ocr page 1

Vak 87

t' -v quot; .s\

\ -

.•r-v .. /■

* —***■ v- lt; ' v

i% ... 1 _ gt;— yjf. .-quot;■ r^s- j

v -v- ■■' ■' - i ■

t ■ /-./v 1 ' gt; . ^

y - ■ - v quot;

■m gt;.v - ^ . __-

jjT - . ■» ap

^ ^-.-v \ ^

;? - ! K ^.t

%■' v • gt; -• ■

^ -v •■ ^ •• '

-• . ,t f*

n i;

'è

■ gt;^V

' 'c «7

V' ., ^


x

' r -gt; '4

* \ v.

, ^ ■quot; ,

; f • gt; ■ v

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

n

ocr page 6

De I Ulafsiiis nan Gonzapa. ==

/Jv /(V /jv /JT rp 7J\ ^(V /[V ^Jv -^JT /J* fj\ /J' .rJK ^Jv 7p- /p /J\ fj\ rj* f]T .'P TjT /J\, Tp

ocr page 7

6/i,

HEILSEilïflOR DE JEUGD,

naar fyi Bcjrotfk rtttpf oan «u jitknarts.

wd

i SO

Der jeugd, voornamelijk den studeerenden jongelingen aangeboden

door

P. JOS. JORDANS,

Priester der Sociëteit van Jezus.

if!

Met Kerkelijke Goedkeuring.

/(P

ocr page 8

IMPRIMATUR.

Monasterii die 25 Aug. 1899.

VOX XOËL,

Vic. Epi. Genlis.

ocr page 9

EEINI WOOR.D VOORAF bij de tweede Hooirduitsclie uitg-avc.

Dat reeds zoo gauw eene nieuwe uitgave van dit werkje noodzakelijk is geworden, is in de eerste plaats een verblijdend teeken van de levendige helang-stelling, waarmede de vrienden der jeugd elke poging, om hen bij de vervulling hunner allergewichtigste en moeilijkste taak hehulpzaam te zijn, begroeten. Het is echter ook een bewijs, dat nog zeer vele jongelingen gaarne luisteren naar een woord van onderrichting en bemoediging in den hevigen strijd, dien zij dag op dag hebben te voeren.

Het boekje is in hoofdzaak onveranderd gebleven. In de plaats van liet decreet der aflaten is een kleine verzameling van gebeden getreden, waarvan velen zeker naar behoefte en gelegenheid zich gaarne zullen bedienen, om de uit-

ocr page 10

6

werking der voornamelijk aanbevolen godvruchtige oefening van P. Zucchi nog te versterken. Wij vestigen in H bijzonder de aandacht op het bekende gebed met aflaat tot den H. Jozef om de deugd van zuiverheid.

Ten opzichte van de uit lateren tijd aangehaalde voorbeelden, heeft de uitgever zich met den schrijver van het in H hveede hoofdstuk genoemde werkje, waar-aan ze ontleend zijn, in verbinding gesteld. Deze (P. Joseph M. Cros S. J.) had de goedheid, in zooverre het mogelijk tvas, den ondergeteekende de nadere opgave, om er een discreet gebruik van te maken, mede te deelen met de verzekering, dat hij voor de juistheid der verhaalde feiten instaat. Hij maakt echter daarbij de opmerking, dat, volgens zijne jarenlange ondervinding de uihverking van het wonder gebed „O mijne Meesteresquot; in vele gevallen slechts dan eene onfeilbaar zekere zal zijn, als men, zooals P. Zuccm ook verlangt, het verbindt met het veelvuldig ontvangen der H. Communie. Dientenge-

ocr page 11

7

volge werd m een opzettelijk toegevoegd hoofdstuk het dikwijls ontvangen der H. Communie en vooral de godsvrucht der zes Aloysiaansche Zondagen breedvoeriger hehandeld en aanbevolen.

Terwijl ik allen, die door bemoedigende instemming, vriendelijken raad of welwillende aanbeveling het werkje en zijnen uitgever bevorderlijk zijn geiveest, mijnen dank betuig, koester ik de zoete hoop, dat het ook in deze nieuwe uitgave met de hulp en den zegen van God en zijne heilige Moeder iets zal kunnen bijdragen tot het tijdelijke en eeuwige welzijn onzer dierbare aan zoovele gevaren blootgestelde jeugd.

Blijenbeck, Augustus 1899.

P. JOS, JORDANS, S. J.

ocr page 12

\

4

i 'I j

J,

ocr page 13

INLEIDING.

Toen vóór eeiiige jareu de blijde mare door de wereld klonk, dat het der weten- j schap eindelijk gelukt was. een zeker geneesmiddel te vinden tegen de doodelijko, kiem eener moorddadige ziekte, die jaarlijks vele honderdduizenden slachtoffers maakt, herleefde in menig hart, dat reeds allen levensmoed verloren had, de zoete hoop. nu toch van een langdurige ziekte te kunnen genezen. Intusschen bleek het maar al te ras, dat die hoop voorbarig en niet minder bedriegelijk geweest was dan de bloeiende kerkhofrozen op de wangen, waarin de wreede tering reeds het merkteeken van den dood had geprent. En zoo staan dan de vrienden der lijdende menschheid steeds nog machteloos tegenover de kiem der verwoestende ziekte, welke de meeste harer slachtoffers, die zij eenmaal met hare geheele kracht

ocr page 14

10

heeft aangegrepen, niet meer loslaat, maar hen onverbiddelijk, hoe jong zij ook nog mogen zijn, aan. den dood overlevert.

Maar wie zou het getal der slachtoffers van die nog veel verschrikkelijkere tering kunnen schatten, welke in 't verborgen door straten en scholen, door werkplaatsen en fabrieken sluipt, in stad en land onophoudelijk haren doodelijken omgang houdt, verspreid door aanstekelijke gesprekken en voorbeelden, bevorderd dooide blinde onachtzaamheid van zoovele ouders, gretig ingezogen door het van kindsbeen af tot de zonde geneigde, voor de bekoorlijkheden van den zinnelijken lust zoo toegankelijke menschenhart. Op hoevele honderden en duizenden jongelieden, die het jaar in de volle lichamelijke en geestelijke frischheid en onbedorven reinheid begonnen, zou men op het einde daarvan klagend de woorden van een ervaren en bekenden geneesheer onzer dagen kunnen toepassen: „Hij is een verwelkte roos, een in den bloei ver-

ocr page 15

11

dorde boom, een wandelend lijk. Alle vuur en leven heeft de ondeugd in hem gedood en niets is overgebleven dan machteloosheid. werkeloosheid, doodsbleekheid, verwelking des lichaams en neerslachtigheid der ziel. Verloren heeft de ziel den smaak in alle goede en verheven gedachten, en de verbeeldingskracht is geheel en al bedorven.quot;

En weerklinken niet werkelijk te gelijk alle landen van Europa van de klachten over het op schrikbarende wijze te voorschijn tredende zedenbederf der jeugd en voornamelijk der studeerende jeugd? En toch aanschouwen de mannen, die in oprechte smart deze klacht aanheffen, slechts een gedeelte der verwoesting, welke de pest der onzedelijkheid aanricht. Hoevele ongelukkige jongelieden en kinderen mogen er in ons vaderland gevonden worden, die, zonder dat dit uiterlijk blijkt, reeds door de schrikkelijke ziekte zijn aangetast, die, zonder dat hunne ouders het vermoeden, zonder dat een geneesheer voor lichaams- of zielsgebreken daarvan

ocr page 16

kenuis draagt, met den doodvijand van hun levensgeluk een vriendschapsverbond gesloten hebben! Eu hoe velen worden eerst al te laat gewaar, dat zij zich aan een wreeden tiran hebben overgegeven, die hun dag noch nacht meer rust laat; zij zijn niet meer in staat, de ketenen, die zij jaren lang vrijwillig getorst hebben, thans te verbreken, en zoo vervallen zij in wanhoop en wankelen als willelooze slaven met ziel en lichaam naar het eeuwige graf.

Maar bestaat er dan geen middel om den doodaanbrengenden zegetocht van deze verderfelijkste aller kwalen te stuiten ? Is er dan niets te doen, om de nog ongedeerde jeugd voor haar te bewaren, en de reeds door die pest aangetasten haar weder te ontrukken ? Bestaat er niet een gemakkelijk, maar zeker werkend geneesmiddel, dat men hun zou kunnen aanraden, die reeds op het punt staan zich aan de wanhoop over te geven en daarmede in het onafwendbare verderf te storten? Dat zijn de vragen, waar-

ocr page 17

13

mede alle ware vrienden der jeugd zicli meer en meer bezig liouden, en het is waarlijk een verblijdend teeken dezer werkzame zorg, dat zicli overal vereenigingen vormen, om den zoo geweldig zwellenden zondvloed der onzedelijkheid in te dijken, dat steeds luider in woord en schrift de ernstige waarschuwing aan de jeugd weerklinkt, zich niet door de vuile golven der onzedelijkheid te laten wegspoelen, dat men hun, die bereids zijn meegesleept en daarin dreigen te verzinken, met allerhande redmiddelen van natuurlijken en bovennatuurlijken aard te hulp snelt.

Aan dit waarlijk met den tijdgeest overeenstemmende reddingswerk mee te helpen, is het doel des schrijvers van dit werkje. Geen nieuw, door hem zelf gevonden middel, wil hij aanprijzen; neen, hij wil slechts de aandacht vestigen op eea geneesmiddel, dat reeds vóór twee eeuwen door een ervaren zielenarts met een bijna wonderbaar gevolg tegen dezelfde kwaal in toepassing werd ge-bracht, en dat tot heden toe zijne alles

ocr page 18

14

overwinnende kracht voortdurend bewaarheid heeft. Zeker, het is een echt Katholiek middel — maar zou dat wellicht eenen andersdenkenden vriend der jeugd of eenen niet Katholieken jongeling', wien dit hoekje bij toeval in de handen viel, afschrikken, het eens te probeeren ?

Is dat andere middel ook niet echt Katholiek, dat in bijna alle, ook in de van een niet Katholiek standpunt over dit onderwerp in 't licht gegeven geschriften als het allerbelangrijkste, het allerkrachtdadigste geroemd wordt, namelijk het rondborstig openbaren van 't geweten en de oprechte bekentenis van een mogelijk hervallen aan een vaderlijken vriend, in welken men zijn volle vertrouwen kan stellenquot;? Neem dus, geliefde Christelijke jongeling, dit kleine boekje aan — het is vooral voor u geschreven — en lees de weinige bladzijden aandachtig door. Met Gods genade zult gij de vaste hoop daaruit putten, door liet gebruik van een gemakkelijk

ocr page 19

15

middel u voor de gevaarlijkste, de ergste ziekte der jeugd te vrijwaren of u weder daarvan te genezen. Deze bladzijden zullen u dus voorstellen :

I. den geneesheer, die het middel het

eerst heeft aangewend ;

II. den uitslag, dien hij daarmee verkregen heeft;

III. de wijze, waarop gij het moet ge

bruiken, en

IV. eene belangrijke nevenkuur.

ocr page 20

I.

De Geneesheer.

„Eer deu geneesheer, want hem heeft geschapen de Allerhoogstequot;, zoo vermaant ons de wijze Sirach (38,1). Van God komen immers de in de natuur verborgen rustende geneeskrachten, en van God komt ook de wijsheid, deze te erkennen en aan te wenden tegen de gezondheid en leven bedreigende ziekten. Hoeveel te meer komt van God, en van Hem alleen de gave, om, met wijs beleid eu goed gevolg tegen de afzonderlijke zielekwalen de heilzame geneeskrachten te gebruiken, die de barmhartige Samaritaan, onze goddelijke Heiland, in zijne groote reddingmaatschappij, de heilige Kerk, voor de aan de zonde en hare gevolgen lijdende menschheid heeft neder-gelegd.

ocr page 21

17

Zulk een door God begunstigde zieleu-arts zou het kind worden, dat in 't jaar 1586, den Gquot;3611 December, aldus op het feest van den H. Nicolaas, te Panna in Italië aan de wereld geschonken werd, en dat den naam Nicolaas Zucchi ontving. Zijne ouders waren aanzienlijk en rijk, maar niet minder vroom en godvreezend. In welken geest zij hunne kinderen opvoedden, blijkt hieruit, dat de drie zusters vau onzen Nicolaas, gezamenlijk en van zijn vier broeders allen op één na zich geheel aan den dienst van God wijdden. Onder alle broeders en zusters muntte echter Nicolaas van 't begin af bijzonder uit door zijn wakkeren geest en zijn vroom hart. Toen hij slechts twaalf jaar oud was, offerde hij zich geheel aan de allerheiligste Maagd op, en hoe ernstig het hem met zijne toewijding was, zien wij hieruit, dat hij ze in schrift stelde en vóór het beeld van Maria neerlegde als een blijvend teeken der voldongen toewijdingsacte. Wij mogen wel aannemen, dat de tekst der toewijdingsformule, Heilserüm 2

ocr page 22

18

waarvan liij zich destijds bediende, geen andere geweest is dan die van 't gebedje, dat liij later zoo ijverig trachtte te verspreiden. Dat Maria zijne opdracht genadiglijk heeft aangenomen en liet kind, dat zich geheel aan haar had toevertrouwd, als een moeder beschermde, heeft Pater Zncchi later zelf betuigd, toen hij bekende: „Aan de bescherming der allerheiligste Maagd heb ik het te danken, dat mijne ziel nooit door eene smet van onzuiverheid misvormd werdquot;. Aan de voorspraak zijner hemelsche Moeder schreef hij ook de genade toe, dat hij op zestienjarigen leeftijd reeds den moed had, de wereld te verlaten en hem het geluk ten deel viel, in het noviciaat der Sociëteit van Jezus te Padua te worden opgenomen. Onder de tachtig novicen, welke de Venetiaansche Provincie daar telde, was de jonge Zucchi de ijverigste en begaafdste. Toen reeds wist hij zijn vurig karakter te beteugelen en te be-heerschen; nooit zag men hem opgewonden of ontevreden. Den ijver van het

ocr page 23

19

noviciaat bewaarde hij ook gedurende zijne studiejaren, ja, ziju gelieele leveu lang. Toen hij als professor der philo-sophie naar zijne vaderstad Parma gezonden was, schepte hij er behagen in en rekende het zich tot eer. de hospitalen en gevangenissen te bezoeken, de zieken op te passen, de veroordeelde misdadigers tot den dood voor te bereiden en hen bij hunnen laatsten gang bij te staan; hij achtte het niet beneden zijne waardigheid, op de openbare pleinen der stad de kinderen om zich te verzamelen en in de Christelijke leer te onderrichten. Onder de vacantie was het zijne aangenaamste uitspanning, naar de naburige dorpen te trekken om voor de efenvoudige landlieden missies te geven. Ouder al dezen arbeid leden intusscheu zijne eigenlijke beroepsbezigheden geenszins; op de eerste plaats behoorde hij aan de school en zijne leerlingen; zelfs de studenten der andere cursussen deden dikwijls een beroep op de goedheid van den onver-moeibaren professor, en altoos was hij

ocr page 24

20

bereid voor allee, die van hem raad of troost verlangden. Alhoewel hij zich slechts vier uren slaap gunde, wist hij des niettegenstaande nog menig uur voor zijnen omgang met God te besparen. Hoe innig deze was, konden zijne toehoorders afleiden uit den overvloed en het vuur, waarmede hij van God sprak, vooral in zijne Zaterdagsche korte toespraken, waar de theologanten en philosophen van de gezamenlijke schooljaren plachten heen te stroomen.

