BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
II
3088 191 O
Vorm der snijtanden, ^ig. I. Melktand. Flg. 2. Paardetand.
kroon
hals
wortel
Binnen- en middentanden: gevuld. Hoektanden: voor- en achterrand in slijting.
Fig. 7. Twee jaar.
A. VAN LEEUWEN,
Rijks-veearts te Leiderdorp.
^Schrijver van een der drie bekroonde prijsvragen inzake de âHandleiding voor paardenfokkerijquot;, samengesteld door wijlen VAN der Weg.)
Tweede, veel vermeerderde en herziene druk.
I
j Met figuren in den tekst en 4 gekleurde platen.
ERVEN B. VAN DER KAMP. â GRONINGEN.
1896
j
/i /^r
ID IE
Gedrukt bij Erven B. van der Kamp, Groningen.
VOORWOORD.
Toen ik tn 1S92 m het toenmalige maandblad Hippos een artikeltje schreef over de ^Ouderdomskenmerken bij het paard!', dacht het den H.H. Uitgevers van dit maandblad goed, dit artikeltje afzonderlijk uit te geven en voor geringen prijs beschikbaar te stellen. Dc toen gemaakte oplage was in dit voorjaar uitverkocht, en bleek het dus dat er behoefte bestond aan een kleine handleiding op dit gebied. Resultaat van deze overweging is de samenstelling van dezen tweeden, geheel omgewerkt en en vermeerderden druk. Dit werkje is alzoo meer volledig, daar hetgeen door anderen over dit onderwerp werd opgemerkt en medegedeeld, door mij werd geraadpleegd na toetsing aan eigen ervaring.
De bronnen waaruit ik heb geput, zijn:
i0. De lessen van mijn hooggeachten vroeger en leermeester, de Heer D. F. van Esveld, Leer aar aan 's Rijks- Veeartsenijschool te Utrecht.
2°. De mededeelingen van mijn even hooggeschatten vroeger en leermeester, de Heer VV. C. schimmel, in het ,, rijdschrift voor Veeartsenijkunde en Veeteeltquot;
3°. L. Franck, âAnatomie der Hausthiere.quot;
4°. G. Schwarznecker, âRacen, Zilchtung undHaltung des Pfer de siquot;
5°. Dr. Karl Löffler, âDas Pferdquot;, u. s. w.
6°. J. A. Alers, âZakboek voorpaardenhouders en ruitersquot;, naar het Duitsch door F. W. siegmann.
7°. Ernst Walter, âUeber Erkennung des Alters beim Pferd.quot;
8°. Praktische Zahnlehre sier Altersbestimmung der Pferde. Nach der Natur von Carl Schwab.
Het dacht mij goed deze goedklinkende namen ten tooneele te voeren, eerstens om hen recht te doen wedervaren. en ten tweede om aan mijn werk meer steun te geven, en het vertrouwen daarin, mocht het zijn, te verhoogen.
Moge dan dit werkje, als vrucht van ernstige studie, een gunstig onthaal vinden l
De Schrijver.
Leiderdorp, December 1895.
De Ouderdomskenmerken
BIJ
HET PAARD,
e ouderdom van het paard wordt hoofdzakelijk afgeleid uit den vorm en stand der tanden. Bovendien heeft men nog enkele gegevens in den lichaamsvorm en de wijze van beharing.
In vroegere tijden meende men te kunnen afgaan op de plooien in het bovenooglid, of op het aantal âknoopenquot; in den staart, waarbij men dan voelde naar de knobbels die overeenkomen met de staartwervelen. Beide methoden zijn geheel onbetrouwbaar.
8
Het veulen is hoog op de beenen, met gekroesd haar, evenals de manen en staart, welke laatste in het eerste levensjaar niet over de hakken komt.
Het tweejarig paard is glad van haar, en heeft meer overeenkomst met het volwassen dier, evenwel is de keelgang meer gevuld, het voorhoofd gewelfd, en zijn de kaken dikker. Het hoofd heeft daardoor een eenigszins bol, gebombeerd voorkomen, hetgeen meestal zelfs in het derde levensjaar nog duidelijk op te merken is.
