ocr page 1

O

ocr page 2
ocr page 3

SD^

Sociale Quaestie

en

Drankbestrijding.

REDE,

uitgesproken te Deventer, den 20 Maart 1899

door

J- F. VLEKKE,

Industrieel te Oud-Gastel.

-vamp;'cTfx-

vn het Secretariaat van „Sobriêtasquot; te Maastricht.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

iinili IIui III ill ill

2202 7787

ocr page 4
ocr page 5

Geachte Vergadering!

-Plato was een wijs man. Van hem is immers het woord, dat de straf der wijzen, die weigeren aan het bestuur deel te nemen, hierin bestaat, dat zij onder de regeering van minder verstandige lieden moeten leven?

Een gelijke straf wacht den hoorders, die niet spreken willen ; zij moeten slechtere redenaars aanhooren, dan ze zelf zijn.

Ook deze vergadering zal aan dat lot niet ontkomen.

Toch waag ik het, voor U op te treden, gevolg gevend aan een vriendelijke uitnoodiging, omdat ik geloof, dat ook wij, leeken, eene roeping kunnen vervullen door het levende woord, omdat ik geloof, dat de bede uit het Onze Vader: „Geef ons heden ons dagelijksch broodquot; een uitmuntende tekst kan zijn voor een leekepreek.

Het wil mij voorkomen, als of wij, katholieken, over 't algemeen eenigszins schuw zijn, om in 't publiek rondweg voor onze beginselen uit te komen; — om ook in sociale zaken onze meening kloekweg bloot te leggen en te stellen naast die van anderen van welke school of richting ook.

In den regel laten we dat over aan de pers en aan onze geestelijken, zonder te bedenken, dat dezen hierdoor de taak wel wat zwaar gemaakt wordt.

Zoo sta ik dan hier, — de arbeiders kunnen gerust zijn — niet als gendarm van het kapitaal, niet als wachter bij de brandkast; voor geld en rijkdom, als levensdoel, heb ik slechts matigen eerbied; maar mijn eerbied is onbeperkt groot voor mannen van karakter, arm of rijk, die weten, wat zij willen en willen, wat goed en edel is.

Daarom, van den anderen kant, vreeze men ook niet, dat ik gekomen ben om den werkman te vleien: ik zoek geen goed-koope populariteit en stel de waarheid boven alles.

Er zijn zaken van hooger belang te overwegen. Met u wil ik zoeken nar.r het antwoord, dat past op deze vraag van Pater Meijer:

ocr page 6

— 4 -

„Zal het toekomstige geslacht nog het erfdeel, het eeuwen-„oude erfdeel der christelijke zeden bewaren, of wel, zal het „'t veld ruimen voor de barbaarsche godloochening, die zijn „geloof zal vernietigen? Van den eenen kant de overtuiging, „dat wij één groot huisgezin vormen, welks kinderen Gods „kinderen zijn, levende in hemelsche hoop, onder de wet „van liefde en opoffering, maar in 't bezit van een adelbrief „met het devies: zelfverloochening en arbeid; — aan den „anderen kant, algemeene verdierlijking, het oog gretig han-„gend aan de aardsche goederen, zonder andere hoop dan „op den Mammon, zonder andere wet dan die van 't koude „eigenbelang, zonder andere wilskracht dan die der wanhoop, „te midden van een wilden strijd om leven en genot.quot; Om deze punten draait het sociale vraagstuk; ik wil trachten op eenige onderdeden meer in 't bijzonder, het licht te doen vallen.

Wij, katholieken, werkgevers en werknemers beiden, mogen niets verzuimen, wat ons nader tot elkander kan brengen. Veel in onze onderlinge verhouding, wat nog verward en duister lijkt, moet tot klaarheid komen.

Tot onze schande hebben wij veel te lang vergeten, dat wij, waar de sociale gerechtigheid in 't spel is, de toewijding en den practischcn zin onzer katholieke vaderen te volgen hebben. Laten we het eerlijk en rondborstig erkennen, er moet in de wereld nog veel veranderen, eer de toestand is, zooals hij behoort te zijn en daarbij moeten wij weten, wat wij aan elkander hebben.

Immers, „de macht heerscht in de wereld als meesteres en ,,de zwakheid zoekt hulp in gewelddaden. De vereenigingen „van heden zijn ingericht om ten strijde te gaan, zooals de „gilden der middeleeuwen waren georganiseerd, om den vrede „te bevorderen.quot; *)

Scherp is deze toestand geteekend door Paul Leroy-Beaulieu. Na gesproken te hebben over de banden, die in vroegere eeuwen de verschillende standen der maatschappij vereenigden, vervolgt hij; „daarvan is niets overgebleven dan een massa „individu's naast elkander levende onder de meest ongelijke „levensomstandigheden, geheel vreemd aan elkander en ten „opzichte van den evenmensch met geen andere gevoelens be-„zield dan van onverschilligheid, minachting en afgunst.quot;

Deze sociale toestand heeft een naam ontvangen; men noemt hem het individualisme. Dit is de kanker, die van boven tot beneden aan onze maatschappij knaagt.

*) De Mun.

ocr page 7

Gladstone heeft gezegd, dat men deze eeuw de eeuw der werklieden zou noemen.

't Is mogelijk zegt de graaf de Mun, „indien men daarmeê „wil te kennen geven, dat de geschiedenis dezer eeuw zal zijn „de geschiedenis van hun lijden en van hunne ijdele pogingen „om zich aan het juk van het individualisme te ontworstelen.quot;

Aan den ideaaltoestand ontbreekt dus nog veel. Doch er zijn verschijnselen, die op beterschap wijzen. De afgod van het individualisme is aan het inzakken up zijn leemen voeten, gevloekt door de arbeidende menschheid. Ook de wetenschap verloochent hem.

Ook „de Staathuishoudkunde, diequot; — zooals Prof. Treuh zegt — „eene theorie der volkswelvaart had willen zijn, maar „tot eene philosophic van den rijkdom geworden was, tot een „hardvochtige leer, die de minder begunstigden geen troost „noch uitzicht op lotsverbetering kon bieden, maar hen slechts „kon verwijzen naar de onveranderlijkheid en onverbiddelijkheid „harer natuurwetten.quot;

Dit mammon-evangelie verliest langzamerhand al zijne belijders.

Men leert inzien, dat in de sociaal-economie een goede dosis gezond verstand meer praktische waarde heeft, dan folianten vol philosophische beschouwingen en theoriën. Werken over staathuishoudkunde worden weder verstaanbaar voor een gewoon mensch, dat is een gezond verschijnsel. De tegenwoordige staathuishoudkundigen ontleenen de stof hunner studie aan het volle menschenleven. Zij stellen, zooals de graaf von Küfstein van Pater Liberatore als staatshuishoudkundige zegt, ze stellen de staathuishoudkunde weder op haar goede, krachtige voeten : natuur en arbeid.

Doch wetenschap alleen brengt ons niet tot het doel; de sociale vraag laat zich niet in formules uitdrukken. Wij mogen van de wetenschap zooveel verhopen, als wij willen, — indien wij, ik bedoel nog steeds werkgevers en werklieden beiden, niet breken met veel zelfzucht, niet uitroeien veel wantrouwen, indien wij niet aanvaarden de breede opvatting der arbeidsplichten, zooals de Kerk dat getoond heeft te begrijpen, zal elk streven naar duurzame verbetering ijdel blijken te zijn.

En op welken redelijken grond zouden wij ons aan onze plichten onttrekken ? Wij, katholieken, behooren nog altijd tot dezelfde economische school als onze vaderen, de school van waarheid, liefde en gerechtigheid. Wij hebben groote voorbeelden ter navolging. Vele eeuwen lang was de Katholieke Kerk

ocr page 8

— 6 —

de beschermster der geringen, de middelaarster tusschen sterken en zwakken, niet alleen door liefde en verzachting der zeden te leeraren, maar ook door eene doelmatige wetgeving en door eene machtige arbeidsorganisatie.

Een enkel voorbeeld om aan te toonen, hoe de Kerk haar taak begreep. De verplichte zondagsrust en het vieren der feestdagen met hun honderddaagsche vaccantie, waren niet alleen godsdienstige en zedelijke instellingen ; ze dienden ook tot bescherming der zwakken, door een grens te stellen aan 't misbruik der macht, dat tot overmatigen arbeidsduur leidt; ze breidelden overdreven concurrentie, ze waren de chinine tegen de koorts der overproductie.

De oude gilden waren niet bloot vereenigingen van meesters en werklieden ; 't waren sociale en openbare instellingen, lichamen, die hun eigen administratie voerden en de rechten en belangen hunner leden verdedigden; die aan de werklieden een vasten werkkring verschaften en de bevoegdheid, om in het vak tot werkgever op te klimmen; die uit hun bloeiende kassen hulp verleenden bij ongelukken, ziekte en ouderdom.

't Spreekt van zelf, dat deze maatschappelijke vormen bezwaarlijk ongewijzigd zouden kunnen dienen voor de tegenwoordige toestanden ; maai zonder vermetelheid mag toch beweerd worden, dat zij zich zouden geplooid hebben naar de eischen van volgende eeuwen.

Daartoe echter werd ze de tijd niet gelaten.

