W IJ Z E
OM
vooptdiireni! en vertrouwelijk met God om te pan
DOOR
DEN H. ALPHONSUS MARIA DE LIGUORI
VERTALING
DOOR
Th. BENSDORP,
Priester der Congregatie dos Allerli. Verlossers.
AMSTERDAM,
F. H. J. BEKKER. 1893.
IMPRIMATUR, SERV AXIS SERVAXDIS.
J. Meeuwissen, congr. SS. Rcdeinpt. amstelodami, sup. prov.
die 12 Jan. 1893.
IMPRIMATUR.
A. M. C. van Coorii,
Libr. Cens.
i
amstelodami,
die 22 Jan. 1893.
Wijze 0® voortdurend ei vertol-welijk met iei gm, te gaas»
i.
GOD WIL, DAT MEN GEMEENZAAM EN VERTROUWELIJK MET HEM OMGA.
Job was buiten zich zeiven . van verbazing bij het gezicht der goedheid van onzen God, die er zóózeer op uit is den menschen goed te doen, dat Hem niets zoozeer ter harte schijnt te gaan, dan den mensch te beminnen en door den mensch te worden bemind. Vandaar riep Job in zijn samenspraak met God in opgetogenheid uit: âHeer, wat is de mensch, dat Gij hem hoogschat, en waarom stelt gij uw hart op hem?quot; Quid est homo quia mag-
4
nificas cum? au I quid apponis crga cum cor tuu.ni i) ?
Hieruit ziet men, welk eene dwaling het is, te meenen, dat men, door vertrouwelijk en gemeenzaam met God te handelen, ontbreken zou aan den eerbied verschuldigd aan zijne oneindige majesteit. Zeer zeker, godvruchtige ziel, gij moet God met allen ootmoed uwen eerbied betoonen, u diep in zijne tegenwoordigheid vernederen, vooral bij de gedachte aan de ondankbaarheden en de beleedigingen, met welke gij Hem vroeger hebt bedroefd ; maar dit moet u niet beletten. Hem tevens te bejegenen met de teederste en vertrouwelijleste liefde. God is de oneindige majesteit, maar Hij is te gelijk de oneindige goedheid, de oneindige liefde. Gij hebt in God een Heer, zoo verheven, als er geen andere zijn kan ; maar gij bezit in Hem tevens den oprechtsten en warmsten vriend. Welverre, dat Hij er zich om zou vertoornen, verlangt God integendeel, dat gij met Hem omgaat op dien zelfden vertrouwelij ken, gemeenzamen
l) Job. 7. 17.
5
en hartelijken voet, waarop de kinderen omgaan met hunne moeder. Hoort, hoe vol teederheid Hij ons tot zich roept en ons zijne liefkoozingen belooft; âGij zult aan de borst worden gedragen en op do knieën geliefkoosd worden ; als een' dien zijne moeder troost, zoo wil ik u troosten.quot; Ar/ nbera porta-bimini, et super genua blandietur vobis: quomodo si aii mater blandiatur, ita ego consolabor vos i). Gelijk eene moeder er haar genoegen in vindt, haren kleinen zoon op haren schoot te hebben, hem te voeden en te lief koozen, zoo is liet ook onzen goeden God een geluk, een gelijke hartelijkheid te kunnen be-toonen aan die uitverkoren zielen, welke zich geheel aan Hem hebben overgegeven en al hunne hoop stellen op zijne goedheid.
Wees er van overtuigd : geen vriend, geen broeder, geen vader, geen moeder, geen bruidegom, geen minn'aar kan u meer beminnen dan God. De eod-delijkc genade is die groote schat.
i) Is. 56. 12, 13.
6
waardoor wij, ellendige schepselen en slaven, de geliefde vrienden worden van onzen Schepper : Itifiuilns enim thesaurus est hominibus, ouo qui usi sunt parlicipes facti sunt amicitiae Dei i): âWant een eindelooze schat is zij voor de men-schen; en die gebruik daarvan maakten, werden deelgenooten van Gods vriendschap.quot; Met geen ander doel zoekt God ons vertrouwen te winnen, met geen ander doel heeft Hij zich-zelven als het ware vernietigd (exi-unnivit scmetipsum), en zich de ver-nedcrino; willen getroosten van mensch
O O
te worden, dan om met ons gemeenzaam te kunnen omgaan. Cum hominibus convers a tus est 2) âHij heeft met de menschen verkeerd.quot; Door zijne liefde vervoerd wilde Hij zelfs een kind worden, wilde hij leven als een arme, ja liet Hij zich openlijk terechtstellen op een kruis. Door die liefde ook is Hij er toe gekomen zich tegenwoordig te stellen onder schijn van brood, om al-zoo immer bij ons te zijn en zich op
1) Sap. 7. 14.
2) Bar. 3. 38.
7
het innigst met ons te vereenigen : âDie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in Hemquot;. Qui mandu-cat me am carnem et bib it mctim sangui-nem in ine ma net et ego in Ulo i). In een woord, God bemint u zóó vurig, dat Hij geen andere liefde schijnt te hebben dan voor u. Ziedaar, waarom ook gij geen ander moet beminnen dan God. Zeg daarom van uwen God, gelijk gij het kunt en moet zeggen: âMijn beminde is aan mij en ik ben aan Hem.quot; Dilec-tus mens mi hi, et ego illi 2). Mij n God heeft zich geheel gegeven aan mij; ik geef mij dan ook geheel aan Hem. Hij heeft mij tot zijnen welbeminde gekozen; ook ik wil Hem onder allen voor mijne eenige liefde kiezen. âMijn geliefde is wit en rood, uitverkoren onder duizenden.quot; Dilectus mens candidns et rnhienndits, elec-tt/s ex millibus 3).
t Betuig ook dikwijls die liefde aan
God; zeg Hem: O mijn God, waarom toch bemint gij mij zoozeer ? Wat goeds
1) Joa. 6. 57.
2) Cant. 2. ió.
3) Cant. 5. 10.
8
ziet Gij toch in mij ? Zijt Gij dan de beleedi-gingen vergeten, die ik U heb aangedaan ?
Maar, als Gij zoo goed voor mij geweest zijt,
dat Gij in plaats van mij naar de hel te verwijzen, mij integendeel nog zoovele genaden hebt geschonken, wien dan zal ik voortaan anders nog beminnen, o mijn goed en mijn al, tenzij U alleen? O mijn allerbeminnelijkste God, ik heb U in het verledenebeleedigd,maar wat mij het meest bedroeft, is niet zoozeer de straf, die ik daardoor verdiend heb, als wel het misnoegen, dat ik daardoor gegeven heb aan U, die een oneindige liefde verdient.
Doch Gij kunt geen hart, dat berouw heeft en zich vernedert, versmaden : Cor contrituni et humiliatum, Dejis, non dc-spicies i). Ach mijn God, thans verlang ik voor tijd en eeuwigheid, niets anders meer dan U: âWant wat heb ik in den hemel en wat verlang ik op aarde buiten U ? . .. Quid fnihi est i?i coelo ct a \ te quid volui super terrain ? Deus cordis mei et pars mea, Deus in aeternuvi 2).
Thans zijt Gij alleen, en dat voor immer,
1) Ps. 50. 18.
2) Ps. 72. 29.
9
de eenige Meester van mijn hart en van mijn wil, Gij mijn eenig goed, mijn paradijs, mijn hoop, mijn liefde, mijn al. De God mijns harten en mijn deel is God voor eeuwig. Deus cordis mei et pars mea Deus in aeternum.
Om nu uw vertrouwen in God meer en meer te versterken, moet gij er dikwijls aan denken, hoe liefdevol God met u gehandeld heeft, wat liefdevolle middelen Hij al gebruikt heeft, om u te doen opstaan uit uw ongeregeld leven, om u los te maken van uwe aardsche gehechtheden en u tot zijne heilige liefde te trekken; dan toch zult gij het niet wagen te vreezen en uwen God weinig vertrouwen te toonen, thans nu gij een vast besloten wil hebt, Hem te beminnen en Hem zooveel gij kunt, genoegen te geven. De blijken van barmhartigheid, die Hij u vroeger heeft gegeven, bewijzen u immers al te duidelijk, dat Hij u waarlijk bemint?