Het zeer oude paard krijgt witte haren, vooral aan het hoofd, diepe oogkuilen, een meer ingevallen hoofd, kortom de vorm van het scelet wordt meer zichtbaar.
Men kan in het algemeen zeggen, dat met het vorderen van den leeftijd ))de trekken scherperquot; worden. Witte haren aan den staart-wortel en een magere, spierlooze rug zijn ook meestal onbedriegelijke kenteekenen van hoogen leeftijd.
Het uitbotten, wisselen en afslijten der tanden vormen evenwel een meer zekeren maatstaf,
9
waarnaar de leeftijd wordt beoordeeld; onder dien verstande intusschen dat op het afslijten sommige omstandigheden, als kribbebijten , eten van veel hard voêr enz. een merkbaren invloed kunnen uitoefenen, waarmede men bij het bepalen van den ouderdom rekening heeft te houden.
In het voorste gedeelte van elke kaak (het s n ij t a n d s b e e n) vindt men 6 s n ij t a n den, die verdeeld worden in 2 binnen- (aa fig. 4), 2 midden- (ö ö fig. 4) en 2 hoektanden {cc fig. 4).
Daarop volgen bij het mannelijk dier, en ook in enkele gevallen bij het vrouwelijke, de 4 baaktanden {/i/t fig. 12), aan de beide zijden van elke rij snijtanden 1, en dan de 24 kiezen, in elke kaakhclft 6.
Men onderscheidt aan eiken tand de kroon, d. i. het gedeelte, dat in den mond boven het tandvleesch uitkomt, amp;amp; hals, d. i. het smalle randje dat door het tandvleesch omgeven is, en eindelijk de wortel, d. i. het veel langere stuk dat in het snijtandsbeen, in de zoogenaamde tandkas verborgen zit.
Boven in de kroon van den tand vindt men
IO
een holte (de kroon hol te), en ook in het ondereind een (de iü or t e Iho Ité). Beide holten staan niet met elkaar in verband, de kroonholte ligt meer naar de achtervlakte van den tand. In de baaktanden komt geen kroonholte voor.
, Wat de beteekenis der wortelholte is, is duidelijk genoeg; hierin toch ligt de uiterst gevoelige tandpulpa (tandkiem), die behalve de uiteinden van gevoelszenuwen, ook nog datgene bevat wat noodig is voor de voeding, den voortdurenden opbouw en groei van den tand.
Bij den groei van den tand wordt voortdurend nieuw been tegen den binnenwand van de wortelholte afgezet, zoodat deze laatste hoe langer hoe nauwer wordt, en eindelijk geheel verdwijnt.
De wortelholte wordt dus in werkelijkheid gevuld.
Wat de beteekenis voor het paard van de kroonholte is, is niet zoo duidelijk; intusschen is deze voor de bepaling van den leeftijd van groot gewicht. Door de afslijting van de bo-
II
venvlakte der snijtanden wordt n.1. de kroonholte hoe langer hoe kleiner; men noemt dit het ygt;vulleuquot; der kroonholte.
Een eigenlijk vullen is dit niet, alleen wordt de holte ondieper, door het lager worden der omgevende randen.
De tanden en kiezen zijn opgebouwd uit drieerlei zelfstandigheid: het cement, het glazuur of émail en het ivoor of de dentine.
Het eerste vormt de buitenste, dunne, geelbruine laag, die van de kroon na langer gebruik meer en meer verdwijnt; het glazuur is een dikkere laag die porseleinwit en buitengewoon hard is, terwijl bij den geheel ontwikkelden tand het ivoor, dat het meest naar binnen ligt, de grootste hoeveelheid vormt. Dit tandbeen is meer geelwit van kleur en niet zoo hard en broos als het glazuur.
De kroonholte is ook bekleed met een gla-zuurlaag, zoodat men bij een in slijting verkeerenden snijtand kan spreken van buiten-en binnenglazuur, welke door tand-ivoor van elkaar gescheiden zijn.
De eerste snijtanden noemt men kleine,
12
veulen- of ine l kt and e n. Deze vallen op lateren leeftijd uit, en worden vervangen door de gr oo te, paarde- of blijvende tanden.
