214
m
amp; i
; fei
Korte onJerrlclitiiiï
tot het afieggen
@9i©ï i@@d® Bi®eb|
voor jonge kinderen,
vooral voor hen,
die voor het eerst biechtciLy
Door P. H. Müller, S. V. D.
C-' , _ .
,r â ' »(T^ ^ ^
--agSX£lt;Sggt;-
â quot; â ' :?â
18 99. quot;r'.t,-'quot;
Druk en Uitgave van het Missiehuis
»⢠»â
â¢Â« â¢Â«?
â¢â¢f
ÃV^ te s,eil- by Venloo.
HllllllllllHllllllllllllllllUi»
Vak 33
IfoorbtriebL
dit boekje geschreven voor hen, die voor liet eerst biechten, toch is deze onderrichting in het algemeen berekend voor jonge kinderen tot aan de eerste communie. Om die reden is ook de biechtspiegel zoo uitvoerig. Deze onderrichting moet het onderwijs over de Biecht niet vervangen, maar slechts de taak van den katechist vergemakkelijken.
De lage prijs: fl. 0,04, (fr. 0,08); per 100 fl. 2,10, (fr. 4,40), maakt het boekje vooral geschikt, om in groot getal verspreid te worden.
Steil, I-Vest van den Zoeten Naam Jezus 1899.
De Schrijver.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
495
0608
Koi'te onderrichting tot het afleggen
eener goede Bieclit voor joniïe kindjMcn.
vooral voor licn,
die voor liet eerst liiecliten.
Door P. II. .MUIIer S. V. It.
f. De Itieeht is eeue zeer uroote irenadc.
^)n.scliatbaai' is do weldaad, dio iiij. mijn lief kind, in hefc H. Lgt;oo]isol liobt ontvangen. Toen g'ij nog heel klein waart, kondet gij weliswaar nog niet zondigen. Maai' s'ij liebt reods eene zonde
dit boekje geschreven voor hen, die voor het eerst biechten, toch is deze onderrichting in het algemeen berekend voor jonge kinderen tot aan de eerste communie. Om die reden is ook de biechtspiegel zoo uitvoerig. Deze onderrichting moet het onderwijs over de Biecht niet vervangen, maar slechts de taak van den katechist vergemakkelijken.
De lage prijs: fl. 0,04, (fr. 0,08); per 100 fl. 2,10, (fr. 4,40), maakt het boekje vooral geschikt, om in groot getal verspreid te worden.
Steil, Peest van den Zoeten Naam Jezus 18!)9.
De Schrijver.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
495
0608 1
(^LfL
Korte onderrichting tot het afleggen
eener goede Biecht
voor joiiüe klndoren.
vooral voor hei),
die voor liet eerst biechten.
Door P. H. Miiller S. V. I).
I. De Biecht is eeue /eer g-roote genade.
(Onschatbaar is de weldaad, die gij. mijn lief kind, in liet H. Doopsel hebt ontvangen. Toen gij nog heel klein waart, kondet gij weliswaar nog niet zondigen. Maar gij hebt reeds eene zonde
(TK,
=â=S 2 Sgt;_0
mee op de wereld gebracht, namelijk de erfzonde, en gij hadt niet in don hemel kunnen komen, waar immers niets zondigs kan binnengaan, zoo gij niet van de erfzonde waart gereinigd. Dit nu is in het doopsel geschied. Nog meer. De goede God heeft u, als het ware, als doopgeschenk de heilig-makende genade gegeven, en daardoor uwe ziel wonderschoon gemaakt. Nog meer. God de H. Geest heeft uw hart in een heerlijken tempel veranderd, en de allerheiligste Drievuldigheid heeft er Haren lievelingszetel in opgeslagen. Nog meer. Gij zijt door het H. Doopsel een kind der H. Katholieke Kerk geworden, en hebt zoo deel aan al hare genaden en zegeningen. Ja, nog meer. God heeft u toen als Zijn innig bemind kind aangenomen en tot erfgenaam van Zijn onuitsprekelijk schoon hemelrijk aangesteld. Wat een groot geluk, wat kostbare genaden zijn u dus in het H. Doopsel ten deel gevallen!
Wanneer gij al die nooit hoog genoeg te schatten genaden en gaven altijd getrouw hadt bewaard, wanneer uwe ziel zoo schoon was gebleven, dan zou u de goede God bij uw dood dadelijk in den hemel opnemen. Nu echter hebt gij, mijn lief kind, zoo dik-wijls gij bij het gebed vrijwillig onaandachtig, zoo dikwijls gij in de kerk oneerbiedig, zoo dikwijls gij uwen ouders, onderwijzers en anderen oversten ongehoorzaam waart, met een woord, zoo dikwijls gij hebt gezondigd, den goeden God bedroefd en uwe ziel met zonden besmeurd.
oâö 3
Gij weet echter, dat eene ziel, zoolang zij ook slechts door zulke kleine dagelijk-sche zonden bevlekt is, straf heeft verdiend, en den hemel niet kan binnengaan; vorder weet gij, dat de ziel, wanneer zij door ééne doodzonde besmet is, al de onbeschrijfelijk groote genaden en weldaden, die zij in het H. Doopsel ontving, en ook alle verworven verdiensten verloren, en bovendien de eeuwige straffen dor hel quot;verdiend heeft.
Wat moet er nu gebeuren, mijn lief kind. opdat u de verdiende straffen worden kwijt gescholden, en gij weer rein genoeg voor den hemel wordt? O zie, mijn liefkind, hoe goed God jegens u is! God had kunnen zeggen: Wie na het Doopsel Mij zwaar heleedigt, dien schenk Ik geene vergiffenis meer. Ik zal hem volgens strenge rechtvaardigheid straffen. Ik laat hem niet meer toe in Mijnen schoonen hemel. Dat heeft Hij echter niet gezegd, maar Hij heeft voor allen, die na hot Doopsel zondigen, het heilige sacrament der Biecht ingesteld. Want, zooals gij uit den Katechismus weet, is hot sacrament der Biecht dat heilig sacrament, waarin de priester, in Gods plaats, de na het Doopsel begane zonden vergeeft, wanneer de zondaar er een waar berouw over heeft, ze oprecht belijdt en het voornemen heeft ze niet meer te bedrijven, en de voldoening te volbrengen.
II. Wat moet gij doen, om het H. sacrament
der Biecht waardig- te ontvangen?
