4^
6°
5
Av - -
h: livcrk ^y:üTc^
K A P P O R T
(-
^ a v*Ly .i-.rt-. -â¢
; ^'.^f .A
\~v:
\
V: ## MÃ J
IN ZAKE DE OPRICHTING VAN EEN ABATTOIR
'
I /-w / V.
t /- ^ .'iHCtij ÃS'Q-* 'â¢; I \ ..'
TE
j
LEIDEN
BOEKDRUKKERIJ VAN P. W. M. TRAP, TE LEIDEN.
f
VAK
D. A. DE JONG Jzn.,
INSPECTEUR DEK VEE- EN VLEESCHKEÃR1NG.
B IJ L A G E N.
I. a. Gesetz, betreffend die En'ichtung öffentlicher, ausschliesslich zu benutzender Schlachthiuiser. Vom 18. Marz 1868.
b. Gesetz zur Abanderung und Ãrganzung des Gesetzes vom 18. Marz 1868, betreffend die Errichtung öffentlicher, ausschliesslich zu benutzender Schlachthauser. Vom 9. Marz 1881.
II. Tabel van slachtgelden aan verschillende abattoirs, met opmerkingen.
III. Tabel aangevende het aantal dieren, te Leiden geslacht in 1894, 1895, 1896 en de eerste helft van 1897.
IV. a. Tabel, aangevende de maxima der op één dag ter slachting aangegeven dieren in 1894, 1895, 1890
en de eerste helft van 1897.
b. Tabel aangevende het maximum aantal slachtingen per dag in de eerste helft van 1897.
V. Tabel aangevende het maximum aantal dieren in verschillende maanden op de stallen der slagers binnen Leiden aangetroffen, waarnaar de grootte der veestallen voor een abattoir kan worden vastgesteld.
VI. Tabel aangevende het aantal volwassen runderen in de stallen der slagers binnen Leiden aangetroffen
op verschillende dagen in October, November en December 1895 en de eerste maanden van 1897.
VII. Tabel aangevende het aantal vette kalveren in de stallen.
VIII. Tabel aangevende het aantal varkens in de stallen.
IX. Tabel aangevende het aantal paarden in de stallen.
X. Situatieschets van een abattoir met koelhuis te Leiden.
XI. Situatieschets van een abattoir zonder koelhuis te Leiden.
^r,-
/
'/-J
/ 7 7
-v-r-^x
f
, I)
\\y£i^ .gt;/
V
RAPPORT
OMTRENT DE STICHTING VAN EEN ABATTOIR TE LEIDEN,
|
I. Over abattoirs in het algemeen. Het groote nut der openbare slachthuizen staat vast. Indien het ooit mogelijl: is geweest de wenschelijkheid der oprichting op goede gronden te bestrijden, dan behoort die mogelijkheid thans tot het quot;verleden. Alle argumenten, welke tegen deze uit een hygiënisch oogpunt zoo hoog te schatten instellingen mochten worden aangevoerd, moeten vrij wel waardeloos worden geacht met het oog op het feit, dat steeds meer en meer tot de stichting wordt besloten. Er behoort werkelijk moed toe zich als een tegenstander van abattoirs te doen kennen. Men bezit op het gebied van den slachthuisbouw een schat van ervaring, welke steeds een bevestiging van de vermeende voordeelen, een logenstraffing van de beweerde nadeelen doet kennen; geen wonder derhalve, dat het aantal openbare slachthuizen sterk toeneemt. Nederland bezit die ervaring nog niet, daar slechts Rotterdam en Amsterdam openbare slachthuizen, zooals hier worden bedoeld, bezitten. Maar dat de elders opgedane ervaringen ook hier de aandacht hebben getrokken, bewijzen de aanhangige plannen te Nijmegen, Maastricht, Breda en andere plaatsen, bewijzen de te Roermond, Groningen en Utrecht genomen raadsbesluiten, waardoor de stichting van een abattoir in deze steden werkelijkheid zal worden. Voorloopig is het dus het buitenland, dat ons de bewijzen voor het nut van den slachthuisbouw levert; de ervaring in ons land opgedaan is, hoe gunstig de te Rotterdam en te Amsterdam verkregen resultaten ook mogen zijn, te gering. Het zal dan ook wel het âonbekendequot; zijn, dat voor ons land met betrekking tot deze aangelegenheid het âonbemindequot; heeft uitgelokt, daarbij waarschijnlijk geholpen door het vooroordeel, dat de personen, welke het slagersbedrijf uitoefenen, uit den aard der zaak in den regel zullen hebben tegen instellingen, die de contróle op hun bedrijf verhoogen. Evenwel, het streven om toestanden, welke uit een hygiënisch oogpunt te wenschen overlaten, te verbeteren, heeft den sluier der onbekendheid een weinig opgelicht, en de bespreking van het nut der abattoirs is thans in Nederland aan de orde van den dag. Zeer zeker is dit voor een groot deel toe te schrijven aan het licht, dat het Hoofdbestuur der Maatschappij tot bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland door zijn in 4893 uitgebracht en in 1894 in druk verschenen rapport, aangaande âde keuring van Vee en Vleesch in Nederlandquot;, heeft ontstoken. Na dien tijd heeft de vleeschkeuring en daarnaast de abattoir-quaestie in vele plaatsen van ons land op ernstige wijze de aandacht getrokken; men kan veilig aannemen, dat de te stichten abattoirs te Groningen en te Utrecht voor een groot deel aan dat rapport hun ontstaan zullen danken. - f- t |
Dat de stichting van abattoirs in ons land zoo lang op zich doet wachten, mag zeker niet aan den Wetgever worden geweten. Van algemeene bekendheid is toch, dat de Hinderwet van 2 Juni 1875 (Stbl. N0. 95) de stichting van openbare slachthuizen door de gemeenten mogelijk heeft gemaakt, in dien zin, dat daarbij aan de gemeenten de bevoegdheid werd toegekend bij plaatselijke verordening, in het belang der openbare orde, veiligheid of gezondheid, een bepaalde plaats aan te wijzen voor het oprichten, hebben of gebruiken van slachterijen, vilderijen, penserijen enz., met verbod om elders in de gemeente het bedrijf of de bedrijven uit te oefenen, waartoe de oprichting of het gebruik van die inrichtingen vereischt wordt. Daardoor kan dus het hebben van slachterijen op andere plaatsen dan op het terrein van het abattoir verboden worden, zonder welk verbod een slachthuis al heel weinig nut zou stichten. Evenmin kan als reden voor het uitblijven der abattoirs in ons land worden aangevoerd, dat ze tot de nieuwigheden van de aderlaatste jaren zouden behooren. Slachthuizen zijn zeer oude instellingen; een klein stukje geschiedenis mag dit bewijzen. Reeds in de oudheid werd het vleesch, met het oog op de gevaren, welke door het gebruik daarvan de menschelijke gezondheid konden bedreigen, onder contróle gesteld. Bij de Israëlieten was het slachten aan verschillende beperkende bepalingen onderworpen. De Romeinen kenden de abattoirs reeds ten tijde van de Consulaten. Men had toen te Rome twee slagersvereenigingen; de een slachtte uitsluitend varkens, de ander alleen runderen; beide bezaten hun slachthuizen. Verder was er toen te Rome een soort van vleeschpolitie, waardoor het verkeer met en den handel in vleesch aan beperkende bepalingen waren onderworpen. Later slachtte men in het Romeinsche rijk in de zoogen. macellen. In de middeleeuwen vindt men zoowel in Duitschland als in Frankrijk zeer vroeg aanduidingen omtrent slachthuizen ; toen het gildewezen, vooral in Duitschland, in bloei geraakte, ontstonden in vele plaatsen abattoirs, welke gewoonlijk buiten de stad aan een rivier waren gelegen. Meestal werden ze door particulier initiatief opgericht. Later voegde zich bij het voordeel, voor de gilden verbonden aan het bezit van een gemeenschappelijke slachtplaats, een bevorderend moment van overheidswege, nl. de meer gemakkelijke wijze, waarop bij het bestaan van slachthuizen, de slachtbelastingen konden worden geïnd. Men neemt dan ook vrij algemeen aan, dat gedurende het verder verloop der middeleeuwen bijna iedere stad in Duitschland een openbaar slachthuis bezat. |
v
|
Later zijn deze nuttige inrichtingen, welke toen reeds het groote voordeel aanboden, dat de vleeschhandel zoo goed te bewaken was, grootendeels verdwenen, door de mindere zelfstandigheid, die de steden verkregen; voor een ander deel schijnen ze in den dertigjarigen oorlog te zijn gesloopt; slechts in enkele [daatsen vindt men nog overblijfselen van deze oude abattoirs. De oudere slachtplaatsen in andere landen ontstonden mede veelal als een gevolg van het gildewezen. In de i3de, 14de, 15de en IGde eeuwen vond men in verschillende steden van Frankrijk openbare slachthuizen. In Engeland werd in 1570 door Hendrik VIII het slachten binnen de muren van steden verboden; in Frankrijk verscheen onder Karei IX in 1578 een besluit, waardoor de slachtplaatsen bniten de steden en in de nabijheid der rivieren werden verwezen. Door de Wet van 16;'i4 Augustus 1790 werd in Frankrijk het toezicht op de slachtplaatsen aan de politie opgedragen. De grootste stoot tot de oprichting van abattoirs werd daarna gegeven door Napoleon. In 1807 werd door hem, omdat een geschil tusschen de stad Parijs en de slagers over het bouwen van slachtplaatsen niet wilde eindigen, bevolen , dat in Parijs openbare slachthuizen zouden worden opgericht. Op den lOden Februari 1810 volgde toen een besluit, waarbij van alle groote en middelmatig groote steden in Frankrijk werd verlangd, dat zij openbare slachthuizen zouden bouwen, en den 15lt;len October 1810 werd het bouwen van slachthuizen in de onmiddellijke nabijheid van menschelijke woningen verboden. In Parijs ontstonden op die wijze vijf abattoirs, welke langen tijd als monsters voor andere steden golden (en waarvoor in 1867 het groote abattoir La Villetle in de plaats kwam). Vele grootere en kleinere plaatsen in Frankrijk volgden en evenzoo in België, Zwitserland en Italië, zoodat ook in de laatstgenoemde landen de openbare slachthuizen reeds sedert geruimen tijd tot de gewone zaken behooren. Minder is dit het geval in Engeland; daar is door het feit, dat de wet het bevelen tot het slachten in het abattoir en tot het sluiten dei' private slachterijen belet, de slacht-huisbouw tot heden weinig beoefend. Schotland verkeert in dit opzicht in beter conditie, damde Wet van 1862 den gemeenten het recht geeft een openbaar slachthuis met âslachtdwangquot; op te richten, en het verder gebruik der private slachterijen te verbieden. Ook Duitschland is geruimen tijd bij de Romaansche landen ten achter gebleven. Na 1858, toen in Duitschland het recht op het hebben van vilderijen werd afgeschaft, waardoor de controle op het voor de menschelijke gezondheid gevaarlijke vleesch minder werd, begon de behoefte aan openbare slachthuizen, waarin het vleeschverkeer te controleeren viel, zich meer en meer te doen gevoelen. En in 1868 leidde dit in Pruisen tot een wet, waardoor de gemeenten de bevoegdheid verkregen de slagers te dwingen in het openbaar slachthuis te slachten, en tevens, om al het vleesch daar te doen onderzoeken, Deze wet had tevens het groote voordeel , dat zij den gemeenten het middel aan de hand deed om te voorkomen, dat de abattoirs financieele lastposten werden. Moge dus Duitschland in den nieuweren tijd den abattoir-bouw later ter hand genomen hebben dan Frankrijk, de schade is zeker ingehaald geworden door de vorderingen van de laatste jaren. In Duitschland verrijzen allerwege abattoirs als inrichtingen, welke in hooge mate voldoen aan de eischen, die de hygiëne op dat gebied stelt. Niet alleen groote, maar zelfs zeer kleine genieenten stichten ter wille van de gezondheid der ingezetenen slachthuizen, welke dooide uitmuntende inrichting dikwijls vrij kostbaar zijn. Ondanks protesten van slagers, welke daardoor de uitoefening van hun bedrijf onder de noodzakelijke controle zien gesteld, worden deze instellingen door het vleeschgebruikend publiek meer en meer niet slechts gewenscht, maar onmisbaar geacht. Het is juist de sterke toeneming van het aantal abattoirs in Pruisen, waar zij zoowel in groote als kleine plaatsen verrijzen, zonder de nadeelen te veroorzaken, die door tegenstanders worden genoemd, welke een schitterend bewijs aflegt voor het nut en de wenschelijkbeid van deze instellingen. |
Ik wil thans trachten aan te geven, waarom abattoirs wen-schelijk zijn en feitelijk onmisbaar, om daarna te betoogen, waarom de daartegen aangevoerde bezwaren geen beletsel voor de oprichting kunnen en mogen vormen. Te meer is dit noodig, omdat het onderwerp bij ons te lande relatief onbekend is. Het is dus niet alleen raadzaam de voordeden te bespreken, maar ook de bezwaren te vermelden, van welken aard deze ook mogen zijn en van welken kant zij ook mogen komen. En dan zal alras blijken, dat vele der ingebrachte bezwaren in werkelijkheid niet blijken te bestaan, maar weder een uitvloeisel zijn van mindere bekendheid met de inrichting en de werking der openbare slachthuizen, waaromtrent een goed inzicht in Nederland, dat slechts twee goede abattoirs bezit, niet te verkrijgen is. Abattoirs zijn onmisbaar uit een hygiënisch oogpunt. De hygiënische voordeelen zijn zoo groot, dat daardoor alleen de stichting van een abattoir voldoende te motiveeren is. Daarnaast komen er echter van anderen aard, die niet verwaarloosd mogen worden. Het slachtersbedrijf geeft aanleiding tot verschillende toestanden, die uit een hygiënisch oogpunt te veroordeelen zijn. Men behoeft zich slechts voor den geest te halen op welke wijze en in welke lokalen dit bedrijf wordt uitgeoefend, om de bedoelde misstanden onmiddellijk te begrijpen. Door het slachten en het daarmede verbonden stallen van vee ontstaan de atmosfeer bedervende dampen en gassen, ontstaan water- en bodemverontreinigende producten. En nu moge het toezicht op dit bedrijf en op de daarbij gebruikte lokalen meer of minder streng zijn, het zal wel geen betoog behoeven, dat de slachtlolcalen, verspreid liggende in verschillende deelen der stad, moeten worden aangemerkt als zooveel broeinesten van hygiënisch kwaad. De atmosfeer wordt verontreinigd door de onaangename gassen en dampen, afkomstig van de te slachten dieren zelf, uit de stalruimten, van de faecaliën, van het gemakkelijk in ontbinding overgaande bloed, van de darmcontenta, enz. Daar waar de afwatering eenigermate voldoende is en de reiniging niet vergeten wordt, stroomen slachtwater, bloed enz., door het afvoerend buizenstelsel naar de uitmonding der rioleering en geven in uitgebreide mate aanleiding tot waterbederf in plaatsen waar men geen geheel afgesloten rioolstelsel heeft. ^ En eindelijk, een bezwaar dat vooral niet gering geschat mag worden, in de particuliere slachtlolcalen is de vloer en de afwatering in den regel van dien aard, dat de af te voeren stoffen niet geheel worden verwijderd, maar voor een groot gedeelte in den bodem terecht komen; deze bodemver-onlreiniging is een der ergste misstanden, welke het gevolg-zijn van verschillende, verspreid liggende, ondoelmatige slachtlokalen. Dat de slachterijen met het oog op de genoemde eigenschappen , door het publiek geschuwd worden, spreekt van zelf. De nabijheid er van wordt gemeden; als een ander gevolg ziet men, dat z,e veelal verrijzen in de minder aanzienlijke deelen der stad, waar ze begrijpelijkerwijze, door de weinige aandacht, die zij trekken, in qualiteit niet vooruitgaan. De particuliere slachtplaatsen zijn dus inrichtingen die met liet oog op de gezondheid der ingezetetien te duchten zijn; geen wonder dan ook, dat zij in de Hinderwet werden opgenomen onder de inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken, en welke zonder vergunning van het gemeente-bestuur niet mogen worden opgericht. Dat deze maatregel echter niet afdoende is blijkt uit den toestand, waarin de particuliere slachtplaatsen in de meeste plaatsen van ons land verkeeren. Deze private slachterijen dienen in den regel ook tot bewaarplaatsen van vleesch tot aan het oogenblik, waarop het naar de winkels verhuist. Dat die lokalen, met hun onzuivere atmosfeer, daartoe allerminst geschikt zijn, spreekt van zelf. |
') Zooals b. v. te Leiden het geval is.
|
te meer omdat vleesch een voedingsmiddel is, dat zeer spoedig onaangename odeuren uit de omgeving tot zich neemt en daardoor ongeschikt wordt voor menschelijk gebruik. Eveneens wordt het tocli reeds zoo spoedig intredend bederf verhaast. De ventilatie, welke aan het atmosfeerbederf zou kunnen te gemoet komen, is in den regel onvoldoende. De temperatuur is in het warme jaargetijde bijna regelmatig te hoog. Dikwijls vindt men, vooral bij varkensslagers, in de slachtplaatsen nog inrichtingen voor het koken en het rooken van vleesch; men kan begrijpen, dat het vleesch in zulke lokalen al een zeer slechte verblijfplaats heeft. In den zomer heerscht er een ontzettende warmte. In vele gevallen vindt men in of bij de slachthuizen een gelegenheid tot stalling van vee; deze lokalen, welke op zich zelf reeds medewerken aan de verontreiniging van bodem, water en lucht in het algemeen, vermengen hun geuren met die van het slachtlokaal, maken de atmosfeer en de temperatuur niet aangenamer, maken integendeel de verblijfplaats van het zoo spoedig aan bederf onderhevige vleesch nog slechter. De genoemde nadeelen van de private slachterijen zijn zoo duidelijk, dat het mij overbodig voorkomt ze verder te bespreken. In onzen tijd, waar men er op uit is de gezondheid benadeelende toestanden zooveel mogelijk te doen verdwijnen, getrouw aan het beginsel, dat het beter is ziekten te voorkomen dan ziekten te genezen, dient de aandacht gevestigd te zijn op de gevaren, dreigende uit de slachterijen, zooals die tegenwoordig zijn ingericht. Gelukkig worden deze gevaren meer en meer erkend. Heft een openbaar slachthuis, waarin dus alle slagers binnen een gemeente verplicht zijn te slachten, deze gevaren op? Hierop kan volmondig met ja geantwoord worden. Daarin toch kan het slachten plaats vinden met de grootste zindelijkheid; de stoffen, die schadelijke gassen en dampen verspreiden, worden met de grootste snelheid verwijderd en gebracht ter plaatse, waar zij geen nadeel doen. De slacht-hallen zijn ruim, zindelijk en luchtig; de atmosfeer wordt zuiver gehouden. De reiniging kan goed geschieden; de vloeren en de afwatering zijn van dien aard, dat de af te voeren stoffen volkomen worden verwijderd; de mest en ander afval wordt met bekwamen spoed getransporteerd naar een afzonderlijk daarvoor bestemd lokaal; het wasschen der darmen en pensen geschiedt eveneens in een aparte doelmatige ruimte; het atmosfeerbederf wordt tot een minimum gereduceerd en in elk geval zoodanig beperkt, dat noch de omgeving van het abattoir, noch het te bewaren vleesch de nadeelen ondervindt. En wat het waterbederf aangaat, door de toepassing van de nieuwste filtratie- en zuiveringspro-cédé's, is waterverontreiniging buitengesloten. Wat een enorm voordeel het is, zoowel voor de slagers als voor de consumenten, het slachten van vee en het bewaren van vleesch te doen geschieden in ruime, luchtige lokalen, waar de temperatuur in de warmste tijden betrekkelijk laag is en waar â last not least â de reinheid zorgvuldig betracht kan worden, behoeft geen nader betoog. De helderheid en frischheid, de aangename atmosfeer, de doelmatige gelegenheid tot bewaring van vleesch, de prac-tische inrichtingen voor het verwijderen en verwerken der stank veroorzakende slachtafvallen, hebben gedurende de door den gemeente-architect en mij ondernomen reis op ons steeds een diepen indruk gemaakt ; de tegenstelling tusschen de slachtplaatsen, zooals men die hier te lande kent en de door ons bezochte Duitsche abattoirs is dan ook schreeuwend groot. Een tweede voornaam voordeel van de openbare slachthuizen bestaat daarin, dat ze de toepassing eener rationeele vleeschkeuriny mogelijk maken. |
Ik meen het overbodig thans over het nut van een goede vleeschkeuring uit te weiden; te minder is dit noodig, wijl de gemeente Leiden, blijkens de inrichting van de bestaande Vee- en Vleeschkeuring, daarvan overtuigd is. Wel moet ik er echter op wijzen, dat volkomenheid in dezen tak van dienst alleen daar te bereiken is, waar het vee geslacht wordt in een openbaar slachthuis en waar het onderzoek der slachtdieren onmiddellijk vóór en na de slachting kan geschieden. Hoe goed een vleeschkeuring ook ingericht moge zijn, zij zal steeds in hooge mate verbeterd worden, indien zij, wat de keuring van het in de gemeente geslachte vee betreft, in een openbaar slachthuis kan geschieden. Ik zal op dit punt nader terugkomen, wanneer ik de wenschelijk-heid van een openbaar slachthuis te Leiden bespreek. De twee besproken zaken, het nadeel teweeggebracht door slachterijen in verschillende deelen van een stad en de onmogelijkheid om een volmaakt goede vleeschkeuring te krijgen zonder abattoir, zijn de hoofdmotieven voor de oprichting van openbare slachthuizen. Ze zijn dus uitsluitend van hygiënischer) aard, maar ze zijn gewichtig genoeg om de wenschelijkheid der oprichting te bepleiten. Voor nadere bijzonderheden, vooral wat het nut eener goede vleeschkeuring betreft, meen ik te mogen verwijzen naar liet vroeger genoemde rapport, uitgebracht door het Hoofdbestuur der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde, dat onder de middelen ter verbetering van den toestand ook de oprichting van abattoirs bespreekt. Dit rapport heeft voor Leiden nog een bijzonder belang, omdat het onomwonden, maar, blijkens de door mij gedurende de uitoefening van mijn functie opgedane ervaring, zonder overdrijving aangeeft, hoe de toestand te Leiden was vóór den eersten October 1893. Naast de genoemde hoofdmotieven voor de wenschelijkheid der oprichting van abattoirs zijn nog een aantal andere te voegen. De ervaring in de buitenlandsche abattoirs opgedaan heeft geleerd, dat door de oprichting van openbare slachthuizen, de qualiteit van het door de slagers geleverde vleesch verbetert, eenvoudig door het feit, dat zij in elkanders nabijheid slachten en door onderlingen naijver trachten elkander, wat de qualiteit der te slachten dieren betreft, te overtreffen. De kleinere slagers kunnen, door de betere hulpmiddelen, welke het abattoir aanbiedt en door de mindere kosten, die zij hebben, beter slachten en beter concurreeren. Het volkomen onschadelijk maken van afgekeurd vleesch, wat zonder een slachthuis steeds groote moeilijkheden oplevert, gaat bij het bezit daarvan zeer gemakkelijk. Inrichtingen, waardoor vleesch, dat als zoodanig gevaarlijk is voor de menschelijke gezondheid, door een bepaalde toebereiding nog voor menschelijk gebruik geschikt te maken is, zijn mede aan een abattoir gemakkelijk te exploiteeren, terwijl zij daarbuiten, wat de installatie betreft, allerlei bezwaren opleveren. Door de oprichting van abattoirs, waaraan veestallen verbonden zijn, verdwijnen de in de steden verspreid aanwezige stallen voor slachtvee, welke, zooals gezegd, medewerken tot atmosfeerbederf, bodem- en waterverontreiniging. Het veelvuldig drijven van slachtvee dooi' de steden wordt verminderd. Is het slachtvee aangekocht, dan wordt het naar het abattoir gebracht, tenminste dat is de regel, en verlaat het niet meer. In elk geval wordt het drijven door de centrale deelen der steden vermeden. Mishandeling der slachtdieren wordt door openbare slachthuizen tot een minimum gereduceerd. De vermindering der beweging, welke ik zooeven noemde, is in dit opzicht reeds een weldaad. Maar vooral werkt een openbaar slachthuis weldadig, omdat door doelmatig ingerichte slachttoestellen aan de martelingen, waaraan de slachtdieren zoo dikwijls blootstaan, op afdoende wijze een einde kan worden gemaakt. Vooral voor Nederland, waar bij het slachten dikwijls op zeer ruwe wijze tewerk gegaan wordt, is dit geen onbelangrijk voordeel. Uitmuntende diensten bewijzen abattoirs bij het bestaan van besmettelijke veeziekten; daar bestaat gelegenheid tot isoleering der aangetaste dieren en tot het slachten in daar-voor aangewezen ruimten. Ik meen het hierbij te mogen laten. Het komt mij echter, in verband met het voorgaande, voor, dat Rollinger, de bekende hoogleeraar te München, niet te veel zeide, toen hij de volgende, ook door Schwarz1) geciteerde meening uitsprak: |
') Dr. O. Schwarz; Ban, Einrichtung and Betrieb von öffentlichen Schlaclithofen, Berlin 18Ã4.
