^ Cc .
MET EEN NASCHRIFT :
DOOR
ARNHEM.
1 894.
---
LEIDEN. - E. J. BRILL. -
door
Arnhem.
DEFINITIE, OORSPRONG, GESCHIEDENIS, KRITIEK DER LEER IN HET ALGEMEEN.
Het was tegen het einde der Middeleeuwen een algemeen heerschend bijgeloof, dat de geneeskrachtige planten aan teek enen te onderkennen waren die met de ziekteverschijnselen tot welker genezing zij geschikt waren, eene zekere overeenkomst hadden. Men noemde die teekenen hare Signatuur.
Wanneer deze leer ontstaan is, kan men niet meer bepalen. Zij bestond ongetwijfeld in het volksgeloof lang voordat zij een naam kreeg en voordat de kennis der kruiden eenigermate tot wetenschap werd verheven. Onze beroemde kruidkenner Rembert Dodoens (Dodonaeus), die in 1654 de eerste uitgave van zijn Cruydtboeck te Antwerpen in het licht gaf en zich daarin een verklaarden tegenstander van de leer der Signatuur betoonde, is bepaald van meening dat de schrijvers der Grieksche en Latijnsche oudheid met de Signatuur geheel onbekend waren. „Men heeft nointquot;, zegt hij „in de schriften van de vermaerde ende geloofwaerdige oude schrijvers bevonden, dat men de crachten der gewassen soude moghen comen te kennen en te doorgronden wt sommige indruckselen oft merck-teeckenen, de welcke in sommige gewassen ofte in eenige deelen van dien gemerckt ende bevonden worden. Alle dese bevindingen, ofte (om beter te seggen) versieringen, zijn van sommige nieuwe ende min vermaerde schrijvers in dese onse laetste tijden onlanx gevonden ende voor den dach gebracht, die welcke houden staen en met redenen bevestigen willen, dat den aert van alle wereltlycke dingen (die men op 't Latynsche Natura noemt) al 't gene dat hy ter werelt geschapen oft gemaect heeft, sijne eygene teeckenen ende mercken wtdruckelycken gegeven ende ingeprent heeft, door de welcke de crachten ende werckingen van dien, besonder de verborgene ende heymelycke, sekerlycken bekent mogen worden: min noch meer (soo sy seggen) als wt het aanschouwen ofte besien des aensichts ende sommige deelen des lichaems, de seden en ghenegentheden ofte affectiën der menschen door de conste der Physiognomiën bekent ende doorgrondt wordenquot;. Dodonaeus verwerpt in hetgeen volgt uitdrukkelijk die gelijkstelling van de leer der plantensignatuur met die der physiognomie, welke laatste, zegt hij, door Aristoteles en andere oude wijzen voor goed is gehouden, terwijl „daerentegen de leere of wetenschap van dese voorseyde teeckenen ende indruksels der gewassen van niemant van de ouden die eenigen lolï waerdig sy, ofte gheacht ofte gepresen is vgeweest, ende sy ook bovendien soo los, wanckelbaer.
75
- 4 -
twyffelachtig ende onseker is, dat sy geensins voor eenige kennisse ofte wetenschap en behoort gehouden te wordenquot;1).
Doch van de stellige verklaring dat de Ouden met de leer der Signatuur geheel onbekend zijn geweest, komt Dodonaeus een paar bladzijden verder eenigermate terug. Hij erkent daar dat sporen van die leer bij de oude schrijvers worden aangetroffen in hetgeen zij mededeelen omtrent de orchideeën en het bengelkruid. Over de orchideeën spreek ik breeder in mijn vijfde hoofdstuk. Wat het bengelkruid (Mercurialis perennis, Gr. lt;lgt;M.or) betreft, merk ik op dat Theophrastus (VI. 19), daarvan twee soorten onderscheidt: lt;lgt;vlhiv u^tvoyupnv (i. e. mares gignens) en lt;lh').hngt; o-iiXv/órov (i. e. feminas gig nerts). Inderdaad is deze plant dioecisch, d. i. de mannelijke en vrouwelijke bloemen komen op geheel gescheiden planten voor, en men vond daarin de aanwijzing dat zwangere vrouwen daarvan nuttigen moesten naarmate zij mannelijk of vrouwelijk kroost begeerden. Maar de schrijvers der oudheid die eenig geloof aan zulke teekenen verraden zijn naar het oordeel van Dodonaeus navolgers geweest van de Egyptische dwaalleeraars, die ook volgens Galenüs de Geneeskunde ver-valscht en bedorven en in de oogen der verstandigen verachtelijk gemaakt hebben. Doch in strijd hiermede vond ik bij Plinius meer dan één voorbeeld2) waaruit blijkt, dat de leer der Signatuur bij de Ouden meer gezag heeft gehad dan Dodonaeus het doet voorkomen. Zóó waar de Romeinsche schrijver handelt over het kruid Scorpio (bij Diosoorides IV. 18 2:xo(gt;TTioHÖiig, thans doorgaans Scorpiurus, Schorpioenkruid), en over het Lithospermum, (Parelkruid), op welke beide ik in het vijfde hoofdstuk terugkom. Is het niet duidelijk dat Plinius het oog heeft op eene algemeen bekende leerstelling, als hij van het eerste verzekert, dat het zijn naam heeft van het zaad, dat den vorm heeft van een Schorpioenstaart en ook tegen een Schorpioensteek van kracht is, en van het andere getuigt; „In geen ander kruid is het dadelijk op het gezicht zoo blijkbaar voor welk geneeskundig gebruik het in de wereld kwam.quot; Ook wordt ons door de Alruin {Mandragora), waarover ik uitvoerig in het tweede hoofdstuk handelen zal, een voorbeeld verschaft, dat stellig tot zeer hooge oudheid opklimt.
Doch het voorbeeld in sommige gevallen door de Ouden gegeven, maakt Dodonaeus niet meer geneigd, om de leer der Signatuur te omhelzen. Gebeurt het, met deze opmerking besluit hij zijn hoofdstuk over deze leer, dat de werking aan de teekenen beantwoordt, zoo is dit stellig als bloot toeval te beschouwen, daar de ervaring leert dat meestal de klachten zeer van de teekenen verschillen. Wij zuilen beneden onderscheiden voorbeelden leeren kennen, waarmede Dodonaeus de onbetrouwbaarheid van de leer der Signatuur in het licht stelt.
Dat Dodonaeus onder zijne tijdgenooten in deze verstandige beschouwing niet alleen stond, is niet moeilijk aan te toonen. In de volgende hoofdstukken zal men meermalen
') De hier aangehaalde plaats is genomen uit de Leidsche uitgave van het Cruydtboeck van 1608, waarvan ik een exemplaar ten gebruike mocht ontvangen van de Universiteits-Bibliotheek te Leiden. Dio uitgave is in menig opzicht eigenlijk eene nieuwe redactie, althans wat den vorm betreft. Wat de stof aangaat bevat zu ook veel nieuws; maar dit is steeds als bijvoegsel van het eigen werk van Dodonaeus onderscheiden. Er bestaan vroegere uitgaven van 1563, 1581 en 1590, en eene latere van 1644, in welke laatste de in den tekst door mij gespatieerde woorden dus luiden: „dat sy gheheel onseker, ydel, iae lachelyk ende een slechte beusel isquot;. Dodonaeus overleed in 1589 als Hoogleeraar te Leiden. De latere uitgaven zijn door anderen bewerkt. Het hoofdstuk waaraan de aangehaalde woorden ontleend zijn, is in de uitgave van 1608 het elfde, en die van 1644 het tiende van het eerste boek. Het opschrift daarvan is in beide: „Van de teeckenen oft indruksels der dingen.quot;
2) Historia Naturalis XXII; 17, XXVIJ : 74 (edit. Bipontina).
76
- 5 -
bewijzen vinden, dat ook andere geleerden, vooral Fransche, den spot dreven met het bijgeloof der dwaze lieden die aan zulke teekenen hechten. Maar bij het volk was, althans in Midden-Europa, dat bijgeloof algemeen, en het werd daarin gesteund door sommige geleerden die meer kennis dan gezond verstand bezaten. Inzonderheid moet hier genoemd worden de befaamde Paeacelsus von Hohenheim (1493 — 1541), die deze leer der teekenen stelselmatig begon toe te passen en veel toebracht om haar aanzien te vestigen.
Het verdient opmerking dat men deze teekenen niet uitsluitend in de planten vond, maar ook in andere natuurvoorwerpen, in de dieren, en zelfs in de delfstoffen. Maar de plantenwereld had ook toen, gelijk reeds bij de Ouden en, schoon in mindere mate, ook nog heden, in de Materies Medica verre de overhand. Het is dan ook tot deze dat ik mij vooreerst wensch te bepalen, ofschoon ik in het zesde en zevende hoofdstuk op de Signatuur althans der dieren nog kortelijk denk terug te komen.
Bij het bepalen van de waarde aan de teekenen te hechten, volgde men in het algemeen reeds den zoo beroemd geworden regel: „Similia similibus curanturquot;. Men moet evenwel de leer der Signatuur volstrekt niét gelijk stellen of verwarren met de homoeo-pathische leer van Hahnemann, die dezelfde spreuk in haar vaandel voert. De Homoeopathie berust op de grondstelling, dat men om ziekten te genezen zulke middelen kiezen moet die in het gezonde lichaam verschijnselen te weeg brengen welke op de verschijnselen dei-te bestrijden ziekte gelijken. Kina b. v. is in Hahnemann's leer koortswerend, omdat eigen ervaring hem geleerd had, dat zij in het gezonde lichaam koortsachtige aandoeningen te weeg brengt. De leer der Signatuur daarentegen schijnt mij op twee geheel andere, beide zeer gewaagde stellingen te berusten (waarvan ik echter niet weet of zij ooit bepaaldelijk door hare aanhangers zijn uitgesproken), t. w. 1° dat tegen elk gebrek en elke wanorde in het menschelijk organisme in de Natuur een middel moet voorhanden zijn; 2° dat de natuurvoorwerpen zelve door eenig teeken aanwijzen, voor welke ziekte of kwaal zij genezing bieden. Prof. Pluoge, die in zijne den 16den Sept. 1890 te Groningen gehouden rectorale oratie1), in een overzicht van de geschiedenis der pharmacie de aandacht zijner hoorders weder eens bij de schier geheel vergeten leer der Signatuur bepaalde, dringt wat dieper door in het wezen van dezen tweeden regel, wanneer hij dien formuleert in de woorden: „dat de Schepper van het Heelal in uitwendige kenmerken eene aanwijzing had gegeven omtrent het geneeskrachtig vermogen der lichamen, en men daarom bij het zoeken naar geneeskrachtige zaken vooral acht moest geven op verschijnselen in vorm, kleur, reuk of andere duidelijk waarneembare eigenschappen, die als wenken voor het pharma-ceutisch gebruik konden geldenquot;. Die wenken nu waren bevat in zekere punten van overeenkomst tusschen de vooronderstelde teekenen en de ziekteverschijnselen of ook de aan ziekte lijdende lichaamsdeelen, en dus in zooverre eene werkelijke curatio similium similibus. Intusschen zijn genezing naar aanwijzing der Signatuur en curatio similium similibus (ook afgescheiden van den zin dier formule in de Homoeopathie) geene begrippen die elkander geheel dekken: wel kan men in het algemeen zeggen, dat de Signatuur op het similia similibus berust, maar dit laatste komt ook wel eens voor zonder dat signa als de hier bedoelde voorhanden zijn. Wanneer men b. v. wilde trachten het verarmde bloed op het voorbeeld der dochters van Pelias door de instorting van nieuw krachtig bloed te verbeteren, zou dit wel eene genezing van similia similibus, maar zonder
') P. O. Pj.uoge , de invloed der Scheikunde op de ontwikkeling der Pharanacotherapie, bl. 14.
Signatuur zijn. Werkelijk komt wel eens iets voor dat hiermede eenige analogie heeft!). In het zesde hoofdstuk zal ik op dit punt terugkomen.
Men zal opgemerkt hebben dat in de bovenaangehaalde plaats van Dodonaeus het woord Signatuur niet voorkomt. Het schijnt in de hier beschouwde beteekenis (want in vele andere beteekenissen werd het reeds van oudsher gebezigd) van vrij jongen oorsprong te zijn. Als erkend kunstwoord in dezen zin is het mij het eerst voorgekomen in den bekenden „Dictionnaire universel de Trévouxquot; (dus genoemd naar het Fransche stadje Trévoux, dept. Ain, waar de eerste uitgave in het begin der 18de eeuw gedrukt werd). De plaats luidt als volgt: „Les botanistes appellent Signatures de certaines conformités et ressemblances qu'on aperQoit entre les plantes et une partie du corps humain, ce qui a fait croire a quelques-uns que ces plantes étaient des spéciflques pour les maux, dont ces parties la étaient attaquéesquot; ^). Maar deze definitie zelve toont, dat het woord reeds algemeen bij de botanici in gebruik was. Eenige tientallen jaren later werd de volgende definitie gegeven in „A new and complete Dictionary of terms of artquot; (Engelsch en Neder-duitsch) van Egbeet Buys: „Signature (among Naturalists), the resemblance of a vegetable or a mineral to any part of a man's bodyquot; — gelijkenis die een plant of bergstoffe op eenig deel van een menschelijk lichaam heeft.quot; In deze definities treedt de overeenkomst tusschen de verschijnselen aan de planten en die aan het menschelijk lichaam, dus de botanische zijde der Signatuur, op den voorgrond, en door Buys wordt zelfs de pharma-ceutische in het geheel niet aangeduid. Het is echter duidelijk dat de denkbeeldige waarde der Signatuur zich alleen uit hare toepassing op de Geneeskunde laat verklaren.
Hoe algemeen de leer der Signatuur een tijd lang groot gezag heeft geoefend, toch is ook hier ten laatste het licht doorgebroken. Doch de pharmacopeeën der vorige eeuw, ja ten deele zelfs de hedendaagsche bewijzen, hoe langzaam hier het bijgeloof voor meer redelijke inzichten heeft plaats gemaakt. Onder de talrijke planten, waaraan Linnaeus den soortnaam officinalis gegeven heeft, zijn er een groot aantal die hare opneming onder de Materies Medica alleen aan de Signatuur te danken hebben. Zonder kritiek omtrent de wezenlijke waarde voor de geneeskunde gaf de eerste plantenkenner van zijn tijd den naam van officineel aan meest alles wat als zoodanig in de kruidboeken vermeld en in de kruidtuinen gekweekt werd1). Thans evenwel zijn deze planten, ten gevolge der vorderingen in de natuurstudie, die de ongerijmdheid der leer aan het licht brachten, allengs uit de Pharmacopaea verdwenen, en met de leer zelve is ook de naam Signatuur in den hier bedoelden zin zoozeer in vergetelheid geraakt, dat hij in de meeste woordenboeken, zoo taalkundige als encyclopaedische, niet meer wordt opgegeven. Waar hij nog vermeld wordt geschiedt dat niet altijd met volkomen juistheid. In Meyer's Conversations-Lexicon wordt de leer der Signatuur omschreven als: „die Ansicht, das jeder Naturkörper, und namentlich die Pfianzen, ausserlich in Gestalt, Farbe und sonstiger Beschaffenheit Zeichen trage, an denen man erkennen könne, gegen welche Leiden des tierischen und mensch-lichen Körpers sie an zu wenden seien.quot; Maar zoover is die leer toch wel nooit gegaan; dat „jeder Naturkörperquot; zulke teekens draagt, heeft zij wel nooit geleerd. Beter ware zeker gezegd, dat „viele Naturkörper, namentlich viele Pfianzenquot;, zulke
78
) Vgl. Meyer's Conversations-Lexicon in v. Signatur.
- 7 -
teekenen vertoonen. Eene korte en juiste, maar niet geheel volledige verklaring geeft op het woord Signature het Fransch-Nederlandsch Woordenboek van Kkamers en Bonte: „onderstelde betrekking tusschen den bouw en de geneeskracht der plantenquot;. Maar de beste definitie van Signatuur vond ik in het voortreffelijke en verwonderlijk volledige Fransche Woordenboek van Littré; „Signature des plantes, certaines qualités de leur conformation ou de leur coloration, d'après lesquelles on les jugeait convenables dans telles ou telles maladies. On déflnissait la Signature des plantes: un rapport entre leur figure et leurs effets.quot;
Natuurlijk doet zich de vraag voor of in de leer der Signatuur alles fantasie is, dan, of er ook somtijds eenige grond voor hare leeringen bestaat. „De dwalingquot;, zegt Trendelenburct, „kan slechts stand houden, wegens de elementen der waarheid waarmede zij vermengd is.quot; Behoudt dit aphorisme ook hier zijne geldigheid? Het antwoord kan niet onvoorwaardelijk ontkennend luiden. De meeste schrijvers die eenige aandacht aan dit onderwerp gewijd hebben, erkennen dat er in sommige gevallen overeenstemming tusschen het teeken en de geneeskracht bestaat. Inzonderheid komt zij voor bij de kleur der plantensappen. H. Wagner1) merkt op, dat vele gele en bruine plantensappen adstringeerend en bitter zijn, niet weinige roode zuur smaken, witte zich dikwijls smakeloos en slijmerig betoonen en vuilgroene of zwartachtige niet zelden vergiftige werking oefenen. Intusschen beweert Wagner volstrekt niet dat dit alles vaste regel is. Juist op het punt der kleur van sappen en andere planten-deelen is de geldigheid der Signatuur met bijzonderen nadruk door Dodonaeus bestreden. Hij toont met tal van voorbeelden aan, dat hetzelfde wat gele, roode of witte planten-deelen teweegbrengen ook door plantendeelen van andere kleur kan bereikt worden, en dat omgekeerd vele ziekten, die soms door gele, roode of witte plantendeelen genezen worden, daarentegen door andere plantendeelen van dezelfde kleur verergeren en gevaarlijker zouden worden. Ik zal mij nog een korte aanhaling uit zijn Kruidboek veroorloven, waarin hij de bestaande meeningen omtrent de roode kleur bestrijdt:
„Desgelyxc ist met de roode verwe, welcke onder de mercken of kenteekenen gheensins voor het minste gehouden en wordt. Hier voormaels waren der sotnmighe die vastelyck gheloofden, dat alle roode dingen heet waren, omdat het schijnt dat sy de verwe van 't vier met heur brengen ende ghelyck zyn, 't welck oock root is. Maer de dwalinge van diergelyke menschen is ghenoegzaam berispt en omgestooten gheweest van Celsius, in het tweede boeck van de simpelen ofte ongemengelde gheneesmiddelen. In onse tijden schadt men dat alle roode dinghen te samentrecken ofte toenypen en sluyten, en daerom alle den vloedt en bloedtganck van alle kanten stillen en stelpen, en 't is wel waer datter vele diergelycke zyn, te weten de roode Roosen, de bloemen van den wilden granaetboom, de roode bessen oft vruchten van berberis, oock de cornoeliën, dat sandalenhout het-welcke root is, drakenbloet, de wortelen van hertstonge ende van tormentille1), en noch meer andere van de selfde verwe, die cracht hebben om te samen te trecken en den stoel-ganck te bedwingen. Nochtans vindt men veele andere roode dingen, ofb die root sap hebben, die met een heel andere en verscheyden cracht begaeft zyn. Het sap dat wt de geperste of gewreven bladeren van Hypericum of St. Jans-cruydt, van hertshooy2) en van
79
') Malerische Botanik, II. 250. !) PotentUla tormentilla of Zevenblad.
) Hevtshooi wordt thans by ons gebruikt als vertaling van den geslachtsnaam Hypericum, en omvat dus ook het St. Janskruid of Hypericum perforatum. Maar er komen behalve dit nog zeven soorten van Hypericum in onze Flora voor en één van deze (welke durf ik niet bepalen) moet door Dodonaeds hertshoy genoemd zyn.
- 8 -
wilde ruyte uitgedruckt wordt, is soo root al oft het bloed waer; maer nochtans dese cruyden en stelpen het bloet geensins niet, selfs daarentegen dryven en jagen sy het bloet van onderen aff door de maentstonden. Alsoo oock de rootverwighe vruchten van den hulstboom, van wiens schorssen oft schellen den lym gemaect wordt, en zyn niet alleen niet samentreckende oft stoppende, maer verwecken eenen geweldigen loop oft vloet van onderquot;.
Het mag dus wel als zeker beschouwd worden, dat de leer der Signatuur voor de Geneeskunde niet de geringste waarde bezit, en voor haar niet meer is dan eene curiositeit, en het is daarom niet te verwonderen dat zij zoozeer in vergetelheid is geraakt, dat vele onzer medici verklaren moeten er nooit van gehoord te hebben. De medische wetenschap is in de laatste jaren met reuzenschreden vooruitgegaan, en berust op zulke geheel andere grondslagen dan die van vroegere eeuwen, dat de Historia Medicinae slechts zeer weinige beoefenaars telt. De artsen van onzen tijd denken er niet meer aan, wijsheid uit de oude boeken te putten. Men heeft de handen vol om, bij zijne praktijk, de nieuwe onderzoekingen en ontdekkingen, dagelijks in tal van tijdschriften medegedeeld, bij te houden. Deze overweging heeft bij mij den twijfel opgewekt of ik door eenige door mij van tijd tot tijd opgeteekende voorbeelden van Signatuur, gedeeltelijk aan de reeds vermelde oratie van Prof. Plugge ontleend, bijeen te brengen, niet wellicht een werk doe, dat reeds lang vóór mij gedaan is. Het is zeer mogelijk dat in de geneeskundige literatuur der zestiende en zeventiende eeuwen meer of min systematische verhandelingen over de Signatuur, meer of min volledige lijsten van volgens hare aanwijzingen in de Materies Medica opgenomen planten voorkomen; maar ik heb ze niet kunnen vinden of geene aanwijzing er van kunnen verkrijgen.
Maar voor de Ethnologie, de in onze dagen zoo ijverig beoefende wetenschap die zich voorstelt den mensch aan zich zeiven te openbaren, is de kennis van de leer der Signatuur, gelijk die van alle bijgeloovige meeningen en dwaasheden, van alle afdwalingen van den men schel ij ken geest, een belangrijk onderwerp. Ik heb daarom gemeend geen geheel overbodig werk te verrichten door alles bijeen te voegen wat ik gedurende een reeks van jaren daarover verzameld heb. Volledigheid wordt daarbij niet beoogd, omdat zij onbereikbaar is. Schier ieder botanisch werk, ieder woordenboek aan de natuurwetenschappen gewijd dat ik opsloeg, verschafte mij nieuwe bijdragen, en waar zou daarvan het einde zijn?
Ik denk in de bespreking dier voorbeelden deze orde te volgen. Ik ken twee soorten van planten die door de aanhangers dezer leer als in het algemeen met weldadige krachten toegerust, als helpers in alle nooden en geneesmiddelen voor alle kwalen, beschouwd werden: de Mandragora of Alruin en de Mistel of Marentakken. Deze behandel ik inde eerste plaats. Nauwelijks minder wonderkracht werd aan de Varens toegeschreven, niet aan bijzondere soorten, maar aan de geheele uitgebreide familie, echter met dien verstande, dat de Polypodium-soorten, de in Europa meest algemeen verbreide, het meest in aanmerking komen. Aan de Varens is dus het volgende, het vierde hoofdstuk gewijd. Het vijfde behandelt eene lange reeks van planten waarvan eenig deel of aftreksel als specifiek geneesmiddel voor bijzondere kwalen of ziekten beschouwd wordt. Over de Signatuur van dieren handelt het zeer korte zesde hoofdstuk. Het zevende handelt over de vraag of ook sporen der begrippen die aan deze leer ten grondslag liggen, bij de volken van andere werelddeelen dan Europa worden aangetroffen.
80
11.
DE ALRUIN EN DE HEGaERANK.
Het meest bekende, tot de hoogste oudheid opklimmende voorbeeld der wondermiddelen levert ons de Alruin {Mandragora). De plant komt voor in twee verscheidenheden, die, naai' het verschil van den tijd waarin zij bloeien, vernalis en autumnalis genoemd worden. Beide behooren te huis in Zuid-Europa, Klein-Azië en Syrië. Zij worden reeds beschreven en — maar ten onrechte — als mannelijke en vrouwelijke Mandragora, onderscheiden in de Materies Medica van Diosoorides. De Grieksche naam Mandragoras, oorspronkelijk, zoo men meent, een mansnaam, en misschien van Mandra of Mandros, den naam eener plaatselijke godheid in Klein-Azië, afgeleid, ging van Diosoorides over tot de Latijnsche schrijvers (— men vindt hem bij Columella, Plinius, Frontinus, Apulejus, Celsius, enz. —) en van dezen tot de nieuwere botanici. Linné noemde de plant Atropa Mandragora; later heeft men een genus Mandragora gecreëerd, dat tot de familie der Solaneeën gerekend wordt. Gelijk nagenoeg alle Solaneeën, zooals de nachtschaden [Solanum dulcamara en Solanum nigrum), de wolfkers {Atropa Belladonna), het bilzenkruid {Hyoscya-mus niger), de doornappel {Datura stramonium), de tabak {Nicotiana tabacum) en zelfs de aardappel {Solanum tuberosum), in meerdere of mindere mate narcotische of zelfs vergiftige eigenschappen bezitten, is dit ook het geval met de Mandragora. Die eigenschappen kleven bij haar niet enkel aan den, in het volksgeloof zulk een ruime plaats innemenden wortel, maar zijn gemeen aan alle deelen der plant, vooral ook aan de bloemen en vruchten. Daaruit werden dranken bereid, die, naar de verschillende sterkte der dosis, pijnstillende en verdoovende, een diepen slaap veroorzakende, en zelfs een doodelijke uitwerking hadden, wat Feontinus zoo kernachtig uitdrukt door de woorden: „cujus inter soporem et venenum media vis estquot;. Van het gebruik der Mandragora als opiaat kunnen vele voorbeelden worden bijgebracht. Zoo lezen wij bij Apulejus: „Dedi non venenum, sed somniferum
mandragoram,..... morti similimi soporis efflcacemquot;. In Ariosto's Orlando furioso
vinden wij de volgende, hier vertaald medegedeelde verzen:
„Dit zy'n de kwalen, de ongeneesbre wonden,
„Waarvoor geen baat, geen laathis wordt gevonden;
„Geen tooverspreuk, geen alruin, die hier nut!quot;
In Shakespeare's Antony and Cleopatra voert de koningin met hare kamerjuffer Charmian, volgens Burgersdijk's vertaling, het volgende gesprek:
Cleop. „Charmian!
Char. „Vorstin?
Cleo. „Ach! ach!
„Een dronk van alruinsap!
Chab. „Waartoe, vorstin?
Cleo. „'k Wil slapen, al den t\jd, dat myn Antonius „Ver van my wijlt!quot;
In de Othello van denzelfden dichter zegt Jago, als hij het gemoed van zijn meester door het opwekken van achterdocht en jaloezie vergiftigd heeft:
81
- 10 -
„Geen heul- noch alruinsap „Noch al der wereld sluimerdranken brengen „Den zoeten slaap u weder, die nog gistren „U eigen wasquot;.
„Bibere mandragoramquot; en „a mandragora dormirequot; {M fiuvÖQaynQov bij
Lucianus) waren bij de Ouden spreekwijzen waarmede men hen bespotte, die te traag of slaperig waren om hunne zaken behoorlijk te behartigen.
