ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

573 JWm* é.a.

C f-----

Nijmegen, 2 November 1895.

Edel Achtbare- Ifcpren Burgemeester en Wethouders der gemeente Nijmegen.

De Commissie ter verzekering eener goede bewaring van gedenkstukken van geschiedenis en kunst alhier, heeft de eer U hierbij het rapport aan te bieden, opgemaakt door de door den gemeenteraad benoemde Commissie: de HH. E. Reusens, 6. W. van Heukelum, Dr. W. Pleijte, B. N. J. J. Schrant en J. J. Weve (de Heer Jhr. Mr. V. de Stuers heeft gemeend het lidmaatschap dezer Commissie niet te moeten aannemen, terwijl de Heer G. Humann door ongesteldheid verhinderd was aan de uitnoodiging te kunnen voldoen) bevattende voorstellen tot de noodzakelijke herstellingen en restau-ratie van de Carolingische kapel, benevens eenige werkzaamheden aan en bij de Ruïne op het Valkhof.

Wij vertrouwen, dat de Gemeenteraad, die steeds zooveel gedaan heeft, om de openbare gemeente-gebouwen te herstellen of in den vorigen toestand terug te brengen, ook voor deze gebouwen, die eenig in ons vaderland zijn, de noodige gelden zal beschikbaar stellen en dus den goeden naam, die Nijmegen ten deze zoo ten volle verdient, ook voor deze monumenten uit een vroeg verleden zal handhaven. Wij voegen hierbij eene begrooting van onkosten voor deze werkzaamheden, opgemaakt door het lid der Commissie, den Heer Weve.

Nr' 172

ocr page 4

Mochten deze geldon niet voor één jaar beschikbaar zijn, dan zou het overweging verdienen, die over twee of drie jaren te verdeelen, aangezien de voorgestelde werken bezwaarlijk in één jaar kunnen voleindigd zijn.

De Commissie voornoemd,

Th. H. A. J. Abeleven.

C. Bijleveld.

ocr page 5

Nijmegen, October 1895.

Overeenkomstig liet besluit van den Nijnieegsclien Gemeenteraad dd. 10 Aug. 1895 daartoe door de plaatselijke Commissie ter verzekering eener goede bewaring van gedenkstukken van geschiedenis en kunst uitge-noodigd, vergaderde op den 239toquot; September 1895 des avonds te half acht ure, in het Raadhuis te Nijmegen, voor de eerste maal de speciale Commissie belast met het uitbrengen van advies op welke wijze een eventueele restauratie van de kapel op het Valkhof zou behooren te geschieden.

Behalve de leden der genoemde plaatselijke Commissie de heeren T. H. A. J. Abeleven en Mr. C. G. J. Bijle-veld waren aanwezig de W.Eerw. heer E. Reusens, professor aan de Kath. Universiteit te Leuven, de W.Eerw. heer G. W. van Heukelum, pastoor te Jutfaas en deken van het St. Bernulphus-gilde, dr. W. Pleijte, directeur van het museum van Oudheden te Leiden en do heeren B. N. J. J. Schrant en J. J. Weve, beiden uit Nijmegen.

Nadat de heer Abeleven de Commissieleden had verwelkomd en voorgesteld een voorzitter en secretaris aan te wijzen, werd hij dooi1 de aanwezigen eenparig als voorzitter benoemd, en daarna als secretaris aangewezen de heer J. J. Weve. Beiden de gekozenen lieten zich hunne benoeming welgevallen, waarna de werkzaamheden een aanvang namen.

ocr page 6

De zitting werd geheel gewijd aan kennisname van de plaats gehad hebbende opname der achthoekige kapel door den secretaris, en van de photographische afbeeldingen der in 1894 blootgelegde fundeeringen.

Voorloopigo denkbeelden van restauratie werden besproken en een samenkomst op liet Valkhof vastgesteld tegen negen uur in den voormiddag van den volgenden dag.

Ingevolge deze afspraak had de bedoelde samenkomst op het gestelde uur van den 243tequot; September plaats. De dag werd geheel doorgebracht met onderzoek aan de achthoekige kapel, zoowel als aan de ruïne van Barbarossa's kapel, (alwaar de ontgraving der fundeering aan den Noord Westelijken hoek was begonnen) met het beschouwen en onderzoeken der in het Gemeentelijke museum aanwezige afbeeldingen van den voormaligen burcht en het beraadslagen over de meest wenschelijke wijze van restauratie der achthoekige kapel.

Een verslag door den secretaris naar aanleiding van deze beraadslagingen opgemaakt werd voorgelezen en besproken in een nieuwe zitting der voltallige Commissie in den avond van den 9llcn October 1895 nadat de namiddag was besteed aan een hernieuwd onderzoek dei-beide monumenten, waarvan de ruïne uit Barbarossa's tijd inmiddels verder was ontgraven, terwijl ook een deel der fundeering van den octogoon in de karolingische kapel was blootgelegd.

