ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

HET VARKEN.

Wetenswaardigheden in bevattelijken vorm over het fokken en mesten.

. . DD0R 'V-quot;'quot; quot;

A. A. TER HAAR,

Zeeraar aan de 'Ö^ijks-'VJ'interlandhouwschool te ^oes.

A. W. VAN ME GEN.

18^.

ocr page 4
ocr page 5

Wi

{!

Öpgfcfcy-;

Het Varken.

is

WM

mm

Ü

m$

lt;L

Wm-

WETENSWAARDIGHEDEN

i#

■■

in bevatte lij ken vorm ovgp het fokken ep. mesten

DOOK

m

y)

,fQ0.^y

sh:

mi ÏM

y0'

Wk I

A. A. TER HAAR,

Leeraar aan de Rijks-Winterlandbouwschool te Qc

AMSTERDAM.

A. \V. VAN MEG EX, 1898.

wêÊÈ. ■

'ê§ _

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2135 2566

ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8
ocr page 9

I. Afstamming van het varken. Varkensrassen.

lu ulic wi'ivlilccli'ii, iiituczdiidcrd Amerika, trcfl uien wilde zwijnen aan. Ttisschen de wilde zwijnen in de vcrscliilleiule werelddindcn is tamelijk veel verschil : vandaar, dat men ze nok tot verseli i I lende yeslaeliten lirenj»'!. Het is hier niet de j)lauts die verseliillende e'eslaehten nitvnerie' te hespreken. .Met het (i]gt; de afstamming zijn slechts twee geslachten van wilde zwijnen voor ons van heteekenis. Allereerst komt in aanmerking het wilde zwijn, dat nu nog in vele landen van Kuropa in wouden, moerassen en bergstreken wordt aangetroffen. Dergelijke wilde zwijnen komen nog wel eens over onze grenzen.

\ an hij n a evenveel heteekenis voor de afstam mi ng van de tamme varkens is het Indische wilde zwijn, v -irvan twee vormen hestaan, nl. het ('hineesche zwijn im ivorte en het laiian-sche zwijn met groote eoren. Alle wilde zwijnen zijn allesetendc dieren, d. w. z. zij voeden zich zoowel ... i dieren als met planten, vniehten en zaden.

()nz('nuil-Aederlandsclie varkens kunnen heschouwd worden als rechtstT'eeksclie afstamnudingen van hel thans nog in Kn-ropa levende wilde zwijn, /ij kenmerken zicli door lange en iireede ooren, die tot over de oogen hangen, door een vrij langen hals en een karperrug. Ze zijn hoog op de heenen en vlakribhig. lt;'p den rug dragen zij een kam van lange, dikke borstels en aan de onderkaak dikwijls twee vleesch lellet jes, /ij komen waarschijnlijk niet onverbasterd meer voor. Dikwijls bereiken

ocr page 10

II

varkens van dit slan' lenytc van 'J Meter, een hoogte van I Meter en een gewicht van meer dan MK) Kilo. liet mul-Xederlandseh varken w ierp meestal veel liiggen, maar het was niet vroegrijj) en ontwikkelde gt;:ieli langzaam.

Isvenals in ons land, had men ook in Kngeland oorspronkelijk een varken, dat van het wilde /.wijn afstamde en in hoofdzaak mei het oud-Xederlandsehe overeenkwam, liet hezat dns tal van minder gewensehle eigenschappen, vooral in een tijd, waarin men het hedrijfskapitaal zoo dikwijls moge Hik moest trachten om te zetten. Daarom hegonnen de l'lngelseln'ii niini 100 jaren geleden hun inland-eh varken te verheteren door het te kruisen met varkens uit Zuidelijk l'jnropa, maar vooral door kruising niet het ('hineesche zwijn.

Het ('hineesche zwijn hezit een korten, doch hreeden kop, een steil voorhoofd niet een ingedeukten neus, kleine, sti'ile ooren en goedhevleesde kaken. De hals is kort en, evenaLi»de nek, dik en vleezig. Het lichaam is Injna tonrond: de hreede rug vormt niet de hreede schoft en hi't breede kruis een rechte lijn. De korte pootjes bezitten vleezige schenkids. Het (quot;hineesche zwijn wordt ruim I M. lang. ruim ,,, M. hoog en niet zwaarder dan 1 quot;Jó Kilo. Hovendien is het ('hineesche zwijn rustig en traag, twee gewenschte eigenschappen voor een mestdier. Het ('hineesche zwijn werpt in den regel echter weinig biggen, terwijl zijn vleesch en spek niet aangenaam smaken en aan spoedig hederf onderhevig zijn.

(gt;aan we nu na. dat het ond-KngeNch varken, wat lichaanis-houw, vruchtbaarheid en vroegrijpheid betreft, in vele opzichten lijnrecht tegenover het ('hineesche varken staat, dan vei-wonderen wi] ons niet. dal de Kngelschen er toe kwamen hun inlandsch varken met het ('hineesche varken te kruisen. Zij trachtten on die manier de grootere vrnchtbaarheid. de meer-

ocr page 11

(Ipiv grootte en liet wccistaiKlsvciiiKi^cn tffivn koudi' en sciclil van luin inliiiiilscli varken te vcrcciii^cn met de vrocgrijplu-id, den Ix'tcrcn licluiunisviinu, de traiif^hcid en het fijne bccndcr-gfstcl van het ('hinccsclu' varken. Imi de iMigelschen liehhen Imn doel bereikt. Ziki xijn in iMigeland tal van inkrassen ontstaan. die wel in onderdeelen van elkaar verschillen, maar in hoofdzaken met elkander overeenkomen. Hij het inlandsehe zwijn hedroeg de lengte van den kop, (van de oogen tot den rand van den snuit genieten) wel van de liehtiamsleiigle; hij de iMigelsche fokrassen hedraagt die afstand slechts ruim de helft. De dieren van alle Kngel-ehe rassen liehheu een korten hals, een lireeden, tonvorinigen romp, een rechten rug, fijne heenderen en korte ])ootjes met veel vleescli. De huid is dun en schraal behaard. J)eze dieren groeien snel en worden gemakkelijk vet.

De Kngelsche fokrassen worden onderscheiden in kleine, lUfuoTK en MlDDKUiKooTK rassen.

De kleine rassen zijn voor lt;ins van minder belang. Tot de yroote Kngelsche rassen behoort n. a. het in ons land reeds lang ingevoerde (UiooT Youksii iiiK-VAl{l\i;N. Alle groote Kngelsche varkens zijn wit van kleur; hun kop en ooren zijn langer dan die van de kleine rassen. De groote Kugelscbe varkens bevatten meer bloed van het ond-Kngelsehe en minder bloed van hel Indische zwijn dan de kleine Kngelsche rassen.

Middelgroote■ Kngelsche varkens zijn o. a. het Hkukshikk-zwijn. dat zwart is met gele of rossige vlekken en strepen, het Vouksiiikk- en het Taiiwoutm-vauki'.n. Dit laatste heeft een minder gedrongen hop. is minder gevoelig voor weer en wind en vruchtbaarder dan de andere Kngelsche rasvarkens.

Hehalve de genoemde Kngelsche varkens is voor ons nog van belang het vroeger lioog geroenule Poland-Chiw-vakkkn. liet

ocr page 12

s

is ill Amerika gefokt en bevat waarschijnlijk Woed van het klei Ionische, van het Berkshire- en van het ('hineesehe varken

II. Welk fokras of welke kruising verdient de meeste aanbeveling ?

I. Ilel grool Voi'lisliiro-varken.

Van alle Knjrelsehe fok rassen is bet groot ï.n ksliire-varken steeds het meest geroemd. Toch kan men heter aan dit dan aan eeniJA' ander iMigclsch varken zien, dat het bloed van 't ond-Lnnebeh \aiken in de aderen heeft, liet levert een welsmakend \leegt;ch, \ast spek eu veel reuzel, liet vreet veel, en toch wordt het niet zoo licht te vet als de dieren der kleinere rassen. Het slacht ciiiiu'al en is hij uitnemendheid een varken voor eigen gebruik, dus voor den hoer en den arheider.

2. ilrt middoKoorl Vorli*liirlt;k-vark(»ii.

Dit varken verraadt in zijn voorkomen zijn afstainming van het (Uid-Kngdseh varken niet. Het licbaam is kort, de hals vol en kol t, de borst hreed en /.tut die]), dat zij tiisschen de voorbeenen zichthaar is. |),. s(diouders zijn zeer ontwikkeld, evenals het kruis en de lendenen. De beenen zijn sterk en de korstkas is ruim, zoodat het een varken is, viijgu-d geschikt om in weiden .-n boomgaarden rond te loopen. De dijen (hammen) zijn dikker en meer naar achteren afgerond dan die van het groot Yorkshire-zwijn. Het is ook vroeger rij]), laat zich heter mesten en heeft naar verhouding meer vleeseh en minder spek dan zijn grootere ; hel liuitstc is ccii cisch \;iii (nizon

Lt'M'i t hot Li'mot \ orkslnj'o-vaikoii hi^cn dio. volwassiMi,

ocr page 13

O

meestal in grootte voor hun nurlers onrlerdoen, met het middelsoort Yorkshir,.-varken is dit niet liet geval. Tiet laatste scliijnt dus een meer standvastiij-ras te zijn dan het eerste, liet middelsoort Yorkshire is tamelijk groot en sterk eu voedt zijn jongen, waarvan er weinig sterven, goed op. (),,k bereikt het spoedig het door export-slachterijen verlangde gewicht van T'i a 100 Kd.

:t. Hel Itoihsliir,-varken.

Dit varken groeit smd, is vroegrijp, kan hetndvkelijk goed tegen de weérsinvloeden en is zeer goedaardig en vruchthaar Het gewicht, schoon aan den haak, hedraugt soms wed il() procent van het levend gewicht ; het slacht dns weinig af. liet is mede een uitstekend dier voor die streken, waar de varkens veel luiiten loop,quot;o. In de meeste gevallen is liet linMilelgroot Herk-shiri1-varken geheid zwart. Als te,dlt;eneii van e(hlheid gelden de vier witte voeten, eenig wit in het aangezicht en een witte staartpunt. De romp is langen diep, vol en rond. de kop is middelmatig groot, de neus slechts weinig ingehogeii. de ooren zijn klein en steil en staan naar voren gericht,

•lainnier, dat het Herkshire-varken zwart van kleur en te vet is, vooral op den rug. Ook levert het geen zeer vast spek. iets wal toch een vereis,dite is voor varkens, waarvan men som-mige deelen wil zouten en rooken.

I. Hel TaiilMoi'IIi-ViirKen.

IFeewel sedert lang hekend, lies(diouwt men dit varken toch slechts sedert hetrek kei ijk korten tijd als tol een zelfstandig ras te hehooren. Het Tam worth-varken heeft een gvst rekten, tamelijk hreeden rug, vrij goed gewelfde rihhen, een niithhdnia-tig langen kop met breed voorhoofd en vrij sterke l.eenen, die langer zijn dan van de Yorkshire- en liorkshire-varkens. Het

ocr page 14

n

vaikons van dit slnu1 ecu leiiyit1 van 'J oen hoog'te van

1 Meter en een gewicht van meer dun 400 Kiln, liet mid-Xederlandseli varkeu wierp meestal veel biggen, maar liet was niet vroegriji) en ontwikkelde zich langzuam.

l'lveuals in ons land, liud men ook in Engeland oorspronkelijk een varken, dut vun het wilde zwijn afstauide en in hoofdzaak met het oud-Xcdeilandsche overeenkwum. liet hezut dus tal vun minder gewciischte eigenscluippeu, voorul in een tijd, Avaar-iu inen het hedrijt'skupitual zoo dikwijls mogelijk moest trachten om ti1 zetten. Daarom hegonnen di» Mngelschen ruim 100 jaren geleden hun inlandsch varken tigt; verbeteren door het te kruisen met varkens uit Zuidelijk Europa, maar vooral door kruising met het Chinecsche zwijn.

Het Chineesche zwijn bezit een korten, doch hreeden kop, een steil voorhoofd met een ingedenkten uens, kleine, steile ooreu en goedbevleesde kaken. De hals is kort en, evenaLi»de nek, dik en vleezig. Het lichaam is hijna tonrond; de breede rug vormt met de breede schoft i'U het breede kruis een rechte lijn. De korte pootjes bezitten vleezige schenkels. Het Chineesche zwijn wordt ruim 1 M. lang, ruim M. hoog en niet zwaarder dan i'JÖ Kilo. Hovendieu is het ('hineesche zwijn rustig en traag, twee gewenschte eigenschappen voor een nu'stdier. Het Chineesche zwijn werpt in den regel echter weinig biggen, terwijl zijn vleesch en spek niet aangenaam sniakeu en aan spoedig bederf onderhevig zijn.