Ook blijkt het dat men de Mandragora aanwendde als thans de chloroform. Littré haalt in zijn Woordenboek eene plaats aan uit Yvee, een Franschen schrijver der XVIde eeuw, die aldus luidt: „Comme un patient, qu'on endort avec les mandragores, pour lui couper un membrequot;, en bij Lindley a Moore, „Treasury of Botanyquot;, lees ik, art. Mandrake; „Dr. Silvester has shown, that mandrake was employed in olden times as an anaesthetic, in the same way as chloroform now is.quot; Ook aan de Chineezen was sedert lang dit gebruik der Mandragora bekend. Zij noemen de plant yah-poe-loe (kennelijk de Chineesche transscriptie van den Arabico-Syrischen naam Jabroeh), beschouwen haar als van Arabischen oorsprong, en leeren ons dat haar gebruik het geheele lichaam tijdelijk gevoelloos en als dood maakt. Zij werd, vermoedelijk om haar bij chirurgicale operaties aan te wenden, ook in den Keizerlijken hof gekweekt').
Maar niet slechts om slaap te verwekken en tijdelijk ongevoelig te maken werd de Mandragora gebruikt. Haar sterke reuk en bedwelmende kracht deden haar ook bijzonder geschikt schijnen om voor toover- en minnedranken te worden gebezigd. Vandaar dat de Mandragora bij de Ouden ook Circaea heette, welke naam aan de toovergodin Circe in de Odyssea was ontleend. Zij kon, meende men, zoo bedwelmend werken, dat men er tijdelijk het verstand door verloor. In Shakespeare's Macbeth zegt Banquo tot den veldheer na de ontmoeting met de heksen:
„Maar stonden werkelijk zulke wezens daar,
„Als die, waarvan wij spraken? Wat? of aten „Wij dolkruid, dat de rede in boeien slaat?quot;
Voor dolkruid heeft het oorspronkelijk quot;the insane rootquot;, wat wel niet anders dan quot;the root which makes insanequot; kan beteekenen, en wie zich herinnert, welke rol in het volksgeloof vooral de wortel van de Mandragora (waarover straks nader) vervult, en hoevele toespelingen op dat kruid in Shakespeare's drama's worden aangetroffen, zal, dunkt mij, nauwelijks aarzelen te erkennen, dat de dichter ook hier dit toovermiddel op het oog heeft. Deze plaats wordt, meen ik, voldoende toegelicht door eene andere in Romeo and Juliet, waar Julia de vrees uitdrukt dat zij zal ontwaken
„Gekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,
„Dat levenden, die 't hooren, zinloos maakt.quot;
'tZal ons straks blijken dat Shakespeare hier afwijkt van het gewone volksgeloof, dat niet in plotselingen waanzin, maar in plotselingen dood, de straf erkent van hem die, zonder de vereischte plechtigheden, het waagt een alruinwortel uit den grond te rukken.
') Zie Prof. G. Schlegel's Ned.-Chin. Wdbk., aanhangsel, bl. 25.
- 11 -
De tooverkracht van de Mandragora openbaarde zich vooral in het opwekken der minnedrift en het bevorderen harer uitwerking. Eeeds in het boek Genesis (XXX: 14 — ] 7) vinden wij daarvan een voorbeeld. De nog kinderlooze Rachel verlangt van hare zuster Lea, die zij haar kroost benijdt, een deel der dudaïm, die haar zoon Ruben bij den tarweoogst op het veld heeft gevonden. Zij hoopt daardoor Jakob te nopen den huwelijksplicht met haar te volbrengen en ook zelve moeder te worden. Dat het woord dudaïm (ook in Hooglied VII: 13 voorkomende) inderdaad de Mandragora beteekent, kan wegens het overeenstemmend gezag der oude overzettingen, die het dus vertalen, niet wel betwijfeld worden. Het blijft echter onzeker of Ruben's vond in wortels van Mandragoren of in hare vruchten, de zoogenaamde liefdeappelen '), bestaan heeft. De commentatoren, die bij deze plaats hebben aangeteekend, dat de vruchten der Mandragoren juist in den tijd van den tarweoogst rijpen, dachten natuurlijk aan de laatste. Maar zoowel van den wortel als van de vruchten kon een philtrum bereid worden, en beide konden evenzeer, volgens een door anderen vermeld gebruik, onder de huwelijkssponde geplaatst worden.
Tot het gebruik der Mandragora als aphrodisiacum heeft eene curieuse legende betrekking, die uit een Franschen schrijver der 13de eeuw in het Woordenboek van Littré wordt aangehaald. Zij luidt aldus: „Li dui compaignon [er wordt van een paar olifanten gesproken] vont centre Orient, prés du Paradis terrestre, tant que la femelle trueve une herbe que on apele mandragore, si en manjue et si atise tant son mille, qu'il en manjue avec li, et maintenant eschaufe la volenté de chacun, et s'entrejoignent a en vers et engendrent un fllz sanz plusquot;.
Wat ik tot hiertoe over de Mandragora mededeelde behoort niet rechtstreeks tot het gebied der Signatuur, dan voor zoover ook de wortel, waarin de Signatuur der plant eigenlijk schuilt, als aphrodisiacum in aanmerking kwam, of voor zoover de groote betee-kenis aan een deel der plant, den wortel, gehecht, haar aanzien en gewicht misschien in het algemeen hooger deed stijgen. Bij dien wortel, die hier de hoofdzaak uitmaakt, moet ik wat langer stilstaan.
De wortel der Mandragora is dik en vleezig, en de groote, gave, eivormige bladeren, waartusschen de bloemstengels oprijzen, komen schier onmiddellijk uit den bodem te voorschijn. Die wortel is dik en harig en heeft dikwijls eenigermate de gedaante van een tweebeenig poppetje. Het bovengedeelte, vaak door eene halsvormige vernauwing van den romp gescheiden en met haarvormige stengelvezeltjes bezet, vertegenwoordigt als het ware het hoofd. De romp of het lichaam zendt van het bovendeel vaak twee, eenigszins naar armen zweemende takken uit en splitst zich verder naar onder meestal in twee deelen, die als de beenen kunnen beschouwd worden. De overeenkomst met de menschelijke gestalte is bij een geheel aan deze beschrijving beantwoordend of, om het zoo uit te drukken, typisch exemplaar, niet te miskennen; wat er aan ontbrak werd verkregen door kunstmiddelen, zooals het steken van fijne zaden, b.v. van gierst, in het hoofd, die wanneer zij ontkiemd en vervolgens droog geworden waren, de hoofdharen nabootsten. Ook gebruikte men het mes om de overtollige vezels en worteltakken weg te snijden en het overige te fatsoeneeren.
') De naam „liefde-appelenquot; wordt ook gegeven aan de vruchten der Tomaten {Lycopersicum esculentum). Natuurlyk, want ook deze plant, vroeger Solanum lycopersicum geheeten, is met de Solaneeön verwant, en werd ook zelve eertyds als aphrodisiacum aangewend. Lindley amp; Mooke: Treasury of Botany, in voce Lycopersicum: „the other common English name of the Tomato's, Love-apple, has arisen from their supposed power of exciting tender feelings.quot;
83
- 12 -
Die kunst was reeds bekend bij de oude Romeinen, zooals blijkt uit Columella, een schrijver der eerste eeuw, die zulk een toebereiden wortel een semiliorno, een halfmensch, noemt. Andere gebruikelijke namen zijn anthropomorphon'), aardmannetje en wortelmannetje; bij onzen dichter Huygens vindt men wortelmensch en de uitdrukking „'t gewas van menschenwezenquot;1). De heilige Hillegardis , abdis van Ruppertsberg bij Bergen (t 1179) durfde zelfs in hare geschriften over de Physica bepaald verzekeren, dat de Mandragora ontstaan is uit dezelfde aardsoort, waaruit God de menschen schiep. Bij de Romaansche volken werd de naam der plant, Mandragora, ook op haren wonderdadigen wortel overgedragen. De naam onderging echter, zooals veelal met zulke namen van vreemden, der menigte onbekenden oorsprong het geval is, allerlei verminkingen. In het Italiaansch werd hij mandragola, in het oud-Fransch mandagloire of m adagio ire en main de gorre, in het Engelsch mandrake. Andere namen aan de vermeende eigenschappen van de plant of haren wortel ontleend, zullen wij beneden leeren kennen. Doch reeds hier moeten wij vooral stilstaan bij den Germaanschen naam Alraun of Al run, in het Neder landsch Alruin, die, eerst aan den wonderdadigen wortel gegeven, ook op de geheele plant werd toegepast.
Oorspronkelijk was bij de Germanen de Alrun of Alraun (van runa, geheimenis)2) eene waarzegster, wichelares of tooveres, die met goede en kwade geesten omging en geheime kunsten uitoefende. In dien zin wordt het woord in onze taal weinig gebruikt; echter lezen wij in Conscience's Hlodwig en Clothildis 3) van „eene Alruine, die door Wodans bloedmannen in de geheimenissen van het heilig woud was ingewijdquot;. Aan het vrouwelijk geslacht der Alruinen zal men echter wel niet moeten hechten. De Mandra-gora-wortel werd wegens zijne menschvormige gedaante, zijne overeenkomst met den naar Gods beeld geschapen mensch, door een toovergeest of Alruin bezield geacht en werd daarnaar genoemd, maar die toovergeest werd doorgaans, schoon niet altijd, beschouwd als tot het mannelijk geslacht beboerende.
Aan dien geest werden groote krachten toegekend, die, gelukkig 1 doorgaans ten goede van den bezitter van een alruinwortel werkzaam waren. „Alraun du vil guetquot; was eene oude Duitsche spreuk, die ook in verschillende afwijkende vormen voorkomt. Hij bevorderde welvaart, gezondheid, lichaamskracht, vruchtbaarheid der vrouwen, huiselijk geluk. Wie een Alruinwortel bezat kon nooit gebrek lijden; want de meening van de Serbes, een Franschen, door Littré aangehaalden schrijver, dat de vlijt (la diligence) „est la mandragora, que le sot vulgaire estime estre entre les mains de ceux qui font bien leurs affairesquot;, ging in die bijgeloovige dagen het begrip der menigte verre te boven. Men geloofde zelfs dat ieder geldstuk dat des nachts op den Alruinwortel gelegd werd, des morgens verdubbeld werd gevonden, ofschoon men tevens waarschuwde, om van de goedheid van den Alruingeest geen misbruik te maken. In Johan Rhode's „Tugendsamer Weiberspiegelquot; (Erfurt, 1686) wordt voor bewaring van den huisvrede de volgende wenk gegeven;
84
) Men vergelijke ook een der Perzische namen der j¥(m(ira(/om of (menschplant),
volgens Vullers : sic dicta planta, quod horaini similis est.
j Vgl. het art. Alruin in het „Woordenboek der Ned. taalquot; van de Vbies, waarin uitvoerig over den oorsprong en de verschillende vormen van het woord wordt gehandeld.
) Derde uitg., D. II, bl. 17.
- 13 -
„Tret in ewren Garten, sprechet laut:
„Alrun ich rufe dich an, „Dringest darzu,
„Das du meinon harten Man „Das er mir kein Leid nicht thu!quot;
In moeilijke omstandigheden was de Alruin een raadgever, dien men als orakel ondervroeg, en die, naar men beweerde, niet slechts door ja knikken en neen schudden, maar soms ook in duidelijke woorden antwoord gaf. De grootste weldaad echter die deze weldadige geest aan de lijdende menschheid bewees, was, volgens eene straks uitvoeriger te behandelen plaats van Flaviüs Josephus, het uitdrijven van booze geesten, die als men de alruin bij het ziekbed der bezetenen bracht, onmiddellijk de vlucht namen. In één woord, de alruin was een soort van huisgod, voor wien men, om met Bilderdijk ') te spreken, gelijk de oude Egyptenaars voor de uien in den Hof:
„met eerbied nederknielde als huis- en welvaartsstutquot;.
Maar in het bezit te komen van zulk een weldadigen huisgod was geene gemakkelijke zaak. Den wortel uit te graven ging met groote gevaren gepaard, en wie hem liever koopen wilde, moest hem met hoogen prijs betalen. Er werd een belangrijke handel in gedreven en men maakte van het opgraven een bijzonderen tak van broodwinning. In Fischart s Gargantua (16de eeuw) vindt men gewag gemaakt van Al raun del berinnen, eene soort van tooverkollen die in het opgraven van mandragorawortels een middel van bestaan vonden. Door belanghebbenden bij een hoogen prijs dezer gezochte waar werd verspreid, dat zij uiterst zeldzaam waren, en dat de pogingen om ze machtig te worden het verstand of het leven van den vermetele die dit beproefde, ernstig bedreigden.
Bij de schrijvers der oudheid is de voornaamste plaats omtrent het opgraven der Alruinen te vinden in het zevende boek der „Joodsche oorlogenquot; van den Joodschen geschiedschrijver Flavius Josephus. Zij luidt vertaald aldus: „De sterkte Machaerus wordt aan de noordzijde begrensd door eene vallei die den naam Baïiras draagt en een gelijknamigen wortel voortbrengt. Die wortel gelijkt in kleur op eene vlam en laat tegen den avond een lichtglans uitstralen. Voor degenen die hem naderen met het doel om hem machtig te worden, is hij niet gemakkelijk te grijpen, want hij wijkt steeds terug en wordt eerst tot staan gebracht, wanneer men er de urine eener vrouw of bloed der maandzuivering heeft bijgegoten. En ook dan nog wacht degenen die hem aanraken een onvermijdelijke dood, indien zij niet een wortel van dezelfde soort, van de hand afhangende, bij zich dragen. Echter is er ook een ander middel om hem zonder gevaar te bemachtigen. Men maakt eene groeve dicht om den wortel, zoodat hij met zoo weinig aarde mogelijk bedekt blijft. Daarop maakt men een hond aan hem vast, en wanneer dan diegene die het dier vastgebonden heeft, zich verwijdert en de hond hem volgen wil, rukt deze wel is waar den wortel gemakkelijk uit, maar ten koste van zijn leven; want, als het ware als plaatsvervanger van den man, die zich dus in het bezit van den wortel heeft gesteld, blijft de hond onmiddellijk dood.quot;
Wat nu nog bij Josephus volgt, heeft betrekking op het reeds vermelde gebruik van den wortel tot het uitdrijven der booze geesten, dat, zegt hij, het eenige is waarom die wortel zoo begeerlijk werd geacht. Josephus schijnt dus nog onbekend te zijn geweest, met den overvloed van zegeningen door de Alruin over het menschdom uitgestort.
') Dichtwerken V. 191,
85
- 14 -
Men zou derhalve, daar Josephüs ook den naam Mandragora niet noemt, zijne beschrijving van den wortel zeer fantastisch is, en hij omtrent de verschijnselen bij het uittrekken en de krachten door den wortel uitgeoefend, nog al van andere berichten afwijkt, kunnen vragen of het wel zoo volkomen zeker is, dat met de Baaras van Josephtjs de Alruin is bedoeld. Wij krijgen echter die zekerheid in voldoende mate door de oude handschriften van Dioscorides, den met Josephus nagenoeg gelijk tij digen Griekschen arts, die hierboven reeds als schrijver van een werk over de Materies Medica, waarin ook over de Mandragora wordt gehandeld, vermeld is. Onderscheidene van die handschriften bevatten afbeeldingen van het uittrekken der alruin wortels, die geheel met de hier medegedeelde beschrijving van Josephus overeenstemmen. Inzonderheid verdient hier vermelding de afbeelding in het beroemde Weener Handschrift van Dioscorides, het oudste dat wij bezitten. Zij is gekopieerd op eene plaat in Daubeny's „Lectures on Roman husbandryquot;. Men ziet daar Heueesis, de Godin der uitvindingen, voorgesteld als aan Dioscorides in triomf een Alruinwortel aanbiedende, terwijl de ongelukkige hond, die voor het uittrekken van dien wortel had dienst gedaan, daarnaast ligt te zieltogen.
Voor zoover latere voorstellingen van het uittrekken der Alruinwortels van die van Josephus afwijken, verschillen zij niet in de hoofdzaak, maar zijn zij vermeerderd met meestal weinig beduidende versieringen. De hond moet zwart zijn en geen enkel wit haartje bezitten; de plechtigheid moet plaats hebben vóór zonsopgang, en wel op Vrijdag, den dag der godin Venus, op wier berg volgens Rhode's „Weiber-Spiegelquot; ook Alruinen wonen, — eene bijzonderheid die ons weder aan de minnedriftwekkende kracht van de Mandragora herinnert. Hoe heidensch er dit nu ook moge uitzien, toch vertoont zich weder de invloed van het Christendom in het voorschrift om driemaal boven de groeiplaats van den wortel een kruis te slaan. Het voornaamste wat door de lateren aan het bericht van Josephus wordt toegevoegd, is het vreeselijk krijschen, kermen of steunen dat de Alruinen bij het uittrekken van den wortel doen hooren, en dat als de eigenlijke oorzaak van den dood des uitgravers die niet alle voorzorgen heeft in acht genomen, beschouwd wordt. Hiermede zijn dus goed in overeenstemming de woorden van den dichter ten Kate :
„'tis of zy vreezen dat myn ademtocht kan moorden „Als 't Uoodelyk alruingesteun.quot;
Wij zagen reeds dat bij Shakespeare dit gekrijsch gezegd wordt allen die het hooren waanzinnig te maken.
Een ander toevoegsel tot de bij Josephus voorkomende sage is, dat de alruinwortels alleen werden gevonden onder een galg en uit de urine der gehangenen opgroeiden, waarbij dan, om de zeldzaamheid nog nadrukkelijker in het licht te stellen, ook nog gevoegd werd, dat de gehangene een onschuldig veroordeelde zijn moest. Hieruit laten zich verklaren de Hoogduitsche volksnaam der Alruinen Galgenmannchen, en de Nederlandsche Pis-duiveltje oi Pisdiefje, welke laatste, vreemd en onsmakelijk genoeg, ook voorkomt als een troetelnaam door ouders of grootouders aan hun kinderen en kleinkinderen gegeven').
') De plaats in Bilderdijk's „Zedelijke gispingenquot;, die ten bewijze hiervan in het „Woordenboek der Nederlandsche Taalquot; wordt aangehaald, heb ik m Dacosta's uitgave van „Bildeedijks Dichtwerkenquot; niet kunnen vinden. Het Woordenboek citeert liier trouwens eene vroegere uitgave, en misschien zijn de woorden in de latere edities geschrapt.
86
- 15 -
Het vermoeden ligt voor de hand dat deze toevoegsels verzonnen zijn door personen, die bij den hoogen prijs der Alruin-wortels belang hadden.
Ik moet thans nog met een enkel woord gewagen van de zorgvuldige behandeling die de Alruinen van hunne gelukkige bezitters ten deel viel. De wortel werd, nadat hij behoorlijk gefatsoeneerd was, in rooden wijn gewasschen en zorgzaam bewaard, hetzij in een glas of in een afzonderlijk daarvoor bestemd en op een geheime plaats geborgen kastje. Men wikkelde het aardmannetje in roode of witte zijde („en beaux drapeaux de soye ou de lin,quot; zooals een oude Fransche schrijver bij Littee zegt) en ijverige vereerders gaven het dagelijks wat te eten en een bad van wijn en verschoonden het met elke nieuwe maan. ') Bij overlijden van den eigenaar bleef de Alruin in de familie, maar werd geërfd niet door den oudsten, maar door den jongsten zoon, die in de doodkist van zijn vader een stuk brood en eenig geld moest leggen. Was de jongste zoon vóór den vader overleden, dan trad de oudste in zijne rechten en verplichtingen.
Dat voor zulk een weldadigen en vermogenden beschermgeest hooge prijzen werden besteed, en daarbij dan nog veel bedrog werd gepleegd, is niet meer dan natuurlijk. Ik vind aangeteekends), dat nog in 1675 te Leipzig de som van 64 Thaler voor een Mandragora-wortel werd betaald. En ook voor zulke buitensporige prijzen kon men niet zeker zijn de rechte waar te ontvangen. Reeds in 1552 klaagt een Duitsch schrijver over vervalschingen en de schrijver eener in 1703 uitgegeven „Kurze Betrachtung der Mandragora- oder Alraun-wurtzelquot; verhaalt, dat men hem in Bohemen „einen ausgezogenen, ausgedorrten, künstlich zusammengestellten und gezierten Froschquot; voor een echten Alruin in de hand wilde stoppen.
Het gemakkelijkst middel om zich een plaatsvervanger of surrogaat van de Alruinen te verschaffen was een dergelijk poppetje te snijden uit de wortels van andere planten, die zich het best daartoe leenden. Ik vind als zoodanig vermeld het gewone dekriet {Arundo phragmites L., Phragmites communis Teinius), welke plant zich door verkruipende wortelstokken onderscheidt. Maar vooral kwam daarvoor de Heggerank (Bryonia) in aanmerking1). Dit fraaie plantengeslacht, dat tot de Cucurbitaceeën behoort, komt in Noord-Europa — ook in Nederland — voor in twee soorten, de Bryonia alba die-zwarte, en de Bryonia dioica, verreweg de meest gewone, die roode bessen draagt. Beide versieren onze kroupelbosschen en heggen door hare op het loof van den wijnstok gelijkende bladeren, geelachtige bloemen, en glanzige, maar gevaarlijke vruchten. Deze planten zijn in hooge mate narkotisch en kunnen voor de bereiding van braak- en zuivermiddelen dienst doen. Vooral wordt de dikke, knolvormige wortel, die zeer lang, geelachtig bruin van kleur en overdwars gerimpeld is, geneeskrachtig geacht en vaak tot verzachting op wonden gelegd. Somtijds vertoont ook die wortel eene neiging om zich op dezelfde manier als de Alruinwortel te vertakken. Er was dus in die landen waar de Alruin niet voorkwam en de Alruinwortel zeer duur moest betaald worden, voor hen die toch zulk een „huis- en wel-
87
) Men wachte zich voor de verwarring van de Heggerank met de uit Noord-Amerika ingevoerde en thans vooral wegens de fraaie roode kleur die hare bladeren in den herfst aannemen, zoo algemeen als klimmende sierplant aangewende Ampelopsis hederacea Michaux (quinquefolia Roemer en Schultes). De laatste wordt algemeen wilde wingerd genoemd; maar dit is ook een der Nederlandsche Volksnamen van de Bryonia, die ook in het Fransch, wegens de overeenkomst harer ranken en bladeren met die van den wijnstok, vaak vigne blanche genoemd wordt.
- 18 -
en kunnen bijna letterlijk dus vertaald worden:
„Gelyk het Viscum in den wintertijd in 't woud „Eon boom tooit met nieuw loof, niet uit hem zelv' gesproten,
„En met zyn goudgeel kroost de takken houdt omsloten,
„Zoo was ook 't aanzien van het blaadren schietend goud,
„Gewassen aan een dichten eik.quot;')
Schier alle vertalers (ook Vondel) en commentatoren van don Mantuaanschen zanger achten hier den Mistel bedoeld; doch waarschijnlijk alleen omdat hun die beter dan de Loranthus europaeus bekend was. Ik houd mij overtuigd dat Virgilius slechts aan laatstgenoemden kan gedacht hebben 1). Aan gene zijde der Alpen is de Loranthus veel gewoner dan de Mistel; door zijne, soms tot 20 cM. lange en prachtig vuurroode bloemen is hij een veel grooter en in het oogloopender sieraad van de bosschen; hij draagt werkelijk goudgele vruchten (Croceus fetus), terwijl de bessen van den Mistel bijna wit zijn; en hij hecht zich bij voorkeur aan den eik2), terwijl, zooals ik beneden zal aantoonen, de Mistel slechts zeer zelden op de eiken gevonden wordt3).
De verwarring der beide verwante struiken heeft nog tot een verder misverstand geleid. Men vindt algemeen over de natuurlijke vogellijm gesproken als een voortbrengsel van den Mistel. Hoe verkeerd dit is, wordt aangewezen door HaraldLenz in zijne „Gemeinnützliche Naturgeschichtequot;, Th. IV, bl. 473. „Dasz man aus der Mistel Vogelleim machen könne, ist ein weit verbreiteter Irrthum. Sie mag auf Laub- oder Nadelbaumen gewachsen sein, so bringt man doch aus ihren Stammen, Blattern, Früchten nur einen klebrigen Saft zu Stande, der nicht besser klebt als eingedickter Birnensaft und nicht einmal zum Fliegen-fang dienen kann. Mit Oei lasst er sich gar nicht zusammen kochen. Der Vogelleim der Thüringer wird aus Leinöl gesotten; in Italien bereitet man ihn allgemein aus den Beeren des Loranthus. Der beiden (Mistel und Loranthus) gemeinschaftliche Name hat die Ver-wechslung bewirkt.quot; Men is inderdaad met die verwisseling zoover gegaan, dat men in Nederlandsche schoolboeken voor botanie aan den Mistel, met voorbijgang zijner echt Nederlandsche namen, eenvoudig dien van Vogellijm heeft gegeven6), die al berustte hij niet op een misverstand, ook daarom zou moeten worden afgekeurd, omdat wij in onze taal, tenzij in de achtelooze spreekmanier van het dagelijksch leven, niet gewoon zijn een boom en zijn produkt geheel denzelfden naam te geven.
Terwijl de Loranthus vooral in Italië, Krain, Stiermarken, Neder-Oostenrijk, Moravië, Litthauen en het Balkan-Schiereiland voorkomt, is de Mistel, ofschoon ook niet vreemd aan Griekenland en Italië, meer over het Noorden van Europa verbreid, gelijk dan ook zijne vereering van oudsher meer bij Celten en Germanen, dan bij Hellenen en Romeinen te huis behoort. De Mistel komt voor van het zuiden van Noorwegen en Zweden tot aan de Middellandsche zee, in de Alpen slechts tot eene hoogte van 2000 voet, en is ook in Japan en Noord-Amerika menigvuldig. Dat hij in vroeger tijd ook in ons land niet zeldzaam was, blijkt uit de Gorter's „Flora Belgicaquot; (1717), en mag ook daaruit worden opge-
106
t) Ook Fraas, Synopsis plantarum Flora classicae, S. 162, vermeldt de plaats van Virgilius bij Loranthus europaeus.
:l) Vandaar de Italiaansche naam Visco quercim. Echter vindt men den Loranthus ook wel op linde-en kastanjeboomen.
) Ygl. over den Loranthus H. Wagner's Malerische Botanik, 2e Aufl., I, bl. 81.
- 19 -
maakt, dat hij in onze taal, behalve den naam Mistel, ook nog den volksnaam Marentakken heeft, die reeds bij Kiliaan in de vormen Maertacken en Marrentacken voorkomt, maar van zeer onzekeren oorsprong is1). Thans wordt echter naar men beweert, de Mistel alleen nog nu en dan in Limburg gevonden. Het is zeker niet te verwonderen, dat men een voor bosschen en boomgaarden zoo schadelijk gewas heeft trachten uit te roeien : in Gelderland zegt men mij, dat nog in een paar tuinen Mistelstruiken als curiositeit zijn bewaard gebleven. Den naam Mistel (dien de Duitschers vaak dooreenhaspelen met dien van Mispel, Mespilus G-ermanica, den bekenden tot de Pomaceeën behoorenden vruchtboom) wil men veelal afleiden van Mist. Hiervoor bestaat althans eenige grond. Die afleiding steunt op het oude volksgeloof, dat de zaden van het Viscum (zoowel Mistel als R i e m b 1 o e m) in het ingewand der vogelen tot rijpheid komen en opschieten uit hun op de boomen gevallen drek. Plinius gewaagt daarvan in de volgende woorden2): „Omnino autem satum nullo modo nascitur, nee nisi per alvum avium redditum, maxime palumbis et turdi3). Haec est natura, ut nisi maturatum in ventre avium non proveniatquot;. Deze voorstelling, ofschoon thans gewoonlijk als onjuist beschouwd, was vroeger algemeen; zij ligt ook ten gronde aan de zonderlinge interpolatie, die Vondel zich zoowel in de proza- als in de dichterlijke vertaling van de Amets veroorlooft, wanneer hij in de boven aangehaalde verzen de woorden: „quod non sua seminat arbosquot;, vertaalt door het verklarende: „gebroeit uit snippemest, dat aen de schors kleeftquot;4). Dit volksgeloof waarop ik beneden terugkom geeft aan genoemde afleiding eenigen schijn; maar zoolang niet verklaard is, waarvan de uitgang el afkomstig is, kan men haar geenerlei waarde toekennen.
