/1. 38
l\-C)
INSTITUUT voor bestuursrecht
HUISHOUDELIJK REGLEMENT
VOOR D K
BIJZONDERE
T E
LEEUWARDEN.
I r-'
OU
fiSI i
'SGRAVENHAGE, 1887.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1003 5321
aats- en :ht der
Rijksuniversiteit Utrechl
mt
INHOUD.
Pagina.
§ 1. Bestemming van het gesticht.......1
§ 2. Inrichting van het gesticht........2
§ 3' Onderhoud van het gebouw.......2
§ 4. Het College van Regenten........3
§ 5. Beambten in het algemeen........3
§ 6. De Directeur.............7
g 7. De Adjunct-Directeuren.........11
§ 8. De geneeskundige...........12
§ 9. De godsdienstleeraars , de geestelijke en de godsdienstonderwijzer ...........16
§ 10. De onderwijzers . . , . ........17
§ 11. De commiezen en de schrijvers......19
§ 12. De magazijnmeesters..........19
^ § 13. De portiers.............20
§ 14. De bewaarders............21
§ 15. De meesterknechts en de bedienden.....22
§ 16. De gevangenen in het algemeen......23
§ 17. Verdeeling in klassen..........24
g 18. Plaatsing en maatregelen van orde.....25
VI
Pagina.
§ 19. Overleden gevangenen. . ;.....⢠. 30
§ 20. Briefwisseling.............30
§ 21. Bezoeken..............32
§ 22. Arbeid...............33
§ 23. Onderwijs..............33
§ 24. Straffen...............34
§ 25. Voeding..............36
§ 26. Uitrusting..............36
§ 27. Ontslag van gevangenen........37
§ 28. Mobilair..............37
§ 29. Brandweer..............38
§ 30. Wasscherij..............42
§ 31. Verwarming.............42
§ 32. Verlichting.............43
§ 33. Kantine...............44
§ 34. Bibliotheek.............45
§ 35. Algemeene bepalingen..........48
HUISKOUDELIJK REGLEMENT
VOOR DK
BIJZONDERE STRAFGEVANGENIS
TE
LEEUWARDEN.
â «gt;^0
§ 1. Bestemming van het gesticht.
Art. 1.
De bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden is bestemd voor gemeenschappelijke opsluiting van:
1°. de tot tuchthuisstraf veroordeelde mannen, ingevolge Koninklijk besluit dd. 11 Juni 1886, nü. 33.
2°. de in de Nederlandsche Koloniën tot tuchthuisstraf of dwangarbeid veroordeelde militairen, die tot het ondergaan hunner straf herwaarts zijn opgezonden.
3°. de tot levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf voor meer dan vijf jaren veroordeelde burgerlijke manspersonen , militairen of daarmede gelijk gestelden , die de eerste vijf jaren van hun straftijd elders in afzondering hebben ondergaan of die bij den ingang hunner gevangenisstraf den leeftijd van achttien jaren hebben bereikt en op wie, ingevolge art. 12
van het quot;Wetboek van Strafrecht de afzondering geheel of gedeeltelijk niet is toegepast, alles ingevolge:
de wetten.,
dd. 3 Januari 1884 (SlaalsMad nquot;. 3);
dd. 28 Augustus 1886 [Staatsblad n0. 130) art. 2, 3dealinea;
en de Koninklijke besluiten,
dd. 25 Mei 1886, nos. 51, 52 en 53.
dd. 11 Juni 1886, n°. 30, art. 1, 7de alinea, en
dd. 11 Juni 1886, n0. 31.
§ 3. Inrichting van het gesticht.
Art. 2.
Het gesticht is ingericht voor gemeenschappelijke opsluiting, met nachtelijke afzondering in ijzeren alkoven.
Het bevat tevens gelegenheid om gevangenen in het belang van de orde of wegens andere redenen tijdelijk alleen te kunnen plaatsen.
Art. 3.
Alle vertrekken zijn genummerd en op de deuren staat de bestemming, die daaraan door het College van Regenten is gegeven, aangewezen.
Art. 4.
Op het bureel van den Directeur hangt een staat, waarop al de lokalen van het gesticht en de bestemming van elk lokaal vermeld staan.
§ 3. Onderhoud van het gebouw.
Art. 5.
Het onderhoud van het gebouw heeft zooveel mogelijk in
3
eigen beheer plaats, onder leiding van den Ingenieur-Architect voor de gevangenissen en rechtsgebouwen en het toezicht van een door den Minister van Justitie aangewezen Opzichter.
Art. 6.
Bij het opdragen van werk aan gevangenen wordt er op gelet, dat zij zoo min mogelijk met vrije werklieden in aanraking komen.
§ 1. Het College van Regenten.
Art. 7.
Het toezicht en het beheer over alle aangelegenheden van het gesticht is ingevolge de wet dd. 14 April 1886 {Staatsblad ii0. 62) en het Koninklijk besluit dd. 31 Augustus 1886 {Staatsblad nquot;. 159), onder het opperbeheer van den Minister van Justitie, opgedragen aan het College van Regenten.
§ 5. Beambten In het algemeen.
Art. 8.
Aan den dienst van het gesticht kunnen verbonden worden; een Directeur,
een Adjuct-directeur voor deu huishoudelijken dienst, een Adjunct-directeur voor den arbeid,
het noodig aantal Commiezen en Schrijvers voor den huishoudelijken dienst en deu arbeid,
een Magazijnmeester,
een Onder-magazijnmeester,
een Protestantsch Godsdienstleeraar,
een Protestantsch Godsdienstonderwijzer,
een Roomsch-Catholiek geestelijke,
een Israëlitisch Godsdienstleeraar,
een Israëlitisch Godsdienstonderwijzer,
4
een Geneeskundige, hetzij Officier van gezondheid of burger geneesheer,
een Hoofdonderwijzer,
een Hulponderwijzer,
twee Portiers,
het noodige aantal Bewaarders,
1ste klasse, 1ste rang,
1ste klasse , 2de rang,
2de klasse,
het noodige aantal meesterknechts bij den arbeid, het noodige aantal Bedienden.
A.rt. 9.
Na de leden van het College van Regenten bekleedt de Directeur bij den dienst der gevangenis den Isten rang.
Tot den 2den rang behooren:
de Adjunct-directeuren ,
de Godsdienstleeraars, de Geestelijke en de Geneeskundige. Tot den 3den rang behooren :
de eerste Commiesen, de Magazijnmeester, de Protestantsche Godsdienstonderwijzer eu de Hoofdonderwijzer.
Tot den 4den rang behooren:
de tweede Commiesen, de Onder-magazijnmeester en de Hulponderwijzer.
Tot den 5den rang behooren:
de Schrijvers.
Tot den 6den rang behooren:
de Bewaarders 1ste klasse, 1ste rang en de Meesterknechts bij den arbeid.
Tot den 7den rang behooren:
de Portiers en de Bewaarders 1ste klasse, 2de rang.
5
Tot den 8stea rang behooren:
de Bewaarders 2de klasse.
Tot den 9den rang behooren:
de Bedienden.
In denzelfden rang wordt de oudste in dienst bij het gevangeniswezen, geacht den voorrang te hebben.
Bij gelijken duur van diensttijd beslist de leeftijd.
Art. 10.
Aan de beambten is verboden :
1°. eene andere bediening te bekleeden of nering te drijven, hetzij op hun eigen naam, hetzij op dien hunner huisgenooten;
2°. rechtstreeks of zijdelings in eenige aanneming of levering ten dienste van het gesticht of van de gevangenen deel te nemen;
3°. voor gevangenen een of ander voorwerp in of uit de gevangenis te brengen, van gevangenen of in hun belang van derden geschenken of betaling aan te nemen , of aan gevangenen geschenken te geven;
4°. aan gevangenen of andere personen eenige mededeeling betreffende gevangenen of de gevangenis te doen;
5°. van gevangenen iets te koopen, of aan hen te verkoopen of ter leen te geven, of van gevangenen ter leen te ontvangen;
6°. met gevangenen onnoodige gesprekken te voeren;
7°. zich met kortelings ontslagen gevangenen in te laten;
8°. gevangenen voor het verrichten van particulier werk of andere dergelijke diensten te bezigen.
Het eerste en zevende nommer van dit artikel zijn niet van toepassing op de godsdienstleeraars, de godsdienstonderwijzers, den geestelijke, den geneeskundige en de onderwijzers.
Art. 11.
Billijkheid en welwillendheid in het behandelen van gevangenen is den beambten aanbevolen.
6
Alleen in geval van tegenstand of, zelfs lijdelijk , verzet wordt krachtdadig te werk gegaan.
Art. 12.
De beambten behooren in het algemeen de minderen aan de meerderen ondergeschiktheid te betoonen.
Allen zijn den Directeur ondergeschikt en gehoorzamen aan zijne bevelen, behoudens hunne bevoegdheid om zich op het College van Regenten te beroepen.
Art. 13.
De Directeur en verdere beambten verlaten de gemeente niet dan met toestemming van het College van Regenten.
