KLEINE
msd
HANDIHWSG BIJ D8 MOOLKAURT «S PALESIINJ,
G. H. BLEEKER,
PREDIKANT TE WELSRIJP EN BAJUM,
EN
H. MARWITZ,
HOOFD DER SCHOOL TE TJAMSWEKR.
TE GRONINGEN BIJ J. B. quot;NVOLTERS, 1890.
/ /W
K L E I X E
p
mimi üyEiJisiisö
HAMSIW BIJ [IE SCBOÃLKAtT WN PllESIINA,
DOOR
G. H. BLEEKER
PEEDIKANT TE WELSRIJP EN BAJl'M ,
H. MARWITZ,
HOOFD DEU SCHOOL TE TJAMSWEER.
ÃTDiiotne^
mi; V i' üi»O i( U C l f W P p
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1890.
Stoomdrukkerij van J. B. Wolters.
VOORBERICHT.
Van verschillende zijden werd ons de opmerking gemaakt, dat naast onze âHandleiding bij de wandkaart voor Bjjbelsche Geschiedenisquot;, die meer voor den onderwijzer is bestemd, een kleiner werkje, dat men den leerling in handen kan geven, alleszins gewenscht zou zijn. Het boekje zou tevens als âHandleidingquot; kunnen dienen bij onze Schoolkaart van Palestina, welke dezer dagen eveneens bij de firma Wolters is verschenen. Natuurlijk moest een dergelijk werkje bij alle beknoptheid toch zoo volledig mogelijk blijven.
Beknopt zijn wij geweest in deze âKleine Bjjbelsche Aardrijkskundequot;; moge het blijken, dat wij de volledigheid niet al te zeer uit het oog verloren.
Voor welwillende op- en aanmerkingen houden wij ons aanbevolen.
Welsrijp, Tjamsweer,
| U. H. B. ( H. M.
Juli 1890.
INHOUD.
Bldz.
INLEIDING . . '............................1
I. PALESTINA.
1. NAAM, LIGGING, GROOTTE..........4
2. HET LAND (HOOGTEN EN LAAGTEN).......G
3. HET WATER (RIVIEREN, MEREN, ZEEÃN;.....9
4. DE LUCHT (KLIMAAT, WARMTE, VOCHTIGHEID, WIND) . 11
5. VOORTBRENGSELEN.............13
G. DE OUDE BEWONERS VAN HET LAND.......15
7. VERSCHILLENDE INDEELINGEN.........17
8. GALILEA................19
9. SAMARIA................20
10. JÃDEA.................22
11. PEREA.................24
II. DE LANDEN BUITEN PALESTINA.
1. EGYPTE................26
2. ARABIÃ................29
3. SYRIÃ.................32
4. DE LANDEN IN 'l GEBIED VAN EUFRAAT EN TIGRIS . . 3G
5. DE LANDEN AAN GENE ZIJDE VAN DEN TIGRIS ... 41
6. KLEIN-AZIÃ...............43
7. PAÃLUS IN EUROPA............49
I N L E 1 D I N G.
Op de kaart van Assyrië eu aangrenzende landen zien wij in het oosten eene breede vlakte geteekend, waarin twee groote rivieren stroomen. Die rivieren zijn de twee-lingstroomen Eufraat en Tigris, die zich oudtijds ieder afzonderlijk in de Perzische Golf uitstortten, thans echter vereenigd de zee bereiken. Westwaarts van den Eufraat breidt zich de groote Syrische woestijn uit en daarop volgt het Hoogland van Syrië, welks westelijke voet door de golven der Middellandsche Zee wordt bespoeld. In den zuidwestelijken hoek ontdekken wij de veel smallere vlakte, waardoor de Nijl zijne wateren in noordelijke richting naar de Middellandsche Zee zendt; in het zuiden liggen de zandige en rotsige woestijnen van Arabië, het schiereiland Sinaï daaronder begrepen, en in het noorden eindelijk vinden wij het schiereiland Kleiu Azië, benevens het bergland van Armenië en Medië.
Deze landen vormen in hoofdzaak het tooneel, waarheen ons de Bijbelsche verhalen verplaatsen. Veel verder reikte de blik der oude Israëlieten niet. Het spreekt wel van zelf, dat zij eerst langzamerhand met al die landen en de volken, die er woonden, bekend werden. De eilanden en kusten der Middellandsche Zee leerden zij kennen, toen zij met de Feniciërs in aanraking kwamen. Deze stoute zeevaarders hadden reeds zeer vroeg talrijke bloeiende koloniën gesticht op Cyprus, aan de kusten van Klein-
bleeker en makwitz, Kleine Bijh. Anrdr. 1
2
Azië, op Rhodus en Creta en op de eilanden der Egeïsche Zee. De Sidoniërs vestigden zich zelfs op liet vasteland van Griekenland. Toen de Feniciërs later door de Grieken uit het oostelijk bekken der Middellandsche Zee werden verdreven (± 1200 tot 1100 v. Chr.), voerde hun ondernemingsgeest hen verder naar het westen. Zij staken over naar Malta, Sicilië, Noord-Afrika (Karthago!) en naar de zuid- en zuidwestkust van Spanje, waar zij Gades (Cadix) stichtten. Van hier bezochten zij zelfs de Oostzee.
De voornaamste dezer volkplantingen waren den Israëlieten bekend, al is het waarschijnlijk, dat zij de meeste alleen bij name kenden. In het O. T. worden genoemd: Tarsis (het zuidwestelijk deel van Spanje), waarop Salomo reeds handel dreef; Kaftor (waarschijnlijk Creta), de Rodanieten (de bewoners van 't eiland Rhodus) en de Kittieten (de Cypriërs). De Grieken noemden zij Javan, naar Jonië, voor de Israëlieten het meest bekende deel van Griekenland; de naam Elisa ziet op Sicilië en Zuid-Italië. In 't algemeen heetten de streken, die over zee werden bereikt, de âeilandenquot;, ook al behoorden zij tot het vasteland.
Beter dan met deze verafgelegene streken waren de Israëlieten bekend met Egypte, het land hunner dienstbaarheid, dat zij Mizro'im noemden, en met de Eufraat-landen, waarin zij den tijd der ballingschap doorbrachten. Met de voornaamste steden aan den Eufraat dreven zij een levendigen handel. Van de omliggende landen: Elam (Elymais of Susianaquot;), Madai (Medië) en Armenië wisten zij weinig; met de Perzen maakten zij eerst later kennis. Daarentegen was het zuidelijk van Egypte gelegene Cusch (Ethiopië of Moorenland) hun zeer goed bekend.
3
In den tijd van Salomo voeren zij met de Feniciërs door de Roode Zee naar het zuiden van Arabië, waar waarschijnlijk het goudland Ofir lag.
Van de streken ten noorden van den Kaukasus kenden zij alleen de woeste bewoners, de Scythen, die meer dan eens moordend en plunderenddoor geheel Voor-Azië trokken.
Wij moeten ons nu evenwel niet voorstellen dat de oude Israëlieten met de ligging en grootte van al de genoemde landen zoo goed bekend waren, als wij dat tegenwoordig kunnen zijn. Landkaarten hadden zij niet, het kompas werd eerst veel later uitgevonden. Zij konden bijv. niet weten, dat Babel ten oosten van Palestina lag. Wanneer zij daar heen reisden, trokken zij naar het noorden, langs de kust of' door het dal van den Libanon en bereikten bij Karchemis den Eufraat. Zij getroostten zich gaarne den langen omweg, om daardoor den moeilijken en gevaarlijken tocht door de Syrische woestijn te ontgaan. Wanneer wij dus in dit boekje eene korte beschrijving geven van de landen, die in den Bijbel worden genoemd, beschouwen wij ze, zooals ze werkelijk waren, en niet zooals de Israëlieten ze zich dachten. Dank zij de onderzoekingen van den laatsten tijd, met name in het Nijldal en in de Eufraatlanden, kunnen wij ons thans een vrij getrouw beeld vormen van den vroegeren toestand des lands en van het leven en werken der menschen, die het duizenden jaren geleden bewoonden.
Het behoeft zeker niet gezegd, dat voor ons doel Palestina verreweg het belangrijkst is. Wij zullen daarom het eerst en het uitvoerigst over dit merkwaardige land spreken.
i*
I. PALESTINA.
1. NAAM, LIGGING, GROOTTE.
Wanneer wij den naam Palestina hooren, denken wij aan liet yeheele gebied, dat eens door de Israëlieten werd bewoond. Oudtijds had men daarvoor echter geen alge-meenen naam. Eerst de Grieken gebruikten dezen naair; voor het geheele land tusschen de Middellandsche Zee, den Libanon en den Jordaan. Palestina beteekent oorspronkelijk niets anders dan âFilistea'quot; of âLand der Filistijnenquot;. Deze Filistijnen woonden in het Z.W. van het land, in de lage kustvlakte der Middellandsche Zee. De Israëlieten noemden dit laaggelegene land Kanadn, wat âNederland'' beteekent. Ook deze naam werd eerst later overgedragen op al het land ten westen van den Jordaan. Aan de overzijde der rivier lagen Gilead en Basan.
In den Bijbel lezen wij verder nog de namen: land der Hebreen, land Israëls, Juda, Judea, het heilige land, land der belofte (vandaar de gewone uitdrukking: het Beloofde Land), land der erfenis Israëls of het erfdeel Gods, en het land des Heeren.
Palestina is het zuidelijk deel van het Hoogland van Syrië. De juiste grenzen zijn moeilijk te bepalen. Alleen daar, waar natuurlijke grenzen zijn, wier namen en lig-
ging wij nog kennen, kan die bepaling nauwkeurig heeten. Bij gebrek aan kaarten uit de oudste tijden kan men de grenzen op andere plaatsen slechts bij benadering opgeven, temeer, daar vele der in den Bijbel genoemde grensplaatsen niet meer zijn aan te wijzen, althans tot dusverre nog niet zijn teruggevonden. Wij weten bovendien, dat die grenzen niet altijd dezelfde waren. In den korten bloeitijd, onder David en Salomo, strekte zich het land Israels verder uit dan vroeger of later.
Aan de westzijde wordt Palestina begrensd door de Middellandsche Zee (de groote of , achterstequot; â d. i. westelijke â zee) en door het gebied van de Fenicische steden Tyrus en Sidon; ten noorden grenst het aan de gebergten Libanon en Hermon en het schoone gebied van Damaskus; de oostelijke grens wordt gevormd door de groote Syrische woestiju, en aan de zuidzijde zijn het de rotsige woestijnen van Arabië, die het Beloofde Land insluiten. Ten oosten van de Doode Zee vormde de Arnon de grens tusschen Israël en Moab; de Jordaan was de oostgrens van het eigenlijke Kanaan.
Dat was de omvang van het merkwaardige land, dat door zijne ligging scherp afgesloten was van de buitenwereld. Groot was het niet: het land ten westen van den Jordaan, voor zoover het den Israëlieten behoorde, besloeg eene oppervlakte van ongeveer 850 vierkante mijlen, het Overjordaansche van 180, samen 530 v. m. Palestina was dus kleiner dan Nederland (600 v. m.) en ongeveer zoo groot als België (536 v. m.).
6
2. HET LAND.
(hoogten en laagten).
Midden door Syrië loepen twee hooge bergketens van het noorden naar het zuiden evenwijdig naast elkander voort. De westelijke, de Libanon, daalt ten noorden van Tyrus af naar de zee. De nauwe kloof, waardoor de Lita (thans Litany) stroomt, begrenst haar zuidelijk deel. De oostelijke, de Antilihanon, die in den met eeuwigen sneeuw bedekten Hermon (2860 M.) hare grootste hoogte bereikt, verdeelt zich verder naar het zuiden in twee gaffelvormig uit elkander loopende bergruggen. Hiervan vormt de westelijke het hoogland van het eigenlijke Kanaan. De oostelijke loopt voort in de richting van Basan. Tusscheu de gebergten van het Oost- en Westjordaanland ligt het Jordaandal (het Ghor).
Het Westjordaanland is grootendeels bergland. Steil oprijzend uit het Jordaandal en langzaam afdalend naar de kustvlakte aan de Middellandsche Zee, bereikt het eene gemiddelde hoogte van 600 tot 800 M. In 't algemeen neemt de hoogte naar het zuiden af. Het hoogland bestaat uit een noordelijk en een zuidelijk deel, die door de breede Vlakte van Jizreèl of Esdrelon, het grootste en rijkst gezegende dal van Kanaan, zijn gescheiden, doch in het oosten door het Geb. Gilboa samenhangen. Noordelijk van de genoemde vlakte bevindt zich het Geb. ran Naftali of het Bergland van Galilea, een der schoonste landschappen van Palestina. Terwijl in Opper-Galilea de bergen en dalen in bonte afwisseling op elkander volgen, bestaat Neder-Galilea uit een aantal uitgestrekte hoogvlakten,
7
waarvan die van Zebulon (oudtijds Jiftah-El) de voornaamste is. Aan de oostzijde van de vlakte van Jizreel verhetfen zich, behalve het reeds genoemde Geb. Gilboa, de hooge bergrug van den Kleinen Herman, en de alleen staande bergkegel van den Tabor (615 M.). De westelijke rand der vlakte wordt gevormd door 't Geb. Karmel (= boomgaard), dat steil in de Middellandsche zee afdaalt en de smalle kustvlakte afbreekt.