Gaarne zou de met ijver voor het heil der zielen vervulde Pater naar Indië getogen zijn, om daar den heidenen het licht des Evangelies te brengen, en ingeval God hem deze gunst bewijzen wilde, voor Christus den marteldood te lijden, maar zijne herhaalde, dringende beden werden niet vervuld, integendeel stuurden hem zijne oversten, nadat hij zes jaren lang te Parma de philosophie onderwezen had. naar Ferrara, om daar de theologie te doceeren. Weinige jaren daarna verlangde de nieuw benoemde

ocr page 25

21

legaat voor de Eomagna, Kardinaal Or-sini, van den Pater Generaal eenen biechtvader. P. Zucclii werd daarvoor aangewezen en tegelijkertijd werd hij met de leiding van het pas opgerichte College der Sociëteit te Ravenna heiast. De Kardinaal schatte den geleerden eu vromen Pater buitengewoon hoog, en wilde, dat deze hem naar het hof van keizer Ferdinand II te Praag zou vergezellen, waarheen hij zich op last van den heiligen Stoel tot het afdoen van diplomatieke onderhandelingen moest begeven. Toen de legaat vernam, dat de Pater zijnen oversten verzocht had, hem voor de Indische missiën te bestemmen, deed hij dadelijk stappen, om van den P. Generaal de verzekering te erlangen, dat hem zijn biechtvader niet zou ontnomen worden. Maar P. Zucchi, die daarvan gehoord had, gaf hem de volle verzekering, dat, ingeval Zijne Eminentie dit plan mocht ten uitvoer brengen, het hem onmogelijk was, nog langer zijn ambt als biechtvader bij hem

ocr page 26

22

waar te nemen. Inderdaad zag- de Kardinaal thans van zijn voornemen af. Even zoo min ecliter liad de Pater vroeger willen toegeven, dat een hooggeplaatst persoon, die van zijnen liarte-wensch kennis droeg, zich tot den Pater Generaal zou wenden met het verzoek, hem naar de missiën te zenden. Hij wilde slechts daar zijn, waar God hem door de vrije, niet geïnfluënceerde wilsbepaling zijner oversten plaatste. En God wilde P. Zucchi te Eome hebben. In gezelschap van den Kardinaal, die na het afdoen zijner zaken aaii 't keizerlijke hof zich naar Eome begaf, kwam P. Zucchi in de Eeuwige Stad, en hij zou daar blijven tot aan zijnen dood. Achtereenvolgens bekleedde hij daar de gewichtigste betrekkingen : eerst was hij rector aan 't Eomeinsche College; vervolgens in 't Professiehuis; na den dood van Inno-centius X verkoos hem het College dei-Kardinalen tot biechtvader van 't Conclave, en de nieuw gekozen.Paus Alexander Vil benoemde hem tot prediker van

ocr page 27

23

het apostolisch Paleis. Uit deze korte opgaven kan men reeds opmakeu, hoezeer P. Zucchi zoowel binnen als buiten zijne Orde in hoog- aanzien srond, vooral als prediker en biechtvader.

God had hem eene bijna wonderbare vaardigheid verleend, om ook zonder bijzondere voorbereiding op buitengemeen diepzinnige en indrukwekkende wijze te spreken. Wel besteedde hij alle zorg en vlijt, om de hem door zijne oversten opgedragen predikatiën uit te werken, maar dikwijls werd hij door onvoorziene omstandigheden dermate beziggehouden, dat hij haast onvoorbereid den kansel moest betreden. Xiet zelden ook gebeurde het, dat de voorbereiding hem in 't geheel niet wilde gelukken; zoo kon hij soms uren lang zich aftobben, om een schets voor een eenvoudige onderrichting te ontwerpen ; maar als dan de klok hem ver-maaude, dat de tijd voor de instructie' of de preek gekomen w-as, was het hem, alsof God zelf hem riep, en op diens bijstand vertrouwend, ging hij onversaagd

ocr page 28

waar te nemen. Inderdaad zag de Kardinaal thans van zijn voornemen af. Even zoo min echter had de Pater vroeger willen toegeven, dat een hooggeplaatst persoon, die van zijnen harte-wensch kennis droeg, zich tot den Pater Generaal zou wenden met het verzoek, hem naar de missiën te zenden. Hij wilde slechts daar zijn, waar God hem door de vrije, niet geïnfluenceerde wilsbepaling zijner oversten plaatste. En God wilde P. Zucchi te Rome hebben. In gezelschap van den Kardinaal, die na het afdoen zijner zaken aan 't keizerlijke hof zich naar Eome begaf, kwam P. Zucchi in de Eeuwige Stad, en hij zou daar blijven tot aan zijnen dood. Achtereenvolgens bekleedde hij daar de gewichtigste betrekkingen : eerst was hij rector aan 't Eomeinsche College ; vervolgens in 't Professiehuis; na den dood van Inno-centius X verkoos hem het College der Kardinalen tot biechtvader van 't Conclave, en de nieuw gekozen.Paus Alexander VII benoemde hem tot prediker van

ocr page 29

23

liet apostolisch Paleis. Uit deze korte opgaven kan men reeds opmaken, hoezeer P. Zucchi zoowel binnen als buiten zijne Orde in hoog- aanzien stond, vooral als prediker en biechtvader.

God had hem eene bijna wonderbare vaardigheid verleend, om ook zonder bijzondere voorbereiding op biiitengemeen diepzinnige en indrukwekkende wijze te spreken. Wel besteedde hij alle zorg en vlijt, om de hem door zijne oversten opgedragen predikatiën uit te werken, maar dikwijls werd hij door onvoorziene omstandigheden dermate beziggehouden, dat hij haast onvoorbereid den kansel moest ■ betreden. Niet zelden ook gebeurde het, dat de voorbereiding hem in 't geheel niet wilde gelukken; zoo kon hij soms uren lang zich aftobben, om een schets voor een eenvoudige onderrichting te ontwerpen ; maar als dan de klok hem vermaande, dat de tijd voor de instructie' of de preek gekomen was. was het hem, alsof God zelf hem riep, en op diens bijstand vertrouwend, ging hij onversaagd

ocr page 30

24

aan 't werk, en altijd sprak hij met een overtuigende kracht en een meesleepend geweld. Vandaar dat de oversten den vrijen teugel aan zijnen ijver lieten, en zoo kwam het. dat hij niet zelden in ééne week dertig preeken en voordrachten hield, en dat wel niet slechts voor het gewone volk, maar ook voor de uit-gelezenste toehoorders.

Eens kreeg P. Zucchi eene boodschap van den Kardinaal-Aartspriester van St. Pieter, welke het dringendst verzoek bevatte, dat hij hem toch uit eeu pijnlijke verlegenheid mocht redden. Er werden namelijk op bepaalde dagen in de St. Pieterskerk conferenties gehouden, waarbij een uitgelezen auditorium placht tegenwoordig te zijn. Nu was op dien dag de prediker —- een van de beroemdste uit de stad —• kort vóór den tijd, voor welken de preek aangezegd was, plotseling ongesteld geworden. P. Zucchi stond juist op het punt, een zieke te gaan bezoeken, toen men hem den brief van den Kardinaal overhandigde, waarin

ocr page 31

25

deze hem verzocht, in plaats van den ziek geworden redenaar, over het aangekondigde thema — de goddelijke Voorzienigheid — te spreken. Aanstonds verklaarde P. Zucchi zich bereid. „Ik heb immers toch niet veel te verliezen'quot;, zeide hij glimlachend, „en ik heb nog steeds ondervonden, dat God nooit meer voor mijne reputatie zorgt, dan wanneer ik 'er in 't geheel niet aan kan denken, die te redden:'. En inderdaad behandelde hij zijn onderwerp met zulk een welsprekendheid en grondigheid, dat hij al zijne toehoorders in verbazing bracht.

Doch al dit succes en alle loftuitingen, die hij daardoor inoogstte, waren niet in staat, de nederigheid van onzen Pater in 't minste te schokken. Hij was steeds even doordrongen van het gevoel zijner eigene zwakheid. ,.Ik ben zoo min een redenaarquot;, hoorde men hem zeggen, „als dat een rotsblok daarom licht zou zijn, wijl Gods almacht hem op wonderbare wijze in de lucht zwevende zou houdenquot;. — „Mij dunkt altijdquot;, zeide

ocr page 32

2G

hij een andereu keer, ..dat ik op eeu bedelaar gelijk, die ziek op de aalmoes verlaten moet, welke men liem uit genade en barmhartigheid toereiktquot;.

In 't bijzonder was P. Zucchi onvermoeibaar iu 't verkondigen van de eere-titels der maagdelijke Moeder Gods. Want aan hare voorspraak schreef hij het redenaarstalent toe, dat God hem geschonken had. Nooit zou hij het van zich hebben kunnen verkrijgen, eeneu feestdag der allerheiligste Maagd te laten voorbijgaan, zonder het woord tot hare verheerlijking te voeren. Eens kwam hij op Maria-Lichtmis reeds vrij laat te Bologna aan. Aanstonds vroeg hij den overste verlof, om ter eere van Maria eene toespraak tot de geloovigen te mogen richten. Nadat hij dit verkregen had, verzocht hij den Broeder-Sacristein, door een teeken met de klok, de lieden tot het bijwonen der preek uit te noodigen. Daar er echter voor dit ongewoon uur geene preek aangekondigd was, meende de Broeder den Pater hierop opmerkzaam te moeten ma-

ocr page 33

27

ken. „Dat is uiets, Broeder, antwoordde P. Zucclii, wij beiden, g-ij en ik, zullen thans maar stil gehoorzamen. Wat mij betreft, ik zou zelfs bereid zijn voor leege banken te spreken, en ik ben overgelukkig, als ik ook maar een enkel oud moedertje de heerlijkheden van Maria kan verkondigen.quot; — De Broeder gaf dus een teeken met de klok. en zie, binnen weinige minuten was de kerk met toehoorders gevuld.

De vruchten zijner apostolische werkzaamheid op den kansel oogstte P. Zucchi in den biechtstoel. De geheele boodschap, welke de afgezant van Christus aan de geloovigen heeft over te brengen, is immers bij slot van rekening opgesloten in de vermaning van den Apostel: „Verzoent u met God!quot; (2. Corr. 5,20). Eu hoe liefderijk nam P. Zucchi allen op, die, door zijne vurige woorden ontroerd, tot hem ijlden, om door zijne bemiddeling in 't Sacrament van Barmhartigheid vergeving te vinden. Eens wendde zich iemand tot hem met de vraag, hoe hij in den biechtstoel zoo zachtmoedig kon zijn, daar

ocr page 34

28

liij tocli op deii preekstoel zoo streng tegen de zonde ijverde. „Dat komt geheel overeen met den Wil van den Heiland gaf de Pater hem ten antwoord. ,.Toen Christus op het Pinksterfeest den H. Geest in de gedaante van vurige tongen over zijne Apostelen deed nederdalen, om hen tot geschikte verkondigers zijner waarheid te maken, geschiedde dit onder het bulderen van een hevigen storm; toen Hij hun echter op den dag zijner Verrijzenis den H. Geest mededeelde, om hen tot bemiddelaars van het Sacrament tot vergiffenis der zonden te maken, deed Hij dit onder liet zinnebeeld van een zachten adem.quot; Juist door deze zachtmoedigheid trok P. Zucchi de zondaren tot zich, en wie eens bij hem gebiecht had, keerde gaarne tot hem terug. Dikwijls was een woord van hem voldoende om den biechtelin£gt;' geheel te veranderen. Hij scheen in de harten te lezen, nog vóór zij zich voor hem ontsloten hadden. Zoo stelde hij eens een biechtkind gerust, dat vol angst was, of het niet in een

ocr page 35

29

lievige, laug aanhondende bekoring had toegestemd, nog vóór dit liem zijnen bangen twijfel had geopenbaard, ja, hij gaf zelfs den tijd en den duur der bekoring aan, alsof hij ze zelf mee doorstreden had. Een anderen keer gaf hij eenen priester inlichting in een ingewikkelde gewetenszaak, nog voordat deze den tijd gehad had. ze hem te verklaren en hij liet zich daarbij zelfs met de gedachten en bedenkingen in. die bij den vraagsteller in de toedracht der verschillende bijzonderheden dezer zaak opgekomen waren en die deze nog niemand had medegedeeld, die dus ook de Pater natuurlijkerwijs niet kon weten. Was het nu te verwonderen, dat men aan zulken geneesheer der zielen zijn volste vertrouwen schonk ?

Eene geheel bijzondere zorgvuldigheid wijdde P. Zucchi aan de armste aller zondaren. aan de slaven dier ondeugd, die maar al te gemakkelijk zich tot het jeugdige hart toegang weet te verschaffen en het dan als in een onverbreek-

ocr page 36

30

baren ketting gekluisterd houdt. En waarin bestond het middel, waarvan hij zich bediende, om deze ongelukkigen te bevrijden en te genezen ? — In een geheel eenvoudig gebed ter eere der allerzuiverste Maagd Maria. Hij gaf hun als penitentie op, eiken avond vóór 't slapen gaan en eiken morgen na het opstaan een „Wees gegroet, Mariaquot; te biddeu, en daarna het gebedje ..O mijne Meesteres, o mijne Moederquot;, dat sedert onder den naam van „Gebed van Pater Zucchf' algemeen is bekend geworden. Als wapen tegen de bekoringen ried hij hun eene kortere aanroeping der hemel-sche Moeder aan en vooral drukte hij hun op 't hart, bij een mogelijk hervallen in de zonde toch niet den moed te verliezen, maar terstond vol berouw weder op te staan en met de vernieuwing van een vast voornemen den strijd tegen de zonde met vastberadenheid te willen voortzetten.