Aan den Directeur en den Adjunct-directeur van den huis-houdelijken dienst wordt nimmer gelijktijdig verlof verleend.
Op verzoeken om verlof voor eene afwezigheid van ten hoogste drie dagen, van beambten beneden den vijfden rang, wordt door den Directeur namens het College van Regenten beschikt. â Op andere verzoeken om verlof, steeds door tusschenkomst van den Directeur in te dienen, wordt beschikt:
voor eene afwezigheid tot ten hoogste 14 dagen door den Voorzitter van en namens het College van Regenten.
Verzoeken om verlof van meer dan 14 dagen worden aan den Minister ingediend door tusschenkomst van het College van Regenten, dat bij de opzending zijn gevoelen daaromtrent tevens mededeelt.
De beambten verwijderen zich nimmer uit het gesticht zonder toestemming van den Directeur.
Art. 14.
De beambten die door ziekte of ander beletsel verhinderd worden hun dienst waar te nemen, geven daarvan onmiddellijk kennis als:
De Directeur aan den Voorzitter van het College van Regenten.
De overigen aan den Directeur.
Art. 15.
Do beambten die den door hen, tengevolge van afwezigheid.
7
ziekte of ander beletsel gestaakten dienst weder hervatten, geven daarvan persoonlijk kennis, als:
De Directeur aan den Voorzitter van het College van Regenten.
De overigen aan den Directeur.
De godsdienstleeraars, de geestelijke en de geneeskundige kunnen dit ook schriftelijk doen.
Art. 16.
Door do beambten mag alteen in hunne -wachtkamer worden gerookt, en met goedvinden van den Directeur ook op het bareel.
Art. 17.
De beambten, voor zoover zij daarvan niet zijn vrijgesteld bij art. 38 van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur van 31 Augustus 1836 [Staatsblad n0. 159), moeten in de gevangenis steeds hun onderscheidingsteeken of uniform dragen.
De portiers en de bewaarders moeten in dienst altijd met den sabel gewapend zijn.
§ 6. De Directeur.
Art. 18.
Behoudens des Directeurs verantwoordelijkheid ingevolge de wet, is hij in alles wat het beheer van het gesticht aangaat , ondergeschikt aan het College van Regenten , en volgt hij de bevelen en voorschriften van dat College op.
Art. 19.
Naast de verplichtingen, omschreven in art. 44 van het Kon. besluit dd. 31 Augustus 1886 , [Staatsblad n0. 159) rust op hem:
1°. de zorg voor:
a. de zedelijke verbetering, voor zooverre dit van hem afhangt, van de gevangenen ;
b. de voeding en de verpleging van de gevangenen;
e. den arbeid en de nauwkeurige uitvoaring van het plan daarvan ;
8
d. de administratie van den huishoudelijken dienst en den arbeid;
2°. het toezicht over alle handelingen binnnen den kring der gevangenis plaatsgrijpende.
Art. 20.
Hij waakt steeds:
a. dat alle aan den dienst der gevangenis verbondene beambten hunnen plicht vervullen en de bestaande verordeningen en bevelen nauwkeurig nakomen;
h. dat de kleeding, voeding, ligging en verdere verpleging der gevangenen overeenkomstig de bestaande bepalingen deugdelijk is;
c. dat alle voor den dienst vereischte goederen van de beste hoedanigheid, tot de vereischte maat, hoeveelheid of gewicht , hij aanbesteding stipt naar de gestelde voorwaarden en buiten aanbesteding tot de meest billijke prijzen worden geleverd;
d. dat bij de aanschaffing van benoodigdheden en het gebruik daarvan , de meeste spaarzaamheid in acht wordt genomen;
e. dat overal binnen den kring der gevangenis de meest mogelijke orde, stilte, tucht, zindelijkheid en netheid heerscht;
Æ. dat de voor den dienst bestemde of reeds voor het gebruik afgekeurde goederen en voorwerpen zorgvuldig worden bewaard;
g. dat ook het uiterlijk aanzien der gebouwen goed is, en dat alle daaraan voorkomende gebreken behoorlijk worden hersteld;
h. dat de waterreservoirs, waterleidingen, gazometers, ver-warmings- en gastoestellen in behoorlijke orde zijn en blijven.
Art. 21.
Hij ziet toe op het school- en godsdienstonderwijs, de godsdienstoefeningen en den geneeskundigen dienst.
Is bij van oordeel dat die takken van dienst niet goed worden geleid, dan maakt hij dit aan het College van Regenten kenbaar.
9
Art. 22.
Plichtverzuim of verkeerdheden -waaraan de beambten zich schuldig maken en omstandigheden, die den dienst belemmeren, maakt hij aan het College van Regenten kenbaar.
Art. 23.
Den beambten wier dienst hij ingevolge de 3de alinea van art. 45 van het Kon. besluit dd. 31 Augustus 1886 {Slaatsllad nquot;. 159) heeft doen staken, kan hij, desvereischt, het verlaten van- of den toegang tot het gesticht verbieden, onder verplichting om den maandcommissaris daarmede onmiddellijk in kennis te stellen en diens nadere beslissing te vragen.
Art. 24.
Het gesticht in al zijn deelen worde veel door hem bezocht.
Art. 25.
Hij geeft den gevangenen de gelegenheid om billijke verzoeken of klachten of wel andere belangen bij monde of in geschrifte tot hem te kunnen richten.
Art. 26.
Zooveel mogelijk slaat hij het karakter, den gemoedstoestand en de neigingen van de gevangenen gade, regelt daarnaar de maatregelen omtrent ieder hunner te nemen en tracht ze vooral door waarschuwingen en wenken van hunne dwalingen en verkeerdheden terug te brengen.
Hij verleent zijn raad aan gevangenen, die dit verlangen.
Art. 27.
Aan geene lokalen wordt door hem eene andere inrichting of bestemming gegeven zonder machtiging van het College van Regenten.
Art. 28.
Aan het College van Regenten en ieder van zijne leden en
10
zijnen secretaris geeft hij alle mogelijke in- en voorlichting, die van hem verlangd worden.
Art. 29'.
Hij stelt den maandcommissaris onmiddelijk in kennis met alle eenigzins van de gewone orde van zaken afwijkende omstandigheden en doet hem, of wel aan het College van Regenten, zoodanige voorstellen, als hij in het belang van den dienst noodig zal achten.
De aan dat College te richten voorstellen geschieden schriftelijk.
Art. 30.
lederen avond zendt hij aan den maandcommissaris een schriftelijk rapport, ingericht naar een daarvan bestaand of te geven model, bevattende het cijfer der gezonde en dat der zieke gevangenen , de sedert het laatste rapport plaats gehad hebbende mutatiën onder gevangenen, de meldenswaardige omstandigheden , benevens zoodanige aanvragen en voorstellen , als waarop de maandcommissaris zal hebben te beslissen.
Art. 31.
Moeten naar zijn oordeel straffen aan de gevangenen worden opgelegd, dan vraagt hij ingevolge de artt. 111, 112 en 113 van het Koninklijk besluit, dd. 31 Augustus 1886 {Slaatsilad n0.159), daarop goedkeuring of doet hij daartoe de noodige voorstellen, alles schriftelijk en gericht aan den Voorzitter van het Collegevan Regenten.
Art. 32.
Hij zorgt steeds, dat of hij, of de Adjunct-Directeur voor den huishoudelijken dienst, in de gevangenis, of laatstgemelde in diens woning, aanwezig zij.
Art. 33.
Hij doet aan den maandcommissaris mededeeling van elk door en aan hem verleend verlof. Andere verzoeken om verlof brengt hij met zijne consideratiën en advies bij den Voorzitter over.
11
Art. 34.
De Directeur doet zich eiken avond de sleutels, welke gedurende den nacht niet voor den inwendigen dienst der gevangenis noodig zijn , ter hand stellen.
De niet dagelijks in gebruik zijnde sleutels worden op het bureel van den Directeur in eene daartoe bestemde kast geplaatst.
Art. 35.
Hij bewoont de aan de gevangenis verbondene en voor hem bestemde woning.
Buiten zijn gezin laat hij niemand bij zich inwonen, zonder toestemming van het College van Regenten.
§ 7. De Adjunct-Directeuren.
Art. 36.
Bij afwezigheid, ziekte of andefe verhindering van den Directeur, treedt de Adjunct-Directeur voor den huishoudelijken dienst in zijne plaats op.
Art. 37.
De Adjunct-Directeuren staan den Directeur steeds ter zijde en dragen zorg voor de uitvoering zijner bevelen, die van den huishoudelijken dienst in alles, wat den huishoudelijken dienst aangaat, die voor den arbeid in alles wat den arbeid betreft.
Art. 38.
Met een waakzaam oog slaan zij, ieder in den kring zijner werkzaamheden, de handelingen der onder hen staande beambten en gevangenen gade, zoodat de orde, rust en veiligheid en de goede gang van den arbeid, de deugdelijke bewerking der grondstoffen en de uitvoering vau hot plan van arbeid, behoorlijk verzekerd z;j.
