ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6

EEN PIC-NIC IN PROZA.

ocr page 7

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0628 4610

ocr page 8

U.B. UTRECHT ASA 4564

EEN PIC-NIC

IN PROZA.

BLOEMLEZING UIT „DE NIEUWE GIDSquot;.

bibliotheek der

rijksuniversiteit

UTRECHT

AMSTERDAM,

S. L. VAN LOOY. | H. G E E L I N G S. 1893.

ocr page 9

GEDRUKT BIJ H. C. A. TIIIBME, NIJMEGEN.

ocr page 10

1 N H O U D.

Bladz.

liet Krabbetje en de Gerechtigheid . Frkderik vax Eedex , . 1

Een Hengelaar...........Jac. van Loov.....11

Do Conferentie...........Fraxs Ehens......21

Boekbeoordeeling: De 0\ulo Garde en

de Jongste School........L. vax Devssei.....37

Een Achtermiddag.........A. Aletrixo......45

Studies over Kunst.........-Tax Vkïii.......03

Odilon Redon. — Egyptische kunst. —

Derkinderen's processie van het II. Sacrament van mirakel. — Whistier. — Fransche schilderkunst in deze eeuw. — Walter Crane. — Een portret.

Boeddha (Een dialoog.)......Frederik vax Eedex . . 03

Een Zang.............A. Aletrixo......117

In de Zwemschool.........L. vax Deyssul .... 125

Een Huwelijksaanzoek........ , „ .... 135

Swift-Gulliver...........Albert Verwev .... 141

De Wolken van Aristofanes.....On. M. van Deventer . 151

Kinderen.............-Tac. vax Loov.....169

Harold..............Auu Prixs......189

Over het Zeggen van Verzen .... F. van der Goes. . . . 205

ocr page 11
ocr page 12

HEÏ KRABBETJE E^ DE GERECHTIGHEID.

ocr page 13
ocr page 14

HET KRABBETJE EX DE GERECHTIGHEID.

DOOR

FREDERIK VAN EEDEX.

Een sprookje van Windekind.

Aan het zandige strand steken twee steenen dammen in zee. Het zijn zeehoofden en uit groote, zwarte steenen werden zij gebouwd. Als het vloed is en de zee op haar hoogst is gestegen, dekt het water hen bijna geheel en bij eb liggen zij droog.

Daar zat een mensch op de zwarte steenen, zoo ver mogelijk in zee, zoodat het water aan alle zijden om hem heen spoelde. Hij keek over het aanrollend water, het was stil en warm. De golven waren klein en kwamen langzaam aan —• ter nauwernood namen zij de moeite even om te krullen — en dan, plof! — sloegen zij afgemat neer op het vlakke strand.

Tusschen de steenen van het zeehoofd wachtten de donkergroene wieren geduldig op het wassende water. Sommige vormden een dik tluweelig kleed, de grootere

ocr page 15

HET KKAEBETJE EX DE GERECHTIGHEID.

spreidden hun platte, bruimichtige bladeren uit — wachtend op de zee, die spoedig komen zou.

Langzaam, langzaam steeg het water. Bij iedere golt' sloeg het wat verder over de steenen en schoot haastig tusschen de spleten en groeven voort, hij het terugtrekken luchtig wit schuim nalatend met groote blazen, die, één voor één, stuk-spatten in de lucht. En dankbaar hieven de wieren zich op, als het water hen bereikte en de leerachtige bladen weer deed zwellen en glanzen na urenlange droogte.

Tallooze kleine zeediertjes leefden nog tusschen het wier. Mosselen hielden stevig hun schelpen gesloten tot dat de zee zou komen, en in het water, dat van den vorigen vloed in holten tusschen de steenen was achtergebleven, verscholen zich kleine garnaaltjes en krabbetjes, — allen wachtend op den wassenden vloed.

Voor de voeten van den eenzamen mensch lag een klein, dood kwalletje. Het was nog maar half levend dooide golven op de steenen geworpen en toen door de zon geheel gedood. Het glibberige, doorschijnende lijf was verschrompeld en dof geworden. De mensch boog zich voorover om het zonderlinge dier te bezien. Het was nog fraai, blauwachtig van kleur, doorschijnend als een edelsteen, en op den halfbollen rug waren in den vorm van een ster regelmatige bruine strepen. Ja; het was een mooi kwalletje geweest, toen het rondzwom in de groote zee. Doch nu was het dood en niet meer dan een rond plakje blauwachtig slijm, dat de terugkeerende zee niet meer zou doen herleven.

Daar kwam een kleine, grijze krab bedachtzaam uit de donkere spleet tusschen twee steenen. Hij

4

ocr page 16

HET KÜADÜETJE EX DE GERECHTIGHEID.

had daar lange uren geduldig zitten wachten — doch nu moest het water haast komen, dacht hij en hij waagde het langzaam en voorzichtig met kleine pasjes uit zijn schuilhoek te kruipen. Want hij had het doode kwalletje reeds langen tijd voor den ingang van zijn hol zien liggen, en doode kwalletjes is het lekkerste eten; dat een jong krabbetje zich bedenken kan. Langzaam scharrelde hij voort over het dikke kleed van groen wier, donzig iils mos in het woud, — één twee, één twee, schuinslinks op het kwalletje toe. Xa iedere vier pasjes bleef hij even staan om zich eens te bedenken.

De mensch die daar op de steenen zat, keek ver over de aanrollende golven naar de groote zon, die aan de kim onderging. Dat was voor den mensch een prachtig gezicht. Doch het krabbetje vond het in 't geheel niet mooi, hij had zoover nog nooit gekeken. Hij keek, met bei zijn zwarte oogjes, naar het kwalletje, dat was een mooi gezicht! — Ook lette hij niet op den mensch die daar zat, die was te groot voor hem om te bespeuren.

— .Zou het water haast komen,quot; vroeg het wier, .wij worden droog: — wij zullen sterven.quot; —

— .Het water komt altijd,quot; zei het krabbetje in 't voorbijgaan — en het platte lijf hoog op zijn zes pootjes heffend, volgde hij deftig zijn weg, — schuins-links naar het kwalletje.

— „Maar het water komt niet,quot; zuchtte het wier; „het duurt zoo lang, — het heeft nog nooit zoo lang geduurd.quot; —

— „Domme twijfelaars,quot; zeide het krabbetje. „Ik erger me aan u. Zoudt ge nog leven als het water ééns was weggebleven ? Wie heeft voor u gezorgd, voor u en uw

5

ocr page 17

HET KRABBETJE EX DE GERECHTIGHEID.

geslacht, voor al liet wier dat op de steenen groeit ? Zoudt ge ondankbaar zijn aan het water, dat altijd juist terugkomt als ge bijna sterft ? Zou het groote water, dat ons doet leven, dat ons gevoed en bevochtigd heeft, nu zijn kinderen laten omkomen in droogte en ellende P Domme wieren ! gij zijt te klein om de groote gerechtigheid van het water te begrijpen. Het weet onze behoeften en kent onzen nood, het geeft ons vocht als wij versmachten en voert ons voedsel in den mond. Vraagt de mosselen, stil zitten zij aan de steenen en zij bewegen niet. Doch als de schalen openen stroomt het voedsel er in, dat het water voor hen heeft uitgezocht. Want het water is goed en wijkt niet af van zijn weg, — het water is gerechtig en geeft een ieder wat het zijne is. Schande over de ondankbaren die niet vertrouwen !quot;

Het krabbetje had bij zijn lange rede vlak voor het kwalletje stilgestaan. En nadat hij had uitgepraat, ging hij op het smakelijkste plekje af, dat hij onder t spreken reeds uitgezocht had.

Toen pakte hij met de stevige knijpers een stukje vast, trok het naar zich toe en begon er met de kleine, bewegelijke kaken aan te eten. Rustig en welbehagelijk, — want hij was de eenige krab in de buurt en den mensch zag hij niet.

De wieren zwegen beschaamd — en het krabbetje smulde gretig voort, dankbaar aan het groote water, dat zijn voedsel voor hem had neergelegd.

Toen zag de mensch op uit zijn mijmering, want de zon aan de kim was achter de wolken verdwenen, lang-

6

ocr page 18

HET KRABBETJE EN DE GERECHTIGHEID.

zaam neergezonken als een groote droppel vloeiend vuur. En de menscli keek voor zich tussclien de steenen en zag het krabbetje aan zijn lekker maal. Een tijdlang keek hij aandachtig toe, dichter en dichter bij. Doch het krabbetje zag hem niet. Toen maakte de mensch een wonderlijk geluid.

„Brrr!quot; zeide hij, -hoe vies!quot;

En voordat het krabbetje begreep wat er gebeurde, vloog zijn middagmaal plotseling uit zijn knijpertjes weg en plofte een eind verder in zee. Had hij niet bij tijds losgelaten, dan zou hij medegeslingerd zijn. Nu sperde hij in woedende verbazing en ergernis de nijdige schaartjes open en keek wie hem dien trek gespeeld had.

,Wie doet dat,quot; zei het krabbetje, .dat is onrecht. Het was mijn eten.quot;

Een lang vleeschkleurig voorwerp kwam dicht bij zijn scharen. Het was een menschenhand, doch dat wist het krabbetje ongelukkig niet.

.Deed jij dat? Wacht jou!quot; zei hij, „ik zal je lee-ren,quot; en fel sloeg hij de scherpe knijpers dicht.

Dat bekwam hem slecht, hij vloog nog verder dan zijn dood kwalletje — maar niet naar zee, maar in het mulle, droge zand, ver van de golven.

Hij kwam plat op den rug neer en lag een poosje versuft. Toen gelukte het hem met veel moeite zich om te draaien en weer op zijn pooten te staan. Hij zag er treurig uit, want het vochtige lijfje en de lange pooten waren met duizende, droge zandkorrels bedekt. Wat moest hij beginnen!

„Is dat recht!quot; vroeg het krabbetje. „Is dat rechtI Waar is de zee ? — Ik wil weten of dat recht is. Het

7

ocr page 19

HET KRABBETJE EN DE GERECHTIGHEID.

was mijn eten. De zee zal mij recht geven. — Waar is de zee ? Wist ik maar waar de zee was ! — Ik wil mijn recht,quot; zeide het krabbetje.

Haastig begon hij te loopen. Eén twee, één twee — schuins-links, met hooge zwevende pasjes. „Waar is de zee!quot; vroeg hij, „waar is de zee.quot; Doch de schelpen om liem heen waren dood en droog, wit gebleekt door de zon en antwoordden niet.

Gelukkig, het zand werd vochtiger. De zee was dichterbij. Een stervend vischje lag aan't strand. ,Breng mij naar de zeequot; zeide het, „ik ben een jonge haring — en op 't punt van te sterven.quot;

„Kan ik liet helpenquot; zei het krabbetje nijdig, „ik heb zelf genoeg te doen. Ik zoek gerechtigheid.quot;

Een eind verder stond een meeuw dicht bij de golven.

Aandachtig stond hij te kijken of de zee iets lekkers aan 't strand zou spoelen, — geen vischje of wormpje ontging zijn oogen.

„Die zal mij helpen,quot; dacht de krab, en van verre riep hij: „Recht, recht! — ik zoek de zee en de gerechtigheid. Men heeft mij mijn eten geroofd en mij op 't strand ge-gegooid. De zee zal mij recht geven.quot;

De meeuw draaide den vluggen hals om — en keek met één oog naar het krabbetje, dat naderbij scharrelde.

Stil wachtte hij tot liet dicht bij was, scherp zijn beweging volgend.

„Recht!quot; riep het krabbetje „mijn eten.quot;

Schuins-links liep zij juist op de meeuw toe. De meeuw zeide niets en liet hem vlak bij komen. En toen hap! — boorde de scherpe snavel door den rug van het krabbetje heen.

8

ocr page 20

HET KRABBETJE EN' DE OEUECHTIGUEIÜ.

BGerechtigheid!quot; riep het nog — en het volgende oogenblik lag hij plat op den grond — en haalde de meeuw de ingewanden uit het opengehakte lijfje.

De zee was gestegen en dekte de zwarte steenen geheel met krullende, schuimende, golven.

De geduldige mosselen openden hunne schalen, en lieten het lavende vocht instroomen — de slanke wieren verhieven zich in den vloed en wiegelend golfde het lenige loof in het frissche woelende water.

,Ziet! ziet!quot; — zeiden zij zacht, „wij zijn slecht geweest. Is het goede water niet gekomen om ons te laven ? Ja, het krabbetje had gelijk, het water is gerechtig en gedenkt zijn kinderen.quot;

Doch op het droge strand lag de leeggepikte schaal van het krabbetje, tusschen de uitgespreide pooten. En de wind heeft haar gedroogd de volgende dagen en de zon heeft haar wit gebleekt, witter dan het schuim dei-aanrollende golven.

9

ocr page 21
ocr page 22

EEN HENGELAAR.

ocr page 23
ocr page 24

EEN HENGELAAR.

DOOR

JAC. VAX LOOY.

Hij stond in zijn eentje te hengelen. Droog, lang, hoekig van magerte, maar in zijn degelijke waterproefjas, in de lenden met een trekker dichtgehaald, als in een huid voor hem veel te wijd: op het oude vlondertje thuis; stevig op zijn schuitvormige laarzen voeten, stond hij te loeren in het natte geklots van het Amstelwater. Naar het gespoel van zijn rooden dobber, een eind ver in den stroom, hield hij zijn rustigen rentenierskop gekeerd, met kalm geknepen oogen kijkend uit een door niets van zijn stukken te brengen aangezicht, met turende oogjes uit een gelooid vel als van leêr, verdroogd door rust en veel buitenlucht. Hij had den kraag van zijn zwarte regenjas opgezet, tot over zijn oorlellen, als de kraag van een kapotjas hoog, maar de pijpen van zijn pantalon omslagen met een breeden zoom, lieten de dikke enkelrimpels van zijn laarsschacht bloot, quot;t Weêr was buiig, het regende bij vlagen, doch hij stond aldoor hetzelfde, den buik een beetje vooruit, ongevoelig voor

ocr page 25

EES HENGELAAR.

nat of droog, als vergroeid met zijn verweerd vlondertje.

't Was een drieplankig vloertje, dat steunde op twee palen met dvvarslegger, donkere oude palen, vastgeplompt in het slib van den Amsteloever, wormstekig hout, rottig van 't eeuwige vochtgeklots en glibberig omkrin-geld met groen geslobber van aalkroos.

En 't hinderde hem volstrekt niet als de regen tegen zijn rug aansloeg; telkens kwamen er nieuwe buien van uit het zuidwesten drijven, de wind was bijna vlak zuid, juist goed weêr om te hengelen. Over de weilanden, van den Schinkel, kwamen de buien waaien, over hem en den Amstel heen; hij begon als een paling te glimmen. Van zijn oud kaasbolletje, een hoed om meê uit visschen te gaan, droop het regenwater zijn rug langs, en op zijn óverlange, gekromde mouw, vol glimmende krooken in de buiging van den elleboog, en vandaar weêr over het paarsche stukje vleesch, dat van zijn hand te zien kwam die den hengel hield.

't Was een mooie stok, van glanzende stukken riet, al dunner uit-schuivend naar het einde, met blikken kokers aan elkaar geleed. Hij bewaakte een goed onderhouden spannetje hengels zoo, want, kijk voor hem, stil tegen het vlondertje aangelegd, met het dunne einde onder water gedompeld, voorzichtig, omdat hij bang was de visch te zullen verschrikken anders, kwam nóg een hengelstok tusschen zijn beenen doorsteken. De snoer was maar half afgewonden, de dobber schommelde dichter onder den wal, een witte dobber met een rooden kop. Zoo lag de hengel onder zijn hand. Hij behoefde z'n ander gevisch niet te storen, wanneer de dobber wat afdreef; hij had maar even te bukken, als hij

14

ocr page 26

EENquot; HENGELAAR.

eens verleggen wou, of meende dat het daar nopte.

Maar hij stond al-maar-door, stuursch in zijn natte vischachtig-glimmende zwartheid, kalm turend in het grauwe opgeruide water, waarin de regen soms spikkel-spatte; de stroom ging als gestuwd, ook wanneer de wind niet flakkerde, onder hem voorbij, met donker-opschuivend watergevlak; de Amstel, beroerd door buien, hobbelde voort, de deining klotste en sloeg witte schuim-strepen voor de palen van zijn vlondertje uit, zijn dansende dobbers vroegen al zijn aandacht.

Achter zijn hielen werd het jaagpaadje slijk en daarachter de steenen straat van plassen glanzend in de kuilen van den rijweg. Voorbij de boomen, over de sloot heen, zwollen de weiën weg, gedrenkt, sappig in een heerlijk en pralend groen onder het vernis van den regen. Tapijten gelijk, lagen de landen vlak, uitgerold tusschen de slingers der slooten, die luchtspiegelend van glanzen wisselden onder het geblaas van den wind. Laag kwam de hemel erover welven; een oproerig, waterachtig beduisterd wolkenveld met buien schoof boven die groote vorstelijke grazigheid ; een lucht, nat dampig en schuw van daglicht, hing over al dien rijkdom en al dien oogenlust van malsch zomergras. En overal, tot aan het blauwende boomen-verschiet, was de wei levendig van puik blank vee, als besterd met koebeesten, die lagen in kalme herkauwing of rustig graasden, scherend met de tong het vette gras, tusschen de buien door.

Maar de dobbers van den hengelaar schommelden heftiger, bobbelend over de rimpelkoppen, en tusschen de donkere golvengleuven. Als de wind aanwoei joegen de panden van zijn jas hem voor de beenen weg, als

15

ocr page 27

EEN HENGELAAR.

vlaggenslippen wapperden zij op den wind. Doch onverstoorbaar stond hij, beschermd door zijn hooge laarzen, in het natte weer, als een visch in zijn element, almaar te turen naar zijn wiegelend vischtuig. Soms nopte het wel even, dan sloeg hij handig op; de roode dobber vloog door de lucht aan het krinkelende snoer, quot;t Was maar een zuiger geweest. De haak lag bloot en zonder van houding te veranderen, alleen met wat gewerk van zijn handen, den stok, als een geweer in zijn arm, stijf' tegen het lijf gedrukt, schoof hij de pier recht en begon van nieuws aan te hengelen.

Van over het forscher blauwende boomenverschiet kwam een zware bui opzetten, een donker, dreigend wolkenvlak vloog schuin langs den hemel op; het verschiet verschemerde achter een sluier van regen, het vee achter in het land stond als in een dauw, verzilverend. En de waterwolk met haar oorlogsvorm snelde al hooger tot den hemel op en zweepte regenstralen neêr uit haar flanken op het rustige weiland, waar de koebeesten alle stonden met den kop laag, alle hetzelfde, gebogen onder den geesel van het neêrvlagende water. De bui snelde aan, de druppels ratelenden al kwaad in de boomen, klikkeklakten rumoerig op den weg, sloegen boos gaatjes in het water. De Amstel, plotseling toornig zwart, schuimde van witte krulsels op zijn voortstommelende golven.

Nop, en uit den stroom wipte de roode dobber; de hengelaar met zijn twee handen aan den hengel, sloeg een donkerkronkelende, draaiende en tegenspartelende paling achter zich op het rijpad neêr. Hij lei den stok behoedzaam op het vlondertje, en met een paar stappen

16

ocr page 28

EEN HENGELAAR.

was hij bij het beest, dat aan den angel te wringen en te wentelen lag in het slijk van den weg, onder den neêrkletsenden regen. En de paling schoof woest, pijn-krimpend in een schakel van slymige S-glimmers naaiden rivierkant toe, maar de visscher, die onder zijn jas in zijn broekzak zocht, zette zijn vollen laarsvoet op het beest, dat onder de zool wel voortkrimpen bleef, maar, zoo, vast lag aan den grond.

Met den voet op zijn prooi stond de hengelman midden in de bui, zwart in het schuingestreep der regenstralen. Toen hij met een open knipmes in de hand bukte naar de paling, was het een geklater op de harde huid van zijn regenjas, de regen striemde zijn pantser, de stralen braken op zijn rug en spatten op en om hem heen. Glimmend als een groot waterroofdier, greep hij zoo de paling in zijn grijpende vingers. En handig, of 't dagelijksch gedoe was, kerfde hij vervolgens het beest boven in den kop; regenbloeddruppels drupten van zijn hand waar de slang in wrong, terwijl de andere den hoek uit de kieuwen los-peuterde en scheurde. Toen begon hij de paling te villen. Met den duim en middenvinger, als een tang, als de knijpende schaar van een schaaldier, kneep hij in de bloedende kieuwen, in het roode open van het ademende beest. Hij maakte met de punt van zijn mes een zoompje aan het vel onder de de kieuwen, en toen een kleine overlangsche snede in den goren melkwitachtigen vischbuik. Het mes liet hij vallen, en met den vollen greep van zijn roodbemoorde hand, als een koker knellend, om het groenglibberige vel, probeerde hij knijpend en strijkend de huid naar omlaag te stroopen. Maar 't ging niet; de regen gudste,

17

2

ocr page 29

EEN HENGELAAR.

zijn hand werd nat, had aan de wringende paling geen houvast. Hij beproefde het nog eens, maar bukte, toen 't weer niet ging, naar den grond, waar hij zich de hand ruw wreef in de modder van het jaagpad. Met zekeren greep stroopte hij toen de paling het vel van het levende vleesch. Hij kletste de blauwende saamgekleefde huid voor zich neêr, holde met den vinger peuterend de ingewanden bij de kieuwen uit, en sneed er toen den kop af. En de nog altijd levende en wringende paling verdween onder zijn leêren jas, bloedend geborgen in een vischnet daar, bij meer prooi.

En de regen stroomde, de bui groeide, kletterend op het pad, blazen slaande in het water en in het dras op den weg, terwijl de man nogmaals bukte, kalm voor zich een bosje gras uit den grond trok, zijn mes er mee schoon wreef en toen wéér naar het vlondertje ging, om zijn handen in het water af te spoelen van slijk en bloed.

Hoog boven zijn geploeter hing de regenwolk, jagend aan haar uitkruivende randen, uit elkaar gewaaid, tot pluis geslagen aan haar wilde zoomen, uitslierend gelijk lang wapperend harpijen-haar; maar in het midden was zij een groot velum van rouw, dat, doorhangend, land en water bespande met haar droef grijs: een benauwde ophooping was het van lichtwerende duisternis, die het gras blauwde en het water donkerde, een luchtgedrocht met den buik zwanger van somberheid en kwade vernieling. En als voortwentelend in de drift van den wind, schuivend haar donkere vlakken als de platen van een wapenrusting over elkaar, zoo telkens vernieuwend haar oorlogzuchtig aanzien, donkerde de wolk voort, terwijl

18

ocr page 30

EEN ÜEXGELAAK.

zij al-m aar-door waar zij overdreef, 't land geeselen bleef met waterstriemen uit haar geopende flanken. En uit-zwellend over den meerpolder, saamgerold, verdikte zij zich daar tot een boos blauwzwart, en slorpte toen, in een bui van water, de boerenhofsteden op, tusschen boomgroepen in het land; en de torens der kalkovens aan de monding der Weespervaart beefden in de verte onder het gezweep van haar slaande stralen.

Maar met een verschen wurm aan tien haak stond de hengelaar alweêr, een hengel in den arm en de andere tusschen zijn beenen doorstekend, als gegroeid uit zijn vlondertje, onveranderlijk in zijn vischachtige zwartheid, te loeren in het wilde Amstelwater naar zijn roode dobbers.

Zacht ruischte de regen uit; achter den hengelaar, over het land van den Schinkel, beefde alwéér het zilverige grijs van den bleeken regenhemel, terwijl voor zijn niets dan de dobbers ziende oogen, de bui wegdreef gelijk een kwade droom.

En de koebeesten in het natte land vingen wéér aan te grazen, rustig, rein in den damp dien de regen naliet. De lucht brak, de blauwe hemel kwam door de wolken schijnen, even, een flets-blauw, teêr als van licht fayence of van het herfst-luchten-blauw dat de mooie scholekster in haar vleugels draagt.

En op den rijweg krioelden de oeverzwaluwen samen, opkomend als uit de sloot, schril scherende met hun wigvormige vleugels den slijkgrond langs; of zij zetten zich op hun lage, niet voor loopen geboren pootjes tusschen de plassen, al pikkend de regenpiertjes.

En op het jaagpad kwam een paard aansukkelen, nat

19

ocr page 31

EEN' HENGELAAR.

en ruig in zijn oud tuig, met een moe-bengelenden en iifgeleefden kop, de tong uit den mond; de jager liep er naast, een verweerd man in een nat zwart pilo-pak, tegen liet paard aangedrongen, schoorloopend tegen de schoft van het oude knollebeest, om het zoo te houden binnen de smalle krommende baan van het jaagpad.

Ze gingen achter den rug van den hengelaar voorbij, die toen wel genoodzaakt was te bukken voor het dooide lucht snijdende jaagtouw.

En een schuit van zwaren bouw, een logge zwarte kotter, schoof voorbij aan zijn dobbers, en deed ze schommelen, nog meer, op de lange waterplooien voor den boeg. Toen klotste de Amstel weêr voort onder zijn oogengetuur en voorbij zijn vlondertje en hij stond weêr in zijn eentje te hengelen.

20

ocr page 32

DE CONFERENTIE.

ocr page 33
ocr page 34

DE CONFERENTIE. ^

DOOK

FRANCOIS ERENS.

9

De pastoor van Schaesheuvel zat in zijn brevier te lezen. Zijn klein-flikkerende, grijze oogjes liepen vlug langs de regels heen, en hij bewoog zijn lippen en bad luid, terwijl zijn speeksel het boek besproeide, dat hij dan met zijn mouw zorgvuldig afveegde, zoodra hij het blad omsloeg.

De huishoudster, een magere, lange vrouw, van omtrent 40 jaren, kwam binnen: — , Wanneer komen de heeren, heer pastoor ?quot;

— „Om tien uur, Anneberb!quot; En zij een zuur gezicht, want zij was woedend dat er heden weer conferentie bij haar meester was. Zij ging naar de keuken en begon al vast de groenten voor het diner op te zetten. Toen zij den ketel op de ronde opening van het fornuis wilde plaatsen, viel die haar uit de handen, en de groenten op de steenen van den grond. Zij grabbelde ze op met

') Fragment uit een onuitgegeven ror.'.r.'.i, getiteld -Tiet Dorp.quot;

ocr page 35

DE CONFERENTIE.

hare handen, hield ze even in een aarden schotel onder de pomp, en zij zette ze neer op liet vuur. „Er is immers niets vuils meê gebeurdquot;, mompelde zij in haar eigen. Er werd gescheld. „Daar zijn ze al en 't is nauwlijks half tien! die zijn ook gepresseerd, dezen morgen.quot; En zij slofte naar de deur.

— „Dag Anneberb, hoe gaat het, kind?quot;

— „O! goed, heer kaplaan,quot; en een groote, dikbuikige, zwarte kaplaans-gestalte stapte naar binnen, veegde zich met een rooden zakdoek het zweet van het voorhoofd en zei: — „Waar is de heer pastoor?quot; — „Hij is nog aan het brevier bezig,quot; zeide de meid.

— ,Xu. dan ga ik nog even in den tuin, u hebt immers aardbeien!quot;

— „Goed, mijnheer kaplaan, maar u moet ze niet allemaal opeten.quot;

— „Wees daaromtrent gerust, beste kind.quot;

Anneberb's humeur was door het binnenkomen van

den forsch-gearmden kaplaan opgehelderd; zij boorde nu met genoegen het koken van de worteltjes in den ketel, die als goudvisschen dansten en spogen en doken en rezen en knapten in het zingende water. Zij zou van middag eens haar best doen, dacht ze. Als het eten goed was, zouden de kaplaans en niet minder de heeren pastoors haar vriendelijk toeknikken, haar zacht op den rug kloppen, terwijl zij de schotels op tafel zette. Zij had veel porties. Een soep met vermicelle, dan een fiinken grooten rostbeaf, die wel bijna geheel op zou gaan, daarbij aardappelen; voor de tweede portie, braadworst met bloemkool, dan, ham met worteltjes, dan vier hanen met kompot, en vervolgens sla met pastei. En dan zou ze

24

ocr page 36

DE CONFERENTIE.

nog een pudding maken. Dit kon zij beter dan Mieke, de meid van den pastoor van Kerkrade, die anders liet beste kookte in den geheelen omtrek. En zij wreef zich in de handen. Maar daar ging al weer de schel.

— .Dag. Anneberb!quot; En voor dat zij iets had geantwoord verscheen de heer uit het vertrekje van links in de gang en riep: -—■ „Dag, Heerlen, hoe gaat 'tje?quot; Waarop deze antwoordde: -— ,Dag. Schaesheuvel!quot; — .Daar is nog niemand hier dan de kaplaan van Nieuwen-hagen, die in den tuin de aardbeien zit op te peuzelen; die saperlootsche kerel, alsof liij er dezen middag niet genoeg zou krijgen.quot;

De deken van Heerlen was een kleine man, met roze gezicht, schitterende, zwarte oogen en lang, zilverwit haar. Hij was erg doof, wat hem het biecht-hooren zeer lastig maakte, zoodat hij een horen moest gebruiken, waardoor zijne parochianen hunne zonden tot zijn bewustzijn brachten. Zoo was het gekomen, dat er steeds minder menschen bij hem kwamen biechten, waardoor hij gevaar liep van zijn invloed in de parochie te verliezen. Hij had zich daarom op het preeken geworpen en zoo sprak hij dan soms een uur lang; zijne woorden waren steeds eenvoudig en bij voorkeur eene imitatie van bijbelsche verhevenheid. Zijne beschaafde manieren had hij gekregen toen hij rector was in een kostschool in het zuiden van Limburg, waar adelijke jonge meisjes hunne opvoeding ontvingen. De nonnen, die de kostschool Blumenthal bestuurden, waren meestal dames uit den italiaanschen adel en zij spraken veel met hem over Cavour, die de neef van de .dame supérieurequot; was.

25

ocr page 37

DE CONFERENTIE.

— „Nu, beste heer confrater,quot; zeide liij, ,waar zullen we het vandaag over hebben?quot;

— ,De peccatis venialibus,quot; antwoordde de pastoor van Schaesheuvel en liet zich in zijn leuningstoel vallen, die kraakte onder den loggen last van zijn vleesch en beenderen. Hij was een slecht theoloog en had met moeite voor dien dag eenige noties in den ouden Dens bij elkaar gescharreld, die hij dan met veel gewicht en beteekenisvolle knipoogjes, die moesten zeggen dat hij nog veel méér wist, te berde wou brengen. Hij deed alsof hij weinig van goed eten en drinken hield, maar als hij alléén was vergastte hij zich op allerlei gerechten, die hij zelf in het kookboek van Davidis opzocht en Anneberb deed klaar maken; altijd was hij in de keuken en gooide met de ketels en zweette en hijgde voor het fornuis, zond Anneberb naar boven en liep en stampte als een razende, wanneer iets mislukte. Een uitspraak van Davidis achtte hij even belangrijk als een der artikels van den Syllabus. Zijne preeken schreef hij af uit een duitsche vertaling van Bordoni en terwijl de lamscoteletten op liet vuur pruttelden, reciteerde hij hard-op, met groote olifantsgebaren, eenige volzinnen van Bordoni. Dan kwam Anneberb binnen en zei; .Maar Heer, die soep, die u hebt gemaakt, deugt niet,quot; waarop hij woedend met een tooneelspelers-gebaar: — ,Marche naar boven, naar je kamerquot;, riep. — s^oo een zwijnshoofd, die durft mij tegenspreken,quot; bromde hij dan in zich zelf en stampte op den grond en wierp een ketel op het vuur, zoodat het water in het vuur begon te sissen en dampend in de hoogte steeg.

't Was langzamerhand tien uur geworden en het

26

ocr page 38

DE CONFERENTIE.

kamertje was gevuld met 16 zwarte soutanen, waarop de vroolijke en vette hoofden van geestelijken glommen. Het was een gebabbel en een gebrokkel van volzinnen in den grijzen cigarenrook, waarin de roode en witte zakdoeken verschenen en dan verdwenen; het was een hoesten en niezen en soms ging er een zilveren of zwarte snuifdoos in de rondte, de snuif steeg in de neusgaten onder de zalig-hijgende, breede monden.

De kaplaan van Nieuwenhagen las zijn antwoorden op de gestelde vragen voor, waarna de blonde, bleeke, bebrilde kaplaan van Gygelshoven het woord vroeg en tegen de autoriteit van Dens het hooger gezag van Thomas Aquinas stelde. Men heette hem „de professorquot;, hij had in Leuven gestudeerd en gold voor zeer knap in de Summa Theologica van Thomas. Hij redeneerde altijd in korte syllogismen en ankerde zijne volzinnen door ijzeren atqui's en ergo's. Het was een grijs geluid zonder kleur, waarbij zijne bleeke lippen zenuwachtig trilden en zijne oogen doffer en doffer wegzonken. Zijn hoofd ging op en neer en zijn bril prikte lichtschitteringen, die bij het draaien van zijn hoofd weer verdwenen en weer opkwamen. Men luisterde aandachtig met open monden, waarbij zuchtende buiken zich verhieven en daalden op het spel eener zalige ademhaling.

De pastoor van Schaesheuvel, die slechts bij kleine tusschenpoozen professor's redeneering begreep, knikte dan toestemmend voor zich zelf, terwijl hij in de moeilijkste gedeelten zijn oogen met zijn oogleden bedekte, om zijne doffe domheid voor de anderen te verbergen. Reeds rommelden de buiken van honger, onder de zwarte soutanen. — .Scheiden we nog niet uit?quot; zei er hier of

27

ocr page 39

DE CONFERENTIE.

daar een. De onderkinnen zonken in wijde geeuwen, men luisterde niet veel meer en fluisterde iets aan zijn buurman. Geuren van gebraden vleesch en sausen kwamen door de deur, die voor den rook op een kier stond, naar binnen. De oogparen begonnen te blinken, de gulzigheid waterde door de zwartgerookte tandenrijen; de tafel in de andere zaal met zijn rookende en geurige schotels werd het punt waarnaar de verlangens brandden. De verveling onder de rijen van syllogismen tot gelatenheid gestold, maakte plaats voor het verlangen, dat sterker en sterker de lichamen spande en in de bewegingen van tanden, tong en onderkaak wachtte op bevrediging. Een grijze rooknevel hing door het gansche vertrek en vulde de hoogte van de zoldering. Op de tafel, met gewast bruin doek bedakt, lag een geopende Dens en voor een ieder een papiertje, met potlood of inkt beschreven. In den hoek naast den schoorsteen stonden boeken tegen den muur, waaronder eenige vrome tijdschriftjes.

De professor had opgehouden. Ku rees plotseling in aller hoofden eene bewondering voor den geleerden asce-tisclien man, die voor hen onbereikbare gedachtenreeksen had ontrold en zij staarden dom op de tafel. — „ Ik moet zeggen,quot; zei de pastoor van Schaesheuvel, .dat Dens in het hoofdstuk van de peccata venialia niet klaar en duidelijk is; ik ben volkomen door jou overtuigd. Je moet me Thomas eens ter leen geven.quot; Dit zei hij om de anderen te doen gelooven, dat hij een knappe kop was en voor den grooten Thomas niet beducht. — „En nu, mijne heeren, zullen we maar eens doorgaan,quot; en hij opende de deur. Allen stonden gereed in wachtend verlangen. — -Aan u, heer confrater,quot; zei hij tot den deken

28

ocr page 40

DE CONFERENTIE.

van Heerlen, die met een fijn glimlachje en kleine Luiging voor de eer van het eerst-uit-te-gaan gevoelig scheen. Hij ging dan ook deftig voorop, met het hoofd naar achteren en zijn zilverwitte haren ver hangend over zijn rug; de anderen volgden, pratend met grove goedigheid tegen elkaar, en de handen saamgevonwen voor hunne buiken. — „ Wacht, wij zullen ons maar hier neerzetten.quot; zei de kapelaan van Nieuwenhagen tegen een klein, dik kapelaantje, met kleine, bruine, draaiende oogjes: en hij greep een rieten stoel, die met de zitting onder de gedekte tafel was geschoven. En zij gingen zitten aan het uiteinde en wreven in hunne handen, tevreden met de hoop op eten en drinken.

In het midden zat de deken van Heerlen en liet met eene beschaafde waardigheid zijne oogen om de langwerpig-ronde tafel gaan. Matwit lag het tafellaken, spreidend over de tafel het vroolijk wit der etensgezel-ligheid; zestien borden blonken rond in hun glanzend porcelein, en de bier- en wijnglazen, doorzichtig en helder, waren besprenkeld met lichttikjes als schitterende dauwdroppels op bloemkelken. De zilvering van vorken en lepels glom kostbaar, liggend in orde tusschen het porcelein en het glaswerk. In een porcelein-kom gloeiden de aardbeien in een zacht rood-donzig en trekkend de hoopvolle blikken.

Maar hoog boven de tafel en hare bekoringen begon de deken van Heerlen te oreeren, de vraag opwerpend, over den disch, naar den pastoor van Schaesheuvel, die begonnen was uit eene rookende soepkom te scheppen: — „Wat zegt gij dan van Frankrijk, zouden ze weldra een koning krijgen?quot;

2!)

ocr page 41

DE COKFEKEXTIE.

— „Zoolang de vrijmetselaars daar regeeren, kan daar niets goeds komen,quot; zei de pastoor van Schaeslieuvel.

— -Ja,quot; zei de pastoor van Kerkrade, een groote, gebogen man, met een kaal hoofd. „Die moesten er nog eens een hebben zooals de oude Napoleon, dan zouden ze wel koesjes zijn.quot;

— .De Pruisen deugen ook niet,quot; riep een ander en slurpte heel hard een lepel soep naar binnen, sprekend in zijn bord, genoegelijk boven den geurigen vleeschwalm der gele, vettige soep,

Maar nu verhief boven de in de borden bukkende hoofden de deken van Heerlen weer zijn stem, zijn soep vergetend, die wegdampte langs zijn gezicht onder een instinktmatig roeren met den lepel, en hij sprak over het zuiver katholieke element, dat er nog in de Fransche natie schuilt, van de missionarissen, die meestal uit Frankrijk kwamen en China en Afrika doortrokken met het kruis in de hand, alle gevaren van land en zee trotsee-rend en die vaak als martelaars stierven voor hun geloof.

Maar de anderen luisterden weinig naar zijn woorden en zeiden iets tot elkander, bukkend allen, onder den vloed der stroomende woorden de hoofden en vluchtend in de leegrakende borden soep. En nu begonnen de lepels te ratelen en te scharrelen de laatste druppels uit de borden, terwijl de ellebogen zich hieven onder het moeilijke grijpen. Eenige namen hun borden op en lieten het laatste in de lepels loopen, om niets verloren te laten gaan.

Anneberb, pleizierig en bedeesd door al die zwarte heeren, die hooge, gerespecteerde heeren geestelijken, droeg de schotels op, die allen vlug dampten, versch van bet vuur.

30

ocr page 42

DE COXFEKEVriE.

— kind,quot; zei een pastoor.