|
âMan darf wohl, ohne ungerecht zu sein, den Satz auf-stellen, dass jede Stadtverwaltung, die ein Schlachthaus nach den örtlichen Verhaltnissen errichten könnte, sich heutzutage eines schweren hyg'ienischen Versaumnisses schuldig macht, wenn ^fie dies unterlasst.quot; Thans de nadeelen der abattoirs of wel dat, wat tegen de wenschelijkheid der oprichting wordt aangevoerd. In de eerste plaats dient dan besproken de vraag, welke van het grootste belang is en die bij een onvoldoend antwoord werkelijk een bezwaar tegen de oprichting van abattoirs zou vormen, n. 1. deze: Hoe staat het met de rentabiliteit van een abattoir? Al is deze inrichting uit een hygiënisch oogpunt nog zoo gewenscht, vormen de oprichtings- en de jaarlijks wederkeerende kosten geen onoverkomelijke financieele bezwaren voor de gemeenten ? Kan zij geen blijvende financieele lastpost voor een gemeente zijn? Deze vraag eischt een ernstig antwoord, vooral in het onderhavige geval. Ieder weet toch, dat de vrees voor te groote financieele offers, door de gemeenten te brengen, de oprichting der abattoirs in ons land tegenhoudt. Evenzeer is bekend, dat waar de oprichting van een abattoir ter sprake komt, tal van meer of minder competente beoordeelaars, in vele gevallen geïnteresseerde tegenstanders reeds bij voorbaat, zonder nader onderzoek, op absoluten toon verzekeren, dat een abattoir te veel zal kosten, dat het een financieele ruïne voor de gemeente zal worden, en verder beweren, dat het niet aangaat de belastingbetalenden nog meer te belasten, en wat dies meer zij. Wat is hiervan aan? Is op de gestelde vraag in algemee-nen zin een antwoord te geven? Naar het mij voorkomt, wel! Een openbaar slachthuis behoeft aan een gemeente geen geld te kosten, behoeft geen financieele lastpost te zijn, behoeft niet op de belasting betalende ingezetenen te drukken. Waar deze gevaren te voorzien zijn, moet de oprichting achterwege blijven, waar ze zich doen gevoelen, daar heeft men vóór de oprichting niet goed overwogen. Met het oog op de oprichting van abattoirs en met betrekking tot de financieele questie daarbij, geldt een algemeene regel, n. 1. deze, dat de jaarlijksche uitgaven, veroorzaakt door het abattoir, moeten worden gedekt door de jaarlijksche inkomsten. Deze regel, die de financieele gedachtengang bij eiken slachthuisbouw moet beheerschen, is van het grootste gewicht. Hij maakt de oprichting van openbare abattoirs in nagenoeg alle gemeenten mogelijk; hij maakt elk financieel bezwaar tegen de oprichting machteloos. Is deze regel aan de ervaring ontleend? En geeft hij geen aanleiding tot onbillijke toestanden? Het antwoord op deze vragen is gemakkelijk te geven. In het geschiedkundig overzicht deelde ik reeds mede, dat in Pruisen de oprichting van abattoirs in 1868 bij afzonderlijke wet werd geregeld, terwijl daarin tevens bepalingen werden opgenomen, welke den gemeenten het middel aan de hand deden om te voorkomen, dat de gemeente-fmanciën door de abattoirs gedrukt werden. In vele andere Duitsche staten zijn soortgelijke wetten, meestal navolgingen van de Pruisische, tot stand gekomen. In de Zuid-Duitsche staten Beieren, Wurtemberg en Baden bestaan dergelijke wetten niet; daar wordt de oprichting van abattoirs en de verplichting tot slachten daarin, door de gemeenten bij plaatselijke verordening geregeld. De Pruisische wet is met het oog op de beantwoording van de bovengestelde vragen van het grootste belang. Vooral in Pruisen toch heeft de slachthuisbouw in de laatste jaren een groote vlucht genomen. Al de daar in den laatsten tijd gestichte inrichtingen zijn gebaseerd op de bovenbedoelde wet, waardoor, onder meer, ook de financieele quaestie werd geregeld. Gaf de toepassing van die wet in de practijk aanleiding tot grove onbillijkheden, men kan er van overtuigd zijn, dat deze reeds aanstonds een beletsel voor de oprichting van abattoirs zouden hebben gevormd. Het feit derhalve, dat openbare slachthuizen in Pruisen allerwege verrijzen, bewijst dat de genoemde wet geen aanleiding geeft tot onbillijke toestanden. Ik moet hierbij nog voegen, dat wij gedurende onze reis ter onderzoek van eenige naburige Duitsche abattoirs, nimmer deze wet als een onbillijke hebben hooren betitelen; wel daarentegen werd zij hoog geprezen, juist omdat elk bezwaar tegen de oprichting van abattoirs uit een financieel oogpunt, door haar voor goed werd weggenomen. |
De bedoelde wet dateert van den 18den Maart 4868 en werd gewijzigd den 9den Maart 1881. In haar geheel is zij bij dit rapport gevoegd als bijlage I. Ik citeer hier alleen de paragraaf, die thans van belang is; deze luidt als volgt: § 5. âDie Gemeinde ist befugt, für die Benutzung der âAnstalt (d. i. het abattoir), sowie für die Untersuchung des âSchlachtviehes, beziehungsweise des Fleisches, Gebühren zu âerheben. Der Gebührentarif wird durch Gemeinde-beschluss âauf mindestens einjahrige Dauer festgesetzt und zur öffent-âlichen Kenntniss gebracht. âDie Höhe der Tarifsatze ist so zu bemessen, dass: â1, die für die Untersuchung zu entrichfenden Gebühren, die âKosten dieser Untersuchung, â2. die Gebühren für die Schlachthausbenutzung den zur âUnterhaltung der Anlagen, für die Betriebskosten, sowie zur â Verzinsung und allmdhlichen Amortisation des Anlagekapi-âtals und der etwa gezahlten Enlschddigungssumme er for der-âlichen Betrag, nicht übersteigen. âEin höherer Zinsfuss als 5% jahrlich und eine höhere âAmortisationsquote als 1 o/0 nebst den jahrlich ersparten âZinsen darf hierbei nicht berechnet werden.quot; De paragraaf behoeft, naar het mij voorkomt, weinig toelichting. De Pruisische wet geeft aan het gemeentebestuur het recht de slacht- en keurloonen zoodanig te stellen, dat alle uitgaven daardoor worden gedekt en tevens 5% van het oprichtingskapitaal (waaronder eventueel betaalde schadevergoeding aan bezitters van private slachterijen), benevens 1 % voor -amortisatie wordt verkregen. De verschillende Pruisische gemeenten, waarin zich openbare slachthuizen bevinden, passen deze bepaling regelmatig toe en financieele nadeelen der abattoirs zijn er onbekend. Tegelijkertijd waakt de wet tegen te groote voordeelen, welke een stad door middel van haar abattoir zou kunnen behalen. In den laatsten tijd is hierin echter eenige verandering gekomen. In § 8 van het nieuwe Pruisische âKommunal-Steuergesetz (Gemeinde-Abgabengesetz)quot; van 1893 zijn de bepalingen van § 5 van het âSchlachthausgesetzquot; gewijzigd in dier voege, dat in plaats van een rente van ten hoogste 504 van het stichtingskapitaal, 804 door de gemeenten geheven mag worden, terwijl zij dan bevoegd zijn de winst op te steken. Dit geldt niet voor gemeenten, welke nog een afzonderlijke belasting op het geslacht heffen. Door deze wijziging is dus den gemeenten het middel aan de hand gedaan om uit abattoirs een belangrijk voordeel te trekken. Op grond van de genoemde wet worden dus bij alle Pruisische abattoirs de uitgaven door de inkomsten gedekt. De door mij opgestelde regel is dus wel degelijk aan de practijk ontleend. Hij is als beginsel neergelegd in een wet, die uitsluitend met het oog op de oprichting van slachthuizen werd uitgevaardigd. Aan die wet dankt Pruisen zijn hooge vlucht op het gebied van den slachthuisbouw. Ik meen derhalve , dat de genoemde regel voor ons land gerust overgenomen mag worden. Deze regel vindt echter ook bij ons te lande steun in de Wet. De gemeenten kunnen zich door het heffen van bepaalde belastingen, de noodige inkomsten van een abattoir verzekeren. Artikel 238 der Gemeentewet luidt: âVoor plaatselijke belastingen worden gehouden, of daar-âmede, wat de toepassing van artt. 232â237 betreft, gelijkgesteld de in naam der gemeente gevorderde weg-, straat-, âbrug-, kaai-, haven-, kraan-, sluis-, dok-, boom- en veergelden, wik-, weeg-, meet- en keurloonen, gelden voor âbanken of staanplaatsen in hallen, op markten en dergelijke âopenbare plaatsen, begrafenisrechten en andere gelden voor âhet gebruik of genot van openbare gemeentewerken, bezit-âtingen of inrichtingen, en dat van door of van wege het âgemeentebestuur verstrekte diensten.quot; |
|
In artikel 240, zooals het is gewijzigd bij de Wet van den 24sten Mei 1897 (Stbi. N0. 156) leest men: âTot dekking der plaatselijke uitgaven kunnen de ge-âmeentebesturen de volgende belastingen heffen: âct. enz. ,Æ. de rechten, loonen en anderegelden, bedoeld in art. 238; y,g. enz.quot; Hierdoor is dus den gemeenten het recht gegeven, om, tot dekking der uitgaven aan een abattoir verbonden, gelden te heffen voor het gebruik maken van die inrichting. Dat hierbij van willekeurige heffing geen sprake kan zijn blijkt uit artikel 254 der Gemeentewet, dat, eveneens gewijzigd bij de Wet van den 24sten Mei 1897 (Stbl. 156) thans luidt: âRechten en loonen en andere gelden, in artikel 238 âbedoeld, ter zake van het gebruik of genot van openbare âwerken en inrichtingen, âdie strekken ten dienste van het verkeer, inrichtingen âen werken enkel ten dienste van het verkeer binnen de âgemeente daaronder niet begrepen, âwaarvan het gebruik bij de wet of verordening is voorschreven of, âwaarvan de oprichting en in stand houding door de wet âaan de gemeente is opgelegd, âworden tot geen hooger bedrag goedgekeurd dan vereischt âwordt tot dekking van de ten laste der gemeente komende âkosten van die werken of inrichtingen, of van werken of âinrichtingen, welke in rechtstreeksch verband daarmede âaangelegd en onderhouden zijn of worden en waarvoor âgeene afzonderlijke heffing geschiedt.quot; âPoortgelden, enz.quot; Hierdoor wordt derhalve belet, dat de heffing zoodanig hoog wordt opgevoerd, dat de betalers meer zouden moeten opbrengen dan noodig is om de ten laste der gemeente komende kosten te dekken. Al is dus de oprichting van abattoirs en het financieel slagen daarvan niet bij afzonderlijke abattoirwet geregeld, gelijk dit in Pruisen en andere staten het geval is, toch ontbreken bij ons de noodige wettelijke bepalingen geenszins. Wij vinden ze deels in de Hinderwet, deels in de Gemeentewet. De van de laatst bedoelde wet aangehaalde artikelen geven ook bij ons den gemeenten de middelen van de hand om van de abattoirs geen schade te lijden, gelijk dan ook te Rotterdam en te Amsterdam van deze middelen gebruik gemaakt wordt, terwijl Roermond, Groningen en Utrecht gebruik er van zullen maken. Met betrekking tot de Vee- en Vleeschkeuring hier ter stede wordt hetzelfde middel van onkostenbestrijding toegepast. De keurloonen voor Vee en Vleesch hebben ten doel de uitgaven aan de Vee- en Vleeschkeuring verbonden, te helpen bestrijden, en zijn als zoodanig zeer billijk te achten. Toch wil ik even stilstaan bij het feit, dat ten onzent het beginsel, om de jaarlijksche uitgaven aan een abattoir verbonden, te dekken door plaatselijke belastingen door de gebruikers te betalen, door sommigen onbillijk ivordt geacht. Ware de zaak bij ons, evenals in Pruisen, geregeld bij een afzonderlijke abattoir-wet, dan geloof ik, dat men van de bedoelde onbillijkheid minder zou hooren dan thans, nu men het genoemde beginsel in de Gemeentewet moet zoeken. Ik meen te mogen beweren, dat de meening van hen, die in dit geval de belasting moeten opbrengen, niet al te zwaar mag wegen, te meer daar zij de aan een abattoir verbonden voordeelen dikwijls verzwijgen. Ik heb reeds medegedeeld, dat wij gedurende onze âabattoirreisquot;, de Pruisische wet nooit als een onbillijke hebben hooren afschilderen, wel als een zegenrijke, waaraan de goed ingerichte abattoirs te danken zijn. En men mag daarbij niet vergeten, dat de heffingen soms zoodanig zijn, dat de gemeenten wel degelijk winst behalen. Het beginsel is, naar het mij voorkomt, billijk. Het slagersbedrijf geeft aanleiding tot velerlei, de gezondheid bedreigende en gevaren opleverende toestanden. Een gemeente kan hieraan op afdoende wijze een einde maken door de oprichting van een openbaar slachthuis. Zij maakt daardoor de uitoefening ongevaarlijk, iets waarvoor de beoefenaars zelf feitelijk te zorgen hebben. Doch zij doet meer. |
Zij geeft den slagers bedrijfslokalen van betere hoedanigheid, dan die, welke zij bezaten. Niets is dus meer billijk, dan dat zij de onkosten dragen. Zelf verbeteren zij den toestand niet; daarom doet de gemeente het voor hen; het is daarom billijk, dat zij voor de kosten worden aangesproken, te meer omdat tegen willekeur, met het oog op te groote heffingen, door de Wet gewaakt wordt. Ik neem bij deze redeneering voor het oogenblik aan, dat werkelijk de slagers geheel de onkosten dragen en ze niet voor een groot deel verhalen op de vleesch verbruikers. In streken, waar abattoirs veelvuldig voorkomen, vindt men het natuurlijk, dat de uitgaven, aan een abattoir verbonden , door de inkomsten worden gedekt. Bij ons zal men dien regel eveneens den natuurlijken toestand moeten vinden of â men zal geen abattoirs moeten bouwen. Ik meen hier in herinnering te moeten brengen, dat de Gemeenteraad van Leiden het besproken beginsel reeds openlijk als juist heeft verklaard. In de Raadszitting van den 8sten November 1894 werd, behalve een wijziging der Verordening op de Vee-en Vleeschkeuring, behandeld een adres der Leidsche Runder- en Var-kensslagersvereeniging, waarin o. m. werd gevraagd afschaffing van de heffing der keurloonen. Door Burgemeester en Wethouders werd naar aanleiding daarvan het volgende aan den Baad medegedeeld (Ingekomen stukken n0. 263): âDe vereeniging wenscht, dat de hef ling van keurloon worde âopgeheven. âZij voert daarvoor twee gronden aan: a. âHet keurloon drukt thans alleen op de slagers, terwijl âdie belasting behoort te worden gedragen door het alge-âmeen, ten wiens behoeve de keuring is ingevoerd; b. âDe heffing is vooral bezwarend voor hen, die kleine âzaken hebben. âNoch het eerste, noch het tweede argument kunnen wij âtoegeven. âHet zijn niet de slagers, die het keurloon betalen, doch âten slotte de consumenten. âDe vleeschprijzen worden geregeld naar de kosten van âproductie en zonder twijfel zullen de slagers bij de vast-âstelling der prijzen rekening houden met hunne algemeene âonkosten, waartoe ook de keurloonen behooren. âDe vleeschprijzen zijn hier ter stede hoog genoeg omdat âvermoeden te wettigen. âBracht men de keurloonen ten laste van de gemeenschap, âdan zou daarin ook betaald worden door de vele belastingschuldigen , voor wien vleesch een exceptioneel voedingsmiddel is, en de omwonenden, die in de gemeentelasten âniet bijdragen, doch evenzeer genieten van het voorrecht âom hier gezond vleesch te krijgen, zouden ook van die âbelasting zijn vrijgesteld. âEvenmin kunnen wij toegeven, dat vee- en vleeschkeuring âalleen is ingevoerd ten behoeve der consumenten. âDe slagers zeiven hebben er groot belang bij om goede âwaar te leveren. âDe goedgezinden zijn zonder officiëele keuring buiten âstaat de deugdelijkheid van het vleesch in alle gevallen te âcontroleeren, de kwaadgezinden worden door de keuring âbelet hun kwade practijken ten nadeele van het publiek âuit te oefenen. âDaarom is het billijk, dat het keurloon ten laste van de âslagers wordt gebracht, die het uit den aard der zaak op âde consumenten verhalen. âTot nadere staving van deze bewering mogen wij er nog âop wijzen, dat in den laatsten tijd algemeen de wensche-âlijkheid wordt betoogd van de oprichting van gemeentelijke âabattoirs. âIn het belang der volksgezondheid worden de slagers âverplicht hun vee daar te slachten, terwijl de keuring daar âeveneens geschiedt. âDe oprichting van een abattoir gaat met belangrijke âkosten gepaard en toch is dit het eenig afdoende middel âom de zaak der keuring behoorlijk te regelen. âWilde men de kosten van een abattoir ten laste van de âgemeenschap brengen en derhalve de gemeente-begrooting âbelasten met de renten en de aflossing van de kapitalen |
|
âvoor dergelijke inrichtingen benoodigd, dan zoude zeker 1 ânooit tot de verwezenlijking van die algemeen gewenschte âoplossing kunnen worden overgegaan. âAlleen dan is zulk een nuttige inrichting te verkrijgen, j âals uit de slacht- en keurloonen alle onkosten daaraan âverbonden kunnen gevonden worden. âIn Duitschland (Pruisen) is bij de Wet van 18 Maart â1868, gewijzigd bij de Wet van 9 Maart 1881, regelende âde oprichting van abattoirs, dit onderwerp uitnemend gekegeld en zijn de gemeente-besturen bevoegd verklaard tot âheffing van keurloonen ') om de kosten van oprichting en âamortisatie te dekken. âDat het keurloon bezwarend zou zijn voor hen, die kleine âzaken hebben, kunnen wij niet beamen. Daarvoor is het âkeurloon te gering en juist bij de kleine slagers wordt door âde keuring de waarde van het product verhoogd.quot; Burgemeester en Wethouders meenden derhalve, dat de wensch van de Leidsche Runder- en Varkensslager-vereeni-ging niet ingewilligd moest worden en de Gemeenteraad heeft zich met die meening vereenigd. Wat nu de van de gebruikers van het abattoir te heffen belastingen aangaat, het spreekt van zelf, dat daaromtrent geen eensluidend tarief bestaat. De jaarlijksche uitgaven, aan een abattoir verbonden, afhangende van stichtingskapitaal, rente, amortisatie, onderhoud, bedrijfskosten, salarissen, enz., zullen de grootte van de heffing bepalen. Daar de stichting van een abattoir gemeentezaak is, en iedere gemeente op haar wijze sticht, zullen de slachtgelden natuurlijk verbazend uiteenloopen. Daarbij komt nog, dat in den regel de uitgaven aan een abattoir verbonden, in een groote stad relatief geringer zijn dan in een kleine stad. Vergelijkt men derhalve de tarieven van slachtloonen van een groot aantal abattoirs, dan krijgt men énorme verschillen te zien. Zoo zijn ook de tarieven van Amsterdam en Rotterdam verschillend. Het heeft dus weinig zin bij de stichting van een abattoir in een bepaalde plaats, de slachtloonen van een andere plaats over te nemen. De slachtloonen moeten worden vastgesteld in verband met de jaarlijksche uitgaven en het vormt volstrekt geen bezwaar tegen de oprichting van een abattoir in een bepaalde plaats, indien de slachtloonen wat hooger gesteld moeten worden dan in een andere. Ik voeg bij dit rapport als bijlage II een opgave van de slachtloonen aan verschillende Duitsche abattoirs; die van de door den gemeente-architect en mij bezochte steden zijn afzonderlijk vermeld, terwijl ook de slachtgelden te Rotterdam en te Amsterdam zijn opgenomen; tevens zijn eenige opmerkingen er aan toegevoegd. Er valt in die slachtloonen nog al wat verschil op te merken; ik heb dan ook die opgave niet zonder opzet gedaan. De tegenstanders van abattoirs in ons land toch doen regelmatig als bezwaar gelden, dat in vele plaatsen van ons land de slachtloonen hooger gesteld zullen moeten worden dan in Amsterdam, waar men ze reeds hoog vindt, omdat zij hooger zijn dan in Rotterdam. Een blik op de gegeven tabellen doet zien, dat het hooger stellen der slachtloonen volstrekt geen bezwaar is, indien men de soms zeer hooge Duitsche slachtloonen in aanmerking neemt, welke daar betrekkelijk meer beduiden dan hier, omdat het geld er relatief meer waarde heeft. Het spreekt van zelf, dat men bij ons te lande hier en daar hooger zal moeten gaan dan te Amsterdam of te Rotterdam, en dat heeft geen bezwaar, indien de slagers slechts niet te zwaar worden belast of het vleesch slechts niet te duur wordt. Deze laatste quaestie eischt nadere bespreking. Door de tegenstanders van abattoirs, en niet het minst door slagers, wordt beweerd, dat de slachtloonen, vooral indien zij eenigs-zins hoog zijn, het slagersbedrijf op belangrijke wijze drukken en van hen (de slagers) groote financiëele offers eischen. in één adem wordt daarbij dan in den regel genoemd een andere zaak, te weten dat, indien de slagers de slachtloonen op de consumenten verhalen, iets wat zeer zeker voor een goed deel zal geschieden, de vleeschprijzen belangrijk zullen worden verhoogd. |
Tegen deze beweringen pleit al dadelijk de ervaring te dien opzichte opgedaan. Blijkens de ondervinding in Pruisen verkregen, zijn alle in dezen zin geuite bezwaren niet steekhoudend gebleken. De slachtloonen, indien zij geheven werden met toepassing van den vroeger vooropgestelden regel, blijken geen zware financiëele offers van de slagers te eischen, omdat er groote voordeelen tegenover staan. Het niet noodig hebben van eigen slachtplaatsen en stallen voor slachtvee, het gratis gebruik van warm en koud water, en licht; het kunnen beschikken over ruime en doelmatige lokalen; het niet hebben van eenige onderhoudskosten, en vele kleine voordeelen en gemakken, die zich dagelijks laten merken, vormen reeds een zeer groote compensatie voor de uitgegeven slachtloonen, zelfs als bedragen die de maxima der in de tabellen aangegeven getallen. De groote vrees voor een dergelijke belasting der slagers wordt trouwens oak weersproken door de abattoirs, welke zij zeiven gebouwd hebben en exploiteeren. Ik moet hierbij nog de aandacht vestigen op een zaak, welke door velen weinig wordt overdacht, maar die toch met het oog op de aanhangige quaestie van groot belang is. Waar gemeenten niet overgaan tot het bouwen van openbare slachthuizen, daar zullen zij toch eindelijk de noodige maatregelen moeten nemen tot grondige verbetering der private slachterijen; de eischen zullen op dat gebied veel hooger gesteld moeten worden. Er zal dan een tijd komen, waarin de slagers niet kunnen volstaan met het aankoopen of huren van het eerste lokaal het beste, ten einde dat voor slachtplaats in te richten. Yoeg daarbij nog de jaarlijksche onkosten voor water, licht, enz., dan zou wel eens kunnen blijken, dat het voor de slagers goedkooper uitkomt in een openbaar slachthuis te slachten dan in een eigen. Trouwens voor slagers met een klein bedrijf is een abattoir altijd aanbevelenswaardig, omdat zij een eigen slachtplaats kunnen ontberen, in het openbaar slachthuis met 2 of 3 collega's te zamen kunnen slachten of wel â wat men regelmatig ziet gebeuren â hun vleesch in het abattoir aankoopen van grossiers. En nu de vrees voor stijging der vleeschprijzen. Algemeen wordt gedacht en dikwijls terecht, dat de slagers de slacht- en keurloonen op de consumenten zullen verhalen. Indien dit op billijke wijze geschiedt, is er niets tegen. De vleeschgebruikers dienen het op prijs te stellen, dat hun vleesch in een abattoir geslacht is en onder contróle staat; zij kunnen daarvoor wel een kleine bijdrage over hebben. Ik blijf echter bij mijn vroeger geuite meening, dat ook zonder deze mogelijkheid, het betalen der slacht- en keurloonen door de slagers niet onbillijk is. Niet gemotiveerd en door de ervaring gelogenstraft is echter de vrees, dat door het verhalen der slacht- en keurloonen op de consumenten, een sterke stijging der vleeschprijzen zou kunnen plaats vinden. De vleeschprijzen blijven, ook bij het bestaan van een abattoir, onder den invloed der concurrentie. En daar al spoedig blijkt, dat de slacht- en keurloonen op de slagers niet zwaar drukken, houden zij het niet uit om de vleeschprijzen in de hoogte te houden. In Pruisen bezit men op dit gebied veel ervaring. In het begin, na de stichting van een abattoir, trachtten de slagers de prijzen soms te verhoogen, doch spoedig moesten zij, als gevolg der concurrentie, waarbij de invoer van vleesch, buiten de gemeente geslacht, als factor niet vergeten mag worden, de oude prijzen noteeren en in vele gevallen volgde, als uitvloeisel van lagere productie-prijzen door het abattoir, prijsver laying. Falk s) heeft omtrent deze aangelegenheid een nader onderzoek ingesteld, waarvan het resultaat was: dass die Errich-tung öffentlicher Schlachthauser auf die Fleischpreise keinen Einfluss bat.quot; Een allerbelangrijkst onderzoek werd in den allerlaatsten tijd omtrent dit punt ingesteld door Kjerrulf. Op grond van 388 ambtelijke berichten, van even zooveel Duitsche abattoirs |
') En slachtloonen. (de J.)
2) Herm. Falk: Die Errichtung öflbntlichcr Schlachthauser. Osterwieck/Harz. i880.