Het is niet aangenaam voor God, dat zielen, die Hem van ganscher harte beminnen, die ook Hij dus bemint, Hem zoo weinig vertrouwen toonen. Wilt gij derhalve het liefdevol hart van
10
uwen Gud genoegen geven, behandel Hem dan voortaan zoo vertrouwelijk en zoo hartelijk als u maar mogelijk is.
âIk heb u in mijne handen geschreven: uwe muren zijn immer voor mijne oogenquot;. In ?nanibus ineis descripsi le, mun tui coram oculis mcis semper i). Mijn beminde ziel, zoo spreekt de Heer, waarom zijt gij bevreesd, of waarom voedt gij mistrouwen ? Ik heb u geschreven in mijne handen, om er immer aan te denken u wel te doen. Zijt o-ij misschien bevreesd voor uwe vijanden ? Weet, dat de zorg voor uwe verdediging immer voor mijne oogen is, zoodat' ik die nooit kan vergeten. Ziedaar, waarom David jubelend uitriep ; âHeer, als met een schild omgeeft Gij ons met uwe goedgunstigheidquot;. Ut sado bonae voluntatis tuae coronasti nos 2). Heer, wie zal ons nog kwaad kunnen doen, nu Gij met uwe goedheid en uwe liefde ons verdedigt en ons van alle kanten omringt? Verlevendig vooral uw vertrouwen door de gedachte aan dat groote geschenk van Gods liefde, aan Je-
1) is. 49. 16.
2) Ps. 5. 13.
II
sus Christus: âZóó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eenigen zoon heeft gegeven.quot; Sic Deus dile.xit immduin ut Fthum sinuii unigen itum dar el i). Hoe toch kunnen wij vreezen, roept de apostel uit, dat God ons iets weigeren zii], nadat Hij ons begiftigd heeft met zijn eigen Zoon ? Voor ons allen heeft God Hem overgeleverd; hoe heeft Hij ons met Hem ook niet alles sjeffeven ? Pro
o O
nobis omnibus tradidit tlluin : quoniodo non ctiam cum illo onniia nobis donmnl 2).
âMijn wellust is te zijn met de kinderen des menschen 3).quot; Het hart van den mensch- is om zoo te spreken Gods paradijs. Als nu God u zóózeer bemint, bemin ook gij Hem dan. Als het zijn geneugte is met U te zijn, laat het dan ook uw geneugte wezen, met Hem te zijn, en al den tijd van uw leven door te brengen in datzelfde beminnelijk gezelschap, dat gij eenmaal hoopt te genieten gedurende de gansche gelukzalige eeuwigheid.
1) Jo. 3. 16.
2) Rom. 8. 32.
3) Prov. S. 31.
12
Maak u gewoon dikwijls in stilte met
God te spreken; doe dit op gemeen-zamen toon, vol liefde en vertrouwen, gelijk met een vriend, den besten, dien gij hebt, en die u het meest bemint.
II.
HET TS GEMAKKELIJK EN AANGENAAM ZICH MET GOD TE ONDERHOUDEN.
Is het nu, gelijk gezegd is, een groote dwaling, tegenover God weinig vertrouwen te toonen, en immer voor Hem te willen verschijnen gelijk een vreesachtige en bloode slaaf voor zijnen koning verschijnt, sidderend van vrees; nog grooter dwaling zou het zijn, te meenen, dat de omgang met God slechts verveling en bitterheid schenkt: neen; dat is niet waar : âIn den omgang met Hem is niets bitters noch in Zijn gezelschap iets vervelendsquot;. Non hahct amariludinem couvcrsatio ill hts vee lacdi-nni eonvietus iliius i). Vraag het de zi ïlen, die Hem waarachtig beminnen; zij zul-
i) Sap. 8. 16.
13
len u zeggen, dat zij in de kwellingen van het leven nergens grooteren en meer deugdelijkcn ti'oost vinden dan in hun liefdevollen omgang met God.
Men vraagt van u geene voortdurende inspanning van uwen geest, waarvoor gij al uwe bezigheden en uwe uitspanningen zoudt moeten vergeten; er wordt niets anders van u gevraagd dan tegenover God hetzelfde te doen, wat gij bij voorkomende gelegenheden doet voor een ieder, die u bemint en die bemind wordt door u.
Uw God is immer bij u, wat meer is: Hij is in u. âIn Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij i)quot;. Men behoeft niet aangemeld te worden, wanneer men Hem verlangt te spreken ; neen, God heeft gaarne, dat men vertrouwelijk met Hem omgaat. Spreek Hem daarom over al uwe zaken, over uwe plannen, uwe moeielijkheden, uwe bekommeringen, over alles in een woord wat u ter harte gaat. Doe het bovenal, gelijk ik zeide, vertrouwelijk en met een open hart. God is niet gewoon tot ecne ziel te spreken.
i) Act. 17. 28.
M
als de ziel niet tot God spreekt, want' als de ziel niet gewoon is zich met God te onderhouden, zal zij, indien Hij haar ook al toespreekt, zijne woorden toch niet verstaan. Vandaar Gods klacht in het Hooglied : Soror vostra pan'a est; quid faciemus sorori nostrae in die quando alloqtienda est i) : Onze zuster is nog een kind in de liefde, wat zullen wij haar toespreken, indien zij mij niet verstaat ?
Wanneer wij Gods genade verachten, dan ja wil Hij beschouwd worden als Heer, de machtigste en verschrikkelijkste, die er bestaat; maar, als wij Hem beminnen, wil Hij door ons behandeld worden als onze hartelijkste vriend. Hij wil dan, dat wij Hem dikwijls toespreken, en dit met groote vertrouwelijkheid en ongedwongen.
Het is waar, wij moeten God immer behandelen met den hoogsten eerbied ; maar, als Hij u de genade bewijst, van u te doen gevoelen, dat Hij bij u is, en verlangt door u toegesproken te worden gelijk uw beste vriend,
i) Cant. 8. 8.
openbaar Hem dan de gevoelens van uw hart met groote vrijmoedigheid en vertrouwen. God wacht niet tot gij zelf het eerst naar Hem toegaat; maar, zoodra gij zijne liefde verlangt, voorkomt Hij u; en vertoont zich aan u met alle genaden en hulpmiddelen, die u noodig zijn: Praeoccupat qui se concupiscunt ut Hl is se prior ostendat i). Het is Hem genoeg, dat gij Hem toespreekt, om u aanstonds te toonen, dat Hij bij u is en vol bereidvaardigheid om u te ver-hooren en te troosten: Et aurcs ejus in prcccs coram 2).
Onze goede God is door zijne onmetelijkheid op alle plaatsen tegenwoordig, doch er zijn vooral twee plaatsen, waar Hij op geheel bijzondere wijze zijne woning heeft: de eene is den hemel, waar Hij tegenwoordig is met de glorie, welke Hij daar mededeelt aan de heiligen ; de andere is op aarde en wel in het hart van de nederige ziel, die Hem bemint: âIk woon met hem, die nederig en ver-
1) Sap. 6. 14.
morzclcl van geest is.quot; Ha bi tans cum fonlrilo ct hiimili spirit!/, i) Onze God woont dus in het hooge der hemelen ; maar Hij acht het niet beneden zich tevens de dagen en nachten door te brengen met zijne getrouwe dienaren in hunne cellen en grotten. Daar spreekt Hij met hen en deelt hun daar zijne goddelijke vertroostingen mede, van welke een enkele meer waard is dan alle genoegens der aarde, en naar welke alleen hij niet verlangt, die ze nooit heeft gesmaakt: âProeft en ondervindt hoe zoet de Heer is.quot; Gus-tate et videte qnoniam suavis est Dominus 2).
De vrienden dezer wereld hebben uren, waarop zij met elkander verkeeren, en uren, waarop zij van elkander verwijderd zijn; maar, indien gij wilt, zal er nooit een enkel uur van scheiding zijn tusschen God en u : âGij zult slapen, en uw slaap zal zoet zijn, want de Heer zal aan uw zijde staan.quot; Quiesc.es, et sua?'is er it sommis huis. Dominus ent in latere tuo 3). Wanneer gij rust, wijkt
1) Is. 57. 15.
2) Prov. 3. 24. 26.
3) Ps. 33. 9.