Met welk een goed gevolg de Pater dit geneesmiddel heeft toegepast, zullen

ocr page 37

31

wij later zien. Voor thans is het genoeg, het getuigenis aan te halen, dat P. Zncchi zelf uit zijn eigen ondervinding heeft afgelegd : „Dit middel heeft bij allen, die het trouw gebruikt hebben, een volkomen genezing bewerkstelligd.quot; En ook de hel moest getuigen, dat het P. Zncchi gelukt was, haar vele zielen te ontrukken, die zij reeds meende te bezitten. Als voorbeeld vermelden wij slechts het volgende feit: P. Zncchi had de gewoonte, dadelijk bij de aankomst op de plaats zijner werkzaamheid een kerk te bezoeken en het allerheiligste Sacrament te aanbidden, om den zegen van den goeden Herder over zijnen arbeid af te smeeken. Zoo trad hij eens te Lucca, waar hij zooeven aangekomen was, om er eenige geestelijke oefeningen te houden, eene kerk binnen, waar juist de ceremoniën der kerkelijke bezwering met eene bezetene verricht werden. Zoodra de bezetene den binnentredenden Pater in 't gezicht kreeg, werd zij hevig ontsteld ; zij sloeg zich in 't aangezicht en

ocr page 38

O O O J

schreeuwde met eene van woede trillende stem; „Wat heeft deze vermaledijde domkop hier te Lucca te maken ? Vervloekt zijt gij, wijl gij mij zielen ontrooft, die mijne vuist reeds vast omklemd hield.quot;

Inderdaad, de vijand van 't mensche-lijk geluk had reden, dezen priester te haten en in razernij te geraken bij de wonderbare zegepraal, die hij over de macht der hel behalen zou, door zelfs na zijnen dood hem nog tallooze slachtoffers te ontrukken,

Gedurende zijne laatste levensjaren leed P. Zucchi bestendig aan do hevigste jichtaandoeningen en aan de ondragelijkste steensmarten. Nooit hoorde men hem echter daarover klagen, integendeel, hij dankte God, dat Hij hem dit lijden had toegedacht. Zoo overleed hij onder tranen van berouw over zijne zouden, vol betrouwen „alleen op de oneindige goedheid en barmhartigheid van God en op de verdiensten van het bitter Lijden Onzes Heerenquot; •— den 21sten Mei 1670,

ocr page 39

33

betreurd door geheel Eome, dat in liem zijnen apostel verloor. Jlen begroef het lijk van den dienaar Gods niet op de gemeenschappelijke begraafplaats, maar ruimde hem eene bevoorrechte rustplaats in de kerk in; God echter verheerlijkte het graf van zijn trouwen dienaar door in 't oog loopende gebedsverhooringen.

II.

Het Geneesmiddel en zijne Uitwerkselen.

De bekwaamheid van den geneesheer wekt het vertrouwen van den zieke op, zoodat hij vol hoop zich aan de door dezen voorgeschreven kuur onderwerpt. Dit vertrouwen wordt een blijde hoop, als de arts hem op talrijke genezingen kan wijzen, die hij met zijne methode in dergelijke of nog ernstigere gevallen in dezelfde ziekte verkregen heeft. Dat Heilseeum 3

ocr page 40

34

P. Zncclii een buitengewoon begaafde zielenarts is geweest, heeft de hiervoor geteekende schets van zijn leven en werken genoegzaam bewezen. Zoo mogen dan na eenige feiten vermeld worden, welke ons de verbazingwekkende kracht en werkzaamheid van het door hem gebruikte en aan de volgende geslachten nagelaten geneesmiddel tegen de verderfelijkste zielekrankheid der jeugd voor oogen stellen. Vooreerst zullen eenige voorbeelden aangehaald worden, welke aan de door P. Bartoli vervaardigde levensbeschrijving van P. Zucchi ontleend zijn. Voornamelijk het eerste dezer heeft, P. Zucchi zelf zeer dikwijls in zijne preeken verteld, om alle arme zondaars aan te moedigen, de kracht van een zoo gemakkelijk en zoo zeker werkend middel ook bij zich zeiven te beproeven.

1. Een jonge man uit een aanzienlijke familie, die reeds veel in de wereld rondgereisd had en in de verschillende landen, die hij bezocht, veel slechts geleerd had, kwam eindelijk ook te Eome. Eens

ocr page 41

35

lioorde hij eene preek van P. Zucclii en besloot, bij hem te biechten. Met groote liefde en innig medelijden nam de Pater den in de zondigste gewoonten verstrikten jongeling op. Dadelijk erkende hij, dat de macht van zoo jarenlange vast-gewortelde neigingen niet op eenmaal kon gebroken worden, en dat de ongelukkige jonge man, die zich tot nu toe geen genot ontzegd had, zich niet dadelijk genoeg kon verheffen, om aan de booze ingevingen van zijnen inwendigen hartstocht en aan de aanlokkingen der uitwendige gelegenheden weerstand te bieden. Hij smeekte en vermaande heai dus dringend, dat hij, bij een mogelijk hervallen in de oude zonden, toch niet den moed zou verliezen, maar altijd weder tot hem zou terugkeeren; hij zou hem steeds dadelijk bereid vinden, zijne belijdenis aan te hooren en hem weder op te helpen. Deze vaderlijke goedheid trok den diep gezonken, maar in den grond met edele gevoelens bezielden jongeling krachtig aan, en trouw

ocr page 42

36

keerde liij altijd weder naar zijnen biechtvader terug. Maar helaas ! zijne betering scheen geene ot' bijna geene vorderingen te willen maken; de gewoonte van zonde was bij den armen jongen man bijna tot een dringende noodzakelijkheid geworden. Vol diepe bekommering daarover, besloot P. Zucchi eindelijk, zijn biechtkind geheel en al aan de handen der allerheiligste Maagd over te geven, die immers de toevlucht aller zondaren is. Toen de jongeling zich weder bij hem vertoonde om te biechten, sprak de Pater hem aldus aan ; „Mijn zoon, tot heil uwer ziel wil ik u, in plaats van elke andere voldoening en in plaats van elk ander middel ter verbetering, de allerheiligste Maagd tot gebiedster en moeder aanwijzen ; als gij dit aanneemt en u in waarheid als haar dienaar en haar zoon wilt toonen, zult gij zeer zeker hare bescherming en hare hulp, die gij tot verbetering van uW leven noodig hebt, ondervinden. Ten teeken der oprechte, aanvaarding van mijn voorstel verlang

ocr page 43

37

ik van u anders niets, dan dat gij eiken morgen, dadelijk na het opstaan, een „Wees gegroet, Mariaquot; bidt, ter eere van hare maagdelijke zuiverheid en dan het volgende gebed daaraan toevoegt; „O mijne Meesteres, o mijne Moeder, ik oft'er mij geheel aan U op; en ten einde U een bewijs mijner aanhankelijkheid te geven, wijd ik ü heden mijne oogen, mijne ooren, mijnen mond, mijn hart, ja geheel mijn persoon. Wijl ik derhalve de uwe ben, o goede Moeder, zoo bewaar en verdedig mij als uw goed, als uw eigendom !quot; Herhaal hetzelfde gebed 's avonds vóór het slapen gaan, en kus daarna driemaal den grond. Ingeval gij echter overdag of 's nachts door den prikkel des vleesches of door de aansporing des duivels tot eene ongeoorloofde handeling bekoord wordt, verricht dan dadelijk dit kortere gebedje : „O mijne Meesteres, o mijne Moeder! gedenk, dat ik de uwe ben. Bewaar en verdedig mij als uw goed, als uw eigendom !quot; Verheugd, een zoo gemakkelijk en belangrijk geneesmiddel

ocr page 44

38

tegen zijne zoo drukkende kwalen ontvangen te hebben, beloofde de jonge edelman met de grootste bereidwilligheid, dit trouw te zullen gebruiken. Eenige dagen later verscheen hij weder bij den Pater, maar ditmaal om afscheid van hem te nemen — want hij moest weder uit Rome vertrekken ■— en om zijnen zegen te vragen. Nog eenmaal bekrachtigde hij de belofte, die hij zijnen biechtvader gedaan had; daarna begaf hij zich door ■diens zegen vergezeld, op reis.

Vier jaren later keerde onze jongeling weder naar Rome terug en zocht weldra zijnen vroegeren biechtvader op. „Het was mij — zoo vertelde de Pater zelf — ■alsof ik de biecht van een heiligen, geheel onschuldigen jongen man hoordequot;. Vol verbazing informeerde hij naar de oorzaak eener zoo wonderbare verandering. Ouder het storten van vreugdetranen antwoordde de genezen jongeling: „De oefening, die gij, mijn Vader, mij ter eere der allerzaligste Maagd hebt voorgeschreven, en die ik trouw volbracht

ocr page 45

39

heb, lieeft dit wonder gewrocht. Zoo dikwijls ik door eeu bekoring weid overvallen, heb ik, zooals gij het mij geleerd hebt, Maria aangeroepen, en steeds vond ik dan nieuwen moed en nieuwe kracht tot tegenstand, zoodat ik niet meer bezweekquot;. Ter verheerlijking zijner hemel-sche Moeder stond de jongeling den Pater gaarne toe, dat deze de geschiedenis zijner haast wonderbare verlossing uit de drukkendste slavernij overal verkondigde.

2. Toen eens P. Zucchi in een vasten-preek het zooeven vermelde voorbeeld verhaalde, maakte een zijner toehoorders, die tot nu toe in de ketenen eener zondige liefde lag geklonken, maar zich thans uit die smaadvolle slavernij verlangde op te richten, het besluit, een zoo gemakkelijk middel niet onbeproefd te laten. Hij deed een ootmoedige Paasch-biecht, en volhardde van toen af in die dagelijksche godvruchtige oefening, maar ook tegelijk in zijn vast voornemen, om de naaste gelegenheid, die hem tot nu aan de zonde geketend hield, geheel te

ocr page 46

40

verbreken. Ongeveer een half jaar was hij aan zijn besluit getrouw gebleven, toen plotseling het verlangen in hem ontwaakte, de gezellin zijner vroegere buitensporigheden weer eens op te zoeken, en wel, zooals hij zich zeiven trachtte te overtuigen, alleen niet het doel, door zijne vermaningen ook haar het pad dei-zonde te doen verlaten, of, ingeval zij zich reeds bekeerd had, haar in 't goede te versterken. Hij begaf zich aldus op eenen avond op weg naar het huis, dat hij tot zijn geluk nu reeds zoolang had vermeden; ongemerkt is hij tot aan de deur gekomen, reeds houdt zijne hand de deurklink vast om open te doen en binnen te treden, daar wordt hij op eens door een onverklaarbaren angst overvallen. Geheel verward blijft hij als vastgenageld staan en roept Maria aan met de woorden: ,.0 mijne Meesteres, help mij, ik ben in bekoringquot;! — en zie, op hetzelfde oogenblik voelt hij zich als door een onzichtbare hand van de deur weg — en op de straat teruggetrokken,

ocr page 47

41

en haast zonder te weten, wat hij doet, gaat hij denzelfden weg, dien hij is gekomen, weder terug, als 't ware door een onzichtbaren begeleider vergezeld, tot hij vóór zijn huis staat. Hij blikt om zich heen, maar bespeurt niemand, en diep getroffen dankt hij zijnen Engel en zijne hemelsche Koningin, die hem, zoo als hij nu duidelijk inziet, voor het klaarblijkelijk gevaar van 't hervallen in de zonde bewaard had.

3. Een vrome moeder had eenen zoon, die. ofschoon hij eerst nauwelijks de jongelingsjaren bereikt had, reeds geheel en al bedorven was. Die diepbedroefde moeder kwam op zekeren dag naar onzen Pater, om hem haar harteleed te klagen, De Pater verzocht haar, dat zij hem haren zoon eens zou sturen. Deze voelde zich niet weinig gevleid, dat hij door een zoo beroemden prediker tot een bezoek werd uitgenoodigd, en haastte zich aan die eervolle uitnoodiging gevolg te geven. De goedheid en vriendelijkheid van den Pater hadden weldra het hart van den

ocr page 48

42

jongeling' geheel gewonnen. Hoe zou hij dus het verzoek hebben kunnen afslaan, dat de Pater bij het afscheid tot hem richtte, om toch alle dagen het gebed „O mijne Meesteresquot; getrouw te verrichten ? Toen P. Zncchi eenigen tijd daarna weder eens in dezelfde stad kwam, ontving hij weer het bezoek dier vrome moeder; weder weende zij om haren zoon, doch ditmaal niet van leed, maar van vreugde. „Ach. Pater, riep zij uit, welken dank ben ik toch gt;aan de allerheiligste Maagd en aan u verschuldigd! Vóór dezen was mijn zoon een duivel, en gij hebt hem in eenen Engel veranderd.quot;

Dat overigens het gebed van P. Zucchi niet alleen in diens leven, maar ook nog na zijnen dood, ja tot op onzen tijd eene zoo groote kracht bewezen heeft en nog bewijst, niet slechts in Italië, maar ook in andere landen, daarvoor mogen de volgende verhalen getuigenis afleggen, die aan een in 't jaar 1861 in zes uitgaven te Le Puy in Frankrijk verschenen werkje over het gebed van P. Zucchi

ocr page 49

43

ontleend ziju. De schrijver laat de drie verhalen, welke hij ons voorstelt, door de volgende woorden voorafgaan: „Wij staan voor de waarheid in, en noch het geheim der Biecht, noch eenig voorbehoud staat hare openbaring in den weg. Wij zullen telkens den betreffenden getuige dat, wat hij zelf beleefd heeft, met zijne eigen woorden laten weergeven.quot;

1. „Lodewijk... een knaap van vijftien jaren, verliet voor den eersten keer het ouderlijke huis. Hij ging naar eene kostschool, die ik dikwijls placht te bezoeken, en werd als een onschuldig kind daarin opgenomen. Doch ongelukkigerwijs bevond zich onder zijne medescholieren een dier treurige handlangers van Satan, wier verraderlijke vriendschap verderfelijker is, dan de haat der hel; deze naderde den onschuldigen knaap, en niet lang duurde het, of het kwaad begon ook reeds in de ziel van Lodewijk zijne verwoestingen aan te richten. Eu die verwoestingen waren verschrikkelijk; het arme kind was weldra zoo veranderd.

