Vak 8S
Vak 88 *⢠^
IKS
rit
1
Ckbercn
TER GELEGENHEID
m
VAN HET
irafcl
Trarg-
147
13-20 Maart 1895.
Jïitgoöe en Pruk üou C. 5- can Steiju jJJormocsötrttot 75, ^tnsterK\u-
aa r
Vijfenhalve Eeuwfeest
? (mstcrbain
VAN HET
ran
I.
3ubclltcb van
1845.
Exidtate in conspectu ejus, ... Deux in loco sancto suo! Jubelt voor zijn aangezigt,,. . God is in zijne Heilige Stede Ps. LXVII: 5, 6.
u laat weêr Amstelsstad de kroon,
Haar opgezet van d' outertroon, 'Y'/r Met nieuwen luister stralen;
Ten vijfden maal kwam 't Eeuwgety, En vijfmaal luider hoorde zy 't Triomfgeschal herhalen.
;Tp oen moses voor de vuurvlam stond,
Die 't bosch doorwoelde en niet verslond, quot;V Viel hij aanbiddend neder.
En 't Drietal loofde in 't welvend vuur, Met al de stemmen der natuur. Den God der Wond'ren weder.
, _ n magtig weêr sprak Hij die is T^' Ons toe in 't hoog-GEHEiMENis,
Door 't eigen Wonderteeken: O Amstelaar! gij zaagt voor 't lam, Geworpen in de haardkolkvlam, Het magtloos vuur verbleeken!
n weêr bleef 't manna ongerept,
'v Daar 't vuur uw stad tot asch herschept. Met kerk en tabernakel;
De vloerzerk blaakt, de voetzool gloeit. En 't dekkend doek is ongeschroeid In 't Godlyk Vuurmirakel!
/=ri. j»
: ! oe rees met hel-verlichten boog T'iHet nieuwe Kruisgewelf omhoog, Hoe vonkelden de Altaren! Hoe schoot een goudgloed in 't gezigt, Hoe vlamde 't talloos offerlicht Der toegestroomde scharen!....
eur, beur de gouden wereldkroon,
i; Het vroom geschenk van 's Keizers zoon. Met majesteit naar boven:
Uw glorie straalde door 't heelal, U blijft der eeuwen lof geschal Met duizend stemmen loven!
e droeve slaaf in 't vreemd gewest Verhief zyn blikken naar uw vest,
De bootsman uit de baren;
En de onschuld in de kerkerboei. De schepeling by 't stormgeloei Gedachten uw Altarfiü.^
t' -.vh'W
CONV. WlJCHEf!
r®
I ie rusteloos woelde op 't smartebed, Wie herwaarts toog met wank'len tred,
Of wien geen hoop meer restte;
quot;VVie tastend ging in eeuw'gen nacht, En kinderbeê en moederklagt,
't Riep alles naar uw veste.
ti-1quot; oe drong hun stem dan hemelwaart, â Hoe stroomden zij te bedevaart âMet barrevoetsen trede!quot;i-1quot; oe drong hun stem dan hemelwaart, â Hoe stroomden zij te bedevaart âMet barrevoetsen trede!quot;
Dan vielen zij voor 't Goddelijk lam, Dat wond'ren deed, als in de vlam, In Amstels heil'ge stede.
: \ og steekt G-e uw kroon in 't Wapen op, : ' - Nog schittert ze op uwquot; torentop En praalt in d' eigen tempel:
Maar ach, waar bleef het Hoog-Altaar?... Daar knielt geen vrome pelgrimschaar Op d'eens zoo heil'gen drempel!...
een lamplicht zweeft voor quot;t Heiligdom, Geen wierook geurt er wolkend om.
Bij 't stille beê gefluister;
Geen pleeggewaad, geen offerand.
Geen keurgesteent, geen outer brandt Er meer in starrenluister!...
tort, stort, o vrome Christenschaar! Op 't Eeuwgetij voor 't Feestaltaar,
Bij duizendtallen neder!
En breke door den hemelboog 't Eenstemmig smeekgebed omhoog. Uw God bezoekt U weder!...
lïpe Serafs, die om 't outer staan, '^r Do Heem'len, die ter reije gaan: ^ ' , Zij jublen met u mede:
Eén zelfde beê ruischt 't harpakkoord Door 't Feestgewelf: âAan d' Amstelboord âHerrjjs de heil'ge stede!quot;
II.