Caan we nu na. dat het oud-Eugelsch varken, wat lichaams-houw, vruchtbaarheid en vroegrijjiheid lietreft, in vele opzichten lijnrecht tegenover het Chineesche varken staat, dan verwonderen wij ons niet, dat de Engelschen ertoe kwamen hun inlandsch varken met het Chineesche varken te kruisen. Zij trachtten op die manier de grootere vruchtbaarheid, de meer-

ocr page 15

i

deri' grootte on liet weor.staiHlsveimogeu tugcu koude en voclit i»

van luin inlandscli varken te vereenigen met de vroegrijpheid, den beleren licliaamsvorm, de traagheid en het fijne beender-gestel van het Chineesche varken. Kn de Engelsehen hebben luin doel bereikt. Zoo zijn in Engeland tal van fokrassen ontstaan, die wel in onderdeelen van elkaar verschillen, maar in hoofdzaken met elkander overeenkomen. Hij het inlandsehe zwijn bedroeg de lengte van den kop, (van de oogen tot den rand van den snuit gemeten) wel van de lichaamslengte ; bij de Kngelsehe fokrassen bedraagt die afstand slechts ruim de helft. De dieren van alle Kngelsehe rassen hebben een korten hals, een breeden, tonvormigen romp, een rechten rug, fijne beenderen en korte pootjes met veel vleesch. De huid is dun en schraal behaard. Deze dieren groeien snel en worden gemakkelijk vet.

De Kngelsehe fokrassen worden onderscheiden in kleine, (iKooiT, en middelgrootk rassen.

De kleine rassen zijn voor ons van minder belang. Tot de groote Kngelsehe rassen behoort o. a. het in ons land reeds lang ingevoerde ouoox Yokksiiii;k-yai!kkx. Alle groote Kngelsehe varkens zijn wit van kleur: hun kop en ooren zijn langer dan die van de kleine rassen. De groote Kngelsehe varkens bevatten meer bloed van het oud-Kngelsehe en minder bloed van hel Indische zwijn dan de kleine Kngelsehe rassen.

Middelgroote.Kngelsehe varkens zijn o. a. het Hf.hksiiire-zavijx, dat zwart is met gele of rossige vlekken en strepen, het VoKKsiniïE- lt;'u het Tamavoutii-vakkkn. Dit laatste heeft een minder gedrongen kop, is minder gevoelig voor we ér en wind en vruchtbaarder dan de andere Kngelsehe rasvarkens.

Hebalve de genoemde Kngelsehe varkens is voor ons nog van belang het vroeger hoog geroemde PoLAXD-CllIXA-vakken. Het

ocr page 16

8

is in Amerika gefokt en bevat waarscliijnlijk bloed van het kleine Poolsclie, van liet Berkshire- en van bet Chi.nee.sclie varken.

II. Welk fokras of welke kruising verdient de meeste aanbeveling ?

I. II«'I ui...... VorliMliire-vsirkcii.

^ an alle Engelsobé fokrassen is bet groot Yorksbii e-varken steeds bet meest geroemd. Toch kan men beter aan dit dan aan eenig ander llmgelsch varken zien, dat bet bloed van 't oud-Lngelsch \ aiken inde aderen beeft. Het levei't eiMi welsmakend \leesrb, vast spek en veel reuzel. Het vreet veel, en toch wordt bet niet zoo licht te vet als de dieren der kleinere rassen. Het slacht weinig af en is bij nitnemendheid een varken voor eigen gebruik, dus voor den boer en den arbeider.

'*• Hol middcKoorl Vorltshire-v:ii-Kcii.

Hit varken verraadt in zijn voorkomen zijn afstamming van bet ond-Engelscb varken niet. Het lichaam is kort, de hals vol en kort, de borst breed en zóu diep, dat zij tnsschen de voorbeeneu zichtbaar is. De sclnrnders zijn zeer ontwikkeld, evenals bet kruis en de lendenen. De beenen zijn sterk en de korstkas is ruim. zoodat het een varken is, vrijgoed geschikt om in weiden on boomgaarden rond te Inopeu. De dijen (hammen) zijn dikker en meer naar achteren afgerond dan die van bet groot Yorksbirc-zwijn. Het is ook vroeger rijp, laat zicli beter mesten en heeft naar verhouding meer vleesch en minder spek dan zijn grootere naamgenoot: bet laatste is een eisch van onzen tijd.

XiC\ert het groot Y orksliire-varken biggen die, volwassen.

ocr page 17

9

meestal in grootte voor hun ouders onderdoen, met liet middelsoort Yoi'kshire-varken is dit niet hot geval. Het laatste schijnt dus oen moor standvastig ras te zijn dan het eerste. Hot middelsoort Yorkshire is tamelijk groot en sterk en voedt zijn jongen, waarvan er weinig sterven, goed op. Ook bereikt het spoedig het door export-slaohtorijou verlangde gewicht van 75 a 100 K(i.

Il«'l middelgroot IttM-Usliiio-vailu-n.

Dit varken groeit snol, is vroogrijp, kan betrok kol ijk goed tegen de weêrsinvloeden en is zeer goedaardig en vruchtbaar Het gewicht, schoon aan don haak, bedraagt soms w(d !)() procent van het lovend gewicht; het slacht dns weinig at. Het is mede een uitstekend dier voor die stroken, waar do varkens voel buiten loo]ioii. In de meeste gevallen is hot middelgroot Herk-shiro-varken geheel zwart. Als tookonen van echtheid golden do vier witte voeten, oenig wit in hot aangezicht en oen witte staartpunt. Do romp is lang en diep, vol en rond, de kop is middelmatig groot, do neus slechts weinig ingebogen, do ooren zijn klein en steil en staan naar voren gericht.

Jammer, dat liet Horkshire-varken zwart van klem en te vet is. vooral op don rug. ()ok levert het geen zoor vast spek, iets wat toch een vereischte is voor varkens, waarvan men sommige doelen wil zouten en rooken.

I. Hol TaiiMvorlh-viirkcii.

Hoewel sedert lang bekend, hoschonwt men dit varken (och slechts sedert betrekkelijk korten tijd als tot een zelfstandig ras te bohooren. Het Tamworth-varken hoeft een gestrekten. tamelijk bretMlon rug, vrij goed gewolfde ribben, oen middelmatig langen kop met broed voorhoofd en vrij sterke boenen, die langei zijn dan van de \ orkshire- en IhM'kshire-varkens, Het

ocr page 18

10

haar is fijn, dorli diclit. Hi't Tauiwortli-varkoii wci pt verl gen en wanneer men liet met andere varkens kruist, gaat deze eigen sella]) op de jongen over. Het laat zich goed niesten en levert veel mager vleeseli. Het is beter dan eenig ander En-gelsch fokras tegen ons dikwijls gunr klimaat bestand. De kleur is rossig of geel.

5. IIi'l Polsnid-Cliiiia-vai'keii.

Dit varken van Anierikaanseli fokras is zwart van kleur met geelachtige teekeningen oj) de zijden, den hals, den kop en de voeten.

Het is dicht bezet met glanzend haar, dat up den rug een kam van borstels vormt en op de zijden en den hals een weinig krult. Di' kop is wigvormig, de schenkels zijn tot aan de hakken zeer vleeziy, de borst is breed en ruim. Het Poland-China-varken n.

Jr1'

verder sterk, goedaardig en vrij vruchtbaar. l)e kwaliteit vau vleesch en spek laten te wenschen over. ()ver t algemeen is dit varken te kort en heeft het te veel spek op schouders, ribben en hammen.

Men kan fokkkx in zuivku uloed, men kan famimktekli drijven en men kan kiuisen.

Men fokt i.n zi ivek ulokd, als men een beer en een zeug vau hetzelfde ras gebruikt. Hierbij moet op goeden lichaamsvorm, gezondheid en goede afstamming gelet worden. De dieren, die te veel van de stamdieren afwijken, moeten niet voor de fokkerij gebruikt worden, terwijl nu en dan bloedverversching moet plaats hebben door den invoer van nieuwe, van elders aan-irevoerde beeren of zeugen. l$!j voorkeur moet men beeren nemen, omdat die in denzelfden tijd meer nakomelingen leveren dan zeugen.

J)e FAMimktkklt komt geheel met de teelt in zuiver blued

ocr page 19

11

overeen, maar men fokt met dieren, die betrekkelijk nauw aan elkander verwant zijn. Hoewel men met deze teelt hier en daar goede uitkomsten heeft verkregen, kan zij toch niet worden aanbevolen, omdat op den duur de schadelijke gevolgen, zooals zwak- en weekheid en onvruchtbaarheid, niet uitblijven.

Wanneer men kiu isr, gebruikt men bij de paring varkens van vkkschillen])k rassen. Men heeft dan het doel de goede eigenschappen van twee rassen in de daaruit geboren dieren te vereenigen, een bestaand ras te verbeteren of een nieuw ras te vormen, dat voor een bepaalde streek geschikt is. Daar men hij kruising steeds gevaar heeft voor terugslag, moet nu en dan bloedverversching plaats' hebben, evenals bij de teelt in zuiver bloed.

We hebben boven 5 fokrassen genoemd. Moeten wij nu dieren van een of meer dier rassen invoeren en daarmede doorfokken of moeten wij onze varkens met sommige Engelsche of Amerikaansche fokrassen verbeteren ?

De Engelsche fokrassen, die door goede kwaliteit van vleesch eu spek uitmunten, zijn over 't algemeen voor ons afwisselend klimaat nog wat te week. Willen wij ze gebruiken, dan moeten wij er mede kruisen om nakomelingen te krijgen, die voldoende tegen de weersinvloeden bestand zijn. De minder weeke Engelse he rassen zijn weer te grof. Het middelgroot Berkshire-zwijn en het Poland-China-varken hebben de zwarte kleur en hun te grooten aanleg voor vetvorming tegen. Het laatste is ook eigen aan vele onzer inlaudsche varkens, zoodat een kruising met deze Engelsche fokrassen niet is aan te bevelen. In den laatsten tijd treedt het Berkshire-varken dan ook meer en meer op den achtergrond. Bij het Poland-China-zwijn zijn de schouders en hammen te vet: het heeft dan ook in ons land vrij wel afgedaan.

ocr page 20

12

Waar het dieren voor eigen gebruik betreft, bevelen quot;«•ij een kruising met liet groot Yorkshire-varken aan. Vooral de arbeider, die maar éénmaal per jaar een varken slacht en dus niet /oo'n haast heeft als hij, ilie voor slachters eu export-slachterijen mest, heeft aan een kruising van het groot Yorkshire-varken met het inlandsch varken het meest.

De kruisingsproducten (jongen) worden zeer groot, vooral indien de gebruikte iulaudsche dieren groot zijn, maar zij groeien niet zoo snel als de fokkers op tentoonstellingen ons willen doen gelooven, terwijl de biggen zeer klein ter wereld komen. Ook de hooggeroemde rustigheid dezer dieren is sterk overdreven. Waar slechts één varken gehouden wordt, werkt de/e eigenschap weinig ten kwade en dat het niet zeer snel irroeit, is geen hezwaar. omdat arbeider en kleine boer toch geen voeder van eigen verbouw hebben dan na den rogge- eu den aard-ai; eloogst.

Noorden handel houden wij meer van kruising van het middelgroot N orkshire- met het inlandsch varken, omdat het laatste sneller groeit, nog minder vet is, en zich beter laat mesten dan het groot Yorkshire-v;irken. Ook heeft men bij de kruiling minder van terugslag te vreezen, omdat het middelsoort Vork-shire-varken een zeer standvastig ras is.

Ook is er veel voor te zeggen om de kruisings-producten van middeboort Yorkshire- en iulaudsche varkens nogmaals te kruisen met het Tamworth-zwijn, teneinde de vruchtbaarheid te bevorderen, vooral ook, omdat het een sterk dier is met veel mager vleesch.

(lok kruisingen van middelsoort Yorkshire en Tamworth verdienen voor spekslagerijen, waar het vooral om mager varkens-vleesch te doen is, alle aanbeveling.

Men wachte zich echter voor fokken in bloedverwantschap.

ocr page 21

13

Men hrenge voor bloodverversohing- 1 iij do nakomolingon honr-telings ouvorwuuto volbloeddieren van do vcrscliiHondo l»:j do kruising gobruikto russon. In dit goval dns niot steods en kol \ orkshiro- of Tamwortli-varkons, maar ook ()|) zijn l)ourt een inlandsoli varken, om to voorkomen, dat do nakomelingen weer TK VKKL Lloed van één dier rassen krijgen.

Om goede varkens te krijgen fokke men derhalve:

a. Tot eigen gebruik voor

boeren arbeider: inlandsoli x groot Yorksliire.

ink x groot Yorkshire x Ïamworth. 1). Voorden handel: inlandsch x middelsoort Yorkshire.

inlandsoli x middelsoort Yorkshire x Tamworth. middelsoort Yorkshire x Tamworth. het kiuison kioze men vooral met zorg het inlandsehe tokdior. Mon neme steeds oen varkon, dat, wat zijn lichaams-Ixmw en grootte betreft, zooveel mogelijk mot het vreemde ras overeenkomt.