De boom waarop de Mistel bij voorkeur zich nestelt, is de appelboom; lang niet zoo dikwijls komt hij op den pereboom voor. Hij versiert echter met zijn altijddurend, geelachtig groen niet enkel de boomgaarden, maar ook velerlei woudboomen, het meest wellicht de populieren, maar ook de linden, iepen, eschdoorns, dennen, meidoorns en hazelaars en, naar men zegt, zelfs den zelf woekerenden Loranthus. Enkele malen komt hij ook voor op de eiken; doch zoo zelden, dat men zelfs heeft in twijfel getrokken of do eikenmistel wel een ander dan denkbeeldig bestaan heeft. Dat deze twijfel ongegrond is, blijkt uit hetgeen ik straks over de bijzondere vereering van den eikenmistel bij de oude Galliërs zal mededeelen; ook verzekert Prof. Bxjckman in Lindley en Mooke's „Treasury of Botanyquot;5), dat hij dien tweemaal persoonlijk heeft waargenomen, eens op Eastnor Park by Ledbury in Herefordshire, en eens te Frampton-on-Severn in Gloucestershire, terwijl Dr. Bull in een in hetzelfde werk aangehaald artikel van het „Journal of Botanyquot;, zeven, maar ook niet meer, authentieke voorbeelden van Mistels op eiken in geheel Engeland wist bij te brengen. Maar indien de Mistel zich slechts zeer zelden aan eikeboomen hecht, hoe komt het dan, dat men hem, niet alleen bij dichters, maar zelfs in wetenschappelijke geschriften, zoo vaak als bij uitnemendheid eigen aan den eikeboom heeft
107
Zie pogingen tot Yerklaring in Weilands Woordenboek in v. en bij Sloet in „de Gidsquot;, t. a. p. bl. 423.
Ik weid ongaarne uit over zulke uit de lucht gegrepen etyrnologiën; men kan er bladzüden mede volschrijven zonder een stap verder te komen.
-') Hist. Nat. XVI. 93.
De edit. Bipontina heeft dunkt mij ten onrechte turdis. Palumbis is genit. van palumbes, en een genitief wordt hier vereischt als appositie van avium.
6) Art. Viscum.
- 20 -
voorgesteld. Mij dunkt, dat zal wel weder in hoofdzaak op de verwarring van den Mistel met de Riembloem, den Visco quercino der Italianen, berusten. Doch hier komt nog bij, dat voor zekere, straks nader te beschrijven godsdienstige plechtigheden der Dru'iden alleen de eikemistel mocht gebezigd worden, die daarom zorgvuldig in de bosschen werd gezocht.
Het groen der Mistels trekt in de wouden natuurlijk het meest de aandacht, wanneer de winter de takken der boomen waarop zij groeien ontbladerd heeft. Ook is het in dat jaargetijde, dat zij hunne gele bloemen en glanzige witte bessen dragen, de eerste in Maart, de andere in April, beide omstreeks een maand vroeger dan de bloemen en vruchten van den Loranthus. De stengel van den Mistel bereikt de dikte van een bezemsteel en is onderscheidene malen gaffelig verdeeld. De wonderkrachten die aan dezen heester worden toegeschreven, zijn daarin te zoeken dat hij nooit op den grond groeit, maar steeds op andere boomen, en dat het zelfs nooit gelukt is zijn zaad op den bodem te doen ontkiemen. Daar hij, nevens den tot Zuid-Europa beperkten Loranthus, de eenige grootere en phanero-gamische woekerplant was, die men gelegenheid had waar te nemen, en daar men van de wijze waarop hij zich met andere boomen vereenigt en te hunnen koste leeft, niet het geringste denkbeeld had, hield men hem voor een gewas van bovennatuurlijken, hemelschen oorsprong. Zeer juist zegt de heer Sloet in zijne meergemelde Verhandeling in de Gids1): „Het kan niet anders of deze plant, die nimmer op den grond, maar steeds op een tak van een anderen boom groeide, moest uit den hemel zijn gevallen, en bij dat bovennatuurlijk bestaan ook bovennatuurlijke krachten hebben.quot;
De wijze waarop de Mistel zich met andere boomen vereenigt en daarin zoo stevig wortelt, als ware hij er op geënt, is lang een mysterie geweest, dat slechts door het zorgvuldig en volhardend onderzoek der botanici is opgelost2). Bij den Loranthus is de vereeniging veel minder innig, ofschoon voor den boom waarop hij zich nestelt niet minder verderfelijk. Ik zal echter daarover niet uitweiden, maar my tot den Mistel bepalen. De bessen worden gaarne door sommige vogels gegeten, die omstreeks den tijd dat ze rijp worden de Mistelstruiken in grooten getale omfladderen. In die bessen liggen de pitten bedolven, die door deze vogels worden overgebracht naar de takken der boomen waaraan zij zich hechten. Het oude volksgeloof, reeds boven vermeld, dat die overbrenging in den mest der vogels plaats heeft, wordt thans door vele botanici verworpen; maar geeft toch de beste verklaring van de vraag hoe die zaden zich aan de takken hechten, en vindt een parallel in het geloof der Javanen, dat de beste koffieplanten gekweekt worden uit de zaden die gevonden worden in de uitwerpselen van den op de vruchten van den koffieboom azenden Moesang of Koffierat (Paradoxurus rnusanga)3). Men zal, dunkt mij, het best handelen door zich te houden aan de voorzichtige uitspraak van Prof. Oudemans4): „De „vermenigvuldiging schijnt voornamelijk af te hangen van vogels, die zich met hare bessen „voeden en die bessen zeiven of de daarin vervatte zaden op jonge takken achterlaten.quot; Aan het kiemplantje van den Mistel is geen spoor van wortel te bemerken. Het ondereinde er van steekt een weinig uit en is meer of min schijfvormig gezwollen; bij het
108
') BI. 425.
!) Vooral belaiigryk is het onderzoek van Dr. John Hakley, „Transactions of the Linnaean Societyquot;, XXIV, p. 175. De beschrijving die ik hier mededeel, is in hoofdzaak gevolgd naar H. Wagners „Malerische Botanikquot;, I, bl. 79.
) Ik sprak hierover uitvoeriger in myne „Bijdragen tot de kennis van de voornaamste voortbrengselen van Ned. Ind.quot;, II, de Kofflj, bl. 31.
) Flora van Nederland, 2e druk, D. II, bl. 202.
- 21 -
kiemen verlengt het zich en hecht zich, waarschijnlijk door het afscheiden van kleefstof, aan de schors der takken. De nog kleurlooze zaadlobben liggen inmiddels nog in het kiemwit bedolven, zuigen het op en voeren het als voedsel aan het groeiende deel toe. Nu vormt zich in het midden der zuigschijf de wortel en dringt in de schors en het jonge celweefsel van den tak. De wortel verdeelt zich weldra in een aantal armen, die zich naar alle zijden verbreiden, bij voorkeur in de lengterichting der takken groeien en zich soms wel een voet ver uitstrekken. Wanneer het celweefsel zich reeds tot hout verhard heeft, kan de mistelwortel er niet meer indringen, maar blijft onder de schors; maar zoolang het nog jong en zacht is, schiet de wortel daarin eigenaardige wigvormige loten, die nog het best met . vaatbundels kunnen vergeleken worden. Jaarlijks herhaalt zich dezelfde toedracht. De meerdere of mindere diepte waarmede de wortelscheuten in den tak zijn gedrongen, toont hun grooteren of geringeren ouderdom. Een dieper groeien der wortelscheuten wordt ten laatste door de toenemende houtvorming onmogelijk; maar in iedere groeiperiode zendt de wortel nieuwe uit. Heeft zich de Mistel aan de onderzijde van den tak gehecht, dan wassen toch de wortelscheuten loodrecht in dien tak en dus in de richting naar boven. Groeit een Mistelstruik slechts gebrekkig, of wordt hij zelfs afgehouwen, dan schieten toch in zijne plaats uit de horizontale worleluitloopers geheele rijen van jonge wortelloten uit, en is welhaast de vernietigde vijand door tal van nieuwe vervangen. Slechts het afsterven of de geheele verwijdering van den tak waarop hij zich gevestigd heeft, kan hemzelven den dood brengen. Door de verdikking der wortels en wortelscheuten verdikt zich ook de plek van den tak waarin zij woekeren. Te gelijker tijd vermeerdert hier ook de voedende plant hare werkzaamheid en het knoestig gezwel wordt grooter, hoe langer de inwerking duurt. Dat de Mistels aan de boomen waarop zij in groot aantal groeien, een ras verderf bereiden, is gemakkelijk in te zien.
Het is niet te verwonderen dat deze op geheimzinnige wijze ontstaande en groeiende heesters eene plaats innemen in de Noordsche Mythologie. De Mistel was gewijd aan Feeia of Feigga, de gade van Wódan. Hun beider zoon Balder (zoo men meent de repraesentant der weldadige zomerzon) werd door oude voorspellingen met den dood bedreigd. Zijne moeder, om dit gevaar van hem af te weren, liet door alles wat op aarde was een eed zweren, dat het Baldeb geen leed zou doen. Zij verzuimde echter dien eed ook te vorderen van den Mistel, die niet op de aarde zelve, maar op andere boomen groeit. Balders bitterste vijand, de wilde Hödr (volgens de mythenduiders, de vertegenwoordiger van den winter-dood), dit wetende, maakte een pijl van een Misteltak en doodde daarmêe den held1).
Vooral bij de oude Galliërs stond de Mistel in hooge vereering; in de godsdienstige plechtigheden waarbij hunne priesters, de Druïden, voorgingen, nam deze plant eene gewichtige plaats in. „Nihil habent Druïdaequot;, zegt Plinius s) „visco et arbore in qua gignatur (si modo est robur) sacratiusquot;. Men late die woorden si modo est robur niet onopgemerkt. De eik was voor de Galliërs de bij uitnemendheid heilige boom, en wanneer de uit den hemel stammende Mistels zich, wat zelden het geval was, eene plaats op den meest vereerde der boomen gekozen hadden, den boom waaraan de Druïden zeiven hunnen naam ontleenden2), was dit voor hen de aanwijzing der hoogste bovennatuurlijke kracht. Doch
109
') Zie Grimm's Deutsche Mythologie, Wqtïke, der Doutsche Volksaberglaube der Gegenwart, en the Treasury of Botany in v. Viscum.
) De naam Druïden wordt veelal afgeleid van het Celtische derf of derv, eikeboom, eigenlek hetzelfde
- 22 -
reeds afgescheiden van deze zeldrame vereeniging, kenden de Galliërs aan den Mistel eene hoogere geneeskracht toe, dan aan alle andere kruiden te zamen. Zij noemden hem volgens Plinius met een naam die in hunne taal den al genezen de1) beteekende. Hij gold als een tegengif tegen alle vergiften en als een onfeilbaar middel tegen de onvruchtbaarheid van menschen en dieren, dit laatste misschien wel wegens de groote vruchtbaarheid, die de plant zelve kenmerkt.
Dat de inzameling dezer plant (Plinius zegt het wel niet duidelijk, maar schijnt mij toe toch bepaaldelijk van den eikemistel te spreken) niet zonder bijzondere plechtigheden kon plaats hebben, spreekt wel van zelve. Men zocht haar ijverig in de bosschen, en als men ze gevonden had, verzamelden zich de Druïden om haar met groote staatsie te gaan plukken. Dit geschiedde in den bloeitijd der plant, wanneer ze met de nog schijnbaar doode natuur, die haar omringde, het levendigst contrast vormde. Het snijden moest plaats hebben op den zesden dag der nieuwe maan van Maart, en door middel van een gouden sikkel. Een in het wit gekleede Druïde beklom den boom met het gouden werktuig in de hand, en sneed de plant, die, vermoedelijk opdat zij den grond niet zou raken, in een witten mantel werd opgevangen, bij den wortel af. Intusschen was de menigte van alle kanten samengevloeid en alles voor een groot offerfeest onder den door 's hemels zegen begunstigden boom gereed gemaakt. Onder het zingen van lofzangen2) werden twee witte stieren, wier hoornen voor het eerst (— met bloemen? —) omwonden waren, geslacht, en de Godheid aangeroepen, opdat zij haar geschenk gezegend mocht doen zijn voor hen aan wie men ze geven zou. Thierry meent dat de takken en vruchten der Mistels door de Druïden als talismans verkocht werden en een onuitputtelijke bron van schatten voor hunne orde waren3). Plinius besluit zijne mededeeling over deze plechtigheden met den uitroep: „Tanta gentium in rebus frivolis plerumque religio est.quot;
Het geloof aan de verborgen krachten van den Mistel heeftin Frankrijk stand gehouden gedurende de middeleeuwen en zelfs nog later, niet alleen onder het volk, maar ook onder de geneeskundigen. Er kunnen trouwens niet alle geneeskrachtige hoedanigheden aan ontzegd worden; doch daarover zal ik beneden gelegenheid hebben uitvoeriger te spreken.
Er is in het Fransche volksleven in sommige streken nog een spoor van de oude vereering der Misteltakken overgebleven. Op Nieuwejaarsdag loepen daar groote troepen kinderen langs de straten, kloppen aan de deuren en roepen luidskeels: „au gui Tan neufquot;, ook wel uitgesproken: „au gui l'an néquot;. Duclos in zijne „Mémoires druïdiquesquot;*) zegt daarover: „Cette exclamation parait s'être conservée en mémoire de la cérémonie ou l'on distribuait le gui chez les Gaulois. Le grand sacrifice du gui de l'an neuf se faisait avec beaucoup de cérémonies prés de Chartres, le sixième jour de la lune, qui était le commencement de l'année, suivant leur manière de compter par nuits.quot; Hiermede stemt vrij wel overeen de meening van Thierry6): „G'était probablement dans cette forme que la récolte du gui était publiée chez les Gaulois; probablement aussi elle se pratiquait au renouvelle-
110
als het Grieksche rfpi;. Zie Litïee in v. Druïde en Am. Thierry, Histoire des Gaulois, T. II, p. 143 (van den Brusselschen nadruk, 1842); Prof. Kern maakt mij opmerkzaam op de vormen derw in het Welsh, en daur in het Oud-iersch.
') Omnia Sancmtem.
) Deze trek komt niet by Plinius voor, maar is ontleend aan een woord van Ovidius: „Ad viscum Druïdae cantare soiebantquot;.
) T. a. p. bi. 137.
- 23 -
ment de l'année, qui, dans cette hypothèse, aurait eu lieu au sixième jour de la lune de Mars.quot;
Wij wenden thans den blik van Frankrijk naar Duitschland. Omtrent de Mistels in der Germanen volksgeloof en volksgebruik heeft de heer Sloet ') vele bijzonderheden verzameld, die echter nog door verspreide mededeelingen uit Wuttke's „Deutscher Volks-aberglaube der Gegenwartquot; kunnen worden aangevuld. De Mistels moeten, zullen zij kracht hebben, geplukt worden in Augustus, wanneer de zon in den Leeuw gaat, of op de beide Vrouwendagen; zij mogen niet op de aarde gelegd, maar moeten in een doek gedragen worden. Als de zon in den Schutter staat kunnen zij drie dagen vóór nieuwe maan van den boom geschoten worden, maar moeten met de linkerhand worden opgeraapt. Die eene bes van den Mistel in zilver gevat om den hals draagt (en vaak werden in Duitschland de kinderen daarmede versierd) is gevrijwaard tegen tooverij. In het algemeen geldt de Mistel als een voortreffelijk middel tegen betoovering. Hij behoort tot de planten, waarvan men in Beieren in iedere kamer der woning het gansche jaar door een bundel bewaart om de heksen te weren. In Oostenrijk legt men een misteltak op den drempel, om bevrijd te blijven van de nachtmerrie. De Misteltakken maken dat een dief niet ontvluchten kan, doen alle sloten openspringen, en dienen ook als wichelroede, waarvoor echter, zooals algemeen bekend is, bij voorkeur een stok van den hazelaar wordt gebruikt. Maar de kracht van zulk een stok is toch grooter als op den heester, waarvan hij genomen is, een Mistelstruik groeit, en nog wordt geloofd dat in dit geval, even diep onder den grond als de Mistel daarboven groeit, een Alruin is te vinden. Eindelijk zegt men dat de vleugel op een misteltak gelegd alle vogels doet wegvliegen. Ik deel dit alles mede in den tegenwoordigen tijd, omdat er zeker nog vele sporen van bij het volk te vinden zijn. In hoeverre het volk thans wijs genoeg geworden is, om zich van eenige dier bijgeloovigheden te ontdoen, kan ik niet nagaan.
Omtrent de geneeskracht van den Mistel, die misschien niet volstrekt kan ontkend worden, in zooverre de schors en de bittere bessen een adstringeerend vermogen bezitten, vindt men weder vooral bij de Duitschers de buitensporigste voorstellingen. Zij openbaarde zich o. a. in het voorkomen van miskramen, ten welken einde de takken met de schors om den arm werden gewonden; ook maakte men er vingerringen van als behoedmiddel tegen de vallende ziekte. Doch ook in Frankrijk, zooals reeds werd opgemerkt, en evenzoo in ons vaderland en in Engeland werd aan die geneeskracht veel gewicht gehecht. Onze Dodonaeus leert ons, dat men als middel tegen de epilepsie van misteltakken heften voor messen maakte, die door de hitte der handen op het lichaam inwerkten. Maar nog veel later werd ook, zij het dan op minder phantastische wijs, door geneeskundigen van groot gezag de Mistel tegen vallende ziekten en andere zenuwaandoeningen aanbevolen, in Engeland door Ray (omstreeks 1700), in Nederland door Boerhaave (omstreeks 1720) en zijn voortreffelijken, later te Weenen gevestigden leerling van Swieten (omstreeks 1745). Het is zeer mogelijk dat deze laatste aanwending oorspronkelijk nog op eene bijzondere Signatuur der plant berustte. Ten minste is dit het gevoelen van Prof. Btjckland, die zich daarover uitspreekt in deze woorden2): quot;It is easy to see that what gave countenance to this idea, has been the fact, that the parasite grows from the under part of the foster parent, with its head downwards.quot; Dezelfde schrijver leert ons nog, dat, ook als genees-
s) T. II. p. 290. 111
') In „do Gidsquot;, t. a. p. bl. 423.
- 24 -
middel, in enkele gevallen aan den eikemistel hoogere kracht werd toegeschreven. Het beroemde Lignum sanctae crucis, waaraan zoo groot vermogen werd toegekend om aan de gebreken en zwakheden van den ouderdom te gemoet te komen, was niets dan de tak van een eikemistel. Die hoogere waarde aan den eikemistel gehecht, mist echter allen redelijken grond, daar hij van de Mistels op andere boomen groeiende in geen enkel opzicht verschilt.
Thans is de vroeger om zijne geneeskracht zoo hoog geëerde Mistel geheel uit de Pharmacopoea's verdwenen. Cauvet zegt zelfs in zijne Elements d'Histoire naturelle médicalequot;1): „La familie des Loranthacées ne nous offre aucun intérêtquot;.
Uit hetgeen boven over het ontstaan en de ontwikkeling der Misteltakken gezegd is, blijkt genoeg dat zij hoogst nadeelig moeten zijn voor de boomen waarop zij groeien. De parasiet brengt aan de takken waarop hij woekert, een langzamen maar zekeren dood, maar graaft daarmede ook zijn eigen graf. Het verschrompeld en verwrongen voorkomen der stompen door de Mistels gedood, maakt een somberen indruk. Hieruit laat zich de uitdrukking verklaren in Shakespeare's Titus Andronicus „The baleful mistletoequot;. — „How could Shakespeaee call it the baleful mistletoe?quot; roept Sandys uit in zijn aardig boekje over het kersfeest3). Inderdaad zijn met den Mistel, in verband met de engelsche kermisviering slechts aangename voorstellingen verbonden, en is hij voor den mensch rechtstreeks in geen enkel opzicht schadelijk, zoodat de vertaling van baleful mistletoe, door giftige Mistel, die ik in het doorgaans zoo aanbevelenswaardig Engelsch-Duitsoh Woordenboek van N. 1. Lucas4) vond, stellig is af te keuren. Beter is de vertaling booze Mistel bij Buegeesdijk. Tamoea klaagt dat zij gelokt is in
„een woest, afschuwlyk dal,
„De boomen, trots den zomer, schraal, ontblaard,
„Geheel met mos bedekt en boozen mistel.quot;
In de beschrijving van dit afschuwelijk dal is de toespeling op de vernielende werking die de Mistel op de boomen oefent, geheel op hare plaats.
Is de Mistel voor alle boomen nadeelig, hij is het in veel hooger mate voor de vrucht-boomen, waar de ongestoorde vorming en rijpwording der vruchten geheel op de werkzaamheid van takken en twijgen berust, dan voor de woudboomen, wier waarde hoofdzakelijk van den stam afhangt. Men zou dus verwachten dat overal deze parasieten met de grootste zorg uit de boomgaarden zouden geweerd worden. Het zal wel daaraan zijn toe te schrijven dat hij in ons land zoo zeldzaam is geworden. En toch is in sommige streken het tegendeel het geval. In Engeland zijn gewesten, waar de Mistel opzettelijk op de appelboomen geënt wordt; vooral komt dit voor in Herefordshire, waar de appelboomgaarden met Mistelstruiken overladen zijn. De vermenigvuldiging geschiedt zeer gemakkelijk. Men heeft slechts een kleine insnijding te maken aan de onderzijde van een boomtak, en daarin eene zaadkorrel te steken, alleen zorgende dat deze ongeschonden is, en zoodanig geplaatst dat de embryo gericht is naar den tronk van den boom. Een ander middel is een rijpe Mistelbes te kneuzen tegen de onderzijde van den tak waarop men den heester wil doen groeien. Het zuigschijfje blijft daaraan kleven en na twaalf maanden
') T. II, p. 290. 2) Act. II. Se. 8.
•■') W. Sandys, „Christmas-tide, its History, Festivities and Carolsquot; p. 12.
■•j In voce baleful. Dit woord kan zeker somtijds door giftig vertaald worden, maar de ware beteekenis is steeds: akelig, schrikkelijk, ellendig.
112
- 25 -
brengt het jonge plantje bladeren voort'). Ook in die deelen van Frankrijk waar de cider als gewone drank den wijn vervangt, en dus uitgestrekte appelboomgaarden worden aangetroffen, zooals in Bretagne en Normandië, wordt de Mistel niet slechts niet geweerd, maar gaarne gezien. De oorzaak daarvan is gelegen in het algemeen gebruik der mistel-takken in Engeland tot versiering der woningen bij het daar met zooveel bijzondere gebruiken gevierde Kerstfeest. Men zegt dat uit Herefordshire jaarlijks meer dan honderd ton misteltakken naar Londen en andere groote steden wurden uitgevoerd. Ook uit Normandië worden daarvan verbazende hoeveelheden aan de overzeesche naburen gezonden.
Het is bekend dat de viering der geboorte van den Heiland door de Christenkerk dei-eerste eeuwen op den 25sten December gesteld werd, gedeeltelijk wel op grond eener oude overlevering, maar toch ook, daar deze in de hoogste mate onzeker was, omdat die dag reeds een groote feestdag was bij de Heidenen. Hij was namelijk de dag van het Joel- of Yulefeest, het feest van de winter-zonnewending1), het begin der vernieuwing van de levende kracht des zonnelichts. „Aan zulk een feestdagquot;, zegt Prof. Moll2), „hechtte zich van zelf de dankbare herinnering van de komst des Heeren, die het geestelijk Licht der menschenwereld is.... Toespelingen op deze harmonie van het natuurlijke met het geestelijke worden dan ook dikwijls door Christelijke redenaars en dichters gemaakt, en somtijds krachtig en schoon. Men oordeelde het goed, dat de dag van 'sHeilands geboorte dag dei-nieuwe zon werd genaamd, omdat door des Zaligmakers komst het heil van het menschelijk geslacht vernieuwd was.quot; Voor zoover men de heidensche plechtigheden van het Joelfeest geestelijk duiden kan, werden zij door de Kerk niet alleen toegelaten, maar zelfs aangemoedigd, en het natuurlijk gevolg was, dat menig gebruik van heidenschen oorsprong in het Christen-kersfeest bewaard bleef.
Hiertoe behoorde nu, in Engeland althans, het ophangen der misteltakken in de woningen. Men moet niet uit het oog verliezen dat in de heidensche feesten altijd hulde gebracht werd aan de voortbrengende natuurkrachten, waarvan ook, zooals ik reeds vroeger opmerkte, de aan vruchten zoo rijke misteltak een symbool was. Een nieuw bewijs daarvoor is, dat het in Worcestershire eenmaal de gewoonte was, misteltakken, die met graagte door schapen en koeien gegeten worden, te geven aan de koe die het eerst in het nieuwe jaar kalfde, waarmede men zich van de vruchtbaarheid der geheele kudde verzekerde3). Waarschijnlijk werden dus in Engeland reeds in den heidenschen tijd op het Joelfeest misteltakken boven de deuren opgehangen, werd reeds toen geloofd dat ieder meisje dat er onderdoor ging, zeker kon zijn van een talrijk kroost, en hadden reeds toen de jonge mannen de vrijheid ieder meisje onder den Mistel een kus te geven, alles gelijk dat nog heden gebruikelijk is. Zeer juist is wat Dr. Masters in quot;the Treasury of bo tan yquot; over dat kussen onder den misteltak opmerkt: quot;Like many other customs, its original significance is only guessed at. If known, perhaps the innocent merriment now associated with the plant would be exchanged for a feeling of stern disapproval, and the mistletoe would be banished from our homesquot;.
113
2) Wij zeggen gewoonlyk zonnestilstand, ontleend aan het Latynsche Solstitium. Daar de zon echter niet werkelijk, maar slechts schynbaar stilstaat,'is het juister zonnewending of zonswending te bezigen, zooals men ook in het Duitsch Sonnenwende zegt.
) Geschiedenis van het Kerkelyk Leven der Christenen in de VI eerste eeuwen, D. II. bl. 145.
) Times, a. w., bl. 139.
- 26 -
In het lieve boekje van Dr. J. H. Maronier „Het Kerstfeest, eene historische schetsquot;1) las ik met eenige bevreemding, dat zij die een meisje onder den Mistel kussen, te gelijk eene der bessen die hij draagt moeten afplukken, en het recht tot kussen vervalt als alle bessen verdwenen zijn. Ofschoon ik dikwijls over de Engelsche gebruiken op het Kerstfeest gelezen had, waaronder ik mij vooral met genoegen de fraaie schets in Washington Irving's ,,Sketchbookquot; herinner, was mij die bijzonderheid nooit voorgekomen, en achtte ik ze zelfs onwaarschijnlijk, omdat, gelijk vroeger vermeld is, de bessen eerst in Maart rijp worden. Nogtans wordt die bijzonderheid ten volle door het hierboven aangehaalde werk van Sandys bevestigd. Na te hebben opgemerkt dat bij de oude Galliërs de Mistels, om den hals gehangen, een onfeilbaar behoedmiddel tegen de heksen vormden, gaat de schrijver dus voort: quot;In modern times it has a tendency to lead us towards witches of a more attractive nature; for, as is well known, if one can by favour or cunning induce a fair one to come under the Mistletoe, he is entitled to a salute. At the same time he should wish her a happy new year, and present her with one of the berries for good luck. Each bough, therefore, is only laden with a limited number of kisses, which should be well considered in selecting one. In some places people try lots by the crackling of the leaves and berries in the firequot;. Een en ander wat hier gezegd wordt, is, dunkt mij, slechts mogelijk, wanneer men de bessen droogt en den zomer over bewaart.