|
afkomstig, toont hij aan, dat door den abattoirbouw, geen gevaar ontstaat voor stijging der vleeschprijzen. (G. Kjerrulf: Wird das Fleisch durch Schlacht- und Fleischbeschauzwang verteuert? Berlin 1897.) Trouwens, bij een nadere beschouwing, is die invloed ook al zeer onwaarschijnlijk. In de gegeven slachtloontabel is het maximum slachtloon voor een koe Æ4,50; op 1 koe dus een belasting van f 4,50. Neemt men aan dat een koe gemiddeld 450 pond slachtgewicht heeft, wat niet veel is, dan zou globaal het vleesch 1 cent per pond in prijs moeten stijgen om de belasting op te brengen. 1 cent per pond beduidt echter geen stijging der vleeschprijzen. Deze cent wordt ruimschoots gecompenseerd door de genoemde voordeel en. Stelt men het slachtgewicht van een varken gemiddeld op 200 pond en nemen we het hoogste in de tabel te vinden slachtgeld, n.1. Æ 1,80, dan zou dit een stijging van het varkensvleesch van 0,9 cent per pond kunnen geven. Wij hebben nu de hoogste slachtgelden genomen; worden zij lager gesteld, wat in den regel het geval zal zijn, dan worden de bezwaren nog geringer. Naar mijn meening kunnen dus de slachtgelden voor de slagers niet bezwarend zijn, vooral ook omdat zij voordeelen van een abattoir genieten. Zij kunnen geen bezwaar vormen tegen de oprichting van een abattoir, alhoewel te begrijpen is, dat de slagers de besproken quaestie als argument gebruiken. Evenmin kan, indien de slagers trachten de slacht-loonen op de consumenten te verhalen, de vleeschprijs daardoor noemenswaard stijgen. Te Rotterdam en te Amsterdam heeft de ervaring in dit opzicht reeds uitspraak gedaan. Te Rotterdam is van stijging der vleeschprijzen na de oprichting van het abattoir nooit iets bespeurd. Te Amsterdam zijn, omdat de kleine slagers door het abattoir heter kunnen concurreeren, de vleeschprijzen eer gedaald dan geslegen, terwijl de qualiteit van het vleesch verbeterd is; en daar zijn de loonen hooger dan in Rotterdam! Ik meen met het voorgaande de groote bezwaren, welke tegen abattoirs worden aangevoerd, te hebben weerlegd. Nu worden echter, vooral ook van slagerszijde, een aantal bezwaren van kleineren aard genoemd, welke een bespreking verdienen. Zoo noemen velen den afstand van het abattoir naar de winkels der slagers een groot ongerief. Het vervoeren van het vleesch is lastig, en in den zomer zou het, door dat vervoer, spoedig bederven. In plaatsen, waar abattoirs zijn, ziet men echter zeer spoedig wagens, geschikt voor het vervoeren van vleesch, in dienst stellen, welke het vleesch op goede en goedkoope wijze thuis bezorgen. Bovendien wordt bij het uiten van dit bezwaar vergeten, dat vele slagers hun private slachthuizen eveneens ver van hun winkel verwijderd hebben. Verder zegt men, dat men in een abattoir niet kan slachten, wanneer men verkiest, alleen in de uren, waarop het geopend is. Wanneer deze aangelegenheid eenmaal goed geregeld is, blijkt het, dat de slagers daardoor geen nadeel ondervinden, omdat een abattoir altijd een voldoend aantal uren per dag wordt opengesteld. Zij hebben, in plaatsen, waar de vleeschkeuring geregeld is, dooi' een abattoir het voordeel, dat de keuring terstond kan geschieden, zoodat zij daarop niet hebben te wachten. Dan wordt beweerd, dat door een abattoir de slagers meer personeel noodig zouden hebben. De ervaring leert het tegendeel, ten eerste, omdat men in een abattoir dikwijls hulp heeft van andere personen, en in de tweede plaats omdat, na de oprichting van een abattoir, enkele personen zich veelal uitsluitend gaan belasten met bepaalde werkzaamheden, die zij voor de slagers voor een betrekkelijk gering bedrag verrichten, waardoor personeel wordt uitgespaard. Een groot nadeel zou dan verder voor de slagers zijn, dat hun tegenwoordige slachtplaatsen overbodig en daardoor waardeloos zouden worden. Dit zal werkelijk soms eeniger-mate een bezwaar kunnen zijn, doch slechts in zeldzame gevallen. |
Jn Pruisen is deze quaestie bij de Wet van 18 Maart 1868, gewijzigd 9 Maart 1881, in § 7 geregeld, en daar is gebleken, dat slechts in zeer enkele gevallen schadeloosstelling noodig was, omdat in de meeste gevallen de lokalen of nagenoeg waardeloos waren, of zeer gemakkelijk voor andere doeleinden rentabel konden worden gebezigd. Dezelfde gang van zaken zou zich ongetwijfeld bij ons voordoen. Een groot aantal lokalen zal zoo slecht bevonden worden, dat van schadevergoeding geen sprake mag zijn; deze lieden mogen blij zijn, dat zij er op die wijze afkomen; minder aangenaam zou het voor hen zijn, indien zij verplicht werden nieuwe, naar de eischen des tijds ingerichte slachtplaatsen te bouwen. En de goede lokalen zullen gemakkelijk voor andere doeleinden op rentegevende wijze kunnen worden aangewend. De eigenaars zullen den noodigen tijd hebben om een andere bestemming voor te bereiden, door ingeval van de oprichting van een abattoir de lieden lang genoeg van te voren weten, wanneer zij niet meer in hun eigen lokalen mogen slachten. Voor de slagers vervalt 'eindelijk voor een groot gedeelte het bezwaar door het feit, dat velen van hen hun slachtlokaal huren en niet in eigendom hebben , zoodat zij geen schade ondervinden, zoodra de huur geëindigd is. Men zou het dan echter kunnen doen gelden voor de eigenaars van die perceelen. Te Rotterdam en te Amsterdam heeft men geen schadevergoeding , als boven bedoeld wordt, gegeven. Waar de twee grootste gemeenten van ons land op deze wijze zijn voorgegaan, daar mogen wij veilig aannemen, dat schadeloosstelling niet noodig is. Mocht men daartoe willen overgaan, dan zouden de uitgaven daarvoor moeten worden gevoegd bij de stichtingskosten, en de rente en amortisatie van het bedrag mede gevonden moeten worden uit de inkomsten van het abattoir. Een zaak, die met het oog op het doel van dit rapport slechts terloops behoeft te worden besproken, is de vraag, wie eeti abattoir moet bouwen, de gemeente of particulieren? In Leiden toch zal men, getuige de ons gedane opdracht, den bouw niet aan particulieren overlaten. In Duitschland zijn enkele abattoirs niet het eigendom der gemeenten, maar van vereenigingen, welke ze onder toezicht der gemeente exploiteeren. In den laatster» tijd worden deze zoogenaamde âInnungsschlachthauserquot;, eigendom der âFleischerinnungen,quot; algemeen veroordeeld. Abattoirs zijn inrichtingen, welke met het oog op de openbare gezondheid gesticht worden om het slagersbedrijf zoodanig te kunnen controleeren, dat de nadeelen voor de openbare gezondheid verdwijnen, en nu zal het doel zeker niet bereikt worden, indien men de slagers baas laat in die inrichtingen, ook al staan deze onder streng gemeente-toezicht. In Pruisen staan de âInnungsschlachthauserquot; niet in goeden reuk, gelijk ons tijdens onze reis is gebleken. In veel gevallen zit bij de Fleischerinnungen het belang der openbare gezondheid niet voor. Zij hebben een abattoir opgericht öf principieel als flnancieele onderneming, dus om winst te behalen, of omdat anders door de gemeente tot den bouw besloten zou zijn en zij nu zelf liever de winst opstrijken en tevens de leiding in handen hebben, die zeker minder streng, dus minder goed zal zijn, dan bij gemeenteexploitatie. In Pruisen hebben zich, met betrekking tot dit punt, soms eigenaardige toestanden voorgedaan. Meermalen is het voorgekomen, dat in plaatsen, waar men een abattoir wilde stichten, van den kant der slagers hevige oppositie werd gevoerd; toen zij evenwel merkten, dat het abattoir toch zou komen, veranderden zij plotseling van houding en boden aan .... het abattoir zelf te bouwen en te beheeren 1 Met enkele uitzonderingen zijn de Innungsschlachthauser in Duitschland niet de beste, zoodanig zelfs, dat men ze dikwijls onder zeer strenge controle heeft moeten stellen. Slechts in enkele gevallen zal bij een abattoir, dat door een of ander ondernemer wordt geëxploiteerd, het doel bereikt worden. Er worden wel eens voordeelen van dergelijke abattoirs genoemd, b. v. dat de slagers dan zelf hun werkplaatsen mogen bouwen en beheeren, dat aan een gemeente een belangrijke en lastige tak van dienst wordt ontnomen, en dat een eventueel uit te keeren schadevergoeding vervalt. |
|
Deze voordeelen zijn echter schijnbaar, omdat de gemeente, wil het abattoir eenigermate aan het doel beantwoorden, zoo streng en zoo voortdurend zal moeten controleeren, dat de voordeelen geheel verdwijnen, terwijl het laatstgenoemde benefiet, om de vroeger genoemde redenen, zeker niet zwaar weegt. De geheele bestemming van een abattoir brengt bouw en beheer van gemeentewege mede. In ons land schijnt men er voorloopig niet aan te denken den slachthuisbouw aan particulieren over te laten. In enkele gemeenten hebben werkelijk ondernemers zich tot de besturen gericht met het verzoek een slachthuis te mogen bouwen en om het terrein van dat slachthuis voor het hebben van slachterijen aan te wijzen. Tot heden is men daarin niet getreden. Dergelijke aanvragen zijn geschied in Utrecht, Groningen, den Haag, misschien ook in andere gemeenten. In die gevallen krijgt een abattoir geheel het karakter van een industrieele en financieele onderneming; zijn niet de slagers de oprichters, dan zou de zaak voor hen wel eens nadeelig kunnen zijn. Wil een openbaar slachthuis in alle opzichten aan het doel beantwoorden, dan moet de gemeente het bouwen en beheeren. Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond: 1°. dat in het algemeen de oprichting van openbare slachl-huizen door de gemeenten, met het oog op de openbare gezondheid, dringend gewenscht is; '2°. dat de nadeelen aan een dergelijk slachthuis verbonden, van welken aard ook, zoo gering zijn, dat zij op verre na niet opwegen tegen de voordeelen en in geen geval een beletsel voor de oprichting kunnen vormen. |
II. Inrichting van abattoirs in het algemeen. Ik acht het aangewezen in het algemeen eenige zaken te bespreken, welke op den bouw en de inl ichting van openbare slachthuizen betrekking hebben. De inrichting van een abattoir voor de gemeente Leiden kan daarna gemakkelijker worden aangegeven. Het terrein. Het is in het algemeen wenschelijk een abattoir buiten het sterk bebouwde gedeelte der gemeente te stichten. Het slagersbedrijf wordt dan, wat het slachten betreft, uitgeoefend op een plaats, van het centrum der gemeente verwijderd. Bovendien wordt het veevervoer zooveel mogelijk uit het dichtst bebouwde gedeelte gebannen. Ook voor den afvoer van de producten, welke door het abattoir-bedrijf ontstaan, is een ligging buiten het centrum der gemeente gewenscht. Het terrein moet bovendien zoo gekozen zijn, dat bij eventueele uitbreiding der stad, de toe- en afvoer-wegen van het slachthuis geen gevaar loopen. Het terrein moet ruim zijn, omdat men dan verzekerd is luchtige lokalen te zullen verkrijgen. Een ligging buiten de bebouwde deelen der gemeente is dan aangewezen, indien te vreezen is, dat zich op het terrein bevindende inrichtingen, stank zouden veroorzaken. Dit zou n. 1. het geval kunnen zijn, wanneer inrichtingen van particulieren, welke veel stank verspreiden, b. v. bloed-drogerijen, lijmfabrieken, vetsmelterijen, enz., welke feitelijk niet op het terrein van een abattoir tehuis behooren, daar werden gevestigd. Overigens is bij de modern gebouwde abattoirs van stank met het oog op de omgeving, weinig te duchten. Is het wenschelijk een abattoir aan den buitenkant der gemeente te bouwen, toch mag de afstand van het centrum niet te groot zijn, daar men dan den slagers te veel ongerief bezorgt. Het slachthuis moet van uit de drukste deelen der stad in korten tijd te bereiken zijn. Vooral geldt dit voor kleinere plaatsen, waar geen geregeld tramverkeer is. Voor slagers, die geen eigen rijtuig hebben is een te verre afstand van het abattoir een ware ramp. Een te groote afstand van het centrum der gemeente is ook daar ongewenscht, waar (zooals b. v. te Leiden) keuring van alle ingevoerd vleesch aan het abattoir moet geschieden. Het is een groot bezwaar voor de invoerders, indien zij een grooten afstand, naar een bepaalden uithoek der gemeente, moeten afleggen, om keuring te verkrijgen. Het terrein van het abattoir moet zoo groot zijn, dat voldoende ruimte voor eventueele uitbreiding aanwezig is. De toevoerende wegen moeten met het oog op veevervoer en rijtuigverkeer ruim zijn; vooral op de drukkere dagen der week mag de passage geen belemmering ondervinden. Het is wenschelijk dat de veemarkt, vooral indien er veel slachtvee verhandeld wordt, in de nabijheid van het abattoir ligt. Waar men een abattoir bouwt, tracht men ook de veemarkt ter plaatse te stichten; deze is dan ook uit het centrum der stad verwijderd. Daar, waar dit niet mogelijk is, is het toch altijd zeer wenschelijk, dat de veemarkt in de nabijheid van het abattoir ligt en dat de communicatie tusschen beiden gemakkelijk zij. Ook is het gewenscht dat een slachthuis in de nabijheid van het station ligt, zoodat aangevoerd vee slechts een geringen afstand heeft af te leggen om op het terrein te arriveeren. Wordt veel slachtvee uit andere plaatsen aangevoerd, dan is een aparte spoorbaan naar het abattoir van groot belang; deze baan kan vooral ook dan haar goede diensten bewijzen, indien ziek of verdacht vee uit andere plaatsen naar het terrein van het abattoir moet worden vervoerd. De nabijheid van het station is bovendien noodig in plaatsen, waar al het ingevoerde vleesch ter keuring naar het abattoir moet worden gebracht. Daar, waar stroomend water aanwezig is, bouwt men een |
â 41 â
|
I abattoir liefst stroomafwaarts aan de rivier, om zoodoende de af te voeren stoffen gemakkelijk te kunnen loozen. Is een stad in alle opzichten voldoende gerioleerd, dan kunnen die stoffen gevoeglijk in het rioolstelsel terecht komen. Waar echter geen stroomend water is en ook geen voldoende rio-leering, daar vormt dit nog geen overwegend bezwaar tegen de oprichting van een abattoir. Er dient dan een zuivering van het afvoerwater, door mechanische en chemische pro-cédé's plaats te vinden. Deze zijn tegenwoordig zoo voldoende, dat van waterverontreiniging door een abattoir geen sprake behoeft te zijn. Wat den vorm van het terrein betreft, het is in het algemeen zeer doelmatig, wanneer deze vierkant of beter rechthoekig is. De verschillende gebouwen laten zich over een rechthoekig terrein, waarvan natuurlijk eenige afwijkingen gepermitteerd zijn, gemakkelijk verdeelen. y- De grootte hangt af van de verschillende gebouwen; een abattoir moet zeker de eerste 10 jaren, liefst echter de eerste 25 jaren geen uitbreiding behoeven. Daarop dient bij den bouw te worden gerekend. Bouworde. Men onderscheidt met betrekking tot de wijze, waarop de verschillende gebouwen van een abattoir over het terrein zijn verdeeld, maar ook met betrekking tot de indeeling der gebouwen zelf, twee slachthuissystemen. Daar echter in sommige gevallen de verdeeling der gebouwen over het terrein, in andere gevallen de indeeling der gebouwen zelf als grondslag voor de scheiding in twee systemen wordt aangenomen, heerscht er eenige verwarring. Men spreekt van het Fransche en van het Duitsche systeem, of wel men onderscheidt het kamer- of cellenstelsel en het hallenstelsel. Bij den bouw van een abattoir kan men trachten alles onder één dak te brengen, voor zooveel mogelijk, of wel men kan alle gebouwen afzonderlijk willen houden. Verder kan men de slachthuizen verdeelen in verschillende kamers of cellen, of wel de ruimten overdeeld laten, zoodat men groote slachtballen heeft. , Oorspronkelijk nu bouwde men in Frankrijk abattoirs be staande uit verschillende afzonderlijke slachthuizen, die i weder in cellen of slachtkamers waren verdeeld. Het Fran sche systeem en het kamersysteem behooren dus bij elkaar. In Duitschland daarentegen trachtte men alles onder één dak te brengen niet alleen, maar men trachtte zelfs met één ruimte te volstaan of in elk geval met weinige lokalen, welke met elkander communiceeren. Het Duitsche systeem is dus ook het halsysteem. Nu is in den laatsten tijd in Duitschland, behoudens weinige uitzonderingen, het kamer- of celsysteem vervallen. Toch blijft men er van Fransche en Duitsche bouworde spreken. Men verstaat dan onder Fransche bouworde het aanwezig zijn van verschillende, van elkaar gescheiden, gebouwen op het terrein, waarbij echter van verdeeling der slachthuizen in slachtkamers geen sprake behoeft te zijn. Men heeft er derhalve groote slachtballen. En onder Duitsche bouworde verstaat men die, waarbij de gebouwen allen onder één dak zijn gebracht of zooveel mogelijk, of waarbij '4 de gebouwen ten minste door overdekte verbindingsgangen met elkander in verbinding staan. ^ Wat de doelmatigheid der systemen betreft, in het alge meen zal het het voordeeligst zijn de gebouwen onder één dak te brengen. De mogelijkheid daartoe hangt echter af van de grootte der inrichting. Dij zeer groote slachthuizen zal deze bouworde vrij wel onmogelijk zijn; in andere gevallen zal zij bezwaarlijk toe te passen zijn, omdat zij even-tueele vergrooting bemoeilijkt. Aan dit laatste bezwaar is echter in den laatsten tijd tegemoet gekomen door een doelmatige rangschikking der lokalen; de Duitsche architect G. Osthoff heeft zich in dit opzicht zeer verdienstelijk gemaakt. Het zich onder één dak bevinden of het met elkaar communiceeren der verschillende lokalen heeft het groote voordeel, dat het toezicht zeer vergemakkelijkt wordt, terwijl |
het ook voor de slagers doelmatig is, indien zij tegelijkertijd in verschillende slachthuizen moeten laten arbeiden. Bovendien zijn de werklieden nooit aan ruw weder blootgesteld, indien zij zich van het eene lokaal naar het andere moeten begeven. In kleinere gemeenten biedt dit bouwstelsel veel voordeelen aan. Waar het niet toegepast wordt, daar zet men de gebouwen afzonderlijk, echter zoodanig dat de groote slachtballen blijven bestaan, d. i. niet onderverdeeld worden in kamers. Mogen de contrèle en de kosten hieronder lijden, het mag niet worden ontkend, dat ook op deze wijze zeer doelmatige slachthuizen worden gebouwd. Ik merkte reeds op, dat het kamersysteem in den laatsten tijd niet meer wordt toegepast. Men vindt dit stelsel te Rotterdam en te Amsterdam, wat betreft de slachthuizen voor groote runderen. Te Rotterdam heeft men later, toen uitbreiding noodig was, dat systeem verlaten en terecht; ten 1ste, omdat het veel duurder is; ten 2de, omdat de controle minder gemakkelijk is dan in groote hallen; ten 3de, omdat in groote hallen de slagers elkander controleeren ; ten 4de, omdat door de vele muren ruimte-verlies plaats heeft; ten 5de) omdat door groote lokalen de reinheid bevorderd wordt; ten 6de, omdat de atmosfeer in groote lokalen zuiverder is te houden, ventilatie gemakkelijker is te bewerkstelligen en licht beter is aan te brengen; ten 7de, omdat het gemeenschappelijk gebruik van kleine slachtkamers voor de slagers niet gemakkelijk is. De ervaring heeft vooral in Duitschland, maar ook in Frankrijk geleerd, dat het halsysteem veel doelmatiger is dan het kamersysteem. Moest men in Rotterdam en Amsterdam geheel nieuw bouwen, zonder twijfel zou men het halsysteem kiezen. Behalve om de meerdere grootte dezer plaatsen zijn de abattoirs in deze steden door de minder doelmatige bouworde ongeschikt om gegevens te verschaffen voor abattoirs in kleinere plaatsen van ons land. In de te Groningen, te Utrecht, te Roermond te bouwen abattoirs zal het halsysteem worden gevolgd. In de door ons op onze reis in Duitschland bezochte abattoirs troffen wij nergens bet kamersysteem aan. Wat het Fransche of Duitsche systeem betreft in de be-teekenis, die men tegenwoordig in Duitschland daaraan geeft, vonden wij toegepast te: Kleef met 10000 inwoners, de Duitsche bouworde;
Van verdeeling der groote hallen in kamers of cellen was nergens sprake. Blijkens de in mijn bezit zijnde schets zal men te Groningen de Duitsche bouworde kiezen; te Utrecht, zal, voor zoover dit uit het in mijn bezit zijnde rapport op te maken is, het Fratische stelsel worden gevolgd. Nu moet echter uitdrukkelijk worden opgemerkt, dat op de te volgen bouworde van grooten invloed zal zijn, het al of niet stichten van een koelhuis van het abattoir (waarover later). Sticht men geen afzonderlijk koelhuis, dan zullen de slachtballen dus ook voor de afkoeling van het vleesch worden gebruikt; deze zullen dus zoo koel mogelijk moeten zijn en van alle zijden met versche, koele lucht voorzien kunnen worden. Dit is niet mogelijk, indien de afzonderlijke hallen zich onder één dak bevinden, of met elkaar verbonden zijn. Waar dus geen koelhuis met koelmachine wordt gesticht, daar zal men ter wille van de ge- |
- 12
|
* wenschte luchtstrooming, de gebouwen afzonderlijk moeten houden. Slachthallen. In de slachthallen worden de verschillende veesoorten geslacht, terwijl ook de keuring der geslachte dieren daar gescbiedt. Zij moeten in den zomer zoo koel mogelijk, in den winter niet te koud zijn. Ze moeten goed van licht voorzien zijn, dat tevens gemakkelijk te temperen moet wezen. De ventilatie moet niet te wenschen overlaten. Ze moeten derhalve niet alleen dienst doen als lokalen, waar men slacht en keurt, maar ook als lokalen, waar men vleesch bewaart. Als zoodanig zijn de slachthallen van een abattoir steeds beter dan de private slachterijen, al is het alleen maar daardoor, dat ze staan op een groot terrein, waar van alle zijden versche lucht toestroomt, terwijl de private slachthuizen ingebouwd zijn. Aan de muren zijn dan ook met het oog op het voorgaande, uit een bouwkundig oogpunt, bepaalde eischen te stellen. Ditzelfde geldt voor vensters, daken, enz. Wat de vloeren aangaat, deze moeten zeer solide zijn, dus niet scheuren, wanneer zware voorwerpen daarop vallen; ze moeten gemakkelijk te reinigen zijn, terwijl het water spoedig wegloopen moet; ze mogen niet te glad zijn, om uitglijden van het vee en van personen te voorkomen. Daar het kamersysteem verouderd, ondoelmatig en duur is, moeten dus ruime hallen worden gebouwd. Het gaat in den regel niet om met één slachthal te volstaan; dit zou mogelijk zijn voor zeer kleine plaatsen, waar het aantal per dag te slachten dieren zeer gering is; is dit aantal echter tamelijk groot, dan zou door slechts één slacht-lokaal de contróle vrij moeilijk worden. Practisch is het echter, indien de slachtplaatsen voor groote en kleine runderen zich onder één dak bevinden, vooral in kleinere plaatsen, omdat de meeste runderslagers daar zoowel groote runderen als kalvers slachten. Raadzaam is het echter steeds een afzonderlijk varkensslachthuis te hebben, omdat daarin tengevolge van het broeien der ge-doode dieren dampen ontstaan, die men tot het varkensslachthuis dient te beperken. In den regel bouwt men ook het paardenslachthuis apart, omdat de runderslagers gewoonlijk niet gaarne met de paardenslagers in hetzelfde lokaal slachten. Bovendien dient er een afzonderlijke localiteit te zijn voor ziek of verdacht vee. A. Slachthal voor groote runderen. De grootte daarvan hangt af van het aantal slachtingen per dag en van de wijze, waarop de hal wordt ingericht. In abattoirs zonder koelhuis, en zonder afzonderlijk voorkoelhuis, dient de hal ook om het vleesch te doen koelen, resp. besterven. Het geslachte dier kan daartoe blijven hangen aan windijzers ter plaatse, waar het geslacht werd, of wel het kan, ter besparing van ruimte, door middel van loopkranen naar een bepaald daarvoor gereserveerd gedeelte van de hal worden getransporteerd. Er zijn dus, ter wille van het dooden der dieren, ringen in den bodem, en men heeft in de hal vaste of beweeglijke windtoestellen. Dikwijls is er, indien geen koelhuis aanwezig is, nog een gedeelte gereserveerd om kleinere stukken vleesch neer te hangen. Aan de wanden bevinden zich waterkranen, om gedurende het slachten steeds zuiver water in voldoende hoeveelheid te leveren. Verder vindt men er haken om verschillende deelen, ingewanden, enz. op te hangen. De hal dient zoo groot te zijn. dat de slagers elkaar niet hinderen en niet lang op elkander behoeven te wachten. Indien echter een enkele keer eens een bij uitzondering groot aantal dieren wordt geslacht, gaat het niet aan te eischen, dat ook daarop de hal berekend is. Voor dergelijke buitengewone gevallen moeten de slagers eenige oogenblik-ken geduld oefenen. |
Indien men over geen goede statistieken, aangevende het aantal per dag geslachte dieren, beschikt, laat zich dit uit het aantal per jaar geslachte runderen bij benadering berekenen. Osthoff1) heeft daarvoor een zeer eenvoudige methode aangegeven. Voor Leiden, waar men door de Vee- en Vleeschkeuring betrouwbare gegevens bezit, is de toepassing daarvan overbodig. Het spreekt van zelf, dat voor zeer groote gemeenten één slachthal voor groote runderen soms onvoldoende zal zijn. B. Slachthal voor klein vee. Onder klein vee verstaat men, overigens zeer onjuist, kalveren, schapen en geiten. De varkens, welke wel degelijk tot het kleine vee behooren, worden er buiten gerekend. Ik merkte reeds op, dat het voor kleinere plaatsen ge-wenscht is de slachthal voor klein vee met die voor groot vee te verbinden, daar de slagers voor groote runderen in den regel ook kalvers slachten. De slachthuizen voor klein vee, worden op dezelfde wijze gebouwd als die voor groot vee; men vindt er echter gewoonlijk geen windinrichtingen en geen loopkranen. Het is voldoende van de wanden en in dwarse richting hakenrekken aan te brengen, waaraan de dieren worden gehangen. Bovendien moeten er tafels zijn, waarop de dieren van de huid ontdaan worden. Voor groote inrichtingen kunnen windtoestellen en loopkranen goede diensten bewijzen. In sommige gevallen kan het gewenscht zijn de slachthal voor klein vee nog te deelen in een voor kalvers, en een voor schapen en geiten. Voor ons land komt het mij gewenscht voor de ruimten voor veile en voor nuchlere kalvers van elkander te scheiden. C. Slachthuis voor varkens. Terwijl de combinatie der slachthallen voor groot en klein vee groote voordeelen oplevert, dient het slachthuis voor varkens geïsoleerd te blijven. De reden daarvan is, dat varkens bij het slachten niet van de huid ontdaan worden, maar in heet water gebroeid, ten einde de borstels te kunnen verwijderen. Dat broeien geeft altijd meer of minder onaangenaam riekende dampen, waarmede geen ander lokaal bezwangerd mag worden. In het varkensslachthuis zelf, dient de ruimte, waar gebroeid wordt, afgescheiden te zijn van de ruimte, waar de dieren zoogenaamd worden âafgeslacht.quot; Eindelijk is er nog een derde ruimte, waarin de dieren gedood worden. Men heeft dus achtereenvolgens in een slachthal voor varkens de ruimte voor het dooden der dieren, die voor het broeien en de ruimte voor het afslachten. Deze ruimten moeten in elkaar overgaan, daar anders de slagers in hun handwerk vertraging ondervinden. Wensche-lijk is het, dat tusschen broeiruimte en afslachtruimte een onvolkomen, dat is ruim manshoogte van den bodem verwijderd blijvende, muur wordt aangebracht, waardoor de slagers niet in hun arbeid worden belemmerd, terwijl de opstijgende dampen daarentegen grootendeels in de broeiruimte worden teruggehouden. Men kan in de slachthal de broeiruimte op verschillende wijze ten opzichte van de afslachtruimte plaatsen. Zoo kan men ten Isto^ de broeiruimte overlangs in het midden en de afslachtruimten overlangs aan beide zijden nemen; ten 2de, de broeiruimte overdwars in het midden en de afslachtruimten vóór en achter; ten 3de, de broeiruimte aan één einde en de rest als afslachtruimte, en ten 4de, de broeiruimte aan één zijde en de afslachtruimte aan de tegenovergestelde zijde. Men vindt dan in of bij de broeiruimten een gedeelte voor het dooden der dieren gereserveerd. De beide laatstgenoemde indeelingen zijn wel het doelmatigst, vooral ook, omdat men dan zeer geschikt de varkensstallen aan de broeiruimte kan verbinden, wat ge- |
') Handbuch dei1 Architectur, 4ter Theil, 3ter Halbband, Heft 2. Handbuch der Hygiene, 6ter Band, Heft \.
