1908109
\
SefS200740
r
DE VERKOOP
van
Frieslands Pastoralia
IN DE 18de EEUW.
%
Leeüwaedbn, A. MEIJER,
quot;jma H. Kuipees en J. G-. Wester.
i
\
⢠V' . *** - .⢠. ~ '
1908109 rp^ 'â ^4-dJ
GspP00740
DE VERKOOP
FR1ESLANDS PASTORALIA
IN DE 18de EEUW.
y^-c-Jamp;c 'lt;y jC/r ^ -
DE VERKOOP
VAN
FRIESLANDS PASTORALIA
IN DE 18de EEUW.
(Eene bijdrage tot de geschiedenis der Suppletie-tractementen.)
De eerste poging1, welke Frieslands Staten in 't werk hebben gesteld om de Pastoralia te verkoo-pen, heeft plaats gehad in 't jaar 1727.
Het kwartier van Zevenwouden heeft in dat jaar aan de Staten voorgesteld 1 âof niet de vaste goederen van die pastoriën, die suppletie van tracte-ment tot /'450, trokken van de provintie met voordeel konden worden verkocht en aan de soo-danige eens vooral uit het provintiale comptoir het volle tractement van f 45à Car. gis. betaalt, dog alvorens aan soodanige dorpen de keus te laten van het alternatief oif de vastigheden op die conditie over te geven, oif het tractement tot Æ450, geheel ten haare laste te neemen.quot;
Het voorstel van Zevenwouden vond bij de Staten een gunstig onthaal. De HH. Gecommitteerden uit het Mindergetal werden gemachtigd de Nèdergerechten aan te schrijven, om een volledi-gen Staat op te maken van alle pastoriegoederen,, die suppletie genoten. Opgave moest worden gedaan van de grootte der landerijen, van het bedrag, waarvoor ze verhuurd werden, van alle-
4
lasten en lusten, in één woord, van alles wat strekken kon om een duidelijk overzicht van den staat dier goederen te verkrijgen.
Nadat de bedoelde opgaven bij de HH. van 't Mindergetal waren ingekomen, droegen de Staten Imn op , de stukken te onderzoeken en na overwogen te hebben, wat zoowel voor als tegen den verkoop was in te brengen, nader rapport bij de Staten in te dienen. 3
In weerwil van vele nasporingen , heb ik noch dat rapport, noch eenige resolutie nopens dit onderwerp kunnen vinden.
Eéne zaak is zeker; men heeft van den verkoop der pastoralia afgezien.
En de redenen dan, welke de Staten bewogen hebben, aan hun voornemen geen gevolg te geven? Ik kan geene andere vinden, dan deze: men heeft er geen voordeel in gezien.
Welke baten toch kon de verkoop der pastoralia van IJlst den lande opleveren? Wel bedroegen de bruto inkomsten de som van f 738;4, maar de floreen-last, rente van opschotten en reparatiën waren zoo groot, dat het zuiver revenu slechts Æ31,4,8, bedroeg.3. De nog overgeblevene goederen van St. Jmisga âgaven eene jaarlijksche opbrengst van f 11,14,4. Mólkwerum had een zuiver inkomen van Æ23,0,8. Gaastmeer en Nijahuizen van Æ10,0,0. Jutrijp en Hommerts Æ3,0,0.
'k Erken het, de vetste prebenden worden niet door mij vermeld.
Er waren echter ook gemeenten, die weinig suppletie van noode hadden. De 5 zathen , benevens eenige losse landen van Oudeschoot c.a., gaven een inkomen van Æ409,2,14; de 89 pon-dematen van Oosterhierum Æ313,13,8; de 81 pon-
dem. van Pietershierum Æ332, maar toch, over 't algemeen genomen , waren de opbrengsten ge-ring.
Opmerljelijk is liet, dat reeds in den jar e 1727, verscheidene dorpen geene pastoralia meer bezaten.
Die van de Lemmer, Oosterzee, Echten en Ees-terga, waren reeds geruimen tijd geleden verkocht. De grietenijen Doniawerstal en Gaasterland verkeerden in 't zelfde geval, behalve dat Balk nog een inkomen had van f 50. Ook Ileeg in Wijm-hritseradeel genoot reeds de volle suppletie. In Ilemelumer Oldephaert en Noordivolde, bezaten alleen Warns en Scharl, benevens Molkwerwn en Coudum nog eenige pastoriegoederen ; die der andere dorpen waren reeds in 1726 vei'kocht. 3*
Wij bezitten berichten , waaruit het duidelijk blijkt, dat het reeds in de 17 de eeuw, in het Zuiden zuidwestelijk gedee.te van Friesland, treurig met het inkomen van sommige predikanten gesteld was.
In Oosterhaule had in 1676 Ds. H. A. van dei-Linden in 4 jaar tijds bijna niets aan tractement genoten. In 1682 was die gemeente gedurende 6 jaar vacant geweest wegens gebrek aan tractement. *
In 1674, gaven de Staten aan den Grietman van Doniawerstal verlof, om de Floreen met 3 stuivers te bezwaren ten behoeve van het predi-kants-traktement te Langweer 5.
Den 3 Juny 1674, berichtte Ds. Ekama , predikant te St. Jansga aan de Classis , dat hij niet alleen niets van de pastory-landen kon genieten, maar dat hij zelfs ook de lasten moest dragen. Hij was genegen den dienst gratis waar te nemen, wanneer men hem wilde ontheffen van het betalen der lasten. 0
6
In 1631 , werden twee leden der Classis afgevaardigd naar Oosterzee en Echten om te onderzoeken , of de geruchten nopens de vele verkoo-pingen en vervreemdingen van geestelijke goederen , waarheid behelsden. Bleek het hun, na gedaan onderzoek , dat dit inderdaad het geval was, dan moesten zij daartegen vertoogen indienen, bij de Staten of bij het hof van Friesland ! '
De voornaamste oorzaken, waardoor een groot gedeelte van 't kwartier Zevenwouden zijne pasto -ralia verloren heeft, waren zeker gelegen in de herhaalde doorbraken van den Wouddijk. Wanneer we weten, dat in het begin der 18e eeuw, die dijk voor 2/s verhoogd en verzwaard is, hoe gering moet dan niet in vroegere tijden het weerstandsvermogen van dien zeedijk geweest zijn. De doorbraken van dien dijk in 1701 en 1703 hadden dan ook een groot gedeelte der landerijen zoo goed als waardeloos gemaakt.
Met het oog op de genoemde doorbraken , zegt Vegilin vax Cl\erbf,rgen : , Jaaren verliepen , eer de grond weer voedzaam gras voorbragt en wel voornamelijk de hooylanden , waarin het zout, omdat haar bovengrond meer open is als die van de weijdlanden, meest schadelijk is en eerder doordringt, en in 't algemeen om bezondere toestanden nog meer ruineus , terwijl de prijs van 't rundvee eensklaps daalde en daardoor de Boeren uit noodzake om de geringe waarde en op hoope van een vrugtbaar voorjaar haar vee moesten behouden , en terwijl het tegendeel van het gehoopte voorviel, dat er in plaats van een vrugtbaar, een zeer dor, schraal en onvrugtbare voortjd op volgde , en de landen door geen regenwater ver-frischt werdende , de beesten tot in Juny op stal
moesten gehouden en daartoe zooveel duur hooi aangekogt , dat ze de waarde van 't vee te boven ging en veele Ingezetenen daardoor onherstelbaar geknakt wierden ; zij moesten niet te min hoeden de zware omslagen tot herstellinge van de eerste doorbraak, welke door de tweede weer geheel en al over hoop wierd geworpen.'' 8
In eene memorie aan de Staten van Vrieslandt ter zake de verhuring van insolvente landen wordt het navolgende gezegd; âdat verscheijden landerijen door de eijgenaars verlaten, dat de huizinghen vervallen, de landerijen verslimmeren, dat de sloten toegroeijen, zoodat de grenzen onkenbaar worden. Velen hebben de gewoonte hunne landen te verhuren vrij van lasten , de huijren bij anticipatie van jaar tot jaar ontvangen , de lasten , inzonderheid de floreenlasten laten openstaan , tot groot nadeel van den lande.'' 9
In een ander rapport van Gecommitteerden in zake de geïnundeerde landen van Zevenwouden wordt gezegd: âSommige landen waaren reedelijk met gras voorzien , anderen leverden niets op , sommige met een dicke korst of huijdt overstelpt.quot; Bij dit rapport is gevoegd een Staat van huurprijzen van landerijen, gelegen in de nabijheid van IJlst. Ze werden verhuurd vrij van alle lasten. De hoogste huurprijs per pondemate was f 1,00 , anderen brachten op 50 cents , terwijl een stuk land. groot 21/2 pond., voor 35 cents verhuurd werd. 10
Dat onder zulke omstandigheden tal van pastoralia insolvent werden verklaard en ten slotte vrij van alle lasten verkocht , kan men gemakkelijk begrijpen.
8
In 1727 was de toestand der landerijen vee. verbeterd.
Zooals ik reeds heb medegedeeld, was de drijfveer tot den verkoop der pastoralia,voordeel.
Geen wonder.