De melktanden zijn te onderscheiden van de paardetanden door in de lengte loopende groeven op de voor- of lipvlakte (2 in de boven-, 1 in de ondertanden) bij de laatste; terwijl de eerste op de voorvlakte zacht geribd zijn; verder is bij den melktand de afscheiding tus-schen kroon en wortel scherper dan bij den paardetand, en eindelijk is de melktand witter dan de paardetand, welke laatste meer geel gekleurd is.
Het uitbotten der melktanden heeft nu zoodanig plaats, dat binnen 8 dagen na de geboorte de 2 binnen-, en na 6 weken ook de 2 middentanden aanwezig zijn.
Op den leeftijd van 6â10 maanden ontwikkelen zich de hoektanden.
De voorrand der tanden is het hoogste, dus deze komt het eerst door het tandvleesch.
De voorrand komt daarom ook het eerst in slijting, dan volgt de achterrand, en eerst later wordt de kroonholte gevuld.
13
Het uitbotten der melktanden noemt men de eerste periode, dan volgt als tweede periode de vulling daarvan, de derde periode heeft betrekking op het wisselen, de vierde op de vulling der paardetanden, en de v ij f d e of 1 a a t s t e op de v o r m v e r-a n d e r i n g der paardetanden.
De eerste periode loopt in het ie levensjaar af, de tweede na ongeveer 2 jaar, de derde loopt van 2'/2â5 jaar, de vierde van 6â8 jaar, de vijfde omvat den leeftijd boven de 8 jaar.
Men heeft van de eerste 4 periodes de volgende tabel:
14
Eerste periode (melktanden).
Op den i 8 dagen ] I2 binnentanden.
leeftijd ^ 30â40 dagen zijn er ; 2 middentanden. (zie fig. 3). van [6â10 maanden) (2 hoektanden, (zie fig. 4).
Tweede periode (melktanden).
Op den f 1 jaar tot \ ^ binnen- cn j (zie fig. 5).
leeftijd 16 maanden , zijn de middentanden, gevuld (zie fig. 6), van ( 2 jaar ) ( hoektanden ) (zie fig. 7)
Derde periode (paardetanden).
Op den / 2'/i jaar j ( binnentanden. (zie fig. 8).
leeftijd 3'/j jaar ^ wisselen de ^ middentanden. (zie fig. 10). '4I/jjaar) ( hoektanden. (zie fig. 12).
van
1
Op den ^ 3 jaar | I binnentanden \ (zie fig. 9).
leeftijd 4 jaar zijn de ^ middentanden gt; in slijting (zie fig. 11). van ( 5 jaar ) ( hoektanden ) (zie fig. 13).
Vierde periode (paardetanden).
Op den ^ 6 jaar ^ l binnentanden \ (zie fig. 14).
leeftijd ' 7 jaar zijn de'middentanden gevuld. (zie fig. 15). van (8 jaar! f hoektanden 1 (zie fig. 16).
«c ; .
â¢:gt;'
/
Omtrent de derde periode zij nog opgemerkt, dat de bovensnijtanden in den regel 2â8 weken vroeger worden gewisseld dan de snijtanden in de onderkaak. De middentanden maken hierop veelal deze uitzondering, dat daarbij de ondertanden eerder wisselen dan de boventanden.
Met het oog op de thans vigeerende bepalingen op de belasting der paarden is dit van belang. Elk paard, dat het tweede viertal der melktanden, dus de 4 middentanden, nog niet geheel heeft gewisseld, wordt geacht nog geen 42 maanden jaar) oud te zijn, en is tot zoo lang vrij van belasting.
Bezien wij nu eens nauwkeurig de afbeeldingen die op de derde periode betrekking hebben, bijv. fig. 10, die den leeftijd van 31/» jaar voorstelt , dan zien wij:
10. de binnentanden zijn paardetanden, waarvan de voor- en achterrand in slijting zijn; de slijting is evenwel nog niet zoover gegaan dat er van een vulling der kroonholte sprake kan zijn;
20. de middentanden zijn pas doorgebroken paardetanden, die dus nog niet in slijting zijn;
3°. de hoektanden zijn nog melktanden.
i6
Hebben de middentanden het niveau van de binnentanden bereikt, of wat hetzelfde zeggen wil, komen de middentanden in slijting, dan wordt het paard geacht ten volle 4 jaar oud te zijn. (Zie fig. 11.)
