ocr page 1

/P/gt; /00 - AST?

.

ocr page 2
ocr page 3

fk 100

:---

%

■

V: ,V|

.

V ^

.

r-

'

'

|^iR|

'■■■*■ V,

'T

'

153

ocr page 4

IMTHIMATUR.

Tilburgi, 30 Decembris 1894.

M. F. DE BEER, Sup. Gen. ad hoc delegatus.

ocr page 5

Inveni quem diligit anima mea, tenui eum, nee dimittam.

Ik vond Hem, dien mijne ziel liefheeft, ik hield Hem en zal Hem niet laten heengaan. Cant. III. 4.

vV

Sit?

Alloe kunnen deze tektswoorden. die de juichkreten weergeven eener van vreugde verrukte ziel, van toepassing zijn bij deze zoo treurige plechtigheid. bij den lijkdienst vau dien waardigen Priester, wiens onverwacht afsterven dir Huis, aan welks bloei hij al zijne levenskrachten wijdde, zulk een zwaren slag heeft toegebracht, — wiens heengaan zijne medewerkers en vrienden met zooveel zielewee heeft vervuld, — wiens verscheiden een teeder ininnenden vader, innig liefhebbende broeders en zusters in den diepsten rouw heeft gedompeld ?

Toch, mijne Geliefden, heb ik niet geaarzeld deze vreugde ademende woorden tot inleiding te kiezen, toen mij werd opgedragen, bij de plechtige uitvaart van onzen diepbotreurden Professor en Vriend, den Weleerw. Zeergel. Heer CORNELIS JAN BAPTIST ANSSEMS tot U het woord te voeren. Ik kan mij'den ontslapene niet anders voorstellen dan blijmoedig en verheugd in den Heer. Zóó was hij tijdens zijne gezonde dagen . zóó was hij nog op zijn sterfbed. En zijn diezelfde tekstwoorden tevens merkwaardig, omdat ze hem nog hartverheffenden troost verschaften , toen hij eenige uren voor zijn overlijden ten laatsten male zijn Verlosser onder de gedaante van brood ontving: bovendien vind ik daarin

ocr page 6

_ 4: — «

een beeld van geheel zijn leven. „Inveni, quemdiligit anima mea.quot;

Ja, reeds in zijne jeugd had hij Hem gevonden, den God, dien zijne ziel liefhad, en met zacht geweld voelde hij zich getrokken tot zijne altaren ; — en toen hij de H. Wijding ontving en als offeraar die altaren mocht bestijgen, voorwaar! toen kon hij in vervoering van liefde uitroepen: „Tenui emn: ik heb mij aan Hem verbonden, ik heb mij aan Hem vastgestrengeld en zal Hem iu eeuwigheid mijne liefde blijven toonen: nee dimittum, neen,

nimmer zal ik mij van Hem laten scheiden.quot; — Innige vereeniging met G-od en wel door eene waarlijk priesterlijke liefde, ziedaar,

M. G,, het leven van den dierbaren overledene, ziedaar ook de .■

verklaring van zijn onovertroffen ijver in 't behartigen der taak,

hem hier door God opgedragen. Vergunt mij zoo te zijner waardeering als te onzer stichting n dit in 'tkort aan te toonen.

Geboren in eene gemeente , waar zoowel godsdienstzin als welvaart bloeiden, allerzorgvuldigst opgevoed door ouders, die de deugd van hunne voorvaderen hadden overgeërfd , mocht onze overleden Professor reeds vroegtijdig verklaren: „Inveni qxiem diligit anima mea. Ik iieb Hem gevonden , dien mijne ziel liefheeft.quot; De liefde Gods , in den huiselijken kring door woord en voorbeeld aangekweekt, ontwikkelde zich bij hem reeds krachtig in zijne prille jeugd en stortte zich over in eene dankbare '

ouderliefde. Zij ontving nieuwe krachten door het Brood dei-Engelen, dat de ontslapene bij zijne eerste H. Communie en naderhand zoo dikwijls en met zooveel zielsvoldoening mocht smaken , en werd tevens bevestigd door het onderwijs, in zijne geboorteplaats en in eene naburige stad genoten.

