ocr page 1

Pf# /W -/JJ _

ocr page 2
ocr page 3

——

Xementote patrnm vestrornm.

LEVENSBERICHT

iT'ss-isoe/;;

DOOR J (

VAN

Pater BARTEOLÖMMS VAN BEjIEL S. J.

amp; / #

Mr. H. A. A. VAN BERCKEL.

toegelicht en aangevuld, in druk uitgegeven ten behoeve van de familie

DOOR

den oudsten zoon des Schrijver».

uu

4*

.a—f

(? M.. Loquot;!'

ocr page 4

amp; 77S'l ^

Qtf Z/]*™* it* amp;amp;c*lt;r*lt;s- . ■y*-

f sriS^S t(*^yn-m-

^•3 S. ^ ^ iX^ttSTT?-

^ / «; // 4 L :vV9 Ut'r3^

Â¥y y2*) $A-'

'^V

L

ui

ocr page 5

/3/

Pater C. Sloots O.F.M.

Biest 43 O. WEERT

Memeutote pntrnm vestrornm.

L V iï N 8 li 1] III C K T

VAN

IT^SS ISOB

illt;Q / ï d

4 DOOR

Mr. II. A. A. VAN BERCKEL.

toegelicht en aangevuld, in druk uitgegeven ten behoeve van de familie

DOOR

den oudsten zoon des Schrijvers.

ocr page 6

(ii'ilnikt liij (imiiis. .1. II van I.\N. iMn vsi;gt;\ 'sGnivonhafjc.

ocr page 7

INLEIDING.

«Momentote patrura vestrorura.»

Deze woorden schreef mijn vader boven een onvoltooid stuk, dat ik onder zijn nagelaten papieren vond.

Dit geschrift vangt aan als volgt:

«Zooals het geheugen eene van die voort re (lelijke eigenschappen «is, waardoor de niensch uitmunt boven de dieren, zoo is er «niets meer overeenkomstig niet de menschelijke natuur, dan «de zucht om te weten hoe wij bestaan, en van wie wij zijn «afgekomen. Die natuurtrek moge bij den een wat meer bij «don anderen wat minder dringend wezen, bij dezen zich op «vroegeren bij genen op latcren leeftijd doen gevoelen, allen «ondervinden wij hem; allen zijn wij, of wij het willen of niet, «familiezuchtig. Dezelfde geheime sijmpathie, die ons zou willen «doen doordringen in de geheimen die de toekomst voor ons «nageslacht bewaart, dringt ons ook om, waar wij dit maar «kunnen, den sluijer van het verledene op te ligten en kennis • te maken met onze vaderen. Wij die vleeseh zijn van hun «vleesch en gebeente van hun gebeente, is het niet of zij in «zekeren zin in ons voortleven, evenals wij de kiem zijn van «onze nakomelingschap? Moge zij talrijk zijn, gezegend met «al datgene, wat hier op aarde tot het geluk gerekend wordt, «maar bovenal den Heer niet vergeten van wien alleen alle «goede gaven voor tijd en eeuwigheid voortkomen. Zoo groeije «en bloeije de familie van Bkrcicel in lengte van dagen, «en heb ik iets bijgebragt om de herinnering van het voorge-«slacht voor den roest der vergetelheid te bewaren, ik meen «daarvoor op de erkentelijkheid van die na mij komen van «mijn eigen stam, en van verwante stammen, te mogen rekenen.»

Hot is natuurlijk dat ik deze woorden van mijn in 1866 overleden vader met aandoening las. IVze werd echter nog

ocr page 8

4

versterkt door de bijzondere omstandigheden waaronder ik kennis maakte met het vóór meer dan dertig jaren door hem geschrevene.

Hoewel ik er mij niet van bewust was, dat mijn vader aan zijne nakomelingen, dus in de eerste plaats aan zijn oudsten zoon, door zijn «mementote patrum vestrorum» 't gebod had nagelaten om het voorgeslacht in eerbiedige herinnering te houden, zoo was mijne kennisneming van zijn handschrift juist een gevolg van mijn streven om te doen, wat mij nu bleek dat hij van mij verlangd heeft. Meminerani patrum meorum!

Immers, ik was de nagelaten papieren van mijn vader gaan doorzoeken met het doel om gegevens te vinden betreffende zijn oudoom, pater Bartholomaeüs van Berkel S. J., van wien ik een levensbericht wilde schrijven cn ten behoeve van de familieleden doen drukken.

Tot dit plan was ik gekomen door de overweging dat, nu de steeds talrijker wordende familie zich meer en meur verspreidt, terwijl de stamhoofden, aan wie de historie van ons geslacht bekend was, ons door den dood ontrukt werden, die geschiedenis, tot dusver bij traditie overgebracht, indien zeniet reeds thans algemeen bekend gemaakt wordt, dreigt verloren te gaan of vermengd te worden met verdichtsels en onnauwkeurigheden.

Dat de familie in de laatste decennia ingrijpende wijzigingen heeft ondergaan was mij, nicer dan anderen, opgevallen omdat ik na een verblijf in Indie gedurende eene kwarteeuw in 't vaderland terugkeerende, eene jongere generatie had teruggevonden, terwijl zij die hier te lande, één voor één de ouderen hebben zien sterven, de jongeren geboren worden, niet zóó zeer hebben opgemerkt dat de som van al die kleine geleidelijke veranderingen langzamerhand een groot totaal is geworden. Toen ik naar Indïé vertrok, leefde mijne grootmoeder nog. Spoedig daarna is zij in den Heer ontslapen en later volgden haar mijne moeder en mijne ooms en tantes. Op drie na, die God nog lang in ons midden late blijven! Thans reeds beginnen zij die, zooals ik, onzen grootvader goed gekend hebben, zeldzaam te worden.

Men kan mij opmerken dut ik, do wenschelijkheid inziende van het bekend stellen der geschiedenis van onze familie, niet uitsluitend over Bauth van Berkel behoor te schrijven, maar dat ik beter zou doen door alles te verzamelen wat over 't voor-

ocr page 9

5

gesliicht bekend is door dc overlevering en door nagelaten papieren, deze gegevens aan te vullen door middel van nasporingen en daarna een en ander in één geheel te publiceeren.

Ik antwoord hierop, dat ik reeds zoo dikwerf het Fransche spreekwoord «qui trop emhrasse, mal étreint» bewaarheid heb gezien en dat men op vrij gevorderden leeftijd een veelomvat-tenden, langdnrige en tijdroovende nasporingen vorderenden arbeid beginnende, veel kans hoeft dien niet te kunnen voltooien.

Ik heb er dus dc voorkeur aan gegeven — voorloopig althans — slechts een gedeelte onderhanden te nemen, instede van het geheel.

Het door mij te bespreken onderdeel zal als 't ware het tweede hoofdstuk vormen der geschiedbeseh rij ving van onze familie.

Het eerste hoofdstuk immers — dat betreffende de genealogie — is reeds behandeld door den hooggeachten vriend onzer familie Joseph A. Alberdixgk Thi.tm, die in do tijdschriften Xederland en De Dietsche Waranda de afstamniiniislijsten van ons geslacht en van aanverwante familiën heeft bekend gesteld. Hem bon ik hiervoor zeer dankbaar, want de behandeling van dit onderdeel vorderde, behalve groote scherpzinnigheid, ook degelijke kennis van eenige wetenschappen die mij nagenoeg vreemd zijn. Ik zou dan ook, ondanks de vele genealogische aanteekeningen die ik onder de papieren van mijn vader gevonden heb, dit eerste hoofdstuk bezwaarlijk hebben kunnen schrijven (1).

Door de afstam mingsl ij sten kennen wij nu de namen onzer voorouders. Maar nu wenscht het nageslacht te weten, wie zij waren, die deze namen gedragen hebben, hoe zij leefden, wat zij dachten en gevoelden ? Na dc naamsopgave komt de karakterbeschrijving aan de beurt. Aan mij nu de taak om het karakter der voorvaderen te doen kennen.

Het karakter van ons voorgeslacht is in dc eerste plaats Roomsch Catholiek. Vóór de reformatie waren do van 1'gt;i:iukki.s oprechte Christenen, en toen eenige takken tot het Calvinisme overgingen, behoorden onze voorouders tot hen die /(quot;ome getrouw bleven.

Is het grootspraak, als ik den Christolijken geest onzer voorouders roem ?

Thi.im voegde bij zijn opstel in De Dietsche II ar an de de afbeelding van een der door het geslacht van Bkkkel aan een

ocr page 10

6

klooster in den Bo*ch geschonken geschilderde vensters, dat 't jaartal 156 ? draagt. Hot vertoont den iiit zijne grafstede verrijzonden Chuisïus. Aan de eene zijde zien we aanbiddend neergeknield Cornelis van Bebkel, aan do andere zijde zijne zuster Elisabeth. Het wapenschild, — drie gouden sterren op een blauw veld—en de spreuk —je vive en espoer, — duiden voldoende aan dat deze Godvruchtige lieden tot ons geslacht hebben behoord. Immers, de oud Brabantsche opvatting is; «Meines armoiries et même nom = même familie». Ons familiewapen nu was oudtijds 't zelfde als dat van Cornelis. Eerst later toen onze voorvader Abent trouwde met eene dochter uit 't geslacht van Buijtene, werd ons wapen gequartellecrd met het schaap dat die familie in haar wapen had (2).

In de oude kerkeboeken van de Delftsche St. Ursula op de Markt kan men lezen dat Dmc Claisz vax Berckel, die volgens Boitet in 1427 en 1428 Schepen is geweest, eene «fondatie» heeft gedaan «op St. Joesten altair», dat omstreeks 1411 is opgericht geworden (3). Al voerde deze Schepen een ander wapen dan 't onze, deze afwijking is door Tjiijm op aannemelijke gronden verklaard. Daarbij gevoeg l dat hij te Delft woonde, zijn er redenen genoeg om zijne verwantschap met ons hoogst waarschijnlijk te achten.

Gaven Cobnelis, Elisabeth en Dirc C'i.aisz blijk van hun innigen Godsdienstzin, een andere onde van Berckel overtrof hen verre. In 1540 bevestigde de Paus de verheven stichting van St. Ignatius. En reeds korten tijd daarna werd Joannes van Berckel Theol. Dr., door zelfopofferende liefde tot Jesus bewogen om toe te treden tot de orde der Jesuïten, waarvan hij een der sieraden is geweest, zoodat zijn overlijden in 1576 dan ook zeer betreurd is geworden (4).

Maar laat ons 't zekere voor het onzekere nemen en nagaan of de van Bebckels, van welke wij zonder eenigen twijfel weten dat we rechtstreeks afstammen, even goede Christenen waren als de Schepen Dmc Claisz, de ridder Cornelis, de non Elisabeth en de Jesuit Joannes.

Met stellige zekerheid heeft mijn vader geen ouderen stamvader kunnen aanwijzen dan den Delftenaar Pauwels van Berckel wiens geboortejaar onbekend is doch door Thym gesteld wordt omstreeks 1(520, terwijl mijn vader vermeent dat het tusschen 1600 en 1610 moet worden ondersteld. Verder schrijft mijn vader

ocr page 11

7

dut hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de vader van Pauwki.s den naam heeft gedragen van Counelis en omstreeks 1quot;)74 geboren zou zijn. Thym vindt 't jaartal 1590 waarschijnlijker (5).

Hoe komt 't dat onze geslachtslijst niet met zekerheid verder in 't verleden reikt? Mijn vader geeft op deze vraag het antwoord. Hij schrijft:

«De geschiedenis van ons geslacht kan niet met die zekerheid «worden opgegeven, als die van zoovele andere lainiliën, die «niet ouder noch beter zijn dan de onze. Want eensdeels zijn ■■onze voorvaders, voor zooverre bekend, altijd K. C. geweest en «waren als zoodanig, te Delft wonende, uitgesloten van alle «posten en bedieningen. Zij bleven dus in stedeboeken en andere ■■monumenten onvermeld. De doopboeken die anders (bij gebreke «der destijds nog niet bestaande registers van den burgerlijken «stand) de afstamming bewijzen zouden, klimmen niet hoogcr «op dan liet jaar 1708, toen de eenige destijds bestaande R. C. ■■kerk (van de beide Janseniste kerken is geen sprake, daar ■■onze familie tot die gemeente nimmer behoord heeft) thans ■■de «oude» of «St. Josephskerk' genaamd, in handen van de •■paters Minderbroeders Recollecten gekomen is, welke met «toestemming van den Stedelijken magistraat in de plaats zijn «getreden van de Jesuïten, bij politieke resolutie van dienzelf-«den magistraat verbannen. Deze laatsten nu hebben bij hun «vertrek de doopboeken hunner kerk medegenomen, en welke «moeite ik heb aangewend om op het spoor dier registers te «komen, zij bleef vruchteloos. Ik teeken hier een en ander op, «om tot leiddraad te zijn tot nader onderzoek», enz.......

«Nu is de orde der Jesuïten in 1773 in de OoMairijk-quot;sche Nederlanden opgeheven en geheel gesupprimeerd. Hunne «papieren moesten krachtens bevel van Keizer Joskpii 11 «naar Weenen opgezonden worden. Zeker is het dat aan «de voormalige Jesuïtenkerk te Antwerpen, waar de Delft-«sche registers aanvankelijk gedeponeerd schijnen te zijn, «geene Jesuïten-papieren te vinden zijn ; even weinig aan hot «prov. gouv.- of het rijksarchief en even weinig te Wtirun, waar ik «almede persoonlijk information ben gaan inwinnen. Navor-«schingen op mijn verzoek ia de archieven der orde van de «Jesuïten bewerkstelligd, schijnen evenzeer onvruchtbaar te zijn «gebleven.» ^

Zit 't?gt; es£esTgt; i'o^n h jSf ~

ocr page 12

8

Hieruit blijkt dus dat de vergetelheid waarin onze voorvaders bij de menschen zijn geraakt een gevolg is van hunne trouw aan God, aan Zijne Roomsche Kerk. En al moge 't nu voor ons eenigszins teleurstellend zijn dat de stamlijst niet verder in 't verleden reikt, dankbaar mogen wij zijn dat 't verloren gaan van de traditie onzer familie tot oorzaak heeft 't vasthouden van ons voorgeslacht aan de oneindig eerwaardigere traditie der Apostelen.

Dit feit op zich zelf reeds geeft mij het recht onze voorvaders te beschouwen als degelijke, achtingswaardige Christenen.

Thans ja, zal men geen Roomsche roemen omdat hij geen neiging voelt om Protestant of Jansenist te worden. Thans oefenen de dwaalleeren van vorige eeuwen geen verleidenden invloed uit op de onzen.

Maar toen die dwalingen ontstonden waren de toestanden geheel anders en bijzonder gunstig voor hare verbreiding. Het zou te ver leiden als ik de kerkelijke toestanden in ons land na de reformatie wilde beschrijven. Dit meen ik echter met zekerheid te kunnen verklaren, dat in dien tijd een Hollander bijzonder groote geloofsvastheid en zelfverloochening moest bezitten om trouw te blijven aan Rome. Geloofsvastheid omdat destijds de hervormde leer een zeer verleidelijke scheen, omdat tallooze priesters van de kerk afvielen en hunne gemeenten medesleepten, omdat de Roomsche Godsdienstuitoefening verboden zijnde en de trouw gebleven priesters vervolgd wordende, de Catholieken de H. Sacramenten slechts zelden konden ontvangen. Zelfverloochening omdat de Roomsche verdrukt en achteruit gesteld werd, ter nauwernood geduld in zijn vaderland, en hij allerlei stoffelijke nadeelen ondervond. Het is dan ook begrijpelijk dat, zooals de beroemde Jesuit Makerlijde in 1621 aan Rovexius schreef, er in het bevolkte Delft nog slechts 2000 Roomschen waren en daarvan 1300 van zeer slecht gehalte. God zij dank dat onze voorouders toen hebben behoord tot de zevenhonderd ware oprechte Catholieken te Delft (6).

En toen het Jansenisme, gesteund door de Landsregeering, begon te bloeien, toen zeer vele Roomsche priesters tot deze dwaalleer overgingen en hun invloed aanwendden op hun biechtelingen, was waarlijk het gevaar voor afval wellicht nog grooter. Daarom was 't zóó goed gezien van Bartholomaeus van Berckel dat hij, toen de Jesuïten — ten bate der Jansenisten — door

ocr page 13

9

do licirecriiiir verjaagd werden, zon.' droeg dat hunne plaatsen te Delft werden ingenomen door Franciscanen. De reguliere geestelijkheid toch was niet besmet met Jansenistische neigingen, zooals de meerderheid der Hollandsche seculiere priesters.

liet geloof van onze voorouders was levendig; het uitte zich in werken, zooals ik zal aantoonen.

Van Pauwels en zijn zoon A remt van wiens eerste vrouw uit 't geslacht van Buijtene wij afstammen, weten we niet veel.

Maar van Bartholomaeus Akents'zoon, die in 1724 stierf en waarschijnlijk in lf)()4 geboren is, en gehuwd is geweest met Apollonia Wittebotj gen. Paauueuopek, deelde ik hierboven eene daad mede die van ijver voor de Kerk getuigt. Laat mij over dezen Barth. thans uitvoeriger zijn en wel door ten deele over te schrijven 'tgeen pater Bartholomaeus betreffende zijn grootvader heeft aangeteekend. 11 ij schrijft:

«Bijzonderheden van Bartholomaeus van Berkel ; Hij was «een welgegoed burger en ingezeeten der stad Delft, een man «buitengemeen godsdienstig, onderneemend, werkzaam en vol «kunde en nijverheid voor den koophandel en fabriken, en in «geheel zijn handel en wandel om zijne waarlijk burgerlijke «hoedanigheden geagt en bemind van zijne meedeburgers, niet «onkundig in de muzijk, beijverde hij vlijtig de goddelijke ^diensten op het zangchoor, 't geen gelijk aan zijne naazaten «erffeiijk gebleven is. Hij heeft den laatsten missionarius der «Jesuïten welk orde bij plakaaten uit den lande verbannen wierd «met zijn eigen rijtuig naar Antinrpen gebragt, en alle moeite «aangewend opdat die statie niet door wereldlijke priesters • maar door geordende zoude bestuurt worden, waarin hij ook «naar dat de kerk langen tijd gesloten was, in zoo verre in ge-«slaagd is, dat de .Tesuiten door Minderbroeders vervangen zijn.quot;

Na de opsomming van de verschillende handelszaken en ondernemingen door zijn grootvader gedreven en beheerd, eindigt do pater als volgt:

«Bartholomaeus van Berkel is derhalven een man geweest «welkers naam en nagedagtenisse mot eerbied en achtinge in «het geheugen zijner naarkomelingen verdient te leven en welkers «deugden en daaden hen tot een spoorslag om eerlijke en deugd-«zaame lieden te zijn en te blijven, moeten verstrekken.»

Met eerbied schrijf ik deze woorden over. Treilend vind ik de bezorgdheid van onzen overoudoom voor onze zielen en die

ocr page 14

10

onzer nakomelingen; voor de eer van zijne familie in deoogen van God en de mensehen! Eene eeuw is voorbij gegaan sinds de pater deze vermaning tot ons richtte; maar zij is er te eerbiedwaardiger door!

Te beginnen met Bartholomaeus worden de beelden onzer voorouders meer bestemd, duidelijker van omtrekken. Wij bezitten hunne portretten en, wat meer waard is, wij kunnen een oordeel over hen vellen omdat er nog brieven, aanteeke-ningen en andere stukken bestaan, die daartoe dienstig zijn (7).

Martinus, de zoon van Bartholomaeus, wordt ons door zijn zoon, pater Barth, beschreven als een zeer Godvruchtig man. En dat de zoon den vader niet geïdealiseerd heeft, blijkt ons uit de brieven door Martinus geschreven toen Barth als student in de rechten te Utrecht toestemming verzocht om de wereld te verlaten en Jesuit te worden. Martinus had gehoopt dat Barth, na den destijds zeer geachten titel van Meester in de rechten te hebben verworven, hem in zijne uitgebreide zaken zou opvolgen, en toch bracht hij zonder aarzelen dadelijk het offer dat God van hem vroeg. Barth's moeder Gijsberta van dku Stoot was eene Godsdienstige Christin en zijne stiefmoeder Joanna Antonia PIouwkrt, van wie wij afstammen, was een waardig lid der familie Houwert die vele «klopjes» heeft geteld. Haar vader kennen we ook uit een brief die van ware Godsvrucht getuigt. Do hooge achting en groote liefde die Barth zijne stiefmoeder toedroeg was in de eerste plaats een gevolg van den Godsdienstzin dien zij gemeen hadden.

Adrianus Josephüs, de zoon van Martinus, was even als zijne beide vrouwen Maria Gerarda van Watjenhurg, onze overgrootmoeder, en Maria Catiiarina van Tomputte, bezield met ijver voor onze Moeder de H. Kerk.

Zijne kinderen drukten zijne voetstappen. Arnoldus Joannes, die gehuwd is geweest met Maria Joanna Bassoua en daarna met Therksia Regina Tiivm, heb ik niet gekend; maar van zijne tijdgenooten mocht ik vernemen dat hij en de zijnen in Godsdienstzin en trouw aan Rome geenszins onderdeden voor de voorouders, Catiiarina Joanna van B., mijne oudtante herinner ik mij nog. Zij had zeer strenge opvattingen van 't Godsdienstige leven. Had zij vroeger geleefd, toen de Kerk nog verdrukt werd, zeker zou zij «klopje» zijn geworden even als hare tante Ai.ktta en hare oudtantes Houwert.

ocr page 15

11

Nu kom ik tot ouzo grootouders.

Van onze in 1872 overleden grootmoeder, G ysbküta Maria Albertina van der Kun is bij hare kleinkinderen die haar gekend hebben eene liefelijke herinnering overgebleven. Pater Barth heeft de deugden zijner tante Houweut bezongen:

...........-Zedigheijd,

«hoop, geloof en zuijverheijd,

«liefde, godsvrucht, stille zeden,

«ijver tot godsdienstigheden,

«nedrigheijd, altoos gepaert «met een minnelijken aert».

Hoe juist geven deze verzen ook 't beeld weer van onze grootmoeder, van die eenvoudige, lieve, beminnelijke vrouw, van die oprechte Christin, die vooral in stilte zoo veel goed deed 1 Over hare deugden zal ik niet uitweiden, want dan zou ik in strijd komen met de «nedrigheijd» der overledene. Maar toch wensch ik aan de jongeren een paar bijzonderheden uit haar leven te verhalen, waarvan zij zelve geen geheim heeft gemaakt. Men zal er uit zien hoe groot van af hare jeugd tot haren dood do «ijver tot godsdienstigheden» bij onze grootmoeder is geweest.

Een gedeelte harer kinderjaren bracht Gi.isi'.huïa door bij oom en tante Renson te Antwerpen, waar door de Fransche republikijnen strijd gevoerd werd tegen den Godsdienst waaraan de meerderheid der bevolking zóó inuig gehecht was. Depriesters werden vervolgd. Om aan verbanning, wellicht aan de guillotine te ontsnappen, moesten zij zich schuil houden. Monseigneur Porgeuu zwierf als burger verkleed, van de eene woning naar de andere om de Mis te lezen en de H. Sacramenten toe te dienen ; nergens veilig, steeds in gevaar van te worden gevangen genomen. Waren in ons vaderland ten tijde van de vervolging door de Calvinisten uitgeoefend, do zoogenaamde «klopjes» nuttig, toen te Antwerpen door de republikijnen de priesters vervolgd werden, bestond daar ook behoefte aan zulke hulp. Onze grootmoeder werd klopje, even als de dochters van onze voorvaderen in den reformatie tijd. Het echtpaar Kknson, bekend om zijn Godsdienstzin was verdacht in de oogon der politie; de twaalfjarige Guprehta trok de aandacht niet. Zij was 't. die den geloovigen op wier stilzwijgendheid gerekend kon worden, ging aanzeggen, waar Mgr. Fokgeuu de Mis zon lezen; onder hare kleeding verborgen bracht ze den kelk en de pateen van de eene woning

ocr page 16

12

naar de andere, waar't H Offer zou worden opgedragen. Even als onze voorouders iu 't geheim hun eerste H. Communie hebben gedaan, in 't gevaar verkeerende dat de Schout zou binnendringen om den priester gevangen te nemen, naderde Gi.tsberta voor 'teerst tot do tafel des Heeren, — in 't holle van den nacht; als boerinnetje verkleed, opdat, in geval van overval door de politie, gemakkelijk spoedig alle teekenen dat de bijeenkomst een plechtig doel had, zouden kunnen worden weggenomen (8).

Het kind groeide op ten huize van hare ouders, die een buitenverblijf hadden — 't huis te Blootinghe onder Rijswijk. Lid van het gezin was de uit Frankrijk geëmigreerde Abbé Pierquin, chanoine de St. Denis. Antonie van der Kun had een koepel laten inrichten tot kapel waarin deze abbé de Mis las. Het was Gijsberta die als kosteres dienst deed, zorg dragende voor 'tkerkegoed, zooals de klopjes Houwert en van Berkel gedaan hadden.

Ten derden male was zij kosteres toen reeds witte haren het hoofd sierden van haar die mijne Belgische moeder mij had leeren toespreken met het lieve Fransche, in dit geval zoo juiste «bonne maman».

Onze grootvader, oud geworden, rust behoevende en een gezonde lucht, had eene buitenplaats te Beek gekocht, waar hij des zomers woonde, beurtelings de gezinnen zijner zoons huisvestende. Het groote huis, waarin behalve onze grootouders ook onze ooms Karel en Willem en de bedienden woonden, bevatte in den regel veel gasten, zoons, dochters met hunne kinderen, vrienden, waaronder ook dikwerf priesters. Monseigneur Zwijsen had in 1849 aan onzen grootvader 't recht van huiskapel gegeven. Eene der bovenvoorkamers was ingericht tot kerklokaal, een vertrekje daarachter tot sacristie. Ik stel mij die kapel, waarin ik als kind zoo dikwerf de Mis heb bijgewoond, nog duidelijk voor, met het geschilderd doek waarop de patroonsheiligen van al de zoons en dochters van Mr. Hendrik en Gijsberta onder de hunne waren afgebeeld. Ik zie ook nog de Godvruchtige bedrijvigheid van onze grootmoeder, die alles zelve wilde verzorgen wat tot den dienst der kapel behoorde. Zal, toen ze daar zóó ongestoord hare Godsdienstplichten mocht vervullen, haar niet nu en dan de herinnering in de gedachten zijn gekomen van de Missen door Mgr. Fohgeur gelezen onder zóó gevaarvolle omstandigheden?

ocr page 17

13

Weduwe geworden woonde zij met haren zoon Willem te Ddjt. Do ouderdoms gebreken namen toe; 'twerd haar moeie-lijk do kerk te bezoeken. De Bisschop van Haarlem, welwillend jegens de verdienstelijke Christin, gaf haar de destijds zeer zeldzame gunst van 't recht van huiskapel te Delft. In de groote zaal, den meesten onzer zoo goed bekend, werd een altaar geplaatst, en daar hoorde onze grootmoeder de Mis. Doch ook daar was zij de dienares des altaars. Zij stelde 't zich ten taak zelve alles te verrichten wat ze ten behoeve van de kapellen te Rijswijk en te Beek had gedaan. Met bevende handen voorzag ze 't altaar van het benoodigde, van haar verzwakte oogen vorderde zij den zwaarsten dienst om alles in orde te brengen volgens de hooge eischen die 't verheven doel stelde. Geen handen van anderen mochten haar helpen. Ten vierden male was zij klopje, kosteres. Ten vierden male toonde zij haar «ijver tot godsdienstigheden».

Haar waardigen echtgenoot, Mr. Hendrik van Bergkel hebben met mij alleen zijne oudere kleinkinderen persoonlijk goed gekend. Als ik de beschrijving lees, die pater Bakth gegeven heeft van zijn grootvader Bartiiolomaeus, dan blijkt ze mij geheel toepasselijk ook op onzen grootvader. Diezelfde innige Godsvrucht, lie offervaardigheid, die toewijding aan Rome, die eerlijkheid, die rechtschapenheid, dat heldere doorzicht in zaken, die verdraagzaamheid jegens andersdenkenden, die minzaamheid; al deze deugden en goede eigenschappen welke Bartholomaeus Arentszoon kenmerkten, we vinden ze terug in Hendrik Adri-aanszoon. Zij leefden echter in zeer verschillende omstandigheden. Batiiolomaeus was, als Roomsche, uitgesloten van alle Staatsen Btadsambten. Ondanks de achting en de vriendschap die hij van de zijde zijner onroomsche medeburgers genoot, was 't hem niet gegeven zijn verstand en zijn ijver dienstbaar te maken aan de stad zijner inwoning. Hendrik daarentegen heeft 't voorrecht gehad, de algemeene Landsbelangen te kunnen dienen èn in 1S14 toen hij als Notabele over de nieuwe grondwet moest stemmen, èn in 1840 als Lid der dubbele Kamer. Als Burgemeester van Delft wist hij door beleid, overleg schrander inzicht en toewijding tusschen 1S-10 en 1848 zoo bijzonder veel tot stand te brengen, dat zijn naam in dankbare herinnering voortleeft bij de Delftenaren. Hoewel de overgroote meerderheid der bevolking een ander geloof beleed, zoo genoot onze groot-

ocr page 18

14

vader als Burgemeester de algemeene achting wegens zijne verdiensten en was hij zeer bemind om zijne verdraagzaamheid en minzaamheid.

Was het «virtus nobilitat» waarmede zijne borst versierd was, een teeken dat de burgerdeugd van onzen grootvader door den \ orst gewaardeerd werd, de Kerkelijke Overheden stelden zijne Christendeugden, zijne toewijding aan de zaak der armen en der Kerk op prijs. Evenmin als ik thans kan uitweiden over de verdiensten van Mr. Hendrik als bestuurder van Deljt, wensch ik nu alles te vermelden, wat hij voor Kerk en armen heeft gedaan. Slechts één feit wil ik opnoemen omdat ik daarin eene herhaling zie van wat zijn voorvader Barth, met wien ik hem heb vergeleken, heeft verricht. Bauïh heeft bewerkt dat de Franciscaner paters zich te Delft hebben gevestigd in de Jesuïtenstatie, die verlaten was. Hendhik bracht in 1S87 de eerste nonnen te Deljt. Destijds had men sinds de reformatie in Noordnederland geen nonnen meer gezien, behalve ia A msterdam waar er in 1835 enkele verschenen waren. Op aandrang van onzen grootvader vestigden zich een paar Tilburgsche liefdezusters te Deljt in het zoogenaamd «Jesuïtènhuis» op den Ouden langen dijk, waar nu 't St. Anna gesticht is, welk gebouw op verzoek onzer grootmoeder door zwager Diert ter harer beschikking gesteld was. Dit was een begin, een moeielijk begin, door onze grootouders met Christelijke geestkracht en toewijding in 't leven geroepen. Deze spruit is een boom geworden. Het twee of drietal Godgewijde maagden is thans aangegroeid tot vele tientallen van verschillende orden, die zich verdienstelijk maken jegens de Delftenaren door onderwijs, opvoeding van kinderen en ziekenverpleging. Uit de blijken van waardeering die Mr. Hendrik van de zijde der Kerkelijke Overheden heeft ontvangen kan worden afgeleid, hoe hoog hij geacht werd. Mgr. Zwijsen verleende hem 't recht van huiskapel te Beek Herhaaldelijk hebben Bisschoppen hem de eer bewezen gedurende eenigen tijd ten zijnent te logeeren. Eens zelfs heeft hij twee Prinsen der Kerk te gelijk als gasten gehad. Mgr. van Bommel en Mgr. van Wijckeuslootii. De Provinciaal der Jesuïten schonk onzen grootvader een prachtig zilveren reliquieën kastje met inscripties, bevattende o. a. een deel van het H. Kruis. Door dit geschenk heeft de Societeit blijk willen geven van hare tevredenheid over het door Hendrik gevoerde beheer van de

ocr page 19

15

hem door Barth S. J. nagelaten goederen der Leidsche Jesm'ten-statie (9). Was Mr. Hendrik een verdienstelijk staatsburger en Christen, ook als huisvader moet hij met eere worden genoemd. Dat tusschen zijn elf kinderen en hun echtgenooten steeds de grootste vriendschap heeft bestaan, dat ondanks de karakterverschillen de harmonie nooit door een wanklank is verstoord geworden; het pleit voor hen, maar niet minder voor den vader. Hoe eenvoudig ook in zijn doen en laten, hoe vriendelijk en toegankelijk voor allen, hoe kinderlijk omgaande met kinderen, Mr. Hendrik was een «pater familias» volgens de oude eerwaardige beteekenis van :t woord. Tot zijn dood is hij het erkende, geëerbiedigde, geliefde hoofd der familie geweest, do vertrouwde leider en raadsman zijner zoons die, zelfs op vijftigjarigen leeftijd, zijn oordeel kwamen vragen vóór zij beslissingen van eenig gewicht namen. Eene hulde, niet alléén aan den vader, maar ook aan het heldere verstand van den grijsaard 1

\Vie de zoons en dochters van Mr. Hendrik waren,—mijne ouders, ooms en tantes, — is nog voldoende algemeen bekend. Zij toonden zich ware, offervaardige Christenen te zijn. In armbesturen, kerkbesturen Vincentius vereenigingen namen ze zitting; ze waren regenten en regentessen van weeshuizen eu gasthuizen, leden van muziekkoren; een drietal trad toe tot de derde orde van St. Franciscus. Toen bijna een halve eeuw geleden, — even als nu in 1897! — een storm was opgestoken tegen 'tCatho-licisme in ons land, behoorde mijn vader tot hen die met woord en geschrift ons goed recht verdedigden. In een woord; zij dienden de Catholieke zaak, waar zij konden.

De kinderen van Hendriks broeder Arnold volgden dezelfde gedragslijn. Een zijner dochters werd zelfs kloosterlinge. Maar eerst op rijperen leeftijd, hoewel zij in hare jeugd reeds de roeping gevoelde tot het kloosterleven. De edele vrouw zag echter dat ze meer nut zou stichten, door de taak eener overledene zuster over te nemen, en eerst toen deze geheel was volbracht, gaf zij toe aan hare neiging tot het geestelijke leven. Van deze bewonderenswaardige opvatting van wat men «de plichten van den levensstaat» noemt vind ik in onze familie meerdere blijken, zij 'tdan ten gevolge van andere omstandigheden niet in die mate als bij deze zelfopofferende vrouw.

En ook onze generatie, — de kleinkinderen van Hendrik en

ocr page 20

Ifi

Arnold, — toonde dat zij de Rooraache traditie hoog houdt. Van Hendrik werden drie kleinzoons priester, vijf kleindochters religieuze; van Arnold werd een kleinzoon priester, diens zuster kloosterlinge.

Deze geest blijft onder de jongeren voortleven. Hoewel van Mr. Hendriks achterkleinkinderen nog slechts weinige volwassen zijn, zoo hebben reeds vier de geloften afgelegd, één als priester, drie in nonnenkloosters (10).

Ja waarlijk, het karakter onzer familie is wat de hoofdzaak betreft onveranderd gebleven! Het voorgeslacht was echt Catho-liek; het nageslacht is even trouw gebleven aan Rome!

Dit karakter komt bij de voorvaderen 't sterkste uit bij pater Barth, den Jesuit, den meest Eoomsche onder de Roomschen van zijn tijd. Üp hem viel dus mijne keus toen ik besloot het karakter van het voorgeslacht te beschrijven.

Met dit doel voor oogen was 't dat ik de nagelaten papieren mijns vaders doorzocht. Toen was 't dat ik zijn «mementote patrum vestromm» las, waardoor mij bleek dat, wat ik uit aandrang van mijn hart wilde doen, tevens was de uitvoering van zijn mij tot dusver onbekenden wil.

Maar weldra vond ik nog veel sterker blijk van de geestverwantschap tusschen vader en zoon. Een levensbericht van pater Bartholomaeus ! Alléén van dezen! Ook de vader had gevoeld wat de zoon gevoelde. Dat die priester, als waardigste vertegenwoordiger van zijn geslacht, in de allereerste plaats in de herinnering van de nakomelingen moest blijven voortleven.

En toen ik het geschrift las, waarin ik zoo duidelijk mijn vader herkende, den oprechten, eenvoudigen man met zijn levendig geloof, met zijn dichterlijke bewondering voor alles wat werkelijk eerbied verdient, werd ik getroffen door zijne herhaalde betuigingen van achting voor de Jesuïten en hunne orde. Ook hierin zijn vader en zoon weder zóó geheel eenstemmig.

Langs verschillende wegen zijn wij tot deze eenheid van gevoelen gekomen. Mijn vader heeft in zijne jeugd steeds met eerbied over de Jesuïten hooren spreken en gedurende zijn geheele leven heeft hij aanrakingen met hen gehad, vele vrienden onder hen geteld. Ik daarentegen, die in de jongelingsjaren een zeer uitvoerigen cursus in de geschiedenis had bijgewoond van ecu leeraar die, steeds sprekende over «historische kritiek» in de oogen van ons jongens, onfeilbaar leek in zijne mededeelingen,

ocr page 21

17

had van dit zoogenaamd neutrale, doch feitelijk anti-roomsche onderwijs eene ingenomenheid tegen de Orde, zooal niet tegen hare leden, overgehouden toen ik in Indïé aankwam. Daar zag ik de Jesuïten aan den arbeid; daar kwam ik tot het besef wat de Orde werkelijk is en hoe hoog de zoo dikwerf belasterde stichting van Ignatius in onze oogen behoort te staan. Vooringenomenheid en wantrouwen maakten plaats voor oprechte bewondering.

Mijn vader kende de Jesuïten in't geboorteland van Canisius ; ik leerde ze kennen in 't land waar Xaverius gearbeid heeft. Overal zijn die mannen dezelfde en met volle overtuiging herhaal ik, wat mijn vader geschreven heeft;

«Helden waren de Jesuïten alle; zoo niet van natuurswege, «dan toch — wat veel meer zegt — door plichtsbesef!quot;

Nu mijn vader een levensbericht van pater Baeth geschreven heeft, ligt 't voor de hand dat ik mijn oorspronkelijk plan om zelf zoodanig opstel te maken, heb moeten wijzigen en dat ik zijn geschrift ter algemeene kennis breng. Te meer heb ik hiertoe reden omdat, blijkens een onder de papieren van wijlen pater Bongaerts gevonden brief, de schrijver ook, even als zijn zoon nu, van plan is geweest om het levensbericht te laten drukken.

Ik erken echter dat er eenige bezwaren verbonden zijn aan het puhliceeren der monographic van mijn vader.

Op de eerste plaats is dit stuk niet geheel voltooid. De dood heeft den schrijver belet het te beëindigen; het slot ontbreekt. Vermoedelijk zou mijn vader geëindigd zijn met eene beschrijving van het beeld des paters, zooals dit zich aan zijn geestesoog vertoonde. Al heb ik niet, zooals hij, geleefd met Bauth's tijd-genooten; door maanden lang in gedachte met den pater te leven, meen ik voldoend scherpe indrukken te hebben verkregen om namens mijn vader dit beeld van Barth te kunnen leveren. Ik zal dit dus aan het opstel toevoegen.

Ten tweede bevat mijns vaders geschrift niet alles watthans betreffende Barth bekend is. Zijn er enkele stukken waaruit mijn vader gegevens verkregen heeft, thans spoorloos verdwenen, daarentegen zijn na zijn dood vele papieren gevonden die hem onbekend zijn gebleven, doch waarvan ik gebruik heb kunnen maken. Ik heb verder van stedelijke archivarissen, de Eerwaarde paters Jesuïten en Franciscanen en anderen eenige nieuwe gegevens mogen verkrijgen, waardoor mij dus 't een en ander betrefïendc

ocr page 22

If)

Arnold, — toonde dat zij do Iloomsche traditie hoog houdt. Van Hendrik werden drie kleinzoons priester, vijf kleindochters religieuze; van Arnold werd een kleinzoon priester, diens zuster kloosterlinge.

Deze geest blijft onder do jongeren voortleven. Hoewel van Mr. Hendriks achterkleinkinderen nog slechts weinige volwassen zijn, zoo hebben reeds vier de geloften afgelegd, één als priester, drie in nonnenkloosters (10).

Ja waarlijk, het karakter onzer familie is wat de hoofdzaak betreft onveranderd gebleven! Het voorgeslacht was echt Catho-liek; het nageslacht is even trouw gebleven aan Rot nel

Dit karakter komt bij de voorvaderen 't sterkste uit bij pater Baeth, den Jesuit, den meest Koomsche onder de Rooinschen van zijn tijd. Op hem viel dus mijne keus toen ik besloot het karakter van het voorgeslacht te beschrijven.

Wet dit doel voor oogen was 't dat ik de nagelaten papieren mijns vaders doorzocht. Toen was 't dat ik zijn «mementote patrum vestrorum gt;• las, waardoor mij bleek dat, wat ik uit aandrang van mijn hart wilde doen, tevens was de uitvoering van zijn mij tot dusver onbekenden wil.

Maar weldra vond ik nog veel sterker biijk van de geestverwantschap tusschen vader en zoon. Een levensbericht van pater Bartholomaeus! Alléén van dezen! Ook de vader had gevoeld wat de zoon gevoelde. Dat die priester, als waardigste vertegenwoordiger van zijn geslacht, in de allereerste plaats in de herinnering van de nakomelingen moest blijven voortleven.

En toen ik het geschrift las, waarin ik zoo duidelijk mijn vader herkende, den oprechten, eenvoudigen man met zijn levendig geloof, met zijn dichterlijke bewondering voor alles wat werkelijk eerbied verdient, werd ik getroffen door zijne herhaalde betuigingen van achting voor de Je.-aiiteu en hunne orde. Ook hierin zijn vader en zoon weder zóó geheel eenstemmig.

Langs verschillende wegen zijn wij tot deze eenheid van gevoelen gekomen. Mijn vader heeft in zijne jeugd steeds met eerbied over de Jesuïten hooren spreken en gedurende zijn geheele leven heeft hij aanrakingen met hen gehad, vele vrienden onder hen geteld. Ik daarentegen, die in de jongelingsjaren een zeer uitvoerigen cursus in de geschiedenis had bijgewoond van een leeraar die, steeds sprekende over «historische kritiek» in de oogen van ons jongens, onfeilbaar leek in zijne mededeelingen.

ocr page 23

17

had van dit zoogenaamd neutrale, doch feitelijk anti-roomsche onderwijs eene ingenomenheid tegen de Orde, zooal niet tegen hare leden, overgehouden toen ik in Jndi'é aankwam. Daar zag ik de Jesuïten aan den arbeid; daar kwam ik tot het besef wat de Orde werkelijk is en hoe hoog de zoo dikwerf belasterde stichting van Ignatius in onze oogen behoort te staan. Vooringenomenheid en wantrouwen maakten plaats voor oprechte bewondering.

Mijn vader kende de Jesuïten in't geboorteland van Canisius ; ik leerde ze kennen in 't land waar Xaverius gearbeid heeft. Overal zijn die mannen dezelfde en met volle overtuiging herhaal ik, wat mijn vader geschreven heeft:

«Helden waren de Jesuïten alle; zoo niet van natuurswege, «dan toch — wat veel meer zegt — door plichtsbesef!quot;

Nu mijn vader oen levensbericht van pater Barth geschreven heeft, ligt 't voor de hand dat ik mijn oorspronkelijk plan om zelf zoodanig opstel te maken, heb moeten wijzigen en dat ik zijn geschrift ter algemeene kennis breng. Te meer heb ik hiertoe reden omdat, blijkens een onder de papieren van wijlen pater Bongaerts gevonden brief, de schrijver ook, even als zijn zoon nu, van plan is geweest om het levensbericht te laten drukken.

Ik erken echter dat er eenige bezwaren verbonden zijn aan het publiceeren dor monographie van mijn vader.

Op de eerste plaats is dit stuk niet geheel voltooid. De dood heeft den schrijver belet het te beëindigen; het slot ontbreekt. Vermoedelijk zou mijn vader geëindigd zijn met eene beschrijving van het beeld des paters, zooals clit zich aan zijn geestesoog vertoonde. Al heb ik niet, zooals hij, geleefd met Barth's tijd-genooten; door maanden lang in gedachte met den pater te leven, meen ik voldoend scherpe indrukken te hebben verkregen om namens mijn vader dit beeld van Barth te kunnen leveren. Ik zal dit dus aan het opstel toevoegen.

Ten tweede bevat mijns vaders geschrift niet alles watthans betreffende Barth bekend is. Zijn er enkele stukken waaruit mijn vader gegevens verkregen heeft, thans spoorloos verdwenen, daarentegen zijn na zijn dood vele papieren gevonden die hem onbekend zijn gebleven, doch waarvan ik gebruik heb kunnen maken. Ik heb verder van stedelijke archivarissen, de Eerwaarde paters Jesuïten en Franciscanen en anderen eenige nieuwe gegevens mogen verkrijgen, waardoor mij dus 't een en ander betreflende

ocr page 24

18

Barth bekend is, waarnaar de schrijver der monogriiphie vruchteloos heeft gezocht. Dit meerdere nu behoort ter kennis van don lezer te worden gebracht. Maar 't is ondoenlijk dit in te lasschen in het opstel van mijn vader, 't geen bovendien in hooge mate ongepast zou zijn, omdat dit stuk door zulk lapwerk ontsierd zou worden. Ik zal dus de door mij gevonden gegevens naar 't voorbeeld van Esdras bij wijze van «paralipomena» ter aanvulling van mijns vaders geschrift afzonderlijk doen volgen, als toelichting op een chronologische tafel die ik in ieder geval gewenscht acht.

Zeer zeker maak ik door deze wijze van behandeling het lezen der geschiedenis van Barth lastiger dan indien ik, mot gebruikmaking der gegevens in het opstel van mijn vader voorkomende, dit latende vervallen, een geheel nieuw levensbericht had geschreven. Maar hoe gaarne ik ook den belangstellenden lezer ter wille zou zijn, de piëteit jegens mijn vader verplicht mij zijn uit piëteit jegens zijn oudoom geschreven stuk onveranderd weder te geven. Dit stuk bovendien vormt één geheel en desver-kiezeude kan men wat ik als aanvulling er bij geschreven heb, ongelezen laten en ziel i bepalen tot de lectuur die mijn vader aanbiedt.