— „Wat, Heer?quot; En hij klopte haar op den rug: — „Ge hebt goed gekookt. Ge kunt het,quot;

— „Ja, ja,quot; zei Anneberb, trekkend een dommen glimlach van tevredenheid en schuddend het hoofd, toegevend.

Do pastoor van Schaesheuvel sneed voor, de ellebogen breed uit elkander en stootend de gezichten en neuzen van zijn buurlui, maar hij ging door, snijdend en drukkend op het mes met de vleezige vingers, en hijgend met open mond en knorrend en morrend tegen het stompe mes. Hij liet het vleesch rechts en de groenten links rondgaan, dat het op de handen, als op een golving van water, op en neer ging in den praten den en lachenden kring der zwarte mannen.

De woorden schoten nu talrijker over den disch, geuit met hevige gezichtstrekken in de opwelling der discussie, over het recht van eigendom op een haas, volgens de lex naturalis. — „Dat is een gansch andere zaak,quot; riep er een, voortdurend, tegen de voortrukkende argumenten van de overzijde der tafel. En hij hield er zich bij: — „Het is een gansch andere zaak,quot; en ik zeg het nog eens: — „het is een gansch andere zaak,quot; en hij zweeg, tevreden in zijn zegevierende oppositie.

De hanen gingen rond, zacht-gelige en witte stukken, malsch en sappig, jeugdig vleesch. Iedereen keek naar pastoor Knops. — „Je krijgt ze. Ben niet bang.quot; En toen hij den schotel voor zich had, sneed hij zorgvuldig de kammen van de koppen, die hij als het fijnste gerecht beschouwde dat er was. Hij was bekend in de dorpen van den omtrek als de liefhebber van hanekammen, en hij kende aan den smaak van de kam den ouderdom van

31

ocr page 43

DE CONFERENTIE,

den haan: hij vertelde de kwaliteiten van de beste soorten, het smelten er van op de tong, zoodat ge soms niet eens noodig had er in te bijten.

Pastoor Knops was niet gemakkelijk in zijn parochie, en men schertste over den coup d'état (zoo noemde men het) dien hij onlangs had uitgevoerd. Hij had namelijk al de vier leden van zijn kerkeraad ontslagen en vier nieuwe benoemd, wat in zijn dorp de tongen deed los komen en de kroegen met twistende groepen vulde. Toen men hem over zijn coup d'état sprak, zette hij zijn hoofd stijf in den nek en riep : — „Had ik geen gelijk?quot; —■ ,Jaquot;, riepen zij allen aan die zijde van de tafel en — ,de pastoor heeft het recht te doen in zijn parochie wat hij goedvindt.quot;' Pastoor Knops was nu de man geworden, naar wien aan die tafelzijde de woorden werden gericht. Hij triompheerde en liet zich inschenken en dronk weer leeg, stijgend in zijn roes. Hij vertelde nu ook van de menschen, die op het kasteel in zijn dorp waren komen wonen. Schatrijk bankier uit Dusseldorf. Maar fijn katholiek, de freule kwam iederen morgen in de kerk en bleef na de mis gewoonlijk nog de rozekrans bidden. De gegalonneerde lakei was bij hem gekomen, had een diepe buiging gemaakt en hem ten eten genoodigd. Ja, ja, fijne menschen, voorwaar ! zij zouden weldra den bisschop van Keulen te logeeren krijgen. En zij zouden hem wel wat geven voor de kerk, een kruisweg of een nieuw beeld, een kunstwerk.

Over de geheele tafel was nu een vloed van woorden losgebroken, waarop hier en daar het luide lachen hoog opsteeg, met een gerinkel en getriangel van glazen en fiesschen. De stoelen schoven en kraakten onder de zware

32

ocr page 44

DE CONFERENTIE.

lichamen in de verdedigende en aanvallende woordstrijden. In de handen met reikende armen strekten de flesschen zich horizontaal naar de leege glazen, en vulden ze rood en geel. En leege flesschen verdwenen van tafel en er kwamen nieuwe aan en men vroeg naar den naam van den wijn en van welk jaar hij was.

Doch steeds oreerde de waardige deken van Heerlen, en toen hij uitgesproken had, zeide hij tot den gastheer: — „Kom, Schaesheuvel, geef eens een paar van die „Marcobrunner.quot; De pastoor van Schaesheuvel vond dat niet pleizierig, hij gaf niet graag weg van zijn beste wijnen. Ook hield hij alléén toezicht over den kelder en wilde niet dat Anneherb zich met den wijn bemoeide. Maar hij ging weg en kwam weldra terug met drie, met nattig zand bedekte flesschen, gevuld met goudgelen wijn. Allen keken met gretige oogen en dronken hunne glazen leeg tot den laatsten druppel; eenige veegden ze uit met de servetten, om te proeven den geurigen goudwijn. Zij wachtten met onrustige tongen, dat de deken het signaal zou geven en jawel: — „Nou Schaesheuvel, op je gezondheid.quot; En de goudschitterende glazen gingen in de hoogte naar de.reiker-'e lippen, en lang gingen de kelen op en neêr. En ieder zei tot zijn buurman: — -Dat is wat fijns, zoo iets heb ik in lang niet meer gedronken,quot; en zuchtte.

Er werd nu gesproken over de fijnste kelders van den omtrek. De kapelaan van Nieuwenhagen had van een oom een groot aantal flesschen Cantenac geërfd. — «Wij komen er aan, wij komen hem bij je drinken, wacht maar!quot; riep van het tegenovergestelde tafeleind het jonge, dikke kapelaantje van Kerkrade. — „Ja, ik kom ook!quot; schreeuwden er velen.

33

3

ocr page 45

DE CONFERENTIE.

Maar de deken van Heerlen, die als een der fijnste wijnproevers bekend was en op vele kasteelen en bij voorname families in Limburg en België had gedineerd, wierp de vraag op: — „Raad eens, waar ik de fijnste flesch heb gedronken in mijn leven?quot; Niemand wist het, en toen zei hij kalm en gewichtig: — ,Hij den ouden burgemeester van Schaesheuvel. Ja, dat is lang geleden, wij hadden een kaartje gelegd, de onderwijzer Vliegen, de oude burgemeester en ik, het was op Driekoningenavond, en toen zei de oude burgemeester, gij herinnert je hoe hij kont doen: — „ , Wacht,quot;quot; zei hij, „ ,ik haal jelui eens wat goeds,quot;quot; en hij kwam weer terug met vier flesschen. Je kont niet zien dat het glas was, zoo was het zand er om gekleefd. Zijn jas was vol spinnewebben. Maar ik zeg u, dat was iets! en nog wel uit 1811quot;. — „Hè!quot; zuchtten de hoorders, .ik wou, dat ik er bij geweest was.quot;

Maar er werd gescheld. — , Wie zou dat zijn ?quot; zeiden eenigen en zwegen. De deur ging open en de directeur van Rode, met een glimlach op zijn hevige onderkaak, trad naar binnen. Allen stonden op, in eene verwarring en een geschuifel der stoelen. De directeur ging zitten naast den deken van Heerlen en vroeg welk nieuws er was. Alle gesprekken waren plotseling gestuit, ieder zette een ernstig gezicht en de jonge kapelaans keken heimelijk boos naar hun ouden meester, want zij waren te Rode op kostschool geweest. Doch de directeur lachte beminnelijk in zijn plomp gezicht, en streek zijne knoestige kommandeerende hand door zijn zwarte, stijve haren, als missend zijn zooeven afgezette bonnet. Als directeur eener kostschool zat hij neer in een provinciale gewichtigheid.

34

ocr page 46

DE ('OXFEKENTIE.

Hij dronk een glas Marcobrunner en wenkte met liet hoofd, bij bet proeven, de rimpels en oogen gewichtig goedkeurend naar de hoogte. De pastoor van Schaes-heuvel, gevleid, zeide; — „Marcobrunner, heer directeur.quot; Doch deze gevoelde, dat hij niet langer hier kon blijven, zijn gevoel kwam niet overeen met dat der drinkende mannen. Hij had slechts even willen rusten, zeide hij, want hij was op wandeling terug naar zijn kostschool. Hij stond op, na beloofd te hebben weldra te komen dineeren en een fijne flesch te drinken, en allen zagen hem gaarne vertrekken. Het gezelschap was nu samengegroeid in gevoel door een praten en twisten en lachen en grappenmaken. Ieder had zijne positie ingenomen, duidelijk voor zich zelve en duidelijk voor de anderen. De scheur, door het verschijnen van den directeur ontstaan, was weder verdwenen, en babbelend en ratelend gingen weer de tongen, en de sigarenrook werd dichter en dichter, men dampte ferm en dronk rooden wijn, een gewoon wijntje, want men zou het toch niet meer proeven, dacht de gastheer. Men klaagde hier en daar over de sigaren en zei, dat het tabak was om vliegen mee weg te jagen.

Langzaam verzwakten de stemmen, de rook uit de sigaren steeg spiralend in de hoogte; reeds waren er eenige opgestaan en toen weer binnen gekomen, anderen waren in den tuin gebleven en liepen, de handen tevreden op hun buiken in de sjerpen gestoken, en spraken over de bloemen. Enkelen, die weinig hadden gedronken, vertelden in een hoek van den tuin tot elkander een paar gebeurde schandalen. Maar in de zaal waren de discussies weer begonnen, en nu heviger hier en daar, onder de

35

ocr page 47

DE CONFERENTIE.

werking van den wijn. De gezichten glansden in eene zelfvoldane verdikking. De oogen, kleiner en wateriger, zwommen onbestemder zonder zich te vestigen in een richting. En in het zijkamertje, bij het bibliotheekje, zat op de canapé, het gezicht naar het plafond, de lijvige pastoor van Oorsbeek, snorkend met open mond, in een gezonde rust. Na het openen der deur deed ieder, ze zachtjes dicht, eerbiedigend den slaap. In de zaal: — „Dag, heer confrater!quot; — „Dag Heeren. ■— „Laten we gaan!quot; — Het wordt tijd, wij moeten ook gaan. Ik moet nog mijn brevier bidden.quot; — En bonnetten op de hoofden en schudden van handen.

De gastheer stelde aan de vier of vijf overgeblevenen voor een kaartje te leggen en nog een fleschje te drinken. — .Dat zullen we doen.quot; En zij kaartten tot laat in den avond en gingen in het donker naar huis, onzichtbaar ruischend in hun soutanen, terwijl de ;sigaren glommen als roode sterren op de eenzame wegen.

36

ocr page 48

DE OUDE GARDE EN DE JONGSTE SCHOOL. B OE KBEO ORDE ELI NG.

ocr page 49
ocr page 50

DE OUDE GARDE EN DE JONGSTE SCHOOL. BOEKBEOORDEELIN G

DOOR

L. VAN DEYSSEL.

Ik heb in liet laatste jaar geen boek in mijn handen gehad, dat zoo smakelijk gedrukt was als ,T)e Oude Garde en de Jongste school'' van den heer Ten Brink. Dat is kunstig, weelderig, verrassend, smakelijk. Met een lekker gemak eten de oogen van den lezer dezen druk.

Deze typografie prikkelt en verveelt niet, zij is gezellig, gemoedelijk en rijk afwisselend, netjes en duidelijk; zij is zóó goed, dat men deze twee deeltjes, zonder zelfoverwinning, heel en al uitlezen kan.

De titel is samengesteld uit niet minder dan tien lettersoorten, en daardoor aangenaam levendig, een prettige en toch zachte drukte.

Eerst staat, in de grootste, slanke, elegante, en toch deftige toch met een heimelijke bekoring van klassieke, akademische statig-heid saam-getengerde letters, te gelijk kompres en savoureus duidelijk, het algemeen titeldeel, het relatief universeele opschrift.

ocr page 51

DE OUDE GARDE EN' DE JOKGSTE SCHOOL.

Het staat er als gesproken door een heraut, die, uit hoogeren aanzienlijkheids-zin, alleen causeur zou willen zijn, door een negentiende-eeuwsch soiree-diplomaat, die een zwaren en heftigen binnen-hartstocht voor dat geweldige poëem dat men oorlog noemt, en waarin de hoog-fijnste werkingen der berekening, der Rede, harmonieus samenkomen met de ontzachlijkste bewegingen van het gevoel: de Geestdrift, de Glorie, — samenkomen tot een drama; van de grootst gemoevementeerde kleur- en klankrijke plastiek, — door een diplomaat, die zulk een hartstocht, met het echte, en door te weinigen begrepen, dandy-begrip, in zijn hoofd en gelaatsbewegingen ver-heeldhouwd zou hebben tot een ingetogen glimlachende, en majestueus zuivere, ivorige, hard-donzen, kalmte, — : ,De Oude Garde en de Jongste Schoolquot;.

De letters staan er met hun zwellingen en slinkingen als spinachtige zuiltjes, die te gelijk jonge lenteboompjes zouden zijn, uit wier schors gewei-vormige bloemetjes van bros paarlemoer opranken. Zij staan er, als in vast en toch kwijnend orgelend praten, zoo als het in de hooge orde van overeenstemming behoort, alles en toch niets zeggend.

Zij zijn een vinger-wijzing, met al het dramatische van een gebaar, met al het mystische van een wenk, met al het getemperd intentierijke van een symbool, met al het zwijgend-vriendelijk inlichtende van een kruiswegpaal. Zij zijn leuk als een uithangbord, betoogend als een vaandel en uitnoodigend als een portiek. Zij zijn het balustradetje van een koningskroon en het kommerciëel-heraldike naamwerk op een magazijnknechts-uniform pet. Zij zijn een rei, een koor van Milo-Venussen, vrouwelijk- en man-

40

ocr page 52

DE OUDE GAKDE EK DE JONGSTE SCHOOL.

nelijk, slank en krachtig, teêr en vast, zij zijn als her-mafroditen in russisclie-prinsessen-rouwtoiletten over de te grootheid hunner eigen schoonheid, zij zijn reeën met de knische en zwierige linkschheid van pas-beginnende buffet-jufvrouwen.

Zij zijn een laan van Lenótre-populiertjes die zoo schalks en zoo goedaardig door hun openingen een niet-te-zien zomerpaleis vermoeden doen.

Zij zijn als het gestyleerd gebit van eens kunstigen lachers mond. Zij zijn als de openmond-lach van een kinderlijken grijsaard, die juist met Sint-Niklaas een suikeren miniatuur-kerkgebouwtje begon te kauwen. Zij zijn als een glimlachvormige wolksliert in een blank-blauwe avondlucht.

Zij zijn een muur van harpen, een cótillon-figuur op een pages-bal, een reeks blinkend gepresenteerde geweren.

Zij zijn de vensteren-falant van een zwaar arsenaal, van een reinen tempel, van een grootsch boudoir.

Zij zijn de lenige clowns op de estrade van een circus lichtend in den kermisnacht, zij zijn de stijlen der koningen-guillotine.

Zij zijn een burgemeesterlijke keten en de halssnoer van een zangeres. Zij zijn de vlootmasten, waaraan de oorlogszeilen blank en vol zich zullen spannen; zij zijn de grotstalaktieten van bedwongen tranen. Zij zijn de tieten van een slang, de tentoonstelling der afgehouwen tepels van de moeder der nederlandsche letterkunde, zij zijn een stoet van kippenteenen.

Zij zijn niets van dat alles. Zij zijn het geslepen ornament van een tandarts-pinkring.

Op de woorden van het algemeen opschrift, volgt de

41

ocr page 53

rgt;E OUDE GAIÏDE EN DE JONGSTE SCHOOL.

nadere omschrijving van het werk als geheel: , Studiën over de letterkundige geschiedenis van den dagquot;. Hier moet de text dus navertellen wat met de eerste woorden eigenlijk bedoeld is. De titelbedoeling wordt duidelijker maar meteen verkleind. De letters zijn kleine en vele, en veel vertrouwelijker samen dan de eerste groote, die nu iets stugs en koels krijgen. Zij zijn dicht in een, zij zijn een babheling van kneuterige gezelligheid, zij zijn een dorp door een verrekijker gezien, zij zijn de fotografie van een bewegingsmoment eener schare dartelende pasgeboren geitjes, zij zijn het geprevel van een deviesachtige evangelie-fraze voor de preek, zij zijn het blad met hors-d'oeuvre-boter, garnalen, olijven, sardines, worst, tomaten, radijs — van een franschen maaltijd, eene bescheiden kitteling toeschijnend, ziltig bijna-geurend als essence van zeelucht, abtijtelijk als een flakon met strandwandeling-resultaten, zij zijn de heugelijke en opperste oester, die is als hief men de zee aan zijn lippen om in één teug de reine bedwelming van haar gekoncentreerd aroma te drinken, zij zijn de beker van den zeegod, als hij 's nachts over de stranden dwaalt, bezingend in zijn sublieme toasten de witte gratie van 't ballet der meerminnen en najaden, of als hij smachtend tuurt naar de gulden scheepjes met gazen zeilen, waarin op divans van donzig licht-groen satijn de bevallige en sober afgerond mollige, de kokette luiheid der sirenen gevlijd licht, bleek zilver belicht.

Daarna het woordje „doorquot;. O, als de uitroep van een met liefdevollen schroom geüitten tantenaam, vaderlandslievend oranje als een eihart, koen en recht en breed als een laatste voorwoord, als holtetjes van trompetten, als

42

ocr page 54

DE OUDE GARDE EN DE JONGSTE SCHOOL.

een horoskoop en als vier koffiekopjes, als een dubbele bril op een en^elscli toeristen-gezicht, als een tunnelpaar, waardoor het geweldige straks zal komen, groot en alleen, als geschreven door de wonderhand in Belsazars paleis, staat daar dat enkele woord.

En dan ....

Maar alle gekheid op een stokje als een vlaggetje vol fantasietjes dat wordt opgerold. Ik wilde alleen maar te kennen geven, dat het werkje van den heer Ten Brink zeer goed gedrukt is (te Nijmegen).

43

ocr page 55

. 1 ; msasssiwsmmm , j ■ H

ocr page 56

EEN A OI I T E II .Mil) D A Gr.

ocr page 57
ocr page 58

EEN ACHTERMIDDAG.

DOOR

De. A. ALETKINO.

Aan A. HKNRIQUES DE CASTRO.

In de doffe loomheid na het koffiedrinken, was hij neêrgevallen in zijn luien stoel, niet in staat om te gaan werken en in de trage, lauwe kamerlucht had hij zich langzamerhand machteloos gevoeld om op te staan en hij was blijven droomen, wezenloos en zwaar, in de vage drijving van zijn gedachten, deinend als de wolken tabaksdamp, die laag in den kamer hingen.

Onder den verdrietigen invloed van den regenachtigen Octoberdag, was zijn moedelooze bui der laatste dagen tot een uitbarsting gekomen, hem krachteloos makend en lam.

Vreemd waren hem die buien niet. Soms duurden ze weken achtereen, eentonig grijs en maakten hem onmachtig om te denken. Dan verdwenen zij plotseling en hij voelde zich weêr als te voren; alleen bleef een zekere vermoeidheid achter, alsof hij dagen lang ziek was geweest.

ocr page 59

EEN ACHTERMIDDAG.

In het sombere licht van een dreigende regenhui, dreef in zijn kamer een donzige schemer, stil en droomerig glijdend over de meubelen.

Alleen bij de vensters stond een waterig geel licht, vreemd afschijnend van een zonnige wolkplek, valsch klinkend tegen den doffen toon der schemering.

Een fijne regen begon te vallen, dun, stoffig, zilverachtig zwevend in den gelen lichtveeg, die schuin over de natte straat en de glimpende daken aan de overzij heenstreek.

En onder de tintelende, geluidlooze trilling van den regen, loste langzaam de gele glans onmerkbaar op naaide lucht, waar alleen nog een heldere witte wolk afplekte tegen het dikke grauw er omheen.

Op eens herinnerde die vreemde lichtglans hem aan jaren geleden.

't Was een winderige zomerdag. Hij reed met zijn moeder en zuster in een boeren rijtuigje, over den naakten weg tusschen groote veenplassen. Telkens stond aan den kant van den rechten grindweg een spookachtige, hooge boom alleen, met groote, wijd-pluimende takken die een donkere plek heen-en-weêr schuivende schaduw op den grond maakten. Aan beide zijden van den weg lagen groote waterplassen, donker stralend in een voortdurende kabbeling, met breede, wijde streken puntigen, wegbrokkelenden zilverschijn. Hoog in de lucht witte een scherpe zon, strak glanzend in de ver-blauwe welving. Voortdurend gleden wollige wolken, van den verren horizont af boven de plassen, aan elkaar brokkend tot groote massa's en wêer uiteendrijvend in vreemd-randige stukken, snel gestuwd door den bollen wind,

48

ocr page 60

EEN ACHTERMIDDAG.

groote, donkere, angstige schaduwen over den grond glijdend, die geluidloos voortjoegen en in de ruimte verdwenen, schimmig en spoorloos.

Terwijl zij langzaam over den eentonigen weg heen hobbelden, stuwden de wolken dichter en grijzer ineen, geleidelijk hun schaduwen beneden aaneen voegend; de zon verdween achter de grijze massa die stil en statig opdreef' van ver en tegen 't blauw voortschoof. De wind begon grauw te vegen langs 't donkere water, uitbollend over den weg naar de groote streek land heel ver, waarop de zon scheve, gele strepen neêrstraalde in een breede galming van goud licht.

Een stuivende wolk regen kliefde van verre uit den grijzen hemel af, voortsuizend over 't water, snel door de ruimte drijvend. In een dwarrelende klettering straalden de dikke druppels neêr op het rijtuig, waarvan de zeiltjes waren neergelaten en donkerden de bruine huid van het paard, dat kittelig zijn ooren schudde en met zijn regelmatigen stap droomerig voortsopte over den natten weg.

Nu, terwijl hij soezend keek naar 't wegwijkend licht, voelde hij dien dag weêr. 't Was als hoorde hij den sop-penden, regelmatigen stap van het paard, waartusschen de stem van zijn moeder achter uit het rijtuig, gedempt, zacht, mompelend klonk, bedekt door het waaiende gekletter der regenstralen op de leêren kap van het rijtuig. Hij zag weêr dien geheelen dag voor zich, het dorp waar zij waren gekomen, het ouderwetsche, muffe logement, den vreemden stal met de wegduisterende paardentuigen en wagens; hij hoorde weêr de stem van den stalknecht, toonloos klinkend in de stilte als hij het

4

49

ocr page 61

EEN ACHTERMIDDAG.

paard toesprak en de metalen tikken er tusschen van de hoefijzers op den steenen vloer.

Dat was alles al lang geleden. Hij trachtte uit te rekenen hoeveel jaren er sinds dien dag voorbij waren gegaan, maar hij was te mat en telkens dwaalde hij af.

De lichtende plek aan de lucht was gluipend ingeschoven tusschen de grauwe wolken. De lucht was nu glad en toonloos, in een uitgestreken eenkleurigheid van grijzend wit. De fijne regen had opgehouden. In dikke, kleurlooze stralen viel de regen neêr, klakkend op de bruingele boombladeren, ruischend in het groenige grachtwater, dat opbelde in zenuwachtige trillingen.

In den kamer was de schemering ingedommeld tot een zware, fiuweele donkerte, log en bewegingloos hangend op den grond.

Voortsoezend dacht hij aan vroeger. Hij herinnerde zich den tijd. dat hij met zijne familie buiten had gewoond, de helle, lichte zomerdagen, de lange maanden die hij met vacantie thuis was. En in een vage vermooi-ing van alles wat voorbij was, voelde hij langzamerheid zijn groote weemoed opkomen, die hem verdrietig liet rouwen naar wat niet weêrkwam en angstig liet vooruit denken naar wat nog moest gebeuren. In een ziekelijk verlangen dacht hij aan de dagen toen zijn moeder nog leefde, toen hij nog een thuis had en toen er een huishouden was, door haar bijeen gehouden.

Na haar dood was quot;t uiteengespat en 't was hem na dien tijd geworden of hij voortdurend, zelf vreemd, leefde onder vreemden. Al langen tijd vóór haar dood, had hij geleefd in den onrustigen, krankzinnigen angst, dat hij elk oogenblik het bericht er van kon krijgen. W anneer

50

ocr page 62

EEN ACHTERMIDDAG.

hij Zondagsavonds van haar wegging en haar achterliet in de stilte van haar rustig huis, drong altijd de pijnlijke gedachte in hem op: als ik haar maar levend terugvind. En hij trok de weken om, winst rekenend als hij haar nog goed zag, schrikkend bij eiken brief dien hij van huis kreeg, soms in een plotselinge, benauwde vrees opspringend als hij dacht dat zij op eens kon sterven.

Eindelijk was 't toch gebeurd, 's Morgens vroeg had hij een telegram gekregen, dat zij erg ziek was en dat hij moest overkomen. Hij was weggehaast naar huis. Toen hij thuis kwam, was zij al dood.

Dat waren de twee laatste dagen, die hij in haar huis was geweest.

De eerste dag was voorbij gegaan in een rommelende, brokkelende drukte van brieven schrijven en beschikken voor de begrafenis, en de verdrietigheden die hij telkens ontmoette bij quot;t doorloopen van de leêge kamers of bij quot;t openen der kasten, hadden geen tijd gehad tot zijn bewustzijn te komen. ?s Avonds was 't geweest, als zooveel avonden, dat zij allen bij elkaar hadden gezeten onder de helder brandende lamp, in den gezelligen voorkamer. En telkens moest hij zich door het vele spreken heen, met alle kracht herinneren dat zij alleen boven lag.

Hij was naar haar kamer gegaan om iets te halen. Op zijn teenen loopend, alsof zij sliep, was hij binnen gekomen. De kamer was nog precies als quot;s middags, met't neergelaten gordijn voor 't half opgeschoven venster, waardoor de koude lucht binnendrong, 't gordijn in matte welvingen opblazend, 't Was een trillende, doffe stilte, die er hing

51

ocr page 63

EEN ACHTERMIDDAG.

over haar breede ledikant en diep drukte op de ongelijke plooien van het laken, waaronder zij lag. Hij had voorzichtig de kast geopend, waaruit hij iets moest halen, omschrikkend hij het knarsen van het slot, alsof zij wakker zou worden van den klank. Maar toen hij aan het bed kwam, voor hij wegging, zag hij, bij het licht van de kaars, dat zij nog lag als dien ochtend, rustig op zij gebogen met haar goedige hoofd, altijd starend naar hetzelfde punt op den grond, ver, ver weg.

En ook daarna voelde hij het niet, dat zij dood was.

Maar toen hij 's avonds te bed lag, in het kamertje naast haar, waar hij zoo dikwijls geslapen had in zijn vacantie en de dagen dat hij overkwam, toen was t hem, in het donker van een zenuwachtigen nacht, in zijn be-wustzijn gezeurd dat zij weg was voor goed. Telkens sluimerde hij in en telkens schrok hij wakker, helder van hoofd, moe van gedachte, altijd en telkens denkend aan haar laatste woorden ; ik ben zoo benauwd, ik ben zoo benauwd.

Nu, na al den tijd die er over heen was gegaan, na al de dingen die hij in die maanden had doorleefd, voelde hij weêr den drang naar zijn keel en de stralende vochtigheid in zijn oogen, zooals hij telkens dien nacht had.

Eerst 't was hem als dien nacht, of hij haar gezicht weêr zag, verwrongen, met de diepe voren om den neus en de groote oogen, zooals hij haar zoo dikwijls had gezien bij haar leven, wanneer zij angstig was.

Hij herinnerde zich het wakker worden den volgenden dag, het onmeetbaar oogenblik dat hij vrij was van het zeurende refrein, en het plotselinge opknijpen naar zijn keel: ze is dood !

Eerst dien dag had hij gevoeld dat zij er niet meer was.

r,2

ocr page 64

EEN ACHTERMIDDAG.

't Leek hem alsof het gevoel van haar dood-zijn er in-gevlijmd was gedurende den nacht, en nu niet meer los kon.'Overal was haar dood. In de drukte der huurlingen die haar kwamen afleggen en haar naar beneden droegen, onder een zwijgend, dompig gestommel in de gangen en op de trappen, in het ongeregelde van het huishouden, het vreemde van het huizen op den achterkamer die anders voor slaapkamer gebruikt werd, en door het valsche, bleeke, vreemde licht, dat van een lage lucht moeilijk hing over de stille sneeuw.

Buiten lag de sneeuw in een dikke laag, hoog opgewaaid tegen de muren en boomen, in diepe, gebogen kuilen geblazen tegen de hoeken waarop de wind speelde. Hier en daar waren gladde, kale plekken, dun beveegd met sneeuw door de tocht, die telkens scherp over den grond streek. Bjj elke windvlaag ruischte een stof van harde, kleine sneeuwvlokjes door de lucht, schurend en ritselend tegen de bevroren boomtakken, stuivend tegen de ramen, waar ze onmerkbaar werden geperst in de reten en sponningen onder het droomerig huilen van den wind.

In huis was 't langzamerhand rustig geworden. Tegen den avond was 't stil, een suizende stilte, recht opstaand in de gangen en de kamers, onbewegelijk en dicht.

Hij had voor den brandenden kachel gezeten, een langen tijd, hoelang wist hij niet. Achter hem was quot;t gordijn voor het raam hoog opgehaald en 't was of het zware, grijze licht, dat over de daken aan de overzij naar binnen dreef, langzaam en gestadig verdonkerd werd dooide treurige windvlagen. Ze bliezen tegen het raam met bol gewaai en piepend gefluit door de reten; hij hoorde

53

ocr page 65

EES ACETEKMIDDAG.

ze bolderen over 't dak en vallen in den schoorsteen en de kachelpijp met holle toonen, huilend, treurig klinkend als groote, diepe zuchten.

't Werd stiller en stiller. In de toenemende schemering dommelden zijn huisgenooten langzaam in, vermoeid dooide laatste dagen, en 't was hem of hij alleen zat, verlaten van ieder.

Sterker dan den geheelen dag voelde hij, op dat uur, de doode die heneden lag, alleen, koud in haar kamer, en 't was hem of haar onbewegelijkheid begon uit te ronden, verder en verder, van beneden af langzaam deinend en opdommelend langs de trappen, drijvend over de gangen, alles bedwelmend in een zachte, dikke laag grijze rust.

Toen had hij voor zijn geest gezien zijn geheele leven, dag voor dag, maand na maand, jaar op jaar, één lange, luidlooze, groote rij.

Telkens wanneer de wind met kracht in den kachel stootte, schrikte hij op; de beelden verdwenen en Tt refrein van den geheelen dag, vermoeiend en steunend, kwam terug: ze is dood. Dan zag hij haar weêr zooals hij haar in bed had gezien, bleek, op zij gebogen met haar goedige gezicht, starend naar den grond, ver, ver weg.

Buiten werd 't donker. De wittig-blauwe weerschijn van de sneeuw, die naar de lucht opsloeg, maakte of onder den donkeren hemel een fosforglans hing, koud en vreemd. In het toenemend duister klompten de voorwerpen in den kamer zwijgend weg, vormeloos, zwart, met strepen lichtschijn spookachtig glimmend. En 's avonds, terwijl ze allen boven zaten, was hij naar den kamer

54

ocr page 66

EEN ACHTERMIDDAG,

gegaan waar zjj lag, zacht en stil loopend onder het voorzichtig openen van de deur.

't Was hem of hij in een vreemden kamer kwam, waarin enkele stukken hem hekend waren; de kast in den hoek, een stoel, die aan de overzij stond, een voetenbankje van lichtblauw borduurwerk, dat ze vergeten hadden weg te zetten en nu levenloos op het tapijt af-plekte. Toen hij naar ze keek, kregen ze iets vreemds voor hem, een gezicht dat hij ze nooit had gekend; ze leken dood in hun zwijgende onbewegelijkheid. De groote spiegel boven den schoorsteen, waasde in een blauwach-tigen schijn, dof' en mat.

Suizend poederde de stilte van quot;t plafond af, naar onder over de withouten kist die in quot;t midden stond, in teêre; onzichtbare wolken spreidend over den kamer. De klok tikte met ernstige, bedaarde, doffe schokjes voort, starend met zijn wijzerplaat in de stilte, als een oud, veelwetend gezicht. Onbewegelijk en recht boorde de kaarsvlam naast de kist omhoog in de stilte, even zacht nijgend wanneer de wind door de sponning van het raam suisde.

In de sneeuwende dofheid onder 't raam klonken nu en dan een paar korte stemmen van voorbijgangers, krakend met hun stappen in de dikke laag op den grond; dan werd alles weêr dof en donzig.

Toen had hij zacht het deksel van de kist geschoven en de doeken losgemaakt, waarmee het gezicht bedekt was.

Zij lag, alsof ze nog te bed lag, altijd starend naar dat eene punt ver, ver weg, met haar hoofd op zij.

En hij had een tijd haar aangestaard en had haar gestreeld langs de koude wangen.

Daarna had bij de kist dicht gemaakt en was weg-

ocr page 67

EEN ACHTERMIDDAG.

gegaan; en zij was weer alleen gebleven, angstig alleen, met de lange brandende kaars aan het hoofdeinde, recht ophorend in de nachtstilte.

Nu, terwijl hij soesde, voelde hij weêr den dag na de begrafenis, in een snerpende kou; het reizen met haar lijk, achter den trein in een bagagewagen, het ophouden aan de tusschenstations waar de menschen onverschillig langs de waggons liepen niet wetend van den achtersten wagen, het moê voelen in zijn hoofd bij het schokken wanneer de trein over een wissel ging en hij in gedachten haar hoofd zag wiegelen heen en weêr, en altijd-door zijn smart die telkens opgolfde uit zijn borst naar boven, waar zo stuitte in zijn keel, die dichtkneep als moest hij stikken.

En daarna de lange, trage gang door de bemodderde, besneeuwde stad, met den wiegelenden lijkwagen vóór hem, de menschen die bleven staan kijken en die hij zag door de mist der bevroren portier-raampjes, den bochti-gen weg langs het water, een weg dien hij zoo dikwijls was langs gereden, en dien hij wist dat ook hij eens zou moeten afleggen lang uitgestrekt, schokkend vooruit, zonder terugkomst.

Hij voelde weêr als dien dag 't vermoeiende gevoel in zijn hoofd, dat, pijnlijk kloppend van ingehouden zenuwachtigheid, zwaar spilde op zijn hals, alsof 't elk oogen-blik zou afvallen; hij voelde het vreemde gevoel als op 't kerkhof toen hij de kist voor zich uit zag dragen in het stommelend gedrang der mannen, quot;t gevoel of 't zijn moeder niet kon zijn die weg was; hij herinnerde zich het plotselinge opschrikken toen de begrafenis was afge-loopen en 't tot zijn bewustzijn kwam dat zij 't was en dat ze nu voor goed weg was, voor altijd.

56

ocr page 68

EEN ACHTERMIDDAG.

De zware regen had opgehouden. In een zachte witheid dreef' het licht helderder over de straat, glanzende plekken glimmend in de zware plassen en over de blauwende steenen. Schuivend gleed de schemering uit den kamer voort; de voorwerpen hoekten langzaam uit de duisternis op. met scherpe kanten snijdend in het licht.

Hij stond moeielijk op uit zijn stoel, mat, duizelend van vreemde dofheid en liep suffend een tijd lang heen en weêr, denkend aan den dood dien hij zoo dichtbij had gezien.

Hij kende den dood al lang. Eerst waren het onbekende menschen geweest, die hij dood had gezien. Die hadden geen anderen indruk op hem gemaakt, dan dat quot;t voorwerpen waren, die men zeide dat eens geleefd en gedaan hadden als hij. Zij waren hem altijd onbegrijpelijk geweest in hun zwijgenden menschenvorm en nooit, wanneer hij voor ze stond, kon hij zich opdringen dat ze eens geleefd hadden.

Daarna had hij menschen zien sterven. De meesten had hij een tijdlang gekend; maar 't waren vreemden geweest, aan wie hij nu en dan eens gehecht was, omdat zij langen tijd onder zijn behandeling waren gebleven. En zijn gevoel voor den dood was verstompt en hij was den dood gaan beschouwen als iets onbegrijpelijks, dat buiten hem en de zijnen omging.

Maanden had hij voortgeleefd in de berusting van zijn gedachte.

En als soms bij het bed van een patiënt, aan wien hij gehecht was, de vroegere gedachte bij hem op-waande dat de menschen die hij liefhad ook eens zoo zouden liggen, hijgend en zonder bewustzijn, en dat er een dag zou komen dat ook zij bewegingloos als voor-

57

ocr page 69

EEN ACHTERMIDDAG.

werpen zouden worden weggedragen en hij ze nooit zou weerzien, als hij dan weêr de angst voelde die hij in het begin zijner studie had gehad, een angst die dreigde hem krankzinnig te maken van machtelooze vrees, dan duwde hij, stampvoetend van verdriet, die gedachte met alle kracht weg, omdat hij de beroerdheid niet wilde voelen, die hij nog in zij11 leven moest hebben. En langzamerhand was hij die gedachte gaan weghouden voor zich zelf en had haar opgeborgen in zijn geest, moeite doende om haar niet meer te voelen.

Zoo was hij langen tijd rustig gebleven. Maar op eens was, door den dood van zijn moeder, weêr zijn vroegere angst opgekomen. Na haar sterven was t of alles wat hij vroeger voor den dood gevoeld had, alles wat hij had trachten te bedekken met andere gedachten, of dat alles opwrong in zijn binnenste, grooter en forscher dan voorheen, of de doodsgedachte was gegroeid, in stilte voortwoekerend als een giftige schimmelplant, alles bedekkend met een grauwe, onoogelijke laag.

En als vroeger was hij weêr den dood gaan zien overal, een spottenden, grijnzenden dood, die altijd met hem meeging en die telkens zijn gelen lach opkraste, wanneer zijn gedachten de koude kleurloosheid van zijn leven deden opblauwen tot een warmer tint.

De heldere lichtglans aan de lucht was ongemerkt weêr weggeschoven achter de vuilwitte wolken. In een wuivende schudding der boomtakken schoot de wind uit met een langen ruk, een breede klettering van druppels uit de bladen klakkend tegen de vensters. De regen begon weêr te dalen, eindeloos, eentonig en gelijk, in een zware, maathoudende tikkeling. Dompig begon de

58

ocr page 70

EES ACHTERMIDDAG.

duisternis neer te glijden van de vette lucht, zich lagend, en zacht, dichter en dichter.

In de moedelooze neêrslachtigheid van dien middag, voelde hij een wanhopigen lust in zich opwoeien, zich zelf pijn te doen. En hij spande zijn gedachte op de ellende die nog moest komen, op al de dooden die hij nog om zich heen moest zien, zijn toekomst verwend met een breede, duistere doodstint.

De gedachte kwam in hem op aan den tijd dat hij zou neêrliggen, overtuigd dat hij ongeneeslijk ziek was, voelend dat zijn leven ongemerkt, gestadig wegvloeide uit zijn moewe lichaam en hij ging na hoe hij zou voelen wanneer hij wist dat hij nog maar kort had te leven, terwijl hij den dood zou zien opsluipen naar zich toe, langzaam en stil.

En hij dacht aan zijn meisje. Al lang had hij haar dood in zich gevoeld, 't Was in zijn ziel vastgeslagen. plotseling, als de klauw-greep van een wild dier. korten tijd nadat zij geëngageerd waren.