17
Hij niet van uwe sponde, maar Hij blijft bij u immer aan u denkende, om, wanneer gij des nachts mocht ontwaken, u aanstonds met zijne heilige ingevingen te kunnen toespreken, en ook van u een of andere betuiging van liefde, van opoffering of dankbaarheid te ontvangen ; zoo derhalve zet Hij ook gedurende die uren van rust zijn zoeten omgang met u voort. Conquiescam cum ilia et er it allocutio cogitationis i). Ja soms zal Hij u zelfs toespreken in uwen slaap en u ook dan zijne woorden doen hooren, opdat gij die bij uw ontwaken in vervulling moogt brengen: âGedurende den slaap zal ik hem toespreken 2)quot;. Per somnium loquar ad ill urn.
Ook des morgens is Hij bij u, om van u een woord te hooren van gene-arenheid of vertrouwen; om het offer te
O 7
ontvangen van uwe eerste gedachten en van alle werken, welke gij dien dag wilt verrichten, om Hem genoegen te geven; het offer van alle wederwaardigheden, die gij u voorstelt te zijner eer en liefde
1) Sap. 8. 9, 16.
2) Num. 12. 6.
2
i8
geduldig te verdragen. Maar, als uw God zich nu zoozeer beijvert om zich op dat oogenblik van uw ontwaken, aanstonds aan u te vertoonen, verzuim ook gij dan van uw kant niet. Hem aanstonds een blik van liefde te schenken en u te verheugen, als gij van uwen God die blijde tijding moogt vernemen, dat Hij niet meer van u verwijderd is, gelijk Hij dit eens was door uwe zonden, maar dat Hij u thans bemint, dat Hij ook door u bemind wil worden, daar Hij u op datzelfde oogenblik herinnert aan zijn beminnelijk gebod: âGij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart i)quot;. Dili ges Dominum tiuini ex toto corde tuo.
Hl.
WAAROVER, WANNEER EN HOE WIJ MET GOD MOETEN SPREKEN.
I. IN HET ALGEMEEN.
Zorg dan, dat gij Gods zoete tegenwoordigheid niet vergeet, gelijk de meeste
i) Deut. 6. 5.
menschen dit doen. Spreek met Hem, zoo dikwij Is gij maar kunt; meen niet, dat Hem dit verveelt of dat Hij het beneden zich rekent gelijk de grooten dezer wereld. Als gij Hem bemint, zal het n aan seen stof tot onderhoud ontbreken. Spreek met Hem van alles wat u in de gedachten komt; van uzelven, van uwe zaken, gelijk gij het zoudt vertellen aan een vertrouwd vriend. Beschouw Hem niet als een hooghartig heerscher, die met niemand wil omgaan dan met grooten, en alleen over gewichtige zaken wil spreken. O neen, onze goede God daalt gaarne tot ons af, en verlangt dat wij Hem zelfs in onze kleinste en meest alle-daagsche belangen inwijden. God bemint u zóózeer en heeft zóóveel zorg voor u, als had Hij aan niemand anders te denken dan aan u. Hij geeft zich zóóveel moeite voor uw welzijn, dat het schijnt, als bezat Hij zijne voorzienigheid alleen maar om u te bewaren, zijn almacht, om u alleen te hulp te komen, zijne barmhartigheid en goedheid alleen maar om deernis met u te hebben, u te overladen met zijne weldaden en door zijne liefdevolle oplettendheden uw ver-
20
trouwen en uw hart te winnen. Maak Hem daarom vrijmoedig geheel uw binnenste bekend, bid Hem, dat Hij u helpe om al zijne wilsbeschikkingen volmaakt te volbrengen ; laten al uwe verlangens, al uwe inzichten niets anders beoogen dan te weten wat Hem behagelijk is en voldoening te geven aan zijn goddelijk hart; âOpenbaar den Heer uwen wandel.quot; En vraag Hem, dat Hij uwe gangen leide en dat al uwe plannen in Hem mogen verblijven.quot; Rcvcla Domino vlam tuam i). Et pete ab eo ut vias tuns dirigat, et omnia consilia tua in ipso per-maneant 2).
Zeg niet: maar waartoe is het noo-dig al mijne benoodigdheden aan God bekend te maken, daar Hij ze immers ziet en ze veel beter kent dan ik zelf? God kent ze ja; maar Hij gedraagt zich, alsof Hij niets wist van de noodwendigheden, van welke gij Hem niet spreekt, en voor welke ge Hem niet om hulp vraagt. Onze goddelijke Zaligmaker wist zeer goed, dat Lazarus dood was; maar Hij
1) Ps. 36. 5.
2) Tob. 4. 20.
21
liet niet blijken, dat Hij het wist, voor en aleer Magdalena het Hem gezegd had; eerst toen troostte Hij haar door de opwekking van haren broeder.
2. IN DE KWELLINGEN.
Daarom, als gij gedrukt gaat onder eene ziekte, eene bekoring, eene vervolging of eenige andere beproeving, ga dan dadelijk om Gods bijstand vragen. Het is genoeg, dat gij Hem uwe beproeving openbaart, en Hem zegt: âHeer zie hoe bedrukt ik ben.quot; Vide Do mine quoniam. tribulor. Hij zal dan niet nalaten u te helpen; ten minste zal Hij u kracht geven, om uw beproeving met geduld te verdragen, en dit zal nog beter voor u wezen, dan er werkelijk van bevrijd te worden. Openbaar Hem de gedachten van vrees of van droefheid, die u kwellen; zeg Hem: o mijn God, op U isal mijne hoop gevestigd, ik draag U deze bitterheid op, en ik geef mij aan uwen heiligen wil over; maar wil Gij u dan ook mijner erbarmen: of wel bevrijd mij van die beproeving, of wel geef mij kracht om ze geduldig te verdragen.
22
En zeer zeker, de Heer zal u dan troost of tenminste kracht schenken, gelijk Kij het beloofd heeft in het evangelie aan allen, die in hunne bedruktheid tot Hem hun toevlucht nemen: âKomt allen tot mij, die lijdt en gedrukt gaat, en ik zal u verkwikken.quot; Venite ad me onines qui laboratis et onerah estis et ego reficiam vos i).
God laakt het niet, dat gij in uwe kwellingen ook bij uwe vrienden eenigen troost gaat zoeken, maar Hij wil, da,t gij vooral uw toevlucht neemt tot Hem. Hebt ge dan uw toevlucht genomen tot de schepselen, en daar geen troost kunnen vinden voor uw hart, ga dan ten minste daarna tot uwen Schepper en zeg Hem : O Heer, de menschen hebben niets dan woorden: verbosi a?nici met 2), doch zij geven mij geen troost ; maar ik wil ook geen troost van hen; Gij, Heer, zijt geheel mijn hoop, Gij mijne eenige liefde; alleen van U wil ik getroost zijn, en die troost besta hierin, dat ik in deze omstandigheid handele.
1) Matth. 11. 28.
2) Job. 16. 2 T.
23
gelijk u behagelijk is. Heer, ziedaar dan, ik ben bereid deze beproeving mijn geheele leven te verdragen, ja zelfs gedurende de gansche eeuwigheid, indien dit aan U zou behagen; doch ik bid U, gewaardig Gij u dan ook mij te helpen.
Wees niet bevreesd, dat God het u kwalijk zal nemen, als gij u nu en dan eens op minzame wijze bij Hem beklaagt; gerust moogt gij eens zeggen: âWaarom, o Heere, houdt gij u in de verte.quot; Ut quid Do mine, recess isti longc I; ? Heer, Gij weet, dat ik U bemin en dat ik niets anders verlang dan uwe liefde, waarom hebt Gij U van mij verwijderd? Welaan, kom mij te hulp, wil mij toch niet verlaten. En, als de kwelling al te zeer aanhoudt en u al te zeer benauwt, vereenig dan uwe stem met die van den bedrukten, aan het kruis stervenden Jesus; roep tot God om barmhartigheid met die woorden van zijnen Zoon: âMijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?quot;
i) Ps. IO. I.