ocr page 50

44

dat zijne onderwijzers liet niet meer teriigkendeu; een knorrig, verdrietig wezen, afkeer van den arbeid, wispelturigheid en verwaarloozing der H.H. Sacramenten namen de plaats in van de aantrekkelijke vroolijklieid, de vlijt, de bescheidenlieid en vroomheid, welke Lodewijk vroeger tot den lieveling van allen gemaakt hadden. Intusschen had hij dikwijls hevige gewetenswroegingen te verduren en deed hij menigmaal geweldige inspanningen, om zijne ketenen af te schudden ; maar dan kwam de slechte vriend, en alle goede voornemens waren weder vergeten. Twee jaren gingen zoo voorbij, jaren der treurigste slavernij van een anders zoo edel hart onder de dwingelandij van een vernederenden hartstocht. Toen werd eens voor alle leerlingen der inrichting, waartoe Lodewijk behoorde, eene retraite gegeven. De genade sprak zoo krachtig tot zijn hart, en zijn verlangen om de vroegere vrijheid weder terug te winnen, was zoo oprecht, zijne inspanningen waren zoo

ocr page 51

45

grootmoedig, dat, gedurende de dagen der geestelijke oefeuiugeu en de geheele daaropvolgende maand, de duivel steeds overwonnen werd. Hoe beter ik zijne vroegere ellende kende, des te oprechter verheugde ik mij thans met hem over den triomf der genade. Maar ach, er zouden nog treurige, slechte dagen komen. Te zeer op zijne herwonnen kracht vertrouwend, was Lodewijk weldra er minder zorgvuldig op bedacht, zijn herkregen kleinood niet opnieuw te verliezen; hij nam niet meer zoo dikwijls zijne toevlucht tot God, en zie, een verootmoedigende terugval leverde hem weder over aan de macht van zijn vijand. Deze nederlaag ontmoedigde hem dermate, dat van toen af, een geheele maand lang, de hel zich dagelijks op nieuwe overwinningen op hem kon beroemen. Toen ik hem terugzag, verried mij zijn voorkomen den treurigen toestand zijner ziel. Ik vond hem alleen in een afgelegen hoek van 't huis, en, zooals hij mij later bekende, was hij juist bezig met een

ocr page 52

46

plan te beramen, hoe hij uit het gesticht kon ontvluchten, om zich in den vreemde te begeven en daar een ongebonden leven te leiden. Zoo ver was het met hem gekomen, toen ik hem het voorstel deed, dat hij eens zon beginnen met eiken morgen en avond vóór zijn bed geknield een „Ave Mariaquot; te bidden met het gebed „O mijne Meesteresquot;, en dan, om zich voor God te vernederen, den grond te kussen. De hoop daalde weer neder in het hart van den ongelukkigen knaap: denzelfden dag nog klaagde hij zich in de Biecht van zijne zonden aan en verrichtte van dien avond af de drie godvruchtige oefeningen, welke Pater Zucchi placht aan te raden. Zoo dikwijls over dag of 's nachts de bekoring kwam, herhaalde hij altijd weder het schietgebedje, dat aan het grootere gebed is toegevoegd. Twee- of driemaal verzuimde hij het, in het gevaar zijne toevlucht tot Maria te nemen, en evenzoo dikwijls bracht een vernieuwde terugval in de zonde hem tot liet bewustzijn, dat zijne

ocr page 53

47

geheele sterkte iu de hulp van Maria berustte. Hij heeft deze leeriug- ter harte genomen en thans is hij van zijn vroegere slechte gewoonte bevrijd, hij heeft zijne onschuld terug erlangd en met-haar alle voorrechten, welke haar vergezellen. Tegenwoordig, terwijl ik deze regels schrijf (omtrent het jaar 1860), is hij lid van een genootschap, dat zich aan de opvoeding der jeugd toewijdt. „Hoe ongelukkig ben ik toch eens geweest,quot; zeide hij mij, ..en welk een schat heb ik verloren ! Maar van nu af wil ik mij geheel aan het beroep wijden, anderen voor het ongeluk te bewaren, waartoe ik zelf gekomen was, en God zal mij, als het Hem behaagt, mijn vroeger geluk volkomen terugschenken.quot;

2. In hetzelfde huis bemerkte ik eenen jongeling van ongeveer zestien jaren, met name Paul...... die door zijne bescheidenheid, zijne ongekunstelde en onveranderde vroolijkheid, alsook door zijne voorbeeldige nauwkeurigheid voor al zijne medeleerlingen als een schitterend voorbeeld

ocr page 54

48

gold. Alles aan hem ademde reinheid, eii als men zijn van onschuld stralend g-elaat beschouwde, kwam men tot het besluit, dat deze reine ziel nooit door de zonde was besmet geworden. Eens viel bij eene onderrichting, waartoe alle leerlingen zich verzameld hadden, het gesprek op de verschrikkelijke verantwoordelijkheid, welke de ergernisgever, die voor zijne medebroeders een verleider wordt, op zijn hoofd laadt. Eenigen tijd daarna kwam Paul met tranen in de oogen tot mij en openbaarde mij den grooten gewetensangst, welken die voordracht in hem had opgewekt. Nadat ik hem gerustgesteld had, vertelde hij mij zijnen levensloop als volgt:

„Tot mijn twaalfde levensjaar was ik heel braaf; ik was nog bij mijne moeder op het land. Korten tijd voordat ik hier kwam, verleidde mij een ietwat oudere knaap, met wien ik eens samen op het veld was, tot een zware zonde, en van toen af gevoelde ik mij niet meer gelukkig. Maar wat mijn grootste ongeluk

ocr page 55

49

was. ik begiiig' zelf de groote boosheid, twee andere kinderen van mijne Jaren tot zonde te verleiden. Toen ik in dit huis kwam, viel ik volgens gewoonte ia groote zonde en meende zelfs, dat ik mij niet meer kon beteren. Toch schaamde ik mij nog steeds over mijnen toestand. Ik bespeurde, dat onder de leerlingen eenigen zich bijzonder onderscheidden door hunne vroomheid en hunne vlijt; dat waren de congreganisten, en weldra ontwaakte in mij het verlangen, ook zoo te worden als zij. Men hield mij voor beter dan ik was, en spoorde mij aan. tot de congregatie toe te treden. Omtrent dezen tijd gebeurde het, dat ik eens een gebed onder oogen kreeg, dat met de woorden begint: „O mijne Meesteres, o mijne Moeder!quot; — ik las het en ook de daarbij gevoegde verhalen.

Ik begon het dagelijks te bidden, sprak eene goede Biecht, en van toen af schaamde ik mij veel meer over de zonden, die ik bedreef en viel voortaan maar zeer zelden. Vervolgens kwam de eerste H. Communie; hSlserum.

ocr page 56

50

ik was reeds volkomen genezen en werd congreganist. Ik dacht dikwijls aan de beide kinderen, die ik tot zonde verleid had, en bad voor hen; maar nu eerst zie ik zoo recht duidelijk, welk een groot onheil ik heb aangericht.quot;

Toen vroeg ik Paul, of de vroegere bekoringen nog dikwijls terugkwamen. „O ja, Vader, gaf hij ten antwoord, en ook een zekere treurigheid overvalt mij dikwijls; maar dan zeg ik het schietgebedje, ik lach of zing iets, en de duivel neemt de vlucht.quot;

Het is eveneens Pauls voornemen, de wereld vaarwel te 'zeggen en zich aan de opvoeding der jeugd te wijden, om, zooals hij zegt, dan meer zielen te kunnen redden, dan hij er vroeger in 't verderf gestort heeft.

3. In een ander instituut bevond zich voor eenige jaren een jongeling van ongeveer zestien jaren. Karei____genaamd,

wiens voortdurende neerslachtigheid zijne professoren bezorgd begon te maken. Aan de spelen der anderen nam hij slechts

ocr page 57

51

nu en dan, als het hem precies inviel, deel, deed echter altijd maar eenige oogeu-blikken met een zekere gejaagdheid mee en verliet dan weldra weder zijne makkers, om zich opnieuw aan zijne terughoudendheid over te geven. Zijn onzekere blik, zijn gedwongen lach, de verlegenheid, waarin hij geraakte, zoo dikwijls zijne onderwijzers hem aanspraken, al deze kenteekenen waren voldoende geweest, om de verdenking, die bij hen opkwam, volkomen te rechtvaardigen ; toch waagden zij het niet, daaraan toe te geven, want Karei stond bij zijne kameraden in hooge achting en naderde dikwijls tot de H.H. Sacramenten.

Intusschen was een hooge feestdag aangebroken ; alle leerlingen verschenen aan de Tafel des Heeren; 's avonds hadden de professoren zich juist tot een gemeenschappelijke ontspanning vereenigd en wenschten elkander geluk met den schoonen afloop van het feest, toen men éénen hunner meldde, dat iemand hem wenschte te spreken. — Maar wij zullen hem zeiven laten vertellen.

ocr page 58

- ~

52

„Op deu drempel dor spreekkamer zag d ik den bezoeker staan; de duisternis belette mij echtèr te erkennen, wie hij was. o Daarom vroeg ik: „Wie is daar ?quot; — z Eene zachte bevende stem antwoordde:

i,Kareiquot;. — „Wat is er toch buitenge- i

woons voorgevallen, dat gij mij nog zoo j

laat opzoekt!quot; — „Vader, ik ben zeer i

ongelukkig.quot; — Ik vreesde, dat er een i

ongeluk in zijne familie gebeurd was. — i

„Is dan iemand te huis ziek geworden ? — 1:

of is iemand gestorven ?quot; „Ach, Vader, ■/

het is iets veel ergers.quot; — Toen out- s

waakten in mij al die sombere vermoe- r

dens, die ik zoo dikwijls uit mijne ge- a

dachten had trachten te verbannen. Ik \

bracht deu armen jongen naar de speel- 1.

plaats; hij beefde, en zijn bleek gelaat, s

dat ik nu eerst nauwkeuriger kon zien, i

alsook zijn onrustig ademhalen verrieden c

do angsten zijner ziel. — „Kareiquot;, sprak c

ik tot hem, gij hebt gift in 't hart, daar- ^

voor is maar één middel, het moet er uit. c

Gij begrijpt mij ; zal ik u eenen biecht- i

vader roepen ?quot; — „Nog niet.-' — Welnu, r

ocr page 59

53

dan zeg- mij, wat u zoo treurig maakt.quot;

— Sedert drie jaren stapel ik sacrilegie op sacrilegie.quot; — Gij vergist n, mijn zoon, dat is overdreven angstvalligheid.quot;

— Ach, het is helaas maar al te waar ; ik wil u nu alles zeggen. — Vóór drie jaren bedreef ik eene groote zonde, en ik schaamde mij daarover zoo zeer, dat ik ze in de naaste Biecht verzweeg ; toen Ik alsdan de absolutie zon ontvangen, liad ik den moed niet. alsnog de verzwegen zonde te belijden; desniettegenstaande ging ik toch tot de Communie; maar van dien dag af was ik overal en altijd treurig; niets was in staat, mij vreugde te verschaffen, en om de kleinste kleinigheid kon ik woedend worden. Wel ging ik nog biechten en communiceeren, maar steeds verzweeg ik die zoude en ook de andere, die ik in 't vervolg bedreef. Allengs werd ik als een duivel, ik ging biechten, zouder mijn geweten te onderzoeken en biechtte, wat mij zoo maar in 't hoofd kwam. Ook ging ik regelmatig tot de Communie, maar ik

ocr page 60

54

was daarbij altijd vol vrees, dat God mij

zou straffen. -— Toen de Pater____kwam,

om ons de retraite te geven, maakte ik het besluit, mijne zonden te belijden; maar toen het beslissende oogenblik gekomen was, verzweeg ik ze nogmaals. Den laatsten keer had ik mij weder vast voorgenomen, den Pater____ alles te bekennen, toen hij wéér hier was om de godvruchtige oefeningen met ons te houden ; maar de booze vijand hield mij vast. eu ik heb het weder verzwegen. Gisterenavond ging ik biechten zonder mijn geweten te onderzoeken, doch ik had meer angst dan gewoonlijk; toen ik dezen morgen naar de Communiebank ging, sidderde ik van vrees, dat Gods toorn mij zou treffen, en toen ik de H. Hostie ontving, kwam het mij voor, alsof een zwaard mijne borst doorboorde. Den gan-schen dag diende ik mij zeiven tot last, aanhoudend vol droefenis en onrust; het hinderde mij geweldig, de anderen zoo vroo-lijk te zien. Om mij te verstrooien heb ik veel gegeten, maar ik bleef steeds even

ocr page 61

treurig. Dezen avond, bij het vallen der duisternis kon ik het van onrust en mismoedigheid niet meer in huis uithouden; daarom ging ik alleen tot buiten de stad, maar het was mij steeds, alsof de duivel aan mijne zijde was en mij naar de steile helling voerde, die zich naast den straatweg bevindt. Toen voelde ik plotseling het verlangen in mij opkomen, u op te zoeken.quot;

Terwijl Karei dit verhaalde, sidderde hij aanhoudend en kon nauwelijks adem halen. Ik spoorde hem aan, met mij Gods grenzelooze barmhartigheid te bewonderen, die hem zoo vriendelijk terugriep op denzelfden dag, waarop hij Hem zoo zwaar beleedigd had; daarna geleidde ik hem naar de kapel vóór een beeld der allerheiligste Maagd. Toen wij hier samen het „Wees gegroet, Mariaquot; baden, begon Karei te snikken en luid te weenen. Zoo liet ik hem vóór het beeld op de knieën liggend, alleen. Eenige minuten later hoorde een priester, die hem niet kende, zijne biecht en Karei

ocr page 62

56

verliet van vreugde weeiieud den biechtstoel. „Ik liet alles gezegd! Ik heb alles gezegd! Hoe barmhartig is toch de goede Grod !quot; — Twee dagen later herstelde hij door eene godvruchtige Communie zijne vroegere heiligschennissen en begon een nieuw leven. Gedurende de drie maanden, die het schooljaar nog duurde, knielde Karei iederen avond op hetzelfde uur vóór het Mariabeeld, en dankte deze goedertierene Moeder voor de genade zijner bekeering, die zij voor hem had afgesmeekt. Hij was geheel veranderd, en door zijn goed gedrag verdiende hij weldra eene eereplaats onder de beste leerlingen der inrichting.

Vurig wenschte ik, het geheim van dezen wonderbaren terugkeer tot het leven der genade te leeren kennen. Ik vroeg dus onzen Karei : „Wat deedt gij dan voor den goeden God vóór uwe gelukkige bekeering?quot; — „Niets, ik deed niets anders dan zondigen.quot;' — „Maar gij hebt toch tenminste uwe gebeden nog

ocr page 63

57

verricht ?quot; — Men dwong mij daartoe, maar ik ging, zoo gauw ik kon, weder weg en dacht daarbij aan andere dingen.quot; — „Gij woondet tocli iederen morgen de Mis in 't College bij ?quot; -„ Wel zeker, maar zonder ooit daaronder te bidden ; of ik las in den kalender en telde de dagen, die ons nog van de va-cantie of van het einde des jaars scheidden. óf ik ontwierp allerlei slechte plannen.quot; — Waaraan dacht gij dan onder

de preek ?quot; ..... „Ik was boos op den

prediker, wijl zijne woorden mij verontrustten, en poogde mij met geweld te verstrooien.quot; — „Hoe, gij hebt aldus ook niet eens de allerheiligste Maagd van harte aangeroepen?quot; — „Ja toch, dat deed ik nog, maar dat was ook het eenige. Vóór eenigen tijd had men mij het gebed „O mijne Meesteresquot; gegeven, en dit heb ik sedert dien tijd alle dagen gebeden.quot;

Deze weinige voorbeelden bewijzen genoegzaam, welk een zegen ook in onzen tijd nog op het volbrengen der door

ocr page 64

58

P. Zucclii aanbevolen godvruchtige oefening rust, zoodat ze zonder overdrijving eene wonderkuur kan genoemd worden. Mochten toch alle jongelingen, die in hun ongeluk gelijken op hen, van welke wij in bovenstaande voorbeelden verhaald hebben, hen nu ook navolgen in een vertrouwvol gebruik van dit even gemakkelijk als krachtig geneesmiddel, waaraan dezen hunne redding te danken hadden. Mochten alle vrienden en zielzorgers der jeugd de woorden behartigen, die reeds in 1846 een vroom en verlicht priester van Napels tot een Pie-monteeschen Bisschop richtte : ..Sedert vijf jaren,quot; zoo schreef hij, brengt de ondergeteekende eene bijzondere godvruchtige oefening ter eere der allerheiligste Maagd in toepassing. Ik vond die bij den geschiedschrijver Bartoli. Ik ben niet in staat, Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid met woorden te zeggen, hoevele en groote gunsten ik door dezen kleinen dienst, dien ik aan de eer van Maria bewezen heb, van haar heb out-

ocr page 65

59

vangen. Ik wend mij derhalve tot U, Doorluchtige Hoogwaardigheid, met de innige bede, aan deu herdruk van dit gebed Uwe goedkeuring te willen hechten en Uwen invloed tot diens verspreiding ouder de jonge lieden te willen aanwenden, daar het juist hun geestelijk welzijn in 't bijzonder beoogt. Met vertrouwen durf ik de overtuiging uit te spreken, dat Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid weldra de buitengewone gevolgen der genoemde godvruchtige oefening zelf zal ondervinden.quot;

III.