De v e r s o h i 11 o n d e nitkomsten met de kruising, vooral van \ orkshiro-varkens, verkregen, zijn oen gevolg geweest va^ de verschillen tussehen de gebruikte inlandsehe fokdieron. Wel komen deze niot onverbasterd moor voor, maar toeh kioze men die, welke in gedaante enz. het oiul-Xederlandsehe varken zooveel mogelijk nabij komen. Zit er reeds vreemd bloed hijv. Herkshire- of l'oland-Cbina-bloed in, dan heeft men nou'landen

O ~

tijd „terugslagquot; te vreezen.

ocr page 22

14

III. Keuze van den beer. Zijn verpleging. Het snijden of eastreeren.

AVio cou hoor wil aanschaffon of wio oou zeug (l(H)r dou boor vau ooit auder wil laton dokken, lunulo rekening met de Al-,-sTAiim in(i, don Liciiaamsboi'\v en don oudekdom van liet inaii-nolijk dier.

Een l eer van bekende, goede afstamming biedt waarborg m. dat bij zijn goede eigenscbappen op zijn nakomelingen zal vererven. Is do beer si.kchts toevallig een mooi dier, dan zullen in lt;le meeste gevallen zijn nakomelingen, voor zoover zij niet op de moedor gelijken, meer mot de minder goede voorouders van den beer dan met den mooien beer zelf overeenkomen (terugslag).

Wat den liobaamsbouw van den beer betreft, oisobo men bij de Kngelsebe fokrassen oen kleinen kop mot ingebogen voorhoofd, zonder dat de kop op dien van oen mops gelijkt. Ken ie kort on te veel ingedrukt voorhoofd en oen te sterk naar boven en achter gokromden neus wijzen op te ver gedreven voredeling, waarmede verfijning en zwakheid gepaard gaan. Do hals moet kort en dik wezen, de rug moet lang en brood en overvloedig behaard zijn en één rechte lijn vormen met de schoft en het kruis. De achtorhand verlange men diep en brood. J)e borst moet diep en ruim zijn, doch do buik niet. Mot een langen rug en een oudiopen huik gaan lange, niet hroede zijden gepaard. Is do huik diep, dan moet do slachter, de export-slachter althans, te veel van de zijden afsnijden om zo don gewonschten vorm te geven. Hot afgosnedono hoeft minder handelswaarde en hiermede zal de export-slachter hij het koopen dor varkens

ocr page 23

15

rekeningquot; honden, zoodat een varken met een diepen Imik per kilo minder opbrengt dan een met omliepen Inuk.

Een dunne, zachte hnid met tamelijk dichte heliaring van niet te stijve borstels is een aanbeveling.

Verder verlange men korte, doch niet te dunne pooten met vleezige schenkels of dijen, een goed gebit, heldere, levendige ongeil en een goed ontwikkelden snuit. Heeren van vroegrijjie rassen mogen op den leeftijd van (.) maanden voor de fokkerij gebruikt worden. lt; )|) den leeftijd van ló maanden tot 2^ jaar zijn ze het vruchtbaarst. Wordt de beer te vroeg voor de voortplanting gebruikt, dan schaadt dit aan zijn ontwikkeling en brengt hij zijn goede eigenschappen niet of onvolkomen op de biggen over. Kn toch worden in ons vaderland veelal beeren voor de teelt gebruikt, als zij ■) a •gt; maanden oud zijn. Hok schaadt het aan de vruchtbaarheid, als men meer dan 80 a KIquot; zeugen per jaar en meer dan twee zeugen per dag door denzelfden beer laat dekken.

Zij. die een beer van eigen teelt willen uitzoeken, moeten ook nog rekening houden (wie een beer van elders ontbiedt of den beer van een ander gebruikt, kan dit niet) met het temi'KKA-ment en de i itkomstkn, dik hij mkt dk vokdkuinc; vax dkn liKKi; vkifki!kku. De beer moet levendig en toch niet kwaadaardig zijn. Ken trage beer vertoont dikwijls weinig geslachtsdrift, terwijl men van een kwaadaardigen beer dikwijls kwaadaardige nakomelingen krijgt.

Men geve den beer een ruim hok en zorge, dat hij ook in de buitenlucht kan komen. Kan hij vrij in een afgesloten weide rondloopen en nu en dan in quot;t water gaan, des te beter; het is bevorderlijk aan zijn gezondheid. Het is een dwaling, dat een beer liet wel kan doen met een klein, donker hokje eu dat hij

ocr page 24

16

liet wol met 't slechtste voeder kan stellen. Alen yeve liem voe-der van goede kwaliteit, docli niet le veel, opdat hij niet te vet worde.

()ok mishandele men hem niet: zijn verzorger moet hem met zachtheid behandelen, opdat het dier handelbaar zij, als er diensten van hem verlangd worden.

Kan de beer niet nn eu dan te water gaan, dan moet men hem van tijd tot tijd met helder water afborstelen en daarna afspoelen. Al spoedig zal men merken, dat het dier die behandeling aangenaam vindt.

Het hok moet steeds rein gebonden en dagelijks geheel of gedeeltelijk van versch stroo of turfstrooisel voorzien worden.

Mannelijke biggen, die niet voor de fokkerij worden aangebonden, moeten op den leeftijd van ongeveer 4 weken worden gesneden of gecastreerd. Men legt de big op haar rng, neemt ze tusschen de knieën en maakt met een scherp mes een overlang-sche snede in den balzak, drukt de ballen één voor één naar buiten en draait of snijdt ze af. 15ij een ouderen beer, die natuurlijk niet tusschen de knieën genomen, doch neergelegd wordt, maakt men ter w e e r s z ij d e n een insnijding in den balzak. Door elke opening wordt dan één bal naar buiten gedrukt. In dit geval is het, ter voorkoniinigt;' van heviü'e bloedinquot;'

^ ~ O !gt; ^

goed de zaadstrengen vóór bet wegnemen der ballen eenige malen om te draaien. Zijn de ballen verwijderd, dan wordt het uitvloeiende bloed met zuiver water weggewasschen, waarna men wat raap-, liever olijfolie op de wonde giet. liet verdient aanbeveling eenige dagen lang nu en dan de geslachtsdeelen met koud water te bevochtigen. Wil men een volwassen, igt;v-

0 O

sneden beer mesten, dan moet men hem, met het oog op den reuk en den smaak van zijn vleesch en spek, eerst betrekkelijk mager laten worden.

ocr page 25

17

Hot snijden van vrouwelijke dieren, met andere woorden hel wegnemen van den eierstok, moet steeds door deskundigen ««■esrdiieden.

IV. Keuze der zeug.

Allereerst komen ook hierbij de afstamming en de lichaamsbouw in aanmerking.

Sommigen meenen ten onrechte, dat de kinderen in lichaams-' bouw meer op den vader, docli wat de innerlijke eigenschappen betreft, meer op de moeder gelijken. Vandaar, dat zij het met de keuze van den beer ernstiger opnemen dan met de keuze der zeug. l)it is verkeerd: de beer en de zeug moeten in het goede zooveel mogelijk met elkaar overeenkomen. De romp der zeug moet lang en van boven breed zijn. Alle pooten moeten vierkant en de achterpooten vooral moeten ruim onder het lichaam staan. Het laatste wijst op een flinke ontwikkeling van die organen, welke bij de dracht en bet jongen een rol spelen. De kop moet niet zwaar zijn met weeken snuit, de hals tamelijk lang, de borst diep en ruim, de buik ondiep. Verder moet do zeug' minstens 12 tepels hebben : een groot getal tepels wijst veelal op groote vruchtbaarheid.

De zeug worde niet tot den beer toegelaten vóór zij !) maanden oud is; in ons land worden de meeste zeugen te vroeg gedekt. Meestal is het vrouwelijk varkeu het vruchtbaarst, als het voor den tweeden en derden keer werpt. Het is niet aan te bevelen de zeug ouder dan vier jaren te laten worden, want op dien leeftijd wordt zij meestal te log en te vet en laat de kwaliteit van haar vleesch en spek veel te wenschen over.

9

ocr page 26

18

beste zoug'on voor de fel-'kovij vindt 111011 onder de big'g'en van den tweeden i'ii derden worp en dau nooiuI oudei een toom, die in quot;t voorjaar g-eboren is.

Kwaadaardige, onrustige zeugen mogen niet voor de fokkerij gebruikt worden: zij vreten soms linn eigen biggen op.

V. De paring.

Als de zeug bronstig (beerig, toelitig) is. is zij zeer onrustig. Zij tracht liet hok te verlaten en loopt voortdurend heen en weder, waarbij haar het schuim op den bek staat. .Met andere varkens in het hok zijnde, dringt zij voortdurend tegen deze aan. zij loopt loerend rond met ter aarde gebogen kop : haai geslaehtsdeelen, die rood en gezwollen zijn, schuurt zij langs de wanden van het hok. Soms heeft de bronstige zeug volstrekt geen eetlust. Kngelsche varkens, en varkens, die steeds in een hok zijn opgesloten, hebben meermalen een zoogenaamde stille bronst. Zij zijn dan slechts een weinig onrustig en vreten niet. terwijl zi] zich slecht met andere varkens verdragen en hun geslaehtsdeelen rood en gezwollen zijn.

De bronst duurt gewoonlijk -iÜ—I-S uren en keert bij niet-bevruchting na •! weken terug. Heeft de zeug geworpen.-dan wordt zij voor quot;t eerst ruizig na 4 tot ■», soms S tot !) weken na het jongen. Het dekken biedt de meeste waarborgen voor bevruchting, als het ongeveer l'-i uren na liet begin van het ruizig worden plaats heeft.

De zeug, die geworpen heeft, late men niet dekken voor de jongen gespeend zijn. Gebeurt het eer, dan begint zij spoedig minder melk te geven, wat schadelijk is voor de ontwikkeling

ocr page 27

19

der luygi'ii. \ cttc zeugen worden moeielijk diaelitig. (iuut men niet de /eng naar den beer en moet /.ij ver loopen, dan late meu haar behoorlijk uitrusten vóór zij gedekt wordt. De dracht duurt 16 a IT weken. Wordt de zeug eenigen tijd na het dekken rustiger, bijt zij andere varkens, die haar naderen, blijft zij het grootste deel van den dag liggen, vreet zij meer dan te voren en keert de bronstigheid op den bepaalden tijd niet terug, dan kan men het er voor houden, dat zij drachtig is. Zekerheid hieromtrent krijgt men pas na 8 weken, wanneer de zeug' meer buik krijgt en steeds trager wordt. Ongeveer •! weken vóór de geboorte der biggen beginnen de uiers te zwellen en rood te worden ; ook de tepels worden grooter en stijver.

VI. Verpleging der drachtige zeug.

De dragende zeug moet met bijzondere zorg verpleegd worden. Ken verkeerde behandeling kan verwerpen, misgeboorten en het werpen van zwakke biggen tengevolge hebben. Dikwijls is zij prikkelbaar en min of meer opgewonden ; alles wat prikkelbaarheid en opgewondenheid in de hand werkt, moet vermeden worden.

De voeding moet ruim en krachtig zijn, opdat de» jongen niet groeien ten koste van het moederlichaam. Kvenmin mag men het voederen overdrijven. Jn dit geval toch wordt de zeug te vet. Men voedere daarom bij voorkeur met gekookte aardappelen, mangel wortels en peen en verder met gerstemeel en zoo mogelijk met afgeroomde melk of karnemelk. Afval uit de keuken is mede niet te versmaden, terwijl wat zout en een opzettelijke toegift van enkele grammen phospliorzure kalk

ocr page 28

20

per dag' mede niet vergeten mogen worden. Ynedermiddclen, die liet dier vol- en dikbloedig maken, zooals peulvruchten, mogen niet gegeven worden. Evenmin voedere men veel lauwwarm, sterk verdund voedsel. Het werkt, evenals bescliimmeld voeder, verslappend op de spieren der baarmoeder, wat verwerpen of afzetten der jongen tengevolge kan hebben. Een mengsel van fijn gesneden jonge klaver en jong gras, gehakte distels en koolbladeren kau worden aanbevolen. Waar de zeug niet in weide of boomgaard kan rondloopen, zorge men voor een flin-ken uitloop, zoodat het dier, vooral in het eerste tijdperk der dracht, behoorlijk beweging kan nemen en naar hartelust kan botvieren aan de ingeschapen neiging tot wroeten.

Ongeveer een week vóór het eindigen van den draagtijd moet de drachtige zeuy van andere varkens gescheiden en in een

lt;quot;gt; O O

zuiver hok met buitenloop afgezonderd worden.