Tegen het laatste kerstfeest vond ik door sommige bloemisten in de dagbladen geadverteerd, dat marentakken bij hen te bekomen waren. Hieruit blijkt dus dat, evenals de duitsche kerstboom, ook de engelsche mistletoe bij het vieren van dit feest tot ons is doorgedrongen.
Het verdient opmerking dat, terwijl in Engeland zoo verbazend veel werk gemaakt wordt van de versiering der kerken op Kerstmis met allerlei bloemen en evergreens, daarbij van den Mistel geen gebruik wordt gemaakt. Timbs weet ons zelfs te verhalen1), dat een koster die, voor opluistering zijner kerk Mistels wilde snijden, uit den boom viel en zijn been brak, wat als een welverdiende straf werd beschouwd. Men schijnt hieruit te kunnen opmaken dat het besef van den heidenschen oorsprong der mistelversieringen niet geheel gestorven is. Maar daarentegen verzekert dezelfde schrijver dat in de vorige eeuw op Kerstavond te York Mistels naar het hoogaltaar der Kathedraal werden gebracht, terwijl een algemeene vergiffenis van zonden aan de poorten der stad naar de vier hemelstreken werd uitgeroepen.
IV.
DE VAEENS.
Tot de wondermiddelen behoort ook eene groote familie der Acotyledonen of Krypto-gamen, de Filices of Varens. De wonderdadige krachten worden niet slechts aan enkele leden der familie, maar aan de familie in het algemeen toegekend; want zij berusten op de bijzondere wijze waarop zij ontstaan en zich ontwikkelen, die bij alle varens in hoofdzaak dezelfde is. Er zijn echter onderscheidene soorten, die vroeger als specifieke
i) Bl. 49 v.
114
) A. w. bl. 138.
- 27 -
middelen tegen bepaalde kwalen of ziekten of tot bereiding van zoodanige middelen werden aangewend, en daaronder enkele die nog niet geheel in onbruik zijn geraakt. Daartoe behoort uit de groep der Polypodiaceeën: Polystichum filix mas Deo. (thans veelal Aspidium filix mas Swartz), de Mannetjesboschvaren (Duitsch Wurmfarn), waarvan de wortelstok eene sterkriekende olieachtige hars bevat, die nog altijd geldt als een der beste middelen tegen den lintworm (Bothriocephalus ^); — Athyrium filix femina Koïh, de W ij fj e s-boschvaren, die eene dergelijke, maar minder krachtige olie oplevert, eertijds ook als plaatsvervangster der vorige gebruikt, maar thans niet meer in tel; — de adelaars varen (Pteris aquilina L.), bekend door de zwartachtige teekening, gevormd door de van donkerder gekleurd celweefsel omgeven vaatbundels, die zich vertoont als men het verdikte worteleinde van het blad scheef doorsnijdt en op een dubbelen adelaar gelijkt; wegens zijne menigvuldigheid, vooral in Engeland, als een lastig onkruid gevreesd, en niet meer om de hars van den wortel, waarvan de onwerkzaamheid erkend is, geacht; — de eikevaren of boomvaren {Polypodium vulgare L.), dus genoemd omdat hij veelal op eike- en andere hoornen groeit (en dus vooral niet te verwarren met de boomvarens der tropische gewesten, die zelve boomen zijn), en vroeger in de Pharmacopoea's vermeld, omdat zijn stinkende, maar zoetachtig smakende wortel, het als laxeermiddel gebruikte „Engelzoetquot; oplevert; — het Venushaar (Adiantum Capillus Veneris L.), algemeen in rotsachtige streken van Zuid-Europa, en waarvan de bladeren worden gebruikt tot bereiding van den Sirop capillaire, die in Frankrijk zooveel als borstmiddel wordt aangewend. Uit andere groepen van varens kan men hierbij nog de Osmunda regalis L. voegen, de eenige soort van Pluimvaren die bij ons voorkomt en die vroeger als middel tegen de Engelsche ziekte (Rhachüis) en tot genezing van eenvoudige breuken werd aanbevolen 8).
De aanwending der varens als geneeskrachtige kruiden placht dus in een aantal gevallen voor te komen, maar schijnt in alle aangehaalde voorbeelden te berusten op overlevering of ervaring; van Signatuur is daarbij geen spoor te ontdekken. Dit zou ik echter niet durven beweren van de Asplenium- of streep var en-soorten die als medicinaal worden opgegeven. De varens dezer groep, zooals de steenbreek {Asplenium Trichomanes L.), de steenruit of muur ruit (Asplenium ruta muraria L.); de H e r t s t o n g {Asplenium scolopendrium L., Scolopendrium officinale Smith) en het Miltkruid {Geterach officinarum L.), eene Zuid-europeesche varensoort, die echter ook bij Paterswolde in Groningen gevonden is1), en die, ofschoon eenige moeilijkheid in de classificatie opleverende, het meest met Asplenium. overeenkomt en door Linnaeus daarbij gerangschikt is, — deze allen vindt men gewoonlijk op muren, ruïnen, rotsen en steenachtige gronden, wier ontbinding en verbrijzeling ze bevorderen, en kunnen dus, volgens de leerstellingen der Signatuur, door hunne groeiplaatsen zeer goed als ver brij zeiaars van den steen in de blaas gesignaleerd zijn. 't Is waar dat het Miltkruid meer nog als middel tegen zwelling en verharding van de milt, dan als middel tegen den steen wordt aangeprezen; maar men heeft de gevallen misschien als eenigszins analoog beschouwd, en in allen gevalle zegt Cauvet2) van de Geterach:
115
) Heukels, Schoolflora, bl. 6.
) A. w., I, p. 51.
- 28 -
„Cette espèce a joui d'une certaine célébrité comme lithontriptique, et contre les maladies du poumonquot;, terwijl hij van haar gebruik tot genezing der miltkwalen geheel zwijgt. Dit zwijgen is intusschen verrassend, wanneer men de volgende plaats van den Engelschen botanicus Gekarde (1545 — 1607) vergelijkt, die, ofschoon de schrijver zelf het geloof aan de kracht der Ceterach tot genezing der miltziekten bespot, toch van de algemeenheid daarvan een sprekend getuigenis geeft: quot;There be empiricks or blinde practitioners of this age who teach that with this herbe, not only the hardness and swelling of the spleen, but all infirmities of the liver may be effectually and in a very short time removed. But this is to be reckoned among the old wives' fables, and that also which Dioscorides telleth of touching the gathering of Spleenewort in the night and other most vaine things which are found here and there scattered in old booksquot;. ').
Meer treden de denkbeelden in de leer der Signatuur uitgedrukt op den voorgrond, wanneer wij de oude meeningen, niet over de bijzondere varensoorten, maar over de gansche groep of althans over de gezamenlijke Polypodiaceeén, waartoe de aanzienlijkste, meest verbreide en meest bekende Europeesche varens allen behooren, in beschouwing nemen. De reden van de toekenning van geheimzinnige krachten aan deze planten, meen ik met den heer Sloet2) te moeten zoeken in de onbekendheid met haar ontstaan, daar zij zich vermenigvuldigen zonder zichtbare bloemen voort te brengen, 't Is waar dat zij in dit opzicht volstrekt niet alleen staan; maar de massa der Acotyledonen, van die laaggeplaatste organismen af die op de grenzen van het dieren- en plantenrijk staan, tot aan de lever- en bladmossen toe, worden buiten wetenschappelijke kringen doorgaans niet als ware planten beschouwd en zelden met eenige aandacht verwaardigd, terwijl ook de Lycopodiaceeén en Equisetaceeên, die met de varens de groep der Vaatplanten vormen, van ondergeschikte beteekenis zijn. Daarentegen zijn de varens aanzienlijke en fraaie planten, in groote hoeveelheid en verbazende verscheidenheid van soorten over de geheele aarde verspreid, en in de bosschen der keerkringslanden den hout geworden stengel zelfs ontwikkelend tot een kleinen, palmachtigen boomstam, die zich vaak tot eene hoogte van 60 a 80 voet verheft. De varens zijn om hun sierlijk loof algemeen geliefde planten, die vaak tot sieraad onzer tuinen worden gekweekt. Geen wonder dus dat men aan hen eigenschappen bemerkte, die men bij andere Kryptogamen onopgemerkt liet.
Het bijgeloof omtrent de varens openbaart zich het meest in de meeningen omtrent de zaadkiemen of sporen, de voortplantingswerktuigen die zich bij de meeste varens aan de onderzijde der bladeren in groote menigte tot hoopjes (son) vereenigd vertoonen. Ieder op zich zelve zijn de uiterst kleine lichaampjes dezer sporen zoo goed als onzichtbaar. Bij alle andere planten bemerkte men bloemen, waaruit het zaad ontstond, alleen niet bij de varens. Toch begreep men dat ook de varen zaad moest hebben, onzichtbaar zaad, maar dat men toch aan zijne werking als werkelijk aanwezig erkende. Dit onzichtbare zaad, meende men verder, volgens de leer der Signatuur, dat ook onzichtbaar moest maken dengeen die het, hetzij met of zonder zijn medeweten, bij zich had. Shakespeare, die in alle geheimen van de Folklore ingewijd was,quot; verschaft ons ook hier weder een aardig voorbeeld. In het begin der 2*16 Acte van King Henry IV, Part. I, zegt Gadshill, een lid der dievenbende van Sir John Falstaff, volgens Burgebsdijk's vertaling, tot zijn medeplichtige Boots:
') Aangehaald in „Treasury of botanyquot;, in voce Ceterach. *) Gids, t. a. p., bl. 426.
- 29 -
„Wij stelen als achter een wal, schootvrij; wij hebben het recept van varenzaadjes, wij zwerven onzichtbaar omquot;.
Waarop dan Boots antwoordt:
„Nu, op mijn woord, ik geloof dat gij het meer aan den nacht, dan aan het varenzaad te danken hebt, dat gij onzichtbaar rondzwerftquot;.
Malone, een van Shakespeare's Commentatoren, teekent bij deze plaats het volgende aan: quot;The ancients, who often paid more attention to received opinions than to the evidence of their senses, believed that fern bore no seed. Our ancestors imagined, that this plant bore seed which was invisible. Hence, from an extraordinary mode of reasoning, founded on the fantastic doctrine of signatures, they concluded that they who possessed the secret of wearing this seed about them would become invisiblequot;.
Dit geloof dat het varenzaad onzichtbaar maakt bepaalt zich niet tot Engeland. Ik kom er zoo aanstonds op terug bij het bespreken der wijze waarop het varenzaad verkregen wordt en van de heilzame krachten aan de varens toegeschreven. Voorloopig slechts nog deze door den heer Sloet medegedeelde anecdote omtrent een Westfaalschen boer'). In den nacht van den langsten dag, wanneer het varenzaad rijp wordt, was hem, terwijl hij een weggeloopen veulen zocht, zulk een zaadje, buiten zijn weten, in den schoen gevallen. Te huis komende werd hij door niemand opgemerkt. Natuurlijk verbaasde hij zich hierover. Maar toen hij daarop met luider stem uitriep: „ik heb het veulen niet gevondenquot;, joegen deze door een onzichtbare gesproken woorden alle aanwezigen hevigen schrik aan. Niemand begreep recht wat er gaande was, maar toen de boer, meenende dat hij in een der schoenen zaad had gekregen, dezen uittrok, viel het zaadje op den grond en werd hij plotseling weder zichtbaar.
Het recept voor het bekomen der varenzaden, waarvan op de aangehaalde plaats ook Shakespeare gewaagt, wordt in een aanteekening van den heer Buröersdijk bij zijne vertaling kortelijk dus opgegeven: „Varenzaad is nagenoeg onzichtbaar en wordt als middel vermeld waarmee iemand die het bij zich draagt, zich onzichtbaar kan maken. Maar het moest alsdan op St. Jansavond en op het oogenblik van de geboorte des Heiligen ingezameld zijnquot;. Doch dit is slechts een zeer gering deel van hetgeen daarbij moet in acht genomen en ondergaan worden. Wuttke s) weet ons daarvan vrij wat meer te verhalen: „Het zaad is zeer moeilijk te bekomen en slechts door de hulp van den duivel. Wie het wagen wil het machtig te worden, mag gedurende den ganschen adventtijd niet bidden noch ter kerke gaan, en moet veel aan den duivel denken en duivelsche gedachten koesteren. Zoo voorbereid plaatst hij zich in den Kerstnacht tegen twaalf uren op een kruisweg, waarover lijken naar het kerkhof gevoerd zijn. Nu verschijnen hem allerlei spookgestalten, die hem tot spreken en lachen zoeken te verleiden. Biedt hij geen wederstand, dan wordt hij door den duivel verscheurd, maar blijft hij standvastig, dan wordt hem een zakje met het begeerde zaad ter hand gesteld.quot; Geheel dezelfde mythe vind ik ook in Wagners „Malerische Botanikquot;1), maar vermeerderd met eene beschrijving van het zaad, zooals het volksgeloof zich dat voorstelt. „De plant bloeit tusschen elf en twaalf uren en brengt onmiddellijk zijn kogelrond zaad tot rijpheid, dat dan dadelijk met zulk een groote
117
) D. I, bl. 7, D. II, bl. 247.
- 30 -
kracht ter aarde valt en verdwijnt, dat het zelfs een metalen vijzel, indien men het daarin poogde op te vangen, doorboren zou. Slechts in een koolzwart bokkevel zou dit gelukken.quot; Volledig is deze beschrijving nog niet. Er behoort nog bij dat het varenzaad in den St. Jansnacht als vurig goud vonkelt en dat het, eenmaal in de aarde verdwenen, niet kan worden wedergevonden').
Dit schijnt de gewone voorstelling te zijn; er komen echter, zooals doorgaans in zulke gevallen, ook plaatselijke verscheidenheden voor. Zoo leert ons Wdttke8), dat men in Stiermarken om het varenzaad machtig te worden, in drie nachten. Kerstnacht, Nieuwjaarsnacht en Driekoningennacht, waken moet. In den laatsten heeft men vele aanvechtingen van den duivel te verduren, waartegen men zich verweert door te gaan staan in een toovercirkel, gewapend met een kruis, vervaardigd uit het hout van een op St. Jan nog bloeienden Crataegus (Sorbus) torminalis, een boompje verwant met onzen lijsterbes, dat in Zuid-Duitschland menigvuldig, bij ons slechts als sierplant voorkomt. Het zaad wordt dan opgevangen in negen doeken, zooals die bij de mis over den kelk gelegd worden.
In andere streken kent men eenvoudiger middelen. In Bohemen en Tirol legt men slechts in den St. Jansnacht een witten doek (volgens sommigen moet het een kelkdoek zijn) hij den varen en zamelt zwijgend voor zonsopgang het daarop gevallen zaad in, of schudt ook de plant, zoodat het zaad op den doek valt, waarbij men echter zorgen moet het niet met de hand aan te raken, wijl het dan als dauw of nevel vervliegt.
Wij gaan ons thans bezig houden met de geheime krachten, die aan de varens, met name aan de Polypodium-soorten, werden toegekend. Zij blijken al dadelijk uit de Duitsche volksnamen dezer planten; behalve den in den Harz gebruikelijken naam Johannisbloem, die met den vermeenden bloei in den St. Jansnacht samenhangt, komen in verschillende streken de namen Irrkraut, Otternkraut en Walpurgis-kraut voor. De naam Irrkraut (dwaalkruid) hangt samen met het geloof, dat wie zonder het te weten op een varenplant treedt, aan het dwalen raakt, en den weg slechts terugvindt als hij zijne schoenen wisselt of zijn voorschoot omkeert. Otternkraut (Ad der kruid) heet de plant, omdat men gelooft, dat wie haar bij zich draagt, door de adders vervolgd wordt. Men verklaart dit daaruit, dat de varen, zooals wij zoo aanstonds zien zullen, een middel is om verborgen schatten op te sporen, en het bewaren van zulke schatten vaak aan de adders is toevertrouwd. Walpurgiskruid heet de varen vermoedelijk, omdat, wanneer in den Walpurgisnacht het water van bronnen en stroomen in wijn verandert, alleen hij het scheppen kan die varenzaad bij zich draagt 3).
Zeer groot zijn de voordeelen aan het bezit van het varenzaad verbonden; het is echter de vraag of zij niet dikwijls het hei) der ziel schaden. Is het wel een ware zegen dat het varenzaad geluk schenkt bij het spel en bij de vrouwen ? dat de jager die het bezit het vermogen van den vrijschutter om steeds het doel te treffen erlangt? dat men daardoor van den duivel een wisseldaalder kan krijgen, die, eenmaal in de beurs gestoken, teweegbrengt, dat zij nimmer ledig wordt? dat men in den St. .Jansnacht, met een varenzaad in de hand een bergjuk bestijgende, steeds een goudader vindt? dat het varenzaad het vermogen bezit hem, die het bij zich draagt door blauwe uit den grond stijgende vlammen de plaatsen aan te wijzen, waar schatten verborgen liggen? dat, in één woord, ieder dien het gelukt is het meester te worden, al zijne wenschen vervuld ziet, over alle schatten der aarde beschikken
') Wuttke, A.w., bl. 94. '•') A. w., bi. 95. a) Wuttke, A. w., bl. 73.
- 31 -
kan? Wanneer men overweegt, dat het varenzaad slechts met de hulp van den Booze kan verkregen worden, moet men dan niet aannemen dat dit alles slechts listen zijn, door den aartsvijand des menschdoms aangewend, om de zwakke zielen der menschen in zijne macht te krijgen?
Maar er zijn toch ook minder dubbelzinnige weldaden aan het bezit van het varenzaad en andere deelen der varenplant verbonden, die doen vermoeden dat niet alle daaromtrent heerschende voorstellingen uit dezelfde bronnen zijn gevloeid. Het varenzaad wordt soms geprezen als een wondermiddel, een panacee tegen alle kwalen, een middel dat de krachten des lichaams twintigvoud vermenigvuldigt, en onverstoorbare gezondheid schenkt, verbonden met onverwelkelijke jeugd.
De heilige Hildegakdis beweert in hare „Physicaquot;, dat daar, waar varens groeien, de duivel zijne kunstgrepen (illusiones) zelden vertoont; dat hij het huis en de plaatsen waar zij zich bevinden vreest en mijdt; dat daar zelden de bliksem inslaat of hagel den oogst vernielt.
Tot de weldaden door de varens verleend, behoort nog dat wie ze bij zich draagt op reis geen ongeluk krijgt. De heer Sloet'1) verhaalt ons dat von Peegee, de schrijver der „Deutsche Pflan zen sagenquot;, die meermalen opmerkte dat aan de voertuigen, die een stellen weg opreden, varens verbonden werden, niet verkrijgen kon, dat hem het doel, waarmede dit geschiedde, werd bloot gelegd. Men scheen zich over het bijgeloof te schamen, in weerwil dat men gehoor gaf aan zijne stem. Bloeiend varenkruid boven de huisdeuren te hechten brengt aan de woningen geluk en zegen. Het opgeschuurde graan wordt door varenkruid voor de muizen beveiligd, de Gubeenatis verhaalt in zijne „Mythologie des Plantesquot; 2) van een boer in Klein-Rusland, wien, toen hij zijne verloren ossen zocht, de plaats waar zij te vinden waren, door in zijn schoen gevallen varenzaad werd aangewezen.
Met een woord moet ik nog in het bijzonder van de kracht der wortels van het Polypodium gewagen. Zij worden op St. Jansdag op den middag uitgegraven en in de open lucht gedroogd, waarbij echter elke zonnestraal zorgvuldig moet geweerd worden. Dit geschiedt omdat zij tegen het onweder beveiligen, ook al aan rijkdom helpen, en vooral omdat zij het vee tegen hekserij beschermen, waarom men in de stallen de ruiven, hetzij voor zonsopgang of drie dagen voor nieuwe maan, daarmede bestrijkt. Ook begraaft men wel zulk een wortel onder den drempel der staldeur. Maar met deze wortels wordt veel bedrog gepleegd. Men snijdt daaruit de zoogenaamde Johanneshand, die men zegt dat op St. Jansdag tegen den middag plotseling uit den grond opschiet. Zij heet dengenen die ze bij zich draagt geluk aan te brengen, en lijdende lichaamsdeelen die men er mede bestrijkt te genezen3). De heer Sohmeltz deelt mij mede, dat hij zich het gebruik der Johanneshand als geluk aanbrengend voorwerp nog uit zijne jeugd, als te Hamburg heer-schend, herinnert, en dat op St. Jansdag boerinnen uit de boschrijke omstreken in de stad kwamen, om zulke voorwerpen te verkoopen, van welke, nu omstreeks 15 jaar geleden, nog een exemplaar als curiositeit door zijne vrouw gekocht werd.
') Gids, t.a.p., bl. 426. 2) Aangehaald door Sloet, t.a.p. bl. 428. ') Wutïke, a.w. bi. 76, 95.
119
- 32 -
VERSCHILLENDE ALS SPECIFIEKE MIDDELEN GEBRUIKTE PLANTEN.
De Varens zijn niet de eenige kryptogamische planten die bijdragen tot de Materies medica leveren; men vindt er onder alle familiën waaruit deze groep is samengesteld. Inzonderheid bekend zijn onder de wieren (Algcw) het Ier scha mos of Carragheen {Ghondrus) [Sphaerococcus] crispus), en onder de korstmossen (Lichenes) de IJslandsche mos (Cetraria Islanclica). Van de eerste bereidt men een heilzame gelei voor herstellende kranken; de andere, die in de poolgewesten een nuttig voedsel oplevert, wordt nuttig geacht voor teringlijders. De slijmerige, kleverige, gemakkelijk oplosbare zelfstandigheid dezer planten beval ze onmiddellijk aan voor het gebruik waarvoor men ze nog aanwendt; ook heeft men voor laatstgenoemde nog twee andere Lichens als plaatsvervangers, de Genomyce pixydata en de Stida pidmonacea of Long vlecht. Deze laatste verdient hier afzonderlijke vermelding als een middel, dat bij het volk in hoog aanzien staat, ongetwijfeld op grond zijner Signatuur. De longvlechten bestaan uit groote bruinachtig groene, zich over oude boomstammen, vooral beuken en eiken, uitbreidende vliesachtige, netvormige lappen, geteekend met bruine, harige kuiltjes, die eenige overeenkomst hebben met de holten in de long der teringzieken. „Het is hieraanquot;, zegt Cauveï1), „dat zij hun naam en hun gebruik verschuldigd zijnquot;. Habald Lenz leert ons dat in Duitschland de landlieden en boschbewoners deze vlechten met Breukkruid (Saniculu europaea L.) en honig in bier koken, en den dus verkregen drank aan de borstlijders te drinken geven2).
Nog eene andere plant, geene acotyledonische, maar eene die tot het tweezaadlobbig geslacht der Boragineeën of Asperifoliaceae (ruwbladigen) behoort, had om eene soortgelijke reden, als middel tegen dezelfde ziekten eenmaal een grooten naam; ik bedoel de Pulmonaria officinalis L. of Longenkruid. Deze in ons land vrij zeldzame plant werd vroeger in groote menigte aangetroffen op het thans gesloopte en in tuingronden voor villa's gesplitste landgoed Hulkestein bij Arnhem, waar ik mij herinner dat zij jaren geleden mijne aandacht trok door de witte vlekken op hare bladeren, die den wensch bij mij deden ontstaan, dat zij mocht veredeld en tot eene bontbladerige sierplant voor onze tuinen aangekweekt worden. Ik wist toen niet dat zij vroeger in Engeland onder den naam van Jerusalem cowslip3) juist om die gevlekte bladeren en de purperen bloemen in schier alle tuinen geplant werd4), en evenmin dat die gevlekte bladeren als eene Signatuur werden aangemerkt, die deze plant als een der uitstekendste middelen tegen lijden der long aanbeval. Aan de overeenkomst dier teekening met die eener tuberculeuse long dankt de plant haren naam en hare plaats in de Pharmacopoeën; nauwelijks is er eene tweede Signatuur die zoo algemeen bekend is, zoodat zij bij schrijvers, die daarvan slechts oppervlakkig en in het voorbijgaan gewagen, gewoonlijk als voorbeeld geciteerd wordt5). De
120
1) Hist. Nat. Medic., I, p. 500.
2) Gemeinnützige Naturgeschichte, IV, bl. 154 u. 508.
) De Pransche volksnaam is „Sauge de Jerusalemquot;. Zie Liïtbé in v. Sauge.
) Treasury of Botany in v. Pulmonaria.
plant van de Signatuur met name gewag maakt (V. II, p. 434). Wagner, Maler. Botanik, II, 246, schynt in een dwaling te verkeeren, als liij zegt: „Das Lungenkraut galt wegen der Parbung seiner Blüten als Mittel gegen Lungenübelquot;. Misschien is Blüten slechts een schrijf- of drukfout voor Blatter.
- 33 -
beroemde stichter der Linnaean Society, Sir John Edwaku Smith, zegt er van: quot;Every part of the plant is mucilaginous (slijmig); but its reputation for coughs arose not from this circumstance, but from the speckled appearance of the leaves resembling the lungs;quot; en Prof. Buokman maakt de opmerking: quot;The Lungwort offers an interesting instance of a plant, which, though having been used as a remedy from the most superstitious motives, yet fortunately possessed those demulcent qualities, which from their beneficial effects were confirmation of the belief in a wrong theory.quot;
In het geheel zijn er onder de ruwbladige planten of Boragineeën vele die slijmige en samentrekkende stoffen bevatten, zoodat het aantal dergene die vroeger of later als geneeskrachtig of offlcineel zijn aangewend, bijzonder groot is. Het is echter niet wegens de gesteldheid der bladeren, die bij de Pulmonaria en meer nog bij Borago officinalis (Bernagie) ook als groente of toekruid bij salade genuttigd worden, maar wegens de zeer bijzondere natuur der zaden, dat eene tweede Boraginee, het zoogenaamde Parel kruid {Lithospermum officinale L.), eene niet minder belangrijke plaats dan de Pulmonaria in de leer der Signatuur inneemt. Op de bijzondere hardheid dier zaden wijst zoowel de reeds bij Dioscoeides voorkomende, in de wetenschappelijke terminologie bewaard gebleven Grieksche naam, als de Duitsche Steinsamen, die daarvan de letterlijke vertaling is. Door sterke kalkafscheiding zijn de nootjes, waarin de zaden besloten liggen, steenhard; hun eironde vorm, glans, gladheid en parelwitte kleur doen ze op parelen gelijken, waarvan de bij ons gebruikelijke naam Parelkruid en de Fransche Her be aux perles1) afkomstig zijn. Plinius beschrijft ze2) als: „lapilli, candore et rotunditate margaritarum, magnitudine ciceris, duritia vero lapideaquot;, en betuigt dan „dat hij onder de kruiden nooit iets met meer verbazing gezien heeft; zoo groot is de schoonheid der als door de kunst des goudsmids afwisselend met de bladeren glinsterende parelen.quot; Die steenachtige gesteldheid werd een voldoend bewijs geacht, dat zij een werkzaam middel moesten zijn tegen den steen in de blaas. Ook daarvan wist reeds Plinius te spreken. „Het staat vastquot;, zegt hij, „dat door deze steentjes, ter hoeveelheid van een drachme in witten wijn gedronken, de blaassteenen verbrijzeld en uitgedreven worden en de moeilijke waterloozing genezen wordt. In geen ander kruid is het dadelijk op het gezicht meer blijkbaar, voor welk geneeskundig gebruik het in de wereld kwam. Ook de leek kan dit zonder de aanwijzing van deskundigen beoor-deelen.quot; Ziedaar eene uitspraak, die, ofschoon ze in het Latijn wat onduidelijk is, zooals reeds in Hoofdstuk I werd opgemerkt, onwedersprekelijk bewijst dat de leer der Signatuur aan Plinius bekend was3). Thans is ook dit middel in vergetelheid geraakt. „Ces akènesquot;, zegt Cauvet, „qu'on croyait propres a dissoudre les calculs de la vessie, sont actuellement tombés dans un juste oubli4).quot;
121
i) Ook in het Duitsch wordt somtijds Peiikraut gebezigd, gelyk men omgekeerd ook by ons den
naam wild steonzaad kent. De gewone Fransche naam, Grémil, is van zeer onzekeren oorsprong, maar heeft te veel overeenkomst met den Engelschen Gr om we 11 of Gr om el 1, om niet een gemeen-schappelyken oorsprong te doen vermoeden. De afleiding van granum mi lil schijnt mij volstrekt onaannemelijk. 2) Hist. Nat. XXVII: 74.