Vergelijking van de derde en vierde periode leert ons dat de vulling van een paardetand gemiddeld 3 jaren in beslag neemt, terwijl ze van den veulentand slechts 1 jaar duurt, zooals vergelijking van de eerste en tweede periode aantoont.
Dit geldt nu evenwel alleen voor de snijtanden der onderkaak, de kroonholte is daarin 6 S. 8 m.M. diep; wordt nu elk jaar ruim 2 m.M. van de omgeving afgeslepen, dan duurt de ge-heele vulling 3 jaar.
Iets anders is het met de snijtanden der bovenkaak. Hierin bevinden zich kroonholten die meer dan tweemaal zoo diep zijn. De vulling daarvan duurt dus ongeveer 6 jaar, zoodat de binnentanden eerst op 10-jarigen leeftijd gevuld zijn, de middentanden op het iide) de hoektanden op het 12e jaar. (Zie de fig. 18, 19, 20.) Hierop komen evenwel vele afwijkingen voor.
Fig. 21. Vijftien jaar. Fig. 22. Achttien jaar.
i
i7
Ook bij de melktanden is er verschil in de diepte der kroonholte tusschen de boven- en ondersnijtanden. In de boventanden is ook hier de kroonholte veel dieper, zoodat zelfs bij de wisseling de kroonholte der binnentanden van de bovenkaak nog lang niet gevuld is. De tabel is dus ook hier slechts van toepassing op de ondertanden.
In de v ij f d e of 1 a a t s t e periode heeft men hierop te letten, dat de normale, ongebruikte paardetand in zijn bovenste gedeelte van voren naar achteren smal, en van links naar rechts breed is, zoodat men kan onderscheiden een voor- en een achtervlakte, en twee zijranden.
Naar onderen toe wordt deze verhouding juist omgekeerd, zoodat men hier ten laatste kan spreken van een voor- en achterrand en twee zijvlakten. Daar de tand nu bij het vorderen van den leeftijd naar boven, uit de tandkas, gedreven wordt, zoo zal de wrijfviakte, waar op den duur slijting plaats heeft, noodwendig van vorm moeten veranderen (zie fig. 2).
De w r ij f v 1 a k t e van jonge tanden is d w a r s-ovaal, hierna krijgt men den e i r o n d e n , dan
i8
den ronden, daarop den driehoekige n, en eindelijk den overlangs- of verkeerd ovalen vorm.
Dit is het best na te gaan, als men een ge-heelen paardetand neemt en die langzamerhand van boven afslijpt; men ziet dan achtereenvolgens de genoemde vormen der wrijfvlakte één voor één te voorschijn komen. Men neemt in 't algemeen aan dat de ronde vorm ongeveer overeen komt met den 12â18-jarigen leeftijd, de driehoekige vorm komt op ongeveer 18-jarigen leeftijd te voorschijn, terwijl de verkeerd ovale vorm wijst op minstens 24-jari-gen leeftijd. (Zie fig. 21â24).
Verder ziet men op 8- a 9-jarigen leeftijd aan de hoektanden der bovenkaak dikwijls een uitstekend puntje te voorschijn komen, en wel aan den buitenhoek. Dit scherpe hoekje, door de Franschén »éc Jiancr uv equot;, door de Duitschers »Einbissquot; geheeten, ontstaat doordat op dezen leeftijd de boog door de onderste snijtanden gevormd, kleiner is dan die der boventanden, zoodat een klein gedeelte van den bovenhoektand niet correspondeert met een gelijk gedeelte van
19
den onderhoektand en dit gedeelte dus niet afslijt. De oorzaak van dit verschijnsel is de omstandigheid, dat de tanden der onderkaak eerder een meer horizontalen stand gaan aannemen dan die der bovenkaak, welke langer een meer verticalen stand behouden. Men noemt dit wel het «strekken der onderkaak.quot; Deze é c h a n c r u r e kan nu verschillende vormen en grootten aannemen, zelfs verdwijnen en latei-weer te voorschijn komen. (Zie fig. 17.)