Zuidelijk van de vlakte van Jizreël volgt het Geb. van Efrciïm en Juda of het Hoogland van Samaria en Judea. Tusschen deze beide deelen bestaat geene natuurlijke grens. Toch kan men waarnemen dat het noordelijke deel (het Geb. Efraïm) rijker besproeid en beter bebouwd is dan het meestal woeste Geb. van Juda. Bij de stad Sichem verheffen zich twee der hoogste toppen van 't Geb. Efraïm: de Ehal (924 M.) en de Gerizim (870 M). Het Geb. van Juda gaat naar de zijde der Doode Zee over in de Woestijn van Juda, waarin de reiziger mijlen ver niets ziet dan kale kalksteenrotsen; naar het zuiden eindigt het in het bijna even dorre Zuiderland, dat zich eindelijk verliest in de woestijn.
Vóór het Hoogland van Judea en Samaria ligt eene kustvlakte, die zich uitstrekt van den Karmel tot de zuidelijke grenzen van Palestina, en die naar het zuiden steeds breeder wordt. Zij is de voortzetting van de smalle Fenicische kustvlakte. Het noordelijk deel, de Saron (= de vlakte), is in het voorjaar nog altijd getooid met mil-lioenen bloemen; de zuidelijker liggende Sefela {= de laagte) gaat zuidwaarts over in de woestijn.
Aan de oostzijde van het Jordaandal verheft zich een tweede hoogland, dat in het noorden tamelijk breed is,
8
doch naar het zuiden smaller en tevens hooger wordt. De gemiddelde hoogte bedraagt hier ongeveer 900 M. Aan de oostzijde gaat deze hoogvlakte over in de Syrische woestijn, westwaarts daalt ze met steile bergwanden af in het Jordaandal. De Bijbel onderscheidt in dit gebied drie deelen: âhet gansche land Basanquot; de hoogvlakte ten noorden van den Jarmoek, âhet gansche land Gileadquot; het bergland ter weerszijden van den Jabbok, en âhet platte land,''' de Amoritische hoogvlakte, die in het zuiden door den Arnon wordt begrensd. In het noorden van het Oost-jordaanland verheft zich de Hermon tot eene hoogte van 2860 M., in het oosten het Geb. Hauran, welks hoogste toppen 1700 tot 1800 M. bereiken.
Tusschen de beide genoemde hooglanden ligt het Jordaandal. Het is eene breede en naar het zuiden steeds dieper wordende spleet, die aan den westelijken voet van den Hermon begint en ongetwijfeld door vulkanische werking in het vaste gesteente is ontstaan. Het noordelijk gedeelte ligt nog 180 M. boven het oppervlak der Middel-landsche Zee, maar het meer van Genezareth ligt er reeds 190 M. beneden en de Doode Zee, waarin de Jordaan zich verliest, wel 400 M. Zuidelijk van de Doode Zee wordt het dal enger en klimt het ook snel op, tot eene hoogte van 250 M. boven den zeespiegel, eer het in de Roode Zee uitloopt. Dit zuidelijk deel is de Araba (= woestijn); tusschen het meer van Galilea en de Doode Zee draagt het Jordaandal thans den naam el Ghor Oudtijds heette ook dit deel Araba. In het zuidelijk deel
lj Ghor beteekent in het Arabisch: een diep dal, dut door twee bergketenen wordt ingesloten.
9
van het Ghor lagen ten westen van den Jordaan de vlakke velden van Jericho, daar tegenover de vlakke velden van Moah.
3. HET WATER.
(rivieren, meren, zeeën).
De Jordaan (= de neerstortende) is Palestina's voornaamste rivier. Hij ontstaat uit drie bronrivieren, die alle op den Hermon ontspringen, en waarvan de westelijkste de langste is. Zuidelijk van Dan vereenigen zij zich tot één stroom, die in snellen loop door het ondiepe meer Samachonitis, de sehoone zee van Galilea en het onvruchtbare Ghor de Doode Zee bereikt, waar hij zich uitstort. Van zijne bronnen tot zijnen mond is de Jordaan, in minder dan 30 uren gaans, wel 900 M. gevallen. Geen wonder dus dat hij ten alleu tijde door zijn buiteugewoon snellen loop, die zouder de vele kronkelingen nog veel sneller zou zijn, door de talrijke watervallen, zandbankeu en klippen, eene belemmering was voor het verkeer. Van eene geregelde scheepvaart op den Jordaan kan geen sprake zijn. Eerst laat vervingen eenige bruggen de talrijke voorden, die heden zoowel als vroeger het overtrekken der rivier mogelijk maken.
Ten zuiden van het meer Genezareth ontvangt de Jordaan zijne belangrijkste bij vloeden. Wij noemen den Jarmoek, een linkerbij vloed, die in den Bijbel niet voorkomt. Wel wordt daar melding gemaakt van den zuidelijker stroomenden Jabbok, die bij Rabbath-Ammon ontspringt en door een diep dal het Ghor bereikt. Van de kleinere
10
bij vloeden verdient nog vermelding de beek Krith, die niet nader bekend is.
De Kedron en de Arnon monden uit in de Doode Zee. De laatste was de grensrivier tusschen Israël en Moab; de eerste ontspringt bij Jeruzalem.
Behalve de Lita (Leontes?), die door bet dal van den Libanon stroomt, ontlasten zich in de Middellandsche Zee: de Kison of Kedumim, die het water uit de vlakte van Jizreël verzamelt en in de Baai van Akko valt; de Kana, die de Saron, en de Sorek, die de Sefela besproeit.
Het meer Samachonitis, dat door velen wordt gehouden voor de Wateren van Merom, is l1^ uur lang en slechts 3 tot 5 M. diep. Het meer ligt in eene moerassige streek, nog 83 M. boven het oppervlak der Middellandsche Zee. De noordzijde is zoo dicht begroeid met riet, biezen en papyrus, dat men hier den oever niet kan bereiken.
Belangrijker is het verder naar het zuiden gelegene Meer Genezareth, ook Zee van Tiberias of Zee van Galilea, en oudtijds Zee van Kinnereth geheeten. Het is 5 uren lang en 2^2 breed, ligt tusschen zeer schoone groene berghellingen en was vroeger omgeven door zeer welvarende plaatsen. Aan de westzijde ligt eene kleine vlakte, het Land Genezareth, oudtijds buitengewoon vruchtbaar, thans verwaarloosd, gelijk geheel Palestina. Het Gralileesche meer ligt reeds 190 M. beneden den zeespiegel.
De Doode Zee, in het O. T. Zantzee, Zee van het vlakke veld of kortweg Oostzee genoemd, is het laagste punt der aardoppervlakte. Haar spiegel ligt bijna 400 M. lager dan die der Middellandsche Zee. De grootste diepte bedraagt eveneens ongeveer 400 M. De oevers bestaan uit naakte,
11
steile rotsen; de geheele omgeving maakt een doodschen, treurigen indruk. Door de zeer sterke verdamping is het waterverlies zoo groot, dat het door den toevoer, die hoofdzakelijk van den Jordaan moet komen, niet kan worden vergoed. Het booge zoutgehalte van het water is tevens een gavolg van die verdamping. In het zuidelijk deel der zee werd reeds in de oudheid aardpek of asfalt gevonden. Het moet zich in groote massa op den bodem der zee bevinden. Nog tegenwoordig drijven enkele Be-doeïenenfamiliën, die de oevers der Doode Zee bewonen, handel in zout en asfalt.
De westz^de van Palestina wordt bespoeld door de Middellandsche Zee, die de Israëlieten de Groote of de Achterste Zee (d. i. de westelijke) noemden. Een voordeel was deze ligging aan zee juist niet. De kust van Palestina mist n.1. bruikbare havens. Eene van de Afrikaansche kust komende zeestrooming is voor de scheepvaart zeer hinderlijk en maakt bovendien door het vele slijk, dat ze meevoert, liet strand steeds ondieper. De betere havens ten noorden van Akko waren altijd in handen der Feniciërs.
4. DE LUCHT.
(klimaat, warmte, vochtigheid, wind).
Palestina ligt ongeveer tusschen 31 en 33° N.B., dus in het warme gedeelte van de gematigde luchtstreek. Door de afwisseling van bergen en dalen is er echter in de verschillende deelen van 't land, hoe klein het overigens ook zij, een vrij groot verschil van klimaat. Aan de kust,
12
waar zich de invloed der zee iaat gelden, is de warmte minder drukkend dan in het diep gelegene Jordaandal. Hier, waar de vochtige zeewinden geene verkoeling kunnen brengen en de hitte als het ware tusscheu de steile bergwanden wordt saamgeperst, hier heerscht in den zomer een tropisch klimaat. Men oogst hieo* eene maand vroeger dan op de hoogvlakten. In Jericho rijpen de eerste druiven in Juli, op het gebergte valt de wijnoogst in September. Het warmst is het klimaat dan ook in de omstreken van Jericho, het koelst in 't noorden van Galilea, bij en op den Libanon. Doch ook in de bergstreken en woestijnen van Judea heerscht soms eene ondragelijke hitte.
Men kent in Palestina eigenlijk slechts twee jaargetijden : winter en zomer. De winter begint in October met den zoogenoemden vroegen regen. Aanhoudende regenbuien, meest van het westen komend, doorweeken den bodem, die door de zomerhitte was uitgedroogd, en het werk op den akker kan nu beginnen. Bronnen en beken vallen zich weer met water, maar ook vele laaggelegene streken worden moerassig, vele wegen onbegaanbaar. Tegen Januari daalt de temperatuur meer en meer; sneeuw en ijs zijn in dezen tijd niets ongewoons in 't g'ebergte. Van Februari tot April duurt de tweede regentijd, het einde van den winter, de zoogenoemde spade regen. Thans komt het wintergraan tot volle ontwikkeling; de zomervruchten worden gezaaid. Met den tarweoogst (Mei-Juni) is de regenlooze tijd, de zomer, begonnen. Maanden lang is de hemel onbewolkt; regen en onweer zijn in dezen tijd van 't jaar eene groote zeldzaamheid. Tegen den avond tempert een verkwikkend koeltje de drukkende hitte van den
13
dag, en een sterk neerslaande dauw belet het verdorren der planten. De ooftoogst (Aug. vijgen, Sept. druiven, Oct. olijven) sluit den regenloozen tijd, en daarop volgt weer de winter.
Gedurende den zomer wisselen de winden aanhoudend. De westewind is vochtig en brengt regen, soms ook de noordewind, die in den tijd der zomerhitte eene weldadige koelte meevoert van 't gebergte. Verzengend heet en droog zijn daarentegen de zuide- en oostewinden, die van de woestijn komen en doodelijk kunnen zijn. Gevaarlijk waren deze winden ook voor de scheepvaart op de Mid-dellandsche Zee.
5. VOORTBRENGSELEN.
In vroegere eeuwen was Palestina een bijzonder vruchtbaar land. Niet slechts de heerlijke dalen van Galilea en Samaria, de wel besproeide vlakten van Basan en Gilead en de waterrijke kustvlakte gaven een overvloed van allerlei vruchten, ook de door de natuur minder bedeelde streken van Judea â het Geb. van Juda en het Zuider-land â werden door eene goede bewerking vruchtbaar gemaakt. Aan de hellingen der bergen belette men door het aanleggen van terrassen het wegspoelen van de laag teelaarde in den regentijd; waar het natuurlijke bronwater ontbrak, wist men door kunstmatige besproeiing in dit gebrek te voorzien. Die toestand is geheel veranderd. Eeuwenlang werd de bodem verwaarloosd. De terrassen zijn gebroken, de kunstmatige besproeiïngswerken vervallen. En waar de bodem door zijne natuurlijke vruchtbaarheid nog altijd tot bebouwing noodigt, daar ontbre-
14
ken de nijvere handen om hem te bearbeiden. Op de meeste plaatsen getuigt tegenwoordig slechts het welig opschietend onkruid van Kanaiin's ouden overvloed.
De voornaamste voortbrengselen uit het plantenrijk waren: tarwe, maïs, gerst, linzen (platte erwten met roodbruine schillen); voorts moeskruiden en specerijen. De bloemen waren vertegenwoordigd door rozen, leliën, de cypresbloem en de welriekende roos van Jericho, die veel gelijkt op onzen vlierbloesem. In de dalen groeiden eiken, platanen, wilgen en palmen; op de bergen vond men cypressen, pijnboomen en ceders, de laatste vooral op den Libanon. Zij leverden uitstekend timmerhout. Rijk was het land ook aan vruchtboomen. De voornaamste zijn: de dadelpalm, de amandelboom, de granaatboom, de oranje- en citroenboom, de moerbezieboom, de vijgeboom , de wijnstok en de olijfboom, een der nuttigste boomen van het land.