) Plinius is een slordig en in zyne kortheid veelal onduidelijk compilator. Ik gebruik hem zelden zonder de vrees van hem misschien niet goed te verstaan. Daarom geef ik hier ook den latijnschen tekst der vertaalde zinsneden; „Nee quidquam inter herbas majore quidem miraculo adspexi. Tantus est decor,
velut aurifleum arte alternis inter folia candicantibus margaritis____ lis lapillis drachmae pondere potis in
vino albo calculos frangi pellique constat et stranguriam discuti. Neque in alia herbarum fides est visu statim, ad quam medicinam nata sit. Est autem ejus species, ut etiam sine auctore visu statim nosci possit.quot; - Miraculum schijnt bij Plinius meermalen verwondering, verbazing te beteekenen; zoo ook in „arbor digna miraculoquot;, dat elders bij hem gelezen wordt. quot;j Hist. nat. medic. II, bl. 434.
- 34 -
Eene derde plant tot de familie der Boragineeën behoorende was van ouds vermaard als middel tegen slangenbeten. Het Echium, waarvan de gewone bij ons in duinen en zandgronden menigvuldig voorkomende soort door Linnaeus Echium vulgare genoemd werd, ontleent zijnen naam aan het G-rieksche echis (vr. echidna) adder1). Bij ons heet deze plant slangekruid of slangekop, in het Duitsch Natterkopf, in het Fransch Vip ér ine, in het Engelsch Viper's bugloss8). Al deze namen schijnen mij ontleend aan de gerimpelde vruchtjes, die wel wat op den kop van een adder of slang gelijken, ofschoon anderen willen, dat eer moet gedacht worden aan de vele vlekken op den stengel, die aan de huid eener adder doen denken. Litteé vermeldt beide gevoelens in deze woorden: „ainsi dite paree que le fruit ressemble a une tête de vipère, ou plu tot a cause des taches livides de la tigequot;. Hij geeft dus aan de tweëde verklaring de voorkeur, en toont dit nog duidelijker door in het artikel Signature te schrijven: „L'Echium vulgare, étant tacheté comme la vipère, on l'a appelé vipérine, et on l'a prescrit contre les morsures de eet animalquot;. Maar zouden niet de namen slangekop en Natterkopf sterk voor de eerste pleiten ? Intusschen, welke van beide ook de ware zij, het is natuurlijk dat de leer der Signatuur aan deze, aan een adder herinnerende plant de kracht toekende om adderbeten te genezen, ofschoon elke rationeele grond daarvoor ontbrak.
Aan de familie der Boragineeën grenst die der Scrophularineeën, waarin wij weder een paar planten vinden bij welke wij eenige oogenblikken willen stilstaan: het Helmkruid en de Oogentroost.
De leer der Signatuur heeft op de Nomenclatuur der planten veel invloed gehad. Vele volksnamen en eenige wetenschappelijke die uit de volkstaal zijn overgenomen, zooals slangekop, parelzaad, zijn onmiddellijk aan hunne Signatuur ontleend; eenige andere, zooals long vlecht, longkruid, o o g e n t r o o s t, aan de lichaamsdeelen, welker ziekten of gebreken, blijkens hare Signatuur, door haar gebruik kunnen genezen worden; wederom andere, zooals speenkruid, steenzaad, aan de ziekten zelve, welke zij volgens hare Signatuur geroepen zijn te genezen. Tot deze laatste behoort ook de naam Scrophularia, afgeleid van het Latijnsche Scrophulae, klieren, en waarvan de familienaam Scrophularineeën of Scrophulariaceeën gevormd is. Aan Scrophularia als geslachtsnaam beantwoordt in onze taal de naam Helmkruid, in het Duitsch Braunwurz, in het Engelsch Fig wort, in het Fransch Scrophulaire, dat onmiddellijk uit den Latijnschen naam is afgeleid. Het geslacht omvat verscheiden soorten, waarvan twee: Scrophularia nodosa of het Knoopig Helmkruid, en Scrophularia aquatica of het Moeras-Helmkruid, in ons land veelvuldig op vochtige plaatsen voorkomen. Deze planten hadden vroeger een grooten naam als middelen tegen kliergezwellen, in het bijzonder echter de Scrophularia nodosa, wier wortel zich kenmerkt door veelvuldige kleine knobbelige uitwassen, waarin men eenige overeenkomst vond met de knobbels door de gestoorde afscheiding der klieren teweeggebracht. Zulk een vage overeenkomst vond men ook tusschen die knobbeltjes en de aambeien of spenen (Haemorrhoïden), waarom het knoopig helmkruid ook tot bestrijding
') Prof. Oudemans, „Flora van Nederlandquot;, 2e uitg., II, bl. 374, beging eene ongelukkige vergissing toen hy, op gezag zeker van het een of ander Grieksch-Duitsoh Woordenboek, echis door otter, in plaats van adder verklaarde. In het Duitsch heeft Otter twee beteekenissen; 1°. adder, als synoniem van Natter (Fïpera); 2°. Otter, vischotter (Lutra).
■) Bugloss is het Grieksche [iovyhoaaor, d. i. Ossetong (volgens Plinius XXV; 40 „boum linguae si mills her baquot;), zooals reeds bü Dioscoeides Anchusa officinalis L. genoemd wordt, en waarop Echium zoo zeer gelijkt, dat men het in Duitschland ook Wilde Ochsenzunge noemt.
122
- 35 -
van deze werd aangewend en somtijds met den naam speenkruid genoemd, die gewoonlijk aan Ficaria rammculoïdes Mönch , op welke plant ik beneden terugkom, gegeven wordt.
Oogentroost (Duitsch Augentrost, door de Engelschen eyebright genoemd) is bij ons de volksnaam van Euphrasia officinalis L. (ook eene Scrophularineé), eene plant die eenmaal een grooten naam had als middel tegen verschillende oogziekten. Hare Signatuur bestond volgens Prof. Plugge1) in de eenigszins aan oogen herinnerende zwarte vlekken op de fraaie bloemen. Bij Dodonaeus (bl. 21) leest men, dat het merkteeken der kracht van dit kruid daarin gevonden wordt, dat de bloem dooi- haar verscheidenheid van verf den vorm der oogen eenigszins nabootst. Hij voegt er de opmerking bij, dat die overeenkomst met de verf der oogen ook bij de violen bestaat, die echter nooit als middel voor de oogen gegolden hebben. In het Fransch heeft deze plant, behalve den op Fransche wijs uit het Latijn vervormden naam Euphraise, bij het volk ook dien van Casse-lunette1), waarnevens ook die van Luminette voorkwam, door de Serres vermeld in deze woorden: „elle est aussi appellée luminette, pour être sa vertu d'illuminer et esclaircir les yeuxquot;.2) Rev. C. A. Johns maakt in the Treasury of Botany3) de volgende opmerkingen: „From the frequent mention of Euphrasy by the poets4) it would seem to have been formerly held in high repute for its medical virtues, a view which is confirmed by the old herbalists, who recommended its use both outwardly and inwardly, in powder and in decoction, for complaints of the eye. It is still a rustic remedy as an eyewater, but is said by some to be injurious rather than beneficial.quot;
De naam Oogentroost brengt ons dien van Oogenklaar voor den geest, een der volksnamen van het Chelidonium majus L., eene plant die tot de Papaveraceeën behoort, by ons het meest bekend onder den naam van stinkende gouwe. De wetenschappelijke naam komt reeds voor bij Dioscobides 6); Plinius, die van de plant gewag maakt ten bewijze dat ook de dieren eenige plantenkennis bezitten5), schrijft Ghelidonia. Zoowel de vrouwelijke als de onzijdige vorm, en zoo ook het Fransche Chélidoine en het Engelsche Celandine stammen af van den Griekschen naam der zwaluw, Ghelidón6). Er moet dus een verband bestaan tusschen deze plant en de zwaluw, wat ook is uitgedrukt in den somtijds in Duitsche geschriften gebruikten naam Schwalbenkraut.
De Ouden onderscheidden twee Chelidonium-soorten, majus en minus, welke namen door Linnaeus behouden zijn; van beide geloofde men dat zij zich vertoonden bij de komst dei-zwaluwen en bij haar vertrek verwelkten, en dat de zwaluw in haar nest door middel van deze kruiden aan hare jongen het gezicht hergeeft, volgens sommigen zelfs wanneer de oogen uitgerukt waren7). Eene toespeling op deze legende, die zeker niet alle lezers
123
') A. w. bl. 12. !) Cauvet a. w., Liïtke in v.
) Aangehaald dooi' Litteé in v. Eufraise.
) Art. Euphrasia.
«) -/fl.iamp;ónov niyn. 7) Lib. XXV. o. 50: „Animalia quoque invenere herbas in primisque chelidoniam.quot;
s) /fUtiar. De lettergreep schel in de Nederlandsche namen sohelkruid en schelwortel (die
ik o. a. bij Kiliaan aantrof) wordt door Franok, „Etym. quot;VVdbk. der Nederlandsche taalquot; in v. schelkruid, mede voor eene verkorting en vervorming van Ghelidonia gehouden. Het bevreemdt mij dat hij daarbij niet den gewonen Duitschen naam Schöllkraut vermeldt, wat toch zeker wel hetzelfde woord is. Ik zag in Eabek's Thesaurus in v. Chelidonium, dat men oudtijds ook in het Duitsch Schelkraut en Schei-wurtz schreef. Zonder de mogelijkheid dezer afleiding te weerspreken, zal ik echter straks eene andere voorstellen.
) Plinius, t. a. p.: „Hac (herba) hirundines oculis pullorum in nido restituunt visum, ut quidam volunt etiam erutis oculisquot;.
- 36 -
verstaan zullen, komt voor in het door Bilderdijk uit het Latijn van van Royen vertaalde gedicht „Landrustquot;
„De zwaluw, die nog korts om kreken pleeg te dolen,
„Zet onder 't gastvrij dak haar' arbeid vlytig door;
„Te voren echter juicht ze, al klappend met de vlerken,
„Der Gouwe vrolijk aan, die 'sjongskens oogen heelt.quot;
Dat overigens de heilzame kracht voor de oogen zich niet alleen tot die der zwaluwen bepaalde, maar ook aan menschelijke lijders ten goede kwam, blijkt uit hetgeen Plinitjs nog verder zegt, dat in den bloeitijd het sap dezer plant wordt uitgeperst en in een koperen pot met Attischen honig wordt gekookt, als een voortreffelijk middel tegen de verduistering der oogen s).
Bij de lateren wordt van de kracht van het sap der Gouwe of van het Chdidoniurn rnajus tot verdrijving der wratten en schellen van het hoornvlies dikwijls gewaagd; de Neder-landsche naam Oogenklaar en de Fransche Éclaire (van éclair er, verlichten) zijn er aan ontleend; misschien ook het bij Kiliaan voorkomende schelkruid of schelwortel, dat, naar de analogie van andere dergelijke namen, zeer goed „middel tegen de schellen op de oogenquot; zou kunnen beteekenen. Maar bij geen der lateren heb ik het Chelidonium minus of Speenkruid uitdrukkelijk als middel voor de oogen vermeld gevonden. Het is eene plant die in vele opzichten van de Gouwe verschilt, zoo zelfs dat zij niet meer tot de Papaveraceeën, maar tot de Ranunculaceeën gerekend wordt. Deze plant is in de Geneeskunde niet minder beroemd dan de Gouwe, maar als middel tegen gansch andere kwalen; wij zullen haar straks nader onder den naam van Ficaria Ranun-culoïdes leeren kennen. Uit enkele bijzonderheden zou men echter kunnen opmaken, dat ook de nieuweren aan Chelidonium minus tot zekere hoogte dezelfde eigenschappen als aan Chelidonium majus hebben toegekend, b. v. wanneer de Franschen eerstgenoemde ook Petite Eclaire of Eclairette noemen; maar dit is dan geschied op het voetspoor van Plinius, wiens verwarde beschrijving niet duidelijk op het velerlei verschil tusschen beide planten wijst.
Het gebruik der Gouwe als oogmiddel berust, naar al het gezegde, op oude overlevering; van Signatuur vind ik daarbij geen spoor. Maar toch neemt deze plant ook in de leer der Signatuur eene belangrijke plaats in. Het goudgele sap, dat haar bij de geringste verwonding uit de stengels en bladeren vloeit, werd, ofschoon het bijtend en in hooge mate vergiftig is, om zijne gele kleur als een uitmuntend middel tegen de geelzucht en dus als een geschenk des hemels beschouwd. Dr. Glück zegt in zijne „Skizzen aus der Volksmedizin in Bosniën und der Hercegovina3): „Eine Weintinctur des Krautes wird gegen die Gelbsucht benützt. Dioscorides gebrauchte die Schellkrautwurzel innerlich bei der Epilepsie und der Gelbsucht. In Russland wird der Pflanzensaft innerlich gegen Gelbsucht und Leberleiben gebraucht. Bei der Verwendung des Schellkrautes gegen die Gelbsucht scheint die gelbe Farbe des Saftes die wichtigste Rolle gespielt zu habenquot;. Ook de naam Gouw of Gouwe, soms ook Goude geschreven, en vaak met dien van Goudwortel verwisseld, is ongetwijfeld aan dat goudgele sap toe te schrijven4). Franck's afleiding van Caltha, eene plant die met de Gouwe niet veel gemeen heeft, schijnt mij geheel uit de
') Bildeedijks Dichtwerken, VI, bl. 250. ;) Singular! remedio contra caligines oculorum. s) In „Wissenschaftliche Mittheilungen aus Bosniön und der Hercegovinaquot; von Dr. M. Hoernes, 2erBd., (1894), S. 434.
■•) Zie het Wdbk. der Ned. Taal, art. Goudwortel en Gouwe.
124
- 37 -
lucht gegrepen. De bijnaam stinkende, ofschoon zeer juist, is echter geheel overbodig, daar geene andere Gouwe dan deze stinkende bestaat, maar het gebruik heeft nu eenmaal gewild dat dit adjectief ook in den mond des volks steeds met Gouwe zou verbonden worden. „Het is stinkende Gouwquot; is zelfs eene gewone zegswijze geworden, en Huygens stelt in den dichtregel'):
„Wat gouwe stincken doet, wat roosen wel doet rieckenquot;
de meest door haren stank beruchte bloem tegenover de bovenal om haren geur beroemde bloemenkoningin.
Ten slotte merk ik nog op dat de namen Oogentroost en Oogenklaar dikwijls met elkander verwisseld worden.
Ik kom thans terug op Ghelidonium minus, onder opmerking dat men, toen men deze plant geheel van Ghelidonium majus scheidde, en naar de Ranuncidaceeën verwees, wel zou hebben gedaan met den soortnaam van Ghelidonium majus te veranderen, die alleen in tegenstelling met minus zin heeft. Het gedurig veranderen van namen ten gevolge der steeds verder gedreven splitsing der geslachten en soorten geeft tot zulke dwaasheden aanleiding. Van die veranderingen geeft ook de hier te bespreken plant een voorbeeld. Eerst bracht men haar tot het geslacht Ranunculus in de familie der Ranuncidaceeën, en noemde haar Ranunculus ficaria; later bemerkte men dat zij in eenige opzichten nog al van de andere Ranuncidi verschilde, en maakte van haar een afzonderlijk Genus, voor welks naam men haren vroegeren soortnaam Ficaria koos; en ofschoon men tot dusverre geene tweede Ficaria-soort heeft gevonden, moest toch die eenige ook een soortnaam hebben om op het stelsel der binaire benamingen geen inbreuk te maken, en men koos daarvoor ranunculoïdes. In het Nederlandsch heet deze plant Speenkruid (zie b.v. Dodonaeus, bl. 21), in het Engelsch Pile wort, over de Fransche namen heb ik reeds bij Ghelidonium majus gesproken, onder de Duitsche vind ik Feigen-Ranunkel en Scharbock1). Het laatste moest eigenlijk Scharbockskraut luiden en teekent de Ficaria als middel tegen de Scheurbuik2), welke ziekte in het Duitsch door verbastering van dit, wel is waar in zijn oorsprong onbekende, doch zoo het schijnt uit Nederland afkomstige woord, Scharbock genoemd wordt. Deze naam Scharbock wordt intusschen ook aan het lepelblad en andere, tegen de scheurbuik heilzaam geachte kruiden gegeven, en is dus vrij dubbelzinnig. De namen Speenkruid en Pilewort, die hetzelfde beteekenen, wijzen op het geloof dat de Ficaria bestemd is om de spenen of aambeien (Haemorrhoïden) te genezen.
De „Treasury of botanyquot; bevat over deze plant een bijzonder lezenswaardig artikel, dat ik hier gedeeltelijk vertaald zal overnemen. „Schoon kleine Ghelidonium genoemd, is het onderscheid van het echte Ghelidonium groot. Daar zij eene der vroegst bloeiende planten is, fraai goudgele bloembladen en glanzig groene bladeren heeft, wordt zij algemeen geliefd3). De volksnaam Speenkruid (Pilewort) is ontleend aan hare wortels, die, in bundels van kleine knollen groeiende, in vorm zoozeer overeenkomen met die uitwassen.
125
) Cette plante a étó préconisée contre les scrofules, le scorbutquot; etc. — Cauvet, Hist. nat. mód. II. p. 198.
) Daar ons volk de velerlei gele bloempjes, die in het voorjaar onze weiden versieren, in de meening
dat de boter daarvan geel wordt, onder den naam van boterbloemen samenvat, zal het Speenkruid daartoe ook wel behooren.
- 38 -
die zich vertoonen in de pijnlijkste gevallen van Haemorrhoiden. Onze voorvaderen, die bij de keuze hunner geneesmiddelen zich niet zoozeer op de kennis der eigenschappen en hoedanigheden van de planten verlieten, als op uitwendige teekenen, waardoor zij zich verbeeldden dat de Natuur hare ingeboren krachten aanwees, namen haar daarom aan als het specifiek middel tegen deze ziekte. Merkwaardig is de geestdrift waarmede Culpepper ') van hare krachten spreekt: „Hier is een ander geheim voor mijne landgenooten, mannen en vrouwen. Speenkruid, bereid als een olie, zalf of pleister, geneest onmiddellijk zoowel de Haemorrhoiden als het Koningszeers). Zelfs alleen het bij zich dragen van dit kruid op het bloote lijf geneest die ziekten, al komt het met de lijdende deelen volstrekt niet in aanraking.... Ik genas mijne eigen dochter met dit kruid van het Koningszeer.quot; Doch in weerwil van zulke stellige beweringen is ook dit kruid in onze dagen bijna geheel in onbruik geraakt, daar de geneeskundigen wijs genoeg zijn om te zien naar degelijker gronden, dan worden aangegeven door de leer der Signatuur.
Tot de Primulacceën behoort het Griiichelkruid of Guichelheil {Anagallis arvensis L.). Deze plant die in het Fransch mouron, in het Engelsch pimpernel1), in het Duitsch Gauchheil is genaamd, draagt bij ons volk nog onderscheiden andere namen, die mij echter toeschijnen meerendeels op verwarring met andere planten te berusten. Guichelheil is wol de zekerste en meest karakteristieke naam; men vindt hem reeds bij Kiliaan, en door stellige getuigenissen weet ik, dat hij nog bij hot volk gebruik wordt. Ook vindt hij bevestiging in het Duitsche Gauchheil. Guich is de Nederlandsche vorm van het Duitsche Gauch en beide beteekenen dwaas, gek, dol. Het bij ons geheel verouderde guich verklaart Kiliaan door fatuus; het Duitsche Gauch is in dezelfde beteekenis nog een dagelijks gebruikt woord. Heil beteekent hier in beide talen heeling, genezing, gelijk in het Duitsche Allheil. Wat van de geneeskracht der Anagallis geloofd wordt, geeft van Gauchelheil de volledige verklaring. De volgende plaats uit Nemnigh's Allgemeines Polyglottenlexicon der Naturgeschichte2) is afdoende: „Anagallis arvensis, das gemeine oder rote gauchheil, acker gauchheil, auch gochheil, jochheil, dann geckenheil, narrenheil, vernunftkraut, wutkraut, wegen ihrer kraft gegen die melancholiequot;. Hildebrand voegt er bij „ook tegen de hondsdolheidquot;, en Littré in v. Mouron noemt desgelijks deze plant: „longtemps préconisée contre la morsure des animaux enragésquot;, terwijl Cauvet 3) van de roode en blauwe Anagallis beide getuigt, dat zij zijn „amers, nauséeux, un peu acres, jadis presents contre 1'épilepsie, l'hydropisie et même contre la ragequot;.
Uit dit alles volgt echter nog niet dat de Anagallis iets met de Signatuur te maken heeft. Er is aan de plant weinig dat bijzondere opmerkzaamheid wekt, met uitzondering van de zaaddoozen, die kogelrond zijn, en wanneer het zeer menigvuldige zaad rijp is, zich in het midden splijten en de bovenhelft, die als het ware een deksel vormt, laten
126
) Niet te verwarren met het Nederlandsche Pimpernel of Sorbenkruid. {Sanguisorba minor Scop.), dat tot de Eosaceeën behoort.
) I. 266, aangehaald door Hildebhand (die ook zeer verdient over Gauch te worden nagelezen) in
te Hamburg 1793—1795. 4) A. w. bl. 429.
Geimm „Deutsches Wörterbuchquot;, v. Gauchheil. Het Polyglottenlexicon van Nemnich verscheen
- 39 -
vallen. Hierin nu schijnt men toch werkelijk eene Signatuur gevonden te hehben. In het artikel over deze phantastische leer in Meyer's Conversations-Lexicon wordt de Gauchheil een middel tegen de dolheid genoemd „wegen der schadelförmigen Samenkapselquot;. Misschien zou men het wat duidelijker dus kunnen uitdrukken: „middel tegen hersenziekten wegens de overeenkomst der zaadkas met den schedel als hersenkasquot;. Maar ook zoo blijft het buitensporig dwaas en noopt het tot de vraag, of hij die deze Signatuur uitvond, niet zelf aan de aanwending van het Gauchheil behoefte had.
Niet minder komisch is het, dat men aan het zaad of het sap der Garduineeën of distelplanten, eene groote groep der Compositae, de kracht toekende van steken in de zijde te genezen, natuurlijk op grond van de vinnige stekels waarmede hare bladeren gewapend zijn. Geen wonder zeker dat men vooral bijzondere kracht toekende aan de forsche en fraaie Mar ia-distel {Silybum Marianum Gartner) wier wit gevlekte bladeren, volgens eene oude legende, die kleur hadden aangenomen doordat daarop druppelen van de melk der Heilige Maagd gevallen waren.
Eene voorname rol onder de geneeskrachtige planten komt van oudsher toe aan Verbena officinalis L., door ons volk Ijzerhard, door de Duitschers Eisenkraut, door de Franschen Ver veine (eene verbastering van Verbena) en door de Engelschen Vervain geheeten; — de typische soort der Verbenaceeën. Men heeft te allen tijde aan deze plant iets bijzonders gevonden. In het Krauterbuch van den Duitschen herborist Hieronymus Bock (t 1554) leest men daaromtrent: „Es ist bei uns teütschen kaum eyn kreütlin damit man mehr affenspil treibt als mit dem Verbenaquot;. Zij had misschien zelfs bij de vroeger behandelde algemeene geneesmiddelen eene plaats verdiend5). Bij de Egyptenaren was zij aan Isis gewijd; de Druïden gebruikten haar bij hunne plechtigheden en tooverkunsten1); zij genas de beten van slangen en dolle honden; zij werd steeds gevoegd bij de kruiden uit welker sap de heksenzalf bereid werd; zij wees in den nacht van St. George (23 April) verborgen schatten aan; in één woord, allerlei magische en genezende krachten werden haar toegekend. Op grond dat zij gaarne op puinhoopen en steenachtige gronden groeit, werd zij, even als de s t e e n b r e e k en het zaad van den esscheboom (waarover straks) als middel togen den steen in de blaas aanbevolen, en men heeft zelfs haren naam verklaard als samengesteld uit de Celtische woorden for, verdrijven, en faen, steen.
127
) Opzettelijk noem ik hier niet het gebruik der Verbenae te Rome, bij de zendingen der Petialen als symbool des vrodes, door don Verbenarius gedragen (zie b. v. Prellee, „Römisclie Mythologiequot;, S. 218ff.), omdat deze Verbenae, ook Sagmina genoemd, iets geheel anders waren dan de hier behandelde plant. Plinius zelf zegt, XXII. 3; quot;utroque nomine idem signiflcatur, lioc est, gramen ex arce (d. i. het Kapitool, den Kapitolynschen berg) cum sua terra evulsum; ac semper o legatis, cum ad hostes mitterentur... unus Verbenarius vocabaturquot;. Dit schijnt hem later geheel ontgaan te zijn; want XXV: 59 zegt hij: quot;Nulla tarnen (lierba) Romanae nobilitatis plus habet quam hierobotane, aliqui peristereona, nostri verbenacam vocant. Haec est quam legates ferre ad hostes indicavimus.quot; Hier denkt hij niet meer aan het Kapitolijnsche gras, maar aan de plant door Dioscorides ntQinifqnov genoomd, en in twee soorten (ti;mos en onderscheiden, die gewoonlijk, hetzy beide, hetzij één van beide, voor ons Ijzerhard gehouden worden, ofschoon ook hiertegen (zie Praas, Synopsis Florae classicae, p. 186) nog al zwarigheid bestaat. Er zijn overigens van Verbenae nog andere verklaringen bij de Scholiasten op Terentius, Virgiliüs en Hobatius te vinden, waaruit de volgende opgave der beteekenis in het Latijnsch Woordenboek van Prof. Engelbregt is samengetrokken; „de bladeren en jonge takken van den laurier, olijf, mirt, cipres, enz., als heilige takken, door de Petiaies, wanneer zy een verbond sloten, op het hoofd, door smeekelingeu op de handen godragen, by offers enz. tot het bekransen gebruikt.quot;
- 40 -
De heldere oogjes op de corolla wezen hare bloemen, evenals die der Euphrasia, aan als een middel tegen de gebreken van het gezichtsorgaan. Maar nog veel grooter krachten werden oudtijds aan de Verbena toegeschreven. Even als de Gladiolus en het Allium victoriale, waarover beneden, beschutte ook de Verbena tegen alle soorten van gewelddadige aanvallen en maakte, zooals Wagner het uitdrukt1) „schuss-, hieb- und stichfestquot;. Dit laatste zal wel op eene of andere wijze samenhangen met de namen Eisenkraut en Ijzerhard, maar den oorsprong daarvan heb ik niet kunnen opsporen2). Nog lang nadat al die geheimzinnige krachten der Verbena in vergetelheid waren geraakt, behield zij hare plaats in de Phannacopoea als tonicum; maar ten laatste is zij als zoovele andere oudtijds hooggeschatte planten geheel uit de rij der medicamenten verbannen.