Zooals het u, mijn lief kind, in de christelijke leering is uitgelegd, moet gij, om
=gt;-lt;0 1 5
dit sacrament waardig te ontvangen, 1) uw geweten onderzoeken, dat wil zeggen er over nadenken, welke zonden gij hebt bedreven ; 2) moet gij over uwe zonden berouw verwekken, dat wil zeggen, uwe zonden moeten u leed doen, en gij moet wensclien, ze niet te hebben begaan, omdat gij er den goeilen Ood door beleedigd, en Zijne straf verdiend hebt; y) moet gij liet vast voornemen hebben, u te beteren en niet meer te zondigen, ten minste geen doodzonde meer te bedrijven1; 4) moet gij uwe zonden, ten minste alle doodzonden oprecht, duidelijk en rouwmoedig aan den biechtvader, als plaatsbe-kleeder Gods, in de Biecht belijden, om van hem vrijspraak te verkrijgen; 5) moet gij het door den biechtvader als boete opgelegde gebed of de voldoening verrichten.
Lief kind, alleen dan, wanneer gij deze vijf dingen getrouw vervult, wordt gij A an uwe zonden gezuiverd. quot;Wanneer gij echter ook slechts één van deze vijf voorwaarden niet wilt vervullen, verkrijgt gij niet alleen geen vergifi'enis, maar bedrijft nog eene nieuwe, zware zonde, eene heiligschennis. De goede God moge u voor eene zoo groote misdaad bewaren! Om nu ties te eer het H. Sacrament der Biecht steeds waardig te ontvangen, moet gij de hier volgende vermaningen en onderrichtngeii steeds nauwgezet
1
W anneer gij geen doodzonde bedreven hebt, zoo moet gij teu minste over eene of andere dagelijksclie zonde of over eene doodzonde uit de vroegere biecliton berouw verwekken, en een vast voornemen maken.
oâ5 5 Ã^-0
vervullen, en er op bedacht zijn, dat elke Biecht de laatste uws levens kan zijn, waarop strenge rekenschap volgt.
III. Heb geen angst voor het biechten.
De lieve Heiland stelde de Biecht niet in om de menschen te plagen, maar om hen te redden. De Biecht is eene instelling van de onbegrijpelijk groote barmhartigheid en liefde van God jegens ons. Zij moet geene kwelling, geene foltering of marteling zijn, maar eene lafenis, eene verkwikking en geruststelling voor de ziel. Gij moet u daarom van harte verhengen over het overgroote ge-hik. dat gij weldra, evenals de groote menschen, moogt biechten, opdat gij van al uwe zonden bevrijd en uwe ziel weer geheel zuiver en schoon worde.
Mijne zonden zijn te groot, denkt g-ij misschien, ik kan ze alle niet oprecht biechten, ik zon mij te zeer schamen. O, mijn lief kind, luister toch niet naar den duivel, die een leugenaar is. en zoo in uw hart tot u spreekt, om u ong^elukkig* te maken, zooals hij Adam en Eva ong-elukkig* gemaakt heeft. Geene zonde is zoo groot, dat gij u behoeft te schamen, ze te biechten. Het is wel eene schande te zondigen, maar nadat gij de zonde bedreven hebt, is het geene schande meer, dat gij ze ootmoedig bekent, integendeel, het is voor u eene eer, ze te bekennen. Bovendien meenen kinderen zeer vaak, dat iets zware zonde is, zeggen het daarom niet, en biechten zoodoende niet geldig â en het is misschien eene kleinigheid of in 't geheel geene zonde. Wees daarom oprecht, en zeg uwen biechtvader zonder angst alles, wat u ongerust maakt.
âMaar,quot; zegt gij, âik vrees, dat de biechtvader op mij zal schelden en boos worden.quot; Ik verzeker u, mijn kind, al waren uwe zonden ook nog zoo talrijk, de biechtvader zal niet boos worden, maar hij zal medelijden met uwe zwakheid en uwe fouten hebben, en den lieven God danken, dat gij zoo oprecht zijt, en
Voor het eerst biechtenden. 1.
^â=5 G 0
dat ffij u nu wilt beteren. Zou hij u evenwel een ernstig woord zeggen, zoo doet hij dit uit lietde tot u,
opdat gij u des te eerder beteren zult.
âMaar wat zal de biechtvader van mij denken, wanneer ik alles zeg? Hoezeer zal hij niij verachten!quot; Mijn lief kind, al waren uwe zouden ook nog zoo talrijk, de biechtvader zal u niet verachten, maar u hooger schatten dan hen, welke zich schamen, alles te be- t,
kennen, wat zij gedaan hebben. De biechtvader zal van u, wanneer gij alles zegt, denken: Dit is een oprecht biechtkind, hetwelk het ernstig meent.
Misschien denkt gij: âGeen mensch weet iets van deze zonden, en nu zal ik ze biechten! Dan zullen ze openbaar worden!quot; O kind, hoe bedriegt gij u zelf!
Juist het tegendeel geschiedt. Wanneer gij zouden verzwijgt, zullen ze bij het laatste oordeel voor de geheele wereld bekend worden; uw vader, uwe moeder, uwe broeders en zusters, uwe meesters en kameraden,
en niet alleen allen, die u kennen, maar alle menschen en engelen, zullen bij het laatste oordeel uwe zonden tot uwe groote schande luid hooren verkondigen. Wanneer gij ze nu echter oprecht en rouwmoedig biecht, d.in worden ze u door den lieven God vergeven, en ze blijven geheim en verborgen. De biechtvader mag nooit iets zeggen, wat hij in de biecht gehoord heeft. Hij mag niet eens iets laten merken, en moet liever alles verdragen, zelfs lasteringen, vervolgingen, gevangenis, ja zelfs liever den wreedsten dood lijden, dan iets uit de biecht te zeggen.