Meer en meer begon nu het verlangen in hem te rijpen, zich dien God, welken hij gevonden had als het eenig waardige voorwerp van al zijne liefde, voor immer toe te wijden in het H. Priesterschap. En toen hij dan den uitdrukkelijken wensch had te kennen gegeven, zich tot het Priesterschap voor re bereiden, aarzelde zijn brave vader geen oogenblik hem te zenden naar dezen kweektuin des Heeren. Tijdens zijne studiejaren vooral werd bewaarheid, wat wij

ocr page 7

- 5 -

op zijn bidprentje lezen: „Sapientia justam dedaxit per vias rectasquot; {!). De ware wijsheid, de vreeze en de liefde Gods, voerde den rechtvaardigen, den deugdzaraen jongeling langs rechte wegen tot Gods altaren. Met al den ijver, dien zijne vaak wankelende gezondheid toeliet, legde hij zich toe op de voorbereidende wetenschappen. En heezeer hij reeds hier woekerde met de groote talenten, hein door God geschonken, blijkt duidelijk uit het feit dat hij in latere jaren nog geheele bladzijden kon weergeven uit de klassieke schrijvers, hem hier ter bestudeering voorgelegd. Daar zijn hart met on weerstaan baren drang tot God getrokken werd, legde hij zich ook in zijne hoogere studiën met zekere voorliefde toe op die wetenschappen, welke hemmeer onmiddellijk tot de kennis brachten van Gods grootheid en goedheid. Zijne vrienden kunnen getuigen, met welk eene graagte hij sprak over de diepzinnigste philosophische en theologische vraagstukken en welke pogingen hij deed, om zich de heilige zaken zoo helder mogelijk voor den geest te stellen. .. Dedit illi scientiam Sancfo-rnm,, (2). Ja , God gaf hem de wetenschap der heilige zaken, eene grondige kennis, eene degelijke godsvrucht, en hiermede toegerust gaf hij zich geheel over aan den God , die hem riep. „Temd eumquot;; ik heb mij aan Hem verbonden, ik bezit Hem, dien mijne ziel liefheeft, zoo mocht hij wel juichen, toen eindelijk de stonde sloeg, waarop God zijn heilig streven bekroonde met de krone des Priesterschaps. O welke zaligheid doorstroomde nu dat reine hart. „Mijn God en mijn alquot; (3), zoo klonk het in zijn binnenste, ..hoe liefelijk zijn moe icoontenten. Mijn hart en mijn vleesch jubelen in den levenden God (4). Nu leef ik, niet meer ik, maar Christus leeft in mij (5). Groote dingen heeft aan mij gedaan die machtig is, en heilig is zijn naam (6). Wat zal ik den Heer loedergeven voor alles wat Hij mij geschonken heeft'' (7). En zijn besluit stond onwrikbaar vast: „Calicem salutaris accipiam (8). Ik zal den kelk des heils nemen, den Heer een dankoffer opdragen, het offer van geheel mijn leven. JS/ec dimittam, neen , ik zal mij

(1) Sap. X, 9, 10. (2) Sap. X, 10. (3) Joan. XX, 28, Col. 111,11. (4)Ps.LXXXIII,2 3. (5) Gal. II, 22. (6) Luc. I, 49. (7) Ps. ('XV, 3. (S) Ps. CXV. 4.

ocr page 8

— 6 —

niet van Hem laten scheiden. Hij blijft mijn erfdeel in eeuwigheid (1). Nee dimittarn : ik zal voor Hem werken, ik zal voor Hem strijden;

alle slagen van mijn hart zijn Hem gewijd en nog mijn laatste ademtocht zal Hem toebehooren.quot;

Geliefde Studenten, ook gij wilt u zei ven aan God toewijden in het H. Priesterschap. Leert dan van uwen overleden Professor reeds nu in uwe jeugdige jaren de liefde Gods krachtig in uw hart te voeden. Smeekt met hem, dat God die liefde volmake,dat zij de drijfveer worde van al uw doen en laten , u afkeere van het kwade, u trekke tot het goede, u, als hem, eerbied inboezeme voor uwe oversten en liefde voor uwe naasten. Toone zich ook de werkdadige kracht dierzelfde liefde Gods in ecu onverdroten studielust, in 't beminnen der wetenschap om God en voor God,

opdat ook gij eenmaal, gelijk hij, waarlijk mannen Gods moogt worden en ten sieraad strekken van de H. Kerk en ons dierbaar Bisdom. i

