'ft
HUISHOUDELIJK REGLEMENT
VOORLOOPIG TEVENS HULP-STRAFGEVANGENIS,
INSTITUUT VÃÃR BESTUURSRECHT
HUIS VAN BEWARING,
, J â , J! .IJII. ,1 -JJiüX X LJ^I. .IJI
DORBflECHT.
voos
T E
:xgt;Og§lt;Xgt;lt;
v
I
L ^â¢-iS
/IC i
.isiSTlTUUr voor bestuursrecht
Pr
sSsw I
-'V ^
- - gt;-;â «ÃCT
safcfeS
HUISHOUDELIJK REGLEMENT
VOOR
HET HUIS VA\ BEWARING,
VOORLOOPIG TEVENS HULP-STRAFGEVANGENIS,
T E
DORDRECHT.
â - r; i i
|
â ' r 1 - 'n | ||||||||||||
|
'S GRAVENHAGE, 1 887
1003 5222 or staats- en
ovjiiiniiau otiefrechi der Rijksuniversiteit Utrecht
(pcpl 'M ' ^
INHOUD.
Pagina.
§ 1. Bestemmiug van het gesticht.......1
§ 2. Inrichting van het gesticht........2
§ 3. Onderhoud van de gebouwen.......3
§ 4. Het College van Regenten........4
§ 5. Beambten in het algemeen........5
§ 6. De Cipier..............8
§ 7. De schrijver.............11
§ 8. De geneesheer............11
§ 9. De godsdienstleeraars en de geestelijke ... 14
§10. De onderwijzer............15
§11. De bewaarders............15
§12. Do bewaarster............16
§ 13. De gevangenen in het algemeen......1G
§ 14. Gegijzelden wier verplegingskosten komen voor
rekening van het publiek gezag......22
§ 15. Gearresteerde zeelieden en personen op wie lijfsdwang wordt toegepast, ten einde hen te noodzaken tot voldoening eener schuld of tot nakoming eener verbintenis of verplichting,
wier verplegingskosten komen voor rekening van particulieren...........22
IV
Pagina.
§ 16, Wegens wangedrag-, op rechterlijk bevel opgesloten personen............23
§ 17. Doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen. 24
§ 18. Briefwisseling'.............24
§ 19. Bezoeken..............26
§ 20. Arbeid............................27
§ 21. Ouderwijs..........................3q
§ 22. Bibliotheek...............
§ 23. Tucht.............
§ 24. Voeding..........................32
§ 25. Kleeding- en liggingstukkeu.......33
§ 26. Mobilair.................
§ 27. Brandweer................
§ 28. Wasscherij..........................3g
§ 29. Verwarming........................3q
§ 30. Verlichting........................3^
§ 31. Kantine............................3g
§ 32. Pistole........ ......39
§ 33. Kinderen van gevangenen........39
§ 34. Slotbepaling.............
HUISHOUDELIJK REGLEMENT
VOOR
HET HUIS MN BEWARING,
VOORLOOPIG TEVENS HULP-STRAFGEVANGENIS,
TE
DORDRECHT.
-
§ 1. Bestemming van het gesticht.
Art. 1.
De gevangenis is bestemd;
1°. tot huis van bewaring;
2°. voorloopig tot hulp-strafgevangenis.
Art. 2.
In het huis van bewaring worden opgenomen:
1°. veroordeelden tot hechtenis of militaire detentie;
2°. alle anderen , wier vastzetting, aanhouding, gevangen neming of gevangenhouding door het openbaar gezag is bevolen
2
of krachtens recbterlijke uitspraak of beschikking- geschiedt, voor zoover geen andere plaats voor hen is bestemd;
3°. doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen.
In de strafgevangenis worden opgesloten veroordeelden tot eene gevangenisstraf van minder dan een jaar.
Art. 3.
Voor de strafgevangenis is hoofddoel om de veroordeelden, zoo in als luiten de cellen , van elkander afgezonderd te houden.
Aan ieder, die eenig gezag uitoefent over- of in eenige betrekking geplaatst is in de gevangenis, wordt ten ernstigste aanbevolen om mede te werken, dat het hoofddoel bereikt- en in geen opzicht tegengewerkt worde.
§ 3. Inrichting van het gesticht.
Art. 4.
Het gesticht bevat twee afdeelingen, eene voor mannelijke-en eene voor vrouwelijke gevangenen.
Die afdeelingen zijn onderling gescheiden en afgesloten
Art. 5.
Het gesticht bevat gelegenheid tot gemeenschappelijke opsluiting zoowel van de veroordeelden, die tot de bevolking van het huis van bewaring behooren , als van hen, die veroordeeld zijn tot eene gevangenisstraf van 3 maanden of minderen verkeeren in een der gevallen bedoeld in het tweede of derde lid van art. 12 van het Wetboek van Strafrecht.
Art. 6.
In het huis van bewaring worden voor preventief gevangenen, voor jeugdige veroordeelden, voor veroordeelde militairen, voor vastgezetten wegens wangedrag, voor gegijzelden om schulden, voor toegelatenen tot de pistole, voor zieken, en voor gevangenen verwezen naar de straf klasse, afzonderlijke vertrekken
3
aangewezen. Van dezen regel kan , met goedvinden van den maandcommissaris, alleen wegens plaatsgebrek worden afgeweken.
Meerdere gegijzelden om schulden kunnen met elkander in één vertrek wordeu geplaatst.
Alle aanraking tusschen gevangenen van verscliillende cate-goriën wordt zooveel mogelijk vermeden.
Art. 7.
Alle vertrekken zijn genoramerd; op de deuren staat de bestemming aangewezen.
Op of naast de deur van elk vertrek voor gemeenschappelijke opsluiting en van elke cel is gehecht een kaart waarvan het model door den Minister van Justitie wordt vastgesteld.
Art. 8.
Op bet bureel van den Cipier hangt een lijst, waarop al de lokalen van het gesticht en de bestemming van elk lokaal vermeld staan.
Art. 9.
Elke sleutel draagt het nommer van de deur, waartoe hij behoort en, voor zoover hij voor meer deuren bestemd is, de aanduiding daarvan.
§ 3. Onderhoud van de gebouwen.
Art. 10.
Het onderhoud der gebouwen wordt in het openbaar aanbesteed.
Alle werken aan de gebouwen staan onder de leiding van den Ingenieur-architect vour de gevangenissen en rechtsgebouwen en het toezicht van een door den Minister van Justitie aangewezen opzichter.
In spoedeischende gevallen kan de Voorzitter van het College van Regenten in overleg met den opzichter vcorloopige maatregelen nemen. Voorstellen betreffende voorzieningen kan het College ten allen tijde aan den Minister van Justitie doen.
