187
HULSHOFF'S
GESCHIEDENIS VAN JOZEF,
VKlïNIKiWD
DOOR
O. TI. AI. V lERXXOUT.
ZEVENTIENDE l)Rrh.
â -X-X----
V C-
f,
(\ LEIDKN. - A. \V. SIJTHOFF.
cw
/cZ/
Vak 88
...... W //quot;â , fij.
HULSHOFFS
GESCHIEDENIS VAN JOZEF,
VERNIEUWD
DOOR
C - II. gt;L. lERHOXJT.
ZEVENTIENDE DRUK.
- L'ibliclot
\ . I â - ;
irfoi «iLi;
W
LEIDEN. â A. W. SIJTHOFF.
ffP/Pi
/0.
VOORWOORD.
De Geschiedenis van Jozef, door Willem Van Oosterwijk Hulshoff verhaald, werd met buitengewonen bijval ontvangen. In 1796 is 't boek voor 't eerst uitgegeven en, in 1856 ten 16den male, in groote oplagen gedrukt. Eene getrouwe vertaling was ook in Noord- en West-Duitschland algemeen in gebruik. De kinderen lazen het met graagte. Van Mr. J. Van Lennep wordt verhaald, dat hij 't als kind zoo goed in zich had opgenomen, dat â toen zijn zusje, die 't eerste deeltje gelezen had, maar bij 't vertrek naar 't zomerverblijf het tweede deeltje niet had meegenomen, en daarover veel spijt toonde â de goedwillige broeder voor haar het ontbrekende deel geheel uit het hoofd nederschreef. Meermalen heb ik door hen, die 't weten konden, hooren zeggen, dat Hulshoffs Jozef eigenlijk te mooi was, omdat er voor den onderwijzer niets ter verklaring of toevoeging overbleef. De verhaaltrant is los, boeiend en bevattelijk. De kinderen, die sprekend ingevoerd worden, zijn geen miniatuur wijze mannetjes en vrouwtjes, maar naïef. Mild maar ongezocht wordt goed zaad in 't kinderhart gestrooid. En toch kon 't boek op de neutrale school van den nieuweren tijd geen
stand houden. Daartoe had het een te kerkelijke kleur, een te dogmatiek karakter. Was het mogelijk dit er uit te lichten, zonder het verband en, wat nog meer zegt, den geest en het doel van 't geheel te schaden? De onderwijzers mogen oordee-len, of mij dit gelukt is, â maar met toegeeflijkheid, want de taak was niet gemakkelijk. Mogelyk zullen er zijn, die nog meer besnoeiing hadden gewenscht en mogelyk geacht. Dezen moet ik doen opmerken, dat ik heb gewenscht te behouden, wat de dichter R. Feith bad: âMijn God! wat ooit in mij ver-doov', Dat ik altijd in U geloov', In deugd en eeuwig leven!quot;
Niet voor mij, maar voor de innerlijke waarde van HulshofTs arbeid, hoop ik, dat deze gewijzigde uitgave van zijn Jozef een nieuwe reeks van herdrukken moge beleven.
C. H. M. VIERHOUT.
Meersen, Dee. 1886.
DE GESCHIEDENIS TAN JOZEF,
VOOK
KINDEREN.
In een groot dorp woonde een onderwijzer, die veel kinderen op zijne school had. De meeste van die kinderen gingen tegen den avond naar hunner ouders|huis,wijl hunne vaders en moeders ook in datzelfde dorp woonden. Doch op deze school waren ook nog kinderen uit andere steden en dorpen, die van daar gezonden waren door hunne ouders. Deze konden niet alle dagen, maar slechts eenige malen in een jaar naar huis gaan. Deze vreemde kinderen waren vijf meisjes en vijf' jongens. Als dan 's avonds de andere kinderen weg waren, bleven deze kostleerlingen nog in 't schoolgebouw: de jongens bij den meester, en de meisjes bij zyne vrouw. Dit zou die kinderen gauw verveeld hebben; maar de onderwijzer bedacht er iets op, dat tegelijk aangenaam was en nuttig. Wanneer de dagen lang waren en het mooi weder was, deed hij met de tien kinderen na den schooltijd eene wandeling buiten het dorp. Dan leerde hij hun de namen, het nut en het gebruik van dieren, van planten en van al wat zij maar zagen. Doch als het koud of nat was en de lange winteravonden kwamen, moesten zij te huis blijven. Wat deed de meester dan? In de warme, gezellige kamer plaatste hij de vijf jongens aan zijne eene zijde en de
2
vijf meisjes aan zijne andere zijde, in een grooten kring. Dan vertelde hij zijnen leerlingen de eene of andere mooie geschiedenis, die hij gehoord of gelezen had. Altijd wist hij zulke vertellingen uit te kiezen, die de kinderen graag hoorden, en waar zij tegelijk iets goeds uit konden leeren. Maar dan moesten zij ook ter dege toeluisteren, zoo als wij altijd doen moeten, wanneer iemand tot ons spreekt. Somtijds gebeurde het evenwel, dat zij iets niet recht begrepen van hetgeen de onderwijzer vertelde, of dat hun het een of ander wat vreemd en wonderlijk voorkwam. Dan had de man gaarne, dat zij dit terstond zeiden; want hij wilde, dat de kinderen de gansche vertelling goed zouden begrijpen. Doch de verstandige lee-raar deed zijn best, om alles heel duidelijk te maken, want de kinderen waren nog vrij jong. Keetje, het jongste meisje, was pas zeven jaar; daarop volgde Jansje, oud acht jaar; dan Mietje, oud negen; Kaatje, oud tien en Truitje, oud elf jaar. Van de jongens heetten de kleinste Piet, een knaapje van acht jaar; dan volgde Jan, die negen; Kees, die tien; Gerrit, die elf, en Ko, die twaalf jaar was.
Onder de verschillende geschiedenissen, die de meester aan deze kinderen verhaalde, was er eene, bijzonder fraai en leerrijk. Verscheidene avonden was hy daarmede bezig. Laten wij hooren, wat hij zeicle op den
Eersten Avond.
Gen. XXXVII.
Meester. Kinderen! wij hebben gisteren avond onze vertelling geëindigd. Zal ik nu een nieuw verhaal beginnen, of wilt gij liever iets anders doen?
3
Al de kinderen. Neen, Meester! weer een vertelling, als 't u belieft!
Mr. Zeer gaarne. Ik wil u dan eene groote geschiedenis verhalen uit het beste boek, dat er in de wereld is. Ik wil u iets vertellen uit den Bijbel.
Kees. Uit den Bijbel? â dat spijt mij!
Mr. En waarom dat, Kees?
Kees. Omdat ik vrees, dat de vertelling niet mooi zal wezen. De Bijbel is toch geen pleizierig boek!
Mr. Hebt gij er dan wel in gelezen?
Kees. Ja, Meester! te huis, bij mijne ouders, moest ik alle morgen een heel uur daarin lezen.
Mr. Zoo! nu begrijp ik, waarom gij den Bijbel niet pleizierig vondt. Gij waart nog te jong, om alles alleen te verstaan, en als men zoolang achtereen moet lezen, wordt het vermoeiend. Ik zal aan uwe ouders verzoeken, of zij u daar vrij van laten, als gij weer te huis komt. Luister nu maar, wat ik u uit datzelfde boek zal vertellen. Ik weet vast, dat het u wel bevallen zal. Gij zult spoedig erkennen, dat de Bijbel een voortreffelijk boek is. Gij zult naderhand van zelf daarin wenschen te lezen, en dat zal voor u zeer nuttig kunnen worden.
Kees. Als dit zoo is, Meester! begin dan maar, als 't u belieft.
Mr. Voor bijna vier duizend jaar leefde in het verre Oosten een vroom man, die Abraham heette. De meeste menschen wisten toen nog weinig van God, of hadden verkeerde begrippen over den godsdienst; maar deze Abraham was wijzer en beter dan vele menschen in dien tijd. Hij woonde niet altijd op dezelfde plaats, maar reisde veel van de eene plaats naar de andere. Den meesten tijd van zijn leven verbleef hij echter in of dicht hij het land Kanaan, dat men nu ook wel Palestina of
4
het Joodsche land noemt. Geelt mij eens een van allen de landkaart, dan zullen wij dit land opzoeken en bezien.
Ko. (De kaart overreikende.) Zie hier, Meester!
Mr. Hier ligt het Joodsche land, kinderen! aan het Oosteinde van de Middellandsche zee; Syrië ligt ten Noorden van daar; Arabië ten Oosten en Zuiden; Egypte ten Westen of Zuid-Westen.
In dit land nu woonde Abraham, van wien ik zoo even sprak. Hij werd zeer oud, en had een zoon, die Izaak heette, in datzelfde land woonde, en ook een uitnemend braaf man was. Izaak liet een zoon Jakob na, die later ook wel Israël genoemd werd, van wien wij in ons verhaal dikwijls zullen spreken.
Deze drie vrome mannen. Abraham, Izaak en Jakob, waren rijke lieden. Zij hadden vele knechten en meiden; maar zij leefden heel anders, dan de rijke menschen nu gemeenlijk doen. Zij woonden niet in een mooi huis in eene stad, maar zij trokken langzaam het land door, met hunne vrouwen, met hunne kinderen en kleinkinderen, met hunne knechten en meiden en met hun vee.
Mietje. Wel, Meester! waarom reisden die menschen zoo altijd?
Jan. Voor pleiziel*, denk ik; want uitgaan en reizen is prettig.
Mr. Neen, Jan! niet enkel voor pleizier, maar voornamelijk omdat zij herders waren, die telkens goede weiden voor hun vee moesten zoeken.
Gerrit. Maar, Meester! zij waren immers rijk, en rijke heden zijn geen herders!
Mr. gt;.u niet, mijn jongen! maar toen wel. In die tijden werd hij de rijkste genoemd, die de meeste ossen, kameelen, schapen en geiten bezat, benevens vele kinderen
5
en bedienden. â Zoo trokken deze lieden van weide tot weide met elkander, in een grooten troep. De vader of grootvader was de regeerder van het gansche huisgezin, dat hem steeds diepen eerbied en stipte gehoorzaamheid bewees. Als zij zoo reisden, bleven zij soms eenige dagen of weken uitrusten, dan eens in eene vlakte, dan weder bij bosschen of bergen, maar altijd in de nabijheid van goed water voor menschen en vee.
Piet. En waren op al die plaatsen goede herbergen om te slapen?
Mr. o Neen! maar zij hadden heel veel tenten bij zich, die zij konden opzetten als lichte huisjes, en daar sliepen zij in. Dit zou ons niet bevallen, het zou ons te koud zijn; maar in het Joodsche land is het veel warmer dan in het onze.
Zoo eenvoudig leefden Abraham, Izaak en Jakob. Deze Jakob was bijzonder zachtzinnig, vreedzaam en godvree-zend. Zijn huisgezin was zeer groot: hij had dertien kinderen, twaalf zonen en ééne dochter. De zonen heetten: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Zebulon, Issaschar, Dan, Gad, Aser, Naftali, Jozef en Benjamin; de dochter heette Dina.
De geschiedenis van een dezer zonen van Jakob wil ik u vertellen, zoo als ik die in den Bijbel heb gelezen. Wij zullen namelijk spreken over de lotgevallen van Jozef, op één na den jongsten zoon. De geschiedenis van dezen Jozef kunnen wij vinden vooraan in den Bijbel, in het eerste boek, Genesis geheeten, in het zeven-en-der-tigste en eenige volgende hoofdstukken.
Wat met Jozef gebeurde, toen hij nog een jong kind was, kan ik u niet verhalen, want dat staat niet beschreven. Gij moet u maar in eens verbeelden, dat hy al een jongeling is van zeventien jaar, en verder zullen
6
wij zien, wat hem al overkwam in zijn geheele leveni
Vader Jakob had sedert eenigen tijd zijne tenten doen opslaan niet ver van de stad Hebron; zoek eens, Kaatje! of gij in het land Kanaan dit Hebron vinden kunt.
Kaatje. Ja! hier zie ik het, Meester! tusschen de Middellandsche zee en de Doode zee, waar de steden Sodom en Gomorrha destijds lagen.
Mr. Heel goed, kind! Hier woonde Jakob, gelijk zijn vader en grootvader daar ook aleens gewoond hadden. Al zijne kinderen waren bij hem, en zijne groote kudde van allerlei dieren graasde rondom in het veld, somtijds wel één of meer uren gaans van hem af. üe broeders van Jozef pasten als herders op het vee, en hij zelf moest hen daarin helpen, doch Benjamin was daartoe nog te jong. Toen Jozef een jongman begon te worden, leefde zijne moeder niet meer. Zijn vader Jakob was ook al heel oud; want, toen Jozef geboren werd, was zijn vader al twee en negentig jaar. Reken nu eens uit. Mietje! hoe oud Jakob was op Jozefs zeventienden verjaardag.
Mietje. Wel! twee en negentig en tien is honderd en twee, en dan nog zeven is â honderd en negen. Maar, zoo oud wordt immers geen mensch?
Mr. Althans het gebeurt nu bijna nooit, dat iemand zoo oud wordt; maar in die oude tijden leefden sommige menschen ongemeen lang. Jozefs grootvader, Izaak, en Jozefs overgrootvader. Abraham, werden nog ouder.
De oudere zoons van vader Jakob gedroegen zich vrij woest en slecht; zij waren geen brave menschen, zoo als wij in het vervolg zien zullen. Jozef in tegendeel was goed en godvreezend. Om deze en andere redenen had zijn vader hem bijzonder lief, veel liever, dan hij zijne oudere kinderen had. Maar wat gebeurde er? Jozef deed
7
iets, dat heel onvoorzichtig en verkeerd was. Als de oudere zoons van Jakob iets kwaads bedreven hadden, repte hy zich, om het aan vader te vertellen, zoodat zijn broeders 's vaders ongenoegen ondervonden. Jozef dacht: âVader moet alles weten, en als mijne broeders bestraft worden, zullen zij zich beteren.quot; Hij had wel recht, dat vader alles weten moest; maar hij bedacht niet, dat klikken en kwaadspreken toch eene leelijké daad is. Zoudt gij wel een broeder willen hebben, Ko! die al uwe misslagen aanstonds aan vader overbracht?
Ko. Wel neen! ik zou hem niet mogen lijden!
Mr. Net zoo ging het hier ook. De broeders van Jozef begonnen hem schuins aan te zien, en vertrouwden hem niet, maar vader bleef hem beminnen boven de broeders. Dit bleek uit allerlei dingen. Zoo liet hij eens voor den jongen Jozef een mooi geverfd kleed maken. Zulk een sierlijk gewaad kregen de andere zonen niet. Jozef alleen werd zoo zwierig opgeschikt. Nu kunt gij best begrypen, dat de andere broeders jaloersch werden, toen ze Jozef in die fraaie kleeding zagen loopen. Zij werden zoo boos, dat zij hem haast niet wilden toespreken. Deze wangunst en knorrigheid tegen Jozef was evenwel niet te prijzen in Jakobs zonen. Jozef kon immers niet helpen, dat zijn vader hem zoo liefhad, en een vader mag zijn eenen zoon wel iets geven, dat hij juist niet aan al de andere geeft. Zij waren de oudsten, zij moesten ook de wijsten geweest zijn.
Zoo werd dan Jozef door zijne broeders benijd en stuursch bejegend. Hij bleef, ondertusschen, openhartig en minzaam jegens hen. Op zekeren morgen vertelde hij hun: âIk heb van nacht een vreemden droom gehad; ik droomde dat wij op het veld waren, en koren in schoven bonden.quot;
8
Keetje. Dat versta ik niet recht, Meester! wat zijn schoven ?
Mr. Schoven zijn bossen koren, die men samenbindt, om ze dan op te zetten en te laten drogen. âIk droomde,quot; zei Jozef âdat wij koren in schoven bonden. Mijne schoof stond overeind in het midden, en de schoven van u, mijne broeders! stonden rondom de mijne, en bogen zich voor mijne schoof neder, alsof zij haar eerbiedig wilden groeten.quot; â âEn wat meent gij daar nu mede?quot; riepen zijne broeders: âDenkt gij nog eens gansch en al over ons te heerschen ? Zouden wij ons voor u zoo nederig moeten buigen, als onze schoven in uw droom gedaan hebben?quot; Daar hadden zij geen zin in, en nu begonnen zij Jozef nog meer te haten, omdat hij dien droom verteld bad. Een dag of wat later vond Jozef zijn vader en de broeders op een morgen bij elkander. âLuistert eens;quot; zeide hij: âik heb dezen nacht weer zonderling gedroomd. De zon en de maan en elf sterren, dacht mij, bogen zich voor mij neder.quot; De vader zei: âWel, Jozef! wat is dat voor een droom? Wat verbeeldt gij u? Zouden wij allen zoo tegen u moeten opzien? Dat gelijkt nergens naar!quot;
De broeders werden bij dezen tweeden droom nog nijdiger op Jozef dan te voren. Vader Jakob dacht evenwel bij zich zeiven: âDat zijn toch vreemde droo-men! Wat zouden die beduiden?quot;
Gij moet weten, kinderen! dat in vroegeren tijd, toen de menschen nog weinig geleerd hadden, algemeen geloofd werd, dat droomen voorspellingen van de toekomst waren, dat men uit iemands droomen kon voorzeggen, wat later gebeuren zou. Nu weten wij beter. Droomen zijn verwarde herhalingen van gedachten, woorden of voorvallen, die wij beleefd hebben. Zoo heeft
9
Jozef mogelijk bij sommige gelegenheden, als zijn vader hem boven de anderen onderscheidde, wel eens gedacht, dat hij mettertijd een voornaam man zou worden. Daarom moet gij u nooit laten wijsmaken of verbeelden, dat iets gebeuren zal, omdat gij of iemand anders het gedroomd hebt. Ik heb zelf weieens gedroomd, dat ik een koning was; maar het zou heel gek van mij wezen, als ik nu verwachtte, dat ik ooit zoo machtig worden zou. Wij moeten ons houden aan de oude spreuk: âDroomen zijn bedrog.quot;
Niet lang nadat Jozef de twee droomen had verteld, moesten zijne oudere broeders met de kudde van hunnen vader een weinig voortreizen, om beter weiland te vinden voor het vee. Zij trokken van Hebron naar Sichem, dat eenige dagen reizens, omtrent dertig uur gaans, ten Noorden van daar was. Jozef bleef, met Benjamin, bij zijn vader.
Kaatje. Dat is goed; nu is hij eens van de nijdige broeders af, daar ben ik blij om!
Mr. Maar het duurde niet lang, Kaatje! Toen de broeders eenigen tijd weg geweest waren, riep Jakob zijn zoon Jozef bij zich. âJozef,quot; zei de oude man: âgij moest eens gaan kijken, hoe uwe broeders varen in de weiden van Sichem, en hoe het met mijn vee is.quot;
Gerrit. Dat was geen pleizierige reis voor Jozef; zoo alleen naar die leelijke broers te wandelen! Verzocht hij niet om daar vrij van te wezen, Meester?
Mr. Och neen! Hij was een gehoorzame zoon, die alles doen wilde, wat vader beliefde. Ook was hij niet boos op zijne onvriendelijke broeders, maar verlangde alweder om hen eens te zien. Zoo gauw als hij maar kon, stapte hij den weg op naar Sichem. Hij was daar overal bekend, en het was toen ook eene gewoonte, de
10
reizende menschen vriendelijk te ontvangen, zoodat Jozef uitrusten en des nachts slapen kon in ieder huis of tent. Na eenige dagen kwam hy in Sichems omstreken; hij keek rond op de velden, maar kon geene broeders, geene opgeslagene tenten en geene kudden vinden. Eindelijk ontmoette hij een man, die gehoord had, dat de broeders naar Dothan waren. Dit was nog eenige uren gaans benoorden Sichem. Jozef ging onvermoeid voort, en zag hen eindelijk van verre. Toen hij nog wat nader kwam, stonden zijne broeders dicht bij eenige diepe kuilen, of waterputten. Zij kregen Jozef in het oog, en zeiden tot elkander; âDaar komt onze droomer aan, met zijn mooien rok! Komt, laten wij dien grootschen jongen doodslaan, en smijten hem dan in een van deze kuilen; dan zullen wij aan vader zeggen, dat een wild dier hem opgegeten heeft, Zoo zullen wy eens zien, wat er van zijne droomen zal worden. Als hij dood is, zal hij over ons den baas niet meer spelen!quot;
Keetje. Foei, die leelijke broers!
Piet. Zeg liever: die arme Jozef!
Truitje. Ik had nooit gedacht, dat de eene broeder zoo nijdig op den anderen kon worden.
Mr. Ja, kinderen! zoo kan het gaan, als men niet op zich zeiven past. Zulke slechte dingen komen van de jaloerschheid. Daarom raad ik u ernstig: zoekt nooit andere kinderen afgunstig te maken, en draagt altijd zorg, om ook zelf niet jaloersch te worden.
Jansje. Maar, Meester! hoe liep het toch af met Jozef?
Mr. Dat zullen wij morgen avond zien, Jansje! Nu moeten wij wat eten â en dan naar bed.
11
Tweede Avond.
Gen. XXXVII: 20â35.
Mr. Kinderen! ik vertelde u gisteren avond, dat Jozef in het veld bij Dothan van verre zijne broeders zag met de kudde van vader Jakob. Ik vertelde u ook, dat de booze broers den goeden jongeling wilden doodslaan, toen hij bij hen kwam. Wij zien hieruit, dat de oudere zonen van Jakob slechte menschen waren. Maar ik moet u evenwel zeggen, dat zij niet alle even ondeugend zijn geweest. Simeon en Levi waren de ergste, zoowel in dit geval, als ook op andere tijden. Ruben, de oudste dei-broeders, was van een zachteren aard. Hij had medelijden met den armen Jozef, dien zij van verre zoo vroo-lijk zagen aanstappen. Ruben sprak nog voor den jongeling. âBroeders!quot; zeide hij: âwij moeten Jozef niet doodslaan; 'tis beter, dat wij hem levend in een diepen kuil laten zakken, en dan van hier trekken.quot;
Ko. Maar, Meester! dat was immers niet veel beter? In dien kuil moest Jozef toch verdrinken, of van honger sterven, als hij daar niet weder uit kon komen.
Mr. Gij hebt gelijk, jongen! Die kuilen of putten waren zoo diep, dat men zonder hulp daar niet weer uit kon komen. Doch Ruben had nog een ander plan. Als Jozef daarin was, en de broeders weer bij het vee waren of in hunne tenten, dan wilde hij den armen knaap in stilte daar weder uithalen, en hem aan vader Jakob terugzenden. Maar dit zeide Ruben niet; dan, wist hij wel, zouden de nijdige broeders Jozef liever doodslaan. Nu dachten zij: âDat is een goede raad! Laat hem dan sterven van honger in den put.quot;
12
Toen zij dit afgesproken hadden, was Jozef juist bi] hen gekomen. De jongeling was blijde, dat hij eindelijk zijne broeders had gevonden. Hi] was verheugd, hen allen in gezondheid te aanschouwen. Welhaast begon hij hen hartelijk te begroeten, en te zeggen, dat vader nog wel was. In plaats van hem ook te verwelkomen of vriendelijk aan te spreken, vielen zijne broeders eensklaps op hem aan, en trokken hem den mooien rok hardhandig van het lijf. Of hij al schreeuwde en kermde, dat kon niet baten; zij lieten hem zakken in een diepen kuil. Gelukkig was daar geen water in, anders was Jozef verdronken. Daar zat hij nu, ellendig te weenen en vergeefs om hulp te roepen. De slechte broeders gingen smakelijk zitten eten niet ver van daar. Ruben liep echter weg. Hij kon die wreede bedaardheid niet aanzien, en verlangde maar, dat hij Jozef heimelijk uit den put mocht verlossen.
Terwijl nu de overige broeders aan het eten waren, zagen zij een groot gezelschap Arabische kooplieden van verre aankomen. Arabië, zeide ik gisteren, ligt bij het land Kanaan, ten Oosten en Zuiden van daar. Kunt gij op de kaart Arabië wel vinden. Mietje?
Mietje. Ja wel. Meester! dat schijnt een groot land te zijn.quot;
Mr. Ja, kind! dat is het. Maar gij moet nog meer zoeken. Die kooplieden kwamen van het gebergte Gilead. Kijk eens, of dat niet Oostelijk van Dothan ligt.
Mietje. Juist! daar zie ik vele bergen en den naam Gilead.
Mr. Nu, van daar reisden die kooplieden naar Egypte, welk land gij Zuid-West van Kanaan ziet liggen. Zij hadden veel goederen bij zich, om die daar te verkoopen.
De Arabische kooplieden kwamen dan voorbij de
13
plaats, waar Jakobs zonen zaten, en waar Jozef nog beneden in den kuil was. Een van de broeders, Juda, zeide tot de andere: âWat hebben wij er toch aan, dat wij Jozef doen sterven? Verkoopen wij hem liever aan deze mannen! Hij is toch onze eigen broeder; wij moeten hem niet doodmaken!quot;
Kees. Dat was nog al goed bedacht van Juda!
Mr. Ja, Kees! Juda was een vrij bedaard, verstandig man, en lang zoo wreed niet als Simeon en Levi.
Gerrit. Maar zeg mij toch. Meester! kan men ook menschen verkoopen, evenals ossen of paarden?
Mr. Dat gebeurde, toen althans, dikwijls. De Arabische kooplieden brachten vele menschen naar Egypte, om ze daar te verkoopen. Menschen, die zoo verkocht zijn, noemt men slaven; zij zijn hunne vrijheid kwijt, moeten zwaren arbeid verrichten zonder loon, ontvangen nauwelijks genoeg te eten, en worden somtijds erger dan de beesten behandeld.
Gerrit. Wel foei! dat is immers heel slecht!
Mr. Ja wel heel slecht, heel onrechtvaardig en goddeloos! Het geschiedt nu ook nog wel in verwijderde oorden, maar in de meeste landen is de slavernij afgeschaft, en edele menschenvrienden doen hun best, om te maken dat de slavenhandel geheel wordt uitgeroeid.