Evenzeer kan men ongelezen laten de bijlagen en toelichtende aanteekeningen door mij geleverd. Ondanks deze zeer zeker niet alle de algemeene belangstelling zullen verwerven, zoo heb ik gemeend ze aan het levensbericht te moeten toevoegen om dc volgende redenen; Ik wensch zoo volledig mogelijk alles mede te deelen, wat ik betreffende Barth te weten ben gekomen. Even als mijn vader, heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt om eenige bijzonderheden betreffende de familie te vermelden die, al staan ze tot Barth slechts in een verwijderd verband, hier te pas konden worden gebracht. Bij mijn onderzoek heb ik 't een en ander gevonden dat, hoewel geen betrekking hebbende op Barth of zijne familie, mij nochtans belangrijk genoeg is voorgekomen om liet te publiceeren ten behoeve van biogra-phen of anderen ilie zich met geschiedvorsching bezig houden. Ik heb zelf ondervonden hoe dc kennis van schijnbaar nietige feiten soms van belang kan zijn voor den geschiedschrijver En hoewel deze bladzijden, waarin zoowel door mijn vader als door mij menige intieme bijzonderheid betreffende familieleden wordt verhaald, daardoor alléén reeds een intiem karakter dragen,

ocr page 25

19

dan ook uitsluitend ten behoeve der familie, niet voor'tgroote publiek, in druk worden gegeven, zoo bevatten zij echter geen geheimen. quot;Wie voor eenig ernstig doel in deze brochure gegevens vindt, make er dus gerust een discreet gebruik van en publiceere ze waar dit passend is.

Ik lever het handschrift mijns vaders woordelijk over, hoewel ik overtuigd ben dat hij, alvorens liet naar den drukker te zenden, daarin nog veel zou hebben gewijzigd. Hier zou hij wat bijgevoegd, daar wat weggelaten hebben, op vele plaatsen iets veranderd. Maar als ik 't ongepast heb geacht zelfs in de soms vrij slordig geschreven brieven van Barth en zijne familieleden ook slechts de geringste verbetering aan te brengen, hoeveel te meer moet het mij dan ongeoorloofd voorkomen met onbekwame hand iets te wijzigen in de schildering die de Meester niet geheel heeft kunnen afwerken omdat 't penseel aan zijn verstijfde hand ontvallen is.

Ik noem het geschrift mijns vaders liet schilderstuk eens Meesters. Dit beeld heb ik overgenomen van den grooten litterator en kunstcriticus, Professor Joskph Alberdingk Thijm, die de schrijfstift van mijn vader vergelijkt met het penseel van Alma Tadema (11).

II. E VAN BERCKEL

ocr page 26

LEVENSBERIGT

dook

Mr. H. A. A. VAN BERCKEL.

Op den lOden September 1809 overleed op 81-jarigen leeftijd in het zaaltje van het huis op de Voorttmat te Delft ten Noorden van de brouwerij onze oudoom, de Weleerwaarde Heer Bartho-lomaeüs van Berckel, vroeger priester van de Soeieteit van Jems, doch die na de opheffing dier beroemde Orde in 1773 naar zijn geboortestad en naaste verwanten teruggekeerd, met liefde in den huisselijken kring was opgenomen.

Een maand vóór dat overlijden, op 9 Augustus, was Gijsberta Maria Albektina van der Kun, huisvrouw van Mr. Hendrik van Berckel, des grijsaards veelgeliefden neef en peetzoon, in het huurhuis aan de Rotterdamsche poort (12) van een jongentje bevallen, en die gebeurtenis had den waardigen man te midden van de pijnen van zijn ziekbed uitermate verheugd. Dikwijls had hij den wensch geuit, dat hij nog zoo lang bij het leven gespaard mogt blijven, dat hij dien eersteling aanschouwen mogt; en dit geschiedde — maar slechts weinig dagen vóór zijn verscheiden. Toen strekte hij zijn bevende handen over het wichtje uit en sprak woorden van zegening, die een diepen indruk maakten op de aanwezigen; allermeest op de gelukkige moeder.

Dat wichtje nu — is het noodig dit te zeggen ? — was schrijver dezes. En daarom zal het, hoopt hij, niemand vreemd voorkomen dat hij — al was het maar uit dankbaarheid — eenige regels wijdt aan een man, zóó goed en zóó waardig om in de herinnering der braven te blijven voortleven.

Goed — ja dat was hij. Daarvan geven getuigenis tallooze trekken uit zijn levensgeschiedenis, die onze helaas nu ook overleden vader mij in mijn jeugd met zooveel welbehagen wist

ocr page 27

21

te vertellen. Maur vooral ook zijn beeldtenis, voerende het jaartal van 1784 die nog altijd hangt boven het bureau naast de deur in de achterkamer onzes vaders welkekend studeervertrek. Schuins daartegenover ziet men de juist niet fraaije lithographie, voorstellende professor van dek Keessel onzes vaders leermeester en promotor, wiens naam die dierbare overledene nimmer anders dan met de hoogste achting plagt te noemen en op de eereplaats boven den schoorsteen hangt nog altijd die schoone copij van het oud Armenisch portret van den Zaligmaker «vera effigies quot; Christi quam fecit A hag ar» enz.

Die kamer, waarvan al de wanden achter boekenkasten verscholen zijn, had voor ons kinderen en jongelingen altijd iets bijzonder ongezelligs: misschien wel omdat wij in dat heiligdom nimmer geroepen werden, dan om een of andere ernstige mede-deeling te ontvangen — of wat erger was, om iets dat wij gedaan hadden te verantwoorden of eenige welverdiende teregt-wijzing aan le hooren. In die angstige oogenblikken, waarin wij zwijgende wachtten, wat er zou gezegd worden, wanneer de nog altijd bezige schrijfpen zou worden nedergelegd — hoe dikwijls gebeurde het dan niet, dat wij ons bemoedigd gevoelden door het gul en vriendelijk gelaat van pater Baktholomaeus met zijn helder blaauw oog en zijn liefelijken glimlach op dc wei-vormde lippen (lo).

llij hield zóóveel van jongelieden: hij was zóó hartelijk aan zijn familie verkleefd, die goede Jesuit!

Bartholomaeus van Bercicel, aldus genoemd naar zijn vier jaren te voren overleden grootvader van vaderszijde is den 21steii Julij 1728 te Delft geboren van Martinus van Berckei, uit diens eerste huwelijk, in 1726 gesloten met Gijsberïa van der Stoop uit Utrecht.

Dat huwelijk was met bijzonderen luister gevierd en eender feestgenooten had — na een tal van mythologische toespelingen, zooals toen de mode was — van de jeugdige echtelingen het volgende gezegd:

• Want, zeg mij eens, wanneer heeft ooit de Trouwgodin «Twee hoofdgeslagten t'saam verbonden door de min, ■ Malkander zóó gelijk van aart, natuur en zeden,

«beide onderworpen aan dezelfde aartsbezigheden;

«Dezelfde ontzachlijkheit eu 't zelfde kerkgebaar?»

ocr page 28

22

Uit die gelukkige verbintenis was op 19 Junij 1727 eene dochter Joanna Maria geboren — 12 December 1755 overleden — die huwde met Hieronijmus van Beurden, een aanzienlijk Leijdsch fabrikant (wonende in het groote huis op de Breedstraat, daar nu het museum van antiquiteiten is): en uit dat huwelijk is een eenige zoon voortgekomen, naar zijn grootvader van moederszijde genoemd Mr. Martinus Carolus van Beurden die in 1772 met Lucia Theresia van Lilaar van Stoutenburgh gehuwd, den 17den Junij 1788 op zijn buitengoed te I Uileg om kinderloos overleden is. Zijne weduwe hertrouwde met Petrus Leonardus baron van Heilman, die zich naar zijns vrouws goed heer van Stoutenburgh noemde en almede kinderloos overleed.

Gijsberta van der Stoop inogt niet lang da genoegens van haar huwelijk smaken: zij overleed den 80 January 1732, toen onze Bartholomaeus naauwelijks vier jaar oud was en onze overgrootvader Martinus van Berckel verbond zich in een tweeden echt met Joanna Antonia Houwebt, dochter van Herbert Hodwert en Aletta de Saei.ier. Die tweede vrouw, onze overgrootmoeder, was almede vaneen bekendeUtrechtsche familie. Bijna al de meisjes van datzeer talrijk geslacht hadden, 't zij als klopjes, 't zij als kloosterlingen het geestelijk leven omhelsd ; waarom dit, ook in andere opzigten zeer gewenscht huwelijk onzen overgrootvader tot groote eer gerekend werd. Uit dien tweeden echt had hij vijf kinderen, waarvan de oudste Ai.etta Francisca, als klopje bij hare moeder tot op het overlijden van deze (16 Januarij 1790) en daarna tot op haren dood het groote huis is blijven bewonen tengevolge der inschikkelijkheid van onzen grootvader Adrianus Josepiiüs van Berckel aan wien dat huis was toebedeeld. Zij is den 20sten April 1797 overleden. De drie overigen hebben wat vroeger of later het ouderlijk huis verlaten en zijn kinderloos overleden.

De familiegroep, die bij het leven van onzen vader in de voorkamer plagt te hangen, en nu bij de andere familieportretten op de zaal geplaatst is, vertoont ons Martinus van Berckel met zijn eerste vrouw Gijsberta van der Stoop. Die mooije knaap die daar op den voorgrond met dat Spaansche hondje speelt, was bestemd om eenmaal pater Bartholomaeus te worden, liet meisje, kennelijk iets ouder, is Joanna Maria, die het portretje vertoont van een overleden zusje Maria. Die schilderij geeft over het geheel een indruk van genoegelijkheid, waarbij

ocr page 29

23

echter de opgewektheid die uit den blik van Martinus spreekt zachtkens getemperd wordt door de ietwat ernstiger gelaatstrekken der 'huismoeder (14).

Martinus van Bkrckkl moet, ook volgens deze schilderij een zeer fraai man geweest zijn, groot van persoon en bruin van oogen, wat door zijn levensgroot portret en het pendant van dat van zijn tweede vrouw in allen deele wordt bevestigd. Dat hij daar een viool vóór zich heeft liggen is niet vreemd : want hij was kunstliefhebber in zijn hart en daar hij als eenige zoon van Hartholomaeus van Bkkokel in diens bloeijende zaken was opgevolgd, was het hem gegund niet alleen een gelukkig beoefenaar maar ook een verlicht beschermer der kunst te wezen (15). Hij had een aanzienlijk kabinet van schilderijen, gravures en andere zeldzaamheden, 'twelk later is opgeruimd, doch waarvan nog enkele fraaije etsen zijn overgebleven. Doch vooral hield hij er van, oude muzijk op te zamelen en hij had daarvan een zeer geroemde collectie, die helaas, even als het grootste gedeelte van zijn rijke boekverzameling verdwenen is. Ook deelde hij met zooveel anderen van zijn tijd in de bekende tulpenmanie, waarvan zeker sierlijk ebbenhouten kistje met laadjes in do voorkamer een herinnering is (16). Hij overleed den iL'den Jul ij 17ós toen zijn jongste zoontje onze grootvader Anui ants Joshpiu s nog seen 7 jaar oud was, terwijl de oudste zoon, onze Bartiiolo-maeus reeds in de orde der Jesuïten was getreden, en diens volle zuster Joanna Maria reeds gehuwd was (17).

Zoo bleef des overledenen weduwe met haar minderjarigen over en — 't moet tot haar eer gezegd worden — zij bestuurde de zaken met meer dan gewoon beleid en verstand waarbij zij — voor zooveel noodig — werd bijgestaan door haren neef Mr. Isaac de Hou, advocaat bij den Hove van Holland te 'sllnge, een van die weinige regtsgeleerden, die toen onder onze geloofs-genooten konden worden aangewezen. (ieon wonder: want wel stond de advocatie destijds voor de Koomschen open, doch niet wat daarvan voor anderen het geval was, de magistratuur en andere eervolle en voordeelige ambten.

Doch keeren wij tot pater Bartholomaeus terug.

Op 1 Gjarigen leeftijd, kort vóór de geboorte van zijn halven broeder Hekibertus Antonius (quot;2(5 Oct. 1744),werd hij — na gelukkig voibragte leerjaren aan de Hollandsche en Fransche school — ter studie besteld op het collegie of zoogenaamd «convictquot;

ocr page 30

24

der Jesuïten tc Antwerpen. Dat was destijds onder de fatsoenlijke Roomsch Catholijke familiën de gewoonte. Niet alleen die weinigen die zich voor het academisch onderwijs wenschten voor te bereiden, maar ook dat veel grooter aantal, wier bestemming handel of fabrijksnijverheid was, werden naar Brabant bij de Jesuïten ter schole gelegd om «Latijn en goede manieren» te leeren. Daarbij werd vooral ook gedacht aan de noodzakelijkheid om de jongelieden, die in het toen nog zoo Gereformeerde Holland bij geen andere dan Gereformeerde meesters ter schole waren geweest, door een grondig onderwijs in den Godsdienst instaat te stellen, om volgens het voorschrift van den Mechel-schen catechismus «de ware leer van Christus te belijden tegen alle secten». Waar kon dit beter dan te Antwerpen, die groote stad, die toen nog meer dan nu in veel opzigten als de hoofdzetel van het Catholicisme in het Noorden beschouwd wierd ? En daarom hebben al de leden van onze familie, met name onze grootvader Adrianus Josephus en onze ooms Martinus en Arnoldus hunne humaniora bij de Jesuïten te Antwerpen of na suppressie dier orde bij die geestelijken gedaan, die deze beroemde orde in het bestier van het Antwerpsch collegie waren opgevolgd. Voor Hartholomakus echter was er nog een bijzondere reden voor zulk een hoogere opleiding in den vreemde. Want zijn vader Martinus had verlangd, dat de veelbegaafde jongeling «Meester in de regten» zou worden. Dat was toen het toppunt van eer en aanzien waar een Roomsche destijds in ons land toe komen kon. Aan de stedelijke magistratuur en andere regeringsbetrekkingen van welken aard ook mogt hij niet denken: die bleven hem — schoon de zeden over het algemeen zachter geworden waren — onverbiddelijk gesloten ! Een Roomsche mogt, even als ieder ander, verdedigen wat hij voor regt hield : als juris doctor mogt hij optreden voor «geregten en regteren, hooge en lage» in die vele processen, heel wat belangrijker dan die van thans, nu het beste deel der oude practijk administratief wordt afgedaan ; hij droeg een degen op zij, en was een soort van edelman, een lid van de «militia togata», die het genoegen had zijn vrouw met «mevrouw» in plaats van met het burgerlijke «jufvrouw» te hooren aanspreken. Tot dat alles kon de Roomsche komen ; maar nog eens, geen aandeel aan de regering, geen toegang op het stadhuis anders dan om te stam achter do balie. Op die zetels, met stadswapen

ocr page 31

25

versierd, was voor den Catholijk, hoe bekwaam, hoe reetschapen en lioe populair liij wezen mogt, geen plaats. Zijn Godsdienst verbood hem den gevorderden eed. Hij kon en mogt immers niet zweeren, dat hij—in den sjeest van diegenen die hem dien eed afvergden; «de llcijlijie Kereke gereformeert naer Godts «woort» zon «voorstaen ende helpen hanthonden».

Maar al wilde hij zich leenen tot zulk een laagheid, wat zou het hem baten? Zijn naam stond immers niet op het «heereboekje» waarop jaren te voren met wiskundige zekerheid werd voorspeld, welk lid van die weinige familiën, die zich tot patriciërs hadden opgeworpen, in dat en dat jaar — immers als de dood er niet tussehen beide kwam — met dezen of genen «honorabelen» of «lucrativen» post zou worden begunstigd.

Dat onder zulke omstandigheden, en bij de weinige sympathie, die het groote publiek toen zoowel als nu voor de Roomschen had, slechts weinigen onzer geloofsgenooten den moed hadden om het doornig pad der regtsstudie, hoe eervol ook, te betreden, is waarlijk geen wonder.

Onder die «pauci electi» was Mr. Isaac de Roi.i, heer van Binclchorst, advocaat bij den Hove van Holland. Hij was de zoon van Bernard Wili.em de Kou, directeur generaal van 's Lands fortificatie, die 30 September 1709 gehuwd was met Antonia Joanna, dochter van Willem Houvveut en Joanna van Bulevelt, welke Willem Houwekt de broeder was van den vader van Mautini's van Berckel's tweede vrouw. Uit hoofde van die bloedverwantschap kwam hij dikwijls en wel het meest des Zondags uit den Hang naar Delft over, vooral vóór zijn huwelijk met Oatiiaiuna Haltwassenaek, hetwelk den 28sten Augustus 17 12 te '.s Haffe plaats vond. Hij vermaakte zich dan met de kinderen, en wel het meest met den levendigen knaap, die met open oog en oor naar «neef den advocaat» zat te luisteren. Kon het anders, of die indruk en de achting die iedereen den wakkeren regtsgeleerde bewees — misschien ook wel de aansporingen van dezen — moesten op de aanvankelijke lotsbestemming van HARTiiOLOMAurs van grooten invloed wezen ?

Zooveel ten minste is zeker, dat de veelbelovende jongeling na te Antwerpen zijn vijfjarigen leercursus volbragt te hebben, naar Utrecht vertrokken is, om zich aldaar op de regtsstudie toe te leggen (18). De keus dier hoogeschool was van zelf aangewezen daar zoowel de eigen moederlijke familie van Bautiiolomaeus,

ocr page 32

26

als die van zijne hem zoo hartelijk beminnende tweede moeder in die stad gevestigd was.

In dien goeden tijd wist men niets van een toelatingsexamen en nog veel minder van den dwang van een zoogenaamd voorbereidend of propaedeutisch onderwijs in de wiskunde en lettoren, waar thans een of twee jaren van den academischen leertijd mee worden zoek gemaakt; men trad dadelijk met frissche lust en onverzwakten ijver toe tot het vak dat men gekozen had; en waarlijk liet Latijn der toenmalige juristen en hun redeneertrant waren er niet minder om, al was het dat de meesten hunner — even als thans trouwens — weinig aan het Grieksch hadden gedaan en dat zij in plaats van wiskunde, loijicagestudeerd hadden !

Dat Barïiiolomakus de lessen van zijn professoren met vrucht heeft bijgewoond, hiervan geven zijn latere werken, in het bijzonder de door hem op verschillende tijden verdedigde theses, die meestal op regtskunde, al is het uit een theologisch oogpunt beschouwd, betrekking hadden, de schitterendste blijken.

Toch bleef hij maar één jaar te Utrecht, want zijn hart trok hem naar elders. Was het de herinnering aan de stille Godsvrucht van zijn kindsche jaren, die in het binnenste van zijn gemoed protest aanteekende tegen dat woelige academieleven, waar zelfs de deugdzaamste student zich niet geheel aan onttrekken kan ? Of was de vriendschap met zijn Antwerpsche leermeesters, in plaats van door het afzijn te verilaauwen, integendeel naauwer toegesnoerd door hun wijze lessen, die hem volgden op zijn gevaarvolle levenshaan ? Zeker is liet, dat hij de academie verliet, en daarmede voor altijd van zich afwierp al die eer en dat aanzien welke hem wachtten als de natuurlijke leidsman van zijn geloofsgenooten, die immers niet lang meer van hun regten als Nederlanders zouden verstoken blijven! Dit is hem — er is geen twijfel aan — door zijn vader en vaderlijken vriend Mr. de Rolt ernstig voorgebonden. Maar wat aanvankelijk slechts een neiging des harten scheen, was bij ernstig en gezet nadenken en hidden gebleken een roeping te zijn tot iets hoogers. «Si quis vult post me venire, abneget semet ipsum, et tollat crucem suam, et sequatur me» (Matïh. XVI ; 24). Kn daarom deed Rurnior.oMAErs wat de Kerk op Ui Januarij van S. Mauckllus zingt:

ocr page 33

•'Hie nenipe mundi gaudia «Et blanda fraudum pabula u 1 nibut:i felle deputans «Pervenit ad coelestia»,

of om te spreken met zijn vader Martini's —in het feestdicht op de eerste Mis op 22 September 17li- van 1 Fkkheut, die zijn toen reeds overleden vader sprekende invoert:

«Hoe zeer het voorbeeld trekt, wierd hij alsdan ter School «In 't wijd beroemd convict van , I ntv'erps hooge Wallen «Welhaast gewaar. Hier was zijn oog en hart gevallen;

..Jae, als met zeilsteenskragt onvrikbaar vastgehegt.

«Der wetten doolhof en geleertheid van het liegt,

«In Utregts edel Stigt op mijnen wil begonnen,

quot;Heeft voor een wijl dien keus vertraagt, maar niet verwonnen.

«Hij gaf de Pleitzaal, die de Ziel te ligt'lijk kwetst,

«Vaarvel voor eeuwig, en vertrok naar Hom bout* \est:»

Ja, hij ging naar Mechelen en voegde zich in den kring van die mannen, die om hun eenvoudige levenswijze en meer nog om hun vurige liefde tot den naaste zoo te regt den naam dragen van het Gezelschap van Jesus. Hij kon niet denken dat dit Gezelschap zijn ontbinding zoo nabij was. \ oorzeker, niets is volmaakt onder de zon ; aan do heiligste zaken blijft altijd iets menschelijks. Maar wat men de Orde ook hebbe verweten, waar zij zich ook in moge hebben vergist, steeds bleef zij — en dit is haar onvenvelkbare roem — zuiver in de leer en zuiver in haar zeden!

Aan de zeven vereenigde Provinciën was de eer of de blaam om als het ware het signaal te geven van de vervolgingen, waaraan die Orde ten doel stond. Heeds in den aanvang der achttiende eeuw waren zij uit de verschillende zoo bloeiende statiën, die zij aldaar bezaten verdreven, tengevolge van de scherpe plaecaten der Staten van Holland. Bij politieke Resolutie van Burgemees teren van Delft van den jaro 1708 waren zij uit de door hen gestichte St. JosKi'irs-kerk en zelfs uit de stad verwijderd, zoodat pater Joannks (quot;t.ri.isr.n' als geboren Delvenaar ter naauwemood vergunning had kunnen verkrijgen om bij zijn bloedverwanten in te wonen en bij zijn overlijden opgevolgd was door pater Jan Baptist Ovi.tn, die ter sluik in een koepel buiten stads jurisdictie een koniinerlijk leven heeft

ocr page 34

28

geleid tot dat hij teu jare 1771 als Superior naar Tongeren vertrokken is. En zeer zeker met hunne toestemming had Uartuolomaeus van Beückkl, de vader van onzen overgrootvader M artini's zijn rijtuig laten inspannen en was naar IIVcW gereisd, om voor de talrijke gemeente, die nu zonder herder was, een pater Franciscaan af te halen die door hem aan Hurgemeesteren was «gepresenteerd» en door dezen «tot de dienst was toegelatenquot;. Dat was in 170!) gebeurd. Maar zie — die politieke resolution waren niet onherroepelijk. Niets belette, dat de Jesuïten wederom konden worden geadmitteerd, en de fraaije beelden van Ignatius en Pranciscus Xaverius die in de zoo sierlijke kerk nog, toen zij helaas verbouwd is, boven de deuren ter wederzijde van het hoofdaltaar prijkten, getuigen genoeg dat de gemeente nog altijd hoop had op de terugkomst van haar oude herders. De vele jaren die verloopen waren hadden niets weggenomen van de liefde en de achting die de Delftsche gemeente met haar notabelen nog altijd aan de Societeit bleef toedragen.

Die hooge achting, nog bevestigd door de herinnering aan de oude vriendschap met het voorgeslacht, leefde in het gezin van Martinus van Berckel en wel vooral in het hart van zijn deugdzame gade. Ook daarom vond Bartholomaeus zich tot die orde aangetrokken.

En dan — er was bij de Societeit, zooals zij zich in de eerste helft der achttiende eeuw vertoonde, zoo magtig veel dat indruk maakte op een jeugdig onbedorven gemoed. Wat een groot ligchaam over geheel de aarde verspreid! Wat een verwonderens-waardige eenheid van dool en van leiding bij die overgroote verscheidenheid van middelen, waarmede dat beroemde genootschap. getrouw aan des stichters leus ad majorem Dei gloriam, er zich op toelegde God door al zijn schepselen te doen verheerlijken. Hij deze orde was plaats voor ieder soort van aanleg, voor den stroeven wijsgeer of theologant, zoowel als voor den diplomaat met aangename vormen, voor den administrateur zoowel als voor den redenaar, voor hem die in verre landen de overtuiging van zijn gemoed wil uitspreken en met zijn bloed bezegelen als voor hem wiens hoogste streven Avas Godvruchtige zielen langs de wegen van het geestelijk leven tot hooger volmaking op te voeren. Aan ieder lid werd na wijs beraad door den Provinciaal den post aangewezen waar hij voor zijn eigen en voor het algemeen nut het beste werken

j

ocr page 35

29

kon en de gelofte van onbepaalde gehoorzaamheid bij de intrede in de orde afgelegd voorkwam iederen strijd, elk gemoedsbezwaar, alle moedeloosheid. Helden waren de Jesuïten alle, zoo niet van natuurswege, dan toch — wat veel meer zegt — door pligtsbesef!

Met dat al moet het aan Martinus van Berckel veel moeite gekost hebben om toe te geven aan hetgeen zijn zoon als een heilige roeping beschouwde. Want behalve dien bijna volwassen zoon had hij uit zijn eerste huwelijk geen ander kind dan zijne dochter te Leijden, Mevrouw van Beurden; en uit zijn tweede huwelijk had hij wel is waar vier kinderen, drie jongens en een meisje, dat de oudste was van die vier en naauwelijks zeven jaren telde. Maar op zijn bijna vijftigjarigen leeftijd mogt hij zich niet vleijen met de hoop dat hij een van die zonen van dat tweede huwelijk groot zou zien. En de jongste van allen — de eenige die kinderen heeft nagelaten — ouze grootvader Adrianus Josephus is nog later, op 24 November 1751, ter wereld gekomen. Daarbij, Martinus leefde op een gronteu voet — grooter dan de meesten zijner geloofsgenooten. Hij hield zijn buitenplaats, zoowel als zijn paarden en rijtuigen en de oudsten onzer herinneren zich nog zijn keurige narrenslede en het Venetiaansche spiegelglas dat van zijn statiekoets was overgebleven, te hebben gezien in onzen stal en het koetshuis dat door Martinus' zoon, onzen grootvader Adrianus Josephus uit den afbraak van het Rijswijksche vredehuis is opgebouwd. Op vijftig jaren is de man op het keerpunt van zijn leven; hij denkt minder om zich zelf dan om hen die na hem komen; en zeker was liet grievend voor Martinus, dat zijn veelgeliefde oudste zoon, do waardige naamgenoot van diens wakkeren grootvader, de taak verliet, die hem zoo het scheen was opgelegd, om de eer der familie op te houden en om na zijns vaders dood de steun te zijn van de onmondige weezen. Dat viel hem zeer, zeer hard; 'twas een zware proef voor dien man, anders zoo opgeruimd van geest, die er op plagt te roemen dat bij zoo gelukkig en vergenoegd was, alsof het devies der oude van Hiorckkls «je vive en espoijr» in hem geheel was vervuld geworden. Maar zijn Godvruchtige tweede vrouw Joanna Axtonia IIouwkrt wist hem tot dat oiler te bewegen: en van daar vooral die innige vriendschap en vereering die Bartiiolomaeus tot haar dood aan die eerbiedwaardige vrouw, die hij nooit

i

ocr page 36

30

anders dan zijn «waarde en teergeliefde moeder» noemde, bewezen heeft.

De Flandro-Belgische Provincie der Jesuïten waarvan de Hollandsche missiën afhankelijk waren, strekte zich uit over de Vlaauisch sprekende steden der Zuidelijke Nederlanden van Brugge tot Roermond. Zij bezat in die verschillende steden 15 a 17 collegiën, een noviciaat te Mechelen en een tweede noviciaat voor het derde proefjaar te Lier. Te Antwerpen van waar het bestuur uitging, was behalve het collegie en een convict, het profeshuis of eigenlijk Jesuïten klooster, hetwelk aan de Provincie dezelfde diensten bewees als de staf en het depot bij de regimenten van een leger.

Op 19 April 1749 werd Hautholomaeus van Bkuckel door pater Amelot, Provinciaal dier provincie, als novicius aangenomen en nam den 21sten dierzelfde maand zijn intrek in het noviciaat te Mechelen. Op 19 Mei daaraanvolgende schreef hij volgens het bij de Jesuïten bestaand gebruik een kort verhaal van zijn vroeger leven in het Album noviciorum.

Het eerste noviciaat duurt bij de Jesuïten twee jaren: zoodat Bartholomaeus eerst in November 1751 Mechelen vaarwel zeide om te Antwerpen zijn philosophic te gaan leeren, waaraan hij wederom, volgens gebruik, twee jaren besteedde.

Den 21en September 1752 ontving hij daar de tonsuur en lagere orden uit handen van den Bisschop van Antwerpen en defendeerde er in het Collegie der Societeit op 7 Augustus 1753 onder pater Franciscüs le Franc in het openbaar zijn philo-sophische theses, loopende over logica, metaphysica, phijsica generalis et specialis. Die theses zijn gedrukt bij Alexander Everaerïs sub signo 8 Ignatii en werden volgens gebruik van dien tijd aan alle «liefhebbers der wetenschap» — en er waren er destijds velen — 't huis gebragt. Zij geven een hoog denkbeeld van de studiën, zoo als die toen waren bij de Jesuïten.

Na de voltooiing van zijn philosophische studiën moest hij den gebruikelijken vijfjarigen cursus als professor der humaniora doorloopen en dat wel in datzelfde Antwerpsche collegie, waar hij als jongeling zijn opleiding genoten had. Men stelde hem daarenboven aan het hoofd van het museum, 't welk destijds aan geen Jesuïten collegie ontbrak: en hij had de voor hem zeer aangename taak om de uitspanningen der jonge lieden te leiden.

ocr page 37

31

Eerst in 1759 en dus een jaar na zijns vaders dood, mogt hij zich toeleggen op de studie der theologie en dut wel te Leuren. In den regel geschiedt bij do Jesuïten de wijding tot priester in het derde theologische studiejaar. Bartiiolomaeus ontving die den 18en September 17ü2 te Mechelen uit handen van den Aartsbisschop Joh annes Uenhicus Graaf tot Fuankkn-berg, die hein den 6en Maart te voren het subdiaconaat had toegediend, terwijl het diaconaat bij afwezigheid van dien ordinarius door den Bisschop van Aniwerjien op quot;t Junij verleend was.

Kort na zijn priesterwijding moet Hautholomaeus in den schoot zijner bloedverwanten zijn teruggekeerd, en de eerste Mis die hij den 22en September te Delft deed, gaf aanleiding tot een familie feest ton huize van de weduwe van zijnen vader, en door de tegenwoordigheid van vele vrienden opgeluisterd, waarbij die waardige vrouw, zoowel als Herbert, des nieuwen priesters halve broeder, als negentienjarig jongeling reeds min of meer zoo 't schijnt aan het huwelijk denkende, hem in dichtmaat hunne hulde bragten.

Zonderling dat juist op dien zelfden 22 September 1762 Bartiiolomaeus' vriend en ordegenoot Cornelius Schadé te Utrecht zijn eerste Mis deed.

Het schijnt dat Bartholomaeus daarna naar lAer vertrokken is om er het derde proefjaar door te staan: in January 17Bo was hij te Leuren, doch nog vóór liet eind van zijn proefjaar, in Mei 17(54 vinden wij hem te Antwerpen terug, blijkens den brief van 15 Mei 1761, waarbij de Bisschop dier stad hem de gewone faculteiten — om te prediken en biecht te hooren — verleende.

Intusschen had hij zijn theologische studiën met glans geëindigd, door hot in liet openbaar verdedigen in liet Leuven-sche Collegie der Societoit onder pater Aunoldus Roberti op 26 Julij 176o van een reeks uitgewerkte theses, die bij Joannes Jacobs aldaar gedrukt zijn.

Sedert was hij te Maastricht werkzaam, waar de Societeit een bloeijend collegie had. Die stad was toen half Hollandsch en half Luiksch en werd geregeerd door een Raad, waarvan de eene helft Protestantsch en de andere helft ('atholijk was, terwijl om hot andere jaar de Roomsche Burgemeester gekozen door den Vorst Bisschop van Luik, en de Protestantsche Burgemeester gekozen door de Staten van Holland, aan het hoofd

ocr page 38

32

der regering stond. 'tWas zeker niet vreemd dn,t de Provinciaal der Fiaudro-Belgische provincie in zulk een halt Hollandsche stad, waar de Protestanten veel invloed hadden, bij voorkeur Hollandsche Jesnïten zond.

Zoo kwam daar dan onze Bartholomaeus en bewees er in velerlei betrekkingen zijn diensten. In 17615 zien wij hem daar als feestprediker, praefect van de broederschap van den zaligen dood, regtsgeleerde raadgever van het gesticht eu biechtvader voor de burgerij werkzaam: in 111- als feestprediker, praefect over de gijmnastie, de gezondheidsdienst en de bibliotheek, directeur der muzijk en stedelijk biechtvader.

Zoo bekleedde hij in die niet onaanzienlijks stad onderscheidene bedieningen en was algemeen geacht door de kerkelijke zoowel als door de wereldlijke personen, door den minderen man zoowel als door de aanzienlijken, door de Protestanten niet minder dan door zijn eigen geloofsgenooten.

Wij hebben de Latijuscbe lijkrede — met toestemming, zoo staat er op het titelblad, van de geestelijke Overheid gedrukt bij den stadsdrukker Hknduik Landïmktek — door Bartholomaeus in de Onze lieve 1 rouicc-kerk nitgesproken over Carolüs Nicolaus Graaf d'Oultrkmont, Prins Bisschop van Luik en als zoodanig Mede-\ orst van Maastricht, die door een beroerte ge-troöen, plotseling overleden was. Een man die om zijn deugden niet alleen als Bisschop maar ook als Vorst in allen opzigte zulk een plechtig huldebetoon verdiende. En de redenaar was niet beneden zijn taak. liet stuk is, zooals alles wat destijds van do Jesuïten kwam, van een goede Latiniteit, en men vindt daarin die ware welsprekendheid die uit het hart voorkomt (19).

De gewijde lofprediker zegt in zijn aanhef, dat hij niettegenstaande zijn zwakke krachten zich heeft moeten leenen tot die zoo vereerende taak, niet alleen omdat hij daartoe gedrongen werd door hel eenparig verlangen van al de Vroedschapsleden, Protestanten zoowel als Catholijken, maar bovenal ook door den pligt van dankbaarheid voor de vele weldaden die de Socie-teit aan den hoogen overledene schuldig was. Roemde de redenaar daarbij den luister van des overledenen geslacht, meer nog verhief hij diens deugden, zijn liefde tot de wetenschap, maar boven alles de eenvoudigheid van zijn zeden.

«non enim loca, sed animus, non incunabula, sed studia, •non raajorum lux et gesta, sod proprius splendor et merita,

ocr page 39

33

«non ab ultima vetustate repetita nobilitas, sed antiquitas morum «et aureo seculo digna simplicitas veruin honorem et glorlam conciliant».

Ja, de overledene had te Reims en te Parijs zijn studiën gedaan, maar toch had hij zich weten vrij te houden van die vele verkeerdheden, die zijne eeuw tot schande strekten: en terwijl zooveel anderen van hun reizen naar het buitenland allerlei vreemde ondeugden naar huis medebrengen en him eerlijk Nederlandsch hart — Belgicam illam ingenuitatem, candorem et lacteam morum simplicitatem — bedorven hebben door die zoogenaamde beschaving, die met woorden van fijne wellevendheid de grofste onzedelijkheid bewimpelt, was de overledene getrouw gebleven aan die eenvoudige en argelooze levenswijs, waar zijn vaderen hem in waren voorgegaan. Kon het anders, dan dat zulk een man, eenmaal op den hoogen Luikschen zetel verheven, door stipte regtvaardigheid en goed regeringsbeleid het voorbeeld der vorsten worden moest: en dat hij ook een uitstekend Bisschop was, steeds naijverig op den luister van den Godsdienst en bezield met de zucht om den eerbied voor God, vooral ook in het H. Sacrament, niet slechts in zijn eigen diocees maar ook in het naburige Brabant uit te breiden ?

Was het wonder, dat die waakzame herder reeds van verre den storm zag opkomen, die zijn kudde bedreigde? — niets verzuimde hij, om daartegen te waarschuwen, -—• dat hij met den ijver der verontwaardiging de pen opnam tegen die schrijvers — hujus saeculi pestes— die opgeblazen door wereldsche wijsbegeerte (want met dien schoonen naam willen zij hun boos opzet bemantelen) en toegevende aan de ongebonden luimen van hun weelderig vernuft als nieuwe Titanen zich verhieven tegen de eeuwige wetenschap, die van God is: terwijl zij daarbij met den eerbied voor Gods heiligen naam, ook de deugd en de goede zeden ten gronde doemden!

Was dit te veel gezegd voor een Christen wijsgeer en priester als onze Bartiiolomaeus ? Daarenboven voor een man, die met hart en ziel behoorde tot een Genootschap welks levenstaak het was om door alle middelen het Christelijk element in de burger maatschappij te handhaven. Naar zijn denkbeeld — en het was dat van alle eeuwen die hem zijn voorafgegaan — stond niet de Christelijke kerk, zooals men tegenwoordig zegt, tegenover den Staat, noch do Godsdienst tegenover de wetenschap.

o

o

ocr page 40

34

Neen, dat alles was één, zooals de ziel met het ligchaam één geheel uitmaakt (20).

De Voorzienigheid heeft het voor onze tijden anders gewild. En lang nog zal het duren eer wij die gelukkige zamenstemming die vroeger bestond tusschen de regten en de pligten van den Christen en van den Staatsburger, tusschen de eischen van den Godsdienst en van de wetenschap, op nieuwe grondslagen weer geheel hersteld zien. Maar het was den Jesuïten te vergeven dat zij niet zagen achter den sluijer, die Gods raadsbesluiten verhult. Zij keurden af wat slecht en verwerpelijk was: dat was hun regt en hun pligt. Zij deden dit met kracht en met warmte.

Maar nu vorderde ook de onverbiddelijke logica dat zij, die zich aan de voorhoede geplaatst hadden om de niGUwe orde van zaken te bestrijden, welke volgen moest uit de geweldige ommekeer van al het bestaande, ook het eerst de slagen van den vijand ondervinden zouden. Zoo is van alle monarchiën die der Bourbons, de oudste en eerwaardigste, het voorbeeld van alle andere, het eerst bezweken.

Op den 21 sten Julij 1773 gaf Paus Clemens XIV, na lang dralen gehoor aan den onophoudelijken aandrang van de gezamenlijke Catholijke Hoven : hij hief de orde der Jesuïten op door de bekende iireve Dominus ac Redemptor, waarbij vooral politieke beweegredenen voor dien maatregel worden aangevoerd.

De Jesuïten gehoorzaamden: zij verlieten hun collegiën en professiehuizen, en verspreidden zich heinde en ver volgens het Pauselijk bevel. Doch al was hot Genootschap ontbonden, zoo bleef toch voor ieder der voormalige leden de priesterlijke waardigheid, en het regt om, met toestemming der geestelijke Overheid van de plaats dat heilig ambt te bedienen.

Te Maastricht is het werk der suppressie ten uitvoer gelegd krachtens Resolutie van Haar Hoogmogenden van 15 October 1773, welke den 2ósten aldaar gepubliceerd is. Den 28sten daaraanvolgende is een dergelijk placcaat namens den 1 lins-Bisschop van Luik uitgevaardigd.

De 23ste October was de laatste dag, dat de Jesuïten de Latijnsche scholen nog hielden en den 24sten ten elf ure deed pater Kettknis do laatste Mis in het collegio; terwijl de laatste prediking in den avond van dien dag gedaan werd door onzen pater Bartholomaeds, die tot tekst nam Mattiieus X^II,

ocr page 41

handelende over den onbarmhartigen knecht, die zijn medeknechl ia de gevangenis wierp (Maastriehtsche almanak 1788 bij d'Erven II. Landtmetkr). Na dat laatste lof, waarbij pater Walri officieerde, kwam de lirabantsche Vice-Hoogschout de Jacobi, heer van Cadier en Blankenhery binnen, en las den bijeenverzamelden Jesuïten, 10 priesters, 4 klerken en 5 broeders, het placcaat der Staten voor met bevel om klooster, kerk, scholen en habijt te verlaten.

Van toen af moesten zij zich dus als gewone wereldpriesters beschouwen; doch zij bleven, volgens gemaakte schikkingen bij elkander wonen onder genot van eenig onderstandsgeld, dat hun door den Ontvanger der Geestelijke goederen werd uitbetaald : tot dat na den publieken verkoop van hun roerende en onroerende goederen (wat niet meer dan ƒ24 000 opbragt) het hun toe te leggen pensioen zou zijn geregeld. Eerst in September 1774 geschiedde dit: aan ieder priester werd een jaargeld van ƒ400 toegekend, 't welk hun op '22 September voor het eerst is uitbetaald. Den löden September waren zij voor goed uit elkander gegaan, na voor 't laatst een droevig middagmaal gebruikt te hebben. Allen op drie na bleven te Maastricht of in den omtrek wonen.

Behoorde Barïholomaeus onder hen die bleven, of onder hen die heengingen ? En wat is er met hem gebeurd tot den jare 17ü2, toen hij van den Hoogwaardigen lieer Caesar Brancadoro, Aartsbisschop van .\isihe en geestelijk Hoofd namens den Paus over de Vereenigde Provinciën (Missionum Hollandiae a SS. Domino Papa specialiter deputatus) uit Amsterdam —denkelijk niet voor 't eerst — de faculteiten ontving om in de Hollandsche Missie biecht te hooren ; «quando justa et rationabilis causa «id exigere videatur, et dummodo, quod enixe et caute curare «debes, nulla quoad pastores oriatur dissensio ac perturbatio» (21).

Dat stuk, hetwelk na Brancadoro's vertrek door diens opvolger Ciamberlaki vernieuwd is, is van 6 Junij 1792 en luidt in den aanhef «Dileeto nobis in Christo P. D. Bartholomako van «Berkel, Delfensi Presbijtero Catholico Komano».

Daaruit blijkt wel niet dat Bartholomaeus destijds te Drift iroonrh', maar wij mogen het toch als waarschijnlijk aannemen; hij was 64 jaar oud en van een zwakke gezondheid.

Althans een silhouet van 1793 toont ons hem veel onder, dan hij er op zulk een leeftijd had behooren uit te zien. Die

ocr page 42

36

kunst om prolilen of schadvnvbeoldon op hot papier over to brengen, was toen een zeer gevierde nieuwigheid, en zekere thans onbekende J. F. gaf ons niet alleen blijkens de onderschriften «pater van Berkel», maar ook onzen grootvader Adriands Josephüs, «Mevrouw van Berkel» (onze grootmoeder Maria Gerarda van Waijenburg), zoomede «Mej. Tante van Berkel» (het klopje Aletta Francisca, in de wandeling «tante Let «genoemd),den «jongen heer Johannes» (onzen oom Arnoldus Joannes) en den «boekhouder van Ei.ik», welken de oudsten onzer zich nog wel herinneren, als zijnde ten jare 1826 in den hoogen ouderdom van 88 jaren in ons ouderlijk huis overleden. Naar den trant van dien tijd draagt «pater van Berkel» even als, de beide andere heeren een gekleeden rok — habit Francais — met groote knoopen, een jabot en een pruik met drie reijen krullen of zoogenaamde «verdiepingen», doch zonder staart.

Hij was dus op dat tijdstip zeer veel verouderd sinds het portret in waterverf, in 1784, dus negen jaar vroeger, van hem gemaakt was door zekeren Baur, en waarvan in den aanhef dezes gesproken is. Daar draagt hij zijn 56-jarigen leeftijd met eere: een vol en kleurig wezen, een rustige heldere blik doen u dien waardigen geestelijke beminnen, die blijkens het boek van de constutitiones S. Ignatii zijn oude vrienden en zijn oude geloften indagtig bleef.

Ja dat deed hij. Wij hebben nog drie brieven van den wakkeren ex-Jesuït J. B. Ovijn op 25 April en 30 September en op 14 Mei 17(.)6 aan Bartholomaeus uit Kortrijkgeschreven, als een gevolg van. een vroeger gevoerden, zoo het schijnt zeer hartelijken, briefwissel. Bewonderenswaardig is de geestkracht van dien grijsaard, die vroeger te Delft in de Schoolsteeg als opvolger van pater J. Cluijsen na diens overlijden op 1 April 1745 een kleine kudde om zich vereenigd had, van waar hij in 1771 als Superior naar Tongeren vertrokken was, en die nu op een leeftijd van 81 a 82 jaren en ten spijt van het podagra dat hem geweldig plaagde, toch nog ijverig in de weer was voor de Delftsche gemeente, die naar zijn innige overtuiging aan die ééne kerk (van de paters Minderbroeders) niet genoeg had. Die brieven toonen op welk een vertromvelijken voet hij stond met pater Bartholomaeus wien hij, na bittere klagten over de zorgeloosheid en eigenbaat zoo dikwijls door hem ondervonden, het volgende toevoegt:

ocr page 43

37

«Ik heb in U. W. E. alleen een waaven en getrouwen vriend «gevonden, en ik durf verzekeren, dat indien mijnen dienst «ü. W. E. kon nuttig zijn, ik met denzelfden ijver alles zou «aanwenden, om niet alleen U verzoek, maar orders op het «naeukeurigste en vlytigste te volbrengen.»

Hij onderteekent aldus;

«Zeer Eer weerde Heer en hooggeachte Vriend,»

«U. W. E. zeer verplichte Dienaar.» (22)

Inderdaad, dat kerkje in de Schoolsteeg was sinds het vertrek van pater Ovux in 1771 zonder bediening gebleven, en onder de Eelftsche gemeente waren er velen die om verschillende redenen niet waren ingenomen met het denkbeeld dat in een stad, waar vóór het Jansenisme drie Roomsehe kerken geweest waren, de pastorale bediening slechts in ééne enkele kerk, die der paters Minderbroeders, zou worden uitgeoefend. Die omstandigheid zal wel niet geheel vreemd zijn gebleven aan het besluit van onzen oudoom, bij do suppressie, om zich in zijn vaderstad te begeven in den boezem van zijn familie aan wie hij zoo dierbaar gebleven was. Daarmede vervulde hij den wensch van zijn lang overleden vader, waarop zijn broeder Herbert had gezinspeeld in het vers, hem bij zijn priesterwijding toegezongen. De overledene zou namelijk dien jeugdigen dichter verschenen zijn en van den feestvierende hebben gezegd «U Broeder zal thans wezen voor U en 't Huisgezin, hetgeen «ik was voor dezen; Ken Vriend, een Raadsman, ja een Vader «zoo ik hoop. Eert, volgt, gehoorzaamt hem».

Karakteristiek voorzeker, dat zoo iets door een voormaligen kweekeling der Jesuïten in 1762 aan een .Tesuït wordt toegedicht. De leden der Hocieteit waren dus niet, wat men zoo dikwijls hoort zeggen, naar den geest van hun orde aan hun bloedverwanten vervreemd: 'tis dus niet waar, dat de Jesuit alleen voor zijn orde leefde, en eigenlijk geen vader, moeder, zusters of broeders kende.

Neen integendeel — onze Bartholomaeus was een goed Jesuit, maar daarom niet te minder een voortrefielijk zoon, een teeder beminnend broeder: en do geestelijke Overheid zag het gaarne, dat hij bij alle gelegenheden van dat zoo natuurlijk gevoel blijk gaf.

Getuigen daarvan die dichterlijke gelukwenschingen, waarmede hij zijn vader en zijn stiefmoeder jaar in jaar uit begroette.

ocr page 44

38

en die, hoe verschillend ia vorm en inkleeding, allen over-vloeijen van gevoelens van diepen eerbied en innige kinderlijke liefde.