Zij hadden gewandeld, heel ver huiten langs de zee en waren in het gras van den zeedijk gaan zitten. Voor hen uit rimpelde de watervlakte, kleurig als de binnenkant van een zeeschelp, met vage, lichtgroene schijnsels overschijnend in grijs en rose. Telkens, wanneer de wind van achter den dijk over het water streek, moireerde de vlakte in kleine ruwigheden die onmerkbaar oplosten in de staage rimpeling er omheen. Tusschen het gras soemden insecten droomerig heen en weêr. En boven, in het lichte blauw, plekte de zon, plat en groot, in een zilveren harden glans, een strakken schijn vegend langs de lucht. Hier en daar dreef een wollige, donze wolk glijdend voort, statig, ernstig voortgaande, breedhangend

59

ocr page 71

EEN ACHTEKMIDDAG.

in de ruimte. Langzamerhand liadden ze gezwegen en zij was ingesluimerd, lang uitliggend op den grond.

Gedachteloos hleef hij naar haar zien, spelend met zijn handen door het gras. Onder haar gesloten oogen lagen diepe .schaduwen, afgrijzend tegen de kleur van haar wangen, wit door het omstaande groen, haar mond was halfopen en onmerkbaar blies een kleine ademhaling tusschen haar stille lippen door. Ze lag zwaar rustend, onbewegelijk in het licht, achterover met haar armen langs haat-zij, stil in de stilte rondom.

Plotseling leek 't hem of ze veranderde in haar rust en terwijl hij vooroverbuigend op haar keek, was 't of de zachte ademhaling ophield en ze doodlag, dood.

Na dien dag had hij haar gezicht niet meer uit zijn herinnering kunnen dringen, zooals ze neêr lag met half geopenden mond en uitgewischte uitdrukking en telkens voelde hij de pijnende gedachte: eens zal ze zóó liggen en niet meer opstaan. Dan zag hij haar voor zich zooals hij zoovelen gezien had en dikwijls was 't hem, als hij naar haar keek, of haar gezicht veranderd was, met twee groote, donkere gaten voor oogen en een grijzenden glimlach, breed uitgetrokken om haar witte tanden.

Hij nam haar portret van zijn schrijftafel. Veranderd door den vreemden lichtschijn die van buiten kwam, was 't of het strakblikkend gezicht, dat hem wezenloos aanstaarde uit de lijst, leek op haar gezicht toen ze achterover lag, bewegingloos en bleek, of het 't gezicht was van een doode.

En terugvallend op zijn stoel, dacht hij aan den tijd van ellende, die komen zou. Hij peinsde hoe ze zou sterven en hij haalde de doodsgezichten op in zijn

60

ocr page 72

BEN ACHTERMIDDAG.

geest, die hij gezien had toen hij in het gasthuis was. Ze kwamen één voor één op, luidloos zwevend, met dezelfde uitdrukking van moeheid en kalme stilte. Zij gleden voorbij, schimmig en vaag; eene was hem duidelijk bijgebleven met haar donkere haar en haar groote oogen, in den hoek van een zaal.

Zou ze sterven als Alida ?

Hij dacht aan den tijd die komen zou, dat ze ziek zou worden; dan zou hij zien dat ze ongeneeslijk was, hij zou weêr doormaken wat hij doorleefd had met zijn moeder, de pijnlijke spanning van haar beter worden en weêr instorten en eindelijk, na lange, sombere dagen, zou de dag komen dat hij aan haar bed zou zitten, machteloos om haar te helpen, radeloos wroetend in zijn onvruchtbare wetenschap, terwijl hij wist dat ze ging sterven.

Mat geslagen door de benauwende smart, die in hem opweende, rilde hij ineen in een moede losvalling van zijn krachten.

En in den eindeloozen weemoed over zijn bestaan, waarin hij den dood altijd en overal zou voelen, bleef hij staren in de fulpen duisternis, die langzaam zijn kamer opvulde.

Buiten daalde de onzichtbare regen gestadig neêr, weemoedig voortgezweefd door de weenende waagingen van den wind.

61

ocr page 73
ocr page 74

STUDIES OYER KUXST.

ocr page 75
ocr page 76

STUDIES OVER KUNST.

Dl )OR

JAN VETH.

ODILON REDON.

Een lithografie van Odilon Redon, uit een bundel „La Nuit:quot; Zij is mij het kompleetste wat ik nog zag van die voorstellingen, gedacht door dezen suggestieven artiest, wien de zichtbare wereld om haar zelfs wil wel volslagen onverschillig schijnt. Zijn concepties zijn, wat men gedrochtelijks vermoedt in de vochtvlekken van een kapotten muur, wat men vreest in de duisternis, en als uit de geestenwereld ziet in een bangen droom, vastgehouden door een lucieden minnaar van het wonderbaarlijke, die geneigd is de meest subtiele vaagheden zijner aandoeningen tot symboliesche Gezichten te veralgemeenen.

Zij schijnt begonnen met een stomp stuk heel vet lithografiesch krijt, een beetje plomp, met iets als het tik scha dat bij ons Holswilder heeft in zijn beste oogen-

ocr page 77

0d1l0n keuon.

blikken, — hol;' al zwart, en daarin dan licht gevaagd, gekrabd, gekratst, gepriegeld en geprutst, — gescheerd en gescharreld, met een nies er in geschrapt en geschraapt, en dan weer driftig hewreven, bewurmd, bewriemeld en bewroet met krijt, bij plekken doodmoe gewerkt, vast doen vreten, tinten gemaakt zooals men met gebrande kurk op vet papier kan krijgen, en dan nog weer breede, helsche lichtschrammen er in geschrijnd, sarrende streken er in gezaagd en met inkt donkere vlekken gestopt, - tot alles eindelijk werd een woelige warwinkel van bizarre rommelige mysteriën, rijk en rijp, diep en krachtig, — beurtelings wild-üuweelig donker, rauw-ruig en vast vet-grijs. met groote, jagende, fosforiesche schijnsels, zóó dat de

schrale, stugge steen een heerlijk teekenveld lijkt.

*

In een wonderlijk nachtelijk verblijf, te midden van een onrustig urmen en kreunen, een gereutel en een geronk van duivelsch zwarte tonen, waartusschen een kil, rillend kelderlicht dringt, en met in een hoek van het vierkant een rare Byzantjjnsche toog uit een soort van basiliekgewelf, zit, in een verweerden hoogen leuningstoel, op zij gebogen, een verlept, voos, veeg. vunzig ventje, een zwarte lap dicht om't vogelverschrikkerslijf geslagen, met iets als een urn of vijzel op tafel vóór zich staand. — zittend of hij daar al onheugelijk lang zoo zit, als een versteende schim, een beetje verzakt: een doof, onbewegelijk, koppig spook, met een stram handje, leunend aan den rand van de gebutste toovervaas, wachtend yeduldis;. wachtend eindeloos, zonder doel.

o o ■

ocr page 78

ODILON HEIifiX.

Een pappig kaal schedeltje, en, boven een leêrenjuk-heenlooze wang, een van zijn plaats gedwaald, gespalkt, verwezen weifelig opstarend oog, komen onder 't schram-pend licht. Het andere oog in schaduw valt schuw halftoe als van een uil die knipoogt, als men hem aanziet. Een kolossale, gerekte, zwammige, bonkige snavel-neus brengt het mummelmondje van sippe lippen en den weggevreten kin, in één zwaren toon met de donkere, verschrompelde, als gebrande wang, waarin de duistere zweem van een verborgen grimlachen zwerft. Langs den kop neêr warrelen dikke plukken veterharen.

Fit het brouwsel van de vaas waar hij schuins achter zit, broeit een zware, grimme, grauwe miasmatiesche stoom op, waaruit een paar blaasjes wegzweven als gedachtenspatten: embryonaire werelden.

En half embryo, half ruïne, is die facie als de kavalje van een dronkemansgezicht, de karikatuur van een kind-schen tooneelvrek, een uitgezakt, vermold, beschimmeld menschenbakkes, — de kop van een philosoof, dien men na duizend jaren vindt zitten in het puin van een bedolven stad. Het is het beeld van een tragieschen, verbijsterden beeneter-lijder, het is een verhongerde, vergane, sjofele droomer-naar-het-onmogelijke, een afgetobde, verdwaasde asceet, een zieke, apathieke somnambule, een onnoozele maniakke alchimist, een sullige, versufte sukkel-Faust, een zwijgende, tot Piet-Lut verlummelde ideeën-Don-Quichot.

Februari '88.

(57

ocr page 79

EGYPTISCHE KUNST.

.... een algemeene impressie van den aard dier onwrikbare ras-geloovigen, die niet hun machtig denken aan het eeuwigdurende, hun scheppingen dachten voor een andere wereld, het bestemmingsoord voor hunne dooden, wie zij aan den stillen woestijnzoom afgelegen grafkamers bouwden.

Rondom in die duistere graven, beitelden zij, langs de vlakke kalksteenen wanden, met star-gestuwde hand, taai-gegrifte groeven uit tot grootsche, karig geordonneerde koilanaglyfen, waarop in rijen van barre, strenge figuren, de veldslagen en triomftochten en offers en begrafenisplechtigheden hunner heerschers staan verbeeld, als plechtstatige vertooningen door majestueuze fiegmatieke automaten, allen gelijkelijk gerekt van bouw, stereotiep de bizar gekapte koppen van ter zijde, de hoekige schouders dwars naar voren gekeerd, de lendenen rank, met strak uitstaande korte schenti's, de beenen schrijdend, en de armen met waardigheid gesticuleerend, de een na den ander in zijn stellig doen vastgezet met een immense schoonheid van groote lijn. En impozanter nog hebben zij uit zwaar te wentelen rotsblokken tot vervaarlijke gestalten de massieve statuen uitgehouwen van hunne grooten, die, ver-

ocr page 80

EGYPTISCHE KUN'SÏ.

69

eeuwigd door liet zware zwoegen van hunne eerbiedige kunstenaars-knechten, niet vaste mummie-achtig aaneen-gehouden lichamen, gezeten zijn in hun porfieren onver-zettelijkheicl, ons uit een kaal, hol sfinx-gelaat, breed van neusvleugels en plat van lippen, niet amandel-oogen indo-lent-hoog aanstarend, als geslepen koele kolossen, geknot door een godenwrok, van een grooter planeet neergesmakt in dit ondermaansche; onverstoorbare giganten, verdwaald in de pygmeeënwereld van dit wrak geslacht, waar slappe zoetsappigheid hen onschoon heeft geheeten, hen die heerlijk zijn door sterkte boven mate.

Hun koningen en hunne dooden, heeft het aloude koppige volk van den Xijloever, duizenden van jaren vergood met aristocratiesch-barbaarschen eerbied, — in hunne overweldigende monumenten hebben zij de statige getuigenis gelaten van dat geweldig, ingeworteld, barsch ontzach.

Oct. '88.

ocr page 81

UERKINDEREN'S PROCESSIE VAN HET H. SACRAMENT VAN MIRAKEL.

L'art du peintre tie tableaux et l'art du peintre applique ii 1'arcliitecture pro-cèdent tres différemment.

De schilder die liet bovenstaande aan liet hoofd plaatste van de korte toelichting bij zijn werk, blijkt door deze stelling van Viollet le Due in zijn schild te voeren, iemand te wezen, die gelooft dat de groote constructieve Idee, het grondbegrip der werkelijke iftm^-kunst, waarvan ons de Gothiek de heerlijkste voorbeelden heeft gelaten, dat dit ingeboren gevoel nog het levend eigendom is van modernen. Dit zij zoo. Wanneer wij er nu op ingaan, hoe Derkinderen, in verband met de bouwkunst zijn kunst opvat, denkt men zich hem als droo-mend van een groote Totaalplastiek, een Gesamint-kunstwerk, zooals Wagner het wilde voor het Drama, een plastiek, waarin geen medewerkende kunst de meerdere of de mindere zou zijn, maar waarin, gelijkgezind, de beeldende kunsten harmoniesch zouden saamwerken tot één ontzachlijk geheel, eendrachtig opgebouwd uit verschillend belichaamde gevoelens van eenzelfde orde, tot

ocr page 82

oerktsdeken's processie van met h. sacrament van mirakel. 71

het opperst-symboliesche monnment van één groot en schoon gedachten-leven.

De iu zulk een geheel aangewende schildevlamst, zal zich onderwerpen aan de lijnen en vormen der structuur, mede om de schoonheid van het geheel in het gebouw te verhoogen, en op haar beurt van de plaatsing in het geheel, naar de constructieve, wellicht ook do symbo-liesche beteekenis van het deel in het geheel, een bepaalde wijding te ontvangen. Dienende zal zij zóó hechter staan, zich voegende zal zjj sterkte erlangen, de wetten aan welke zij zich onderwerpt zullen haar macht en houding geven. Het is klaar dat de aard van het schilderwerk, dat in uitdrukking zoo innig gepaard wil gaan aan de groote expressie van een bouwwerk, een gansch andere zal zijn dan die bij een schilderij, waarvan de bedoeling doorgaans geen andere is, dan geheel door en uit zichzelf dominant, en buiten verband gedacht met eenige omgeving, een onafhankelijken gezichtsindruk als op zichzelf staand geheel voor te stellen.

Doch zelfs al denken we ons hier het verband tusschen gebouw en schildering inniger dan dit bij de opgaaf van Derkinderen mogelijk kan zijn geweest, de eerste eisch van elke muurschildering blijft, een muur te beschilderen, zóó dat de muur niet een schilderij worde, maar in haar aspekt muur blijve, d. w. z. eene vlakke wand, die niet wijken mag noch schijnen dat te doen, en juist op de plaats waar zij staat, noodwendig verbindt, draagt en een tastbaren grens aangeeft.

Om hieraan te voldoen zal de artiest dus vanzelf stille kleuren hebben aan te brengen in een eenvoudig samenstel van vakken, en het zal goed wezen als die egale

ocr page 83

dekkinderen's processie van uet

tinten gehouden zijn in het kuder van aan stuc-werk en baksteen en pleister verwante kleuren, zoodat zij naaiden aard wiMMr-kleur en zijn.

Wat de lijnen aangaat, de op den muur gebrachte voorstelling, zal niet gedacht moeten worden gelijk een schilderij uit één gezichtspunt gezien te zijn, maar de effen figuren zullen als in projectie aan den wand geschreven staan, en het in de compositie aanwenden van een groote leidende lijn, in de richting van de grootste afmeting van den vlakken muur, ligt voor de hand.

Het is aan al deze artistiek-fondamenteele eischen van een muurschildering, dat Derkinderen, geleid door zijn groot en zeldzaam begrip, waarschijnlijk half bewust en half intuïtief voldaan heeft, toen hij het grootsche gezicht

zijner verbeelding een aanschijn gaf.

*

Dat gezicht kan niet op eenmaal klaar in zijn geest-verschenen zijn. Na nauwgezette studie van veelvuldige gegevens, zal de artiest steeds meer het accidenteele verwijderd hebben, en inmiddels de voorstelling van zijn geest allengs stelliger bepalende, uit het wezenlijke in de afzonderlijke waarnemingen, hebben geabstraheerd het expressieve, wat zich eigende om mede zijn rustig willen zelve uit te spreken.

Want het was een stil gezicht wat hij zou geven. Hij w as niet iemand die in een processie, zoo oneigenlijk, een bonte parade ziet van pronklust en ijdelheid, maar een die haar vooral aanschouwt als een schoone daad van men-schen, die broederlijk opgaan in gemeenschappelijke devotie.

72

ocr page 84

H. SACRAMENT VAN MIRAKEL. !'■'gt;

Voor ons oog staat nu die stille stoet van menschen. die liet leven hebben ontvangen in zijn levenden droom. Niet doet elk hunner ons door direkt weergegeven noties uit de realiteit aan als levend een werkelijk bestaan, dat trouwens om zichzelf ons onverschillig zou blijven ; maar wij voelen dat deze gansche nobele visie krachtig heeft geleefd in de ziel van den kunstenaar, dat hij het schilderij bezield heeft met dit zijn eigen leven, en dat die emotie zelve, als wij, ontvankelijken, het kunstwerk aandachtig aanschouwden, tot ons is overgedragen.

Vooraan treden in de gedaante van engelen, als liefelijke simpele beeldjes uit zuiverwitte was, een rei van kleine maagden met onschuldige gezichtjes: blonde poorters-kinderen, gekleed in gesteven witte gewaden, en met bleekgouden vleugeltjes aan hare schouders gehecht; en vol zoete aanminnigheid spelen die op cimbalen. Daarachter gaat schuivend een sluike, kloosterachtige Sinte Margriet, in een langen lichtlila mantel, waarvan de sleep eerbiedig gedragen wordt door twee knaapjes in het wit. Zij leidt, aan een zachtrood koord; den schralen, giftig-groenen draak, die kunsteloos uit hout gemaakt is, en op rollen wordt getrokken als een groot stuk kinderspeelgoed, terwijl daarnaar met zijn lans de goede Ridder Joris steekt, die, blankgeharnast, recht in het gereide zit, op een hoog, voornaam, wit paard, getooid met peersche linten en tressen van modeste tint. Nevens hem treedt een strenge tengere meisjesfiguur, de Heilige koningsdochter Catharina, die wijs was in disputen; zij

ocr page 85

DEliKIXDEIiEN S l'HOI'E.SSIE VAN HET

houdt iu de hand het rad, dat naar de legende in stukken brak toen men haar martelen wilde. Haar staatsiemantel. die over het geele onderkleed valt, is mede licht-peersch, en wordt, als die van Sinte Margriet, met eerbied, door twee gedienstige engelen als sleepdragers, opgehouden. Als kleur voegen zich nog bij deze blonde groep, trommelaar en pijper in pijpaardkleurige jassen van een vreemd model, zooals men ze verbeeld ziet op een prent van Lucas van Leyden.

Hen volgen, met het fijngele vaandel geheven, — de schutterkoning trekt met de papegaai voorop — de drie dichte rijen boogschutters van Sint Joris, representeerende het corpus en den rijkdom der stad: naar behooren de helmen op, en over de halsbergen de sapgroene palt-rokken aan; waaruit grove mat-roode mouwen steken; en het linkerbeen weder groen en het rechter rood. Zij marcheeren als strakke rechtlijnige figuren op een Assyriesch bas-relief, de rij afgezien net in het gelid, met den ruwen regelmaat van soldaten, maar toch onder de pieuze stemming van het gansche schouwspel, als krijgers die zouden optrekken tot een heiligen oorlog.

Waarna de kerkedienaren komen met vaandel en crucifix, in bronskleurige dienstrokken, en onderkleeren waarvan liet wit het weerkeerende wit der koristen voorbereidt. De dwarsgekeerde magere magister-cantus, met zijn hoogen staf, geeft een stille maat aan voor de lief-loopende scholieren in de witte koorhemden, die met open vertrouwen in hunne minnelijke aangezichten een loflied zingen.

Dan wisselt liet wit tot terra-cotta-tinten, en volgen, zeer eerwaardig, hunne hoofden diep gedoken in de stijf-gouden Levietische koorkappen, de Parochie-geestelijken,

74

ocr page 86

H. SACRAMENT VAX MIRAKEL.

statig eu matig in mouvement, met hun verschillende expressies van oudere-heeren-clevotie, gebeden prevelend, de handen vroom aaneengelegd, als biddende figuren uit de zijbladen van oude altaarstukken. In hun midden dragen vier dienaren op een casse-burrie een groot zilveren Moeder Godsbeeld op de schouders omhoog.

Na dezen gaan int gevoech, de gezette blootgetonzuurde barrevoeters van Sint Franciscus, in zware grijze monnikspijen. plechtig van hun muziekbladen liederen zingend. De strenge voorste, als een boetprediker, draagt een kruisbeeld op hoogen standaard.

Aan hunne zijde stapt, het hoofd in den nek, met de aanmatiging van den schoutendienaar in wien het wereldlijk gezag gefigureerd is, een ranke roe-dragende rakkert, met een paltrok van bleek oud-rood, een heerlijke kleur naast het stille blond-blank der koorknapen, die hierbij den wierook dragen in een scheepje. Twee andere knapen volgen achteruittredend; die zwaaien met ernst en op de liturgiesche wijze uit de vaten den wierook toe, aan de hoofdgroep die na hen komt. in quot;t midden waarvan de pastoor, met den vesperkap hoog in den hals, die het spitsche gouden ciborium voor zich uit houdt, waarin de mirakuleuze hostie met zoo groot eerbetoon door de stad wordt gedragen. — Hij gaat, — en zijn hoofd komt onder de huive even in toon, — met diaken en sub-diaken in dalmatieken, onder het goudlakensch baldakijn, dat op vier stokken gehouden wordt door vier burgemeesters in wijde tabbaarden, die, in hun deemoedige houding, van de affectie doen blijken voor den dienst dien zij vervullen.

De roode stadsspeellui sluiten zich hierachter aan, en blazen zeer aandachtig, met van achter gerekte halzen.

ocr page 87

DERKINDEREN'S PROCESSIE VAN' HET

in de stijve horeninstrumenten, waaraan zachtgroene vaantjes hangen met kwasten, terwijl zij schoorvoetend gaan, als lieden die, met iets bezig, niet opletten kunnen waar zij treden.

De rij sluitend komen achteraan zetten, het grijze wijze schoutje en de achtbare vroedschap, met groote brandende luchters in de hand, ook in zware zwarte tabbaarden.

En wijl zij langs den IJkant gaan, is de bovenstrook van bet schilderij een lange reep lucht van bijna gelijkelijk grijs. Aan het begin achter de engeltjes, steken de vertegenwoordigers der gilden, die zich bezijden een altaartje hebben geschaard, hun teekens en blazoenen op hooge staken recht dat lichte grijs in, en de blanke outerkaarsen lijnen mede. Dan wordt de eentonigheid van de strook op de juiste plaats gebroken, door het roode plan van een opgesierd wachthuisje, dat met zijn top in de lijst steekt, en waartegen het gele vaandel der schutters geteekend staat. In de groote, nog restende strook lucht van het wachthuisje tot het einde, staan de mistig-grijze masten van de schepen in het IJ, als een bouwkunstig staketsel, waarvan het hoekige lijnenstel de figuren van de processie nog rustiger maakt. Met een vast inzicht is hier de schikking volbracht, door de juiste plaatsing van drie pyramiden schuins opstaand want, die de hoofdindeeling van het vak maken, terwijl het spel der liggende lijnen van de ra-zeilen, en van de ranke hangende gaffelzeilen, verder de vierkanten vult met een luchtig rasterwerk.

En de gansche processie zelf grooter overziende, vindt men op gelijken afstand van elkaar, de lichtpartijen van de groep om het groote paard, en van de partij der

76

ocr page 88

H. SACRAMENT VAN MIRAKBL.

koristen, en van die met den wierook, als drie groote volle bundels warm wit van blanke bloemkelken, tusschen de schakeeringen van jong ontloken kleuren uit een lichtenden grijzen morgenstond, — volgend na elkaar en keerend, als een omzichtig aaneengeregen snoer van teere tinten, langs het wijdgespannen doek uitgeplaveid naar 's kunstenaars geloof en welbehagen: sobere tonen allen, die zoo wonderwel zich voegden tot het zeggen van zijn ongerepte verbeelding.

In die teere tinten heerschen vooral de zedige nuances van blond-geel: roomgeel, en zacht chroomgeel en meel-geel en flanelgeel, — die tonen waardoor men het licht ziet gloren, wanneer men van een kerkgalerij neerziet op de pieuze pracht van het altaar, dat gehuld is in zwevende zachte wierookwalmen.

* *

*

In deze monumentale maar delicate kunst, heeft men de zuivere uiting te zien van een milde, blijmoedig geloovige natuur, die groot en kinderlijk het leven aanziet als een schoone stille processie van vrome brave menschen, die, van eenzelfden goeden wil bezield, ongestoord voorbijtrekken, om te zamen aan het einde neer te knielen in één hooge heerlijke kathedraal.

Jan. '89.

77

ocr page 89

W H I S T L E E.

Door de Driejaarlijksche Tentoonstelling te Amsterdam. (1889) hadden wij het voorrecht, drie stukken te kunnen genieten van den grooten Anglo-Amerikaan.

James Whistier, wiens naam als oorlog klinkt bij de prent-lievende bourgeoisie aan gene zijde van het Kanaal, maar wiens uitgelezen smaak, in het rustig voortbrengen van sublieme schilderijen, den zuiversten vrede zoekt voor zijn fijne zinnen.

Het portret van Whistler's moeder is een zeer nobel motief, met pieuze aandachtigheid gevat in een simpele visie, met luchtige nauwgezetheid en deftige gevoeligheid doorwerkt, en met innig overleg volmaakt tot een stil. ongerept geheel; —een meesterstuk is de beeltenis dier tengere vrouwenfiguur, van ter zijde gezien, geteekend in een lange lenige lijn tegen den neutralen wand, het bescheiden witte ouwedames-mutsje op het onderuit turende hoofd, met die bizondere uitdrukking van de ingespannen droomende oogen, die diep staan in het edele smalle gelaat. De handen gevouwen in den schoot, is zij op een eenvoudig stoeltje gezeten, in haar stemmige kamer met gedempt licht, zoo plechtig passief in hare houding alsof zij zich in een kerk bevond. Haar simpel kleed is van een dof Velasquez-zwart, en zoo zijn ook de strakke

ocr page 90

WHISTLER.

lijstjes aau den muur, en de stille portière, waar de ingehouden virtuositeit even een sierlijk spel vertoont, en grijze figuren niet losse hand in ge wipt staan, zoo fraai als de snelle zetjes geslierd zijn op een Japansche kakemono. Minder vertoon valt overigens niet te denken dan men in de doeken van Whistier vindt. Geleid door een hoog begrip van liet inzichzelf-decoratieve mooi van een schilderij, is het wezen zelf' van zijn opperst gedistingeerde sensatie, in een eenvoudigen toonschaal van twee, drie nuances, met vasten wil tot het gedegen geheel gecondenzeerd.

Hij laat in een ander schilderij, dat men meer moet bekijken om het aldoor mooier te vinden, gevoelen, hoe delicaat een doekje van de kleur van dof' bronsgoud uit kostbaar lakwerk, doen kan, als hij den vlakken toon er van, bij een hand en een wang van blozend email, blaast tusschen zijn stil aangestreken onstoffelijk grijs, met een zilverig kleurloozen achtergrond, — en drukt door de schikking dier tinten tot vlotte plans de onbegrijpelijksto gratie uit, in een beeld dat onnoozele toeschouwers doet zoeken naar wat zij de teekening noemen. Hij maakt een vorstelijk discreet schilderij in transparant matte verven, die ontleend schijnen aan de doffe poedertonen van voorname vlinders, en weet er met de diepe onzijdige kleuren, die met fluweelen kracht gezet zijn in een Cvpersch poeze-vel, een heerlijk ingetogen harmonie van te componeerCn.

Whistier is de geen twijfel kennende priester der Godheid van een onaantastbaar Schoon, dat voor dezen aristocraat van den Smaak, zich in het werk van den grootsten Spaanschen meester, en in den onovertrefbaren Hoku-sai heeft gemanifesteerd.

Sept. '89.

79

ocr page 91

FRANSCHE SCHILDERKUNST IN DEZE EEUW.

Aan den drempel der eeuw staat de strenge David, die den allengs verzwakten aclittiende-eeuwschen smaak had neergehaald, en nu de poorten te ontsluiten dacht voor den tempel van Frankrijk's nieuwe kunst.

Maar het was geen nieuw bloed dat deze man in het verslapte schilderen zou brengen; bloedeloozer kunst dan de zijne zat nooit op den troon. Alleen: in de noodwendige evolutie van den smaak, was hij de geduchte Herkules die een radikale zuivering had in te luiden. In dien zin waarlijk moet men hem achten een profeet te zijn geweest: een boetprofeet. Daarom is het dat men David nog zoozeer niet heeft te beschouwen als den man van een ernstig gemeend neo-klassicisme, dan wel als de ietwat droge verpersoonlijking van het anti-frivole in de kunst. Een eigenlijke omwenteling, heeft het optreden van David daardoor ten halve maar tot gevolg gehad, — een restauratie zou hij slechts dan tot stand hebben gebracht, indien het mogelijk ware in de kunst het gezag te herstellen, van wat niet langer zeer deugdelijk een levende kracht van de gevoeligste tijdgenooten is, en indien men in de schilderkunst iets duurzaams teweeg kon brengen, anders dan door in de eerste plaats zelf een echte schilder te zijn.

ocr page 92

FRAXSCHE SCHILDERKUNST IN DEZE EEUW.

Maar de sclioolsche despoot, die meende met den ernst van het antieke relief te prediken, een nieuwe monumentale schilderkunst te zullen grondvesten, de schilder van meestal muffe, berekende, groote samenstellingen, de man van die stelselmatige koude perfectie in een magere onpersoonlijke schildering, liet, als door een spottend toeval, een enkelen bewonderenswaardige!! aanzet na, in de beeltenis van de schoone Juliette Récamier, een der bekoorlijkste portretten die ooit werden geconcipieerd.

De beheerscher van den empire-smaak had een nederiger tijdgenoot, minder revolutionair en toch nieuwer, een man naar wien weinig werd omgezien, die meer dan hij nog in de achttiende eeuw stond, maar die oneindig meer modern is geweest, omdat zijn ruimere kunst door zooveel meer levends aanspreekt. Prudhon was in alles meer artiest dan David, en waar hij met de gratie van de vorige eeuw niet wenschte te breken, haar beschei-dêner, schuchterder, zielvoller wilde, haar een wijden adem bijzette, en haarzelve tot de breedheid der Grieken scheen te willen opvoeren, toonde deze begenadigde der Chariten, dat iets van de charmes van Corregio en Leonardo meer waarachtig in hem herleefd was, dan de Romeinen het waren bij den meester van het Fransche academisme. Prudhon was een zeer opzichzelfstaande persoonlijkheid, met eigen opvattingen, een eigen gevoel, een eigen voordracht, sleepend en vol, een eigen drama-tiesche kracht, een eigen licht-en-donker, dat groot was en mysterieus. En achter den sluier van zijn verlokkelijke zuivere gratie, in die maanlicht-atmosfeer, waarin hij zijne verbeeldingen hulde, brandde gestadig de zachte vlam van een milde, zoete passie.

81

6

ocr page 93

FRANSCHE SCHILDERKUNST IN DEZE EEUW.

Zooals een steen, die wordt heengepleierd over het watervlak, na zijn onderduiken telkens weer bovenkomt, zoo ziet men lang nog na hem een schijn van Prudhon's wereld telkens weder zich openbaren in het beste deel der aspiraties van Diaz, Henner en Fantin Latour.

Maar David had een aantal onmiddelijke leerlingen gevormd, waarvan onrustige geesten naar voren traden, die verder gingen dan de despotieke doctrinair had wen-schen af te palen. Een zwier die de stugheid van den meester niet kan hebben goedgekeurd, was er in de schier heroïeke werken van Gros, een krachtig schilderstemperament, maar die nog dobberend bleef tusschen de traditie van den vereerden leermeester en de nieuwe bloedrijker kunst die hij reeds in zich voelde; terwijl uit het atelier van Guérin en het zijne de vurige jongelingen zouden voortkomen, die den wil hadden en de kracht, en van welke Géricault het eerst met een onstuimig vermogen zich van alle aangeleerde stelsels vrijmaakt, en van d%n beginne af zich als een reus vertoonde, met een ontzettende fougue en een dramatiesche beweging, zooals men die sedert Rubens niet gekend had. Zwaarder, meer gezwollen, minder uitgesproken dan zijn bevoorrechte beschermeling, die weldra in zijn voetspoor gaan zou, scheen de breede figuur van den te vroeg gestorvene, de Jan Baptist van een nieuwe kunst, wier gezalfde, Eugène Delacroix, — de hooghartige, hij, die de weelderigheid, het overvloedige, de emphase van Rubens op zijn beurt bewonderde met al de kracht zijner minachting voor de gesuikerde poppen der peinture a la mode — een koninkrijk zou regeeren van vorstelijk voornamen hartstocht, in hoog gedragenbeweging en glorieuze kleur.

82

ocr page 94

FKAKSCHE SCHILDERKUNST IX DEZE EEUW.

Doch om de vrijmaking van de ontbonden kleur te volbrengen, had nog een komeet te verschijnen van over het Kanaal, van daar waar de nimmer stijve Gainsborough en de nieuwe landschapschilders nog iets bewaard hadden van den gloed van het Noordelijk palet, — en de vroegrijpe virtuoos, die zijn kameraads naar het Louvre en voor de Vlamingen voerde, behalve door zelve precieuze werken na te laten, leerde de geuzen dier dagen de waarde beter begrijpen van dat kernachtig Haneeren met den pen-ceele, waarmee voor hen een losse, rijpe schildering alleen te verkrijgen was. Bonington met zijn verfijnd kleurig palet, waarvan hij de transparante tonen tot een vlotte open behandeling aanbracht in een luchtig wimpelend licht, was een taalverfijner, een slijper van het outil,— maar het beste van wat Gros en Géricault, Charlet en hij bezaten, hield de man, dien men voor een woesten improvisator heeft willen houden, in zijn groot arsenaal vereenigd.

Voor Delacroix was het, minder nog dan voor Géricault, weggelegd onmiddelijke gezichtsaandoeningen weer te geven, — maar in een orkestrale samenwerking van hevig levende kleur, en een bewogen teekening van een aristocratiesch dronken kracht, liet deze verbeeldingskolos de verrukkelijke hoogte lichten van zijn eenig emotioneel leven, van waaruit hij het eerst de duistere diepten van extase van moderne Prometheus-zielen peilde. In de hooghartige koorts zijner ongemeten fantazie, laat hij de aarde zich openen, dat duizend trotsche en geslagen gestalten zich uit de diepte heffen, plotseling ademend in een lucht van luister, onder een eigen wijduitgespannen firmament, dat niet van deze aarde is, — en uit den klaroenen-klank van dien kleurenchaos, klaren stemmen

83

ocr page 95

FKANSCHE SCHILDERKUNST IN DEZE EEUW.

op, die ons aanvechten in lichtende vlammentaal. Dan reien zich de figuren tot tooneelen van wilde jachten uit een Oosten der fantasie, van romantiesch middeneeuwsche of Shakesperiaansche episoden, van tragiesche slagvelden of van triomfantelijke veldheersintochten, — alles willens naar geen ander ideaal gericht dan naar die eeuwige eenige schoonheidskracht, die in den heviger polsslag van een verhoogd Leven gelegen is.

Maar de stormende dichter van de kleur, de artiest van de nerveuze stuwkracht, de schilder van de Beweging, had een tegenvoeter in den achtbaren orthodoxen Ingres, de kleur- en schaduwvliedende, hij, die niethieldvan de verf, en wien alle passie wel zwakte leek: de ontwerper van tot statuen gestolde menschbeelden, die in een effen, stellige, geleerde kunst van vastheid en tucht, recht en hecht gebazeerd op de Grieken en op Rafaël, zooals die door hem begrepen werden, een leven van taaie inspanning en stelselmatig studieus overleg wijdde aan de uitdrukking van waardige monumentale Kust, gesterkt door de strenge synthese van koele naaktom-trekken. Wat de harde David eenmaal kon gewild hebben, vermocht zijn roemruchte leerling, ook als portrettist, door een waarlijk pieuze overgave, met oneindig echter adel te construeeren. En misschien is het waar wat een al te sceptiesch Nederlandsch schilder, die tot ons aller schade nooit in geschrifte zijn fijne oordeelvellingen heeft willen precizeeren, gezegd heeft: dat Ingres het was, die, meer dan iemand, den plastischen zin der Grieken, met het devote der middeneeuwsche kunst, in zijn werken tot evenwicht heeft weten te brengen.

Aug. '90.

84

ocr page 96

WALTER CRANE.

Queen Summer, or the tourney of the lily and the rose, penned and portrayed hy Walter Crane. London 18'Jl.

Zoowel als die voorname Florentijnsche beeldhouwers van de onvolprezen vroeg-renaissance, na langen duur van bewonderend aanschouwen en studieus vereeren der hervonden antieken, met den heimelijken zin van hunnen schoonen gevoelsaanleg, die geopenbaarde grootheid verwerken konden tot een per slot volkomen onafhankelijke, en in haar innigst wezen nieuwe kunst, — zoo ook heeft de artistieke cultuur van de beste Engelschen dezer dagen, uit alzijdige studie van velerlei ornamentiek en illumineer- en prentkunst, maar vooral ook uit geestdrift voor sommige der langmiskende quattrocentisti, bewonderingswaardige kunst van een waarlijk geheel bizonderen, zeer Engelschen stijl vermogen te creëeren.

In schilderij-kunst is naast liossetti, onder de levenden Burne Jones de beste glorie van die Engelsche pleiade — hadde de prerafaelietische mouvement niet anders dan diens King Kopethua voortgebracht, men zou daarom alleen die beweging dankbaar mogen zijn — maar in de kunst van het gedrukte kleurbeeldenboek, waarin tot

ocr page 97

WALTER CRANE.

heden alleen de Japanners zicli hoog hadden uitgesproken, is Walter Crane de artiest bij uitnemendheid van dit nog jonge tijdperk.

* ^

Zijn zoo pas verschenen boek, dat ik even wenscb aan te kondigen, is een uitgave om opgewonden over te zijn. En bet staaft zoo, hoe' de bemoeiingen van dien grooten decoratieven artiest, die met de deftige Engelsche Picture-books begonnen is, en ze na Cahlecotts dood, en nu Miss Greenaway schijnt uitgeput, victorieus alleen blijft geven, hoe zijn preoccupaties, in stede van, zooals de meeste goede dingen van dezen industrieelen tijd, in het leveren van marktwaar te verloopen, nog blijven voeren tot een altijd stelliger, vollediger, zuiverder kunst. Men ziet dezen van zijn streven zekeren zes-en-veertiger, die van jongsaf zich in boekenprentkunst verdiept heeft, rustig verder gaan in het opvoeren van zijn ingewikkelde, fiere kunst. Na met de pleizierige losheid van het ingenieuze Flora's Feast, eens een noodige escapade te hebben gemaakt, is hij teruggekomen tot zijn eigenlijke decoratieve orkestratie, en mij is dit zijn jongste werk wel bet mooiste wat ik nog gezien heb van dien onuit-puttelijken inventeur.

In wel zeer veel wijkt het boek af van het in Flora's Feast gegevene. De figuren zijn weer steviger, meer Dürer-houtsnee-achtig omlijnd, en terwijl zij bij Flora's Feast heel open stonden op het witte blad, zijn zij hier weder op een meest geheel gevulden fond gebracht, die vierkant is afgesloten door een strakken zwarten, en

86

ocr page 98

WALTER CRANE.

daaromheen een gekleurden reclitlijnigen rand. Hij is teruggekomen tot voller zwart, en gebruikt nog minder zware kleur, waarmee, door liet verder aanwenden van eenvoudig teekenende kleurstrepen en enkele volgegreinde tinten, nog meer dan vroeger wordt uitgewerkt. En de halfgesclireven letters van den tekst van Flora's Feast, die daar wel goed in samenhang kwamen met de half geschreven figuren, zijn Ijjj de vaster en meer ornamen-tieke beelden hier, prachtig geserreerde gothieke getij-boek-letters geworden, die juist op de beste pagina's, daar waar de voorstelling het volledigst aan eenige verbeelde realiteit verre staat, het mooist zich huwen aan der welgevulde teekeningen rijken stijl.

