ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

Lm

ocr page 4
ocr page 5

O ü M M | M G

EEN WOORD

NAAK AANLEIDING VAN

het Referaat van Ds. H. ZKYDNER

over:

welke houding moet de Evangeliedienaar naar het voorbeeld van den Heer J. C. aannemen ten opzichte van de Heilige Schriften des 0. Verbondsquot;.

DOOK

TC. E. VAN GRIETHUIJSEN,

Predikant te Kethel.

-----—

UTRECHT,

K E i\I I N K et Z O O N

(over ile Domkerk.)

1 « 9 8.

BIOUOT i tl .lt; ©SR rijksuniversiteit

y r p r? n h T

ocr page 6

CA-iiDre

MUEniTEEKfZFfün |

ocr page 7

VOORBERICHT.

Dat mijn hoekje nu eerst verschijnt vindt zijn oorzaak hterm, dat ik èn laat heb kennis gemaakt met het Releraat van Ds. Zeydner èn niet van voornemen was het te heoordeelen èn door omstandigheden verhinderd werd. Evenwel heb ik mijn voornemen ten uitvoer gebracht, omdat ik mij gedrongen gevoelde mijne bezwaren legen sommige beweringen van Ds. Zeydner te stellen, welke bezwaren ik zooveel mogelijk beknopt heb aangegeven , bewust, dal sommige wel wat breedvoeriger uiteenzetting noodig hadden; wal ik ook zou gedaan hebben, indien hel bestek, hetwelk ik aan het boekje had willen geven hel toegelaten had. Het boekje heb ik zoo geschreven, dat hel ook door een eenvoudige kan gelezen worden. Hetgeen door Ds. Zeydner geschreven is, heb ik zooveel mogelijk woordelijk weergegeven, vooral voor de lezers, die het

ocr page 8

boekje vim Ds. Zeydner niet onder het oog gehad hebben. Hel doel van mijn schrijven is geenszins om iets te willen zeggen, nog veel minder om verdacht te maken, ival de geest der liefde verbiedt, ook niet om mij te willen verheffen boven anderen, die geschikter zijn om het Referaat van Ds. Zeydner te beoordeelen, ook niet om iets nieuws voorltebrengen, maar om de noodzakelijkheid van de II. Schrift als eenige kenbron van geloof en leven te handhaven èn alzoo iets mede te werken tot rechte waardeering

van de H. Schrift.

Dat het boekje onder den zegen Gods daartoe dienen

moge, is de hartelijke wensch van den Schrijver.

K ETHEL, 1808.

K. E. quot;VAN GRIETHUIJSEN.

ocr page 9

Het onderwerp van het referaat ,,welke houding moet de Evangeliedienaar naar het voorbeeld van den Ileere aannemen ten opzichte van de II. S. des 0. V. ?quot;

was oorspronkelijk: „Welke houding.........ten

opzichte van de II. S.?quot; — Ds. Z. kreeg op zijn verzoek van het Moderamen der Nederlandsche Hervormde Predikantenvereeniging verlof de vraag te behandelen , zooals die in den bovenstaanden vorm geformuleerd is.

De reden van de door Ds. Z. gewenschte wijziging geeft hij aan met deze woorden: „immers alléén ten opzichte van het 0. T. kunnen wij spreken van een voorbeeld des Heeren Jezus Christus. Tegenover het Oude Testament en de Godsopenbaring, daarin beschreven, stond onze Heiland als de Meerdere tegenover het mindere en door Hem staan wij mede op een hoogeren trap van kennis aangaande God en Diens Koninkrijk dan de mannen Gods onder het 0. V. (Matth. 'H ; H).

Maar tegenover de Godsopenbaring in Christus Jezus, van welke het Nieuwe Testament de oorkonde is, staan wij beslist als de minderen tegenover het meerdere, en Christus-zelf heeft natuurlijk op aarde nooit gestaan tegenover het Nieuwe Testament. Of men zou moeten laten vallen de woorden: „naar het voorbeeld van den Heer.quot; Dan werd echter de vraag een meer algemeene. Doch juist, omdat ik begreep, dat het

ocr page 10

2

Moderamen die algemeenheid niet bedoelde, vroeg ik verlof, de vraag zóó te stellen: „Welke houding moet de Evangeliedienaar, naar hel voorbeeld van dén Heer Jezus Christus, aannemen ten opzichte van de Heilige Schriften des Ouden Verbonds?quot;

Dit verlof werd door het Moderamen toegestaan. — Evenwel stond op het program de vraag in haar oor-spronkelijken vorm. Ds. Z., om teleurstelling Ie voorkomen bij brs., wanneer de vraag niet in haar oorspronkelijken vorm behandeld werd, geeft over onze houding tegenover het Nieuwe Testament eenige opmerkingen aan het slot van zijn Referaat. Wanneer wij spreken zullen over de verhouding van Jezus Christus tot het 0. V., kan, zegt Ds. Z. de bespreking of zeer onvruchtbaar wezen, óf zéér vruchtbaar tot een recht verstaan van onzen Heiland. Zeer onvruchtbaar worden de besprekingen, wanneer men Jezus Christus wil aanvoeren als autoriteit in zuiver-weten-schappelijke vraagstukken, waaraan men in de dagen van Zijn verkeer op aarde in de verste verte nog niet dacht. Dat loopt uit — en het kan ook kwalijk anders, want het is enkel zelfmisleiding — op niets dan teleurstelling. Daarentegen worden de samen-sprekingen bijzonder vruchtbaar voor het ware kennen en verstaan van Jezus Christus, wanneer wij het oog richten op Jezus' verhouding tot het geestelijk openbaringselement in de geschriften des 0. V.

Dit zal blijken, uit hetgeen ik u wensch te zeggen over de verhouding onzes Ileeren tot het literarisch-historische in het 0. Y., en over zijne verhouding tot het geestelijk-godsdienstige in de boeken des 0. V.

ocr page 11

(Ik druk mij bij voorkeur zóó uit, omdat „formeelquot; en materieel niet geheel dekken, hetgeen ik bedoel). Dat ik Ds. Z.'s woorden, zooals zij in zijn Referaat voorkomen, aanhaal, doe ik met het oog op de lezers van dit boekje, die het Referaat van Ds. Z. niet gelezen hebben. Voor hen die hel gelezen hebben, ?.ou eene woordelij Ice mededeeling overbodig zijn.

Ten opzichte van de vraag, welke aan Ds. Z. ter beantwoording gegeven is, moet ik opmerken, dat zij niet gemakkelijk is om beantwoord te worden. De beantwoording door Ds. Z. stuit op vele bezwaren, ja, onoverkomelijke hezwwen. Immers zij dit genoeg, wanneer ik aanmerk dat van een voorbeeld, zooals Ds. Z. het aangeeft, in de Evangelieën geen spoor zelfs te vinden is. Zou deze vraag niet vruchtbaarder m hare bespreking geweest zijn: „Heeft Jezus de schriften des 0. V. erkend als goddelijke geschriften?quot; Met die vraag bedoel ik nietj „Heeft Jezus zich geplaatst tegenover de H. S. des 0. V., als een, die optreedt om te zeggen, wat Hij voor woord van God

houdt en wat Ilij niet voor woord van God houdt?quot;_

maar „heeft Jezus het Goddelijk gezag der R. S. des 0. erkend? — Dit in het voorbijgaan.

De vraag, die dient gedaan, is: „Heeft Jezus een voorbeeld gegeven?quot; Daarop moet het antwoord ontkennend zijn. Indien in de U. Schriften des N. V. eene aanwijzing voorkwam ten opzichte van de houding des Evangeliedienaars naar het voorbeeld van Jezus, zooals het door Ds. Z. voorgesteld wordt, dan zou men recht hebben van een voorbeeld van Jezus if spreken. Doch de bewijzen door den schrijver

ocr page 12

bijgebracht, missen den verlangden rechtsgrond. Jezus heeft zich meer dan eens beroepen op de Schriften des 0. V. tot staving van hetgeen Ilij sprak en deed, waaruit blijkt, dat Hij zich ten nauwste met die uitspraken vereenigde, en daaïaan een Goddelijk gezag toekende. — Gebeurt het, dat Jezus woorden of gezegden uit het 0. V. aanhaalt, waaraan Ilij eene nadere verklaring geeft, dan plaatst Jezus zich niet tegenover de II. S. des 0. V. Jezus plaatst zich tegenover de H. S. des 0. V. als Hij, hetgeen oorspronkelijk geschreven staat, door Zijne nadere verklaring opheft.

Jezus' houding tegenover de II. S. des 0. V. wordt eene scheeve houding, wanneer Ilij stukken uit het 0. V. niet als woord uit God kan aanvaarden, omdat het geestelijk openbaringselement Hem daartoe dringt.

Die verhouding kan aan Jezus gegeven worden, maar zelve zou Ilij die nooit hebben aanvaard. — Waarom? omdat van zulk eene houding in de Evan-gelieën geen sprake zelfs is. — De grond, waarop die meening gebouwd wordt is zeer onvast en die meening zelf is een huis gelijk, hetwelk hangt tus-schen hemel én aarde. Indien Ds. Z. klaar en duidelijk dat, wat hij zegt over die verhouding, met Jezus' eigen woorden had bewezen, dan zoude zijne bespreking van het onderwerp vruchtbaar kunnen geweest zijn; maar dit doel Ds. Z. niet en daarin ligt reeds het bewijs voor het zwakke van zijne beschou-vving- — Wij kunnen toch den godsdienst niet beschouwen eene uitdrukking te zijn van den godsdien-stigen geest des gemoeds en die tot maatstaf te

ocr page 13

5

stellen ter beoordeeling óf liever ter beslissing van hetgeen een woord uit God is. Als Jezus' verhouding tot het geestelijk openbaringselement blijkt uit Zijne verhouding tot het literarisch-historische en tot het geestelijk-godsdienstige in de boeken des 0. V., dan is het toch het geestelijk-godsdienstig bewustzijn dat ^

beslist over wat woord uit God en wat niet woord uit God is — zoodat het beschreven woord niet s vóóraf beslissen mag — maar het Godsdienstig gemoed, waaruit toch niets anders kan ontstaan dan het willekeurig: ,,quid tibi videturquot;? (wat dunkt u).

Nimmer heeft Jezus zich die vrijheid aangematigd. I (

Voor Jezus waren evenzeerj de II. S. des 0. V. norma. 1 Nimmer heeft Hij zich tegenover die norma geplaatst om een' eigen' maatstaf aan te leggen. — Doch heeft Jezus een maatstaf aangelegd, gelijk later blijken L/ ^ - ' zal, volgens hetgeen Ds. Z. schrijft, dan is men in gevaar dat Jezus aangevoerd wordt als autoriteit in zuiver-wetenschappelijke vraagstukken. Want als Jezus in de beoordeeling van wat woord uit God èn wat niet woord uit God is, een voorbeeld gegeven heeft aan den Evangeliedienaar, dan heeft volgens ds. Z.

ook iedereen de vrijheid om dat voorbeeld te volgen.

Hierbij is het gevaar groot dat, gelijk de geschiedenis leert, de leerling verder gaat dan de leermeester.

Wanneer ds. Z. spreekt over de verhouding van den Heer tot het literarisch-historische, dan moet ik daarin zien een toelating van moderne schriftcritiek d. i. eene toepassing van de moderne schriftcritiek op de boeken des 0. V —• Ds. Z. moge willicht dat niet zoo bedoelen, toch leidt zijne beschouwing daarheen —

ocr page 14

«*

I

Thans ga ik over tot de overweging van het referaat zelf(

Ds. Z. zegt: „Allereerst richten wij een blik op Jezus' verhouding tot het lilerarisch-historische in i, het Oude Testament. Ten opzichte van dit literarischf-

\ historische des 0. T. beleven wij bepaald wonderen ^

in onze dagen. Omdat b.v. de oud-babylonische opschriften gewagen: l0 van een elamietischen koning Kudur-nanchundi omstreeks 2285 v. Chr.; 2° van een opperhoofd in het Elamietisch-babylonisch grensdistrict Emutbal (of Janiutbal), Kudurmabuk geheeten,

omstreeks 2272 v. Chr.; 3° van een elamitische godheid Lagamarra; 4° van een koning van Larsan, met name Rim-Sin, wiens naam echter vroeger verkeerd

Hl fjlit*- ^ ^

■jr gelezen is als Eri-Aku, — is nu bewezen het histo-

' 'risch bestaan van koninquot; Kédor-Laómer van Elam

QpJJ

en van koning Arióch van Ellasar; i. e. w. de historiciteit van Gen. 14. En omdat hoe langer hoe meer blijkt, dal Ab-ram, Abi-ram, Aba-ramniu ( verheven vader) een' algenieen-seniielische naam is geweest, is tevens bewezen het werkelijk bestaan hebben van Abraham omstreeks 2260 v. Chr.

Zóo bevestigen de monumenten de waarheid des Bijbels 1

Men spreekt er echter liefst niet over, dat diezelfde monumenten gewagen van Sarru-Kênu (Sargon) van Agane (of Agade) wiens zoon Nararr.-Sin, volgens getuigenis van Nabu-naid (den vader van Belzasar), 3200 jaren voor dezen laatste regeerde, dus plm. 3750 v. Chr., wat voor Sargon geeft tusschen 3800 en 37D0. En de Bijbel zegt, dat Abraham geboren is

ocr page 15

292 jaar na den Zondvloed (Gen. \\ .10, 12, 14, 10, 18, 20, 22, 24, 26.) Rekenen wij nu, dat Abraham boven de 75 jaar was bij zijn komst in Kanaan (Gen. 12:4), en dat Lot nog een tijd met hem samen heeft gewoond, dan was het minstens 370 jaren na den Zondvloed, toen Abraham Lot verloste uit de handen van Kèdor-Laómer. Sargon van Agane leefde echter ongeveer 1500 jaren vóór Kèdor-Laómers inval. Derhalve — de babylonisehe staat Agane bestond reeds meer dan elf eeuwen vópr den Zondvloed des liijbeis, en de stad van dien naam is blijven voortbestaan tot ia de historische tijden. De geweldige wateren hebben haar dus niet verdelgd. Dat leeren óok de monumenten, die zoo ontzachelijk veel van de vóor-Israëlietisehe overlevering bewijzen aan de overzijde van de Noordzee en elders.quot;

Volgens het bovenaangehaalde geeft, dunkt mij, Ds. Z. te kennen, dat de oud-babylonische opschriften geene bewijzen zijn voor de historiciteit van Gen. 14, omdat ook diezelfde monumenten gewagen van Sarru-Kénu (aargon) en wat daar meer volgt, en maakt daaruit deze gevolgtrekking: „dat de babylonisehe staat Agane reeds meer dan elf eeuwen voor den zondvloed des Bijbels bestond, en de stad van dien naam is blijven voortbestaan tot in de historische tijden, zoodat de geweldige wateren haar dus niet hebben verdelgd.

Daarentegen moet ik opmerken, dat vóór de volksverhuizing geene sporen van eenig koninklijk gezag, noch van eene regeering gevonden worden, waaraan zich een gan'sch volk onderwierp. — Na de volks-

ocr page 16

8

verhuizing wordt melding gemaakt van een kolonisatie, bestaande uit het geslacht van Cham, waarvan Nimrod, de kleinzoon van Cham, het hoofd was, de hercules van het Oosten. Die kolonisatie was de eerste grondslag van een rijk in het land van Sinear, van hetwelk Bahel de zetelplaats was. In Gen. 10:10 wordt de uitgestrektheid aangegeven door de plaatsen Erech , Akkad en Kalné. Het rijk is gelijk aan een klein vorstendom. Van pracht en macht, met welke Griek-sche schrijvers Ninus, Serniramis en and. opsieren, is hier geene sprake. Nimrod is geen dwingeland, gelijk Josephus hem vermeldt (Antiqu. Jud. 1,4). Hij is een moedig jager. Zijne heerschappij wordt aangegeven j maar van zijn vermogen wordt gezwegen. Wij vinden hier niet den minsten grond om het Babyl. rijk vooruil noch achteruit te plaatsen. Bestond echter de Babylonische staat Agane elf eeuwen vóór den zondvloed, dan is die verdelgd door den zondvloed en heeft derhalve opgehouden te bestaan. De stad van dien naam echter is blijven bestaan en is dus door den zondvloed niet verdelgd. Derhalve wil, mijns inziens, Ds. Z. zeggen: dan had die stad niet kunnen blijven bestaan, maar moest ook verdelgd zijn. Aldus bewijzen dar. de oud-babylonische opschriften niets voor de historiciteit van Gen. 14. — Dit zoude ik Ds. Z. kunnen toestemmen, ware het, dat wij ons aan het Bijbelsch verhaal niet hadden te houden. Doch ziet, het Bijbelsch verhaal Gen. 10:10, spreekt van de wording van het rijk. Niet vóór, maar na den zondvloed is van het rijk Babel sprake. Wat Ds. Z zegt van Agane, als reeds elf eeuwen

ocr page 17

vóór den zondvloed bestaan te hebben, heeft geene beteekenis voor de niet historiciteit van Gen. 14. Omdat, hetgeen hij tot bewijs er voor aanvoert, geen quot;bewijs is. De in Gen. 14- : 1 genoemde koningen waren hoofden of bestuurders over vorstendommen. Deze landstreken lagen in Kanaan en aan dezelfde grenzen, toen Abraham zich aldaar bevond.

„De toenmalige koningrijken, zegt E. G. Kuinoel (in zijne Geschiedenis des Joodschen volks, pag. 9), waren zeer klein. Elk, die slechts eene stad, naar onze wijze, een dorp bezat, voerde den naam van koning. De macht van alle deze hier aangehaalde koningen was zeer gering.quot; Volney, in zijne reis naar Syrié en Egypte (deel 1) zegt; „Men moet, wanneer van de Beduïnen wordt gesproken, aan de woorden „Vorstquot; en „lieerquot; geenszins onze gewone denkbeelden hechten. Zij waren gelijk aan gegoede huurders in bergachtige landen.quot; — Dat het Babylonische rijk in dezen tijd wel klein moet geweest zijn, blijkt toch hieruit, dat een machtig koning geen hulp zoekt bij of zich vereenigt met andere bondgenooten, om te strijden tegen die kleine volken in Gen. 14:2 genoemd; dat Kedor-Laomer, welke hun heer was en van wien zij afvielen, niet machtig moet geweest zijn, anders hadden de in vs. 2 genoemde volken niet tegen hem durven oorlogen. Immers, de kleine macht, die tegenover hem stond, was zeer zeker te groot voor hem om tegen dezelve te strijden. De toen bestaande vorstendommen in Gen. 14:1 genoemd, moeten derhalve niet groot geweest zijn, temmeer, vermits Abraham met een klein getal strijders (318

ocr page 18

10

iu getal) de overwinnaars najoeg en verwon. Dit een en ander bevestigt de historiciteit van Gen. 14.

Voor hetgeen Ds Z. zegt, dat de Babyl. staat Agane elf eeuwen voor den zondvloed des bijbels bestaan heeft, kan geen enkel bewijs uit Genesis bijgebracht worden.

Dat de stad van dien naam gebleven is, kan alleen uit Gen. 10, dus nadat de zondvloed lieeft plaats gehad, afgeleid worden. Zegt Ds. Z. ,,de geweldige wateren hebben die stad niet verdelgd,quot; is eene gevolgtrekking, zoodra men met Gen. 10 geen rekening houdt, waar van de wording van het rijk sprake is. Zulk eene gevolgtrekking is niet op hetgeen de Bijbel verhaalt/ gegrond en dientengevolge is ook de grond van bewijsvoeriny onhistorisch.

Intusschen voeg ik er aan toe, dat voor mij de historiciteit van Gen. 14 vaststaat, maar dat die voor den criticus vallen moet, zoodra men er toekomt het historisch bestaan van Abraham twijfelachtig te stellen of te ontkennen. In dit geval kunnen voor hem de oud-Babylonische opschriften geene waarde hebben, door Dr. Sayce aan het licht gebracht, die eene langdurige studie gemaakt heeft van de opgravingen in Egypte, Assyriji en Babylor^en neemt aan, dat het grootste gedeelte der jongste ontdekkingen van inscripties de oudheid, de geloofwaardigheid en de geschiedkundige waarde van de boeken van het 0. T./in 't bijzonder de 5 boeken van Mozes, bevestigt.

Volgens het door mij aangehaalde omtrent het Babylonische rijk, begint hetzelve in Gen. 10 — en heeft dus niet voor den zondvloed bestaan, althans

ocr page 19

11

van dat bestaan voer den zondvloed vindt n.en in de hoofdstukken vóór Gen. 10 geen enkel bewijs.

Nu stel ik voor een oogenblik, dat het rijk tuel bestaan heeft vó/r den zondvloed en dat we het met Ds. Z. volgens het door hem aangegevene kunnen ^ terugvinden in liet Agane, dan zou het toch kunnen plaats hebben, dat de fondamenten van het door den zondvloed verdelgde Babel overgebleven zijn en later teruggevonden na den zondvloed, op welke fondamenten weder een nieuwe stad herrezen is, die wij in haren aanvang terugvinden in het Eabel van Gen. 10 — om te zijn wat het in den loop der ecuwen, zóo wat de uitgestrektheid van het rijk als de grootte en pracht der hoofdstad betreft, geworden is. (a)

Wat ik daar heb gezegd pleit niet tégen maar vóór de historiciteit van Gen. 14.

Naar aanleiding van hetgeen Ds. Z. van de oud-babylo-nische opschriften, zegt: ,,üe oud-dogmatische inspiratie-theorie deed in dezen beter dienst, maar die zou moeten toegepast worden zonder eenig nader onderzoek van het produkt der inspiratie. Men moet daarbij „schrokken groote brokkenquot;, nog grooter dan dc oud-Germaansche dondergod, in ons kinderrijm belachelijk gemaakt als „de hongerige Gijsquot;. — Onze digestie is nu niet meer zoo krachtig als die onzer vaderen; daarvoor is het thans raadzamer tegen de booze critiek de autoriteit onzes Zaligmakers in de schaal te leggen, dat zal evengoed, ja beter helpen.quot; -1 Thins spreek ik niet over de inspiratie, daarover later. Toch moet ik met een enkel woord wijzen o]) hetgeen de schrijver zegt ten aanzien van de

ocr page 20

12

oud-dogmatische inspiratie-theorie, zooals die zonder eenig nader onderzoek van het produkt der inépiratie doet aanvaarden wat er staat geschreven — en dus ook de historiciteit van Gen. Dit toch, meen ik, is de bedoeling van den schrijver. — Doch laat mij zeggen, dat die inspiratie-theorie hier niet noodig is om beter dienst te bewijzen. Aangezien het hier Z- een zaak is van Quiver historischen aard, had Ds. Z. beter gedaan het tegendeel d. i. de niet historische waarde van Gen. 14 te bewijzen en ook de niet historische waarde van de oud-babylonische opschriften 12 én dan daartegenover de historische waarde óf liever de zekerheid van hetgeen hij zelf bijbrengt tot bewijs van het tegendeel van hetgeen de oud-babyl. opschriften gewagen. — Een beroep op de oud-dogmatische inspiratie-theorie, waarbij men „schrokt groote brokkenquot; als de hongerige Gijs is geen bewijsvoering, d. w. z. daarmede heeft !iü nog niets bewezen. Zóo is het ook waar, wat hij zegt, dat nl. onze digestie niet meer zoo krachtig is als die onzer vaderen. — liet is dan ook eene lastige en moeielijke kwaal, wanneer men aan zulk eene zwakheid van de maag lijdende is. De zwakheid der bewijsvoering valt immers terstond jO in het oog, óf liever, het tegenbewijs van de historiciteit van Gen. 14 wordt door den schrijver niel gegeven. — Hij zegt wel, dat het thans raadzamer is tegen de booze critiek de autoriteit onzes Zaligmakers in de schaal te leggen; maar die autoriteit onzes Zaligmakers wordt door hem niet nader toegelicht of verklaard. Dat had wel mogen en moeten geschieden.

ocr page 21

13

Laat, ons zien wat de schijver zegt over de verhouding van Jezus tot het literarisch-historische in het 0. T.

, Hij zegt, dat een ieder, die belang stelt in dit

belangrijk onderwerj), wordt geacht t. m. gelezen te ^

0 hebben, wat in ons land d^irover zoo uitnemend is // geschreven door prof. Hr. J. ,). P. Valeton-Ir. en zegt:

ik kan volstaan met een paar aanhalingen uit zijn „Christus en het 0. T.quot; Daartoe wordt de aandacht gevestigd op de welbekende vraag van de Sadduceën aan Jezus over de opstanding, zie Mattheus quot;li, Markus en Lucas 20. Jezus vraagt, of men niet gelezen heeft, wat door God tot ulieden gesproken is: _

„Ik ben de God van Abraham, de God van Izaiik en de God van Jacob.quot; Exod. 3:6.

Zegt Prof. Valeton, dat de lieer hier het verhaal . aanneemt om er zijne leering uit te trekken, gelijk het ' j--daar ligt^ wat Hem er toe dringt is niet een historisch motief, ten einde aan te toonen dat, wat daar verhaald wordt, historische werkelijkheid is.quot; Daartegen moet ik met allen ernst opkomen ter bestrijding van hetgeen door den schrijver gezegd wordt. Jezus,

door zich te beroepen op het citaat Exodus 3 : 6 is uitgegaan van de historische werkelijkheid, van hetgeen God sprak: Luc. 20:37, 38 „Ik ben de God van Abraham enz.quot; Indien Jezus daarvan niet uitgegaan was, om te staven het dogma van de leer der onsterfelijkheid, dan zou het aangehaalde door Jezus geen doel hebben, terwijl zijn doel is tegenover de negatie der onsterfelijkheid door de Sadduceëen, vast te stellen, dat zij wel bestaat en tot dat einde zich

ocr page 22

14

beroept op Ex. 3 :0, Ik ben de God van Abraham enz. Jezus gaal dus uit van hetgeen daar geschreven is, en twijfelt geenszins aan de geloofwaardigheid. Abraham, Izaiik en Jacob, zijn reeds gestorven. Nu wordt door Jezus te kennen gegeven, dat God niet de God van doodsbeenderen en stof is, maar de God is en blijft van Abraham, Izaiik en Jacob in den staat der zalige onsterfelijkheid. Jezus stelt derhalve hier het Goddelijk gezag van het woord zonder eenigen twijfel op den voorgrond, handhaaft dat gezag, spreekt zelfs op een beslist gezaghebbenden toon en wijst de vragers als oorzaak van hun verkeerde meening, op het „gij dwaalt, niet wetende de Schriften.quot;

Zegt genoemde prof. in zijn „Christus en het 0. T.quot; „met volkomene absentie van iedere bijbedoeling en zonder dat. wij er dus ook eenige andere vraag bij ter sprake mogen brengen, wil hij uit het daar verhaalde aan menschen, in wier gedachten twijfel aan de betrouwbaarheid ook van dit verhaal niet kan opkomen, iets leeren dat ook onafhankelijk daarvan voor fiem onwankelbaar vaststaat,quot; dan heb ik op te merken, dat, wanneer de betrouwbaarheid van dit verhaal ontwijfelbaar vaststaat bij de menschen, tot wie Jezus spreekt (Hij spreekt dat ook tot ons) on Hij hen iets wil leeren, dat onafhankelijk daarvan voor hen onwankelbaar vaststaat, óók \\ci aangehaalde voor Jezus, dat Hij als uitgangspunt neemt, ook evenzeer betrouwbaar moet zijn voor Hem, anders zoude het door Jezus geleerde geen grond van geloof kunnen hebben, zoodat het gelijk zou zijn, aan een stam met vruchten zonder wortel. Het zou oorzaak zijn van een

ocr page 23

15

tasten in de duisternis, omdat bijv. tusschen de lamp en de hoofdkraan van het gas geen verband, aan-knoopingspunt of vereeniging is; in één woord, Jezus zoude het dogma, de zalige onsterfelijkheid aan het volk leeren, maar onafhankelijk van de betrouwbaarheid van het verhaalde. Op zulk een grond te ge-looven aan eene zalige onsterfelijkheid is niet aannemelijk, wat zeg ik, te verwerpen. Wij worden derhalve gedrongen, zal men zich beroepen op de woorden des lleeren, gelijk uit het bovenstaande blijkt, ook hierin te zien de noodzakelijkheid van de juistheid der tradilioneele beschouwing van de 0. Testamentische geschiedenis en literatuur.

Ds. Z. zegt „men beroept zich op de woorden des Heeren om daarmede te willen bewijzen de juistheid der traditioneele beschouwing van de 0. Testamentische geschiedenis en literatuur, zooals die in den IG1' eeuwschen Venetiaanschen Rabbijn Elias Levita haar hoogtepunt heeft bereikt. Maar het zij mij vergund hier te wijzen op iets „dat tot dus ver niet altijd met voldoende helderheid en zwaarwichtigheid in het debat wordt geformuleerd.quot; En omdat iets nader te bepalen, zegt hij, „dat men in de praktijk doet alsof men de „ipsissima verbaquot; des lleeren bezit.quot; liet is zoo als Ds. Z. verder zegt, namelijk: „dat Jezus geen enkelen regel schrift heeft nagelaten.quot; Maar al heeft Jezus dat niet gedaan, zoo neemt het echter het feit niet weg dat, wat Jezus niet gedaan heeft, geschied is door de Apostelen en Evangelisten, die, watJezus gesproken heeft en gedaan, hebben overgeleverd en geenszins het doel zullen gehad hebben om iets over

ocr page 24

te leveren, wat Jezus niet gesproken en gedaan heeft. Zij, die leefden dichter bij den tijd vau het ontstaan der Evangelien kunnen ten aanzien van de Waarheid van den inhoud der Evangeliën getuigenis geven, beter/ dan menschen, die bijna 18 eeuwen daarvan afstaan. Het historisch critisch onderzoek, zooals het uitgaat van den regel, dien het stelt, kan zelve geenszins den toets der echtheid doorstaan, aangezien zelfs de conjecturaal, critiek op zichzelf beschouwd, geen waarborg geeft voor de gaarheid van een gezegde. Hierbij kan gevoegd worden, dat, wat de waarheid der overlevering betreft, zij door het vinden van nieuwe bronnen bevestigd wordt. Het is zelfs merkwaardig — dat de Hoogleeraar llarnack een boek over het N. T. heeft in het licht gegeven, waarin hij getuigt de traditioneele beschouwing, zoo omtrent den tijd van het ontstaan als omtrent het historisch gezag van al de boeken, behalve den 2on brief van Petrus, te erkennen '). „Intusschen zegt Ds. *Z. dat de woorden onzes Heilands in onze Evangeliën eene overleveringsgeschiedenis hebben — men kan er moedwillig de oogen voor sluiten; men kan apriori zeggen, ik wil het niet eens onderzoeken, want het kan niet waar zijn; maar zet men zich eerlijk aan hel onderzoek, dan valt het al zeer spoedig niet meer te loochenen -). Daarop laat de schrijver volgen, het woord

1) Harnack heeft dezelfde historische critische methode, voor het O. T. aangewend, ook voor liet N. T. toegepast.

2) Op bladz. 5 van zijn boefje, heeft de schrijver ,,dat wij uit de Synoptici de woorden van Jezus slechts bij overlevering van tweeden en derden kennen.quot;

ocr page 25

17

I), v. over het. vragen om een teeken. Bij de syn-noptici zien wij liet onder onze oogen groeien — want wij zijn zoo gelukkig dit woord in 5 gestalten te bezitten. In jil deze gestalten wordt het door Jezus geuit naar aanleiding van een bepaald en uitgesproken verlangen der Joden om een teeken van Zijnentwege. De aanleiding is dus overal dezelfde. Hij wijst op de eerste gestalte: in Mare 8:12. De tweede gestalte van hetzelfde woord in Matth.lö^', -4. De derde gestalte vinden wij in Matth. 12:39vv. De vierde gestalte in Luc. 11 : 29 vv. De vijfde gestalte is de tekst van Matth. 16:1—4.quot;

Opmerkelijk hierbij is, zegt Ds. Z. dat in de uitbreidingen van Jezus' woord de beteekenis zich wijzigt. Eerst is het alleen maar: Geen teeken krijgt dat geslacht. Dan wordt het: Het krijgt geen teeken dan dat van Jona. En wat eischt nu het verband, dat het teeken van Jona zijn zal? — Het woord des Heeren, dat Israël niet begeert te gehoorzamen, gaat naar de Heidenen, En ook werkelijk gaat Jezus (in Mark 8 via Bethsaïda) naar het gebied van Cesarea Philippi, dat voornamelijk door lleidensche Syriers werd bewoond (Flav. Jos. Vita 13). Dit nu is nTet verstaan geworden. Het teeken van Jona, welke beteekenis bij Lukas in het midden gelaten wordt (hetzij als oudere recensie dan Matth. 12:4.0, hetzij als cor-rectuur van hetjlrie dagen en , drie nachten in het hart der aardequot; daar ter plaatse) wordt ten slotte een beeld van Jezus' opstanding en wel zóo onhandig, dat de schrijver den Heer drie etmalen in het graf laat blijven. — liet is hier iets desgelijks als in Joh. 2.

2

ocr page 26

18

De Joden vragen daar óok om een teeken. De lieer antwoordt: sloopt dezen tempel en in drie dagen zal ik hem weder oprichten. —Het geheele verbandjyscht, dat er sprake is van hetzelfde yebouw, aJ^jiu ontheiligd is door Israels priesterdom. De Evangelist daarentegen past het toe op Jezus' Opstanding, ofschoon de Joden, met hun opmerking over den langdurigen bouw, het bewijs leveren, dat Jezus m de verste verte niet heeft aangeduid , dat Hij niet de plaats der Gods^vereering, maar Zijn lichaam bedoelde met de woordenquot;,,^:*?» temper '). Tot dusver Ds. Z.

Dat uit dat groeien van het vragen om een teeken een onbetwistbaar bewijs zoude voortvloeien, dat de woorden van onzen Heiland eene overleverings-ge-schiedenis hebben, wordt door den schrijver wel gezegd, maar niet bewezen. Uit het aangehaalde blijkt het althans niet, al is het waar, dat het verhaal zich bij de synoptici uitbreidt. Dan men houde hier wel in het oog, dal het dient tot nadere bepaling en toelichting. Daarenboven groeit dat verhaal niet zoo aan, dat zich, wat den hoofdinhoud betreft, eene verscheidenheid'voordoet. Wat reeds bekend was, dat behoefde niet door anderen weder te worden aangehaald, althans niet met dezelfde woorden. Immers van zulk eene wijze van doen vindt men bij onderlinge vergelijking van de synoptici meer voorbeelden, waaruit blijkt, dat zij niet in alles juist hetzelfde verhalen met „ipsissima verba .

1) De plaatsing Tan het woordje „nietquot; ia mijns inziens verkeerd.

Het moet dan staan y66v „Zijn lichaamquot;, omdat juist de Joden Jezus'

woord iu betrekking brachten met „de plaats der Godsvereering.quot;

-r-

ocr page 27

19

Indien de schrijvers in alle deelen van hetgeen zij mededeelen , hetzelfde verhaalden zonder eenige nadere uitbreiding of bepaling of toelichting, welke de eene schrijver heeft, en de andere niet, dan zou men aan een Evangelie genoeg hebben, en zoodoende,) zouden de andere Evangeliën gemi.st kunnen worden.

Ds. Z zegt: liet woord b.v. over hel vragen om een teehen (bij de synoptici) zien wij onder onze oogen groeien.

Dit woord hebben wij in vijfderlei gestalte.

De aanleiding is het uitgesproken verlangen der Joden om een teeken van Zijnentwegequot;.

1e gestalte Mark. 8:12.

2e „ Matth. 16:2a; 4

3e „ Matth. 12:39 vv.

4-e „ Luc. XI: 29 vv.

5e ,, Matth. 10:1—4.

Ds. Z. voegt aan de gestallen toe zijne opmerkingen.

1°. Dit is kennelijk het oorspronkelijk bericht. Met zijn on-Grieksch s\ l'JtasTou (terwijl op andere plaatsen CU hö-jaeTxi gelezen wordt) draagt het een beslist hebreeuwsch-arameesche kleur. Van Jezus'lippen hoo-ren wij onvervalscht de volkstaal van die dagen. liet ttócxlv èttfias of TTxXtV (door Si: TO TTSpXV geheel

overtollig) kenmerkt zich als later toevoegsel. In Matth. 16:-4 wordt het niet gevonden. En de textus receptus heeft er nog bij eU ts ttoIov. (Dat moet zijn ■xXdïov) ').

1) Door den sclirijvei- is liet tusschen haakjes geplaatste ter verdui-delijking.

ocr page 28

20

2°. Kennelijk is hier xx) kxtxaizmv xinov: vertaling van dezelfde Arameesche woorden , bij Markus weergegeven niet y.x\ xijtou:. Het ontbrekende in vs. 4 sU to tïépxv is verwerkt in kx) sköÓ'jts: o'i ^xó^tx) fig to vépxv van het volgende vers.

3°. Het heeft de bijvoeging „van den Profeetquot;. Voor het overige woordelijk overeenstemmend met Markus 10:2quot;, 4. in plaats van Jezus' vertrek over de zee

volgt „want gelijk Jona...... drie dagen en drie

nachten zijn in hel hart der aarde (vs. -40), waarop dan volgt vs. 41, 42 over de Ninevieten, die zich bekeerden op Jona's prediking en over de koningin van het Zuiden, die Salomo's wijsheid kwamhooren, vs. 42.

4°. Jona, zonder bijvoeging van Matth. 12: 39 „den Profeetquot;; de omgekeerde orde; eerst over „de koningin van het Zuidenquot;; daarna over „de Ninevieten.quot; Wordt gemist het vertrek van Jezus over de zee.

Tot dusver*Ds. Z.

Herinneren we ons (zie bladz. 17) wat Ds. Z. laat voorafgaan. Hij zegt „uit de Synoptici kennen wij de woorden van Jezus slechts bij overlevering van tweeden en derdenquot;, de woorden van onzen Heiland in de Evangeliën. De vraag, welke hier dan vooraf dient gedaan is, op welken grond mag Ds. Z. zeggen dat Mare. 8:12 het oorspronkelijk bericht is? Hij wijst op si höitrs-xi, terwijl op de andere plaatsen oïi gelezen wordt. Doch dat is geen grond. Immers wij hebben bij Marcus eene verzekering. Zulk eene verzekering „voorwaar ik zeg uquot; wordt door ei gevolgd, dat zoo veel zegt als „volstrekt nietquot;. Het beant-

ocr page 29

21

woordt aan het Ilebr. cn, vgl. Gen. 14:23, 2 Kon.

3:14. Een opmerkelijk verschijnsel dan ook is het,

dat op de andere plaatsen die vei'zehering ontbreekt i).

Daarenboven pleit ook niet voor het gevoelen van Ds. Z., dat we in Markus 8 :12 kennelijk het oorspronkelijk bericht hebben, dat (ik zal hier een regel van de critiek aanhalen) de kortere recensie, op zich-zelve niet duidelijk, eerst uit de langere het noodige //*—

licht ontvangt, üeze regel zou eene uitzondering zijn ,

vermits alsdan de critiek uitgaat van den regel, dat ; / de kortere de meer oorspronkelijke, en de langere . . quot;K-fy '■? als uitbreiding eerst later ontstaan is. Hier is toch Mark. 8:12 de kortere, zoodat de langere recensie . // haar licht op de kortere moet laten vallen, om die te verklaren. In dit geval toch moet de kortere voor j (j

inkorting van een oorspronkelijk meer uitvoerig ver- A/ / \ haal gehouden worden Volgens dezen regel kan dus aan Marcus' bericht de prioriteit niet gegeven worden.

Mattheus heeft het verhaal het uitgebreidst van allen.

Derhalve zou Mattheus hier de prioriteit hebben. De plaatsing van de verhalen in volgorde is derhalve door Ds. Z. willekeurig geschied. Indien het op het kortere van het verhaal aankomt, dan zoude zeker bijv. Matth.

9:1—8, vgl. Mark. 2:1—12 en Luc 5:17—26, de prioriteit hebben volgens Ds, Z., want Mattheus' be-

1) Hier toch gaat Ds. Z. uit van de onbewezene stelling, dat het bericht van Markus oorspronkelijk is. Daarenboven veroorlooft hij zich het recht, (op wolken grond hij dat doet wordt niet gezegd) om een willekeurige volgorde der gestalten te stellen, en wel zóó, dat de drie gestalten bij Mattheus, dus dat wat bij een en denzelfden schrijver voorkomt, Jio. 2, Ko. 3 en No. 5 wordt geplaatst.

ocr page 30

2-2

richt is liet kortste van allen, maar Markus' bericht is uitgebreider (ook dan dat van Lucas), doch hier heeft dan volgens Ds. Z's volgorde Marcus de prior/toV. Dil wil ik er meê te kennen geven, dat het gevoelen van Ds. Z. over het oorspronkelijk bericht bij Markus slechts op een ongegronde meening berust, terwijl de plaatsing, (ook met het oog op e\ in plaats van ou) willekeurig is.

Ook heb ik tegen die volgorde van Ds. Z. wat de wijze betreft, waarin hij die 5 gestalten doet plaats nemen. — Eerst het bericht van Markus, dan het bericht van Matth. 16; vervolgens hel bericht van Matth. 12; daarna het bericht van Luc. 11; en eindelijk het bericht van Matth. 16.

Ds. Z. doet die berichten dus plaats nemen; hij werkt die plaatsen of liever berichten door elkaar heen. — Wie geeft hem het recht om bijv. Matth. 10 te nemen en dat verhaal te splitsen in tweeën'om het daarna in zijn geheel te gebruiken? — Op dezelfde wijze zou hij evengoed Luc. 11:29 en 30 kunnen splitsen — bijv. Luc. 11 ; 29 en dan vs. 30 —; ook Matth. 12:39—42 bijv. Matth. 12:39 en dan vs. 40. Op dezelfde wijze zouden wij nog meer gestalten kunnen hebben.

Dat de eene Evangelist het verhaal uitgebreider heeft dan de andere, is volstrekt yeen bewijs \oor een overleveringsgeschiedenis ') — dat we de woorden van

1) Drie schrijvers bijv. verhaleu eeu feit uit de gescliiodenis van ons vaderland. Kan nu de eéne schrijver niet wat meer hebben dan de andere/ zonder dut we behoeven te deuken aan bijvoeging van tweeden

ocr page 31

2,'i

Jezus slechts bij overlevering van tweeden en derden hebben. Wij hebben toch hierbij wel le letten op den schrijver zelve. M. a. w. op de oog- en oorgetuigen van Jezus' woorden en daden.

Malth. toch is de Apostel des Ileercn. ilij had een nauw verkeer met Jezus. Marcus was een volgeling, een metgezel van Petrus. Lucas heeft alles van voren aan naarstiglijk onderzocht.

Uit dit oogpunt beschouwd, kunnen immers de verhalen van den een uitgebreider zijn dan van anderen.' Zonder dat men eene overleveringsgeschiedenis behoeft te stellen. De een kan beter in de gelegenheid geweest zijn om iets uilgebreider te weten dan de ander. En wij zien hel ook in de mededeeling van sommige verhalen. Zelfs gebeurt het dat, wat de een heeft, de andere'het niet heeft.

Dat Marcus 8; 12 zeker een kort bericht is, behoeft niet nader aangewezen le worden. Dat korte bericht echter geeft geene de minste aanleiding om hel de le en oorspronkelijke gestalte le noemen.

Ik meen dat er een andere aanleiding is die rechl geeft hel bij de overige te plaatsen, zonder het daarom ,,het oorspronkelijk'' bericht te noemen, liet is, dal in vs. 11 staal, en waarmeó men beginnen moet, n. m. 1. „de farizeers begeeren een leehen van den hemel of uil den hemelquot; zie Malth. 40 en Luc. XI. Zij begeeren een hemelsch leeken 'vgl. bijv. over

of derdeu| — Wat elk verhaalt, kan vau hom alleen zijn. — Kecht hebben we do drie verhalen te nemen, om hetgeen verhaald wordt toe-teliehten, uiUebreideu.

1

ocr page 32

-24

llcmelsch Joh. G : 31 vgl. Ps. 78 : 24, 1Ö5 ; 40. Dal llemelsch leeken, hetwelk zij begeeren, wordt hun niet gegeven. Integendeel. Een aardsch leeken omvangen zij. Dat aardsche leeken wordt nader verklaard bij de 2 Evangelisten Mattheus en Lucas. Dit leeken onderscheidt zich van de wonderen, door Jezus voorheen en daarna verricht. De Joden (dit dient tot opmerking) verlangden een leeken van of uit den hemel met het kennelijk doel om een beslissend bewijs van de goddelijkheid van Jezus' zending en van de daarmede verbonden waardigheid als den Messias te hebben. Dal leeken nu zegt Jezus, is Zijne toekomstige opstanding uit den dood, d. w. z. dat het leeken, hetwelk God door deze opwekking gaf, met dat, wat Jona ondervond zeer veel overeenkomst had.

Dal nu zegt Jezus in Matlh. 12:40 „want gelijk Jona enz.quot; Wanneer er twee gevallen met elkaar vergeleken worden, is het niet noodig dal zij ten aanzien van alle bijzondere omstandigheden juist overeenkomen, en dat allen, die het verhalen, hel met dezelfde woorden weergeven. Dal Jona drie dagen en drie nachten in den buik van den visch geweest is, blijkt Jon. 1:4, 15; 2:1. Dal Jona levend in dien buik geweest is, daarover zijn alle verklaarders het niet eens. Laat Jona drie dagen en drie nachten, hetzij dan levend of dood, in den buik geweest zijn, dal doel aan de overeenkomst met de hoofdzaak, door Jezus er aan gegeven, geene schade. De overeenkomst is, dal gelijk Jona drie dagen en drie nachten in den buik geweest is, ook Jezus drie dagen en drie nachten, maar in

ocr page 33

L25

hol hart dur aarde zijn zou. Zoo is Luc. 1! : ^9, 3ü Jona voor c^e Nineviolen een teeken geweest; daarin zal ook de Zoon des menschen zijn dezen geslachte.

Jona was voor de Ninevieten een teeken, in zoover het wondergeval, dat hem was overkomen en ter hunner kennis gekomen, tot een alles overtuigend bewijs diende, dat Jona een gezant van God was en dat daarom zijne bedreiging als eene Goddelijke bedreiging werd aangemerkt, en wij weten, welke tijdelijke vrucht de prediking van Jona voor de Ninevieten heeft afgeworpen. Nu zegt Jezus, dat Hij dit geslacht, d. i. aan de in zijn tijd levende Joden door Zijn dood en opstanding een Hemelsch teeken óf getuigenis geven wil van de Goddelijkheid van Zijne Messiaswaardigheid. De geschiedenis leert ons intusschen , dat ook dit teeken door de Joden verworpen werd, en nu laat zich ook verklaren, wat we vinden in vs. 41 (Matth 12). Dat Lucas in omgekeerde orde heeft, wat Matth. 12:41, 42 slaat geschreven, doet aan de waarheid van het verhaal niets hoegenaamd schade.

Indien wij de verhalen laten spreken en staan waar ze staan, dan heeft men een goed geheel, maar als rnen de gestalten zoo plaatst, als men meent te moeten plaatsen, dan krijgt men allicht een wangc-stalte. Zonder het bericht van Matth. 12:40 zoude de kern der verhalen gemist worden. Daarom had ik gaarne gezien, dat de 3quot; gestalte de plaats van de le gestalte had ingenomen. Stel eens voor een oogenblik, dat Mark 8:12 hel oorspronkelijkst is, maar de overige berichten zijn slechts gestalten , die aangroeien door de hand van tweeden en derden, i. e. w. door eene

ocr page 34

26

overleveringsgeschiedenis, hoe zal men dan naar waarheid Mark. 8 :12 kunnen verklaren. Niet alleen hel gevaarlijke, maar ook het moeielijke er van, valt ter-slond in hel oog.

Ds. Z. zegt „het s,u[3x; of s.upxs irxhiv (door

sk ra vrépxv geheel overtollig) kenmerkt zich als later toevoegsel. In Matth. 16:4 wordt hel trouwens ook gemistquot;1). Dal in Mark. 8:13 dat voorkomt, wat Ds. Z. aangeeft, is zeker, maar daarin vind ik niets overtolligs. Bij Matth. 16:4 zou men hel zeer schaarsch kunnen noemen, want daar staat enkel dil „xarxXncm x'jtowsquot;. In vs. 5 vinden wij echter, dat de discipelen , op de andere zijde, e]? to tripxv, gekomen waren. Ik vind dus in Mare. 8:13 nxxiv s,u(3x: geen toevoegsel, want Markus bericht ons, dat Jezus hen verliet en wederom (in het schip) ging en weg voer naar de andere zijde. In beide verhalen wordt in hoofdzaak medegedeeld, dal zij, Jezus en zijne discipelen, kwamen aan de andere zijde. Wanneer twee personen van een en dezelfde zaak of gebeurtenis melding maken, doch zóó, dat ze in de hoofdzaak niet van elkaar verschillen, dan kan men dal nog geen toevoegsel noemen, wanneer de een wat meer heeft dan de ander, indien het tenminste geen aanleiding geeft lot tegen-strijdigheid. Dat volgens Ds. Z. „xx) kxtxmttuv xütou;quot; „hen verlatendequot; Matth. 16: -i1', bij Markus ,,amp;amp;)$ xvtov:\ „hen verlatendequot;, beide, vertaling van dezelfde

1

Het „iTrijAÖgvquot;', ging hij weg, zou dan evenzeer overtollig kunnen genoemd worden, liet ro trépccvquot; komt bij Mntth. 10 : 5 evenzeer voor.

ocr page 35

27

Arameesche wuorden zijn, zou daarmede kunnen bestreden worden , dat zij wel hetzelfde feit voor den geest hadden, maar dat hunne keuze van woorden zich richt naar hun eigene denkwijze. Zoo heeft men die vgl. Matth. IA : 12 , Mark. 6 : 29 x-rü/tx, Malth. 15:19 xxnós. Mark. 7:28 xoviipxe, voorbeelden, die met zeer vele kunnen verrijkt worden.

Ik houd, i. e. w., de door de synoptici overgeleverde verhalen voor zuiver, zonder overlevering van tweeden en derden, zonder toevoegsels, ik laat ze staan op hun plaats, waar ze staan zonder een volgorde aan te wenden. De indruk, dien ik, van de behandeling van de door Ds. Z. ten aanzien van de aangehaalde pericopen heb, is, dat Ds. Z. de resultaten van de moderne eritiek aanvaardt in toepassing op de beoordeeling van de genoemde pericopen. Intusschen ontbreken bij Ds. Z. de (/romüeH, waarop hij aanneemt, dat men hier eene overleveringsgeschiedenis, een toevoegsel, woorden van tweeden en derden heeft, liet een en ander had door hem nader moeten aangetoond zijn.

Ds. Z. zegt: „Malth 12; 40 wordt ten slotte een beeld van Jezus' opstanding en wel zoo onhandig, dat de schrijver den lieer drie etmalen in het graf laat blijven.quot;

liet hoofddoel toch van hetgeen aangehaald is, is om aan le duiden „Jezus Opstanding.quot; {b) Het Evangelie van Johannes hoofdstuk 2:18 deelt ons mede, dat de Joden tot Jezus zeiden: uAVat teeken toont gij ons, dat gij deze dingen doet? vers 19. Jezus antwoordde en zeide tot hen: „Breekt dezen tempel en in drie dagen zal ik denzelven oprichtenquot;.

ocr page 36

28

Hier noemt Jezus zijn lichaam een Lempel, (dour de Joden op hun tempel overgebracht,) welke éénmaal afgebroken en weder opgericht zal worden in drie dagen. Opmerking verdient, dat zelfs Mattheus en Markus deze woorden bezigen als eene beschuldiging van de vijanden tegen Jezus, toen Hij aan het kruis hing. Lukas heeft er niets van. We zien, dat de woorden van onzen Heiland zijn overgeleverd, maar zoo, dal de schrijvers geheel onafhankelijk van elkander geschreven hebben. Wij hebben hier te doen met eene overlevering, maar met met eene overleveringsgeschiedenis. De schrijvers hebben niet van elkander gekopieerd, maar onafhankelijk van elkaar geschreven.

\,L)s. Z zegt;/én wat vindon wij in de laatste gelijkenis van Mattheus 25.'Drieerlei stof, samengeweven tot éene gelijkenis: ten 1° het gericht over de volken; ten 2° het gericht over de individueele personen, als schapen en bokken voorgesteld; ten 3e een woord van den Heer over het bewijzen van liefde en de waarde daarvan in hel oordeelquot;.

„Deze drieërlei stof behoort wel degelijk bij elkaar om een samenhangend geheel te maken. Zonder het gericht over de volken zou er ook geen gericht over de individueele personen zijn; en spreekt Jezus over het bewijzen van liefde om Zijnentwil, dan blijkt daaruit, dat zonder die bewijzen geen welgevestigde hoop op zaligheid bestaan kan. Immers, die den geest van Christus niet heeft, die komt Hem ook niet toe. Den eisch der beoefening der liefde stelt Jezus aan zijne discipelen en de liefde beoefening is de open-

ocr page 37

29

baring der koninklijke wet in het koninkrijk van God ; want G)d is liefdequot;.

„Intusschen zegt Ds. Z. hebben wij bij zulke verschijnselen dubbel voorzichtig te zijn en is hel waarlijk geen zaak zich zoo maar zonder bedenken — oppervlakkig weg — te beroepen op een overgeleverd woord van onzen Heiland, hetzij lol slaving hetzij lot ontkenning b, v. van het, historisch bestaan der aartsvaders, van het schrijven van den Pentateuch door Mozes, van het verblijf van Jona in den visch enz — Als Jezus Christus in onze Evangelieën gewaagd van Abraham — Izaak —Jacob — Mozes — David — Jona, enz. dan spreekt Hij, van hetgeen ilij in hel 0. T. vóór zich had, zonder zich te begeven op het gebied der literarisch-historische critiek aan die dagen nog geheel vreemd — óok in Israëlquot; ').