Art. 11.
De werklieden , die bij werkzaamheden aan of bij de gebouwen
4
gebezigd worden, moeten buiten alle aanraking met gevangenen gehouden worden.
De werklieden, die daarmede in verband staande bevelen niet nakomen, worden door den Cipier uit het gesticht verwijderd.
Bij het opdragen van werk aan gevangenen wordt in acht genomen, dat op de afzondering geen inbreuk mag worden gemaakt.
§ 4t. Het College van Regenten.
Art. 12.
Het toezicht over alle aangelegenheden van het gesticht is aan het College van Regenten opgedragen.
Het ziet inzonderheid toe op het gedrag, den dienstijver en de plichtsbetrachting van de onderscheidene beambten; op de behoorlijke behandeling (verpleging, voeding, kleeding, ligging, werkverschaffing, enz van de gevangenen; op de handhaving van orde en tucht, en voorts in het algemeen op de nauwkeurige naleving van de bestaande of later vast te stellen bepalingen omtrent het gevangeniswezen.
Art. 13.
Het beheer der gevangenis wordt gevoerd door den Cipier onder de bevelen van het College van Regenten.
Art. 14.
In spoedeischende gevallen en in zaken betreffende den dage-lijkschen dienst treedt de Voorzitter (bij ontstentenis of ziekte door het oudste lid te vervangen) namens het College op, tenzij bij de Instructie, vast te stellen ingevolge art. 14 van den alge-meenen maatregel van inwendig bestuur van 31 Augustus 1886 (Staatsblad n0.159), het dagelijksch toezicht of de beschikking omtrent een of ander onderwerp aan een of meer volgens rooster maandelijks of wekelijks aftredende commissarissen wordt opgedragen.
Bijaldien de commissarissen wekelijks aftreden, moet in volgende artikelen voor » maandcommissarisquot; worden gelezen; » week-commissaris.quot;
Art. 15.
Het College van Regenten is bevoegd in dringende omstan
5
digheden de beambten in hunne betrekking te doen bijstaan T of wel hen voor hoogstens 14 dagen te schorsen , mits hiervan dadelijk kennis gevende aan den Minister van Justitie.
Art. 16.
In gevallen, waarin bij dit reglement of bij andere besluiten of beschikkingen niet is voorzien, handelt het College van Regenten naar de hierbij aangenomen beginselen, of wendt het zich om inlichting tot den Minister van Justitie.
§ 5. Beambten In het algemeen.
Art. 17.
Aan de beambten is verboden :
1°. eene andere bediening te bekleeden of eenige nering te drijven, hetzij op eigen naam , hetzij op dien hunner huis-genooten ;
2°. rechtstreeks of zijdelings aan eenige aanneming of levering ten dienste van het gesticht of van de gevangenen deel te nemen.
Hiervan is uitgezonderd de voorziening in het onderhoud van gegijzelden om schulden , van toegelatenen tot de pistole en van officieren en onderofScieren der landmacht of van daarmede in rang gelijkstaande militairen , voor zooveei deze aanspraak hebben op eene bijzondere verpleging ;
3°. rechtstreeks of zijdelings van een aannemer of leverancier giften of geschenken aan te nemen ;
4'. voor gevangenen een of ander voorwerp in of buiten de gevangenis te brengen , van gevangenen of in hun belang van derden geschenken of betaling aan te nemen ;
5°. aan gevangenen of andere- particuliere personen eenige mededeeling betreffende gevangenen te doan ;
6°. van gevangenen iets te koopen , of aan hen te verkoopen of ter leen te geven , of van gevangenen ter leen te ontvangen ;
7°. zich met kortelings ontslagen gevangenen in te laten;
8°. zonder goedkeuring van den Cipier werk voor hunne rekening aan gevangenen op te dragen.
Het eerste en zevende noramer van dit artikel zijn niet van toepassing op de godsdienstleeraars, den geestelijke, den geneesheer en den onderwijzer. Het zevende nommer geldt niet voor den Cipier.
Art. 18.
Billijkheid en menschlievendheid in het behandelen van gevangenen is den beambten aanbevolen.
In geval van tegenstand of (zelfs lijdelijk) verzet wordt krachtdadig te werk gegaan.
Art. 19.
De beambten behooren aan hunne meerderen ondergeschiktheid te betoonen en dadelijk aan hunne bevelen te gehoorzamen.
De beambten zijn verplicht de godsdienstleeraars, den geestelijke , den geneesheer en deu onderwijzer met de noodige onderscheiding te behandelen.
Art. 20.
De mannelijke beambten begeven zich nimmer in de afdeeling voor vrouwelijke gevangenen, dan op bepaalden last van den Cipier of, in spoedeischende gevallen, op aanzoek van de bewaarster,
In dat geval wordt een mannelijk beambte steeds door de bewaarster vergezeld.
Het bepaalde bij dit artikel is niet van toepassing op de godsdienstleeraars , den geestelijke, den geneesheer en den onderwijzer.
Art. 21.
Alle misbruiken, verkeerdheden of overtredingen in eénig onderdeel van den dienst worden door tusschenkomst van den
7
Cipier zonder uitstel ter kennis van den Voorzitter van het College van Regenten gebracht.
Wanneer de aard van het geval het medebrengt, kan elk beambte zich rechtstreeks tot het College wenden.
Art. 22.
De Cipier en verdere beambten verlaten da stad niet dan met toestemming van het College van Regenten.
Aan den Cipier en aan den oudsten bewaarder in rang wordt nimmer gelijktijdig verlof verleend.
Op verzoeken om verlof wordt beschikt: voor eene afwezigheid van ten hoogste 8 dagen door den Voorzitter van het College van Regenten; van ten hoogste 14 dagen door het College; van meer dan 14 dagen door den Minister van Justitie.
Verzoeken om verlof van meer dan 14 dagen worden ingediend door tusschenkomst van het College van Regenten, dat bij de opzending zijn gevoelen daaromtrent tevens mededeelt.
De beambten verwijderen zich gedurende de uren van hunnen dienst niet uit het gesticht zonder voorkennis en toestemming van den Cipier. Deze draagt zorg dat steeds voldoend personeel in het gesticht aanwezig blijft.
Het laatste lid van dit artikel is niet van toepassing op de godsdienstleeraars, den geestelijke en den geneesheer.
Art. 23.
Door de beambten mag alleen in hunne wachtkamer worden gerookt, en met goedvinden van den Cipier ook op het bureel.
Art. 24.
De beambten, voor zoover zij daarvan niet zijn vrijgesteld bij art. 38 van den in art. 14 bedoelden maatregel van inwendig bestuur, moeten in de gevangenis steeds hun onderscheidings-teeken of hunne uniform dragen.