Mooier chromotypografische illumineerkunst dan men vindt in het nobele, teergetinte, fijngevulde titelblad, — mooier dan in het daaraanvolgende, waar de zonnige zomerfee vreemd gracelijk troont in haar idealen hof, behangen met tapijten van ornamentiek gebladert, met dienende enigmatieke engelen, de liefelijke zomerwinden, nevens haar geposteerd, — mooier dan het blad waar, onder den troon van de schoone koningin, de blanke herauten met gouden ring uit de zilveren trompet van de ranke Aüronskelk, den strijd verkonden tusschen lelie en roos, — mooier dan die heerlijk gevulde dubbelbladen, waar de volgeharnaste bloemridders, strak in de stijgbeugels, en met gestrekte lansen, bij het bazuinen der zefiers op elkander inrijden, tot de slankarmige koningin liet tournooi beslecht door onder de kampioenen neer te dalen, van haar hoogen zetel omlaag, — mooier dan het arcadiesche vredetafereel onder den olijfboom, — mooier eindelijk dan, na waar de strijders zijn opge-

87

ocr page 99

WALTER CRANE.

beurd, en het gras is vlakgemaaid, en de paren zicli gereid hebben ten clans: bet wonderscboone slotblad, waar de feestende bloemen in reien zweven bij het gezang van den nachtegaal aan den zoom van het geurend bosch,

— mooier kleurcombinaties bij smaakvoller overdaad en trotscher gratie, is het mij voorshands niet gegeven in prentenboeken mij te denken.

Den krachtigen idealist van deze precieuze prentverbeeldingen, zie ik als een man van gelukkig gestel, die bekoord wordt door zwanenstaatsie en gratie van vlug vogelengevedert, en pronk van bloemen en festoenen van ooft, en door wijde zomerluchten en forsche vegetaties, en rijpe pracht in schakeeringen van waardig vrouwenschoon. En den saveur van het genotene heeft hij gevat in een enkele allegorie, gezwollen van weelde en voornaamheid, en het gevonden beeld heeft hij gekoesterd en al weer opgesierd met bloemen van gedachte, bloemen van vinding en fantasie: bier weder een bloem en daar nog een, en daar weder een subtiele kokarde van geest,

— strooiend voor zich heen een schat van overladen schoonheid uit gouden korven van eruditie en poëzie.

Zijn Queen Summer zelve is een liefelijk trotsche Titania, gekleed in de natgeplooide tuniek van Goujon's allerslankste najaden, stijlvol open, en slechts lichtlijk archaïstiesch geteekend door een verwandte van Boticelli en Mantegna, in een schitterend heraldiesch stel van fraaie Grieksch gecadanceerde lijnen.

En heel het blanke boek vol vrouwen en ridders en bloemen, laat voor mijn oogen een nagezicht van mooie vakken, waar rijk maar rustig aan elkaar, een regen .staat neergeschreven van drukke patronen, dooreenge-

88

ocr page 100

WALTER CRANE.

strengelcl als de spits uitgespreide hangers van wonder-gewrochte chrysantemums, — bladen met gedragen vulling in vertakte teekening, als op een zwaar harmonieus borduursel, — bladen met een gedempte glorie van ingelegde kleur, gelyk in de fonkelende facetten van een bleek geschilderd kerkraam, ver en vol illusie, —• vakken van een teergekleurd lijnenvlechtwerk, doorgevoerd in rythmen die strooken met des kunstenaars vorstelijken zin voor rijpheid en gulden overvloed.

Nov. '91.

89

ocr page 101

EEN PORTRET.

Men moet niet van vlak in de buurt, uit het Mauritshuis komen, en daar juist voor dat. tegenwoordig tot copie herdoopt, aanminnig vrouwengelaat van Holbein, lichtvaardig hebben gezworen, dat toch enkel door die strakke zedige zuiverheid, de roerselen van latente uitdrukking in een menschengezicht kunnen worden blootgelegd. Men moet niet met de helle zon van buiten nog in de oogen bin-nenloopen, en alle in stemmiger kamerlicht passende schilderijen op eens maar tot paletbruin veroordeelen. Men moet wel gaan zien zonder gezelschap van dien lastigen vijand van stelliger kritiek; artistiek humeur. Men moet, bedoel ik, zelf' niet te vol van wat willekeurig anders zijn, en zich willen gewonnen geven door een sterke uiting, — en dan zich eens stellen voor dat portret van Roelofs dat door dien jongen grijsaard. Jozef Israels, geschilderd werd, en dat kortelings, zonder dat naar het schijnt iemand zich opgetogen betoonde, in het Stedelijk Haagsch Museum op den Vijverberg geplaatst is.

ocr page 102

EEN PORTRET.

Wel, dat is niet het nauwlettend navolgen der in haar innig verband subtiel nagespoorde wezenstrekken, in zulk een gekomplikeerden ouden kop. Het is niet het gave, achtbare, duidelijke konterfeiten wat zoo onnavolgbaar onze voorvaders wisten te doen. Maar dit is iets nog meer onnavolgbaars, nog bewonderenswaardige rs, nog hoogers. Het is het schilderen van de verschijning in haar mysterie van leven, het is het geven van dat wat Huygens de menschenschaduw heeft genoemd. Het is het broeiend schemerende vastgehouden, het onvatbare gegrepen, met wonderlijk diep peilend gevoel, dat geleid wordt door machtig verstand. Het is met verfstreken gesabeld en gefoezeld, zonder spoor van systeem, recht op den man af, het aanzien van dien rustieken knobbeligen kop, met zijn half puilende, half opgeslokte vormen in groote schaduwen aangezet, —• en dat een adem aangeblazen, dat van een wereld omgeven. De oogen; niet de vormen der oogen, maar hun stille kijken, — de mond: niet de lijn dei-lippen, maar iets gemoedelijks dat beweegt onder dien grimmigen grijzen snorbaard, —- de merkwaardige type: maar niet het documenteele er van, doch het leven, en dat verheerlijkt. In rijke soberheid, zonder bedoelde peinture, völzegd het leven, met het zeldzame, het ééne noodige.

Die dat maakte is in een kunst, die zoo ontzachlijken omvang van gaven vergt, een wonderdoener, die alle bruikbare middelen ongebruikt laat, spottend met de inspanning van vaardige konterfeiters. Hij geeft den droom van het levend aanschijn. Hij is de portrettest van genie.

Maart '92.

91

ocr page 103
ocr page 104

B O E D D H A.

ocr page 105
ocr page 106

B O E D IJ H A. EEN DIALOOG

DOOK

FREDERIK VAN EEDEN. 1)

Vanhoutenios. Hoe nu, Schaepmannias ! — is dit een vleierij of een uitdaging dat gij, midden op de Agora loopend, mijn geschriften leest ?

Schaepmannias. Houdt gij mij voor zóó laf, o Vanhoutenios, dat ik mijne tegenstanders zou vleien, of voor zóó strijdlustig dat ik hen onnoodig zou uitdagen? — Maar ik doorzie u, gij wilt een platonischen dialoog houden.

Vanh. En al ware dit zoo, waarde Schaepmannias, zou ik daarom te misprijzen zijn? Zeg mij, houdt gij de tweedracht voor een goede zaak of slechte?

Schaepm. Voor een slechte, Vanhoutenios!

Van h. Ik ook, Schaepmannias. Eu zeg mij, moeten

1

De leer van Boeddha, door Sndhara Biekshoe. Uit het Duitscli vertaald door Mr. S. van Houten. 's-Gravenhage, Mouton.

ocr page 107

BOEDDHA.

Avij een slechte zaak bestrijden of niet, als wij er kans toe zien?

Schaap m. W ij moeten haar zeer zeker bestrijden.

Vanh. En waardoor denkt gij, o mijn beste, dat wij eerder de tweedracht zullen benadeelen, door een dialoog te houden of door geen dialoog te houden?

Schaepm. Door geen dialoog, Vanhoutenios.

Vanh. Luister goed. Is de tweedracht een bestaande zaak ?

Schaepm. Helaas, zij bestaat.

V a n h. En geen dialoog, is dat een bestaande zaak ?

Schaepm. Hoe zou iets, dat niet is, kunnen bestaan,

o Vanhoutenios ?

Vanh. Zeer goed. Zeg mij nu nog dit: zal een bestaande zaak eerder bestreden worden door een andere bestaande zaak of door een niet bestaande zaak ?

Schaepm. Eerder door een bestaande, naar ik meen.

V a n h. Gij spreekt de waarheid. Hoe zullen wij dus meer kans hebben de tweedracht te bestrijden, door geen dialoog te houden, of door wel een dialoog te houden ?

Schaepm. Ik geef mij gewonnen, Vanhoutenios. Wij zullen wél een dialoog houden. Laat ons daarom den weg naar den Piraeus inslaan en aan quot;t Kurhaus een bittertje gebruiken.

Vanh. Zooals ge wilt, mijn waarde, al waren quot;t er twee. Wees dan thans zoo goed mij toe te staan mijn eerste vraag te herhalen. Wat zoekt gij in mijne geschriften?

Schaepm. Wijsheid, Vanhoutenios.

Vanh. De goden verleenden u reeds bescheidenheid, voortreffelijke Schaepmannias. En zocht gij met vrucht?

Schaepm. Zeer zeker, Vanhoutenios. Ik vond reeds

96

ocr page 108

BOEDDHA.

deze wijsheid onder 't lezen, dat wie zegt het zonder de goede goden te kunnen stellen, vroeg of laat bij de val-sche goden troost gaat zoeken.

Vanh. Gij leutert, o Schaepmannias!

Schaepm. Ei zoo, mijn waarde. Dus is het niet waar dat ge eiken kristelijken godsdienst hebt verlaten ?

Vanh. Dat is volkomen waar, Schaepmannias.

Schaepm. En dat je nu eindigt met troost te zoeken

in____ God vergeve het u ! — in het Boeddhisme ! Dat

je je arme zondaarsziel nu nog gaat wentelen in het slijk van heidensche afgoderij.

Vanh. Je leutert, Schaepmannias, ik zeg je dat je leutert. Je hebt er niets van begrepen. Je houdt het Boeddhisme voor een godsdienst.

Schaepm. Zoo noem je het zelf in je voorrede.

Vanh. Dat is uit gewoonte. Het kan geen godsdienst zijn, want er komt geen eens een God in. Je bent net zoo dom als ik vroeger was, maar ik had ook geen bronnenstudie, dat zeg ik er eerlijk bij in mijn voorrede. Ik heb het Boeddhisme ook voor afgoderij gehouden, en Boeddha zelf voor een afgod met drie gezichten en een heeleboel armen of met een olifantskop — enfin! zoo'n gewone domme godsdienstkraam. Maar dat is mij meegevallen. Die Boeddhisten zijn nog zoo gek niet, soms zeggen ze zelfs heel verstandige dingen, die Büchner of ik ook konden gezegd hebben. B.v. dat er geen wonderen zijn en geen persoonlijke God! Wat zeg je daarvan? Neen, mijn waarde, het Boeddhisme is een wijsbegeerte, geen godsdienst.

Schaepm. Hoe heb ik het nu met u, o Vanhoute-nios. Heb ik niet goed gelezen dat gij het Christendom door het Boeddhisme wilt bestrijden ?

97

ocr page 109

BOEDDHA.

V anli. Dat hebt gij goed gelezen, Schaepmannias.

S c li a e p m. Maar aangezien het Kristenclom wel een religie is en het Boeddhisme geen religie, en aangezien wel een religie een bestaande zaak en geen religie géén bestaande zaak is, zoo wilt gij dan toch het zijnde door het niet zijnde bestrijden ?

Vanh. Dat is flauwe kletspraat, Schaepmannias!

S c h a e p m. Integendeel, Vanhoutenios, het is de artistieke terugslag van het aanvangsmotief van onzen dialoog. Ik bedoel dit: gelooft gij dat de Kristenen hun godsdienst zullen laten varen voor iets dat geen godsdienst is ?

Van h. Wacht eens — ik bedoel niet dat alle Kristenen Boeddhisten moeten worden. Op bl. 3 en bl. 8 van mijn voorrede zeg ik zeer duidelijk dat ik in het Boeddhisme „leemten en gebrekenquot; meen te „ontdekken,quot; — bescheidenheidshalve spreek ik van „meenenquot; en van „m. i.quot;, want je moet niet vergeten dat het Boeddhisme een respectabele zaak is van 2400 jaar oud. Het is wel een fraaie wijsbegeerte, maar defect, voor een „kritisch oogquot; namelijk — zooals staat op blz. 4. Juist door die ongelukkige „ leemten en gebreken,quot; kan het voor onzen tijd als wijsbegeerte niet dienen, 't Is jammer, maar 't is zoo.

Schaepm. Als wat moet het dan dienen?

V a n h. Als leerstof.

S c h a e p m. Als wat ?

Vanh. Als leerstof. — Als algemeene leerstof. —Zie blz. 1 en blz. 8.

Schaepm. 't Is plezierig — je wilt de menschen hun godsdienst ontnemen en in de plaats daarvan krijgen ze... leerstof! — nog wel algemeene leerstof!! Vroo-lijke lui, jelui liberalisten !

98

ocr page 110

BOEDDHA.

Van li. Met je welnemen. Schaepmannias, — die leerstof van mij is toch altijd heel wat minder taai dan de leerstukken die jij je volgelingen voorzet. Kijk eens hier — daar heb ik een fraai pendantje van mijn Boeddhistisch vragenboekje. De catechismus van Msgr. Swijsen, de groote en de kleine. Het is de moeite waard die boekjes eens te vergelijken, 't Jouwe is nog al van een aartsbisschop en 't mijne maar van een bedelmonnik. Maar zie dat verschil eens! Bij den Boeddhist: eenvoud, helderheid. gezond verstand, de ruimste vrijheid, de uiterste nederigheid, de grootst denkbare zachtzinnigheid. Bij den Katholiek: tirannie, ijzeren dwang, onduidelijkheid, onverdraagzaamheid, bedreigingen en bangmakerij, sofisterij zelfs en een heele omhaal van mystieke formaliteiten en ceremonieel.

Schaepm. Haddet gij, o Vanhoutenios! wat meer bronnenstudie gehad, dan zoudt gij nog veel meer der-gelijken omhaal — zooals ge 't blieft te noemen, — in 't Boeddhisme gevonden hebben.

Vanh. En waarom dan, o Schaepmannias, is jouw aartsbisschop niet zoo wijs geweest als mijn bedelmonnik en heeft hij er dien omhaal niet afgelaten ? Maar er zou dan van zijn vragenboekje niet veel overblijven.

Schaepm. Ik geloof ook dat er niet veel Boeddhisten zouden overblijven, als je de bronzen beelden en de tempels, de bloemen en den wierook wegdeedt.

Vanh. Best mogelijk. Ik vind het ook jammer, dat mijn bedelmonnik de katholieke sofismen verkondigt omtrent beeldendienst. Dat behoort tot de „leemten en gebreken,quot; die ik heb „meenen te ontdekkenquot;. Maar jouw vragenboekje is een en al leemte, — mijns inziens altijd.

99

ocr page 111

BOEDDHA.

Schaepm. Permitteer me de opmerking, waardste Vanlioutenios, dat je over de twee grootste religies der wereld spreekt, alsof het aanvullingswetjes van onzen vriend Domelanios waren.

Vanh. Welnu, wat zou dat, o Schaepmannias ? Ik ben Mr. S. Vanlioutenios, een verlicht liberaal, en voor de vierschaar van mijn verlichte rede staat de grootste religie in aanzien gelijk met het kleinste aanvullingswetje. Watblief ? — Ik erken dat beide religies te veel specu-leeren op de domheid van het volk en dat zoo iets niet te pas komt. — Maar ik zeg ook dat de katholieke godsdienst treurig afsteekt bij den Boeddhistischen, als je deze vragenboekjes vergelijkt. Sla eens op vraag 124 van mijn boekje:

„Moet de verstokte boosdoener eeuwig voor zijn slechte daden boeten ?quot;

„Neen, zegt de Boeddhist. Geen tijdelijke schuld, hoe zwaar ook, kan eeuwige straf ten gevolge hebben.quot;

En wat zegt msgr. Swijsen op pag. 39 van zijn catechismus omtrent de uitersten der goddeloozen :

„De goddeloozen zullen hebben een rampzaligen dood, een verschrikkelijk oordeel, een schandelijke verrijzenis en de eeuwige pijnen der hel.quot;

't Is plezierig. Gezellige lui, jelui clericalen! Schaepm. Ik waardeer, o Vanlioutenios, den artistie-ken terugslag van het tweede motief van onzen dialoog.

Vanh. Let dan maar eens op, ik sla nog meer terug. Lees nu eens hoofdstuk 56, 57 en 58 van jouw catechismus, over volmaakt en onvolmaakt berouw, en verder over die genade in soorten, alsof'tkleingoed was, vier bladzijden lang — en daarnaast de vraag van mijn Boeddhist;

100

ocr page 112

BOEDDHA.

„Vraag 140. Dragen boete en berouw niet ook bij tot onze zelfvolmaking en verlossing ?quot;

„Ja, maar door boete en berouw alleen wordt niets bereikt, want de eeuwige gerechtigheid laat zich niets afdingen, afsmeeken of afdwingen.quot;

„Berouw, dat niet tot handelen leidt, is volmaakt nutteloos, evenals jammeren en weeklagen.quot;

„Even nutteloos is elke boete in uiterlijke dingen, d. i. het opleggen van de eene of andere straf, zelfkwelling of iets dergelijks.quot;

En lees nu nog eens hier, de korte, grimmige verklaring op pag. 27 van Swijsen's catechismus :

„luiten de ééne nare kerk is er geen zaligheid!'quot; en daarnaast bij mijn bedelmonnik:

Vraag 141. „Leerde Boeddha, dat slechts aanhangers van zijne religie de verlossing kunnen bereiken?quot;

„Neen. Boeddha verkondigde de heerschappij der zedelijke wereldorde en der eeuwige gerechtigheid en deze vraagt er niet naar, wat iemand gelooft of nietquot; ....

. ... „ Ieder ontvangt loon naar verdienste, onverschillig of hij al dan niet Boeddhist is.quot;

En vraag 142. „Eischt liet Boeddhisme, andersdenkenden te haten, te verachten of te vervolgen?quot;

„ Integendeel. Het beveelt ons alle menschen, van welk ras, nationaliteit of geloof zij ook mogen zijn, als broeders lief te hebben, de overtuiging van andersdenkenden te ontzien en zelfs allen woordentwist over religieuze dingen te vermijden.quot; (Ik souligneer, Schaepniannias !)

„ ... . nooit en nergens is ten behoeve van de uitbreiding van het Boeddhisme bloed vergoten, nooit heeft het, waar het overwicht erlangde, andersdenkenden vervolgd of

101

ocr page 113

BOEDDHA.

onderdrukt. Wie de waarheid niet inziet of niet liooren wil, schaadt slechts zichzelven en wekt bij den Boeddhist medelijden, geen haat.quot;

Mij dunkt, dat je dit in je zak kunt steken, mijn beste! En dan nog jelui gehaspel met visch of' vleesch ! Die goede kerkvaders dachten zeker dat visschen geen beesten waren, omdat ze niet schreeuwden. Dan is de Boeddhist ten minste konsekwent:

.Ik beloof geen levend wezen te dooden of te kwetsen.quot;

.Ik beloof..., geen dranken te gebruiken die een roes veroorzaken, en geen dierlijk voedsel te nuttigen.quot;

Dat beloven de Boeddhisten. Ik zou zeggen, dat daar karakter in zit!

Schaepm. A propos! — Vanhoutenios! — blijft het nog bij ons plan. . . van dat bittertje?

Vanh. Zeker, waarom niet? —Ik ben geen Boeddhist.

S c h a e p m. O, mijn beste, wat zijt ge dan eigenlijk wel ?

Van h. Ik ? — Ik ben liberaal-sociaal-gezond wijsgeer.

— Zie blz. 8 van mijn voorrede.

Schaepm. Hou je mij soms niet voor gezond?

Vanh. Ü wel, o Schaepmannias! maar je religie niet, evenmin als het Boeddhisme. Aan beiden ontbreekt, zooals ik het in mijn voorrede zoo gelukkig uitdruk: .een gezonde zedeleer ten aanzien van de plaats die het streven naar zingenot in het leven behoort in te nemen.quot;

Ik bedoel dat ik niets hou van die malle overdrijving in soberheid en matigheid. Alle overdrijving is ongezond

— en die zoogenaamde extase van monniken en boeddhisten, dat is toch wel de zuiverste ziekelijkheid. Dat is puur zenuwlijden, hypnotisme, hysterie — anders niks!

102

ocr page 114

BOEDDHA.

Schaepm. Maar het schijnt mij, o Vanhoutenios, dat gij dan handelt als de hoemoeopathen en kureert similia similibus. Gij bestrijdt een ziekelijke religie door een ziekelijke leerstof.

Vanh. Nu ja — maar ik wil ook alleen maar .den gezichtskring verruimenquot; — zie blz. 7. Het Boeddhisme moet me maar wat helpen. — De menschen moeten zeggen: „hé? kan je de zaak ook zóó beschouwen!quot; — dan zijn ze al een beetje aan quot;t nadenken en clan zeg ik er direct bij. dat je de zaak zóó ook niet moet beschouwen, — maar weer anders.

Schaepm. Hoe dan?

Vanh. Nu, zooals ik er b.v. over denk en andere moderne wijsgeeren. Bovendien zeg ik in mijn voorrede dat ik, ondanks de leemten en gebreken zeer met den Boeddhistischen catechismus ben ingenomen.

Schaepm. He! als die goede Boeddha dat nog eens had mogen beleven.

Va n h. Ja ! en dat wel .wegens de hooge verhevenheidquot; — zooals ik mij nauwkeurig heb uitgedrukt—- „van het Boeddhistische individueele ideaal.quot;

Schaepm. Dat ideaal bestaat, als ik wel heb, daarin, dat ieder op zijn eigen houtje zoo gelukkig mogelijk tracht te worden, door stil te gaan zitten niet zijn duimen tegen elkaar, naar den punt van zijn neus te kijken en aan Nirwana, d. i. aan niets te denken.

Vanh. Je wilt het ridicuul maken, Schaepmannias. Maar ik geef toe dat het indicidueel ideaal der Boeddhisten een .verfijnd egoïsmequot; is, kijk maar op blz. 4 — en dat onze maatschappij naar hoogere sociale idealen streeft.

Schaepm. Wat nu, o Vanhoutenios? Zijn onze idea-

103

ocr page 115

BOEDDHA.

len nu weer liooger ? Wat vind je nu eigenlijk hooger, onze sociale idealen of de individueele idealen der Boeddhisten ?

Vanh. Ik vind dat de Boeddhisten hun ideaal hooger opvoeren, — opvoeren, begrijp je! maar zooals ik op blz. 7 zeide, juist door dat hoog opvoeren „komt de afwezigheid van elk sociaal ideaal des te scherper aan 't licht.quot; Ze moesten er nog een paar flinke, sociale idealen bij hebben, bedoel ik, dan was 't misschien goed.

S c h aep m. Maar mijn voortreffelijke, niemand kan toch tegelijk voor arbeiderswetten, volksonderwijs en uitgebreid kiesrecht zorgen en over Nirwana zitten soezen.

Vanh. Men zou 't misschien kunnen afwisselen. Maar ik zeg ook in een noot, dat ik dat soezen afkeur, als zijnde van pathologischen aard. Zeg jij er ondertusschen maar niets van, — jou martelaren deden niet beter.

Schaepm. Ho! ho! — waarde Vanhoutenios! — dat wordt te kras. Ik heb je tot nu toe laten uitpakken, maar nu zal ik het je eventjes anders beduiden. Wou je de gewijde aandacht, de godvruchtige bespiegelingen van onze vromen vergelijken met het denklooze suffen van jouw domme Samanen? Zie je niet het eindelooze verschil tusschen iemand die in liefde en vereering denkt aan zijn God en iemand, die in een staat van uiterste wezenloosheid zich vereenzelvigt met het niet ? Hoe hebben menschen, schepselen Gods, de onbeschaamdheid hun hoogste Wezen iets te noemen, dat wij niet anders kunnen uitdrukken dan door niets? En hoe kunt gij, Vanhoutenios, de beleedigende verwachting koesteren van uw volk, dat het iets als eerbied of waardeering zou voelen voor een secte, wier hoogste geluk en troost de

104

ocr page 116

BOEDDHA.

ijle ledigheid is. Jouw Boeddhisme, mijn waarde, is Godsdienst zonder God, is hazepeper zonder haas, — ik hen niet bang dat ons godvruchtig en hezadigcl volk er een mond aan zetten zal.

En wat gij nog durft prijzen in die rampzalige godloochenaars, mijn vriend, hun zachtzinnigheid, hun nederigheid, hun afkeer van dierlijk voedsel, — dat alles is niets dan verderfelijke zwakheid en onnatuurlijke weekheid. Het zal juist hun vloek en hun ondergang zijn. De Boeddhisten zijn nog slechts een hoopje mijmerende weekelingen.. .

Vanh. Amice! er zijn er 450 millioen...

Schaepm. En al waren er honderdduizend millioen...

Vanh. Hei! je doet me schrikken...

Schaepm. Ik zeg, al waren er ook honderdduizend millioenen, als kaf zullen ze verstuiven voor den adem der Kerk. Een volk dat geen vleesch eet en geen God erkent, al telt het zijn zonen bij milliarden, — het zal zwichten voor de kleinste natie die gelooft en zich behoorlijk voedt.

Vanh. Ja, dat hebben voor een eeuw of drie die arme stumperts van Amerikanen ondervonden. Het zou je geloof ik wel lijken, nog eens zoo'n opruiming onder de Boeddhisten ook te houden, zooals vroeger je dierbare Spaansche geloofsgenooten in Mexico en Peru onder de zachtzinnige Incas hielden, toen de goede papa Alexander VI permissie gegeven had.

Schae p m. Oude liberalistische lasterpraatjes! De Kerk kent geen andere triomfen dan geestelijke! Niet de phv-sieke machteloosheid van dat volk, maar de onzinnigheid van hun leer zal hen ten verderve leiden. Ga eens na,

105

ocr page 117

BOEDDHA.

wat is het zwaartepunt, de kern, tie ziel van hun religieuze wijsheid? Welke ergerlijke, onzinnige, hemeltergende zotheid ? De zielsverhuizing! O Vanhoutenios ! Vanhou-tenios ! hoe verblind ik u ook achtte, dat had ik niet gedacht! Dat grieft me ! Dat bedroeft me diep ! Dat gij u opwerpt als verdediger, als verspreider van een leer, die zegt dat wij menschen, evenbeelden Gods, na onzen dood veranderen in dieren of bewoners van de maan en de sterren. Dat gij de mogelijkheid nog wilt toelaten, nog wilt bespreken zelfs — dat wij menschen, individueel en identiek, vroeger geleefd hebben als kikkers in een sloot of als koeien in een stal! De mogelijkheid bijvoorbeeld, dat ik, Schaepmannias, over honderd jaar zou kunnen loopen als een trampaard voor een tram, en gij, Vanhoutenios op mijn oor zoudt kunnen zitten als een bromvlieg. Dat ik, Schaepmannias, in de gedaante van gindschen Ulmer-dog, u, Vanhoutenios, in de gedaante van een Ciperschen kater in dien boom zou kunnen jagen. Of dat wij beiden als twee musschen eenmaal zouden pikken in wat daar op den weg ligt... .

Vanh. Maar mijn voorrede! Schaepmannias! lees dan toch mijn voorrede ! Daar zeg ik het immers, ronduit, dat ik het voor een fantasie, houd, een , volmaakt onbewezen en onbewijsbare fantasie!quot; 't staat op blz. 3! Kan je meer verlangen ? Kan het duidelijker ? Een , geniaal uitgedacht middelquot; noem ik het, want dat meen ik. Maar bewezen ? waarachtig niet. Boeddha zegt dat hij 't bewezen heeft. Maar ik zeg: ten onrechte ! Het staat in mijn voorrede: ten onrechte ! Dat houd ik vol tegenover iederen, tegenover Boeddha zelf!

S c h a epm. Dat kunt gij gemakkelijk zeggen, mijn waarde!

10(5

ocr page 118

BOEDDHA.

Va nh. Zoo! — zou je denken? — Xu, als je 't dan weten wilt, — ik lieh het tegenover Boeddha volgehouden.

Schaepm. Wat? — Hoe meen je dat?

Vanh. Luister, Schaepmannias. Maar beloof me plechtig je mond te houden. Want ik zou het vervelend vinden als er in de koffiekamer van quot;t Prytaneum over gekletst werd. Een poosje na het schrijven van die voorrede heb ik van Boeddha gedroomd.

Schaepm. Gedroomd? — Hoort dat wel bij je gezonde wijsgeerigheid ?

Vanh. 't Is waar dat droomen pathologische verschijnselen zijn — maar — zooals ik ook in de noot van mijn voorrede zeg — van den lichtsten graad, zooiets als verkoudheid of hoofdpijn — dat heeft ieder wel eens. Ik droomde dat ik in Nirvana was. . .

Schaepm. O ja juist — nu herinner ik het me — ik heb je zitten benijden — 't was bij de zitting van verleden Dinsdag. Je droomde toen dus dat je nergens was. . .

Vanh. Neen -— 't was wel ergens —- en 't was er heel plezierig. Zoo'n soort hemel of paradijs, maar zonder malligheid van goden, engelen of heiligen — er was niets wat me hinderde — geen enkele dorainé of pastoor

— en onderen anderen heerlijk neutraal onderwijs, verrukkelijk neutraal! Toen kwam er een oude heer naar me toe — ik begreep in eens wie 't was — dat gaat zoo in droomen. Hij zag er uit om een cent te geven,

— maar anders wel een kranige oude vent. Ik ga naar hem toe, zeg mijn naam en presenteerde mij als een Hollandsche collega.

Boeddha zegt: ,In geen mijner levensvormen mijn zoon! heb ik chocolade gemaakt.quot;

107

ocr page 119

BOEDDHA.

Kijk, Schaepmannias, dat was hard. Hoe moet ik nu een buitenlandschen naam krijgen, als die lamme firma er overal dat nuchtere begrip cacao aan verbindt?

„Prins Siddharta!quot; zei ik, „uw wijsheid valt mij tegen. Ik doe niet in cacao, maar in politiek en wijsbegeerte. Wij zijn collega's in het beoefenen van volksverlichting en in het beoogen van het heil der menschheid.quot;

Boeddha: Welken graad van heiligheid hebt gij bereikt, mijn zoon? Zijt gij Arhat, zijt gij Bodhisattva? zijt gij Boeddha?

Ik. Pardon! prins Siddharta! — Uwe Hoogheid zal wel weten dat wij Westerschen niet van die overdreven dingen houden. Ik ben een gezond, degelijk, Hollandsch liberaal. Maar ik gloei steeds voor de belangen van sociale welvaart en volksonderwijs.

Boeddha. Is uw volk wijs en gelukkig?

I k. Zoo ! zoo! — hun gezichtskring in niet erg ruim, zooals wij dat uitdrukken. Xu heb ik naar leerstof gezocht om dat te verhelpen. Wij, Westerschen, zijn nog te veel verslaafd aan de dwaalleeringen van den achterlijken oud-Israëlietischen godsdienst. Om het Westen daarvan te bevrijden, hadden wij, — wij. de wijzen van het Westen, — nog een religie noodig. En wij zijn zoo vrij geweest de religie van üwe Hoogheid daarvoor uit te kiezen. Als

O O

leerstof; begrijpt ge, — volksonderwijs! — Ik hoop dat het uwe goedkeuring wegdraagt!

B o e d d h a. Zijt gij blind geboren, mijn zoon! dat gij het Licht der Wereld met handen dragen wilt en het niet zien ?

Ik. Wees zoo goed, waarde Prins, u wat familjaarder uit te drukken, — wij Westerlingen zijn niet zoo opge-

108

ocr page 120

BOEDDHA.

schroefcl. Ik wilde eenvoudig onze jongelui een tweede .godsdienstleer nevens de voorvaderlijke leer laten aanlee-ren,quot; — zooals ik dat ergens fraai heb gezegd. Daarom hoef ik nog niet aan die leer te hangen. Maar ik beken — waarde Siddharta, — let wel, ik beken er zeer ingenomen mee te zijn, — ik heb dat in een voorrede er bij gezegd, toen ik haar aan ons volk verkondigde. Ja ! — weet Uwe Hoogheid wat ik zelfs gezegd heb —■ u zult er lekker mee zijn : dat de overweging van uw leeringen zelfs den beste onder ons niet zal kunnen schaden. „Den bestequot; — en dat zegt wat, want Uwe Hoogheid weet maar half, wat precieuse knappertjes er bij ons Westerlingen gevonden worden !

Boeddha. Is het niet Jezus van Nazareth, de Welgelukzalige, die bij u geleerd heeft ?

Ik. O lieve hemel, waar praat Uwe Hoogheid van ! Uwe Hoogheid komt met de nachtschuit. Die zijn we al lang boven quot;t hoofd gegroeid. Daar heb je Multatuli, die was al wijzer — maar die was ziekelijk. Als u wat over gezonde wijsbegeerte weten wilt, moet u maar eens nalezen wat Dr. Büchner en Dr. Swart Abrahamsz en mijn persoon en andere groote wijsgeeren van onzen tijd daarover gezegd hebben. Vergeet niet, waarde Prins....quot;

Boeddha. Waarom Prins? mijn zoon —wat is Prins Siddharta en wie kent hem? maar Boeddha den Verlichter kent de wereld en de eeuwigheid.

Ik. Nu dan, Boeddha of Gautama, zooals u verkiest, vergeet niet dat de wereld vooruitgaat.

Boeddha. Kan een bol ronder worden, mijn zoon? De wereld gaat niet vooruit, zij wentelt.

Ik. Pardon! U maakt er u af met een woordspeling

109

ocr page 121

BOEDDHA.

— dat verwachtte ik niet van iemand van uw waardigheid. Ik bedoel dat wij, Europeanen, in deze dagen veel wijzer zijn dan de Indiërs van uw tijd. Wij hebben b.v. ,verleert de vraag; wat waar is, te vereenzelvigen met de vraag; wat deze of' gene wijze geleerd heeft,quot; zie blz. 3 van mijn voorrede.

Boeddha. Wat zegt ge, mijn zoon? Dus hebben de leeringen van uivc wijzen niets te maken met de waarheid? Wie leert u dan wat waar is?

Ik. Ik bedoel dat wij de leer van eenen wijze niet als de waarheid aannemen, dat staat er, dat bedoel ik.

Boeddha. O Westerling, uw taal is duisterder clan die der oude Brahmanen! — Hoevele wijzen zijn er dan bij elkander noodig om dat te leeren wat gij de waarheid noemt? Duizenden wijzen hebben Boeddha's waarheid geleerd, hoevele dan wel de uwe?

I k. He! man, wat ben je onbegrijpelijk! Luister, ik bedoel het zoo : . . . .

Boeddha. Wen u aan, lieve zoon, dadelijk te zeggen hoe gij het bedoelt — dat bespaart veel moeite en misverstand.

Ik. Als wij in onze raadsvergadering ik ben er lid van, moet u weten — een nieuwe wet maken, dan begint een van onze wijzen met een plannetje, een ontwerp zoogenaamd. Maar natuurlijk deugt daar niets van,

— één alleen kan het bij ons niet. Nu komen al de anderen en zoeken naar leemten en gebreken in het ontwerp en dan wordt er aan gepeuterd en gehavend en gelapt en gepoetst tot de wet er behoorlijk uitziet. Dat gaat nu met onze waarheid evenzoo. Eén alleen kan haar niet vinden en niet vertellen. De mensch is een

110

ocr page 122

BOEDDHA.

Sammelwesen, een kolonie-dier. Onze wijsheid is coöperatieve wijsheid.

Boeddha. Als dit zoo is, mijn zoon, en gij allen te zamen de waarheid bezit, maar ieder uwer haar niet hezit, hoe kunt gij uzelven dan wijs noemen?

Ik. U begrijpt mij niet, omdat u niet inziet dat de waarheid heel gecompliceerd is. Wij hebben er ieder maar een klein stukje van.

Boeddha. Neen, mijn zoon! De dingen van leven en wereld, de wisselingen der verschijnselen zijn samengesteld, de waarheid is eenvoudig, het beginsel aller wijsheid is een en ondeelbaar. Dit was zooals ik het leerde en is nog zoo en zal eeuwig zoo zijn.

Ik. Mag ik u dan doen opmerken, dat ik vele ,leemten en gebreken in uw leer heb meenen te ontdekken.quot; Dit is geen bluf, want zooals ik er bij zeg, „ze liggen voor de hand.quot; (blz. 3.)

Boeddha. Hoe hebben ze dan niet voor mijn hand gelegen, noch voor die mijner millioenen volgelingen?

Ik. Ja, dat weet ik niet. Maar voor „nadenkendenquot; liggen ze voor de hand, zooals ik zeg. Vermoedelijk heeft u en hebben uw volgelingen niet nagedacht.

Boeddha. Wie zijt gij, kind — die zich nadenkender durft noemen dan Boeddha en zijn heilige Samanen ? Hoe lang is dan uwe Dhyana geweest ? Hoeveel dagen aaneen hebt gij gepeinsd zonder eten, drinken of slapen ?

I k. WTat denkt u van me ? Ik ben wel wijzer. Dat zijn ziekelijke excessen. Ik doe dat wat kalmer en verstandiger. Maar ik heb de zaak „wel beschouwdquot; zooals ik zeg — daar zit het hem. Al denkt u een eeuw lang, als u 't niet „wel beschouwtquot; zooals ik op blz. 3, dan geeft

Ill

ocr page 123

BOEDDHA.

liet niemendal. Nu, wel beschouwd, is uw geniale inval omtrent die zielsverhuizing een volmaakt onbewezen en onbewijsbare fantasie.

Boeddha. Ach — kunt gij mij dat wel beschouwen dan niet leeren, mijn zoon ? Hoe is dat beschouwen ?

Ik. Dat is niet gemakkelijk: Wel beschouwen doet men alleen met een .kritisch oogquot; zie blz. -4. 't Mankeert u aan een kritisch oog, Boeddha. Als u een dergelijk oog had mogen bezitten even als ik, zou uw zedeleer zich aan u vertoond hebben als een hoogst verfijnd egoïsme.

B o e d d h a. Heb ik mijzelven gezocht, mijn zoon ? — Ik heb geleerd de vernietiging van ons zeiven te zoeken, ik heb de zelfverloochening gepredikt, de liefde voor al wat leeft, het medelijden met alle menschen en dieren.

I k. Dat is juist de verfijning van uw egoïsme. Bovendien heeft u vrouw en kind in den steek gelaten. Dat was volstrekt niet netjes, — als ik het ronduit zeggen moet, een gemeene streek. Jezus gaf ook al niet veel om zijn familie, dat neem ik hem eveneens zeer kwalijk. Zoo'n onnetheid zal u van mij niet zien.

Boeddha. Wat weegt de smart van twee wezens tegen het geluk der geheele wereld ?