Zie hoe hij 10 November 1755 zijn vader uit Antwerpen toespreekt :

«'kzat onlangs in een' leedige eenzaam heit,

«minst leedig door veel werkende gedachten,

«om 't lot mij door Godts goedheit toegeleit «na waerde met een dankbaar hart te achten : «wen fluks een ander denkbeelt 'tstil gemoet «bewoog om 't spijtig ongeluk te klagen,

«dat mij belet mijn' zuiv're heilwenschgroet «aan U, ó vader mond'ling op te dragen,

«en vrolijk aan uw disch te feest te gaan,

• om hij het zoet genot van heil en zegen «'t erkennend oog ten hemel op te slaan «en liefdekelken tot den gront te legen» enz. Op Mahtinus' 5Ten verjaardag (11 Nov. 1757) waren beide de broeders, Baktholomaeus als professor der humaniora, en Herbert als dertienjarig student of pensionnaire in het Ant-werpsch collegie bijeen. Dit gaf aanleiding tot een gemcen-schappelijken heilwensch onder den naam van «veldzang» ot herdersdicht, waarin de verdiensten van «Deugdrijk» bezongen worden door zijn beide zoons «Dankhart» en «Jonkhakt».

Die wisselzang geeft ons een aardig kijkje in de levenswijs en het karakter van onzen goeden en braven overgrootvader. «Gelukkig en vernoegt bewandelt hij geen pad,

«als van zijn woning naer zijn hofstee bij de stad «of naer zijn zuiveltent, gelegen in 'tOostende;

«Hoezeer de felle krijg met dierte en landelende «uitheemsche harders plaagt en ook zijn kust verwoed «den bittren nasmaak van hunn' rampen proeven doet; «Hij met zijn Laura bij den warmen haart gezeten «of zomers onder 't loof terwijl hun schaapjes eeten «prijst God, die gaf en nam, en leeft gerust en stil «in voor en tegenspoed na 's Opperharders wil».

«Gelukkig en vernoegt plukt hij zijn lekker ooft

«uit eigen boomgaart, als de guide herfst het hooft

«met blozende app'len kroont, en witte en blaauwe druiven

ocr page 45

39

«die 'tpurper tarten eu de zorgen doen verstuiven «of als hij eenzaam in zijn velttent voor 't behoud «van vrouw en kindren smeekt, of in het jeugdig hout «een sraaakiijk pijpje rookt, en zegt; zoo zal ons leven, «ó ziel, gelijk deez rook, haast zijn in 't niet verdreven. «Gelukkig en vernoegt ziet hij zijn disch in 't ront «gekroont met looten, zoet van zeden en gezond «en fluks van leên: terwijl hij onbeschroomt mag rusten «op Laura a's huiszorg, die hem stadig kan verlusten «door haare minzaamheen, en 't afgeslooft gemoed «gedurig koestren in een tedren minnegloet «eu door haar zoete taal de zwarte zorg verdrijven».

«Zoet is de zuiker, zoet het zoethout, zoet de klanken «van Deugdrijk's handviool; zoet zijn zijne edle dranken «zoet is zijn bier, dat al 'tomliggend land verheugt;

«Maer nog veel zoeter is zijn hemelzoete deugd,

«die zich alom verspreid door beemden, weiden velden». Aldus Jonkhart, waarop Dankhart zeer eigenaardig het wissellied afbreekt;

«Zwijg Jonkhart, welk gebrom! hoort gij 'tniet, heb ik 't wel «men luidt het avondlof in onze landkappel.

«Kom laat ons derwaarts speen en ollren ons gebeden «dat God ons' wensch vervuil' mot duizend zaligheden».

Dat was in 1757; maar in het volgende jaar waren het andere klanken; de goede Dkugbri.tk was (voorzeker niet onvoorbereid als wij zagen) op 12 Julij 1758 den dood ingegaan en Laura was weduwe.

Bartiiolomaeus zond haar uit Antwerpen den quot;27011 November 1758 het volgende;

«Klinkdicht «op het verjaaren

«van mijne waarde en teergeliefde Moeder «Joanna Antonia Houwert,

«oud zijnde 46 jaaren «Dat 's weer een jaar gevoegt bij uwe levensjaaren;

«Maer welk een jaar! Een jaar van kruijs en sniert en druk «'trampspoedigst dat g'oijt zaegt, wiens doodlijk ongeluk «een eeuw van ramp on wee en pijn kan evenaaren.

«Schep moed, ö waarde Vrouw, die storm zal wéér bedaaren.

ocr page 46

-10

«en schoon uw droefheijd voor een poos bezwijke en bukk', •ivoor zijn geweld; geen nood; eer hij U verder rukk'

«zie ik de reden zon die nevelen opklaaren. «Een hemelkahnte zal uw verdren levenstijd «(zoo God mijn beè verhoort) van allen druk bevrijd «tot uwer kind'ren troost staeg nieuwe krachten geven, ■ totdat ge rijp van deugd door eene zachte dood «de hemel-reê bezeijlt, daer g'uwen echtgenoot

• onscheidbaar minnen zult in 't nimmer eindend leven». Twee jaren vroeger had hij de waardige vrouw, weder uit

Antwerpen toegezongen ;

«Eer zal de Schie zijn kruik in 't Scheldehedde gieten ■■Eer Dankhart Lauka's zorg en moedermin vergeet

• Zoo milt, zoo vaardig tot zijn heil en nut besteed».

M; lar ook de vrienden van zijn bloedverwanten vergat hij niet in zijn geestelijke afzondering. Getuige onder zooveel andere dit puntdicht:

«Op de volle jubilé van jufvrouw Cornelia Staal geestelijke • dochter, geviert binnen Utrecht den 21 Juni 1755».

«Het is wat groot, zijn God te kennen, dienen, vreezen «den duivel, waerelt, vleesch, kloekmoedig te weerstaan

• en 't woedend eedgespan der driften te verslaan.

«Hierdoor zijn veele tot den top der deugt gerezen «Noch grooter is het, met dat eeuwig Opperwezen «in zuiverheit gepaart al 't aardsche te versmaên «en van de teere jeugt na hooger deugt te staen

• Die hemelgunste word aan weinige bewezen «Maar 'tallergrootst is in liet eeuwig heilgenot '•en algenoegzaemheit vereent te zijn met Godt

• ver boven d'aerde en al het stoffelijk gewemel.

• Kloek aen Cornelia! Gij zijt uit 'tzielsgevaer «getrokken in uw jeugt; gepaert reeds vijftig jaeren

• met Godt; en rijp van deugt; wat rest er nog?

«den Hemel».

Die gedichten zijn alle geschreven met een zeer vaste en sierlijke hand. Do netheid waarmede de verzen gerangschikt worden en de nauwkeurigheid bij het stellen van leesteekens, hoofdletters en dergelijke, verraden oen man van orde en overleg; meer nog misschien iemand die gewoon was voor de drukpers te werken.

ocr page 47

. 'AI^A • t^iquot;-'/ vj-./' 53, ^ ^ £/.

V ^ l , ^r:.,

^ £^X

oU*^z^^t/ *r? t^~ m^f^f '»*

* *rquot; /fié^r^'y- ^

Znsk^C rt-cHTl tse^r? ^

-Trip /ytamp;VdLo-t'^

^ gt;^*/- y r1 C^V*-

rTzZ/t

$Ti. v^gt;£/a^ XO -

Ifiy^- /(/ -t-t-

ocr page 48

r2/alt;* y*

. v ^--- . Zs?-amp;?7

^X/TX/^t^/ ts€Slamp;i!c i/ZisJO : K^. ,d. ts-S.,

de inXAi^t' ' Wsn 0amp;ro jt^tm - m^-amp;7/amp;i, — ^ *

i$%L. J,** • «... Jamp;Tamp;I ^i'-c*

%ff

^.....

ff.„ (t4J*.. quot;•• /vft/*

6*7 (.%. f) - v v - gt; Vamp;Vrrueoa/fa-

// *S

tamp;.O'j „/?0lt;P......tVtVamp;r^quot;

,/ /1 •••'•- lt;^C4^n4*A^is££^gt;

„ /jVj?.

/J /c?^ lt;5 . v ^ quot; KszKiS^r, jv^e^r *

/c/7.lt;■«.. ^ ^ quot;

6 7 nr,

is^if amp;*Xe. ,j Aamp;tj^

x'^i o-^^/ A-^^/c |

stmeU*?.__ — ------------— ___—-

5z ^ Av*^- /gt;■ ff' :

^

^ ^ gt; V ' K.J2 ■/ ^? S

C^' sin' ri lt; ^S t^if'lt;!. ■ ■t-.*^fi ah. 4( gt;f 'f*vieyf~ ■■'lt;*

m'ey£~ .

-j?. .

^tdxoAj m'yfy - fpsmamp;jfê

quot; amp; cfó/jsjt' amp;*ix. * usilj -tamp;rfcst^WHy^Sd^- tS^r?

//-

ocr page 49

lt;yfót*/t dsn a^c. gt;^^«^lt;2

^e^T} CtTtSi^ty^'é. ^ siriïn^amp;rjj /

2-t^C -4/ ^

/ ^

ocr page 50

l/Ax V**? lt;^9 s/yamp;S ^V^.gt;

. Iswr) sties ramp;£^Ke*Sa * ^c^Qyytyfy 0^4- amp;€si44!e i/Zis^o -fad.jtf. t/S.,

#ïe 'w** 0amp;O amp;0tm - (*t^-evgt;amp;i, — d*. w^ramp;nsafe, /

^Jamp;Zamp;I C^cccca~u4^, ....._.quot;

ïï-vM/.......MS*

e*? i ,/zoJ 1 •' IS^amp;lsrruccasïfa-

tamp;.oy „/?Ólt;P......

quot; /V/' ^

/j

/lt;fl W . . . v quot; ' Sk^a^, ''

/, /lt;?0y.....at*. P Ac quot;

'sn 6(9 . -4fs)

0L*Xe_ amp;iy^t^rj y1. rU^rgtJ sirrwte*).

y gt; ^ ^

Ó ^ ■ /, ' quot; * quot; y- ■amp;***-.

^ ^ quot; Cc^, I '^eyi^ «k

^ cXi.^-4^'y*^*rYigt;ri^CI^ i

- 4 , J t/^

0^' 'SI ** ét**- (fry .^ ■/,'- ^ «-^

amp;{ 'quot;ff ^71 . .

/rrd: ^ *......^

VAtyrj /iamp;ï~ - amp;/)~-lLet/^t,- ofae^-^e. ^yt^o^c.'

quot; amp; eamp;y#^ amp;n^- * ns7*^ -tfaamp;si.ri^v ^h

ocr page 51

tyamp;ctsv) Jd-e^C ■£/ ^

o^t^t} ce/^e^c^'-e. ^ .....synrtfisamp;i ■***,

sMs '-e. msvloa^

ocr page 52
ocr page 53

41

Hier, aan hot einde der 2Sste bladzijde, staakt mijn vader zijn geregeld verbaal dat hij bljjkbaar voornemens is geweest voort te zetten, niet vermoedende dat de dood hem zou beletten dit pian te volvoeren. Op een afzonderlijk halfvel schreef hij het volgende:

Zoo woonde hij in het «groote huis» bij zijn stiefinooder terwijl zijn broeder Adrianus onze grootvader in het «kleine huis» woonde. Hij had er zijn huiskapel op de boven voorkamer en deed er de Mis, waarbij onze vader en diens broeders Maktinus eu Arnoldus de gewone misdienaars waren (23). Zijn grootste genoegen was die kinderen, die hij had zien geboren worden — hij was de peter bij den doop van onzen vader — in deugd eu godsvrucht te zien opgroeijen. Die dierbare overledene, hoe plagt hij niet te roemen over het godsdienstig onderwijs, dat oom de Jesuit aan hem en zijn broeders plagt te geven, zoo aangenaam in vorm, zoo bevattelijk voor dien jeugdigen leeftijd : hoe plagt hij niet met eerbied en liefde te wijzen op zoo menigen wenk en inlichting, die hij van dien waardigen grijsaard had mogen ontvangen. Mogen wij over den leermeester oordeelen naar de leerlingen die hij gevormd heeft, dan moeten een kinderlijk vertrouwen op Gods voorzienigheid en een hartelijke liefde tot den evenrnensch, vooral voor de armen en hulpbehoevenden onder de hoofddeugden van onzen oudoom behoord hebben. God geve, dat die deugden nog lang liet sieraad van onze familie mogen blijven uitmaken.

Heeft Barïholomaeus de kerk op de St. Pieterskerkgrncht te Leijden, een voormalige Jesuïtenstatie, nog bediend, en wanneer ? Ik heb mij omtrent dat punt geen inlichtingen kunnen verschaffen (24). Wel is het zeker dat hij tegenover het openbaar gezag als eigenaar van die kerk te boek stond, en dat hij daarvan werkelijk de administratie gehad heeft. Hoe hij daar echter aan gekomen is, is tot heden een raadsel (25). Zeker is het dat hij te Delft op 18 Januarij 1806 een onderhandsche acte getee-kend heeft, waarbij hij zich beroept op een clausule reservatoir in zijn testament. Door die clausule committeerde hij zijn broeder Adrianus JosEPiins of bij diens overlijden of vroegere mondigheid diens zoon 1 Ikniucus van Berkki. tot administrateur van zoodanige eöecten en goederen in zijn boedel te vinden als bij hen bekend of in schrift gespecificeerd waren, om die te beheeren als mondeling afgesproken en daarmede zoodanig te handelen als zij «pro re uata» naar hun beste weten zullen

ocr page 54

42

verineenen te behooren, zonder aan iemand, wie ook, rekening schuldig te zijn (26).

Tot zóóver strekt mijns vaders handschritt. In het besef dat ik hierdoor in zijnen geest handel, neem ik thans de aan zjjno verstijfde hand ontvallen pen op om een slot toe te voegen aan zijn onvoltooid opstel.

Wanneer men van een op hoogen leeftijd overleden man van beteekenis de mate van «praestantia» in de verschillende levensjaren door een kromme lijn graphisch voorstelt, dan zal men in den regel zien dat die lijn blijft stijgen tot het 55ste jaar of iets langer, om daarna öf op gelijke hoogta te blijven, ivf langzaam te dalen.

Trek ik deze lijn met betrekking tot Barïh, dan zie ik dat ze geregeld blijft stijgen, en reeds een beduidende hoogte bereikt bij 't einde van Baeth's 45ste levensjaar, maar dat ze daarna echter plotseling zeer sterk daalt om evenwijdig aan de grondlijn voort te loopen tot het einde der vorige eeuw, waarna ze tot zijn overlijden in 1809 geregeld blijft dalen.

Van waar die plotselinge daling in 1773 toen 't zich liet aanzien dat de lijn hare stijgende beweging zou voortzetten en een zeer hoog punt bereiken ? Van waar dat Baeth, die op den weg der beroemdheid scheen te zijn niet meer is geworden dan een man van eenige beteekenis en dat tijdens zijn overlijden ziju naam buiten den kring van verwanten en vrienden nagenoeg vergeten was ?

De breve «Dominus ac Redemptor» is hiervan de uitsluitende oorzaak. Zij vernietigde de Orde der Jesuïten en tegelijk de geestkracht op wetenschappelijk gebied van pater van Berkel, die zich zóó één met haar, zóó deel van het geheel gevoelde. Barth was Jesuit. Hij had zijn levensdoel gekozen : als Jesuit tot zijn dood te dienen «ad majorem Dei gloriam». Dit levensdoel werd hem ontnomen. Priester zou hij echter blijven ; 't was zijn troost nu hot nog hoogere idéaal waarnaar hij gestreefd had, verdwenen was!

Als wij Barth's levensgeschiedenis nagaan, dan merken wij reeds in het kind dat groote plichtsbesef op, dat den man in zijn verder leven zou kenmerken. God had hem groote ziels-en geestesgaven geschonken Reeds als knaap spande Barth zich in om ze vruchtbaar te doen zijn.

En hiorin is hij geslaagd. Zijn Antwerpsche leermeesters zagen

ocr page 55

43

den talentvollen wel onderwezen jongeling, wiens Godsvrucht en ijver ze bewonderd hadden, met gerustheid vertrekken om liet gevaarvolle studentenleven aan de universiteit aan te vangen. Zij begrepen dat zijn plichtsbesef den jongen man zou behoeden voor afdwalingen en dat uit hun leerling een braaf mensch, een nuttig lid der maatschappij zou groeien. Wellicht — de Jesnïton zijn menschenkenners en weten karakters te doorgronden — hebben zij bij 't luide uitgesproken «vaarwel» in stilte gedacht «tot weerziens».

En zij zagen hem weer! Zijn hart trok hem naar de Orde van Ignatu's, die hij had loeren kennen en des, met zijn eerlijk, edel gemoed, leeren beminnen en bewonderen. Hij begreep dat bij geen beter gebruik kon maken van de gaven van God, dan door ze aan te wenden tot meerder eer van den Gever.

Hij deed dit met geheel zijn hart, met geheel zijne ziel. Zijn plichtsbesef was nu opgevoerd tot zelfverzaking. Dit was immers nu plicht geworden, nu hij deel uitmaakte van de vereeniging, die zich zóó terecht de Hocieteit noemt van den zelfverloochenen-den Jesus!

Hij deed 't met goeden uitslag. Zijne talenten ontwikkelden zich en kwamen tot hun recht; zij strekten tot nut van de Orde en dus van do Kerk. Debetrekkingen door de Overheden aan Barth opgedragen, werden voortdurend belangrijker en de pater begon onder zijn verdienstelijke ordesgenooten een der eerste plaatsen in te nemen. Door als schrijver op te treden breidde hij zijn werkkring ook buiten de kloostermuren uit.

Onverwacht nam deze loopbaan een einde. De suppressiebreve rukte Rvrth uitzijn veelom vattenden verheven werkkring. Hem werd de roem ontnomen, die hem bij de menschen wachtte.

Maar niet de roem die God hem na dit leven had voorbereid ! Immers hij bleef priester en zou de verdiensten blijven genieten aan dit hooge, zegenrijke ambt verbonden.

Waarschijnlijk zelfs heeft Christus, die ons 't voorbeeld van onderworpenheid heeft gegeven, met nog meer welbehagen neergezien op den Delftschen priester die voor 't nederig huisaltaar 't «fiat voluntas lua» bad, dan vroeger op den gevierden kanselredenaar die door zijn bezielend woord de Maastrichtsche geloo-vigen stichtte.

«Fiat voluntas tua■■. Deze bede zou den priester, die van den rang van concionator festivus, van praefectus gymnasii plotseling

ocr page 56

44

was gedaald tot dien van huiskapelaan, bij voortduring op de lippen blijven — zes en dertig jaar lang. De Heer had hem een prachtigen werkkring gegeven. De Heer had hem dien ontnomen.

Harth zegende Zijnen naam! Berustend droeg de pater de slagen die zijne Orde getroffen hadden, en hem in haar.

Een gewoon sterveling zou ontevreden geweest zijn, zou geklaagd hebben over zooveel onverdiend leed. t

Maar niet alzoo Barth. Hij was immers Jesuit! En dus was gehoorzaamheid, opgevoerd tot volstrekte onderwerping, een zijner eigenschappen!

lederen dag biddende voor het herstel der Orde, maar onderdanig aan 't bevel van den Paus, zij 'tdan ook dat dit met tegenzin gegeven was geworden, leefde de pater voort onder zijne familieleden en vrienden, goed stichtende waar hij dit in zijn beperkten kring kon doen, als 'tware vergeten in de groote maatschappij waar zijn naam had kunnen klinken.

Maar niet vergeten door God, die in 1809 Zijnen dienaar opriep om hem te beloon en. Wellicht nog meer voor diens »

berusting in de tweede helft zijns levens dan voor al zijn andere deugden.

Hierboven is opgemerkt dat de Societeit plaats aanbiedt voor ieder soort van aanleg; voor den wijsgeer, den theologant, den diplomaat, den redenaar, den administrateur, den missionaris,

voor den zieleherder. Al deze richtingen toch zijn in de Orde vertegenwoordigd.

Een Jesuit doet zonder tegenstreven wat hem wordt opgedragen, al meent hij dat zijn aanleg hem voor de opgedragen taak minder geschikt doet zijn, al strookt deze in 't geheel niet met zijne neigingen. En zoo zou Bakth ongetwijfeld met ijver en tevredenheid lederen werkkring waartoe hij geroepen zou zijn, hebben aanvaard en volgens zijn beste weten hebben getracht te vervullen, al had hem dit ook de uiterste inspanning gekost.

De Oversten der Jesuïten zijn echter mannen met groote menschenkennis en de langdurige beproeving waaraan de jongere leden der Orde onderworpen zijn, heeft onder meerdere dit voordeel dat van lederen pater bekend is, waarvoor hij geschikt is, wat hij waard is.

En zoo wordt, tenzij de omstandigheden dit beletten, wat bijvoorbeeld in de missiën dikwerf 't geval is, iedere pater bij

ocr page 57

45

voorkeur belast met de taak, waarvoor hij 't beste berekend is. Zóó wordt 't meeste voordeel getrokken uit die mannen welke zich immers zonder voorbehoud geheel aan de Orde gegeven hebben.

Bartu werd dus niet uitgezonden om in overzeesche landen de heidenen te bekeeren; eene taak die hij met opgewektheid zou hebben aanvaard, maar waarvoor zijne geschiktheid gering, zijn gestel niet sterk genoeg scheen.

Hij bezat de gave des woords in hooge mate; dus werd hij feestredenaar in de Maastrichtsche Jesuïten kerk. Goed taalkundige, werd hij eerst belast met 't onderwijs in de Fransche taal en op rijperen leeftijd moest de man, die Latijn sprak en schreef als Cicero, het gijmnasium besturen. Zijne liefde voor boeken kon hij toonen als bibliothecaris. Zijn schrijverstalent deed hem geschikt zijn voor den arbeid der jaarverslagen; zijn rechtskennis voor de betrekking van raadsman des rectors. Zijn schitterende theologische studiën moesten vruchten dragen; dus werd hij belast met 't schrijven van godgeleerde werken. Goed musicus, verdienstelijk vioolspeler, werd hij aangewezen om de oefeningen der jeugd op't gebied der toonkunst te leiden. Zijn dichterlijk talent mocht niet verloren gaan; zijn weinige vrije uren werd 't hem vergund aan de poëzie te wijden.

Werden dus zijne kundigheden en talenten benuttigd; niet minder word er partij getrokken van zijn ziels en gemoeds eigenschappen.

De welwillende, vriendelijke, gemoedelijke pater moest een geschikt prefect zijn voor cene congregatie, een uitnemend biechtvader voor de burgerij. De man die zoo zielsveel hield van kinderen, werd natuurlijk aangewezen om de schoolknapen te helpen opvoeden. Opgewekt en vroolijk, was de pater bijzonder geschikt om. onder dc scholieren dien tevreden goeden geest te onderhouden, welken dc Jesuïten in hunne scholen verlangen. Geestig, ja guitig — zijn brieven en gedichten en zelfs enkele preeken getuigen er van — maar nooit scherp, boeide hij door aangenamen kout de jongelieden, die zich tot hem aangetrokken gevoelden en gaarne naar zijn onderhoudende gesprekken luisterden. Daardoor was hij in de gelegenheid hen schertsenderwijs op hun kleine gebreken opmerkzaam te maken, 'tgeen met veel williger ooren werd aangehoord, dan wanneer het ernstig vermanenderwijs was geschied.

ocr page 58

46

Bestond er geen gevaar dat do priester, die op betrekkelijk jeugdigen leeftijd zóóveel onderscheiding genoot, zóóveel eervolle ambten vervulde, door hoogmoed zou worden bekoord?

Wie deze vraag stelt, kent Barth niet, den eenvoudigen, nederigen man. Maar vooral, hij kent niet den geest, die heerseht in de Orde, waarvan 't eene lid heden de hoogste betrekkingen vervullende, morgen blijmoedig weer als gewoon pater dienst zal doen, terwijl een ander, wien men een Bisschopszetel had toegedacht, verheugd is dat hij dien niet behoeft te bezetten. IJdelheid en hoogmoed treft men niet aan in de Societeit Jesu, die «Soli Dei gloria» als leus heeft aangenomen.

De breve «Dominus ac Redemptor» verscheen. Op Pauselijk bevel daalde Baetholomaetjs af van zijn kansel en scheidde hij van zijne leerlingen die hem zoo dierbaar geworden waren. Hij verliet kerk, klooster en school, waar hij zich zoo gelukkig had gevoeld! Voortaan zou hij als nederig priester wonen in zijn geboortestad in den kring zijner familie en vrienden, geen gelegenheid meer hebbende om zooveel nut te stichten als hem te Maastricht met zijn groote werkkracht mogelijk was.

Moeten wij als Roomschen :t betreuren dat Clemens XI\, om grooter onheil te voorkomen, zich genoopt heeft gevoeld, de Societeit op te heffen, waardoor der Christenheid en der maatschappij onberekenbare schade is toegebracht; moet het ons in het belang onzer geloofsgenooten leed doen dat Barth oven als zijn ordebroeders uit zijn nuttigen werkkring is gerukt; als leden der familie van Berckel, als afstammelingen van Adrianus Josei'iius mogen wij daarentegen dankbaar erkennen dat, wat eene ramp is geweest voor alle anderen, ons ten goede is gekomen.

Barth, die van de familie geen deel meer uitmaakte, is tengevolge van de opheiiing zijner Orde in den schoot van zijn vorig gezin teruggekeerd, waar hij zich gewijd heeft aan de opvoeding der kinderen zijns broeders. Dat Hendrik, onze grootvader, en Arnold, onze oudoom, zulke uitstekende Christenen zijn geweest, is stellig grootendeels een gevolg van deze opvoeding.

Door hen is de geest van Barth in hun afstammelingen blijven voortleven!

Toen de brave priester op zijn sterfbed lag, dankte hij God, dat deze hem had toegestaan vóór zijn verscheiden den eersteling van Hendrik te kunnen zegenen.

ocr page 59

47

Deze daad was van f^roote beteekenis.

In dien eerstgeborene, 't aanstaande hoofd der familie, heeft do stervende hot geheele nageslacht gezegend.

Tot ot3 't laatste oogenblik zijns levens heeft de grijsaard met liefde en zorgzaamheid gedacht aan ons, die na hem zouden komen.

Pater Bartholomaeus heeft dus, behalve op onze achting, aanspraak op onze dankbaarheid.

En van deze kan de familie van Rerckel geen beter, geen aan Bartholomaeus aangenamer blijk geven dan door te blijven,— even als hij, — altijd en in alle omstandigheden; (jelrouw aan Rome.

ocr page 60

Aanteekeningen en toelichtingen op het voorgaande.

(1) Het is mijn voornemen de door mijn vader nagelaten aantoekeningen door verdere nasporingen zooveel mogelijk aan te vullen.

(quot;2) Al is do meest aanneemlijke onderstelling dat het schaap in ons familiewapen afkomstig is van liet geslacht van Bulitene, het is zeer wel mogelijk dat de quartelleeiing van ons wapen cene andere oorzaak heeft. Zie Bijlage Jgt;.

(?,) De wetenschap dat de Delftsche Schepen Dikc Claisz van B. eene fondatie heeft gedaan in de St. Ursula-kerk te Deljt, danken wij aan onzen neef Pastoor Karel van B., die dit in de oude boeken dezer kerk heeft ontdekt.

(4) Uit een brief, dien ik 't voorrecht had van den geleerden pater H. J. Allard S. J. te ontvangen, schrijf ik't volgende over; «Ik vind ouder de alleroudste Jezuïeten in Nederland »een pater Joannes Bfju keuus = Joannes van Bkrckel, , die in 1576 te Leuven overleed. Over hem schrijft zijn tijd-«genoot, de beroemde pater Oliverius Manareus = Olivikr «Manar, een leerling van St. Ignatius en sinds 1551 Jezuïet, .in zijn «de rebus Societatis Jesu commentarius» (eerst in .1886 te Florence in druk gegeven) het volgende: Pater .Joannes van Berckel Dr. Theol. werd, na veel gezwoegd .te hebben, uit Doornik naar Leuven gezonden, in de hoop .dat eene verandering van luchtgesteldheid aan 't herstel «zijner gezondheid bevorderlijk zou wezen. Maar't behaagde «den Allerhoogste hem uit den arbeid, voor Zijne glorie «ondernomen, naar een beter leven op te roepen. Hij stierf «ten jare 1576 aan het water. Hij was een man van groote .Godsvrucht en zielekracht» enz.

ocr page 61

49

(5) Dc lieer J. N.Veesciiook ie Delft gaf mij welwillend inzage van eene oorkonde betreflende een executorialen verkoop van land in 1 ii'2-i op last van Schout en Gezworenen van liet Ambacht Hof van Delft. Uit zijne handteekening blijkt dat een van Bkrckkl toen Ambachtsbewaarder was. Later vond ik op't stadhuis te Delft t en andere oorkonde dd. 1632, ook door van Hkjukkl geteekend als Ambachtsbewaarder van Hoj van Delft (Lade A catalog, (ij. En hieruit volgt in 't geheel niet dat deze onroomsch zou zijn geweest. Immers, ondanks de plakkaten waren er destijds op ;t platte land van Delfland, — niet in de steden — nog vele Koom-schen in de besturen. In Knuttel 1 Mijl. A vinden wij eene lijst van de Koomsche ambtenaren op 't platte land in Holland, den ITden September 1658 in de vergadering der Staten van Holland overgelegd. Daarin lezen wij dat destijds in Ihf ran Dilfl «cenigo licgi-nteii» Itooniseh waren.

Ik deel dit thans mede, uitsluitend om deze ontdekking, die kan leiden tot de kennis van andere bijzonderheden, voorloopig tegen vergetelheid te waarborgen.

(6) Een uittreksel uit den brief van Makküli.ide aan Rovenius kan men vinden in Bijlage E, waarin men tevens eenige bijzonderheden zal aantreflen die een beeld geven van den toestand waarin de Delftsche Roomschen in het begin der XVlIde eeuw verkeerden.

(7) De lijst der familieportretten is gegeven in Bijlage 1).

De brieven, papieren enz. zijn voor een gedeelte vernield in de Bijlagen A en C.

(8) Monseigneur Forgki i: dankte blijkbaar zijn titel aan't feit dat hij behoorde tot de Uomeinsche prelatuur.

In de «geschiedenis van Antwerpen» door Mertens en Tores Vill pag. 182 vond ik het arrest van het Directoire waarbij Forgeur verbannen werd.

Paris, le 14 Brumaire i'an septde la Kópublique Fraiu;aise «une et indivisible

lt;■.........Congidèrant enfin, que la tranquillité

«publique ne pourra jamais renaitro ni se consolider dans «les Départements réunis tant (ju'ils seront soumis a 1'in-«lluence de ces êtres pervers.

«Arréte en vertu de Partiele 24 de la Loi du 19 Fruc-«tidor;

4

ocr page 62

50

«Art. 1.

«Seront arrétés et déportés hors du territoire delaRépu-• blique les prêtres du Département des Deux NHhes ci-après «nommós.»

Volgt eene lijst van 1000 geestelijken, waaronder 262 uit het kanton Antwerpen. Onder deze laatsten vind ik .Joseph

Forgeur — professeur».

Welk kwaad had Forgeur verricht? Wet welk recht noemt het Directoire hem een «êtro pervers»? Hij had geweigerd den van hem verlangden eed af te leggen! Toen Antwerpen deel uitmaakte van Frankrijk, golden daar de wetten der republiek, die aan de priesters den ongeoorloofden eed voorschreven. Slechts dertien van de vele Antwerpsche priesters legden den 25sten Januari 1798 dien eed af, waarvan het gevolg natuurlijk was dat de geloovigen hen niet meer als herders erkenden. Al de anderen weigerden, wetende dat ze zich daardoor in levensgevaar brachten, want al spreekt het arrest van het Directoire slechts van gevangenneming en deportatie en al werd sinds Robespierre's val de eedsweigering niet meer gestraft met den dood, er waren nog bloeddorstige priesterhaters genoeg in hooge betrekkingen en volksmenners hadden nog genoeg invloed, om de positie van een gevangen priester hoogst gevaarlijk te doen zijn.

In genoemd boek lees ik op pag. 479 de volgende beschrijving van den toestand: «De onbeëedigde geestelijken, die .zich allen hadden moeten verbergen, lazen misse op de ..zolders en in afgezonderde kamers van gesloten huizen , .een klein getal geloovigen uit de buert, wier bescheiden-.heid beproefd was, werden tot zulke godsdienstoefeningen • toegelaten. Het was een benauwde tijd voor de godsdienst

-en hare bedienaars».

Laat ons nagaan hoe oud onze grootmoeder kan zijn geweest toen ze als klopje te Antwerpen dienst deed?

Hoewel den 21sten September 1797 «alle hoegenaamde godsdienstoefening» te Antwerpen verboden was,zoo schijnt toen den priesters nog geen bepaald gevaar te hebben bedreigd. Dit gevaar is voor de.onbeëedigden begonnen den 25sten Januari 1798 en is zeer ernstig geworden na het arrest van het Directoire, hierboven vermeld (14 Brumaire VII —4 November 1798). Het heeft meer of minder hevig

ocr page 63

5t

voortgeduurd tot den 3den Maart 1800, toen de Afarkics d'IIeubonyiu.k optrad als Prefect en den Godsdienst herstelde. Maar reeds had een paar maanden te voren Napoleon Bonaparte als Consul provisoire zijn invloed ten goede aangewend. Gijsbeuta nu is den 3den October 1786 geboren. Zij heeft dus de verdrukking te Anticcrpen beleefd van af 11—lo '/„-jarigen ouderdom en deze is 't heftigste geweest toen zij twaalf jaar was.

(9) Het door de Societeit Jesu aan onzen grootvader geschonken zilveren reliquieënkastje is thans het eigendom van onzen neef Alex, van Wauenbukg.

(10) De afstammelingen van Adiiianus Josepiius, die den geestelijken staat omhelsd hebben, zijn:

2de generatie:

Julie van Beekel dochter van Arnold, Visitandine (overleden te Brussel).

ode generatie:

Petrus Steins Bisschop, pater S. J., professor te Maastricht.

Eugène Steins Bisschop, pater S. J., rector van het gymnasium te Amsterdam.

Kakel van B., pastoor te Xibhixtuoude.

Anna van B., Orde van den Goeden Herder (overleden te Leiderdorp).

Martha van B., Franciscanes te Breda.

Jennij Steins Bisschop, Filles de la Croix (overleden).

Marie Dommer van Poldersveldt, ïilburgsehe zusters van lietde, te Utrecht.

Josephine van B., Franciscanes te 's Gravenhage.

Deze zijn kleinkinderen van Mr. Hendrik ; van de kleinkinderen van Arnold hebben het kleed der geestelijken aangenomen:

Arnold Borret, pater Redemptorist (overleden\n Suriname).

Louise Borret, Visitandine.

4de generatie:

A an de achterkleinkinderen van Mr. Hendrik hebben reeds hunne bindende geloften afgelegd:

Theodoor Beiigansius, Kapelaan te Amsterdam.

Dora Bergansius, ürsuline te Venraij.

Marie Steins Bisschop, Ordre du sacré Coeur te Bennehroek.

Marie Minderop, Filles de la Croix te Luik.

ocr page 64

Mr. 11. A. A. van Berckel was con veelzijdig ontwikkeld man. Goed rechtskundige, linguist en historicus, beschikte hij over een zeer uitgestrekt veld van onderzoek. Met hart en ziel Christen en Hollander, gevoelde hij zich bijzonder aangetrokken tot de studie dor oud-llollandsche toestanden gedurende de middeleeuwen. Thans is daarover reeds zeer veel geschreven, maar mijn vader is een dor eersten geweest die gevoeld hebben, hoe zeer onze voorouders in het zoogenaamd duistere tijdperk vóór de hervorming aanspraak hebben op onze waardeering. De rechtstoestanden waren 't vooral die hem, den rechtsgeleerde, levendig belang inboezemden. En op oen tijdstip toen nog slechts enkelen aan deze studie dachten, verzamelde mijn vader de gegevens voor een groot werk «Beginselen van het Oud-Duitsch «of zoogenaamd Middeneeuwsch regt». Indien dit boek dat zijne voltooiing begon te naderen toon do schrijver overleed, het licht had gezien, dan zou Mr. H. A. A. van Berckel thans onder de voornaamste rechtskundige auteurs genoemd worden Want, zooals mij van bevoegde zijden verzekerd is, was mijn vader in zijn tijd dc beste kenner van 't Oud-Hollandsch recht. Thans bestaat over dit onderwerp echter reeds voel litteratuur.

Men meene niet dat mijn vader uitsluitend oude boeken cn oorkonden bezigde als bronnen bij zijn onderzoek. Mot dezelfde belangstelling, waarmede hij dagen doorbracht in de studeerkamer of een archief vertrek, hield hij gesprekken met de boeren op 't platte land om uit hun mond oude spreekwijzen, gewoonten of opvattingen te loeren kennen, waardoor hij aanwijzingen verkreeg die de opgedane boekenwijsheid aanvulden. In hot volksleven zocht hij de overblijfselen van de oude toestanden en, goed opmerker, wist hij, verband brengende tusschen de waargenomen heden-daagsche feiten en 'tgeen vóór eeuwen geschreven werd, do oude rechts en volkstoestanden te roconstrueeren. Voor

hem was dc geschiedenis geen opsomming van feiten, namen

on data, 'tonde recht geen lijst van wetsbepalingen. Hij

leefde mede met de rechters en do berechten, met de heeren

cn de onderdanen, met do poorters on de dorpers.

Hij zag met zijn geestesoog de middeleeuwsche toestanden

even helder, als wij de huidige. En zijn door de studio der

ocr page 65

53

klassieke en der Christelijke kunsten ontwikkeld gevoel deed hem bij veel 'tgeen oppervlakkig zeer gewoon en prozaïsch scheen, iets dichterlijks, iets schoons opmerken, wat hij zich dan beijverde in ;t volle licht te stellen.

Dat J. W. Hofdijk, die den lezer in «Ons voorgeslacht» als 't ware alle tijdperken met onze voorouders doet meeleven, er prijs op gesteld heeft, vele bladzijden over te nemen uit «Een Hollandsch dorp in de XlVe eeuw», is dan ook zeer begrijpelijk.

En is 't te verwonderen dat in het levensbericht van Mr. H. A. A. van Berckkl, voorkomende in de verhandelingen van de Maatsch. der Ned. letterk. 1868, door Alberdingk Thijm kon worden getuigd?

«Vooral de politieke en jndiciëele zijde van de levensform «der Nederlandsche maatschappij heeft van Hkuckel tot «het voorwerp zijner studiën gemaakt, en telkens wist hij «de vruchten van zijn onderzoek zoo handig in de natuur «en het volksleven te retrempeeren, dat zijne betoogen «waarlijk schilderijen geworden zijn, tintelend van nog «frisscher kracht dan de laatste doeken van Ai.ma Tadema».

Dit was het oordeel van den grooten Tui.im. Maar niet alléén van hem! Bijna woordelijk is het overgenomen in het zeer korte levensbericht van mijn vader, voorkomendein het biographisch woordenboek der Nederlanden van A. J. van der Aa, voortgezet door van Harderwijk en Dr. Scuotei..

Dat deze warme bewonderaar van de oude Christelijke maatschappij een tuanr Christen is geweest, dus een oprecht geloovige, een verdraagzaam, beminnelijk, eenvoudig, tro-moedelijk man, ligt, dunkt mij, voor de hand. Eu dat hij de achting heeft genoten van allen die hem gekend hebben, Roomschen en Onroomschen, hooggeplaatsten en ondergeschikten, geleerden en ongeletterden, is zeer begrijpelijk. Vrienden had de edeldenkende man vele; vijanden geene.

(12) In den eersten tijd van hun huwelijk, vóór zij het huis naast de brouwerij betrokken, hebben onze grootouders gewoond in één der beide huizen met hooge stoepen staande aan de Rottcrdn/nschc poort tusschen de lüjksmagazijnen en thuis waar mijne moeder als weduwe gewoond heeft.

(13) Het door Hauk gemaakte portret van Barth heb ik uitvoerig beschreven ia Bijlage C'.

ocr page 66

54

(14) Het olieverf portret voorstellende de familie groep bestaande uit Martinus van B. en zijn gezin, is het eigendom van onzen oom Jan.

(15) De olieverfportretten van Martinus en diens tweede vrouw, door mij vermeld in Bijlage D, bevinden zich bij mijne zusters Bertha en Clara.

(16) Van al de door mijn vader opgenoemde aan Martinus toebehoord hebbende voorwerpen is niets meer te vinden. Ook de etsen, 'tgeen overgebleven was van do muziek en de bibliotheek en het tulpenkastje zijn opgeruimd geworden.

(17) Mijn vader geeft als sterfdag van Matinus op 12 Juli 1758. Ik heb in mijne chronologische tafel den datum 7 Juli 1758 opgegeven ingevolge eene aanteekeaing in eene lijst van sterfdagen van de hand van onzen grootvader. Den 12 Juli schijnt echter Martinus te zijn begraven in de oude (protestantsche) Hitpolijtus kerk te Deljt, waar het familiegraf was. Blijkens eene aanteekening van mijn vader heeft hij dit in de grafregisters gevonden. Een bidprentje van Martinus is niet aanwezig.

(18) Er is eenige tegenstrijdigheid in de mededeelingen mijns vaders, als mag worden aangenomen, — wat ik voorzeker houd, — dat Barth in 1748 student is geworden te l 'triicht. Immers, dan kan hij, indien hij werkelijk in 1744 naar Antwerpen is gegaan, daar geen vijfjarigen cursus doorloopen hebben. Zie ter zake de door mij in de toelichting tot de chronologische tabel gemaakte onderstellingen.

(19) Opmerkelijk is het dat de familie d'Oultremont die in Holland eenige goederen bezat, waarvan de opbrengsten op haar verlangen gebezigd moesten worden voor liefdewerken, het beheer van een en ander heeft opgedragen aan onzen grootvader, na wiens dood zijn zoon Willem de administratie is blijven voeren. Zou er verband bestaan tusschen dit feit en de omstandigheid dat de oom van onzen grootvader de lijkrede van quot;den Bisschop d'Oultremont heeft uitgesproken, waardoor de naam van Berkel bij die familie is bekend geworden ? Heeft, toen die familie een vertrouwd Hollander zocht om haar bij de liefdewerken behulpzaam te zijn, 't feit dat Mr. Hendrik de Jesuïten goederen te Leiden beheerde, haar er toe aangespoord, tot hem het verzoek te richten om ook hare goederen te beheeren?

ocr page 67

55

(20) Zeer treffend is het thans, in 1897, te lezen wat mijn vader vóór 18615 geschreven heeft naar aanleiding van de in 1771 door Barth gehouden lijkrede op zijn Bisschop. Waarlijk er is overeenkomst tusschen de maatschappelijke toestanden nu en toen!

(21) De vraag wat er tusschen de suppressie der Orde en't jaar 1792 met Barth gebeurd is, heb ik getracht te beantwoorden. En ik meen hierin te zijn geslaagd. Van mijne nasporingen en de gemaakte gevolgtrekkingen heb ik verslag gegeven in de toelichting tot de chronologische tafel.

(22) Betreffende de door Ovijn aan Barth geschreven brieven deed ik uitvoerige mededeelingen in Bijlage C. En onder de gedichten, vermeld in Bijlage B zal men ook 't een en ander betreffende Ovijn vinden.

(23) De vraag in welke kamer van het groote huis (bezuiden de brouwerij) Barth Mis heeft gelezen, wordt besproken in mijne toelichting op de chronologische tafel.

(24) Op grond van nasporingen meen ik 't voor zeker te mogen houden dat Baktji nooit te Leiilen een geregeld voortdurend verblijf heeft gehouden. Zie dienaangaande mijne toelichting op de chronologische tafel.

(25) Er wordt ondersteld dat pater Boetens bij zijn testament de Leidsche Jesuïtengoederen aan pater Barth heeft vermaakt.

(2(5) Over 't codicil betreffende de Leidsche Jesuïtengoederen kan men 't een en ander vinden in de toelichting tot de chronologische tabel.

ocr page 68

CHRONOLOGISCH OVERZICHT

van

HET LEVEN VAN BARTHOLOMAEUS.

17quot;2S. 21 Juli. — Bartholom.veus wordt te gedoopt. Ouders:

IMartinus van Beukel en Gi.tsbeiita van der Stoop. 1782. 30 Januari. — Overlijden van zijne moeder.

17-5o. 23 Juli.— 1 Tij leurt den eersten steen der nieuwe St. Josepiis-kerk te Delft.

1744. (of 1748?) Hij vertrekt, na te Ddft de IloUandsche en Fransche school te hebben doorloopen, naar 't internaat der Jesuïten (convictus nobilium) te Antwerpen voor de studie der humaniora.

1748. Hij verlaat hot convict te Antwerpen en wordt student in de rechten te Utrecht, waar hij bij Et. Wiers op de Neude woont.

17411. ó Februari. — I lij deelt per brief /.iju voornemen om priester te worden mode aan zijne stiefmoeder.

» 7 Februari. — Zijn vader geeft hem schriftelijk de gevraagde toestemming ora priester te worden.

19 April. — Hij wordt als novicius der Jesuïten Orde aangenomen in het profeshuis te Antwerpen.

21 April. — Begin van zijn noviciaat te Mcchelen. 19 Mei. — Hij teekent tc Mechel en in liet album noviciorum.

1751. (22?) April.—-Hij legt tc Mcchelen zijn eerstegcloften af. » November.— Hij verlaat Mcchelen en begint te-l aiiverpen

zijn philosophische studiën.

1752. 21 September. —• 1 lij ontvangt te Antwerpen van den Bisschop van Antwerpen de tonsuur en de lagere orden.

ocr page 69

O i

1752. 11, 12 en 13 December. — Hij verdedigt te Antwerpen in 't publiek theses betreffende logica en metaphijsica.

1753. 7 Augustus. — Hij verdedigt te Antwerpen in 't publiek theses betreffende de philosophic — logica, metaphijsica, phijsica generalis et specialis.

» Hij wordt surveillant in het convict te Antwerpen, welke betrekking hij tot 1757 behoudt.

1757. 1 November. — Hij is leeraar in de Fransche taal en directeur der muziek en van de speelplaats in het convict te Antwerpen.

1758. 7 Juli. — Overlijden van zijn vader.

1759. 1 November — Hij verlaat. Antwerpen en begint ie Lemen zijn theologische studiën.

17G2. (gt; Maart. — Hij ontvangt te Leiwen van den Aartsbisschop van Mechelen het subdiaconaat.

5 Juni. — Hij ontvangt te Leuven van den Bisschop van Antwerpen (bij afw. van den Aartsbisschop) het diaconaat. 18 September. — i lij wordt te Leuren door den Aartsbisschop van Mechelen tot priester gewijd. 22 September.— Hij draagt te Delft zijn eerste H. Mis op.