|
wenscht is om de varkens, welke moeilijk te transporteeren zijn, zoo weinig mogelijk te doen loopen. In den regel worden de gedoode dieren door middel van windkranen opgeheven en in groote ronde of ovale broeikuipen gedompeld, en van daar op tafels gelegd om geschrapt te worden. Van deze tafels kunnen de geslachte dieren verder door loopkranen worden opgenomen en op een bepaalde plaats van het in de afslachtruimte aangebrachte hakenrek worden neergehangen. De hakenrekken zijn dus in de richting naar de broeiruimte geplaatst. Broeiruimte en afslachtruimte kunnen dan gescheiden zijn door een muur tot boven de haken, dus 2.5 M. ongeveer van den bodem. Daar, waar niet op tafels geschrapt wordt, maar op lage sleden of schragen, maakt men deze op wielen, zoodat de dieren naar de haken kunnen worden gereden; loopkranen zijn dan niet noodig. De hakenrekken kunnen dan ook overdwars worden geplaatst. Het zou dan ook mogelijk zijn broeiruimte en afslachtruimte geheel door een muur van elkaar te scheiden, en een groote opening in het midden van den scheiwand aan te brengen, welke naar den middengang der afslachtruimte voert. Van groot gewicht is het de dampen, die in de broeiruimte ontstaan, kunstmatig af te voeren. Osthofï heeft dit doel bereikt door middel van een door Huber in Duitschland gepatenteerde ventilatie-in rich ting, die wij o. a. ook op het abattoir te Wezel zagen. Zeer verkeerd is het, zooals men zelfs in Duitschland aan nieuwgebouwde abattoirs wel aantreft, aan het varkensslachthuis een darmwasscherij, uitsluitend voor de geslachte varkens, te verbinden. Dit reinigen der darmen toch geschiedt met warm water en geeft altijd zeer onaangename dampen, die men uit de afslachtruimte, welke bij gebrek aan een koelhuis, ook voor koelruimte moet dienen, verwijderd moet houden. Raadzaam is het steeds de ingewanden, zoo snel als maar eenigszins mogelijk is, naar andere, uitsluitend daarvoor bestemde lokalen te transporteeren. Eenigermate plausibel zou het kunnen zijn de varkensdarmwasscherij in de broeiruimte aan te brengen. Men krijgt dan echter in de varkens-slachthal twee bedrijfsstroomingen, welke elkander zeker moeten hinderen, nl. het brengen der gebroeide en geschrapte varkens in de afslachtruimte en het terugbrengen der ingewanden uit de afslachtruimte in de broeiruimte. Bij een eenigermate druk bedrijf moet dit voor de slagers zeer lastig zijn. D. Slachthuis voor paarden. Dit wordt op dezelfde wijze ingericht als dat voor groot vee. Het heeft dus vaste winden, of wel beweeglijke met loopkranen; ringen in den bodem om de dieren te bevestigen en ook dikwijls nog ringen aan de muren. Aanbeveling verdient het in of bij het slachtlokaal de gelegenheid tot het wasschen van darmen en het broeien van deelen aan te brengen, waarvoor een broeiketel en waschbakken (gelijk in de later te bespreken darmwasscherij) noodig zijn. Ook vindt men er haken om verschillende deelen op te hangen. Met het oog op de groote en soms zeer zware dieren dient dit slachthuis vrij ruim en zeer solide te zijn. E. Slachthuis voor ziek en verdacht vee. Daar hierin alle veesoorten geslacht worden moet het de verschillende daarvoor noodige inrichtingen bezitten. Bovendien moeten alle slachtwerkzaamheden daar verricht worden, omdat de deelen der geslachte dieren niet in de andere lokalen mogen komen. Men moet er in of er bij dus gelegenheid vinden om deelen te broeien, darmen te wasschen, enz. Raadzaam is het om aan de slachtplaats voor ziek en verdacht vee een stal voor dergelijk vee te verbinden. Ik kan omtrent de speciale inrichting der verschillende slachthallen te dezer plaatse weinig mededeelen. Deze moet zoodanig zijn, dat het den slagers bij de uitoefening van hun bedrijf zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt wordt; de hallen moeten derhalve van de meest uitstekende slacht-hulpmiddelen voorzien zijn. De inwendige inrichting der hallen, waarop ik later in dit rapport met een enkel woord terugkomen zal, eischt kostbare toestellen en gereedschappen, die de stichtingskosten sterk verhoogen. |
Darmwasscherij. Aan groote abattoirs vindt men gewoonlijk twee, aan kleinere gewoonlijk één lokaal, bestemd tot reiniging der ingewanden van de slachtdieren en daarom bekend onder den naam van darmwasscherij. Aan de grootere inrichtingen is er dan één voor varkens en één voor groot en klein vee. Aan kleinere zijn deze twee gevoeglijk te combineeren. Een eisch, die vóór alles aan de darmwasscherij gesteld moet worden, is, dat zij ruim zij. Gedurende onze reis werd ons meermalen de noodzakeliikheid van een groote darmwasscherij betoogd. Het laat zich begrijpen, dat door meerdere ruimte, behalve het groote gerief, dat ze oplevert voor de slagers, de zindelijkheid sterk bevorderd wordt. Men vindt er bakken of troggen om de ingewanden te reinigen en daarboven kranen voor warm en voor koud water. Bovendien bevinden er zich broeikuipen (om koppen en pooten te broeien), een spoelkuip met warm water, en tafels om vet van de ingewanden te verwijderen. De grootte regelt zich naar het aantal slachtingen per dag. Soms vindt men in enkele abattoirs grootere troggen voor het reinigen der pensen in de nabijheid van het mest-lokaal aangebracht. De darmwasscherij moet zich in de nabijheid der slachthallen bevinden, echter zoodanig, dat geen onaangename lucht uit de darmwasscherij in de slachtlokalen kan dringen. Vooral de darmwasscherij dient met zorg gebouwd te zijn met het oog op de verspreiding van onaangename dampen; een doelmatige ventilatie is aangewezen. Hel Koelhuis. Dit punt eischt een eenigermate uitvoerige bespreking, omdat koelhuizen bij ons te lande geheel onbekende zaken zijn. Rotterdam en Amsterdam ontberen koelinrichtingen, zooals hier worden bedoeld, terwijl men in Duitschland thans geen abattoir bouwt, zelfs in zeer groote steden (Hamburg, Keulen) of men bouwt er een koelhuis bij. De grootte van een stad is dus volstrekt geen bezwaar voor een koelhuis. In de plannen te Groningen en te Utrecht is wel degelijk de bouw van een koelhuis opgenomen. De werking van het koelhuis aan een abattoir is als volgt: In gewone omstandigheden wordt het vleesch in de slacht-hal gelaten om te besterven, en daarna gaat het naar de winkels der slagers, of wel het mag in de slachthal blijven hangen, al of niet in een bepaald daarvoor gereserveerde koelruimte. De meerdere of mindere houdbaarheid van vleesch hangt in hooge mate af van de temperatuur in de lokalen, waar het zich bevindt. Het spreekt van zelf, dat het niet mogelijk is, hoe doelmatig deze lokalen ook ingericht mogen zijn, de temperatuur er van constant laag te houden, zoodat bij warm weder het vleesch slechts één dag of enkele dagen houdbaar is. Onbeperkt houdbaar, met eenige kleine reserven, zou het vleesch zijn, indien het bewaard kon worden op plaatsen, waarin de lucht, door middel van bepaalde inrichtingen, werd gehouden op een bepaalde lage temperatuur, zoodanig, dat bederf uitgesloten is. Men zou denken, dat dit reeds te bereiken zou zijn, door het vleesch in gewone ijshuizen te hangen. Daarin is de lucht echter zeer vochtig en de ervaring leert, dat niet alleen koude lucht, maar ook een vrij droge lucht, die in staat is het vocht, door het vleesch bij de afkoeling afgegeven, op te nemen, noodig is voor een doelmatige bewaring van het versche vleesch bij warm weder. Aan deze eischen voldoen de moderne koelinrichtingen, zooals wij die aan buitenlandsche abattoirs hebben gezien, en die ik tijdens een vroegere reis in de gelegenheid was te zien werken bij ontzettend warm weder. De ervaring heeft geleerd, dat het vleesch het langst |
|
goed blijft, indien het hangt in droge lucht bij een temperatuur van -t- 2 tot 4- 5 graden Celsius. In de bedoelde koel in richtingen hangt het vleesch in koelcellen, waarin de eigenlijke koelruimte verdeelt is. De koude wordt teweeggebracht door de zoogenaamde koelmachine, terwijl door een bepaalde inrichting de geproduceerde koude naar het koelhuis wordt overgebracht. Na de slachting komt het vleesch, om te besterven, öf in een zoogenaamde vóórkoelruimte, öf het blijft tot dat doel in een bepaald deel van de slachthal hangen, en wordt daarna in het eigenlijke koelhuis bij een temperatuur van 4- 2 tot 5° C. gebracht, tenzij het onmiddelijk voor de consumptie wordt gebruikt. De eigenlijke koelmachinen kunnen op verschillende wijze werken, maar ze doen in den regel koude ontstaan door middel van vloeibaar gemaakte gassen als ammoniak, zwavelig-zuur, koolzuur, en waarvan gewoonlijk ammoniak wordt gebezigd. Deze vloeibare gassen verdampen in den zooge-naamden âverdamperquot; en koelen daardoor omgevende lucht of zoutoplossing af. In een tweede apparaat worden de ontstane dampen gedeeltelijk verdicht, maar ze blijven nog gasvormig, terwijl eindelijk een derde inrichting, de eigenlijke condensator, de gassen weder vloeibaar maakt, waarna ze weder voor den verdamper kunnen worden gebezigd. Het derde apparaat bestaat, evenals de verdamper, uit een buizensysteem, dat voortdurend door koud water, het zoogenaamde koehuater, omspoeld wordt, om de condensatie, welke onder hooge drukking geschiedt, te bevorderen. De Koeling eischt dus, behalve het vloeibaar gemaakte gas, veel water. Het tweede apparaat, dat de opdracht heeft de ontstane gassen te verdichten, echter zoodanig, dat zij nog gasvormig blijven, kan volgens twee manieren werken. Men kan de ontstane dampen laten opzuigen door een vloeistof (absorptie-apparaat); de verzadigde vloeistof wordt door een pomp opgezogen en naar een distillatie-ketel gevoerd, waar de vloeistof tot bepaalde temperatuur verwarmd wordt en waaruit de ontstane gassen naar den condensator gaan. Dit is de absorplie-melhode. Of wel het tweede apparaat bestaat uit een dubbel werkende zuig- en perspomp, den zoogenaamden compressor, welke de gassen uit den verdamper zuigt en in den condensator perst. Dit heet men de compressie-methode. De compressie-machinen worden het meest gebezigd en werken met zwaveligzuur, koolzuur, maar, zooals reeds gezegd, gewoonlijk met ammoniak. Zij werken met een druk in den condensator van 7â1'2 atmosferen. De daarvoor be-noodigde ammoniak wordt op een bijzondere wijze verpakt om zoo weinig mogelijk te verliezen. De dooi' middel van de koelmachine geproduceerde koude moet gebruikt worden om de lucht in het eigenlijke koel-gebouw af te koelen; voor dit procédé is het onverschillig op welke wijze de koude ontstaan is. Voor de afkoeling van het vleesch is noodig een temperatuur van 2 tot -f- 5° C. in het koelhuis, een zeer zuivere atmosfeer daar ter plaatse en een vochtgehalte van op zijn allerhoogst 75â80 %⢠Te droog mag de lucht in het koelhuis ook niet zijn , want dan droogt het vleesch te veel uit en verliest te veel aan gewicht. Voor de afkoeling van de koelhuisatmosfeer, door middel van de door de koelmachine veroorzaakte koude, kan men verschillende wegen volgen. De noodige droogte wordt eveneens door doelmatige afkoeling teweeggebracht, daar koude lucht minder vocht in zich opnemen kan dan warme lucht. Door deze koude, droge lucht wordt het vochtgehalte van het vleesch verminderd; de koude lucht toch zal, door aanraking met het warme vleesch, iets verwarmd worden; daardoor kan zij meer vocht opnemen, dat zij aan het vleesch onttrekt. Het vleesch zal dus droger worden en dit kan bij te sterke afkoeling en te droge atmosfeer zelfs zoo erg zijn, dat het, gelijk boven werd opgemerkt, te veel indroogt. De temperatuur in de koelruimte mag dus ook niet te laag zijn. |
Mocht de vochtigheidstoestand van de atmosfeer in het koelhuis door de koude alleen niet te reguleeren zijn, dan kan men de vochtigheid verminderen door geconcentreerde zoutoplossingen, b. v. chloornatrium en chloorcalcium-soluties. Men kan daarmede de afgekoelde lucht, voordat zij in het koelhuis komt, drogen. De koeling zelf nu kan geschieden: 1°. door middel van een zoutoplossing, welke moeilijk bevriest, en die door de koelmachine wordt afgekoeld. Bij deze inrichtingen bestaat de verdamper (refrigerator) uit een ijzeren, voor warmte goed beschutte kast, waarin ijzeren buizen. In de buizen verdampt de vloeistof. De kast is gevuld met zoutoplossing, welke dus wordt afgekoeld. De koelhuislucht kan nu öf middellijk öf onmiddellijk door de zoutoplossing worden afgekoeld; 2°. door de lucht langs de buizen van den verdamper (refrigerator) te laten strijken, waardoor ze wordt afgekoeld. Deze systeemen worden allen toegepast, vooral dat, waarbij de koelhuislucht onmiddellijk in aanraking komt met de zoutoplossing. Het is vooral de âGesellschaft für Linde's Eismachinenquot; in Wiesbaden, die een grooten naam heeft op het gebied der installatie van koelhuizen en aan verreweg het meerendeel der abattoirs in Duitschland de koelinrich-tingen levert of geleverd heeft. De eigenlijke koelruimte of wel het koelhuis bestaat uit een lokaal, waarin het te bewaren en af te koelen vleesch opgehangen wordt. Deze ruimte moet zoodanig zijn ingericht, dat het vleesch daarin, liefst in afgesloten, zoogenaamde âcellenquot;, kan worden gehangen; de koude lucht moet het vleesch van alle kanten kunnen bereiken, en wanden, deuren en vensters moeten zoodanig zijn, dat de binnentemperatuur zoo min mogelijk afhankelijk is van die van buiten. De koelruimte moet dus een groot lokaal zijn, waarin hoogstens eenige pilaren van ijzer, maar liefst geen dichte scheiwanden. De cellen worden in den regel geconstrueerd uit ijzeren staven of wel uit draadwerk; er in vindt men gewone haken, waaraan het vleesch wordt opgehangen. Ze zijn minstens 2,5 M. hoog en op zijn minst 4,3 M. breed en diep. In hetzelfde koelhuis geeft men ze gewoonlijk verschillende afmetingen. Raadzaam is het de kleinste cel 1,5 M. breed en 2 M. diep te maken, daar anders de ruimte wel wat al te klein wordt. Wat de grootte van het koelhuis aangaat, deze wordt door Osthoff op circa 4 Ms oppervlakte op de 420 inwoners geschat. Op de vraag of een koelhuis aan een abattoir gewenscht is, moet. beslist bevestigend geantwoord worden. In Duitschland is men, zeker door de gunstige resultaten, welke men daar van de koelhuizen ziet, dikwijls geneigd te zeggen, dat een abattoir zonder een koelhuis eigenlijk een onding is. Dit is natuurlijk overdreven, daar alle aan een abattoir in het algemeen verbonden voordeelen blijven bestaan, ook al is een koelhuis niet aanwezig. De bedoelde uitspraak moet men derhalve opvatten als een uiting van hooge waardeering met deze inrichtingen. Deze ingenomenheid schijnt in Duitschland algemeen te zijn. Zelfs vele slagers, die anders alles afkeuren, wat naar een abattoir riekt, zijn met het koelhuis ingenomen. Een koelhuis wordt dan ook het middel genoemd, om de slagers met het abattoir te verzoenen. Schwarz ') citeert met betrekking tot dit punt de volgende slagers-expressie: âMag der ganze Schlachthof einstürzen, wenn nur das Kühlhaus stehen bleibt.quot; De voordeelen er van zijn dan ook ontzaglijk. De slager wordt door een koelhuis nagenoeg geheel onafhankelijk van de temperatuur. Het warme jaargetijde, dat met het oog op het spoedig bederven van het vleesch, zoo gevreesd is door de slagers en hun zoo dikwijls veel nadeel berokkent, kan bij het bestaan van een koelhuis zijn nadeeligen invloed niet meer doen gelden. Men zou kunnen zeggen, dat vleesch, in het koelhuis bewaard, onbegrensd lang houdbaar is. In de groote koelhuizen te Antwerpen, welke thans door veranderde handelsrelaties, voor een groot deel buiten werking |
') Ban, Einrichting und Betrieb von öffentlichen Schlachthöfen, Berlin
â¢1894.
|
zijn gesteld, was het mogelijk vleesch jaren lang te bewaren, zonder dat het bedierf. De slager kan dus, bij het bestaan van een koelhuis, slachten wanneer bij wil en zooveel hij wil. Eventueel warm weder kan hem geen schade brengen, al blijft hij eenigen tijd met zijn voorraad zitten. Hij kan zich voor geruimen tijd voorraad verschaffen en uitgaven voor het onderhoud van slachtdieren uitsparen. Door het koelhuis is de slager in staat zijn vleesch te maken tot een houdbaar product, waardoor hij het inkoopen Yan slachtvee niet geheel en al behoeft te laten afhangen van de aanvragen om vleesch van zijn klanten. Hij kan vooruit koopen en slachten, indien de veeprijzen dit medebrengen. Zijn vleesch, dat hij niet onmiddellijk van de hand zetten kan, bederft niet, maar blijft in bet koelhuis goed. Men neemt zelfs aan, dat vleesch in liet koelhuis heter van hoedanigheid wordt, een beteren smaak aanneemt, door dat het blijft in den toestand, welke het verkreeg bij de lijkverstijving; d. w. z. de melkzuur vorming, welke daarbij plaats vindt en aan het vleesch een aangenamen smaak geeft, blijft door bet bewaren van het vleesch in het koelhuis geruimen tijd haar invloed daarop uitoefenen, en geeft een zeer smakelijk product. Vleesch, dat reeds neiging heeft om in bederf over te gaan, dat dus een onaangenamen reuk begint te vertoonen, kan door een koelhuis nog gered -worden. Men wascht bet goed af met koud water en na gedurende 24 uren in het koelhuis gehangen te hebben, zijn de onaangename eigenschappen verdwenen. Vleesch vormt, zonder daarbij dadelijk teekenen van bederf te vertoonen, vooral, wanneer het in warme lokalen opgehangen is, een uitstekenden voedingsbodem voor bacteriën. Reeds tijdens de slachting in het vleesch aanwezige of later daarin gekomen splijtzwammen zullen welig tieren en kunnen aan het vleesch hoogst nadeelige eigenschappen verleenen, waardoor gevaarlijke vleesch vergiftigingen kunnen optreden (Zie Dr. J. Poels en J. J. F. Dhont, Vleesch vergiftiging te, Rotterdam). Bij het bewaren van vleesch in een koelhuis, waar de lage temperatuur den groei en het vormen van stofwisselingsproducten der bacteriën tegengaat, wordt dit groote gevaar verminderd. Als gevolg van een koelhuis ziet men, dat de slagers het aantal slachtdagen per week verminderen, iets, waarop bij den bouw van een abattoir moet worden gerekend. Daar de slagers geheel onafhankelijk zijn van de temperatuur, kunnen zij, een niet gering voordeel, het aantal dagen per week, waarop zij slachten, inkrimpen. Het eenige nadeel, dat aan het koelen van vleesch in een koelhuis verbonden is, is het gewichtsverlies; vleesch verliest ook aan gewicht, wanneer het in de gewone lucht hangt, doch het uitdrogen is dooi' het koelen wat sterker; evenwel bij zeer warm en droog weder kan het omgekeerde het geval zijn. In elk geval vormt dit gewichtsverlies geen practisch bezwaar tegen het koelhuis. Ik moet hier even de aandacht vestigen op een bezwaar tegen de koelhuizen, dat door Hollandsche slagers, die de inrichting en de werking van koelhuizen niet kennen, wel eens geopperd wordt, wanneer men ben op het nut van dergelijke inlichtingen wijst. Zij zeggen dan, dat uit een koelhuis afkomstig vleesch in de gewone atmosfeer in den winkel een vuile kleur aanneemt en spoediger in bederf overgaat dan ander, niet gekoeld vleesch, Dit is een groote dwaling; men verwart dan de werking van koelhuizen met die van ijsbuizen en ijskasten, waarin de atmosfeer vochtig is, terwijl de atmosfeer in koelhuizen droog is; of wel men denkt aan bevroren vleesch. Het genoemde bezwaar bestaat niet. De voor de koeling noodige koelinacbines leveren tevens, met geringe verhooging der bedrijfskosten, de gelegenheid tot de fabricage van ijs, waarvan in de meeste slachthuizen met koelinricbting een gretig gebruik gemaakt wordt, daar het ijs gemakkelijk verkocht wordt en dikwijls aardige winsten oplevert. |
De voor de koelinricbting noodige stoommachine wordt nog voor verschillende andere doeleinden gebezigd, b. v. voor het oppompen van water in een reservoir. Voor de koeling is veel water noodig, het zoogenaamde âkoelwater.quot; Het zou te duur worden daarvoor het water der waterleiding te gebruiken. Het abattoir pompt dus zelf dit water op en dit kan nu, indien de hoedanigheid niet te veel te wenschen overlaat, ook voor het overige gedeelte van het slachthuis worden gebruikt. Verder wendt men de stoommachine aan voor het verkrijgen van electrisch licht. Voor de verlichting van het koelhuis, en trouwens ook van het geheele slachthuis, is electrisch licht bet meest aanbevelenswaardige, daar het geen warmte en geen onaangename lucht afgeeft. Door de stoommachine van de koelinricbting kan men het geheele abattoir electrisch verlichten. De stoommachine is voor het koelhuis het meest benoodigd in den zomer, in den tijd dus, dat het abattoir weinig behoefte heeft aan kunstlicht. In de wintermaanden daarentegen wordt niet gekoeld, zoodat de kracht der stoommachine geheel kan worden gebezigd voor het electrisch licht. Een belangrijk punt is de rentabiliteit van een koelhuis. De geheele aanleg, met de benoodigde machinerieën, enz. kost zeer veel, zoodat de stichtingskosten van een abattoir daardoor zeer belangrijk worden verhoogd. Bovendien zijn de jaarlijksche onkosten niet gering. Men heeft een machinist noodig, veelal ook nog een stoker meer dan gewoonlijk, terwijl de uitgaven voor steenkolen, enz., vrij groot zijn. Daar tegenover staan de ontvangsten, verkregen door het verhuren der cellen van hel koelhuis en de ijsverkoop. In den regel worden de uitgaven door het verhuren dei-cellen niet gedekt, daar men den huurprijs niet al te hoog mag stellen, want dan worden ze niet verhuurd, en bovendien blijft toch dikwijls een klein gedeelte onverhuurd. In vele Duitsche steden worden de onkosten goed gemaakt door het verkoopen van het gemaakte ijs en dikwijls maakt men daardoor een niet onaardige winst. Bovendien moet niet worden vergeten, dat de arbeid, welke de stoommachine verricht ten opzichte van andere onderdeelen van het abattoir, in aftrek moet worden gebracht. Worden de cellen van het koelhuis goed verhuurd en brengt het ijs een goeden prijs op, dan kunnen werkelijk alle jaarlijksche onkosten, waaronder rente en amortisatie, door de jaarlijksche inkomsten worden gedekt. De ervaring in Duitschland opgedaan heeft geleerd, dat de rentabiliteit van het koelhuis geen bezwaar vormt tegen de oprichting, daar in vele gevallen winsten worden behaald. Dezelfde overtuiging kregen wij bij bet bezoeken der vroeger genoemde abattoirs in Duitschland. Linde 1) berekent, dat voor een stad van circa 60000 inwoners, met een koelhuis van 000 M2. oppervlakte, waarin 4'25 M2. celoppervlakte, de jaarlijksche huur 43,5 Mark per vierkanten meter en per jaar zou moeten bedragen om de jaarlijksche onkosten te dekken. Deze celhuur is niet te hoog. Voor een stad van '25000 inwoners geeft Linde een berekening, waarbij de huurprijs 52 Mark per M2. zou bedragen. Osthoir geeft als huurprijs 50 Mark op. De prijzen per M2. celvlakte zijn te Brandenburg 37 Mark, Freiburg i. B. 40 Mark, Passau 35 Mark, Würzburg 34 Mark, Holberstadt 34 Mark, Dortmund en Frankfort a/d. M. 32 Mark, Beuthen en Wiesbaden 30 Mark, Stolp 20 Mark, Lauenhurg Mark, Hanover 16 Mark, Gotha 16 Mark, Stralsund 44 Mark (opgaven van O, Schwarz), In de door den gemeente-architect en mij bezochte abattoirs waren de huurprijzen van het koelhuis per M2 celvlakte als volgt; Kleef 30 Mark, Wezel 53 Mark, Bannen 40 Mark. Orefeld '20 Mark, Bonn '27,50 Mark, Coblenz 3à Mark, Kreuznach 40 Mark, Trier 30 Mark. Wat het verkoopen van kunstijs betreft men ontvangt voor 100 kilo: te Kleef '2,00 Mark, te Wezel 0,60 Mark, te Barmen 1,20 Mark, te Crefeld 0,90 Mark, te Bonn 1.60 Mark, |
') Fleischkülilanlagen für stitdtischo ScWaclithöfe, Denkschrift der Gesellschaft für Linde's Eismachinen in Wiesbaden 1897.