12
Art. 39.
Zij doen elkander de noodige mededeelingen en houden den Directeur op de hoogte van alles wat in den dienst voorvalt en geven hem de veranderingen die zij daarbij wenschelijk achten, in overweging.
Art. 40.
Bij ongesteldheid, afwezigheid of ander beletsel worden zij vervangen door den daartoe door het College van Regenten aan te wijzen beambte.
Art. 41.
De Adjunt-Directeur voor den huishoudelijken dienst is bij afwezigheid van den Directeur altijd in het gesticht of in zijne woning aanwezig.
Art. 42.
HU bewoont de voor hem bestemde woning.
Buiten zijn gezin laat hij niemand bij zich inwonen, zonder toestemming van het College van Regenten.
Art. 43.
De Adjunct-Directeur voor den arbeid zal in den regel steeds van den aanvang tot het eindigen van den arbeid in het gesticht aanwezig moeten zijn. De uren waarop hij zich tusschentijds zal kunnen verwijderen , worden door het College van Regenten naar omstandigheden bepaald.
§ 8. de Cceneeskundlge.
Art. 44.
De Geneeskundige verschaft het College van Regenten en den Directeur alle inlichtingen en opgaven die van hem gevraagd worden.
13
Hij zorgt dat aan zijne woning steeds bekend zij waar hij kan gevonden worden.
Art. 45.
Hij bezoekt de zieke gevangenen minstens twee maal in do 24 uren.
De uren voor deze gewone bezoeken worden door het College van Regenten, den Geneeskundige gehoord, bepaald.
Hij mag geene geneeskundige verklaring afgeven ten behoeve van gevangenen dan aan het College van Regenten.
Hij levert deze verklaringen door tusschenkomst van den Directeur bij dat College in.
Art. 46.
De zieke gevangenen worden in de ziekenzalen verpleegd, tenzij de geneeskundige dit bij lichte ongesteldheid onnoodig acht. Op zijn voorstel kunnen zieken afzonderlijk worden geplaatst.
Art. 47.
Hij ziet toe dat zijne bevelen en voorschriften worden opgevolgd.
Art. 48.
Hij houdt een ziekenregister, waarin de naam en voornaam van eiken zieken gevangene en het nummer waaronder hij in de gevangenis bekend is, wordt ingeschreven.
Hij teekent dagelijks in dat register aan den voortgang, den loop der ziekte tot aan den afloop, benevens de gevolgde geneeswijze , alles zoodanig ingericht, dat daaruit desgevorderd een volledig en duidelijk ziekteverslag kan worden opgemaakt.
Art. 49.
Een gelijk ziekenregister wordt door hem gehouden omtrent de zieke beambten.
16
Augustus 1886 , (Staatsllad n0. 159) en bij ziekte, zorgt hij dat een ander geneesheer ten genoege van het College van Regenten â wordt vervangen. Deze vervanging geschiedt voor 's Rijks rekening.
In alle andere gevallen voorziet hij , bij afwezigheid, ten zijnen koste en ten genoege van het College van Regenten in den dienst.
§ O. De godsdienstleeraars, de geestelijke en de godsdienstonderwijzer.
Art. 63.
De godsdienstleeraars en de geestelijke zorgen voor het houden van godsdienstoefeningen, van afzonderlijke godsdienstige toespraken en het geven van godsdienstonderwijs.
De Protestantsche godsdienstleeraar wordt daarin bijgestaan door den godsdienstonderwijzer.
Art. 64.
De godsdienstoefeningen worden in de kerkzaal, het godsdienst onderwijs aan- en toespraken tot de op werk- et verblijf-zalen vertoevende gevangenen , in de daarvoor door den Directeur aan te wijzen lokalen gehouden, op de uren daarvoor door het College van Regenten bepaald.
Art. 65.
De gevangenen in de ziekenzalen en in de cellen kunnen met inachtneming van de voorschriften omtrent den arbeid, de orde en tucht, met voorkennis van den Directeur in den regel aldaar ten allen tijde bezocht en toegesproken worden, doch nemen geen deel aan de gemeenschappelijke godsdienstige bijeenkomsten, evenmin als zij, die in strafcellen vertoeven.
Art. 66.
Op de eerste aanvraag daartoe door of van wage het Collega van Regenten of den Directeur aan hen gedaan , begeven de godsdienstleeraars, de geestelijke en de godsdienstonderwijzer zich bij den gevangene voor wien dit noodig geoordeeld wordt.
17
Art. 67.
Al hetgeen ten behoeve van de godsdienstoefeningen en het godsdienstonderwijs benoodigd is, evenals het vereischte onderhoud daarvan , zal door de godsdienstleeeraars en den geestelijke schriftelijk door tusschenkomst van den Directeur aan het College van Regenten worden aangevraagd.
Misbrood en miswijn zijn daarvan uitgezonderd en worden door den geestelijke aangeschaft, onder verplichting om vau de aanschaffing en van den prijs van het aangeschafte onmiddelijk kennis te geven aan den Directeur.
Art. 68.
De godsdienstleeraars en de geestelijke zenden jaarlijks in de maand Januari aan het College van Regenten een verslag omtrent de godsdienstoefeningen en het godsdienstonderwijs van de tot hunne gezindte beboerende gevangenea over het laatst verloopen jaar.
Art. 69.
Bij ziekte, afwezigheid of ander beletsel doen zij zich met goedkeuring en ten genoege van het College van Regenten vervangen , wat de Roomsch Catholiek Geestelijke aangaat op de wijze voorgeschreven sub 7 in de circulaire van den Minister van Justitie dd. 24 October 1848, n0. 42.
Bij afwezigheid gedurende den verloftijd, bedoeld bij art. 36 van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur dd. 31 Augustus 1886 (Staatsblad nquot;. 159) en bij ziekte, geschiedt de vervanging voor 's Rijks rekening.
§ lO. De Onderwijzers.
Art. 70.
De hoofdonderwijzer zorgt dat het schoolonderwijs zoodanig wordt geleid en gegeven , dat het aan het doel beantwoordt en dienstbaar zij aan de verstandelijke en zedelijke ontwikkeling van de gevangenen.
Art. 71.
Hij wordt daarin bijgestaan door den hulponderwijzer, wiens
LEEUWARDEN. S. 2.
18
werkzaamheden hij regelt en die zich naar zijne voorschriften en wenken gedraagt.
Art. 72.
Jaarlijks in de maanden Mei en November doet de hoofdonderwijzer door tusschenkomst van den Directeur aan het College van Regenten eene voordracht van leerlingen, die naar zijn oordeel voor verplaatsing naar eene andere afdeeling of voor ontslag van school in aanmerking kunnen komen.
Art, 73.
Hij houdt een register van alle leerlingen, waaruit ieders aanleg, vorderingen , gedrag en tijd van ontslag van school kan blijken.
Art, 74,
Jaarlijks in de maand Januari doet hij door tusschenkomst van den Directeur het College van Regenten een verslag toekomen , omtrent deu toestand van het onderwijs en de vorderingen der leerlingen over het afgeloopen jaar.
Art, 75.
De benoodigde leermiddelen en het onderhoud daarvan zal hij door tusschenkomst van den Directeur aan het College van Regenten schriftelijk aanvragen.
Art. 76.
Hij is belast met de bewaring der leermiddelen en houdt daarvan een inventaris.
Hij ziet toe dat de leermiddelen door de gevangenen zindelijk gehouden en niet uit het schoollokaal medegenomen worden.
Art. 77.
De onderwijzers zijn steeds vóór het uur, voor het onderwijs bestemd, aanwezig, en verwijderen zich niet vóór den geheelen afloop daarvan.
19
Art. 78.
Bij ziekte, afwezigheid of ontstentenis van den hoofdonder-â wijzer, -wordt bij door den hulponderwijzer vervangen.
§ li. De commiezen en de schrijvers.
Art. 79.
De commiezen en de schrijvers zijn uitsluitend belast met bureelwerk voor den huishoudelijken dienst en voor het beheer van den arbeid.
§ 13. De magazijnmeesters.
Art. 80.
De magazijnmeester is belast met het beheer van de magazijnen van den arbeid en is voor den staat van die magazijnen verantwoordelijk.
Art. 81.
De ondermagazijnmeester staat onder de onmiddellijke bevelen van den magazijnmeester.
Art. 82.
Hij verricht de werkzaamheden, die hem onder goedkeuring van den Directeur door den magazijnmeester worden opgedragen.
Art. 83.
Gedurende de wintermaanden zal hij na het overgaan der gevangene magazijnknechts, des vereischt behulpzaam zijn in de administratie op liet bureel van den arbeid.
20
Art. 84.
â¢Steeds houdt hij nauwlettend toezicht op het geheele magazijn en de da£r aanwezige gevangenen.
Art. 85.
Van al hetgeen hem verkeerd, in strijd met de goede orde of verdacht voorkomt, geeft hij onmiddellijk kennis aan den magazijnmeester, des noodig aan den Directeur.
Art. 86.
