DREYFUS
OF
âDE VERMOORDE ONSCHULDquot;
DOOR
A. VAN ROS.
TWEEDE DRUK.
DREYFUS
OF
DE VERMOORDE ONSCHULD
. .t
i â - l
' . V t
_____
_______
_
Z7 fi-
DREYFUS
OF
DE VERMOORDE ONSCHULD
A. VAN ROS.
ilfalioftheca
TWEEDE DRUK.
BIBLIÃTHEÃK
\ RiJKSüMjb£Rsn ::;r | UTRECHT
f COLL. THOMA^SSE
X IJ M E G E X,
T.. C. G. MALAIBERG
1898
i_'fc;
EEN WOORD VOORAF,
Ik heb in beraad gestaan, of ik de reeks artikelen, door mij, over de Dreyfus-aangelegenheid, geplaatst in het Noord-Brabantsch Dagblad, in brochure-vorm zou vereenigen.
Wat beslissend voor mij was, het was de herinnering aan een briefje, door den Heer Yves Guvot, 29 Mei 1897, geschreven in den âSièclequot;. Hierin kwam deze zinsnede voor:
âDaar de Vrijmetselaars dezelfde vijanden hebben als de Joden, ânamelijk de Katholieken, begrijpen wij de houding niet van sommige âbladen, die de Joden aan de genade hunner tegenstanders overleveren, âin plaats van zich tegen deze met hen te vereenigenquot;.
âAaneensluitingquot; tegen het âcléricalismequot;, was de leus van het Dreyfus-syndikaat over geheel Europa.
âAaneensluiting tegen de Sektariërsquot; zij de onze.
Dat de Dreyfus-campagne eene anti-clericale strekking had, dat de bedoeling ten grondslag lag, de bestrijding der Joodsche onbehoorlijkheden verdacht te maken, en, in een aanschouwelijk voorbeeld, het âfanatismequot; der Joden-bekampers voor immer te schandvlekken, dit is niet twijfelachtig meer.
31 Dec. 1.1. schreef de âCroixquot;: âhet schijnt thans bewezen, dat het syndikaat ten gunste van Dreyfus, een komplot had gesmeedquot;.
Taxil zou den anti-macponnieken strijd den kop indrukken; â Dreyfus het anti-semitisme der âclericalenquot;. â Dit was de toeleg.
Die toeleg is mislukt. Maar hij heeft bestaan.
Daarom besloot ik, mijne artikels saam te voegen, niet onkel als een protest tegen het schande-stuk âDreyfusquot;, te Amsterdam (Dec. 1897) opgevoerd, maar ook als een blijvende waarschuwing tegen de Joodsche sluwheid.
*
*
Een woord over de bronnen van dit werkje.
Ik zeil meest op 't kompas der beide beste katholieke bladen van Parijs: âUnivenquot; en âCVo/,vquot;. Geen reden vond ik om te vermoeden, dat, waar zij andere Fransche bladen aanhaalden, hun goede trouw bij 't citeeren verdacht was.
een woord vooraf,
Overigens werd de opvatting dier bladen gedeeld door de meerderheid der beste neutrale en liberale bladen in Frankrijk. De uitkomst heeft ook bewezen, dat het oordeel van Croix, Univcrs, Soir, Jour, Echo de Paris enz. enz. over het bedriegelijk Dreyfus-syndikaat juist was.
Een beknopte herinnering aan feiten uit 1894 is allicht niet overbc idig.
Ik ontleen deze aan het, in militaire zaken, erkend deskundige blad âEcho de Purisquot; van 26 Dec. 1897:
âVan den aanvang van 1894 af bespeurt onze generale staf, dat âer stukken wegraken uit liet Ministerie van Oorlog. De maatregelen âdoor twee naburige volken genomen, tot mobilisatie en samen-âtrekking van troepen in geval van oorlog, bewijzen het. In April â1894 krijgt de tegen-spionnage een schriftelijk bewijs in handen. âEen weinig later onthult de ontdekking van het borderel (uittreksel âvan te leveren stukken), dat de verrader thuis hoort in het âMinisterie van Oorlog zelf.
âDe verdenking valt op Dreyfus. Men spant hem een strik. âVertrouwelijk worden hem schijn-orders opgedragen; deze worden âverklapt aan het Buitenland. De dienst der inlichtingen laat hem ânu bespieden. Beambten ontdekken, dat Dreyfus betrekkingen âonderhoudt met verdachte dames, die in spionnendienst zijn van âhet buitenland. De heer Cochefort, te Nizza, geheime agenten te âBrussel, leveren het bewijs, dat Dreyfus samenwerkt met vreemde âagenten. Nu legt tie geheime dienst een stuk over, waarin Dreyfus' ânaam voluit wordt genoemd. Het wordt bewezen, dat hij in quot;t geniep âstukken copieerde, hij kan echter niet aangeven waar die copieën âbleven; stukken verdwenen, die hij het laatst in handen had; âvoor den krijgsraad gedaagd, wordt hij met algemeene stemmen âveroordeeld; in de gevangenis bekent hij aan een officier zijn âmisdaadquot;..... l).
Drie jaar later speelt het drama: â Dreyfus of de vermoorde onschuldquot;.
VI
Januari 1898. A. van Ros.
') Dit hoeft nu 23 Januari 1898 Minister lléline officieel, publiek in de Kamer bevestigd.
I N 11 O U D.
BLADZ
Inleiding.......................v
ic Bedrijf.......................1
iquot; Toonecl: Uiteenzettingen verklaring uit herinneringen . . i
2° Toonecl: Fijne beschuitjes..............5
3e Tooneel: Een ondoorgrondelijke...........â s
iic Bedrijf.......................11
ic Toonecl: Vóór en tégen...............11
2° Toonecl: Eén, die er meer van weet.........15
De Schragen kraken..................-1
ni1' Bedrijf. Alle hens op dek..............-1
iv Bedrijf.......................32
p' Toonecl: In fatsoenlijk gezelschap...........32
2° Tooneel: Alleenspraak van Scheurer-Kestner......,ïS
Tooneel: Een Rcdakteur in doodsnooil........4'
4'quot; Tooneel: Bengaalsch vuur. zevenklappers en sissers . . .45
v0 Bedrijf.......................48
i1' 'Tooneel: Tn de gerechtszaal.............4°
2e Tooneel: Het svudikaat verpletterd..........53
Epiloog.......................57
HEI EERSTE BEDRIJF.
i.
Uiteenzetting en verklaring uit herinneringen.
De vermoorde onschuld, als men zoo beleefd is de verzekeringen der gioote Pers voor lief te nemen, is de wegens landverraad veroordeelde ex-kapitein: de Jood Dreyfus.
Dit geslacht heeft zich een zekere vermaardheid verworven om zijn vaderlandsliefde.
Het was een Dreyfus, bankier te Parijs, die aan Pruisische generaals het feestmaal aanbood, zoodra deze geslagen vijanden van Frankrijk Parijs waren binnengerukt; het was een andere Dreyfus, die 1200 wagonladingen vergiftigd graan wilde binnensmokkelen in Rusland; de dood van eenige duizenden Russische boeren scheen hem weinig te bekreunen; het was een derde Dreyfus, die voor een paar jaar, wegens laaghartige overlevering van gewichtige staatsstukken, tot levenslange ballingschap werd veroordeeld.
Sinds korten tijd gaat de mare door de pers, dat deze man niet enkel tie vermoorde onschuld speelt, maar ook werkelijk een ten onrechte veroordeelde is.
Hoe Eduard Drumont op de bres sprong, laat zich denken!
Minder gemakkelijk laat zich denken, hoe Redaktie's, die blijk gaven, het verdorvene en verderfelijke tier Talmud-leer te doorgronden, aan de âwaarschijnlijkheidquot; geloofd hebben der âverdrukte onschuldquot; Dreyfus.
Men behoeit waarlijk geen anti-semiet als Drumont te wezen, geen vechtersbaas met pistool en degen, geen halve socialist, geen penvoerder, die gewoon is in gal en bloed tie vetler te doopen, om de onbewezen beweringen van den Joodschen senator Scheurer-
Kestner, â droeve ridder van den Jood Dreyfus, â minstens bedenkelijk en verdacht te bestempelen
Vergeten mag niemand, dat 'Drumont meer dan eens bewijzen gaf âle flair des chosesquot; te bezitten, in ongewone mate.
Hij was het, die immer, 13 jaren lang, niet zelden tegen alle waarschijnlijkheid in, Taxil een schelm en bedrieger heette; die, zelfs waar hooggeplaatste personen dezen huichelaar verdedigden, hem immer de spits voor den neus hield.
Hij was het, die, tegen duizenden volhield, dat Burdeau een onwaardige was, â Burdeau, de rechterhand van Rothschild, be-kampte, tot 6 maanden gevangenis hem beloonden voor zijn liefde jegens het Vaderland.
De uitkomsten hebben Drumont hier en elders recht gedaan. Zijn blik is blijkbaar scherper dan die der meeste menschenkinderen.
Men geve hem, als hij zijne overtuiging blootlegt, niet al te spoedig den steen. Argumenten als: âHoe kan hij dat weten?' bezitten
ongetwijfeld eene zeer betrekkelijke waarde.
* â¦
De vermoorde onschuld, Dreyfus, is niet zoo maar in een vloek en een zucht gegrepen, geoordeeld, gevonnist! Het lijkt er niet op. Terecht wordt een en ander uit het verleden thans herinnerd.
Generaal Billot ') had argwaan tegen hem opgevat, daar, aller-wege waar Dreyfus deze in handen kreeg, documenten verdwenen. Generaal Billot ontbood hem, plaatste den commissaris van politie Cocheret in een aangrenzend vertrek en verzocht Dreyfus een brief te schrijven, dien hij. Billot, hem dicteeren zou.
Dreyfus zette zich neder. Billot liet hem schrijven, dat hij (Dreyfus) verzocht: de stukken terug te zenden, die hij verkocht had.... Hier wierp Dreyfus sidderend en bleekbestorven de pen neder. Een uur later was hij gevangen.
Aan den Libre Parole ontleen ik de volgende geschiedenis van den diefstal eener kaart:
âEenige jaren geleden werd kapitein M., militair leeraar te Saint Cyr, door den minister van oorlog naar onze grenzen in het Zuid-Oosten gezonden, met de opdracht eenige practische lessen te geven aan een twintigtal officieren, die van de krijgsschool kwamen.
') Ik heb ook hier en daar vernielJ gevonden, dat het de Overste du l'aty dc Clara was, die Dreyfus or aldus in liet loopen.
3
Vóórdat hij vertrok, gaf de minister hem een nauwkeurig uitgewerkte kaart van dat gedeelte onzer grenzen. Het was een zeer kostbaar document en werd van zooveel gewicht gerekend, dat kapitein M. er borg voor moest blijven.
Op de bedoelde plaats gekomen, treedt de kapitein een herberg binnen met het plan, aan zijn twintig gezellen, waaronder zich Alfred Dreyfus bevond, eenige uitleggingen te geven. Zij namen plaats in eene afzonderlijke kamer, de leeraar ontvouwt zijn kaart up een tafel en de les begint.
Maar na eenige oogenblikken verlaat kapitein M. om ik weet niet welke reden het vertrek met eenige officieren. Er verloopen tien minuten; hij komt weder binnen en â welk een verbazing en onrust â vindt niet meer zijn kaart. Het kostbare document is verdwenen.
Vol spijt haastte de kapitein zich, het gebeurde aan den minister te seinen, die hem zeer berispte. Hij keert naar Parijs terug en gaat naar den minister; een nieuw tooneel.
De ongelukkige officier begreep zijn toestand. Hij zag, dat er geen uitzicht meer op bevordering was; zijn toekomst was gebroken; hij trok zich uit den dienst terug.
Nooit heeft kapitein M. gezegd, dat hij iemand van den diefstal verdacht, en toch, de jonge officieren, zijn toehoorders, hadden niet geaarzeld Dreyfus openlijk te beschuldigen.
In het burgerlijk leven teruggekeerd, dacht hij langzamerhand niet meer aan het geval, toen generaal Mercier, ongeveer veertien dagen vóórdat Dreyfus voor den krijgsraad verscheen, hem verzocht aan het ministerie te komen.
âKapitein,quot; zeide hij hem, âherinnert ge u, dat men u toen en toen zulk een kaart heeft ontstolen ?quot;
âJa, generaalquot;.
âHebt ge vermoeden op iemand gehad?quot;
âJa, generaalquot;.
âDreyfus, nietwaar?quot;
En toen de oud-officier toestemmend knikte, hernam de minister:
âWel parbleu, ja, hij was het zeker; overal, waar hij geweest is, heeft hij documenten gestolen !quot;
Kapitein M. is geen zinnebeeldig persoon; hij bestaat levend en wel.
Na het leger verlaten te hebben, heeft hij zich niet aan de ledigheid overgegeven; hij is een anderen werkking ingetreden en is een onzer verdienstelijkste ingenieurs geworden. Hij staat tegen-
4
woordig aan het hoofd van eenc grootc aannemersfirma te Parijs.
De Gaulois weet te verhalen, dat, toen een der leden van den krijgsraad, die Dreyfus in 1894 veroordeelde, in het burgerlijk leven was wedergekeerd, een officier hem vroeg, of hij zekerheid had nopens de schuld van Dreyfus.
âKameraad,quot; luidde het antwoord, âal was de zaak niet geheel âklaar voor allen, toen wij in de kamer der beraadslaging binnen-âtraden, alles was ons helder, zoodra ons zekere documenten waren âvoorgelegd.quot; Dit getuigenis heeft nog niets van zijne beteekenis verl( gt;ren.
Bertillon, de beroemde schriftdeskundige, die in het proces werd opgeroepen, schreef nu in de Pa hie: âAlles wat ten gunste van Dreyfus wordt gezegd, is waanzin.quot;
Generaal Billot voegt hierbij (volgens den Matin) âDrevfus is âveroordeeld met algemeene stemmen; het hooger beroep is eveneens âmet algemeene stemmen verworpen. Deze zaak is dus afgeloopen en âniemand mag op dit proces terugkomen.quot;
Heeft de Duitsche pers ten onrechte gemeend, dat de pijnlijke verklaring tijdens het proces van Lützow door Tausch afgelegd: âIk ben een ellendeling, maar de grootste laagheden bedreef ik in âdienst van den Duitschen staf,quot; in verband stond met het verraad van Dreyfus? Zeker maakte in die dagen van Lützow van den Duitschen staf deel uit. De doodelijke stilte, die bij deze woorden heerschte in de zaal, de gejaagdheid, waarmede de president der rechtbank den verdediger van Tausch (Lubczynski) beval,
hierover verder te zwijgen, dit alles j?if te denken!. .,.
* 1
*
Wat men ook zegge, niet bloot het âborderelquot;*) voerde tot Drevfus veroordeeling.
Buiten het âborderelquot;, schrijft de Echo de Paris, bevat het rechtelijk dossier 24 getuigenissen, waarvan 1 verklaarde, dat men Dreyfus nota's heeft zien brengen aan een vreemden agent, wiens aanhouding onmogelijk is, (d. w. z. omdat hij deel uitmaakt van een gezantschap).
Ook heeft Drevfus nooit kunnen opgeven, waarom hij in het
1
Later is nog vaak van dit âbortU-rclquot; sjirake. Ziehier, wat dit is: Een briefje, behelzend een âbordereauquot; (uittreksel) van te leveren geheime stukken. De schrijver van dit âborderelquot; is Dreyfus; hij is dus de verrader. Zoo oordeelde de Krijgsraad in 1894.
5
begin van '94, een ongesteldheid voorwendend, in het geheim een reis naar België heeft gedaan, en eerst op het laatste oogenblik heeft hij die reis bekend. De ministerraad heeft zich daarenboven kunnen overtuigen van de waarheid van het feit, dat de onbekende schrijver van de brieven, waarop Dreyfus' verdedigers zich beroepen, in geen geval ooit aangewezen is kunnen worden om de manoeuvres van '94 bij te wonen, en het veelgenoemde borderel maakt melding van âaanstaand vertrek naar de manoeuvresquot;. Dreyfus is de eenige officier van het ie bureau, die bestemd was om ze bij te wonen. En het volgt uit den aard der zaak, dat de inlichtingen uit geen ander bureau konden komen dan uit het ie bureau, dat belast is met de plannen voor de transporten, de zendingen naar het buitenland, het beproeven van uitvindingen, enz. Zonder nog te spreken van de andere bewijzen: het briefje, waarin Dreyfus voluit genoemd wordt, en zijne betrekking met een persoon, die, zoodra Dreyfus aanhouding bekend werd, over de grenzen vluchtte.
|
Dat op het laatste oogenblik zijn getoond, is onloochenbaar. Even onloochenbaar is het, zijnen gunste is overgelegd. |
aan de rechters beslissende stukken dat niet één enkel document ten |
II.
Fijne Beschuitjes.
Met het aan de Joodsche natie spreekwoordelijk toegeschreven lawaai, heeft een deel zijner broeders zich in de weer gesteld, om âonzen Dreyfusquot; van het Duivels-eiland te halen.
Aan het hoofd dier drukte bemerken wij den ondoorgrondelijken Scheurer-Kestner, wiens signalement volgenderwij ze kan worden opgemaakt.
Iemand, wien het minder aan jaren van publiek leven dan aan bekendheid ontbreekt: die met eene aan koppigheid grenzende vast-houdendheid in de volksvergadering heeft gezwegen; wiens politiek bestaan opgeluisterd wordt door zijn glorie als industrieel, chemist en natuurkundige; gewoon met hypothesen om te gaan, niet ongenegen van de deductieve methode, snuffelt hij volgaarne in gerech-
6
telij ke raadsels. Hoog van hart is hij niet, toch klonk de dubbelnaam Scheurer-Kestner hem welge valliger dan zijn Pruisisch-Israëlietische: âScheurerquot;. Reden waarom hij den naam zijns schoonvaders, â Kestner, â bij den zijnen voegde. Een zwaar stuk ware het, in dit menschenleven van groot-doen en hoog-opgeven, te vinden, hoe het belangwekkende tegen het onvolledige opweegt; hij heeft immer stilzwijgend op de kamerzetels plaats genomen; de Jood Gambetta, zijn vriend, heeft er hem aan vastgeklonken, toen hij hem, â juist op het nippertje van 't scheiden, â onafzetbaar senatoriaal-ridder sloeg. Deze politicus is geen redenaar, geen publicist, geen rechtskundige, geen vermaardheid op welk denkbaar gebied ook van wetenschap of practische kunde; maar hij is Jood, dat zegt in Frankrijk veel; hij is rijk, dit zegt nog meer; en als hij, met de hand op de portefeuille, iets verklaart en den mond geopend heeft, om zijn wijd-beroemd stilzwijgen te onderbreken, dan neemt hij het woord even bezwaarlijk terug als het nageslacht de lofspraak kan te niet doen, waarin Jules Ferry zijn koppigheid heeft vereeuwigd: âScheurer en ik, wij zijn de muilezels van het Parlement.quot;
Ziedaar 's mans getrouw signalement.
En thans een woord over zijn Dreyfus-avontuur.
Eene week lang, schreef onlangs Eugène Tavernier in den Univers, heeft geheel Frankrijk aan de lippen gehangen van den heer Scheurer-Kestner, een Senator, die gewoonlijk zwijgt, en ... . ook nu den mond niet opendoet.
Van den aanvang af heeft, na Dreyfus'veroordeeling, dejoodsche familie Hadamard, â nabestaanden van Dreyfus â de groote trom geslagen voor den landverrader.
De achtenswaardige diepzinnige, genaamd Scheurer-Kestner, heeft eindelijk dit geraas vernomen, en in Juli 1897 heeft hij aan generaal Billot, minister van oorlog, zijne overtuiging blootgelegd, dat Dreyfus een verdrukte onschuld is.
De generaal heeft dit voor kennisgeving aangenomen.
Toen liet men uit de geheimzinnige ark het duifje los, dat er documenten zijn, die des kapiteins onschuld bewijzen.
Daar is het dan ook, zou ieder menschenkind zeggen, om te doen !
Scheurer zou met den minister van Justitie gaan spreken, luidde de mare 1 Nov. jl.
Scheurer ging niet.
Inmiddels vloog het duifje verder over de wereld.
Overal werd het even gevangen en snel weder losgelaten. Vroolijk klepperde het aldus door geheel Europa.
7
Afspraak was het niet, zegt men, maar 't heeft er toch wel iets van. *)
Twee November eischte de niet omkoopbare Pers, o, a. de Untvers, ridder Scheurer op, de documenten over te leggen, die hem recht geven zich als Dreyfus' ridder op te werpen.
Scheurer zweeg.
De Agcnce Nationale meldt nu, dat Scheurer een uitvoerige memorie zal uitgeven over het âuitermate ingewikkeld geval.quot;
De memorie komt niet.
Vier November verluidde het;
Scheurer maakt zich op tot spreken, en wel met minister Billot; tevens zou hij documenten toonen.