In het binnenhok moet een noch te hooge, noch te lage warmtegraad heerschen; deze mag afwisselen van 10° tot 17° Celsius.

Dat ook het drachtige dier nu en dan met niet te koud water gewasschen en ook geborsteld moet worden, behoeven wij wel niet te zeggen.

VII. Het werpen of jongen.

Tegen het einde der dracht zakt de buik meer door, de melk-klieren of uiers beginnen te zwellen, de tepels of spenen worden grooter en stijver en beginnen meer uit te steken. Maakt men er een melkende beweging mede, dan vloeit er een kleverige vloeistof uit. Ook vallen de flanken en de deelen om den

ocr page 29

21

staartwortel in. Eiiullijk traclit de zcujr een nest te maken van liet strooisel, dat zij stuk Injt en hij kleine hoeveelheden in een hoek van het hok draagt. Tiet is daarom goed, tegen den tijd van het werpen, de zeug van stukgesneden stroo te voorzien, ook opdat de pasgeboren higgen later niet in het stroo verward zullen raken.

J)e geboorte der biggen heeft meestal gemakkelijk plaats omdat zij, met de zeug vergeleken, hijzonder klein zijn. Bij de geboorte moet iemand aanwezig zijn, die de biggen van de moeder verwijdert tot alle geboren zijn. Doet hij dit niet, dan kan het gebeuren, dat de zeug haar kinderen bezeert.

Komen enkele nog door de vruchtvliezen omgeven ter wereld, dan moeten deze vliezen door den oppasser verscheurd worden. Breekt de navelstreng niet at', dan moet ze op ongeveer cM. afstauds van den navel doorgeknipt worden. Bloedt het jonge dier, dan moet het einde van de navelstreng, dat aan den navel hangt, worden afgebonden : dit is echter hoogst zelden noodig. Dikwijls tracht de zeug de nageboorte (»1) te vreten. Dit moet voorkomen worden, daar zij anders den smaak beet krijgt en misschien zal trachten haar eigen biggen te verslinden. Men moet de nageboorte, de vruchtvliezen en het bij de geboorte bevuilde stroo diep in den grond begraven.

De biggen worden op droog, zuiver, onbeschimmeld stroo gebracht en aan de tepels gelegd, doch zóó, dat de zwakste biggen de beste tepels krijgen. Het is toch algemeen bekend, dat iedere big gedurende den zoogt ij d haar eigen tepel behoudt.

Hij het jongen moeten geen vreemden tegenwoordig zijn : één geschikt persoon is daarbij voldoende. In de nabijheid van het hok der zeug moet tijdens en eenigen tijd na de geboorte alles rustig zijn.

Zijn de biggen aan de tepels gebracht, dan moeten moeder en

ocr page 30

22

kiiulereri eeiiigen tijd alleen gelaten worden. Toch moet de oppasser in de nahijlieid blijven mu l)ij het minste verdaehte geluid dadelijk Inj de hand te zijn.

Toont de zeug, wat l)ij dieren, die voor de eerste maal geworpen hehhen, dikwijls het geval is, dat het zuigen der biggen haar pijn doet. dan moet zij voorzichtig door den oppasser gemolken worden. .Met de veikregen melk smeert hij dan al de spenen en den nier in. Men kan een en ander voorkomen en overbodig maken door den uier der zeugen, die voor de eerste maal drachtig zijn, quot;2 a -! dagen vóór den tijd van werpen met spiritus of vet in te smeren.

Is de zeug goedaardig en liefderijk voor haar biggen, dan kan men ze reeds (hui tweeden dag met haar kroost alleen laten, /eer goed is het op een afstand van 1dM. van iederen wand van het hok ronde balken tusschen de daaraan grenzende wanden te» brengen. ()p deze manier voorkomt men, dat de zeug, kort tegen deji muur gaande liggen, één of meer biggen dooddrukt.

Is de zeug kwaadaardig, dan moet men moeder en kinderen van elkander scheiden. Men Iaat ze dan om de 2 uren onder toezicht een tijdlang bij elkander, opdat de moeder haar kinderen kan zoogen.

VIII. Iets uit de algemeone voedingsleer.

Het voederen der fok- en mestvarkens heeft nog maar al te dikwijls op onoordeelkundige en onvoordeelige wijze plaats.

Teder voedermiddel is een samengestelde stof, maar hoeveel de verschillende voedermiddelen ook in samenstelling verschil-

ocr page 31

23

leu, toch komen zij in zoovcnv met elkander overeen, dat zij bestaan uit : avatbk, kiw itsiokj'en, koolih dkatkx (zktmkklacii-TK.k STOFI- kn ), Vkt ell asflIukstanddkklkn of ZOI tkn. Denkt men uit de voedermiddeleu het water weg', dan houdt men de DüuiiK stof over.

100 K(t. gerstemeid bevat ongeveer SO K(i. drog'e stof en 14 K(«. water: 100 K(t. goede aardappelen bestaan ait mge-vtH'r '2ö K(}. droge stof en 7') K(i. water.

Xn leert de omhM viiiding, dat ieder dier per dag- kan volstaan met een bepaalde hoeveelheid droge -dof. Krijgt het dier minder, dan is het niet verzadigd. W el kan een kleine hoeveelheid droge stof meer voedende bestanddeelen bevatten dan eeu groote, maar dan komen de voedende bestanddeelen niet tot lum recht, l'lr is meer. Die bepaalde hoeveelheid droge stof moet ook bepaalde hoeveelheden eiwitstoffen, koolhydraten en vet bevatten. Hevat de bepaalde hoeveelheid droge stof van een dezer bestanddeelen te veel en van andere te weinig', dan voedert men onvoordeelig-.

\u lijkt het gemakkelijk met oordeel te voederen. Als men weet. hoeveel dro.^e stof en hoeveel eiwit, koolhydraten, enz. een dier van een bepaald gewicht per dag moet ontvangen en men weet maar hoeveel droge stof, eiwit, koolhydraten en vet in de yebruikte voederimddelen voorkomen, dan kan men door berekening uitmaken hoeveel men per dag van elk voedermiddel aan dit dier moet geven. -la, het lukt gemakkelijk, maar het is tamelijk moeielijk. want niet at de eiwitstoffen, koolhydraten enz. der voedermiddelen ykktkkkn'. Kn toch, nier door hetgeen het varken kkt wordt het gevoed, maar wel door hetgeen het vkktkkkt. En al bestaan nn lijsten, waarop men zien kan. hoeveel van het eiwit, de koolhydraten en het vet in de verschillende voedermiddelen zoo ongeveer door een varken

ocr page 32

24

vcrtrcid woidl, toch is liet licivkriicii van zoogonaaiiidi'vokdjcu-uan i soknkn voor ouiu^vw ijdcii zoo inociclijk, dat wij it liicr niet nu'i'r van durven vi'rtcllcMi. \\ ij detddon liet Ijovcustaaudi' ailci'ii nicdc 0111 te doen in/.it'ii, dat oordindknudig' en vouKJ)KK-!i'' NocdciHMi iiictccn kunst is, die iedereen verstaat.

I hiaroni zullen wij. waar dit te pas komt, voedermenjfsels o]gt;lt;gt;'e\eii, die de uoodi^e lioeviudheden droye stof, eiwit, enz. Itevatlen. Alleen no^ dit. Wij spraken boven van aschbestand-deid(mi of zouten, liet zijn die bestanddeelen van liet voeder, welke in hoofdzaak tot de vorming dei- vastere lichaanisdeeleu, zooals beenderen, hoeven, enz. bijdragen.

IX. De voedermiddelen.

G koknvokdkk. Dit wordt nog vecd te weinig aan varken s gevoederc I. Het is een gezond voeder voor springbeeren, drachtige zeugen en loo])varkens. Het moet echter, als het gras en klaver is, nog zeer jong zijn: later wordt het te hard. De distels, meestal waardeloos geacht, vormen, kort gesneden, een hijzonder gezond en smakelijk voeder. Mangel wortel hl aderen geve men niet te vind, omdat de daarin voorkomende zuren een afvoerende werking hebben.

A\ outklc;kwasskx. Hiervan komen alleen de aardappelen in aanmerking. Liefst kookt men ze, waarna men het water, waarin ze gekookt zijn, wegwerpt, kit de schil toch trekken bij het koken stoffen, die het voedsel minder smakelijk maken en die ook ongezond zijn. kvenals hij de wortelgewassen, moet bij de aardappelen een meer eiwitrijk voeder gegeven worden, zooals

ocr page 33

karnemelk of afgeroomde melk met graan meel. erwtenmeel of vleesehmeel.

A i'val. aar varkens gehouden worden, is bijna niets waardeloos. Afgevallen appels en peren, eikels, water, waarin borden en schotels van het middagmaal zijn algewassehen, ingewanden van geslachte kippen, konijnen en wild kunnen met voordeel vervoederd worden. Ook niet te harde soepheen-deren worden met graagte opgegeten. Deze geeft men slechts aan varkens, die afzonderlijk gehuisvest zijn, daar ze er anders met elkaar om vechten en tengevolge van afgunst en gulzigheid licht brokken in de keel kri|gen.

Tarwk is in den regel voor varkensvoeder te duur. Heeft men ^e kwaliteit, dan bestenune meu deze voor jonge varkens. Tarwe1 levert week vet.

Kom.k zonder meer mag niet als een goed voeder beschouwd Moiden, daar zij te weinig eiwit bevat. Maar ook in vermenging met ander voeder heeft zij dit tegen, dat zij zwaar te verteren igt; . zij veroorzaakt storingen in de spijsvertering, lamheid, enz. Daarom geve men ze niet aan jonge varkens; deze overveten zich licht aan meel van dit graan. Voor mestvarkens is zij, in vereeniging met gerstemeel en karnemelk of afgeroomde melk gegeven, een goed voeder.

(tekst, hoewel nog minder eiwit bevattende dan rogge, verdient b()\en de laatste verre de voorkeur. Het is een uitnemend voeder voor zeugen, pas gespeende varkens en, in verbindini;-met andere voedenniddelen, ook voor mestvarkens. De kwaliteit van v leesch en spek laten bij voedering van gerst niets t'1 wensehen over.

Havkr verdient aanbeveling voor zieke, herstellende en zoo-gende varkens, omdat zij een bijzonder gunstigen invloed op de spijsvertering en de melkvurming heeft.

ocr page 34

26

Rok kw f, it wordt gaarne dnor do varkous g-evivtcn ca i.c yoniakkclijk vortct'ibaar. Soiniiiin'cn liowtTcii, dat nion /.lt; :i:'U witte varkens alleen maji,quot; voederen, als (U-ze in een liok worden «ft'houden. Loopcn zij veel in de zon, dan zonden zij den zouge-munndcn boidvweituitslaii: krijgen. Dit is een sterke opzwelling van en Idoedaandrang naar den kop.

Maïs. Dat niais een goed varkensvoeder is, leert de ondei-vinding. Dit komt door haar hoog gehalte aan zuiver zetmeel en vet. •lammer, dat vleeseh en spek er een gele kleur van krijgen en liet laatste meestal zeer sla]) is en een onaangenameu smaak heeft.

Kkwtkn moeten nilslniteml aan mestvarkens gegeven worden: zij leveren een kernaelitig, stevig' spek. Daar /c te \eel eiwit he vatton, voedere men ze met aarda])pelen, rogge- of ger-steineel. Men mag ze in geen geval aan zeugen geven, die biggen hebben, omdat bij erwtenvoedering de melk eigenseliappen krijo't, dii* voor de biggen minder gewensebt of schadelijk zijn.

( »likza1)I \' voedere men aan varkens niet. liet spek wordt ■dap en neemt een olieachtigen, z(dis ranzigon smaak en geur aan. Alleen aan de zeug mag men oen kleine hoeveelheid molt;d van lijnzaad of gekookt lijnzaad door het ander voeder geven; bet bevordert de melkafscheiding.

Zr.MKLKN kn (.KiKs bevatten moer eiwit dan het graan, waarvan zij afkomstig zijn, maar zij komen bij voedering aan varkens niet tot hun recht, omdat zij moeielijk verteren. In kleine hoeveelheden gegeven door een voedermengsel, dat te weiniir eiwit bevat, brengen zij stellig meer op dan zij kosten. Moet men bi] veel knol- of wortelgewassen wat phosporzure kalk geven, bi] voedering van knolgewassen en zemelen kan men met een toevoeging van oen weinig stoftijn krijt volstaan.

ocr page 35

Zemelen vnedere men bij de eiwitarme aardappelen en woi-leljiewassen en Itij een inengscd van deze en graan meel.

1 { ij stm k i-.l is licht verieerhaar, maar levert slap spek; ook wordt liet te \eel veivalscht, lt;laii dat wij liet durven aan hevelen.