â¢Jubellied 189 »5,
Wyze: Pius-Nonus.
â¢^â¢jS-aat nu 't juichend feestlied schallen ' Op het hooge Jubilee Van het glorievolle quot;Wonder
Eens gewrocht te dezer stêe. Nu moet zang en spel weêr roemen,
Hoe in 't vlammend vuur der haard, De ingeworpen heil'ge Hostie Bleef van alle smet bewaard.
i\ oord des Heeren kon niet falen:
â't is mijn Lichaam, 't is mijn Bloedquot;, 't Woord, dat Jesus door alle eeuwen
In ons midden wonen doet. Amstelstad, in uwe muren
Heeft het vuur dat woord erkend, Need'rig 't oud geloof beleden:
âJezus leeft in 't Sacramentquot;.
6
^ eerlijk Wonder, klaar gebleken,
Door God zeiven luid verkond, Op het perkament bezegeld,
Duizendvoud verbreid in 't rond, Eerekroon der Amstelstede,
Wellust van haar burgerij.
Bron der rijkste zegeningen.
Schitter hoog op 't Jubeltij!
^ at nog eenmaal 't groote Wonder / Spreek' voor Gods waarachtigheid; Dat nog eenmaal zijne stralen Melden Gods almachtigheid; Dat wêer elk de knieën bnige
Hier aan de Amstel voor den Heer. Eén van geest en hart belijdend Jezus eonig-zaal'ge leer.
ij in 't oud geloof der vaad'ren,
Heer door uw gena bewaard Danken U in 't juichend feestlied Voor dit hoogste goed op aard'.
Maak ons. Heer der wonderwerken. Maak ons kind'ren kloek en sterk, Tn al 't dwarrelen der tijden,
Van de Heil'ge Roomsche Kerk.
.^egen. Heer, uwe Amstelstede,
Waar Ge als God der wond'ren troont, c'df' Maak haar heerlijk, groot en machtig Om het Wonder dat haar kroont. Hoor het lied der duizendtallen
Op dit hooge Jubilee:
..Eer aan Jesus, eeuw'ge glorie!
Eer den God der heil'ge Stee!quot;
amp;
111.
Jnhellied IS 06,
Wijze: âaan U o Koning der eeuwenquot;
mlioog de jubelgezangen,
Omhoog in de heil'ge Steê, Omhoog uit duizenden monden
Op 't hooge Jubilee!
quot;Weer straalt als blijde zonne
In onverdoofden gloed Het glorievol Mirakel Van Jesus' Vleesch en Bloed.
â¦Â«'et godd'lijk woord voor alle eeuwen ^Deed schitt'ren het groot heelal, Waar gouden zonnen in weem'len ^ En sterren zonder tal.
Zijn scheppingsmacht kwam stralen
Ook 't need'rig hulsel door. Waarvoor het vuur verbleekte.
Zijn feilen kracht verloor.
ezegend gij, uitverkoor'ne.
Gezegend gij, Am stel stad Des Heeren liefde beschonk U
Met d' allergrootsten schat. Hoe juichten uwe zonen
Langs uwer waat'ren kring. De grooten en de kleinen. Om 's Heeren zegening.
oe juichen wij in uw glorie,
O God, onder schijn van brood
â t-
8
Den vaad'ren hier eens verschenen
In luister wondergroot.
Hoe klopt ons fier het harte,
Ons in 't geloof bewaard Dat uwer Godheid stralen Den kleinen openbaart.
at spotten waanwijze scharen,
Verstrooid van uw heilgeloof, Zij, blinden voor uwe werken,
Voor uwe woorden doof.
Ons die uw troon omringen
Ons gaat uw lichtgloed voor. Ons leidt Gij naar uw glorie Het wis'lend leven door.
⢠an U, o Heer der Altaren,
'StrK Aan U blijft ons hart gewijd. Aan U die eens onzen vaad'ren
In 't vuur verschenen zyt. U klinken onze zangen Op 't hooge Jubeltij,
Ons leven, onze vreugde Ons eeuwig heil zijt Gij!
IV.
-rjom, gij uitverkoren schaar! ^ : Troonwacht bij Gods Heil'ge Stede, Kom vereend om zijn altaar Met uw lof, uw dank en bede: Amstel's Gild, weer ópgewaakt. Tuig', hoe 't oud geloof nog blaakt.