Het door den secretaris opgemaakte voorloopige verslag werd, ten gevolge van hetgeen uit het vernieuwde plaatselijk onderzoek was gebleken, eenigszins aangevuld en daarna als eindresultaat de meening der Commissie nedergelegd in het volgende

ocr page 7

ZAKELIJK VERSLAG

der Commissie belast met het uitbrenyen van advies, op welke wijze een eventueele restauratie der achthoekige kapel op het Valkhof te Nijmegen behoort te geschieden.

Ofschoon de Commissie krachtens haar mandaat niet is geroepen om uitspraak te doen over den vermoede-lijken ouderdom van de achthoekige kapel, acht zij liet niettemin, met liet oog op in den la^tsten tijd uitgesproken meeningen, wenschelijk aan het hoofd van haar verslag voorop te stellen, dat zij geen voldoende gronden kan erkennen, die de op historische gegevens berustende traditie tegenspreken, -vvelke de stichting toeschrijft aan Karei den Groote.

Veel meer vindt zij in de monumentale gegevens, zooals het grondplan, de techniek der fundeeringswijze en der metselwerken, enz. gegevens die de betrouwbaarheid dier traditie versterken.

Wat de historische gegevens betreft is voornamelijk van belang wat omtrent Kareis verblijf te Nijmegen is opgeteekend en waaruit blijkt dat de keizer in 777 tijdens het paaschfeest en in de jaren 804, 806 en 808 ook gedurende den vastentijd aldaar vertoefde.

De belangrijke tijdruimte, die tusschen het eerste en het tweede bezoek verliep, in verband met de spoedige herhaling der volgende bezoeken, en, niet het minst, in verband met een opmerking van Einhard (Vita Caroli, 17) dat Karei te Nijmegen een paleis begon (inchoavit) leidt tot het vermoeden, dat de door hem niet voltooide stichting in diens latere levensjaren plaats greep, en alzoo nadat de kerk te Aken was ingewijd. Van Kareis opvolger Lodewijk den Vrome weten wij, dat hij met

ocr page 8

voorliefde te Nijmegen verblijf hield en, blijkens de regesta, telkens en telkens daar wordt aangetroffen.

Dat het paleis na de voltooiing een zeer belangrijk geheel vormde volgt uit de aanteekeningen van den monnik Lambertus (Ann. 1046. Script. V. 154) die het als een bewonderingswaardig, onvergelijkelijk werk roemde.

Als leidende gedachte bij de bespreking hoe de verschillende onderdeelen der tot ons gekomen en, als een overblijfsel van Karei de Groote's paleis te beschouwen, achthoekige kapel dienen te worden behandeld om het monument voor de toekomst te behouden, heeft gegolden dat men zich zooveel als doenlijk zal hebben te onthouden van vernieuwingen, daarentegen al hetgeen uit vroegere tijden tot ons is gekomen zal moeten trachten te behouden en voor verval of ondergang te behoeden door passende middelen van bevestiging, en dergelijken.

Hieronder volgen de voorstellen ter behandeling van de onderdeelen van den bouw, zooals de Commissie deze in gemeen overleg heeft vastgesteld en ter uitvoering in de naaste toekomst, aanbeveelt.

1. De achthoekige middenbouw binnenshuis.

In de eerste plaats wordt volledige reiniging geëischt van vuil en witkalk, waarbij de als oorspronkelijk erkende, door baksteenpoeder licht rood gekleurde bepleistering steeds met zorg moet worden gespaard. Dit werk moet onder voortdurend toezicht van den met de restauratie belasten persoon geschieden, om te kunnen

ocr page 9

ontwaren of ergens sporen van vroegere polychromie aan het licht treden. Waar witte bepleistering van vermoedelijk eeuwenouden datum op het muurwerk aanwezig is, zooals op sommige plaatsen aan den voet der pijlers in de benedenruimte, wordt het wenschelijk geacht die bepleistering te behouden voor zoover zij voldoende vastgehecht zit om te kunnen bewaard blijven.

Do zuiltjes met de daarboven aanwezige boogvullingen, en de daaronder ingemetselde borstweringmuurtjes moeten allen behouden blijven, met dien verstande dat de drie houten zuiltjes door steenen steunsels worden vervangen en de gemetselde boogvullingen niet dan voor zoover haar behoud dit eischt, worden hersteld en ingevoegd. De gedeelten der borstweringmuurtjes, die tijdens het onderzoek in 1894 zijn uitgebroken (d. i. weerzijds van den noordelijken der beide pijlers, die tegenover het voorportaal met daarboven geplaatste loge zijn gelegen) dienen wederom te worden ingemetseld.