14 December. — Hij verdedigt te Leuren in ;t publiek theologische theses.

17()o. 26 en 27 Juli — Hij verdedigt te Leuven in 't publiek theologische theses.

17(i4. 15 Mei. — Teruggekeerd in het convict te Antwerpen, ontvangt hij van den liisschop van Antwerjten de bevoegdheid tot biechthooren en prediken.

17(5(5. Tusschen en 15 Augustus (blijkens een notarieele acte was hij den 9den Augustus nog te Antwerpen). Hij vertrekt van Antwerpen naar het college te Mandrieht.

15 Augustus. — Hij spreekt te Maastricht zijn plechtige professie uit.

1 November. — Hij is feestprediker, prefect der congregatie van den zaligen dood, raadsman van den rectoren biechtvader voor de burgerij in het college te Maastricht.

1769. 1 November. — Hij is onderoverste (minister domus), zondagsprediker, directeur van den gezondheidsdienst en do muziek, bibliothecaris, biechtvader voor de burgerij en belast met do jaarverslagen (curat litteras annuas) in het college te Maastricht.

ocr page 70

58

1770. 1 November. — Hij is onderoverste, feestprediker, prefect van het gijinuasium, directeur van den gezondheidsdienst en de muziek, bibliothecaris, biechtvader voor de burgerij, belast met de jaarverslagen en schrijver (scriptor) in het college te Maastricht.

1771. 5 December. — Hij spreekt te Maastricht de plechtige lijkrede uit betreffende den Prins-Bisschop van Luik, Graaf d'Oultremont.

1772. 1 November. — Hij vervult in het college te Maastricht dezelfde betrekkingen als in 1770. behalve die van onderoverste.

1773. (datum onbekend.) Het door hein geschreven boek: Geestdi/ke samenspraecke over de scrupulen enz. naar Fraula verschijnt te Brussel in druk.

21 Juli. — Onderteekening der Breve «Dominus ac Redemp-tor» door Paus Clemkns NIV (Volgens Hkhgen'röther en meerdere auteurs, doch IIiffel en anderen geven 23 Juli).

» 1 September. — Hij spreekt als prefect van het gymnasium te Maastricht bij de prijsuitdeeling zijn laatste Latijnsche redevoering uit.

» 23 October. — De Suppressiebreve wordt door Pastoor H. Wouters in het college te Maastricht gepubliceerd. De Latijnsche school wordt gesloten.

24 October. — Hij houdt zijn laatste prediking in de Jesuïtenkerk te Maastricht die, even als het klooster, dien zelfden dag gesloten wordt.

25 October. — Na de seculiere kleeding te hebben aangenomen, verlaat hij het klooster en gaat te Maastricht wonen bij den koperslager Eijmael op de Markt.

1774. Zomer (? Datum onbekend.) — Hij vertrekt van Maastricht naar Delft, waar hij gaat inwonen bij zijne stiefmoeder in 't huis bezuiden de brouwerij de P; thans pastorie.

1777. 4 Mei. — Ten gevolge van het overlijden van den gese-culariseerdcn pater S. J. Petrus Boetens, die de Leidsche Jesuïtenstatie bezet had, komt het beheer der goederen van deze statie onder Bartholomaeus. Deze blijft echter te Delft wonen.

1784. Januari. — Hij houdteen korten tijdverblijf te Utrecht wegens de ziekte zijner schoonzuster, na wier herstel hij naar Delft terugkeert. Den oden Februari bevindt hij zich weder te Deljt.

ocr page 71

59

1784. Ziju portret in gekleurd krijt wordt gemaakt door ÏIenricus Antoniüs Baue.

1790. 16 Januari. — Overlijden van zijne stiefmoeder. Hij blijft echter met zijne zuster Aletta in 't zelfde huis wonen.

1792. 6 Juni. — Hij ontvangt van den Aartsbisschop van Xisihe. Hoofd der missie, Caesar Brancadoro jurisdictie = verlof tot biechthooren in do 1 lollandsche missie. Deze machtiging is later door Bbancadoro's opvolger Alovsius Ciamiïerlani vernieuwd.

1793. Zijn silhouette wordt gemaakt door J. F.

1797. 20 April. — Overlijden van zijne zuster Aletta Francisca, met welke hij samen woonde.

1798. 20 Januari. — Hij maakt te Delft een notarieel testament, waarin met 't oog op de Leidsche Jesuïtengoederen een • clausule reservatoir • voorkomt.

1799. 6 Augustus. — Zijn broeder Adbivan huwt ten tweeden male en betrekt het vroeger door Barth met Aletta bewoonde groote huis, dat na Aletta's overlijden vertimmerd is. Hoogst vermoedelijk moet de verhuizing van Barth naar liet benoorden de brouwerij staande kleinere huis omstreeks dezen tijd hebben plaats gehad.

1802. Blijkens de overgebleven rekeningen van huishoudelijken aard voert hij thans zijn eigen huishouding. Wellicht heeft hij dit reeds gedaan sinds Aletta's overlijden of sinds Adriaan's tweede huwelijk. Thans woont hij dus stellig reeds op zich zelf. Hij sukkelt met zijne gezondheid, wat waarschijnlijk ook reeds vroeger 't geval is geweest.

1806. 18 Januari.— Hij bepaalt ingevolge de clausule reservatoir in zijn testament bij condicil, door wien na zijn overlijden de goederen der Leidsche Jesuïtenstatie zullen worden beheerd.

1809. 10 September ten 5 ure 1'. M. Overlijden van Bartholomaeus in de tuinkamer, genaamd «het zaaltje gt;, van het door hem bewoonde kleinere familiehuis benoorden de brouwerij de P. te Bolfl.

ocr page 72

TOELICHTINGEN

op de

Chronologische tatVl en nadere bijzonderheden, niet voorkomende in het voorgaande levensbericht.

Bartholomaeus is den 21 Juli 1728 gedoopt, zoo als blijkt uit het on der volgende extract uit liet thans te IVeert aanwe/.ige doopboek van pater \Valterus Moi.emans. van 1711 tot 17o0 Hoofd der Franciscaner statie te Delft — de Sr. Josephs kerk

«Anno 1728. Mense Jnlii 21. Bahtholomaeusfil: leg: Martini «vax Berckel, et Gisbertae van der Stoop, Snsc; Apollonia

. wlttebol

Deze Apollonia Wittebol was de moeder van Martinus. Door Barth wordt zijne grootmoeder in zijne aanteekeningen A. Paardecooper genoemd en nooit Wittebol. Zij heeft dus de beide namen gedragen, 'tgeen ook door Alberdingk Tiii.im ondersteld is geworden, doch door mijn vader op aanneemlijke gronden betwijfeld is geworden. Ten onrechte, zooals nu blijkt.

Dat Harth den zelfden dag waarop hij gedoopt is, geboren is, kan hoogst waarschijnlijk worden geacht. In ieder geval is hij niet in Juni geboren zooals een historiograaf heeft opgegeven.

Op vijfjarigen leeftijd, den 23 Juli 17oo is door Barth de eerste steen gelegd van de nieuwe St. Josephs kerk die dooide Franciscanen is gebouwd ter vervanging van de oude Jesuïten kerk die te klein geworden was. In een te Weert aanwezig manuscript «Descriptio Stationum Missionis Fratrum Minorum «Recollectorura almae Provinciae Germaniae Inferioris» leest men «1 De Missione Ddphemi — 1783 Tandem obtento Prae-«nobilis Magistratus consensu, aediles, destructo veteri, novum «oratorium exstruere coeperunt, idque ex congregatis tempore «deserviturae nostrae [i. e. ab anno 170'.)] nmmmis».

ocr page 73

01

Een andere hand heeft hieraan toegevoegd «Primus novi «oratorii lapis positus est ab ingenuo juvene Bautholomaeo «van Hehkel, tuin temporis quintum suae aetatis annum agente, «qui postmodum» enz. Bij onze tante Louise worden bewaard het truweeltje door Barth bij die gelegenheid gebruikt en het door hem gedragen schootsvel, liet trofieltje lieeft een afgerond driehoekig zilveren blad. Op het bovenvlak is gegraveerd «5 .laar 2 Dagen out, -— Leij ik den eersten Steen,-—tereeren «godts gebout, — tot dienst van 't algemeen». En als randschrift daaromheen «Bartholomkes van Hekckki, den lio Julij .1733.. Op het ondervlak lezen we «Per te Van Beukkl — u Primus pro Laude Supremi — Positus hic Lapis Est — *Hartholomaek Dei Aquot; jMD('('XXX111 die 23 Julii». Het heft van dit truweel is van sierlijk bewerkt ebbenhout. Terwijl het troffeltje, dat dienen moest om Gods tempel te bouwen, fraai en kostbaar is, bestaat het schootsvel door den jeugdigen arbeider gedragen, uit een ruwe onafgesneden zeemleeren lap. De gedachte die men bij de aanschaffing dezer beide voorwerpen heeft gehad, is echt Christelijk.

Waarschijnlijk heeft Barth op den destijds gebruikelijken leeftijd van 14 jaar zijn eerste 11. Communie gedaan in de St. Josephs kerk te Delft. Gevormd is hij vermoedelijk te Antwerpen.

In het opstel van mijn vader wordt medegedeeld dat Barth de Ilollandsehe en Fransche school heeft bezocht. Er is geen reden om te onderstellen dat dit niet te Delft zou zijn geschied, zoodat mag worden aangenomen dat hij zijne kinderjaren in 't ouderlijke huis — bezuiden de brouwerij de P op de Voordraat te Delft, — heeft doorgebracht.

Mijn vader schrijft dat Barth «op IGjarigen leeftijd, kort «voor de geboorte van zijn halven broeder 11 kriherti's Antonius» — 20 October 1744 — naar het convict te Antwerpen zou zijn vertrokken om daar den gymnasiaal cursus te doorloopen. En verder «zooveel ten minste is zeker, dat de veel belovende •jongeling na te Antwerpen zijn vijfjarigen leercursus volbragt «te hebben, naar Utrecht vertrokken is, om zich aldaar op de «regtsstudie toe te leggen». Dat Barth werkelijk vijf jaren te Antwerpen gestudeerd heeft in de oude lett eren, schijnt te blijken uit 'tgeen hij in het «album novicionum» geschreven heeft bij zijn intreden in dc Sociëteit, nl: «llumanioribus litteris operam

ocr page 74

02

ucledi in convictu Antverpiemi annis quinqne». Maar indien hij werkelijk vijf jaren te Antwerpen heeft doorgebracht, dan moet hij niet in 1744, doch reeds in r74o op vijftien jarigen leeftijd daarheen gezonden zijn. Immers, toen hij in Mei 1749 in de Jesuïtenorde trad, had hij één jaar te l trecht in de rechten gestudeerd, zoo dat hij daarmede in 1748 moet zijn begonnen. Het heeft echter mijne aandacht getrokken dat in den brief dien pater F. de Smet den 27 Februari 1749 aan de ouders van Barth schreef, voorkomt «UE weet, dat hij de quot;laeste school, besonder den dialectica niet gehoort en heeft; «dogh hebbe dit voorkomen, en so veel uijtgewerekt, dat hij «in de societeijd sijnde daerop gevoegelijk sal konnen studeren». Hieruit volgt dat, indien die studio in do dialectica behoorde tot den Sjarigon cursus, Babth dezen niet ten volle doorloopen heeft, want een vlug en ijverig student zijnde, is 't van hem niet te onderstellen dat hij twee malen dezelfde klasse zou hebben gevolgd. Moet dus in verband hiermede zijne mede-deeling, dat hij 5 jaren aan de humaniora besteed heeft minder letterlijk worden opgevat, en heeft hij daarmede willen zeggen dat hij meer dan 4 jaren in 't convict is geweest? W ellicht. Want hij schreef ook dat hij een jaar in de rechten gestudeerd heeft, terwijl dit hoogst waarschijnlijk geen vol studiejaar is geweest. Immers na de Paaschvacantie hoeft hij de Academie reeds verlaten en hij zal zijne studio te Utrecht toch wel na de vorige groote zomervacantie begonnen zijn. Bij analogie zouden we dus kunnen onderstellen dat aan do door hem genoemde periode van 5 jaar ook een belangrijk deel ontbroken heeft. Jammer dat mijn vader niet heeft bekend gesteld op grond van welk gegeven hij Bautii pas in 1744 naar Anticerpen Iaat vertrekken.

Hoe het zij, de studie in 't convict moet in 1748 geëindigd zijn en in dit jaar zijne rechtsstudie te Utrecht zijn begonnen. Dat hij daar gestudeerd heeft, is ontwijfelbaar. Niet alléén blijkt dit uit zijne aanteokening in het album noviciorum S. J., maar ook uit de brieven door hem en aan hem geschreven tijdens hij student was. Hij woonde te Utrecht bij den chirurgijn I Iekmanus Wik lis op de Neude, naast zijn stietgrootvader Herbert Hodwert, die woonde in het eerste huis van af de Potterstraat. Toch komt Bartii's naam niet voor in het gedrukte album studiosorum, zoodat hij niet bij den rector magnificus schijnt ingeschreven te zijn geweest. Dit feit behoeft echter geen

ocr page 75

63

aanleiding to geven tot twijfel. Do lieer Mr. S. Muller, gemeente archivaris te Utrecht, schreef mij «Hot feit, dat Uw • bloedverwant niet voorkomt in het album, is bovendien vol-«strekt niet verbazend: de ondervinding heeft reeds overvloedig •geleerd, dat volstrekt niet allo studenten a:in de academie in «het album vermeld worden. De reden daarvan hebc U zelf •■reeds gegist: het is de laatste der door 1 opgegeven redenen. «Inderdaad was het destijds niet noodig, of werd althans niet «streng geëischt, dat allen, die de colleges volgden, zich in het «album lieten opnemen; waarschijnlijk wachtte men daarmede «dikwijls tot het examen».

In Februari 1749 neemt Barïh het besluit Jesuit te worden. Uit de hierachter volgende brieven blijkt voldoende hoe de Franciscaner pater Beaufort het verzoek van Barth om priester te worden bij diens ouders heeft gesteund, hoe die ouders berustend dit verlangen hebben ingewilligd, en hoe zijne roeping door zijne familieleden is toegejuicht geworden. Dezen pater Beaufort, die een man van beteekenis is geweest, heb ik bij herhaling aangetroffen bij mijn onderzoek van de op Barth betrekking hebbende papieren. Waarschijnlijk heeft Barth uit zijne hand voor de eerste maal de II. Communie ontvangen en is hij Barth's biechtvader geweest. In ieder geval is hij de vertrouwde vriend van den jongeling geweest, even als van diens ouders Bij gelegenheid van Beaufort's 2öjarig jubelfeest in 1758 wordt hij door Barth bezongen. In de brieven die Barth als Jesuit geschreven heeft, wordt herhaaldelijk de naam genoemd van Beaufort, die hem nu en dan in België is gaan bezoeken En in 177!l vind ik Beaufort blijkens een gedichtje aan een ombre tafeltje zittende met den geseculariseerden Jesuit en diens stiefmoeder. M ij dunkt dat de pater die zóó met Barth en zijne ouders heeft meegeleefd, hier eenigszins uitvoeriger besproken moet worden. Ik laat dus volgen wat de Zeer Eerw. pater A. Nieuwkniiuizkn te IIVcW mij betreffende den verdienstelijken man heeft medegedeeld.

«Gabriel Beaufort, 1715 te Rotterilain geboren, heeft-IS Aug. quot;1734 in het klooster te Bootendaal onder Uccle bij Brussel, de «kloostergeloften afgelegd en ontving 19 Sept l7o(J te Aatwerpen ■ de priesterwijding. In Dec. 1741 werd hij uit het klooster te « Wavre naar Delft gezonden, om er pater Elias Bosch te ver-«vangen, die naar do Provincie terugkeerde — 19 Dec. (jquot; in

ocr page 76

04

het kl. te St. I'ider 2 Febr. 1763). In 1746, na het overlijden van pater Stkimianvs van Luuck op 11 April, werd hij er missionaris principalis en in 1784 werd hem hij decreet \an de 11. Congr. de propaganda Fide, dat 29 April, de pro prae-tectura over de Franciscaner missiën zijner religieuze provincie .in de Nederlanden opgedragen. Hij was ook superiormissioms .en custos, toen de Hoer hem, zijn trouwen dienaar, ter eeuwige . belooning opriep - 31 Pee. 1785 — Trigesimo primo mensis »Decemhris circa horam undecimam matutinam 8. li. E. sacra-. mentis devotissime susceptis ohüt Admodum Venerandus Frater

• Gabuikl Bkaufort.....Quanta hie vir, scientia, nionbus,

■. religionis zelo, caeterisque dotibus probatns, boni pastons «specimina infatigabili zelo, assiduo pro ovibus suis labore et „ eximio verbi Dei ministerio ediderit, testantur non tantum ■ Delphenses. sed et eoruin vicini, qui oh ejus facundiam, . verbommque energiam Rotlerodamo, Haga Comitis linitimis-«que locis at ipsius conciones turmatim conlluebant» (Aldus

in een 11. S.). , .

De aanteekening door Barth gesteld in het album novitiorum

te Mcchclen luidt:

.Ego Barïiiolomaeus van Bekkel, natus Delphis Batavorum «mense julio die 21'»° anno millesiino septingentesimo vigesimo «octavo ex legitimis parentibus, patro Wautino van Bekkel, «matre Ghijsreuta van der Stoop, patre superstite; humanio-«ribus litteris operam dedi in convictu Antverpiensi annis «quinque; hinc ad academiam Trajectinam ad Jihenum pro-«fectus per annum jurisprudentiae incubui. Donec tandem vitae . melioris flagrans desiderio ad Societatum Jesu adspiravi m «quain jussu U. Patris Petri Amelot per provineiam Flandro iBelfjicam propositi provincialis admissus sum die li» Aprihs «anno 17111 Antrerpiae a 11. P. Joanne Simon praeposito domus «professae. Ad domum probationis veni die 21 ejusdem mensis. «Examinatus fui jussu B. P. Petri Dolmans collegii Mechliniensis • rectoris a R. P. Jacobo van Halle, novitiorum praefectojuxta «examen generale» etc.

«Ita actum est Mechliniae in domo probationis «Societatis Jesu, die 19 Maji, aquot; 1749,

« Bautholomaeus van Berkel.»

ocr page 77

65

In raargine staan aanteekeningen, waaruit blijkt dat Bakth in September 174!) en den 2Usten October 17.50 examens heeft afgelegd.

Do opgaven betreffende den tijd dien Bakth in de Orde der Jesuïten doorleefde, van 1/49—177;!, zijn alleszins vertrouwbaar. Grootendeels ontleend aan de zoogenaamde «catalogen» en overigens' aan andere oflicieele bronnen, vond ik ze vermeld, behalve in het opstel van mijn vader, in een brief van wijlen pater van Lommel. Bovendien mocht ik mcdedeelingen ontvangen van de ZeerEenv. paters Allard en Aluerdingk Thijm. Ik had dus gelegenheid om door vergelijking mij van de nauwkeurigheid der opgaven te vergewissen.

Slechts één duister punt is met betrekking lot deze periode overgebleven. Volgens mijn vader zou Hautii na den 22sten September li()2 eenigen tijd te J.lcr verblijf hebben gehouden om er het derde proefjaar door te staan. Maar geen der andere door mij genoemde historici spreekt over dit verblijf te Lier, en mijn vader deelt mede dat Bakth in Januari 1763 te Leuren was,'t geen ik gaarne aanneem, want den 14den December 171)2 had hij er theologische stellingen verdedigd. Dus zou Bakth dan na Januari 17G3 naar Lier moeten gegaan zijn. Doch vermits hij in Juli ï 7tio wederom te Leuven theologische stellingen verdedigd heeft, zoo wordt dat verblijf te Lier onwaarschijnlijk, tenzij een voortdurend heen en weer reizen ondersteld moet worden. Ik heb dus in mijne chronologische opgaven dit verblijf te LAer verzwegen; ik denk dat er een misverstand heeft plaats gehad, dat Bakth te Lier eens eene retraite heeft gehouden of er om een andere reden een kort poosje geweest is.

Den 21sten Juli ]77o vaardigde 1'ausClemk.ns XIV de Breve «Dominus ac Redemptor» uit, om grooter onheil te beletten, om in de Catholieke landen eene herhaling te voorkomen van wat onder Hexdkik \ ill in KiKjeland was geschied. Naar Zijne Heiligheid hoopte! Maar dit ontzettende ofl'er, de opheffing der weergalooze Orde welke aan de Kerk de grootste diensten had bewezen en nog had kunnen bewijzen, heeft den opkomenden storm niet bezworen; integendeel de uitbarsting verhaast en waarschijnlijk heviger doen zijn.

Den lil sten Juli werd de edele schepping van den grooten Ignatius vernietigd. Kn ook 't levensgeluk van die tallooze verdienstelijke volgers van Jests, van die zelfopoÜ'erende mannen

5

ocr page 78

U6

welke zich .net verwerping van alle aardsche genietingen uitsluitend gewijd hadden aan een verheven taak, waarin zy eene

voldoening van hoogere orde vonden. . , ,

Den dag waarop Bakth zijn 4üste levensjaar intrad werd zijn leven verwoest. Niet in stoffelijken zin - in geestelijken. Zijn verjaardag zou voortaan niet meer feestelijk zijn, maar hc

met smartelijke gedachten vervullen.

De omstandigheid dat Maastricht behalve tot Luik ook .indi-vies- tot Brabant behoorde, is oorzaak geweest dat de secularisatie van pater Bartu en van zyne ^lllS^ch SC^

Jesuïten enkele weken is vertraagd geworden, lieeds den ..lei September 1773 was de Breve te Luik, tot we'k bisdom Maas-trirht behoorde, afgekondigd. Maar namens de St^ ^ verboden dat dit stuk te Maastricht zou worden bekend ge '^ ^-De Luiksche Prins-Bisschop liet daarop den rector van t Maas-trichtsche Jesuïtencollege, pater AVinakd Ebnoü bieden om de zaak te bespreken en te regelen. De Magistraat dit vernemende, verbood pater Eunou de stad te ye^atenen zich naar andere bevelen te voegen dan die der staten Den loden October 1773 gaven H. Hoog Mogenden echter toe en bij Resolutie der Staten van dien datum werden de Jesmten te Maastricht .vernietigd-. Den 23sten October publiceerde de Eerw Heer II. Woütkhs, pastoor van de Sr. Maartss-kerk te Wijk, de Pauselijke breve in het Jesuitencollcge. Denzelfden da- werden de scholen gesloten en do studenten naar hu me ouders terug gezonden. Den 24sten October werd voor t laatst dienst gedaan in de Jesuïtenkerk welke, na het lof dat volg e op de preek van pater Bautu van Beukei., gesloten werd. ^a afloop van het lof vonden de Jesuïten in hun klooster teruggekeerd den Brabantschen Vice-Hoogschout de Jacobi IIee van Cadier en Blankenberg, die voorlezing deed van het plak kaat .Ier Staten en den Jesuïten - 10 paters, 4 klerken en

5 broeders-aanzei'tklooster, de kerk cn de scholen te sluiten

en «te veranderen van gewaad».

Volgens eene familietraditie, mij door oom Willem medegedeeld, heeft toen 't volgende plaats gehad:

' Nadat de Vice-Hoogschout zijne aanzegging had gedaan, stond

pater Bautu van Bekkel op en sprak met klem en groote waardigheid een gemotiveerd protest uit. Als gevolg hiervan gelastte de Schout de hem vergezellende dienaren geweld tu

ocr page 79

67

bezigen en had er eenige handtastelijkheid plaats. Hierdoor was aan den vorm voldaan, was door de Jesuïten geconstateerd, dat voor 't geweld was gebukt en nu onderwierpen zij zich aan de bevelen der Staten.

Is dit verhaal waar? Volgens mijne overtuiging behoeft er niet aan te worden getwijfeld. Mijn oom W'illkm vernam het, niet eens maar herhaaldelijk, van zijn vader Mr. Hendhik,die 't natuurlijk van zijn oom pater Barth gehoord had. En 't is zeer begrijpelijk en aanneemlijk dat de Jesuïten officieel plechtig hebben willen protesteeren tegen de door hen niet als rechtmatig orkeudo lastgeving van dc Staten, dat zij met quot;t oog op de toekomst hebben willen constatecren dat zij door geweld gedwongen waren geworden hunne bezittingen te verlaten. Juist 't zelfde heeft immers in analoge gevallen tallooze malen elders plaats gehad, o. a. in den laatsten tijd in Frankrijk ea tijdens den ('ultur-Kampf in DuiUchland. Dat niet de rector, pater Eünou, maar Hakth 't woorrl gevoerd heeft, is ook niet bevreemdend. Als rechtskundige en begaafd met groot redenaarstalent, was Bartii do aangewezen persoon om door den superior te worden belast met het opstellen en het uitspreken van het protest.

Volgens den Maastrichtschen almanak van 1788 zou deLuiksche Prins-Bissclioj) den Hasten October een plakkaat hebben uitgevaardigd betrellende de Maastrichtsehe Jesuïten. Waarschijnlijk is dit een gevolg geweest van het protest tegen het plakkaat der Staten of houdt dit Bisschoppelijke plakkaat altlians verband met dat der Staten.

Naar 1!. 1'. Allaud mij mededeelde is Haktif, na de seculiere kleeding te hebben aangenomen, te Mnastricht hi] den koperslager Eijmael op de Markt gaan wonen. Daar is hij gebleven, tot hij in den zomer van 1774 naar Zuid-HolUtnd is vertrokken.

Hier begint eene periode in Bautii's leven die 't mijn vader ondanks moeitevolle nasporingen niet gelukt is tot voldoende historische helderheid te brengen. Ik heb, beschikkende over meer gegevens dan mijn vader bezat, deze nasporingen voortgezet. En, dank zij de welwillende hulp van vele geleerden — paters cn leeken —, niet zonder vrucht. En zoo ik 't al niet tot onbetwijfelbare zekerheid heb kunnen brengen ten aanzien van 't voorname punt, — of Barth te Leiden priesterlijke diensten heeft verricht, — ik vermeen toch met voldoende waar-

ocr page 80

H8

schijnlijkheid zijn verderen levensloop te kunnen vaststellen.

Ik begin met ten stelligste tegen te spreken, 't geen een bekend historicus heeft bericht, namelijk dat Bakth te Leiden zou zijn overleden. Baim h is den lOden September 1809 te gestorven.

Dit blijkt, behalve uit de familietraditie, uit de verzekering van mijne grootouders dat hij in «het zaaltje» van het thans door tante Louise bewoonde huis is overleden ; bovendien ;

1°. uit zijn bidprentje, waarop staat «overleden te Dcljt den lOden September 1809».

2'. uit de gedrukte communicatiebrieven die zijn broeder Adriaan J. van Bekkel heeft rondgezonden. Ik vond daarvan twee verschillende exemplaren bij tante IjOUISe. Het eene blijkbaar bestemd voor de niet-Boomsche Delftenaren, het andere, dat dc schriftelijke instede van de gedrukte onderteekening\an Adriaan heeft, voor de Boomschen. Den inhoud laat ik hiei volgen. Tusschen haakjes schrijf ik de zinsneden die alléén in het voor Boomschen bestemde exemplaar voorkomen.

• Het behaagde de Goddelijke Voorzienigheid mijnen zeer

■ waarden Broeder Bartiiolomaeus van 1 gt;i kkkl. {in le\en 1 liester «der Sociëteit Jesu) in den ouderdom van een en tagtig Jaaren «en circa twee Maanden, dit tijdelijke, zoo ik op gronden van • den Godsdienst (, die Hij bevorens met ijver verkondigde, en «ook volstandig tot aan zijn uiteinde beleden heeft) gerust .durf vertrouwen, tegens eene gelukkiger Eeuwigheid te doen «verwisselen.

«Met eene volmaakte overgeving en berusting in den quot;Wil «zijns Scheppers, stierf Hij gister namiddag ten vijl nuren aan

■ een langzaam verval van levenskrachten (, na alvorens voorzien «te zijn geweest van de Sacramenten, welke onze Heilige Kerk »den zieken en stervenden toedient).

«De Hoogachting en genegenheid, welke de waardige Over-«ledene zich bij zijne Vrienden en Bekenden steeds wist te

«verwerven zijn mij de verzekering van het deel dat.......

«in het smertelijkc van zijn gemis zult nemen, terwijl ik(, voor «zoo verre Hij niet volmaakt gelukkig zijn mogt, zijne Ziel

,in.......godsdienstig aandenken bevelende.) de Eer heb

«mij te noemen,

. I)w. en bedroefde Dienaar, .Delft, A. J. van Beuk kl.-

«den 11 September 1809.»

ocr page 81

69

Zoo ik dezu circulaire volledig mededeel, da,n is dit omdat ik den inhoud belangwekkend vind. Behalve dat zij bijzonderheden vermeldt betreffende Baktii's ziekte en afsterven, constateert zij zijne populariteit ook bij de niet-Roomsche Delftenaren. En wij zien hoe in dien tijd werd ondersteld dat ook alle niet-Roomschen geloofden in een loonenden God. Adriaan toch zou anders, even als hij eenige zinsneden in 't voor onRoomschen bestemde exemplaar wegliet, nog meer hebben geschrapt.

3°. uit eene door Harth ingevolge de clausule reservatoir in zijn testament genomen beschikking, waarbij hij verandering brengt in zijne legaten aan A.J. van Ei.tcic en Catharina van Gulik, zijne dienstbode. Dit stuk te Delft den 8sten Juni 1809 door .Mr. Hkmmük geschreven, is onderteekend door Bartiioi.omakus.

Barth is dus te Delft gestorven.

Even stellig zeker is het dat hij minstens van aft begin van 1802 tot zijn dood te Delft zijn eigen huishouding heeft gehad, want dit blijkt uit de gequiteerde rekeningen die bij tante Louise gevonden zijn. Behalve allerlei huishoudelijke benoodigd-heden als eetwaren, betreffen zij doctors visites in grooten getale en groote hoeveelheden medicijnen.

Maar waar heeft hij van af medio 1774 tot't einde van 1801 verblijf gehouden ?

De verschillende historici, die over Barth geschreven hebben, laten hem alle te Leiden wonen, uf wel van af de suppressie tot zijn dood, of wel gedurende korteren tijd. Dat men daartoe gekomen is. vindt zijne verklaring in het historisch vaststaande feit dat Barth na den dood van pater Boetkns, die van 17GS tot 4 Mei 1777 de Jesnïtenstatie te Leiden bezet heeft, als beheerder der Leidsche Jesuïtengebouwen is opgetreden en dat hij die goederen eerst bij zijn overlijden heeft overgedragen aan een ander — namelijk aan onzen grootvader. Zeer aanneemlijk scheen ook 't geen wijlen R. F. van Lommki. betreffende Barth heeft aangeteekend :

«hij bleef niet lang meer te Maastricht maar begaf zich naar quot;Holland. Te Leiden stond hij den laatsten missionaris-Jesuït in ■ de Schoolstraat (na 177.quot;gt; natuurlijk ook geseculariseerd) P. Petrus « Boetkns, die te Leiden gekomen was in 1768 en aldaar j 4 Mei «1777, eenigen tijd ter zijde als kapellaan (?), en na 1777 (Mei) «hield hij de zaken te Leiden nog ettelijke jaren in gang, totdat «B. v. B. zich voor goed metterwoon te Delft ging vestigen.»

ocr page 82

70

Deze aanteekeninii, gevonden onder papieren van onzen neef Wiixem te Delft, vermeldt niet uit welke bron de schrijver geput heeft. Berust de mededeeling dat Babth gedurende de laatste levensjaren van Eoetens en eenigen tijd na diens dood te Leiden gewoond heeft, op eene onjuiste onderstelling of een omvaar bericht? Ik vermeen dit, al kost 't mij moeite aan te nemen dat de geleerde historicus zich ditmaal vergist zou hebben. Voor mijne bewering heb ik den volgenden grond ;

Hierboven citeerde ik uit de «Descriptio stationum K M. «Recollectorum» een gedeelte waarin de eerste steenlegging der St. JosBPHS-kerk wordt verhaald. Aan dit verhaal heeft een andere hand toegevoegd «Primus novi oratorii lapis positus est «ab iugenuo juvene Baktiiclomako van 1gt;erkf.l, tuin temporis «quintum suae aetatis annum agente, qui postmodum gt;ocietati . Jesu adscriptus. Trajectgt; ad Momm scholarum praefectuin agens, • extincta Aquot; 1773 Societate, habitmn presbijteri saecularis induit, «ac A0 1777 possessionem Stationis p. p. Societatis (ab anno 170S ■■clansae) Lin/duni Batavorum adiit».

De Zeer Eerw. pater A. Xieuwknmuuzkn, archivaris der Franciscanen te Weert schreef mij onder dit citaat:

.Dit bijvoegsel is zonder eenigen twijfel van pater Joannes .Cruls, die van April 1784—Sept. 17S(5 chronologus missionis .geweest is. In 17G7 is Crols aan de kapel der ambassade van lt;den Koning van Spanje te 'a Ilnye onderkapelaan geworden ; .in 1791 sacellanus major, welke betrekking hij bekleed heeft .tot zijn overlijden op 4 Oct. 179G».

Deze pater Joannes Cruls over wien in de brochure van pater Bonc.aerts — .de St. Teresin kerk» 'teen en andei wordt medegedeeld, is een berichtgever die aan alle eischen der historische kritiek voldoet. Dat hij chronologus missionis is geweest, getuigt dat hij bekend heeft gestaan als een ernstig, nauwgezet geleerde, zoodat hij onmogelijk iets kan hebben geschreven, waarvan hij niet meende zeker te zijn. Kn wat hij heeft medegedeeld betreft feiten die hij als 't ware heeft zien gebeuren, waarvan hij ooggetuige is geweest, liet is niet te betwijfelen dat Citrr-s persoonlijk bekend is geweest met Bartii. Zij hebben stellig elkander herhaaldelijk ontmoet, t zij .ilgt; Bartii uit Delft in den Haag kwam, 't zij als Cruls zijne Ordebroeders te Delft, die huisvrienden waren bij de van Berkels, bezocht.

ocr page 83

Op grond van liet getuigenis van Crui.s beschouw ik 't dus als bewezen dat Barth, hij moge misschien nu en dan eens Mis gele/en hebben te Leiden en bij zijn Collega ISoetkns gelogeerd hebben, nooit diens kapelaan geweest is en vóór 177/ niet te Leiden gewoond heeft, maar stellig tusschen zijn vertrek uit Mnnxtrirht — zomer 1774 — tot Mei 177/ bij zijne familie te Delft heeft verblijf gehouden.

Maar nu rijst de vraag hoe 'tgegaan is na 4 Mei 1/(7 toen pater Petrus ISoetkns te Ltiden overleden was? Deze pater beheerde de Leidsehe Jesuïten statie, die wel ingevolge plakkaat der Staten in 17tl.S gesloten was — zooals ook Ciu'i.s mededeelt — maar die feitelijk was blijven voortbestaan, zij quot;t dan ook in voortdurend gevaar, telkens belemmerd, en met aanhoudende onderbrekingen.

Cruls schrijft «possessionem Stationis P. 1'. ^ocietatis Luyduni «Batavorum adiit». Hoe moet dit «adiit» worden verstaan?

Letterlijk vertaald is «adiit» «hij is heengegaan naar». Maar woorden hebben de beteekenis die't gebruiker aan hecht. En volgens twee geleerden mag deze letterlijke vertaling, waaruit zou volgen dut Barth in 1777 naar Lelden is gaan wonen, niet als juist worden aangenomen. 1!. P. Allard vertaalt als volgt: «hij stelde zich in 't bezit der statie van de paters der Societeit-(hij ging het bezit aan), «'tgeen een dubbele beteekenis kan «hebben; óf hij stelde zich in 't bezit der iioederen van de statie, «óf hij aanvaardde de gecistclijke leiding der Statie. Voor het «eerste was zijn persoonlijk verblijf te Leiden niet noodig, voor «het tweede wel. Ik geloof dat de eerste beteekenis de ware is, «en dat v. 1gt;. sinds 1771 nooit een bestendig verblijf te Leiden «gehouden heeft, maar direct naar zijne familie te Delft is «gegaan. Dat belet niet zijn nu en dan onderbroken verblijf «te Delft, en zijn intermitteerend vertoeven bij pater Petrus « Hokte ns, wiens erfenis en statiegoederen hij overnam»

Al is deze onderstelling bijzonder aanneemlijk,'t lag op mijn weg om niet tevreden te zijn met waarschijnlijkheid zoo lang niet alle bronnen, die wellicht zekerheid konden verschaften zouden zijn uitgeput. Daarom heb ik het onderzoek voortgezet.

Als Iïaktii te Leiden gewoond had, zou dit kunnen blijken uit de poorterboeken, waarin is vermeld welke van elders afkomstige ingezetenen den poorterseed hebben afgelegd en uit de buurtregisters waarin de bewoners der verschillende huizen

ocr page 84

zijn opsegeven. In de Leidsche poorterbocken nu komt Bahtii niet voor. En wat zijno woning betreft, kau hij verblijf hebben gehouden, of wel in de Jesuïten gebouwen die, — /.ie van Mieris —, stonden in de Schoolsteeg «zich met de huizinge «uitstrekkende tot aan de overwelfde St. Pieters kerkc/raftquot;, ot wel in het huis der familie van Beurden —, Hieroni.imus van Beurden Jr. is met Barth's zuster, later met zijne tante gehuwd geweest, — op de Breedstvucit, of wel daar waar patei Boetens gewoond had. Nu komt zijn naam niet voor als bewoner der Jesuïten gebouwen en evenmin als bewoner van het huis in de Heeresteey, waar Boetens gestorven is, terwijl het register der buurt waar van Beurden gewoond heeft, verloren is gegaan. Er blijkt dus uit niets dat Bautu te Leiden gewoond zou hebben, en de Leidsche gemeente archivaris, Mr. Dozij , schreef mij dan ook dat zijn indruk is, dat onze overoudoom geen inwoner dier stad is geweest.

Maar is er dan een bewijs dat hij wèl te Delft gewoond heeft, zonder interruptie van 1774 tot zijn dood?

In de Delftsehe poorterboeken komt zijn naam niet voor. Opmerkelijk is 't dat do laatste naam daarin vermeld die is van Hendrik van Wai.tenburg, voor wien Barth's broeder Adriaan de voreischte borg is geweest — in 1792. Nu Adkia an voor dezen nieuwen poorter plichtmatig de vereischte formaliteit heeft vervuld, mag aangenomen worden dat hij niet uit onbekendheid met de wet of uit slordigheid zijns broeders verblijf ten stadhui ze verzwegen heeft. Dus, of wel Bakth heelt vóór 17D-2 niet te Delft gewoond, of wel er was reden om Bakths verblijf niet oflicieel bij de Regeering bekend te stellen, of wel Barth — geboren te Delft — had door zijn verblijf in den vreemde zijn poorterschap niet verloren, liet eerste is tastbaar onwaar; wij weten immers dat Bartii in 1714 te Delft is gaan wonen; het tweede is onaanneeralijk, want vermits de plakkaten van 1708, die trouwens voor een priester die geen Jesuit meer was niet golden, allang vergeten waren, was er voor Barth geen reden om zich schuil te houden, wat hij trouwens allerminst gedaan heeft Hij was zelfs lid van een stedelijk gezelschap bijna uitsluitend uit Protestanten bestaande. Er blijft dus alleen over de derde onderstelling, namelijk dat Bartii beschouwd is geworden als hebbende zijn door geboorte verkregen poorterschap niet door uitlandigheid verloren.

ocr page 85

73

De Delftsche buurtregisters vermelden hem niet. Dit feit is echter zonder beteekenis, want deze registers zijn te Delft in de laatste helft der vorige eeuw zoo uitermate slordig bijgehouden dat daaraan in 't geheel geen waarde mag worden toegekend.

Ten stadhuize te Delft is dus Harth's naam niet te vinden.

Van Oom Willem vernam ik dat Barïh die, zooals bekend, een zeer goed violist was, werkend lid is geweest van het destijds bestaande stads «Musicq collegie» en heeft medegespeeld op de concerten in de grooto zaal van 't Prinsenhof en in de bovenzaal van het logement «De gouden molen» aan 't Xoord-einde. Met behulp van den met de Delftsche geschiedenis bekenden heer Vkkschoor, heb ik getracht het archief van dit gezelschap dat een stadssubsidle genoot, terug te vinden ; doch vruchteloos. Ik had gehoopt in de ledenlijst aanwijzintren betreflende üakth's verblijf te Delft te vinden, doch dit stuk schijnt verloren te zijn gegaan.

Indien de Delftsche winkeliersfirma's, die blijkens de gevonden rekeningen aan Iïauth geleverd hebben, nog bestonden, dan zou wellicht in hunne oude boeken zijn kunnen nagegaan, wanneer do leveringen zijn begonnen en of ze zonder onderbreking zijn voortgegaan. De eenige nog voortlevende firma — de wijnkooper Wiegman —• kan geen inlichtingen geven omdat ■20 jaar geleden de oude boeken opgeruimd zijn.

Barth is lid geweest van het quot;Zangchoor- der St. Joxeph*-kerk. Ik had gehoopt eene ledenlijst van dit koor te vinden iu het archief der pastorie of in 't klooster te Weert, waar de oude stukken der statie verzameld zijn. Dusdanig stuk schijnt echter niet te bestaan. Evenmin zijn rekeningen betreflende 't verhuren van kerkplaatsen gevonden, waaruit aanwijzingen te putten zouden zijn geweest.

Ik heb dus buiten den familiekring het gezochte bewijs betreflende Barth's verblijf te Leiden of te Delft niet kunnen vinden, en kan nu alleen gebruik maken van de gegevens die ik te voren reeds bezat. Zooals bovengezegd, beperkt de onzekerheid betreffende Harth's woonplaats zich nu nog tot de periode Mei 1777—December isol.

Nu lezen we in 't stuk. waarbij de Apostolische Nuntius Caesar Brancadoro den tien .luni 1792 aan Bahth de bevoegdheid tot biechthooren verleend heeft; «Dileeto nobis in Christo

ocr page 86

74

quot;lv. D. Bartiiolomaeo van Berkel, Delphensi Presbijtero ( atho-.■lico Romano». Mijn vader durft hierin geen bepaald bewijs te zien dat Habtii destijds te Delft woonde, want hij bezat niet alle aanwijzingen waarover ik beschik. Ik zie wel degelijk in deze titulatuur een bewijs dat üaktii toen te Dcljt heeft gewoond. Het stuk is door Buancadouo opgemaakt te Amsterdam en ei-bestond dus geen enkele indirecte aanleiding om liever Delft dan Leiden te noemen. De Nuntius heeft stellig geweten dat Barth beheerder was der Leidsche Jesuïten gebouwen. Er lag alléén in dit feit reeds eene reden om Barth den titel van quot;Leidrich priester» te geven, zelfs al woonde hij te Delft. Nu desondanks Barth «Delftsch priester» genoemd wordt, moet worden aangenomen dat hij in 1792 niet te Leiden gewoond heeft.

En woonde hij medio 17'I2 reeds te Delft, later beeft hij er zeer zeker ook zijn verblijf gehouden In 179o werd zijn silhouet gemaakt tegelijk niet dergelijke afbeeldingen van zijne te Delft wonende familieleden. Op de brieven die pater Ovijn den 25 April 1795 en den 14 Mei 1796 aan Barth zond, staat als adres «aan den burger Barthoi.omeus van Berkel in de brouwerij de P te Delft».

Zoo blijft nu nog slechts als onzeker over de periode Mei 1777—Juni 1792. Welke gegevens bezitten wij die aangaande?

In 1784 werd door Bauh een portret van Barth gemaakt in gekleurd krijt, dat thans in het bezit is van onze tante Louise. Deze echter bewaart bovendien twee andere portretten die op dezelfde wijze bewerkt zijn, een van Bartii's broeder Adriaan, een van zijn neefje Hendrik. Achter dit laatste portret heeft onze grootvader geschreven dat hij 10 jaren oud was toen 'tgemaakt is. Mr. Hendrik nu is den 5 Mei 1788 geboren.Nu is dus waarlijk allerminst gewaagd de onderstelling, dat al deze familie portretten kort na elkander gemaakt zijn door denzelfden artist, en aangezien Adriaan en zijn zoontje Hendrik blijkbaar te Delft zijn geportretteerd, zoo zal Harth's beeltenis ook wel in hel familiehuis zijn gemaakt.

Wie den in extenso door mij medegedeelden brief leest dien Barth den 3 Februari 1784 uit Delft aan de Barones de Crassiicr schreef, krijgt den indruk dat do schrijver daar destijds niet tijdelijk logeerde, maar er vast verblijf hield, en woonde.

ocr page 87

En zoo hij blijkens dien brief reeds in 't einde van 17S3 te Dcljt gewoond heeft, er is geen reden om te onderstellen dat hij tusschen dit tijdstip en Jnni 17!)'2 te Leiden zou hebben gewoond, zoodat nu de onzekere periode beperkt is tusschen Mei 1777 en einde 1783.

Betreffende dit tijdvak bezit ik slechte één bewijs:

Pen 10 September 1779 schreef Haiith uit Delft aan zijne zuster Alktta een brief op rijm, waarin hij eene beschrijving geeft van een ombre partijtje met zijne stiefmoeder en pater Bkaüfokt, dat gestoord werd door bezoekers uit Amsterdam die zaken wilden afdoen met het Delftxche «armkantoor». Doch de beheerders hiervan, Bautiis familie leden, waren afwezig wegens de bruiloft, waarbij Aletta zich ook bevond. Waar die bruiloft gevierd werd en wie er huwden, wordt niet gezegd, doch blijkt uit 't feit dat bruid en bruidegom worden genoemd «Janusje» en «Mie», liet was dus liet huwelijk van Barth's broeder Adkiancs JosEriirs met Mauta Gekakda vanA\'ai.ti:nhurg dat volgens de aanteekeningen van mijn vader den 7 September 177!' is gesloten. Waarschijnlijk te Amsterdam ten huize van den vader der bruid. Aangezien uit den brief blijkt dat het huwelijk reeds voltrokken was, zoo geeft het verschil van de data 7 September en 10 September geene aanleiding tot bedenking.

Als Barth in 1779 reeds kalm het huis zijner stiefmoeder bewoonde, dan lijkt quot;t al zeer onwaarschijnlijk dat hij in 1777 te L'iden zou hebben gewoond. Was iiij toen daarheen gegaan, dan zou hij er dunkt mij, wel wat langer zijn blijven wonen.

Tot zoover de stoffelijke bewijzen. Ik ga nu over tot de mededeeling van bijzonderheden, die mij de zedelijke overtuiging geven dat Baütii nooit een geregeld verblijf te LoV/m gehouden heeft.