Hij vervangt den magazijnmeester ingeval van ziekte, afwezigheid of ander beletsel.
Art. 87.
Gedurende de uren van den arbeid in het gesticht moeten de magazijnmeesters in het magazijn aanwezig zijn.
Moet een hunner het magazijn tijdelijk verlaten dan blijft de ander damp;ar aanwezig, zoolang zich daar gevangenen bevinden.
§ 13. De portiers.
Art. 88.
De portiers zijn belast met de wacht aan de hoofdingangen van de gevangenis; zij verleenen alleen toegang aan de beambten of hunne plaatsvervangers en de personen, vermeld op eene door het College van Regenten opgemaakte lijst en aan hen die door een lid van het College worden begeleid of van een toegangbiljet zijn voorzien.
De portier aan de voorpoort houdt een register waarin, zonder eenig wit open te laten en met vermelding van den dag en het uur van uit- en ingang, worden ingeschreven de namen en kwaliteiten van alle personen, die tot den dienst der gevangenis behooren.
JJovendien houdt hij een register van andere inkomende personen.
J3ehalve de leden en de Secretaris van het College van Regenten,
21
de Directeur, de Adjunct-Directeuren, de officier van de â wacht, de geneeskundige, de godsdienstleeraars, de godsdienstonder-â wijzers, de geestelijke en de andere, volgens de hem van wege het College van Regenten te verstrekken opgave, toegang hebbende autoriteiten , kunnen alle inkomende en uitgaande personen door hem worden gevisiteerd, indien zij hem verdacht voorkomen.
Hij neemt daarbij in acht de voorschriften, door het College van Regenten gegeven.
Art. 89.
Alle ingevoerd wordende voorwerpen worden door tusschen-komst der portiers aan den Directeur overgeleverd, die daaraan-de noodige bestemming geeft.
Zij mogen niet toestaan dat eenig voorwerp uit het gesticht wordt gebracht, zonder voorkennis van den Directeur.
Art. 90.
De portier der voorpoort is verantwoordelijk voor de bewaring der sleutels van de afsluiting aan de brug en de voorpoort.
Hij zal die sleutels alléén des avonds ten 10 uur aan den kommandant der militaire wacht mogen afgeven en ze des morgens bij het betrekken van zijn post weder van hem in ontvangst nemen.
Art. 91.
In de kamer van de portiers moet steeds zichtbaar voorhanden zijn een afschrift van de artikelen 88, 89 en 90 van dit reglement.
Art. 92.
Behoudens de gevallen waarbij de schorsing, bedoeld bij art. 15 van het Koninklijk besluit dd. 31 Augustus 1886 {Staatsblad n0. 159) te pas komt, is de Directeur bevoegd den portiers wegens lichte overtredingen huisarrest op te leggen, voor ten hoogste 14 dagen.
§ 14. De bewaarder^
Art. 93.
De bewaarders zijn in het bijzonder belast met de bewaking
22
der gevangenen en de handhaving van orde, rust en veiligheid van- en in het gesticht.
Art. 94.
Eene aanhoudende â waakzaamheid is daarbij hun eerste plicht.
Art. 95.
Zij mogen de hun aangewezen posten nimmer verlaten dan na behoorlijke aflossing.
Art. 96.
Zij zijn verantwoordelijk voor alle verkeerde handelingen die süj hadden kunnen voorkomen.
Art. 97.
Zij zorgen dat iedere zich in den kring van hunnen post bevindende deur steeds met slot en grendel gesloten zij.
Art. 98.
Da aan hen toevertrouwde sleutels mogen zij nimmer afleggen, noch door gevangenen laten aanraken of bezichtigen.
Art, 99.
Behoudens de gevallen waarbij de schorsing, bedoeld bij art. 15 van het Koninklijk besluit dd. 31 Augustus 1886 (Staatsblad n®. 159) te pas komt, is de Directeur bevoegd den bewaarders wegens lichte overtredingen huisarrest op te leggen, voor ten hoogste 14 dagen.
§ 15. De Hcestcrknechts en de Bedienden.
Art. 100.
De meesterknechts en de bedienden behartigen uitsluitend de aan hunne zorg toevertrouwde takken van arbeid.
23
Zij trachtea de gevangenen tot bekwame werklieden op te leiden en zijn aansprakelijk voor de goederen, grondstoffen en gereedschappen in de werkzalen aanwezig.
Van beschadiging van werktuigen, gereedschappen en in bewerking zijnde goederen, wordt door hen aan den Adjuuct-Directeur voor den arbeid dadelijk kennis gegeven.
§ 10. De gevangenen In het algemeen.
Art. 101.
Ieder ter opneming ingebrachte gevangene wordt onmiddelijk voor den Directeur geleid, die de stukken, uit kracht waarvan hij moet worden opgenomen, nauwkeurig onderzoekt en bij weibevinding den gevangene , evenals de van hem of de geleiders overgenomen waarden, in de daarvoor bestemde registers doet inschrijven.
Art. 102.
De gevangene wordt vervolgens geheel ontkleed, gevisiteerd, gereinigd en gekleed met de van zijn nummer voorziene kleeding van het gesticht.
Art. 103.
Gedurende de eerste dagen van zijn verblijf in het gesticht wordt hij herhaaldelijk bezocht door den Directeur, die zich daarbij zooveel mogelijk met zijn karakter, zijne gemoedstemming en meerdere of mindere geschiktheid voor den arbeid bekend maakt.
Art. 104.
Gelijk herhaald bezoek geschiedt dour den go Isdienstleeraar of geestelijke der gezindte waartoe de gevangene behoort en door den geneeskundige, die zich van zijn gezondheidstoestand overtuigt.
De godsdienstleeraar of de geestelijke en de geneeskundige
24
worden door den Directeur onmiddelijk in kennis gesteld met de opname van een gevangene.
§19'. Verdeeling In klassen.
Art. 105.
De 2de en 3de klassen, vastgesteld bij art. 78 van het Koninklijk besluit dd. 31 Augustus 1886 {Staatsblad n0. 159) , worden verder verdeeld in afdeelingen A en B.
Art. 107.
Indeeling van nieuw ingekomen gevangenen in klassen geschiedt naar de regels daaromtrent in art. 78 van bovenaangehaald Koninklijk besluit gesteld, door den maandcommissaris namens het College van Regenten op voordracht van den Directeur binnen drie dagen na de aankomst van den gevangene bij uitge-werkten staat en onder overlegging van het extract-arrest of vonnis.
Art. 108.
Vroegere ondergane gevangenisstraffen behoeven niet uitsluitend uit de extract-arresten of vonnissen , waarmede de gevangenen worden ingebracht, te worden aangenomen, maar kunnen ook op andere wijze blijken.
Art. 109.
Alle bij de invoering van dit reglement aanwezige en later inkomende gevangenen, worden door het College van Regenten geplaatst in Afdeeling A of B hunner klasse, naar gelang van hun verleden, misdrijf, duur der straf, leeftijd en ontwikkeling, des dat zij, die uit dezen hoofde eenige begunstiging verdienen, worden opgenomen in afdeeling B, de overigen in afdeeling A. Zoolang het College over deze plaatsing van nieuw ingekomene gevangenen niet heeft beslist, worden zij in afdeeling A hunner klasse geplaatst.
25
Art. 11
Overgang van de afdeeling A naar afdeeling B van dezelfde klasse kan plaats hebben voor gevangenen die de helft hunner gansche straf hebben ondergaan en zich door buitengewoon goed gedrag hebben onderscheiden.
Art. 111.
Berispelijk gedrag kan terugplaatsing naar afdeeling A tengevolge hebben.
Art. 112.
Bevordering of terugplaatsing naar afdeelingen of klassen geschiedt door het College van Regenten op gemotiveerde voordracht van den Directeur onder overlegging van het strafregister, extract-arrest of vonnis en andere bescheiden, in te dienen telkens in de maanden Januari en Juli.
§ IS. Plaatsing en maatregelen van orde.
Art. 113.
Met inachtneming van het bij art. 77 van het Koninklijk besluit, dd. 31 Augustus 1886 {Staatsblad n0. 159), omtrent de levenslang veroordeelden bepaalde, worden de gevangenen geplaatst, en vertoeven zij als volgt:
Zij, die gestraft zijn met opsluiting in eene gewone strafcel in de daarvoor bestemde lokalen;
die van de 1ste of straf klasse ieder afzonderlijk in eene gewone cel, zoo bij dag als bij nacht, behoudens het bepaalde bij art. 80 van den in het vorig lid genoemden algemeenen maatregel van inwendig bestuur;
die van de overige klassen, wier karakter, gemoedstemming, gedrag of gezondheidstoestand dit tijdelijk noodzakelijk maakt of wanneer dit op hun verzoek is toegestaan, ieder afzonderlijk in eene gewone cel, zoo bij dag als bij nacht;
26
de zieken of invaliden op zieken- en invalidenzalen, zoo bij dag als bij nacht;
al de overigen gedurende de werkuren in de voor hen bestemde werkzalen of werkplaatsen, gedurende de overige uren van de a dag in verblijfzalen, gedurende den nacht in slaapzalen.