Uit de dierenwereld: runderen, schapen, geiten en ezels. De laatste waren sierlijker en vlugger dan de onze. Muilezels en paarden werden uit Egypte ingevoerd. Nuttige lastdieren waren ook de kemels. De honden werden als verachte dieren in één adem genoemd met de onreine zwijnen. Van de wilde dieren worden genoemd: de leeuw (thans reeds lang uitgestorven in Palestina), de beer, de hyena, de vos, de tijger, de panter, het wilde zwijn (dat veel schade deed in de wijngaarden); verder: hazen, gazellen , herten, reeën en antilopen. Eenden, kwartels, wilde duiven, ooievaars, kraanvogels, arenden en gieren zijn de voornaamste vogels. De insecten behooren, met uitzondering van de nijvere bij, tot de schadelijke dieren. Horzels en vliegen, maar vooral sprinkhanen, maakten
15
den Israëlieten het leven zeer lastig. Slangen, meest onschadelijk, en schoon gekleurde hagedissen waren er in menigte. Ook het kameleon en de schildpad komen voor. Visschen worden nog altijd gevaugen in den Jordaan en het meer van Genezareth.
Daar het voornaamste bestanddeel der bergen in Palestina kalksteen is â alleen in Basan heeft bazalt de overhand â was het land arm aan voortbrengselen uit het delfstoffenrijk. Steenzout, zwavel en asfalt zijn de voornaamste. Alle andere moesten van het buitenland worden ingevoerd. Dit deden voornamelijk de Feniciërs.
6. DE OUDE BEWONERS VAN HET LAND.
De oorspronkelijke bewoners van Kanaan waren de reuzen volken der Refdieten. Tot hen behoordeu de Ernieten, de Zamzummieten (de Zuzieten), de Enakieten of kinderen Enaks.
Toen de Israëlieten den Jordaan overtrokken, vonden zij het land in het bezit van onderscheidene Kanaiinie-tische stammen. Deze hadden de oorspronkelijke bewoners uitgeroeid of in zich opgenomen. De voornaamste Kanaa-nietische volken waren: de Hethieten, in het midden en in het zuiden van het land; â de Hevieten, hoofdzakelijk in den Libanon, doch ook verder naar het zuiden, in Sichem en Gibeon; â de Amorieten, het machtigste volk der Kanaanieten; zij woonden aan de westzijde der Doode Zee, doch kort voor den intocht der Israëlieten hadden zij aan gene zijde van den Jordaan twee machtige rijken gesticht: dat van Sihon, tusschen den Arnon en den
16
Jabbok, en dat van Og, in Basan; â de Jebusieten, in en rondom Jebus, later Jeruzalem; â de Girgasieien, waarvan men alleen weet, dat zij in het Westjordaanland woonden; â de Kanaanieten (in engeren zin), in de kustvlakte en bet Jordaandal. Ook de Feniciérs behoorden tot de Kanaanieten.
In het zuid-westen van het land, in de Sefela, woonden de Filistijnen, die waarschijnlijk van het eiland Creta (Kaftor) waren gekomen, misschien ook uit de Egyptische Uelta stamden, maar in ieder geval reeds ten tijde van Abraham in het naar hen genoemde Filistea (Palestina!) gevestigd waren. Ekron, Gath, Asdod, Askalon en Gaza waren de hoofdsteden der vijf Filistijnsche koningrijken.
Het gelukte den Israëlieten niet, al deze volken geheel te verdrijven. Behalve de vijf Filistijnsche vorsten, de Sidoniërs (Feniciërs) en de Hevieten in den Libanon, bleven ook enkele stammen in de westelijke dalen van 't Geb. Juda onafhankelijk; verder de Jebusieten in Jeruzalem, de Amorieteu aan de kust. Vele steden in Noord-Palestina, zooals Akko, Achzib, Afek, Dor, Jibleam, Megiddo, Thaanach, Beth-Sean e. a., bleven eveneens in 't bezit der Kanaiinieten. Dit waren juist de steden, waarover de belangrijkste handelswegen voerden, die Egypte met Syrië, Fenicië met Damaskus verbonden. De meeste Kanaanieten (de Feniciërs vooral!) waren een handeldrijvend volk; voor hen was het openhouden der karavanen wegen dus van het grootste belang.
17
7. VERSCHILLENDE 1NDEELTNGEN.
De staatkundige indeeling van Palestina onderging in den loop der tyden vrij wat verandering. Wij zullen al die veranderingen, die vooral in den tijd der Romeinen veelvuldig voorkomen, hier niet nagaan, maar alleen met een kort woord over de belangrijkste indeelingen spreken.
De Israëlieten verdeelden het land in twaalf stamgebieden. Wat op blz. 5 van de grenzen des lands werd gezegd, geldt ook hier: wij kunnen de ligging der verschillende stammen slechts bij benadering opgeven. Aan gene zijde van den Jordaan woonden: de stam Ruben, ten noorden van den Arnon, de stam Gad, in de oostelijke helft van het Jordaandal en in het land Gilead, de halve stam Manasse in Basan. Het verwondert ons niet, dat de beide eerstgenoemde stammen, rijk aan vee als zij waren, juist daar hunne woonplaatsen kozen: nog tegenwoordig vindt men in dat deel van het Oostjordaanland de beste weiden van geheel Zuid-Syrië. De overige stammen woonden in het eigenlijke Kanaan. Juda kreeg het zuidelijke deel van 't land en binnen zijn gebied ontving de stam Simeon 18 steden. Deze steden lagen in het Zui-derland, thans eene woestijn, toen een land, dat door zorgvuldige bewerking eene vrij talrijke bevolking kon voeden. Noordelijk van Juda woonden Benjamin en Dan. De laatste werd spoedig een der onbeduidendste stammen, die zich tegenover de vijanden niet kon staande houden. Daarom trok een deel der Danieten naar het noorden, veroverde de stad Laïs, die voortaan Dan werd genoemd, en vestigde zich hier metterwoon. In 't gebied van Benjamin lag de hoofdstad Jeruzalem. De stam Efra'im woonde
bleeker en MARWITZ, Kleine Bijb. Aardr. 2
18
in de buurt vau Ãichem en Samaria, de andere heltt van den stam Manasse vestigde zich op den Karmel en diens hellingen. Aan Issachar viel de vlakte van Jizreël ten deel. Ook de rechter Jordaanoever werd door hem bezet. Zebu-lons erfdeel lag ten noorden van de vlakte van Jizreël (de vlakte van Zebulon), Aser kreeg de kustvlakte langs de Middellandsche Zee ten noorden van den Karmel en Naf tali het dal van den Libanon. Zuidelijk reikte zijn gebied tot aan het Galileesche meer. Daar vooral m het noorden de Kamanieten zich wisten staande te houden, bleven de laatstgenoemde stamgebieden slechts klem.
De stam Levie, die met den openbaren eeredienst, het onderwijs van 't volk en het politietoezicht was belast, ontving geen afzonderlijk erfdeel. Den Levieten werden 48 steden, over 't geheele land verspreid, toegewezen, en van deze waren weder 13 uitsluitend â priestersteden. Zes van de Levietensteden werden vrijplaatsen voor hen, die bij ongeluk en zonder opzet iemand hadden gedood. Deze vrijsteden waren: Bezer, Ramoth-Gilead en Golan aan gene, Hebron, Sichem en Kedes aan deze zijde van den
Jordaan.
Nu volgde de verdeeling in het rijk Israel (het rijk der tien stammen) en het rijk Juda. Tot het laatste behoorde het zuidelijke deel van het Westjordaanland; Jeruzalem was de hoofdstad. Het overige van het Westjordaanland benevens het Overjordaansche met het schatplichtige Moab vormden het rijk Israël, waarvan Samaria de hoofdstad was.
Na de ballingschap verdween de oude stamverdeelmg. In het zuiden ontstond een Joodsche staat, Judea, van betrekkelijk kleinen omvang. De Idumeërs (Edomieten) drongen het zuiden binnen, dat naar hen later Idumea
19
werd genoemd. In het noorden woonde het gemengde volk der Samaritanen.
Ten tijde van Jezus was Palestina een deel van de Romeinsche provincie Syrië. Men onderscheidde toen vier hoofddeelen (tetrarchiën of stadhouderschappen): Gall lea, Samaria, Judea aan deze, en Perea aan gene zijde van den Jordaan.
Voor de kennis van het N. T. is deze indeeling de belangrijkste.
8. GAL1LEA.
Galilea lag in het noorden van het Westjordaanland. Het strekte zich uit van het Hoogland van Samaria tot aan het dal van den Libanon. Men onderscheidde een Opper- en zuidwaarts daarvan een Neder-Galilea. Ten allen tijde was vooral het laatste een der vruchtbaarste landschappen van Palestina. Grazige weiden wisselden af met heerlijke wouden. Het land was sterk bevolkt, bedekt met kleine steden en groote dorpen en overal goed bebouwd. Het schoonste gedeelte was wel het âLand Gene-zareth,quot; aan de westzijde van het Galileesche meer. Tegenwoordig is dit eens zoo bekoorlijke land doodsch en woest. De vruchtbare bodem is er nog, maar de ijverige landlieden zijn verdwenen.
De Galileërs gingen door voor krachtige, moedige en werkzame menschen. De bevolking was zeer gemengd; Fe-niciërs, Syriërs, Arabieren, zelfs Grieken woonden tusschen de Joden. Daarom werden de Galileërs door de overige Joden geminacht; men sprak gewoonlijk van het âGalilea der heidenen.quot;
2*
Voormuimste plaatsen. â Dan, hoog in het noorden, grensstad van 't heilige land (âgeheel Israël van Dan tot Berseba'quot;), vroeger Laïs of Lesem. Kedes, Baraks geboorteplaats, ten noorden van het meer Samachonitis. Tiberias, de eenige groote stad vau Galilea, aan het Galileesche meer, dat naar deze stad ook Zee van Tiberias heet. De stad werd omstreeks 22 n. Chr. door Herodes Antipas gesticht. Langs den oever van het meer lagen verder: Magdala, de geboorteplaats van Maria âMagdalenaquot; fd. i. van Magdala), Bethsaïda (= visch-huis) en Kapernaum (~ Nahnmsdorp). In of nabij de vlakte van Jizreël: Nazareth, de woonplaats van Jozef en Maria, Jizreël, Thaanach, Megiddo en Jokneam, Kanaanietische koningssteden, waarvan vooral Megiddo, âde sleutel van Syriëquot;, belangrijk was door zijne ligging. In het Jordaandal: Beth-Sean of Scythopolis. In den tijd der Romeinen was Scythopolis de voornaamste stad der Deca-polis, tevens de eenige der âtien stedenquot;, die in het Westjordaanland lag.
De steden in de kustvlakte behoorden aan de Feniciërs.
9. SAMARIA.
Samaria was liet kleinste der drie Westjordaansche landschappen. Het reikte van de vlakte van Jizreël tot eenige uren ten zuiden van Sicliem; in het oosten was de Jordaan de grens; de kustvlakte in het westen behoorde tot Judea.
Hoewel over 't geheel vruchtbaar, was het minder dicht bevolkt dan Galilea en Judea. Evenals in Galilea was ook hier de bevolking zeer gemengd. Na de verovering van het rijk der tien stammen en de wegvoering van de bewoners , hadden zich Babyloniërs en Assyriërs in het land gevestigd. Deze vermengden zich met de achtergeblevene Israëlieten, en ofschoon zij in het eerst de vaderlandsche
21
goden bleven vereeren, werden zij later toch bekeerd tot den dienst van den eenigen God. Bij de echte Joden waren zij evenwel gehaat. Deze erkenden Samaria zelfs niet als een deel van Palestina; zij stelden de bevolking op ééne lijn met de heidenen. Wanneer de Joden uit Galilea tegen het Paaschfeest optrokken naar Jeruzalem, maakten zij liever den langen omweg door Perea, dan dat zij in aanraking kwamen met de gehate Samaritanen. Deze op hunne beurt rekenden zich tot de Joden, als hun belang het meebracht. Zoo bijv. tegenover Alexander den Grooten, toen het bleek, dat hij den Joden gunstig gezind was. Bij eene latere gelegenheid evenwel gaven zij zich uit voor Sidoniërs, in de hoop van daardoor aan de Jodenvervolging te ontkomen.
De Samaritanen hadden hun eigen tempel op den Gerizim.