Onze thans 70 jarige oom Wii.i.em heeft, zooals bekend is, na de voltooiing zijner hoogere studiën bij voortduring ingewoond bij zijne ouders. Zijn vader stierf toen hij 35 jaar oud was, zijne moeder een tiental jaren later. Mr. Hendrik was 2(\ jaar toen Bauth overleed. Deze cijfers wijzen op een vertrouwbare traditieschakel. Hendrik sprak veel over zijn overleden geliefden oom Baktu en wel bij voorkeur met zijn bij hem inwonenden zoon Willem, die dan ook tallooze bijzonderheden betreffende den ouden pater weet te vertellen. En nu verklaart oom Willem

ocr page 88

7(1

nooit iets te hebben vemomeu van een verblijf van Iïautii te Leiden. Hij acht dit onaanneemlijk.

Als ik aan dit afdoende jietuigenis non het volgende toevoejr, dan is dit omdat ik ;j:eeii enkel gegeven wil verzwijgen.

Hauths gezondheid was niet bijzonder noed. liij mocht sterk genoeu zijn om te M(i*i*trirht een veelomvattenden werkkring te vervullen; hij had daar goede verpleging en weinig lichamelijke vermoeienissen. Veel afmattender was de arbeid van de priesters die, zooals Ovi.in en Houtens. geene officieel erkende stat ic bezettende, hun verstrooide schapen heinde en ver moesten gaan opzoeken. 1 )ie werkkrinir zal Hautii te zwaar zijn voorgekomen. en hij zal t doelmatiger geacht hebben in de omgeving van zijne familie een klein kuddeken te verzamelen.

Op grond van al het hierboven medegedeelde, vermeen ik de volgende conclusie te mogen aannemen;

Barth heeft nimmer te Leiden geregeld verblijf gehouden. Wellicht heeft hij er nu en dan priesterlijke diensten verricht. Maar dan hield hij er tijdelijk verblijf, logeerde er. Gewoond heeft hij er niet.

Zoo is dus, dunkt mij, vastgesteld dat Barth van af den zomer van 1774 tot 1S09, toen hij overleed, te lgt;eljt gewoond heeft. Zijn verblijfplaats is blijkbaar eerst geweest het huis zijner stiefmoeder Houwküt, thans de pastorie der Uoomsche Hippolijtüs kerk. Deze moeder overleed den 16 Januari 1790 en aangezien hare woning bij erfenis toebedeeld was aan haar zoon Aduiaan. zoo scheen 't voor de hand te liggen dat deze, die gehuwd was en kinderen had. dit huis zou betrekken. Behalve Barth woonde echter in dit huis hunne zuster Aletta Francisca, en deze verzocht dringend daar te mogen blijven wonen. Zij was ziekelijk, en verergerde haren toestand nog door inbeelding. Dit althans werd door de familie leden beweerd. Alktta namelijk kon in den laatsten tijd van haar leven moeielijk loopen, doch was zich gaan verbeelden dat 't loopen haar geheel onmogelijk was. Toch is ze op zekeren dag uit 't bed opgestaan en naar buiten gegaan na een hevigen schrik. Haar broeder Barth had om zijne neefjes te vermaken in de brouwerij eenig vuurwerk ontstoken; tgerucht dat er brand ontstaan was, kwam Aletta op haar bed ter oore en zij vluchtte; haar boenen weigerden geen dienst. Men heeft den pater verdacht van een toeleg om door een schrik Alktta

ocr page 89

( 1

van hare vermeende kwaal te genezen Hoe 't zij, het middel heeft niet geholpen; Aletta was den volgenden dag weer even vol inbeelding :ils te voren. Aduiaan nu. een zeer goedhartig man, gaf aan het verlangen van zijne ziekelijke zuster toe en bleef zich in het kleinere huis benoorden de brouwerij met zijn gezin behelpen. Barth bleef natuurlijk bij Alktta wenen in 't groote huis. Hijzonder ongezellig, vooral voor een man als Barth die zoo gesteld was op aangenamen huiselijken omgang. Maar oilers bracht do goede pater gaarne.

Baktii las de Mis in de benedenvoorkamer van het groote huis. Deze kamer diende tevens tot salon of ontvangkamer. Waarom deze regeling getroffen was, en waarom in het huis met zooveel leegstaande kamers geen afzonderlijk vertrek werd aangewezen voor huiskapel, is duister. Misschien wilde de zonderlinge Aletta't aldus en heeft de goede Baktii maar toegegeven. Evenwel merk ik op dat terwijl ik op grond van Oom Wild:m's mededeeling, die ik om de hierboven reeds vermelde redenen ten volle vertrouw, vaststel dat Bautii in de benedenvoorkamer heeft Mis gelezen, mijn vader den pater't 11. Offer laat opdragen in de bovenvoorkamer. Is daar wellicht ook een poos huiskapel gehouden? In verband met de omstandigheid dat do kapel tevens salon was, stond daar een groot kabinet, zóó ingericht dat het gesloten zijnde een gewoon meubel geleek, en geopend een altaar vormde. De laden dienden tot opberging der paramenten. Dit meubel stond tegen den muur tusschen den schoorsteen en 't zuidelijke straatraam. Een zonderlinge plaatsing, die moet gevorderd hebben dat tijdens de Mis de blinden gesloten of althans de gordijnen neer gelaten waren. Het altaarkabinet bestaat thans niet meer.

Als misdienaars hebben gefungeerd de zoons van Bartii's broeder Adkiaan, namelijk M artinus. geb. 1781,11 endiii k — onze grootvader — geb. 171S3 en Aknoldus. geb. ITSö, toen zij op den daarvoor geschikten leeftijd waren. Wie vóór hen Bartii's koorknapen zijn geweest, is onbekend doch van de latere misdienaars is een naam ter mijner kennis gekomen. De vader van den tegen woordigen 1'. Provinciaal der Jesuïten Dufkels, die in 175)5 geboren was, heeft ook als misdienaar gefungeerd. Maar in verband met de data moet dit geweest zijn elders dan in die voorkamer, want toen woonde Adkiaan met zijn gezin reeds in 't groote huis en Bakth vermoedelijk in 't kleinere.

ocr page 90

78

Bij onze t;inte Louise bevinden zich eenige voorwerpen, waarmede do kinderen onzer familie vroeger «kerkje» gespeeld hebben. Daaronder is een kasuifeltje, blijkbaar vervaardigd van een oud priesterlijk kasuilel. Hoogst waarschijnlijk is dit van Bakth afkomstig. Ook is er nog een eenvoudig lezen aartje waarop, naar men beweert, Bautu's missaal bij t Misollor heeft gelegen.

Dat Bautii nu en dan, misschien veelvuldig, de Mis heeft gelezen in de Sr. JosEPiis-kerk en geassisteerd heelt bij plechtigheden is, zooal niet gebleken, zeer waarschijnlijk. \ an af zijne jeutrd tot zijn overlijden is de verhouding van Bautii tot de eerwaarde paters Franciscanen allerhartelijkst geweest.

Uit het feit dat Bautii de bevoegdheid tot biechthooren heeft gevraagd en verkregen, moet worden afgeleid dat hij als geseculariseerd priester werkelijk zielezorg heeft gedragen en biechtvader geweest is. in welke mate, is echter onzeker.

Dat hij te Deljt nu en dan 't H. Doopsel heeft toegediend, leid ik af uit de volgende regels van het gedicht, dat hij schreef in het door hem aan zijn neefje Mabtinus bij diens eerste II. Communie geschonken «nieuwe testament ons Salichmaeckers», afkomstig van zijn oudoom N. Puoot, welk boek thans in de »St. Teresi a-pastor ie in den Haag berust.

• üods almagt trok U uit den Niet, schonk U het Leven, quot;Zijn goedheid in den doop door mij het Christenmerk;» enz.

Aan zijne neefjes heeft hij catechetisch onderwijs gegeven ; waarschijnlijk een zeer uitgebreid en zeer stellig een hoogst degelijk. En het mag wel wordqn aangenomen dat hij, de kindervriend, vele jongelieden in de Godsdienstleer heeft onderwezen ; wellicht ook den jongenheer Duffels, zijn misdienaar.

Dat Bautii als geseculariseerd priester te Deljt, zij 't dan ook binnen meer beperkten kring, heeft getracht zooveel mogelijk nuttig te zijn aan't zieleheil van zijn bekenden, meen ik stellig te moeten aannemen. «Pastor» is hij gebleven tot zijn dood.

Ken ijverig werkend lid en voorzitter was hij van het muziek-koor der St. JosEPH.s-kerk. I)il blijkt behalve uit de traditie, ook uit zijn testamentaire beschikkingen, waarbij hij en aan de leden van het muziekkoor èn aan die van het gregoriaansch-koor (twee verschillende vereenigingen ?) legaten deed en verder uit zijne rekeningen. Het orgel werd op zijne kosten verbeterd en verguld.

ocr page 91

79

Zoo Barth zijn tijd in hoofdzaak hloef wijden aan het ziele-heil van zijne naasten, zoo hij, voor zoover zijn zwakke gezondheid dit toeliet, getrouw aan de spreuk zijner Orde «ad majorem Dei gloriam» arbeidde, thans nu hij door de opheffing der Societeit Jicsu geseculariseerd priester, wederom lid van het gezin zijner bloedverwanten was geworden, trok hij zich niet als een kloosterling terug in zijn studeervertrek. Integendeel, hij nam van harte deel aan het familieleven en vond dit, zooal weinig in zijn eigen woning bij zijne ziekelijke zuster Aletta, dan toch in ruime mate bij zijn broeder Adhiaan en diens echtgenoote, die kinderen hadden met welke Bakth zich zoo gaarne bezig hield. De hooge vereering die onze grootvader voor zijn oom heeft gehad, toont duidelijk hoe de oude pater de harten der kinderen wist te winnen un de jongelieden blijvend aan zich te hechten. Een blijk van de achting die II kmiuik zijn oom toedroeg, vinden we in de opdracht zijner juridische dissertatie «de favore bonae lidei in praecipuis quibusdam casibus» — Leiden 21) Juni 1805 — niet alleen, zooals gebruikelijk aan zijn vader—«patri optime», — docli evenzeer «patruo carissimo «Barïiiolomako van Bkukel».

Niet alleen de kinderen cn jongelieden beminden hem. Evenzeer genoot hij de achting en de vriendschap der ouderen — Roomschen en Onroomschen.

Ook van Onroomschen ! Hoe zonderling 't wellicht moge schijnen, 't is een feit dat do gemoedelijke oude pater den omgang met Protestanten niet vermeed, maar zelfs met vele andersdenkenden op vriendschappelijken voet verkeerde; hij de priester die behoord had tot eene Orde, welke steeds vooraan gestaan had in den strijd tegen de dwaalleeren. Barth wist echter personen van zaken te onderscheiden en hoezeer ook de dwaling afkeurende, was hij niet ingenomen tegen de ter goeder trouw dwalenden. Ook hierin vertoont Bautii wederom duidelijk het karakter van zijn geslacht De van Berckki.s, van af zoover onze geschiedenis reikt, zijn altijd, hoe wel streng vasthoudende aan de leer der Uoomsche Kerk, zeer verdraagzaam geweest jegens Onroomschen.

Hierboven werd reeds inedegodeeld dat Hautii werkend lid was van het nagenoeg uitsluitend uit Protestanten bestaande stadsmuziekgezelschap. Bovendien schijnt hij in mindere of meerdere mate met Hervormden van verschillende rangen en

ocr page 92

80

standen oniganji te hebben gehad en in het Protestantscho Delft een zekere populariteit te hebben genoten. Zou Barth's gedrag in dezen niet indirect nuttig zijn geweest; doelmatiger dan indien hij zijn omgang uitsluitend tot Koomschen had beperkt

Hoewel 1gt;artii te Delft een tijdvak van hevige politieke opwinding heeft doorleefd, zoo heeft deze hem weinig beroerd en is hij kalm zijn weg blijven gaan, zonder zich met politiek in te laten. Trouwens zijn broeder Adkiaan. hoewel «patriot» en als zoodanig lid der Delftsche «Aolks- ol burgersocieteijt», behoorde tot de meest gematigde leden der partij. Zijne handteekening ontbreekt onder het politiek program der Delftsche patriotten, aanvangende met de «verklaring van de rechten van den luensch», waartegen Adriaan Godsdienstige bezwaren zal hebben gehad. (Dit stuk is eigendom van den lieer \ iorschoor te Del ft.) liai Adriaan, den 'ilsten Januari li'.tö aangesteld tot lid derprovi-sioneele Municipaliteit, werd den lOdeu April d. a. v. door de kiezers niet in deze betrekking bevestigd. Men vond hem te gematigd, te weinig omwentelingsgezind.

Den 20sten April 17lJ7 is Ai.ktta op öö-jarigen leeftijd overleden en bleef dus Barth alléén in t groote huis ovef. Toen heeft Adkiaan dit huis laten verbouwen, waardoor 't in den toestand is gekomen waarin wij het tijdens het leven van onzen grootvader hebben gekend. Doch eerst na zijn tweede huwelijk met Ma uia Catharina van Tom putte, den 6den Augustus 1799, is Adriaan daar gaan wonen.

Het is duidelijk dat toen Adkiaan het groote huis bewoonde, Barth in het kleinere, vroeger door zijn broeder bewoond, heeft verblijf gehouden tot aan zijn dood, zijnde 't een feit dat hij overleden is in de tuinkamer, nu nog bekend als «het zaaltje». Uit de rekeningen blijkt dat hij zijn eigen huishouding heeft gevoerd vanaf 't begin van l.Sd'i of reeds vroeger. In welk dei-beide huizen hij tusschen 20 April 1797 en 6 Augustus 1799 heeft gewoond, is mij niet gebleken. 1'.r is echter reden om te onderstellen dat hij in 't groote huis verbleven is, ook tijdens de vertimmering.

Volledigheidshalve zij nog medegedeeld dat Arnold .1. van Eijck, in üakth's testament bedacht, wellicht zijn huisgenoot is geweest, zoowel in 't groote als in t kleine huis. Deze van Eijck, boekhouder bij Adriaan, ongehuwd of weduwnaar, was in den familiekring opgenomen, zooals o. a. ook blijkt uit t feit

ocr page 93

81

dat in 179B zijn silhouet is gemaakt geworden, tegelijk met de schaduwbeelden van de familieleden. Hij is tijdens onze grootvader Hendrik 't groote huis bewoonde, ten zijnent overleden en verbleef toen op kamers boven de brouwerij, die thans deel uitmaken der woning van neef Kees van Eekckel. Al-lang woonde hij toen bij de familie in. Hoe lang, is onbekend. Waarschijnlijk reeds in 1793. Maar heeft hij al dien tijd gewoond in dit bovenhuis tusschen de beide andere huizen? Of heeft hij steeds gewoond, waar Barth verblijf hield ; eerst in 't zuidelijke huis, daarna in 't noordelijke en na Earth's over-lijden op de kamers boven de brouwerij ? Dit is niet onwaarschijnlijk.

Het testament door Barth gemaakt, bevindt zich even als zijne latere beschikkingen, bij onze tante Louise.

Dit testament te DelJ't op den 20 Januari 1798 voor den notaris Mr. Jacobus van Koetsveld gepasseerd, bevat de bepaling dat de testateur de bevoegdheid zal hebben later veranderingen in de testamentaire beschikkingen te maken, niet alleen bij notarieele acte, doch ook bij gewoon door hem onderteekend geschrift. Hij benoemt tot executeuren zijn broeder Adrianüs Josepiius van Berkel en Henricus van Waijenbukg den ouden, terwijl genoemde Adhianus zijn universeel erfgenaam is. Legaten in geld worden toegekend aan Maria M. Smulders, weduwe van wijlen Barth's halven broeder Gerardus Bartho-lomaeus, aan zijne dienstboden en aan de kerkmeesters der St. Josephs kerk ter versiering of verbetering van het orgel. Verder worden gelegateerd aan Barth's nicht Lucia Theeesia van Heilman, geboren van Lilaau een gouden snuifdoos waarop 't portret van Barth's moeder; aan de kinderen van Barth's broeder Adriaan respectievelijk: aan Martinus een gouden repetitiehorloge, aan Henricus een zilveren snuifdoos met naamschrift, aan Arnoldus een zilveren zakhorloge en een met zilver gemonteerde robbevellen tabaksdoos en aan Catiiarina een gouden ketting met medaille. De boekhouder Arnoldus van Eijck zal een boek naar keus uit Barth's bibliotheek ontvangen.

Ingevolge de clausule reservatoir ia zijn testament heeft Barth den 18 April 180a bij onderhandsche acte op gezegeld papier nog de volgende bepalingen gemaakt:

Zijne begrafenis moet «zo nederig en min kostbaar geschieden

6

ocr page 94

82

«als mooglijk is». -De Kerkelijke diensten» verzoekt hij «te geschieden zo als ia de famiolie gebruikelijk is». Bij gelegenheid van zijn uitvaart zullen de leden van 'l «muzijk choor» vier ducaten en bij gelegenheid van zijn maandstond de leden van 't «Gregoriaansch choor» twee ducaten ontvangen. Het legaat aan dequot; kerkmeesters van St. Joseph ter versiering of verbetering van liet orgel, wordt ingetrokken omdat «hetzelve legaat bij «levenden lijve gepraesteerd» is. \ erdor legateert hij aan zijne schoonzuster Maria Catharina van Tomputte, echtgenoote van Adkiaax, de reliqieën van den H. Stanislaus Koska en van den H. Joannes Nepomucenus en oene plaat achter glas voorstellende «het monument van Paus 1'ius \ 1»; aan zijn neet

Hendrik al zijne boeken, losse platen, boekenkasten, geschriften, muziek, zoo gedrukt als geschreven, muziek instrumenten, muziek tafel en de portretten, «in crayon» van Barth en van Hendrik. (Deze portretten zijn thans in bezit van tante Louise) ; aan zijn neef Martini s een zilveren olie en azijnstel, alle losse teekenprenten en vijf schilderijen, de vijf zinnen voorstellende; aan zijn neef Arnold een met zilver gegarneerde paarlemoeren snuifdoos in de plaats van de testamentair toegezegde tabaksdoos: aan ieder dezer drie neven bovendien tweehonderd gulden ;

aan Catharina van Gulik, dienstbode, een ledikant met toe-behooreu en beddegoed.

Aan deze acte is den 8 Juni 1809 nog eene bepaling toegevoegd,

waarbij aan A. van Eijck en van Gulik behalve liet reeds vroeger gelegateerde, ieder nog honderd gulden wordt geschonken. De handteekening van Earth, die toen al zeer ziek was, is bijna onleesbaar, doch gelegaliseerd door onzen grootvader.

Hoewel zooals gezegd, Barth reeds den 18 April 180:i gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid hem bij de clausule reser-vatoir quot;gelaten, om eenige betrekkelijk onbelangrijke beschikkingen te nemen ten bate van familie leden en anderen, zien wij hem tot den 18 Januari 1806 wachten vóór hij, zooals door mijn vader in zijn opstel medegedeeld, bij codicil op zegel een administrateur aanstelt «van zoodanige effecten en goederen in «mijnen boedel gevonden wordende als hunlieden bekent, of «bij geschrifte zijn gespeciticeert» enz. Waarom heelt Barth zóó lang gewacht, alvorens hij deze beschikking nam ? Mij komt 't voor dat dit dralen moet worden toegeschreven aan de hoop van Barth, dat de Societeit Jesu weder zou worden

ocr page 95

83

hersteld, en hij de bedoelde Leidsche Jesuïten goederen zelt aan zijn Provinciaal zou kunnen teruggeven. In 1806 zal hij zich echter zóó ziek zijn gaan gevoelen, zal hij begrepen hebben, dat de dood nabij was, dat hij niet langer heeft durven dralen met 't regelen der zaak op wettige wijze. Trouwens al had hij dit nagelaten, de Jesuïten goederen zouden toch dezelfde bestemming hebben gevolgd, want zijn erfgenamen wisten dat dit deel der erfenis hun niet toekwam en Mr. Hendrik zou toch gehandeld hebben zooals hij gedaan heeft.

ocr page 96

BIJLAGE A.

Brie!wisseling naar aanloiding van liet besluit van Bartboloniaeus om priester te worden.

Bij mijne tante Louise vond ik eeni^e brieven, geschreven naar aanleiding van Bahïh's beslissing om de studie in de rechten niet voort te zetten en toe te treden tot de Orde der Jesuïten. De Franciscaner pater ■ Beaüfout, — waarschijnlijk Barths biechtvader, — heeft die beslissing aan de ouders medegedeeld. Ik zal eenige brieven overschrijven. Men zal uit den inhoud de schrijvers eenigennate kunnen leeren kennen, hunne onderlinge verhoudingen en hunne opvattingen, die echt

Christelijk waren.

Barth schreef den ')en Februari li4:9 uit Utvccht aan zijne

stiefmoeder;

«Mejuffrouw en teer beminde Moeder.

«Ik twijffel niet of den Eerw. Heer Beaufort sal U.W'.E. «van mijn schrijven wel medegedeelt hebben ten opsigte van «dat geene, daar ik U.W'.E. daags voor mijn vertrek, dat mijn «naderhand leed genoeg geweest is, niet ernstig genoeg over «onderhouden heb. Dog so niet, sal deese dienen om U.W.E. «mijne intentie duijdelijk en onveranderlijk te openbaaren. «Daarom mijne toevlugt tot U neemende, niet alleen omdat «sulks mijn pligt wel schijnt te gebieden, maar ook omdat «uwe buijtengemeene geneegentheijd mij gelijk als dwingt en «mijne geneegentheijd. vrijelijk bekent noijt tèeder als li en «mijn vader, dat van selfs spreekt op de weereld te besitten.

ocr page 97

85

«Ja waar dat God geschikt had mijn uit U.W.E. te hiaten «gebooren worden, sou ik geen meerder treneegentheijd konne «hebben als nu hetwelk, so het mij bestreden mogt worden «met te seggen dat sulks teegen de natuur is, bekenne ik «gaarne tegen de natuur te sondigen. Maar wat boude ik mijn «op met dinge daar U \\.E. en ik so wel van verseekert sijn, «ten minste ik van mijne kant van U.W.E. en so TJ.W.E. niet «van mijn mogt sijn. laat dit dan tot een kleijn staaltje ver-«strekken dat ik nu, lieve moeder, vastelijk declareere dat Gods «grondloose bermhertigheijd mijn en U.M'.E. die genaade gedaan «heeft, van tot een vast voorneemen tot het geestelijk te doen «komen, genade voor dewelke 1 .W.E. nog ik hem noijt naar «waarde zullen konnen dankseggen. Maar opdat U.W.E. sulks «niet voor veranderlijk, gelijk mijn humeur wel wat meebrengt «op sonde neemen, so dient te weeten dat ik niet van vandaag «of morgen tot dat besluijt gekóomen ben. maar al lang voor «het feest van Franciscus Xaveru s bij mij vast en pal gestaan «heeft en mij niet heb laten overhalen, (ja misschien wel al «te hardnekkig aan Gods gratie geweest heb) ten sij wel over-«dagt te hebben de weedersijdse weederwaardighecden. die so «wel in d'eene meer in d'andere min het sondig mensdom te «beurt vallen. Want sonder bekooringe sonder cruijsen leeft «niemand. Nu geloot ik seeker dat 1 .W.E. wel verwondert suit «sijn, dat ik mijn voornemen niet eerder bekent heb gemaakt, «maar daar uijt hoop ik U.W.E. te doen sien de klaarhlijke-«lijkheijd van mijnen roep Want liefste moeder, noijt heb ik «te raaden gegaan met imand tensij met God. Pater Bkattkort «is d' eerste, U.W.E. de tweede die ik mijn voorneemen gede-«clareert heb; pater uk Sm kb weet nog nergens van. Vervolgens «ook heb ik geen aanraaders gehad, afraaders in overvloed, alle kleijne weereldse en vergankelijke genoegfens. bekoorinire. geselschappe ja al wat mij in deese verdorve eeuw op straat tegen kwam, sijn gelijk als so veel aanstooten en afkeeringe van so een goddelijk voorneemen geweest. Daarbij komen liefste moeder, de geringe gaven die ik van God so onverdiend ontfangen heb. en al dikwijls tot grove sonden gebruijkt en waarover ik sijn goddelijke genade noijt genoeg kan danken. Og bad ik nog maar een weijnig gedaan. Die gaven nogtans sonder mij te wille verhoovaardige, schijnen meer tot een geestelijk als werelds gebruijk aan mijn gegeeven te sijn. Is

ocr page 98

BIJLAGE A.

Briefwisseling naar aanleiding van liet besluit van Bartholomaeus om priester te worden.

Bij mijne tante Louise vond ik eenige brieven, geschreven naar aanleiding van ISauth's beslissing om de studie in de rechten niet voort te zetten en toe tc treden tot do Orde der Jesuïten. De Franciscaner pater Beaufort, waarschijnlijk Barth's biechtvader, — heeft die beslissinji aan de ouders medegedeeld. Ik zal eenige brieven overschrijven. Men zal uit den inhoud de schrijvers eenigermate kunnen leercn kennen, hunne onderlinge verhoudingen en hunne opvattingen, die echt

Christelijk waren.

Barth schreef den oen Februari 1749 uit Ltrccht aan zijne

stiefmoeder;

«Mejuffrouw en teer beminde Moeder.

«Ik twijffel niet of den Eerw. Heer Beaufort sal U.W .L. • van mijn schrijven wel medegedeelt hebben ten opsigte van «dat geene, daar ik U.W.E. daags voor mijn vertrek, dat mijn «naderhand leed genoeg geweest is, niet ernstig genoeg over «onderhouden heb. Dog so niet, sal deese dienen om U.W.E. «mijne intentie duijdelijk en onveranderlijk tc openbaaren. «Daarom mijne toevlugt tot U neemende, niet alleen omdat «sulks mijn pligt wel schijnt te gebieden, maar ook omdat «uwe buijtengemeene genoegentheijd mij gelijk als dwingt en «mijne genoegentheijd vrijelijk bekent noijt teeder als U en «mijn vader, dat van selfs spreekt op de weereld tc besitten.

ocr page 99

85

«Ja waar dat God geschikt had mijn uit U.W.K te laaten «trebooren worden, son ik geen meerder geneegcntheijd konne «hebben als nu hetwelk, so het mij bestreden mogt worden «met te seggen dat sulks tcegen de natuur is, bekenne ik «gaarne tegen de natuur te sondigen. Maar wat boude ik mijn «op met dinge daar U \\ .E. en ik so wel van verseekert sijn, «ten minste ik van mijne kant van U.W.E. en so U.W.E. niet «van mijn mogt sijn, laat dit dan tot een kleijn staaltje ver-«strekken dat ik nu, lieve moeder, vastelijk declareere dat Gods «grondloose bermhertigbeijd mijn en U.W.E. die genaade gedaan «heeft, van tot een vast voorneemen tot het geestelijk te doen «komen, genade voor dewelke l .W.E. nog ik hom noijt naar «waarde zullen konnen dankseggen. Maar opdat U.W.K. sulks «niet voor veranderlijk, gelijk mijn humeur wel wat meebrengt «op sonde neemen, so dient te weeten dat ik niet van vandaag «of morgen tot dat besluijt gekóomen ben, maar al lang voor «bet feest van Franciscus Xavkrii s bij mij vast en pal gestaan «heeft en mij niet heb laten overhalen, (ja misschien wel al «te hardnekkig aan Gods gratie geweest heb) ten sij wel over-«dagt te hebben do weedersijdse weederwaardigheeden. die so «wel in d oene meer in d'andere nun het son dig mensdom te «beurt vallen. ^ ant sonder bekooringe sonder cruijsen leeft «niemand. Nu geloof ik seeker dat U.W.E. wol verwondert suit «sijn, dat ik mijn voornemen niet eerder bekent heb gemaakt, «maar daar uijt hoop ik U.W .E. to doen sien de klaarblijke-«lijkheijd van mijnen roep. Want hofsto moeder, noijt heb ik «te raaden gegaan met imand tensij met God. Pater Bk.u'i ort «is d eerste. U.W.E. de tweede die ik mijn voorneomen crode-«clareert heb; pator de Smkd weet nos; nergens van. Vervolgens «ook bob ik geen aanraaders gehad, afraaders in overvloed, alle «kloijne weoreldse en vergankelijke genoegtens, bekooringe, «geselschappe ja al wat mij in deese verdorvo eeuw op straat «tegen kwam, sijn gelijk als so veel aanstooten en afkoeringe «van so een goddelijk voornoemen geweest. Daarbij komen liefste «moeder, de geringe gaven die ik van God so onverdiend «ontfangen bob, en al dikwijls tot grove sonden gebruijkt on ■ waarover ik sijn goddelijke genade noijt genoog kan danken, «Og bad ik nog maar een woijnig gedaan. Die gaven uogtans «sonder mij te wille verhoovaardigo, schijnen meer tot oen «geestelijk als werelds gebruijk aan mijn gegeeven te sijn. Is

ocr page 100

86

het dan niet billijk dat ik den gcever door sijne gifte verheerlijk en mijne talente niet in de aardsche en viüjle mesthoopen van deese weereld door de sonde laat verroesten. Ten anderen mijn gedrag dat ik door Gods gratie altijd betragt heb, sal U.W .E. misschien in verwagting gebragt hebben (te meer mids mijn verkiesing was om hier te studeeren, dns ik nogtans meer dee om niet leedig te sijn als wel dat ik die juijst so vastgemaakt had) dat U.W.E. sorge en moeijte en liefde niet vrugteloos 't eeniger tijd geweest sonde hebben om U.W.E. 't zij hier of daarin de behulpsaame hand te bieden. Maar liefste moeder uwe sorge, arbeijd en liefde kan noijt beter besteed weesen «als nu. Ook sal ik misschien meerder hulp door mijne gebeeden «Ü.W.E. toebrengen als ik van te vooren sonde doen. Het is «waar en het is mij ook leed so veel geld hier besteed te hebben, «maar als God komt moet men volgen. Ik ben ook gaarne «bereijd sulks in vervolg van tijd aan mijne speelpenningen te «missen. Nu dan is mijn hertelijk versoek of U.W.E. aan mijn «waarde vader als meerder bequaamheijd daertoe hebbende «als ik, te commnniceeren suit mij grootelijk verpligten want «uijtstel tot de vacantie en lijd de saak niet. Dog ik en twijfiel «niet of de liefde en sorg die U.W.E. tot ons geluk heb, sal «U.W.E. ligtelijk tot mijn voornoemen doen overgaan.

«Waarmeede naar mijn in U. W. E. gebeeden en meedewerkster «van deese saak gerecommandeert te hebben, so blijve naar de «hertelijke dienstoffers van de waarde familie die sig Godlof in «volmaakte staat van gesondheijd bevind aan U.W. E., lieve «tante en suster en honderd soentjes aan de kleijntjes met alle «hoogachting en liefde.

«Mejuffrouw en teerbeminde moeder.

«U. W. E. onderdanigte dr.

^Utrecht den 5 februari] «en gehoorsaamste zoon,

«1749. «B. van Bekkel.

«P. S. Versoeke om recdenswille U.W. E. deese voor mijn • waarde tante klopje verswijgt en ook nergens of spreekt, ook «voor mijn suster en so U.W.E. so goed gelieft te sijn van «mijns vaders antwoord mij te commnniceeren, so gelieft het «hier te adresseeren Hermanüs Wiers Chirurgijn op de neu, als «de occasie toelaat op sijn spoedigste tog liefste moedor Adieu

ocr page 101

87

«moederlief ik sel so trouw voor U. W. E. bidden maar versoeke «tog stil te houden».

Dat Barth zijne stiefmoeder, de echtgenoote van een der Delftsche notabelen, niet «mevrouw» maar «mejufi'rouw» noemde, was volgens het toenmalige gebruik; zooals duidelijk blijkt uit 'tgeen te dien aanzien door mijn vader in zijn opstel is medegedeeld. Mauti-nts was Uoomsch en kon dus geen ambt be-kleeden dat aan zijne echtgenoote den titel van «mevrouw» zou verschaffen. En hij had niet in de rechten gestudeerd; dus was zijne vrouw «juffrouw».

De goede stiefmoeder schreef dadelijk aan Bauth als volgt: «Mijn seer lieve soon».

«Dewijl pater Bkaufort mij niets van U. E. brieve aan zijn «Eerw. geschreve gemelt hat, als wel met een woort. of U. E. «mij nu laats hier zijnde, iets gedeclareert hat. Ik antwoorde «ja, daags voor zijn Ed. vertrek en deelde verder Zijn Eerw.-«mede alles dat wij same gesprooken hadde, en dat ik U. E. «geraden hat tot de groote vacansie alle gedagte te verstoote «en seer iverig U. E. tegenwoordige studie waar te neme, en «dat het alsdan nog tijts genoeg was. Nu kan U. E. denke met «wat verwondering en ontroering des geest ik gistere U. E brief «uijt hande van pater Beaufort ontfing, dewijl Zijn Eerw. «daarbij voegde door overvloet van bleijdschap, mama U. E. «soon is vast geresolveert geestelijk te worde, ik heb desen «morgen den te Deum laudamus gesonge tot danksegging aan «God, en versogt mij U. E. brief in eensaamhijt te gaan leese, «waardoor mijne ontroering nog grootelijks vermeerderde en «mijn traane dede vloede, ziende daarin U. E. tedere uijtdruk-«king van liefde tot mij Mijn lieve soon ik kan U. E. ook met «waarhijt betuijge dat ik dat selve moederlijk hert ook voor «U. E als voor mijn cijge kindere gevoel, en waarlijk niet «sonder reede, dewijl ik van U. E. teere jeugt, niet anders als •dk van mijn eijge kindere sonde konne wense, van U. E. ge-«noten heb, soo dat ik vast stelle, het traane van liefde en van «vreugde zijn geweest, dog sij overstelpte mij soo, dat het mij «onmogelijk was om voor IJ. E. tante en suster de oorzaak «daarvan verborge te houde, dewelke beijde groot deelinU.E. «gelukkige verkiesing name en ver na soo verwondert niet als

ocr page 102

88

«ik en U.E. vader, die ook een vloot van traane storte. Want «mijn lieve soon, ofschoon U E. ons al versekering doet dat

• het niet van daag of gisteren is dat U; E. dit voorneme gemaakt «hebt en U. E. tante dit ook prottesteert, ik weet en ken 1T. E «aanhankelijke natuur. Daarom lieve soon, vergunt mij U. E. «de swarighede, die er mijn in voorkome eens mag voor ooge «stelle en spreek U aan met de woord e van den wij se man, «soone wilt gij tot het geestelijk gaan, bereijt U tot denstreijt, «ja tot een herden streijt want den duijvel, werelt en vlees «sullen U te geleijk bevegte, d'een door eer en agting, d'ander «door pragt en rijkdom, die door werelse vermakelijkhede en «genegenthede dewelke alle selvs geoorlooft zijn en daar soo «veele godvrugtige manne haar zalighijt in gewerkt hebbe, ik «beken wel niet sonder eruijse en tegenhede, nogtans vinde «die veel meer raiddele om se te versette, soo door raat als «minnelijke wederseijtse genegenthede en geselschappe van vrinde «en bloetverwante, hetwelke ook niet tegen God en streijt. Ik

• weet wel U. E. hierop antwooide sal, ik kan dit in God op

• het aldervolmaakste vinde, want die is den trooster, bestierder

• en magtigste van al, maar lieve kint. God beproeft dikwils «de zijne en hout zig als doof voor haare klagte en dan laat «hij wel toe dat men in de ooverstens of persoone daar men «sig op vertrout niet vind dat men gehoopt bat. Daarbij komt «U.E. aanhankelijke liefde tot ons en als ik het segge mag «bij ondervinding U.E. veranderlijk humeur; edoch nu laats ■ tuijs zijnde tot mijn groote gerustighijt en genoege merkelijk «verbeetert in gevonde. Maar die swakhijt die sou in U.E. «gelijk ik in mijn selve ook ondervint, weer boove konne koome. «Waarin dan lieve soon troost gesogt bij IJ ouders en bloet-«verwante, daar vint gij U van berooft en dit sou U. E. oorsaak quot;tot chagrijn en berouw konne geeve. Daarom bid ik 1T nog-«maals beproeft Uselve en denkt tog alles wel in, terwijl het «voor U geheel leeven is en vint gij U.E. versterkt om alle

• swarighede welken U. E. in dien staat te wagten hebt met «Gods gratie te bove te sulle kome, soo seg ik met een kloeken

• moet, gaat mijne soon en volbrengt uwen roep en vordert «U.E. zalighijt want God heeft U alleen tot diteijndegeschape

• en gij behoort hem meer toe als ons. Dit schrijf ik U. E. «meer met traane als letteren en heb deze dage al dikwils «gedagt gelukkige soon die God tot soo een verheeve staat

ocr page 103

89

«geroepen heeft, maar ongelukkige moeder die sig veele jaare «berooft sal vinde van die bijwegen de dienste en teerc genegent-«hede van soo een bemint kint te moete derve, want schoon «U.E. niet melt wat Heiige U.K. wenst in te gaan, twijfele «wij niet of hot sal in de societeijt Jksu wese. Egter waar God «U. E. toe trekt, bidde en hoope wij het hem gelieve sal ons «te versterko en te overtuijge dat daar het euwig welwesen «aan hangt, de aanhankelijke lievde van vlees en bloet daarvoor «moet wijke, opdat het tot uwe en onse zalighijt mag ver-«strekke. Hier nevens gaat ook een brief van U. E. waarde «vader, die ik wens dat U E. nevens de mijne tot troost en «genoege sal diene. Verders sulle wij alle onophoudelijk bidde «dat God U. E. gelieft te verligte om niet anders te betragte «of te soeke als alleen liet volbrenge van zijn Goddelijk wel-«behaage sonder eenige menselijke nog weerelse opsigte, en «daarom kan U. E. gerust zijn dat wij hetselve sekreet sulle «boude of U. E. nog eens mogt verandere. Dit is alles mijn «lieve kind dat ik U. E. segge kan en weest versekert dat het «voortkomt uijt een moeder hurt, die U op het teerst bemind «en omhelst in den geest en bleijve tot ter doot.

«U. E. liefhebbende moeder

«J. v. Beekel g. b. Houwert.

De ingesloten brief van vader Martinus luidt:

«Beminde en lieve soon.

«Gisteren morge onverwagt op het salet komende, vonde «daar den Eerw. pater Beaufort met U. E. moeder, en naar «weeder eenige op het comtoir affaire gedaan hadde weedcr «komende eenige confusie en traane van U.E. moeder, geen «oorsaak daarvan weetende tot dat eijndelijk mijn den brief «van U. E. aan U moeder geschreeve behandigt wierd. Ik be-«kenne daar seer over aangedaan was, en een van de ver-«wonderlijkste gevalle van mijn leeve overkwam U.E. voor-«neeme daarin te sien. Naar een vloed van traane die mijn «den heelen dag overviele so waare wij alle in een groote ver-«wondering en voor mijn besonder dewijl noijd daar eenige ■ kennis of gedagte van gehad heb be. Het kwam mijn wat «schielijk voor. Egter wil U. E. voorneome niet disaprobeere, «maar de resolusie is groot en van groot aangelegenheijd en

ocr page 104

!)0

«bedenkt U wel, daar zijn in de weerelt veele weedenvaardiir-quot;heede en besonder in den geestelijken stand, daar men sijn «wil en alles moed overgeeve en sijn overste in alles gehoor-«saame moed. Is het U vast voorneeme en so ik hoop den «roep van God, dat dan de wille Gods geschiede. Ik hoop dat -God die U. E. gegeeve heeft tot 1'. E. eeuwige sahgheijd. Ik heb •■U. E. altoos teer bemind en niet gesogt als U. E. welweesen «naar siel en ligchaam en daarom dagelijks gebeede. Ik bevecle «U. E dan in de Goddelijke bestieringe en sal mijn voege naar «die schikkinge en U. E. begeerte en so ik hoop en vast ver-«trouwe mag en sal sijn tot l eeuwig geluk en ons aller troost. «Ik hoop den beoinel mijn sal verleene dat ik het genoege mag «hebbe van I.E. een waardige dienaar Godstesien. Schikt nu «alles verder naar U.E. welgevalle so van U.E. overkomst als «andersins van U.E. voorneemens. Ik beveele 1 . E. verder in de «bescherminge van den alderhoogste dat die in alle U. E. weegen «en wandelinge en voorneemens sal bewaare, geleijde en behoede «tot U eeuwig geluk en saligheijd. Adieu beminde en lieve soon «blijve met alle vaderlijke genegentheijd en liefde,

«U.E. liefhebbende vader, quot;Delft den 7 febr. «M. v. Bebkel.»

quot; «1749.«

Het is met een oprecht genoegen dat ik dezen brief van Martinus ter kennis breng van zijne afstammelingen, omdat er uit blijkt hoe hoog onze voorvader stond als Christen. Geheel onvoorbereid verneemt hij dat God hem 't offer vraagt van zijn zoon, van wien hij de schoonste verwachtingen had, die zijn opvolger zou zijn in de zaken, voor wien een eervolle loopbaan beschikbaar scheen. En dadelijk brengt hij dit offer met eerbiedige berusting in Gods wil. Mijn vader heeft dezen brief niet gezien, en daardoor heeft hij van de zijde van Martinus eenige trouwens zeer begrijpelijke bedenkingen ondersteld. Het blijkt nu, zoowel uit dezen brief als uit den brief van zijne schoonzuster die zal volgen, dat Martinus zelfs van deze zeer natuurlijke en verschoonbare vaderlijke zwakheid moet worden vrijgepleit.

Gaf het besluit van Bartii aan zijne ouders aanleiding om tranen te storten, de meergenoemde pater Beaufort begroette

ocr page 105

91

het voornemen met onvermengde vreugde. Zie hier wat hij aan Barth schreef:

quot;.Tesus, Maria, Franciscus

«Amatissime fili.

«Dignativas vestras magno percepi gandio, intelligens ex iis «inclinationem vestram ad statutu reiigiosuin. Gratidor ex corde quot;doniinationi vestrae novo spiritus fervore, spero fore ut indies «acereseat Spiritus sancti gratia, qua superare valeat impedi-«menta, tam a daemone, tuin ab hominibus objicienda.

'Unum admiramur, scilicet dilectissiina tua mater et ego, «dominationem vestram nobis non indicare, quem statuin in «particular! amplecti intendorit.

«Hinc rogo, si aliquid implorare valeam, ut quam primum «desideriis nostris benigno response dominatio vestra statisfacere «dignetur.

«De caetero si mea persona quocumque modo doniinationi quot;vestrae obseqnio esse possit, certo sciat proraptissimum se «invenisse amicum, qui, in sacriliciis et precibus indignis jugiter «dominationis vestrae memoriam habiturus, singulari signatur «afFectu.

■iAmatissime fili.

«Delphis 7 feb. «Dominationis vestrae humillimus

• 1749 «famulus et amicus integerrimus,

«Festina manu.» «F. G. Beaufort, min. ind.

De zuster van Earth's stiefmoeder, «tante klopje^, zooals hij haar in zijn brief noemt, schreef hein als volgt:

«Mijnheer en waarde neef,

«Indien ik niet belet was geweest door 't reparere van kerk-«goed, waaraan zondag en maandag zelfs ben bezig geweest, «niet twijvelende of mijn zuster zou deze week alhier zijn geweest «en ons hebbe komen verrasse, te meer omdat ik geen brieven «kreeg, zoo zoude ik niet nagelate hebbe, I.E. D. te gelijk met «U. E. D. vader te filiciteren met U. E. D. gelukkige verkiezing, «want ik gaarn wil bekenne, dat in menigte jnaren geen blijder «tijding gehoort hebbe, als dat U. E. D. zijn voornemen en vaste «resolutie aan U. E. D. waarde ouders bekend maakte. Mijn «lieve neef alschoou ik niet veel deel in U. E. D. geheijmen

ocr page 106

90

«bedenkt U wel, daar zijn in de weerelt veele weederwaardig-«lieede en besonder in den geestelijken stand, daar men sijn «wil en alles moed overgeeve en siju overste in alles gehoor-«saame moed. Is het U vast voorneemn en so ik hoop den •«roep van (iod, dat dan do wille Gods geschiede. Ik hoop dat «God die U. E. gegeeve heeft totU. K. eeuwigesaligheijd. Ikheb «U. E. altoos teer bemind en niet gesogt als U. E. wehveesen «naar siel en ligchaam en daarom dagelijks gebeede. Ik beveele ■■ U. E dan in de Goddelijke bestieringe en sal mijn voege naar «die schikkinge en I .E. begeerte en so ik hoop en vast ver-«trouwe mag en sal sijn tot U eenwig geluk en ons aller troost, «ik hoop den heeinel mijn sal verleene dat ik hetgenoege mag «hebbe van I .E. een waardige dienaar Gods tesien. Schiktnn «alles verder naar U. E. welgevalle so van U. E. overkomst als «andersins van U. E. voorneeraens. Ik beveele U. E. verder in de «bescherminge van den alderhoogste dat die in alle U. E. weegen «en wandelinge en voorneemens sal bewaare, geleijde en behoede «tot U eeuwig geluk en saligheijd. Adieu beminde en lieve soon «blijve met alle vaderlijke gencgentheijd en liefde,

«U. E. liefhebbende vader, quot;Delft den 7 febr. «M. v. Beekel.»

quot; «1749.quot;

Het is met een oprecht genoegen dat ik dezen brief van Marïinus ter kennis breng van zijne afstammelingen, omdat er uit blijkt hoe hoog onze voorvader stond als Christen. Geheel onvoorbereid verneemt hij dat God hem 't offer vraagt van zijn zoon, van wien hij de schoonste verwachtingen had, die zijn opvolger zou zijn in de zaken, voor wien een eervolle loopbaan beschikbaar scheen. En dadelijk brengt hij dit offer met eerbiedige berusting in Gods wil. Mijn vader heeft dezen brief niet gezien, en daardoor heeft hij van de zijde van Martinus eenige trouwens zeer begrijpelijke bedenkingen ondersteld. Ilct blijkt nu, zoowel uit dezen brief als uit den brief van zijne schoonzuster die zal volgen, dat Martinus zelfs van deze zeer natuurlijke en verschoonbare vaderlijke zwakheid moet worden vrijgepleit.

Gaf het besluit van Bartii aan zijne ouders aanleiding om tranen te storten, de meergenoemde pater Beaufort begroette

ocr page 107

91

het voornemen mot onvermengde vreugde. Zie hior wat hij aan Barth schreef:

«Jesus, Maria, Franciscus «Ainatissime fill.

«Dignativas vestras magno percepi gandio, intelligens ex iis «inclinationem vestram ad statum religiosum. Gratulor ex eorde quot;doniinationi vestrae novo spiritus fervore, spero fore ut indics «aecrescat Spiritus sancti gratia, qua superare valeat impedi-«menta, turn a daemone, turn ah hominibus objieienda.

«Unum admiral uur, scilicet dilectissima tua mater et ego, «dominationem vestram nobis non indicare, quem statum in «particulari amplecti intenderit.

«Hinc rogo, si aliquid implorare valeam, ut quam primum «desideriis nostris benigno responso dominatio vestra statisfacere «dignetur.

«De caetero si mea persona quocumque raodo doniinationi «vestrae obseqnio esse possit, corto sciat promptissimum se quot;invenisse amicuin. qui, in sacrificiis et precibus indignis jugiter «dominationis vestrae memoriam habiturus, singulari signator «affectu.