Hierop antwoord ik, dat, als Jezus tot de schare sprekende, zich beroept op zijne waarheidsliefde, zoodat niemand hem kon overtuu en van zonde, dan kan ik mij van een onfeilbaar persoon niet denken, dat hij zoo onkundig zou zijn ten opzichte van hetgeen Hij aanhaalt uit het 0. V., dal hij niet weet, of het een uitspraak van Mozes is, of een woord van David, enz. Dat Jezus geen wetenschappelijk onderricht in

1) Indien wc moeten toepassen op hetgeen door Jezus wordt aangehaald „het kan waar en ook niét waar zijnquot; dan zou men het met evenveel recht kunnen doen op do heiisoeconomie. Dit nu zou leiden ^ot scepticisme ten aanzien van de waarheid van liet Christendom. — Waarborg van zekerheid vóór de waarheid, van hetgeen Jezus desaan-gaande leert, zou men volgens den raad van voorzichtigheid, door Ds. Z. in het eerste geval gegeven, niet hebben.

ocr page 38

30

geschiedenis, in natuurkunde, in meetkunde, in me-taphysica gaf, zooals Ds. Z. ze^t, is zoo, maar dat Jezus woorden aan eencn schrijver zou toekennen, b. v. aan Mozes en David, die door hen niet zouden gesproken zijn, dal zou geen getuigenis geven van waarheidsliefde des Heeren. Os. Z. zegt: „Wij weten er niets van, hoever Jezus' wetenschappelijke kennis gestrekt heeft; wparaati tvel, waaraan niet Hij getwijfeld heeft. (Aant. 3), en verder „wetenschappe-lijk-historisch valt hier niets te bevestigen noch „te ontkennen. Wat de schrijver bijbrengt, door een beroep te doen op het mosterdzaad door Jezus genoemd het kleinste der zaden of op de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus betreffende de teekening van den Sjeól of van een ingaan in het leven , kreupel en verminkt, doet hier niets ter zake ter bevestiging van de voorstelling dat, Jezus een uitspraak van Mozes zou aanhalen, die niet van Mozes zelf zou zijn, of een woord van David, dat niet van David zijn zou. Van Jezus wordt door Ds. Z. gesproken op eene menschkundige wijze, alsof hij al of niet kon kennis dragen, van wat door Mozes of David zelf gesproken is, of geschreven. Dit is zeker vernederend voor Jezus' waardigheid als Zoon van God en dit te meer, wanneer Jezus, die een beroep doet op zijne waarheidsliefde/zeggen kon „wie overtuigt mij/zondequot;/ Ds. Z. zegt, dat Jezus zich niet begaf op het gebied der literarisch-historische critiek, hoezeer, zegt Ds. Z. die critiek| aan die dagen nog geheel vreemd was, óok in Israël. In verband hiermede, zegt hij dan ook, dat het waarlijk geen zaak is, „zoo maar zonder

ocr page 39

31

bedenken — oppervlakkig weg — zicli Ie beroepen op een overgeleverd woord van onzen Heiland, hetzij tot slaving hetzij tot ontkenning, bv. van het historisch beslaan der aartsvaders, van het schrijven van den Pentateuch door Mozes, van het verblijf van Jona in den visch,quot; enz. Daarbij moet ik opmerken, dat als Jezus Christus in onze Evangelieën gewaagt van Abra-ham, Izaiik, Jacob, Mozes, David, Jona, dat hij dan ^

spreekt van hetgeen Hij in het O. T. vóór zich had ')

en daarop beroept Hij zich, zonder eerst den maatstaf der üterarische critiek aan te wenden, wat Jezus niet

1) Zie Joh. 8 : 37 vv.; Matth. 8:4; 9:4; 19:7; Luk. G : 29; Matth. 12 : 3; 22 : 43; Matth. 8:11; Luc. 16 : 25; Joh. 8 : 52, 5G; Luc. 13 : 28; 20 : 17; Joh. 4 : G. - Zonder nu de plaatsen aan te halen, die in de Hand. der Apost. en de brieven voorkomen. Zou nu het aanhalen van die Godsmannen door Jezus geschied zijn, indien Jezus niet hun historisch bestaan erkend had? — Ze^t Ds. Z. „ten aanzien van het bestaan van Abraham, of Isaak, of Jacob, dat niet kan gezegd worden, dat er nooit een levend persoon van dien naam in t de V(5(5r-israélitiesche periode bestaan heeft; maar ook niet, dat zij toen wel bestaan hebben, dat geen van heide bewezen kan worden of hoogst waarschijnlijk gemaakt uit de woorden van Christus; dan heeft, ik kan er niets anders uit afleiden, Jezus zich vergist, dan is Jezus feilbaar geweest — dan hebben de Joden van Jezus' tijd, de Apostelen zich ook vergist. — Die verhouding wordt dan aan Jezus gegeven; H voor mij staat het vast, met het oog op Jezus* waarheidsliefde, dat Hij van die Godsmannen niet zou gespoken, noch hen hebben aangehaald, zóó zij niet werkelijk geleefd haddon in den tijd, in welken zij geleefd hebben. Het is, alsof Ds. Z. willekeurig wellicht er toe gekomen is, om aan Jezus den maatstaf der critiek iu handen te geven; adders begrijp ik niet, hoe hij er toe komen kan, op zelfs eenigzins behoudend standpunt , Jezus tegenover de H. S. des O. V. zulk een houding te geven en dat zelfs zonder aanvoering van eenig historisch bewijs.

ocr page 40

32

zou hebben gedaan, stel, dat zij in die dagen reeds in gebruik was, omdat het strijdt met de geloofwaardigheid, welke Jezus toekent aan de schriften des 0. V. zie Joh. 5 : 39 vv.; juist daarom, omdat Hij zich op de schriften beroept. Waarlijk mag men wel vol ontzetting uitroepen: „Maar zou de Heer Jezus, die de waarheid is, onwaarheid gesproken en zich vergist hebben!quot;

Wanneer de schrijver zegt in zijne aanteekening n0 2 „hiermede is niet gezegd, dat er nooit een levend wezen, Abraham, Izaiik en Jacob geheeten in de vóór Israëlitische periode heeft bestaan, gelijk een mijner geëerde opponenten ter vergadering meende te moeten opmerken uit mijne woorden, maar ook niet, dat zij toen wel hebben bestaan, geen van beide kan men bewijzen of hoogstwaarschijnlijk maken uit de woorden van Christus,quot; in verband met hetgeen hij zegt, „dat men voorzichtig moet zijn om zich zoo maar oppervlakkig weg te beroepen op een overgeleverd woord van onzen Heiland hetzij tot staving hetzij tot ontkenning bv. van het historisch bestaan onzer aartsvaders;quot; zoo moet ik er uit opmaken, dat er een Abraham, Izaiik of Jacob ook niet historisch bestaan kan hebben en ook wèl bestaan kan hebben, maar het kan niet beslist uitgemaakt worden noch tot staving noch tot ontkenning, uit de woorden namelijk van Christus (c). Derhalve zullen zij of kunnen zij denkbeeldige personen geweest zijn. Stellen wij nu, dat Abraham niet historisch bestaan heeft, dan zal al wat van Abraham gezegd werd en door Jezus en door de Apostelen, ook denkbeeldig zijn en

ocr page 41

33

hierdoor zal dus het geloof ten opzichte van de overlevering ten aanzien van de geschiedenis van Abraham rusten op fantasie; dit ook met betrekking tot Izaak en Jacob. Op de woorden door Jezus gesproken, zullen wij niet kunnen vertrouwen als waar te zijn. De meening ten aanzien van de geschiedenis van Abraham namelijk, of die geschiedenis van Abraham in den pentateuch bewaard, zeker zij, heeft Voltaire reeds als twijfelachtig beschouwd. „Abraham, zegt hij, is een van die vermaarde namen in Klein-Azië en in Arabië als Thaut onder de Egyptenaren, Zoroaster bij de Perzen, meer bekend door hunne vermaardheid dan door eene welbevestigde geschiedenis. Daartegen hebben eenige Joden van de Uoogduitsche en Poolsche synagoge te Amsterdam ingebracht, dat Abraham wèl eene bevestigde geschiedenis gehad heeft en wijzen erop, dat zijne geschiedenis geschreven is door een' geschiedschrijver, die aan zijn tijd grenst en wiens overgrootvader meer dan 30 jaren met den kleinzoon van dezen patriarch geleefd heeft. Deze onpartijdige schrijver verhaalt nauwkeurig de afkomst en het vaderland van dezen patriarch, zijne reizen, zijne deugden, zijne gebreken. Hij wijst op de Hebreen, die in het land trokken, hetwelk Abraham bewoond had; de plaatsen noemt hij, waar de patriarch, dea-zelfs zoon en kleinzoon hun verblijf hadden gehouden, de altaren welke zij gebouwd, de putten welke zij gegraven, de landerijen welke zij verkregen, de volken en koningen met welke zij verschillen of verbindte-nissen aangegaan hadden. Een even uitvoerig bericht geeft hij hun van de verschillende plaatsen, welke

3

ocr page 42

u

zijne verschillende achterkleinzonen vermaard gemaakt hadden, door hunne ontmoetingen of door hunne misdaden. Daarbij voegen zij ook de geslachtsregisters, welke onder de Joden voor echt gehouden worden en dat zij, zoowel als de Arabische Ismaëlieten, zich beroemen op de afkomst van Abraham, waarbij nog komt het getuigenis van twee volken, en wel naburige en vijandige volken, de Moabieten en Ammonieten, die zich nakomelingen van den neef van Abraham noemden en dat der volken van Kanaün, die door den naam van Hebreen , welke zij aan onze vaderen gaven, hen verklaarden voor vreemdelingen in hun land en afkomstig van gene zijde van den Euphraat. Zij besluiten eindelijk hunne bewijzen met aan te voeren, dat de God, dien de Joden aanbaden, de godsdienst dien zij beleden, het land, dat zij bewoonden, de gedenkteekens, welke zij voor oogen hadden, hunne overleveringen, hunne schriften, dat alles Abraham aankondigde; en besluiten met te zeggen, dat, indien na deze menigte van bewijzen het bestaan van dezen patriarch en de afkomst der Joden geene wèl bevestigde waarheden zijn, er dan geene in de geheele oude geschiedenis zijn. Vervolgens zeggen zij tot Voltaire, dat hij om de geschiedenis van Abraham verdacht te maken, hetgeen hunne schriften van Abraham verhalen, mengt met de verdichtsels, welke de Arabieren daaromtrent uitventen. Voltaire zegt: „Ik spreek hier alleen van de ongewijde geschiedenis, want wij hebben voor die der Joden de gevoelens, welke wij moeten hebben. Wij richten ons alleen tol de Arabieren. Men verhaalt ons, dal Abraham de zoon van een'pol-

ocr page 43

35

lenhakker was — dat hij Mekka bouwde en aldaar overleed.quot; Daartegen voeren zij aan, dat de Arabieren het zeggen, maar niet het boek Genesis. De Arabieren verhalen het, zegl gij; maar welke Arabieren? de oude; gij hebl hunne boeken niet; de hedendaagsche? doch die zijn meer dan 2000 jaar later dan Mozes en zijn altemaal schrijvers zonder oordeelkunde en ten uiterste onkundig omtrent de tijden, welke voor de Hegyra geweest zijn. Gij zelf erkent dit en verlaat zuivere bronnen om uit deze modderige beken te pullen. Dit zijn de getuigenissen, welke gij stelt legen die van een verstandig wèl onderricht en bijkans gelijktijdig schrijver. Dat de Arabieren Abraham Mekka doen bouwen, volgt daaruit, dat het bestaan van dezen patriarch twijfelachtig en de afkomst der Joden onzeker is; zóó ontkent men wèl bevestigde waarheden, omdat schrijvers zonder smaak er zoo veel verdichtsels onder gemengd hebben. Zegl Vollaire, dal de Joden door de Babyloniërs waarschijnlijk den naam van Abraham hebben leeren kennen: daartegen zeggen zij, dal zij gelooven, ómdat hunne boeken hel getuigen, dat Abraham een Chaldeër was Verder zegl \oltaire „dat de naam Bram, Abram, Ibraïm beroemd was in Perzié en dat de Perzen beweren, dat deze Abraham of Ibraïm van Bactriana was en dat hij nabij de stad Balk gewoond heeft en in hem een profeet van den godsdienst van Zoroaster erkenden en dat zelfs vele geleerden in hem denzelfden wetgever zien dien de Grieken Zoroaster noemdenquot;. Daartegen verklaren zij, dat de Perzen den persoon Abraham niet eer kenden dan toen hij in Perzië beroemd was ge-

3*

ocr page 44

30

worden, doch niet voordal de Hebreen hem kenden maar daarna, dat wil zeggen, na den tijd, in welken de Joden de geboorte van Abraham plaatsten. Zij vragen tevens tijdsbepaling, in welken Zoroaster zou geleefd hebben, alias Abraham. Zij werpen tegen, dat vele oude en hedendaagsche geleerden spreken van twee Zoroasters, den eenen, die onder Darius zoon van Ilistaspes leefde en derhalve veel later dan de Vader der geloovigen, ofschoon het tijdperk von den anderen niet zeker is aan te geven; dat sommige geleerden hem plaatsen vijf of zeshonderd jaren vóór Darius, anderen nog vroeger. Indien het Zoroaster, de tijdgenoot van Darius^zjj, dan is het tijdperk te laat om iets tegen onze schriften te bewijzen, indien het de oude zij, dien zij met Abraham verwarren , verlangen zij te weten op wat grond, enz., genoeg aangehaald om te doen zien, dat Voltaire reeds het beslaan van Abraham of ontkende of althans het twijfelachtig beschouwde'). Aangaande het schrijven van den Pentateuch door Mozes, zegt Voltaire, dat men dien nog niet had ten tijde van het „Boek der wijsheidquot;; waartegen zij inbrengen, „dat dus de Pentateuch noch in de eerste, noch in de tweede eeuw der Christelijke jaartelling kon bestaan hebben, zoodat zij zulk eene bewering als onmogelijk achten en beschouwen het een groven misslag tegen de tijdrekening.quot; „Voltaire wijst daartoe op voorgang van Collins, Tindal en anderen op den aard der stoffen, op welke men ten tijde van Mozes gewoon was te schrijven.

1) Ik ouderatreep.

ocr page 45

37

die hem beletten den Pentateuch te schrijven, en bewijzen niet alleen, dat Mozes de schrijver niet is,

maar dat het hem in de omstandigheden, in welke hij zich bevond onmogelijk was, denzelven te kunnen //

schrijven; want de eenige toen bekende schrijfwijze ^• was de kunst van zijne gedachten te graveeren in / 1-

gepolijsten steen, in tichelsteen, in lood of in hout.quot; ■fS/ /' De Joden vragen dan ook ierec/i^'), „op welk gezag deze - , oordeelkundiger! hunne bewering staven, wanneer zij de stoffen, in welke men het schrift graveerde, tot steen, hout of de metalen bepalen. Zij halen daarbij aan, wat de geleerde Graaf Caylus desaangaande zegt:

„het is geenszins twijfelachtig zegt hij, dat de schrijfkunst eenmaal uitgevonden zijnde, men dezelve op allerlei stoffen in het werk stelde, waarop geschreven kon worden. Men schreef derhalve in die vroege tijden op steen, metalen en hout niet alleen, maar ook op allerlei soort stoffen, waarop geschreven kon worden en dat men zoodanige stoffen zal verkoren hebben, welke algemeen waren, en met het meeste gemak konden vervoerd worden.quot; Vervolgens wijzen die oordeelkundigen, reeds genoemd, die beweren,

dat Mozes den Pentateuch niet heeft kunnen schrijven, op de karakters, welke ten tijde van Mozes al in gebruik waren en op den toestand, in welke zich de Israëlieten in de woestijn bevonden; genoeg hierover om aan te toonen, dat men toen reeds den Pentateuch beschouwde als niet door Mozes geschreven te zijn. In onze dagen gaan ook vele critici uit

1

Ik onderstreep.

ocr page 46

38

van dc meeniiig, dal dc Pentateuch niet van Mozes is. — Doch het is niet te ontkennen , dat zij slechts uitgaan van onderstellingen, die eerst moesten bewezen worden waar te zijn 1).

De resultaten toch van de kritiek geven geen grond voor absolute waarheid. Zelfs het beginsel van kritiek leidt den onderzoeker in hetzelfde dwaalspoor. Op misschien's en wellichts af te gaan, en daarop zijn geloof te bouwen is gevaarlijk. Hierdoor blijven wij steeds staan voor de onbeantwoorde vraag: wat is waarheid?

Intusschen zij gezegd, dat wanneer men zich op een overgeleverd woord onzes Ileilands beroept, bijv. iets aangaande Abraham of Izaiik of Jacob of Mozes, het waarlijk geen zaak is, dat zoo maar zonder bedenken, oppervlakkig weg te doen, dan moet men ten slotte zich wel afvragen, heeft Jezus dan zóó gesproken, dat men het niet als gezaghebbend kan aannemen, wat een droef verschijnsel mag en moet genoemd worden, want daardoor toch wordt niet weinig het geloof in Jezus als de Waarheid te zijn, ondermijnd; daardoor toch wordt twijfel gevoed, en hierdoor de meening aangaande Jezus' onkunde ten aanzien van de betrouwbaarheid van hetgeen Jezus aanhaalt uit de 0. T. geschriften niet weinig versterkt. De meening zelfs is, dat, indien de literarisch-histo-rische critiek in die dagen bekend was en werd uit-

1

Het bestek vau het boeije laat niet toe nader ann te wijzen, dat de Pentateuch ivel van Mozes is, en dat Abraham historisch bestaan ' heeft in den tijd, in welken hij, volgens dc H. Schrift, geleefd heeft.

ocr page 47

39

geoefend, ook Jezus daarvan zou gebruik gemaakt hebben. Voor zulk een gevolgtrekking vindt men in de Evangeliën geen het minste spoor van recht. Ds. Z. zegt: „vergeten wij evenmin, dat al de woorden onzes Zaligmakers tot ons gekomen zijnquot; ja! enkel uit Ileidensch-christelijke bronnen, maar toch verre de meeste uit Joodsch-cristelijke, en de meeste eerste christenen hebben, zooals wij uit het overige deel des N. T. bemerken kunnen, Jezus Christus aangezien met nog vrij wat joodschen zuurdeesem in het hart. Wij zien het trouwens daar, zegt hij, wel degelijk, bv. wanneer wij Jezus' verhouding tegenover de wet aldus geformuleerd zien en haalt daartoe aan Matth. 5: 17—20.

Op Matth. 5:17—20 laat üs. Z. volgen: „En Jezus ontbindt wel degelijk de wet, wanneer Hij zegt (met aanhaling van Ex. 21:24, Lev. 24 : 20, Deut. 19 : 21): Eertijds: „oog om oog, tand om land, maar ik zeg eertijds: „uw naaste volksgenoot) zult

gij liefhebben (Lev. 19:18), maar uw vijand hatenquot; (vgl. b. v. Deut. 23:7, St. Vert, vs 6: Gij zujl hun rust en vrede en hun welzijn en geluk niet zoeken al uw dagen Iqgt;. in eeuwigheid — „doch ik zeg uquot;).quot;

„Zijn „vervullenquot; is ontbinden. Dit heeft Paulus helder ingezien, toen hij schreef: gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade (Rom. 6:14). De meeste eerste christenen uit de Joden hebben dit niet ingezien. Van daar, dat het ,,maar ik zeg uquot; hetwelk de daarbij genoemde (in Jezus' schatting verkeerde) geboden te niet doet, in Matth. 5 ons is overgeleverd als een „voltooienquot;, dat „niet ontbindtquot;. En onder

ocr page 48

40

ons, christenen van veel lateren tijd, zien nog zeer velen dat niet in.quot; Daarna wijst Ds. Z. op de commentaren op Matth. 5:17—20 om te zien, hoe verlegen men met deze woorden zit en men nu er onwillekeurig toekomt, om ze iets anders te laten zeggen, dan hetgeen er oorspronkelijk mede bedoeld is: nl. voortduring, óók van den eeredienst der wet, met zijn tempel, offerritus enz., tot aan de voleinding der wereld.quot; De bedoeling van Ds. Z. is, met het oog op vs. 38 (Matth. 5) en vs M, „Gij hebt gehoord dat gezegd is enz.quot; om Jezus voor te stellen als de wet te ontbinden. Indien dat waar is, dan heeft Jezus zich tegenover de ivet gesteld en weersproken hetgeen gezegd wordt in vs. 17.

Doch wat is de zaak. Ds. Z. gaat van de onbewezen stelling uit, dat we onder „Wet en Profetenquot; verstaan moeten de voortduring ook van den eeredienst der wet, met zijn tempel, offerritus, enz. tot aan de voleinding der wereld vs. 18. Hij grondt zijne bewenng 1° op de vertaling vs. 18, welke moet zijn „zoodat alles in stand blijftquot; met heenwijzing naar Gen. 17 ; 8, „Ik zal hun tol een God blijven.quot; 2° op de zaak, dat Papias n. m. 1. van Marcus zegt, dat hij, hetgeen door Jezus gesproken en gedaan is, nauwkeurig opschreef en van Petrus, zonder het doel om een samenstel van 's Ueeren redenen te geven (rüv wpixxtiv xoyiuv [and. IIss. xóyuv], maar dat het woord Xoytuv aanleiding gegeven heeft het gelijk te stellen „met hetgeen door Jezus gezegd en gedaan is '). Nu is het vermoe-

l) Ik onderstreep.

ocr page 49

den van Üs. Z. dat hoyixv de corrupta en hiyuv de oorspronkelijke lezing is, en dat het woord wpixxüv aan een onoplettend afschrijver of een emendator aanleiding gaf om hier óók loyiw te schrijven, dan vervalt de geheele strijd over: xóyioc, alléén „uitsprakenquot; óf „uitspraken en dadenquot; en dan is „t-dyix in Papias' fragment niet anders dan titel, vertaling van een Arameesch „Millajjaquot;. Maar dan is ook niet uit te maken , óf die oorspronkelijke Millajja di Marê óók daden van Jezus heeft verhaald, want mil li n is, evenals het Ilebreeuwsche debar! m zoo wel „verbaquot; als „resquot;.

Beteekent dus ra xéyix titel, dan kunnen we niet beslissen, zegt Ds. Z. of het ook daden van Jezus verhaald heeft. Bevat hetgeen van Mattheus door Papias gezegd wordt, dat hij (Mattheus) in het He-breeuwsch schreef (d. i. in het Arameesch Joodsch dialekt van die dagen) tx Koyix (xtipixy.x) ovvstx^xto and. tx y.oytx truveypxtpxTo (ontleend uit een fragment uit de thans verloren geraakte ?,o?iuv mpixxüv èamp;wru; van genoemde Papias), alléén redenen, gezegden, dan kan liet ten goede komen voor de opvatting van Ds. Z. ten aanzien van de vertaling vs. 18 „zoodat alles in stand blijftquot;. Doch langs welken weg is nu de schrijver lot die vertaling gekomen,/aüeen langs den weg van vermoeden. De emendalor of een onoplettend afschrijver heeft maar willekeurig eene verandering in het geschrevene gebracht. Op wat grond zegt Ds. Z. dat? Enkel op vermoeden. Hij haalt voor hetgeen hij beweert geen enkel bewijs aan. Prof. Ilarnack zegt „Was aber die gt;,6ytx y.upixy.x betreft, sie künnen

ocr page 50

42

„nienialsquot; „Evangelienquot; bedeuten (s. Zalm 11, S. 857 ff.) sondern nur den in Herrnworten bestehenden Evan-gelischen Stoff. Freilich ist dieser Stoff von Geschichte und That nicht streng zu trennen, wie denn auch an einer der drei Stellen, wo wir das Wort hoyix a. aus der Feder des Papias (resp. des Presbyters besitzen, das Wort mit tx vttctov Xpivrov y,KexöévToc. % Trpaxóéi/TX geradezu wechselt, allein das ist eben das charakte-ristische für die Ilallung des Papias, dass ihm tx Koyix k. noch der eigentliche Inhalt sind, auf dem es ankommt.

Hier is dus niet van lilel, maar wel van woord en daad sprake.

Vroegere kritische schrijvers hebben ook de „tx hóyixquot; voor woorden èn daden gehouden.

Papias heeft in vijf boeken gegeven „Verklaring der Goddelijke redenen Aoylcov xvpixxüv (Euseb. III,

36, 39. Hij was zeer nauwgezet en zeer ijverig om gezegden en daden van Jezus en de Apostelen bijeen te verzamelen. Zou nu de Xayix bij Mattheus iets anders beteekenen dan bij Marcus/ Het is voor mij zeker, dat die hóyix niet iets anders kunnen beteekenen dan woorden en daden des Ileeren. Zou het denkbaar zijn, dat door Mattheus slechts woorden of gezegden des Ileeren zouden zijn medegedeeld en geene daden? Stel zelfs, dat die ?.ó?tx het oorspronkelijk geschrift van het Mattheus-Evangelie geweest zijn, is het dan ook zelfs denkbaar? Ook dan niet. Wat wil ik met het een en ander aangevoerde zeggen? Niets anders dan dit, dat wat door Ds. Z. gezegd wordt aangaande Matth. 5:18, waar de vertaling zou zijn

ocr page 51

A3

„zoodal alles in stand blijjl, volstrekt op een onbewezen vermoeden rust. Als volgens Ds. Z. Jezus de wet ontbonden heeft, vs. 17, dan moet per se door hem worden aangenomen, dat vs. 18 van een Joodsch-Christelljk interpretator moet geweest zijn. Omdat volgens hem met vs. 18 bedoeld wordt voortduring ook van den eeredienst der wet, met zijn tempel, offerritus enz. tot aan de voleinding der wereld.

Zegt nu Ds. Z. „Jezus ontbindt wel degelijk de wet, maar in de aangehaalde pericoop Matth. 5:17—19 is eene geruststelling voor hen, die bijv. Paulus'vrijheid tegenover de wet ongepast vonden; de vrijheid van den lieer, die men niet ontkennen kon, is omgeduid in een „aanvullenquot;, dat „niet ontbondquot;, dan geeft dit te kennen, dat Jezus de wet niet erkend heeft in hare steeds voortdurende kracht en beteekenis. Laat mij veeleer zeggen, dat Jezus zich niet verzet heeft tegen de wet met het „maar ik zeg u/welke woorden door Ds. Z. gebezigd worden tot grond, waarop hij zijn vermoeden bouwt, dat Jezus de wet ontbindt. Jezus heeft de wet van Mozes niet willen krachteloos maken, noch van haar verbindende beteekenis ontdoen, maar Hij heeft haar in hare wezenlijke beteekenis voorgesteld, gezuiverd van de verkeerde verklaring der Farizeers en Schriftgeleerden, die het gebod krachteloos maakten door hunne inzettingen. Zijn oogmerk er mee was niet om daarmede te willen aangeven, dat Hij een overvloediger gerechtigheid leerde dan Mozes, maar wel overvloediger dan de Farizeers. en Schriftgeleerden leerden. Wij denken dan aan die oude Leeraars, die na de Bab. ballingschap waren

ocr page 52

u

opgestaan om de wet en haar zin naar hunne begrippen te verklaren in school en Synagoge. Jezus toch wil leeren, dat men grove ondeugden «ie/a^ee/i moet nalaten, maar dat men ook moet nalaten, wat met het beginsel der liefde in strijd is. Dat is hier wat anders dan wat Maimonides leerde, dat een leerling geen wijze leerling is, die een beleediger niet wreekt. Zulk een bestaan is in strijd met de letter Lev. 19:18; Spr. 20;2i2, 24:29, en doet den God-delijken Wetgever oneere aan. Eene verkeerde uitlegging van de wet was ten tijde van Jezus vrij algemeen onder de Joden heerschende en wordt door Jezus bestreden.

Jezus ontbindt dus de wet niet. Dat wat Ds. Z. aanhaalt Matth. 5:38, 41 „maar ik zeg uquot; geeft hem geen recht om te zeggen: Jezus ontbindt de wet. Hij mag de bedoeling van Jezus (stel dat het waar is) met betrekking tot de wet niet overbrengen op Matth. 5:17—19, alsof Jezus de wel ontbond.

Wanneer wij die woorden wel beschouwen in hunne rechte beteekenis, dan wordt daar geleerd, datJezus de wet en de Profeten vervult, maar niet aangeduid, dat, wat Ds. Z. zegt, „dat de vrijheid van den Heer omgeduid werd in een „aanvullenquot; dat „niet ontbondquot;.

Het woord „vervullenquot; in den zin van „niet ontbindenquot;, lezen wij Joh. 15:25, Joh. 17:12. Dit nu, wat de wet en de Profeten betreft, zal niet in stand blijven, tot aan het einde der wereld, maar dat zal vervuld worden door den Heer. Dat zal zeker geschieden; eer ga hemel en aarde voorbij, zelfs niet het geringste zal vallen Luc. 16: 17; Luc. 21 :32.

ocr page 53

45

Jezus zou ,,de wetquot; vervullen, door haar recht te verklaren, door haar volkomen te betrachten, en „de Profetenquot;, die haar verklaarden, op de betrachting er van aandrongen en daartoe aanmoedigden door beloften; die het volk wezen op den Messias en op de verwachting van geestelijke zegeningen door Hem. Die verklaring, die beloften en profetieën, zouden door Jezus vervuld worden. Dil nu zou Jezus zeker doen; Hij zou niet „ontbindenquot;, maar „vervuilenquot;.— Door de Joden werd Jezus beschuldigd de wet te ontbinden; vgl. Matth. 12:1 vv.; Luc. 6 : 1 vv. Jezus zegt in vs 17 (Matth. 5): Meent dat niet, want ik ben gekomen om de „wet en de Profeten'' te vervullen, niet om „aan te vullenquot; maar om te leeren, zoodat Jezus d^rzelver verbindende kracht erkend heeft en óók derzelver geestelijke beteekenis, d. i. derzelver reiniging van de besmetting des vleesches en lïes geestes; niet aan de wel toegeschreven als zijnde eene kracht om die reiniging te werken, maar aan de wet toegekend als een eisch, dien zij stelt. Daarmede nu kan vereenigd gaan de beteekenis van volbrengen, vgl. Matth. 3:15, waar Jezus tot Johannes zegt; „het betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Dat het doen der wet het vervullen insluit, blijkt ook uit vs 19 (Matth. 5). Intusschen behoeven wij hier niet uit te sluiten, maar moeten wij insluiten, dat Jezus de wet moest vervullen, opdat Hij het recht ten eeuwigen leven verwerven zou, vgl. Matth- 19:7, Hom. 8:3, 4. Zou Jezus dat recht verwerven, dan moest quot;ij ook de gerechtigheid verwerven om te zijn, „rechtvaardigheid Gods in Hemquot;.

ocr page 54

46

In dit opzicht heeft Jezus de'wet vervuld, de wet der zeden en de wet der godsdienstplechtigheden, voorzoover wat het laatstgenoemde betreft, om het offer der verzoening te zijn, waarop dan ook Luc. 24:44 eene heenwijzing bevat, zoodat bij de uitkomst duidelijk blijkt, dat Hij niet gekomen is om de wet en de Profeten te ontbinden, maar te vervullen, wat de wet en de Profeten aangaande Hem getuigen.

Intusschen moet ik er bijvoegen, dat de meening dat Matth. 5:18, 19 een toevoegsel zou zijn, van een later Joodsch-Christelijk interpretator, eene meening is der moderne critiek, welke berust op waarschijnlijkheid, die niet gedekt wordt door grondige bewijsvoering, zoodat het ctaarom niet als bewijs kan gelden. Het is eene ongegronde subjectieve meening.

Zegt Ds. Z. „toldat de Hemel en de aarde zullen vergaan, zal er niet één jota noch één schrapje uit de wet vergaan, zoodat alles in stand blijft, is alzoo eene vrije aansluiting bij het woord der profetie (Jer. 81 :35, 36; 33:20, 22, 25, 29) juist iets, wat wij verwachten bij zulk een plechtige verzekering,quot; en wil hij daarmeê zijne bewering staven , van het „zoo dat alles in stand blijft;quot; de grond van die bewering is van dien aard, dat zij inderdaad zwak moet genoemd worden, omdat de door hem aangehaalde teksten veeleer wijzen op de komst van den Messias, èn wier inhoud eene verzekering te kennen geeft. Vgl. Luc. 1 :32, 33.

Op bladz. 12 van zijn Referaat zegt hij: ,,Dat dubbele sue xv heeft al wat hoofdbrekens gekost aan de exegeten, die dit, evenals yhyrxi hebben zoeken te

ocr page 55

47

verklaren uit het Griekscli met zijn afgepaste betee-kenis. In het origineel bestond deze moeielijkheid niet. liet imperfectum van hGwa drukt uit den altijd nog voortdurenden onvoltooiden staat van het „zijnquot; dus hel „blijven voortbestaanquot; (Gen. 17:8 en Ik zal hun lot een God blijven nl. in de „eeuwige bezitting Ka-naan,quot; gelijk Ik voor u een God ben geweest en nog immer ben).

De verklaring van Ds. Z. van Matth. 5 : 18 heb ik reeds aangehaald. Hij zegt vervolgens, dat die verzekering „zoodat alles in stand blijftquot; eene geruststelling is voor hen, die bijv. Pauius' vrijheid tegenover de wet ongepast vonden, maar toch hem niet durfden uitsluiten van Gods Koninkrijk als een valschen Apostel (d). Evenwel zouden Pauius en diens geestverwanten niet de grootsten zijn in het Koninkrijk der hemelen. Dat zouden alleen zij wezen, die zelfs niet één van de geringste dezer geboden zullen ontbonden en alzoo geleerd hebben. De vrijheid van Pauius en diens vrienden werd op deze wijze geteekend als een ontbinden ; de vrijheid daarentegen van den Heer, die men niet ontkennen kon, omgeduid in een „aanvullenquot;, dat „niet ontbondquot;. En zóó kon Pauius met recht vragen aan Petrus, of Christus dan een „bevorderaar van de zondequot; was (Gal. 2:17) als nl. niet meer leven naar de wet zonde was. Zóó zeker was Pauius er van, dat Chrislus de wet ontbonden had. Tot dus ver Ds. Z.

Op hetgeen Ds. Z. zegt, heb ik eenige aanmerkingen. Hij zegl: „het imperfectum van hëwa drukt uit den altijd nog voortdurenden, onvoltooiden staat van

ocr page 56

48

het zijnquot;; dus hel blijven voortbestaan, het,,in stand blijven'quot; en verwijst daarbij naar Targum Gen. 17:8 „en Ik zal hun tol een God blijven'quot;. Hierop merk ik aan, dat hetgeen Ds. Z. daar zegt, volstrekt geen bewijs is voor de voortzetting óók van den eeredienst der wet, met zijn tempel, offerritus enz. Immers kan hier en moet hier, volgens verband vs 18 met vs 17 en vs 19 de voortdurende beteekenis der wet en der Profeten, door Jezus zelve vervuld, aangenomen worden. Dat het door Ds. Z. aangevoerde, „voortduring óók van den eeredienst der wet enz.quot; bedoeld is, zou eerst door Ds. Z. moeten zijn aangetoond. Ook wat de vertaling der woorden sa- av kxvtx yswi-rai betreft heb ik eene aanmerking. Ds. Z. vertaalt het „zoodat alles in stand blijftquot;. Lezen wij den oorspronkelijken tekst Gen. 17:8 dan staat daar (zoo ook hebben de LXX en de latijnsche vertaling) „Ik zal hun tot een God zijnquot;. In Ex. 15:1G lezen

wij su?..........donee.....donee.....met een

conjunctivus. Zie ook Dr. Winer Grammatik des N.

T. pag. Ï289), dat is tol dat.....tot dat.....dus

niet zoódat. De aanhaling van Ds. Z., dat de Syr. vertaling het 2e 'iu? xv niet wedergeeft, kan niet tot bevestiging van zijne vertaling dienen, vermits de lezingen onder aan den tekst (Matth. 5; 18) veeleer bevestigen, dat het 2e scog amp;v er geslaan heeft. Hierbij dient toch gelet op de lezingen, welke lezingen n.m.I. een overwegend gewicht hebben. Daarenboven bevreemdt het mij, dat de schrijver het 1° sa; xu vertaalt door totdat, hel 2e door zoodat. Waarom het le £«? xv ook niet door zoodat vertaald. Als wij het woord

ocr page 57

4!l

„zoodalquot; sue xv in toepassing brengen op Luc. 9:27, Malth. 10: li uf zonder xv op Mark. 14:32 dan zijn die verzen niet te verklaren; eene gezonde verklaring kan er niet aan gegeven worden. Zie ook 2 Thess. 2:7, even zoo min als wij het Zv ook door

zoodat vertaalden.

Ds. Z. bezigt Gal. 2:17 om daardoor te kennen te geven, dat de Apostel Paulus zeker was, dat Christus de wel ontbonden had. Dat is de bedoeling van den Apostel niet. De Apostel had in vs 1ü gezegd, dal de mensch niet door de werken der wet, maar doorliet geloof in Jezus Christus rechtvaardig wordt. Hij bewijst dat door vs 1 / op deze wijze: Maar zouden zoeken door Christus rechtvaardig te worden, ook nog zeiven zondaars bevonden worden, zoo was Christus een zondedienaar (bevorderaar en leeraar der zonde). Doch welke manier van bewijsvoering wordt door Paulus gebezigd? Hierop dient gelet. Paulus gaat uit van de onrechtvaardigheid van eene stelling, door te wijzen op de gevolgen, die daaruit ontstaan. De leer van Paulus' tegenstanders bestond in de stelling, dat de mensch door de werken der wet gerechtvaardigd werd en niet door het geloof in Jezus Christus. Dat nu stelt de Apostel. Zijn besluit is: indien wij in die meening dwaalden, welke ontstaat uit den invloed des geloofs, dal nml. God onze zonden niet vergeeft, zoodal wij in Gods oog nog veroordeelde zondaren bleven, zoo ware Christus een zondedienaar, d. i. zoo wordt door Christus het bedrijven der zonde niet verhinderd maar bevorderd. Derhalve is dan de vergeving der zonden geenszins op de verlossing van

ocr page 58

50

Jezus Christus gegrond, zoodat. de verwachting van de vergeving der zonden door Jezus Christus gegeven, vruchteloos zijn zou. Jezus Christus zou ais dan een dienaar, een leeraar der zonde (vgl. 2 Cor. 3: 9) zijn.

Indien in het lijden en sterven van Jezus voor hen, die in Hem gelooven , niel de oorzaak van vergeving en zaligheid ware gegeven, zóó ware er tusschen het zoenoffer van Jezus en de offeranden des 0. V. yeen verschil en dan ook was Jezus, gelijk de Apostel zegt vs 21, te vergeefs gestorven. Met deze woorden (Gal. 2:17) geeft dus Paulus niel te kennen, dat hij zeker was, dat Jezus de wet ontbonden had, maar dat de niensch uit de werken der wet niet kon gerechtvaardigd worden. Jezus had de wel vervuld. iVit is er vergevinj. Wij hebben ons dus iv.et te houden aan spijswetten of andere uitwendige ceremoniën. Aan die spijswetten, vs 12, had i eti us zich niet moeten storen. Hij had kunnen eten met de Heidenen. Zie ook Hand. 10:-48, Hand. 11 :2 16. Hij handelde tegen zich zeiven, nu hij zich van de gemeenschap der Heidenen scheidde. Doch in verband met vs 17 kan daaruit niet getrokken worden het besluit: Ziet! Paulus is verzekerd, dat Jezus de wet ontbonden heeft. Dat strijdt met hetgeen Paulus zegt na vers 17. Paulus spreekt van de werken der wet. Derhalve is de vraag van Paulus aan Petrus, volgens Ds. Z. „of Christus dan een bevorderaar van de zonde was, als nml. niet meer leven naar de wet zonde wasquot;, wel in den mond van Paulus gelegd, maar men zoekt die te vergeefs in vs 17. De Apostel Paulus heeft den eisch der wel gehandhaafd, zoowel

ocr page 59

51

als haar doei, niet om door de wet gerechtvnardigd te worden, maar om gerechtvaardigd zijnde door het bloed van Christus, die wet uit liefde, dus niet meer wellisch, te betrachten, waarbij alle hare uitwendige ceremoniën wegvallen. De wet wordt vervuld in dit eene woord „de liefdequot;. Zoo leeft men Gode. Gal. '2; 19. Vgl Rom. 7:22. Ilebr. 8:10. Vgl. Joh. 15:10. Joh. 5:3. De wet is niet door Jezus ontbonden, niet afgeschaft; dat is ook door Paulus noch geleerd noch bedoeld. Gal. 2:17. De wet heefl volgens den Apostel eene blijvende beteekenis èn waarde, in den zin zooals ik dien boven omschreven heb. Laat mij eenige verklaarders aanhalen betreffende de pericoop Matth. 5: 17vv.

Brakel zegt: „Het oogmerk van den lleere van deze plaats Matth 5:16—19 is om te toonen, dat door zijne komst de nauwe godzaligheid niet afgeschaft wordt. Dat, hier van de wet der zeden gesproken wordt, is hieruit te zien, a. dewijl het die wet is, die een regel is van goede werken en van een heilig leven; h. dewijl het die wet is, tot welker ontbinding Christus niet gekomen is, dewijl hij wel gekomen is om de wet der schaduwen te ontbinden; c. dewijl het die wet is, welke Christus heeft vervuld vers \1, zoodal wij door zijne gehoorzaamheid tot rechtvaardigen worden gesteld Rom. 5:19; d. dewijl het die wet is, welke blijven zal zoolang hemel en aarde zullen staan vers 18; e. dewijl het die wet is, die men na Christus' komst niet mocht ontbinden , maar doen en leeren vers 19.quot; Calvijn zegt: vele menschen willende deze verlossing van den vloek der wet be-

4*

ocr page 60

52

duiden, zeggen, dat de wel is te niet en weggenomen aangaande de geloovigen, niet omdat zij hun niet meer gebiedt, wat recht is, maar alleen dat zij het nu niet is, zooals zij te voren was, dat is, dat zij hunne conscientien verschrikkende en beschamende, niet verderve of verdoeme.quot; En voorwaar, zulke wegneming der wet leert Paulus duidelijk en dat ook de lieer zelf ze verkondigd heeft, schijnt daaruit, dat Hij de meening van de afbreking der wet door Hem niet zou weerlegd hebben, was zij niet in nadruk onder de Joden geweest. En opdat wij ons niet ook aan dezen zelfden steen stooten, zoo zullen wij naarstig onderscheiden, wat in de wet is weggenomen en wat nog vast blijft. Als de Heer betuigt, dat Hij niet is gekomen om de wet af te breken, maar om die te vervullen, en dat totdat hemel en aarde verga, niet een tittel in de wet zal vergaan, dat niet zoude geschieden , zoo bevestigt quot;ij genoeg, dat de onderhouding der wet in geen ding door Zijn komst zal verminderd worden, en met goede oorzaak, want Hij is gekomen tot dit einde nl. omdat Ilij hare overtredingen zoude heiligen. Zoo blijft dan de leer der wet door Christus ongeschonden, dewelke ons met leeren, vermanen, scheiden en beteren, tot alle goed werk schikke en voege. Terecht zegt Calvijn op Romeinen 0:14 (hetgeen ik hierbij aanhaal). „Van deze vrijheid is een klaar bewijs in den zendbrief tol de Romeinen, vermits Paulus besluit, dat de zonde niet behoort heerschappij over ons te hebben, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade.quot; Die vrijheid, waarvan hij spreekt, verklaart hij nader, door te

ocr page 61

zeggen, dat dc gcloovige liet vleesch niet zich drucg, hetwelk ook begeerlijkheid is, en dat de zonde nog in hen woonde; maar hij, Paulus, stelt daarbij den troost, dat zij vrij zijn van de wet, alsof hij zeide; hoewel de zonde nog niet is uitgebluscht, en gij nog niet gevoelt, de rechtvaardigheid, geheel in u levende, zoo moet gij nochtans niet vreezen noch den moed verloren geven, alsof God om de overblijfselen der zonde altijd op u verbolgen ware, want gij zijt door genade vrijgemaakt van de dienstbaarheid der wet; opdat uwe werken naar den regel der wet niet moeten onderzocht worden. Maar die hieruit besluiten, dat wij wel mogen zondigen, omdat wij onder de wet niet zijn, die moeten verstaan, dat deze vrijheid, waarvan wij spreken hun niet toekomt, welker ende is, dat zij ons verwekke en moed geve tot het goede. Nuys Klinkenberg zegt op Matth. 5:17 en vervolgens. „Door deze uitdrukking wil de Heiland de onmogelijkheid van de tenietdoening der zedenwet aanwijzen , zoodanig, dat zij onveranderlijker en duurzamer is, dan het meest vaste gebouw van het heelal. Eer zouden hemel en aarde in het niet terug vallen, dan dat de minste eisch der zedenwet deszelfs verbindende kracht verliezen zou. Prof. van der Palm zegt, dut niet alles geschieden zal d. i. dat men zich van de geringste door de wet opgelegde verplichting zou kunnen ontslaan.

Joh. a March in zijn „Merch der Christelijke godgeleerdheid verklaart, dat Christus met Matth. 5:2Ivv. niet eenig . nieuwe bevelen van zich zeiven stelt tegen die. welke aan Mozes eertijds waren gegeven, maar, alleen zijne ware verklaringen tegen de misduidingen

ocr page 62

van de Farizeën stelt, dat blijkt uit de betuiging van Christus, vers 17 en uit zijn inscherpen van den duur van Mozes' wet; vers 18 en 1Ü; uit de tegenstelling van Christus' woorden tegen de gerechtigheid niet van Mozes, maar van de Farizeën vers 20. G. B. Reddingius in zijn Uitlegkundig handboek merkt aan, dat ontbinden is, krachteloos maken; en vervullen is „bevestigen Calvijn zegt elders in verband met Rom. 6:14, dat de geloovige eenen eeuwigen strijd heeft met de overblijfselen des vleesches en dat hij door ellendige dienstbaarheid gebonden gehouden wordt, zoodat hij zich niet geheel tot de gehoorzaamheid der goddelijke wet overgeven kan, en haalt daarbij aan Rom. 7 : li „Ik ellendig menschquot; enz. Hommius in zijn Schathoek, zegt op Rom. 4: 14 Deze plaats wordt niet recht verstaan en uitgelegd, want 7iiet onder de wet te zijn, is niet, niet gehouden te zijn der wet gehoorzaam te zijn , maar verlost te zijn van den vloek en hel bedwang der wel, gelijk onder de genade te zijn is, om Christus wil gerechtvaardigd en wedergeboren te zijn.

Wij zien uit al deze aanhalingen, dat de verklaarders, wal derzelyer geest betreft, nog al in hunne verklaring met eikander overeen komen, en dat het vervullen der wet en der profeten niet is ontbinden, zoo zelfs dat van de wet geen jota en tittel vallen zal, eer zullen hemel en aarde voorbijgaan. Paulus' vrijheid tegenover de wet is hier niet, een zich ontslaan van de wet, maar hij handhaaft het beginsel en het doel der wel. De Apostel ziet in, dat hij door de belrachling der wet de gerechligheid voor God

ocr page 63

55

niet kan verkrijgen, maar Ijelijill Hom. 1U : i vgl. Hom. 8 : 3 (lat hij uit genade gerechtvaardigd is voor God in het bloed van Christus door het geloof in Zijnen Naam. Uit dat geloof in Christus wedergeboren, doet hij de wet uit liefde tot God en tot Christus en tot den naaste door den Heiligen Geest. Hij zegt dan ook: „Want wij welen, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleeschelijk verkocht onder de zonde, liet bedenken des vleesches is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der wet Gods niet en het kan ook niet, Rom. 8 : 7 en spreekt van een wandelen naar den Geest en niet naar het vleesch, Rom. 8:4, ten aanzien dergencn, voor wie het recht der wet vervuld is. Vgl. Rom. 7 :26. liet is eenc burgerlijke handeling, niet om wraak aan te moedigen, maar te beteugelen, waarbij dient gelet op de personen tot wie Mozes spreekt. Hij spreekt hier bijzonder tot de Richters. Aan den beleedigde stond het vrij deiy misdaad te vergeven, doch zocht hij voldoening bij 't gerecht, dan moest de misdadiger met soortgelijke straf gestraft worden als de misdaad, waarmede hij een ander bejegend had. (e). In Jezus' tijd echter maakte men van dit recht misbruik, vermits zich de Joden zelf het recht om zich te wreken, aanmatigden. Tegen dat. schromelijk misbruik komt Jezus op met den hoogen en strengen eisch der liefde tot den naaste. Jezus ontbindt derhalve de wet niet, zooals die aan Israël gegeven is, maar handhaaft, wat ook door Mozes geschiedt, het beginsel der wet, hetwelk is, ,,liefdequot;, tegenover de willekeurige verdraaingen der wetgeleerden Zie ook Lucas 16:16 en i7, waar

ocr page 64

56

; slaat;* de wel en de profelen zijn lot op Johannes; vati dien tijd af wordt het koninkrijk Gods verkondigd en een iegelijk doet geweld op hetzelve; het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle. Door willekeurige verklaringen maakten de Joden de wet krachteloos. Exodus 21 ; 24, Lev. 24:20 en Deut. 19:21 geven het jus talionis (het recht der wedervergelding) te kennen, doch gelijk blijkt uit het zooeven aangehaalde, niet in dien zin als de Farizeërs en Schriftgeleerden in Jezus' tijd deden. Jezus zegt in Matth. 5:43 gij hebt (jehoord, dat er jeiegd is, gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten, maar ik zeg u, hebt uwe vijanden lief; vgl. Lev. 19 : 18, Gij zult niet wreken noch (toorn) behouden tegen de kinderen uws volks, maar gij zult uwen naaste liefhebben als n zeiven; ik ben de Ileere. De toepassing van hel recht der wedervergelding heeft bovendien ook bezwaren, wanneer bijv. iemand geen tanden, geen voeten, geen handen had. Solon, de wetgever stelde, dat wanneer een éénoogige van zijn oog beroofd werd, dat hij niets meer kon zien, dan moesl de beleediger beide oogen missen. Bij Israël hing de toepassing van het recht van wedervergelding af van den beleedigde. quot;ij kon vergeven als hij wilde en ook aanklagen bij den rechter, dit stond hem vrij. Het beroep op Deut. 23 : 0 „gij zult hunnen vrede en hun best niet zoeken al uwe dagen in eeuwigheidquot; wordt opgehelderd door vers 3 en 4 en heeft alleen betrekking op de Ammonieten en de Moabieten, vergelijk hoofdstuk 2 : 9 en 19. Daaruit is duidelijk le zien, dal de onheuschheid dezer

ocr page 65

57

volkeren aan Israël betoond, op den toeht naar Kanaan, onverschoonbaarder was, vermits de Ileere uitdrukkelijk gelast liad, ze niet te beangstigen. Wij zouden zeggen, ze hebben het verdiend. Dit laatste punt evenwel raakt het recht der wedervergelding niet; het is een uitvloeisel van hunne onheusche behande-deling, Israël aangedaan, zoodat tot hunne straf niemand, die uit hen afstamde, hoezeer hij der gemeenschap van Israels volk mocht ingelijfd worden,

ooit eenig eerambt in Israël bekleeden mocht, ja zelfs mocht Israël met die volken geen verbintenissen maken noch hen bevoordeelen. In Matth. 5:21 enz.,

stelt Jezus zijne nieuwe bevelen niet tegen die, welke door Mozes zijn gegeven, maar zijne ware verklaringen tegen de misduidingen der Farizeeën. Dit betreft ook de echtscheiding (Matth 19 : 4 enz. en Mark. lü : 2 enz.) Jezus geeft eene rechte verklaring van de wet tegen derzelver ontzenuwing der Farizeeën. Dit betreft ook do uitdrukkingen; gij zult nietdooden, gij zult geen overspel doen enz. Jezus spreekt hier tegen hetgeen iwi Ouden gezegd was, en zoo hooggeschat door de Joden, dat ze Gods gebod krachteloos maakten door hunne inzettingen Markus 7 :13. Wij mogen hierbij aanhalen de aanteekening op Matth. 5:38 „Oog om oog en tand om tand, in het JS. T. opnieuw uit den grondtekst overgezet ; „het recht van wedervergelding in deze woorden uitgesproken als het richtsnoer voor den rechter, werd door de latere leeraars geacht aan ieder de vrijheid te geven om zijne persoonlijke wraakzucht in te willigen; daartegen dringt Jezus aan op zelfverloochening die liever onrecht verdraagt dan kwaad met kwaad ver- / '

//

ocr page 66

58

geldt. Op Malth. 5:31 is aangeleekend. Uil gebod, dat oorspronkelijk strekte om het door de gewoonte den man toegekende recht tot verstooting zijner vrouw te regelen en te beperken, werd door latere Schriftgeleerden in den ruimeren zin verklaard, dat het den man vrij stond zich, om welke redenen ook, van zijne vrouw te ontdoen, mits de wettelijke vormen slechts door hem werden in acht genomen. Verre dus is hel er van daan, dal Jezus de wet van Mozes ontbinden zou, integendeel hij bevestigde de wet. Ten opzichte der echtscheiding moet ik hierbij melding maken van twee gevoelens, die toenmaals de Joodsche leeraars en hunne scholen verdeelden: sommigen beweerden, dat de vrouw door den man kon verstoolen worden, wanneer hij gegronde redenen had, al waren die minder sterk dan liet overspel, doch gewichtige redenen; anderen hielden staande, dat zij eene vrouw om allerlei oorzaken konden verstoolen, al was hel ook, dat zij het vleesch te gaar gebraden had, ol' omdat zij niet schoon genoeg was. Dit gevoelen stond Ilillel voor en de Farizeeën, zijne leerlingen, en hierop ziel Maltheus 19:8 en 9. Op Mallheus 5 :43 vgl. Lev. 19:18, gij hebt gehoord, dat er gezegd is „Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zuil gij halen, is wel waardig te vernemen, wat Cramer van Baum-garlen zegl: „De plaats der wet, op welke deze woorden doelen, vindt men Lev. 19:18: Gij zult niet wreken noch toorn behouden .... maar gij zuil uwen naaste liefhebben als u zeiven; Ik ben de Ueere.quot; Het bijvoegsel en uw vijand halen staat niet in de wet, doch de wetgeleerden gaven voor, dat hetzelve

ocr page 67

59

uil hel eersle lid van hel opgegeven gebud volgen moest, als waarin het den Israëlieten tot plicht gemaakt werd om onder elkander zich te verzoenen. Zij wisten dit gevoelen door de overlevering van andere leeraars en door de wetten betrelTende de wijze der behandeling der afgodische volken te ondersteunen. Ue wet had bepaald, dat zij de Edomieten en de Egyptenaren voor geen gruwel zouden houden en de kinderen, die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, in de vergadering des lleeren zouden toelaten (Deut. 23:7, 8), maar met de andere naburige afgodische volken mochten de Israëlieten geen verbond maken noch hun genadig zijn, zooals het uitdrukkelijk van de Kanaanieten Ueut. 7:1, 2, en van de Midia-nieten Num. 31 : 2 en van de Amelekieten Ex. 17:14 verboden werd. Üe Ammonieten en Moabieten zouden ook nooit, zelfs niet in het tiende geslacht, het Ilebreeuwsche burgerrecht verkrijgen. Deut. 23:3, tot dusverre de schrijverquot;. Dat bijvoegsel „en uw' vijand hatenquot;, dat niet in de wet stond, werd zoover uitgebreid dal het tot alle Heidenen overging, zoodat Tacitus Hist. L. 1. c. 5 zegt „onder elkander stijfzinnig in trouw, vaardig tot bannharligheid, dragen zij allen vijandelijken haat toe. Hun volkstrots ging zoover, dat zij (jen' Heiden en een Samaritaan niet zouden groeten.quot; Üe schuld daarvan lag niet aan de wet, maar aan hunne willekeurige uitbreiding, die zij aan het gebod gaven en zoo hoog geschat werd, dat de wel der overleveringen , de geschrevene wet als verslond. Verscheidene overleveringen, die door Christus zijn afgekeurd, vinden wij in de schrift vermeld.

ocr page 68

60

Om alle de overleveringen, door do Joden gebezigd, te vermelden, zou men den ganschen Talmud, in 12 boeken folio bestaande, moeten uitschrijven.