Art. 114.
Onmiddellijk nadat de gevangenen het bed hebben verlaten wordt dit door ieder hunner in orde gebracht, waarna zij zich; kleeden en reinigen.
Art. 115.
In de verblijfzalen vertoeven zij op Zon- en feestdagen van het tijdstip, dat zij uit de slaapzalen worden overgebracht tot de oversluiting 's avonds. Op gewone werkdagen gedurende het ontbijt, het middageten en verder van het tijdstip dat zij 's avonds de werkzalen of werkplaatsen verlaten, totdat zij naar de slaapzalen worden overgebracht.
Art. 116.
Telkens na het oversluiten uit de verblijfzalen na afloop van het morgen-, middag- en avondeten, worden de niet genuttigde, in die lokalen nog aanwezige spijzen door de zaalreinigers verzameld en in het magazijn gebracht.
Aan de overblijvende middagspijs en het brood wordt door de zorg van den Directeur eene zooveel mogelijk nuttige bestemming , in de eerste plaats ten behoeve van het gesticht, gegeven.
Art. 117.
De gevangenen worden, nadat zij naar de slaapzalen zijn overgebracht, onmiddelijk in de alkoven opgesloten.
Art. 118,
Alleen in de verblijfzalen en ziekenzalen wordt, aan tafels gezeten, voedsel gebruikt en kunnen geoorloofde gezelschap-spelen, briefschrijven en lezen worden toegestaan.
27
Kantinewaren -worden ook alléén in de verblijfzalen en, voor zooverre geoorloofd, ook ia de gewone cellen gebruikt.
Art. 119.
De uren van ter ruste gaan , opstaan en voeding van de in cellen vertoevende gevangenen, zijn dezelfde als voor de overige gevangenen.
Art. 120.
Des avonds kan in de verblijfzalen door een gevangene uit een boek worden voorgelezen.
Art. 121.
Een der gevangenen doet voor en na den maaltijd, alsmede bij het opstaan en ter ruste gaan een kort gebed, voor alle godsdienst-gezindten geschikt.
Het formulier van deze gebeden wordt door het College van Regenten vastgesteld.
Art. 122.
Elke maand nemen de gevangenen een voetbad en om de twee maanden een geheel bad, een en ander voorts zoo dikwerf als de geneeskundige dit zal voorschrijven.
Ieder gevangene ontvangt per kwartaal een hectogram witte zeep.
Art. 123.
De gevangenen zijn bevoegd zich schriftelijk tot het College van Regenten te wenden op papier, hun daartoe door den Directeur verstrekt.
Te dien einde zijn op geschikte plaatsen bussen aanwezig, waarvan de sleutel onder den Commissaris der maand berust.
Het is echter aan gevangenen verboden gezamenlijk een brief aan het College van Regenten te richten ; slechts door ieder afzonderlijk kunnen belangen worden voorgedragen , ook mondeling.
Art. 124.
Zoowel bij het opstaan als bij het ter ruste begeven, wordt appèl gehouden.
28
Als de klok van het rustuur geluid wordt, moeten zij zich terstond ter ruste begeven.
Art. 125.
De gevangenen zijn verplicht:
zich stiptelijk en nauwkeurig te onderwerpen aan de regels van het gesticht en onmiddelijk te gehoorzamen aan de bevelen hun door de beambten gegeven ;
den hun opgelegden arbeid of taak of de toevertrouwde betrekkingen met ijver en nauwgezetheid te volbrengen;
zich in al hunne handelingen jegens ieder beambte of tot bet beheer der gevangenis in betrekking staand persoon eerbiedig en bescheiden te gedragen;
voor alles, wat tot ieders bijzonder of tot algemeen gebruik dient, de meestmogelijke zorg te dragen en de gebreken hunner kleeding en uitrustingstukken dadelijk zelf te herstellen of in herstelling te geven;
tot de orde geroepen wordende, allen arbeid of bezigheid te staken , ieder voorwerp of werktuig hetwelk zij op het oogenblik in handen hebben neder te leggen en zich met ongedekten hoofde te plaatsen en geplaatst te houden tot dat het tegenbevel zal zijn gegeven;
in de gewone en strafcellen in staande houding tegenover en zoo ver mogelijk van den ingang ;
in de werkzalen op hunne plaatsen , in de houding die zij hebben ;
in de slaapzalen in de alkoven naast de kribben in staande houding;
in de verblijfzalen op rijen langs de muren , in staande houding;
in de de ziekenzalen, voor zooverre niet te bed liggende ieder vóór zijne legerstede in staande houding;
overal elders op de plaats waar zij zich bevinden , in staande houding;
het godsdienstonderwijs en de godsdienstoefeningen en, voor zooverre daartoe aangewezen, het schoolonderwijs getrouw bij te wonen en dit, evenals iedere andere godsdienstige verrichting, voorlezing of toespraak, ijverig, aandachtig en eerbiedig te volgen ;
29
bij beweging of verplaatsing van meer dan één hunner, steeds geregeld, zooveel mogelijk twee aan twee te gaan;
de meest mogelijke reinheid en zindelijkheid op hunne personen en op alles, wat tot hun gebruik dient, in acht te nemen;
van de bevolen lichaamsbewegingen en baden gebruik te maken.
Art. 126.
Het is den gevangenen verboden:
voor zich zeiven of voor andere pogingen in het werk te stellen om met gevangenen , die in de verschillende lokalen verblijven of met personen buiten of vreemd aan de gevangenis in aanraking te komen ;
te schreeuwen, te zingen of luidruchtige, onzedelijke of op-ruijende gesprekken of bewegingen te houden of te maken of in de slaapzalen te spreken;
hunne lotgenooten te plagen , lastig te vallen , slecht of onbescheiden te bejegenen, tot deze of gene handeling te dwingen of op eenigerhande wijze tot wanorde aanleiding te geven;
iets hoegenaamd in hun bezit te hebben wat hun niet van wege het beheer der gevangenis is verstrekt of overhandigd;
op de slaap of werkzalen en werkplaatsen, voedsel, kantine-waren , boeken, of wat ook van dien aard, bij zich te hebben ;
de gereedschappen , grondstoffen, kleeding of uitrustingstukken , boeken of voedsel op eenigerhande wijze te verduisteren of die evenmin als de gebouwen te bederven, te verontreinigen of te beschadigen;
aan de verlichtings- of verwarmingstoestellen te raken zonder daarvoor in het bijzonder te zijn gesteld ;
de beambten en op eenigerhande wijze te misleiden ;
spelen uit te oefenen , die niet bepaald zijn toegestaan of op plaatsen waar dit niet bepaald is toegestaan ;
elkander arbeidsvoorwerpen, voedsel of kantinewaren te leenen, te verkoopen of die te verruilen ;
in de ziekenzalen en strafcellen, kautinewaren in hun bezit te hebben;
30
te rooken, op tijden waarop en plaatsen waar dit niet vergund is ;
tabak te kauwen of te pruimen;
zich met hunne kovenkleeding- op de legerstede te leggen;
zich op andere wijze dan is voorgeschreven te kleeden of aan eenig kleedingstuk een ander model te geven;
knevels, baard of lang haar te dragen , uitgezonderd aan hen , die nog slechts een maand of korteren tijd in het gesticht moeten vertoeven.
Art. 127.
Aan de op verblijf- en ziekenzalen vertoevende gevangenen wordt vergund om in hunne vrije uren gebruik te maken van de in het gesticht toegestane spelen , zijnde dam-, schaak- en dominospel.
Kaart- en dobbelspel zijn uitdrukkelijk verboden.
§ 19. Overleden gevangenen.
Art. 128.
Bij elk sterfgeval zorgt de Directeur voor de aangifte, voorgeschreven bij het Burgerlijk Wetboek.
De lijken van gevangenen worden met inachtneming der bestaande verordening , na bekomen verlof van den ambtenaar van den burgerlijken stand, ter aarde besteld.
Dit geschiedt op kosten van het Eijk, voor zooveel de uit-gaanskas tot bestrijding van de kosten ontoereikend is.
Art. 129.
De lijken van gevangenen kunnen aan hunne nabestaanden, op aanvrage van dezen , worden afgegeven , ten einde door hunne zorg en voor hunne rekening te worden ter aarde besteld.
§ SO. Briefwisseling.
Art. 130.
De levenslang veroordeelde gevangenen en die van de 2de en
31
3de klasse mogen , zoo hen dit niet tijdelijk bij wege van straf is ontzegd , éénmaal in de maand , die , behoorende tot de eerste of strafklasse eens in de drie maanden , brieven schrijven aan hunne echtgenooten , ouders , kinderen , broeders en zusters buiten het gesticht en die ook van hen ontvangen.
Art. 131.
In bijzondere gevallen kan de commissaris der maand het verzenden of uitreiken van brieven , met afwijking van het bepaalde bij het voorgaande artikel, toestaan.
Art. 132.
Alle briefwisseling tusschen gevangenen onderling is verboden.