I k. Gekheid! uitvluchten! Dan had u maar niet moeten trouwen. Eens getrouwd, blijft getrouwd, — reden tot echtscheiding was er, geloof ik, niet. Ik zou mij toch schamen voor mijn kinderen, als ik een geacht en welgesteld huisvader kon zijn en in plaats daarvan als een schooier ging loopen bedelen, 't Zou wat moois worden als men hier uw voorbeeld eens ging volgen.

B o e d d h a. Gij behoeft mij niet te volgen, mijn zoon, alleen de uitverkorenen zullen dit doen. Den eenvoudigen

112

ocr page 124

liOEDDHA.

van gepst, den lageren in heiligheid, heb ik geleerd het familie-leven te eeren.

I k Lager? lager? — Ons - gelijkheid s -bewustzijn wraakt zulk een splitsing,quot; meneer! zie blz. 6. U moet de dingen dezer wereld zoo niet weggooien — zelfs „het arbeidsleven moet van de hoogste en edelste beginselen doortrokkenquot; worden.

Boeddha. Wat meent gij, mijn zoon? Waarvan wilt gij het doortrekken ?

1 k. Van de kunst, bijvoorbeeld. Van de kunst, die veredelt en verheft. Van daar het woordkunstnijverheid. Zie, dat is al weer een leemte, — waar is in uw leer de ethische grondslag voor de kunst, namelijk voor de kunst, die veredelt en verheft ? dat vraag ik u, op blz. 7.

B o e d d h a. Hebt gij mijne tempels niet gezien, mijn zoon ? Mijne volgelingen hebben ook zonder ethischen grondslag wonderen van schoonheid gebouwd.

Ik. Hm! zoo — wonderen van schoonheid! — quot;t is mogelijk —- ik herinner me niet precies. Ik heb alleen een paar beelden gezien die ik heel leelijk vond. Enfin ! de smaken verschillen. Maar was dat wel de kunst, die veredelde en verhief?

B o e d d h a. Ik weet het niet, mijn zoon.

Ik. Xeen, dat zal wel niet. Waren er opera's in uw tijd, of volksconcerten, of tooneelscholen, of romans van Ebers, of academies van beeldende kunsten ?

B o e d d a h. Neen, mijn zoon.

I k. Dan was 't ook het rechte niet.

B o e d d h a. Wat schijnt u dan het rechte toe ?

Ik. Ik wil, waarde Boeddha, zooals ik op blz. 8 zeg, in dit leven Jtet nuttige met het aangename vereenigen.quot;

8

113

ocr page 125

BOEDDHA.

Nu, wat dunkt u daarvan? Dat is andere wijsheid zou ik zeggen, dan dat beroerde pessimisme van u en uw volgelingen. En kijk, als ik dat doe, dan ben ik meteen ook niet bang meer voor den dood. Knap, niet waar? En daarvoor heb ik dus volstrekt geen diepe wijsgeerige studie noodig.

B o e d d h a. Hoe gelukkig, mijn zoon!

I k. Zeker. En ik en mijn geestverwanten koesteren bovendien nog een illusie. Namelijk om het meerendeel der menschelijke kwalen te overwinnen, zoodat alleen de dood overblijft. Daarvan gaan we een proef nemen. En nu geef ik uw leer nog een kansje. Want wanneer het blijkt dat, als alle lijden, dat afgewend worden kan, zal hebben opgehouden, dat dan de aarde nóg een tranendal is of zelfs maar schijnt — dan zeg ik, dan zullen we zien of het westen voor uw pesssimistische leer vatbaar is. Dit alles staat precies zoo op blz. 8.

B o e d d h a. Ik dank u, mijn zoon. Luister nu wel. Er zijn vele wegen tot het Heil, want er is veel ongelijkheid in de krachten van den mensch. Ik heb die wegen gebaand in hun verscheidenheid, de korte moeielijke en de lange effene, naar den verscheidenen aard der menschen. Ook voor u is de volmaakte Wijsheid niet verborgen, ook gij zelfs kunt Bodhi bereiken. Maar Mahayana, de Heilige-Weg is u te zwaar, ga gij Hinayana, den weg der Zuivere-Wereld En dan dit, mijn zoon! denk na over het Lijden, want dat verstaat gij nog niet?quot;---

En weet je nog Schaepmannias, waardoor ik toen wakker werd?

Schaepm. Jawel! er werd erg gelachen in de zaal. Je dacht zeker dat je uitgelachen werd.

114

ocr page 126

BOEDDHA.

V a u li. Juist! ik schrok er van. Maar zeg'! weet je wat ik nu heel vreemd vind van mijn droom ? Dat er allerlei woorden in voorkomen, die ik nooit gehoord heb,

— die niet in mijn boekje stonden. Van die Heilige-Weg en zoo — ik heb zeker aan de Kalverstraat gedacht.

— Wat kan een mensch toch raar fantaseeren.

S c h a e p m. O Vanhoutenios — dit is wel zeer vreemd. Want ik meen te weten dat die woorden in het Boeddhisme beteekenis hebben. Heb je heusch geen bronnenstudie?

V a n h. Neen, heusch niet.

S c h a e p m. Dit is mystiek. Weet je wat ik geloof, dat je in extase geweest bent! — clairvoyant!

V a n h. Godbewaarme! neen! zeg dat niet, Schaep-mannias! Ik in extase! — in hypnose! — als Büchner 't hoorde! En clairvoyant, brrr!!

S c li a e p m. Ja maar quot;t kan best. Die dingen bestaan.

— Ze zijn uit den duivel, maar ze bestaan. Maar het interesseert me erg. Ik wou eigenlijk wel . . .

V a n h. Wat wou je?

S c h a e p m. Het zelf eens ondervinden ... Ik beu natuurlijk wel in extase geweest, maar in een dichterlijke, dat is heel anders. Maar ik wou wel eens een idee van Nirvana hebben.

Vanh. Nu — willen we 't eens probeeren. 't Is hier nog al eenzaam. Daar staat een bankje in 't bosch. Ieder aan een kant, zoo!

Schaepm. Maar je spreekt er niemand van. Nu maar na de punt van je neus kijken!

V a n h. Ik kijk al. Waarschuw me als je wat ziet. S c h a e p m. Stil! —

115

ocr page 127

BOEDDHA.

V a n h. Zie je wat ?

Sch a e pm. Neen! hou je mond. Stil kijken!

S c li a e p m. Ik zie wat! ik zie wat!

V a n li. Ik ook! wat clan ?

S c li a e p m. Mensclien! een boel mensclien! in 't zwart — groen laken. —

V a nil. Ik ook! ik ook! Zou dat Nirvana zijn?

S c li a e p m. Ik weet het al — !t is de tweede kamer. Vanh. quot;t Is waar ook.

S c h a e p ra. Maar weer rustig doorkijken.

V anh. Ik zie wat! . . .

S c h a e p ra. Wat nu? — ik ook!

V a n li. Och, 't is alweer die tweede kamer !

S c h a e p ra. 't Is waar — we komen er niet, hoor!

V anh. Zeg eens! weet je waarom we telkens in de tweede kamer komen en niet in Nirvana ? We praten te veel. In Nirvana praten ze niet.

S c h a e p ra. 't Is waar. We moeten zwijgen. Dan is meteen onze dialoog uit.

116

ocr page 128

E E X Z A N G.

ocr page 129
ocr page 130

EEN ZANG.

DOOR

Dr. a. aletrino.

Aan mijne Zuster.

Toen lt;le studenten, die quot;t college in psychiatrie volgden, binnen kwamen, stond de professor geleund tegen den post van de deur die toegang gaf tot de vrouwen-afdeeling. De deur stond open en 't stille gedruiscli van de vrouwenzaal gleed zachtjes de donkere college-kamer binnen, waar 't verdween in de schemering.

Door hooge vensters zonder gordijnen, viel een glanzende, gele zon van een Oktobermiddag naar binnen, groote plekken licht teekenend op den grond, wit en scherp terug-glimmend naar boven.

De patiënten zaten in groepen verspreid om de lange tafels, 't grootste gedeelte rustig voortwerkend; sommige vrouwen zaten alleen, achterovergeleund tegen den witten muur, met een wezenloozen blik naar buiten kijkend, doelloos starend naar de verte, terwijl ze nu en dan met de oogen knipten, wanneer de wind de boomen in

ocr page 131

EEN' ZAN'C.

den tuin bewoog en een schitterend zonlicht tusschen de boomtakken doorschoot en ze in 't gezicht scheen.

Een oude idiote, slordig in haar gasthuiskleêren met haar paarse jak open en den donkeren rok hoog opgetrokken, liep langzaam de zaal op en néér, voortdurend mompelend en brommend met een mummelende beweging van haar mond en een snelle verandering in de plooien van haar gezicht, dat rimpelig was en een pijnlijke uitdrukking had van treurige vroolijkheid. Telkens wanneer zij een der ramen voorbij kwam, scheen quot;t licht in een helderen gloed over haar heen, verminderde terwijl zij voortging en viel weer op haar bij quot;t volgend venster. En in gestadige afwisseling van helderheid en schemering liep ze voort, van quot;t eene einde der zaal naar 't andere, in regelmatigen, rechten gang, haar handen voor de borst, haar vingers met zenuwachtige beweging in elkaar strengelend en weêr los makend.

In 't midden van de zaal zat een meisje rechtop in haar stoel, de beide armen uitgestrekt op de tafel en de handen gevouwen. Haar dikke vlechten met onregelmatige grepen in elkaar gewrongen, glansden van een rossen gloed en maakten met de losse, uitwaaiende, naar voren uitspringende, weerbarstige haren een dunne, vage, lichtblonde schemering over haar voorhoofd, langs haar ooren naar achter in den nek, waar zij in dichte, dansende krulletjes telkens door elkaar trilden. Onrustig keek ze heen en weêr, 't hoofd schuddend in kleine vermoeiende bewegingen, haar oogen onder de blonde wenkbrauwen, groot en helder van vloeiende blauwheid, nu eens scherp opschitterend met hun glanzend wit dan

120

ocr page 132

EEN ZAN'G.

wéér ernstig en diep, geheimzinnig zacht, pijnlijk en klagend van stil verdriet.

Een zacht geroesem van stemmen dreef' in de zaal, stil en eentonig, gedempt opstijgend uit den grond en bleef hangen in de lucht, als een zachte grijze wolk, die voortdurend vervloeide tot een dunnen, ijlen, nauw zichtbaren nevel.

Plotseling stond 't meisje op.

In 't zachte gedruisch dat in de zaal hing, begon ze te neuriën, stil en rustig voor zich heen. De idiote bleef' staan, achter haar, verwonderd kijkend en luisterend naar de stem, die zacht en duister klonk, als kwam zij van heel ver.

Maar langzamerhand begon in 't kleurlooze van het gezang een tint te komen van helderheid, alsof' 't licht dat van buiten kwam, zich mengde in haar stem en zich geleidelijk er in oploste.

Zij kwam zingend naar voren en terwijl de andere patiënten stil werden, bleef' zij staan in de heldere lichtplek van een raam midden in de zaal.

De zonnestralen, die door de gekruiste raamroeden vielen, waren als lange, rechte staven goud, die afstuitten tegen haar lichaam, waartegen zij schenen te vervloeien. Zij stegen op langs haar rokken, langs haar heupen, naar boven over haar borst; zij vloeiden op, hooger en hooger, in haar geopenden mond, golfden langs haar oor, dat aan den rand verguld werd en stroomden met lange, groote golven in 't blonde haar, dat een gouden wolk scheen, zwevend boven haar hoofd. En de gouden vloed, die haar mond instroomde, golfde terug in heldere, glanzende tonen, hoog van kleur, schitterend, warm opwuivend in de lucht naar boven.

121

ocr page 133

EEN ZAN'G.

Ma ar langzaam begon 't instroomende goud uit te vloeien in ijle, dunne, zwevende lovers, die snelleren sneller regenden in de omgeving, tintelend, draaiend door elkaar, hooger en hooger in de lucht. Ze schenen neêr te dwarrelen over de tafels, over den grond, waarvan de lichte stofjes opwiegden naar de zonnestralen, zij trilden naar de schemerende hoeken, waar zij bleven hangen, een vagen schijn uitstralend.

't W as of de zaal werd gevuld van een groot, goud licht, dat van haar uitging.

Zachtjes donsde 't gezang weg. 't Bleef stil. De patiënten zaten onbewegelijk, als volgden zij de dwarreling van klanken die zich opgelost had in de lucht, spoorloos, geheimzinnig als in een droom,

Alleen 't brommend gemompel van de idiote, rommelde gedempt door de zaal.

Maar plotseling sloeg de zangster met een breeden zwaai haar armen omhoog, in groote kringen de gouden zee bewegend, waarin zij stond, en quot;t was of zij met beide handen in de gouden wolk greep, die over haar hoofd hing. quot;t Was of zij de ruime galmen van een woesten lach uit de wolk schudde naar onder, over zich zelf, om zich heen, in schietende, grillige stralen over de patiënten. Een lach die rolde door de lucht, in groote krinkels opschroevend naar boven, buitelend met korte schokken over de zonnestralen, ze snijdend met weeke rondingen. Hij stuitte tegen de zoldering, waar hij afviel in korte brokkeling, flitste in de hoeken, waaruit hij neêrgleed in een breede laag, viel op den grond, waar hij voortbui-telde, quot;t stof opjagend in wilde dwarreling en kwam weêr terug tot haar, opklimmend van onder, haar inwikkelend, inrollend, draaiend om haar heen. botsend tegen nieuwe

122

ocr page 134

EEN' ZAW,

galmen, die zij in wilde schudding om zich heen strooide uit het goud boven zich.

En rt goud der klanken groezelde, quot;t werd doffer en geheimzinniger van glans en de lach bromde voort als komend uit een diep gewelf.

Maar op eens schoot hij uit in scherpe, witte, zilveren geluiden, sloeg krijschend op in harde, gele schreeuwen, kraste langs de muren, streepte in rechte, harde lijnen door de lucht. De lijnen schoven ineen, brokkelden af, schoten door elkaar, en 't was of een verward weefsel in de zaal hing, onduidelijk door zenuwachtige dwarreling.

En midden uit die krieuweling van geluiden begon een wilde toon op te stijgen, langzaam breeder wordend, donker klinkend, dwars door de ruwe strepen, overgaande in scherpe tinten, de zwarte lijnen uiteendrijvend en alles overweldigend in één grooten, rooden galm, zich uitzettend door de lucht, alles bedekkend met een woeste, angstige bloedkleur, somber van helderheid.

Alsof ze schrok door de ruwe kleur, die zij geveegd had over alles om haar, zakte de zangster ineen, met een doffen smak, in onregelmatige, trillende beweging het stof opwerpend van den grond.

En terwijl zij door twee verpleegsters werd weggedragen, regenden de stofjes langzaam neer uit de gouden zonnestralen, die rustig hun rechte bundels door de gekruiste raamroeden naar binnen schoven.

Toen sloot de professor de deur en begon zijne voordracht.

123

ocr page 135
ocr page 136

IN DE ZWEMSCHOOL.

ocr page 137
ocr page 138

IN DE ZWEMSCHOOL

DOOK

L. VAX DEYSSEL.

Hij stapte in de vlet en het joggie, in liet tot grijs verkleurd Mauw boezeroen, roeide hem naar de zwemschool. Hij bleef staan omdat het maar zoo'n kort eindje was van den wal naar den steiger van het houten gebouw dat, alleen en los, als een soort van raar schip in de rivier stond; en ook om zich in de tegen de angst-zenuwachtigheid door hem aan-gewende kalmte zoo min mogelijk te bewegen. Hij stond op het achterwaards neergestrekt rechter been en had den rechter arm gekromd uit-gezet, de vuist op de heup omklemmend den knop van den wandelstok. Het linker been, met ingeplatte knie, hing losjes gestrekt voor-uit, het bootjesvloertje bijna niet rakend.

De oude en plompe stoffig-grijs-vale vlet wreef dik-stuwend over het water, dat zwaar bruin-groen, morsig donker en dof zijn zwabberende deining naar alle kanten vlak uit rivierde, mat van vettigheid met blaartjes als op bouillon, strootjes en appelenschillen en een beetje usch

ocr page 139

IN' HE ZWEMSCHOOL.

op en neer dansend, weerspiegelend de doodsclie zwem-loods vies-flauw als armoedige ruiten de straat. Een lucht als van hangende pakken massaas vuil-linnen zolderde laag, met een enkele dof-lichte plek als het bedoelingloze oog van een blinde.

Het joggie had, met den gewonen, rappen, kwijllozen, hageligen speekselworp, in zijn gore binnenhanden ge-spoegd, en de spanen, die recht-uit in 't bootje tegen de opstaande randen lagen, aan-gevat, ze aan de bruin-verroeste ringetjes om de korte spilletjes doen draayen, zoodat zij als griezelig huige magere armen zich uitstrekten aan weerskante van 't oude bootjeslijf, en terwijl zijn lijfje aan de naar-voren geduwde handvatsels dei-spanen recht naar voren boog, het grijze boezeroen strak trekkend over het rugje, met plotse gleuven tusschen het nekvel en het boezeroen en aan het rug-onder tusschen het boezeroen en den broekrand, plompten van-achteren, ver van hem van-daan, de breedere spaan-einden in quot;t er om heen opsoppende water, en nu, óp-staand, vast aan de handvatsels, om meer kracht te kunnen zetten, trok hij met het heele langzaam weêr neêr-zijgende lijf de stokken, die draaiden om de spil, met zich meê naar achteren, waardoor de onzichtbare spanen voor-waarts schoven met geweld, tegen het water in duwend, en de boot snel een ferm eindje verder gleed, nog al-door toen de spanen druipend uit het water stegen en het joggie, door de handvatsels voor-waarts te duwen met borst en stijve armen de glimmend-natte einden weêr naar achteren bewoog, wendend zijn hooffie links en rechts, kijkend uit uit de oogen, licht als geblauwd linnen, of er niet opgepast moest worden voor grootere schuiten of schepen.

VIS

ocr page 140

IN DE ZWEMSCHOOL.

Zijn pet met rechte klep stond schuin naar het groezelig linker oor en ver uit-de-oogen geschoven, het vale voorhoofdje hoog open latend, en zoo dat aanzien van brutale luchthartigheid aan zijn bedeesde gewoonheid gevend. Maar er waren geen vaartuigen dicht bij, een kleine stoom-lioot was juist voor-bij gegaan, de rivier tot lange gladde bronzen plooyen achter zich pijpend, waardoor de vlet even hooger werd getild en zachtjes op-en-neêr voort deinde. Green-zijds de zwemschool snel-gleed een versch-bruine giek voor-bij, waarin mannetjes zaten met rood-en wit-gestreepte kalotjes op en rood- en wit-gestreepte borstrokken aan, twee aan twee in vier rijen, die met mekanieke zekerheid van vlug bewegen de acht lijven voor-over strekten, ieder met een frisch-bruine roeispaan in de handen, en dan weêr recht-op zaten, terwijl de ranke schuit voort-ijlde, smal in haar rechte varensrichting, en de roeispanen geruischloos kalm en vlug uit het water werden opgewipt, gekeerd tot even-roerloze-plat-ligging en dan weer neêrnegen glad en slank zonder sproei-morsen in het water, tot nauwlijks onder het vlak, om mooi te roeyen. Daar achter stond de andere oever stil en leeg uit met zijn platte weg en zijn onaanzienlijke boomen, gewoon groen zooals elke lente; tusschen de stammen smal naar boven uit-eindende stukken weiland, licht groen, en daar boven luchtjes, wit-grijs, tegen de samene boomgebladerten aan.

Het joggie hield op met roeyen, liet de riemen maar slordig in 't water hangen, de vlet botste tegen den steiger, waarnaar hij langzaam was komen aandrijven, het lichaam wankelde van het schokje en viel neer tot een zitting, maar dadelijk stond hij weêr op, trok de broek wat op

9

129

ocr page 141

JN DK ZWJi.M.srllOiil.

eu liet vest wat neêr om een beter voorkomen te hebben voor de mensclien in de zwemschool en stapte op liet bootjesbankje en op de steigervloer, terwijl het joggie met een haak het bootje aan het walletje hield. Omleiden klimstoot van het laatste been wankelde de vlet af. een reep woelend groen water was al weêr tusschen het bootje en den steiger, toen hij zich omkeerde, goeye-móge zei en het joggie aan zijn petklep kwam om te groeten, waarna hij eerst met een riem het bootje wat afroeide en toen met het zelfde óp-staan en neêrzijgen van zijn vuil-grijs klein lijf en het spil-krennend plons-gejoep van de roeispanen de vlet met langzame halen naar den oever te-rug-zwom.

Hij stapte door de warande en opende kletterend de glazen deur van het koffiehuis, een leêge glazige hooge witte molm-houten hal. Juist begon heel in de stads-verte een straatorgel te deunen, daardoor een genot, maar de deur moest weêr dicht; knakkend brak het genot toen. als door een plotse windvlaag weggewaaid, het deursluiten het gedeun uitdoofde. De jufvrouw, vet oranje haar en sproeten-snoet, knikte toen hij zijn hoed even oplichtte; en hij ging de deur naast het buffet door en kwam door liet houten gangetje in de eigenlijke zwemschool, zonder te weten, de jufvrouw poppig in den schik van het verleden, waar-in hij haar had achter-gelaten.

De lankwerpig-vierkante stellazie van versleten donker wit en oud bruin hout stond somber en leêg. Aan weerskanten stond de rij kamertjes onder de lange smalle afdaken, met hun bruine, zwart-genummerde deuren met van-boven en van-onderen een opening voor het licht, klein en armelijk als een reeks dorps-pleën. Onder tus-

130

ocr page 142

IN DE ZWEMSCHOOL.

scheu de planken-gaanderijen met hun zwart gespleten en vaal versleten witte leuningen stonden de vier groote zwembakken met hun oud-groen water, in de volgorde van hun diepte. De hemel hing laag en spiegelde zijn gezwollen bleekheid knorrig harleveensch in de vier vlakken van dood water.

Een knecht, het hoofd met lichte bruine krullen bloot, in een grijs-blauw hemd en witten broek, kwam te gemoet. dook weg in een magazijn-hokje bij den ingang, en overhandigde twee vier-kant gevouwen hand-doeken.

Die, heldere nieuw-plek onder in den blik, de weeke ietsheid vast in het hand-gevoel, maakte hem voor-goed vast aan het nu-eenmaal-onverniijdelijke. Schichtig schakeerde de omheening zijn hoofd voor-bij, schortte op in driehoekigen wasemvlek, schoot recht in zijne laag-lijnige wezenlijkheid. Daarin kwam de baas, zacht door de oogeu de wacht-spanning aan-doend van kleeren-aane menschen-lichaaraheid.

De baas, helder dik, het lijf in vlaggenfeest-kleuren-kleêren onder het blank-rood water-man-gelaat, de oogen, in het hoofd over zich en de baasoogen, en den héelen baas, blauwsel-oogen, effen oogen, klaar van al tijd met water in water, blauw-water-oogen. — In het hoofd over zeelui, erge-verten-turen, wijde boven-hemel-blauw daar in af — maar te pletter liet in-binnen-hoofd zien van wijde helderheid tegen het buiten, de baas zeide, de lippen dribbelden; maar toen weêr aan, nu in het donkerder binnene. Het kleedkamertje, ja, het kamertje, hokje; de baas, wat-ook-weêr, de stem van den baas, in het andere, daarvan nu afgesloten, nu-hier, nu-weêr-weten, het zijn.

1:51

ocr page 143

IX DE ZWEMSCHOOL.

staan, bóven: liet hoofd, dan de romp, dan de beenen, af van het verledene, het zoo-even-verledene weg, recht gescheiden van het nuë; nu anders merken dan voor de hand-doeken.

De armen ont-kleedden het lichaam, stroef, streng-schok-kig de dikke-slang-armen; maar van : nu niet van zacht, lief, mooi, niet van: het leven, geluk van levens-weet-voeling-al-alleen, de wil, mooi, goed-mooi de wil-in-de-daad-toch-nu; nee, niets, de voortgang, het laffe raak-gesmoezel van de kleêren hooren alleen; de duur, ook niet de duur; herinneringen, de kleuren daarvan, men-schen-hóofden-alleen, oogen, haar, wenkbrauwen, weg; weer het hooren van het morrelende kleêren-gezucht; nu alleen tintelend-zwarte leêgte; nu weer opleven van het merken-naar-buiten-het-hoofd; hee-hangt-dat-daar-al, die kleêren heb ik daar opgehangen, en het kijken naar beneden; groot, als een wolken-open-gaan van ontvangst, het zien van het lijfs-blootheid-beetjes.

Blank, warm wit het lichaam, met het in onbewegelijkheid als zacht in- en uit-deinen van de buitensten, overal, al beeldde het zich zelf nü, ademend de slanke aanrondingen en afglijdingen op in den somberen binnen-schemer, op in zijn stand, uit naar het buiten-zich, naar het wolken-donkere; het gelaat donker, schuin, over-hellend over het lichaam, licht, recht; het mooi-van-blankheid-en-onhoekigheid op in het gelaat-hoofd; een even van goed en rust.

Maar minne gedachten aan van goed-gebouwd, van niet-mager; stuipend de wil op weg die minne, want wil niet minne ; het voor-gevoelen van dat er iets sterk naars; wat ook weer?, wacht, daar komt het, nog éven, nog heel even niet, ik wil niet, ik, wat; ik ?, nu goed, maar

132

ocr page 144

IN DE ZWEMSCHOOL.

ik wil niet, zoo, nu zal het zachter komen. Het komt als ongebroken huid over het lichaam, zich vast-stekend in het hoofd en in het hart. Nu is het er weer geheel, daar beneden in het niet-weten was het gelukkig; nu is het er weer, geheel, in hooge wreede koelte; het weten-van-wat-ook-weêr; de zwemles, de zwemles, om te gieren, van hihaho, maar lijnen, staal-licht, van moet. Een ander leven, koud leven van lijnen, een hei-koele wereld, iets anders, een ander mensch, ik ik niet meer.

Hij gaat door de deur-opening en is op het gaande-rijtje. De waters vlakken stoer, troebele groene vloeren. In blanke zilverscheuten schiet snel en ijlt pijlig het tintelende licht in kolke-kelken tegen het lichaam, wikkelt het in blank-zilveren lichtwolken. In het hoofd merkt hij nog dat min, ziet de naaktheid gewoon, leelijk het vel, rooderig de voeten. Hij nu niets meer in de opstorming van breede grijze-vlaggen-wankelmuren, die de luchtlicht-wind, waartusschen hij.

De baas gespt het zwemlesding over borst en rug, hij stapt op het trapje, af. In het hoofd van kan-nog-terug, naar het bovene, naar het leven-zoo heerlijk-gewoon-zwak; maar, nu-willen-en-doen, het is er-van vroeger, het gaat buiten hem om. Nu zich-overgeven, in het groote-algemeene, in het alle-niet-weten. De innige haarplekken aan de oksels bloot-makend in de overgave, struischen de armen langs het hoofd op, de binnenhand-vlakken open, zonder houding en weg. Het lichaam in daal-sprong, weet niet van-wat-achter, heen en uit in de week-koude overgegevenheid.

133

ocr page 145
ocr page 146

E E N R LT VV E I. TJ K S A A N Z O E K.

ocr page 147

«Mi MB

. :

mÊS_____Jamp;mli I________''i ,________lliBWi iiMi

StliWt

ocr page 148

E E N II ü W E L IJ Jv S A A N Z O E K.

DOOK

L. VAN DEYSSEL.

Witte lucht, zwarterig van raggctjes en tippeltjes, de lage zware wolken als hangende besneeuwde moederbuiken. ziende dof, als met blikken, ziende.

Glazerend door de ijle vensterruiten néér en aan, tégen-aan en het heeren-lijf, er boven-op het naakte hoofd, het hoofd zonder kleéren en al het waterwitte licht, het blauwig, groenig witte, zilver-visschig-witte licht, klater-kaatsend aan tegen het hoofd, lach-lippen-lijnig, kolken-spelend door de kamer om en om.

En de eeuwen, al de geele eeuw-getijden in golven-klompen als sneeuwbergen wentelden boven de norsche, gladde en oogeloze daken. Zij spleten als zeeën met legers pieperig zwarte mier-menschen en tusschen en meé-rollend in hun zwaayen. Zij waren al de volkeren, de volkeren-volten met golvende verschieten van de roode en gouden schoonheden, de stijlen die ze hadden gebouwd, goel-bruine pyramidetjes, en de zilver-blanke pausen, en de rood en gouden bisschoppen met den hoogmoed hunner mijters,

ocr page 149

EEN' HUWELIJKSAANZOEK.

on al de Keizers hooggezeten met de kroon om het hoofd, en al de biddende wenkbrauwen van de heiligen, en al de Gods-koncepties en al de voorhoofden der sterrekun-digen met de sublime lijnen der Begrippen als gouden kransen om de hoofden. En al de wereld-poëemen zongen zich in de luchten met gouden letters, die klonken als een zware stil-gillende muziek.

En de Koning der Eeuwen schreed over de wolken der golvende volkeren.

In het huis-hoven tusschen de hooge rechtheden dei-witte muren, lage in de plechtigheid der hoogte, het blauwe, zachte, zacht-zachte, zacht-bewegende, stil-staande, ademend-zacht bewegende, met het hoofd, van het zachte gezicht het hoofd in het witte, het stijf-witte, het stijf-kransend witte, in de groote hooge witheid, door de hooge zachte zwaailuwingen der witwinden, door de hooge vlagen, de teedere vlagen der wit-winden zoet en bol benaderd en ont-deind, het zachte blauwe, meisje-blauwe. En in het zwier-schuim van de toppen van de warende witwinden-vlagen krioelden en steigerden de druischende juichingen, hot luide geruisch van de wilde gezangen.

Het naakte hoofd van de bleeke gelaats-schonken met de versteven vogelvlucht der oogen-dwaaste, kwam aan, kwam aan door de ruimte, door de stomme omkastingen, recht en hoog en die weken. De kleêrenpop naderde, dragend het hoofd, op de beenen. Als een groen-bleeke maan in een wolkendrom liet hoofd, in de wolken van heerlijkheid ging, ging de Koning der Eeuwen.

138

ocr page 150

EE-S HUWELIJKSAANZOEK.

En de blauwe lucht, dons-blauw, goud-zacht, daalde en daalde zoo breed.

Zacht-gauvv daalde de hemel, de hemel was op aarde, de hemel was een zacht blauw paleis op aarde.

En de vele gouden vrouwen van verlangen, en de vele witte knapen van de droomen, en de vele roode begeerten van de levensdaden slopen aan de hangende blauwe zijden wanden.

Een witter witte vogel vloog uit de bleeke hoot'd-kooi en was de liefde, en tot het midden van de ruimte, en was een witte lamp, gloeilicht. een brand, een schroei wolk. een mist laayend licht.

En al de gouden vrouwen en al de witte knapen en al de roode begeerten knielden zoo langzaam en zacht, en hun hoofden bogen zoo heel langzaam en zacht.

Uit de bleeke gelaats-schonken vlogen zoet de liederen der woorden, en sprongen de vruchten der woorden, en spogen de paarlen der woorden.

En de Koning der Eeuwen, staande op de hoofden der volkeren en op de wereldgezichten en op de sterrenstelsels, en tredend op het vloerende orgel van al de groote poëemen, knakte het hoofd en sloeg de armen tot een ontvangst van een; en voor het allerheiligste der oogen zegen de roode ooggordijnen neer.

Witte lucht, blauwe luchtslierten, nat-gouden zonnehui, en windscharen rukken over de daken.

Juli 1891.

ocr page 151

'

i

ocr page 152

»• 1

S W I F T -GUL L 1 V E li.

ocr page 153
ocr page 154

SWIFT-GULL1 VEIL

DOOK

ALBERT YERWEV.

Ik licb voor de bibliotheek van den lieer Versluys Gullivers reizen naar Lilliput en Brobdingnag vertaald. Wat ik daarover schrijf kan als een Inleiding tot dat boekje beschouwd worden.

Er is een plaats in die beide verhalen, waar Swift, wèl door den mond van een van zijn personen, maar in-eens en voor de eenige maal min of meer buiten zicli zeiven, lucht gegeven heeft aan den hartstocht, die hem dreef tot het schrijven van zijn boek.

Het is die waar hij den Koning van Brobdingnag, nadat Gulliver hem verteld heeft van de staats- en oorlogs-zaken van Engeland, zijn antwoord daarop eindigen laat met deze woorden: .maar nu begrijp ik volkomen .dat het gros van uw Engelschen het afgrijselijkste ras .van walgelijke wormen is, dat de natuur ooit kan geduld .hebben, dat omkroop op de oppervlakte van deze aard.quot;

Dat was het gevoel dat Swift schrijven deed. Als hij een dichter geweest was, had hij er verzen van kunnen schrijven; zijn heele haat uit in verzen. Want verzen.

ocr page 155

SWIFT-GULLIVEH.

144

dat is zoo goed als doodstriemeu of aan boomen nagelen, — dat is zoo erg dat de bet-acliter-kleinkinderen van den man waar ze op gemaakt zijn, nog nachten zullen hebben, dat ze hun ledekanten stuk trappen en hun kussens dóor-huilen, van te denken aan de pijn van hun voorvader. Maar Swift was geen dichter: hij kón niet zoo maar, al wou hij het, als een slagregen van taal zijn haat laten kletteren over dat wormenras. Hij was een hard man, met een hoofd als een wig en die niet hield van versiersels, en innerlijk vol venijnigheid. Hij moest bedaard blijven om goed te kunnen schrijven, verstandig-mathematisch bedaard, optelsommetjes-achtig bedaard, het eene zinnetje makend na het andere. Het werk dat hij maken ging was een bedaard verhaal van zonderlinge reizen, met raide zinnetjes, simpel en sierloos; maar met geen stukje zonder een pijnlijk-hatelijke bedoeling. Die zinnetjes stellen zich in die verhalen naast elkaar als soldaten die de gelederen sluiten: elk onderdeel van een zin heeft zijn rangorde van opvolging, als deelen van symmetrisch gevormde figuren; nauwkeurig of ze in de wereld komen met een cijfer op hun schouder, als dienders. Er is niets gedaan om te maken dat ze een beetje aardig zijn of zich een beetje smakelijk voordoen: zij staan daar in hun alledaagsche plunje, want zij komen niet om zelf iets te zijn, maar met hun boodschap van: zoo bedoelt Swift het: als kruiers, die als ze voor zich zelf komen, een lakensche jas aan hebben, maar een boodschap voor iemand anders doen in hun werkkieltje. Dat is zelfs zoo duidelijk, dat daar b.v. waar makkelijk-schrijvende men-schen hun best doen zullen, of al van zelf hun gedachten zoo zullen vormen, dat een bepaling altijd zoo dicht

ocr page 156

SWIFT—GULLIVER.

mogelijk bij dat wat bepaald wordt staan zal; — dat woordjes als: ,diequot;, „datquot;, „welkequot;, vlak achter het zelfstandig naamwoord komen waarop ze betrekking hebben, — Swift die aangename gewoonte niet alleen versmaadt, maar wel schijnt zich met opzet niet er aan over te willen geven. Zijn rangschikking is heelemaal een rangschikking naar de beteekenis, niet naar de welluidendheid voor liet gehoor of het gemak van overzichtelijkheid voor de oogen. Een prachtig voorbeeld van een zin van Swift is de volgende (bl. 3);

„(Mijn vader) zond mij naar de Emanuel-school in „Cambridge, toen ik veertien jaar was, waar ik driejaar „bleef en me ijverig op mijn studies toelegde; maar daar „de kosten van mijn onderhoud, ofschoon ik maar een „heel kleine toelaag kreeg, te groot waren voor een „beperkt fortuin, werd ik in de leer gedaan bij den heer „James Bates, een voornaam geneesheer in Londen en „bleef bij hem vier achtereenvolgende jaren; en daar „mijn vader mij nu en dan een sommetje geld zond, „gebruikte ik dat om de scheepvaart te leeren en andere „deelen van de wiskunde, die van nut zijn voor hen, „die zich voorstellen te gaan reizen, zooals ik altijd „geloofde, dat ik op den een of anderen tijd nog wel .eens zou doen.quot;

Zie eens hoe precies, in zijn rangschikking naar de heteekenis, die zin in elkaar zit. Eerst: waarheen hij gestuurd werd: — naar Cambridge. Ten tweede: bepaling van den tijd: — toen ik veertien jaar was, waar ik drie jaar bleef. — Ten derde: wat hij in dien tijd deed. Daarna weer: — Ten eerste: waarheen hij gestuurd werd: — naar den heer James Bates in Londen. Ten

10

145

ocr page 157

SWIFT-GULL! VER.

tweede: de tijdsbepaling: — vier achtereenvolgende jaren. Ten derde; wat hij in dien tijd deed.

Mathematisch-nauwkeurige rangschikking van elk zindeel naar de heteekenis, — en opzettelijke verwaarloozing van alle mogelijke rangschikking in het formeele, zelfs als dit noodig lijkt, dat, zei ik, zijn de twee bij elkaar hoorende eigenschappen van Swifts stijl. De eerste wees ik aan, en juist in den volzin hierboven ziet men ook de tweede:

„Mijn vader zond mij naar de Emanuel-school in Cambridge. toen ik veertien jaar was, waar ik drie jaar bleef,quot; — waarin ieder ander dan Swift zou getracht hebben „ waar ik drie jaar bleefquot; te plaatsen vlak achter .Cambridgequot;.

Zulk een man, met zulk een stijl, maar van binnen een en al venijnigheid, — dat was de schrijver van de Reizen van Gulliver. Het boek-zelf: bedaarde reisverhalen, die de venijnigste schrifturen zijn in de Engelsche literatuur. Want wat zijn die verhalen van zonderlinge reizen waarin hij zijn haat aan de menschen uitschreef?

Eerst: Gullivers reis naar Lilliput, het land van de kleine menschjes, waarin hij de groote menschen belachelijk en hatelijk maakt door de kleine net zoo dwaas als zij te laten doen. Dan: Gullivers reis naar Brobdingnag, het land van de heel groote reuzen, waar hij den gewonen mensch Gulliver schrijnend-onbarmhartig tot het nietigst-onoogelijkkreatuurtje maakt en deerniswaardig-veel bespottelijke figuren laat slaan. Daarna: Gullivers reis naar Laputa en andere rijken, waar gekke geleerden wonen, die al de dwaasheden van Europeesche geleerden in 't

146

ocr page 158

SWIFT-GULUVEK.

lionderdmaal overdrevene begaan. Eindelijk het bitterste van zijn verhalen; dat van de reis naar het paardenland, het land van de Houynhmhms, waai- de menschen wild zijn en dienstbaren, de paarden beschaafd en meesters.