Met Frieslands schatkist was het allertreurigst gesteld. Tengevolge toch van den Spaanschen Successieoorlog, was de schuldenlast tot een ongekende hoogte gestegen. De losse renten waren geklomriien van 10 tot 28 millioen , de lijfrenten van /136,000 tot Æ360,000. Bij het sluiten van den vrede in 1713 , was er op de Balance een tekort van 3 millioen , zonder iets te rekenen voor Generaliteitsrenten en verdere achterstallige schulden.
't Was onmogelijk geworden de rentelast te betalen ; immers wanneer de Provincie de beloofde renten voldeed, dan wogen de inkomsten van ruim twee millioen ongeveer op , tegen de verschuldigde intressen.11
Bij resolutie van 23 Sept. 1713 , besloten de Staten dan ook, alle losrenten in Friesland gene-gotieerd , niet hooger te betalen dan tot 3 pet;, onverschillig of men 4 dan wel 5 pet. beloofd had.
âPolitiquement gesprokenquot; zegt Vf,gilint van Claerbergen , was dit âeene bezwaeringe van den hondersten penning.'' Politiquement gesproken, zouden wij zeggen, was dat rente-reductie of couponbelasting. In rond Hollandsch zou men zeggen: men betaalde zijne schulden niet. De renten van de kapitalen in Holland genegotieerd, liet men eenvoudig onbetaald.
Daarbij bleef het echter niet.
Bij Staatsresolutie van 11 April 1716 werd
9
besloten , dat alle binnenlandsclie , n.1. Friesche obligaties , met 2'/2 pet- zouden worden betaald.
Naar aanleiding van klachten door Hollanders ingediend wegens wanbetaling der intressen, werd tevens bepaald , dat van de buitenlandsclie , n.1. Hollandsclie obligaties, 2 pet. zou worden betaald, terwijl van de Lijfrenten 4 stuivers op de gulden zou worden gekort.
De finantieele ongelegenheden waren in 1727 nog volstrekt n'et geweken. De oprichting der Oost- en West-Indische Compagnie te Oostende had vry wat onrust in Europa teweeggebracht, en dwong ook Friesland tot vernieuwde uitgaven.
Bij Staatsresolutie van den 15 Maart 1727 , werd dan ook bepaald, dat om aan de extra-ordinaire lasten te kunnen voldoen ; in de reeële Goed-schatting, in plaats van de 5e en 6e penning , de 4e en oe zou worden gevraagd. De intressen van de Landschaps-obligaties werden van 21l2 op 2 pre. gebracht. Tn de personeele Goedschatting zou boven de honderdste ook nog de duizendste penning geëischt worden. De Lijfrenten, tegen 9 , 10 of 12 pre. genegotieerd, zouden tot 7 pre. gereduceerd worden, terwijl op de lijfpensioenen 3/in Prc- zou worden gekort Met welke finantieele moeielijkheden Friesland in het eerste gedeelte der 18e eeuw te worstelen heeft gehad, blijkt ons ook hieruit, dat terwijl in 1709 van Landschap-obligaties aan losrente werd betaald Æ 999.174 13, in het jaar 1728 van eene Provinciale schuld a ruim 25 millioen, tengevolge der rente reductie Æ 522.861.4 , gevorderd werd. Wanneer wij nu daarbij in aanmerking nemen, dat behalve de rampen door den oorlog bewerkt, ook tal van landerijen door de watervloeden van 1701 ,
10
1703 en 1717 tot volslagene onvruchtbaarheid waren gedoemd ; dat de eerste veepest der ] 8e eeuw , die in 1713 uitbrak en eerst in 1720 geweken was , van Frieslands veestapel meer dan de helft had weggenomen; dan begrijpen wij ook , dat de Staten gretig elke gelegenheid aangrepen , om, al was het dan ook maar eenige daizende guldens , te bezuinigen.
Men hoopte dat de verkoop der pastoralia eenigs-zins tot dat doel bevorderlijk kon zijn ; maar in die verwachting zag men zich bedrogen.
Uitstel was echter geen afstel.
* *
*
Van 1728 tot 1744, zijn voor zoover mij bekend , door de Staten geene pogingen aangewend om de pastoralia te verkoopen.
Toen echter in 1740 de Oostenrijksche successieoorlog uitbrak, en de Eepubliek mede in dien krijg betrokken werd, begon 't er weer donker uit te zien met Frieslands financiewezen. Vooral in 't jaar 1744 , was het geldgebrek der Provincie bijzonder groot.
Den 13 Maart 1744 besloten de Staten een som van één milioen te negotieeren tegen eene rente van hoogstens 3 pet. onder waarborg der Algemeene Staten, terwijl de belasting op het Beestiaal, ongeveer f 90,000 opbrengende, tot hypotheeek werd gesteld. Op denzelf'den datum werd de ontvanger Eigt;eus Wielinga gemachtigd om eene som van /quot;150.000, aan lijfrente op te nemen tegen een rente van 7 pet., omdat, zoo zeiden de Staten, er gebrek was aan gereed geld.
Eene nieuwe belasting, het passagegeld, welke vooral aanleiding heeft gegeven tot het bekende Pachters-oproer in 1748, werd ingevoerd.
11
Nog werd besloten, om, eene einde te maken aan liet gemor over de liavenpaeliten, eene vrijwillige inkomsten-belasting in te voeren. Aangezien echter de aangeboden kapitalen slechts de som van Æ161,014 bedroegen, en dus niet voldoende waren om de havenpachten te vervangen, viel â dit plan in duigen.
De geldnood was zoo hoog geklommen, dat men zelfs het besluit nam, de reëele goedschatting â eene belasting van 25 pet. op het inkomen uit onroerend goed â in dat jaar ten tweedenmale te heffen , waarvoor echter obligaties a pet. rente zouden worden uitgereikt.
Aangezien de Provincie onder zulk een ontzet-tenden schuldenlast gebukt ging, werden de obli-gatiën gebracht ten laste der steden en grietenijen, terwijl aan dezen het recht werd toegekend , om P/j stuiver om te slaan over de reëele goedschatting, ten einde daarmee rente en aflossing te betalen. 12
Inderdaad^ welk eene vaderlijke gezindheid der Staten ; zij schonken den ingezetenen de vrijheid om uit eigen zak de hun toekomende rente te betalen en de obligaties af te lossen.
Gangbaar geld, klinkende specie, dat was de leus dier dagen. Met klinkende munte moesten dan ook de insolvente landen worden betaald tot welker verkoop de Staten den 31 Juli 1744 wilden overgaan; zoo groot was het gebrek aan goud en zilver, dat somtijds de fourages ten behoeve van het leger voor de eene helft met obligaties, en voor de andere met klinkende specie werden betaald.
De begrootinff der Provincie van Mei 1745 tot
O O
Mei 1746 sloot dan ook met een tekort van 4 ton,
12
terwijl de achterstallige schulden meer dan 2 mil-lioen bedroegen.
Het geheele inkomen der Provincie was op verre na niet voldoende om de oorlogsuitgaven en rentebetaling te dekken.
Geldgebrek was het dan ook, 't welk de Staten bewoog , om , bij hunne bekende resolutie van 23 Juni 1744, de Gedeputeerde Staten te machtigen âom de ingesetenen van so danige plaatsen, welkers Praedicanten jaarlijks suppletie van hunne pastory-opkomsten genieten , te doen afvraagen , off verkiesen de Pastory-vastigheden te behouden, mits aannemende en zig verbindende om voortaan te besorgen , dat hunne Praedicanten jaarlijks het volle traktement tot 450 Caroli guldens volkomen worde voldaan.quot;
Begeerden de ingezetenen echter dat de predi-kants-tractementen kwamen ten laste der provincie, dan moesten zij , âin eygendom overgeven alle de vastigheden , revenuen en geregtigheden tot hunne pastoryën behoorende, omme daarmede te doen en te handelen naa welgevallen, in welk laatste geval Haar Ed. Mogende zig bij deesen verbinden , om aan de Praedikanten hunner districten ten allen tijde een jaarlijks tractement van vievhonderd vijftigh guldens te betaalen.''
Geldgebrek was het, 't welk de Staten bewoog dit voorstel te doen; immers zij zelve zeggen het zoo duidelijk mogelijk : âzij hadden overwogen op wat manier des Lands comptoiren in deese omstandigheden van tijden en saaken met eenige noodige Penningen , op de spoedigste en gevoege-lijkste wijze souden kunnen werden voorsien , om de extra-ordinaris kosten van de militaire en
13
andere noodtwendigheden daaruyt promptelijk to kunnen voldoen.quot;
Voorshands zou men slechts een gedeelte van de pastoralia, welke den Lande werden afgestaan, verkoopen , âdes niet excederende de somme van
eenmaal hondert duizent guldens.''
⦠*
*
Hun Edel Mog. Gedeputeerden, âgequaalificeert ende geauthoriseert om gesegde Staatsresolutie ten uitvoer te brengen'', machtigden bij besluit van 1 Aug. 1744, de Heeren Sixma enCamstra, om aan de lastgeving der Staten te voldoen , en rapport uit te brengen over de antwoorden, dooide Ingezetenen te geven, op 1 Sept. 1744.