De heer Scheurer sprak niet. â
De heer Castelin, bazuinde de mare, zou eene interpellatie in de Kamer indienen; de heer Castelin deed weten, dat hij niet den zottepraat over Dreyfus niets te maken had.
Zoo werd het publiek aan het lijntje gehouden, 't was om ture-luursch te worden.
* *
*
Tntusschen hielp de geheele Natie mede, in alle bladen der wereld.
Wel ja !
In Parijs pleegt in de Avenue Marceau een zekere Dreyfus zelfmoord met vrouw en 5 kinderen ; somber en levensmoede vaagt de man zich zelf en de zijnen van den bodem der aarde; de vennoot van dezen rampzalige, Dickoff, getuigt, dat de man blijkbaar krankzinnig was geworden.
Maar de Joodsche Pers is daar, om de gebeurtenis toe te schrijven aan wanhoop over âde veroordeeling van zijn neef, den kapitein.quot;
In een onbewaakt oogenblik laat echter de zwager van den verrader los, dat deze zelfmoordenaar aan de geheele familie onbekend is! Hoe men al niet het medelijden wil opwekken!
Freund Sonnemann van de Frankfurter Zeitung helpt ook een handje; even krachtig als de Netie Freie Presse en de geheele kliek, roept hij voor Dreyfus.
') Vele Maden hebben later stellig beweerd, dat de geheele Dreyfus-campagne besloten is np het verleden zomer te Bazel gehouden Joden-congres. Eene Jodin moet dit verklapt hebben. Dan werd de wondere samenwerking der geheele âgroote Pers*' duidelijk 1 . .. .
8
Rochefort legt een getuigenis af ten diens gunste.
Ziehier, wat het Frankfurter natiebiad schrijft: âde machtige hoofdredacteur van den lutransigeant verklaart overtuigd te zijn van Dreyfus' onschuld.quot;
âMachtige hoofdredacteurquot; .... de dolleman Rochefort! ! Zulke handgrepen zijn toch al te duidelijk.
Waarlijk, als ooit de schuld van Dreyfus duidelijk in het licht trad, was het wel, toen, na twee jaren voorbereiding, niet meer dan zulk een armzalige reclame kon worden uitgestald door Scheurer, Rochefort, Lazare amp; Co.
III.
Een ondoorgrondelijke.
De geheel buitenmodelsche diplomaat Scheurer-Kestner blijft zijne houding volkomen bevredigend achten.
Ziehier wat hij verklaarde aan een Redakteur van den Figaro.
âMijn optreden is volkomen gewettigd. De meeste bladen eischen âmij met aandrang op, aan het publiek de bewijzen te leveren, die âmijne overtuiging hebben gewettigdquot;. (Welk een onbeschaamd en onnoozel publiek, niet waar?) âMen schijnt zelfs geneigd, mij zekere âvertragingen te verwijten, die inderdaad zeer moeilijk te verklaren âzouden zijn, indien ik mij die had te verwijtenquot;. (Met evenveel nietszeggende gezwollenheid kan iemand, die van diefstal wordt beschuldigd, zich aldus verdedigen: men schijnt mij zekere onrechtmatigheden te verwijten, die inderdaad zeer moeilijk te verklaren zouden zijn, als ik mij die te verwijten had. Men moet de geheele Joodsche on....vervaardheid bezitten, om de publieke opinie alduti te brutalizeeren !) âMaar ik bid u geloof mij, ik heb mij niets te âverwijten, (wel beleefd, zeer gaarne !) Zoodra de mogelijkheid âvoor mij aanbrak, heb ik aan het gouvernement de stukken medegedeeld, die mijne overtuiging grondenquot; (dit is rondweg waar) âen ik moet dus der regeering den tijd laten, om de openbare âmeening in te lichten.quot;
lijd anders in overvloed. Mijnheer Scheurer!...
Het grootste gedeelte der Fransche Pers haalde de schouders up over de Ghetto-manoeuvre. Hetzelfde schouwspel boden andere landen.
9
De Temps in zijn gewonen gematigden vorm, de Républiquc francaise in levendige bewoordingen, gispten den heer Scheurer-Kestner over tic lichtzinnigheid, waarmee hij zich opwierp als verdediger in eene zaak, waarvan hij geen stukken bezit.
Reeds 5 November had de regeering oflicieus laten berichten ;
âDe heer Scheurer-Kestner heeft inderdaad den heer Méline en den minister van oorlog, generaal Billot, over hel geval gesproken, maar hij her/I hun geen stukken in handen gegeven.
âEn toch zijn er stukken noodig, om de herziening van het geding te verkrijgen. Het wetsartikel, dat op dit geval betrekking heeft, bepaalt, dat na een veroordeeling eene herziening van het vonnis mogelijk is, wanneer zich feiten voordoen ol s 111 k k e n worden voorgelegd, die de onschuld van den veroordeelde be w ij z e n.
âIn dit geval berust het recht om herziening te vragen bij den minister van justitie, die daartoe overgaat na het oordeel te hebben ingewonnen van eene commissie, bestaande uit de directeuren van zijn departement en drie leden van den Hoogen raad.
âZoolang niet door tien heer Scheurer-Kestner stukken van bovenbedoelden aard aan de regeering zijn voorgelegd, kan er dus van een voorstel tut lierziening van het geding geen sprake zijnquot;. {Crnrv van 6 Nov.).
Maar tie trom hield niet stil.
Hier klonk het: âde stukken zijn overgelegd;quot; ginder bleef het luiden : âde stukken zijn niet overgelegd, maar de heer Scheurer heeft zequot;; elders weder verkondigde men het geheimzinnig parool : âde heer Scheurer bestudeert zequot;.
Men ziet den halfgodisehen diepdenker snuffelen in de documenten massa. Verheven en trcflen.de aanblik !
De Matin sloeg, ten einde geduld, den spijker wat forscher op tien kop. âWelaan het is tijd, dat deze komedie eindige! Wij âhebben het sinds lang gezegd, de regeering heeft alle draden van âdit listig weefsel ia handen en kent het geheele komplot
âLaten wij duidelijk spreken. Van tien aanvang van Juli af, âwerd een Minister (niet Minister Rillot) op de hoogte gesteld van âdeze sluwe pogingen en hij ontving zekere getuigenissen, die hem ânog in zijn overtuiging omtrent de schuld van Dreyfus versterkten.
âMen is in de hooge kringen gewapend. Het onderzoek, in hel âbelang des vaderlands voortzettend, heeft men nieuwe stukken ge-âvonden, die vernietigend zijn voor den verrader. Rn als tie heer âScheurer blijft volharden in zijn onverklaarbaar stommetje spelen
IO
âwelaan, dat het gouvernement dan spreke! Het kan, het moet.quot;
De regeering sprak nu in de Rcpi/blique franraise haar woordje mede. Luistert:
âHoe zou men zich niet verwonderen over de buitengewone lichtzinnigheid, waarvan de onverwachte verdediger van den ex-kapitein in deze heele zaak heeft blijk gegeven ? Hoe is het mogelijk, dat hij, na er in toegestemd te hebben, de pleitbezorger van zulk een zaak te zijn, niet begrepen heeft, dat hij openlijk zulk een rol enkel kon op zich nemen, op voorwaarde, dat hij met onweerlegbare bewijzen gewapend was ?
âDe openbare meening is veertien dagen ongerust geweest en in de war gebracht, en zij, die zich tot zulk een bezigheid geleend hebben, hebben niets voor den dag gebracht, wat ook maar een oogenblik de aandacht verdiende. De eenige houding, die hun voegt, is te zwijgen, en wanneer zij eindelijk hun mond zullen houden, willen wij hopen, dat nooit meer iemand zal gevonden worden, om de herinnering aan het afschuwelijk misdrijf, tegen het vaderland gepleegd, weer op te rakelen. Men heeft gezegd, dat Scheurer-Kestner den minister van justitie over de zaak Dreyfus zou onderhouden. Wij kunnen daarin niets anders zien dan een nieuwe manoeuvre, â ditmaal om den aftocht te dekken.quot;
Wat kan hierna nog gevorderd worden ?
Laat men den tijd niet verliezen in nutteloos gekavel over dien Dreyfus!
Wil men processen herzien, dan zijn geheel andere aan de orde dan het geding van den landverrader Dre3-fus!
Dan wacht allereerst het heilig recht der publieke opinie op geregelde rechtspraak over Carl Paasch, Dr. Moritz Stern, Dr. Sternberg, Paulus Meyer,.... en .... BuschhofT....
Men behoeft geen Drumont te wezen, om dit zonneklaar te bewijzen.
14 Nov. 1897.
HET TWEEDE BEDRIJF.
i.
Vóór en tegen.
Inderdaad, als ieder goedgebouwd drama, heeft het stuk; âde vermoorde onschuldquot; verschillende bedrijven.
Het eerste bevatte de geheimzinnige en zonderling plechtstatige aankondiging van Scheurer amp; Co.
Maar, â gelijk het behoort, â in het tweede bedrijf beginnen de verwikkelingen, wordt de loop der dingen al duisterder, wordt de lezer of toeschouwer kunstmatig in spanning gebracht; tegenstrijdigheden hier en daar, misverstanden, tegenspraak, intriges,... en de verrader, de tegenrol begint te âwerkenquot;'.
Zoo gaat het op de planken.
Zoo gaat het ook in het drama: â Dreyfus, of de vermoorde onschuld.quot;
Wat ik schreef, dato 14 Nov., houd ik vol. Als men processen wil herzien, zijn er vóór het proces Dreyfus heel andere aan de beurt; want er zijn it waarvan de onwettigheid of de onjuistheid der rechtspraak zeker is, b.v. het proces Paasch, en het proces Buschhoff (Xanten. 1892).
Maar door het optreden van de eigenlijke âtegenrol en tie door-eenwarring der gebeurtenissen, is het drama Dreyfus toch sinds 14 Nov. wel ietwat gewijzigd.
Het wordt voor velen bijna eenc vraag: âwat is hier de waarheid?quot;
De éene roept: âDreyfus is onschuldigquot;; maar dit komt mij voor-loopig onwaarschijnlijk voor.
I 2
Een ander zegt: âDreyfus is schuldig, maar mr/ hem Majoor Walsin Esterhazy.quot; Over dezen aanstonds nader.
Een derde zegt: âgeen van beiden misdreef, maar tie schuldige is een derde, die zich schuil houdt, en de beide stumperds, Dreyfus en Esterhazy er in liet loopen.quot;
Wat nu?
Men zou midden in Parijs moeten leven, aangezichten zien, houdingen vergelijken, gesprekken toetsen, en persoonlijk feiten onderzoeken, om met zekeiheid te kunnen spreken.
En zoo moeilijk is dit alles in dit geval, dal schier geen enkele, zelfs geen Parijsche Redactie, zich nu een beslist oordeel vermeet.
Ik wil dus voornamelijk blootleggen en den inhoud van het âtweede
bedrijf zoo aanschouwelijk mogelijk voorstellen.
* *
*
Senator Scheurer-Kestner, 14 dagen na zijn onderhoud met Minister Billot, verbreekt het stilzwijgen, schrijft, dat hij 1 Nov. wel stukken gaf aan den genoemden Minister, maar er over zweeg, daar hij beloofd had, 14 dagen te zwijgen.
Inteqjellatie in de Kamer over dit voorval, sensatie, alle hoofden op hol.
De Minister antwoordt: âja, ik ontving van den Senator eenige âpapieren, maar deze brengen geene wijziging in de overtuiging âvan het Ministerie.quot;
Misgeschoten dus!
Nu komt de eigenlijke tegenrol op de planken.
Deze is Mathias Drevfus, broeder van den veroordeelde, die eensklaps, onverwachts als den verrader aanwijst: graaf Walsin Esterhazy, majoor van het 74e regiment.
Onmiddellijk springt deze op als een getergde leeuw; hij vraagt een onderhoud met tien Minister van Oorlog; hij ontvangt gehoor bij een der Chefs van het departement, hij deelt alles mee, wat hij weet.
Besloten wordt: niet voor de rechtbank zal Esterhazy Mathieu Dreyfus en Scheurer vervolgen, maar generaal Pellieux, door Minister Billot benoemd, zal de zaak onderzoeken en verslas: uitbrenlt;ren.
O O
Een bepaalde beschuldigde is das aangewezen.
Het stuk is in vollen gang.
Wie is nu schuldig? Drevfus of Esterhazy? of allebei? of geen van beiden ?
* *
*
13
De voorstanders van Dreyfus verhalen het volgende:
Esterhazy is een man, die tot over de ooien in schulden steekt, van zijne vrouw gescheiden leeft, een ergerlijk leven leidt, tot alles in staat is; hij is aan het Ministerie eenigen tijd werkzaam geweest, hij heeft, uit geldgebrek, zich laten vinden, om stukken te leveren; zijn verstandhouding met den attaché van de Duitsdie ambassade, von Sehwarzkoppfen, is bekend ! Hij is de schuldige; Senator Scheurer heeft het fijne der zaak vernomen van een ambtenaar van het Fransche Ministerie van oorlog, die berouw kreeg en weleer in het verraad gewikkeld was.
Overigens is de hand, die het beruchte borderel (uittreksel) schreef, niet de hand van Dreyfus maar die van Esterhazy.
Daarbij, wat al onzin verhaalt hij niet! Hij haalt er een heelen roman bij! âEen gesluierde damequot; moet hem âdocumentenquot; hebben gebracht, die jn de zaak Dreyfus beslissend zijn ; die documenten heeft Esterhazy echter, naar zijn zeggen, nu eens bij een brug, dan weder op een plein, dan weder ergens anders ontvangen. Ziet hij ons allen voor kinderen aan, om ons zulken onzin wijs te maken!
Dan nog zijn gejaagdheid, zijn angst, het rennen van de eene Redaktie naar de andere, om hier dit en daar dat te vertellen! Is dat eene houding voor een âonschuldige?quot;
En dan, mevrouw Dreyfus, â de weduwe mogen wij wel zeggen van den banneling, â heeft een brief aan /.. H. den 1'aus geschreven; dat zou zij toch niet doen, als haar man niet ware zonder schuld!
De Joden mogen echter nu eenmaal niet onschuldig zijn, schijnt het; senator Scheurer bezit overtuigende bewijzen tégen Esterhazy en vóór Dreyfus; zijn advocaat Leblois getuigt het luide, maar men wil niet hooren!
Ziedaar het optreden van de tegenrol Dreyfus Mathieu, broeder van Dreyfus, vermoorde onschuld.
De hoofdpersoon van het drama is dan nu zonder twijfel majoor Walsin Esterhazy.
Ik geloof niet, iets te hebben vergeten, wat dezen man ten laste
wordt gelegd en ten voordeele van Dreyfus wordt aangevoerd.
* *
*
Thans één enkele bemerking, die ik ontleen aan lid Huizgezin:
âDoor een redakteur van tien Ganlois ondervraagd, heeft een senator als zijn indruk te kennen gegeven, dat Scheurer-Kestner
cie dupe is geweest van zijn iiclitgeloovigheid, dat hij up het oogen-blik niet het dossier bezit, dat men hem beloofd had, en zich nu moet tevreden stellen met de overeenkomst in schrift tusschen het âborderelquot; en de hand van majoor Esterhazy. Maar al zou het borderel niet van de hand van Dreyfus zijn, welk ernstig man gelooft, dat de veroordeeling alleen op dat stuk is gegrond ?
Dit is wellicht het verstandigst woord, dat tot dusver in de heele zaak gesproken is, maar de opgewonden hartstocht luistert er niet naar, belust als hij is op nieuwe onthullingen en schandalen.quot;
De hoofden zijn geheel op hol in Frankrijk. Toch blijft het :eier, â volgens de wetten der bedaarde logica, â dat de schuld van Esterhazy niet de onschuld van Drevfus bewijst, tenzij, en dit geval doet zich hier tiiet voor, Dreyfus ware veroordeeld om het céne, hem bij vergissing toegeschreven âborderei.quot; (Zie Bijlage I.)
Overigens kan majoor Esterhazy niet in April 1894 beloofd hebben de stukken te leveren, die in het âborderelquot; beloofd werden ; de Echo de Paris heeft dit zonneklaar aangetoond. Die stukken konden niet in 't bereik komen van een majoor te Ronaan, waar E. toen lag in garnizoen. Enkel de generale staf en haar beambten hadden die stukken in handen. Welnu het âborderelquot;, die stukken belovend, is uit April 1894.
Ook werden omtrent graaf Esterhazy allerlei ongunstige berichten verspreid. Hij moet met spelen zijn vermogen verloren en een ongeregeld leven geleid hebben, terwijl hij om persoonlijke redenen van zijn vrouw gescheiden is, â â allemaal dingen, die geen sympathie voor hem wekken, maar toch niet voldoende zijn, om, zonder meer een beschuldiging, als tegen hem is ingebracht, te rechtvaardigen.
De gejaagdheid van den majoor in ook nog geen bewijs van schuld.
Bovendien het briefje door Mevrouw Esterhazy als protest gepubliceerd (in den Figaro) weerspreekt alle berichten over huiselijke oneenigheden enz. en geeft blijken van de beste verstandhouding met den graaf, haar echtgenoot.
De graaf was ook en nog wel vóór 20 jaar (!) slechts korten tijd aan het Ministerie werkzaam, in het departement infanterie, kon dus niet mededeelen, wat de verrader overleverde, namelijk geheimen over algerrieene organisatie, artillerie enz., dit moei van iemand gekomen zijn, die bij den staf werkzaam was in 1894.
De hand van het borderel gelijkt wel iets op die van Esterhazy, maar verschilt toch ook in vele opzichten.
De graaf toonde, door onmiddellijk onderzoek te eischen, met
15
een civiel proces voor de rechtbank te dreigen en aldus de zaak te bespoedigen, duidelijk, dat hij zijne zaak zuiver acht.
Als niet over een paar dagen generaal de Pellieux uitspraak doet, dient de graaf een aanklacht bij de civiele rechtbank in tegen Mat'iias Dreyfus en Senator Scheurer.
Kan men zich een duidelijker bewijs van onschuld denken' Zoo spreken de voorstanders van Eslerhazy, hem indirekt verdedigend, en alle aanvallen afwerend.
Wat dus? Wie is de verrader? ....
II.
Eén, die er meer van weet.
Een antwoord op deze vraag geeft Drumont, en door hem eenmaal op weg gezet, kwamen tal van bladen tot hetzelfde besluit; wij deelen dus mede, wat Drumont verhaalt en de Pers in dozijnen bladen navertelde.
De direkle verklaring van het verwarrend schouwspel, ons geboden in het 2de bedrijf van het drama, is dus de volgende, tenzij Drumont zich vergisse.
Er bestaat een geheel complot ten gunste van Dreyfus.
Zoodra deze was veroordeeld, kwam het reeds in werking, maar reeds vroeger kuipte het in het geniep.
Want Dreyfus, de landverrader, had voorzorgen genomen, om bij ontdekking zijner bedriegerijen, te zijn gewapend.
Te dien einde hadden Dreyfus en zijn eedgenooten zich handschriften van zekeren Commandant, â toen ter tijde officier, Esterhazy weten te verschaffen, en, daar Esterhazy's hand veel gelijkt op die van Dreyfus, had deze laatste de schrijfwijze van den graaf nagebootst, nagetrokken, nageteekend, of hoe men het noemen wil.
Geen wonder derhalve, dat het schrift van Dreyfus gelijkt op dat van Esterhazy, in de voor den Jood bezwarende stukken!
Nu komt echter de vraag: Maar hoe verwierven zich Dreyfus en zijn helpers de handschriften van graaf Esterhazy ? â De tusschen-persoon in deze zaak was de huidige kolonel Picquart, toen ter tijde ambtenaar aan het ministerie van oorlog (1890 â 1897).
Deze is het, die van de onderofficieren, welke dienden onder
i6
graaf Esterliazy, allerlei brieven en geschriften van dezen laatste wist te bemachtigen. Zoo kwam Dreyfus in het bezit van Esterha-zy's handschrift, van alle mogelijke wendingen en woorden, gelijk de graaf die gewoon is te schrijven; hij had toen deze slechts na te trekken en schreef . . . met de hand van Esterhazv.
De zaak verliep echter ongunstiger dan het Dreyfus-komplot, â dat gemeend had aldus gedekt te zijn, â had gedacht.
Dreyfus werd, â op gezag van vele documenten, â veroordeeld en gebannen!
Sinds dien tijd zaten zijn helpers niet stil.
Zoo kwam dan, reeds voor een jaar, graaf Esterhazv in verdenking bij de regeering en hij werd verhoord; echter onschuldig bevonden.
Het komplot nam nu Scheurer in den arm; deze ontving een groote som gelds en leende zich er toe, den veldtocht opnieuw te beginnen.
De afspraak was: hij zou een balletje opgooien, de ten deele omgekochte pers zou reclame maken; dan zou kolonel Picquart, die alle âstukkenquot; (!) tegen Esterhazy in handen had deze aan Scheurer zenden of brengen, â Picquart is thans in Algiers, â en de campagne zou vóór goed beginnen.