Ik heb niet in herinnering te brengen, hoe drie eeuwen lang werd stormgeloopen tegen de maatschappelijke inrichting der middeleeuwen, tot eindelijk, nu honderd jaar geleden, het stof harer puinen werd verstrooid naar de vier hemelstreken, onder den juichkreet: vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Hoe ijdel bleek die leuze en hoe kort was de waan ! De beloofde vrijheid toonde zich als verdrukking in allerlei vorm, waaraan we ons tot heden zelfs niet konden ontworstelen. De gelijkheid heeft niets anders gebracht dan de meest schrille tegenstelling tusschen overdaad en gebrek en de broederschap is nog altijd die der „feindlichen Briiderquot; uit de Rheinsage. Nog geen halve eeuw was verloopen, nadat de leuze der Fran-sche revolutie hoogtij gevierd had, of uit den boezem der arbeidende massa ging een schreeuw op, rekenschap vragend over verloren hoop en ijdele beloften.

Op dat punt staan wij nu ongeveer nog en wij, katholieken, hebben mede te werken, om aan het volk het maximum van gerechtigheid te verschaffen, dat te verkrijgen is; om aan het

ocr page 9

— 7 —

volk zijn zelfstandigheid terug te bezorgen en het gevoel zijner waardigheid. Wij mogen ons door niemand, noch in de wetgevende vergaderingen, noch in openbare discussiën. noch in de pers, noch in de litteratuur, de eer laten nemen, die ons als katholieken door recht van geboorte toekomt, de eer, het volk te verdedigen en te beschermen.

Op welke wijze zullen wij dien plicht vervuilen, dien plicht, waaraan niemand zich onttrekken mag, patroons noch werklieden, geestelijken noch leeken?

De toewijding van eiken stand in 't bizonder zal zich hierbij op eigenaardige wijze moeten toonen; doch voor alle standen geldt één onveranderlijke regel. Bij alles wat wij doen, wat wij wenschen, wat wij verlangen, wat wij eischen tot verbetering van den maatschappelijken toestand, mogen wij nimmer vergeten, dat al ons werken, geheel ons leven en streven, bell heerscht wordt door het hooger doel, dat verre boven de aarde i ligt; dat alles, wat hier wordt gewerkt, gestreden en geleden, niet mag worden beroofd van zijn beteekenis als middel, om dat hoogere doel, dat aan gene zijde des grafs ligt, te bereiken.

Wat men van den mensch ziet, is een stofdeeltje in 't heelal, i waaraan niets meer herinnert, als zijn ziel zal zijn teruggekeerd ! tot haar Schepper, om haar bestemming te volgen.

Van die waarheid moet men zich goed doordringen bij alles / wat men doet; maar ook en vooral bij alles, wat men nalaat 1 .têjlften. —-

Bij elke stoffelijke verbetering, die men nastreeft, moet men dus niet het individu, zijn eigen persoon op den voorgrond stellen; maar men vrage steeds recht voor de groote beginselen, die alle doen en laten moeten beheerschen. Het individu vergaat, de beginselen blijven.

Dan alleen zal men steeds zich zelf kunnen zijn onder alle omstandigheden.

Ik geef toe, dat tot dit alles groote zelfbeheersching noodig is; maar door zelfbeheersching alleen gewint men de vrijheid; de hoogste gehoorzaamheid is ook hier de grootste vrijheid. De grootste vrijheid ook, om gehoor te eischen, als men spreekt in naam der sociale gerechtigheid.

Daarom nimmer halfheid in beginselen; wij moeten steeds ons zelf zijn en ons zelf blijven; wij moeten vasthouden aan en niets afgeven van wat wij mogen noemen ons program van actie en dat er op ingericht moet zijn, zonder omwegen te streven naar ons eigen, maatschappelijk en godsdienstig doel.

Dit program kan niet anders dan hetzelfde zijn voor hoogeren

ocr page 10

— 8 —

en lageren stand, voor patroons en voor arbeiders, voor armen en rijken.

Het Katholicisme kent geen meten met twee maten; de katholieke geloofsleer, zoo consequent in al haar leerstellingen, dat zij daardoor reeds den stempel draagt van Goddelijken oorsprong te zijn, geeft bij de vervulling onzer plichten, sociale of godsdienstige, geen middel aan, om de geit te ontzien en de kool te sparen.

Wanneer het ons ernst is met de vervulling onzer maatschappelijke plichten, moeten wij niet schromen, de puntjes op de i's te zetten, moeten wij ons met geen struisvogelpolitiek inlaten; maar beginnen met ons correct uit te drukken en aan de woorden hun ware beteekenis te laten. Wij moeten er tegen waken, dat de practische waarde der denkbeelden onderga in haarkloverij.

Ik wil mijn bedoeling toelichten door een voorbeeld.

Wanneer de Paus den maatschappelijken toestand zoo ernstig bedreigd acht, dat een Encycliek aan die zaak wordt gewijd, hebben wij, mannen van de praktijk, er niets mede te maken, of dat Pauselijk woord al of niet ex cathedra gesproken is; of de eene of andere verplichting een gevolg is van de justitia of der Charitas. Dat zijn academische vragen, waarmede, zoo 't hun lust, heeren Godgeleerden zich mogen bezighouden. Voor ons, leeken, geeft het Pauselijk woord in elk geval een bindende gedragslijn aan en ik geloof, dat een zware verantwoordelijkheid op ons zou rusten, indien wij den kostbaren tijd besteedden aan leerstellige studiën en disputen; terwijl kinderlijke gehoorzaamheid aan den vaderlijken raad een enkel mensch een uur hongerlijden had kunnen besparen of hem zijn zelfstandigheid weêrgeven.

Den 8sten October 1898 hoorden wij Z. H. den Paus zeggen tot de Fransche werklieden: „in de uren, dat het gewicht van „uw zwaren arbeid zwaarder drukt op uw vermoeide armen, „versterkt dan uw moed door uw blik ten hemel te richten. „Herinnert u den Goddelijken werkman van Nazereth. Vrij-„willig heeft hij den nederigen stand gekozen, om meer innig „tot de uwen te behooren.quot;

Bij die schoone woorden ging er een juichtoon uit ons hart.

Maar, wanneer de werkman zou oordeelen, dat nu zijn stoel in den hemel reeds gereed staat en zijn plichten voortaan nevenzaak zijn; dat hij niet meer behoeft te werken aan eigen volmaking, aan verheffing van zijn stand, aan eigen zelfstandigheid

ocr page 11

en waardigheid, dan zou hij de bedoeling van 's Pausen woorden grovelijk miskennen.

En wanneer de werkgever zou meenen, dat de werkman het met die hooge erkenning zijner waardigheid vooreerst wel stellen kan; en zoo de hoogere stand in 't algemeen niets zou voelen voor den arbeid en het zweet, waardoor de arbeider zich de rehabilitatie van zijn stand moet waardig maken, och, dan ware het beter den juichtoon te smoren, door 's Pausen woord gewekt.

Dat woord geeft patroon noch werkman het recht Gods water over Gods akker te laten loopen; integendeel, beschouwd in het licht der christelijke zedeleer, is het de sterkste veroordeeling van het laat-maar-waaien-stelsel.

Wij, katholieken, moeten dus de wetten der christelijke liefde en sociale gerechtigheid toepassen en handhaven en niet afwijken van het christelijk beginsel, dat het recht van 's men-schen zelfstandigheid erkent, ook, omdat alle menschen zonder onderscheid, tot gelijke heerlijkheid geroepen zijn. Naast den stoffelijken kant der zaken hebben wij immer ook op den geestelijken te letten.

Op het sociaal congres, in 1890 te Luik gehouden, heeft Pater Ludovic de Besse een heerlijke redevoering gehouden, waarin hij op een der grootste sociale dwalingen van dezen tijd wees. Hij noemde het streven naar scheiding van geestelijke en stoffelijke begrippen de grootste ketterij dezer eeuw.

Men wil de rede scheiden van het geloof; de natuur, van de genade; den priester, van de geloovigen ; het stoffelijke van het geestelijke; den Staat, van de Kerk. Men wil alles laïciseeren, seculariseeren, verwereldlijken.

Maar, wat God vereend heeft, zal de mensch niet scheiden.

De werkman in de fabriek, in de werkplaats, op het veld, waar ook, staat daar niet uitsluitend met het lichaam; maar ook met zijn ziel. God heeft lichaam en ziel in den mensch vereenigd en ik zou den werkgever willen zien, die zou durven scheiden, wat God vereend heeft; — die den werkman zou ■ durven behandelen, alsof aan dat lichaam niet gebonden was de ziel, naar Gods evenbeeld geschapen, vrijgekocht door Goddelijk bloed; ik zou, zeg ik, den werkgever willen zien, die dat zou durven bestaan en zich toch nog katholiek noemen, i

Doch ik zou ook den werkman willen ontmoeten, die vermeent onder katholieke vlag naar den hemel te kunnenjzeilen, zonder zich te bekommeren om zijn plichten jegens zijn patroon, jegens zijn huisgezin.

ocr page 12

't Gezag, door God aan 's meesters waardigheid gebonden heeft hij te eerbiedigen. De vrouw, met wie God hem heeft vereenigd; de kinderen, die God met hen verbond door de banden des bioeds, heeft hij te beschermen en te verzorgen en , wee hem! als hij die door God geknoopte banden tracht te verbreken. Hij moge zich honderdmaal katholiek noemen, — als hij die banden losser maakt door echtgenoot en kinderen van zich te vervreemden; — door aan overdaad van drank weg lt; te smijten het geld, waarnaar vrouw en kinderen zitten te snakken, waarop zij in de eerste plaats reclit hebben, als hij zóó handelt, maakt hij zich schuldig aan de negentiende-eeuwsche ketterij: hij wil scheiden, wat God vereend heeft.