Wat den naam Verbena betreft, wil ik, eer ik van deze plant afstap, nog opmerken, dat ik de vermelde afleiding uit het Celtisch voor zeer verdacht houd, tenzij kon worden aangetoond, dat het ritueel gebruik der Verbena uit den ritus dor Druïden afkomstig is. Verbena schijnt bij de Romeinen een zeer oud woord te zijn; het duidt, zooals ik reeds opmerkte, in den meervoudvorm (verbenae) het heilige gras van het Kapitool aan, dat bij de zendingen der Fetialen door den Verbenarius werd gedragen, en ook in het algemeen de verschillende heilige kruiden, die bij offerplechtigheden als anderszins in gebruik waren. Verbena in het enkelvoud, en vooral de langere vorm verbenaca, schijnt de eigenlijke Latijnsche naam voor het ijzerkruid geweest te zijn.
Bij de inzameling der Verbena, gelijk van andere bijzonder geachte kruiden, moesten bijzondere plechtigheden in acht genomen en bepaalde formules gesproken worden. In Engeland kruiste men de handen over het kruid en sprak daarbij:
quot;Hallowed be thou, Vervein! quot;Thou healedst our Saviour Jesus Christ quot;As thou growest on the ground; quot;And staunchedst His bleeding wound.
quot;For in the Mount of Calvary quot;In the name of Father, Son and Holy Ghost quot;There thou was first found. quot;I take thee from the ground3).quot;
Een ander voorbeeld geeft von Perger uit een HS. der Weener Hof bibliotheek van de 14de eeuw, waarover de heer Sloet kan worden nagelezen4).
Het is niet te verwonderen dat men in de volkstaal de namen der kruiden waaraan gelijke kracht werd toegeschreven en die dus in dezelfde gevallen gebruikt werden, wel eens met elkander verwarde. Gelijk bij de Ned. namen Oogentroost en Oogenklaar heeft dit plaats bij de Duitsche namen: Siegwurz, Mannesschild en Aliermanns-harnisch. Het best schijnt mij met Koch, „ïaschenbuch der Deutschen und Schweize-richen Floraquot;, Siegwurz aan te nemen voor Gladiolus en Mannesschild voor Androsace. Allium victoriale, dat Koch slechts met den, tevens vele andere planten omvattenden geslachtsnaam Lauch (d. i. look) noemt, blijft dan over voor A11 er-man nsharnisch of Mannsharnisch, met welken naam de Signatuur dezer plant overeenkomt. Volgens Meyer's Conversations-Lexicon is zij „wegen des panzerahnlichen Geflechtes der Zwiebel, ein Schützmittel gegen Angriffe aller Artquot;6). De heer Sloet leert
128
') Malerische Botanik, II, 248.
-) In Grimm's Deutsches Wörterbuch, voce Eisenkraut, wordt ook Eisen hart vermeld en de oud-duitsche vormen isarna en isanóna, alsmede de bij de Ouden voorkomende namen afft/Qtm; en lfqopocdvgt;i, herha pura en herba ferraria. Dioscorides vermeldt drieërlei maar in geen dezer drie heeft
Fraas, Synopsis Florae classicae (bl. 78, 189), de Verbena officinalis erkend. Ik kan met betrekking tot deze namen tot geen voldoend resultaat komen, en zal er dus verder over zwijgen.
) quot;Treasury of Botanyquot; in v. Verbena. 4) Gids, t. a. p., bl. 121. 5) Art. Signatur.
ons'), dat haar zonderling gevormde, langwerpige, scheeve, als met een netwerk overtogen bol, volgens een oud kruidboek, de soldaten die hem om den hals dragen onkwetstear maakt. In Gkimm's Deutsches Wörterbuch, in v. Allermannsharnisch, wordt dit woord verklaard: „heilkraftige, schützende Pflanze, Siegwurz, Heilwurz, aller Welt Heil, bald für Allium victoriale, bald für Anclrosace genommen.quot; Deze plaats maakt het duidelijk, hoe Siegwurz door Wagner2) als de eigenlijke naam van Allium victoriale en door Sloet als een synoniem van Allermannsharnisch kon worden opgevat; doch wie Giujim's artikel opmerkzaam leest, zal inzien, dat hij Siegwurz niet als een naam van het kruid heeft gebezigd, maar als een verklaring van zijn naam en vermeende eigenschappen, met toespeling op zijn soortnaam victoriale, dien Linnaeus aan het ten zijnen opzichte bestaande volksgeloof ontleent. Wuttke, die Allium victoriale, blz. 97, door Allermannsharnisch, en blz. 206 dit laatste door Siegwurz vertolkt, leert ons nog dat de bol in de Sennehütten wordt opgehangen tot bescherming tegen heksen, en in bed gelegd tot afwering der nachtmerrie; dat men dien bij zich draagt als middel tegen kramp en kiespijn; dat hij de dieven bant en tegen zware onweders beschut; dat men hem tot bescherming van het vee onder den drempel van den stal of in zijn drinkwater legt, en dat een meisje dat deze plant op Maria Hemelvaart vindt, binnen het jaar getrouwd zal zijn. De heer Sloet weet er nog meer van te zeggen, o. a. dat de bol werd behandeld als de Alruin en dat in de hofbibliotheek te Weenen twee exemplaren daarvan bewaard worden, vroeger gekleed met fluweelen hemdjes en manteltjes, vervaardigd „ex subtilissima embryonis humani pelliculaquot;. Een meisje in den Harz, die door een boozen geest vervolgd werd, trok eene plant van dit look uit den grond en vond daarin afdoende bescherming tegen haren snooden vervolger. Allium victoriale is eene in de Alpen en andere hooge rotsgebergten niet zelden voorkomende soort van look, maar behoort niet tot de Neder-landsche Flora.
Wij zagen zooeven dat de naam Allermannsharnisch ook wel aan Androsace wordt gegeven, een geslacht van Primulaceem waarvan verscheiden soorten hoog in het gebergte groeien en enkele in de vlakten van Duitschland. Zoowel die naamsverwarring als de gewone naam van dit kruid, Mannsschild, die nagenoeg gelijke beteekenis heeft, toonen ons dat ook aan deze plant een beschuttend vermogen moet zijn toegekend; of evenwel aan de plant zelve eenige daarop wijzende Signatuur werd gevonden, heb ik niet kunnen ontdekken.
Eindelijk moet ik hier nog met een woord over den Gladiolus spreken, die nevens den naam Siegwurz in het Duitsch ook nog den naam S c h w e r t e 1 en bij ons volk, als ik mij niet bedrieg, dien van Zwaardlelie draagt. Wie kent niet de prachtige, tot de Irideeén behoorende en met de schitterendst gekleurde bloemen prijkende plant, die thans in eindelooze verscheidenheid eene der grootste sieraden van onze tuinen uitmaakt? Verreweg de meeste soorten zijn van buiten-Europeeschen oorsprong of producten der horticultuur. Twee soorten komen in Duitschland in het wild voor, namelijk Gladiolus communis en Gl. palustris, op welke soorten de naam Siegwurz alleen betrekking heeft. „De naamquot;, zegt Lenz3), „komt van het voormalig bijgeloof, dat de als het ware in een pantserhemd gehulde knollen tegen houwen en steken bestand maakten.quot; In het Conversations-Lexicon
') Gids, t. a. p., bl. 437. ;) Malerisclie Botanik, II., bl. 248. :') Gemeinnütz. Naturgeschichte, IV, 64.
van Brockhaus1) lees ik; „Van de in Zuid-Europa inheemsche soort G. communis L., en van de ook in Duitschland veelvuldig voorkomende G. palustris Gaud, was eertijds de bol als Radix victorialis rotnndae, door het volk Allermannsharnisch of runde Siegwurz genoemd, in medisch gebruik.quot; Het komt hier weder duidelijk uit dat Allium Victoriale en Gladiolus dikwijls verward en met elkander vereenzelvigd werden. Overigens heb ik mij wel eens afgevraagd, of niet de zwaardvormige bloemstengels hebben medegewerkt om aan den Gladiolus de eer te verschaffen, van als behoedend tegen houwen en steken te worden aangemerkt.
Het tot de Papilionaceeën beboerende Schor pi oen kruid of Kreeftskruid komt bij Dioscobides (IV. 195) voor, onder den naam axonmniitifg: d. i. op een Schorpioen g e 1 ij k e n d; Plinius , XXII: 17 1) noemt het eenvoudig Scorpio her ba, doch Fbaas (Synops. Flor. Cl., p. 58) moet daarvoor Scorpiurus, d. i. Schorpioenstaart, gelezen hebben. Thans wordt Scorpiurus gebruikt als de geslachtsnaam van eenige peulvruchten dragende planten van Zuid-Europa. Omtrent de soort door Dioscorides en Plinius bedoeld, bestaat geen zekerheid; Fbaas denkt aan Scorpiurus siücata L.; maar zij kan ook wel schuilen in het zeer verwante geslacht Coronilla. waarvan eene soort Scorpioïdes heet. 't Beste is wellicht aan te nemen, dat de Ouden al de planten die wij thans tot Scorpiurus en Coronilla brengen, en die allen denzelfden vorm van zaden, welke tot den naam aanleiding gaf, meer of min gewijzigd, met elkander gemeen hebben, onder éénen naam hebben samengevat. Ik vermeldde reeds in het eerste hoofdstuk, ten bewijze dat de Ouden de leer der Signatuur gekend hebben, de woorden van Plinius over deze plant, die in het oorspronkelijk dus luiden: „Ex argumento nomen accepit scorpio herba. Semen enim habet ad similitudinem caudae scorpionis. Valet et adversus animal nominis sul.quot;
Dodonaeus (bl. 21) merkt op, dat een soortgelijke vorm van het zaad ook bij de bekende Goudsbloem {Calendula officinalis L.) voorkomt, en eenigermate ook bij den Vogelvoet (Ornithopus pusillus L., bij ons tegenwoordig kleine Vogel poot), welke laatste trouwens ook zeer nauw met Scorpiurus en Coronilla verwant is. 't Blijkt echter niet, dat men er ooit aan gedacht heeft het zaad van Goudsbloem en Vogelpoot tegen den schorpioensteek aan te wenden.
Standeik rui d is bij ons de gewone volksnaam der Orchideeën, waarbij echter alleen aan de Europeesche soorten te denken is; de honderden prachtige soorten, die in de laatste jaren uit de tropische landen zijn ingevoerd, waar zij meest als woekerplanten voorkomen, en die thans het grootste sieraad onzer plantenkasten en den voornaamsten tak van onzen bloemhandel uitmaken, waren nog volstrekt onbekend, toen deze naam in algemeen gebruik was, en bij hetgeen ik er hier over te zeggen heb, moet alleen aan de in Europa altijd op den grond in weiden en moerassen groeiende soorten gedacht worden. In het Hoogduitsch beantwoordt aan onzen naam Stendelwurz, in het Engelsch Stander wort of Stander grass. Al deze vormen, en nog verscheiden eenigszins afwijkende, stammen af van het Oud-Gennaansche s tan dan, staan, en zijn te verklaren uit het volksgeloof dat door het gebruik dezer plant het mannelijk onvermogen verholpen wordt en de erectie wordt bevorderd. Die zelfde meening is ook uitgedrukt in andere Duitsche, bij ons niet bekende namen, zoo als Ragwurz (van ragen, opgericht zijn) en Knabenkraut2), maar ook reeds
130
■) Art. Gladiolus. 2) Edit. Bipontina; in andere uitgaven XXII: 21.
) Heyne in Grimm's Deufcsches Wörterb. in v. „Der Name mag von den verliebten Knaben her-„rühren, die im alten Volkslied erscheinenquot;.
- 43 -
in den Griekschen naam Orchis, waarvan Orchideeën gevormd is, en die in de botanische Nomenclatuur de naam gebleven is van het Genus, waartoe de meeste bij ons en in het geheel in Europa voorkomende Orchideeën, zooals Orchis mono, O. purpurea, O. militaris, O. coriophora, O. mascula enz. gerekend worden. Die Grieksche naam Orchis, d. i. testi-caiIus, is toch ontleend aan den vorm der knollen of wortels, aan welker vezelen twee ronde bolletjes of klootjes hangen. De Salep '), die uit de gepulveriseerde wortels van Orchis mascula en verscheiden andere soorten bereid wordt, werd dan ook vroeger als aphrodisiacum beschouwd; zij wordt thans nog slechts als versterkend middel voor reconvalescenten voorgeschreven').
Ook bij de Aristolochieeën wijst de naam op de voorstellingen die men zich van oudsher van de geneeskuijdige krachten dezer planten vormde. Het Grieksche woord AristolocJiia is eene samenstelling van aristos, best, voortreffelijk, en locheia of lochia, bevalling, kraambed, en wordt verklaard: „kruid waarbij de kraamvrouwen baat vindenquot;. De Nederlandsche volksnaam Oosterlucie ziet er uit, als hoorde hij te huis in een sprookje van eene schoone, uit het Oosten gekomen Lucie, maar de vergelijking van den middeleeuwsch-latijnschen vorm aristolocia en den duitschen Osterlftzey leert, dat wij slechts met eene verbastering van den onbegrepen Griekschen naam te doen hebben1). Er komen van het geslacht Aristolochia drie soorten in Europa in het wild voor; ons land bezit oorspronkelijk alleen Aristolochia clernatitis, maar de meest bij ons bekende soort is de Noord-Amerikaanscho Aristolochia sipho, die wegens hare groote, dicht opeenstaande bladeren veel tot opleiding langs muren en aanleg van priëelen gebruikt wordt, en wegens den zonderlingen vorm harer, op meerschuimen pijpekoppen gelijkende bloemen, bij ons volk pijpkruid heet. In Amerika, waar de meeste Aristolochia-soorten te huis behooren, worden zij tot velerlei geneeskundig gebruik aangewend; maar de Europeesche, en wel clernatitis in de eerste plaats, danken haren roem aan de haar toegeschreven kracht tot bevordering der regelmatige zuivering en tot vergemakkelijking van het kraambed, waarvan men de aanwijzing in den vorm harer gynandrische bloemen meende te ontdekken2). Ook de Engelsche volksnaam der Clernatitis, Birth wort, wijst op die kracht'').
Saxifraga, gevormd van de Latijnsche woorden Saxum, steen, en frango, breken, in het Fransch en Engelsch Saxifrage, in het Hoogd. Steinbrech en bij ons steenbreek of steenbreke, is de naam van een geslacht dat den typus vormt van de familie der Saxifrageeën. Kooh somt niet minder dan 46 Europeesche soorten op, waarvan slechts vier (tridactylites en granulata algemeen, hypnoïcles en hirculus zelden of in enkele streken) bij ons in het wild schijnen voor te komen. In Wagner's Malerische Botanik, II, 246, wordt dit plantengeslacht, te gelijk met het bovenbehandelde Lithospermum, onder de voorbeelden van Signatuur opgenoemd in deze woorden: „Steinsamen und Steinbrech seien gut gegen Steinbeschwerden, die ersteren wegen ihrer harten Samen, die letzteren wegen ihres Standortesquot;. Werkelijk groeien eenige soorten, vooral hypnoïdes, gaarne op rotsige bergen en worden in de tuinen planten van dit geslacht veelvuldig gebruikt tot bekleeding van rotspartijen. Maar afdoende voor Wagnees verklaring schijnt mij dit niet. In Meyer's
131
) Qeimm, „Deutsches Wörterb.quot;, v. Osterluzei; Fkank, Etym. Wdbk. in v. Oosterlucie.
) Wagner, Mal. Bot., II, bl. 246. 5) Treasury of Botany in v.
_ 44 -
Conversations-Lexicon worden ook Stein samen en Steinbrech als voorbeelden van Signatuur genoemd, maar bijeengevoegd als zijnde beiden Pflanzen mit Kalkaus-schwitzingen, wat ik meen dat op steen breek geheel niet past. Het kan zeer wel zijn, dat hier de woorden door Plinius van de varensoort Adiantum (die ook wel Saxifraga genoemd wordt) gebezigd, van toepassing zijn: „Calculos corpora mire pellit frangitque, qua de causa potius, quam quod in saxis nasceretur, saxifragum appellatumquot;. Werkelijk is dit het gevoelen van Littre, die den oorsprong van den naam Saxifrage rechtstreeks verklaart door de woorden: „a cause des propriétes lithontriptiques qu'on supposait a cette plante.quot;
Onder de middelen tegen blaassteenen wordt, behalve eenige varen soorten, het parelzaad en de steenbreek, ook nog het zaad van den esscheboom (Fraxinus excelsior L.) vermeld. Ik vond in the Treasury of Botany ') de volgende plaats aangehaald van Evelyn (1620 — 1706), den beroemden schrijver van „Sylva, or a discourse on Forest treesquot;: quot;the chymists exceedingly recommend the seed of ash to be an admirable remedy for stone; but whether by power of magic or nature, I determine not.quot; Professor Buokman vult dit aan met te zeggen: quot;Doubtless from the power of its roots to rive rocks, and the facility with which this tree will grow in stony placesquot;, on erkent hier dus een duidelijk voorbeeld van Signatuur. Wanneer Wagner schrijft, dat de steenbreek haren naam van den steen te genezen aan haren Stan dort verschuldigd is, moet hij, dunkt mij, aan de kleine plantjes van dit geslacht, zij het ook in veel geringere mate, hetzelfde vermogen om rotsen te splijten, dat hier aan den machtigen esscheboom wordt toegeschreven, hebben toegekend; want uit de standplaats alleen kan de naam steenbreek niet verklaard worden. In hoeverre hij daartoe recht had kan ik niet bepalen; maar hoe dit ook zij, zeker is het, dat thans niemand er meer aan denkt, om hetzij de steenbreek of het esschenzaad als middel tegen blaassteen of graveel te 'gebruiken.
Dodonaeus (bl. 21) vermeldt nog eene plant die geacht werd de loozing der blaas te bevorderen, t. w. de halicacabus. Deze oude naam, die ook halicacabum geschreven wordt en aan het ulixüxapni' van Dioscoeides (IV. 72) is ontleend, is thans in de botanie vervangen door Physalis, afgeleid van het Grieksche yOaa, blaas, en doelende op de groote bladachtige blaas die de vruchten omgeeft, zooals dit ook bij de voor onze tuinen zoo gezochte Colutea's en eenige andere planten voorkomt. Dit geslacht Phi/salis bohoort tot de Solaneeën, en is te huis tusschen de tropen, maar komt ook in Europa in sommige soorten gekweekt voor. Bij ons is de meest bekende soort Physalis Alkekengi L., die zelfs verschillende volksnamen draagt, zooals Winterkers, Blaaskers, roodeJodenkers. Kriek over zee, allen wijzende op de naar een kers zweemende en eetbare vracht. De fraai gekleurde blaas maakt de plant in het begin van den winter tot een sieraad onzer tuinen. De aanwijzing van het vooronderstelde diuretisch vermogen ligt natuurlijk in die blaas. Maar waarom, vraagt reeds Dodonaeus, wordt dan diezelfde kracht ook niet aan Golutea toegekend?
Ook in de algemeen bekende Hypericacee die in de wetenschap Hypericum perforatum L., bij ons St. Janskruid, in het Duitsch Johanniskraut, in het Engelsch St. Johns-wort en in het Fransch Mille-pertuis heet, heeft men eene Signatuur gevonden, niet evenwel in hare meest kenmerkende eigenschap, de talrijke doorschijnende puntjes, eigenlijk met vluchtige olie gevulde celletjes, die zich, als men er het licht door laat
') Art. Fraxinus.
132
- 45 -
vallen, in hare bladeren vertoonen, maar om de roode kleur, die het plantensap mededeelt aan het water, dat men er opgiet. In de Volksgeneeskunde van vele natiën speelt dit kruid van oudsher eene groote rol, vooral als beschermmiddel tegen booze geesten en tooverkunst. Hier ter plaatse verdient het echter alleen vermeld te worden, omdat het, o. a. volgens Dr. Glück1), eertijds wegens die roode kleur als middel tegen bloedingen en brandwonden werd aangewend. Ik merkte reeds in het eerste hoofdstuk op dat Dodonaeus de hier aan dit sap toegekende geneeskracht ten stelligste ontkent.
Ik besluit deze lange lijst van Signatuur dragende planten, met de zonnedauw, die in deze leer eene belangrijke en eigenaardige plaats inneemt. De soorten van zonnedauw, waarvan er drie, rotundifolia, anglica en intermedia, bij ons op moeras-, hei- en veengronden in 't wild voorkomen, vormen het geslacht Drosera. welks naam afkomstig is van het Grieksche woord ÖQÓaog, dauw, en dat met eenige andere geslachten de familie der Droseraceeën of zonnedauwachbigen vormt. Zonnedauw, in 't Hoogduitsch Sonne nth au, in 't Engelsch Sundew, zijn allen letterlijke vertalingen van den ouden Latijnschen naam Bos solis, die, tot één woord samengetrokken, het Fransche Rosso lis heeft voortgebracht, en in den vorm Rosso li de naam is gebleven van eene Italiaansche likeur, tot welker samenstelling eene soort van Drosera gebruikt wordt. Al die namen wijzen op de meest karakteristieke eigenschap der plant, die daarin bestaat, dat uit de klierdragende blaadjes der bladeren kleine droppels kleverig vocht te voorschijn komen, die op dauwdruppels gelijken. Het is eone bekende zaak, dat dit kleverige vocht de vliegen en andere kleine insecten, die er mede in aanraking komen, vasthoudt en de haartjes zich daarover neerbuigen tot het diertje verteerd is, hetgeen aan deze plant ook den volksnaam vliegevanger heeft doen geven, en haar tot de vleeschetende planten heeft doen rekenen. In de leer der Signatuur zijn die dauwdruppols het teeken, dat dit kruid de kracht bezit om 'smenschen eigenaardige ingeboren vochtigheid in stand te houden. Ook is het Paracelsus gelukt, door middel van den destilleerhelm, uit dit kruid een bleek geel watertje te trekken. Die gele kleur, strijdig met hetgeen gewoonlijk bij gedestilleerde wateren wordt waargenomen , wordt verder toegeschreven aan een vluchtig zout, dat daarin bevat is en groot nut heeft om bij uitterende of uitdrogende menschen de ingeboren vochtigheid te bewaren. Hoe onzinnig dit alles is, werd reeds door Dodonaeus (bl. 22) duidelijk in het licht gesteld.
Ik heb met eenige volledigheid uitgewerkt, wat ik over de Signatuur der planten in mijne adversaria vond; de stof is zeker niet uitgeput, maar ik voel mij niet geroepen naar meer te zoeken.
Mocht iemand lust gevoelen meer planten op te sporen, die den naam van geneeskrachtig te zijn aan hare Signatuur verschuldigd waren, hij kan daartoe, volgens eene reeds vroeger gemaakte opmerking, in het bijeenzoeken der soorten die door Linnaeus officineel genoemd werden, een gemakkelijk hulpmiddel vinden.
VI.
DE SIGNATUUR DEE DIEREN EN DELFSTOFFEN.
In de eerste afdeeling van dit opstel is reeds gebleken, dat althans in sommige definities van de leer dei' Signatuur ook van aanwijzingen voor geneeskundig gebruik van dierlijke
') Skizzen aus der Volksmedicin in Bosniën und Hercegovina, in de „Wissenschaftliche Mittheilungen aus B. u. H. 2ei- Band, S. 438.
133
- 46 -
en delfstoffelijke zelfstandigheden wordt gewaagd; maar de gevallen waarin zij voorkwamen schijnen vrij zeldzaam gebleven te zijn. Prof. Plugge vermeldt, in zijne meermaals aangehaalde rectorale oratie, een enkel in de volgende woorden: „De linkerhoef van den Eland gold, onder den naam elandsklauw, voor een probaat middel tegen stuipen, omdat, zooals men beweerde, de Eland, gedurende een aanval van stuipen, zijn linkerpoot in den nek legt.quot; Dit vreemd luidend bericht wordt eenigszins opgehelderd door eene plaats uit de geschriften van den beroemden Franschen chirurg Ambroise Paré (Paeaeus, 1517— 1598), aangehaald door Littré in v. Elan, waaruit blijkt, dat men den Eland, als in hooge mate aan epileptische toevallen onderhevig, voor een hoogst ongelukkig dier hield, en zelfs zijn Duitschen naam Elen (door Paré tot hellend verbasterd) daarmede in verband bracht, omdat men dien verwarde met Elend (misère, ellende). Werkelijk heeft die elandsklauw als geneesmiddel eenige reputatie gehad; Cauvet') zegt er van: „On préconisait contre l'épilepsie le pied gauche de l'élan (Gervus Alces L.), dont la valeur thérapeutique reposait sur une fable ridiculequot;.
Op een tweede voorbeeld van Signatuur bij dieren maakt Prof. Schlegel mij opmerkzaam. Het wordt vermeld in eene verhandeling van de Beière, „Essai sur le Symbolisme d'Orientquot; (Paris, 1847). Men leest daar, bl. 41: „l'Art Médical était fondé, en partie, sulles rapports extérieurs des choses: la rhubarbe chassait la bile, paree que la rhubarbe et la bile sont jannes; le loriot, espèce d'oiseau, guérissait la jaunisse, paree que l'un et l'autre s'appellent ictéros en Grec. Chaque partie du corps, interne ou externe, trouvait parmi les plantes des analogues, qui, par imitation de la forme du membre, lui procuraient la guérison des maux dont il était particulièrement affecté.quot;
Door imitation drukt de Beièee, hier en elders (b. v. bl. 33), hetzelfde, doch uit een ander gezichtspunt, uit, als door mij steeds door den naam Signatuur is aangeduid. Zijn voorbeeld, aan de rhabarber ontleend, welker wortel inderdaad inwendig geel gekleurd is, had nog wel in het vorige hoofdstuk kunnen vermeld zijn. Wat hier de schrijver over den vogel zegt, dien de Franschen Loriot, de Engelschen Oriole, de Duitschers Pi rol, wij Goud merel of Wielewaal en de Zoölogen Oriolus galbula noemen, is volkomen juist wat den naam i eter os betreft. Elk goed Grieksch Woordenboek leert ons dat ïxrtQog zoowel een naam van de geelzucht als van den Wielewaal is, en ieder zal gereedelijk toestemmen, dat de schitterend goudgele kleur, die het mannetje van den Wielewaal kenmerkt, aan die homonymie niet vreemd is. Doch op wat wijze die vogel de geelzucht geneest, meldt de Beièee ons niet, en wordt ook in de meeste woordenboeken niet opgegeven. In Passow's „Handwörterbuchquot; (Leipzig, 1831), wordt echter in v. ïxrtQng het volgende gezegd: „ein gelber Vogel dessen Anblick die Gelbsucht gehoben haben soil. Dasselbe ward vom /anaöniós erzahlt.quot; Op het woord yuouïion'ig (Lat. Charadrius, Duitsch Regenpfeiffer, Ned. goudplevier, — ook een gele vogel) wordt dan herhaald: „Schon sein blosser Anblick galt für ein sicheres Mittel gegen die Gelbsucht,quot; met een beroep op Aelianus, Hist. anim. XVII. 13.quot;
Professor Schlegel verzekert mij dat bij Aelianus (Hist. Anim.) een aantal voorbeelden .van Signatuur der dieren worden aangetroffen. Ik hoop er nader op terug te komen.