Immers wij vinden daarin een verhaal, een verklaring der overleveringen, welke de Farizeërs voorschreef om aangenomen en onderhouden te worden. In dezen zin, zooals de Farizeërs deden, ja, dan was het inderdaad een ontbinden van de wet, een krachteloos maken van het gebod. ,,Warc zegt Ds. Z. onze Heiland zulk een wets Christus geweest als de rivs: y.~o 'Ixxificj (Gal. 2:12) wets Christenen waren, gewis! de vijandschap der Joden tegen Hem ware nimmer zoo groot gewordenquot;. Ik zie niet in, op wat grond deze onderslcllimj rust. Die rr/s: xzo 'Ixxüfiou waren geloovigen, Joden van afkomst, die uit de besnijdenis waren te Jeruzalem.

Dat Petrus zich onttrok van de Heidenen, geeft aan Ds. Z. geen rcchl om te „meenen dat die sommigen van Jacobus nog zoo wettisch waren, dat als Jezus zulk een wets Christus ware geweest, de vijandschap der Joden tegen Hem nimmer zoo groot zou geworden zijn. Het geeft ook geen het minste bewijs voor de handhaving van de vrijheid van Paulus. Die sommigen van Jacobus waren immers Christenen. Dat de Joden vijandig waren jegens de belijders van Jezus behoeft geen nader bewijs. Zij waren dat zoowel jegens Hem als daarna, zooals uit de Handelingen der Apostelen blijkt. Al waren zij nu dezulken die met de heidenen geen gemeenschap hielden, dat lag niet aan de ivet, die liefde predikt. Echter zien wij uit de afspraak (in vers 10) tusschen Paulus en

ocr page 69

61

Barabbas Ier eene en Jacobus ter andere zijde, dat zij den eiscli der wet in de beoefening der liefde jegens de armen handhaafden. „Drie 1U-tallen van jaren zegt Ds. Z. na Jezus' kruisiging kon Pauius niet te Jeruzalem komen, of men legde het op zijn leven toe; Jacobus daarentegen kon er nog veilig verkeeren. Dit teekent (vergelijk ook Handel. 21 : 18—S-i). Dit teekent niets. Toen Petrus te Jeruzalem was legde men het evenzeer op zijn leven toe. {f)

De aangehaalde pericoop uit Hand. 21 doet ons zien, dat de Apostel niet geleerd had van Mozes-wet, wat de besnijdenis betreft, af te vallen. Daarvoor vinden wij geen bewijs. Wel later, wat we zien kunnen in den brief aan de Galaten. Doch stellen wij , dat de Apostel het verkondigd had, dan was dal niet tegen de zedewet gericht. liet betreft hier een schaduwachtige plechtigheid. Dat men echter voor zeker hield, dat Pauius het geleerd had, zien wij aan de oudsten die meenden dat Pauius van dit verwijt zich op geene andere wijze konde zuiveren dan wanneer hij openlijk betoonde, dat hij zich als een geboren Jood naar de wetten van Mozes gedroeg. Die gelegenheid om zich te kunnen zuiveren werd hem gegeven in de omstandigheid, die vs. 24 vv. verhaald wordt. Van die gelegenheid maakt Pauius gebruik. Derhalve zien wij dat Pauius geen recht gebruik maakte van zijn vrijheid tegenover de wet. Dat men Pauius wilde dooden, moet ons doen zien, wat eene valsche aanklacht veroorzaakt. Daarenboven zou men veeleer uit deze gebeurtenis kunnen afleiden, dat Pauius wetlisch, als onwettisch gezind was. Het is dus volstrekt geen

ocr page 70

0^2

bewijs om de vrijheid van Paulus tegenover de zede-wet te staven.

Daarom was het noodig geweest, dat Ds. Z. gronden had aangegeven, waarop hij zijn gezegde staafde. Duidelijk en grondig had hij moeten aantoonen, welke die woorden zijn, waaruit blijkt dat de meeste eerste Christenen uit de Joden Jezus Christus hebben aangezien met nog vrij wat Joodschen zuurdeesem in het hart. De door Ds. Z. aangehaalde pericoop, en wel ééne waarop hij beroep doet, is geen afdoend bewijs. Immers heb ik reeds aangewezen, dat die pericoop spreekt van „vervullenquot;, niet „van ontbindenquot;, en dat het woord des Heeren, „maar ik zeg uquot; de wet niet ontbond De hulp — „een Joodsch-Christelijk elementquot; in te roepen, om het tegendeel te willen, gelijk Ds. Z. doet, is geen bewijs. Dil kan ik plaatsen in iemand dat hij, wanneer hij een ander godsdienstig geloof is toegedaan, niet in alle teti eenen male zóó denkt (zoodra hij een ander godsdienstig geloof omhelst), dat hij omtrent het een of ander punt niet nader zou moeten worden onderwezen, en dat het woord niet op hem van toepassing zou zijn „zuivert den ouden zuurdeesem enz.quot;; maar dat zoo iemand zijn godsdienstig geloof zou gebruiken om zijn leermeester wat anders te laten zeggen, dan hij zegt, is ongerijmd en ondenkbaar.

Nog een enkel woord moet ik er aan toevoegen , naar aanleiding van hetgeen Ds. Z. zegt „n.1. vergeten wij evenmin, dat al de woorden van onzen Zaligmaker tot ons gekomen zijn, ja enkele uit de heidensch Christelijke bronnen, maar de meeste uit Joodsch

ocr page 71

Christelijke, bronnen. En de ineesle eerste Christenen uil de Joden hebben, zooals wij uil hel overige deel van het N. T. duidelijk bemerken kunnen, Jezus Christus aangezien met nog vrij wal Joodschen zuurdeesem in het hartquot;. Zonder hier veel te zeggen van de geschiedenis van den Canon des Nieuwen Testaments, moet ik opmerken, dat de vier Evangeliën van de eerste eeuwen van het Christendom af eenparig erkend zijn voor de geschriften dier schrijvers, wier namen zij dragen. In de eerste eeuw zijn zij vertaald in het Syrisch en in het Latijn Uit, Ru-sebius blijkt ons, dat Origenes in den kerkelijken Canon aan de vier Evangeliën eene plaats geeft, als boeken, die door de geheele kerk voor echl erkend worden. Daarenboven heeft men eene lijst van de boeken des Nieuwen Ver-honds uit de derde eeuw , welke zeer waarschijnlijk van Cajus is, waarin de vier Evangeliën voorkomen. Dit is zeker, dat onder de Christenen niet het minste spoor is te ontdekken, dat zij hebben getwijfeld aan de echtheid der vier Evangeliën. Ik haal hier slechts de vier Evangeliën aan, omdat Os. Z. spreekt, over de woorden van onzen Zaligmaker. Daartoe zijn toch, om die te hennen, de Evangeliën lot bronnen gegeven (li). Evenwel moet ik met ernsl opkomen tegen de uitdrukking van I)s. Z., dat de meeste eersle Christenen uit de Joden Jezus Christus hebben aangezien met nog vrij wal Joodschen zuurdeesem in het hart. Nu is de vraag: wat heeft Jezus gesproken en wal hebben de eerste Christenen der Joden Jezus laten spreken? Die vraag dient vooraf beantwoord. Dit doet Ds. Z. niet. Hij zegt het wel maar bewijst

ocr page 72

04

het niet. liet is een treurig verschijnsel, dat zich in onze dagen niet zelden voordoet, dat niet het woord spreekt, maar de mond van hem, die het woord zóó laat spreken, als hij denkt over de waarheden des geloofs en uitgaat van zijn oordeel over hel woord, in plaats dat het woord zijn oordeel regelt. Jezus zelf moest zijne discipelen nader onderwijzen in gewichtige dingen, die met zijn Koninkrijk in verband stonden, opdat zij zijne woorden goed verstaan zouden. Evenwel moet ik nog hier aan toevoegen, dat die eerste Christenen geen hoogen dunk van Jezus moeten gehad hebben, dal zij Hem aangezien hebben met nog vrij wat joodschen zuurdeesem in hel hart. Wat loch is hel gevolg van zulke redeneering? Dil: dat wij door zulke beschouwing len aanzien van Jezus, op zeer wankelbare gronden komen le staan, zoodat ik om hel woord des Heilands le bezigen, hel vergelijken moei bij een huis op een zandgrond gebouwd, waarvan de Heer niel de kunstenaar en bouwmeester is, maar waaraan een menschelijk woord ten grondslag wordt gelegd, waardoor len slotte hef. gebouw des geloofs moei inzinken. Wanneer aldus door Ds. Z. de autoriteit van den Zaligmaker tegen de booze criliek in de schaal gelegd wordl, dat, zegt hij, beter zal helpen, dan zeg ik niet te veel, wanneer ik mijne meening uitspreek , dat hier niet de autoriteit van den Zaligmaker, maar de criliek aan het woord is. Immers die verhouding is niet van Jezus, maar die verhouding geeft Ds. Z. aan Jezus. Derhalve bestaat er niet de minste grond om aan te nemen, dat Jezus veel heeft aangenomen en veel niel

ocr page 73

05

heeft aangenomen en ook komt hier niet in aanmerking, dat Jezus, wat. Hem afstootte nimmer ioi woord uil God verheven heeft. Of kende Jezus de sciiriften des Ouden Verbonds niet, die verklaarde tot Zijne hoorders, dat, indien zij Mozes geloofden, zij ook Hem moesten gelooven en zoo zij Mozes' schriften niet geloofden, vraagt, hoe zult gij Mijne woorden gelooven? Jezus was de Kenner der Schriften.

Laat mij nu overgaan tot dat, wat Ds. Z. de hoofdzaak noemt: Jezus1 verhoudinj lol het geestelijk openbaringselement in de geschriften des Ouden Verbonds.

Onze Heiland, zoo gaat hij voort met spreken, heeft zich ingeleefd in de boeken des 0. T. Daarin was véél, zéérveel, dat Hij onmiddelijk moest herkennen, als overeenstemmend met en voortgevloeid uit denzelfden drang des Heiligen Geestes; dat heeft Hij daarom zonder voorbehoud als Woord uit God herkend (vgl. 1 Petr. 1 ; '10, il). Maar wat zijn heilig en rein gemoed moest afstoolen, heeft Hij gewis ook nimmer tot woord uil God verheven. Zulke woorden kon Hij niet ontvangen als door God op de lippen of in de pen gegeven, maar dan moesi Hij zulke woorden terugleiden tot haar werkelijke bron: het hart dos menschen, waaruit voortkomen booze bedenkingen en booze woorden. Daartoe wijst Ds. Z op:

Dat God Mozes beveelt. Farao te misleiden (Ex. 3:18); David aanport tot zonde, omdat Hij verstoord is op Israel, waarom wordt niet vermeld (u2 Sam. 24:1 vv ); een leugengeest opzettelijk uitzendt óm door onwaarheid in den mond Zijner Profeten, Achab ten val te brengen. Wanneer onze Hoer daar las,

ocr page 74

(if)

vervloekingen van zich zelf, of verwenschingen en vervloekingen van anderen in den naam van den God Israels (bijv. .lerem. —18, Job. 3 : 3vv.,

Psalm 5Ji : 7vv., 109 : 6vv., uitingen van nationalen haat en wraakzucht (bijv. Ps. 137:7—9, Esther 8 en 9). Zulke uitingen in het 0. T. hebben Jezus' heilige ziel oneindig vi'el meer pijn gedaan, dan zij reeds doen aan die van ons, zijn zondige volgelingen. Tot dus ver Ds. Z.

Vooraf zeg ik wat die aangehoalde plaatsen betreft, dat die in de Evangeliën niet voorkomen, ja, dat daarvan niet één enkel woord gerept wordt. Jezus heeft ze niet aangehaald en kan dus desaangaande zijne meening niet hebben meegedeeld. Kan nu in zulk een geval Ds. Z. bepalen, de verhouding van Jezus tot het geestelijk openbaringselement in de geschriften des 0. V.? Heeft Jezus zich in dit opzicht ingeleefd in de boeken des 0. T.? Immers, neen. De vraag moet ontkennend beantwoord worden. Hiermede vervalt van zelf de bewering van Ds. Z. dat Jezus het verworpen heeft en nimmer tot woord uit God verheven heeft. Zulk een willekeurigen maatstaf aan te leggen, om Jezus' verhouding aan te wijzen is zeer af te keuren.

Ds. Z. wijst op enkele citaten uit het 0. V. Ex. 3:18. Daar beveelt God niet aan Mozes om Farao te misleiden. Immers het verzoek door Mozes aan Farao gedaan, heeft eene reden, omdat Israël in slavernij zijnde, hun' God niet vrij en veilig kon dienen en om geen aanstoot te geven, wilden zij zulks doen verre van hen verwijderd. Wij weten o. a. dat

ocr page 75

Ü7

de Egyptenaren een ^rooten afkeer hadden van de olleranden van schapen; daarbij komt, dat het geene geringe zaak was om naar Farao te gaan met verzoek Israël te laten uittrekken. Men wilde zien , of Farao daartoe gezind was en daartoe was het verzoek juist gekozen; .Mozes moest het weten, al wist God het, dat Farao aan dat verzoek niet zou voldoen, te meer omdat Mozes nu ook wist door die leiding, dat God met hem was, opdat Mozes in zijn geloof ten aanzien van de uitvoering niet zou geschokt worden. Met één woord, God beveelt niet aan Mozes Farao te misleiden, maar dat Mozes daaruit Farao's gezindheid zou leeren kennen ten aanzien van het laten uittrekken van het volk naar de woestijn. Zekerlijk kon niemand van Mozes vergen dat hij zijn gansche voornemen openbaarde aan den koning. Zoo Mozes dit gedaan had, dan kon hij reeds vooruit geweten hebben, dat de koning het niet zou toestaan. (Vgl. llamelsveld, de bijbel verdedigd, II dl. bladz. 353). Mozes maakte zich ook in het geheel niet aan onwaarheid schuldig, daar immers Israël God op Horeb moest en zou dienen. Eindelijk voeg ik er nog aan toe, dat de zin der woorden van dat verzoek niet is; dat zij drie dagen wilden zijn in de woestijn, (dat was en om den verren afstand en om het groot getal Israelieten niet mogelijk) maar naar een woestijn wilden gaan, die op een afstand van drie dagen van hen verwijderd was.

52 Sani. 2-4: Ivv. Dat God David aanport, omdat hij vertoornd is op Israël, waarom wordt niet vermeld, is een pericoop, welke met nauwkeurigheid moet worden behandeld. Zou daar werkelijk staan zooals

5*

ocr page 76

08

Ds. Z. zegt, dat God David aanporde om Israël te tellen; volgens 1 Kron. 31 : quot;1 dan niet, daar staat, dat (!e satan tegen Israël opstond; wij lezen: En de toorn des lleeren voer voort te ontsteken tegen Israël en hij porde David aan. Wie is die Hij? God of de satan? Vooraf moet ik zeggen, dat het ongerijmd is in God te veronderstellen, dat Hij David aanporde tot iets, waarover hij daarna toornen moest. Het strijdt ook met .lac. 1 :13, dat God niet tot het kwaad verzoekt, neen, dat kan niet. God was reeds vertoornd tegen Israël en aanleiding van het uitbreken van Gods toorn was het tellen van het volk Het schijnt wel, dat God de oorzaak er van is, doch het tellen geschiedde onder Zijne toelating; vergelijk hierbij Job 1:6vv., waar gezegd wordt, alsof God zulks doet. Zoo staat er bv. Simei vloekte David niet op bevel van God, maar uit nijd, die bij hem opwelde. David begreep echter zeer yocd, dat hier iets plaats had, door de besturing van God om hem te vernederen, zoodat zijn gemoed er van gevoelde, alsof God tot Simei had gezegd, vloek David, - Sam. 26:10. Maar behalve dat, moet men ook op de Hebreeuwsche taal acht geven, vermits de uowiIhi tivus dikwerf voor een verbum wordt afgelaten en dat, waar zulks gebeurt de vohjende accusativus de plaats aanneemt van den niet uitgedrukten Nominativus, zoodat het woord ro— in het onbepaalde wordt overgezet, niet, dus Hij porde David aan ; maar David werd aangepord. Zoo heeft het ook Castalio, eo impulsus est; en de Fransche vertaling van Le Gene. „Car David futpousséquot;. Yraagt men nu door wien en het antwoord is naar 1 Kron.

ocr page 77

Ü'J

121 ; 1 duur den S'ihn. Door dc toelating lieeft de satan op eenc krachtige, voor ons onbegrijpelijke wijze gewerkt op Davids gemoed. Dat David zich zelf schuldig kende aan dien daad, blijkt ook hieruit, dat, als God David tot het kwaad aangespoord had, liet ziel-kundig onverklaarbaar is tot den Ileere biddend te zeggen; ik heb zeer gezondigd, mij is zeer bang; maar nu, o Ueere! neem toch de misdaad uws knechts weg want ik heb zeer zottelijk gedaan. Ik vraag daarom aan Ds. Z. of Jezus om eens menscheiijker wijze te spreken zulk eene gedachte van God zou kunnen hebben nl. dat God tol kwaad zou aanporren en dat tegelijk David vergeving zou vragen voor iets, waaraan hij in den grond der zaak niet schuldig is en of David wel ooit vergeving zou gevraagd hebben van eenc daad, waaraan hij niet schuldig is, m. a. w. indien hij van die schuld niel levendig overtuigd is. Neen dan zou zulk eene voorstelling de ongerijmdheid zelve zijn en wil ik gaarne gelooven, dat het geloof in zulk een God, die alzoo doet, moet afstooten op het schild der waarheid, liet zou zelfs voedsel geven aan een heidensch geloof, dat de godheid voorstelt het kwaad te werken. Maar hel tegendeel is waar. Dil zien wij bij een behoorlijk, onbevooroordeelde, goed aangelegde, en in verband gebrachte grammaticale exegese.

Jerem. 20 ; 14—18. De spreker heeft zwaar gezondigd. Maar hieruit ziet men dan ook dat, indien Jerem ia hier spreekt, de allerheiligste in dit leven niet volmaakt is, en zeggen moet: „lieer, zet een wacht voor mijnen mond en behoed de deuren mijner

ocr page 78

70

lippen.quot; — Is hel de goddolooze I'asluir, die liier spreekt (zie Venema), of liever sprekende wordt ingevoerd, dan ziet men liier hel gevolg der rechterlijke uitspraak Gods, voor Pashur verschrikkelijk. — Ofschoon zulk spreken zeer afkeuringswaardig is, daarom geeft het geen recht om te besluiten, dal hel niet moest geboekt zijn. Uier is het de vraag slechts, is het (jesproken en dat is genoeg, meer behoeven wij niet. In dien zin heeft het Jezus' rein en heilig gemoed niet afgesloolen, al is het, dat Ilij de zaak zelve niet kon goedkeuren.

1 Koningen 22 :19—22, dal God een leugengeest opzettelijk uitzendt om door onwaarheid in den mond dier profeten, Achab ten val te brengen.quot; Uit is de bewering van Ds. Z.

Doch God zendt den leugengeest niet. Volgens het verhaal, wel beschouwd in zijn verband, leest men, dal er een geest uitging (vs. 21) en stond voor hel aangezicht des Heeren, zeggende: „ik zal hem overredenquot; — waarop de lieerc zeide, ,,ga uit en doe alzooquot; (vs, 22). Dil nu is geen bevel, mwr toelatimj Gods. God liet dien boozen geest toe zoo te handelen — en zoo werd vervuld, (wat wij lezen in vs, 88) van Achab. God maakt hem of dien Profeet niet tot dienaren van den leugen — want zij waren hel immers aireede — dal zij dal nu zijn, is niet Haar, maar legen Gods wil. — Als werktuigen volbrengen zij Gods wil. Zie vs. 21 , 22. De Leugengeest was reeds te voren in Achabs profeten. Tol rechte verklaring dient vooral op het een en ander gelet.

Men vergelijke 2 Sam. 16:10, Matlh. 8: .'32 en

ocr page 79

71

vooral Joh. Ij: 27, waar bevel genomen wordt in den zin van loelalmj. Men zoude in de laatstgenoemde plaats veeleer eene bestraffing van Jezus aan Judas verwachten , maar neen, de Satan voer in Judas en de lieer zegt tot hem, wal gij doel, doe hel haaslelijk, m. a. w. wees maar mijn verrader; liet staat u vrij dus te handelen, doe het maai' spoedig.

Mij dunkt, zulke voorbeelden worden bijgebracht om aan te toonen dat de H. Schrift door ingeving Gods geschreven is, en dat zij er toe gedrongen werden óók hetgeen verkeerd is te melden, zelfs hun eigene feilen; want gewoonlijk verhalen de menschen van zich zeiven wel zulke zaken, die tot hun lof dienen, maar niet, die tot hunne schande strekken.

2 Sam. 24; 1. De Satan gebruikt den hoogmoed van David om hem te verlokken, ja, aan te zetten tot de volkstelling — doch Israel moet ook gestraft worden wegens zijne ongerechtigheden. David wordt om zijnen hoogmoed gestraft — God maakt David niet tot een dienaar der zonde, maar doel David's hoogmoed openbaar worden door een bepaalde daad en stelt die alzoo in het licht. — Zoo openbaart hij uiterlijk, wat innerlijk in zijn gemoed werkt, endaar-van maakt de Satan gebruik.

Wanneer de geneesheer de verscholen ziekte naar buiten drijft, dan maakt hij den lijder niet krank; het dient tol zijne genezing. Zoo ook in dit opzicht David, wat blijkt uit het vervolg. Hel is toch een middel om tot kennis en belijdenis te komen?

Ex. 3:18. Het is tóch cjeene misleiding van God, wanneer Mozes aan Pharao verzocht, dat het volk

ocr page 80

72

uiUrckkc slechts drie dagreizen om een feest tc vieren ter eere van hun God. — Dan zoude het misleiding geweest zijn, wanneer Israel dit voor den uittocht zelve gebruikt had. — Doch Pharao liet het niet toe. Hij zeide „wie is de lieer enz.quot; zie 5 :2. In dien eisch, welken hij mei toestond, lag dus eene besliste afwijzing; terwijl hij met hoon Israels God bejegende. Pharao verstokte zijn hart. Hij wil niet laten trekken ondanks de plagen. — Hij wil God niet gehoorzamen. — God heeft dus Pharao niet aangezet om dat kwaad, die ongehoorzaamheid te betoenen. Pharao deed zijn wil en volgde zijn weg, en moest alzoo rechtvaardig zijn ondergang ondervinden. — Vgi. Ps. '1U9;17. Mozes zelve kon in die weigering zien, hoe voor hem en zijn volk ow/mjs/tV/de gezindheid van Pharao was.

Ps. 100.6 vv. In dezen Psalm komen verweii-schingen en vervloekingen voor, niet uit een wraakzuchtig beginsel, maar uit den afkeer, die bij den spreker met kracht opkomt wegens het schenden van de eere Gods, door de vijanden gepleegd. — Deze psalm ziet toch, dunkt mij, bijzonder op Judas en de Joden, zijnde vijanden van Jezus. Zeker is het, dat het zulke menschen waren, die kwaad en haat koesterden jegens hem, die goed deed en liefde jegens hen beoefende zie vs. 5. Wij lezen echter niet, dat de vloekspraken vervuld zijn, als wij op den inhoud van dezen Psalm zien. — Nog veel minder (zie vs. 7) dat God het is, die hem die vloekspraken in den mond legt, zoodat het dan ook volstrekt niet geschiedt in den naam van den God Israels, „gelijk l)s. Z. zegt.quot;

ocr page 81

7:3

Ps. 137:7, vgl. Obadja 7:11—14 cu Ezech. 25: 1^, 13. Ook hier hebben wij met geen wraakzucht te doen, maar de bede ontspringt uit een ijver tot God, uit kracht van de vijandelijke houding der kinderen Edom's jegens Israel, in dagen van angst en droefheid.

Redelijk is het, dat wij zulke uitingen van Nationale wraakzucht moeten afkeuren; maar wij zien hieruit, hoe zondig het menschelijk hart zich uitlaten kan , als het zijne zondige hartstochten laat spreken. Doch God heeft het niet in het hart gelegd, om dus te spreken, noch ook verwenschingen en vervloekingen tc ontboezemen. Dat zij verre. Reeds daaruit kunnen wij zien, dat uit het hart voortkomen, gelijk Jezus zegt, booze bedenkingen en dat Jezus' woord bevestigd wordt.

Psalm 52: 7vv., Job 3:3, Esther 8 en 9, geven volstrekt geen grond voor de meening, alsof God zulke vervloekingen of nationale ivraakzuchl op de lippen zoude leggen: toch in weerwil hiervan konden zij geboekt en aan ons overgeleverd worden.

Nergens in de Evangeliën heeft Jezus gezegd, dat zulke afschuwelijke woorden of zulke afschuwelijke hartstochten door God op de lippen en in het hart der menschenkinderen is gelegd.

Maar waarom zijn de vervloekingen en verwenschingen van Petrus, van de Joden (Hand. 23), geboekt? — Jezus zegt: „maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt!quot; (Joh. 7 : /^O) zoo ook Paulus Gal. 1 : 8, 9 en uitdrukkingen als Matth. 20:25, Matth. 8:6, 2 Petr. 2 :1-ii (kinderen der vervloeking) Luc. 1!):27, Luc. 21:22 — deze uitdrukkingen zouden evenmin

ocr page 82

74

in de pen inugcii gegeven zijn, — en evenmin van de lippen mogen komen.

Wij kunnen onder al deze teksten slechts dit schrijven, dat God een gruwel heeft \ïxn kwaad zn onrecht, en gerechtigheid en waarheid goedkeurt. Zoo ook Jezus, üc waarheid lief te hebben is de hooge eisch van Beiden, maar daartoe is noodig uit de waarheid te zijn.

Voorzeker, het koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, of woordenzifterij, maar in krachtsbetoon — èn is vrede, blijdschap, gerechtigheid door den M. Geest.

De vraag is hier niet in de eerste plaats, of zulke uitspraken of hartstochtbewegingen, zooals die uit het 0. T. aangehaald zijn, het gemoed afstooten, maar of zij gesproken zijn. Wanneer wij de lijn hierin van het 0. V. tot het N. V. doortrekken, dan zien wij, dat ook soortgelijke uitdrukkingen in het N. T. evenzeer voorkomen. — Hier is de zaak dan ook niet in de eerste plaats, of zulke uitdrukkingen het gemoed van Jezus' afstooten, maar of ze, ik herhaal het, gesproken zijn. Daarmede bedoel ik geenszins, nl. (door die vergelijking aan te geven) alsof ik de woorden van Jezus of van anderen niet rechtmatig zoude beschouwen. — Alleen wijs ik hier op, dat het er op aankomt, dat ze gesproken zijn.

Wij moeten hier wel onderscheid maken tusschen een uitspraak, die uit een zondig hart, of gelijk bij Jezus, uit een onzondig hart voortkomt. — En wanneer wij uit het 0. T. en N. T. wilden aangeven, wal uit het zondig hart voortkwam en door Jezus niet kon worden goedgekeurd en wat zijn gemoed moest

ocr page 83

75

afstootcn, dan zouden wij bij liet reeds hierboven genoemde, nog vele feiten en zaken kunnen voegen. Worden ecliter die zaken of feiten vermeld, dan geeft het geen recht om ze eenvoudig als geen woord van God, ter zijde te stellen, omdat er yeeu Geest Gods in is. Wij hebben hier te vragen : zijn ze yeschied; hebben ze plaats gehad. — Zijn die en die woorden zoo gesproken, als we ze hier aangehaald vinden. Maar wij hebben geen recht om Jezus een' maatstaf te geven, van welken Jezus nergens en nooit gesproken heeft, nog veel minder om die maar willekeurig aan Jezus toe te kennen, om daardoor te leeren kennen, wat Jezus tot woord uit God verheven heeft.

De bewering van Üs. Z. dat Jezus die woorden niet kon ontvangen als door God in de pen gegeven, is krachteloos. God die Heilig is, kan zich niet ver-e enig en met wat onheilig is, kan dat niet goedkeuren. Maar dat wordt ook niet door de aangehaalde woorden gezegd. Evenwel konden zij van God in de pen gegeven zijn om ze voor ons te bewaren. Waarop het hier in de eerste plaats aankomt, is de zaak, dat het geschied is of gesproken zooals het ons is overgeleverd èn dan kunnen wij zeggen, dat er niet ééne reden is, waarom wij zouden gelooven, dat het niet zóó is, als het ons is overgeleverd. In dien zin kunnen wij aannemen, dat zij, gelijk andere verhalen van soortgelijken aard, woorden zijn van God, welke dienen moeten tot leering.

Toch heeft Jezus Christus daarom niet de Schriften des 0. T. verworpen. Hij heeft als een barmhartig

ocr page 84

76

Iloogepriester, medelijden ychad met hel zondige, óók met het zondige der mannen Gods van den ouden dag. Hij heeft evenzoo medelijden gehad met het gebrekkige in kennis van God onder het 0. V. God, die berouw heeft over het scheppen van menschen, toen Hij gezien had, dat „het samenstel der voorne mens van het hart des menschen ten allen tijde niet dan boosquot; is; Die hen verdelgt om hun zonde, om na den Zondvloed zich maar neder te leggen bij „het samenstel der voornemens van s'menschen hart, boos van zijn jeugd afquot; (Gen. 6:5, 8:21). God, die Job zwaar doet lijden om dezen alleen „maar te brengen tot de erkentenis Zijner vrijmacht en almacht en tot Job's eigene geringheid (Job 38:39; 42 :1—G); en zegt deze voorstellingen vertegenwoordigen phasen in de kennis van God, waarmede onze Heer Jezus Christus geen vrede kon hebben.quot;

Hierop moet ik aanmerken, dat God geen berouw had den mensch geschapen te hebben, maar berouw daarom, dat hij zondigde. De zonde is hier de oorzaak van het berouw Gods over het scheppen van den mensch. Jezus zelf haalt die gebeurtenis aan , namelijk wat betreft de onbondige leefwijze van de toen levende menschen vóór den Zondvloed; maar zegt er niet bij dat Hij medelijden had met het gebrekkige in de kennis van God onder het Ü. V. Had Jezus zich met die handeling Gods niet kunnen vereenigen, dan zou Hij dat wel hebben bijgevoegd en gezegd hebben, waarin dat bestond, maar dat doet Jezus niet. Jezus erkent dat verhaal, gebruikt het tot zijn oogmerk en wel om tot waakzaamheid en voorzichtigheid op te wekken.

ocr page 85

77

Zie Luc. 17;2r)vv., Matth. 24:15vv. Mij dunkt dat, als Jezus die daad van God niet had goedgekeurd, óók daarbij Zijne veroordeeling er van zou toegevoegd zijn. Doch niets daarvan.

In Gen. 8:21 wordt gezegd, dat de menschen weder-keeren tot hun vorig leven, d i. hun zondig beginsel. Daaruit blijkt dat de Zondvloed geen invloed heeft gehad, op enkele na, die inderdaad God vreesden.

Zou de lieer de ongerechtigheid straffen, en telkens straffen dan zou er ook telkens een zondvloed moeten komen. Doch dal zou niet weder geschieden. Daartoe is de boog aan den Hemel een teeken, van God zelf gegeven.

Intusschen is de hoofdzaak, welke ik op het oog heb, dat Jezus zelfs niet de minste aanleiding gegeven heeft om Hem voor te stellen als een die medelijden gehad heeft met het gebrekkige in de kennis van God onder het 0. V.

God zegt ten aanzien van Saul, „liet berouwt Mij dat ik Saul tot koning gemaakt heb, dewijl hij zich van achter Mij afgekeerd heeft en mijne woorden niet bevestigd heeft (1 Sam. 15:11). Had Saul dat niet verdiend wegens zijn wangedrag omtrent God en Diens bevel? Zeer zeker had hij het verdiend. Maar David had ook zijne overtredingen, zal men zeggen, en die werd in Sauls plaats tot koning gezalfd. — Moet nu, omdat het God berouwd heeft Saul gezalfd te hebben tot Koning, David niet gezalfd worden'? — Het is zoo; het raakt hier één persoon, in Gen. 6 vele menschen — doch de zaak krijgt daardoor geene verandering, en blijft dezelfde, want het geldt

ocr page 86

78

hier het berouw hebben over het kwaad, over de zonden welke door hen bedreven werden. — In-tusschen moet ik er bijvoegen, dat het niemand toekomt om Gods Handelingen te berispen, óf te ver-oordeeien.

De vernedering van Job was voor hem van heilzame uilwerking, omdat hij daardoor toonde, dat hij onbedachtzaam gesproken en dwaselijk daarin gehandeld had. Dat deze dingen phasen zijn in de kennis van God „waarmede onze Heer Jezus Christus geen vrede kan hebbenquot;, wordt door Ds. Z. wel gezegd, maar niet nader aangetoond of bewezen, ook niet door uitdrukkingen van Jezus zelf gebezigd. Wanneer wij het ü. T. zien, zooals God zich openbaart in het straffen van het kwaad en in het zegenen van het goede, dat Hem welbehagelijk is, dan zien wij daarvan veel meer voorbeelden, waardoor de heiligheid en rechtvaardigheid Gods zich openbaren. Dat Jezus met zulk eene voorstelling, door den schrijver aangegeven, geen vrede zou kunnen hebben, is zeker, want Jezus zelf haalt geschiedenissen, zooals van Noach e. a. aan, maar berispt daarin Gods doen niet. Integendeel. Vergelijk Matth. 24 : 37 vv. Hij put daaruit veeleer leering voor zijne hoorders, wijzende op het oordeel, dal door Hem zal gehouden worden, als hij gerichte houdt en zegt, „waaktquot;. Wijst Ds. Z-op het doen van God, waarmede Jezus Christus geen vrede kan hebben, dan vraag ik, wat denkbeeld Jezus van Zijnen Vader moest hebben, die Hem, Zijn'Zoon ja onschuldig aan zijne vijanden overgaf om den sma-delijken en smartelijken dood aan het kruis te onder-

ocr page 87

79

gaan. Zou om eens menschelijker wijze Ie spreken, de drang van den 11. Geest in het hart, niet in hetzelfde hart doen spreken, dat God niet rechtvaardig handelt; doch wij hooren van Jezus'lippen ten dezen opzichte geen enkel woord van tegenspraak; maar hij had er vrede mede, omdat hij daarin God kende, hel doel ervan voor oogen stelde en daarvan de vaste overtuiging in zijn hart omdroeg, niet door den drang van den 11. Geest, maar onmiddellijk bewust, daartoe van God ijeroepen te zijn. Zelfs predikte Hij met vaste overtuiging. God is liefde en kon zeggen „niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon en wien het de Zoon wil openbaren Matth. 11:27.

De eerste Christenen moesten veel lijden om de belijdenis van Jezus Christus. Heeft Jezus daarmede ook geen vrede gehad? Welzeker; want Hij heeft het voorspeld. Zegt Üs. Z. ,,dat Jezus in deze woorden „God is liefde ' de werking zijns Vaders herkend en erkend heeft, hij voegt er bij, dat zulke woorden tóch een correctief vormen tegen datgene , wat tot de waarachtige openbaring van God niet behoort.quot; Maar dan kan met het woord „God is liefdequot; niet gedekt worden de handeling Gods om Zijn Zoon over te geven aan smaad en lijden ? Dat kan geen waarachtige openbaring van God zijn. Waartoe men moet komen is dan dit, dat Jezus uit eigen beweging zich aan den kruisdood heeft overgegeven, zonder dat Hij een roeping van God daarvan heeft kunnen herkennen noch erkennen. Dan is zijn lijden en sterven een tjevolj, niet doel van zijn komen, en heeft God Zijn

ocr page 88

80

Zoon niet gezonden om hel offer der verzoening te geven. Doch ziet, Jezus is gezonden van den Vader om het werk ter verlossing te volbrengen. Heeft Jezus die handelwijze van God omtrent Hem onrechtvaardig genoemd? Neen. Wij lezen daarvan geen enkel woord. Hij was geduldig, gehoorzaam aan het Bestuur en aan den Wil Zijns Vaders, liet behoort dus in nadruk lot de waarachtige openbaring Gods vgl. Joh. 14:31; Mark. 12:6—8. 10 en 11; Joh. 17:4; Matth. 20:28; Joh. 3:16 en and Daarenboven kan het woord „God is liefdequot; nimmer zijn Vrijmacht en Almacht verzwakken, noch Zijn rechtvaardig Bestuur veroordeelen. Hel is geen Bestuur van een God, die met alle eerbied gesproken, een despoot is. Wat Hij doet, doel quot;ij zooals Hij dat wil, en wiens handelingen op waarheid gegrond zijn. Niemand heeft recht om te bepalen, wanneet- God straffen moet; hoe God straffen moet; hoever God in zijn straffen gaan mag en hoelanrj het moet duren. Heeft bijv. Israel niet nu en dan het Rechtvaardig oordeel Gods moeten ondervinden. Is het rechtvaardig oordeel Gods voor deze tol een vloek, voor gene lot een zegen geweest? Die er door geoefend werd, was het tol een zegen. Denk aan Job (42:3—5). Zegi Job: de handelwijze Gods met mij is niet van een God, die liefde is? Neen. Hij erkent en herkent in het Godsbestuur de hand van een liefderijk God, Die hem zegent en Die ook in het volste recht is om te doen, zooals het Hem behaagt.

„Zegt Ds. Z. ten aanzien van hel verdelgen der menschen door den zondvloed, dat God na den zond-

ocr page 89

81

vloed zich maar nedorlegl bij liet samenstel der voornemens van 's menschen hart, boos van zijne jeugd af, dan moet ik daaruit besluiten, dal Ds. Z. daarmee wil zeggen, dat God óók de menschen, die na den zondvloed leefden, moest verdelgen; of anders, dat God de menschen, die voor den zondvloed leefden, niet bad moeten verdelgen. Zoo doende zal dus iemand aan God zeggen kunnen, hoe hij handelen en wat Uij doen moet en mag. — Doch dat kan niet en nooit plaats hebben. — De bedoeling der woorden sluit in, dat er geen zondvloed meer zoude komen, om den aardbodem te verdelgen.

In dat berouw hebben van God wezens bet zondie

0 Ö

bestaan der menschen is geen verandering van Gods raad, maar eene verandering van zijn werk. God verdelgt het eerste maaksel, behalve eenige, die overblijven. Het gebrek herstelt God door een nieuw maaksel. God is niet een mensch gelijk, die zegt, ik wenschle wel, dat ik dit of dat niet gedaan hadde, neen, maar God wil dat het niet zoo blijve, gelijk het geworden is door de zonde.

God berouwt het Saul tot koning gemaakt te hebben, dan is dat een gezegde, hetwelk ziel op de uilwerking, de verandering van hetgeen God doet aan en met hem. In God kan eigenlijk geen berouw zijn zooals wij dat plaats geven in een mensch , die spijt heeft dus gesproken of zoo gehandeld te hebben. Daarom lezen wij dat God berouw heeft wegens de zondige gesteldheid van het volk van die dagen.

Al komt er nu geen Zondvloed meer op aarde, dal sluit niet in, dat er geen oordeel Gods zal plaats

G

ocr page 90

82

hebben over den mensch, die onboetvaardig in zijn zonde voortgaat en sterft. God zal eenmaal de wereld oordeelen; den werelddienaar zal het dan kwalijk , den Godsdienaar zal het dan wel gaan en alzoo betoonen, dat Hij geen lust heeft aan hen , die zich van Hem afkeeren, maar wel lust heeft aan hen die Hem vreezen.

Nergens in den Bijbel lezen wij dat Jezus met de t wee voorstellingen door Ds. Z. aangehaald, geen vrede kon hebben. Wel lezen wij, dat Jezus de autoriteit der Schriften des 0. V. heeft erkend. Jezus heeft geene houding tegenover de Schriften en dus ook niet tegenover de genoemde verhalen, zóó aangenomen, dat Hij er geen vrede mede kon hebben. Wel wordt die verhouding van Jezus tegenover die verhalen van Jezus door Ds. Z. daarin gegeven, doch dat hij niet gestaafd heeft door eenig bewijs.

Onze Heer, zegt Ds. Z. vond in het 0. T. de profetische verwachting van zijn volk. Een koninkrijk Gods — dat is het ideaal, waarnaar het 0. T. in zijn verhevenste gedeelten uitgaat en heenwijst. En Jezus weet: ik ben gekomen, om dat koninkrijk Gods te verwezenlijken. Hoe nu stellen de mannen Gods van den ouden dag dat koninkrijk voor ? —Ais een aarcfocA koninkrijk. Een enkele maal, als Jes. 65:17 en 66:22 wordt gesproken van vernieuwing van hemel en aarde, waaruit blijkt, dat zij in het vuur hunner profetische bezieling tot trekken komen, die naar het bovenaard-sche stijgen, bijv. vernieuwing van hemel en aarde Jes. 65:17 en 66:22, maar toch nog ver verwijderd van een koninkrijk, „niet van deze wereldquot;, (Joh.

ocr page 91

83

18:30) vergcl. Matth. 26:64 zijn zelfs de verhevenste onder de oud testamentische voorstellingen. Had Jezus Christus, zegt hij, dezelve kunnen aanvaarden, zooals zij daar liggen, dan had het volk Hem tot koning uitgeroepen, maar Zijn vader in den hemel...? Wees Deze Hem niet op nog een andere gestalte dan op den glanzenden Davids zoon? Richtte deze Jezus oog en hart niet veel meer op den èbed-Jahweh, den heilige Gods, die 's Heeren wil in alles volbrengt; die lijdt, omdat hij trouw is aan zijnen God, maar ook, omdat Hij trouw is voor Zijn volk, dat Hem minacht en vervolgt; die geduldig als een lam, dat ter slachtbank gaat, den vloek en de ellende draagt, niet door Hem, maar door Zijn volk verdiend. Wees de vader Hem niet, ook door het O. Testamentische schriftwoord, op Diens eeuwigen eisch van gehoorzaamheid, niet van brandoffer, slachtoffer en zondoffer? En bepaalde dit niet dadelijk Jezus' verhouding tot den Cultus? Het offer van een geheel aan den Vader gewijd en geheiligd leven maakt den tempel en den Joodschen eeredienst overbodig. Met Hem begint de nieuwe bedeeling, waarin het is: Niet meer op Gerizim, niet, meer op Sion, maar overal in geest en waarheid zij God aangebeden als onze Vader in den Hemel. De Joodsche tempel wordt vernietigd door zijn eigen priesterdom. Hij richt een tempel op niet met handen gemaakt; een eeuwigen, van levende steenen. liet oude systeem van verzoening door dieren bloed, valt. llij zelf zal Zijn leven geven tot een losprijs voor velen. Zijn trouw aan den Vader, tot in den dood als eens misdadigers, brengt aan de wereld, de ware

c*

ocr page 92

84

verzoening. Tegenover Sabbath's en spijsgebod staat Hij zóó blijkens Zijne daden, (gelijkelijk door Joden Christenen als door Heiden Christenen bevestigd), dat later Zijn Apostel Paulus deze durfde thuisbrengen onder de arme gebrekkige tsD (Gal 4:3

vgl. Col. 2:8, 20) dat is het spelboek bij den prac-lischen leercursus van den godsdienst.quot; Op hetgeen Ds. Z. zegt, moet ik aanmerken, dat Jezus volkomen bewust was, een koninkrijk op te richten naar den wil Zijn Vaders, dal niet kon gescheiden worden van het rijk, zooals hel aan de mannen Gods onder den ouden dag was voorgesteld. Die voorstelling was verre van een «ar(L«c/i koninkrijk. Daarmee toch zouden strijden de verwachtingen, welke die mannen Gods koesterden omtrenl dal koninkrijk, verg. Gen. 49:8, Luc. 2:29 en 30, Job 19:25, 26 en 27, Ex. 3:6, Jes. 26 19, Dan. 12:2, verg. Joh. 5:29 in welke plaatsen, om niet meer te noemen, zij uitspreken de hoop op zaligheid hier namaals en te kennen geven, dat zij met alle zekerheid de vervulling er van verbeidden. De hoop op een Hemelsch geluk was bij Israël in verband mei de idee van een aardsch koninkrijk, onvereenig-baar. Met ongeloovig Israël verwachtte een' aardsch koning. Zeker is hel, dal Jezus zulk een idee geen voedsel kon geven noch kon aannemen. Maar wal is de zaak? Hel geestelijk koninkrijk was reeds in Israël, waarop dient gelei. Jezus heeft in dat Israël een huis Jacob's, welks koninkrijk geen einde zou hebben. Had Jezus een aardsch koninkrijk beschouwing aangenomen, het volk zou voor Hem gestreden hebben en Hem als zijn' koning hebben uit-

ocr page 93

85

geroepen en erkend. Vervolgens moei ik l)s. Z. tioen opmerken dat, als hij spreekt van de mannen Gods van den ouden dag, men hier moet denken aan die mannen, die deel hebben aan dezelfde gees lelijke voorrechten en weldaden, gelijk zij, die onder den nieuwen dag leefden. Immers gerechtigheid en leven, om nu niet meer te noemen, zijn de twee groole uitstekende genadegaven, welke onmisbaar zijn om God in geest en waarheid te kennen en te dienen en wel in een innig met God vereenigd leven, zoodat de lleere zelfs spreekt tot Abraham: „Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht.quot;

Uit het deelgenootschap aan dezelfde geestelijke gaven vloeit van zelf voort de vereeniging of gemeenschap aan een' en dezelfden Heer en Heiland. Al had men onder de oude bedeeling den offercultus, toch kwam het niet zoo zeer aan op de uitwendige daad als wel en in nadruk op de gesteldheid van het hart. Een David die spreekt in Ps. 51 ; 19 „de offerande Gods zijn een gebroken geestquot;, is zoo min buiten het koninkrijk gesloten en gelooft zoo min aan een aardsch koninkrijk als een Maria welke doel wal de wet van haar eischt. (Luc. 2:24, 37, 38) als een Jozef van Arimathéa en anderen, die in de Evangeliën prijken als volgelingen en vrienden van Jezus. „Dat het offer van een geheel aan den Vader gewijd en geheiligd leven den tempel en Joodschen eeredienst overbodig maakt is, in zooverre aan te nemen, wanneer men den samenhang en overeenkomst lusschen het offer des O. V. en het offer door Jezus in zich-zelven gegeven, niet verbreekt. Immers plaatsen als

ocr page 94

80

Maltli. 5;c24 en 8:4 en and. bewijzen dat Jezus den tempel en Joodschen eeredienst niel als overbodig beschouwt. Jezus heeft nog hoogen eerbied voor den offercuitus, zelfs voor den tempel, het huis zijns Vaders door Hem genoemd; maar niet zóó op te vatten alsof Jezus niet volkomen bewust zou geweest zijn, dal met Zijn offer ook de offerdienst en tempel zouden opgeheven worden. Dit wil ik zeggen , dat tusschen het offer des 0. V. en het offer dat Jezus in zichzelven aan hel kruis gaf, overeenkomst, ja, noodzakelijk verband is; wat door Ds. Z., mijns inziens, niet in het oog gehouden is. Vandaar dat hij zegt, dat in het 0. V. geen sprake is, van een Koninkrijk Gods. liet hoogste, waartoe de mannen Gods komen , is bijv. vernieuwing van Hemel en aarde, maar dan moeten zij, om daartoe te komen, in het vuur hunner profetische bezieling zijn. Dat nu is, wat ik bestrijd. Jezus is Koning van en in liet geestelijk Koninkrijk des 0. ï. De leden van dat rijk mogen niel velen zijn, en de wijze van bediening in dat rijk moge formeel anders zijn, toch is en blijft het lichaam van Christus, Die in dat rijk het leven aan hen mededeelt, en de lieer der gerechtigheid is, de Vorst des levens. Vgl. hierbij Luc. 1:31—34, Matth. 1 : 21—23, Met die woorden vangen de Evangeliën aan en bevestigen alzoo het Profetisch woord.

Matth. 26:64 vgl. Joh. 18:36, door Ds. Z. aangehaald, geven te kennen, dat Jezus een Koninkrijk heeft niel van deze wereld, zooals Ds. Z. zegl, en dal is ook zóó. Maar tot welk koninkrijk zullen dan de Godsmannen onder het 0. V. levende behooren?

ocr page 95

87

Wanneer Jezus hun Koning is, die Hij is, dan kan toch aan Jezus geen tweeërlei koningschap toegeschreven worden, waarin zulk een verschil bestaat als er verschil is tusschen een aardsch koninkrijk, (laat het iets meer zijn dan een aardsch koningrijk) en een geestelijk-ilemelsch-Goddelijk Koninkrijk.

Tot die vragen moet men komen, als men begint met te zeggen, dat Jezus' „vervuiler'quot; „ontbindenquot; van de Wet en de Profeten is. Daardoor houdt de analogie tusschen 0. en N. V. op — en men wordt onwillekeurig gebracht tot de meening óf het besluit; door Jezus is een nieuwe godsdienst gesticht, die zich in zulk eene houding tegenover het 0. V. stelde, dat HÜ geene betrekking tusschen Hem en het 0. V. erkende en met het 0. V. gebroken heeft. Dat is zoo niet; Jezus heeft het koninkrijk, onder het 0. V. gesticht, erkend als niet aardsch, maar geestelijk te zijn. Hij neemt het geestelijk zaad Abrahams — liet huis Jacobs aan (vgl. Matth. 8:11, Luc. 13 ; 28. Yoor allen heeft den dood gesmaakt vgl. Hebr. 2 : 9 vv. Wanneer er van een koninkrijk in dezen zin sprake is, dan onderstelt dat, dat er een koning is, die regeert in en over dal koninkrijk. Nu volgens Ps. 2:6 verg. vers 2 is die koning van den Heere gezalfd, van wien door God gezegd wordt, „gij zijl mijn zoon, heden heb ik u gegenereerdquot; Jes. 9:5 en 6 geeft de uitgebreidheid van de regeering aan en van den vrede, waaraan geen einde zijn zal en wel op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen en dat te sterken van nu aan tot in eeuwigheid, zie verder Dan. 7:13, 14; Luc, 1:33; 2 Sam. 7 ; 12,13,

ocr page 96

88

Jes. 53:7, 1Ü; Luc. \ : 32 en 1 Petrus 1 : H cu 102. Behalve dat Jezus koning genoemd wordt, wordt Hij óók genoemd Profeet en Iloogepriester, welke ambten onmisbaar zijn voor den geloovige om zalig te worden, welke ambten ingewikkeld in de woorden van de aangehaalde teksten liggen opgesloten. Johannes de Dooper optredende in de woestijn, zeide; bekeert u; want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, Matth. 3:2 en Jezus zelve zegt ,,dc tijd is vervuld en het koninkrijk Gods is nabij gekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie Mark. 1 :15. Indien de voorstelling van Ds. Z. ten aanzien van dat koninkrijk, als aardsch te zijn of dat althans zich de mannen Gods het aardsch hebben voorgesteld, dan kan ik mij niet voorstellen, hoe die mannen geestelijke weldaden in dat koninkrijk konden plaatsen als geestelijke weldaden, die een eeuwige, geestelijke en hemelsche uitwerking hadden, dal is logisch onverklaarbaar in verband met de voorstelling van een aardsch koninkrijk. Deze weldaden komen duidelijk uit zie Ilebr. 9 :15, Rom. 4-; 5 en vervolgens Ps. 32 :1 vv.. Gen. 15:5, 6; Rom. 3; 24—26. üit deze laatstgenoemde plaatsen zien wij tevens, dat de mannen Gods, dat zijn de oprechte dienaren Gods (eene benaming welke ik geef aan alle Goedmannen), de reinigmaking der zonde en de belofte des eeuwigen levens deelachtig zijn geworden alleen door het bloed des Middelaars; waarbij ik tevens moet opmerken, dat het bloed van stieren en bokken nimmer de zonde kon wegnemen, doch dat de offerande slechts typisch het teeken van Gods genade en rechtvaardigheid was.

ocr page 97

89

Van Christus was retds gepiofoleerd, dat Hij Zijnc ziel tot een schuldoffer zou stellen om de straf weg te nemen, den vrede aan te brengen; daartoe werd Hij als een lam ter slachting geleid en werd Hem van God verzekerd, dat Hij zaad zoude zien. Jes. 53: 10, 11.

Dat kan niet en nooit van een aardsch koninkrijk gezegd worden. Wij nemen dat „aardschquot; in den zin door de Joden genomen. Doch dat heeft Jezus niet aanvaard. Zie Matth. 22:42vv.; Mare. 12:35—37, Luc. 20 : 41—44; Ps. 110 : Ivv.; Ps. 2 : Ovv. Het Koninkrijk onder het 0. V. sluit in zich decelfde weldaden en eischt de vervulling van dezelfde plichten, al moge de wijze uan tusschen Oud en Nieuw

Verbond eenigszins anders zijn. Vgl. Rom. 4:23, 24. Jezus heeft, wat typisch onder het 0. V. was aangeduid, niet verworpen, maar erkend onvervuld. Zie Hebr. 10:1—18, Hebr. 1:1, 1 Petr. 1:8 in verband met vs. 11 en 12. Dit moeten wij wel in het oog houden, dat de christelijke godsdienst en de echt Israëlitische in den grond dezelfde is, zoodat de godsdienst van Jezus óf anders de christelijke godsdienst dezelfde is als de Israëlitische of Mozaische tot zijnc vervulling of volkomenheid gebracht.