De bewaarders moeten, zoo dikwijls de Cipier het noodig oordeelt, met de sabel gewapend zijn.
Art. 25.
Da beambten , die boeken uit de gestichtsbibliotheek ter lezing
8
wenschen te ontvangen, wenden zich daartoe tot dengene, die door het College van Regenten met de zorg voor de bibliotheek is belast.
§ 6. De Cipier.
Art. 26.
Behoudens des Cipiers verantwoordelijkheid ingevolge de wet, is hij in alles wat het beheer van het gesticht aangaat, ondergeschikt aan bet College van Regenten, en volgt hij de be-Telen en voorschriften van dat College op.
Art. 27.
De Cipier geeft van alles wat er bijzonders voorvalt onverwijld kennis aan den Voorzitter van het College van Regenten en aan den maandcommissaris.
Is de zaak van zeer ernstigen aard, dan geschiedt de kennisgeving terstond , zooveel doenlijk , aan al de leden van het College.
Hij brengt alle door gevangenen in het gesticht gepleegde strafbare feiten onverwijll, onder overlegging van een procesverbaal van het voorgevallene, ter kennis van den Officier van Justitie en van het College van Regenten.
Van elk bijzonder voorval houdt hij aanteekening in het daarvoor bestemd register.
Indien hij iets verneemt, dat voor de justitie belangrijk is. doet hij daarvan mededeeling aan den Officier van Justitie.
Art. 28,
De Cipier is verantwoordelijk voor de behoorlijke bewaking der gevangenen , voor de veiligheid, de goede orde en tucht, en in het algemeen voor den goeden gang van zaken in de gevangenis overeenkomstig dit reglement en de verdere reeds gemaakte of nog te maken wettelijke bepalingen of administratieve verordeningen.
Hij kan bij volstrekte noodzakelijkheid zoodanige maatregelen nemen , als hij voor de veiligheid van het gesticht, tot vezeke-ring van rust en orde, of ter voorkoming van ontvluchting geraden zal oordeelen.
9
Aan zijne zorg en bewaring worden toevertrouwd al de in het magazijn en voor den dienst in het gesticht opgeslagen goederen.
Art. 29.
Op het bureel van den Cipier worden de na te melden boeken gehouden als:
o
a. vier registers tot inschrijving der gevangenen, te weten:
een voor de strafgevangenis ;
twee voor het huis van bewaring, waarvan één uitsluitend is bestemd tot inschrijving van de preventief gevangenen;
een voor gegijzelden om schulden.
Deze registers moeten op de eerste en de laatste bladzijde door den President van de Arrondissements-Rechtbank geteekend-, en op alle andere bladzijden door hem gewaarmerkt zijn.
Zij dienen tevens zooveel noodig tot het doen der inschrijvingen beioeld bij het Koninklijk besluit van 27 Juli 1887 {Staatsblad n'. 142).
b. de registers en boeken , waarvan het aanhouden door den Minister van Justitie wordt voorgeschreven.
In elke vergadering doet het College van Regenten zich enkele registers en boekon voorleggen.
Art. 30.
De Cipier zendt dagelijks een rapport van den stand der bevolking van het gesticht aan den Voorzitter en den Secretaris van het College van Regenten, aan den maandcommissaris en aan den Officier van Justitie bij de arrondissements-rechtbank.
Art. 31.
Door den Cipier kan aan gevangenen straf worden opgelegd naar de bepalingen van dit reglement.
Aan gevaarlijke gevangenen kan hij des avonds, tot het uur van opstaan, hunne bovenkleeding doen ontnemen, ten einde ook daardoor ontvluchting te bemoeilijken.
10
Art. 32.
De Cipier moet de gevangenen, vooral gedurende de eerste dagen van hun verblijf in het gesticht, aandachtig nagaan en dikwijls toespreken, ten einde met hunne stemming en geaardheid bekend te worden , en pogingen tot zelfmoord te verhoeden.
Indien hij vermeent dat een gevangene in een toestand verkeert , welke zijn verwijdering uit de cel vordert, doet hij hiervan onverwijld mededeeling aan den geneesheer, aan den maand-commissaris en aan den Voorzitter van het College van Regenten.
In zeer dringende omstandigheden wordt gehandeld zooals bij het laatste lid van art. 44 van dit reglement is bepaald.
Art. 33.
De Cipier heeft het gezag over de verdere beambten der gevangenis.
Hij regelt en verdeelt hunne werkzaamheden onder goedkeuring van het College van Regenten.
Art. 34.
De Cipier is bevoegd om in zeer dringende omstandigheden beambten oogenblikkelijk hun dienst te doen staken.
Dit wordt door hem terstond aan den Voorzitter van het College van Regenten en aan den maandcommissaris medegedeeld.
Art. 35.
De Cipier behoort dagelijks de preventief gevangenen en eenige veroordeelden te bezoeken.
Hij zal bovendien in het belang van de orde en veiligheid dagelijks, en van tijd tot tijd, ook 's nachts, een ronde doen.
Art. 36.
De Cipier doet zich eiken avond de sleutels, welke gedurende den nacht niet voor den dienst der gevangenis noodig zijn, ter hand stellen.
De niet in gebruik zijnde sleutels worden op het bureel van den Cipier in eene daartoe bestemde kast bewaard.
11
Art. 37.
De Cipier mag zonder voorkennis en goedvinden van het College van Regenten nimmer des nachts buiten het gesticht of zijne woning verblijven. Bij dag verwijdert hij zich zoo min mogelijk en in geen geval op gezette tijden.
Art. 38.
Jaarlijks vóór den derden maandag van Januari geeft de Cipier aan bet College van Regenten een verslag omtrent het gedrag, den ijver en de geschiktheid der beambten.
§ 9. De schryver.
Art. 39.
De schrijver is uitsluitend belast met het bureel werk voor den huishoudelijken dienst en voor het beheer van den arbeid.
§ 8. De geneesheer.
Art. 40.
De geneesheer staat voor de waarneming van den geneeskundigen dienst in de gevangenis en bij de beambten en hunne gezinnen onder het oppertoezicht van den Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht. Hij volgt diens bevelen , ook die welke van administratieven aard zijn , op.
Art. 41.
De geneesheer zorgt dat de Cipier steeds verwittigd zij waar hij, des noodig, kan gevonden worden.
Hij zorgt, dat hij in geval van ziekte door een anderen geneesheer wordt vervangen.
Van elke tijdelijke vervanging wordt door of namens hem kennis gegeven aan het hoofd van het gesticht en aan den in art. 40 bedoelden Inspecteur.
12
Art. 42.
