. Mogen vele brave zielen er door bemoedigd worden om den goeden God met grooten moed lt;'n het grootste vertrouwen te beminnend Het behoeft geen betoog, dal deze waardeering voor mij eene aansporing is om met den begonnen arbeid voort te gaan. En zoo bied ik vol vertrouwen den godvruchtigen lezer dit derde werkje van P. Van den Abeele aan,
P. B. B.
I.
Het geloof is als een schild tegen de bekoringen.
1. Hot gezond verstand getuigt, dat de wereld om hare ijdelheden en dwaasheden veeleer spot dan liefde en gehechtheid waardig is, en dat zij door hare vele bedriegerijen en treurige wispelturigheid meer droefheid en verdriet veroorzaakt, dan dat zij door hare vroolijkheid blijdschap baart. Toch wordt de wereld door de meeste menschen, ja door de meeste christenen gezocht, gevolgd, gediend en bemind. Wel is waar verfoeien en bespotten er ook velen de wereld; maar dikwijls alleen met het verstand, met de pen, met den mond; o hoe weinigen met het hart â¢en den wil ! Doch men overwint de wereld niet met haar te kennen , met tegen haar te sproken, te schrijven, te redeneeren; maar met haar te vluchten en hare aanlokselen christelijk te verwerpen door het heilig geloof. Ilcec est Victoria, (inca vincil inundum, fides nostra. (I Joan. V. 4.)
2. ))De wil van don niensch is door de erfzonde te zwak en te moedeloos om de
6
wereld met al hare begeerlijkheden, vleierijen, valschheden en dwalingen alleen door het licht en de kracht der natuurlijke rede gelukkig te overwinnen; zulk eene overwinning, zegt de H. Augustinus, is geen werk van de natuur, maar van de genade, en zelfs een groot werk van de genade.quot; Magnum o/»?/s ifratiae est, ut vincatur hic mundus. Maar hoe kan onze flauwe en bedorven wil door bovennatuurlijke hulp versterkt zijn, als ons verstand niet bestraald is door een bovennatuurlijk licht? Het hart zal immers tegen de wereld niet hevig ingenomen of opgezet worden door de genade, als de geest door de genade weinig verlicht is. Willen wij dus onzen wil deugdelijk wapenen en hem goeden moed schenken, om ons van de slavernij der wereld te bevrijden, dan moeten wij ons voor alles goed versterken door het katholiek geloof. »Want dat geloof is het bovennatuurlijk licht der ziel en tevens haar vastigheid tegen alle bekoringen en alle bedrog zoo van de wereld als van de hel.quot; Resistite fortes in fide (I Pet. V. 0.); (ides enim religionis ca-tholicce lumen est anima; et firmamentinn. (Euseb.)
3. Alhoewel liet licht van het katholiek geloof ons in de eerste plaats leert kennen en hoogachten het heilig woord van God, toch
7
helpt het ons ook vde waacheden ontdekken, die uit dat iieilig woord voortvloeien en er onafscheidelijk mee verbonden zijn. Vele van die -waarheden dienen tot verdediging van onzen godsdienst tegen tie ketters; andere zijn nuttig voor liet bestuur der II. Kerk; sommige zijn voor ons als wapenen tegen de vijanden onzer ziel. Zij worden katholieke waarheden genoemd, omdat zij steunen op het katholiek geloof'. Het gebruik dier waarheden raadt ons, dunkt mij, de Apostel aan, als hij ons opwekt om »het geloof aan te grijpen als een schiM, waarop wij alle vurige pijlen van den boozen vijand kunnen opvangen en verijdelen.quot; In omnihus sumentes scutum fidei. (Ephes. V. KJ.) Maar wat zal het schild des geloofs ons baten, als wij het 7iiet goed weten te hanteeren? En hoe zullen wij het goed weten te hanteeren, als wij ons niet dikwijls genoeg daarin oefenen ? Alle katholieken hebben het H. geloof, en de meesten kennen de christelijke waarheden, waarmede wij de valschheden der wereld en des duivels krachtig kunnen bestrijden; maar hoevelen zijn er, die er zich goed mede wapenen? Zeer weinigen; want weinigen lezen dagelijks katholieke waarheden; weinigen overdenken ze rijpelijk om ze in geval van bekoringen goed te kunnen gebruiken. De meesten
8
houden hun geest van 's morgens tot 's avonds bijna uitsluitend bezig met aardsche, ijdele en vergankelijke dingen, liet is dan ook niet te verwonderen, dat lt;t zoo velen in de slavernij der wereld en des duivels blijven; want al hebben zij het schild des geloof's, het is voor hen zonder nut: zij hebben er niet veel meer aan dan Davi.l aan de wapenen van Said. Aon possum sic incedere. quia non usion habeo. (I Reg. XVII. 39.)
4. Men gebruikt bet geloof goed, als men er uit leeft. De rechtvaardigen gebruiken het volmaakt; omdat zij volmaakt uit het geloof leven. Justus ex fide vieït. Onder rechtvaardigen versta ik hier degenen , die de christelijke rechtvaardigheid standvastig beoefenen, die zich daarin bevestigen door dagelijksche lezing en rijpe overweging der eeuwige waarheden, door vele goede werken, door het veelvuldig gebruik der UH. Sacramenten. Deze leven uit het geloof; want zij regelen hun leven standvastig naar het geloof. Zij achten die goddelijke deugd als de leermeesteres van hun verstand, als de bestierdster van hun wil, als de bewaardster en leidsvrouw hunner ziel; zij beschouwen en eeren haar als de uitvloeiing en mededeeling van de hoogste waarheid en eeuwige onfeilbaarheid, die God is. De rede,en zelfs de liefde waarmee zij zich-
9
zelf beminnen en hun eigen geluk willen, geven hun de stellige verzekering, dat zij noch voorzichtiger, noch gelukkiger, noch geruster den dood en de eeuwigheid kunnen afwachten, dan wanneer zij leven volgens de onfeilbare regelen der eeuwige wijsheid. De kinderen der duisternis leven volgens de regelen der dwaze wereld en noemen alles goed, wat hunne zinnelijkheid streelt en voldoet. Maar de rechtvaardigen, de kinderen de.s 'â lichts, achten alleen datgene goed, wat het katholiek geloof hun voorhoudt als goed en als strekkend tot het welbehagen van God en tot hun eigen waarachtig geluk. Daaruit moet men niet besluiten, dat de rechtvaardigen vrij zijn van bekoringen. Neen, zij ondervinden genoeg, dat zij kinderen van Adam en Eva zijn. Het vleesch lokt hen aan met zijne wellusten, de wereld vleit hen met hare ijdelheid; maar hun geloof verfoeit alle ver-bodene lusten en verwerpt alle ijdel genot en alle ongeregelde vermaken. Caro suggerit moUia , et mundus va na. ; sed fides calcal mollia et vana contemnit. (Bern.)
5. Zondaar, wilt ook gij die zalige kracht van het geloof ondervinden , tracht dan dooide goddelijke genade het geloof der rechtvaardigen te verkrijgen, het geloof der kinderen Gods, het geloof, dat niet zwak en
10
werkeloos is gelijk liet uwe, maar dat krachtig werkt door de heilige liefde. Zonder die liefde zult gij aati de bekoringen niet lang weerstand bieden. Het geloof alleen is daartoe niet krachtig genoeg: het moet bezield, versterkt en geleid worden door de liefde. Fidem tuam dïlectio animet. (Bern.) Want al is het geloof een schild en zelfs een sterk schild; toch zult gij de vijanden uwer ziel niet standvastig overwinnen , tenzij gij het met de liefde weet vast te houden en te gebruiken. Wel schrijft de evangelist Joannes de zege over de wereld toe aan het geloof; »maar, zegt de H. Au-gustinus, iian het geloof, waardoor Christus in de harten woont; wat voorzeker het geloof is, dat door de liefde werkt. Trouwens wat zou het ter zaligheid baten geloovig te leven en geloovig te sterven, als men niet geloovig is door zulk een geloof?quot; Porro fides Christi illa hsI ulique, quee per charitatem operatur. Kt quis salubriler fidelis, nisi ea fide.
II-
Ho3 men het geloof tegen de kwade begeerlijkheden moet gebruiken.
4. Hoe dieper de rechtvaardige ziel in de goddelijke liefde gevestigd is, des te meer tracht zij haar te bewaren. Zij kent de Maardtf5 dier goddelijke deugd. Zij weet, dat het grootste geluk, de hoogste eer, de verhevenste waardigheid vati een redelijk schepsel bestaat in zijn Schepper en Zaligmnker hovenal te beminnen en door Hem bemind te worden. Eene minzame toejnicbing van den drievul-digen God, een vriendelijke, goedkeurende blik van Jezns Christus over baar gedrag, over hare liefde tot Hem of over eenig werk, dat zij tot Zijne vreugde en glorie verricht, is haar onvergelijkelijk veel meer waard dan alle eer en lof der menschen, kostbaarder dan alle schatten der wereld , zoeter en aansena-
7 D
iner dan alle genietingen des vleesches. Daarom zou zij liever alles verliezen dan ile liefde, gaarne alles geven om haar te behouden. Alles schijnt haar niets in vergelijking met de eer, bet genot en geluk van God lief te hebben en Hem lief te zijn. Si (h-drvit
12
homo omnem substantiam domus suae pro dileclione, quasi nihil despiciet ill a m. (Cant. VIII. 7.)