In dezen zin stelde Jezus en Zijne Apostelen het ook voor. Jezus kwam om de „wet en de Profeten te vervuilen; niet te niet te doenquot; maar te bevestigen.quot; Het is dan ook uit den aard der zaak, dat de hoofdinhoud van den Godsdienst en van de Zedeleer niet kon en ook niet mocht noch moest verschillen van de leer, welke God aan de eerste menschen zoo wel als

ocr page 98

00

aan de Aartsvaders en de Israclicten gegeven heeft. Wat waar was, moest waar blijven. Evenwel is het niet noodig het op dezelfde wijze en in denzelfden vorm voor te stellen. Het kan op eene andere, eenvoudige, kortere wijze bevolen of voorgedragen worden van Godswege, terwijl toch de pit of de kern dezelfde blijven. Dit blijkt ook uit het gezegde „Jezus ontbindt de wet en de Profeten nietquot; — maar stelt „ontbindenquot; en „vervullenquot; tegenover elkaar. In dezen zin schrijft de Apostel Rom. 3:21 ,,de wet te niet te doenquot; tegenover „de wet bevestigenquot;. Jezus voegt er aan Matth. 5:17 toe, dat van de wet niet eene jota noch één tittel zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn; d. i. totdat alle dingen een einde zullen hebben; dus lot aan het einde der wereld, vgl. Luc. 21 :32.

Terwijl de Godsdienst van Jezus de kern is van Zijn Koninkrijk, zoo is de godsdienst van Israel de kern van het Rijk onder Israel, vun Godswege geslicht. De Godsregeering over Israel moest zulks ten gevolge hebben, eene regeering, die zich over alle volken zou uitstrekken. De koning, uit den geslachte Davids beloofd, zou in naam van Jehova eene volmaakte Godsregeering oprichten. Van een Messias, die aldus zich openbaren zou, vindt men in het O-T. aanwijzingen, die op niemand anders dan op Hem van toepassing zijn kunnen.

Over het geheel genomen kan men de bestemde voorzeggingen van een bijzonderen koning, bij de Profeten voorkomende, een koning uit het geslacht van David, die aan geheel het menschdom, volgens

ocr page 99

91

de reeds aan Abraham gedane belofte, heil en zegen zou aanbrengen, niel verwerpen De voorspellingen spreken zoo duidelijk, dat het niet mogelijk is om de vervulling daarvan in deze of gene koning, die David opgevolgd is te verplaatsen. Vgl. Jerem. 33:20, 21a, 26.

Amos, de Profeet spreekt in hoofdstuk IX: 11—15 van de herstelling van het huis van Davids, maar met het oog op de toekomst, d. i. op de komst van den Messias. Over eeuwen ziet hij heen, en wijstop het Messiasrijk , waardoor de vervulling zou geschieden.

Vooral de profeet Jesaia spreekt van den Messias — Jesaia hoofdstuk 53 als Jesaia 52 vs 13—15 geven daarvan een klaar getuigenis. Die plaatsen spreken zeer bepaald van den toekomenden Verlosser, [lij doet dat zoo nadrukkelijk, dat we uit die plaatsen vrij duidelijk de Messiasleer van dien tijd kunnen allei-den. Die Godspraak, om er iets van te zeggen, breidt het denkbeeld, zooals men het reeds te voren van den Messias had, als Koning en Zoenoffer verder uit. Dit zal terstond in het oog moeten vallen bij aandachtige lezing van Ps. 22, 40, -45, 72, 110. En ik meen niet te veel te zeggen, als ik beweer, dat de aangehaalde verzen licht werpen ter ontwikkeling van het denkbeeld van Jezus als den lleilaanbrenger en Leeraar en den machtigen en zachtmoedigcn Koning. De Godspraken Jesaia 05:17—25; 06:22 behelzen zulke voorspellingen, die zien op het Koninkrijk van den Messias — niet als een aardsch, maar als een geestelijk koningrijk. Het wordt voorgesteld met de benaming van de schepping van nieuwe hemelen en

ocr page 100

92

eene nieuwe aarde. Die voorstelling ziet op den ge-zegenden Kerkstaat, liet geestelijk Israel alleen wordt het uitzicht geopend op eene zalige toestand, die komen zal en dat zeker zal geschieden. Dat hier van een aardschen bloeistaat voor Israel zou gesproken worden, wordt door het verband waarin die woorden voorkomen en door de geschiedenis van Israel's volk weersproken. Onder het geestelijk Israel versta ik hel geestelijk zaad Abrahams, het geestelijk huis Jacobs. Dat volk zal deel hebben aan het geestelijk rijk van den Messias. Wij scheiden dus hen niet van de Kerk des N. Verbonds; maar wij vereenigen hen met die Kerk, d. vv. z. zij hebben deel aan de geestelijke weldaden van die Kerk. Dat Israel moge verdrukking en moeielijke tijden ook op maatschappelijk gebied doorleven, het heeft het uitzicht op een staat van geestelijken vrede en eeuwig geluk. Onder de heerschappij van Christus, in de dagen van het Evangelium, is dat uitzicht verwezenlijkt, d. w. z., zijn de beloften van geestelijke weldaden en gaven daadwerkelijk aangebracht. Wat tot vervulling van hetgeen beloofd was , noodig was te doen, is door Christus, de lijdende knecht Gods verworven. Jes. 53.

Neemt uit de geschiedenis van Iraels volk de toezegging van den Messias weg, en zij wordt van haar wezen beroofd. De bijzondere leiding Gods met dat volk, ja de openbaring Gods aan dat volk wordt eenvoudig gereduceerd als tot den godsdienst niet behoo-rende — in zoover namelijk dat de godsdienst als eene bijzondere openbaring van God, bestreden, ja

ocr page 101

93

geloochend wordt. Het is niet iets nieuws, niet iets bijzonders dat aan dat volk alleen zou eigen zijn; liet is eigen aan alle volkeren, al is de voorstelling er van soms zeer verschillend. Intusschen blijkt het, dal in niet één der godsdiensten, mot hunne soms zeer afwijkende en tegenstrijdige vormen en begrippen , gesproken wordt van den Messias. Dat doet de godsdienst van Israel vooral onderscheiden van eiken anderen godsdienst der volken, die niet tot Israel behoorden. Ik spreek hier van het Israel vóór Christus geboorte. Op dien Messias werd het gewezen. Met en door dien Messias, den aan de Vaderen beloofden Verlosser, zouden nieuwe hemelen en een nieuwe aarde ontstaan. De vernieuwing van den Kerkstaat, met Christus komst aanvangende, zou worden voortgezet en eens luisterrijk en volkomen zijn. Daarin mocht Israel zich nu aireede verheugen. Wij behoeven hierbij Israel's wederkeering uit Babel naar hun vaderland, waarheen slechts een/c/em getal ging, niet uit te sluiten, maar de hoofdzaak hebben wij hier wel in het oog te houden, opdat wij niet het yeesle-lijke afhankelijk stellen van, nóch verwisselen door, noch vereenigen met het uitwendige van het volksbestaan. De Messias zal regeeren Ps 2; Ps, 72. Zijne regeering sluit óók in de lotgevallen zelfs der wereld. vooral voor zoover zij met den Kerkstaat in verband staan. Hiervan zijn Israels lotgevallen niet uitgesloten. Doch hoofdzaak is het niet. Hoofdzaak in de aangehaalde plaatsen van Jesaia is het geestelijk leven en de geestelijke hope welke het geestelijk Israel deelachtig zijn, en deze kunnen geene andere zijn dan

ocr page 102

94

die de dienaren Gods onder liet N. V. ontvangen. Hebben de woorden van Jesaia die beduidenis niet, dan zeggen zij niets, en hebben zij ook niets te beteekenen.

Zonder bepaalde tusschenkomsl van den godsdiensti-gen ritus bij Israel in gebruik, kan het geestelijk Israel geeslelijk zijn en blijven, maar die ritus is niet noodig om geestelijk te leven en eene geestelijke hoop te hebben. In die ritus is dat leven en die hoop niet gelegen. Toch is die ritus noodig om als voorbeeld en schaduw te dienen, met het oog op de komst van den Messias, zooals Die gekomen is in de volheid des lijds. Zonder een persoon, geen beeld; zonder een lichaam, geen schaduw. Wij hebben niet zoo zeer den nadruk te leggen op den tijd van komen, als op de komst zelve.

Op de komst van den Messias komt het aan. Die komst werd, door het geestelijk Israël verwacht en dat op grond l0 van de voorzeggingen der Profeten zelve, 2° van het geestelijk dat reeds in deszelfs

harten gewerkt was, en zoozeer onderscheiden was van de zinnelijke verwachting van een aardschen Messias en van een aardsch Koninkrijk, hetwelk het on-geloovig Israel bezielde — zoodat het geestelijk Israël vol verrukking mocht uitroepen met den Profeet „wij hebben Hem verwacht. Hij zal ons zalig maken.quot; — i. e. w. Op geestelijke wijze wordt de dienst en de aanbidding van God bevestigd vgl. Joh. 4:21—24; Hand. 2:34—30; 2 Gor. 3:9; Hebr. 9:1—12; Hebr. 10:1, 8, 9; 2 Gor. 5:17; 2 Petr. 3:13. Het woord 2 Petr. 3:13 moet toch zien op de Profetiën van Jesaja 05:17 en .Tesaja 00:22.

ocr page 103

95

üe Evangelische kerk. die met de komst van Christus aanvangt, zal nooit ophouden, tot aan het einde der wereld. Daarop kan het geestelijk Israel volkomen vertrouwen; want Jehova zegt vgl. Jesaja 45 : 17, 18; 23—^25. Israels kerk en burgerstaat zal ophouden te bestaan, maar het geestelijk Israël zal eens den voiien vrede en het volkomen geestelijk leven deelachtig zijn, wanneer het het Hemelsch koninkrijk is ingegaan. — Dat uitzicht moet het met blijdschap vervullen. —De beide door Ds. Z. uit Jesaja aangehaalde plaatsen, moeten bij het geestelijk Israël alle aardsche en zinnelijke denkbeelden verwijderen. En wanneer wij de voorzeggingen bij de andere profeten voorkomende nagaan, dan kan het niet anders, of wij hebben op geen ander het oog te vestigen dan op dien koning, dien Messias, die komen zou en gekomen is, temeer nog omdat ook in het 0. V. de profetien van Messias daarmede in verband staan, vermits dien Messias wordt voorgesteld een koning te zijn van een eeuwig koningrijk, niet van een aardsch maar van een geestelijk koninkrijk vgl. 2Sam. 7:13, 16; Dan 7: 14; .les. 9 : 5—G en andere.

Wat de door Ds. Z. bijgebrachte plaatsen Joh. 18 : 30, vgl. Matth. 20:04 betrefl; daaruit blijkt dat Jezus voor een koning der waarheid, van een geestelijk, Hemelsch rijk wil gehouden zijn, zoodal Hij kwam gelijk Jezus elders zegt, 7iiet om een rijk te slichten met uiterlijk gelaat, op zichtbare wijze, want het koninkrijk was er reeds. — Vóórdat Jezus het werk der verlossing had volbrachl, was het rijk reeds aanwezig. — Maar het kwam niet met uitwendige pracht

ocr page 104

96

en heerlijkheid. Hierin ligt, dunkt mij, opgesloten de onderstelling van liet reeds bestaan van een geestelijk Rijk, door Jezus erkend. De genoemde plaatsen pleiten dus niet voor hel gevoelen van Ds. Z. wanneer hij zegl len aanzien van de verwachting van de mannen Gods omtrent het Koninkrijk Gods, dal zij zich dat als een aardsch koninkrijk voorstellen, ook niet, wanneer hij zegt „len aanzien van Jesaja 65:17, 66:24, dal zij in het vuur hunner profetische bezieling komen tot trekken, die naar hel bovenaardsche stijgen (bijv. vernieuwing van hemel en aarde) maar toch nog verre verwijderd van een Koninkrijk „niet van deze wereldquot;, veeleer pleit hel tegen zijne 6e5c/iOit?m«(/. De profeet Jesaja heeft hel oog op de Messiasregeering niet die van een koning over een aardsch koninkrijk of die van een koning gedacht als te zweven tusschen een aardsch en Hemelsch rijk, óf die van een Koning, door wien hel volk tot uitwendlgen bloei en luister zou komen, maar die van een koning, door wien het geestelijk Israel geestelijke weldaden en zegeningen zou deelachtig zijn. Ds. Z. zegt: ,,De lleere Jezus Christus kon ze voor zichzelf niet aanvaarden, gelijk ze daar liggen. Had Hij het gedaan, ja! het volk zou Hem tot Koning hebben uitgeroepen,quot; wordt door hem door niet één bewijs gedekt. Dat Jezus niet voor een aardsch koning wilde gehouden worden, en dat ook niet wilde zijn, blijkt genoegzaam uil Joh. 6:15; Luc. 19:38 vv. en and. Maar de vraag is „ligt hel denkbeeld van een aardsch koninkrijk of van een aardsch koning in de door Ds. Z. aangehaalde teksten uit Jesaia? Reeds heb ik aangetoond dat die vraag

ocr page 105

97

ontkennend moet worden beantwoord. Jezus zelf zoekt zijne tijdgenooten terug te brengen tot de rechte denkbeelden, door de Profeten van het koninkrijk van den Messias gegeven. Evenais in Ps. 22 en Jes. 5A reeds voorspeld was, leerde Hij met nadruk, dat Hij lijden en sterven moest, vóór dat Hij dit Koninkrijk zou aanvaarden. Luc 17:25; 24:26.

Jezus wilde geen koninkrijk naar Joodsche denkbeelden oprichten. Dat blijkt duidelijk genoeg uit de reeds aangehaalde plaats Luc. 19:38 v. Jezus dacht niet om een koningstroon te beklimmen, die naar de verwachting der Joden was opgericht, opdat de Messias naar hun zin zoude regeeren, dat Hij veeleer de verwoesting van Jeruzalem voorspelde en zelfs weende over die stad. Intusschen zij gezegd, dat de verwachting van den Messias en het Messiasrijk niet dezelfde was. De Joden ten tijde van Jezus verschilden zeer van het geestelijk Israel, in de opvatting van den Messias en van het Messiasrijk, ja zij waren daarin aan elkaar tegenovergesteld. Niet een aardsch, zinnelijk Messiasrijk, door de Joden van Jezus tijd gewild, aanvaardde Jezus, maar wel aanvaardde Hij het geestelijk Messiasrijk, zooa/s het door het geestelijk Israel verwacht werd.

Genoeg hierover. Het bestek van het boekje laat, niet toe wijdloopiger te zijn.

Ik ga over tot de bescherming van de door Ds. 'L. genoemde plaatsen Gal. 4:3, vgl, Coloss. 2:8—20. Deze plaatsen brengt hij in verband met Jezus' han-

7

ocr page 106

98

deling, zooals Hij nmi. staal tegenover Sabbaths- en spijsgebod, en wel dat de Apostel Paulus ze durft te huis brengen onder de arme gebrekkige beginselen der wereld Gal. 4:3 vgl. Col. 2:8, 20), d. i. het spelboek bij den praktischen leercursus van den godsdienst. Tegenover sabbats- en spijsgebod, zooals het door de Joden in Jezus' tijd werd opgevat, stelde Jezus zich. Nergens in de Goddelijke wet wordt een bepaling of een gebod gevonden, dat men geen aren mocht plukken op den Sabbatsdag, zooals de discipelen deden, üat was een willekeurig bijvoegsel of in voegsel van lateren tijd Wellicht beschouwden de Farizeërs het plukken en uitwrijven van koornaren als een soort van oogst, dat niet mocht geschieden op den Sabbath. Van willekeurige bijvoegsels vinden wij vermelding Matth. 23:23. Jezus zegt echter dat de discipelen onschuldig zijn. Vgl. Matth. 12:1 vv.

L)e door Ds. Z. aangehaalde plaatsen hebben dan ook daarop geene betrekking en ook niet op hetgeen dat Taulus daardoor zeggen wil. De Apostel spreekt hier hen tegen, die door de onderhouding dor wet de zaligheid wilden verdienen. Gal. 4 ; 9. Daarenboven moet men onderscheid maken tusschen vs 8 en vs 2U. (Col. 2). In vs 8 verstaat de Apostel er onder „de leeringen der valsche wijsgeerenquot; in vs 20 verslaat de Apostel er onder „de ceremomeele wellen, van God ann Israel (jeijevenquot;.

Gal. 4:3, 9 spreekt van de schaduwachtige geboden en plechtigheden van den Mozaischen godsdienst, genoemd zwakken en armen en eerste beginselen, omdat

ocr page 107

99

zij niet iets tot de zaligheid van een menscli konden toebrengen. I. e. w. de onderhouding der wet, gelijk het verband leert, kan geen zaligheid aanbrengen. Nu noemt Ds. Z. alleen Sabbaths-engt;spijsgebod, maar wat ik zeg, heeft betrekking op alle geboden van God gegeven, welke ook. Doch Jezus heeft de wet niet willen ontbinden, neen, maar heeft die vervuld, doch stelt zich hier niet tegenover hetgeen van God, maar van de Joden bevolen was. Paulus, als hij zegt Col. 2:10, 17 „dat u niemand oordeele in spijs of in drankquot;, heeft het oog op de schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.

De ceremonieele wet heeft voor een tijd gediend, doch door Christus heeft hij de vervulling gekregen. Jezus veroordeelt dan ook liet beginsel, waaruil de Joden de daad der discipelen beoordeelden. Jezus zegt dan ook: doch zoo gij geweten had, wat het zij. Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben Matth. 12:7 vgl. Matth. 12:2, Luc. 6:Ü vv. niet genezen op den Sabbath. Luc. 14:1 vv. Joh. 5:9 geen bed dragen op den Sabbath, Joh. 9:fi geen slijk maken op den Sabbath. De leer van het Oude Verbond is in haar kern voorbereidend ten aanzien van den grondslag waarop het onderwijs des Heeren gelegd is. In de verklaring van den brief aan de Galatiërs, blz. '271 noemt Bosveld die arme eerste beginselen der wereld het a.b.c. boek of het eerstbeginnend onderwijsboek der wereld.

Zegt l)s. Z. „dat hetgeen in het 0. T. het kenmerk draagt van een innig leven met God, vrucht vaneen zich openbaren door God aan het menschelijk hart,

7»

ocr page 108

100

Jtuus ook overneemt als uitdrukking ook van Zijne innige gemeenschap mei den God van Israel, Zijn Vaderquot;, dan merk ik hierbij op, dat Jezus volgens hetgeen Ds. Z. zegt, erkend heeft dat er wel verband bestaat tusschen het leven in Jezus Koninkrijk en het leven der Godsmannen onder het 0. V. Hierdoor wordt van zelf de scherpe scheiding tusschen het Koninkrijk des 0. V. en dat van Jezus weggenomen, zuodat Jezus een' rijk onder het 0. V. heeft aanvaard, waarvan toch het hoofddoel van alles is, Gode te leven. Ik wil nog verder gaan door te wijzen op den Christus, Die het Gode-leven werkt. Hij geeft en heefl het leven, m. a. w. God geeft dal in en door Zijn Zoon, Die van eeuwigheid is. Daarop wijzen plaatsen als Joh. 8:56-58, waar Jezus zegt; Abraham heefl met verheuging verlangd, opdat hij mijn dag zien zoude en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest, voorwaar, voorwaar zeg ik u, eer Abraham was, ben ik. Rom. 3:25, 26; Hand. 10:43; llebr. ■11 ; 26. Door hetgeen in die plaatsen gezegd wordt, worden wij gewezen op de bedeeling des 0. V. zooals de Christus en diens werk, hetwelk Hij, op aarde zijnde, volbracht heeft tot verlossing, aangemerkt wordt als ook voor den geloovige onder hel 0. V. te zijn geschied. Jezus neemt niel over, wat kenmerk draagt van een innig leven met God, maar Jezus is de oorzaak en bron van het leven. Ygl. Joh. 5:39. Het is niet slechts een relatieve maar ook in nadruk eene supranalureele betrekking tusschen Jezus en de Godsmannen van het 0. V. Dat is meer, dan wat Ds. Z. te kennen geeft met „het innig leven met God

ocr page 109

1(11

dat Jezus overneemt als uitdrukking ook van Zijn innige gemeenschap met den God van Israel, Zijn Vader. Hij haalt daartoe eeni^e voorbeelden aan.

1e. De verzoeking wijst Jezus af met woorden, aan het 0. T. ontleend.

2e, Zijne vijanden brengt Hij hunne zonden onder het oog met een: „hebt gij niet gelezen in de wetquot;, of „in de profetenquot;.

3°. In Zijn lijden aan het kruis bidt Hij voor de overtreders, gelijk de èbed-Jahweh uit Jes. 53, en spreekt Hij tot Zijn Vader mei woorden aan Ps. 22 en SI ontleend.

De voorbeelden door Ds. Z. aangehaald geven getuigenis van de innige gemeenschap van Jezus met God Zijn Vader. Doch ik meen daarin ook te moeten zien, dat Jezus de Schriften des 0. V. als gezaghebbend beschouwt, en wel zoo, dat als wij opmerken hoe Jezus zich dikwijls op de Schrift beroept, door Hem die Schriften in haar geheel worden erkend als één te zijn.

Jezus heeft niet één of twee of meer woorden overgenomen en op Zichzelven toegepast, maar Hij heeft zich beroepen op de geheele Schrift.

Behalve Joh. 19:18 vgl. Ps. 09.

Matth. 21 : 42 vgl. Ps. 418:22, 23.

Matth. 20 : 54—50 vgl. Ps. 22 : 7; 69 : 2,10.

Mare. 12:20, 27 vgl. Ex. 3:0.

Luc. 24 :27.

Waarom ik op deze plaatsen wijs, die met tal van plaatsen zouden kunnen worden vermeerderd, heeft zijn reden in heigeen Ds. Z. laat volgen.

ocr page 110

102

„Zul Hijquot;, zoo schrijft liij , die in geheel eenigen zin „het Woord Godsquot; is, niet zijn heilig stempel zetten op hetgeen in vroegere tijden door den mond der Profeten openbaar geworden is, werkelijk als woord uit God? Jezus Christus leefde met de Schrift, en stierf met de. Schrift, in hel hart en op de lippen. Niet met de Schrift als een dooden afgod, gelijk de Farizeën en de Sadduceën, maar met de Schrift als draagster van het levend Woord uit God voor alle tijdenquot;. In de door mij aangevoerde plaatsen vinden wij ook dal Jezus zich beriep op de Schrift in haar geheel, en uitging van de auloriteit der Schrift, zoo zelfs dat Hij in zijn persoon en werk de Schrift bevestigde. Niet slechts de door Ds. Z. aangehaalde plaatsen alleen worden door Jezus beschouwd werAe/y/i „woord uit Godquot; te zijn, alsof er ook vrijheid was gegeven om te meenen , dat er ook niet werkelijk een woord uit God was, en dat door Jezus evenzeer zou erkend zijn, (in beide gevallen heeft Ds. Z. f/ee« enkel bewijs geleverd) maar Jezus heeft zich zeiven beroepen op de Schriften des 0. V. als de feillooze bron, waaruit men met zekerheid putten kan. De profetiën waren vóór de komst van Jezus, daarom moesten zij vervuld worden. De plaatsen door üs. Z. aangehaald, zijn ook, behalve „de verzoekingquot; en „hebt gij met gelezen in de Wetquot; of „in de Profetenquot; profetiën.

Jezus nu heeft niet gezegd „dat en dat woord is door mij vervuld, maar ik moest dat woord vervullen, omdat het van mij getuigt. Jezus zette daarop niet zijn heiligen stempel, maar het had dien heiligen stempel al vóórdat Jezus die woorden aanhaalt. Jezus

ocr page 111

103

ClirisUis leefde niet slechts niet een Schriflwoo/'rf op de lippen en in het hart, maar vervulde de Schrift, zoodat bleek dat Hij hel door innerlijke overtuiging en op last zijns Vaders deed.

Ja, het was Zijne spijze te doen den wil van Zijn Vader. Hij was de Zoon des menschen, die de spijze, welke blijft tot in het eeuwige leven, geven zal, want Dezen heeft God de Vader verzegeld Joh. ü ; 27.

Wanneer Ds. Z. zegt „dat Jezus leefde met de Schrift en stierf met de Schriftquot;, dan kan ik uit het verband, waarin die woorden staan tot het voorafgaande, niet anders begrijpen dan dat Üs. Z. onder „Schriftquot;, eenige woorden uit de Schriften genomen, verstaat, doch dat kan niet. Want toen Jezus opgestaan was, beriep Hij zich op al de H. Schriften, zonder dat Hij zeide, gelijk Jezus ook nooit gedaan heeft, dat en dat woord bestempel ik als „ivoord uil Godquot;. De Schrift was dan ook voor Jezus niet een dooden afgod, zooals bij de Farizeën en Sadduceën, maar een levend woord, niet met bijvoegsels en inlasschingen, of veranderingen, maar een onvervalscht woord.

Jezus drukt het stempel der echtheid op de heilige schriften des O. V. Een opmerkelijk verschijnsel is het toch, dat Jezus nergens een woord heeft aangehaald met te zeggen, dat is niet Gods woord, ja, zelfs den schijn niet gegeven om zoo iets te willen zeggen, nergens vindt men daarvan een bewijs in de evangeliën. Zoo dit ware, dan zoude men een anderen Christus en schriftbeschouwing moeten hebben, dan zich de Christus naar de schriften zelve openbaart; een Christus, Die met de schriften des 0. T., hetzij

ocr page 112

1(M

geheel uf gedeeltelijk gebroken heeft, is Christus, z.uoals Ds. Z. zegt, in geheel eenigen zin hel Woord Gods, zal dan Hij, zoo vraagt hij, niet zijn heilig stempel zetten op hetgeen in vroegere tijden door den mond der profeten geopenbaard geworden is, werkelijk als een woord uit God. Niet minder dan wat door Jezus erkend werd, wanneer liij zich beroept op de heilige Schriften in verband met Zijn lijden en verheerlijking. Tot de Emmaüsgangers spreekt Hij; „o! onverstandigen en tragen van hart om te gelooven al hetgeen de profeten gesproken hebben, moest de Christus niet deze dingen lijden en alzoo in zijne heerlijkheid ingaan?quot; Jezus heeft niet gezegd wat tot woord uit God verheven moet worden. Het was voor Hem Gods Woord. Jezus heeft daarin nimmer onderscheiding gemaakt. Ik haal dit slechts aan om te doen zien, dat Jezus meer dan alleen een geestelijk openbarings-element ziet in de Schriften des 0. V. en dat meerdere als waar Goddelijk, geestelijk erkent, wat we nog door tal van citaten uit de Evangeliën zouden kunnen vermeerderen. Het is toch waarlijk Jezus niet te doen om yeheel het O. T. aan le halen en stuksgewijze te behandelen; Jezus, zoowel als de Apostelen, zij hebben uit de bronnen, dat is uit de Heilige Schriften des 0. V. geput, als bron

nen, die niet slechts geloof verdienen en niet slechts geloofwaardig zijn, maar een onbepaald geloof elschen. Jezus Christus, zegt Ds. Z., leefde met de Schrift en stierf met de Schrift in het hart en op de lippen; maar hieraan voeg ik toe: Hij handhaafde tevens het goede recht der heilige Schrijien en hield dat, waar

ocr page 113

105

het noodig was, zijne discipelen /net nadruk voor. Jezus heeft nooit en nergens in de Evangeliën eenige grond gegeven, zelfs niet voor hel vermoeden, dat Hij zijne discipelen of iioorders te kennen gaf, dat Hij twijfelde aan de geloofwaardigheid en Goddelijkheid der II. S. des 0. V. Jezus als de Goddelijke Leeraar, stond boven de Schriften, en Hij verzegelde de Schriften des O. V. mei hel zegel der Goddelijkheid, niel om ze als Goddelijke te doen erkennen, maar omdat ze Goddelijk zijn. Het was voor Hem niet eene doode afgod, gelijk voor de Farizeën en Saduceën, maar het tvoord van God; voor de Godsmannen eene bron van hoop, troost en leven met het oog op Hem, Die in de volheid des tijds komen zou en gekomen is, en zeggen kon, van den God Israels, Zijn Vader, „Uw Woord is de Waarheid.quot; Wij vragen hier niet alleen ,,is het een woord uil God, waarop Jezus zijnen heiligen stempel zei, maar ook of hetgeen de mannen Gods onder het 0. Y. verhalen, waar is en door hoogeren drang zich geroepen gevoelden dat mede te deelen. Beide is tvaar. Indien de prediking van Jezus tot ons gekomen is, zooals Ds. Z. zegt, door het kanaal van eene (jebrekkiye menschelijke overlevering, dan kunnen wij haar ook niet als waar beschouwen, en daarop geenszins ons geloof bouwen. Maar zoo blijft er tus-schen geloof en christelijke wetenschap een onver-zoenbaren strijd, die nimmer zal kunnen worden weggenomen, vooral wanneer üs. Z. zegt, ,,dat wij novil met wetenschappelijke zekerheid zullen kunnen zeggen juist zoo en niel anders heeft de Heer gesproken, zelfs ook niet ten opzichte van het Heilig Avond-

ocr page 114

IOC

maal, waarumtreut wij zijn woord in vierderlei onderling afwijkende gestaltuu bciiUcn.'' Maar eilieve! de vraag is hier niet, of de woorden juisl en precies dezelfde zijn, waarin de instelling van het Heilig Avondmaal tot ons gekomen is; wij moeten den nadruk leggen op de zaak, die daarin uitgedrukt is. Er moge in de woorden eenige afwijkingen zijn, wat evenwel de hoofdzaak betreft, daarin is geen tegenstrijdigheid. Inlusschen wil ik Ds. Z. hierop wijzen, dat hij don maalslaj, dien hij stelt om aan te toonen, wat Jezus als woord uil God erkent, wel aan Jezus in de hand geeft, maar het recht om dat te doen, niet van Jezus heeft, m. a. w. dien maatstaf van beoordeeling vinden wij niet in Jezus' woorden als eene uitspraak van Hem zeiven, waarop men zich zulk een recht zou kunnen aanmatigen. De beteekenis van onzen Heiland voor ons, zegt Ds. Z., ligt dan ook oneindig veel meer in Zijne daden , dan in Zijne woorden, allerminst in de /ei/er zijner woorden. Laten die woorden soms misverstaan, soms gewijzigd en uitgebreid zijn; of wel verbonden, hetzij met andere van Hem zelf geuit, bij en doelende op andere omstandigheden , hetzij mei woorden van den Evangelist, dit alles belel wel een zuiver wetenschappelijke historische beschrijving van Zijn leven op aarde, maar hel doet geen schade aan het hoofddoel des Evangelies: brengen onder den indruk ,,(en daardoor tot de overtuiging)quot; dat Hij is de Nerlosser en Zaligmaker van de zondige w:ereld Joh. 20:31. Laat my hierop aanmerken, dat wanneer de prediking des Heeren tot ons gekomen is door gehrekkiye menschelijke over-

ocr page 115

107

levering, dat dan ook de mededeeliiig van 's Heeren daden, beide, zeg ik, noch zijne woorden, noch zijne daden in alles geloof verdienen. Wie zal zoo doende in staat zijn om de juiste grenzen van liet geloofwaardige en van het niet geloofwaardige aan te geven; wij verkeeren dan daaromtrent in de yroolslc onzekerheid. Hierdoor toch wordt de beteekenis van onzen Heiland afhankelijk van die gebrekkige overlevering, te meer, omdat wij ons op geen enkele letter schrifts van Jezus, door Hem nagelaten, kunnen beroepen. De daden van Jezus zullen dus geen onbepaald geloof verdienen, te meer, omdat de beteekenis van onzen Heiland hel allerminst gelegen is in de letter zijner woorden. Wij hebben dus als het ware hier een afdalende reeks, als ik de woorden van Ds. Z. wel beschouw; want de beteekenis van onzen Heiland ligt veel meer in Zijne daden; minder in zijne woorden; allerminst in de letter zijner woorden; maar onder dat alles vervalt toch voor het geloof de (jrond van gewisheid, omdat het is geput uit een bron van eene gebrekkige menschelijke overlevering, waarbij wetenschappelijke zekerheid uitgesloten is. Daarop moet ik vooral wijzen, omdat hij spreekt van het misverstaan der woorden of soms gewijzigd en uitgebreid. Nu kan hier al weer de vraag niet achterwege blijven, hoever reikt dat misverstand? In hoeverre zijn zij gewijzigd en uitgebreid? Op welke zekere gronden weet de schrijver, dat met do woorden van Jezus, woorden van andere personen verbonden zijn? Die vraag doe ik met het oog op zijne vooropstelling, dat Jezus' prediking lot ons gekomen is door het

ocr page 116

108

kanaal van ecnc gebrekkige mcnschelijke overlevering. Mij dunkt, daardoor ondermijnt men toeh het geloof, al houdt men voor den hoofdinhoud der prediking: Jezus Christus en dien gekruist, de oorzaak der behoudenis. Als wij toch den historischen Christus prediken, dan kan het niet anders gesehieden, dan vooral door het kanaal der Evangeliën. In die bronnen lezen wij Jezus' woorden en daden. De Apostolische prediking is gegrond op het fondament der apostelen en der profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen. Indien nu de historische beschrijving van Jezus' leven door het kanaal van eene gebrekkige menschelijke overlevering tot ons is gekomen, zoodat wij nooit mei welenschappelijke zekerheid zullen kunnen zeggen : juist zoo en niet anders heeft de lieer gesproken, dan vervalt hierdoor ook de zekerheid van den inhoud der prediking van den gekruisten Heiland als de oorzaak van behoudenis. Dit doet schade aan het hoofddoel des Evangeliums; want zóó wordt men niet gebracht tot den indruk en door dien indruk tot de overtuiging, dat Hij de Verlosser en Zaligmaker is, maar zóó komt men tot twijfel of Hij het wel is.

Joh. 20:31 wijst op het geschrevene als genoegzame gronden van zekerheid, ten einde op dat woord het geloof te bouwen. Maar stellen wij nu eens, dat we hier met een overleveringsgeschiedenis te doen hebben dat we in dit geval zouden moeten zeggen, dat we volstrekt niet kunnen zeggen, zóó juist en niet anders heeft de Heer gesproken of gehandeld, dan geeft ook Joh. 20:31 door Ds. Z. aangehaald, om zijn woorden te staven niets voor de zekerheid

ocr page 117

109

des geloofs. Het, is dan ook moeijelijk , zoo niet ondopn-lijk om iemand te brengen onder den indruk (daardoor tot de overtuiging), dat Jezus is de Verlosser. Immers, op de vraag ,,wie is de Christus naar de sciirift of naar de schriftenquot; zoude alsdan in beschouwing van eikaar verschillend, ook verschillend beantwoord worden, liet geloof wordt gebaseerd op eigen beschouwing, m. a. w. een geloof op menscheiijk gezag. Van een zelfstandig onderzoek van de schriften door een leek kan in den grond der zaak r/ee» sprake zijn. Hij wordt in zijn onderzoek bepaald door den meening van den onderzoeker, m. a. w. wat ten slotte het resultaat is van het onderzoek, moet ook hij aanvaarden, al is het zelfs niet overeenkomstig de waarheid. Met is dus niet „hoe leest gij? of wat staat er? maar wat is waar? — Op wiens gezag neemt hij aan, dat is zóó en dat is zóó niet; dat is twijfelachtig en dat niet? — Eenvoudig op gezag van den spreker, die zegt „dat is zóó mijne meening, mijne beschouwing, liet is dus geen sc/m'/^beschouwing, op welke hel geloof zich grondt, maar op eene schrift-beschouwing, verklaard, opgeval naar eigene, dat is, subjectieve meening of zienswijze. Wanneer nu iemand komt om onderricht ten aanzien van heilsfeiten, door Jezus verricht, maar men moet hem zeggen: ik kan niel wetenschappelijk met zekerheid zeggen, 7.66 juist en niet anders iieeft de lieer gesproken, dan blijft zoo iemand in de onzekerheid en hij kan niet gebracht worden tot de overtuiging, dat Jezus de Heiland is. Zegt Ds. Z. „wat zou het zijn, als wij eens de „ipsissima verbaquot; onzes lleeren hadden zoHrfer een

ocr page 118

110

overleveringsproces in de Evangeliën, regelrecht van zijn hand ? Er is al genoeg afgoderij mei de letter, zonder voldoenden grond.quot; Ook hier heb ik vragen te doen. Welke is de grond, op welke de schrijver zijn zeggen bouwt, n. m. 1. dat wij de „ipsissima verbaquot; onzes lleeren niet hebben? En 2°. Op welken (jrond baseert hij, hetgeen hij van Jezus zegt, dat Jezus overneemt, wat vrucht is van een zich openbaren door God aan hel menschelijk hart en dat Hij daarop zijn heilig stempel zet? En 3°. Met welk recht de schrijver kan zeggen dal we met zekerheid kunnen wijzen op hel hoofddoel des Evangelies, als we .lezus „ipsissima verbaquot; met een overleveringsproces voor ons hebben? Deze vragen dienen beantwoord te worden met zekere bewijzen. Op de beantwoording dier vragen heeft de vrager recht, omdat Ds. Z. ze zelve poneert.

Opmerking verdiend (en deze maakt dat de beantwoording der vragen nog met meer bezwaren gedrukt wordt) dat Ds. Z. Jezus plaatst tegenover de wet en de profeten, als ze ja vervullende, maar eigenlijk ze ontbindende. Immers toch zijn „vervullen is ontbondenquot; zegt Ds. Z. Tegenover Abraham, Isaac, Jacob staat Jezus, maar Die zich vergist, omdal niet uitlemaken is of zij wel of niet beslaan hebben. Wanneer zegt Ds. Z., Jezus van die aartsvaders, Mozes, David, Jona enz. gewaagt, dan spreekt Hij van hetgeen Hij in het 0. T. vóór zich had, zonder zich te begeven op het gebied der literariesch-historiesche critiek, aan die dagen nog geheel vreemd, óók in Israël.

In dit geval zou dus Jezus feilbaar zijn. Tegen-

ocr page 119

Ill

over andere stukken betrekkelijk Mozes, David, Acliab en anderen Jer. 20:14—18 (reeds te voren door mij aangehaald, staat Jezus als ze niet beschouwende door God o|) de lippen of in de pen gegeven en wel wegens het zondige dat daarin ligt, en ze daarom verwerpt. Tegenover het berouw hebben van God ten aanzien van het scheppen van menschen, die zondigen en door den zondvloed werden verdelgd, terwijl na den zondvloed zich de zonde blijft openbaren in de menschen die toen leefden, terwijl God er zich bij nederlegt.

Tegenover de treurige staat van Job, die zwaar moest lijden, staat Jezus als een barmhartig Ilooge-priester, die medelijden heeft gehad met het gebrekkige in de kennis van God onder het 0. V., zijn gebeurtenissen, waarmee Jezus Christus geen vrede kon hebben.

Tegenover het Koninkrijk der Hemelen staat Jezus als een Hemelsch Koninkrijk stichtende, terwijl onder het 0. V. slechts van een aardsch koninkrijk sprake is, dat door profetische bezieling tot trekken komt van iets meer dan „aardschquot; te zijn, doch nog verre verwijderd is van een koninkrijk van deze wereld. Het is eene vernieuwing van Hemel en van aarde. Tegenover hetgeen in het 0. V. kenmerk draagt van een innig leven met God staat Jezus, Die zijn heilig stempel zet, op hetgeen van de Profeten geopenbaard is als werkelijk woord uit God, d. i. wat vrucht is van een zich openbaren door God aan het menschelijk hart, en dat overneemt als woord uit God.

De verhoudingen, waarin Ds. Z. Jezus plaatst tegenover het 0. V., zijn niet slechts onderscheiden, maar

ocr page 120

112

ook ongunstig te noemen , uitgezonderd ééne, namelijk wat Jezus ais woord uit God overneemt, kenmerk dragende van een innig leven met God Zijn die verhoudingen van Jezus, door Ds. op schriftuurlijke gronden, gemotiveerd? Neen. Niet alleen .lezus, maar bijna in alle de brieven, om iets te noemen, wordt Abraham aangehaald. Hebben die schrijvers, met Jezus aan het hoofd, zich vergist? In het N. T. wordt van Mozes en hier en daar uit de Pentateuch het een en ander aangehaald; hebben zij die dat doen, ook gelijk Jezus, maar gelezen wat er stond, wat zij vóór zich hadden. Neen. Zij hebben dikwerf er gebruik van gemaakt, of om er zich op te beroepen of om wat zij schreven, er door te bevestigen, m. a. w. Jezus en zijne Apostelen hebben een nauw verband gelegd tusschen het Oude Verbond en het Nieuwe Verbond, en nergens lezen wij, dat door hen getwijfeld werd aan de waarheid van het geschrevene. Indien we dan ook op die verhoudingen zien, door Ds. Z. aan Jezus gegeven, dan wordt, zoo doende, de onfeilbaarheid van Jezus in twijfel getrokken, en worden de offers des 0. V. waardeloos; dat niet alleen, oók de geschiedenis van Israel is in vele opzichten niet

geloofwaardig.

Zegt Ds. Z., Jezus leefde met de Schrift en stierf met de Schrift in hel hart en op de lippen, de Schrift als draagster van het levend woord uit God van alle tijden, hierop moet ik aanmerken, dat de enkele aanhalingen van Ds. Z. nog niet de Schrift zijn, met welke Jezus leefde en stierf, dal de Schrift niet de draagster is van enkele gezegden van Jezus, dat ook

ocr page 121

113

daardoor het bewijs niet geleverd is, dat de Schrift de draagster is, zoodat wat Jezus overneemt, een levend woord uit God is, noch hel een noch het ander. Met die beschouwing zou Jezus geen vrede hebben. Jezus heeft de Schrift Gods Woord genoemd, voor God? Woord gehouden. De Schrift is niet de draagster van Gods Woord, maar is Gods Woord; is niet hel middel om het Woord Gods te brengen, maar de bron zelve, en wèl, dat voor alle tijden.

Ds. Z. gaat voort met te schrijven ,,wie dit nieL erkennen wil, voor hem blijft in den grond der zaak niet anders over dan zijn steun te zoeken in een onware, door de H. S. zelf veroordeelde inspiratie van de letter der schriften des O. en des N. V., verscherpt nog met eene inspiratie van de letter der afschriften, en van de letter der vertalingen en te zeggen: al wat daar buiten valt, is uit den booze. Geen halfheid! Alléén een inpiratie van de letter kan voldoenden waarborg geven, dat hel woord zóó en niet anders door God, of door Jezus Christus, of door een der mannen Gods is gesproken. De zwevende z. g. n. organische inspiratiequot; geeft voor het juist zóó gesproken zijn niet de minste zekerheid. Daarom geen verzwakken van de oud-dogmatische inspiratie theorie door het erkennen van tegenstrijdigheden en fouten in den Bijbel, en toch bij het trekken van de con-clusieën doen, alsof de theorie der mechaniesche inspiratie nog haar volle kracht had ten opzichte van de volkomen juiste overlevering van Jezus' woorden. Wie nu eenmaal op krukken wil gaan , neme de echte krukken der letter en iword inspiratie! Hoe eerlijker

8

ocr page 122

114

en oprechter hij is, des te eerder zullen zij breken onder den last zijner oprechtheid, waarmede hij gehéél daarop gaat leunen, en des te eerder zal hij wellicht omzien naar den eenigen waren staf: Het iHwendicj gcluUjenis des Jl. G. Wie echter vrede kan hebben met onwaarheid, en behagen kan scheppen in een onwaardig spelen met woorden, kan lang, zeer lang, misschien wei tot aan liet einde, met de knikken rond hinken, want wie geslagen is met de verlamdheid der onwaarheid, doel geen enkele slap voorwaarts op den weg der waarheid.

Heeft Jezus niet geloofd aan de inspiratie? Zeer zeker heeft Jezus daaraan geloofd. Hij heeft den 11. Geest beloofd Joh. 14:26 en and. Jezus zelf heeft daarop gewezen ook mei betrekking tot hel 0. V. Matth. 22:43, 44, Luc. 4:18—21. Ik kan mij niet verbeelden, dat door velen aan de in den Bijbel zelf aan-gegevene onmiddelijke goddelijke openbaring niet geloofd wordt. Niet alleen ontvangen wij bij het lezen der schriften zelve den indruk, maar zelfs ook de aanwijzingen dat Mozes zoowel als de Profeten, dat Jezus zoowel als de Apostelen wilden beschouwd worden , als dezulken die van God gezonden waren, en wat zij spraken niet aan zich zeiven toeschreven, maar daarin geleid en bestuurd waren door Goddelijke openbaring. Ik kan mij niet verbeelden, ja, ik durf het zelfs in mijne gedachte niet opnemen, dat zij dit aan de wereld wilden bekend maken, om opgang en naam te maken, en gezag te verwerven. Zoo iets zou waarlijk lnjn karakter veroordeelen, en hunne verbeelding tot eeii voorwerp van spot maken.

ocr page 123

115

Mozes kondigt zich zeiven aan bij Israel een gezant van Ja live Ie zijn. Israel (voor het grootste deel) heeft ontzag voor de Profeten, die openbaringen van God ontvingen en daardoor toekomende dingen aankondigden. Jezus Christus en de Apostelen treden op met een gezag van spreken, dat verwondering verwekt en die het goddelijk gezag des 0. V. hebben erkend. Wanneer men dat nu ontkent, dan ondermijnt men het Goddelijk gezag, waarmede zij optreden en spreken.

Herder (1780) in zijn („das Studium der Theologiequot;) een brief van hem die meer dan waard is om gelezen te worden, spreekt van hen, die de geschiedenis van den val als eene mythe beschouwden. Maar dan hebben Adam en Eva en zonde niet bestaan. Het wordt zoodoende eene verdichting, niet ongelijk aan de historie van Prometheus en Pandora. Maar ik ga verder wanneer i. e. w. de val eene verdichting is. Dan zijn de historie van Kain en Abel, van de zondvloed, van Noach, van Abraham, Isaac en Jacob, Israels reizen uit. Egypte, naar de woestijn enz. ook vertellingen. Ik stip kortheidshalve slechts aan. Dat zijn toch samenhangende gebeurtenissen.

In hel jaar 17il^ schreef Hess in de bibliotheek der Heiligen Geschichten, „men moet in die stukken niet te vlug zijn, want veoWf/am/e» kunnen teruggangen zijn. Ik haal in hoofdzaken zijne woorden aan. Verder zegt hij, „de wonderen worden uit den Bijbel uitgedaan, en de fabel wordt er ingebracht.quot; En worden thans de gewichtigste gebeurtenissen niet tot mythen gemaakt? Volgens deze verklaringswijze ten

8*

ocr page 124

lib

aanzien van den inhoud des Bijbels, weten wij niets van de schepping, van den val, van den zondvloed, van vele dingen wat het leven van Abraham, Isaac en Jacob aangaan; niets van de openbaringen Gods aan Mozes, aan de profeten. Het is slechts mythe. Alles is niet slechts onzeker, maar ook krijgt het eene Inkleeding en een bestaansvorm door de verbeelding geschept. Men verwerpt of vernedert die mannen, welke door Jezus en de apostelen hooggeschat werden. Het „llandbuch der Geschichte der Hebraischen Nationquot; van G. L. Baur, Hoogleeraar te AltdorlT, levert daarvan bewijzen.

En is hel nu anders? Worden ook nu niet de hoofdgebeurtenissen In het N. V. als mythe, verdichting, beschouwd? Bijv. de geboorte van Jezus zooals die beschreven wordt; Jezus' wonderen en die der Apostelen; Jezus' opstanding, hemelvaart en zitten aan Gods rechterhand. Hel spreekt wel van zelf dat bij zulk eene wijze van doen, de goddelijkheid der H. Schriften niet wordl erkend; omdat men uitgaat van de meening, dat ook andere schrijvers, dan de oorspronkelijke schrijver, stukken hebben ingeschoven in de Evangelieën, ik zeg, men gaat uit van de tneening, want meer is hel niet. Aldoende, boven elke tegenspraak verhevene bewijzen, zijn voor die meening

nimmer aangevoerd.

Intusschen verdient opmerking, wat zeker vóór de Goddelijkheid, die voor de bijzondere openbaring van Godswege tot ons gekomen, pleit, is hel doel der H. S. des 0. en N. Y. Bij ongewijde schrijvers vinden wij dat doel niet. Wat zij verhalen, is niet naar éen

ocr page 125

117

aangelegd plan. Wij ontdekken dat niet. Dorh wal de schriften des 0. en N. V. betreft, is het anders. In die geschriften vinden wij één plan. Onderscheiden mogen de personen zijn, die bericht geven, onderscheiden de tijden, waarin zij leefden, onderscheiden de plaatsen waar zij waren , en onafhankelijkheid van elkaar moge hun kenmerk zijn bij het mededeelen ; de hoofdzaak is: de zuivere kennis van God en zijn dienst; de heen wijzing naar de openbaring en het werk van den Zaligmaker Jezus Christus Gods Zoon. De een moge desaangaande wat meer hebben dan de andere zij hebben eenheid en doel, in wat zij als hoofdzaken mededeelen.

Dit Goddelijk plan begint met den eersten mensch, met de aartsvaders en loopt door het 0. Verbond tot in het N. Verbond. In het N. V. komt dat plan in een heerlijk licht te staan met Jezus en zijn apostelen. Abraham, Isaac en Jacob zijn geene persoonsverbeeldingen, maar worden van God beweldadigd met bijzondere openbaringen, door Engelen, gezichten en droomen. Aan hen wordt van God geïnspireerd, wat God hen moest mededeelen. Zij ontvangen Goddelijk, Hemelsch onderwijs. Zóó alleen kon bij hen godsdienst ontstaan, welke zich onderscheidt van den godsdienst uit de rede, of uil de natuur, of uit beider bron saamgeweven. Doch dit laatste is geen van God zelf geopenbaarde godsdienst. Het bewijs er voor is nooit geleverd, en kan ook nooit geleverd worden. Houden wij nu de verzameling van boeken, die met elkaar in betrekking staan, niet tot elkaar in verband staande, èn waarvoor geen bijzondere

ocr page 126

118

goddelijke zorg gedragen is en men liet plan, dat in die scluiflen of boeken doorstraalde loochent, hetzij geheel of gedeeltelijk, dan kan men zich wel voorstellen, dat er reden is, waarom men van al die bijzondere verschijningen, wonderen en vele andere gebeurtenissen als van verdichting of mythe spreekt. Zou de omgang van Jehova met Abraham dan niet mythisch in verband kunnen gebracht worden met het bezoek van Jupiter en Mercurius bij Philemon en Baucis (waarvan Ovidius Metamorph. 8, 640 vv. spreekt). Indien God zich niet geopenbaard had aan zijne gezanten of Godsmannen, dan zouden wij ook geene zekere kennis van God gehad hebben. God heeft zich ten laatste aan zijnen Zoon geopenbaard, d. i. door zijn Zoon gesproken (llebr. 1 . 1). Die heeft God gezien, stond in eene onmiddelijke betrekking tot God, zijn Vader. Daaraan nu had een Godsgezant of Godsman deel. Aan hen is de kennis Gods medegedeeld op eene wijze als die door God bepaald was. Wij zien dat van achter, dat is ajoos/mon, door de 11. Schriften zelf; apriori d. i. van voren was daarvan niets bekend. De persoon die mededeelt, is, volgens de 11. S. ,,de II. Geest.quot; Wij hebben dus hier het oog op den II. Geest, die middelijk óf rechtstreeks het van God geopenbaarde, aan de Godsgezanten mededeelt. Oogmerk is naar Gods hooge wijsheid om den eenigen en waren Godsdienst op de aarde te brengen. Wij mogen dan ook dus niet van een geschiedenis der godsdienst, maar van de geschiedenis der van God zeiven geopenbaarde godsdienst spreken.

Wanneer we de leer aangaande den Geest van God

ocr page 127

119

aandachtig nagaan, dan vinden wc daarvan niet alleen duidelijke aanwijzingen, maar aan denzclven wordt ook toegeschreven al het goede, dat God door den-zelven mededeelt aan menschen. Wij lezen dal van Jozef gezegd wordt, dat Gods Geest in hem is. Gen. 41 : 38. Mozes bezigt die uitdrukking. Num. XI : 17, 25, 26, 29. Num. 17:18. Ook de dichter in de profeten, Ps. 51:13; 143; lü; Jezaia 44:3; Ez. 36: 27; Ez. 37:14. Waardoor te kennen gegeven wordt dat vermogen van God, waardoor God werkte op de verstanden der profeten, en waardoor zij spraken en handelden en tot edele gezindheden en goede werken werden bekwaam gemaakt. Jezus heeft ook van dien geest van God, zijn Vader, gewaagd, en uit het 0. V. overgenomen, d. w. z. Jezus heeft ook daarin zich aangesloten aan hetgeen de schi iften des 0. V. van den Geest Gods getuigen. Die geest zou ook de Apostelen bekwamen om Jezus' woorden en daden te bewaren, hen ingeven, wat zij moesten prediken en onderwijzen i. e. w. hen in staat stellen, tot alles wat zij in hun heerlijk werk en in hunne hemelsche roeping als gezanten van Jezus Christus noodig hadden. Men zie Joh. 14—16; Matth. 10: 19, 20; Marcus 13: 11; Hand. 1 :8; Matth. 22:43; Mare. 12:36; Hand. 7:55; Hand. 13:9; 2 Petr. 1:21; Hebr. 3:7, vgl. Ps. 95:7—11; Hebr. 3:8, vgl. Ez. 17:1—7: Dout. 6:16. Uil hetgeen ik aangehaald heb, dat nog wel kan worden uitgebreid, zien we, dat al het goede, dal gewerkt is in de gezanten steeds gewerkt wordt, van den Geest óf H. Geest.

Jezus heeft mei zekerheid gesproken, heeft niet

ocr page 128

120

getwijfeld, en kende aan de bron, het 0. V. een geloofwaardig, een Goddelijk gezag toe. En wanneer wij dit in verband brengen met Zijn spreken tot de Joden, zie Matth. 22 : 43 waar Hij vraagt, hoe noemt Hem David in den Geest, lleere, dan hebben wij hier grond voor het geloof aan de inspiratie, omdat Jezus zelf daartoe het recht geeft om het te gelooven. Zekerlijk, wanneer wij eerst moeten bewijzen door historisch critisch onderzoek, wat waarheid is, dan vervalt hiermede het geloof aan de inspiratie, en geraken wij in grooten strijd met hel Goddelijk gezag, hetwelk Jezus aan de H. S. des 0. V. heeft toegekend, en met Zijne belofte van de zending des H. G. en met hetgeen de apostolische prediking getuigt: „Wij prediken het niet als een menschen woord, maar als Gods woord door dien Geest, die uit God is, weten wij de dingen, die ons van God geschonken zijnquot;, zie \ Cor. 2 : 12 en 1 Tes. 2: 13.