Gerrit. o, Dat is goed!
Mr. Het plan van Juda, om Jozef aan die Arabieren te verkoopen, kwam den broeders, die bij hem waren, heel goed voor. Zij trokken dus den armen jongeling weer uit den kuil. De kooplieden hadden wel zin in hem, want hij zag er frisch en gezond uit. Voor twintig zilverlingen werd hij aan de vreemde handelaars overgegeven.
Ko. En hoeveel is een zilverling. Meester?
14
Mr. Twintig zilverlingen wogen op de schaal zooveel als vijftien guldens.
Ko. Wel, dan werd Jozef waarlijk goedkoop verkocht! Voor vijftien gulden kan men niet eens een os koopen.
Mr. Daar hebt gij gelijk in, Ko! Doch ik zeide ook maar, dat twintig zilverlingen op de schaal zooveel wogen als vijftien guldens; en nu moet ik er hij zeggen, dat men in dien tijd voor vijftien gulden wel drie ossen kon koopen, omdat de menschen toen zooveel zilver niet hadden, als wij nu hebben.
Voor twintig zilverlingen dan gaven de slechte broeders Jozef aan de Arabieren over. Zijn bitter schreien, zijn hartroerend snaeeken om ontferming, zijn roepen otn vader, â niets kon hen tot medelijden bewegen. Hij moest maar voort. De broeders trokken het zich niet aan, of hij nu, in een ver en onbekend land, misschien met ketenen aan handen en voeten, onder zwaar werk zou bezwijken. âNeemt hem maar gauw weg!'' riepen zij tot de kooplieden: âneemt den kwaden jongen maar gauw mede!quot; Dit deden de Arabieren ook, zij reisden, met Jozef voort.
Nauwelijks waren zij vertrokken, of Ruben, die weggegaan was, kwam weder bij den kuil, waar Jozef in was geweest. Hij wilde naar hem kijken, met oogmerk om hem daaruit te trekken; â doch Jozef was er niet meer in. Hierover ontstelde Ruben zoo, dat hij zijn kleed op de borst van een scheurde.
Jansje. Waarom deed hij dat. Meester? Dat kon immers niet helpen, om Jozef weer te krijgen?
Mr. Neen, Jansje! het kon even zoo min helpen, als dat een kind huilt, omdat zijn speelgoed gebroken is.. Maar door het scheuren der kleederen gaf men bij
15
Jozefs tijdgenooten te kennen, dat men erg bedroefd of ontsteld was. Ruben liep haastig naar de broeders: âAch!quot; riep hij âJozef is weg! Ik ben de oudste; ik moest voor hem gezorgd hebben. Hoe zal ik het verantwoorden? Wat zeggen wij aan vader ?quot;
Piet. Ik ben toch boos op Iluben. Hij moest beter opgepast hebben.
Mr. Ja, dat moest hij ook; zjin berouw kwam te laat. De broeders zeiden; âJozef is al weg; hij gaat als slaaf naar Egypte; wij zien hem nooit weer!quot;
Nu overlegden zij, wat zij vader Jakob zouden wijsmaken. âWij hebben onzen broeder als slaaf verkocht,quot; dat durfden zij niet zeggen; dus moesten zij een leugen bedenken. De angstige Ruben liet zich bepraten, om daarin mede te doen. Zij sloegen een bokje dood, en met het bloed daarvan maakten zij roode vlekken op het mooie kleed van Jozef, dat zij hem uitgetrokken hadden. Toen zonden zij een man daarmede naar Jakob toe, die vragen moest, of de oude vader dien rok ook kende ?
Kaatje. Dat is leelijk! Nu liegen zij en deden hunnen vader nog grooter verdriet aan.
Mr. Ja, kinderen! hieruit kunnen wij zien, hoe de eene misdaad de andere na zich sleept. Eerst verkochten zij Jozef; toen moesten zij leugens bedenken, en naderhand moesten zij hun bedrog gedurig volhouden bij hunnen vader door nieuwe leugens. Zoo gaat het meest altijd. Daarom moet gij oppassen, om geen kwaad te doen, en, zoo het aleens gebeurt, dit terstond bekennen; anders zal God, die alles hoort en ziet, u zekerlijk straffen.
Kees. Strafte God dan deze slechte menschen ook. Meester ?
16
Mr. Ja, later; eerst leden zij veel door den angst, dat hunne misdaad zou uitkomen, en nog lang daarna, ondervonden zij de slechte gevolgen van hun gedrag, zoo als gij hooren zult. De Heer vergeet nooit iets, al is het nog zoo lang geleden.
De oude Jakob wachtte ondertusschen met ongeduld, dat zijn lieve Jozef weer bij hem zou komen. Hij verlangde zeer naar hem; â en ziet! daar komt nu de bode met den bebloeden rok, âKent gij dit kleed ook?quot; vroeg deze man. âHet is door uwe zoons op den weg gevonden. Zij vragen, of het huns broeders rok niet is?quot; De vader verschrikte geweldig, en riep weenende uit: âAch! 'tis Jozefs kleed! de nieuwe rok, dien ik hem gegeven heb! en zoo bebloed! Een roofdier heeft zeker mijn Jozef verscheurd en opgegeten! Zijn rok alleen is overgebleven! Mijn lieve zoon is dood!quot;
Keetje. Zijn er zulke booze dieren, die de menschen in stukken scheuren en opeten?
Mr. Ja wel, kind! Er zijn leeuwen, tijgers, wolven en meer andere verscheurende dieren in Oostersche landen, maar in ons land zijn ze gelukkig niet.
Keetje. Dan wil ik altijd in ons land blijven, want ik ben bang voor zulke beesten.
Mr. Vader Jakob dan was ijselijk bedroefd om Jozef. Hij scheurde zijn kleed, en deed zich een zak om het lijf, gelijk wij een zwart rouwkleed aantrekken. Zijne zoons kwamen met der tijd weer bij hem, en hielden zich ook, alsof ze bedroefd waren, omdat Jozef door een wild dier was opgegeten. Was dat niet vreeselijk goddeloos en valsch? Zij wisten wel beter, en lieten hun vader maar treuren. Somtijds wilden zij hem nog zoo wat vertroosten; maar dat gelukte niet. De oude man riep gedurig: âIk zal om mijn Jozef schreien, tot ik dood
17
ben, zoo als liij! Niets kan mijne droefheid wegnemen! Ik wil Jozef volgen in den dood!quot;
Kinderen! Hier moeten wij eindigen. Morgen avond zult gij hooren, wat met Jozef verder is gebeurd.
Derde Avond.
Gen. XXXIX.
Mr. De beminde zoon van Jakob, de onschuldige Jozef, is nu een arme slaaf geworden. Met de Arabische kooplieden moest hij voortreizen of hij wilde of niet. âAch!quot; dacht hij onder het storten van veel tranen: âWat ben ik ongelukkig! Zij brengen mij naar een vreemd land, waar niemand mijn vriend zal wezen! Ik zal zwaar moeten werken, en slagen krijgen! Zeker zal ik mijn vader nooit wederzien, en Benjamin ook niet! Wat zullen die bedroefd zijn!quot; Gelukkig was het voor Jozef, dat zijn vader veel met hem over den Hemelschen Vader had gesproken. Gelukkig was het, dat hij dan aandachtig had toegeluisterd. Nu wist Jozef, dat God alles doen kan; dat Hij alles weet; dat er niets gebeurt zonder Zijne toelating, en dat Hij alles tot ons wezenlijk welzijn bestuurt. Dit vertroostte hem; dit gaf hem moed in zijn ongeluk, en maakte hem weder bedaard.
De kooplieden reisden al voort met den treurenden jongeling, zonder dat hem of hun iets bijzonders ontmoette. Eindelijk kwamen zij in Egypte, en wel in de stad, waarin de Koning van Egypte woonde. Hoe deze stad heette, kan ik u niet vast zeggen. Denkelijk was het de stad On, die naderhand Heliopolis werd genoemd. Zij lag bij de groote rivier den Nijl, niet ver van de plaats, waar deze rivier zich verdeelt in verscheidene
2
18
rivier-ai'raen, die eindeljik uitloopen in de Middellandsche Zee, zoo als gij zien kunt op de landkaart.
Daai' kwamen de kooplieden nu met Jozef en nog andere slaven op de markt. Het duurde niet lang, of er was een man, die Jozef wilde koopen. Deze man was een voornaam heer, die bi] den Koning aan het hof verkeerde, en overste was van een gedeelte der soldaten. Zijn naam was Potifar. Hij kocht Jozef van de Arabieren. De ongelukkige jongeling moest dit alles zoo maar weerloos gedoogen. Hij kon niet eens vragen, wat zi] met hem doen wilden.
Ko. Waarom niet? Dat zou ik stellig gedaan hebben. Ik bad dien heer vriendelijk verzocht, om mij vrij te laten. Ik zou gezegd hebben....
Mr. Laat mij u zeggen, Ko! dat Jozef niets spreken of verstaan kon dan Hebreeuwscb, en die menschen spraken meest Egyptisch, zoodat hy niet wist, wat zij zeiden, en zij ook niet verstonden, wat Jozef zeggen wilde.
Ko. Wel, dat was bitter ongelukkig!
Mr. Zeker. â Jozef werd nu gebracht naar het huis van Potifar, bij de andere slaven van dien heer. Daar moest hij den geheelen dag werken, in huis en op bet veld. Het eten, dat hij kreeg, was maar even genoeg, en zijne slaapplaats slecht. Tot zijn gezelschap had bij de andere slaven, die hij niet kende, en in het eerst niet verstaan kon. Dat was een groot onderscheid voor hem in zoo weinige dagen! Yan een geliefkoosd rijkmans zoontje werd hij ineens een verachte slaaf! De godvree-zende Jozef dacht evenwel: âGod de Heer weet wat mij hier gebeurt. Als ik maar op Hem vertrouw, zal alles zich ten beste schikken.quot;
Het duurde ook niet lang, of Jozef ondervond, dat hij
19
welgedaan had met op den Heer te vertrouwen. God bestuurde het zoo, dat alles wèl uitviel, wat Jozef doen moest voor zijn heer. Bijna nooit had hij een ongeluk. Geen stuk lands, waar Jozef in werkte, bleef onvruchtbaar. Deze nieuwe slaaf was dus voor Potifar recht voordeelig. Sedert Jozefs komst ging alles beter dan te voren. 'tWas wel te zien, dat God hem overal in hielp.
Potifar merkte dat ook op, en dacht: âDeze slaaf is mij meer waard dan andere slaven. Ik moet hem zachter behandelen. Ik durf hem wel zaken van belang toevertrouwen.quot; Nu werd Jozef verbeven boven zijne makkers. Dit viel wederom zoo goed uit, dat zijn heer hem eindelijk stelde boven al zijne andere bedienden. Over de knechts in huis en over de arbeiders op 't land was Jozef volkomen baas. Hij diende ook in deze betrekking zijn heer met liefde en trouw, en dankte God, die hem in zijn ongeluk zoo merkbaar bijstond. Al wat Jozef bezorgde en bestuurde, bleef wel gelukken. Potifar werd hoe langer hoe rijker en voorspoediger. Aan Jozef liet hij alles over. Hij vroeg hem niet eens rekenschap van hetgene hij deed, maar leidde alleen een pleizierig leven. Zoo was Jozef vele jaren achtereen tamelijk gelukkig. Hij vergat bijna, dat hij een slaaf was. Hij vergat bijna al het kwaad, dat bij geleden had.
Kees. En bleef by nu in het huis van Potifar, zoo lang hij leefde?
Mr. Neen, Kees! De geschiedenis is nog lang niet uit. Jozef had nog vele zonderlinge lotgevallen, eer bij stierf; ik zal u die alle vertellen.
Toen hij zoo tevreden leefde bij Potifar, als ik gezegd heb, gebeurde er iets. dat hem weder geheel en al ongelukkig maakte.
Ko. Dan zal hij zeker iets kwaads bedreven heb-
20
ben; anders zou God hem gelukkig laten blijven.
Mr. Nu verzint gij u machtig, Ko! Men wordt weieens ongelukkig, al heeft men juist geen kwaad gedaan. De Heer zendt den besten menschen dikwijls tegenspoeden, om hen nog beter te maken, om hun geloof en vertrouwen te oefenen, om hun geduld en lijdzaamheid te lee-ren. Als gij dus aan iemand vele of zware ongelukken ziet overkomen, moet gij nooit denken: âDeze zal een slecht mensch wezen!quot; Zeer brave lieden zijn wel in armoede of in gevangenschap geraakt, of op eene andere wijze ellendig geworden. Somtijds wordt men zelfs ongelukkig, juist omdat men braaf wil blijven en eerlijk handelen. Zoo was het met Jozef. Hij wilde niet ondeugend worden, en daardoor geraakte hij in ongenade en ellende.
Truitje. Ik begrijp toch niet. Meester! hoe onze Lieve Heer kan toelaten, dat iemand ongelukkig wordt door zijne vroomheid.
Mr. Dat zou ook onbegrijpelijk zijn, Truitje! als zulk een vroom mensch altijd ongelukkig bleef; maar dat gebeurt nooit. God maakt de goeden eindelijk altijd heel gelukkig, en dan zien zij, dat die tegenspoeden juist goed voor hen geweest zijn.
Kaatje. Maar, Meester! als nu een allerbest mensch eens op zee verongelukt, wanneer maakt God hem dan zoo gelukkig? Dan is hij immers dood?
Mr. Jawel, Kaatje! maar na het sterven komen wij allen in een ander leven, dat nooit weer ophoudt. In dat leven worden de godvreezenden volmaakt gelukkig, veel gelukkiger, dan iemand bedenken kan. Veeltijds echter worden de brave menschen alweder gelukkig, lang voordat zij sterven, en zoo is het ook met Jozef gegaan.
21
Nu zal ik u zeggen, welke ramp onzen Jozef overkwam. Potifar, de heer van Jozef, had eene ondeugende vrouw. Deze vrouw wilde Jozef verleiden tot groote goddeloosheid. Zij zocht hem te bepraten, om haar ten dienst te staan in zeer slechte bedrijven, waardoor zij ontrouw zou plegen tegen haren man, en Jozef tegen zijn meester. Dit maakte den jongman zeer verlegen. Als hij haar zin deed, pleegde hij kwaad, en als hij weigerde, moest hij vreezen, dat zij boos zou worden en maken, dat hij mishandeld werd. Jozef begreep echter, dat het beter was ongelukkig dan misdadig te wezen. Hij zeide dus ronduit aan Potifars vrouw, dat hij haar zin niet doen wilde. Zij hield evenwel niet op met hem tot zonde te willen verleiden. Zij beloofde hem veel genoegen en voordeel; zij beloofde, dat zij hem nooit zou verklappen, en praatte heel mooi. Telkens, als Jozef iets in huis te verrichten had, en Potifars vrouw hem spreken kon, viel zij hem op deze wijze lastig. Jozef liet zich echter niet bewegen, om ontrouw te worden tegen zijn heer, en te doen, hetgene hij wist, dat kwaad was. Zijn voornemen was heel vast, om liever alles af te wachten, dan Gods geboden te overtreden. Hij was zelfs zoo edel, dat hij niet eens boos werd op de slechte vrouw, die hem zocht te verleiden. Veeleer had hij medelijden met haar en deed zijn best, om haar te verbeteren. âBedenk eens,quot; zeide hij: âwat gij van mij wilt! Gij weet immers wel, dat ik het niet doen mag. Mijn Heer vertrouwt mij alles toe, wat hij heeft. Ik geniet zoo veel goeds; en zou ik nu mijn meester al dat goed met kwaad vergelden! Zou ik zoo'n groot kwaad doen, en zondigen tegen God? Dit kunt gij niet van mij vergen, daartoe zult gij mij nooit bepraten!quot;
Keetje. Werd de ondeugende vrouw niet beschaamd,
22
Meester! toen zij ondervond, dat Jozef zooveel braver was dan zij ?
Mr. O neen! Zij liet hem nog niet met rust, maar wilde hem zelfs dwingen tot kwaad doen. Maar Jozef deed zooals het een vroom jongman betaamt. Hij liep ineens weg, en wilde nergens meer naar luisteren.
Kinderen! hier moeten wij Jozef bewonderen. Maar het is niet genoeg, hem te prijzen, en te zeggen; âHij was een braaf mensch, een godvreezend jongeling!quot; Wij moeten onthouden, hoe h^j dacht, en wat hij deed, en dan moeten wij ons best doen, om ook zoo te leeren denken en handelen. Als wij lust krijgen, of verzocht worden, om iets te doen, dat kwaad is, moeten wij niet denken: âZou vader of moeder of iemand anders het ook ontdekken? Zou 't ook pleizierig zijn? Zou ik anders ook uitgelachen, veracht of mishandeld worden?quot; Dat altemaal moeten wij niet tellen; daar moeten wij geen acht op geven. De eenige vraag is maar: âHoe wil God de Heer, dat ik doe? Wat is mijn plicht?quot; Zoo moeten wij altijd doen; en als men ons wil medesleepen tot slechte daden, moeten wij, even als Jozef, ons snel verwijderen.
De vrouw van Potifar was nu heel boos op Jozef, omdat hij al hare verzoeken had geweigerd. In plaats van hem hoog te achten om zijne godsvrucht, haatte zij hem en wilde zij zich op hem wreken. Daarbij dacht zij: âMisschien vertelt Jozef mijne slechte voornemens aan zijn Heer. Misschien stelt hij mij ten toon voor het geheele huisgezin. Daar moet ik tegen waken! Kom! ik zal Jozef beschuldigen, alsof hij zelf mij had willen verleiden, net andersom als wezenlijk gebeurd is.quot;
Truitje. Dat was gruwelijk valsch!
Mr. Het leert ons alweder. Truitje! hoe men van de
23
eene slechtheid tot de andere komt. Het leert ons, zorgvuldig oppassen tegen de eerste zonde.
De goddelooze vrouw verzuimde geen oogenblik, om haar ondeugend voornemen uit te voeren. Zij riep de meiden en knechts bij zich. Toen hield zij zich heel ontsteld, en zeide: âDie Jozef, die zoo vroom schijnt te wezen, is een erge schurk! Hij wilde mij tot goddelooze dingen bepraten, ja zelfs dwingen. Hij wilde zijn goeden Meester bedriegen en bestelen! Zware straf heeft hij verdiend!quot; Kort daarna kwam Potifar te huis, en zijne vrouw begon weer dezelfde vertelling. Zij spaarde geene leugens, om Jozefs ongeluk te bewerken. Zij rustte niet, voordat Potifar zeer toornig werd op den jongman, en beloofde, dat hij zwaar gestraft zou worden.
De arme, onschuldige Jozef gevoelde geen berouw over zijne standvastige weigering. Het verkwikte hem, te denken, dat God alles ziet en hoort; dat God ieder liefheeft, die Hem vreest en zijn plicht doet; dat God de braven nooit verlaat, maar altijd helpt.
Potifar was hevig vergramd. Hij liet Jozef vastbinden, en overbrengen naar het gevangenhuis van den Koning van Egypte. Daar moest de ongelukkige zoon van Jakob als een boosdoener in een akelig hok zitten, bij dieven en moordenaars, zonder dat hij hopen kon, daar ooit weer uit te komen.
Jan. En zei Jozef dan niet aan Potifar, dat hij geen schuld had ? Liet hij zich maar zoo stilletjes wegbrengen ?
Mr. Die vraag verwondert mij niet. Jan! quot;t Is heel natuurlijk, dat men zich verdedigt, als men valsch wordt beschuldigd. Maar Jozef hield zich evenwel stil. Hij dacht bij zich zeiven: âNiemand zal mij gelooven, als ik mijns Heeren vrouw zoo tot eene leugenaarster en bedriegster maak. Of, als mijn heer het gelooft, wordt
24
zijne vrouw zekerlijk nog veel boozer op mij, en ik zal hier in huis geen uur met rust en veiligheid kunnen wezen. Ook meent mijn Meester nu, dat hij eene brave vrouw heeft, en dan zou hy ontdekken, dat zy zoo slecht is.quot; Om al deze redenen zweeg Jozef maar stil, en zoo kwam hij in het gevangenhuis, by de kwaaddoeners, die daar bewaard werden. Dat was weder eene groote vernedering voor Jozef! Gisteren nog de voornaamste knecht in het huis van Potifar, en nu een gevangen man. Gistei'en nog liep hij uit en in; dan was hij op het land, en dan weder in huis, gedurig in beweging, tot genoegen van zijn Heer; en nu â kon hij nergens heen; nu had hij niets te doen; nu was zijn Heer, zonder reden, toornig op hem; nu was hij van alle menschen verlaten. De moedige Jozef bleef echter onder dit alles kalm en bedaard. Hij hield zich braaf, en vertrouwde alweder op God, die alles weet en ten goede bestuurt.
Kinderen! Hoe weinig gelijken sommige menschen, in dit opzicht, naar Jozef! Velen worden al knorrig, als het eens regent, juist als zij uitgaan zouden. Zij zijn al uit hun humeur, als zij eens eene kleinigheid verliezen. Wat zouden zij razen, als ze eens, onverdiend, in de gevangenis werden opgesloten!
Ko. Wel, ik ken een jongen, die een heelen avond knorrig is, als hij 's middags maar eenige knikkers verloren heeft.
Jan. Foei, Ko! nu jok je; dat was, toen ik nog klein was.
Mr. Dat geloof ik ook, Jan! Maak gij maar, dat gij 't best van al uwe makkers ongelukken en zelfs mishandelingen leert verdragen, dat is eene groote zaak.
De edele Jozef ondervond spoedig, dat God hem ook in het gevangenhuis niet vergeten had. De Overste van
25
het gevangenhuis kreeg Jozef lief; hy liet hem hoe langer hoe meer vrijheid. Jozef mocht over dag het geheele gebouw vrij doorloopen; de Overste gaf hem het een en ander pleizierig werk voor tijdkorting; hij liet hem vrijelijk praten met al de gevangenen, die hij zelfs aan Jozef toevertrouwde, om hen op te passen. Dit deed Jozef alles weer recht naar den zin van dezen Meester, en hij had nu een leven, zoo dx-agelyk en wel, als iemand in eene gevangenis ooit hebben kan. â Wij zullen hem daar laten, en morgen zal ik u vertellen, wat Jozef al verder in de gevangenis overkwam, en hoe hij hoop kreeg, daar weder uit te komen.
Vierde Avond.
Gen. XL.
Mr. De koning van Egypte heette Farao. Hij woonde in een mooi huis of paleis, en ging prachtig gekleed. Ook had hij machtig vele knechts, zoo als alle koningen hebben. Sommige van deze knechts waren zelfs heeren, en hadden weer knechts onder zich. Zoo was daar een bediende, die zorgen moest, dat Farao altijd lekker eten op zijne tafel had. In den Bijbel wordt deze man genoemd de Overste der Bakkers, omdat hij het opzicht had over de bakkers en koks, en over allen, die in de keuken iets te doen hadden. Zulk een man hebben de koningen nog wel, en dien heet men nu een hofmeester.
Bij den Koning van Egypte diende nog een ander man, die de Overste der Schenkers genoemd werd. Deze was ook een voornaam bediende, die zelf vele knechts onder zich had. Deze moest oppassen, dat Farao altijd verscheidene soorten van lekkeren wijn had om te drin-
26
ken. Hij mocht den wijnkelder niet leeg laten worden, en moest zorgen, dat de Koning en zijne gasten aan tafel met drinken goed bediend werden.
Op zekeren tijd werden deze twee mannen, de Hofmeester en de Schenker, beschuldigd van eene zware misdaad tegen den Koning. Deze misdaad was denkelijk, dat zij schadelijk goed onder zijn eten of drinken gedaan hadden, om hem ziek of dood te maken. Althans, de Koning werd toornig op die twee mannen, en deed hen gevangen nemen. Zij kwamen in hetzelfde gevangenhuis, waar Jozef was. De Meester van het gevangenhuis gebood Jozef, dat hij deze mannen moest bedienen en oppassen. Zij werden dus aan hem toevertrouwd, en hij was heel vriendelijk jegens hen.
Op zekeren ochtend kwam Jozef bij den Hofmeester en den Schenker, om te zien, hoe zij geslapen hadden. Dadelijk zag hij, dat de beide mannen er zeer bleek en ontsteld uitzagen. âWat is dat,quot; zeide hij: âhoe zoo ontsteld? zijt gijlieden niet wel?quot; â âOch,quot; gaven zij ten antwoord âwij hebben beiden van nacht zoo raar gedroomd. Dat maakt ons zeer ongerust.quot; â âWel,quot; hernam Jozef âvertelt mij die wonderlijke droomen eens.quot; Zij gingen toen bij elkander zitten, en de Schenker begon het eerst aldus zijn droom te vertellen; âTk droomde, dat ik bij een wijnstok was ....quot;
Piet. Wat is een wijnstok. Meester?
Mr. Dat is een boomgewas, waaraan de druiven groeien; van het sap uit de druiven maken de men-schen wijn; daarom heet dat boomgewas een wijnstok. â âIk droomde, dat ik bij een wijnstok was,quot; vertelde de Schenker âen aan den wijnstok zag ik drie ranken of takken. Deze kregen dikke knoppen, bladeren en bloesems, en eindelijk trossen rijpe druiven. Nu droomde ik
27
verder, dat ik den beker in mijne hand hield, waar de Koning altiid uit drinkt, en dat ik in dien beker de druiven uitdrukte, en toen den beker aan onzen Koning gaf, om daaruit te drinken.quot; Jozef, die door zijne lotgevallen veel menschenkennis had opgedaan, had al bemerkt, dat de Schenker onschuldig gevangen was, en bemoedigde hem nu door te zeggen: âWel, dat is een schoone droom! Mogelijk wordt gij wel weer gauw in 's Konings gunst en dienst hersteld!quot;
Mietje. Dat zal den Schenker opgebeurd hebben. Nu zal hij niet meer zoo ongerust zijn geweest.