Gebruiksaanwijzing van het Geneesmiddel.

Ook het krachtigste geneesmiddel kan zonder uitwerking blijven, als het niet op de juiste manier aangewend wordt. Daarom zullen wij hier eenige korte

ocr page 66

58

P. Zncclii aanbevolen godvruchtige oefening rust, zoodat ze zonder overdrijving eene wonderkuur kan genoemd worden. Mochten toch alle jongelingen, die in hun ongeluk gelijken op hen, van welke wij in bovenstaande voorbeelden verhaald hebben, hen nu ook navolgen in een vertrouwvol gebruik van dit even gemakkelijk als krachtig geneesmiddel, waaraan dezen hunne redding te danken hadden. Mochten alle vrienden en zielzorgers der jeugd de woorden behartigen, die reeds in 1846 een vroom en verlicht pi'iester van Napels tot een Pië-monteeschen Bisschop richtte ; „Sedert vijf jaren,quot; zoo schreef hij, brengt de ondergeteekende eene bijzondere godvruchtige oefening ter eere der allerheiligste Maagd in toepassing. Ik vond die bij den geschiedschrijver Bartoli. Ik ben niet in staat, Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid met woorden te zeggen, hoevele en groote gunsten ik door dezen kleinen dienst, dien ik aan de eer van Maria bewezen heb, van haar heb ont-

ocr page 67

59

vangen. Ik wend mij derhalve tot U, Doorluchtige Hoogwaardigheid, met de innige bede, aan den herdruk van dit gebed Uwe goedkeuring te willen hechten en Uwen invloed tot diens verspreiding onder de jonge lieden te willen aanwenden, daar het juist hun geestelijk welzijn in :t bijzonder beoogt. Met vertrouwen durf ik de overtuiging uit te spreken, dat Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid weldra de buitengewone gevolgen der genoemde godvruchtige oefening zelf zal ondervinden.quot;

III.

Gebruiksaanwijzing van het Geneesmiddel.

Ook het krachtigste geneesmiddel kan zonder uitwerking blijven, als liet niet op de juiste manier aangewend wordt. Daarom zullen wij hier eenige korte

ocr page 68

GO

wenken voor 't gebruik dezer artsenij bijvoegen.

Vóór alles moet gij, Christelijke jongeling. een levendig geloof in u opwekken. Het geneesmiddel, dat P. Zncclii u aanraadt, is immers een gebed, d. i. een smeeken, een hulpkreet naar de onzichtbare wereld, waarop het bovennatuurlijk geloof ons heenwijst. Gij moet dus doordrongen zijn van de overtuiging, dat gij de bovennatuurlijke hulp noodig hebt en dat alle natuurlijke middelen alleen niet in staat zijn, u voor de verderfelijkste kwaal uwer jeugd te bewaren en nog minder, u daarvan te genezen. Voorzeker moet gij ook die natuurlijke middelen gebruiken, b.v. aanhoudende nuttige bezigheid van den geest, verharding des lichaams, verstandig diëet, matigheid in 't genot van geestrijke dranken, onderhouding der zindelijkheid, regelmatige beweging in versehe lucht enz., maar vooral moet gij uwe toevlucht nemen tot het middel, welks dringende noodzakelijkheid reeds de wijze

ocr page 69

61

Salomon erkende en met de volgende woorden betuigde : „Daar ik wist, dat ik mij anders niet onthouden kon, zonder dat God mij daartoe de genade verleende, wendde ik mij tot den Heer en bad Hem er om,quot;' (Wijsh. 8, 21). Ja, in zekeren zin is het waar, wat vele lichtzinnige jongelingen zeggen, om zich te verontschuldigen, dat geen mensch eeu zuiver leven kan leiden; het is waar, in zooverre het den van zijne jeugd af tot de zonde geneigden mensch onmogelijk is, op den duur liet goddelijk gebod der kuischheid te onderhouden en de zware bekoringen tegen deze deugd te overwinnen, indien God hem niet met zijne genade te hulp komt. Dit zegt u uw heilig geloof; maar hetzelfde geloof, dat u over uw eigen onvermogen en over de noodzakelijkheid der goddelijke hulp onderricht, verzekert u ook, dat gij alles vermoogt in Hem, die u sterkt in den strijd tegen de zonde en die u de overwinning schenkt over alle iu- en uitwendige vijanden, welke n in 't verderf willen

ocr page 70

62

ca

storten. „God ontzegt de gave der kuiscli-heid niet aan hen, die Hem op de rechte wijze daarom biddenquot;, zoo leert ous de Kerkvergadering van Trente (243te zitting). Hoe zou ook God niet bereid zijn, ons de hulp te verleenen, die wij noodzakelijk behoeven, om zijn heilig gebod te onderhouden ? „Neen, God gebiedt niet iets onmogelijksquot;, zoo roept u, Christelijke jongeling, de H. Augustinus toe, „maar waar Hij gebiedt, vermaant Hij li, dat te doen, wat gij kunt en om dat te vragen, wat gij niet kunt.'' Zeg aldus niet langer: „Ik kan mij niet uit de zondige gewoonte verheffen, ik kan aan de hevige bekoringen niet weerstaanquot;, maar begin eindelijk God te bidden, dat Hij u de kracht moge schenken, die gij noodig hebt. Slechts dit ééne verlangt God van u, dat gij door een ootmoedig gebed, een gebed vol vertrouwen, uwe zwakheid en Gods macht en goedheid erkent en zoo zijner genade waardig wordt, die Hij slechts den nederigen geeft, maar den hoogmoedigen weigert. Hij zelf geeft u

ocr page 71

63

de verzekering : „Roep Mij aan, en Ik zal u reddenquot; (Ps. 49, 15), en door zijnen Zoon verzekert Hij liet u met eenen eed: „Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u, wat gij den Vader in mijnen Naam zult vragen, zal Hij u geven (Joan. 16, 23). Wie zou nu nog kunnen vreezen, bedrogen te wordenquot;, zegt de H. Augustinus bij de verklaring dezer plaats, „waar de Waarheid zelf zulk eene belofte doet ?quot;

„Maar liet gebed van Pater Zncchi is immers niet tot God gericht, maar tot Mariaquot;, zou iemand kunnen tegenwerpen. Het is waar, het geheele geneesmiddel, dat men u, Christelijke jongeling, als zoo buitengewoon krachtdadig aanprijst, bestaat in eenen groet aan Maria, in eene toewijding aan Maria en in een verzoek aan Maria. En juist daarin ligt zijne kracht. Die geneesheer zal zeker de beste resultaten verkrijgen, die zich in de toepassing zijner geneesmethode het best weet te voegen naar de orde, waaraan de Schepper der natuur zelf in het behoud en de genezing van het

ocr page 72

64

inensclielijk organisme wilde, dat uieu zich zou lioudeii.

En daarom werd de oefening', die P. Zucclii tot heil der zielen aanwendde, met den besten uitslag bekroond, dewijl hij zich daarin nauwkeurig hield aan de orde, die God zelf heeft ingesteld. „Zoo was het C-fods plan, dat Maria, evenals zij bij de vervulling van het geheim der Verlossing als middelares gediend had, zoo ook als eene bemiddelende uitdeelster der genaden zou werkzaam zijn, welke dat geheim voor alle tijden heeft doen stroomen, en dat zij zich daarbij over eene haast onbeperkte macht zou verheugen.quot; (Leo XIII in de encycliek van October 1895.) Paus Leo XIII is niet de eerste Paus, die deze leer heeft verkondigd ; vóór hem had Benedictus XIV geheel dezelfde woorden in zijne bul „G-loriosae Dominaequot;' neergeschreven : „Maria is als het ware het liemelsche kanaal, waardoor den ongelukkigen harten der menschen de wateren aller genaden en gaven toestroomen.quot; En dat deze leer

ocr page 73

65

geen nieuwe in de Kerk was, zien wij nit de woorden, welke zes eeuwen vroeger de laatste der Kerkvaders, de H. Ber-nardus heeft gesproken : „Gij waart bang, u tot God den Vader te wenden, daarom heeft Hij u Jezus als middelaar gegeven, maar misschien hebt gij ook voor Dezen nog eenige vrees, omdat gij in Hem de goddelijke Majesteit ducht, dewijl Hij, ofschoon mensch geworden, toch God gebleven is. Wilt gij dus naast Hem nog eenen middelaar hebben ? Welnu, dan wend u tot Maria. Laten wij Maria met alle innigheid, met alle godsvrucht vereeren, want zulks is de wil van Den-gene, die ons door Maria alles wilde mededeelen.quot; (Uit de redevoering op het feest van Maria-Geboorte.) Evenzoo bepaald drukte reeds in de zevende eeuw de H. Germanus, Patriarch van Constan-tinopel, dezelfde gedachte uit, daar hij in eene preek t^r eere van Maria haar met de volgende woorden aanspreekt: „Niemand ontvangt eene gave dan door U, o geheel Zuivere — niemand barm-Heilserüm. 5

ocr page 74

66

hartigheid en genade dan door U, o geheel Eerwaardige.quot; (Bij Migne XCVIII, 380.)

Erkennen wij niet de lijnen van dit goddelijk plan in 't Evangelie zelve ? Het begin van het werk der Verlossing stelt God afhankelijk van de toestemming der uitverkoren Maagd, die Hij door zijnen hemelschen Bode groet als vol van genade en die Hij laat vragen, of zij de Moeder des Allerhoogsten wil worden. En ook bij de volbrenging van het offer der Verlossing mag Maria niet ontbreken ; als de tweede Eva moet zij meewerken tot het offer van gehoorzaamheid, dat de tweede Adam, haar goddelijke Zoon opdraagt voor het heil van alle menschen; daarom staat Maria naast het Kruis, en ontvangt van den stervenden Heiland de opdracht, de moeder van alle verlosten te zijn, en de genaden uit te deelen, die Christus alleen door zijnen Dood ons kon verwerven, maar die hij in de milde handen zijner Moeder wilde leggen, opdat wij met des te grooter vertrouwen

ocr page 75

67

tot den troon van genade en barmhartigheid mochten naderen, om hulp in al onze nooden te erlangen. En zoo verzamelen zich de Discipelen des Heeren om Maria, en blijven met haar na de Hemelvaart van Christus in de zaal van het laatste Avondmaal; Maria is de Moeder der jonge Kerk, zij zal dit blijven ook na de Nederdaling des H. Geestes, ja dan vooral; zooals zij eens, de aansporing des H. Geestes volgend, ijlings over het gebergte ging, om den Voorlooper van het menschgeworden Woord, door het woord van haren groet de genade der heiliging te bemiddelen, zoo zal zij van nu af nooit ophouden, allen armen zondaars, die haar aanroepen, vergiffenis en genezing te brengen. En „verheven in den Hemel tot haren Zoonquot;, hield zij niet op „over de Kerk te waken, ons bij te staan en als eene moeder te beschermenquot;. (Leo Xin in de boven aangehaalde encycliek.) Zoo volg ook gij, Christelijke jongeling, de aansporing des H. Geestes, en vereer Maria met den

ocr page 76

68

groet, waarmede God zelf haar door den Engel gegroet heeft, opdat gij dien eens met de Engelen brengen kunt aan de Koningin van Hemel en aarde; wijd u toe aan deze Koningin, aan welke Gods Zoon zelf onderdanig heeft willen zijn, opdat zij over u heersche en u bescher-me als haar eigendom tegen de vervolgingen der slang, die zij den kop heeft verpletterd; richt uwe bede tot haar, die God zelf tot uitdeelster al zijner genaden gemaakt heeft, en daar' gij n onwaardig voelt, tot Hem te naderen, voor wien Hemel en aarde niet rein zijn, bid om de voorspraak van haar, welke van 't b?giu af geheel rein was en welke, alleen van alle zonde en van alle neiging tot zonde vrij, waardig bevonden werd, de Moeder van onzen God en Verlosser te zijn. „Zeker zal de Zoon dan de Moeder verhoorenquot; (H. Bernardus.) en u op hare voorspraak van de ketenen der zonde verlossen.