Maar vóór rt 14 dagen gaf de âgesluierde damequot; aan Esterhazv de draden in handen.
Scheurer was intusschen do campagne begonnen, in goed vertrouwen, dat alles gereed was. (30 Oct.).
De âgesluierde damequot; gaf graaf Esterhazy documenten, waarin het geheele sluwe weefsel uitgesponnen werd; de graaf gaf ze aan het Ministerie van oorlog en reeds vóór 14 dagen was dus de zaak.... mislukt!
Scheurer kreeg geen âstukkenquot; (!) van Picquart, daar de heele post van Picquart, uit Algiers, werd onderschept.
Toen begon, daar Scheurer aarzelde, niet wetendequot;waaraan het uitblijven van Picquarts âstukkenquot; (!) toe te schrijven, de broeder van den banneling Dreyfus, namelijk Mathias Drevfus, het spelletje en beschuldigde Esterhazy; hij vertrouwde vast op Picquarts documenten, die sinds maanden waren voorbereid.
Maar deze zijn onderschept en liggen nu aan het Ministerie van Ãorlt ig.
Het geheele Joden-complot is dus in duigen gevallen.
Picquart, zegt Drumont, is een Jood, â zijn helpers, Isaac Levailiant cn Soufirain, beambten der politie, zijn Joden; Scheurer
is een Jood, Mathias D'reyfus is een Jood; â het Joden-geld schraagde de geheele onderneming; alles is infaam bedrog.
Ziedaar het verhaal van Drumont.
Men behoeft dit alles niet aan te nemen, maar men mag toch vragen: is een en ander waarschijnlijk ?
En dan wijzen wij op de volgende punten;
Vooreerst, dat er Joden-hulp in het spel was, reeds tijdens het proces-Dreyfus, is zeker, daar reeds toen aan een der sc hrift-deskundigen loo.ooo franken werden geboden, als deze wilde weifelen te verklaren, dat de hand van het beruchte borderel de hand van Dreyfus toonde. Deze deskundige weigerde echter kortaf.
Vervolgens: een Joodsch bankier, Weil, bij wien Esterhazy eenmaal geld leende, publiceerde nu (onbeschaamd !) den schuldbrief om te ... . bewijzen, dat de hand van Esterhazy de hand van het borderel is!
Of Israël het ook eens is!!
Ten derde: Scheurer blijkt thans, reeds in 1889, in zeer vreemde, ja, in onkiesche handelszaken te zijn gewikkeld geweest, zoodat het masker van eerlijkheid hem reeds openbaar is afgerukt. Deze edele wetenschapper staat this nu als een huichelaar op de kaak !
Ten vierde: de bewuste kolonel Picquart is, in Januari 1S9-, in ongenade gevallen bij het Ministerie, en uit straf naar Algiers verplaatst. Wat erger is, Agence Ilavas verklaart zeer stellig te weten en boven allen twijfel te kunnen vaststellen, dat de post van Picquart onderschept is, 's nachts om 2 uur, en dat deze kolonel toen verbo d kreeg naar Parijs te komen, zooals zijn plan was. Hij heeft bevel ontvangen, Algiers niet te verlaten en is onder militair toezicht gesteld. Dit is waarlijk zeer kras! En Agcnce Havas is geen anti-semietische bron, integendeel!
Ten vijfde: vóór 14 dagen moet het Ministerie (volgens Drumonts verhaal) uit de stukken, door Esterhazy overgelegd, en die deze van de âgesluierde damequot; had ontvangen, volkomen op de hoogte zijn geweest. En dit komt precies uit met andere gegevens. Want toen reeds schreef de Matin, zeker te weten, dat het Ministerie nu documenten bezit, die nieuw zijn, de schuld van Dreyfus boven allen twijfel stellen, en aan de Regeering de draden van het geheele complot in handen geren.
Alles sluit dus in de voorstelling van Drumont, netjes in elkander.
i8
Ik zou nog meer punten kunnen aanstippen, maar deze zullen wel volstaan; ik moet mij beperken.
Het is niet onmogelijk, dat deze man gelijk heeft; schier alleen tegen allen, hield hij ook indertijd de schuld van Burdeau vol eu had er ó maanden gevangenis voor over om zijn overtuiging bloot te leggen; later echter, nadat Burdeau op staatskosten was begraven (!!) en 0 maanden daarna een schurk bleek te zijn geweest, genoot Drumont de eer door vriend en vijand te worden gehuldigd, als den scherpzinnigsten ouder allen; hij kan ook nu weder de koe bij de horens gevat of beter gezegd den spijker op den kop geslagen hebben. Wie had gedacht, dat eenmaal de geschiedenis zou boekstaven; âBurdeau beurde als Minister van Financiën (!) 500,000 âfranken van de Panama-Joden!quot;
Drumont had het stellig beweerd. Niemand geloofde het. Later kwam het uit, dat hij gelijk had gehad met zijn beweren.
Eveneens had hij het bij 't rechte ten opzichte van Taxil.
Xoch diens vriendschap met kanunnik Mustel en andere ceeste-
1 O
lijken, noch diens eervolle ontvangst op het Congres van Trente, noch de instemming uit Rome aan dezen schelm betuigd, brachten Drumont er van af te verklaren: âTaxil is een bedrieger, een schurk.quot;
Hij heeft gelijk gehad.
Het kan nu wel weder zoo wezen !
De loop der dingen schijnt hem overigens nu reeds recht te geven.
Het meerendeel der bladen gelooft reeds aan het Jodenkomplot.
* *
*
Vreemd is de Diana-Vaughan-achtig mystieke âgesluierde damequot;, â dit is waar. Zij schijnt een figuur uit een flodder-sprookje!
Maar, wat wij met twee handen kunnen tasten is dit:
1°. De bekende Bertillon, een der deskundigen, die onder eede in 't proces Dreyfus, diens schrift moest onderzoeken, houdt nog immer zijn toen afgelegde verklaring vol; âdat het borderel van Dreyfus wasquot; ; «mathematisch zeker bewezenquot; acht hij dit.
20. Luidens den Matin verklaarde generaal Billot aan dengeneralen staf, dat Dreyfus de schuldige is en Esterhazy onschuldig.
30. De officier Pauffin de St. Morel, chef van het kabinet van generaal Billot, heeft losgelaten, dat men vele overtuigende bewijzen heeft van Dreyfus' schuld.
I')
4°. De Echo dc Paris, om een enkel blad te cileeren, â de lezer begrijpt, dat het bovenstaande door mij uit velerlei Fransche bladen is geput â schreef:
âHet borderel kondigt de zending van 5 documenten aan. Het âwas onmogelijk, wat aangaat 4 dezer 5 stukken, dat een andere âofficier dan een lid van den genenden staf, den inhoud dier âstukken kennen konquot;. (Ziehier de redenen voor deze ,5 documenten).
1. âDe legerkorpsen bezitten het krijgsplan niet.
2. âDe veranderingen in de artillerie worden enkel vastgesteld âdoor den generalen staf.
3. âDe manucls, die een of ander wapen betreffen, worden âenkel door den minister aan tie korpsen gegeven.
4. âHet monuel, in qnestie op het borderel, werd eerst den voor-âmiond van de manoeuvres aan de legcrafdeelingen verstrekt.
5. âOok de nota over Madagascar kan niet door iemand uit âeen legerkorps zijn uitgeleverd!quot;
14 in het geheel waren de bezwarende getuigenissen; â het borderel bevat er vijf, en deze vijf moeten verraden zijn door een lid van den staf.quot; (Zie Bijlage II).
De eenige, bij wien zich het geval voordeed, dat overal, waar hij arbeidde, stukken âwegraakten,quot; was ook ... Dreyfus.
Onder cede zijn de verklaringen en de stukken overgelegd en met algemcene stemmen is Dreyfus toen veroordeeld. De krijgsraad oordeelde, dat een lid van den staf dc eenig schuldige kon zijn, en het eenig mogelijk schuldige lid van dien staf, Dreylus, wien ten gunste het door Drumont geschetste komplot werd gesmeed.
*
â¦
Het tweede bedrijf is uit; het scherm valt.
Het derde bedrijf vangt aan, als öf wel Esterhazy van schuld is overtuigd, door het inkomen van nieuwe, beslissende documenten ; of wel Drevfus' schuld, boven allen twijfel verklaard door generaal de Pellieux; öf wel deze laatste zich onbevoegd oordeelt en tie zaak voor de civiele rechtbank komt, door de aanklacht, die Esterhazy in dit geval indient tegen Mathias Dreyfus, Schcurer en Picquart.
Of zal het derde bedrijf nog andere verwikkelingen te . . . bewonderen geven?
Voorloopig schorsen wij ons eindoordeel op.
20
âDe vermoorde onschuldquot; is blijkbaar een klassiek stuk; bij twee bedrijven zal het dus wel niet blijven.
Daarom aan mijn lezers; âtot ziens!quot;
21 Nov. '97.
In verband met eene zaak, in dit artikel besproken, plaatste de Maasbode van 21 Dec. 1897, het volgende stukje:
Een protest.
Mijnheer de Redacteur!
Gaarne zag ik, dat mij een plaatsje werd afgestaan voor een protest tegen de meer dan ergerlijke exploitatie van het aanzien en de waardigheid van onzen grooten Paus Lea XIII.
D.ior schier de geheele pers heeft onlangs het bericht de rondte gedaan, dat mevrouw Dreyfus, de echtgenoote van den wegens landverraad veroordeelden kapitein, een roerenden brief had gericht aan Z. H. Leo XIII, om diens hooge bemiddeling in te roepen.
Dit voorval scheen onverklaarbaar, daar de beste Katholieke bladen, zooals de Univers en de Croix blijkbaar aan de schuld van Dreyfus niet twijfelen; te onverklaarbaarder klonk het bericht, toen ook de photographie van den brief werd afgedrukt. Men kon bezwaarlijk gelooven aan de echtheid van dit âdocument.quot;
De toeleg was duidelijk; de openbare meening moest gestuurd worden in deze richting: âAls Dreyfus niet onschuldig was, zou toch zijne echtgenoote geen smeekschrift te zijnen gunste durven richten tot Z. H. den Paus!quot;
Nu echter alles bedrog blijkt, nu eerst de Romeinsche correspondent van den Croix (15 Dec.), toen de Voce (/ei/a Verila, toen de Romeinsche correspondent van den Univers (17 Dec.) verklaarden : 1°. zulk een brief of eenige andere, die er op gelijkt, werd aan het Vaticaan niet ontvangen, 20. het facsimilé van dien brief is dus ook een schandelijk bedrog, â nu voegt het te protesteeren tegen de onbeschaamde intrige, waarmee men Z. H. Leo XIII in deze Joodsche manoeuvre trachtte te mengen.
Met de Voce de//a Veritd vragen wij; âBetreft het een nieuwe Joodsche list om het Vaticaan in verlegenheid te brengen?quot;
Bij deze vraag laten wij het echter niet, maar wij teekenen krachtig verzet aan tegen het misbruiken van het aanzien van den. Persoon, die ons heilig is. Paus Leo XIII.
Een R.-K. Priester.
DE SCHRAGEN KRAKEN!
Ik hels mij vergist, naar het schijnt; âDreyfus of de vermoorde onschuldquot; is geen klassiek drama, het is een bloederig kermisspel met veel onhebbelijke drukte, lapjes-goud, gemeene mimiek en achterbuurt-pathos. â Op een gegeven oogenblik pakt de wind onder het half verflapte zeil, rukt de meer dan half rotte binten uiteen, de geheele akteursbent vlucht, uit de coulissen, verward op de planken; schor kraken nu de schragen, splijten en scheuren uit elkander, â en bordpapieren helden met al hun heldinnen zinken weg in een mengelmoes van spaanders, degens, klatergoud, pruiken, mommen en valsche neuzen.
Dit tragi-komisch schouwspel schijnt eerlang ons te wachten in het Jodenbree-straat-drama: âDreyfus of de vermoorde onschuld.
De schragen kraken!. . . .
* *
*
Wie zich nog herinnert, wat ik schreef â puttend uit Fransche bladen, Univers, Croi.v, Echo de Paris, â het specialiteitenblad in militaire aangelegenheden, â Jour, Soir, Malin, Tnnps, Ltbre Parole enz., is noodwendig over twee punten onvoldaan van de markt gekomen.
Vooreerst heeft hij hoofdschuddend gevraagd: âWat moet die m\'stieke juffrouw er toch bij doen ? Wat dreef haar, stukken aan majoor Esterhazy te overhandigen? Bestaat zij wel eens?quot;
Een gelukkig toeval geeft ons licht.
Want de zeer vertrouwbare Hoofddirekteur van den Parijschen Croi.v getuigt nu, dat inderdaad in de laatste dagen van October eene onbekende dame, zwaar gesluierd, zich aan het bureau van clen Croi.v aandiende, en verzocht eenige documenten te drukken.
De redaktie las deze papieren; hun gewichtige inhoud deed besluiten van de dame, als voorwaarde, te eischen : bekendmaking van haar naam aan den Hoofd-Redakteur. De dame verklaarde, dat dit onmogelijk was. Hierop werd haar de raad gegeven, zich dan te wenden tot den Libre Parole.
Do dame betuigde, dat majoor Esterhazy daartegen bezwaar zou hebben, maar vertrok zonder verder op publikatie der documenten aan te dringen.
Aldus verzekert (21 Nov. 11.) Pater Baillv, hoofddirekteur van den Croix, in dit blad.
De dame is dus geen denkbeeldig wezen.
De achtenswaardige hoofddirekteur voegt nog toe. âIk heb later in den Libre Parole tie stukken der dame herkend en toen ook begrepen, welk een afkeer majoor Esterhazy moet gehad hebben van den Libre Parole, daar deze getuige van Crémieux-Foa was geweest, in diens duel tegen Drumont.quot;
Van oude vriendschap tusschen Esterhazy en Drumont is dus, â dit zij ter loops aangemerkt, â ook geen sprake; integendeel. Van anti-semitisme nog minder; want Esterhazy zat geheel onder den knoet zijner Joodsche geldschieters en was getuige van den Jood Cremieux-Foa in een duel!
Dat zal toch wel geen anti-semiet wezen!! ....
Overigens gaf de man nooit eenig blijk van mannenmoed tegenover Joden;.... hij had het eens moeten wagen!....
*
*
Vervolgens vervalt nu het argument: âEsterhazy leefde zóó slecht,, dat men alles van hem wachten kan.quot;
Want de verstandhouding met zijne vrouw is veel gunstiger dan men zeide: de beiden zijn weder geheel verzoend.
En moet dit argument nu eenmaal gelden, welaan dan gelde ook dit; van Dreyfus, â vermoorde onschuld, â zijn intusschen schandalen en onzedelijkheden van de ergste soort aan den dag gekomen.
Is Esterhazy dus .... âtot alles in staat,quot; men besluite hetzelfde voor Drevfus!
De Fransche pers, het beste deel wel te verstaan, is eenstemmig in de benaming: âhet syndicaat ten gunste van Dreyfus en het
âJoden-komplot.quot;
De grond zinkt het âsyndicaatquot; ook onder de voeten weg. liet lekt meer en meer uil, wie de leden zijn van de kliek, die deze
âclaquequot; maakte.
De Jood Scheurer, de Jood Jozef Reinach (âVidiquot; van den Figaro) lt;le Jood Mathias Dreyfus, dc Jood Isaac Levaillant, do Jood Souffrain, en hun trawanten Weil, Lazare enz.
Picquart schijnt toch geen Jood te wezen; de advocaat \an dit âspulquot; is de heer Lcblois.
De scherpzinnigheid wordt den heer Scheurer ook al betwist, nadat de mom van eerlijkheid hem reeds voor eenige dagen is afgerukt.
Welk een schrandere geleerde, die, gelijk nu blijkt, in 1895 aan de âmilitaire tentoonstellingquot; met veel ophef een schilderij van Kleber en een van den dichter der Marseillaise (Rouget de 1 Isle)
aanbood..... zich echter âvergiste,quot; zoodat bet geheel icanrdelooze
kopien bleken, van stukken, die reeds op dc tentoonstelling aanwezig waren. Glimlachend stopten de leden der commissie de
prenten ergens in een hoek!
Een tamelijk belachelijk figuur maakt die senator wel tot heden! ... Maar, men moet er iets voor over hebben, .,// n louclu la grosse
sommequot;, zeggen de Fransche bladen.
* *
*
Vervolgens de schrift-deskundige Crcpieux-Jamin. die i( September 1896 te Rouaan, in den grand eerde publiek verklaarde,
dat Dreyfus de schrijver van het uittreksel was.......trekt nu dat
woord terug. Welke waarde heeft dit? Luister, vriendelijke lezer:
In de couloirs der Kamer wordt publiek gezegd, dat het syndicaat ten gunste van Dreyfus over meer dan twee millioen franken
beschikt....
Geld wat stom is, maakt recht wat krom is.
Hoog opgevijzeld nu wordt de verdediging door Bernard Lazare _ ook deze een Jood'. â ondernomen voor âonzenquot; Dreyfus; deze nu steunt op het gezag van Crépieux-Jamin.
Gezwegen wordt ook al dit:
âBernard Lazare, de brochureschrijver van het edele drietal, die dc vlugschriften ten gunste van kapitein Dreyfus opstelde, is een
24
echte 1 almudjood. Reeds in 1892 schreef hij in een bock, getiteld Lc Miroir des Legendes, eene novelle: âDe glorie van Judasquot;, welke louter eone verheerlijking van den Iscarioter is. Christus' verrader wordt daarin voorgesteld als een eerbiedwaardig persoon, die gezegend is in den hemel, geheiligd onder de gelukzaligen. De novelle eindigt met den satanistischen uitroep: âJudas, dierbaar en voorbestemd slachtoffer, wees gezegend, gij, bevrijder!!
Als een Bernard Lazare dus een kapitein Dreyfus verdedigt, dan
pleit dit meer tegen Dreyfus dan vóór hem.
^ *
Dan de Dreyfus-ridder Forzinetti, die, zijn bewaker in de gevangenis, immer zwoer dat hij onschuldig is.
Dreyfus had het immers altijd verklaard, weenend nu, dan weder razend en tierend, niet zelden als in wanhoop brullend in zijne cel! Wel ja! ... .
Maar documenten zag Forzinetti niet! ....
En nu komt ons, uit het âAnnexequot; van den Monitenr Beige van 12 Sept. 1896 een stuk onder de oogen, bewijzend, welk een man die Forzinetti is. Medeoprichter van een speelhol, waarin hij voor 20.000 franken aandeden nam en waarvan hij een der hoofden is . . .
Af, mijnheer Forzinetti!
* *
Dit een en ander doet reeds de schragen kraken, waarop de poerim zijn glorie viert!
Maar er is nog meer.
Senator Guieysse bevestigt, â uit den tijd toen hij Minister van Koloniën was, â dat toen reeds eeu komplot ten gunste van Dreyfus bestond. loen hij eenmaal aan den gouverneur van het Duivels-eiland een zeer gewichtig telegram had gezonden, Drevfus betreffende, moest hij later ontdekken, dat dit was . .. onderschept.
Meer nog.
De oud-ministers Dupuy, Ribot, Bourgeois verklaren: de een, dat het een schande is voor Frankrijk zulk een agitatie te verwekken ten gunste van een onverlaat, wiens schuld onweerlegbaar bewezen is; een ander: âdat hij niet wist, dat er Franschen waren, die tot zulke laagheden in staat zijn.quot; Allen: âdat niets de zaak kan veranderen, daar eene menigte bewijzen voorhanden zijn quot;
2.5
De oud-minister van Oorlog, Cavaignac, betuigt; dat het Ministerie âla preuve absoluequot; (.,het stellig bewijsquot;) bezit van de schuld van Dreyfus.
Zoo verklaart ook Provost de Launay, de Senator, die eerlang in den Senaat weder een interpellatie over het geval zal indienen, ,dat hij geenc bewijzen meer behoeftquot; maar enkel spreekt om het volk in te lichten.
Wat de Kamer betreft, zij is ^e/nrl- tegen Dreyfus, schrijft de Croi.K , behoudens to of 12 lieden, die leven onder de plak van Jozef Reinach en zeggen moeten, wat deze belieft.
Intusschen blijft aller aandacht gericht op de hoofdrol van dit achterbuurt-drama: majolt; ir Esterhazy.
Hij ontvangt van alle zijden de grofste bedreigingen; vervolging en moord wachten hem, als hij zich niet uit de voeten maakt, â zoo deelen hem de onvriendelijke, ongeteekende brieven mede.
Zóóver gaat de laagheid in de bestrijding, dat, terwijl de Figaro (wiens âVidiquot; = Reinach, de hoofdkanipicen voor Dreyfus is) zvee/, wie in den Lihre Parole schrijft onder het pseudoniem âC. Zquot;) â hij toch durft lasteren, dat achter deze letters majoor Esterhazy zelf schuilt.
