ocr page 1

TE AMSTERDAM,

den terugkeei te 'sGicvenhage en de fee. t-üjke

terugkomst op het Loo.

Â¥

vGorafgc;gaan door een levens- en karakterschets der vorsten uit !gt; Huis van Oranje, die over ons land hebben geregeerd tol op df gt; huldigen dag, benevens verschillende afbeeldingen dier vorsien e--- i en gcuicKtcn van W, Moe rum Terwogt en van Charles :--

DOOE

VV. F, F-, E N K L. A A R.

nui: \. iquot; vi;\i i;h

» 8 9 v

■ i4g

van de feesten bij de inhuldiging va^

428

ocr page 2

B

më.

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

J ^ I* -V ^ ^ ^

*ma4gt; t'^//

H/mva^ ■■•*»: vwquot;» »(gt;• •-*• quot;gt; '•'' ,v s^quot; '--'^'i

lt;?vX JW'_.

K. VV^, .V^*a Jw vnd^- tv^vU«^ ^**'

'v^JUXC-^jc* ^ 4. •♦»**. iy*ijj Jquot;

)~quot;

d4*'

é)i Hl^j. \ti(SO i j/

4/

jS •quot;* y, Jy »

» # ' *r lt;VW9 **44^ H*~'*** I»?

s •

■yy** t- v »4*4,4 ►-•* ■♦» Wi**^» «Tt-W I y C * quot;•quot;V* W ^ ^ ♦****% -fc^F »Mi4'- «• v

T

V^Vv^r w V.

ocr page 8

bf

GEDKt KBOEK

der feesten bij gelegenheid van de inhuldiging

VAN KONINGIN WILHELMINA

aiÜi-iOTHËEK DEt ^ j K3U r-UV ER3ITETT UTRECHT

OOLL.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2194 3950

ocr page 9

Autotypio cn druk van H. Kleininann iV (Jo., Haarlem.

t

KONING WILLEM III.

1'

ocr page 10

/ c/nf

DEF^

i^ji

: quot;«**1

• « »

'/§ rEESTEN

cr

aM

A

v'

'

« * * ,

fco ^ v

» - -v

mz

ter Gelegenheid

Inhuldiging VAN

1 * , '• ' f

v-gt;

.is»

der

■'

doop W.F. P. Enkuaar.

6 September 1898.

ATcJaden Deventer.

éteendr. Vhflmandfimal

ocr page 11
ocr page 12

A Td A D E N Deventer

ocr page 13
ocr page 14

/lt;•

Hierbij bieden mij onzen Idndi/enooien de ecrxlc ii/leeeriin/ (tan ran het (leden/dmi: der Inhnldif/iin/s-fccsfen van 11. M. Koniinjin WillielinitK/. dit' ujt den (kien tie/ifeinher rttn dil jtnir zijn Pdiftocutelfl.

Wij Ikijien dat dit jndiomilr irerk tnninitin ttJie ztirt/ i* hextectt door nitticver en xehriirer. (/eï//ngt;ilrcerd tne.t verseliittentle tifbriddiinitit. ntft iin/nninienln'id tloor onze tandtteinioten zat icorttc-ii tintrttnt/en en ziet/ zitl mtHjen veidiein/en in hnn krttelUifim *tenn.

Mo(/e het strekken ltd krarhtifier heneMUjinn vtm tien luimt, die on* eott; tttiri het iitdiefde Hni* run Orttnjt vevtnndt^ en tot mmkit'eeldtn/ rttn rtittei'ttt;ntt*tit,ftte.

Wij riwf/nn hierbij tte twziehtr reijelfn ran tlt-n tteer 11'. ;]/eerinn Tenrof/t, ran Ain*ttrdttni on* Iderrt)!)!' wtdirilltmd tifiie*talt;in, tlif. naar vij rertrtntirev, tretttrn tiloni in den lande treerktani; zntten rinden:

't (icschut harst los! I )c driekleur wappert!

l \\ il hel mus klinkt door 't \ aderland!

Het krijgslied uit het grijs verleden

Schalt luid door dorpen en door steden,

Van 't Oosten tot aan 'l Westerstrand!

i let trilt met kracht langs Amstel's boorden,

I it aller hooggestemd gemoed,

Nu onze lievling; „ W i 1 h el m i n e !quot;

Men gave van tien Ongeziene!

Hier, als \ orstin, haar intree doet.

ocr page 15

Gegroet, Hooo-Kedle K o n i n g in n e !

(iegroet op Neêrlands feestgetij!

liet „W el komquot; klinkt l allerwegen, l it volle borst, met geestdrift tegen. Het eerst van Amstel's Burgerij.

Nier, in Oud-l lolland's liere Hoofdstad,

Aanvaardt (üj straks de Koningskroon. 1 )e Oranje- Telg, die wij vereeren. Zal over Neêrland dan regeeren ! . . . . Wat zijt ge, o toekomst! wonderschoon!

Als (lij uw trouw eens hebt gezworen

Aan W et en Volk van Nederland, Dan dring' 't gejuich uw woning binnen: „s L ancls - iM o c d e r zullen wij beminnen, Met onverbreekbreii liefdeband!quot;

W ant, neen ! wij hebben quot;t niet vergeten.

Wat eens uw Voorzaat heeft gedaan: Moe, in den hangen strijd met Spanje, 's Lands Vader, W illcm van Oranje, \ oor ons heeft aan de spits gestaan.

ocr page 16

Geschiedboek, spreek!... spreek, waar wij luist'ren

Uw stemme klonk drie eeuwen door.

Van Wil helmina's kloeke vad'ren Weergalmt de roem nog in uw blad'ren :

Steetls ging een Nassau 't eerst ons voor.

Zie, wij vergelden trouw met trouwe!

Wij houden, waar ook de onspoed tart.

Wat ook verwisselc, of verkeere,

't Aloude Stamhuis hoog in eere,

.Met heel de liefde van ons hart.

Wees ons dan Welkom, Koninginne

Uit Nassau's glorierijken stam!

Wij strooien, waar wij u begroeten,

I )e schoonste bloemen voor uw voeten,

Hn vroolijk juicht ons Amsterdam!

Welnu, rol/jen irij flimi* ih'ji injik ran onzen ilicltlcr eji /alen irij hel nenehicdbnek s/n'ckm.

ocr page 17

Nederland zal zijn Oranjevorsten en zijn vrijheid liefhebben, of Nederland zal niet bestaan.

Prof. I )ilt;. J.w tkn Brink.

Nederland en Oranje moeten één zijn en één blijven in onwankelbare trouw. Scharen wij ons dus onder de Oranjevaan, die steeds het onderpand was van Neêrlands o-eluk.

i'rof. I )k. M. in \ riks.

ocr page 18

den alouden Oranje-stam, een tel^ uit het roemruchtige I luis.

waaraan ons volk zoo dure verplichtingen heeft, maar ook bemind om haar karakter, hare

lieftalligheid, hare minzaamheid, waardoor zij aller harten heeft gestolen.

Ongeveer achttien jaren o-eleden werd zij de hoop der natie, toen het scheen dat dc eeuwenoude stam zou uitsterven met den dood van Koning Willem lil, en weldra haar lievelinge.

Geen wonder dus dat het Nederlandsche volk alom aanstalten maakt om de naderende heugelijke gebeurtenis waardig te vieren. Als één man staat het geschaard om den koninklijken troon der Oranje's, als één man wil het feest vieren, met terzijdestelling-van alle partijschap, van alle verschil op godsdienstig en staatkundig gebied, omdat het hier alleen ^eldt de inhuldiging van een Vorstin uit een Huis, waaruit mannen gesproten zijn, die de vrijheid van het allen dierbare vaderland met bun ooed en bloed verdediyei hebben, soms ten koste van hun leven. I )it is dus de band, die allen verbindt, het ver eeniyino'spunt van alle waarachtige Nederlanders,

Aan de voorzaten van onze Koningin zijn wij ons zelfstandig volksbestaan verschuldigd, en innig' blijft dit verbonden met het Huis van Oranje. „Nederland en Oranje moeten één zijn en één blijvenquot; - zoo klonk het eens uit den mond van onzen ueleerden en be-

ct Nederlandsche volk ziet met ^roote belang'stelling en vuriy verlangen den dag naderen, waarop Koningin Wilhelmina plechtig gekroond zal \ worden en den roemrijken troon harer vaderen bestijgen.

Het Inhukli^in^sfeest van II. M. is dan ook een bijzonder heugelijk feest voor liet Nederlandsche volk. Koningin Wilhelmina wordt niet alleen door hare onderdanen geëerd, omdat zij een loot is van

ocr page 19

10

zielden Leidschen hoo^lceraar dr. M. de \ rics ') „In onwankelbare trouw. Scharen wij ons dus onder de Oranje-vaan, die steeds het onderpand was van Neêrlands ^eluk. Tot onze heschaminjj- hebben wij het ervaren, dat rampspoed ons deel werd, wanneer somwijlen door de atdwalingen des volks tie band werd verbroken, die ons met dat 1 luis samensnoerde. ( bis volk had zells opgehouden zclfstaiulijj' te bestaan. l)lt;)ch de vrijheid weid herwonnen. Van dien tijd af heeft de vrijheidsboom in ons midden getierd in vollen en welijj'en bloei, en krachtiger is hij opgewassen en heerlijker vruchten heeft hij yedra^'en. Onder het wapenschild van Oranje was hij beveiligd voor iedere aanranding, en juist daardoor werd de band tusschen ons volk en dat roemruchtige geslacht, waaraan wij zoo dure verplichtingen hebben, al hechter en hechter aangeknoopt.quot;

De Oranjestam heeft zware stormen te verduren geluid en menige krachtio-e loot is er aan ontrukt. Dankbaar echter roemen wij den zenen, die ons geschonken is in onze beminde Koningin, de blijde hoop van het Vaderland.

Alvorens over te yaan tot het vermelden van eeni^e levensbijzonderheden onzer Koningin, willen wij een vluchti^en blik slaan op haar roemrijk voorgeslacht.

W ij brengen in herinnering, dat ll.M. Koningin \\ ilhelmina in de vrouwelijke lijn afstamt van Prins Willem 1, tien leider van onzen vrijheidsoorlog tegen Spanje, en in de mannelijke van (ïraaf |an van Nassau, bijgenaamd de Oude, die zijn naam onafscheidelijk aan tie l nie van l'trecht (29 januari 1579) verbonden heeft. Immers tie stadhouder van bries-land, Willem 1'rederik, in 1640 als zoodanig gekozen, was gehuwd met Prinses Albertine Agues, dochter van Prins breder ik 1 lendrik.

1 hiidelijkheidshalve geven wij hiernaast een stamtafel van het I luis van ()ranie-Nassau, waaruit tie verwantschap der lijnen en tie stand van het koninklijke lluis blijken en dus tjok de rechten van Koningin Wilhelmina op den Nederlandschen troon.

Naar volledigheid in tleze streven wij niet, daar wij te uitvoerig zouden worden. In uitgebreide geschiedboeken kan de lezer, die er meer van begeert te weten, aan zijn weetlust voldoen.

Een beknopte levens- en karakterschets van eenige Prinsen en Vorsten uit dit 1 luis mag in dit Gedenkboek niet ontbreken.

ben eerste plaats komt voorzeker toe aan Prins Willem I van Oranje (1533 1584), Stad-

li Ot'donkrede. Dfi Vader des Vaderlands. Delft. M. J. (Jouvee, 18S4.

ocr page 20

i.

van OranjQ^as^au.

van

Will em van Nassau-Dil-1 e n b u r g . bijgenaamd tie Kijke, broeder van Hendrik van Nassau, gehuwd mei Juliana van S t o 1 b ere.

M mul rik van Nassau, gehuwd met C1 a u d c d e C li a-I o n s.

R one, eerste prins van Oranje- wj | |t. m | (1533 10 juli 1584.)

Nassau, stadhouder van Hoi- 1

land. Zeeland. Utreeht en (lel- |

derland f 1544 kinderloos. ' —-■

P h i 1 i p s W i 1 1 e m M au r i ts V red er i k 11 e n-(1554—1618). (f (16251. drik (f 1647).

|an dr Onde ('J1 16061, Lodewijk en Hendrik (•}• 1574.' I Adolf (t 1568».

Willem Lodewijk lOrnsi Casimir (t 1620). (i 1632).


()ii«'olui\vd.

W ill e m

1650).

rik Casimir Willem Kredorik (t 1640.) 11664 (gehuwd nu.t

Albertine Agues, dochter van l're-

Willem 111, in 1702 kinder-loos overleden, met wien dus de tweede lijn van het Huis van ()ranje-Nassau uitstierf.

(ti6(/)).

j oh a 11 W i 11 »■ in F r 1 so van Nassau-1 )ii^t/. (geb. 1687

1711).

W i 1 K: 111 11 e n-(l r i k I ' r i s o (geb. 17 r1 -1751)bekend als W i 11 e m I V.

Willem V (geb. 1748-18 Jan.1795. t 9 April 1806).

Kon 11»g Willcm I i,ri ns Frederik (1813 1840), geb. 24 (t I799)* Aug. 1772, t 12 Dec.

1843.

Koning Willem 11 Marianiu'j 1883 Prins l'rederik 1 Miiis AleNand»'. (1840-17 M;iari 1849), geh. met Prins der Nederland., jóng overleden, «'ob. 6 Dee. 1792. Alb. v. Pruisen. (1797- '88 0.

Koning Willem 111 Prins Hendrik Sophie. (iroot-Hertogin PrinsWillfin, op 849-189o)geb. 19 Febr. (1820 1879). van Sakson-Weimar Madera nvci-1817, t 23 Nov. 1890. ,.1824-1897).

1848.

lrdlt; n.

(ieh. met prinses Sophie (leh, met prinses l '.mma van Wurtemberg (1818- van Waldeek-Pyrmont

1877).

(geb 2 Aug. 1858).

Koningin Wil hei-mi na (geb. 31 Aug. 1880).

Kroonpr. Wil- Maurits Alexander 10111(1840-1879). jong over- (1851— 1884). leden-

1

ocr page 21

1-J

houder van 1 lolland, Zeeland en l'lrecht, lid van den Raad van State en Jen (ïeheinien Raad. Hij was de maeliti^ste, rijkste en bekwaamste onder de Nederlandsche edelen, het hoofd der partij, die trachtte het juk van Konino- Philips II van Spanje af te sch ulden. I let orootsche plan van den Prins was zoowel de noordelijke als de zuidelijke provinciën aan de Spaansche heerschappij te ontrukken en alzoo een schoonen en vrijen Staat, dien der zeventien vereeni;nle provinciën, te vormen. Het moordend lood van den dweepzieken Palthazar (ïerards ook wel Balthasar ('■ eraerts geschreven , dat den Prins op den loden juli i 584 te 1 )elft trof, verijdelde de hoop, dat eens al de Nederlanden tot één republiek zouden vercenl^d worden. Kvenwel door zijn yenie en onvennoeiden arbeid had hij den uTondslay ii'eleotl van het ^enieenebest, dat in 164S vrij en luisterrijk uil den Lacliti^jai'i^en oorloy met Spanje trad en eeni^en tijd zelfs den staatkundigen toestand in buropa beheerschte. Willem is oeweest de ^rondle^er onzer onafhankelijkheid, de kani|)iocn voor godsdienstige en staatkundige vrijheid, „wiens hartebloed het cement is geweest van den Nederlandschen Staat.quot; ')

Onversaagd te midden van de grootste gevaren saevis traiKpiillus in undis, kalm te midden van de woedende golven, zeer verdraagzaam in het godsdienstige, groot als vekllieer, doch grooter als staatsman was hij een der schitterendste mannen van alle tijden. „Hij heelt' schrijft prof. P. lilok „het eerst de edele taal der gewetensvrijheid in de opperste Nederlandsche raadzalen laten hooren. ilij heeft het eerst met open vizier den strijd aangebonden voor dat kostbare kleinood, tien roem van onzen Staat, in de dagen, toen nergens in Pairopa gewetensvrijheid heerschte.quot;

„Gelijk een geweldige berg zegt Wenzelburger „die zich steeds meer boven de hem omringende bergen en bet vlakke land verheft, hoe verder men zich van hem verwijdert, zoo staat heden Oranje s grootsche figuur voor onze oogen.quot;

Zijn vertrouwen op (ïod was onwankelbaar, zooals o. a. blijkt uit zijn antwoord, na den val van Haarlem (1573) geschreven, op een vraag of hij ook een verbond had gesloten met een machtigen Potentaat: „Wij antwoorden 1' hierop, dat wij met den Potentaat der Potentaten een zóó nauw verbond hebben gesloten, dat wij geheel verzekerd zijn door zijne geweldige en machtige hand ten leste nog ontzet te zullen wordenquot;, en na het verlies zijner beide broeders bodewijk en Hendrik bij Mook: „Wij moeten ons schikken in (iods wil, gedachtig, dat Ilij niets doen zal dan tot Zijne eer en bescherming Zijner gemeente, ofschoon het der wereld onmogelijk schijntquot;. Ook na zijne verwonding door |ean jaureguy in 1582 stelde hij zijne hoop op de genade van God; „alleen in Gods genade ligt mijn behoudquot;. Pm stervende beval hij zijne ziel en zijn volk aan in de hoede van den Almachtige. (2)

1). Ons VnrstiCiihiiis. II. I). Tjecnk Willink. Haarlem, pa^. s.

2) De Prins riep. zoodra hij voelde dat hij gekwetst was: „Mon Diou, aycz pitié de mun Arno! M011 ])ieu, aye55 pitié de ee pauvre peaple!quot; (ïod wees mijn ziel genadig! O mijn (iod, ontferm 11 over dit arme volk!quot; of zooals hot luidt in een brief van den jeugdigen Maurits van Nassau aan den Haad van (lent: ^Maar alzoo de leste woorden van Zijne E.xe. waoren: „Mijn (lod! ontfermt 1' mijnder ziele! Mijn (iod! ontfermt l' uwer ghemeente.quot; Zie .1. L. Motley. The Hise of the l)ut(di liopulilie, a History. |)ag. .S94 en do noot daaronder.

ocr page 22

Zijne eerzucht was v;ui de edelste soort. 1 lij offerde alles, zijn vermogen, zijn leven, zijn igt;-oed en bloed, op voor het volk, dat hij liefhad. Want alle schitterende aanbiedingen van den vijand wees hij lier af. „Kn l)ij ileze zware taak in eene eeuw van geweld, tegenover een gewetenloos tegenstander heeft hij altijd de mcnschlievendheid betracht. Aan zijne handen kleeft o-een bloed. Wat Pericles op zijn sterfbed quot;etui^'dc, dat o-een Athener om hem ooit het rouwkleed had aangetrokken, is ook op den Prins toepasselijkquot;, i)

\ rij algemeen wordt Prins Willem 1 met den bijnaam van „Den Zwijgerquot; bestempeld.-) Zeer ten onrechte. Onze groote geschiedkenner, de oud-hoogleeraar aan de Rijkshoogeschool te Leiden, I )r. R. bruin, heeft reeds meer dan twintig jaren geleden in een keurig opstel ;1i de onzinnigheid daarvan aangetoond.