24
Deus incus, ut quid dercliquisti me i)? Doch laat die beproeving u slechts dienen, om u dieper te vernederen door de gedachte, dat hij, die God heeft beleedigd. geen aanspraak kan maken op troost; verlevendig echter te gelijk uw vertrouwen en herinner u, dat alles, wat God doet of toelaat, tot uw welzijn geschiedt. âAlles werkt mede ten goede.quot; Omnia cooperantur in bo-num 2). Juist dan, als gij u het meest aan verwarring en mistrouwen ten prooi gevoelt, moet gij zeggen metgrootheid van hart: âDe Heer is mijn licht en mijn heil; wien zal ik vreezen!quot; Do minus illuminatio inca et salus inca, quein iiinebo 3). Gij, Heer, moet mij licht schenken. Gij mij zalig maken, ik stel mijn vertrouwen op u. âOp u, o Heer, heb ik gehoopt; ik zal in eeuwigheid niet beschaamd worden.quot; In te Domine speravi, non confundar in actcrnum 4). Breng aldus u zeiven tot kalmte, wel overtuigd, dat er nooit
i! Matth. 27. 46.
2) Rom. 8. 28.
3) Ps. 20. 1.
4) Ps. 30. 2.
25
iemand gevonden werd, die op den Heer vertrouwde en verloren is gegaan: âNiemand heeft op den Heer vertrouwd en is beschaamd geworden.quot; Nullus spcravit in Domino ct confusus est i). Bedenk, dat uw God u meer bemint dan gij u zeiven kunt beminnen; wat zoudt gij dus vreezen? David gevoelde zich geheel getroost, als hij zeide: âDe Heer is bezorgd voor mijquot;: Dominus sollicitus est mei 2). Zeg daarom tot God : o Heer, ik geef mij geheel in uwe armen over ; ik wil om niets meer bekommerd zijn dan om U te dienen en aan U welgevallig te zijn; zie. Heer, ik ben nu bereid alles te doen, wat Gij van mij verlangt. Niet alleen verlangt Gij mijn geluk, maar Gij zijt er zelfs bezorgd voor; aan U dan laat ik de zorg voor mijn geluk over. In U wil ik nu en immer rusten, want Gij wilt, dat wij al onze hoop stellen op U : In pace in idipsum dor mi am el requieseam; quoniam tu, Do mine, singular iter ill spe constituisti me 3).
1) Eccli. 2. 11.
2) Ps. 39. 18.
3) Ps. 4. 9. 16.
20
âHebt gevoelens aangaande den Heer zijner goedheid waardig.quot; Sentite de Domino in bonitate i). Met die woorden vermaant ons de Wijze Man, meer vertrouwen te hebben op de goddelijke barmhartigheid dan vrees voor de goddelijke rechtvaardigheid; want, gelijk de H. Jacobus zegt, God is veel meer geneigd om wel te doen dan om te kastijden: âDe barmhartigheid roemt tegen het oordeel.quot; Superexaltat autem mis er kor dia judicium 2). Vandaar wil de H. Petrus, 'dat wij in al onze bekommeringen, zoowel wat het tijdelijke als wat het eeuwige betreft, ons immer geheel verlaten op de goedheid van God, daar God de grootste zorg heeft voor ons geluk: âWerpt al uwe bekommering op den Heer; want Hij draagt zorg voor u.quot; Omriem sollicilu-dinem vest ram piojicicntes vn eum, quomam ipsi cura est de vobis 3). O hoe schoon is hierom de titel, welken David den Heer geeft, als hij onzen God een God noemt, die slechts zalig
1) Sap. 1. 1.
2) Jac. 2. 13.
3) 1. Pet. 5. 7.
27
wil maken: Deus no ster, Deus salvos faciendi i). Deze uitdrukking beteekent (volgens de verklaring van Bellarminus) dat de eigenlijke taak van God niet is te verdoemen, maar allen zalig te maken; want, bedreigt God ook al hen, die Hem verachten, met zijnen toorn. Hij belooft daarentegen vastelijk zijne erbarming aan allen die Hem vreezen: Et miserieordia ejus timentibns eum, gelijk eens de H. Maagd het zong in haren lofzang. Ik haal al die plaatsen der H. Schrift voor u aan, godvruchtige ziel, opdat gij goeden moed zoudt houden, wanneer gij soms gekweld wordt door de gedachte, of gij wel zalig zult worden, en of God u wel heeft voorbeschikt; immers uit al die beloften, welke God u doet, ziet gij hoe groot zijn verlangen is u zalig te maken, zoo gij slechts besloten zijt, Hem te dienen en Hem te beminnen, gelijk Hij het van u vraagt.
3. IN DE VREUGDE.
Gebeurt het u, dat gij eene tijding
1) Ps. 67. 21.
28
ontvangt, die u behaagt, doe dan niet gelijk sommige ontrouwe en ondankbare zielen doen, die tot God gaan in den tijd van beproeving, maar Hem in den tijd van voorspoed vergeten en verlaten ; neen, betoon aan God dezelfde vertrouwelijkheid, welke gij betoonen zoudt aan een vriend, die u bemint en zich over uw geluk verblijdt; ga Hem aanstonds uwe vreugde mededeelen, loof en dank Hem, het geheel beschouwende als een geschenk van zijne hand; verblijd u over uw geluk, omdat het u toekomt door zijn goddelijk welbehagen; laat alzoo uwe vreugde en uw troost geheel in Hem zijn : âIk zal juichen in God mijnen Zaligmaker.quot; âIk zal den Heer, die mij weldeed, lofzingen.quot; Exul-taho in Deo Jcsu meo i). Cant ah o Domino qui bona tribuit mi hi 2). Zeg Hem : o mijn Jesus, ik zegen U en ik zal U immer zegenen voor al die genaden, welke Gij mij schenkt, want ja, geen genade verdiende ik, maar kastijding, omdat ik U zoo dikwijls heb beleedigd. Zeg Hem
1) Habac 3. 18.
2) Ps. 12. 6.
29
met de gewijde Bruid: âAlle vruchten, zoowel nieuwe als oude, heb ik voor u weggelegd, mijn geliefde.quot; Omnia poma nova et 'vetera servavi tibi dilectc mi i). Heer, ik zeg u dank; ik bewaar al uwe weldaden, zoowel van vroeger als van heden, in mijne herinnering, om er U naderhand voor te loven en te verheerlijken in alle eeuwigheid.
Doch, als gij uwen God bemint, moet gij u meer verheugen over het geluk van God dan over uw eis-en freluk.
O O
Iemand, die veel van zijn vriend houdt, is dikwijls over het geluk, dat zijn vriend te beurt valt, meer verheugd dan over het geluk, dat hij zejf geniet. Verheug u dan bij de gedachte, dat uw God oneindig gelukkig is; zeg Hem dikwijls: O mijn beminde Heer, ik verheug mij meer over uw geluk dan over eenig goed van mij zeiven; ja, want ik bemin U meer dan ik mij zel-ven bemin.
4. NA EEN FOUT.
Een ander bewijs van vertrouwen,
1) Cant. 7. 13.
3°
dat ten zeerste aan uwen God behaagt, is, dat gij u niet schaamt wanneer gij een fout hebt bedreven, u aanstonds aan zijne voeten te werpen en Hem vergeving te vragen. Bedenk het toch wel; zóózeer is God geneigd om den zondaren vergiffenis te schenken, dat Hij treurt over hun ongeluk, wanneer zij zich van Hem verwijderen en voortleven, dood aan zijne genade. Vandaar dat Hij hun met zooveel liefde, toeroept; âWaarom zoudt gij sterven, huis van Israel ? Keert weder en leeft.quot; Quare moriemini, domus Israel ? Reverti-viini et vivite i). Hij belooft de ziel, die Hem verlaten heeft, als zij in zijne armen terugkeert, aanstonds te zullen ontvangen. âBekeert u tot mij; en ik zal mij tot u keeren.quot; Convertimini ad me et ego convertar ad vos 2). O, als de zondaren eens begrepen met welk eene liefde de Heer hen afwacht, om hun vergiffenis te schenken! âDe Heer wacht, om zich uwer te erbarmen.quot; Expect at Dominus zit misereatur v es tri 3). O, dat zij
1) Ez. 18. 31. 32.
2) Zach. 1. 3.
3) Is. 30. 18.