|
te Kreuznach 2,40 Mark. Te Coblenz brengt het verkoopen van ijs alleen 11000 Mark per jaar op. Te Munster was tijdens ons bezoek nog geen koelhuis, doch er zal er een gebouwd worden. Te Solingen komt een geheel nieuw abattoir met koelhuis. In alle door ons bezochte plaatsen is men derhalve van het nut van een koelhuis overtuigt. Eigenaardig is het, dat nergens het koelhuis ongebruikt blijft. Zoo vertelde de directeur van het abattoir te Wezel, dat eerst vóór eenige jaren werd gebouwd, dat de slagers eerst geen gebruik wilden maken van het koelhuis, en dat er thans geen enkele cel niet verhuurd was. In Utrecht en Groningen is men van het nut van koelhuizen zoo overtuigd, dat men, ondanks het ontbreken te Rotterdam en te Amsterdam, tot den bouw besloten is en daarvoor flinke sommen heeft begroot. Te Groningen heeft men deze inrichting geraamd op circa f 110000 (koelhuis en fabriekmatig deel van het slachthuis /IBSOOO), terwijl men als ontvangsten per jaar schat: huur van 250 M2. koelcellen a Æ 20 per M2. = f 5000, en verkoop van ijs f 2300, maakt te zamen f 7300. Te Utrecht wordt koelhuis met voorkoelhuis, machinehuis en schoorsteen en alle toestellen en werktuigen geraamd op /' 155000, en een inrichting tot het fabriceeren van 120 centenaars ijs in 24 uren op f 11500, dus te zamen Æ166500; de opbrengst van het koelhuis alleen wordt geraamd op f 7200. Wat een koelhuis te Leiden betreft, dit zal voor een oppervlakte van 600 M3., met een celoppervlakte van 425 M2 en een voorkoelhuis van ruim 120 M2, volgens een speciale gespecificeerde opgave van de âGesellschaft für Linde's Eis-machinen in Wiesbadenquot;, zonder het gebouw, fundamenten, enz, en ook zonder de cellen van het koelhuis zelf, dus aan machinerieën, waaronder ook de anders toch voor het abattoir noodige twee stoomketels begrepen zijn, kosten, zonder de invoerrechten, 85500 Mark. Daarbij is gerekend op voldoende capaciteit van de stoommachine voor de levering van elec-trisch licht; op een stoompomp om het koelwater op te pompen, en op een ijsgenerator, die 2500 kilo ijs in de 24 uren kan leveren. De jaarlijksche onkosten worden dan, wat het bedrijf van het koelhuis betreft, op 9700 Mark berekend. Moge de bouw van een koelhuis zeer gewenscht zijn, vooral ook om het abattoir bij de slagers populair temaken, door de hooge stichtingskosten heeft het zijn bedenkelijke zijde, vooral voor ons land. De slagers zullen natuurlijk in het begin van het koelhuis geen gebruik maken en met deze verwaarloozing waarschijnlijk langer doorgaan dan in Duitschland, waar geen slager vijand van het koelhuis is gebleven. Men mag echter met grond verwachten, dat ook bij ons de vijandschap niet altijd ^al aanhouden. Stallen. Stallen voor de verschillende veesoorten zijn aan een abattoir onmisbaar. Gelijk ik vroeger opmerkte is een der nadeelen van het gemis van een abattoir, behalve het in de stad verspreid liggen der slachtplaatsen, het daarmede gepaard gaan van de aanwezigheid van slachtveestallen in onderscheidene deelen der stad, waardoor het hygiënisch kwaad aanmerkelijk wordt verhoogd. Voor het oprichten van veestallen is niet de vergunning van het Gemeentebestuur noodig, bedoeld in de Wet van 2 Juni 1875, Stbl. 95, zoodat derhalve niet in het belang der openbare orde, veiligheid of gezondheid een bepaalde plaats kan worden aangewezen voor het hebben van slachtveestallen en de daarmede gepaard gaande bewaarplaatsen van mest; een abattoir met veestallen heeft dus niet onvermijdelijk het verdwijnen der slachtveestallen ten gevolge. Toch zijn veestallen aan een abattoir onmisbaar en ze komen in hooge mate aan het bedoelde nadeel te gemoet. Het is voor de slagers zeer gemakkelijk het vee te kunnen stallen in de nabijheid van de plaats waar het geslacht moet worden. De dieren hebben dan naar de slachtplaats slechts een kleinen afstand af te leggen, zoodat zij zich niet vermoeien, iets wat van groot gewicht is met het oog op de hoedanigheid van het vleesch. In den regel ziet men dat de slagers, om deze redenen, hun veestallen in de stad niet meer gebruiken en uitsluitend stallen in die van het abattoir. |
Ook op het terrein van het abattoir is het gewenscht, dat de stallen der verschillende diersoorten zich zoo dicht mogelijk bevinden bij de slachthallen. Het onder één dak brengen van veestallen en slachthallen is echter niet gewenscht, ten 1ste, omdat de ventilatie van beide inrichtingen daardoor zal lijden en in de 2de plaats, omdat de atmosfeer uit een veestal zich niet mag mengen met die van een slachthal, wijl dan een ongunstige invloed op smaak, geur en houdbaarheid van het vleesch wordt uitgeoefend. Een uitzondering is te maken met betrekking tot de varkensstallen. Vette varkens zijn onhandelbare dieren, welke zeer moeilijk te verplaatsen zijn, tenzij men bijzondere transportmiddelen gebruikt. Zelfs voor kleine afstanden doet zich deze moeilijkheid gevoelen. Zij wordt tot een minimum gereduceerd, indien de varkensstallen verbonden zijn met de varkensslachthal. Het bezwaar voor het indringen van de stallucht in de hal valt weg, indien men den stal aan de broeiruimte bouwt; de atmosfeer is daar reeds onzuiver. Bovendien heeft dit het groote voordeel, dat de varkens uit den stal dadelijk in de ruimte, waar ze gedood worden, gevoerd kunnen worden, om daarna te worden gebroeid. Het bedrijf van den varkensslager zal dus verbazend vergemakkelijkt worden. Behalve voor varkens zijn stallen noodig voor groote runderen, voor kalvers en ander klein vee en voor paarden. Bovendien moet er een stal zijn voor ziek of verdacht vee. De stallen voor groote runderen, voor kalvers en ander klein vee kunnen onder één dak gebracht worden, in de nabijheid van de slachthal voor groot en klein vee, indien daarvoor ten minste geen meerdere hallen bestaan. De paardenstallen kan men aan of bij het paardenslachthuis bouwen. De stalling voor ziek en verdacht vee komt bij de slachthal voor zulk vee. De stallen moeten eenvoudig, ruim en luchtig zijn, en daarbij, dit is een hoofdvereischte, gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten. Vooral moet dus de aandacht gevestigd worden op de vloeren, iets wat trouwens ook ten opzichte van de slachthallen het geval is. Boven de stallen kunnen bergplaatsen voor hooi en stroo en andere zaken, en woningen voor arbeiders worden aangebracht. Het spreekt van zelf, dat aan de uitgaven, veroorzaakt door het kapitaal, dat de stallen hebben gekost, door onderhoud, toezicht op het vee, enz. moet worden tegemoet gekomen door de heffing van stalgelden, als een billijke vergoeding voor het gebruik der stallen. De heffing daarvan kan nooit eenige tegenkanting ondervinden, daar het gebruik maken van de stallen niet verplichtend is. Gewoonlijk wordt echter bij de vaststelling van het tarief bepaald, dat vee, hetwelk gestald wordt zonder geslacht te worden, meer stalgeld moet betalen. Behalve de voorgenoemde stallen voor slachtvee heeft men op de meeste abattoir-terreinen, gewoonlijk nabij den ingang, een stal, waarin de slagers hun rijtuigpaarden kunnen stallen, en daarnaast een wagenremise voor hun rijtuigen. In buiten-landsche steden treft men soms hondenhokken op het terrein aan voor de honden van slagers, die hun vleesch per hondenkar afhalen. Mestgébouw. Een niet onbelangrijk onderdeel van een abattoir vormt de localiteit, waar de mest en het afval, dat voor geen ander doel dan voor bemesting kan worden gebruikt, moet worden verzameld, om van daar op een doelmatige manier te worden verwijderd. Aan een abattoir wordt behalve stalmest, afkomstig van de in de stallen geplaatste slachtdieren, verkregen de inhoud van maag en darmen der geslachte dieren. In vele gevallen kan nog bloed, voor zoover het niet door de slagers medegenomen wordt (b. v. voor de bereiding van bloedworst), en |
- 17 â
|
ander afval, dat niet in de rioleering terecht komt, de hoeveelheid onreine stoffen, die op doelmatige wijze moeten verzameld worden, verhoogen. Het dient regel te zijn in een openbaar slachthuis, dat maag en darmen , waarvan de inhoud om de onaangename reuk te vreezen is, oogenhlikkelijk na de slachting van het dier en voor zoover de keuring dit toelaat, uit de slachthallen moeten worden verwijderd. Men heeft daarvoor eigenaardig ingerichte wagentjes, welke door firma's, die hun speciaal werk maken van slaclithuisleveranties, in den handel gebracht worden. De genoemde ingewanden moeten dan eerst in de mestruimte van hun inhoud worden ontdaan , om daarna in de darmwasscherij nader gereinigd te worden. Het spreekt van zelf, dat, men behoeft slechts een oogenblik te denken aan de volumineuze darmcontenta van runderen, de op die wijze verkregen mest een respectabele hoeveelheid vormt, welke in de mestruimte voor korteren of langeren tijd geborgen moet worden en welke hoeveelheid dan nog vermeerderd wordt door den stalmest en de andere vroeger genoemde stoffen. Zoo'n mestlokaal moet aan verschillende eischen voldoen. De mest moet er op gemakkelijke wijze in te brengen zijn en eveneens op gemakkelijke wijze er uit te verwijderen. Gedurende dit verwijderen, maar ook gedurende het gedeponeerd zijn van den mest in het mesthuis, mag zich geen hinderlijke stank verspreiden. Het vervullen van deze eischen is van groot belang. Vroeger werd als een der grieven tegen abattoirs genoemd het verspreiden van stank in de omgeving. Men hechtte zooveel aan dit bezwaar, dat men bij het kiezen van een terrein, juist met het oog op dien stank, rekening hield met de heerschende windrichting. Bij de moderne abattoirs kent men dit bezwaar niet meer. Een abattoir, mits doelmatig ingericht en gebouwd, geeft geen stank in de omgeving, zoodat men op de windrichting niet behoeft te letten. Wel is door goed gebouwde abattoirs stank mogelijk, maar deze wordt dan veroorzaakt door inrichtingen, die feitelijk op het terrein niet thuis behooren, zooals vetsmelterijen, bloed-drogerijen en dergelijken. De mestruimte geeft geen stank, wanneer ze goed wordt ingericht, en een abattoir levert, wat stank betreft, behoudens de gemaakte reserve, geen gevaar voor de omgeving op. De inrichting van het mestlokaal hangt van verschillende omstandigheden af. Men kan ze indeelen als volgt: a. in zulken, welke een niet heweecjiijhen recipient hebben, waarin de mest wordt uitgestort, om dezen dan af en toe in wagens te laden en weg te rijden en amp;., in zulken, die een beweeglijken ontvanger bezitten, welke tegelijkertijd als wagen dienst doet en waardoor de mest wordt weggereden. Het spreekt van zelf, dat de beweeglijke ontvangers, wanneer ze zoodanig zijn gemaakt, dat de wanden niets doorlaten en wanneer ze bovendien zoodanig zijn ingericht, dat ze geen stank verspreiden, te prefereeren zouden zijn, indien overigens de mestruimte aan de eischen voldeed. Er zijn echter aan deze inrichting enkele straks te noemen bezwaren verbonden, welke de voordeelen wel wat verminderen. De mestlokalen met vasten ontvanger kan men op twee wijzen inrichten: a. als een open mestput. Er is dus een open, waterdichte ontvanger, waarin de mest gestort wordt. Eenige malen per week wordt de inhoud weggereden. Deze inrichting geeft aanleiding tot veel stank, ook omdat de aan weer en wind blootgestelde mest voortdurend gassen ontwikkelt. Ze is zeer eenvoudig, maar zeer ondoelmatig, en mag dus niet worden toegepast; b. als een mesiyebouiu, waarin een mestput. Hierbij ligt de put in het overdekte mestlokaal. Men reserveert daarin voldoende ruimte om gelegenheid te geven tot het inwerpen van den mest, terwijl de wagens, waarmede hij weggevoerd wordt eveneens gemakkelijk een plaats kunnen vinden. Er is dus in het mestgebouw een voldoende ruimte om de put te ledigen en de wagens te vullen. Bovendien kan men in het lokaal, op de put, privaten aanbrengen. A.lles geschiedt dus onder dak, terwijl het gebouw zelf met ventilatoren voorzien wordt. |
Men kan het ook zoodanig inrichten, dat de mest door openingen in de wanden ran het gebouw, welke kleppen hebben, in de mestkuil wordt geworpen, terwijl aan de tegenovergestelde zijde' dergelijke, door schuiven te sluiten openingen zich bevinden, waaronder de wagens, die den mest moeten afvoeren, worden geplaatst. Deze inrichting is minder doelmatig, omdat niet alles onder dak staat. Wat de beweeglijke ontvangers betreft, dit zijn mestwagens, welke verschillende vormen kunnen hebben, en waarvoor men ook spoorwagens kan nemen, waardoor dus de mest per spoor kan worden verwijderd. Men werpt den mest dadelijk in de wagens. Het gemakkelijkst geschiedt dit, indien de wagens, door een verdieping in het terrein, onder een soort platvorm gereden kunnen worden. Door gaten daarin kan de mest dadelijk in de wagens worden gestort. Deze methode heeft eenige nadeelen; in den winter bevriest de mest in de wagens gemakkelijk, zoodat ze niet geledigd kunnen worden; bovendien moeten de wagens geledigd worden, zoodra ze vol zijn; dit moet prompt geschieden, iets wat voor de afnemers dikwijls lastig is. Eindelijk geschiedt alles niet in een gesloten gebouw, waardoor zich voortdurend stank over het terrein kan verspreiden. Groot zijn deze bezwaren echter niet; we zagen deze methode op verschillende abattoirs met succes toegepast. Het uitgraven van het terrein om de mestwagens diep te plaatsen, zal echter niet bij eiken bodem even gemakkelijk gaan. Het doelmatigst komt mij daarom voor een ruim goed geventileerd mestgebouw, waarin een groote mestkuil met imperméabele wanden, terwijl er zooveel ruimte is dat uitstorten en inladen binnen geschiedt; van stank met het oog op de omgeving is dan geen sprake. Op het terrein van het abattoir dient zich verder te bevinden een Administratiegebouw, voor de verschillende bureau-werkzaamheden, terwijl daarin zich tevens een lokaal voor den portier kan bevinden. Verder dient er te zijn een Keuringslokaal, waarin de keuring van het ingevoerde versche en toebereide vleescb plaats vindt. Daarmede dient te communiceeren Het Laboratorium, waarin de wetenschappelijke onderzoekingen, voor de vee-en vleeschkeuring, doelmatig kunnen geschieden. De noodige hulpmiddelen dienen dus aanwezig te zijn. Verder dient er te zijn een Directeurswoning, terwijl er ook in den regel woningen zijn voor beambten en arbeiders. Deze laatsten kunnen doelmatig boven keurlokaal, laboratorium en administratie-gebouw worden aangebracht. In vele gevallen vindt men ook in de nabijheid der slachthallen een lokaal voor de slagerspatroons en voor de slagersknechts. In den regel zijn op het terrein aanwezig basculen voor levend vee (groot vee en varkens), liefst in de nabijheid van de betreffende slachthallen, gelijk er in de slachthallen basculen zijn om vleesch te wegen. Deze basculen leveren voor de slagers een groot gemak op. Voor het gebruik zijn billijke weegloonen te heffen. Op sommige abattoir-terreinen vindt men een restauratiegebouw; voor kleine steden is dit overbodig. Niet tol hel abattoir behoorende inrichtingen op het terrein daarvan. Op slachthuisterreinen worden niet zelden inrichtingen aangetroffen, walke er feitelijk niet tehuis behooren, en |
|
welke ook dikwijls de goede werking van een abattoir benadeelen. Zoo behooren vetsmelterijen, bloeddrogerijen, huidenzoute-riien rgt;n dereeliikpn niet tot een abattoir en het zijn juist . i .. . ii .\ â ! .i' ijo ir liet verspreiden van onaangename geuren de reputatie van een abattoir in gevaar brengen. Waar deze zaken te vermijden zijn, doet men wijs ze van het terrein te weren. In Q-roningen schijnt men de gelegenheid voor vetsmelten en bloedverwerken op het terrein te willen geven. In dergelijke gevallen worden de aangewezen lokalen aan particuliere ondernemers verpacht. Slerilisalor en Destrudor. Een toestel voor het steriliseeren van vleesch raag aan een abattoir niet ontbreken. Het vleesch wordt daarin zoodanig verwarmd, dat schadelijke kiemen worden gedood, terwijl het vleesch toch als voedingsmiddel bruikbaar blijft. Met het oog op tuberculose zijn deze apparaten, waarvan verschillende systemen bestaan, onmisbaar. Het aan een abattoir afgekeurde vleesch, dient op doelmatige wijze onschadelijk gemaakt te worden. Begraven is niet voldoende. In kleine steden is een zeer goede methode het verbranden in het ketelvuur. Voor grootere plaatsen zijn inrichtingen gewenscht, waardoor het afgekeurde vleesch tot vet, lijm en meststof wordt verwerkt. Water, licht en rioleering. Een punt van overwegend belang, ook met het oog op de exploitatiekosten van een abattoir, vormt de waterver zorging. In de inrichting moet de grootste zindelijkheid heerschen; daarvoor is noodig veel water, dat gemakkelijk te verkrijgen moet zijn. Voor de slachtingen zelf is ook veel water noodig en het is een vereischte, dat de slagers daarover in voldoende hoeveelheid kunnen beschikken, opdat zij bij het slachten zoo zindelijk mogelijk te werk kunnen gaan. Is een koelhuis aan het abattoir verbonden, dan eischt dit, gelijk vroeger werd medegedeeld, op zich zelf reeds zeer veel water, voor de condensatie van het gebruikte gas. Voor de varkensslachterij en voor de darmwasscherij moet warm water geleverd worden; daarvoor zijn stoomketels, reservoirs en de noodige buizengeleiding noodig. Wat het voor de slachtingen benoodigde water aangaat, men rekent 0.30â0.35 M3. per slachting, waaronder dan het voor reiniging, enz. noodige water begrepen is; het koelwater is er natuurlijk buiten. Het water is in een slachthuis het gemakkelijkst te verkrijgen door aansluiting aan een stedelijke waterleiding, indien de prijs van het leidingwater geen overwegend bezwaar vormt. Vooral is het aanbevelenswaardig, omdat men dan verzekerd is, goed water te hebben. Is het water niet op die wijze te verkrijgen, dan pompt liet abattoir zijn water door middel van stoompompen op in reservoirs, waartoe natuurlijk de gelegenheid bestaat. Op die manier krijgt men langs goedkoopen weg zeer veel water. Is er een koelhuis, dan wordt van deze methode toch reeds gebruik gemaakt om het âkoelwaterquot; te verkrijgen. Echter al is er geen koelhuis en al is water op voldoend goedkoope wijze door middel der waterleiding, die de stad voorziet, te bekomen, dan nog moet een abattoir in de gelegenheid zijn op andere wijze water te verkrijgen. Aan een abattoir mag nooit gebrek aan water zijn, daar dan het bedrijf zou moeten stilstaan. Het is daarom ondoelmatig, dat een slachthuis, wat de watervoorziening betreft, geheel afhankelijk is van de waterleiding der stad, gelijk te Rotterdam bij een defect aan de hoofdtoevoerbuis éénmaal is gebleken. Ook daar waar het abattoir aan de waterleiding der stad is aangesloten, en dus ook bij een abattoir zonder koelhuis, is het steeds zaak te zorgen, door middel van een steeds gevuld reservoir, of dooi' middel van een eigen water-verzorgings-inrichting, dat nooit gebrek kan ontstaan. Evenzeer is het raadzaam in de gevallen, waarin het abattoir zijn eigen water oppompt, het met het oog op eventueele storingen, tevens aan de waterleiding der stad te doen aansluiten. |
Steeds komt het mij gewenscht voor, indien dit eenigszins mogelijk is, voor de slachtingen van leidingwater gebruik te maken, zooals gezegd, met het oog op de kwaliteit van het water, ten minste, indien dit niet al te veel kost. Dan kan het gebruik van 0.35 M3. per slachting de bedrijfskosten vrij sterk verhoogen, maar een overwegend bezwaar kan dit niet vormen. Een andere zaak, met betrekking tot de oprichting van een abattoir van groot belang, zoowel met het oog op de kosten als met het oog op de meest doelmatige wijze, is de verlichting. Wat doelmatigheid betreft, staat zeer zeker electrisch licht bovenaan. Dit geeft weinig warmte en geen onaangename lucht, en is dus voor een abattoir aangewezen. Waar een koelhuis aanwezig is, is moeilijk een andere verlichting te gebruiken. Dit licht is dan gemakkelijk te produceeren door de stoommachine, die ten behoeve van de koeling aanwezig is. terwijl de kosten in dat geval niet hoog zijn. In den zomer, wanneer de machine sterk wordt aangesproken voor de koeling, is het minst behoefte aan kunstlicht. Omgekeerd behoeft in de wintermaanden, waarin de behoefte aan kunstlicht het sterkst is, de machine niet gebruikt te worden voor de koelinrichting. Bestaat geen koelhuis, dan zal men, omdat electrische verlichting te duur zou worden, van gaslicht gebruik maken, vooral wanneer een stad een stedelijke gasfabriek bezit. De verlichting door middel van gas is veel beter dan die door middel van petroleum, door het mindere brandgevaar en door het geringer gevaar voor stank. De verackering van een abattoir kan de jaarlijksche onkosten vrij sterk opdrijven; een bezwaar voor de exploitatie vormt dit echter niet. In de door ons bezochte abattoirs, met name die met koelhuis, werd electrisch licht gebezigd. In Amsterdam en Rotterdam, waar geen koelhuis is, gebruikt, men gas, waarvoor een hoogeren prijs betaald wordt dan te Leiden het geval zou zijn. Zeer gewichtig eindelijk, met het oog op de oprichting van een abattoir is de rioleeringsquaestie. Het spreekt van zelf, dat de afwatering van de verschillende onderdeden zeer doelmatig moet zijn. Alleen dan wanneer de afvoer van het spoelwater en de daarmede gemengde stoffen uit de verschillende abattoirlokalen doelmatig en volledig plaats vindt, kan van een goed abattoir gesproken worden. Van groot belang is echter het antwoord op de vraag: Waar blijven de stoffen, welke in de rioolbuizen van het abattoir verzameld worden? Het is te begrijpen, dat het in het buizenstelsel van het abattoir terecht komende een zeer onzuivere, reeds in ontbinding verkeerende of anders spoedig daartoe overgaande massa zal zijn, ook al is zij door het in de inrichting rijkelijk gebruikte spoelwater sterk verdund. Het zijn deze stoffen, welke in de particuliere slachthuizen aanleiding geven tot bodemverontreiniging en stank; bet is de opdracht van een abattoii' daaraan een einde te maken. Men mag dus als eisch stellen, dat bij een abattoir het door het slachten ontstaande bloedwater, spoelwater, enz., geen hygiënisch nadeel meer kan opleveren, maar op een rationeele manier onschadelijk wordt gemaakt. Sommige steden verkeeren met betrekking tot deze aangelegenheid in een gunstige, andere in een ongunstige positie; ik heb daarop reeds gewezen bij de bespreking van de terreinquaestie. Het gemakkelijkst is de oplossing van het vraagstuk te verkrijgen in die steden, welke aan een rivier met sterke strooming zijn gelegen, of wel in haar geheel uitstekend gerioleerd zijn. In het eerste geval Iaat men het afvoerend buizenstelsel van het abattoir doodeenvoudig beneden de stad in de rivier uitmonden, iets wat zeer gemakkelijk is, wanneer het slachthuis beneden de stad aan de rivier gebouwd wordt. In den regel zullen de afgevoerde stoffen dan door de onmiddellijk |
|
intredende verplaatsing, gepaard met sterke verdunning, geen verdere nadeelen opleveren. In het tweede geval laat men het afvoerend buizenstelsel van het slachthuis uitmonden in het rioolstelsel der gemeente. Dit is een zeer gemakkelijke oplossing, welke echter een goede rioleering van de stad als eisch stelt. In Rotterdam, waar de geheele stad (behoudens het nieuw geannexeerd gedeelte) gerioleerd is, en de in de riolen verzamelde stoffen door middel van stoomgemalen beneden de stad in de Maas gevoerd worden, vindt men deze methode toegepast. Te Amsterdam worden de af te voeren stoffen naar het IJ geleid. Raadzaam is het echter in elk geval, en men ziet dit ook vrij regelmatig toegepast, dat, met het oog op even-tueele verstoppingen, en om de vaste stollen rentabel te maken, de grove bestanddeelen van de af te voeren stoffen, in bassins kunnen bezinken en door grove filters worden teruggehouden, vóór dat zij in de rivier of in het rioolstelsel terecht komen. Dergelijke bezinkingsbassins en grove filters (van potscherven) vindt men ook te Rotterdam en te Amsterdam. De afvloeiende stoffen worden dus op die wijze mechanisch gereinigd. In minder gunstige omstandigheden verkeeren de steden, welke noch aan een flink stroomende rivier zijn gelegen, noch in het bezit zijn van een voldoende rioleering. Vormen zij echter een overwegend bezwaar tegen de oprichting van een abattoir'? Geenszins. Dadelijk moet reeds worden opgemerkt, dat, indien men in een dergelijke stad het af to voeren vuil, na een grove maar doelmatige filtratie (zoodat hetgeen afvloeit niets dan, zij het ook zeer onzuiver water is), laat vloeien in grachten, vaarten en slooten , die dan toch ook uit den aard der zaak de andere door de stad geprodu ceerde rioolstoffen moeten opnemen, de toestand steeds veel gunstiger zal zijn dan bij het bestaan van vele, in de stad verspreid liggende slachtplaatsen. In het laatste geval toch komen de af te voeren stoffen voor een groot deel niet in gracht, vaart of sloot terecht, maar in den bodem. De bodemverontreiniging zou derhalve door het abattoir sterk verminderen. Maar er zijn nog andere redenen, waarom de abattoir-quaestie niet afhankelijk gesteld behoeft te worden van een stroomende rivier of een volmaakte rioleering. Er heslaan andere middelen om de door een abattoir geleverde stoffen onschadelijk te maken. Daarvoor is noodig dat de van een abattoir afkomstige in het buizenstelsel verzamelde stoffen, niet alleen mechanisch gereinigd, grof gefiltreerd worden, maar dat ze dooi' toevoeging van bepaalde stoffen ook een chemische zuivering ondergaan. De daarvoor noodige inrichting moet op het terrein aanwezig zijn en is bekend onder den naam van âklaar-inrichtingquot;, een naam, die uit Duitschland is overgenomen. Zij heeft dus de opdracht het water te âklarenquot;. Wij zagen dergelijke klaarinrichtingen aan verschillende Duitsche abattoirs, zelfs ook daar, waar het buizenstelsel van de slachthuizen in rivieren of in bet stedelijk rioolstelsel uitmondt. Gewoonlijk zijn zij dan het gevolg van maatregelen van overheidswege voorgeschreven, welke echter bewijzen, dat men in de bedoelde zuiverings-procédé's vertrouwen stelt. Terloops mag ik hier opmerken, dat de zuivering van het afvoerwater geheel overbodig is, indien in de nabijheid van het abattoir weilanden te vinden zijn, welke voor bevloeiing met de afgevoerde stoffen in aanmerking komen; daarbij moet dan echter nog als voorwaarde worden gesteld, dat de veroorzaakte stank niet hinderlijk is, wat alleen het geval kan zijn bij een zeer geïsoleerde ligging van het slachthuis. Deze bevloeiing vindt dan ook zelden toepassing. De mechanische zuivering van het afvoerwater is, het werd reeds gezegd, een grove filtratie; het water wordt daardoor reeds vrij helder, maar niet zuiver en riekt gewoonlijk sterk De filtreerinrichting kan op verschillende wijzen ingericht zijn; als goed filter-materiaal zijn bekend kiezelzand, kleine steenen, zand, cokes, houtskool, turfmolm, potscherven (Rotterdam en Amsterdam) en dergelijken. |
Het in de verschillende lokalen van het abattoir ontstane wasch- en spoelwater verliest een deel der grove bestanddeelen in de zinkemmers en zinkputten, welke in het verloop der afvoerende buizenleiding aanwezig zijn. Daardoor heeft derhalve reeds eenige zuivering plaats; vervolgens komt het water in de mechanische klaar-inrichting; voor de werking daarvan verwijs ik naar het werk van Schwarz '). De chemische zuivering wordt met de mechanische gecombineerd. Nadat de filtratie heeft plaats gevonden, worden aan het gefiltreerde water bepaalde chemicaliën toegevoegd, waardoor een groot aantal stoffen neerslaan; vele microorganismen worden tegelijkertijd medegenomen door het neerslag, of wel ze worden in hun verdere ontwikkeling door de chemische stoffen belemmerd. In den laatsten tijd worden voor de chemische zuivering van het afvoerwater een aantal stoffen aanbevolen; vooral kalk, als kalkmelk aangewend, bezit een goede reputatie. Aanbeveling verdienen de volgende mengsels: Kalk, kiezelzuur-hydraat, aluminiumsulfaat (Müller-Nahnsen). Kalk, ijzervitriool, koolpoeder (Holden). Kalk, chloormagnesium, leem (Süvern). Kalk, Stassfurter zouten een toevoeging van Dernel (Demel). Kalk 4- het mengsel van Hulwa (Hulwa). Uzerchloride, ijzersulfaat, carbolzuur (Friedrich en Glass). Voor nadere bijzonderheden omtrent deze chemische zuivering moet ik verwijzen naar het genoemde werk van Schwarz, waarin de methoden van Röckner en Rothe, Müller-Nahnsen, Hulwa en Scott Moncrieff beschreven zijn. Experimenten hebben aangetoond, dat het afvloeiende water, gezuiverd volgens de methode Röckner en Rothe, minder bacteriën bevatte dan drinkwater; dat, gezuiverd volgens de methode Müller-Nahnsen, was helder, vrij van gesuspendeerde stoffen, zonder reuk of wel iets loogacbtig riekend, alkalisch, en bleef, aan de lucht gezet, behoudens de afscheiding van een weinig koolzure kalk, zeer lang in denzelfden toestand. Het water, gezuiverd volgens Hulwa, was vrij van levensvatbare micro-organismen. Zelfs van te voren opzettelijk met het water gemengde miltvuurbacteriën waren, na de passage door het mengsel van Hulwa, niet meer levensvatbaar. De slachthuisspecialiteit G. Osthoff te Berlijn beveelt aan en gebruikt bij de door hem te bouwen abattoirs de chemische zuiverings-methode van Friedrich en Glass te Leipzig, welke volgens hem aan alle eischen voldoet. Volgens een bericht van deze firma zou een klaarinrichting volgens haar systeem, voor een stad ter grootte van Leiden, circa '2500 Mark kosten, terwijl het gezuiverde water volkomen helder en reukloos is en uit een bacteriologisch oogpunt het water van vele rivieren overtreft. Men is dus door de chemische en mechanische zuivering van het afvoerwater van een abattoir in staat, dit water zoodanige eigenschappen te verschaffen, dat men het zonder bezwaar in gracht, vaart en sloot kan laten loopen. Een rivier met sterke strooming of een volmaakte rioleering is dus voor de oprichting van een abattoir in een of andere stad geen vereischte. Ware dit het geval, dan zouden steden, die daarvan verstoken zijn, niet in de gelegenheid wezen een openbaar slachthuis te stichten. De bij de reiniging van het afvoerwater verkregen vaste stoffen kunnen als meststof aanwending vinden, voorzoover ze door de aangewende chemicaliën daartoe niet ongeschikt gemaakt zijn. Inventaris. Voor de verschillende slachthuislokalen zijn een groot aantal werktuigen, gereedschappen, utensiliën, enz. noodig, waaraan vóór alles de eisch gesteld moet worden, dat ze |
l) Bau, Einrichtung und Betrieb von öffentlichen Schlachthöfen, Berlin i894.