Het rapport der Commissarissen is gedagteekend 29 Sept. 1744, en werd met de processen verbaal der gehoudene stemmingen, den Staten overgegeven.
Dit rapport luidt aldus : 13
âHoewel wij ondergeteekende Commissariën in 't examineeren der ingekomene stukken van de respective geregten over het verkopen der Pastoriegoederen , bevonden hebben, dat wel de meeste eenparig genegen schenen sodanige goederen, die geen 450 gids. konden opbrengen onder de conditiën in de Staatsresolutie gemelt, over te geven, zo hebben er evenwel zig in sommige dorpen zodanige swarigheden opgedaan, waarover alvorens de verkopinge der goederen voortgang kan hebben de nadere explicatiën der Heeren Staten diende gevraagd te worden:
1°. Als voor eerst, of er eenparigheid van stemmen tot behoud of overgave dier goederen vereijscht wordt ?
2°. Oft, indien er overstemminge plaats zal hebben, de overstemde zowel als de overstemmers
14
tot den opbreng der te kort schietende penningen gehouden zullen zijn?
3° Hoe de omslag dier penningen zal geschieden , of over de Floreen oft pondematen, of op eenige andere manier, wijl in sommige dorpen de pluraliteit van stemmen is bij dezulken, die verreweg de minste floreen hoeden oft pondematen bezitten, gelijk breder gezien kan worden uit de ingekomene berichten zelve, welke wij de eer hebben hiernevens aan UEd. Mog. over te geven ?'r
Deze drie punten waren de quintessens van een elftal âvraagen profluerende uit de rescriptiën van eenige gerechten, nopens het behouden of afstaan van pastoriegoederen.quot; Eene van deze vragen, n.1. de tiende , wil ik nog mededeelen:
âGestelt zynde, dat een beroep bestaat uit drie dorpen, in welke ook alle drie eenige pastoriegoederen liggen, dog van ongelycken opbrengh, als een dorp brengt op 80 gld. een ander Æ140, en het derde Æ180, en alsoo te samen Æ400; hoe zal de omslag over de drie dorpen geschieden van de mankeerende Æ50; zal yder dorp darrvan dragen een gerechte derde part, of zal yder dorp moeten suppleren , hetgeen in het zelve te kort koomt aan een derde part van het geheele traktement tot Æ 450.
N.B. Hier moet nog geconsidereert worden, dat in de gecombineerde dorpen gemeenlijk onderscheid is van predikbeurten.quot;
Lastige vraag , voorzeker! die, hoe ook beantwoord , geharrewar in de gemeenten teweeg zou brengen.
Doch, laat mij thans iets mededeelen uit de processen-ver baal der stemmingen.
De dorpen, welke besloten de pastoralia aan den
15
Lande over te dragen, waren de navolgende' Nes, Iliaure en Bornwerd, Foudgum en Kaard Anjum, Feasens, Collumerzwaag en Augsbuurt, Westergeest en Oudwoude, CoUum en West-nieuw-kruisland , Buruni en Oost-nieiiw-kruisland, Buitenpost en Lutkepost. Birdaard en Janum, Bergum, Suawoude en Tie tjerk , Wier, Beetgum, Engelum, Marssum , Dronrijp, Herhajum , Donjum, Boeren Ried, Feins en Zweins, Schalzum, Fietersbierum , Weiduin , Oosterwierum, Kuhaard, Wommels, Ytens, Farrega, Wons, Schraard, Schettens, Exmorra, Makkuin, Idsegahuisen, Gaast, Kimstcerd, Arum, Lollum, Coudum, Warns en Scharl, Molkquerum r Ackrum en Terhorne, Westermeer Joure en Snik-zwaag, Oude-Haske , Nijehaske en Haskerhorne, Haskerdijken, St. Jansga , alle dorpen van Oost-Stellingwerf; in West-Stellingwerf, Nyetryne, Span-ga, ScJierpenzeel en Munnikkeburen, Feperga en Blesdijke, benevens de stad Ylst.
Niet alle suppletie-trekkende gemeenten namen het voorstel der Staten aan. Leckum en Miedum,. Jelsum, Stiens, Finkum en Hijum, verzochtten uitstel van nadere deliberatie en tevens interpretatie , doch boven alles, dat alles mogt blijven op den ouden voet.quot;
Te Metzlawier wilden de ingezetenen de goederen overdragen, doch J. G. van Burmania, die beweerde pluraliteit van stemmen te hebben door hornlegers, wilde ze voor zich zeiven behouden, 't Was hem goed dat, zoo later het ontbrekende aangevuld moest worden , er een omslag over de pondematen gemaakt werd. Geen wonder; Burmania bezat slechts 20 van de 1119 pondematen, die onder het dorp gelegen waren. Door Ds. Mei-
16
narda werd dan ook, namens buitenwonende stemgerechtigden, protest aangeteekend.
Te Nyawier wilde Burmania hetzelfde; de ingezetenen zwegen. Ook hier protest van Ds. Mei-narda.
Te Aalzum en Wetzens konden de ingezetenen het niet eens worden.
Ook te Auguslinusga en Surhuizum bestond verschil van gevoelen.
Mevr. de Wed. HaersmaâDoys, die beweerde pluraliteit van stemmen te hebben , wilde wel de pastoralia aan zich behouden. Ze brachten toch geen Æ100 aan huur op. Zij zou echter vast goed aanwijzen, waaruit het predikants-traktement a f 450 , gevonden kon worden.
Welk een belangloos voorstel! De ingezetenen wisten echter die belangloosheid der edele vrouw naar waarde te schatten. Wanneer toch de pastoralia het privaat-eigendom van Mevr. Haersma waren geworden , dan had Mevr. geen consent van den Hove van nooden, om ze te verkoopen. Mevr. wist, dat er in die maden, die aan huur geen Æ100, opbrachten, beste klyn zat, bij verkoop wel Æ12,000 gld. waard. Maar de ingezetenen wisten dat even goed als Mevrouw. Indien zij consent tot verkoop van den Hove konden verkrijgen, dan wilden ook zij wel die klynmaden overnemen en zorgenvoor hetpredikants-tractement.
Het gerechte van Achtkarspelen richtte naar aanleiding van de gehoudene stemmingen, de navolgende niet onbelangrijke vragen tot de Staten:
1°. Of de Pastorie-goederen zouden worden het eigendom der stemdragende of van alle Dorps-ingezetenen en eigenaars van landen, want zekerlijk werden ze nu âres universitatis ?quot;
17
2°. Aan wie de administratie zou worden opgedragen ?
3°. Hoe in cas van verval van tijden, 't ontbrekende om te slaan ?
De ingezetenen van Dannvoude, Driezmn en Woiitersicoude, wilden de pastoralia behouden, mits hun de landerijen dadelijk vrij van huur werden overgeleverd. Hiertegen werd door de huurders protest ingediend.
De Akkerwoudsters, Murmerwoudsters en Feen-'icoudsters wilden de pastoralia aan den Lande afstaan, maar de Heer ünia, Grietman van Kollu-merland, die de pluraliteit van stemmen had, wilde de goederen voor zich zeiven behouden, en zelf een tractement van Æ450 uitkeeren. Het besluit der Staten maakte wel melding van ingezetenen , maar niet van stemgerechtigde ingezetenen; de Staten moesten nu maar beslissen, wie het in dezen te zeggen hadden.
Het gerecht van Tietjerksteradeel kon ten opzichte van Oostenneer en Ystrum geene bepaalde informatiën geven, omdat de ingezetenen dissen-tieerden.
Menaldum besloot de pastoriegoederen te behouden en verbond zich overeenkomstig een in den jare 1740, met de Staten gesloten akkoord, te zorgen voor een jaarlijks traktement van Æ450.
De stemgerechtigde ingezetenen van Minnertsga â¢vilden de pastoralia brengen onder het beheer der kervoogden, die ze naar hun welgevallen zouden administreren , en een traktement van Æ450 y.ouden uitkeeren. Tegen dit besluit werd door l'/i stem protest ingediend.
Oosterhierum dacht er evenzoo over als Minnertsga. Ook hier protest en contraprotest. De meerderheid
2
18
der stemgerechtigden te Wynaldum besliste als Minnertsga.
Tegen dit besluit werd krachtig geprotesteerd door Epeus Wielinga, raadsheer-ordinaris in den Hove van Friesland, als gelastigde van vrouwe Dieuke Westerhuis, Wed. den Beer Postmeester Wielinga. Hij wilde de goederen aan den Lande overdragen. Zoo de gemeente ze behield en ze brachten geen Æ450 op, dan stond het te vreezen, dat men het ontbrekende ging aanvullen uit de kerk-, kosterij-, vicarij- of armegoederen, en zoo iets was volstrekt niet geoorloofd , 't was in strijd met 's Lands-Ordonnantie, Boekl, Tit. XIII § 1, 2. De eerste § immers bepaalde , dat het hun , die geestelijke goederen , van welken aard dan ook , beheerden, niet geoorloofd was, die goederen te âbelasten, verkopen ofte verwisselen zonder consent van den Hove van Vrieslandt.quot;
âZoo de ingezetenen van Wijnaldiim het durfden wagen die goederen te belasten, dan zou hij hen laten roepen voor den Hove van Friesland, opdat door 't Hof, aan 't welck de oppervoogdij van alle geestelijke goederen bij de wet was opgedragen, so danig kon worden gedisponeerd als in goede justicie bevonden sal worden te behooren.quot;
De Heer van Beijma diende tegen dit protest, contraprotest in. Niet het Hof, maar Gedeputeerde Staten hadden in dezen te beslissen. Op dit contraprotest volgde wederom een protest van den Heer Wielinga.