„Nee dimittarn \ ik zal mij niet van Hem laten afscheidenquot;,

had de waardige Priester verklaard. Heeft hij dit woord gestand gedaan ? Heeft hij in het priesterschap geheel voor zijn Gfod geleefd?—Mij dunkt, waarde Ambtsbroeders en Studenten, dat ik hem van uit den Hemel met de woorden van den H. Paulus ons hoor toespreken: „Fos scitis a prima die qua ingressus sum....,

qualiter vobiscurn per omne tempus fuerim, serviens Domino cum omni humilitate (2).- Gij weet, hoe ik mij van den eersten dag,

dat ik onder u gekomen ben , al den tijd gedragen heb, den Heer dienende met alle ootmoedigheid.quot; Inderdaad wij weten het,

voor zoover menschen het weten kunnen, wij weten hoe nauwgezet hij alle priesterlijke bedieningen en oefeningen verrichtte,

hoe hij als weleer de hoogepriester Simon, Onias' zoon, bij 't bestijgen van 't altaar door ingetogenheid en godsvrucht luister bijzette aan de heilige gewaden : In ascensu altaris sancti gloriam dedit sanctitatis amictum (3), — hoe zijn gebed was als een ,

(1) Ps. LXXIl, 26. (-2) Act. XX, 18. (3) Eccli. L, 12.

ocr page 9

* — 7

lichtend vuur en brandende wierook: quasi ignis effulgens et thus aniens in igne (1), — hoe hij , ten einde nog meer zijne liefde te toonen voor den God der altaren, als lid der broederschap van de Pn'itres Adorateurs elke week een uur in aanbidding voor het Allerheiligste lag neergeknield. — hoe hij, om nog inniger met den armen Jesus verbonden te zijn , zich een getrouw en nederig broeder toonde der derde Orde van den H. Franciscus, — hoe hij eindelijk als elke ware dienaar Gods eene teedere devotie had tot onze onbevlekte Moeder Maria , gelijk nog in 't bijzonder op eene roerende wijze tijdens zijne laatste ziekte is gebleken. Zoo bleef hij met Zijn God verbonden. - Maar hij wist, dat de volmaakte en blijvende liefde tot God ook liefde vordert tot den naaste volgens het woord van den H. Joannes: ..Si diligamus invicern Densin nobis manet et charitas ejus in nobis perfecta est (2). Wanneer wij elkander beminnen, dan blijft God in ons en is zijne liefde in ons volmaakt.quot; Hierom was hij zoo voorkomend, zoo dienstvaardig, zoo oprecht hartelijk voor zijne meerderen en zijne minderen, hierom ook was hij door zijne gulle vroolijkheid de vreugde zijner talrijke vrienden, en vooral de band, de troost, het middelpunt, de lieveling zijner familie. de glorie van zijn thans zoo diep-bedroefden vader, van zijne treurende broeders en zusters. Wisten wij dit reeds vroeger , op zijn sterfbed is het opnieuw gebleken en wel op eene wijze, die ik niet vermag te beschrijven.

Maar . M, G., zeide de H. Joannes ook niet: rIn hoc cog no-scimus, quoniam diligimus natos Dei, cum Detim diligamus et mandata ejus custodiamus (8). Hieraan erkennen wij . dat wij de kinderen van God liefhebben, wanneer wij God liefhebben en zijne geboden onderhouden.quot; Zoo moest dan ook bij hem de liefde Gods. blijkend uit het onderhouden van alles, wat God hem gebood, ten bewijze strekken van zijne liefde tot de kinderen van God , onder welke wij hier toch vooral wel mogen verstaan de kinderen van dit heiligdom, de studenten, wier opleiding hem door God was toevertrouwd. In waarheid, zoo was het. Studenten van dit

(Vi Ibid. 9. (2) I Joan. IV. 12. (3) I Joan. V, 2.