Wij willen even tie aandacht onzer lezers op dit opstel vestigen, in tie hoop, dat dit krachtig zal medewerken tot volkomen afschaffing van dien scheldnaam, terwijl wij een ieder aanraden het artikel zelf nog eens te lezen.

„Ken mensch went aan alles,quot; schreef de oud-hoogleeraar. „lloe zou het anders mogelijk zijn, dat wij zonder bevreemding, zonder ergernis, die twee namen. Prins Willem en Pc Zwijoer, aaneengekoppeld zien, als waren zij niet in lijnrechte tegenspraak met elkander? (leen bijnaam, die den grooten, edelen Oranje minder past dan die van den Zwijger. Ken ieder, die den Prins gekend heeft, roemt zijn kalme opgeruimdheid, zijn gulheid, zijn gemeenzaamheid. Om die deugden wordt nog hij na zijn dood aan Leicester, aan Maurits ten voorbeeld gesteld. Kn dien man noemt men den Zwijger. Niet alleen dat de naam den man niet past, hij is bovendien geschikt om een geheel onware voorstelling van zijn karakter en leven veld te doen winnen. Kr zijn er die, tegen de waarheid der

't F. van Rijsens. (icschicdonis th.'s Vaderlands. :■]lt;• druk. pag. 77. Do woorden van Pericles lezen wij aan het slot vun het 88ste hoofdstuk van Plutarch us in de levens-en learakterbesfhrijving van dezen grooten staatsman, aldus luidende: gt;05*/? yzzquot; jzv, „Si'tVi tx'j htx-j wbyvxim v.b.y.-j iyj.tiov -tuslx/.t-r:quot;.

-I Ook in het hovenaangehaalde werk „Ons Vorstenhuisquot; lezen wij op pag. 21: ,.l)e portretten van Willem den Zwijger, door David van der Keilen .Ir.quot;

Zelfs dr. I). Nijhoft' gebruikt dezen bijnaam nog in zijne bewerking van liuth Putnams „Willem de Zwijger, Prins van Oranje in zijn leven en werken beschreven.quot; ('s (Iravenhage booman en Fnnke 1897), waartegen prof. I'. .1. Blok in no. 44 van ,.l)e Nederlandsche Spectatoi-quot; van Ilt;S97 (jen kort maar ernstig protest doet hooren. „Laat ons eindelijk ophoudenquot;- - schrijft hij — met hem (dien bijnaam) te gebruiken van den grooten staatsman, die den grondslag heeft gelegd onzer volksvrijheid, vooreerst omdat de naam het resultaat is vau een vertaalfout, mi dan nog omdat hij volstrekt niet past voor een karakter als dat vau den prins.quot; Ook in de cantate, die naar verschillende bladen melden, der Koningin, na den terugkeer van de kroning te Amsterdam, achter liet paleis in den Haag door schoolkinderen zal toegezongen worden — compositie van mej. Catharina van Ron nes, woorden van den heer -1. D. ('. van Dokkum, beiden te Utrecht—, wordt in eender coupletten gesproken van „zwijgers-moed!quot;

•!) Voorkomende op bladz. 7H en volgende van den Volksalmanak voor het schrikkeljaar llt;S()4. uitgegeven door do Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Amsterdam, (iodrukt bij A. Spin iV Zoon. Verkrijgbaar bij Jan beendertz. Kalverstraat F 287.

ocr page 23

— u —

o'cschicclcnis In, den Prins v_:in Oranje voorstellen, als van zijn jeujnl at vlammende ()igt; de kroon, tlic zijn laiulsheer draaft, en die hij dezen ten laatste van het hoofd rukt om ze zich zeiven op te zetten, als juist van pas de wrekende hand van lialthasar (icrardts de heiligschennis voorkomt. \roor zulk een sluwen, misdadi^en staatsman zou tic bijnaam van den Zwijger uitmuntend gekozen zijn. I e zwijgen is noodzaak voor hem, die in zijn boezem een geheim omdraagt, dat allen van hem vervreemden zou, zoo het ooit over zijn lippen kwam. Maar wie zulk een geheim te verbergen had, zeker Prins \\ illem 1 niet.

Een o-root gedeelte der briefwisseling tusschen hem en zijn meest vertrouwde vrienden en bloedverwanten liyt open voor ons. lemens de zijnen betoonde hij zich waarlijk o-een Zwijger. Onder de treffende lotgevallen, tlie hem overkomen, ontboezemt hij zijn innigste gewaarwordingen, zijn uitzichten, zijn bedoelingen, in woorden, die van ernst en overtuiging gloeien. W ij zien zijn gemoed met de omstandigheden veranderen, onder den tegenspoed in ernst en vroomheid toenemen, en zich telkens een hooger doel stellen, naarmate de drijfveeren, die hem bewegen, zich veredelen. Niemand, die de brieven van den Prins onbevooroordeeld heeft gelezen, zal meenen, dat de naam van Zwijger het karakter van tien man aanduidt. De tijdgenooten hebben hem dan ook dien bijnaam niet gegeven. Eerst in onze dagen is men, in België vooral, begonnen hem daarmeê te bestempelen.

De menigte, die een bijnaam behoefde om den eersten \\ illem te onderscheiden van zijn doorluchtige nakomelingen, die denzelfden naam als hij gedragen hebben, beeft dien zonder nadenken overgenomen, en hij dreigt thans algemeen te worden, indien men zich niet bijtijds bezint. Reeds geeft Gachard, de beroemde Archivaris van België, de correspondentie uit van „(riiillaume le Taciturne.quot; Keeds schrijft Motley tie geschiedenis tier Republiek sedert tien dood van „William the Silent.quot; Geen wonder dat de geheele wereld weergalmt van tien naam door zulke monden uitgesproken.quot;

Daarna toont de heer bruin aan, hoe tie eerste, hij weet niet wie, die hem niet dien ongepasten naam heeft begroet, daaraan is gekomen. In een anecdote, in Strada's beschrijving van den opstand tegen Spanje komt hij voor 't eerst voor. De kardinaal (iranvelle zou, toen hij le Rome de inhechtenisneming van Egmont en Hoorne vernomen had, gevraagd hebben of de Zwijger zoo noemde hij Oranje ook gevangen was, en op een ontkennend antwoord gezegd hebben: „als tbc eene buiten het net gebleven is, is er met tie geheele vangst niets tgt;ewonnen.quot;

„Ziedaar tien oorsprong van tien bijnaam, waarmee men Prins Willem tegenwoordig bij voorkeur aanduidt. Als de anecdote waar is, heeft (iranvelle, tie doodvijand van tien Prins, den scheldnaam bedacht, dien wij lichtzinnig nazeggen, als ware hij een eerenaam. (Veen tijdgenoot, zoover wij weten, heeft er tien Prins ooit meê genoemd.quot;

De schrijver toont daarna aan, dat de anecdote, vermoedelijk aan tie Latijnsche vertaling van bet werk van Van Meteren ontleend, geen geloof verdient en verklaart hoe zij naar alle waarschijnlijkheid ontstaan is. Als zijne gissing juist is, vervalt tic eenige aanleiding om den Prins met dien hatelijken bijnaam te bestempelen en heeft zelfs geen vijand hem this genoemd. De eenige grond, waarop de benaming berust, is dan een vergissing van Van Meteren, door Strada lichtvaardig herhaald.

ocr page 24

15

„Maarquot; - zoo eindigt het opstel van den heer 1 quot;ruin „ook al gaat onze verklaring niet op, en al mocht tie anecdote van Van Meteren waar zijn, dan nog bestaat er voor ons, Nederlanders, geen reden om den stichter van onzen staat te noemen met den schimpnaam, dien Granvelle verzonnen heeft. Willen wij den Prins door een bijnaam van al zijn naamgenootcn onderscheiden, waarom dan een anderen gekozen, dan dien hij bij zijn leven gedragen heeft, en waarmede hij op zijn praalgraf verheerlijkt wordt? 1 oen Prins \\ illem, in 1577, door het tegenwoordige Noord-Holland rondreisde, om op alles orde te stellen, noemde hem de van vreugde opgetogen menigte niet anders (zegt de geschiedschrijver Hor) dan Willem-leader, „encle dat met sulcken affectie, dat men de blijdschap, in 't harte wesende, uyt d'aengesichten mocht scheppen.quot; Weinige maanden vroeger had Aldegonde tie Staten-Generaal verzekerd, dat Holland en Zeeland niet licht den Prins naar Brussel zouden laten gaan, buiten hunne grenzen, „omdat zij hem houden als Vader van doi lande.quot;

Ziedaar den bijnaam, dien het dankbare volk aan den eenigen Willem van Oranje gaf. Geen naam, die beter de betrekking tusschen beiden, tusschen vorst en volk uitdrukt. Als een vader door zijn kinderen, werd de Prins bij zijn leven door het volk geëerd en bemind. Stervend dacht hij aan zijn volk als aan zijn kinderen, en beval het in de hot.de van (iod. Wel mochten tie Staten hem in zijn grafschrift met dien dierbaren naam van \ ader des Vaderlands vcreeren. Ons volk heeft slechts aan zeer enkelen zijner groote mannen dien Vadernaam gegeven. Een enkele naast den Prins heeft zich dien verworven, en zich dien waardig betoond, de groote edele, He Rnijter. „Mannen, daar komt Hestevaer ons helpen.quot; 1 )ie kreet gaf het scheepsvolk moed in den uitersten nood, en bracht het in verrukking, in onweerstaanbare geestdrift, die doet overwinnen of sterven. Het moet meer dan een groot, het moet een goed man zijn, die een volk als het onze, zulk een kinderlijk vertrouwen, zulk een kinderlijke liefde weet in te boezemen. Wij schenken ons hart niet lichtvaardig aan den eersten, den besten weg. Wie zich de liefde van ons volk wil verwerven, moet beginnen met het eerst lief te hebben, het overvloedige liefdediensten te bewijzen. I )e naam van Vader van den lande, dien de Prins zich verworven heeft, heeft hij voor een leven van zelfopoffering, voor den martelaarsdood gekocht. Laten wij hem dan dat duurgekochte eereblijk niet onthouden, hem niet noemen bij een anderen naam, dan dien het erkentelijke volk hem geschonken heeft - allerminst bij den scheldnaam, door zijn vijanden voor hem uitgedacht.quot;

Met alle kracht deelen wij dezen wensch en herhalen hem met tic; meest mogelijke sympathie.

Vader van tien lande of Vader des Vaderlands zij voortaan de naam, waarmede Prins Willem I door een ieder worde genoemd. Bemind door zijn volk, „tien Vaderland getrouwe tot in den doet,quot; geëerd als scherpzinnig denker, schrander staatsman, kloek legerhoofd, blijve zijn beeld stralen met on verbleekten luister in de boeken onzer geschiedenis en in de harten onzer landgenooten.

ocr page 25

lli

(iclukkiy x'oor ons xolk, toen in Netlerlaiul de zon zoo rood za^,

de straft'ii

Zoo (loodsoli! Kasteel en lunvlit van Kilelliên \'eiiaten !

Dei1 lun-fireii voorlioofd bleek en klam. terwijl de lucht

Van 't zwaaien van het zwaard, den vnl der Igt;ijlen zucht.

De houtmijt riekt en rookt.quot; ')

dat Prins \\ illcm een opvolger had nagelaten zijner waardigquot;, in zijn tweeden zoon Maurits (1567 -1625), geboren uit zijn huwelijk met Anna van Saksen.

In dien nacht, die zoo zwart op Nederland viel,

„Als siuts d' Aposteleeuw geen latere eeuwen zagen! -)

was zijn geboorte een lichtstraal geweest.

..Ken vneiidelijk sterrelicht begroette met een glans Van welkomst en van heil d'alonden burchtslottrans!

Wees welkom teedre scheut, ten hoogen eik geboren !

Hen Zoon. opnieuw een Zoon. was Willem's stam beschoren!

(üj zult (iraaf Maurits zijn! De Vrijheid in 't gemoed Ontkiemd uws Vaders, straks met kostbaar burgerbloed.

Beregend, wacht van 1' haar grond om op te bloeien.

Kn in de ruimte Noord- en Zuidwaarts uit te groeien.

Wees welkom aan de spits dier Machabeesche teelt Van Wrekers, in Gods gunst aan Neerland toebedeeld!quot;

\\ illem's oudste zoon, geboren uit zijn huwelijk met Anna van Kgmont :!), was door Alva opgelicht en naar Spanje gevoerd, waar hij streng bewaakt werd.

I )e hoop van het volk, die op Maurits gevestigd was, is niet teleurgesteld. Als veldheer stond hij ongetwijfeld hooger dan zijn vader, gelijk hij als staatsman verrewegquot; zijn mindere was. Door zijn krijgsbeleid wist hij spoedig het verloren terrein achtereenvolgens te herwinnen. 1 )e verovering van Breda, Zutfen, Deventer, Delfzijl, Nijmegen, Hulst, (ironingen en andere vestingen, de overwinningen bij Turnhouten Nieuwpoort, de laatste zoo heerlijk schoon door onzen Isaac da C'osta bezongen, en de bemachtiging van Staats-\'laanderen

') Da C'osta. ..De slag bij Nieuwpoortquot; in den aanhef.

'-) Terzelfde plaatse, deel III in de prachtuitgave van A. C. Kniseman. bladz. 4(i().

:l) Motley t. a. p. pag. 897. Gewoonlijk wordt zij Anna van Buren genoemd; zij had den Prins ook een dochter geschonken. Maria, later met graaf Mohenlo gehuwd. Voorts bad de Prins nog twee dochters bij Anna van Saksen: Anna. die later met haar neet Willem bodewijk in 't huwelijk traden Kin 11 ia. die met Prins Kmanuel van Portugal trouwde, en bij (quot;harlotte van Bourbon zes dochters.

ocr page 26
ocr page 27

Ili

( ie!ukkl;4 voor ons vulk, toen m W-dcrlaiul dc /1 hi zoo rood za^;,

de straten

/uo douilsch! Kaslccl m hiii'clit van ImIcIIu ii scrlalcii!

I'cr liiirtii'cii vciorliontil bleek en Iclaiu. terwijl de lucht

Van 't /waaien \aii liet zwaard, den \al der hijlen zuidd.

De lioutinijr riekt en rookt.quot; ')

dal l'rins \\ illem een opx'ol^cr had nagelaten zijner waardig, in zijn tweeden zoon Maurits (1567 1625), ^ehoren uil zijn huwelijk met Anna \an Saksen.

In dien tiachl, tlic, zoo zwart op Xederkmd viel,

..Als sluts ij' A posl'elei'ltw ti'eetl latere eeuwen zaii'ell 1 -')

was zijn i^ehoorle een lichlstraal geweest.

..Kon riet idol ij k sterrelieht heii'i'oi'tto niet een nians \ au welkotiist eu va tl heil d'alouden hurclfflslottrans!

Wees WclkOIII ti'edl'e scheut, ten llOOgetl eik li'dierell!

Ken Zoon. opiiieuw een Zoon, was W'illeni s stam heschoteii!

fiij zult draal Maurits ziju ! De \'rijheid in 'I: nctuoed Uutkicmd uws \ aders, straks met kosthaar burgerbloed,

lïereg'end. wacht van 1' haar grond om o[i te bloeien,

Ku in de ruimte Xnord- en Zuidwaarts uit te groeien.

Wees Welkom aan de spits dier Macha hcesche teelt \ au \\ rekors. in Ciuds gunst aan Neerland toebedeeld!quot;

\\ illetn's oudste zoon, gehoren uil zijn huwelijk met Anna van I'-gniont :1), was door AKa opgelicht en naar Spanje gevoerd, waar hij streng' bewaakt werd.

De hoop van hel volk, die op Manrits gevestigd was, is niet teleurgesteld. Als veldheer stond hij ongetwijleld hooger dan zijn vader, gelijk hij als staatsman verreweg zijn mindere was. Hoor zijn krijgsbeleid wist hij spoedig het verloren terrein achtereenvolgens te herwinnen. 1 )e verovering van lireda, Zutlen, Deventer, Deltzijl, Nijmegen, 1 luist, (ironingen en andere \ estingen, de overw inningen bij l'urnhout en Nienwpoort, de laatste zoo heerlijk schoon door onzen Isaac da Costa bezongen, en de bemachtiging van Staats-\'laandercn

'l Da (usta, ..De slag hij Nienwpoortquot; in den aanbel.

-1 Terzeltde plaatse, deel lil in de prachtuitga\'e van A, ('. Krttseiuan. bladz, -tOti,

quot;i Motley t. a. p. pag. Nib. (iewoonlijk wordt zij At ma van Huren genoemd; zij hadden l'rins (ink een dochter ges(dionken. Maria, later niet graat I Inheulo geluiwd. Voorts had de Prins nog twee doch-ters bij Anna \an Saksen: Anna. die later met haar noel Willem bodewijk in 't huwelijk trad en Kmilia. die met l'rins Kntauttel van Portugal rrouwde, en bij ('harlotto van Bourbon zes dochters.

ocr page 28

1

ocr page 29
ocr page 30

stempelden hem als den grootsten veldheer zijner eeuw. hij wien bovoemde mannen uit geiieel Europa de krijgskunst kwamen Meren. Zijne krijgsonderneiuingen waren;

„Zegetochten, steeds hiinkender gelukt Waarvan de weêrgalm nog het nageslacht verrukt,

Kn 't hart in vhunmon zet van dichters en van helden!

Onovertroffen Hoofd! men zag op de open velden Uw krijgskunst even diep, uw krijgsvolk even stout.

Getuigt het, Thieitsche heide, en torens van Turnhout!

Waar Varax ruitren eens zoo hoog de horsten droegen.

Straks Man rits honderden hun duizenden versloegen;

En Neèriand riep; „Hij zag. Hij kwam. God overwon!

Het was de Morgenster van Nieuwpoorts gulden Zon.quot; (')

Heeft 1 'rins Willem vooral door zijn staatkundig beleid onschatbare diensten aan ons vaderland bewezen, Maurifcs deed het door zijn zwaard, zijne ongeëvenaarde taktiek, zijn onverschrokken heldenmoed: hij was in één woord een geweldig oorlogsman en alleen de jammervolle godsdiensttwisten tusschen de Kemonstranten en Contra-remonsti'anten, met hun noodlottigen nasleep als de dood van nidcnharnevelt, helihen een schaduw over zijne nagedachtenis geworpen.

De mantel van Maurits was gevallen op zijn li roedei Frederik Hendrik (1ÖS4 l()47i ja meer dan dit: hij overtrof hem verre als staatsman en was ais veldheel-, vooral als „stedendwingerquot; zijns gelijke, zoo niet zijn meerdere. Zoon van do edele beschaafde Louise de (Joligny, gehuwd met Amalia van Soims, was Frederik Hendrik een man van een zacht karakter, vriendelijk in den omgang, gevoelig voor kunst, wetenschap en beschaving, een scherpzinnig staatsman, maar tevens een krachtig, dapper en iiclcidvol veldheer, onder wien de beroemdste krijgslieden van Kuropa. als een liernard van Saksen-Weimar. Turenne. Karei Gustaaf en do Groote keurvoi-st de kiijgskunst beoefenden.