2. Bij de gedachte alleen van Gods vriendschap te verliezen ontstelt zij. Daarom is zij op hare hoede tegen alles, wat de liefde tracht te verbreken. Maar gelijk hare liefde steunt op liet geloof, zoo kan zij de kwade hegeerlijkheden niet kloek en standvastig he-strijden tenzij niet het geloof. Daarom is hare eerste zorg de oneindige goedheid, beminnelijkheid en vriendelijkheid van den drievnl-digen God, haren Schepper, en van Jesus Christus, haren Zaligmaker, gestadig voor den geest te hebben, niet alleen om daardoor de liefde inniger en menigvuldiger te beoefenen, maar ook om haar met meer zekerheid te bewaren. Zulk eene godminnende ziel is vanzelf zeer rechtvaardig. Want waarde lief'eis, is ook de rechtvaardigheid; en hoe grooter liefde, des te grooter rechtvaardigheid. Niets komt haar leelijker en schandelijker voor dan ongerechtig te zijn tegenover God. De hel is voor haar minder verschrikkelijk dan eene doodzonde; omdat elke doodzonde eene ongerechtigheid is. O zondaar, verwonder u daar niet over. Is het in uw eigen oog niet leelijk, onrechtvaardig te zijn tegenover uw even-mensch? Zoo leelijk en tevens zoo schandelijk
13
is liet, dat zelfs de grootste deugnieten zich schamen als zoodanig bekend te staan. Erkende dieven, woekeraars, kwaadsprekers en dergelijken, die htm evenmensch onrecht aandoen, znllen zich wel wachten in het gezelschap van eerlijke en rechtvaardige raenschen te verschijnen; omdat zij weten, hoe afschuwelijk en hatelijk zij voor hen zijn. Maar hoe leelijk en schandelijk is het dan ongerechtig te zijn tegenover God, en als zoodanig hij Hem en bij de engelen bekend te staan! Of zoudt gij alleen ton opzichte van den Schepper der menschen zonder oneer en schande onrechtvaardigheid kunnen bedrijven? Waar is uw geloof? Wie toch bestaat u nader dan God ?
r-gt;
Hij is u nader dan uw evennaaste, nader dan gij u zelf. Gij zijt van Hem, gij zijt om Hem, in Hem en door Hem; op uw hart, uwe liefde, uw dienst, uwe gehoorzaamheid, uwe getrouwheid kan Hij alle rechten doen gelden. ^Ont-neem dan aan God niet, maar geef Hem wat Godes is. Dat is de stelligste regel der hoogste rechtvaardigheid.quot; Date quce sunt Dei Deo. IJ (re verissima sup rem cv justitie' recjula est. (Bern.)
3. Dezelfde redenen, die den zondaar moeten bewegen om de christelijke rechtvaardigheid te verkrijgen, dringen de minnende ziel om haar te bewaren. En gelijk zij zichzelve met
14
geregelde liefde bemint om God, zoo is zij ook om Ciod rechtvaardig tegenover zichzeive. Daar zij liet geloof'en tegelijkertijd de christelijke wijsiioid bezit, die de ingestorte liefde altijd vergezelt, beseft zij , welk onrecht zij zichzeive zou aandoen . wanneer zij toestemde in do kwade begeerlijkheden. »Stem ik toe, zoo denkt zij, dan verlies ik mij zelve voor eeuwig. Wat zullen zij mij geven ter vergoeding van mijn verlies en van mijne schade. Zij bieden mij aan een kortstondig vleésche-lijk vermaak , vermeerdering van vergankelijk goed. liooger aanzien in de wereld; maar wat zij aanbieden kan ik niet genieten zonder de liefde van mijn Schepper en Zaligmaker te verliezen , en derhalve zonder mij te werpen in het allergrootste onheil, dat een redelijk schepsel kan overkomen. Zal die zoete vlee-schelijke voldoening zoo lang duren als de ijselijke pijnen der hel? Zal het onrechtvaardig bezit van dat goed naar waarde het verlies vergoeden der eeuwige vriendschap en der eeuwige genieting van mijn God? Zal die hooge waardigheid, die ik zonder groote zonde niet kan verkrijgen of bekleeden, zoo hoog te schatten zijn als de waardigheid, die ik zou verliezen , de waardigheid van kind en vriend van God, \an erfgenaam des hemels, van broeder en med«-erfgenaam van Christus? Met
15
recht noemt men liet eene dwaze daad van Esau, dat liij zijn eerstgeboorterecht voor wat linzensoep verkocht; en zou ik dan wijs handelen als ik de eeuwige liefde en de eeuwige vriendschap -van den oneindig goeden God, het eeuwig bezit van het opperste Goed, de eeuwige genieting van alle denkbare genoegens in ruil gaf voor een kortstondig, dierlijk vermaak, voor een vergankelijk goed, voor een ijdele eer, voor lof en roem bij de men-schen !quot; Quam dahit homo coinmidaliorwm pro anima sua â ? (Matth. XVI. 2(gt;.)
4. Hoe ernstiger de rechtvaardige overdenkt, wat hij is, des te grooter afkeer vat hij op tegen de ijdele wereld en tegen alle kwade begeerlijkheid. Het geloof toont hem aan, wat hij is; en dooi- de christelijke wijsheid leidt hij gemakkelijk daaruit af, wat hem betaamt en wat hem misstaat. Als hij met het oog des geloofs beschouwt, tot welk een hoogen staat God hem heeft verheven, dan ziet hij door de wijsheid helder in, dat hi| de we-reldsche en ongeregelde begeerlijkheden niet kan involgen, zonder zich grootelijks te ont-eeien en schandelijk te kort te doen. )gt;Gij zijt onsterfelijk, zegt hem het geloof; hoe onbetamelijk derhalve, zegt hem aanstonds de wijsheid, hoe ongeregeld zou het zijn uw hart te hechten aan iets sterfelijks! Gij zijt bestemd
-16
voor den hemel, voor een eeuwig geluk ; waarom zouclt gij uw geest belemmeren met aartlsche en vergankelijke dingen? Gij, zoo edel schepsel, gij, geschapen naar het beeld van God, wat zult gij toch op aarde vinden, wat gij uwer waardig kunt oordeelen Jezus Christus, de zoon van God, heeft u met Zijn dierbaar Bloed vrijgekocht; en zoudt gij u zeiven verkoopen voor slijk, voor stof, voor vleeschelijk en kortstondig vermaak ? Hij heeft u tot den dood toe bemind; en zult gij Hem verlaten om beuzelingen , om ijdelheden? Hij heeft de wereld gehaat en de wereld heeft Hem gehaat; en gij Zijn lidmaat. Zijn onderdaan, Zijn broeder. Zijn minnaar, zult gij de wereld beminnen? Gij zijt door Hem uit God geboren, ex Deo nati; zult gij, die van zoo hoog geslacht zijt, zult gij door toe te stemmen in de bekoringen u zeiven tot slaaf maken van den duivel, van de wereld, van het vleesch? Gij, kind van den Allerhoogste, kunt fij zonder oneer en schande zijne vijanden dienen ? Gij , die een hemelschen Vader hebt, znlt gij u niet schamen u door eene andere liefde te bezoedelen en te onteeren?quot; Vult Christus, ut sciamus nos Putrem habere coelestem, ut erubescamus nos terrenis rébus substernere. (Chrysost.).
5. De rechtvaardige geeft aan de wereld,
17
wat haar toekomt. Hij keurt niet het bezit af van aardsche goederen, noch dat van waardigheden, noch dat van genoegens; hij laakt alleen de ongeregelde geneigdheid daartoe en hot kwade gebruik er van. Uit het gelootquot; weet hij, dat al, wat God heeft geschapen en ingesteld, goed is; maar goed om goed te doen, goed om liet te gebruiken tot het eeuwig goed, tot de eeuwige glorie, tot het eeuwig geluk der menschen eu tot het welbehagen en de eer van God. Uit hetzelfde geloof wetend, dat hij niet voor de wereld, maar voor God geschapen is, geeft hij zich niet over aan de wereld, dient haar niet als slaaf, maar gebruikt haar volgens recht en wet overeenkomstig den staat, waarin de Goddelijke Voorzienigheid hem op aarde geplaatst heeft. Hij is tevreden met de middelen en ambten , die hem noodzakelijk en passend zijn; daarom leeft hij gerust zonder vrijwillige eerzucht en hebzucht. Gelijk hij niet meer ledematen verlangt dan zijne natuur vordert, zoo wil hi j niet meer goed, niet meer waardigheid, niet meer vermaak dan zijn staat meebrengt. Iets boven zijn staat te begeeren komt hem bijna even buitensporig , even onredelijk en dwaas voor, als meer dan twee oogen te willen hebben om beter te zien, meer dan twee ooren om duidelijker te
IN DEN KTRMD. 2
â¢18
liooien, meer fian twee neusgaten om fijner te ruiken. Heeft hij hooge waanlighetlen , grooten naam, vele goederen bekomen, lt;lan bezit bij ze; maar zj bezitten niet bem; alleen zijn Scbepper en Zaligmaker bezit bem ; God is zijn al. Zijn zoetste geluk is Hem te dienen en te beminnen, zijn grootste glorie is Hem te bebagen en door Hem bemind te worden. Zijn geweten is zijn roem; omdat het hem getuigt, dat bij op deze bedorvene wereld oprecht leeft en tot den dood toe rechtzinnig wil leven volgens het geloof en volgens den wil en het welbehagen van zijn God. Gloria nostra Iickc est, testimonium
conscientice nostrce, quod---- in sinceritate.
Dei____ conversati sumus in hoc mundo. (II
Cor. I. 12.)
(J. Datzelfde getuigenis van het geweten is ook de oorzaak van zijne zoete en onverstoorbare rust in leven en in dood. ȟe standvastige overwinning der bekoringen, die bem tot doodzonde aanlokken, getuigt ook, dat de hemel voor hein bestemd is. O hoe aangenaam, zegt de H. Augustinus, hoe verrukkelijk is het voor den christen in zulk eene troostvolle gesteltenis te overdenken, wat God is, hoe na hij God bestaat, en welk geluk bet is Hem te genieten!quot; Daarbij verdwijnt alles, waardoor de wereld het menschelijk hart
19
bekoort. Hij vimlt alios in zijn Schepper en Zaligmaker, Met den H. Bonaventura zegt hij : »wat heb ik niet wereldsche waardigheid, met wereldsche eer te doen ! Het is mij eenoeo-,
lt;f o C
lt;lat ik een vader heb, die God is.quot; Met den H. Bernardus roept liij uit: »Waarom zou ik mij om vergankelijk goed bekommerd maken! Jezus is mij alle goed. Geen grooter, geen begeerlijker rijkdom dan Hem door «Ie liefde in het hart te bezitten! 0 rustig bezit! noch hel, noch wereld, noch eenig schepsel kan mij Jezus, mijn schat, ontnomen, als ik niet wil.quot; Non iinutn bonion ast mms Jesus, sed omnia bona. O (dices divitice! o hcatcv opes jiossi-dere Jesum.
7. Mijn Zaligmaker, zegt dezelfde honigzoete leeraar, is even genotrijk en schoon als Hij waardig en kostbaar is. Ik moet mijne vreugde niet zoeken in het bederflijk vleesch; ik vind alle zoelheid in mijn Jezus. Ik zoek geen andere schoonheid dan Hem, ik wil geen ander genot dan Hem. Hij is genotrijk boven alle genot, schoon boven alle schoonheid, oneindig .schoone God,en bijna oneindig schoone mensch. Wat zal mij dan aftrekken van mijn Jezus! Wanneer alle hemelsche geesten uit den lu-mel op aarde neerdaalden en ieder hunner even schoone mensch werd als hà schoone engel is, ik zou hen alle eeren en beminnen.