Mr. Dat geloof ik ook, Mietje! de Overste der Schenkers had ook geen schuld; maar de Overste der Bakkers had wel schuld.
Toen de Schenker Jozef vriendelijk bedankte voor deze troostrijke woorden, zeide Jozef tot hem: âNu heb ik ook een verzoek aan u. Gij kunt mij een grooten dienst doen. Als gij weder bij den Koning zijt, en in uw ambt hersteld, denk dan aan mij, die hier onschuldig gevangen zit. Spreek dan eens over mij tot Farao, en maak, dat ik uit dit huis kom, en weder vrij word; want ik ben zeer ongelukkig. Ik ben op eene heel slechte wijze uit mijn vaderland, uit Kanaiin, weggebracht. Ook heb ik hier in Egypte geen kwaad gedaan. Daarom moest gij een goed woord voor mij doen bij den Koning.quot; De Schenker beloofde, dat hij het vast doen zou, als hij weder bij Farao in dienst kwam.
Gerrit. Nu denk ik, dat onze goede Jozef haast weer vrij wordt.
Mr. Nog zoo heel gauw niet, Gerrit! Hij moest nog geduld hebben. In 't vervolg zult gy zien, hoe dat kwam.
De Overste van de Bakkers vertelde nu ook, wat hij gedroomd had. Hij begon zijn verhaal op deze wijze:
28
âIk droomde, dat ik manden op mijn hoofd droeg, drie boven elkander. In de bovenste mand was brood en gebak voor den Koning. Terwijl ik daarmede voortliep, kwamen er vogels op aan vliegen, en die aten het brood en gebak uit mijne mand.quot;
Mietje. Dat was een kluchtige droom. Als dat eens gebeurd was, zou hij niet geweten hebben, waar zijn brood en gebak gebleven was!
Mr. Dat zou zeker kluchtig zijn; maar wat Jozef zei, was lang niet kluchtig. Hij zeide tot den Hofmeester: âIk vind dit een akeligen droom. Kwelt uw geweten u ook? Uw schuld zal zeker uitkomen. De Koning zal u doen ophangen, en de roofvogels zullen uw lijk eten.quot;
Jansje. Foei! dat is akelig!
Mr. Ja, kind! Zoo handelde men toen met misdadigers. De Hofmeester was heel bedroefd en angstig. Het kwam uit, dat hij het groote kwaad gedaan had, waarvan hij beschuldigd was, en dat de Schenker onschuldig was. Farao liet toen den Overste der Bakkers ophangen, en den Overste der Schenkers nam hij weer bij zich, juist zoo als Jozef gezegd had.
Jan. Ei! dat had Jozef dan goed geraden.
Mr. Ja! maar dat kwam, doordat God hem zoo'n helder verstand en doorzicht gegeven had.
Gerrit. Meester! Nu is de Schenker weer bij den Koning; komt Jozef nu niet haast uit die nare gevangenis? Of wilde de Koning niet gelooven, dat hij onschuldig gevangen zat?
Mr. Denkt gij dan, Gerrit! dat een van beiden vast gebeuren moest?
Gerrit. Ja! Toen de Schenker een goed woord deed voor Jozef, geloofde de Koning hem, en liet Jozef los, of hij geloofde hem niet, en Jozef bleef in het gevangenhuis.
29
Mr. Bedenk u eens, of er niet nog een derde geval kon gebeuren!
Gerrit. (Bedenkt zich eerst wat.) De Schenker vergat toch de geheele boodschap niet?
Mr. Daar hebt gij het juist! de Overste der Schenkers dacht niet meer aan Jozef. Hij vergat, wat hem verzocht was, en wat hij beloofd had.
Gerrit. Dat was leelyk! Die Jozef was toch bitter ongelukkig!
Mr. Zoo leelijk is het, kinderen! iets te beloven, en het dan niet te doen. Daarom moet men niet te licht iets beloven, en niet meer beloven, dan men onthouden en doen kan. Als men iets aanneemt te doen, moet men gedurig denken: âLaat ik het toch niet vergeten!quot; De Schenker moest vooral onthouden hebben, wat Jozef hem verzocht had, omdat hij Jozef had leeren kennen als een braaf mensch, en redenen had, om te gelooven, dat hij onschuldig gevangen zat, hetwelk lang niet plei-zierig is, zooals de Schenker zelf ondervonden had. Daarenboven had Jozef den Schenker veel dienst gedaan in de gevangenis. Hij had hem vertroost en verzekerd, dat hy weer bij Farao aan het hof zou komen. Daarom moest hij nu zijn best doen, om Jozef ook een dienst te bewijzen. Hij had geene gelegenheid moeten verzuimen, om hem uit zijn lijden te helpen. Hij moest zooveel aan Jozef gedacht hebben, dat hij diens verzoek niet vergeten kon. Dan was hij een dankbaar mensch geweest, en dankbaarheid is eene schoone deugd, die den mensch tot eer strekt en Gode welgevallig is. Maaide Schenker dacht slechts aan zich zelf; hij dacht zoo min mogelijk aan de gevangenis, en hij verlangde zoo zeer in Farao's gunst te blijven, dat hij over dien naren tijd nooit tot den Koning zou gesproken hebben.
30
als er niet een gelegenheid gekomen was, wanneer hij dit kon doen op een manier, dat hij er zich zelf welbe-hagelijk meê maakte bij den Koning, Dit zullen wij morgen-avond hooren.
Vyfde Avond.
Gen. XLI.
Jan. Als Jozef nu niet haast uit het gevangenhuis komt, word ik ongeduldig!
Kaatje, 't Is goed. Jan! dat Jozef wat meer geduld had dan gij. Ik vrees, dat gij bedroefd verdrietig zoudt worden, als wij u eens zoo lang opsloten!
Mr. En ik vrees, dat niemand van u het zoo lang zou uithouden, als Jozef nog doen moest, nadat de Schenker alweer uit de gevangenis bij den Koning was gekomen.
Jan. Hoe lang duurde dat dan. Meester! veertien dagen ?
Mr. Dat lijkt er niet naar! veel langer! Het duurde nog twee geheele jaren. In al dien tijd dacht de Schenker niet aan Jozef.
Jan. Wel dat was schandelijk!
Mr. Na twee jaar gebeurde het, dat Farao op zekeren nacht heel wonderlijk droomde. Gij hoort, kinderen! het komt weer op een droomen aan. Toen de menschen nog weinig wisten, waren zij altijd gauw en erg bevreesd,, als er iets buitengewoons voorviel of iets zonderlings, dat zij niet begrepen. Daarom leest men in oude geschiedenissen of in verhalen van onbeschaafde volken of onwetende menschen zoo dikwijls van rare droomen. Farao had wel twee droomen in dienzelfden nacht. Des ochtends verhaalde hij ze aan zijne hovelingen op deze
31
wijze: âIk droomde eerst, dat ik aan de groote rivier van Egypte, aan den Nijl, stond. Ik zag daar zeven dikke, vette koeien uit de rivier opkomen en aan land stappen, om te eten van het gras, dat daar dicht bij groeit. Daarna zag ik, in mijn droom, zeven andere koeien uit de rivier komen, die heel mager en leelijk waren, zoo leelijk, als ik ze nooit anders gezien heb. Die magere koeien hadden zulk een honger, dat zij ieder eene van de vette koeien opaten, zoodat er maar zeven van de veertien overbleven. De magere koeien bleven toen nog al even dun en schraal. Ik kon niet zien, dat zij iets gegeten hadden. Ik verwondei'de mij daar zoo over, dat ik wakker werd, en zoo was mijn eerste droom uit.quot;
De toehoorders vonden dezen droom heel vreemd. Zij waren nieuwsgierig, om ook den tweeden droom te hoo-ren. Farao begon dus terstond dien ook te verhalen. â âNa dien droomquot; zeide bij âviel ik weder in slaap. Toen droomde ik, dat er zeven korenaren uit het land opgroeiden uit één halm.quot;
Mietje. Eer gij verder vertelt. Meester! wat is een halm, en wat zijn aren?
Truitje. Maar, Mietje! weet gij dat niet meer? Verleden zomer heeft Meester ons dat immers altemaal gewezen op het land, achter de kerk!
Mr. Nu, die 't weet, moet het zeggen. Vertel gij ons dan eens. Truitje! wat een halm is, en wat korenaren zijn.
Truitje. De halm is de dikke stengel van eene graan-plant, b. v. van tarwe, die uit den grond opschiet. Deze stengel verdeelt zich in dunne steeltjes, net als dunne takjes van een boom. De steeltjes dragen aan hunne punten het koren in mooie trosjes, en die trosjes heeten korenaren. Is het zoo niet. Meester?
Mr. Recht zoo. Truitje! gij hebt het wel onthouden.
32
Farao zag dan in zijn droom een dikken halm opgroeien met zeven aren, âenquot; zeide hij âdie korenaren zagen er mooi uit, zij waren vol met goed koren. Toen zag ik uit denzelfden halm nog zeven andere korenaren opschieten, die heel dun en dor waren, net alsof ze verschroeid en verbrand waren door den Oostenwind.quot;
Ko. Verbrand door den Oostenwind, Meester! hoe kon dat wezen? De Oostenwind is immers koud?
Mr. Ja, Ko! In ons land is deze wind meest altijd koud, maar in het warme Egypte meestal heet, somtijds brandend heet, en daarom gevaarlijk voor het jonge koren. Farao vertelde verder: âDie zeven dorre en slechte korenaren verslonden de zeven mooie, dikke aren, zoodat de dunne alleen op den halm overbleven. Dit was mijn tweede droom. Toen die uit was, werd ik geheel wakker en droomde niet weer.quot;
De Koning van Egypte was heel verlegen over deze droomen. Hij dacht: âZij zullen zeker iets te kennen geven, dat haast gebeuren zal!quot; Hij verlangde nu maar, dat hij iemand had, die hem zeggen kon, wat deze twee droomen beteekenden. Vele Egyptische wijzen deden daartoe hun best; maar niemand wist er iets van te maken, zoodat de Koning hoe langer hoe meer bekommerd werd.
Door dit verhalen van droomen en het praten over de droomen begon, eindelijk, de Overste der Schenkers aan Jozef te denken, dien hij nu twee jaar vergeten had. Hij zeide tot den Koning: âNu denk ik aan den tijd, toen ik, met den Overste der Bakkers, in de gevangenis zat. Daar hadden wij, de Overste der Bakkers en ik, elk een zonderlingen droom. Toen was daar een jongman, die ons als knecht bediende. Hij was uit Kanaan van daan. Die wist terstond onze droomen te verklaren.
zoodra wij ze hem vertelden. Hij zeide mij, dat ik weder in uwe gunst zou gesteld worden; en den Overste der Bakkers voorspelde hij den dood, juist zooals het gebeurd is. Als die knecht er nog is, moest de Koning hem laten roepen.quot; â âWel!quot; riep Farao: âDien man moet ik hebben; laat hem hier komen!quot;
Jan. Ha! nu komt Jozef uit het gevangenhuis!
Gerrit. Als hij er maar niet weer in moet!
Mr. Neen, Gerrit! nu komt hij er uit, en hij blijft er ook uit. Nu zijn Jozefs ongelukken ten einde, en hij krijgt een aangenaam leven.
Mietje. Dat is goed, dat is recht goed!
Kees. Ja, dat gun ik hem waarlijk ook!
Mr. Het was nu al dertien jaar geleden, dat hij door zijne broeders voor slaaf verkocht werd. Toen was hij zeventien jaar; dus kwam hij op zijn dertigste jaar uit de gevangenis; want zeventien en dertien maken dertig.
Jozef was zeer blijde, toen de boodschap kwam, dat de Koning van Egypte hem wilde spreken. Hij werd geschoi'en, en kreeg betere kleeren aan. Zoo stapte hij naar het koninklyke huis, terwijl hij in stilte bad, of God hem wilde bijstaan, om nu vrjj en gelukkig te worden.
Kees. Was Jozef niet heel bang en beschroomd. Meester! toen hy daar bij den Koning moest komen, en bij de groote heeren van het hof?
Mr. Wel neen. Kees! dat kwam niet te pas. Men behoeft alleen bang of beschroomd te wezen, als men kwaad doet of gedaan heeft. Jozef was onschuldig; hij was ook niet dom of lomp. Hij trad dus vrijmoedig, beleefd en deftig in de kamer, waar Farao was met zijne hovelingen. De Koning sprak tot Jozef: âIk heb zeer wonderlijke droomen gehad, die niemand kan be-
34
grijpen; maar van u heb ik hooren zeggen, dat gij een droom verklaart, zoodra die u maar verteld wordt.quot; Nu had Jozef kunnen zeggen: âJa, Koning! daar ben ik een baas in; ik kan alle droomen begrijpen!quot; maar hij was te bescheiden en te oprecht, om zoo iets te zeggen. Hij antwoordde eenvoudig: âIk kan dat eigenlijk niet doen, maar God de Heer zal mij helpen, om u iets goeds uit uwe droomen te verkondigen.quot;
Toen verhaalde de Koning zijn twee droomen aan Jozef: den eersten droom van de zeven vette en zeven magere koeien, en den tweeden droom van de zeven dikke en de zeven dunne korenaren.
Terwijl Farao sprak, gevoelde Jozef zich gesterkt en zijn geest verhelderd door God. Daarom antwoordde hij terstond: âUwe droomen, o Koning! geven u een belangrijke zaak te kennen. De zeven vette koeien en de zeven dikke korenaren verbeelden vruchtbare jaren met overvloed van koren; maar de zeven magere koeien en de zeven dunne korenaren zijn nadeelige jaren, waarin weinig of niets groeit, zoodat er gebrek aan eten is, en de menschen van honger sterven. Daaróm moet Farao een wys man aanstellen over geheel Egypte, die in de goede jaren een vijfde part laat verzamelen en opbergen van al het koren, dat er groeit, opdat het volk daarvan eten kan in de kwade jaren, als er gebrek zal wezen.quot;
Farao had naar Jozef geluisterd met aandacht en verwondering, want vóór dien tijd was nog nooit iemand op de gedachte gekomen, om in vruchtbare jaren een deel van den oogst te bewaren voor tijden van gebrek. Farao vond al, wat Jozef gezegd had, bijzonder mooi en goed. Ieder was verbaasd over Jozefs wijsheid. Zonder zich lang te bedenken, zeide de Koning tot zijne hovelingen: âZouden wij wel ergens een man vinden, die
zoo opmerkelijk geholpen wordt door God, als deze? Zouden wij iemand vinden, die beter was, om aangesteld te worden als beer over gansch Egypte? Neen, zeker.quot; Niemand wist daar iets tegen te zeggen.
Truitje. Wel! nu wordt Jozef in eens beer over gansch Egypteland.
Ko. Ik geloof bet nog niet. Een gewezen slaaf, die zoo pas uit de gevangenis was gebaald! Zou de Koning zulk een gering man tot een groot beer maken?
Mr. Ja, Ko! dat deed hij. Deze Farao was een braaf vorst. Hij deed, zoo als alle vorsten bebooren te doen. Hij gevoelde, dat Jozef zeer verstandig en goed was; hij-zag in, dat Jozef aan alle inwoners van Egypte een grooten dienst gedaan bad, door dat middel tegen den hongersnood bekend te maken. Deze redenen waren hem genoeg, om Jozef te kiezen tot heer over zijn land. Of Jozef nu een gering man scheen te wezen, of hij als slaaf gediend had, of bij uit het gevangenhuis kwam, â daaraan stoorde Farao zich niet. Hij had Jozef liever dan een aanzienlijk man zonder verstand, of zonder braafheid.
Kaatje. Maar hoe ging het nu, Meester? Zeide de Koning het aanstonds aan Jozef, of moest hij eerst nog weer heengaan?
Mr. Terstond, terwijl Jozef nog voor hem stond, sprak hij hem aldus aan: âOmdat God u heeft bekend gemaakt, wat er in Egypte zal gebeuren, zoo is niemand wijzer en beter geschikt dan gij, om voor ons allen te zorgen tegen den hongersnood. Ik maak u dus beer over mijn gebeele land. Al mijn volk moet eerbied voor u hebben, en u gehoorzamen. Na mij, die op den troon zit als Koning, zult gij de eerste man zijn in Egypte.quot; Toen nam de Koning een kostelijken ring van zijn vinger, en stak
36
dien aan Jozefs vinger. Dit was een bewijs van groote achting, en ook van het aanzienlijk ambt, dat hij aan Jozef gaf. Vervolgens deed hij Jozef, fijne, mooie kleeren aantrekken, en hij hing een gouden ketting om diens hals. Zoo liet de Koning Jozef door de stad rijden op een wagen, die bijna zoo prachtig was als die, waarmede Farao zelf gewoon was te rijden. Zoo werd Jozef aan Let volk vertoond, dat voor hem knielen moest, als hg aankwam. Ieder moest weten, dat Jozef Heer of Regeerder was, naast den Koning, over geheel Egypte.
Kinderen! denkt eens, welk een stap dit was voor Jozef! Zoo in één dag uit de donkere, nare gevangenis op den prachtigen wagen van Farao! Welk een onderscheid: dieven en moordenaars, in een akelig hok, als een arme knecht te bedienen, of â als heer te regee-ren over een groot land! Zoo gauw kunnen de dingen veranderen in deze wereld! Zoo gauw kan een arme rijk, en een rijk mensch ook weer arm worden! Wie rijk en gelukkig is, moet daarom nooit denken: âIk zal altijd rijk en gelukkig blijven!quot; En een mensch, die arm en ongelukkig is, moet ook niet denken: âIk zal wel altijd arm en ongelukkig blijven!quot; Ieder moet liever zijn best doen, om braver te worden en tevreden te zijn met zijn lot.
Wij hebben gezien, dat Jozef zich bijzonder wel heeft gedragen in al zijne ongelukken. Dat deed hij ook in zijn voorspoed, zoo als gij vervolgens zult hooren.
Farao noemde Jozef voortaan Zafnath Paanich, of Psotonfanich, dat zooveel beteekent als Behoeder van het Land. Zoo noemden hem ook al de Egyptenaren.
Piet. Dat is een erge naam; dien kan ik niet onthouden!
Mr. Niet, Piet? dan zullen wij hem maar Jozef blijven noemen.
37
Jozef clan, de heer van Egypte, trouwde met eene voorname prinses uit de stad On. Ook kreeg hij binnen weinige jaren twee zonen. Den eersten zoon noemde hij Manasse, en den tweeden Efiaïm.
In de eerste jaren, nadat Jozef regeerder was geworden, groeide het koren in Egypte ongemeen goed. In al dien tijd zorgde hij tegen de te verwachten slechte jaren. Hij reisde van de eene stad naar de andere. Overal liet hij groote schuren of pakhuizen bouwen. Toen verzamelde Jozef van de landlieden eene groote hoeveelheid koren, waar men later brood van bakken kon. De boeren moesten een vijfde part brengen van al, wat er in den goeden tijd groeide in dat groote land. Dit konden zij gemakkelijk doen, omdat zij toch te veel hadden. Al dat koren liet Jozef bergen in de groote schuren. In elke stad liet hij den overvloed bewaren van hetgene gegroeid was op de velden, die daar dicht bij lagen.
Jansje. Maar, Meester! hoe kon Jozef dat altemaal doen ? Hij kon immers maar op ééne plaats tegelijk wezen ?
Mr. Dat is zoo, Jansje! Ik heb vergeten te zeggen, dat hij vele knechts had, die voor hem werkten. Hij zelf deed niets, dan toezien, dat alles gedaan werd, zoo als hij het bedoelde.
Jansje. En vroegen hem de menschen niet, wat hij met al dat koren doen zou?
Mr. Dat weet ik niet; maar wie niets gehoord hadden van Farao's droomen en Jozefs raad, zullen zich daarover wel verwonderd hebben. Jozef dacht ondertusschen: âAls de honger komt, zullen de menschen wel blijde zijn over de groote schuren, welke ik vol gepakt heb.quot; Het gebeurde ook, zoo als hij verwachtte. Er volgde slechte tijden. Jaren achtereen wilde nergens koren groeien, en alle eetwaren waren duur en slecht. Zoo was het in
38
gansch Egypte en in alle landen daar rondom. Nergens was brood te krijgen. Overal leden de menschen honger en gebrek.
Toen riepen de inwoners van Egypte tot Farao: âGeef ons tocb brood; wij hebben zulk een honger!quot; De Koning antwoordde: âGaat maar bij Jozef, en doet, wat die u zegt. Hij zal u wel helpen.quot; Dat deden zij en zij kochten het koren weder van Jozef, om daar brood van te bakken. Zelfs uit andere landen kwamen ook menschen, om koren bij hem te koopen, en ieder was recht blijde, dat Jozef zooveel gespaard had.
Keetje. Wel, dat was ook al heel gelukkig. Wie weet, hoe veel menschen anders van honger zouden gestorven zijn!
Mr. Ja, kind! daarom was Jozef nu ook verheugd, dat hij zoo ijverig gezorgd had, om koren te bewaren. Zooveel duizenden menschen in het leven te kunnen houden, dat was een onbegrijpelijk groot genoegen voor hem. Hij dankte daarvoor gedurig den Hemelschen Vader, en leefde met zijne vrouw en kinderen nu recht gelukkig, zoo als hij ook verdiende.
Nu wordt het tijd, dat ik u eens weder iets vertel van den ouden vader Jakob en de broeders van Jozef.
Mietje. Dat is ook waar; daar hebben wij in lang niet van gehoord.
Mr. Het is nu te laat. Mietje! maar morgen avond zullen wij eens zien, hoe zij het maken.
Zesde Avond.
Gen. XLII.
Mr. Volgens mijne belofte van gisteren avond, moet ik nu weer wat vertellen van Jakob en de broeders van
39
Jozef. Vooraf moet gij mij eens zeggen, Keetje! hoeveel dertien on zeven zijn.
Keetje. Dertien en zeven â is twintig, dunkt my.
Mr. Goed! dertien jaar was Jozef al uit zijn vaderland, uit Kanaan, geweest, toen hij door Farao verheven werd; zeven vruchtbare jaren waren sedert nog verloopen; zoodat hij nu, bij het begin van den hongersnood, twintig jaar van huis was geweest.
Kees. O, dan zal vader Jakob wel al dood zijn!
Kaatje. Dat geloof ik niet. De menschen leefden toen immers heel lang, zoo als Meester verteld heeft.
Kees. Nu, Meester! wie heeft het geraden?
Mr. Gij verliest het, Kees! Jakob leefde nog; hij was toen honderd negen en twintig jaar oud. Al de broeders van Jozef leefden ook nog. Wat zij in die twintig jaar al gedaan hebben, weet ik niet altemaal te vertellen. Zij zullen zeker niet al dien tijd bij Hebron zijn gebleven, maar heel Kanaan wel doorgereisd hebben. De oude man was nog gedurig bedroefd over Jozef; en de broeders lieten hem maar in de verbeelding, dat een roofdier zijn lieven zoon verscheurd had. Benjamin was nu de lieveling van vader geworden, in plaats van Jozef, dien hij verloren had. Al de zonen van Jakob waren nu ook reeds getrouwde mannen en vaders geworden; zoodat het huisgezin veel grooter was, dan Jozef het ooit gekend had.
Niet lang nadat de slechte jaren in Egypte begonnen waren, kwam er ook hoe langer hoe meer gebrek aan eten in Kanaan. Yader Jakob met zijne kinderen, zijne kleinkinderen, zijne knechts en meiden hadden nog al vrij wat noodig. De hongersnood begon hen gauw te hinderen. De eene broeder keek den anderen al verlegen aan; de eene werd bijna afgunstig, als de andere nog
40
iets te eten had. Eindelijk werd de nood zoo erg, dat zij vreesden, van honger te moeten sterven. Gelukkig hoorde Jakob, dat er in Egypte overvloed van koren te koop was. âWel!quot; zeide hij tot zijne zonen: âGij behoeft elkander zoo benauwd niet meer aan te kijken. In Egypte is koren te bekomen. Gaat spoedig daar naar toe, en koopt graan voor ons, opdat wij in 't leven blijven.quot; Om geen tijd te verzuimen, pakten Jakobs zonen spoedig al het noodige tot de reis bij elkander. Daarop namen zij afscheid van Vader, en van de geheele familie. Zij namen ezels mede, om hun goed te dragen, en om het koren, dat zij koopen zouden, naar huis te brengen. Zoo trokken zij met hun tienen op weg naar Egypte.
Truitje. Met hun tienen, Meester! er waren immers nog elf broeders te huis?
Mr. Juist, Truitje! ik wilde er ook aanstonds bij gezegd hebben, dat Benjamin niet mede mocht, maar bij Vader te huis moest blijven. Het heugde Jakob nog, hoe ongelukkig de reis van zijn lieven Jozef naar Sichem en Dothan ^afgeloopen was. âBenjamin blijft bij mij;quot; zeide hij daarom; âanders mocht hem ook eens iets kwaads overkomen!quot;
De overige broeders trokken dan weg, en kwamen behouden in Egypte, in de stad On, waar Jozef woonde. Zij voegden zich bij de andere menschen, die koren kwamen koopen, en vroegen, bij wien zij gaan moesten, om dat te krijgen. âBij den grooten Regeerder van Egypte;quot; kregen zij ten antwoord: âbij den heer. die naast den Koning hier alles bestuurt.quot; Zij stapten dus naar het paleis, waar hij was, niet denkende, dat die groote heer hun verkochte broeder Jozef zou wezen.
Jansje. Wel, dat komt aardig! Wat zullen zij vreemd opkijken!
41
Kees. Nu zal Jozef die leelijke broers wel ter deeg straffen voor het kwaad, dat zij hem gedaan hebben.
Kaatje. Foei,'Kees! Denkt gij dat van Jozef? Daar is hij veel te goed toe.
Ko. Ik voor mij denk, dat de broeders elkander niet eens weer zullen kennen, omdat zij elkander in meer dan twintig jaar niet gezien hebben.