Jezus wordt zoo doende beschouwd als eew wewjc^e-lijke Leeraar, niet uit den Hemel, maar uit de aarde, niet met eene leer van God, maar met eene leer uit de menschen gekomen, verg. integendeel hiermede Joh. 3:2, waar Nicodemus zegt: „Rabbi: wij weten, dat Gij zijt een leeraar van God gekomen.quot; Dit is halfheid en van geene beteekenis voor het geloof, dat uit den aard der zaak een Goddelijken grondslag moet hebben , omdat wat wij niet gezien hebben, den inhoud van ons geloof uitmaakt. Het geloof toch is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet enz., Hebr. XI: 1 en 2. In de geschiedenis van Israël op staatkundig en gods-

ocr page 129

dienstig gebied zien wij tal van practische resultaten, en voorzoover zij voorbeduidend zijn, zoo juist samenvallen in hare uitkomsten met de historische vervulling van het doel van Jezus' persoon en werk, zoodat zij als aan een sluitappel gelijken, ja, aan een welgeordend huis, dat op een vasten grondslag rust. flet is één samenhangend maar ook in één punt .?amen-vallend geheel. Dat er in het 0. T. gelijk ook eveneens in het N. T. dingen voorkomen, die het men-schelijk karakter als boos openbaren , en waarvan wij zeggen moeten, dat het afkeurenswaardig is dus te spreken of dus te handelen, dat neemt de je/oo/ït'aar-digheid niet weg, dat kan even zeer geloofd worden en verdient evenzeer geloof, als dat er slaat, dat Eva van de vrucht nam en Adam gaf, en God Adam het eerst ter verantwoording riep; dat Kaïn zijn broeder Abel van het leven beroofde, als ook de leugen van Potifars vrouw om Jozef te doen vallen, omdat zij de vervulling harer begeerte niet kreeg; of als een Saul, die David naar het leven staat, of als een Esther, die zich verheugt over Mordechaï's verhooging in de plaats van Ilaman. In één woord haal ik hier aan, wat Joh. a March in 't merch der Gotgeleertheit zegt: ook in goede en kwade zaken te verhalen op eene zedige en betamelijke wijze is de Schrift niet min waarachtig en verdient zij ook niet minder geloof als in de eerste, schoon zij in deze alleen de menschen tot navolging verplicht, daar zij in de andere veel meer een gebruik van waarschuwingen heeft.

Zullen wij dus niet tot eene halfheid geraken, dan

ocr page 130

122

zal de inspiratie wei nootizakciijiv zijn, omdat anders liet bewijs van de Goddclijkiieitl der waarheid zal ontbreken. De honger en dorst naar God kunnen de gezondinakende bronnen niet doen voortkomen en ontsluiten, God moet zelf die bronnen geven en dat doet God door Zijne Openbaring, vóórbereidend en vóórbeduidend in de Schriften des ouden Verbonds, door Christus Jezus zelve in het N. V. vervuld; vooral practisch vervuld, te zien in de geschriften der Apostelen, door ccn en dezelfden Geest. De tegenwerping, die men tegen de beschouwing der inspiratie aanvoert, grondende op het verschil van stijl, dat in de boeken der 11. Schriften is waar te nemen, kan, dunkt mij, onze aandacht niet trekken alsof de Geest werkende op het gemoed des menschen hun moest doen ophouden mensch te zijn, dat is: m. a. w. een menschelijk organisme te hebben, en dat zij van hun geheel geestelijk samenstel moesten beroofd worden.

De II. Schrift veroordeelt niel de inspiratie van de letter der Schriften des O. en des N. Y. Waar leest men dat in den Bijbel? Nergens. — Wat geschreven, gesproken, i. e. w. bewaard is in de Schriften des 0. en N. V. is onder en door de besturing des II. Geestes tot ons gekomen. — De geloofwaardigheid der 11. Schriften beeft haar grondslag in den H. Geest, Die in de Godsgezanten gewerkt en door hen gesproken heeft. — Dat nu kan alleen de maatstaf van beoordeeling zijn. De door Ds. Z. aangegeven ce'nige ware maatstaf: hei inwendig getuigenis des H. G. wordt in de H Schriften niet genoemd. — Die maatstaf wordt

ocr page 131

noch door Jezus, noch door dc mannen Gods als de eeni(je ware erkend. De maatstaf, die alleen in de II. Schriften als de eenig ware wordt erkend, is de II. Geest. Die geest getuigt dat de Geest de Waarheid is. Vgl. Joh. o ; 38, 34; I Joh. 5 : ti, 13; Joh. 7 ; 15—17. Intusschen moet de inspiratie vallen als een overleveringsproces wordt aangenomen — gelijk Ds. Z. aanneemt; zoodat we de „ipsissima verbaquot; des Ileeren niet hebben. Waarop nu steunt dat gezegde van Ds. Z. ? Op niel één bewijs. Dit is dan ook het zwakke in Ds. Z. schrijven, dat hij zelve niet bewijst wat hij zegt, maar het aan zijn opponent overlaat. — Ook in dit geval, had de schrijver met klare grondige bewijzen moeten aantoonen, dat de maatstaf, dien hij bezigt de eenig ware is. Maar ook dal bewijs ontbreekt. — liet steunt op eene onderstelling en het „schijnt mij ioequot; speelt een machtige rol. Wat Ds. Z. over de geloofwaardigheid zegt, ten aanzien van de 11. S. des 0. en N. V. waarin nog is dat niel geloofwaardig is, zoodat zelfs veel er in gevonden wordt, dat niel waar, d. i. niet Goddelijk is — dat wordt door hem gesteld, tot maatstaf van het niet Goddelijke. In elk geval is volgens Ds. Z. de 11. S. des 0. en N. V. geen ken bron die onbepaald, dat is in alle deelen geloof verdient.— Zóó heeft de Kerk er niel over gedacht.

Behalve hetgeen ik gezegd heb aangaande den II. Geest zooals Die de schrijvers als gezanten des Hemels in staat stelt te schrijven en te spreken, en de oorzaak is van al het goede in den gemeente; moet ik er bijvoegen, dat de Evangeliën erkend zijn door de Christenen der eerste eeuwen van die schrijvers te

ocr page 132

124

zijn, wier namen zij dragen. Wanneer wij nagaan den inhoud der Evangeliën, dan zien wij, dat. zij geene verleiders waren ; dat de wijze van verhalen natuurlijk is, dat zij noch hunne vooroordeelen noch hunne misvattingen verbergen of willen goed praten. Tegenstrijdigheden tusschen hen treft men niet aan, al heeft de een wat meer dan de ander te boekgesteld en de een een onderwerp meer uitgebreid dan de ander behandelt. Indien zij allen hetzelfde hadden geschreven, dan zouden zij kunnen voorgesteld worden afschrijvers geweest te zijn van een en hetzelfde dictaat. Doch dat is zoo niet. Zij hebben onafhankelijk van elkaar geschreven; en al is er wat de letters betreft bij de een wat meer en bij den anderen waf. minder ten aanzien van deze of gene mededeeling; dit is zeker, dat zij geen afspraak met elkaar gemaakt hebben om één Evangelie te schrijven en dat ook, ik herhaal het, van af de eerste eeuwen des Christendoms geen twijfel heeft bestaan, of zij waren van die schrijvers, wier namen zij dragen. Tertullianus adv. Marcion L. IV. C. V. verdedigde de vier levensbeschrijvingen van Jezus tegen Marcion; Origines bij Eusebius, hist, excles. VI, XXV bedoelt niet anders, als hij daar spreekt van overlevering, dat er maar vier Evangeliën zijn, welke boven alle tegenspraak zijn aangenomen; waarbij ik nog moet voegen, wat Augustinus zegt, ,,ik zou het Evangelie niet gelooven, indien het gezag der Katholieke kerk mij daar niet toe zou bewogen hebbenquot;; genoeg hierover. Wanneer wij op de afschriften, die gemaakt zijn, zien, in verband met de vervalschingen , die van de vijanden plaats hadden.

ocr page 133

125

dan komt het er vooral op aan , dat wij weten, dat twijfel bestaan heeft ten aanzien van de vier Evangeliën. Theophilus anno 170 óf 18Ü zegt van de schrijvers des ü. en N. Verbonds, dut zij waren ■xvsunxToQipot en dat de schrijvers door éénen Geest van God gesproken hebben. Dacht loen ook iemand aan een overleveringsproces? — Op welken hislorischen grondslag bouwt men nu die meening'? — De eerste vraag moet ontkennend beantwoord worden. De tweede vraag moet men onbeantwoord laten. De schrijvers, die toen leefden, hebben het zeker beter geweten dan wij. Dat er vervalschingen waren en strijdschriften, welke het doel hadden de verbreiding van het Evangelie te keeren, en den inhoud der Evangeliën te vervalschen is zeker; dat de echte Schriften bewaard en gehandhaafd werden, terwijl later afschriften hunne plaats innamen.

In de gemeente der christenen hadden de Evangeliën en vele brieven in het begin der tweede eeuw na Chr. geboorte gezag gekregen. Omstreeks 35Ü was er eene kerkvergadering te Laodicea — welke 60 besluiten of Hegels aannam. — Volgens den 59^u en G09tlt;'11 mochten bij den openbaren eeredienst alleen de Canonieke boeken des O. en des N. T. worden voorgelezen. De 60ste gaf meer bepaald de boeken aan , die gelezen moesten worden, — Aan die lijst nu ontbraken de Apocryphe boeken alsmede de Openbaring van Johannes. Te meer belangrijk is die regel, omdat deze vergadering voor het eerst was, en ook de eerste vergadering, op welke zulk een lijst is opgegeven.

ocr page 134

126

Later ontstoml daaruit een verzameling van kerkelijke wetten voor de geheele kerk verplichtend gesteld (codex Canorurn Ecclesiae Universae) en aangenomen en te Chalcedon door een ahjemeene kerkvergadering 4-51, bevestigd.

Wel is waar heeft men bedenkingen tegen de echtheid van den 6(He11 Canon ingebracht, doch zij waren van geene wederleggende beteekenis.

In de drie eerste eeuwen werden lijsten gevonden, waarop voorkwamen de 4 Evangeliën, 13brieven van den Apostel Paulus, één van den Apostel Petrus en één van den Apostel Johannes. Met voorzichtigheid ging men er mede te werk. Augustinus zegt dan ook waarom men in den kerkelijken Canon eenige schriften der Heiligen niet opgenomen heeft, „omdat zoo zegt bij, wegens de al le (jroole oudheid geen valsche geschriften in de plaats van de ware geschriften zouden worden voortgebracht.quot; Bij de vaststelling van de echtheid der Schriften des N. T. diende daarop voorn/ gelet te worden, vermits een namaaksel allicht eene plaats zoude kunnen innemen. — In de kerkvergadering te Carthago, 397, werd volgens den 479ten Canon bepaald, dat alleen de Canonieke boeken en geen andere onder den naam van Goddelijk in de kerken mochten worden gelezen. — Op die lijst komt de Openb van Johannes voor, die niet op de lijst, te Laodicea gesteld, voorkwam. Ilieronymus en Augustinus te Hippo 393, en te Cathago 397 gingen verder.— Toen werden de Openb. van Johannes, de betwijfelde brieven en de Apocr. boeken in den Canon geplaatst. De eerste lijst of Canon, waarop alle hoeken voorko-

ocr page 135

\il

men, zooals wij die nu hebben, is van bisschop In-nocertius I, 105, en is door hem bevestigd.

Ook de Apocr. boeken waren er bij gevoegd, doch deze laatstgenoemde boeken werden op voorgang van Hieronymus als ondergeschoven, niel echl aangemerkt.

Bisschop Gelasius te Rome 492—496 heeft een index librorum prohibitorum geschreven, waarop de boeken, die niet geschikt waren om in de kerk gelezen te worden, voorkwamen, — waarmede dan ook de geschillen werden weggenomen, die men over de samenstelling van den Gation inbracht.

liet, is du s geenszins te ontkennen, dat men voorzichtig te werk ging in het samenstellen van den Canon, en dat hij langzaam tot stand kwam, wat echter de aard der zaak medebracht. — Hij werd de grondslag van het christelijk geloof, en de bron der godsdienstige kennis. Wanneer men begint het Evangelie te vormen naar eigen denkwijze, dan doet men als Joodschgezinde en gnostieke dwaalleeraars, die uit het Evangelie verwijderden, wat met hunne begrippen niet overeenkwam.

Dat men in die dagen onechte Evangeliën had, blijkt bijv. uil hel Evangelie der twaalf Aposlelen; het Evangelie van Mardon (gnostiek) n. m. 1. het Evangelie van Lucas, hot Evangelie door Basilides (gnostiek) n. m. 1. dal van Mattheus. Die Evangelien nu werden vervalscht en verbasterd met de denkbeelden der schrijvers. Evenwel hebben de Gnostieken de echtheid niel bestreden in dien zin, dat zij den Apostolischen oorsprong der gewijde geschriften heb-

ocr page 136

m

zijn, wier namen zij dragen. Wanneer wij nagaan den inhoud der Evangeliën, dan zien wij, dat zij geene verleiders waren ; dat de wijze van verhalen natuurlijk is, dat zij noch hunne vooroordeelen noch hunne misvattingen verbergen of willen goed praten. Tegenstrijdigheden tusschen hen treft men niet aan, al heeft, de een wat meer dan de ander te boekgesteld en de een een onderwerp meer uitgebreid dan de ander behandelt. Indien zij allen hetzelfde hadden geschreven, dan zouden zij kunnen voorgesteld worden afschrijvers geweest te zijn van een en hetzelfde dictaat. Doch dat is zoo niet. Zij hebben onafhankelijk van elkaar geschreven; en al is er wat de letlerx betreft bij de een wat meer en bij den anderen wat minder ten aanzien van deze of gene mededeeling; dit is zeker, dat zij geen afspraak met elkaar gemaakt hebben om één Evangelie te schrijven en dat ook, ik herhaal het, van af de eerste eeuwen des Christendoms geen twijfel heeft bestaan, of zij waren van die schrijvers, wier namen zij dragen. Tertullianus adv. Marcion L. IV. C. V. verdedigde de vier levensbeschrijvingen van Jezus tegen Marcion; Origines bij Eusebius, hist, excles. VI, XXV bedoelt niet anders, als hij daar spreekt van overlevering, dat er maar vier Evangeliën zijn, welke boven alle tegenspraak zijn aangenomen; waarbij ik nog moet voegen, wat Augustinus zegt, ,,ik zou het Evangelie niet gelooven, indien het gezag der Katholieke kerk mij daar niet toe zou bewogen hebbenquot;; genoeg hierover. Wanneer wij op de afschriften, die gemaakt zijn, zien, in verband met de vervalschingen , die van de vijanden plaats hadden.

ocr page 137

125

dan komt hel er vooral op aan, dat wij weten, dat twijfel bestaan heeft ten aanzien van de vier Evangeliën. Theophilus anno 170 óf 18U zegt van de schrijvers des Ü. en N. Verbonds, dat zij waren TrveufiXToCpópoi en dat de schrijvers door éénen Geest van God gesproken hebben. Dacht luen ook iemand aan een overleveringsproces? — Op welken hislorischen grondslag bouwt men nu die meening'? — De eerste vraag moet ontkennend beantwoord worden. De tweede vraag moet men onbeantwoord laten. De schrijvers, die toen leefden, hebben het zeker beter geweten dan wij. Dat er vervalschingen waren en strijdschriften, welke het doel hadden de verbreiding van het Evangelie te keeren, en den inhoud der Evangeliën te vervalschen is zeker; dat de echte Schriften bewaard en gehandhaafd werden, terwijl later afsclinf-ten hunne plaats innamen.

In de gemeente der christenen hadden de Evangeliën en vele brieven in het begin der tweede eeuw na Chr. geboorte gezag gekregen. Omstreeks 35U was er eene kerkvergadering te Laodicea — welke 60 besluiten of Regels aannam. — Volgens den 59ste11 en 0Üs,equot; mochten bij den openbaren eeredienst de Canonieke boeken des 0. en des N. T. worden voorgelezen. De 60ste gaf meer bepaald de aan , die gelezen moesten worden. — Aan die lijst nu ontbraken de Apocryphe boeken alsmede de Openbaring van Johannes. Te meer belangrijk is die regel, omdat deze vergadering voor het eerst was, en ook de eerste vergadering, op welke zulk een lijst is opgegeven.

ocr page 138

126

Later ontstond daaruit een verzameling van kerkelijke wetten voor de geheele kerk verplichtend gesteld (codex Ganorum Ecclesiae Universae) en aangenomen en te Chalcedon door een alyemeene kerkvergadering 451, bevestigd.

Wel is waar heeft men bedenkingen tegen de echtheid van den 60ste11 Canon ingebracht, doch zij waren van geene wederleggende beteekenis.

In de drie eerste eeuwen werden lijsten gevonden, waarop voorkwamen de 4 Evangeliën, 13brieven van den Apostel Pauius, één van den Apostel Petrus en één van den Apostel Johannes. Met voorzichtigheid ging men er mede te werk. Auguslinus zegt dan ook waarom men in den kerkelijken Canon eenige schriften der Heiligen niet opgenomen heeft, „omdat zoo zegt hij, wegens de al te ijroole oudheid geen valsche geschriften in de plaats van de ware geschriften zouden worden voorlgebracht.quot; Bij de vaststelling van de echtheid der Schriften des N. T. diende daarop voora/ gelet te worden, vermits een namaaksel allicht eene plaats zoude kunnen innemen. — In de kerkvergadering te Carthago, 397, werd volgens den 473ten Canon bepaald, dat alleen de Canonieke boeken en geen andere onder den naam van Goddelijk in de kerken mochten worden gelezen. — Op die lijst komt de Openli van Johannes voor, die niet op de lijst, te Laodicea gesteld, voorkwam, llieronymus en Augusti-nus te Ilippo 393, en te Cathago 397 gingen verder.— Toen werden de Openb. van Johannes, de betwijfelde brieven en de Apocr. boeken in den Canon geplaatst. De eerste lijst of Canon, waarop alle boeken voorko-

ocr page 139

m

men, zooals wij die nu hebben, is van bisschop In-nocertius 1, -405, en is door hem bevestigd.

Ook de Apocr. boeken waren er bij gevoegd, doch deze laatstgenoemde boeken werden op voorgang van Hieronymus als ondergeschoven, niel echt aangemerkt.

Bisschop Gelasius te Rome 492—-496 heeft een index librorum prohibitorum geschreven, waarop de boeken, die niet geschikt waren om in de kerk gelezen te worden, voorkwamen, — waarmede dan ook de geschillen werden weggenomen, die men over de samenstelling van den Canon inbracht.

Het. is dus geenszins te ontkennen, dat men voorzichtig te werk ging in het samenstellen van den Canon, en dat hij langzaam tot stand kwam, wat echter de aard der zaak medebracht. — Hij werd de grondslag van het christelijk geloof, en de bron dei-godsdienstige kennis. Wanneer men begint het Evangelie te vormen naar eigen denkwijze, dan doet men als Joodschgezinde en gnostieke dwaalleeraars, die uit het Evangelie verwijderden, wat met hunne begrippen niet overeenkwam.

Dat men in die dagen onechte Evangelien had, blijkt bijv. uil hel Evangelie der Iwaaif .1 poslelen; het Evangelie van Mardon (gnostiek) n. m. 1. het Evangelie van Lucas, het Evangelie door Basilides (gnostiek) n. m. 1. dal van Mattheus. Die Evangelien nu werden vervalscht en verbasterd met de denkbeelden der schrijvers. Evenwel hebben de GHosWe/iew de echtheid niet bestreden in dien zin, dat zij den Apostolischen oorsprong der gewijde geschriften heb-

ocr page 140

m

ben betwist. Hiertoe kunnen wij brengen Valentiuus (160), Heracleon enz.

Daarom is hun getuigenis van groote waarde en we\ 1° omdat hun getuigenis zeer oud is, 2° omdat zij evenzeer gebruik maken van de Apost. geschriften.

Het is zoo, dat de oorspronkelijke stukken reeds vroeg verloren gegaan zijn; doch daarvan hebben wij afschriften, waarvan nog vele voorhanden zijn; waarbij nog andere hulpmiddelen komen, welke kunnen dienen om te weten, wat de inhoud der schriften des N. V. is, èn al komt het nu en dan voor, dat dit of dat woord aanleiding moge geven tot verschil in lezing, dal verschil is meestal onbeduidend en van geen ingrijpenden aard, wat de autoriteit der H. Schrift betreft.

Met uitzondering van de Apocr. boeken werden die des 0. en N. T. als Canonieke boeken tol regel van geloof en leven erkend.

Deze geschriften hebben nog een verbindend gezag en behooren als zoodanig erkend le worden.

Het is zooals .). L. Fuller, (Het Oude Testament) schrijft. „Wanneer ik hel Nieuwe Testament, dat de Goddelijkheid van het Oude zoo beslist uitspreekt, aanneem, dan moet ik het ook het Owctedoen. Indien ik echter het Oude verwerp, dan moet ook het Nieuwe, dat op het Oude rust en dit veronderstelt, wegvallen.quot;

Mij „zegt hijquot; is het Oude Testament, zooals het is, één geheel; en dat was het ook voor den Heer en Zijn Jongeren, in wier tijd de Kanonieke Oud-Testamen-tische boeken reeds waren bijeengebracht. Dit geheet bedoelen zij, als zij van „de Schrift die van God is

ocr page 141

129

ingegevenquot; spreken, en nergens geven zij ons ook maar liet geringste recht om in het 0. T. Gods Woord van des menschen woord aldus te onderscheiden. Met komt voor hel ijeloof aan op de autoriteit der 11. Schriften, d. i. Gods woord Ie hebben zoowel hel Oude als het Nieuwe Testament. Indien ik het eerste verwerp, heb ik ook het tweede voor mij onbruikbaar gemaakt.quot;

Wat de inspiratie betreft, dan klimmen wij van de schrijvers op tot de 11, Schrift. Immers menschen hebben door de leiding en inwerking of door de bezieling van den II. Geest (theopneustie) letters, woorden en zóu schriften overgeleverd /,). Men denkt dus niet eerst aan een boek, maar aan de schrijvers, die le boek stellen; zij ontvingen daartoe vatbaarheid, en bekwaamheid, niet zonder, maar door den H. Geest. Hoe dat nu geschied is, welen wij niet, maar dal het geschied is, blijkt uit vele plaatsen der 11. Schrift. De totale indruk, dien wij van derzelver beschouwing ontvangen, is, dat de schrijvers het als een' onmisbare en onafwijsbare (jrond voor den Goddelijken oorsprong der 11. Schriften erkennen. Moge het dan zijn, gelijk het ook werkelijk zoo is, dat er later personen of gemeenten waren, die dit of dat geschrift (hier bedoel ik de brieven) geen plaats gaven onder de boeken des N. T. die op de lijsten voorkwamen, dat had zijn oorsprong meer uil ««/yja/Zue legen den inbond, omdat hel hun geen stof of grond of soms hel tegenovergestelde bood voor het beweren van hunne bijzondere meening, die zij koesterden of die zij in anderen bestreden. Soortgelijk zien wij ook zelfs in Luther in

9

ocr page 142

•130

zijne verhouding tegenover den Jacobus-brief. Al komen in de H. Schriften enkele dingen voor, die uit den aard der zaak vanzelf spreken als b.v. de groetenissen, dat evenwel ondermijnt het gezag der Schriftinspiratie niet. Wat haar gezag ondermijnt, is, dat men haar in haar recht verkort, doordat men, wat door haar is medegedeeld, voor een groot deel niet aan haar toeschrijft, zoodat de inhoud van de bchrilten des 0. en des N. Yerbonds twijfelachtig wordt gemaakt alsof zii niet van die schrijvers waren, wier namen zij dragen, omdat men dat, wat zij schrijven, aan het oordeel van den onderzoeker afhankelijk stelt. Wanneer men zoo het recht der inspiratie ondermijnt, handelt men tegen de uitspraken der Schriftuur en liet gevolg daarvan is, dat de erkenning van het schriftgezag verzwakt wordt, zoodat er om de lijn hier door te trekken, noch van eenc organische inspiratie theorie (om des schrijvers woorden te bezigen) noch van eene oud doijmatische inspiratie theorie noch van eene mechanische inspiratie theorie sprake zijn kan. Augus-tinus noemt de H. Schrift de pen van Gods Geest. Chrysostomus noemt de Goddelijke Schrijvers den mond Gods. Wij hebben dan ook de inspiratie te beschouwen als eene innerlijke doordringing van den persoon door den II. Geest. Het is eene werking, die hun denken, hun willen bestuurt en leidt, zoodat zij, in wat zij mededeelen, niel dwaalden, maar de waai-heid spraken en daarom geloofwaardig zijn. Eiiieve, wat zou het bevel van het onderzoeken der Schriften of de opwekking van het „geloof het Evangelie en andere dergelijke uitdrukkingen te beteekenen hebben ,

ocr page 143

131

wanneer hetgeen geschreven slaat, geen geloof verdient of ongeloofwaardig is. Wanneer de 11. Schrift zegt, dat de II. Geest het geloof in de waarheid werkt, dan moet men niet beginnen te zeggen „ik zal eerst eens onderzoeken of dit en dat wel waar is; neen, men gelooft hel, omdat van den II. Geest gezegd wordt, hel geloof te werken door de waarheidquot;, de II. Geest leidt in de waarheid.quot; Wanneer de schrijvers door den H. Geest ons hebben medegedeeld, wat zij moesten schrijven, dan moet do II. Geest ook het geloof, in hetgeen Hij medegedeeld heeft, werken, opdat tusschen het subjectief geloof en het geloof in de objectieve waarheid géén strijd ontsta, en deze één zijn. Zoo dit niel geschiedt, ontstaat er tusschen beider geloof een onverzoenlijken strijd, omdat men bij hot geloof ook hel welen wil voegen, ja, dal men hel geloof in het welen doel wegzinken. Dal is een natuurlijk gevolg van de beschouwing zooeven genoemd, wanneer men n. m. I. de inspiratie door den II. Geest geheel of gedeeltelijk op zij zet. Men mag daarbij meenen , dat men toch den Christus als den Verlosser en Zaligmaker kan prediken, of kennen, maar in den grond der zaak kan hel niet. Op de vraag, is Hij die werkelijk zooals gij u Hem voorstelt, zal men hel antwoord op zekere gronden gegeven, schuldig blijven.

Indien men aan hel werk van den II. Geest zoowel objectief als subjectief het recht ontzegt, dal haar toekomt in de H. Schrift, dan heeft men ook geenen zekeren objecliven grond voor wat ons van Jezus en de Apostelen is medegedeeld aangaande de heilsleer;

9'

ocr page 144

132

en de vragen, in hoever is het dan toch Gods woord'? of hoever strekken zich de grenzen uit, binnen welke wij Gods woord moeten bepalen, zullen dan niet geheel beantwoord worden, ja onvoldoend beantwoord blijven; m. a. w. wij kunnen geen maatstaf aangeven, waarmede wij die grenzen kunnen meten, liet zeggen van Ds. Z. „dat de eenije ware staf is het inwendig getuigenis des U. Geestesquot;, zal geeH zekerheid aanbieden; bijv. dat Jezus geleefd heeft, gestorven is, opgestaan en verheerlijkt is. Dat is historie. Daarmede moet het inwendig getuigenis des 11. Geestes rekening houden. Die geschiedenis moet waar zijn, vóórdat het inwendig getuigenis des II. G. daarvan iels zal doen ervaren. Als Petrus zegt Hand. 10:38: Belangende Jezus van Nazareth enz. dan moei dat geschiedenis zijn en het inwendig getuigenis des II. G. kan het niet tot woord van God verheffen. Niet het getuigenis des II. G. werkte iets uit op het gemoed van Cornelius, maar de II. Geest, zie Hand. -10;3(S—44. Wat de Apostel Petrus in korte trekken predikte, was niet wat het inwendig geluigenis des II. Geestes mededeelde, maar het was van den II. Geest, in de historie gegrond, en waar; zie vs. 39, 41 , 43.

Wat geopenbaard is kan wel tot regel van hel geloof zijn, maar een inwendig getuigenis des II. Geestes voor het hart kan het niet tot regel maken-, een boek b. v. moet de theorie als inhoud der kennis bevatten, maar een leerling brengt niel de theorie voort, die het boek uitmaakt; niel eerst de leerling en dan de inhoud van het boek, maar eerst het boek en dan de

ocr page 145

13a

leerling; liet voorafgaand onderzoek maakt niet den inhoud van het boek uit, maar het boek is middel ter toepassing. Wanneer nu een leerling uit een boek, dat één geheel uitmaakt, enkele stukken weglaat of die stukken niel noodig keurt, dan zal hij dat boek niet kunnen gebruiken om de praktijk le leeren. En gewis de praktijk der II. Schrift is beproefd voor dien, die het geloof des 11. Geestes deelachtig is; zie ook 1 Joh. 5:10, Joh. 4 ;/*2quot;, 2 Thim. 3:10«.

Ircnacnx verklaart, dat de Schriften door den Geest Gods waren ingegeven en dat hot daarom goddeloosheid is, ze te weerspreken en heiligschennis te veranderen en Jicstmus vóór hem levende, getuigt, dat de Evangeliën geschreven werden door menschen vol van den II. G., welke Justinus gelijktijdig met den Apostel Johannes geleefd heeft. Wij moeten dit wel in het oog houden, dat eentV/ö Kerkvaders de inspiratie beschouwden in ecne meer beperkten, anderen in eenen meer omvattenden zin, in 't algemeen genomen, helden zij meer over om woordelijke ingeving bij het 0. dan bij het N. T. aan te nemen, doch toen de Kanon van hel N. T. in dien vorm was, zooals wij dien nu hebben, pasten zij de woordelijke inspiratie, zoo op het 0. T., als op het N. T. toe. Eusebius had een afkeer van de meening, dat de schrijvers den eenen naam zouden geschreven hebben, in plaats van den anderen. Chrysostomus ging daarvan uit, dat de mond der profeten de mond van God was, en Augustinus stelt de apostelen voor, die opschreven , wat Christus het Hoofd, dicteerde. En stellen wij voor een oogenblik, dat de schrijvers niet door den H. G. waren bezield bij het

ocr page 146

134

schrijven, hoc licht zouden zij gedwaald hebben, of, wat de hoofdzaak van het medegedeelde betreft, elkander hebben tegengesproken, en alzoo met elkaar tegenstrijdige voorstellingen hebben voortgebracht. De Geest heeft de schrijvers in al de waarheid geleid en dit te loochenen is in strijd niet de slcliuje uitspraak desaangaande van de 11. S. Die Zijn getuigenis, zegt Johannes, heeft aangenomen, die heefl verzegeld, dat God waarachtig is Joh. 3 : 33. Verschillende theoriën aangaande de inspiratie heeft men aangewend om liet goddelijke en het menschel ij ke met elkaar in overeenstemming te brengen. Moeilijk is het echter om de grenzen van beide juist aan te geven. Sommigen, als Eusebius, Chrysostomus doen het menschelijkc element in het goddelijke overgaan , zoodat de mensch geheel lijdelijk is en de 11. G. de alleenwerkende. Wij moeten de zaak, die medegedeeld wordt, als Goddelijke aanmerken , terwijl het kanaal waardoor het komt, men-schelijk is, zoo opgeval, dat de Geest Gods ie/ei, aan het menschelijke naar eigen zin te werken, m. a. w. de Geest Gods belet, dal de Goddelijke zaak niet door het menschelijk-element geschonden wordt, al is het ook, dat het door een onvolmaakt kanaal lot ons gebracht wordt. Sommige theologen hielden dit niel in het oog. Zij (och maakten onderscheid tusschen de werkelijke openbaring van den hemel en bet geschreven verhaalj zij namen de onfeilbaarheid aan van hel eo'iie, maar eveneens namen zij de feilbaarheid van het laatste aan. Hierdoor, gelijk van zelf spreekt , werd hel gezag der inspiratie dor II. S. len deele erkend. Het gaat loch niet aan te stellen, dat God eeneopen-

ocr page 147

135

baring geeft, maar dat de mensch, vvien ze medegedeeld wordt, zo gcschondeii overleverde. Drie klassen ontkennen geheel of len deele de leer der inspiratie der II. S. De cene verwerpt alle bovennatuurlijke inspiratie; de ander beperkt haar tot een gedeelte van de II. S., geloovendc, dat een deel van God is, en dat een deel, de oudere boeken, nicl van Uod is; de derde is, dat de bijbel geïnspireerd is, maar in sommige deelen onderselieiden namelijk: dat zij onder 66u graad van inspiratie geschreven zijn, en de andere onder een anderen. Volgens deze theorie zijn de Schriften verdeeld in: geïnspireerde, niet geïnspireerde en die gedeeltelijk geïnspireerd zijn. Intusschen houde men in het oog, dat, al neemt men een graad van inspiratie aan, het de inspiratieleor toeh verzwakt. Het is beter niet van een graad van inspiratie te spreken, omdat dit tot misvatting van het geloof aan de inspiratie zou kunnen leiden. Zijn er in de II. S. dingen, die van zelf spreken, ook dal is te beschouwen als waar te zijn, omdat, die hel schreven, door den Geest der waarheid daarin werden bestuurd, zoodat zij in alles de waarheid wilden en moesten spreken en door den innerlijken aandrift des II. G. dat moesten schrijven. Wij hebben hierin nadrukkelijk te doen met woord- en letter inspiratie. Zegt Ds. Z. : „Wie nu eenmaal op krukken wil gaan, neme de echte krukken der letter- en woordinspiratie.

De letter- en vooord-inspiratie zijn bij Ds. Z. de echte krukken. Die niet op krukken wil gaan, die steunt niet op letter- en woord-inspiratie. Intusschen zij gezegd, dat de krukken, die Ds. Z. geeft, als hel in-

ocr page 148

136

wendig getuigenis des 11. Geesles, zijnde volgens hem de eenige icare staf, hem weldra zullen begeven. Daarenboven zijn de krukken niet aan te bevelen, aangezien zij uit twee deelen bestaan, n. m. I. Romantiek ') en juristery, die door de II. Schriften worden verworpen. Meent hij op twee reuzenbeenen te loopen, dat is slechts zijne mcening; want ook die beenen zouden spoedig kunnen blijken niet krachtig genoeg te zijn om den last van de kritiek te dragen, m. a. w. het gaat niet aan een letter- woord inspiratie te aanvaarden en intusschen de kritiek op de Schriften toe te passen. Beide gaan niet zamen. Zoodoende zal men zien, dat men overgaat óf liever overhelt naar de nieuwe theologie onzer dagen. üs. Z. zal den alaj, dien hij aanbeveelt, moeten wegdoen en de echte krukken nemen, zal hij zich onderwerpen aan de waarheid, welke leert „al de Schrift is van God ingegevenquot;, üi Tim. or ll)1'; Joh. 10:13, '14. Daarenboven zij hier gezegd, dat wat de kritiek op het gebied van onderzoek geproduceerd heeft, wezenlijk zwakke krukken zijn, zoodat men wel zeer voorzichtig moet zijn, ja wat zeg ik, zich wachten moet daarvan gebruik te maken, vooral als men in het stuk der Soteriologie, dan Christus wil vasthouden. Dat gaat niet. Hiermede wil ik geenszins zeggen, dat de nieuwe kritiek als zij optreedt in den krijg over wat waar en niet waar is, het laatste woord heeft, neen, dat niet; maar dit, dat men het stuk der Verlossimj zooals die door Jezus

1

De Romantiek, zooals die in het legia onzer eeuw heersehte tijdens Schleiermaeher's optreden.

ocr page 149

137

Christus is verworven, niet kan vasthouden noch verdedigen voor de vierschaar der kritiek, als men begint zelf de kritiek toe te passen.

Laat ik den staf van Ds. Z, eens gebruiken bij Joh. 1:30—3-4 Had Johannes volgens hetgeen hier verhaald wordt, do aanwijzing, dat de Heiland de Zoon van God is door het inwendig getuigenis des II. G. Neen. Die hein gezonden had om te doopen had tot hem gezegd: „Op welken gij den Geest zuil zien nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met den 11. Geest doopt.quot; Joh. 3 ; 34 geven dan ook luide getuigenis van de waarheid, dal de II. Geest werkt om de waarheid aan te nemen a priori, en dat (vs. 33) het inwendig getuigenis volgt, dus a posteriori, niet omgekeerd. 1. e. w. wat de II. Geest werkt door hot woord, verwekt daarna aan het gemoed oen inwendig getuigenis des 11. G. Van den II. Geest wordt nog in 2 Sam. 23:2; Neh. 9 : 2U, 30; Kz. 11 :5; Hand. 28; 25; 1 Cor. 2; 10, 13, enz. gesproken.

De wet. Ij. v. wordt door den H. G., die van God is, (èn niet God zelve is) in het hart des menschen geschreven, maar die wet, is vooraf aan Mozes van God gegeven. Het inwendig getuigenis des II. G., moet toch onderstellen: het zjjn van de waarheid; dit niet in hel oog houdende, zouden de instincten van hel hart tot een eenigen bijbel worden gemaakt en hel drijven van de subjectieve inwerking des II. G. zou allicht tol geestdrijverij of mystiek leiden. In zulk een geval wordt de waarheid niet in hare rechten erkend en is hel gevaar groot van op rietstaafjes te

ocr page 150

138

steunen tot zijn einde toe. Daarom is hel beier en aanbevelenswaardiger op echte krukken le gaan dan op krukken van eigen maaksel, die schijnen hecht en sterk le zijn, en die eindelijk breken. l)s. Z. zegt: Vragen wij dus: /'oc muel, naar het voorbeeld van den Heer de houding van den Evangeliedienaar zijn tegenover de 11. S. des O. VJ — dan zal hol antwoord moeien luiden: Heeft onze Heiland hij de heoordcehng en de behandeling van het O. T. zich cehecl en al laten leiden door het qeluiqenis des 11. Li. in zijn hart ten opzichte van het geestelijk, godsdienstige (dus van het openbarings-element des O. T.) de Evangeliedienaar mag zich hierbij door niets anders laten leiden.' Waarop ik antwoord, dat deze stelling van den schrijver schipbreuk moet lijden, omdat Jezus Ghrislus zich niet door hel getuigenis des 11. G. in zijn hart heefl laten leiden, maar op liel objectief getuigenis hel zegel der waarheid heefl gezel, zoodal hel objectief getuigenis h'wrdezaak is, waarop het vóór alle dingen neerkomt. Wanneer we alleen hel inwendig getuigenis des II. G. als dc ware staf aanmerken, dan gaan wij niet op krukken, volgens üs. Z. Dat is een raad, die aannemelijk moge voorkomen, want altijd op krukken te gaan, terwijl men op gezonde voeten kan loopen, is louter spel. Maar ik wil Ds. Z. wel eens vragen, hoe hij komt aan dien staf, dat die dc eenige ivare is? Van waar heeft hij die weienschap opgedaan? Volgens de II. S. kunnen zij niet beantwoord worden.

Wat zouden woorden als Joh. 17:17; 1 Joh. 5: 10—13; 1 Thess. 2:13, en andere te beduiden hebben als het inwendig getuigenis des H. G. beslist.

ocr page 151

139

alleen beslist over wat waar is. liet zou hoogstens bevatten eene uitdrukking van een godsdienstig gevoel, maar geen openbaring Gods. liet inwendig getuigenis des 11. G. maakt het woord niet tot een woord van God of tot een woord van Christus, noch in het Ü. noch in het N. Verbond, maar het is hel woord van God, waarvan de II. G. in ons gemoed ten voile verzekert, uit en door het woord, zooals Die het woord van God tot een kenbron en regel voorschrijft in betrekking tot het Christelijk Godsdienstig geloof en leven. Wij houden den bijbel voor Gods woord, niet omdat een ander dat zegt, maar omdat wij in den bijbel zelf de overredendste blijken van zijnen Godde-lijken oorsprong zien glinsteren, gelijk de zon zelve haar licht en glans ten klaarste doet bemerken zonder dat het noodig zij, een ander licht te ontsteken, opdat men haar ontdekke. liet 0. T. is de vaste grond van het N. en het N. is de vervulling van het 0. V. Zij dekken, zij bevestigen elkaar. Zijn er dingen in de II. S. zwaar om te verstaan, hetzij zoo; zijn er dingen in, die van Gods besturende Voorzienigheid spreken, ook daardoor komt het woord Gods tot ons; en zoo min de vrucht van den boom en de boom van den grond is te scheiden, zoo ook is het dogma niet van de geschiedenis te scheiden. Feiten, geloofszaken ons medegedeeld, zijn ten nauwste met de geschiedenis saamgeweven. Al zijn er dingen zwaar om te verstaan, zelfs in de wonderbare leiding Gods met Israels volk; die leiding is even noodzakelijk ter voorbereiding van het heilsplan als de leer der drieëenheid, de mensch wording van Gods Zoon, de verlossing door

ocr page 152

140

Christus, do wijze waarop enz. Ier vervuiling van liet Godsplan , om m en door Jezus Cliristus zondaren tc belioude. Dat wordt geopenbaard door écu en den-zelfden Geest.

üs. Z. zegt: „Uitwendige autoriteit bestaat niet in het Koninkrijk üods, derhalve behoort zij ook niet in de Christelijke kerk gevonden tc worden. Niet alleen omdat het in den liijbel staat; niet alleen omdat iets ons is overgeleverd als een woord van onzen ileor Jezus Christus, hebben wij het aan te nemen, maar omdat de Geest Gods in ons getuigt met den Geest Guds in het bijbelwoord, „dat deze dingen alzoo zijn! Zoo iemand begeert Gods wil te doen, die zal van deze leering weten, of zij uit God is, dan of ik van Mijzelf spreek, (Joh. 7 ; 17) zoo oordeelde Jezus Christus er over. Zouden wij het anders meen doen? De inwendige autoriteit des II. G. be-slisse in deze. En daarom moet eigenlijk niemand evangeliedienaar zijn, tenzij hij des li. G. deelachtig is. Want wie den Geest des Heeren niet heeft, oordeelt over de dingen Gods, als een blinde over de kleuren.quot; Dat in het koninkrijk Gods wel autoriteit bestaat, blijkt èn uit de H. S. zelf I^n uit de Christelijke Kerk; „Gelooft hel Evangeliequot;, met dat gezag treed Jezus op en de kerk behoort dal gezag te eerbiedigen. De Apostel spreekt van een regel, waarnaar men moei wandelen. Gal. 0:10; Jesaia 8:20 is het „Tot de wet en lol hel getuigenis.quot; Men leze hierbij Art. 8—7 van de belijdenis des geloofs van de Ilerv. Kerken in Nederland. De gemeente te Berea Hand. 17:11, onderzochten dagelijks de Schriften,

ocr page 153

141

of die dingen al/.oo waren. Hand. 17; II. Jezus beveelt „onderzoekt de Schriftenquot; enz. Joh. 5:39. De uitwendige autoriteit gaat vóór het inwendig getuigenis van den IJ. Geest. Wij nemen hel aan , omdat liet in den Dijbel staat. Wij nemen niet aan, wat een ander aanneemt óf gelooft van de II. Schriften of een ander zegel, of meent Joh. 4-; 4-2; Num. 16: 28-Joh 16 :12—15.

Joh. 7:17 door Ds. Z. aangehaald, heeft in zich een krachtig bewijs voor de uitwendige autoriteit, in het koninkrijk Gods.

Joh. 7:17, geeft beslissend den doorslag; want daar word! gesproken van de leer van Jezus zie vs 16; en zoo iemand God wil gehoorzamen, door die leer te gelooven en te betrachten, die zmI door inwendige ervaring erkennen, dat die leer nil God is. Jezus zegt elders, dal Hij gekomen is om der waarheid getuigenis te geven; en die uit de waarheid is, hoort zijne stem. „Üs. Z. spreekt van den Goest Gods, die in ons getuigt met den Geest Gods in het Bijbel woord „dat deze dingen al/.oo zijn.quot; Doch wat is dat? Zonder hel woord zal de Geest Gods niets met zekerheid getuigen. Kldcrs is het, dat de schrijver zegt, „dat het geschiedt door het getuigenis des 11. Geestes aan het hart.quot; Derhalve moet de Geest («ods getuigen met. den Geest Gods in het bijbelwoord „dat deze dingen alzóó zijn.quot; Mij dunkt dan , dat ten slotte de eigen geest des menschen hier zal moeten beslissen ivai bijbelwoord is, d. i. het woord in den Bijbel is; en of dat woord waar of niet waar is. Doch wie zal beslissen, dat, wat de geest des menschen zegt, waar

ocr page 154

142

is'? Hier is het ook dat men als een blinde over de kleuren, oordeelt over de dingen Gods. Niemand weet wat God is, dan de Geest Gods; zóó weten wij de dingen, die ons van God geschonken zijn, van welke wij, zegt de Apostel Paulus, spreken niet met woorden, die de menschelijke wijsheid leert, maar met woorden , die de II. Geest leert.

Nog eens, wie zal beslissen dal, wat de geest des menschen zegt, waar is? Dal het woord van den geest des menschen, Gods ivoord is? Wie kan zeggen, dat hij de Geest Gods in hem heeft; terwijl toch hij den geest ontvangt, die gelooft in Jezus'naam, en het eeloof een werk is des II. Geestes door middel van

O 1

hel woord, dat niet eerst tot woord van God verheven moet -worden, maar woord van God is? Moeie-lijker nog om daarover tc beslissen wordt het, als men spreekt, gelijk Ds. Z. doet, van overleverinys-jnvces, overleveringsgeschiedenis, van ipsissima verba omes lleeren, van de inspiratie van de tetter der Schriften des O. en des N. V., van die der afschriften en van die der vertalingen.

Als wij den Bijbel lezen, dan moge hier of daar iels voorkomen, bijv. een woord of getal, waarin de eene schrijver ongelijk is aan den ander wat het mededeelen daarvan betreft, toch is het uit den samenhang of uit de onderlinge vergelijking of uit het raadplegen van den oorspronkelijken tekst soms zells zeer gemakkelijk te weten welke de lezing is.

Wij hebben ons in elk geval te houden aan den Bijbel, zooals die tot ons gebracht is. Dat de overleveringsgeschiedenis onderscheiden in uitbreiding van

ocr page 155

143

eenig verhaal kan zijn, is waar. Wanneer we 4 historie schrijvers over een verhaal of gebeurtenis lezen, die in uitbreiding zeer veel zelfs van elkaar verschillen, dan kan men niet zeggen, die of die of allen hebben een overleveringsgeschiedenis, dus is het niet ivaar wat zij mededeelen, alleen die het kleinste verhaal heeft, is de meest of alleen oorspronkelijke, kan men ook niet zeggen.

Allen spreken de waarheid, zoo ook wat de schrijvers ons door de Evangeliën mededeelen. Wij moeten dus geene halfheid toelaten. Doch die halfheid zal niet tot haar recht komen, door zich in de armen der inspiratie te werpen, om te gelooven dut Gods woord, zooals het voor ons ligt, de waarheid is, maar wel uitdrukking vinden in de meening dat Gods woord niet in alle deelen geloof verdient, en dat het inwendig getuigenis des II. Geestes in het hart beslissen moet, of het woord uit God is of niet. Wanneer liet inwendig getuigenis des II. G. moet beslissen dan dient vooraf bepaald, wat God gesproken heeft. Maar men heeft het recht niet om door het inwendig getuigenis des II. G. le bepalen, wat God had moeten spreken , dat is ook halfheid.

De Apostel wijst vooraf op z'yne verhandiginq van het getuigenis van God, dat hij zich niet voorgenomen iiad iets te weten onder hen, dan Jezus Cliristus en dien gekruisigd; en zegt dat zijne rede en zijne prediking niet waren in bewegelijke woorden der men-schelijke wijsheid, maar in betooning des Geesles en der kracht, opdat hun geloof niet zou zijn in wijsheid der menschen, maar in de kracht Gods, vgl. \

ocr page 156

1-44

Cor. 2:1—5, 1 CorA2 :11—13, vgl. 2 Cor. 4:4—6.

„Dat wat in het 0. T. niet van ecuwig geldende waarde is, dat moet, ik stem hel Ds. Z. toe, niet door den Evangeliedienaar voor de gemeente behandeld worden als ware het wel van zulk eene waarde;quot; doch om het gelijk een itofhthv toïi xsey-ou te behandelen en wat nog meer is, als iets menschelijk gebrekkigs, waaraan de gemeente van Jezus Christus ontwassen is, gelijk de schrijver wil, moet ik verwerpen, omdat Paulus onder die woorden Nvat anders verstaat en vroeger reeds aangehaald is. „Ds. Z. wijst als voorbeeld op een gebod van God, om de Kanaiinielen met alles wat zij bezitten uil te roeien. Hij zegt toch, zulk een gebod is onmogelijk terug te leiden tot onzen God cn Vader in Christus.quot; Dus heeft hel toch, op het hooren van den klank dezer woorden, wel eenigen schijn, dat de God, die hier gebiedt, door den God en Vader in Christus berispt wordt over zijn doen, en zoo zon feitelijk het tegenovergestelde plaats hebben van icnl Ds. Z. zeyl. „bij liem is immers verandering en schaduw van omkeering.quot; Want het is toefi dezelfde God? Ds. Z., zegt dat geen enkel protestantsch Christen er meer aan denkt zulk een gruweldaad in den naam des lleeren ie voltrekken aan de vijanden van God en Christus , dan moet ik hem daarin gelijk geven, maar wanneer iets van God gezegd wordt bevolen te zijn (zooals te dezer plaatse), dat geeft geen recht aan ons om als regel te gebruiken, waarnaar wij mogen handelen. Wel is er leering in, om iets te noemen, dat gehoorzaamheid aan God eene bron is van zegen, en dat

ocr page 157

145

Gods wil niet afhankelijk kan gesteld worden van onzen wil, m. a, w. wij kunnen en mogen God niet determineeren ten aanzien van hetgeen Hij wil en doen moet, want zoo zou God in Zijn doen en laten afhankelijk zijn van onze meening en voorstellingen, i. e. w. van onze wilsbepaling. Wat dat voltrekken betreft van zulk een gruweldaad waarvan Ds. Z. spreeU als ongeoorloofd te zijn, sedert de Heiland gebeden heeft „Vader vergeeft het hunquot; (de vijanden), stem ik toe, maar dan zou ik levens de vraag stellen of .lezus daarbij gedacht heeft aan dat bevel van God, om daaruit namelijk af te leiden, dat men in den naam des lleeren zulk een gruweldaad aan de vijanden van God en van Christus niet mag voltrekken ; want diezelfde Heiland heeft ook gezegd: „indien gij niet gelooft, dal ik die ben, zult gij in uwe zonden sterven ', dat God zelf aan hem het oordeel overgegeven heeft, zooals Jezus dat uitdrukt in (Joh. 5), waar gezegd wordt, dat op Zijne stem de dooden zullen uitgaan uit de graven en wel mei dit doel, dat die het goede gedaan hebben , tot de opstanding des levens en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis zullen uitgaan. Ik wil er dit mede te kennen geven, dat de bede van Jezus volstrekt geen grond geeft om te stellen, dat de daad van God door Jezus' bede als niel geoorloofd zou zijn, en dus stilzwijgend wordt afgekeurd, (Joh. 5:27, 29). Ik kom nog even terug op het feit van de uitroeiing der Kanaanieten. Ik begin met te zeggen, dal God reeds aan Abraham beloofd had, dat zijne nakomelingen het land zouden bezitten, doch jaren verliepen er, eer dit

10

ocr page 158

140

geschiedde : doch hoe vele jaren er ook mochten voorbij gegaan zijn, dat nam de vervulling van de belofte Gods niet weg. God had het beloofd en die belofte moest vervuld worden, maar de ivijze wnarop, de lijd wanneer, en het waardoor die vervulling moest

geschieden, zij waren aan Gods zijde om te bepalen, niet aan 's menschen zijde. Zij waren de werktuigen, God gebruikte hen tot uitvoering van Zijne plannen. Jozua ontvangt het bevel van God Kanaan in te nemen, toen hij 93 jaren oud was en roept daartoe het volk op Jozua (1 ; 1 vv.) Om dat land in te nemen daarop had Israel recht en God kon, zonder zijn Rechtvaardigheid en liefde te krenken dat land aan Israel geven. Uit zeer verschillende beginselen is die daad van God beoordeeld geworden ; en niet op dezelfde wijze uitgelegd. Om die daad wel te beschouwen, moeten wij in aanmerking nemen, dat God aan Abraham , Izaak en Jacob beloofd heeft, dat hun nakomelingen dit land zouden bezitten. Daardoor zouden zij in één land wonen, en van de afgoderij bewaard blijven, en één volk zijn , afgezonderd van alle andere volken, en bestemd om de kennis en den dienst van God (e bewaren. Die Kanaa-nieten hadden wegens afgoderij en goddeloosheid het oordeel verdiend, even zoo goed als de menschen ten tijde van den zondvloed. God openbaart aan Israel het oordeel over de Kanaanieten , hoezeer God, dikwijls in het zenden van oordeelen, verborgen werkt. Wat God aan Abraham, Izaak, Jacob, Mozes, beloofd had (deze laatste, in zoover God door hquot;rn aan Israel bet bevel van den uitroeiing van de Kanaanieten van Godswege mededeelt), wordt dus vervuld. Zou nu

ocr page 159

147

God, die Souverein is over alles en allen daartoe geen recht hebben , om het levens op een wijze uit te voeren als Hem behaagt. Men kan niet zeggen: het volk is onkundig. Maar was het niet diep gezonken in zedeloosheid? Was liet voorheen niet met de kennis van Jehova bestraald geweest? Geeft daarvan Rachab aan de twee verspieders geen bewijs er voor? Jo7..ï2:9 en 11. Wellicht zegt iemand, zulk een vernieling van alles, mannen, vrouwen, kinderen in het algemeen onheil te wikkelen; welk eene barbaarschheid? Om daarop Ie antwoorden , is het niet genoeg, te wijzen op de wreedheid van het oude krijgsrecht, omdat het Jehova zelve is, die het beveelt aan de Israëlieten, ja beveelt om geen vrede te sluiten met de Kanaa-nieten, gelijk zij doen moesten met andere volkenen sleden, zie Deut. 20 vs. 10—18. Intusschen moeten we wel in het oog houden , dat we met een lijke èn nicl met een persoonlijke straf te doen hebben. De eerstgenoemde straf moest dienen om ontzag voor God en godsdienst te verlevendigen en uil te breiden. Zulke straffen waren er in de Godsregeering en vloeiden uil den aard der zaak daaruit voort. God handhaafde daardoor Zijn gezag en voor Israel was hel duidelijk, dal God zich niet straffeloos laat versmaden, gelijk bij de Kanaanieten plaats had, die in weerwil zij kennis hadden van wal God wilde, in tegenstand bleven voortgaan legen God. Nu, gelijk ten tijde van Noach hel volk in weerwil het vermaand werd niet zoo goddeloos te leven en toch niet hoorde, door de zondvloed werd verdelgd, zoo ook, maar op eene andere wijze ondervonden de Kanaanieten het oordeel Gods,

10»

ocr page 160

U8

om de verharding hunner harten ten aanzien van wat God eischte.