De geneesheer bezoekt ieder nieuw ingekomen gevangene binnen 24 uren. Daartoe wordt hem bij zijne komst in het gesticht door den Cipier eene opgaaf van de ingekomen gevangenen ter hand gesteld.
Dagelijks bezoekt hij zooveel gevangenen als hij, na den Cipier te hebben gehoord, dienstig zal oordeelen.
Ook is hij verplicht tot een dagelijksch bezoek van de gevangenen , aan wie , blijkens van den Cipier ontvangen opgave , een der straffen is opgelegd, vermeld in art. 20, sub 1, 2, 3, 4 en 5 der wet van 14 April 1886 [Staatsblad n0. 62).
Zoo mogelijk worden de bezoeken in de gevangenis door hem afgelegd vóór den middag.
Art. 43.
De geneesheer beslist, of zieke gevangenen naar eene infirmeriecel of ziekenvertrek moeten worden overgebracht.
Art. 44.
Indien de geneesheer meent dat een gevangene in een toestand verkeert, welke diens verwijdering uit de cel vordert, doet hij hiertoe onverwijld het voorstel aan het College van Regenten.
Betreft het een overoordeelde, dan beslist het College, na den betrokken Ambtenaar van het openbaar ministerie te hebben gehoord; betreft het een onveroordeelde, dan beslist het onder nadere goedkeuring van den Minister van Justitie.
In zeer dringende gevallen kan de geneesheer, in afwachting der beslissing van het College, een gevangene onmiddelijk, in overleg met den Cipier, de cel doen verlaten, en naar een ander, voor hem geschikt verblijf in het gesticht doen overbrengen.
Art. 45.
De geneesheer ziet toe , dat zijne bevelen en voorschriften door de zieken en oppassers worden opgevolgd, en overtuigt zich zooveel mogelijk, dat de geneesmiddelen en de voeding voor de zieken behoorlijk gereed gemaakt zijn.
Art. 46.
Bij het voorkomen eener besmettelijke ziekte draagt de genees-
13
heer zorg, dat de cellen , vertrekken , fournituren en kleederen -worden gedesinfecteerd volgens de daaromtrent bestaande wettelijke bepalingen.
Art. 47.
De geneesheer houdt een ziekenregister, waarin elke zieke wordt ingeschreven.
Hij teekent in dat register aan den voortgang en loop der ziekte, tot aan den afloop, benevens de gevolgde geneeswijze ; alles zoodanig ingericht, dat daaruit, desgevorderd, een volledig en duidelijk ziekteverslag kan worden opgemaakt.
Het College van Regenten kan van dat register inzage nemen en van den geneesheer steeds inlichtingen vorderen.
Art. 48.
Zoodra de geneesheer eenen zieke in levensgevaar acht, geeft hij daarvan kennis aan den Cipier, die er terstond den godsdienstleeraar of den geestelijke van de gezindte waartoe de zieke behoort, van verwittigt.
Art. 49.
De geneesheer zorgt voor de noodige inënting en herinënting bij die gevangenen , welke langer dan 14 dagen in het gesticht zullen vertoeven.
Art. 50.
De geneesheer let op alles, wat tot voorkoming van ziekten kan leiden en doet aan het College van Regenten de voorstellen , welke hij uit dit oogpunt nuttig acht.
Art. 51.
De geneesheer legt van het jaarverslag, door hem uitgebracht aan den Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht, afschrift over aan het College van Regenten.
14
§ O. De godsdlensUecraars en de geestelyke.
Art. 52.
De godsüenstleeraars en de geestelijke zorgen voor het houden van godsdienstoefeningen en, zoo noodig, ook voor het geven van godsdienstonderwijs.
Art. 53.
De godsdienstleeraars en de geestelijke hebben ten allen tijde des daags den vrijen toegang tot de veroordeelden , die tot hunne godsdienstige gezindte behooren. Onveroordeelden , die niet op bevel der justitie buiten toegang moeten blijven , bezoeken zij voor zoover zij daartoe namens hen uitgenoodigd worden.
Op de eerste aanvraag daartoe, namens het College van Regenten of den Cipier aan hen gedaan, vervoegen zij zich bij een gevangene. Zij onthouden zich van toespraken tot gevangenen, die niet tot hunne godsdienstige gezindte behooren.
In bijzondere gevallen kan het College van Regenten hun het bezoeken van een gevangene verbieden.
Art. 54.
Op Zon- en feestdagen wordt zooveel mogelijk godsdienstoefening gehouden.
Omtrent het uur, waarop dit zal plaats hebben , treden de godsdienstleeraars en de geestelijke met het College van Regenten in overleg.
Art. 55.
Bij verhindering wegens ziekte of om andere redenen zenden zij hiervan bericht aan den Cipier.
Art. 56.
In de maand Januari zenden zij aan het College van Regenlen een verslag van hunne dienstverrichtingen en bevindingen in het afgeloopen jaar.
15
Art. 57.
Bij gevangenen, die behooren tot een godsdienstige gezindte, waarvan geen leeraar aan het gesticht verbonden is, wordt desverlangd, zoo mogelijk, een leeraar van bun kerkgenootschap toegelaten.
§ lO. De onderwijzer.
Art. 58.
De onderwijzer heeft uitsluitend toegang tot de schoollokalen en tot de cellen der gevangenen , aan wie onderwijs wordt gegeven.
Art. 59.
De onderwijzer laat geen gelegenheid voorbijgaan , om bij het onderwijs de gevangenen tot het goede op te wekken.
Art. 60.
Het is den onderwijzer ten strengste verboden zich met godsdienstonderwijs te bemoeien.
Art. 61.
De onderwijzer houdt omtrent het onderwijs de vereischte aanteekeningen, om jaarlijks de voor de statistiek van het gevangeniswezen , en de voor het jaarverslag van het College van Regenten benoodigde inlichtingen te kunnen geven.
§ 11. De bewaarders.
Art. 62.
Bij afwezigheid of ontstentenis van den Cipier treedt de oudste bewaarder in rang in zijne plaats op.
Art. 63.
De bewaarders houden toezicht in de cellen, in de gevangen-
IC)
vertrekken , in de gangen , in de kerk en op de wandelplaatsen , om de naleving der bepalingen betreffende den dienst te handhaven.
Zij zijn belast met de uitreiking der voeding en houden het oog op de waterdistributie en de reiniging der draagbare privaten.
Ook bevorderen zij zooveel mogelijk den arbeid , door de gevangenen daarin behulpzaam te zijn en hen tot werkzaamheid aan te sporen.
Voor de vervulling van den portierslienst wordt door bet College van Regenten eene afzonderlijke instructie vastgesteld.