Voornaamste plaatsen. â Samaria (â wachttoren), de hoofdstad, door koning Omri op den berg Semer gebouwd, liet godsdienstige middelpunt van het rijk Israël, zooals Jeruzalem dat was voor Juda. De stad werd meertniilen belegerd en veroverd, maar ook telkens weer opgebouwd. Herodes noemde haar Sebaste (= Augusta), ter eere van keizer Augustus. Sichem, zuidoostelijk van Samaria, tnsschen de bergen Ebal eu Gerizim, een hoofdstation aan den weg van Jeruzalem naar het noorden. In de nabijheid bevindt zich de Jakobsfontein. Thirza, noordoostelijk van Sichem, vóór Samana de hoofdstad en residentie der koningen van Israël. Silo, zuidelijk van Sichem. Hier bleef de ark des verbonds, totdat zij de Filistijnen in handen viel. Abel-Me hola, Eliza^s geboorteplaats, in het Jordaandal.
22
10. JUDEA.
In het noorden grensde dit landschap aan Samaria, zijne zuidelijke grenzen vielen samen met die van het land. Aan de westzijde vormde de Middellandsche Zee, aan de oostzijde het Jordaandal en de Doode Zee de grens. De kustvlakte is nog altijd vruchtbaar, toch ligt ze grootendeels braak. Het hoogland wordt woester, naarmate men meer het zuiden nadert.
Judea is het belangrijkste gedeelte van geheel Palestina; hier liggen of lagen de meeste der in den Bijbel genoemde plaatsen. Na de ballingschap werd dit landschap het eerst bevolkt, en wel hoofdzakelijk door leden van den stam Juda. Daarom wordt het geheele Tsraëlietische volk sedert dien tijd gewoonlijk het Joodsche volk genoemd en heet geheel Palestina wel Juda of het Joodsche land. De bevolking van Judea liet er zich niet weinig op voorstaan, dat zij alleen de echte nakomelingschap van Abraham vertegenwoordigde. Met minachting zagen de Joden neer op alle andere volken, zelfs op hunne stamgenooten in Galilea en andere deelen van Palestina.
Ten tijde van de Romeinen behoorde Judea tot de provincie Syrië; het werd echter door een eigen landvoogd bestuurd. Deze resideerde te Cesarea, doch kwam gedurende de hooge feesten naar Jeruzalem, waar hij zijn intrek nam in de burcht Antonia. Later werd geheel Palestina bij Syrië gevoegd.
Voornaamste plaatsen. â Jeruzalem (= woning des vredes), de hoofdstad, oorspronkelijk Jebus, de sterke vesting der Jebnsieten. Door David veroverd, was zij voortaan de âburg Sion'quot;, de âstad Davidsquot;. Reeds onder David, maar meer nog onder zijn zoon Salomo,
23
kwam de hoofdstad snel tot bloei. De laatste bouwde op Moria den tempel, en maakte Jeruzalem daardoor tot het godsdienstig middelpunt van het Israelietische volk. De stad was zeer sterk gelegen. Gebouwd op vier heuvelen en bijna aan alle zijden ingesloten door diepe dalen (het dal Josafat of het Kedrondal, het dal Hinnom of Gehenna), gold zij langen tijd voor onneembaar. Na Salomo's dood werd Jeruzalem echter meermalen veroverd en geplunderd, en eindelijk door Nebu-kadrezar totaal verwoest (586 v. Chr.). Na de ballingschap werden stad en tempel door de teruggekeerde Israëlieten weer opgebouwd, en langzaam keerde ook de oude bloei terug. Herodes de Groote stichtte een aantal prachtige gebouwen in Jeruzalem; ook vergrootte en verfraaide hij den tempel. In het jaar 70 n. Chr. werd de stad door de liomeinen veroverd en geslecht, en ruim eene halve eeuw later door keizer Hadrianus onder een anderen naam (Aelia Capitolina) weer opgebouwd. Keizer Constantijn de Groote gaf haar den ouden naam terug. In de eerste helft der 7de eeuw werd Jeruzalem veroverd door de Mohammedanen, die de stad el Koeds (= de heilige) noemden. Dit is ook nog in onze dngen de Arabische naam voor Jeruzalem. Later was de stad nog eenigen tijd (tot 1244) in 't bezit der kruisvaarders. In 1517 werd zij veroverd door de Turken, in wier handen zij tot in onzen tijd bleef. Ten tijde van zijn grootsten bloei had Jeruzalem ruim 50 000 inwoners; gedurende de hooge feesten werd dit aantaal door de vele vreemdelingen, die dan de stad bezochten, meer dan verdubbeld. liet tegenwoordige Jeruzalem telt ruim 20 000 inwoners, waarvan de helft Mohammedanen zijn. Op de plaats van den voormaligen tempel staat thans de groote moskee van Omar.
Ten noorden van Jeruzalem lagen: U a m a t h aïm-Z of im , het Kama van Samuel, in het N. T. Arimathea genoemd. Beth-Horon, eene oude tweelingstad (Neder- en Opper-Beth-Horon). Beth-El (= Godshuis), eertijds Luz geheeten. Gibeon (= heuvelstad), de hoofdplaats van vier verbondene Hevietensteden. Kama (= hoogte) en Mizpa ([â wachtpost), beide op hoogten gebouwd, gelijk vele steden in Palestina. Gibea, ook Gibe a Sauls, omdat Saul er vandaan was, of Gibea Benjamins, wijl het in den stam Benjamin lag. Ge ba en Michmas, door een diep dal met bijna loodrechte wanden
24
van elkander gescheiden. Ten westen van Jeruzalem: Kirjath-Jearim (= -vvoudstad), waar de ark des verbonds een tijdlang vertoefde, en Beth-Semes (â zonnehuis), ook wel Ir-Semes {â zonnestad) genoemd. Oostelijk van Jeruzalem, aan den rand van het Ghor, lag Jericho, de palmstad, ten tijde van Jezus eene belangrijke handelsplaats, thans een vervallen dorp, gelijk bijna al de genoemde steden. In de nabijheid zoekt men Gilgal, waar de Israëlieten het eerste pascha vierden op Kanaans bodem. Een ander Gilgal lag in de kustvlakte. Ten zuiden van Jeruzalem: Bethlehem (=; broodhuis), eene der kleinste steden van Juda, maar als geboorteplaatss van Jezus naast Jeruzalem de meest bekende stad van Palestina. Hebron, oudtijds Kirjath Arba, de oudste onder de nog bestaande Bijbelsche steden; in de nabijheid de Abrahamseik en de spelonk Machpela, het graf der aartsvaders. Engedi, aan de Doode Zee, oudtijds Hazezon-T ham ar geheeten. Berseba, de zuidelijke grensstad. In de kustvlakte lagen: Cesarea, de residentie van den Komeinschen landvoogd , en na Jeruzalems val de hoofdstad van Palestina. Joppe of Jope, in 't O. T. Jafo (â â de schoone), thans Jaffa, nog altijd als vroeger de havenplaats voor Jeruzalem. Lod of Lydda, eene der eerste Christengemeenten. Ekron, Asdod, Gath, Askalon en Gaza, de vijf Filistijnsche hoofdsteden.
11. PEREA.
Het Overjordaansche heette in Jezus' tijd Perea. In engeren zin bedoelde men met dezen naam alleen het oude Gilead. De Romeinen verdeelden Basan in de landschappen; Gaulanitis, Batanea, Auranitis, Trachoniiis en Iturea. In het noorden van Perea lag de stedenbond der Decapolis (= de tien steden). Deze steden, waartoe in het Westjordaanland alleen Scythopolis of Beth-Sean behoorde, stonden onder bet onmiddellijk gezag van den stadhouder van Syrië. Zij hadden eene overwegend Grieksche bevolking.
25
Voormiamste plasitsen. â Cesarea Filippi, aan den voet vuu den Ilermon. Gesur, eigenlijk een klein Syrisch landschap, dat dooide Israëlieten niet werd veroverd. Bethsaïda (Julias) aan de noordzijde van het Galileesche meer. Golan, in Gaulanitis, dat naar deze stad aldus werd genoemd. Asteroth-Karnaim of Beësthera, de overoude reuzenstad, later de residentie van koning Og van Basan, en Edreï, de tweede hoofdstad van dien koning. Kenath in het Hauran Gebergte. Salcha, aan de oostgrens van Basan. Gad ara, eene der âtien steden1', zuidelijk van den .larmoek. Pella, eveneens behoorende tot Decapolis. Jabes of J abes-Gilead, in den tijd der Richteren eene der voornaamste steden van Gilead. Gerasa, stad van Decapolis. K a m o t h-M i z p e , ook wel M i z p e-G i 1 e a d of li a m o t h-Gilead geheeten. Filadelfia, eene der tien steden, oudtijds de hoofdstad der Ammonieten en toen Rabbath Ammon genoemd. Hesbon, de oude hoofdstad van Sihon, den koning der Amorieten. Bezer, ten noorden van den Anion.
II. ÃE LANDEN BUITEN PALESTINA.
1. EGYPTE.
Egypte, het âoude wonderland der piramiden,quot; ligt in liet noordoosten van Afrika, in het smalle en vruchtbare Nijldal. Het strekte zich oudtijds uit van de eerste watervallen van den Nijl (bij Syene) tot aan de Middellandsche Zee. Aan de oostzijde wordt het dal ingesloten door het Arabische, aan de westzijde door het Libysche Gebergte. Achter het eerste liggen woeste rotsgronden, die zich verder naar het oosten tot aanzienlijke hoogten verheffen en wier oostelijke hellingen naar de Roode Zee zijn gekeerd. Achter het Libysche Gebergte ligt eene rij oasen en daarachter strekt zich de groote woestijn vlakte der Sahara uit. Deze oasen vormden de westelijke grens van het land; de oostelijke liep langs de Roode Zee en de beek van Egypte.
Egypte is arm aan regen. Zonder de geregeld terug-keerende overstrooming van den Nijl, die telkens eene vruchtbare laag slib achterlaat, zou het land onvruchtbaar zijn als de onmetelijke zandwoestijn ten westen, en de dorre rotsvlakte ten oosten van het Nijldal. Nu echter gold dit dal met de delta reeds van oudsher voor de korenschuur der wereld. Terecht heet Egypte dus âeen
27
geschenk van den Nijl.quot; Het vruchtbare en bebouwde gedeelte is ongeveer 550 vierkante mijlen groot.
De Nijl is Afrika's grootste rivier. Hij is 800 mijlen lang (Missisippi en Missouri 880 mijlen!). Eerst in 1863 vond men zijne bronnen; zij liggen ten zuiden van de evennachtslijn. Nabij het oude Syene bereikt hij het eigenlijke Egypte. Met vele kronkelingen, maar zonder een enkelen bij vloed, stroomt hij van hier in noordelijke richting voort en begint nabij Heliopolis (On) de bekende delta te vormen. Oudtijds stroomde hij hier met zeven mondingsarmen in de Middellandsche Zee. Thans zijn het hoofdzakelijk twee monden, die van Damiette en van Rosette, welke hem met de zee verbinden.
In het oostelijk gedeelte der delta lag het land Gosen. De oostgrens van dat landschap wordt vrij wel aangegeven door het tegenwoordige Suezkanaal; zuidelijk reikte het tot On. De Tanitische Nijlarm vormde de westgrens.
Zoowel in de delta als in het Nijldal bracht men het water door kanalen en waterleidingen ook op die plaatsen, die de overstrooming anders niet zou hebben bereikt. Daardoor was Egypte in waarheid een vruchtbaar land, dat vooral koren, maar ook groenten, vlas, papyrus, druiven, vijgen en dadels opleverde. Wanneer elders de oogst was mislukt en de bevolking der omgelegen lauden met hongersnood werd bedreigd, dan trok men naar het Nijldal, waar altijd koren was te vinden. Zoo kwamen vele vreemdelingen in Egypte, die zich vooral in de delta vestigden. Zij kwamen als Abraham met Sarai, door den nood gedrongen. Toen hun aantal steeds grooter werd, gelukte het hun zelfs, de Egyptenaren uit de delta te verdrijven. Onder den naam Hyksos, beheerschten zij vijf
28
eeuwen laug liet noordelijk deel van liet rijk der farao's. Omstreeks het jaar 1700 v. Chr. werden zij door den Thebaanschen farao Ahmes teruggedreven. Eerst was ïanis , later Memfis hunne residentie.
Het was op het einde van den tijd der Hyksos, dat Jozef naar Egypte werd gevoerd, waar hij weldra tot hooge eer en aanzien kwam. Later werden ook zijne stamgenooten zeer welwillend ontvangen. Het land Gosen werd hun als woonplaats aangewezen. Na de verdrijving der Hyksos werden de Israëlieten echter door de Thebaansche farao's, die van .lozef niets wisten, geheel anders behandeld. Vooral onderden grooten Ramses II Tbij de Grieken heet hij Sesostris) beleefden zij moeilijke dagen. Als Ramses met zijn leger Egypte voor langen tijd verliet, had hij in de eerste plaats te zorgen voor het in bedwang houden van de onrustige bevolking der delta, waartoe ook de Israëlieten behoorden. De Bijbel leert ons, hoe hij ze door zwaren handarbeid, onder het toezicht van strenge opzichters, onschadelijk wist te maken.