In den tijd, toen de wreede Wenceslaus koning van Bohemen was, leefde te Praag de vrome priester Joannes Nepomucenus, Deze was de biechtvader der koningin. Eens wilde de koning weten, wat de koningin gebiecht had. Daarom liet hij Joannes tot zich roepen en bad hem dit te zeggen. Joannes rchter sprak: ..Ken priester mag niets uit de biecht zeggen.quot; De koning beloofde hem geld. Toen hij hiermee echter ook zijn doel niet bereiken kon, dreigde hij hem met den dood. ^
Joannes wilde ook nu nog niets zeggen, en liet zich liever van eene brug in het diepe water werpen en verdrinken, dan een enkel woord te zeggen. Zoo is J
het bij alle priesters. Ieder biechtvader laat zich liever dooden, dan iets uit te Biecht te zeggen. Zoo streng is de biechtvader verplicht te zwijgen. Niet eens mag de biechtvader met u zelf spreken over hetgeen gij ;
gebiecht hnbt. ook wanneer gij geheel alleen zijt. Schaam
»-lt;3 7
u daarom nooit oprecht te biechten! Het is toch beter, dat g-ij uwe zonden bij eenen priester, die eeuwig- zwijgen moet, biecht, dan dat ffij altijd in onrust leeft, rampzalig: sterft, en bij het laatste oordeel voor de geheele wereld te schande wordt, en bovendien in alle eeuwigheid de verschrikkelijkste pijnen lijden moet.
Misschien antwoordt gij; rIk zou wel graag alles zeggen, maar ik weet niet, hoe ik het moet aan leggen om dat, wat ik gedaan heb, uit te drukken. Ook daarover behoeft gij geen angst te hebben, gij moet er uw biechtvader maar op opmerkzaam maken en b. v. zeggen: âVader, ik heb nog iets op het hart.quot; Igt;e biechtvader zal u dan vol goedheid helpen en u ondervragen, en gij behoeft slechts oprecht te antwoorden, en alles zal dan verder heel goed gaan.
Zoudt ge eindelijk er nog over bevreesd zijn, dat gij u niet al uwe zonden kunt te binnen brengen, of dat gij ze niet alle in de Biecht kunt tellen, of dut gij geen goed berouw of geen vast voornemen hebt, zoo verzeker ik u: Ook daarover behoeft S'j geenszins in angst en vrees te zijn: want de goede God is uw allerbeste vader, die steeds over n goed tevreden is, indien g-ij werkelijk van goeden wil zijt. Wanneer gij er dus naar streeft alles te doen, zooals liet u in de christelijke leering en in dit boekje aangegeven is, dan moogt gij gerust zijn, dan spreekt gij wis en zeker eene goede Biecht. Zoudt gij ondanks uw goeden wil in nwe Biecht toch eene doodzonde vergeten, dan is uwe Biecht toch goed, en de goede God vergeeft u de vergeten doodzonde even goed als de andere, alleen zijt gij verplicht, deze vergeten doodzonde in de volgende Biecht aan te geven.
Gij moogt dus niet vreezen, gij beliooft dus nooit angst voor hot biechten te hebben, eerder moet gij er u van harte over verheugen, dat gij weldra moogt biechten.
IV. Over de manier van zich tot de Biecht voor te bereiden.
Lief kind, wanneer gij wilt biechten, bereid er u dan eenigen tijd op voor. Ik zal u nu eons zeggen, hoe gij dit moet doen.
»-lt;5 8 G»-0
Yooral moet gij u gedurende dezen tijd van voorbereiding zorgvuldig wachten, den goeden God opnieuw te beleedigen. Denk dan dikwijls: Ik zal weldra biechten; ik wil mij daarom nu reeds beteren en zeer braaf zijn. Woon dagelijks met diepen eerbied het heilig misoffer bij, en vraag uwe moeder dagelijks met u een Onze Vader te bidden, om van den goeden God de genade te verkrijgen zeer goed te biechten. Wees in de christelijke leering vooral oplettend bij de uitlegging van het H. Sacrament van boetvaardigheid, en leer uw katechismus goed. In dit boekje vindt gij op bladzijde 12 een biechtspiegel, die voor u past. Begin met behulp daarvan reeds drie dagen voor den biechtdag uw geweten te onderzoeken.1) Lees de vragen van den biechtspiegel langzaam en met oplettendheid de eene na de andere, en denk er bij elke zonde over ua, of gij ze bedreven hebt of niet. Bij sommige zonden zult gij gauw genoeg vinden, of gij ze gedaan hebt, bij andere zult gij meer tijd noodig hebben. Al te lang moet gij echter over geen enkele vraag nadenken. Onthoud ook, ten minste wanneer het een doodzonde is, het getal, hoe dikwijls gij ze bedreven hebt. Kunt gij het getal der zware
1
Denk op den eersten dag na over de 4 eerste geboden. Op den tweeden over het 5., 6. en 9. g'ebod. Op den derden dag over het 7., 10. en 8. gebod. Bepaal voor liet gewetensonderzoek een vast uur, waarop gij het minst wordt gestoord. Vraag uwe moeder er voor te zorgen, dat men u op dat uur niet stoort. Begin liet gewetensonderzoek steeds met de aanroeiJing van den H. Geest op bladzijde 11.
=^3 !i
zonden niet juist aangeven, dan moet gij ze aangeven, zoo goed als gij kunt, en bij u zelf nagaan, hoe dikwijls gij omtrent per dag, of per week, of per maand, of per jaar die zonde hebt bedreven. Zoo gij uit valsche schaamte het getal der doodzonden niet nauwkeurig opgeeft, is de Biecht ongeldig.
Bij de dagelijksche zonden is het aan te raden, te zeggen, of gij ze slechts nu en dan of wel dikwijls, of bijna altijd hebt bedreven, opdat de biechtvader des te beter den toestand uwer ziel leere kennen, en u gemakkelijker kunne helpen, u van deze fouten te beteren. Gij zijt echter niet verplicht, de dagelijksche zonden, of het getal dier zonden te biechten.
Wat in den biechtspiegel met vettere letters is gedrukt, kan gemakkelijk doodzonde zijn, het andere is bij kinderen gewoonlijk slechts dagelijksche zonde. Bij zonden, die gij met anderen hebt bedreven, moogt gij nooit den naam van personen noemen. Zoo gij echter met uwe broeders, zusters of bloedverwanten eene zonde tegen het zesde gebod hebt bedreven, moet gij dit er bij zeggen, zonder echter hun naam te noemen.
Tracht na het gewetensonderzoek met allen ernst een goed berouw te verwekken, en een vast voornemen te maken, door op bladzijde 18 de beweegredenen van het berouw aandachtig te overwegen, en de daar bij gevoegde acte van berouw te verrichten. Want berouw en voornemen zijn bij het biechten steeds de hoofdzaak. Zonder be-
10 0
rouw en voornemen is er geen geldige Biecht, en dus ook geene vergiffenis der zonden mogelijk.