Truitje. Och! houdt je toch stil, laat Meester voortvertellen; wij kunnen het toch niet raden.
Mr. Dat geloof ik ook, kinderen! Het viel nog al anders uit, dan gij nu denkt.
De tien broeders kwamen in het prachtige vertrek, waarin de heer van Egypte te spreken was. Jozef was in die twintig jaar heel veel veranderd van aangezicht en houding. Van een jongeling van zeventien, was hij een man geworden van bijna acht en dertig jaar. Zijne gewone spraak was nu de Egyptische, en niet meer de Hebreeuwsche. Zijn naam was Zafnath Paiinich, en niet meer Jozef. Hij was een machtig heer, in plaats van een arme slaaf. Zijne kleeding! was vreemd en kostbaar. Al die groote veranderingen in Jozef maakten, dat zijne broeders hem niet meer kenden, toen zij hem onverwacht zagen.
Ko. Heb ik het niet gezegd?
Mr. Luister maar verder, gij hebt het toch niet geheel geraden. De broeders van Jozef waren in al dien tijd ook wel wat veranderd en verouderd, maar lang zooveel niet als hij. Ook hadden zij nog de oude spraak en kleeding. Jozef bekeek terstond oplettend hunne aangezichten, en dacht: âDie man lijkt mijn broeder Ruben wel, â en die kon Simeon wel wezen, â en is die Levi niet?quot; Zoo zag hij rond en merkte, dat zij het waren; doch Benjamin kon hij niet vinden.
42
Gerrit. En zei Jozef toen, wie hij was; maakte hij zich voort aan de broeders bekend?
Mr. Neen, Gerrit! hij hield zich, alsof hij hen niet kende,
Kees. Dat dacht ik wel. Hij was boos op de broeders, niet waar, Meester?
Mr. Och neen, boos was hij niet. Daartoe was hij te braaf, zooals Kaatje straks zeide. Maar hij moest ook al heel godvreezend, heel goedaardig en beel vergeeflijk wezen, om niet boos te zijn op zulke broeders. Hij had meer reden, om hen te haten en te straffen, dan haast iemand ooit heeft. Zij hadden hem immers van jongs af stuursch bejegend; zij wilden hem eindelijk zelfs doodslaan; zij hadden hem als slaaf verkocht. Jozef was on-dertusschen niet meer een weerloos jongeling, zoo als toen zij hem verkochten. Hij was nu een machtig heer. Ieder in Egypte moest hem gehoorzamen. Hij kon met zijne broeders doen, wat hij wilde. Jozef had dus veel reden, om hen te straffen, en hij had daar de macht toe. Toch voelde hij geen lust, om hun leed te doen. Hij vergaf hun al het bedreven kwaad; hij was aangedaan van blijdschap, toen hij hen zag, en beminde hen nog recht broederlijk.
Kees. Maar hij hield zich evenwel, alsof hij zijne broeders niet meer kende; dat was toch raar!
Mr. Ik zal u zeggen. Kees! hoe dat kwam. De tien broeders naderden langzaam, en bogen zich heel diep voor Jozef neder. Toen dacht hij; âDe goede God heeft mij zeker niet zoo boven mijne bloedverwanten verheven, om hun kwaad te doen, maar wel, om nuttig voor hen te wezen, en hun goed te doen. Ik moet mijne macht nu niet misbruiken; maar ik wil mijnen broeders en mijne geheele familie op allerlei wijze tot voordeel en tot zegen zijn.quot;
43
Jozef begreep echter tevens, dat liet veiligst was, eer hij zich bekend maakte, de broeders wat nader te beproeven. Hij wilde eerst weten, of zij nog even ondeugend waren als te voren, dan of zy berouw hadden over bet mishandelen en verkoopen van hunnen broeder; â of zij hunnen ouden vader nu recht liefhadden; â of zij onder elkander eensgezind waren; â of zij Benjamin ook zoo plaagden, als zij hem gedaan hadden. Dat alles wilde hij vernemen, en daarom bedwong hij zich, om zich nog niet te ontdekken, hoe zeer hij dit wenschte te doen. Zelfs besloot hij, de broeders in het eerst hard te bejegenen, en op de proef te stellen, door hen verlegen te maken. â Nu weet gij de bedoeling van Jozef, en kunt begrijpen, waarom hij zoo deed met zijne broeders, als ik u vertellen zal.
âWaar komt gylieden van daan?quot; liet hij hun vragen door zijn tolk.
Mietje. Wat is een tolk, Meester?
Mr. Dat is een man, die de menschen helpt, als de een eene taal spreekt, die de ander niet verstaan kan. Bij voorbeeld. Mietje! als gij eens niets kondt spreken dan Nederlandsch, en ik kon niets dan Fransch, dan konden wij elkander niet verstaan. Maar als Kaatje nu tegelijk Nederlandsch en Fransch verstond, dan kon zij onze tolk wezen. Als ik dan iets tot u zei in 't Fransch, zou zij dat vertalen in 't Nederlandsch, en beduiden u, wat ik zeggen wilde. En als gij weder in 't Nederlandsch antwoorddet, moest zij mij weer in 't Fransch overzeggen, wat gij mij hadt geantwoord. Zulk een tolk of taalman had Jozef bij zich, wanneer hij met vreemde menschen sprak. Die tolk kon meest al de vreemdelingen verstaan, zoodat Jozef alleen Egyptisch behoefde te spreken.
Ko. Ik begrijp evenwel nog niet, hoe hier een tolk te
44
pas kwam tusschen Jozef en zijne broeders. Zij spraken immers Hebreeuwsch, de oude taal, die Jozef al gesproken had, eer hij nog een woord Egyptisch kon verstaan. Of had hij nu zijne vaderlandsche taal geheel vergeten ?
Mr. Wel neen, Ko! Hij kon de broeders wel best verstaan; doch de tolk was gewoon altijd te pas te komen, als zijn heer met vreemdelingen sprak. Ook wist de taalman denkelijk niet, dat Jozef Hebreeuwsch verstond. En dat kwam net goed. Jozef kon nu Egyptisch blijven spreken, en zich dus bedekt houden voor zijne broeders, zoo als zijn plan was. Want als hij Hebreeuwsch had gesproken, konden zij voort gemerkt hebben, dat hij hun landsman was, en dan zouden zij hem wel beter bekeken hebben.
Jozef liet hun dan vragen, door behulp van zijn taalman: âWaar komt gijlieden van daan?quot; Zij antwoordden: âWij komen uit het land Kanaün, om koren tot spijs te koopen.quot; Toen hield Jozef zich, alsof hij dat niet kon gelooven, en zei op een straffen toon: âGij zijt verspieders, die van onze vijanden uitgezonden wordt, om te zien, waar dit land meest openligt, om daar onverwacht in te trekken.quot; Zij deden hun best om den Heer van Egypte te beduiden, dat hij mis had. âOch neen!quot; riepen zij: âwij komen enkel om eten te koopen, en zijn eenvoudige menschen. Wij zijn altemaal broeders. Wij waren met ons twaalven, maar hebben een broeder, den jongsten, te huis bij vader gelaten, en een is al dood.quot;
Truitje. âEen is al verkocht voor slaaf' moesten zij gezegd hebben!
Mr. Ja, maar zij wilden den Regent van Egypte hun slecht bedrijf zoo niet vertellen. Ook dachten zij toen
y______
r
45
misschien waarlijk, dat Jozef wel gestorven zou wezen in zijne slavernij.
Jozef hoorde ondertusschen met genoegen, dat vader Jakob en broeder Benjamin nog leefden. Doch, wat de broeders ook begonnen te zeggen, hij hield zich hard en riep gedurig: âGij zijt verspieders! Gij wilt mij wat wijsmaken, dat merk ik meer en meer!quot;
Eindelijk, toen hij zag, dat zij verlegen stonden, zeide hij: âWelaan! ik wil zien en beproeven, of gijlieden de waarheid gesproken hebt, of niet. Een van u moet aanstonds naar Kanaan reizen, en halen mij dien broeder, die te huis gebleven is. Gij overigen blijft ondertusschen hier gevangen, totdat hij wederkomt met den jongsten broeder bij zich.quot; Toen liet Jozef al de broeders drie dagen gevangen zetten, zoodat zij tijd hadden, om zich te bedenken op dit voorstel. Daarna vermaande hij hen nog eens om zoo te doen, als hij gezegd had. âGelooft mij;quot; zeide hij: âals die proef wel uitvalt, zal ik u geen kwaad doen. Ik vrees God, en wat ik beloof, doe ik.quot; Doch met medelijden denkende aan de groote familie, die in Kanaan honger leed, veranderde en verzachtte Jozef zijn bevel door te zeggen: âIndien gy ook brave lieden zijt, dan is het mij genoeg, dat één van allen hier gevangen blijft. De overigen kunnen dan koren medenemen naar Kanaan voor hunne huisgezinnen, en komen met den jongsten broeder weer, om den gevangene los te krijgen.quot;
Begrijpt gij nu wel. Kaatje! wat Jozef eigenlijk voorhad, en waar hij nu de proef van nemen wilde?
Kaatje. Niet recht. Meester!
Mr. Voornamelijk wilde hij daardoor te weten komen, of zijne broeders elkander liefhadden en trouw waren. Als nu een van hen gevangen bleef in Egypte, kon
4G
Jozef zien, of de andere veel moeite deden, om hem weer te krijgen, dan of het hun niet schelen kon, dien broeder, zoowel als hunnen Jozef, te verliezen. Kwamen zij weder terug, dan zag hij zijn lieven Benjamin ook, en dan kon hij beproeven, hoe zij omtrent dien broeder gezind waren, en hoeveel ontzag en liefde zij voor hunnen vader hadden, zoo als gij naderhand zult hooren. Het plan van Jozef was derhalve heel wys en goed bedacht. De broeders stonden intusschen zeer bedremmeld over de ongelegenheid, waarin zij hier geraakten buiten hunne schuld. Dit onschuldig lijden en de onverbiddelijkheid van den Egyptischen Heer deed de broeders denken aan hun misdrijf, dat al zoo lang geleden was. Zij dachten aan den angst en de vergeefsche smeekingen van Jozef, toen zij hem zonder mededoogen verkochten. Niet wetende, dat de Heer van Egypte hunne taal verstaan kon, zei de een tot den ander: âWaarlijk, wij deden groote zonde jegens Jozef, onzen onschuldigen broeder. Wij zagen zijne benauwdheid; maar wij luisterden niet naar zijne beden. Nu ondervinden wij, hoe akelig dat is. Nu straft God ons daarvoor, door ons diezelfde benauwdheid te doen gevoelen.quot; âHeb ik het niet gezegd;quot; sprak Ruben, die daaraan lang zooveel schuld niet had als de anderen, âheb ik niet gezegd: doet den jongeling geen kwaad? Nu ziet gij, wat er van komt! Nu worden wij gestraft!quot;
Truitje. Wat dacht Jozef toch wel. Meester! toen hij dat alles hoorde; maakte hij zich toen niet bekend aan de verlegene broeders?
Mr. Neen, Truitje! maar hij was evenwel zeer aangedaan, toen hij hoorde, dat zijne broeders hem nog niet vergeten hadden, en dat zij gevoelden, hoeveel kwaad zij hem gedaan hadden. Jozef kon dit haast niet uitstaan.
47
Hij keerde zich om â en schreide. Maar hij bedwong zich nog, omdat hij wist, dat zulks het best was. Met eene gemaakte strafheid sprak hij weder tot hen. Zij moesten eindelijk uit nood toestaan, dat één van allen gevangen bleef in Egypte. Jozef verkoos daartoe Simeon, liet hem de handen binden, daar de anderen bij waren, en zoo gevangen zetten. Ik denk evenwel, dat die gevangenis vrij gemakkelijk zal geweest zijn. Jozef zal althans wel gezorgd hebben, dat Simeon geen gebrek had aan het noodige.
Toen kochten de negen andere broeders koren van Jozef; het werd in groote zakken gedaan, om door hunne ezels gedragen te worden. Bij het vullen van deze ko-renzakken had Jozef in stilte nog een nieuw plan, om zijne broeders te beproeven.
Gerrit. Alweer een plan? Nu plaagt hij de broeders toch wat sterk!
Mr. Neen, Gerrit! zeg dat niet. Hij deed hun geen eigenlijk kwaad. Hij zocht hen ook niet te plagen, maar wel tot verder nadenken en beterschap te brengen. Dit gebeurde ook, zoo als wij reeds eenigszins gehoord hebben, en daarom deed Jozef hen inderdaad een dienst, schoon zij dit niet wisten of dachten.
Toen de korenzakken dan volgedaan waren, liet Jozef heimelijk het geld, dat de broeders daarvoor betaald hadden, weer boven in de zakken leggen, ieders geld, net afgepast, in zijn eigen zak. Zoo liet hij hen weder afreizen naar Kanaan.
Kaatje. En waarom deed Jozef in stilte dat geld weer in hunne zakken?
Mr. Vooreerst, om te zien, of zij recht eerlijk waren, en bij hunne terugkomst het geld weerom zouden brengen, waarvan zij niet wisten, of het hun toekwam. Maar
48
ook, voornamelijk, wilde Jozef daardoor maken, dat zij bang werden, om voor dieven gehouden te worden dooiden Heer van Egypte. Als zij dan evenwel weder kwamen met Benjamin en het geld, bleek het nog te meer, dat zij Simeon gaarne weder hebben wilden; dat zij hunnen broeder oprecht liefhadden, en voor hem geen gevaar ontzagen.
De broeders waren vol gedachten over hetgeen hun in Egypte gebeurd was, en reisden zoo snel mogelijk voort met hunne beladene ezels. Bij eene rustplaats wilde een van allen voeder voor zijn ezel uit een korenzak halen, en zie! daar lag zijn geld bovenop, net zooveel, als hij voor het koren betaald had. Dit gaf eene groote verwondering; maar nog vreemder keken zij op, toen ook ieder van de overigen in zijn zak het betaalde geld net zoo wedervond. Dit konden zij in 't geheel niet begrijpen, zij maakten zich zeer verlegen. Zij waren evenwel te ver op weg, om terug te keeren, en dus trokken zij maar voort, om vader alles te vertellen.
Zoo kwamen zij weder in Kanaan, bij den ouden Jakob, bij hunne vrouwen en kinderen. Ieder was blijde, hen van verre te zien aankomen met ezels, die volle korenzakken droegen. Doch spoedig zagen zij, dat Simeon er niet bij was. Dit gaf weder droefheid bij de vreugde, zoo als meest altijd gebeurt in deze wereld. De broeders moesten nu aan het vertellen van al, wat hun in Egypte en op reis was overkomen, terwijl de familie aandachtig naar hen luisterde. Over dat weergevonden geld, in de zakken was Jakob verlegen, zoowel als zijne zonen. Dat Simeon gevangen zat, speet hem ook; maar er was nog eene zaak, waarin hij gansch geen zin had, en welke hij maar in 't geheel niet wilde toestemmen.
49
Kees. Ik kan wel raden, wat dat was. Hy wilde Benjamin niet medezenden naar Egypte.
Mr. Wel geraden, Kees! over die reis van Benjamin schudde vader Jakob het hoofd met groot misnoegen. âAch,quot; zeide hij âgijlieden zoudt my geheel van kinderen berooven! Jozef is al weg, Simeon is weg, en nu zou ik Benjamin ook nog geven! Neen, dat niet!quot; Ruben wilde zijne twee zonen, voor Benjamin, aan grootvader te pand geven; maar het kon niet helpen. âBenjamin zal niet medegaan;quot; riep Jakob alweder âals hem iets kwaads overkwam op die reis, stierf ik, oude man, nog met nieuwe droefenis!quot;
Truitje. Wel, wel! zoo blijft Simeon mooi in de gevangenis zitten! want zonder Benjamin durven /ij vast niet wederom gaan. Wat zal hij dan wel denken, en hoe zal Jozef het met hem maken?
Mr. Hoe dat alles afliep, vertel ik niet vóór morgen. Het is nu te laat, zoo als gij ziet aan Piet, die reeds zit te slapen.
Kaatje. Ja, zoo waar! daar zullen wij hem voorhebben.
Zevende Avond.
Gen. XLIII.
Mietje. Waar is Meester gisteren avond ook aan toe gekomen met de geschiedenis van Jozef?
Kaatje. Dat zal Piet wel weten, die zegt toch, dat hij niet geslapen heeft op het laatst, schoon wy het allen gezien hebben.
Piet. Ja, dat zeg ik! Het laatste was, dat Meester ons zeide, waarom Jozef het geld liet stoppen in de koren-zakken van zijne broeders.
50
Kaatje. Zoo! clan heeft Meester niet verteld, dat zi] op weg dat geld vonden; dat zij weer te huis kwamen in bet land Kanaixn, en dat Jakob zijn zoon Benjamin niet mede wilde geven naar Egypte?
Mr. Ja, Piet! dat alles heb ik nog naderhand verhaald; gij kunt er dus niet tegen strijden, dat de slaap u verrast heeft; doch ik wil wel gelooven, dat gij het zelf niet weet. Ik praatte gisteren avond ook wat heel lang. Nu zullen wij, hoop ik, zoo vertellen, dat al de oogen openblijven.
Nadat de familie van vader Jakob eenigen tijd met smaak gegeten had van het Egyptisch koren, tot lekker brood gebakken, zag men, dat de voorraad haast opraakte. De oude man begon al te zeggen, dat de zoons weder wat halen moesten. Maar Juda zeide, met reden, tot hem: âVader weet immers nog wel, wat wij hem verteld hebben van dien grooten heer in Egypte? Zonder broer Benjamin kunnen of mogen wij niet weer bij hem komen. Benjamin moet dus medegaan of wij ondernemen het niet.quot; De grijze Jakob werd meer en meer verlegen. âOch,quot; riep hij âwat brengt gij mij in de benauwdheid! Wat deedt gij ook aan dien heer te vertellen, dat gij nog een broeder te huis hadt?quot; â Hier deed Jakob, zoo als vele menschen doen, die wat vreesachtig van aard zijn. Wanneer zij in verlegenheid gebracht worden, door een ongeluk, dat niemand voorzien kon, willen zij evenwel nog iemand de schuld geven. Zoo was het ook hier. Juda en zijne broeders hadden, met een goed oogmerk, van hunnen vader en van Benjamin gesproken tot den Regeerder van Egypteland. Daarom zeide Juda dit nu ook, en voegde er bij: âHoe konden wij vooraf weten, dat die heer juist zeggen zou: brengt hier uw jongsten broeder bij mij!quot; Vervolgens sprak Juda,
51
als een kloek en verstandig man, nog tot zijn vader over hetgeen nu gedaan moest worden. âGeef Benjamin toch mede;quot; zeide hij âvertrouw hem aan mij toe! Ik zal op hem passen, als op mij zeiven. Ik blijf borg voor hem. Van mij kunt gij den jongeling eischen. Zoo hem iets ongelukkigs overkomt, dat zal altemaal mijne schuld wezen en blijven. Bedenk u toch, vader! Wij verzuimen onzen tijd, en hadden nu al tweemaal weerom kunnen wezen. Geef mij dan Benjamin mede, anders sterven wij allen misschien van honger!quot;
Toen sprak Jakob, zoo als hij eigenlijk over de zaak moest spreken. âHet kan nu niet anders;quot; zeide hij âBenjamin moet medereizen, of wij lijden gebrek. â Welaan! neemt hem dan mede!quot;
Truitje. Dat had ik niet gedacht! Maar, Meester! waren de broeders toch nog niet bevreesd, om weer naar Egypte te gaan? Waren zij niet bang wegens het geld, dat in hunne zakken was geraakt?
Mr. Zeker! maar de oude man stelde hen wat gerust door dezen goeden raad: âNeemtquot; sprak hij âvoor dien grooten heer een geschenk mede, mijne zoons! Geeft hem iets van het beste en lekkerste, dat in ons land groeit of te vinden is. Dan moet gij ook het gevonden geld weer terugbrengen, en nemen nog ander geld van hier mede, om daar weer koren voor te koopen. â Zoo, hoop ik, zal die man in Egypte tevreden zijn, en ulieden met Simeon weerom laten gaan naar uw bezorgden vader. God de Heer geve dit; anders was ik geheel van kinderen beroofd en ongelukkig!quot;
Nu gingen al de broeders aan het inpakken van die geschenken; zij namen het dubbele geld, en begonnen welgemoed hunne tweede reis naar Egypte, terwijl Vader hen met aandoening nakeek. Benjamin was er nu ook
52
bij: hoeveel broeders reisden dan nu te zamen, kinderen ?
Jan. Wel! den eersten keer waren zij met hun tienen, en nu is Benjamin de elfde.
Gerrit. Ha, ha! nu tel je Simeon ook mee, die in Egypte gevangen zit!
Jan. Dat is ook waar!
Mr, Het was dus weder een gezelschap van tien personen. â Zonder eenig ongeluk kwamen zij nogmaals in de stad On, in het huis, waarin Jozef te spreken was voor de menschen, die koren moesten hebben. Dit huis was een ander, dan dat, waarin Jozef eigenlijk woonde.
Met een groot genoegen zag Jozef zijne broeders wederkomen, met Benjamin bij zich, dien hij bijzonder liefhad. Hij riep zijn voornaamsten dienaar, die in zijn huis zooveel was, als hij zelf bij Potifar was geweest. Tot dezen man zeide hijj; âBreng die vreemdelingen eens naar mijn huis, waar ik woon, en zorg, dat er beesten geslacht worden, en maak alles gereed, dat zij dezen middag bij mij eten kunnen.quot; De knecht deed, zoo als zijn heer belast had.
Jansje. Wat zullen de broeders blij geweest zijn, omdat die groote heer hen ten eten vroeg!
Mr. Neen, Jansje! zij hadden niet recht begrepen, waarom zij naar het woonhuis van Jozef gebracht werden; daarom maakten zij zich onderweg, heel bang daarover. Zij zeiden tot elkander: âAch! dat is vast om het geld, dat in onze zakken was! Nu worden wij naar het huis van den grooten Regent gebracht, om daar overvallen te worden!quot; Zoo stapten zij heel angstig voort. Aan het paleis gekomen, durfden zij niet binnengaan, maar zeiden, zoo beleefd als hun mogelijk was, tot den man, die bij hen was, en die het opzicht had over Jozefs
zaken, âOch, Mijnheer! wij hebben waarlijk geene schuld. Wij weten niet, hoe ons geld weer in de zakken is gekomen, toen wij laatst hier waren. Wij hebben het trouw weer medegebracht; zie, daar is het; en hier hebben wy nog meer, om weder koren voor te koopen.quot; â De bediende van Jozef antwoordde heel schielijk: âMaakt u niet verlegen, goede menschen! Ik heb uw geld ontvangen en geborgen, zoo als het behoort; hebt gij het weder-gevonden in uwe zakken, dat raakt mij niet. Houdt zulks voor een zegen, die God u toeschikt, en steekt het gerust weer bij u. Gij komt hier enkel in dit huis, om bij mijn heer te gast te zijn; weest dan tevreden en vroolijk!'1
De broeders stapten, wat meer opgeruimd, naar binnen, maar konden echter dat geval met het geld niet begrijpen.
Kees. En ik kan ook niet begrijpen, Meester! hoe die voorname knecht van Jozef zeggen kon, dat hij het geld ontvangen en opgeborgen had. Zijn heer had het immers weerom laten geven, en in de zakken stoppen?
Mr. Juist, Kees! dat moet ik u nog nader uitleggen; Jozef had weer net zooveel van zijn eigen geld in de plaats gegeven aan den bediende, om weg te sluiten in de geldkisten van Farao. Daarom kon die knecht zeggen: âIk heb niets te eischen; ik heb mijn geld.quot; â En als Jozef dat niet weerom gegeven had, om te leggen bij het geld van Farao, weet gij wel, wat hij dan geweest was?
Kees. Neen, Meester!
Mr. Dan was hij een dief geweest, en had hij zijn Koning bestolen.
Kees. Een dief! Hij nam immers niet van Farao's geld; hij gaf aan de broeders maar weerom, wat zij medegebracht hadden?
54
Mr. Welnu, hij had van Farao's koren genomen, en dat aan de broeders gegeven; dat is net hetzelfde. Als men iemand iets niet geeft, dat hem toekomt, steelt men ook, zoowel, alsof men hem iets ontneemt, dat hij reeds met recht bezat. Bij voorbeeld, als uwe ouders mij een rijksdaalder zonden, om aan u te geven, en ik stak dien stilletjes in mijn zak of gaf hem aan een ander, zonder u daar iets van te zeggen, dan was ik net zoowel een dief, alsof ik u heimelijk een rijksdaalder ontnam. â Zoo was het ook met Jozefs geval. Dat geld van de broeders kwam Farao toe voor zijn koren. Gaf Jozef het zoo maar weer weg, dan stal hij het van zijn Koning; dan gaf hij een geschenk van gestolen geld aan de broeders; doch omdat hij een eerlijk man was, deed hij zoo niet, maar maakte, dat de Vorst het zijne kreeg.
Zoo als de tien broeders in Jozefs huis waren, werd Simeon in welstand bij hen gebracht uit het gevangenhuis. Hij was niet weinig verheugd, dat zij eindelijk gekomen waren met Benjamin, om hem weer in vrijheid te stellen. Zy hadden veel samen te praten over dat gevonden geld in hunne zakken, over Vader en over de reis. Ondertusschen liet Jozefs knecht water brengen, om hunne voeten te wasschen.
Gerrit. Wel, dat was een kluchtige knecht! Meende hij, dat zij te huis zich de voeten niet konden wasschen? Wie wascht ooit zijne voeten, als hij bij vreemde men-schen uit eten is!
Mr. Dit schijnt ons zeker vreemd. Ik zou het zelfs onbeleefd vinden, als mij iemand ten eten vroeg, en dan vooraf zeide: âWasch uwe voeten eens!quot; Maar gij moet weten, dat dit in die warme landen een gebruik was. De menschen reisden daar niet, zoo als wij, in booten of rijtuigen, maar meestal te voet door het mulle zand.