3i
het verlangen kenden, hetwelk Hij heeft, niet om hen te kastijden, maar om hen bekeerd te zien, om hen te omhelzen en aan zijn hart te drukken! God immers verklaart onder eede, dat Hij niet den dood des zondaars wil, maar dat deze zich bekeere en leve: âZoo waar ik leef, zegt God de Heer, ik wil den dood niet des goddeloozen, maar dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg en leve.quot; Vivo, ego, dicil Do m in us Deus, nolo mortem impii, scd ut convertatur impius a via sua, et vivat i). Ja, Hij gaat zoover, dat Hij de zondaren oproept. Hem te beschuldigen, indien Hij hun geen vergiffenis zou schenken. âKomt, en treedt tegen mij in 't gerecht. Al waren uwe zonden zoo rood als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.quot; Et venite et arguite me, dicit Do minus: si fuerint peccata quot;vestra ut cocci/mm, quasi nix dealbahuntur 2). Als zeide Hij : zondaren, hebt berouw, dat gij mij beleedigd hebt, en komt dan tot mij : en indien Ik u geen vergiffenis schenk, arguite me, werpt
1) Ez. 33, 11.
2) Is. I. 18.
het mij dan tegen, behandelt mij als een ontrouwe; maar neen, ik zal mijn woord niet breken; neen, al was uw geweten ook zoo rood als karmozijn; indien gij tot mij komt, zal ik het met mijne genade zoo wit maken als sneeuw.
Eindelijk heeft Hij nog uitdrukkelijk verklaard, dat zoodra eene ziel berouw heeft. Hem vergramd te hebben. Hij al hare zonden vergeet: âIk zal al hare ongerechtigheden niet meer gedenken.quot; Omnium iniquitatum ejus non recorda-hor i). Als gij dus in een of andere fout valt, hef dan aanstonds uwe oogen op tot God, doe Hem een betuiging Van liefde, belijd uwe fout, en vertrouw vast op vergiffenis. Zeg dan tot God: âHeer, dien Gij bemint, is ziekquot;, Quem amas m-firmatur; dat hart hetwelk U bemint, het is krank, het is vol wonden. âGenees mijne ziel; want zij heeft tegen u gezondigd.quot; Sana animam meam, quia, pcccavi tibi. Heer, Gij gaat rond om zondaren te zoeken, die berouw hebben; zie hier aan uwe voeten een zondaar die naar U zoekt; het kwaad is geschied ; wat
i) Ez. 18. 29.
33
zal ik doen ? Gij wilt niet, dat ik het vertrouwen verlieze ; neen, ondanks mijne zonde wilt Gij mij nog alle goeds ; en ook ik, ik bemin U nog; ja mijn God, ik bemin U uit geheel mijn hart, ik heb berouw over het misnoegen, dat ik U heb aangedaan; ik neem mij voor het nooit meer te doen; welaan Gij, die een God zijt, suavis et mi-tis et copiosus in misericordia, die God zoo zoet, zoo zachtzinnig, zoo overvloeiende van barmhartigheid, schenk mij vergiffenis, zeg ook tot mij, gelijk Gij het eens zeidet tot Magdalena: âUwe zonden worden u vergeven.quot; Rcmitttintiirtibi peccata tna. En geef mij kracht om U in de toekomst getrouw te zijn.
Werp vooral in zulke oogenblikken een oogslag op den gekruisten Jesus, opdat gij niet ontmoedigd moogt worden; bied den hemelschen Vader Jesus' verdiensten aan, en vertrouw vastelijk op vergiffenis ; immers, om aan u vergiffenis te schenken, heeft God zijn eigenZoon niet gespaard. Proprio Filio nonpcpcrcit. Zeg daarom vol vertrouwen : Resp ice in faciem Chris li tui. O mijn God, sla uwe oogen op uwen Zoon, voor mijne
3
34
zaligheid gestorven; welaan dan, om de liefde van dien Zoon, erbarm U, en schenk mij vergiffenis. Geef, godvruchtige ziel, bijzonder acht op dezen wenk, welke door de leermeesters van het geestelijk leven eenparig gegeven wordt: zorg, dat gij, na een fout te hebben begaan, n aanstonds tot God wendt, ook al zondt ge er op éénen dag honderdmaal in hervallen; en, als gij dit gedaan hebt, moot gij, gelijk gezegd is, aanstonds gerust zijn ; want, blijft de moedeloosheid en de verwarring door de fout veroorzaakt in uwe ziel voortduren, dan zult gij u maar weinig meer met God onderhouden, gij zult het vertrouwen verhezen, uw ijver om Hem te beminnen zal verkoelen en gij zult slechts geringen voortgang kunnen maken op den weg des Heeren. Gaat gij daarentegen aanstonds naar God, om Hem vergiffenis te vragen en beterschap te beloven, dan zullen uwe tel'.ortkomintren zelve u dienen
O
om nog meer in de goddelijke liefde vooruit te gaan. Bij vrienden, die elkander van harte beminnen, is het niet zeldzaam, dat, wanneer de een den ander iets misdaan heeft, doch zich daarna
35
vernedert en vergiffenis vraagt, de vriendschap nog nauwer wordt dan te voren; laat het alzoo ook bij u zijn. Zorg, dat uwe fouten u dienen om u nog inniger met God te vereenigen in de liefde.
5. IN TWIJFEL.
Hebt gij een twijfel, omtrent u zeiven of omtrent anderen, doe dan wat getrouwe vrienden in zulke gevallen gewoon zijn: zij z.oeken in alles bij elkander raad. Laat nooit na dat blijk van vertrouwen ook aan God te geven: vraag Hem raad, bid Hem, dat Hij u verlichte en u helpe beslissen wat Hem behagelijk is: Da verbum in ore ineo et 1// corde meo consilium 1). Zeg Hem : âHeer, wat wilt Gij, dat ik doe, of wat moet ik antwoorden ? zeg het mij, ik ⢠zal doen gelijk Gij het zegt. âSpreek, Heer, want uw dienaar luistert.quot; Loquere, Dom inc. quia audit servus tuus 2).
6. VOOR UWEN EVENNAASTE.
Betoon uw vertrouwen aan God ook, door Hem, behalve uw eigen benoodigd-
1) Judith 9, 18.
2) I Reg. 3, 9.
36
heden, ook die van anderen aan te bevelen. Hoezeer behaagt het aan uwen God, als gij bijvijlen uw eigen belangen vergetende, hem spreekt over de belangen zijner glorie, over de ellende van anderen, vooral van hen die bedrukt van harte zijn, van de zielen in het vagevuur, zijne beminde bruiden, die zoozeer naar zijn Heilig Aanschijn verzuchten ; en van de arme zondaren, die beroofd van zijne genade leven! O Heer, zoo moet gij zeggen, inzonderheid voor deze laatsten, o Heer, Gij zijt zoo beminnelijk, Gij verdient eene oneindige liefde, hoe kunt Gij het dan aanzien, dat zoovelen op deze wereld, ofschoon Gij hun zoovele weldaden bewijst, U toch niet willen kennen, weigeren U te beminnen, ja zelfs U durven be-leedigen en verachten? Ach, mijn allerbeminnelijkste God, doe U kennen, doe U beminnen. âGeheiligd zij uw naam, laat toekomen uw rijk.quot; Sanctificetur nomen tnum, adveniat regnum tuum, moge toch Uw heilige naam aanbeden en bemind worden door allen, moge Uwe liefde in alle harten heerschen. O laat mij toch niet van U weggaan, zonder
37
dat Gij mij eenige genade hebt geschonken voor de arme zielen, voor wie ik U bid.