Het feit dat na het uitbreken is bevonden dat de lichtrood gekleurde oorspronkelijke bepleistering dier pijler-zijkanten over nagenoeg de geheele hoogte dei-borstwering inmetseling aanwezig is, moge in dit verslag uitdrukkelijk worden vermeld, terwijl vóór de inmetseling, nauwkeurig moet worden opgeteekend tot op welke hoogte de roede bepleistering werd aangetroffen. Deze opteekening moet voor de toekomst worden bewaard.

De Commissie acht het niet noodig sommige sterk verweerde steenen zuiltjes door hulp-constructies te ondersteunen. Wanneer door het aanbrengen van ven-

ocr page 10

8

sters buitensluiting der weérsinvlocden zal zijn verkregen. zullen de geschonden zuiltjes nog geruimen tijd bewaard kunnen blijven. Bij eventueel later verloren

gaan kan vernieuwing in steen immer naar sommige \ ^

nog tamelijk ongeschonden voorbeelden plaats hebben.

De achthoekige middenbouw, aan de buitenzijden, en hoven de welven van den omgang.

De commissie zoude het wenschelijk geacht hebben om de oorspronkelijke flauwe helling der bekapping van den omgang te herstellen, en zoodoende de boven- (

lichten van den middenbouw weder geheel tot hun recht te brengen.

Do toestand evenwel, waarin het muurwerk van den middenbouw zich thans bevindt (ook voor zoover dit onder de steile bekapping is verborgen) maakt liet ondoenlijk om zonder groote, en derhalve ingrijpende herstellingswerken aan de uitvoering van dien wensch gevolg te geven. Om deze redenen wordt daarop dan ook niet aangedrongen.

Daar het evenwel voor do herstelling van het oorspronkelijk inwendig aanzien gebiedend noodzakelijk is om de vensters weder op hunne oude plaats aan te brengen (de voornaamste gedeelten zijn nog aanwezig)

en deze bij de herstelling onder het te behouden dak van den omgang komen te liggen, moet dus op do een of andere wijze voor verlichting gezorgd worden.

Het aanbrengen van vlakke dakramen, niet grooter dan voor een voldoende verlichting volstrekt noodig zal blijken, en juist tegenover de herstelde vensters, is als de eenig mogelijk toeschijnende oplossing aan te bevelen.

i

ocr page 11

9

Het herstellen der vensteromlijstingen en de daarmede concentrisclie nisbogen geschiede met tufsteen in een mortel, die door eenig toevoegsel (bijvoorbeeld sintels) kennelijk te onderscheiden valt van do mortel die bij den oorspronkelijken bouw werd gebezigd.

De in baksteen gemetselde torenbouw blijve behouden, maar de kleine vierkante gaten metsele men toe, terwijl de sleufvormige ramen met glas in lood dienen te worden gesloten. Een der toegangsluikjes worde verwijderd, en het andere meer overeenkomstig den stijl van den toren gewijzigd.

De wanden van den omgang aan de binnenzijden.

Zij behooren in de eerste plaats gereinigd te worden, als hierboven voor het overige binnenwerk is aangegeven. Voor zoover do binnenwand uit tufsteen bestaat moet men zich na het reinigen bepalen tot de noodzakelijkste herstellingen, en zooveel als eenigszins uitvoerbaar is, het oude materiaal voor het oog bloot leggen. Wat bij het reinigen afvalt late men afvallen, men behoude slechts wat voldoende sterkte bezit.

Het pleisterwerk op baksteenwanden worde evenwel overal waar noodig hersteld, maar mot behoud der middeneeuwsche wijdingskruisen. Waar alzoo het pleisterwerk gebrekkig, of wel geheel afwezig is, brenge men nieuw pleisterwerk aan iti kalkspecie en levere dit vlakgeschuurd op.

De ivanden van den omgang aan de buitenzijden.

Alle ramen, die jonger zijn dan de gothieke vensters der verbouwing van Catharina van Cleef, d. i. van omstreeks 1450, behooren to worden weggebroken.

ocr page 12

10

In de vakken der N.W. zijde, welke tufsteen aan de buitenzijden toonen, en waar de oorspronkelijke karolingische architectuur nog geheel of ten deele is bewaard gebleven, moeten rondboog-vensters worden aangebracht, aan de hand der nog aanwezige gegevens, en zooveel doenlijk ook de nisbogen worden hersteld, alles in tufsteen, met gebruikmaking evenwel van kennelijke mortel ter voorkoming van verwarring met het origineele werk.

De baksteenmuren kunnen over het algemeen behouden blijven zooals zij zijn. Zij behoeven slechts hier en daar te worden nagezien. Eenige kleine vensteropeningen in de overigens blinde muren der Z. O. zijde behooren te worden dichtgemetseld.

Het muurvlak dat ten zuiden van den ingang naaide kapel, onmiddellijk daaraan sluit, en tijdens de slooping van den burcht is toegemetseld, waarbij de toenmalige ingang kwam te vervallen 1), eischt de een of andere wijziging. Ook aan de binnenzijde waar deze toemetseling met scherven van romeinsche dakpannen, enz. is bezet kan de bestaande toestand niet behouden blijven.