Voorts kan de mensch er geen tweeërlei zedeleer op nahouden, naarmate hij handelt als privaatpersoon of in het openbare leven. Neen, de mensch heeft geen twee gewetens en het Katholicisme geen geloofsleer voor rijken en een andere voor armen. Aan deze waarheid moeten wij onwrikbaar vasthouden; zonder haar kunnen wij ons geen sociale gerechtigheid denken.

Trouwens, wij allen weten, bij ondervinding, dat wie anders leert, leugen spreekt.

Wanneer gij, werkman, u voor God en den priester moet beschuldigen van zelfzucht tegenover uw patroon, tegenover uw huisgezin, dan hebt gij te breken met dat kwaad, of de geestelijke schatkamer der Kerk blijft voor u gesloten.

En, wanneer de werkgever neêrknielt achter het korte gordijntje op het harde eikenhouten bankje, om zich te verantwoorden over zelftucht tegenover zijn werkvolk, dan is hem een zelfde vonnis beschoren.

Hij moge al zijn welsprekendheid te baat nemen, om te betoogen, dat anders handelen dan hij deed, met zijn economische beginselen strijdt; dat de ondervinding de school, , waartoe hij behoort, in 't gelijk stelt; dat het schande zou brengen over hem, voorganger dier school in den lande, indien hij nu op eens van beginsel veranderen moest, hij, de man wiens uitspraken als orakels geiden, — op die plaats kan dat alles onrecht niet tot recht maken. Als hij te kort gedaan heeft aan den eisch van christelijke liefde of gerechtigheid, dan zal, al zou de jongste kapelaan van het diocees zijn biechtvader zijn, het vonnis nog altijd luiden, als dat van den Bisschop, die Koning Clovis doopte: „Buig, trotsche Sicambier! „aanbidt, wat gij verbrijzeld en verbrijzel, wat gij aanbeden „hebt.quot;

ocr page 13

— 11 —

Terwijl de katholieke moraal dus gelijk reclit voor allen verkondigt, verbiedt zij de sclieiding van geestelijke en stoffelijke begrippen; maar dat geeft nog niemand het recht te beweren, zooals beweerd wordt, dat zij den mensch alleen maakt tot een candidaat voor den hemel en niet tot een burger der '1 aarde, zooals deze thans in werkelijkheid bestaat.

De waarheid is deze, zegt pater Meijer: „de christelijke ' „godsdienst verheft den mensch, burger der aarde, tot de ken-„nis der voorwaarden, waarop hij hier beneden de grootst „mogelijke hoeveelheid geluk kan verkrijgen en, op den koop „toe, de eeuwigdurende hemelvreugde.quot;

De H. Joan. Chrysostomos zegt hetzelfde: „de katholieke „godsdienst wil ons allen naar den hemel leiden; doch, indien „zijn beginselen werden begrepen en toegepast, zou hij ons .„allen, reeds hier beneden, een stukje van het aardsche para-

\„dijs deelachtig doen worden.quot;

* *

*

Na al het voorgaande zal het duidelijk zijn, dat de Katholieken geen verbetering in den socialen toestand vragen van den klassenstrijd. Evenmin beoogen zij de opheffing der maatschappelijke ongelijkheid, van het verschil in stand; zij maken geen reisjes naar' Utopia. Daarentegen hebben zij de vaste overtuiging, met hun beginselen den tijd nader te brengen, dat men, als men iemand wil eeren om zijn beschaving en karakter, niet meer zal vragen: wat doet ge om den kost te verdienen?

Zóóver moet het reeds spoedig komen; al het andere volgt dan gemakkelijk. En nu rijst dadelijk de vraag: op welke wijze moet de werkman daartoe medewerken ?

De werkman moet in de allereerste plaats vasthouden aan de overtuiging, dat hij, alleenstaande in de wereld, niets kan uitrichten ten algemeenen nutte.

Hij moet terugkeeren tot oude gebruiken onder nieuwe vormen.

De associatie, de vereeniging, is het machtige hulpmiddel in zijn strijd om zelfstandigheid. Maar die vereeniging moet doordrongen zijn van den goeden, levendmakenden geest van samenwerking. — Zal de associatie een bloeiende vakvereeni-ging zijn, dan moet men haar niet dienstbaar willen maken aan het persoonlijk belang; in haar niet het middel zoeken, om het individu, den enkelen mensch, zooveel mogelijk te laten genieten van de welvaart, die aan de medewerking van anderen te danken is. Voor deze noodlottige c; i atting van het begrip vakvereeniging moet de werkman zicu wachten. Zij

n

ft

e

n

e

s

n

g

A

i,

t,

ocr page 14

12 —

geeft aanleiding tot begripsverwarring op geheel het sociaal gebied, zij doet hem afwijken van zijn eigen maatschappelijken plicht, omdat hij zich de gewoonte eigen maakt, zich meer en meer op anderen te verlaten. Hij verliest het gevoel van zijn eigen verantwoordelijkheid.

De Fransche revolutie heeft ook op dit gebied schrikbarende verwarring van denkbeelden gesticht. Men gevoelt niet meer, wat de beteekenis der vakvereeniging is en men komt er toe, zich den eersten den besten toe te vertrouwen, die zich aanbiedt als leider op te treden.

Deze traagheid, waardoor men liever volgt, dan zelf de hand aan den ploeg slaat, is destegevaarlijker, omdat het weerstandsvermogen, de zedelijke en stoffelijke kracht van den werkman nog te gering is. Daardoor wordt hij in zijn eigen vereeniging, die hem moest opvoeden, die hem tot mensch in den besten zin van het woord moest maken, verlaagd tot den rang van instrument en verliest hij de waardigheid, die hij, als redelijk schepsel Gods, nimmer mag prijs geven.

Met een vakvereeniging, op zoodanige leest geschoeid, bereikt men nimmer het doel, dat zij moet nastreven als hoogsten, desnoods als eenigen prijs: 's menschen waardigheid en zelfstandigheid.

De vakvereeniging moet in de eerste plaats zijn een moedige geloofsbelijdenis, de openlijke erkenning, dat wij alleen van het christelijk beginsel heil verwachten voor de maatschappij. De vereeniging moet tot daad maken de gedachte van naastenliefde en broederschap. Kleingeestige jaloezie moet haar vreemd blijven; het beste lid moet als de eerste onder allen beschouwd worden. De vereeniging eindelijk moet een levende afbeelding zijn van den vooruitgang der tijden en de overlevering van het verleden in overeenstemming brengen met de behoeften van het tegenwoordige. Zij moet logenstraffen de klakkelooze bewering, dat wij, katholieken, achter zijn bij onzen tijd, alsof niet het Christendom de baanbreker geweest is voor allen vooruitgang; alsof de Fransche revolutie en haar nog voortlevende geest den werkman zooveel heil gebracht hebben.

De vereeniging moet dus beheerscht worden door de wetten van het Christendom en de eerste onder deze, die de hoeksteen is van het gebouw der sociale orde, is het gebod van zelfverloochening, de grondslag van het christelijk leven zoo van iederen mensch afzonderlijk, als van allen, in hun sociale verhouding tot elkander. Dit punt hoop ik in het tweede deel mijner rede nader te bespreken.

ocr page 15

— 13 —

Waar de werkman aldus inet krachtigen moed en zelfverloochening heeft te strijden voor de verbetering van zijn stof-felijken toestand, heeft ook de werkgever mede te werken tot hetzelfde doel en als een zijner eerste plichten moet beschouwd worden, dat hij den werkman geen struikelblok voor den voet werpt, als deze op de beschreven wijze aan eigen verheffing arbeidt.

ik erken gaarne de verdiensten van vele werkgevers in hun streven naar zedelijke en stoffelijke verbetering van den toestand hunner werklieden. Zij betalen een voldoend loon, zij denken honderden middelen uit om een heilzamen invloed op hen uit te oefenen; zij vestigen een spaarbank, die voor de geringste bedragen zelfs een hooge rente vergoedt; zij stellen een bibliotheek ter beschikking van hun personeel en uitspanningslokalen, waar muziek en voordrachten welkome afwisseling bieden; school- en godsdienstonderwijs hebben zij speciaal voor hun werklieden in 't leven geroepen. Ik schat dat alles op zijn waren prijs; maar hooger, zeer veel hooger, wordt de waarde van al die instellingen, indien zij gesteund worden door de ovoedende kracht der vakvereeniging. Want, als de patroon komt te vallen, die dit paradijs voor zijn werklieden in 't leven riep, bestaat steeds de mogelijkheid, dat zij van de vetpotten van Egypte in de woestijn geraken; terwijl zij niet opgevoed werden tot de noodige energie, om door eigen kracht het beloofde land te bereiken.

Maar, gelukkig! behoeft het eene het andere niet uit te sluiten.