Onder Ramses' zoon, Meneftah I, had de uittocht der Israëlieten plaats ( 1300 v. C.).
De Egyptenaren verdeelden het land in Opper- en Xeder-Egypte. By de Israëlieten was het laatste het best bekend. Zij noemden het Mizraim. Later leerden zij ook Opper-Egypte kennen, dat bij hen Fathros heette, en eveneens het zuidelijk daarvan gelegene Gusch (Ethiopië of Moorenland). Dit Cusch kwam in omvang en ligging vrij wel overeen met het tegenwoordige Nubië. Van Opper-Egypte was Thebe, van Neder-Egypte Memfis de hoofdstad.
Van waar de Grieksehe naam Egypte komt is niet recht duidelijk. De Egyptenaren zelf noemden hun vaderland Kam of Kemi (= het zwarte land). Deze naam werd natuurlijk alleen gegeven aan den vruchtbaren bodem in het Nijldal en de delta, en wel ter onderscheiding van het
29
âroodequot; woestijnland, dat overal daar begint, waar het donkere bezinksel der rivier eindigt.
Voornaamste plaatsen. â In of nabij de delta: liamses en Pitom, beide in het land Gosen. Sin, dat door sommigen in Pelusium, aan de Middellandsche Zee, door anderen in Syene, op de zuidgrens van Egypte wordt gezocht. Tachpanhes, waarschijnlijk Dafne, aan den Pelusischen Nijlarm. Zoan, het Tanis der Grieken, aan den Taniti-schen Nijlarm. Deze stad wordt wel âllamsesstadquot; genoemd, waarschijnlijk, omdat de groote Sesostris er zulke prachtige bouwwerken stichtte. Pi be se tli, het Bubastis der Grieken, aan den Pelusischen Nijlarm. On, meer bekend onder den Griekschen naam Heliopolis (= zonnestad). Hier stond een der prachtigste tempels van het oude Egypte. Aan dien tempel was eene vermaarde priesterschool verbonden. Alexandrië, in het jaar 332 v. Chr. door Alexander den Grooten gesticht, later de residentie der Ptolemeën en reeds vroeg een toevluchtsoord voor vele Israëlieten, die hier eene groote mate van vrijheid genoten. Wereldberoemd was het museum met zijne kostbare bibliotheek, door de eerste Ptolemeën opgericht.
In het Nijldal: Nof, het door Menes gestichte Memtis, de hoofdstad van Neder-Egypte. In de nabijheid liggen de beroemde piramiden (bij het tegenwoordige dorp Giseh). Memiis lag op den linkeroever van den Nijl; de Arabische veroveraars bouwden de nieuwe hoofdstad Kaïro aan de overzijde dor rivier. Chan es, bij de Grieken Herakleopolis, zuidelijk van Memtis, tusschen den Kijl en het Moerismeer. No of No-A mm on, ongetwijfeld Thebe, de beroemde hoofdstad van Opper-Egypte. Hare bouwvallen liggen bij de tegenwoordige dorpen Karnak en Loeksor. Syene, thans Assoean, op de Ethiopische grens, dicht bij de rotsen van den eersten waterval. Misschien moet men in deze stad het bovengenoemde Sin zoeken.
2. ARABIÃ.
Het geheele gebied tusschen de Roode Zee en de Perzische Golf, Syrië en den Enfraat heette oudtijds met
30
éénen naam Arabic (van arab = woestijn). Men verdeelde het in het woeste, het eigenlijke en het Petreïsche Arabië. Voor de Bijbelsche Geschiedenis is dit laatste gedeelte het belangrijkst.
Het woeste Arahi'é is de Syrisch-Arabische woestijn, eene onafzienbare, waterlooze zandvlakte. Hier waait de gloeiend heette samoem of sirocco, die zijn schadelijken invloed soms ook in Palestina doet gevoelen (bladz. 13).
Het eigenlijke Arabic is het groote schiereiland van dien naam. Het wordt ingesloten door de Roode Zee, den Indischen Oceaan en de Perzische Golf. De kuststreken waren al vroeg bekend, doch van het binnenland weet men ook thans nog weinig. De noordelijke helft der westkust, Hedzjas, is voor 't grootste gedeelte woest, maar de zuidwestelijke hoek, Jemen (= het rechtsgelegen land, d. i. het zuidelijke), heette reeds in de oudheid Arabia Felix, het âgelukkigequot; Arabië. Hier moet men het vaderland der koffie zoeken; van hier haalden de Feniciërs de producten, die Arabië beroemd maakten: goud, wierook en specerijen. Hier lag ook waarschijnlijk het goudrijke Ofir. In Zuid-Arabië lag eveneens in het koninkrijk Saba, bij de Israëlieten Scheba geheeten, welks koningin Salo-mo's wijsheid op de proef stelde.
Petreïsch Arabic werd oorspronkelijk zoo genoemd naar de hoofdstad Petra of Sela, de ârotsstadquot; aan den rand der Araba. De latere vertaling in âsteenachtig Arabiëquot; staat in verband met de geaardheid van den bodem. Want âsteenachtigquot; is die bodem in den volsten zin van het woord.
Tot Petreïsch Arabië behoorde het schiereiland Sinaï en het ten noorden daarvan gelegene land. In het westen
31
was de woestijn Sur, in het noorden de Middellandsche Zee, in het oosten de Araba de grens. Het geheele gebied is arm aan vruchtbare dalen, rijk aan woestijnen en rotsige hoogvlakten.
Het schiereiland Sinaï is een woest bergland, dat naar het zuiden toeneemt in hoogte. Hier verheft zich het Sinaï-gebergte (2500 M.), waarvan de Sinai of Horeb en de Serbal de voornaamste toppen zijn. Door sommigen wordt de laatste gehouden vuor den berg der wetgeving.
Het noordelijk deel van het schiereiland wordt ingenomen door eene dorre hoogvlakte. Dat is de woestijn Par an, waarin de Israëlieten bijna 40 jaren rondzwierven. In het noordoosten gaat deze woestijn over in een hoogland, dat naar de tegenwoordige bewoners het Bergland der Azazi-meh heet. Aan den westrand lag in eene diepe kloof Kades Barnea, verder naar het noorden Horma, beide bekend uit den tocht der Israëlieten. De Araba is de voortzetting van de diepe spleet, waardoor de Jordaan stroomt en waarin de Doode Zee ligt (bladz. 8). Ter weerszijden verheft zich het Gebergte Seïr. In dit gebergte zoekt men, niet verre van Petra, den berg Hor, op welks top Aaron den dood verwachtte.
Ten tijde van Mozes werd het schiereiland Sinaï en de noordelijk daarvan gelegene woestijn bewoond door de Amalekieten, een zwervend volk, dat meest van roof leefde. De Israëlieten hadden van hen veel last op den tocht van Egypte naar Kanaan. In het Geb. Seïr woonden de Edo-mieten, de âkinderen Esau's.quot; Zij hadden de oorspronkelijke bewoners verdreven en uitgeroeid. Ofschoon zij Israels âbroedervolkquot; waren, leefden Edomieten en Israëlieten voortdurend met elkander in vijandschap. Na de
32
Babylonische ballingschap maakten de Edomieten zich meester van geheel Zuid-Judea, dat naar hen later Idumea heette. Noordelijk van Edom woonden de Moabieten en de Ammonieten, de eersten aan de oostzijde der Doode Zee, ten zuiden van den Arnon, de Ammonieten aan den bovenloop van den Jabbok, die de westelijke grens was van hun gebied. Ook deze beide volken waren verwant aan de Israëlieten en ook zij namen gewoonlijk tegenover Israël eene zeer vijandige houding aan.
Voornaamste plaatsen. â In Edom; Elath of Eloth, bij de Ro-meinen en Grieken Aila ofAelana, eene havenstad aan het noordeinde der Golf van Akaba, die naar deze stad ook Aelanietische Golf heette. Van hier en van het naburige Ezeon Geber zond Salomo handelsschepen naar Ofir. Sela (= rots), bij de Grieken Petra, de hoofdstad der Edomieten aan den voet van den berg Hor. Maon, aan den pelgrimsweg van Damaskus naar Mekka.
in Moab: Kir Moab, ook Kir Hareseth en Kir Her es ge-heeten, de sterke vesting der Moabieten ten zuiden van den Arnon. Ar Moab, de hoofdstad, aan de noordgrens van het land, in het dal van den Arnon.
In Ammon: Rabba (= de hoofdstad) of liabbath Ammon, bij den oorsprong van den Jabbok. De stad heette later Eiladelfia en behoorde toen tot Decapolis (bladz. 25;.
3. SYRIÃ.
De naam Syrië (eene verkorting van Assyrië) werd door de Grrieken gegeven aan dat deel van het Assyrische rijk, dat aan de westzijde van den Eufraat lag, met uitzondering van Egypte. In het noorden werd dit gebied begrensd door het Taurus Gebergte, in het oosten door den Eufraat en de Syrische woestijn; westwaarts reikte
33
het tot aan de Middellaudsche, zuidwaarts tot aan de Roode Zee. Palestina en Petreïsch Arabië waren dus ook onder dezen naam begrepen.
In engeren zin bedoelt men met Syrië alleen het hoogland ten noorden van Palestina. In den Bijbel heet dit land Aram, wat misschien Hoogland beteekent, in tegenstelling van Kanaan (= Nederland).
Van het noorden naar het zuiden loopen twee bergketens, Libanon en Antilibanon, evenwijdig naast elkaar voort. De Libanon, de westelijke keten, bereikt bij Beiroet en Triopolis, eene hoogte van 3050 en 3060 M.
De Antilibanon eindigt in het zuiden in den 2860 M. hoogen Hermon. Tusschen beide ketens ligt een breed dal, waarin de Orontes en de Litany stroomeu. De Orontes ontspringt op den Atilibanon, loopt in noordelijke richting tusschen de beide bergketens voort, buigt zich dan plotseling naar het westen, en loopt voorbij Antiochië uit in de Middellandsche Zee. De bronnen van de Litany liggen iets zuidelijker, eveneens op den Antilibanon. Deze rivier stroomt naar het zuiden, baant zich, wild bruisend, een weg door de uitloopers van Hermon en Libanon en stort zich noordelijk van Tyrus in de Middellandsche Zee.
Het dal van beide rivieren â Coelesyrie (= het holle Syrië) â vormt de kern van het land. Reeds in de oudheid was dit Coelesyrie beroemd door zijne vruchtbaarheid.
In het zuiden vindt men nog korenvelden en wijngaarden , die ook de hellingen der bergen bedekken. De zwarte aardlagen van het noorden, door den Orontes aangespoeld, herinneren aan den vruchtbaren bodem in bet Nijldal.
Noordelijk van deze kern strekt zich tusschen den Orontes en den Eufraat een arm, dor land uit. Uitloopers
iïleeker en MARWiTz, Kleine Bijb. Aardr. 3
34
van de gebergten Taurus en Arnanus doorsnijden het en vormen hier en daar rotsige hoogvlakten, die arm zijn aan water en bijgevolg ook aan plantengroei. In het oosten grenst dit gedeelte aan de Syrische woestijn.
Oostelijk van den Antilibanon ligt het heerlijke gebied van Damaskus, eene oase in de woestijn, een ware tuin, besproeid door Abana en Parfar, die op den Antilibanon ontspringen.
Tusschen den Libanon en de zee ligt de smalle kustvlakte van Fenicié, het gebied van het beroemdste handelsvolk der Oudheid. Ofschoon de vlakte slechts ruimte biedt aan kustrivieren wordt zy toch uitstekend besproeid. Het is dan ook volstrekt niet waar, dat de armoede van het land de bewoners naar zee dreef. Dat land was integendeel rijk aan alllerlei voortbrengselen. De Libanon leverde hout (vooral cederhout) in overvloed, de hellingen van het gebergte waren bedekt met boom- en wijngaarden, in de vlakte vond men grazige weiden, heerlijke tuinen en uitgestrekte korenvelden. De kust gaf de kiezelaarde voor de glasbereiding, bovendien de belangrijke purperslak. Ijzer, en waarschijnlijk ook koper, werd bij Sarepta (Zarfath) en elders gevonden.
Aan den westelijken voet van den Hermon begint het Jordaandal, dab wij reeds hebben leeren kennen.
Voornaamste plaatsen. â Langs de kust de Fenicische steden: Akko, aan de i3aai van dien naam. De stad heette later Ptolemaïs, en nog later, in den tijd der kruistochten, St. Jean d'Acre. Thans Akka. Tv rus, eens de machtige koningin der zee, thans het onbeduidende plaatsje Sur (= rots). De stad was op een- eilandje in zee gebouwd en door die ligging verbazend sterk. Nebukadrezar veroverde haar na eene ISjarige belegering; Alexander de Groote maakte aan
35
hare macht een einde. Si don, langen tijd de machtigste der Feni-eische steden, waarom de Israëlieten gewoonlijk spraken van Sidonië en Sidoniërs, waar zij bedoelden Fenicië en Feniciërs. Thans is ook Sidons grootheid reeds lang voorbij; het tegenwoordige Saïda heeft een weinig beteekenenden handel. Berytus, oudtijds onbeduidend, thans Beiroet, de belangrijkste handelsstad van Syrië en meteen de haven van Damaskus. Gebal, bij de Grieken By blos, eene der oudste steden van Fenicië en de eerste, die koloniën stichtte. Arvad of Aradus, na het verval van Tyrus en Sidon nog langen tijd eene bloeiende handelsplaats.