9
f- V/ .erre, tot aan 's werelds end', : ^7 Droeg de faam wat God hier werkte In 't Hoogwaardig Sacrament; En zoo menig wonder sterkte 't Zielsvertrouwen op de bee,
Hier gestort ter Heil'ge Stee.
'uid dan rijze uw dank omhoog Voor al 't heil, van God verkregen;
Vrij ook smeeke uw hart en oog Om genade en nieuwe zegen;
Maar vooral, breng eerboete aan Voor den smaad. Hem aangedaan.
ier is voor zijn Vleesch en Bloed
Door de aloude Gilde-Leden,
Hier met onverschrokken moed In uw Amstelstad gestreden:
Toon, voor hemel en voor aard', 't Nakroost zich zijn vad'ren waard
^ óó- met onbezweken kracht,
^ Blijv' voor Amstels hoog mirakel Hulde aan onzen God gebracht In zyn Heilig tabernakel;
En 't gebed ook zwijg' niet meer: rKnier wie doolt hier met ons neer!quot;
V.
, Jezus! eer, om ons zoo diep verborgen In 't Sacrament van uwe onpeil'bre min;
Hier waakt Ge altijd, van d'avond tot den morgen, En trekt om ons uw gloriestralen in.
4-
10
Mijn God en Koning!
Mijn Opperheer!
U, in uw woning,
U, Jesus! dank en eer.
11 , dank en eer! van alle tong en talen, â **Van wat op aarde en in don hemel leeft! Ten boete blijv' heel 't wereldkoor herhalen: Aan Jesus eer! die ons zich zelv' hier geeft Mijn God en Koning! enz enz.
dank en eer! mkar ach, die zwakke klanken, Zij kunnen ü, die in ons midden troont,
V oor zulk een gnnst, zoo eind'loos groot, niet danken. Veel minder nog, als Ge in ons binnenst woont Mijn God en Koning! enz. enz.
©, , geven wij voor liefde ⢠liefde weder:
Zij trekke ons hier naar Jesus tempelkoor; Daar werpen we ons ten dankbaar offer neder, Dat onverdeeld en eeuwig Hein behoor'.
Mijn God en Koning!
Dan vieren wij In 's hemels woning Uw eind'loos lofgetij.
VI.
â¢eft een blijden jubeltoon,
Laat een dankbaar loflied schallen; ^ Prijst het wonder dat Gods Zoon Eenmaal wrochtte in onze wallen 't Wonder dat en roem en macht Aan onze Amstelboorden bracht.
lt;3
11
ier bleef Cristus' Vleesch en Bloed, (rfj? Door een vlammenkring omgeven, ^ In het blaak'ren van den gloed, Ongedeerd en smet'loos zweven: Glorievol getuigenis,
Dat Gods woord waarachtig is.
(yppet hier 't Wonder Sacrament,
Eeuw aan eeuw geëerd, aanbeden. Stroomen pelgrims zonder end Biddend naar deez' veste treden: Yorsten, door 't geloof bezield,
Hier voor Jesus' troon geknield.
MMl ier wordt elke beê verhoord, SF Lenigt Jesus alle smarten.
Hier, veilig toevluchtsoord,
Rusten de afgejaagde harten Wie riep hier ooit Jesus aan,
En is troost'loos heengegaan?
^mpmstelstad wat zijt gij groot
In den glans der gloriestralen, 1: Die aan het wondervuur onschoot! Wie, wie kan uw gtootheid malen! 't Wonder gaat van mond tot mond, Over 't gansche wereldrond.
^jjuich dan, jubel Amstelstad,
Om die kost'bre zegeningen:
* Hier bezit ge uw grootste schat;
Blijf dien met uw liefde omringen. Om den roem dien't Wonder bood: Amstelstad wat zijt gij groot;
12
VII.
ZEProcessie-ILdecL
i ingt uw wonder Amstelaren,
In een luiden jubeltoon,
't Wonder, waarop de eeuwen staren,
Als uw schoonste gloriekroon; Volgt het voorbeeld uwer vad'ren:
Ziet, hoe in des heeren stoet Hunne ryen zich vergad'ren', Vol geloof en liefdegloed,
avid, ijv'rend voor Gods woning, Voerde de Ark naar Sion heen, 'J En de stem van Isrels koning
Riep heel het volk ten feest bijeen; Pauken, cithers, harpensnaren,
Tuigden Isrels vromen zin,
En de kleur der Offeraren Droeg de Bondsark Sion in.