20
Maar wanneer hunne lichamelijke schoonlieuf kwade begeerten in mij opwekte, zou ik liever willen, dat mijne oogen uit hunne kussen sprongen en voor mijne voeten neervielen dan dat ik hen aanzag; ik zou mij terstond tot Jezus wenden en mij met mijne verbeelding, met mijn verstand, met mijn hart aan Hem alleen hechten; want Hij is onvergelijkelijk schooner en beminnelijker dan alle engelen samen, in welke gedaante ik hen uok uitdenke en verbeelde. Jpsas quoque angelicas fastidio species; quippe et ipsos angelos specie sua et pulchritudine sua longe superat mens Jesus.
8. Voor een bedorven geest, voor een slaaf der wereld zijn dergelijke uitspraken onverstaanbaar. Dat is een taal, die hij niet geleerd heeft. Daarom zegt de U. Augustinus: O zondaar, bemin volmaakt uw Schepper en Zaligmaker, weersta uw ieelijke, vuile begeerlijkheid-, en gij zidt de waarheid, die men u voorhoudt, inzien en erkennen. Displiceat tihi focditas lua, et percipies pidchritudinem ejus. Gij zoekt volle vreugde en waar geluk, waar het niet te vinden is. Omdat u ontbreekt wat u voldoen kan, bouwt gij weelderige lucht-kasteelen, denkt gij hooge ambten en waardigheden uit en stelt u aan, alsof gij ze bezit; gij verbeeldt u nu deze dan gene lichamelijke
21
scltoonlieul, en gij verlustigt u flaarin, alsof gij alles hadt tot verzadiging uwer wulpscli-heid. Illt;;l)t gij daarmee inderdaad alles, wat gij bemint en wat gij tot uwe voldoening begeert? Immers neen. Gij gelijkt op een verhongerden menscli, die zicli ijdel vermaakt, omdat hij brood en vloe.-cli op eene schilderij ziet, of ilie in een droom kostelijke spijzen eet. maar met dat al van honger vergaat. Ongelukkig schepsel, bemin uw God, en Hij zal u Verzadigen. »Hem verkrijgt men met Hem te beminnen; geef u aan Hem, en Mij zal zich aan u geven. Hij zelf roept u toe : beb Mij lief bovenal, on gij zult Mij genieten, Mij, wiens bezit alle goed, alle eer, alle waardigheid, alle zoetheid, alle wellust, alle geluk te boven gaat.quot; MuUi amant multa, et non ha-hfint amando. Deus nobis se offert etcUonat: amate me, et liahehitis me (Aug.), quo nihil melius queer it k r, nihil suavius possidetur. (T-aur. Just.).
III-
De christen versterkt door het vertrouwen op de H. quot;Drievuldigheid.
I. A\ ie de goddelijke liefde wil bewaren,, moet niet alleen gewapend zijn met liet geloof, maar zich ook wel verschansen door de hoop. Onder alle kundigheden, die bij een veldheer thuis hooren , staat' vooral hoog de kunst om zich wel te legeren; want de keuze van eene goede legerplaats is een van de ge-schikste middelen om de overwinning op den vijand to behalen. Godminnende ziel, daar gij u bijna voortdurend iti strijd bevindt, zoo is ook u veel gelegen aan eene goede strijdplaats om zekerder te zijn van de overwinning, (.üj hebt in de keuze van zulk eene plaats mijne hulp niet noodig; want de leeraar der goddelijke liefde heelt haar u reeds lang aangewezen, en gij zijt te verstandig om haar niet te verkiezen : de heilige en almogende Drievuldigheid is die plaats. Kunt gij een zekerder of veiliger strijdperk wenschen 1 Gelijk de drie Goddelijke Personen in elkander zijn, »zoo is elk eeu de plaats van de twee andere, i'n alle di ie zijn Zij onze plaats.quot; Locus Christi ipse Valer est, el locus Putris Fïlius est____
23
et locus noster ipsi sunt. (Aug.) De drievul-dige God is voor de godminnende christenen niet alleen eene plaats van liefde, maar ouk eene plaats van veiligheid, en als eene verschansing tegen alle listen en lagen hunner vijanden. Waar toch kunnen zij beter en gelukkiger beschut zijn dan waar de oneindige Liefde hen omhelst en voor hen bezorgd is, en waar de Almacht hen omringt, hen be-scliermt en bewaart.' De H. Augustinns kan, gelijk hij zolf bekent, met al zijn verstand geen zekerder verschansing voor zijne ziel uitdenken. Non invenio locum tutmn animce meen nisi in Te.
2. De drievuldige God stelt zich niet tevreden met Zijne kinderen in zich to plaatsen en op Zijn schoot vaderlijk te omhelzen on te bewaren; maar Hij gewaardigt zich ook' in hen te gaan en in hen te wonen, «zoodat wij. de plaats van God zijn.quot; Et nos locus Dei sunnis (Aug.). Dit moet niet zoo verstaan worden, alsof alleen zij de plaats zijn van Gods wezen; want in dien zin is elk schepsel de plaats van God, daar Hij naar Zijn wezen overal is. Maar wanneer de H. Augustinns dit gezegde alleen op de goede christenen, op de ware minnaars en kinderen van God laat slaan, dan bedoelt hij daarmede , dat zij zijn niet slechts de plaats van het Goddelijk wezen,
2-4
maar oolc do plaats van de vriendschap der H. Drievuldigheid; de plaats waarin de drie Goddelijke Personen met welbehagen, met vermaak, met blijdschap wonen, omdat zij zaclit gekoesterd en heerlijk versierd wordt door de liefde. »God is liefde, zegt dezelfde kerkvader: Hij is nergens liever dan waar liefde is. Hij ia overal, ja; maar Hij woont niet overal. Hij is noodzakelijk overal door de onbegrensdheid van Zijn wezen; maar Hij icooiit niet noodzakelijk overal. Hij woont alleen op plaatsen , die Hem door de liefde aangenaam zijn. Wilt gij dan Zijne woonplaats wezen, bemin Hem. Si (fuia diligit me.... et Pater Mens diliget eum el ad eum veniemus, et mansionem apnd eum faciemus. (Joan. XIV, 23).
'â ). Godminnende ziel! Wat zijt gij ten tijde van bekoringen gerust en welgemoed, wanneer gij rijpelijk overdenkt, »dat God in u woont als in Zijn tempel.quot; Locus Dei sum us, quia tenijjlum Ejus sumus (Aug.). Wie toch kan n beter bewaren dan God, die de Almacht is? W ie wil u liever bewaren dan God , die de Liefde en de Goedheid is ? »Mijn hart springt op van blijdschap, zegt de H. Bernardus, als ik denk aan de wondervolle goedheid en minzaamheid, waarmee de oneindige Majesteit zicli gewaardigt te wonen in de minnende ziel.quot;
En wie zal zicli ook niet, evenals lt;le 11. Ber-nardus, veilieugen bij de gedachte, dat üod zelf' zijn bijzondere bescliermer is. Door Zijne engelen bescliennde Hij eertijds bet paradijs en de steden Jeruzalem en Samarië; en tiians nog geeft Hij een engelbewaarder aan ieder mensch; maar de godminnende zie! is Hem te lief'en te kostbaar dan dat Hij baar slechts aan engelen zon toevertrouwen. Om haar te bewaren komt Hij zelf' in haar; om haar te beschermen woont Hij zelf' in haar. «Hij zelf' waakt zorgvuldig en goedgunstig over haar, om haar van alle onheil te vrijwaren.quot; Jpse cuntos illius, diynantissime et benevolentissime vigilat super earn (Aug.). En ofschoon de liefde, waarmee de goede God de minnende ziel bemint, op zichzelve alleen Hem genoeg beweegt om haar tegen al hare vijanden te bewaren en te beschermen; toch wordt Hij ook door Zijn eigen eer en, als ik zoo mag spreken, door Zijn eigen belang gedrongen om te beletten, dat in Zijn tempel een afgod eene plaats ontvange. Door Zijne glorie derhalve wordt Hij gedreven om de deugdzame ziel op bijzondere wijze hulp te verleenen tegen de hoovaardigheid, tegen de gierigheid, tegen de onzuiverheid. Want deze en dergelijke begeerlijkheden zijn goden. ))Het zijn goden, zegt de II. Chrvsostomus, niet omdat zij als zoodanig
2G
verdienen erkend en geëerd te worden; maar omdat zij over hare ongelukkige dienaars als het ware eene goddelijke heerschappij uitoefenen en door hen meer gevierd en gediend worden dan de ware God.quot; DU sunt, non utique a dignitate dominantium, sed ah in-felicitate famulantium.
4. Even krachtig wordt in de godminnende ziel vertrouwen en troost opgewekt door de beschouwing, dat God hare woonplaats is en dat, gelijk de H. Bernardus zegt, »de drie Goddelijke Personen haar als Hunne vriendin. Hunne dochter doen rusten op Hun Godde-lijken schoot als op de rustplaats der H. liefde.quot; Maar al rust daar de ziel met vaste hoop, met vast vertrouwen op God en met vaste liefde tot Hem; zij is daar toch niet ten volle bevrijd van oorlog en strijd tegen hare vijanden , tegen den duivel, de wereld en het vleesch. God laat toe, dat zij zelfs daar bevochten wordt tot meerdere oefening en tot grooter bewijs van hare liefde en getrouwheid. Hoezeer daar ook beveiligd , moet zij toch waken en altijd op hare hoede zijn. Maar hoe meer zij door de bekoringen aangelokt en geprangd wordt om haren bovenal beminden Vader af te vallen , des te sterker houdt zij zich aan Hem vast mot kinderlijke vrees. En niet tevreden met ootmoedig Zijne
27
hulp te verzoeken, klemt zij zicli met zoet geweld aan Zijne vaderlijke borst, als wilde zij binnen in Zijn hart indringen om zich aldus nog zekerder buiten gevaar te stellen van Zijne vriendschap te verliezen. Tentatio unit nos Deo et amplius conjuwiit; dum enim u vel li titnemus, ei fortius inhcereinus (S. Thomas a \illa-Nova). «Dan ook houdt de goede ^ . n
f God Zijne beminde met de grootste zorgvul
digheid vast, en sluit haar tusschen Zijne armen, opdat zij niet valle noch getrokken worde uit Zijn schoot, .la Hij handelt met haar zelfs vriendelijker dan een vader; Hij schenkt haai- ook als bruidegom alle blijken van liefde, die de vurigste minnaar aan zijne bruid kan geven, tot vergelding van hare getrouwheid.quot; Dilectam sercat inter hrnchia, ne
\ forte deturbetur ex simt lt;ii(o____ eique sponsi
cirdentissiino amore ccijtti exlübet offectuin (Bern.).