Wat nu is liet berouw en het voornemen? Lief kind, let nu goed op, om dit goed te begrijpen.
Toen een vader eens op reis firing, liet hij zijne beide kinderen bij zich komen, en hen beloven, dat zij, zoolang hij afwezig zijn zoude, de schoone bloembedden en jonge boompjes niet zonden beschadigen. De kinderen beloofden dit ook. Nauwelijks echter was de vader op reis, of zij vertrapten bij het spelen de bloembedden, en beschadigden de zorgvuldig gekweekte boompjes. Nu werden zij treurig. De moeder zag hunne droefheid, en vroeg: âWaarom zijt gij zoo bedroefd Vquot; Het eene kind sprak: âWij hebben de schoone bloembedden en boompjes bedorven, en nu krijgen wij zeker straf; ik wilde, dat wij het niet gedaan hadden, en ik zal het nooit weer doen.u Het andere zei: âDe straf hebben wij verdiend, maar ik ben bedroefd, wijl ik m^nen goeden vader beleedigd heb, en ik wil het nooit weer doen.quot;
Hebben deze kinderen berouw en voornemen wegens de bedrevene font? Ja, beiden hebben berouw en een vast voornemen, het nooit weer te doen. Het tweede kind echter heeft een volmaakt berouw; want het is bedroefd, wijl het den vader beleedigd heeft; daarentegen heeft het andere een onvolmaakt berouw, wijl het uit vrees voor straf zijne fout verfoeit.
Zie, mijn kind, gij hebt eenen Vader in den Hemel, welke u veel meer bemint dan uwe ouders, en deze zegt u: âMijn kind, zondig niet, want door iedere zonde bedroeft gij Mij en verdient gij straf.quot; Nu echter hebt gij toch gezondigd, dit bedroeft u, en gij neemt u vast voor, dit niet meer te doen. Verfoeit gij nu uwe zonden slechts, wijl gij straf van den lieven God verdiend, of wijl gij Zijne genade verloren hebt, dan hebt gij een onvolmaakt berouw, hetwelk in verbinding met de biecht voldoende is. Verfoeit gij uwe zonden echter, wijl gij den lieven God beleedigd hebt, die uw grootste Weldoener en uw beste Vader, het hoogste en beminnenswaardigste Goed is, dan hebt gij een volmaakt berouw, waardoor God u dadelijk uwe zonden vergeeft, mits gij den wil hebt, ze te biechten.
I I
Wie over zijne zonden slechts daarom berouw heeft, wij! hij de straffen der menschen, of de beschaming voor den biechtvader vreest, of een tijdelijk verlies leed, heeft g-een voldoend berouw. Zulk een zuiver natuurlijk berouw maakt, dat de biecht niet g-eldig is. Om g-eldig te biechten moet men een bovennatuurlijk berouw hebben, d. i. een berouw, dat ons aan God herinnert. Dit bovennatuurlijk berouw kan, zoo als g-ij gezien hebt, onvolmaakt zijn in de Biecht, of, wat het best is, volmaakt, en wel zonder dat gy eenige smart in uw binnenste voelt. Want bij het berouw komt het niet op het gevoel aan, dat geenszins in onze macht is, maar op den afkeer, dien men van de zonde heeft, of het verlangen, die zonde nooit bedreven te hebben, en op den vasten wil, den lieven God nooit meer te beleedigen. Mijn kind! Gij kunt over het voornemen en het berouw altijd gerust zijn, wanneer gij u ernstig beijverd hebt, een goed berouw te verwekken, en een vast voornemen te maken.
V. Wat moet if ij op don biechldair doen.
Ga op den biechtdag op den vastgestel-den tijd stil naar de kerk, zonder onderweg of buiten voor de kerkdeur met andere kinderen te spelen of leven te maken; kniel in de kerk op uwe plaats neer, en wees voor en na de Biecbt bijzonder braaf en ingetogen. Praat en lach toch niet voor den biechtstoel! Wees toch niet zoo lichtzinnig bij eene zoo heilige en gewichtige zaak ! Bid op de eerste plaats vol aandacht tot den G-ever der genaden, tot God den H. Geest, het volgende gebed, opdat Hij u des te meer bijsta en helpe om goed te biechten.
Aanroeping van den II. Geest.
Kom, H. Geest! en verlicht mijn verstand, opdat ik mijne zonden goed moge kennen; ontroer mijn hart, opdat ik er een ernstig.
^ 12 °
berouw over verkrijge, ze oprecht biechte en mij waarlijk betere. Amen. â Onze Vader, enz. Wees gegroet, enz.
Onderzoek na de aanroeping van den H. Geest nog eens in het kort, zoo het noodig is, uw geweten met behulp van den biechtspiegel. Vergoot ook niet het getal, ten minste van de doodzonden, op te geven. Bij de belijdenis uwer zonden moet gij echter met zeggen: Heb ik of ben ik, maar gij moet zeggen; Ik heb, ik ben. Gij moogt b. v. in do Biecht niet zeggen: Heb ik somtijds (dikwijls, haast altijd) vrijwillig verstrooid gebeden, of ben ik in de kerk somtijds (dikwijls, haast altijd) oneerbiedig geweest, maar gij moet zeggen: ik heb somtijds (dikwijls, haast altijd) vrijwillig verstrooid gebeden, of: ik ben in de kerk somtijds (dikwijls, haast altijd) vrijwillig oneerbiedig geweest. Gij moogt echter zonden, die gij niet bedreven hebt, ook niet biechten.
VI. Biechtspiegel.1)
1. Gebod Gods.
Heb ik 's morgens, voor het eten, of 's
1
Zoo gij echter reeds gebiecht hebt, moet gij u affragen; 1. Wanneer (voor hoeveel weken of maanclen) heb ik het laatst gebiecht? 2. Heb ik den laatsteu keer goed gebiecht ? Heb ik in de laatste Biecht wellinht eene zware zonde wetens en willens (uit valsche schaamte) verzwegen? ti. Heb ik de opgelegde voldoening volbracht? Meent gij. dat gij vroeger slecht (ongeldig) hebt gebiecht, ot' de opgelegde voldoening niot hebt volbracht, zeg liet dan aan uwen biechtvader bij liet begin van de biecht.