«Amatissime fili.

«Delphis 7 feb. «Dominationis vestrae humillimus

«1749 «famulus et amicus integerrimus,

«Festina manu.» «F. G. Beaufort, min. ind.

De zuster van Bartii's stiefmoeder, «tante klopje», zooals hij haar in zijn brief noemt, schreef hem als volgt:

«Mijnheer en waarde neef,

«Indien ik niet belet was geweest door 't reparere van kerk-«goed, waaraan zondag en maandag zelfs ben bezig geweest, «niet twijvelende of mijn zuster zou deze week alhier zijn geweest «en ons hebbe komen verrasse, te meer omdat ik geen brieven «kreeg, zoo zoude ik niet nagelate hebbe, U. E. D. te gelijk met «U. E. D. vader te filiciteren met T'.E. D. gelukkige verkiezing, «want ik gaarn wil bekenne, dat in menigte jaaren geen blijder «tijding gehoort hebbe. als dat U. E. D. zijn voornemen en vaste «resolutie aan U. E. I). waarde ouders bekend maakte. Mijn «lieve neef alschoon ik niet veel deel in U. E. I). geheijmen

ocr page 108

02

«heb gehad, nogtans heb ik voor veel tijd al gemerkt I1. E. D. • strijd en derve ook zegge, daarom wijnige communiën ge-«daan heb of U. E. D. heeft er groot deel in gehad, biddende «dat indien (ïod U. E. D. tot het geestelijk geroepen had, die «beletzelen geliefde weg te nomen, of anders onmogelijk maken. «Geluk dan lieve neef, de liefde Gods in-U heeft ijsere ketene «gebroke, die zelve zal ook de draatjes die U nog binden, ' ligtelijk doen knappen en alle herte buijgen om U. E. D. wens «en begeerte niet alleen te bewilligen maar zelfs te bevorderen, «gelijk als ik gisteren tot mijn grote stigting TJ. E.D. vader, «alhoewel vloedende in traanen hoorde zegge, het is gedaan, «ik geef hem met vreugde aan die hem aan mijn gegeven «heeft, en zal nu maar bidde voor zijne volherding. TAeve neef «dat zal ik mede doen. met een vast betronwe dat God U. E. D. «overvloedige gratie zal sieve, om 't gene F. E. D. met zo veel «iver begonne heeft, ook tot zijn meerderen glorie kloekmoedig «te voleijnden en een grote schat van verdienste moogt ver-«gaderen, om hiernamaals eens uijt den mond van onzen alge-«meenen Regter die licvelijke woorde te mogen hore, welaan «goede en getrouwe dienaar, omdat irij over luttel zijt getrouw «geweest, zal ik U over veel stellen, gaat in de vreugde des «Hemels, en dat U. E. D. dan 't geluk mag geniete van met «U.E. D. lieve ouders en zusters en broer en geheele famielie «voor een geheele eeuwigheid aldaar God te loven en te danken. «Daar zal de smerten en gevoelen van 't derven van elkanders «geselschap hier op de wereld dan rijkeleik vergolden worden «en de blijdschap nog groter maaken. Dit is lieve neef, dat ik «uijt het midde van mijn hert U. E. D. wenzen en tot dit eijnde «zal ik verder mijne hoewel houwe gebeden aan God opdrage, «in hope U E. D. die alles zal geve dat U. E.D. tot zaligheid «kan strekken. Dit is mede de wens en 't gebed van IJ. E. D. «lieve zuster. U. E. D. vader is van nu af berijd U. E. D. verzoek «t'accorderen, dog U. E. D. moeder konne wij daar nog niet «toe bewogen, en zeijde gisteren, dat Haar Ed. vreesde 't niet «te bove zou komen op die tijd, maar dat 'tnog beter vroeger «zou konne geschiede, dat dan zoveel perijkel voor haar perzoon «en vrusct niet zou wesen als na Paassen. Nu hebben wij onder «elkander met pater Bkaufort al gezegd dat U. E. 1). wat vroeger «hier kwam en dan weer na Utregt gong en tot die tijd van't «vertrek aldaar bleef. Dit heb ik al voorgeslagen, dog H. Ed.

ocr page 109

93

«zeijd, het is zo schielijk, ik kan nog niet resolveren. Nu God «zal alles wel schikke zo ik hoop na ü. E. D. genoege. U. E. D. «vader zal in 't begin van d'andere week aan pater de Smet «antwoorde; wegens de gift zijn U. E. D. ouders niet alleen «be re ij d zo als mevrouw Sciiadée, om jaarlijks te geven maar «indien 't aangenamer was aan de overste zijn U. Ed. bereijd «de geheele som te wete 2000 g. 1. te gelijk te geven. Gelieft «dit nog eens aan pater de Smet nevens ons aller dienst-«offering te communicere. Wij hebbe alle met vreugde in «U. E. I gt;. aangename gezien 't volmaakt welwesen van U. \V. E. 1)., «mijne waarde ouders en lieve zusters waarvan nog veele jaaren «de continuatie verhope, alsmede dat zuster Fietje maandag «geresolveert is, om mij af te komen lossen. Broer zal de wagen «te Leijden zende en nigt zal de eer hebbe zuster af te hale, «want de weg van Alphen niet bruijkbaar is om't hoge waater. «Verder passeert hier geen nieuws, U. E. 1). aandagt waardig. «Dan sluijte na hartgrondige groeteuis van U. E. D. lieve ouders «zusters en omhelzing in den geest, waaronder de mijne ver-«voege aan U. E. D. met verzoek 't zelve gelieft te oSere aan «mijn hoog geEorde vader eu moeder en lieve zusters en noeme «mij met een hert vol liefde voor altijd «Mijnheer en waarde neef

quot;Del/t den 1 Maart 1749. «U.E. D. dienst berijde en

«liefhebbende tante

«J. M. Houwert.

«I'.S. Nadat H. E. D. dese gelesen had heeft H.E.D. meteen «kloeke resolutie tiat op U. E. D. verzoek gegeven in hope dat «door U. E. D. vierige gebeden H.E.D. van God zal verkrijge «de nodige sterkte, om alles dat God van H.E.D. gelieft te «schikke met een volkome overgeving in zijn bijlig welbehagen «zal ontvangen, en daarom kan ü. E. D. volgens raad en goed-«dunken der Eerw. Overste gerusteleijk voorst gaan. Ziet lieve «neef hoe God alles schikt na U. E. D. geluk en welwezen en «wens die U. E. 1). altijd zal bestieren en met zijne Cioddelijke «gratie eeuwig bijblijven. Adieu.

De vader van Bartu's stiefmoeder gaf door den volgenden brief zijne ingenomenheid met liet plan van Bahtii aan diens ouders te kunnen:

ocr page 110

94

«Mijn heer en zeer geeerde zoon en lieve dogter.

«Wij wenschen Ü.W.E. met veel tederheijd des gemoet veel «geluk in bet verkiezen van den gestelijken staet van uwen «zeer waerden zoon onze geliefde klijnzoon, niet twijfelende of «zal zig al langen tijd beproeft hebbe en ondersogt met raeten «daet van zijn zielbestierder of bet ook de roep van God is, die «bom daertoe meer en meer heeft bewogen om daer door alleen «zijn verkiesing zeeker te maeken zonder eenige weereldse insig-«ten daer onder te vermenge, maer alleen de eei en glorie van «God en zijn ziel en zaligbeijd des te zeeker te betragten, en «meer tijt tot bet gebet uijt te vinden ook voor de zaligbeijd «van zijn ouders, vrinden en magen te behartigen en tot rijper «ouderdom en vermeerdering van geloof, hoop en liefde vervor-«derd zijnde, een ligt en fakkel mag worden tot stigting van ■ de sosietijd en bekeering der sondaeren. O gelukkige ziel! die «die genaede en weijsheijd van zijn beminde Bruijdegom ver-«worven beeft! O gelukkige ouders die zo een zoon bebbe voort-«gebragt. Dit boope wij den bermhertigen God in al zijn delen «zal zeegenen en alle geluk en bijstand geuadolijk vergunnen «om onze roep en verkiesing zeeker te maeken, en daertoe is «die groote deugt van oodmoedigheijd alder noodsaekelijkste «waerdoor wij ons zelve kennen en Gods gaven meer en meer • erkenne en des duijvels listen en lagen en de weereld en het «vlees (naer een goeden strijd gestreeden te bebbe) zullen te «boven komen, waertoe de al te groot aanbankelijkhijd tussen «ouders en kinderen, susters en broeders al een grooten binder-«paal en strijd zal veroorsaeken om te boven te komen. Daer-«tegen dunkt mij geen kragtiger middel als zig te berinneren «dat wij bier in dit traanendal maer rijsigers zijn en geen ver-«blijvende plaets hebbe, en geen jaar nog dag verseekering van «ons leeven en daer maer alleen alles te betragten en veriaeten «voor die korte en onzekere tijd die aanbankelijkbeijd te derven «als biernaemaels voor alle eeuwigbeijd van den andere geschij-«den en verlaten te zijn. Dit boope ik mijn lieve dogter, uwe «al te groote aanbankelijkhijd wat meer en meer zal matigen, «en by afscbijd van U. E. zoon zijn gemoet niet te veel ontroe-«ren, want die afweesentheijd zal hem bet swaerste vallen en «voor eenigen tijd al een grooten strijd veroorsaeken, zo ver «mij zijn natuur bekent is. Nu ik hoop den albestierenden God

ocr page 111

95

«zal alles ten besten schicken 't geen ook de hoop en wensch «is van mijn vrouw en presente dogters onder wiens protexie «U. W. K, mijn lieve dogter Fitie en juffrouw Mitie, Lktik en «Herbert bevolen te hebbe, blijve met een vaderlijk teerher-«tigheijd.

«Zeer geliefde zoon en lieve dogter,

» U. W. E. ootm. dienaar, «de zeer genegene vader, « Herbert H()uwert. »

«N'.l!. Den brenger dezes onze geliefde klijnzoon zal mondelijk ■ berigten hoe het verder met den staet zal zijn. God vergundt «hem een spoede rijs en verder alle bedenkelijk liijl en zegen.

^Utrecht den '21 Meert 1749.»

Wie zich de moeite heeft getroost, ondanks den lastigen zinsbouw en do oude spelling de voorgaande brieven door te lezen, zal hebben gezien dat anderhalve eeuw geleden de van Berkels en Houwehts van welke wij afstammen, Roomsch Catholieken waren van den echten stempel.

Thans laat ik volgen een brief van den pater Jesuit de Smet, van wien in den brief van Barth sprake was, en waarover ook tante «klopje» schreef. Tot toelichting diene dat deze pater zich op 't standpunt plaatste dat alle leden der Sociëteit broeders zijn, dus Earth zijn broeder was, zooals tante Houwert, als Jesuïten klopje, zijne dochter. Dit geeft hem aanleiding om de werkelijke ouders van zijn broeder Barth als zijn eigen ouders te begroeten. Hij schrijft:

«Seer lieve ouders.

«Ik kan niet nalaten van U.K. veel gelukx te wenschen over «het volgende: ik hebbe op het verzoek van U.K. zoon, mijne «toekomende broeder Bartholomaeus (te voren verstaen heb-«bende U. E. cordiale toestemminge om te mogen komen in onse «minste societeijt Jksu) aen den opperoversten onser provincie «geschreven, dat hij instantelijk versogt, om soo gelukkig te mogen «sijn van onder de onse aengenomen te worden. U.E. weet, dat «hij de laeste school, besonder den dialectica niet gehoort «en heeft; dogh hebbe dit voorkomen en sooveel uijtgewerekt

ocr page 112

06

«dat hij in de socieleyd sijnde, daerop gevoegelijk sal konuen «studeren.

«Wat aengaet het contract, dat sijne ouders geerne het selve «suilen aengaeu als de moeder van Coknklius Schade. Mejuffrouw » Jacoba mijne beminde geestel. dogter (naer wiens wederkomste «ik verlange) heeft het gelesen, en kan Ü.E. het uijtleggen. «Immers den procurator van de provincie sal uijt naem van «den provinciael hetselve oversenden voor paesschen.

«Ik hadde onsen oversten geschreven, dat ingeval hij hem «ontüngh, hij niet misschien voor meij sonde konnen komen «in het novitiaet; alsoo sijne lieve moeder nu swanger sijnde «maer tegen die maend schickte te kraemen. Dat hij geliefde «te consideren, dat de moeders van Holland wat malder sijn «met hunne kinderen, als die van Brabant-, maer al de rest «goedkeurende, kan don oversten, soo hij mij schrijft, en waerop «alleen antwoord verwagt, niet consenteren en versoeckt instan-«telijk en allerkragtigste, dat hij met mij kors naer paesschen «naer het novitiaet inaet komen. Dit soude mij ook seer aen-«genaem sijn; noijt soo een geluk gehad hebbende van met «een soo fraeijen bruidegom soo een reijse te doen. Sekerlijk «sal het voor U. E. soon ook aengenaemer sijn, want naer een «soo teer afscheijd genomen te hebben, en dan alleen die reijse «te doen valt bitter en droefgeestigh op den wegh.

«So dat ik per eersten U. E. toestemminge daer op verwagte. «Dat sijne lieve moeder, U. E. beminde huijsvrouwe dencke «dat sij. God eene soo aengenaeme vrugt tot sijne glorie op-«dragende elfen voor dien tijd dat sij van God een ander vrugt «verwacht niet anders geschieden kan of alles moet en sal wel «uijtvallen. Amen seij den Koster.

«Ik bidde U. E. beijde op het vriendelijckste (het eerste dat ■gt;ik van mijn leven U. E. versoecke) van dit toe testaen;want «langer uijtsteliende sonde den provinciael dan misschiennogh «voorder willen uijtgestelt hebben tot bamis, of moeijelijk «wordende dat het niet en was dat ik naer paesschen over-«quamp (nota, datter ook eenen brief van den oversten gezonden «is tot eenen van de onse om in mijn plaets te suppleren) «so soude hij hein seker nog eerder op ontbieden; want sal «nogh minder tijd als andere in 't novitiaet sijn en soo veel «als een jaer in winnen; met een woort: het moet geschieden «wilt U. E. U kind niet ongelukkigh maecken, denw. ik

ocr page 113

97

«nevens geheel de familie allen zepen toewensch die blijvemet «ofïer van dienst en hertelijke groetenis aen juflh Jacoba Maria «etc. etc.

« U. E. ootm. dicnaer

'Utrecht 27 febr. 1749 «Fredekicüs de Smeï.

Uit dezen gezellig geschreven brief van den gemoedelij keu pater hebben we kunnen zien, dat de Provinciaal reeds vóór Earth's opneming tot de Orde imperatief is opgetreden, zoodat de candidaat al dadelijk het gezag heeft kunnen voelen, waaraan hij zich zijn volgend leven zou hebben te onderwerpen. Het bevel van den Provinciaal acht ik een blijk zijner groote menschel:,kennis. Stiefmoeder Houwert, — de ilinkste vrouw wellicht, die ooit tot onze familie heeft behoord, — had echter ééne zwakheid, — al te groote aanhankelijkheid jegens Earth. Haar eigen vader wijst haar op dit gebrek. Het «veto» van den Provinciaal, toen uitstel werd gevraagd, was hoogst verstandig en beredeneerd; 't leek hardvochtig, het was echter nuttig en voor moeder en voor zoon.

Laat ons echter tot Earth terugkeeren en lezen wat deze gevoelde toen hij de hartelijke, zij 't dan ook onder tranen geschreven, brieven zijner ouders ontvangen had en hunne toestemming op zijn gewichtig verzoek. Hij schreef:

«Mijn heer en Mejuffrouw.

«Geachte en Geliefde Vader en Moeder.

«Ik heb U. W. E. teere en aangename brieven in eenigheijd «op mijne kamer voor het vuur sittende te leesen met sulke «ontroering van geest en opgenoome vreugde ontfange, dat ik «niet en weet mijn oijt in die staat gevonde te hebben en «U. W. E. teere en sielrojronde uijtdrukking alsmeede die ware «geestelijke vreugd daarin bespeurende, koste ik mij niet ont-«houden een vloed van traenen te storten en op mijn knien «vallende dien God te danken, die mij het weldaad gedaan «heeft van sulke lieve en waarde ouders gegeeven te hebben, «aans wiens Godvrugte opvoeding ik dit weldaad ten deele «verschuldigt ben Nogtans doet mij iets leed, dat het juijst •■•voor de familie so rugtbaar geworden is, niet omdat ik daar «ongerust voor ben, maar ik sal regt uijt biegten, aangesien «den waarde Heer de Smicd nog nergens van wist en ik in

ocr page 114

9S

persoon, zijn Eerw. daar do eerste wel gaaren het consente van mijne ouders ver kroegen hebbende, wilde oversprceken, vreesde ik dat mijn waarde tante, in die tussehentijd t'huijs komende door de groote vreugd die ik weet dat haar Ed. in mijne gelukkige verkiesing neemen sou, misschien het een of het ander aan de waarde familie soude uijteren, dog ik hoop niet dat deese mijne openhartigheijd mijne waarde tante tot gevoelen kan verstrekke want mijne intentie is geweest, so als haar E. gearriveerd sou sijn daarvan te onderhouden en versoeke alsnog haar E. aan de familie nog niet van spreekt, want nu sal ik binne kort het aan den Eerw. „Heer de Smed voorslaan en dan aan mijn waarde grootmama «en familie. 80 als ik dan sijn Eerw. gesprooken sal hebben, .gal ik U. w. E. verder schrijven. Nu geeft mijn wonder dat ik «ü. W. E. verwondert sijt wat Religie ik aanvaarden sou aan-«gesien de iSocietijt gelijk van jonks af mijn leermeester ge-quot; weest is en haare gewoontens en instituten altemaal ken en «gewoon ben. Maar hoe of het nu nog lukken sal, ben ik -sterk in vrees over want het jaar is al so ver geavanceert dog «vertrouwe op de Goddelijke hulp. Mijne lieve en w aardt, ..ouders consideratien kan ik noijt genoeg prijsen nog voor «dankbaar sijn, maar hebbe deselve altemael maar \oor lang «bedagt en ook hondert andere weederhijd want wat de aan-«hankelijk aangaat is seeker al een swaar punt en sal die niet «eens maar 2maal moeten onderstaan. Maar lieve moeder God «die ik ga en wil dienen behoort de opperste liefde, diesonder «aansien van bloed of vrinden hem gegeeven moet worden. «Sijne aanhankelijkheijd tot ons is al grooter geweest als die «selfs in drie uuren de dood gelijk als uijt liefde om met de «menschen te weose, voor wie hij nogtans ging lijden, niet «kost ondergaan. Ik hoop dan en vertrouw dat alles wel \\en-«nen sal en door Gods gratie, want die is die ons roept en «versterke moet, te boven sal komen. Ik sal U \\ E. binne «kort dan wijdlopiger schrijven».

Vorder handelt de brief over 't doopsel toegediend aan een nichtje en over andere aangelegenheden, thans van belang ontbloot.

De brief is gedateerd Utrecht den 11 februari 1/49.

ocr page 115

BIJLAGE B.

(jieschriften van Bartholomaeus.

Het is uitteraard onmogelijk eene volledige opgave te verstrekken van al do pennevruchten van dezen werkzamen schrijver. Van de zoo talrijke brieven door hem geschreven, zijn slechts enkele teruggevonden; van zijn honderde gedichten resten eenige tientallen; van zijne vele preeken zijn er niet meer dan 175 bekend. En zoo zullen er ook wel omvangrijker geschriften van zijne hand over onderwerpen van theologie of moraal hebben bestaan, die verloren zijn geraakt. Immers volgens de catalogen van het personeel der Societeit wordt hij, te beginnen met 1770, «scriptor» genoemd, terwijl reeds vroeger van hem werd geschreven «curat litteras annuas». Het is niet waarschijnlijk dat de pater, die te Maastricht als schrijver bekend stond, en die gedurende zijn studietijd blijken had gegeven van groote theologische kennis, geen ander werk van beteekenis zou hebben geleverd dan de nader te noemen vertaling van een boek over gewetensbezwaren. Wellicht heeft Barth veel verzameld en in portefeuille gehad, dat tengevolge van de suppressie ongedrukt is gebleven cn met de andere Jesuïtenpapieren naar Weenen gezonden is en daar verloren geraakt.

Hieronder zal ik laten volgen de geschriften waarvan het bestaan bekend is. Zij zijn:

I. Theses, door Bartii als student publiek verdedigd «contra quotcunque opponentes». Deze theses zijn in 't Latijn gesteld in druk verschenen. Mijn vader heeft exemplaren in zijn bezit gehad, die echter thans verloren zijn gegaan.

ocr page 116

100

1quot;. Theses betreffende logica en raetaphysica door Bartii met zijn medestudenten Fekdinandus Simon en Jacobus Zeghers onder professor P. Ignatius Schoecicel te Antwerpen verdedigd op den llden, 12den en loden December 1752.

2quot;. Theses betreffende logica, metaphysica, physica generalis en specialis (met medestudeuten ?) onder professor P. Franciscus Le Franc te Antwerpen verdedigd op den Tden Augustus 1753.

Squot;. «Theses theologicae de Sacramentis in genere et tribus «primis (Sacramentis: Baptismo, Confirmatione. Eucharistia) in «specie, quas, praeside R. P. Arnoldo Uoberti Soc. Jesu, Sacrae «theologiae professor, defendent P. Barïholomaeüs van Berkel «et P. JosEPiius Ghesquière ejusdem Societatis, Lovani, in «collegio Societatis Jesu, die 14 Decembris 1762» — gedrukt te Leuven bij Joannes Jacobs.

4°. «Theologia, quam» enz. als boven — zelfde professor, zelfde studenten defendenten.... «die 26 et 27 Julii 176o» — gedrukt te Leuven bij Joannes Jacobs.

Deze J. Ghesquière heeft later een zeer grooten naam gemaakt. Hij is geweest voortzetter der Bollandisten tijdens de suppressie, schrijver van de «acta Sanctorum Belrjii».

Uit deze zoogenaamde «actus publici» blijkt, dat Bartho-lomaeus een der beste studenten in de theologie is geweest tijdens zijn studietijd.

II. Boeken over godsdienst en zedeleer.

Slechts een enkel boek is door Bartii uitgegeven, namelijk eenc vertaling in 't Nederduitsch van een werk van Pater de Fraula. Hoewel de naam des vertalers niet is bekend gesteld, zoo blijkt uit de «bibliothèque des écrivains de la Compagnie de Jesus», van de Backer-Sommervogel, dat deze Hollandsche uitgaaf aan Bartii moet worden toegeschreven. De titel van dit boek, dat ik niet gezien heb, is:

«Geestelijke samenspraecke over de scrupulen tusschen eenen «Zielbestierder en eene Godminnende Ziele, onder de Naemen «van Eudoxius en Theophila. Eerst in de Fransche tael ge-«schreven door den Eerw. Pater Franciscus de Fraula, van «de Societeit Jesu. Ende nu te saemen met eenige naerdere «bemerkingen van den voornoemden schrijver, in de Neder-«landsche tael overgeset door eenen Priester der zeiver Societeit. — «Tot Brussel bij Franciscus 't Sersïevens, 1773», in 8».

ocr page 117

101

III. Preehen.

Van af 1766 tot aan de suppressie van de Orde komt Bar-tholomaeus in de catalogen van het personeel der Vlaamsche provincie voor als «concionator festivus» of «dominicalis». Hieruit blijkt voldoende dat hij een goed redenaar, een prediker met groote zeggingskracht is geweest. Anders zou hem de onderscheiding niet te beurt zijn gevallen om tot feestredenaar te worden gekozen uit zoovelen, die tengevolge van hunne opleiding de gave des woords wel bezeten zullen hebben.

Onze neef, Pastoor Karel van Berckel, bezit een groot aantal preeken, door Barth nagelaten. In deze verzameling vond ik echter, behalve de zijne, ook vele die blijkens datum, handschrift of andere kenteekenen van een anderen prediker — Jesuit of Franciscaan - afkomstig moeten zijn. Ik zal hieronder slechts die preeken opnoemen, waarvan ik met zekerheid weet, dat Barth ze opgesteld en uitgesproken heeft. Ik zal voor ieder jaar de volgorde der data aannemen, eerst van de vaste feestdagen, daarna van de veranderlijke.

Bij nagenoeg al zijn preeken geeft Barth de namen op van beroemde kanselredenaars of schrijvers, die hij geraadpleegd heeft; bijv. «ex Vanalesïi et Texier» , «ex anonymo et «Bobdoni», «et variis» enz. De namen veelvuldig door hem genoemd zijn; Bordoni, Vanalesti, Farri, Segxeiu, Caiïacioi.i, siniscairm, Hulonde, Cai.ino, Segaud, Da lier, Cuoiset, Griffet, Chevassu, Texier, de la Colomhièue, Simon de la Vieüge, Bourdaloue, Massillon, Pallü, Tausch en andere die onleesbaar zijn.

Hoewel Barïh den 18den September 1762 tot priester is gewijd, heeft hij vóór dien, reeds van af 1754, vele preeken gehouden. Zijn auditorium bestond dan uit de studenten. Het was destijds gebruikelijk dat aan enkele seminaristen werd toegestaan, zich op deze wijze in het prediken te oefenen.

o. Preeken, door Bartholomaeus gehouden vóór zijne wijding tot priester.

1. Sexagesima 1754 in 't Convict te Antwerpen.— Lucas VI 11:7.

2. H. Aloysius 1755 idem. — I Timot. VI ; 12.

3. H. Aloysius 1756 idem. — 11 Corinth. XH; 3.

4. Palmzondag 1756 idem. — I Corinth. XI; 28.

ocr page 118

102

5. H. Aloysius 1757 in 't Convict te Antwerpen. — Ps. CXLII.

6. Allerheiligen 1757 idem — Ps. LXXXIII: 5.

7. Sexagesima 1757 idem. — Sap. 1 : 11.

8 H. Aloysius 1758 idem. — Jerem. Ill, Job XXII: 19. 9. Sexagesima 1758 idem. — Jerem. VI.

10. Allerheiligen 1759 idem. — Levit. XXIII.

De jaartallen der ondervolgende, hoogst waarschijnlijk ook in het Convict te Antwerpen gehouden, preeken zijn onbekend.

11. Maria Lichtmis. — Lucas II: 22.

12. H. Joseph. — Matth. 1; 16.

13. Maria Boodschap. — Lucas I; 30.

14. H. Joannes Nepomucenus. — Eccles. LI: 30.

15. H. Aloysius. — Ps. CIII: 4.

16. H. Petrus en Paulus. — Joan. XXI: 16.

17. Maria geboorte. — Eccles. XXIV.

18. Allerheiligen. — Ps. LXXXIII: 5.

19. H. Franciscus Xaverius. — Ps. XCII: 5.

20. H. Stephanus — Acta VII; 56.

21. Zondag in 't Octaaf van Kerstmis. — Lucas II: 39.

22. Paschen. — Marc. XVI.

23. 5de Zondag na Paschen. — Joan XVI; 23. 24 Sacramentsdag. — Ps. CX: 4.

25. 5de Zondag na Pinksteren. — Matth. V: 24.

26. 2de Zondag van den Advent. — Matth XL: 2.

27. 3de Zondag van idem. — Joan 1: 26.

28. idem (ander jaar) — Over 'tgewetensonderzoek. — Joan 1:19.

29. idem (ander jaar). — Joan I: 19.

30. Feestdag onbekend. — Joan. 1: 19.

31. idem. — II Machab. XII: 46.

32. idem. — Job XIX: 21.

33. idem. — Prov. VIII: 17.

34. idem. — II Machab. XII.

35. idem. — Eccles. XIV; 14.

36. idem. — Over den aflaat.

37. idem. — Isaias I.

h. Preeken, door Bartholomaeus gehouden als priester.

Jaartal onbekend.

38. Tweede Paaschdag — Bij de zusters Victorinen tc Antwerpen.

ocr page 119

103

— Lucas XXIV : 15. Deze preek moet gehouden zijn vóór medio 1766.

39. Woensdag van 't jubilee van 't scapulier — In de St. Martinus kerk te Wijk bij Maastricht. — Prov. VIII ; 35.

40. Bij 't sluiten van dit jubilee— Ter zelfder plaatse. — I Reg. VIII ; 65, G6.

41. Octaaf van 't tweede jubilee van den H. Rozenkrans of Maria der Overwinningen — Bij de paters Dominicanen te Maastricht. — Genes lil ; 24.

Deze drie laatste te Maastricht gehouden preeken zijn blijkbaar na medio 1766 uitgesproken.

1763.

42. H. Franciscus Xaverius — plaats onbekend. —Ps. LXX\ III: 5. Herhaald in 1766 in de Jesuïten kerk (in Templo nostro) te Maastricht.

43. 3c Zondag na Paschen — Te Boischot (wellicht Beerschot nabij Antwerpen, waar de Jesuïten een gesticht hadden?) — Joan XVI : 16.

44. Feestdag onbekend — «In refectorio» —Matth. \ 111:24.— Herhaald in 1768 bij de vernieuwing der geloften te Maastricht en nogmaals in 1770 in de congregatie der gehuwden te Maastricht.

1764.

45. Maria Hemelvaart — Bij de zusters Victorinen te Antwerpen.— Lucas X : 42. Herhaald in 1767 in de Jesuïten kerk te Maastricht.

1765.

46. Maria Geboorte — In de St. Jacobus kerk to Antwerpen.— Cant. VI : 9. Herhaald in 1772 in de Jesuïten kerk te Maastricht.

47. H. Stephanus — In de St. Jacobus kerk te Antwerpen. Matth. V : 44, 45.

1766.

48. Nieuwejaar — In de St. Jacobus kerk tc Antwerpen — Num. XVHI. Herhaald in 1767 te Mlt; astricht.

49. Driekoningen — In de St. Jacobus kerk te Antwerpen. — Matth. II ; 11. Herhaald in 1767 in de Jesuïten kerk te Maastricht.

ocr page 120

104

50. H. Joannes de Dooper — Bij de zusters Victorinen te Antwerpen. — Matth. XI : 11.

51. Onbevlekte Ontvangenis — In de Jesuïten kerk te Maastricht. — Eccles XXIV : 25.

52. Paschen — In de St. Jacobus kerk te Antwerpen. — Kom. IV : 25.

53. Feestdag onbekend. (Pinksteren ?) — In de St. Jacobus kerk te Antwerpen. — Acta II ; 4, Joan XIV. Herhaald in 17G7 in de Jesuïten kerk te Maastricht.

1767. Alle te Maastricht uitgesproken in de Jesnïten-kerk, tenzij eene andere plaats vermeld wordt.

54. Bekeering van Sanlus — Bij de vernieuwing der geloften.— Acta IX : 6. (Niet in het kerkgebouw gehouden).

55. Maria Lichtmis. — Lucas II ; 22.

56. H. Petrus en Paul us — Bij de vernieuwing der geloften. Acta IX : 16 (niet in het kerkgebouw gehouden).

57. Dezelfde feestdag — Ephes 11 : 19, 20. Herhaald in 1778 tor zelfder plaatse.

58. Allerheiligen. — Matth. V ; 2—12, Apoc VII : 4.

59. Joannes de Evangelist. — Joan XXI : 20.

60. Tweede Paaschdag. — Lucas XXIV : 31 (waarschijnlijk niet in de Jesuïten kerk gehouden).

61. 17e Zondag na Pinksteren. — Over de naastenliefde. — Matth. XXII : 39.

62. 18e idem — Over de boosaardige gedachten.

63. 19e idem. — Matth. XXII : 14.

64. 20e idem. — Joan IV : 52. — Herhaald in 1773 ter zelfder plaatse.

65. 22e idem. — Matth. XXH ; 21, 22.

66. 23e idem. — Matth. IX : 18.

67. 24e idem. — Matth. XXIV ; 30. Herhaald in 1771 ter zelfder plaatse.

68. 2e Zondag van den Advent. — Matth. XI : 7, 8.

69. 3e idem. — Over het medelijden jegens arme kinderen. Joan I : 26. Deze preek is gehouden op verzoek van het bestuur der «Societeit van arme jongelingen» bijgelegenheid van eene collecte.

70. Feestdag onbekend. — II Corinth VI : 2. Herhaald in 1772 ter zelfder plaatse.

ocr page 121

105

1768. Alle tc Maastrirht uitgesproken in do Jcsuïten-kerk, tenzij eene andere plaats vermeld wordt.

71. Zondag na Nieuwejaar. — Hebr. Ill : IB. — Herhaald in 1772 ter zelfder plaatse.

72. Ie Zondag na Driekoningen. — Lucas II ; 49.

73. 2e idem. — Joan. II: 2.

74. Maria Lichtmis — In de Congregatie der jongelingen. — Lucas II : 22.

75. H. Joseph — 15ij de zusters Sepulchrinen. — Matth. I; Ifi.

76. H Joannes vóór do Latijnscho poort — Bij do zusters van de derde Orde van den H. Franciscus. — Joan. XXI ; 20.

77. Drievuldigheid. — Matth. XXVIII ; 19.

78. Allerheiligen. — Levit 11.

79. O. L. V. Opdracht in don tempel. — Galat. VI : 14.

80. H. Franciscus Xaverius — Apoc XIV ; 13.

81. Septuagesima. — Matth. XX ; 15.

82 lo Zondag na Paschen. — De vrede van het geweten is in leven en dood de grootste troost. — Joan XX : 19.

83. 3e idem. — Over de noodzakelijkheid en het nut der tegenspoeden. — Joan. XVI : 20.

84. 4e idem. — Over de eeuwigheid. — Joan. XVI : 5.

85. 5o idem. — Over het gebod. — Joan. XVI : 23.

86. Zondag in 't octaaf van Hemelvaart. — Over de gedachte aan den dood — Deze preek is gehouden bij de oprichting der Congregatie van don goeden dood te Maastricht.

87. Zondag in 't octaaf van Sacramentsdag. — Het is vooral de onkuischhoid die zich verzet tegen 't Sacrament des Altaars — Lucas XIV ; 20.

88. 4e Zondag na Pinksteren. — Lucas V : 11.

89. 5e idem. Over de gramschap. — Matth. V : 22.

90. 6e idem. — Over de Goddelijke voorzienigheid. — Marc. VI.

91. 9e idem. — Over den aan de tempels verschuldigdon eerbied. — Lucas XIX : 45.

92. lie idem. — Marc. VII : 35

93. 12e idem. — Lucas X ; 25.

94. 15e idem. — Feest der Engelbewaarders. — Ps. XC ; 11.

95. 16e idem. — Over de heiliging van den Sabbath. — Lucas XIV : 3.

96. 18e idem. — De zonden zijn de bronnen der kwalen.

ocr page 122

106

97. oe Zondag van den Advent. — Over het ware geluk. — Joan. I : 23.

1769. Alle to Maastricht uitgesproken in de Jesmten-kerk, uitgezonderd N0. 99.

98. Maria Lichtmis. — Lucas ll:2quot;2.

99. Dezelfde feestdag. — Bij de vernieuwing der geloften. — Lucas 11: 22.

100. H. Petrus. — Ephes. 1: 22, 23.

101. Maria Hemelvaart. — Lucas X; 42.

102. Maria Geboorte. — Ps. XVIIi. — Herhaald in 1773 terzelfder plaatse.

103. 4e Zondag na Pinksteren, — Lucas V; 5.

104. 6e idem. — Marc. VUL: 2.

105. 20e idem. — Joan. IV : 53.

106. 21e idem. — Over do aalmoezen. — Matth. XVI11:33

107. 22e idem. — Over de restitutie. — Matth. XXIi: 21.

108. 23e idem. — Matth. IX : 18.

109. 24e idem. — Matth. VI11 : 4.

110. 25e idem. — Over't vertrouwen op God.—Matth. VIII: 26.

111. 27e idem. — Matth. XIII : 31.

112. 2e Zondag van den Advent. — Over de weelde. — Matth. XI: 8.

113. 3e idem. — Over dehedendaagsche gesprekken. — Joan. 1:23.

114. 4e idem. — Lucas III: 4.

1770. Alle te Maastricht uitgesproken in do Jesuïten-kerk, uitgezonderd N0. 115, 118 en 130.

115. 5e Zondag na Driekoningen — In de congregatie der gehuwden. — Matth. XIII: 25.

116. Maria Boodschap. —• Lucas I; 28.

117. Allerheiligen. — Matth. V : 12.

118. H. Elisabeth. — Bij de zoogenaamde «grauwe Zusters. — Philip. IV : 12.

119. H. Franciscus Xaverius. — Cant. 1:15.

120. 2e Vastenavond. — Over de vasten. — Matth. IV; 2.

121. Sexagesima. — Over het woord Gods. — Lucas VIII: 11.

122. Paschen.

123. 2e Zondag na Paschen. — Joan. X : 16.

124. Zondag in 't Octaaf van Hemelvaart. — De verblindheid

ocr page 123

107

des geestes is de straf der zonde. — Joan. XVI ; 2. Herhaald in 1772 terzelfder plaatse.

125. 2e Zondag na Pinksteren. — Over de onzedelijkheid. — Lucas XIV: 20

126 3e idem — Over de knischheid — Lucas XV ; 7.

127. 12e idem. — Lucas X ; 24

128 15e idem. — Over de gedachte aan den dood. — Lucas VIT ; 12.

129 lOe idem. — Over de nieuwsgierigheid. — Lucas XIV : 1.

130. Feestdag onbekend. — Bij de vernieuwing der geloften —

Lucas 1: 89, 40.

1771. Alle te Maastricht uitgesproken in do Jesuïten-kerk, uitgezonderd Nquot;. 182 en 137.

181 Niemvejaar. — Lucas 11:21.

182. H Joseph. — Bii de zusters Sepulchrinen — Ps. LXXXVIII : 25.

133 H. Aloysius. — II Petrus 1: 4

134 II Petrus en Paulus — Matth. XVI : 18.

135 Maria Hemelvaart — Cant. VIII: 5.

136 Onbevlekte Ontvangenis. — Matth. I ; 1(5

137. 5 December 1771 Lijkrede op den overleden Prins Bisschop van Luik, Graaf d'Oülteemont — in 't Latijn «Oratio in funere Cakoli Nicolai ex comitihus d'Oultrkmont, Epis-copi et Principis Leodiensis, — volgen nog vele titels — habita in Divae Virginia Templo V Kal Decembres a P. Bautholomaeo van Berkkl Societatis Jesit sacerdote». Gedrukt te Maastricht — superiorum permissu — bij 11 Landtmetkr. Een gedrukt exemplaar is in de bibliotheek der pastorie van de O. L. V. Kerk te 's-Gravenhage.

138 Zondag in 't Octaaf van Kerstmis. — Lucas 11:34.

139 Vastenavond. — Over de boetvaardigheid. — Lucas XIII : 3.

140. Sacramentsdag. — Joan. VI: 57.

141. 20e Zondag na Pinksteren. — Over den vrede in huis. — Joan. IV: 53.

142. 22e idem. — Over de restitutie. — Matth. XXII : 21.

148. 24e idem. — Matth. VIII: 24.

144. 3e Zondag van den Advent. — Over de Goddelijke tegenwoordigheid. — Joan 1: 26.

ocr page 124

108

1772. Alle te Maastricht uitgesproken in de Jesuïten-kerk, uitgezonderd Nquot;. 148, 158 en 166.

145. 2e Zondag na Driekoningen. — Joan. II; 4.

146. Maria Lichtmis. — Lucas II: 32.

147. 5e Zondag na Driekoningen. — Over de hel; de straf der verdoemden. — Matth. XIII: 30.

148. H Joseph —Bij de zusters Sepulchrinen. — Apoc. XIV: 18.

149. Maria Hemelvaart — Cant. VIII.

150 O. L V. Opdracht in den tempel — Eccles Vil: 27.

151. Onbevlekte Ontvangenis. — Lucas 1:49.

152 H Franciscus Xaverius — Hebr. VI 1:26.

153 Septuagesima — Matth. XX: 6.

154 Sexagesima — Lucas Vlll: 8

155 Hemelvaart — Marc XVI: 6

156 3e Zondag na Pinksteren. — Gods goedheid jegens de zondaren — Lucas XV :1.

157 4e idem —Over den doodstrijd des zondaars. — Lucas V : 5.

158 Dezelfde feestdag — In de congregatie der gehuwden. — Matth XVI: 26

159. 5e Zondag na Pinksteren. — Over de gramschap. — Matth V : 22

160. 6e idem. — Over de meedoogendheid jegens de armen — Marc VIII : 2.

161 7e idem — Matth VII: 19.

162 8e idem. — Over de voorbereiding tot den dood — Lucas XVI: 3.

163. 12e idem. — Lucas X:31

164. 14e idem. — Niemand kan God en de wereld tegelijk dienen — Matth. VI: 24

165 15e idem — Lucas VII: 14

166 Feestdag onbekend. — Bij de vernieuwing der geloften — Exod XIII

1773. Allo te Maastricht uitgesproken in de Jesuïten-kerk, uitgezonderd N0. 169.

167 Maria Lichtmis. — Lucas II: 22.

168. H. Aloysius — Sap. IV : 14

169. Dezelfde feestdag. — Bij de vernieuwing der geloften. — Colos. IV ; 2.

ocr page 125

109

170. Quinquagesima. — Over de doodzonde — Lucas XVIIl ; 33.

171. Hemelvaart. — Mare. XVI: 1

172 Sacramentsdag. — Joan. VI: 58.

173. 18e Zondag na Pinksteren. — Matth. IX ; 3. Pinksteren is in 1773 deu 30sten Mei gevierd. De 18e Zondag daarna was dus 3 October. Den 21sten Juli was de Breve «Domi-nus ac Redemptor» geteekend geworden. Boven deze preek lezende «Bonuin videro, malum credere plusquam humana «inalitia est». — «Ecce quidam de scribis dixerunt intra se: «bic blaspbemat», zou men meenen toespelingen aan te treilen op de suppressie der Jesuïten Orde De preek bevat er echter geen enkele; ze heeft van 't begin tot liet einde een herderlijk karakter.

174. 21e Zondag na Pinksteren. — Matth. XVIIL Dat deze preek, waarvan het opstel niet is gevonden kunnen worden, is uitgesproken, is bekend uit den bij II. Landtmetek te Maastricht uitgegeven «nauwkeurige Almanach» voor 1788, waarin voorkomt eene geschiedenis van de laatste levensperiode der Societeit te Maastricht. Ik lees daarin «en «den 24 (October 1773) smorgens ten elf uren, wierd de «laatste Misse gedaan door den Heer Kettenis, zavondsten «5 hot laatste Sermoen door Bartholomeus vanBerkel, en «eindelijk ten (j uren het laatste Lof door P. Walri. Het voor-«werp dezer Predicatie was Matt. 18 van den in Hegtenis «geworpen knegt door den onbarmhertigen Medeknegt».

Deze preek, van wrelks inhoud mij niets naders bekend is, was de laatste door Barth in de Jesuïtenkerk gehouden. Na afloop van het lof dat op de prediking gevolgd was, kwam de Brabantsche Vice-Hoogschout den vergaderden Jesuïten het plakkaat der Hoogmogenden dd. 15 October 1773 voorlezen, onder aanzegging liet klooster, de kerk en de schoolgebouwen te sluiten en «te veranderen van ge-«waad »

175 10 November 1773 — te Meer**chcnh'ij Maastricht (Mcerscri) in de kerk aldaar bij de lijkdienst van den heer Somva — «in funere domini Somva» — I Thes. IV : 13. Uit den inhoud der lijkrede blijkt dat de afgestorvene priester, waarschijnlijk pastoor, in deze kerk is geweest. Deze rede is door Barth gehouden als geseculariseerd priester.

Latere preeken zijn niet gevonden.

ocr page 126

110

Bij vergelijking van de aantallen preeken in de verschillende jaren gehouden, blijkt dat deze verzameling zeer onvolledig is, en dat Barth stellig veel meer preeken heeft uitgesproken dan die, waarvan de opstellen bewaard gebleven en hierboven vermeld zijn.

Voor zoover nuttig, zij aangeteekend dat in de jaren 1763 tot en met 1773 Pinksteren is gevallen respectievelijk op 22 Mei, 10 Mei, 26 Mei, 18 Mei, 7 Juni, 22 Mei, 14 Mei, 3 Juni, 19 Mei, 7 Juni en 30 Mei en de eerste Advent op 27 November, 2 December, 1 December, 30 November, 29 November, 27 November, 3 December, 2 December, 1 December, 29 November en 28 November

IV. Gedichten.

Bartholomaeus was een goed dichter. Dit blijkt duidelijk wanneer hij een onderwerp bezingt naar eigen vrije keus, een onderwerp dat hem boeit, waarvoor zijn hart klopt. Dan komen zijn groote talenten tot hun recht. Ook al is 't onderwerp van minder verheven aard, wanneer er aanleiding is tot geestige scherts, levert de dichter soms alleraardigste poëzie. Maar toch zijn niet al zijn gedichten van groote waarde. Zijne familieleden en vrienden maakten veelal misbruik van zijne hulpvaardigheid en gebruikten hem als gelegenheids dichter, die hun verjarings en huwelijks gedichten moest leveren; soms binnen enkele dagen, terwijl Bakth overladen was met werk. Al was de goedhartige man altijd bereid aan die verzoeken te voldoen, hij was natuurlijk niet altijd in de vereischte stemming en soms waren de opgegeven onderwerpen al te prozaïsch om aanleiding te kunnen geven tot dichterlijke gedachten. Van daar dat naast prachtige poëzie van zijne hand, gelegenheids gedichten worden aangetroffen, die niet boven 't middelmatige staan. En — 't was de geest van den tijd — in huwelijks- en andere feestgedichten vinden we veelal dat gezwollene, dat overdrevene bij de feestdichters in de vorige eeuw gebruikelijk.

Het oudste gedicht dat ik van Barth gevonden heb, is gedateerd 1748 — toen hij 20 jaar oud was, — bet laatste draagt 't jaartal 1796 — toen hij den öSjarigen leeftijd had bereikt. Ongetwijfeld heeft hij in de 48 tusschenl iggende jaren een zeer groot aantal verzen gemaakt. Ik heb alle reden tot deze onderstelling, omdat ik gezien heb, hoe vruchtbaar hij is geweest in

ocr page 127

Ill

de weinige jaren, waarin hij copie heeft gehouden van zijne gedichten. De andere zijn echter bijna alle verdwenen. Zelfs heb ik gedichten, waaruit mijn vader citaten gegeven heeft, die hij dus gezien heeft, niet meer kunnen ontdekken. Zeker zijn ze na zijn overlijden, evenals de andere die te loor gegaan zijn, bij een schoonmaak of eene verhuizing opgeruimd geworden.

Ik kan dus alleen opgeven do weinige proeven van Barth's dichtkunst, die voor ons gespaard zijn gebleven. Aangezien hij dikwerf dichtte ten behoeve van anderen, zoo komt soms onder zijne gelegenheidsverzen, die in druk verschenen zijn, een andere naam voor dan de zijne. Alleen dan, wanneer ik de stellige zekerheid had dat hij de dichter is geweest, heb ik ze hem in zoodanig geval toegerekend.