Daar is een verhaal met koninkjes van vijf duim, die ijdel en wreed doen als heusche koningen, koninkjes van drie in een vestjeszak; van hovelingetjes uit een kinder-speelgoed-doos, die over koordjes springen en onder stokjes kruipen om lintjes te krijgen of een vet baantje; van rijken waar men om heen kan loopen in een ommezientje en ze nieten met zijn voetstappen, en die de grootste heeten van de wereld; van zeeën waar men doorwaadt, en die toch twee koninkrijken scheiden; van vloten, die men meêtrekt aan naaigaren, en waar toch roemzuchtige admiraals gedenkwaardige zeeslagen op leveren. Het is het leven van een wereld met twee lijken, twee koningen, twee godsdiensten, twee staatspartijen, met legers, vloten, kasteelen, steden en ontelbare onderdanen, —- in alles als een werkelijke wereld, maar die gezien door een glas dat de heele gewichtig-makende afmeting verkleint tot iets speelgoed-achtigs, tot een wereld-nadoenerijtje heel in 't klein, tot iets belachelijk-eigenwijs-potsierlijks van gezien-willende-worden onzichtbaarheid. Dat was de wraak van Swift-Gulliver, die zich onnoozel ging houden onder dat volkje, die hen sollen liet met zijn groote lijf, als mieren die zich afsloven aan een takje; die den Lilliputter-koning zich half dood liet schrikken aan een pistoolschot; die de hovelingetjes zich liet opblazen op de palm van zijn hand, waar hij ze af kon blazen als hij ze vlak bij zijn neus hield; die het miniatuurplebs hem deed binden met touwtjes en versjouwen op kar-

147

ocr page 159

SWIFT-GULLIVER.

retjes en met onzichtbare steentjes gooien ; die de vorstelijke legers liet manoeuvreeren op zijn zakdoek, en de vorstelijke rijtuigeii rondrijden over zijn ontbijttafel. Dat was de wraak van Swift, dat hij de Engelschen, het wormenras, verkleinde tot ze bijna niet te zisn waren, en ze tóen hun kunsten liet uitvoeren, en gemeen en onnoozel en gewichtig zijn, tot ze een belaching waren voor de nakomelingschap, die van Lilliputter een soortnaam heelt gemaakt.

Daar is een ander verhaal, van een land vol enorme reuzen, waar de engelsche mensch, weer met den naam Gulliver, bijna in 't gras wordt doodgetrapt als een sprinkhaan, waar hij uit- en aangekleed wordt door kleine meisjes, bijna opgegeten door de rotten, bijna stukgeslagen door een vogeltje. Waar de kleinste dwerg die er rondloopt, hem laat rondzwemmen in een melkkan, hem met zijn beenen te kijk stopt in een mergpijp, waar een aap hem uit zijn raam draagt als een klein aapje. Dat is het verhaal, waar de van venijn berstende Swift den mensch dien hij in zijn klauwen heeft, trapt, stompt, bespuwt, treitert en murwslaat, waar hij hem kijken laat en op zijn buik liggen, hem vertoont als een insekt op zijn Brobdingnagiaansche handen, met hem spelen laat door een zuigeling die zijn hoofd in haar mond steekt als een poppenhoofd, hem laat opvangen in een boezelaar opdat hij zijn nek niet breekt.

Daar is een derde verhaal waar de geleerden, die hij zoo haatte, rondloopen als walgelijke mensch-monsters met scheve hoofden, en een oog dat naar binnen in hun hoofd kijkt en een ander naar buiten, de lucht in; — waar ze knechtjes naast zich staan hebben om hun tik-

148

ocr page 160

SWIFT-GULLIVEK.

ken tegen hun oor en te geven als er wat gezegd wordt, omdat hun impotente zintuigen maar niet zoo kunnen arbeiden.

Daar is het vierde van het paardenland, waar schurftige gedrochten er als menschen uitzien, en haver eten, en voor sleden gespannen worden waarin mooie verstandige paarden, als rijke fijne dames, uitrijden op hun visite-uur. Daar wandelt de niensch Gulliver gehoorzaam voor een dier uit, dat hem naar stal jaagt bij de andere menschen, om gevoerd te worden en vastgebonden aan zijn ruif.

Zoo kan men zeggen, dat die verhalen in hoofdzaak zijn. Maar alleen in hoofdzaak. Want dit is nu juist het eigenaardige dat die verhalen zoo bizonder van Swift hebben, dat wat ieder ander, die er naar gestreefd zou hebben een verhaal te schrijven, wèl gedaan had, n.1. zulk een algemeene voorstelling volhouden, elk verhaal zoo mooi mogelijk, in al zijn onderdeden, de belichaming maken van zoo'n éene klare konceptie, dat Swift dit ni et heeft gedaan.

Swift wou niet, wou heelemaal niet mooie verhalen schrijven: hij wou zooveel mogelijk venijnigheid schrijven in zoo weinig mogelijk volzinnen.

Dat wou hij enkel. Eu dit is de reden dat Swift voortdurend zijn hoofdzakelijke konceptie, die hij om de mooiheid had moeten uitwerken, los liet om de venijnigheid. Zoo in de eerste reis: naar de algemeene opvatting zijn de Lilliputters verkleinde Engelschen. Ieder oogenblik als Swift er heil in ziet voor zijn hatelijkheid, maakt hij de Lilliputters tot model-menschen, die den heuschen Engelschen de les lezen; hun inrichtingen: scholen, gestichten voor opvoeding, tot model-inrichtingen in hun soort. Beurtelings zijn ze, alleen voor de meerdere hatelijkheid.

149

ocr page 161

SWI FT-GULLIVER,

150

modellen en karikaturen. Zoo ook in de tweede: schijnbaar is de reuzenkoning een modelkoning, zijn koningin een modelvrouw, Gulliver de mensch die moet geknauwd worden. Maar hier en daar en overal, als hij de Engel-sche vrouwen ziek kan maken door hen te laten ruiken aan de huid-poriën van zijn modelvrouw, of de Engelsche mannen plagen kan door hen in de persoon van Gulliver allergemeenst te laten treiteren door zoo'n man-model, dan schrijft hij liever niet, dan dat hij het laat. Zoo doet hij telkens. Want hij bedoelde niet een mooiheids-mensch te zijn, hij wou niet, om den lof van het menschen-plebs, een boek maken dat kunst zou heeten: — hij wist wel dat hij, grijnslachende van leelijkheid, den menschen zijn haat in 't gezicht kon spijkeren, en dat er niet een zou zijn die hem vergeten zou. Gulliver's reizen zijn — in gekastigeerde uitgaven — kinderboeken geworden. Dat schaadt niet, want van den eigenleken Swift begrijpen kinderen niets. Zij letten op het aardige van dat daar zulke kleine menschjes en zulke groote reuzen vertoond worden. Een stemming als waar dat boek in geschreven is, gaat een kind voorbij zonder het aan te doen. Die is voor de papaas en mamaas.

ocr page 162

DE WOLKEN VAN ARISTOFANES.

ocr page 163
ocr page 164

DE WOLKEN VAN ARISTOFANES

DOOK

CH. M. VAN DEVENTER. gt;)

1.

Het werk van prof. Pierson over de Helleensche beschaving blijft bijzonder. Ook indien men zijn meeningen over de besproken auteurs niet deelen kan, moet men erkennen, dat zijne wijze van aanpakken goed is en sympathiek. Want hij schrijft over de Hellenen, als iemand die vrij staat tegenover de antieken en hen lief heeft, en hij heeft den slag zijn onderwerpen uit het geleerden-vertrek in den ruimeren kring der algemeene ontwikkeling te brengen. In het eerste opzicht heeft prof. Pierson zelfs iets voor op zijn gevaarlijken mededinger Saint Victor. Want de schrijver van les Deux Masques heeft ongetwijfeld een groot aantal uitnemend fraai geschreven bladzijden geleverd, doch men krijgt bij hem vaak den in-

') Naar lumleiding van Geestelijke Voorouders. Hellas. 3e stuk. Het Drama. Haarlem. H. D. Tjeenk Willink.

ocr page 165

DE WOLKEN VAN ARISTOFANES.

druk, dat hij de antieken prijst, wijl hij geleerd heeft, dat men hen mooi vinden moet. Prof. Pierson echter, dit gevoelt men, geeft geen bewondering, dan die van zelve uit hem komt, of het moest de objectieve eerbied wezen, dien ieder verstandig mensch wijdt aan de groote ontginners van groote terreinen.

W anneer ik zeg, dat prof. Pierson zijn werk in een ruimen kring brengt, dan heb ik voornamelijk zijn stijl op 't oog, die geenszins het droge heeft van geleerden-schrijverij; doch ik ben er niet zeker van, dat dit deel van Hellas, niettegenstaande de aangename schrijfwijze, veel lezers zal vinden, want de auteur onderstelt bij zijn publiek een zekere bekendheid met de atheensche dramatici, die zeker niet het gemeene goed is van hen, voor wie het boek volgens den stijl bestemd schijnt te wezen. De overlevering van de tragici en van Aristofanes is niet zoo geprononceerd als die van Homeros, niet zoo werkzaam als die van Athene; bovendien wijkt prof. Pierson in zijn laatste deel van het programma af, dat de stof voor leeken beter toegankelijk maakte, van de kul-tuurhistorische behandeling. Terwijl hij deze behandelingswijze bij Homeros trouw, wellicht wat te dogmatisch gevolgd heeft, terwijl hij haar ook bij de historiografen in ?t oog heeft gehouden, raakt zij telkenmale verloren, nu het Aeschylus, nu het Sofokles, nu het Euripides, nu het Aristofanes geldt. Bevreemdend is deze verandering in methode niet. Want de groote dramatische dichters zijn te exceptioneele menschen om zoo maar grifweg de algemeene denkwijze te vertegenwoordigen; te individueel, om toe te laten, dat hun opvattingen ook aan hun publiek worden toegekend. Het is dan ook enkel

154

ocr page 166

DE WOLKEN VAN ARISTOFAN'ES.

155

natuurlijk, dat prof. Pierson zoetjes aan de kultuurliis-torie er aan heeft gegeven, en de dichters als individuen op zichzelf besproken. Voorzeker blijft hij aan zijn programma getrouw, als hij bij Aeschylus oplet de zekere verandering van de religieus-moreele overtuiging, welke de groote tragedie mogelijk maakte; dat zeker besef van schuld, dat zeker verlangen naar recht, dat uit een opvatting van de verhouding des menschen tegenover de godheid voortspruit, die men bij Homeros niet aantreft. Ongetwijfeld ook doet hij een wanhopige poging om den kultuur-historischen leiddraad weder te pakken, als hij aan Sofokles begint, en beweert, dat de geest der peri-kleïsche periode overeenkomst heeft met dien der homerische, — een poging even wanhopig als mislukt, want de opmerking is onjuist, en ware zij juist, dan had de overgang van Aeschylus op Sofokles, de terugkeer dei-homerische denkwijze verklaard moeten worden. Ongetwijfeld vertelt hij bij Euripides een en ander, en niet veel nieuws, over de werking der nieuwe invloeden op Athene, doch niettegenstaande dit alles, blijft het leeuwenaandeel zijner bespreking den poeët in 't bijzonder betreffen en niet zijn periode. En ook bij Aristofanes gaat prof. Pierson evenzoo te werk. Want wel poseert hij dezen artiest als uiting van de reactie, wel vermeldt hij de nieuwe elementen van het atheensche leven na Perikles met uitvoerigheid, doch deze uitwijdingen gelijken meer op verklaringen van den poeët, dan op een schildering der algemeene denkwijze, waarvan de poeët slechts een vertegenwoordiger zou zijn. Ook bij Aristofanes, en bij hem uog meer dan bij de anderen, maakt prof. Pierson van de kuituur-historie bijzaak, en de poeët is zijn eigenlijk

ocr page 167

PE WOLKEN VAN AKISTOFANES.

onderwerp. Het doet mij genoegen, deze onwillekeurige hulde aan Aristofanes gebracht, te kunnen releveeren.

II.

Om de waarheid te zeggen, — het kan mij zoo heel veel niet schelen, welke meeningen iemand over een atheenschen tragicus in 't midden brengt; ik laat het volgaarne aan Euripides-enthousiasten over om prof'. Pierson te kransen of te vierendeelen; doch wie over Aristofanes begint mag wel heel veel goeds van hem vertellen, en heel weinig kwaads, voor ik tevreden ben; en prof. Pierson zegt wel veel, maar te weinig goeds, en veel, dus véél te veel kwaads van dien aanbiddelijken poëet, — en ik heb dus in 't minst geen reden om zoo bijzonder in mijn schik te wezen.

Prof'. Pierson had het als een buitenkansje kunnen beschouwen, dat hij zijn publiek eens goed op de hoogte kon brengen van de Aristofanische komedie ; hij is, als ik het wel heb, de eerste, die zich met een beschouwing over Aristofanes tot een algemeen publiek wendt; althans ik herinner mij alleen bij Huet een hoofdstuk, waarin de Vrouwenvergadering wordt besproken, en met juiste waardeering besproken. Doch in plaats van deze gelegenheid met beide handen aan te grijpen, — men zou zelfs zeggen, dat wie over Aristofanes in wil lichten, de Aristofanische komedie in de eerste plaats moet bespreken, — beoordeelt prof. Pierson de persoon Aristofanes in door-loopende discussie met allerlei meeningen, die aan het groote beschaafde publiek onbekend zijn, en na lezing van Hellas weet dat publiek nog niet, wat voor dingen

156

ocr page 168

DE WOLKEN VAN ARISTOFANES.

157

de Vogels, de Wolken, de Kikvorschen en zoovele andere heerlijkheden toch eigenlijk zijn. Want al zegt prof. Pier-son zeer terecht, dat de komedies van Aristofanes een sterk tendentieus karakter hebben, al is de opmerking over de plasticiteit der dramatische hulpmiddelen goed, al is die over het levende der personen uitstekend, aan het einde van het boek zal de lezer nog geen heldere voorstelling hebben van het verschil tusschen een komedie van Aristofanes, en de tooneelproducten, die men tegenwoordig onder den naam komedie of blijspel te zien of te lezen krijgt.

Inderdaad, zoo zal het gaan, denk ik, en ik geloof, de voornaamste reden is hierin gelegen, dat het door mij bedoelde verschil met al zijn gevolgen, aan prof. Pierson zelf niet heel duidelijk is geweest. ^ Hij brengt Aristofanes in één gezelschap met anderen, die blijspelen hee-ten gemaakt te hebben, hij noemt hem B een blijspeldichterquot;, hij beoordeelt hem, uitgaande van een definitie van een blijspel, die met het werk van Aristofanes niets te maken heeft. Hij heeft niet opgelet, dat men Aristofanes niet kan beschouwen als „eenquot; komedieschrijver, niet eenmaal als ,dequot;, maar enkel en alleen als Aristofanes, wiens werk men wel gemakshalve komedies mag noemen, doch alleen als men zorgt zichzelven en anderen door die benaming niet in de war te brengen. En in de war is prof. Pierson geraakt zóó zeer, dat hij Aristofanes niet in de eerste plaats beschouwt als een van die oor-

') Men zie met hoe weinig zekerheid prof. Pierson op blz. 410 vlgg. den niet-realistisehen vorm der Aristofanische komedie omschrijft.

ocr page 169

he wolken van aristofanes.

spronkelijke superioriteiten, wiens evenknie men moet zoeken in ik weet niet welk heel klein kringetje van hééle grooten dei- wereldgeschiedenis, doch als een too-neelschrijver, die vele vakbroeders heeft gehad. Deze verwarring doet prof. Pierson in ?t algemeen een onjuiste voorstelling geven van Aristofanes en in verscheidene bijzonderheden flaters begaan, die een enkele maal de afmeting van een blasfemie aannemen.

Wanneer prof. Pierson Aristofanes gebrek aan eenheid van compositie, aan eenheid van stemming verwijt; wanneer hij zegt, dat het werk van Aristofanes tot een bastaardsoort behoort; wanneer hij spreekt van het recht en de taak van ,den blijspeldichterquot;, wanneer hij deze en andere dingen zegt, dan grondt hij zich blijkbaar op een redeneering als de volgende ongeveer: Aristofanes was een komedieschrijver. Een komedieschrijver nu schrijft komedies. Komedies evenwel zijn dramatische producten, bestaande uit een samenstel van gebeurtenissen, dat een zekere harmonie van bouw, behandeling en stemming moet vertoonen, zonder welke zij niet volmaakt zjjn. Bij Aristofanes ontbreekt vaak de harmonie in samenstelling, behandeling en stemming; by gevolg zijn de komedies niet goed; dus was Aristofanes geen goed komedieschrijver ; ergo is hij niet goed.

Zoo ongeveer redeneert prof. Pierson. Aristofanes „eenquot; blijspeldichter noemende, en zijn publiek in den waan brengende, dat de Wolken zoo iets is al de Avare, en de Lysistrate als het Moortje, doch ik raad den lezer aan prof. Pierson geenszins te gelooven, want de redeneering is fout van het begin tot het einde. Want om het nog -eens te zeggen, Aristofanes wiis geen komedieschrijver;

158

ocr page 170

DE WOLKEN VAN ARISTOFANES.

bij was de dichter van de zoogenaamde komedies van Aristofanes, van tooneelstukken. die men om zekere eigenschappen, vooral uiterlijke, blijspelen heeft genoemd, doch die met de kunst van Menander niets, met die van Molière weinig, en het meest met het werk van Heine hebben te maken.

Hoe zal men iemand doen gevoelen, wat een komedie van Aristofanes is? De inlichting van prof. Pierson is zoo onvoldoende, dat zij niet eenmaal de bewondering van Heine begrijpelijk maakt. Is Heine zelf een voldoende verklaring ? Och arme, reeds vijftig jaar bestaat het werk van Heine, reeds vijftig jaar kan iedereen het Wintersprookje lezen met den lofzang op den zaligen heer Aristofanes aan het slot, en nog schrijft prof. Pierson over Aristofanes gelijk hij doet.

Hoe moet men het aanleggen?

Komaan, laat ik trachten mijn lezer langs den van ouds aanbevolen weg, langs den weg van het bekende tot het onbekende te voeren. Met de kunst van Molière heeft het werk van Aristofanes weinig te maken, heb ik gezegd, en ik zeg dat nog; maar er is bij Molière één brok, dat een aanwijzing kan geven op het karakter der aristofa-nische komedie. Ik bedoel het slottooneel van de Malaclc Imaginaire, het examen van den aanstaanden geneesheer, den baccalaureus. Iedereen kent dit brok van zien of van lezen, en ik vertel bekende dingen, wanneer ik ophaal, waarin dit gedeelte van den overigen Molière afwijkt.

De afwijking is hierin gelegen, wat het uitwendige betreft, dat de dramatische voorstelling geen oogenblik aanspraak er op maakt een getrouwe nabootsing van een in het dagelijksch leven voorkomende werkelijkheid te

15!)

ocr page 171

DE WOLKEN VAX AKISTOFAXES.

zijn. Zóó is nooit een examen afgenomen, dat weet het publiek zoo goed als de schrijver. Aan de gewone werkelijkheid is een enkele trek ontleend, een enkele situatie ontnomen, en die zijn door den dichter als motieven bewerkt met toevoegsels van zijn eigen fantasie tot een geheel, welks effect moet uitdrukken de opvatting, die hij heeft over de gebeurtenis, welke het thema uitmaakt. — Zóó is het in dit enkele brok van Molière, zóó is het doorloopend bij Aristofanes. — Is het duidelijk, dat deze uiterlijke bijzonderheid met het inwendige wezen samenhangt ? Zeer zeker, want duidelijk is het, dat men beter een geheel van groote bedoelingen kan dra-matiseeren, wanneer niet alle détails naar een trouw gevolgde werkelijkheid behoeven genomen te wezen, om de meening des dichters te symboliseeren; wanneer de fantasie van den dichter zeiven de aanwijzingen naar het eéne doel verstrekt. Het is ook duidelijk; dat deze niet-realistische behandeling allicht tot een soort van lyriek voert, want het is voortdurend de eigen opvatting des dichters, die zich door zijn eigen vindingen uitdrukt.

Zoo is het examen van den baccalaureus een niet-rea-listisch persoonlijk geheel, met een lyrische bedoeling vóór iets, en tegen iets; vóór het gezond verstand, en tegen de scolastiek, en het tegen werkt met de drie krachtige gevoelswapenen van haat, verachting en vroolijkheid. Want wederom, de niet-realistische nabootsing schonk den dichter een schoone gelegenheid om zijn stemmingsneigingen te volgen, en die neigingen waren om dood te slaan, en vroolijk te zijn tevens. En om dood te slaan zijn alle professoren ridicule dogmatici gemaakt; om den genadeslag te geven zegt de examinandus het onsterflijke

ICO

ocr page 172

DE WOLKEN VAN AKISTOFANES.

quia est in eo virtus dormitiva,

en om zelfs den gevelden vijand niet te sparen, geeft de baccalaureus ten slotte in zjjn grooten juro-eed een laatsten trap aan het reutelende cadaver. Docli om de vroolijkheid niet te vergeten, de vroolijklieid, het gevoel van meesterschap over den vijand, spreken alle figuren dat koddige, gracieuze potjes-latijn, dat zonder verslapping tot het einde de blijdschap van de zegepraal onderhoudt.

Dit alles zijn bekende zaken, slechts even in herinnering gebracht om de bespreking van Aristofanes gemak-lijker te maken.

1G1

Want, lezer, stel u voor, niet een enkel tooneel, doch een gansch drama, dat terstond zich aanbiedt als geen realistische nabootsing te wezen ; dat van het begin tot het einde harmonieus-rhapsodisch is van realiteit en fantasie ; zoo harmonisch, dat een gewoon gesprek door een feërie gevolgd wordt zonder het minste gerammel; waarin gelijk bij Molière de figuren voortdurend de stemming en de neiging van den dichter uitdrukken, doch in tegenstelling tot de professoren geen komieke ledepoppen zijn, maar menschen levend, om niet den volkzang te spreken, levend van hun hielen tot hun toonen, en van hun too-nen tot hun haar; 1j waarin onophoudelijk de belangstelling wordt gaande gehouden door de strekking van het stuk, en geprikkeld door toespelingen, grappen, hatelijkheden op bekende personen en toestanden; stel u voor

') Dit is zeer goed opgemerkt door prof. Pierson.

11

ocr page 173

DE WOLKEN' VAN ARISTOFANES.

een gebruik van lyrische hulpmiddelen oneindig rijker dan bij Molière, een taal die geen koddig jargon is, doch het schoonste Grieksch dat bestaat; verzen, die hun gelijken misschien, doch hun meerderen niet hebben, en, volkomen in de macht van den dichter, zijn, wat hij op ieder oogenblik wil; doorloopend helder en levendig, doch naar zijn keuze scherp en zacht, subliem of moordend, parodisch of zelfstandig poëtisch, aandoenlijk of vr ooi ijk, dronken-ecstatisch of ernstig-nuchter, en het geheel met vroolijkheid of smart aandringende naar één doel; stel u dat alles voor, en ge hebt eenige voorstelling van een Aristofanische komedie.

Zegt iemand dat een bonte poespas, als ik daar beschrijf, nooit een eenheid kan wezen? Dan moet ik nog eens zeggen, dat die eenheid verkregen wordt door het niet-realistisch nabootsen. Het karakter der Aristofanische komedie, dat zich gewoonlijk terstond aanwijst, is niet dat van een objectief blijspel, waarbij een scheiding bestaat tusschen voorstelling en publiek; integendeel, het karakter is dat van een drama, waarin de voorstelling, de poëet onophoudelijk gemeene zaak maakt met de toeschouwers, omdat hij terstond te kennen geeft, gelijk Molière in zijn examen, dat hij niet nabootst wat men in het gewone leven zoo maar dadelijk grijpen kan. Aristo-fanes kan zijn publiek een stukje objectieve vertooning geven, en het dan weder toespreken, zonder dat er sprake is van een uit den rol vallen, omdat de toeschouwers weten zoo goed als hij, dat zijn acteur geen objectieve rol vervult, maar slechts een houding aanneemt, zoolang het voor het doel noodig is.

Het is deze stilzwijgende afspraak tusschen publiek en

162

ocr page 174

DE WOLKEN VAN ARISTOFANES.

acteur, die de eenheid der Aristofanisclie komedie maakt; de eenheid, welke prof. Pierson niet heeft kunnen zien, omdat hij nu eenmaal Aristofanes tot een genre brengt, waartoe hij niet behoort, en dan op dogmatische wijze hem kritiseert naar stelregels, die op het besproken werk niet van toepassing zijn, wijl het tot dat genre niet behoort.

Als ik één ding in dit opzicht aan prof. Pierson toegeef, is liet dit, dat het gemakkelijker is de afwisseling van stemmingen te constateeren, en daaruit een gebrek aan eenheid ten onrechte af te leiden, dan de eenheid in de afwisseling aan te toonen.

Maar het dogmatisme van prof. Pierson heeft hem niet alleen een onjuiste algemeene voorstelling van Aristofanes doen geven, hij heeft in enkele belangrijke bijzondere gevallen een verkeerd oordeel uitgesproken, wederom door een vooropgezette meening geleid, en ik wil een dier gevallen nader bespreken, omdat men daar de vergissing-van den heer Pierson met de stukken bewijzen kan.

De vooropgezette meening is deze; Aristofanes maakte als blijspeldichter vroolijke stukken, kluchten, grappen. — Xu is het zeker waar, dat de vroolijkheid een belangrijk deel van Aristofanes' werk uitmaakt, doch dat zijn stukken kluchten en grappen zouden wezen, daar heeft het al bitter weinig van, en toch schroomt prof. Pierson niet het slottooneel van de Wolken, een slot zoo tragisch als maar kan, te noemen .een grappig tooneel, dat een zoon zijn vader laat afranselen in naam der Sokratische wijsbegeertequot;. 1)

') blz. 419. Het is onvoorzichtig te zeggen, dat de zoon zijn vader op het tooneel afranselt. Het slaan geschiedt achter de schermen.

163

ocr page 175

DE WOLKEN VAN ARISTOFANES.

164

De Wolken is een drama, wederom een mengsel van realistisch blijspel, feërie, lyriek, en toespraak. Het is een drama met een verwoede strekking tegen Sokrates, of liever tegen datgene wat het publiek zich van Sokrates voorstelde. De lezer kan zich den aanval op Sokrates niet beter denken, dan door na te gaan, hoe een satyrisch poëet den invloed van Multatuli zou behandelen. Hij zou niet het wezenlijke werk van dien denker nemen, noch de werkelijke persoon, doch datgene, wat een jong, oppervlakkig lezend en denkend publiek uit die werken gedestilleerd heeft, en het beeld door dat zelfde publiek van den schrijver gevormd; kortom, veeleer den Multatuli van Rammelslag dan den waren. Het thema van de Wolken is de demoraliseerende invloed van de sofistiek op de Atheners, op de deugdzaamheid der jonge lieden, op de verhouding van kinderen tot hun ouders. Een jonge Athener bij Sokrates in de leer gedaan om goed te leeren redeneeren, helpt zijn vader om diens schuld-eischers tot zwijgen te brengen. Doch kort daarop maakt de zoon van zijn nieuwe wijsheid gebruik om zich tegen zijn vader te keeren, en deze strijd is geschilderd in een tooneel van een bloedige afgrijselijkheid, als alleen een artiest, een scherp ziener en een hartstochtelijk gevoelend mensch als Aristofanes kon maken; het is dib tafereel, dat prof. Pierson een „grappig tooneelquot; noemt, alsof de Wolken een klucht waren. Inderdaad, men moet zich door zijn dogmatiek wel zéér laten verblinden, als men zóó spreekt, want de moeielijke kwestie van lyrische en objectieve eenheid komt hier niet eenmaal ter sprake; de gewone compositie van het tooneel is zóó aangelegd op een tragisch effekt. dat een vergissing alleen mogelijk is

ocr page 176

PE WOLKEN VAN ARISTOFANES.

bij liem, die zich van te voren de oogen heeft uitgestoken.

Laat ons nagaan hoe de klimax van afgrijselijkheden is. Strepsiades, de vader, komt uit zijn huis loopen, roepende dat zijn zoon hem geslagen heeft. De zoon ontkent dit feit niet. Nu verhaalt Strepsiades wat gebeurd is. Hij heeft zijn zoon gevraagd een lied van den vromen Aeschylus te zingen. Ba, die oude paai, antwoordt de zoon, die hoort niet meer in onzen tijd. — Eerste gruwel. — De vader wordt reeds wat boos en zegt: nu, zing dan eens wat van die nieuwe poëten, die jij zoo mooi vindt. — Terstond declameert de zoon een ballade van Euripides, het verhaal van een jongen die zijn zuster verleidt. — Tweede gruwel. Het is alsof in onzen tijd een vader zijn zoon vraagt om wat van Beets voor te lezen, en de jongen met het Gebed van een Onwetende aankomt. — Strepsiades kan zich niet meer inhouden, bij geeft zijn zoon een oorveeg, en — de zoon slaat terug. — Derde gruwel, of is dat voor de grap gedaan? — Vervolgens gaat de zoon zijn daad verdedigen, aanvangende, alsof hij een Multa-tuliaantje was: -hoe heerlijk is het met nieuwe begrippen de heerschende meeningen te kunnen verachten.quot; Denkt mijnheer Pierson, dat men zulk een satanische menschkundigheid voor de grap te pas brengt? — Phei-dippides beroept zich ter verdediging op een soort van natuurrecht, de natuur tegenover de traditie stellende, alsof bij een Multatuliaantje was. — Doch hierbij blijft het niet: Als de vader niet meer weet te antwoorden, zegt Pheidippides: en ik mag nog meer doen dan u ranselen. en dat zal ik u bewijzen; ik mag ook mijn moeder slaan. — Dat is zeker ook maar voor de grap, evenals

165

ocr page 177

DE WOLKEN VAN AEISTOFANES.

de klaagroep van den vader, dat hij zijn zoon nooit gestraft heeft, dan met smart en voor zijn bestwil, en dat zijn moeder slaan liet ergste is wat een mensch doen kan, en dat, wie dat wil doen, evengoed zelf in een afgrond kan springen. Dat is allemaal uitermate kluchtig, evenals de grandiose wending van den armen Strepsiades, die de goden om vergiffenis smeekt, en het huis van Sokra-tes in brand steekt. — Daar is niets geen ernst in, meneer Pierson, niets, en de verbranding van Sokrates' huis is enkel het lachende slot van een schaterende klucht, niet waar?

Het heeft er niets van. De Nefelai, geheiligd zij haar naam, is zoo zeer de scherp geziene, en groot-gevoelde grandioze tragedie van den strijd van het Oude tegen het Nieuwe, dat ieder Nederlander, die om zich heeft gekeken, in de laatste vijf en twintig jaar minstens zes groote opvoeringen heeft kunnen bijwonen, en vele kleine. Ik overdrijf niet, want zie hier de zes: de eerste heette Darwin, de tweede Multatuli, de derde Wagner, de vierde Zola, de vijfde de Haagsche Schilders, de zesde de Nieuwe Gids. En dit laatstgenoemde tijdschrift heeft met iederen jaargang een kleine reprise gegeven van de Wolken, die heetten; Verwey, Kloos, Stemming, van Deyssel, nog eens van Deyssel, en Gorter, en bij iedere opvoering is de slotscène van de Nefelai dezelfde geweest, bloed tegen bloed, zoon tegen vader, en alleen misschien niet zoon tegen moeder. En het zal wel altijd zoo blijven; de tijdstroom gaat verder; de vader blijft bij de begrippen van zijn jeugd, de zoon krijgt ze van zijn periode, en zij zijn vreemden voor elkander zonder het te weten, tot de strijd onverwacht losbreekt; de strijd waarbij de vader nooit kan

166

ocr page 178

DE WOLKEN VAN AUISTO FAXES.

gelooven, dat het zijn zoon geheel ernst is met zijn nieuwe begrippen; waarbij de zoon, hoe eerlijk ook in het geloof aan zijn idealen, nooit geheel vrij zal wezen van de stree-lende bijgedachte; hoe heerlijk is het met nieuwe woorden de oude meeningen te kunnen vermoorden.

En heeft Aristofanes nog niet genoeg gedaan met die tragedie te scheppen ? Moet hij daarvoor een conservatief heeten ? Moet men hem het malle verwijt maken, gelijk prof. Pierson doet, 1) dat hij de toekomst van Athene niet begrepen heeft; dat hij niet inzag waarop de Griek-sche mystiek, niet waarop de Sokratische dialektiek, niet waarop de tragedie van Euripides zou uitloopen? Ja, meneer Pierson, dat verwijt is mal, want het komt neer op te verlangen, dat Aristofanes in 423 zou voorzien hebben de komst van Plato, terwijl het een onverklaarbaar buitenkansje is geweest, dat de allergrootste Helleen aan het einde van de Atheensche periode is gekomen; hij had moeten voorzien, — risum teneatis, — hij had moeten voorzien de komst van Kristus, niets meer of minder dan dat; en hij had moeten voorzien, dat Euripides „de voorraadkamer voor de letterkunde voor alle eeuwenquot; zou worden. Voorwaar, als Aristofanes dat laatste had voorzien, welk een heerlijke komedie zouden wij te meer hebben, want hoe zou hij een toekomst hebben gehaat, waarin Euripides de tragediedichter was.

167

Kom, mijnheer Pierson, laat ons geen kwade vrienden worden. Ik beschouw het als een buitenkansje om iemand in Holland te vinden, die de antieken zoo weet aan te

') Zie blz. 421.

ocr page 179

DE WOLKEN VAN ARISTOFANES.

168

pakken als gij doet; die zoo vrij is van de traditie, die zijn kunde zoo leesbaar weet te maken en onze atheensclie vrienden, alles te samen, zoo lief heeft. Schrijf nog eens over Aristofanes, en kunt ge ook de eenheid van zijn werk niet toegeven, lees uw eigen hoofdstuk nog eens en erken, dat ge hem te veel hebt geprezen, om zooveel afkeuring daarbij te gedoogen. Erken dat ge het allerbeste van hem nog niet hebt gezegd. Vertel eens van die heele mooie brokken, die buiten elk conflikt staan; van dat onovertroffen geestige en poëtische brok uit de Vogels, ge weet wel, beginnende met het optreden van het vogelkoor, en eindigende met het eind van de parabaze; vertel eens dat tooneel uit de Itijkdom, waar de slaaf en de grijsaards zoo blij zijn, dat zij rijk zullen worden; vertel eens — maar gij hebt Aristofanes gelezen, en zult die lekkernijen zelf wel weten te vinden. Beweer alleen niet meer, dat de Xe fel ai maar eene klucht is, en spreek vooral niet van de onordentelijkheden van Aristofanes, want dat is toch al te flauw.

ocr page 180
ocr page 181
ocr page 182

KINDEREN.

DOOR

JAC. VAN LOOY.

't Is een maand of wat geleden, het was in Mei, de boomen liepen al uit, liet stramme winterhout langs den Amstel kleurde al van jonge botsels, dat ik eens thuiskomend van een boodschap, op de trapdeur van mijn werkplaats met wit krijt geschreven las : , Mijnheer! Cor en Jo zijn er geweest.quot;

Het waren groote letters, vol knoeien en vingervegen, moeielijk geschreven door een kind met het handje vooruit gebukt naar 't laag paneel; het waren woorden dwars en haastig over het ruwe hout gekrast, door een kind bang dat ze zal worden betrapt terwijl ze doet wat niet mag; schotsch en scheef schrift, slordig, van een schoolkind dat zonder blinkert nog niet recht schrijven kan.

En ik was naar boven geklommen, met de plotseling opgeroepen herinnering in me aan die twee alweer bijna vergeten kinderen: de beide meisjes in hun kleurige kleertjes, Cor en Jo. Het was nu wel een jaar al geleden, dat ik ze op straat tegenkwam, Cor sjouwende met

ocr page 183

KINDEKEN.

een zak waschgoed, kleine Jo meêgetrokken aan de hand achter haar aan. En ik had ze gevraagd waar ze woonden, en toen moeder het goedvond, waren ze bij mij gekomen, geregeld een tijdje lang, 's Woensdags- en Zaterdagsmiddags, wanneer er geen school was, en later

ook des Zondags.....Maar vijf minuten naderhand was

ik ze alweer vergeten, dat gaat zoo.

En het was wel al in Juni, de zomer kwam in het land, de lucht werd warm, de hoornen van den Amstel stonden sterk al in de kronen van hun gehladert, dat ik, werkende, werd geroepen door een luid en haastig schellen. O, dat zal een puistje zijn, de klepel luidt na, klingeling, als de klepklep van vluchtende kindervoetjes.

Beneden zag ik eerst niemand, maar uitkijkend toen, aan het padeinde twee meisjes staan, als betrapte bengels, half achter het loodsje van het gesloopte raadhuis : maar ze liepen niet voort toen ik met den vinger dreigde.

Hè, dat waren Cor en Jo. Het ging moeder zeker goed. Ze waren zoo netjes in witte zomerjurken met witgesteven boezelaars, en groote stroohoeden droegen ze, als de rijkelui's-kinderen die aan het strand dragen met crème linten in de halsjes hangend. Ze stonden als prentjes uit de Gracieuse; allebei met een houten hoepel, rechtop in hun hooggeregen zwarte laarsjes.

Ja, dat waren Cor en Jo... en ik wenkte, ik wenkte... kom maar hier, ik zal je niets doen... maar zij durfden niet... ze gingen voort, schoorvoetend, omkijkend nog eens en nog eens, maar toen voor goed weg.

En ik ging wéér naar boven met de plotseling opgeroepen herinnering aan die twee kinderen in mij, een

172

ocr page 184

KINDEREN.

herinnering van blond goud en purper, van rood en blauw.

Een kwartiertje later lag ik op mijn kanapé en de oogen dicht.

Daar zaten zij, Cor en de kleine Jo in mijn armstoel, plaats genoeg voor beiden.....

— , Vertel maar door, Cor ... Jo . . . nu eens je handje goed ... je beste beentje vooruit.quot;

— „Ja menheer.quot;

— „Kom Corr ...?quot;' Jo brouwde een beetje, wat de schoolkinderen grootsch-praten noemen.

— -Nee, nou eris wat anders,quot; zei Cor.

— „Wat dan?quot;

— „Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.quot;

— „Ik begin, nee jij.quot;

— -Nee jij,.... toe nou.quot;

— .quot;k Mot toch eerst wat zoeke.quot;

— „Heb je al wat ?quot;....

— „Ik zie, ik zie wat jij niet ziet!quot;

— „Hoe ziet quot;ter uit?quot;

— „Als een olifant.quot;

— „Nee! da's flauw, dat heb je van menheer afgehoord.quot;

— „Nou; rood dan.quot;

— „Die potjes.quot;

— „Nee.quot;

— „'t Schilderij.quot;

— „O, nee !quot;

— „Die boeken.quot;

— „Welke?quot;

— „Die!quot;

— „Denk om je handje, Joquot; ....

173

ocr page 185

KINDEREN.

— „Ja menheer.''

— .Is dat nou rood,quot; smaalde Cor.

— „Nou, weet ik 't.quot;

— „Geef je het op?quot;

— „Ja.quot;

— „Je jurk.quot;

— „Hè .... nou ik.quot;

— „Nee je mot eerst raaien.quot;

— „Ik zie, ik zie wat jij niet zietquot;.

— „Hoe ziet het er uit?quot;

— „Als een olifant.quot;

— „Nee (la's valsch.quot;

— „Nou, goed, blauw danquot;.