»-lt;3 13 3^
avonds liet gebed eonige keoren verzuimd? (dikwijls, haast altijd?)
Heb ik opzettelijk oneerbiedig gebeden ? (dikwijls, haast altijd ?)
Heb ik verzuimd den katechismus en de bijbelsche geschiedenis te leeren? (dikwijls, haast altijd?)
2. Gebod Gods.
Heb ik den naam van God en andere H. namen, b. v. Jezus, Maria en Jozef, (dikwijls, haast dagelijks) oneerbiedig uitgesproken?
Heb ik (dikwijls, haast dagelijks) gevloekt? Waren het groote vloeken? Hoe dikwijls?
3. Gebod Gods en 1. en 2. gebod der Kerk.
Heb ik op Zon- en geboden feestdagen vrijwillig de H. Mis verzuimd? Hoe dikwijls?
Ben ik op Zon- en geboden feestdagen door mijne schuld te laat in de Mis gekomen? (dikwijls, haast altijd?)
Was de Offerande reeds ten einde? Hoe dikwijls?
Ben ik in de kerk vrijwillig oneerbiedig geweest? (Heb ik b. v. gelachen, gesproken, gestooten, omgekekon, andere hoeken dan het gebedenboek gebruikt, b. v. Vertelling-boek of Bekenboek, en mijne lessen in de kerk geleerd? [dikwijls, haast altijd?])
Ben ik door mijne schuld (dikwijls, haast altijd) uit de preek en de christelijke leering gebleven?
4. Gebod Gods en 3. Gebod der Kerk.
Ben ik tegen mijne ouders, meesters en andere oversten (dikwijls, haast altijd) ongehoorzaam geweest ?
14 0
Ben ik tegen uiijnc ouders, meester.-; en andere oversten (dikwijls, haast altijd) 011-bcscliot't en weerspannig geweest?
Heb ik hen zoo toornig gemaakt, dat zij weenden? Hoe dikwijls?
Heb ik langen tijd voor mijne ouders niet gebeden?
Heb ik op geboden vasten- of onthoudings-dagen opzettelijk vleesch gegeten? Hoe
dikwijls ?
5. Gebod Gods.
Heb ik met mijne broeders, zusters en anderen (dikwijls, haast dagelijks) getwist, hen geslagen, hun scheldnamen gegeven en hun kwaad toegewenscht ?
Ben ik (dikwijls, haast dagelijks) nijdig geweest ?
Bon ik verheugd geweest (dikwijls, haast dagelijks) over het leed van anderen?
lïen ik (dikwijls, haast dagelijks) toornig en halsstarrig geweest? Hoe lang?
Heb ik baldadig (dikwijls, haast dagelijks) dieren geslagen en mishandeld.
6. en 9. Gebod Gods.
Alle zonden tegen het H en 9. gebolt;l kunnen gemakkelijk doodzonden zijn. Dierbaar kind. wees daarom op dit punt bijzonder oprecht en vraag den biechtvader om raad. wanneer gij niet weet, of iets zonde is. Want dikwijls houden kinderen iets voor zonde, wat geen zonde is, en omgekeerd houden zij dikwijls iets voor geen zonde, wat toch eene zware zonde is. Kunt gij u over iets niet goed uitdrukken, dan zeg: Eerwaarde Vader, ik heb nog iets tegen liet 6. gebod, dat ik niet goed kan uitdrukken. Dan zal uw biechtvader u vol liefde helpen. Maar geef toch niet toe aan valsche schaamte! Vraag u zelf nu heel op-reclit af:
oâC 15 ei-
Heb ik deelen van mijn lichaam, die men zonder noodzakelijkheid nooit, ook niet bij het baden mag beschouwen en steeds toegedekt moet houden, uit eene slechte meening en on-zuiveren wellust bekeken? Hoe dikwijls? En aangeroerd? Hoe dikwijls?
Heb ik dit aan anderen gedaan? Hoe dikwijls?
Heb ik dit van anderen aan mij laten doen? Hoe dikwijls?
Heb ik over onkuische dingen met wellust nagedacht ? Hoe dikwijls?
Heb ik vrijwillig begeerd onkuischheid te zien? Hoe dikwijls? En te doen? Hoe dikwijls?
Heb ik over onkuische dingen gesproken? Hoe dikwijls? Hoeveel personen hebben het gehoord ?
Heb ik onkuische gesprekken met vreugde aangehoord? Hoe dikwijls?
Zoo gij, mijn lief kind, het ongeluk zomlt liebben gehad, tegen de zuiverheid des harten te misdoen, dan behoeft ge volstrekt niet nioedeloigt;-te zijn ; in uw kinderjaren kunt gij nog geiylt;ff1ie-lijk van die afschuwelijke ondeugd b^-rnjTl worden; belijd haar slechts niet waar l-rfouw en openhartigheid aan uwen biechtvader, opdat hij u ielpe, van God vergiffenis te verkrijgen en niet meer in de zonde te hervallen.
Hebt gij echter nog het groote geluk, te kunnen zegden; ik heb met de genade Gods tot nu toe de H. Kuischheid bewaard, o. ga dan voort, lief kind; gij weet niet, hoe gelukkig gij te noemen zijt- Wilt gij dit groote geluk bewaren, dan moet gij vooral uwe zintuigen bewaken; de uiterlijke zedigheid, bijzonder bij het aan- en uit-kleeden, zorgvuldig in acht nemen; alle booze gedachten en bekoringen, welke tegen deze H. Deugd in u ontstaan, terstond bestrijden, door dat gij uwe toevlucht tot het gebed neemt, of uwe gedachten oyi andere dingen richt, bij/,onder
1(5 6=â»
op de vier uitersten, den dood, liet laatste oordeel, den hemel en de hel; en onthoud wel: zoo lang de wil in de bekoring niet toestemt, is het nog goene zonde, maar gij krijgt voor het bestrijden der bekoring eene honderdvoudige belooning in den hemel. Wanneer gij toevallig onzuivere dingen hoort of ziet, keer u dan dadelijk met afschuw daarvan af, en denk daar niet over na. Lees nooit een boek. zonder dat, uwe ouders of oversten iets daarvan weten. Vermijd verder zorgvuldig den omgang .net bedorven kinderen en alle personen, die uitgelaten en losbandig in hun gedrag en gesprekken zijn, en zeg het, wan-Tieer zij gevaarlijk voor u of anderen zijn, aan uwe ouders, of uwen biechtvader. Laat u niet misleiden, wanneer iemand tegen u zegt, dit of dat. wat toch blijkbaar tegen de H. Kuischheid en het christelijk fatsoen is, is geene zonde. Zoo iemand is een helper van den duivel, een leugenaar, een bedrieger. Bid vooral, ora uwe onschuld te bewaren, iederen dag 3 maal het âWeesgegroetquot; ter eere van de onbevlekte Ontvangenis van Maria.