(i kdkoihidk si-oklinc; knmien Avij op grond van jiersoonlijke ondervinding ten zeerste aanhevelen. Daar zij zeer eiwitrijk is, moet men ze met aardappelen of knolgewassen vermengd voederen en ze vooral eerst hroeien, niet koken, omdat hierdoor de verteerhaarheid van de eiwitstoffen vermindert.

A r.kkuomdk mixk is, als zij niet znnr is, een zeer licht verieerhaar voeder en vooral nuttig voor jonge varkens. Zij hevat echter te veel eiwit in verhouding tot de andere hestanddeelen. Daarom geve men er wat gerstmeel door.

Kahnkmklk streeft de afgeroomde melk nahij, doch zij hevat minder gemakkelijk verteerhaar eiwit, een gevolg van de omstandigheid. dat dit door het znnr worden der melk in -oen andereu toestand is gekomen.

W i l is een goed voeder, als zij niet zuur is. Zij dankt haar waarde hijna uitsluitend aan haar suikergehalte. Is zij zuur, dan kan de helft der vkktkkkhakk si ikku in onvkktkki;-haak mki.k/.ri i; overgegaan zijn. Wanneer men in plaats van water wei gehruikt hij quot;t gereed maken van het voeder, kan men een weinig meel, enz. minder gehrniken dan anders.

\'lki-;sciivoKi)Ki{mkkl is huitengewoon eiwitrijk, ja, het rijkst aan eiwit van alle voedermiddelen. Men mag het daarom slechts in kleine hoeveelheden geven. Voedert men veel aardappelen of knolgewassen met vleeschmeel, dan kan men van het laatste iets meer geven, meer met het oog op de heen- dan op de vleesehvorminu-. In quot;Toote hoevtndheid yeireven levert het week

ocr page 36

28

on onsmakelijk spek. Meteen matige hoeveellieid vleeselimeel. aardappels en gerstemeel verkregen wij goede uitkomsten.

Afval vit slacmitkuijkx kn vlkkscii vav afgkmaakte dii.kkx, dat niet door deskundigen voor de voeding is afgekeurd, vormt in vereeniging met knol- en wortelgewassen een aanbevelenswaardig voeder. Slechts een dragende of zoogeude mot mag men liet niet geven, omdat zij daardoor de neiging krijgt haar biggen te verslinden.

X. De voeding van de zeug en haar biggen.

De zeug moet steeds rijkelijk, doch niet overmatig gevoederd worden; hoe beter en zorgvuldiger de voedering der zeug plaats heeft, des te beter en voedzamer is haar melk (zog). Zoolang de biggen niet gespeend zijn, mag er geen verandering in de voederwijze der zeng plaats hebben. Deze toch heeft onmiddellijk invloed op de samenstelling der melk en als gevolg daarvan op de ontwikkeling der biggen. Ken goed voeder wordt gevormd door zeei* jonge klaver en ander week groenvoeder, gekookte mangelwortels, peen enz., doch met een toegift van gedroogde spoeling of gerste-, haver- of maismeel en een weinig zemelen. Erwten en boonen mogen in geen geval gegeven worden. Zeer geschikte voedennengels zijn :

4^ Liter karnemelk.

A Kilo tarwezemelen.

Kilo gerstemeel.

4 Kilo aardappelen.

lt;i Liter afgeroomde melk.

0,4 Kilo zemelen.

1 Kilo gerstemeel.

ocr page 37

29

Ken to ruime voedering- der zeng heeft wel tengevolge, dat de biggen den eetlust verliezen en sterven, zonder ziektever-scliijnselen vertoond te hebhen, of nu aan lamheid en doorloop geleden te hebben. Ook het intreden der bronst (beerigheid) bij de zeng, terwijl zij nog zoogt, kan nadeelig, ja doodelijk voor de biggen worden. Daarom moeten de biggen, wanneer zieh de allereerste verschijnselen der bronst vertoonen, van de moeder verwijderd worden. J)e oorzaak van nadeelige verschijnselen bij de biggen liggen in de verandering der melk tijdens het rnizig zijn der zeug.

De voederbak moet steeds zuiver gehouden worden. Xa eiken maaltijd moet het overgebleven voeder uit den trog verwijderd worden, daar het anders gevaar loopt te gaan zuren of gisten. Het hok moet liefst dagelijks uitgemest of geschrobd en van versolt ligstroo voorzien worden. Ook moet de zeug behoorlijk beweging kunnen nemen, terwijl de stal geregeld gelucht moet worden.

De varkensmelk onderscheidt zich van de koemelk door haar geringer water- en vet-, en door haar tweemaal zoo hoog kaasgehalte. Hiermede moet natuurlijk rekening gehouden worden bij de voedering der biggen tijdens en kort na het spenen.

In de eerste dagen na de geboorte late men de biggen, wat de voeding betreft, aan zichzelf over. Als zij niet zuigen, liggen zij meestal op een hoop te slapen.

Verdeelen zij zich, alvorens te gaan slapen, in meerdere groepjes of loopen zij onrustig en knorrend in het hok rond, dan is dit een teeken, dat zij niet zijn, zooals het behoort.

r\a ongeveer 14 dagen worden de diertjes levendiger en beginnen zij lang/amerhand hun snuitje te gebruiken. Daarom moet men tegen dien tijd niet verzuimen wat aarde in het hok te brengen, waarin zij naar hartelust kunnen wroeten en waar-

ocr page 38

30

van zij wat kuuiu'u opvreten. De aarde toch bevat pliosphur-zure en koolzure kalk, zoo onmisbaar voor den groei der beenderen. Is het weder daartoe geschikt, dan late men de zeug met haar kinderen wat buiten loopen, waardoor de longen en de beenen ontwikkeld worden. In de derde week mengt men wat gerst door de voorgeworpen aarde; men zal zien, dat de biggen er de korreltjes ijverig uitzoeken. Tusschen de vierde en de vijfde week kan men den biggen ook al wat gekookte en gestampte aardappelen met eenig gerste- of havermeel voorzetten.

Slorpen de biggen gier op, dan wijst dit op een verstoring dei spijsvertering en moeten zij ten spoedigste in de gelegenheid gesteld worden vrije beweging te nemen en in de aarde te kunnen wroeten. Stukjes houtskool, steenkool of krijt mogen gerust in het hok geworpen worden ; de ondervinding zal leeren, dat de biggen er dol op zijn en dat die stoffen hun niet schaden, integendeel.

In ons land worden de biggen over 't algemeen veel te vroeg gespeend. Dikwijls geschiedt het reeds op den leeftijd van -quot;bj a 4 weken, terwijl men quot;t stellig niet mag doen vóór zij (i, liever 8 weken oud zijn.

Het spreekt vanzelf, dat zij in 't laatste geval reeds wat voedsel bij de moedermelk ontvangen, hetzij een mengsel, zooals boven is opgegeven, hetzij een mengsel van 1 deel volle en 1 deel afgerewunde koemelk of karnemelk. Tn den regel zal het goed zijn de zwakste biggen een week langer bij de zeug te laten dan de sterkere. (gt;p die manier wordt de zeug ook geleidelijk droog en ondervindt zij geen nadeden van het plotseling afnemen der biggen. Wanneer men den eersten dag de sterkste biggen wegneemt en na 8 dagen eiken dag een der overige, dan heeft het afnemen zeker wel zoo geleidelijk mogelijk plaats. Ken week vóór het afnemen der sterkste biggen laat men den

ocr page 39

31

^•('Iuh'Icii toom niet den yansflien (lag-, ducli slechts om de uren hij de zeug.

Het afnemen geschiedt dus als volgt:

Aan vang (ide week : higgen afzonderen en om de '-2 men laten zuigen.

Aanvang' 7de week: sterkste higgen voorgoed afzonderen.

Aanvang 8ste week : eiken dag een der overige higgen voor goed afzonderen.

Is men hang, dat de later bijgevoegde door de vroeger afgewende geplaagd zullen worden, dan wassche men alle higgen. vóór ze hij elkander komen, met hramlewijn.

In zekere streek, waar de varkensteelt hoog staat, begint men de higgen reeds 14 dagen na de geboorte te voederen. Men geeft dan zoete melk en tarwekorrels. In de 4de week geeft men ook geschilde aardappelen, die gekookt en met tarwe- en ger-stemeel vermengd worden.

In de vijfde week wordt de zoete melk geleidelijk door afgeroomde melk of karnemelk vervangen, zoodat de diertjes, als zij S weken zijn, volstrekt geen zoete melk meer krijgen. Men voedert ze dan met een mengsel van quot;)(l gewichtsdeelen afgeroomde melk, •'! gewichtsdeelen zemelen en -!() gewichtsdeelen aardappelen. bijv.

■') Liter afgeroomde melk.

O,-quot;) K(t. zemelen.

'■gt; Kd. aardappelen.

Lijden de biggen in de '2de of -ide week alle aan doorloop, dan is dit een gevolg van den nadeeligen invloed der moedermelk en doet men het best ze van de moeder af te nemen om ze groot te brengen met koemelk, gerstemeel, enz.

Ten slotte geven wij nog de volgende voederrantsoenen tooi-zengen, die biggen hebben.

ocr page 40

32

12 L. kaniemplk.

(i K(i. gekookte iiardappelen.

2.' K(ii. gedroogde spoeling.

8 L. afgeroomde melk.

2 KG. maismeel.

4 Iv(t. poen of aardappelen.

(i KG. gesneden jonge klaver.

15 L. karnemelk.

4 KG. aardappelen.

I J- KG. gedroogde spoeling. 1 KG. gerstemeel.

4 KG. jonge klaver.

Hiervan geve men den dieren zooveel, als ze lusten en met hnn gezondheidstoestand in overeenstemming is.

De voedering der loopvarkens.

Zoodra de biggen gespeend zijn, dragen zij den naam van loopvarkens. Gedurende den laatsten tijd zijn ze reeds eenigs-zins aan ander voeder dan de moedermelk gewend, maar toch mag de overgang van de moedermelk tot uitsluitend ander voeder niet te plotseling geschieden. Men zou de moedermelk gedurende eenigen tijd door koemelk kunnen vervangen, als deze nagenoeg dezelfde samenstelling had als varkensmelk. Dit is echter niet het geval. De koemelk bevat veel meer vet en suiker en veel minder eiwit dan de varkensmelk. Daarom verdunne men de koemelk met water en voege men daarbij meelsoorten, die rijk aan eiwit zijn of gedeeltelijk gedroogde spoeling en gedeeltelijk gerste- of havermeel.

ocr page 41

33

Men zon ook voedermiddelen kunnen nemen, die door hun lioo.y zetmeelgehalte in liet licliaam van liet dier eiwit sparen, zooals maismeel en gekookte aardappelen.

Sommigen meenen, dat zij de gespeende biggen onmiddellijk kunnen onderhonden met afgeroomde melk; deze tocli bevat immers veel minder vet dan varkensmelk. Men vergete ecliter niet, dat afgeroomde melk veel meer sniker bevat dan varkens-melk. De suiker lieefL in 't spijsverteringskanaal een te groote zuurvorming tengevolge, welke dikwijls doorloop veroorzaakt, lieter is het daaiom de afgeroomde melk met water te verdunnen en een weinig gedroogde spoeling met gerstemeel bij te voegen.

Wil men xle afgeroomde melk of de karnemelk dadelijk in onverdunden toestand geven, dan moet men zorgen, dat de dieren behoorlijk beweging in de open lucht kunnen nemen.

Hierdoor worden de schadelijke gevolgen van het zuren der melk in het lichaam voor een deel voorkomen.

Een goed voeder voor de gespeende biggen wordt gevormd door een mengsel van :

Liter koemelk.

11 Liter afgeroomde melk of 2 Liter karnemelk.

j Kilo gerstemeel.

Kilo aardappelen.

Zijn de dieren 10 weken oud, dan beginne men de volle melk door afgeroomde melk of karnemelk te vervangen, zoodat zi) op den leeftijd van •'! maanden in 't geheel geen volle melk meer krijgen. In plaats van koemelk kan ook verdunde geitemelk worden gegeven.

Er zijn echter ook varkenshouders, die niet over melk, afge

ocr page 42

34

roomde melk of karnemelk kuimeu bescliikkeu. Hoe moeten zij het clan maken?

't Best zon wezen, als zij hun varkens niet kochten, vóór deze

maanden oud waren. Maar dan is de som van aankoop voor velen weder te groot.

In yeen geval echter moeten zij higgen van 4 weken koopen; het meerdere geld, voor den aankoop van een big van 6 a 8 weken vereischt, wordt later in den snelleren groei en het heter gedijen van zoo'n hig gemakkelijk vergoed.

Hun, die een hig van 7 a 8 weken koopen, raden wij aan een mengsel te voederen, bestaande uit:

1 Kilo gedroogde spoeling.

1 Kilo gerstemeel.

0,1 Kilo vleeschmeel.

0,1 Kilo grondnotenmeel.