Zendt God niet op Zijne wijze oordeelen over een volk, een huisgezin? Levert het bestuur der Goddelijke Voorzienigheid daarvan geen proeven ? Zeer zeker. Evenwel mogen zij moeijelijk met de Goddelijke goedheid en rechtvaardigheid door deze of gene of meer menschen kunnen in overeenstemming schijnen, toch zal deze Verdelging daarop geene uitzondering maken, aangezien God recht is in al Zijn weg en werk.

Intussciien hebben wij niet uit hel oog te verliezen dit, wat van belang is, dat de behandeling aan de Kanaanieten moest uitgevoerd worden, wanneer zij weigerden aan Jehova hulde te bewijzen, door de poorten hunner steden voor de Israëlieten te openen en Jehova voor den eenigen waren God te erkennen en Hem hulde te brengen. Dan zouden zij als vreemdelingen in Israels volk zijn ingelijfd. Maar daarbij komt nog, dat de Vcrdelgingskrijg, tegen de Kanaanieten zeker een bewijs voor Israel moest zijn, niet slechts dat God ijvert voor zijn Eer, maar ook weet te straffen, zoo men die Eer aan stomme afgoden geeft, een prikkel voor Israel om zich daarvoor te wachten. Mogen er donkerheden in dil stuk zijn, het zal ons echter moeten leeren, dat wat God doet, geschiedt naar Zijn wil, in welken wil te berusten, de plicht is van ieder, zal hij God dienen in waarheid. Dat, met deze gebeurtenis hel oud-semietisch oorlogsrecht in geen verband slaat en dat zij niet beschouwd werd door Israel als een gebod van Jehova , maar dat het werkelijk een gebod van Jehova was, blijkt genoeg-

ocr page 161

149

zaam uil liet gebeurde zeiven Ik herinner hierbij nog de voorspelling door den profeet, in naam van God, dat. het huis van Achab zou uitgeroeid worden , gelijk er nog andere voorbeelden zijn. „Als Evangeliedienaren hebben wij eerlijk aan de gemeente duidelijk te maken, zegt Ds. Z , wat in het 0. T uil God is, en wat uil den zondigen mensch isquot; Maar dan moeien wij niet bepalen, hoe God handelen moet, veel minder nog uit de handeling Gods besluiten dat, wat zondig of niet zondig is, maar veeleer Zijne onbegrijpelijke wijsheid en vrijmacht aan de gemeente voorstellen; dut iiü alles doet naar den raad Zijns willens; dat er nog vele dingen zelfs in hel Godsbestuur, onoplosbaar zijn, en den geloovige op te wekken stil te berusten in Zijn Wil; en Zijne liefde en rechtvaardigheid in Zijne handelingen te billijken.

Zegt Ds. Z in aanl. 8: „liet is mij een raadsel, hoe theologen, die op den naam van „geloovigquot; aan spraak maken, durven volhouden dal geboden in het 0. T. die wezenlijk strijden met de zedelijke eischcn van Gods Koninkrijk, werkelijk zóó door God gegeven zijn, zoodal Hij vóór Christus wel degelijk bevolen heeft vijanden te misleiden , te halen, te vervloeken, in koelen bloede uit te roeijen, „maar na Christus dit alles verbiedt als zondig.quot;

Laat mij Ds. Z vragen mij een bewijs te leveren uit het N. T., dat zulke feiten en uitdrukkingen, als zijn aangehaald, verboden zijn, in weerwil daarvan toch soortgelijke uitdrukkingen en soortgelijke misleidingen voorkomen. Laat mij Ds. Z zeggen, dat die gebeurle-

ocr page 162

150

nissen en uitdrukkingen, door hem aangehaald en beschouwd, niet door mij dus beschouwd worden. Laat mij Ds. Z. wijzen op de verdelging van Sodom en Gomorra enz. door Jezus vermeld, als wel verdiend, en zoo ook de zondvloed. En dat stad en tempel zouden verwoest worden, moest dat ook niet evenzeer verboden worden als zondig? En was het niet voorspeld, zóó dat de uitvoering er van gewis zou geschieden? Zulke dingen, om Ds. Z. woorden te bezigen, strijden wezenlijk met de zedelijke eischen van Gods Koninkrijk, maar zij hebben toch plaats en Jezus keurt Gods handelingen in het 0. V. voorkomende, niet af. Maar als we eens verder willen redeneeren, dan zou toch dit als een daad van Gods hoogslslrijdiije macht beschouwd worden, dat Hij Zijn Zoon overgeeft aan den smadelijken kruisdood, en daartoe Hem zond. Ik zou nog meer voorbeelden kunnen aanhalen, doch genoeg. Laat ons niet vragen of zeggen, ival zondig is, in verband met handelingen Gods die van recht getuigen; maar veeleer belijden, dat God de zonde straft, en met een heilig ongenoegen op de zonde neerziet en recht heeft om dat te openbaren naar Zijn wil. Geen enkel Protestantsch Christen, zegt Ds. Z., denkt er meer aan, zulk een gruweldaad in den naam des Heeren te voltrekken aan de vijanden van God en Christus, sedert Zijn Heiland voor de vijanden van God en Hem gebeden heeft: „Vader! vergeef het hun! Zij weten niet, wat zij doen.quot;

Wat Ds. Z. wel in het oog mocht gehouden hebben, vooral bij de uitroeiing der Kananieten, is dat

ocr page 163

Israel een theocratische rcgueriiig hoeft. God beveelt het volk, dat zijn volk is, over hetwelk Hij Koning is. Uoch ik heb die gebeurtenis reeds aangehaald, daarheen verwijs ik den lezer. Ook wut betreft de andere zaken, op welke l)s Z. hier doelt. Men zal alsdan zien, dat mijne beschouwing anders is en daarom ook anders mijn resultaat, dat ik daaruit trek. Terwijl het bij Us. Z. is. God, Die gebiedt, is liet bij mij ook in sommige gevallen de mensch zelve, óf de omstandigheid die de uitdrukking of gebeurtenis in een geheel ander licht plaats. God, zegt de dichter, is in den Hemel en doel wat Hem behaagt God heeft recht om het kwaad te straffen, maar verzoekt niemand tot het kwaad {zondigen)-, Hij gebiedt dus ook het kwade niet. De God des O. V. is dan ook de God des N. V., dc God, Üie alle dingen bestuurt of toelaat naar Zijn wil.

L)e verwoesting van Jeruzalem, welke volgens de voorspelling des lleeren, naar Gods wil, moest geschieden, daar zijn Heidenen dc werktuigen; en hier bij de uitroeiing der Kanaanieten zijn de Joden, of liever Israel het werktuig. Bal teelcent. Dat had dan ook niet mogen geschieden, even zoo min als dat hel oordeel over de menschen aan Christus van Godswege mag plaats hebben , omdat Jezus gebeden heeft „Vader, vergeef het hun.quot; Immers zijn de menschen onder het 0. V. evenzeer aansprakelijk voor hunne zonden als die van het N. V. Wanneer nu Jezus om vergeving gesmeekt heeft, dan krijgen zij vergeving. Ziet men niet, als men wil doorpraten op de voorgestelde óf aangehaalde voorbeelden, uit het licht beschouwd

ocr page 164

152

waarin Ds. Z, ze plaatst, dat we ons zei ven in groote beiwaren wikkelen ten aanzien van andere gebeurtenissen en leerstukken. Daarom zeggen wij wat de Profeet zegt van Gods wege: „Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen. God is groot en wij begrijpen Hem niet, voor zoover er in Zijn Bestuur en de uitvoering van Zijn wil veel is, dat moeielijk is tc verklaren, ja soms ondoenlijk voor het men-sclielijk begrip.

Evenwel wil ik nog een enkel woord zeggen, omtrent toorn, haat, berouw waarvan het 0. T. zeer dikwijls spreekt ten opzichte van Gods handelwijze.

In Joli. 3:10 lezen wij, dal God Zijn liefde openbaart door de verlossing, welke door Hem en Zijn Zoon geschiedt. In hel 0. V. lezen wij duidelijke voorzeggingen omtrent Zijnen Zoon, Die komen zal, in wien God het ware heil, d. i. de verlossing voorbereidt. De God des 0. V. is dus dezelfde dan in het N. V. Hij is de God der liefde, God toornt over de zonde, zoo in het 0. V. als in het N. V. voorkomende, maar openbaart ook in beide Verbonden zijn liefde tot redding.

En inderdaad gezegden, welke in het N. quot;V. voorkomen, spreken evenzeer van Gods toorn, van zijn wrake. Zie Joh 3: 3ti. Onze God is een verterend vuur. Komen de toorn Gods over—en de haal legon — de zonde niet overeen mei Gods Rechtvaardigheid cu Heiligheid? Wanneer God toornt over de zonde als de oorzaak van ongeluk, en schending van zijn Eer, is dan de toorn van God niet liefde, omdat Hij het geluk wil en zijn eer niet aan anderen geeft. Dan

ocr page 165

153

kan men met rechl zeggen „Ik dank U lieer dat Gy toornig op mij geweest zijt.quot; Jos. 12:1.

Wordt God gezegd berouw te hebben over het scheppen van den mensch, dat berouw is niet mis-piaitst in God. God had geene dwaasheid of verkeerdheid begaan door den mensch te scheppen, maar het smartte Hem, dal Hij die menschen, door Hem geschapen , moest vernietigen om hunne zonden en daarom ook zijn eigen werk moest te niet doen. Laat God nu de menschen na den zondvloed, hoezeer ook noodig, leven, dan is dat geen verandering in God, maar een bewijs van Zijne lankmoedigheid en goedertierenheid. Indien God eenmaal een daad als deze gedaan heeft, dan behoeft God die daad niet weer te herhalen. Wil God dal doen, dan hangt dat af van zijn vrijen wil.

Saul was koning geworden. Dat berouwde God niet, maar aangezien Saul veranderde, dal was de oorzaak van de verandering van de genegenheid Gods jegens Saul. Saul was ongehoorzaam geworden. Tegenover het liefderijk handelen van God slaat het moedwillig zondig handelen van Saul.

Haat, toorn, berouw zijn aan God toe te schrijven als Gode waardig, vermits God, die de zonde veroordeelt, van Zijne liefde getuigenis geeft, en een heiligen afkeer heeft van al wat met Zijn gebod of wil in strijd is.

Zegt Ds. Z. wij mogen niet doen alsof God aan Adam, Noach, Abraham, Mozes, enz. zich reeds geopenbaard had, gelijk wij hem hebben leeren kennen in Ciiristus, dus niet deze mannen des O V. aan de gemeente voorstellen als crypto-Christenen vóór Christus, als

ocr page 166

154

kinderen Gods („in Johanneischen en Pauiinischen zinquot;) tijdens de vóór-christelijke bedeeling. Wie dat doet, zondigt, want hij verkleint de geheel eenige beteekenis van den persoon zijns Ileilands. En Jezus Christus verkleinen, zullen onder den invloed

des H. G. Ds. Z. doet dus hier uitkomen, dat Adam enz. geen Christenen zijn, ook niet crypto-christenen vóór Christus. Dat is ook zoo. Doch het zal ook niel op den naam aankomen, of zij Christenen of crypto-Christenen heeten, of een anderen naam dragen. Ten tijde van Pauhs noemde de eene zich in de Corinthische gemeente, ik ben van Paulus, een ander, ik ben van Apollos, en een derde ik ben van Cefas en een vierde ik ben van Christus; hij vraagt is Christus gedeeld? maar daardoor hielden zij niet op erfgenamen des levens en dienaren Gods te zijn. Zij waren die weldaden deelachtig, welke noodig zijn om dienaren Gods en erfgenamen des levens te zijn, verg. Rom. 3; 25 en 26 : 4 In die weldaden deelde ook een Zaccheüs, toen hij in Christus geloofde, al was hij ook een zoon van Abraham (zie Luc. 19). Maar werd hij toen een Christen of crypto Christen genoemd? De Evangeliedienaar moet wel degelijk zeggen en doen uitkomen, dat door de komst van den Heiland in het vleesch, door diens werk hier op aarde volbracht, dezelfde weldaden, die aan Abraham, Isaac en Jacob enz. beloofd zijn, ook beloofd zijn aan de geloovigen onder het licht des Evangeliums, ja van God geschonken uit genade. Wij zouden Jezus ge-wisselijk verkleinen in Zijne beteekenis, zoo wij dat niet deden. Wij verhoogen Hem, zoo wij het doen,

ocr page 167

155

en wij mogen en kunnen en zullen ook nooit Jezus Christus verkleinen, als wij niet alleen slaan onder den invloed des 11. G., maar ook den Geest des ge-loofs in de waarheid zoo ondervonden hebben, dat wij het Woord van den God des Bijbels gelooven en handhaven.

Die geest, die woont in de dienaren Gods des O. V. is niet een geheel andere dan dien we ontwaren in de dienaren Gods des N. V. Het is dezelfde God aan wiens eisch zij behooren te gehoorzamen, geenszins ontken ik dat zij geen gebreken zouden hebben. Maar eiiieve, zijn die van het N. V. daarvan geheel verschoond. Evenmin. Vinden wij niet van Petrus, dat hij zijn lieer driemalen verloochende, en vermaningen om zich te wachten voor de verleidingen, en verzoekingen ten kwade. Wij willen hen niet hard vallen om hunne gebreken, maar er mee zeggen, dat ook de heiligen niet zonder gebreken zijn.

Het is er verre van daan, om den God des O. V. te beschouwen een andere God te zijn dan die dos N. Y. Men wijst hierbij op de valsche Goden, die hun aanzijn ontvingen aan de Scheppende verbeelding, die hun menschelijke eigenschappen gaf. Doch dan draagt zulk een God het beeld van den mensch, die hem met menschelijke eigenschappen toegerust, ten God der verbeelding werd.

Dal zien wij in de voorstelling der lleidensche Goden. Doch wanneer men aan den God des O. V. óók menschelijke zwakheden, verkeerde hartstochten toekent, omdat de God des N. V. daarvan vrij is, dan verwart men de openbaring van de eigenschap-

ocr page 168

156

pen Gods des O. V. met de openbaring van Gods handelingen, door ze zich op menschelijko wijze voor tc stellen, of Gods handelingen en Zijn wijze van spreken te willen overeenbrengen met Zijn wijze van zien en handelen; m. a. vv. wat God doet en spreekt of beveelt, ziet, óf op de bewaring van Zijn dienst, óf op de voorbereiding van het heil door Christus of op beiden, maar in elk geval, ziet het hierop, dat God Zijn eer aan geen beelden zal geven, en evenmin aan die Godsvoorstelling, welke niet overeenkomt mei die des 0. en met die des N. V.. Wat wil ik zeggen? Niet anders dan dat de God des 0. en des N. V. één is. Mogen dan de namen der heiligen anders zijn, de hoofdzaak zal toch anders zijn, de eere van God in alles.

Die eere te openbaren straalt zoowel in het O. als in het N. V. helder door, zijnde cénc begeerte van alle Godsdienaren. Op den dienst van God, naar Zijne openbaring, in oprechtheid des harten komt het alsdan aan. Vgl. Matth. 4:10, 1 Thess. 1 ; 96 en and. Wij hebben dus niet te vragen, zijn het Grypto-Ghristenen vóór Christus of niet, zijn het kinderen Gods of niet, maar of zij Gods dienaren zijn, erfge namen des heils. Dat zij dat zijn, heb ik reeds vroeger aangetoond. De 11. Schrift wijst dan ook op Jezus Christus, die in de volheid des tijds gekomen, met dit verheven en Goddelijk doel gekomen is en daartoe wet en profeten heeft vervuld llebr. 9:14', 12:28.

„Wij mogen niet doen, zegt Ds. 1., alsof in Israels offertheorie en verderen cultus, in zoovele opzichten

ocr page 169

157

uitwendig overeenkomend met die der lleidensche volken juist de hoogste openbaringsgedachte ligt opgesloten, véól meer dan in de Profetische prediking. Is het niet daar opmerkelijk, dat onze Heiland aan de dier offers, geen ander beeld heeft ontleend om Ie kenschetsen wie Hij is, dan aan hel bondso/fer?quot; Hierop antwoord ik, dat hot niet aangaat van het volk des 0. V. een Christelijken godsdienst te verwachten of te eischen. Die eisch is niet rechtvaardig. Dit staat echter vast, dat de godsdienst zich onderscheidt van eiken anderen Heidenschen godsdienst, dal hij op een veel hoogeren trap van ontwikkeling staat dan de lleidensche godsdiensl, maar men moet niet voor-hijzien, dat de godsdienst des 0. V. voorbere diny is van den Christelijken. Op beide woorden moet de nadruk gelegd worden. Veel kan in den godsdienst des 0. V. voorkomen, dat overeenkomst toont met den Heidenschen godsdienst en dat die overeenkomst uit den aard der zaak niet van beteekenis is. Reeds daardoor wordt de overeenkomst gansch anders in beteekenis, als er verschil bestaat tusschen de vereering van een God óf van een afgod; en afgoden.

Wij welen, zegt Paulus, dat een afgod niets is. Intusschen dient hierop gelet, dat het offer door de Heidenen gegeven niet vóór hel offeren door Israel plaats had, m, a. w. de Heidenen waren Hi'e/de eersten die offerden. Reeds in Gen. 4, Gen. 8 enz. lezen wij van het offer van Kain en Abel en Noach enz. Fn liet offer lag de uiting van het geweten opgesloten. Offers zijn gaven, die de mensch Gode brengt; teeken van dank, van behoefte aan hulp, van ver-

ocr page 170

158

zoening niet God. Genoeg, en om nu het onderscheid aan te geven tusschen de offers der Heidenen en die van Israels volk, is dit, dat de offers juist dat karakter misten, wat ik aan Israels offer heb toegekend. Vooral de bloedige offers van Israel komen hier in aanmerking Lev. 17:11. Daarin wordt te kennen gegeven dat de mensch zijn leven en Gods gunst verbeurd heeft, maar die offers wijzen ook, ais een zinnebeeld of type op het groote en eeuwigdurend offer van Jezus Christus. Ue bloedige offers wijzen dus Profetisch op het eenig zoenoffer van Jezus Christus. Zóó is dus het 0. V. voorbereidend tot het N. V. Aangezien nu het offer van Jezus Christus gebracht is, is het niet ineer noodig en zou het eene oueriot/iV/e zaak zijn, nog eens offers te brengen. Integendeel. Zie Bom. 12:1, maar ook Gen. 8;2l doet ons kennen, welk offer den Heer aangenaam is, waar staat „de Heer rook den liefelijken reuk.quot; De Heer ziet niet op het groote of kleine offer, maar ziet op het hart vgl. 1 Sam. 15:22, Spr. 15:8, Jes. 1 : 11 enz. Het is toch een machtig onderscheid wanneer men offert, en daarbij een aan God gewijde gesteldheid heeft of niet. Zie het offer bijv. van Kain en Abel en let daarbij vooral op het geweten van Kain, hetwelk hem reeds veroordeelt dat zijn offerande niet aan God kan behagen, dat met broederhaat gevuld is. Ook hier klinkt ons toe het N. ïestamentische woord: God is Liefde, en is Rechtvaardig en Heilig.

Er is in de offers, zooeven genoemd, een Profetische openbaringsgedachte, die eenig is, zoodat de hoogste openbaringsgedachte hier niet in aanmerking

ocr page 171

komt, alsof nml. er ook nog eene lagere openbarings-gedachte zou zijn. Evenwel heeft GoA eens doorgaande openbaringsgedachte gegeven.

God heeft de blijde boodschap in liet Paradijs doen hooren, daarna door offeranden en plechtigheden der wet typisch laten aanduiden, door de profeten laten verkondigen, en ten laatste door Zijn eenig geboren Zoon vervuld; wij hebben eene opklimmende openbaringsgedachte, welke hare voltooiing heeft in de vervulling van hetgeen aangekondigd is van het werk en den persoon van den Messias, Gods eenig geboren Zoon. Dat Christus van een bondsoffer spreekt, vindt zijne aanleiding in de inzetting van het bondsmaal, waardoor verwezentlijkt werd in en door Christus, wal in de offertheorie als type van Gods rechtvaardigheid en genade werd voorgesteld. Dat Jezus de (jansclie olïertlieorie en cultus er niet bij haalt, wat slechts door ééne heen wijzing genoeg was, spreekt uit den aard der zaak van zelf, in. a. w. wal noodig was van de offertheorie aan te halen, heeft Jezus dan ook gedaan. Johannes had reeds op Hem gewezen als het Lam, dat geslacht zou worden en de zonde der wereld zou wegnemen; vóór hem had .lezaja het gedaan, gelijk Petrus het daarna eveneens doet. Daaruit zien wij, dat het geenszins onze bijzondere opmerking vereischt, dat Jezus alleen gebruik maakt van het bondsoffer en van de andere zwijgt, want ééne aanwijzing is genoegzaam om daarmede aan te duiden, wat men zeggen wil.

Op de vraag van Ds. Z. „hoe hebben wij le staan ten opzichte van het literarisch historisch in het 0. T. ?

ocr page 172

100

antwoordt hij zelf aldus: naar het', voorbeeld des Heeren ons te richten, is onmorjelijk. Hij geeft de reden daarvan aan, „omdat Jezus geen voorbeeld gegeven heeft en geven kon ten opzichte van vraagstukken, die in Zijne dagen nog niet bestonden,quot; „Op andere wijze kunnen wij volgers van onzen Heiland zijn, en geeft daarbij den wenk, dat ons onderzoek nooit bijbedoelingen hebbe! Laat het nooit misbruikt worden om argumenten te leveren voor een geliefkoosde dogmatische, aprioristische theorie van óns, tegen die van een ander met verwaarloozing van gegevens, die onzen tegenstander ten goede zouden kunnen komen! Laat het ons ie doen ziin om de waarheid en om deze alléén! want al wat waar is, is uit God. Wat bekrompen, ónhelder, onwaar is, kan niel uit God wezen. Kinderen des Iloogsten Konings hebben royaal te zijn, óók in hun wetenschap. Dat is ter eere Gods.quot; Wat Ds. Z. hier zegt, stem ik toe, onder voorwaarde dat men niet het onderzoek naar de waarheid voorop stelle, d. w. z. eerst bepalen, wat waar is, en door onderzoek de wwu--

heid erkennen. De waarheid moet beslissen in vraagstukken; niet hel resultaat door hel onderzoek der waarheid verkregen, in het eerste geval zal dat onderzoek tot eer van God strekken, in het laatste niet tot eer van God. Een Evangeliedienaar mag ook zijne meening niet verbergen. Hij behoort rond en open te zijn; oprechtheid is in alle dingen de hoogste vereischte. Wees oprecht, kwam van God tot Abraham. Men moet niet voorbij zien, dat de dogmatiek apriorislisch eischt, de waarheid tot grondslag der

ocr page 173

ir.i

belijdenis te stellen, en haar als de eenige regel van geloof en leven hoog in eere te houden. Indien dat niet geschiedt, dan loopt men gevaar, dat men in strijd geraakt met het door Gods Geest gewerkl jeloof in en door de waarheid, in de gemeente Gods geopenbaard, welke Geest eischt, dat het woord van God gesteld worde tot den éénigen regel van geloof en leven. Dan zal /iel doel zijn aan de waarheid hare volle eereplaats te geven, en de leuze om bij de studie zelf van het 0. T., hare innerlijke diepten te leeren kennen, althans daarnaar te trachten. In dien zin opgevat zal men het wetenschappelijk onderzoek der 11. Schriften eere aandoen, (in den zin zooals Paulus ervan spreekt), om Christelijke wetenschap te verkrijgen en voor het geloof en leven bruikbaar te maken ; maar dat zal ook alleen kunnen door de werking ul' bezieling van Gods Geest in versland en hart. Wanneer iemand, die een waar Christen is, ziet op hetgeen hem God geschonken heeft in Jezus Christus, en hij ziel daarbij op de tegenspraak, welke door critisch historisch onderzoek ten aanzien van den inhoud der Schriften tot hem komt, dan zal hij, geloovende in den Christus naar de Schriften, tegenspraak ondervinden. Moet hij met wetenschappelijke wapenen strijden? Maar vanwaar zal hij die wapenen krijgen? Daartoe zou nog al vrij wat studie vereischt worden. En toch kan de oprecht geloovige Christen zegevieren; omdat, wat de waarheid van Christus getuigt, door hem wordt ondervonden en heaamd n.1. dat hij, die verloren is in zichzelven door de zonde, ook eenig en alleen door de volheid, die in Christus is, en wel

ii

ocr page 174

102

den Christus naar de Schriften, kan behouden worden, Die hem daartoe verlicht, rechtvaardigt, heiligt en verlost. Wat derhalve door de objectieve waarheid van Christus getuigd wordt, wordt door den II. Geest aan het harte geheiligd, en doet hem zeggen; zoo bevind ik het, dat is waar. Zijne innerlijke gemoedsbevinding valt geheel samen met hetgeen het woord uitwendig getuigt. Nu kan men meenen door wetenschappelijke studie er loe te komen, te zeggen: gij zijt die niet en de Christus is die niet, zooals gij u die voorstelt, m. a. w. het middel is niet goed; hij antwoordt, dit weet ik, dat Jezus voor mij kranke, de Geneesmeester is, vergelijk Joh. 9 en Joh.

Geen inwendig getuigenis des 11. G. dan na voorafgaand uitwendig getuigenis der waarheid. De geestelijke kennis is gegrond op de waarheid, welke zich door voortdurende werkzaamheid van den H. Geest uitbreidt of ontwikkelt en beantwoordt aan het doel van .lezus' komst en werk op aarde en Zijne verheerlijking in den Hemel; zoodat, wat in de II. Schriften geschreven staat, ook voor den oprecht geloovige in zijne verschillende toestanden kan dienen tot zijne leering en vertroosting. Derhalve beginnen wij niet eerst te vragen: wat is waar? wij stellen de Schriften des 0. en des N. Verbonds tot bron en uitgangspunt voor het geloof en beginnen dan niet vooraf den inhoud der Schriften hier en daar onzeker te maken, door menschen in figuren om te scheppen, óf het bestaan van menschen twijfelachtig te maken, anders te lezen dan er staat, of een beteekenis aan een Schriftwoord toe te kennen, welke het. niet toe-

ocr page 175

1 (i.-ï

laat — óf inwendig getuigenis des FI. Geest erkennen, en de inspiratie des !!. Geesles met betrekking der II. Schrift, niet te erkennen, dit zijn dingen die men niet mag vooropstellen om als maatstaf te dienen voorden onderzoeker. Dan zijn we in gevaar de waarheid Iroebel Ie maken, dan zullen wij in ons onderzoek partijdig zijn, eigen beginsel en meening Irachlnn te bewijzen, en zoo kan men bijbedoclmjen hebben.

Zegt l)s. Z. „bemantelen, troebel maken, aan de waarheid niet hare volle plaats geven kan niet, evenmin bij de studie van 0. T. als bij iets anders, Gode welbehagelijk wezen.quot;

Maar eilieve, wordt de waarheid niet troebel gemaakt, wanneer men haar iets laat zeggen, dal de waarheid niet zegt. In de enkele voorbeelden door mij nagegaan, vinden we daartoe bewijs.

Wanneer we ons niet verplaatsen in de tijden en toestanden hier en daar door mij aangegeven, dan laten wij de menschen, die toen leefden een sprong maken, maar een vreemde sprong— en wel ineens in onzen lijd en in onze toestanden — (quot;^n omdat wij hen beoordeelen naar onze tijden en toestanden, is ons oordeel niet rechtvaardig en laat ik er bijvoegen, gelijk aan een blinde, die over de kleuren spreekt. Wat men oordeelt gruwelijk fe zijn, is eigenlijk een daad van recht, wraakzucht is bepaald gehoorzaamheid aan God, berisping is niet berisping, wat men noemt verleiding, is wijsheid Gods. Zóó worden dwaasheden in het 0. I. gehaald, die daarin geworpen zijn, als verkeerde bestanddeelen in zuiver water. Daarop dient wel gelet bij de studie van het 0. T. Wij moeten

ocr page 176

164

niet beginnen met, het. 0. V. om te werken als een grond, dien wij bewerken, om deelen van dien grond in geen verband tot eikaar te stellen, of om hetgeen vooraan staat, in het ü. V. naar achter te brengen, want dan bemantelen we de waarheid, we brengen haar op een plaats, waar ze niet behoort.

Het moet ons te doen zijn om de waarheid en om deze alleen — en zullen wij ons niet laten leiden door een geliefkoosde dogmatische a-prioristische tiieorie, maar deze dogmatiek regelen ^-posteriori naar en door de waarheid. Dan zal dat onderzoek nooit kunnen misbruikt worden, want dan vallen alle wijsgeerige bespiegelingen weg — ook elke geestesrichting of beginsel; ook elke voorliefde vooreen leerbegrip en de^raag zal zijn, wal leerl de 11. S. aangaande dit of dat leerstuk? Hoe zal men b.v. het dogma vaststellen, dat er éi'n God is, en dat die God zich geopenbaard heeft, zooals Hij is, indien we dit langs een streng wetenschappelijk onderzoek de schrift

om willen doen? Vooral indien de autoriteit van de Goddelijkheid der schriften of genegeerd of twijfelachtig gemaakt wordt, óf dat het door het getuigenis des 11. G. in ons, moet bepaald worden. Dat kan nu eenvoudig niet en nooit, omdat wij iets vaststellen, dat op grond van de goddelijkheid der openbaring vooraf zeker moet zijn. Zoolang wij omtrent die goddelijkheid der schriften in het onzekere verkeeren, of dezelve ontkennen, dan zullen wc onze toevlucht moeten nemen tot andere bronnen, welke evenzeer in het onzekere ons laten ten aanzien van God, en de bepalingen van Gods wezen, enz. Wat wil ik

ocr page 177

165

hiermee zeggen? Dat liet dogma gegrond moet zijn op de II. S., zal het niel worden eene evolutie van de rede of een resultaat van het onderzoek buiten Gods woord om. Eene theorie, waarbij men het eene voor Gods woord en het andere niet voor Gods woord houdt, geeft een onzeker geluid en veroorzaakt twijfel. Als men h.v. een persoon, dien men niet kent, wil leeren kennen, dan moet men beginnen met zijne geschriften, welke hij nagelaten heeft of welke hij gegeven heeft, te lezen, om te weten te komen, wie die persoon is; maar wanneer men begint met dat onderzoek, door vooraf zich de vrijheid aan te matigen om zijne geschriften te criticeeren of acht, dat dit al en dat niet van hem geschreven is, zonder vaste, zekere bewijzen, dan gaat het niet aan eene juiste beschrijving van den persoon te geven of zich een denkbeeld van den persoon te kunnen vormen. Neem voor een oogenblik Jezus' eigen woord. Hij zegt: „niemand heeft ooit God gezienquot; en meer niet, dan vraag ik, hoe wij bij eenige mogelijkheid kunnen bepalen, wie God is, en welke de heilsinrichting is. God bewoont een ontoegankelijk licht. Maar Jezus zegt, dat Hij God verklaard heeft. Stellen wij dat God zich niet als de eenige en waarachtige aan Israels volk geopenbaard had, dan vraag ik of het mogelijk zou zijn, dat wij zonder die openbaring ooit uit ons zeiven lot eene zuivere kennis van God zouden gekomen zijn of kunnen komen. En zouden wij ooit tot hel geloof in Gcd kunnen komen, indien die openbaring van God niet wordt geloofd? Neen. Gelukkig is het, dat Jezus zelf verklaart; „dit is het eeuwige

ocr page 178

166

leven, dut zij (J kennen, den eenigen en waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt; ik heb uwen naam geopenbaard.quot; Jezus, zelf de sliehter van het koninkrijk der hemelen, heeft dut bevestigd. Hij is het waarachtige licht (Joh. 1 :9). Hier wordt dus niet gevraagd, hoe kom ik aan de kennis van God? Dut kan onmogelijk. Maar wel, welke is de bron? En die bron is de Godsopenbaring door het woord van God zelf gegeven in het 0. en N. V. Waarom dus wat breedvoerig daarover gesproken? Om aan te geven, dat Gods woord de bron moet zijn, en als men dat niet erkent, dan zal men wel over een dogma welk dan ook, over en weer spreken. Want zoolang tegenover het ja van den eenen, het neen van den anderen staat, zoolang komt men niet tot eene éénheid in het aannemen van liet dogma, omdat eenerlei grondslag en bron worden gemist. Stellen wij, dat men eenen brief van iemand ontvangt, maar waarin iets voorkomt dat de eene aanneemt en de andere niet, of dat beide er toe komen om dit of dat, wat in dien brief voorkomt eenvoudig te verklaren niet van den schrijver te zijn, dan zal daardoor de inhoud van den brief veel van zijn waarde verliezen en de een den ander tegenspreken. Men heeft dan ook het rechl niet om dus Ie handelen. — Want zoodoende zoude men den schrijver iets kunnen laten zeggen , wat hij niet heeft gezegd noch heeft willen zeggen. Daarheen gaat het als de kenbron twijfelachtig wordt. Om een dogma te kunnen aanvaarden, moet de Geest van God, die door de schriften heenloopt, beslissen. Als een leermeester onderwijs

ocr page 179

107

geeft dan moet de leerling niet wijzer zijn dan de leermeester. Zoo een zuude zelfs de kenbron willen verbeteren en toonen noch leermeester noch zelfs kenbron noodig te hebben, waarvan dus het gevolg zou zijn, dat zulk een leerling niet tot de rechte kennis zal komen. Jezus zegt dan ook „onderzoekt de Schriften; niet wal dunkt u er van, zou hel waar of niet waar of gedeeilelijk waar zijn; maar het is bevelend kennis van die Schriften te verkrijgen. En zulk een onderzoek is geen quasiondegt; zoek. Beter is het maar op te houden met te onderzoeken, wanneer men een onzeker geluid geeft.

Het staat niemand vrij om het Woord van God te beperken, of gedeeltelijk aan te nemen, daar Jezus zich op al de Schriften des 0. V. beroepen heeft, en daardoor toont het Goddelijk gezag der Schriften des 0. V. te erkennen. Ook de Apostelen hebben hun leer met uitspraken van het 0. V. bevestigd en met hun prediking wijzen zij erop, als zijnde de aankondiging van de vervulling van hetgeen in het 0. V. voorspeld was. Ue Bereërs onderzochten, of hetgeen Paulus predikte met de Schrift overeenkwam; zij onderzochten , of die dingen alzoo waren, zie ook Luc. 24:44 v. Moet men, als men gelooft aan de historische openbaring van het Christendom, zooals het door de Heer en de Apostelen tot ons gekomen is, dus op de door Christus en Zijne Apostelen geopenbaarde leer gegrond, eene leer, op welke de gemeente van Christus gebouwd wordt, zijnde het fundament der Apostelen en Profeten, zoo dan vraag ik met het oog op eene verklaring van Mauh. 5 : 17 v.v.

ocr page 180

168

door üs. Zeydner gegeve» „moet men niet eenigzins glimlachen? Zeer zeker; want in de reeks der profetien over vele eeuwen, en de typische aankondiging, ligt de Goddelijke beteekenis en openbaring van het Christendom opgesloten, m. a. w. de Godsopenbaring, van liet Ü. en N. V. is dóórloopend één, van één en denzelfden God ons uit genade gegeven en waarin Hij Zijn liefde tot verlossing openbaart.

Nergens in de boeken van het 0. en N. T. staat zelfs een bewijs voor de vrijheid van een beginsel van kritiek toe te passen De schriften worden erkend waar te zijn. Wij worden veeleer gewaarschuwd voor afdoen dan voor bijvoeging, vooral voor de valsche philosophie (Coloss. 2:8). Het critisch historisch onderzoek in zijne uiterste consequentie doorgezet, zou doen zien, dat men niet veel meer overhield dan de bergrede. Gods Zoon bijv. uit den Hemel, — diens bovenredelijke geboorte, het doel van de komst van .lezus in het vleesch, zijn werk om zondaars zalig tc maken, m den iverj en in de orde des Heils in het woord voorkomende, de wonderen — wedergeboorte door den 11. Geest — enz., zijn zaken, waartegen de stem verheven wordt; neem dat nu eens, met al wat er op betrekking heeft, uit den Bijbel, wat blijft er dan over? immers weinig. —

1quot;) Wat dat juist bctcekent, beginsel Tan Critiek , weet ik niet. — Critiek ia, dunkt mij, Critiek; historisch wetenschappelijk opgevat.— Dan, zuilen het wel twee broertjes zijn, al zijn ze niet kinderen van één en denzelfden vader.

ocr page 181

■169

Wie is bij machte om te zeggen, dat bijv. in het Evangelie van Mattheüs (om niet meer te noemen) een proto, een deutero, en een trito Mattheüs aan liet woord zouden zijn. Wie kan dat op histo

rische gronden zeggen? Kan dat op inwendige gronden (zooals men dat noemt) uitgemaakt worden?

Zijn die inwendige gronden niet juist daarom te verwerpen, omdat zij berusten op subjectieve meening, welke de maatstaaf wordt van beoordeeling, die men aanneemt bij het onderzoek om te besluiten wat al of niet gezegd is van de persoon, die in dit of dat gedeelte sprekend of handelend optreedt. Is niet het antwoord verschillend, wanneer de vraag gedaan wordt, „welk Evangelie is het oudste, het meest oorspronkelijke?quot; Met het oog op de beoefening van de nieuwe critiek wordt door den een, het Mattheüs-door een ander, het Markus- door een derde, het Lucas-Evangelie voor het oudste gehouden. De verkregen resultaten loopen dus nog al wijd uit elkaar.

Hangt het onderzoek niet veelal af, van de houding, met welke de onderzoeker zich plaatst tegenover het Evangelie en van hel beginsel, hetwelk hij voorstaat? Hoe licht kan men bij dat onderzoek geleid worden door zijn eigen a-prioristische voorstellingen, welke hij heeft ten aanzien van den oorsprong van den Canon, van zijne voorstellingen van Jezus, diens werk, enz. Wanneer iemand bijv. beweert: wonderen zijn onmogelijk; en in het Evangelie komen wonderen voor, dan kan ik eenvoudig niet meer gelooven aan den inhoud van dat Evangelie. De schuld van dat niet gelooven , ligt niet aan den inhoud van het Evangelie

ocr page 182

170

maar aan hem, die aan geen wonderen geloul't. Als ik b.v. niet geloof aan de vergeving der zonden, door Jezus' bloed, dan kan ik ook niet aanvaarden, wat desaangaande geschreven staat van dat dogma, liet hangt hier af, of men door eigen bril wil zien, of niet. Dit is zeker, dat, wanneer God ons verlichte oogen des verstands geeft, dan moeten wij de waarheid aanvaarden als een woord van God; niet omdat wij het dan lot woord uit God verhcfjen, maar omdat het onmisbaar is, ten einde door den II. G. „het Amenquot; te zeggen op Gods getuigenis. Wij moeten niet eerst bepalen (op welke wijze dan ook), ivat woord van God is, maar hel woord van God moet bepalen den inhoud van ons geloof. Dan, bij zooveel dat zwaar is om te verstaan, zou ik in dit opzicht met het Kabbalisme medegaan, dat, hoe „geheimzinnigquot; hun stelsel ook moge zijn, tocli het woord ,,Jehovahquot; houdt als het voorwerp der grootste vereering en als de onuitputtelijke fontein van wonderen en geheimzinnigheden, en het einde aller dingen. Wij werpen ons niet in de armen van hel Kabbalisme, maar in de armen van Gods woord.

De vraag mag niet zijn; „wat wil ik lezen, maar wat staat er geschrevenquot;; dal moet bij de beoordeeling en behandeling van het ü. en N. Y. slipt in het oo^ gehouden worden. Dat is voor den exegeet een eerste en dure plicht. Hij moet onpartijdig te werk gaan bij de verklaring van den inhoud der 11. Schriften. Hij moet zich vóóral wachten om eigene meeningen of begrippen er in of bij te voegen, want alsdan zal hij een onzeker geluid geven. Zulk een onderzoek is

ocr page 183

171

een (juasi-onderzoek. Hij mag hut gesclueveue niet in overeenstemming brengen met denkbeelden en voorstellingen welke hij zelf toegedaan is, of het verplaatsen in tijden en toestanden, waar het niet thuis behoort. Üat dient in tiet oog gehouden te worden bij de studie van het O. T., ook bij die \an het N. T. Is men zelf niet in staat of geschikt lot dit onderzoek, dan moet men daarover niet willen medespreken op een toon van wetenschappelijk gezag. Wie meent, zegt Ds. Z., nadat hij gezegd had, dal het Gode niet welbehagelijk kan wezen, de waarheid bemantelen, troebel maken, niet hare volle plaats geven, evenmin bij de studie van het 0. T., als bij iets anders; wie meent, dal hij dit niet gemakkelijk onderzoek beheer-schen kan zonder degelijke voorbereiding, slechts met dilettanten kennis, bij wijze van tijdverdrijf, wordt een bazuin, die al een zéér onzeker en valsch geluid geeft. Een ieder derzulken zou ik aanraden: Houd op met uw „onderzoekquot; dat maar een quasi-onderzoek is! „Werp u liever gehéél en al in de armen van het Kabbalisme! Wie weet of gij dan Eva's woord (Gen. 4:1) niet nog eens aldus vertaalt; ik heb een man verkregen; den Alef-Thau — („Alfa en Omegaquot;), Jehovaquot; 1

Waarom men zich geheel en al in de armen van het Kabbalisme moet werpen, om die vertaling Gen. •4:1 aldus aan te nemen, welke hij aangeeft, begrijp ik niet. De verklaring toch komt in 't kort hierop neer. God had gesproken van het vrouwenzaad; deszelfs geboorte was aan Eva onbekend; zij geloofde echter toch, dat het zou geschieden ; zij baart een zoon,

ocr page 184

168

door Us. Zeydner gegeven „moet men niet eenigzins glimlachen? Zeer zeker; want in de reeks der profe-tiön over vele eeuwen, en de typische aankondiging, ligt de Goddelijke beteekenis en openbaring van het Christendom opgesloten, m. a. w. de Godsopenbaring, van het 0. en N. V. is dóórloopend één, van één en denzelfden God ons uit genade gegeven en waarin Hij Zijn liefde tot verlossing openbaart.

Nergens in de boeken van het Ü. en N. T. staat zelfs een bewijs voor de vrijheid van een beginsel van kritiek toe te passen 1). De schriften worden erkend waar te zijn. Wij worden veeleer gewaarschuwd voor afdoen dan voor bijvoeging, vooral voor de valsche philosophic (Coloss. 2 : 8). Het critisch historisch onderzoek in zijne uiterste consequentie doorgezet, zou doen zien, dat men niet veel meer overhield dan de bergrede. Gods Zoon bijv. uit den Hemel, — diens bovenredelijke geboorte, het doel van de komst van Jezus in het vleesch, zijn werk om zondaars zalig te maken, in den weg en in de orde des Heils in het woord voorkomende, de wonderen — wedergeboorte door den 11. Geest — enz., zijn zaken, waartegen de slem verheven wordt; neem dat nu eens, met al wat er op belrekking heeft, uit den Bijbel, wat blijft er dan over? immers weinig. —

1

Wat dat juist bctcekcnt, beginsel vnn Critiek, weet ik niet. — Critiek is, dunkt mij, Critiek-, historisch wetenschappelijk opgevat.— Dan, zullen het wel twee broertjes zijn, al zijn ze niet kinderen van één en denzelfden vader.

ocr page 185

169

Wie is bij machte om tc /.eggen, dat bijv. in het Evangelie van Mattheüs (om niet meer te noemen) een proto, een deutero, en een trito Mattheüs aan hel woord zouden zijn. Wie kan dat op zuiytfr historische gronden zeggen? Kan dat op inwendige gronden (zooals men dat noemt) uitgemaakt worden?

Zijn die inwendige gronden niet juist daarom te verwerpen, omdat zij berusten op subjectieve mecning, welke de maatstaaf wordt van beoordeeling, die men aanneemt bij het onderzoek om te besluiten wat al of niet gezegd is van de persoon, die in dit of dat gedeelte sprekend of handelend optreedt. Is niet het antwoord verschillend, wanneer de vraag gedaan wordt, „welk Evangelie is het oudste, het meest oorspronkelijke?quot; Met het oog op de beoefening van de nieuwe critiek wordt door den een, het Mattheüs-door een ander, het Markus- door een derde, het Lucas-Evangelie voor het oudste gehouden. De verkregen resultaten loopen dus nog al wijd uit elkaar.

Hangt het onderzoek niet veelal af, van de houding, niet welke de onderzoeker zich plaatst tegenover het Evangelie en van hel beginsel, hetwelk hij voorstaat? Hoe licht kan men bij dat onderzoek geleid worden door zijn eigen a-prioristische voorstellingen, welke hij heeft ten aanzien van den oorsprong van den Canon, van zijne voorstellingen van Jezus, diens werk, enz. Wanneer iemand bijv. beweert; wonderen zijn onmogelijk; en in het Evangelie komen wonderen voor, dan kan ik eenvoudig niet meer gelooven aan den Inhoud van dat Evangelie. De schuld van dat niet gelooven , ligt niet aan den inhoud van het Evangelie

ocr page 186

170

maar aan hem, die aan geen wonderen gelooft. Als ik b.v. niet geloof aan de vergeving der zonden, door Jezus' bloed, dan kan ik ook niet aanvaarden, wat desaangaande geschreven staat van dat dogma. Het hangt hier af, of men door eigen bril wil zien, of niet. Dit is zeker, dat, wanneer God ons verlichte oogen des verstands geeft, dan moeten wij de waarheid aanvaarden ais een woord van God; niet omdat wij het dan lot woord uit God verheffen, maar omdat het onmisbaar is, ten einde door den II. G. „het Amenquot; te zeggen op Gods getuigenis. Wij moeten niet eerst bepalen (op welke wijze dan ook), wat woord van God is, maar het woord van God moet bepalen den inhoud van ons geloof. Dan, bij zooveel dat zwaar is om te verstaan, zou ik in dit opzicht met het Kabbalisme medegaan, dat, hoe „geheimzinnigquot; hun stelsel ook moge zijn, toch het woord „Jehovahquot; houdt als het voorwerp der grootste vereering en als de onuitputtelijke fontein van wonderen en geheimzinnigheden, en het einde aller dingen. W'i) werpen ons niet in de armen van het Kabbalisme, maar in de armen van Gods woord.

De vraag mag niet zijn : „wat wil ik lezen, maar wat staat er geschrevenquot;; dat moet bij de beoordeeling en behandeling van het ü. en N. V. stipt in het oog gehouden worden. Dat is voor den exegeet een eerste en dure plicht. Hij moet onpartijdig te werk gaan bij de verklaring van den inhoud der II. Schriften. Hij moet zich vóóral wachten om eigene meeningen of begrippen er in of bij te voegen, want alsdan zal hij een onzeker (jeluid geven. Zulk een onderzoek is

ocr page 187

171

een quasi-onderzuek. Hij mag het geschrevene niet in overeensteniming brengen niet denkbeelden en voorstellingen welke hij zelf toegedaan is, of het verplaatsen in tijden en toestanden, waar het niet thuis behoort. Dat dient in het oog gehouden te worden bij de studie van het O. T., ook bij die van het N. T. Is men zelf niet in staat of geschikt tot dit onderzoek, dan moet men daarover niet willen medespreken op een toon van wetenschappelijk gezag. Wie meent, zegt Üs. Z., nadat hij gezegd had, dat het Gode niet wclbehagelijk kan wezen, de waarheid bemantelen, troebel maken, niet hare volle plaats geven, evenmin bij de studie van het 0. T., als bij iets anders; wie meent, dat hij dit niet gemakkelijk onderzoek beheer-schen kan zonder degelijke voorbereiding, slechts met dilettanten kennis, bij wijze van tijdverdrijf, wordt een bazuin, die al een zéér onzeker en valsch geluid geeft. Een ieder derzulken zou ik aanraden: Houd op met uw „onderzoekquot; dat maar een quasi-onderzoek is! „Werp u liever gehéél en al in de armen van het Kabbalisme! Wie weet of gij dan Eva's woord (Gen. 4:1) niet nog eens aldus vertaalt: ik heb een man verkregen: den Alef-Thau = („Alfa en Omegaquot;), Jehovaquot;!

Waarom men zich geheel en al in de armen van het Kabbalisme moet werpen, om die vertaling Gen. •i: 1 aldus aan le nemen, welke hij aangeeft, begrijp ik niet. De verklaring toch komt in 't kort hierop neer. God had gesproken van het vrouwenzaad; deszelfs geboorte was aan Eva onbekend; zij geloofde echter toch, dat het zou geschieden; zij baart een zoon,

ocr page 188

17-2

ziet in dien zoon liet zaad bij uitnemendheid, dien zoon meende zij nu verkregen te hebben. In dezen zin verklaren ook Coccejus, Witsius en anderen. De Kabbalisten, bij monde van Jonathan of de Chaldeesche uitbreider zegt: En Adam heeft zijne vrouw Eva bekend, welke naar den engel des lleeren zeer verlangde, en zij heeft ontvangen en Kaïn gebaard en zij zeide „ik heb verkregen den man, den engel des lleeren.quot; Indien Eva zich dit had verbeeld, dan is er een drieërlei dwaling, ten eerste omtrent den tijd; ten tweede omtrent den persoon, en ten derde omtrent de ivijze. Immers de tijd moest na vele eeuwen plaats hebben, de persoon is een doodslager, en is uit eenc vromu geboren en niet op bovenredelijke wijze geworden. Zij mocht dan dwalen omirent deze dingen, zij hield toch de belofte vast. Niemand dunkt mij, zal het gevoelen der Kabbalisten aanhangen.

Wanneer men aan de waarheid haar volle plaats geeft, dan erkent men haar recht, en houdt men haar zooals ze is, en verklaart men naar de schril ten. Zóó geraakt men niet in strijd met eigene zienswijze, maar dan merkt men de waarheid aan als een licht en eene lamp. Maar dan hebben wij ook met een quasionderzoek niet te maken. Dat onderzoek kan leiden om de waarheden in een gansch anderen zin om te zetten, maar waarbij men ervaren zal, dat men met de waarheid moet breken.

Wanneer men Gen. 4; 1 houdt zooals het daar staat geschreven, en het beschouwt in deszelfs verband, waarin het voorkomt, dan levert het geen onoverkomelijk bezwaar ter verklaring en behoeft men zijn

ocr page 189

173

toevlucht niet te nemen tot een Rabbijnsche uitlegging. Sommigen vertalen Gen. 4:1: ik heb een man van den lieer verkregen. Dal van den Tfeer, verklaren zij, door of mei Jehova. And. vertalen het, ik heb een man , den Heer verkregen. Voor laatst genoemde vertaling pleit zeer veel, uit kracht van het woordje rs. Wilhelm Gesenius, llebr. Gramm. umgearbeitet door E. Kautzsch neemt rs in den Acc. — Ook Luther.— De Septuaginta LXX heeft x-Afxtcj hx tcD Oku, vertaalt door hominem per Deum. Dr. Knobel (die Genesis erkliirt) neemt man in den zin van een miinnlicher kind, en zegt verder, mannliche kinder hiilten den Vorzug, en neemt het op in den zin van het voorrecht een zoon te hebben, boven eene dochter. quot;ij zegt ,,und noch heute wünscht man sich im Morgenlande lieber Söhne ais Töchter. De grondtekst echter heeft niet kind, maar man, dat afgeleid is van een woord, hetwelk beteekent firmus, fortis, krachtig, sterk.

Welke beteekenis men nu aanvaardt, (behalve de verklaring van Knobel), dan komt het toch hierop neer, dat Eva, nadat zij Kain heeft voortgebracht, in hem het zaad bij uitnemendheid zag en geloofde, alsof Kain het alreede was. Doch dat was zoo niet — Kain, gelijk later bleek, kon de persoon niet zijn. Zij ontleende aan die geboorte het bewijs, wat zij te gemoet zag.

Zoo vat Coccejus het ook op en ook Witsius Oecon, Foedr. L1VCI §§ 33 p. n. 438. Zoo ook van Til, Fabricius. T. II. van der Honerl (in zijne waarwegen B. VI. C. VII. S. XI) zegt er van : „Zoo heb ik (Eva) echter door het geloof, door 'i welk ik de belofte van

ocr page 190

174

dat, vrouwenzaad heb aangenomen, dien man, den Heer verkregen, denwelken ik heli door geloof, wonendein mijn hart. In hoofdzaken vatten Melanchton, Schma-dius en and. liet zóó op.

Zelfs onder de Joden waren er, die op een Kabha-lislische manier van verklaren zich dus hebben uitgesproken, o. a. Jonathan of de Chald. uitbreiding, reeds in mijn stuk opgenomen.

Kva behoefde die uitroep niet te doen , wanneer zij niet iets bijzonders in de geboorte van haar kind had gezien. Immers, de geboorte van een kind was niet iets bijzonders, gaf geen reden om zich met zulk eene verbazing en bewondering uit te laten, als Eva doet.

C. F. Keil teekent op Gen 4:1 aan. Dasz sie in der geburt dieses Sohnes den Anfang der Erfülling der ihr gewordenen Verheiszung erblickt und für diese Gnadenweisung der Göttlichen Hilfe mit freudigen Danke erwiihnt, dafür bürgt der Name Jehova, des Gottes des Heils.

Genoeg hierover om te zien, dat het woord van Eva, Gen. -4 :1b nog al onderzoek vereischt, èn dat de woorden van zeer geioichtije heleeketv's zijn.