Heeds bij den slag van Nieuwpoort had liij getoond dat het heldenhloed der Oranjes in zijne aderen stroomde en bruischte, waar Inj

„In quot;t eind zijns broeders hart een hachelijk „jaquot; ontwrong,

'riiands, steigrend naast hem. juicht! Zoo leert het arendsjong,

Op zijner ouderen vlerk met liefde en lust gedragen.

Het spoor ten wolken in. trots dreigende oiivveérsvlagen.quot; (■)

Kn dat hij dat adelaarsspoor gevolgd is. bewijzen oidenzaai, Grol. 's Herbigeniiosch. Venlo, Roermond, Maastricht, Breda, Sas van Gent, Hulst en andere plaats.-n. die de welsprekende getuigen zijn van zijn veldheersheleid en \'an zijne kunst om vestingen te veroveren.

De Prins onzer dichters, de hezielde .loost van don Vondel, heeft hem vereeuwigd in

(') Da Costa, t. a. p., pag. 410.

(-) Da ('osta, ti. a. p., png. 4IU.

ocr page 31

— 1« —

tal van gezangen, o. a. in zijne meesterlijke „Verovering van Grolquot;, met zijn klassieken aanhef:

„Ik zing den legertocht des princen van üranjen,

Die t lieer van Spinola, en all' de macht van Spanjen

Met zijn slagorders tartte, in het bestoven veld,

En Duk'ken (') de stad (Irol deed mimen met geweld.

Hier en elders heeft Vondel een onvenvelkhren lanwerkra.ns gevlochten voor den held, wien hij toezingt:

„O Frederik, die lier en trots te paarde Voor Hollands vrijdom vocht en ijvert met den zwaarde;

En t volk. dat hier geschoold krielt als een hijenzwarm Verdadigt door (lods kracht en uwen ijzren arm.quot;

En de vermeerderde luister der republiek, waarin Frederik liendrik's hof als een koningshof s( bitteide, en de verzoening der zoo tel op elkander gebeten partijen, vooral op kerkelijk gebied, bewijzen zijn uitnemend staatsbeleid.

Hij is de dei de \an de beroemde trits der ..Makkabeecn . maar niet de minste, inden geweldigen worstelstrijd met het overmachtige Spanje. Was Willem I de grondlegger onzer vrijheid, heeft Man rits door zijn moed en krijgstalent het werk van zijn vader bevestigd en voortgezet, de edele Frederik Hendrik zette daarop do kroon. Fier en vrij trad de Republiek dei \eieenigde piovincién, een jaar na zijn dood. uit den zwaren en langdurigen strijd, geöerd door de mogendheden van Europa, rijk door haren handel op Oost en West.

Met eere verdienen ook de helden uit den anderen tak der Nassaus vermeld te worden, een Willem I.odewijk. Ernst Casimir, Lodewijk (funther van Nassau, Hendrik Cashnir, Johan Man rits en zijne broeders, die met groote dapperheid het palladium der vrijheid verdedigden, maar boven hen verheffen zich de gestalten der drie groote helden, aan wie Nederland zijne onafhankelijkheid van Spanje vooral te danken heeft, zoodat onze landge-nooten in (ie dagen der grootste benauwdheid nog niet wanhoopten, want zeiden zij:

„Drie dingen zijn ons nog gelaten:

Oranje en God en onze moed.quot;

En zoo, door deze drie machten, was de Republiek groot geworden, bet Huis van Oranje in rang gelijk met de gekroonde hoofden en de tijd van Frederik Hendrik de „gouden eeuwquot;, ook op het gebied van kunsten en letteren.

Niet te vergeefs dus hadden de Oranjevorsten en hunne medestrijders goed en bloed

'l Matthijs Du leken verdedigde de belangrijke vesting. Zie Vondel's Dichtwerken uitgegeven door dr. .1. van Vloten. Ie deel, bladz. 280.

ocr page 32

19

veil gehad; uit den donkei'sten nacht was het heldere daglicht opgegaan, uit de onderdrukking was een staat opgewassen, die nog geruinien tijd het bolwerk der vrijheid en onafhankelijkheid van Europa zou zijn. (')

Aan den zoon van Krederik Hendrik, Willem II (1 1(550) was slechts oen kort leven beschoren. Op vier- on twintigjarigen leeftijd overleed hij aan do pokken. Ware het hem gegund den vollen rijkdom zijner gaven te ontwikkelen, dan zou hij, naar de ge. tuigenis van Jan de Witt, de bekwaamste van zijn geslacht geworden zijn. Gemaal van de dochter van koning Karei 1 van Engeland, Maria Hen ristte, zwager van den Grooten keurvorst, bedeeld met schitterende gaven naar lichaam en geest, onverschrokken, hooghartig en ridderlijk van karakter, vol eerzucht en ondernemingsgeest scheen een luisterrijke loop-haan voor hem weggelegd. Doch de dood maakte onverwacht een einde aan deze stoute verwachtingen.

Acht dagen na den dood van Willem I I werd der Prinses-Weduwe een zoon geboren, de later zoo beroemd geworden Willem lil. Deze kwam onder voogdij van zijne moeder, van zijne grootmoeder Anialia van Sohns en van den keurvorst van Brandenburg, Krederik Willem 1, den gemaal van Krederik Hendrik's oudste dochter Louise Henrictte, doch werd niet tot stadhouder benoemd; Groningen en Drente kozen den Frieschen stadhouder Willem Frederik; het stadhouderlooze tijdperk ving aan. waarin de gioote Raadpensionaris Jan de VV itt de hoofdrol speelde. De Oranjes geraakten meer en meer op don achtergrond; de Acte van Seclusie en bet Eeuwig Edict schonen tot een algeheele uitsluiting van den Jeugdigen Prins te zullen leiden; zelfs werd de Prinsenvlag in een Staten vlag veranderd, maar de Oranje-partij gaf de hoop niet op, bemoedigde zich met bet bed:

„Al is ons Prinsje nog zoo klein Aleve] zal hij stadhouder zijn!quot;

en werkte niet onvermoeide krachtsinspanning tot de verheffing van den Prins in den rang zijner vaderen.

De gelijktijdige* oorlog met vier vijanden - Frankrijk. Kngeland. Munster en Keulen -was de aanleiding tot dit feit; toen bet vaderland ten ondergang gedoemd scheen, meende men nergens uitkomst te vinden dan bij een Oranje-vorst, evenals in de dagen van weleer, en in het merkwaardige jaar \iu2 had die verheffing plaats, helaas gepaard met den moord op de De Witten, die een der donkerste bladzijden vult van onze vadeiiandsche geschiedenis.

Willem III (Ibüü- 1702) bewees, dat het volk niet te vergeefs op hem zijn vertrouwen gesteld had en dat hij zijn roemrijken naam Waardig was. Hij bezielde de troepen, hij deed den vyand deinzen, en vrij en zonder verlies van eenig grondgebied trad de Kepubliek, na een hevigen kamp te land en ter zee, in 1(378 uit den strijd en hernam baar rang in

') Bij sens t. a. p. bladz. 122.

ocr page 33

20- —

de nj der mogendheden. Zelfs werd haar luister verhoogd, toen Willem en zijne gemalin Maria, dochter van Jacobus II, koning van Engeland, in 1089 tot Koning en Koningin van dat land werden gekroond, nadat Jacobus van den troon verdreven was. Daardoor nam het overwicht van Frankrijk een einde, de godsdienstige en burgerlijke vrijheid van Europa werd bevestigd en het Protestantisme verkreeg nieuwe kracht. En tot zijn dood toe bleef Willem 111, de onverzoenlijke vijand van Lodewijk XIV, het bolwerk van Europa's vrijheid, waaraan zijn naam, evenals die van Willem I. onatscheidelijk verbonden blijft, de steunpdaar van staatkundige en godsdienstige vrijheid, „de handhaver der onafhankelijkheid van Europa tegenover de Fransdie heerschzucht, de toevlucht der verdrukte Protestanten, het erkende hoofd van het Protestantsch Europa. Zijne laatste gedachten hielden zich bezig met het voorbereiden van den groeten strijd om de Spaansche erfenis, die na zijn dood Europa zou beroeren: de voortzetting van wat door hem was aangevangen. Zijn plotselinge dood, ten gevolge van een val van het paard, in 1702, deed den laatsten vertegenwoordiger van den tweeden tak der Oranje-Nassan's ten grave dalen, den kinderloozen erfgenaam van een geslacht, dat anderhalve eeuw lang de bewondering van Europa had gewekt.quot; (l)

Uiterst zwak en teer van gestel, aamborstig en teringachtig, gestadig door hoest en ondragelijke hoofdpijnen gekweld, scheen het in den aanvang, dat Willem lil niet opgewassen zou zijn tegen de zware taak, die hem wachtte. Doch zijn ijzeren wil en onbreekbare energie zegevierden over de zwakheden van zijn lichaam. Zijne talenten waren buitengemeen; op vier en twintigjarigen leeftijd had hij reeds den roem verworven van een uitstekend krijgs- en staatsman te zijn. Evenwel hij blonk meer uit als staatsman dan als krijgsman: wel heelt, hij in de laatstgenoemde hoedanigheid veel gedaan: ons diep vervallen leger bruik-baai gemaakt, ons land van de Eranschen gezuiverd. Zeeland veroverd en Namen genomen, doch als staatsman was niemand zijner tijdgenooten zijn meerdere. De fortuin was hem dooigaans ongunstig: in tal van gevechten tegenover de beroemdste Eransche veldheeren als (Jonde, I uremie, Luxembourg, werd hij geslagen, maar met groote snelheid wist hij zijne nederlagen te herstellen en het veld te behouden: hij belette den vijand van de overwinning gebruik te maken: hij bleef steeds kalm, standvastig, onvervaard en boezemde zijnen soldaten vertrouwen in, zoowel «loor zijn persoonlijken moed als door zijne krijgs-taktiek. Als staatsman was hij van een onkreukbare trouw en dwong hij de achting af \an Emopa. Met verbazende wilskracht en algeheele toewijding heeft hij zijne grootsche taak volbracht: de redding van den Hervormden godsdienst, het behoud van ons vaderland en de handhaving van het staatkundig evenwicht in Europa, waarvan het noodwendig gevolg was de bestrijding op leven en dood van Frankrijk, dat dit alles zocht te verijdelen

en te verbreken. Aan hem zijn wij Nederlander!* het verschuldigd ~ zegt prof. li. Eruin__

dat wij in de 17e eeuw een grootsche rol hebben vervuld in de wereldgeschiedenis. ('2)

(') Ons Vorstenhuis liladz. 12,

iu.(? n'6U rmeei'(iere ''ijwonderheden omtrent zijn leven en karakter weten, dan zijn Mdcaulay, 1 rot. llieorl. Jorissen en anderen uitiiuintende gidsen.

ocr page 34

21 —

Daar Willem 11! kinderloos overleed en Johan Willem Friso (1687—1711) van Nassau-Dietz, stadhouder van Friesland en Groningen, niet tot zijn opvolger gekozen werd, begon het tweede stadhouderlooze tijdperk, (1702—1747), Deze Friso heeft een kort, maar roemrijk leven gehad. Hij was niet alleen een erfgenaam van den titel van Prins van Oranje-Nassau, maar ook van den moed der Oranje's, In 1704 reeds trad hij als generaal op en in 1709 verwierf hij zich onsterfelijken roem in den slag bij Malplaquet, Hij scheen tot groote dingen bestemd te zijn, doch zijn vroegtijdige dood sloeg den bodem in aan alle grootsche verwachtingen. Op reis naar 's Gravenhage, waar hij met den koning van Pruisen de verdeeling der erfenis van Willem Hl zou bespreken, vei'dronk hij jammerlijk in het Hol-landsch Diep bij den Moerdijk in 1711, Weldra werd aan zijne gemalin, de Hessische Prinses Maria Louise, een zoon geboren, Willem Karei Hendrik Friso, die hem als stadhouder van Friesland opvolgde. Deze vorst werd later de eerste stadhouder onder den naam van Willem IV (1711- 17ol), die deze waardigheid in alle gewesten bekleedde en een grooter macht verkreeg dan een zijner voorgangers ooit bezeten had, In 1718 stadhouder van Groningen geworden en in 1722 van Drente en Gelderland, had hij zijne verdere verheffing tot die waardigheid in Zeeland, Holland, Utrecht en Overijsel te danken aan den oorlog van Frankrijk in de Zuidelijke Nederlanden en den inval in Staats-Vlaanderen, Evenals in het rampzalige jaar D)72 zag het volk reikhalzend naar een redder uit en meende dien weder gevonden te hebben in oen vorst uit het Huis van Oianje, ofschoon thans die \ ei wachtingen teleurgesteld werden. Zelfs Bergen-op-Zoon i werd genomen (1747). Doch voor de totstandkoming der nationale eenheid was het een belangrijk feit, dat idle provinciën thans onder één stadhouder vereenigd waren. Do Staten-Generaal droegen aan Willem IV het kapitein-generaal- en admiraalschap op, erfelijk in de mannelijke en vrouwelijke linie, evenals het Stadhoudersschap. Voorts verkreeg hij het bewind over de Generaliteitslanden en het Opperdirecteurschap van Oost- en West-Indiö, niet opheffing van alle bepalingen, die voorheen de bevoegdheid van den stadhouder beperkten. Maar Willem IV miste de gave, om van de omstandigheden gebruik te maken: hom was de hoogste macht in den schoot geworpen, doch hem ontbraken veldheerstalenten en een vast karakter, terwijl hij als staatsman niet meer dan iniddelniatig was. Hij bezat vele kundigheden en grooten ijver, die echter overdreven werd tot het kleingeestige, zoodat hij ook de geringste zaken zelf wilde afdoen, waardoor het belangrijke dikwijls werd verzuimd. Hij wilde wel het goede en deed ook veel goods, maar de verwachtingen, die van hem gekoesterd waren, werden niet vervuld. De volksbeweging, die hem verheven had, waarvan mede een der bedoelingen was om door den prins de oligarchie uit te roeien, was door hem niet begrepen. Zijn vroegtijdige dood verhinderde hem in zijn pogingen, om tot heil der burgerij werkzaam te zijn, maar bewaarde hem tevens voor veel kwaads, dat hem vermoedelijk van zijne onderdanen zou weervaren zijn. daar hij het vertrouwen had verloren en velen zich van hem hadden afgewend. (').

',) Zie Hijsens t. a. p. blad/. 17lt;.).

ocr page 35

20- —

de nj der mogendheden. Zelfs werd haar luister verhoogd, toen Willem en zijne gemalin Maria, dochter van Jacobus II, koning van Engeland, in 1089 tot Koning en Koningin van dat land werden gekroond, nadat Jacobus van den troon verdreven was. Daardoor nam het overwicht van Frankrijk een einde, de godsdienstige en burgerlijke vrijheid van Europa werd bevestigd en het Protestantisme verkreeg nieuwe kracht. En tot zijn dood toe bleef Willem 111, de onverzoenlijke vijand van Lodewijk XIV, het bolwerk van Europa's vrijheid, waaraan zijn naam, evenals die van Willem I. onatscheidelijk verbonden blijft, de steunpdaar van staatkundige en godsdienstige vrijheid, „de handhaver der onafhankelijkheid van Europa tegenover de Fransdie heerschzucht, de toevlucht der verdrukte Protestanten, het erkende hoofd van het Protestantsch Europa. Zijne laatste gedachten hielden zich bezig met het voorbereiden van den groeten strijd om de Spaansche erfenis, die na zijn dood Europa zou beroeren: de voortzetting van wat door hem was aangevangen. Zijn plotselinge dood, ten gevolge van een val van het paard, in 1702, deed den laatsten vertegenwoordiger van den tweeden tak der Oranje-Nassan's ten grave dalen, den kinderloozen erfgenaam van een geslacht, dat anderhalve eeuw lang de bewondering van Europa had gewekt.quot; (l)

Uiterst zwak en teer van gestel, aamborstig en teringachtig, gestadig door hoest en ondragelijke hoofdpijnen gekweld, scheen het in den aanvang, dat Willem lil niet opgewassen zou zijn tegen de zware taak, die hem wachtte. Doch zijn ijzeren wil en onbreekbare energie zegevierden over de zwakheden van zijn lichaam. Zijne talenten waren buitengemeen; op vier en twintigjarigen leeftijd had hij reeds den roem verworven van een uitstekend krijgs- en staatsman te zijn. Evenwel hij blonk meer uit als staatsman dan als krijgsman: wel heelt, hij in de laatstgenoemde hoedanigheid veel gedaan: ons diep vervallen leger bruik-baai gemaakt, ons land van de Eranschen gezuiverd. Zeeland veroverd en Namen genomen, doch als staatsman was niemand zijner tijdgenooten zijn meerdere. De fortuin was hem dooigaans ongunstig: in tal van gevechten tegenover de beroemdste Eransche veldheeren als (Jonde, I uremie, Luxembourg, werd hij geslagen, maar met groote snelheid wist hij zijne nederlagen te herstellen en het veld te behouden: hij belette den vijand van de overwinning gebruik te maken: hij bleef steeds kalm, standvastig, onvervaard en boezemde zijnen soldaten vertrouwen in, zoowel «loor zijn persoonlijken moed als door zijne krijgs-taktiek. Als staatsman was hij van een onkreukbare trouw en dwong hij de achting af \an Emopa. Met verbazende wilskracht en algeheele toewijding heeft hij zijne grootsche taak volbracht: de redding van den Hervormden godsdienst, het behoud van ons vaderland en de handhaving van het staatkundig evenwicht in Europa, waarvan het noodwendig gevolg was de bestrijding op leven en dood van Frankrijk, dat dit alles zocht te verijdelen

en te verbreken. Aan hem zijn wij Nederlander!* het verschuldigd ~ zegt prof. li. Eruin__

dat wij in de 17e eeuw een grootsche rol hebben vervuld in de wereldgeschiedenis. ('2)

(') Ons Vorstenhuis liladz. 12,

iu.(? n'6U rmeei'(iere ''ijwonderheden omtrent zijn leven en karakter weten, dan zijn Mdcaulay, 1 rot. llieorl. Jorissen en anderen uitiiuintende gidsen.

ocr page 36

21 —

Daar Willem 11! kinderloos overleed en Johan Willem Friso (1687—1711) van Nassau-Dietz, stadhouder van Friesland en Groningen, niet tot zijn opvolger gekozen werd, begon het tweede stadhouderlooze tijdperk, (1702—1747), Deze Friso heeft een kort, maar roemrijk leven gehad. Hij was niet alleen een erfgenaam van den titel van Prins van Oranje-Nassau, maar ook van den moed der Oranje's, In 1704 reeds trad hij als generaal op en in 1709 verwierf hij zich onsterfelijken roem in den slag bij Malplaquet, Hij scheen tot groote dingen bestemd te zijn, doch zijn vroegtijdige dood sloeg den bodem in aan alle grootsche verwachtingen. Op reis naar 's Gravenhage, waar hij met den koning van Pruisen de verdeeling der erfenis van Willem Hl zou bespreken, vei'dronk hij jammerlijk in het Hol-landsch Diep bij den Moerdijk in 1711, Weldra werd aan zijne gemalin, de Hessische Prinses Maria Louise, een zoon geboren, Willem Karei Hendrik Friso, die hem als stadhouder van Friesland opvolgde. Deze vorst werd later de eerste stadhouder onder den naam van Willem IV (1711- 17ol), die deze waardigheid in alle gewesten bekleedde en een grooter macht verkreeg dan een zijner voorgangers ooit bezeten had, In 1718 stadhouder van Groningen geworden en in 1722 van Drente en Gelderland, had hij zijne verdere verheffing tot die waardigheid in Zeeland, Holland, Utrecht en Overijsel te danken aan den oorlog van Frankrijk in de Zuidelijke Nederlanden en den inval in Staats-Vlaanderen, Evenals in het rampzalige jaar D)72 zag het volk reikhalzend naar een redder uit en meende dien weder gevonden te hebben in oen vorst uit het Huis van Oianje, ofschoon thans die \ ei wachtingen teleurgesteld werden. Zelfs Bergen-op-Zoon i werd genomen (1747). Doch voor de totstandkoming der nationale eenheid was het een belangrijk feit, dat idle provinciën thans onder één stadhouder vereenigd waren. Do Staten-Generaal droegen aan Willem IV het kapitein-generaal- en admiraalschap op, erfelijk in de mannelijke en vrouwelijke linie, evenals het Stadhoudersschap. Voorts verkreeg hij het bewind over de Generaliteitslanden en het Opperdirecteurschap van Oost- en West-Indiö, niet opheffing van alle bepalingen, die voorheen de bevoegdheid van den stadhouder beperkten. Maar Willem IV miste de gave, om van de omstandigheden gebruik te maken: hom was de hoogste macht in den schoot geworpen, doch hem ontbraken veldheerstalenten en een vast karakter, terwijl hij als staatsman niet meer dan iniddelniatig was. Hij bezat vele kundigheden en grooten ijver, die echter overdreven werd tot het kleingeestige, zoodat hij ook de geringste zaken zelf wilde afdoen, waardoor het belangrijke dikwijls werd verzuimd. Hij wilde wel het goede en deed ook veel goods, maar de verwachtingen, die van hem gekoesterd waren, werden niet vervuld. De volksbeweging, die hem verheven had, waarvan mede een der bedoelingen was om door den prins de oligarchie uit te roeien, was door hem niet begrepen. Zijn vroegtijdige dood verhinderde hem in zijn pogingen, om tot heil der burgerij werkzaam te zijn, maar bewaarde hem tevens voor veel kwaads, dat hem vermoedelijk van zijne onderdanen zou weervaren zijn. daar hij het vertrouwen had verloren en velen zich van hem hadden afgewend. (').