10 Kilo zuiver water.

Het spreekt vanzelf, dat men ook een kleinere hoeveelheid gereed kan maken, als men de hoeveelheden der verschillende hestanddeelen maar in dezelfde verhouding neemt. Hit mengsel wordt met warm water aangelengd en den biggen voorgezet, als het een warmtegraad heeft, ongeveer gelijk aan dien der moedermelk.

Het opgegeven mengsel bevat nagenoeg evenveel verteerbare hestanddeelen als varkensmelk en in ongeveer dezelfde verhouding tot elkander.

Afval uit de keuken en van tuin en akker wordt op den koop toegegeven.

Men voedere nooit zemelen, roggemeel of veel gedroogde spoeling aan varkens van jeugdigen leeftijd.

Kunnen de jonge varkens niet vrij rondloopen in weide of boomgaard, dan moeten /ij dagelijks 4 ;i 8 grammen phosphor-

ocr page 43

35

zure kalk door liun voeder ontvangen. Dit voorkomt stijfheid en lamheid.

De troggen moeten, ook voor de loopvarkens, geregeld gereinigd worden. Het liok geregeld geschrobd worden, liefst met kalkwater.

Naarmate de loopvarkens ouder worden kan men, wat het voeder betreft, meer van de samenstelling der moedermelk af-v- ijken.

Goede voedermengsels voor varkens van meer dan .'1 maanden oud zijn:

3 Kilo afgeroomde melk.

0,15 gedroogde spoeling.

„ aardappelen.

„ karnemelk.

„ havermeel.

„ erwtenmeel.

,, karnemelk.

,, aardappelen.

,, gerstemeel.

,, afgeroomde melk.

,, gerstemeel.

Zijn ze ó maanden oud geworden, dun voeden' men een van de volgende mengsels :

jVi Kilo karnemelk.

1 gerstemeel.

2 „ aardappelen.

15

0

/4

15

1

O

20 3

ocr page 44

36

30 Kilo afgeroomde melk.

3 „ erwtenmeel.

io ,, mangelwortels.

io „ afgeroomde melk.

1 ,, gerstemeel.

2 „ aardappelen.

20 „ water,

2 „ gedroogde spoeling,

3 „ gerstemeel. o, i „ vleeschmeel.

1 ,, grondnotenmeel.

15 ,, water.

2 „ gedroogde spoeling. 35 „ aardappelen.

2V2 „ gerstemeel.

0,2 „ vleeschmeel.

Wij lierhalon nog, dat nok aan deze varkens, als zij niet vrij i'ondloopen, den afval uit de keuken, zooals scliotelwater en overblijfselen van de tafel, alsmede koolbladeren, afgevallen vnifhten, enz. op den koop toe moeten worden gegeven.

Zeugen en boeren van oudoren leeftijd, die voor de fokkerij golumdon wordon, kunnen eveneens met een der laatstgenoemde drie menysels tyevoed worden.

O w

ocr page 45

37

XII. Het mesten.

Wie oordt'clkuudig mest, hoeft met dat mesten een doel. L)e een wil vleesch-, de ander spekvarkens mesten. Wie vleesc'n-inesting ten doel heeft, moet een meer eiwitrijk voeder geven clan wier. liet vooral om spek en vet vleesch te doen is.

SI» chts gezonde, krachtige dieren laten zich met voordeel mesten. Bovendien speelt de leeftijd _der dieren bij het mesten een v'corname rol. Jonge varkens zijn hijv. minder geschikt om in den letterlijken zin des woorts „vetgemestquot; te worden. Wil men graag veel spek, vet en vet vleesch, dan moet men varkens hebben van minstens één jaar oud. Zijn ze jonger, dan zijn ze nog lang niet uitgegroeid. Het voeder draagt dan meer bij tot verg.'ooting der spieren, dus tot vermeerdering van vleesch. quot;Wil men gaarne varkens niesten met veel mager vleesch, dan neme men daarvoor jonge varkens, liefst van Engelsch of gekruist ras. Deze begint men reeds op den leeftijd van 4 maanden met zoogenaamd mestvoeder te onderhouden. In het eerste tijdperk van het mesten mag men hun de noodige beweging m de, vrije lucht niet onthouden. Beweging heeft spierontwikke-liug' tengevolge en spierontwikkeling is vleeschvorming.

Het binnenhok der mestvarkens mag niet te koud zijn: de warmtegraad moet minstens 14° Celsius wezen. Is bijlager, dan vxrdt meer voedsel dan anders verbruikt tot verwarming \an bet lichaam. Dit deel komt dan niet aan de vleesch- en vetvorming ten goede. Is de stal te warm, dan drinken de dieren te veel.

Het is bier de plaats er op te wijzen, dat men de varkens, al krijgen ze met water verdund voeder, geen zuiiver drinkwater mag onthouden. Ook voor mestvarkens moet de stal dagelijks

ocr page 46

uitgemest en moeten de voederbakken geregeld gereinigd vrorden.

I a liet laatste tijdperk van het mesten moeten de mestvar-ken- in het mesthok worden opgesloten, opdat zij niet te veel he weging kunnen nemen, want elke beweging kost voedsel. In do omgeving der mesthokken moet het rustig en halfdonker zijn.

Hft voederen op geregelde tijdstippen is een der hoofdvoorwaarden om met voordeel varkens te mesten.

De kwaliteit van vleesch en spek is voor een groot gedeelte

afhankelijk van het voeder, waarmede de dieren in de laatste helft van het mesttijdperk onderhouden zijn.

Maismeel levert geelachtig, zacht spek. Het voederen van natte spoeling en dergelijken fahrieksafval moet voor dit tijdperk ontraden worden.

Waar men voor slachterijen en den handel mest, zal het wel meestal om varkens van G a 0 maanden te doen zijn, die veel vleesch en weinig spek hebhen. Het voeder moet in dit geval rijk aan eiwit zijn. Goede voedermengsels zijn dan de volgende :

io Kilo erwtenmeel.

13 „ gerstemeel en hot noodigc water.

32

aardappelen.

5

grondnotenmeel.

5

roggezemelen.

4

tl

erwtenmeel en het noodige water

16

11

afgeroomde melk.

10

11

erwtenmeel.

13

11

gerstemeel en het noodige water.

ocr page 47

39

17 Kilo wei.

Vè „ tarwezemelen.

2 ,, erwtenmeel.

i „ roggemeel.

ii gerstcmeel.

\ au deze mengsels geve men den varkens, zooveel zij lusten, doch men zorge, dat zij zich niet overvretcn.

])e bovengenoemde mengsels zijn berekend per dag voor ó varkens van ongeveer 100 Kilo ieder.

Ongeveer een maand vóór het einde van het mesten vervange men langzamerhand in 't eerste rantsoen het erwtenmeel, in het tweede het «mmdnotenmeel en in het derde het erwtenmeel

O

en de tarwezemelen voor de helft door gerstcmeel. TVil men varkens van ouderen leeftijd, dus spekvarkens mesten, dan moet de voedingsverhouding ruimer zijn. Dit wil zeggen : men moet minder eiwit en meer zetmeelaehtige stoffen voederen dan aan vleeschvarkens.

Goede mengsels, waarvan men de dieren alweder zooveel geeft, als zij lusten, zijn in 't begin:

10 Kilo karnemelk.

'3 ,, aardappelen. 1 „ gerstcmeel.

0,2 ,, gedroogde spoeling of 0,1 ,, vleeschmeel.

vervolgens:

10 ,, karnemelk.

1 „ aardappelen.

1 „ gerstcmeel.

0,2 ,, gedroogde spoeling.

0,15 ,, grondnotenmeel of

0,05 ,, vleeschmeel.

ocr page 48

40

t'ii ten laatste ;

atgerocniile melk.

gersteiueel.

peen of aardappelen.

aardappelen.

yerstemeel.

afgeroomde melk en et noodige water ter verdunning.

Wij deelen op gidiid van ondervinding mede, dat men bij mest varkens door bi] voedering van gedroogde spoeling de zetmeel rijke aardappelen tot hooge waarde kan brengen.

Ook zij, die veel peen of mangel wortels liebben en kraclitvoe-der, zooals rogge, gerst, erwten of gedroogde spoeling moeten bijkoopen, doen goed liet met een gedeelte spoeling te beproeven. Zij kunnen dan voel wortelgewassen aan de varkens kwijtraken, terwijl zij weinig geld voor kraehtvoeder behoeven uit to geven.

Men vergete nooit, dat het varken slechts veel kan verteren, als het voedsel in gemakkelijk verteerharen vormgegeven wordt. Wil men uitsluitend meel voederen, dan geve men ij gerst en erwten of ! rogge, ^ mais en | erwten of ^ rogge en -g- gedroogde spoeling of 'Vm gerst en Vio vleeschmeel, alles tot meel gemaakt en met het noodige water en een weinig zout aangemengd.

Het verdient alle aanbeveling, ja, het is een vereisehte, de mest varkens op geregelde tijdstippen te wegen. Komt men tot de ontdekking, dat het voeder, hetwelk zij dagelijks opvreten, meer kost dan de (lageli)ksche gewichtstoename waard is, dan is het tijd ze te verkoopen of te slachten.

Eindelijk nog dit. Men verzuime niet de tonnen en potten.

91 ~ 2 i)

4 ,,

of:

10

o

6

ocr page 49

41

waarin de vnedermengsels klaar gemaakt worden, geregeld te reinigen. Beschimmelde of zure overblijfsels van vroeger gereedgemaakte mengsels doen de nieuwe mengsels spoedig bederven en werken belemmerend op de spijsvertering der mestdieren. Daarom ook geen te groote lioeveellieden opeens gereedgemaakt,

XIII. De toebereiding van het voeder.

In vele streken bereikt men met de toebereiding van liet voeder niet, wat daarmede beoogd wordt. Dikwijls denkt men, dat liet niet mogelijk is goede varkens te mesten, als er niet gebroeid en gekookt wordt.

Veelal is het voeder te waterig: de dieren nemen dan meei water op dan noodig is. Ook de omzetting van het eiwit, dut kostbare voederbestanddeel, wordt er door benadeeld.

Hoe meer water het voeder bevat, des te slechter kanwen de varkens. Het wordt voor een kleiner gedeelte verteerd dan bij goed kanwen het geval zon zijn.

Vooral voor loopvarkens, die dikwijls minder gemakkelijk verteerbaar voeder krijgen, verdient het aanbeveling het krachtvoeder met kaf. gesneden klaver, enz. te vermengen. Zij worden dan tot kanwen gedwongen.

Door koken en broeien gaan vooral de kostbare eiwitstoffen iii verteerbaarheid achteruit. Vele verbindingen in het voeder, die bij de vertering een rol spelen, worden door koken of broeien onwerkzaam gemaakt.

Moeten de dieren al warmer water hebben, dan geve men dit

ocr page 50

42

niet te gelijk met het kraclitvoeder. Granen, erwten, enz. geve men in korrelvorm, als de dieren hieraan ten minste van jongs-at' gewend zijn. Is dit niet het geval, dan geve men ze gebroken oi' gemalen en dan behoorlijk bevochtigd of met aardappelen, wortelgewassen, kaf, gesneden groen, enz. vermengd om verstuiven en vermorsen te voorkomen.

Men koke of broeie alleen, als het voeder met schimmel of brand bezet is of als men dit vermoedt.

XIV. Het Varkenshok.

Xiet ieder is in staat, wat men noemt een model-varkenshok te bonwen. Voor velen, die slechts één of twee varkens mesten, zon dit te kostbaar zijn. Ook blijft het de gi'oote vraag of zij. voor wie het niet te duur is, in den tegenwoordigen tijd wel renten van het bestede kapitaal zonden maken.

Toch zijn er eenige voorwaarden, waaraan ieder bij 't maken van een varkenshok, met eenigen goeden wil, wel kan voldoen

Het varkenshok met loopplaats moet gebouwd worden op drogen, tamelijk hoogen bodem. In de omgeving moeten geen schadelijke dampen of gassen uit den grond opstijgen. Wordt het hok niet op hoogen grond gebouwd, dan loopt al het vocht uit de omgeving er naar toe, wat ziekten onder de varkens kan veroorzaken.

De wanden van het hok of van het gebouw, waarin het hok

ocr page 51

43

zich bevindt, moeten behoorlijk tegen hitte, hemelwater eij te groote koude beschutten. Het best worden zij gemaakt van goed gave, harde steenen of hout, doch in quot;t laatste geval zoo, dat ev geen reten kunnen ontstaan. Hout heeft tegen, dat de varkens er dikwijls aan bijten en knagen. Het dak kan met pannen bedekt worden. Het best is deze met kalk aan te smeren. Houten daken, doch dan goed dicht en met asphaltpapier gedekt, voldoen ook goed. Is het mogelijk liet gebouw in de schaduw te plaatsen, dan moet men het dak wit verven of kalken.