Alle hieronder volgende gedichten, met uitzondering van die waarvan ik de vindplaats opgeef, komen voor in een aan onzen neef Pastoor Ka rel v. B. toebehoorend cahier met opschrift «Carraina Flandrica», waarin Bartii behalve zijn eigen gedichten ook die van anderen heeft geschreven. Deze laatste laat ik echter onvermeld.

1. «Eeuwgezang op het derde hondert jarig jubelfeest der «lieeren Aelmoessenieren, geviert binnen Antwerpen IT-quot;)^».

Dit gedicht, bestaande uit ITd verzen en gevolgd door een jaarschrift, is gedrukt geworden, doch niet onveranderd, blijkens de aauteekening in 't Latijn aan den voet. W at er echter in veranderd is, blijkt niet aangezien geen gedrukt exemplaar gevonden is. Barth schijnt !t oordeel van zijn vriend, pater Ovijn S. J. te hebben gevraagd en deze heeft de 17 eerste verzen door andere vervangen (die echter m. i, niet beter zijn). Althans ik vind;

2. «De eerste vcerzen van het dicht der Aelmoessenieren gelijk «die door den lieer Ovijn verandert zijn».

Ook over een lierzang op do Aelmoessenieren schijnt Barth 't oordeel van Ovijn te hebben gevraagd.

3. «De lierzang nacr het eeuwgedicht voor de Heeren Aol-«moessenieren, geviert den 10 December 17-58, gelijk mij die van «den Heer Ovijn toegezonden is». Deze zang is ook gedrukt, maar niet onveranderd (impressum sed hinc inde mutatum).

Dat Ovijn, door Barth als bevoegd criticus erkend, ondanks enkele aanmerkingen don jeugdigen poëet bewondert, blijkt uit

ocr page 128

112

de volgende gedichtjes. In hot eerste wordt eene toespeling gemaakt op een bloemstuk van Daniel Ökgers. Deze schilder (1590—l(i(il), die eene eeuw te voren zeer beroemd was geweest, heeft behoord tot de Orde der Jesuïten, als frater. Ovun kon hem dus broeder van Barth noemen.

a.

«Heeft Segers kunstpinceel een lenteschat geteelt «Waerop men d'honigbie zoo gretig ziet vergaeren;

«Van Behkel gij hebt ons een dichtstuk meêgedeelt, -Dat uwen naem niet min als zijnen zal bewaeren.

„ Gaet voort mijn Pijlades, vertoont aen Nederland u't vermogen van de tael opdat het leert wacrdeeren

«De zuiverheid, den zwier en kracht der poosij «Gelijk men 't voormaels zag de kunstpaneelen eeren «Uws broeders en 't bedrog van zijne schilderij».

h.

«Streeft op uw geleerde vlerken

«Naer den Vlaemschen Helicon

«En vertoont er uwe werken.

«Al de straelen van de zon

«Zullen daer niet in ontdekken

«Als veel schoonheid zonder vlekken».

BartholomaeüS betuigde pater Ovun zijn dank in de volgende regelen:

4. «De honigbij verlokt op Segers bloemtafreelen

«Kon zijn kunstlievend hert met zulk een vreugd niet streden ■ Als mij verrukt ó vriend, uw ongeveinsde lof;

«Geen wonder; zijn paneel bedriegt een bloedloos diertje; «Mijn dichtstuk, wat verschil, bekoort geen bij, geen miertje, «Maer eenen fenix uit Apolloos lauwerhof».

Met de voorgaanden zang op de Aehnoesscnieren staan in verband de volgende gedichten:

5. «Voor het knechtgens huijs op het derde jubilé der Aelmoesse-«nieren 10 December 1708».

(«Zinnebeeld; Een vogelken op een putters huijskcu. «Spreuk : Mijn moeijt en vlijt «Strekt tot profijt»).

ocr page 129

1 13

(I. -Hetzelve in quot;tkorl».

Jaarschrift op id.

7. «Voor het inaegdenhuijs.

(«Zinnebeeld; Vogelkens die in den dnijster liangen en «op een orgelken leerenquot;.

«Spreuk : Men moet ze sluijten «Om wel te fluijten»}.

8. «Anders in't kort».

Jaarschrift op ld.

9. «Voor het vondelingen huijs».

(«Zinnebeeld: Een klokhen de kiekxkens vergaederende «onder haere vleugelen.»

«Spreuk: Dat hier wordt vergaert «is veijlig bewaert»).

10. «Anders».

Jaarschrift op ld.

Hierop volgen de gedichten die door Bauth gemaakt zijn ter vervanging van de sub 9 en lü genoemde.

11. «Voorliet vondelingenhuijs».

(«Zinnebeeld: Een nest goudvinken, die met de pen worden «opgevoed».

• Spreuk: Onheil en druk «Baeren geluk»).

12. «Anders in 'tkort».

Jaarschrift op id.

13. «Voor het huijs der zinneloose.»

(«Zinnebeeld: Een geblinde vink.»

«Spreuk: Ik heb de kost en geen verdriet «Al heb ik al mijn zinnen niet » mis quot; van » » iet»).

14. «Anders in 'tkort».

Jaarschrift op id

15. «Lierzang ter eere van den Zeer Eenv. Pater Gabriel «Beaukoüt, vierende het 2öjarig jubelfeest zijner intrede in de «Seraphijnsche Order van den H Franciscus binnen Deljt, den

■ «9 van Wijnmaand in het jaar 17ÖS». Deze zang is gedrukt geworden.

ocr page 130

114

Itj «Feestlied» naar aanleiding van dit jubilé.

Deze pater Beaufort was pastoor der St. Josephs kerk te Deljt.

17, «Lied op het half jubelfeest van den Heer Collaerts.

Deze was pater bij de St Josephs kerk te Delft

18 «Zegezang op den jubeltriomf der standvastige deugd en Godminnende juffrouwe Elisabeth van Ckimpen na eene viiftio- iaarige overwiuninge over den duivel, de weic ( en e het vleesch in den loflelijken staat der geestelijke docbteren onder den regel van den 11 Vader Fuanciscus. (m Ho* te \ntwcrpeii gedrukt )

19. .Het staaie harte — eene halve eeuwe onaffscheidehjk «quot;checht aan den magneet der Goddelijke liefde, verbeeldt in «de standvastige deugd en Godt minnende juflrouw ( ornelia .Stwi., vierende het 50jarig jubelfeest van de verwisseling van «het aardsch in een Engelseh leven in den staat der Geestelijke «docbteren onder de bestieringe der Societeit Jesu. Op den «feestdag van den Kngelschen Jongeling Aloysius Gonzaga. «Binnen de stadt Utrecht den 21 van Zomermaand des ,aars «17-,-.» Van dit sredieht is een ucdmkt exemplaar in het bezit van onze tante Louise. Het jaarschrift geeft als schrijfster aan Jacoba Houwert. Doch 'tis stellig en zeker dat Barth de dichter is, die deze verzen heeft gemaakt voor zijne tante wier vriendin juffrouw Staal was.

Mijn vader gaf in zijn opstel een lang citaat uit een ander «redicht, door Barth ter eere van 't zelfde jubilé gemaakt. Dit fraaie dichtstuk, dat waarschijnlijk onder den eigen naam des dichters is gepubliceerd geworden, is echter verloren gegaan.

20 Gedicht zonder titel op het Christen jubilé der tante van (Juffrouw Houwert) die 50 jaren -klopje» was geweest.

Barth

1 J/V IV Lil. vu ■

21 In de bibliotheek van de H. teresia-kerk in den Haag bevindt zich een boek getiteld: .liet t^fcunentons

quot;Salichmaeckers Jesu Christ!», met platen dd 1646. Aan eene zijde van een schutblad staat: «Dit boek is mij ter ge-«dagtenisse geschonken doormijnen oudoom \u^.xv.*\ .a» 17öö» get. .Barth van Berkel». Aan do andere zijde heeft Barth den 6den Mei 1794 een gedicht geschreven ter eere van de eerste H. Communie van Martinus, zoon zijns broeders, die

ocr page 131

115

naar hij mededeelt door hem in der tijd is gedoopt, en aan wien hij dit boek schenkt bij deze gelegenheid.

22. Onze oom Wim.km bezit een lief maar zeer kort gedrukt gedichtje, dat gelegen heeft onder 't dekblad van een horloge, dat Karth aan zijn peetkind 11 kndiuk Adiiiaanszoon, onzen grootvader, bij diens eerste 11. Communie vereerd licuft (12 April 1796).

23. «Gelukwensch aan den Zeer l'.crwaarden Heer X.X., Gode «zijne eerste onbloedige ofl'erliande opdragende in Antwerpen «den ISen van Wintermaand 1757quot;. (Wiens naam achter deze N.N. schuilt, is onbekend.)

24. Onze tante Louise bezit een perkamenten prentje, voorstellende ('uuisTis aan 't kruis met de II. Maagd en Joannes. Aan de keerzijde is een gedicht van Üaüth geschreven, waarvan de beginletters der regels den naam «Lisetti: Houwkut» vormen (Earth's tante).

25. «Templiers» Latijnsch gedicht.

26. «Op de beeltenissen van de HU. Ignatius en Xaverius».

27. «Op de beeltenis van .Tests tusseben Joseph en Maria».

28. «Op twee beeltenissen d'eene van Jesus, Mahia, Joseph, «d'andere van de 11. Tresia».

29. «Op twee beelti'nissen d'eene van Maria en Jesus, spoelende «met Joannes en d'andere van de II. Eusahe'I'ii, vereert aan L.» (zijne tante Ei.isaueth Houvvekt).

30. «Op de beeltenisse van Jesus, Maria, Joseph».

31. «lt;gt;p een beeltenis van Martini's, geschonken aan mijn quot;vader».

32. «Op de wonde der zijde ('müsriquot; (uit 't Latijn)

33. «Op 't houwelijk»

(«Ie zinnebeeld; twee leeren tegen een steunende, «Spreuk: Als zij zoo vereenigt staen

«Kan men veilig opwaerts gaen; quot;2e zinnebeeld: Kenen die een ladder regt op een platten ' grond; een jonksken dat daer tegen staet, «Spreuk: Gelijke noodzaekeiijkheid «Al doet d'een meer arbeid;

ocr page 132

llti

-ie zinnebeeld: Twee catrollen daer de koorde twee of

«drijmael doorloopt;

«Spreuk; Samenspanning maekt ligt • Het zwaerste gewicht.)

34. • In victoriam Austriacorum et liberationem Pragae—1757».

35. Vertaling van een Latijnsch gedicht op de overwinningen van Prins Carel en Daun op de Pruisen.

3(i. «Op het ontvangen van een fraai boek van den Heer N Proot: Klinkdicht 21) November 175S» (Nicolaus Proot was de oudoom van Barth )

37. «Op een tabakpijp». Vertaling uit 't Fransch.

38. Een partij vertalingen in dichtmaat van 17 Latijnsche gedichtjes van 2—1 regels en van 8 Fransche van 2—12 regels. De vertalingen zijn stellig door Barth gemaakt Of hij eenige der Latijnsche en Fransche verzen vervaardigd heeft, is onzeker.

ay. «Godts wondere bestieringe tot de deugt en vreugtrijke «echtverbintenisse van den Heere Hieronijmus van Beurdkn «de jonge en Mejuffrouwe KiLISABETH Houweut. \ereenigt bin-«nen Utrecht den 16 vau Louwmaandt 1757 - Gedrukt Deze van Beurden die gehuwd was geweest met cene zuster van Barth, nam nu als derde vrouw zijne en Bauth's tante.

-10. «Op het huwelijk van I.. H.» zang en tegen zang met duo. Dit is hetzelfde huwelijk. L. H. is Lisette = Elisabeth Houwert

41. «Air op de bruiloft van J. v. B. en E. E II». Dezelfde bruiloft. J. v. B. = Hieronijmus van Beurden, E. E H. — Elisabeth Everharda Houwert

42. «Klinkdicht op het eerste verjaaren van den troudag van «J. van Beurden, den 17 Febr. 1758».

43. «Ter troufeeste van A. C. en M T. H. binnen Utrecht, ■ 1755quot;.

44. «Air op hetzelve».

45. Fransch liedje op hetzelfde.

46. «Als ik aan L. het liedje zond voor de bruiloft van A.

«C. en M. T. H. Dit gedicht, bevattende 126 verzen is afgebroken

ocr page 133

117

met «desunt reliqua». Deze L. is Barth's tante Elisabeth Houwert.

47. «Verjaardicht ter eere van den Heer Hieronijmtjs van ■■Beurden op zijn Ed 75en verjaardag, den ó van de Zomermaand 1760quot;. Dit gedicht dat gedrukt is geworden, betreft den vader van Earth's zwager Hieronijmüs. Vader en zoon werden onderscheiden als «den ouden» en quot;den jongen».

48. «Op het verjaaren van mijn waarde en zeer geëerde tante - Margaretha Houwert, als haar Ed 33 jaren bereijkt had, den «20 Jimij 1748». In het bezit van tante Louise.

49. quot;Op het verjaaren van tante Elisabeth EverhardaHou-«wert, als zij 26 jaaren bereijkt had». In het bezit van tante Louise.

50. «Op het verjaren van mijne moeder».

51. quot;Ter verjaring van mijne moeder» (40jaar).

52 «Laura — Veltzang of Herderszang verjaargedicht» (1756). Door mijn vader geciteerd. In zijn herderszangen noemt Bartii zijne stiefmoeder «Laura», zijn vader «Deugdrijk», zijn broeder Heribert «Jonkhart» en zichzelven «Dankhart».

53. «Ter ver jaargetij de van mijne moeder, den 29 Nov. 1757».

54. «Op het verjaren van mijne moeder, den 29 Nov. 1758 quot;klinkdicht». Door mijn vader geciteerd.

55. quot;Op het verjaren van mijn vader». (53 jaar).

56. «Op het verjaren van mijn vader» (1755). Door mijn vader geciteerd.

57 quot;Ter verjaring van mijn vader, oud zijnde 56 jaren, den -11 Nov. 1756».

58. quot;Deugdrijk Veldzang ter verjaringe van mijn vader, 11 «Nov. 1757 in 't convict». Door mijn vader geciteerd

59. «Brief aan J. M H» Deze brief op rijm is gericht aan Barth's tante J. M. Houwert, klopje. Aan het slot staat; ■■de rest was in proza.»

60. Brief op rijm door Bartii den 10 September 1779 uit Delft gericht aan zijne zuster Letje, die zich toen op een bruiloftspartij bevond; namelijk die van hun broeder Adriaan met

ocr page 134

118

Mahia van Wayknt.uug. Dichterlijke waanlo heeft deze rijmelarij niet, inair dit briefje is uit een historisch oo'jp'.mt belangrijk, omdat er duidelijk uit blijkt .lat Bartu destijds bij zijne stiefmoeder verblijf hield, dat hij te Del ft woonde.

V. Brieven.

Van do wellicht duizende brieven door Bartholomaeus geschreven, zijn er slechts '2'-gt; teruggevonden, die bijna alle gedateerd zijn in zijn noviciaatstijd te Mechelen of in de laatste maanden van zijn verblijf als student te Utrecht Letterkundige waarde hebben deze brieven niet. Als Baktii schreef voor't publiek, wijdde hij veel zorg aan zijn stijl Wat luj voor de pers geleverd heeft is, even als wat hij van den kansel heeft uitgesproken, voortreffelijk van stijl, onberispelijk wat vorm en inhoud betreft. Maar als hij aan zijne ouders sclireet. braeht hij zijne gedachten op 't papier naarmate zij zich vormden, even als men in den familiekring spreekt, zonder te streven naar de beste woordenkeus. naar de fraaiste zinswendingen. Interpunctie ontbreekt veelal. Voor ons, die Barth als schrijver, als redenaar en als dichter reeds kennen, is 't een voorrecht, dat wij hem nu uit die brieven, waarin hij als 't ware met de pen heeft gekeuveld, leeren beoordeelen in zijn intiem leven, dat we nu den mensch kunnen doorgronden, zooals deze werkelijk was. niet zooals hij zich uiterlijk vertoonde. Geen beter bronnen voor de studie van het karakter van overledenen dan hun in onbewaakte oogenblikken neergeschreven vertrouwelijke brieven, (relukkig hij die op deze wijze bespied, in de achting van den lezer zijner brieven rijst,— zooals Barth.

Ik zal hieronder de bedoelde brieven vermelden die, met uitzondering van den laatsten. alle in het bezit zijn van onze tante Louise

le, _ 5 Februari 1749 uit Utrecht aan zijne stiefmoeder te Delft. De inhoud is op blz. 84 door mij volledig opgegeven

•2e. — 11 Februari 17411 uit Utrecht aan zijne ouders teDtllt. De inhoud is op blz. 117 door mij volledig opgegeven

3e _ 21 Februari 1749 uit Utrecht aan zijne ouders. Bevat Oods-

dienstige beschouwingen Handelt verder over zijn toetreden tot de Orde der Jesuïten en behelst familie aangelegenheden. Ik vestig de aandacht op t volgende in den brief voorkomende, dat historische waarde heeft, omdat er uit blijkt dat Baiu'ii,

ocr page 135

119

hoewel zijn naam ontbreekt in het album studiosorum werkelijk colleges in de rechten heeft gevolgd :

«nu verwagte met verlange het antwoord van den Eerw. ..Pater Provinciaal en Dujardin en sal in die tusschentijd om «mij te diverteeren de collegies nog waarnemen en dan teegen «Paaschen t'hu ijs kooraen tensij UEd. anders van mij geliefde «te dispooneeren»

4e, — 27 Februari 1749 uit Utrecht aan zijne ouders Dank voor den brief zijns vaders. Dankbaarheidsbetuigingen aan zijne ouders. Over zijne roeping, over Godsdienst aangelegenheden en familiezaken.

5e. — 18 Maart 174il uit Utrecht aan zijne ouders. Bericht der verzending van eenige goederen. Regeling van het vertrek naar Antverpcti Huishoudelijke on familieaangelegenheden.

6e. — 17 April 1741) uit Anttrerpen aan zijne ouders. Bericht van zijne aankomst te Antwerpen De reis daarheen wordt aldus beschreven ;

«Vooreerst sijn wij 's maandags 's morgens om halt 5 van .. Utrecht vertrokken en dien avond sonder 't minste voorval tot quot;Donr/e, 2 uurlies van llrcla gearriveerd. \ an daar weederom te quot; 4 uuren op reijs gegaan, sijnde 's avonds om •gt; uuren te Ant-«werpen, daar 's woensdags 's morgens om lt;i uuren van d Eerw «Pater praepositus ontfange ben en in de Societijt aange-«noome» enz.

Verder bijzonderheden, familieaangelegenheden en opgave van afgelegde bezoeken Verzoek de viool te zenden met muziek, vooral solo's.

7e. — 24 April 174,.t uit Mechelen aan zijne ouders. Mede-deeling dat hij zich zeer gelukkig gevoelt in zijn nieuwen staat, dat pater de Smet hem zal bezoeken en dat zijne geregelde studiën weldra zullen aanvangen

Se — Waarschijnlijk omstreeks begin Moi 17411 uit Mechelen aan zijne ouders Gelukwensch met de bevalling zijner stiefmoeder. Betuigingen van gehechtheid en liefde aan zijne ouders. Verder particuliere en familieaangelegenheden.

9e — 28 Mei 1749 uit Mechelen aan zijne ouders Dankbaarheidsbetuigingen. Familiezaken Verzoek om muziek

10e. — 27 Juni 1741) uit Mechelen aan zijne ouders. Bericht van een bezoek van den Delftschen Franciscaner pater Beaufort. Godsdienstige beschouwingen betreHende zijne broeders en zusters

ocr page 136

120

Over familie en huishoudelijke aangelegenheden. \ erzoek om muziek.

11e —? Juli 1749 uit Mechelen aan zijne ouders. Over Godsdienstige, familie en huishoudelijke aangelegenheden.

12e. — 8 Januari 1750 uit Mechelen aan zijne ouders Godsdienstige beschouwingen. Verder over familiezaken.

l^e — 17 Augustus 1750 uit Mechelcn aan zijne ouders Beschouwingen over 't voordeel voor de ziel, verbonden aan eenijje financieele schade die de familie ondervonden heeft Over Godsdienstige aanacelegenheden en de opvoeding zijner broeders. Klachten over gebrek aan boeiende stof voor brieven, tengevolge van zijn isolement

14e — 21 December 1750 uit Mechelen aan zijne ouders. Kerst- en nieuwejaarswenschen Bevat verder uitsluitend Godsdienstige beschouwingen

15e — Begin 1751: (ongedateerd) uit Mechelen aan zijne ouders Bericht dat hij den 22sten April zijne geloften zal afleggen. Godsdienstige beschouwingen Over de bijwoning van de plech-tigheid en uitnoodigingen Over geldzaken, familieaangelegenheden enz

l(5e. — 8 April 1751 uit Mechelen aan zijne ouders De geloften zullen in geen geval worden uitgesteld, zoodat zijne ouders de reis een dag moeten vervroegen. Over de ziekte van tante Elisabeth {Houweet).

17e — 15 April 1751 uit Mechelen aan zijne ouders. Over de geloften en de bijwoning er van door verschillende personen Het is tijds genoeg als men Woensdag avond te Mechelen is. In dezen brief staat o. a.

«Hoe seer dat ik volgens onsen reegel tragte de noodeloose «geneegenheijd tot ouders en familie af te leggen, kan ik nog «tans niet loochenen, dat ik seer naer mijn lieve Moeder ver-quot;lange en dat mijne vreugd ten uijtersten groot soude zijn, waer «dat het konde geschieden (dat ik wel weet, niet kan zijn), «dat ik haer Ed. hier soude mogen sien Ondertusschen hoope «dat sij voor deese mijne en nog veel andere krankheden haere «kragtige gcbeeden tog gelieft te storten en besonderlijk voor «deese mijne aenstaende verbintenisse die seeker geen kleijne «saeke is».

Verder bevat de brief bijzonderheden van verschillenden aard.

ISe. — 31 Mei 1751 uit Mechelcn aan zijne ouders. Gods-

ocr page 137

121

dienstige beschouwingen. Familie en hnishondelijke aangelegenheden. Als proeven van zijn schertsenden schrijftoon over onderwerpen die daartoe aanleiding gaven, schrijf ik uit dezen en den volgenden brief eenige regels over :

«U. W. E. vrindelijke en ouderlijke gedurige opofferinge ver-stouten mij weederom een beedelslag te waegen. Of het waer «is dat den rnensch alle seeven jaeren verandert, dat weet ik «niet, raaer dat wel, dat alle menschen veranderlijk sijn, en «dat al dat onder de son is, veranderlijk is. Onder deese mij «dan reekenende, so moet ik seggen dat ik eene groote lief-«hebber van de beste groenen thee ben geworden. Wat dunkt U? «Is dat eene slegte verkiesing? De Boerhavense suijker, die de «saus van is, en trek ik ook geen viese mond van. Waerom «ik hertelijk versoeke of 1'. W. E. mij een pond van het eerste, «van het tweede een quantiteijt die U. W. E. sal believen, als «maar geen schip vol en is, dat is te seggen al te veel als gij «meijnt dat drij menschen in drij maenden soude konnen con-«sumeeren, toe te senden. Ik sal dan in de naeste brief dankje «seggen. Send het maer op EoUerdnm aen de Hr Steenacker, «meldende wat het inhoud, of het misschien contrebande waeren, «om er een pourbandc van te macken.»

1 'Je. — 28 Juni 17quot;gt;1 viit Meclulen aan zijn vader:

«Mebbe het gesonde op den 25 deeser ontfangen, waarover «U. \V. ICd. uijt ten herten bedanken en mij over ü. \\'. Ed. goed-«hertigheijd niet genoeg konnen verwonderen, gemerkt 1'. W. Ed. «hetgeen ik spotsgewijs gevraagt hadde, so nauwkeurig en over «mildelijk gesonden hebt. want de suijker wel voor een regiment «soete kinderen genoeg soude zijn. Dog hierin en hierom soude • mijne dankbaerheijd so veel te grooter moeten zijn. hoeveel ■ te méerder dat uwe mildheijd is. Den Heemel hoope ik, sal «die en dnijzend andere diergelijke geneegentheeden, daer ik «van TT. W. Ed. so meenigmael voorkoomen ben, met sijne milde «en wenschelyke zeegen loonen. De suijker daerentusschen sal «ik wel sorg draegen dat ze van de vliegen niet geconsumeert «word, tenzij dat gij ons omdat wij swert zijn voor vliegen «soud willen debiteeren.»

Verder handelt de brief over familiezaken.

20e. — 15 Juli 1751 uit Mechclen aan zijne ouders. Over familiezaken en huishoudelijke beredderingen betreffende kleeren. Deelt zijn plan mede om eene reis naar Delft te maken.

ocr page 138

122

21e. — Datum onbekend, waarschijnlijk in de eerste helft-van 1751, blijkens den inhoud uit Mechelcn aan zijne ouders. Bericht dat hij voorloopig noi? te .1/ccheh'n zal blijven. Over de ziekte zijner zuster Aliotta. F;iniilie:i:ingeletrenhcden,

•22e. — ló Juni 1760 uit Leuven aan li. van Bkuhdkn Jr. en diens vrouw te Utnrht (den echtgenoot zijner overleden zuster dié met juffrouw Houwert — Barth's tante — gehuwd was). Ter begeleidinir van een op verzoek der echtgenooten gemaakt siedicht op de verjaring van den 75 jarigen ouden Heer van Beurden — zie N . 47 der door mij opgegeven gedichten. Dit gedicht is lang na den feestdag ontvangen en gedrukt geworden.

■23e. — o Februari 17*) uit Detjt aan de Barones de C'rassier geb. Boten te Mun^tricht. (lolukweusch niet haar huwelijk. Dit geheel van de bovengenoemde verschillend schrijven vinde hieronder eene plaats als proef van Barth s briefstijl.

«Madame.

.(quot;'etoit a Utregt (jue me fut remise 1'agréable lettre, dont «vous ra'avez honoré. Je m'y trouvois a cause d une maladie «tres dangereuse, dont ma bellesoonr tut attaquée au commen-»cement de cette année. O races a Dien elle est convalescente «depuis peil. Voila Madame la raison qui ma fait retarder ia «reponse, espérant i[ue vous aurez la bonté d excuser ce delai «et de croire que. si ce n'est pas avec le méme empressement, „ c'est du moins avec le méme bon coeur et les mêmes senti-«ments d'estime et d'amitié lt;iue j'ose me ranger dans le nombre «de ceux, lt;iui s'intéressent le plus a tout cequi peut faire votre «bonheur, et qui en consequence vous out offert leurs compli-«ments de felicitation sur votre engagement. J'applaudis, Madame, «a votre choix. d'autant plus que j ai eu 1'occasion d examiner «et d'apprécier le caractère et les merites de monsieur votre «époux dans sa jeunesse; je suis même assez vain pour ine •■flatter d'avoir eu quelque part dans sou amitié et dans celle «de ses illustres parents, pour qui je conserve le souvenir le «plus respectueux.

«Je vous prie d'airréer mes voeux ; ils sont sinct^res et s ils «sont exaucés, le bonheur vous accompagnera toute la vie, le «malheur vous fuira, vos vertus se perpétueront dans votre «postérité; en un mot, le ciel accomplira tous vos désirs et «vous fera gouter pendant nombre d'annees toutes les douceurs

ocr page 139

123

«qu'une flatteuse espéraiice vous a fait entrevoir dans cette «union. Cost le coeur qui parle et qui vous assure que personne -nc peut être avec une ]ilns parfaite estime i^t jjlus sincère «attachement:

Madame

ivotre trés humble et trés • obéissant serviteur,

Delft, ce 3 fev. 1784. 15. van Herkkl.

«Je vous prie de faire mes trés humbles compliments a Monsieur ■ votre ehcr epoux, Monsieur et Madame de ( 'kassier et Familie «et Mademoiselle votre soeur, Mousirur votre beaufrcre.»

Deze brief is, even als do brieven door Barth als Utrechtsch student verzonden, dicht gelakt met ons familiewapen, terwijl hij dit in zijn Jesuïtentijd niet gebruikt heeft.

Van dit stuk maakte ik elders gebruik bij mijn onderzoek naar de verblijfplaatsen van Hakth toen hij geseculariseerd priester was.

VI AnnteelceniiKjen hetreffendc de familie.

Deze in mijn bezit zijnde aanteekeningon van de hand van den pater betreffen Baütuoi.omaei's, Iïartii s grootvader, en diens broeder en zusters /.ij beslaan, wijd uiteengeschroven slechts zes bladzijden groot 10 x 1 ■quot;gt; cM. Er blijkt uit dat Barth zeer weinig van zijne voorouders afwist. 11 ij kende zelfs den naam van zijn overgrootvader niet. Het voornaamste van wat hij betreffende zijn grootvader heeft gemeld, vindt men hiorvoren in de «inleiding» door mij afgeschreven Betreffende zijne oudtantes en zijn oudoom deelt hij zeer weinig, niet veel moor dan namen, mede.

ocr page 140

BIJLAGE C.

l i e 1 i lt;1 ii i a e.

Hoewel 't woord dat ik als opschrift boven deze regelen schreef, meestal gebezigd wordt om de vereerde overblijfselen van heiligen aan te duiden,-zoo is er niets tegen dat ik daaraan nu de ruimere oorspronkelijke beteekenis toeken Hieronder wensch ik op te geven welke voorwerpen die aan Bakth toebehoord hebben, door hun gebruikt zijn of op hun betrekking hebben, nog bestaan. Uitteraard heb ik op mijn beperkt onderzoekingsterrein niet alles gevonden, en zal er na't in druk verschijnen van dit geschrift nog menig voorwerp ontdekt worden, dat in mijne lijst had moeten zijn opgenomen. Maar een onvolledige opgaaf is in ieder geval beter dan geene.

I Brieven aan en over Babth en andere geschriften.

In de Bijlage B is volledig vermeld welke pennevruchten van Barth ontdekt zijn geworden; zijne theses, het door hem uitgegeven boek over «de scrupulen», zijne preeken, zijne gedichten en zijne brieven.

Onze Neef, Pastoor Karel v B, is bovendien in het bezit van eene partij preeken door Barth bewaard, doch door andere kanselredenaars opgesteld, waarvan enkele van zeer ouden datum, en in het boek waarin Barth eenige zijner gedichten heeft geschreven, komen ook afschriften voor van gedichten zijner vrienden en van bekende groote dichters.

Van Martinus v. 1? bestaan nog drie brieven, die hij aan zijn zoon Barth heeft geschreven. Zij bevinden zich bij tante Louise.

ocr page 141

125

le dd. 7 Februari 1749, waarbij hij aan Barth toestemming geelt om priester te worden. In extenso medegedeeld in Bijlage A.

2e dd. 23 Februari 1749, handelende over Barths roeping en over zijn aanstaand intreden in de Societeit Jesu.

3e dd. 12 April 1749. Mahtinus heeft van den knecht die Barth begeleid heeft naar Antwerpen, zijn behouden aankomst vernomen, hij vraagt inlichtingen over de storting van gelden, deelt mede dat Herbert ziek is, verlangt Barth's adres te Meche'cn te kennen met 't oog op de aanstaande bevalling van diens stiefmoeder en wenscht hem geluk in zijn nieuwen staat.

Van de brieven die Barth ontvangen heeft van zijn vriend pater Ovijn S. J. zijn er nog drie over, die in mijn bezit zijn.

Zij zijn alle drie geschreven te Kortrijk en geadresseerd «aan «den Burger Barïholomeus van Berkel in de Brouwerij van «de P tot Delft in Hollandquot;.

In den brief dd 25 April 1795 begint de pater mede te deelen dat podagra en chiragra hem zoodanig gekweld hebben, dat hij verhinderd is geweest eerder te antwoorden. Hij bericht verder het overlijden van zijne zuster Genoveva en drukt zijn leedwezen uit over het afsterven van «vriend van der Aa». Daarna volgt: «Ik bedanke U. K grootelijks voor de aengenaeme «tijdinge, dat alles in Holland gerust is, en dat het bezoek van ■ de Fransche troupen niet lastig gevallen is, waervoor ik niet «weinig bekommert was Bij hun eerste inrukking in deze stad «is het niet vriendelijk afgeloopen. Zedert dien tijd hebben wij «niet te klagen, als van de contributien en requisitien, die «natuurlijke gevolgen zijn van den oorlog Alle menschen 'tzij

• hier, 'tzij elders zijn in de vaste hope, dat er binnen kort «eenen generaelen staet te volgen, inaer hoedanig de conditiën «zullen wezen, is een raedzel De gevoelens dies aengaende ver-«sehillen hemels breede, maer dewijl ik Davus ben, en niet « Oedipus, zal ik mijn herssens daermede niet vermoeien.

«Ik wensche veel geluks aen uwen gebuerman, en alle de «andere van onze religie met de ampten, die zij bekleeden; quot; maer ik oordeele, dat de grootste omzigtigheid voor hun «noodig is, want indien bij de vrede artikelen de stadhouder-«lijke regeering herstelt word, de minste misslagen zouden hoog «opgenomen worden, en in het haetelijkste daglichtgestelt zijn. «Hoe het ook gaet, ik hope, dat den moderantismus ten opzigt

• van den godsdienst zal plaets grijpen en voortduuren.

ocr page 142

126

..........-ine.,

geen onvennijdeUjke ungt; a p.i ^ ^ ik mijnen besten

negen zijn, om mijn woonmg ml ^^ireu_ 4, einde de

«bekwaemer gelegentbeid zon ^ „iet bezet is, en dat

n rrjrrJrra-.'r^^

gehjk hier zeer ^ vc)lkomcn Ver.

.dat den zeehandel, die lt; ■ de grootste armoede

nieti-t is. Indien dit waeragtig i», ^1

.en deze oneindige behoede.

„en alle andere zaeken. ' ie 1L kU K (reEerde familie, belieft -vincien betreften, maer uffi.ouw Alktta van mijn nederig

.kennis te geven. Ner/.eki . .1 ^ ik vieie mij, dut U. E.

„respect, den Hecr ^'quot;voor mven pcrzoon in mij zoo • overtuigt dat d - . alleen haer kan omstooten.

.diep gewortelt ^ dat * afwachte, heb ik de ker xmj

«Terwijl ik haeren s ^trouwen en waere vriend,

«nogmaels te noemei - ^ \\mE. bereidw. Dienaer,

15. O.

■ 1 u O nevens het beenhuis in de Leistrnet .Mijn adres is -1 H- quot; , Tiismans met bekentmaekmg

.tot Cortrijk. De groetems aan 1 1 i,.sMAN

.van de dood mijner zuster» /.jn andere brieven voluit

Opmerkelijk is het da. initiaien van zijne namen opgeeft.

geteekend heeft, hier a 001 over de «stremming der post-

Aangezien !nj in ^cht ^reesd hebben dat zijn geschrift

coursen» zoo zal hj ..lllon en daarom zijn naam verzwegen

in verkeerde handen zon vallen en

hebben. . dat Bauth's «gebuer-

De vrees van den gemoedehjken paie ,

ocr page 143

127

man» A ma a an zich in de politiek zou com prom itteeren door te groote heftigheid, was vrij ongegrond. Reeds den 10 April te voren was Adhiaan, omdat zijn «patriottisme» don heethoofden der partij al te gematigd voorkwam, bij de volkskeuze uit de municipaliteit verwijderd.

Do brief van Ovun dd. 30 September 1795 handelt geheel over kerkelijke aangelegenheden en eindigt aldus:

«In afwagting van het antwoord op de voorschreve vraeg-«punten eindige ik dezen misschien alreeds te lanirdraedigen «brief, en verzoeke mijn groetenisse uit de grond des hart aen «de lieer Adkianüs, zijn Huisvrouw en kinderen, ook particu. «lierlijk aen Juffrouw Ai.etta, die ik wensche altijd alertu te «zijn, en naer mij op het ernstigste gerccommandeert te hebben «in U.W.E. dierbaere vriendschap, teekene ik mij» enz

De woordspeling zal wel wat ironisch bedoeld zijn geweest Aletta leed aan inbeelding en meende in 't geheel niet te kunnen loopen, terwijl iedereen overtuigd was dat ze met goeden wil wel dienst van hare beenen had kunnen hebben

In den brief dd. 14 Mei 179ü die ook in hoofdzaak handelt over kerkelijke zaken, lees ik. volgende op de doormijn vader in zijn opstel geciteerde van waardeering jegens Bautii getuigende woorden :

«Ik moet hierbij voegen dat ik verandert ben van wooning, «die veel ruimer en plaisantiger is als voortijds. Och, of ik «voor mijn dood het geluk mogt hebben U. W . E. of iemant van «de geëerde familie daar in te ontfangen! Het adres is aan «J. 15. Ovun priester in de Doornljkstraat te Cortrijk in Vlaan-mderen. Hiermede zou ik mijnen brief hebben geeindigt en reeds «over (j a 7 dagen afgezonden ; maar ik verneme van verschelde «kanten, dat Holland bedreigt word met een tegen-revolutionaire quot;inrukking der Pruissischc legermacht, waardoor het reeds geschiet «is dat er een groote menigte van Hollanders hun land verlae-«ten om zig in Hrahtiml. Vlnendercn en aangrenzende provin-«cien neer te zetten. Ik vleie mij, dat den roep en de vrees «grooter is als de zaak, maar 't zij zoo 't zij. dit zal behalven «mijne ziekte, die zedert acht dagen merkelijk ten besten gekeert «is, den lust teenemial benemen, van mij op reis te begeven, «hoezeer mijn aiTairens dit vereischen. Bijaldien het mogt gebeu-«ren, dat U.W'.K. genoodzaekt wierd ook buiten het vaderland «een plaets van rust en veiligheid te zoeken, weest verzekert,

ocr page 144

128

dat ik U.W.E. met open armen zou ontfangen, en mij zelv

• geluk wenscheu de gelegentheid gevonden te hebben, om mijnen quot;boezemvriend meer met daaden als niet woorden te overtuigen «dat ik ben en onveranderlijk blijven zal» enz.

.P. 8. Verzoeke Mejufirouw U. W. E. suster, den Heer Adrianus, «zijn gemalinne en familie uit mijnen naam te groeten met .wensch van een zalig hoogtijd van Pinxteren. Ook hetzelve te

• doen aan de weduwe van dek Polder, Pieter Iijsmans, Lena . mijn gewese dienstmaegd en alle andere die mijner nog indag-«tig zijn. Gelieft het ingeslote briefje op de schuit of post te .laeten bestellen. Weest ook zoo goed mij van tijd tot tijd te

• vereeren met een lettertje van l. \\. E. hand. Zij zijn mij .super mei et far urn zoet. Amen ; hoc est Jint sive fiet.-

Bewonderenswaardig is de geestkracht van dezen ouden pater. Ondanks zijn hevige kwalen, die hem noodzaken, «een letiere of draegstoel» te bezigen om naar de kerk te gaan, ondanks

• zijn leeftijd-, dien hij opgeeft «circa 82 jaeren. te bedragen heeft Ovijn —dit blijkt uit zijn brieven — er werkelijk ernstig over gedacht naar Holland te reizen om daar zelf de belangen van zijn voormalig kerkje te behartigen.

Zoo als in de toelichting op do chronologische tafel is medegedeeld, zond Adriaan na Barth's overlijden gedrukte commu-catiebrieven rond van twee verschillende redactien. Van ieder dezer is een exemplaar bij tante Louise.

11. Boeken aan Rautu toebehoord hebbende.

Bij onze tante Louise vond ik eene partij ingebonden dictaten van Barth, tijdens zijn studietijd eigenhandig door hem geschreven. Het schrift is zeer regelmatig, duidelijk en net. Bewonderenswaardig zijn de vele lastige teekeningen betrefiende cosmo-graphie (tractatus de mundo) en betreffende phijsica (elementa opticae). Igt;ie aanteekeningen, alle in de Latijnsche taal zijn;

le in quarto gt;Phijsicae specialis pars altera sive tractatus de mundoquot;.

2e in quarto: «Geometriae practicae elementa faciliora.. Eerst wordt de -arithmetica» behandeld, daarna de «trigono-metria rectilinea-, de «geometria practica», de «algebrae sen logisticae speciosac principia faciliora». Daarop volgen de quot;cle-menta opticae» en «catoptricae».

8e in octavo: «Tractatus de incarnatione divini Verbi, dic-taiite H. 1'. Engelberto Cokneï». 1700—14 Aug. 1701.

ocr page 145

129

4e in octavo; «Prolo^omena etquaestionesselectaee veteri tes-tiiinento, dictante K. P. Jacobo Fuentkcasii'quot;. 1760—14 Atijt. 17(51.

5e in octavo: «Tractatus dc actibus humanis. beatitudine et angelis, dictante 1!. 1*. Aenoldo Ror.kitti». 17lt;i()—1-1 Aug. 1761.

(ie in octavo : Tractatus de Deo uno et trino», einde lo Aug. ]7(gt;lt;i.

7e in octavo: «Quaestiones seleciae in novum testamentum» gevolgd door «Commentiirius in psalmos».

8e in octavo: .Tractatus de jure et justitia».

(.)e in octavo: «Considerationes ad morbi molestias constanter foren das».

10e in octavo: «Tractatus de fidequot; (defectus). Begint bij Caput J1 § 80.

Van Oom ontving ik een achttal bladzijden van een

dictaat over de Hebreeuwsche taal. Het vervolg ontbreekt echter.

Uit de beide eerstgenoemde boeken is mij gebleken dat de studie der mathematische en phijsische wetenschappen destijds bij de Jesuïtcn reeds tot een hoog peil was opgevoerd. Barth heeft den gewonen cursus in deze vakken gevolgd en wat er in deze dictaatboeken staat, hebben dus alle Jesuïten in dien tijd moeten leeren. Waarlijk, quot;t is zeer begrijpelijk dat de on-roomsche Vorsten Frederik 11 en Catharixa II deze mannen, die aan hun strenge zeden en hunne uitstekende methode van onderwijzen een zoo breede veelzijdige ontwikkeling paarden, als opvoeders der jeugd op prijs zijn blijven stollen, toen de Orde, om grooter onheil te voorkomen, had opgeofferd moeten worden ter wille van de vijanden van den Godsdienst, de zeden en liet gezag.

In de bibliotheek van de pastorie der St. Ti'.resia-kerk in den Haag bevindt zich een boek getiteld «Het nieuwe testament ons Salichmaeckers Jesu Christi» met platen ddquot; dat

Barth in 175') van zijn oudoom Js. Proot had gekregen en den 6 Mei 171)4 aan zijn neefje Martixus heeft geschonken. Zie bijlage Igt; onder de gedichten.

Onze neef Pastoor Karei, v. B. bezit de volgende aan Barth toebehoord hebbende boeken :

le Bourdaloue pensees. 2 tomes.

2e Clément sermons. 2 tomes.

oe Grifeet sermons. 4 tomes.

4c De Segaud pensées.

5e Petri Canisii catechismus parvus latino et teutonice.

9

ocr page 146

130

6c Becani analogia V. ac N. Testiunenti.

Te Igxatii pk Loyola major Dei gloria vins apostohcis per

exercitia spiritualia proposita 1660.

Se Brevarimii Kon.a.n.m 4- - 1724 - met kopers,,»,.re,,.

9e Duexelius 19 tom. , . ,

Klo Sciuievk,.!, lexicon graeeo-latimmi. Uquot; »gt;ƒ- ,3 door verschillende tin.ilieleden gebroikt. Op 't schutblad leest men libri. It. van 1745- en daarna volgen .11. A

l'.ni.k„ Hagerdd 1 October 1s23. (m,J„ vade ) -B van

l'ntKKI. Cakid ml Kimt» Igt;»1 (onze oom later notnn»)

^K. C. v« 11»««. seminarium 1872. (thans

nnstoor te Xihhixwoude). , ,1

Deze weinige boeken slechts zijn teruggevonden, terwijl t bekend is dat Bahth eene welvoorziene boekerij heeit bezeten^ De overige boeken zijn verdwenen, waarschijnlijk in den loop der jaren by belezenheid van jaarlijksche schoonmakenjen opgermm . ï n verdwenen de platen . aarvan Ha»,, ee„e b-S

heeft ,rehad. de talrijke geschreven en gedrukte muziekstukken en zijne violen, waaronder er moeten zijn geweest van beroemde

makers.

111. Bidprentje*.

Ik bezit twee bidprentjes van Barth. Het zijn perkamenten

blaadies aan de eene zijde vertoonende eene gravure, aan de

andere zijde; -Bid voor de Ziel van Zaliger den/eer Eenmarden «I'-iter Baktholomaeus van Bekkel, Priester der bocie ei i-si. .Overleden te Delft den 10 September 1809 in den ouderdom ' n SI jaren en bijna quot;2 maanden. - De Heer is voor die

«alleen, die Hem op den weg der rechtvaardigheid en waarheid

.met wedult afwachten. - Eccli 34. Vers -. h- '• ■ • In de brevieren van Barth heelt mijn vader de volgende

bidprentjes gevonden .

a. van familieleden en verwanten.

DeL 4, «He op perkament e„ vertoon™ aa„ de eene ,..,de

eene quot;ravure, aan de andere zijde als volgt;

„ Bid voor de Ziele van Zaliger Johanna Antonia HmnNKU^ .weduwe van Mahtixus van Bkbkei. - Overleden binnen

«den 16 Januarij 1790. — B- 1 ^_

Bid voor de Ziele van Zaliger Aeetta l uancisca van Bkrkei,.

.Overleeden binnen Delft, den 20 April 1797.-Die den Hee

ocr page 147

131

«vreest, zal het wel hebben in zijne uitersten, en op zijn sterfdag «gezeegend worden. — Eccl. 1. v. 13. — R. I. P.»

«Bid voor de Ziel van Zaliger den Heer Jan Francois van • Lilaar Heere van Stoutenburgh, overleeden op Stoutenhuryh, «den 26 September 1792. — R. I. P.»

«Bid voor de Ziel van Zaliger Joannes van \\ aijknuurg, «overleeden binnen Amsteldam, den 9den April 1796 in den «ouderdom van ruim 65 jaaren. — Requiescat in pace.quot;

«Bid voor de Ziel van Zaliger Arnoi.düs Joannes van «Waijenburg, overleeden den 21 Meij 1797 in Amsterdam. Die «den Heere vreest, zal het wel hebben in zijne uitersten, en op «zijn sterfdag gezeegend worden, Eccl. I. v. 13 — R. I. P.»

«Bid voor de Ziel van Zaliger Jan George ten San de over-«leeden den 31 December 1779, Requiescat in pace.»

«Bidt voor de Ziele van Zaliger Hendrik ten Sande, over-«leeden in Amsteldam, den 23sten Maart 1781. 1!. I. 1'.quot;

«Bid voor de Ziel van Zaliger den Ileere Ludovicus van «Tomputte de la Tour, overleden binnen Rotterdam, den 19 Junij «1802 in den ouderdom van 35 jaren en 4 maanden. — Een ijdcr, «die U dient, Heere! weet voorzeker, dat zijn leven, zoo het «beproefd word, gekroond zal worden. — Tob. 3, vers 21. — «R I . P.»