',) Zie Hijsens t. a. p. blad/. 17lt;.).

ocr page 37

— 24 -

Dc eigenlijke stichter van het koningschap was, volgens Leopold von Ranke ('), de stadhouder Willem IV geweest, dat zich thans onder den invloed der wereldgeschiedkun-dige gebeurtenissen liad gevormd.

Maar de roeping van Koning Willem 1 Was een geheel andere dan die van zijne voorgangers: geen herstel der oude staatsregeling was mogelijk, maar een souverein moest er wezen, ia wien de eenheid van het vaderland haar belichaming kon vinden. (2)

Heeft de regeering van Willem i aan de verwachtingen des volks beantwoord?

Nu eens overdreven geprezen, dan weer eveneens gelaakt, zelfs met ondankbaarheid gelasterd, staat het toch vast, dat Willem I met rusteloozen ijver ons land heeft bestuurd en de bevordering der belangen zijner onderdanen ernstig gewild heeft. Hij mistte het geniale van zijn grooten naamgenoot. Prins Willem 1: hij muntte meer uit als administrateur dan als staatsman: iiij was onbuigzaam van karakter en kon tip den duur niet over weg met hen, die er een eigen meening op nahielden, zoodat er verwijdering ontstond tusschen hem en zijne uitstekende staatsdienaars van Hogendorp en Falck (quot;); hij was eerzuchtig en verheugde zich daarom, dat zijn grondgebied door de beschikking der groote mogendheden met België was vergroot, hoewel iiij ten eenenmale ongeschikt was um de vereeniging der regeering van Nederland en België te doen gelukken, gelijk het in den loop der eeuwen nooit was gelukt (4); geschiedenis, taal. godsdienst, bronnen van welvaart, in één woord de belangen der beide volken waren verschillend. Ook 's konings houding, nu eens weifelend dan weer onverzettelijk, werkte den opstand, die in 1880 uitbrak, in de hand, en maakte de scheiding der beide landen onvermijdelijk: de schuldenlast der natie nam onrustbarend toe en het gevolg van dit alles was, dat de liefde van het volk voor den koning allengs verkoelde.

Ontkend kan voorts niet worden, dat Koning Willem 1 weinig rekening gehouden heeft met het feit, dat hij was een constitutioneel vorst; „zijn karakter kon zich niet schikken in de plooien van den constitutioneelen koningsmantelquot; (5); „voor hem was de natie het levenloos voorwerp, waarop hij datgene beproefde, wat naar zijne oprechte overtuiging voor haar het nuttigst wasquot; De grondwet van 1.840, die hem werd afgedwongen, was weinig beter dan de grondwetten van 1814- 1815; geen staatkundige rechten, geen vrije verkiezing der Staten-Generaal, geen openbaarheid in de behandeling der staatszaken, geen toezicht op de tinancien. Den koning werden rechten toegekend, geheel in strijd met do eerste beginselen van een „wijze constitutie.quot; Zijn karakter strookte nu eenmaal niet meteen parlementaire regeering, noch met ministerieele verantwoordelijkheid. (7)

') Briefwechsel Friedr. ties Or, met Willi. TV, s. 14.

-) Nyhoff, t. a. p. Mad/.. 57.

3) Zie Rij sens t. a. p. het hoofdstuk „Koning Willem 1.quot;

4) VgL Nijhoff t. a. p. bladz. 59.

f') Nijhoff t. a. (). bladz. no.

'■) Beaufort, G-eschiedk. opstellen dl. II bl. 100.

'I Nijhoff t. a. p. bladz. (51 en de door hem aangegeven bronnen in de „Aanteekeningenquot;.

ocr page 38

■ 25 -

Volmondig moet echter erkend worden, dat liet volk zelf ook schuld had aan dien loop der zaken; het toonde geen belangstelling in het staatkundige leven: zijne onverschilligheid en traagheid werkte de autocratie van den vorst in de hand; eerst later verzette het zich tegen den kuning, wiens bedoeling steeds was voor het heil zijner onderdanen als een vader te zorgen.

Verder staan tegenover de genoemde karaktertrekken des konings groote deugden. In de hoogste mate werkzaam, ijverig, kloek van verstand, krachtig van wil, achtte Willem 1 liet niet alleen zijn plicht de welvaart des lands te bevorderen, maar liet was ook zijne oprechte begeerte, zooals hij dour de daad getoond heeft; met ijver legde hij zich toe om den thiancieelen toestand des lands te verbeteren: handel, nijverheid, landbouw bevorderde hij; verscheidene kanalen werden aangelegd — Noord-Hollandsch kanaal, Apeldoornsch kanaal. Zuid-Willemsvaart enz., havens werden verbeterd, de Maatschappij van Weldadigheid (1821) werd opgericht, alsmede tie Handelmaatschappij (1824). aan het onderwijs wijdde de koning groote zorg, getuigen de hoogescholen te (lent en te Luik, die verrezen, Breda werd met een Militaire Academie verrijkt, Medemhlik met een Instituut voor de Marino, dat thans te Nieuvvediep is gevestigd; ook ten opzichte van kerkelijke aangelegenheden maakte Z. M. zich in veler oogen verdienstelijk, kortom koning Willem 1 heeft ontegenzeggelijk zeer veel gedaan om de welvaart des volks te vermeerderen, dat groote verplichtingen aan hem heeft.

Zeer te betreuren is daarom het scherpe contrast tusschen het begin van 's konings regeering en het einde daarvan. Met geestdrift en gejubel had het volk hem ingehaald, doch allengs was een gevoel van wantrouwen, ontevredenheid en bitterheid jegens hem ontstaan, zich lucht gevende in verwijten. Teleurgesteld in zijne verwachtingen ten opzichte van zijn arbeid voor het heil des volks, mismoedig omdat zijne onderdanen zijne vroegere verdiensten jegens hen schenen vergeten te zijn. deed bij afstand van de regeering (7 Oct. 1840) en verliet het land. Hij süerf in den vreemde, te Berlijn, drie Jaren later, weinig betreurd door zijne landgenooten, voor wier stoffelijke welvaart hij toch zooveel had gedaan, voor wie hij met goede bedoelingen, schoon niet altijd met goeden uitslag, zijne beste krachten had veil gehad, wier nationaliteit en eenheid zoo krachtig door hem waren bevorderd.

Voorzeker een treurig einde na zulk een schoon begin.

Willem George Frederik bodewijk, Prins van Oranje, besteeg in 1840 den troon zijns vaders en regeerde als Koning Willem II (1792-4840) ongeveer acht en een halfjaar over ons land. Voorzeker een korte tijdruimte; toch heeft hij daarin veel goeds tot. stand gebracht; wegens zijn sympathiek karakter mocht hij zich in een groote populariteit verbeugen.

En het waren moeilijke dagen, waarin Willem 11 de regeering aanvaardde; de toestand der linancien scheen wanhopig de staatsschuld bedroeg 2200 nhllioen gulden en dringend werd er herziening der grondwet verlangd. Het volk wilde invloed oefenen op zijne belangen. Het evenwicht in de financiën werd eenigszins hersteld d(tor de „vrijwillige

ocr page 39

— 24 -

Dc eigenlijke stichter van het koningschap was, volgens Leopold von Ranke ('), de stadhouder Willem IV geweest, dat zich thans onder den invloed der wereldgeschiedkun-dige gebeurtenissen liad gevormd.

Maar de roeping van Koning Willem 1 Was een geheel andere dan die van zijne voorgangers: geen herstel der oude staatsregeling was mogelijk, maar een souverein moest er wezen, ia wien de eenheid van het vaderland haar belichaming kon vinden. (2)

Heeft de regeering van Willem i aan de verwachtingen des volks beantwoord?

Nu eens overdreven geprezen, dan weer eveneens gelaakt, zelfs met ondankbaarheid gelasterd, staat het toch vast, dat Willem I met rusteloozen ijver ons land heeft bestuurd en de bevordering der belangen zijner onderdanen ernstig gewild heeft. Hij mistte het geniale van zijn grooten naamgenoot. Prins Willem 1: hij muntte meer uit als administrateur dan als staatsman: iiij was onbuigzaam van karakter en kon tip den duur niet over weg met hen, die er een eigen meening op nahielden, zoodat er verwijdering ontstond tusschen hem en zijne uitstekende staatsdienaars van Hogendorp en Falck (quot;); hij was eerzuchtig en verheugde zich daarom, dat zijn grondgebied door de beschikking der groote mogendheden met België was vergroot, hoewel iiij ten eenenmale ongeschikt was um de vereeniging der regeering van Nederland en België te doen gelukken, gelijk het in den loop der eeuwen nooit was gelukt (4); geschiedenis, taal. godsdienst, bronnen van welvaart, in één woord de belangen der beide volken waren verschillend. Ook 's konings houding, nu eens weifelend dan weer onverzettelijk, werkte den opstand, die in 1880 uitbrak, in de hand, en maakte de scheiding der beide landen onvermijdelijk: de schuldenlast der natie nam onrustbarend toe en het gevolg van dit alles was, dat de liefde van het volk voor den koning allengs verkoelde.

Ontkend kan voorts niet worden, dat Koning Willem 1 weinig rekening gehouden heeft met het feit, dat hij was een constitutioneel vorst; „zijn karakter kon zich niet schikken in de plooien van den constitutioneelen koningsmantelquot; (5); „voor hem was de natie het levenloos voorwerp, waarop hij datgene beproefde, wat naar zijne oprechte overtuiging voor haar het nuttigst wasquot; De grondwet van 1.840, die hem werd afgedwongen, was weinig beter dan de grondwetten van 1814- 1815; geen staatkundige rechten, geen vrije verkiezing der Staten-Generaal, geen openbaarheid in de behandeling der staatszaken, geen toezicht op de tinancien. Den koning werden rechten toegekend, geheel in strijd met do eerste beginselen van een „wijze constitutie.quot; Zijn karakter strookte nu eenmaal niet meteen parlementaire regeering, noch met ministerieele verantwoordelijkheid. (7)

') Briefwechsel Friedr. ties Or, met Willi. TV, s. 14.

-) Nyhoff, t. a. p. Mad/.. 57.

3) Zie Rij sens t. a. p. het hoofdstuk „Koning Willem 1.quot;

4) VgL Nijhoff t. a. p. bladz. 59.

f') Nijhoff t. a. (). bladz. no.

'■) Beaufort, G-eschiedk. opstellen dl. II bl. 100.

'I Nijhoff t. a. p. bladz. (51 en de door hem aangegeven bronnen in de „Aanteekeningenquot;.

ocr page 40

■ 25 -

Volmondig moet echter erkend worden, dat liet volk zelf ook schuld had aan dien loop der zaken; het toonde geen belangstelling in het staatkundige leven: zijne onverschilligheid en traagheid werkte de autocratie van den vorst in de hand; eerst later verzette het zich tegen den kuning, wiens bedoeling steeds was voor het heil zijner onderdanen als een vader te zorgen.

Verder staan tegenover de genoemde karaktertrekken des konings groote deugden. In de hoogste mate werkzaam, ijverig, kloek van verstand, krachtig van wil, achtte Willem 1 liet niet alleen zijn plicht de welvaart des lands te bevorderen, maar liet was ook zijne oprechte begeerte, zooals hij dour de daad getoond heeft; met ijver legde hij zich toe om den thiancieelen toestand des lands te verbeteren: handel, nijverheid, landbouw bevorderde hij; verscheidene kanalen werden aangelegd — Noord-Hollandsch kanaal, Apeldoornsch kanaal. Zuid-Willemsvaart enz., havens werden verbeterd, de Maatschappij van Weldadigheid (1821) werd opgericht, alsmede tie Handelmaatschappij (1824). aan het onderwijs wijdde de koning groote zorg, getuigen de hoogescholen te (lent en te Luik, die verrezen, Breda werd met een Militaire Academie verrijkt, Medemhlik met een Instituut voor de Marino, dat thans te Nieuvvediep is gevestigd; ook ten opzichte van kerkelijke aangelegenheden maakte Z. M. zich in veler oogen verdienstelijk, kortom koning Willem 1 heeft ontegenzeggelijk zeer veel gedaan om de welvaart des volks te vermeerderen, dat groote verplichtingen aan hem heeft.

Zeer te betreuren is daarom het scherpe contrast tusschen het begin van 's konings regeering en het einde daarvan. Met geestdrift en gejubel had het volk hem ingehaald, doch allengs was een gevoel van wantrouwen, ontevredenheid en bitterheid jegens hem ontstaan, zich lucht gevende in verwijten. Teleurgesteld in zijne verwachtingen ten opzichte van zijn arbeid voor het heil des volks, mismoedig omdat zijne onderdanen zijne vroegere verdiensten jegens hen schenen vergeten te zijn. deed bij afstand van de regeering (7 Oct. 1840) en verliet het land. Hij süerf in den vreemde, te Berlijn, drie Jaren later, weinig betreurd door zijne landgenooten, voor wier stoffelijke welvaart hij toch zooveel had gedaan, voor wie hij met goede bedoelingen, schoon niet altijd met goeden uitslag, zijne beste krachten had veil gehad, wier nationaliteit en eenheid zoo krachtig door hem waren bevorderd.

Voorzeker een treurig einde na zulk een schoon begin.

Willem George Frederik bodewijk, Prins van Oranje, besteeg in 1840 den troon zijns vaders en regeerde als Koning Willem II (1792-4840) ongeveer acht en een halfjaar over ons land. Voorzeker een korte tijdruimte; toch heeft hij daarin veel goeds tot. stand gebracht; wegens zijn sympathiek karakter mocht hij zich in een groote populariteit verbeugen.

En het waren moeilijke dagen, waarin Willem 11 de regeering aanvaardde; de toestand der linancien scheen wanhopig de staatsschuld bedroeg 2200 nhllioen gulden en dringend werd er herziening der grondwet verlangd. Het volk wilde invloed oefenen op zijne belangen. Het evenwicht in de financiën werd eenigszins hersteld d(tor de „vrijwillige

ocr page 41

Tii 1877 overleed 's konings gemalin, de rijk begaafde Koningin Sophie, een dochter van Koning Wilhelm I van Wurtemberg. Den 7den Januari 1879 verbond Z. M. zich in den echt met Emma, Prinses van Waldeck en Pyrmont, doch een langdurige kwaal sloopte allengs zijne krachten en nam hem eindelijk weg uit dit leven om met hem den matsten mannel ijken afstammeling uit het beroemde Huis van Oranje-Nassau. Zijn naam zal in dankbare herinnering bij zeer velen blijven on steeds verbonden aan de herinnering van een bijna twee-en-veertigjarig tijdperk van vrede, bloei en vooruitgang, op geestelijk en stoffelijk gebied van het Nederlandsdie volk. Tal van nuttige werken zijn onder zijn regeering tot stand gebracht, o. a. de verbetering van de posterijen, van de telegraafwet, van ons rivierstelsel, de drooglegging van het Haarlemmermeer, de afschaffing van de doodstraf, de wetten op het H. en M. onderwijs, de uitbreiding van het spoorwegnet enz.

Koning Willem lil werd opgevolgd door zijne dochter, Koningin Wilhelnuna, die echter eerst na het bereiken van den leeftijd van achttien jaren den troon zou bestijgen, zooals thans is geschied en wij straks zullen venneldon. Hare moeder regeerde tot dit tijdstip onder den titel van Koningin-Weduwe-Regentes.

Ook zij verdient met volle recht eenige woorden van waardeering en hulde.

Prinses Adelheid Emma Wilhelmina Theresia, een dochter van wijlen George Victor, Vorst van Waldeck en Pyrmont en wijlen H. 1). H. Helena, Prinses van Nassau, zag den 2den Augustus 1858 liet levenslicht. Zij schonk haar gemaal een dochter, onze tegenwoordige Koningin Wilhelmina. Met de meeste liefde heeft zij haar bejaarden echtgenoot aangehangen en hem den winter zijns levens veraangenaamd. Aan hare zijde beeft Z. M. wellicht de gelukkigste jaren zijns levens doorgebracht.

De groote verdiensten van Koningin Emma zijn tweeërlei; vooreerst de wijze, waarop zij hare taak heeft vervuld, om het land te besturen, en in de tweede plaats de wijze, waarop zij hare roeping als moeder en opvoedster der jonge koningin heeft opgevat en ten u ivoer gelegd.