Overigens is de regeling hunner dienstverrichtingen , volgens art. 32, onder goedkeuring vau het College van Regenten, overgelaten aan den Cipier.
§ 13. De bcwaarsler.
Art. 64.
De bewaarster heeft het opzicht over de geheele afdeeling voor vrouwelijke gevangenen.
Zij zorgt voor de naleving van het bepaalde bij art. 20 van dit reglement en is voor den goeden gang van zaken in gemelde afdeeling, zoowel wat den buisdienst als wat den arbeid betreft, verant woordelijk.
Art. 65.
De bewaarders kunnen door den Cipier wegens lichte overtredingen , behoudens beroep op den Voorzitter van het College van Regenten, gestraft worden met verzwaarden dienst.
Zij, zoomede de bewaarster, kunnen wegens plichtverzuim of onbehoorlijk gedrag door den maandcommissaris worden gestraft met ontzegging der gelegenheid tot uitgaan gedurende tec hoogste 14 dagen.
§ 13. De gevangenen la het algemeen.
Art. 66.
Zoodra een gevangene wordt ingebracht, worden de bescheiden tot zijne opneming door den Cipier onderzocht. Zijn deze stukken
17
in goede orde bevonden en bestaat er geen twijfel omtrent de identiteit van den gevangene, zoo geschieden de vereisehte ia-schrijvingen.
Indien zich een persoon tot het ondergaan van zijn straf vrijwillig gevangen stelt, wordt ter verzekering van zijn identiteit gehandeld zooals bij de circulaire van den 6den Juni 1860, n°. 88, is voorgeschreven. (Verz. n0. 16).
De gevangene ontvangt een nommerplaat, overeenkomende met het nommer van de voor hem bestemde cel. Dit nommei-vervangt zijn naam gedurende zijn verblijf in het gesticht en wordt bij dag, zoowel in als buiten de cel, door hem zichtbaar op de borst gedragen.
Na de inschrijving wordt de gevangene in een daarvoor bestemd lokaal nauwkeurig gevisiteerd.
Hetgeen bij hem gevonden wordt, als : geld en geldswaarde, horloge, en voorts al hetgeen hem niet onontbeerlijk is, wordt door den Cipier in bewaring genomen , na vooraf in het daarvoor bestemd register ingeschreven te zijn.
Het 3de lid van dit artikel is niet van toepassing op hen, die gemeenschappelijk worden opgesloten.
Art. 67.
Gelden , welke den gevangene worden toegezonden, neemt de Cipier eveneens in bewaring. Dit teekent hij aan in het daarvoor bestemd register.
Hij geeft daarvoor, des verlangd , een bewijs van ontvangst aan de zenders, op hunne kosten.
Art. 68.
Indien de Cipier of de geneesheer dit noodig acht, wordt de gevangene, na afloop der visitatie, in een badkuip gereinigd en van andere kleedingstukken voorzien.
Art. 69.
Zoodra de visitatie en, des gevorderd, de reiniging en klee-derenverwisseling heeft plaats gehad, wordt de gevangene in de voor hem bestemde cel of het voor hem bestemde vertrek opgesloten en bij de eerste gelegenheid bekend gemaakt aan den godsdienstleeraar of den geestelijke, wien het aangaat, als ook
Doedkecht. H. 2
18
aan den onderwijzer, voor zooveel bij in de termen kan vallen om onderwijs te ontvangen.
Art. 70.
Bij zijne komst in de cel of het gevangenvertrek worden de aldaar voorhanden benoodigdheden en de inrichting der ventilatie den gevangene aangewezen en wordt hij, voor zooveel die hem in gebruik worden gegeven, voor de goede bewaring en het in orde houden daarvan verantwoordelijk gesteld.
Hij is verplicht tot vergoeding der schade, door hem opzettelijk of door gebrek aan voorzorg aan 's Rijks gebouw of roerende goederen toegebracht. Het bedrag daarvan wordt door het College van Regenten op de voordracht van den Cipier bepaald.
Art. 71.
Aan de gevangenen wordt gelast: de leden van het College van Regenten en de beambten te gehoorzamen; de leden van het Hoofdbestuur en van het plaatselijk afdeelingsbestuur van het Nederlandsch genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen , de godsdienstleeraars of den geestelijke, den onderwijzer en den geneesheer met onderscheiding te bejegenen; al het hun opgelegd werk goed en ijverig te verrichten; zich te onthouden van alle pogingen om hunne medegevangenen , die zich in andere lokalen bevinden , te leeren kennen of om met hen door woorden, teekenen of gebaren in gemeenschap te komen; niet dan bij noodzakelijkheid te schellen; geen gedruisch te maken door zingen, schreeuwen , fluiten , luid spreken , slaan of kloppen ; in de cellen , gevangenvertrekken, gangen en op de wandelplaatsen orde en zindelijkheid in acht te nemen ; de hun toevertrouwde of ten gebruike verstrekte voorwerpen niet te beschadigen of te verwaar-loozen ; bij het onderwijs aandachtig en leerzaam te zijn ; de vrije uren met lezen of met eenig ander nuttig werk door te brengen; onder het bijwonen der godsdienstoefening eerbiedig en stil te zijn , en zich in alles te gedragen naar de regelen van orde en tucht in de gevangenis.
Art. 72.
Aan de gevangenen worden in den regel geene andere boeken dan uit de bibliotheek ter lezing verstrekt.
Wordt van den regel afgeweken, dan moet de maandcommissaris het boek goedkeuren en daarvan door aanteekening op het boek doen blijken.
19
In elk Vertrek voor gemeenschappelijke opsluiting -wordt gevonden een boek, waaruit op Zon- en feestdagen en op andere dagen des avonds, wanneer de arbeid geëindigd is, door een gevangene kan worden voorgelezen.
In geen geval worden aan de gevangenen couranten ter lezing verstrekt.
Art. 73.
Alle gevangenen nemen dagelijks wanneer het weder het toelaat, ten minste een half uur lang, beweging in de open lucht, op de daarvoor ingerichte plaatsen.
Art. 74.
Zij, die tot gevangenisstraf veroordeeld zijn, zijn verplicht buiten de cel en de wandelplaats een celkap te dragen. De overige veroordeelden en de onveroordeelden zijn daartoe bevoegd.
quot;Wanneer gevangenen gelijktijdig hunne cellen verlaten of derwaarts terugkeeren, moeten zy ten minste 15 schreden van elkander verwijderd blijven.
Art. 75.
Op de wandelplaatsen zijn de gevangenen tot het nemen van beweging verplicht.
Ook brengen zij derwaarts hunne liggingstukken om die uit te kloppen en te luchten, telkens als hun zulks wordt bevolen.