De geheele toeleg schijnt: den man in de gevangenis te laten zetten, wegens overtreding van krijgstucht; dan zouden zij wel verder met hem komen!....
Opmerkelijk is zeker nog dit.
Reeds voor 6 dagen (17 Nov.) heeft de majoor geheel den lnop der zaken, zooals wij dezen thans aanschouwen, voorspeld : âMen zal nu, tijdens het onderzoek van generaal Pellieux, mij op allerlei wijzen zwart maken, zich allerlei verdachtmakingen veroorloven: maar tegen het einde tier instructie zal men eerst den groeten slag slaan, een valsch stuk uitgeven, dat, ivare hel echt, mijn schuld onweerlegbaar bewijzen zou. Dit alles weet ik van de âdamequot;. Maar men zal niet slagen, daar het Ministerie haarfijn op de hoogte is.quot;
Wel beproeft de Joodsche Pers het onmogelijke!
Eerst in den Figaro (âVidiquot; = Jozef Reinach) daarna in een ander Fransch blad met Joodsche Redaitie, toen in de Neuc Fcie J'rcsse (!) en de Wiener Allgemeine Zeitutig, toen in geheel de claque-pers deed een artikel de rondte tegen den majoor. Dit artikel bevatte een schijnbaar kalme, doch inderdaad laaghartige opsomming van âfeitenquot; (! !), die Esterhazy verdacht maken. Wie rcrtrouwbare Fransche bladen b. v. Univers en Croix met aandacht leest, weet dat 9/io van dit âFigaroquot;-schandaal-stuk onwaar is.
20
Maar het doet zijn âwerkquot;. Wat wil men meer?
* *
*
En Picquart ?
Ontkent alles, maar niemand gelooft hem; men wacht hem tegen het eind dezer weck; 23 Nov. dampte hij per âRhonequot;naar Marseille.
De, in deze zaken, gezaghebbende Echo ch Paris deelt mede, zeker te weten, dat geheel het bezwarende dossier tegen Drevfus aan het komjdot bekend rcerd: het werd uitgeleverd door....?....
Dit is gebleken uit de brieven van Picquart en de telegrammen van âanderequot; gt;10^ niet te noemen personen. Welaan, besluiten eenige Fransche bladen, nu komt er licht! Dan heeft de âdamequot; een deel dezer stukken aan Majoor Estcrhazv gegeven! ... .
Men zou zeggen, dit sluit vrijwel in elkaar! Intusschen speelt Minister Billot, die reeds sinds maanden tegen het komplot werd gewaarschuwd, nu de leelijke rol! Hij is een vriend van Scheurcr; zijn secretaris, Generaal Prioul, verliet hem; den âchef de kabinet Pauffin de St. Morel, zette hij op arrest.... om den dienst door dezen man het land bewezen, met de verklaring: âHet Ministerie is overtuigd van de schuld van Dreyfus, en heeft alle stukken in handen!quot;
Dat Generaal de Boisdeffre vertoornd is over het gevangen zetten van den fleren officier Pauffin de St. Morel laat zich denken!
Intusschen, â behoudens bladen als de vcrjoodschte Cri dn Penple, Rappel (Clémenceau) Figaro en enkele andere, neigt ieder reeds te gelooven aan het Joden-komplot.
Souffrain, de joodsche oud-politieagent heeft onhandig âgewerktquot;. De veldtocht moest tegen Esterhazv begonnen worden, zoo was de afspraak, als hij voor eenigen tijd verkeerde in het buitenland. De âKahalquot; kon dan arbeiden. Maar, helaas, binnen een dag was de majoor weder aanwezig! .... Dat bracht alles in de war.
Daarbij het optreden dier âdamequot; .... en het onderscheppen van Picquarts posten te Parijs, Marseille, Tunis en Sousse! . . . . Dit verwarde de kaarten geheel! \Vie had zooiets kunnen verwachten ? Zouden de glimmende gasten maar niet de planken verlaten, voordat alles krakend ineenstort?
Dit oogenblik schijnt niet verre.
Een Joodsch Kamerlid heeft reeds gesproken: âDe schuld van Drevfus zal weder blijken als het onderzoek wordt hervat, en dan .... rampzalig de Joden in Frankrijk.quot;
25 Nov. 'lt;17.
HET DERDE BEDRIJF
Alle hens op dek!
Zal dit bedrijf meerdere tooneelen tellen ?
Men âwachtquot;, volgens eene nota van 't agentschap âIlurasquot;, â een officieele mededeeling der regeering âdat generaal de 1 ellieux tegen het eind dor week aan zijn overste, generaal Saussier, Commandant van Parijs, verslag zal uitbrengen.
Dan zal of wel Esterhazy worden vastgezet, nf in staat van beschuldiging gesteld of vrijgesteld. â Naar gelang 't een of't ander geschiedt, zal Picquart met amice Mathias Dreyfus vrij blijven loopen
of niet. De heer Israëliet Scheurer......,do/il toute la pressc honiute
a signal' hiltiliide. c'quinoque'' schrijft de C'rotx van i Dcc., zal waarschijnlijk in 't schuitje van zijn geloofsgenoot Mathias plaats nemen.
Met generaal Saussier s optreden vangt het vicn/c hedyjf aan.
Intusschen zijn we nu volop in het derde !
Nieuwe personen, nieuwe toestanden, nieuwe verwikkelingen! Immer duisterder wordt deze Joodsche heksensage !
Vooreerst bleek uit Picquarts onderschept papieren-pak dat Scheurers advocaat Leblois in verstandhouding was met Picquart. toen deze een post bekleedde aan het Ministerie van Oorlog. Vervolgens vond men in Scheurer's dossier brieven van Picquart aan diens overste, generaal Gonse; in deze betuigde de kolonel aan de onschuld van Drevfus te gelooven, en juist zijne herhaalde betuigingen, gevoegd bij pogingen om de meening over Drevfus' on-
28
schuld te verbreiden, waren oorzaak dat Picquart werd overgeplaatst naar Tunis.
Vrage: hoe komen die brieven in Scheurer's handen; wat had Scheurers advocaat Picquart plat te loopen ? Immers de edele Senator betuigde herhaaldelijk : âwe kennen elkander niet en er was geene verstandhouding tusschen ons.quot;
Een komplot bestaat er zeker ten gimste van Dreyfus, dit is thans aller meening. â De ingewijden, schrijft de Umvers, deelen mede, dat het âDreyfus-syndicaatquot; weldra met nog gewichtiger stukken tegen Esterhazy voor den dag zou komen! Welkeen methode toch, telkens met een nieuw âdocumentquot; (!) voor den draad te komen en aldus de gemoederen op te winden! Welk eerlijk mensch verdedigt aldus zijne zaak ?
Onbewimpeld sprak de afgevaardigde Humbert in de âcojilonsquot; der Kamer: âde groote drijver der geheele campagne ten voor-deele van Dreyfus, is Clémenceau (in den âAurorequot;) en Clémenceau, wij weten het allen, kan niets weigeren aan .... Cornelius Herz.quot;
Oho! Reinach (neef van den Panama-Jood) en Herz op de bres voor Drevfus, met Clémenceau en ... . de natie 1 Welk een waarborg voor .... de waarheid! â
* =4«
*
De Croix verzekert, dat een persoon, â âdie de zaak goed kan beoordeelen uithoofde zijner betrekkingquot; â verklaart; Picquart wordt in de militaire kringen als schuldig beschouwd. Ook kon een heirleger van dagbladschrijvers en correspondenten hem nog immer niet vinden. Men lluistert dat hij gevangen is, zegt genoemd blad.
Het militaire blad Echo de Paris verklaart; âhet Dreyfus-syndicaat âschijnt te vergeten, dat voordat Dreyfus gevat werd, het ministerie âhem vele strikken spande, waarin hij vielquot; ; zoodat zijne sc'iuld bleek.
âDe achtenswaardige griffier van den krijgsraad, kon, toen âDreyfus gedurende zijne degradatie niet ophield te getuigen van âzijne liefde voor Frankrijk, zich niet weerhouden uit te roepen : âwelk een vermetelheid! Als men eens wist, wat hij gedaan heeft!quot;
De Eclair voegt hieraan toe;
âDe drieste handgrepen van het Dreyfus-syndicaat hebben den âgouverneur van Parijs, generaal Saussier, bewogen, de stukken âvan het proces Dreyfus nog eens in te studeeren en hij heeft
29
âzich weder overtuigd, dat deze man terecht is veroordeeld. Alle âofficieren zijner omgeving declen dit oordeel; alle officieren van âden staf denken aldus; allen die de zaak. kunnen beoordeelen, ânoemen Dreyfus een verrader.quot;
De Figaro is in den âcercle militairequot; van Parijs met voeten vertreden, om zijn houding in zake Dreyfus. De spanning is onbeschrijfelijk in het leger en men vreest eene uitbarsting. Aldus de Croix van i December 11.
Commandant G., lid van tien krijgsraad, die den Juod veroordeelde, riep met tranen in de oogen uit ; C'est tnoNi ! toen hij hoorde van het complot-Dreyfus.
Intusschen treden nieuwe getuigen tegen Esterhazy op, â stomme getuigen, maar niet minder luid sprekende.
Brieven door den commandant geschreven in 1880 en 1881 publiceert de Figaro (alweder de Figaro.')
Deze zouden, als ze echt waren, onloochenbaar bewijzen, dat Ksterhazv een verachtelijk mensch is en Frankrijk han/.
Zeker, dan ware minstens zijn schuld waarschijnlijk; tot heden echter vermocht het Dreyfus-syndicaat nog niet iets overteleggen, wat Esterhazv als een verrader kan veroorloven te beschouwen. Wat echter van die âbrievenquot; te denken ? . . .
1°. Als ze echt zijn, waarom ze dan niet onmiddellijk aan generaal de Peliieux overhandigd, 1 Nov. 1.1.? Waarom er thans mede voor den dag gekomen. Maandag 29 Nov., 's morgens terwijl dtai dag de generaal zijn conclusie zou nemen? Is dit een eerlijke methode? Is het niet veeleer een list, om de zaak te... rekken.-' 2°. Univcrs, Croix, Soir, Fcho d, Paris, enz. verklaren de brieven voor hoogstwaarschijnlijk valsch. De commandant (Esterhazy) zou ze geschreven hebben in 1880 en 1881 terwijl hij kampte in Algiers. Nu wil echter het geval, dat de Fcho de Fans de âdagorders van dien tijd aanhaalt en bewijst, dat juist o/gt; lt;1 i e d a g e n. waarop de commandant tic bewuste afschuwelijkheden over Frankrijk zou op papier gezet hebben... hij zich geheel bijzonder onderscheidde door moed en verachting van alle gevaren! Telkens weder wordt juist hij die dagen, in de ordres dn jour, met lof genoemd.
30. De Fcho de Paris toont aan â dit is m. i. vrij beslissend â toon! aan dat in die brieven fouten voorkomen, verwarringen van dorpjes en afstanden, die een officier niet maken kan, die streed in
3°
Algiers, en nog wel op het ougenblik, waarop hij er streed. Hoe zou toch (om de zaak met een voorbeeld duidelijk te maken) een officier uit 's Bosch, Vucht met Schijndel kunnen venvarren? Vooral is dit onmogelijk, als men langen lijd in de streek gewoond en gemanoeuvreerd heeft, zooals Esterhazv m Algiers deed in 1880 en 1881.
Die brieven, besluit de Echo de Paris, zijn dus niet geschreven uit Algiers door een officier, die daar in het gelid streed ; ze zijn valsch.
Ook Esterhazy beweert dit met klem.
*
*
Daarbij dit. De abbé Gayraud, afgevaardigde van Brest heeft beweerd, dat Mathias Dreyfus indertijd aan het thans overleden lid van den krijgsraad, die Dreyfus veroordeelde, generaal Sandheir 200.000 francs aanbood als hij tegen de schuldigverklaring van Dreyfus wilde stemmen! .. .
Onze Mathias ontkende dit in den Figaro (28 Nov.) Natuurlijk!
De weduwe van Sandherr getuigt nu: âhier wil ik buiten blijven, maar wèl weet ik, dat mijn man van de schuld des Joods overtuigd was.quot;
De heer Pénot, officier van het legioen van eer, verklaart nu echter, dat hij stellige bewijzen bezit van Dreyfus' poging tot om-kooping en dat nog andere getuigen bestaan, die dit feit boven twijfel stellen. Hij voegt er bij: âer zijn getuigen, die deze zaak on middellijk ïciUen bevestigen!quot;1
Welaan, laat Mathias Dreyfus nu den moed hebben, dien heer aan te klagen, zooals Esterhazy deed, zoodra Dreyfus hem aanviel!
⦠â¦
*
Maar neen! Deze is hun methode niet! Reclame maken, de opinie bewerken.... en zwijgen als men hen moedig tegenspreekt! Dit doet geenszins denken aan strijd voor de waarheid!
Nog één trek ten slotte.
De lezer herinnert zich zeker, dat de Drevfus-kliek hare beschuldiging tegen Esterhazy niet kon staven, daar Picquart:s brieven enz. waren onderschept; terecht wordt immers vermoed dat dit de reden is, waarom Scheurer c. s. niet meer âstukkenquot; konden overleggen tegen tien majoor; toen strooiden zij uit, dat de ware schuldige was: de journalist Grot he, die het Fransch en Duitsch
3'
gouvernement zou hebben opgelicht met t verkoopen \.in âdocumentenquot;, waaruit Dreyfus schuld was âgebleken . Goed gevonden! Maar .... Grothe moest.... zwijgen. Dat spreekt van zelf!
Een lid van het Drevfus-syndicaat, zoo publiceert Grothe thans, kwam tot hem, en.... ried hem te ... . vluchten uit Frankrijk I De Croix verhaalt aldus:
Commc M. Grothe repoussait cette proposition avec hauteur, 1 cmissaire, qui est un juif allcmand, lui aurait dit que l'on était decide a lui faciliter les moyens de quitter la France et de lui permettre de s'installer ailleurs.
C'était la proposition d'achat. Sa complicité consisterait dans le silence qu il opposerait aux accusations portées cc'gt;utrc lui, et au crédit que par son depart rapide, il leur donnerairt.
M. Richard Grothe aurait répondu que sa decision etait formelle, qu il ne voulait a aucun prix passer pour espion ou faussaire et que si le parti Drey lus voulait un complice pour expliquer la fabrication du bordereau, il eüt a le chercher ailleurs.
L'émissaire en sortant lui* aurait jeté cettc menace; ..\()tre attitude aura, comme consequence, une expulsion.quot; (i)
Deze poerim begint weerzinwekkend te worden!
2 Dec. '97.
(i) Do Hi;er (irothc wees dus dit voorstel van »lc hand. Toen wildo men hem omkoop in. De Heer Cirothe zette de omkoopers aan dc deur. Zij verlieten hem met eene bedreiging.
HET VIERDE BEDRIJF.
ie TOONEEL.
In fatsoenlijk gezelschap.
Stil ! Het scherm hangt nog neder!
Ik loop door de toeschouwers rond en vang de indrukken van het Joden-B reestraat-drama op.
âBah', ren afschuwelijke campagnequot; luidt het in den hoek, waar de lezers van den Univen en den Croix zitten en met spanning den loop der dingen volgen; de getrouwen, die iederen dag deze beide Katholieke bladen van Parijs lazen, deelen de meening van Eugene Tavernier van den Univers, van Pierre en Eugène Veuillot, van Gabriël de Triors, allen redakteuren van het R. K. Hoofdorgaan van Frankrijk; zij vinden met Pierre Veuillot âdat de Figaro een droeven veldtocht begon,quot; dat âde familie van ..Dreyfus en zijn geloofsgenoot en. met behulp van grid en sha^e mid-delen,quot; bedrog plegen en verraad.
De lezers van den Croix zijn zoo mogelijk nog krasser in hun uitingen. Zij walgen van den steun van den aartsleugenaar Zola, dien de Dreyfus-kliek ter hulpe riep; zij verachten den Joden-knecht Clémenceau, â een pionnetje van Herz! - die in zijn Aurore den Figaro helpt, den Figaro, die door den Jood Reinach voorzien wordt van leugens over de Dreyfus-zaak.
Ik nader dien hoek. Ik zeg tot die lieden:
âMaar hoe? Weet gij dan niet, dat in Nederland vele bladen âgelooven aan Dreyfus' onschuld? Weet gij dan niet, dat het in âNederland Figaro vóór en Figaro na is ? Dat op gezag van Figaro âen Aurore hier de Dreyfus-zaak wordt uiteengezet ? Weet gij dan âniet, dat in Nederland Univers en Croix niet schijnen te tellen âals vertrouwbare bladen in deze zaak?quot;
33
Daar springt de geheele hoek op!
Wat ? ... Wat ? . . . Wat zegt gij daar ?
Weet men dan in Nederland niet:
ilt;gt;. Dat het specialiteiten-blad in militaire zaken dc Echo de Paris zoo beslist mogelijk legen Dreyius is?
jquot;. Dat in vele militaire kringen de Figaro gebannen is, wegens zijn lagen veldtocht ten voordeele van den Jood?
.^0. Weet men dan niet, dat alle oud-minislers en alle legctnvoor-dige, luide betuigen; âDreyfus is wel wis en zeker schuldig!quot;
4°. Weet men dan niet, dat Bertillon, de beroemde prefekt van politie, de schuld van den Jood klaarblijkelijk bewees, zoodat diens advocaat Demange, hoewel hem alle gelegenheid werd gegeven, er geen letter op antwoorden kon?
5°. Weet men niet, dat, toen dc Drevfus-bende de leugen verzon, dat er stukken zijn achtergehouden, die de advocaat niet zou gezien hebben, Bertillon dit beslist ontkende, verklarende; âde advocaat zag alle stukken, maar kon er niets tegen zeggen.quot;
6°. Weet men niet, dat het een leugen is, dat Dreyfus zou zijn veroordeeld om het ééne âuittreksel,quot; maar dat het vonnis is gewezen na het afdoend getuigenis van 27 lieden, waaronder 21 officieren en generaals?
70. Weet men niet, hoe de Boisdeffre, chef van den generalen staf, hem snapte? . . .
Dan zullen wij het vi zeggen.
Gij herinnert u toch, dat de generale staf al geruimen tijd vóór hij gearresteerd werd, Dreyfus van landverraad verdacht had. Men spande hem toen een valstrik, en wel op deze wijze. Generaal de Boisdeffre liet door een twintigtal officieren het plan opmaken van een veronderstelden inval in Duitschland over Mühlhausen. Een der officieren werd belast, van dat plan veertig afdrukken te laten maken door een werkman, die hem werd aangewezen. Onmiddellijk daarna moest het cliché vernietigd worden. De officier kweet zich van zijn taak en stelde den generaal de veertig getrokken exemplaren ter hand. Eenige dagen later nu nam de Duitsche generale staf tegenover Mühlhausen de vereischte maatregelen om den Franschen inval af te slaan.
Bijna terzelfder tijd kwam een exemplaar van het plan, door den Franschen spionnendienst in Duitschland, bij den generalen staf aan, zoodat men er thans een en veertig bezat. Men zal begrijpen, dat de verwondering van generaal de Boisdeffre niet groot was, als men weet, dat de officier, met de afdrukken belast.
34
niemand anders was dan Dreyfus, en de werkman, die 7.c liad vervaardigd, een agent dei openbare veiligheid. Denzelfden dag wist de generaal al, dat. Drevfus in plaats van veertig, een en veertig exemplaren had laten trekken.
Wij zullen u meer zeggen! . . ..
Dat een en veertigste exemplaar vischte de Boisdeffre in DuitschUmd op.... met behulp van spionnen!
Ziet ge nu, waarom de Joden-kliek de Boisdeffre wil opruimen } .
8°. Wilt ge nog meer?... . Weet gij dan niet, dat de Dreyfus-kliek heeft uitgestrooid; âGeneraal Saussier, tie militaire gouverneur âvan Parijs, heeft onze zijde gekozen.quot; De generaal heeft die leugen beschaamd.
9°. Zij hadden gezegd, dat Esterhazy was gev/uckl, dat moest hem verdacht maken; het was gelogen.
O O
io0 Zij hadden een telegram verzonnen, om aan verstandhouding tusschen de Boisdeffre en Esterhazy te doen gelooven, als had de eerste den tweeden met zijn bescherming âgedekt:'. Dit telegram bleek ook gelogen. Officieel heeft de Boisdeffre het verklaard.
110. Mathias Dreyfus heeft een lid van den krijgsraad, die Dreyfus veroordeelde, willen omkoopen (Sandherr) dit staat nu boven twijfel; de achtenswaardige Pénot, offu ier van het legioen van eer, is bereid het onder ccde met vele anderen te bewijzen.
12°. De Echo de Paris, en wij met dit deskundige blad, achten de brieven, die aan Esterhazy worden toegeschreven, valsr/i.