Reeds tijdens de ziekte des konings was H. M. als Koningin-Regentes opgetreden, doch liet onverwachte herstel van haar gemaal had ten gevolge, dat deze zelf weder de teugels des bewinds in handen nam. Na zijn dood werd zij, volgens de desbetreffende artikelen der grondwet tot regentes des lands benoemd en tot voogdes der jeugdige koningin.

Van beide plichten, èn als regentes èn als opvoedster der jeugdige koningin heeft koningin Emma zich voortreffelijk gekweten. Constitutioneel, evenals haar koninklijke gemaal, heeft zij ons land geregeerd. Hare regeeringsdaden gaven steeds blijk van groot overleg, juist oordeel en zelfstandigheid. Bovendien drukte zij de voetstappen van haar gemaal op het gebied der weldadigheid. Kunst en letteren vonden in haar steeds een steun; niets wat der natie ter harte ging, liet haar onverschillig. En zoo is de band, die haar verbindt met het Nederlandsche volk, steeds nauwer en nauwer aangehaald en heeft zij zich een gedenkzuil, hechter dan metaal, opgericht in de harten van het Nederlandsche volk. En wat do zorg betreft, die H. M. steeds gedragen heeft voor de opvoeding en de

ocr page 42

- 29 -

ontwikkeling van h.u'e koninklijke dochter, deze is niet genoeg te roemen. Zij besefte diep welk een kostbaren schat haar in Koningin Wilhelniina was toevertrouwd, zoudat zij niets spaarde wat strekken kon, om haar waardig den roemrijken troon harer vaderen te doen bestijgen; het Nederlandsche volk heeft het dus voor een goed deel aan het wijs beleid van de koningin-regentes te danken, dat Koningin Wilhehnina de gelegenheid heeft gehad het beste in zich op te nemen, wat ooit de Oranjevorsten hebben bezeten. Ontwikkeling van het verstand, aankweeking van godsdienstzin en warmte van hart, vorming van den smaak voor het edele en schoone — ziedaar het streven van Koningin Emma ten opzichte van hare dochter, dat, naar ons beste weten, met de beste uitkomsten is bekroond. Haar komt dus de eerbiedige hulde der natie toe voor hetgeen zij èn als regentes èn als moeder en opvoedster der jeugdige koningin gedaan heeft; ons volk zal haar steeds den cijns zijner oprechte dankbaarheid blijven betalen. De vorstelijke wijze, waarop zij gebruik gemaakt heeft van het geschenk, door de natie haar aangeboden, de som van ongeveer f 800,000, do oprichting van een Sanatorium voor longlijders, waarvoor zij het schoone lustoord „Oranje-Nassau-oordquot; zal afstaan, heeft de liefde des volks jegens haar nog vermeerderd. Een schoonere bestemming van deze feestgave zou moeilijk to vinden geweest zijn.

Don 80sten Augustus heeft zij hare taak neergelegd, verheugd, dat het haar is mogen gelukken haar doel te bereiken, tevreden en gelukkig, omdat de grootste tevredenheid en hot hoogste geluk bestaat in trouw te zijn aan roeping en plicht. Dit blijkt ook duidelijk uit de volgende proclamatie door haar uitgevaardigd en opgenomen in de Staatscourant en het Staatsblad, d. 80 Aug. iSiKS;

„IV taak, (lilt;? Mij in 1890 werd toevertrouw»!, is weldra geëindigd. Mij valt het onwaardeerbaar voorrecht ten deel, Mijne beminde Dochter dun ieeltijd te zien bereiken, waarop /ij naar het voorschrift der Grondwet tot de regeering wordt geroepen. In dagen van smart en rouw trad Ik op als liegentea van liet Ivoninkrijk, thans schaart zich het geheele Volk in vreugde om den troon zijner jonge Koningin. 11 od heeft Mij in deze jaren gesteund, Mijn dierbaarste wensch is vervuld. Aan allen, die Mij niet raad en daad hebben ter zijde gestaan en «lie Mij gesteund hebben door hunne liefde en gehechtheid, breng ik Mijnen dank. Moge het ons Land met zijne bezittingen en Koloniën onder de regeering van Koningin NVILilHLMl^A wel gaan! liet zij groot in alles, waarin ook een klein volk groot kan zijn! Ik treed al' van de hooge plaats, die Ik in ons Staatswezen heb bekleed, met den diepgevoelden wensch, dat op Koningin en Volk te /.amen, door de nauwste banden vereenigd, Gods zegen blijve rusten. R M M A.quot;

En thans heeft haar dochter Wilhehnina Helena Paulina Maria, geboren den 81sten Augustus 1880, den troon harer vaderen bestegen onder den naam van Koningin Wllhelmina der Nederlanden. Met groote blijdschap en luiden jubel werd hare geboorte in den lande begroet, daar de hoop nu weder was gewekt, dat de aloude Oranjestam niet zou uitsterven. Op den dag barer geboorte werd de prinses ingeschreven in do registers van den burgerlijken stand van 's-Gravonbage ten overstaan van den wethouder Mr. F. M. baron van der Duijn, terwijl getuigen waren de ministers van Justitie en van Buiten la ndsche Zaken, de heeren Mr. Modderman en Mr. van Lijnden van Sandenburg. Des avonds te 6 uren van dienzelfden dag ontvingen de Staten-Gonoraal de volgende Boodschap:

„liet is voor Ons een groote vreugde ü de blijde tijding te kunnen mededeelen, dat II. M. de Koningin, Onze beminde Uemalin, lieden namiddag bevallen is van een prinses. Wij zijn overtuigd, dat de Eerste en Tweede Kamer der Htaten-Oenerftal van harte deelen in de gevoelens, die deze heuglijke; gebeurtenis bij ons opwekt en met ons dankbaar den zegen erkennen, die door don Allerhoogste aan ons Huis en het vaderland is geschonken. Kn hiermede, mijne Heeren, beveel ik U in Gods heilige boscherming. 's Graven li age, den lil sten Augustus 1880, WILL KM.quot;

t

ocr page 43

— 30 —

Met adressen van golukwenscliing beantwoordden do Staton-Oenoraal deze blijde Boodschap. Ook de buitenlandsche Hoven lieten zich niet onbetuigd.

Kuim tien jaren lang was Prinses Wilhehnlna de lievelinge van haai' vader, wiens levensavond zij, evenals hare moeder, opvroolijkte en gezellig maakte.

Na den dood van Koning Willem 111 werd i'rinses Wilhehnlna Koningin der Nederlanden, onder regentschap van hare moeder, totdat zij, zooals wij hoven opmerkten, den achttienjarigen leeftijd zou hebben bereikt (1890—1808). De Raad van Voogdij werd benoemd, bestaande uit de heeren Mr. W. baron van Golstein van Oldenaller, A. N. J. M-baron van Brienen van de Groote Lindt, Kamerheeren in bnitengewonen dienst van wijlen Z. M. Koning Willem HI; Jhr. Mr. G. C. J. van Roenen, vice-president van den Raad van State; Jhr. Mr. W. A. de Jonge, eerst benoemd lid van den Raad: E. A. A. J. de Roy van Zuidewijn, voorzitter van do Algemeene Rekenkamer; Mr. J. G. Kist, president van den Hoogen Raad; Mr. C. Polis, procureur-generaal bij den Hoogen Raad en Mr. J. Roëll, (') lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, terwijl de koningin-wednwe-regentes als voogdes van H. M. optrad. In een vereenigde zitting der Staten-Generaal op 8 December 1800, die o. a. bijgewoond werd door de leden der diplomatie, vertegenwoordigers van vreemde Hoven, ministers van Staat, leden van den Hoogen Raad en van de Rekenkamer en de Secretarissen.-Generaal der verschillende departementen, mot hunne dames, allen in rouwgewaad, legden H. M. de koningin-regentes (2) en de genoemde heeren in handen van don voorzitter Mr. A. van Naamen van Eeinnes den voorgeschreven eed af' als lid van genoemden Raad van Voogdij.

Enkele bijzonderheden uit het leven der koningin mogen hier een plaats vinden.

Den 12den October 1880 word zij in den Haag door den doop opgenomen in de Nodoiiandsch Hervormde Kerk: don 21 sten Juni 1884 word zij kroonprinses en erfgename van den Nedeiiandschen troon door don dood van den kroonprins Alexander der Nederlanden en in LS90 koningin der Nederlanden, terwijl het Groothertogdom Luxemburg, waar de vrouwen uitgesloten zijn van don troon, aan hertog Adolf van Nassau, als hoofd van den anderen tak van dit Huis, ten deel viel.

De jonge koningin ontving van hare moeder een zeer zorgvuldige opvoeding en haar onderwijs werd aan voor troffel ij ko mannen toevertrouwd. Hare leermeesters waren de heeren F. Gediking, hoofd eener openbare school to 's-Gravenhage, voor het lager onderwijs, die zijn eerste los 8 Jan. 1887 gaf: Dr. J. J. Salvorda do Grave voor het, onderwijs in de Nederlandscho en de Fransche talen en letterkunde en do geschiedenis on aardrijkskunde; F. Jansen, onderdirecteur dor Academie van Beeldende Kunsten te 's-Gravenhage;

') Mr. W. A. A. .1, baron Schimmelpenninck van der Oye, voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, tot lid van den Raad van Voogdij benoemd bij kon. besluit van 80 Oct. l.sss, was sedert overleden. Als voorzitter trad baron van Golstein, als secretaris de lieer liöell op.

') In diezelfde zitting legde Koningin Fnnna den eed af' als koningin-regentes.

ocr page 44

— 31 —

Dr. F. J. L. Knïmer, lioogleeraai' te Utrecht, voor algemeene geschiedenis; Dr. G. J. van der Flier, hofprediker, voor godsdienstondei'wijs; Dr. P. J. Blok, hoogleeraar te Leiden, voor do geschiedenis van Nederland; Dr. C. M. Kan, hoogleeraar te Amsterdam, voor aardrijks-kiinde; Dr. E. F. Kossmann, leeraar aan het gymnasium in den Haag, voor de Duitsche taal en letterkunde; Dr. H. van de Stadt, directeur van do H. B. S. te Arnhem, in de natuurkunde; Dr. H. Blink voor cosmographie; Mr. J. de Louter, hoogleeraar te Utrecht, in onze staatsinstellingen on de inrichting van het bestuur van Ned. Indie; Dr. (J. Hofstede de Groot, in kunstgeschiedenis; de luit.-generaal A. Kool over bestemming, inrichting en gebruik van het Nederlandsche leger; de Schout-bij-Naclit F. J. Stockhuijzen over de zeemacht van don Staat; J. Stortenbeker, pianolessen, terwijl de dames Saxton Winter, gouvernante der koningin, haar onderwijs gaf in de Engelsche taal en letterkunde; mej. A. Wichers in linnennaaien en hare moeder zelve haar onderricht gaf in nuttige handwerken.

Deze lessen werden mot groote nauwkeurigheid, behalve in de vacanties, gegeven tot den 22 Oct. ISÜO, doorgaans in aanwezigheid van de koningin-regentes en miss Winter. De studie der oude talen bleef helaas uitgesloten.

In de vacanties werden reizen door het grootste deel van ons land gemaakt en bijna alle belangrijke steden bezocht; in 1891 o. a. Amsterdam, waar de koningin den eersten steen legde van het naar haar genoemde Gasthuis (28 Mei); den lOden Juli van dat jaar legde zij den eersten steen van de herbouwde kerk der Nod. Herv. gemeente te Apeldoorn, die den 29sten Maart 1890 door brand was vernield. (')

Onmogelijk is het ons zonder de bepaalde plaatsruimte te buiten te gaan een beschrijving te geven van de vele reizen door de koningin met hare moeder verder gedaan. Genoeg zij liet gezegd, dat zij overal luide worden toegejuicht en met warmte en geestdrift ontvangen. Ook Duitschland, Engeland, Oostenrijk-Hongarije, Zwitserland, Italië en Frankrijk werden bezocht.

Den 23sten Oct. 1890 (quot;) had met grooten eenvoud de kerkelijke aanneming van de koningin plaats door Dr. van der Flier, bijgestaan door de ouderlingen Mr. Th. baron Mackay en den heer li. J. Wijsman, in tegenwoordigheid van de koningin-regentes, van freule van de Poll, sur-intendante, en miss Saxton Winter, en wol ten paleize in de residentie. Daar bevestigde haar ook dezelfde predikant als lidmaat der Ned. Herv. gemeente. Tot het bijwonen dezer plechtigheid waren uitgenoodigd de dames du Palais, de groot-officieren, de leden van don Raad van Voogdij, de hofhouding, de oudste leden van het dienstpersoneel, de freules De Koek en Van Heemstra, voormalige gouvernantes der koningin, vrouw van der Sande, indertijd de min van II. M., e. a., to zamen 110 personen. Do leeraar hield een rede naar aanleiding van Openbaring II vs. lob: „Zijt getrouw tot den dood en Ik

') Deze kerk was door Koning Willem I aan de gemeente geschonken; Z. M. had den eersten steen daarvan gelegd II Mei 1839 en de inwijding had den 5den Juni 1842 plaats gehad.

quot;) G. L. Kopper, Herinneringsbladon uit het openbaar leven van Koningin Wilhelmina, M. M. (Jouvee, den Haag, bladz. 55 en 50.

I

i

i

ocr page 45

- 82 -

zal u geven de kroon dos levens.quot; Daarna werden de gehrulkelijke vragen door hem gedaan, die door H. M. staande niet een duidelijk „jaquot; werden beantwoord: na atloop der bevestiging, die een diepen indruk op H,H. M.M. gemaakt had, sprak l)r. van der Filer tot beiden nog een hartelijk woord. In hare vertrekken terug gekeerd werden de koninginnen geluk gewenschL door de leden van haar gevolg, dour de gezanten en door verlende civiele en militaire autoriteiten, den president en de leden der Tweede Kamer in den Haag woonachtig enz., terwijl de Synodale commissie een adres van gelukwensching zond. De groothertogin van Saksen-Weimar, tante der koningin, schonk haar een portret van Anna Paulowna, weduwe van koning Willem II, en Koizor Wilhelm 11 van Duitschland een kruis, gevormd door zeven steunen in chrysoliet, in briljanten gevat.

Zondag 20 Oct. nam li. M. voor de eerste maal in het openhaar deel aan het Heilig Avondmaal en wol in de Kloosterkerk, onder leiding van Dr. van der Flier. Aan de tafel nam de regentes plaats links van de koningin; de president-kerkvoogd graaT van Hogen dorp zat naast de regentes; voorts waren aanwezig .Thr. J. Röell, minister van binnenlandsche zaken; baron M. Mackay, minister van Staat; Mr. U. W. Huber, lid van den Raad van State; Jhr. Mr. M. A. C. de la Basseconr Gaan, lid van Godeputeerde Staten; E. graaf van Hylandt, lid van de Tweede Kamer; Ds. van Gheei trildemeester, tijdelijk l'raeses van don kerkeraad en Ds. Oort, oudste predikant der Ned. Herv. G-em. in den Haag, terwijl hot kerkgebouw gevuld was met tal van belangstellenden. De voorganger zat tegenover de koninginnen tnsschen de beide bovengenoemde ouderlingen. Uij het uitreiken van de teekenon van het Avondmaal aan H.H. M.M. sprak hij een ernstig woord, dat in aller hart weerklank vond. Terwijl de koninginnen opstonden klonk van hot orgel de psalm-melodie op de woorden: „Dat 's Hoeren zegen op U daal';quot; na een kort gebed in hare loge verlieten de koninginnen het kerkgebouw. De dankzegging had plaats in de Grooto Kerk, die door de beide vorstinnen werd bijgewoond, terwijl Dr. van der Flinr sprak naar aanleiding van Kom. 12 vs. 1.

Sedert dezen tijd nam de koningin deel aan do groote hoffeesten en aan andere plechtigheden: ook bezocht zij nog verscheidene steden van ons vaderland.

Den Alston Aug., den dag barer meerderjarigheid, aanvaardde Koningin Wilhehnina zelve do regeering en vaardigde zij de volgende proclamatie uit:

Wij WlMlKLM1WA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinsea van Oranje Nassau, enz. enz. enz.

A a li in ij n Volk!

Op dezen voor U on Mij gewiehtigen dag gevoel Ik Mij gedrongen eenige woorden tot U te richten. Allereerst een woord van warme dankbaarheid! Sedert Mijne vroegste jeugd hebt (Jij Mij omgeven met Uwe liefde, üit alle deolen van liet Koninkrijk, uit alle kringen der maatschappij, van ouden en jongen, ontving Ik steeds de trctt'ondste blijken van gehechtheid. Nadat Mijn beminde Vader Mij was ontvallen, werd al Uwe aanhankolijkheid aan Mijn Stainliuis op Mij overgebracht. Thans, nu Ik gereed sta de schoone, doch zware taak, waartoe ik geroepen ben, te nanvaarden, gevoel Ik .Mij als gedragen door Uwe trouw.

Ontvang Mijnen dank! Hetgeen Ik tot dnsver mocht ondervinden liet oniiitwisclilmre indrukken bij Mij na. liet is Mij een waarborg voor de toekomst. Mijne innig geliefde Moeder, aan Wie Ik onuitsprekelijk veel verschuldigd ben, gaf Mij het voorbeeld van een edele en verhevene opvatting der plichten, die 1111 op Mij rusten Ik stel Mij tot levensdoel dat voorbeeld na te volgen, te regeeren zooals van een Vorstin uit het Huis van Oranje wordt verwacht. Aan de Grondwet getrouw wensch Ik den eerbied voor den Nederlandschen naam en de Nederlandsche vlag te bevestigen. Ik wensch bij het Opperbestuur over de hezittingen en Koloniën in Oost en West rechtvaardigheid te betrachten en naar Mijn vermogen bij te dragen tot verhooging van Uw geestelijk en stoffelijk welzijn. Ik hoop en verwacht, dat Uw aller steun, in welken ambtelijken of maatsehappelijken werkkring binnen of buiten het Koninkrijk Gij zijt geplaatst, Mi j daarbij nooit ontbreken zal. Op God vertrouwende en met de bede dat Hij Mij sterke, aanvaard Ik de regeering. Lasten en bevelen dat deze proelamatie in de Staatseounmt en liet Staatsblad opgenomen en ter plaatse, waai' zulks gebruikelijk is, aangeplakt zal worden.

Gedaan te 's-Gravenhage, op heden den Olsten Augustus 1898. WJLllliLMlNA/*

ocr page 46
ocr page 47

I—

••v'

w

L',''*.;■.) ■. gt;!

'

ocr page 48

— 33 —

Haar eerste regoeringsdaad was zeer eigenaardig en treffend: nl. de uitvaardiging Van een koninklijk besluit dato 81 Aug., waarbij aan de koningin-moeder het Grootkruis van den Nederlandschen Leeuw en liet Grootkruis in de unie van Oranje-Nassau werd verleend. Zeker een welverdiende hulde en daad van piëteit.