Andere zekere voorbeelden van Signatuur in het Dierenrijk kwamen mij tot dusverre bij de Germaansche volken niet voor; maar uit de volgende afdeeling zal blijken, dat er
') Hist. Nat. Méd. I. p. 74.
134
merkwaardige gevonden worden onder de bevolkingen van den Indischen Archipel. Overigens wordt wel in Meyer's Conversations-Lexicon, onder de voorbeelden der Signatuur het ook door Wuïïke en Slokt1) vermelde gebruik opgegeven om aan kinderen, die door wormen of maden gekweld worden, wormstekige vruchten, zooals appelen, peren, frambozen, enz. te eten te geven, doch hier kan ik wel een voorbeeld vinden van het Similia similibus curantur, (.— en wel een op een grove dwaling berustend voorbeeld, daar de zoogenaamde wormpjes in de vruchten rupsjes zijn van bladrollers (Tor trices) en tot eene geheel andere orde van dieren dan de ingewandswormen der kinderen behooren —); maar de eigenlijke Signatuur ontbreekt, ten ware men ze mocht willen zoeken in de uitwendige teekenen die de vruchten vertoonen van door insecten aangetast of doorknaagd te zijn. Maar dit zou eene aanwijzing zijn van de geneeskracht der wormstekige vruchten zelve, terwijl toch ongetwijfeld de wormpjes, die met de vruchten naar binnen gaan, als het eigenlijke geneesmiddel beschouwd werden. Wormen, niet in de beperkte beteekenis waarin de hedendaagsche Zoölogen het woord gebruiken, maar in de vage beteekenis van het woord in den mond des volks, dat alle kruipende insekten-larven met alle soorten van kruipende lagere dieren onder den naam van worm samenvat, nemen zoowel in de pathologie als in de pharmacie der middeleeuwen eene ruime plaats in. Knagende pijnen in verschillende lichaamsdeelen werden, zoo men meende, door wormen veroorzaakt en dus ook door wormen genezen. De fijt in de vingers, die in het Duitsch nevens don naam van Nagelgeschwür ook dien van Finger wurm draagt, werd, zooals uit laatstgemelden naam blijkt, aan een worm toegeschreven; derhalve werd een levende regenworm om den lijdenden vinger gewonden en daarom gebonden gehouden, tot hij dood was. Jicht werd eveneens aan knagende wormen geweten, en daarom genezen door dertien regenwormen met brandewijn in te zwelgen. Maar ook met allerlei andere dieren of dierlijke bestanddeelen werden tal van dergelijke kuren volbracht. Honds beten werden geheeld door belegging der wond met hondenhaar of berooking daarmede; kanker (in het Duitsch Krebs, Krebsschaden genoemd) werd genezen door het opleggen van fljngestooten rivier kreeften, enz.2). Maar ofschoon dergelijke genezingen met de in dit opstel beschouwde verwant zijn, kunnen zij er niet rechtstreeks toe gerekend worden, daar zij wel op het Similia similibus berusten, maar eene bepaalde Signatuur ontbreekt.
Waar ik aan geneeskundigen inlichtingen omtrent de Signatuur of voorbeelden van hare toepassing vroeg, werd ik meer dan eens op zoodanige voorbeelden van het Similia similibus gewezen. Ik achtte het dus niet overbodig, na het reeds in Hoofdstuk I daarover gezegde, ook met het oog op hetgeen nog in de laatste afdeeling ter behandeling is overgebleven, hier nog eens door eenige voorbeelden aan het dierenrijk ontleend, die zich hier, zoo het schijnt, meer dan bij de planten voordoen, aan te toonen, dat de curatio s i m i 1 i u m similibus wel in vele gevallen met Signatuur verbonden is, maar in andere ook zonder deze voorkomt.
Wat de Signatuur der Delfstoffen betreft, daarvan weet ik nauwelijks een zeker voorbeeld bij te brengen. Vooral aan de edelgesteenten werden door de Ouden allerlei fabelachtige eigenschappen en krachten toegekend. Plinius weet er in het XXXVIIe boek der Historia Naturalis veel van te verhalen; maar er is niet veel bij dat op hun gebruik
135
') Meyer in v. Signatur; Wüttke, Deutscher Volksaberglaube, bl. 802; Sloet, G-ids, t. a. p. bl. 439.
) Zie vooral Wutïke, Deutscher Aberglaube, bl. 301 v.; vgl. Sloet, Gids, bl. 439.
- 50 -
Signatuur ook bij de natuurvolken aan te treffen; het meest zelfs bij diegene, die het minst den invloed der beschaving ondervonden hebben. Toen dus eenigen tijd geleden door Dr. Max Baktels te Berlijn de eerste afleveringen van een werk „die Medicin der Naturvölkerquot; werden uitgegeven, heb ik mij ten spoedigste de gelegenheid verschaft om met dit boek kennis te maken. Voor weinige weken werd de laatste aflevering aan de inteekenaars ter hand gestold. In het algemeen bood dit werk mij menig feit tot bevestiging mijner meening, dat op de begrippen der Natuurvolken het verschil van ras niet veel invloed heeft, en dat het groote verschil, dat niettemin tusschen de begrippen der verschillende volken bestaat, uit de zeer verschillende trappen hunner ontwikkeling is te verklaren. Maar mijne verwachting, dat ik ook sporen van de leer der Signatuur bij de Natuurvolken zou vermeld vinden, is niet vervuld. Echter beschouw ik het stilzwijgen van Baetels nog niet als een afdoend bewijs, dat aan de Natuurvolken in het algemeen de voorstellingen, in de leer der Signatuur gehuldigd, ten eenenmale vreemd zijn. Dat zijn werk, hoevele feiten daarin ook verzameld zijn, nog verre van volledig is, zal men bij eene vluchtige inzage spoedig bemerken; onder anderen is eene gedetailleerde beschrijving der materies medica, waarop het hier voornamelijk aankomt, geheel daarvan buiten gesloten. Er blijft dus ook op dit punt den Etlmologen veel te onderzoeken over, en hen op deze leemte opmerkzaam te maken, werd in de eerste plaats door deze opmerkingen bedoeld.
quot;Wat ik bij Baetels niet vond en ook bij andere Etlmologen tot dusverre te vergeefs heb gezocht, kan ik, geheel daartoe onvoorbereid, natuurlijk zelf niet leveren; maar op dat veld der etlmologie, waaraan ik als Hoogleeraar in de Land- en Volkenkunde van Neder-landsch-Indië vooral geroepen was mijne aandacht te wijden, heb ik toch niet geheel vruchteloos gepoogd eenige hier te pas komende aren te lezen, om daarvan eene kleine garve aan mijne lezers aan te bieden. Doch ook daarbij ondervond ik eenige teleurstelling. Tevergeefs raadpleegde ik over dit onderwerp het reeds vermelde treffelijke boek van Prof. Wilken; wel vond ik daarin een hoogst belangrijk hoofdstuk over de ziekten der inlanders, maar van de inlandsche geneeskunde wordt in het onvoltooid gebleven boek1) in het geheel niet gerept. Even teleurstellend, maar om andere redenen, was ook voor mij het anders zoo leerzame boek „de Geneesheer in Indiëquot; van Dr. van der Burg, waarin ik, in weerwil der zeer volledige behandeling van de materies medica, zoo inlandsche als Europeesche, in het derde deel, nauwelijks iets kon vinden wat onder de rubriek „Signatuurquot; kon vermeld worden. Toen ik echter de vrijheid nam aan Dr. v. d. Burg schriftelijk de vraag te richten, of hem ook voorbeelden van Signatuur in Insulinde bekend waren, had hij de goedheid mij op een aantal middelen te wijzen welker gebruik op het Sim 11 ia similibus schijnt te berusten, en daaronder ook op enkele, waarbij uitwendige, licht waarneembare teekenen (Signa) van het bestaan dier overeenkomsten door de inlanders schijnen te zijn opgemerkt. Ik spreek hier natuurlijk alleen van de laatste en zal met de vermelding van eenige der duidelijkste en zekerste voorbeelden dit opstel besluiten.
Het zekerste voorbeeld uit het plantenrijk verschaft ons de tot de Zingiheraceeën behoorende Curcuma longa2). De wortel dezer plant, die overal in Ned. Indië in de tuinen
138
') Het was eigenlijk niets anders dan een leidraad door Prof. Wilken voor zyn eigen onderwijs samengesteld, maar tevens bestemd om tot grondslag te strekken voor een later uit te geven Handboek.
die er niet altijd scherp van onderscheiden worden.
- 51 -
gekweekt wordt, heeft uitwendig eene vuil geelachtige kleur, maar bevat inwendig een oranjegeel sap, welks kleur Rumphius1) met die van het fijnste goud vergelijkt en zeer overeenkomstig acht met die van het sap der stinkende Gouwe (Gheliclonium majus). Het gebruik van dezen wortel is bij de inlanders velerlei8). Zij bedienen zich daarvan tot vervaardiging der gele zalf (boreh), waarmede zij zich bij sommige plechtige gelegenheden het bloot gedragen bovenlijf en de armen inwrijven; zij vermengen het sap wegens den prikkelenden smaak met de meeste sausen en kerries; zij gebruiken het uitwendig bij rheumatische aandoeningen, en bij velerlei abscessen en zwellingen; en bereiden daarmede inwendige middelen tegen verstoppingen en blaas- en niersteenen. Maar wat hier vooral vermelding verdient, — even als het sap der Gouwe wordt ook het sap der Curcuma, dat zelfs het speeksel en de ontlastingen van hen die het gebruiken geel kleurt, als een probaat middel tegen de geelzucht aangewend. Stond nu dit voorbeeld geheel op zich zelf, dan kon men aan toeval denken; maar daar wij, al is het getal niet groot, meerdere voorbeelden kunnen bijbrengen van hetgeen Dr. Vorderman ergens noemt „de inlandsche beschouwing die aan sommige planten of dieren transmigreerende eigenschappen toekentquot;2), maar wat niet wezenlijk van de Signatuur verschilt, acht ik het zoo goed als zeker, dat ook in dit gebruik der Curcuma de Signatuur den inlander tot gids strekt.
Inlanders en Chineezen in Indiö maken veelvuldig gebruik van middelen, die de geslachtsdrift opwekken en aan de impotentie te gemoet komen. Tot die middelen behooren ook eenige wortels en vruchten, die waarschijnlijk door hun vorm eene vermeende aanwijzing tot zoodanige aanwending bevatten. De Chineezen gebruiken tot opwekking inwendig het aftreksel van een wortel, die in penvormige, rolronde stukken, ter dikte van een penne-schacht tot die van een vinger, voorkomt, en bij hen den naam van Bzin Som draagt. Het is de wortel van eene plant die in het Mandarijndialect Jin seng en bij de botanici Panax quinquefolium heet en tot de Umbelliferen behoort. De plant komt in Ned. Indië niet voor en de wortel wordt dus uit China aangebracht en zeer duur betaald. Zij wordt ook als een probaat middel tegen de longtering beschouwd3).
Van de inlandsche vruchten worden de Doerian [Durio zibethinus), de Pinangnoot (Areca Catechu) en de Boeah nona {Anona reticulata) als aphrodisiaca genoemd. Bekend is het, dat de Doerian als liefdesverklaring door vrouwen aan mannen wordt gezonden. Dr. v. d. Burg acht het niet onwaarschijnlijk, dat men in de zaden dezer gewassen eene Signatuur vond. Zeker was daartoe niet veel noodig; maar ik durf niets beslissen.
Het dierenrijk, waarin, voor zoo ver mij bekend is, bij de volken van Europa de Signatuur zelden voorkomt, levert daarentegen in Indië eenige zeer merkwaardige voorbeelden.
In mijn werk over Java deelde ik in het Hoofdstuk over de ongewervelde dieren de volgende bijzonderheid mede over de groote, vergiftige spinnen op dat eiland voorkomende, die, omdat zij soms zelfs kleine vogels tot hare prooi maken, gemeenlijk vogelspinnen genoemd worden. „Het harige, ruige voorkomen dezer spinnen is vermoedelijk oorzaak
139
lt;) Amboinsch Kruidboek, D. V, bl. 164.
) Nat. T. v. N. I., D. XLIV, bl. 84.
) V. d. Burg, „de Geneesheer in Indiëquot;, I, bl. 241, III, bl. 395 (onder Ging seng).
- 52 -
van een op Java heerschend volksgeloof, dat zulk een dier in olie geweekt en over het hoofd gewreven den groei van nieuwe haren bevordert.quot; Dit is een parallel van de uitwerking van harige planten tot herstel der kaalheid, waaraan men eertijds in Europa geloofde, zooals in het eerste hoofdstuk dezer verhandeling vermeld werd. Dr. Doleschall die het eerst deze bijzonderheid omtrent de vogelspin (Mygale Javcmensis) mededeelde '), wijst daarbij reeds op het Sim ilia similibus, dat inderdaad, zooals ons herhaaldelijk bleek, eene grondstelling van de leer der Signatuur is.
Een ander voorbeeld van Signatuur uit het dierenrijk, leveren ons de tjitjaks (Hemi-dactylus fraenatus en mutüatus)s), de bekende huishagedissen van Insulinde, die door de witte wratjes op hare huid een eenigszins lepreus voorkomen hebben, en waarschijnlijk om die reden als middel tegen de Lepra (Melaatschheid) worden aangewend. De diertjes worden als zoodanig rauw gegeten, gewoonlijk één per dag, de ééne helft des morgens, de andere des avonds.
Het derde en laatste voorbeeld uit het dierenrijk dat ik kan bijbrengen is zeker het meest curieuse en verrassende; het wordt ons verschaft door een soort van aardworm (Lumbricus), wiens Signatuur bestaat in het geluid dat hij voortbrengt1).
De Javaansche naam van dit zonderlinge dier is Tjatjing Sondari2). Tjatjing beteekent in het algemeen A a r d w o r m en Sondari, in het Soendaasch Soendari uitgesproken, is een Sanskriet woord, dat in het algemeen eene schoone vrouw, en in het bijzondei in de heldensage van Hindoe's en Javanen eene dochter van Keesna, oudste gemalin van Abimanjoe aanduidt. Maar die naam is ook overgedragen op een soort van muziekinstrument, welks tonen gelijk die der Aeolus-harp door den wind worden voortgebracht. Het wordt gevormd door een langen rechtop in den grond gestoken bamboe, waarin op verschillende afstanden gaten gemaakt zijn, die, wanneer de wind er op blaast, melancholische, maar niet onwelluidende tonen voortbrengen. Misschien wordt die zingende bamboe als eene gemetaraorphoseerde schoone gedacht en is daaraan eene of andere legende verbonden. Hoe het zij, de naam Sondari zal wel van den zingenden bamboe op den zingenden worm zijn overgebracht en dus met diens muzikale begaafdheden in verband staan.
Deze worm, ofschoon hij tot 1882 onbeschreven bleef, is gebleken op Java lang niet zeldzaam te zijn en dikwijls voor te komen in den humus, die de groote nesten der jVMttten'a-varens in zich bevatten. Dr. Voederman zond daarvan eenige exemplaren tot
140
) Dr. Vobdbrman handelt over dozen aardworm in het N. T. v. N. I. D. XLI, bl. 111 — 116, en D. XLIV, bl. 82-84. Bij het eerstgemelde opstel is ook eene afbeelding gevoegd. Vgl. ook nog hetzelfde tijdschrift, D. XLII, bl. 291.
) Een naam uit geslachts- en soortnaam samengesteld, zooals er bij honderden in de talen van Insulinde te vinden zijn. Ik sprak daarover in mijn „Javaquot;, D. I, bl. 484; mijne inleiding op de „Bijdragen tot de kennis der Flora van Midden-Sumatraquot;, bl. 9, en mijne „Aanteekeningen over de bijen van Midden-Sumatraquot;, bl. 17 en 21. De beide laatstgenoemde stukken komen voor in het vierde deel van het groote werk: „Midden-Sumatra, Reizen en Onderzoekingen der Sumatra-expeditiequot;.
- 53 -
nader onderzoek aan Dr. Horst, Conservator aan 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, wien het bleek dat reeds vóór 1828 exemplaren van dit dier door de Natuuronderzoekers Kuhl en van Hasselt aan het Museum gezonden waren, maar daar onopgemerkt waren gebleven. Deze omstandigheden gaven den heer Horst aanleiding om de nog onbeschreven Lumbrici dier uitgebreide verzameling aan een gezet onderzoek te onderwerpen, waarvan het resultaat in de bekende quot;Notes from the Leyden Museumquot; werd opgenomen. Hij bracht in dat opstel den Sonclari-wovm tot het geslacht Megascolex Templeton, en gaf hem den soortnaam musicus, aan de tonen die hij voortbrengt ontleend1).
Het ligt buiten het bestek van dit opstel, over dit dier, dat door de heeren Vorderman en Horst nauwkeurig, ook wat de oorzaak van het geluid betreft, onderzocht en beschreven is, in vele bijzonderheden te treden. Alleen wat het geluid zelf aangaat meen ik een paar trekken aan Vorderman's beschrijving te mogen ontleenen. „Des nachts doen de wormen nu en dan een kort afgebroken schril geluid hooren, dat ik het best kan vergelijken met het afloopen van den wekker eener kleine klok en nagebootst kan worden door in een hoogen toon „kierrrrrrrrrquot; uit te spreken.... De luchttrillingen waaruit het geluid bestaat, worden mijns inziens teweeggebracht door plotselinge samentrekkingen van den spierachtigen krop en uitstooting van lucht, nagenoeg op de wijze waarop bij den mensch de ructus ontstaat. Mogelijk dient het geluid als lokstem bij de paring.quot;
En waartoe nu dezen zingenden worm hier vermeld? Ook die vraag zal ik met de woorden van den heer Vorderman beantwoorden. „In het Tjiandjoersche wordt deze worm als geneesmiddel gebruikt, wanneer Ronggengs (publieke dansmeiden) zich bij de uitoefening van haar beroep schor hebben geschreeuwd. De chef van den troep, waartoe de dansmeid behoort, doet haar dan gepofte .SWdan-wormen eten, waarna de normale stem terugkeert en zij weder in staat is als vroeger de hoogste tonen uit te gillen.quot; Al wie ooit het gegil der Ronggengs, al was het ook slechts op de Koloniale tentoonstelling van 1883 te Amsterdam, gehoord heeft, zal kunnen nagaan wat dat beteekent.
Dr. Vorderman heeft niet nagelaten hierbij op te merken dat deze bijzonderheid een voorbeeld is van hetgeen hij als toekenning van transmigreerende eigenschappen aan planten en dieren door de inlanders kenmerkt, en dat ongeveer hetzelfde is als wat ik met den ouden schier vergeten naam van Signatuur heb genoemd. Eene leer der Signatuur mag men aan de bewoners van Insulinde niet toekennen, daartoe zijn de vermelde voorbeelden te gering in getal en te twijfelachtig, maar dat er bij hen min of meer duidelijke sporen voorkomen van dezelfde richting van het denkvermogen, die bij de meer ontwikkelde Europeanen eene eenigermate systematische leer der Signatuur voortbracht, staat toch genoegzaam vast, en zal vermoedelijk bij nader onderzoek door vele voorbeelden bevestigd worden.
/ Arnhem, Mei 1894.
') Zie R. Horst, quot;New Species of the genus Megascolex Templeton {Perichaeta Schmakda) in Notes from the L. M., Deel V.quot;
141
NASCHRIFT OP HET TWEEDE HOOFDSTUK DER VERHANDELING OVER DE LEER DER SIGNATUUR.
Naar aanleiding van de vertooning van niet minder dan zes, tot poppen versneden Jlfawdrdj/ora-wortels,') die de bekende reiziger Felix von Luschan op zijne reizen in het Oosten te Konstantinopel, Damaskus, Mevsina en Antiochiö gekocht had, vond in de vergadering der „Berliner Gesellschaft für Antliropologie, Ethnologie und Urgeschichtequot; van 17 October, 1891, eene uitvoerige bespreking plaats van het bijgeloof, dat van oudsher door zeer verschillende volken ten opzichte van dien wortel werd gekoesterd. In den Jaargang 1891 der „Verhandlungenquot; van genoemd genootschap werd niet alleen eene afbeelding van deze besneden wortels gegeven, maar werden tevens, behalve de niededeelingen van den heer vos Luschan, ook die welke de heeren Paul Aschebson en R. Bever, naar aanleiding dior mededeelingen, ten beste gaven, vermeerderd met een groot aantal noten en een Nachtrag van den heer J. G. Wetzstein, in extenso afgedrukt. Deze stukkon nemen in het zeer compres in groot formaat gedrukte boekdeel te zamen 22 bladzijden in (726 — 746 en 890—892). Al de genoemde geleerden hadden zich reeds vroeger met onderzoekingen omtrent de Mandragora bezig gehouden, en hebben hier met vereende krachten eene massa materiaal bijeengebracht, die in omvang en rijkdom van détails hetgeen ik over do Mandragora te boek stelde, verre achter zich laat.
Toen ik door de goedheid van den heer Schmeltz met deze massa mij onbekend gebleven materiaal in kennis werd gesteld, heb ik lang geaarzeld hoe ik te dien opzichte zou handelen. Ik zag er zelfs wel wat togen op met de lezing te beginnen, en had aanvankelijk veel lust my tot eene zeer korte medodeeling van deze ontdekking aan de lezers van het Archief te bepalen, en het aan henzelven over te laten de uitkomsten waartoe genoemde geleerden gekomen zyn, met de mijne te vergelijken. Toen ik echter met het stuk nadere kennis had gemaakt, veranderde ik van meening. Het stuk, niet door een enkel persoon bewerkt, maar door de Redactie uit de vaak van elkander afwijkende en zonder eenigo poging tot overeen-brenging eenvoudig naast elkander geplaatste mededeelingen van vier geleerden samengesteld, is in vele opzichten een rudis indigestaque moles, In do opvatting van den oorsprong en de geschiedenis van het bijgeloof betreffende de Mandragora weken zij nu eens zeer aanmerkelijk van de mijne af, terwijl zy die op andere punten zeer naderden of te bevestigen schenen. Ik voelde my daardoor genoopt myn opstel aan de door hen verstrekte gegevens te toetsen, en het kwam mij voor dat er geene afdoende reden voor my was, om het door my ingenomen standpunt op te geven. Ik besloot dus een beknopt overzicht te geven van de voornaamste punten waarin de genoemde Duitsche geleerden nu eens met myne meening in stryd zyn, dan weder bijzonderheden modedeelen die voor hare juistheid pleiten, en te beproeven of ik myne opvatting op voldoende gronden kan handhaven. Nevens dit apologetisch doel meende ik editor myn Naschrift ook tot aanvulling van myn stuk te moeten doen strekken, vooral met het vele belangrijke dat de heer von Luschan over de .flfandragoro-vereering in het Oosten mededeelt, en dat grootendeels voor mij volkomen nieuw was. Dat ik daarbij vele minder ter zake doende détails onaangeroerd laat, zal ongetwijfeld door mijne lezers gebillijkt worden.
Dat het geloof aan de wonderkracht der Mandragora niet slechts zeer verbreid was onder de volken van Europa, maar ook bij vele volken van het Oosten wordt gevonden, blykt reeds uit hetgeen ik in myne Verhandeling over eenige Hebreeuwsche, Arabische, Syrische, Perzische en Chineesche namen van deze
') De ware uitspraak is zooals Prof. Ascherson opmerkt Mandragora, niet Mandragora. Te onrecht gebruiken sommige dichters het woord als rijmende op Flora en Aurora. De echte Grieksche vorm is Mandragora», maar dat de mannelijke uitgang as in den later gebruikelijken Mandragora met opzet in den vrouwelyken zou veranderd zyn, zooals Ascherson meent, komt mij onwaarschijnlijk voor, daar, zooals ik reeds vroeger opmerkte, de in den ilfawrfnw/om-wortel wonende geest in Europa gewoonlijk geacht werd van hot mannelijk geslacht te zyn.
199
- 55 -
plant in het voorbijgaan opmerkte. Ik wil daarbij thans wat nader stilstaan, en in het licht stellen, dat er wel geen twijfel bestaan kan of dit bijgeloof is uit Azië afkomstig en van daar naar Europa overgebracht. Het schijnt ontstaan by het wonderzuchtige volk der Perzen, waaraan ook de op zich zelf zoo nuchtere Islam de fantastische elementen, die hij in zich heeft opgenomen, hoofdzakelijk verschuldigd is. Op plaatsen van Perzische schrijvers kan ik mij, bil gebrek aan de daartoe vereischte kennis der Perzische literatuur, hier niet beroepen, maar alleen reeds de in de Woordenboeken opgegeven Perzische namen dier plant pleiten ten sterkste daarvoor, en geven reeds op zich zelve getuigenis van bekendheid met de
voornaamste elementen van het omtrent de Mandragora heerschend bijgeloof. Die namen zyn L*i (merdom cjiu), (mihr), wJjquot; ^ (mihri gia), (segken), of
__ o
{estereng, istereng, astereng of setereng) en («Jio (ebrewi ssanam). Reeds uit deze groote verscheidenheid van namen kan men opmaken, dat in Perzië deze plant algemeen bekend was en veel besproken werd. Merdom gia beteekent menschplant en wijst op de overeenkomst van den wortel met de gedaante van den mensch; mihr gia, bij verkorting ook enkel mihr, liefdeplant, wijst op de liefdewekkende kracht die aan de Mandragora wordt toegeschreven; segken, samengesteld uit seg, hond, en kenden, uitgraven, uitrukken, is ontleend aan het gebruik om den wortel door een hond te laten uitrukken; van istereng en zijne verscheidenheden kan ik geene aannemelijke verklaring opgeven, maar de naam schijnt in eenig verband te staan met het lichtgevend vermogen aan de plant toegekend'); ebrewi ssanam eindelijk beteekent volgens Richardson „face of an idolquot; en herinnert aan de voorstelling dat de plant bezield is door eene hoogere macht, welke terugkeert in de Germaansche voorstelling dat ze bezield is door een Alraun •). Men ziet het, bijna al wat van de Mandragora verhaald en geloofd wordt heeft zijne sporen in deze namen gedrukt. Alleen het slaap- en bedwelmingwekkend vermogen der plant, dat bij de Romeinen zoozeer op den voorgrond stond, en het doodend of waanzinnig makend gekrysch, dat werkelijk eene latere Euro-peesche vinding schijnt te wezen3), zijn in deze namen niet vertegenwoordigd. Maar dat ook in het Oosten
O Althans schynen daarop de woorden te doelen in Richardson's Perzisch Lexicon in v. astereng: „the
O ï
Arabians call it sirag-kotrub _L«.), „the devils candlequot;, on account of its shining appearance in the
nightquot;. Wat Richardson er nog by voegt: „from the number of glow worms, which cover the leavesquot; is eerie niet zeer waarschijnlijke verklaring van dat lichtgevend vermogen, waarvan ik nergens eene bevestiging vind,
') Prof. schlegel wy'st my ook op eene plaats by de Brière, Essai sur le Symbolisme antique d'Orient (Paris 1847), p. 103, waar Mandragora wordt afgeleid van manr-a-gór, dat in het Armenisch kleine afgod zou beteekenen (van manr, klein, gór of gour, afgod, en de «die het adjectief met het substantief verbindt). Hieruit zou dan blyken, dat het geloof aan de wonderkracht dezer plant ook tot de Armeniërs was overgegaan. Ik zou echter, om hieraan te hechten, ondubbelzinnige getuigenissen moeten vernemen, dat in de Armenische taal niet slechts de koppeling der woorden manr en gór deze beteekenis kan uitdrukken, maar dat zy ook werkelijk van de Mandragora-plant gebezigd wordt. Dit punt verdient nader onderzoek. Overigens beroept de Brièee zich myns inziens te onrecht, ten bewyze dat de Mandragora werkelijk een soort van huisgod was, op het Hebr. Dudaïm. De penaten of huisgoden heeten in het Hebr. Terafim (Gen. XXXI: 19) en de Dudaïm, die in hot O. T. slechts als eene minnedrift wekkende plant voorkomen, daarmede te identiflëeren, mist werkelijk allen grond. Evenmin gaat het aan, den naam Benóni, dien Rachel na een uiterst smartelijk kraambed, met stervende lippen aan haren tweeden zoon gaf, wiens naam Jakob in dien van Benjamin veranderde, met de Brière door „zoon myns afgodsquot; (waarvoor in allen geval „zoon myns huisgodsquot; verkieslijk was) te vertalen, omdat hy het aanzijn aan de Dudaïm dankte; want de tekst van Genesis brengt wel de geboorte van Rachels eersten zoon Jozef, maar geenszins die van Benjamin met de Dudaïm in verband, en de reden waarom Rachel dezen „zoon myner smartquot; noemde, staat in den tekst met duidelijke woorden uitgedrukt.