— „Jouw jurk.quot;

— „Mis poes.quot;

— „De lucht.quot;

— „Je brandt je, je brandt je.quot;

— „'t Gordijnquot; .... haastte Jo.

■— „Je brandt je... . wat heet, wat heet!quot;

— „Dat papier,quot; zei Jo, wijzend met haar voetje.

— „Nee je wordt wéér koud.quot;

— „Zeg het nou maar,quot; vleide Jo.

— „Nee,quot; hield Cor vol.

— „Dan zal ik zeggen ... zie je... dat jij... gisteren met een jongen gestoeid heb,quot; zei Jo, beduidend, langzaam de woordjes met haar hoofdje beknikkend.

— „Jij ook klikspaan!quot;

— „ Sliep uit.. . moe gelooft het toch niet; ik ben nog niet eens zes jaar.quot;

— „Nou daar dan, de portefulje.quot;

174

ocr page 186

KINDEKEN.

— „Nou ik.quot;

— „Nee, ik schei er uit.quot;

Cor zat met een hooge kleur, met een pruillip voor zich uit te kijken.

— „Hè! Cor wat zet je een vogelverschrikkersgezicht... ik word er knorrig van.quot;

— „Nou, die Jo plaagt ook zoo.quot;

— „Kom, zoo'n kleine meid.quot;

— „ Ho maar. .. 't is wat een kat.quot;

— „Kom, wees jij nu de wijste. Zit jij dan maar eens goed, je hand zoo... je weet wel.quot;

Daar zaten ze mekaar stilletjes te duwen en stompjes te geven, totdat Jo het uitgiegelde en Cor zei:

— „Vertelt u nog eris wat, zooals laatst.quot;

.... En ik hoorde mezelve vertellen gaan over schel-mediéven en dwergen en draken, die ik ze soms op den grond met een stuk krijt voorteekenen moest, half vergeten uit sprookjes, half' gedachteloos. Maar ik knapte ze onderweg wel wat op ; het kwam er zoo juist niet op aan. Het verhaal van den smid, die de koningsdochter redden ging uit het hol van den draak; die door zijne kameraden in het donkere gat werd neergelaten, terwijl hij dapper riep; „laat zakken . . . laat zakken. ... laat honderd en duizend voet zakken;quot; die den draak met zeven koppen versloeg, en toen de koningsdochter aan het touw hond en haar door den metselaar en den timmerman, „haal op ! haal op !quot; naar boven hijschen liet. Hoe die twee met de schoone koningsdochter op den loop gingen en den smid vergaten; hoe die alleen achter bleef treuren in het hol en een viool vond en er op spelen ging van droefheid; hoe er toen duizende aardmannetjes kwa-

175

ocr page 187

KINDEREN.

men met een; „wat blieft u mijnheer Koning? wat blieft u mijnheer Koning?quot; Hoe hij toen gezegd had: „ik heb honger;quot; en hoe hij banket gekregen had en bier en alles wat zijn hart maar begeerde. Hoe hij toen de gouden zon en de zilveren maan en de diamanten sterren in dat hol had zitten oppoetsen en als zij klaar waren, weêr op de viool was gaan spelen, dat deed hij altijd als hij wat noodig had, en tegen de aardmannetjes gezegd had dat hij er uit wou. Hoe ze toen allemaal op mekaar waren gaan staan en hoe de smid, zie je, op hun schoudertjes als langs een ladder was naar boven geklommen; hoe, juist toen hij bijna boven was, het onderste mannetje inzakte, omdat deze even in zijn handen spuwen moest, zoo zwaar was het. Hoe hij er pas voor de derde maal uitkwam en bij den koning aan het hof zei, dat hij het was, die de koningsdochter met de lange witte'haren gered had; hier waren de gouden zon en de zilveren maan en de diamanten sterren; en de koningsdochter, die juist trouwen ging, zei het ook, want ze had in den metselaar, begrijp je, niets geen zin. Hoe die toen op de bruiloft van den smid werd opgehangen, omdat hij een dief geweest was en ook een moordenaar, want hij had den timmerman onderweg in de schuimende rivier gegooid om de koningsdochter alleen te hebben, en hoe ze toen... oef.... allen samen lang en gelukkig hadden geleefd.quot;

En wanneer de kleine Jo onder het strakke luisteren van den stoel Avat afzakte, werd ze er door Cor „wacht u even menheerquot; weer opgetild, en dan „nouquot; en ze knelde haar zusje even hevig tegen zich aan, in een opvlieging van liefde vragend: „hoe vin je het?quot; en Jo dan prompt terug: „ik vin 't wel mooi, jij ook?quot;

176

ocr page 188

KINDEEEN.

O, het was zoo moeielijk geweest om de verveling van tien minuten op een stoel te moeten zitten, niet zóó maar, of op school; om de slaperigheid van de zolderwarmte uit die twee kinderen te houden. De Zaterdag- en Zondagmiddagen, vooral wanneer de late zon door het geschermde zoldervenster was komen vallen, den wand achter den stoel verguldend, purperend Cor en Jo in hun roode en blauwe kleertjes, hun lichte kindergezichtjes beduisterend, maar toch zonder schaduw, boven het leêr-zwart van den ouden leunstoel.

In de rustige ruimte van deze heuchenis, zooals in vlak water dat te rimpelen begint, komen nu vele kleine herinneringen elkander verdringen om te vervloeien weer in hun eifen gang . . .

Cor ging op de armenschool. Jo zou er met het voorjaar heengaan. Vroeger ging Cor op een tusschenschool, maar moeder, ziet u, zei, dat er op deze school beter geleerd werd. Maar de meisjes en jongens waren hier lang zoo aardig niet als op de andere; ze moesten zoo dikwijls hun handen gaan wasschen, zoo vies; en ook most je altijd in de rij loopen wanneer de school uitging. Ja, die Cor was zoowaar al een .nestquot; .. . Moeder hield er de hand aan. Ze was trotsch op het lange blonde haar van Cor en Jo ; alle avonden voor ze slapen gingen, al had ze het nog zoo druk met strijken en al was Jo op een stoel in slaap gevallen, het haar moest in papillotjes worden gezet, daar hielp niets aan; en Zaterdags werd het uit-gewasschen en dan Zondagsmorgens na 't verschoonen gepoetst en geschuierd, „want haar moet droog zijn, zeit moeder, nat haar staat gemeenquot;.

177

12

ocr page 189

KINDEKEN.

Moeder streek voor de menschen en vader: „ja, ziet u, onze eigen vader is liet niet, die is allang dood, we zijne met zen zessen... vier van vader, ik en Jo wij zijn van moeder... wij zijne roomsch, maar vader is griffermeerd; als ik genoeg geld met bij u komme verdiend heb, dan word ik met Paschen angenomen; moeder had verleen jaar geen geld voor een anneemsjurk en we motten dan, moeder en Jo ook, allemaal heel nieuw ondergoed aan hebben, alles mot dan nieuw zijn, ziet u, en dat kost veel geld. Van grootmoe krijg ik wel een boel, want die

is baker, maar vader heeft al in heel lang geen werk____

vader liep vroeger voor een begrafenisbos, en toen is hij aan de Parkschouwburg geweest.quot; . . .

Vader, daar kwamen ze nooit overheen. Als ik nu aan de jonge woorden van die kinderen denk, dan zie ik op 't gezicht van Cor de ouwelijke armelui's plooi van huilerigheid weer.... maar dan de oogen van Jo, groot rond____

en haar mondje aan het babbelen over knikkers en vliegers en dat ze gauw met Cor mee naar school ging.

Eens op een Zaterdag kwamen ze niet en ik was naar hun huis gegaan om te zien wat er aan scheelde. Zij woonden in een van die straten met beroemde mannennamen achter de Muiderpoort, No.. . . 2de étage achter.

Den eersten keer bij het vragen kwam moeder zelve voor, naar beneden geroepen door Cor, en ik was verslagen geweest een oogenblik om de opvallende magerte van haar gezicht, bleek en overspannen.

.... Stil komen ze aan de herinneringen, geleidelijk en zij worden beelden ....

De vrouw stond op den drempel der deur in den vollen dag ; een wit ochtendjak droeg ze boven een zwarten rok.

178

ocr page 190

KINDEKEN.

Schichtig keek ze even uit en toen mij aan, met grijsgele oogen die vochtig en snel leefden; zij had een gretigen kop met heftige hooge jukbeenderen, met ietwat als in verlangen vooruitstekenden mond met even open lippen; met een kin vierkant, vol onnoozelheid even achteruit gegroeid. En terwijl ze sprak had ze zorgvuldig de plooien van haar jakje op de borst dichtgehouden en met de vingertippen van haar andere hand, telkens aan haar lippen bevocht, getracht zoo haar kringelende haren die maar niet recht wilden zitten, weêrbarstig, op haar voorhoofd vast te plakken, dat als in verwondering, eenigszins verstijfd boven haar oogen zich spande.

En zij had in nette woorden, met zacht afloopende spraak, met een zweem nog van verarmde distinctie, na veel inlichtingen toegestaan van Cor en Jo een portretje te maken; alsof quot;t een gift voor haar te geven geweest was, een weinig uit de hoogte, vermeed ze over geld te praten. „Maar u begrypt, alleen 'sWoendags en Zaterdags.quot;

Doch dien Zaterdag stond de deur aan, wijdopen met de trap er achter .... de middag was heel heet, de straat lag te braden onder de zon. Een eindje vèr speelde Jo in haar kleurige kleertjes met andere kleuters op een geel-blinkenden zandhoop, tusschen gebukte, blauw geboeze-roende stratenmakers. Het kind zag me niet, een schel was er niet, dus klom ik maar naar boven.

De trap op kwam me een geweldig krakeelen tegen, een hooghuilende vrouwenstem en het hoonlachen en het vloeken van een verzopen mannengeluid. Boven, dalend van de derde étage, ging een lummelige vrouw langs de leuning voorbij, de hand onder 't schort; ze schudde haar hoofd meewarig: „och, och watte gedoe.quot;

179

ocr page 191

KINDEKEN.

„Nou, gofferdomme, laat me dan schieten,quot; stommelde de mannenstem van achter de deur, 2de étage achter ; maar in een radsnelle wieling van verwijten, in een vliegende drift van woorden en uitroepen, woedde en stormde de vrouwenstem die in de tranen hikte.

.... „Ja, jij, hé ! jij mynheer met een boord om. .. . geef me eerst geld om het goed te lossen dat ik gisteren door Cor naar de lommerd heb laten dragen ; ja jij, schele vent, jij maakt nog een dievegge van me. . . . och mijn Jezus, hoe kan het bestaan, jij leeft van mijn, jij zuigt mijn uit; in vijf weken, ja vijf, tel ze maar op je vingers na, heb ik nog geen gulden van je ontvangen.... Daar zit je nou te lachen.. . ellendige kerel . . . wie zal de huur weêr betalen hé ... zoek werk . .. maar dan worre je handen, je pooten vuil. God beter 't!quot;

— „Mag ik er asjeblieft uit? mevrouw Haberniks!quot; overschreeuwde de man haar.

— „Nee, je zal zitten blijven, kale sinjeur! wou je nog meer de menheer gaan uithangen van mijn geld ... ik ploeter me dood, ik wor gek... mijn Jezus, mijn Jezus!quot;

— „Mag ik er asjeblieft uit, mevrouwquot;.

— „Hou je koest zeg ik je, izegrim, hoor je me niet, doorbrenger, lap. op je stoel zal je blijven... God, kerel blijf zitten.quot;

En in een zenuwachtige bui van snikken, drong er toen een kamervolhol woest leed naar me op, van achter de deur; een smak met een hard ding viel, wilde voeten holden aan en met een knak knerpte het slot aan den binnenkant om, ratelend werd de sleutel uit de deur getrokken....

Hoe was ik toen dien middag eerst na meer dan een uur durven terugkomen, of ik het helpen kon.... en 'k

180

ocr page 192

■■■#

KINDEREN'. 181

was maar blijven loopen, loopen, de stad een eind in, en toen terug, langzamerhand.

Jo zag me en kwam hard aantrippelen... s wel, waarom zijn jullie er niet geweest?quot; — .menheer. Cor is uit.quot;

Boven, aangeklopt aan de deur weêr; kwamen er voeten en de sleutel knerpte terug. Wit stond de vrouw voor me, vragend met haar geelgrijze oogen.

— .0 ! . . . komt u binnen, mijnheer.quot;

— ,Ph, wat is 't hier warm.quot;

— , Ja, 'k vraag u wel ekskuus, dat u in zoo'n rommel komt, maar u begrijpt, ?t is Zaterdag.quot;

— „We moeten allen werken, juffrouw, geneer u niet, ik kwam maar even vragen.quot; .

— „Ja, ii zult me niet kwalijk nemen, hoop ik, maar ik kon Cor onmogelijk missen van middag, ze moest naaide klanten, ik kan zelve niet weg.quot;

Haar gezicht was rood en warm gebroeid, onder haar oogen waren blauwe wallen.

— „Kunnen ze morgen?quot;

— „Bepaald, ziet u ik had Jo wel gestuurd, maar die weet alleen den weg niet en die durf ik ook zoo'n end niet alleen wagen.quot;

Ze praatte nog even door.

— „Dus morgen ... dag juffrouw.

— „Dag mijnheer.quot;

In mijn geheugen komt nu die kamer terug met zijn streepjesbehangsel als met lange tranen bestraald, kaal en hard in de hoeken.... een leêggedragen kamer met een vloer zonder kleed. Dan een kanarievogeltje dat triptrap, in eeuwige beweging door zijn kooitje sprong, als een overschot van weelde bewaard, op de vierkante schuif-

ocr page 193

KINDEREN.

182

tafel onder het open raam geschoven, verdwenen bijna achter een stapel wit strijkgoed. Half voor de glazen een omgespeld laken, tegen het inkijken 's avonds by het naar bed gaan, en daarachter buiten, goudelde de late zon boven de tuintjes hangend, tusschen de benedenhuizen en de huizen van den overkant. Het geklok van kippen kakelde naar boven in het warme stoffige licht, een zon die ge niet zien kunt zonder aan muggen te denken. En de kamer zelve snikheet, want onder den schoorsteenmantel hurkte zwart- en metaalgedrochtelijk een laag strijkka-cheltje, rood-gloeiend en gestookt uit zijn vier gaten in de rondte, en met strijkbouten behangen. Van de tafel-punt naar een even hooge schraag ging een strijkplank, omwoeld met een oude deken, vol schroeiplekken van een gebakken kleur; een stuk strijkgoed plat en blank er op met een wachtenden bout. Zoo dwars van de tafel naar de kachel lag als een barricade de strijkplank. En er achter in den aldus afgeschutten kamerhoek lummelde op een stoel, een man, met zwarte kelnerachtige platte pommadeharen, die in zijn overhemdsmouwen van de warmte zat te puffen en met zijn armen geen raad wist. Hij zat zot-schelig te kijken uit zijn zweetenden kop, in een ver-stroefde grappenmakershouding, averechts; zijn neus en kin bogen naar elkaar uit zijn lang gezicht. Napoleons-kop tot een Jan Klaasen voor een poppenkast versneden ; langs zijn wangen dotten een paar koteletjes als bij een oud militair; zijn hals stijf en onverdraaibaar zat als gestampt in een hoogen staanden boord. En zijn oogen, hadden ze naar het raam gekeken of naar mij, oogen zonder blik. Gedwee zat hij gevangen achter de strijkplank, zijn vrouw stond er voor met de hand aan de plank, en

ocr page 194

KINDEREN,

toen zij met mij praatte, had ik wel gezien dat zij onder haar jakje niets aan had.

En mijn herinnering verbeeldt me aan de andere zijde van het raam, tegenover de deur, een optrapje en een inzicht in een keukentje met een bedstee; en op den bed-derand met hangende beenen zittend, een opgeschoten jongen, ook in kraakwitte hemdsmouwen, die den neus en de kin van den man binnen had en een even hoogen boord om zijn hals .. , ,

, , ,, Maar den Zondag daarop waren Cor en Jo weêr gekomen , ,,, en daarna weêr . , . ,

Toen eindelijk het portret weg moest, had Cor gevraagd of moe het ook eens zien mocht, en ze waren er geweest, moeder, grootmoeder kwam ook meê, en Cor en Jo ,.. Daar waren ze,

Jo trok moeder aan de hand vooruit naar binnen, en dadelijk thuis ; „kijk moe, dat ben ik,quot; Cor volgde met grootmoedei', een zwaarlijvige vrouw, die zich door de deur heenwrong, een vleezige doorvoede kop, met rood geaderde wangen onder een stijve bakerkornet. Ze had een groenige parapluie bij zich, waar ze op steunde en in haar dribbelenden gang schoven haar stijve rokken langs den grond, als wibbelde ze in een ton. En naar overal met de oogen te gelijk snuffelend, riep ze als haar kleinkind hardop: „waar zijn Cor en Jo ? waar zijn ze nou, waar zijn ze nou ? , ,, o, zijne ze dat!quot;

Moeder was in een paars katoentje en haar haar strookte bijna platgestreken onder een stemmig kapot-hoedje vandaan, behagelijk met een dof lint om de wangen gestrikt, en een klein snoeperig zwart zijden boezelaartje had ze voor, als een jong getrouwd vrouwtje dat

183

ocr page 195

KINDEKENquot;.

om een boodschap uit is. Ze stond haar geschilderde kinderen te bekijken, dicht bij en dan wat op zij uitblikkend ; gekleed, nu niet zoo mager, slank, had ze in al haar doen de bekoring nog van een vroegere elegance. Een geurtje van Eau de Cologne wademde vooruit toen ze aanliep. Cor stond nu naast haar en quot;t was opvallend hoe ze op haar moeder geleek, dezelfde wangen en denzelfden mond.

— „ Vindt u dat ze lijken, juffiouw?quot;

— „Jo wel, maar Cor niet zoo erg.quot;

Doch ze had maar even tijd gehad... Zie... ze riep al gauw Cor en Jo, en terwijl ze bedankte, waren haar oogappels als twee oude munten geweest. Met haar beide kleurige en opgeschikte kleinen was ze gegaan als een blank dienstmeisje, dat wandelen gaat met de kinderen van mevrouw.

Maar de oude baker bleef nog wat praten. Zij woonde aan deze zijde van den Amstel; en aldoor aan het woord, vertelde ze zich uit, boven haar rusteloos dribbelende beenen. „Ik baker altijd in groote huizen, en woont U hier, hoe is 't mogelijk, en daar zie ik ook veel schilderijen, prachtig; mijn man is zeeman geweest, ik heb maar een kind en dat is zij.quot;

En ze had de handen in elkaar geslagen „God, God!quot; roepend en klagend, met haar schommelbuik aldoor kee-rend, en .... „ o, dat kind.quot;

Het was altijd een domme meid geweest die in haar verderf wou; „ik heb mijn best genoeg gedaan, dat moet u niet denken.quot; Toen ze achttien was had ze kennis gekregen aan een jong rijk mensch en ach, u zult dat -ook wel weten, als die dingen in een mensch vallen.

184

ocr page 196

KINDEREN.

daar is geen kruid voor gewassen. Tien jaar lang was het goed gegaan. Ze had twee kinderen gekregen, dat waren Cor en Jo. Ze had het toen heel best. . . maar u begrijpt, hy werd wat ouder . . . hij moest gaan trouwen; wij arme menschen zijn maar ondergeschikt, dat zal u ook wel weten.. . . Groote goedheid, als ik nog aan die tijd denk ; verdoen wou ze zich mijnheer. Eens hebben ze d'er uit 't water gehaald, meer dood dan levendig. Langzamerhand is het bijgezakt, toen is ze met het geld dat ze had een zaakje begonnèn. Ze was altijd heel knap en handig in die dingen en door mij heeft ze ook veel klanten gekregen, veel groote lui.

Maar toen heeft ze, God-mag-weten-hoe, kennis gekregen aan die slampamper en die was al heel gauw met zijn heele rommel bij haar ingetrokken, een weduwnaar met vier kinderen, en langzamerhand heeft ze alles ingeteerd, ziet u; en is ze zoo nakend geworden als een rot. Want hij .... de vent doet niks; aan werken daar heeft hij een broertje aan dood .... zij scheldt hem wel uit, maar ze werkt nacht en dag, het bloed onder d'er nagels vandaan. Telkens worden ze op straat gezet, maar hij loopt maar met een rotting en met een schoone boord om zijn nek... u zoudt hem uw laatste gulden te bewaren geven als u hem zag. . . Hij is wel grappig, dat mot ik zeggen ; hij kan zoo gek uit zijn slof schieten dat je lachen mot of je wil of niet; maar 't is toch haar ongeluk, en als ik er wat van zeg, dan kijkt ze me zoo aan en vraagt: maar moeder wat wou u dan ? 't Is een stumpert en een stumpert zal het wel blijven, want al heeft ze er heele leven klappen gekregen, ze weet nog van geen gaan of staan.'

185

ocr page 197

KINDEREN.

Zoo had ze gefilosofeerd, dribbelend, niet willend zitten gaan en driftig als ze werd telkens, stompte ze in de lucht met haar parapluie. En over haar zelve toen, en of ik van haar ook niet een portretje maken wou ... „zoo met me wit boezelaar en me kornet op, die hooren er bij; denkt u dat je zonder die in de groote huizen komt, pas op.quot;

Met veel omslag was ze eindelijk heengegaan.

En vandaag werd er weêr gescheld, en het is daarom dat ik dit dingetje heb opgeschreven, even getroffen als ik me voelde om het langzame en eenzelvige gaan der dingen.

't Was Cor, die voor de deur stond; langer geworden, haar hoofdje huileriger in den val van haar lange blonde haren. En om den hoek, half schuil achter 't kozijn, wachtte een ander meisje, bijna even groot, maar sterker, met zwart haar, kort, als bij een jongen.

Boven.

— .... „Je wordt groot, Cor !quot;

't Kind stond verlegen met de hand over de leuning van den stoel te aaien, als wou ze daar weêr gaan zitten.

— „Je komt zeker vragen of ik je niet noodig heb. Ben je al aangenomen!quot;

— „Nee mijnheer.quot;

— „En waar is Jo?quot;

— „Die legt in bed, mijnheer.quot;

— „Is dat niet je zusje?quot;

— „Ja, maar we zijne maar halve zusjes.quot;

— „Vader laat vragen of u mijn ook niet eris gebruiken kan ?quot; viel het zwarte kind in, een mond toonend waarin de tandjes wisselden.

En veel bij-de-hander dan Cor, liep ze rond, en dat vond

186

ocr page 198

KINDEREN.

ze mooi, maar dat niet, en toen weer stil. ,Vader heeft verleê-jaar 't portret ook gezien op de tentoonstelling: hij vond quot;t niks niet aardig, maar er stond op: „verkocht.quot;

- „Zoo!'.....

Het kind begreep niet.

Ze bleven nog wat, ze aten een boterham, ze namen wat pruimen meê voor Jo, toen heb ik ze laten gaan.

187

ocr page 199
ocr page 200

HAROLD.

ocr page 201
ocr page 202

H A R O L D.

DOOR

ARIJ PRINS.

Onder heel-oude, dikke, overlangs-gebarsten stammen, zilver-blauw bemost, voor-over dood mannen in lange mantels, frambozen-rood, waarin dof maan-glanzen van wit-zijden cirkels. Hun naakte pezige armen, waar-om blonken geel-metalen banden, krampachtig gekromd, en de bont-omwindselde beenen stijf gestrekt. Droge dooden, nergens bloed, vergeeld-strak hun huid. Pijlen om hen, en een schuins-op, diep-stekend in den rug.

Op een stillen tak, een vogel stil, met schuins gebogen kop naar de gesneuvelden, eu te zien door de uitpiekende, boom-vingers waaraan blaaren zeldzaam, een veld, kaal-opheuvelend, oker-rood onder het opstaand luchtvlak, dat was straf-oud-blauw-groen, zonder zon-helderheid, en leeg van wolken.

Achter het veld op een lage hoog-vlakte, plat voor een heel bleeken horizon, en binnen een langen, rechten, aard-grauwen wal, gril-puntig ophoeken naast elkaar van veel daken; hooge en lage, de meesten heel-zuiver-

ocr page 203

HAROLD.

donker lei-blauw. En in liet midden een koepel-paleis, kalk-groen-wit, waarop een wimpel strak-uit.

Uit de stad een bonte stoet met koning Harold, die op een heel wit paard, langzaam onder den zwarenlast. Om zijn uitpuilend kwal-lichaam, zonder beender-vastheid, een mat-vermiljoene talaar, moeielijk dicht door gouden agrafen, en op zijn zuip-water-hoofcl met glimmend-vette halsplooien en krabroode blaas-wangen, waar-boven-achter schuillagen donkere muis-oogen, de lage mat-gouden band-kroon onder een zijden doek, waarin de leliën op.

Ring-steenen als fel-blanke vonken aan de verschrom-peld-dikke oud-kindervleesch-handen, die rustten op zijn zwanger-vetten buik, en al schommelend op het purperen zadel, hij zucht-snuivend als een zeemonster.

Omhem, in kostbaar metaal-geflikker, op glanzend-bruine paarden met gevlochten staarten, alleen hooge mannen. Gouden vogels op bun pot-helmen, waarin vierkante oogvensters, en in de blinkende, enge harnassen, zij slange-menschen door de schub-geledingen, die rinkel-knarsten.

Kort hun zwaarden met lange gevesten vol steenge-flonker, en breed de pareerstang. Zij droegen ook scherpe dolken om mede te werpen, en een recht-oppe lans, waaraan een driekant vaantje, doch dit zonder punt bij de baan-derheeren.

Voor-aanmet spitse mutsen, waarop blauw-zwart-groen kringe-glanzen van pauweveer-harten, en in lange, wollen rokken, overlangs half blauw en wit, omlaag gekarteld, jongens met handbekkens en schalmeien. Ook pijpers, die bliezen, dat hun oogen groot werden.

Volk liep ook mede, in kleeding tot aan de knieën.

292

ocr page 204

HAROLD.

bruin-wollig als lieesteliuidon. Niet-groot,e menschen, heel week-blank, de oogen lieht-helder-blauw en met rood-blond haar, neergelokt tot op de schouders.

Vele met bont-bemaalde strijdkolven of bogen van zwaar donker bout, en op hun wangen geprikt geheimzinnige figuren, ingewreven met schelle kleuren, waardoor hun zwakke lichamen wreed-krrjgshaftig.

Zij allen de dooden halen.

Ter zijde een bosch, bruin-roode dennen, en heel aandachtig zien tusscben-door de schuins-neergroeiende takken met altrjd-groene blaaren, een man voorovergebogen op een groot paard, een hand boven-voor de oogen. Het leger-uit-de-stad naderen de framboos-rooden. De muziek naderbij-in-de-verte, duidelijker de schelle geluiden langs de boomen, vullend het bosch-stil-Ieege, waarin slechts takke-kraken onder vogels, vallen van pijnappels, het ritsel-sluipen van een vos. En opgeschrikt, een raaf vloog krassend over den ziener. Tevreden lachen op zijn bruin gelaat, want dit bewijs van overwinning. Hij langzaam weg.

Een schorre schreeuw uit vele monden, dof gedreun van hoeven, en op de Angelsaksers, al terug naar de stad met de dooden, aankomen, vogelsnel, veel ruiters.

Stof-in-wolken om het duister-te-ziene, niet-te-volgen pooten-gesnel, zweet-glimmen de breede borsten, schuim uit paarde-bekken, wegvliegend als zeespatten in storm, en achter de koppen-in-damp fier-op, rijk-getooid, voorovergebogen staal-blauwe Noren.

Speren in zwaai boven hooge helmen, zwaarden op in vlijm-schittering, en vooraan een Wikinger met de kleine,

13

193

ocr page 205

HAROLD.

ronde banier, waarin de heilige vogel op verwelkt geel, uitslaand zijn vleugelen.

Groote verwarring in het stadsleger. De lijken ontglipten den dragers van schrik, de treurmuziek doffer, als in floers de instrumenten. Veel burgers neer op de knieën, de handen gena-smeekend omhoog.

Boogschutters grepen in hun kokers, maar voordat een koord gespannen, speren door de lucht — Angelsaksers krommen de beenen, de armen opslaan, en het hoofd achterover, gapend ineenzakken.

Het volk weg, wee-roepend, en de ridders rondzien naar den koning. Maar Harold al naar de stad, voorover op zijn paard, dat laag-draafde. De armen om den nek, zijn dikke vrouwe-kuiten bloot, de groote zolen, geheel te zien, op en neer in haastig sporen, en zijn talaar losgeraakt opwappe-rend als een zeil boven hot monsterlijk-dikke billenstel.

Noormannen hem achterna willen, maar de ridders-te-paard den weg versperrend. De voorsten vellen hun lansen, die echter korter dan de noorschen.

Een lange Jarl, die droeg het raafteeken aan zijn recht-uitte speer, op hen in voorover. Met zulk een kracht de stoot in een borst, dat ros-en-ruiter om, en storten ook het paard van den Noor. De Jarl uit het zadel, als een slingerbout tusschen de vijandelijke rijen. Om hem steigeren, en slaan met armen en beenen naar de dreig-hoeven. Is iet kunnen opstaan door zijn zwaar, stijf harnas, en een spiespunt in zijn hals.

Wraak-roepen de Noren, speren weggesmeten haastig, alleen-vechten met de lange zwaarden, debeukelaars schuins-hoog-op voor de boven-lijven.

Doffe sterke slagen heen door harnassen, diep in

194

ocr page 206

HAKOLD.

195

vleescli — Oprijzen van lichamen in het zadel, vol levenskracht, en neer in stervens-wankel — Lauw vocht, gulpend van onder horst-stukken — Armen in smart-kramp omhoog gestrekt, zonder wapen — Holle metaal-klanken als klokke-hameren — Buigen van lijken-te-paard, ingeklemd, die niet konden vallen — Oogen-in-bloed-en-schaduw onder helmkappen en groot-open van wreedheid — Pluim-huiveren op lichaam in doodsrilling — Hoon-grin-niken, roofdiertanden hloot, na een goeden houw of stoot — Rauw-knarsen van paarde-pooten over schilden, glad van bloed — Rochel-stooten uit hoofden-naar-ach-teren — Valsche klanken als staal afgleed op staal — Smart-gehinnik uit boven de mènschenkreten — Monden open in waanzin-lach, en even daarna een stroeve dood-spleet — Smoorkreten van onder gevallen paarden, en die schenen te komen uit den grond — Gezichten bijeen in woest-krankzinnige even-aanschouwing — Vleesch-blank, dat bezoedeld grauw werd — Bloed-zaaien van wild-stij-gerende paarden — Kraak-schroeven om-lage lichamen in enge openingen — Borst-reutelen door harnas-kneu-zingen — Rood-nat op gouden helm-duiven, die gespleten werden — Vloeken in doodstrijd van gevallenen-in-bloed. die opzagen met gebroken oogen naar het paarden-be weeg — Handen afwerend vergeefs een stoot, die aankwam, snel, met blanke schittering — Plots-storten van paarden, met rammelingen, door stooten op van omlaag — Zwijn-wentelen van stervenden in vreeselijk lijden. En het laatst een rauwe, lucht-rijtende kreet. Geen ridder uit de stad meer in leven.

*

ocr page 207

HAROLD.

n.

Een nacht als een schemering, vol bleeke glorie. Kwijn-zilver de sterren, nooit zoo talrijk geweest, onbewegelijk-diep, niet-tintelen in het hooge blauw-nevelen van de ijle luchtoverspanning zonder wolkensmet.

Daar-onder de stad, laag door het sneeuw-volle, en omgordeld door het gracht-donker, een smalle waterweg in ijs, waarin dreef smeltend stroop-wit-bruin door bleeke rimpelingen.

Onder mollige blankheid, waarin diep voete-gaten, zacht-afglooiend tot in de gracht de wal-omhooging die door het sneeuw-dek niet beschutting scheen, en daarachter boven-uit, duidelijk-in-waas, het daken-aaneene, aan-een door het ongerepte, dat aflag in weeke rondingen tot over de laagste pannen. Tegen het huizen-hout-in-donkere-kleuren wit plakte als hard gesmeten, ijs-kegelbaarden af van overhellende gevels, en de schoorsteenen, zacht-omkussend, rein in hun dik op-staan.

In de nauwe straten-gangen, leeg van menschen, de sneeuw in starre golven opgekuifd tegen de huizen. De lage boogdeuren versperd, de vensterluiken even-uit boven het wit, en door reten warm-rood olie-licht in strepen op het blanke.

Bloesem-sneeuw deed buigen zwarte honger-takken van stads-boomen, en als ver-weg in den lumineuzen winternacht Harold's paleis: een illusie van heel-hoog en barkoud door het wit naar-boven zonder afwisseling, vol-sneeuw-stip-tintelingen op het koepeldak.

Op de stad-brugge-streep-in-tweeën Apostelen-van-hout met winter-last op hun gebogen schouders, en stille vlokken in hun stijve krulbaarden neer tot over de borst. De heili-

196

ocr page 208

HAROLD.

gen niet meer twaalf, en erg geleden door den krijg. Ook de zware, eiken stadpoort, in tusschen bewitte korf-torens, afgesplinterd, met gaten, waarin sneeuw, en witte laagjes op de ijzeren bouten, gekromd door sterken druk.

Hoog in een der torens krijgsknechten om een hout-vuur op ijzer, en de scherpe rook randdwarrelend-neerslaan onder de lage. kool-zwarte zolder-binten, want ijs-wind-trekken door open spiegaten. Hun rustingen niet aan, en de mannen-in-leder in huiver-slaap gezeten, het hoofd gezakt voorover naar het onzuiver-lichtend vlamme-lekken aan het knetterhout. Onverschillig-open het mondholle in botte verschroeid-rooie gezichten, waarin woud-kloven, open-neer de harde handen over een knie, op den uitgesleten grond, krom door moeheid de breede boomruggen, en op den koud-witten kalkmuur donker-dansen over heel-oude bloedspatten de vreemd-ingedrukte, bochel-manne-schaduwen — soms een arm-schim uitgerekt als een kraak-voeler.

Een wakker, op wacht, zien door het kijkgat. Neer, heuvel-af de sneeuw, een kou-woestijn, waarin geen paden, opperst smetteloos, ruig-fijn schitterend in het winternacht-helder. Geen zoom van bosch of water, en ver in het verre het wit in ongerept blauw dood-liggen tegen de ijl-grijze nevel-lucht-grens. Als een maanstreek zoo verlaten, maar zien de waker soms als sterren in blankheid, flonkerlichtjes laag. Dit van de Noren, die wilden nemen de stad.

Zij gekomen van hun rotsland op lange schepen met liefde rijk-gebouwd. Hoog de stevens, waaraan draken-in-' kleuren, die bliezen op horens, en aan eiken mast een groot, bont zeil, vastgebonden met purperen touwen.

Op menig bodem meer dan duizend man in nauw-leven,

197

ocr page 209

HAROLD.

altijd geharnast, slapen dicht opeen, de zonne-bruine koppen in ruste op de schilden, en als de klaar-groene zee verdonkerd, in scherpe kam-golven tot aan de maste-toppen, zij woest-zingen hun oorlogsliederen in de storm-geluiden.

Door hoop op buit een heel leger naar de stad, en de stede-menschen, de angst-koppen uit hoven den wal, zagen het komen met verscheidenheid van wapenen. Dof de mist-muziek van osse-horens tot in de stad, en weeklagen vrouwen en kinderen. Maar de vrees maakte dapper. Een geweldige tegenstand. Bloed van Noren in hreede, vloeiingen van den wal, en de gracht ondiep door hun lijken.

Daarbij de koude. Eerst voos-bolle, nat-bruin-grauwe wolken, laag-snel heen over de stad-in-regen-glibbering, en de krijgers buiten gebukt onder het neerstroomen, somber-kijken met rillingen naar het piasbeeld aan hun voeten. Vele ziek, en vele grafsteenen gezet op de weeke aarde. Droefheid over deze dooden, want niet roemrijk gestorven.

En op den regen, felle vorst met scherpigheid na dikke sneeuw-in-water; onder de overal-laag-dichte-lucht, plat zonder ver-wegge welving, en sneeuw-dreigend-grauw, vlijm fluiten de pool-zee-naalde-wind door de straten, barst-drogend de steenen van de huizen, waarin om kommer-vuur de huiver-menschen dicht bij-een in bukkend zitten. Het stede-leven ingekrompen.

Buiten oppoeijeren de bleeke, harde korrel opper-aarde, en in stofwolk-slierten, voortgejaagd door bloedstollende zeis-wind-vlagen, over plassen, droog in ijs-blank glimmen. Witte traan-vogels, gevlucht land-in van zout-ijsschollen, in stervens-duikel omlaag, en de loom-hangende lucht vale laatste-dreiging boven het Xoren-leger-in lijden.

Bijten de dunne tenten, geen deksel meer, en in de steen-

198

ocr page 210

HAROLD.

aarde met bloedende vorst-lianden moeielijk kuilen graven, waarin blauw-koud de krijgers, gehurkt onder beeste-vellen, alleen in schamele menschen-warmte, luisteren met tintel-ooren naar het ijs-dood-gieren vlak-over.

Mannen op wacht niet kunnen vasthouden het schroeiend wapen-ijzer, stijf-om; in eens, zonder kreet, de starre oogen open, en 's nachts, onder het koude even-maanlicht, honger-sluipen roofdieren met oppe ruggeharen, en asem-rookende bloedmuilen om het doode vleesch in rusting.

Vele vluchten naar de schepen, en geen vechten meer.

Alleen in warm-leven Harold.

Na de vlucht ziek van schrik, kermen met toe-oogen, de handen in bid-vouwen op het zijde van zijn bcd-op-veel-ebben-kogels.

Zijn in vlam-licht volgens ordonnantie van den heeler, om wiens oude magerheid een lang gewaad in leeuwengeel, en die in vilten schoeisel sluip-schreed ?s nachts om twaalf naar den zieke met bitter-groenen medicijn, gekookt-in-goud uit morgenlandsche planten-stengels en kostbare kloosterpoeiers.

Het monster-mensche-hoofd dan op, de holle bergbuik onder het soepel-dunne schuins naar boven, en, met den wrangen na-smaak, zien in noch-droom-staren, onder de trechterschouw van witten steen met bonte bijbel-poppen, heel-warm oplek-vlammen eiken blokken, tusschen-door het donkere rood der knechten-kleed ing van slapende wakers op een bank. En als het zware bloede-hoofd terug, diep bons-viel in het dure meeë, hoog-liggende ei-vorm kussen, even oog-knippen in het week-gele harte-licht van was, gespietst op hooge arm-kandelaars met bronzen draken-pooten . . . •

199

ocr page 211

HAROLD.

Hij weldra op; en, de lichaam-klomp-ombont, zien-in-warnite door het troebel-blauwe boog-venster-glas scliimme-loopen zijn volk, kond-ineengedoken, langs de muren, soms met wapenen, hard.

Genot-rillen dan over zijn hoog, goed beschut alleenleven, als gezeten met wijn in een kelk voor het beene-roosterend houte-hoop branden, de voeten diep in kleurige wolligheid.

Niet naar buiten willen, en komen dikwijls een monnik in harnas onder de pij, die verdedigde de stad met kloekheid; maar Harold toch wel ontevreden, niet kunnen begrijpen de zware verliezen.