Den 5den September deed H. M. haar intocht te Amsterdam, waar zij op de meest geestdriftvolle wijze door de bevolking en door duizenden van elders, ook uit den vreemde, werd verwelkomd. De stad was schitterend versierd en geheel in feestdos; de klokken deden hare zware metalen stemmen klinken; zwaar kanongebulder klonk van het oogen-blik af, waarop de blijde intocht begon; vreugdeschoten werden gelost van de schepen dér vloot, met do Here driekleur en den Oranje-wimpel hoog in top, alles verkondigende de blijdschap des volks, omdat de koningin haar plechtigen intocht hield in de flere hoofdstad des lands, om den volgenden dag den eed van trouw aan de grondwet te zweren. De kinderen op de scholen ontvingen een feestgave en hieven het oude „Wilhelmusquot; aan en de kroningsliederen on alom klonk het:

„'t Is Oranje, 't blijft Oranje, 't is Oranje boven!quot;

Do onderwijzers spraken de kinderen toe en zetten hun do beteokonis van don dag uiteon.

Het stationsplein was geheel ontruimd. Troeponafdeelingen marcheerden het voorplein op; het koninklijke ontvangstsalon, vorstelijk ingericht, werd gevuld metgrootwaardighoids-bekleeders in staatsiekleed ij of groot uniform. In do verte weerklonk de dreuning van een kanonschot en weldra stoomde de met vlaggen getooide locomotief van den koninklijken trein onder den hoogen stationskap, die versierd was mot do wapens en vlaggen derEuiV)-peesche rijken, omgeven door gouden vredepalmen. Do koningin, die reeds bij het binnenkomen van den trein voor liet portiorvenster stond, trad met hare moeder op het perron, dat in weinige oogonblikkon gevuld was mot do hoeren on dames van Haror Majostrnts gevolgd, in schitterende staatsiekloedij. Door eenige dames werden, als een eerste wolkom in do hoofdstad, aan de koninginnen bouquetton aangeboden, do eone voorzien van lila-, do andere van oranjelinten. Bij don ingang van de koninklijke ontvangkamer word do koningin ontvangen en eerbiedig verwelkomd door den Commissaris dor Koningin in do provincie Noord-Holland mot de loden van Gedop. Staten on den griffier, don burgemeester van Amsterdam mot de wethouders en den secretaris dor gemeente. Eerbiedig begroetten deze autoriteiten de koningin en de koningin-moeder, die mot groote minzaamheid doze begroeting beantwoordden. Do Commissaris der Koningin en daarna do burgemeester voordon het woord on heetten H. M. hartelijk wolkom in provincie on hoofdstad. Na deze begroeting trad do koningin door een haag van frisscho heesters en planten het ontvangsalon binnen.

Daar stonden in broeden kring geschaard vorschillendo civiele- en militaire autoriteiten, alsmede het centraal-comitó voor do feestelijke ontvangst van H. M. Vriendelijk groetend ging H. M. langs do vol eerbied langende rijen, een verschijning vol bekoorlijke Jeugd te midden van deze ernstige mannen. Do koningin zag or gezond en welvarend uit, beeld der hope on der veelbelovende jonkheid.

f (

ocr page 49

— 34 —

H. M. was gekleed in een wit mantelcostuum en droog een witten hoed niet witte veer, terwijl de koningin-moeder was gekleed in lila-satijn, met een grijs-zijden mantille.

Do begroeting in de koninklijke ontvangkamer waar H.H. M.M. met sommigen der aanwezigen eenige vriendelijke woorden wisselden, duurde slechts kort. Weldra werden do deuren aan do zijde van hot stationsplein geopend en trad de koningin naar buiten.

Op het stationsplein en tegenover hot stationsgebouw waren eerewachten en troepen-aideelingon opgesteld, onder welke eersten een compagnie der dienstdoende schutterij, die het eeresaluut brachten; de huzaren presenteerden hun sabels, tromgeroffel weerklonk, tie militaire muziek hief het volkslied aan, de menigte juichte mot uitbundige geestdrift, toen H. M. verscheen met hare moeder in het gala-rijtuig van blank ivoor met gouden versiering, oen koets niet overweldigend door overladen pracht, maar door haar sierlijken vorm en haar blanke reinheid zoo uitnemend geschikt voor den eersten tocht dor jonge koningin als rogoerend vorstin. Paardengetrappel weerklonk op hot plein, de oerowacht sloot zich rondom het koninklijk rijtuig, de Indische vorsten schaarden zirli daarachter. Uo stoet zotte zich in beweging. Het groote oogenblik was aangebroken.

De blijde inkomste van Koningin Wilhelmina was begonnen, on zette zich voort als een triomftocht, den geheelen langen weg tot den Dam onafgebroken voortdurend. Dicht opeengepakt stonden de menschen aan de overzijde van den Buitensingel, en toen het koninklijk rijtuig de brug voor het station passeerde, steeg uit do dichte menigte in do Sarphatistraat on op hot Weesperploin de blijde jubelkreet op, die zich voortplantte in de aangrenzende straten, de machtige stem des volks, die zijn koningin welkom heette in de hoofdstad. „Wolk een toenemende storm van toejuiching! Wolk een climax van enthusiasme!quot; schrijft een ooggetuige waaraan wij do bijzonderheden van dezen intocht ontleenen.

Statig trok zij hoon door die wolk van vereering, de jonge koningin der lage landen aan do zee, in haar witte koets mot acht paarden, omgeven door hare trouwe dienaren en de rijksgrooten, gevolgd door de vorston uit hot Oosten in hun schitterende oostersche kleeding, gekomen van ver, uit het zonnig eilandenrijk, waar zij regeert over millioenen onderdanen, om hulde te brengen aan hun hoogo gebiedster. Een schitterende stoet, blinkend van goud en edelgesteenten. En .de eenvoudigste van allen, de koningin, in haar licht kleed, de vorstelijkste in haar koninklijken eenvoud.

Van het begin van den tocht tot aan do Utrechtsche straat stonden aan weerszijden van don weg, in twee gelederen (op do Hoogesluis in drie), de werklieden- en militaire voreenigingen geschaard, welke verzocht haddon op deze wijze aan de koningin een eerste hulde te mogen brengen.

Het treffendst oogenblik was zeker wel dat, waarop H. M, op don Dam verscheen, zeer schilderachtig door den hoer De Maros in de „Indópondance Beigequot; al zoo beschreven: „Op het oogenblik dat het koninklijk rijtuig op hot plein verschijnt, komt er groote beweging in de menigte, oen geweldige, ontzaglijke, oorverdoovende roep stijgt op van boneden, daalt af van do daken: een onvergetelijk schouwspel, dat volk, bekend om zijn nuchter

ocr page 50

35 -

Verstand, dat een suuvereine van achttien jaar toejuicht. De koningin groet. Eerst buigt zij, heel gracieus, maar allengs sleept de ontroering' van het volk haar mee. Haar groeten wordt zenuwachtiger en opeens wuift de koningin óók met haar zakdoek; ze wuift snel, en ze strekt haar arm naar het volk uit, met een breed gebaar, dat meer zegt dan alle Woorden. En het volk, de ontroering van zijn koningin begrijpende, het volk was als waanzinnig, schreeuwende zijn blijdschap, zijn geestdrift nit. Toen stond de koningin op, rechtop in haar rijtuig, en wuifde zenuwachtig met haar zakdoek; het was alsof ze het volk, haar volk, kushanden toewierp. En het gejuich duurde voort, eindeloos, onverzwakt, tot het oogenblik waarop Hare Majesteit voor do deur van het koninklijk paleis uitstapte.

Enkele oogenblikken later verscheen de koningin op het balkon. De troepen presenteerden het geweer, de vaandels bogen ter aarde en het volk schreeuwde nog altijd zijn blijdschap uit. Toen, voor dat stampvolle plein, deed de koningin iets heel bekoorlijks. Daar do koningin-moeder achteraf was blijven staan, aan de deur van bet balkon, nam Wilhehnina haar opeens bij de hand en troonde haar zachtjes mee tot aan de balustrade. Ze wilde blijkbaar haar moeder in den triomf laten deelen. Het volk begreep de daad van de koningin, en een langdurige ovatie werd gebracht aan do koningin-moeder, wier hand bleet rusten in die van de jeugdige koningin. Welke verrassingen het feestprogramma ons ook nog bereide, een schouwspel dat hiermee te vergelijken was, zullen we niet meer aanschouwen. H. M. Wilhelmina heeft vandaag misschien het gelukkigste oogenblik van haar regeering beleefd.quot;

En over den intocht van H. M. in het geheel genomen schrijft diezelfde correspondent, dat, zoover zijn journalistengeheugen strekt, geen land, geen hoofdstad een dergelijk schouwspel had te zien gegeven. „Het was wonderdadig eenvoudig en eenvoudig een wonder; hot was werkelijk een optocht uit een vertelsel, dat een prinsesje uit een feeën-sprookje naar het paleis van hare droomen begeleidde.quot;

Ook Fransche, Engelsche en Duitsche journalisten waren verbaasd over do liefde van ons volk voor de koningin en de geestdrift, die bij haar blijde inkomst in de hoofdstad aan den dag werd gelegd, te meer omdat het Nederlandsche volk in den vreemde steeds ais zeer kalm en flegmatiek wordt beschouwd.

Thans echter vraagt de plechtige inhuldiging van H. M. in de Nieuwe Kerk, op Dinsdag 0 September, onze aandacht. Van al het merkwaardige kunnen we onmogelijk melding maken en we moeten ons dus vooral bepalen tot de plechtigheid zelve. Reeds te tien uren waren de meeste plaatsen ingenomen, met uitzondering van die welke bestemd waren voor verschillende autoriteiten.

Onder de tonen van het oude Wilhelmus betrad de Koningin met haar schitterend gevolg de kerk en nam hare plaats op den troon in, terwijl b(j het voorbijgaan de vier kolonels met de regimentsvaandels salueerden.

Heerlijk klonk vooral het tweede gedeelte:

Myn schilt ende betrouwen

ocr page 51

— 8() —

Syt ^lüi lt;i Godt, mijn Heer!

lt;i[i V sou \vil ick liouwen,

Vciiaot my niminemieer!

Treftend was hot schouwspel, de Koningin, zittende op den troon in den vollen luister van hare waardigheid en blijkbaar vol besef van de grootheid van dit oogenblik.

Toen de muziek zweeg, nam de Koningin te midden (Miner plechtige stilte het woord en las met heldere stem en met een intonatie, welke ieder der aanwezigen het besef moest geven, dat zij elk woord diep gevoelde, de volgende rede:

„Mij 11c lliMTcn IimIcd dor Staten-^encraal!

„Door het a I's t er v 011 van mijn 011 vcrgctclij kon vader tot don troon ^oroopen, dir'ii ilv omlor liot zoo wijze on zogonrijko rogontsuhap van inijno innig golioldo moodor l»okloin, iiob ik na do voloindiging van mijn 18o lovonsjaar do rogcoring aanvaard. Mijn proclainatio hoeft dit aan mijn dierbaar volk bekend gemaakt. Thans is do ure gokonion, waarin ik mij te midden van mijno trouwe Staton-üenoraal, ondor aanrooping van (Jod, zal verbinden aan mijn dierbaar volk, en zoo bevestig ik heden den hechten hand, die tussehon mij 011 mijn volk bestaat, en wordt de aloude band tussehen Nederland 011 Oranje opnieuw bezegeld. Met is een schooiie roeping, een schoone taak, door (Jo«l mij op de schouders gelegd, maar ik ben gelukkig en dankbaar om over een volk te mogen rogooron als het Nedorlandsche, dat, hoewel klein in zielental, groot is in deugd en krachtig in aard en karakter. Ik acht hot oen voorrecht, dat het mijn levenstaak en mijn plicht zal zijn, al mijn krachten te wijden aan het wolzijn en den bloei van het dierbaar vaderland. De woorden van mijn overleden vader maak ik tot de mijne: „Oranje kan nooit, ja nooit genoeg doen voor iSocterland Iquot; Tot de vervulling mijner taak heb ik uw nulp noodig, ileoren leden van do vollvsvortogonwoordiging, die gij mij ongetwijfeld ook in ruime mate zult verleenen. Laat ons samen arbeiden tot bloei en tot voorspoed van het Nedorlandsche volk. Uod zegone uwen en mi|non arhoid Dat hij strokke tot heil van hot vaderland.quot;

Woord voor woord, schooner dan muziek, klonk de stem van Hare Majesteit tot eik hoekje van liet gebouw door, terwijl zij, langzaam sprekend en met grooten nadruk bij sommige gedeelten nare rede uitsprak. Er trilde diep gevoel in hart! stem bij de woorden

gericht tot de koninklijke moeder, en aangrijpend klonk het: „Nooit, nooit.....quot;, waarmede

Mare Majesteit het innig verbond tussehen Oranje en Nederland bezegelde.

Daarna verhief de Koningin zich en legde met plechtigen ernst den eed af.

nlk zweer aan het N ederlandsoho volk, dat ik do ü rond wet steeds zal onderhouden en handhaven. Ik zwoor «lat ik do onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks mot al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de algemeone en bijzondere vrijheid en de rechten van allo Mijne onderdanen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van do algeinoone en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten te Mijner beschikking Htollon, zooals oen goed Koning schuldig is te doen. Zoo waarlijk holpo Mij (lod alma^tigT'

Onmiddellijk daarop gaven allen uiting aan hunne geestdrift en op hetzelfde oogenblik barstte er een luid gejubel los, gevolgd door een driewerf herhaald „hoera!quot;

De voorzitter der Vereenigde Zitting plaatste zich daarna voor den troon tegenover Hare Majesteit en legde de plechtige verklaring af (artikel 52 van de (Irondvvet);

„NNij ontvangen en linldigcii, in naitin van liet Neilorlandsolie volk en kraclitons du Urondwot, U als Koningin; wij zweren (beloven), dat wij Uwe onschondbaarhoid on de regten Uwer Kroon zullen liandlmven; wij zweren (beloven) alles te zullen doen wat goede en getrouwe Staten-Oeneraal schuldig zijn te doen. Zoo waarlijk helpe ons Ood almagtig (dat beloven wij)!quot;

De griffier van de Eerste Kamer riep daarna de namen van de leden der Staten-Gene-raal op, die hoofd voor hoofd hij het appèl nominaal van hunne plaats opstonden en het eedsformulier aflegden. De koningin volgde met grooten ernst de geheele eedsaflegging, telkens den blik richtende op den volksvertegenwoordiger, die het formulier uitsprak.

Onmiddellijk nadat allen den eed hadden afgelegd, zwaaide de oudste koning van wapenen met zijn schepter en riep met luider stom:

Haru Ma.ikstjoit Komxoix wiumuiina is inoknunnmn 1

Daarop riep hij driemaal: „Leve de koningin!quot; welke kreet door den anderen koning van wapenen word herhaald, en waarmede alle aanwezigen instemden in een stroom van

ocr page 52

gejuich, dat minuten lang aanliield. Terwijl het koor hot koraal „Nun danket allen Gott!quot; aanhief, stonden de koninginnen van hare zetels op en namen den terugtocht aan met hetzelfde ceremonieel als bij hare komst, waarbij weder met de regiments vaan dels werd gesalueerd. Bij het vertrek der koningin werd haar wederom een hartelijke ovatie gebracht.

Met gespannen aandacht wachtten de duizenden op don van heerlijk licht stralenden Dam, terwyl de daken der sierlijke huizen met menschon gevuld waren en de hemel zich heeilijk blauw over dit schilderachtige schouwspel welfde, op het oogenblik, dat de lierauten van wapenen naar buiten zouden treden, om den volke kond te doen van de blijde boodschap, dat Koningin Wilhelmina was ingehuldigd. Dat oogenblik komt. De militairen presenteeren het geweer, do ruiters de sabel. Wijd slaan beide deuren open. Statig tieden de trompetters naar buiten in hunne blauw met goudgele gewaden en hoeden met breede pluimen. Zij steken do trompet, dat het schalt over den Dam, en daarna is 'teen kort oogenblik stil. Stil van trompetgeschal, stil ook onder de menigte. Dat eene oogenblik zwijgt de Dam. Dan, met trionifantelijken klank in de stem, roept de oudste der herauten van wapenen uit, zoodat allen het hooren konden:

Hare Majesteit Koningin Wilhelmina is inokhuldkii»!quot;

Kn met het „leve de koningin!quot; door de beide herauten hierna aangeheven, mengde zich duizendvoudig die kreet uit den mond des volks. De jubeltoon zwol aan en plantte zich voort tot ver in de aangrenzende straten. Nadat de herauten binnen de kerk teruggekeerd waren, gingen weldra opnieuw de deuren open en overschreed de koningin den drempel. Geen gejuich werd vernomen; allen waren onder den indruk van hot liefelijke der verschijning. Zeer langzaam schreed zij voort tusschen de menschon, den hermelijnen mantel over de schouders, waarvan de slippen door grootwaardighoidsbekleeders gedragen werden. Eon blijde glans van tevredenheid lag over het bevallige gelaat, geheel verschillend van de uitdrukking daar straks, toen do zware gang naar do kerk gedaan werd.

Ken storm van toejuichingen brak los, een uitbarsting van geweldige geestdrift. Ook van de achterzijde van het Paleis klonk een luid gejubel over naar don Dam tor eere van de koningin-moeder, die naar het Paleis terugkeerde. Niet lang duurde het of de herauten van wapenen plaatsten zich mot de beide trompetters aan do beide hoeken van het balkon, die het luid over de hoofden der juichende menigte uitschetterden, dat Neerlands Koningin gehuldigd in haar Paleis was teruggekeerd. Daar verscheen de koningin zelve, onmiddelijk begroet door een onbeschrijfelijk gejubel en gezwaai mot hoeden, petten en zakdoeken, en steeds wuifde zij met een vriendelijken glans op het gelaat; de diamanten in haar kroon vonkelden in de stralen dor zon en stralend in haar wit gewaad geleek zij een fee uit een sprookje. Het volk hief als één man het „Wilhelmusquot; aan, waarbij de muziek der militairen uit eigen beweging inviel. Het was dus een uiting van spontane, zuivere geestdrift, die eerst bedaarde toen do vorstinnen zich in het Paleis hadden terug getrokken.

Thans nog enkele woorden over den rijtoer, dien de koninginnen door de stad gemaakt hebben, de eerste maal dus, dat Koningin Wilhelmina zich als gehuldigd vorstin aan haar

ocr page 53

~ 38 —

volk zou vertoonen. 't Was een ware zegetocht, die ongeveer om half drie aanving'. Met groote ingenomenheid werden de feestelijk versierde pleinen en straten door de vorstelijke personen in oogenschouw genomen, waar overal haar huldebetuigingen werden gebracht met de uitbundigste geestdrift. „Evenals Maandag bij den intochtquot; — schrijft diezelfde ooggetuige in een onzer bladen — „was 't ook nu weer één onafgebroken volkshulde. G-eestdriftige hulde langs alle straten, stijgende geestdrift, vol gloed en warmte in de rijk getooide Israëlietenwijken, ongekend enthousiasme, gonzend en bulderend in de volkrijke buurten van de Jordaan, in de Willemstraat, waar het volk woont, het volk, dat de liefde voor Oranje in het bloed zit, de echte Oranjeklanten, het blij en fesstelijk gestemde volk, één zich voelend met het Oranjehuis.