Een hierachter volgend voorstel tot het aanbrengen van trappen geeft aanleiding tot een gewenschte wijziging, zoodat daarnaar wordt verwezen.

Rondom zal de kroonlijst van den omgangsmuur moeten worden hersteld, en ten deelo nieuw gemetseld.

De apsis of koornis.

Het behoud der overgebleven middeneeuwsche altaartafels en dat der overblijfselen van do voormalige gothieke

1

Raadsignaat van 21 Juli 1797.

ocr page 13

11

koornis, eischt dat een degelijke afsluiting tegen de invloeden van het weder worde verkregen.

Tijdelijke beschutting gedurende het ruwe seizoen, bij voorbeeld door middel van een mobiele houten beschieting, mag niet worden aanbevolen daar zoodoende het monument in zijn waardig voorkomen zou benadeeld worden.

Do eenig mogelijke blijvende afsluiting kan niet anders dan in steen gedacht worden.

Daar nu alle elementen van de voormalige gothieke koornis ter plaatse aanwezig zijn is de aangewezen oplossing: de reconstructie van dit onderdeel van het gebouw, wel te verstaan in materiaal dat kennelijk als van dezen tijd moet gekozen worden.

De afdekking geschiede met een niet te steil, piramidaal torendak, dat in het dak van den omgang op de natuurlijke wijze snijdt.

De beglazing.

Het beglazen der verschillende vensters levert in de uitvoering groote moeielijkheden op, in zooverre althans geen nieuwe vensteromlijstingen worden voorgesteld, (zooals in do koornis, en de te herstellen vensters van het meest oorspronkelijke gedeelte).

Mocht, voor een oogenblik, vernieuwing van do vensteromlijstingen der gothische vensters, met het oog op den slechten toestand van de glassponningen gewenscht kunnen schijnen, bij nadere overweging deinst de Commissie terug om vooralsnog zulke diep ingrijpende herstellingen aan te raden.

Met liet te herstellen werk in gehouwen steen zullen toch ook noodzakelijk gedeelten van het metselwerk op-

ocr page 14

12

nieuw moeten aangebracht worden en laat zich zelfs niet geheel voorzien tot welke gevolgen dit herstellingswerk aanleiding zou kunnen geven.

Maar ook het vernieuwen der tufsteenen vensteromlijstingen heeft hare bedenkelijke zijde in zooverre daarbij min of meer gebroken wordt met het beginsel dat de Commissie bij het opmaken van haar advies heeft voorop gesteld.

Vandaar dat wordt aangeraden de beglazing voor elk venster te omsluiten in een koperen rand, waarbij de openingen, die tusschen de vensteromraming en de afgebrokkelde kanten der steenen omlijstingen zullen ontstaan, uit den aard der zaak ongedicht zullen blijven. De beglazing zelve kan niet anders gedacht worden dan met in lood gevat glas. Het is wenschelijk daarbij uitsluitend gebruik te maken van ronde schijven, eensdeels om den goeden indruk door deze glassoort teweeggebracht, maar ten andere ook om elke bepaalde archeologische opvatting en daarmede latere misleiding buiten te sluiten.

Dezelfde glasvulling wordt daarom ook voorgesteld voor de halfronde oorspronkelijke en te vernieuwen vensters van het bewaard gebleven oudste deel van het monument, zoomede in de nieuw te maken vensters der koornis.

De beglazing der sleuven in den toren kan evenwel gevoegelijk in ruit-dessin worden uitgevoerd.

Het dichten der verschillende raamopeningen met spiegelglas, zoowel als het aanbrengen van glasramen op elke andere plaats dan waar deze oorspronkelijk aanwezig waren, wordt door de meeste leden der Commissie ten eenenmale verwerpelijk geacht.

ocr page 15

13

De Zoldering.

De achthoekige middclbouw worde, binnen het te be-houden metselwerk van den toren, van boven afgesloten door een beschoten zichtbare bekapping (charpente-ap-parento) waarvan de straalbalken komen te liggen ter hoogte van de hoogstliggenden der overgebleven tuf-steenen aan de buitenzijden van den achthoek en aan de niteiliden op eenvoudige kraagsteeren komen te rusten.

De dakhelling worde ontleend aan die der oorspronkelijke bekapping boven den omgang en is uit het nog bestaande af te leiden.

Het hout der bekapping worde bruin en niet te donker gekleurd, maar vooral niet met goud of kleuren afgezet.

De Welven.

De Commissie is van oordeel dat de omgangen oorspronkelijk overwelfd waren, en wenscht ook do latere, thans aanwezige, baksteenwelven geheel te behouden zooals zij zijn. Do polychromie dient met zorg te worden bewaard.

Sommige welven, die gevaar dreigen, dienen evenwel in hun tegenwoordigen vorm, en in licht materieel te worden hersteld.