I). van personen niet aan ons verwant.

Deze zijn ook op-een enkele uitzondering na op perkament. Zij betreffen ;

den Zeer Eerw. pater Gabriel Schoenmakers, oud 50 j. «Roomsch zendeling van het order der Eerw. paters Minderbroeders». Overleden te Delft 27 April 1795 :

den Zeer Eerw. pater Jacobus di; Graauw «van 't ord : van «den H; Vader Aug; Missionarius». Overleden te Amsterdam 18 October 1780;

den Eerwaarden lieer Paulus van dkr Burg, K. C. priester, sedert Augustus 177-1 pastoor te Voorschoten. Aldaar overleden 21 November 1805 in den ouderdom van ruim 64 jaar;

den Eerwaarden pater Mathias Valkenborg, overleden 12 Augustus 1745. (Dit is beschreven, niet bedrukt);

den lieer Andreas Joannes van Hoppe, voorheen kapitein proprietaire in llollaudschen dienst, overledon te Deljl 20 December 1803 in zijn 64ste levensjaar. Begraven in de Nieuwe Kerk (de gereformeerde kerk);

ocr page 148

132

McjulVrouw Joanna Elisabeth van dek Waart, overleden te Leiden 15 Februari 1790.

Maria Droog, overleden te Delft 4 Maart 1S04. oud 2lt;S jaar en 10 maanden. Hegraven in de Oude Kerk (de gereformeerde kerk).

c. bidprentjes betreffende levenden.

Een perkamenten blaadje, aan de eene zijde met gravure, aan de andere zijde beschreven «prions 1'un pour 1'autre. Vous «savez inon nom et moi le voire Sr. F. de Mig man ».

Een perkamenten connnunieprentje, beschreven. quot;Veel geluk «juflrouw Adriana Houwert. Derthien jarige bruid Christi». De kapitaal geschreven letters vormen een jaarschrift: 1757.

Ten slotte moet ik een plaatje vermelden met een achterschrift, waarvan de uitlegging veel hoofdbreken gekost heeft. De op perkament gedrukte gravure stelt voor eene fontein, waaruit geleerden, priesters en leeken, water komen scheppen,— 't water der Thomasische philosophic. Boven op de fontein staat de «doctor angelicus». Engelen houden een lint vast, waarop we lezen «bene de me scripsisti Tiioma». Aan de andere zijde is met een flinke hand 't volgende geschreven :

«Lugu Luctoinus sucendo nicterno du fusti s^ncto h^es «•lt;egntem du pr^pjjr^toinu ^d stedi-^.»

Het ziet er uit als oud Hollandsch schrift, maar dit kon't niet zijn. Grieksch kon 't ook niet zijn, hoewel er vele malen de Grieksche letter ■/, in voorkomt. Latinisten konden 't geschrevene niet lezen. Eindelijk werd de oplossing gevonden in de pastorie van de O. L. V. kerk te '8 Gravenhage en wel in hoofdzaak door Pastoor Philippens. De schrijver heeft 't volgende willen uitdrukken :

«Lege lectiones secundi nocturni de festo Sancti hujus, agentes «de preparatione ad studia.quot;

Ongetwijfeld is deze lezing de ware, want de tweede nocturne in 't brevier bevat eene korte levensbeschrijving van St. Thomas en daarin «nunquam se lectioni aut scriptioni dedit, nisi post orationem» en verder «Nkapoli cum ad imaginem crucifixi vehementius orarct, liane vocem audivit: Bene de ine scripsisti Tiioma». Dit laatste lezen wij ook op het prentje.

Om tot deze oplossing te komen heeft men een enkelvoud, door den schrijver onnadenkend gebezigd, moeten veranderen in een meervoud en bijna alle klinkers door andere vervangen

ocr page 149

133

Do schrijver is waarschijnlijk bekend geweest met zeer vele talen van verschillende stammen, en daardoor zullen do juiste klanken, die door de klinkers in ile verschillende talen worden uitgedrukt, door hem verward zijn. Als men nagaat dit t Latijn door de verschillende volken verschillend wordt uitgesiiroken, dan kan men 't zoo vreemd niet vinden dat een groot taalkenner en beoefenaar van Aziatische talen, oud wordende, zich op deze wijze vergist. De vergissingen wijzen volgens een bevoegd beoordeelaar op de waarschijnlijkheid dat de schrijver een Portugees is geweest. Een niet gewaagde onderstelling is dus, dat de verstandige raadgeving tot Bautii is gericht door een zeer ouden l'ortugeescheu pater, die wellicht missionaris geweest was. En dit moet geschied zijn gedurende BaktiTs studietijd. Moe jammer dat wij den naam van den ouden pater niet kennen !

IV. Voorwerpen tot Go(hdienstoefenui(j.

In do toelichting op de chronologische tafel is reeds vermeld dat bij tante Louise bewaard worden een overblijfsel van een waarschijnlijk van IIaki ii afkomstig kasuifel en een lessenaartje, waarop zijn missaal vermoedelijk gerust heeft bij t .Mis lezen. Ook word uitvoerig het truweeltje beschreven, door üautii mot het schootsvel gebruikt toen hij op ó jarigen leeftijd den eersten steen der St. JosEPHs-kerk legde, welke voorwerpen ook in het bezit zijn onzer tante.

Oom Willem bewaart met eerbied een van Bauth afkomstig ivoren Christusbeeldje aan 't kruis, waarvóór de Godsdienstige pater menig gebed ten behoeve van het nageslacht zal hebben gericht tot Hem dien 't voorstelt.

V. Kerkelijke documenten.

Oom Willem heeft mij de volgende documenten geschonken:

le een door pastoor Beaufort op 8 April 17-1!gt; afgegeven extract uit het doopboek betreffende den doop van Bautii. Dit stuk, dat dieust heeft moeten doen bij de opneming van Barth in de Jesuïtenorde, is geschreven op papier dat gestempeld is met 't Hollandsch «clein segel gt; van 12 stuivers.

2e een attest van Fu. Domi.nigus de Gentis ord. praed. Bisschop van Antirerpcn, die verklaart dat door hem den 21 September 1752 te Antwer/ien aan Haktii de tonsuur is verleend.

8e een attest van denzelfden Bisschop, die verklaart dat hij

ocr page 150

134

op denzelfdeu datum ter zelfder plaatse aan Barth de lagere orden heeft verleend.

4e een attest van Joannes Henricüs Graaf van Franckenberg en Schellendorf, Aartsbisschop van Mechelen enz. enz., die verklaart dat hij den 6 Maart 1762 te Leuven aan Barth het subdiaconaat heeft verleend.

5e een attest van Henricus Gabriel Bisschop van Antwerpen, die verklaart dat hij den 5 Juni 17(52 te Leuven aan Barth het diaconaat heeft verleend (Leuven behoorde tot het diocees van den Aartsbisschop van Mechelen. Diens zetel schijnt vacant te zijn geweest of de titularis afwezig).

6e een besluit van denzelfden Bisschop dd. 15 Mei 1764, waarbij aan Barth in het diocees Antwerpen tot aan het onderzoek in den zomer van 1768 bevoegdheid tot biechthooren en preeken wordt verleend, liet stuk bevat een zeer uitvoerige quot;instructio pro confessariis•• en een dergelijke «pro conciona-toribus »

7e het in deze brochure herhaaldelijk besproken document, waarbij den 6 Juni 1792 aan Barth jurisdictie is verleend in de Hollandsche missie onder de door mijn vader medegedeelde voorwaarden.

Gedrukt zijn de titels van Graaf Caesar Brancadoro Aartsbisschop van Nisibe enz. enz.; het overige, namelij k de adresseering, de groet, de overwegingen en het besluit zijn geschreven. De onderteekening onder het «Datum Amstelodami hac die 6 Junii 1792» luidt «Caesar Archiep Nisibensis». Ter zijde staat een klein wapen in rood lak. Onder de handteekening heeft «Aloi.tsius Ciamberi.ani vice superior missionis», blijkbaar eigenhandig, eene verklaring geschreven dat hij de aan Barth verleende jurisdictie continueert zoolang hij Hoofd der missie zal zijn, en daaronder staat een wapen eveneens in rood lak.

VI. Portretten van Barth.

Van Barth bestaan drie portretten, alle besproken in het door mijn vader opgestelde levensbericht.

Het portret in olieverf, voorstellende Barth als kind met zijne ouders, is het eigendom van onzen oom Jan.

Het in 1784 gemaakte portret is door mijn vader beschreven, doch vermoedelijk was 't toen achter glas, zoodat hij 't niet scherp heeft kunnen bekijken zooals ik, bij schuin invallend

ocr page 151

135

licht, waarbij mij bijzonderheden in 't oog gevallen zijn, die aan mijn vader ontsnapt zijn. Het portret, thans in het bezit van tante Louise, is in 1784 gemaakt door H. A. Hauk. Het is niet in waterverf, doch in gekleurd krijt — craijon noemt Barth :t in zijn testament. De pater is afgebeeld in zittende houding. Zijne kleeding is een zwarte jas eu een zwart vest. Een kleine jabot is zichtbaar. Het hoofd is gedekt door een gepoederd pruikje met 2 rijen krullen. In de op de tafel rustende rechterhand houdt Barth een boek op welks rug wij lezen C. O. N.C. — T. R. I. D. en dat dus handelt over 't Trent-sche concilie. Ouder die hand ligt op de tafel een papier of perkament, onderteekend «Gangaxelli». l)it document stelt dus zeker de breve «Dominus ac Redemptor- voor, al is deze in werkelijkheid niet met een familienaam onderteekend. legen don achterwand hangt eene schilderij, voorstellende een kruis-dragende gebukt loopende iiguur (Christus), en een knielende figuur (Barth). Boven den kruisdrager is eene figuur geteekeud, die wellicht de verheerlijkte 11. Maagd voorstelt, maar aangezien het krijt door ouderdom veel geleden heeft, zoo is dit zeer twijfelachtig.

Waarschijnlijk is het portret van de hand van Henkicus Antonius Baur te Ha dingen, geb. 1736, f 1817.

De in 1798 door J. F. gemaakte silhonet, door mijn vader mede beschreven, is in mijn bezit.

Het kleine portret in gekleurd krijt, van onzen grootvader, toen deze een kind was, 't geen aan Barth heeft toebehoord, bevindt zich bij tante Louise.

VIL Rekeningen van Barth.

Onder de bij onze tante Louise berustende papieren vond ik een pak rekeningen, door Barth betaald, toen hij te Deljt zijn eigen huishouding voerde. Over de jaren 1802 tot en met 180t) schijnt de verzameling tamelijk compleet te zijn. \ an vroegeren datum vond ik niets, over 1807 slechts enkele rekeningen, en van lateren tijd seene.

Uit de rekeningen blijkt dat Barth, die trouwens al diep in de zeventig was, ertr met zijne gezondheid gesukkeld heeft Do Mod. Doctor Willem Verbrugge bracht hem in 1802, 1803, 1804 en 1805 respectievelijk lt;gt;0, 111. 81 on S4 visites, terwijl de rekeningen van den apotheker H. van der Roon Wescii

ocr page 152

136

over deze jaren bedroegen ƒ 52 — 4 st., ƒ62 — 2 st., ƒ38 —12 en ƒ 36 — 10 .si. In 1803 deed chirurgijn Corns van der Winkkl een kleine operatie aan een van Barth's vingers.

Barth was in 1802 medelezer van de Leijdsche en Rotter-datnsche couranten, die de boekverkoopers C'. Poelman ex Zoon hem verstrekten; in 1803 abonneerde hij zich bovendien op de Binnenl. Bat. courant en in 1805 schijnt hij uitsluitend de Staatscourant en de Schiedamsche courant te hebben gelezen.

Zijne boeken kocht hij meestal bij de wed'1 J. de Groot en Zoon, soms bij Buus en Derkse. We zagen dat hij de «Yader-landsche historiën» van Wagexaar heeft gekocht, de-bedenkingen van eenen wijsgeer over den Godsdienst» door Hamelsveld, «de Roomsch Catholvken gewaarschuwd», de «triumph der Roomschgezinden op de Jansenisten» en een contrageschrift, de almanakken van Magnus en van't Nut van Algemeen, enz.

Muziekstukken kocht hij door tusschenkomst van de manufacturen handelaars Falger en Knitïel, Duitschers die zich te Delft gevestigd hadden.

In 1802 e. v. heeft Barth door Hendrik Rademaker het orgel der St. Josephs-kerk laten verfraaien, verven en vergulden.

Al had hij, zooals uit dit feit blijkt, eene bijzondere sijmpathie voor deze kerk, vroeger door zijne ordebroeders bediend; exclusief was hij niet. Uit eene quitantie van G. Hillen dd. 1804 blijkt dat hij jaarlijks /20 contribueerde ■■tot goedmaking der koste van de nieuwe of tweede Roomsche kerk».

Onder de geregeld terugkeerende contributiën vinden wij ook die voor de «Rumfordsche soup societeit», waarvan G. Tas secretaris was. Jaarlijks werd ƒ4 betaald. Dit is zeker eene soepuitdeeling voor de armen van alle gezindten geweest.

Een enkelen keer ging de pater uit rijden, waarschijnlijk met zijn neefjes. In 1804 is hij eens met eene «koets» naar 'i Hosch-hek gereden, eens met een «wagen» naar Rotterdam. In 1805 bezocht hij weder eens 't Boschhek. Deze rijtuigen heeft H. Robbers hem verhuurd.

Zijn gewone wijnen kocht hij bij G. Hageman en bij M. ITulstman ; den wijn voor 't Misoffer en de fijnere foorten bij Joh. Wiegman, boter bij Leendert Stolk, turf bij Simon Rylaarsdam, kaarsen bij 1*. Gekhaat, spek en aardappelen bij P. vax Helvert, vleesch bij G. A. Meijer, manufacturen bij

ocr page 153

137

Fa li ; icu en Knittel, docli lliuiel bij de Blaauw en Zn., zijn kleeren bij ('. Smidts. 1*. .1. Huückel en J. Slmtkiis, schoenen bij IT. van den Boogaard, hoeden bij R. Bovenkeusk. Zijn goed werd gewasschen door I'ietek Smeele, na diens dood door Antonie van ])er Heide. Zijn barbier en pruikenmaker was J 1Fareeks, zijn horlogemaker H. Karis, zijn koperslager J. van der Tas. J. Tronchet en Lefevre waren behangers en gor-dijnenmakers, (i. Kabis was smid en .slotenmaker, \\. Kroon glazenmaker en A. de Vroom metselaar.

VIII. Testn/nentairc heschikkingen.

Deze zijn, op eene na, reeds besproken in de toelichting tot de chronologische tafel.

Ie Acte gepasseerd voor notaris (irn.iELMrs Kknens te Ant-werpen op 'J Augustus 1766, waarbij Barth aan zijne stiefmoeder afstaat het restant der erfenis van wijlen Fhanlt;;ois Bodabt en echtgenoote Joanna Schijf.

'2g Testament gepasseerd voor notaris Mr. Jacobus van Koetsveld te Delft op den 'in Januari 171 IS.

3c Codicil dd. 10 April 1803.

4e » - IS Januari 1806.

5e » quot; 8 Juni 1809.

ocr page 154

Naam. wapen en portnMten van de familie van Berckel.

Bartholomaeus heeft zijn geslachtsnaam altijd geschreven zonder c. Om deze reden heb ik, hem noemende, deze letter ook weggelaten, terwijl daarentegen mijn vader aan den pater den famirieuaam heeft toegekend, zooals deze blijkens Kon. besluit dd. 18 Dcc. 1857 volgens de oude en rechte spelling behoort te worden geschreven.

Zooals Alberdingk Tiu.im mededeelt, werd in de XI 11e en XlVe eeuw geschreven Berclk, Iïioukkl, Hkhkele en Bërkelle, in de XVIe en XVlIe eeuw Berckel, in de XVllle door eenige takken Berckel, door andere Berkel. Ik voeg hieraan toe dat 't voorzetsel van veelal werd weggelaten, en dat in den ouden tijd, toen vele geleerden een Latijnschen uitgang aan hunne namen gaven, onze verwanten dit ook wel zullen hebben gedaan. Zoo lang het tegendeel niet gebleken is, zie ik in den Jesuit, doctor in de theologie, Joannes Berckelius, f 1576, een familielid.

Als men nagaat hoe vóór de vaststelling der Siegenbeeksche spelling, onze taal op de meest slordige wijze geschreven werd, — de door mij medegedeelde brieven en andere stukken leveren er de blijken van, — dan behoeft men zich waarlijk niet te verwonderen over 't willekeurig spellen van namen. Terwijl Martini's al begonnen was met 't weglaten der c uit den naam zijns vaders, ziet men op het troöeltje waarmede zijn zoon Bartholomaeus den eersten steen der St. JosEPiis-kerk gelegd heeft, op de eene plaats den naam met c, op de andere zonder c gespeld. Nog opmerkelijker is :t voorbeeld door mijn vader

ocr page 155

ytcf-/ Maamp;yL

- /V/%-?amp;£ -

fa T^tla^sr c-f ^ïé^Ac^

rfzZfT^ZZ^ / tlr^cCo /co^ti^

xi— ^^IA— CL^CaaACs CS^ 0^^-

'J? ,. ^Cc^cJ (^€C hP~*. , ' ï-^'u- cc.-^lt;-lt;*^e_ S

• ■-''•' *1 £ -m^-oOs, X^-t^C^x^

£ TY-c/óbn, /?7 CZ 1^C^gt;tsdx£/64, /C^ic^^X

L/y-yi 'Ol a^iV ÓS?-*i£ tr~iyxh 'TrLcX £/l^-e^

o(-cJ u^o

O -/:

'I

■j-OC/~ CLamp;? tsCc..

• '- -'^ t /-oic /^Suwky aXlt;? iXt, Vzi^^CcZ (~^C x^

I/-

ocr page 156

flïamp;t ^ ^ 46* *** lt;Se.t

^f£*tym Wi***rgt; (J arw6 4*snW tJ/Qp ^^*r-^)lc^CA.

mag* Ë%

ocr page 157

139

leeld van deu I'rotestautschen Willem van JJerckel, laamteekening onder de scabinale acten geen c bevat, t zegel van die zelfde stukken zijn naam met c vermeldt, willekeur in de spelling vond men bij de namen van ■ite familiën. Ja zelfs tljuise duurt zij nog voort, vooral burgsche geslachten die in België en Duitschland ver-i.

Barth Jesuit werd en na zijne secularisatie heeft hij even dichtgelakt met 't zelfde wapen dat wij gebruiken ; ideeld I en IV — drie gouden sterren op blauw veld ; — loopend schaap op lossen grond op groen veld. Dit s reeds gevoerd door zijn vader Maetinus ; want't oudste r tante Louise bewaarde cachetten is blijkbaar van dezen, op de andere vlakken van het drievlakkige stempeltje i van Houwert voorkomt.

mde familiewapen van van Berckel, dat door enkele onveranderd is behouden, bestaat uit drie gouden sterren vv met de spreuk «je vive en espoer».

tornt dit schaap in het wapen van onzen tak ? Ziehier tag, die op drie wijzen beantwoord is. 3ste, aanneemlijkste oplossing, waaraan mijn vader de r heeft gegeven, die ook door Thi.tm is gekozen en door i' in zijn «Armorial général», is deze;

imilie van Bui.itene had een schaap op groen veld als Aangezien Akent van 15. P.vtnvELszoon is gehuwd genet eene juffrouw van Buijtene, zoo is tengevolge van gelijk ons wapen gequartelleerd met dit schaap. Mijn laakt de opmerking dat zoodanige quartelleering, destijds ind niet, in Brabant wel gebruikelijk, bij onze voorvaders ) Brabantsche herinneringen, op afstamming van de kckels in den Bosch.

apenkundige van der Lely van Oudewater had een uitlegging. Deze beweerde dat veelal de Boomsch gebleken van familiën die grootendeels tot 't Protestantisme ivergegaan, als teeken van hun lijdzaamheid on getrouwquot; i schaap in hun wapen namen, ter onderscheiding van ereformeerde bloedverwanten. Mijn vader durft deze ig in 't geheel niet aan te nemen. Hij werpt echter le onderstelling op.

schaap zou oorspronkelijk een everzwijn (of heer) zijn

ocr page 158

140

geweest dat in den loop der tijden door minder nauwgezette stempelsnijders in een schaap hervormd is geworden. Dergelijke verandering van wapens is veelvuldig voorgekomen. Is deze onderstelling juist, dan is waarschijnlijk het wapen der familie Berwouts, van welke een paar malen eene dochter met een van Ukuckel is gehuwd geweest, met ons oorspronkelijk wapen gequartelleerd. Tegen deze bewering strijdt echter mijns inziens 't feit dat het gouden veld waarop in 't wapen van de Bkkwouts de beer voorkomt, door de stempelsnijders dan in groen zou zijn veranderd. Er vóór pleit dat de beer even als 't schaap loopend is voorgesteld.

Het is evenwel hier de plaats niet om over deze quaestie uit te weiden.

De drie portretten die van Bautholomaeus bestaan, hebben mijn vader en ik reeds uitvoerig beschreven.

Even als ik elders, waai de gelegenheid zich voordeed, bijzonderheden betreffende de familie heb medegedeeld, al hadden ze niet rechtstreeks op Bakth betrekking, zoo wensch ik hier te vermelden dat de reeks der portretten van onze rechtstreeksche voorouders, tot en met Baktiiolomakus Arextszoon, in ons bezit is. Deze portretten, alle in olieverf, zijn van mijne grootmoeder overgegaan op mijne moeder. Ze bevinden zich thans ten huize van mijne zusters Bertha en Clara. Zij stellen voor:

le Bautholomaeus Arentszoon van B., 1()()4—S Dec 1724. 2e Zijne echtgenoote Apollonia Wittebol, gen. Paardecooper, overl. 18 Maart 1744.

3e Martinus van B., 11 Nov. 1700—7 Juli 1758.

4e Zijne tweede echtgenoote Joanna Anïonia Houwert, 1722 — 16 Jan. 1790. Van deze stammen wij af. De eerste vrouw van Martinus, die de moeder van Barth S. J. is geweest, Gtjsbekta van der Stoop, overl. 30 Jan. 1732, komt voor in de met olieverf geschilderde familiegroep waarbij haar echtgenoot en hare kinderen ook afgebeeld zijn. Dit schilderstuk behoort toe aan onzen oom Jan.

öe Adrianus Josephus van B., 24 Nov. 1751—14 Aug. 1812. (ie Zijne eerste echtgenoote Maria Gerard a van Waijenburg, 1756—!S Juli 1798. Van deze stammen wij af.

7e Mr. Hendrik van B, 5 Mei 1783—15 Maart 1862.

Sc Zijne echtgenoote Gi.i.sberta Maria Ai.iiiorti.va van der Kun, 3 Oct. 1786—17 Febr. 1872.

ocr page 159

141

Verder bevinden zich daar bovendien de portretten van mijne ouders.

In mijn bezit zijn, behalve de door mijn vader beschreven silhouet van Bahtii. de tegelijkertijd in gemaakte silhouetten van Aduia.mis Josepiius en zijne eerste vrouw, wier portretten sub oe en (ie vermeld werden, van Aletta Fuaniisca van B. en van den 8jarigen Aünoi.dus Joannes van 1gt;.

Bij tante Louise bevinden zich een waarschijnlijk omstreeks 1784 gemaakt portretje in gekleurd krijt van Adiuani s .Iusei'iius van B. en het elders reeds vermelde aan Barth toebehoord hebbende portretje van onzen Grootvader toen deze 11 jaar oud was.

ocr page 160

B IJ L AGE E.

Over do Delftsche Jesuïtenstatie.

Pater P. G. Bongaerts S. J. deed aan mijn vader eene opgaaf van de .Tesuïten die te Delft werkzaam zijn geweest. Ik zal hieronder zijn brief mededeelen, en daaraan toevoegen eenige bijzonderheden, die ik elders vond, betreffende de Delftsche Jesuïtenstatie. Immers, er is een nauw verband tusschen deze en het onderwerp van mijn geschrift De Jesuïten, stichters der St. JOSEPHS-Statie, zijn in den tijd der verdrukking van ons geloof de zielzorgers geweest van onze voorouders. Met Gods hulp hebben zij ons voorgeslacht behoed tegen afval tot't Calvinisme of't Jansenisme. En waarschijnlijk is de herinnering die de Jesuïten na hunne verdrijving uit Delft bij onze familie heeft nagelaten, van zeer veel invloed geweest op Bartii s besluit om toe te treden tot de Orde, waarvoor zijne ouders zóóveel achting en dankbaarheid gevoelden, hoewel zij zich allerhartelijkst ook aan de Franciscanen, opvolgers der Jesuïten te Deljt, hadden gehecht.

In zijn brief dd. 13 November 1863 deelt P. Bongaerts mede dat het hem, na lang zoeken in verschillende archieven, gelukt is eene, naar hij meent, volledige lijst op te maken van de paters der voormalige Jesuïtenstatie te Del ft, de oudste en de bakermat van de overige. Tc weten :

«Pater Cornelius Duijst, Delftenaar van geboorte, rigt te * Delft eene static op in 't jaar 1592. Hij stierf daar den 21 Febr. «1612 en liut begraven in do II. IIi.iroLiTUS-kerk in den noorde «lijken kruisann. Op zijn grafsteen was een kolk uitgehouwen «nog zigtbaar honderd jaar later. In datzelfde graf nist pastoor «.Joannes Smi th, die te Nome zijnde. Paus Clemens \ 1TI gesmeekt

ocr page 161

143

«heeft Jesuïten naar Nederland te zenden. Een verzoek dat werd «ingewilligd door de afvaardiging van de P. P. Cornelius Duijst «en Willem Willemsen de Leeuw (van Dordrecht). Op deze «twee mannen van beproefde deugd was de keus gevallen van

• den toenmaligen provinciaal Oliveeius Manaraeus, wien de «generaal Claudius Aqua viva 's Pausen uitdrukkelijken wil «bekend had gemaakt.»

In een in 1640 gedrukt boek getiteld «Afbeeldinghe van d' eerste eeuwe der Societeijt Jesu» enz. lees ik betreffende deze zending der Jesuïten naar Noord-Nederland 't zelfde verhaal, maar uitvoeriger (Smetius --- Smith).

«Van de Hollandtsche missie. Het beghiusel van deze missie «is eerst uijt den ijver van twee wereldtsche priesters ghesproten, «waervan den eenen Joannes Smetius, gheboortigh van Leijden, «den anderen Martinus Duncanus pastoor te Delft was. Dese «siende dat het gheloove in hun landt door de wapenen der «weder willighe Staeten daghelijeks soo seer achterwaerts ghingh, «datter van veertigh menschen schier niet een Catholijck en «bleef, hebben elck voor hun hooft, den eersten te Roomen bij «den Paus Clemens den V111, den tweeden bij onsen Provinciael «van Ned er landt, aenghehouden, dat men hen de hulpe van de

• Societeijt wilde toeschicken, naedemael sij die niet meer aen «de dolende inlanders, als aen d'ongheloovighe heydenen, daer «se met menighte henen voeren, en behoorden te weijgheren. «Dus gheboodt den Paus aen P. Claudius onsen Generael, en «desen aen onsen Provinciael ('t ghene sij maer en sochten) «van eenigh volck derwaerts teseijnden. P. Ctülielmus de Leeuw, «en P. Cornelius Duijst (desen van Delft, den dien van Dordrecht «gheboren) wierden der in'tjaer 1592 door verscheijden weghen «henen ghesonden. Gulielmus hadde sijnen voet quaelijck «buijten de paelen van Antwerpen ghestelt, als hij in de handen «van een deel straetschenders viel, die hem uijtgheschudt, en «van alles berooft hebbende, soo langh achteraen eens peerdts-«steert ghebonden en ghesleijpt hebben, dat sij hem heel ghe-

• wondt en mismaeckt over doodt lieten ligghen. Niet veel beter «en voer P. Duijst ; 't scheen dat den duijvel d' oorloghe die «hij op sijnen hals sagh aenkonien, in dese twee leijdtsmannen «stutten wilde; dan, te vergheefs. Sij gheraeckten beijdegaeder te '•Dordrecht, hoewel soo ontharleweijt, dat Gulielmus van sijns «moeders deure voor eenen bedelaer soude versouden zijn gbe-

ocr page 162

144

quot;weest, en hadde hij aen hacr irlioenc kennisse ghedaen, dat hij • kindt van den huijse was.»

Na van liun wonden hersteld te zijn, begonnen de beide missionarissen met ijver hun apostolisehen arbeid. De Leeuw belastte /.ich niet Overijssel, Utrecht en Gelderland, Dn.tst nam geheel Holland (de tegenwoordige twee provinciën) als arbeidsveld. Later kwamen Joannes Baegius un Adhianus Ahboueus hunne taak deelcn. Een reuzentaak, maar de H. Geest gaf die vier mannen een buitengewonen steun.

De schrijver verhaalt dat de Leeuw te Dokkum en later te Leeuwarden, —ook in Friesland was iiij werkzaam,— gevangen genomen werd, en laat daarop volgen;

«In denselven strick viel P. Coknelius te Delft; dan hij «wierdt dadelijck wederom van den Schout om sijne krachtighe «welsprekentheijt ontslaghen. 't Schijnt dat Godt dese sijne «dienaers, ais tweelinghen, met een ghelijck leven en sterven «heeft willen vereeren. Ghelijckerhandt sijn se in Hollandtghe-»komen, ghelijckerhandt hebben se den tijdt van twintigh jaeren «aldaer ghearbeijdt, ghelijckerhandt sijn se in een jaer, rijck «van verdiensten, ghestorven, ghelijckerhandt nae hunne doodt, «met eenen roem van heyligheyt en boven-natuerlijcke wereken «vermaart gheweést.»

Pater Bongaerts schrijft verder :

«Reeds in 1611, toen Duijst om zijne zwakke gezondheid «niet meer werken kon, werd hem tot medehelper gezonden de «welbekende Lodewi.tk Makebli.tde, die na den dood van Duijst «daar alleen verbleef tot lü21 (Mei). Sedert dien tijd zijn er «voortdurend tol 1705 twee paters te Delft werkzaam geweest. «Daarom zal ik eerst de opvolgers van Wakebeijde, vervolgens «die van den tweeden pater geven.

«Makeblijde f te Delft 7 Aug. 1630; begraven te Voorschoten. «Op zijn graf stond: «Godt maeckt hem blijde». Hij is de «ontwerper van den Mechelschen Catechismus» (in 1609 uit-«gegeven in 49 lessen).

Van Makeblijde vind ik in het bovenaangehaalde boek «Afbeeldinghe» enz.de volgende Delftsche gebeurtenis vermeld. Na verhaald te hebben hoe pater Romaeüs door den Rotterdam-schen Schout bijna aan 't altaar verrast was geworden, doch in een vaartuig had weten te ontsnappen, vervolgt de schrijver;

«Beter sal ick segghen, oft ergher, voer den Schout van Delft,

ocr page 163

145

-met P. Ludovicus Makeblijde. Nauwelijck hadde hy hem • ghevanghen, ot hy wierdt soo onghepaeijigh ontstelt, dat hem «de Doctoren het leven ontseijden ; maer so den 1'ater daerbij «ghekomen zijnde, een vierigh ghebedt over hem sprack, quam •■hy terstondt tot sij selven, en wierdt ghenesen. Met dierghe-«lijeke munte betaelen de Catholijoken, en wreken de Jesuiten «hun leedt.»

Kenschetsend voor de toestanden van het Catholicisme te Delft is 't geen Makeblijde — den 28 Augustus 1621 — aan den Apostolischen vicaris Rovenius rapporteerde (zie Knuttel I pag. 15, uit 't «Archief van de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht' XIV).

• Sunt enim Delphi» circiter duo Catholicorum millia.....

« .... in illo etiam numero sunt facile mille trecenti admo--dum tepidi; qui, nisi importune invitati, numquam coetus ' frequentabunt et quum passim cum Haereticis agant eorumque «vivulentia colloquia hauriant, magna cura multisque laboribus «debent foveri.»

Mij bepalende tot de mededeeling dezer zuiver Delftsche bijzonderheden betreffende den beroemden Makeblijde, vervolg ik den brief van P. Boxgaerts. die schrijft dat Makeblijde wordt opgevolgd door:

«Nicolaüs Dorpius ; wordt naar Belgie teruggeroepen in het «begin van 1650; f te Brugge 30 Dec. 1650. Volgt:

«Petrus Maes, nog datzelfde jaar naar België teruggezonden. «Opgevolgd door;

«Isaac van der Meije; t te Delft 6 Junij 1656.

«Franciscus van der Meerschkn, die er sléchts 15 maanden «bleef en in 1657 naar Belgie terugkeerde.

«Herman Isaacs, die in 1661 naar Arnhem werd verplaatst.

«Petrus Quevat, ; was te Delft van 29 Sept. 1661 tot 1669, «toen hij naar Etten werd gezonden.

«Nicolaus Crabbe ; f te Delft 10 April 1673; ligt begraven «in de (protestantsche) kerk te Voorburg.

«Gerardus Schade ; komt te Delft den derden Zondag na «Paschen 1673; t aldaar 20 Maart 1679; ligt begraven in de «(protestantsche) kerk te Schiplui.

«Philippus de Pauw ; t 5 Sept. 1685.

« Jacobus van Som er ; 1 3 Oct. 1685.

«Joan Baptista Montens ; t 20 Mei 1687.

10

ocr page 164

146

«Norbertus van Mol; eerst gedurende twee maanden assistent «(supplens genaamd) ; sedert 24 Augustus opvolger van Montens. 1 Den 16 September 170.) verliet hij Delft tengevolge van het «plakkaat der Staten.gt;•

Hier zij opgemerkt dat de Delftsche Aartspriester van Erckel, die de Jansenistische leer toegedaan was, een der kwaadaardigste tegenstanders der Jesuïten is geweest, en zeer veel heeft toegebracht tot de uitvaardiging der uitzettingsplakkaten. P. Bongaerts vervolgt:

quot;De socius van Makeblijde was;

«Roeland de Pottere; keert in 1602 naar België tem2; • f 13 April 1675. In 1(562 opgevolgd door:

«Balthasar van der Heke. Deze vertrok den 31 Aug. 1666 «naar Amsterdam; had tot opvolger:

«Joannes Bulteel. die in ]()(2 naar Bclf/ic teruggeroepen, «zijn voorganger tot opvolger kreeg:

«Balthas ai; van der Beke ; t 12 April 1677.

11 \\ illem van der Stock, die in 16S4 — 7 Aug. — naar quot;Breda werd verplaatst.

«Bernardus Michiels; t 1691.

1 jiiliri'i s van Ioure is er gedurende twee maanden assistent «geweest.

laurentirs \'er p. host ; f 21 Sept. 1700; begraven in het graf «van de II. W. geb. Jonk vrouwe van der Let, niet ver van «liet mausoleum van den Prins van Oran.te.

«\ olckaert, uit Gorcum ontboden; assistent tot 30 Nov. quot;Lai üennrs de Brier (in t jaar 17(11 — November — was «hier assistent. I'. Wilhelmus van Aelst, — Güiot was zijn «naam).

«Den .... Julij 1708 verliet hij de stad tengevolge van het «plakkaat der Staten, drie jaren nadat zijn overste en mede-«arbeider tengevolge van een zelfden door Jansenistische sluw-«heid uitgedachten maatregel verbannen was.

«N.B. Tweede pater en opvolger wil niet zeggen: onder-quot;geschikte. De oude M. S. gebruiken dat woord «successor» «alleen als «plaatsvervanger» der overledene of vertrokkene. «Gewoonlijk zal de pater die overbleef, overste zijn geweest of «geworden.»

Deze pater Laurentius de Brier werd, zooals ik elders heb medegedeeld, door Baktholomaeus van Berkel, den grootvader

ocr page 165

147

van don Jesuit Haktholomakus, naar Antverpen gebracht. Vermoedelijk is dit geschied in de laatste dagen van Juli 1708. Immers, den Ui Februari 170S werd den 1 I in Jlollaiul nog overgebleven Jesuïten te 's Grurenhayc. door den Heer Ai k i:i;si,o(it namens de Staten aangezeild dat ze binnen maanden verbannen zouden worden, tenzij in dien tusschentijd de Godsdienstvrede hersteld mocht worden (d. w. z. dat ze zich zouden onderwerpen aan de Jansenisten en hunne leeringen). Den 28 Juli werden zij door boden van 't Hof gesommeerd dadelijk het vaderland te verlaten. — Zie Bongaerts : de St. teresia-kerk.

Den 6en Januari 1709 hebben de paters Franciscanen de St. JosEPHB-kerk te Delft in bezit genomen en den 12en daaraanvolgende de pastorie betrokken. De Jesnïtenstatie is geheel op hen overgegaan en tot heden gebleven.

Toch hebben er ondanks de plakkaten na de verdrijving van pater de Brier nog Jesuïten te Delft verblijf gehouden en eenige herderlijke diensten verricht.

Reeds in September 170.s vestigde zich pater Joannks lt; 'i.tuskn, genaamd Sanders, te Delft. Als geboren Delftenaar werd hem door de Stedelijke Begeering oogluikend toegestaan bij zijne familie te wonen. Echter naar 't schijnt, niet bij voortduring ongestoord. Althans blijkens de « St. Tkkesia-kerk» van F. Boncakrts — pag. 88— bevond Cluusex zich in 17o-i in den Hlt;tag omdat hij uit Delft had moeten vluchten. Tot zijn dood, op 1 April 1745, heeft hij echter liet zielzorgersambt. voor zoover hem dit mogelijk was, te Delft uitgeoefend. Hij had een klein kerkje in de Schoolsteeg, doch uitteraard was de kudde die hij om

zich kon verzamelen, tengevolge van de storende invloeden,

♦

zeer klein.

Na zijn overlijden werd hij opgevolgd door pater Joan Baptista Ovijn, die binnen Delft niet geduld wordende, buiten de stad moest wonen en, zoo hij al mis mocht lezen in het door zijn voorganger gebezigde kerklokaal, op alle wijzen belemmerd, slechts zeer weinig nut heeft kunnen stichten. In 17ii(i werd hij uit Delft verjaagd en ging in den llday wonen, nu en dan in stilte dienst doende te Delft. De pater bleef zijn kommervol bestaan leiden tot 1771, toen hij als superior naar Tongeren werd overgeplaatst.

Diep te beklagen zijn die beide mannen geweest. M iet omdat ze veel ellende hebben moeten doorstaan-—Ci.uijsen en Ovijn

ocr page 166

148

waren. Jesuïten en telden dus dit leed niet. Maar omdat ze nagenoeg geen vruchten van hun arbeid konden zien, omdat die arbeid voortdurend belemmerd, bijna nutteloos moest blijven.

Ovijn is de laatste Dclftsebe Jesuit geweest. Toen Bartholomakus van Beekel in 1774 te Delft aankwam, was deze geseculariseerd priester. En na de herstelling der Orde heeft deze, de Franciscanen in het bezit latende der St. JOSEPHS-Statie, afgezien van een werkkring te Delft.

In de «acta» van den Apostolischen Vicaris Sasbout Vosmeer 1592—1614, (Archief Aartsbisd. Utrecht 1 pag. 227) lezen wij ;

«Anno 1592 quo Ills Sasboldus ordinatus fuit Vicarius Apos-■lt;tollens, etiam Societas Jesu auctoritate Papae Clementis VIII «missa fuit in Hollandiam et adjacentes provincias, cum omnes «pene sacerdotes, qui in iis fuerant vel in exilium acti vel «sponte profngi excessissent. Itaque de mandato Pontificis, «Claudius Aquaviva Societatis Generalis illicosoripsit ad Socie-«tatis Provincialem in Belgio, ut quot posset, in illam missionein «destinaret; destinati autem eodem anno P.P. Cornelius Duijstius «et Guilielmus Leonius. Sedein fixit hic Ultrajecti, ille Delphis ; «ad illos accessit 1593 P. Joes Bargius, qui sedem tixit llarhmi — «illorum superior cum facultatibus ordinariis Rectorum in «collegiis.»

Betreffende den toestand waarin de Roomschen te Delft verkeerden in het begin der 17e eeuw vond ik verder nog in een rapport, dat Makeblijde den 11 Januari 1622 aan Rovenius zond : (Archief Aartsbisd. Utrecht XIV 171).

«Sunt Delphis duo circiter millia Catholicorum, e quorum «numero scio septingentos vel octingentos esse, qui vix ab anno «audierunt unara concionem. Quis illos juvabit? Scio etiam ■lt;ob pericula in urbe, exiguis conventibus, vix ab ordinario «sexcentos juvari posse, praesertim cum vesperi nullas congre-«gationes habeat. Si de omnibus agatur, multo minus sufficit. «Accedit, quod saepissime morbo afflictetur, quo tempore nullus «juvari potest.»

Dat deze toestand treurig was, kunnen we ook zien uit een stuk van geheel anderen aard. Den 25 Mei 1635 rapporteerde

ocr page 167

149

de Delftsche Schout Fit. van Santen aan 't Hof (Bijdr. geschied. Bisdom Haarlem VII pag. 74), dat hij alle scheidingsmuren tusschen de door Roomschen bewoonde huizen heeft laten «blind» maken. (De naast elkander wonende Catholieken hadden in de scheidingsmuren verborgen openingen laten maken, al ol niet met deuren gesloten. Daardoor kon dan de priester dien, tijdens hij de Mis in 't eene huis las, een overvalling door de politie bedreigde, langs de andere woning ontsnappen). Hij had alle scholen gevisiteerd om na te gaan of andere dan de «getolereerde boeken» werden gebruikt. (Er bestond een Calvinistische «index libr. proh.»). Hij schrijft «sal niet nalaten in het «toecomende mij te evertueren, om U. E. last volgende, de «superstitiën en de pausgesinde leere uijt dese quartieren te «weeren en te stuijten, so veel mijns vermachts sal wezen.»

Ik moet echter hieraan toevoegen dat, zoo wellicht de Schout van Santen in werkelijkheid een zoo heftig papenjager is geweest als volgens zijn beweren, er onder zijne collega's elders wel waren die't geld der pausgezinden minder verfoeiende dan hun superstitiën, mits behoorlijk betaald, soms 't oog wilden sluiten voor Godsdienstoefeningen die verboden waren. En ook de opvolgers van van Santen schijnen minder nauwgezet te zijn geweest dan hij. Als ik in Knuttel II pag 302 lees dat blijkens een ollicieelcn staat, de Delftsche Roomschen zelfs in de 10 jaren aan 1786 voorafgaande, in een tijd toen de verdraagzaamheid in de Zex'en frorinci-a zeer groot was, nog ƒ (iöO recognitie (!) hadden moeten betalen, dan stel ik mij voor dat ze vroeger, toen de plakkaten nog streng gehandhaafd heetten te worden, door de opvolgende Schouten op groote schaal zijn geëxploiteerd geworden.

Dat te Delft het Jansenisme spoedig vasten voet heeft gekregen is, behalve aan de krachtige bemoeienis van den Jansenistiquot; schen pastoor van 't beggijnhof Joannes van Erckel, zeker ten deele te wijten aan het verblijf dat de bekende Arnauld in 1681—1682 te Delft gehouden heeft. (Knuttel H pag. 7).

Ik vond een paar mededeelingen die afwijken van de door R. P. Bongaerts gegevene. Volledigheidshalve laat ik ze hier

ocr page 168

150

volgen, hoewel ik om verschillende redenen mag aannemen dat de opgaven van Bongaebts de juiste zijn.

Bijdr. geschied. Bisd. Haarlem 11 pag. 429. Cornelius van Duijst zou van 1592—Kill zendeling te Delft zijn geweest Bong aio hts deelt mede dat Duijst reeds in 1(512 gestorven is.

Archief Aartsbisd. Utrecht 1 pag. 111. Joes Cluijsen zou een Antwerpenaar geweest zijn, terwijl Bongaerts hem eon Delftenaar noemt.

ocr page 169

BESLUIT.

VIvorens de pen neder te leggen, nog een paar woorden: .Sen woord van dank tot den wehvillenden lezer die, lezende of doorbladerende, meerder of minder bladzijden overslaande, ' ii iangstelling genoeg gehad heeft in de door ons behandelde onderwerpen om ons tot hiertoe te volgen.

^en verzoek om welwillende beoordeeling. Niet wegens de igewone inrichting van dit boekje, die de lezing bemoeielijkt.

de inleiding immers heb ik reeds medegedeeld, dat de i.eteit jegens mijn vader mij verplicht heeft zijn opstel onveranderd te geven, cn ik dit dus heb moeten aanvullen dooreen at/onderlijk stuk. Maar wel wegens de gebreken die ongetwijfeld L.-r, door mij geleverde aankleven. Al weten mijne tijdgenooten ; ik — bruggen- en havenbouwer — geene opleiding heb gehad studiën gemaakt, die mij geschikt zouden doen zijn voor ichiedschrijver; tegenover het nageslacht, waarvoor ik een i iDekende zal zijn, wensch ik er op te wijzen dat ik thans een j geheel vreemd terrein heb betreden, zoodat mijne schreden teraard niet die zekerheid konden hebben, noodig om mij )r misstappen te behoeden.

Ten slotte een woord van dank aan allen die mij behulpzaam . i geweest bij 't verzamelen van gegevens voor deze monografie. Namen noem ik niet; zij zijn te vele; de lijst zou te ig worden. Slechts ééne uitzondering maak ik door Pastoor rel van Beuckel te vermelden. Deze zoon van onzen Oom rtholomaeus, aldus naar den pater genoemd, is de eerste s' Berckel die na dien pater de priesterlijke waardigheid ift ontvangen.

De eerste is hij. Maar de laatste zal hij voorzeker niet zijn! s geslacht heeft een zóó innig Roomsch karakter, dat 't te •wonderen zou zijn, wanneer in den loop der tijden niet erderen de roeping zullen gevoelen om, veel beter nog dan zij als leeken zouden kunnen doen, als priesters te arbeiden;

Ad Majorem Dei Gloriam !

October 1897.

H. E. van Berckel.

ocr page 170

IN HOU DSOPGAVE.

Rlndz.

Inleiding..........................................3

Levensbericht door Mr. H. A. A. vak Beeckel............20

Aanteekeningen en toelichtingen op het voorgaande ... 48 Chronologisch overzicht van het leven van Babtholomaeus. 56 Toelichtingen op do chronologische tafel en nadere bijzonderheden, niet voorkomende in het voorgaande levensbericht. 60

B ü 1 a g o n.

A. Briefwisseling naar aanleiding van het besluit van Baktholomaeus om priester te worden........ 84

B. Geschriften van Babtholomaeus: Theses. Boeken. Preeken. Gedichten. Brieven. Aanteekeningen betreffende de familie. 99

C'. „Reliquiaequot;: Brieven. Boeken. Bidprentjes. Voorwerpen tot Godsdienstoefening. Kerkelijke documenten. Portretten. Rekeningen. Testamentaire beschikkingen.......124

D. Naam, wapen en portretten van de familie van Bergkel. 138

E. Over de Delftsche Jesuïtenstatie.......... 142

ocr page 171
ocr page 172