O, die heerlijke zegetocht door de opgepropte volksbuurten, dat was wol een van de schoonste gedeelten van den rit. Een fraai schouwspel was ook de huldebetuiging van het garnizoen, van de troepen, die stonden opgesteld op liet groote plein buiten de Muiderpoort, bij de plaats, waar soldaten der genie een eerepoort hebben gebouwd tor eere van hun Koningin. De vorstelijke stoet reed onder dezen fraaien eereboog door en langs de blinkende rijen der militairen. Dat waren alle oogenblikken, die bijzonder uitkwamen in dezen rit, die een zegetocht was door Amstels straten, een zegetocht voor de Koningin, die met blijdschap en verknochtheid werd begroet, een zegetocht voor de moeder, wie geheel hot vulk dankte met aandoenlijke dankbaarheid voor wat zij deed voor het vaderland.quot;

Des avonds had er een diner ten hove plaats van 280 couverts, waar verschillende autoriteiten met hunne echtgenooten genoodigd waren, als het geheele dienstdoende civiele en militaire Huis der koningin, de buitenlandsche gezanten, de Indische vorsten, do leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staton-G-eneraal e. a. De koninginnen verschenen met den groothertog van Saksen-Weimar en den vorst Von Wied met zijne gemalin prinses Marie der Nederlanden. Even na het begin van het diner sprak koningin Wilhelmina het volgende tot hare gasten:

„Mijn hart dringt mij op dit oogenblik uiting te geven aan de wenschen, die mij bezielen voor het heil en welzijn van mijn dierbaar land en volk. Ik noodig u allen uit met mij eon dronk te wijden aan het vaderland. Leve het Vaderland!quot; waarop de voorzitter der Eerste Kamer, de heer Van Naamen van Eenmes, antwoordde en de jonge Vorstin een langdurige gelukkige en gezegende regeering toewenschte.

Toen het diner afgeloopen was begaf men zich naar de voorzaal, waar de koningin tot bijna ieder barer gasten het woord richtte; de tonen van de muziek der Marine-kapel deden zich telkens hooren. (').

Woensdag werd aan de koningin voor het Paleis een schitterende aubade gebracht door den Nederlandschen Zangersbond, uitgevoerd door (.)00 zangers, onder directie van den

(') Als een bijzonderheid wordt gemeld, dat het geheele diner op zilveren servies werd voorgediend, waarvan de stukken afkomstig moeten zjin van den koning-stadhouder Willem 111.

ocr page 54

- 39 —

heer J. Fevd. Ètoesko, begeleid door de militaire muziekkorpsen van liet 3e, 5e en 7e regiment Infanterie en van de Grenadiers en Jagers. Eii het verschijnen der koningin op liet balkon, even over half elf, met hare moeder en den prins en de prinses von Wied, steeg een geestdriftig gejuich op uit (ie dicht opeen gepakte menigte. Weldra werd het stil en luisterde men aandachtig naar het koraal: „Dankt allen G-od den Heerquot;, dat gevolgd werd door „Hollands Gloriequot; van Dr. H. G. H. Groenewegen, muziek van R. Hol; het „Vlagge-liedquot; van Dr. J. P. Heije, muziek van Joh. Verhulst, en het „Wilhelmusquot; van Dr. N. Beets. Aandachtig hoorde de koningin staande de zangen en volgde de woorden. Bij de klanken van het laatste lied:

„Wilhehnina van Nassauwe,

Draag lang en blij de kroon!

Wij steunen op uw trouwe.

Zoo steune God uw troon!quot;

werden allerwege de hoeden afgenomen en steeg de geestdrift tot het hoogste toppunt.

De koningin ontbood den dirigent en eenige andere hoeren en betuigde hun hare hooge ingenomenheid over den zang, roemde de keuze der liederen, prees vooral de tekstwoorden en betuigde allen haren hartelijken dank.

Stippen wij nog even aan, dat H.H. M.M. om één uur de „Gouden koetsquot; bezichtigden en daarna de volksfeesten achter het Rijksmuseum bezochten.

De „historisch allegorische optochtquot; verdient afzonderlijke vermelding, ontworpen dooide heeren A. N. J. Fabius en A. Reyding en gevormd door leden van Amsterdamsche werklieden-vereenigingen, terwijl het Keurvendel „Prins Mauritsquot; gewaardeerde diensten bewees. Hij was in drie groepen verdeeld; do eerste was gevormd door de grondleggers van den Nederlandschen Staat, do tweede door de bevestigers daarvan te land en ter zee en in de koloniën, (ie derde stelde in beeld de gouden eeuw der Republiek voor, den bloeitijd van kunsten en wetenschappen. Over het algemeen waren de costumes zeer gelukkig en volkomen getrouw, hoewel niet altijd de juiste personen gevonden waren voor degenen, die zij voorstelden. Onder de feestvvagens muntte die der stoere zeehelden, die ons land onsterfelijken roem deden verwerven, uit, terwijl de karos van Amalia van Solms karakteristiek kan genoemd worden. Het vendel, dat over den geheelen stoet was verdeeld, was prachtig; vermeld moeten nog worden de „Vreemdelingen uit het Oostenquot;, waaronder een Arabier met een kameel en de negers en Roodhuiden met Johan Maurits van Nassau, en de wagen van Jan Steen.

Nadat de optocht op het terrein voorbijgetrokken was, reden de koninginnen naar het Paleis, om zich voor te bereiden voor de Cour des avonds. Deze was zeer druk bezocht; het wemelde van autoriteiten in goud, zilver, toga en rok; een 2000 a 2500 gingen H. M. voorbij, wier huldebetooning steeds buigend door haar beantwoord werd.

Des avonds om (.) uur waren H. M. tegenwoordig bij het vuurwerk op het IJ, aangeboden door de Provinciale Staten van Noord-Holland. Het IJ wemelde van verlichte vaar-

ocr page 55

40 -

tuigen, die een prachtig gezicht opleverden. Het middelpunt van het terrein was de koninklijke tribune op den West-Indischen steiger. Links en rechts daarvan waren twee linien gevormd over het IJ. Aan de westzijde lagen de „Ceresquot;, een der booten doorliet gemeentebestuur van Amsterdam beschikbaar gesteld, en daarna een reeks vaartuigen, waarvan het slot werd gevormd door de pantserdekschopen „Zeelandquot; en „Hollandquot;, de pantserschepen ,, 1'iet Heinquot; en „Evertsenquot;, eenige torpedobooten, enz.; aan de oostzijde lagen de schepen van de „Nederlandquot; en de verdere Stoombootmaatschappijen. Onder de reeks verlichte vaartuigen waren zeer fraaie, die zich op de groote watervlakte bewogen, o. a. een Amsterdamsch koggeschip met mooi verlichte lijnen, de Japansche Jonk, het Siameesche Koningsjacht, de Visch, de Eend, e. a. Het vuurwerk voldeed minder, hoewel enkele stukken mooi waren.

Donderdag werd weder geopend met koraal muziek van verschillende kerken en poorten; op dien dag werden door H.H. M.M. bezocht de tentoonstelling van voorwerpen betreffende bet Oranje-Huis in 't Rijks-museum, de Rembrandt- en de kleederdrachten-tentoonstelling in het Suasso-museum; overal werden bouqnetten aangeboden en heerschte de meest geestdriftige stemming. De koninginnen woonden voorts een matinee musicale bij in het allerkeurigst versierde Concertgebouw, waar o. a. de Kronings-Cantate van Nicolaas Beets, prachtig gecomponeerd door Bernard Zweers, onder leiding van den heer W. Mengelberg, werd ten gehoore gebracht. Heerlijk klonk het krachtige, juichende

„Halleluja! Looft den Heer der Hoeren,

Koning van de Koningen der aard,

Wien al 's werelds volken moeten eeren Met een hulde Zijner waard!quot;

aangeheven door een reusachtig koor met een krachtig orkest, waarna Joh. Messchaert op de hem eigene en nobele wijze met zijn wonderschoon orgaan inzette:

„Eerbied, eerbied trilt door hart en aren,

Hij den groet der liefde U aangeboon;quot;

begeleid door het mooi klinkende orkest en de harpen. Een vijfstemmig koor herhaalde die woorden, een meesterstukje van bewerking, gevolgd door het solo-quartet, gezongen door de dames Noordewier-Reddingins en Cornélie van Zanten en de heeren J. J. Rogmans en Joh. Messchaert:

„O Hemelkoning, hooggeloofd!quot;

De indruk van het geheel was in één woord grootsch.

Des avonds had de gala-voorstelling in den Stadsschouwburg plaats; bij het binnenkomen der koninginnen speelde het Opera-orkest het Wilhelmus; de opvoering van de dramatische schets „Oranje en Nederlandquot; van H. J. Schimmel, de verzoening van De Ruijter en Tromp door Prins Willem 111 behandelende, was het hoofdnummer van het programma en werd gevolgd door een apotheose. In den keurig versierden foyer waren H.H. M.M. bouq netten aangeboden door eenige dames en waren zij verwelkomd door een paar wethouders. De koningin

ocr page 56

„ 41 —

droeg een wit satijn toilet, laag uitgesneden, geheel geborduurd, met paarlen versierd met twee quilles van wit fluweel, waarop kant met paarlen; de koningin-moeder droeg een licht lila-toilet en beiden diamanten hoofdtooisels en halssieraden.

Vrijdag des morgens te 10.40 verlieten H.H M.M. de hoofdstad, uitgeleid door eenige autoriteiten, hoogst voldaan over de schitterende ontvangst haar ten deel gevallen, zooals zij herhaaldelijk aan den burgemeester betuigden. Een welverdiend woord van hulde werd ook door haar aan tie politie gebracht, wier bezadigd en tlink optreden, onder de voortreffelijke leiding van den hoofdcommissaris van politie, den heer J.A. Franken, dan ook alle waardeering verdient. Het ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw, den heer Franken geschonken, was zeker welverdiend, alsmede de giften van H. M. aan de politie en aan de brandweer, waarbij de burgerij milde gaven voegde.

De koninklijke trein dan zette zich in beweging naar 's Gravenhage, de vorstelijke residentie, waar eveneens een schitterende ontvangst H.H. M.M. verbeidde.

Het perron was sierlijk getooid; in de receptiezaal waren civiele en militaire autoriteiten aanwezig, om den eersten welkomstgroet te brengen; do burgemeester begaf zich met de wethouders ter plaatse, waar H.H. M.M. den trein verlieten en sprak de koningin, namens den gemeenteraad, een eerbiedigen, diepgevoelden welkomstgroet toe, die door H.M. aldus beantwoord werd: „Ik ben U zeer dankbaar, burgemeester, voor uwe woorden; ik behoef u niet te zeggen mot hoeveel verlangen ik dit oogenblik te gemoet heb gezien. Het is mij aangenaam U en de andere heeren mijn dank te betuigen voor uwe tegenwoordigheid bij mijne aankomst.quot;

Daarna bood de commissaris dor koningin in Zuid-Holland H. M. de beste gelukwen-schen aan, wien de koningin daarvoor dank bracht. Onmiddellijk daarop word het „Wien Neerlandsch bloedquot; door de dames aangeheven, gevolgd door een daverend „hoezeequot; der toeschouwers, dat zich op straat voortplantte. Nadat de koninginnen zich in de wacht-salons met de voorzitters der Kamers, de ministers en andere autoriteiten onderhouden hadden, ving de tocht naar het Paleis aan; de eerewacht maakte een goed tiguur in haar keurig gewaad; onder de moeste geestdrift, kanongebulder, geklank der klokken, gejubel, de kreten „leve de Koninginquot; en het aanheffen van vaderlandscho liederen werd die door de prachtig versierde straten volbracht. Een donderend hoera begroette den koninklijken stoot bij de fraai versierde tribune tegenover de Boschbrug, dat zich naar die der journalistenen andere overplantte en door de dichte menigte herhaald werd; de journalisten hieven het Wilhelmus aan, waarvoor de koningin bevallig dank zoide; in het Voorhout deliloerden talrijke corporation, vereenigingen van werklieden en andere met hare banieren; de stafmuziok der Vlaardingsche Schutterij speelde lustig het Wilhelmus, toen H. M. onder de eerepoort van het hoofdcomité doorreed en de ridders der Militaire Willemsorde onder leiding van den wakkeren generaal Roinswinkel hieven een geestdriftig „leve de Koningin!quot; aan. Na een hartelijken groet aan de familie Von Wied reden H.H. M.M. langs do rij der vereenigingen van oudstrijdors der land- en zeemacht en van de Haagsche afdeeling van den bond van oud-ondorofficieron. De vaandels salueerden en de leden zwaaiden,

ocr page 57

— 42 —

riepen en wuifden. Het gejuich overstemde het gezang der weezen, die met hun regenten bij den ingang van het paleis Von Wied stonden en juist hun „Looft, looft den Heer!quot; hadden ingezet. Inmiddels werd aan H. M. door oen der meisjes een bloemruiker aangeboden, die door de koningin meteen vriendelijk „dankje, lievequot; werd aangenomen. Van het balkon van den schouwburg daalde een regen van bloemen neer, bij de tribune voor hot departement van Marine juichte de koloniale reserve den vorstinnen toe. In de Belgische en Italiaansche legaties hadden zich onderscheidene diplomaten met hunne dames vereenigd. Eindelijk naderde de statig plechtige stoet, met rijk gecostumeerde herauten voorop, het vorstelijk versierde Koninklijk Paleis, op grooten afstand verneembaar door de echo's der juichkreten, die bij het verschijnen van H.H. M.M. in de Paleisstraat stormachtig losbarstten. „Hoera! Hoezee! Leve de koningin!quot; klonk het van alle kanten en uit aller monden, allen zwaaiden met hoed of zakdoek, terwijl de koningin het geestdriftige publiek toeknikte en toelachte.

Klokslag 12 uur werd dc koninklijke standaard op het Paleis geheschen. De muziek der grenadiers speelde, maar werd overstemd door een jubelkreet, welke uit duizenden monden opsteeg, toon men de koninginnen langs de bovenvensters van het Paleis naar het balkon zag voortschrijden. De vensterdeuren werden opengeslagen en daar stond onze geliefde koningin, onder het rijke baldakijn. De geestdrift, welke zich toon van het volk meester maakte, was onbeschrijfelijk, maar onvergetelijk; het was een hartverheffend tooneel. Alles juichte en hief vreugdekreten aan; allen zwaaiden met hoeden en zakdoeken. En dat donderend gejubel daverde van het Paleis af tot de Oranjestraat van daken en uit vensters. En toen de koninklijke kapel het oude Wilhelmus speelde, zong iedereen meê, klapte een ieder in de handen. De grenadiers van de eere-wacht voor het paleis zwaaiden hunne geweren en riepen aldoor: Hoezee! Leve de koningin! Vijf minuten lang duurde deze grootsche manifestatie: de koningin straalde van geluk en was zichtbaar aangedaan.

Des middags woonden H.H. M.M. onder het gehoor van Dr. Van der Flier met den prins en de prinses von Wied een godsdienstoefening bij in de Groote Kerk; de predikant herdacht de verdiensten van het Huis van Oranje, een gemengd koor hief psalmen aan en bij het verlaten der kerk bestrooiden weeskinderen het pad der koninginnen.

De illuminatie slaagde goed; vooral de Vijverberg, het Binnenhof, eenige Ministeries, het Hooggerechtshof en andere gebouwen waren prachtig geïllumineerd; de afspiegeling van het licht in het water en de roode lampions in het geboomte leverden een prachtig gezicht op. Te negen uur maakten de vorstinnen met groot gevolg een rijtoer door de stad; uit tal van ramen werd Ben-gaalsch vuur ontstoken en het Wilhelmus steeg allerwege op uit de dicht opeengepakte menigte.

Van de feestelijkheden, die in deze dagen plaats hadden, vermelden wij in de eerste plaats hot Bloemencorso, dat alleraardigst was on schitterend succes had; de afdeeling dames-wiel-rijdsters riep, deflleerend voor H. M., „Leve de Koninginquot;; de Scheveningsche wagen was rijk getooid met gulden korenschooven; ook „Immer Weiterquot; uit Deventer trok de aandacht en werd bekroond. De koningin vond het corso zeer mooi en betuigde aan het Dagelijksch Bestuur van den Bond: „Men heeft wel veel moeite voor mij genomen, maar ik ben heel blij, dat de stoet een

ocr page 58

langen tocht door de stad maakt, dan kunnen al die menschen hem ook zien.quot; Met een enkel woord vermelden wi j het bezoek der koninginnen in't Malieveld, waar 15000 kinderen van 35 openbare en bijzondere scholen vereenigd waren, elke school met haar vlaggen en wimpels. De kinderen werden allen getracteerd en ontvingen een kroningsbeker; tusschen twee tribunes was de koninklijke tribune opgericht, waarvoor het Wilhelmina-vendel was geschaard. De Indische vorsten waren op de koninklijke tribune: H.H. M.M. vielen talrijke ovatiën ten deel van militairen en burgerij; de muziekkorpsen speelden de nationale liederen, die de kinderen medezongen. Aan H.H. M.M. werden bouquetten aangeboden door de baronnessen Van Brienen en De Constant Rebecque; bij den terugkeer van H.H. M.M. werden zij daverend toegejuicht. Stippen wij nog even aan den gala-avond in de concertzaal van den Haagschen Dierentuin, waar oen muziekwerk onder leiding van Mr. H. Viotta werd ten gehoore gebracht, alsmede het Oranje-Vredeliod van Richard Hol, gedicht van Dr. H. J. A. M. Schaepman, welke uitvoeringen ten zeerste de goedkeuring van H.H. M.M. verwierven. Voorts slaagde het „Concours Hippiquequot; uitstekend, waar voor liefhebbers van paarden heel wat edels te zien was en bijzonder de aandacht trokken de rijtuigen der elf provinciën, waarvan in elk een boeren een boerin gezeten waren. De koninginnen schepten bijzonder vermaak in deze echt nationale vertooning; het caroussel-rijden en de artillerie-manoeuvres, vooral de ritten der veld-artillerie, hollende over het veld, werden uitbundig toegejuicht; 's avonds waren H.H. M.M. tegenwoordig bij een schitterend vuurwerk, dat voor het paviljoen van den prins Von Wied te Scheveningen werd afgestoken, na een feestmaal in het Kurhaus aan de vertegenwoordigers der buitenlandsche pers aangeboden, onder praesidium van Jhr. Röell, oud-minister van buitonlandsche zaken. Over dit vuurwerk, dat H.H. M.M. op de koninklijke tribune met de familiën Von Wied en don groothertog van Saksen-Weimar, de Indische prinsen en het feestcomité bijwoonden, was maar één roep en was een schitterend besluit van de feestdagen in de hofstad. Het publiek juichte de koninginnen zeer geestdriftig toe. In één woord de ontvangst van II. M. was der residentie ten volle waardig en heeft op haar een diepen indruk gemaakt. Trouwens in alle plaatsen van ons land, steden en dorpen, hetzij door H. M. bezocht, hetzij feestvierende zonder hare aanwezigheid, word de meeste liefde voor het Oranje-Huis aan den dag gelegd en de vurigste geestdrift betoond.