55
dat zeer heet werd door het schijnen van de zon. Ook hadden zij geene laarzen of schoenen aan, maar bonden slechts lederen zolen onder de voeten. Dit alles maakte, dat het eene groote verkwikking voor hen was, de bee-nen eens in frisch water te steken. Daarom was het de gewoonte, dat een gastheer zijne gasten de voeten liet wasschen, en dus moet gij ook den knecht van Jozef daarom niet uitlachen.
Diezefde knecht zorgde daarna, dat de ezels van Ja-kobs zonen gevoederd werden, wat ook zeer beleefd was. Zoo zetten wij ook nog, als er gelegenheid toe is, de paarden op stal, waarmede onze vrienden bij ons komen. De broeders schikten intusschen alles in orde, wat zij meegebracht hadden voor den gastheer. Toen hij te huis kwam, tegen etenstijd, boden zij hem de geschenken aan, terwijl zij weder zeer nederig voor hem bogen.
De Heer van Egypte nam alles gunstig aan, en toonde zich heel vriendelijk jegens zijne gasten. Hij vroeg, hoe zij voeren, en of hun oude Vader nog leefde, van wien zij, den vorigen keer, gesproken hadden. Bijzonder zag hij Benjamin aan, en zeide: âIs deze nu de jongste broeder, dien gij bij mij zoudt brengen? God zij u genadig, mijn zoon!quot;
Toen had zijne groote liefde voor Benjamin haast verklapt, dat hij Jozef was. Zoo aangedaan werd hij, door hem te zien, dat hij gauw weg moest loopen, en in eene andere kamer gaan schreien van blijdschap en ontsteltenis.
Kaatje. Wel, nu moest hij ook maar gezegd hebben, wie hij was.
Mr. Neen, nog niet. Hij was overtuigd, dat het best was, de broeders nog eerst eens op de proef te stellen. Dit had hij te voren wijselijk besloten, en nu moest hij
zich van dat plan ook niet laten aftrekken, al viel het hem zwaar, om vol te houden. Men moet altijd doen, wat men denkt, dat het beste is, al vindt men het moeilijker, dan men dacht.
Jozef dan wiesch zijne oogen af, om niet te laten zien, dat hij geweend had. Daarna ging hij weer in de eetkamer, alsof er niets gebeurd was, en zei heel bedaard, dat de knechts het eten moesten opbrengen, zoo als zij ook deden.
Mietje. En naast wien van de broeders zat hij aan tafel?
Mr. Naast geen van allen. Hij at aan eene andere tafel, en liet van zijne tafel het eten geven aan de gasten
Mietje. Wel! dat was grootsch van hem!
Mr. Het lijkt maar zoo. Mietje! Jozef kon niet anders doen. Een heer, als hij, mocht in Egypte met geene vreemdelingen eten aan dezelfde tafel. Dat zou toen in 't geheel niet goed gestaan hebben, en door de Egypte-naren afgekeurd zijn. Zoo als hij nu deed, was het gebruikelijk, en niet onbeleefd.
Mietje. Dat was toch eene gekke mode!
Mr. Al was dat nu wat gek, de Egyptenaars meenden er reden toe te hebben, en daarom kon Jozef het niet veranderen; het is altijd beter, dat wij ons schikken naar het gebruik, wanneer er geen kwaad in steekt, dan dat wij anderen aanstoot geven en hen boos maken, door niet te willen doen, zoo als zij denken, dat het behoort. Zoo moeten wij het altijd maken in onverschillige dingen; maar als er wezenlijk kwaad is in de gewoonten van anderen, of in de mode, dan moeten wij het niet navolgen, al gingen alle andere menschen ons daarin voor.
Doch van het plaatsen aan tafel moet ik u nog wat
57
zeggen. Jozef schikte zijne broeders aan hunne tafel zoo aardig, dat zij zich daarover zeer verbaasden.
Truitje. Hoe dat, Meester! op zulke rare stoelen of banken ?
Mr. Neen, dat meen ik niet; maar hij zette hen aan tafel juist naar volgorde van hunnen ouderdom: eerst Ruben, den oudsten, toen op een na den oudsten, en zoo voort, tot aan Benjamin toe. Zij konden niet denken, dat zulks enkel bij geval was, en zij konden ook niet begrijpen, hoe de Regent van Egypte hunnen ouderdom zoo net kon weten. Jozef had vermaak in hunne verwondering en in hunne gesprekken, welke zij meenden, dat niet verstaan werden.
Nu wilde hij eens zien, of zij ook zoo licht nijdig en afgunstig op Benjamin zouden worden, als zij te voren op hem geweest waren. Toen hij van zijne tafel eten aan de broeders liet geven, maakte hij, dat Benjamin wel vijfmaal zooveel kreeg als de anderen. Het liep evenwel goed af. Hij hoorde geen verwijten of knorrigheid. Alles smaakte wel, en een beker goeden wijn maakte de gasten, zoowel als den gastheer zeiven, recht vroolijk.
Ko. Mij dunkt. Meester! dat de broeders van Jozef nu toch betere menschen waren, dan voorheen.
Mr. Ja, Ko! ik geloof ook, dat zij in de laatste twintig jaar wat nadenkender, wat bedaarder en minder jaloersch zijn geworden. Jozef, die hen oprecht liefhad, merkte dit ook met groot genoegen, toen zij zaten te eten. Gedurig had hij werk met zich zeiven, om zich niet te ontdekken. Met moeite hield hij vol, om nog eene sterke proef te nemen op hunne liefde jegens Benjamin en jegens hunnen ouden vader. Hij had een plan bedacht, waardoor het schijnen zou, alsof Benjamin een
58
dief was, en, tot zijne straf, altijd voor slaaf in Egypte zou moeten dienen. Daardoor wilde Jozef zien, of de broeders Benjamin, nu hij toch een deugniet scheen te zijn, zoo maar koeltjes zouden verlaten, en reizen terug naar Kanaün; dan of zij hem nog liefhebben zouden, en voor hem om vergeving vragen. Ook zou Jozef dan bemerken, of zij ook dachten: âWat zal Vader bedroefd zijn, als hij dat hoort!quot; en of zij daarom ook moeite zouden doen voor hunnen broeder Benjamin.
Nu zult gij wel willen weten, kinderen! welk een plan dat was, en hoe het daarmede afliep; maar dat moeten wij besparen tot de volgende vertelling, anders zou het weer te laat worden.
Achtste Avond.
Gen. XL1V en XLV: 1â24.
Truitje. Komt, laten wij gauw ieder op zijne plaats gaan zitten; als Meester dan binnenkomt, kan hij dadelijk beginnen. Ik ben recht nieuwsgierig, om te weten, hoe het afliep met Jozef en de broeders.
Kaatje. Ik was gisteren avond ook graag wat later opgebleven, om dat nog te hooren.
Ko. Toe, jongens! gaat ook zitten; ik zal terwijl de kachel wat opstoken. â Ha! daar komt Meester al!
Mr. Goeden avond, kinderen! Alles al zoo in orde? Ik zie wel, dat ik maar aanstonds aan het vertellen moet van Jozef, den regent van Egypte.
Hij wilde dan nog eens wat nader beproeven, hoe lief zijne broeders den jongen Benjamin en hunnen vader hadden. Van dat plan begon ik gisteren avond te spreken. Luistert nu, wat Jozef deed.
59
Nog op dienzelfden dag, toen de broeders bij hem gegeten hadden, kochten zij weer koren, omdat zij den volgenden morgen vroeg wilden vertrekken. Ieder had zijne eigene zakken, die hij wel kende, en ook door zijn eigen ezels liet dragen. Al die zakken werden met koren gevuld, en toen liet Jozef ieders geld weer boven in eiken zak leggen even als de vorige reis. Dit deed hij, om de broeders nog eens verwonderd en verlegen te maken, en ook, omdat hij, die nu zulk een rijk man was, geen geld van zijne broeders wilde aannemen.
Kaatje. Maar, Meester! is dat nu een nieuw plan van Jozef; dat was immers het oude geval van laatst?
Mr. jSiet te haastig, Kaatje! Jozef deed nog meer. Een mooien zilveren beker, waaruit hij zelf gewoon was te drinken, liet hij stilletjes pakken in een korenzak van Benjamin, zijn jongsten broeder, zoodat het scheen, alsof deze den beker gestolen had.
Kaatje, o! Nu begrijp ik het al.
Mr. De elf broeders stonden den volgenden dag heel vroeg op, en begonnen hunne reis naar Kanaan veel vroolijker dan den vorigen keer. Zij hadden nu Simeon weer bij zich, en Benjamin reisde ook weer mede naar vader; â alles ging zoo als zij wenschten, en beloofde eene aangename tehuiskomst. Wat zouden zij veel te vertellen hebben van dien vriendelijken heer in Egypte, en van het gastmaal!
Jozef versliep zich ondertusschen dien morgen ook niet. Zoodra hij rekende, dat zijne broeders even de stad uit konden wezen, riep hij zijn voornaamsten knecht, en zeide: âDaar hebben die vreemde kooplieden, die hier gisterenmiddag aten, mijn zilveren drinkbeker gestolen, en denkelijk bij hun koren ingepakt! Zij kunnen nog niet ver weg zijn; loop ben schielijk na, en zeg: âWat is
GO
dat? Vergeldt gij zoo de vriendelijkheid van mijn Heer? Waar is de beker? Dacht gij dien zoo ongemerkt mede te nemen? Dat zal u berouwen!quot;
De trouwe knecht liep wat hij loopen kon, en achterhaalde de reizigers, die van geen kwaad wisten.
Kees. Och, nu is al hunne vreugd weer over! Wat zullen zij hebben staan kijken!
Mr. De knecht begon al van ver zoo hard te roepen, dat zij stilhielden, om te hooren, wat hy te zeggen had. Daarop deed de man zijne boodschap met veel ijver en driftigheid; want een brave knecht wordt licht boos, als hij meent, dat men zijn heer kwaad doet.
De broeders bleven met dat al vrij bedaard. Niets maakt een mensch zoo gerust als een goed geweten. De bewustheid van onschuldig te zijn geeft moed. Net andersom gaat het, als men kwaad gedaan heeft, dat nog niet ontdekt is. Dan vreest men voor elke kleinigheid. âMijn goede vriend!quot; zeiden de broeders tot den knecht van Jozef, toen zijne boodschap uit was, âMijn goede vriend! hoe kunt gij zoo spreken? Het lijkt er niet naar, dat wij zulke dingen doen zouden! Wij wilden immers gisteren nog het geld eerlijk teruggeven, dat wij de vorige reis in onze zakken gevonden hadden. En zouden wij nu goud of zilvergoed stelen? Zouden wij den beker van uw vriendelijken Meester weggenomen hebben ? â Welaan, zoek vrij in al onze korenzakken, en de man, in wiens zak gij den beker vindt, mag wel sterven, of wij willen dan altemaal slaven worden van uw Heer!quot; De bediende van Jozef antwoordde : âDat is niet noodig, en ook niet rechtvaardig; maar de man, bij wien de beker schuilt, die zal alleen mijns Heeren slaaf zijn; de anderen laat ik vrij.quot;
Toen namen zij heel gerust de zakken van hunne ezels,
61
en gaven den knecht vrijheid, om daarin te zoeken, zooveel als hij maar wilde.
Gerrit. Wel, dat geloof ik. Wie zou ook denken, dat die Heer zelf zijn beker daarin had laten stoppen?
Mietje. Wat zullen die arme menschen schrikken!
Mr. Vooreerst keken zij alweder vreemd op, dat het geld weer bovenop lag in iederen korenzak; dat konden zij niet begrijpen; maar de knecht sprak daar niet van, en zij dachten; âDen beker zal hij toch bij ons niet vinden!quot; De man zocht dien ook te vergeefs in de zakken der oudste broeders, die hij eerst opendeed, maar eindelijk moest Benjamins zak er aan, en zie! daar kwam de beker uit!
Ik behoef u niet te zeggen, kinderen! hoe zij altemaal ontstelden. Zij wisten haast niet wat zij doen of zeggen zouden. Allen scheurden zij van droefheid hunne kleederen van een.
Toen de eerste schrik wat over was, tilde ieder heel bedrukt zijn zak weer op den ezel, en zij trokken met elkander en met Jozefs knecht terug naar de stad. Het kwam niet in hunne gedachten op, Benjamin te verlaten, en maar voort te reizen. Als trouwe broeders bleven zij bij elkander. Ook deden zij geene moeite, om den knecht te bedriegen of om te koopen. Zij wisten heel wel, dat Benjamin geene schuld kon hebben; maar zij vreesden nochtans, dat zij altemaal slaven zouden worden, en dus waren zij geweldig bedroefd. Benjamin, die hier de dief scheen te zijn, was zeer beschaamd en angstig, zoo als gij begrijpen kunt; maar Juda was ook bijzonder verlegen, omdat hij aan vader beloofd had, op Benjamin te zullen passen, en hem weer te huis te bezorgen. Hij ging met de anderen, vol gedachten en heel treurig, weer naar Jozefs huis, en daar wierpen zij zich
62
allen voorover op den grond neder voor den heer van Egypte.
Jan. Och! die arme mannen! Als Jozef nu nog even barsch tegen hen blijft, houd ik niet meer van hem!
Mr. Dat zou mij spijten, Jan! Ik houd veel van hem, omdat hij een verstandig, godvreezend, menschlievend, gelijkmoedig, werkzaam man was. Gij zult hem ook welhaast weer lief krijgen; want het beproeven van zijne broeders is nu dadelijk uit. Ook moet ik u nog eens zeggen, kinderen! dat Jozef zijne broeders zoo vreemd behandelde met eene goede bedoeling, en niet uit wrok, omdat zij hem tot slaaf verkocht hadden. Dat zien wij uit het geval met den beker duidelijk; want, zegt mij eens, wien van de broeders bracht hij daardoor meest in verlegenheid? Wien maakte hij meest te schande?
Gerrit. Wel Benjamin, die nu voor dief weerom gehaald werd.
Mr. Net zoo! En Benjamin was juist de eenige, die geen deel had aan al het kwaad, dat de andere broeders Jozef gedaan hadden.
Gerrit. Dat is ook waar; die was nog klein, en bij vader gebleven, toen de broeders Jozef verkochten.
Mr. Zoodat, als het plagen geweest was uit boosaardigheid, Jozef juist hem het meest geplaagd had, die het niet verdiende.
Maar, ik zou wel van mijne vertelling afraken; waar ben ik ook gebleven?
Truitje. Dat de broeders altemaal voor Jozef neder-vielen op den grond, Meester!
Mr. Ja. â Hij deed hen denkelijk aanstonds weer opstaan; maar hij sprak evenwel als iemand, die heel verwonderd en toornig is. âWat is dat,quot; zeide hij âwelk stuk hebt gij daar uitgevoerd? Dacht gij, dat een man
G3
als ik dat niet ontdekken zou?quot; Juda antwoordde voor al de broeders met groote ontroering: âOch, Mijnheer! wat zullen wij zeggen? Hoe zullen wij onze onschuld bewijzen? Alles is tegen ons! Alles is voor ons onbegrijpelijk! God de Heer straft ons zeker nu om vroeger bedreven zonden! Wij zelf hebben gezegd: als de beker bij ons gevonden werd, zouden wij allen uwe slaven zijn. Onze eigene woorden maken nu, dat wij geheel in uwe hand zijn, en onze vrijheid verloren hebben.quot;
Jozef begeerde dit zoo niet. Hij wilde de broeders alleen maar verlegen maken over Benjamin; daarom zeide hij: âNeen, dat wil ik niet; dien man alleen, die den beker in zijn korenzak had, houd ik voor mijn slaaf. Gij anderen kunt niet helpen dat hij een dief is. Gaat gij te zamen, in vrede, naar uw ouden Vader.quot;
Kaatje, o! Nu zullen de broeders geen raad meer weten!
Mr. Onbedenkelijk groot was hunne verlegenheid. Juda was echter de bedaardste van allen. Hij stapte eerbiedig wat nader bij den heer van Egypte, en verzocht vrijheid, om nog iets te zeggen. Dit werd hem toegestaan, en toen sprak hij als een edel man, als een liefhebbend broeder van Benjamin en als een braaf zoon van Jakob, op een aandoenlijken toon: âToen wij voor de eerste maal hier waren, Mijnheer! hield gij ons voor verspieders, en maaktet, dat wij vertelden van onzen vader, en van onzen broeder, die te huis was. Gij stond er op, dat wij hem halen zouden, en gij hieldt Simeon zoo lang gevangen. Wij deden ons best; maar vader had onzen jongsten broeder zoo lief, dat hij niet van hem scheiden kon. De hooge nood heeft hem, nochtans, eindelijk daartoe gedwongen. Hij heeft zijn lieveling afgestaan met groote droefenis; wat zal het dan wezen, als wij weder bij hem komen, zonder dezen broeder? De grijsaard kan
G4
niet leven zonder dezen zoon; hij zal van rouwe sterven! Ook ben ik borg gebleven voor dezen broeder bij vader. Al wat hem overkomt, is voor mijne rekening. Op mij zou vader, met reden, toornig wezen, zoo lang hij leefde. Laat mij dan, bid ik u, hier blijven, en uw slaaf worden; maar laat den jongsten met mijne broeders naar Kanaan wederkeeren. Ik ben dan wel ongelukkig, maar nog zoo ongelukkig niet, als dat ik mijn goeden vader, vol droefheid, en op mij vergramd, ellendig zag sterven.quot;
Ko. Dat was braaf van Juda! Dat was mooi gezegd! Kon Jozef het nu nog uithouden, Meester?
Mr. Neen! nu kon hij zich niet langer bedwingen; de tranen kwamen hem in de oogen, hij moest zich bekend maken. Vooraf liet hij echter den tolk en alle andere bedienden uit de kamer gaan. Hij was heel vlug van verstand, en bedacht dus schielijk, dat die menschen daarbij niet noodig hadden, en ook niet hooren moesten, wat hij en zijne broeders, in vrijheid, tot elkander spreken zouden. De taalman en de knechts waren nog niet eens recht de deur uit, toen Jozef al hardop begon te schreien van vreugde en aandoening. Zoodra hij spreken kon, riep hij uit, in het Hebreeuwsch, in de oude vader-landsche taal: âIk ben Jozef! Mijn vader leeft nog, zegt gij?quot;âDe broeders verschrikten zoo, dat zij niets konden antwoorden, maar bleven staan als steenen beelden. Jozef riep nog eens: âKomt toch tot mij! Ik ben uw broeder; ik ben Jozef, dien gij verkocht hebt!quot;
Toen kwamen de broeders wel wat nader bij hem, maar durfden nog niet spreken. Zij begonnen nu wel te gelooven, dat de Egyptische heer waarlijk hun broeder Jozef was, schoon zij niet begrepen, hoe dat wezen kon; maar tegelijk schoot hun ook te binnen, hoe zij hem mishandeld en verkocht hadden. Daarom zwegen zij nog
65
stil, en stonden heel beschaamd, vol berouw en vrees voor de verdiende straf. Doch de edelmoedige Jozef zag deze vrees met leedwezen en ongeduld. Hij wilde hun gaarne vergeven; hij zocht terstond de broeders gerust te stellen en weer vroolijk te maken, door tot hen te zeggen: âLieve broeders! staat daar toch nu niet zoo verlegen te schreien, omdat gij mij verkocht hebt als slaaf. Bedenkt liever, hoe goed God dit alles heeft geleid, zoodat ik, juist daardoor, hier in Egypte een groot heer ben geworden, en nu voor u allen zorgen kan in den hongersnood. Denkt eens na, welk een zegen de Heer voor mij uit dat verkoopen heeft laten voortkomen. En zou ik u daarvoor nu straffen? Neen, ik ben nu blij en dankbaar voor dat alles. Ik vergeef u gaarne, wat gij mij gedaan hebt; ik denk niet meer aan uwe schuld, maar zie alleen op Gods wijze en goede schikking. Ik wil Vader, ik wil u allen verzorgen; gij zult hier bij mij recht vroolijk leven.quot;
Jan. Nu heb ik Jozef weer lief. Hij hield toch veel van zijne broeders!
Gerrit. Dat denk ik! Zoo maar in ééns alles te vergeven, zonder één knorrig woord of verwijt! Ieder zou dat zoo niet doen.
Truitje. En dat hij niet eens meer hebben wilde, dat de broeders om hunne schuld dachten, of voor hem beschaamd waren, dat vind ik mooi!
Mr. Ja, kinderen! dat Jozef alles vergaf, was edel en de wijze, waarop hij het deed, was heel hartelijk, heel verstandig en godvreezend. â Zoo moeten wij ook doen, als ons iemand kwaad gedaan heeft. Het past ons niet hem daarvoor te straffen, maar wel hem dat kwaad te vergeven. Als wij dat doen, wil de Vader in den Hemel ons onze schulden ook vergeven, maar anders niet.
66
Daarom mogen wij nooit lang knorrig op iemand blijven, en ons nooit vergeefs laten verzoeken, om weer vrienden te worden. Wij moeten liever altijd daarin de eerste zijn. Verder is het ook niet hetzelfde, hoe men iets vergeeft. Er zijn sommige menschen, die, als hun vergiftenis verzocht wordt, met eene knorrige stem zeggen: âNu, maal daar niet langer over! Ik vergeef het je dan. Pas maar op, dat je quot;t niet weer doet!'' Zoo moet men niet spreken. Dat deed Jozef ook niet. Hij dacht: âOnze Lieve Heer heeft toegelaten, dat mijne broeders mij verkochten. Dat was best voor mij, want daardoor kwam ik in Egypte en bij Farao. Daardoor leerde ik ook ongemakken en mishandelingen verdragen, tot groot nut voor mij zeiven. De zonde van mijne broeders te straften komt alleen aan God toe, en ik hoop, dat hunne gebeden om vergiftenis verhoord zullen worden; ik wil hen steeds blijven beminnen.quot; Op deze wijze moeten wij ook denken, dan zullen wij leeren, vriendelijk en zacht te wezen jegens allen, die ons kwaad gedaan hebben.
Kaatje. Meester! zeg ons nu toch, hoe de broeders van Jozef het maakten, toen hij alles vergaf, en hen weder gerust wilde stellen.
Mr. Het ging met de broeders, zoo als het met ieder gaat, die schuld heeft, en die dan, in plaats van berisping of straf, onverwacht vergeving en vriendelijke woorden krijgt. Zij gevoelden hunne schuld nog dieper; zij schreiden nog sterker van berouw; zij kregen Jozef innig lief, en zij namen vast voor, betere menschen te worden. Jozef deed hun derhalve grooter dienst door zijne zacht-heid, dan als hij hun scherpe verwijtingen had gedaan. Zij werden toen ook aanstonds vertrouwelijker met hem; zij omhelsden en kusten hem, eu hij omhelsde en kuste hen ook weder, met tranen van oprechte blijdschap en
67
liefde. Benjamin omarmde hij nog eene reis te meer, omdat hij hem altijd zoo bijzonder lief had gehad. Toen raakten zij allen druk aan het praten, aan het vragen en vertellen. Jozef moest hun gauw zeggen, wat hem al gebeurd was, en hoe hij van een slaaf tot een heer was geworden. Ook verklaarde hij hun, hoe alles toegegaan was met het geld in de zakken, en met den beker; maar hij gunde zich nauwelijks tijd daartoe, hij wilde zijne broeders niet ophouden.
Kees. HoeV Moesten zij nu aanstonds weer weg, nu zij elkander pas kenden?
Mr. Ja, dat wilde Jozef, niet om de broeders weder kwijt te raken, maar om eene heel andere, goede reden. Hij wenschte hen bij zich te hebben met hunne vrouwen en kinderen. Die moesten zij ten eerste gaan halen uit Kanaan. Maar, behalve dat was er nog iemand, dien hij machtig liefhad, dien hij al dikwijls had gewenscht te zien en te omhelzen, dien hij gemak en pleizier wilde bezorgen, zoo lang hij leefde, en zooveel hij maar kon. â Kunt gij raden, kinderen! wie dat was? Weet gij nog wel, naar wien Jozef aanstonds vroeg, toen hij zich bekend maakte, en zeide: âIk ben Jozef?quot;
Truitje. Ja, naar zijn vader. âLeeft mijn vader nog?quot; zeide hij toen in éénen daarbij. Niet, Meester?
Mr. Juist, Truitje! dat vroeg hij dadelijk, toen hy zich ontdekte. Daags te voren, toen de broeders bij hem ten eten waren, hadden zij hem al gezegd, dat hun vader nog leefde; maar hij kon het bijna niet gelooven, zoo blijde was hij daarover, en dus wilde hij deze heugelijke tijding nog nader hooien. Daarom riep hij met groote drift: âZegt gij niet, dat mijn vader nog leeft?quot; Gij ziet dan, kinderen! dat Jozef zoowel zijn ouden vader als zijne broeders liefhad. Dat was ook zoo als het behoort;
68
want een kind moet altijd zijne ouders blijven liefhebben. Vader en moeder zijn onze beste en oudste vrienden. Niemand meent het zoo goed met ons als zij; niemand zorgt zoo voor ons als zij; niemand bidt zoo veel als zij tot onzen Lieven Heer, om onze welvaart en ons heil. Jozef zou niet recht braaf geweest zijn, indien hij zijn ouden vader had vergeten, of niet hartelijk had gewenscht, hem te zien en goed te doen; want, wie zijne ouders niet liefheeft, heeft God ook niet lief.
Als een braaf zoon, sprak Jozef tot zijne broeders: âKomt, laten wij geen tijd verzuimen. Reist schielijk weer naar Kanaan, en vertelt aan onzen goeden Vader, dat gij zijn Jozef wedergevonden hebt. Vertelt hem van mijn aanzienlijk ambt en van mijne macht. Zegt hem, dat ik heer in Egypte ben, dat ik voor hem en voor de geheele lamilie zorgen wil. Verzoekt hem vriendelijk met spoed bij mij te komen. Brengt den ouden man hier bij zijn zoon, die zoo zeer naar hem verlangt. Brengt uwe vrouwen mede, en uwe kinderen en al wat gij hebt.quot;
Ko. Dat was heel lief gezegd; maar, indien Jozef zoo naar vader verlangde, waarom ging hij dan zelf niet mede naar Kanaan, om hem te zien en af te halen?