5. De honigzoete leeraar spreekt aldus niet nit zijn eigen naam , maar steunend op de H. Schrift. »0 mensch, roept hij uit, bedenk eens de goedheid, de vriendelijkheid, do teerhartigheid van de Goddelijke natuur. Hebt gij in de menschelijke liefde ooit zoeter en teederder iets gevonden en gesmaakt dan hetgeen de Goddelijke liefde voor u nitprangt nit het minnend Hart der allerhoogste Hrie-
ii.
M__
28
vnldigheid?quot; Zoo Zij toelaat, dat gij dikwijls wordt gekweld, dat gij u bijna voortdurend tot eenig kwaad genegen voelt, dan laat Zij dat toe uit liefde, om uw eeuwige kroon te vergrooten, en daarvoor helpt Zij u in den strijd. Pugnantem adjuvnt, vincentem coronal. (Bern.) sZij , die godvruchtig leven, zijn gewoonlijk niet een uur zonder strijd tegen den duivel, tegen de wereld, tegen het vleesch; maar, zegt dezelfde H. leeraarj daardoor juist zijn zij in de gelukkige noodzakelijkheid om God dagelijks te bedanken voor de gedurige overwinning, die zij over Zijne en hunne vijanden behalen.quot; Nulla hora jue viventibus desunt hella a came, a mundo, a diabolo; quotidiana necesse est catitica pro sissecKtis victoriis innovnri.
6. Ziel, zult gij den lieven God tegenhouden, als Hij uwe eeuwige glorie wil vergrooten met u meerdere overwinningen te sclien-ken ! Immers neen: daar ken ik uw hart te goed voor. Gij vindt God te schoon, te verrukkelijk , te genotvol om Zijne geneugten niet op de volmaakst mogelijke wijze in alle eeuwigheid te willen genieten. Bovendien weet ik ook, dat uwe â welwillende liefde nog veel krachtiger en geweldiger is dan uwe hoop en uw verlangen. Gij wenscht den drie-vnldigen God zalig te bezitten; maar gij
29
wenscht nog meer Hem minzaam te behagen. ))Gods welbehagen is waarlijk het laatste einde der liefde, en het hoogste doelwit van al Zijne ware minnaars, gelijk de H. Chrysosto-mus leert. Daarom wenschen zij niets zoo zeer dan altijd aangenamer on behaaglijker te worden aan hun Schepper, wel wetend, dat er niets wenschelijker is of kan zijn. Houd dan moed, o godminnende ziel! Blijf onwrikbaar in uw beminden God. Strijd onversaagd in Hem en orn Hem; want niets is Hem aangenamer dan n uit welwillende liefde tot Hem heldhaftig te zien strijden. Zoodikwijls gij de bekoringen overwint, juicht Hij u toe en toonen de engelen, die de getuigen zijn van uw strijd, hunne blijdschap door jubelkreten over uw grooten moed.quot; Waarlijk ik zie niet in, wat grooter eer, wat hooger lof gij ten laatste zoudt kunnen wenschen , dan dooi' God zelf' te worden toegejuicht. Zijne toejuiching bestaat niet slechts in eene goedkeuring, in eene waardeering van uwe kloekmoedigheid ; maar ook in eene vriendelijke en vruchtbare omhelzing, waardoor Hij u vermeerdering der liefde instort, en tevens in eene vernieuwing van den geestelijken huwelijksband tnsschen Hern en u ; zoodat elke nieuwe overwinning op bekoringen als het ware een nieuwe ring is, waar-
30
lt;loor gij uwe trouw verzekert eti Hij u aan-uoenit en erkent ais Zijne ware bruid. \in-renti (entationem applaudit Deus (Chrys;), rt vicla tentatio quasi annulus est, quo Dominus servi sui nnimam sibi desponsat. (Franc.).
Iquot;V\
De christen versterkt door het vertrouwen op den Godmensch.
1. »Wij zijn in Christus herboren; wij zijn op Hem geënt; Hij is de wijnstok, wij zijn lt;le ranken; Hij en wij zijn één lichaam; Hij is liet hoofd, wij de ledematen. Wie kan naar waarde verklaren , vraagt de H. Augnstinus, hoe zeer de eeuwige Vader de ledematen van Zijn eenigen Zoon bemint!quot; Maar wie zal ook verklaren, hoo innig en teeder de Zoon God.s Zijne eigene ledematen bemint! Christen, meent gij, dat gij de uwe meer acht dan de Zaligmaker de Zijne? Vereeniging door de genade zegt onvergelijkelijk veel meer dan vereeniging door de natuur. Daarom hecht uw Jezus onuitsprekelijk veel meer waarde aan het behoud van u, zijn lidmaat, dan gij hecht aan het behoud van al uwe ledematen samen. En nochtans hoe bezorgd zijt gij er niet voor! Zoo er voor een uwer lichaarnsdeelen gevaar is van ziekte of verminking, spaart gij geld noch moeite om het te redden; en zoudt gij or dan aan twijfelen, of de Zaligmaker bezorgd is voor Zijne ledematen , wanneer bekoringen hen dreigen te kwetsen of van Hem
32
af te rukken? Wees verzekerd, dat Hij er meer zorg voor heeft, dan gij voor liet bewaren van den appel uwer oogen. Wat toch hebt gij gedaan om uwe ledematen te verkrijgen? Niets: want God heeft zen uit mildheid geschonken. Maar Christus heeft de Zijne duur gekocht, en zeker veel te duur om ze niet zorgvuldig te bewaren. »De mensch, zegt de H. Augustinus, laat zich niet ontnemen, wat hij met zijn goud gekocht heeft; en zal God dan niet met zorg bewaren, wat Hij gekocht heeft met Zijn dierbaar Bloed?quot; Non perdet homo quod emit auru mo, et per dei Deus ijitod emit Sanguine sua?
2. Hoe meer men iemand lief heeft, des te llinker en ijveriger zal men hem bijstaan als men hem in gevaar ziet. Om dus de grootheid te kunnen kennen van tie zorg, die Christus draagt voor ons behoud, en van den ijver, waarmee Hij ons tegen de vijanden onzer ziel beschermt, zouden wij de grootheid moeten kunnen meten van de liefde, waarmede Hij ons bemint. Maar wie kun meten wat oneindig is, wat alle maat te boven gaat? Om in alle bekoringen onwrikbaar te vertrouwen op Zijne hulp, moet liet ons genoeg zijn te weten , «dat Hij ons bemint als zijn ingewand, als den prijs van Zijn dierbaar Hloed, als de vrucht en de \ergelding van
Zijn bitteren dood.quot; Jc.sus diligit vos tam-quam viscera sua, tamquam fructum et re-compensationem effusi sanguinis sui (Bern.). Christus liefde tot ons is de grondslag van onze hoop en van het vertrouwen, dat wij in allo kwellingen op Hem stellen. »Wij varen op eene onstuimige zee, zegt do H. Angusti-nns ; wij worden bijna voortdurend geslingerd door de baren der bekoringen. Maar wij hebben ons anker wel yelegd: wij zijn vast aan C hristus. O ziel, wordt gij bestormd door de winden der opgeblazen hoovaardigheid, of geslingerd door de vuile baren der onzuiverheid. ot door andere vroeselijke golven, houd u met vertrouwen vast aan Jezus. Vrees niet; want Hij gebiedt over winden en golven.quot; Voloit te amor mundi aut carnis . tene Christum ; hie enbn imperat rentis et flnc-tibus. Zijne leerlingen hebben het ondervonden. /ij waren in gevaar van schipbreuk-te lijden, en de Zaligmaker, die op het schip was, bleef slapen. Maar aanstonds gingen zij tot Hem en maakten Hem wakker; en Christus stond op en stilde de golven met zijn bevel. »Volg hen na, zegt dezelfde kerkvader. Uw hart is het schip, dat door de kwade winden der bekoringen bestormd wordt. Zoo gij schipbreuk vreest, maak dan Christus wakker; want gij blijft in den gevaarlijken
I.\ DEN STUUD. 1
storm, omdat Hij in uw schip slaapt. Hij slaapt daar zoolang als gij verzuimt op Hem te vertrouwen. Het gebrek aai; vertrouwen is de ooizaak van Zijn slaap. ^ ilt gij, dat Hij wakker worde, vertrouw dan op Hein.' Intrant venti in cor luum , turbant navim. Kxcita Christum dormientem; idea enim fluc-tuas, quia Christus dormit in corde tuo, somnus Christi ohlivio fidei est.
'3. »Daar de ziel door liet dierbaar Bloed van Christus is gekocht, zegt de li. Bernardus, is zy eene groote en kostbare zaak ; zoo kostbaar, dat wij, volgens het oordeel en den wil van Christus zelf, het verlies van ons leven veel minder moeten achten dan het verlies van eene enkele ziel.quot; Ook is niets zoo goddelijk, niets den Zaligmaker zoo aangenaam als de ijverige zorg voor het geestelijk welzijn en voor het behoud der zielen. »0 mensch, roept de H. Eucherius uit, gij, die zoo kostbaar zijt voor God , waarom zijt gij onbeduidend voor u zeiven! Gij, die, wanneer een ander in zeker gevaar verkeert van eeuwig verloren te gaan, volgens de eeuwige Waarheid uw eigen leven veil moet hebben voor lt;le redding van zijne ziel, waarom hebt gij in gevaarlijke kwellingen zoo weinig zorg voor uw eigen ziel?quot; O homo , cur tibi tam vilis es, qui tam pretiosus es Deo? Maar ik be-
35
merk, dat ik afdwaal. Ik spreek alsof ik een groot zondaar voor mij had , en mijn voornemen is, mij hier alleen te onderhouden met godvruchtige christenen. Ik wend mij weer tot u, godminnende ziel. Indien uwe bezorgdheid voor uwe ziel en voor die van anderen zoo aangenaam is aan uw Jezus, hoe zoet en behaaglijk zal liet Hem dan niet zijn zelf voor u te zorgen , zelf u in allen nood, in alle gevaar te helpen en bij te staan. Met wat genoegen en met welke vreugde waakt Hij zelf over u; opdat noch duivel, noch wereld, noch vleesch u verleide en u doe afwijken van uw eeuwig geluk. Gij zijt immers de Zijne, en wel omdat Hij u gekocht heeft en zoo duur gekocht. Gij zijt Hem meer waard dan de zon, dan alle sterren, dan het uitspansel, dan de gansclie wereld; omdat gij de prijs zijt van Zijn oneindig dierbaar Bloed.quot; Daaruit kunt gij besluiten, dat Hij liever voor u en voor uw behoud bezorgd is dan voor de instandhouding van geheel de wereld. Totus mun-
O O
^ins ad unius animce pretium cestimari non potest. Snhlimius est animce pretium qutv Christi Sanguine redempta (Bern.).