7. VERLANGEN NAAR DEN HEMEL.
Men zegt, dat er in het vagevuur een bijzondere straf is [poena lan-gtioris genaamd) voor de zielen, die tijdens hun leven weinig verlangd hebben naar het paradijs. En met reden, want het verraadt weinig waardeering voor dat groote goed, voor dat eeuwig Koninkrijk, dat onze Verlosser ons met zijnen dood heeft moeten verdienen, als wij er niet vurig naar verlangen. Vergeet daai'om niet, godvruchtige ziel, dikwijls naar het paradijs te verzuchten; zeg tot uwen God, dat gij een zóó vurig verlangen hebt. Hem van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen en te beminnen, dat de tijd u hier beneden wel duizend jaren toeschijnt. Haak er vurig naar te mogen heengaan uit dit ballingsoord, uit deze plaats van zonde en gevaren, om te worden opgenomen in dat land van liefde, waar gij uwen God uit al uwe krachten zult beminnen ;
38
zeg Hem dikwijls: o Heer, zoolang ik op deze aarde leef, ben ik altijd in gevaar U te verlaten en beroofd te worden van Uwe liefde; wanneer zal ik dit leven, waarin ik U immer beleedig, verlaten; wanneer het geluk hebben U te beminnen met geheel mijne ziel, en mij met U vereenigen zonder vrees van U nog ooit te verliezen? Ziedaar het onophoudelijk verlangen van de H. Theresia; telkens, als zij de klok hoorde slaan, verheugde zij zich bij de gedachte, dat er al weder een uur voorbij was van haar leven, een uur van gevaar haren God te verliezen. Zóó vurig verlangde zij naar den dood om tot de aanschouwing van God te komen, dat zij stierf van verlangen om te sterven; vandaar dat lied vol liefde, hetwelk zij vervaardigde : âIk sterf, wijl ik niet steiuc.quot;
IV.
GOD ANTWOORDT DE ZIEL, DTE HEM TOESPREEKT.
In één woord, wilt gij het liefdevol Hart van uwen God genoegen geven,
39
zorg dan zoo dikwijls gij maar kunt met Hem te spreken; doe het zonder ophouden en met alle mogeliike vertrouwe-
O
lijkheid; de Heer van zijnen kant zal het niet beneden zich achten, u ook te antwoorden, en op zijne beurt ook met u te spreken. Hij zal u wel is waar niet toespreken met woorden, die verstaanbaar zijn voor uwe ooren, maar met woorden zeer wel verstaanbaar voor uw hart; zoo gij u ten minste losmaakt van den omgang met de schepselen en u gewent alleen, van hart tot hart u met uwen God te onderhouden. âIk zal haar in de eenzaamheid leiden en tot haar hart spreken.quot; Due am cam in soli-tudincm el loquar ad cor ejus i). Hij zal u dan toespreken door die heilige ingevingen, door die inwendige verlichtingen, door die openbaringen van zijne goedheid, door die zoete beroeringen des harten, door die blijken van vergeving, door dat gevoel van vrede, door die hoop op den hemel, door die inwendige vervoeringen van blijdschap, door die zoete vertroostingen zijner genade, door
i) Os. 2, 14.
40
»
die liefdevolle omhelzingen en blijken van teederheid; in één woord, Hij zal u toespreken met die woorden van liefde, wel bekend aan de zielen, die Hij bemint en die niets anders dan God zoeken.
V.
PRACTISCHE SAMENVATTING.
Ten slotte wil ik u hier, als korte samenvatting van alles, wat wij boven gezegd hebben, een practische manier aangeven, om alle handelingen van den dag aan God welgevallig te maken. Des morgens bij uw ontwaken moet uw eerste gedachte zijn, uw hart tot God te verheffen, door Hem het offer aan te bieden van alles wat gij dien dag zult doen of lijden, en den bijstand af te bidden zijner genade. Doe vervolgens de gewone akten voor den morgen, d. i. betuig God uwe dankbaarheid, doe een akte van liefde, bid om genade en maak het voornemen dien dag zóó door te brengen, alsof hij de laatste was van uw leven. Pater Saint-Jure geeft den raad, des morgens
41
eene overeenkomst met God te maken, door bijv. te bepalen, dat zoo dikwijls wij een bepaald toeken zullen maken, bijv. onze hand naar ons hart zullen brengen, of onze oogen opslaan naar den hemel of naar het kruis of iets dergelijks, wij daarmede bedoelen een akte te doen van liefde, van verlangen om God door allen bemind te zien, van een algeheele toewijding van ons zeiven of iets dergelijks. Nadat gij dan bovenp-enoemde akten hebt verricht en uwe ziel gesteld hebt in de zijde van Jesus Christus en onder den mantel van Maria, nadat gij den Hemelschen Vader hebt gebeden u ter liefde van Jesus en Maria dien dag te bewaren, zorg dan vóór al uwe andere bezigheden eenigen tijd toe te wijden aan het gebed of de overweging, en wel minstens een half uur. Overweeg bij voorkeur de smarten en verguizingen, die Jesus Christus verduurd heeft in zijn lijden. Dit onderwerp is aan de godminnende zielen het dierbaarst, en het meest in staat hen in de liefde Gods te ontvlammen. Drie devotie's moet gij., zoo gij wilt vooruitgaan. bijzonder ter harte nemen: de
devotie tot het lijden van Jesus Christus, de devotie tot het H. Sacrament, en tot de allerheiligste Maagd Maria. Verder, wat het gebed aangaat, zorg daarin dikwijls de akten te herhalen van berouw, van liefde en toewijding van u zeiven. De eerbiedwaardige Pater Carolus Caraffa, Stichter van de â Pii operariiquot; zeide, dat een vurige akte van liefde, die men des morgens in het gebed doet, voldoende is om de ziel den geheelen dag te bewaren in den ijver.
Volbreng ook nauwkeurig uwe andere godvruchtige oefeningen, zooals biecht, H. Communie, brevier enz. Wanneer gij u met uwe uitwendige zaken gaat bezighouden, zooals studie, handwerk of andere bezigheden, aan uwen staat eigen, vergeet dan niet bij het begin van elke handeling de toewijding aan God. Smeek Hem om zijne hulp, opdat gij alles zonder fout doen moogt; verzuim ook niet op het voorbeeld van de H. Catharina van Siena u dikwijls terug te trekken in de cel van uw hart, om u daar met God te vereenigen. In één woord, wat gij ook doet, doe het alles met God en voor God. Wan-
43
neer gij uw kamer of uw huis verlaat, en eveneens wanneer gij er in terugkeert, beveel u dan immer door een Weesgegroet in de bescherming: der allerheiligste
O O O
Maagd. Gaat gij naar tafel, draag dan aan God op hetgeen u bij het eten of drinken weerzin verwekt, of hetgeen u smaakt, en betuig Hem bij het einde uwen dank; zeg Hem: âo Heer, wat zijt gij toch goed voor iemand, die u zoozeer heeft beleedigd.quot; Vergeet door den dag niet uwe geestelijke lezing te doen, alsook uw bezoek bij het allerheiligst Sacrament en bij de allerheiligste Maagd Maria, noch ook des avonds uw rozenkrans te bidden en het gewetensonderzoek te verrichten met de akten van geloof, hoop, liefde en berouw, het voornemen om u te beteren en om de sacramenten te ontvangen in uw leven en bij uwen dood ; maak daarbij ook de meening om alle aflaten te verdienen, die eraan verbonden zijn. Als gij u te bed begeeft, denk er dan aan, dat gij reeds in het vuur der hel moest liggen, cn leg u ter ruste in de omhelzing van het kruis zeggende: âIn vrede, in de bescherming des Heeren zal ik slapen en rusten.quot; hi pace in
44
idipsum dormiam et requiescam i).
Bij deze gelegenheid wil ik in 't kort de vele aflaten aangeven, die aan verschillende gebeden of godvruchtige oefeningen verbonden zijn. Het is daarom goed, dat gij reeds des morgens de meening maakt om dien dag al de aflaten te verdienen, die gij kunt. Iemand, die gelijk boven is aangeduid, de akten doet van geloof enz. kan iederen dag een aflaat verdienen van 7 jaren, en als hij hiermede een maand voortgaat, een volle aflaat, 1) welke toepasselijk is op de geloovige zielen en ook op hem zeiven in articulo mortis (op het oogenblik van sterven). Maak evenzoo de meening om al de aflaten te verdienen, die verbonden zijn aan het bidden van het rozenkransgebed aan een gewijden rozenkrans, aan het bidden van driemaal daags het »Engel des llceren,quot; van de litanie van O. L. V., het Salve Regina, het Wees gegroet en het Glorie zij den Vader; aan het schietgebed: Gezegend zij de onbevlekte
1
Op een dag in de maand naar verkiezing, mits menbieclite, communieeere en bidde lot intentie van
H. (Zie Falise âCongr. Indulg. Resol. Authent.quot;)
45
en allerzuiverste Ontvangenis der gelukzalige Maagd Maria; alsmede aan het schietgebed : Geloofd zij nu en te allen tijde hel allerheiligste Sacrament, aan het bidden van het gebed; Anima Chris li etc. âZiel van Christus heilig mij enz.quot;; aan de buiding van het hoofd bij het Gloria Patri en bij de H.H. namen van Jesus en Maria, ook aan het Mis hooren en het houden van eene overweging gedurende een half uur, waaraan behalve de gedeeltelijke, nog een volle aflaat verbonden is voor ieder, die dit volhoudt gedurende een maand, en daarbij biecht en communiceert 1), benevens de aflaten die men verdient door te knielen voor het allerheiligst Sacrament en door het kussen van het kruis. â Heb immer de meening om al de aflaten te verdienen, die gij kunt.