Art. 76.
De gevangenen moeten dagelijks hun verblijf aanvegen en daarin de grootste reinheid onderhouden.
Het is hun verboden op de muren en deuren te schrijven of te teekenen, of deze op andere wijze te bemorsen of te beschadigen.
Voor zindelijkheid van kleedingstukken en lichaam dragen zij stiptelijk zorg.
Elke maand nemen de gevangenen een voetbad en om de twee maanden een geheel bad, en voorts zoo dikwijls als de geneesheer dit zal voorschrijven.
Op gezette tijden worden de mannen geschoren en wordt-hun hoofdhaar geknipt.
20
Elke gevangene heeft een handdoek, een haarkam en een kleerborstel, en ontvangt wekelijks 5 dekagram groene zeep.
Art. 77.
De gevangenen, die den Ambtenaar van het openbaar ministerie, den Garnizoenscommandant, den Cipier of een lid van het College van Regenten wenschen te spreken , deelen dit aan een bewaarder of de bewaarster mede, die zorgt dat de Cipier daarvan spoedig kennis draagt. Deze verricht het noodige dat â voor zoover het verzoek niet hem zeiven betreft â de betrokken personen er van worden verwittigd.
Art. 78.
De verdeeling van den dag geschiedt overeenkomstig de door den Minister van Justitie daaromtrent genomen beschikking.
Art. 79.
De uren van opstaan , van het gebruiken van spijs en drank en van het ter ruste begeven , worden door het luiden der klok aangekondigd.
Art 80.
Dadelijk na het opstaan moeten de gevangenen zich reinigen en aankleeden, en hun nachtleger in orde brengen.
Bij het luiden der klok des avonds, een half uur vóór het rustuur, moeten de gevangenen hun nachtleger gereed maken, en, als de klok van het rustuur geluid wordt, zich terstond ter ruste begeven.
Het bij dag slapen of te bed liggen anders dan in geval van ziekte is verboden.
De gevangenen mogen zelf het licht niet blusschen; dit geschiedt door een beambte, na het luiden voor het rustuur.
Art. 81.
De gevangene, die tijdelijk of voor goed de gevangenis verlaat, wordt vooraf nauwkeurig gevisiteerd. Hetzelfde heeft plaats bij
21
terugkomst van den gevangene, die de gevangenis tijdelijk bad verlaten.
Art. 82.
De tot gevangenisstraf veroordeelde mannen , wier straf den tijd van drie maanden te boven gaat, dragen kort afgesneden hoofdhaar en geen baard.
Art. 83.
Veroordeelden, die zich in het gesticht zeer goed gedragen ,, kunnen, op voorstel van den Cipier , door den maandcomcnissaris worden aangewezen om huisdiensten te verrichten. De veroordeelden tot hechtenis of tot militaire detentie echter niet dan op hun verzoek.
Deze diensten moeten uitsluitend het gesticht betreffen.
Zij , die voor de eerste maal straf ondergaan , komen er het eerst voor in aanmerking.
Art. 84.
Bij het verlaten van de gevangenis wordt aan iederen veroordeelde , die ten minste één maand opgesloten is geweest, en aan alle andere tot kortere straffen veroordeelden , die dit mochten vragen, door den Cipier een bewijs van ontslag uitgereikt.
Elke ontslagene vertrekt daarop terstond , zonder zich met een. der beambten van het gesticht in te laten.
Art. 85-.
De jeugdige veroordeelden, te weten zij, die bij den ingang hunner straf den leeftijd van 16 jaren niet hebben bereikt, worden hoofdzakelijk met onderwijs en met zoodanigen arbeid, als hun bij het verlaten van het gesticht nuttig kan zijn, bezig gehouden.
Zij worden, voor zooveel zij gemeenschappelijk opgesloten zijn, zooveel mogelijk aan een onafgebroken toezicht onderworpen.
Art. 86.
Niet gegradueerde militairen zijn aan dezelfde voorschriften als de burgerlijke gevangenen onderworpen , en worden op dezelfde wijze behandeld. Voor gegradueerde militairen behoorende tot de be-
22
volking van het Huis van bewaring, blijven de Koninklijke bssluiten van 21 Aug-ustus 1816, n0. 83, 11 April 1857, n®. 76 en 17 Maart 1873, n®. 28, van kracht.
Art. 87.
Van elk sterfgeval doet de Cipier de aangifte en de inschrijving-, voorgeschreven bij art. 54 van het Burgerlijk Wetboek.
De lijken van gevangenen worden , met inachtneming der plaatselijke verordeningen, na bekomen verlof van den ambtenaar van den burgerlijken stand, ter aarde besteld. Dit geschiedt voor rekening van het Rijk, voor zooveel de uitgaanskas of het eigen geld of het zakgeld van den overledene tot bestrijding van de kosten ontoereikend is.
Art. 88.
De lijken van gevangenen worden aan hunne nabestaanden op aanvrage van dezen afgegeven, ten einde door hunne zorg en voor hunne rekening te worden ter aarde besteld.
§ 14. Gegijzelden wier verpleglngskosten komen voor rekening van het [pnbllek gezag.
Art. 89.
Deze behooren tot de klasse der gewone gevangenen.
Zij blijven hunne eigen kleeding dragen, zoolang die voldoende en zindelijk is.
Zij kunnen door het College van Regenten tot de pistole worden toegelaten.
§ 15. Gearresteerde zeelleden en personen op wie
lijfsdwang wordt toegepast, ten einde hen te noodzaken tot voldoening eener schuld of tot nakoming eener verbintenis of verplichting,
wier verpleglngskosten komen voor rekening van particulieren.
Art. 90.
Ook deze zijn verplicht, gelijk alle gevangenen, de beambten te gehoorzamen en hunne bevelen stipt op te volgen.
23
Zij zijn, -wat de orde en tucht betreft, aan de algemeene regelen van het gesticht onderworpen.
Zij worden niet gelijktijdig met andere gevangenen op de wandelplaatsen toegelaten.
Art. 91.
Zij worden zoowel bij het inkomen als bij hun vertrek en ook gedurende hun verblijf in de gijzeling, zoo dikwijls dit den Cipier geraden voorkomt, gevisiteerd.
Zoodanig onderzoek kan ook tct hunne goederen worden uitgestrekt.
Art. 92.
De gegijzelden om schulden worden verpleegd volgens het reglement, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 11 November 1843, n0. 45 (De Jongh n0. 457) en tegen de vergoeding, geregeld bij Koninklijk'besluit van 27 Juli 1856 (Staatsblad n0.74).
Alle andere gegijzelden, voor zoover hun onderhoud ten laste van particulieren komt, worden behandeld als toegelatenen tot de pistole.