Het spreekt voorts van zelf, dat tusschen de patroons en de vakvereenigingen een innige band tot samenwerking moet gelegd worden. Waar de wenteling der tijden de onschatbare familiebanden tusschen patroon en werkman heeft verbroken, zal de eerste zijn medewerking niet onthouden, als die er toe kan leiden, om die banden, naar de wijze onzer tijden, weder aaneen te knoopen. Dat kan alleen geschieden door bemiddeling der vakvereeniging, het aangewezen lichaam om met de patroons aan den socialen vrede te werken.

Wat zal ik verder zeggen over de plichten van ons, werkgevers, in al deze dingen? Zelf katholiek en werkgever, spreek ik tot katholieken en werkgevers en ik zou schuldig worden aan onvergeeflijke verwaandheid, indien ik ook slechts een enkel oogenblik durfde veronderstellen, dat het wel en wee des arbeiders, dat de hoogere belangen van meerdere menschen-geslachten, mij sterker zouden ter harte gaan dan u, die reeds

ocr page 16

zoovele jaren lang hebt getoond samenwerking te willen met een christelijke arbeids-organisatie.

Geen van allen willen wij behooren tot hen, die zich alleen door eigenbelang en winzucht laten leiden. Maar ook wij, werkgevers, quot;worden, helaas! voortgezweept door een geesel, die losgebroken is over de wereld, onder de toejuichingen van de heele Manchesterschool; het is de toomelooze concurrentie, die haar hardste striemen doet neerkomen op de ongelukkigen, die, door geen enkelen band verbonden, verlaten en alleen staan in de maatschappij. Van de wereld lieeft de concurrentie een markt gemaakt, waarop de werkman als een koopwaar beschouwd wordt en geteekend met den naam van proletariër, die het schandmerk is van zijn verlatenheid.

En dit. Mijne Heeren! — de woorden zijn van den graaf de Mun — geschiedt met onzen broeder, die, als wij, door een Goddelijk offer is vrijgekocht. Zouden wij hem de middelen niet verschaffen, waardoor hij zich kan vrijmaken van de ijzeren wet van vraag en aanbod? Zouden wij onverschillig toezien bij dien strijd om het leven en vrij spel laten aan de Darwinistische leer, de vernietiging van den zwakke door den sterke, ook waar het een redelijk wezen betreft, geschapen naar Gods evenbeeld?

Dat zullen wij niet; integendeel, wij zullen helpen om inde maatschappij het christelijke beginsel weder in eere te brengen; onze zinspreuk zal niet zijn; na ons de zondvloed, maar: na óns, onze kinderen.

En daarbij zal de katholieke vrouw ons ter zijde staan. Elke katholieke vrouw moet zich geestelijk verwant gevoelen aan de liefdezuster. „Zij bezit een geheime macht, die haar door God „geschonken is, zij alleen verstaat de kunst zich neèr te zetten „aan den vreemden haard, zonder er vreemdeling te schijnen.quot; 1) De echtgenoote des werkgevers kan een zegen zijn in den kring der werklieden.

Waar de concurrentie ons dwingt, de moeders te ontrukken aan haar gezin en met de dochters te stellen in den dienst der machine, daar zal zij trachten goed te maken, wat onze industrie thans nog niet verbeteren kan. — Het is een heerlijke taak, der toewijding uit den besten riddertijd waardig.

De roemrijke, Fransche held, Bertrand Du Guesclin, was in j handen zijner vijanden gevallen, die zijn vrijlating afhankelijk : stelden van zoo hoogen losprijs, als zijn vrienden niet te zaam j.] konden brengen. Toen — de geschiedenis heeft het feit ge-i boekstaafd — lieten de Fransche edelvrouwen haar spinnewielen

1

Mun.

ocr page 17

— 15 —

snorren, tot zij den losprijs verdiend hadden, waarmede zij haar gt; held konden vrijkoopen.

Laten onze vrouwen werken aan de opvoeding der dochters onzer arbeiders en zij zullen spinnen voor hooger doei, voor

de vrijmaking van het volgende arbeidersgesiacht. V

* 1

*

De eerste, die in deze eeuw de aandacht der katholieken en der heele wereld heeft gevestigd op liet arbeidsvraagstuk en lieeft aangetoond, dat dit niet alleen een vraag van zedelijken, maar ook van stoffelijken aard, eene „Magenfragequot; is; de eerste, die op den kanker van het individualisme en der concurrentie gewezen heeft, was de groote Bisschop van Mainz, Mgr. von Ketteler.

Wat deze prelaat heeft gewerkt en gestreden, zoodra hij voor zich de overtuiging had, dat het sociale vraagstuk de toekomst zou beheerschen, kan ik bij U allen ais bekend veronderstellen. Ik wil er slechts op wijzen, hoe Mgr. von Ketteler de Kerk weder tot het middelpunt der sociale beweging heeft gemaakt door het volle licht te laten vallen op de katholieke leer, die 's menschen recht op bestaan verkondigt en de waardigheid en het recht van den arbeid, van den eigendom en van het loon erkent. Zijn groote verdienste is, de eerste geweest te zijn, die in de moderne staathuishoudkunde weder de katholieke opvatting wist te doen huldigen en op wetenschappelijk gebied, zoowel als in het practisch leven, het vaandel der katholieke, sociale hervorming te ontplooien. *)

Tot zijn optreden toe werd de Kerk, met haar leerstellingen, haar wetten, haar geloovigen en haar bedienaars, eenigszins beschouwd als een inrichting op zich zelve; zoo iets, als een eilandje met minder of meer steile kust, met minder of meer scherpe rotsen, vanwaar men de reddingslijnen neerwierp in zee voor de matrozen, die in gevaar verkeerden. 2)

't Voorbeeld, door Mgr. von Ketteler gegeven, zou voldoende zijn, om het goed recht despngsters te bepleiten, waar hij optreedt in het volle sociafêquot;iêvén. Want de priester is niet uitsluitend de bedienaar van den godsdienst, de man die bidt, die het H. Misoffer opdraagt en de H.H. Sacramenten toedient; hij is ook een sociale macht en, juist omdat hij priester is, heeft hij zijn aangewezen plaats niet alleen in de bovennatuurlijke, doch ook speciaal in de natuurlijke orde.

1

Descnrtins.

2

Naudet.

ocr page 18

Ook hier laat het geestelijke zich niet scheiden van het stoffelijke. „'t Is niet mogelijk,quot; zegt Kardinaal Manning zeer teekenachtig, „'t is niet mogelijk het goede te prediken voor „ledige magen, zonder, waar sprake is van het Kruis, dat „moedig gedragen moet worden, tevens zich te bekommeren met „de vraag, of het al te lange vasten den kruisdrager niet zal „doen verpletteren door den zwaren last.quot;

■ Toen de Kerk de wereld gekerstend heeft, vergenoegde zij jzich niet met het doopen der ongeloovigen, maar werkte zij ook aan de afschaffing der slavernij en de organisatie van den arbeid.

pe priester is dus van huis uit gerechtigd, zijn plaats op te eiscTiefTin de sociale beweging en een werkdadige rol te vervullen in de arbeidskwestie.

Op welke wijze hij dat doen moet, behoeft hij van mij niet te leeren.

Maar, waar patroons en arbeiders zich vereenigen, om het christelijk beginsel weder in eere te brengen in de maatschappij, hebben zij een heilig recht op de medewerking des priesters.

De priester is voorts de aangewezen raadsman in de vak-vereenigingen. Dat hij daar niet gemist mag worden, blijkt voor ons zonneklaar uit de helsche macht, waarmee men hem van die plaats wil wegdringen.

Wie ter wereld heeft toch het eerst durven zeggen, dat de priester vijandig staat tegenover het arbeidersbelang? Was voor dien man de geschiedenis van 18 eeuwen dan niet geschreven? De geschiedenis, die op elke bladzijde het bewijs levert, dat de Kerk de grootste beschavende macht der wereld is, omdat niemand krachtiger dan Zij, het recht der kleinen verdedigd heeft tegen de macht der grooten?

In zuiver stoffelijke zaken mag niemand blinde gehoorzaamheid van ons eischen. Ook niet van U, werklieden. Overweegt rustig, wat U geleerd wordt door ieder, die als uw leider optreedt. Maar vooral, raadpleegt de geschiedenis, die de leermeesteres der volkeren is. En ik ben gerust op den uitslag van uw onderzoek, want gij zult vinden, dat uwe voorvaderen, die alom in den lande de prachtige tempels gebouwd hebben, waren vrije mannen en dat zij deze vrijheid te danken hadden aan de Kerk, die, ten koste van veel strijd en krachtsinspanning, den stand van slaven en lijfeigenen heeft weten te maken tot den onafhankelijken, nijveren en welvarenden derden stand; terwijl de geest der moderne maatschappij hard op weg is, de tegenwoordige burgerij en werklieden weder van vrije burgers tot lijfeigenen en slaven te maken.

ocr page 19

Geachte Vergadering! ik wii u met ai deze dingen niet langer vermoeien en ik heb u eenige oogenblikken rust toe te staan, omdat ik nog veel te zeggen heb over een zaak, die met de sociale kwestie in het nauwste verband staat en die uwe onvermoeide, opgewekte aandacht verdient.