Neen, hiervan staats niets in den Figaro, den nu verachten Figaro, den Figaro door Mgr. Freppel de schmidc der genot'ind ; maakt dat Joden-orgaan, de tolk van den Jood Reinach, de meening in Nederland ? kom! . . .. Ga heen naar uw land en zeg, dat de katholieken hier er anders over denken ; dat er geen enkel katholiek blad hier is, dat niet met ons aan de schuld van den Jood gelooft,
die op het Duivelseiland zijn verraad uitboet!quot;
* *
*
Het scherm gaat op.
Het vierde bedrijf. Eene vergaderzaal. De leden zijn ten diepste bewogen. Zooeven heeft het bericht hun ooren getroffen, dat de man, die de instructie leidde in zake de beschuldigingen tegen Esterhazy, namelijk generaal de Pellieux, zijn verslag uitbracht aan zijn overste, generaal Saussier. Deze laatste moest toen eer. besluit nemen; het luidde; bevel ivordi gegeven een onderzoek in te stellen
35
over de beschuldigingen tegen majoor Eslerhazy; dit onderzoek ivordl opgedragen aan den 2 den Krijgsraad.
Dit bericht wekt algemeene ontroering.
Wat is de hcleekenis dezer beslissing?
Het land moet zekerheid hebben ; de Minister van Oorlog moet zich verklaren ! . . .
Zoo spreekt onder algemeene toejuiching de oud-kapitein der jagers, graat' de Mun. âGeen verschil van partijen nu meer, geen âvoorkeur of afkeer, geen koningsgezinden of republikeinen, maar âenkel Franschen zijn wij nu allen. Ik vorder den Minister van âOorlog op, zich te- verklaren.quot;
Generaal Billot nam na zijne aankomst dadelijk het woord. Kr is geene Drev/uszaak, zeide ook hij. Dreyfus is geoordeeld en schuldig bevonden door zijn eigen standgenooten. Dat vonnis was rerht-ixiardig. Bij mijne zie! en geweien: Dreyfus is sc/iuldigl (sensatie). Voorts laakte de minister de verdachtmaking van een deel der pers tegen de rechtschapenheid der Fransche Justitie.
De heer Sembat richtte zich met zijne vragen tot den Minister van Justitie. Hij wilde weten op welken grond een onderzoek in de Esterhazy-zaak wordt gedaan.
In plaats van den nieuwen Minister, den heer Milliard, antwoordde Minister Méline; hij zeide, dat de zaak in handen der justitie was, en er dus geen mededeelingen buiten haar om werden gedaan.
De radicale leider Millerand maakte zich boos over dat antwoord en had nog eenig gekrakeel met den Minister, waarna men tigt;t de stemmingen overging over de zeven ingediende moties.
De radicale partij beging daarbij een ongewone streek. Zij nam een motie over, die een liberaal op aandringen van den heer Méline had laten vallen. (Die motie behelsde vertrouwen in den Minister van Oorlog, en de premier wilde ze niet, omdat verwerping er van een ontslag van Billot zou uitlokken, en men dus een onzuivere stemming zou krijgen; de een zou er vóór stemmen om de Drevfus-zaak, de ander uit verlangen naar een crisis). De radicalen raapten deze ingetrokken motie op, in de hoop dat ze zou vallen en daarmee generaal Billot.
Méline waarschuwde de Kamer, welker liberale meerderheid gewend is aan 't verwerpen van radicale moties, ze ditmaal wél aan te nemen, dreigende, dat anders niet alleen de Minister van Oorlog, maar het geheele Ministerie zou aftreden. âDat was gluiperig en slinksch !quot; meende.... Humbard, de radicale voorsteller zelf.
3^
tot groote verontwaardiging der liberale partij. Hunibard's motie werd aangenomen met 335 tegen 1,53 stemmen ; Humbard Mille-rand en de andere radicalen stemden zeiven tegen.
De liberaal Richard stelde daarop voor, in de dagorde in te lasschen: ^en laakt de leiders Tan den hateljken veldtoehT, Vlt;ior-ziende dat zij weer in de minderheid zouden zijn, liepen de radicalen weg. Inderdaad was nu de Kamer niet in getale. Links en rechts werden er leden opgetrommeld, en het voorstel kon toen met 1,54 tegen 77 stemmen worden aangenomen.
De saamgestelde dagorde luidde nu :
âDe Kamer, het gewezen vonnis eerbiedigend, sluit zich aan bij de hulde, aan het leger gebracht, keurt goed de verklaring van den IMinister van Oorlog, laakt de leiders van den hatelijken veldtocht, en gaat over tot de orde van den dag.quot;
o O
Bij eindstemming werd de dagorde in haar geheel aangenr men met 313 tegen 65 stemmen. (Verslag uit den Maasbode).
Dat oordeel is verpletterend voor de Dreyfus-bende !
liet stelt de openbare meening gerust en geeft vertrouwen in de regeering, die het vaderland beschermt en zich wreekt over de sluwe kunstgrepen der Joden. â
Maar nog was het niet genoeg.
Eén naam moest nog genoemd worden. Een lid vroeg aan Minister Méline : âMaar wat nu te denken van den leider dezer beweging, Scheurer-Kestner ?quot;
âDat hij onverantwoordelijk heeft gehandeld â luidde het antwoord â en zijn doel niet bereiken zal.quot;
âIk ben tevreden met deze terechtstelling van den heer Scheurer-Kestner,quot; was, onder daverenden bijval, het wederwoord van dezen afgevaardigde.
* *
De heeren verdwijnen. Theater-verandering. De Senaat op 7 December 1897.
De heer Schenrer vraagt noodgedwongen het woord ; hij is kalm maar heeft, hij gevoelt dat de grond hem ontzinkt; geen overtuiging spreekt uit de zinnen, die hij afleest van een stuk papier â wel gewikte en wel gewogen zinnen, die niets nieuws bevatten, die getuigen van de onmacht der Drevfus-bende om ecnig bewijs aan te voeren.
En toch men vergete dit niet (en men heeft het hier te lande reeds vaak over het hoofd gezien) een proces kan niet herzien
37
worden, omdat eenige Joden en hun gedweeë volgers schreeuwen, maar enkel als eerst hcicijsen Tan dc onjuistheid der rechtspraak worden overgelegd.
Scheurer deed dit nog niet, -- niemand deed het, maar de Joden willen de zaak met Joden-middelen divingen.
Ijskoud is de vergadering. Enkel de beruchte Senatoren Ranc en Trarieux (! !) klappen nu en dan, terwijl Scheurer zware zinnen opdreunt; de overi ge leden brommen, sissen, lachen hem uit, geven hun verachting te kennen.
Generaal Billot, Minister van Oorlog, neemt nu iiet woord ; hij verwijt den Jood, dat hij zich opwerpt âals deskundige, om zelf het proces te herzienquot;, hij verwijt hem zijn âlichtvaardigheid in hel oor-acelenquot;. hij betuigt: âik ken alle stukken van den heer Scheurer, âmaar zij bewezen mij het tegendeel van wat hij aanneemtquot;; hij zegt ronduit; âde krijgsraad heeft Dreyfus rechtvaardig en wettelijk ver-âoordeeld.... over Esterhazy zal nu een onderzoek worden ingesteld ; ,,dit beteekent echter gccne verdenking of schuldigheid,quot; en â:ijne zaai âheeft niet die van Drevfus niets te maken. De belanghebbenden âwilden wel het tegendeel, maar het zal niet gelukken. Zij hebben âmet een lt;migaande beweging, getracht tot hun doel te komen; dat âdoel was de herziening van Dreyfus' proces, maar dit is mislukt.quot;
Kon Scheurer vreeselijker verminkt uit dezen slag te voorschijn k' mien ? De Senaat nam niet algemeene stemmen de motie aan : âdat zij vertrouwen stelt in de verklaringen der Regeering.quot;
Uitgelachen, bedreigd, met schande en hoon overladen, toog Scheurer uit de zaal des Senaats.
Toch gaat het Dreyfus-syndikaat niet terug op zijn weg; het heeft geld en.... bladen als den Figaro en den Aurore; het heeft
geen schaamte, het heeft geen eer te verliezen.
3«
en zonder eenig protest werd veroordeeld in verband staat met Dreyfus' misdaad. De beide schelmen werkten samen, zegt dit blad. Wachten wij op nadere berichten. Aan de Joden-intrige zal wel niemand meer twijfelen na het voorgevallene in Kamer en Senaat. 10 Dec. 1807.
TWEEDE TOONEEL.
Alleenspraak van Scheurer-Kestner.
Het tooneel stelt voor een nieuwerwetsch gemeubeld salon; op den achtergrond een Senaats-zetel met drie pooten, â staat op vallen; rechts: boekerij met mysterieuse documenten, talmud-verklaringen, werken over de kunst om goud te maken, leerboeken over de hooge rijschool en wisselruiterij, de kunst van zwijgen, en over den omgang met schrijvers van de droeve figuur; voorts de volledige werken van Zola; een in folio-druk van 24.000 bladzijden diamant-druk, zijnde een register op de leugens, van den aanvang zijns bestaans, verkocht door den Figaro; aan de wanden de portretten van Cornelius Herz, baron J. de Reinach, Rothschild, den landverrader Dreyfus en andere vennaardheden Europa's. Op de tafel ligt het Joodsche wetboek, genaamd Shulchan-A ruch, opgeslagen bij den tekst; âbedrieg de niet-Joden zooveel gij kuntquot;; verder kranten en tijdschriften van alle landen der wereld; onder de Neder-landsche het Handelsblad.
De eenzame denker ziet er denkerig-somber, geest-gespannen diepzinnig uit ; gefronste wenkbrauwen, de lippen op elkander geklemd, strakke blik.
Hij ziet! . . . .
Stille .... hij leest.... hij ! ... .
Hij glimt van genoegen .... hij neemt de gouden waarheid uit den Aurorc in zich op ... . Rust....
Hij straalt .... hij geniet den Figaro.
De verrukking grijpt hem aan .... hij drinkt met volle teugen de zaligheden van het .... Handelsblad. [Hij leest).
âDat is eerst een blad .... Die durft ten minstequot; .... {hij lees!)
39
âDe voorstanders van Dreyfus zijn kalm, onpartijdig en gerust 1), de âtegenstanders angstig, onzeker verward ... (hij znchf) âJa . .. .ja, âik ben bijzonder op mijn gemak; bijzonder; zeker.... Vooral âsinds die Senaatszitting . . . .quot; Utij roep!) âBinnen ! . . . . Niemand âO, ik dacht, dat er iemand was! . . . .Ja, ik ben bijzonder op mijn âgemak .... Wat zon dat ellendige prulblad Univers wel weder te âvertellen hebben? .. ..quot;
[Hij grabbelt in de massa kranleti).
âDaar is hij! . . . . Armzalig oudewijven-blad !....quot; ( Hij leest).... âDacht ik het niet! Eerst die Tavernier, toen Pierre Veuillot, toen âEugène Veuillot, toen Gabriel de Triors, toen d'Azambuja, allen âredakteurs, nota-bene van dat ding, en nu weder Montenay en dc Ségur. Ze laten mij niet lus!.... Is de deur dicht? (hij slaat oj) en vaat naar de deur). âJa, ja, goed gesloten, (hij leest m/ den âUniversquot;), âdo heer Scheurer wilde met een slinksche beweging tot âde herziening van het proces komen .... die kunstgreep is niet
âgelukt'.....(hij zucht; hij leest verder).... âhoe, -de heer Scheurei
âdurft beweren, dat het borderel het eenige bewijsstuk is, terwijl âde minister van oorlog plechtig verzekert, dat Drevfus is veroor-âdeeld op het getuigenis van 27 officieren! Zijn geheele reden is âverval in dien e'enen -in.... Een dossier heelt hij niet aan den âMinister gelaten.... die veldtocht ten gunste van Drevfus is een âcampagne van leugens,.... die slinksche beweging is mislukt, na âde uitspraak van Kamer en Senaat. . . . quot;
{Hij zneht-, hij mompelt:)
âUitgelachen, bespot in den Senaat, verpletterd onder de eenstemmige motie, die vertrouwen betuigde jegens den Minister van âOorlog, behield ik den moed voort te gaan ?. . ,V\ at baat mij Zola s âhulp?... Wat baat de declamatie van dien lagen, verachten âmensch ?quot; [hij neemt den â/â¢iga/oquot;). Wat heb ik ook weder gelezen âYvette Guilbert hield eene redevoering, waarin zij de partij van âDrevfus opnam; Jaurès koos ook zijn partij . . . Jaurès . . . hm! k âgeef voor den kerel geen duit! . . . Wie is die \ vette Guilbert. . .
1
Deze htilmi'. 07ip(irtijdighct(i bestaat uit drie elementen:
i0. Uit liet eigenwillig.... vergeten van al wat de Tal mud- -ert ons leert over de Talmud-Joden.
20. Uit het si huchtcr vreezen voor lt;!lt;⢠absolute niogelijhJietd, dat een vonnis maal met algemeene stemman iloor k.nm-i.i.l n «m-r oen officier jjev UI. imliillijk gostreki'n kati zijn.
3°. l'it /ckor gebrek aan hot nooilige wantrouwni j.^cns dc Junlsch'- tflcyrafis. h.-agentschappen.
Aan zulko onfmr tijd ikheid lt;10'â ik niot mede.
40
âWacht... de Jour zal het weten . . . (Hij leest) âYvette Guil bert is âeen liedjeszangster, die de moraal van Zola verbreidt, zij is âgetrouwd met een Jood ... Zoo!... Die zal ons helpen uit den âbrand 1!... Weet je wat, ik lees er niet meer over; al mijn che-âmische studiën loopen er door in de war!... Maar ik moet; straks âkomt Mathias Dreyfus en ik moet weten, wat heden aan de markt âis gebracht.
â . . . De Croi.x! . . . Bah . . . kom, moed; wat bazelt dat clericale âprul weder â¢- . . . [hij leest). âDe Figaro is niet enkel te Parijs maar âin vele plaatsen des lands gebannen uit de militaire kringen; eerst âParijs, toen Rennes, Chalons (kring van 250 officieren) Nantes, âRodez, Roche-sur-Yon, Montpellier, Rouaan!....quot; {hij peinst) âWat is dit?... Uit Vannes: gezien de vaderlandlooze en anti-âmilitaire houding van tien Figaro, besluit de kolonel van het gar-ânizoen van Vannes; dit blad het abonnement op te zeggen...quot; âNog meer? ... Beware!. .. âHet garnizoen van Reims, Perpignan âMarseille, lours, Toulouse, Montauban, Castelnaudary, Angers âallen den Figaro onder protest geweigerd voor het vervolg.... âPerpignan's garnizoen voegt er publiek de reden bij: om de onbeschrijfelijk lage houding in zake Dreyfus . . .quot;
{Hij peinst; diepe zucht. . . .)
âDat gaat ons nog aardig geld kosten als het ding op de flesrh-..ging voor ons genoegen!quot;
{Leest verder.) âDe bankier van het syndikaat ten voordeele van âDreyfus is de Jood Louis Block, 89 Rue de Courcelles.... het ,,f'tnds is /.000.000 franken. âDurft deze heer Block openbaron ddu âwie en hoeveel hij sinds 29 Nov. heeft betaald ?quot; âVerbazend, het
âbegint te branden!---- En nu ?----Wat neemt hel daar over
âuit den Echo de Paris? . . . .quot;
(Hij werpt de â Croixquot; iveg en grijpt naar het laatstgenoemd blad) (hij leest:)
â Tot ons genoegen is voldaan aan onze vordering den heer âPénot, ufficicr van het legioen van eer, te hooien, die stellis; âverzekert en met vele getuigen wil bevestigen, dat Mathias Dreyfus âmet 200.000 franken een lid van den krijgsraad, die Dreyfus ver-âoordeelde, wilde omkoopen. De heer Pénot is door commandant âRavary, rechter van instructie, gehoord. Mathias Dreyfus heeft âreeds bekend, dat hij het jury-lid in kwestie, generaal Sandherr, âbezocht.... maar dat dit enkel was, om te vernemen, wat men âtegen zijn broeder inbracht. Dit is al te naïf. Kon hij dat niet in âalle bladen lezen?.... Hierbij komt, dat men zich herinneren zal,
4 i
âhoc Dreyfus' familie eerst uitsluitend trachtte de zaak te verstikken âen den verrader uit het leger te laten jagen, zonder meer. Voor âde arrestatie bezocht mevrouw Dreyfus commandant du Paty de âClarn en /eide hem; als mijn man verraad pleegde, was het uit âwrok over zijn achterstelling.... Toen trachtten zij hem vóór te âstellen als een zinnelooze; geen mensch dacht er toen aan, hem âonschuldig te verklaren! Nu wil men doen gelooven, dat hij enkel âom het hnrihrel is veroordeeld en dat dit door een ander kan âgeschreven zijn. Het bedrog is duidelijk!....quot; {hij springt op cn
âroept uit:) âVerschrikkelijk!____ Mathias, ik zou niet gaarne in
âje plaats zijn !quot;
âLaat den four eens zien, het Haudelshlail beweert, dat het met âstorm achteruitvliegt, dat het Esterhazy loslaat!quot; [leest). Het is brutaal, hoor!.... Ik wou dat het waar was, wat het Handelsblad vertelt!....quot; {hij leest verder). âMaar de Jourxi krasser dan ooit... . âPicquart zeker schuldig,.... mijn advocaat, Leblois kocht voor
âhem de stukken uit het Ministerie van Oorlogquot;.....Brrr! . . . Neen
..ik lees geen krant meer, ik word er gek van.
âKom, eene Revue] hier de Novelle Revue; artikel van Madame âAdam .... Wat? .... Over mijn vrouw!quot;.... {hij leest). âZij was âimmer in gezelschap van Duitschers en Joden; haar kinderen âdienden niet in ons leger: hij zelf, die bluft op zijne hoedanigheid âvan Elzasser, was van den aanvang af, de groote vriend der âDuitschers; de Jood Bodenheimerquot; . . . âGenoeg, weg er meê! .. .quot;
{Er zuordt geklopt). Een lakei: âMijnheer, daar is mijnheer Mathias Dreyfus!quot; â âLaat maar binnen komen.quot;
Mathias: Bonjour, hoe maak je het?
Sc he ure r: En jij?
Mathias: Kalm.
Se he ure r: Ik ook.
13 Dec. '97
DERDE TOOXEEL.
Een Redakteur in doodsnood.
Het was geen aangename rol, die de heer de Rodays, hoofd-redakteur van den Figaro op zich had genomen voor de mise en scène te zorgen van het drama: Dreyfus of de vermoorde onschuld.
4-
Maar, wat hij nooit had gedacht, was, hetgeen feitelijk geschied is.
Geheel Frankrijk, â ik wil eene eervolle uitzondering maken voor den Lanlcrne met diens redakteur Mayer, en voor den Aurore met Clémenceau als vaandrager, vriend van ITerz, â geheel Frankrijk is als één man opgerezen tegen het onbeschaamde boulevard-blad en heeft het gebrandmerkt met de woorden: schand-blad, verrader, landverkooper, â om de andere liefelijkheden te zwijgen! ....
Het regende protesten.
Reeds de kalm-sidderende, koeltjes-klappertandende, gerust-bleek-bestorven Dreyfus-Ridder, Scheurer-Kestner heeft ons de sombere reeks van militaire âcerclesquot; (kringen) opgeteld, die den Figaro aan de deur wierpen, wegens zijn schandelijke houding.
De heer Rodays zat treurig en verslagen op zijn bureau. Het blad ging immers zichtbaar het verderf te gemoet! . . . .
Bij de meer dan twintig steden, waar van 10 tot 15 Dec. de officieren den edelen Figaro den kaakslag gaven, voegden zich iederen dag nieuwe.
In de liellelijkste bewoordingen, âwegens uw infame houding in zake Dreyfusquot;, âwegens uw vaderlandslooze drijverijquot;, wegens uw schandelijken veldtocht ten gunste van Dreyfusquot;, âwegens den lagen laster over het legerquot;, â het kan toch niet zoetsappiger, dunkt mij! â weigerden van 15 Dec. tot 20 Dec. nog de volgende militaire kringen het bewuste Dreyfus-Syndikaat-Orgaan: Belfort, Saumur, Cosne, Aïx, Cahors, Ancenis, Guéret, Belley, Limoges, Saintonge, Beauvais, Saint-Omer, Libourne, Amiens, Decaseville, Salins-d'Hvères.
Het was om kippenvel van te krijgen.
En de redakteur kreeg inderdaad kippenvel.
Zijn eerste daad was : z?i'ijgcn.
Och, of de doodsnood met âzwijgenquot; ware te ontkomen geweest!
Maar het mocht niet zijn. â
Daar leest de welgedane heer de Rodays plotseling, blauw van
schrik, in âde bladenquot; . . . dat... ja . . . dat!! . ..
* *
*
Een welgedane heer reisde op zekeren dag, in de ie klas van Parijs naar Chelles.