Aan den ürontes: Baiilbek, bij de Grieken Heliopolis (= zonnestad), met schoone bouwvallen van eenen zonnetempel. Ribla, op het noordemde van den Antilibanon, gewoonlijk het hoofdkwartier van de veroveraais, die in Syrië doordrongen (Necho, ïvebukadrezar). Hamath, een tijd lang in 't bezit der Israëlieten, vandaar de uitdrukking ; âvan den ingang van Hamath af tot aan de rivier van Egyptequot;. In de dagen van Salomo reikte Israels gebied zelfs tot aan Thifsah (Thapsacus), aan den rechteroever van den Eufraat. Hamath heette later Epifania, thans weer Hamath. Antiochië, aan den benedenloop van den Orontes, op het einde der 4de eeuw voor Chr. gesticht door Seleucus Nicator, den eersten vorst uit het huis der Seleuciden. Xaast Jeruzalem was Antiochië het tweede groote uitgangspunt van het Christendom. Seleucië, eveneens door Seleucus gesticht, was de haven van Antiochië.
Behalve het reeds genoemde Thifsah lagen nog aan den rechteroever van den Eufraat: Pelhor, Bileams vaderland, en Karche-mis, de aloude hoofdstad der Hethieten, tevens eene beroemde handelsstad. De meeste karavanen uit Syrië en Egypte trokken hier den Eufraat over, om vervolgens verder naar Ninevc en Babel te gaan.
In de Syrische woestijn: Tad mor of Palmyra, in den tijd dei-Romeinen eene bloeiende stad. De prachtige bouwvallen van Palmyra dagteekenen uit dien tijd.
Ten oosten van dea Antilibanon ligt Damaskus, nog altijd eene bloeiende stad met ruim 100 000 inwoners. Zij is tegenwoordig de hoofdstad van Syrië en Palestina en de residentie van den Turkschen
S*
36
gouverneur-generaal dier provincie. Te Damaskus verzamelen zich ieder jaar de groote karavanen pelgrims en kooplieden, die uit allo deelen van het Turksche rijk naar Mekka reizen. Met de Israëlieten kwamen de âSyriërs van Damaskus'quot;, zooals zij in den Bijbel genoemd worden, gedurig in aanraking. Het Christendom vond er vroegtijdig ingang.
4. DE LANDEN IN 'T GEBIED VAN EUFRAAT
EN TIGRIS.
(aEMENIÃ , MESOPOTA.MIÃ , BABYLONIE , ASSYRIfi , ELYMAIs).
Niet minder vruchtbaar dan het Nyldal was oudtijds de veel breedere vlakte, die door de tweelingstroomen Eufraat en Tigris wordt begrensd en doorstroomd. Evenals daar. dankte men ook hier die vruchtbaarheid aan de geregelde overstrooming der rivieren. Maar meer nog dan in Egypte moest men hier door een net van kanalen en waterleidingen het vruchtbaarmakend water ook op grooten afstand van de rivier brengen. De overstrooming van den Eufraat toch strekte zich anders slechts op geriugen afstand van de oevers uit, en waar de besproeiing ontbrak, lag het land woest en onbebouwd.
Eufraat en Tigris ontspringen beide op het Bergland van Armenië. Terwijl de Eufraat (bij de Israëlieten Frath) zich eerst met een grooten boog naar het westen wendt en vervolgens in zuidelijke richting door het Taurus Gebergte breekt, doorstroomt de Tigris (bij de Israëlieten Hiddekel) dadelijk pijlsnel het Bergland van Mesopotamië. In de omgeving van Bagdad en Seleucia naderen zij elkander tot op een afstand van weinige mijlen. In de
37
oudheid begon hier beider kanaal ver binding. Verder zuidwaarts verwijderen zij zich weer van elkaar, totdat zij zich bij Korna voor goed vereenigen. Oudtijds had ieder zijne eigene uitmonding; thans bereiken zij als één stroom, de Schatt el Arab (=1 Arabierenstroom), de Perzische Golf.
Armenië is het bronnenland van beide rivieren. Het is het hoogland, dat zich uitstrekt aan den zuidelijken voet van den Kaukasus. Naar het oosten en westen gaat het over in de aangrenzende berglanden van Medië en Klein-Azièquot;, zuidwaarts wordt het begrensd door uitloopers van den Taurus. Eufraat en Tigris, Fasis en Araxes ontspringen er niet verre van elkaar; in het zuiden ligt het groote meer Wan. De hoogvlakten zijn arm aan plantengroei, men vindt er weinig ofgeenbosch. Daarentegen zijn de hellingen der bergen en de dalen bedekt met heerlijke weiden.
In Armenië liggen de bergen van Ararat. Ararat is eigenlijk de naam van een landschap in Armenië. Later werd hij aan den in dat landschap gelegenen berg gegeven.
Tusschen Eufraat en Tigris liggen Mesopotamië en Babylonie. Het eerste ligt het noordelijkst. De grens moet gezocht worden in de buurt van Bagdad en Seleucia, waar beide rivieren elkander naderen.
Mesopotamië (= land tusschen de rivieren), bij de Israëlieten Aram Nahardim {=â het Aram der beide rivieren) of Paddan Aram (= de vlakte van Aram), ligt nog tamelijk hoog. In het noorden is de bodem heuvelachtig, vruchtbaar, rijk aan woud en weide. Verder naar 't zuiden breidt zich eene grasrijke steppe uit, in het voorjaar heerlijk groen, doch in den drogen zomer dor en
38
kaal. Het zuidelijkste gedeelte is thans geheel woest; oudtijds was ook dit deel, door zorgvuldige besproeiing, een vruchtbaar land.
Bab.vlouië, bij de Israëlieten het land Sinear, ook wel het land der Chaldéén of Babel, is geheel eene laagvlakte. Bij de oude schrijvers is maar één roep over Babylons buitengewone vruchtbaarheid. Geen land ter wereld was zoo rijk aan koren, zelfs Egypte niet. Nog is op enkele plaatsen de vruchtbaarheid groot, ondanks de verwaarloozing der waterleidingen, waarvan geen honderdste deel meer bestaat. Want zooals wij boven zagen, de vlijt der bewoners moest hoofdzakelijk die vruchtbaarheid in 't leven roepen. De met woest geweld voortbruisende Tigris noodzaakte tot het aanleggen van reusachtige waterbouwwerken. Het is vooral Nebukadrezar, die zich op dit gebied verdienstelijk heeft gemaakt. Hij verbond o.a. de beide rivieren door het zoogenoemde Koningskanaal, dat ook voor de scheepvaart, maar in de eerste plaats voor de besproeiing diende. Tal van kleinere kanalen brachten het water van hieruit naar de omgelegene streken. Het Koningskanaal bestond nog in de 7de eeuw na Chr.; eerst de Turken lieten het geheel vervallen. Tegenwoordig is het deltaland aan den mond der rivieren bijna zes maanden van het jaar een onbegaanbaar moeras.
Assyrië, bij de Israëlieten Assur, lag bijna geheel aan de oostzijde van den Tigris. In het noorden werd het begrensd door de Armenische bergen, in het zuiden was de Beneden-Zab (een linker bij vloed van den Tigris) de grensrivier tusschen Assur en Babel. In het noorden en oosten is Assyrië een bergland. De hellingen der bergen zijn hier getooid met schoone eikenwouden; denne- en
39
noteboomen verheffen er hunne kruinen. Ook het klimaat is dat van een bergland, koel en frisch, bij de rijke besproeiing van het land zeer gunstig voor een krachtigen plantengroei. Naar het zuiden en westen daalt de bodem langzaam af in de vlakte. Het heuvelland aan den Boven-Zab is in de welbeschutte dalen rijk aan wijn, vijgen, olijven en andere zuidvruchten. De uitgestrekte korenvelden van het zuiden herinneren reeds aan de vruchtbare vlakten van Babylonië. Dat het land oudtijds bovendien rijk was aan allerlei wild, met name hazen, herten, reeën, steenbokken en buffels^ toonen de afbeeldingen in de opgegravene paleizen van Nineve. Zelfs leeuwen ontbraken niet, zooals blijkt uit de jachttooneelen, die men op talrijke gedenkteekenen heeft gevonden.
Elyinais, bij de Israëlieten Elam, en bovendien naar de hoofdstad Susa ook Susiana geheeten, lag oostelijk vau Babylonië en zuidoostelijk van Assyrië. Het oostelijk gedeelte is bergland; het westen behoort tot de laagvlakte van Babylon. In het gebergte is het klimaat ruw en koud, in de vlakte brandend heet. Toch was door zorgvuldige besproeiing ook Elam oudtijds een vruchtbaar land; tarwe en gerst droeg 100, ja 200-voudige vrucht. Nog in de 7ie eeuw na Chr. was het land rijk aan katoen, suikerriet, rijst en koren. Maar even als in Babylonië is ook hier verwaarloozing van de waterleidingen de oorzaak van de tegenwoordige onvruchtbaarheid.
Twee bijvloeden van den Tigris doorstroomen de vlakte van Elam: de Choaspes of Euleos (de Ulai), thans Kerclia, die dicht voorbij Susa loopt en wiens helder water de Perzische koningen op al hunne tochten in zilveren vaten met zich voerden, en de Pasitigris, thans Karoeu.
40
Voornaamste plaatsen. â In Mesopotamië: Ilaran, bij de Romeinen Carrae, thans een puinhoop, eens een middelpunt van verkeer, van waaruit handelswegen liepen naar Eufraat en Tigris.
In Babylonië: Babyion, âhet groote Babelquot;, de schitterende hoofdstad van het rijk der Chaldeën op beide oevers van den Eufraat. Vooral Nebukadrezar maakte Babel tot het wonder der wereld. De Grieksche geschiedschrijver Herodotus wist niet wat meer te bewonderen, den reusachtigen muur, die de geheele stad omgaf â 18 uren lang, 50 M. hoog, 25 M. breed, met 250 torens en 100 koperén poorten! â of den grooten tempel van Bel, die zich op een voetstuk van 480 voet hoogte verhief, de âhangende tuinen'quot; van Nebukadrezar of zijn prachtig paleis, dat â door drie ringmuren was omgeven en eene stad op zich zelf vormde. 'Weinig is er van dit alles overgebleven. Toeii in den tijd der Seleuciden de nieuwe hoofdstad Seleucia in de nabijheid werd gesticht, haalde men de bouwstoffen uit de leegstaande paleizen van Babylon. Later verrezen op dezelfde wijze Ktesifon en Bagdad, ja nog in onze dagen dienen de reusachtige bouwwerken van het oude Babel als steengroeven, waaruit men het materieel den Eufraat op- en afzendt. Zij liggen in de nabijheid van de tegenwoordige stad Hillah. Borsippa, Babylons zusterstad, met den beroemden tempel van Xebo, door Nebukadrezar gesticht. De bouwvallen van dezen tempel heeten Birs Nimrod (= toren van Nimrod). Si pp ar en Accad, overoude tweelingstad aan den linkeroever van den Eufraat. Sippar is het Sefarvaïm van den Bijbel. Erech, aan den linkeroever van den Eufraat. IIr der Chaldeën, op den rechteroever dei-rivier, niet verre van den mond. Chuta, waarschijnlijk eene voorstad van Babel.
In Assyrië: Nineve, de hoofdstad van het Assyrische rijk, op den linkeroever van den Tigris, tegenover het tegenwoordige Mosoel. Langen tijd wist men niet anders, of de stad was spoorloos van de aarde verdwenen. Eerst in 1842 begon men haar weer op te graven. In den hoek, die door den Boven-Zab en den Tigris wordt gevormd , vond men drie groepen van bouwvallen. Alle drie vertoonden de overblijfselen van schitterende paleizen, door machtige Assyrische koningen gesticht. De wanden dezer paleizen waren van boven tot
41
beneden met afbeeldingen en inschriften bedekt. En niet alleen de wanden, ook de vloer, ook allerlei voorwerpen van brons, glas en gebakken steen waren van inschriften voorzien. Men heeft dit schrift â het spijkerschrift! â eerst na veel moeite en inspanning leeren ontcijferen. Toen bleek het, dat de westelijke groep bouwvallen het eigenlijke Ni n eve vertegenwoordigt. De zuidoostelijke groep is het oude Kal ach, de noordoostelijke de stad van koning Sargon, de Sargons-stad. Alle drie vormen een door muren afgesloten geheel.