Do lattenwelven in den bovenomgang moeten nieuw bestucadoord worden. Het vervangen dezer weivendoor metselwerk zou voor de buitenmuren noodlottig kunnen worden.

De vineren.

Van oordeel zijnde dat tijdens het ophoogen van den thans weder tot het oorspronkelijke niveau teruggebrach-

ocr page 16

14

ten vloer in de benedenruimte, ook de bevloering in den omgang hooger is aangebracht, acht de Commissie het ■wenschelijk dat deze laatste bevloering dale tot op liet oorspronkelijke niveau, nog kenbaar aan de blootgelegde dagzijden van een der pijlers in den middenbouw.

Hiertoe moet al het op de welven van den beneden-omgang aangebrachte zand worden verwijderd, hetgeen tevens de door den welfdrang uitgezette wanden van het oorspronkelijke gedeelte van het gebouw ten goede zal komen.

De tegels, die van de bevloering in den bovenomgang afkomen, verwerke men beneden ter voltooiing van het aldaar reeds begonnen werk, terwijl in de verdieping het best gewone grijze plavuizen gelegd kunnen worden.

Indien zij te verkrijgen zijn hebben oude, reeds gebruikte plavuizen, de voorkeur.

De overgebleven vloergedeelten tusschen sommige pijlers van den benedenbouw (welke overblijfsels in geen geval ouder zijn dan uit de XV eeuw) bevestige men met specie op de plaats waar zij zijn bewaard gebleven. Verdere bescherming hebben zij daarna niet noodig.

Vóór de beide altaren brenge men houten podia aan. door eenige treden weerzijds in verbinding met de bevloeringen van plavuizen.

De Ingang.

De ingang worde afgesloten door middel van eikenhouten. dubbele deuren van zware opgeklampte platen, in een steenen kozijn, een en ander aan te brengen aan het einde van de met een tongewelf overdekte vestibule, en alzoo niet onmiddellijk aan den gevel van den por-taalbouw.

ocr page 17

15

Indien men het noudig acht, kan het portaal door middel van oen laag ijzeren hekje, daarenboven aan de voorzijde worden afgesloten.

Toegang naar de verdieping en de kap.

Het is ten zeerste wenschelijk dat bezoekers van het monument op een gemakkelijke en voor niemand bezwaar opleverende wijze de galerij of bovenomgang kunnen bereiken, maar niet minder te wenschen is het, dat ook de dakruimte boven den omgang gemakkelijk bereikbaar zij. Niet alleen zal het nut hiervan blijken bij het onderhouden van de waterdichte aansluiting dei-daken en daklichten, maar ook uit een wetenschappelijk oogpunt is het wenschenswaard dat de muren, enz. die oorspronkelijk naar buiten traden, door belangstellenden kunnen worden bestudeerd, zonder dat daartoe vereischt wordt openingen in de daken te maken, waarheen de toegang voor velen niet eenmaal bereikbaar zou zijn.

De gemeenschap met de bovengalerij kan door middel van een trap in de middenruimte niet verkregen worden dan bij doorbreking van de borstwering in een der boogopeningen van de verdieping; of (wat nog erger schijnt) bij doorbreking van een der welven boven den beneden omgang.

Beide oplossingen zijn voor uitvoering ongeschikt en mogen dan ook niet worden aangeraden zoolang er een uitweg te bedenken valt, die de werking van den oor-spronkelijken bouw minder benadeelen zou.

Een oplossing, die geheel aan alle eischen voldoet, en merkwaardig samenvalt met de hierboven reeds genoemde wenschelijkheid om het gemetselde muurvlak rechts van den ingang uit te breken, is het bouwen van

ocr page 18

16

een traptorentje waarin oen eiken wenteltrap. De helft van dit torentje treedt dan buiten het genoemde muurvlak naar buiten, terwijl do andere helft geheel binnen de muurdikte plaats vindt. Uit den aard der zaak behoort de breedte der trap zoo gering als doenlijk gekozen te worden, doch immer zoodanig dat voor alle bezoekers het bestijgen gemakkelijk zij. Deze traptoren moet, boven do kroonlijst worden doorgevoerd tot toegang naar do kapruimte en van boven door een eenvoudig torendakje worden afgesloten.

Als materiaal moeten moderne metselsteenen worden gekozen waardoor het verschil in tijd van stichting met dien van den middeneeuwschen baksteenbouw duidelijk uitkomt.

De traptoren opene zich naar de beide omgangen door middel van eenvoudige poortjes zonder deuren. In de buitenwanden van den traptoren dienen eenige kleine vensters te worden aangebracht.

Overblijfselen van een altaar en can oude bewerkte steenen binnen het gebouw.

Binnen het gebouw is ter begane grond eenig metselwerk blootgelegd tussclien drie boogopeningen van don achthoek.