Mr. Dat wenschte hij wel te doen; maar hij kon niet om zijn ambt. Hij moest in Egypte blijven om het bestuur waar te nemen, zoo als hij beloofd had. Was dat zoo niet geweest, dan zou hij zeker naar zijn vader zijn gegaan; maar nu was het zijn plicht, het niet te doen, al wilde hij nog zoo gaarne. Ieder, die een ambt of beroep heeft, wat het ook zij, moet dat trouw waarnemen, en niet meer leven naar eigene verkiezing.
Farao hoorde spoedig, dat Jozefs broeders bij hem gekomen waren. Hij vond heel goed, dat de familie in Egypte kwam, en beloofde aan Jozef, dat hij niets te
6!)
goed zou achten voor den ouden man en diens huisgezin. Ook zeide de Koning, dat Jozef wagens en ezels met spijs en verkwikkingen moest medegeven aan de broeders, om de reis naar Egypte gemakkelijk te maken voor Jakob en voor de vrouwen en kinderen.
Kees. Daar zal Jozef niets tegen gehad hebben.
Mr. Zeker niet! Hij bezorgde alles met een onbegrij-pelyk groot genoegen, omdat het voor zijne broeders was. Hij gaf hun veel wagens mede naar Kanaan en voegzame kleederen, en spijsvoorraad. Benjamin kreeg nog drie honderd zilverlingen van hem, en nog meer fraaie kleederen dan de andere, omdat hij Jozefs liefste broeder was. Ook kregen de broeders tien ezels mede, die lekkere vruchten droegen tot een geschenk voor Vader, en nog tien ezelinnen, beladen met koren en gebak en met velerlei spijs voor den ouden man, om op zijne reis naar Egypte te gebruiken. Toen dat alles klaar was, zeide Jozef: âNu, waarde broeders! vaart wel! trekt in vrede naar onzen grijzen Vader met de blijde boodschap van mij! Kwelt u onderweg niet meer daarover, dat gij mij verkocht hebt; alles is vergeten en vergeven! Rept u maar, om met vader en de geheele familie hier bij mij te komen.''1
Zoo reisden de broeders weder naar Kanaan, vol verwondering over Jozefs goedheid, en vol blijdschap over de goede tijding, waarmede zij Vader zouden verrassen.â Wij kunnen hen op die reize nog niet vergezellen. Mijne vrouw roept ons, om een veel kleiner reisje te doen â van hier naar de etenstafel. Morgen avond zullen wij ons verbeelden in Kanaan te zijn, bij vader Jakob, om de broeders daar te zien aankomen.
70
Negende Avond.
Gen. XLV: 25âXLVI: 30.
Truitje. Eer gij begint te vertellen, Meester! moet ik u eens iets zeggen. Gisteren avond hoorden wij van u, dat Jozef zijne broeders en zijn vader liefhad; dat hij voor allen zorgen wilde; dat hij al lang wenschte, den ouden Jakob te zien en pleizier te doen, zooveel hij maar kon. Kaatje en Gerrit en ik vinden dat recht mooi. Wij wilden gaarne een broeder hebben als Jozef, en houden sedert gisteren nog meer van hem dan vóór dien tijd. Maar Ko en Kees en Mietje zijn knorrig op Jozef. Zij gelooven niet, dat hij zijn vader en zijne broeders van harte beminde. Nu hebben wij ons best gedaan voor Jozef; maar kunnen hun niet beduiden, dat zij ongelijk hebben. Gij moest, ons eens helpen. Meester! dan winnen wij het vast.
Mr. Dat wil ik gaarne doen; want ik geloof ook, dat Jozef zijn vader en zijne broeders oprecht liefhad. Laat mij dan eens hooren, wat er tegen hem te zeggen is. Komaan, Ko! vertel mij eens, waarom gij, met Kees en Mietje, denkt, dat Jozef eigenlijk niet veel hield van vader Jakob en van de broeders.
Ko. Omdat hij niet ééns naar vader of naar de broeders liet vragen in al die twintig jaar, waarin hij uit Kanaiin was geweest. Wij begrypen niet, hoe men iemand recht lief kan hebben, en dan in langen tijd geene moeite doen, om te weten, of hij nog leeft, en hoe hij vaart, en wanneer hij eens overkomt. Ons dunkt, als Jozef zoo veel hield van vader en van de broeders, dan moest hij al lang iemand naar Kanaiin gestuurd hebben,
71
om te zeggen, dat hy nog leefde, en waar hij was, en hoe het hem ging. Omdat hij zich nu zoo stilhield, denken wij, dat hij zijne vrienden geheel vergeten had, of dat het hem niet schelen kon, al zag hij ze nooit weer; en dat was immers leelijk?
Mr. Zeker, ik moet zeggen, Ko! dat gij hetere reden hebt voor uwe beschuldiging, dan ik dacht. Zoo als gij de zaak daar voorstelt, lijkt Jozef waarlijk vrij wat schuld te hebben; doch, bij nader onderzoek, hoop ik u echter te doen zien, dat hij onschuldig was, en zijne familie wel degelijk liefhad. Laat mij ondertusschen eens hooren. Truitje! wat gij er op bedacht hebt, om Jozef vrij te spreken.
Truitje. Ik denk, dat Jozef niemand naar Kanaiin zal gezonden hebben, omdat hij niet durfde. Hij zal bang geweest zijn, vader te laten weten, dat hij nog leefde; want die zou hem zeker weeromgehaald hebben; het geheele geval van het verkoopen zou uitgekomen zijn; de broeders hadden dan straf gekregen, en zij zouden, uit haat, Jozef nog meer kwaad gedaan hebben; omdat hij nu dat altemaal vreesde, hield hij zich maar stil.
Mr. En gij, Kaatje! wat hebt gij voor Jozef gezegd; welke reden geeft gij van zijn stilzwijgen in die twintig jaar ?
Kaatje. Mij dunkt, dat Jozef niemand uit Egypte naar zijn vader en naar zijne broeders kon sturen, omdat zy nog gedurig reisden van de eene plaats naar de andere, en dus niet weten kon, waar zij te vinden zouden zyn.
Gerrit. En ik heb aan Ko gezegd: Hoe weet gij, dat Jozef in al dien tijd niet eene boodschap aan zijn vader heeft laten doen? Meester kan immers wel vergeten hebben, dat te vertellen. Of, het kon ook wel zoo wezen, dat Jozef trouw zijn best daartoe gedaan heeft.
72
maar dat er telkens iets in den weg is gekomen, dat wij niet weten.
Mr. Ik hoor met genoegen, dat gij alles al heel wel hebt overdacht, en veel uitgevonden hebt, dat waarlijk tot Jozefs verschooning kan dienen. Maar ik moet u evenwel zeggen, Gerrit! dat ik niet vergeten heb te spreken van een boodschap, die Jozef naar Kanaan misschien had laten doen. Daarvan is naar alle waarschijnlijkheid niets gebeurd; doch Jozef dacht er misschien wel dikwijls aan, en maakte allerlei vergeefsche plannen; daarin geloof ik, dat gij gelijk hebt.
Herinneren wij ons nu eens, wat Jozef in die twintig jaar al gebeurd is. In het eerst was hij een arme slaaf; toen werd hij een voornaam knecht bij Potifar, en daarna zat hij lang in de gevangenis. Onder die lotgevallen verliepen dertien jaar. â In het begin daarvan durfde hij niemand zenden naar vader, uit vrees voor nieuwe mishandelingen van de broeders en nieuwen twist in de familie, zoo als Truitje heel goed gezegd heeft.
Wat later kon hij geene boodschap laten doen, omdat vader Jakob denkelijk niet meer bij Hebron zou wezen, en hij dan niet wist, waarheen hij moest zenden. Hierin had Kaatje gelijk.
Maar in al die dertien jaar had Jozef ook, buiten dat, geene macht genoeg en geen geld, om menschen voor zich naar Kanaan te laten reizen. Een slaaf kan dat niet laten doen; een knecht heeft ook zelden veel geld over, en een gevangen man kan althans niets uitvoeren.
Ko. Maar, Meester! toen hij in Potifars huis de voornaamste bediende was, kon hij immers wel een knecht of slaaf krijgen, om dat reisje te doen, en één mensch was daartoe immers genoeg?
Mr. Neen, Ko! één mensch was lang niet genoeg. De
73
wegen waren in die landen eenzaam en onveilig door roovers en wilde dieren. Bijna nergens was onderweg iets te verkrijgen tot voedsel of verkwikking. Niemand kon daar alleen reizen. Om die boodschap te doen, zouden vele menschen noodig geweest zijn, met ezels of andere lastdieren bij zich, om alles te dragen, wat men op zulk een reis noodig heeft. Al dien omslag kon Jozef niet bekostigen, zoo lang hy dienstbaar was of gevangen zat.
Kees. Dat is nu altemaal goed, Meester! maar waarom zond hij dan geene menschen naar Kanaan, toen hij heer over gansch Egypte was geworden? Toen had hij immers knechts genoeg en geld genoeg?
Mr. Die vraag verwachtte ik al. Kees! daar komt het voornamelijk op aan: âWaaromquot; vraagt gij: âhield Jozef, de regent, zich zoo stil in die jaren van overvloed in Egypte, en nog in 't begin van den hongersnood, tot zoo lang de broeders van zelf bij hem kwamen?quot;
Ko. Wel ja! dat was immers niet mooi, zoo veel jaar een groot, rijk heer te wezen, zonder naar zijne vrienden te laten vragen, of hun iets mede te deelen! Hij moest hen terstond bij zich verzocht hebben. Nu hij zoo aanzienlijk en gelukkig was, behoefde hij althans niet meer bang te zijn voor zijne broeders!
Mr. Juist, Ko! dat was ook de voorname reden niet, waarom Jozef zich toen ook nog stilhield. De onkosten behoefde hij toen niet meer te ontzien, zoo als Kees te recht gezegd heeft. Maar zoodra Jozef aangesteld was tot regeerder over Egypte, waren er nieuwe redenen, om niet te laten weten aan zijne vrienden, hoe het hem ging, en om hen ook nog niet bij zich te laten komen. â Luistert nu eens ter dege, wat ik daarvan zeggen zal:
In de eerste jaren, in den tijd van overvloed dacht
74
Jozef: âFarao heeft mij zoo verhoogd, omdat ik zijne droomen verklaard en tegen hongersnood gewaarschuwd en raad gegeven heb. Hij gelooft, met de meeste Egypte-naren, dat zulke kwade jaren stellig komen zullen; daarom laat hij mij schuren oprichten en koren verzamelen en alles beschikken, zoo als ik wil. Maar, zoo lang de schrale tijden, die ik voorzie, nog niet gekomen zijn, is het niet duidelijk voor ieder bewezen, dat ik gelijk heb. Als ik nu, vóór dien tijd, mijn vader met zijne groote familie hier laat komen, zullen de Egypte-naars wantrouwend worden. Zij zullen denken, dat ik alles maar zoo bestierd heb uit eigenbaat, om mijnen vrienden voordeel te doen, om hen rijk te maken met het geld van den Koning. Zij zullen den Vorst tegen mij opstoken, en die zal mij weer afzetten.quot; â Daarom moest Jozef zich altijd nog stilhouden, al wilde hij gaarne zijne familie bij zich hebben.
Truitje. Ei, wat zeg je nu, Ko?
Ko. Ik begin al in te zien, dat Jozef geen schuld heeft; â maar laat Meester ons nu nog zeggen, waarom Jozef niet zoodra de hongersnood begon, zijne vrienden liet halen, waarom hij toen nog zoo gerust bleef wachten, totdat zij van zelf kwamen.
Mr. Zoowel in de tijd van overvloed, als in het begin van den slechten tijd, had Jozef nog eene reden, om voorloopig te blijven wachten. In al zijne lotgevallen had hij steeds Gods wijs en liefderijk bestuur met dankbaarheid erkend. â Zulk een nadenken moet gij u ook aanwennen, kinderen! Als gij ouder zijt, moet gij u van ^jaar tot jaar, het verledene dikwijls herinneren, en niet gedachteloos voortleven, zooals de dieren.
Jozef dacht dan: âIk heb vreemde lotgevallen gehad; ik ben zoo ongelukkig geweest, als iemand maar worden
75
kan, en nu hoog verheven. Ja, juist het kwaad, dat mij overkomen is, is mede oorzaak van mijn welzijn. Ik zie daarin de wijze en liefderijke leiding van God. Ik zou zoo gaarne willen, dat mijn familie nu mijne verheffing wist; ik verlang zoo vurig te weten of mijn lieve vader nog leeft; maar ik mag Gods beschikkingen niet vooruitloopen. Dezelfde Heer, die mij geleid heeft, weet ook wanneer het de beste tijd is, om mij met vader te vereenigen. Wie weet of deze schrale tijd mijne familie niet hierheen voert om koren, want het is alom bekend, dat bet hier te koop is. Mijne voorvaders Abi-aham en Izaak plachten ook naar Egypte te gaan, als er spijsgebrek was. Ik wil dus geduld hebben en nog wat wachten.''1
Nu hebben wij de redenen gehoord, waarom Jozef zich stilhield, en niemand naar zijn vader zond. Wat dunkt u, Ko! moeten wij Jozef nu nog beschuldigen, van zijn vrienden schandelijk vergeten te hebben? Moeten wij nog denken dat hij uit onverschilligheid stilzweeg, â dat hij niet naar Vader en zijne broeders verlangde?
Ko. Neen, Meester! ik begrijp nu, dat hij niet anders doen kon. Ik hou weer evenveel van Jozef, als te voren.
Mr. En wat zegt Kees er van?
Kees. Ik heb Jozef ook weer liefgekregen. Meester!
Mr. Dan zijn wij nu altemaal weer zijne vrienden, behalve Mietje, niet waar?
Mietje. Och neen! ik ben ook niet meer knorrig op Jozef. Eer Meester nog uitverteld had, merkte ik bet al, dat hij het niet helpen kon.
Mr. Wel, dat is mij recht aangenaam, en als Jozef nog leefde, zou hij daar ook blij om wezen; want hij hield machtig veel van kinderen, zoo als gy eerlang booren zult.
Maar nu wordt het tijd, dat ik weer voortga in mijn
76
verhaal; dat zou, zoo doende, niet vorderen. â Wij hebben gisteren avond de elf broeders van Jozef verlaten op hunne reis uit Egypte naar Kanaan. Nu moeten wij zien, hoe zij daar zullen aankomen met al de geschenken van hun weergevonden broeder, en met de blijde tijding voor Vader, dat zijn Jozef nog leeft.
De oude man was denkelijk in zijne tent, toen de zoons bij hem kwamen. Hij was büzonder verheugd, hen allen gezond weer te zien. Vooral was hij blijde over de terugkomst van Benjamin en Simeon. Nauwelijks hadden de broeders Jakob omhelsd, of zij riepen hem vroolijk toe: âVader! onze Jozef leeft nog! Hij zelf is|de regent van Egypte!quot; Tot hunne groote verwondering hoorde Jakob dit onverwacht bericht zonder groote blijdschap, en zonder daarop veel te antwoorden.
Kaatje. Hé, hoe kwam dat. Meester? Had Jakob zijn Jozef dan niet meer lief'?
Mr. Ja wel degelijk; maar de boodschap trof hem niet sterk, omdat hij er niets van kon gelooven. Hij dacht; âMijn Jozef is immers al meer dan twintig jaar dood. Ik zelf zag zijn bebloeden rok. Hoe zou hij nu weer leven? Hoe zou hij die strenge heer van Egypte kunnen wezen, die mijne zoons zoo verlegen maakt? Neen, zij zijn stellig misleid. Ik geloof die vreemde tijding niet.quot;
De zoons konden niet verdragen, dat Vader hen niet geloofde, dat hij niet uitermate verheugd werd. Daarom vertelden zij hem alles, wat hun gebeurd was, al wat Jozef gezegd en gedaan had. Ook brachten zij hem bij de wagens, de ezels en de geschenken, die zy van hunnen broeder mede gekregen hadden voor zich en voor Vader.
Toen zag de grijze Jakob, dat die ongeloofelijke boodschap toch waar moest wezen. Hij werd zeer levendig, vlug en verrukt van blijdschap. âHet is genoeg,quot; riep hij
77
uit: âmijn Jozef leeft nog! Ik wil bij hem gaan; ik zal hem nog zien, eer ik sterf!quot;
Ko. En vroeg Jakob toen ook niet, hoe Jozef in Egypte gekomen was, en hoe zyn kleed zoo bebloed was geworden ?
Mr. Ik weet niet zeker, of hij daar terstond van sprak, dan of hij er later naar gevraagd heeft. Maar Jakob heeft zeker wel heel precies willen weten, hoe alles gebeurd was. De zoons, die berouw hadden over hunne misdaad, en aangedaan waren over Jozefs vergeeflijkheid, zullen, denk ik, alles aan vader met schaamte beleden hebben.
De nieuwe, vroolijke tijding, dat Jozef weergevonden was, werd spoedig bekend bij de geheele familie. Op last van Jakob maakte ieder zich klaar tot de Egyptische reis. â Eindelijk begon de groote optocht. Verbeeldt u eens, kinderen! welk eene drukte dat moet geweest zijn, en welk een groote troep! Vader Jakob, zijne zonen, kleinzonen en achterkleinzonen maakten toen reeds vijf en zestig personen uit, behalve de vrouwen en meisjes. Ook ging er eene groote menigte knechts en meiden mede naar Egypte, met de lastdieren, om het goed te dragen, en de groote kudde van schapen en ander vee. De oude man, de vrouwen en de kleine kinderen reden op de wagens, die Jozef gezonden had; de anderen liepen meest te voet, en zoo trokken zij langzaam voort. Op welke plaats in Kanaan zij eigenlijk hunne reis begonnen, weet ik niet, maar wel, dat zij spoedig te Berseba kwamen. Zie eens op de landkaart, Jansje! of dit Berseba niet Zuid-West van Hebron ligt.
Jansje. (Na een weinig op de kaart gezocht te hebben) Ja wel, Meester! dat was net in den weg uit Kanaan naar Egypte.
7S
Mr. Te Berseba hield het groote reisgezelschap wat stil, en rustte een weinig uit. Ondertusschen was de vrome Jakob nog al ongerust, of het onzen Lieven Heer wel aangenaam was, dat hij zoo met zijn geheele geslacht naar Egypteland vertrok. Hij bad ernstig om doorzicht en wijsheid, en hield met al de zijnen eene plechtige godsdienstoefening, naar de gebruiken van dien tijden.
Alzoo gesterkt en bemoedigd, vervolgde de grijsaard de reis naar zijn geliefden Jozef. Hoe nader hij kwam aan Egypte, hoe meer hij verlangde naar zijn wederge-vonden zoon. â Zoo kwamen de reizigers in het land Gosen, dat op de kaart te vinden is aan den Oostkant van Egypte, en dus naar de zijde van Kanaan, dicht bij de rivier den Nijl, en ook niet ver van de Middellandsche zee. Deze landstreek werd naderhand ook Rameses genoemd, en was buitengewoon goed voor de veehoederij. Daar waren zeer grazige weiden, en men vond er veel goed water; doch de Egyptenaars maakten er evenwel niet veel gebruik van. Dat goede land scheen niemand toe te komen, of dienst te doen; Jakob en al de zijnen rustten daar wat uit, om hunne beesten te laten grazen in die schoone weiden.
Terwijl zij in Gosen bleven wachten, zond Jakob zijn zoon Juda naar de stad On, met de boodschap aan Jozef, dat zij altemaal gekomen waren, en verlangden hem te zien. Zoodra de brave Regent van Egypte deze aangename tijding hoorde, klom hij op een prachtigen wagen, en reed, denkelijk met Juda bij zich, haastig naar zijn geliefden vader en naar zijne familie. Met een onbeschrijfelijk genoegen en met velerlei aandoeningen overzag Jozef de schaar van zijne talrijke familie. Meest al de vrouwen zijner broeders, al de kinderen en klein-
79
kinderen waren hem nog onbekend. Allen keken nieuwsgierig en verwonderd uit naar den rijken Heer van Egypte. Het gezicht van de vaderlijke tenten, van de herders en de groote kudde maakte, dat Jozef zich schier verbeeldde, weer in Kanaan te zijn; het deed hem genoegelijk denken aan de dagen zijner vroegste jeugd. â Maar hij wilde zich niet ophouden bij al deze treffende voorwerpen. Zijne oogen zochten met ongeduld naar vader Jakob. Eindelijk ziet hij zijn Vader, verouderd door de jaren, en ook verouderd door het betreuren van zijn geliefden zoon. Aanstonds springt Jozef uit den wagen, en omarmt den grijsaard met eene verrukking van kinderlijke blijdschap, die hem het spreken belet. De oude man herkent de trekken van zijn Jozef in het gelaat van Egypte's Regent. Zijne vreugde was onuitsprekelijk. Vader en zoon konden niets doen dan elkander omhelzen â en schreien. Eindelijk riep Jakob uit: âAl moest ik nu aanstonds sterven, mijn zoon! zoo stierf ik vergenoegd, nu ik uw aangezicht heb aanschouwd, nuiku nog levend weergezien heb! Dit was mijn hoogste wensch!quot;
Toen omhelsde Jozef recht hartelijk al zijne broeders, zijne zusters, zijne neven en nichten. Allen heette hij welkom in Egypte, en allen waren met hem onbeschrij-felyk opgetogen. Zelfs de knechts en meiden namen deel in de blijdschap van hunne meesters. Elk praatte, lachte en juichte. Nooit hoorde men zoo vele vroolijke stemmen tegelijk; nooit zag men zooveel schuldelooze vreugde, als toen in de velden van Gosen.
Mietje. Daar zou ik gaarne eens bij geweest zijn!
Jansje. Ik ook; ik zou met de kindertjes gedanst hebben van blijdschap!
Kaatje. Neen, ik zou maar altijd gekeken hebben naar Jozef en naar vader Jakob.
80
Mr. En ik zou liefst op een bergje gestaan hebben, om ze altemaal te kunnen zien. Geen schooner, geen aandoenlijker gezicht kunnen wij ons voorstellen, kinderen! dan deze ontmoeting van Jakob en Jozef! â Zoo aangenaam is het, zijne geliefde vrienden weer te zien, nadat men van hen gescheiden is geweest. Aan dat genoegen moeten wy dikwijls denken, wanneer wij niet bij onze ouders of vrienden kunnen wezen. Maar als wij maken willen, dat zij recht blijde zijn bij onze tehuiskomst, -dan moeten wij ook immer braver menschen trachten te worden. Had Jakob zijn Jozef weergevonden met zooveel ondeugden, als hij nu deugden bezat, dan zou hij, in plaats van vreugde, droefenis gevoeld hebben. En hadden Jakobs zonen van hunnen broeder scherpe en bittere verwijten ontvangen in plaats van vriendelijke vergeving, zij zouden liever gewenscht hebben, dat de Heer van Egypte hen zoo weinig gekend had, als zij hem in het eerst voor Jozef herkenden.
Tiende Avond.
Gen. XLVI; 31 â XLVII: 16.
Mr. Wij hebben gisteren ons verhaal geëindigd met de komst van Jozef bij zijne bloedverwanten in het landschap Gosen en de groote blijdschap, die deze ontmoeting veroorzaakte.
Nu moet ik verhalen, wat Jozef verder deed voor zijne familie en voor de inwoners van Egypteland.
Zoodra Jozef al zijne vrienden behoorlijk had verwelkomd; zoodra men elkander iets verteld had van het gebeurde sedert ruim twintig jaar, en de eerste aandoening wat over was, zeide hij tot vader Jakob en tot
81
de broeders; âBlijft hier nog wat uitrusten: ik zal terwijl aan den Koning gaan zeggen, dat mijne geheele familie, volgens zijne toestemming, overgekomen is uit Kanaan. Ik zal vertellen, broeders! dat gij altemaal herders zijt, en uw vee hebt medegebracht. Wanneer de Koning zelf u dan eens spreken wil, moet gij ook zeggen: Wij, zooals onze vaders, hebben altijd met vee omgegaan; wij verstaan niets dan schapen en ander vee te weiden en op te kweeken. â Als gij zoo spreekt, zal Farao u wel toestaan, in dit schoone land te wonen, en dat is het best voor u en uw vee; daar moet gij om verzoeken.quot;
Gerrit. Moest dat nog aan den Koning gevraagd worden, Meester? â Jozef was immers heer over gansch Egypte; die kon zijne bloedverwanten laten wonen, waar hij wilde?
Mr. Ik denk ja, Gerrit! mits zij geene andere men-schen hinderden, die daar reeds te voren gewoond hadden. Omdat nu het land Gosen niemand bijzonder toekwam, en bijna ledig was, kon hij daarin zijne familie wel geplaatst hebben, zonder dat Farao daarover ontevreden zou geweest zijn; maar Jozef was heel voorzichtig en verstandig; hij wilde allen schijn van eigenbaat vermijden. Daarom gaf hij niets aan zijne bloedverwanten, dan met goedvinden van den Koning. Ook was hij niet grootsch op zijne macht. Gaarne wilde hij weten, dat Farao hem alles gegeven had; gaarne erkende hij den A'orst voor zijn heer, en vroeg liever eene reis te veel dan te weinig. Dat was nederig van hem, en nederigheid staat altijd fraai.