Om nu in dit leven u zooveel mogelijk ingetogen en met God vereenigd te houden, moet gij trachten bij alles wat gij ziet of hoort uwe gedachten tot God te verheffen of ten minste een blik te werpen op de eeuwigheid. Bij
1
Zie vorige bladzijde t. a. p.
46
voorbeeld, als gij een uurwerk ziet, moet gij denken, dat alzoo ook uw leven afloopt, en gij al meer en meer nabij komt aan den dood. Ziet gij een lamp uitgaan door gebrek aan olie, denk dan dat alzoo ook eens aan uw leven een einde zal komen. Wanneer gij een begrafenis ziet of een doode, bedenk dat ook gij eenmaal dit lot zult ondergaan. Ziet gij de grootcn dezer aarde zich verheugen in hunne waardigheden of rijkdommen, heb dan medelijden met hunne dwaasheid en zeg: Wat mij aangaat, ik heb genoeg aan God : âDezen bctromucn op wagens en die op paarden; maar wij, wij roepen den naam van den Heer onzen God aan i) Him curnbus ct In in equis, nos aiitem in nomine Domini t). Zij beroemen zich op die ijdelheden, ik echter, ik wil mij alleen beroemen op de genade van God en op zijne liefde. Ziet gij een schitterenden lijkstoet of heerlijke grafsteden van gestorven grootcn dezer wereld, zeg dan: Wat baat hun al deze pracht, indien zij verdoemd zijn! Aan-
47
schouwt gij dc zee in rust of door den storm beroerd, denk dan aan het verschil tusschen eene ziel in Gods genade en eene ziel die in zijn ongenade is. Als gij een dorren boom ziet, denk dan aan eene ziel zonder God, hoe zij voor niets goed is dan om in het vuur geworpen te worden. Als gij ooit iemand, die schuldig is aan een zwaar vergrijp, van schaamte en angst ziet beven voor het aanschijn van zijn rechter, zijn vader of overste, stel u dan voor, hoedanig de angst moet zijn van een zondaar voor het aanschijn van den oppersten Rechter Jesus Christus. Wanneer het onweert, en gij eenige vrees gevoelt, denk dan aan het sidderen van de rampzalige verdoemden, daar zij in de hel onophoudelijk den donder hooren der goddelijke gramschap. Ziet gij een ter dood veroordeelde, en hoort gij hem vol droefheid uitroepen: âZoo is er dan voor mij geen redding meer van den dood,quot; stel u dan de wanhoop voor van eene ziel, die, veroordeeld tot de hel, moet zeggen: zoo is er dan voor mij geen redding meer van het eeuwig verderf!
Aanschouwt gij de velden, dc oevers
48
der zee, bloemen en vruchten, wier schoonheid en geur u verkwikken, zeg dan: Ziet, wat schoone schepselen de Heer op deze wereld gemaakt heeft, opdat ik Hem zou beminnen, en welke andere geneugten behoudt Hij mij nog voor in het paradijs! Wanneer de H. Theresia de schoone heuvelen of de heerlijke velden aanschouwde, zeide zij: o hoe verwijt mij dit alles mijne ondankbaarheid jegens God! En de Abt de Rancé, stichter van la Trappe, zeide, dat al dit schoone hem zijne verplichting herinnerde om God te beminnen. Hetzelfde zeide ook de H. Augustinus, daar hij uitriep: âHemel en aarde en al wat zij bevatten roept mij toe, dat ik u moet beminnen/' Coelwn ct terra cl omnia quae in eis sunt, mihi dicunt ut amen te. Men verhaalt van een vroom dienaar Gods, dat hij de bloemen en planten, die hij in de velden ontmoette, dikwijls zachtkens met zijn stok sloeg, terwijl hij zeide: Zwijgt toch, verwijt mij niet langer mijne ondankbaarheid jegens God, ik heb u verstaan, thans is het genoeg, niet meer daarover. Als de H. Maria Mag-dalena de Pazzi eene schoone vrucht
49
of eene bloem in hare handen had, gevoelde zij zich daardoor geheel in goddelijke liefde ontvlammen, want zij zeide dan bij zichzelve; Zie, van alle eeuwigheid heeft God er aan gedacht deze vrucht, deze bloem te scheppen, en mij aldus een bewijs van zijne liefde te geven.
Wanneer gij een rivier of een beek aanschouwt, bedenk dan, dat gelijk dit water voortspoedt naar de zee, zonder ooit stil te staan, ook gij alzoo immer voort moet gaan naar God, uw eenig Qfoed. Gebeurt het u in een voertuig- met
O O
paarden bespannen te rijden, zeg dan: Zie, wat geven zich die schuldelooze dieren een moeite om mij te dienen, en ik, wat moeite geef ik mij voor den dienst en het welbehagen van mijnen God? Wanneer gij een hondje ziet, dat voor een stukje brood zoo getrouw is aan zijnen meester, bedenk dan hoeveel meer gij verplicht zijt aan God getrouw te zijn, die u heeft geschapen, die u bewaart, in al uw behoeften voorziet en u overlaadt met zoovele weldaden. Wanneer gij het gezang der vogelen hoort, zeg dan ; hoort gij, mijne ziel, hoe
4
5°
die diertjes den lof zingen van hunnen Schepper? en gij, wat doet gij? O loof ook gij Hem '.net akten van liefde. Hoort gij daarentegen het gekraai van een haan, denk er dan aan, dat ook gij, gelijk Petrus, een tijdlang uwen God hebt verloochend, en vernieuw alsdan uw smart en uwe tranen. Eveneens, als gij het huis of de plaats ziet, waar gij vroeger gezondigd hebt, keer u dan tot God en zeg Hem: âDe zonden mijner jeugd en mijne misslagen, gedenk ze niet, o Heer. Dclicla juventutis meac ct igno-raiitias mcas nc mevnneris, Do mine i).
Aanschouwt gij de dalen, bedenk dan dat gelijk die dalen hunne vruchtbaarheid danken aan het water dat van de bergen vloeit, eveneens de genaden des hemels neerdalen op de nederige zielen â maar de hoovaardigen verlaten. Ziet gij eene schoon versierde kerk, stel u dan de schoonheid voor eener ziel in staat van genade, daar ook deze een tempel van God is. Wanneer gij de zee aanschouwt, overweeg dan Gods onmetelijkheid en grootheid. Ziet gij een vuur
l) Ps. 24, 7.
5i
of een ontstoken kaars op een altaar, zeg dan: hoeveel jaren moest mijne ziel reeds branden in het vuur der hel! maar omdat gij, o mijn God, mij niet in dat eeuwig vuur hebt willen neerstorten, zoo maak, dat nu mijn hart gelijk dat hout of die kaarsen moge branden van liefde tot U. Aanschouwt gij den sterrenhemel, zeg dan met den H. Andreas Avellinus : o mijne voeten, eenmaal zult gij die sterren des hemels betreden.
Herinner u ook dikwijls de liefde-geheimen van onzen goddelijken Verlosser. Ziet gij stroo of ontmoet uw oog een kribbe of een grot, denk dan aan het kindje Jesus in den stal van Bethlehem. Ziet gij een zaag, een hamer, een schaaf of een boor, denk er dan aan, hoe Jesus als een eenvoudige leerknaap gewerkt heeft in den winkel van Nazareth. Ziet gij koorden, doornen, nagelen, balken, denk dan aan Jesus' smarten en dood. Wanneer de H. Franciscus van Assisie een lam zag, begon hij te weenen en zeide: gelijk een lam werd mijn Heer voor mij ter slachtbank geleid. Ziet gij verder een altaar, een kelk, een pateen, herinner u dan welke
groote liefde Jesus ons betoond heeft door zich zeiven ciïvn ons te geven in het H. Sacrament des Altaars.