7. en 10. Gebod Gods.
Heb ik (dikwijls, haast dagelijks) gesnoept?
Heb ik (dikwijls, haast dagelijks) van mijne ouders geld weggenomenquot;? Hoeveel ieder maal ?
Heb ik (dikwijls, haast dagelijks) den wil gehad, dit te doen ?
Heb ik iets van anderen weggenomen? Wat? Hoe dikwijls?
Heb ik gevonden goed behouden, ofschoon ik weten kon, wien het toebehoorde? Wat â¢was het? Hoe dikwijls?
Heb ik den naaste aan zijn eigendom, b. v. aan boeken, kleederen. weilanden, akkers, huizen, dieren, met opzet schade toegevoegd? Hoe groot was de schade? Hoe dikwijls ?
=â=0 17 3^-«
8. Gebod Gods.
Heb ik somtijds (dikwijls, haast dagelijks) gelogen ?
Heb ik de onbekende gebreken van anderen zonder grond verder verteld (kwaadspreken)? Hoe dikwijls en van hoeveel men-schen ?
Heb ik over de gebreken van anderen gezwegen, die ik aan ouders en onderwijzers had moeten aangeven? Hoe dikwijls?
Waren het groote gebreken? Hoe dikwijls?
Heb ik van anderen iets kwaads verteld, dat niet waar was (laster) ? Hoe dikwijls ? Was het iels heel ergs? Hoe dikwijls?
Hebt gij eene zware zonde bedreven, die niet in 't gewetensonderzoek genoemd is, zoo moet gij ze toch biechten. Hebt gij iets gedaan of verzuimd, waarvan gij later eerst vernomen hebt, dat liet zondig was, zoo kan van zonde geene sprake zijn. Ook zondigt gij niet, wanneer gij een goeden raad niet opvolgt, of een vroom, maar niet verplicht gebruik verzuimt.
Wanneer gij met het gewetensonderzoek klaar zi.jt, tracht dan een zoo goed mogelijk berouw over al uwe zonden te verwekken, en een goed voornemen te maken door de beweegredenen van berouw op bladzijde 18 heel aandachtig te overwegen en het daarbij gevoegde gebed te verrichten. Ga toch nooit in den biechtstoel zonder dit te hebben gedaan. Want, zooals ik u reeds vroeger zeide: Zonder berouw en voornemen is geen Biecht geldig, en dus ook geene vergeving der zonden mogelijk.
-V^
0â=5 18 3*â0
VII. Berouw on Voornoiiicn.
OvorwcfK mi uiuxliicliti^ de liOHcccroih'iioii van het berouw.
1. Denk na, lioo fjij door do zonden verdiend hebt van God in dit en in liet andere leven gestraft te worden. Denk aan hetgeen do vervloekte engelen en men-schen in de hel, of wat de zielen in het vagevuur moeten lijden. Ach, hoe zou het met u gegaan zijn, wanneer God u evenzoo gestraft had? Denk nu na, wat gij wilt doen, of gij niet voortaan een lief. gehoorzaam kind des hemelschen Vaders wilt zijn, opdat gij eens hij Hem in den Hemel komt.
2. Stel u voor, hoe Jezus aan hetkruis hangt, hoe Hij, aan handen en voeten vastgenageld, met doornen gekroond, geheel met wonden en bloed bedekt, voor u lijdt en sterft. Zie, ook door uwe dagelijksche zonden hebt gij meegeholpen, dat de lieve Jezus zoo lijden moest, gij zijt zelfs mede schuld aan Zijnen dood, wanneer gij eene doodzonde bedreven hebt; en het zoude u niet leed doen, ge-zonrligd te hebben ?
lt;^3 1Ã
3. Herinner u ook de vele en groote woldaden, mot welke u God overladen heeft; lioc Hij u liet leven, gezondheid, dagelijkscho voeding, goede ouders en eenen H. Engelbewaarder gegeven heeft; hoe gij 't aan Hem alleen te danken hebt, dat gij geen heiden of jood, maar een kind der H. katholieke Kerk zijt. O, welk een slecht en ondankbaar kind moet gij zijn, wanneer gij wilt voortgaan, eenen zoo oneindig liefdevollen Vader, die ook het beminnenswaardigste en hoogste Goed is, te beleedigen!
Nadat gij dit oplettend gelezen hebt, verricht dan met een rouwmoedig hart dit gebed:
O, beminnelijkste God en Heiland, Jezus Christus, zie, aan Uwe voeten Uw arm, zondig kind. Ach, hoe moet ik mij schamen voor Uwe oogen! Gij zijt van den hemel op de aarde gekomen, en hebt onuitsprekelijk veel voor mij geleden, en eindelijk voor mij Uw leven gegeven; en ik was zoo ondankbaar, en heb tegen U gezondigd. Hadt Gij, gerechte God, mij, gelijk de booze engelen, na de eerste zonde gestraft: ach, hoe ongelukkig zoude ik nu en in alle eeuwigheid zijn! Gij echter waart altijd en zijt nu nog vol van liefde en barmhartigheid voor mij. Uw ondankbaar kind.
O, mijn Jezus, hoezeer bedroeft het mij. dat ik U, het hoogste Goed, beleedigd heb! Hoezeer wensch ik nu, U, mijnen beminnens-â waardigsten God en Heiland, altijd bemind te hebben! Ik bid U ootmoedig, mij te vergeven, en mij weer in Uwe genade op te nemen. Tk haat en verfoei al mijne zonden, en neem
»-5 20 £-«
mij vast voor, o mijn God, mij van nu af waarlijk te beteren. U wil ik voortaan boven alles beminnen, en iedere gelegenheid en elk gevaar vluchten, opdat ik niet meer het ongeluk hebbe, weer in zonden te vallen.