Het hok moet minstens 2 M. hoog zijn ; de verzorger kati dan behoorlijk recht opgaan en behoeft zich niet te bukken, ais hij de dieren voedert of hok en trog reinigt.

Bijzondere zorg vereischt bet leggen van den bodem in het eigenlijke binnenhok, opdat die noch koud, noch nat, noch vochtig zij. Is de vloer te nat of te kond, dan schimmelt het strooisel dikwijls, wat nadeelig voor de gezondheid der dieren is. He vloer moet ondoordringbaar voor vocht wezen en eenigszins hellen, zoodat de gier goed kan afvloeien.

Een goeden vloer krijgt men, als men hard gebrande klinkers in cement legt en deze met een laag cement overdekt. In den winter is zoo'n vloer echter dikwijls te koud ; men kan dan evenwel een deel met planken dekken. Daar, waar de vloer quot;t laagst is, moet men een opening in den buitenmuur maken, waardoor de gier kan wegvloeien. Ook kan men in 't laagste deel van den vloer een buis leggen, waarvan de opening, met een rooster voorzien, juist gelijk met den vloer komt, terwijl de huis zelve in den vloer gemetseld wordt en buiten liet hok uitmondt. De gaatjes in den rooster moeten niet te groot zijn, daar de buis anders licht verstopt raakt.

Men kan ook een vloer maken, die, van onderen te beginnen, bestaat uit een laag zand, een laag steenblokken in kalk, een

ocr page 52

u

laag gave steeuen in kalk en dit alles bedekt met een laag cement.

Grenzen meerdere hokken aan elkander, dan moeten de tus-sclienwanden bij voorkeur gemaakt worden van hardgebakken metselsteen. Men kan volstaan met |-steensnuuir, doch metselo met tras en niet met kalk, omdat de varkens gaarne aan de kalk knagen. Daarom moeten de muren ook goed vlak zijn.

Waar men hout tot zijn beschikking heeft, kunnen de scheidingswanden ook hiervan gemaakt worden. Het verdient dan aanbeveling de planken eerst te behandelen met carbolineum.

Dat liet geheele hok nu en dan gewit moet worden, spreekt vanzelf: liet bevordert de gezondheid der varkens.

Sommigen maken de hokken geheel van ijzeren hekwerk; wij bevelen dit niet aan ; de varkens kunnen te goed zien wat in het hok van andere gebeurt, waardoor zij dikwijls onrustig worden.

Wij bevelen alleen ijzeren hekwerk aan, als de hokken niet tegenover elkander liggen en de scheidingswanden van steen o± hout zijn.

De troggen moeten uit ijzer of hardsteen bestaan. Honten troggen zijn minder goed, omdat de dieren er aan bijten, tenzij de randen met plaatijzer beslagen zijn. Tn ieder gevnl moeten ze zoo ingericht zijn, dat de varkens tijdens het voederen niet bij 't voedsel kunnen komen en hun behoeften er niet in kunnen doen.

De raampjes moeten toegang kunnen verleenen aan frissche lucht, doch niet aan tocht.

De deur moet naar buiten draaien. De vloer moet minstens groot zijn:

ocr page 53

45

Voor een springbeer -3,0 vierk. M.

„ ,, zeug- met biggen 3,8 ,, iedere gespeende big 0,6 ,, ,,

ieder loopvarkeu 0,75 ,, ,,

,, ieder mestvarken als er meerdere in een bok zijn 1,2quot;) ,, ,, Als strooisel staat graanstroo bovenaan. \ au turfstrooisel eten de varkens soms te veel.

Het is tijd, dat de varkensbouders gaan inzien, dat zij bet mis bebben, als zij meeuen, dat bet sleebtste boekje in schuur of' stal wel gesebikt is om er varkens in te fokken of te mesten.

De loopplaats moet dooreen eenvoudig dak overdekt worden. Dit beveiligt de dieren voor de zonnestralen en voor insecten en staat bun toe ook bij koud, rogeuacbtig weder zonder schade voor bun gezondheid behoorlijk beweging in de vrije luelit te nemen.

XV. De Woekerdieren.

Onder woekerdieren verstaat men de dieren, die zicb in dit geval ten koste van bet varken voeden.

Van de voornaamste zullen wij bier een en ander mededeelen.

De lintworm wordt in volwassen staat (2 a 3 M.) in bet lichaam van den menscb aangetroffen. Hij best aat uit gemiddeld 750 leden, die ieder als een dier op zicb zelf moeten worden bescbouwd. Hij is geel van kleur. De kop is niet grooter dan een speldeknop en bezit 25 a -'JO haakjes, waarmede bet diei zich aan den darmwand van den menscb vastbecbt, en vier zuignappen.

ocr page 54

46

Hoe komt de menscli aan den lintworm? Door het eten van rauw of niet volkomen gaar varkensvleesch, waarin zich lintwormen bevinden, die in hun eersten ontwikkelingstoestand verkeeren, zoogenaamde Blaaswormen. Een varken, waarin zich hlaaswnrmen bevinden, noemt men GOKriG of vinnig. Een blaasworm kan zich slechts ontwikkelen tot een lintwoum in het lichaam van een mensch. Verder dan tot blaasworm brengen deze dieren liet in 't varken niet. Worden de leden van een lintworm, dit quot;t lichaam van een mensch verlaten hebben, door een varken opgegeten, dan ontstaan uit de eieren, welke deze leden bevatten, in het varken weder blaaswormen.

Heeft een varken veel blaaswormen, m. a. w. is het zeer vinnig of gortig, dan wordt het dier mager, zwak en lam in de achterste ledematen, ja, het kan zelfs sterven. Vleesch van een in hooge mate gortig varken is bleek, waterig en min of meei vergaan.

Tegen de gortigheid bij varkens is niets te doen ; daarvoor zijn de blaaswormen te veel door het lichaam verspreid. Men moet het gortig worden trachten te voorkomen door te zorgen, dat de varkens geen uitwerpselen van mensch of dier opslokken.

De trichine is een dun, lang en klein wormpje, dat in de spieren van het varken en den mensch leeft.

Eet een mensch varkensvleesch, dat trichinen bevat, dan worden deze in den darm van den mensch binnen 2 a 5 dagen volwassen. Zij blijven dan 0 a 8 weken op deze plaats. De mannetjes zijn slechts 1,5 m.M., lang, de wijfjes ongeveer 2 maal zoo groot. De trichinen paren er en reeds na een week brengt het wijfje honderden levende jongen ter wereld. Deze boren zich door den darmwand, zoodat zij in quot;t vleesch geraken. Naeenigen iijd winden zij zich als een spiraal op. /ij groeien dan niet meer, maar de wanden der spier vezelt jes, waarin de diertjes zich be-

ocr page 55

47

vinden, worden dikker en vormen zoogonaamde kapsels. De onde trichinen (clarmtricliincn) sterven eu verlaten het lichaam, maar de jonge (spiertrichinen) kunnen jaren in hun kapsel blijven leven.

Menschen, wier lichaam trichinen bevat, vertoonen ziekteverschijnselen en sterven dientengevolge wel. Blijft een dooi trichinen aangetast mensch leven tot de spiertrichinen zicli ingekapseld hebben, dan is het gevaar voorbij.

Het is in ieder geval zaak nooit varkensvleesch te eten, dat rauw of niet goed gaar is.

Eet een varken vleesch, waarin spiertrichinen zijn, dan krijgt het darmtrichinen, waaruit zich in zijn darm weer spiertrichinen ontwikkelen, tengevolge waarvan het dier tijdelijk koorts, jeukte en stijfheid in de pooten krijgt, zoodat het vermagert. Het sterft er echter nooit aan en kan, nadat het hersteld is (d. i. als de spiertrichinen zich ingekapseld hebben) zeer goed gemest worden.

Ook ratten zijn dikwijls trichineus. Komen zij in de voedertroggen der varkens, dan laten zij daarin hun trichineuse uitwerpselen achter. Eet een varken een trichineuse rat of ander dier of met zijn voeder de uitwerpselen daarvan, dan loopt het yevaar trichineus te worden. Hieruit kan de lezer besluiten, welke maatregelen hij kan nemen om het trichineus worden zijner varkens zooveel mogelijk te voorkomen.

De varkensluis behoort tot de insecten. Zij bezit zuigende monddeelen en leeft van het bloed, dat zij het varken afzuigt. In 't algemeen vermenigvuldigen de luizen zich het sterkst op de lichamen van dieren, die niet behoorlijk worden gereinigd. Het is een dwaling te meenen, dat het bezit van luizen voor het varken een kenmerk van gezondheid is. Integendeel ver-

ocr page 56

4S

lueerdereu zij zich sterker op ziekelijke en slecht gevoede, dan op gezonde en goed gevoede varkens.

De varkenslnis (mim 3 mM. lang) komt het talrijkst voor op de achterdeelen van het varken. De volgende middelen om de luizen te dooden en hun voortplanting te verhinderen komen vooral in aanmerking:

1. 5 deelen groene zeep, 1 deel benzine en 12 deelenwater;

2. Een aftreksel van 1 deel sta verzaad op 15 deelen water;

3. Grauwe kwikzalf;

4. Perzisch insectenpoeder.

Grauwe kwikzalf wordt alleen toegepast bij afzonderlijk gehuisveste varkens en dan mag zij nog slechts gesmeerd worden aan die deelen, waar de luizen zich bij voorkeur ophouden. Het Perzisch insectenpoeder wordt op de natgemaakte huid gestrooid, liefst met een daarvoor geschikt spuitje.

XVI. Besmettelijke ziekten.

Miltvuur. Deze besmettelijke ziekte komt wel zelden bij varkens voor, maar zij is zoo besmettelijk, ook voor andere dieren, dat wij haar niet met stilzwijgen mogen voorbijgaan. De verschijnselen, waardoor zij zich openbaart, zijn zeer verschillend, doch meestal is zij herkenbaar aan de volgende. Het zieke varken tuimelt neer en staat weder op, het toont kramp te hebben en een bloedig vocht vloeit uit bek, neus, geslachtsorganen en aarsopening. Het dier is benauwd. Is hot gestorven, dan zet het lichaam op, terwijl uit den neus zwart bloed vloeit. Teneinde verspreiding dezer ziekte te voorkomen, moet het

ocr page 57

49

zieke dier afgezonderd en, als het sterft, verbrand worden. Trouwens, de AVet schrijft hieromtrent een en ander voor.

])()L1Ij:id is ongeneeslijk. Het dolle varken is onrustig en hijt zelfs in levenlooze voorwerpen : zijn stem klinkt heesch en het schuim staat hem op den bek. Ten slotte schijnt het dier Ie verlammen om daarna te sterven. Ais men zeker weet, dat een varken dol is, moet het terstond afgemaakt en verbrand worden.

Mond- kn klauwzeer is minder gevaarlijk, maar de varkeas lijden er door in ontwikkeling en gaan in gewicht achteruit. Deze ziekte treedt op in den vorm van blaasjes op de slijmhuid van den bek en in de groeven tuschen de klauwen. Meestal lijden de varkens enkel aan mond-, zelden ook aan klauwzeer.

De zieke dieren moeten afgezonderd en hun hokken nnt-Muet worden, /ij moeten lichtverteerbaar voeder ontvangen en goed opgepast worden, wat het geven van strooisel, het uitmesten van den stal en het wasschen betreft.

Vlekziekte. Dij deze ziekte ontstaan op de huid roode vlekken, een gevolg van ontsteking der slijmhuid van maag en darmen. Van de honderd aangetaste dieren sterven gemiddeld tachtig. De eigenlijke oorzaak van den dood is hersenverlam-ming en longontsteking. De meststof bevint zich in het speeksel. het bloed en de uitwerpselen. De ziekte gaat over op andere, dieren, die de smetstof met voedsel of drank in hun spijsverteringsorganen opnemen. Mensehen, die van den eenen varkensstal naar den anderen gaan, kunnen in kleederen, enz. de ziekte overbrengen. Ken afdoend genees- of voorbehoedmiddel is nog niet bekend.

Met inenting als voorbehoedmiddel zijn uitkomsten verkregen. die voor de toekomst veel beloven. De enkele varkens, die van vlekziekte genezen, blijven altijd sukkelaars.

Xa ieder geval van besmettelijke ziekte moet ontsüetting

ocr page 58

50

plaats lu'hlu'u. TijdiMis een ziektegeval moeten de niet zi'-ke (lieren afge/ouderd worden.

De te ontsmetten voorwerpen reinigt men met een oplossing van 1 deel soda en 1 deel gebluschte kalk in 20 deelen kokend water. Na met zniver water afgespoeld te hebben, ontsmet men met 1 Gram (kwikzilver) sublimaat op 1 Liter water. Sommigen doen dit met -'5 a 10 deelen carbolzuur of 10 deelen chloorkalk op 100 deelen water. De lucht in den stal ontsmet men door buiten het bereik van mensch eu vee potten op te hangen, waarin chloorkalk, begoten met zoutzuur. Voor iederen kul), nieter .stalruimte neemt men 2|- HGr. chloorkalk en 3^ HG. zoutzuur.