Te Lippenhuizen liep de zaak gemakkelijker af. De ingezetenen wilden de pastoralia behouden en
zorgen voor het traktement.
* *
*
Ziedaar de Staten op eens voor zware âswarig-
19
hedenquot; geplaatst, zwarigheden, waarvan zij niet hadden gedroomd.
Welk besluit de Staten naar aanleiding van dat rapport en de processen verbaal hebben genomen ? Ik vermoed dat de Ed. Mogende Heeren de zaak hebben laten rusten tot gelegener tijd. Geen enkel spoor heb ik kunnen ontdekken, dat tot een bedrag van f 100.000 aan pastoralia zou zijn verkocht.
Maar al hadden de Staten ook tot dien verkoop besloten; de tijdsomstandigheden zouden weldra van dien aard worden , dat die verkoop schadelijk zou worden voor den Lande. En niet om schade , maar om voordeel was het hun te doen.
En welke waren dan die tijdsomstandigheden ?
Het rapport der HH. Camstra en Sixma is gedagteekend den 29 Sept. 1744, en reeds den Isten December van datzelfde jaar berichtten die Heeren aan de Gedeputeerde Staten, 14 dat de veepest binnen de grenzen der Eepubliek heer-schende was. Uit een Staatsresolutie van den 11 Dec. 1744 blijkt het ons, dat zij toen reeds ook in Friesland hare verwoestingen aanrichtte. Binnen 9 maanden waren meer dan 109000 stuks rundvee door haar weggerukt.
De felheid, waarmee die ziekte om zich greep , moest wel de waarde der landerijen uitermate doen dalen. Vele plaatsen, al werd er ook remissie van fioreen toegekend , bleven onverhuurd en ongebruikt liggen. Voor anderen werd door de eigenaars geld voor het gebruik toegegeven. Verkoop der pastoralia om des voordeels wil was dus onder deze omstandigheden onmogelijk. De veepest had ten gevolge , dat het aantal suppletie-trekkende gemeenten vermeerderde.
20
Eene Staatsresolutic van 18 Maart 1746 bericht ons , dat Cornelis Ludinga, Henricus Albertus van der Sloot en Dueo Folperda , respectievelijk predikanten te Wels rijp, Boxitm c.a en Hempens cm. aan de Staten verzocht hadden, hun op de een of andere wijze te hulp te komen. De sterfte toch onder het rundvee had bewerkt , dat hunne pastoralia weinig huur afwierpen , zoodat zij niet behoorlijk konden bestaan.
De Staten namen toen het besluit, dat zoowel de supplianten als alle andere predikanten, die tot nu toe meer dan 450 gis. uit hunne pastoriegoederen trokken , maar nu ten gevolge van de veepest, zooveel huur niet konden maken, zich bij de ingezetenen hunner dorpen moesten vervoegen , en âaan deselve aanbieden de pastorijegoederen aan sig te neemen , voor de tijt van tien agtereenvolgende jaaren, om daarvan de profijten te genieten , mits aan hunnen predikant jaarlijks vierhonderd vijftigh gis. voor zijn dienst verzorgende.quot;
Mochten echter de ingezetenen daartoe niet genegen zijn , dan moesten deze met hun predikant de administratie en de voordeelen hunner pastorijgoederen voor gelijke tien jaren overdragen aan de provincie , die in dat geval zou zorgen voor een traktement van /'450. lD
Uit eene Staatsresolutie van 30 April 1746 blijkt het ons , dat er onder de predikanten , die ten gevolge van de resolutie d.d. 18 Maart 1746, hunne pastoralia den Lande wilden overdragen , gevonden werden , die behalve het inkomen uit die goederen, waarop zij beroepen waren, ook nog genoten die van het een of ander vrij dorp ,
21
't welk zich later naar welgevallen bij hen had gevoegd.
Moesten de predikanten nu ook afstaan de inkomsten van dat vrije dorp, of konden zij volstaan met over te dragen de pastoralia, waarop zij beroepen waren ?
Het antwoord der Staten luidde: zij moesten afstaan: âalle profijten hun soo van hunne be-roepinge als bijgevoegde dorp en preedikdienst aankomende.quot;
Uit eene Staatsresolutie van 14 Juli 1746 zien wij dat de navolgende dorpen overeenkomstig dé resolutie van 18 Maart 1746, hunne goederen voor den tijd van tien jaren den Lande overdroegen , n.1. Henipens en Teems , Cornjum , Wijns, Oenkerk en Giekerk , Diinuin , Tzum , Lions en Hijlaard, Oosterendt, â mits de revenuen van Hennaard, volgens resolutie 30 April 1746 mede in rekening worden gebracht â Spannum en Edens, Luikewierum , Burgwerd , Hichtum en Hartwert, Tjerkicerd en JJedgum, Wolsinn en Westhein, Nieutvland, Scharnegoutum en Loënga, Go'mcja c.a., Terkaple, Oudeschoot c. a. , Ureterp en Sijgers-wolde , Wijnjeterp en Duurswolde.
Men ziet het, de veepest veroorzaakte, dat aan de suppletie-trekkende gemeenten , wier goederen voor vijf jaren verhuurd werden, nog een groot aantal werd toegevoegd, die hunne pastoralia voor een
tijdperk van tien jaren den Lande overdroegen. ls * *
*
't Jaar 1748 was gedenkwaardig voor de gansche Republiek, ook voor Friesland.
't Zal onnoodig zijn in 't breede de volksbewegingen van dat jaar uit een te zetten. Wie er meer vanwenscht te weten, leze Verward Friesland.''
22
Willem I\ had het plan gehad in den zomer van dat jaar naar deze provincie over te komen, maar werd daarin door ongesteldheid en ook door de onlusten in Holland, verhinderd.
Nadat het oproer gestild was, besloot de Prins de reis naar Friesland te aanvaarden; in het barre wintersaizoen betrad hij Prieslands bodem en kwam in den nacht van 17 op 18 Dec. binnen Leeuwarden.
De 21ste December was bestemd als de dag, waarop de nieuwe Grondwet (het Reglement Re-formatoir) door zijne Doorluchtige Hoogheid aan de Staten zou worden medegedeeld.
Op den morgen van dien dag begaf Prins Willem zich met de Ed. Mogende Heeren in 't Min-der-getal naar de kamer van Oostergo, waar de Staten vergaderd waren.
âZyne Hoogheid zig aan de tafel geplaatst hebbende , heeft in eene cierlijke en welgepaste dog teffens zeer beweeglyke harangue, het Reglement by zyne Hoogheid geconcipieert aan den Heer Sminia , Secretaris der Ed. Mogende Heeren Staten overhandigt, na welke hetzelve wel 61 Artikèlen behelzende, aan alle de Leeden van den Staat is voorgelezen.quot; 17
Hoe zal niet het gelaat van Prieslands machtigen van blijdschap hebben gestraald, toen Jetzo van Sminia, voorlas Art 41 van het Reglement van zyne Doorluchtigste Hoogheid den Heere Prince van Oranje en Nassau, enz. enz. aldus luidende ;
âOm verder, sooveel doenlijk de Provinciale Pinantiën te onderschragen en de soo zeer benoo-digde contante Penningen te vinden, soo wert vastgesteld, dat alle Pastoryegoederen , die suppletie van noode hebben, en alle Domeinen van de
23
Provincie op het Bild, bij perceelen publiequelijk, op den tijd nader door Ons te reguleeren, zullen werden verkogt, en de stemgeregtigheden van dien wederom levendig gemaakt, en in activiteit gebragt, waardoor de Provincie niet alleen bij dexe verkopinge, maar ook bij versterf en continu-ele veralienatie, een merkelijke somme zal profi-teeren, en de landen daar en boven veel beter gecultiveerd worden.quot; 18
Welk eene uitkomst voor Frieslands Staten ! Weg nu met alle âswarigheden.''
Geen kwestie meer over pluraliteit of algemeene stemmen.
't Was nu niet meer noodig zich te verdiepen in de vraag, hoe het ontbrekende aan de traktementen moest worden omgeslagen.
Men behoefde nu niet aan ingezetenen noch aan predikanten de vraag voor te leggen â en hunne toestemming zou ook niet worden gevraagd, â of zij genegen waren de pastoralia af te staan; het Souverein gezag had gesproken, en met dat Souverein
gezag was aan alle tegenspraak een einde gemaakt. * »
*
Had Willem IV de Staten uit den brand geholpen , of hadden de Staten Zijne Doorluchtige Hoogheid in den arm genomen om hunne plannen ten uitvoer te leggen?
Ik ben geneigd het laatste te gelooven.