In Elymaïs: Susa of Susan, de hoofdstad van Elam, later gewoonlijk de winterresidentie der Perzische koningen.
5. DE LANDEN AAN GENE ZIJDE VAN DEN
TIGRIS.
(medié ex perzié).
Het uitgestrekte gebied, dat teu zuiden door de Perzische Goli, ten noordeu door de Kaspische Zee en de steppen van den Oxus, ten westen door het dal van Eufraat en Tigris en ten oosten door den Indus wordt begrensd, heet met eenen naam het Hoogland van Iran. De oppervlakte van dit hoogland bestaat voor 't grootste gedeelte uit zout- en zandwoestijnen, die aan alle zijden door randgebergten worden ingesloten. De Israëlieten kenden alleen het westelijk deel. Iran is een land van 'groote tegenstellingen. Strenge winters staan tegenover brandend heete zomers. Het zuidelijk deel van Perzië bijv. behoort tot de warmste landen der aarde. Op de hoogvlakte ontbreekt het water geheel, vandaar dat men hier uitgestrekte woestijnen aantreft. Ook de heete kuststreken in het zuiden zijn dor en schraal. Daarentegen wordt het
42
zuidelijk en westelijk randgebergte doorsneden door waterrijke en vruchtbare dalen. Om het Elboers Gebergte, zuidelijk van de Kaspische Zee, waaien koude noordewinden; de bergtoppen zijn bijna altijd bedekt met sneeuw en ijs. Op de hellingen van 't gebergte vindt men echter dichte wouden en aan zijnen voet verbouwt men zuidvruchten. Maar terwijl moeraskoortsen hier het leven van den mensch bedreigen, munt het hoogland uit door een bijzonder gezond klimaat. Van Mei tot September is de lucht er zoo droog, dat ijzer in de open lucht niet roest en vleesch niet tot bederf overgaat; het buitengewoon heldere schijnsel der sterren vervangt bijna het licht van den dag.
Medië, bij de Israëlieten Madai, besloeg het noordwestelijk deel van het Hoogland van Iran. Het is een bergland vol grazige weiden en vruchtbare dalen. Men onderscheidde het later in twee deelen: Klein Medie, tusschen de Kaspische Zee en het meer Urmia, en Groot Medie, zuidelijk daarvan.
Perzië, bij de Israëlieten Paras, ligt aan de naar dit land genoemde Perzische Golf. Oorspronkelijk werd het ten oosten door Carmanië, ten noorden door Medië, ten westen door Susiana begrensd. Later breidde het Perzische rijk zich uit van de Middellandsche Zee tot den Indus.
Het' noordelijk gedeelte van Perzië is een woest bergland, vol steile hoogten en diepe afgronden; daartusschen liggen echter grazige Alpenweiden. Ook in het westen vormt een zeer hoog gebergte de grens tusschen Perzië en de Tigrisvlakte. In het midden ligt een vruchtbaar landschap met rivieren en meren. Hier vindt men de heerlijke dalen, die nog heden als de âbloemtuinen van
43
Iranquot; geprezen worden. In de smalle kustvlakte aan de Perzische Golf heerscht een brandend heet klimaat. Hier groeit de dadelpalm.
Voornaamste plaatsen. â In Medië: De beide hoofdsteden der Meden Eebatana, bij de Israëlieten Achmeta (in 't zuidwesten), en R h a g a e of Rages Tin 't noordoosten). De eerste was later de zomerresidentie der Perzische koningen.
In Perzië: Persepolis (= Perzenstad), de hoofdstad, bovendien de doodenstad; niet minder dan zeven koningsgraven zijn nog in de naaste omgeving zichtbaar. Pasargadae, met het graf van den groo-ten Cyrus, ten noorden van Persepolis.
6. KLEIN-AZIÃ.
De in de laatste hoofdstukken beschouwde landen zijn voor ons vooral belangrijk door de geschiedenis van het Israëlietische volk. Het zijn bijna uitaluitend de verhalen uit het 0. T., die ons daarheen verplaatsen. Van Klein-Azië kenden de oude Israëlieten alleen de kuststreken aan de Middellandsche Zee, die reeds vroeg door Fenicische kolonisten werden bezet. Eerst in den tijd der apostelen wordt ook dit schiereiland belangrijk voor de Bijbelsche Geschiedenis. Hier toch lag het arbeidsveld van den apostel Paulus. In de landschappen van Klein-Azië predikte hij den heidenen het evangelie; van hier stak hij later over naar Europa.
Het schiereiland Klein-Azië, ongeveer zoo groot als Frankrijk (9930 vierkante mijlen), is een uitgestrekt hoogland, aan drie zijden door hooge randgebergten ingesloten. In het oosten verheft zich de Antitaurus tot eene hoogte van 3000 M. In het zuiden loopt de hooge
44
Taurusketen (3000â3500 M.) langs de kust der Middel-landsche Zee. Het noordelijk randgebergte, dat steil afdaalt naar de Zwarte Zee, bereikt alleen in het oostelijk deel dezelfde hoogte. In het westen van het schiereiland daalt de bodem golvend af naar de kust. Van het hoogland is het grootste deel waterlooze kalk- of zoutsteppe. Toch is dit onvruchtbare deel van 't land betrekkelijk veel kleiner dan in Iran, het tweede groote hoogland van Voor-Azië. De steile af hellingen naar de Middellandsche en Zwarte Zee, bezitten een heerlijken plantengroei. Doch het rykst gezegend is het westelijk deel van het schiereiland. Van de hoogvlakte loopen hier enkele bergruggen tot aan zee. Tusschen deze gebergten liggen breede dalen, wier buitengewoon vruchtbare bodem wordt besproeid door Meander (thans Menderes) en Hermus (thans Gredis of Sarabat). Bevaarbaar zijn deze rivieren niet, evenmin als de Halys (thans Kisil Irmak), die in de Zwarte Zee uitmondt, maar hunne dalen bieden toch een gemakkelij-ken weg naar het binnenland.
De verschillende deelen van Klein-Azië hebben nimmer een staatkundig geheel uitgemaakt. Een algemeenen naam had men dan ook oudtijds niet voor het schiereiland. De naam Klein-Azté dagteekent eerst uit de 4de eeuw na Chr. Bijna altijd was het land een deel der groote wereldrijken, die in de nabijheid ontstonden. In den tijd der apostelen heerschten de Romeinen in geheel Klein-Azië. Zij verdeelden het in verschillende provinciën, wier grenzen echter lang niet altijd dezelfde waren. Meer dan eens werd de indeeling veranderd of gewijzigd. De voornaamste provincie was Azü, in het westen van het schiereiland. Zij bestond uit de landschappen Mysië, Lydië, Frygië en Karië.
45
Aan de zuidkust lagen de landschappen Cilicië, Pam-fylie en Lycië. Cilicië werd oudtijds onderscheiden in het âruwe Ciliciëquot;, het bergland in 't noordwesten, en het âvlakke Ciliciëquot;, de kustvlakte in 't zuidoosten. In deze vlakte, die door de rivieren Cydnus, Sarus en Pyramus wordt besproeid, heerscht een zacht klimaat, zoodat zelts de dadelpalm er kan groeien. Het veel smallere Pamfylië is eene dorre kalksteenvlakte, arm aan water, ondanks de bergbeken, die het doorsnijden. Lycië is het bergachtige schiereiland, dat als de zuidwestelijkste uitlooper van het Taurus Gebergte kan worden beschouwd.
Aan de westkust lagen Karië, Lydië en Mysië. De vruchtbare kuststreek zelve was reeds vroegtijdig door Grrieksche kolonisten bezet. De steden, die hier lagen, behoorden tot Jomé.
Karië, in den zuidwestelijken hoek, is een hoog en ruw berglandschap. In het gebergte wisten de oorspronkelijke bewoners zich staande te houden, doch uit het dal van den Meander en van de kust werden zij door de Grieken verdreven. Lydië is het belangrijkste landschap van geheel Klein-Azië. Het land is zeer vruchtbaar, vooral het dicht bevolkte westelijk deel, dat door de rivieren Cayster en Hermus werd aangespoeld. Oudtijds was Lydië een machtig rijk, dat echter in 549 v. Chr. door de Perzen werd veroverd. Mysië is het noordelijkst gelegen landschap der westkust. Ook hier werden de oorspronkelijke bewoners door Grieksche kolonisten (Aeoliërs) van de kust verdreven. Naar de nieuwe bewoners heette de kuststreek Aeolis,
In het binnenland lagen Frygië, Pisidië, Lycaonië, Galatië en Cappadocië.
46
Frygië was oudtijds de naam van de groote hoogvlakte, die zich westelijk van den Halys uitstrekt, een der grootste landschappen van het binnenland. In het noorden en oosten is dit hoogland rijk aan grazige weiden, in het zuidwesten vindt men zeer vruchtbare dalen. Men noemde deze hoogvlakte later Groot-Frygië, om het te onderscheiden van een Klein-Frygië, dat aan den Hellespont lag. Het eerste wordt bedoeld in de Handelingen der Apostelen. Pisidië, een zeer bergachtig landschap, lag zuidelijk van Frygië. Het wordt gevormd door verschillende ketens van den westelijken Taurus. Even bergachtig is het verder oostelijk gelegen Lycaonië. In den tijd der Perzen bewoonden de Lycaoniërs alleen het Taurus Gebergte ; later vestigden zij zich ook in de hoogvlakte noordelijk daarvan. Galatië lag ongeveer in het midden van het schiereiland. Het is een hooggelegen landschap, arm aan bosch, doch rijk aan weide. Het noordelijk deel is bergachtig, het zuiden bestaat uit groote kalk- en zoutsteppen. Het landschap werd genoemd naar de bewoners, de Galaten, die van de overzijde van den Hellespont waren gekomen. Cappadocië wordt doorsneden door het oostelijk randgebergte, den Antitaurus. De Eufraat scheidt het van Armenië.
Aan de noordkust lagen nog: Pontus, het smalle kustgebied langs den Pontus Euxinus (de Zwarte Zee), dat aan deze ligging zijn naam ontleende; Paflagonië, westelijk van den Halys, en Bithynië, in den noordwestelijken hoek van het schiereiland. Paulus bezocht deze noordelijke streken niet; toch drong ook hier later het Christendom door.
Voornaamste plaatsen. â In Cilicië: Tarsus of Tarsen, de
47
hoofdstad aan den Cydnus, de vaderstad van den Apostel Paulus, oudtijds eene bloeiende stad, thans een stil plaatsje met ongeveer 10 000 inwoners.
In Pamfylië: Perge, eene der aanzienlijkste steden van het landschap, en Attalië, oudtijds de voornaamste haven voor het verkeer met Syrië. Beide steden werden door Paulus bezocht.
In Lycië deed hij slechts de havensteden Pat ar a en My ra aan. De laatste stad ligt een uurtje van zee, aan eene bevaarbare rivier.
In Karië: de Grieksche kolonie Knidus.
In Lydië: Sar des, oudtijds de schitterende hoofd- en residentiestad van het koningrijk Lydië, in de vruchtbare vlakte van den Hermus. De bouwvallen der stad liggen grootendeels begraven onder de jongere vloedgronden. Te Sardes werd eene der zeven Christengemeenten gesticht, eveneens te Filadelfia, dat iets verder naar het oosten lag. Thyatira, noordwestelijk van Sardes, met beroemde purperververijen, bezat ook eene der zeven gemeenten.
In Jonië: Milete, oorspronkelijk eene Karische stad, met belangrijken handel, aan den mond van den Meander. Efeze, in de vruchtbare vlakte van den Cayster, aan den mond der rivier, die toen nog niet was verzand. De stad bloeide door handel en landbouw. Te Efeze stond de prachtige tempel van Diana. De Christengemeente, die hier werd gesticht, was juist niet eene der standvastigste van het zevental. Smyrna, nog altijd eene groote handelstad met 150 000 inwoners, waarvan de helft Grieken. De stad werd meer dan eens ontvolkt door de pest, of door eene aardbeving verwoest. Dank zij hare gunstige ligging, bloeide zij telkens weer op. Reeds vroeg ontstond hier eene Christengemeente, arm aan goed, doch rijk aan trouw.
In Mysië: Pergamus, aan de rivier Caicus, oudtijds de hoofdstad van het koningrijk Pergamus. De stad was beroemd door hare bibliotheek en bekend door het hier uitgevonden perkament. Ook te Pergamus werd eene Christengemeente gesticht. Adram vttium, Assus en T r o as aan de kust. Van deze laatste stad stak Paulus over naar Macedonië.
In Frygië: Col os se en Laodicea, in het zuiden van het landschap. Noordelijk van Laodicea, waar eene Christengemeente bestond, lag Ui erapol is.
48
In Pisidië; Antiochië, eigenlijk eene Frygische stad.
In Lycaonië: Iconium, de hoofdstad, gelegen aan den voornaam-sten verkeersweg door het Hoogland van Klein-Azië, thans Konia, met 25 000 inwoners. Zuidelijk van Iconium lag Lystre, en verder naar het oosten Derbe. In de eerstgenoemde stad werd Paulus ge-steenigd, van de laatste trok hij weer terug naar Antiochië in Syrië.