O allerheiligste Maagd Maria, Moeder Gods, H. Jozef, Voedstervader van Jezus Christus, bidt nu voor mij, opdat ik deze biecht goed verrichten en vergiffenis over mijne zonden verkrijgen moge. Sta ook gij mij bij, o H. Engelbewaarder, opdat ik van nu af niet meer zondige en een vroom leven moge leiden.
Moet gij nog wachten, voor gij biechten kunt, bid dan den âdroevigen rozenkransquot; of andere gebeden, en stoor niemand door spreken, lachen of' door iets anders. Plaats u niet te dicht bij den biechtstoel; hoort gij iets uit de biecht van eenen anderen persoon, dan zijt gij verplicht hierover te zwijgen.
VIII. In deu Biechtstoel.
Als gij in den biechtstoel komt, vraag dan den zegen, zeggende: Vader, gelief mij den zegen te geven; en zeg daarna de voor-biecht :
Ik belijd mijne schuld voor God almachtig, voor de H. Maagd Maria, voor alle Heiligen, en u. Vader, dat ik zeer gezondigd heb door gedachten, woorden en werken : het is mijne schuld, mijne allergrootste schuld. Mijne laatste Biecht is geweest . . . .
Biecht vervolgens uwe zonden en zeg daarna de nabiecht:
Van deze en alle mijne zonden, die ik niet indachtig ben, belijd ik mijne schuld;
o-lt;5 21 S^-0 â¢
ik bid God om vergiffenis door dc verdiensten van Christus, en u. Vader, om eene zalige penitentie en absolutie, indien ik het waardig ben.
Let wel op de vermaning van den biechtvader, en op de boete, welke hij u oplegt; en wanneer hij iets vraagt, antwoord dan oprecht; wees blij, wanneer hij u iets vraagt, opdat gij zoo volkomen mogelijk kunt biechten. Gedurende de vermaning moet gij goed opletten, en dan niet nadenken, of gij misschien eene doodzonde hebt vergeten. Komt u echter nog eene zonde in de gedachte, zeg ze dan terstond na de vermaning.
Hebt gij iets niet goed verstaan, b. v. de penitentie, zeg dit dan den biechtvader, sprekende: Eerwaarde vader, ik heb de penitentie niet verstaan. Heeft de biechtvader u eene boete opgegeven, zeg dan: ,.lk dank iiu, d. i. graag, met vreugde wil ik dc boete volbrengen.
Nu zijt gij met de biecht nog niet klaar, maar nu komt eerst het voornaamste: de absolutie. Wanneer de priester de Latijnsche gebeden verricht, verwek dan nogmaals een innig.berouw, en wanneer hij het kruisteeken over u maakt, dan kunt gij een kruis maken. De priester zegt daarbij: ,, Ik spreek u vrij van uwe zonden: in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestcs. Amen.quot; Op dit oogenblik worden u uwe zonden vergeven, en gij wordt met genade bedeeld.
o-lt;5 22 5â°
â¢
Ga niot uit den biechtstoel vóór dat de biechtvader het teekon daartoe geeft of zegt: âGeloofd zij Jezus Christusquot;. Antwoord dan: âIn eeuwigheid. Amenquot;, en ga dan ingetogen naar eeno plaats, waar gij ongestoord kunt bidden. Herinnert gij u na de Biecht, dat gij zonden hebt vergeten, zoo kunt gij, mits gij den goeden wil hadt, ze te biechten, gerust zijn, en gij behoeft die vergeten zware zonden slechts in de eerstvolgende Biecht mee te biechten.
VIII. Na lt;le Biecht.
Dank- en Smeekgebed.
O God, hoe groot is Uwe liefde en goedheid ! Gij hebt mij door den mond van Uwen priester de zonden vergeven. Ik ben nu weer geheel Uw kind. Dank en lof zij U voor Uwe groote barmhartigheid! Ik wil deze genade niet vergeten, en uit dankbaarheid mij beijveren, de zonde en de naaste gelegenheid tot zonde zorgvuldig te vermijden. Zegen, o God, mijn voornemen, opdat ik het goed volbrenge. Daarom bid ik U door Jezus Christus, Uwen Zoon, die door Zijn kostbaar Bloed mij verlost heeft, en mij van mijne zonden heeft gereinigd. A.
H. moeder Gods, help mij, opdat ik de heiligmakendo genade niet meer verlieze! â H. Engelbewaarder, verlaat mij niet! Amen.
Bid nu, wanneer gij kunt, als de biechtvader geenen anderen tijd bepaald heeft, de penitentie.
Verricht daarna de volgende korte gebeden:
Hemelsche Yader, ik offer het kostbaarst Bloed van Jezus Christus aan U op, tot vol-
lt;3 -i.-J Ggt;-c
doening mijner zonden, en voor de aangelegenheden der H. kerk.
(100 dagen aflaat iedere maal. Pius VII. 1817.)
Zoet Hart van Jezus, geef, dat ik U meer en meer beminne!
(300 dagen afl. iedere maal. Pius IX. 1876.)
Mijn Jezus, barmhartigheid! i (100 dagen afl. iedere maal. Pius IX. 18-16.)
Zoet Hart van Maria, wees mijne toevlucht ! (300 dag. afl. iedere maal. Pius IX. 1852.)
Engel Gods, gij, die mijn beschermer zijt, verlicht, bewaar, leid en bestuur mij, die door de hoogste Vaderliefde aan u ben toevertrouwd.
(100 dagen afl. iedere maal. Pius VI. 1795.)
O liefderijkste Jezus, ik smeek U, bewaar mij voor de bekoring, geef mij een afschuw van de zonde, en help mij een braaf kind te worden.
O Jezus, zegen mijne ouders, broeders en zusters, familie, weldoeners, vrienden en vijanden.
Zegen Uwe H. kerk, haar opperhoofd, den Paus, N. N., onzen bisschop, onzen zielzorger, alle priesters, en onzen leermeester (onze leermeesteres).
O Jezus, ontferm U over de arme zondaars en over de arme zielen in het vage-â ' vuur. Amen. Onze Vader .... Wees
gegroet ....
4 Bid op den biechtdag ook gaarne den H.
Kruisweg, en denk daarbij : Zooveel heeft Jezus voor mij geleden, en ik heb Hem dit zoo slecht vergolden, in 't vervolg wil ik mij beteren.