Wij mogen echter van dit onderwerp niet afstappen, zonder voor ons zeiven de belofte af te leggen, dat wij willen medewerken aan alles wat strekken kan. om ook aan den werkman weder de gaven der christelijke beschaving in haar vollen omvang te verzekeren.

ocr page 20

— 18 —

II.

Geroepen, om een woord te zeggen over den strijd der katholieken tegen de drankzucht, acht ik vooraf de verklaring noodzakelijk, dat ik in dezen strijd huldig de taktiek, die in de besluiten van het Utrechtsche Congres is aangegeven.

Men heeft onzen strijd hopeloos genoemd, omdat de vijand sterk en de verleiding onweerstaanbaar is. Staat mij toe te zeggen, dat wie de drankbestrijding uit dit oogpunt beschouwd, blijk geeft, dat hij den breeden grondslag, waarop onze arbeid zich beweegt, niet overzien kan. Wat L. Veuillot van de katholieke actie in het tegenwoordige Frankrijk in het algemeen gezegd heeft is in 't bijzonder van toepassing op onzen strijd tegen de drankzucht: „'t is niet noodig, dat wij slagen, maar 't is noodig, „dat wij onder alle omstandigheden de mannen „zijn van het goede, het ware, het schoone, in één woord, de „mannen van het Kruis.quot;

Op dit standpunt sta ik in dezen strijd; 't is niet onmogelijk, dat ik daardoor teleurstelling wek. Immers, wie van mijn rede verwacht een afwisseling in de vele wijzen, waarop een avondje gezellig te passeeren is; — wie gekomen is met wantrouwen in 't hart tegenover dezen nieuwen apostel der matigheid, als zou hij met puriteinsche gestrengheid den blijden kant des levens ontkennen ; — wie gekomen is om hem een blijk van sympathie te geven, in de meening, dat hij de alleenzaligmakende leer der geheel-onthouding zal verkondigen, — deze allen zullen zich bedrogen vinden in hun verwachtingen.

Het doe! van mijn optreden ligt niet zoo laag en staat niet zoo hoog.

Niet zoo laag, dat het alleen zou zijn een genoegelijk tijdverdrijf voor u en voor mij. Immers, ik zal te spreken hebben over een nationaal kwaad, dat een bron van ellende geworden is. Ik zal daarbij moeten aanroeren wondeplekken in onze verlichte maatschappij, die zoo erg lijdende is aan overbeschaving, dat niet meer begrepen wordt, wat eigenlijk beschaving is.

Niet zoo hoog staat mijn doel, omdat ik te veel ben man van de praktijk, om naar het onbereikbare te streven. Ik heb eerbied voor den man, die zich geheel onthoudt van alcoholische dranken, zooals ik eerbied gevoel voor elkeen, die den hoogen moed heeft, vrijwillige armoede te dragen. Maar ik zal mij wel wachten van ieder de hoogste zelfverloochening te vragen.

Er is meer. Ik zeg het een groot redenaar na: „ernstig zijn „onze dagen, ernstig in onze strijd; maar de strijd zou ons

ocr page 21

- 19 —

„neêrdrukken, de strijd zou ons dooden, zoo uit Gods blijden hemel niet wat gulle zonnestralen vielen in ons leven.quot; ( )

Voor velen onzer nu is een matige dronk zoo'n zonnestraal. Wat mij betreft, wie aan den dronk in dezen zin behoefte heeft, hij geniete dien.

Men ziet het, ik behoor voorloopig nog niet tot de „lastige heiligenquot;; doch, al kom ik u geen geheel-onthouding prediken, toch verlang ik een zwaren, wellicht een'zwaarderen plicht van u : ik eisch matigheid.

Over het onderwerp drankbestrijding is in de laatste jaren zooveel gesproken en geschreven, dat het wel van alle kanten bekeken mag heeten.

De knapste redenaar, hij, die het onderwerp geheel onder de knie heeft, kan er bezwaarlijk iets nieuws van meêdeelen. Daarom zal ik mij reeds zeer gelukkig achten, zoo ik heden mag verkeeren in het geval van den bekenden, beroemden schoolmeester, die zijn leerlingen veel nuttigs wist te leeren, maar hun toch nooit meer dan ééne les vooruit was.

Met weglating van schrikverwekkende statistieken, met vermijding van alle overdrijving in de methode, wil ik beproeven, U te onderhouden over matigheid in drank als onmisbare voorwaarde ji'j tot levensgeluk en over de onthouding, niet als doel, maar als hu lp middel om tot. matigheid te komen. Ik zal daarbij gelegen-iïeid te over hebben — en, ik verzeker het U, die gelegenheid niet laten ontsnappen, — om te wijzen op eenige misstanden in- onze moderne maatschappij, die voor een goed deel zouden opgeruimd worden, indien ieder in zijn eigen stand, met ernst wilde streven naar de bestrijding der jeneverpest, die niet zonder

reden de kanker der volkswelvaart wordt genoemd.

* *

*

De zucht tot zelfbehoud, die overigens bij het minste gevaar zoo sterk uitkomt, moest den mensch leiden tot onthouding van sterk alcoholische dranken.

De kunst om lang te leven, bestaat, in het leven niet te verkorten. Deze uitdrukking gelijkt op een paradox, ze is niet anders dan een onbetwistbare waarheid.

Met een weinig overdrijving heeft Fontenelle hetzelfde gezegd ; „l'homme ne meurt pas, il se tue.quot; De mensch sterlt niet, hij maakt zich dood.

Tot verkorting van den levensduur werkt ontegenzeggelijk onmatigheid in 't gebruik van alcoholische dranken op krach-

(') Dr. Schaepman. Rerum novarum.

ocr page 22

- 20 —

tige wijze mede. 't Zou zijn balken dragen naar Noorwegen, indien ik dit door voorbeelden ging bewijzen. Wij zijn er allen van overtuigd, en toch handelen wij alsof wij het gevaar niet bemerkten.

De ziekten, welke een volk dooden, zijn niet die waarover het klaagt, maar die, welke het zoo lief heeft, dat het weigert er van te genezen.

Ik wil daarom slechts in 't voorbijgaan wijzen op de vrijwillige en onvrijwillige zelfmoorden, op dagelijks voorkomende verwonding en doodslag, op de talrijke gevallen van krankzinnigheid, alles ten gevolge van het alcoholgebruik.

Maar erger in haar gevolgen is de chronische alcoholvergif-tiging, wier verschijnselen ieder bekend zijn. Ze hebben aanleiding gegeven tot het Latijnsche gezegde ; in vino Veritas, en tot het Nederlandsche : kinderen en dronken menschen spreken de waarheid.

De hersenwerking, n.l., die bij beginnende verlamming het eerst verzwakt, is het heldere oordeel, de kritiek. Als gevolg daarvan speelt het gemoedsleven de baas, de mensch wordt openhartig en praatzuchtig en, naarmate het vermogen tot zelfkritiek daalt, klimt het gevoel van eigenwaan.

De hevige gebaren en onnutte krachtsinspanning, welke met beginnende dronkenschap gepaard gaan , zijn , volgens den Duitschen prof. Bunge, almede een verlammingsverschijnsel ten gevolge dier vergiftiging; niet minder het gevoel van warmte en opwekking door den alcohol veroorzaakt.

Al deze verschijnselen zijn ziekteverschijnselen, die zich reeds bij een matig gebruik van sterk alcoholische dranken voordoen.

De ziekten, die onder den onmiddelijken invloed van den alcohol ontstaan, of wier genezing er door belemmerd wordt, kunnen gevoegelijker door een arls behandeld worden en de mannen der wetenschap zullen zich niet onbetuigd laten, als zij worden uitgenoodigd, om in het openbaar met U te strijden tegen de dwaze vooroordeelen, welke op dit gebied nogheerschen.

Onbetwist mag aangenomen worden, dat onmatigheid in 't algemeen en bijzonder onmatigheid in sterken drank leidt tot verkorting van het leven.

Er ligt een overbiddelijke logica in de beschikkingen der Voorzienigheid. Onmatigheid verkort het leven; maar „het leven van den dronkaard heeft geene waarde voor de gemeenschap, het ontrooft deze meer dan het geeft; het brengt meer ongeluk dan geluk. In dezen zin zegt Goethe ; een onnut leven is een vroege dood.

ocr page 23

— 21

Na lichtzinnig daarheen geleefd te hebben, zal 't ons weinig baten bij vroegtijdigen ouderdom hulp te zoeken bij pillen en poeders, inenting en inspuiting. God heeft de wereld eenmaal zóó geschapen, dat, wie de gevolgen niet wenscht, de oorzaken vermijden moet.

Het middel om een blijmoedigen, hoogen ouderdom te bereiken, is niet in de apotheek te vinden. Dat middel heet: gehoorzaamheid aan de geboden Gods en daardoor aan de wetten der natuur.

't Ligt niet op onzen weg een onderzoek in te stellen, onder welke klassen der maatschappij het alcoholgebruik het grootst is. Er bestaat geen afdoende statistiek dienaangaande.

Practisch heeft dit punt ook weinig waarde in den strijd tegen het drankmisbruik. Veel meer loont het te overwegen, op welke wijze elke stand in dezen strijd moet medekampen.