2. Gebruik dit geneesmiddel verder met een heiligen ernst, en niet slechts

ocr page 77

69

voor den schijn, oppervlakkig en haastig. Indien een nachtelijk reiziger verdwaalt en in den alles meesleependen stroom stort, wat schalt dan zijn hulpkreet luid door de stilte van den nacht, waarachtig het is hem ernstig gemeend, dat men hem hooren en redden zal. En gij, Christelijke jongeling, zijt misschien al ver, ver in den stroom geraakt, die er reeds talloozen heeft meegesleept in den eeuwigen afgrond, en ook u sleept hij mee, steeds sneller en geweldiger, niettegenstaande uw tegenstreven; hoe lang zal het nog duren, eer ook gij voor altijd daarin nederstort! Dat wilt gij niet, o, dan stuur van ganscher harte dit ééne gebed omhoog naar de Koningin des Hemels, naar uwe Moeder Maria. Bedenk, als gij 's avonds, vóór gij u ter rust begeeft, dit gebed verricht, vooraf gedurende eenige oogenblikken, hoe in zoo menige ziekenzalen op hetzelfde uur de ongelukkige slachtoffers dezer ondeugd op de met vloek beladen lijdenssponde hunne zondige uitspattingen moeten

ocr page 78

70

boeten; bedenk, hoeveel anderen deze nacht er iu krankzinnigengesticht aantreft, wijl deze ondeugd, die aan de hersenen de edelste sappen onttrekt, hun ten laatste het licht der rede uitgedoofd heeft; bedenk, hoevelen er dezen nacht zullen overgaan in de eeuwigheid, om aan zich zeiven de onfeilbare waarheid van het woord des Apostels te ondervinden: „De on-kuischaards zullen het Eijk Gods niet bezittenquot;; bedenk, hoe talloos vele zielen dezen nacht moeten doorbrengen in de ontzettende pijnen der hel, omdat zij zich en het lichaam, dat reeds lang in het graf eene spijs der wormen is geworden, geschandvlekt hebben door het lage zondige genot. Hoe denken zij thans over den kortstondigen lust, die hun eene eindelooze pijn heeft veroorzaakt ? En wat zou uwe ziel denken, beminde jongeling, als zij in dezen nacht voor Gods rechterstoel moest verschijnen? Of is het geheel onmogelijk, dat men morgen uw lichaam dood in 't bed vindt? Het zal dan wel is waar nog eens verrijzen,

ocr page 79

maar hoe, als het dan het teeken des diers op het voorhoofd droeg' en zijne eeuwige woning zou zijn „de poel, die van vuur en zwavel brandt?quot; (Geh. Openb. 21,8.) Bedenk, mijn waarde, hoe deze zonde een slang is, die hare offers altijd vaster omkronkelt. al hunne kracht tot wederstand verlamt, hen naar ziel en lichaam vergiftigt en doodt. Hoe velen, die in hunne ieugd met haar speelden, hebben zich, toen zij den mannelijken leeftijd bereikt hadden, toen zij grijsaards geworden waren, niet meer tegen haar kunnen verzetten, en zijn met hunne zonden in het stof des grafs gaan slapen. De H. Thomas van Aquino zegt daarom, dat de booze geest zich het meest verheugt, als het hem gelukt is, een jeugdige ziel in deze zonde te storten, juist dewijl het zoo moeilijk valt. zich daarvan weder te bevrijden. Maar ook aangenomen, dat gij bepaald wist, Christelijke jongeling, dat het u nog bij tijds gelukken zou, vóór den dood geheel met de zondige gewoonte te breken, zoudt

ocr page 80

72

gij liet van u kunnen verkrijgen, altoos weder dat te doen, wat uwen Zaligmaker den smaad en de smart der geesel-zuil heeft veroorzaakt en wat zijn on-sclmldig, verbrijzeld Lichaam op het harde sterfbed des Kruises heeft geworpen ? Stel u eiken avond deze vraag, alvorens gij n ter ruste nederlegt, beschouw het crucifix, dat immers aan het hoofdeinde van uw bed hangt, met oplettendheid, stel u de Moeder der Smarten voor en verneem uit haren mond de vraag: „Hoe, mijn kind, zoudt gij mij opnieuw het zwaard van smart en droefheid in het hart kunnen stooteu?quot; Zeer zeker, als gij deze overwegingen doet, zult gij uwe godvruchtige oefening ernstig verrichten. Doe het iederen avond en iederen morgen zóó, alsof het de laatste maal ware. Denk ook over dag of als gij des nachts ontwaakt, dat gij u geheel aan Maria hebt toegewijd. Gij hebt uwe oogen aan Maria toegewijd —- hoe zoudt gij ze met behagen kunnen laten rusten op een voorwerp of op een beeld, waarvan reine

ocr page 81

73

oogen zich onmiddellijk met afschuw afwenden ? Hoe zoudt gij ze kunnen weiden over iets, dat de zinnelijkheid opwekt en bekoort? Hoe zoudt gij een boek kunnen lezen, dat die zonde aanprijst of verontschuldigt, welke de onbevlekte Maagd boven alles verafschuwt ? — Gij hebt uwe ooren aan Maria toegewijd, en gij zoudt vrijwillig dien scherts, die dubbelzinnigheden, die gemeenheden kunnen aanhooren. die onder Christenen nooit ter sprake moesten komen? Gij zoudt u altijd weer opnieuw in gezelschappen kunnen begeven, waarin zulke vuiligheden het gesprek moeten kruiden ? — Als gij uwen mond ernstig aan Maria toewijdt, durft gij hem dan nog ooit openen tot te vrije, onzuivere of verleidelijke woorden ? — Gij schenkt aan Maria uw hart, laat het dus nooit door zinnelijke, gevaarlijke of onreine gedachten en neigingen ontheiligen, duld dus in dit hart geene vrijwillige aanhankelijkheid, geene liefde, die zich niet met de liefde der allerheiligste Maagd, de

ocr page 82

74

Moeder der reiue liefde, verdraagt. — Gij offert u geheel aan Maria op met lijf en ziel, met alle zinnen en krachten, bedenk toch, Christelijke jongeling, wat gij daarmee doet, eu nooit ofte nimmer zult gij uwe handen uitsteken tot een gevaarlijk spel, tot ongeoorloofde vrijheden, tot schandelijke werken der zonde, hetzij gij alleen of bij anderen zijt, nooit zult gij uw lichaam, dat gij aan Maria, de Moeder van uw gegeeseldeu, gekruisigden Heiland, hebt toegewijd, in den dienst der zonde stellen, die het merkteeken der schande en der verdierlijking inprent; gij zult het veeleer altijd en overal iu elke beweging, in elk gebaar heilig en iu eere houden bij de gedachte aan deu alomtegenwoordige!! God, wiens heiligdom het is, en van de allerzuiverste Moeder Gods, die gij u zelf tot behoedster en beschermster van dit heiligdom hebt uitverkoren. Zie, zoo zal de toewijding aan Maria, indien gij ze telkens met een oprechten ernst verricht, op al uw denken, spreken en haudelen den stempel van

ocr page 83

75

reinheid drukken, zoo zult gij, aan de vermaning des Apostels beantwoordend, (Rom. 12, 1.) uw lichaam als een levend, heilig, Gode behaaglijk offer door de handen van Maria aan haren goddelijken Zoon opdragen, die uit liefde tot u, zijn Lichaam aan 't Kruis heeft opgeofferd en het nog dagelijks op het altaar offert. Zoo zult gij strijden als een goed soldaat van Christus, want in de bekoringen, die u wellicht met hernieuwde hevigheid, vooral in 't begin van dit nieuwe leven, zullen aanvallen, znlt gij dadelijk weder naar uw zegevierend wapen grijpen, uwe toewijding aan Maria herhalen met de korte aanroeping: „O mijne Meesteres, o mijne Moeder, gedenk, dat ik de uwe ben; bewaar en verdedig mij als uw goed, als uw eigendomquot;, en alle pijlen van den vijand zullen afschampen op dit ondoordringbaar schild. Laat u dus nooit in verwarring brengen, hoe schandelijk ook de gedachte moge zijn, die zich plotseling aan uwe ziel opdringt, hoe afschuwelijk ook de gesprekken mogen zijn.

ocr page 84

76

die gij moet aanhooren, hoe fel ook een handlanger van den Satan u moge vervolgen of eene lokkende slang u moge vleien, blijf rustig, maar verhef onmiddellijk uw hart tot uwe hemelsclie Koningin en Moeder, roep uit het diepste uwer ziel tot haar om hulp, en de geheele hel zal niets tegen u kunnen vermogen ; maar aan ééne zaak moet gij denken: begeef u nooit zeiven zonder noodzakelijkheid in gevaar, en wordt gij zonder uwe schuld door een bekoring verrast, dan neem toch dadelijk, op het eerste oogen-blik, dat gij ze gewaar wordt, uwe toevlucht tot Maria. Doet gij dat, dan hebt gij den brand in de kiem gesmoord, maar verzuimt gij het, zoo groeit uit de vonk een geweldig vuur, dat gij niet meer in staat zijt te blusschen.

„Wilt gij,quot; zoo spreekt de H. Hiero-nymus, „een slang den toegang tot een opening verhinderen, dan moet gij haren kop daarvan verwijderd houden, want waar zij met den kop doorkomt, daar volgt het overige lichaam als het ware

ocr page 85

77

van zelf; zoo ook moet gij om den on-kuisclien bekoorder den toegang tot uw hart te beletten, aan zijne eerste bekoringen weerstaan.quot; Zie, Christelijke jongeling, zoo moet gij het geneesmiddel gebruiken met ernst.

3. Maar gebruik het ook met vertrouwen, met een onwrikbaar vertrouwen. Zijt gij nog rein. Christelijke jongeling, dan zijt gij immers een lievelingskind van Maria, zij wil u zeker uwe zuiver-- heid helpen bewaren, daar zij de zuiverheid boven alles schat en de zonde van onkuischheid zoo zeer haat, omdat deze haar goddelijk Kind zoo zeer verminkt en verscheurd heeft. Ja zeker, zij zal u beschermen tegen dit wreedaardig dier, dat ook u zal aanvallen, om uwe ziel te vermoorden, ijl dus eiken dag en bijzonder in elke bekoring met een kinderlijk vertrouwen tot Maria. Zijt gij echter zoo ongelukkig geweest, beminde jongeling, reeds als een offer der zonde te vallen, dan wanhoop niet; gij zijt toch nog een kind van Maria, haar kind der

ocr page 86

78

smarte; zij wil niet, dat gij haar voor altijd ontrukt wordt, en dat gij eens nwen Zaligmaker, haren goddelijken Zoon en haar, uwe Moeder, die zooveel om uwe zonden heeft geleden, vervloekt. Zij is goedertieren en heeft medelijden met iederen ongelukkige. Zij, die van haren Zoon een wonder afgesmeekt heeft, om de bruiloftsgasten van Kana uit eene voorbijgaande verlegenheid te redden, zal u waarlijk hare machtige voorspraak niet onthouden, waar het er op aankomt, u aan het grootste ongeluk te ontrukken, dat eenen armen jongeling kan overkomen. Zij, die destijds, ofschoon door niemand daartoe aangezocht, tot haren Zoon gesproken heeft: „Zij hebben geenen wijn meerquot;, zal toch zeker met een oneindig grooter medelijden naar uwe klachten hooren en ze vóór den troon des Almachtigen brengen. „Ziezal zij zeggen, „dit mijn kind heeft geenen vrede meer, want het heeft zijne onschuld verloren, het zucht in de ketenen der vernederendste.

ocr page 87

79

slavernij.; ik smeek U bij uw Bloed, hetwelk Gij voor deze ziel hebt vergoten, dat gij haar van de zonde zult verlossen; ik smeek ü ook bij al het leed, dat ik voor U, maar ook voor dit mijn kind heb verdragen, wees hem genadig en geef hem de verloren zuiverheid terng.quot; Zoo zal zij voor u bidden, zoo dikwijls gij 's morgens en 's avonds tot haar het gebed omhoog stuurt, dat zij zoo bijzonder gaarne hoort en verhoort, zooals u dat immers de bovenstaande voorbeelden hebben aangetoond. Verlies dit vertrouwen ook dan niet. als gij desniettegenstaande nog meermaals mocht terugvallen, maar sta dadelijk met een oprecht berouw en een spoedige Biecht uit uwen val op en nader opnieuw ootmoedig maar met een kinderlijk vertrouwen tot uwe goedertierene Moeder en Koningin, gelijk een kind, dat gevallen is en zich verwond heeft, zoodra mogelijk naar zijne moeder terugijlt. „Onze Koningin is zoo barmhartig en liefdevol, dat zij, indien een zondaar zich bij haar

ocr page 88

80

aanbeveelt, niet eerst zijne verdiensten onderzoekt en of hij waardig of onwaardig is, door haar verhoord te worden, maar dat zij allen zonder uitzondering verhoort en allen helpt.quot; (Heilige Bern. Serra. in sig. mag.) En de H. Bonaventura spreekt Maria met deze vertrouwvolle en vertrouwen wekkende woorden aan: „O Maria, Gij neemt den zondaar, die dooide geheele wereld veracht wordt, met moederlijke teederheid op, en verlaat hem niet, tot Gij den ongelukkige met zijnen Rechter verzoend hebt.quot; (Spec. Kap. 6.) Zou dus de booze geest er tot nu toe in geslaagd zijn, u moedeloos te maken, u misschien zelfs door valsche schaamte van een oprechte belijdenis uwer u terneerdrukkende schuld af te houden, o mijn lieve jongeling, kind van Maria, luister naar deze woorden der Heiligen, die het goedertieren hart uwer Moeder zoo goed gekend hebben, stel eindelijk ten minste in haar uw vertrouwen en bid dagelijks het gebed „O mijne Meesteres, o mijne Moeder,quot; en zij zal niet rusten, tot zij ook u met

ocr page 89

81

haren Zoon verzoend en u uit uw ongeluk verlost heeft,

4. Maar ook gij moogt niet rusten, Christelijke jongeling; immer en altijd moet gij dit genees- en voorbehoedmiddel gebruiken met een onvermoeid geduld en met volharding. Slechts aan het volhardende gebed is de onfeilbare verhooring verzekerd. Slechts door herhaalde slagen kan de akst den vastgewortelden eik vellen. Hoe langer de zonde over eenen jongeling geheerscht heeft, des te grooter is de macht, die zij over zijne zinnen en bekwaamheden uitoefent; hoe meermalen hij de zoetigheid van den vergiftigen lust der zonde gesmaakt heeft, des te heviger verlangt de bedorven natuur naar dit bedwelmend genot; des te meer geweld en zelfoverwinning kost het dus ook, de heerschappij der zondige gewoonte te vernietigen, den ontnerfden wil weder te stalen en het vleesch weder dienstbaar te maken aan den geest. Gij moet u dus niet verwonderen, als gij de verloren heerschappij over u zeiven niet dadelijk Heilserum. 6

ocr page 90

82

op eenmaal volkomen terugerlang-t. als de lage begeerlijkheid nog meermalen opwelt, Ja zicli soms steigert, om met geweld den lioogeren wil opnieuw te onttronen. Gij moogt, om het nog eens te herhalen, zelfs dan niet u laten verwarren en ontmoedigen, zoo hier en daar de wil in dezen kampstrijd overwonnen werd en in de bekoring toestemde, gij moet integendeel volharden en zelfs na zulk eene nederlaag de wapenen niet nederleggen, maar den oorlog onverbiddelijk voortzetten, tot dat de definitieve overwinning behaald is. Gij moet zoo lang, om tot het oorspronkelijk beeld terug te keeren, altijd weder naar het geneesmiddel grijpen, totdat de ziekte geheel en al is geweken. En zijt gij genezen, dan wordt het geneesmiddel een voorbehoedmiddel, dat gij nog steeds moet gebruiken, om u voor de toekomst te vrijwaren. Volhard dus, vergeet geenen morgen en geenen avond het „Wees gegroet, Mariaquot; en het gebed „O mijne Meesteresquot;; zoodra gij 's morgens op

ocr page 91

83

het bepaalde uur ontwaakt, sta dadelijk op als een soldaat, dien het signaal ten strijde roept, en zoodra gij aangekleed zijt, verricht, zoo mogelijk geknield en vóór een beeld der allerheiligste Maagd, uwe toewijding, en handel evenzoo des avonds vóór het slapengaan, en als gij alleen zijt, voeg hieraan de oefening toe, welke P. Zucchi ten teeken van nederigheid en diepe godsvrucht heeft aangeraden, door driemaal den grond te kussen. Volhard voornamelijk hierin, dat, gij dadelijk bij 't begin, ja reeds bij het naderen eener bekoring die korte aanroeping vol innigheid in uw hart herhaalt. Verzuim deze belangrijke oefening toch nooit in het uur des gevaars, en gij zult steeds zegepralen.