Alvorens de Prins in Friesland kwam, had hij de HH. Schimmelpenning, Heer van Ojen,' Gevaarts, Vereist en Perzoon, Gedeputeerden van Holland, Gelderland, Zeeland en Overijssel naar deze Provincie gezonden, ten einde, de âingeslopene abui-sen te redresseeren en nieuwe Placcaaten te doen emaneeren.quot;19
24
Deze Commissie van zijne Hoogheid had confe-rentie's gehouden zoowel met de Gecommitteerden uit de gemeenten, als met die uit de Staten, en wel met ieder afzonderlijk.
Zou het zoo onwaarschijnlijk zijn, dat de Gecommitteerden uit de Staten van deze laatsten in last hebben gehad om aan de Commissie door zijne Hoogheid gezonden, voor te stellen om in het nieuwe Reglement door den Prins uit te vaardigen, eene bepaling op te nemen, zooals wij ze in Art 41 van dat Reglement aantreffen ?
In de Poincten-Reformatoir toch van de Gecommitteerden uit de gemeenten treffen wij geen voorstel aan, nopens den verkoop der pastoralia.
Hoe ook dit artikel in de wereld gekomen moge zijn; ééne zaak was zeker , niets stond nu meelden Staten in den weg om de pastory goederen
der suppletie trekkende gemeenten te verkoopen. * *
â¢X-
Niet vele jaren zouden er voorbijgaan, of de Staten vatten het plan op , om Art. 41 van het Reglement van den 21 Dec. 1748 ten uitvoer te leggen.
Op den Landsdag, gehouden 13 Maart 1751, werd âin consideratie gegeven, of, dewijle zijn Doorl. Hooght. by Hoogstdeszelvs reglement van den 21 Dec. 1748 in het 41ste artikel, heeft gelieven vast te stellen, dat alle de goederen dei-pastorijen, die suppletie van noden hebben, publicq bij percelen sullen worden verkogt, tot op den tijt, nader door sijn Doorl. Hooght te reguleeren, die sake niet als ten uytersten nuttig en voordec-lig voor de Provincie, aan Hoogstdeselven behoorde te worden herinnert ende voorgestelt:
âIs na deliberatie goed gevonden en verstaan, de Heeren Hun Ed. Mog. Gecommitteerden in het
25
Mindergetal te versoeken. en te committeeren om den inhoud der propositie in nadere overvveginge te neemen en van hunne consideratiën ter verga-ringe rapport te doen.quot; 20
Geen rapport noch consideraties van de HH. Gecommitteerden in het Mindergetal, nopens dat onderwerp heb ik kunnen vinden. Ik vermoed, dat de Heeren de propositie noch nuttig, noch voordee-lig voor de Provincie hebben gevonden.
Inmiddels zou binnen weinige jaren het tijdstip aanbreken, waarop het contract, gesloten tusschen de Provincie en die predikanten. welke hunne pastorie-goederen volgens Resol. van 18 Maart en 14 Julij 1746, hadden overgedragen, geeindigd zou zijn. De Staten besloten nu 27 Nov. 1755, âdat de geregten, onder welker jurisdictie zodanige Pastoriën gelegen zyn, zullen worden aangeschreven, dat zij aan de respectieve predikanten zullen kennisse geven, dat de tijd van de gedane opdragten ver-scheenen zynde, Hun Ed. Mog Mogende aan hun de vrijheit geven, om met Petri en May 1756, het bevvint hunner pastory-goederen weder aan sig te nemen, en voor de verhuyringe derzelver te zorgen , mits de hnurcontracten , die nogh aldau niet mochten geeindigt zyn, haar volle effect blyven behouden, zonder dat de Provincie gehouden zal zyn, te suppleren, hetgeene jaarlijx minder dan 450 gld. vry geit opbrengen, dog dat dezulke, welke zwarigheit mogten maken , onder die voorwaarde de bestieringe hunner pastorye-goederen weder aan te nemen , de administratie daarvan zullen moeten overlaten aan de respectieve Secre ⢠tariën der Grieteniën, om door deselve conform de orders van den Landen nopens de suppletie-genietende pastoriën verhuurt eu behandelt te
26
worden, in welken gevalle derzelver deficierende revenuën meede zullen worden gesuppleert, gelijk andere van die natuur , zo lange Hun Ed. Mog. in die gunste continueeren.quot;
Eene officieele opgave van de antwooi-den der predikanten op de, naar aanleiding van de Resol. 27 Nov. 1755 tot hen gerichte vraag, Jieb ik nergens kunnen vinden. Uit eene Staatsresoiuitie van 23 Junij 1756 blijkt echter, dat bijna alle predikanten wederom hunne pastorie-goederen gedurende tien jaren aan de provincie hebben afgestaan.
De lijsten van 30 Julij 1746 en 23 Junij 1756 verschillen eenigszins. Die van 1756 is vermeerderd met de gemeenten, Oudega, Idsega, en Sandfirde, benevens Gaastmeer en Nietmhuizum, en verminderd met Wt/ns, Deinum , benevens Burgwert, Hartwert en Hichtum.
Nopens Wyns en Deinum 21 heb ik geene opgaven kunnen vinden. Uit een besluit der Staten van 23 Junij 1756 blijkt, dat de predikant van Burg-iverd c. a. de administratie der pastoralia weer tot zich genomen heeft en tevens gerestitueerd heeft de huistauxatie tot een bedrag van f 805,8,8, welke som vroeger door de Provincie was betaald.
De geschiedenis der pastoriegoederen van Lyons en Hijlaard is van eenigzins anderen aard. Den 9 Febr. 1756 had het Nedergerecht de vraag ge-richt tot Ds. Meilsma, predikant dier gemeente, of Ds. de pastoriegoederen weer tot zich wilde nemen. Zijn Eerwaarde maakte zwarigheid en dientengevolge werden de goederen weer verhuurd. Toen echter de Staten in 1761 aanstalten maakten, om de goederen der suppletie-trekkende gemeenten te verkoopen , wendde Ds. Meilsma zich
27
per rekwest tot de Staten met het verzoek om de goederen te mogen behouden.
Toen de ingezetenen dit vernomen hadden , richtten ook deze zich tot de Staten met de vraag, of de goederen niet aan hunne administatie mochten toevertrouwd worden,
De stem der schapen vond meer gehoor, dan die van den herder; den 6 Juni) 1761, werd den
ingezetenen hun verzoek ingewilligd. 22 * *
*
Bij dagteekening van 18 Febr. 1758, ontvingen Frieslands Staten een brief van de Vrouwe Gouvernante Anne â weduwe van Willem IV â waarin zij aan de Edel Mogende Heeren berichtte, dat het haar voorkwam dienstig te zijn, âdat ook eindelijk ter executie gelegt werde het 41ste Art. Eeglement Reformatoir, waarbij vastgestelt is , dat alle Fastorygoederen, die suppletie van noode hebben, publiequelyk zullen worden verkocht, weshalve wy noodigh hebben geoordeelt Uw Ed. Mo^. daarvan bij dezen kennisse te moeten geven.quot;23
De Princes gaf verder als hare meening te kennen, dat Gedeputeerde Staten nu behoorden gemachtigd te worden, om voorbereidende maatregelen te nemen tot den verkoop der pastory-goederen.
De Staten lieten er geen gras over groeijen. Reeds den 14 Maart van datzelfde jaar werden de Gedeputeerden geauthoriseerd, âom van de voor-genomene verkopinge der voorz, pastorielanden aan de respective geregten, de nodige aanschrij-vinge te doen , met last om aan het gemeld College een nette staat van dezelve pastoriegoederen over te zenden, en met verdere authorisatie op hetzelve College, om te reguleren de wijze van
28
â â
verlioopinge en vervolgens daarvan te informeeren en aan hun Ed. Mog. over te leveren een behoorlijk rapport, om daarop door hun Ed. Mog, met communicatie aan Hare Koningl. Hoogheid, te worden geresolveert, zooals ten meeste voordeele van de Provincie bevonden zal worden te behoren.quot;24 Dit rapport van Gedeputeerde Staten , uitgebracht den 21 Febr. 1759, behelsde behalve een staat van de pastorie-goederen, die suppletie genoten , ook een voorstel om de verkooping te doen plaats hebben in 8 perceelen , en bovendien deze bijzonderheid: âdat de koopschatten daaraf provenierende, behoorden opgebragt te worden met Landschapsobligatiën , waardoor de provincie alsdan van selve zoude vinden een Fonds , waaruit de suppletiën aan de respectieve Piaedikanten jaarlijks zoude kunnen worden betaalt.quot;
Men weet het, van de vorming van zulk een Fonds is niets gekomen. 25
Over dit rapport nu werd bij Eesol. van 13 Maart 1761 , het advies gevraagd van de Ed. Mosrende Heeren in 't Mindergetal.
Dit advies werd gegeven in Febr. 17G2. 26 Het belangrijkste wil ik daaruit mededeelen: âÃEd. Mog. hebben gevraagd de consideratiën van het Mindergetal, en om aan die vrage te voldoen , hebben wij de eere van te zeggen , dat de verkopinge deeser Pastorije Landen, zoo bij 't bekende Reglement van Sijn Doorl. Hooght, als bij Eesol. van ÃEd. mogende vastgesteld zijnde , over de Quaestie off verkoyt zullen worden, geen bedenklijkheid meer is ;
dat ook over de icijse. hoe verkogt zullen worden geen zwarigheid is , als kunnende zulks gemakkelijk gereguleerd worden; maar dat het
r
H li
â ' â 1
ML
.