Jozef ging dan bij den Koning, en verhaalde hem, dat zijne geheele familie gekomen was. Farao wilde eenige van de broeders zien, zoo als Jozef al verwacht had. Vijf van Jakobs zonen werden geroepen uit Gosen, en
6
82
Jozef bracht hen binnen bij den Vorst. â Toen de Koning hun vroeg: âWelk is uw ambacht; wat doet gij voor den kost?quot; antwoordden zij, zoo als Jozef hen onderricht had, en zoo als ook de waarheid was; âWij en onze voorvaders zijn altemaal herders. Wegens den hongersnood in Kanaan zijn wij hier gekomen met ons vee, om hier als vreemdelingen te wonen. Ons vriendelijk verzoek is, dat wij ons in het land Gosen bestendig mogen nederzetten.quot; Daarop sprak Farao tot Jozef: âMyn geheele land ligt voor u; geef aan uwe vrienden het beste daarvan tot eene woonplaats; geef hun vrij de landstreek Gosen, die zij verkiezen. Geef, zoo gij wilt, aan uwe broeders, die gij daartoe bekwaam acht, het bestuur ook over mijne herders en over mijn vee.quot;
Nadat Jozef en zijne broeders den Koning bedankt hadden voor zijne vriendelijke toestemming, gingen zij weder naar Gosen, om Vader en de anderen te zeggen, dat zij in dat schoone land mochten blyven. Toen verzocht Jozef aan vader Jakob, of hij eens met hem naar de stad wilde gaan. De oude man deed dit gaarne, en Jozef had het genoegen, zijn Vader aan het prachtige Hof bij den Koning te brengen. De statige grijsaard maakte daar eene ongewone vertooning. Gekleed als een eenvoudig herder, trad hij in de vorstelijke zaal, midden door al de voornaamste Egyptenaren, terwijl hij ondersteund werd door den grooten Regent, die hem als zijn vader eerde en diende.
Ko. Dat was braaf van Jozef, dat hij zich niet schaamde over zijn vader, en niet te grootsch was om met hem bij den Koning te gaan!
Mr. Dat was het ook, Ko! Jozef stelde er zijne eer in, den ouden herder openlijk en overal voor zijn geliefden vader te erkennen, evenals hij ook zijne broeders
83
erkend had, en gaarne met hen gezien wilde worden. Zoo behoort ieder te doen, die aanzienlijk en rijk wordt boven zijne ouders of zijne broeders en zusters. Maar de menschen doen dat niet altijd. Een burgerzoon, die onverwacht een groot heer wordt, vergeet dikwijls zijne eenvoudige ouders of familie. Hy wil haast niet weten, dat zij waarlijk zijne bloedverwanten zijn; hg spreekt niet gaarne van hen; hij wil niet met hen gezien worden op straat; zij zyn hem te burgerlijk, te ouderwetsch van manieren en kleeding, om hen te vertoonen, en den menschen daardoor te herinneren, wat hij weleer was, en wat hij geworden of gebleven kon zijn. Als hij zyn vrienden nog iets medegeeft van zijn rijkdom, zoo als zijn plicht is, dan doet hij dit meest op eene trotsche wijze, om maar van hen af te komen, of om te maken, dat andere lieden geen kwaad van hem spreken. â Wat dunkt u, kinderen! is dat niet leelijk en ondeugend?
Kees. Wel ja! 't spijt mij, dat er menschen zijn, die zoo doen. Nu, als ik ooit heel rijk word, zal ik zoo trotsch niet zijn.
Mr. Dan zal ik met genoegen zien. Kees! dat gij een groot heer wordt; maar anders zag ik liever, dat gij geen cent in de wereld hadt; want het is beter arm en braaf, dan rijk en slecht te wezen. â Elk, die aanzienlijker wordt, of meer geld krijgt, dan zijne ouders en nabestaanden, moet maar denken aan Jozef, toen hij zijne broeders en zijn vader aan Farao voorstelde. Hij moet denken: âDe rijkdom verandert een mensch niet wezenlijk. Al ben ik nog zoo rijk, mijn vader blijft toch altijd mijn vader, en mijne moeder blijft altijd mijne moeder, en mijne bloedverwanten blijven dat ook, zoo zij leven; daarom blijft het ook altijd mijn plicht, hen te eeren, hen liet te hebben en bij te staan, zooveel ik
Ã
84
kan. Nooit mag ik mij over hen schamen, zoo lang zij brave lieden zijn. Dan verdiende ik, dat God mij alles weer afnam, en dat mijne vrienden dan op hunne beurt zich met mij ook niet wilden bemoeien.quot; â Onthoudt dat wel, kinderen! dan ga ik weer voort met mijne vertelling.
Toen Jozef met vader Jakob bij den Koning van Egypte kwam, sprak de eerwaardige grijsaard zeer wel-meenend en deftig een zegenwensch uit over den Vorst. Daarop zeide Farao: âGij schijnt reeds heel oud te zijn, Vader! hoe veel jaar hebt gij al bereikt?quot; Jakob antwoordde: âIk schijn ouder, dan ik ben, o Koning! vele tegenspoeden hebben al vroeg mijne haren grijs gemaakt. Slechts honderd dertig jaar heb ik, als een reizend vreemdeling, gezworven, en dat is weinig in vergelijking met mijne voorvaders, die veel langer omdwaalden op hunnen reistocht door deze wereld; want dit leven is toch eigenlijk niets anders, dan eene vreemdelingschap, eene reis naar het gewest, waarin men hoopt uit te rusten en altijd te blijven; het is een doortocht naar den Hemel, die gelukzalige plaats, waarnaar wij verlangen.quot;
Zoo dacht de vrome Jakob over zijn leven op aarde. Moest hij ziekten of tegenspoeden lijden, dan zeide hij bij zich zeiven: âDit zijn de ongemakken van de reis; als ik eenmaal ben, waar ik hoop te komen, zal dat altemaal over zijn.quot; En als hij, nu en dan, genoegelijke uren of dagen mocht doorbrengen, rekende hij dit als toegift; hij was daarvoor dankbaar, doch verwachtte niet, dat ze bestendig zouden wezen; even als een reiziger, die een effen en vermakelijken weg aantreft, zich daarom niet voorstelt, dat hij nu geene hobbelige paden of steenen meer zal ontmoeten. â Op deze wijze kunnen en moeten alle menschen denken; dan leeren zij tegenspoed verdragen met geduld, en voorspoed genieten met
85
dankbaarheid, zonder van deze wereld meer te verwachten, dan daarin te vinden is.
Nadat Farao en vader Jakob nog een weinig te zamen gesproken hadden, nam de oude man afscheid, wenschende dat God den Vorst gezondheid en allerlei zegen mocht schenken. Toen vertrok hij weder naar het land Gosen, waar Jozef alles in orde liet maken, wat zijne familie noodig had, om daar gemakkelijk te wonen. De hongei'snood werd erger en erger; doch Jakob leed geen gebrek. Zijn Jozef zorgde voor hem en voor zijne kinderen en kleinkinderen, met groote mildheid en liefde.
Mietje. En woonde Jozef toen ook in het land Gosen, bij zijne familie; of bleef hij in de stad On?
Mr. Hij moest te On blijven, omdat hij regent was van Egypte, en het verkoopen van het koren moest besturen. Doch het landschap Gosen was niet ver van de stad. Als zijne bezigheden het toelieten, bezocht hij dikwijls zijne familie; dan zag hij met groot vermaak hun herderlijk leven en de genoegens, die zij in dat schoone land genoten. In 't bijzonder verblijdde het hem, dat hij aan zijn ouden vader zooveel rust en gemak had kunnen bezorgen, hij dankte gedurig onzen Lieven Heer, dat hy zijne nabestaanden weergevonden had.
Gerrit. Dat was heel goed, Meester! maar als ik Jozef geweest was, zou ik toch mijn vader en mijne broeders nog anders verzorgd hebben.
Mr. Hoe dan, Gerrit! zijt gij nog niet tevreden over Jozef, nu hij zijne geheele familie eten geeft, en in Gosen laat wonen?
Gerrit. Neen, nog niet recht; de Heer van gansch Egypte moest zijn vader en zijn broeders voordeelige ambten of bedieningen gegeven hebben, zoodat zij, als
86
grootelui, op hun gemak konden leven, zonder veel te werken, of langer achter de schapen te loopen.
Mr. Uwe meening is goed; maar, bij nader bezien, zullen wy merken, dat Jozef geen kwaad deed, met deze dingen na te laten, en dat hij zelfs daarom geprezen moet worden. Had Jozef aan zijne bloedverwanten groote eerambten gegeven, dan zou hij vele voorname Egypte-naars afgunstig en ontevreden gemaakt hebben. Ook zou daartoe reden geweest zijn; want Jakob en zijne zonen waren onbekwaam en ongeschikt voor zulke bedieningen. Zij hadden niet veel anders geleerd, dan akkerbouw en veehoederij. Jozef zou dus bekwamer lieden afgezet of voorbijgegaan moeten hebben, dat onrechtvaardig was geweest, en ook nadeelig voor den Koning en het volk. â Ieder, die een ambt of eene bediening te begeven heeft, moet altijd zoeken naar de kundigste en bekwaamste menschen, die het meeste nut kunnen doen. Hij mag zijnen bijzonderen vrienden geene ambten geven, of zij moeten er even geschikt toe zijn als anderen; daarom moet ook niemand om een ambt verzoeken, waartoe hij geene bekwaamheden heeft, noch ook zijn best doen om andere onkundige menschen aan gewichtige bedieningen te helpen; zoo zou men zijn Vaderland schade, en zijnen medemenschen onrecht aandoen.
Ook betoonde Jozef eene zeer verstandige liefde, door zijne vrienden herders te laten blijven. Die levenswijs was hun gewoon, en door de gewoonte aangenaam geworden. In het veehoeden waren zij doorkundig; daarin konden zij de Egyptenaren onderwijzen en helpen; dat was voor hen het beste en gemakkelijkste beroep. In andere, zware bedieningen hadden zij weer van alles moeten leeren, en waren dan nog benijd, bespot en uitgelachen geworden.
87
Nu zullen wij vader Jakob met de zijnen in Gosen wat laten rusten, en eens zien, hoe de Egyptenaars het maakten in de slechte jaren.
De hongersnood had al geruimen tijd geduurd, toen Jozefs familie zich in de landstreek Gosen had neergezet. Jozef had reeds eene groote menigte koren verkocht aan de inwoners van Egypte en de naburige volken, tot groot voordeel van zijn Koning, die daardoor zeer rijk werd. In de volgende jaren werd de nood nog erger, het koren nog duurder, en dus kwam er nog al meer geld in de schatkamer van Farao. Al naarmate de lieden armer waren, was hun geld te spoediger op, maar eindelijk had niemand geld meer, om het koren te betalen. Ieder stond verlegen, zoowel de Egyptenaars als de vreemdelingen.
Jansje. Ik hoop toch niet, dat Jozef nu die arme uienschen nog van honger zal laten sterven, omdat zij geen geld meer hebben!
Mr. Neen, Jansje! maak u daarover niet ongerust! De hongerigen klaagden Jozef hunnen nood, en toen zeide hij: âNu, als uw geld op is, moet gij mij uwe beesten maar verkoopen, om brood van te bakken.quot; Elk nam daarin genoegen, en wilde liever zijn vee missen dan broodgebrek lijden. Zij brachten dus hunne paarden, hunne ossen, koeien, schapen en ezels, voor en na, bij den grooten Regent, en dan ontvingen zij de waarde daarvan in koren terug. Op deze wijze hield Jozef weer een tijd lang vele duizenden menschen in het leven. Maar eindelijk had niemand iets meer. Toen kwamen de Egyptenaars in groote menigte bij Jozef, en zeiden tot hem: âWij zijn op nieuw zeer verlegen; dat kunnen wij niet verbergen. Al ons geld is op, en al ons vee hebben wij u ook reeds verkocht. Nu is er niets anders over
88
dan ons lichaam en ons land. Koop ons nu voor Farao met onze landerijen, en geef ons daarvoor weder eten en zaad om de akkers te bezaaien, opdat wij niet van honger vergaan, en het land niet geheel woest wordt.quot;
Ko. Wat meenden de Egyptenaars eigenlijk, Meester! toen zij zeiden: âKoop ons en ons land voor Farao?quot; Zij woonden immers al in Farao's land, konden zij hem dan zijn eigen goed verkoopen?
Mr. Dat moet gij op deze wijze begrijpen: De inwoners van Egypte waren tot nog toe in vele opzichten vrije lieden geweest; zij hadden eigen akkers, waarmede zij doen konden, wat zij wilden, en brachten geene belastingen op.
De Koning was alleen de opperste rechter, als zij verschil hadden, en hun veldheer, als zij oorloogden. Farao zelf had ook landerijen, die hem toekwamen en voordeel gaven. Met die landstreken, waarin nog niemand zich had neergezet, mocht hij ook doen naar welgevallen, zoo als hij, bijvoorbeeld, met het land Gosen deed; maar, voor het overige, had de Koning geen recht op de personen, of de akkers en bezittingen van zijne onderdanen.
Nu boden zij aan, al hunne landerijen aan Farao te verkoopen, en zelf zijne knechten te worden. Zij wilden toch liever hunne vrijheid en hunne bezittingen missen, dan van gebrek sterven.
Keetje. Och, die arme menschen! Wat moeten zij in nood geweest zijn!
Mr. Ja, Keetje! die hongersnood was vreeselijk; wie-zou anders zijn kostelijke vrijheid zoo weggeven! âJozef nam genoegen met het voorstel van de Egyptenaren. Hij kocht al de akkers voor Farao, zoodat deze eigenaar werd van gansch Egypte. Daarvoor gaf Jozef koren tot
89
spijze aan de inwoners, en koren om te zaaien tegen het volgende jaar, in de hoop dat dit vruchtbaar zou wezen. Ieder moest dus zijn land verkoopen, uitgenomen alleen de priesters. Deze waren de menschen, die de godsdienstoefeningen bedienden, naar de gebruiken van dat land en van dien tijd. Deze lieden kregen van den Koning hun levensonderhoud, omdat zij niet in het land konden werken of koopmanschap drijven, maar altijd moesten studeeren en godsdienstige verrichtingen waarnemen. De priesters kwamen dus niet zoo in den nood, dat zij hunne bezittingen behoefden te verkoopen, maar de andere menschen wel.
De Egyptenaars hadden nu ook zich zelf aan Farao overgegeven, als zijne slaven. Jozef kon met hen doen, wat hem beliefde, uit naam van den Koning. Maar hij wilde niet dat die menschen hunne vrijheid geheel zouden verliezen; daartoe was hij te menschlievend en te edelmoedig. Hij wist bij ondervinding, hoe naar het is, slaaf te zijn. Daarom gaf hij aan iederen Egyptenaar weder een stuk lands in leen, om daarop te wonen en dat te bearbeiden, onder beding, dat hij, ieder jaar, een vijfde part aan Farao moest geven van het koren, dat op die akkers zou groeien; doch, om verscheidene redenen, schikte Jozef het zoo dat niemand zijn ouden akker weerkreeg, maar een anderen, die even groot was. Zoo maakte hij, dat de inwoners geene eigenlijke slaven werden van farao; maar leenmannen of pachters, die alle jaar een bepaald deel van den oogst als pacht of huur moesten geven voor het gebruik van het land. De Koning werd zoo leenheer van zijne onderdanen, of ook hun algemeene landheer. Buiten het geven van dat vijfde part koren, bleven de Egyptenaars zoo vrij als te voren.
Dit was slechts een klein bezwaar, omdat Egypte een
90
bijzonder vruchtbaar land is. De inwoners begrepen dat ook zoo, en dankten Jozef voor zijne goedheid. Weinige jaren na dien hongersnood werden zij weder gegoede menschen, die daarenboven geleerd hadden, van hun overvloed wat te sparen voor den kwaden tijd.
Jozef deed den Egyptenaren alzoo geene schade, maar wel voordeel, met den Koning zoo machtig en rijk te maken. Deze Farao was een braaf voi'st. Hy besteedde zijne schatten niet aan nuttelooze pracht en overtollige ambtenaren, veel minder om zijn volk kwaad te doen; maar hij legde daarvoor goede wegen en kanalen aan, hij maakte vele nuttige inrichtingen, en verdedigde het land tegen de vijanden. â Al de voorraad van koren was dus op de beste wijze gebruikt. De landerijen werden gelijker bezet met menschen en vee; de Koning was beter in staat gesteld, om zijn volk goed te beschermen. Niemand had reden om te klagen, dat hij onbillijk gedrukt en bezwaard werd.
Nu heb ik u, voor dezen avond alweder genoeg verteld, kinderen! morgen spreken wij weder van den ouden vader Jakob.
Elfde Avond.
Gen. XLVII: 27 tot L: 14.
Mr. Wij hebben gisteren avond gehoord, wat Jozef deed voor de inwoners van Egypte, in den hongersnood. Nu zouden wij eens weder iets vertellen van den vromen Jakob. Weet gij nog wel, Piet! waar de oude man woonde in den tijd van gebrek?
Piet. Ja wel. Meester! in het mooie land G-osen.
Mr. Juist, mijn jongen! daar woonde hij op dien tijd
91
en ook lang daarna. Daar zorgde Jozef voor hem en voor zijne kinderen; daar rustte de grijsaard uit van al zijne vorige reistochten, van zijne zorgen en rampen; daar sleet hij nu genoegelijke dagen. Jakobs familie werd hoe langer hoe grooter, zoodat hij zijne kleinkinderen en achterkleinkinderen nauwelijks kon tellen. Zoo leefde Jakob in Gosen, zeventien jaar lang. Maar in den Bijbel staat niet, wat hij in al die jaren deed, of wat hem overkwam. Dat moet dus niet zeer merkwaardig geweest zijn, en ik kan u daarvan ook niets vertellen. Daarom zullen wij nu nog eens doen wat wij in 't begin van ons verhaal ook deden. Toen zeide ik, dat Jakob een zoon kreeg, die Jozef heette, en in eenen verbeeldden wij ons, dat die Jozef al een jongeling was van zeventien jaar, omdat ik niets wist te vertellen van al dien tusschentijd. Zoo zullen wij nu ook, om dezelfde reden, weer zeventien jaar moeten overstappen, en zien eens, wat Jakob gebeurde, toen hij zeventien jaar in Grosen had gewoond.
Kees. Toen ging hij misschien weer reizen in andere landen ?
Mr. Neen, Kees! al zijne reizen waren toen ten einde; hij voelde zijne krachten verminderen; hij werd sukkelachtig van ouderdom. Dit was ook waarlijk geen wonder. Kunt gij wel uitrekenen, hoe oud Jakob toen was?
Kees. Neen, Meester! zoo in eens niet.
Mr. Denk maar eens na, hoe oud Jakob zich zeiven noemde, toen hij bij Farao kwam.
Kees. O, dat is ook waar! Toen zeide hij: âIk heb honderd en dertig jaar op aarde omgezworven.quot; Daarbij tel ik nu de zeventien jaar die hij in Gosen gewoond heeft, dan krijg ik... honderd zeven en veertig jaar. Is dat goed uitgerekend. Meester?
92
Mr. Heel goed, Kees! â Toen vader Jakob dan gedurig zwakker begon te worden, en wel voelde, dat hij eerlang sterven zou, liet bij Jozef bij zich roepen. Deze brave zoon hoorde met leedwezen, dat Vader niet wel was, en reisde, zoo spoedig bij kon, naar Grosen. Toen hij daar gekomen was, zei de oude man tot hem; âJozef! als gjj mij nu oprecht liefhebt, moet gij mij plechtig beloven, dat gij, als ik gestorven ben, mijn lichaam niet zult begraven hier in Egypte, maar in Kanaan, in het graf van mijne voorouders.quot; Jozef was gereed alles te doen wat Vader begeerde. Hij beloofde dat met een eed, eene godsdienstige plechtigheid, die hem verbond om het te doen, wijl hij anders Gods gunst en zegen zou verbeuren.
De ongesteldheid van vader Jakob scheen toen nog niet zoo gevaarlijk, en Jozef, de regent, had zoo vele bezigheden in de stad On, dat bij spoedig weer uit Gosen derwaarts moest vertrekken, en z^n vader overlaten aan de zorg van zijne broeders en zusters. Hij vertrok echter met leedwezen; want een braaf kind verlaat niet gaarne zijne zieke ouders.
Mietje. En werd Jakob nog weer beter?
Mr. Neen, Mietje! nu, op zijn honderd zeven en veertigste jaar, was de tijd gekomen, dat hij deze wereld moest verlaten. Hij was ook niet bedroefd, dat zijn leven, zijne groote reis, ten einde was, omdat hij met reden kon hopen, in eene betere wereld te zullen overgaan. â Binnen weinige dagen werd hij weer veel zieker en zwakker. Dit werd Jozef aangezegd, die heel spoedig weder naar Gosen kwam, met zijne twee zonen, Manasse en Efraïm, bij zich.
Truitje. Die zou ik maar te huis gelaten hebben. Wat
deden die kinderen bij hunnen stervenden grootvader?
â j
93
Mr. Noemt gij hen kinderen, Truitje? zij waren toen veel ouder, dan gij nu zijt. Efraïm, de jongste, was ten minste al negentien jaar oud.
Truitje. Hoe rekent gij dat uit. Meester! als ik vragen mag?
Mr. Dat reken ik zoo: zij waren beiden geboren, eer de hongersnood in Egypte begon, en dat was toen net negentien jaren geleden; want twee jaar na het begin van de slechte tijden kwam Jakob in Gosen, en die had daar, toen hij stierf, zeventien jaar gewoond. Manasse en Efraïm waren dus volwassene jongelingen, voor wie het zeer nuttig is, eens te zien, hoe gerust een vroom mensch kan sterven.
Maar Jozef had nog eene andere reden, waarom hij zijne zonen met zich nam naar Gosen. Als, in de tijden van Abraham, Izaiik en Jakob, de vader des huisgezins voelde dat hij zou sterven, nam hij plechtig afscheid van zijne kinderen en kleinkinderen; hij zegende, kort vóór zijn dood, hen allen, als de priester van zijn geslacht, uit naam en door de hulp van God. Dat afscheid nemen en die zegening was dus eene zaak van veel belang, waarop men zeer gesteld was. Jozef bracht daarom zijne zonen mede, opdat Jakob hen mocht zegenen, eer hij stierf.
Toen men den ouden man zeide, dat zijn zoon Jozef was gekomen, ging hij van blijdschap overeind zitten in zijn bed, hoe zwak hij ook was. Daarop verhaalde hij zijn Jozef, hoe hij vast vertrouwde en wenschte, dat zijne afstammelingen het land Kanaan eens zouden bezitten en daarin bestendig wonen. Toen zeide hij ook, dat hij Manasse en Efraïm als zijne eigene zonen wilde gerekend hebben in de erfenis, en niet als zijne kleinzonen, zoodat zij ieder evenveel moesten hebben van
94
Jakobs bezittingen, als ieder van hunne ooms. Daarna sprak Jakob nog van Jozefs moeder, die hij zeer bemind maar reeds vroeg verloren had.
Nu zag hij eerst, dat Jozef nog twee personen bij zich had, en vroeg: âWiens kinderen zyn deze?quot; Zijn gezicht was, door den ouderdom, zoo verzwakt, dat hy zijne eigene kleinzonen, Manasse en Efraïm, niet meer onderscheiden kon. Jozef antwoordde: âDeze zijn mijne zonen, Vader! die G-od mij gegeven heeft, en van wie gij zoo even hebt gesproken.quot; âBreng ze bij mij,quot; zeide Jakob: âopdat ik hen zegene.quot; Dit geschiedde, en de zwakke grijsaard omhelsde en kuste hen hartelijk.
De oude man was toen zeer aangedaan, en zei tot Jozef: âWat heb ik vele redenen tot dankbaarheid aan God! Ik had niet durven hopen, u nog weer te zien â en nu zie ik ook nog uwe kinderen!quot; Jozef deed zijne zonen knielen bij het ziekbed van grootvader, die nog overeind zat, en hun de handen wilde opleggen.
Kaatje. Wat beduidt dat. Meester! âiemand de handen opleggen,quot; en waarom wilde Jakob dat doen?
Mr. Als men, in die tijden, iemand zoo plechtig Gods zegen toewenschte, plaatste men gewoonlijk zijne hand op het hoofd van den persoon, die op zyne knieën lag, om den zegenwensch te ontvangen. En, als een vader of grootvader twee zijner zonen of kleinzonen op deze wijze zegende, was het gebruikelijk, dat hij zijne rechterhand op het hoofd van den oudste legde, en zijne linkerhand op dat van den jongste; omdat men de rechterhand voor de beste en waardigste hield, en omdat de oudste zoon, in sommige uiterlijke rechten en voordeelen, toen altijd iets vooruit had boven zijne jongere broeders. Dewijl dit nu zoo het gebruik was, liet Jozef zijn oudsten zoon, Manasse, knielen dicht bij Jakobs rechterhand, en
95
den jongsten, Efraïm, dicht bij zijne linkerhand, terwijl hij zelf, tusschen hen beiden, zich nederboog. Maar vader Jakob legde zijne handen juist andersom als men gewoon was: de rechterhand op het hoofd van den jongsten, en de linkerhand op het hoofd des oudsten, en begon zijn plechtigen zegenwensch aldus: âGod de Heer, voor wiens aangezicht mijne voorvaders, Abraham en Izaak, gewandeld hebben, en door wien ik van jongs af zoo gezegend en bewaard ben, diezelfde God zegene ook deze mijne kinderen op gelijke wijze, en make hun nageslacht in menigte als de visschen der zee!quot; â Toen zag Jozef eerst, dat zijn vader de handen verkeerd gelegd had op de jongelingen, hetgeen hij toeschreef aan de zwakheid van Vaders gezicht. Hij zeide dus: âGij vergist u. Vader! Deze, op wiens hoofd gij uwe linkerhand hebt, is de oudste.quot; Jozef wilde toen Vaders handen verplaatsen, zoo als hij dacht, dat het wezen moest; maar de oude man zeide: âIk weet wel, wat ik doe, mijn zoon! deze Manasse, uw oudste zoon, zal zeer gezegend zijn, en zijne nakomelingen zullen tot een groot volk aangroeien; maar Efraïms nageslacht zal evenwel nog veel grooter en aanzienlijker worden. Daarom leg ik mijne rechterhand op het hoofd van den jongsten, die de voornaamste zal worden.quot; Jozef zweeg toen eerbiedig stil, en vader Jakob eindigde zijn plechtigen zegenwensch over zijn twee kleinzonen, zeggende: âDe Heer zal u zoo gelukkig maken, dat men tot een spreekwoord, aan zijne vrienden zal zeggen: God make u als Efraïm en Manasse!quot; Daarop voorzeide Jakob nogmaals, dat zijn geslacht eens weder in Kanaiin zou wonen, en gaf aan Jozef ook nog een stuk lands, dat hij daar had liggen, en waarop Jozefs nazaten dan, boven anderen, recht zouden hebben.