De commissie vermeldt dat deze metselwerken in verband hebben gestaan met in de latere middeneeuwen uitgevoerde ophoogingen van den vloer des omgangs in de nabijheid van de altaar-nis. In geen geval heeft men hier te doen met de overblijfselen van een altaar-zelve. Nog minder mag men aannemen dat oorspronkelijk tussclien de pijlers van den achthoekigen middenbouw een altaar werd opgericht.

ocr page 19

17

De aan hot licht gekomen onderdoelen rlienen niettemin te worden bewaard zooals zij gevonden zijn; maar hizondere bescherming wordt niet noodig geoordeeld.

In het voorportaal zijn aan de wanden eenige fragmenten van oude bouwwerken ingemetseld, waarvan de aard, voorloopig, niet juist is te bepalen.

Het is wenschelijk deze fragmenten te doen uitbreken, tenzij zij te diep in het werk mochten vermetseld zijn, en daardoor zou moeten worden aangenomen dat zij van de oprichting van het gebouw af, hun tegenwoordige plaats hebben ingenomen.

Na het eventueel uitbreken zal moeten bepaald worden of het bewaren in het gemeentelijk museum behoort te geschieden, dan wol of do fragmenten waardeloos zijn.

I'hotoyraphicru, e 'iz.

De Commissie wijst tevens op de noodzakelijkheid om goede photo's te doen vervaardigen van alle gedeelten van bet monument, die min of meer gewijzigd zullen worden, opdat voor later blijke welke de toestand vóór de restauratie was, Qii op welke gronden veranderingen zijn aangebracht.

Vóór de uitvoering der restauratie zullen teekeningen moeten gemaakt worden, waaraan do details eerst kunnen worden bestudeerd. 1 li or over bewaart het verslag dus het stilzwijgen. Een algemoene begrooting kan evenwol aan de hand van bovenstaande voorstellen wordrii opgemaakt.

ocr page 20

1«

Aan het slot van haar verslag wenscht de Commissie eenige opmerkingen te maken met betrekking tot liet tweede overblijfsel der oude Keizer-Palts op het Nijmceg-sche Valkhof, met name de Romaansche Kapel van Frederik Barbarossa.

Terwijl voor een degelijk onderzoek van de achthoekige Karolingische kapel vergelijkingen noodig waren, die eerst door ontgraving der fundeering van de romaansche ruïne mogelijk werden, acht de Commissie haar arbeid niet volledig zonder met een enkel woord te hebben vermeld wat deze ontgraving op zich zelf aan het licht heeft gebracht.

Als merkwaardigste uitkomst mag wel gelden dat het gedeelte muurwerk, dat is gespaard gebleven aan het einde van den noordelijken vleugel der Romaansche ruïne, en dat boven den grond door de roode kleur zijner metselspecie van al het overige metselwerk duidelijk is onderscheiden, werd herkend als het overblijfsel van een Komeinsch paleis.

Een nauwkeurig onderzoek heeft aangetoond dat tot op de diepste fundeeringlagen metselwerk uit een zelfde periode voorhanden is, hetwelk èn door dén aard van de daarbij gebezigde mortals èn door de aanwezigheid van zuiver bewerkte groote blokken natuursteen, bepaald als Romeinsch moet betiteld worden.

Het niveau van den bodem, die oudtijds dit paleis omgaf, is mot nauwkeurigheid aan te wijzen, en niet minder dan 2,10 Meter gelegen beneden liet grasperk dat zich thans in en voor de kapel-overblijfselen bevindt.

Ten andere is gebleken dat de gespaard gebleven kapel van Barbarossa, in haar geheel door dezen keizer

ocr page 21

19

is aangelegd. Fundeering en opgaand werk toch, vormen zoowel bij het halfrond als bij de daaraan sluitende vleugels een geheel.

Opvallend is de overeenkomst in techniek der diepste fundeering met die van de Karolingische kapel. Onder beide monumenten wordt eene in dikte afwisselende laag donkergekleurde, kleiachtige grond aangetroffen, die, op het natuurlijke zand rustend, de eigenlijke gemetselde fundeering draagt.

Deze gemetselde fundeeringen, ofschoon in beide gebouwen groote overeenkomst met elkander toonende, zijn niettemin kennelijk verschillend bevonden. In het algemeen is de techniek der Karolingische fundeering een ruwere.

Zoowel binnen als buiten de Romaansche kapel werd liet oude niveau teruggevonden, eenerzijds van de bevloering, aan de andere zijde van den beganen bodem. Een halfrond getoogde deuropening werd blootgelegd met in de muurdikte nog aanwezige treden, welke naaide benedenkerk voerden.

Want dat men hier met een kapel te doen heeft lijdt geen twijfel, en hoogstwaarschijnlijk, indien niet zeker, zelfs met een dubbelkapel, waarvan de benedenruimte door middel van een opening in de gewelfde zoldering, gemeenschap had met do bovenkapel.