- 20 â
|
doelmatig en gemakkelijk te hanteeren zijn, om het bedrijf van den slager zoo veel mogelijk te vergemakkelijkeii; verder moeten ze gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten wezen, weinig aan onderhoud kosten, enz. Zoo zijn er noodig vaste of beweeglijke windinrichtingen, loopkranen en andere transportinrichtingen, liakenrekken met haken, spoelbakken, cellen van ijzerdraad of van staafijzer, tafels, schragen, karren, mestwagens, penswagens, broeikuipen, basculen, enz. De inventaris is, juist om de soliditeit, die geëischt wordt, vrij duur. In Duitschland worden deze zaken geleverd door firma's, welke hun speciaal werk maken van het inrichten van slachthuizen en het op dat gebied tot een groote hoogte hebben gebracht. Een uitstekenden naam op dit terrein heeft de firma Beek amp; Henkel te Kassei, welke de inventaris van de meeste der door ons bezochte abattoirs geleverd heeft en die ook te Rotterdam en te Amsterdam de slachthuizen met uitmuntende toestellen heeft voorzien. Verordeningen, reglementen, tarieven, enz. Met het oog op het doelmatig gebruik van een openbaar slachthuis, het tegengaan van overtredingen, het verkrijgen van de noodige inkomsten, een goede regeling der werkzaamheden, enz., moeten een aantal verordeningen, reglementen , tarieven, enz. worden vastgesteld. Deze verschillen naar de algemeen geldende wettelijke bepalingen, naar de eigenaardigheden der plaats zelf en wat de tarieven betreft, naar de benoodigde inkomsten, zoodat daaromtrent in alge-meenen zin weinig mede te deelen is. Personeel. Een abattoir eischt een vrij groot personeel. Dit kan geen verwondering wekken, indien men bedenkt, dat er de grootste zindelijkheid moet heerschen, dat de inrichting voortdurend bezocht en gebruikt wordt door vreemde lieden, welke gecontroleerd moeten worden, dat het de plaats is, waar de vee- en vleeschkeuring wordt uitgeoefend, dat er stallen op het terrein zijn, die voortdurend onder toezicht moeten staan, dat er een nauwkeurig financieel beheer moet plaats vinden, hetwelk met het oog op het ontvangen van slachtgelden, keurloonen, stalgelden, weegloonen, huur van koelcellen, enz. niet gemakkelijk is. Hovendien is er een stoommachine of een stoomketel te bedienen, waarvoor personeel noodig is. Aan het hoofd staat een directeur, die in den regel, met het oog op de vee- en vleeschkeuring, veearts is. Wat die keuring aangaat wordt hij bijgestaan door keurmeesters, waaronder ook veeartsen kunnen zijn. Op het gebied der administratie wordt hij geholpen door een boekhouder. Verder zijn er halopzichters, wat ook de keurmeesters kunnen zijn, wegers, halknechts, stalknechts, terreinarbeiders, stokers, een machinist, een portier, enz. Het hangt van de grootte en van de inrichting van het abattoir af hoe groot en van welken aard het personeel zal zijn, en of verschillende betrekkingen gecombineerd kunnen worden. Ik meen cén zaak, die bij het bezoeken van buitenland-sche abattoirs vooral mijn aandacht heeft getrokken, hier te moeten vermelden. In het meerendeel rler bezochte abattoirs was de directeur veearts, dikwijls met het oog op de vleeschkeuring bijgestaan door een tweeden veearts. In vele gevallen was echter voor het financieel beheer niet de directeur verantwoordelijk, maar een boekhouder of kassier, die een behoorlijken borgtocht had gesteld of gestort. Men heeft dit natuurlijk gedaan met het doel om den directeur, die de wetenschappelijke leider is van de inrichting te ontheffen van de verantwoordelijkheid van de kas, welke hem waarschijnlijk te veel administrateur en te weinig directeur zou maken. Met het oog op een richtig beheer der instelling is er gewoonlijk een commissie van toezicht, welke het gemeentebestuur in het toezicht op het openbaar slachthuis bijstaat. |
III. Openbaar slachthuis te Leiden. A. Wenschelijkheid. Na hetgeen door mij in afdeeling I van dit rapport in het algemeen omtrent de wenschelijkheid van abattoirs werd betoogd, meen ik met betrekking tot de wenschelijkheid van een abattoir te Leiden kort te mogen zijn. Gaat men na hoe het met de verschillende toestanden, welke de oprichting van een abattoir gewenscht maken, te Leiden gesteld is, dan voert dit alras tot de conclusie, dat de oprichting van een openhaar slachthuis te Leiden zeer wen-scholijk is. Voor die wenschelijkheid heb ik reeds verschillende rede- t nen aangevoerd in de verslagen der Vee- en Vleeschkeuring ) over de jaren 1894, 1895 en 1896. Over het algemeen genomen is het met de Leidsche slachtplaatsen zeer treurig gesteld. Behoudens enkele uitzonderingen geven zij allen aanleiding tot de groote nadeelen, welke in afdeeling I werden beschreven, nog vermeerderd door dat, hetwelk in de stad verspreid liggende slachtplaatsen, ook al zijn zij goed ingericht, veroorzaken. In vele gevallen wekt het werkelijk walging te zien in welke afzichtelijke lokalen een der belangrijkste voedingsmiddelen verwerkt wordt. Ik herhaal er zijn uitzonderingen, maar weinige. En de opmerking geldt zoowel de runder- als de varkensslacht-stallen, welke laatsten in de meeste gevallen nog slechter worden gemaakt door het feit, dat in dezelfde localiteit kokerijen en rookerijen aanwezig zijn, waardoor de temperatuur en de atmosfeer er dikwijls ongenietbaar wordt. Het is een witte raaf in den zomer een slachtplaats aan te treffen die volkomen zuiver riekt. Bodem en afwatering, ruimte en ventilatie laten in den regel sterk te wenschen over. In het verslag der Vee- en Vleeschkeuring te Leiden over 1896 vindt men dè resultaten van een onderzoek, omtrent den toestand van Leidsche slachtplaatsen ingesteld. Daar werd geconstateerd : âdat van de 72 onderzochte slachtplaatsen, bodem, rioleering, afwatering, enz. in '25, de ruimte âin 40, en licht, atmosfeer, ventilatie, enz. in 18 gevallen, âhetzij als voldoende of als meer dan dat konden worden âbeschouwd; dat wil dus zeggen, dat van de onderzochte âlocaliteiten 41,66 0/0 voldoende waren wat de eerste, 55,55 7o âwat de tweede en 20,83 wat de derde rubriek van âeigenschappen betreft. âDe toestand der slachtstallen is dus niet schitterend te ânoemen; als bewaarplaatsen van vleesch zijn zij in bijna â80 0I0 ongeschikt; in bijna 60 7o der gevallen zullen zij âaanleiding geven tot bodemverontreiniging d.w.z. bloed, âbloedwater en andere door het slachten veroorzaakte onreine âstoffen, komen niet terecht in het afvoerend rioolstelsel, âmaar ook in den bodem.quot; De nadeelen worden nog verhoogd door de vele aan de slachtplaatsen verbonden stallen voor vee, die en de bodemverontreiniging èn het atmosfeerbederf, afgezien van het waterbederf helpen verhoogen. t De toepassing van de Hinderwet schijnt derhalve niet in staat geweest te zijn dezen toestand der slachtplaatsen te verhinderen. Ik geloof niet, dat de toestand te Leiden ongunstiger is dan in andere plaatsen; ook uit andere plaatsen komen met betrekking tot dit punt ongunstige berichten; overal, waar de inrichting der slachterijen aan de slagers is overgelaten, zal het wel zoo zijn. In elk geval kan gerust gezegd worden, dat met het oog op den toestand der Leidsche slachterijen, de oprichting van een openbaar slachthuis zeer gewenscht is. Dan zullen de nadeelen in afdeeling I van dit rapport genoemd verdwijnen en alle daar genoemde voordeelen bereikt worden. i Gaat men niet tot de oprichting van een openbaar slachthuis over, dan noem ik het aangewezen, om, ten einde |
|
eenige verbetering in den toestand te verkrijgen, krachtige maatregelen te nemen met het doel de eigenaars te noodzaken hun slachtplaatsen te verbeteren, terwijl door een strenge contróle zal moeten worden gezorgd, dat de oude toestanden niet weder intreden. Afdoende is dit middel echter niet, en voordeelig voor die eigenaars evenmin. Ook met het oog op de Vee- en Vleeschkeuring is te Leiden een openbaar slachthuis gewenscht. In de verslagen der vee- en vleeschkeuring over 1894, 4895 en 1896 werd er steeds door mij op gewezen, dat deze tak van dienst nooit goed kan worden beoefend zonder een abattoir. De Vee- en Vleeschkeuring. zooals zij thans is ingericht, heeft een einde gemaakt aan den allertreurigsten toestand, die op dit gebied vóór den Isten October 198B bestond en mag met het oog daarop op goede resultaten bogen; alleen een abattoir kan haar volmaakt doen worden. De keuring van het vee vóór de slachting zal aan een abattoir beter kunnen geschieden dan zooals dit thans geschiedt in de open lucht op het allerongelukkigst en onvoldoend afgesloten terrein vóór het keurlokaal, waar allerlei vreemde personen het onderzoek bemoeilijken. Van een langdurig, ernstig onderzoek kan dikwijls geen sprake zijn, Aan een abattoir kan deze keuring goed plaats vinden. Tevens zal dan het voor de slagers en voor het publiek zeer lastige drijven of vervoeren van het slachtvee van af den stal naar het keuringslokaal en terug komen te vervallen; het onderzoek van de dieren ten behoeve van den accijns geschiedt mede aan het abattoir. Vooral voor de slagers is dit een groot voordeel; het bespaart hun tijd en personeel en het geeft hun beter vleesch, want slachtdieren moeten zoo weinig mogelijk beweging hebben. Veel meer noodzakelijk nog dan voor de keuring vóór de slachting, is een abattoir voor de keuring na de slachting. Voor een goede keuring is het noodig, dat zij onmiddellijk na de slachting geschiedt. Dit kan natuurlijk alleen plaats vinden aan een abattoir, waar de keurmeesters voortdurend ter plaatse zijn. Een keuring in slachthuizen, welke door de geheele stad verspreid liggen, laat altijd te wenschen over. De voor het onderzoek noodige deelen worden door de slagers slechts noode en dikwijls ondoelmatig bewaard. De keurmeesters hebben een vermoeiende taak, waardoor het onderzoek niet bevorderd wordt. Is microscopisch of bacteriologisch onderzoek noodig dan is de groote afstand van het laboratorium een groot bezwaar. Ook de slager ondervindt bezwaren; hij moet wachten tot de keurmeester er geweest is, alvorens hij vleesch van het geslachte dier mag nemen; door een groot aantal keuringen in verschillende deelen der stad, zal hij derhalve soms moeten wachten. In een abattoir kan hij dadelijk na de slachting, en zelfs wanneer een laboratorium-onderzoek noodig is, zeer spoedig worden geholpen, wat voor hem een groot voordeel is. Thans moeten de slagers zorgen, dat het afgekeurde vleesch naar het keurlokaal getransporteerd wordt; bij het bestaan van een abattoir vervalt die verplichting, waardoor zij van een lastige taak worden ontheven. Een groot bezwaar wordt thans bij het keuren ondervonden door de slechte en ondoelmatige verlichting der slachtplaatsen, waardoor het onderzoek in vele gevallen onmogelijk is. Dooi' een abattoir zal dit bezwaar vervallen. In het algemeen is de controle in een abattoir gemakkelijk uit te oefenen, waardoor fraude verminderen zal. Kortom de Vee- en Vleeschkeuring zal beter uitgeoefend kunnen worden en betere resultaten geven, wanneer te Leiden een openbaar slachthuis bestaat. Ook uit een oogpunt van dierenbescherming is een abattoir te Leiden wenschelijk. Vooreerst dooi' het verminderen der kwellingen, die de slachtdieren tijdens het vervoer thans hebben te ondergaan; maar in de tweede plaats dooi' het geven van voorschriften omtrent de toe te passen wijze van afmaken der dieren, welke thans in de meeste gevallen veel te wenschen overlaat, en de dieren aan schromelijke mishandelingen blootstelt. |
Ik acht mij verplicht hier nog de aandacht te vestigen op een speciaal punt, met het oog waarop ik de oprichting van een abattoir te Leiden noodzakelijk acht. In de keuringsverslagen heb ik telkens gewezen op het toenemen van het aantal gevallen van tuberculose onder het slachtvee te Leiden. Welnu, het aantal gevallen daarvan neemt in den laatsten tijd zoo schrikbarend toe, dat ze indien het nog erger mocht worden, weldra niet meer te controleeren zullen zijn, tenzij men over een abattoir kan beschikken. Met het oog op het groote gevaar voor de menschelijke gezondheid, mag dit punt niet onderschat worden. In dezelfde verslagen heb ik steeds opgemerkt, dat het wenschelijk is een sterilisatie-toestel te bezitten, ten einde schadelijk tuberculeus vleesch onschadelijk te kunnen maken. De exploitatie van een dergelijk apparaat gaat aan een abattoii' zeer gemakkelijk, en daar Leiden in Nederland, wat de gevallen van tuberculose betreft, bovenaan staat, is in dit opzicht een abattoir dringend gewenscht. Het afgekeurde vleesch wordt thans begraven aan de Slaag-sloot. Deze wijze van handelen is ondoelmatig. Het móet of verbrand, of in een destructor tot vet, lijm en meststof verwerkt worden. Beide procédé's kunnen aan een abattoir zeer gemakkelijk worden toegepast en blijven zonder een abattoir tot de vrome wenschen behooren. Een onderzoek van alle te Leiden geslachte varkens op trichinen, waarvan de noodzakelijkheid zou kunnen blijken (men denke aan de in 1888 voorgekomen gevallen van trichinosis) , behoort alleen bij het beslaan van een aballoir tot de mogelijkheden. Met het oog op het voorgaande meen ik te mogen beweren , dat een abattoir te Leiden dringend cjewenseht is, vooral omdat, ten eerste de particuliere slachtplaatsen veel te wenschen overlaten en ten tweede alleen bij het bestaan van een abattoir de vee- en vleeschkeuring goed kan tuorden toegepast. Te Leiden zullen, na de oprichting van een abattoir, alle voordeelen worden verkregen, die in afdeeling I werden besproken. Wat de nadeelen betreft, die van een abattoir te Leiden worden gevreesd en wat de argumenten aangaat, die tegen de wenschelijkheid kunnen worden aangevoerd, ik meen ze voldoende besproken en weerlegd te hebben in de eerste afdeeling van dit rapport. De financieele zijde van het vraagstuk werd daar door mij uitvoerig behandeld. Getrouw aan den daar gegeven regel, zal bij de door den gemeente-aichitect gemaakte bouwplannen, worden gevoegd een begrooting van inkomsten en uitgaven zoodanig, dat alle jaarlijksche uitgaven door de jaarlijksche ontvangsten worden gedekt, en dus de gemeentekas niet bezwaard wordt. Hierbij moet niet vergeten worden, dat de Vee- en Vleesch keu i'ing thans aan de gemeente eenig geld kost, alhoewel weinig, en dat de abattoir-dienst hetzelfde nadeelig saldo zou mogen aanwijzen, omdat abattoir en Vee- en Vleeschkeuring één tak van dienst worden. Te Leiden zullen natuurlijk ook in ruime mate allerlei bezwaren tegen de oprichting van een abattoir op het tapijt gebracht worden. Ze werden zooveel mogelijk behandeld in afdeeling I. Ik ben van meening, dat voor de slagers in het algemeen, een abattoir te Leiden eveneens zeer gewenscht is. Behalve de vele vroeger besproken voordeelen, die zij zullen verkrijgen, koester ik die meening met het oog op de huurprijzen, welke zij in vele gevallen voor zeer slechte slachthuizen moeten betalen. Zelfs bij vrij hooge slacbtgelden zullen de slagers van een abattoir rijkelijk voordeel genieten. De te Leiden voor slachtplaatsen betaalde huren zijn dikwijls vrij hoog, veel te hoog voor de slechte lokalen. Daarbij komen nog de onkosten voor water, licht, toestellen, onderhoud, enz., zaken, die men in een abattoir om niet bekomt. De jaarlijksche onkosten, die daardoor op de slagers drukken zijn niet gering en zullen veel hooger worden, indien het gemeentebestuur ingrijpende maatregelen mocht nemen om de particuliere slachtplaatsen blijvend te verbeteren. |
|
B. Inrichting van een abattoir te Leiden. In afdeeling II van dit rapport werd de inrichting van abattoirs in het algemeen behandeld. Ik wil thans aangeven, in korte trekken, op welke wijze een abattoir te Leiden moet worden ingericht, tevens met vermelding van verschillende gegevens, die voor den bouw en de exploitatie van belang zijn. Ue door den gemeente-architect gemaakte ontwerpen zijn daarmede in overeenstemming. Het terrein. Het terrein bij uitnemendheid voor een abattoir te Leiden is het Schuttersveld (Excercitieveld), vooral om de ligging. Deze is in alle opzichten gunstig. Het ligt niet in het centrum der stad, echter ook niet te ver buiten; het heeft in den Rijnsburgersingelweg een goeden toevoer-weg, ligt kort bij het station en kort bij de veemarkt. De verbinding tusschen veemarkt en Schuttersveld is nog te verbeteren door een brug over den singel. Achter het Schuttersveld loopt de Hollandsche IJzeren Spoorweg; een losplaats ten behoeve van het abattoir zou gemakkelijk te maken zijn. Uitnemend geschikt terrein voor een abattoir is het Schuttersveld mede met het oog op de keuring van ingevoerd vleesch. Bij de oprichting van een abattoir dient de keuring quot;van alle ingevoerd vleesch, welke nu aan het keurings-lokaal aan de Hooglandsche Kerk geschiedt, op het terrein van het abattoir te geschieden. Nu gaat het niet aan de vele invoerders van toebereide vleeschwaren, welke laatsten gewoonlijk per spoor arriveeren, naar een keuringslokaal ver buiten de stad en ver van het station verwijderd te laten marcheeren. Een keuringslokaal aan een abattoir op het Schuttersveld, zou in verband daarmede niet het minste bezwaar opleveren. Van het terrein blijft, blijkens de door den gemeentearchitect ontworpen plannen, nog een groot gedeelte over voor andere doeleinden. Bouworde. Voor een abattoir met koelhuis is de Duitsche (althans in hoofdzaak), voor een abattoir zonder koelhuis de Fransche bouworde gewenscht; de slachthallen zullen daardoor in het laatste geval zoo luchtig mogelijk zijn. Voor beide slachthuizen zijn door den gemeente-architect plannen ontworpen. Slachthallen. Men heeft te Leiden noodig één slachthal voor groote runderen (groot vee) en daarmede comrnuni-ceerend één slachthal voor klein vee (kalvers, schapen en geiten). Wenschelijk is het, dat in het slachthuis voor klein vee een aparte ruimte voor nuchtere kalvers wordt gereserveerd. Verder is er noodig een afzonderlijke slachthal voor varkens, welke den tegenhanger van het slachthuis voor groot en klein vee vormt. Op het terrein moet zich verder bevinden een slachthuis voor paarden en een voor ziek en verdacht vee. Wat de grootte van de slachthallen voor een abattoir te Leiden aangaat, deze moet zoodanig zijn, dat op de drukste dagen de slagers gelegenheid hebben zonder veel oponthoud te slachten, en bovendien zoodanig dat tenminste in de eerste jaren na de stichting, door toeneming der bevolking en daarmede gepaard gaand vermeerderd vleeschgebruik, de ruimte niet te klein wordt. Het aantal te Leiden geslachte dieren is na de invoering der Vee- en Vleeschkeuring nauwkeurig bekend geworden, In Bijlage HI van dit rapport vindt men aangegeven hoeveel dieren in de verschillende maanden van d894, 1895, 1896 en de eerste helft van 1897 werden geslacht, zoomede tiet totaal der geslachte dieren; bovendien vindt men daarin aangegeven hoeveel slachtdagen op elke maand vallen en hoeveel op het geheele jaar vallen, resp. voor 1897 op het halve jaar. Uit de tabellen blijkt, zooals trouwens algemeen bekend is, dat het aantal slachtingen in de verschillende maanden van het jaar vrij sterk uiteenloopen kan, en dat het dus niet aangaat om eenvoudig het aantal geslachte dieren te deelen door het aantal slachtdagen, ten einde met behulp van het verkregen gemiddelde getal de grootte der slachthallen te berekenen. |
Men moet daarvoor het grootst aantal dieren hebben, dat per dag in een slachthal geslacht zal moeten worden. Deze maxima vindt men over 1894, 1895, 1896 en de eerste helft van 1897 aangegeven in de tabellen van Bijlage IV, met dien verstande, dat daarin is opgenomen het grootst aantal aangiften van slachting per dag, in de verschillende maanden genoteerd. Dit aantal aangiften komt niet geheel en al overeen met het aantal slachtingen, daar de slachting niet altijd op den dag der aangifte geschiedt, maar dikwijls later. Toch kan men deze getallen, zooals later zal worden aangetoond, veilig als basis aannemen. In de bedoelde tabellen zijn de slieren, ossen en koeien saamgeteld onder den naam vati volwassen runderen. Er blijkt dan, dat in 1894, 1895, 1896 en de eerste helft van 1897 het grootst aantal aangiften per dag van volwassen runderen was 30, van vette kalvers 34, van graskalvers 10, van nuchtere kalvers 46 (92), van paarden 18, van schapen 11, van geiten 14 en van varkens 53. De slachthallen moeten dus zoo groot zijn, dat dit getal dieren per dag kan worden geslacht, zonder dat de slachters daarbij elkander hinderen. Als eisch mag men bovendien stellen, dat de ruimte in de eerste 25 jaren na de stichting voldoende blijft. Bekent men dat in die 25 jaren de bevolking klimt tot 7000à inwoners, en stelt men die van thans op 50000; neemt men bovendien aan dat na 25 jaren ook het aantal aangiften 7/5 maal zoo groot zal zijn als thans, dan moeten de slachthallen berekend zijn op 7/5 x 30 = 42 runderen, 7/5 y 34 = 49 vette kalveren, 7/5 y 10 = 14 graskalvers. 7/5 x 46 = 63 nuchtere kalvers, 7/5 y 18 = 28 paarden. 7/5 y 11 = 14 schapen, 7/5 y 14 = 21 geiten en 7/5 y 53 = 77 varkens per dag. Deze maximum getallen zijn geldig voor een abattoir zonder koelhuis, daar het niet te verwachten is, dat bij de stichting van een abattoir zonder koelhuis de slagers de frequentie van het slachten belangrijk zouden wijzigen. Wel is dit het geval, indien aan het abattoir een koelhuis verbonden is, waardoor de slagers nagenoeg geheel onafhankelijk worden van temperatuur en atmosfeer met het oog op het bewaren van vleesch, en dientengevolge bet aantal slachtdagen zoo gering mogelijk zullen maken, b. v. 2 a 3 per week, zoodat op het geheele jaar ongeveer 100 a 150 slachtdagen zouden komen, de dagen, waarop weinig geslacht wordt, niet mede gerekend. Die dagen vallen in de week gewoonlijk kort vóór en na den Zondag. Om bij een dergelijken toestand het maximum aantal slachtingen per dag te berekenen deelt Osthoff1) hot aantal slachtingen per jaar door 100 of 150 en vermenigvuldigt het verkregen quotient met '1.5 voor groot vee (groote runderen) en klein vee (kalvers, schapen en geiten) en met 2 vnor varkens. Deze berekening geeft echter voor Leiden getallen, welke met de werkelijkheid niet overeenstemmen en dus geen waarde hebben. Wil men op alle eventualiteiten bedacht zijn, dan komt het mij voldoende voor, indien men een koelhuis bouwt, als maximum te rekenen op 50 groote runderen en 100 varkens, terwijl men de cijfers voor klein vee kan laten, zooals zij werden berekend voor het geval, dat Leiden een stad met 70000 inwoners zal zijn. Het maximum aantal per dag te slachten dieren, waarmede voor de grootte der slachthallen rekening moet gehouden worden, is een belangrijke zaak, vooral met het oog op het slachthuis voor groot vee. Is een slachthuis voor klein vee of voor varkens niet al te groot, dan hindert dit minder, daar men zich met eenigeti goeden wil behelpen kan. Voor groot vee is dit anders. Ieder, die een groot rund slacht, moet daartoe gebruik maken van een windtoestel. Slachten alle lieden tegelijk, dan zou men derhalve evenveel windtoe-stellen als te slachten dieren noodig hebben; dit is natuurlijk te veel geëischt. Neemt men den toestand , zooals hij te Leiden is, waar het grootst aantal runderen des Vrijdags tusschen 3 en 5 a 6 uren des namiddags worden geslacht en bedenkt men daarbij, dat voor elke slachting van een rund één tot |
') Handbuch der Hygiene, Bd. 0. Helt I.