Wat üs. Z. verder zegt „waken en bidden is een bevel van onzen Heiland goed voor alle omstandigheden, maar niet het minst goed bij gelegenheid des wetenschappelijken onderzoek? des bijbels.quot; Deze raad is wel aan te bevelen. Immers hoe licht is men in gevaar, wanneer men zijne eigene meening aanwendt, daarnaar de Schrift Ie laten spreken, zoo dat men al lieht den inhoud der Schriften verzwakt, liet behoeft toch geen nader betoog, dat door het wetenschappelijk

ocr page 191

175

onderzoek des Bijbels, vele en van elkaar soms zeer verscliiliende beschouwingen over den inhoud des bijbels ontstaan zijn, zoo zelfs dat, wat voorden een waar is, dat door een ander bestreden wordt en met nadruk onlkend. Zoo ontstaan er door dat wetenschappelijk onderzoek, geene schoone en verkwikkelijke, maar onverkwikkelijke vruchten, strijd en niet zelden verwijdering van eikaar. „Meent Ds. Z. dat door wetenschappelijk onderzoek dezelfde openbaring van God aan zondige menschenkinderen in zulk een rein en heerlijk licht komt te staan als waarin zij nooit beeft kunnen staan onder de heerschappij der rabbijnsche overlevering der Christel, kerk.quot;' Dan moet ik hem zeggen, dat wij met. die heerschappij der Rabbijnsche overlevering niels te maken hebben. Die Rabbijnsche overlevering is wel gemaakt, maar is geenszins eene vrucht van God. Zoo ons oog daarvoor geopend wordt en wij inzien, boe soms men-schelijke meeningen en overleveringen niet tot licht hebben verstrekt, maar een waas over de waarheden hebben gebracht, en zoo doende do waarheden werden of bemanteld of troebel gemaakt en aan de waarheid niet hare volle plaats gegeven werd, dan zal dat geen licht zijn en het schoone er van en de ware voorstelling niet aan bet licht komen, en daardoor ook Jezus Christus niet zijn, die Hij is, n. 1. hellicht der wereld, het licht der waarheid en het licht des levens voor die Hem volgen. Zegt Ds. Z. „dat het historisch crilisch onderzoek niets schrapt, m^v alles zooveel mogelijk op zijn rechte plants zet, alles weder goed makend, betgeen door oudere en nieuwere Schrift-

ocr page 192

170

geleerden bedorven is;quot; dan kan ik hem dat niet toegeven; want men zet het meer dan eens niet op zijn rechte plaats, en men neemt weg, wat andere en nieuwere Schriftgeleerden in den (joeden zin des woords willen behouden. Laat het historisch cri-tisch onderzoek alles zooveel mogelijk op zijn rechte plaats en schrapt het niets? Hel verplaatst immers een groot deel van de boeken van Mozes en zelfs van Jozua na de Babylonische ballingschap. Gen. I, 11, 111 wordt legendarisch beschouwd. — Het verschil van gevoelen van Gen. I en II is nog niet lang geleden in vlugschriften neergelegd. Wat worden Abraham, Isaac en Jacob, om niet meer te noemen, anders dan persoonsverbeeldingen. — Wat wordt van de wet anders dan in plaats van een Goddelijke openbaring, een produel van een mensclielijk wetgever. — Wat blijft er over van wat Jezus gesproken en gedaan heeft, wat van de wonderen, wat van de heilsfeiten? slechts een klein gedeelte — want veel wordt ontkend, de wonderen worden verworpen, de heilstoepassing, zooals het doel van Jezus' komst om de verlossing teweegte-brengen, de opstanding en de hemelvaart worden ontkend — i. e. w. wat van Christus in bovennatuur-lijken zin gezegd wordt, wordt eenvoudig ter zijde geplaatst. Wordt er geen onderscheid gemaakt tusschen den Christus der Synoptici en van Christus volgens het Evangelie van Johannes, tusschen den Christus naar de Schriften en naar de Schrift.

Als men hel ontleedmes in de deden van den bijbel zet, volgens de methode van onzen tegenwoordigen tijd, dan wordt er geschrapt, en wel zoo, dat men

ocr page 193

177

daardoor een misvormd bijbelse!) geheel verkrijgt Men moei niet beginnen met schrappen, hetwelk toch in den grond der zaak is niel-behouden, maar wij moeten de overleggingen nederwerpen en alle hoogten, die zich verheffen tegen de kennis Gods, en alle gedachten gevangen leiden tot gehoorzaamheid van Christus, dan eerst zien wij God in het lichl van zijn geopenbaard woord en zullen wij opwassen in de kennis en genade des Heeren. Zóó past hier de bede van den Apostel: dat God bekeering mocht geven tot erkentenis der waarheid om de waarheid te bekennen. Zouden zij, die van God geleerd worden, niel komen tot de volle openbaring van God in .Jezus Christus, wanneer God eenmaal alles zal zijn in alle de zijnen.

He mannen Gods vóór de Babylonische ballingschap blijken, zegt Ds. Z., niet te zijn geweest zulke verachters en doodzwijgers van „Gods wetquot;. — liet naëxiliesche tijdperk bloeit op, waarlijk niet zoo dor aan geestelijk leven. — Ten deze opzichte moet ik beginnen met te zeggen, dat ook in dit stuk, namelijk het geestelijk leven, hel Oud en Nieuiv Testament zich uiel van elkaar laten scheiden. Ook daar, waar geen wet gegeven is, zien we dat geestelijk leven in een Abel, Noach , Henoch, Abraham en and. Het geestelijk leven is geen wettisch leven, maar een doen van liet-geen God gebiedt, uit gehoorzaamheid en liefde. — Daarop geeft God zijn goedkeuring. In dit stuk is eenheid zoowel (en opzichte van de dienaars Gods onder het O. als onder het N. V. Wij hebben geene opklimmende zelfopenbaring van God. Zoowel vóór als na de Babyl. Ballingschap openbaarde zich het

12

ocr page 194

geestelijk leven , al is dat leven niet het deel van elk Israëliet, liet geestelijke leven kent in dit opzicht geen ontwikkelingsproces, alsof uit het lagere het hoogere was voortgekomen en eindigde in de volle openbaring van God zelf in Jezus Christus. God lieeft in Israël in elke eeuw zijn beelddragers gehad, dal toch de openbaring is van den geestelijken mensch. De bron werd geopenbaard in de volheid des tijds door de komst van Jezus Christus. Maar deze was al vóór Johannes, ook vóór Abraham, i. e. w. Hij is van eeuwigheid. Reeds in Matth. 1 :1 werden wij gewezen op Abraham. Daardoor worden wij terstond verplicht ons oog op de geschiedenis van Abraham te vestigen. Jezus wordt aangewezen als het aan Abraham toegezegde zaad, en voorgesteld als de Zoon van David. Wij zien, dat het 0. T. wordt bevestigd, en dat het 0. V. dezelfde erkenning heeft als het N. quot;V. Doch dat verplicht ook ons, ziende op de vervulling van hetgeen het 0. V. voorspelt of aankondigt, om het 0. V. niet achter het N. V. te stellen, zoodat het N. V. niet zijn zou naar de vervulling, als het O. V. niet goddelijk is. Het 0. V. is een geheel. Dat was het ook voor Jezus en Zijne Apostelen , in wier tijd de verzameling van de Canonieke Oud-Testamentische boekon of geschriften reeds aanwezig was. Dit geheel bedoelen zij als zij van de „Schriftquot; spreken, door God ingegeven. Jezus kwam om de wet en de Profeten te vervullen. Nergens in de Schriften des 0. V. vinden wij eenig recht om Gods Woord van menschen woord te onderscheiden, en van een God te spreken die bijv. zich zeiven ten aanzien van het geestelijke

ocr page 195

179

openbaart bij Zijne dienaren, maar langs een trap van ontwikkeling, totdat de volle openbaring van God zelve in Jezus Christus gekomen is. Nadat God den menscli naar Zijn beeld geschapen heeft, heeft God zich zeiven diens ondanks toch geopenbaard aan Israël en heeft dat gedaan vanaf dat de mensch zondaar is geworden. Daarom betoont God dus Zijne liefde. Maar die openbaring is niet zóó alsof God zich nu en dan en telkens wat meer zou geopenbaard hebben, noon, dat niet; dat heeft geen betrekking op hol geestelijk levon, maar wol op de voorspellingen aangaande de komst van Jezus Christus in het vleesch. Gen. 18:19, Gen. 32:30 en op andere plaatsen vinden wij Gods-verschijningen, maar die in monschelijke gestalte voor den blik van hem, die daarmede vereerd wordt, inderdaad de menschwording Gods openbaart in dien zin n.m.1. dat deze ziet op de komst van den Zoon van God in het vleesch. Die Godsverschijningen staan met de Godsopenbaring in Jezus Christus in het allernauwst verband. Zij zijn als de stralen der zon , dio met de zon in de nauwste betrekking staan. De God des 0. V. is dezelfde als die des N. V. God openbaart zich in Christus, den Ileilaanbrenger en waar Hij zich dus openbaart, daar vertoont Hij zich in de gestalte eens menschen, maar ook krachtens de openbaring van den toekomstigen Ileilaanbrenger Jezus, worden alle Godsdienaren onder het 0. V met zijne zegeningen van God beweldadigd, om beelddragers Gods en erfgenamen des eeuwigen levens te zijn. De mensch heeft, de godsdienst niet uitgedacht, maar God hoeft zich zeiven te dien einde geopenbaard.

12*

ocr page 196

180

Eu zouden wij nu, zegt Ds Z,, als Evangeliedienaars, tegenover hel Nieuwe Testament in eene andere verhouding mogen staan, dan dat óók hier voor hel lilc-rarsch-hislorische niet zou behoeven te gelden nainv-gezel en wuarheidlievend onderzoek, „zonder arg of list,quot; en dat voor het openbarings-gehalle niet als éénije maatstaf zou moeten erkend worden liet ge-tuigenis des Heiligen Geestes in het hart.'

Hij wijst op voorstellingen, die naar Gods bestel nu zich zelf veroordeelen als niet uit Hem; n.m.l. op de verwachting der eerste Christenen omtrent de wederkomst van Christus en de openbaring van het Messiasrijk nog tijdens hun leven, en wijst daartoe op Matth. 24 : SA vergelijk vers 29. Dat Jezus hier spreekt van zijne wederkomst is buiten kijf, maar dat die wederkomst van Christus en de openbaring van het Messiasrijk nog tijdens hun leven zouden plaats hebben, kan zeer bezwaarlijk worden aangenomen volgens het verband van het verhaal. In vers 30 wordt gesproken van de geslachten en in vers 34 van dit geslacht; het laatste ziet op een bijzonder geval, n.1. de verwoesting van Jeruzalem, dat betrekking heeft op dit geslacht. De lijd wordt gesteld binnen zeer beperkte grenzen, waarop het geschieden zal, maar de wederkomst des Heeren ziet op de geslachten en geeft een onbepaald nog ver verwijderd tijdperk aan.

Jezus spreekt van de verwoesting van Jeruzalem, die spoedig zal plaats hebben, als een teeken zijner macht en heerlijkheid, en wel als Hij komt op de wolken des Hemels. Maar wij moeten evenwel acht geven op hetgeen in Hoofdst. 24:1-3 enz. slaat.

ocr page 197

181

Jezus wijst daar op de gebouwen des tempels, die zullen afgebroken worden, wal Jezus zeide lot zijne discipelen, loen Hij heenging van den tempel. Toen Jezus op den Olijfberg was, gingen de discipelen tot Hem en vroegen Hem, wanneer zullen deze dingen zijn en welke zal liet teeken zijn van uwe toekomst en van de voleinding der wereld? De discipelen doen hier een tweeërlei vraag. Die eene vraag vloeide voort uit hetgeen Jezus zeide van den tempel. Zij vragen aan Jezus, ivanneer zal dat geschieden ; de vraag, die zij er aan toevoegen, is eene nieuwe vraag, een vraag van een gansch anderen inhoud, die geheel op zich zelf staat. De 19te ziet op de afbreking van den tempel, de andere heeft betrekking op Jezus zelf en wel ten aanzien van zijne loekomsl en de vole tiding der wereld. Nu vragen zij niet, welk zal het teeken zijn van de verwoesting van Jeruzalem, maar van uwe toekomst en de voleinding der wereld; en in verband met het laatste waarschuwt Jezus, dat zij zich niet zouden laten verleiden, doorniemand; want dat er valsche Christussen zouden opstaan die velen zullen verleiden. In dit hoofdstuk is volstrekt geen voedsel voor de meening van Ds. Z. betreffende de verwachting der christenen omtrenl de wederkomst van Christus en de openbaring van het Messiasrijk tijdens hun leven. De bedoeling van den Heiland met dit onderscheid te maken tusschen geslacht en geslachten, zie vers 30 en 34 is, dat onder het tegenwoordig geslacht de verwoesting van Jeruzalem zou plaats hebben, maar zijne paroesie zou betrekking hebben op alle geslachten. Het onderscheid van terstond en

ocr page 198

182

in die dagen (Matth. 24:29 en Mark. 13:24) is meer gezocht dan bewezen. Wij moeten hierop wel degelijk acht geven, dat de Ileere hier profetisch spreekt en zegt, wat gebeuren zal; zoo spreekt ook Lucas in zijn Evangelie. Jeruzalem zal vertreden worden door de Heidenen.

Zegt Ds. Z., dal bij het schrijven dezer woorden van Luc. 21 : 24 Jeruzalem reeds gevallen was, maar terwille van de voorspelling Matth. 24; 34 die woorden gebezigd zijn, omdat anders die voorspelling in de Millajjii di Maré niet was uitgekomen, mij dunkt, (wat ik reeds aangemerkt heb), dat zulk een omweg niet behoeft gemaakt te worden, want Jezus spreekt van hetgeen gebeuren zal. In Mattheus hebben wij als 't ware eene inleiding van hetgeen volgt tot nadere verklaring ten aanzien van die vragen: waHneer zu//c« deze dingen zijn en welk zal het teeken zijn van de voleinding der wereld. Matth. 24 ;'1—3.

Dat de christenen de wederkomst van Christus en de openbaring van het Messiasrijk nog tijdens hun leven verwachtten , kan uit Matth. 24 en Mark. 13 niet worden afgeleid, wat ik reeds lieb aangegeven. Derhalve hebben wij het ook niet te beschouwen als een voorstelling, die niet uil God is.

Dat süóécoc nstx tw ihtyiv vgl. met szeivxi: txï: méjixii lisTx tvjv zegt Ds. Z. is de geweldige klip in deze

profetie, waarop het scheepje der perspectivisten zich ie pleiter stoot. Dat „terstondquot; na en dat in die dagen duldt geen andere dan letterlijke opvatting. Luk. 21 : 24 zegt, Jeruzalem zal vertreden worden door de Heidenen, totdat de tijden der Heidenen vervuld

ocr page 199

183

zullen zijn. Bij liet sclirijven dezer woorden was Jeruzalem reeds gevallen, maar de verdere voorspelling van de Millajja di Mare was niet uitgekomen. Daarom wijzigde de Evangelist het origineel der profetie, dat voor hem lag. Dat ei/ösu; en uat êxshxic dwongen hem er toe. Hier zien wij weder hoe vrij men onder de eerste Christenen omging met het geschreven woord, óók van Apostelen.quot; Tot dusver Ds. Z.

Tegen hetgeen üs. Z. zegt, volgen mijne bedenkingen, welke ik kortelijk mededeel.

Tot vs. 29 heeft de Heer gehandeld van het oordeel over Jeruzalem. Mot vs. ^9 begint hij de andere vraag, zie vs. Sh, te beantwoorden belreffende Zijn lockomsl en de voleinding der wereld en eindigt h. 25:31. Onder de oude uitleggers waren D. Zeltner en ü. Rusz van gevoelen, dat van vers 29 af de beschrijving van het oordeel over Jeruzalem volgde. Het is dus noodig aan te toonen, dat hel niet zoo is, zonder aan de woorden een' anderen zin te geven of die geweld aan te doen.

Het oordeel in vs. 29 onderscheidt zich van het oordeel over Jeruzalem, vgl. vs. 21 en vs. 29.

In vs. 30 spreekt Jezus van zijne heerlijkheid bij Zijn komst, evenals in Matth. 25:31 ,,dat iiij komt in Zijne heerlijkheid.quot;

Alle menschen zullen voor Hem verschijnen, vgl. Mare. 13:27.

Jezus maakt onderscheid door hel gebruik van ye-ftlacht en geslachten.

Jezus spreekt zelfs van de geloovigen uit de ge-heele wereld, die voor Hem zullen staan. Zie vs. 31,

ocr page 200

184

Luc. ; 30. Kan dit op hel oordeel der ongeloovige Joden, door de verwoesting van Jeruzalem, tehuis gebracht worden. Immers onmogelijk. Ygl. Matth.

'25 :

■/nxèpx h.eh-/, wordt ook de jongste dag genoemd op welken Jezus komen zou, zie Matth. 25 :13 vgl. Hand. 1:11. Wat nu is de zaak?

Men leidt, wat men n.m.I. uit Matth. 24, Mare. en Luc. leest, af, dal de komsl des II eer en nog bij hel leven der christenen zal plaats hebben. Doch dat is eene verkeerde meening. Ook Hand. 1 :11 weerspreekt dat gevoelen. De fout is, dat men zich vastklemt aan het ivoordeken svQsu;, maar dat woordeken verliest zijn beteekenis door, zie 2 Petr. 3:4 en 8; 2 Thess. 2:2. Waarop het evenwel aankomt is, dat we de rechte beteekenis van dat woord niet moeten voorbijzien, vermits dingen, die soms lang daarna geschieden, aangeduid worden, als weldra (vgl. Jesaja60:2) ophanden te zijn. Zoo leest men in de Openb. van Johannes het woordeke haastiglijk, dat van een tijd, welke nog verre af is, gebezigd wordt, — dat dan beteekent zooveel als volstrekt zeker, zie Openb. 1:1; ■21: 16; 22 : 7,12, 20; de drie laatstgenoemde plaatsen spreken van den jongsten dag.

De woorden in die dagen, moeten hier niet opgenomen worden in den zin van diezelfde dagen — maar in die dagen, naar welke gij mij gevraagd hebt, nl. naar de laatste dagen der wereld. Daarop ziende, eindigt Jezus de rede zie Mark. 13:37, „wat ik u zeg, dat zeg ik allen, dat is alle Christenen, waakt.quot; — Nuys Klinkenberg (op Matth. 24:29 en gel. pis.) geeft ook

ocr page 201

185

in hoofdzaak dezelfde verklaring. Calvijn 20, c. Itj, b. 17 verklaart het evenzeer van den toestand van Jezus of Diens verschijning.

Urakel (Red. G. II deel pag. 04), ook dient wel gelet, zegt hij, dat dit kapittel niet alleen spreekt van de verwoesting van Jeruzalem, maar ook van de vreeselijke vervolging, die de kerk van het N. ï. zoude overkomen, terwijl hij laat voorafgaan, dat in dit kapittel (Matth 24) gesproken wordt van den tijd der toekomst van Christus, van de voleinding der wereld, wat blijkt uit vs. 3. Dat hier ook gesproken wordt van de verwoesting van Jeruzalem, is buiten twist.

Op Luc. 21 : ïih (zie zijn verklaring van deOpenb. v. Joh. pag. 05) teekent hij aan, dat Jeruzalem zal verwoest worden, totdat de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn en wijst hierbij op Rom. II ; 25, 20.

Volgens het bovengenoemde is het duidelijk, dal allen het niet eens zijn met de opvatting van „dat terstondquot; en „in die clageii,\ door Ds. Z. aangegeven.

Laat ik het saamvatten in de navolgende punten:

1°. Wij hebben hier te doen met twee voorzeggingen, onafhankelijk van elkaar. De tweede voorzegging begint met vs. 29 (Matth. 24) met de wederkomst van Jezus enz. Ds. Z. laat vs. 34 slaan op den val van Jeruzalem, en dan terstond daarna, de wederkomst van Christus.

2°. De christenen geven volstrekt niet te kennen, dat zij de wederkomst van Jezus en de Openbaring van het Messiasrijk nog Au» verwachten. Daarenboven zij opgemerkt, dat Jezus hier spreekt tot zijn discipelen.

ocr page 202

•186

3°. Wij hebben in de meer genoemde woorden „lerstondquot; en „in die dayen' volstrekt geen gevaar voor een klip in deze profetie, waarop men zich te pletter zal stooten. — Die woorden moeten opgevat worden in dien zin, dien het verband aangeeft, en de verklaring dier woorden noodzakelijk eischt.

4°. Lucas bezigt die woorden niet, maar geeft ons duidelijk te kennen, dat hier van twee verschillende gebeurtenissen gesproken wordt, en in alle deze aangehaalde plaatsen, Matth. 24, Mark. 13, Luc. 24, is het zonneklaar, dut Jeruzalem 7io(j is — en dus nog niet gevallen is.

5quot;. Dat het niet mogelijk is aan te nemen, dat de Christenen in die dagen niet zouden weten, dat Jeruzalem gevallen is — waarmede dan ook vervalt de meening, dat de jongere bewerking van Luc. 21 inlascht, dal Jeruzalem zal vertreden worden enz., en dat hij het daarom doet, omdat de verdere voorspelling in de Millajja di Miiré niet was uitgekomen.

Intusschen zij gezegd, dat Jeruzalem nog niet was gevallen — dal de voorspelling nog moest vervuld worden. — Dat noch dóéug noch hsivxig hem konden dwingen zulk een willekeurige inlassching (Luc. 21 : 24) te doen; zoodat de eerste christenen met het geschreven woord ook van de Apostelen niet vrij omgingen, maar met omzichtigheid en voorzichtigheid desaangaande verkeerden. De wijziging door den Evangelist van het origineel der profetie zoude de zaak in duisternis hebben gewikkeld — en eene voorstelling

ocr page 203

187

hebben gegeven, die niet naar Gods bestel is — en daarom zou moeten veroordeeld worden, omdat hij niet uit God is. Daarenboven moet ik er bijvoegen, dat het hcicys voor een jongere bewerking (Luc. 21) door Ds. Z. niet geleverd is en wel op hislorischen grondslag gebouwd.

Gelukkig dus, dat men onder de eerste christenen ganseh niet vrij, maar met voorzichtigheid met het geschreven woord, ook met dat dor Apostelen omging, en hetzelve hoog waardeerde. Vergelijk hierbij \. llamelsveld en A. Vpey, Gesch. van de Christelijke Kerk, III d., bladz. 235 vv.

Onderscheidene verklaringen zijn er van Matth. 19:28, ten aanzien van het woord, in de wedergeboorte, palingenesis. Dat we hier eene zinnelijke Joodsche voorstelling hebben, eene voorstelling, die zichzelve veroordeelt, als niet uil God te zijn, zooals üs. Z zegt, kan ik niet aannemen. Om zulk eene conclussie te nemen, dient vooraf de zin juist verklaard te worden. Naar mijne meening hebben wij hier eene figuurlijke voorstelling; doch die niet zinnelijk Joodsch maar geestelijk moet worden verstaan. Dat blijkt ook uil Matth. 19:21, 22, 27—30. De heerlijkheid, welke hel Joodsche volk in het heilige Kanaiin van den Messias zal ontvangen is zinnelijk. Denk aan den maaltijd, dien de Messias zal aanrichten in het beloofde land voor al dc Israëlieten, die op den aardbodem zijn. Elias Levita spreekt er van in zijn Dictionaire Tisbi. Meer zoude ik kunnen aangeven, doch genoeg. Intusschen hangt hier van de verklaring alles af, vooral van het verklaren van de palingenesis; doch

ocr page 204

188

niet moijchjk is het, naar mijne meening, als wij de woorden in hun verhand en naar de Schrift verklaren, liet als eene zinnelijke Joodsche voorstelling te beschouwen, welke ziehzelve veroordeelen moet, omdat ze niet uit God is. Breedvoeriger mij hierover uit te lalen is hier de plaats niet, vermits het boekje te groot in omvang zoude worden.

Indien de Christenen die wederkomst nog tijdens hun leven verwacht hadden en de verwoesting van Jeruzalem reeds had plaats gehad, dan begrijp ik niet, hoe Stefanus nog zeggen kon, „lleere Jezus, ontvang mijnen Geest,quot; want dan bestond Jeruzalem immers niet meer en de belofte van Jezus Hand. 1 heeft hoegenaamd geene beteekenis, zie vers 0 en 7. Heerel zoo vragen zijne discipelen, „zult Gij in dezen lijd aan Israël hel Koningrijk wederoprichten ?quot; Waarop Jezus antwoordt zie vers 7, het komt u niet toe te weten de tijden (Jezus zegt niet de lijd, maar onbepaald de tijden) of gelegenheden, niet gelegenheid, die de Yader in zijne eigene macht gesteld heeft; maar zij moesten zich tevreden stellen met hetgeen Jezus zegt. Gij zult ontvangen de kracht des H. Geestes en gij zult mijne getuigen zijn zoo in Jeruzalem1) als in geheel Judea — Jeruzalem bestond toen nog, — en was nog niet yewaWe/t. — De Apostelen hebben niet geleerd, dat Christus weldra met groote kracht en heerlijkheid in de wolken des Hemels weder zou komen. — Zie I Thess. 5:2; 2 Thess. 2:1, 2.

Wanneer Ds. Z. bewezen had, dat uit Matth. 24:34

1

Ik cursiveer.

ocr page 205

189

(vgl. vs. 29) blijkt, dat de eersle christenen de wederkomst van Christus en de openbaring van het Messiasrijk nog tijdens hun leven verwachtten, dan kon hij spreken van een voorstelling, die naar Gods bestol veroordeeld is als niet uit Hem te zijn. Doch wat l)s. Z. had moeien gedaan hebben, heeft hij niet gedaan; hij heeft het niet bewezen, maar het wel als bewezen beschouwd. Dat gaat niet. Dat het mogelijk is, dat de eerste christenen aan de wederkomst en de openbaring van hel Messiasrijk nog tijdens hun leven, hebben geloofd, kan zijn; doch de grond van dut geloof lag niet in eenige belofte des lleeren. Want Hij had uitdrukkelijk gezegd „dat het hun niet toekwam te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijne eigene macht gesteld heeft,quot; Hand. 1 : 7. In vs. 8 geefl Jezus te kennen, dat zij zouden zijn getuigen zijn, en daarin lag, dunkt mij, veeleer een ontkenning, van de wederkomst en de openbaring van het Messiasrijk tijdens hun leven. Immers de belofte, die in vs. 8 wordt gegeven, wijst op een veel lateren tijd, want daar wordt gezegd (zie vs. 8) „gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Jud(5a en Samaria en tot aan het uiterste der aardequot; waaruit de discipelen konden afleiden, dat Jezus op een zeer verwijderd tijdstip wijst. Zoodat het niet tijdens het leven der eerste christenen kon geschieden.

Dat in Matth. 19:29 aan eene zinnelijke Joodsche voorstelling van een zitten der 12 Apostelen op 12 troonen, oordeelende de 12 geslachten Israels in de palingenesis, gelijk Os. Z. beweert, neem ik niet aan. In ziin gevoelen deel ik niet.

ocr page 206

190

Vele uitstekende uitleggers zijn van gevoelen, dat Jezus hier spreekt van het lantste oordeel. Hierop moet ik aanmerken, dat in Matth. 25:31 v.v., waar ook en in nadruk van het laatste oordeel gesproken wordt door den lieer geen woord wordt gerept van Apostelen als bijzitters. Mij dunkt in 2 Cor. 5; 10 hooren wij het tegenovergestelde. Daarenboven wanneer men de woorden letterlijk wilde opvatten, waarom zou men dan ook niet Luc. 22 : 3 letterlijk opvatten: „opdat gij eel en drinkt, aan mijne lafel in mijn Koningrijk.quot; En opmerking verdient, dat die woorden door hen zinnebeeldig werden begrepen. Als ik de aangehaalde woorden Matth. 19:29 wel beschouw, dan is de zin, in verband met do. wedergehoorte, dat er een toestand zal komen, die getuigt van Jezus heerlijkheid, terstond na zijn verhooging in den Hemel, en hiermede bedoel ik niet, wat vroegere en latere verklaarders onder de wedergeboorte willen verstaan hebben, n.m.l. de algemeene opstanding der dooden. Josephus, (Antiq. Jud. boek XI c. lil) noemt de terugkeer der Joden uit Babel naar hun vaderland „wederverkrijging en de wedergeboorte van hun vaderland.quot; Toen Cicero uit Rome verbannen en daarna weder teruggeroepen werd, noemt hij Asi eene weder-gehoorte, omdat hij weder in zijne waardigheid werd hersteld. (Vgl. Cicero ad Atticum, boek VI, hoofdstuk 6). Hij ^af dus daarmede te kennen eene groote verandering, welke plaats had om meer lot een beteren toestand te komen. Bij de Joden gebruikte men vooral dit woord, wanneer iemand uit het Heidendom tot het Jodendom overging. De uitdrukking komt reeds voor

ocr page 207

191

in de voorschriften van Meenu, die, zooals men meent, 1000 vóór Christus zouden zijn opgesteld.

Wanneer we die beteekenis van het woord palingenesis houden, dan zou Jezus liet oog hebben op de heerlijkheid, van welke Ilij op aarde zich vrijwillig had ontdaan en die Hij niï Zijn Hemelvaart mede ontving. Hieraan zou dan Jezus hébben toegevoegd de verhooging der Apostelen die zouden zitten op 12 stoelen, oordeelende de 12 geslachten van Israël. Onder Israël verstaan we dat Israël, hetwelk God tol Zijn Volk aangenomen, tot Zijn eigendom gemaakt heeft Peut. 7;C; Ex. 19:5 en and.). Het huis van Jacob intusschen maakte gedurende honderde jaren de ware Kerk uit, het is liet geestelijk Israël (vgl. Gal. 0:1l]). Met dien naam wordt zelfs de Kerk van Christus in het N. T. verstaan. Jezus verstaat onder die 12 geslachten Israels, die Hem voor hun Heiland en Koning belijden door een oprecht geloof. Is dit zoo, dan zal de zin van de woorden „gij zult zitten op twaalf stoelen, en oordeelen de twaalf geslachten Israels: Ik geef u de verzekering. Ik verordineer u het Koningrijk (Luc. 22;29'«), en wel om na Mijne verhooging de eer en de waardigheid te hebben mijne Kerk te oordeelen) waardoor dan Jezus zou te kennen geven, reyeeren, leiden en wel door den II. Geest bekwaam gemaakt; om de gemeente te onderwijzen, welke door hun prediking gesticht was onder den zegen van den Verhoogden Heiland en Koning Zijner gemeente. Dat blijkt uit de stichting der gemeente op het Pinksterfeest; uit de belofte dat de Apostelen Zijne getuigen zouden zijn niet alleen in Judea, maar

ocr page 208

194

ook in andere landen. Maar het, gezag bekleeden de Apostelen ; maar bij de Christus waren de Apostelen in hoog aanzien. Van hun bestuur, van hunne onderwijzing hing de inrichting en orde in zoover af, dat zij zóó noodig die gemeenten door raadgeving trachten tol zegen te zijn en over ondorlinge godsdienst beslisten om die uit den weg te ruimen. (Vgl. Hand. •15:2, 23 en and.). Hierbij komt nog liet gezag dal de Apostelen openbaarden door het doen van wonderen tol bevestiging van Jezus' leer, en door het straffen van hen, die liet met Christus en Diens leer niet hielden, hoezeer zij er zich voor uitgaven en die de Apostelen tegenwerkten of belasterden. Wij zien daartoe Hand. 5:5, 10.

In Matth. 19:29 zie ik volstrekt geene zinnelijke Joodsche voorstelling van een zitten der 12 Apostelen op 12 troonen, oordeelende de 12 geslachten Israels in de palingenesis, maar wel de openbaring van de Heerlijkheid van Jezus in Zijne over alles regeerende macht ten aanzien van Zijne Kerk, die zich van Zijne Apostelen bediende om haar uit te breiden en haar te regeeren in Zijn Naam. — Hierop ziet ook, dunkt mij, Matth. 20 : (U.— Wat het woordeken van Jezus „van nu aanquot; betreft.. Zoodat ik niet met het gevoelen meega van sommige uitleggers, die de Palingenesis of wedergeboorte, betrekkelijk de vaststelling der Iverk, nadat de verwoesting van Jeruzalem had plaats gehad, terwijl de lezer ziet, dat ik met die Palingenesis reeds het oog heb op den lijd, vóór de verwoesting van Jeruzalem. Dat Jezus hier het oog heeft op de Apostelen blijkt duidelijk uit het verband

ocr page 209

193

waarin de woorden Matth. 19:28 voorkomen. Zie vs. 23, 25, 27 van datzelfde hoofdstuk.

Ds. Z. wijst op liet speciaal Christelijke in do Openbaring van Johannes, doch alleen aan 'f begin en einde van dit boek en verder sporadisch en bijzonder op hoofdst. 12, waar niet de wederkomst, zooals wij in een christelijke apocalypse verwachten zouden, maar de konisl en de wegrukking van den Messias beschreven wordt. Daarop antwoord ik, dat in dit hoofdstuk de vervolging der Christelijke kerk wordt aangegeven en voorgesteld van helschen oorsprong Ie zijn, en dat de zegepraal van Michaël en zijne engelen in den Hemel met zekerheid den toekomenden triomf waarborgt door het bloed des Lams, zie vers 11. Hier is dus niets, dat aanleiding zou geven om te verwachten de komst en wegrukkiny van den Messias. Wij hebben hier ingewikkeld de toekomstige zegepraal van het Messiasrijk geprofeteerd, gelijk vers Jü dat ook te kennen geeft, waar o. a. staat ,,nu is de zaligheid, en de kracht en het Koninkrijk geworden onzes Gods èn de macht van Zijnen Christus, want de verkiager onzer broederen, die hen ver-klaagde voor onzen God dag en nacht, is nederge-worpen; vers 11, en zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tol den dood toe.

Het getuigenis des H. (}., zegt Ds. Z., beslisse, of wij voor ons hebben één element van Gods openbaring dan wel alléén menschelijke verwachting of opvatting, of beide dooreengemengd in een en dezelfde uitspraak.

13

ocr page 210

194

Maar om dil laatste te kunnen ontdekken, geeft God — Hem zij daarvoor dank! — dan ook de gave der geestelijke onderscheiding, die eene vrucht is des II. G. en behoort tot de vrijheid der kinderen Gods.quot; Het is wel opmerkelijk, dat, daar al de Schrift van God ingegeven is, en de menschen door den II. G. hebben gesproken , dat, terwijl de H. G. hier waarborg is voor de Goddelijkheid der Schriften, dat diezelfde Geest te gelijkertijd het getuigenis in het hart kan geven, dat de Geest niet de waarheid is, m. a. w. dat de II. G. onderscheid maakt tusschen hot menschelijke en goddelijke in een en dezelfde uitspraak. Maar hoe komt men er nu toe het onderscheid van dal menschelijke en Goddelijke te kennen? Dan moet men toch eerst gaan onderzoeken, wie gezegd worden te spreken, b.v. om nog even te wijzen op Matth. 19:29. Daar wordt verondersteld, dat een Joodsch-Christelijk element spreekt ten aanzien van het zitten der 12 Apostelen enz. Maar wie beslist eigenlijk hier? De schrijver zelf n.1. Ds. Z.; en hoe komt hij nu aan dat oordeel van hetgeen hij daar zegt? Eenvoudig doordat hij daarover zoo denkt. Hij is niet vrij van subjectivisme in zijn oordeel ten aanzien van het in Matth. 19:29 geschrevene. Wat wordt eigenlijk dan het getuigenis des II. G. in het hart? Alleen datgene, wat het resultaat is van onderzoek. Dat is intusschen gezegd, geen vrucht des H. G., maar de H. G. spreekt hier door den mond van den beschouwer en diens verhouding tot hetgeen hij onderzoekt. Zoo moet men wel komen lot wat Ds. Z. beweert, dat God nu eenmaal geen objectieve overlevering en leer geeft, die één

ocr page 211

195

feilloos geheel ons aanbiedt; dat moet ook wel voortvloeien uit den maatstaf der beschouwing, welken liij toepast op den Bijbel. De schrijver moet dus geschreven hebben en niet anders, zal liet een woord van God of van Christus of van den Apostel zijn; en dus zal daarvan het gevolg wezen, dat de schrijvers juist dat moeten geschreven hebben, wat overeenkomt met den eenmaal aangelegden regel, anders is het niet van God. Zoo kan men er gemakkelijk toe komen om God of Christus of de Apostel te laten zeggen, wal Zij niet gezegd hebben en omgekeerd. Op deze wijze komt men er zeer gemakkelijk toe om te stellen, dat God niet ét'n feilloos geheel aanbiedt, maar zoo is men op weg om de Goddelijkheid der Schriften niet te handhaven, en uienschelijke opvatting in de plaats daarvan te stellen en zoo doende wordt het geestelijk openbaringselement ondermijnd. Daartegen komt de II. Schrift met. allo kracht op. Deze wijze van beschouwing wordt door het getuigenis des Bijbels niet gehandhaafd. God heeft aan den feilbaren mensch geene vrijheid gegeven om door een feilbaar hist.-critisch onderzoek te bepalen, dat is zoo en dat is niet zoo. Schrift met Schrift te vergelijken blijft nog immer eene vereischte voor ecne gezonde tekstbeschouwing, ja tekstcritiek om ook zoo schijnbare moeielijkheden, ja zelfs tegenstrijdigheden op te helderen, waarbij men desnoods ook andere hulpmiddelen kan aanwenden. Wat ook in liet oog moet gehouden worden, is de verkeerde voorstelling óf meening van een gezegde van den Heiland, welke bij Apostelen wordt waargenomen, en door Jezus

13*

ocr page 212

19G

wonU opgehelderd. Wanneer zoo iets voorkomt in de Evangeliën, dan is het hier de vraag niet; wal denk ik er van of ival moei ik daaruit afleiden, of het al of niet zoo gesproken is. Want dan ging men bepalen naar een voorop geslelden maalsla/; neen dat niet; de vraag is slechts: is hel zoo gesproken-/ Wij houden het gesprokene, zooals het daar staat, en in verband moei beschouwd worden. Zeker ik stem den schrijver toe, als hij zegt „God zal zelf wel hel best geweten hebben, wat voor ons geloof en onze wetenschap noodig is, maar ik stem niet toe en wel op de reeds genoemde gronden, wat de schrijver er aan toevoegt „toen Hij op die wijze de 11. Schrift liet ontstaan en ons overleverde.quot; Van wien, waaruit weet de schrijver dat? Dat heeft God hom niet gezegd, met allen eerbied gesproken. En wanneer hij zegt, dat God op die wijze do II. Schrift liet ontstaan, omdat Hij wist, wat voor ons geloof en onze wetenschap noodig is, dan begrijp illt; niet, hoe er van geloof en van wetenschap sprake kan zijn, wanneer de 11. Schrift feilloos is, want dan zal in dezen toestand het weten vóór het gelooven moeten gaan en zeggen wij, „wanneer wij het weten, waarom moeten wij het dan nog gelooven. Wij gelooven, wanneer wij iets niel zien, of door eene openbaring Gods tot ons gekomen is, wij gelooven dan op gezag, maar wanneer iets door wetenschap ter onzer kennisse komt, dan is het geen gelooven meer als in iets, dat buiten het bei eik \an ons wetenschappelijk onderzoek ligt. De waarheid toch valt niet onder het bereik der zinnelijke waar-

ocr page 213

107

neming en is evenmin eene evolutie der rede. De onzichtbare wereld ligt voor het geestelijk oog gesloten met al wat daarop betrekking heeft en zullen wij nu daarvan kennis dragen dan moet dat geschieden op eene openbaringswijze, welke aan God behaagt èn zooals Hij zelf bepaald heeft en dan krijgen wij niet geloof en wetenschap , maar iveleuschap des (jcloojs. De wetenschap wordt dus uit het geloof geboren en hier mogen wij wel zeggen, wat Jezus getuigt Matth. 13:11. En Hij antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Ko-ningrijk der Hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven, vergelijk Matth. 11:25. Gelooven is dus een bepaald vereischte om iets aan te nemen, dat buiten het bereik van liet weten ligt en ons is overgeleverd. Ook hier geldt de Paulinische regel ,,wij gelooven, daarom spreken wijquot; en niet omgekeerd.

Wanneer het. getuigenis des 11. Geestes in het hart de regel is van te beslissen, gelijk Ds. Z. zegt, óf wij voor ons een element van Gods openbaring, dan alleen menschelijke verwachting óf beide doorééngemengd in ééne en dezelfde uitspraak, dan zal ook diezelfde Geest wel kunnen zeggen met zekerheid, wat van Goddelijke en wat van menschelijke oorsprong is, óf het een woord van Jezus of een woord van een mensch is. Kan nu het getuigenis des II. Geestes dat in het hart geven. Immers niet en nooit. Het zou wel gemakkelijk zijn, maar het kan nu eenmaal niet zóó geschieden. Pas dien regel eens toe op de verschijningen des Ueeren, waartegen de stem verheven wordt, door degenen, die de nieuwe schrift- en wereldbeschouwing zijn toege-

ocr page 214

198

daan, zou dan het getuigenis des 11. Geestes in het hart, op zich zelf beschouwd ais regel aangewend , kunnen beslissen, óf wij vóór ons hebben een element van Gods openbaring? Die maatstaf zou spoedig blijken van geene waarde te zijn, wanneer men uitgaat van de stelling, dat God nu eenmaal niet een objectieve overlevering en leer, die één feilloos geheel ons biedt, en men zich geplaatst ziet tegenover de uitspraken van de nieuwere critiek, die de verschijningen des Ileeren na Zijn opstanding, niet gelooven; en dit ook, als men zich geplaatst ziet tegenover hem die Gods Woord erkennen waar te zijn. In beide gevallen zou die maatstaf zijn gelijk aan een gebroken kruk om er op te steunen, i. e. w. blijken een onbruikbaar ding te zijn. Wat hebben wij toch aan zulk een methode van opvatting voor de zekerheid des geloofs. liet is toch niet, wat Jezus zegt „er slaat geschreven \ maar het is mijne opvalling. Of behooren die zaken of feiten niet op het gebied des geloofs? Maar, moeten zij niet door het geloof aanvaard worden, en liggen zij niet buiten het terrein van het wetenschappelijk onderzoek?

Wanneer men uitgaat van de stelling „subjectief vast te stellen, zal liet objectief waar zijnquot;, dan openbaart het een streven van Gods Opperbestuur en Voorzienigheid te willen verbeteren; dan werpt men zich op als rechter over den inhoud der II. Schriften; dan gaal men stilzwijgend zeggen: dat is Goddelijk, dat had God moeten zeggen of awrfers moeten zeggen, of dal is rnenschelijk en zoo gaat men zich in de plaats van God stellen om Gods Opperbestuur en diens

ocr page 215

199

Voorzienigheid le verbeteren en te willen wandelen in aanschouwen, in plaats van in het geloof. Hier zal het een gelooven blijven en nimmer aanschouwen zijn. Wij mogen dan niet wijzer zijn boven hetgeen geschreven is. De Schriften moeten de eenige ken-bron zijn, waaruit wij Gods Voorzienigheid leeren kennen, Gods wijze wegen zien verlichten en vertroosting putten, en kracht zoeken voor ons geestelijk leven, kracht putten tot geloof, hoop, liefde en Godzaligheid om te midden van den strijd der menschelijke meeningen tot die innige vaste welverzekerdheid des geloofs te geraken, die voor den eenigen zaligen troost in leven en in sterven onmisbaar is. We! hem, die door den 11. Geest aldus de H. Schriften heefl mogen gebruiken en deze geestelijke dingen heefl mogen leeren kennen; hij zal dan ook zeker in het Godsbestuur en in de Voorzienigheid en in de wegen Gods, Gods recht en waarheid en woord erkennen en zelfs daaruit leering putten, strekkende voor hem ten goede en God tot verheerlijking.

Laten wij ons leiden door den H. G., zegt Ds. Z., dan zullen wij werkelijk zijn. Dan rekenen

wij gewis met de vatbaarheid der gemeenteleden, in het behandelen van deze zaken; als herders, die voor alles het oog richten op de geestelijke behoeften, op de dingen des geloofs; niet als onverstandige drilmeesters, die een cursus met stormpas trachten te geven, in de isagogische wetenschap. Maar dan ontzien wij aan den anderen kant nimmer de vooroor-deelen, in de gemeente voortlevende, om ons tegen beier weten in met dubbelzinnige termen daarnaar le

ocr page 216

200

plooien in prediking, catechisatie en geschrift; zoo jageiul naar de gunst der menigte.quot;

Volgens Ds. Z. hebben wij ons te laten leiden door de H. Geest, al staan wij ook voor eene feillooze bron. Doch zóó leidt de 11. Geest niet. „Hij leidt in de waarheid, zegt Jezus; niel van de waarheid af, niet op een dwaalweg of nevenspoor. De voorstelling van Ds. Z in deze, acht ik voor onschriftmatig te zijn en een geschikt middel om een brug te maken ten einde te komen tot de vrijheid en het recht te aanvaarden, wat men voor zichzelven acht geloofwaardig te zijn en eigene meeningen te leggen in — of te vereenigen met Gods Woord. Ik wil aannemen, dat men overliet geopenbaarde Woord wel kan nadenken en indenken; maar het uil le denken, kan niet. Wij hebben ons te laten leiden door den II. Geest, door middel van het Woord en dan ook zullen wij in staat zijn, om wat niet met Gods woord overeenkomt, tereguleeren naar dat Woord, d. w. z. dwaalbegrippen of vooroordeelen te bestrijden cn weg le nemen, hetzij die bestaan bij ons zeiven óf bij anderen. Zoo doende zullen wij op Evangeliesch standpunt of anders op Christelijk standpunt staande, de II. Schriften aanwenden om Godsdienstige kennis te bevorderen in prediking, in catechisatie, en in geschrift, een afkeer hebben om menschen te behagen — want indien wij zoeken menschen le behagen, dan zouden wij, zegt de Apostel Paulus, geen dienaars van Christus zijn.

Zegt Ds. Z. „op deze wijze blijven wij bewaard voor dat jammerlijk theologisch gehaspel, dat cn geloof des harten cn vrucht van wetenschappelijk onder-

ocr page 217

Wl

zoek èn overgeleverden waan, gegrond op onjuiste dogmatische uitspraken dooréén wart, en bij zoovele kinderen onzes tijds den goeden naam beide van geloof en theologie maar ai te zeer ondermijnt; en zegt hij eindelijk, het juk der dienstbaarheid is veroordeeld, dus óók het juk der dienstbaarheid onder eenig stelsel.quot; — Voor dat theologisch gehaspel zullen wij bewaard blijven, als wij eenvoudig gehoor geven aan Gods woord, het eenig middel tevens om dwalingen, die bij ons post vatten, daarnaar te regelen en te verbeteren. In de Schrift heel het „lol de tvel en lol de getuigenis', Jezus zegt, „Zalig zijn zij, die het woord Gods hooren en het zelve bewarenquot; en de Apostel Paulus beveelt, „hoort de gezonde woorden of de gezonde leer; bij den Apostel Petrus is het, het eeuwig blijvend woord van God.quot; Uet moet zijn een zich vasthouden aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat het machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen. (Tiius 1 ; 9). Dan zullen wij bewaard blijven voor onjuiste dogmatische uitspraken en zullen waarheid en geloof hunnen goeden naam behouden; de theologie in eere komen en dan zullen we niet het juk der dienstbaarheid onder eenig stelsel handhaven, niet gelooven op eigen gezag, maar verstaan en ervaren, dat de waarheid is uit God en de waarheid ons zal vrij maken. En wanneer die ware vrijheid door den 11. G. aan het harte toegepast, in ons werkt, en ons denken, ons willen, ons gelooven, ons leven be-heerscht, zooals de waarheid in Christus ten leven voor een arm en verloren en schuldig zondaar is

ocr page 218

202

geo|ieiiljciard, dan zullen wij in nadruk kinderen der waarheid zijn, die zich gaarne onderwerpen aan het woord, en aan het getuigenis Gods, niet aan een deel, maar aan het woord van God, zooals het door den H. G. gegeven, door den II. G. wordt bevestigd en door den Geest en het woord nog steeds op en in de gemeente werkt, tot hare verlichting, leering, bestiering, vertroosting, voortzetting, en ontwikkeling en opbouwing in het allerheiligst geloof en leven. Dan zullen wij niet in de duisternis wandelen, maar het licht des levens hebben. Zoo worden wij verzegeld van God in Christus en is ons het onderpand des II. G. in onze harten gegeven, beloofd door het geloof en worden we verzegeld met den II. G. der belofte, die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.

Het getuigenis van den II. Geest aan het hart is ervaring, het testimonium S. S. is eene verzegeling van Godswege niet op de empirie , maar op uilwen-digen grond, een bewijs op het van God zeivendoor Zijn Woord en Geest gewerkt geloof in het hart. In één woord, het inwendig woord is in harmonie met het woord der II. S.

En al zijn er beslanddeelen in de II. S., die met het geestelijk leven juist niet in rechtstreeksch verband staan, toch kunnen zij van nut zijn, ter leering en ter bevordering van de kennis van God; zóó in Zijne wijze van werken, als in de openbaring van Zijn alles door wijsheid bestierende Voorzienigheid. De wetenschap des geloofs erkent de II. S.; het

ocr page 219

203

persoonlijk christelijk geloof is up de Schrift gegrond. Wanneer we alleen onze ervaring tot toetssteen ter beoordeeling van de waarheid stellen, dan zullen wij de waarheid naar onze ervaring laten spreken; maar gronden we onze ervaring op de H. S., zooals deze zich aan ons kenbaar maakt als de bron, waaruit wij alleen kunnen leeren kennen, wat tot ons heil noodig is, (hetgeen toch de hoofdzaak is in de H. S), dan staat ons geloof onder controle van het woord, dat van God is en is geenszins een geloof, dat, om het zoo eens te noemen, uit wetenschap geboren is, en hebben wij in onze dogmatische fragmenten geene rekening te houden met de uitkomsten van een eerlijk en nauwgezet historisch literarisch onderzoek van de II. S. Zegt Ds Z. derhalve ,,ons wetenschappelijk onderzoek zal zich niet hebben te regelen naar de ons overgeleverde dogmatiek, maar omgekeerd zullen wij in onze dogmatische fragmenten rekening hebben te houden met de uitkomsten van een eerlijk en nauwgezet historisch literarisch onderzoek van de II. S.quot; Ik zeg „rekening houdenquot; niet: „de uitkomsten daarvan als eenige kenbron aanvaardenquot;. Onze dogmatiek sta onder controle van ons geloof, dat niet uit wetenschap (in den gewonen zin des woords) geboren is.

Dan vloeit daaruit voort, dat de dogmatiek rekening te houden heeft met een feillooze Schrift. Immers daardoor wordt de kenbron onbetrouwbaar, waardoor het recht om te spreken van geloof wordt opgeheven.

ocr page 220

204

Wat Ds. Z zegt komt hierop neer, de dogmatiek moet aan banden worden gelegd, en niet de naar Gods Woord, of liever naar de II. Schriften des 0. en N. V. geformuleerde Geloofsleer der Kerk zijn, welke die Schriften tot kenbron en grondslag legt. De geloofsleer ontstaat uit een compendium (samenvatting) van meeningen, waarbij rede en Schrift niet worden gesubordineerd, maar gecoördineerd. In dat geval handelt men inconsequent, en verliest men het de kennis besturend beginsel. Het is toch willekeur, wanneer men het subjectief geloof aanwendt om de stof der dogmatiek te zaam te brengen.

Het subjectief geloof op zich zelf beschouwd, erkent geene objectieve geloofsleer of dogmatiek. Wanneer Ds. Z. voorbeelden alsj de zondvloed. Abraham, Isaac en Jacob, de misleidirfg door Mozes, de inbezitneming van Kanaan, Job's lijden, Jona's geschiedenis, zooals die in het N. T. wordt aangehaald (in hoofdzaken) zijne verklaring van Matth. 5:17—19 en de instelling van het H. Avondmaal en de verwoesting van Jeruzalem, om niet meer te noemen, niet als geschiedkundig aanvaardt, dan zal blijken, wanneer wij die aangehaalde pencopen consequent wilden doorvoeren, dat alsdan dit geloof aan God, Zijne gerechtigheid, en heiligheid, ja zelfs de heilsoeconomie door twijfel zoo geschokt worden, dat het onmogelijk is in een huis te wonen, dat op zulk een gevaarlijk fondament gegrond is. Daarom is het af te keuren, de meening aan te hangen , dat onze dogmatiek zou moeten gecontroleerd worden door ons geloof. Bij al wat er dan nog moet overblijven, dat voor ons onbegrijpelijk

ocr page 221

CJ05

is, past ons een geloof, dat de ignorantia sapiens et docta erkent.

liet gaat niet aan de bovengenoemdo voorbeelden stuk voor stuk te behandelen; alleen bepaal ik mij bij Matth. 5:17 — 19. Jezus spreekt daar van de vervulling der Wet en der Proreten. Ds. Z. zegt, dat Jezus de Wet ombonden heefl. Heeft die beschouwing van Ds. Z. geen invloed op de geloofsleer, bijzonder de heilsoeconomie ? Heeft Jezus de Wet niet „vervuldquot; maar „ontbondenquot;, wat ook het resultaat is. waartoe de moderne critiek komt, wat dan? Dan is het offer, dat Jezus aan het kruis gaf, volstrekt geen Goddelijk offer, maar een offer als van een martelaar, die zijn leven voor zijn loer, welke hij standvastig belijdt, feil heeft; dan is Zijn lijden en sterven een noodzakelijk en met het 0. V. onsamenhangend gevolg, maar geen doel van Zijn komst. Vgl. Ps. AO : 7—9; Hebr. 10 : 5—9.

Ik eindig dit boekje zonder stellingen. Moest ik in lioojdialxen aangeven, wat ik geschreven heb, dan zou ik het saamvatten in deze punten;

De God van het Ü ï. is dezelfde als Die van het N. T.

De God van het (). T. „toorntquot; evenzeer als de God van het N. T.

De Godsdienst van het 0. T. is niet in tegenspraak met die van het N. T., zoodat dan ook de geest, welke zich in de heilige Schriften van het 0. V. openbaart, dezelfde is, als welke zich in de christenen van het N. V. openbaart.

Jezus heeft niet het minste blijk gegeven, dat Hij

ocr page 222

206

het 0. V. niet als Woord van God erkend heeft, maar heeft het 0. V. als woord van God gehandhaafd, zoodat Oud en Nieuw Testament zich niet van elkaar laten scheitien.

Hiermede eindig ik. Nog breedvoervjer over het één en ander te handelen, zou mijn boekje te omvangrijk maken.

ocr page 223

A ANTEEKENINGEN.

a) Zie hierbij do steencn van Assyrië on do getuigenis dor Schrift naar hot Troogduitsch van Dr. E. Buddensieg door A. J. Iloogcnbirk bladz. 40 en 41, bladz. 20 on Aant 2.

Palestina, hot land der Aartsvaders door Dr. A. H. Sayce, pag. 34 vv.

h) Do tegenwerping is, dat Jozus maar twoo nachten on één geheelen dag on twoo gedeelten van oon dag in hot graf geweest is, on dus geen drio dagen on nachten. — Hiertegen moot worden ingebracht, dat do Hobroërs hun dag beginnen van don voorafgaanden avond of nacht. Zie Gen. 1:5; Lov. 23 : 32; Dan. 8 ; 14. Do Griekscho taal kan dag en nacht uitdrukken met één woord ,,vux^^ipovquot;

(etmaal). Zulk een samengesteld woord bezit do Ilobr. taal niet.