4. Maar lioe genegen de goede Zaligmaker ook is om u te vrijwaren van doodelijke toestemming in bekoringen, Hij wil u nochtans niet vrijwaren zonder u. Verlangt gij door
36
Hem krachtig bewaard te worden, dan moet o-ij van nw kant u geheel aan Hem toevertrouwen. Zoo wil Hij het. »Omdat hij op Mij betrouwd heeft, zal Ik hem beschermen; omdat hij Mijnen Naam heeft gekend , ben Ik met hem in alle kwellingen;' Jk zal hem met Mijne schouders overschaduwen, en hij zal hopen onder Mijne vleugelen (Ps. 90).quot; ))IIeer .iezus, roept de H. Bernardus uit, ik ken Uw Naam, ik erken U als mijn Jezus, mijn Zaligmaker, mijn Verlosser. Mijne ziel vertrouwt op U ; zij zal in de schaduw Uwer vleugelen op U hopen, zoolang de booze kwelling zal duren.quot; Domina Jesu! in Te co)ifidit anima mea. In umbra alarum tuannn sper oho * donee transeat iniquitas. En aangezien ik niets vermag zonder U, zal ik nooit ophouden mij zeiven te mistrouwen en te vertrouwen op, L . Gelukkige, die ik ben! «Jezus is met mij in alle kwellingen!quot; Cum ipso sum in tribula-tione (Ps. 90). Wat heb ik van mijne vijanden te vreezen ? Jezus beschermt mi j. at kwaad kunnen zij mij doen met mij te bestrijden? Jezus strijdt met mij en voor mij. »A1 bevind ik mij te midden -van de scha-duwe des doods, tusschen de zwaarden des duivels, tusschen de listen en strikken der wereld, tusschen de vuile schichten van het vleesdi, ik zal geen kwaad vroezen, als Gij.,
o mimiende en almogende Jezus, met mij 7ijtquot;quot; (Bei'n.). Schep dan moed, o ziel! Christus is zoowel uw Zaligmaker als van den II. Bernardns. »Vlucht ook gij tot Hem in de gevaren, waarin gij u bevindt; vraag ootmoedig zijn hijstand; Ilij, dien gij bemint, zal terstond hij u zijn en vriendelijk tot u zeggen: vrees niet, want Ik hen met u Iquot; Si times, si irepidas , ad Jesxim tnum reciirre, exponc. pcriculd, ope.n flugila ; nderit tihi, quem di-lit/is, audiesque: ne timeas.... quia Kgo lecion sum. (Bern.)
5. Geen moeder is zoo vol ijver om haar kind in zijne benauwdheid of in zijn nood te helpen als Christus om de Zijnen te beschermen. ))Zijn schoot, zegt de H. Bernard us , Zijne wonden, de gaten der steenrots zijn altijd open. Zijn ingewand altijd gereed hen te ontvangen, te bewaren, te bevrijden.quot; «Zijn Hart zelt is door de liefde geopend om hun loevluclit en verschansing te zijn. Daar is de godminnende ziel buiten gevaar, zegt de H. Chrvsostomus; daar is zij beveiligd als in eene rots, die hooger reikt dan alle golven der bekoringen. Amator Christi in petra sta-tutus, tentationum undis sublimior firmatur. Wanneer de IIII. Vaders het groote vertrouwen op Christus tegen de booze kwellingen aanbevelen, dan doen zij dat gewoonlijk alleen
38
voor fle godvruchtigen; omdat alleen deze eigenlijk gekweld worden. De zondaars. die naar de wereld en liet vleesch leven, worden door het aanlokkende en vleiende der kwade begeerlijkheid niet gekweld; want zij hebben het gaarne en voeden haar vrijwillig on met vermaak. »Het vleesch, zegt de H. Augustmus, kwelt de ziel door iets te begeeren tegen den geest. Dus het kwelt alleen de goeden, die naar den geest, naar de deugd, naar de volmaaktheid leven. De hoozen gevoelen geen strijd tegen den geest; want het vleesch begeert slechts tegen den geest, waar geest is.quot; Gelijk er nu geen strijd is tegen den geest, waai geen lt;gt;-eest is, zoo is er ook slechts een gering verzet van den geest, als de geest Hauw is. Maai een laf verzet duurt gewoonlijk niet lang, als de aanvallen der vijanden zeer sterk, zeei geweldig en bijna aanhoudend zijn. Wilt gij u derhalve, o christen, tegen de booze kwellingen wel versterken, behoud dan uw geest in zijne vurigheid, tracht zijne kracht dagelijks te vermeerderen door goede werken, ))en stieef ei vooral naar uw Jezus dikwijls in uw verstand te hebben door het geloof, dikwijls in uw wil door de hoop en de liefde; opdat Hij altijd met ii zij en gij nooit alleen. Hoe dieper gij Hem in uw hart zult ontvangen, des te dieper zult gij ook in liet Zijne binnengaan, en
39
(liensvolgens des te zekerder zult gij zijn, dat gij in de stormen der bekoringen zult vast blijven in Jezus en Jezus in u.quot; Talcra le prccpnra Kt Jesus tecum adsit in cordc, semper tecum eat; uhicumqiie fueris, nnsquam solus eris; porró si Jesus tecum, (pits contra te? (Bern.)
6. Godminnende lezer, uit het voorgaande blijkt, lioe groot uw vertrouwen op Jezus moet zijn ten tijde der bekoringen. De welwillende liefde, waarmede de Godmensch u wil bijstaan, is oneindig; Zijne macht om u te helpen is onbegrensd. Dus zou ook uw vertrouwen op Hem oneindig en onbegrensd moeten zijn. Zulk een volmaakt vertrouwen echter is boven uwe krachten , en de Zaligmaker verlangt van u niet dan wat mogelijk is. Welnu het is mogelijk voor u »op Hem te vertrouwen uit geheel uw hart.quot; Dat vraagt Hij van u. Jlabe fiduciam igt;ï Domino ex toto corde tuo (Prov. III. 5.). Men vertrouwt uit geheel zijn hart, wanneer men vertrouwt met volle vastheid. Die onwrikbaar steunt op God, is om zoo te spreken alvermogend. Zoo het noodzakelijk was, ))zou hij, gelijk Christus zelf verzekert, zelfs bergen verzettenquot; (Marc. H. 23). Hoeveel gemakkelijker zou hij dan niet zijne vijanden, den helschen geest, de wereld en het vleesch overwinnen, vijanden, die de ziel
40
niet kunnen kwetsen ot' beuadeelen, tenzij zij zelve gekwetst ot' benadeeld wil worden. Dat vertrouwen echter uit geheel het hart kan nooit voortreflelijker en edelmoediger beoefend worden, dan bij bekoringen van wanhoop. Dan vooral spant de wijze en godminnende ziel alle krachten haars harten in om hare hoop op Jezus te versterken. Al vertoonden zich alle helsche geesten zichtbaar om haar te doen gelooven, dat geheel haar leven niets anders is geweest dan eene aaneenschakeling van doodzonden ; dat al hare werken, die zij goed waande, niet anders waren dan uitwerkselen van schijnheiligheid: dat zij daarom van God verlaten is zonder hoop op zaligheid; toch zou zij hun gerust met Panlus antwoorden, »dat zij weet, aan wien zij zich heeft toevertrouwd en op wien zij hoopt.quot; Ja al namen zij haar op in de lucht, alsof zij haar op Gods bevel naar de hel droegen, nog zou haar geest en haar hart zich aan den Zaligmaker blijven hechten, en vriendelijk zou zij Hem zeggen: Goedertieren Jezus! »al dooddet Gij mij op den rand van de hel, nog zou ik op U hopen en vertrouwen.quot; Ik vrees de bedreigingen der helsche monsters niet. U toch kunnen zij geen kwaad doen; en werpen zij mij in de hel, dan zouden zij U met mij meewerpen; want ik ben in U en Gij zijt in mij. Ik houd U vast.
41
U op wien ik vertrouw; ik houd U vast en zal U niet laten gaan. Tenia eurn, nee di-mitlam. (Cant. III. 4.) 0 wat vreugde schept Christus uit zulk ecue kloeke en heilige gesteltenis Zijner lieve bruid! Hij, de Godmensch zelt, heeft zich door Satan laten opnemen en door de lucht voeren om de.s te schitterender over hem te zegevieren, en om ons door Zijn voorbeeld te leeren den helschen geest, ook in de vreeselijkste gevallen, heldhaftig te weerstaan en te overwinnen. Primogenitus Filius.... mundum cum sua principe triumphavit, ut et nos victores inveniamur, victor es sane in Chrisio. (Bern.)
De christen versterkt door het vertrouwen op de H. Moeder Gods.
1. Gelijk Christus onze voorspreker en beschermer is bij Zijn hcmelschen Vader, zoo is de H. Moeder onze voorspreekster en beschermster bij haren Zoon. Als zoodanig huldigt haar de H. Kerk. Zij, die de grondzuil der waarheid is, leert ons de If. Maagd aanroepen als ))onze beschermster, onze voorspreekster bij God, onze hoop en toevlucht in alle kwellingen, in alle benauwdheid.quot; Dat zingt mij de H. Kerk, zegt Tiernardns. dat houd ik vast. Wat zoete troost: de Moeder Gods is mijne beschermster! Wat heb ik van mijne vijanden te vreczen, als zulk eene machtige Koningin mij beschermt! Ipsa prolc/jante non metuo (Bern.). In hoe grooter nood zij hare gunstelingen ziet, des te vaardiger is zij om hen bij te staan. Welnu nooit verkeert de godminnende ziel in grooter nood, in erger benauwdheid, dan wanneer zij zich in het gevaar bevindt van door toestemming in de bekoring de vriendschap van haar Jezus to verliezen. Maar dan ook beschermt de genadige Maagd de ziel het liefst. Wat tocli kan de Moeder der schoono
lieffle moer eigen zijn dan te willen beletten, dat de vriendschap met haar Zoon, die de Liefde is, verbroken worde! Wat kan de Moeder der barmhartigheid aangenamer en genoeglijker zijn dan hare kinderen tegen hunne allergevaarlijkste vijanden bij te staan! Hare macht om te helpen evenaart hare bereidwilligheid. Even beminnelijk en vriendelijk als zij is voor de engelen en de menschen, even geducht is zij voor het helsche serpent, welks llt;op zij door haren Zoon verpletterd heeft in hare onbevlekte ontvangenis, en hetwelk zij nog voortdurend door hare voorspraak helet de menschen, die in bekoringen met vertrouwen tot haar vluchten, te benadeelen. Maria omnibus amabilis, soli inferno terrihilis, di'tinet dcemones ne noceant (Bonav.).