Ol nu s mans welgedaanheid hem hebbe overvallen met een zoeten dommel, of wél de geestesklaarheid, der familie Baron de
43
Reinach tot Reinach eigen, hem dien morgen hebbe verlaten, de legende verluidde â altijd in de oolijke Fransche bladen â dat 's mans welgemoedheid niet geheel meer harmonieerde met zijn welgedaanheid, toen hij te Chelles zich omlaag heesch uit den trein.
Want hij ervoer â luidens evengenoemde brutale legende dat hij uitstappende bemerkte, dat . .. zijn portefeuille, een eerbiedwaardige in omvang .. was doorgestoomd naar Meaux.
Intusschen waren te Meaux de neuzen bij elkander gestoken, om het wondergeval te doorgronden. De stationchef Poirel, de heeren Halier en Van den Bossche, onder-chefs, beambten en conducteurs, droegen, openden, doorsnuffelden, ieder volgens recht en plicht, het wonder stuk documenten-vergaderaar.
Vooral was den heer Van don Bossche de rol toegedacht de alleszins aantrekkelijke papieren van deze wonderen-doos te genieten.
De onverbiddelijke legende verhaalt verder, hoe de mannen van Meaux vonden in die âklapquot; :
i0. Vele brieven van... Esterhazy.
2°. Briefpapier gemerkt Bureau Figaro. Hierop... uitknipsels uit brieven van Esterhazy, vormende een geheel van misdadigen inhoud, listig lier en der een woord er uitgeknipt â aaneenge-plakt, gephotographeerd, geretoucheerd; tweede photographic, eigenhandige brief van Esterhazy, kant en klaar, mijnheer... zie maar ! . . .
3°. De portefeuille is ergens gemerkt. J. Reinach. Oho!...
Vidi... de Dreyfus-kampioen in den Figaro... Frissche morgen!...
* *
*
De heer Rodays heeft het drie dagen op de zenuwen gehad; arme man.
De geheele beambten-groep van Meaux is naar Parijs ontboden, heeft gedeponeerd bij den commandant, die het onderzoek der zaak leidt: Ravarv.
Intusschen wandelt de legende levenslustig voort door de geheele pers; Univcrs en Croix, de twee katholieke bladen van Parijs, ontvangen haar met genoegen, â en ook zij vertellen mede, dat de âklapquot; was van Reinasch ; dat hij getelegrafeerd had uit Chelles ; Portefeuille in den trein laten liggen ; zend haar n aar Chelles, ik icacht haar spoedigst; dat er vele, vele brieven van Esterhazv in berustten, leeggeplunderd, om woorden te vinden, die 1). v. dezen zin geven : âals het verraad maar niet uitkomtquot;. In andere brieven waren op
44
sommige woorden en zinnen andere woorden en zinnen uit andere brieven geplakt.., en... zoo... meer... klaar voor de photographic
iter.....documentenquot;! Uren en uren waren Meaux' getrouwen bij
Ravarv....
Dat alles leest, verslindt de Rodays, hoofd-redakteur van het vaderlandslooze boulevard-blad, genaamd Figaro.
Maar hij kan het niet verteren.
De nacht is zwaar, somber, zwart. Grillig waren in zijn geest de spoken rond, Dat zijn de getergde officieren, de joelende studenten; â dat is Mathias Dreyfus;... daar grijpt de welgedane hand van den Panama-Jood hem bij de keel: âals gij spreken durft,... uw leven.quot; Dat is de doodsstrijd. Hij geeft een gil!.... Hij ontwaakt....
Stil... hij is alléén ! Waar zijn de ijzingwekkende schimmen van daareven?. . . Hoe klopt en bonst het hoofd, hoe branden slapen en polsen . . . hoe klemt de borst. Hij vliegt van zijn legerstede, hij grijpt de pen, hij schrijft; schrijvend roept hij ieder woord kwaadaardig met afgebeten stem af; ik vang letterlijk op:
âHet is duidelijk, de Figaro had in zijn veldtocht niet met zich de openbare meening,.. Mathias Dreyfus heeft het eerst commandant Esterhazy beschuldigd, dat zijn niet wij geweest!... {Oef)... Ik ken... noch... Mathias Dreyfus noch iemand zijner familie.., (Oef)! het zweet breekt mij uit.. .) Ik heb de brieven van Esterhazy uitgegeven om het publiek te laten oordeelen tusschen onze vaderlandsliefde en die van dezen commandant. . . {Ik stii). Ik zag in den heer Scheurer-Kestner een onberispelijk man, nauwlettend, rechtvaardig en met besliste liefde voor het vaderland... /k heb o/gt; niemands ingeving, onder niemands leiding in deze gearbeid dan onder de zijne; zijn geloof was het mijne. {Oef! Dal geejt me lucht!)... Hij heeft gezworen nooit iets aan tie pers te hebben medegedeeld, het is niet -vaar. {Hè!!... vice-president van de?i senaat!!) Waarom wendde de heer Scheurer-Kestner zich niet onmiddellijk tot de regeering? Dan ware de pers er builen gebleven, men had niet de eer van een officier op het spel gezet en geen brieven gepubliceerd, die ik zelf hoop, valsch te kunnen verklaren. Ik trek mij dus voorloopig terug uit de redaktie, de heer Perrivier neemt mijne taak over,
hij zal een nieuwen geest brengen over de Dreyfus-zaakquot;.....{/lij
zucht onpeilbaar diep).
Over zijn gelaat legert zich een blos, de pols bedaart. ... hij is weer mensch. De doodsstrijd is-voorbij.
(Figaro af).
22 Dec. 97.
45
VIERDE TOONEEL.
Bengaalsch vuur, zevenklappers en sissers.
Het begint bepaald meer en meer een kennis- of spektakelstuk te worden, het drama; Dreyfus of de vermoorde onschuld.
Commandant Kavarv, de rechter van onderzoek in zake Esterhazy, heeft niet in een keer al die grillige wendingen en streken van het Dreyfus-syndikaat kunnen overzien; toch schijnt het, dat hij den aal bij den staart had, toen .... in eens de geheele zaal verlicht werd door tooverschijn, zoo vreemd, onverwacht, verblindend, dat de oogen verstarden en het gevonden spoor bijster werden.
Daar publiceerde, juist toen de onthullingen over Reinach s geheimzinnige portefeuille de schuld van het syndikaat boven twijfel stelden, de bekende dame de Boulancy, aan wie Esterhazy de beruchte brieven zou hebben gericht, in den Temps het nieuws, dat die brieven toch wel degelijk echt waren. Zij zou, zoo heette het, met majoor Esterhazy, voor generaal de Peilieux zijn gedaagd, en de soldaat zou, op een eed gevorderd, bekend hebben ^de brieven te hebben geschreven. Slechts voor éénen maakte hij eene uitzondering.
Dit getuigenis was verpletterend. . . .
Maar al zeer spoedig doofde het bengaalsch vuur.... en liet een verstikkenden damp achter.
Want de Echo de Paris, de Soir, de Paine, de Croix e. a. bladen merkten op;
1°. Dat het ondenkbaar is, dat generaal de Pellieux, rechter van instructie, zoozeer de Fransche Wet zou vergeten hebben, dat hij aan een beschuldigde een eed zou hebben opgelegd ter bevestiging van een punt der beschuldiging zelf;
2°. Dat de'commandant het bericht stellig tegensprak;
3°. Dat het geheel onmogelijk is, dat Esterhazy, hadde hij reeds voor een maand die bekentenis afgelegd, thans nog vrij als een vogel in de lucht door Parijs kon wandelen!
Daar kwam nu nog bij, dat eerst de Echo de Pans, toen het Peli/ Jnurnal, toen Soir, Croix, Unirers enz. ten stelligste verzekerden, en niet werden gelogenstraft: de zoogenaamde brieven van Esterhazy zijn onderzocht door de schriftdeskundigen Varinard, Belhomme en Conard en deze heeren hebben getuigd, dat zij deels vervalscht en deels geheel en al door bedriegers gefabriceerd waren.
46
Dezelfde drie deskundigen verklaarden, dat het beruchte âborderelquot; wel degelijk door Alfred Drevfus â vermoorde onschuld â geschreven is.
* â¦
*
Het syndikaat was nu ten einde raad en om nog eenigen indruk op het zich langzamerhand vervelend publiek te maken, werd besloten een concert van zevenklappers te openen.
Het laatste knaleffect zou beproefd worden.
Maar jawel... ook dit mislukte!
Want daar verscheen 22 Dec. in den Intramigeant een bericht, dat weldra bleek volle waarheid te bevatten.
Het blad deelde mede, dat het syndikaat een laatste âdocumentquot; (!) gereed hield; dat dit eerlang zou opdagen in de pers; dat juist tengevolge van oneenigheden tusschen Reinach en den Figaro over dit document de heer de Rodays, in doodsstrijd, besloten had, den Figaro vaarwel te zeggen; dat hij, â Intransigeanl â eene photographic van dit document (!) was machtig geworden en het onder zegel bij een notaris had neergelegd, met last, als het syndikaat de onbeschaamdheid zou hebben er mede voor den dag te komen, te openbaren dag en uur, waarop hij Intransigeanl, het reeds aan den notaris had overhandigd. Hij eindigde met de verzekering, dat mocht men hem tegenspreken â hij nu reeds dit valsche stuk zou afdrukken.
En nu sprak men hem tegen en. . . daar waren in eens alle zevenklappers nat geworden en geheel het komplot zat in rouwe!
De Intransigeant eerst, en toen alle bladen, gaven dit briefje te lezen, geschreven op papier der Duitschc ambassade.
13 December 1892.
Mevrouw!
Uwe veeleischcndheid gaat alle grenzen te buiten. U houdt geene rekening met de reeds gestorte sommen, die veel hooger zijn dan U beloofd was. En toch hebt U alle documenten nog niet geleverd, die in het borderel waren aangekondigd. Laat mij het stuk in quaestie ontvangen en U zal voldoening worden gegeven.
Laat / Vals in weten, dat ik Donderdag bij Sternberg ben.
G. d. u. Otto.
47
Walsin is Walsin Esterhazy . . . Het âdocumentquot; zou verpletterend verken!
Men begrijpt, welk gerucht de openbaring van dit stuk verwekte !
Maar liet raadsel was spoedig opgelost.
Boven het briefje stond het woord âcopiequot; en dit was van de hand van Jozef Reinacb; tal van getuigen bevestigden dit. De brief was in cijferschrift; men beweert, dat ook de lt; ijfers van Reinach's hand zijn.
Deze zevenklapper derhalve, aldus met een frisch bad overstort, si^te cn doofde uit.
Reinach wist niet, hoe zich te redden. Hij betuigde, zelf niet aan het âdocumentquot; te hebben geloofd, hij verzekerde, dat er hoegenaamd geen plan had bestaan het te publiceeren; hij verklaarde: het stuk is van de hand eens bedriegers, die er ons in wilde laten loopen; die vervalscher heet Lemeunier Picard.
Intusschen gelooft niemand amice Reinach, sinds het uitlekte, dat Lemeunier Picard einde vriendschappelijk Reinach bezocht.
âHoe, â zoo meent men terecht, â waarom sprak Reinach dan niet einde November? Waarom komt hij eerst, nu de bladen de valschheid van het document en de list onthuld hebben, met de leuke verklaring aan: eigenlijk heb ik er zelf ook niet aan gelooid? Waarom werd het stuk gereed gehouden voor de openbaarheid?quot;
Want dit is zeker. De Rodays keerde juist hierom het syndikaat den rug, daar men dit âdocumentquot; niet nu wilde afdrukken .... maar eerst, wanneer de krijgsraad een gunstige uitspraak over Walsin Esterhazy zou geveld hebben! Toen had de Rodays genoeg van het geknoei.
Ongelukkiger is het een zevenklapper wel nooit vergaan, dan
dezen in de hand van Juzef Reinach!....
* *
*
En nu nog een paar sissers en het scherm valt.
Het was een flikkerschijn, die met veel geknetter door de lucht vloog, maar even snel weder doofde, het bericht tier Age nee nalioiuile van 21 Der. 11.: âDe heer Mathias Dreyfus heeft eene aanklacht âwegens laster, ingediend tegen den heer Pénot, Mevr. de weduwe âSandherr, mevrouw Barthélemy en de redaktie van de Soir, die âhem beschuldigd hebben, wijlen kolonel Sandherr, lid van den âkrijgsraad, te hebben willen omkoopen.quot;
Dat schitterde als bliksemglans door de lucht!
48
Maar, ziet, â terwijl hij dit publiceerde, was reeds de gerechtelijke vervolging van Mathias en Léon Drevfus, broeders van den verrader, verordend, en dit wel: âals hebbende zij getracht, wijlen kolonel Sandherr, lid van den krijgsraad, voor desom van 200.000fro. te willen omkoopen, op een der laatste Zondagen van October 1894.quot;
âHoe kunnen wij de handelwijze van Mathias Drevfus kenschetsen ?quot; vraagt de Soir; âmet macht van agentschappen verbreidt hij, dat hij eene aanklacht indient tegen ons; wij vernemen er echter niets van; hij klaagt inderdaad niets en niémand aan; en nu blijkt, dat hij, terwijl hij dit liet rondbazuinen, reeds zelf door den rechter van onderzoek was gedagvaard!quot; Drie beëedigde getuigen, niet van zins een schrede te wijken, hebben dus den voet gezet op dit sissertje .... en de armzalige grauwe huls bleef rookend over. Uit was het licht! ....
Toen werd nog één poging gedaan, om althans Esterhazv mede in het schandaal betrokken te houden. Mathias klaagde hem aan wegens beleediging, bij anonieme brieven, door brieven-agentschap-peu verzonden.
De stukken werden geopenbaard, zij zijn ergerlijk. Dat zou het medelijden opwekken!.... Nieuwe vonk van hoop.
Maar het was alweder een snel wegflikkerend sissertje, dat den nacht in duister laat! De heer Féret, directeur van het agentschap, dat de bewuste brieven verzond, betuigde, dat Esterhazv, de persoon niet is, die deze aanbood!. , . .
Daar sterft dan het laatste schijntje weg ....
Het is nacht. â Walm van Bengaalsch vuur, uitgeknetterde zevenklappers, leeggebrande sissers, rook, aan flarden gescheurde documenten, benauwde Israëlieten.
Het scherm valt.
31 Dec. '97.
HET VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
In de Gerechtszaal.
Een bewogen publiek stroomt rnaar de gerechtszaal, ter aanhooring van het geruchtmakende proces Esterhazy.
Wie zal zich verwonderen over die pijnlijke ontroering?
Wat heeft Frankrijk uit de gebeurtenissen der laatste dagen moeten besluiten? Is de openbare veiligheid nog verzekerd? Bestaat er niet een komplot, dat de geheele toeb mist des lands in handen heeft? Is niet het berucht syndikaat machtiger dan de regeering, beheerscht het niet geheel Frankrijks lotgeval ?
Daar deed de mare door de pers de ronde, dat mevrouw Jouffroi d'Abbans aan commandant Ravary mee zou deelen, wie de veelbesproken gesluierde dame was, die Esterhazy van het geheel komplot op de hoogte bracht.
Mevrouw Jouffroi d'Abbans kwam te Parijs; men vernam echter niets nadien. 1)
Daar berichtten de bladen, dat het syndikaat, nieuwe beslissende documenten bezat, die echter enkel aan den krijgsraad, mocht Esterhazy voor dezen gedaagd worden, zouden worden overlegd. De advocaat van Scheurer-Kestner, Leblois, spreekt dit bericht tegen en voegt er tot aller verbazing bij, dat hij nimmer eenig beslissend document tegen Esterhazy had bezeten! De Echo de Paris verklaart categorisch, dat de krijgsraad er wel voor danken zou ânieuwe documentenquot; te onderzoeken. Waarom waren deze niet
4
1
Thans is bekend, dat de/e dame in staat van beschuldiging is gestold wogens oplichterij.
5°
of aan den eersten rapporteur, generaal de Pellieux, of aan den tweeden commandant Ravary, ter hand gesteld?
Daar komt het sprookje, dat Esterhazy's handlanger was: de Duitsche officier Heudück, dien hij te Baden had ontmoet. De beschuldigde voert hiertegen aan, dat hij ééns te Baden is geweest in 1867, toen de heer Heudück een kind van r '/-j jaar was, en dat hij dien man volstrekt niet kent.
Daar wordt gepubliceerd, dat generaal Gonse, de overste van kolonel Picquart, reeds in 1893 een onderzoek over de verdachte handelingen van commandant Esterhazy had laten instellen. Generaal Gonse zelf en commandant Esterhazy weerspreken dit ten stelligste.
Wat moest het publiek van dit alles maken? Is het mogelijk een volk meer op te winden, te verbitteren, dan door het verspreiden van dergelijke sensatie-nieuwtjes, terwijl de zaak in quaestie het hoogste belang drs vaderlands geldt: de vraag: âis Esterhazy een landverrader, ja dan neen ?quot;
Midden in die verwarring schrijven Scheurer-Kcstner aan Ranc (Senaatslid) en Reinach aan den Minister van Oorlog, roerende âopen brievenquot;, hun overtuiging bezwerend met de duurste verzekeringen, aandringend op recht, heilig, onschendbaar recht. Het publiek is nu geheel in de war.
31 Dec. 1S97 bracht toen commandant Ravary zijn rapport uit.
Generaal Saussier, hoewel het rapport besloot de aanklacht in te trekken (âordonnance de non-lieuquot;) besloot: dat Esterhazy voor den krijgsraad zou komen.
Dit wond de gemoederen opnieuw op. Was dit besluit niet een teeken, dat aan Esterhazy's onschuld veel twijfel-bestond ?
Toch stond duidelijk in Saussier's dekreet te lezen: âdat enkel, omdat Esterhazy het zelf had gevraagd, en omdat de publieke opinie volkomen moest gerustgesteld worden, deze commandant naar den krijgsraad werd verwezen.quot;
Men las nauwelijks meer! âEsterhazy voor den krijgsraad, het was genoeg om allen twijfel te wettigen! De bladen wezen wel is waar op de bijgevoegde redenen, â er werd niet geluisterd. De dolle vrees, de dwaze angst had alle redenecring schier onmogelijk gemaakt.
Zoo naderde men 10 Januari, dag waarop de majoor in gerechte zou opdagen.
5i
Intusschen beproefde het Dreyfus-syndikaat een laatste poging, (im stof in do oogen te werpen.
Daar verscheen plotseling de akte van beschuldiging in 1894 tegen Alfred Drevfus â vermoorde onschuld â opgemaakt.
Het publiek was verpletterd!
Hoe was het mogelijk geweest, dit stuk tc publiceeren ?
Wie had dit geheime stuk in handen gekregen? Hoe was het mogelijk deze akte tc lichten van achter de zegels die haar dekten ?.....
Raadsels!.....
Toch bleek uit deze akte, voor wie haar in haar geheel met aandacht las, genoegzaam de schuld van den veroordeelde van bet Duivels-eiland.
Maar de pers en de agentschappen, aan den kant van het syndikaat, deden haar werk goed; zij verwrongen, verminkten, verdraaiden en Europa vroeg zich af; âHoe is Drevfus na zulk een akte van beschuldiging veroordeeld geworden?!.....quot; (Bijlage III).
10 Januari, de dag der wraak is daar.
Duizenden Franschen in ontroering; plechtige Krijgsraad; om 8 uur gaan de deuren open; S'/i uur zijn aanwezig: Mathias Drevfus en diens advocaat, om 9 uur komen de leden van den Krijgsraad. Deze zijn: generaal de Luxer, voorzitter; kolonel de Ramel: kolonel Boufon; luitenant-kolonel Mavry; dito Caudelette commandant: Gardin; dito Rivals en commandant Hervieu, regeerings-a umnissa riv
Adenilooze stilte.
De regeerings-commissaris leest, met luider stem, het Rappi irt van commandant Ravary, uitgebracht aan generaal Saussier. Verbazing en verontwaardiging maken zich van de hoorders meester, als zij vernemen, hoe Mathias Dreyfus en kolonel Picquart lichtzinnig en zonder bewijs deze onrustwekkende campagne begonnen met behulp van hun vrienden Scheurer-Kestner, Reinach en andere heeren redders der verdrukte onschuld. Zij hooren, hoe Picquart en Mathias Drevfus met behulp van stukken, d/e Picijuarl oulTiccmiidc ui! het Ministerie 7gt;an Oorlog, trachtten Esterhazy onder verdenking tc brengen van landverraad, hoe die stukken deels werden vervalscht, deels niets bewijzen. Zij vernemen, hoe afdoend Esterhazy geantwoord heeft op die beschuldigingen, zoodat eerst generaal de Pellicux cn toen weder commandant Ravary besloten hadden tot intrekking der aanklacht; zij zijn getuige van de beëedigde, plechtige
4*
52
verklaring der deskundigen, die weder het borderel onderzochten: âhet bewuste borderel is niet het werk van commandant Esterhazy, op onze eer en geweten leggen wij deze verklaring af. Belhomme, Varinard, Conard, l'Hote 26 Dec. 1897.quot; Allen beven van verontwaardiging als zij nu hooren, hoe kolonel Picquart, beambte aan het Ministerie van Oorlog, stukken achterhield, zoek maakte, wegnam uit het bureau van kolonel Henry, zijn overste, om hierover, gelijk bewezen werd, toen hij op heelenlaad ruerd belrapl, met Leblois, advocaat van Scheurer-Kestner te raadplegen, ten einde Dreyfus' schuld op anderen te schuiven; allen sidderen van woede, als zij hooren hoe kolonel Picquart in Jnni 1897 weder uit Sousse (werwaarts hij voor straf gezonden was) overkwam naar Parijs 0111 te confereeren met Leblois; allen kc mien op adem, toen aldus het masker van dezen man gelicht wordt en de zaak duidelijker voor oogen begint te staan.