ocr page 10

— 8 —

Seniinarie. gij weet her. maar misschien beseft gij het niet allen ten volle: het hart van uwen betreurden Professor klopte zoo warm voor u. in n beminde hij zijn God. „Nee dimittam,quot; was ook hier zijn woord. 1' wilde hij tot Jesus voeren: uwe opleiding beschouwde hij voor zich als een Apostolaat, gelijk ze ook inderdaad is. Dir verklaart alles opzichtens zijne werkzaamheden onder u. L' wilde hij tot Jesus voeren: daarom was hij zoo uitermate bezorgd voor uwe ware belangen, daarom was hij, toen hij de surveillance uitoefende en ook later steeds zoozeer voor tucht en orde onder u. De orde roch voert tot God: Ordo ducit ad üeum (li. U wilde hij tot Jesus voeren: volgens zijn vermogen medewerken, om u eene degelijke voorbereiding tot het H. Priesterschap te verschaffen. Daarom ijverde hij zoozeer voor de studie, zoo noodzakelijk voor den Priester, vooral in onzen tijd. Daarom gaf hij zich zooveel moeite om uwe kennis te vermeerderen, daarom toonde hij zooveel taal geduld in het nazien uwer oefeningen, daarom schrikte hij nimmer terug zelfs voor den meest weerzin-wekkenden arbeid. Herhaaldelijk heb ik zelf hem hooren zeggen: ja. dit of dat is niet aangenaam, valt niet in mijn smaak, maar ik beschouw het als mijn plicht. Neen, geen ijdelheid kon in zulke zaken in het spel zijn. quot;r Was plichtbesef, uit geene andere bron voortgevloeid dan dan uit zijne vurige liefde tot God. Bij hem gold ook hier de regel: Cathedra non facit sacerdotem sed sacerdos cathedram (2): de leerstoel maakt den priester niet. maar de priester den leerstoel: de priesterlijke deugd , de priesterlijke liefde, de priesterlijke zelfopoffering maakt het ouderwijs vruchtbaar voor God. Hij was dan ook geheel vol van zijne taak. Wanneer het niet zijne leerlingen goed ging — en hoe vaak was dit het gevolg van zijn eigen wijsheid en ijver — dan was hij vol vreugde, dan voelde hij ook behoefte die blijdschap aan ons mede te deelen, hij kon er niet van zwijgen. Ja waarlijk, geliefde Studenten . gelijk de Philippensers dat voor Paulns waren , zoo waart gij zijne vreugde en zijne kroon : Gaudium meum et corona

(1) E.x S. Aug., de Ord. (2) Opus imperf. in Matth., S. Chrys. adscviptum. hom. 4:5.

ocr page 11

mw (1). Gij dan van uwen kant: Sic state in Domino (2); Staat vast in den Heer, toont u zijner waardig, toont u dankbaar door voortdurenden ijver en plichtbesef.

Zoo had dan onze waardige Professor ook tijdens zijn priesterlijk leven en zijn zevenjarigen arbeid onder ons het woord gestand gedaan: nee dimittam: o God, ik zal mij niet van uwe liefde laten scheiden. Met volhardenden ijver had hij zijn God gediend ook in den naaste, ook in quot;t volbrengen der hem opgelegde taak in dit Huis. Hij is dat blijven doen tot zijn laatsten ademtocht. Toen dan de ure des Heeren geslagen was , toen hij, tot de volheid gekomen der jaren van zijn Goddelijken Meester, afgebeuld door eene vreeselijke ziekte zijn naderend einde voorzag en voor de groote reis gesterkt werd door de H. Teerspijze: gaf hij zich geheel over aan den wil van den God, dien zijne ziel liefhad. Wel verklaarde hij zich met den H. Martinus bereid, nog voor Gods volk te blijven werken , indien dit met zijn wil overeenstemde, maar gelaten, ja blijmoedig nam hij ook den dood uit zijne handen aan. Even opgeruimd als altoos was hij nog in zijne laatste uren. Wat zou hij ook vreezen voor Gods oordeelen ? Perfecta charitas foras mittit timorem (3). De volmaakte liefde drijft de vrees buiten. Hoe stichrend is dit alles, M. G., en dat bij een man in de volle kracht zijns levens, met nog zoovele en zoo schoone vooruitzichten op deze aarde. Geve God ons een sterfbed gelijk aan het zijne!