29
hierop aankomt,â op de bepalinge van icat verkogt zal worden;
UEd. Mog. gelieve sig te herinneren , dat deese Pastorijs goederen in eijgendom sijn niet van de provintie , maar van de Ingesetenen der respect. Dorpen , en dat ÃEd. Mogende daarom bij Resolutie van 23 Junij 1744, hebben goedgevonden die Ingesetenen te doen afvragen off hunne pastorijegoederen willen behouden en den Predikant met 450 gis. betalen , dan die goederen afstaan , mits de Provintie zig chargeerde met de voldoening van dat Tractement;
dat op deese voorstellinge wel de Ingezetenen van verscheijdene Distrikten categorisch hebben verklaard tot welke van beide geresolveert waren,, maar dat die in andere contreijen zulks niet hebben gedaan en hun finaal besluijt uitgestelt en geaccrocheert aan diverse conditiën en vragen, waarop alvorens explicatie en decisie van UEd. Mog. desidereerden, dog die hun tot nog toe niet is geworden. Zoo lange nu deeze swarigheijt niet word weggenomen , difficulteeren de Ingezetenen in het doen der keuze en zal het voor ons onmogelijk zijn , de middelen om deese verkopinge voortgang te doen hebben , aan de hand te geven. Om dan te komen , tot het uyt de weg ruijmen van dit obstacul, zullen wij uit de besoignes over die materie , Anno 1744 in de Dorpen gehouden, aan ÃEd. Mog. voordragen de zwarigheden en vragen doenmaals gemoveerd en gedaan , ten eijnde UEd. Mog. op deselve explicatie en decisie gelieven te geven.quot;
Hierop volgen dan een 14tal vragen , welke in hoofdzaak overeenkomen met die welke aan de stem-besoignes van 1744 waren toegevoegd.
30
Daarop eindigt dan het rapport met deze woorden: âAl deese swarigheeden , schoon niet alle even zwaar wegen, hebben wij in die besoignes ontmoet, en zullen weggenomen moeten worden eer men zeker kan weeten wat opgedragen zal worden en over welke Pastorij goederen de ver-kopinge zal mogen gaan.
De Staten wisten wel een middel te vinden T om aan al die âswarigheden'' een einde te maken. Zij gaven een antwoord , 't welk aan duidelijkheid niets te wenschen overliet.
Bij resolutie van 12 Maart 1762 werd de verkoop der pastorij-goederen bevolen.
Dit Staatstuk wil ik om zijne belangrijkheid r volledig mededeelen:
âDe Heeren Gecommitteerden in hetMinderge-tal, bij resolutie van den 13 Maart 1761 verzogt zijnde , in overleg te treden en te reguleren de wijze hoe, en de conditiën op welke alle de goederen van de suppletie genietende Pastoriën bij perceelen zouden kunnen en behooren verkogt te worden, zoomede om hun Ed. Mog. dien te neffens te dienen van derzelver consideratiën en advis, hebben ter vergaderinge gerapporteerti dat geexa-mineerd hadden, zoo het rapport als de daerby gevoegde Staat der suppletie genietende Pastorijen, door de Heeren Gedeput. Staten op den 21ste Febr. 1759 aan Hun Ed. Mog. ingegeven, als het geene tot het werkstelligh maeken der verkopinge zouden worden vereyscht, dat de verkopinge bij het Reglement van wijl. zijne Doorlt. Hoogheit, en bij resolutie van hun Ed. Mog: vastgestelt zynde, daarvoor geene bedenkelijkheit konde vallen en over de wijze hoe weynig zwarigheit was, omdat zulks wel gereguleert kan worden, zoodat
31
de vrage alleen daarop aankwam , welke goederen men zoude verkopen, omdat Hun Ed. Mog. bij resolutie van den 23 Juni 1744 hebben goedgevonden de ingezetenen van de plaatzen, welkers Pastoriën suppletie genieten, te doen afvragen of hunne Pastorye-goederen wilden behouden, en de Predikant 450 gis. 's jaars versorgen, dan deselve afstaan, mits de Provincie zig daarmede chargeere,â waarop de Ingezetenen van veele districten eenvoudig zig wel hebben verklaart, maar andere niet, en voorgestelt, verscheidene conditiën en vragen, waarop, vóór zig te verklaren, explicatie verzogten:
dat zy Heeren Gecommitteerden daarom genoodzaakt waren, dezelve voor te stellen en dadelijk voorstelden om gedecideerd te worden, ten eyilde in staat mogten zyn om de middelen tot de ver-kopinge aan de hand te doen ;
waarop gedelibereert en geconsidereert zynde dat het een en veertigste artikel van het Regiem en^ van wijl. zijne Doorlt. Hoogheit, van den 21 Deo 1748 dicteert, dat alle de Pastorie-goederen die' suppletie van noden hebben, zullen worden verkogt.
Is goedgevonden en verstaan, dat alle de Pastorye-goederen, gelegen onder de dorpen, welke tegenwoordig suppletie genieten en in de resolutie dienaangaande laatst den 4den Juny 1761 staan vermeit en alzoo ook die van de Pastory van Ylst, zullen worden verkogt, en verder alle zoodanige, als naderhand in die staat mogen komen, dat suppletie nodig hebben ;
en alzoo hun üd. Mog. verstaan, dat hierdoor de gemoveerde zwarigheden en gedane vragen vervallen en vervolgens gepasseerdt worden, zoo worden de Heeren van het Mindergetal versogt ende gecom-
mitteert, om eene behoorlyke verdeeling dcezer Goederen te maken, om bij percheelen verkogt te kunnen worden, en te ontwerpen de wijze en conditiën , op welke die verkoopinge zoude behooren te geschieden.
Aldus geresolveert op 't Landschapslmis den 12 Maart 1762.quot;
* *
*
Alzoo was de wil der Heeren Staten van Friesland.
Of de ingezetenen de pastoralia hadden afgestaan, dan wel of ze oneenig waren, of dat ze hune goederen wilden behouden ; 't was tamelijk onverschillig. Men zou zelfs niet vragen naar de meening van die gemeenten , welke voor 't eerst na 1744, suppletie genoten hadden. Het lot dei-pastoralia was beslist, zoo ze maar als suppletie genietende, vermeld werden in de resolutie van 4 Juny 1761.
Evenwel, deze uitzonderingen doen zich voor. Anjnm, Bergum, Marssum en Oosterwierum hadden in 1744 de pastorie-goederen afgestaan ; in 1761 genoten zij geen suppletie,'1 en toch zijn die goederen verkocht.
Daarentegen bleven onverkocht de pastoralia van Birdaard en Janutn, van Ried en Boer, die in 1761 geene suppletie genoten , maar in 1744 waren afgestaan.
Slechts ééne zaak verwondert ons, n.1. dat Frieslands Staten niet het voorstel hebben gedaan aan Hare Koninklijke Hoogheid de Gouvernante Anne, om Art. 41 van het Eeglement-Reforma-toir zoo te wijzigen, dat daarin deze bepaling werd opgenomen : alle pastoralia van Friesland zullen worden verkocht: of, dat de Staten niet op eigen
33
gezag tot dien maatregel zijn overgegaan, zoo Hare Koninklijke Hoogheid daartoe ongenegen zou zijn. Immers , welk eene macht toch dat Regeerings-lichaam ten opzichte der pastoralia zich toekende, blijkt ons uit eene resolutie van 9 Julij 1762 , waarbij aan de Ed. Mogende Heeren uit het Min-dergetal werd opgedragen â om de Staten te dienen van consideratie en advies, of niet de administratie van die Pastoralia, die meer dan 450 gis. opleverden , en geen suppletie hadden , tot voorkoming van verval moest opgedragen worden aan de Kerkvoogden der dorpen, met kennisse der geregten; en het zuiver overschot den predikanten uitgekeerd.quot;
Of, om nog krasser maatregel te vermelden.
In 1769 wendde zich Folkert Ruardi, predikant in iEngwirden, tot de Staten met de klacht, dat de ingezetenen dier gemeente hem geen traktement van 500 gis. wilden uitkeer en. Alle suppletie-trekkende predikanten genoten sedert 1764 dat traktement, terwijl de anderen nog meer inkomen hadden. De ingezetenen beweerden , dat zulk een tractement niet uit de pastoralia kon worden gevonden.
Bij Staatsresolutie van 6 Maart 1769 werden de ingezetenen van iEngwirden gelast, een traktement van 500 gis. uit te keeren en daarenboven nog 50 gis voor elk jaar sedert 1764.
Bij weigering moesten zij de pastoralia aan den Lande over dragen.
Gelukkig iEngwirden ! dat de toegevendheid dei-ingezetenen U toen voor die ramp heeft behoed !
Noemen toch de menschen ten huldigen dage ü rijk, zelfs kolossaal rijk; dan zou men met het volste recht van U kunnen zeggen: Gij zijt arm . . . doodarm.