Offer u gedurende den dag dikwijls aan God op, gelijk dit de EL. Theresia deed. Zeg Hem; zie hier ben ik, Heer; doe mij kennen waarmede ik U genoegen kan doen, ik ben tot alles bereid. Doe vooral ook, zoo dikwijls gij maar kunt, akten van liefde. De akten van liefde, gelijk dezelfde H. Theiesia zeide, zijn het hout, waarmede het vuur der goddelijke liefde in ons hart aan het branden wordt gehouden. Als de eerbiedwaardige zuster Seraph ina de Capri er eens over nadacht, hoe het muildier van het klooster zijnen God niet beminnen kon, begon zij het te beklagen en zeide: âArm dier, gij kunt uwen God niet beminnen!quot; Op hetzelfde ©ogenblik begon het muildier zoo bitter te wee-nen, dat men de tranen als beken uit zijne oogen zag vloeien. Laat alzoo het gezicht van een redeloos dier, dat niet m staat is God te beminnen, voor u eene aansporing zijn om dit van uwen kant des te meer te doen, daar gij zoo gelukkig zijt het te kunnen. Valt gij
53
in eene fout, zorg dan u aanstonds te vernederen en met een akte van liefde, zoo vurig mogelijk, weder op te staan. Treft u een of andere tegenspoed, zorg dan aanstonds uwe moeielijkheid aan God op te dragen en onderwerp u aan zijnen heiligen wil; gewen u immer bij alle tegenkanting te herhalen: âOmdat God het zoo wil, wil ik het ook.quot; Die akten van overgeving zijn onder alle akten van liefde het aangenaamst en het dierbaarst aan het Hart van God.
Wanneer gij over een of andere zaak moet beslissen of een gewichtigen raad moet geven, neem dan, alvorens te handelen of uw antwoord te geven, eerst uwe toevlucht tot God. Gewen u om evenals de H. Rosa van Lima, door den dag zoo dikwijls gij maar kunt te herhalen : Deus in adjutorium vicum intende. Heer, help mij, laat mij niet over aan mij zeiven. Wend u daarom dikwijls tot het beeld van den gekruiste of van de Allerheiligste Maagd Maria, en wees vooral bezorgd dikwijls de H.H, namen van Jesus en Maria, aan te roepen vooral ten tijde der bekoring. God, die van oneindige goedheid is, heeft het grootste
54
verlangen ons deelachtig te maken aan zijne genaden. De eerbiedwaardige Pater Balthasar Alvarez aanschouwde onzen goddelijken Zaligmaker eens met de handen vol genaden, terwijl Hij rondging en zocht om ze te kunnen uitdeden. God evenwel wil, dat wij cr Hem om vragen. Petite et accipietis: âVraagt en gij zult ontvangenquot;. Doen wij dit niet, dan trekt Hij zijne hand terug; daarentegen opent Hij ze bereidwillig voor een ieder die Hem aanroept.Wie, zegt de Ecclesiasticus, heeft ooit zijn toevlucht tot God genomen, en werd door Hem verstoeten, zonder verhooring te vinden ? Qids invocavit cum, ct despexit illuin i) ? En David zegt, dat de Heer aan hen die Hem aanroepen, niet slechts barmhartigheid, maar zelfs grootc barmhartigheid betoont. âWant Gij, o Heer, Gij zijt goed en genadig en van groote erbarming voor allen die u aanroepenquot;. Quo mam tu, Dominc, suavis ct mitis ct inultac misericordiae omnibus invocanhbus te i).
O hoe goed en vrijgévig is de Heer
1) Eccli 2, 12.
2) Ps. 85, 5.
55
voor een ieder, die Hem uit liefde zoekt! Bo n us est Do m in us animae quaeren tilllum i). Als Hij zich zelfs laat vinden door hen, die Hem niet zoeken: âIk ben gevonden door hen die mij niet zochten 2),quot; met hoeveel te meer bereidwilligheid zal Hij zich dan laten vinden door iemand, die Hem zoekt, en die Hem zoekt om Hem te dienen en Hem te beminnen ? Eindelijk, de rechtvaardige zielen moeten zich, gelijk de H. Theresia zegt, in debe-oefeningder liefde gedragen gelijk de zalige zielen in den hemel. Gelijk de heiligen in den hemel zich met niets bezighouden dan met God, geen andere gedachte, geen ander genoegen hebben dan zijne glorie en zijne liefde, zoo moet het ook met u zijn. Reeds hier op deze wereld moet God uw eenig geluk zijn, God het eenig voorwerp van al uwe genegenheid, het eenig doel van al uwe handelingen en begeerten, tot gij eenmaal zult komen in het rijk des hemels, waar uwe liefde geheel volmaakt en voltooid zal worden, waar al uwe verlangens ten volle zullen worden vervuld en bevredigd.
1) Thren. 3, 25.
2) Rom. 10, 20.
56
Verzuchtingen van een beminnende ziel.
Mijn God, U alleen begeer ik. â Ik heb geen ander verlangen dan geheel aan U te zijn. â Doe met mij en met alles wat mij toebehoort hetgeen U behaagt, â Ik geef mij geheel aan U. â Ik bemin U meer dan mij zeiven. â Ik wil alleen wat Gij wilt. â Ik verzaak aan alles ter liefde tot U. â Ik dank U voor alle genaden, die Gij mij geschonken hebt. - Help mij. â Heb medelijden met mij. â Geef mij uw heilige liefde. â Ik verheug mij over uw geluk. â Ik wenschte dat geheel de wereld U beminde. â Laat niet toe, dat ik mij ooit van U scheide. â Ik stel op U een volkomen vertrouwen. â Wanneer zal ik U mogen zien en U van aanschijn tot aanschijn beminnen! Dat alles, wat ik doe en alles, wat ik lijde, voor U zij. â Dat Uw heilige wil te allen tijde geschiede!
i) De Ware Bruid van J. C. 16, § 3.
INHOUD.
Pag.
4 *
1. God wil, dat men gemeenzaam en vertrou
welijk met hem omga..................3
II. Het is gemakkelijk en aangenaam zich met God te onderhouden........12
III. Waarover, wanneer en hoe wij met God moeten spreken............18
1. In het algemeen........18
2. In de kwellingen........21
3. In de vreugde.........27 '
4. Na een fout..........29
5. In twijfel...........35
6. Voor uwen evennaaste.....35
7. Verlangen naar den hemel ... 37
IV. God antwoordt de ziel, die hem toespreekt 38 V. Practische samenvatting........40
Verzuchtingen van een beminnende ziel . 56
wm
mm
P
Bij den Uitgever dezes is verkpijgbaar:
De Goddelgke Liefde en de Middelen ofh
haar te verkrijgen, door den H. Alph; M. de ; Lig., vertaald door Th. Bensdobp . . Æ O-IO
De ÃelflkTqmiglieid aan den Wil Gods,
door den H. Au?h. M. de Lig. ... . f 0.10 Wj'ze om voortdurend en vertrouwelijk
met God om te gaan, door den H. Alph. M. de Lig., vertaling van Th. Bensdoep . f 0.10
Korte Verhandeling ovèr de noodzakelijkheid van het gebed, door den H. atph. M. de Lig., vertaling van Th. Bensdoep . f 0.10
De weg der Goddelgke Liefdevoor den H.Ai.ph. M. de LiG.vert. door Th. Bensdoep, in linn. f 0.90
r De Beoefening der Liefde tot J. Chr., door den ' H. Alph. M. de Lig., vertaald door Th. Bensdobp in linnen. ......................f 0.85
De Heerlijkheden van Maria, vertaald doör
Th. Bensdoep. Ing. ....... . . f 0.90
in zwart linh. f 1.25, brdin linn. . . . f 1.40
Bezoeken bij J. Chr. in het Allerh. Sacrament door dan H. Alph. M. de Lig., vert, door J. Th. Bee-len Æ0.25 in zwart linn. Æ 0.40, bruin linn. f 0.50
BOTJVY, Begroetingen h. Jozef . . .Æ 0.10
Meditatiën van den H. Alph. M. de Lig., vertaald
â
door K. M. A. L. Wtjlfingh, per-doel. Æ 1.2
m