In bijzondere gevallen kan het College van Regenten , vrijstelling van dit verbod verleenen ten opzichte van briefwisseling met nabestaanden van gevangenen in andere gevangenissen opgenomen.
Art. 133.
De inkomende zoowel als de uitgaande brieven worden ter hand gesteld aan den Directeur, die daarvan, na aanteekening op het register, inzage neemt.
De brieven, waarvan de inhoud van dien aard is, dat de Directeur de afgifte of verzending niet raadzaam acht, worden overgelegd aan den Commissaris der maand. Deze beslist omtrent de gerezen bedenking.
Indien tegen het verzenden of afgeven geen bezwaar bestaat, brengt de Directeur die beslissing ten spoedigste ten uitvoer.
Art. 134.
Briefport komt in de eerste plaats ten laste van het zakgeld, bij gemis van zakgeld ten laste der uitgaanskas, zoo ook hierop niets beschikbaar is, wordt de port bij voorschot voldaan eu bij onvermogen aan het Rijk in rekening gebracht.
Art. 135.
Voor alle uitgaande brieven van gevangenen worden ten koste van het Rijk papier, inkt en pennen verstrekt.
Het papier wordt van wege den Directeur gestempeld.
S2
§ 31. Bezoeken.
Art. 136.
Met toestemming van den Directeur kunnen, zoo hun dit niet tijdelijk bij wege van straf is ontzegd, de levenslang veroordeelden en die van de 2de en 3de tuchtklasse éénmaal in de maand, die, behoorende tot de eerste of straf klasse eens in de drie maanden, bezoek van echtgenooten, ouders, kinderen , broeders en zusters ontvangen.
Art. 137.
Het bezoek geschiedt in de daarvoor ingerichte spreekplaats, in tegenwoordigheid van een bewaarder.
Een bezoek duurt niet langer dan 15 minuten en daarbij mag den gevangene niets, van welken aard of onder welk voorwendsel ook, worden ter hand gesteld.
Bijaldien de bezoeker ongepaste mededeelingen doet, wordt hij onmiddellijk verwijderd.
Jn de spreekplaats mogen geen twee bezoeken gelijktijdig plaats hebben.
Gevangenen kunnen weigeren, bezoek te ontvangen van personen, die niet tot het bestuur of den dienst der gevangenis behooren, noch in het algemeen belang toegang bekomen hebben.
Art. 138.
In zeer bijzondere gevallen kan de Commissaris der maand het ontvangen van bezoek, met afwijking van het bepaalde bij art. 136 en het eerste lid van art. 137, toestaan.
Art. 139.
Het is den bezoekers verboden zich op eenige wijze te mengen in het beheer der gevangenis of geld, versnaperingen, brieven, geschriften, boeken of iets anders van welken aard ook, aan de gevangenen te geven of te doen toekomen.
Zij, die in strijd hiermede handelen, worden niet meer bij de gevangenen toegelaten.
33
§ 33. Arbeid.
Art. 140.
De Directeur wijst voor het verrichten van huisdiensten en voor iederen tak van arbeid de gevangenen aan, die bij daarvoor geschikt acht.
Voor bet verrichten van buisdiensten kunnen echter alleen in aanmerking komen de gevangenen beboerende tot de afdeeling B van de 2de en 3de klasse.
§ 33. Onderwijs.
Art. 141.
Het onderwijs wordt gegeven naar de regelen gesteld bij art. 17 der wet van 14 April 1886 (Staaisllacl n0. 62) en deartt. 95 tot en met 100 van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 31 Augustus 1886 , {Staatsblad n0. 159).
Art. 142.
De school is verdeeld in twee afdeelingen , waarin de gevangenen worden geplaatst naarmate van hunne ontwikkeling en gemaakte vorderingen.
Art. 143.
Gevangenen tot het ontvangen van onderwijs niet verplicht, kunnen daartoe echter worden toegelaten.
Art. 144.
Alle gevangenen worden binnen ééne maand na hunne aankomst door den hoofdonderwijzer geëxamineerd, in tegenwoordigheid van den maandcommissaris, die omtrent hunne behoefte aan onderwijs, toelating en plaatsing in afdeelingeu beslist en den uitslag aan don Directeur mededeelt.
LEEUWARDEN. S. 3
34
Art. 145.
Omtrent overgang naar eene andere afdeeling en omtrent het ontslag van de school, beslist het College van Regenten.
Art. 146.
Het onderwijs wordt in den regel in het schoollokaal gegeven.
§ 34. Siraffen.
Art. 147.
Elke inbreuk op de orde en tucht, de regelen van zindelijkheid , arbeidzaamheid en van gezondheid; alle moedwillige beschadiging van goederen, behoorende aan het gesticht of aan derden , worden , naar mate van de zwaarte der overtreding, gestraft met de straffen vermeld in art. 20 der wet van 14 April 1886 (Staatsblad n*. 62).
Art. 148.
Voor de toepassing der straffen wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij voormeld wetsartikel, bij art. 23 dier wet en bij de art. Ill tot en met 113 van den algcmeenen maatregel van inwendig bestuur, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 31 Augustus 1886 (Staatsblad nquot;. 159).
De straffen , vermeld in art. 20, sub 6 der wet van 14 April 1886 (Staatsblad nquot;. 62), voor zoover de duur daarvan nog moet worden geregeld , worden voor niet langer dan 4 weken opgelegd. De gestraften met water en brood, ontvangen een en een half ration roggebrood per man en per dag.
Art. 149.
Aan de gevangenen der straf klasse is het genot van kantine ontzegd.
Art. 150.
De met sluiting in de boeien of water en brood gestrafte ge-
35
vangenen, doet de Directeur aan een bijzonder toezicht van den geneeskundige onderwerpen.
Wordt door den geneeskundige wijziging of beëindiging der straf noodzakelijk geacht, dan geeft de Directeur onmiddelijk kennis aan den Voorzitter van Regenten.
Art. 151.
Ingeval van voortdurende verstoring der orde en aanslagen tegen personen kan op de daaraan schuldige gevangenen, na door twee leden van en namens het College van Regenten te zijn gehoord, met of zonder toepassing van de straffen vermeld in art. 150, ook de lijfstraf, omschreven in art. 116 van het Kon. besluit dd. 31 Augustus 1886 (Staatsblad n#. 159), worden toegepast.
Art. 152.
Bij de oplegging der lijfstraf bepaalt het College van Regenten bet aantal toe te dienen slagen , met inachtneming van het maximum , gesteld bij art. 115 van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, vastgesteld bij bet Koninklijk besluit dd. 31 Augustus 1886 {Staatsblad n®. i59).
Art. 153.
De geneeskundige van het gesticht zal vooraf onderzoeken en verklaren of de lichamelijke toestand van den gevangene de strafuitvoering toelaat.
Art. 154.
De bij de ten uitvoerlegging aanwezige leden van het College van Regenten zullen bij meerderheid van stemmen , na advies van den geneeskundige , de uitvoering kunnen doen schorsen of ophouden.
Art. 155.
Iedere mededeel ing van opgelegde straf en ieder voorstel tot oplegging van straf, wordt door den Directeur aan den Voorzitter van het College van Regenten aangeboden in een register , waarvan; het model door dat College wordt voorgeschreven.
36
Art. 156.
Bij den afloop van iedere maand zal op de verblijfzalen een extract-staat worden aangeplakt van de gedurende die maand aan de gevangenen opgelegde straffen.
§ 35. Voeding.
Art. 157.
De voeding van de gezonde gevangenen wordt verstrekt naar de voorschriften daaromtrent door den Minister van Justitie te geven.
Art. 158.
Aan zieke gevangenen worden toegediend de spijzen en dranken, welke door den geneeskundige op het daarvoor bestemde register voorgeschreven worden.
Art. 159.
De middagspijs en warme drank, alsmeda de ziekenvoeding, worden in het gesticht bereid.
Ook wordt in liet gesticht gereed gemaakt de voeding voor de gezonde en zieke gevangenen in het Huis van Bewaring alhier opgenomen.
Art. 160.
Onderhandsche levering van de benoodigdheden voor de voeding der gezonde en zieke gevangenen heeft alleen op machtiging van den Minister van Justitie plaats.
§ 36. Cltrustlng.
Art. 161.
Voor iedere gevangene bestaat de uitrusting in de door den Minister van Justitie voorgeschreven kleeding- en liggingstukken.
37
Art. 162.
Wekelijks wordt verschooning van onderbroeken, hemden, halsdoeken, handdoeken, sokken en zakdoeken, om de 14 dagen van voorschoten uitgereikt.
De bedlakens en hemdrokken -worden maandelijks door schoone vervangen.
De stroozakken en peluwen worden eenmaal in het jaar ge-wasschen en van nieuw ligstroo voorzien, terwijl ze zoo noodig nog eenmaal worden bijgevuld.
Verder een en ander zoo dikwijls als de Directeur het noodig acht.
Art. 163.