- 23 -
|
anderhalf uur tijds benoodigd is, dan zou men een aantal windtoestellen noodig hebben gelijk aan de helft van het aantal te slachten dieren, dat zou dus zijn voor Leiden zooals het thans is 15, voor Leiden over 25 jaren 21 en voor een abattoir met koelhuis 25 windtoestellen. Bovendien moet dan nog als eisch worden gesteld, dat de geslachte dieren door loopkranen onmiddellijk naar een gereserveerd gedeelte van de lial kunnen worden getransporteerd om te besterven en te bekoelen. Heeft men vaste winden, zoodat de geslachte dieren blijven hangen op de plaats, waai' zij geslacht zijn . dan heeft men evenveel windtoestellen als te slachten dieren noodig. Heeft men een voorkoelhuis, dan kunnen de geslachte dieren daarheen getransporteerd worden. De slachthallen voor groot en klein vee dienen met elkaar in verbinding te staan, omdat de meeste slachters van groote runderen ook vette kalvers slachten, Raadzaam is het in de slachthal voor klein vee een afzonderlijk gedeelte te reserveeren voor de nuchtere kalvers. Deze worden in den regel geslacht door een bepaalde categorie van slagers; zoowel zij als ook de geslachte dieren zelf eischen ten behoeve der controle een afzonderlijke ruimte. In de maanden, waarin deze dieren minder talrijk worden geslacht, kan dat gedeelte van de slachthal worden gebruikt voor schapen en geiten. Op deze wijze krijgt men dus een slachthal voor klein vee in twee deelen, welke in elkaar loopen, terwijl de hal, waarin de groote runderen worden geslacht, communiceert met de ruimte, voor de vette kalvers bestemd. Mij rest nog aan te toonen, dat de maximum aangiften per dag met zekerheid een maatstaf vormen voor het maximum aantal slachtingen per dag. Ik heb daarom laten notee-ren het werkelijk aantal slachiinrien, gedurende de eerste zes maanden van 1897. Men vindt de resultaten daarvan in het laatste tabelletje van Dijlage IV. Een vergelijking met het maximum aantal aangiften per dag voor hetzelfde tijdsverloop opgenomen in een voorafgaand tabelletje van dezelfde bijlage, doet zien, dat het aantal aangiften een zeer betrouwbaar gegeven is voor het aantal slachtingen. Voor groote runderen, vette kalvers en nuchtere kalvers komen de getallen vrijwel overeen. Voor varkens is het werkelijk aantal slachtingen per dag geringer dan het aantal aangiften; varkens toch worden gewoonlijk bij meerdere exemplaren tegelijk ter keuring aangeboden, doch niet allen op denzelfden dag geslacht. Toch moet het maximum aantal aangiften de maatstaf blijven, daar men de mogelijkheid, dat alle ter keuring aangeboden dieren op denzelfden dag worden geslacht, niet mag uitsluiten. In velband met het bovenstaande dient derhalve wat de grootte der slachthallen voor een abattoir te Leiden betreft, worden gerekend: a. met koelhuis op 50 groote runderen, 160 stuks klein vee (kalvers, schapen en geiten), '100 varkens en 28 paardenj b. zonder koelhuis op 42 groote runderen, 160 stuks klein vee, 80 varkens en 28 paaiden. Wat het slachthuis voor ziek en verdacht vee aangaat, er moet op gerekend worden, dat daarin, behalve enkele stuks klein vee, 4 a 5 stuks groot vee kunnen worden geslacht. De door den gemeente-architect ontworpen plannen zijn met de voorstaande opgaven in overeenstemming. DarmwasscheriJ. Deze moet ruim zijn, van de slachthallen afgescheiden, en aan de wanden groote waschbakken met kranen voor koud en warm water bevatten en daarnaast tafeltjes om ingewanden verder te behandelen. In het midden moeten één of twee broeikuipen voor het broeien van koppen en pooten, koken van pensen, enz. aanwezig zijn. Bovendien moet men er nog eenige groote tafels aantreffen om de ingewanden nog nadere toebereiding te doen ondergaan. De slagers dienen van deze inrichting gratis gebruik te kunnen maken, voor zoover hetreft de ingewanden van de door hen geslachte dieren. Mochten zich personen speciaal belasten met het verwerken van ingewanden cn daarvan hun bedrijf maken, dan zou aan hen een gedeelte van de darmwasscherij verhuurd kunnen worden. Te Leiden kan daarop echter niet gerekend worden. |
Koelhuis. Door den gemeente-architect zijn met betrekking tot den bouw van een abattoir te Leiden twee plannen ontworpen n. 1. één met en één zonder koelhuis. Bij dat met koelhuis wordt tevens op een voorkoelhuis gerekend. In afdeeling 1 van dit rapport heb ik de voordeelen van ecui koelhuis aangegeven. Een koelhuis is derhalve te Leiden gewenscht. Het laat zich echter denken dat de slagers te Leiden, hun belangen niet begrijpende, van het koelhuis geen gebruik zouden willen maken, zoodat geen enkele cel verhuurd zou worden en het koelhuis daardoor geheel renteloos. Dit zou een onaangenamen toestand geven, daar een koelhuis met de noodige machinerieën, enz. de stichtings-kosten van een abattoir belangrijk verhoogt. Om in een dergelijk geval de gemeente geen schade te doen lijden, zouden de slachtgelden belangrijk verhoogd moeten worden. Volgens een opgave van de âGesellschaft für Linda's Eis-machinen in Wiesbadenquot; zal een koelhuis te Leiden van G00 M2 oppervlakte en 425 M2 celvlakte, aan inrichting kosten, behoudens de invoerrechten, 85500 Mark (voor nadere bijzonderheden verwijs ik naar pag. 16 van dit rapport). Neemt men aan dat van de 425 M2. celvlakte slechts 800 M2. verhuurd wordt tegen /'20.â per M2. per jaar, dan zou per jaar voor gebruik van het koelhuis / 6000 ontvangen worden. Bovendien is gerekend op het fabriceeren van 4500^ Kilo ijs per jaar. Rekent men dat dit verkocht wordt tegen /'0,20 per 100 Kilo, dan zou daardoor een jaarlijksche ontvangst van / 900.â verkregen worden. De stoommachine van dit koelhuis is ook berekend op de levering van electrisch licht. Daar de jaarlijksche uitgaven, aan een koelhuis verbonden, hooger zijn dan de zooeven geraamde ontvangsten, zullen om het nadeelig saldo te dekken, bij een abattoir met koelhuis de slachtgelden hooger genomen moeten worden, dan bij dat zonder koelhuis, gelijk dan ook bij de raming van inkomsten voor Leiden geschied is. Deze slachtgelden kunnen verlaagd worden, indien de cellen van het koelhuis gretig aftrek vinden. In Duitschland, ik merkte het reeds vroeger op, dwepen de slagers met een koelhuis. Stallen. In de door den gemeente-architect ontworpen plannen, zijn de varkensstallen onder één dak met de var-kensslachthal ontworpen, zoodanig dat zij communiceeren met de broeiruimte. De varkens hebben dan geen grooten afstand naar het slachthuis af te leggen. De stallen voor groot en klein vee zijn afzonderlijk geplaatst, tegenover de betreffende slachthal. De paardenstallen vinden een plaats in de nabijheid van het slachthuis voor paarden; de stal voor ziek of verdacht vee bij het daarvoor bestemde slachthuis. Wat de grootte der stallen voor een abattoir te Leiden betreft, in de tabel, als bijlage V bij dit rapport gevoegd, vindt men aangegeven het maximum aantal dieren, dat op verschillende dagen in onderscheidene maanden op de stallen der Leidsche slagers werd aangetroffen. Daaruit blijkt, dat de stallen ruim genoeg moeten zijn om 50 groote runderen, 30 kalvers, 10 schapen en geiten (40 stuks klein vee), 75 varkens en 20 paarden te kunnen bergen. In den stal voor ziek of verdacht vee moet ruimte zijn voor een vijftal groote runderen en eenig klein vee. Vóór op het terrein, naast een wagenremise, dient er een stal te zijn voor 10 slagerspaarden. Mestgebouw. Een mesthuis, waarin een mestput, en verder zoo ruim, dat het inwerpen van de mest en het laden in wagens, binnenshuis kan geschieden, is voor Leiden de meest practische inrichting, liet lokaal dient van de noodige ventilatie-inrichtingen voorzien te zijn. Gemakkelijk is het bovendien, wanneer het zich in do nabijheid van de darmwasscherij bevindt, gelijk in de plannen van den gemeentearchitect het geval is. |
|
Administratiegebouw, keuringslokaal, laboratorium, wachtlokaal voor commiezen en portierskamertje worden het gemakkelijkst onder één dak gebracht. In het gedeelte voor de administratie bestemd is gevestigd het bureau, terwijl er vertrekken zijn voor directeur en keurmeesters. In de bovenverdieping kunnen zich woningen bevinden voor portier en keurmeesters. Een Directeurswoning is noodig, daar de directeur op het terrein dient te wonen. Ze wordt het doelmatigst gebouwd aan den ingang vati het terrein tegenover het administratiegebouw. Een Sterilisator voor tuberculeus en ander voor sterilisatie geschikt vleesch dient aanwezig te zijn. Men kan daarvoor nemen een toestel van Rohrbeck, Henneberg of Hartmann. Een der beide laatst genoemde toestellen schijnt mij het doelmatigst; de kosten kunnen worden begroot op Æ 1000. Een destructor, d. i. een inrichting om afgekeurd vleesch tot meststof, vet en lijm te verwerken is voor Leiden voor-loopig niet noodig, daar do hoeveelheden afgekeurd vleesch daarvoor wel wat gering zijn. Het zal voldoende zijn het afgekeurde materiaal in het ketel vuur te verbranden. Water. Voor de slachtingen zal het altijd gewenscht zijn duinwater te gebruiken, daar dit altijd van beter hoedanigheid zal zijn dan op andere wijze verkregen water. Men rekent de hoeveelheid water, die voor elke slachting noodig is op 0,4 M3. als maximum. Volgens Bijlage III vonden in 1894, 11372; in 1895, 12164 en in 1896, 13095 slachtingen te Leiden plaats. Neemt men aan, dat de opening van een abattoir te Leiden zou kunnen plaats vinden in 1901 en dat de slachtingen met 1000 per jaar toenemen, dan zou gerekend moeten worden op 17000 slachtingen per jaar, dus een waterverbruik van 17000 x 0,4 M3. â 6800 M3. per jaar. Rekent men voor andere doeleinden daarbij nog 1200 M3,, dan zou men het duinwaterverbruik op 8000 M3 kunnen stellen, wat zeer ruim berekend is. Indien men dit water niet tegen een tamelijken prijs b. v. f 0,10 per M3. kan bekomen zou het raadzaam kunnen zijn, het abattoir zijn eigen water te laten oppompen en het duinwaterverbruik tot een minimum te beperken. Voor een abattoir met koelhuis is een eigen watervoorziening van het abattoir reeds noodig, omdat voor de koeling zelf zooveel water gebruikt wordt. Bij de kostenopgave van de âGesellschaft für Linde's Eismachinenquot; is op de daarvoor noodige pomp gerekend. Licht. Bij de stichting van een abattoir zonder koelhuis zal de verlichting door middel van gas moeten geschieden, waarvoor vleermuisbranders of, wat beter en waarschijnlijk ook goedkooper is, gasgloeilicht kan worden gebruikt. Het gaat moeilijk het gebruik van gas van te voren met nauwkeurigheid te begroeten, maai' het komt mij voor dat voor een abattoir te Leiden, waar het gas /'0,05 per M3. kost, op een gasverbruik van /quot;2000 per jaar moet worden gerekend. Wordt een abattoir met koelhuis gesticht, dan kan gemakkelijk electrisch licht worden gebruikt, waarvan de inrichting volgens een speciale opgave van de âGesellschaft für Linde's Eismachinenquot; 13000 a 14000 Mark zal kosten. De meerder noodige capaciteit van de stoommachine is begrepen in de kostenopgave voor het koelhuis Afwatering. Aangezien de stad Leiden geen algemeens, afgesloten rioleering bezit, en niet aan een stroomende rivier is gelegen, dient het af te voeren water mechanisch en ook chemisch gezuiverd te worden, ten einde het daarna zonder gevaar in sloot, singel of gracht te kunnen doen loopen. Volgens een opgave van de firma Friedrich amp; Glass te Leipzig zal de inrichting van een dergelijk zuiveringsstelsel waarschijnlijk den prijs van 2500 Mark niet te boven gaan. Daar Utrecht deze inrichting echter op 3Ã00 en Groningen op 1800 gulden schat, komt het mij raadzaam voor ook voor Leiden hooger te ramen b. v. f 2500 a /' 3000, terwijl de jaarlijksche onkosten op minstens f 200 moeten geschat worden. |
Verordeningen, reglementen, tarieven, instructiën enz. Wordt te Leiden een abattoir gesticht, dan zullen noodig zijn: a. een verordening tot aanwijzing van het terrein van het openbaar slachthuis, voor het hebben van slachterijen, enz.; b. een verordening op het beheer van het openbaar slachthuis; c. verordeningen, regelende de slachtgelden, stalgelden, weegloonen, enz; d. een verordening, regelende het gebruik van het terrein van het openbaar slachthuis en de daarop geplaatste gebouwen. Waarschijnlijk zullen nog andere verordeningen noodig blijken te zijn, en verder verschillende reglementen, instructiën, enz. Die op de Vee- en Vleeschkeuring blijven al of niet gewijzigd, bestaan. Te Amsterdam is het gebruik van het abattoir niet bij verordening geregeld; ieder die gebruik wil maken van het abattoir, verbindt zich tot nakoming der gemaakte bepalingen en betaalt boete bij overtreding. Ik kan omtrent de verschillende verordeningen en omtrent het te Amsterdam gevolgd stelsel niet in bijzonderheden treden, daar deze zaken eerst van veel gewicht worden, wanneer eenmaal tot de stichting van een abattoir te Leiden besloten is. Wat het tarief der slachtloonen betreft, ik zal dat vermelden bij de raming van jaarlijksche inkomsten en uitgaven , gebaseerd op de door den gemeente-architect ontworpen plannen. Ik wil hier echter aangeven op hoeveel slachtingen per jaar, voor de raming van de opbrengst der slachtloonen, mag worden gerekend. Het aantal slachtingen te Leiden vermeerdert steeds, gelijk blijkt uit het onderstaand tabelletje:
Het is te verwachten dat deze vermeerdering, met de toeneming der bevolking, zal doorgaan. Op den Isten Augustus 1896 heeft de grensuitbreiding der gemeente plaats gehad. Het aantal slachtingen in 1896 betreft dus dat der oude gemeente tot op den eersten Augustus en dat der vergroote gemeente na dien datum. Men mag dus veilig aannemen, dat het jaar 1897 een grooter aantal slachtingen zal aanwijzen dan 1896, al is het alleen maar daardoor, dat het aantal slachtingen der vergroote gemeente dan over het geheele jaar loopt. Voor de berekening van de opbrengst van slachtgelden, mag men dus het aantal slachtingen in 1896 nemen, zoodat kan worden gerekend op 3532 groote runderen, 1967 vette kalvers, 115 graskalvers, 779 nuchtere kalvers, 450 paarden, 182 schapen, 256 geiten en 5714 varkens. De gegevens voor de opbrengst aan slakjelden voor een abattoir te Leiden zijn minder gemakkelijk te verkrijgen. Men moet daarvoor weten op hoeveel der verschillende vee-soorten in de stallen van het abattoir gerekend mag worden. Ik heb daarom laten nagaan, hoeveel stuks der verschillende veesoorten op verschillende dagen in de stallen der slagers te Leiden werd aangetroffen. Men vindt het resultaat van dat onderzoek in de Bijlagen VI, VII, VIII en IX. De |
') Volgens de meening van den gemeente-architect kunnen de kosten van installatie voor electrisch licht op / 0000 begroot worden.
- 25 â
|
opgaaf loopt over verschillende dagen in de maanden October, November, December 4895 en over de eerste maanden van 1897 (tot Juli). De rundertabel geeft aan, dat op 206 dagen 8752 groote runderen op de stallen werden aangetroffen, d. i. gemiddeld 48 per dag; dat zou geven over 365 dagen 365 x 18 = 6570 runderen. Voor een abattoir mogen we op de helft rekenen, dus op 3285 runderen, welke een dag van de stallen gebruik zullen maken. Hierbij wordt dan aangenomen, dat de dieren, die denzelfden dag, waarop ze gearriveerd zijn, worden geslacht, en dus b. v. minder dan 12 uren van de stallen gebruik maken, geen stalgeld betalen. Voor het geval, dat er een koelhuis gesticht wordt, waardoor minder van de stallen gebruik gemaakt zal worden, mag men op ongeveer 2/3 van het bovengenoemde getal rekenen dus op 2100 staldagen voor runderen. Bijlage VII doet zien, dat op 469 dagen 4343 vette kalvers op de stallen werden gevonden, dus gemiddeld per dag 8 stuks; dit zou zijn over 365 dagen 365 x 8 = 2920 stuks. Ook hier mogen we voor een abattoir zonder koelhuis op de helft rekenen, dus op 4460 stuks, en voor een abattoir met koelhuis op '/s van dit laatste getal, dus op 4000 stuks. Volgens Bijlage VII1 werden op 204 dagen 8486 varkens aangetroffen, dus gemiddeld per dag 40 varkens. Over 365 dagen zou dit zijn 365 x 40 = 44600 varkens. Rekenen we voor een abattoir zonder koelhuis op de helft, dan krijgt men 7300 staldagen voor varkens. Voor een abattoir met koelhuis op ongeveer % van dit getal, dus 5000 staldagen. Eindelijk geeft Bijlage IX aan 190 dagen met 779 paarden, d. i. gemiddeld 4 per dag. Rekenen we, dat bij de stichting van een abattoir slechts '/, daarvan op de stallen van het abattoir komt, dan mag men, wat de paarden betreft, op 365 staldagen rekenen. Daar te Leiden slechts weinig schapen en geiten worden geslacht, kan met betrekking tot deze dieren op slechts weinig stalgeld worden gerekend. Afgaande op het voorgaande mag men dus te Leiden rekenen: a. bij een abattoir met koelhuis, op 24Ã0 staldagen voor runderen, 4000 staldagen voor vette kalvers, 5000 staldagen voor varkens en 365 staldagen voor paarden; b. bij een abattoir zonder koelhuis op 3285 staldagen voor runderen, 1460 staldagen voor kalvers, 7300 staldagen voor varkens en 365 staldagen voor paarden. Aangenomen wordt, dat paarde nslagers geen gebruik maken van bet koelhuis. Wat het tarief van stalgelden aangaat, te Rotterdam rekent men: Voor een paard, muilezel, muildier, ezel, stier, os, koe, vaars of pink.....per dag f 0.35 Voor een schaap..........â â â 0.10 â â kalf, lam, bok, geit of varken . â â â 0.05 Te Amsterdam zijn de stallen thans verpacht. Vóór dien tijd gold als tarief, waarmede de pachter ook thans nog rekening te houden heeft: Voor een groot rund.........per dag f 0.50 â ,i paard...........â â â 0.50 f â â vet kalf..........â â â 0.60 , â ., schaap..........â â â 0.10 » » varken..........â â â 0.10 â â graskalf..........â â â 0.25 In het Utrechtsche abattoir-rapport wordt voorgesteld: Per dag stalling voor een rund........f 0.40 « » » » â kalf...... . . . â 0.20 â â â â â stuk klein vee (schaap of geit?). . . . â 0.10 » n » » » varken.......â 0.20 » » » » â paard..........0.40 |
Op het terrein van het abattoir moet zich bevinden een bascule voor runderen en een voor varkens, terwijl in elk der twee groote slachthallen een bascule voor het wegen van vleesch aanwezig moet zijn. Er dient dus ook een tarief van lueegloonen te wezen. Te Rotterdam geldt het volgende tarief: 4. Voor het wegen van levend vee: Voor het wegen van ieder groot stuk vee (stier. os, koe, vaars, pink, paard of muildier). . . /' 0.45 Voor iedere wik van ander vee........ 0.40 2. Voor het wegen van vleesch, vet, afval en huiden: Voor iedere wik vleesch, vet of afval tot 50 kilo f 0.05 w » ij » ii ii ii boven â ,, â 0.40 ii n ii huid...........â 0.03 Te Amsterdam is hetzelfde tarief geldig; alleen is verschuldigd âvoor vleesch, vet of afval, per 50 kilo of minder, / 0.05quot;; er is dus een klein verschil met Rotterdam. Voor Leiden zou men hetzelfde tarief kunnen nemen. Voor varkens wordt dit reeds aan de Stadswaag gebruikt; voor een rund rekent men daar echter f 0.35. Voor een abattoir te Leiden mag men rekenen op het wegen van 4500 varkens, waarvoor f 450 kan worden ontvangen, terwijl voor de overige wegingen Æ50, dus in het geheel f 500 kan worden geraamd. Het tarief der keurloonen kan bij de oprichting van een abattoir in hoofdzaak blijven, zooals het thans is. Het tarief van ingevoerde geheele of halve geslachte dieren zal echter verhoogd moeten worden, ten einde de invoerders daarvan, wat productiekosten betreft, geen voordeel te verschaffen boven de Leidsche slagers, die verplicht zijn in het abattoir te slachten, maar bovendien ook, omdat de keuring van het ingevoerde vleesch meer nauwkeurigheid en meer tijd eischt, dan het in het abattoir geslachte, zoodat meer keurloon daarvoor gevraagd mag worden. Ik merkte vroeger reeds op, dat wat de darmwasscherij betreft, op inkomsten niet te rekenen valt. Mocht zich een ondernemer opdoen, die een bepaald gedeelte wilde pachten, dan zou voor alle gevallen een tarief vastgesteld kunnen worden. Personeel. Wat het aan een abattoir te Leiden noodige personeel betreft, het komt mij voor dat dit ongeveer als volgt zal zijn: a. Voor een abattoir met koelhuis: Een directeur, tevens hoofd der vee- en vleeschkeuring; een boekhouder; een klerk; een portier; vier a vijf keurmeesters van vee en vleesch, tevens belast met het toezicht in de slachthallen, met het wegen van vee en vleesch; een smid-machinist; twee stokers; drie arbeiders. h. Voor een abattoir zonder koelhuis: hetzelfde personeel als voor een abattoir met koelhuis, echter zonder de twee stokers; de smid-machinist blijft, en bedient ook de stoomketels. De directeur heeft zijn woning op het terrein; raadzaam is het ook aan het overige personeel, behalve aan boekhouder en klerk, woningen op het terrein te verschaffen. Deze zijn vrij gemakkelijk te verkrijgen , daar boven het administratie-gebouw met laboratorium, keurlokaal en lokaal der commiezen, boven de stallen, en hier en daar ook boven de hallen, gemakkelijk woningen aan te brengen zijn. Leiden, September 4897. D. A. DE JONG Jzn. |
Het komt mij voor dat ook voor Leiden dit laatste tarief gevoeglijk kan worden genomen.
I i
I
IY. Ramingen van jaarlijksche inkomsten en uitgaven voor een abattoir
te LEIDEN.
A. Raming van jaarlijksche inkomsten eu uitgaven voor een abattoir met koelhuis te Leiden.
2.60 1.20 1.20 0.55 2.60 0.55 0.35 1.30
9183.20 2300.40 138.â 428.45 1170.â 100.10 89.60 7428.20
840.â 200.â 1000.â 146,â 500.-
4500.â
(m
bC c3
/â
0.40 0.20 0.20 0.40
lo tquot;r.
cs cl,
.2 quot;5
/' 13940.â â 11600.â
â 5000.â â 1000.â
â 800,â
â 300.â â 1000.â
â 1200.â
â 300.â 193.95
6000.â
900,â 50.â 300.â
/' 35333.95
f 35333.95
779 nuclitere kalveren a 450 paarden a 182 schapen a 256 geiten a 5714 varkens a
2. Stalgelden:
2100 runderen amp;
1000 vette kalveren a 5000 vette varkens f\
365 paarden a
3. Weegloon en (zie pag. 25)......
4. Keurloonen (afgaande op hetgeen waarschijn
lijk in 1897 zal worden ontvangen) . .
5. Huur der koelcellen:
aannemende, dat slechts 300 M2 verhuurd wordt tegen /' 20 per M2 per jaar (zie pag. 23
6. Verkoop van 450000 Kilo kunstijs (zie
pag. 23) aannemende dat /' 0.20 per 100 Kilo wordt ontvangen.........
7. Huur van het lokaal voor de commiezen .
8. Verkoop van mest en afval......
Slachtgelden: 3532 runderen a 1967 vette kalveren a 115 graskalveren a
N KOMSTEN.
Totaal
UITGAVEN.
1. Een te en aflossing:
De bouw- en inrichtingskosten bedragen volgens de raming van den quot;'emeente-ar-ciiitect /' 313000,â; voegt men daarbij 21/2 H,A. van het Excercitie-veld a /' 6000.â per HA., dan bedragen de totale stichtings-kosten f 328000. . Rekent men 41/,10/0 van dit kapitaal jaarlijks voor rente en aflossing, en neemt men aan tegen S'/j0/,, te moeten leenen, dan is de leening in 51 jaren afgelost. Jaarlijks moet dan voor rente en aflossing worden ter zijde gelegd 3280 x /' 4,25 =.........
2. Salarissen..........' . .
3. Jaarlijksche onkosten der koelinrichting
(behoudens het personeel) volgens opgave.
4. Steenkolen voor het eigenlijk abattoir-bedrijf.
5. Duinwater 8000 M3 è, /' 0.10 per M3 (zie
pag- 24)............
6. Jaarlijksche onkosten der electrische ver
lichting en eventueel daarnaast noodig gas.
7. Onderhoud, reparation, vernieuwing, enz.
8. Bureau-kosten, uitgaven voor laboratorium,
vee- en vleeschkeuring, enz......
9. Jaarlijksche onkosten der klaarinrichting
(zie pag. 24)..........
10. Onvoorziene uitgaven........
Totaal . . .
1. Bij de berekening van de uitgaven voor duinwater is gerekend op een prijs van /' 0.10 per M3, welke prijs, zoo ik mij niet vergis, ook voor bet Krankzinnigen gesticht âEndegeestquot; wordt berekend,
2, Uit de begrooting der inkomsten en uitgaven van de gemeente Leiden voor den dienst van het jaar 1898 blijkt, dat de Vee- en Vleeschkeuring aan de gemeente per jaar ruim f 1000.â zal kosten, een bedrag, dat met het oog op de uitgebreidheid van den dienst zeer gering is. Bij de stichting van een abattoir versmelt de Vee- en Vleeschkeuring met den Abattoir-dienst. Men zou dus de jaarlijksche uitgaven van een abattoir de inkomsten met ruim /' 1000,â mogen laten overtreffen. Deze kunnen worden bestemd, gedeeltelijk tot verhooying van den post voor Onvoorziene Uitgaven, gedeeltelijk tot verlaging der slachtgelden.
OPMERKINGEN.
IV. Ramingen van jaarlij ksche inkomsten en uitgaven voor een abattoir
te LEIDEN.
B. Raming van jaarlijksche inkomsten en uitgaven voor een abattoir zonder koelhuis te Leiden.
INKOMSTEN.
f
2.50 1.10 1.10 0.55 2.50 0.55 0.35 1.20
0.40 0.20 0.20 0.40
8830.â 2163.70 126.50 428.45 1125.â 100.10 89.60 6856.80
1314.â 292.â 1460.â 146.â 500.â
4500.â 50.â 300.â
O.
/'
O
bij os O.
/' 11007.50
â 10800.â
â 1000.â
â 800.â
â 2000.â
â 1000.â
â 1200.â
â 300.â
â 174.65
/' 28282.15
/' 28282.15
1. Slachtgelden:
3532 runderen a 1967 vette kalveren a
115 graskalveren a 779 nuchtere kalveren a 450 paarden a 182 schapen k 256 geiten a 5714 varkens h
2. Stalgelden:
3285 runderen a 1460 kalveren ^
7300 varkens è,
365 paarden k
3. Weegloonen (zie pag. 25).......
4. Keurloonen (afgaande op hetgeen waarschijn
lijk in 1897 zal worden ontvangen). . .
5. Huur van het lokaal voor de commiezen .
6. Verkoop van mest en afval......
Totaal
UITGAVEN.
1. Rente en aflossing:
De bouw- en inrichtingskosten bedragen volgens de raming van den gemeente-ar-chitect /' 244000.â; voegt men daarbij 21/, H.A., van het Excercitie-veld kf 6000.â per H.A., dan bedragen de totale stichtings-kosten f 259000.â Rekent men 41/.i0/0 van dit kapitaal jaarlijks voor rente en aflossing en neemt men aan tegen H'/a'/o te moeten leenen, dan is de leening in 51 jaren afgelost. Jaarlijks moet dan voor rente en aflossing worden terzijde gelegd 2590 X /' 4.25 =,.........
2. Salarissen............
8. Steenkolen voor het slachthuisbedrijf . .
4. Duinwater 8000 M3 a /' 0.10 per M3 (zie
pag. 24)............
5. Gasverbruik, geraamd op (zie pag. 24) .
6. Onderhoud, reparatiën, vernieuwing enz. .
7. Bureaukosten, uitgaven voor laboratorium,
vee- en vleeschkeuring, enz......
8. Jaarlijksche onkosten der klaarinrichting
(zie pag. 24)..........
9. Onvoorziene uitgaven........
Totaal ....
OPMERKINGEN. Hier geiden dezelfde opmerkingen als voor het abattoir met koelhuis. Het duinwater is tegen / 0.10 per M3 berekend. Laat men de uitgaven de inkomsten met ruim f 1000.â overtreffen, omdat thans de Vee- en Vleeschkeuring per jaar ruim f 1000.â kost, dan kan daardoor de post voor onvoorziene uitgaven worden verhoogd, terwijl een gedeelte ook aanwending kan vinden om de slacht-loonen te verlagen.
LEIDEN, September 1897.