..Persevera !quot; Volhard! Dat was de leus van den zaligen Petrus Canisius; zuivere jongeling, volhard in uwe onschuld, opdat gij gelukkig zijt en groote dingen moogt doen voor God en zijne H. Kerk en voor de geheele maatschappij. Volhard dus in deze zoo gemakkelijke oefening van gods-

ocr page 92

84

vruclit ter eere van haar, die de allerzaligste is, omdat zij de allerzuiverste is geweest, en aan welke en door welke God zulke groote dingen heeft kunnen doen, dewijl zij van elke zonde onbevlekt was. Volhard ook gij, gevallen jongeling, dien Gods goedheid weder uit den val heeit opgericht, volhard in den haat en het vluchten der zonden, die de doodvijandin van uw geluk is.

En gij zult volharden, als gij het eenvoudige, maar onfeilbaar werkende middel getrouw aanwendt, dat ik u in dit boekje opnieuw heb aanbevolen. Beproef het slechts, en hebt gij zelf zijne kracht aan u ondervonden, maak het dan ook aan anderen bekend. Zie, Maria zendt u dit boekie toe, wees gij de middelaar van hare genadeboodschap bij uwe broeders. Misschien hebt gij een bijzondere reden, die u hiertoe moet aansporen, dewijl gij vroeger door woord en voorbeeld aan den vijand der onschuld diensten hebt bewezen. Zie, thans kunt gij weder alles goed maken, word een apostel van Maria's

ocr page 93

85

reddende moederliefde. Hoe gelukkig zult gij dan zijn, als de laatste strijd zal uitgestreden zijn aan de zegerijke hand uwer hemelsclie Koningin en Moeder, als gij den eersten keer haar goedig, liefdevol aangezicht zult aanschouwen, als zij u als haar trouw kind met moederlijke teederheid den eersten keer zal begroeten, nadat gij op aarde haar zoo dikwijls gegroet en om hare hulp gesmeekt hebt, wat zult gij zalig zijn op het oogenblik, dat zij, de Moeder van uw goddelijken Rechter, u tot den troon van haren Zoon zal geleiden, om u aan Hem voor te stellen als een getrouwen strijder, die ridderlijk tegen Satan en de zoude gekampt heeft en zich verworven heeft de kroon des eeuwigen levens. Moge aan al mijne jeugdige lezers de zaligheid van dat oogsnblik besihoren zijn, mogen wij allen in tijd en eeuwigheid ondervinden, met hoeveel recht onze H. Kerk de allerheiligste Maagd de woorden der ongeschapen Wijsheid in den mond heeft gelegd:

ocr page 94

86

,.Nii dan, mijne zonen, hoort naar Mij : Gelukzalig degenen, die mijne wegen bewandelen.

Gelukzalig de mensch, die Mij hoort, en die waakt aan mijne deuren dag aan

dag____ Wie Mij heeft gevonden, zal leven

en heil scheppen van den Heer.

Die in Mij werken, zullen niet zondigen. Die licht verspreiden over Mij (mijne macht en goedheid ook aan anderen verkondigen), die zullen het eeuwige licht hebben.quot;

(Spreekw. 8, 32. 34, 35; Sir. 24, 30, 31.)

IV.

Een belangrijke Nevenkuur.

Waartoe dan nog eene nevenkuur, als het gebruik der in 't voorafgaande aanbevolen geneeswijze zulk een zekeren goeden uitslag heeft ? Deze vraag, Chris-

ocr page 95

87

telijke jongeling, is misschien reeds bij het lezen van den titel van dit nieuwe hoofdstuk bij u opgekomen. Maar gij zult u herinneren, hoe reeds P. Zucchi aan zijne biechtelingen niet slechts een ijverig gebed tot de allerheiligste Maagd heeft aanbevolen, maar ook het ijverig ontvangen der H. H. Sacramenten. De goddelijke Geneesheer der zielen zelf, onze Heer en Zaligmaker, heeft het zoo verordend. Hij zegt niet slechts: „Vraagt, eu gij zult verkrijgenquot;, namelijk de goddelijke hulp, zonder welke gij niets vermoogt in 't bovennatuurlijke leven en werken. Hij roept ons ook de ernstige woorden toe: „Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u, als gij het Vleesch van den Zoon des menschen niet eet en zijn Bloed niet drinkt, zult gij het leven in u niet hebben.quot; (Joan. 6, 59.) Zeker, het gebed moeten wij alle dagen en voornamelijk in het uur der bekoring beoefenen, volgens de vermaning van Christus: „Men moet voortdurend bidden eu mag nooit ophouden.quot; (Luc. 58, 1.) — „Waakt en bidt,

ocr page 96

88

opdat gij niet in bekormg vallet.quot; (Matth. 26,41.)

Maar ook op het hemelsclie Brood mogen wij onze ziel niet te laag laten wachten, zal zij niet in gevaar komen van te versmachten. En heeft niet juist de jeugdige ziel op bijzondere wijze eene aanhoudende versterking noodig. wijl haar bovennatuurlijk genadeleven zoowel van binnen door den steeds wassenden gloed der begeerlijkheid, als van buiten, door den vergiftigen adem van onzedelijke gesprekken en voorbeelden, onophoudelijk bedreigd wordt? Wilt gij dus, Christelijke jongeling, niet in den toestand komen, om eens met den Psalmist klagend te moeten uitroepen: „Mijn hart is verdord, omdat ik vergeten heb, mijn brood te eten!'- (Ps. 101, 5), dan schep steeds opnieuw verkwikking en kracht uit de bronnen des Verlossers. Geniet zeer dikwijls het Brood dei-Engelen, opdat gij in staat zijt, op deze onreine aarde de reinheid der Engelen na te volgen en hecht u zoodoende altijd inniger en vaster aan het liefdevolle

ocr page 97

89

Hart van uwen liemelschen Koning, die de belofte gedaan heeft: „Wie dit Brood eet, blijft in Mij en Ik in hem.quot; (Joan. 6, 57.)

Juist de teederste vruchten bederven gewoonlijk het snelst. Wil men b. v. de versche aardbeien ten tijde der drukkende zomerwarmte ongeschonden bewaren. dan legt men ze wel in suiker in, wier kracht ze dan geheel doordringt en zoodoende voor verrotting bewaart. Op dezelfde wijze kan ook het jeugdige hart in de jaren van de brandende hitte der gevaarlijkste hartstochten slechts voor de verrotting der zonde bewaard blijven, als het zich op het innigste vereenigd houdt met het allerzuiverste Hart van zijnen Verlosser. Dat wist een H. Carolus Borromeus, toen hij op zestienjarigen leeftijd reeds de universiteit van Pavia bezocht. Groot was het aantal studenten, die uit de verscheidenste landen der aarde daar samenstroomden; maar groot was ook het zedenbederf, dat als een besmettelijke ziekte zich onder hen ver-

ocr page 98

90

spreidde. „Van alle zijden, te aller stonde, op alle plaatsen werden de nieuwelingen bestormd,quot; zoo vermeldt een geschiedschrijver. En toch bleef Carolus rein. Toen men hem ondervraagde, waardoor hij zulks vermocht, gaf hij ten antwoord; ,.De wekelijksche heilige Communie heeft mij voor de besmetting bewaard.quot;

Gelukkig zijt gij Christelijke jongeling, als gij ook zoo kunt spreken. Hoe echter, als het bederf der zonde ook uw hart reeds heeft aangetast? Waarachtig, dan hadt gij eerst recht het veelvuldig genot dezer spijs noodig, welke volgens de leer der Kerk tevens het krachtdadigste geneesmiddel voor de kranke ziel is. En hoe hooger de verteerende gloed der onreine koorts reeds ware gestegen, des te vaker moest zulk eene ziel de hemelsche artsenij van het allerzuiverste Lichaam onzes Heeren in zich opnemen.

Ja, er kunnen jongelingen zijn, bij welke alle andere geneesmiddelen, hoe krachtig ze ook mogen zijn, zonder gevolg blijven, als zij er niet toe kunnen

ocr page 99

komeu, zicli eens aan eene buitengewone kuur te onderwerpen en den doortastenden invloed van dit krachtigste aller middelen bij zich tot ziju recht te laten komen.

Zoo lezen wij, hoe de H. Philippus Net'i eenen jongen man, bij wien al het overige niet mocht baten, opdroeg, telkens, als hij hervallen was, nog denzelfden dag te biechten en den volgenden morgen de H. Communie te ontvangen. De jongeling volgde den raad van zijn heiligen leidsman, en in korten tijd was de tot nu toe ongeneeslijke van zijne kwaal bevrijd. God beloonde zijnen ijver, door hem tot het kloosterleven te roepen. „Wij weten uit ondervinding, zegtj de geleerde kardinaal Toletus, dat vele Christenen, die gedurende langen tijd de slaven van tallooze zondige gewoonten geweest waren, door het veelvuldig ontvangen der H. Communie zijn bekeerd geworden, zoodat zij in den overigen tijd huns levens nooit of bijna nooit eene zware zoude hebben bedreven.quot;

ocr page 100

Deze ondervinding' heeft nog in lateren tijd — in 1863 —• dezelfde leidsman der zielen opgedaan, die de krachtdadigheid der godvruchtige oefening van P. Zucchi in de boven aangehaalde voorbeelden beproefd en betuigd heeft. Ik laat hier zijn verhaal volgen:

Een waar kind der smarte was voor zijn biechtvader de zestienjarige X. Van zijne kindsheid af had hij in de slavernij van den onzuiveren geest geleefd. Alles gaf hem aanleiding tot slechte gedachten, zijne geheel en al bedorvene verbeeldingskracht kende zelfs voor het heiligste geenen schroom meer. Vol verlangen, om door rijkdom en andere voorrechten naar lichaam en geest uit te munten, benijdde hij allen, welke hem hierin overtrofien. Nu eens door geloofstwijfel gekweld, dan weder door gewetenswroeging gefolterd, ging hij zelfs met de gedachte aan zelfmoord om, zoodat hij zich zelfs tweemaal poogde te vergiftigen. Tegelijkertijd wilde hij eenen vroegeren deelgenoot zijner zonden, tegen welken hij thans eenen

ocr page 101

93

doodelijken haat koesterde, om 't leven brengen. Zijn biechtvader raadde hem aan, het gebed „O mijne Meesteresquot; naar de aanwijzing van P. Zucchi te verrichten. Hij beloofde het, en zeker hield hij ook zijne belofte, want hij was werkelijk met een oprecht verlangen bezield, om uit die ellende verlost te worden. Doch telkens viel hij weer in de oude zonde terug. Ook het gebed tot den H. Jozef scheen zonder uitwerking te blijven. Men ried hem aan. alle zondagen tot de H.H. Sacramenten te naderen; hij deed het — en toch werd hij weder altijd door de macht der gewoonte overwonnen. In allen gevalle bleven thans de bekoringen tot wanhoop uit, en ook de gedachten aan zelfmoord verlieten hem, en de hevige aandoeningen van haat en ijverzucht bedaarden. In hare plaats traden veelvuldige gewetenskna-gingen, dringende, vermanende en bemoedigende inspraken en levendige gedachten aan dood en oordeel.

„Thans nam ik!' — zoo verhaalt zijn

ocr page 102

94

biechtvader — verder — „het besluit bij dezen armen jongen de kracht van het onafgebroken gebruik der H.H. Sacramenten te beproeven. Ik verkreeg van mijnen overste liet verlof, hem tot mijnen misdienaar te kiezen. Daar ik in een eenzame kapel placht te celebreeren, kon ik hem, zonder opzien te verwekken, dagelijks de H. Communie toereiken. Eene maand lang en nog eenige dagen daarbij ontving hij eiken morgen de H. Communie — en zie, op eens was de kwaal verdwenen, en bleef het van toen af ook. De jongeling was geheel veranderd; zelfs op zijn uiterlijk teekende zich zijne inwendige verandering af. De maand was nog niet ten einde, en reeds heerschte de genade onbestreden in dit hart. Geheel van zelf verlangde hij thans eene generale Biecht te doen en nam vrijwillig harde boetple-gingen op zich. Hij is standvastig gebleven en hoopt in eeuwigheid de barmhartigheid van den encharistischen Heiland te kunnen verheerlijken.

Ik weet niet, of onder mijne jeugdige

ocr page 103

95

lezers zich er één bevindt, bij wien ook zulk een buitengewone kuur noodigzou zijn, om hem geheel en al te genezen; in 't algemeen zal wel, zelfs in de moeilijkste gevallen, de wekelijksche Communie in verbinding met het dagelijksche gebruik der godvruchtige oefening van P. Zucchi toereikend zijn, ja aan velen kon de zekere genezing hunner zielekrankheid in 't vooruitzicht gesteld worden, als zij er toe wilden besluiten, ten minste eenmaal per maand hunnen Heiland na een waardige voorbereiding te ontvangen.

Misschien wordt gij. Christelijke jongeling reeds door het eene of andere voorschrift of door eene gewoonte, waaraan gij u niet goed kunt onttrekken, aangespoord, regelmatig alle zes of acht weken de heilige Sacramenten te ontvangen. Maar ik bid u, doe dat niet slechts uiterlijk mee, omdat het nu eenmaal zoo moet zijn. maar doordring u veelmeer van de geloofvolle overtuiging, dat er voor u niets noodzakelijkers, niets heil-zamers kan zijn, dan de veelvuldige en

ocr page 104

96

waardige vereeniging met uwen Verlosser in het Sacrament des levens. Dan zult gij u gedrongen voelen, nog meer te doen, dan wat juist is voorgeschreven. Gij zult ook in den tusschentijd nog eens tot de Tafel des Heeren naderen, opdat gij u in steeds grootere mate het bovennatuurlijke leven verwerft en daarmee het recht op eene steeds grootere heerlijkheid in den Hemel. In alle geval zult gij gaarne aan den wensch van uwen biechtvader beantwoorden, zoo hij u aanbeveelt, vaker te communiceeren. De beste regel is de volgende: ontvang zoo dikwijls het Brood des levens, dat gij nooit in gevaar komt, door afmatting en zwakheid het leven der genade door een doodzonde weder te verliezen. Mocht gij echter eens het ongeluk hebben, eene zware zonde te bedrijven, dan stel u niet tevreden, met onmiddellijk eene acte van volmaakt berouw te verwekken, maar gebruik ook de naaste gelegenheid, die zich aanbiedt, om u, na een oprechte, rouwmoedige belijdenis uwer schuld, weder met het

ocr page 105

97

Brood der sterken te voeden. En zoudt gij, vooral in 't begin uwer bekeering, nog zoo zwak zijn, dat gij meermalen in de zonde hervielt, schroom dan niet, ook vaker tot nwen biechtvader terug te keeren en steeds opnieuw tot de Tafel des Heeren te naderen, tot gij uwe zwakheid hebt overwonnen. Wel moge ujuist deze ootmoedige bekentenis zeer zwaaien lastig vallen, maar gij zult ondervinden, dat de bittere schaal een bovenmate zoete kern verbergt: den vrede en den troost des H. Geestes, den Levendmaker en Trooster. Hij zal u weder uit den dood der zonde opwekken en n nieuwe kracht verleenen tot den strijd. En ook uw biechtvader zal u telkens vol liefde opnemen en u des te bereidwilliger zijne priesterlijke hulp verleenen, naarmate gij grooteren ernst en ijver toont, om u te beteren. Hij is immers als bedienaar van het Sacrament van verzoening de plaatsvervanger van den oneindig barmhartigen Vader, die zijnen berouwvol terugkeerenden zoon telken-ITeilserum. 7