Zoodoende waren garnizoen en hofhouding steeds van elkander gescheiden, een noodzakelijk vereischte bij het wantrouwen dat van de zijde der hoeren tegenover hun garnizoen doorgaans bestond. Voorbeelden van soortgelijke inrichting zijn nog aanwezig in het kasteel te Vianden, te Eger, te Neurenberg en op verschillende plaatsen in Hongarije.

ocr page 22

1«

Aan het slot van haar verslag wenscht de Commissie eenige opmerkingen te maken met betrekking tot het tweede overblijfsel der oude Keizer-Palts op het Nijmeeg-sche Valkhof, met name de Romaansche Kapel van Frederik Barbarossa.

Terwijl voor een degelijk onderzoek van de achthoekige Karolingische kapel vergelijkingen noodig waren, die eerst door ontgraving der fundeering van de romaansche ruïne mogelijk werden, acht de Commissie haar arbeid niet volledig zonder met een enkel woord te hebben vermeld wat deze ontgraving op zich zeil' aan het licht heeft gebracht.

Als merkwaardigste uitkomst mag wol gelden dat het gedeelte muurwerk, dat is gespaard gebleven aan het einde van den noordelijken vleugel der Romaansche ruïne, en dat boven den grond door de roede kleur zijner metselspecie van al het overige metselwerk duidelijk is onderscheiden, werd herkend als het overblijfsel van een Romeinsch paleis.

Een nauwkeurig onderzoek heeft aangetoond dat tot op de diepste fundeeringlagen metselwerk uit een zelfde periode voorhanden is, hetwelk èn door den aard van de daarbij gebezigde mortels èn door de aanwezigheid van zuiver bewerkte groote blokken natuursteen, bepaald als Romeinsch moet betiteld worden.

Het niveau van den bodem, die oudtijds dit paleis omgaf, is met nauwkeurigheid aan te wijzen, en niet minder dan 2,10 Meter gelegen beneden het grasperk dat zich thans in en voor de kapel-overblijfselen bevindt.

Ten andere is gebleken dat de gespaard gebleven kapel van Barbarossa, in haar geheel door dezen keizer

ocr page 23

19

is aangelegd. Fundeering en opgaand werk toch, vormen zoowel bij liet halfrond als bij de daaraan sluitende vleugels éen geheel.

Opvallend is de overeenkomst in techniek der diepste fundeering met die van de Karolingische kapel. Onder beide monumenten wordt eene in dikte afwisselende laag donkergekleurde, kleiachtige grond aangetroffen, die, op het natuurlijke zand rustend, de eigenlijke gemetselde fundeering draagt.

Deze gemetselde fundeeringon, ofschoon in beide gebouwen groote overeenkomst met elkander toonende, zijn niettemin kennelijk verschillend bevonden. In bet-algemeen is de techniek der Karolingische fundeering een ruwere.

Zoowel binnen als buiten de Romaansche kapel werd het oude niveau teruggevonden, eenerzijds van de bevloering, aan de andere zijde van den beganen bodem. Een halfrond getoogde deuropening werd blootgelegd met in de muurdikte nog aanwezige treden, welke naaide benedenkerk voerden.

Want dat men bier met een kapel te doen heeft lijdt geen twijfel, en hoogstwaarschijnlijk, indien niet zeker, zelfs met een dubbelkapel, waarvan de benedenruimte door middel van een opening in de gewelfde zoldering, gemeenschap had met de bovenkapel.

Zoodoende waren garnizoen en hofhouding steeds van elkander gescheiden, een noodzakelijk vereischte bij het wantrouwen dat van de zijde der hoeren tegenover hun garnizoen doorgaans bestond. Voorbeelden van soortgelijke inrichting zijn nog aanwezig in het kasteel te Vianden, te Eger, te Neurenberg en op verschillende plaatsen in Hongarije.

ocr page 24

20

üc vrijgekomen deur diende dan ook ongetwijfeld oorspronkelijk voor toegang van het garnizoen. Ook mogen de overblijfselen van den Komaanschen houw niet anders hescliouwd worden dan als die eener hofkapel, en vooral niet als gedeelte van een troonzaal, zooals kort geleden in het October-nummer n0. 2 der „Deutsche Rundschauquot; werd beweerd.

De belangrijkheid dezer merkwaardige ruïne eischt evenwel dat ter harer bescherming iets gedaan worde, voornamelijk dat tegen verdere inwatering worde gewaakt door de halfronde apsis te overkappen en de overige muren af te dekken. Zeer wenschelijk is het daarenboven dat de thans voor een klein gedeelte blootgelegde vloer der benedenkerk yeheel worde ontgraven, en de fundeering der zuilen, die de welven eenmaal ondersteunden, worde onderzocht, ten einde hunne juiste plaatsing te leeren kennen.