De kleeding- en liggingstukken, welke na het verstrijken van den daarvoor bepaalden drachttijd nog bruikbaar zijn , moeten , zoolang dit kan geschieden, in dienst blijven.
Art. 164.
Het dragen van eigen kleelingstukken is verboden.
§ S?. Ontslag van gevangenen.
Art. 165.
Op den Isten van iedere maand wordt door den Directeur aan den commissaris der maand eene lijst gezonden van de gevangenen, die in die maand moeten worden ontslagen.
De Commissaris der maand beslist aan welke gevangenen op den ontslagbrief eene aanbeveling zal worden vermeld. Die lijst wordt daarna aan den Directeur teruggezonden.
Art. 166.
Na door den Directeur te zijn toegesproken verlaat de gevangene het gesticht, zonder zich met een der gevangenen in te laten.
§ 28. Mobilair.
Art. 167.
In do maand Januari wordt door den Directeur, in tegen-
38
woordigheid van een door het College van Regenten aan te wijzen lid of den Secretaris van het College, de inventaris met het aanwezige mobilair vergeleken.
De uitslag daarvan wordt aan het College van Regenten medegedeeld.
Voor het mobilair , dat bij die vergelijking zal blijken niet aanwezig te zijn en niet behoorlijk kan worden verantwoord, is de Directeur aansprakelijk.
In elk vertrek hangt de inventaris van het daar aanwezig mobilair.
§ 20. Brandweer.
Art. 168.
Het onmiddelijk toezicht en bevel over de brandweer berust bij den Directeur, onder de leiding en het bestuur van het College van Regenten.
Art. 169.
In de gevangenis zijn steeds brandbluschmiddelen aanwezig.
Art. 170.
De Directeur zorgt dat de brandbluschmiddelen op de daarvoor door het College van Regenten aangewezen plaatsen steeds gereed zijn om binnen den korst mogelijken tijd te kunnen worden aangewend.
Art. 171.
De Directeur kan een der Adjunct-Directeuren tijdelijk of doorgaande als opperbrandmeester doen optreden.
Hij regelt verder den geheelen brandbluschdienst, â w ijst de daarvoor bestemde bewaarders aan en zorgt dat ieder der aan dien dienst verbonden beambte of gevangene zijne plaats en afzonderlijke bestemming steeds nauwkeurig kent.
Art. 172.
Voor de bediening der brandbluschmiddelen worden aangewezen alle huisdienstdoende gevangenen, uitgezonderd de zaal-reinigers , ziekenwachters en aardappelschillers.
39
Bij brand kan de Directeur, ingeval van nood, ook andere gevangenen tijdelijk tot versterking doen aanrukken, uitgezonderd de magazijnknecbts.
Art. 173.
De Directeur zorgt, dat ten minste éénmaal 's maands alle de brandbluschmiddelen nagezien, het personeel in de behandeling daarvan geoefend en de brandspuiten beproefd worden , zoomede dat éénmaal in het jaar de lading der extincteurs worde vernieuwd.
Onmiddellijk na afloop van ieder kwartaal doet bij aan bet College van Regenten schriftelijk verslag van die verrichtingen en van den toestand der bluschmiddelen, onverlet zijne bevoegd-beid om telkens, wanneer hij dit noodig acht, ook binnen dien termijn voorstellen tot verbetering of herstelling te doen.
Art. 174.
Als voorzorg tegen bet ontstaan van brand moeten de scboor-steenen maandelijks geveegd worden.
Art. 175.
Op het eerste daartoe met de klok gegeven brandsein komt bet personeel der brandweer op de daarvoor door den Directeur bepaalde plaats onmiddellijk bijeen.
Art. 176.
Ingeval van brand in de nabijheid van het gesticht, doet de Directeur de brandbluschmiddelen onmiddellijk te voorschijn brengen, ten einde de veiligheid van het gesticht te bevorderen.
Art. 177.
Bij het ontstaan van brand in de of op het terrein der gevangenis, geeft de Directeur daarvan dadelijk kennis aan:
den Voorzitter;
den maandcommissaris, en
den secretaris van het College van Regenten. Indien de ramp
40
dreigt van meer ernstigen aard te worden, geeft hij mede kennis aan: de verdere leden van het College van Regenten;
den Garnizoens-Kommandant;
den Burgemeester;
den Directeur der gasfabriek;
den Opper-Brandmeester.
Hij laat dadelijk de brandweer aanrukken, doet de blusch-middelen in werking brengen, neemt en gelast alle zoodanige maatregelen als hij voor de blussching van den brand en voor de veiligheid der gevangenen, van het gesticht en van de zich daarin bevindende archieven, grondstoffen en goederen noodzakelijk acht.
Art. 178.
Bijaldien de brand een dreigend aanzien heeft, neemt de Directeur, na daartoe last van het College van Regenten of het eerst aanwezend lid te hebben gekregen, maatregelen tot het ontruimen van bet in gevaar verkeerend gedeelte van het gesticht.
Het bergen der archieven, schrifturen en goederen is bij in dit geval ook zooveel mogelijk bevorderlijk.
Art. 179.
Bij brand worden de Burgemeester, ter uitoefening van bet gezag, hem bij art. 189 der gemeentewet opgedragen en de brandmeesters der gemeente, de laatsten voorzien van bun distinctief, alsmede de Directeur der gasfabriek, binnen de gevangenis toegelaten, des nachts evenwel niet dan met voorkennis van den Directeur, die voor onmiddellijke toelating zorgt.
Art. 180.
Do Directeur geeft bun alle benoodigde en verlangde inlichtingen omtrent denbran l, benovens de inrichting en bestemming der lokalen.
41
Art. 181.
Wordt dit door den Burgemeester of den eerst aanwezenden brandmeester noodig geoordeeld, dan worden ook de brandspuiten der gemeente met het daaraan verbonden personeel binnen de gevangenis toegelaten.
Art. 182.
Geschiedt dit, dan onthoudt de Directeur zich verder van de leiding der blussching, die alsdan overgaat op den opperbrand-meester der gemeente.
Ter zijner beschikking worden dan ook de bluschmiddelen der gevangenis, met of zonder het daarbij behoorende gevangenispersoneel , gesteld , doch niet dan in de uiterste noodzakelijkheid.
Art. 183.
De beambten en bedienden van den arbeid en van den huis-boudelijken dienst, begeven zich onmiddelijk naar de bureaux , magazijnen en bergplaatsen, waarover zij in het algemeen of in het bijzonder gesteld zijn, of waar zij dagelijks werkzaam zijn , bereiden daar alles voor ten einde de archieven en goederen , des-nood ig , binnen den kortst mogelijken tijd te kunnen doen vervoeren en wachten verder de noodige bevelen af.
Art. 184.
quot;Wanneer de brand bij nacht plaats vindt, dan moeten alle gevangenen, uitgezonderd de zieken die daartoe niet in staat zijn, hunne legersteden verlaten en in de lokalen, waar zij verblijf houden geheel gekleed gereed staan; alle alkoven worden ontsloten; de deuren van alle lokalen waar zich gevanger.en bevinden, voor zooverre de veiligheid het toelaat, worden ontsloten en alleen met de grendels bevestigd , en in de ziekenzalen de zieken geheel gereed gehouden om te kunnen worden vervoerd , ten welken einde in of bij iedere ziekenzaal steeds de noodige en daarvoor geschikte middelen van vervoer aanwezig zullen zijn.
Art. 185.
Wanneer verplaatsing van gevangenen of goederen buiten de gevangenis noodzakelijk wordt, dan geschiedt die naar bet Huis van Bewaring alhier.
42
Daartoe -wordt echter de last van het College van Regenten of van het eerstaanwezig lid vereischt.
Art. 186.
Ingeval van brand in de gevangenis of op haar terrein of zelfs daarbuiten op den Grachtswal, het Zuiderplein, den Wirdu-merdijk, het Naauw, de Kelders, de Korenmarkt, de Koningstraat , Droevendal, en op het daartusschen liggend terrein, begeven alle aan de gevangenis verbonden beambten, de godsdienstleeraars of geestelijke en de onderwijzers daarvan uitgezonderd , voor zoover zij niet reeds aanwezig ziju , zich onmiddellijk naar het gesticht.
Art. 187.
Onafhankelijk van de verplichting tot opkomst ia art. 186 omschreven, wordt den bewaarders aanbevolen zich bij het ontstaan van brand, ook buiten den daarbij omschreven kring , onmiddellijk naar het gesticht te begeven.
§ 30. Wasschery.
Art. 188.
De kleeding- en liggingsstukken van gevangenen worden binnen het gesticht in een daartoe uitsluitend bestemd lokaal gewasschen.
De beambten mogen van dit lokaal voor het wasschen van hunne goederen geen gebruik maken.
Art. 189.
De noodige zeep en al het verder daartoe vereischte worden den gevangenen verstrekt.
§ 31. quot;Verwarming.
Art, 190.
De verwarming van de dagverblijven der gevangenen vangt aan met den Isten November en eindigt met den Isten April.
43
Uithoofde van de weersgesteldheid kan de commissaris der maand het aanvangen en eindigen van de verwarming vervroegen of uitstellen.