Spreken over de roem-daden van zijn vaderen, hoog-heffen daarop zijn eigen Ikheid, en toonen eens de noch-macht van zijn Koninklijk Oester-wezen met groote gestrengheid door kwelling met tangen-in-rood-gloed van zwakken, die luid-spraken van onderhandelen. Het volk daarover in beven, en opzien met vrees-blikken naar het hooge paleis-in-wit, waar, in geheimzinnig leven, de niet meer-te-zieneheerscher zonder zwakheid.

Harold ook nimmer denken aan mogelijk vallen. Alleenweten van heel-jong af', dat hij de eenig-groote, neerzien zelfs op de slechts-enkele ver-afien, die ook als hij in goud gedoopt, want altijd gehoord zijn macht de opperste, niet te benaderen. Zoo vertrouwen in hooge onkunde op zijn sterkte, dat min-achten zelfs zijn menschen-beschutting. In-hoon-laclien om de Noren-kracht, zoo dikwijls gebroken, en als soms even-denken aan den overval, alleen verwijten den edelen, voor hem gevallen, dat zij niet gedacht aan listige hinderlaag.

Zien van uit zijn hemel-op-aarde, zonder mededoogen, in

200

ocr page 212

HAROLD.

rijke onverschilligheid, neer op de erg-lage menschen-ellende in de stad-zonder-voedsel, en heel natuurlijk alleen voor zich nemen wat hot gansche volk slechts kon geven door ontbering. In zijn gulzige schouwen het woning-hout van men-schen zonder vuur; zijn drinkschalen van email-in-zilver steeds vol niet edele wijnen uit verre landen, droppel-duur als goud; hebben wonderen op zijn tafel, wild gekocht met menschenbloed, visch uit streken waar de vijand was — en als na gulzig eten, omringd van slaven, zijn bloed-in-hitte, maagd-verlangen, snel bevredigd, en de niet-meer-maagden in haar naaktheid op het bleeke bedde-fijne, trotsch-blij over het door haar hooggewekte.

Sneeuw, en minder koud daarna. De Noren weer in groot aantal om de stad, en een zwakke-dooi-avond stil storm loopen, beschut door zoele duisternis.

Overal schuiven lange planken op het ijs-in-even-blauw-glimmen tot over de geul-in-het-midden, en krijgers in knielend voortgaan op het smalle wankelende. Af eenige, zonder kreet, van het donkere glibberhout, schieten onder het koude, vaste dek-in-tweeën, en, in snel zinken door de harnas-zwaarte, zien-in-stikken; het ebben-donker-water-opene, waar-door geen redding mogelijk.

Die over-kwamen omhoog op de vier, en om niet te glijden langs het stijl-neere, zelf-gemaakte pad in het dooi-poreuse wal-dek, een hou-vast maken door steken hun dolk diep in de opweekende vesting-aarde. Niet spreken, want stilte geboden; het hoofd dringen in de vocht-sneeuw-koude boven, en zien door oprichten met vreugde-vol-ongeduld de sneeuw-grens tegen de lucht al dichterbij.

Op de brug een overval-in-schijn bij toortslicht om de

201

ocr page 213

HAROLD.

stede-menschen daarheen te lokken. Schieten van de overzijde naar de toren-gaten veel pijlen, die meest tegen steen, en bij stinkend schijnsel van hout in pek gedoopt. Noormannen voorovergebogen snel bukkend-loepen met een ruwen stam tegen de poort, splinters afvliegen van het stoot-hout, kraakschudden de vleugels die inbogen, en van de transen afwentelen de belegerden groote steenen op de gloed-ruggen, soms onzichtbaar door den walm. De pletter-klompen nazien met wreed welgevallen — dit een doodelijk genoegen, want norenpijlen naar de nieuwsgierige koppen. Soms een gil boven, en bij het ros-roode licht van onrustige vlammen een donkere schimmen-mensch de handen wanhopig-snel aan het doorschoten hoofd, en achter-over.

Uit spiegaten olie-in-hette, sissend-met-damp, op ijzeren rugge-stukken van gekromden-over-den-paal, helle-schroeiend het vloeiende vet in harnas-spleten, en met beender-borende kreten Noormannen smart-wentelen van de brug-in-trilling op het stroevende water-ijs-in-glinsterende-don-kerheid.

Klokke-domme-bommen hoog in duister, somber-langzaam het doode-luyden over de nacht-stad vol angst-rumoer en droef licht-beweeg.

Snel-op uit huizen-donker groote vlamme-tongen, en onder de vurigheid veel staal-donkeren hard loepen. Schel vrouwengeschreeuw, en ijzer-rinkelen in hoeken.

De mannen op de 'poort-torens verbaasd-zien Noren in de stad. Geen steen-ploffen en olie-gieten meer, want zij vluchten omlaag.

Over de nu ongestoord neergebeukte poort veel volk naar binnen, ook het gespuis-dat-achter-legers-is, na de krijgers, spoed-sluipen met kromme ruggen en gei-

202

ocr page 214

HAROLD.

len heb-glans in de oogen uaar donkere strate-kanten.

Alle tegenstand opgegeven, moorderen en plunderen in rustigheid.

Stil nu de groot-droeve klok, maar ver-af' aanhoudend schei-kleppen, levendig koper-klink-klanken, een helle-vroolijkheid van metaal, duidelijk uit boven de gruwel-kreten. — Satan hoog-in-vreugde aan het gewijde, bespie-oogend de ijselijke nacht-bedrijvigheid onder zijn puntige vleugelen, die zacht-trilden van genot, en reikten tot waar de aarde zich boog.

Als een heerlijk ver-af zee-geluid voor den Eenig-groote, aan-niemand-zichtbare het door-eene van moord-kreten uit donkere hoeken, beeste-brullen van Noren over maagden-in-schending, de dood-schreeuw van kinderen in werp-slin-gering uit vensters, en overal brand-knetteren, sis-vloeien dak-lood in water-sneeuw.

En zijn scherpe vogel-oogen fonkelen voor, zich-alleen als onzichtbare sterren-in-wellust-schittering; overal warm menschen-rood in smeltend wit, neerglijden sneeuw van daken op dooden kruis-liggend voor hun drempel, donkeren in schaduw gebukt onder volle plunderzakken, vastgehouden met bloed-handen, en onder den zich wolkenden brand-rook het winter-witte verslonden door hette-rood.

Maar de klokke-vroolijkheid razernij, en de vleugels in vreugde-beweging, dat zij koelte brachten. Satan Harold zien.

De koning-mensch-massa waggelen uit een achterpoort van zijn paleis, dat van voren in vlammen. Zijn eene vleesch-hand zwaar drukken op het kaalgeschoren slaven-hoofd van een heel-jonge, vuil-bleek, in grof-groen. die bibber-huilde. Harold statig-met-moeite in een lange,

203

ocr page 215
ocr page 216

OVER HET ZEGGEN VAX VERZEN.

DOOK

F. VAN DER GOES.

1.

Als gij verzen zegt moet gij nooit den inhoud aan de hoorders duidelijk willen maken. Gij moet nooit aan den inhoud van verzen denken en nooit aan de menschen die naar u luisteren. Gij moet er u volstrekt niet om bekommeren of' zij u begrijpen. Wat gij doen moet is alleen op den vorm van de verzen letten en den vorm alleen moet gij laten hooren. De verdeeling van de klanken, of wat men den rhythmus noemt, en het geluid van de klanken. Dat is waar gij mede te maken hebt, dat is het eenige waarmee gij hebt te maken. Ik spreek nu gemakshalve van den vorm, om u duidelijk te maken wat ik bedoel. In rhythmus en geluid zit de geheele inhoud, zoodat men eigenlijk niet van een afzonderlijken vorm kan spreken. Vorm en inhoud van een gedicht zijn geen twee werkelijk bestaande en van elkander afgescheiden

ocr page 217

OVER HET ZEGGEN VAX VERZEN.

208

dingen ; alleen kan men van inhoud en van vorm spreken in het abstracte. Een gestorven kat — is dat de inhoud van een schilderij? — neen, de inhoud is wat de schilder gevoeld heeft toen hij zijn overleden poes zag liggen, en hij schildert hem zooals hij hem zag toen hij dat voelde; elke verandering in lijnen of kleuren zou een verandering in het gezicht, de visie, van den schilder beduiden, en, omdat het gevoel opgewekt is door de visie, zou er ook een verandering van het sentiment uit ontstaan. De inhoud van een schilderij is het geheel van het sentiment van den schilder, zijn bepaalde aandoening van een bepaald tafereel. Nu kunt gij wel, voor het gemak en om de conversatie aan den gang te brengen, zeggen, dit of dat is het onderwerp van de schilderij, of de inhoud, maar dan moet gij nooit vergeten dat gij over iets zeer vaags spreekt, iets dat niet bestaat, en gij moogt vooral niet doen wat bijna alle beoordeelaars in hunne onwetendheid doen, namelijk over den inhoud of het onderwerp, lange kritische redeneeringen houden. Elk woord over den inhoud, als iets aparts, is te veel; heel even kan men ze scheiden, vorm en inhoud, men kan deze begrippen niet langer hanteeren dan teere vogels of vlinders die sterven als ze niet vrij zijn, het is de vernieling van een kunstwerk als een ruwe pummel u vorm en inhoud in zijn linker en in zijn rechter hand voorhoudt, om ze u goed te laten zien; hij kon even goed u een duif vertoonen en hem het hoofd van het lijf trekken voor de duidelijkheid. Dit geldt natuurlijk alleen voor goede schilderijen, van slechte niet, en, hoe slechter zij zijn, hoe vaster de begrippen inhoud en vorm worden. Zij kunnen met steeds minder gevaar van elkan-

ocr page 218

OVER HET ZEGGEN VAN VEUZEN.

209

der worden gescheiden. Het artistieke geheel lijdt er niet onder, omdat het artistiek geheel haast geen gevoel en zeer weinig leven heeft. Zoo kan men van lage diersoorten groote stukken afsnijden die weêr aangroeien, of ledematen en belangrijke organen, zonder schade; maar menschen kunnen geen vinger missen zonder nadeel en verlies. En er zijn bij de allereerste typen van schilderijen, gevallen waarin vorm en inhoud een werkelijk apart bestaan hebben; bij die cents-prenten waar de dotten rood die op de gezichten en de smeeren groen die op de lijven van de menschen thuis hooren, somtijds naast de lichamen terecht komen, of in den hoek van het papier. Dit is een uiterste van conventioneele behandeling en geringe techniek. Hoe hooger nu de kunstwaarde, hoe vaster de samenhang tusschen onderwerp en behandeling. Die middelmatige stukken, die zoowat geteekend en geverfd zijn zooals iedereen verft en teekent, met een inhoud, aan de hand gedaan of gekozen, toevallig, niet direct uit het hart van den artist gekomen, en dan uitgevoerd met de gewone vegen en halen, ja, daarbij kan men nog met eenig recht onderscheiden een vorm en een inhoud; die leven elk voor zich, als menschen die naast elkaar voort-loopen maar los van elkander en met een geheel verschillende beweging. Hier is een veldslag, een schipbreuk, een optocht, omdat men eens een optocht, een schipbreuk, een veldslag heeft willen schilderen, niet omdat men zijne eigene en sterke visie van zoo iets bijzonders heeft willen maken. Wat er dan voor den dag komt is een gevecht of een processie, of een storm met conventioneele grootheid en ergheid, en uitgevoerd door de handen en de oogen van een klein talent; zoo hier is een inhoud

14

ocr page 219

ÜVEK HET ZUGOEN VAN VEHZEN.

waarover te redeneeren valt, omdat hij bestaat buiten den vorm, het onderwerp is bedacht en vastgesteld, niet naar het bijzondere sentiment van den artist, maar met een zucht naar quasi-buitengewone sujetten, terwijl de vormen blijven de gewone trucs en procédés; de uitvoering is dus niet de expressie van de aandoening, omdat bij de keus van de stof geen aandoening te pas is gekomen. Op deze schilderen en op de centsprenten staat Jan de Wasscher naast zijn groen buis en zijn rood gezicht, omdat het niet juist de hevige wil van den kunstenaar was, die hem wilde maken zóó als hij hem gezien had en niet anders, met een rood aangezicht en een groene kleedij.

Bij slechte gedichten wordt er een steeds grooter onderscheid tusschen vorm en inhoud, maar gij moet enkel goede nemen om te zeggen, waar de vorm de directe en eenig mogelijke uitdrukking is van hetgeen de dichter te zeggen had. Want, wat is bij slechte gedichten het geval? Die hebben een toevallig rhythmus, een keus. gedaan uit eenige bestaande soorten van maten, zoo goed mogelijk gepast aan het sujet; men zou kunnen zeggen, verzen op maat vervaardigd zijn ze, zoo mechanisch een bewerking hebben ze. De dichter heeft gezocht uit modellen van coupletten en strofen, uit stalen van jamben, dactylen, hexameters, annapesten en andere gereede soorten, die moeielijk zijn om te spellen zonder fout. Daar heeft hij dan zijn onderwerp ingewerkt, daaruit heeft hij een geschikten vorm gekozen voor zijn stof, hij heeft zijn gedachten gekleed in gewaden van rhythmus; gij ziet dat dit alle termen zijn van de critici van vroeger, die somtijds, ofschoon zij begraven zijn, nog

210

ocr page 220

OVER HET ZEGGEN VAN VERZEN.

211

komen spoken, omdat zij in hun leven zoo zwaar hebben gezondigd en nu niet kunnen rusten, maar, zelfs als geesten zoo geesteloos als zij toen leefden, voortgaan met zich te misdragen. Maar die oude beoordeelaars, waarvan eenigen nog leven ofschoon zij dood zijn, hadden toch op een punt gelijk, namelijk dat zij onderscheid maakten tusschen vorm en inhoud bij de poëten van hun tijd, omdat de dichters daar zelf onderscheid tusschen maakten en er in hunne verzen inderdaad onderscheid in was. Omdat de vorm niet onmiddelijk voortkwam uit het binnenste van den auteur, maar uit de winkel van de litteratuur, paste de vorm precies bij wat hij zeggen wilde, en bleef de herkomst uit het confectiemagazijn altijd duidelijk. De geleende en gekozen vormen werden vergeleken bij de beroemde voorbeelden, en als ze daarvan verschilden, werden ze niet goed bevonden. Zij waren in dat geval meestal ook niet goed, want zij hadden de bedoeling van er op te gelijken en zij waren naar het model vervaardigd. Alleen is het verkeerd, dat die beoordeelaren van vroeger deze methode niet hebben afgeschaft, sedert er eenige dichters met eigen vormen, die van den inhoud niet te scheiden zijn, zijn gekomen. De beoordeelaren zitten nog altijd met de oude meet-instru-menten in de hand, en meenen dat het een fout is wanneer zij afwijkingen ontdekken. Zij althans moesten leeren meten met twee maten. Maar, om op het zeggen van de slechte gedichten terug te komen, dit gebeurt bij het reciet. Gij reciteert de verzen, het rhythmus bedoeld ik nu, als een dreun, min of meer samengesteld, maar meerendeels zeer eenvoudig. En dat kunt gij niet anders, omdat het ook werkelijk een dreun is.

ocr page 221

OVER HET ZEGGEN VAN VERZEN.

niet de stem van een artist die spreekt, van een zanger die zingt, maar het galmen en neuriën van de beperkte registers van een draai-orgel, dat afloopt volgens een maten-reeks die er op gezet is en in beweging komt zoodra er een sleutel is verzet en de liereman begint te draaien. Gij gevoelt dat het niet fraai is een vers zoo voor te dreunen, en gij kunt toch den eentonigen gang en den regelmatigen val niet anders volgen met uw stem dan gij doet. Gij zoekt naar een middel, en gij maakt u meester van den inhoud. Gij meent dat dit u helpen zal om aan de sleur van de verzen te ontsnappen. Gij verlangt naar afwisseling, waar gij gelijk aan hebt, maar gij zoekt die bij den inhoud, terwijl de vorm u die moest geven. En nu gaat gij klemtonen leggen, gij breekt hier een regel in tweeën om de laatste helft bij den volgenden te doen, daar leest gij uit geheele strofen den rhyth-mus weg. Dit zijn alle pogingen om de gebrekkigheid van den vorm aan te vullen, om den eentonigen en zwakken rhythmus te verfraaien en te versterken.

De gevolgen van het toegeven aan deze neiging zijn betreurenswaardig. Deze neiging heeft de geheele Hol-landsche manier van zeggen bedorven, en er schijnt voorloopig niet veel kans op herstel. Men heeft in een woord den vorm leeren verachten; men heeft de slechte gewoonte aangenomen van bij de gedichten vorm en inhoud te gaan scheiden; men heeft getracht dien inhoud aan de toehoorders duidelijk te maken. Zoo blijft men het vinden een toppunt van bekwaamheid, wanneer men verzen kan zeggen zoo dat de menschen niet merken dat het verzen zijn.

■212

ocr page 222

OVER HET ZEGGEN' VAN VEKZEN.

213

II.

Onze acteurs zijn over het algemeen te prozaiscli en te wijs. Zij maken niet genoeg werk van wat ik moet voortgaan den vorm te noemen. Hoor eens de goede, of zelfs de minder goede Fransche artisten. Zij leggen er zich duidelijk op toe, mooi en aangenaam te spreken, te praten ook in gewone comedies, nog meer natuurlijk in stukken in verzen of lioog proza. Maar ook alledaagsche brokken conversatie zullen zij steeds zoo mooi mogelijk uitspreken. Zij hebben dan ook meestal proza of poëzie dat de moeite waard is om goed gezegd te worden, en hunne goede auteurs hebben hen van begin af gewend den vorm te respecteeren. — Ik bedoel nu niet die zonderlinge accenten, die aangenomen dwaze manieren van uitspraak en stembuiging, die particuliere dictie welke alle tooneelvrienden kennen en die sommige grappema-makers zoo aardig kunnen imiteeren — maar ook zonder deze aangeboren of aangeleerde leelijkheid te rekenen, is het in den regel geen genoegen onze acteurs te hooren spreken. Zij bedenken te weinig dat in de allereerste plaats alles wat zij doen, mooi behoort te wezen. Een gesproken volzin moet zoo welluidend zijn als een stukje gespeelde muziek; de stem is niet minder een instrument dan een viool, en evenmin als een violist zoo maar wat, op goed geluk, zijn strijkstok over de snaren haalt, maar precies weet en hoort hoe hij de nauwkeurige volgorde van het notenspel moet voortbrengen door de juiste trilling en zuivere aanzetting van gespannen pees en metaal.

ocr page 223

ill

214 OVER HET ZEGGEN VAN VERZEN.

If

I 'i

I ife

'ï*

(t ■

zoo moet een gesproken volzin niet toevallig of' onverzorgd den mond van den spreker ontloopen, maar worden voortgebracht met de stiptheid en de welluidendheid van een besnaard instrument. Een gesprek van menschen op een tooneel moet juist zoo worden vernomen als de muziek van een orchest. De stemmen moeten elkaar afwisselen, ondersteunen, overnemen en herhalen als de geluiden van koper, hout en viool. De stemmen moeten eene overeenkomstige dictie voortbrengen; er moeten

geen buitengewoon langzame en geen buitengewoon snelle in gesprek komen, het timbre ook — de klank die zich

11

11

HB

il Hi:

I

iiii

] I iii

ill

losmaakt van alle andere klanken en waarin alle afzonderlijke klanken zich oplossen — moet gelijksoortig zijn bij de stemmen die spreken. Niets gaat op het tooneel hoven de noodzakelijkheid van mooi spreken, dit kan al het andere verhelpen, dit kan door niets vervangen worden. Mooi spreken is in het algemeen het goed zeggen van mooi proza of van mooie verzen. Mooi spreken kan alleen iemand die hooren kan wat mooi geschreven is, en die de macht heeft om met zijn eigen stem te herhalen wat hij in zijn binnenste door den dichter heeft hooren zeggen.

En goede verzen zijn verzen waarin de dingen die gij

te hooren of te zien krijgt, zoo zijn aangebracht en verzorgd, dat zij precies zijn wat de dichter verlangt dat

gij zult zien en hooren. Een beeld dat anders is gemaakt, ook maar een weinig anders, of dat eenigszins anders is geplaatst, rijmen die anders klinken, maat die anders valt en stijgt, — dit beteekent alles een min of meer gewichtige wijziging in de bedoeling van den auteur. Er kunnen in zulke verzen geen toevalligheden zijn, niets

|

ocr page 224

oVEIt HET ZEGGEN VAN VERZEN.

215

kan onvolledig, verkeerd, twijfelachtig of nutteloos wezen. Als de verzen werkelijk goed zijn, verlaat u dan geheel op wat wij gemakshalve den vorm zullen blijven noemen, laat u dragen op den rhythmus, zwaai over van den eenen regel op den anderen, zwevende aan de koorden van het rijm; luisteren is het eenige wat gij te doen heht, en dan uitspreken wat gij hoort. Hoort gij de rijmen vol tegen elkander slaan, met een z waren en rijken naklank, spreek ze dan uit, steeds met een helderen echo vergezellend het eerst-gehoren geluid. Als de rijmen lichter zijn, een zedig samenruischen of een fijn getik van druppelen vallend water, behandel ze dan met kieschheid en sobere accuratesse. Let ook op de nieuwe en eigen verdeeling, zet uit uw hoofd al wat gij geleerd hebt van poëtica en prosodie, vergeet alle scandeer-vaardigheid in het tellen van syllaben en het meten van kort-lang, kort-hmg, of kort-kort-lang, kort-kort-lang, — werp alles overboord, gij zult vrij zeilen op de stuwende golven van het rhythmisch geluid. Dat brengt u ongetwijfeld waar gij wezen moet, en de menschen die naar u hooren, als zij ten minste ooren hebben, zullen u begrijpen. Gij moet niet wijzer of duidelijker willen zijn dan de dichter van goede verzen. Hij zal er wel voor gezorgd hebben dat zijn meening in zijn verzen ligt, open en tastbaar voor ieder die bij zinnen is. Hij heeft niet op u gewacht, om wat men vroeger, met een juiste aanduiding van eigen fouten noemde, hem te vertolken. Zijn verzen zijn zijne tolken, welsprekender dan gij kunt wezen. De dichter van goede verzen behoeft ook uwe nadrukken en klemtonen niet, waarmee gij zijn werk alleen bezwaren kunt. zooals pedante commentatoren doen met noten

ocr page 225

OVER HET ZEGGEN VAX VEKZEX.

aan den voet van bladzijden. Daar is een klein gediclit van Vondel dat onlangs gediend heeft by een wedstrijd in het reciteeren. Ik kan naar wat ik ervan gelezen heb? mij eenigszins voorstellen welke de fouten waren die men maakte. Bij voorbeeld in het tweede couplet:

Ai, staak tleez ijdle tranen wat,

En offer, welgetroost en blij,

Uen allerbesten Vader vrij Het puik van uwen aardschen schat.

Nu is het regel dat de menschen die dit lezen, zullen zeggen: den allerbesten Vader vrij liet puik .... van uwen aardschen schat. Immers de zin, zoo redeneeren zij. is niet uit hij vrij, men mag daar dus niet ophouden, de zin is pas uit bij het eind van het couplet. De waarheid is dat liet vérs bij vrij uit is, en dat met het puik een nieuw vérs begint, als men dus deze verzen zegt, mag men niet van twee verzen éen maken, omdat éen lange vers en twee korte, niet hetzelfde is. En iemand die de beteekenis niet volgen kan als bij vrij even wordt gewacht, als vrij in duidelijk rijm met hlij gezegd wordt, zoo iemand telt niet meê.

Een ander couplet is zoo:

Zoo draait de wereldkloot: hetzij

De vader 't liefste kind beweent.

Of 't kind op 's vaders lichaam steent.

De dood slaat huis noch deur voorbij.

Ook hier zal men willen lezen in één stuk; „hetzij de vader.quot; Een noodzakelijke klemtoon zal men vinden dat

216

ocr page 226

OVEI! HET ZEGGEN VAN VEliZEN.

hij noch te pus komt; de regel wordt er alleen minder welluidend, minder rliythmisch door, maar niet duidelijker voor menschen die kunnen hoeren.

III.

in Mei 1890 heeft liet Tooneelgezelschap van Haspels en Le Gras in Amsterdam een goede voorstelling gegeven van Multatuli's Vorstenschool.

Mij interesseeren hier bijzonderheden van uitvoering, 'lie eenigszins in verband staan met de opmerkingen in de vorige bladzijden.

Multatuli heeft niet gemaakt eene koningin die op hare wijze spreekt over volk en regeering, die zij op hare manier ziet, maar hij laat de koningin dingen doen en woorden zeggen zooals hij-zelf zou praten en handelen. Multatuli nu was bovenal moralist, iemand die zijn particuliere grieven tegen sommige Nederlanders en het door hem geleden onrecht, later begon te voelen als algemeene fouten van onzen tijd en gebreken van het Nederlandsche karakter. Hij zou zich een nog grooter man en vooral een nog beter kunstenaar hebben getoond, als hij in deze verbreeding en verdieping van zijn horizon volkomen geslaagd ware. Vorstenschool, en de rol van Louise in het bijzonder, bewijst dat Multatuli in de verwerking van de aandoeningen van het leven maar ten halve gevorderd is, gevorderd was althans ten tijde van dit drama. Het paradoxale is wel het tweede stadium van den lijder die op weg is moralist en kunstenaar te

217

ocr page 227

11VEI! HET ZEGUEX VAN VEKZEN.

213

worden; het mopperen nog maar het eerste. Deze koningin bemint het paradoxale met groote gehechtheid en zij kan geweldig mopperen. Louise, zou men zeggen, is de andere, de vrouwelijke Rammelslag. Waar zij niet handelt, maar praat, is zij haast overal onuitstaanbaar. Hare moeder en de freule moet het hoofd omloopen van zoo veel pedant en banaal geleuter. Het is geen rol, het is de schets van een rol; het zijn geen denkbeelden die -zij mededeelt of opinies die zij te kennen geeft, het zijn de ruwste vormen van opinies en ideeën, haastig neêrgeworpen, die zij uitflapt met een groote smakeloosheid van volhardend moraliseeren dat haar gezelschap onmogelijk maakt. Multatuli, ziet men weer duidelijk, is nooit tot liedaren gekomen, noch zijn studie, noch zijn ervaring is ooit bezonken tot een vasten neêrslag van meeningen over de levensquaesties die hem bezig hielden. Dit vermindert niet zijn positieve verdiente, maar dit beperkt de uitgebreidheid van zijn verdienste. En als men Louise zoo hoort, kan men de vrees niet onderdrukken dat zij het zoo ver niet zal brengen als Multatuli. Multatuli kon volstaan met zijne ideeën zoo maar genummerd in de wereld te sturen, hij kon wachten op anderen om ze te classificeeren, hij deed genoeg met te doen wat hij kon en zijn naam is aan eiken vooruitgang van de laatste helft van deze eeuw voor eeuwig verbonden. Van Louise vreest men dat zij tot op haar jongsten dag zal blijven doorslaan. En dat is juist wat zij niet mag doen, als zij op een andere reputatie gesteld is dan die van de hooggeplaatste babbelkous van het land te zijn. Wee het arme volk, wanneer de echtgenoote des konings, die haar man in den zak heeft, een leeghoofd

ocr page 228

OVEK HET ZEUGEN VAN VEBZEN.

en een warhoofd blijkt te zijn, voor wie de groote politieke vraagstukken, onderwerpen en aanloopjes zijn van

niet zeer geestige en zeer alledaagsch-gedachte boutades____

Ik meen dat Mevrouw Beersmans verkeerd doet met de twee groote tooneelen waar de Koningin aan liet woord is, zoo sterk te overdrijven in de richting van de fouten van den auteur. Zij maakt de rol hier nog dubbel zoo onaangenaam als zij is. Wat zou men hier niet geven voor wat grooter soberheid, wat meer tact, wat meer discretie. Er is letterlijk geen woord, geen sententie, geen bedoeling en geen toespeling zelfs, die Mevrouw Beersmans niet tweemaal gesouligneerd ten beste heeft. Dit is de fout van Multatuli vertienvoudigen. Ik kan mij voorstellen dat de rol te redden is. Namelijk zoo. De groote clausen moeten dan in toon worden gehouden, als mijmeringen, hardopgedacht, als de dwalende ideeën van een zeer geoccupeerde vrouw, die in hare eerste periode van belangstelling in de openbare zaak, peinst en peinst, met alles ontevreden is, geen uitweg nog ziet, en deze eerste periode van paradoxen en doorslaan moet doormaken zooals iedereen. Dan moeten deze groote clausen worden gezegd eenigszins snel, met spaarzame klemtonen, zonder gebaren, alles in het sterke sentiment van een rustelooze en onbevredigende, zoekende en nog te vergeefs zoekende vrouw. Met al die geringe wijsheid en invallen van de dilletant-koningin hebben wij niets te maken, wij moesten alleen hooren het groote gevoel van de naar beterschap en waarheid begeerige helpster der armen. Een weinig ironie, een weinig sarcasme, warme, maar geen luidt' geestdrift, vertrouwen in eigen kracht maar getemperd door het besef van zwakheid, een opkomende dageraad

219

ocr page 229

OVER HET ZEGGEN VAN VERZEN.

van hoop, in de verte een schemering van geloof in de zegepraal van het goede, een helder licht van liefde voor al hare naasten met de kiesche bedeesdheid voor verkeerd geplaatste gevoeligheid of eigen misbruik van macht. Mevrouw Beersmans heeft de rol bij het andere en naar mijne meening verkeerde einde aangevat. Zij zegt de groote clausen of in het gezicht van het publiek, of zij houdt ze onder den neus van hare gezellen. Zij geeft eene koningin die verbazend zeker van haar zaak is en ontzettend verlangend hare wijsheid aan den man te brengen. Zij zorgt er wel voor dat wij geen enkel woordje missen, het zijn geen losse gedachten, maar redevoeringen, geen mijmeringen van een onwetende, maar dissertaties van een leeraar, het is alles secuur en overlegd en onomstootelijk. Multatuli inderdaad heeft de rol niet geschreven van een koningin die het betere zoekt, maar hij is tevreden geweest met een menigte min of meer curieuse zaken over politiek en openbare moraal te gebruiken in een aantal verzen, waarbij eenige goede zijn. Mevrouw Beersmans maakt het erger door die curieuze geschiedenissen voor te dragen alsof zij-zelve hen het curieust van allen vond, en alsof zij brandt van een onvrouwelijk verlangen om hare schoonmoeder, de toeschouwers en Freule de Walbourg bekend te maken met haar edele inborst en hare merkwaardige gedachten.

Om deze bezwaren tegen het spelen van Mevrouw Beersmans, bezwaren die geene andere zijn dan de aangeduide verkeerdheden van de Hollandsche dictie, toe te lichten, zou ik reeds bij het eerste tooneel kunnen beginnen. Mijns inziens is de Koningin met den drukkersknecht te familjaar, in dezen zin dat zij de indrukken

■220

ocr page 230

O VEI! RET ZEGGEN VAK VEÜZEN.

221

die zij van zijne mededeelingen en klachten krijgt, te zeer laat merken. De Koningin houdt een soort van particuliere enquête naar den toestand van de arbeiders; het eerste wat zij nu doen moet, is haar gevoel trachten te verbergen bij de ellende die zij verneemt; aan de teekenen van haar medelijden heeft de werkman niets, haar taak en haar plan zijn bovendien te ernstig voor exclamaties en voor vertoon van droevige verbazing over gegevens, die toch voor de Koningin in het algemeen niet nieuw kunnen zijn. Ook de tekst is soms al te naief en te weinig ernstig, maar de actrice doet het tegenovergestelde van dit gebrek te verbergen. En dit kon zij doen door sober en waardig de vragen te richten, alles op denzelfden toon van nauwgezet en belangstellend onderzoek zonder iets van triviaal medelijden of triviale verwondering. Deze scène mankeert het aan gedistingeerdheid, de Koningin kon ook eene dame van Liefdadigheid naar Vermogen zijn, die de eerste en alledaagsche ontroering van het armbezoek nog niet te boven is. Deze houding is ook niet overeen te brengen met den maatregel van nooit meer dan twee gulden voor tijdverzuim te geven aan de personen die zij hoort. Dit is een verstandig en noodzakelijk stolsel van iemand, die zich niet laat beheerschen door haar gevoel en die hare enquête methodisch heeft ingericht. Van een zoo zenuwachtige dame als deze Koningin, zou men kunnen verwachten dat zij haar beurs zou leegmaken voor den allereersten bezoeker die zich aanmeldde. Wat deze passage nog betreft, ik geloof dat Mevrouw Beersmans ook daar te weinig ingetogen en ernstig is. Zij moet zeggen tegen Puf:

ocr page 231

OVEK HET ZEGGEN VAN VEKZEN-.

— Mea zeide u zekerlijk dat ik weldadig was ....

— Welnu,

Dan heeft men u de waarheid niet gezegd.

Wat wezen zou, indien ik rijk genoeg was,

Om al wat arm is, rijk te maken... zie,

Dit laat ik daar! Ik kan U slechts Uw moeite, uw dag en uw bericht betalen ... De Walbourg, geef den man 't gewone loon:

Twee gulden.

Dit zou, denk ik, een dieperen indruk maken, wanneer liet zonder eenig detail van nadruk of klemtoon werd gezegd, zonder uithalen, zonder wachten, zonder emphaze, zonder vraag- of uitroepingsteeken, met een edele en kiesche gelijkheid van spreken, die aan beschaafde men-schen als zij over ernstige zaken praten, eigen is. Geen zuchten dus, bij; wat wezen zou, indien ik rijk genoeg was; geen positief vragen bij; men zeide u zekerlijk dat ik weldadig was, alsof men werkelijk nieuwsgierig was om het antwoord van Puf te vernemen; geen veelbeteeke-nend gezicht bij: zie, dit laat ik daar!; vooral geen opsommend zeggen van den regel: uw moeite, uw dag en uw bericht betalen, alsof de Koningin, allertriviaalst, een gruttersrekeningetje met Puf vereffende; en evenmin niet eenig opzettelijk verwijl bij de woorden; geef den man 't gewone loon : twee gulden; want het kan toch niet de bedoeling zijn dat de Koningin nü juist op dezen inval komt, dit is integendeel haar vaste regel, zij zal dus, zou men denken, bij elk bezoek eenvoudig en zonder den minsten omslag tot de freule De Walbourg zeggen: De Walbourg, geef den man 't gewone loon:

Twee gulden.....

222

ocr page 232

MVEK HET ZEUGEN VAN VERZEN.

Met niet meer ophef of nadruk dan alsof zij zegt, ga zitten of dank-u. — Ook dit gedeelte maakt thans niet den indruk van te behooren tot een reeks van serieuze bezigheden van een ijverige onderzoekster, maar van een komedie-spel van liefdadigheid. Het tooneel met Puf zooals Mevrouw Beersmans het speelt, is geen tafereel in het leven van de Koningin dat de toeschouwers ongemerkt bespieden, het is eene scène voor de toeschouwers opzettelijk in elkaar gezet.... En dit ligt uitsluitend aan de overladen en zware dictie, die zelfs bij sommige van onze goede tooneelspelers niet ontbreekt.

De rol van den Koning, geschreven en gespeeld, is naar mijn meening een betere creatie dan die van de Koningin. In het stuk heeft de rol met de andere gemeen dat zij erg schraal is, het zijn zulke kleine kijkjes in het leven van de menschen, zoo schetsachtig uitgevoerd, dat het zeer moeielijk is ze tot levende personen te maken op het tooneel. Ook de satirieke tafereelen met den Koning zijn reeds eenigszins van ouderdom verbleekt; het heeren-partijtje is eigenlijk nogal vervelend, voor de toeschouwers en voor de gasten. Echt goed is alleen de scène met den kleeremaker. Ik weet geen dergelijk' tooneel van een ander auteur dat beter zou zijn. Maar ik wilde zeggen dat de compositie van de rol door den Heer T). Haspels mij een meesterstuk toeschijnt. Dit is een rol componeeren en daarna spelen, niet enkel de woorden aan het publiek meêdeelen die de schrijver heeft laten drukken. Deze Koning is zich geen enkel oogen-blik van zijn zotheid bewust, hij is een ernstig, in-zich-zelf gekeerd man van het begin af, ongeveer zooals men denken kan dat een krankzinnige met grootheidswaan

22:5

ocr page 233

OVEIi HET ZEGGEN VAN VERZEN.

een koning voorstelt; korrect, onverstoorbaar, sober in woorden en gebaren en kleeding, geheel voor zich zelf en zijne medespelers, zonder te letten op het publiek, zonder een ander effect te bedoelen dan de directe impressie van zijn rol. Mevrouw Beersmans is wijs en edel. maar zij loopt er zoo meê te koop; de Heer Haspels is mal en onbeduidend, maar hij is zoo ingetogen en zoo voornaam, dat men ten slotte de stille en fatsoenlijke dwaasheid gaat verkiezen boven de luidruchtige deugd. En dit is eene aardige bijzonderheid van zijne creatie, die ook de verdienste heeft van de geschreven rol te verbeteren en aantevullen, ongelijk aan de andere hoofdrol die de fouten van het stuk vergroot. De Koning, namelijk, zit bij het nachtelijk feest nog te denken over de kleuren van zijn schouderweeren, en als Spiridio, in het liedje van den nachtuil, zingt:

Zij beet verlegen op haar poot.

Ken blosje verft de wangen rood ....

valt de Koning in, snel, volgens den tekst;

— Hoe breed?

Was 't amerant, of steenrood,.... of cérise?

Het antwoord van Spiridio is, dat hij er niets van weet. en de Koning zegt:

— Vervloekt! Ga voort.

Nu geloof ik dat de schrijver dit ernstig bedoeld heeft, dat het een kleine overdrijving van de satire is geweest, den koning zoo voor te stellen alsof hij — het is al de tweede keer — geen kleuren kon hooren noemen

224

ocr page 234

OVER HET ZEGGEN VAN VEKZEN.

zonder zich kleeremaker-achtig te informeeren. Hij zegt dus eenigszius ernstig en teleurgesteld: Vervloekt! Ga voort. Nu heeft de Heer Haspels deze correctie bedacht, om die woorden te zeggen lachende, en zich bezinnende, hij laat den Koning dus een oogenblik den draak steken niet zijn eigen gekheid. Tets dergelijks zou men de Koningin ook zoo gaarne eens zien doen, in het prieeltje bijvoorbeeld, waar zij den room laat verzuren door haar woordenstorm. De Heer Haspels heeft weer zoo iets goeds, als hij a propos van den schouderstrik van de Leuterlunterlaksen en van den eisch om van kleur te veranderen, ook weer lachend en niet ernstig zegt:

— Die eisch was wreed !

Zulke zaken zijn het die een rol goed afmaken, en den goeden smaak van den acteur eer aan doen.

En dit kan men in het algemeen de voornaamste deugd van den tooneelspeler noemen, er in geslaagd te zijn, de heftigste, de fijnste, de diepste, de hoogste dingen in een egaal, rhythinisch, toonvol en welluidend spreken voort te brengen.

ocr page 235
ocr page 236
ocr page 237
ocr page 238
ocr page 239
ocr page 240