Zo konden hot uitdrukken mot rfay en naiht. Zio Gen. 7:4; 1 Sam. 30:12; Ex. 24:18. Bij do Joden is hot oen regel, dat een gedeelte van een dag voor den geheelen dag genomen wordt. Twoo gedoolton van dagen was zooveel

als twee dagen — waarbij komt één gohoelc dag _ dus

drie dagen on derhalve ook drie nachten. Zoo is hot ook mot oen gedeelte van don eersten, waarop iots is begonnon, en van den laatsten, waarop iets geeindigd is. Zie 1 Kon! 20: 29, Esther 4:G vgl. 5: 1. Zoo ook bij Luc. 2:21,

i

ocr page 224

208

waar oen godooltc van den eersten dag en oen gedeelte van den laatsten dag voor gelieele dagen worden aangemerkt. De Heer is in het graf geweest één gedeelte van Vrijdag, waarbij komt de voorgaande avond of naclit, dan de Vrijdag- en Zaterdagnacht en een deel van den dorden dag — zóó kan van Jezus gezegd worden naar Joodscho dagrekening — drie dagen en drie nachten in hot hart dolaarde geweest te zijn. Vgl. Mark. 8 ; 31 on na drie dagen weder opstaan, dat is op den derden dag. Zoo ook lezen het de Syrische en de Arabische vertaling. Vgl. hierbij vooral Matth. 27 : G3, G4. Deze dagrekening hebben Licht-foort en Wolf duidelijk bewezen. Vgl. ook Olearius in zijn Observ. Ad Mattheum pag. 749 vv.

Kuinoel teekent aan bij Matth. 12 : 40 „drie dagen en drie nachtenquot; duas tantum noctes et unum diem Jezus in sepulcro fuit — Sed Hebraei, qui noctem diei initium con-stituebant, duas noctes, cum partibus primi ac tertii diei, tres dies atque noctes vocabant, tempusque in completum pro completo habebant; et in omnibus fero linguis, pars diei, mensis, anni. dies, mensis, annus per Sijn-eclochen diei solet. Sic otiam 1 Sam. 30 : 12 tres dies et nocta vs. 13 explicatur usque ad diem tertium 2 Chron. 10 : 5; vgl. vs. 12. liane vero fuisso Judacoruni loquendi consuetudi-nem et hie ipse locus noster docet et exinde quoque patet ut probe Eolandus monuit, nunquam Apostolis eontrovorsia nata est de spatio hoe dierum trium et noctium quo Jezus id sepulcro commoraturum esse praedixerat.

Op Mare. 8 ; 31 teekent hij aan drie dagen opstaanquot; tertio die vitam redire, vgl. Luc. 9 ; 22 op den derden dag add. Luc. 24 : 40.

H. E. Warnekros (de Joodsehe Oudheden) zegt, „do dag werd van den ondergang der zon tot aan den ondergang derzelve berekend.quot;

c) Voltaire bestreed het geloof aan het bestaan van Abra-

ocr page 225

209

ham. Heeft Abraham niet bestaan, dan hebben ook Izaiik en Jacob niet bestaan. — Mozes, door Philo den Jood, de Allerbeste Koning en Hoogepricster en de meest beproefde of meest goedgekeurde Profeet genoemd, wordt door do Joden van de oudste tijden af, erkend do boeken geschreven te hebben, die zijn naam dragon en waarop de ganscho kerk- en burgerstaat van Israel gegrondvest zijn. Hij wordt meer dan eens aangehaald in het N. V. en wel met een zeker gezag, bijv. gelijk Mozes heeft gesproken,quot; of „gelijk geschreven is in do wet.quot;

Men bestrijdt derhalve dat gezag door aan hem. wat den Pentateuch betreft, hot autheursrecht te betwisten, en hiermede ook derzelver geloofwaardigheid en Goddelijke afkomst, zooals Spinoza, Bolinbroko en anderen na hen, ofschoon zij bestreden worden door Saldenus, Stapfer, Liland en anderen en vooral in de Joodscho brieven aan Voltaire gericht. Ook thans zijn er, die beweren, dat de Pentateuch in zijn togenwoordigen vorm (waarvan do 10 woorden, het eerste begin of de kiem kan genoemd worden 750 v. Chr.) eerst geweest is ± 450 v. dir., maar voorafgegaan door eone vermeerderde editie 620.

Ten aanzien van het boek Genesis, dat men de schrijvers onderscheidt aan het gebruik dor Godsnamen en dat dio ook do ontwerpers zijn van verhalen en wetten in Exodus tot Humeri, ja zelfs een groot deel van het boek Josua, en dat dit boek in zijn geheel op hot allernauwst samenhangt met den Pentateuch, wat men noemt hexatouch. Aan de volksoverlevering worden de gestalten der stamvaders, Abraham, Isailk en Jacob ontleend. Do verbeelding spoelt daarin een machtigen rol. Door de volkssage wordt Israel één groot gezin, aan welks hoofd Abraham gesteld wordt. Hij is vader vaa hot gezin. Nooit heeft hij het levenslicht gezien. Do verbeelding schopt do persoon of personen. Om den persoon als middelpunt wordt een geschiedenis getrok-

14

ocr page 226

quot;210

ken. Hem wordt ccn geschiedenis gegeven. Het karakter, de eigenschappon, het leven van het volk wordt in hem belichaamd. En op welken grond doet men dat ? Door ontdekking van manuscripten of door overlevcringsberichten. Noch hot een noch het ander. Soms op vermoeden öf op gissing? Niet met al. Omdat men het zoo beschouwt. Beroept men zich, tot bevestiging van die beschouwing op historische gronden? Neen. Eenvoudig, en dat is wel hot hoogste bewijs, dat van zelf zonder historische gronden, geen bewijs kan zijn, „het schijnt mij zoo toe.quot;

Men ziet hieruit, hoe men denkt over het ontstaan en bestaan van personen. Maar ook Voltaire, doch op eenig-zins andore wijze, ontkent hot werkelijk bestaan van die Aartsvaders. Zóó kon dus do verbeelding personen scheppen. Maar eilieve! Was het dan moeielijk om zich een pop (met allen eerbied gesproken) voor te stellen en te laten spreken. Zoo ziet men, dat mon op hypothetische wijze spoedig van iemand, niemand, en van niets, iemand kan maken.

Zoo doende wordt de inhoud van het O. V., ja van geheel het O. V. onvertrouwbaar on overal, waar in het N. T. van die Vaderen gesproken wordt, hetzij door Jezus, of door do Apostelen, moot als onwaarheid beschouwd worden. Hot is derhalve ongelo:,fwaardi(j. Is hot denkbaar, dat Jezus en do Apostelen zulk eeno ongeloofwaardigheid aan de Schriften des O. V. hebben toegekend. Immers niet, en nooit - nergens vinden wij daarvan hot geringste spoor. Integendeel, zij beroepen zich op hen niet als op personen, die do verbeelding schept, maar op personen, die werkelijk geloefd en eeno geschiedenis hebben, m. a. w. op historische dat is, werkelijk bestaan, geloofd hebbende personen. — Men gaat niet uit van vaste, zekere gronden, waarop men zijne resultaten grondt, maar van onbewezen gronden, on van grondelooze gegevens, die men a priori vaststelt. — Zoo

ocr page 227

211

moet dus do grond van hot geloof in do Schriftuur wankelbaar worden en het geloof wordt slechts twijfel. Daarvan is de schuld niet aan do Schriftuur, maar aan de negatieve houding, met welke men tegenover de H. Schrift staat. De H. Schrift heeft geen recht gegeven om zóó te onderzoeken, maar men heeft hot recht genomen. Als men bijv. wil aan-toonen, dat de rijke arm is, dan moet men beginnen met de onderstelling, dat de rjjke geene bezitting heeft — om bijv. te zeggen, dat do waarheid geen waarheid is, dan moet men zijn toevlucht nemen tot de onbewezeno valsehe stelling, dat de phantasie geloof verdient. Doch dat gaat niet. Het geloof is een zeker weten en kan niet rusten op eene hypothese, tot uitgangspunt van bewijsvoering.

Intusschen moet ik er dit bijvoegen, dat Abraham vóór vele eeuwen door hot gansche Oosten in hooge waarde is gehouden, en men er zeer op gestold was zijn naam te bezigen. Zoo deden Zoroaster, Mahomed, de Sabiers, do Joden. Zoroaster heeft Abraham, Jozef, Mozes, Salomo enz. aangehaald en spreekt van hen gelijk do H. S. daarvan zegt. De Joden, Jezus, de Apostelen, hebben hen, alsmede Mozes erkend, als dezulken, die geleefd, gebeden, gestreden hebben. Dij allo negatie zijn zelfs velen niet één van gevoelen, en het verwondert ons geenszins, dat terwijl beiden op denzelfden grondslag van Schriftbeschouwing staan, de een, de resultaten van onderzoek dos anderen bestrijdt, en omgekeerd, zoodat wat de een voor uitgemaakt houdt, do ander bestrijdt, ja soms eene geheelo andere beschouwing van dezelfde historie heeft.

d) Volgens een fragment uit do thans verloren geraakte Xoyiuv y.upixxxy (verklaring der Goddelijke redenen)

van Papias, ± 125, door Eusobius bewaard, zou volgens het getuigenis van Johannes, den Presbyter, enn discipel des Hoeren, do Apostel Mattheus in het llebreeuwsch, d. i. in het Aramoesch-Joodscho dialekt van dien tijd hebben

ocr page 228

212

geschroven of opgesteld, ilo }.iyix (1. i. do redenen des Heeren — xxpiflm; ïypatpsv ou (juv toi 7xt;£i tx vtto toü XpiaTOÜ $ hexQkvjx v, TrpxxQèvrx' ovre yxp ijxoufe reü xvpiov,

O'JTS TTXpyj'/.OKOuSilG'CV XVTül, VlTTSpOV SÉ , Samp;V , YlSTpCp, 0$

■zpcz tx: xpsixs attsuïto 7x? sisxtdcxïjxg, x?.?. ovx wirTrfp avvra^iv tüv xupixuxv, z-oiou^aoi Xoyiccv. '£l7ts oulsv yiy-xpts Mxpxo?, oiirug hix ypx-^x? ca? X7re,uv^yjvrj7sv. 'Evo? yxp sttof/jirxto kpóvmxv tóv pcyiïsv kv yjksvas kxpxxnreiv y ip£v' lyxaóxi ti êv xvroTg. Txvtx //.sv ovv itrtopytxi rüi ylxtriqt.

•jrsp) toü msépjcov.

Omtrent Marcus wordt door Johannes den presbyter, bewaard in een fragment van Papias, bij Eusebius III: 39 aanwezig, gezegd:

Markus schreef, als tolk van Petrus, hetgeen door Jezus gesproken en verricht was, niet echter naar orde, nauwkeurig op; want hij had zelf den Heer noch gehoord, noch gevolgd, doch later, gelijk ik zeide, was hij bij Petrus, die naar do behoefte zijn onderwijs inrichtte, maar geen doel had om ccn samenstel van 's Heeren redenen te leveren. Ofschoon hij, wat hij zich herinnerde, opschreef, zoo vergiste hij zich in niets. Voor één ding toch had hij zorg, om niets van hetgeen hij gehoord had over te slaan, of onwaarheid mede te doelen.

Ds. Z. zegt „wanneer Papias, hoogstwaarschijnlijk in do voorrede van zijn Aoyiuv y.upixxüv êt-yiyva-ii; zegt; Mxtöxios (juv ovv 'Efipxfèi ciixtextü tx Koyix avvsypx^xto [and. Hss. ïwerx^xTo]'' dan is Tx Aóyix (zonder eenige verdere aanduiding of omschrijving) voor mij zoo goed als zeker de tekst van hot toen nog bekende book, dat Papias aan den apostel Mattheus toekent. Even te voren zegt hij van Markus: xxpi^x? êypx^sv ov ftsv toi txamp;i tx utto tcv XpiTTCÏi yj texösvTX vj TrpxxOs'JTX, en van Petrus: Sc Kph;

ocr page 229

213

ïcpsixi sttoistto tx^i^x7xx).ix: y xhh' ovx ccftrep (ruvtot$;iy rüv xupixxüv TToioütjLS'jo: Koyiuv (and. Hss. ?Jy:ou). Dit heeft aanleiding gegeven tot het gelijk stellen van Aay/a met y.eyJiiyTx nx] TrpxzósvTX. Is, wat ik vermoed, do lezing hoy tav do corrupta, on ?.óyuv de oorspronkelijke, zoo gat' gemakkelijk xupixxZv aan een onoplettend afschrijver oi' een emendator aanleiding, om hier óók Koyiuv te schnjvon, dan vervalt de geheele strijd over: xóytx alléén „uitspraken óf „uitspraken en daden.quot; im dan is n\óytxquot; in Papias' fragment niets anders dan titel} vertaling van een Arameesch „Millajje. Maar dan is ook niet uit te maken, of die oorspronkelijke di Mamp;rê ook daden van Jezus heeft verhaald, want inillin is, evenals het Hebreeuwsehe dêharim zoowel „verhaquot; als „resquot;.

é) Mij dunkt, als die monsehen geweten hadden, dat do vertaling van su: xv ttxvtx yiv/itxt, zoodut alles in stand blijft, het dool had, hen op die wijze gerust te stollen, ik vertrouw dan, dat zij niet zoo gerustgesteld zouden gebleven zijn over Paulus' vrijheid tegenover de wet. Zij zouden dan zeker Paulus uit hot Koninkrijk Gods hebben gezet en als valschen Apostel gebrandmerkt.

Doch ik merk hier tegen aan, dat het niet zoo is. Jezus zoowel als Paulus hebben do wet in haar dool, eisch en duur gehandhaafd, zoodat Jezus den rijken jongeling ter zijner ontdekking wees op do Zedewet, en Paulus kon bo-tuigen: „doen wij dan de wet te niet door het geloof; neen, wij bevestigen do wetquot;. Zie Rom. 3 : 31, Kom. 7 ; 12, 14, Matth. 19 : 16 vv. vooral vers 21.

Wanneer men do rails een andere richting doet nemen, dan zal men niet komen aan do plaats, welke in het reis-boekjo is aangegeven. Afwijkende van die richting zal men niet ter bestemder plaatse komen.

Geen afschaffing noch ontbinding dor wot wordt in hot

ocr page 230

214

N. T. geleerd. Wordt er van gesproken, dun heeft men het oog op de wijze van bediening, niet op haar wezen, blijvende het recht dor wet nochtans van kracht. Do ccreinonieele wet is afgeschaft en dit wordt van dio wet gezegd, als zij in dozen zin wordt gebezigd.

Ten aanzien van vers 18 schrijft Kninoel Judaei autem, ut ex multis librorum Judaicornm locis perspici potest, mundum uunquam interiturum esse, potius renovatum iri, existinabant; undo patet, Christum bene potuisse h. I. comparari perpetuitatem toü vj^cu cum perpetuitato cacli terraeque ').

Vissering verklaart Matth. 5: 17, 18 zie zijne bijbelvertaling, „meent niet, gelijk sommigen destijds meenden, dat de Messias de wet zoude afschaften, afbreken, van haar gezag berooven. And. tc ontbinden; voleindigen (volmaken, vervullen) voltooien, maar den vollen eiseh geldend maken, nl. do zedelijke voorschriften der wet en der Profeten Matth. 22 : 40.

Op vers 18, het alles, teekent hij aan „al wat de wet gebiedt.quot;

Op vers 19, „verbreektquot;, van zijn gezag beroofd (vs. 17). Hieruit zien wij, dat „vervullen''' geen „ontbinden'''' is, en niet in die beteekonis kan omgezet worden.

f) Do boleedigde had het recht, óf te vergeven of vergoeding tc eischen. In dit laatste geval besliste do Rechter, vgl. Deut. 19 : 21. De uitvoering stond niet bij den boleedigde, maar bij den Kechtor, Ex. 21 : 22, 23. De be-leedigdo was niet verplicht om het van den rechter te verzoeken; daarin bleef hij vrij. Josephus (Oud. IV c. 8) zegt: indien iemand een ander van zijn gezicht berooft, zal men hem do oogon uitsteken, tenzij hij liever geld

1) Ik cursiveer.

ocr page 231

415

verlangt.quot; Do Tiirgum van Jerusalem vertaalt de woorden Ex, 21 : 24 en Lev. 24 : 20 en Deut. 19 : 21 do prijs van een oog voor oen oog; de prijs van oen hand voor een hand; alle deze dingen (behalve ziel voor ziel) kunnen door gold afgekocht worden. Do Joden intusschen strekten de wet zoover uit, dat ieder recht had zich op zijn bcleodiger te wreken. Dat mi verbiedt Jezus.

Toon Petrus het rechteroor van Malchus afsloeg, zoude naar hot recht der wedervergelding, ook het oor van Petrus moeten worden afgehouwen. Geschiedt dit; noen! Zegt Jezus dan niets? laat hij Petrus vrij uitgaan? Noen. Jezus geeft hom eon berisping en geoft hem te kennen, dat dio daad hem strafbaar maakt. „Koor uw zwaard in do schede, want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.quot; Dit sluit niet uit, maar in, wat ik zooeven gezogd heb, do verplichting voor don rechter onder Israel, wanneer do boleodigdo dit verlangt, dat hom recht ge-scliiodde.

In den „Koranquot; lezen we: „wij hebben daarin bevolen, loven voor lovon, en oog voor oog en neus voor neus en oor voor oor, cn mond voor mond, en dat kwetsuren ook .door wedervergelding zouden gestraft worden. Maar hem, die don prijs dor straf in aalmoezen zal weggeven, zal dit als eene voldoening zijn. O geloovigon! u is hot vorgol dingsrocht voor den doodslag voorgeschreven. Een vrije man togen een vrijen man, een slaaf togen een slaaf, een vrouw voor een vrouw. Indien echter do broeder don moordenaar vergeeft, dan kan deze toch naar rechterlijke uitspraak en billijkheid bestraft worden.quot; Do gewoonte toch in de Mahomcdaansche landen, zoo luidt do aantookoniiilt;r

' O

o. a , vooral in Porzië is, dat do betrekkingen van den verslagono kunnen kiezen, öf dat de moordenaar in handen worde gestold om tor dood gebracht to worden , of dat zij eene geldelijke voldoening verlangen.

ocr page 232

216

Ook bij do oudo bewoners van liet eiland Canarie was het recht der wedervergelding in gebruik, oog om oog, tand voor tand.

Wellicht was het een manier van spreken — daarmede te kennen gevende, dat de rechter de straf zoude doen opwegen aan de grootheid dor schade. Waarschijnlijk is op dergelijke schade van oog voor oog enz., een geldstraf gesteld. Zoo verklaren het ook de Rabbijnen in den Talmud. Bava Kama L VIII §§ 1.

In „do Heilige boeken dor Chinezenquot; wordt niet over hot vergoldingsrecht gesproken. Laat ons do Chineesche wijsgeer hooren, dan vernemen wij het uit de ifitdrukkingen zelve. Hij zegt: „Er bestaat hot woord Choe, waarvan do beteckenis is: wat gt;nen niet wil, dat ons worde gedaan, moet men anderen niet doen. De loer (zoo is het elders) van onzen moester (wijsgeer) is gelegen in hot bezitten van rechtschapenheid des harten en het beminnen van zijn even-monsch gelijk zich zelvcn.quot; Dat beginsel, wordt meermalen aangehaald, ivat men in den Mozaischen godsdienst ook vindt zie op Lev. 19 : 17, 34, Ex. 20 : 17, Lev. 19 : 17, 18, Lev. 19 : 13—16. Men heeft dan ook dit gebed ,.ik ben bereid het gebod van de liefde tot de naasten volkomen uit te oefenen, ik schenk aan allo mijne vijanden vergiffenis; o God wil hem ook vergeven.quot; Vgl. Pirkeh-Aboth 2:17.

Dat men de liefdo beoefent, blijkt uit het hierbij aangehaalde: Wie is Kocan-Tc hoemj? En het antwoord is. Het is een man, die Pe-chi een leengoed van 360 gezinnen heeft ontnomen. Hij voedde zich mot gewone spijzen en liet tot het einde zijner dagen geen enkel woord van wrok of verontwaardiging ontsnappen. De wijsgeer zegt elders: Men moet den haat en de beleedigingen mot billijkheid, en do weldaden met weldaden vergelden.

De Bijbel zegt: men moot geen kwaad om kwaad vergelden. De Koran laat twijfel over, spreekt zich althans

ocr page 233

217

in dien zin niet duidelijk uit. De Chineosche wijsgeer is meer, ja veel meer overeenstemmend mot den Iljbcl dan de Koran.

Het recht der wedervergelding, zooals het willekeurig aangewend werd door de Joden ton tijde van Jezus volgons hunne verklaringen, vindt men in het boven aangehaalde niet. Isoch in do Mozaische voorschriften, noch in den Koran, noch in do heilige boeken der Chineezen wordt zoo iets aangetroffen.

Matth. 5 : 43. „Gij hebt gehoord.....en uw vijand

zult gij haten.quot; liet eerste staat in Lev. 19 : 18, maar het andere hadden de schriftgeleerden en farizeörs er aan toegevoegd. Van de Ouden, do Meesters dor overlevering, was hot don nazaten overhandigd, dat do wet van don naaste lief te hebben zoo moest worden geuomen, alsof zij hot haten van den vijand toestond, ja gebood. Mainaonides een der boste Joodscho schrijvers zegt: „wanneer een leerling van een wijze of een student, door iemand openlijk gesmaad en bespot wordt, mag hij het dien niet vergeven, uit oorzake van zijn eer; doet hij het, dan moet hij straf ondergaan, omdat hij anders do wet veracht; maar hij meet zich wreken en de zaak bewaren als een adder, totdat de andere hom vergiffenis vraagt en dan is het geoorloofd het hem te vergeven. De zaak is slechts deze: zij hadden een vorkoord begrip van het woord „naastequot;, daaronder verstonden zij oen „vriendquot;, en wanneer zij een vriend liefhadden, dan moesten zij de vijanden haten; en dat niet alleen oen Heiden, maar ook zelfs een Jood. welko zich vijandelijk gedroeg.

Uit hot spreken nu van Jezus, is hot duidelijk, dat Christus do geboden der zedowet niet ontbindt ook niet verbetert, oi uitbreidt, maar dat Hij ze eenvoudig en alleen zuivert van do valsche uitlegging der Schriftgeleerden en der Farizeörs.

ocr page 234

218

Dat de liefde ook don vreemdeling insluit, blijkt o. a. uit Lev. 19 : 18 en 34, vgl. ook Deut. 10 : 17, 18, 1!).

y) Jacobus is tot hot eindo van zijn leven tc Jeruzalem gebleven. Joseplius zegt van hom, dat hij oen uitnemend man is geweest on voor zijn godsdienst ijverde, zoodat hij zoor geëerd was en genoemd werd de rechtvaardige en vader des volks (vgl. Vcncma Tom. III pag. 169).

Sedert do gevangenneming van Paulus te Jeruzalem en zijn overvoering naar Rome, lozen wij weinig van do lotgevallen dor Christenen te Jeruzalem, ot' in het Joodsche land. Onder de regeering van Albinus, don landvoogd, door Keizer Nero aangesteld, beschuldigden de Joden Jacobus, of liever beschuldigde de Hoogepriostor hem, dat hij de wet geschonden had, en werd hij gesteenigd en ter dood veroordeeld. Dit vonnis werd zeer afgekeurd door weldenken-den, waarvan het gevolg was, dat op last van koning Agrippa, aan Albinus gegeven, de lloogepriestor van zijn ambt werd ontzet. Zio Josophus J. Oudh. XX. 8 en 9. 1.

h) Opmerkelijk is ook, zegt Ds. Z. dat menigeen nog steeds 2 Tim. 3 ; 16 verstaat, alsof er los op zich zelf stond de geheele Schrift is van God ingegeven en is nuttig enz.; ttxjx betoekent niet , geheele'quot;'' maar „allequot;, „iedere.quot;

Ik meen, dat ttxtx. in collectiven zin, niet in disjunctiven zin moot opgevat worden. In het voorafgaande vers staat, „do Heilige Schriftquot;, waarop dan vs. 16 volgt: „al de Schrift is van God ingegeven,quot; Dat al is hier een algemeen begrip, vgl. ook Luc. 24:27 waar staat „Jezus begonnen hebbende van Mozes en van al de Profeten, leidde Hij hun uit in al de Schriften, hetgeen van Hom goschrovon was.quot;

Qsottvewtc- betoekent van God ingeblazen, inspiratus; liet is iets moor dan wat Ds. Z. zegt „onder Gods invloed, beademing, bezieling tot stand gekomen.quot; De Schrift is van God geïnspireerd, ingeblazen. Hot woord, „het is hem in-gehlazen' kan hier dienen tot opheldering, liet beteekent

ocr page 235

-219

dan indachtiy maken; zeggen, wat iemand spreken of schrijven moet en zoo vindt liet ook zijn verklaring in 2 Petr. 1 : 23, dat de Heilige mannen gedreven zijn van den 11. Geest en gesproken hebben van Godswege.

Ds. Z. heeft door don H. Geest gedragen. Doch wat be-teekent dat „gedragen:' Het is zoo: (pspi^sm beteekent in het grondwoord dragen, doch heeft ook nog andere be teekenissen, bijv. jagen, voortjagen, en wel van een schip gebezigd, dat door den storm wordt voortgezweept, vgl. Hand. 27: 15, 17. Deze uitdrukking wordt van den wind gebezigd op het Pinksterfeest zie Hand. 2:2, Joh. 3 : Sa, de wind blaast enz.; zinnebeeldig, de H. Geest; zie 8amp; „alzoo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.quot; Zoo ook spreekt Paulus van dat woord nl. voortvaren Hebr. C : 1. Wat wil ik nu met het aangehaalde zeggen? Dat (pepófzevji niet beteekent dragen, maar dat het woord gebezigd moet worden van de Godsmannen, dat zij door den H. Geest gedreven zijn. Zóó sluit hot nauw aan, 2 Tim. 3: 16, Alle schrift is van God ingeblazen on 2 Petr. 1 21, de Heilige mannen, alzoo door don II. Geost bezield, zijn door don II. Geest gedreven om te spreken, wat door inspiratie tor hunner kennisse gebracht is door don II. Geest; zoodat zij )iiet van hnn teil afhankelijk, maar afhankelijk waren van de werking des H. Geestes, die hou leidde, bestuurde. Intusschen (laat mij er dit nog bijvoegen) allo de schrift of de geheelo schrift is goon onderscheid, wat den zin betreft.

Zegt Ds. Z. „eeno algemeene uitspraak over de thoop-neustie van hot O. T. is na vs. 15 (2 Tim. 3) zeker misplaatst; ware zulk eon bedoeld, dan had zij vóór vs. 1-1 moesten staan.quot; Daartegen moot ik aanmerken , dat ik goono rodon vind, waarom dat moot geschieden. Immers oischt vs. 15 reeds eene algemeene uitspraak over de theopnoustie. Zij betreft niot enkele boeken, maar in onhepaalden zin wordt gezegd „de Heilige Schriftquot;, wat in vs. 1G is, ai do Schrift,

ocr page 236

220

of do geheele Schrift. Hot is zoo vs. 16(/ had kunnen geplaatst zijn voor vs. 14. Doch nu het volgt op vs. 15 is hot volstrekt niet misplaatst. liet klemt vs. 15 aan, waar gesproken wordt van geloof in verband met do II. Schriften. Do goddelijke oorsprong en de geloofwaardigheid derzelvcr worden ontegensprekelijk aangegeven, wat dan ook voor het geloof onmisbaar is, omdat het geloof gebouwd is op hot gezag der goddelijke Schrift.

Calvijn zegt, dat God de Auteur is van de leer, en do Opperste bevestiging der Schriftuur wordt alzoo van den Persoon van God, dio ze gesproken heeft, gevonden; en dat hot zekerder zij dan zeker (niet anders dan gelijk of wij Gods godheid zelve aanschouwden), dat do schriftuur door menschen bediening van den mond Gods zelve, tot ons ge komen is. Het is niet zonder oorzaak, dat de autoriteit van liet woord van God met zoo uitnemendon lof door den II. Geest bestuurd en bevestigd wordt; het is opdat God in Zijn beloften volkomen geloof bij ons hobbe.quot; 11 ij zegt ook, dat ze gedreven geweest zijn (gelijk de Heidenen versierd hebben een goddelijke aanblazing in hunne Profeten), omdat zij uit zich zeiven niet gedurfd hebben; alleenlijk hebben zij den Geest als hun Leidsman gevolgd, die in hun mond als in het Heiligdom, regeerde.quot;

Erasmus heeft „Spiritu Sancto inspiratus, dat is in Spiritu Sancto i'dpti, sive agitate sive impulsi ' , van den II. Geest bewogen of gedreven 2 Tim. 3:16^: öeóirveuncq — Godde-lijk ingeblazen.'' Besluit Ds. Z. dit punt (2 Tim. 3 : 1G, 2 Petr. 1 ; 21) met te zeggen: hoe onnadenkend leest hij zijn Bijbel toch, wanneer hij zich laat leiden door overgeleverde, zelf niet verwerkte dogmatische begrippen. Daartegen moet ik zeggen; hoe licht kan iemand zich laten leiden

1) Ik cursiveer.

ocr page 237

221

door eigene meeningen, waartegen, gelijk boven, vele stemmen zich verheffen.

Bijtij'Is werden do kinderen met do 11. Schrift bekend gemaakt. Josephus (in zijn levensbeschrijving § 2) zegt van zich zei ven, dat hij 14 jaar oud zijnde eerst do II. Schrift aan anderen uitlogde.

Ik moot op 2 Tim 3:15 nog opmerken, dat Luthor heeft voor „do II. Schriften,quot; „de H. Schriftquot; en begint met vs. 1G want, dit nu was niet noodig; immers do Apostel geeft duidelijk genoog de reden aan, waarom men do H. Schrift gelooven moest en wel, omdat zij door God ingegeven is. Allo schrift is door God ingegeven, ziet op het O. T. als een afgesloten geheel. Het is hier m. a. w. de aangegeven , geloofwaardige, goddelijke kenbron. Bij het woord, Qsi-x-vevaroq vgl. men Jer. 1:9, Hand. 3:18,Matth. 10:20. Gaat men echter nit van do mooning, dat men te doen hoeft met overlevering, van tweeden en derden, dan wordt zoo wel aan do Schrift van het O. T., als aan die van het N. T., wat derzei ver Goddolijkon oorsprong betreft, en hiermede dor-zelver geloofwaardigheid, oen machtig verzwakkenden stoot gegeven, op welken weg men zich mooieljjk zal kunnen staande houden tegenover hen, die do nieuwere schriftcritiek voorstaan.

N A R 1 C II T.

Jezus hooft, wat door Mo/es cu dc Profeten gesproken is, van Goddeljjken oorsprong beschouwd; zie Luk. 16 : 29, 31; Joh. 5: 45—-47; Matth. 22 : 34 en and. Jezus hoeft zich, wat Zijn lijden, Zijn' dood, Zijne Opstanding betreft, alsmede bij andore gelegenheden, op hetgeen in het O. V. van Hem geprofeteerd was, beroepen. Vgl. Luk. 24 ; 27.

ocr page 238

222

Zogt men, ja, maar dat is ccn later toevoegsel, wel nu, dau behoort dat eerst op zekere gronden te worden aangetoond, zonder inmenging van eigen subjectieve meeningen.

Intusschou moot ik zeggen dat het eene groote ongerijmdheid is, welke aan Jezus zou worden toegekend, wanneer men beweert, dat de profetiën, die van Jezus' lijden, dood en opstanding getuigen en op welke Jezus zich beroept, door Hom daarom voor noodzakelijk waren gehouden, ton einde de profetiën die, zooals men voorgeeft, iets anders betockenon, op zichzelven te kunnen toepassen. Ik herhaal, dat zou eene groote ongerijmdheid zijn. Daarom zouden zijn discipelen van ongeloof en traagheid van harte door Hem beschuldigd zijn, omdat zij die willekeurige verklaringen niet eerder hadden gemaakt.

Zóó komt men er toe den Heiland iets te laten zeggen, dat niet waar is. Doch als men zoo doet, zal men do autoriteit van de H. Schriften ondermijnen, en men zou do Heiland iets laten zeggen, dat van allen grond van bewijs ontbloot is, en meenen, dat de verklaring van Jezus ten aanzien van Mozes en de Profeten, door welke het verstand Zijnen discipelen geopend werd, enkel zich grondde in eene willekeurige toepassing van deze of gene plaats uit dc ge-noerade geschriften, betrekkelijk Zijn lijden. Zijn' dood cn Zijne opstanding.

Het is dan ook oen onverklaarbaar verschijnsel, hetwelk zich bij Critici voordoet, dat zij krachtig in de weer zijn om de profetiën, die van Jezus getuigen, te maken lot profetiën, die niets van Jezus getuigen, m. a. w. die niet op Hem betrekking hebben; zoodat Christus daaruit wordt ■weggenomen.

Indien wo Esther 8 : 29 nagaan, dan kan ik daarin niet anders zien dau zelfverdediging. Do Joden verdedigen zich tegen hunne vijanden Wij hebben hier niet met wraakzucht, maar wel mot zelfbehoud te doen. Vgl. Esther 3 ; 9.

ocr page 239

m

Daarbij komt, dat het eerste bevel onherroepoljjk gegeven was door den Koning, doch volgons do gronden van don Pei-z. staat kon hot niet worden ingetrokken, In hot tweede bevelschrift werd den Joden vrijheid gegeven zichzelven te verdedigen. Dat de .loden, op verzoek van Esther aan den Koning, vrijheid kregen om nog eens binnen Susan te doen naar liet tweede bevel of edict, kan wellicht ontstaan zjjn uit de meening, dat er nog te Susan personen waren, die op hot loven der Joden een aanval wilden doen.

Ik zie hierin volstrekt geen wraakzucht, maar enkel zelf-verdediging. Voor do mecning, dat het gOBchiedde in den naam van deu God Israels, vind ik geen bewijs. Opmerking verdient ook, dat de naam van God, zelfs niet eene enkele maal, gelezen wordt. Zoodat het geene woorden zjjn, die, zooals Ds. Z. beweert, door God op de lippen zijn gelegd.

Wij vinden in de Psalmen nog meer vervloekingen en verwensehingen, door David over zijne vijanden uitgesproken. Vooral Ps. 140 : 10, 11, waar David van God bidt, dat God een kolengloed op hen (do vijanden) mocht doen komen en zij door vuur en water mochten omkomen Zie ook Ps. G9 ; 22—29.

De zwaarste vorwensehing zal wel zijn Ps. 59 : 12.

Het verwondert mij niet, dat er zijn, die zulke uitdrukkingen lezen, en zo niet met don Bijbel, d. i. Goddeljjke Openbaring kunnen overeenbrengen, en dat men ze van God kan afbidden, en dat er zijn, die uit die uitdrukkingen aanleiding nemen mot slechts ze ongerijmd te noemen, en ze veroordeelen, maar ook daarom aanklachten togen den Bijbel hebben.

Dit sta voorop , dat de Bijbel daarvoor toont niets achter te houden, wat ook in hen die dus spreken, te berispen schijnt. Evenwel moeten wij ons David voorstellen mot oen levendig, vurig, voor aandoeningen vatbaar gestel, waarbij komt de ondervinding van liet door zijn vijanden hem ton

ocr page 240

224.

onreehto aangedaan leed cn van hun stellen tegenover do bevelen cn oogmerken van God; dan kunnon wc zulke uitdrukkingen van toorn bij hom plaats nemen. Voeg daarbij zijn godsdienstig gevoel, kan het dan niet gebeuren , dat hij woorden spreekt die met zijn gevoel overeenkomen. Wij moeten hem niet beschouwen als een volmaakte in do beoefening van liefde tot den naaste, cn tot zijn vijanden. Die volmaaktheid treffen wij zelfs in don vcrstgcvoi'derden Christen niet aan. Ook onder do oprechte Christenen zullen er wel zijn, die bidden moeten met den dichter Ps. 19 15 en zeggen

Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen,

Behoed de deuren van mijne mond,

Opdat ik mij tot geene stond Iets onbedachtzaams laat ontglippen. Ps. 141 ; 3.

Wij mogen in Davids godsdienstige ontwikkeling geen sprongen stellen, zoo min als in die bij den Christen. Laat ons hierbij vooral letten op de lichtzijde van David's leven. Hij geeft treffende, ja schittoronde blijken van zelfverloochening in zijn menschenliefde, aan Saul betoond, ja zelfs aan zijne bitterste vijanden, zoodat zelfs menig Christen van de 19c eeuw achter hem aankomt. Do vervloekingen cn verwensehingen, door David geuit; dragen daarbij het kenmerk, dat zij betrekking hebben op persoonlijke vijanden en die vijanden zijn van God on van het Rijk. liet verwondert mij dan ook niet, dat wat in Ps. 137 ; 7—9 staat, met zulk een welgevallen door den dichter afgezongen wordt van God over do vijanden van God en van het rijk. Tegen zoodanige vijanden had men, uit den aard der zaak. oen onvorzoenljjko haat. Nog altijd blijtt do vraag: kan of liever mag David zich in hot gebed tot God wenden en die onheilen afsmeeken, terwijl hij meer dan eens betuigd heeft, dat God aan allen goed is, en Wiens goedheid over

ocr page 241

al Zij no werken is verspreid? Om deze vraag te beantwoorden dient vooraf gezegd te worden, dat wij ons God niet voorstellen als David, voor zoover betreft de Theocratie. Dat Theocratisch denkbeeld hechten wij in dien zin als David doet, niet aan God. Bij hem is Jehova, Opper-koning, Opperheer over hot volk hetwelk Hij als Zijn volk heeft aangenomen; wanneer men nu als vijand optrad tegen God en don staat, dan handelde men als eon opstandeling togen God. Van wien nu moesten do vijanden gestraft worden dan door Jehova? Ton aanzien van de vijanden van de Godsrogeering kon do straf' alleen afgebeden worden van den lt;jod, die het Hoofd is van den Staat. De uitvoerina; der straf over do vijanden kon alleen van God geschieden. Aldus opgevat, komen de vervloekingen en verwenschingen door David afgebeden van God, in een ander licht te staan, dan dunkt mij, zal Jezus, die een barmhartig Hoogeprioster is, zo ook beschouwd hebben, niet als Woord van God, door God zelf aan David gegeven om dat te bidden, want David bidt uit eigene beweging. Evenwel zijn ze in do pon gegeven om zo te bewaren, en mij dunkt, met het hooge oogmerk om te doen zien, dat men voor do eer van God als Koning behoort te ijveren. Petrus wilde Jezus verdedigen, uit liefde tot Zijn lieer ontstaande en wat doet Hij? Hij slaat hot oor van Malchus af. Bij David blijft het hij yeheden, bij Petrus komt hot tot een daad. Toch is ook die daad van Petrus in de pen gegeven on waarom niet de woorden des dichters in do pen gegeven ? Ik zie geen reden om daarin onderscheid te maken. Dat het voor ons bewaard is, is van Godswege geschied, die door do leiding van Zijn Geest den dichter daartoe in staat stelde, dienende om op te wekken, do eer van God in alles in het oog te houden, opdat die niet geschonden worde. Do oer van God te handhaven, kan ook geschieden, al worden zulke uitdrukkingen niet gebezigd.

ocr page 242

Voor mij zijn do Evangeliën do bronnon om daaruit het leven, de prediking enz. van Jezus te konnon. In de drlo Evangeliën (Synoptici), om van die alleen te spreken, zie ik geen oorspronkelijk Evangelie (Urevangelie) (dat eon kort en onvolledig verhaal van het loven van Jezus bevat en in het Hebreouwsch of Syro-Chaldecuwscli geschreven), als grondslag gelogd, dat later door vele veranderingen en toevoegingen van afschrijvers, naar ieders inzichten geschiedende, uitgebreid werd, door hetgeen zij van anderen gehoord of als oog- en oorgetuigen vernomen hadden, dus samengesteld werd en waarvan later één of meer vertalingen in hot Orieksch gemaakt zijn door personen, wier namen niet meer bokend zijn. Do vertalers zelve brachten hier en daar veranderingen in, zóó zelfs, dat zij nog in vele opzichten van elkaar verschilden in do overzetting, zoodat het vertaalde met het oorspronkelijke vorgolekon in dit of dat punt niet eensluidend was. Do sporen evenwel van die gemeenschappelijke bron (Urevangelie) zouden hier en daar, ja op menige plaats zichtbaar gebleven zijn in de Evangeliën. Deze nu uitgewerkte en vermeerderde Qrieksclie overzetting dor bron hadden do 3 Evangelisten ontvangen. Mattheus ontving zulk oene overzetting, maar waarin zeer veel is ingevoegd. De beide anderen kregen, do een een omgewerkte kopij ervan, welke hij overzette; de ander ontving eenvoudig een Grieksche vertaling. Hierbij komt nog, dat, voordat zij kwamen in den oor-spronkelijken vorm, zooals wij ze hebben, zij voorzien werden èf van eigene aanteekeningen óf die ze van anderen overnamen.

Hot Markus Evangelie zou het moest oorspronkelijke Evangelie zijn, als het naast gebleven hij de oorspronkelijke bron (Urevangelie), welke bron echter verloren is gegaan. Dat Evangelie wordt voor het oudste gohoudon.

Het Mattheus Grielcsch Evangelie is dus oeno overzetting

ocr page 243

227

van hot Hobroeuwsche Evangelic, welk Evangolic in gebruik was bij de Christenen te Palestina in hot Oosten, doch zóó, dat de vertaler, die leefde na. de verwoesting van Jeruzalem, die vrijheid heeft genomen om bij het Evangelie te voegen hoofdst. I en II en andere stukken, terwijl hij zelfs nog vele fouten heeft gemaakt bij zijne vertaling.

Het Evangelie van Lukas heeft bronnen gebruikt, van welke hij zelf verklaring aflegt. Hoofdst. 1 : 1 vv., evenwel ook mot interpolaties.

In hoofdzaken is dit de beschouwing van de nieuwe critiek, terwijl men het over het Evangelie, als oudste Evangelie, niet eens is, óf dat het Mattheus-Evangelie óf Markus-Evangelie is.

Wanneer we het ontstaan der genoemde Evangeliën, zóó voorstellen, dan is hot zekor, dat, wat wij weten van het leven en de prediking van Jezus, tot ons gekomen is, al is het niet in alles, dan toch in velo stukken, door het Kanaal van eene gebrekkige menscholijke overlevering, on dat hot mooiehjk gaat om recht te weten, óf do Evangelist zelve spreekt öf het Urevangolio mot zijne uitbreidingen en invoegingen.

Intusschen kan bij do voorstelling boven gegeven over het ontstaan dor Evangeliën de vraag niet achterwege blijven, en die vooraf op zekere gronden behoorde en moest beantwoord zijn; Welk bewijs hooft men voor hot bestaan van oen oorspronkelijke bron (Urevangolio) en voor do bewerkingen , die de Evangeliën zouden hebben ondergaan ? Het antwoord op die vraag is ontkennend. Wat spoelt juist daarbij oone groote rol ? Niot anders dan hot stellen van een Urevangolio, voorzien van inlasschingen enz. tot Evangelie gemaakt. Niet één der geschiodschnjvors, noch der kerkvaders, zelfs niet dor kotters maken van bet genoemde Urovangelic molding.

ocr page 244

Wij vinden zelfs uit de grijze oudheid geen bewijs, dat men de Evangeliën vorvalscht heeft.

Zegt Papias ..dat Mattheus in de Hebreeuwsche taal de woerden schreef en dat ieder ze vertaalde naar dat hij kon, daarin licht volstrekt geen bewijs voor het bestaan van een Syro-Chaldeeuwsch Urevangelie (Eichhorn). Het wil mijns inziens, dit zoggen, dat er verscheidene overzettingen van het Mattheus Hébreeuwsch Evangelie geweest zijn, doch dat van die het in het Grieksch geschreven Mattheus-Evangelie door de Christenen werd aangenomen. In geen geval kan uit de woorden van Papias het bestaan van een Urevangelie afgeleid worden, en wel zóó, dat, nadat er vertalingen en afschriften van gemaakt waren het Hebreeuwsch Evangelie van Mattheus en de latere Grieksche vertaling er door zouden ontstaan zijn, alsmede van dat Urevangelie ;net bijvoegingen en verwerkingen van andoren, de Evangeliën van Markus en Lukas.

Nog eens; wat Papias schrijft, geeft geen recht om van een Urevangelie te spreken, noch ook vaquot; eene overzetting óf overzettingen van het Urevangelie in de Grieksche taal. Hij spreekt van het Hebreeuwsche Evangelie van Mattheus bij de Christenen uit de Joden, in Palestina in gebruik.

Merkwaardig zijn dan ook de woorden van Justinus, die meer dan eens gewaagt van de gedenkschriften der Apostelen attopyiifiovsvftoitx tüv 'AitoatoXüv, (de oorspronkelijke woorden in het Grieksch geschreven, geef ik hier niet terug), Do Apostelen hebben in de door hen vervaardigde gedenkschriften, welke Evangeliën genoemd worden, overgeleverd, dat Jezus hen dus bevolen heoft, dat Hij het brood nam enz., waarop dan volgt de instelling van het H. Avondmaal met de woorden van Mattheus en Lukas, en zegt vervolgens, dat die gedenkschriften in do samenkomst der Christenen gelezen werden, alsmede do Schriften der Profeten. Zie Just. Apol 156G cn ö7 Bij Justinus is dus in do verste verte

ocr page 245

229

gocn sprake van een Urevangclic als bevattende een, van de viei- Evangeliën onderscheiden, levensbericht van Jezus.

Wanneer ik zeg, dat er geen Urevangelie bestaan heeft, kunnen er evenwel „redenen dos Hoerenquot; in oniloop geweest zijn, waarvan de Evangelisten gebruik kunnen gemaakt hebben bij het schrijven van het levensbericht des Heeron, terwijl Lukas bjj zijn werk oorspronkelijke stukken in het Hebreeuwsch èf Chaldeeuwsch, door hem verzameld, gebruikt heeft. Beweert mon dat noch Lukas hot Evangelie van Mattheus, noch Markus, het Evangelie van Mattheus, noch dat van Lukas gekend heeft, en dat er toch eenige verwantschap tusschen hen bestaat in het verhalen van gebeurtenissen of in het mededeelen van woorden en gezegden van Jezus, doch dat daarvan de oorzaak is de gemeenschappelijke bron n. m. 1. het Urevangelie dan wordt die meening tegengesproken hierdoor, dat, afgezien van dat Urevangelie, er toch gegevens zijn die getuigen, dat do Evangelisten Mattheus, Markus en Lukas eikaars Evangelie wel gekend hebben. Hierbij geef ik een paar proeven. Vgl. bijv. Mark. 1 : 1—20; Matth 3: 1—IV : 22. Zie daarbij vs. 4, 7; waaruit blijkt dat Markus niet alleen het Mattheus-maar ook het Lukas-Evangelie gekend heeft. Vgl. ook, om niet meer te noemen. Mark. 1 : 21—31 met Luc. IV . 31 -37. Vgl. Matth. 4 : 24 en Matth. 7 : 29. Uit do eerstgenoemde proeve ziet men, dat Markus (zie vs. 4 en 7), óók Lukas gebruikt heeft; uit de laatstgenoemde proeve dat hij Mattheus, zie Matth. 4 ; 24 en Matth. 7 : 29 gebruikt hooft. Hot bestaan van oen Urevangelie berust dan ook slechts op eene onbewezen onderstelling, op eene otuje-loofwaardiye onderstelling; een onbewezen, ongeloofwaardige onderstelling is toch do mooning, dat niet de Evangelisten ingevoegd hebben in hunne Evangeliën, stukken ontleend uit eenige, Syro Chaldeouwsche aanteekeningen, buiten het Evangelie, in omloop. Zoo doende zou dan ook de Griek-

ocr page 246

230

sclio overzctter van het Hcbrcouwschc Mattheus-Evangelie stukkon hebben gevoegd bij of in liet Evangelie van Mattheus, bijv. hoofdstuk 5—7 en 24.

quot;Wat ik heb aangemerkt is, dat van een Syriesch-Chal-deeuwsche Urbron, geen bewijs of blijk te vinden is hij niet één der oude schrijvers. Papias noch Justinus waarop men zich beroept, weten daarvan iets. Do 4 Evangeliën, die wij bezitten, zijn dezelfde. Ilierbj voeg ik, dat Irenaeus en Tertullianus weinige jaren latcv zich op dc 4 Evangeliën tegen de ketters beroepen hebber.

Voor mij zijn do Evangeliën de bronnen, waaruit wij het loven van Jezus kunnen kennen met zekerheid. Zij zijn niet zulke bronnen, die gekenmerkt zijn door cene gebrekkige monschelijke overlevering. Komen er schijnbare tegenstrijdigheden voor bij onderlinge vergelijking; zij zijn dan ook niet meer dan „schijnbarequot;. De oorzaak van de mooning dat er eene gebrekkige monschelijke overlevering zou zijn in de Evangeliën berust hoofdzakelijk op de tot hier toe nimmer bewezen onderstelling van hot bestaan van een Urevangelie, welke later door do hand van tweedon on derden, van Christelijk Joodscho of Christelijk Ileidenscho kleur gotint, zou zijn vermeerderd. De onderstolling van hot bestaan van een Urevangelie, eerst op zekere gronden bewezen zijnde, zou in elk geval behooren, ja moeten go-schiodcn. Zal mon echter op kerkelijk rechtzinnig standpunt staan, dan moot men de H. Schriften als Gods Woord eerbiedigen. Art. 3—5. Nederl. Gteloofsbcl

Ten aanzien van Luc. 21: Jeruzalem zal vertreden worden door de Heidenen, merkt Ds Z. op, dat bjj het schrijven dezer woorden Jeruzalem reeds gevallen was en zegt, „dat het eenc inlassching is van de jongere bewerking, anders was dc verdere voorspelling in de Millaj^ di Mare niet uitgekomen. Daarom wijzigde de Evangelist het origineel der profetie, dat voor hom lag.quot; Onwillekeurig kwam

ocr page 247

231

bij mij de vraag op: wat ccrbiod moet men hebben voor zulke vrijheden, wanneer men de schrijvers maar zóó laat doen, als het hun goeddunkt. Echter kwam ook bij mij de vraag op: hoe, op wat grond, van waar hoeft Ds. Z. bewijs daarvoor, dat boven alle tegenspraak verheven is. Zie ik ,,Die Chronologie der AJtchrist. Litteratur von Prof. A. Harnack. Leipzig 1897quot;, dan blijkt, dat hij schrijft: Dieses Evangelium (Mattheus) setzt die Zerstöring Jeruza-lems, wie Lucas voraus. Er folgt das aus e 22 : 7, mit grösstor Wahrscheinlichkeit.

Eher könnte ieh mich davon überzeugen, dasz Matth. noch vor der Zerstörung Jerusalems geschrieben hat, als dasz ich annehmen könnte, ein Jahrzehnte langer Zwischenraum liege zwischen der Katastrophc uud dom Buch.

Het feit staat vast: Mattheus heeft de verwoesting van Jeruzalem voorspeld, en zet die voorop, niet als iets dat gebeurd is, maar gebeuren zal. Opmerkelijk is het, dat hij schrijft op don huldigen dag (27 : 8 28 : 15). De Joodscho burgerstaat bestond nog bij het schrijven van die woorden ').

Volgons Prof. Harnack begint hot H.E. van het Jaar Gü. Mattheus heeft in hot Hebreouwsch hot eerst geschreven, toen Paulus en Petrus do gemeente te Rome grondvestten. Dit is geweest 60 na Chi'. geboorte, wellicht vroeger.

Waarom nu zoudo do voorspelling niet zjjn uitgekomen , onafhankelijk van do jongere bewerking van Luc. 21? Die bewerking is oen overbodige zaak. Zóó houdt de voorgestelde tegenspraak op. Wij zien dat hierdoor, hetgeen Ds. Z. zegt van die bewerking om alzoo in Matth. 2 t te staven, wat daar van dc verwoesting van Jeruzalem gezegd wordt, maar die nog moet gebeuren, ofschoon het reeds gebeurd is, volgons do jongere bewerking, zonder grond

1) Zie ook; Prof. J. Xli. Seholteu „Het oudste Evangeliequot; pag. 350.

ocr page 248

232

is en ik vraag tovons; kunnen wij eerbied hebben voor zulk een tendenz ?

Dat y.upixy.x in Papias' fragment niet anders dan

titel zoude zijn, daarvan vindt men bij Prof. Harnaek niets, dat er voor pleit, hoezeer hij ook de genoemde woorden aanhaalt, en daarover handelt.

In wat ik van de Conjecturaal-Kritlek gezegd heb, nml. dat zij op gissiny, vermoeden, onderstellinij gegrond is, word ik bevestigd. Immers schrijft Dr. W. C. van Manen. (Con-jecturaal-Kritiek toegepast op den tekst van do Schriften des Nieuwen Testaments bladz. 151). „Van meer gewicht schijnt de bedenking, dat men door Conjecturaal-Kritiek niet tot zekerheid komt en in het gunstigste geval een hoo-gen graad van waarschijnlijkheid bereikt. Dat is volkomen juist. Maar geldt het zelfde niet van elke kritiek?quot;

Prof. J. H. Scholten, zie het aangehaalde werk, meent „dat de gruwel der verwoesting, Matth. 24 : 15 niet ziet op de verwoesting van Jeruzalem, maar is eene onbestemde apocalyptische uitdrukking.quot; Op bladz. 204 is het, „dat de latere voorstelling van Jezus' wederkomst zoowel bij Mark. 13 ; 26 als bij Matth. 24 : 30 Jezus zei ven in den mond gelegd wordt.quot;

Hieruit blijkt toch, (zonder nu zich in te laten met de vraag, of die woorden Jezus zei ven in don mond gelegd zijn, wat ik niet aanneem) dat volgens Prof. Scholten hier bedoeld wordt Jezus' wederkomst. Op pag. 350 zegt do schrijver „stad en tempel na 70 verwoest, bestaan nog.

ocr page 249

E R R A ï A.

(') moot staan bladz. 41, 4U rcgol na de aliuca bij: gezegd wordt d).

e) moet staan bij bladz. 47, regel 7 na de eerste alinea in plaats van d).

f) moot staan bladz. 55, regel 10 van onder, in plaats van c).

y) moet staan op bladz. 61, 9° regel vau boven, achter „evenzeer op zijn leven toequot;.

A) moet staan op bladz. 129, regel 2 van onder, in plaats van X-).

ocr page 250
ocr page 251
ocr page 252
ocr page 253
ocr page 254
ocr page 255
ocr page 256