'2. Als ik naga, hoe de 11. Joannes de Evangelist een patrijs, die door de jagers vervolgd werd, uit goedhartigheid beschermde en streelde in zijn angst, en hoe de H. Franciscus van Assisien uit barmhartigheid een lammetje afkocht, opdat het niet zou gedood worden; dan moet ik noodzakelijk aannemen , dat, wanneer tijdens het leven van de H. Maagd een vogeltje uit vrees voor een roofvogel tot haar schoot zjn toevlucht had genomen, het ook door haar tee-der ontvangen en krachtig beschermd zou geworden ziju. Maar christen, gij zijt voor de 11. Moeder (Jods veel kostbaarder en waardiger dan
44
alle vogeltjes en lammetjes te zamen; want gij zijt de prijs van het dierbaar Bloed van haren Zoon, gij zijt haar gunsteling, gij zijt haar kind en haar vriend. Muit is pctssevibus meliores estis vos. D(3 II. Maagd zoo teederhartig reeds van natuur, is liet in nog veel iiooger mate door de genade. ))Zij is, gelijk de H. Bonaventura zegt, nu in den hemel veel barmhartiger dan zij hier op aarde was.quot; ))Daar is geen gevaar, zegt de H. Thomas van Aquinen, waarin de Moeder Gods u niet kan en niet wil helpen.quot; Waarom dan, deugdzame ziel, bedroeft gij u zoo zeer om booze kwellingen? Waarom denkt gij niet op Maria,uwe vriendin? Ik zeg uwe vriendin; omdatgij niet alleen haar, maar ook liaar lieven Zoon bemint, »zonder wiens vriendschap het onmogelijk is waarlijk vriend of vriendin van deH. Moederte zijnquot;(Ambr.). Welaan dan, vriendin van Maria, vertrouw op Maria. Hoe nijpend en gevaarlijk uwe bekoringen ook mogen zijn, «neem vol moed uw toevlucht tot Maria: in haar zult gij zeker rust, troost en hulp vinden.quot; De duivel houdt u immers nog niet boven de de hel, bedreigt u immers nog niet om u in het eeuwig vuur te werpen; ))en nochtans al meen-det gij uit onmatige vrees, dat gij reeds neer-zonkt in den afgrond, denk op Maria; roep haar vol vertrouwen aan, en gij zult behouden zijn en beveiligd tegen het gevreesde gevaar.quot; Si ba-
45
rnllrro____incipias absorberi, Mariam cogita
(Bern.); accede ad illam omni animo-, in no-vissimis enim invenies requiem in ea (Kc-cles. VI).
3. Wanneer gij zoo vreesachtig zijt, o ziel, waarom vreest gij niet de H. Moeder Gods oneer aan te doen en haar teeder hart te kwetsen door angst, dat zij u in uw nood zal verlaten/ De dochter van Pharao was eene heidensche vrouw, en toch kon zij uit medelijden niet dulden, dat de kleine Mozes op het water bleef drijven in gevaar van te verdrinken. Zij zelve beschermde hem tegen het wreed gebod van haar vader. En zoudt gij vreezen, dat Maria, de eerstgeborene Dochter des hemelschen Vaders en Koningin des hemels, u zal verlaten in de wateren van smart en beproeving, waarin gij u bevindt ? Ruben en Judas waren geengroote heiligen, en toch werd hun hart door barmhartigheid jegens hun verdrukten brooder Joseph zoo krachtig ontroerd, dat zij al het mogelijke deden om hem uit het doodsgevaar te redden. En zoudt gij er aan twijfelen, ot' Maria, uwe eerste zuster naar de genade, u in de gevaarlijke kwelling zal bijstaan? Agar, eene onnutte slavin , kon haar kind niet van dorst zien vergaan zonder te weenen; uit teerhartigheid wendde zij zich van hem atquot; om hem niet te zien sterven. En zoudt gij vreezen, dat
40
Maria, uwe minnende Moeder, Moeder der moeders , ongevoelig zal zijn als zij u in gevaar ziet van den eeuwigen dood testerven? Ik herhaal hot, vrees veeleer de H. Moeder Gods, de genadigste, de teederste aller schepselen, door uwe onredelijke vrees onrecht aan te doen en haar eenigszins te belasteren. Want het is lee-lijk en schandelijk zijne ware vrienden in den nood niet bij te staan als men kan. Hoe is het dan mogelijk, dat de Moeder der schoone liefde de wet der vriendschap, die zoowel de wet van de genade is als van tie natuur, leelijk over-trede, door u, hare vriendin, niet te verhooren, als gij in gevaar verkeert van Gods liefde te verliezen? Hoe is het dan mogelijk, dat de Moeder der barmhartigheid u, de vriendin van haren Zoon, heden schandelijk zal verlaten, zij, die voor zooveel eeuwen zelfs niet den grootsten zondaar, die haar vol vertrouwen aanriep, ooit heeft verlaten ? O ziel, laat uwe on-rechtvaardige vrees varen, en besluit veeleer met den Zaligen Henricus Suso en den god-minnenden Ludovicus Hlosius, ))dat hemel en aarde eerdei' zullen vergaan, dan dat de barmhartige Maagd u in gevaarlijke bekoringen zal verlaten.quot; Waarlijk de Zoon van God heeft veel te veel ijver voor de eer van Maria om too te laten, dat zij, die Hij om Zijne en om hare eer van alle smet gevrijwaard heeft in
47
hare ontvangenis, thans door iets zou bevlekt worden in hare glorie; eerder zou hij zon, maan, sterren, ja het heelal vernietigen dan toelaten, dat Zijne allerliefste Moeder onbarm-bartig of ongevoelig zou zijn bij het gevaar der zielen, die baar oprecht beminnen en ernstig aanroepen. Citius caium cum terra perier il , quam ij sa aliquem serio se implo-rantem sua ope deslituat (Blos.).
4. De H. Alphonsus Rodriguez beminde de II. Maagd zeer teeder en zeer vurig. Het docht hem, dat er niets was, wat hij haar ter liefde niet zou gedaan en geleden hebben, als zij er hem om zou vragen; en omdat hij haar zoo innig beminde docht het hem ook, dat hij Jegens haar welwillender genegen was dan zij Jegens hem; maar hij werd door de H. Maagd in eene bijzondere openbaring over zijne valsche meening vriendelijk berispt; en zeker met recht. Wilt gij dus, o minnaar van Maria, geen berisping van Maria verdienen, acht dan hare genegenheid jegens u onvergelijkelijk grooter dan de uwe jegens haar. Maar besluit daar verder uit, dat gij zekerder zijt van hare bescherming, naarmate gij haar meer lief hebt. Gij ]zijt u bewust, dat gij haar met teederheid en vurigheid bemint, dat gij ijver hebt voor hare eer en glorie. Het minste, dat tegen Maria gezegd of gedaan wordt, bedroeft u grootelijks. Indien
48
gij iemand gereed zaagt orn ook maar haar beeltenis verachtelijk in het vuur te werpen, zou uw hart terstond ontroerd worden; iedere druppel bloed, die in uwe aderen vloeit, zou gaarne uitgestort worden om zulk eene oneer te beletten. Welmi bedenk dan , hoeveel tee-derder het hart der minnende Moeder niet zal getroll'en worden, als zij 11 ziet en uw geroep hoort in het gevaar van door toestemming in eene bekoring het eeuwig vuur te verdienen ; bedenk hoeveel vaardiger zij is om u uit zulk een gevaar te verlossen. Zij behoeft daarvoor noch te strijden, nocli te lijden; haar wil alleen is genoeg; want haar almogende Zoon werkt uit, wat zij krachtig wil en verzoekt. Tu velis o Domina, et nequaquam fieri non potest (Anselm.). ))De wil der Moeder is als een gebod voor den Zoon,quot; niet krachtens een streng recht, maar door de macht der vriendschap, waarmee zij eene zoete heerschappij voert over Zijn miniiend Hart. Accedis ad Filium non tam orans, lt;iii'nn imperans.
5. Hoe meer men de H. Maagd bemint, des te meer mag men niet alleen op haar, maar ook op haren Zoon vertrouwen. Want gelijk Christus tot de apostelen zeide: ))Mijn Vader bemint ir, omdat gij Mij bemind .'hebtquot; (Joan. XVI. '27), zoo ook kan de H. Moeder tot hare ware minnaars zeggen: »Mijn Zoon heeft n
49
lief, omdat gij mij liefhebt.quot; O hoe zoet is het rusten tusschen de lietde van Jezus en de liefde van Maria! Het verwondert mij niet, dat, gelijk de 11. Bernardinus van Senen zegt, de minnaars van de II. Moeder Gods gewoonlijk opgeruimd van geest en hart zijn; omdat hun gemoed gewoonlijk gerust is door het vertrouwen op Christus en de 11. Maagd. Komt er bij hen eenige vrees op, dat de liefde des Zaligmakers tot hen om hunne dagelijksche en menigvuldige gebreken verminderd is, dat Hij hen tot straf misschien in de bekoringen zal laten vallen, dan laten zij daarom den moed niet zinken; maar zij beroepen zich bij Hem op de liefde , waarmede zij Zijne lieve Moeder vroeger hebben bemind en nog beminnen. sTeederminnende Zaligmaker! Gij hebt zelf gezegd, dat Gij meer zijt dan Salomon. Gij overtreft hem inderdaad niet alleen in wijsheid, maar ook in kinderlijke liefde. Beminde Salomon zijne moeder, Gij bemint de Uwe onvergelijkelijk veel meer. Verklaarde Salomon, dat het niet passend was zijne moeder te weigeren, wat zij van hem verzocht; Gij weet veel beter, wat een zoon betaamt. Had Salomon in zijne jonkheid groote achting voor al wat Goddelijk was; hield hij de Arke «les Vcr-bonds in zoo hooge eer, dat hij Abiathar, zijn vijand, niet wilde dooden, omdat bij die arke
IN DEN STRI.ID. â '*
50
gedragen had; o Jezus, wie is er na U zoo goddelijk als Uwe IJ. Moeder, de levende Arke des nieuwen Verbonds, waarin Gij zelf, het Heilig der heiligen, mensch geworden zijt en negen maanden liebt gerust? Hoe onvolmaakt ik ook ben in Uwe oogen, door Uwe genade evenwel ben ik rog Uw vriend en heb ik die heilige arke van mijne prille jeugd af door standvastige liefde in mijn hart gedragen. Zoon van Maria, allervolmaaktste van alle zonen, van alle kinderen der menschen ! zon het dan waar zijn, dat Gij minder genegen zijt om uit eerbied voor Uw allerbeminnelijkste Moeder de ziel Uws vriends van den dood te redden, dan de zoon van Bethsabeedoor eerbied voor de Arke des Verbonds bewogen werd om zijn vijand van denver-dienden dood des lichaams te ontslaan?quot; Meen niet, christen, dat het vermetelheid is den Zaligmaker aldus toe te spreken. Neen, Hij bemint de eenvoudigen en hoort gaarne hunne redenen, als zij Hem die voorhouden met ootmoed en vertrouwen. Cum simplicihns sermocinalio rjus (Prov. III.32). Zoo liet Hij zich als overwinnen door het eenvoudige, ootmoedige en wijze antwoord, dat de Chananeesche vrouw Hem gaf. Welverre van haar daarom te verstooten, zeideHij haar vriendelijk: » Vrouw, uwgeloof, uw vertrouwen is groot: u geschiede gelijk gij begeert.quot; O Muiier', magna est fid est ua : pat tibisicut ^(Matlh. XV. 27).