Niemand verzuime in geval van besmettelijke ziekte onder zijn vee hiervan aangifte te doen bij de bevoegde macht, zooals de Wet dit voorschrijft.

Wij deelen het bovenstaande mede, niet, opdat men den veearts bij voorkomende cevallen zou thuis laten, maar opdat ieder, als hij de kenteekenen van ziekte in 't algemeen en van een besmettelijke ziekte in het bijzonder meent waar te nemen, ten spoedigste een deskundige zal ontbieden.

XVII. Aanhangsel.

a. Hot ringen.

Varkens, die gemest worden, moeten rustig liggen en zoo weinig mogelijk wroeten. Daarom moet men ze ringen. Dit is ook het geval met biggen of jonge loopvarkens, die in hetzelfde liok zijn opgesloten, en elkander met den snuit in de lendenen en flanken stooten, waardoor soms wonden ontstaan.

ocr page 59

51

Het ringen kan door iederen varkenshouder zelf geschkAVcn. Hiervoor zijn voor geringen prijs tangen in den handel inet daarbij hehoorende ringen. De uiteinden van het staafje of plaatje, waarvan de ring gemaakt is, zijn een eind van elkander verwijderd. De ring wordt in de tang gelegd, znó dat de de opening van den ring met die van de tang samenvalt. Dan wordt de tang met haar opening om den bovenrand der snuit gelegd en dicht gedrukt, waarmede de geheele bewerking is afgeloopen. Het spreekt vanzelf, dat hij, die een grooter varken ringen wil, hulp moet hebben.

I». (ftouiclilsbopalin;;.

Het juiste gewicht komt men slechts door weging te weten, w.i benadering doet men het ook door in Kijnlandsehe duimen (aangegeven op iederen gewonen duimstok) te meten ;

ie. de lengte van het varken van af het punt op den kop tusschen de ooren tot aan den staartwortel:

2e. den omvang van het varken achter de voorbeenen.

De getallen, hij deze metingen verkregen, worden met elkander vermenigvuldigd. De uitkomst wordt door 1-5 gedeeld, algt; 't varken mager, door 12 als het vrij goed en door 11 als het goed gemest is. De uitkomst der deeling geeft dan bij benadering het levend gewicht in kilo's aan.

Van elke 100 kilo, die een jong gemest varken weegt, komen np :

Middelmatig gemest. Vetgemest.

1. Het bloed 7,3 Kilo 3,6 Kilo.

2. He ingewanden 9,8 ,, 6 ,,

8. Hen inhoud van maag en

darmen 7 ,, 5 ,,

4. Vleesch en vet, waarbij 74,5 ,, 84,')

5. Beenderen 8 ,, G .,

ocr page 60

52

Vrilgens J. K. de Greuve verhoudt het levend gewicht van varkens zich tot het slaehtgewicht als volgt:

Levend. Schoon aan den haak.

To

Kilo.

58

a 00

Kilo.

100

99

77

„ 80

99

150

99

114

„ 120

99

200

152

„ 100

99

250

9 ?

190

„ 200

99

300

9 9

227

„ 240

9)

350

,,

204

„ 280

f9

400

99

302

„ 320

99

ocr page 61

^qOCOO 5-^1-O OIOI

re O o o n ^ x

i ^ I 'M CM (M

Cu, O

r-H ^ o c: 01 go ^


T co

C W

rH i-H rH Ol (M Ol CC

'M OI Ol CC i

O

O

Eou^o)'— rtoc^oio'X^-Hi^o'^ii^cO'—«-rr-o^i c^i oj cc ^ ^ T—Cl Cl Cl CC p- t-H t-H t—•

Cl

o ê'i c go i-H o cc o o iC co rH r- o

— _ t-H t—! t-H Cl Cl Cl Cl ^ rH ^ rH Cl

SwrH-^r^occocicnooo i occocnc co

r—t-Ht—'ClClCl Q '—quot; T—i rH Cl ci c i

W)

: coo cuocc ^-h i^ o quot;2 »c co •

t—H ^—1 ■»-—• Cl Cl Cl CC' ^ 1

*1

OCCCDOCIKCCO^ tL'^ CD c no cc

rH r—*. rH rH Cl Cl Cl CC ^ i— t— rH

gt; ei»o co rH 5 w C5 c i»c co r-H r^-

^ Cl Cl Cl CC P* t— t-H ^—i CM Cl Cl C

-gCOCOCit?^^^

^ Cl Cl Cl ^

O .

O ^

cc O c: c i »o co -t4O cc'

Cl

KI

amp;s

h

$

Q

h

0 «

Q

CD

C5

V i iej y_ ^ Cl Cl Cl W

O lt;D

1O CO O O quot; 1—I Cl Cl Cl Cl

fcx:(M ci ci cc c/:

S3 -sri

Cl

O» T3 O

i t-h -tu- :r cc ^

eCl »C CX) L ^ Cl Cl Cl y *-7)

O p=

lt; rr cc o o r-

lt; r^ Cl Cl Cl Cl T

-Ls3 O

cncco ^

rc o o ci»c cc

-H rH rH Cl Cl Cl


•rcocoCMsjio^^H^r^ococoo quot;

S.C I O S C I ^ ^ rH rH Cl CM Cl Cl wZ:

Ph

OJ fe:

^ r- o cc co *

gt; CC O C5 Cl »C 00 r- T ; • rH rH CJ C I CJ CC r

w

'quot;Ö

O)

O

75 ci ie co ^-h ^

r— rH r- d CM Cl


ocr page 62
ocr page 63

.. ft.-

I N II O IT D.

El adz

I. Afstamming van hot varken. Varkonsrasson..........quot;gt;

II. Welk fokras of wolko kruising verdient de inoesto

aanbeveling.......................s

III. Keuze van den beer. Zijn verpleging. Hot snijden of

castreeron......................................14

IV. Keuze dor zeug....................................17

V. Do paring................................IS

VI. Verpleging der drachtige zeug.....................1!)

VII. Het worpen of jongen..............................2ii

VIII. Iets uit do algomeene voedingsleer..................22

IX. Do voodermiddelen................................24

X- Do voeding van do zeug en haar biggen............28

XI. Do voedering der loopvarkens......................32

XII. Het mesten........................................37

XHI. De toebereiding van hot voeder....................41

XIV. Het varkenshok....................................42

XV. De wookerdioren..................................4;quot;)

XVI. Besmettelijke ziekten..............................48

XVII. Aanhangsel:

a. Het ringen.................................-,0

b. Gewichtsbepaling..........................5]

c. Draagtijdstafol..............................53

ocr page 64
ocr page 65

»■ r-

I 1 N II O IT D.

I -

i |

BLadz

I. Atstanimini»' van hot varken. Varkonsrasson..........'i

II. Welk fokras of welke kruising verdient de meeste

aanbeveling..........•............s

III. Keuze van den beer. Zijn verpleging. Het snijden of

castreeren......................................14

IV. Keuze der zeug....................................17

V. De paring................................18

VI. Verpleging der drachtige zeug......................1!)

VII. Het werpen of jongen..............................2ti

VIII. Iets uit de algemeene voedingsleer..................22

IX. De voedermiddelen................................24

X- De voeding van de zeug en haar biggen............28

XI. Do voedering der loopvarkens......................32

XII. Het niesten........................................37

XIII. De toebereiding van het voeder....................41

XIV. Het varkenshok....................................42

XV. De woekerdieren..................................45

XVI. Besmettelijke ziekten..............................4S

XVII. Aanhangsel:

a. Hot ringen.................................50

/gt;. Gewichtsbepaling............................51

c. Draagtijdstafel..............................5;s

ocr page 66

T .

— -.1quot;'

levert prima p van het been

VL]

a i. i. i; s

i | ECHT

■ ;; -' ..v

„DE

in e1

LAND-

^ VEE

i

Is bet i

A bonne

Adi

n

„DE VEL. geabonneerc het tienvoui

Bureau:

ocr page 67

Hl. TEHNT OATE3,

l.OCHEM, (Gelderland),

levert prima phosphor/.ure KALK, tot verbetering en versterkiug van het beenderenstelsel bij VARKENS en RUNDEREN.

VLEESOHMEEL VOOR KIPPEN.

A L. L. K SOORTEN K U W 8 T M 13 S T » T O F F 13 M.

IMPORTEUR VAN

ECHT DÜITSCH THOMAS-SLAKKENMEEL,

merk ,.lt;le «terquot;.

„DE VELDPOSTquot;

ALGEMEEN NIEUWSBLAD

met geïllustreerde Bijlagen,

GEWIJD AAN;

LAND- en TUINBOUW, BLOEM- en BOOMKWEEKERIJ, VEETEELT, HOENDERFOKKERU, BIJENTEEL, enz.

Is het meest plezeu LanitatiM in MMni

Verschijnt tweemaal 's weeks.

Abotineinenfsprijs fi.^O per half jaar* A dverten tiën IS Vts. per regel.

Wie zich jaarlijks veel geld bevoordeelen wil, leze i,DE VELDPOST'. De vraagbaak, waarin alle vragen van geabonneerden gratis beantwoord worden, heeft reeds menigeen ■ het tienvoudige bespaard van Wat het leesgeld kost.

Bureau: Martelaarsgracht 18, AMSTERDAM.

ocr page 68

De Yeldpost geeft uit:

lj

1. Het Varken. Fokken en mesten, 4e druk............./0.25 /quot;0.30.

2. Het Melkvee. Keuze, verpleging en voeding, 2e dr..........»0.25 a.0.30.'

3. Hei Hoen. Eierproductie, fokken en mesten 2e dr..........»0.25 »0.30.

4. Het Mestvee. Keuze, verpleging en voeding...................»0.25 »0.50.

5. Het Konijn. Fokken en niesten..........................................»0.25 »0:30.

6. Het Kalf. Keuze, verplegingen voeding van fokkalveren »0.25 »0.30.

7. Eeiiden, Ganzen en Kalkoenen........................................»0.25 »0.30,

8. De Honigbij. Korte handleiding voor Bijenhouders.... »0.25 »0.90.

9. De Moestuin. Een boekje voor iedereen..........................■ 0.35 » 0.40.

10. De' Vruchtboom. Over planten, veredelen en verplegen. »0.25 »0.30.

11. De Oeit. Keuze, verpleging, voeding................................»0.40 »0.-4 quot;gt;. 1

12. Gemakkelijke viethode om Vogels lt;{■ Zoogdieren ap te zetten »0.30 »0.35.

13. Fokken en mesten van Pluimgedierte. Bekr. antwoorden »0.50 »0.55.

14. Bekroonde antic, op Prijsvragen. Mesten, melkgeving, enz. »0.50 » 0.55.

15. Iets over Bemestingsleer. Voor onze jonge lezers..........»0.75 »0.80. )

16. Iets over Bacteriën. Vxior iedereen begrijpelijk verteld.. »0.00 »0.ö5.

17. De longwormtiekte hij Varlcens. Overdr. uit De Veldpost »0.10 »0.15.

18. Bemesting van een Heet. Bouwgrand. ent,. Bekroond antw. »0.30 »035.

19. Handleiding voor't kweeken v. Aardbeziën, Kruisbessen,

Trambanen, Aalbessen, Bramen en Heidebessen.... »0.15 » 0.50.

20. Melklijsten met Toelichting....................... » -.— »017.

21. De Kat, Rassen, Verpleging, Voeding, Ziekten enz... »0,35 »0.40.

22. Melk, voor Veehouders Behandeld.................. »0.35 »0.40.

23. Onxe Hooi- en Weilanden........................ »0.35 »040.

24. Boter.......................................... » 0.35 » 0.49.

25. Het Schaap.................................... » 0.40 » 0.45.

26. De Teelt onzer voornaamste Gultuurgewassen....... »0.35 »0.40. '

27. Het Huisboek voor de boerin..................... »2.50 » 2.60.

Ieder abonné die minstens 5 deeltjes van onze bibliotheek bestelt heeft

15 pCt. korting. Wie 10 deeltjes bestelt geniet 25 pCt. korting, mits ons het bedrag per postwissel wordt overgemaakt.

Landbouwvereenigingen, afd. van Landb.-maatschappijen, Landb-(nrsussen die 20, SO, 40 en 50 deeltjes, naar ketne. gesorteerd bestellen, ontvangen die franco thuis met 80 pCt. korting.

ocr page 69

................

mÊÊmmÊÊÊM HHHH ■

mm mÊ H »

1111 | H ^ 9BHb I - HjH I 1111 UB I

ÜM -SfeJ^Pi. ' I I ■ W*èt ^ SSI H

ü

'

1 ^

ocr page 70

f*y'.WKmmSK

quot;■-ft- - J