Aan gegijzelden mag als meerdere voeding alleen worden verstrekt, wat in de kantine verkrijgbaar is.
Art. 93.
In de vertrekken der gegijzelden voor rekening van particulieren is zichtbaar voorhanden een afschrift van de artikelen 90, 91 en 92 van dit reglement, benevens een afschrift van den door het College van Regenten voor hen vastgestelden voeding-staat en een tabel van de in de kantine verkrijgbare artikelen.
$ 10. Wegens wangedrag, op reehferlijk bevel opgesloten personen.
Art. 94.
Deze personen kunnen in het gesticht worden opgenomen wanneer tot hunne opsluiting de gevangenis door den rechter is aangewezen.
24
Art. 95,
Zij worden afzonderlijk geplaatst in daarvoor door het College Tan Regenten bestemde vertrekken , en overigens beschouwd tot do klasse der gewone gevangenen te behooren. Zij kunnen door dat College tot de pistole worden toegelaten.
Art. 96.
Hun kostgeld wordt maandelijks bij vooruitbetaling aan den Cipier voldaan.
§ 17. Doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen.
Art. 97.
Deze worden, zoo noodig, gereinigd en bij hun vertrek van kleeding en schoeisel voorzien.
Bij bun komst en vertrek verzekert de Cipier zich, dat zij in het bezit zijn van de goederen, op de transportlijsten vermeld.
Bij hun vertrek wordt hun, zoo noodig, een ration brood medegegeven.
Art. 98.
Het voorgaand artikel is ook van toepassing op de gevangenen , die van uit het gesticht op transport worden gesteld.
§ 18. Briefwisseling.
Art. 99.
De briefwisseling der onveroordeelden is vrij, behoudens het bepaalde bij art. 101 hierna volgende.
De andere gevangenen mogen op Zon- en feestdagen brieven schrijven aan personen buiten het gesticht, en die dagelijks van de zoodanigen ontvangen.
25
In bijzondere gevallen kau de maandcommissaris het verzenden van brieven, met afwijking van het voorgaande, toestaan.
Art. 100.
Alle briefwisseling tusschen gevangenen onderling is verboden, ook wanneer zij zich niet in hetzelfde gesticht bevinden. In bijzondere gevallen kan het College van Regenten vrijstelling van dit verbod verleenen , ten opzichte van briefwisseling met familiebetrekkingen, in andere gevangenissen of gestichten opgenomen.
Art. 101.
De inkomende zoowel als de uitgaande brieven worden in handen gesteld van den Cipier, en â nadat daarvan de noodige aanteekening is geschied op bet register â zoo de gevangenen nog niet veroordeeld zijn , bij den betrokken Ambtenaar van het openbaar ministerie, den Rechter-Commissaris of den Plaatselijken-of Garnizoenscommandant bezorgd, opdat deze de brieven lezen en daaromtrent de vereischte bevelen geven.
Wanneer het andere gevangenen betreft, neemt de Cipier van de brieven inzage, tenzij door het College van Regenten een zijner leden daartoe is aangewezen.
Indien tegen het verzenden of afgeven geen bezwaar bestaat, brengt de Cipier dit spoedig ten uitvoer.
Ingeval van twijfel bij den Cipier treedt hij in overleg met den maandcommissaris.
Brieven, welke niet worden uitgereikt aan den geadresseerden gevangene, en brieven waarvan de verzending niet wordt toegelaten , worden vernietigd.
Art. 102.
Wanneer de gevangene geen gelden te zijner beschikking heeft, wordt het port van brieven bij voorschot voldaan, en bij onvermogen aan het Rijk in rekening gebracht.
Art. 103.
Voor alle uitgaande brieven van gevangenen verstrekt de Cipier ten koste van het Rijk papier, inkt en pennen.
Het papier wordt van wege den Cipier gestempeld.
26
§ 19. Bezoeken.
Art. 104.
Aan veroordeelden tot gevangenisstraf wordt tweemaal 's maands-, aan onveroordeelden tot hechtenis of detentie eenmaal 's weeks toegestaan familiebetrekkingen te spreken.
Deze worden hiertoe op de voor het bezoek vastgestelde dagen in de gevangenis toegelaten op vertoon en afgifte van een schriftelijk door den Cipier uitgereikt verlof. De Cipier houdt aan-teekening van de afgegeven vergunningen.
Voor meer bezoeken alsmede voor bezoeken op andere dan de daartoe vastgestelde dagen, wordt het schriftelijk verlof van den maandcommissaris gevorderd.
Art. 105.
Het schriftelijk verlof om tot preventief gevangenen te worden toegelaten, wordt verleend â naar gelang van den persoon en de instructie â door den betrokken Ambtenaar van het openbaar ministerie, den Rechter-Commissaris, of den Plaatselijken- of Garnizoenscommandant.
Art. 106.
Het bezoek, in de beide vorige artikelen bedoeld, geschiedt in het daarvoor ingericht lokaal, in tegenwoordigheid van een beambte.
In tegenwoordigheid van een beambte kunnen bezoekers ook worden toegelaten bij zieke gevangenen.
Een bezoek duurt in den regel niet langer dan 15 minuten, en daarbij mag den gevangene niets, van welken aard of onder welk voorwendsel ook, worden ter hand gesteld.
Bijaldien de bezoeker ongepaste mededeelingen doet, wordt hij onmiddellijk verwijderd.
In betzelfde lokaal mogen geen twee bezoeken gelijktijdig geschieden.
Art. 107.
De bezoeken van advokaten vinden in een afzonderlijk daarvoor bestemd lokaal plaats. Behalve in de gevallen waarin de wet hun den vrijen toegang tot de gevangenen verleent, zal
27
ook bij het bezoek van advokaten het verlof, in de vorige artikelen bedoeld, vereischt worden.
Zij zullen intusschen, behoudens het vereischte toezicht, de gevangenen alleen kunnen spreken.
Art. 108.
Elke veroordeelde tot gevangenisstraf wordt bezocht overeenkomstig de bepalingen der wet van den 28sten Juni 1851 [Staatsblad n0. 68).
De leden van het College van Regenten bezoeken deze gevangenen volgens een te maken rooster.
Het College bevordert, dat de leien van het bestuur der ter plaatse gevestigde afdeeling van het Nederlandsch genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen zich onderling nopens het bezoeken der gevangenen verstaan.
Voor het bezoeken der vrouwelijke gevangenen bevordert het College de oprichting van eene vrouwenvereeniging, welke zich aan de afdeeling van het genoemd genootschap aansluit.
Art. 109.