Een ander kenmerk is dat men op den leeftijd van 8â12 jaar den bodem der kroonholte nog kan zien, die iets hooger staat dan de omgeving omdat het been daarvan (g 1 a z u u r) iets harder is, en daarom minder afslijt. Dit teeken ligt dicht bij de a c h t e r- of ton g vlakte van den tand, dus in het achterste derde gedeelte van de wrijfvlakte.
Van 12â16 jaar ziet men ook veelal een donker gekleurd puntje of vlekje, het »10oriel-sterretjequot; te voorschijn treden, ongeveer in het midden van de wrijfvlakte, dus vóór den bo-d e m der kroonholte, die op dezen leeftijd geheel begint te verdwijnen. Dit wortel- of
20
tandsterretje heeft zijn ontstaan te danken aan de vorming van been in de wortelholte door de tandkiem. Dit been is dadelijk na de vorming nog zachter dan het omgevende been, en wordt dus door de kleurstoffen uit het voedsel donkerder gekleurd. Voordat de bodem der kroonholte verdwenen was, was dit jongste en dus meest gekleurde been reeds merkbaar als een donker streepje, gelegen tusschen de kroonholte en den voorrand des tands.
Nog herkent men den ouderdom aan den stand der tanden.
Op vijfjarigen leeftijd bijv. beschrijven de voor-randen der snijtanden een zuiveren boog, terwijl op ouderen leeftijd de tanden meer recht, en nog later ook meer naar vore n (h o r i-z o n t a a 1) gaan staan, zoodat de hoek waaronder de boven- en ondertanden samen komen, allengs scherper wordt.
Daar de afslijting der tanden op hoogeren leeftijd geen gelijken tred houdt met de uitdrijving uit de tandkas, zoo worden de tanden met het vorderen van den leeftijd ook langer en langer, d. w. z. het gedeelte dat buiten het
21
tandvleesch uitsteekt; in zijn geheel wordt de tand natuurlijk steeds korter, door het vullen der tandkas met nieuw been.
Eindelijk heeft men nog als kenteeken van den leeftijd meenen te mogen beschouwen een over-la ngsche, donker gekleurde groeve in
de hoektanden der bovenkaak, die op of kort na het iode jaar uit het tandvleesch tevoorschijn zou komen, en langzamerhand met den groei van den tand ook langer en langer wordt. Deze groeve zou zich op 21-jarigen leeftijd over de geheele lengte van den hoektand uitbreiden, en daarna van boven af weer gaan verdwijnen, zoodat er op omstreeks 30-jarigen leeftijd niets meer van te zien is.
22
Ging dit regelmatig door, dan zou dus bijv. op 15- a 16-jarigen leeftijd deze groeve te zien
23
in vele gevallen onduidelijk, doeh in een nog veel grooter aantal gevallen is er niets van te
bespeuren. Dit kenteeken is dus tamelijk onbetrouwbaar, toch kan het in enkele gevallen, in verband gebracht met de overige verschijnselen
24
aan de tanden enz., ons op den goeden weg helpen.
Met al de bovengenoemde gegevens is de bepaling van den leeftijd boven de 8 jaar altijd veel onzekerder dan beneden den genoemden ouderdom.
En zelfs beneden dien leeftijd staat men soms voor typische afwijkingen. Zoo ziet men bijv. dikwijls dat de kroonholte in den hoektand nog geruimen tijd na het 8ste levensjaar blijft bestaan.
Meerdere of mindere hardheid van het tandbeen , onregelmatige groei der tanden, verlies of afbreken van enkele tanden, vroeg-rijpheid van het ras of individu, diepte der kroonholten, wijze van voeding, kribbebijten en knabbel-zucht, zijn alle zoovele momenten die op de afslijting en dus ook op het uitwendig aanzien der tanden van invloed zijn. Het is daarom altijd zaak de verschillende waargenomen verschijnselen met elkaar in verband te brengen en te vergelijken, en naar het gemiddelde daarvan een uitspraak te doen.