Tot aller genoegen besluit het rapport: âgeen rekening te houden met de beschuldigingen, van Picquart, en Esterhazv onschuldig te verklaren.quot;
Hervieu zwijgt; hij zet zich neder. Het woord is aan den Krijgsraad.
Maar neen! Daar klinkt de onbeschaamde eisch van advocaat Laborie, mevrouw Dreyfus toe te laten bij de verhandelingen; â zeker om de zenuwen te bewerken. Met verontwaardiging wordt de eisch afgewezen door Hervieu.
Besloten wordt, na i'/ï uur beraadslaging, (io1^â12), de zaak met open deuren te behandelen; enkel zullen de deuren worden gesloten, als staatsgeheimen moeten worden besproken.
Nu begint het verhoor van Esterhazy.
Wij kennen alle punten van beschuldiging; kort en scherp antwoordt de majoor; hij deelt mee, hoe het syndikaat met een sluwe streek zijn brieven in handen kreeg, sinds /aimaii iSc/3; hoe hij het âborderelquot; niet kan geschreven hebben; â hoe hij één keer slechts, om speciale redenen, van eene vage neequot; gebruik maakte, om aan zijne vrouw te schrijven, â hoe de Joden-kliek hem bedroog, zijn brieven vervalschte enz.. . . enz. . . .
Het publiek is zichtbaar voldaan. Thans de getuigen. . ..
11 Jan. 1898.
53
LAATSTE TOONEEL.
Het syndikaat verpletterd.
Het publiek is onder diepen indruk, nu de getuigen-verhooren aanvangen.
Commandant Ra vary had zijn rapport ingediend; de Regeerings-â commissaris, kolonel Hervieu, had het voorgelezen.
Hieruit bleek:
ie. Dat Generaal de Pellieux en Commandant Ravary, na nauwkeurig onderzoek, heiden hadden geconcludeerd; âde aanklacht tegen Majoor Esterhazy niet ontvankelijk te verklaren hier-lt;loor was deze dus eigenlijk reeds vrij. Toch wenschte Generaal â¢Saussier behandeling voor den krijgsraad.
2e. Dat majoor E. de schrijver niet was der brieven, die hem ten laste werden gelegd;
3e. Dat hij in geene geheime verstandhouding had gestaan tot vreemde agenten; ^
4e. Dat kolonel Picquart stukken ontvreemdde uit den lessenaar van zijn Overste, kolonel Henry, die hem op heeterdaad betrapte; â dat hij de ziel van het komplot was geweest; dat hij wederrechtelijk Esterhazv had achtervolgd en wegens niet te qualificeeren handelingen uit het Ministerie van oorlog was weggejaagd.
Het rapport besloot: âMajoor Esterhazy vrij te latenquot; ....
* â¦
*
ie Getuige verschijnt.
Matlnas Drevfus.
Hij beweert, dat Esterhazy de schrijver van het âborderelquot; is â (gelach; het publiek weet nu, dat het 3 maal door deskundigen is onderzocht en deze het tegendeel np hun eer en geivetcn verklaarden).
Hij belastert den beschuldigde.....die hem aan wil vliegen.
Men weerhoudt dezen.
Hij beweert, dat Esterhazy schreef: âik bevind mij in zoo pijnlijke omstandigheden, dat ik voor eene misdaad haast niet meer ie rug zou deinzen.quot; â Esterhazy: âdie brief slaat op geheel andere
54
dingen en is uil Juli i8g6,quot; {twee jaar na het proces Dreyfus!)' Algemeen gelach. Mathias Drevfus' gezicht betrekt.
Tézenas, advocaat van Esterhazv; âMijnheer Drevfus, hoeveel heeft die leugen-campagne u wel gekost?quot;
Dreyfus: Noem eens een cijfer!
Tézenas: â300.000 franken.quot;
Dreyfus: Dat is niet waar!
âHoeveel dan?quot; roept Tézenas.
Drevfus: Dat is mijn zaak.
In den val geloopen. Mathias Drevfus af.
2e (iet//ioe.
Schcnrcr-Kestner.
Verklaart nooit het âborderelquot; te hebben gezien, nooit mann-scripteu met elkander te hebben vergeleken en enkel naarphotogro-phieën (?) te hebben geoordeeld.
De President van den krijgsraad: En was dat u genoeg om aldus op te treden?.... Waart ge zeker van dezer juistheid ? .... (algemeen gelach.)
Tézenas: hebt u een dossier?
Scheurer: Neen. [Schaterend geladi).
Scheurer-Kestner af.
3e Getuige,
Samuel Weil.
Israëliet, oude vriend van Esterhazv. Hij verklaart, dat de Majoor hem eens een bedelbrief schreef (uil den aard der zaak een vertrouwelijk schrijven, aan een vriend). Weil had dien . . . , gegeven aan den opperrabijn Zadok-Kahn, en deze aan Mathias Drevfus. Ieder zal dit wel laag noemen; de laatste zifte er nu een bewijs uit; âdat E, in geldnood, verraad kon hebben gepleegd,quot; Het publiek: âBah! da's gemeen,quot;
Esterhazv: âIk heb tweemaal de eer van dien man gered; ik âzal niet zeggen, in welke omstandigheden, want ik ben geen lafaard ; âmaar dit verraad van een ouden vriend is voor mij zeer pijnlijk.quot;.,,. Weil af,
4e Getuige.
Fe ret.
Directeur van het bewuste âagentschap van brievenquot; verzekert, dat Esterhazv slechts éénmaal van zijn bureau heeft gebruik gemaakt, en dit was, naar hij stellig verzekert, om aan zijn vrouw een brief te zenden. De man, die de dreigbrieven aan Mathias D. zond, was een geheel ander persoon, die hoegenaamd niets gelijkt
00
op Estcrhazy; hij was dik, E. mager; hij had een zeer groot hoofd,
rooden snor, enz.....
Dc krijgsraad beslist, da! hd verhoor thans met gesloten deuren zal worden voortgezet, daar staatsgeheimen moeten worden verhandeld.
Toch vernemen wij het volgende uit âinterviews,quot; medegedeeld door cenige geloofwaardige bladen. Overigens ontving Majoor Estcrhazy van Generaal Pellieux nu verlof tot spreken en... . hij sprak.... boeken.
5c Getuigen-reeks.
Dc deskundigen, die het âborderelquot; onderzochten tijdens het proces Drevfus cn thans, â in het geheel 3 keer â herhalen met de meeste beslistheid hun verklaring: Drevfus schreef het, Esterhazy schreef het niet. De/.e 3 verschillende groepen van deskundigen verdienen geloof. Hiermede vervalt alle twijfel aan Dreyfus schuld, zoover deze steunt op dit âborderel.quot;
6e Getuige.
Kolonel Picquart, geconfronteerd met zijn overste aan het Min. van Oorlog Kolonel llenrv. cn zijn overste in hel leger, Generaal Gonse.
Hij wordt meer dan vijf uur ondervraagd. Hij moet ten laatste bekennen, dal kolonel Henry hem overviel terwijl hij weggeroofde stukken doorpluisde; dat hij schandelijk handelde; hij roept uit: âGeneiaal, hen tk dan de besehuldtgde?quot; .. . Kolonel Henry brandmerkt zijn ellendig gedrag, zijn komplotteeren.
Generaal Gonse heet hem liegen, wat hij beweert nopens diens meening over Majoor Estcrhazy, als had hij. Generaal Gonse, aan diens onschuld getwijfeld ; hij valt hevig tegen hem uit, noemt hem een rebel, een oplichter.
Henry en Gonse verpletteren hem.
Picquart verlaat sidderend de zaal; met gesmoorde stem vraagt hij aan de buiten wachtende journalisten; âlaat mij doorgaan.quot;
Hij ziet niet op, hij verdwijnt. Estcrhazy verklaart: âHad het debat publiek mogen gevoerd worden! Met hem is het geheele syndikaat verpletterd. Hij was de ware beschuldigde
~c Getuige.
Advocaat Leblois, â steun van Scheurcr-Kestner.
Hij moet bekennen, dat hij knoeide met Picquart, dat hij met dezen snuffelde in geheime Staatspapieren, dat kolonel Henry hem cn Picquart overviel, dat hij de helper was van Scheurcr en in 't
56
geheim saam werkte met Mathias Dreyfus enz. Er bestond dus wèl een komplot! â Ook deze man is geheel een verloren maft voor de toekomst. â
* *
*
De krijgsraad vergadert en spreekt met algemeeneste ni-m e n majoor Esterhazy vrij van alle punten der aanklacht.
Esterhazy komt binnen. Hij verneemt het vonnis. Daar davert door tie zaal de kreet; âleve Frankrijk! weg met het Svndikaat!quot;
Kolonel Hervieu, regeerings-commissaris. nadert en drukt Esterhazy de hand. Tranen rollen den krijgsman over de wangen. â Hij wil vertrekken.
De sergeant, die de wacht beveelt, roept hem terug: âCommandant, de generaal roept u.quot;
Generaal de Luxer, president van den krijgsraad, leest plechtig het oordeel voor aan de officieren der garde; hij drukt Esterhazy warm de hand. Alle leden van den krijgsraad volgen dit voorbeeld.
Esterhazy treedt naar buiten, duizenden wachten hem op; het
klinkt hoog door de lucht: âleve Frankrijk, weg met het Syndikaat.quot;quot;
* *
*
Er is niet een enkel katholiek blad in Frankrijk, dat twijfelt aan de onschuld van Esterhazy, gelijk er geen is, dat er aan twijfels-
De Radical, Clémenceau in den A more houden de schuld van den Majoor vol; de Lantcrne blijft den landverrader verdedigen, de Agences eveneens. Dat spreekt. Het nieuwe schandeblad genaamd âles droits de l'ho/m/iequot; verkondigt, dat de komedie geëindigd is, en de tragedie thans begint.
Mogelijk maken wij dan later van die tragedie een komedie, gelijk dit drama onder onze hand schier een blijspel werd ! . . .
âSocialisten-, Joden- en vrijmetselaars-bladen gaan voort te bliksemen tegen het gewezen vonnis,quot; schrijft de katholieke C)oi.\.
Er is dan maar een fatsoenlijk officier meer en dat is de wegens-landverraad in 1894 veroordeelde Dreyfus.
Er is dan maar een groepje eerlijke menschen meer in Frankrijk, en deze vindt men niet bij de katholieken, met bij de militairen, maar bij het syndikaat: Mathias en Leo Dreyfus, Lazare, Scheurer-Kestner, Reinach, Weil, Zadok-Kahn, Leblois, Picquart, Zola en . . . Clémenceau !
Van harte geluk gewenscht!
EPILOOG.
Het was de gewoonte bij de ouden, het tooneelstuk tc besluiten
met een âepiloogquot;.
De Epiloog was een zaakrijke, zinrijke aanwijzing van de zedelijke
strekking der dramatische voorstelling.
Ik wil trachten een Epiloog aan het drama: Dreyfus of lt;h vermoorde ouscltuhl toe te voegen.
EPILOOG.
De leeuw en de draak.
E e n e parabel.
Er was een land rijk en groot, waar het blonde koren sierlijk golfde over de velden, waar vredig de koe graasde, waar de liere klepper met dreunend hoefgedraver lustig stampte op de weide, en waar voor een edel en moedig volk rijkelijk zwol aan duizenden
trossen de blauwe druif.
En in dat land huisden vele dieren in de bosschen en op de velden; zij zwierven, langs de hellingen der bergen en door de donzige beemden, want het land was rijk aan dieren, daar het rijk was aan gewassen allerlei aard.
Toen sijffelde en siste do draak nader, zweepend rondslierond met zijn rossigen staart, vlammen spuwend uit den muil, om de dieren te vermoorden, die leefden op dien rijken bodem, rijk aan dieren, allerlei soort. Hij sprak: âIk wil verslinden don listigen vos, die sterk op zijn vernuft mij niet vreest. En hij legde zich in hinderlaag bij diens nest en overrompelde en doodde hem.
En toen sprak hij: âIk wil uitroeien de fraaie vogels, die. trots
5«
op haar kleurenpracht, pronken en dartelen in het zonnelicht, wuft pralend met haar bonten tooi.quot; En hij legde zich weder in hinderlaag en greep tie argeloos ijdelen aan en verslond haar.
Weder sprak hij: âik wil verdelgen de huisdieren, die eeuwen lang de vrienden des volks zijn geweest, die het volk getrouw hebben gediend, die de lust waren der armen en der kinderen.quot; En hij wierp gif uit zijnen muil en doodde hen.
Eu eindelijk sprak hij: âIk wil mijn laatsten slag slaan en verscheuren den koning des wouds, en alle dieren zullen mij onderworpen zijn, als ik hun koning verwonnen heb.quot; En hij legde zich in hinderlaag, bespiedde den leeuw in zijn gangen en besprong hem. Maar de koning der dieren schudde met ontzettend gebrul den ruigen kop, bliksems schoten zijn oogen en met vervaarlijke woede sprong hij los op den draak; grommelend in zijn bloed kromp nu het valsche monster in den wreeden doodstrijd, blies den gloeienden adem uit en stierf.â
Dat was het uur der wrake voor den verraderlijken draak.
* *
*
N\ ie de draak is laat zich gemakkelijk raden.
De listige vossen, die den draak niet vreesden, zijn de begaafde mannen der rechtsgeleerdheid, kunsten en wetenschappen.
De behaagzieke fraai gepluimden zijn sommige pronkers der ambtenaarswereld.
De goedige huisgenooten der menschen, de vrienden van armen en kinderen zijn de religieuze vereenigingen.
De leeuw is de nationale trots van een volk.
Wie zich daaraan vergrijpt, hij is des doods:
13 Jan. 1S9S.
B IJ L A G E N.
i.
Ten bewijze, dat Dreyfus niet enkel om het âborderelquot; is veroordeeld, geef ik hier dit stukje uit den Croi.x van 25 Xov. 1897:
La re'ponsc dc VEtat-Major.
Nous avous dcmandé u un homme trés au courant dc cctte afiairc cc- qu'il fallait pcnser de cct invraiseniblable récit.
\r()ici a pen prés sa réponse:
L'état-major affirme:
1°. Que Dreyfus n'a pas etc uniquement condamnc sur 1c bordereau, mais sur d'autres pieces dout Ta u t h c n t i c i 16 ne peut être contestèe. (Is dit genoeg? ?)
2°. Les lettres du general Gonse sont 1'oeuvre d'un faussaire. La plupart des pieces du dossier de M. Scheurer-Kesiner auraient été fabriquées par des ])oli-ciers en rupture de prefecture, sous la direction d'un juif connu.
L'état-major aurait des preuves indiscutables de ces agissements.
3°. En dehors des documents émanant de Dreyfus, Tétat-major lui aurait tendu une série de piéges dans lesquels il serait tombé.
A plusieurs reprises, des documents fabriqués a dessein ont été laissés a sa portée, et a la portée de lui seul ; les documents disparaissaknt, et quelques jours après étaient rapportés par le service de contre-espionnage.
Voici un des piéges dans lesquels serait tombé Dreyfus:
Le général de Boisdeffre contia a une vingtaine d'oftickrs d'éUit-major la confection d'un prétendu plan de pénétration en Allemagne.
Mais chacun de ces officiers ne pouvail avoir connaissance que de la partie du travail qui lui était confiée.
L'ensemble du plan n'était connu que du chef d'état-major.
Au plan était adjointe une notice qui disait en substance:
L'exécudon de ce plan serait favorisée par ce fait que depuis 1870, les aiguillages vers rAllemagne n'ont pas éie détruils.
Nous pourrions aussi lt;;agner (juelques heures en évitant le transbordement 011 la nécessité d'établir de nouveaux aiguillages.
6o
Ce plan fut habilement laissé a la portee de Dreyfus et de Dreyfus scul. On dit mêine que ce fut lui qui fut chargé de le recopier et de corriger quelques détails.
Trois jours après, le plan s'était envolé et les aiguillages avaient été détruits.
On dit méme ([ue la livraison de cette pièce donna lieu a des incidents fort curieux.quot;
En hiermede sluit geheel, wat de Echo de Paris, het in krijgszaken erkend deskundige blad, mededeelt :
âAinsi, rétat-major d'une puissance voisine réunissait tel jour de la mobilisation 55000 hommes sur un point déterminé oü ce jour méme nous devions en rassembler 200000. Or, a la suite de renvoi du bordereau, l'étai-major ennemi moditiait son plan et prévoyait la concentration de 300000 hommes, la méme oü il jugeait auparavant la présence de 55000 hommes, absolument suffisante.quot;
Aan denzelfden Croix ontleen ik :
Interview d'nn ancien vunistrc.
Un ancien membre du Cabinet Dupuy, interviewé sur la condamnation du capi-taine Dreyfus, a répondu: âPendant quinze jours, le Conseil des ministres est resté saisi de la question par le général Mercier, et cela avant de consentir a l'arrestation.quot;
Le mimstre a ajouté que Ton trouvait compromis dans l'affaire des civils et des civils fort connus. Les inculper eüt été provoquer un scandale terrible. 11 est probable que ces complices se trouvent aujourd'hui derrière la campagne antipatriotique menée par le Syndicat.
L'ancien ministre s'est montré fort dur pour le vice-président du Sénat. II a dit a un reporter de La Libre Parole:
Scheurer-Kestner, en fait de patriotisme, est éclectique, et il faut que ce Sénat soit sans pudeur {sic) pour l'avoir nommé son vice-président.
Songez qu'a la téte de ses vastes établissements de Thann, en Alsace, ce défenseur de Dreyfus a placé un de ses neveux; ancien élève de l'Ecole poly-technique, qu'il a obligé d'opter pour TAlIemagnc et qui, du roste, a fait preuve de tant de civisme, de l'autre cóté du Rhin, que rempereur Guillaume l'a nommé bourgmestre de Thann.
Grace a sa parenté avec Ferry, Floquet et un autre homme politique, et ii ses relations avec Gambetta, M. Scheurer-Kestner s'était acquis une situation morale considérable dans le parti républicain.quot;
11.
Uit den Ctoix van 20 Nov.;
Un document secret.
Enfin, VEcho lt;/,â Paris, dont Ia söreté habituelle de renseignements pour tout cc (|ui touche l'armée est reconnuc par la presse, public la note suivante:
ÃI
I .cs pièces probantes que M, Scheurer-Kestner croit avoir en mains sont nulles; car l'ofticier qu'il croit être le vrai coupable n'a jamais, a aucun moment, pu avoir en mains les pieces comrauniquées a l'AUemagne. M. Scheurer-Kestner s'étonne qu'on ne lui ait pas communiqué les pieces qui établiraient la culpa-bilité de Dreyfus.
Mais cetle communication ctait impossible, aussi bien a rhonorabie sénateur qu'a Me. Demanj;e. On n'aurait pu le faire qu'en compromettant, en brülant tout notre service des renseignements, au grand détriment des intéréts de la défense nationale. C'est pour cette raison que pas un des agents ayant contribué a la découverte de la trahison, ainsi que des documents qui la prouvaient, ne comparut d'une fafon ojjicielle, tant a l'instruction ([u'au procés.
Quand il s'agit de la sécurité du pays, les Conseils de guerre jugent davan-tage sur les faits que d'aprés les régies de la procédure. En chambre du Con-seil, les sept honorables officiers appelés a juger un âfrère d'armesquot;, mis en présence de documents qu'il vtait impossible de communiquer tant a la défense qu'au public, ont jugé a runanimitè que Dreyfus était coupable.
Les membres du Conseil ont jugé sur picces, sur procès-vcrbaux dc tcmoi-gnages remits sous serment.
Ce sont des piices entièrcs, des tcmoignages ccrits, non suspects, qui furent soumis en secret au Conseil de guerre.
En présence des preuves apportées, aucune hesitation n'était possible pourle Conseil, bien que le bordereau eüt suffi et largement.
En 2 1 Nov.:
Le dossier Dreyfus.
D.ms un article fort documenté, L'Echo dc Paris dit que les piéces livrées a rAUemagne par Dreyfus étaient trés importantes.
1° En ce qui concerne le plan 'dlt;' nmbilisa tien ct dc conccnt mi ion, les papiers livrés par Dreyfus concernaient tous les ('orps d'armée. II fallut reconstituer le plan de mobilisation. De ce chef l'état-major général dépensa dome cent mille francs.