96
Jan. En is dat ook altemaal zoo gebeurd?
Mr. Wel zeker! Ik zal u, met een kort woord, vertellen, hoe dit gescliied is.
Nadat Jakobs nakomelingen ruim twee honderd jaar in Egypte gewoond hadden â toen Jozef lang dood was, â regeerde daar een koning uit een ander geslacht, die hen ijselijk plaagde, en als slaven liet behandelen. Toen trok Jakobs nageslacht uit Egypte, onder geleide van Mozes, en kwam het, na veel omzwervens, eindelijk in het land Kanaan. â Doch laat ik thans weer terug-keeren tot mijn eigenlijk verhaal.
Toen vader Jakob afscheid had genomen van Jozef en diens kinderen, riep hij al zijne overige zonen nog eens bij zich, om hen te zegenen.
Nadat die zegenbeden uitgesproken waren, gaf Jakob nog eens aan al zijne zonen bevel, zijn lichaam in Kanaan, en niet in Egypte te begraven. Hij beduidde hun zeer nauwkeurig, in welken grafkelder hij wilde gelegd zijn, namelijk in een hol of spelonk, tegenover het bosch Mamre, niet ver van Hebron, welke spelonk Abraham reeds gekocht had, met, een stuk lands daarbij, en waarin men ook Jakobs oudere bloedverwanten begraven had. Daarna leide de vrome Jakob zich achterover op zijn bed neder, en stierf zacht en zonder pijn.
Kaatje. Het spijt mij, dat wij van dien goeden ouden man nu niet meer hooren zullen; ik zou liever gehad hebben, dat hij nog weer gezond en sterk was geworden.
Gerrit. Wel ja, hij leefde nu zoo pleizierig in het mooie Gosen, dat moest nog wat geduurd hebben!
Mr. Ik hoor met genoegen, kinderen! dat gjj vader Jakob lief hebt gekregen, en hem nog gaarne wat langer in het leven hadt gehouden. Hij verdient ook uwe ach-
97
ting en genegenheid, want hij was zeer vroom. Doch hoe braaf men ook leeft, men moet toch eindelijk sterven, en God weet best, op welken tijd het voor elk mensch het nuttigst is, deze wereld te verlaten. Voor een goed mensch is het sterven ook geen ongeluk; zulk een mensch sterft weltevreden, en komt na zijn dood in een allergelukkigst leven, dat nooit weder zal eindigen. â Daarmede moeten wij ons troosten, als wij brave ouders of vrienden verliezen. Maar kinderen moeten evenwel niet onverschillig zijn, als hunne ouders sterven. Zij verliezen daar veel aan, en het past hun, dit verlies te gevoelen en te beschreien. â Jozef, die voorbeeldige zoon, gaat ons ook hierin voor. Zoodra Jakob gestorven was, viel Jozef voorover neder op het aangezicht van zijn vader en kuste het weenende. Daarna zorgde hij voor het lijk, voor eene behoorlijke rouwbe-tooning, en voor het nakomen van al wat hij den overledene had beloofd.
Jozef had onder zijne hoogere bedienden geneeskundigen, die kennis hadden van allerlei middelen, om zieken weder beter te maken. Deze lieden wisten ook de lijken zoo te bezorgen, dat zij in langen tijd niet konden vergaan, maar bijna even zoo bleven, als bij het leven. Dit zoo te laten doen aan zijne gestorvene bloedverwanten, was in Egypte gebruikelijk. Het werd voor eene eer gerekend, die men den overledene aandeed, en het kostte veel geld. Volgens dat gebruik gelastte Jozef zijnen dienaars, die dat werk verstonden, dat zij Jakobs lichaam op de kostelijkste en beste wijze moesten balsemen, zoo als dat genoemd wordt. Ook was het in dit geval zeer noodig, Jakobs lichaam tegen bederf te bewaren, omdat men daarmede nog naar Kanaan moest reizen.
98
Tvo. Maar hoe geschiedde dat balsemen toch eigenlijk, Meester ?
Mr. Dat geschiedde ten naasten bij aldus: het lichaam werd van binnen schoongemaakt en gevuld met verschei-rlene kostbare specerijen. Daarna werd het van buiten, wel dertig dagen lang, gezalfd of bestreken met eene fijne olie, ceder-olie geheeten, of het lichaam werd ook nog wel langeren tijd in salpeter gelegd. Eindelijk moest het nog weder afgewasschen, en geheel bewonden worden met fijn linnen, dat met gom werd bestreken. Dan geleek het lijk een uitgedroogd mensch; doch wie den overledene gekend hadden, konden vele jaren daarna nog heel wel zien, wiens lichaam het was. Zelfs heeft men, nog niet lang geleden, zulke gebalsemde lijken gevonden uit die oude tijden, welke nog niet vergaan waren. Men noemt zulke gebalsemde lichamen mumiën.
Aan het lijk van vader Jakob was men veertig dagen met balsemen bezig. Toen werd het in eene kist gelegd en bewaard. Jozef en zyne familie trokken ondertusschen een zwaren rouw aan over hunnen vader. De meeste Egyptenaars zelfs eerden den overledene door een plech-tigen rouw, gedurende zeventig dagen. Langer rouwden de inwoners van Egypte over niemand.
Na die zeventig dagen bleef Jozef echter nog in den rouw, en mocht hij daarom volgens een Egyptisch gebruik niet bij Farao komen. Hij liet dus door een dienaar den Koning bericht geven van zijne belofte en den eed, aan zijn vader gedaan, wegens het begraven van diens lichaam in het familiegraf bij Hebron, en verlof verzoeken, om die begrafenis bij te wonen, waarna hij weer in Egypte zou komen.
Kees! Ik dacht in het eerst half, dat Jozef vergat, wat zijn vader hem belast had, toen Meester alleen vertelde van dat lange balsemen en rouwen.
99
Mr. Neen, Kees! Jozef deed zoo als het een braaf zoon betaamt. Hij hield zijn woord, nu vader dood was, even goed, alsof die nog leefde. Maar in die eerste zeventig dagen van den rouw kon Jozef niet gevoegelijk naar Kanailn reizen; daarom duurde het zoo lang, eer hij aan Farao vroeg, om Jakob te begraven.
De Koning stond gereedelijk toe, dat Jozef, zijn gunsteling, aan den laatsten wil van vader Jakob volgens belofte voldeed.
Welhaast begon toen de groote optocht dezer merkwaardige begrafenis. Jozef en al zijne broeders, met hunne vrouwen en grootste kinderen, reisden met het lijk naar Kanaiin. De kleine kinderen alleen bleven in Gosen, met de knechts en meiden, bij het vee. Al de anderen vertrokken. Zelfs de voornaamste hovelingen van Farao en de grootste ambtenaren van Egypte gingen ook mede, om den vader van hunnen Regent ter aarde te bestellen. Met vele wagens en mannen te paard daarbij maakte dit gezelschap de vertooning van een groot leger, en reisde aldus heel statig voort. â Zoo kwamen zij in Kanaan, en hielden stil op eene vlakte, niet heel ver van Hebron. Daar betoonden zij allen, zeven dagen lang, hunne droefheid over Jakob, door allerlei plechtige teekenen, door kleeding, houding en gesprekken, zoo als toen gebruikelijk was. Deze openlijke betooning was buitengewoon groot en plechtig, zoodat de menschen, die rondom die vlakte in Kanaan woonden, daarvan met verwondering spraken, ja zelfs, enkel om dit voorval, die plaats den naam gaven van Abel Mitzraïm, dat is: ârouw der Egyptenaren.quot; Al deze statie en omslag was heel nuttig, om veel te doen denken aan Jakob, die een zeer wijs en godvreezend man was geweest, zoodat zijn voorbeeld en leeringen in eerbiedige gedachtenis moesten blijven.
100
Na die statelijke rouwklachten vervolgde het reisgezelschap zijn weg naar het graf van Abraham en Izaük, dat nu ook het graf van Jakob zou worden. Nauwkeurig begroeven zij den vromen man, volgens zijne laatste bevelen, in de spelonk Machpela, tegenover het bosch Mamre. Jozef zag toen, met een stil genoegen en vele aandoeningen, die landstreek nog eens rond, en herinnerde zich de plaatsen, waar hij als kind gespeeld en als jongeling gewandeld had.
Toen keerden zij gezamenlijk naar Egypte terug, sprekende onderweg nog gedurig van den braven man, aan wiens lichaam zij nu den laatsten plicht hadden volbracht. Zoo kwamen zij weder te huis, ieder bij de zijnen, en aan de bezigheden van zijn beroep.
Hierbij zullen wij het voor deze reis nu laten, kinderen! Onze Jozef heeft nu geen vader of moeder meer. Ik wil hopen, dat gij in lang daarin niet naar hem zult gelijken. Ik wensch, dat gij uwe lieve ouders nog zeer vele jaren moogt behouden. Maar eindelijk moeten zij toch ziek worden en sterven. Doet uw best, om het van nu aan zoo met hen te maken, dat gij dan met genoegen aan hen kunt denken. Onthoudt, hoe zorgvol Jozef zijn zieken vader oppaste, hoe eerbiedig hij luisterde naar de laatste verzoeken en bevelen van den stervenden Jakob, en hoe trouw hij naderhand alles deed, wat hem belast was, en wat hij beloofd had.
Twaalfde Avond.
Gen. L; 14 en verv.
Mr. Nu moet ik u vertellen, kinderen! wat er voorviel tusschen Jozef en zijne broeders, toen zij met elk-
101
ander weer in Egypte waren gekomen, na het begraven van vader Jakob.
De oudste broeders dan, die Jozef weleer mishandeld en verkocht hadden, maakten zich daarover opnieuw ongerust, nu Vader dood was. Zij dachten: âMisschien durfde Jozef ons geen kwaad doen, uit vrees voor Vader, zoo lang die leefde; maar nu zal hij ons straffen voor alles, wat hij van ons geleden heeft. Nu zal hij ons haten en vervolgen!quot;
Jansje. Foei! dachten zij dat; geloofden zij dan niet, dat Jozef hun alles van harte vergeven had?
Kees. Wel, dat was leelijk! Meenden zi] dat Jozef zich zoo vele jaren vriendelijk kon aanstellen, en wezen toch inwendig nijdig?
Mr. Zeker was het lang niet mooi van de broeders, dat zij zoo weinig vertrouwen in Jozef stelden. Het was nu immers al meer dan zeventien jaar geleden, dat hij hun alles geheel vergeven had, en sedert hadden zij talrijke blijken van Jozefs liefde in Gosen genoten, hij had hen gespijzigd en verzorgd. Zij verongelijkten hém door deze slechte gedachte.
Ko. Men zou vragen, hoe kwamen zij aan dien inval en die bevreesdheid?
Mr. Dat begrijp ik aldus, Ko! Menschen, die een groot kwaad gedaan hebben, behouden, al hun leven lang, eenige ongerustheid. Bij elke gelegenheid denken zij weer aan hunne oude misdaad, en, al is die lang vergeven, zoo blijven zij nog altijd bang, en kunnen niet vergenoegd en inwendig gerust worden, al gaat het hun nog zoo wel voor het uiterlijke. Zoo was het ook met de broeders, die Jozef verkocht hadden. Nu Vader gestorven was, werden zij weder beangst tegenover hunnen machtigen broeder. Ook waren zij wel wat verbeterd,
102
maar nog zulke edele mensclien niet als Jozef. Zij dachten dus: âAls wij in zijne plaats waren, zouden wij nu onze slechte broeders wel vinden!quot; En toen ging het hun volgens het spreekwoord: âZoo als de waard is, vertrouwt hij zijne gasten;quot; zoo als zy misschien doen zouden, verwachtten zij ook, dat Jozef doen zou. Zij konden niet gelooven, dat hij altijd even minzaam en vergeeflijk zou blijven; zij hadden te weinig begrip van ware godsvrucht en zachtmoedigheid.
Zoo kwamen zij aan die vrees voor Jozef. Luistert nu eens, wat zij deden, om zich uit die verlegenheid te redden. Zij zonden eenige bekende personen aan den Heer van Egypte met deze boodschap: âUw overleden vader heeft kort vóór zijn dood ons belast, uit zijn naam, u vriendelijk te verzoeken, dat gij de misdaden van uwe broeders toch wilt blijven vergeven, en hen even als tot dusverre wilt liefhebben en verzorgen.' Jozef dacht sedert lang niet meer aan hetgene hij van zijne broeders geleden had. Hij dacht aan geene wraakneming, maar beminde hen oprecht. Dit verzoek, uit naam van zijn vader, trof hem zoo, dat hij schreien moest van aandoening.
Kaatje. En was het in ernst waar, dat Jakob vóór zijn sterven deze boodschap aan die menschen gegeven had?
Mr. Dat denk ik niet. Kaatje! De oude brave man vertrouwde veel betere dingen van zijn Jozef; hij kan die vrees niet gehad hebben. Ook had hij tot Jozef daarvan nooit gesproken, wat hij anders wel zou gedaan hebben. De broeders bedachten dit maar uit ongerustheid, en dat was ook niet zooals het behoort; al is men nog zoo verlegen, moet men nooit leugens bedenken, om zich te redden.
103
â
Jozef wilde dit niet eens onderzoeken. Hij was ook niet knorrig over de kwade gedachte, welke zijne broeders zonder reden van liem hadden. Alleen uit medelijden met hen, moest hij schreien bij deze onverwachte boodschap.
Mietje. Maakte Jozef zijne broeders toen ook niet gauw weer gerust?
Mr. Dat wenschte hij bij de eerste gelegenheid te doen; en die gelegenheid kwam ook schielijk. De bevreesde broeders reisden naar de stad On, en kwamen zelf bij Jozef, even bang en even onderdanig, als toen zij hem voor het eerst weerzagen. Zij wierpen zich op nieuw voor hem neder, zeggende: âZie, wij zijn uwe knechten, gij kunt met ons leven naar uw welgevallen; wij zullen u getrouw dienen, als onzen heer.quot; De brave l Jozef kon het nauwelijks uitstaan, dat zijne eigene, zyne oudste broeders daar zoo weder bevreesd voor hem op den grond lagen. Oogenblikkelijk deed hij hen opstaan, en riep hun toe, met tranen in de vriendelijke oogen: âVreest toch niet, myne waarde broeders! U te straffen voor uw misdrijf lust mij geenszins, en komt ook aan niemand toe, dan alleen aan God, bij wien ik hoop, dat gij vergeving hebt gevonden. Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar de Heer heeft dat alles ten goede bestuurd, om de inwoners van Egypte en onze geheele ^ familie in het leven te behouden. Dit hebt gij gezien; denkt daar steeds aan; let op Gods alwijze besturing, en vreest nooit weer voor mij. Ik zal, zoo lang ik leef, u weldoen, en zelfs voor uwe kleine kinderen zorgen.''
Truitje. Die goede Jozef is toch altijd dezelfde, altijd even lief en vergeeflijk! Als de broeders nu nog wantrouwig blijven, dan mag ik hen nooit weer lijden.
Mr. Dit zou ook met reden zijn, Truitje! Jozef toonde.
Ã
104
dat hij nog even zoo dacht, als vóór zeventien jaar. Hij gaf hun de sterkste bewijzen van oprechte vergiffenis en bestendige liefde. Zijne broeders waren ook zoo onge-loovig en kwaaddenkend niet, dat zij hem nu nog mistrouwden. Zeer aangedaan, vertroost en bemoedigd, keerden zij naar Gosen terug; terwijl zij Jozef overal prezen en voor hunnen weldoener erkenden. Ik twijfel ook niet, of zij zullen door dit alles meer tot nadenken zijn gekomen, en nóg gedurig betere menschen zijn geworden.
Gedurende zeer vele jaren leefden de kinderen van Jakob aldus in vrede en voorspoed, zonder dat hun iets merkwaardigs overkwam. De familie werd ondertusschen buitengemeen groot. Jozef werd niet alleen grootvader maar zelfs overgrootvader. Als een ware kindervriend, nam hij Manasse's kleinkinderen op zijn schoot, en droeg ze op zijne armen. Ook was hij de geliefde oom en oudoom van de kinderen en kindskinderen zijner broeders. Nooit kwam hij in Gosen, of er was een algemeene vreugde; nooit moest hij weder naar de stad, of men wenschte, dat hij spoedig weder mocht komen. â Zoo genoot de godvreezende Jozef het groote genoegen van wel te doen en bemind te worden, tot in den ouderdom van honderd en tien jaar.
Gerrit. En wat gebeurde er toen? Ik hoop immers niet, dat hij nu al sterft!
Kaatje. Och! dat zou mij ook spijten! Ik wou, dat hij ten minste zoo oud werd als Jakob.
Mr. Ja, kinderen! ik moet het zeggen. Toen zag men de krachten van Jozef bezwijken; men vreesde met reden hem spoedig te zullen verliezen. Hij zelf gevoelde ook duidelijk, dat hij welhaast uit deze wereld moest scheiden. Daarop riep hij zijne broeders, zoo vele er toen
105
nog leefden, bij zich, en zeide: âIk ga nu sterven, en zal voor u niet meer kunnen zorgen. Maar God de Heer blijft bij u. Die zal u of uwe kinderen eens wederbren-gen in Kanaan, zoo als Abraham. Izaiik en onze vader Jakob vertrouwden. Dat zal zeker gebeuren, daaraan twijfel ik niet. â Maar, als gij of uwe zonen dan Egypte verlaat, neemt dan mijn lichaam met u, en begraaft het bij onze voorouders in dat land. Zweert mij plechtig, broeders! dat gij hiervoor zult zorgen, en maken, dat uwe kinderen het na uw dood ook onthouden.quot;
Ko. Dat was omtrent hetzelfde, als wat Jakob zeide, toen hij zou sterven, niet waar. Meester?
Mr. Ja, Ko! Al die vrome mannen: Abraham, Izaak, Jakob en Jozef zijn gestorven in het vaste vertrouwen, dat hunne nakomelingen geheel Kanaan zouden overwinnen en bezitten.
Omdat Jozef nu vast vertrouwde, dat zijn geslacht weder in Kanaan zou komen, wilde hij zijn lichaam daar ook begraven hebben. Doch hij begeerde niet, dat de broeders het terstond na zijn dood derwaarts zouden brengen. ITet was hem genoeg, als zij slechts beloofden, zorg te dragen, dat zijn lyk medegenomen werd door hen of hunne kinderen, wanneer zij vertrokken. De broeders namen dat aan, en verbonden zich daartoe met een plechtigen eed. Daarop geschiedde het afscheid nemen en zegenen, omtrent zoo als bij het sterven van Jakob, en na dit alles gaf Jozef den geest, zacht, kalm en in vrede.
Jansje. Och, nu is Jozef ook dood, en onze vertelling is uit!
Kaatje. Wel, dat is schielijk! Ik had gehoopt, dat Meester nog wel zes avonden van hem verteld zou hebben.
Gerrit. Maar heeft Meester ook nog iets vergeten? Wij willen gaarne alles hooren.
106
Mr. Neen, kinderen! Ik heb niets overgeslagen, zooveel ik weet. Jozef leefde na Jakobs dood nog vier en vijftig jaar; maar van alles, wat er in dien tijd voorviel, staat heel weinig in den Bijbel. Daarom is mijn verhaal nu spoediger ten einde, dan gij verwachtet. Als gij nog wat ouder zijt, moet gij alles eens nalezen in den Bijbel en zeggen mij dan, of ik iets vergeten heb.
Ko. Maar vertel ons ten minste nog, Meester! of de vrienden van Jozef niet heel bedroefd waren, toen hij gestorven was?
Mr. O ja, de droefheid over het sterven van Jozef was groot en algemeen. De broeders, die hem overleefden, beweenden hem als hunnen liefsten broeder en hunnen besten vriend. Zij dachten nog met veel aandoening aan zijne onverdiende goedheid jegens hen. Al de kinderen vroegen heel treurig naar grootvader of oom, die zoo lief voor hen was, en die hun altijd zoo veel pleizier aandeed. Zij schreiden met hunne ouders over zijn dood. De inwoners van Egypte betreurden ook hunnen weldoener, den braven, menschlievenden, eerlijken regent, die voor hen gezorgd had als een liefhebbend vader, en die nu, sedert tachtig jaar, ten nutte van het gansche land onvermoeid had gearbeid.
Kees. Tachtig jaar! was hij al zoo lang heer van Egypte geweest?
Ko. Wel ja. Kees! hij was immers dertig jaar, toen Farao hem uit de gevangenis liet halen en tot regent aanstellen. Nu, dertig en tachtig maken juist honderd en tien jaar, en zoo oud was Jozef, toen hij stierf.
Mr. Juist, Ko! zoo wilde ik het ook uitgerekend hebben. â Nu heb ik nog maar alleen te vertellen, dat de broeders van Jozef zijn lichaam lieten balsemen, zoo als ook geschied was met het lijk van vader
107
Jakob, en dat men het daarna in eene kist bewaarde.
Truitje. En, toen Jozefs broeders uit Egypte naar Kanailn trokken, namen zij toen zijn lichaam ook mede, zoo als zij beloofd hadden, of vergaten zij dat?
Mr. Jozefs broeders beleefden dat niet, Truitje! want het duurde nog wel twee geheele eeuwen, dat zij in Gosen woonden, zoo als ik gisteren avond zeide. Maar hunne nakomelingen vergaten evenwel niet, het lijk met zich te nemen, zoo als die weer aan hunne vaders beloofd hadden. Toen zij nu eindelijk in het beloofde land kwamen, begroeven zij Jozef niet ver van Sichem.
Nu is onze geschiedenis uit, kinderen! Zeg mij nu eens, Kees! hoe de vertelling van Jozef u bevallen is?
Kees. Allerbest, Meester! ik heb er veel pleizier in gehad, en het heeft mij in het geheel niet verveeld.
Mr. Wel, dat geeft mij blijdschap! Gij verwachttet dat zoo niet. Kees! toen ik het verhaal begon. Weet gij nog wel, waarom gij toen dacht, dat het niet mooi kon wezen ?
Kees. Ja, Meester! omdat het uit den Bijbel was.
Mr. Juist! nu hebt gij dan gehoord, welk eene schoone en leerzame geschiedenis in den Bijbel staat. Zulke zijn daarin nog veel meer te vinden, ja zelfs nog veel gewichtiger verhalen voor u, als gij wat grooter zijt. Dat moet gij onthouden, en dan vlijtig Bijbelsche verhalen lezen.
Kaatje. Ik kan mij nog niet verbeelden, dat Jozef dood is. Gedurig denk ik, dat wij morgen avond weer van hem zullen hooren.
Mr. Ja, kind! zoo gaat het. Wij waren al geheel aan hem gewend. Het is nu voor ons even, alsof bij van avond gestorven was, en hoe lang is hij inderdaad nu reeds dood geweest! Zeker meer dan vijf-en-dertig eeuwen.
Gerrit. Wel schrikkelijk, wat is dat een lange tijd!
Mr. Maar wat denkt gij nu, kinderen! zou Jozef,
108
sedert die duizenden van jaren, geheel weg zijn, zoodat er nergens iets van hem over is, alsof er nooit een Jozef geweest was; en als wij sterven, zouden wij dan ook zoo gansch en al te niet raken, alsof wij nooit geleefd hadden ?
Mietje. Wel, dat zou naar zijn!
Gerrit. Dat gebeurt ook niet, denk ik; Meester heeft im-mers verteld, dat er voor ons nog een beter leven volgt na dit leven.
Kaatje. O ja; daar zal Jozef nu ook wezen!
Mr. Zeker, lieve kinderen! Er volgt een beter leven na den dood. Wij komen in den Hemel, en zijn onbegrijpelijk gelukkig, zonder dat wij ooit weer sterven. Abraham,, die een vriend Gods wordt genoemd, de eerwaardige Izaak, de vrome Jakob en de edele Jozef zijn nu reeds in dat betere leven, om daar altijd te bliiven. En als wij ons ook gedurig toeleggen, om deugdzaam te worden, komen wij altemaal eens bij hen in den Hemel, in dat oord van geluk en zaligheid. Dit geheele leven op aarde is daarbij niet te vergelijken; want het is zeer onzeker, zeer kort en onvolmaakt. Niemand van ons zal zoo oud worden als Jozef, en denkelijk niet half zoo oud als Abraham. Als gij oud wordt, ben ik al lang begraven, en het is nog niet zeker, dat gij allen mij zult overleven. Dit tijdelijk leven is, zoo als vader Jakob zeide, niet anders dan eene reis naar den Hemel. Bidt dan God steeds, dat Hij u genadig zij, u beware tegen kwaad, en u helpe in het goede.
Dan zal het met u allen wel gelukken; dan zullen wij, hoop ik, na dit leven met elkander in den Hemel, bij Jozef en bij alle goede menschen voor altijd gelukkig en dankbaar leven.
S3'
U33
Voorgel). KVrnj.d.,
W-
P^ïeBise
/llil li ;! %
3h v
1
a^eltrol ^ f
1/° f %i
I I S^l'^ O ; V_-^
if M\; .thprquot; -N
-o -. 0i t i P MOABIETEN
liersnba ^*«5 ï \
Vi-
MIDIANIETEN
EüOMIETEN
BE Z.-O. KUSTLANDEN
AAN' DE
MIDDELLANDS CHE ZEE
TEN TIJDE VAN JOSEF.