Ook de baaktanden en kiezen kunnen ons in
25
twijfelachtige gevallen van dienst zijn bij het bepalen van den leeftijd.
De baaktanden (blijvende) komen bij het mannelijk dier op 4- a 5-jarigen leeftijd te voorschijn. Ze zijn eerst vrij scherp, bijna tweesnijdend, en aan de achtervlakte voorzien van een oroeve. Later verdwijnt die groeve en wordt de vorm door afslijting meer stomp, kegelvormig. Bij zeer oude paarden ziet men dikwijls slechts kleine stompjes, dicht met kalk (tandsteen) bezet. De afslijting der baaktanden geschiedt in hoofdzaak door het mondstuk van het bit.
Van de kiezen zijn de voorste drie (prémo-lairen) bij de geboorte of minstens acht dagen daarna aanwezig als melkkiezen. De eerste twee daarvan worden door blijvende kiezen vervangen op 2'/j-jarigen leeftijd, de laatste op 37,-jarigen leeftijd. De achterste drie (molai-ren) komen dadelijk als blijvende kiezen, worden dus niet voorafgegaan door melkkiezen, en wel als volgt: De vierde kies komt op den leeftijd van 9â12 maanden, de vijfde op den leeftijd van ongeveer 2 jaar, en eindelijk de zesde op 4- a 5-jarigen leeftijd.
26
Het tandvleesch is in zooverre van belang dat het op jeugdigen leeftijd een dik, sponsachtig kussen vormt, dat soms over de wrijfviakte der tanden uitsteekt, met name aan de bovenkaak.
Op ouderen leeftijd wordt de laag dunner en vaster; het trekt zich, zooals men zegt, terug.
Bedriegerijen in den paardenhandel met het oog op den leeftijd zijn de volgende; Om een paard ouder te maken, worden de melktanden uitgetrokken (»g' e b r o k e n«), het schijnt dan of het die tanden reeds wisselt, die bij het gewone verloop nog een half jaar of jaar zouden blijven staan. Men doet dit meest alleen met de hoektanden, met het doel een 3,/2- a 4-jarig paard een jaar ouder te doen schijnen.
Beschouwing der overige tanden kan ons in dezen op den goeden weg helpen.
Om een paard jonger te maken, wordt de échancrure, zoo die aanwezig is, afgevijld; ook heeft men wel nieuwe kroonholten in de tanden geboord en deze met zwavelzuur zwart gekleurd ; de vorm van de wrijfviakte, alsmede het ontbreken van het harde binnenglazuur, doen ons dit bedrog licht ontdekken.
27
Aanhangsel. Enkele termen, op den leeftijd betrekking hebbende, mogen ten slotte nog een plaatsvinden. Eenjarige paarden noemt men in het noorden van ons land enters, tweejarige iwenters. Vijfjarige paarden noemt men vol jarig, aftands, gelijktands, uitgewisseld. (Duitsch: abgezahnt.)
Achtjarige paarden noemt men ook wel aftands, terwijl men dikwijls zegt van paarden boven de acht jaar, dat zij »Iinn doopceel kïü ij /« zijn. (Fransch ; déinarqnéA
Uitgave van ERVEN B. VAN DER KAMP te Groningen:
Hanildiiig voor PaarfcÃlkij,
ten dienste van den
Hederlandschen Landbouwer-Paardenfokker,
samengesteld door
G. D. VAN DER WEG,
in leven Inspecteur van het Paar den-Stamboek voor de 3 Noordelijke Provinciën,
uit de op een prijsvraag ingekomen drie bekroonde antwoorden van de heeren E. A. L. Quadekker te Haarlem, A. van Leeuwen te Leiderdorp en M. W. van Bijlevelt te Rilland-Bath; Roiaal 8° formaat, met 70 figuren en afbeeldingen in den tekst en 1 titelplaat.
Prijs /1.25, franco per post Æ1.35. Voor leden van landbouw-maatschappijen of vereeni-ging ter bevordering der paardenfokkerij of verbetering van het paardenras enz. op aanvrage door den secretaris of den penningmeester Æ0.80, franco per post /0.90.