En nu, o waardige Priester, onvergetelijke Medearbeider in Gods heiligdom - ja, wij mogen hot vastelijk vertrouwen -nu ook herhaalt gij voor Gods troon diezelfde woorden : „Invent quem düigit anima mea, tenui earn nee dimittam.quot; Maar nu zijn die woorden een jubellied voor u geworden, een zegekreet als bij de Bruid van het Hooglied , nu rust uwe ziel voor eeuwig aan het Hart van haar Hemelschen Bruidegom. In de ruimste beteekenis hebt gij nu den God gevonden, dien uwe ziel liefheeft,

(1) Phil. IV, 1. (2) ibid. (3) I Joan. IV, 18.

ocr page 12

10 --

gij hebt Hem gevonden als eeuwige belooning voor uw rein en vruchtbaar leven. Nu zijt gij geheel met uw God vereenigd . nu bezit gij Hem ten volle en in de hoogste, onverstoorbare gelukzaligheid kunt gij juichen: „nee dimittam: ik zal Hem niet meer verliezen. Neen, in eeuwigheid blijf ik vereenigd met Hem , dien ik op aarde uit geheel mijn hart beminde.quot;

(.rij dan, o bedrukte Vader en overige hem zoo dierbare Verwanten, richt het oog ten Hemel en troost u. Hij, dien gij bemindet, leeft bij Grod als uw voorspreker ; zijn gebed zal's Hemels zegen over u en de uwen doen nederdalen en eenmaal zult gij hem wederzien om nimmermeer te scheiden.

En gij. Studenten van dit Seminarie, houdt uwen verdienstelijken Professor in dankbare herinnering ; prent zijne lessen diep in uw gemoed, smeekt den Heer, dat zijn geest steeds in dit Huis moge leven en doet van uwen kant daartoe al het mogelijke.

Wij allen eindelijk, M. G., laten wij van den diepbetreurden overledene leeren, blijmoedig als hij onze dagen voor God te besteden en ook voor God ten offer te brengen. Laat zijn leven en zijn onverwacht afsterven ons tevens eene les zijn, altijd bereid te wezen voor de komst des Heeren. Maar laten wij ook niet na, zijne ziel bij God aan te bevelen; het is toch mogelijk, dat zij ten gevolge der menschelijke zwakheid nog iets zou hebben af te boeten. Blijven wij dan onzen dierbaren broeder in onze gebeden gedenken , gelijk hij nog op zijn sterfbed verzocht. Vergeten wij hem nimmer en blijve zijne nagedachtenis vooral in dit Huis steeds in zegening. Amen.

R. I. P.

AANTEEKENINGEN.

De Weleenv. Zeergel. Heer C. J. B. AX3SEMS, geboren te Goirle 14 Juli 1861, ontving de H. Priesterwijding 19 Juni ISSü, werd aangesteld tot Vice-Pra-f. Discipl. aan het Seminarie te St. Michiels-Gestel 11 Febr. 1SS7, vervolgens tot Professor, laatstelijk van de klasse der Syntaxis.

Na eene kortstondige ziekte overleed hy in voornoemd Seminarie 17 November 1894.

ocr page 13

In Memoriam.

O Leeraar, nooit vermoeid! in 't midden uwer dagen Ontvalt ge aan 't kindrental, uw zorgen toevertrouwd. Wat breede schare ook om uw vroeg verscheiden rouwt, Uw oog ontvloot geen traan , uw hart geen hitter klagen.

Gij hadt de taak volbracht, door God u opgedragen, Op 's Heeren vruchtbaar veld een gouden oogst aanschouwd; Nu mocht gij Hem , op wien uw hope was gebouwd, Hemzelf, uw liefde, als loon voor 't moeizaam zwoegen vragen.

Dit loon snelt gij te moet in 's Hemels zaalgen trans En juicht: „Hem, dien mijn ziel bemint, heb ik gevonden. Met Hem blijf ik vereend, in Hem geheel verslonden.quot;

Gezaligd Vriend , gedenk uit Sions glorieglans Uw dierbren hier beneen, en moge uw voorbee geven . Dat steeds in Beekvliets gaard uw liefde en ijver leven.

ocr page 14
ocr page 15
ocr page 16
ocr page 17
ocr page 18