ocr page 106

98

male met de teederste liefde aan zijn Hart drukt. Laat u toch nooit door de dwaze vrees of door een beloedigend mistrouwen, maar nog minder door eene voortdurende verkleefdheid aan de smaad-volle zonde van den onmiddellijken terugkeer in 't vaderlijke huis weerhouden. Haast u integendeel, indien gij liet ongeluk hebt gehad, uwen God en Heiland door eene zware zonde te heleedigen, door eene zoo snel mogelijke bekeering Hem weder te troosten en te verheugen. En nader dan vol vertrouwen tot het Liefdemaal, waartoe de goddelijke Heiland zelf u uitnoodigt met de woorden: „Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken.quot; (Matth, 11, 28.) Zoo vervult gij ook het eenige verlangen uwer Moeder Maria, want ook zij koestert slechts den éénen wensch, al hare verdwaalde kinderen weder tot Jezus, haren Zoon te voeren, hen weder met Hem te vereenigen aan het Feestmaal, dat ook zij ons heeft bereid. En tot de onverstandigen spreekt Hij; „Komt,

ocr page 107

99

eet mijn Brood en drinkt den Wijn, dien Ik voor u gemengd heb.quot; (Spreekw. 9, 4, 5.) Hoe zeer wensclit Maria haren nog onverstandigen en zwakken kinderen de Vrucht des levens toe te reiken, welke zij de wereld heeft geschonken, het reinste Lichaam van haren Zoon, opdat zij toch eindelijk verstandig worden en zich van het lage genot der onreine lusten afkeeren en de ware vreugde zoeken, die alleen uit Gods Hart ontspringt. Hoe zeer verlangt uwe medelijdende Moeder u, haar zwak kind, dat steeds weder onder de bekoringen bezwijkt, te voeden met het Brood der sterken en door deze hemelsclie Spijs u altijd meer te veranderen in haren god-delijken Zoon. Zoo vervul dan deu wensch uwer Moeder, en zij zal u steeds met eene innigere teederheid beminnen, uwe dagelijksche toewijding vol genade aannemen en u als haar uitverkoren goed en eigendom, ja, als haar teergeliefd kind in alle gevaren en bekoringen bewaren en beschermen.

ocr page 108

100

Eene bijzondere vreugde zoudt gij, Christelijke jongeling-, in allen gevalle den in liet Sacrament der liefde verborgen God en zijne heilige Moeder bereiden, als gij het voornemen maaktet, jaarlijks de godvruchtige oefening dei-zoogenaamde zes Aloysiaansche Zondagen te houden. Deze bestaat hierin, dat men op zes achtereenvolgende Zondagen na het waardig ontvangen der H.H. Sacramenten gedurende eenigen tijd mondelinge of overwegende gebeden ter eere van dezen Beschermheilige der jeugd verricht. De H. Aloysius vond zelfs onder de verstrooiingen van het hofleven den tijd, om alle acht dagen de H. Communie te ontvangen; hij stoorde zich niet aan de praatjes zijner makkers, wien zijn ijver overdreven mocht voorkomen, voor hem gold slechts de wenscli van zijnen Heiland, om zeer dikwijls in zijn jeugdig hart binnen te treden, en het eeuwige heil zijner onsterfelijke ziel. Volg dus zijn voorbeeld na, Christelijke jongeling, ten minste op deze zes Zon-

ocr page 109

101

dagen ter gedachtenis aan de zes jaren, welke de Heilige in de Orde der Jezuïeten heeft doorleefd. Denk op eiken dezer Zondagen eenige oogenblikken na over de deugden, waarin de onschuldige en toch zoo boetvaardige, de vrome en daarbij zoo ijverig werkzame jongeling het voorbeeld der jeugd is geworden. Bedenk, wat hij gedaan en opgeofferd heeft, om de lelie zijner knischheid en Gods welbehagen te bewaren ; hoe grootmoedig hij aan alles, aan ouders, paleis en kroon heeft vaarwel gezegd, om arm en veracht een moeitevol offerleven te leiden en eindelijk in den dienst der pestlijders zijn leven te laten, en dat alles alleen, om zooveel mogelijk gelijkvormig te zijn aan zijn goddelijken Heer en Meester. Bid dan den H. Aloysius, dat hij ook u aan een goeden, geheel aan Gods wil beantwoordenden levensstaat moge helpen aan een rein leven en een zaligen dood.

Men houdt deze godvruchtige oefening het best op de zes Zondagen, die het feest van den Heilige voorafgaan of op

ocr page 110

102

de zes daarop volgende, of ook op de laatste drie Zoudagen vóór en de eerste drie na het feest. Men kan echter de oefening der zes Zondagen ook op eiken anderen willekeurigen tijd van 't jaar honden, als zij slechts onafgebroken op elkander volgen. Op eiken dezer Zondagen kan men een vollen aflaat verdienen, als men dan na het waardig ontvangen der H.H. Sacramenten (op Zondag of Zaterdag) op de boven aangegeven wijze ter eere van den H. Aloysius eenigen tijd mediteert of bidt. (Clemens XII en Benedictus XIV.)

Hoeveel jongelingen mogen aan deze godsvrucht de bewaring of het herkrijgen hunner knischheid, do keus vau eenen goeden levensstaat en hun eeuwig heil te danken hebben! Moget ook gij, beminde Christelijke jongeling, bij deze uitverkoren schaar ingelijfd worden en eens God, zijne H. Moeder en den H. Aloysius eeuwig daarvoor uwen dank kunnen betuigen!

ocr page 111

103

Toewijding- aan Maria.

„O mijne Meesteres, o mijne Moeder! ik offer mij geheel aan U op; en ten einde U een bewijs mijner aanhankelijkheid te geven, wijd ik ü heden mijne oogen, mijne ooren, mijnen mond, mijn hart, ja geheel mijn persoon. Wijl ik derhalve de uwe ben, o goede Moeder, zoo bewaar en verdedig mij als uw goed, als uw eigendomquot;.

Korte Aanroeping: in iedere bekoring:.

O mijne Meesteres, o mijne Moeder! gedenk, dat ik de uwe ben. Bewaar mij; verdedig mij als uw goed, als uw eigendom.

Wie 's morgens en 's avonds rouwmoedig en godvruchtig een „Weesgegroet, Mariaquot; en het bovenstaande Gebed van Toewijding verricht, verdient eenmaal daags eenen aflaat van 100 dagen; en wie eene maand laug deze godvruchtige oefening verricht, kan op een willekeurigen

ocr page 112

104

dag der maand een vollen aflaat verdienen, wanneer hij dan na liet waardig ontvangen van de H.H. Sacramenten der Biecht en des Altaars een kerk of openbare kapel bezoekt en daar volgens de meening van den H. Vader bidt.

Wie ten tijde der bekoring bovenstaande aanroeping met een godvruchtig en rouwmoedig hart verricht, verdient telkenmale eenen aflaat van 40 dagen.

Al deze aflaten kunnen ook aan de arme zielen toegevoegd worden.

(PiusIX, 5 Augustus 1851.)

TOEVOEGSEL.

Gebed tot don H. Jozef om de deugd van zuiverheid.

Virginum cestos O heilige Jozef, et pater, sancte Vader en Bescher-Joseph, cujus tideli mer der maagdelijke

custodiae ipsa in- zielen, aan wiens

nocentia Christus trouwe hoede de

ocr page 113

105

Ouschnld zelf, Jesus Christus en Maria, de maagd der maagden, toevertrouwd is geworden; door deze hoogst dierbare panden, Jezus en Maria, bid en bezweer ik U, dat Gij moogt bewerken, dat ik voor alle onreinheid bewaard, met een rein gemoed, met een rein hart en een knisch lichaam Jezus en Maria altijd in geheele kuisch-heid moge dienen, j Amen.

Aflaat: 100 dagen, eenmaal daags, als men dit gebed rouwmoedig en aandachtig bidt. (Pius IX, 4 Febr. 1877.)

Jesus et Virgo virgi-\f unm commissa fnit, te per hoc utrnm-qne carissimum pig-nus, Jesum et Ma-riaiu, osecro et ob-testor, nt me ab omui immunditia praeservatum, men-te iucontamiuata, pnro corde et casto corpora Jesu et IVfariae semper facias castissime fa-mulari. Ameu.

ocr page 114

106

Gebed tot den H. Aloysius van Gonzaga.

O, H. Aloysius, die met engelachtige dengd zijt gesierd, ik, uw onwaardige dienaar, beveel U op gelieel bijzondere wijze de zuiverheid van mijne ziel en van mijn lichaam aan. Ik bezweer U, bij uwe engelachtige zuiverheid, mij aan Jezus Christus, het onbevlekte Lam, en aan zijne allerheiligste Moeder, de Maagd der maagden, aan te bevelen eu voor alle groote zonden te bewaren. Laat toch nimmer toe, dat ik mij met eenige onzuiverheid besmette, maar, wanneer Gij mij in bekoring ziet of in gevaar van te zondigen, verwijder dan uit mijn hart alle onzuivere gedachten en neigingen; vernieuw dan in mij de herinnering aan de eeuwigheid en aan Jezus, den Gekruiste, en prent het gevoel der heilige vreeze Gods diep in mijne ziel. Ontsteek in mij het vuur der goddelijke liefde en maak, dat ik, door U op aarde na te volgen, waardig worde. God met U in den Hemel te bezitten. ■ Amen.

Onze Vader. Wees gegroet, Maria.

ocr page 115

107

Eenmaal daags 100 dagen aflaat, als men dit gebed met 1 „Onze Vaderquot; en 1 „Wees gegroet, Mariaquot; niet een rouwmoedig hart en aandachtig bidt. (Pius VII bij decreet van de II. Congregatie der aflaten van 6 Maart 1802.)

Toon ijdiug-sffelied van dcu II. Aloysius aan de allerlieiligste Maagd Maria.

O mijne Gebiedster, H. Maria, ik beveel mij aan in uwe gezegende bescherming, in uwe bijzondere hoede en in den schoot uwer barmhartigheid, heden en iederen dag eu in het uur van mijn verscheiden; mijne ziel en mijn lichaam beveel ik U aan; al mijne hoop en mijnen troost, al mijne angsten en nooden, mijn leven en het einde mijns levens geef ik aan U over, opdat door uwe heilige voorspraak en uwe verdiensten al mijne handelingen naar uwen en nws Zoons wil gericht en geleid worden. Amen. Eenmaal daags 200 dagen aflaat voor

ocr page 116

#

108

alle geloovigen, als zij dit gebed rouwmoedig ea aandachtig verrichten; ook toevoeglijk aan de overledenen.

(Leo XIII, rescr. van de H. Congr. der aflaten van 15 Maart 1890.)

Gebed van den H. Alpliotisus van Lig-orio.

(Vóór een beeld der allerheiligste Maagd te verrichten.)

Heilige, onbevlekte Maagd, mijne Moeder Maria, tot U, de Moeder mijns Heeren, de Toevlucht der zondaars, neem ik, de armzaligste van allen, heden mijne toevlucht. Aan U, o groote Koningin, breng ik heden mijne hulde, en dank ü voor alle mij tot op dit uur bewezen genaden, bijzonder dat Gij mij van de hel hebt verlost, die ik zoo dikwijls verdiend heb. Ik bemin U, o mijne beminnenswaardigste Meesteres, en uit liefde tot U beloof ik, dat ik ü altijd zal dienen en alles zal doen, wat ik vermag, opdat Gij ook door anderen bemind wor-

ocr page 117

109

det. Op U stel ik al mijne hoop, in Uwe handen leg- ik mijne eeuwige zaligheid; neem mij aan als uwen dienaar en neem mij op onder uwe bescherming, o Hoeder van barmhartigheid; en dewijl Gij zoo machtig zijt bij God, bevrijd mij van alle bekoringen, of verkrijg mij ten minste de kracht, ze tot aan het einde mijns levens steeds te overwinnen. Van U verlang ik eene ware liefde tot Jesus Christus, door U hoop ik eens eenen zaligen dood te sterven. O mijne Moeder, door uwe liefde tot God smeek ik U, sta mij altijd bij, heel bijzonder echter in het laatste oogenblik mijns levens. Verlaat mij niet, zoolang Gij mij nog niet onder de Gelukzaligen in den Hemel ziet, waar ik U prijzen en den lof uwer barmhartigheid wil zingen in alle eeuwigheid. Zoo hoop ik, zoo geschiede het.

Aflaten: 1°. 300 dagen telkenmale, zoo dikwijls men dit gebed rouwmoedig en aandachtig vóór een beeld der allerheiligste Maagd verricht. —• 2°. Een vollen aflaat eenmaal per maand (op een

ocr page 118

110

willekeurigen dag) als men liet gedurende eene maand lederen dag op de voorgeschreven wijze lieeft gebeden. Voorwaarden : Biecht, Communie en gebed voor de behoeften der Kerk volgens de meening van den H. Vader. (This IX door eigenhandig rescript van 7 Sept. 1854.)

De kleine Getijden van de Onbevlekte Ontvangenis. 1)

Met zekerheid kan men niet zeggen, wie de schrijver dezer getijden is; men mag echter veilig aannemen, dat ze in de vijftiende eeuw vervaardigd zijn. De in 1888 heilig verklaarde leekebroeder Alphonsus Eodriguez S. J. (1617) bad deze veertig jaren lang iederen dag; ja,

\) Men vindt deze in 't Latijn in de Raccolta (van 1886) blz. 316. in de 3de uitgave van P. Schneider's Manuale Clericorum (Regensburg 1889) blz. 393, en Medulla pietatis christianae (Keulen 1883) 4de uitgave blz. 200 van den zelfden schrijver.

Slechts in den vorm, zooals ze daar voorkomen, zijn ze met aflaat verbonden.

ocr page 119

Ill

in zijn levensbeschrijving wordt verhaald, dat hem eens de allerheiligste Maagd verscheen, hem om zijn groote godsvrucht tot het geheim harer Onbevlekte Ontvangenis prees en hem bijzonder aanspoorde, die getijden verder te verspreiden en anderen aan te bevelen; dientengevolge schreef nu de Heilige ze meermalen af en liet ze door anderen afschrijven, om zoodoende velen tot het verrichten van dit gebed aan te moedigen.

Aflaat. Zoo dikwijls men deze getijden rouwmoedig en aandachtig bidt, verdient men telkens eenen aflaat van 300 dagen. (Pius IX bij brevf van yi Maart 187(5.)

ocr page 120

0 31 aria

zonder zonden ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot U nenien.

/

-

ocr page 121

I

1'