In Galatië: Ancyra, de hoofdstad, thans Angora, met 38 000 inwoners. De stad wordt in den Bijbel niet genoemd. Evenmin de steden in Bithynië: Nicomedia, de hoofdstad, en Nicea, de plaats van de eerste algemeene kerkvergadering.
De eilanden. â In de Middellandsche Zee: Cyprus, zuidelijk van Cilicië, 173 vierkante mijlen groot, oudtijds beroemd door zijne buitengewone vruchtbaarheid. Reeds in de 13de eeuw v. Chr. ontstonden hier quot;^enicisehe koloniën. De oorspronkelijke bewoners heeten in den Bijbel Kittieten. Paulus trok op zijne eerste reis het geheele eiland door, later voer hij er twee keer voorbij. Op het eiland lagen de steden Salami s, in het oosten, en Pafos, in het westen. Rhodus, zuidelijk van Karië, 27 vierkante mijlen groot, oudtijds een schoon en vruchtbaar land, waarin zelfs de dadelpalm groeide. Thans is het eiland vol puinhoopen van vroegere grootheid. Het werd herhaaldelijk door aardbevingen geteisterd. De oorspronkelijke bewoners heeten in den Bijbel Rodnnieten.
In den Archipel (de Aegeesche Zee): Kos, waarop de stad van dien naam. Patmos, een klein eiland, bekend als het verbanningsoord van den evangelist Johannes. Thans Patino. Samos, S1^ vierkante mijl met 38 000 inwoners, tegenover het voorgebergte Trog ij l-lium, waar Paulus overnachtte. Chios, 19 vierkante mijlen met 36 000 inwoners, een der schoonste eilanden der westkust. Thans Chio, met uitstekenden wijn. Lesbos, 29 vierkante mijlen met 64 000 inwoners, tegenover Mysië. Op Lesbos lag de stad Mytilene. Al deze eilanden der westkust behoorden, gelijk de kust zelve, aan Grieksuhe kolonisten.
49
7. PAÃLUS IN EUROPA.
Wij zagen vroeger reeds, dat de Israëlieten met de Europeesche kusten der Middellandsche Zee niet geheel onbekend waren; zij kenden zelfs het verafgelegene ïarsis (de zuidkust van Spanje). Toch worden ook deze streken eerst belangrijk door de zendingsreizen van Paulus. Wij volgen den apostel op zijue tweede zendingsreis, die hem naar Europa bracht.
Van Troas stak hij over naar Macedonië. Het vaderland van den grooten Alexander was reeds in het jaar 27 v. Chr. eene Romeinsche provincie geworden. Het strekte zich toen uit van het Rhodope Gebergte tot de Adriatische Zee. In den Bijbel wordt het gewoonlijk genoemd naast het zuidelijker gelegen Achaje (Griekenland), destijds eveneens een deel van het groote Romeinsche rijk.
Voorbij Samothrace, een eiland in het noordelijk deel der Aegeesche Zee, waar hij overnachtte, bereikte Paulus de stad Neapolis, die toen nog tot Thracië behoorde. Vandaar dat Filippi, waar hij vervolgens kwam, de eerste Macedonische stad heet, waarin de apostel optrad. Filippi was destijds eene bloeiende, volkrijke stad; het werd later door de Turken verwoest. Paulus stichtte hier de eerste Christengemeente. De reis ging toen verder over Amfipolis, aan den mond van den Strymon, en Apol-lonia naar Thessalonika, waar de tweede gemeente ontstond. In den tijd der Romeinen was Thessalonika de hoofdstad der provincie Macedonië, thans is Saloniki de tweede handelstad van het Balkanschiereiland (80 000 inw.). Van hier trok Paulus over Berea naar Griekenland.
bleeker eu marwitz, Kleine Bijb. Aardr. 4
50
Hij kwam het eerst te Athene, de wereldberoemde hoofdstad van Attika. Op den Areopagus, het Atheensche gerechtshof, predikte hij âden onbekenden God'', doch het schijnt, dat hij hier weinig vrucht zag van zijn werk. Athene stond toen niet meer op het toppunt van zijn bloei, maar toch was het nog altijd eene prachtige stad. Weinig is er van al die pracht overgebleven. En die weinige overblijfselen maken juist de grootste aantrekkelijkheid uit van het tegenwoordige Athene, de hoofdstad van het koningrijk Griekenland, die (met de haven Piraeus) ongeveer 60 000 inwoners telt. Ten tijde van zijn hoogsten bloei bezat Athene 10 000 huizen met eene bevolking van 200 000 zielen.
Van Athene ging de apostel naar Korinthe, waar hij langen tijd vertoefde en eene gemeente stichtte. Korinthe was zeer gunstig gelegen tusschen de Golven van Korinthe en van Saron. Aan deze laatste golf lag de haven Kenchree.
Op zijne reis als gevangene naar Rome voer Paul us voorbij het eiland Creta. Dit schoone eiland, ongeveer 190 vierkante mijlen groot, sluit de Aegeesche Zee als het ware aan de zuidzijde af. Het is zeer bergachtig, doch heeft vruchtbare valleien en vele goede havens. Sedert het door de Turken werd veroverd (1669) is het âCreta met 100 stedenquot;, zooals het eiland in de oudheid wel werd genoemd, zeer vervallen. Bij de Israëlieten heette het Kaf tor. Aan de zuidzijde van het eiland ligt de plaats Schoone havens, waar het schip binnenliep.
51
Doch daar deze liaven niet geschikt was om er te overwinteren, beproefde men, tegen den raad van Paulus, het verder westelijk gelegen Fenix te bereiken. Maar de storm dreef het schip van Creta weg, voorbij het eilandje Clauda, thans Gozzo, en her- en derwaarts geslingerd door de golven der Adriatische Zee, bereikten de reizigers als schipbreukelingen het eiland Melite, thans Malta. Aan de noordwestzijde van het eiland, in de St. Paulus Baai, wijst men tegenwoordig nog de plaats, waar de apostel met zijne reisgenooten landde. Op Malta werd overwinterd en vervolgens de reis voortgezet. De eerste stad, die het schip aandeed, was Syracuse, aan de zuidoostkust van het eiland Sicilië, thans Siragossa, met 18 000 inwoners. Paulus vertoefde er drie dagen en voer toen over Rhegium, thans Reggio (38 000 inw.), naar Puteoli, westelijk van Napels. Deze stad was de voorhaven van Rome en eetie der levendigste zeesteden van geheel Italië. Hier eindigde de zeereis. Over land werd de tocht voortgezet. Voorbij Appiusmarkt en de Drie Tabernen bereikte Paulus Rome, de âeeuwige stadquot;, de schitterende hoofdstad van het Romeinsche wereldrijk. Volgens de overlevering werd zij in 753 v. Chr. op den Palatijnschen heuvel, aan den linkeroever van den Tiber, door Latijnsche boeren gesticht. Met de macht van het Romeinsche volk breidde ook de omvang der stad zich uit. Weldra was de eerste heuvel te klein: Rome werd de âzevenheuvelenstadquot;. Tijdens keizer Nero ging zij in vlammen op, om nog schooner uit hare asch te verrijzen. Zij werd eene wereldstad met meer dan 2 millioen inwoners. Nog altijd is Rome eene groote stad, wier talrijke en schoone bouwvallen echter herinneren aan een nog
4*
52
grooter verleden. Sedert 1870 de hoofdstad van het koningrijk Italië, telt de stad thans 245 000 inwoners.
Paulus bleef 2 volle jaren te Rome. Men veronderstelt, dat hij toen zijne vrijheid herkreeg, opnieuw reisde en o. a. ook Spanje, Frankryk en Brittannië bezocht. Van dat alles weet men echter niets met zekerheid. Men weet alleen, dat de groote Heidenapostel te Rome den marteldood stierf.
BIJ l)E FIR1IA J. li. mms TE GilöMMN IS VERSCHENEN:
G. H. BLEEKER en H. MARWITZ, School kaart van Palestina, in 6 bladen, met Handleiding; prijs f 3,90.
Vroeger verscheen:
G. H. BLEEKER en H. MARWITZ, Wandkaart voor Bijbelse he
Geschiedenis, 6 bladen, prijs f 8,75.
G. H. BLEEKER en H. MARWiTZ, Bijbelsche Aardrijkskunde. Handleiding bij de Wandkaart voor Bijbelsche Geschiedenis. Prijs f 1,00.
De prijs van de tweede uitgave dezer Wandkaart (met Handleiding) is f 5,00.
Van de vele gunstige beoordeelingen van bovenstaand werk volge hier die van Dr. j. van loexex l.lzn. in Geloof en Vrijheid:
Van grooteren omvang (200 bladz.) en meer wetenschappelijken aard â dan een vooraf besproken werkje â is de Handleiding bij de quot;Wandkaart voor Bijbelsche Geschiedenis, die onder den titel âBijbelsche Aardrijkskundequot; door de heeren Gr. H. Bleeker en H. Marwitz, predikant en hoofd der school te Tjamsweer bij de firma J. B. Wolters te Groningen het licht zag. De lezers dezer âBijbelsche Aardrijkskundequot; zien zich eerst gebracht aan de boorden van den Nijl, dan in de vlakte van Eufraat en Tigris, daarop in de landen aan gene zijde van den Tigris (Armenië, Elam, Medië en Perzië), verder aan de kust der Middellandsche Zee, om eindelijk den voet te zetten op
54
den bodem van het Beloofde Land en nauwkeurig opmerkzaam gemaakt te worden op zijn bergen, rivieren, dorpen en steden, op zijn hoofdstad Jeruzalem bovenal. Daarna wordt nog het arbeidsveld van den, apostel Paulus in oogenschouw genomen en in een Aanhangselquot; de Volkentafel van Gen. X besproken.
In deze Handleiding is de omvangrijke stof zorgvuldig en degelijk bewerkt. Bij de nauwkeurige beschrijving van den bodem, de voortbrengselen, de bewoners enz. der verschillende genoemde landen wordt een overzicht gevoegd van de geschiedenis hunner lotgevallen. Zoo wordt van het Joodscle Land een nauwkeurig beeld geteekend; zijn natuurlijke gesteldheid en allengs en dikwijls gewijzigde staatkundige indeeling wordt besproken: wat Galilea, Samaria, Judea en Peréa te vermelden geven, wordt uitvoerig behandeld; en dan wordt aan de hand van de rollen der historie eene zoo nauwkeurige beschrijving gegeven van Jeruzalems ligging, inrichting, gebouwen, lotgevallen, tot op onzen tijd toe, dat zich voor het oog van den aandachtigen lezer wel een duidelijk beeld moet plaatsen van deze merkwaardigste stad van den aardbodem.
Deze Handleiding behoort bij de gelijktijdig verschenen âWandkaart voor Bijbelsclie Geschied en is.quot; Deze groote kaart behelst a) een zeer duidelijk geteekende kaart van Palestina met een kleinere van hetzelfde land, verdeeld onder de âXII stammen van Israël;quot; b) eene kaart van Assyrië en de aangrenzende landen, waaronder nog een kaartje is aangebracht van Jeruzalem ten tijde van Jezus en de apostelen, en een ander, waarop de Geslachten der volkeren-tafel (Gen. X) vermeld zijn; en c) [een kaart van Italië, Griekenland, Klein-Azië, Syrië en Palestina, waarop de âreizen van Paulusquot; aangeduid zijn.
Zij is keurig en nauwkeurig bewerkt. Kleine fouten zullen ook hier ongetwijfeld aangetroffen worden; maar in hoofdzaak is zoowel deze Kaart als de Handleiding volkomen betrouwbaar. Wij hebben
55
daarom, naar ik meen, dezen arbeid dankbaar te aanvaarden. quot;Wie met deze kaart aan den wand zijner leerkamer in het onderwijs over de Bijbelscbe historie waar dit pas geeft en noodig is , aan zijne leerlingen mededeelt wat hij uit de Handleiding ontleende tot verduidelijking van hetgeen het leesboek of de Bijbel vermeldt, hij zal zijn onderwijs aan duidelijkheid, maar ook aan degelijkheid doen winnen en het beoogde doel beter bereiken. Bovendien verdient het bijzondere vermelding, dat wij in deze Wandkaart en Handleiding de vrucht mogen zien van den gemeenschappelijken arbeid van een predikant en een hoofdonderwijzer van dezelfde gemeente. Gelukkig de plaats, waar deze twee samenwerken kunnen en willen, ter vermeerdering en verbetering van de hulpmiddelen voor het godsdienstonderwijs. Vinde het voorbeeld, te Tjamsweer gegeven, in menige gemeente navolging â tot verbetering van het godsdienstonderwijs, tot vermeerdering van de godsdienstige kennis en tot versterking van het Christelijk leven bij het aankomend geslacht!