Wanneer gij met de gebeden klaar zijt. ga ' dan rustig en ingetogen naar ])nis, zonder dat gij
gt;-lt;D 24
terstond voor (lp kerkdeur begint te spelen of luid-rnclitig zi.jt. Vertel anderen niet, wat gij gebiecht hebt. of wat de biechtvader tegen u gezegd heeft, noch welke boete gij gekregen hebt. Het biechten moet een geheime zaak blijven. Wtes thuis vriendelijk en gehoorzaam. Spaar de moeite niet, iiwen ouders, broeders en zusters voortaan meer vreugde te bereiden, en de oude fouten af te leggen, bijzonder die. aan welke gij u vaak schuldig gemaakt hebt. Zoo zult gij toonen, goed gebiecht te hebben.
Imprimatur. Baarlo, die 12. m. Febr. 1809 J. H. Geenen, Librorum Censor.
van P. H. Miiller, S. Y. !).
.. .Wie bekend is nust de uitwerkingen der IT. Biecht op zedelijk en maatschappelijk gebied, is overtuigd van het groote belang eener goede voorbereiding der kinderen tot het ontvangen van dit heilaanbrengend Sacrament. De eerste onderrichtingen worden meestal ook in het verdere leven opgevolgd. P. M ü 11 e r heeft hierin den juisten weg aangeduid. Hij heeft overal de passende bewoordingen gekozen, en noch in zijne onderwijzingen, noch in zijnen biechtspiegel zegt hij te veel of te weinig voor het kind. Daarbij is alles, wat hij zegt, zeer klaar en duidelijk, en voor kinderen bevattelijk uitgedrukt.
Bovendien is de inhoud vooral aanbevelenswaardig wegens zijne practische bruikbaarheid. By al de aanwijzingen is rekening gehouden met het bevattingsvermogen, het gemoed, de neigingen en de omgeving van het kind. Daardoor heeft de schrijver de klip vermeden van dingen aan te stippen, die bij kinderen uiterst zelden voorkomen, of eene gevaarlijke nieuwsgierigheid bij betzelve zouden kunnen opwekken . . .
De geringe prijs zal er toe bijdragen, dat de boekjes zeer zullen verspreid worden.
Litt. Handweiser, Munster 1898 Nr. 082, blz. 58.
Oordeelvellingen der Pers
5 21
terstond voor do kerkdour begint te spelen of hiid-rn^-htiir zijt. Vertel aiuleren niet. wat lt;xij gebiecht hebt. oi wat de biechtvader tegen u gozegd heeft, noch wt'lke boete gij gekregen hebt. Het biechten moet een geheime zaak blijven. Wees thnis vriendelijk en gehoorzaam. Spaar de moeite niet, uwen ouders, broeders en zusters voortaan meer vreugde te bereiden, en de oude fouten af te leggen, bijzonder die. aan welke gij n vaak schuldig gemaakt hebt. Zoo zult gij toonen, goed gebiecht te hebben.
Imprimatur. P.aarlo. die 12. m. Febr. 1S09 J. H. Geenen, Librorum Censor.
p
iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiaiiiiiiiiiiniiiiiiiimiiiiiiiiiSi iiiiiiii
Oordeelvellingen der Pers
over ie twee Bieeht-Boekjes van P. 1!. Miiller, S. V. !gt;.
.. .Wie bekend is met de uitwerkingen der If. Biecht op zedelijk en inaatscluippelijk gebied, is overtuigd van het groote belang eener goede voorbereiding der kinderen tot het ontvangen van dit heilaanbrengend Sacrament. De eerste onderrichtingen worden meestal ook in het verdere leven opgevolgd. P. M ii 11 e r heeft hierin den j nis ten weg aangeduid. lli.j heeft overal de passende bewoordingen gekozen, en noch in zijne onderwijzingen, noch in zijnen biechtspiegel zegt hij te veel of te weinig voor liet kind. Daarbij is alles, wat hij zegt, zeer klaar en duidelijk, en voor kinderen bevattelijk uitgedrukt.
Bovendien is de inhoud vooral aanbevelenswaardig wegens zijne practise he bruikbaarheid. Bij al de aanwijzingen is rekening gehouden met het bevattingsvermogen, bet gemoed, de neigingen en de omgeving van het kind. Daardoor heeft de schrijver dc klip vermeden van dingen aan te stippen, die-bij kinderen uiterst zelden voorkomen, of eene gevaarlijke nieuwsgierigheid bij hetzelve zouden kunnen opwekken . . .
De geringe prijs zal ertoe bijdragen, dat de boekjes zeer zullen verspreid worden.
Litt, llandweiser. Munster 1S9S Nr. (gt;82, blz. 58.
Oordeelvellingen der Pers over de twee Biecht-Boekjes.
. . Wanneer het een meesterstuk is, op weinige bladzijden aan kinderen het nood-zakelyke in passenden vorm, op verstaanbare, op kinderlijke en aantrekkelijke manier aan het verstand te brengen, dan moet ik bekennen, datP. Müller dit op uitstekende wyze geleverd heeft.
Het lijdt geen twijfel, dat de zielzorgers, en zy, die met het godsdienstonderricht van kinderen belast zijn, deze boekjes, wegens hun geringen prijs, zoo bijzonder tot algemeene verspreiding geschikt, met vreugde zullen begroeten, als een gansch bijzondere vergemak-keling en ondersteuning in hunne moeiolijke en gewichtige zorg voor de aan hen toevertrouwde jeugd, de hoop der toekomst, voor welke zy eens ter verantwoording zullen opgeroepen worden.
Geilenkirchener Zeitung. 1898 Nr. 36.
... De schrijver verstaat de kunst, tot het kind neer te dalen, tot den geest der kinderen door te dringen en de taal der kinderen te spreken. Ily weet zich een weg te banen lot de harien der kinderen, en hun moed in te spreken. Op eenvoudige wyze verklaart hij door voorbeelden, uit het kinderleven genomen, alles, wat zy noodzakelijk moeten weten. Innig, treflend en eenvoudig zyn de korte gebeden . . ,
Fr.-Münsterberger Zeitung. 1898 Nr. 24.
. . . Het is te wenschen, dat zij in de handen komen van zeer veel kinderen. Dubbel nut zullen zy stichten, wanneer de ouders zich de moeite willen getroosten, hen op het gebruik dier boekjes te wijzen, en ze in den familiekring laten voorlezen . . . Paulinus-Blatt, Trier 20. Maart 1898. Nr. 12.