2° Au sujet des expériences du frein hydraulique, le bordereau visait un rapport émané d'une direction d'artillerie fort éloignée de la Seine-Inférieure. Le contenu du rapport resta ignoré par les officiers des directions jusqu'a une époque posterieure a l'arrestation de Dreyfus.
3° A propos de la note relative a Madagascar, le contenu de cette note était susceptible d'apprendre a l'étranger une partie des dispositions arrétées par les ministères de la Guerre et de la Marine au sujet d'un vide a combler dans nos magasins de réserve (artillerie el vivres).
Et 4°, enfin, que le Manuel de tir â- projeté â susceptible d'etre modifié d'aprés les observations recueillies par les chefs de corps, n'avait été adressé qu'aux seuls officiers désignés pour prendre part aux mameuvres.
âL'état-major général, dit 1.'Echo de Paris, sak que personne, en dehors de son cadre, ne pouvait connaitre quatre des documens inscrits sur le bordereauquot;.
62
Cc même journal ajoute (jiie tant que 1c capita ine Dreyfus est resté au ministère, de mombreux faits ont été relevés. II conlirme que depuis son arrestation les fuites out cessc'. II fait, en outre, cette ^rave déclaration:
A répoque des faits auxquels nous ne voulons faire qu'une simple allusion, le gé'néral de BoisdefFre, voyant le fruit de ses travaux annihilé par l'étranger, j)roposa des mesures de protection qui furent repoussées en haut lieu â dans la crainte de mécontenter nos âvoisinsquot;.
IJL
De Croi.v van q Dcc. gaf deze akte van beschuldiging:
L'acte d'accusation du capitaine Dreyfus.
Au moment meme oü M. Trarieux adressait cette lettre au ministre, le Syndicat faisait publier in rxtrnso l'acte d'accusation dressé, en 1894, contre le capitaine Dreyfus par M. le commandant d'Ormescheville.
()n ne sait qui a communiqué au Syndicat ce document secret. Me. Demange, dans une note a Ly Age nee J/avas, declare être complètement étranger a cette publication. Cette jniblication ctait si insolite, que tons ceux qui n'étaient pas dans les secrets du Syndicat crurent d'abord (jue le document était apocryphe. On apprenait le soir d'une manière certaine (ju'aucun dome ne pouvait s'élever sur son authenticité. Certains passages cependant, disait-on au Parquet et a la prefecture de police, difïïraient du document réel.
Xous en donnons Tanalvse.
La base de Taccusation.
Le 15 octobre 1894, le général Gonse remettail au commandant du Paty de Clam une lettre-missive écrite sur du papier pelure non signée et non datée établissant que des documents confidentiels avaient élé livrés a un agent d'une puissance ètrangère. Kn remettant au commandant cette piece qui figure au dossier, le général ajoutait (|iie par ordre du ministre de la Guerre, il ne pouvait dire comment elle était tombé en sa possession.
Cette lettre, ..le tameux bordereauquot;, semblait avoir été rédigé par un officier d'artillerie. Sur cinq documents fournis a une puissance ètrangère, trois avaient trait a cette arme.
Avant de charger M. du Paty de Clam de cette enquête, le général Gonse avait remis ie 9 octobre a un expert. M. Gobert, la lettre missive incriminée avec des specimens d'ècriture de l'officier soup^onné, le capitaine Dreyfus. M. Gobert demanda tont d'abord le nom de l'officier dont il s'agissait et sur le rcfus de l'autorité militaire dit que âla lettre missive incriminée pourrait être d'une personne autre que la personne soup^nnée.quot;
L'attitude de M. Gobert ayant excité la méliance, le document fut remis a M. Bertillon. Celui-ci, le 13 octobre au soir, donnait les conclusions suivantes: ..Si 1'on écarté Thypothèse d'un document forgè avec le plus grand soin, il
63
appert nianifestement que c'cst la mOme personne qui a ócrit la Ictlrc et les pieces incriminées.quot;
Le lendemain, 14 octobre, M. du Paty de Clam, delégué Ie jour même par Ie ministre de la Guerre, procédait a rarrestation de Dreyfus. Xous cilons in extenso sur ce point l'acte d'accusation.
L'arrestation.
Kn exécution dt* l'ordre de M. Ie ministro do Ia Guerro, en date du 14 octobre 1894, M. le commandant du Paty de Clam procéda a l'arrestation du capitaine Dreyfus.
Avant d'opórer cette arrestation, et alors que le capitaine Dreyfus, s'il ótait innocent, ne pouvait jias se douter do l'accusation fomuilce contre lui. M. h-commandant du Paty de Clam le soumit a réprcuve suivante: il lui lit ócrire une lettro dans laquelle étaient énumérés les documents figurant dans la letlre missive incriminée. Dós que ie capitaine Dreyfus s'aperlt;,ut de l'objet do celto Icttre. son ócriture. jusqvie-la rógulière, normale, dcviut irrégulière, et il se troubla d'une favon manifeste pour los assistants. Intcrpelló sur les motifs de son trouble, il déclara qu'il avait froid aux doigts.
Or, la temperature était bonne dans les bureaux du ministère, oü le capitaine Dreyfus était arrivé depuis un quart d'heure, et les quatre premières lignes ccrites ne présentent aucune trace de 1'influence de ce froid. Après avoir arröté el interrogé le capitaine Dreyfus, M. le commandant du Paty de Clam, officier de police judiciaire, délégué, pratiqua le même jour, 15 octobre, une perquisition a son domicile. Cet officier supérieur n'ayant entondu aucun tómoin, ce soin nous incomba, et, en raison du secret professionnel et d'Etat qui lie M. le ministre tie la Guerre, l'enquête, dans laquelle nous avons entendu 23 témoins, fut aussi laborieuse que délicate.
L'enquête.
1,'audition des témoins établit que pendant son passage a Tétat-major général de Parmée, le capitaine Dreyfus s'était fait remarquer par ses allures étranges. (gt;11 l'avait plusieurs fois trouvé seul a des heures tardives dans dos bureaux aütrcs que le sien. 11 venait sans cosse travailler a dos heuns indues, de fai;on a èire seul.
II a été aussi remarqué jmr son chef do section que. pendant son stage au 4e bureau, le capitaine Dreyfus s'était surtout attaché a l'ótudo dos dossiers do mobilisation, et cela au détriment du service courant, ii ce point qu'en quittant ce bureau il possédait tout le mystère de la concentration sur le réseau do l'Est en temps do guerre.
La seconde expertise.
Le colonel Fabre et le lieutenant-colonel d'Abovillo, chof et sous-chef du 40 bureau, furont frappés do la ressemblanco qui existait entre l'écriturc du bordereau et celle do Dreyfus.
64
Trois uouveaux experts furent désignés: MM. Charavay, Teyssonnières, Pcl-letier; les deux premiers conclurent a la similitude d'écriture, le troisième, au contraire, âne se croyait pas autorisé a attribuer a Tune ou l'autre, des per-sonnes soup^onnées, le document incriminé.quot;
L'acte d'accusation lelève les nombreuses contradictions de Dreyfus pendant l'enquête. II dit tout d'abord qu'il croit reconnaitre Técriture d'un autre officier, puis vil se rétracte. Plus tard il prétend être victimc d'un faussaire qui a cherché a imiter son écriture. II dit ensuite que l'ensemble de sa lettre ne ressemble pas a son écriture et qu'on n'a pas même cherché a I'lmiter. II insinue plus tard qu'il avait pu se livrer a des tentativcs d^amor^age.
La Conduite de Dreyfus.
Le rapport signale rirrégularité de la conduite du capitaine qui fréquentait un monde exotique et avait des relations peu avouables dont l'acte d'accusation donne in extenso le détail.
Dreyfus se posait en victime. 11 prétendait que la mauvaise note donnée par le géncral examinateur a sa sortie de l'école de guerre, était due a sa race et a sa religion. L'acte d'accusation, en constatant que cette note était secrète, demande comment le capitaine a pu se la procurer.
En ce qui concerne les insinuations du capitaine Dreyfus sur des fails d'amor^age qui se pratiqueraient selon lui au ministère de la Guerre, elles nous semblent avoir eu pour objet de lui ménager un moyen de defense s'il était arrêté un jour porteur de documents secrets ou confidentiels. C'est sans doute cettc préoccupation qui l'a amené a ne pas déguiser davantage son écriture dans le document incriminé. Par contre, les quelques altérations volontaires qu'il y a introduites ont eu pour objet de lui permettre de 1'arguer de faux pour le ca-plus improbable oü le document, apres être parvenu a destination, ferait retour au ministre par suite de circonstances non prévues par lui.
Arrivant au chapitre des pieces et des documents livrés a l'étranger, le rapport, bourré de détails circonstanciés, établit, avec faits a l'appui. Ia culpa-bilité du capitaine Dreyfus.
Autrss documents.
Mais outre le borderau, le general Gonse avait entre les mains d'autres documents auxquels il est fait allusion dans l'acte d'accusation.
Le dossier tenu secret mentionne les relations intimes de Dreyfus avec une personne étrangère, haut placée, qui le poussa a la trahison.
Le rapport de M. d'Ormescheville est muet sur les relations que le capitaine entretenait avec un attaché militaire étranger au cours de ses nombreuses absences non autorisées.
II ne dit pas que le bordereau a été saisi chez un attaché militaire étranger en residence dans une capitale voisine et avec lequel Dreyfus avait des relations.
L'Echo tie Paris dit a ce sujet:
Le syndicat sail bien (ju'il est impossible de divulguer un mot du dossier
65
sécret, et c'est pourquoi il insiste tant pour qu'une publicité lui soit donnée.
Les publications d'hier émanées du syndicat, et qui ne tendraient ricn moins qu'a obteuir que le Conseil de guerre ne se réunit pas le 10 janvier, resteront lettre-morte; il n'y aura plus d'expertises a propos du bordereau.
Trois experts désignés par M. Ie general de Pellieux se sont prononcés. Trois autres experts commis par M. le commandant Ravary out donné leur avis, â sans parler des experts qui ont instrumenté au procés Dreyfus: â il apparaït qu'a eet égard la justice militaire a accompli son devoir; il ne lui semblerait plus utile, nous assure-t-on, de recourir a une quatriéme expertise, susceptible d'aboutir aux mémes résultats que les trois autres.
Malgré les manoeuvres du Syndicat, les débats commenceront le 10 janvier. Sans préjuger en rien de la décision future du tribunal militaire, nous croyons savoir que le gouvernement est bien décidé a en tinir avec l'agitation soulevée par le Syndicat. Dés le jugement prononcé, des mesures sévères seront prises pour en éviter le retour.
Voegen wij hierbij, dat, gelijk de Erho de Parü 12 Jan. bemerkte, de akte van beschuldiging de âdocumentenquot; niet mededeelt; juist daar zij geheimen bevatten en behandeling met gesloten deuren vorderden! Deze documenten en de getuigenissen van 27 getuigen veroorzaakten Dreyfus' veroordeeling met algemeene stemmen van den krijgsraad. â Men bewijst dus niets ais men zegt: âdeze akte toont niet ah 2X2 â 4 de geheele schuld van Dreyfus aan.quot; De geheime documenten, de geheime 27 getuigen beslisten overtuigend.
IV.
Twee hoofdartikels van het Fransche R. K. Hoofdorgaan den Univers 13 Januari 1898.
L'acquittement.
Les gens qui sont mécontents de l'arrét prononcé par le conseil de guerre disent avec une ironie dépitée; âC'était prévu!quot; Assurément. Depuis que M. Scheurer-Kestner, s'expliquant devant ses collégues les sénateurs, laissait com-prendre de quelle manière il s'était laissé monter la téte, on devait prévoir la décision des iuges. Lorsque lundi, devant le conseil de guerre, le même per-sonnage déclarait n'avoir pas tie prcuves a fournir, nul ne pouvait douter du résultat.
Ã'ailleurs, en dehors des expertises faites sur les documents, un simple détail de la première enquête prouvait que Dreyfus est coupable. La scène qui se passa dans les bureaux du ministère de la guerre, quelques moments avant l'arresta-tion de Dreyfus, et qui est racontée par l'acte d'accusation lui-méme, cctte scène-la est tvpique. Invité a écrire, sous la dictée, une Icttre reproduisant en partie
66
les icrmes duquot; famcux bordereau, Dreyfu s'arrêta court, fei^nit d'avoir froid aux doigts ct jcta la plume, qu'il refusa de reprendre. C'élait le trouble du cou-pable cjui se sent découvert. C'était l'aveu.
Et ses partisans, s'imaginant y trouver des arguments propres a faire douter de la justice, publiaient l'acte d'accusation oü se trouvait mentionné un incident pareil, qui s'était passé devant plusieurs témoins!
Tous les é^arements se seront produits dans cette prodi^ieuse machination, organisée cependant avec une rare fourberie et avec une audace supreme.
Ouelles complicités n'a-t-elle pas rencontrées, depuis le commencement et au jour le jour, selon les hasards des affirmations, des démentis, des surprises, au milieu des coups de theatre qui se succédaient?
Les meneurs avaient bien choisi rhomme chargé d'attacher le grelot. Ils avaient disccrné en M. Sclieurer-Kestner le stupide orgueilleux, prêt a sacrifier sa consideration personnelle, comme la paix pul)li(jue, pour le plaisir de jouer un róle bniyant. Dans son entourage, d'aillcurs, les dispositions étaient les mêmes. Ses parents le poussaient a se lancer pour rehabiliter un nouveau Calas et lui promettaient la gloire de Voltaire. La coterie protestante, se rendant compte qu'elle est solidaire de la coterie juive, s'engageait résolument dans le complot.
M. de Rodays ouvrait aux meneurs les colonnes du Figaro, qui racon-tait scandalcs sur scandales et publiait des pièccs ramassées partout, invitant la foule a faire elle-même renquête. Et les badauds s'y mettaient avec ardeur, se passaient les fac-similc et s'improvisaient graphologues!
M. Zola pontifiait, en termes d'une ineffable godicherie. II dépeignait M. Scheurer-Kestner impassible et serein, tres serin en eflet, âavec sa vie de cris-talquot; sous le bras.
Chacun de son cóté et a sa manière, .MM. Clémenceau et de Cassagnac fa-vorisaient l'entreprise. Du moins M. Clémenceau, adversaire déclaré de notre corps d'officiers, ctait dans son role. M. de Cassagnac avait dü imaginer une thèse spéciale: tout en défendant le commandant Esterhazy, et même en se montrant persuade de la culpabilité de Dreyfus, il invoquait un vice de forme et réclamait la revision publique du procés. Ainsi, on aurait dü aller cher-cher le traitre, le ramener A Paris et recommencer la procédtire! Suivant son habitude, le directeur de VAutorite avait soin d'exiger une chose qu'il savait impossible.
Quel gachis! Ce vacarme a dure deux mois. Deux mois d'incohérence furi-euse oü le bon sens, la pudeur et le patriotisme subissaient toutes les atfrin-tes ! Xotre pauvre pays n'avait-il done pas assez souffert dans sa foi, dans son prestige et dans ses espérances ?
L'acquittement, prononcé a l'unanimité de juges dont la dignité est une le^on précieuse, a fait enfin échouer eet incroyable complot.
L'officier choisi comme victime par les conspirateurs n'est coupable que de fautes qui appartiennent a la vie ])rivée. II s'est livré longtemps a ses passions; et des égarements déplorables ont fait de lui le jouet de haines féroces. Ce qu'il a souHert depuis deux mois peut bien êlre considéré comme une expia-
67
tion. On se souvicnt que sa femme, crucllement offensée, a jetc cependant, a l'heure de la terrible épreuve, un admirable cri d'oubli et de pardon.
Rcste le colonel Picquart, l'organisateur du complot, hostile a ses chefs; restent Mathieu Dreyfus, l'avocat Leblois et quelques autres, sur lesquels la justice a fixé les yeux et presque déja étendu la main. Le fantastique Scheu-rer-Kestner recueillera sans doute le bénéfice de l'inconscience, d'autant plus qu'il ne manquera pas d'en fournir une preuve complémentaire en posant de nouveau sa candidature a la vice-présidence du Sénat.
Le scandale n'est done pas termine; mais on a déblayé le terrain. Avant qu'une autre tentative soit imaginée par la coalition judaïco-protestante (il faut nous y attendre), des mesures energiques peuvent ctre prises.
Maintenant, le devoir est de relever Tesprit public, de parler raison, de rap-peler aux bons citoyens leurs veritables intéréts et les besoins sacrés de Ia pa-trie. Nos ennemis n'habitent pas seulement au dela de la frontière. Contre les artisans de troubles, il n'y a de résistance victorieuse qu'au moyen d'une union faite de volontés éclairces, conscientes, maitresses d'elles-mémes. Nous aurons toujours assez de colère et d'enlhousiasme; mais nous ne veillerons jamais trop a ne pas perdre la téte.
Eugene Ta vernier.
15 Januari iSgS.
La lettre de M. Emile Zola.
Le légitime écoeurement soulevé dans la conscience publique par la lt;lernière et inqualifiable manifestation de M. Zola devait trouver un écho dans le Parlement; pendant qu'au Luxembourg les coilégues de M. Scheurer-Kestner lui-infligeaient le plus cruel désaveu, on llétrissait au Palais-Bourbon l'attitude scandaleuse du romancier dément.
On était venu, d'après l'ordre du jour, pour élire des questeurs et entendre rhabituelle harangue de rentrée de M. Brisson: les questeurs ont été désignés; M. Brisson s'est lamenté sur les noirs complots qu'il voit, de toutes parts, dirigés contre âle régime si bienfaisant de libre discussionquot; .... On attendait plus encore; il y a des dégoüts qu'il importe d'exprimer sans tarder.
C'est encore au com te Albert de Mun que revient l'honneur d'avoir provoqué, avec une éloquence et aussi avec une dignité et une mesure, applaudies sur tous les bancs de la Chambre, des declarations et des explications, trés courtes d ailleurs, mais, destinées a donner satisfaction a la juste indignation du pays.
De cette discussion, trois points principaux semblent devoir étre particulicre-ment re ten us.
C'est d'abord I'assurance apportée par le président du conseil que les outrages accumulés par rinsupportable auteur de Pot-Bouille et de Lourdes, contre les chefs les plus justement respecU s de notre armée nationale, seraient déférés a la justice â et cela est une première satisfaction a l'opinion publique révoltée quoique a vrai dire M. Emile Zola semble devoir aujourd'hui relever plus encore de l'asile Sainte-Anne que de la cour d'assises... .
68
II faut constater en outre combien se fait plus profond, chaque jour, le fossé creusé entre certains radicaux et les socialistes. M. Cavalgnac s'est chargé de protester durement contre la singuliere attitude de M. Jaurès qui avait trouvé Theure propice pour róéditer les attaques quotidiennes de la plupart des organes de son parti contre â1'oligarch ie militairequot;, c'est-a-dire contre tous ceux chargés de commander et de conduire l'armée aux jours de danger national.
II faut insister, enfin, sur un fait important, propre i accentuer la mauvaise foi de tous ceux qui créèrent l'agitation dangereuse, presque criminelle, de ces temps derniers; c'est M. Cavaignac, ancien ministre de la guerre qui l'a défioi-tivement établi: après la scène émouvante, terrible, de la dégradation, Dreyfus a avoué au capitaine qui se trouvait prés de lui avoir on effet livré des documents a une puissance étrangère, mais dans le seul but d'en obtenir d'autres, en échange
M. Cavaignac, il est vrai, reprochait au gouvernement de n'avoir pas, dés le début de la campagne organisée par les amis du condamné, produit publique-incnt le témoignage 4crit de Pofficier qui re^ut eet aveu suprème, â et le président du conseil répondait avec raison que c'eüt été la entreprendre une véri-table révision du procés, telle que la réclamaient M. Scheurer-Keslner et ses amis.
Ainsi, la séance d'hier marquera comme une détente et un soulagement pour Topinion publique; ^F. Méline et le général Billot ont obtenu un trés grand succes en affirmant leur volonté de défendre, une fois pour toutes, les soldats de la France et les sentences successives rendues par deux conseils de guerre; la question ministérielle a été nettement posée, la Chambre a répondu par le vote, a une majorité de 166 voix, d'une motion de confiance; elle y a ajouté l'ordre du jour de M. de Mun engageant le gouvernement a prendre les mesures nécessaires pour mettre fin a la cam})agne entreprise contre l'honneur de l'armée.
.... M. Emile Zola est en droit de se léliciler: il a commis une mauvaise action de plus, on a parlé de lui: il aura la cour d'assises tant désirée! Sa lettre, publiée hier dans le journal de M. Clémenceau, mérite toutefois un postscriptum; il lui reste aujourd'hui a accuser 1'officier, qui rapporta les confidences du misérable dont les galons et l'honneur vonaient d'etre arrachés, d'avoir menti!
Gabriel de Triors.