D. A. DE JONG, Jzu.
|
BIJLAGE I, a. (Nr. 7041.) Gesetz, betreffend die Errichtun^ öffentlicher, ausschliesslich zu benutzender Schlachthauser. Vom 18 Marz 1868. Wir Wilhelm, von Gottes Gnaden Künig von Preussen x. veiordnen, mit Zustimmung beider Hauser des Landtages der Monarchie, was foigt: § 1. In denjenigen Gemeinden, in welchen eine Gemeinde-anstalt zutn Schlachten von Vieh (öffentiiches Schlachthaus) errichtet ist, kann durch Gemeindebeschlnss angeordnet werden, dass innerhalb des ganzen Gemeindebezirks oder eines Theils desselben das Schlachten sammtiicher oder ein-zelner Gattungen von Vieh, sowie gewisse mit dem Schlachten in unmittelbarem Zusammenhange stehende, bestimmt zu bezeichnende Verrichtungen, ausschliesslich in dem ölfent-lichen Schlachthause, resp. den offentlichen Schlachthausern, vorgenommen werden dürfen. In dem Gemeindebeschlusse kann bestimmt werden, dass das Verbot der ferneren Benntzung anderer als der in eiuem ölTentlichen Schlachthause befindlichen Schlachtstatten; 1) auf die im Besitze und in der Verwaltung von Innutigen oder sonstigen Corporation en befindlichen gemeinschaft-lichen Schlachthauser, 2) auf das nicht gewerbmassig betriebene Schlachten keine Anwendung finde. § 2. Durch Gemeindebeschlnss kann nach Errichtung eines offentlichen Schlachthauses angeordnet werden, dass alles in dasselbe gelangende Schlachtvieh zur Feststellung seines Gesundheitszustandes sowohl vor als nach dem Schlachten einer Untersuchung durch Sachverstandige zu unterwerfen ist. § 3. Die in den §§ i. und 2. bezeichneten Gemeindebe-schlüsse bediirfen zu ihrer Gültigkeit der Genehmigung der Bezirksregierung. Das Verbot der Benntzung anderer als der im üffentlichen Schlachthause befindlichen Schlachtstatten (§ 1.) tritt sechs Monate nach der Veröffentlichung des genehmigten Gemein-debeschlusses in Kraft, sofern nicht in diesem Beschlusse selbst eine langere Frist bestimmt ist. § 4. Die Gemeinde ist verpflichtet, das öffentliche, ausschliesslich zu benutzende Schlachthaus den örtlichen Bedürf-nissen entsprechend einznrichten und zu erhalten. Will die Gemeinde die Anstalt eingehen lassen, so ist der Terrain der Aufhebung von der Genehmigung der Regierung abhangig. § 5. Die Gemeinde ist befugt. fiir die Benutznng der Anstalt, sowie für die Untersuchung des Schlachtviehes, beziehungsweise des Fleisches, Gebi'ihren zu erheben. Der Gebührentarif wird durch Gemeindebeschlnss auf mindestens einjahrige Bauer festgesetzt und zur offentlichen Kenntniss gebracht. Die Höhe der Tarifsatze ist so zu bemessen, dass 1) die für die Untersuchung (§ 2.) zu entrichtenden Ge-bühren, die Kosten dieser Untersuchung, 2) die Gebühren für die Schlachthausbenutzung den zur Unterhaltung der Anlagen, für die Betriebskosten, sowie zur Verzinsung und allmaligen Amortisation des Aidage-kapitals und der etwa gezahlten Entschadigungssumme (§ 7.) erforderlichen Betrag nicht übersteigen. Ein höherer Zinsfuss als fünf Prozent jahrlich und eine höhere Amortisationsquote als Ein Prozent nebst den jahrlich ersparten Zinsen darf liierbei nicht berechnet werden. § 6. Die Benutzung der Anstalt darf bei Erfüllung der allgemein vorgeschriebenen Bedingungen Niemandem ver-sagt werden. § 7. Den Eigenthümern und Nutzungsberechtigten der in dem Gemeindebezirke vorhandenen Privat-Schlachtanstalten ist für den erweislichen, wirklichen Schaden, welchen sie |
dadurch erleiden, dass die zum Schlachtbetriebe dienenden Gebaude und Einrichtungen in Folge der nach § 1. getroffenen Anordnung ihrer Bestimmung entzogen weiden, von der Gemeinde Ersatz zu leisten. Eine Entschadigung für Nachtheile, welche aus Erschwe-rungen oder Störungen des Geschaftsbetriebes hergeleitet â werden mochten, lindet nicht statt. g 8. Soweit Pacht- und Miethvertrage die Benutzung von Privat-Schlachtanstalten zum Gegenstande haben, erreichen solche Vertrage ihr Ende spatestens mit dem Ablautquot; der nach § 3. den Schlachthausbesitzern gewahrten Frist. Ein Entschadigungsanspruch wegen dieser Anflösung allein stebt dem Verpachter und Pachter gegen einander nicht zu. fi 9. Die Eigenthümer und Nutzungsberechtigten (Pachter, Mietber) von Privat-Schlachtanstalten sind bei Vermeidung des Verlustes ihrer Entschadigungsansprüche gegen die Gemeinde verpflichtet, dieselben innerhalb der ihnen nach § 3. gewahrten Frist der Bezirksregierung anzumelden. Diese Behörde ernennt einen Kommissarius, welcher unter Zuziehung von zwei Beisitzern den Anspruch zu prüfen und den Betrag der Entschadigung zu ermitteln bat. Der eine der Beisitzer ist von dem Entschadigungsberech-tigten, der andere von der Gemeinde zu wahlen. Erfolgt die Wahl nicht binnen einer vom Kommissarius zu bestim-menden mindestens zehntagigen Frist, so ernennt dieser die Beisitzer. § 10. Nach Beendigung der Instruction reicht der Kommissarius die Verhandlungen mit seinem Gutachten der Bezirksregierung ein, welche über den Entschadigungsanspruch durch ein mit Gründen abgesetztes Resolut entscheidet und eine Ausfertigung desselben .Tedem der Betheiligten durch den Kommissarius aushandigen lasst. § 11. Gegen das Besolut steht Jedem der Betheiligten innerhalb einer Frist von vier Wochen, vom Tage der Behandigung des Besoluts an gerechnet, die Beschreitung des Bechtsweges zu. Nach fruchtlosem Ablauf dieser Frist bat das Resolut die Wirkung eines recbtskraftigen Erkenntnisses. § 12. Die Bestimmungen des gegenwartigen Gesetzes finden auch auf den Fall Anwendung, in welchem die Gemeinde das öffentliche, ausschliesslich zu benutzende Schlachthaus nicht selbst errichtet, sondern die Errichtung desselben einem anderen Unternehmer überlasst. In diesem Falie verbleiben der Gemeinde die ihr in diesem Gesetze aufer-legten Verpflichtungen. Das gegenseitige Verhaltniss zwischen der Gemeinde und dem Unternehmer ist durch einen Betrag zu regeln, welcher der Bestatigung der Bezirksregierung unterliegt. § 13. Die in diesem Gesetze den Bezirksregierungen beige-legten Befugnisse stehen in der Provinz Hannover, so lange Bezirksregierungen daselbst nicht eingesetzt sind, den Land-drosteien zu. § 14. Wer der nach § 1. getroffenen Anordnung zuwider auserhalb des offentlichen Schlachthauses entweder Vieh schlachtet, oder eine der sonstigen im Gemeindebeschluss naher bezeichneten Verrichtungen vornimmt, bat für jeden Uebertretungsfall eine Geldbusse bis zu zwanzig Thalern oder im Unvermögensfalle verhaltnissmassige Gefangniss-strafe verwirkt. Urkundlich unter Unserer Höcbsteigenhandigen Unterschrift und beigedrucktern Königlichen Insiegel. Gegeben Berlin, den 18 Marz 1868. (L. S.) Wilhelm. Gr, v. Bismark-Schönhausen. Frh. v. d. Heydt. Gr, v. Itzenplitz. v. Mühler. v, Selchow. Gr. zu Eulenburg. Leonhardt. |
BIJLAQE I, b.
|
(Nr. 8782.) Gesetz zur AMnderutig und Erganzutig des Gesetzes vom 48 Marz 1868, betreffend die Errichtung ölïentlicher, ausschliesslich zu benutzender Schlacbthauser (Gesetz-Samml. 1868 S. 277). Vom 9 Marz 1881 Wir Wilhelm, von Gottes Gnaden König von Preussen x. verordnen, unter Zustimmung beider Hauser des Landtages der Monarchie, was folgt: Artikel 1. Die §§ 2 und 14 des Gesetzes vom 18 Marz 1868, betreffend die Errichtung öffentlicher, ausschliesslich zu benutzender Schlacbthauser, erhalten folgende Fassung: § 2. Durch Gemeindebeschluss kann nach Errichtung eines öffentlichen Schlachthauses angeordnet werden: 1) dass alles in dasselbe gelangende Schlachtvieh zur Feststellung seines Gesundheitszustarules sowohl vor als nach dem Schlachteti einer Untersuchung durch Sachverstandige zu unterwerfen ist; 2) dass alles nicht im öffentlichen Schlachthause ausge-schiachtete frische Fleisch in dem Gemeindebezirke nicht eber feilgeboten werden darf, bis es einer Untersuchung durch Sachverstandige gegen eine zur Ge-meindekasse fliessende Gebühr unterzogen ist; 3) dass in Gastwirthschaften und Speisewirthschaften frisches Fleisch, welches von auswarts bezogen ist, nicht eher zum Genusse zubereitet werden darf, bis es einer gleichen Untersuchung unterzogen ist; 4) dass sowohl auf den öffentlichen Markten als in den Privatverkaufsstatten das nicht im öffentlichen Schlachthause ausgescblachtete frische Fleisch von dem daselbst ausgeschlachteten Fleisch gesondert feilzubieten ist; 5) dass in öffentlichen, im Eigenthum und in der Ver-waltung der Gemeinde stellenden Fleischverkaufshallen frisches Fleisch von Schlachtvieh nur darm feilgeboten werden darf, wenn es im öffentlichen Schlachthause ausgeschlachtet ist; 6) dass diejenigen Personen, welche in dem Gemeinde-bezirk das Schlachtergewerbe oder den Handel mit frischem Fleisch als stehendes Gewerbe betreiben, inner-halb des Gemeindebezirks das Fleisch von Schlachtvieh, welches sie nicht in dem öffentlichen Schlachthause, sondern an einer anderen innerhalb eines durch den Gemeindebeschluss festzusetzenden Umkreises gelegenen Schlachtstatte geschlachtet haben, oder haben schlachten lassen, nicht feilbieten dürfen. |
Die Regulative für die Untersuchung (Nr. 1, 2 und 3) und der Tarif für die zu erhebende Gebühr (Nr. 2 und 3) werden gleichfalls durch Gemeindebeschluss festgesetzt und zur öffentlichen Kenntniss gebracht. In dem Regulativ für die Untersuchung des nicht im öffentlichen Schlachthause ausgeschlachteten Fleisches (Nr. 2) kann angeordnet werden, dass das der Untersuchung zu unterziehende Fleisch dem Fleischbeschauer in grosseren Stücken (Halften, Vier-teln) und, was Kleinvieh anbelangt, in unzertheiltem Zu-stande vorzulegen ist; die in dera Tarife (Nr. 2 und 3) festzusetzenden Gebühren dürfen die Kosten der Untersuchung nicht übersteigen. Die Anordnungen zu Nr. 2 bis 6 können nur in Ver-bindung mit der Anordnung zu Nr. 1 und dem Schlacht-zwang (§ 1) beschlossen werden, sie bleiben für diejenigen Theile des Gemeindebezirks und diejenigen Gattungen von Vieh, welche gemass § 1 von dem Schlachtzwange ausge-nommen sind, ausser Anwendung. Im Uebrigen stebt es den Gemeinden frei, die unter Nr. 2 bis 6 aufgeführten Anordnungen sammtlich oder theil-weise, und die einzelnen Anordnungen in ihrem vollen, durch das Gesetz begrenzten Umfange oder in beschranktem Um-fange zu beschliessen. § 14. Wer der nach § 1 getroffenen Anordnung zuwider ausserhalb des öffentlichen Schlachthauses entweder Vieh schlachtet oder eine der sonstigen im Gemeindebeschlusse naher bezeichneten Verrichtungen vornimmt, ferner wer den Anordnungen zuwiderhandelt, welche durch die in § 2 erwahnten Gemeindebeschlüsse getroffen worden sind, wird für jeden Uebertretungsfall mit Geldstrafe bis zu einhundert-undfunfzig Mark oder mit Haft bestraft. Artikel 2. Dem § 3 des vorangeführten Gesetzes vom 18 Marz 1868 tritt als dritter Absatz folgende Bestimmung binzu: Neue Privatschlachtanstalten dürfen von dem Tage dieser Veröffentlichung ah nicht mehr errichtet werden. Der Absatz 1 des § 7 erhalt folgenden Zusatz: Bei Berechnung des Schadens ist namentlich zu berück-sichtigen, dass der Ertrag, welcher von den Grund-stücken und Einrichtungen bei anderweiter Benutzung erzielt werden kann, von dem bisherigen Ertrage in Abzug zu bringen ist. Urkundlich unter Unserer Höchsteigenhandigen Unter-schrift und beigedrucktem Königlichen Insiegel. Gegeben Berlin, den 9 Marz 1881. (L. S.) Wilhelm. Fürst v. Bismarck. Gr. zu Stolberg, v. Rameke. Maybach. Bitter, v. Puttkamer. Lucius. Friedberg. v. Boetticher. |
BIJLAGE II.
Slachtloonen aan verschillende abattoirs.
|
OPMERKING EK 1. In de slachtgelden zijn dikwijls keurloonen begrepen; dit geldt ecliter niet de kosten van het onderzoek op trichinen bij varkens, waarvoor f 0,30âf 0,60 per varken betaald wordt. 2. De slachtgelden zijn over het algemeen het laagst in de slachthuizen der groote steden, in oude abattoirs, welke uit een hygiënisch oogpunt te wenschen overlaten, en in de zoogenaamde âInnungslacht-hauserquot;, dat zijn de slachthuizen, welke het eigendom zijn en geëxploiteerd worden door slagers-ver-ecnigingen, en welke dikwijls veel te wenschen overlaten. In de nieuwere abattoirs, van gemeentewege gebouwd, welke in alle opzichten aan de te stellen eischen voldoen, zijn de slachtgelden het hoogst. 3. In vele Duitsche plaatsen is het slachtgeld voor ossen en stieren hooger dan voor koeien. Dit is daaraan toe te schrijven, dat in vele plaatsen bijna uitsluitend stieren en ossen en slechts weinig koeien worden geslacht, terwijl dan die koeien in den regel van minder hoedanigheid zjjn dan bij ons. Daar, waar de kwaliteit gelijk staat met die van ossen, wordt het slachtgeld gelijk gesteld. 4. De in Duitschland geslachte kalvers zijn van veel geringere hoedanigheid dan onze met melk gemeste vette kalvers. Men zou ze eenigermate kunnen vergelijken met zeer jonge, goed gevoede graskalvers. Vandaar dat de slachtloonen voor die kalvers in den regel zoo laag gesteld zijn. 5. De slachtloonen voor varkens zijn in Duitschland dikwijls vrij laag; oorzaak daarvan is in de eerste plaats liet groot aantal varkens, dat in de meeste Duitsche steden wordt geslacht en in de tweede plaats het keurloon voor trichinenonderzoek, waarmede de varkens worden belast. 6. Het slachtgeld voor paarden is in den regel of gelijk gesteld met, óf hooger gesteld dan dat der stieren en ossen, omdat men terecht aanneemt, dat van een paard een vrij hoog slachtgeld geheven kan worden. 7. De in de label het laatst geciteerde plaatsen zijn die, wélke wij in opdracht der gemeente bezochten. 8. Alle in de tabel genoemde bedragen zijn uitgedrukt in Hollandsch geld, dus guld^. f *) Voor niet leden der Fleischerin-nung te Bielefeld voor runderen f 0,15 voor varkens f 0,09 en voor kalvers, schapen en geiten Æ 0,00 per stuk meer. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
BIJLAGE III,
|
TABEL aangevende het aantal dieren te Leiden geslacht in 1894, 1895, 1896 en de eerste helft van 1897. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
BIJLAGE IV
a. TABEL aangevende de maxima der op één dag ter slachting aangegeven dieren in 1894, 1895, 1896 en de eerste helft van 1897.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
1897 eerste helft. 152 slachtdagen. 27 29 33 |
44
1
Buitengewoon getal door slachting voor export; het daarop volgend grootst getal was 45.
BIJLAGE IV.
|
b. TABEL aangevende het maximum aantal slachtingen per dag in de eerste helft van 1897, | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
BIJLAGE V.
TABEL aangevende het maximum aantal dieren in verschillende maanden op de stallen der slagers binnen Leiden aangetroffen, waarnaar de grootte der veestallen voor een abattoir kan worden vastgesteld.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Wat de grootte der stallen aangaat moet derhalve gerekend worden op 50 groote runderen, 30 kalveren, 10 schapen en geiten , 75 varkens en 20 paarden. |
BIJLAGE VI.
Resumé. Oct. '95 11 dagen Nov '95, 24 â Dec. '95, 8 â Jan.'97, 11 â Febr. '97,24 â Mrt '97, 26 â Apr. '97, 25 â Mei '97, 25 , Juni '97. 25 â Juli '97, 27 ,
205 stuks.
696 â
235 â
199 â
429 â
349 â
481 â 415 â 346 â
397 â
|
Totaal 206 dagen 3752 stuks |
|
BIJLAGE VII. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
BIJLAGE VIII.
u
CD
a
O
Q
*s
c3 B
-D
CP
Varkens op de stallen.
-o .
3 JS
(T) O
gt; 00
O ^
Sh â¢
O) ïO
-5 OJ
P 00
O
O
io 00
c3 tgt;*
3 OS
à 00
03 1âi t-5
. rgt;-
tâ .rt OS
B OO
S r-l
l-s
t-
C5
00
-us |gt;-
OS
00
- Gï
3 oo d 1-5
1 2
3
4
5
6
7
8 9
10 11 12
13
14
15
16
17
18
19
20 21 22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
44
45 43 40 35
46 46
46
39 26
44
40
40
31
38
51
43
46
47 38
44
32
45
41 60 40 34
39 54 47 58
43
44
56 47 51 46 53 39
44 39 42 53
49 37
42
50
39 44
40
43
44 46
39 50
37
38
40
39
41
39
45
27
44
42 44
40
22
31
35
46
41
28
36
35 39 48
44 42 36
42
39 38
40
42
38
43
39 48 42 36 39
18 34
44
41 39
38 31
45
42
39 31
38
39
42 37 42 45 41 59
36
41 50
37
40
42
37 37 41 30 27
33 45
34
87 32
40 43 32 25
24 37
42
29
43
31
32
35
30
41 43 32
28 24
31 27 34 24
38 38
34 31 26
31
35 26 30 38
32
37 45 41
38 37 32
34
39 41
64 75 63 55
49 51
55 57 54
56
41
38 45
39 41
50 36 58 39 58
10
41 40 51
42 24
46 33
47 32
41
39 47 34 43
|
Resumé. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Totaal 204 dagen 8186 stuks | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Som.
366
974
345
1016
1033
991
875
908
579 I 1099
BIJLAGE IX.
|
Paarden |
r-i |
O PQ |
O -O |
â¢c | |||||||
|
op de |
£ |
S i« |
a *5 |
⢠ai |
§ t- |
t t- |
^ t-quot; |
!gt;â quot; | |||
|
O lt;3* |
lt;U os |
O OS O OO £ ^ Q |
à Oi |
S- OS |
Ã3 O5 i 22 |
April 189 |
Mei 189 |
Juni 189 |
Juli 189 | ||
|
stallen. |
1quot; |
ö oo c3 Tâi |
quot;S 2 fe | ||||||||
|
1 |
_ |
_ |
2 |
4 |
_ |
3 |
5 |
2 |
4 |
Resumé. | |
|
2 3 4 |
â |
â |
2 2 12 |
- |
12 4 4 |
3 1 2 |
3 2 |
4 5 |
2 1 3 |
6 3 |
Oct. '95, 9 dagen 74 stuks Nov. '95, 16 â 94 â |
|
5 |
_ |
19 |
1 |
_ |
4 |
2 |
3 |
4 |
2 |
Dec. '95, 7 â 21 , | |
|
6 |
- |
â |
1 |
â |
2 |
2 |
7 |
2 |
â |
6 |
Jan '97, 8 â 42 ^ |
|
7 |
- |
2 |
1 |
- |
â |
â |
6 |
3 |
â |
5 |
Febr.'97,24 â 75 â |
|
8 |
â |
2 |
â |
- |
2 |
3 |
6 |
2 |
2 |
5 |
Mrt '97, 24 â 67 â |
|
9 10 |
- |
2 |
â |
- |
3 3 |
3 1 |
7 6 |
3 |
3 3 |
4 4 |
Apr. '95,25 â 132 â |
|
11 |
- |
_ |
_ |
-- |
2 |
2 |
3 |
4 |
Mei '97, 25 â 77 â | ||
|
12 |
- |
- |
â |
- |
3 |
3 |
7 |
2 |
2 |
3 |
Juni '97,25 â 75 â |
|
13 |
- |
13 |
â |
- |
1 |
2 |
16 |
2 |
â |
2 |
Juli '97,27 â 122 â |
|
14 |
1 |
7 |
4 |
2 |
2 | ||||||
|
15 |
- |
1 |
â |
- |
2 |
4 |
4 |
2 |
1 |
4 |
Totaal 190 dagen 779 stuks |
|
16 |
- |
â |
â |
- |
2 |
3 |
6 |
â |
3 |
3 | |
|
17 |
- |
â |
â |
- |
5 |
2 |
7 |
4 |
2 |
2 | |
|
18 |
- |
â |
â |
- |
3 |
3 |
â |
4 |
6 |
- | |
|
19 |
- |
â |
â |
- |
2 |
â |
â |
3 |
5 |
4 | |
|
20 |
- |
18 |
â |
- |
2 |
2 |
5 |
4 |
â |
10 | |
|
21 |
1 |
5 |
â |
- |
â |
â |
4 |
2 |
4 |
7 | |
|
22 |
16 |
5 |
â |
3 |
3 |
3 |
5 |
2 |
3 |
7 | |
|
23 |
17 |
5 |
â |
7 |
3 |
4 |
4 |
â |
4 |
6 | |
|
24 |
4 |
â |
â |
â |
5 |
3 |
4 |
3 |
3 |
4 | |
|
25 |
4 |
â |
â |
9 |
2 |
4 |
â |
4 |
3 |
-- | |
|
26 |
4 |
1 |
â |
4 |
1 |
3 |
3 |
3 |
2 |
6 | |
|
27 |
â |
11 |
â |
3 |
1 |
3 |
4 |
â |
- |
6 | |
|
28 |
9 |
3 |
â |
3 |
â |
â |
5 |
3 |
3 |
4 | |
|
29 |
17 |
3 |
â |
3 |
â |
4 |
6 |
2 |
4 |
5 | |
|
30 |
2 |
3 |
â |
10 |
3 |
3 |
â |
4 |
5 | ||
|
31 |
â |
â |
â |
â |
â |
4 |
â |
3 |
â |
3 | |
|
Som. |
74 |
94 |
21 |
42 |
75 |
67 |
| 132 |
j 77 |
75 |
122 |
MEMORIE VAN TOELICHTING behoorende bij het Ontwerp voor een Abattoir voor de Gremeente LEIDEN.
|
Het ontwerp is tweeledig opgemaakt en wel een abattoir met een koelhuis en een zonder koelhuis. Het al of niet noodzakelijke van een koelhuis wordt door den Inspecteur van Vee- en Vleeschkeuring uiteengezet. Ook wordt in dat rapport verslag gegeven van het aantal koeien, varkens, schapen en paarden dat te Leiden geslacht wordt en o. m. wordt ook daarin een berekening der jaar-lijksche exploitatiekosten gegeven, zoodat ilc volstaan kan met mij uitsluitend te bepalen tot het technisch gedeelte van het vraagstuk. De aangewezen plaats voor de stichting van het abattoir is zeer zeker het Schuttersveld, immers dat terrein is gelegen in de nabijheid van de Beestenmarkt en de Spoorbaan en het terrein is bovendien gemakkelijk te bereiken door de slagers, welke van de inrichting gebruik moeten maken. Noodig is het dit terrein op te hoogen tot de hoogte van den Singelweg. Naast de sloot langs de Aloëlaan is een toegangsweg van 8 M. breedte ontworpen met een brug om het overblijvende exercitieveld met den Singelweg te verbinden. De situatie van het plan met koelhuis is dezelfde als die zonder koelhuis. Wanneer we nu de situatie van het ontwerp met een koelhuis van naderbij bezien dan ontmoet men rechts van de toegangsbrug de woning van den Directeur, waarnaast een ingangshek, aansluitende aan het administratiegebouw, bevattende verschillende apartementen ten dienste van microscopisch onderzoek, kamers voor den Directeur, de Keurmeesters, keurlokaal en meer andere. Dient de ingang naast de Directeurswoning voor den aanvoer van vee, dat geslacht moet worden, de ingang links van het administratiegebouw is meer speciaal voor het afhalen van vleesch, terwijl de localileiten g en h gelegenheid geven tot stalling van de paarden der slagers en tot tijdelijk verblijf van rijtuigen. De stallingen c en d dienen respectievelijk voor tijdelijk verblijf van te slachten koeien of van groot vee. Dezelfde bedoeling is aan het gebouw f gegeven met het oog op te slachten paarden, In het gebouw e is ruimte tot afzondering en slachting van ziek vee en tot slachting van paarden. Ongeveer midden tusschen deze stallingen is het gebouw A dat de slachtplaatsen bevat en daarin toch, hebben de lokalen 1â12 de volgende bestemming: 1. is het lokaal geschikt om 50 stuks groot vee per dag te slachten. Nadat de koe op de gewone wijze geslacht, gevild en schoongemaakt is, worden de beide helften over rails en door middel van windwerktuigen, welke aan de wanden van het lokaal verbonden zijn, getransporteerd naar het voorkoelhuis (3), om na een verblijf van eenige uren te verhuizen naar het koelhuis (2). De inrichting van het koelhuis bestaat uit een aaneenschakeling van apartementen van ijzerdraad; iedere slager heeft een of meer zulke afdeelingen. Om het vertrek zooveel mogelijk te onttrekken aan de buitentemperatuur zijn de wanden gemaakt van zware spouwmuren, terwijl de zoldering met een hoogte van ongeveer 1.00 M. dikte turfmolm is bedekt, üe lage temperatuur wordt verder verkregen door de werking van een Linden'sche Ijsmachine en daarvoor zijn benoodigd de vertrekken 7â9 en 10. Verder zijn 4 en 5 de slachtplaatsen voor klein vee en voor varkens. In de varkensslachterij hebben ze 2 broei-ketels waarin het water verwarmd wordt door de stoom van den stoomketel, terwijl door een kraan het varken in en uit de broeikuip wordt gebracht. |
De ingewanden van al het geslachte worden vervoerd naar de darmwasscherij (11), terwijl de mest en verdere afval in lokaal 12 wordt opgeborgen. Zooals te begrijpen is wordt, voor de slachting zelve als voor het schoonmaken en reinhouden der lokalen veel water gebruikt dat, met alle andere gedeeltelijk vloeibare stoffen, moet worden afgevoerd. Een zeer belangrijk onderdeel van het abattoir-vraagstuk is het antwoord op de vraag: hoe worden deze stoffen verwijderd en onschadelijk gemaakt. Is het abattoir gelegen aan een stroomend water dan is de zaak betrekkelijk eenvoudig, want men kan dan den afval na mechanisch gezuiverd te zijn doen afvoeren. Heeft men geen stroomend water dan moeten deze stoffen na mechanische klaring nog chemisch gezuiverd worden om daarna te vloeien naar de gracht. Voor ons doel is de bezinkingsput i ontworpen en is het de bedoeling, om het geklaarde en chemisch gezuiverde vocht naar de sloot lang den spoorweg af te voeren. Het geheele slachthuis is door een houten afrastering omgeven. Omtrent de inrichting der slachthuizen valt weinig bijzonders op te merken. De buitenmuren zijn zwaarder dan voor gewone gebouwen bij ons gebruikelijk is; een minimum dikte van 2 steen is dan ook noodig, omdat de windwerken er aan worden bevestigd en het gewicht van aan de binten bevestigde transportinrichtingen belangrijk is. Een eerste vereischte is dat steeds voor versche lucht wordt gezoigd en de reinheid niets te wenschen overlaat. Hieraan wordt voldaan door het plaatsen van ruime luchtkappen, groote ramen met beweegbare gedeelten , door verder de vloeren hellend te leggen en van soliede materialen te maken en door de wanden met tegels te bezetten en door na iedere slachting met milde hand de waterkraan te gebruiken. De stichtingskosten van het ontworpen abattoir met een koelhuis zullen bedragen; Terrein ophooging, bruggen, afsluitingen en afvoerbuizen............/' 38350.â Slachtplaats voor groot en klein vee . â 94500.â Een administratiegebouw........â 31000.â Een stalling voor groot vee.......â 5900.â » n » klein â .......â 6000. â paardenslachthuis e. a........â 17800.â â â stalling voor slachtpaarden . . . â 8900.â â â â â slagerspaarden. . . â 3850.â â rijtuigen remise......... â 3700.â â klaarbassin...........â 3000.â â directeurswoning.........â 10000.â f 223000,- hierbij gevoegd de kosten van alle machineriën, loopkranen, haken, en andere ijzerwerken. . â 90000.â waarde bouwterrein groot 2,3 H.A........15000.â Totaal. . Tquot;7 328000.â Wordt er geen koelhuis gebouwd dan zullen de kosten bedragen f 259000.â De tijd noodig voor de geheele uitvoering van het werk is te stellen op 15 maanden. De Gemte Architect H. PAUL. |
BIJLAGE X.
Ontwerp
voor een
Abattoir te Leiden.
( met koelhuis )
Situatie - Schaal / a iOOO.
|
Renvooi. «. Slachtplaats voor groot en klein vee en varkens met koelhuis. 1. Slachtplaats voor groot vet 50 per dag. 2. Koelhuis. 3. Voorkoelhuis. 4. Slachtplaats voor klein vee. 5- » â varkens 100 per dag. 6. Varkensstallen. 7. Ketelhuis. |
8. Sterilisator. 9. Machinekamer. 10. Ijsfabriek. 11. Darmwasscherij. 12. Mcsthuis. fc. Administratie gebouw, waarin: 13. Kamer v/d Directeur, ⢠» »1® Keurmeester. 15. Bureau, 16. Laboratorium. 17. Kamer v/j Keurmeesters. » â Commiezen. 19. Keurlokaal. 20. Portier. |
c. Stal voor groot vee, geschikt voor 40 runderen. d- * â klein vee. e. Slachtplaats voor paarden en slachtplaats met stal voor ziek vee. /. Stalgebouw voor paarden om te slachten. g. Stal voor slagerspaarden. h. Remise voor slagersrijtuigen. i- Klaarbassin of bezinkingsput. j. Woning v/d Directeur. = Schuttingen. (Terrein afschei-ding.) |
BIJLAGE XI.
Ontwerp
a voor een
Abattoir te Leiden
S .
4gt;
O
y
|
Renvooi. Slachtplaats voor groot en klem vee er, varkens. '⢠Slachtplaats voor groot vee, 50 per dag. quot; n klein vee. Tr , quot; » varkens, varkensstallen. Q-ang. Portaal. Overdekte gang. Ketelhuis. Sterilisator. a. |
d- Administratie gebouw. 13. Kamer v/d Directeur. , ' quot; quot; 1® Keurmeester. Jo. Jiureau. 16. Laboratorium. 17. Kamer v/d Keurmeesters. « » Commiezen. 19. Keurlocaal. 20. Portier. C Stal V001, ^0üt vee, geschikt voor 40 runderen. ifrd 10. |
d. Stal voor klein vee. e. Slachtplaats voor paarden en slachtplaats met stal voor ziek vee. /quot; Sta,8,0bouw voor paarden om te slachten. y. Stal voor slagerspaarden. 7 T^emif V001' slagersrijtuigen. J aayb^sin of bezinkingsput. ]â Woning v/j Directeur Schuttingen. (Terrein afschei-dmg.) |
â