^ri
jpe liefde schenkt den christen moed en opgewektheid.
i. ^.ludas de Macliabaeër en de zijnen streden Israels strijd met blijdschap,quot; veiliaait de H. Schrift. Het was voor hen eene vreugde, omdat zij streden voor God, voor Zijne wet, voor Zijn dienst. Wij moeten ons evenzeer verblijden, dat wij de gelegenheid hebben om voor den drievuldigen God, onzen Schepper, en voor den Godmensch Jezus Christus, onzen Verlosser, te strijden. Want gelijk de H. Jia-silius schrijft, ))de vijandschap des duivels tegen ons is niet zoozeer nijd tegen ons als haat tegen God.quot; Dewijl die woedende geest zich op den Almogende niet kan wreken en geen middel vindt om op Hem zijne gramschap te koelen, keert hij zijne razernij tegen den mensch, als tegen het beeld van God, en tracht vooral zijn toorn te voldoen op den christen, als het lidmaat van den Godmensch, die hem overwonnen en zijne vroegere heerschappij vernietigd heeft. Maar de macht des helschen vijands evenaart niet zijne razernij; want Christus heeft hem gebonden en geketend. De H. Augustinus vergelijkt hem daar-
52
orn met een hond, die wel kan blufTen, maar niemand bijten, tenzij dengene, die vrijwillig wil gebeten worden. Zijne bondgenooten, de wereld, liet vleescli, de booze hartstochten zijn vreeselijker dan hij zelf, hoewel toch ook niet zeer te vreezen voor de goede christenen, die in de liefde Gods diep gevestigd zijn. Deze toch verblijden zich veeleer, dat zij de gelegenheid hebben God.s vijanden om God kloekmoedig te bestrijden en aldus »te toonen, dat zij Hem waarlijk beminnen uit geheel hun hart en uit geheel hunne ziel.quot; Het is den Heer vooral om dat bewijs van liefde te doen, wanneer Hij de bekoringen toelaat. Tentat cos Domimis Deus vester, ut palam pat, utrum ditigatis eum an non , in toto corde et in tota anima vestra (Deut. XIII. 3).
2. Wij volmaken het best onze gelijkenis met God door de liefde; omdat Hij de zelfstandige Liefde is. Door de liefde is Hij niet ons en zijn wij met Hem vereenigd. In de liefde schept Hij het grootste behagen en genoegen. Hoe vuriger en edelmoediger onze liefde tot Hem is, des te volmaakter gelijken wij Hem en des te meer verheugt Hij zich in ons. Maar om vurig te zijn moet onze liefde geoefend worden, en om edelmoedig te zijn, moet zij kwelling en strijd ondervinden. Si afjlictionem tentationum auferas, idn erit
53
fortiludo charilatis (Tliom. a Villa N.)? Groote «delmoedigheid nu kan men niet bewijzen in geringe kwellingen, noch groote heldliaftighei»! toonen tegen een zwakken vijand. De volmaakte liefde schept weinig behagen in het geringe; zij streeft naar het grootste, en brengt het liefst datgene ten uitvoer, wat zij weet, dat den beminde het aangenaamste is. Daarom oefent zij zich liever in grooten en moeilijken strijd , om hare kloekmoedigheid voortreffelijker te toonen, en op den vijand â eene schitterender overwinning te behalen tot meerdere glorie en vreugde van den bovenal beminden God. Voorzeker in zulke christenen, die geweldige en zware bekoringen met zulk eene kloeke liefde weerstaan, heeft de drie-vuldige God het allergrootste behagen. Dezulken keurt Hij Zijner liefde waardig. Hen geschapen te hebben verheugt Hem. Niet minder verblijdt zich Christus, dat Hij voor hen den doodstrijd heeft ondergaan, en Hij erkent hen ook als Zijne waardige ledematen. Kimt gij, o ziel, u iets verheveners denken dan door uw Schepper en door uw Verlosser waardig geacht te worden de Zijne te wezen? Deus tentavit eos, et invenit illos diynos se (Sap. 111. 5).
3. ))Het is billijk, zegt de H. Chrvsostomus, dat wij de liefde tot Christus met de grootste
54
edelmoedigheid beoefenen ; want Hij vordert met recht bijzondere blijken van onze gene-gonheid tot Hem, omdat Hij ons op wondervolle wijze bemind beeft.quot; Daarom kan de minnende bruid aan de wonderbare liefde baars Ih-iiidegorrjs niet denken zonder vriendelijk tot Hem te verzuchten: ))Trek mij tot Uquot;, tralie me. post Tf.. Daardoor, verklaart de H. Ber-nardus , geeft zij Hem te kennen , dat zij op Zijn voorbeeld gaarne in bekoringen wil geoefend worden om edelmoedige wederliefde te bewijzen aan Hem , die haar zoo krachtig en zoo heldhaftig bemind heeft. Traldmnr, cum tenlationibus exercemxir. Als de minnende ziel naar bekoringen verlangt, is zij niet zoo vermetel van op hare eigene krachten te steunen. Neen, zij steunt slechts op de kracht van haar Beminde, zij steunt op Zijne hulp, zij steunt op Zijne liefde. Zij wil door Hem in het strijdperk getrokken worden met de koorden der liefde om voor Hem en met Hem uit liefde te strijden. Funiculi^ charitatis traite me post Te. Zoolang de ziel haar beschermer en helper Jezus vast in het oog heeft, ziet zij geen gevaar, zelfs niet in zware aanvechtingen. Daarom verstout zij zich te bidden, dat Hij haar niet bij zich in de glorie laat komen , zonder dat zij op Zijn voorbeeld door bekoring on strijd beproefd is. Wee haar
oo
echter, zoo zij het oog van haren Jezus afwendt en het vertrouwen verliezend alleen den hachlijken toestand, waarin zij zich bevindt, aanschouwt. Dan zal het haar gaan gelijk Petrus op het meer van Genesareth. Toen Christus op het water wandelde, bad die apostel, dat Hij hem over het water tot zich zou doen komen. Christus gebood het, cn dadelijk ging hij zonder vrees. Maar toen hij het bulderen van den storm hoorde en de onstuimigheid der baren onder zijne voeten voelde, wendde liij zijne oogen af van Jezus en beschouwde alleen de gevaarlijke zee. Daarom begon hij te zinken, hij, die te voren, zoolang hij het oog op Jezus als op zijn almogonden en weiwillenden helper gevestigd hield, noch stormen , noch baren had gevreesd. Coejdt mergi, mm a procellis, neque a ventis, sed a mod tea fide sua (Chrys,).
4. Eertijds vroegen de godvruchtige geloo-vigen als een gunst van Christus den bloe-digen strijd van het martelaarschap. »Maar, zegt de H. Chrysostomus, de dagen van strijd tegen de dwingelanden zijn voorbij; het is thans de tijd van kampen tegen den duivel en tegen de hartstochten en bekoringen, die hij van alle kanten tegen ons opzet.quot; Benijden wij toch niet den martelaars den lauwerkrans, die hun alleen toekomt. De groote glorie bestaat in
50
God te behagen, Hoe meer behagen Hij in ons schept, des te grooter glorie voor ons. Ik twijfel er niet aan, of menige belijder, die den onbloedigen strijd tegen zware bekoringen met kloekmoedigheid en standvastigheid tot ,dcn dood toe uit liefde heeft volgehouden, is boven vele martelaars in den hemel verheven. Mij dunkt ook, dat de belijders, wier harten inde liefde Gods wel geworteld zijn, voortdurend in de zekere gesteltenis verkeeren om bereidvaardig den marteldood te ondergaan; want welke smart, welke marteling zou een groot minnaar van de H. Drievuldigheid en van den God-mensch Jezus Christus niet liever wenschen te ondergaan , dan toe te stemmen in eene bekoring, die hem tot doodzonde aanlokt? Geen galg. geen zwaard, geen vuur, niets is in zijn oog zoo verschrikkelijk als een enkele doodzonde. Stond hij voorde keus, liever zou hij willen neerzinken in de hel dan vallen uit de vriendschap van zijn bovenal beminden God. Rcspondit cito, (Ucenu, prcemilti si veile in infernum (11 Macchab. VI. 20.).
5. O wat een vermaak heeft God in zulk eene grootmoedige ziel! Maar als één enkele akte van zeer edelmoedige liefde Hem zoo zeer behaagt, hoe beminnelijk zal zij Hem dan niet zijn op het einde baars levens na ontelbare akten van de heldhaftigste genegenheid ! Hoe talrijker
57
hare kwellingen zullen geweest zijn, des te veelvuldiger zal zij ook de lieilige liefde beoefend hebben en immer en altijd met meer edelmoedigheid en vurigheid. Want hoe meer akten van liefde men verwekt, des te kloeker en inniger wordt zij. De grootheid der eeuwige kroon, die God haar zal schenken, is even onuitsprekelijk als het aantal barer verdiensten. Nochtans de eeuwige kroon is haar hoogste doelwit niet: Gods eer, Gods glorie, Gods welbehagen en vermaak is het laatste doel van haar kloeken strijd. «Zij heeft evenals Joseph geen ander doel voor oogen dan Gode te behagen. Al veranderen ook de bekoringen , in het bestrijden er van blijft zij steeds dat doel voor oogen houden.quot; Joseph nnum hahebat propositum placem Beo. Hoc nulla tenlatio-num varietale immutatum est (Hieron.).