â 3
34
De pastoralia der suppletie-trekkende gemeenten: â werden verkocht in de jaren 1762, 1763 en 1764,. en in 1765 die van Burum en Oosterxvierum. De opbrengst was de navolgende :
Verkocht in 1762;
1ste termijn Mei
1763 . . . .Æ269,784,14,12 2de idem 1764 - 74,702, 18, 00
Totaal . .Æ344,487,12,12
Æ344,487, 12, 12
Verkocht in 1763:
1ste termijn Mei
1764 . . . .Æ256,618,03,02 2de idem 1765 - 66,249,18, 08
Totaal . .Æ322,868,01,10
Æ322,868, 01,10
Verkocht in 1764:
1ste termijn Mei
1765 . . . .Æ216,381,13,08 2de idem 1766 - 81,871,19,02
Totaal . . Æ298,253,12, 10
Æ298,253, 12,10
Totaal der koopschatten van
1762, 1763 en 1764 ......Æ965,609,06,12
Obligaties den Lande overgegeven ......Æ12,932,05,00
Verkochte Pastorie van Burum Mei 1766 .... Æ5549, 10, 00 , 1767 ....- 524,18,00
Totaal . . Æ6074, 08, 00 Verkochte Pastorie van Ooster-
35
/â¢965,609, 06,12
wierum Mei 1766 /⢠8289,06,00 , 1767 - 7789,08,00
Totaal . . . /'16078,14, 00 Totaal der overgeleverde obligaties en verkochte pastoralia in 1765...............f 35,085,07,00
Totaal generaal . . . Æ 1,000,694,13, 12 Ziedaar, de opbrengst van al de pastoralia, welke in de jaren 1762, 1763, 1764 en 1765 verkocht zijn. 37
Eenige toelichting zal niet overbodig zijn. Bij de voorwaarden van verkooping was bepaald, dat de koopsommen betaald moesten worden in twee gelijke termijnen; de eerste op den Isten Mei, volgende op iedere verkooping, en de tweede termijn op Mei van 't volgende jaar. Het was den koopers geoorloofd den geheelen koopschat in ééns te voldoen , terwijl zij in dat geval 3 pet. mochten korten. Velen hebben van dat voordeel gebruik gemaakt; vandaar hot groote verschil tusschen den Isten en 2den termijn.
De koopschatten moesten worden betaald met Landschaps-obligatiën. Aangezien de koopsom zoo klein kon zijn, dat er geen obligatie tot dat bedrag voor te vinden was, zoo was het den koopers geoorloofd hetgeen ieder hunner verschuldigd was, bijeen te voegen. Bedroeg nu die obligatie meer dan de verschuldigde koopsommen, dan kwam het meerdere ten voordeele der provincie.
Die overbetalingen, zooals men ze noemde, zijn onder de meegedeelde cijfers opgenomen, maar waren van gering bedrag. 29
36
Ik laat hier volgen de opbrengst der pastoralia van iedere gemeente afzonderlijk.
Verkocht in 1762:
|
Car. Cïls. 15,711 |
st. 09 |
Penn. 08 | |
|
Lekkum en Mieduin .... |
17,447 |
16 |
00 |
|
Foudgum en Eaard .... |
14,212 |
09 |
04 |
|
Anjum........ |
z2,466 |
18 |
00 |
|
15,038 |
02 |
08 | |
|
Suawoude en Tietjerk |
31,133 |
13 |
00 |
|
Beetgum........ |
1,856 |
14 |
08 |
|
Ensrelum........ |
8;428 |
01 |
08 |
|
Midlum........ |
23,789 |
09 |
08 |
|
19,284 |
19 |
00 | |
|
Minnertsga....... |
17,876 |
12 |
08 |
|
Wijnaldum....... |
32,461 |
19 |
08 |
|
20,720 |
12 |
00 | |
|
Wommels....... |
12,825 |
01 |
00 |
|
Allingawier en Exmorra . . |
7,051 |
08 |
08 |
|
Idsegahuisen en Piaam . |
3,759 |
09 |
08 |
|
Longerhouw en Schettens. . |
14,190 |
12 |
00 |
|
Schraard ........ |
10,663 |
05 |
00 |
|
Jutrijp en Hommerts .... |
58 |
00 |
00 |
|
Woudsend....... |
377 |
01 |
00 |
|
1,260 |
09 |
00 | |
|
Oudega, Idsega, Sandfirde. |
5,700 |
15 |
00 |
|
Coudum ........ |
2,187 |
09 |
08 |
|
Warns en Scharl . . . . . |
763 |
05 |
00 |
|
Molqwerum....... |
4 |
07 |
00 |
|
Wijnjeterp en Duurswoude |
11,059 |
17 |
00 |
|
Makkinga, Elsloo en Langdijke |
7,296 |
07 |
04 |
|
Olde en Nijeberkoop .... |
6.343 |
03 |
08 |
|
Scherpenzeel....... |
9,481 |
06 |
00 |
|
IJlst......... |
10 943 |
02 |
00 |
37
Verkocht in 1763:
|
Car. Gis. 17,952 |
st. 19 |
Penn. 00 | |
|
Hiaure en Bornwerd .... |
11,915 |
18 |
06 |
|
Ne^ en Wierum..... |
7,459 |
02 |
00 |
|
Peasens........ |
2.913 |
12 |
00 |
|
Kollumerzwaag en Augsbuurt . |
10,910 |
09 |
08 |
|
Surhuizum en Augustinusga . . |
31,779 |
06 |
08 |
|
Akkerwoude en Murmerwoude |
14,377 |
03 |
02 |
|
Marssum........ |
18,198 |
05 |
00 |
|
Herbajum....... |
20,321 |
02 |
08 |
|
Zweins........ |
4,495 |
00 |
00 |
|
14,470 |
07 |
00 | |
|
Pietersbierum...... |
18,846 |
15 |
00 |
|
Lutkewierum...... |
17,938 |
19 |
08 |
|
Gaast en Ferwoude .... |
4,712 |
03 |
08 |
|
Kimswerd....... |
5,565 |
02 |
00 |
|
Tjerkwerd en Dedgum . . |
17,417 |
03 |
00 |
|
Wons en Engwier..... |
4,528 |
07 |
00 |
|
Goënga , Gauw en Of fingawier . |
20,794 |
19 |
00 |
|
2,166 |
08 |
00 | |
|
Warns......... |
1,069 |
01 |
00 |
|
Scharl........ |
598 |
17 |
00 |
|
Molquerum....... |
124 |
14 |
00 |
|
Haskerdijken c. a..... |
fi 583 |
03 |
00 |
|
St. Jansga....... |
10,959 |
16 |
00 |
|
21,204 |
09 |
00 | |
|
Ureterp en Sigerswolde . |
12,646 |
03 |
08 |
|
Oosterwolde c. a...... |
8,080 |
17 |
00 |
|
Peperga en Blesdijke . . . . |
14,827 |
07 |
08 |
|
Verkocht in 1764; | |||
|
Car. Gis- |
St. |
Penn. | |
|
Finkum en Hijum . . . . |
19,526 |
02 |
00 |
|
Oudwoude en Westergeest . |
11,640 |
06 |
00 |
|
Buitenpost....... |
2,534 |
03 |
00 |
38
|
Veen wouden Bergum. . Oosternaeer en Eestrum 2 Wier . Dronrijp . Donjum . Oosterbierum Ytens . Cubaard . Arum . Lollum Makkum c. a Parrega c. a Akkrum en Terhorne Terkaple en Akmarijp Lippenhuizen , Hemrik en wispel..... Donkerbroek en Haule Verkocht Burum .... |
|
De koopsommen overtroffen verre de verwachting.
Niet alleen toch , dat de landerijen te dier tijde zeer in waarde gestegen waren , maar ook de 'bepaling , door de Staten gemaakt in overeenstemming met Art. 41 Regl. Eeformatoir, dat n.1. âde stemmen der Pastorijen weder levendig gemaakt en tot activiteit gebragt zouden worden en geaf-fecteert op een bepaalt stuk landquot;, droeg er veel toe bij , dat voor dergelijke perceelen veel geld werd besteed. Aangezien het gekochte met Land-schaps-Obligaties moest worden betaald , werd de jaailijksche rentelast met f 20,000 verminderd.
39
Die schulddelging was echter slechts een druppel uit den emmer vol schulden ; immers volgens de Balance van 1772 , had Friesland op 1 Jan.
1771 den enormen schuldenlast van ruim fél mil-lioen, terwijl het bovendien nog jaarlijks aan Lijfrenten f 209,533,18 te betalen had.
Daar nu de pastorije-goederen in handen van particulieren waren overgegaan, deelden ze voortaan ook in de reeële Goedschatting. Bovendien wierpen ze hunne voordeelen af, zoowel in het successierecht , â alleen de zijlinie â als bij verkoop.
Ik betwijfel echter ten sterkste of het bedrag der rente , welke de Provincie nu niet meer te betalen had , vereenigd met de meerdere belasting welke zij ontving, voldoende was om daarmeö het bedrag der suppletie-tractementen te voldoen, 't welk in 1772 bedroeg f 48,220. 30
Daar Friesland echter vóór den verkoop dei-pastoralia reeds ongeveer Æ 24,000 aan suppletie-tractementen betaalde, leverde de gemaakte schikking voor de Provincie hare voordeelen op.