óó, op 't jaarlijksch feestgetijde
Van het wonder, hier gewrocht, G-ing heel de Amstelstede blijde.
Geestdriftvol ten zegentocht; Dan, gedekt met gouden hemel.
Voorgegaan door 't heilig kruis. Toog bij 't jublend volksgewemel, Jesus zelfs langs huis by huis.
â¢Ã¼oe kan de Ark van David halen
By 't geheim, door haar voorspeld. Voor welks wondervolle stralen De gude schaduw henensnelt?
4-
13
Hier heeft God door 't schitt'rend teeken Ons zijn. macht geopenbaard,
Hier zag het vuur zijn krachten breken, En de Hostie bleef gespaard.
1 rek dan rond in jubelklanken, â fc; Als de vad'ren van weleer.
Blijft Hem loven, blijft Hem danken.
Geeft voor liefde liefde weer, Eind'loos, eind'loos moet het rijzen,
't Loflied om zijn altaartroon;
Amstel, 't Wonder, dat wij prijzen, Is uw schoonste gloriekroon.
VIII.
Processie'Lied.
eer, hoe mocht in vroeger dagen
Amstels gansche burgerij 't Heil'ge door haar straten dragen,
Op uw jaarlijks feestgetij !
Allen, allen kwamen juichen
In des Heeren Zegetocht,
ÃÃn geloof den God betuigen,
Die het quot;Wonder had gewrocht.
[tT oog den eigen standaard heffend
Se--'
Trok vooraan de gildenstoet.
En St. Joris, 't monster treffend.
Dat Gods kracht hem vellen doet. De onschuld, als gevleugelde Eng'len, Speelde en zong een hemelsch lied. Waar de tonen zich in meng'len Van den jeugdigen leviet.
1- n het blinkend harnas pralend Voor den Koning van 't heelal Volgde, 't oog van fierheid stralend,
Amstels edel kryg'rental.
Vaandels, ryk met goud doorweven
Vlogen golvend naar omhoog,
quot;Waar van plechtgewaad omgeven, 't Koor der priesters medetoog.
32 ondom 't Kruis in graauwe kleed'ren, gt; v Schreed Franciscus' keurstoet voort, ' â¢Groot in eenvoud en verneed'ren,2 ondom 't Kruis in graauwe kleed'ren, gt; v Schreed Franciscus' keurstoet voort, ' â¢Groot in eenvoud en verneed'ren,
Ejjk met py en boetekoord.
Dan, met sneeuwwit kleed omhangen,
'_t Hart van nieuwen vreê vervuld. Juichte een schaar in dankgezangen Om vergeving van hun schuld.
-quot;IT iet, o ziet, in gouden stralen, SÃ Jezus zelf in 's priesters hand! . Wond're Hostie, beide malen (1 Niet in vlammend vuur verbrand! 't Viertal Vad'ren draagt den hemel? (2
Speeltuig, zangtoon, zonder end. Jubelt tusschen 't volksgewemel: âEer aan 't Wonder-Sacrament!quot;
(1) In 1345 in het huis van den zieke; in 1462 bij de» brand der Heilige Stede,
(2) De vier Burgemeesters der Stad droegen den troon hemel boven het Allerheiligste.
15 %
Afvaar dan de opgetuigde kielen
' Vrolijk wieg'len op het Y ' *quot; Gaat het kloeke scheepsvolk knielen Met de gansche burgerij ;
Langs de kaden, op de baren,
Buigen alle hoofden neer.
En op de onafzienb're scharen Daalt de zegen van den Heer.
§1 eer, zoo Ge ons dien tocht dervad'ren 1 eer, zoo Ge ons dien tocht dervad'ren L Niet als vroeger houden ziet,
6 Toch stroomt ons hun bloed in de ad'ren 't Oud geloof verliet ons niet;
Maar zoo and'ren U thans honen,
Spotten met uw heil'ge leer.
Wil hun ongeloof verschoonen,
Voer hen naar dit altaar weer.
3mpnmatur
Amsterdam, 20 Februari 1895.
p
i