Midden in den strijd en groote verantwoordelijkheid dragende, staat de werkgever. Zijn taak heb ik uitvoerig beschreven op het Utrechtsche Congres. Naar dat referaat heb ik slechts te verwijzen. Ik wil er alleen dit bijvoegen: alle middelen toen door mij genoemd, zijn aan de praktijk getoetst en in onze fabrieken in toepassing gebracht. De werklieden in onze fabrieken zijn dan ook zeer matige menschen, die met de jenever geen vriendschappelijke kennismaking onderhouden. Datzelfde kon ik op het Congres nog niet verklaren van onze buitenwerkers, onder wie sommigen vaak 1 3 liter jenever per dag gebruikten, wat genoeg is om iemand tot dronkemanswaanzin te brengen. Thans ben ik zoo gelukkig de verklaring te kunnen afleggen, dat ook onder dezen 't jenevergebruik op 't werk geheel heeft opgehouden. Heeft het Congres dien werklieden dan zoo op eens de oogen geopend? Neen, niet hun, maar mij. Ik heb ingezien, dat nog meer persoonlijke bemoeiing met den werkman plicht was, onafwijsbare plicht, zoolang niet het mogelijke bereikt was.

Bezield met den besten wil, kan men toch inslapen onder den druk van velerlei beslommeringen; ook de werkgever kan indutten, vooral, waar het aankomt op den moreelen kant zijner beroepsplichten. Dan is een vriendenwoord, een dagbladartikel, een aangrijpend feit voldoende, om hem op te schrikken uit den slaap. Maar helder wakker wordt hij eerst, als hij frissche denkbeelden kan opdoen in het samenzijn met vele mannen van goeden wil. Zulk een opwekkend middel was voor mij, en zeker voor velen, het Utrechtsche Congres en daarom kun-

ocr page 24

nen zulke samenkomsten, en vereenigingen in 't algemeen, zooveel nut stichten.

De stad „Orléans werd belegerd door de Engelschen en terwijl de vijand een nachtelijken aanval ondernam en groote slachting onder de belegerden aanrichtte, lag daar in haar tent do Maagd van Orleans, de redster van haar vaderland, en sliep. Eindelijk, door het krijgsrumoer gewekt, riep zij, onder 't aangorden harer rusting, haar schildknaap verwijtend toe; waarom liet gij mij slapen, terwijl het bloed van Frankrijk vloeide?

Zoo hebben ook wij, nu en dan in ons leven, behoefte aan een schildknaap, die ons wekt, als de vijand vóór de poort staat.

Uw schildknaap, werkgevers, zal het Kruisverbond zijn.

* *

*

Ik zal dus niet beweren, dat de drankzucht het meest onder de werklieden heerscht; maar wel beweer ik, dat geen andere stand zooveel aanleiding heeft als zij, om een onvermoeiden strijd tegen den drankduivel te voeren. Achten anderen matigheid in sterken drank voldoende, de werkman moet meer doen, omdat voor hem veel grooter belang op het spel staat; hij heeft tegen den sterken drank een strijd te voeren om zelfbehoud.

in de eerste plaats, omdat het inkomen van den werkman niet toelaat, veel geld aan drank te offeren, zonder dat hij aan de voor zijn huisgezin noodzakelijke uitgaven ,te kort doet.

Het alcoholgebruik brengt voor iedereen gevaren meê; voor den arbeider zijn ze dubbel, driemaal grooter dan voor een ander. Het nadeel voor de gezondheid is hij hem veel grooter, omdat hij zich in den regel niet voedt, niet voeden kan, zooals 't behoort.

Van veel meer gewicht echter zijn de [overwegingen van hoogere orde, die den werkman moeten dringen tot onthouding van sterken drank, en deze overwegingen raken het hart van het sociale vraagstuk.

In het eerste deel mijner rede hebben wij gezien, hoe in den strijd om het bestaan twee richtingen voornamelijk op den voorgrond treden en hoe het individualisme — het zij dan gezegd tot schande der menschheid — nog steeds de sterkste is. Wij hebben gezien, hoe de werkgever, soms tegen wil en dank, wordtr voortgezweept door de toomelooze concurrentie Jen hoe de werkman zeer dikwijls daarbij het kind van de rekening wordt.

Is het nu niet treurig, dat de werkman juist met voeten schopt, het eenige hulpmiddel dat hem kan dienen, om zich

ocr page 25

— 23 —

in zijn stand, om zijn stand zelf. omhoog te werken? Dat hij met voeten schopt zijn krachtigen wil en onbeneveid oordeel ?

Want de mogelijkheid, om, met behulp van een rechtvaardige wetgeving, den werkmansstand te verheffen, zelfs onder het tegenwoordige economische stelsel, bestaat wel degelijk. Engeland kan ons daarbij quot;tot voorbeeld strekken, 't Is nog zoo heel veel jaren niet geleden, dat in dit land het individualisme, door zedeleer noch wet gebonden, de werkmansklasse onmen-schelijk exploiteerde. Werkdagen van 18 en 20 uren waren regel; met zweepslagen hield men de kinderen wakker tijdens den nachtarbeid; dronkenschap, onzedelijkheid en ellende dreigden de levende krachten der natie te vernietigen; en thans?

In ditzelfde Engeland heeft de werkmansstand dm hoogsten bloei van ontwikkeling en welvaart bereikt. Hoe is dat in zoo korten tijd kunnen veranderen ?

Ongetwijfeld is de vakvereeniging een machtig werktuig bij deze hervorming geweest; maar de Engelsche werkman zou toch nooit geworden zijn, wat hij thans is, indien iiij niet in hooge mate bezat het vermogen van self-control, wat ik niet beter uitdrukken kan dan door zelfbeheersching, als gevolg van zelfkennis.

Door zich dit vermogen eigen te maken, zal ook onze werkman zich oefenen tot een krachtige persoonlijkheid, die tot zelfoordeelen in staat is.

Aan deze eigenschap heeft de Engelsche en Schotsche werkman in de eerste plaats te danken, dat de dronkenschap onder de werklieden der beide landen nagenoeg geheel verdwenen is, niettegenstaande zij nog in 't begin dezer eeuw de kanker was der volkswelvaart.

In den tegenwoordigen tijd is het gebruik van alcoholische dranken onder de Engelsche werklieden een groote uitzondering. Nog onlangs vertelde mij de heer Landré, van de firma Landré amp;• Glindermann te Amsterdam, dat, toen hij, vóór een twaalftal jaren, werkzaam was aan de groote Engelsche machinenfabriek van Marshal, daar 4000 werklieden arbeidden, waarvan de helft, met den patroon aan het hoofd, geheelonthouders waren.

't Is waar, dat aan die fabriek geen enkel der groote middelen verzuimd werd, die ik op hot Utrechtsche Congres den werkgever heb aan de hand gedaan in zijn strijd tegen het drankmisbruik.

Niettemin doet het goed van zoo'n voorbeeld te'kunnen gewagen. Men moet eerbied hebben voor zulke menschen, niet, omdat zij geen jenever drinken, maar omdat /ij die niet willen

ocr page 26

— 24 —

drinken en zedelijk zóó hoog staan, dat zij dfen wil weten door te voeren.

De werkman, die zich niet iaat meesleepen door de drinkgewoonten, heeft daardoor reeds een grooten voorsprong op den alcoholgebruiker: zijn vooruitzicht is helderder, zijn vooruitzicht in al die zaken, welke zijn levens- en arbeidsvoorwaarden kunnen verbeteren. Want, zooals ik reeds in 't begin zeide, een der treurigste verschijnselen, maar ook een der meest bekende van de alcoholvergiftiging op alle trappen van het gebruik is de verlamming van het vermogen, waarom het physische leven draait, het vermogen, om'de prikkels onzer gevoeligheid, onzer aandoening, te leiden en te regelen.

Zelfbewuste en volhardende werkzaamheid is onmogelijk zonder geregelde functie der hoogere vermogens. En de eerste voorwaarde, die de arbeider te vervullen heeft, wil hij, door eigen krachtige, volhardende en zelfbewuste handelingen, zijn levenslot verbeteren, is de hervorming van zijn voeding, de vervanging van den alcohol door werkelijk versterkende en voedzame spijzen en dranken.

Om al die redenen, ik herhaal het, is de werkman aan zich zelf verplicht, den sterken drank te schuwen uit drang naar zelfbehoud.

Staatstusschenkomst ten behoeve van den werkman zou veel minder noodig zijn, indien deze meer deed aan self-control en daardoor aan self-help.

Waar overigens rechtmatige grieven tegen den werkgever zijn, zal de drankzuchtige ze niet wegnemen: iiij telt niet mee.

En nu is 't niet genoeg, dat de werkman zich van sterken drank onthoudt, hij moet openlijk getuigenis afleggen, dat hij beooort tot degenen, die in d^ jenever een der grootste hinderpalen zien voor den werkman, om zijn zelfstandigheid en waardigheid terug te winnen. Die openlijke belijdenis zijner overtuiging kan de werkman te Deventer niet beter afleggen dan

door lid te zijn van het Kruisverbond.

* , *

Ik heb reeds met een enkel woord onze tegenwoordige maatschappij beschuldigd, dat zij lijdt aan overbeschaving. Die ziekte toont zich voornamelijk in haar noodlottigen invloed op het^karakter der menschen.

Is de klacht niet algemeen, dat de mannen van karakter steeds minder talrijk worden?