Op aanvrage der Synode besloten de Staten dan ook 9 Maart 1764, de suppletie-tractementen te brengen op Æ 500.
Jaarlijks werd nu door de Synode de aanvrage gedaan, om dat tractement te mogen genieten.
In den jare 1768 echter, wendden zich de De-putaten der Synode tot de Staten met de opmerking , dat ten opzichte van de betaling der Pre-â dikants-tractementen eene ongeclausuleerde Staats-resolutie bestond, waarop zij dan ook niet verlof van de Commissarissen-Politiek, tot de Staten de vraag richten , of die aanvrage nog jaarlijks moest worden gedaan.
Het antwoord der Staten luidde , dat de pre-
40
dikanten bij provisie voor den tijd van tien jaren van de aanvrage ontheven werden. 31
In den jare 1778 vroegen nu de Deputaten der Synode, met dankzegging voor de spoedige betaling der tractementen , om âcontinuatie van die gunst'', met verzoek om eenige vermeerdering van bezoldiging. Het eerste gedeelte van het verzoek werd toegestaan met de opmerking, dat na verloop van tien iaren de aanvrage wederom moest worden gedaan; het tweede gedeelte werd afgewezen. 32
In overeenstemming met dit besluit wendden zich dan ook in den jare 1788 , de Deputaten der Synode tot Frieslands Staten. De oprechtste dankbetuigingen voor de den predikanten tot hiertoe zoo gunstig verleende suppletie-gelden, ontbreken ook ditmaal niet aan hun verzoekschrift.
Maar zij voegen er ook nog het volgende aan toe: âdat zy Deputaten Synodi uit naam der gansche Vriesche Geestelykheid meede gevolmachtigd waar en, by Hun Edele Mog. aan te houden om eene aanmerkelijke verhooging van tractementen , zoowel voor die Predikanten die maar vyf-hondert guldens inkoomen hebben, of zoodanige Evangelie-Dienaren, die door ouderdom of lig-chaamsswakheden ten eenemaal buiten staat zijn hun post langer te bekleeden, om redenen by gedagte requeste geallegueerd.quot;
Het antwoord der Staten luidde: âhebben goedgevonden en verstaan, het eerstege deelte van der Sup-pltn. verzoek, tot continuatie van de voormaals gegunde Suppletie-gelden, te accordeeren, wordende wijders het overige gedeelte der Suppltn, verzoek gepasseert, gelijk geschiedt by deezen.quot; 33 Opmerkelijk is 't; aan deze Staatsresolutie ont-
41
breekt de clausule , dat de predikanten na verloop van tien jaren , weder aanvrage moesten doen om âcontinuatie der Suppletie-gelden.''
En nu volgde dan de bekende Staatsresolutie van 16 Maart 1794, waarbij het tractement der predikanten die suppletie genoten, gebracht werd op Æ600, en dat der emeriti, op Æ400.
Dat besluit werd genomen, niet naar aanleiding van een verzoekschrift der Synode, maar tengevolge van een voorstel in de vergadering der Staten gedaan.
De beweegredenen waren: âde billijkheid en de soberheid van het bestaan der predikanten.quot;
Waren in 1788 diezelfde motieven niet aanwe-zig?
Of wilden de Staten geen besluit nemen op aandrang der Synode, maar wel uit eigen bewe-
o5»
gmg?
Zou het geoorloofd zijn ook op het navolgende lt;le aandacht te vestigen ?
Friesland stond aan den vóóravond der Eevo-lutie.
Konden de âWachters op Sions murenquot; ook nog diensten bewijzen als steunpilaren van het wag-glend staatsgebouw ?
Ik gis; beslissen wil ik niet.
P. J. D. van Slooten.
Heerenveen âJEngwirden.
Betrekkelijk den oorsprong van het Deficit bij de Pastorie-inkomsten in F?-iesland, met het bedrag, hetwelk elke Gemeente als zoodanig uit 's rijkskas ontvangt, vindt men eene volledige vermelding en opgaaf in het Nieuw Kerkelijk Handboek van Van Alphen, 1882, 4e vervolg, pag. 125â131. Eed.
AANTEEKENINGEN.
1. Staatsresolutie 15 Maart 1727.
2. Staatsresolutie 12 Maart 1728.
3. Deze en eenige volgende opgaven zijn ontleend aan de âKorte staat van de revenuen en lasten van Pastorjjen onder de Suppletie 1727.quot; Prov Archief.
3*. Landsdags-Register, Sept. 1744, No. 8.
4. Naamlijst Predikanten, Classis Zevenwouden pag. 98.
5. Naaml. Pr. Cl. Zevenw., pag. 110.
6. Naaml. Pr. Cl. Zevenw., pag. 154.
7. Naaml. Pr. Cl. Zevenw., pag. 187.
8. Vegilin van Claerhergen, vertoog over de Veen-graverijen, pag. 25.
9. Atsma, Memorie. Prov. Arch. Register Landsdao-1104. 0
10. Prov. Arch. Reg. Landsd. 16 Junij 1704.
11. Men zie over den Finantieelen toestand van Friesland te dier tijde, de aangehaalde Staatsresolu-ties, en ook de âCollectie van stukken en Extracten van Johan Vegilin van Claerbergen, 1748, No. 2, Sunt bonae leges Frisiis.quot; Catal. Prov Bibhoth. dl. Vquot;, pag. 1822.
12. Staatsres. 31 Julij 1744.
13. Regist. Landsd. Sept. 1744, No. 8.
14. Resolutie-boek Gedep. Staten, 1 Dec. 1744.
15. Staatsres. 18 Maart 1746.
16. Al de aanschrijvingen der Staten aan de gerechten tot verhuring der pastoralia voor den tijd van 5 jaren, behelzen deze bijvoeging: âsooverre applicabel en dienstigh.quot; Op het Prov. Arch, berust eene verzameling van dergelijke aanschrij-vingen. Men verhuurde dan ook wel voor korter tijd. ^Hetzelfde vond plaats met de pastoralia, die m 1746 voor tien jaar waren overgedragen.
17. Verward Vrieslandt, pag. 147.
18. Verw. Vriesl., Bijlage No. 19.
43
19. Verw, Vriesl., pag. 121, 130.
'20. Staatsres. 13 Maart 1751.
21. Ik vermoed, dat de predikanten dezer dorpen de
Sastoralia weder tot zich genomen hebben.
egist. Landsd. Junij 1761, No. 6 en 7.
23. Regist. Landsdag Febr. 1758, No. 43.
24. Staatsres, IS Maart 1758.
25. Ware uit de koopschatten der kloostergoederen en die der pastoralia een afzonderlijk Fonds gevormd , dan zou dat millioenen bedragen hebben. De meeste kloostergoederen zijn verkocht in 1624, 1639, 1640 en 1644. De verkoop der kloostergoederen in 1644 heeft opgebracht ongeveer twee en een half millioen.
26. Rapport Febr. 1762. Pastor. Manuscript.
27. Deze opgaven zijn ontleend aan de: âOntfang van Obligatiën wegens verkogte Fastorye-Landen in den jare 1761 verkogt, waarvan de termynen moeten betaald worden 1 Mei 1763 en 1 Mei 1764, telkens de helfte.quot; Prov. Archief.
De titel is niet juist. Het stuk bevat de opgaven der koopschatten van 1762â1765 , behalve de tweede termijnen van Burum en Oostenvierum; die betaald zouden worden ten kantore van den Ontvanger Haersma. Die tweede termijnen waren echter gemakkelijk te vinden door de eerste termijnen bij elkaar op te tellen.
ïn de Balancen over genoemde jaren kan men het bedrag van de opbrengst der pastoralia niet vinden, omdat ze gecumuleerd zijn, met de conversie van Losse- in Ljjfrenten.
In de Poinden van Menage, pag. 65 Balance 1772. â⢠Prov. Archief, vond ik net navolgende: âVoor de ingeloste Domeinen zyn geene obligatiën ingetrokken. Zij zyn met geld betaald tot eén bedrag van f 749,613,10, en daaruyt is betaalt de Artillery-schuld aan Holland, tegen 4 pet., ad Æâ 692,403,7.8, bij secreete resolutie van 30 Nov. 1753, daartoe besloten;
dog voor de verkogte pastorye-goederen zjjn inderdaadt obligatiën ingetrokken, alsoo de pry-sen daarmede moesten worden betaald. Maar van die obligation is geene generale afrekening
44
O !5 ^ bboZ
gemaakt, clan zyn dezelve van tijd tot tijd bij de betaling der respectieve koopschatten overgegeven in de reekeninge verantwoord en op de registers' uitgedaan, hebbende de somma totaal van die obligatien beloopen f 988,221,7,1.quot;
28. Zie over de voorwaarden: Billetten van verkoping, Leeuwarden bij Willem Coulon.
29. Aan de koopschatten van Oostermeer en Eestrum is toegevoegd een koopsom van f200, afkomstig van land, niet tot de pastoralia behoorende. Men zie de âOntfang van Obligatienquot; enz.
30. Balance, 17/2.
8i. Staatsresolutie 3 Maart 1768.
32. Staatsresol. 23 Febr. 1778.
33. Staatsresol. 1 Maart 1788.