Daar niet aangeraden kan worden na deze ontgraving den uitgegraven grond weder in te voeren, en ook buiten het gebouw een herstelling van het oorspronkelijke niveau hoogst wenschelijk mag heeten (tegenwoordig ligt de begane grond 1,50 met. hooger) zoude do Commissie gaarne in overweging willen geven, even als bij de Karolingische kapel is geschied, het. omliggende terrein te laten vergraven, hetgeen, zooals bij een plaatselijk onderzoek bleek, zou kunnen geschieden zonder het plantsoen te ontsieren of belangrijke hoornen te beschadigen.

De vele overblijfsels uit llomeinschen en lateren tijd, die tegenwoordig op schilderachtige wijze aan den voet der ruïne liggen opgestapeld, hebben naar het oordeel der Commissie te groote waarde om langer

t

ocr page 25

21

aan verweering tc worden prijsgegeven. Zij behooren veeleer met zorg in het gemeentelijk museum te worden ondergebracht.

De Commissie voornoemd:

Edm. UEÜSENS.

G. W. VAN HEUKELUM.

W. PLEYTE.

B. N. J. J. SCI IK AN T.

J. J. WEVE.

ocr page 26

Restauratie der Karolingische Kapel op het

Valkhof te Nijmegen, volgens het voorstel der speciale Commissie dd. October 1895.

BEGROOTING DER KOSTEN.

Steigerwerken, binnen cn buiten....../' 200.

Het zorgvuldig ontdoen van witkalk, overtol-ligen pleister, enz. in het geheele inwendige,

berekend op 6 man ged. 2 weken . „ 108.—

Uitbreken en vervoer der bestaande zoldering „ 30.— Aanbrengen eener zichtbare bekapping met bebording; de straalbalken rustend op kraag-

steenen; het hout gekleurd.......„ 400.—

Het in- en uitwendig herstellen der acht bovenramen (zonder de beglazing) ad ƒ45.— . . „ 360.— Het maken van acht liggende dakramen . . „ 220.— Een luik in den toren vernieuwen; gaten aan-

metselen...............n 30.

Metselwerk in tuf- en baksteen aan den toren

herstellen...............„ 200.

Bepleistering van binnenmuren.......„ 100.

Opbreken van den galerij-vloer, en vervoer van

het boven de welven aanwezige zand. . . „ 50.—

Vernieuwen van 3 welf kappen.......„ 150.—

Bepleistering der lattenwelven in de boven-

galerij................„ 30.—

Nieuwe estrikken vloer i/d bovengalerij (90 M2.) „ 100.—

Transporteeren ... ƒ 1978.—

ocr page 27

2:5

Per transport . . . f 1078.— Voltooien vandenbenedon-vloonnet afkomende

tegels................. 25.

Twee houten podia voor de altaren...... 60.—

Een deur van zwaar eikenhout, met steenen

slagstijlen, aanmetseling dier stijlen, enz. . „ 300.— Een traptoren, met eikenhouten wenteltrap, in verbinding met de bekapping boven den

omgang................, 960.

De koornis met de welven, dak, steen, enz. . „ 050. Nieuw metselen van halfrond getoogde ramen in de verdieping van het oudste (N. W.)

gedeelte, en herstelling der aansluitende muurvakken, gedeeltelijk in tufsteen . . . „ 800. Inmetselen met baksteen van twee kleine vensters .................. 20.

Beglazen van 33 ramen en 6 in den toren . „ 1020.—

Nieuwe steenen zuiltjes............ -'O.—■

Herstelling der kroonlijsten........„ 100.

Maken van photographieën........* 300.

Teekeningen, toezicht en diversen.....» 700.

Totaal . • - 7263.—

Aan herstelling der leidaken, hetwelk, als gewoon onderhoud, tot heden geschiedde door jaarlijks f 100.— daaraan te verwerken,

moot nog worden uitgevoerd voor een bedrag van................. . 600.-

Zoodat voor de geheele voltooiing is benoodigd / 7863.—

October 1895.

J. J. WEVE,

(icmeente- Architect.

ocr page 28

Voorzieningen te treffen ten behoeve dei-halfronde kapel en losse bouwdeelen.

Het makon van een afdekking boven de lialf-ronde-ruïne wordt begroot aan timmer-, leidekkers- en loodgieterswerk op Het afdekken van de aan het halfrond sluitende muren, door hout met lood bekleed „ Het verder ontgraven van de halfronde ruïne ter blootlegging van den vloer der benedenkerk en ter onderzoeking van de fundeeringen ................„

quot;) Het weggraven van het terrein rondom de halfronde ruïne, zoodat het niveau uit den tijd van Barbarossa weder worde hersteld:

of h) Bij behoud van het tegenwoordig niveau, de benedenkerk alleen ontgraven, en den grond aan de westzijde keeren door een muurtje met balustrade;

Tiet vervoeren van kapiteelen, zuilen enz. .

Totaal . . .

October 1895.

GOO.— 50.—

140.—

300.-

lOO.

/1190.-

J. J. WEVE,

(retncente-Ai ■ch i teel.

ocr page 29
ocr page 30