Do directeur van het Kabinet der Koningin heeft dan ook onderstaand schrijven d.d. 24 Sept. 1.1. van H. M. ontvangen;

„Hij liet aanvaarden «Ier regeoring en tor golegenheid Mijner inhuliliging imicht ik zoowel uit hot Vaderland, a's uit de üvor-Kcesclie bezittingen en van Medorlanders in hot buitenland vertoevende, zoo talloozo blijken van liefde, gehechtheid en trouw ontvangen, dat liet Mij, tot Mijn groot leedwezen, onmogelijk in geweest aan een ieder afzonderlijk Mijnen dank te doen overbrengen.

Daarom verzoek ik U, hoogwelgeboren. Mijne diepgevoelde erkentelijkheid te betuigen aan allen, die Mij in deze dagen blijken hebben gegeven van hunne liefde en verknochtheid, en Mijnen warmslen en hartelijksten dank uit te spreken voor de gelukwenschen en huldebetuigingen die Ik van alle zijden mocht ontvangen in den vorm van adressen, brieven en telegrammen.

WILHELMINA.

Twee gewichtige zaken vermelden wij nog oven, de revue der vloot en die van het leger, die beide goed geslaagd zijn. De eerste had plaats in het Hollandsche Diep, waar onze marine een kranig figuur maakte. De koninginnen waren o. a. vergezeld door den Minister van Marine, Jhr. Röell, in admiraalsuniform; aan den Moerdijk gingen zij aan boord van een koninklijk jacht; vandaar werden zij in de koningsloop, door twintig roeiers bemand, naar de „Zeehondquot; gebracht.

ocr page 59

— 44 -

het admiraalschip, waar de schout-bij-nacht Engelbrecht haar afwachtte. Bij den tocht langs de op het Hollandsche Diep geschaarde vaartuigen werd „de Zeehondquot; gevolgd door de „Bellonaquot;, de „Dolfijnquot; en de „Nederlandquot;, op welke schepen zich de Indische prinsen, do ministers, de leden van den Baad van State en van de Kamers der Staten-Generaal bevonden. Het koninklijk jacht voer langs de geheele schepenlinie heen, eerst ten zuiden, daarna ten noorden, waarna H.H. M.M. zich op „de Zeehondquot; begaven, waar zij tot vier uur bleven. Het Diep wemelde van plei-ziervaartuigen, stoomschepen en zeil vaartuigen, die zich rondom de vloot bewogen, maar zich na aankomst der koninginnen achter de linie terugtrokken. Van alle kanten weerklonk het gejuich en bulderde het geschut.

Ongeveer een week later, -Jl Sept., had de legerschouwing op de Benkumsche heide plaats. Een onafgebroken reeks van rijtuigen bewoog zich van Arnhem naar Benkum. Langs den westelijken boschrand was een lange linie troepen geschaard met een tusschenruimte van duizend pas voor het publiek. De opstelling geschiedde regimentsgewijze. Te 11 uur verscheen de koningin, in 't wit en te paard, omgeven door haar staf. De koningin-moeder volgde in een rijtuig a la daurnont gereden; daarna nog drie rijtuigen. Zij werden zeer toegejuicht. Do koloniale reserve stond vooraan; een staf van opper- en hoofdofficieren sloot zich bij de koningin aan, benevens de militaire attachés van Amerika, Busland en Frankrijk. Generaal Kool reed aan de linkerhand van H. M. Nadat de troepen geïnspecteerd waren, passeerden regiment na regiment de koningin. De commandant van elk regiment plaatste zich naast de koningin tot zijn troop was gepasseerd. Met de vaandels werd gegroet. Na een defiler van drie kwartier volgden de artillerie in stap, de cavalerie en de rijdende artillerie. In draf trok daarna de veld-artillerie, in galop de cavalerie voorbij, opdoemende uit een verre stofwolk, gevolgd door de rijdende artillerie in volle vaart. Tegen kwart voor twee verliet de koningin, luide toegejuicht, het terrein. Na afloop der revue werd door de commandanten mondeling den troepen de dankbetuiging der koningin overgebracht voor hunne goede houding. Daverende hoera's klonken uit de regimenten.

Thans moeten wij nog melding maken van ééne feestviering, nl. van de gemeente Apeldoorn, waar H. M. de koningin geen officieelen intocht kwam houden, maar haar intrek nemen in haar tehuis, in het vorstelijke Loo.

Na de vermoeienissen, verbonden aan al de betoogingen van liefde en toegenegenheid des volks, waaraan haar Jeugd en vaste wilskracht gelukkig weerstand hebben kunnen bieden, kwam H. M. de welverdiende rust zoeken in Apeldoorn's schoone dreven, onder zijn prachtig geboomte, in de heerlijke parken van het Loo, in de statige Soerensche bosschen, waar het licht van den dag als een regen van zilver drupt door het dicht gebladerte en de frissche koelte en do geuren van heide en spar haar nieuwe kracht zouden inblazen, nieuwe opgewektheid en levenslust.

Vrijdag 30 September was voor Apeldoorn de dag aangebroken om H. M. welkom te heeten in zijn midden. De straten, pleinen en gebouwen waren versierd met groen en bloemen, getooid met de kleuren der vaderlandsche vlag en den Oranje-wimpel, als zinnebeeld van de eenheid des volks met het doorluchtige stamhuis van Oranje. Het „Wien Neêrlandsch

ocr page 60

... 45 —

bloedquot; en het oude Wilhelmus, dat nooit verouderd om zijne innerlijke schoonheid, weerklonken langs de straten, ter eere van de jeugdige koningin, die de gemeente voor het eerst als gehuldigde vorstin bezocht.

Om half twaalf stoomde de koninklijke trein uit de residentie komende het station binnen, onder het luid gejuich der menigte. De koninginnen werden op het perron verwelkomd door den burgemeester, terwijl een paar dames haar bonquetten aanboden. De commissaris der koningin in Gelderland, vergezeld van de Gedeputeerde Staten, sprak der koningin een hartelijk woord van welkom toe op Gelderlands bodem, waarvoor zij vriendelijk dank zei. Daarna begaven H.H. M.M. zich naar de sierlijk getooide wachtkamer, waar de Raad der gemeente en de secretaris zich bevonden. De burgemeester hield daar een toespraak tot de koningin en de koningin-moeder.

Onder het luiden der klokken en het gejuich der menigte verlieten H.H. M.M. het station en begaven zich naar het rijtuig, omstuwd door de eerewacht, ordonnance-ofiicieren enz. enz.

Op het Marktplein sprak de voorzitter der feestcommissie, door deze omgeven, de heer B. Tideman Jr., de koningin toe en werden H.H. M.M. dooreen paar dames bonquetten aangeboden: voor een en ander betuigden zij haren dank. Bij de Ned. Herv. Kerk, waarvan alle deuren geopend waren, ruischten haar de plechtige tonen van Psalm i 34 tegen en werden zij opgewacht door de beide predikanten en den kerkeraad, (b waarna de koningin door ds. (Hattink hartelijk welkom werd geheeten als koninklijke Ambachtsvrouwe, waarvoor 11. M. vriendelijk dank betuigde en hare vreugde uitsprak weder te Apeldoorn te zijn. Ook hier werden H.H. M.M. bonquetten aangeboden. Voor de Koningsschool brachten alle leerlingen met de onderwijzers, met het vaandel, H. M. een eerbiedige hulde. Bij de poort der 1'aleislaan zong een koor van bewoners van het Loo, onder leiding van den heer H. Ph. Buijsman, H. M. een welkomstlied toe, waarna de bewakers der poort, twee hoplieden en twee hellebardiers in oud-Hollandsche kleederdracht, deze openden, terwijl meisjes bloemen neerstrooiden toen H.H. M.M. door de poort reden. Aan de andere zijde stond het personeel van het koninklijk domein geschaard, als tolk waarvan de heer Van Steijn een woord van welkom sprak. Zeer aangedaan dankte H. M., waarna de twee oudste werklieden H.H. M.M. bonquetten aanboden. Een geestdriftig gejubel weerklonk langs de geheele Paleislaan en bij den ingang van het Paleis deed de muziekvereeniging „De Harmoniequot; de opwekkende tonen van het oud-Wilhelmus hooren. Onder het luid gejuich der menigte traden H.H. M.M. het Paleis binnen, waarna onmiddellijk de standaardvlag werd geheschen. De koningin betuigde toen aan den burgemeester hare hooge ingenomenheid met de hartelijke ontvangst der bevolking en de schoone versiering der gemeente.

Des middags maakten H.H. M.M. een rijtoer door het dorp, bezochten het feestterrein en hielden stil voor de Rijkskweekschool voor onderwijzeressen, waar een Kroningslied door de zestig leerlingen werd aangeheven, onder leiding van den heer J. Ij. H. Kijken van Deventer, wien H. M. een compliment maakte over den fraaien zang en de compositie. Des avonds namen H.H.

(') Wij nemen hier even de gelegenheid waar op te merken, dat het Offioieole Gedenkboek «Is datum vim den doop van H. M. opgeeft \'i Oct. 18SO; van hare aanneming tot lid der Nod. Herv, Kerk 24 Oct. 1896 en van luiro deelneming iian het Avondmaal 2D Oct. Wij volgden op pag. 31 en 32 het aangehaalde werk van O. L. Kopper.

ocr page 61

_ 40 —

M.M. de illuminatie, die uitstekend slaagde, in oogenschouw. Zaterdagmorgen brachten ongeveer 8000 kinderen H. M. een aubade en werd haar een oorkonde aangeboden. Den dirigent, den heer H. C. Offenberg, betuigde de koningin haar dank voor de vele moeiten, door hem genomen, en droeg hem op dien ook aan de kinderen over te brengen. Van 12 - 4 uur trok de Optocht, samengesteld uit zeventien versierde wagens, verschillende takken van nijverheid en vereenigingen voorstellende, door het dorp en hield te 2 uren halt voor het Paleis. Door de „ Harmoniequot; werd het Wilhelmus aangeheven, waarna H.H. M.M. zich door den heer W. van Enst B.J.Zn., voorzitter van den Optocht, omtrent den stoet in bijzonderheden liet inlichten. Wederom maakten H.H. M.M. een rijtoer door het dorp, en wel door een ander gedeelte, en werden overal op gelijke wijze begroet en toegejuicht.

Van tie verschillende feesten zij het voldoende gezegd, dat Apeldoorn ze waardig heeft gevierd. Ondanks de duizenden menschen, die op de been waren — de treinen brachten ongeveer 13000 personen aan op beide dagen heerschte er goede orde en is alles uitstekend afgeloopen. Deze dagen, die wederom getuigenis aflegden van de liefde van ons volk voor het Huis van Oranje, zullen een blijvende herinnering achterlaten.

En thans een enkel woord ten slotte.

Moge de regeering van koningin Wilhelmina een gelukkige zijn voor het vaderland en voor haar zelve. Haar troon rust niet op de kracht der wapenen, maar op de liefde en de toewijding van het Nederlandsche volk. Die liefde heeft zij niet meer te winnen; dat is reeds gedaan door hare voorvaderen, een onvergankelijke erfenis, die de Vader des Vaderlands aan geheel zijn geslacht heeft nagelaten. Koningin Wilhelmina heeft die slechts te behouden en te bevestigen door toewijding aan de belangen des volks. En wederkeerig vinde haar troon zijn hechten steun in de innige trouw en verknochtheid aan het Huis van Oranje. Om haar zwijgen de partijschappen, verschil van godsdienst wordt ter zijde gesteld, haar naam electriseert de menigte; „want in haar zien wij het vereenigingspunt van allen, de banier waarom geheel Nederland zich heeft te scharen, het aanknoopingspunt van allen. In haar hebben wij hetgemeene vaderland lief, waarvan zij de uitwendig zichtbare verpersoonlijking is, hot zinnebeeld onzer volkseenheid.quot;

Thans is het verbond, in de bangste tijden gesloten, hernieuwd in dagen van rust en welvaart, maar toch zyn het ernstige tijden, die wij beleven, en in dringende nooden moet worden voorzien. Hot volk moet als sociale gemeenschap zijn grootsten steun in de grondwettige monarchie vinden, die, naar onze meening tie veiligste en meest geschikte is voor zijne geestelijke en stoffelijke ontwikkeling. Moge onder de regeering van koningin Wilhelmina de nieuwe vorm voor onze sociale verhoudingen opeen vreedzame wijze tot stand worden gebracht en Nederland een gouden tijdperk van bloei op geestelijk en stoffelijk gebied te geinoet gaan! Wij koesteren van H. M. de hoogste verwachtingen; adeldom verplicht. Vingen wij dit werk aan met een gedicht, zoo wenschen wij het op gelijke wijze te besluiten, en wel met de schoone verzen van den heer Charles Boissevain, hoofdredacteur van „Het Algemeen Handelsbladquot;, op den Sisten Augustus 1.1. der koningin toegezongen en met groote welwillendheid aan ons ter overneming afgestaan, waarvoor wij hem hier openlijk onzen dank betuigen, aldus luidende:

ocr page 62

- 47 —

Heil! heil! hoil!

koningin van Dns laagland aan zee,

i)i(* den droom van de vaadren vervult;

„Neerland één met Oranje aan de spitsquot;;

Lentebloei, lentegroet, lentekracht Brengt uw heerlijke jeugd in ons land!

Waar gij moedig en hoopvol ons leidt Bloesemt korengoud achter u op!

O, U huldigen, eeren wij saam:

't Kloppend hart van ons allen zijt gij,

En wij allen, we zijn uw gezin.

Koningin! Koningin!

Hef, Neerland's Koningin, den gouden scepter op.

Die 't vaderland alhier en over zee beheerscht:

Grijpt hoopvol 't handvat aan van Holland's enterbijl,

Die Jan-maat heeft gezwaaid tot eeuwige eer der vlag;

Urijpt 't blauwe staal, dat flitst aan 't hoofd der regimenten,

En dat in Insulind tot vrede en welvaart dwingt.

Het zwaard van Willem Een, van Maurits, Erederik Hendrik,

Het zwaard van Nieuwpoort's strand, en 't roemrijk Quatre-Bras.

Omring uw hoogen troon met zonen van den lande.

Die denkend, handelend, ziend, des volks beweegkracht zijn;

Sla neer het onrecht____ drukt do wreede zelfzucht neder;

Wijst wie er dreigt met kracht steeds tier op eigen macht:

Vat de uitgestrekte hand van al die werkend vallen.

Die krank is, hulp behoeft en snakt naar lucht en licht:

Buig als een zuster over kinderen, kleinen, armen

Het goud van Neerland's kroon en 't goud van 't blonde hoofd:

Wees weeuwen tot een kind en weezen tot een moeder,

En dek met purper warm, wie naakt van koude beeft!

Koningin voer ons aan,

Leid den ploeg.

Vat de spa,

Grijp het roer.

Leen het oor Kaar wie denkt, en wie doet, en wie hoopt.

Naar wie beitelt of bouwt.

Naar wie timmert of smeedt,

Naar wie toovert met woord, met geluid of met kleur.

Naar wie delft in de venen of klautert in 't want.

Naar wie schept, naar wie zwoegt, naar wie leert!

ocr page 63

4S -

Laat heide en duin.

haat weide en tuin,

liciclien uw lietlijkoii. zonnigon Lachen uw lach, die. als licht over 't Vreugd brengt in de oogeu en gloed in het Kn den kunstenaar sterkt,

En den dichter bezielt,

Ku den denker met mildheid vervuil ..

Koningin. Koningin, veer ons aan!

Laat ons durven en liegen.

Wéér gelooven, wéér hopen.

Steeds volharden in willen en deen!

Leer ons willen wat recht is.

Verfoeien wat slecht is,

Versmaden wat lal' is en kruipt!

(iij, spruit uit don Stam, die de Vrijheid ons bracht; Uw hoofd rij/e hoog, doch nw hand wege zacht! Op 't willen van Vrijen beruste al uw macht!

aci

(); bloeiend leven.

Hand, sterk en zac Wil ons hergeven Het oude streven Kn 't zelfvertrouwen In eigen kracht.... sterk en zac.

Wij willen groeien.

Door l' geleid. Tot volk van broedren, Die lier uw kleuren Ten hemel beuren In vrede en strijd..

Duur

iceleii


Dwing ons door liefde G-loei ons te /aam, (gt;pdat. eendrachtig.

Door eendracht machtig, Wij 't land verheften In uwen naam!... d'Dranjenaam!

Kn allen zweren

We L riddertrouw, () kinine en lijne, lt;l bloesemroine.

Mijn koningsdochter. Mijn edelvrouw! D liefde en trouw!


n. Koningin, die heerscht in Oost en W est en Noord,

Tot welk een cirklend heir van starren rijst vandaag

Het Jubelend dankgebed van 't volk dat l bemint!

Het tlonkrend Zuiderkruis gloeit boven Insnlind,

De stille Poolstar glanst het heelè jaar in 't 1-1.

Maar 't neevlig starrendiep der scheeinrende eeuwigheid

Is lichaam.... God is ziel!

(!od. Ziel van alles, onze Vader die ons mint.

Wees Haar tot vaste burcht, o help en sterk l'vv kind!

ocr page 64

^ i-I^ï-a.5. .quot;irk'': quot; '.■ _.'■. '_■

quot;x 1 igt;i 4i ^ f'

^.t^H-'J^'y'':/''1-^',r^Hf-'quot;'f.1KK ■' . .V.quot;'^ 'gt;'.,V '/.'.--.'n'' 'J^'A

11^—M MHaimM wsmmmmmÊm ËM Wi

WÊÊÊÊBBBÊÊm

Mi

.

ocr page 65

m mm

: •

ocr page 66

— I I gt;.t.- ■ -êwë

mmm

II

iliH: | Mm ■

B ihhbb nH^nm bmmh

,,,:.Vis , I. BHH BH . IB 1 n BH HHR H

^ i ï fypw V\ ,;,:rquot; jï':1

• •• ;-t?:

r;V

ÜKWSM isSHag—«iSMMaai

fmmmmMv-.

Ml ^M^Mi i MM^i

M | H;wX.' 1H

if;

SBmmmmmmmmm —pmm HI

IH1

I ' '8» ^9 wb

8^?3fifct- I ^1

-i m

'/■S- t^g:--' :

.1 ■■■ i

ocr page 67

m mm

: •

ocr page 68

— I I gt;.t.- ■ -êwë

mmm

II

iliH: | Mm ■

B ihhbb nH^nm bmmh

,,,:.Vis , I. BHH BH . IB 1 n BH HHR H

^ i ï fypw V\ ,;,:rquot; jï':1

• •• ;-t?:

r;V

ÜKWSM isSHag—«iSMMaai

fmmmmMv-.

Ml ^M^Mi i MM^i

M | H;wX.' 1H

if;

SBmmmmmmmmm —pmm HI

IH1

I ' '8» ^9 wb

8^?3fifct- I ^1

-i m

'/■S- t^g:--' :

.1 ■■■ i