') Ik deed vroeger opmerken, dat Shakespeare ten opzichte der uitwerking van dit gekrysch, dat naar zyne voorstelling krankzinnig maakt, van de gewone voorstelling verschilt. Doch ik verzuimde te vermelden dat de dichter zich in dit opzicht niet gelijk blyft, on in Part. II van King Henry the Sixth, Act. Ill, Sc. 2, deze woorden bezigt;
„Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet,
„Dan vond ik bitter booze woorden uit,quot; enz.
Andere schrijvers die van het kryschen der Alruinen als oorzaak van waanzin gewag maken, zyn my niet bekend, behalve de la Motte Fouqué, in zyne in 1827 verschenen novelle „Mandragoraquot;.
200
- 56 -
het slaapwekkend vermogen der Mandragora geenszins onbekend was, blijkt met zekerheid uit hetgeen Chineesche bronnen van de yah-poe-loe getuigen, welke naam, zooals ik reeds vroeger opmerkte, niets anders dan de Chineesche transcriptie van het Arabische jahroeh is.
Uit Perziö verbreidde zicli het bijgeloof betreffende de Mandragora naar Arabiö, Syrië, en Palestina. De meest gewone Semitische naam Jahroeh (Ar. (Chald. Syr. j ^-^: .1 is van zeer onzekere
beteekenis; van de velerlei pogingen tot verklaring is geene enkele zeker of zelfs waarsch\jniyk genoeg om vermelding te verdienen. Bairoeh j-o), dat uit den Arabischen Qdmoes in onze Lexica is overgegaan, is stellig slechts uit verkeerd lezen ontstaan, waarvan men de reden dadelijk begrijpt als men en - nevens elkander stelt. Het woord heeft eene merkwaardige overeenkomst met het Per
zische abreivi, die te meer treft als men in den Turkschen Qdmoes ook bij het woord Ssanam
gevoegd vindt, even als in het Perzisch by Men voelt zich schier gedwongen dbrewi ssanam en
jahroeh es-ssanam te identiflëeren en het eene voor eene verbastering van het andere te houden. Welk van beide de oorspronkelijke vorm is, waag ik niet te beslissen; alleen moet ik opmerken dat de Grammatische vorm van het woord volstrekt geen Semitischen oorsprong verbiedt. De naam hadras, dien Josephus aan de Mandragora geeft, schijnt mij ook met dit jahroeh etymologisch samen te hangen, evenals
ï - -
het tegenwoordig in Syrië gebruikelijke djerahoeh dat aan Wistzstein toeschijnt eene min of
meer opzettelijke verminking te zijn, om de Mandragora als een Aphrodisiacum aan te duiden, daar het woord hoek in het thans ook algemeen in Syrië gesproken Arabisch de geslachtsdrift aanduidt. Dat baaras geen naam van de Mandragora kan zijn, daar Josephus er dan dezen laatsten naam, die hem toch niet onbekend kon zyn, wel tot verklaring zou hebben bijgevoegd, is wel beweerd, maar niet bewezen. Ik vind liet zeer natuurlijk, dat Josephus de plant noemde met haren, in zijn vaderland gebmikelyken naam, en niet waarschijnlijk, dat hy, die schoon hij vrij leesbaar Grieksch schreef, toch onder de Romeinen en Grieken een vreemdeling was, ook met al de bijzonderheden van hun Folklore vertrouwd was.
Andere Arabische namen der Mandragora zijn Siradj qotroeb, d. i. demonskaars, eene duidelijke toespeling op het aan de plant toegekend lichtgevend vermogen; Aboe's-salam ^j'), !) d.i. vader
des heils, wijzende op de weldaden die de alruin geacht wordt aan de menschen te bewijzen, en Lo/f'ah
•O
of To ff'ah (^UJ of ^Uj; — welke vorm de ware is valt niet uit te maken), wat met caput femoris ver-
taald wordt en misschien doelt op den vleezigen vorm van den wortel, terwijl het door anderen met giftappel verklaard wordt, — een naam die stellig niet ongepast is voor eene plant, die, zooals ik vroeger aantoonde, zeer giftige eigenschappen bezit. Men ziet dat, voor zoover wy kunnen nagaan, ook deze namen niets bevatten dat met de gewone ook in Europa gangbare voorstellingen omtrent de Mandragora en hare eigenschappen in strijd is.
Hetzelfde kan ook gezegd worden van den Turkschen naam Adam-kökü, die door menschen wortel kan vertaald worden.
Ook bij de Grieken vinden wy dezelfde voorstellingen. De by hen gebruikelijke naam Mandragoras, schijnt dan ook van Oostersche herkomst te zijn, gelijk met onderscheidene plantennamen het geval is5). Hoe onzeker de afkomst van dit woord ook is, daarin stemmen alle gissingen overeen. Ik voor my hecht
') Het ook voorkomende, maar minder goed verklaarbare, 'Abdoe's-salam dienaar des
heils) wordt voor eene verbastering van Aboe's-salam gehouden.
B. v. etoOcto», Perz. , Hebr. lelie (eig. de schitterende), dvefióirtj (waarvan de ge
wone afleiding van win(i, my belachelijk schijnt), waarschijnlijk het Hebr. (d. i. de liefelijke),
ons anemoon.
201
- 57 -
het meest aan Wetzsïein's meening: „Aus dem Persischen merdum-giah, „die Menschen-ahnliche Pflanzequot;, oder vielmohr aus einer altern Form dieses Wortes, wird das Grieohische unnf^ayoQuq, das kein ein-heimisches etymon hat, entstanden seinquot;.!) Ook Prof. Asoherson2) maakt de opmerking dat merdum-giah, „auffallig an Mandragoras anklingtquot;.
Intusschen stooten wij hier op eene zwarigheid. De oudste Grieksche schrijver die, voor zoover ik weet, van de Mandragora gewag maakt, Theophrastus, geeft van de plant eene beschrijving die in eene belangrijke bijzonderheid van de thans zoo genoemde plant afwijkt. Wanneer liij zegt3), dat zij die den wortel wenschen uit te graven, driemalen mot het zwaard een kring om do plant trekken, en dan de uitsnijding volbrengen met het gelaat naar het quot;Westen gekeerd, terwjjl hun metgezel in het rond springt en allerlei op de geslachtsdrift doelende woorden uitslaat, zegt hij niets dat met de gewone voorstellingen van de alruin in rechtstreekschen strjjd is, al zijn die ook door lateren verder uitgewerkt en opgesierd. Maar wanneer hy op eene andere plaats1) de Mandragora beschrijft als toegerust met een stengel, die op dien van den (Ferula communis, een plant die soms tot eene hoogte van 15 voet opgroeit) gelijkt
en zwarte bessen draagt, dan is het niet meer mogelijk, daarbij aarl de alruin te denken. Toch schijnt de oplossing van het bezwaar niet zeer moeilijk. Prof. Asoherson heeft, ook naar mijne meening te recht, opgemerkt, dat Theophrastus op de laatstgemelde plaats vermoedelijk do Atropa Mandragora met de Atropa Belladonna verwisseld heeft2). „Trotzdem ist esquot;, dus gaat genoemde geleerde voort, „wohl kaum zu bezweifeln, dass die heutigen Mandragoras-Arten auch schon zu Theophrast's Zeit und früher so genannt wurden, und vielleicht mogen sich die erwahnten Gebrauche, die ja auch Pliniüs (XXV; 94), nur unter Weglassung des unter obscönen Reden umher tanzonden Gehülfen, von seinem (mit den unseren sicher identischen) Mandragoras berichtet, schon damals vorzugsweise oder allein auf letztere bezogen haben.quot; Inderdaad kan ik het niet zoo heel bevreemdend vinden, dat vele in de meeste punten overeenkomende planten, die thans nauwkeurig onderscheiden worden, door de botanici der oudheid wel eens onder denzelfden naam begrepen werden. Op meer dan ééne plaats in hot uitgebreide artikel van de Zeit schrift für Ethnologie wordt over het al of niet, of hot meer of minder, voorkomen van Mandragora en Belladonna in Griekenland en Italië gesproken. Ik wensch mij in een onderzoek van dat punt niet te verdiepen; maar wil hier alleen nog mededeelen wat Puaas, in zijne „Synopsis Florae classicaequot; op grond van zijn persoonlijk onderzoek, daaromtrent mededeelt. „So hauflg A. Mandragora ist (in der Eleusinischen Ebene, in Phthiotis, im Sperchius-Thale, etc.), so selten ist A. Belladonna, welche meines Wissens nur von Sibthorp am Athos und von Forstinspektor Schmittschneider nur am westlichen Oeta oder Putradjik gefunden wurde. Von letzterer besitze ich ein Exemplar.quot; Overigens is ook Fbaas bepaald van meening, dat met de Mandragoras van Theophrastus, VI. 2. 9, de Belladonna bedoeld is.
Over de overige meer bekende Grieksche en ook over de gewone Latijnsche namen van de Mandragora, behoef ik, na het vroeger daarover gezegde, niet verder uit te weiden. Zij zijn met do Oostersche begrippen omtrent de alruin in volkomen overeenstemming, terwijl tal van plaatsen bewijzen dat do aimw-wortel en de daarmede verbonden voorstellingen vrij algemeen bekend waren. Daar ik echter den Griekschen naam dr»Qmcónoq(fov slechts op gezag eener noot van v. Lennep op Vondel heb vermeld, wil ik hier nog aanteekenen, dat althans het adjectief Aramp;QMTtó/ioQvos, menschvormig, van dezen wortel gebezigd wordt in een citaat in den Codex Neapolitanus van Dioscoeides uit een verloren geraakt geschrift van [Pseudo-] Pythagoras over de kracht der planten6).
Maar er is eene plaats in de „Historia Animalinmquot;7) van Aelianus, die eene groote moeilijkheid oplevert, daar zjj verschillende eigenschappen, die aan de Mandragora worden toegekend, overbrengt op eene plant, die hij Aglaophotis (a/Afió^oirts) noemt, een naam die althans door geen ander schrijver, voor zoover mij bekend is, aan de Mandragora is gegeven. Gewoonlijk meent men, dat de dyUóvonn der Grieksche botanici de Paeonia officinalis is; in een onderzoek naar de juistheid dier meening kan ik mij hier niet inlaten. De naam, ontstaan uit de samenvoeging van dylaolt;;, schitterend, helder, en »««, licht, zou werkelijk voor de Mandragora, met het oog op den haar toegekenden lichtglans, niet ongepast zijn. Ook zou de bedoelde plant, volgens Aelianus, inderdaad wel overdag slechts weinig zichtbaar zijn, maar des nachts glinsteren als een ster en op vuur gelijken. Voorts zou men ook van die plant den wortel inzamelen, om als geneesmiddel tegen epilepsie en oogziekten te dienen, en ook daarbij zou men zich van een hond bedienen, waarom men de plant ook Kynospastos (xvróanaacoi;, door een hond getrokken)
202
') Zeitschr. f. Ethn., Jg. 1891, S. 891. 2) Aid. bl. 737. 3) Hist, plant. IX. 6. 8. ■•) Aki. VI. 2. 9.
) Zeitschr. f. Ethn., t. a. p., bl. 786. «) Zeitschr. f. Ethn., t. a. p., bl. 737. ') XIV. 27.
- 58 -
noemde; voorts zou ook hier de hond het slachtoffer worden dezer verrichting en dadelijk sterven als de zon hem bescheen, en eindelijk zou het gewoonte zijn, den dooden hond op de plaats zelve onder eenige plechtige handelingen te begraven. Dit alles heeft met de, omtrent de Mandragora in omloop zijnde legenden zoo treffende overeenkomst, dat men stellig genoopt zou zijn ook Aglaophotis voor een naam der Mandragora te houden, indien men slechts verklaren kon, waarom de schrijver dien zooveel beter bekenden naam, die hem althans, als te Praeneste in Latium geboren en in het Grieksch over natuurlijke historie schrijvend auteur uit de derde eeuw onzer jaartelling, onmogelijk onbekend kon zijn, niet nevens den zeldzamen naam Aglaophotis heeft genoemd. Intusschen is Aelianus geen schrijver die groot vertrouwen verdient, ïe recht zegt Schöll ') van hem, dat hij in zijne Historia animalium „-wichtige Notizen mit abgesclnnackten Erzahlungen vermischtquot;, gelijk het ook zijne Variae Historiae „eben so sehr an geschickter Auswahl als an gleichmassiger Ausarbeitung fehltquot;. Hoe weinig consciëntieus hij in zijne inededeelingen is blijkt ook daaruit, dat hij noch de bron noemt, waaruit hy zijn bericht over de Aglaophotis ontleent, noch de groeiplaats van deze plant vermeldt. Welke plant Aelianus op het oog had, is onmogelijk uit te maken; alleen kan men met eenige zekerheid aannemen dat hy aan de eene of andere lichtgevende (phosphoresceerende) plant, misschien wel den bekenden paddestoel Agaricus olearim Dec. , moet gedacht hebben, en men kan gissen, dat hij, door het enkele punt van ware of vermeende overeenkomst, den lichtglans, misleid, de uit Perzië stammende legenden over de Mandragora met zorgelooze onwetendheid op eene andere plant heeft toegepast.
In de inededeelingen der heeren Ascherson en Beyee omtrent do Mandragora meen ik een niet geheel gerechtvaardigd streven te ontdekken, om eene klove te graven tusschen het bijgeloof dat daaraan in het Oosten gehecht wordt, en de eenigszins afwijkende voorstellingen van het Westen. Zoowel de meening, dat in het Westen van Europa de Mandragora eerst zou zijn bekend geworden door de kruistochten, of ten vroegste door de veroveringen der Arabieren in Spanje, als die dat aan deze zijde der Alpen de echte Mandragora nauwelijks zou zijn doorgedrongen, maar de Alruinen schier uitsluitend uit de wortels van Bryonia en andere surrogaten zouden gesneden zyn, komen mij onwaarschijnlijk en overdreven voor. Wanneer wij nagaan hoe algemeen de Mandragora te Rome bekend was, hoe vaak zy als semihomo, als Aphrodisiacum, als slaapmiddel, als vergif, enz., door de Latynsche schrijvers vermeld wordt, en welk een machtige complex van landen aan den zoo sterk assimileerenden invloed van het Romeinsche ryk was blootgesteld, valt het bezwaar aan die meening verbonden dadelijk in het oog. Is het denkbaar dat b. v. het zoo door en door gelatiniseerde Iberische schiereiland geheel vreemd zal zyn gebleven aan dezen tak van in Italië zoo verspreiden Folklore? Ik heb tot dusver van het geloof aan de kracht der Mandragora's in Spanje en Portugal geene bepaalde bewijzen gevonden, maar de naam der plant bestaat, blijkens de Woordenboeken, in de taal van beide landen, en wel in den zuiveren, onverminkten vorm van Mandragora, die in Gallië, Brittannië en zelfs in den Italiaansche volksmond allerlei verminkingen ondergaan heeft. Ook de geographische verbreiding der plant moet zich onder die omstandigheden wel hebben uitgestrekt tot al de landen die het bekken vormen der Middellandsche Zee, en, onder den invloed van gelijksoortig klimaat en gelijkvormige cultuur, in het algemeen tot het bezit eener gemeenschappelijke Flora gekomen zyn. Dat in Noord-Afrika de Mandragora reeds tydens de Romeinsche heerschappij bekend is geweest, is op dezelfde gronden aan te nemen. Stellige bewijzen ontbreken echter ook hier; want wat Leo Afkicanus van den wortel Surnag in het Atlas-gebergte verhaalt, zou ik niet op de Mandragora durven toepassen2).
Dat in de noordelijke landen van Europa, waar de echte Mandragora-^ontA moeilijk en slechts tot hoogcn prys te bekomen was, allerlei vervalschingen voorkomen, merkte ik reeds vioegei op. Ik \ind thans in de „Zeitschrift für Ethnologiequot;3), behalve de vroeger reeds genoemde, nog eene andere plant
) Geschichte der Griechischen Literatur, Bd. II, bi. 442 en 794. „ • , i. ■ • 1 1 ,1
») Zie daarover de Nederlandsche bewerking van de „Descriptie Afncae in het weinig bekende book „Pertinente beschrijving van Afrikaquot;, uitgegeven te Rotterdam by Abnout Leehs, 1665, bl. 225. In 1dc!2 verscheen eene Latynsche uitgave van Leo Afbicanus te Leiden by Elzeviee. Dat het Arabische wooid
d. i. dronken, in Egypte de gebruikelijke naam van do Mandragora is (Zeitschr. f. Ethn. 1891, bl. 3, noot) zal ik aannemen, wanneer iets meer dan een losse bewering tot beAvys dezer zonderlinge
metaphoia^woidt^a^g^. ^ ^ ^ voorbijgaan opmerken, dat ik vroeger omtrent de bereiding van den
wortel der Bryonia tot Alruin door den heer Sloet in dwaling ben gebracht. Ik heb
zyne voorstelling voor een Geldersch gebruik gehouden; maar nu blykt my uit de „Zeitschrift fm Ethnologie
203
- 59 -
genoemd, die tot zulke vervalschingen aanleiding gaf, namelijk de zoo algemeen in moerassen en slooten voorkomende Gele Lischbloem of Gele Iris (Iris Pscudacorus), wier kruipende wortel in Duitschland ook G1 ticks wurzel genoemd wordt. Dat onder de Alruinen die men tot dusver gelegenheid vond in Duitschland te onderzoeken, niet of nauwelyks, echte voorkomen, is nog geen reden om, tegenover de vele getuigenissen die daar wel voor pleiten, tot eene geheele onbekendheid met de echte Mandragora's te besluiten. De afbeeldingen bewijzen natuurlijk niets, en de weinige Alruinen, die hier en daar in Musea bewaard worden, zijn zoo gering in getal, dat zij, al kon men op de nauwkeurigheid'van het daarnaar ingestelde onderzoek steeds volkomen staat maken, tegenover de groote menigte die er eenmaal moeten zyn verbreid geweest, weinig bewijskracht kunnen oefenen.
Ik heb hiermede gezegd wat ik meende tot verdediging mijner voorstelling van de Alruinen te kunnen bijbrengen, en zal thans dit Bijvoegsel besluiten met eene korte bijeenstelling van hetgeen ons de berichten in de „Zeitschriftquot; omtrent de vindplaatsen der Mandragora, de wyze van de wortels te bewerken en de eigenaardigheden van het daaromtrent heerschende bijgeloof in de Aziatische landen leeren.
Wij zagen dat Perzië naar alle waarschijnlijkheid het land is, van waar de verbreiding van de Mandragora en hare bügeloovige vereering is uitgegaan, en het is dus natuurlijk dat men verlangt te weten hoe het thans daarmede in dat land gesteld is. Een der nieuwste en beste reizigers in dat ryk. Prof. Hauss-knecht, gaf daaromtrent aan Prof. Aschebson schriftelijk.de volgende inlichtingen: „De Mandragora komt nog heden in Perziö voor; de wortel wordt voornamelijk ingezameld in de provincie Schiraz en is overal onder de van ouds bekende namen jahroch, merdom-giah, mihri-giah, ook Hekkan [dat echter weinig gebruikelijk en waarmede ongetwijfeld het boven behandelde segken bedoeld is], op de bazars aanwezig. De inboorlingen wezen my' meermalen de verdorde bladeren, maar daar ik de plant nooit op het rechte tijdstip te zien kreeg, kon ik de soort niet bepalen. De wortel wordt gewoonlijk als amulet gedragen.quot;
Maar meer nog dan in Perzië zelf schijnt tegenwoordig de Mandragora in Syrië verbreid te zijn. Volgens den heer Wetzstein komt zy het menigvuldigst voor in den eruptiokegel van den Tell-el-Goemoeh in Hauran (Auranitis), waar men in Mei do goudgele geurige vruchten bij zakkenvol zou kunnen inzamelen. Maai' ongetwijfeld zijn or nog vele andore vindplaatsen. Do heer von Luschan kwam in het bezit van zyne exemplaren van ikfawdrnj/ora-poppon te Damaskus, Antiochië en Mersina, en ook die welke hy te Konstantinopel kocht was uit Syrië afkomstig. Een exemplaar, van de Dardanellen afkomstig, door den heer Calvert aan het Anthropologisch-Ethnologisch Genootschap te Borlyn gezonden, is in de „Zeitschrift für Ethnologiequot; ') afgebeeld en beschreven.
Onbetwistbaar is het op grond dezer nieuwe afbeeldingen en beschrijvingen van Alruinen, uit het Oosten afkomstig, dat het bijgeloof omtrent de Mandragora's zich thans in Azië in geheel andere vormen voordoet, dan het in Europa heeft aangenomen. Terwijl in het Westen de vrouwelijke Alruinen betrekkelijk zeldzaam zyn, maken zy in het Oosten verreweg de meerderheid uit; terwyl ze in het Westen doorgaans met zorg zyn gekleed, vindt men ze in het Oosten gewoonlijk geheel naakt. quot;Vrouwelijk en naakt zijn al de door von Luschan in Syrië verzamelde exemplaren, en een daarvan schijnt zelfs eene vrouw voor te stellen, die een kind in de armen houdt. Ook vindt men in het Oosten samengestelde Mandragora-figuren, die de omhelzing van personen van verschillende seksen voorstellen, wat met name by den uit een zeer dikken, hier en daar met gips of dergelijke stof opgevulden, en met eene roodachtige verwstof gekleurden Mandragora-wortel van den heer Oalveet voorkomt. Ook zyn mannelijke ithyphallische Alruinen, die, voor zooveel ik weet, in het Westen niet voorkomen, in het Oosten gevonden. Veel meer dan in het Westen schijnt zich in het Oosten de beteekenis der Mandragora in hare kracht als Aphrodisiacum te concentreeren, ofschoon ik thans geloof dat ik door eene vroegere uitspraak daaromtrent eenigszins aan de waarheid heb te kort gedaan.
(1891, S. 744), dat zij ontleend is aan oen verhaal dat door von Peboer is overgenomen uit een in 1718 te Lyon uitgegeven boek „les Secrots du Potit Albertquot; getiteld, en niet op een algemeen gebruik, maar op een bijzonder geval betrekking heeft. Tot vergelijking geef ik hier het geval zooals het door von pjiramp;eu is medegedeeld: „Ein Bauer, den eine Zigeunerin in das Geheimniss eingeweiht batte, zog eine Bryonia-wurzel, bei gunstiger Constellation des Mondes mit der Venus und dom Jupiter, an einem Monntag lm Prühling aus dem Boden. Er pflanzte sie in den Grabhügel eines ebon verstorbenen Mannes und begoss sie vor Sonnonaufgang einen Monat lang mit Molken aus Kuhmilch, in welchen er drei Pleder-rnause ertrankt hatte. Dann zog er sio aus. Sie war der Gestuit eines Menschen weit ahnlicher geworden als früher. Dann heizte der Bauer seinen Ofen mit Isenkraut, trocknete die Wurzel darin, verwahrte sie in einem Sackchen aus einem Stuck Leinwand. So lange er diese Wurzel besass, war er glücklich im Handel, gewann im Spiel, fand verschiedeno Dingo auf dem Wege und nam taglich an Wohlstand zu.quot;
') Jg. 1892 (Bd. XXIV), bl.247, afgebeeld, Jg. 1893 (Bd. XXV), bl. 406, door Prof. Asoherson beschreven.
204
- - ------r— --■ ■
Ik besluit dit bijvoegsel, waardoor ik getracht heb mijne studie over do Mandragora beter op de hoogte der nieuwste beschouwingen en ontdekkingen te brengen, met de eigen woorden waarmede von Luschan de wijze beschrijft waarop heden ten dage de MmtZmgwo-poppen in Syriö vervaardigd en vereerd worden; „Die Wurzeln der Mandragora-?i\-M\WA\ werden heute, besonders in der TSTachbarschaft von Mersina und Antiochia, von bestimmten „Künstlernquot; fast gewerbsmftssig in menschenahnliche Form gebracht. Das ein-fachste, hierzu angewandte Verfahren besteht darin, die frisch ausgerissene, succulente Wurzel durch vor-sichtige's Schneiden und Drücken umzuformen und dieselbe gelegentlich auch wahrend des Austrocknens noch weiter zu beeinflussen. Einigo der vorgelegten Stücke sind einfach in dieser Art hergestellt. - Viel bessere, thatsachlich höchst überraschende Erfolge werden durch ein anderes Verfahren erreicht, bei dom die lebènde Pflanze sorgfaltig ausgegraben und die Wurzel dann durch Umwickeln von Bindfaden, durch Spalten, Einschneiden, Aufritzen und Zusammonschnüren der Art vorbereitet werden soil, dasssie zunachst wieder 'eingegraben wird und noch durch langere Zeit weiterwachsen kann. Erst wenn die verschiedenen Verletzungen gut vernarbt sind, wird die Wurzel wieder ausgegraben, und wenn sie dann erst einmal ordentlich geschrumpft und getrocknet ist, so fallt es oft sehr schwer die künstlich praparirten Stellen als solche zu erkennen und nachzuwoisen. Ein goschickter „Künstlerquot; wird also Alrdunchen herstellen, die ganz unanfechtbar aussehen und deren Aechthoit auch von Niemand im Lande bezweifelt wird. Solche Alrdunchen sind aber nicht nur „sehr selten und nur unter grösster Lobensgefahr auszugrabenquot;, sondern sie bilden auch kostbare und werthvolle Talismane. Einige machen ihren Eigenthümer hieb-, stich- und kugelfest, andere wirken als ünfohlbare Aphrodisiaca, und andere wieder sollen den Trager unsichtbar machen; fast alle aber weisen die Stelle an, wo unterirdische Schatze verborgen sind, und haben zugleich die eben so werthvolle Eigenschaft, die Krankheit eines Menschen, der sio bestandig tragt, in sich auf-nehmen zu können. Gerade hierin liegt aber auch die Schattenseite und die Gefahr der Sache; das Wurzelmannchen kann die Krankheit nehmlich auch auf einen neuen Eigenthümer übertragen, und es kann durch eignes „Krankseinquot; alle früher gerühmten Eigenschaften zeitweilig oder dauernd verlieren.quot;
Arnhem , 19 Juli 1894. P- J* VETH.
205
; , . • ■■ , ■■
RV-''. quot;i w-k 'quot;^ ■
v
-lt;• f S- • ^?-
'J, x -i'. V - •- ■
Ar,^r!3^4f
. ifgt;*v,, ^v* vgt;o
imi'-UM^S%
* -nér-
v^Hquot;~ Tj
K t K ' w ^ i''
^gt;^41lt;i % '^£
^ ^vteW'-is
r lt; ■ gt;
-»r.^5y