6. Ik beken, dat men buiten de bekoringen edelmoedige liefde kan beoefenen en God in-oo-
O o
lelijks behagen door groote daden van genegenheid. «Maar toch gewoonlijk wordt de grootmoedigheid beoefend in voorkomende kwellingen.quot; Ex tentatione magnanimitas exercetur (Laur. Just.). Wanneer een vijand veel geld en goed aanbood aan een getrouw dienaar van zijn koning om hem van zijn dienst af te trekken of tot eenig verraad over te halen, dan zou deze ongetwijfeld zich diep
58
verontwaardigen en den kwaadstoker met edelen toorn verfoeien. Raadde iemand eene eerzame vrouw aan om haren man ontrouw te worden , zij zou dien raadgever aanstonds doen gevoelen, hoe kloek en krachtig de ware huwelijksliefde is. Zelfs een klein kind toont nooit sterker zijne liefde, dan wanneer men het kwelt met de bedreiging van het aan zijne moeder te ontrukken en aan een ander te geven. Dan vooral begint liet te schreien en houdt zich aan zijne moeder vast zoo krachtig als het kan. Welnu alle liefdetitels en alle liefdebanden der natuur zijn niets vergeleken bij die der genade, waardoor wij met den drievuldigen God en met den Godmensch Jezus Christus vereenigd en verbonden zijn. Van deze waarheid doordrongen wekten de grootste en verstandigste heiligen zich op om de bekoringen manhaftig te weerstaan. ))Ivom Heer Jezus, riep de H. Bernardus uit, kom, laat Uw rijk, wat mijne ziel is, niet verloren gaan: opdat Gij alleen het bezittet. Want zie, de hebzucht wil haar troon in mij vestigen ; de ijdele eer poogt over mij te heerschen; de 1100vaardigheid wil mijne koningin zijn; de onzuiverheid tracht mij met geweld te winnen; de eerzucht, de haat, de nijd, do gramschap twisten in mij over mij, aan wie ik in de eerste plaats zal toebehooren. Ik van mijn
59
kant verzet mij tegen hoti; ik verwerp hen zoo ver ik kan; ik handhaaf met alle kracht het recht van mijn Heer Jezus; ik verdedig mij om mij zeiven voor Flern te bewaren. Want ik erken en huldig Hem als mijn wettigen lieer; Hem acht ik en bemin ik als mijn God; Hem dien ik als mijn meester; ik heb geen anderen koning en wil geen anderen hebben dan Jezus. Kom dan, o lieve Heer. korn en verjaag alle valsche mededingers van Uw rijk ; weer hen van mij af, en Gij alleen zult in mij en over mij heerschen.quot; Eyo cis resisto quantum vahio; Dominum menm .lesion rexlamo. Non enim hab'V regem nisi Jesum ; veni ergo Dom ine! dis p erge ill os in rirlute tua , et regnahis in me.
7. De andere titels, die ons tegenover onzen Schepper en Verlosser verplichtingen opleggen, zijn niet minder krachtig om ons tot kloekmoedigheid ten tijde van bekoringen op te. wekken. Zoo beschouwde en beminde de H. Au-gustinns God als zijn Vader cn als zijn Bruidegom. Deus meus, Pater mens et Sponsus meus. Hij beminde Zijne oneindige goedheid en liefde tot de Zijnen en achtte Zijne vriendschap boven alles. Gevoelde hij bekoring of neiging lot iets, wat met Gods wil in strijd is, dan moedigde aanstonds zijne kinderlijke liefde hem aan om de aanvechting met
60
ijver to verwerpen. »0 God, riep hij dan uit, ik zal dat niet doen, om U, mijn lieven Vader , niet te bedroeven.quot; Niet minder schrik had hij God als den Bruidegom zijner ziel te bedroeven. Hoe kon het anders; de liefde toch der bruid is krachtiger dan de liefde van het kind. Voor de ware kinderliefde is het «renoeer, dat men God 'ds minnend Vader
O O '
bovenal bemint; maar om Zijne bruid te zijn moet de ziel Hem niet alleen liefhebben bovenal, maar »Hem ook beminnen met bijzondere innigheid en vurigheid.quot; Anima, si Dmim vehementer amat , sponsa est (Bern.). »ü christen, roept de H. Augustinus uit, uw hart hoort toe aan God : zoo gij het aan een ander schenkt, verdient gij den naam van christen niet.quot; Het hoort Hom toe op allerlei titels. Het hoort Hem toe, omdat Hij het heeft geschapen; het hoort Hem toe, omdat Hij het heeft gekocht met Zijn dierbaar Bloed; het hoort Hem toe, omdat gij zelf het Hem vrijwillig hebt gegeven en Hij het iieeft aanvaard; en het hoort Hem toe, althans zoo gij Hem zeer vurig bemint, omdat Hij uw Bruidegom is. Hot is een soort van overspel Hem liet hart Zijner bruid te ontnemen. Daarop legt de helsche geest het aan. »Hij poogt het allermeest de godminnende harten der christenen te winnen tot meerdere oneer van
01
him Zaligmaker en Bruidegom. Maar zijne pogingen zijn vruchteloos; wantliij bestrijdt de rechtvaardige harten van buiten, doch den bezitter, die van binnen is en de harten bewaart, overwint hij niet.quot; Forinsecu* opputjnal dcemon, non vindt ilium, quia inlus est (Aug.).
8. De godminnende ziel strijdt zelve met Christus mede om haar hart voor Hem te bewaren. En geen wapen gebruikt zij liever en met meer vaardigheid dan de liefde. Want de Zaligmaker is in haar hart niet alleen als beschermer, maar ook als leermeester in de kunst van te beminnen. Magisterio Verbi ars discitur amoris (Laur. Just.). Volgens de beginselen dier kunst moet en mag men niets beminnen dan wat waarlijk beminnelijk is; en dat, wat liefde waardig is, moet men niet minder en ook niet meer liefhebben dan het verdient; wat dus bovenal beminnelijk is, moet men bovenal beminnen. Eene ziel, die van die waarheden is doordrongen, veracht alle kwade begeerlijkheid. O .lezus, zegt zij, wien zal ik en moet ik meer beminnen dan U ? Kan de hebzucht mij eenig goed aanbieden, wat in U niet op oneindig volmaakte wijze te vinden is? »Hem toch ontbreekt niets, die U bezitquot;. Nihil iieficil possidenti Jesum (Laur. Just.). Kan de onreinheid mij een vermaak voorstellen, dat de vreugde evenaart, welke ik geniet met U
02
oprecht te beminnen? Cur non me deleclet Jesus, cum in ipso universa delectahilia sint (Laur. Just.), Kan de lioovaardigheid mij eene waardigheid, eene glorie voorspiegelen, zoo groot als ik bezit door de vriendschap], waarmee Gij U gewaardigt mij te omhelzen? Mijne verhevenste waardigheid is Uw vriend te zijn. Mijn grootste roem is U uit geheel mijn hart te beminnen. Mijn hoogste eer en glorie is door U bemind te worden. Ego gloriam non qucero, ipse Jesus est gloria mea (Bern.).
9. Spondanns verhaalt, dat Karei VI, koning van Frankrijk, langen tijd pogingen aanwendde om zijne dochter Maria, met de ver-eischte dispensation in hare gelofte van eeuwige zuiverheid, tot het huwelijk te bewegen. Maar zoodikwijls hij haar daarvan sprak, antwoordde zij onveranderlijk, dat zij bereid was om te huwen, maar onder voorwaarde, dat hij haar een bruidegom zou bezorgen, die beminnelijker was dan Jezus Christus, wien zij hare trouw gegeven had. Hij zweeg ten laatste en liet haai- met rust. Wilde die godvruchtige prinses zich niet wettig laten ontslaan van haar eens aan Christus gegeven woord, hoeveel te minder zal eene godminnende ziel de trouw willen verbreken, waarop haar Zaligmaker een onvervreemdbaar en onbreekbaar recht heeft? Laat de helsche geest haar nog
03
zoozeer aanvallen: hoe meer li ij zijn best doet om haar hart aan*Christus te ontnemen, des te smadelijker wordt hij door haar verstooten en bespot. ))Zie eens, aldus laat de H. Basilius haar met verachting spreken, zie eens, wie mij wil aftrekken van de liefde van mijn Jezns. Wie zijt gij toch? Een arme geest. Wat kunt gij mij beloven ? IJdele rook der wereld, stof en slijk, bederflijk vleesch, het aas der wormen.quot; Dicit diabolo contempthn : ecce, quis me vdit se parare a charitate Christi.
A4 Eei Glo :riar»_
INHOUD.
|
Bladz, | ||
|
I. |
Het geloof is als een schild tegen de | |
|
bekoringen ...... |
5 | |
|
II. |
Hoe men het geloof tegen de kwade be | |
|
geerlijkheden moet gebruiken |
11 | |
|
III. |
De christen versterkt door hot vertrouwen | |
|
op de H. Drievuldigheid |
22 | |
|
IV. |
De christen versterkt door het vertrouwen | |
|
op den Godmensch . . . . |
31 | |
|
V |
, De christen versterkt door het vertrouwen | |
|
op de H. Moeder Gods . . . . |
42 | |
|
quot;VI. üe liefde schenkt den christen moed^en | ||
|
opgewektheid . . . . ⢠|
51 | |
i \
Bij de nitfjevers dezes zijn
alom verkrijgbaar:
Vroeg sterven of Lang Carolus Van den Abeele, S. J Vlaamsch opnieuw bewerkt door P. B. Bruin. S,
Gebrocheerd f O.'iquot;
De Godvreezende Ziel en de üag lijkscbe Zonde. Door Carolus V^an d^
Abeele, S. J. Naar het Oud-Vlaamsch opnieip . ; bewerkt door P. B. Bruin, S. J.
Gebrocheerd
f Oi
Regelen en Statuten van de Hoofd-Co|; der H. Maagd te Rome en van ( met haar vereenigde Congregatiëi doordien Z. Eerw. Pater Marijnen, S. J., i het Latijn vertaald. â Het zijn letterlijk lt; Regelen, die door den Algemeenen Overs'
dequot;Sociëteit van Jesus in 4855 opnieuw he zien en goedgekeurd zijn.
Verzameling van Congreganisten.
Parabelen en Vergelijkingen op god dienstig gebied, door F. Peters, Redernptoris
Gebrocheerd f 0,6'
fj â 'quot;lt;
11 et 1 ij d en van Ch ristus, eene leerschot der voornaamste deugden, door F. Peters, Ri demptorist. Franco per Post f. 1,7;
Hebt medelijden met de geloovigL zielen in het vagevuur. Honderd wondei I bare visioenen en openbaringen. Huis- en kerk , boek. Door A. Alberts, kapelaan.
Gebrocheerd f. 0, ---
gregatie overige
1IPamp;
1
Gezangen voc Gebrocheerd f. O,!5
Gebrocheerd f. 0,1;