Wat is het karakter? Het karakter van den mensch doet zich kennen door de trouw aan zich zelf, aan zijn beginselen,

ocr page 27

aan zijn eigen wil. De man, wiens wil onophoudelijk vef-andert en die weinig standvastig is in zijn gevoelens van genegenheid en afkeer, heeft een zwak karakter, iiij verlaagt zich in ons oog. Het karakter is de kracht van den wil; want de wil, die het vermogen mist om voet bij stuk te houden en zich zelf te eerbiedigen, heeft geen goeden grondslag om op voort te werken en blijft onmachtig, om iets voort te brengen, om iets te scheppen.

Kent gij het woord van den leekedichter ?

„Wees U zelf,quot; zei ik tot iemand;

„Maar hij kon niet: hij was niemand.

Het krachtigste middel nu, dat de mensch tot zijn beschikking heeft, om spoedig af te dalen tot karakterloos wezen, om van iemand niemand te worden, is het alcoholisme.

Stellen wij ons voor den man van karakter, in wien deugd en verstand vereenigd zijn. Hij bezit het onderpand der men-schelijke macht.

De karakters van zulke mannen zijn het huwelijksgoed eener natie.

Wat is het voorrecht van geboorte tegenover vereenigde deugd, karakter en verstand, dat is: tegenover persoonlijke verdienste ?

De degen is een groote en verschrikkelijke macht; hij is een voorwerp van eer voor allen; want de degen is sterk en eerbiedwaardig, als hij in dienst van recht en gerechtigheid is, als hij de zwakken beschermt of het vaderland verdedigd. In onze overzeesche bezittingen is hij geworden tot een symbool van Nederlandsche moed en zelfopoffering! Maar, waar hij zou willen strijden tegen deugd, karakter en verstand, zou het lemmer in stukken vliegen, onder machtelooze krachtsinspanning! 1)

Lodewijk XIV vroeg aan Colbert, hoe het kwam, dat hij, de machtige koning van het groote Frankrijk, niet in staat was geweest zulk een klein land als Holland te veroveren.

„Omdat,quot; zei de minister, „de grootheid van een land niet afhangt van de uitgebreidheid van zijn grondgebied, maar van het karakter van het volk.quot;

Zóó hoog staat de man van karakter.

En toch, zoodra hij komt onder den invloed van het alcoholisme, is het gedaan met de kracht, die van hem uitgaat;

1

Muur Laoorduire.

ocr page 28

— 26 -

hij kan nog een achtbaar man zijn en nuttig voor de gemeen-' schap, iiij kan nog bemind en geëerd blijven, nimmer zal hij een machtige persoonlijkheid zijn.

Het alcoholisme onder de hoogere standen heeft nOg een andere schaduwzijde, die niet minder donker is. Wij weten, hoe in de tegenwoordige maatschappij de zucht tot weelde tot een bedenkelijke hoogte is gerezen; zij is een sociaal kwaad geworden. Die weeldezucht komt ook tot uitdrukking in den vorm van alcoholisme. Zij is niet meer tevreden met gewone wijnen, ze kan het onmogelijk meer stellen zonder uitgezochte merken, wier prijs en alcoholgehalte in gelijke mate toenemen. Op het budget van vele huishoudens is deze uitgaaf een zware lastpost, zooals menig artikel van weelde.

Weelde nu is de ondergang voor de aalmoes; ze doet de bron opdrogen, waaruit de aalmoes moet vloeien en aan zoovele deuren, waar de Charitas vroeger nooit te vergeefs aanklopte, vindt ze thans geen gehoor meer.

Begrijpt men nu, waarom een goed Vincentiaan lid van het Kruisverbond moet zijn? Aan den eenen kant vindt hij den alcohol, die hem de aalmoes onthoudt, aan den anderen kant ontmoet hij de jenever, die elke aalmoes onvruchtbaar maakt.

De leden der Vincentiusvereeniging moeten zijn de kern van het matigheidsgenootschap, ook, omdat de jenever de grootste vijand is van hun liefdewerk.

Zouden wij, zonen van Vincentius, dit niet inzien, dan zouden wij aanleiding geven tot gegronden twijfel, niet aan onzen ijver, maar aan ons gezond verstand. IJver alleen is, ook bij een Ijefdewerk, niet voldoende. Men moet trachten, nimmer nutteloos werk te doen.

Ook in de huisgezinnen der hoogere standen is de strijd tegen den alcohol een voldoening aan de sociale gerechtigheid. Maar tevens een verhooging van het levensgeluk, voor zich zeiven en voor anderen, omdat hij ontlasting brengt van noode-looze zorgen.

Op dit gebied echter hebben wij te breken met veel valsche schaamte. Daarom rust op hen, die zich groote uitgaven voor weelde kunnen getroosten, de onafwijsbare plicht, hier het goede voorbeeld te geven in matigheid.

En voor allen is het Kruisverbond een leerschool tot zelfbeperking.

Ook voor den hoogstgeplaatste staat het lidmaatschap dezer Vereeniging niet te laag.

De Vereeniging zal meer geven dan . in haar program te

ocr page 29

— 27 —

lezen is en kan worden, in geestelijk en stoffelijk opzicht, een gezegende kracht voor het geheele Nederlandsche volk, dat in alle mogelijke deugden uitblinkt, het is waar, maar toch op het stuk van matigheid en zelfbeperking nog wel een kleinen prikkel gebruiken kan.

Maar onze Vereeniging heeft krachtige bondgenooten noodig. Steun vindt zij bij den wetgever, wiens streven er meer en meer toeleidt, het alcoholdebiet te bemoeilijken.

Over 't algemeen echter is de Staat te veel met gouden banden aan den alcohol gebonden, om afdoende hulp te ver-leenen. Hij huldigt nog te zeer het stelsel van Napoleon I, die de ondeugden voor zeer goede patriotten hield. Hij kreeg vijf millioen van de liefde voor brandewijn en, zou blij zijn, „als hij wist, welke deugd hem evenveel zou opbrengen.quot;

Wat beteekent echter een som van vijf millioen tegenover de schatten, tegenwoordig geofferd als accijns op den alcohol !

Daarom is krachtiger steun noodig dan die van den Staat en een andere bondgenoot moet ons te hulp snellen ; met wetten alleen zullen wij den volksgeest niet veranderen, het volkskarakter niet verbeteren.

Het is zoo waar, wat Pastoor Aengevoort van Emmerich op den Katholiekendag te Krefeld gezegd heeft; „de mannen maken de wetten, zij houden redevoeringen in de parlementen, zij werken mede aan de voorstellen en eindelijk verkrijgen deze door de hoogste sanctie kracht van wet.

Jawel! dan staan die wetten op 't papier; maar om die wetten, voor zoover ze op de zedelijkheid betrekking hebben tot uitvoering te brengen, daartoe zijn tien parlementen niet in j staat, dat moet de vronw in het huisgezin, dat moet vóór allen de moeder bewèrRen. Als de moeder het verbod recht diep grift in het harte des kinds, staat het daar beter opgeschreven dan alleen op het papier.

Zoo de vrouw is, zal het huisgezin zijn, uit de huisgezinnen wordt de maatschappij, het volk, de Staat gevormd.

Daardoor kan de werkzaamheid der vrouw, in sociaal opzicht, niet te hoog worden aangeslagen. Want men mag zeggen wat men wil, de vrouw is het hart des huisgezins. De man is het hoofd, zooals hij behoort te zijn, maar de vrouw is het hart. Zoolang het hart gezond is, is de heele men^Ch gezond ; is het hart ziek, dan zweeft de inensch bestendig tusschen leven en dood. Als het hart van het huisgezin aan ongeloovigheid lijdt, aan gebrek aan godsdienstzin, dan rust het geloof, de zedelijkheid,quot; de vroomheid van 't heele huisgezin op wrakken bodem.

ocr page 30

— 28 —

Wanneer het zou gelukken, der vrouw deze stelling, deze waardigheid en deze wijding te ontnemen, is zij niet meer in staat, en heeft zij ook den wil niet meer, tot zegen der maatschappij te werken. De vrouw zal de schuttende, reddende engel van het huisgezin zijn, of, wordt haar waardigheid met voeten getreden, de onheilbrengende wurgengel.

Een vrouw zonder godsdienst is in het huisgezin en bij de opvoeding als een ijsblok in een bloemperk, heeft Allmn Stolz gezegd en Kardinaal Diepenbrock: als de lieve God in het hart der vrouw zijn altaar opslaat, is het heele huis een kerk.quot;

Ziedaar, Geachte Vergadering, het kort begrip van het katholieke feminisme.

De groote kracht, uitgaande van de christelijke vrouw, moet dienstbaar gemaakt worden aan den strijd tegen het drankmisbruik, ook in haar eigen belang, tot bevordering van haar eigen levensgeluk.

De moeder zal haar kind'opvoeden in afschuw voor de dronkenschap, zij zal dien afschuw diep in het kinderhart prenten. Angstvallig zal zij er voor waken, dat haar kind onder de 12 jaren geen alkohol gebruikt, ook niet in den vorm van wijn of bier.

Want zij weet, dat er een dag zal komen, waarop het kind, jongeling geworden, alleen en op eigen beenen zal staan in de wereld.