De verwarming van de lokalen voor de zieken wordt in overleg met den geneeskundige geregeld.
Art. 191.
De verwarming heeft plaats door middel van warm watertoestellen en kagchels; een en ander wordt in het gesticht bewaard en met zorg onderhouden.
§ 33. Verlichting.
Art. 192.
De verschillende lokalen, binnenplaatsen en terreinen worden door middel van gas verlicht.
Art. 193.
De hoofdingang, de gangen, trappen en portalen worden verlicht van uiterlijk een half uur na zonsondergang tot minstens een uur vóór zonsopgang.
De dagverblijven der gevangenen worden verlicht van uiterlijk een half uur na zonsondergang tot het rustuur.
De nachtverblijven der gevangenen worden verlicht tot minstens een uur vóór zonsopgang.
Art. 194.
Het ontsteken en blusschen van de lichten geschiedt alleen door de door den Directeur daarvoor aangewezen personen.
Wordt aan de gastoestellen eenig gebrek ondekt, dan wordt daarvan dadelijk kennis gegeven aan den Directeur, die de vereischte herstellingen onverwijld bevordert.
Art. 195.
De Directeur zorgt dat steeds de noodige lantaarns met kaarsen voorhanden zijn, om daarvan in buitengewone omstandigheden te kunnen gebruik maken.
44
§ 33. Kandae.
Art. 196.
Het rooken wordt aan de gevangenen niet anders toegestaan-dan op de wandelplaatsen en daar alléén op Zon- en feestdagen.
Het wordt niet toegestaan aau hen die zich niet goed hebben gedragen.
Geene andere pijpen worden geduld dan die door den leverancier van dit kantine-artikel geleverd worden.
Rooktabak mag niet als pruimtabak gebezigd worden.
Art. 197.
De kantine-artikelen zijn voor iederen gevangene slechts bij zoodanige hoeveelheden tegelijk verkrijgbaar als door het College van Regenten is bepaald.
De aanvragen ter bekoming dier artikelen worden door den daarvoor aangewezen bewaarder aangeteekend op eene lijst.
Deze lijst wordt, voor zooveel elk gevangene tot de betaling van het aangevraagde het noodig geldt bezit, gesteld in handen van den leverancier die den volgenden morgen het bestelde aan het gesticht bezorgt.
De afgifte aau do gevangenen heeft den volgenden dag plaats.
Art. 198.
De lijsten, waarvan in het voorgaande artikel melding is gemaakt, worden gedagteekend en in het archief van den Directeur gedurende drie jaren bewaard.
Art. 199.
De leverancier heeft geen toegang tot de gevangen-verblijven-
Art. 200.
In de verblijven der gevangenen, die van de kantine gebruik mogen maken, hangt een tarief der kantine.
45
§ 3«. Bibliotheek.
Art. 201.
De leesbibliotheek is in hoofdzaak voor de gevangenen bestemd, doch kan, ingevolge art. 47 van het Kon. Besluit van 31 Augustus 1886 (Stbl. No. 159), ook dienstbaar zijn voor de beambten.
Zij bestaat uit twee afdeelingen, als:
Afdeelins A.
boeken welke aan alle gevangenen , met uitzondering van de Eoomsch Catholieken , ter lezing mogen worden uitgereikt; en
Afdeelins B.
boeken welke, met uitsluiting van alle anderen, aan de Roomsch Cathoheke gevangenen ter lezing mogen worden uitgegeven.
Art. 202.
De tot elke afdeeling behoorende boeken worden afzonderlijk in de daarvoor aan te wijzen kasten in het schoollokaal geplaatst.
De kasten worden van opschriften voorzien tot aanwijzing van de afdeelingen, waartoe de daarin geplaatste boeken behooren.
Art. 203.
In de bibliotheek worden geene andere boeken opgenomen , dan die vooraf door het College van Regenten zijn goedgekeurd. Bij die goedkeuring wordt tevens aangewezen , tot welke afdeeling de boeken zullen behooren.
De Secretaris van het College van Regenten doet van die goedkeuring en aanwijzing blijken, door de boeken op het titelblad te waarmerken.
Art. 204.
Voor elke afdeeling wordt een afzonderlijken catalogus, de titels en nummers der boeken bevattende, aangelegd en geregeld bijgehouden.
46
Art. 205.
Voor elke afdeel in g wordt een register aangelegd, waarin , met vermelding van de nummers der boeken en de namen der beambten en gevangenen, nauwkeurig aanteekening van de uitgifte en terugbezorging der boeken en van de daarbij te maken aanmerkingen zal worden gehouden.
Die registers zullen steeds bij de bibliotheek aanwezig moeten zijn.
Art. 206.
Het dagelijksch beheer van de bibliotheek wordt aan den hoofdonderwijzer en het toezicht op dat beheer aan den Directeur opgedragen.
Art. 207.
De hoofdonderwijzer zorgt inzonderheid voor de geregelde uitgifte en terugbezorging, zoover mogelijk voor het in ongeschonden staat bewaren en het herstellen der boeken, alsmede voor het bijhouden der in de artt. 204 en 205 vermelde catalogussen en registers.
Voor de daaraan verbondene werkzaamheden wordt hem door den Directeur zoodanige hulp verstrekt, als deze zal noodig oordeelen.
De dagen en uren en de wijze waarop de uitgifte en terugbezorging der boeken zullen plaats hebben, worden verder door den Directeur bepaald, in dier voege, dat de boeken minstens om de veertien dagen worden verwisseld.
De sleutels der kasten berusten bij den hoofdonderwijzer. Buiten zijne voorkennis worden de kasten niet geopend.
Art. 208.
De hoofdonderwijzer zorgt, dat de tot elke afdeelicg behoo-rende boeken aan geene andere gevangenen, dan voor wie ze bestemd zijn, worden uitgereikt.
Art. 209.
De Roomsch-Catholieke gevangenen, welke uitdrukkelijk
47
mochten verlangen om, behalve de in het bijzonder voor hen bestemde boeken , ook boeken van de afdeeling A ter lezing te ontvangen, kunnen, op schriftelijke en eigenhandig onderteekende aanvrage, door het College van Regenten als lezers tot de afdeeling A worden toegelaten.
De overige gevangenen zullen op dezelfde wijze ook boeken uit de afdeeling B kunnen bekomen.
Art. 210.
Aan beambten, overschillig van welke gezindte, kunnen, op hun verlangen, boeken uit de beide afdeelingen worden verstrekt.
Art. 211.
Zij zijn verantwoordelijk voor de zorgvuldige bewaring der aan hen uitgereikte boeken.
Art. 212.
Het is hun verboden de boeken buiten het gesticht mede te nemen, aan gevangenen af te geven of op andere plaatsen te gebruiken of voorhanden te hebben dan in de bureels, de bewaarders-kamers en de wacht.
Art. 213.
De godsdienstleeraars en de geestelijke zijn bevoegd om in het schoollccaal van de boeken, den catalogus en het register inzage te nemen en wel, de Protestantsche en de Israëlietische godsdienstleeraars van de afdeeling A en de Roomsch-Catholieke geestelijke van de afdeeling B.
Tot dat einde zullen zij tegen afgifte van regu aan den hoofdonderwijzer, ook boeken mede naar hunne woningen kunnen nemen.
Art. 214,
Bij iedere aanvulling der bibliotheek worden de godsdienstleeraars en de geestelijke in de gelegenheid gesteld om binnen een door het College van Regenten te benpiquot;quot; termijn, hunne
48
consideratiën en advies omlrent de aan te schaffen boeken, tóóf dat ze worden opgenomen, mede te deelen en wel, de Protes-tantsche en de Israëlietische godsdienstleeraars wat de afdeeling A , en de Roomsch-Catholieke geestelijke wat de afdeeling B betreft.
Daarenboven zullen de Protestantsche en Israëlitische godsdienstleeraars voorstellen omtrent het aanschaffen van boeken voor de afdeeling A, aan het College van Regenten kunnen doen. De Roomsch-Catholieke geestelijke zal gelijke bevoegdheid hebben ten aanzien van de afdeeling B.
§ 35. Algemeene Bepalingen.
Art. 215.
In elk gevangenverblijf is aanwezig een uittreksel van dit reglement, voor zooveel het de gevangenen betreft.
Art. 216.
Bezichtiging van het Gesticht heeft niet plaats dan met vergunning van den Minister van Justitie of van den maand-commissaris en nooit dan onder geleide van een lid van het College van Regenten, den Directeur of een Adjunct-Directeur.
Bij geleide van een lid van het College van Regenten wordt afzonderlijke vergunning niet vereischt.
Art. 217.
Vrouwen worden tot bezichtiging van de gevangenis niet toegelaten.
Art. 218.
'zr
De bezichtigers van het gesticht worden tot de in cellen geplaatste en de levenslang veroordeelde gevangenen niet toegelaten.
Behoort bij het Koninklijk besluit van^^^V^-^-â
Mij bekend , De Minister van Justitie,
i