Zoolang mogelijk heeft zij hem opgevoed onder het nauwlettend toezicht van het moederoog of toevertrouwd aan leermeesters van beproefde trouw.

Maar eindelijk komt het uur, dat den jongen man zal vrijmaken en hem zal zenden naar werkplaats, kantoor of universiteit in de groote stad.

Is het wonder, dat bange zorg het moederhart bekruipt?

Is het wonder, zoo haar het harte bang wordt, als haar kind wordt opgeroepen, om zijn plaats in te nemen in de gelederen van het leger ?

Maar wat gerustheid zal 't haar schenken, als zij het kind heeft opgevoed in afschuw voor den alcohol en geleerd heeft waardeering voor zelfbedwang. Wat gerustheid voor haar, als zij heur kind sinds zijn 16e jaar onder de hoede van het Kruis-verbond weet.

In de middeleeuwen zonden de oudgeworden ridders hunne zonen in den strijd met de oud-Fransche woorden : „Va, mon fils, et ne forligne pas ! Dat wil zeggen : wijk niet af van den goeden weg, noch te rechter, noch te linker zijde. En op de

ocr page 31

— 29 —

vervuiling van dezen wensch mochten zij rekenen, omdat hun kinderen waren opgevoed in eerbied voor ridderdeugd en zelfverloochening.

Zoo zal de Christenzin der katholieke vrouw bij de opvoeding harer kinderen te streven hebben naar de ontwikkeling van den geest van matigheid en zelfverloochening.

Die geest zal onze jongelingschap opvoeden tot steunpilaren van Kerk en maatschappij; tot mannen, die er prijs op zullen stellen, in kunst en wetenschap, in handel en industrie, te staan in de voorste rijen en die op politiek en sociaal gebied hun plichtsgevoel niet zullen laten verdooven door gemakzucht en onverschilligheid.

Zulke mannen heeft het katholieke Nederland noodig en het is de hooge beteekenis der katholieke matigheidsgenootschappen, dat zij tot de vorming van zulke mannen medewerken.

Dat hooge doel zullen wij echter niet bereiken, indien dc katholieke vrouw onze pogingen niet steunt, indien wij niet toonen prijs te stellen op haar medearbeid.

De raad mag niet overbodig geacht worden, dat wij de vrouw hebben te beschouwen uit een geheel ander oogpunt dan te doen gebruikelijk is. Men kan er niet te veel den nadruk opleggen, dat ook zij .geroepen is tot een groeten socialen arbeid.

Wij, katholieken, behooren ons steeds te herinneren — en de katholieke vrouw is de laatste, die het mag vergeten — dat in de vergadering der Apostelen ook een vrouw tegenwoordig was, toen de H. Geest nederdaalde; — dat ook de Christenvrouwen in de amphitheaters in den marteldood gingen; — dat het een vrouw was, de H. Helena, die geroepen werd, om het Kruis weder op te richten op Jeruzalems muren; — dat zonder een H. Monica de Kerk geen H. Augustinus zou gekend hebben ; — dat in den slag bij Tolbiac koning Clovis de zege niet behaald heeft, alvorens den God van Clotildis te hebben aangeroepen en dat Frankrijk eens gered is door Jeanne d'Arc.

Geachte Vergadering! Wij zijn het geslacht, dat voorbijgaat en wij hebben strijders te vormen en op te roepen voor de toekomst. Ik wil mijne rede daarom niet beëindigen, zonder een woord van opwekking te hebben gesproken tot de katholieke jeugd.

De katholieke jongelingschap heeft een hooge roeping te vervullen en hiertoe zal zij niet geraken achter de eeuwiggedekte

ocr page 32

— 30 —

societeitstafel; maar, als overtuigde strijders in de gelederen van liet matigheidsgenootschap, zal zij zich hebben voor te bereiden op den ernstigen kant des levens.

Men meene toch niet, dat men, als het gevaar op zijn hoogst zal zijn en men geroepen wordt tot ernstige plichtsvervulling, slechts zal behoeven te komen en te zien, om te overwinnen.

Het woord van Lacordaire tot de katholieke jeugd verdient nog steeds overweging, indien zij eens harer roeping waardig wil zijn;

„Wanneer gij den roem op uwen weg ontmoet, zult hij hem „óf niet herkennen, óf te vergeefs bij den naam roepen, indien „gij niet langen tijd vooraf uwe harten hebt voorbereid op den „grooten strijd door een voortdurende, onzelfzuchtige worsteling „tegen uwe zwakheden, door een strenge plichtsvervulling ook „bij den meest gewonen dagelijkschen arbeid. Gij zult het „slagveld des levens niet met eere betreden, zonder u van dag tot dag in heldendeugd te hebben geoefend.quot;

Van den Paus-dichter Leo XUI is het woord;

„Alleen aan 't zwoegend hoofd behoort de lauwervlecht.quot;

Daar kan een dag komen, dat het Geloof en het Vaderland uwe toewijding zullen vragen. Dien dag zullen beiden om helden roepen; schande over U, zoo ze dan slechts menschen vinden!

Ook de jeugd heeft het recht niet, den plicht tot arbeid en zelfbedwang af te wijzen of tot later uit te stellen. Dat zou ook zijn beneden haar waardigheid, die zij geheel verloochenen zou door in weelde en nietsdoen te leven van den rijkdom, die toch niets anders dan de gekristalliseerde arbeid der vaderen is.

Op, uit de sluimering, wij allen, jongeren en ouderen! Er is een slaap, die misdaad is.

Als katholieken hebben wij ons niet enkel passief en behoudend, doch ook actief, als mannen van de daad te doen kennen. Met groote woorden zullen wij de plaats, die ons toekomt, niet veroveren. Wij zijn geen operettehelden, die, zwaaiend met lange rapieren en onder 't marqueeren van den pas, wel met komischen heldenmoed zingen; en avant! marchons! maar geen duimbreed vooruitkomen.

Als Christenen zijn wij tot strengeren plicht geroepen, een plicht, die ook zijn uitdrukking moet vinden in ons gemeenschappelijk optreden in den strijd tegen de drankzucht.^ Wij, die zoo vast staan in de matigheid, op wie de verleiding van den drankduivel geen vat heeft, — verdienen wij zooveel lof wel? — wij hebben een waardeerend woord, ja, voor de matigheidsgenootschappen; wij willen zelfs zoover gaan, ze wel een

ocr page 33

— 31 —

eisch des tijds te vinden; maar voor ons zelf hebben wij haar band niet noodig. Ligt er niet een weinig pharizéisme in deze hooghartigheid ? En zoo niet, staat daar dan niet onze even-mensch, dien wij te steunen hebben in zijn zwakheid, dien wij te helpen hebben in zijn strijd tegen menschelijk opzicht?Dat is een eisch van naastenliefde, die tevens een plicht van dankbaarheid is.

Wat toch hebben wij het Christendom niet te danken ! Recht en vrijheid, de eere van den arbeid, de waardigheid der vrouw, het geluk van het huisgezin.

En ziet, ik ben waarlijk niet de boetprediker in het haren kleed, die alleen bij sprinkhanen loeft; maar, waar ik dagelijks zie, hoe de mensch voor een slok jenever zijn recht en zijn vrijheid met voeten schopt; — waar ik dagelijks kan ondervinden, hoe dit helsche vocht, de eer en de zelfstandigheid van den arbeid rooft ; waar ik dagelijks kan opmerken, hoe de dronkaard de waardigheid der vrouw miskent en haar het beetje geluk ontneemt, waarop ook zij zoo gehoopt had, waarop ook zij recht heeft in de wereld ; — waar ik dagelijks de jenever ontmoet als de verwoester van het huiselijk geluk en het familieleven, — daar acht ik mij gerechtigd te spreken, zooals ik doe, en U allen, katholieke mannen en jongelingen van Deventer, op te roepen voor het lidmaatschap van het Kruisverbond.

Hoe weinig wordt er van ons verlangd en hoe groote voorbeelden hebben wij ter navolging! Daar zijn er wellicht onder U, wier vaderen onder de Hollandsche graven en de Brabantsche hertogen, hebben medegekampt om 't bezit van't Heilig Graf en in den heiligen strijd den ridderslag ontvangen hebben of van lijfeigenen tot vrije mannen geworden zijn ; wier vaderen, het hart ontvlamd door de onwederstaanbare welsprekendheid van een H. Bernardus, den grooten prediker der kruistochten, truweel en schootsvel hebben neêrgelegd bij de onvoltooide kathedralen, om ten strijde te snellen naar het H. Land.

Ons, kleinen menschen, duizelt het, als wij ons in den geest verplaatsen in die groote eeuwen; als wij nadenken over zoo krachtig geloof en voor niets terugdeinzende zelfopoffering.

Daarom wordt ook van ons niet dezelfde mate van heldendeugd gevraagd. Maar er zijn plichten, ook kleine plichten, die wij niet mogen afwijzen.

Of zullen wij blijven staan, de armen gekruist, onverschillig toeziende bij den nood der tijden ?

Neen, dat zullen wij niet. Integendeel, wij allen zullen staan in de gelederen van het leger, bijeengeroepen, om ten kruistocht te varen tegen den vijand, die de beste krachten rooft van het Nederlandsche volk!_,

ocr page 34
ocr page 35
ocr page 36