Het is den bezoekers ten strengste verboden zich op eenigerlei wijze te mengen in het beheer der gevangenis, of geld, versnaperingen , brieven, geschriften, boeken of iets anders, van welken aard ook, aan de gevangenen te geven. Dit wordt hun medegedeeld.
Zij, die in strijd daarmede handelen, worden bij de gevangenen niet meer toegelaten. Wanneer personen, wie de toegang tot de gevangenis uit den aard hunner betrekking vrijstaat, dit mochten doen, geeft het College van Regenten daarvan onverwijld kennis aan den Minister van Justitie.
Art. 110.
Gevangenen kunnen weigeren bezoeken te ontvangen van personen, die niet tot het bestuur of den dienst der gevangenis hehooren, noch in het algemeen belang toegang bekomen hebben.
§ 20. Arbeid.
Art. 111.
Eene ijverige behartiging van den arbeid wordt den Cipier en den verderen beambten aanbevolen.
28
Art. 112.
Aan de veroordeelden tot gevangenisstraf wordt geregeld arbeid verschaft.
onveroordeelden en gegijzelden gaat de Cipier de ledigheid zoo krachtig mogelijk tegen.
Art. 113.
De gevangene, die hechtenis of militaire detentie ondergaat, geeft op welken arbeid hij verkiest te verrichten.
Indien de regelen van orde en tucht zich hiertegen niet verzetten , wordt hem zoo mogelijk tot dien arbeid gelegenheid gegeven.
Blijft hij in gebreke die opgaaf te doen, dan is het eerste lid van het vorige artikel op hem van toepassing.
Art. 114.
De arbeid bestaat:
1°. uit arbeid voor rekening van het Rijk ;
2°. uit arbeid voor rekening van particulieren;
3°. uit het door den gevangene voor eigen rekening uitoefenen van zijn ambacht.
Art. 115.
De arbeid voor rekening van particulieren en die voor eigen rekening bestaan alleen uit den zoodanige, als in eene gevangenis, zonder de orde te storen of het gebouw te beschadigen, kan plaats hebben.
Art. 116.
Wegens het verrichten van arbeid voor rekening van het Rijk wordt aan de gevangenen loon toegekend, volgens de bepalingen van het door den Minister van Justitie vastgesteld tarief van arbeidsloonen.
Op de voordracht van den Cipier bepaalt het College van
29
Regenten het loon van eiken arbeid voor particulieren , niet opgenomen in het hiervoren vermeld tarief.
Art. 117.
Wat door veroordeelden tot gevangenisstraf met arbeid voor particulieren meer wordt ] verdiend dan 25 cents daags, komt ten bate van het Rijk.
Het \ bedrag van dit Rijksaandeel wordt na afloop van elk half jaar door het College van Regenten in 's Rijks kas gestort en aan het Departement van Justitie verantwoord.
Van hetgeen door gevangenen in het huis van bewaring wordt verdiend, wordt niets ten bate van het Rijk gekort.
Art. 118.
Het verdiend loon wordt den gevangenen niet uitbetaal!, doch op hunne rekening ten hunnen bate geboekt.
Met toestemming van het College van Regenten kan de tot gevangenisstraf veroordeelde over het gedeelte van het loon dat als zakgeld wordt beschouwd, ten behoeve van bloedverwanten beschikken. Het College ziet echter toe, dat voldoend reisgeld bij ontslag beschikbaar blijve.
Art. 119.
Ingeval een gevangene grondstoffen of gereedschappen moedwillig bederft of verwaarloost, wordt de schade op zijn loon of van zijn eigen gelden ingehouden , onverminderd de volgens art. 127 op te leggen straffen.
Het bedrag dier schade wordt door het College van Regenten, op de voordracht van den Cipier, bepaald.
Deze inhouding wordt, wanneer zij den arbeid voor rekening van het Rijk of aan het Rijk behoorende grondstoffen of gereedschappen betreft, na afloop van elk halfjaar in 's Rijks kas gestort, en aan het Departement van Justitie verantwoord.
Art. 120.
Bijaldien de Cipier het geraden acht, doet hij den gevangene na afloop van den arbeid de werktuigen en gereedschappen tot den volgenden morgen ontnemen.
Art. 121.
Op Zon- en erkende goJslienstig-e feestdagen behoeven de gevangenen geen arbeid te verrichten.
Ook de Israëlietische gevangenen zijn op hunnen Sabbath en hunne hooge feestdagen van den arbeid vrijgesteld.
Op deze dagen geen werk verrichtende , houden de gevangenen zich bezig met lezen of schrijven.
Art. 122.
In het begin van elke maand wordt aan de gevangenen mededeeling gedaan van den stand hunner rekening.
§ 81. Onderwijs.
Art. 123.
Het onderwijs wordt gegeven naar de regelen gesteld bij art. 17 der wet van 14 April 1886 (Slaatsllad nc. 62) en de artt. 95 tot en met 100 van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 31 Augustus 1886 {Staatsblad n0. 159.)
Art. 124.
De leermiddelen worden bepaald door het College van Regenten na den onderwijzer te hebben gehoord.
Art. 125.
De schoolboeken en verdere school behoeften staan onder het beheer van den onderwijzer, die daarvan eenen inventaris houdt. Hij zorgt, dat steeds het noodige aanwezig is, en vraagt door tussehenkomst van den Cipier het vereischte aan het College van Kegenten aan.
De aankoop daarvan geschiedt op kosten van het Rijk.
31
§ 33. Bibliotheek.
Art. 126.
De zorg voor de bibliotheek, daaronder begrepen die voor de bijbels en kerkboeken, is opgedragen aan den Cipier of aan den ouderwijzer.
De daarmede belaste beambte houdt een catalogus en zorgt voor bet geregeld uitgeven en innemen der boeken,
In de bibliotheek zal steeds een getal boeken aanwezig zijn , voldoende om iederen gevangene wekelijks van nieuwe lectuur te voorzien.
Het College van Regenten bepaalt welke boeken voor de bibliotheek zullen worden aangekocht of buiten gebruik gesteld.
Bij de keuze der boeken kan door het College van Regenten het oordeel van den godsdienstleeraar of van den Roomsch-Catholieken geestelijke worden gevraagd.
Overeenkomstig de mate van ontwikkeling en de godsdienstige gezindte der gevangenen, worden de boeken in verschillende afdeelingen gesplitst en wordt achter elk boek in den catalogus opgegeven voor welke categoriën van gevangenen het geschikt is.
§ 33. Tucht.
Art. 127.
Elke inbreuk op de orde en tucht, de regelen van zindelijkheid , arbeidzaamheid en van gezondheid; alle moedwillige beschadiging van goederen , beboerende aan het geslicht of aan derden , worden , naar mate van de zwaarte der overtreding, gestraft met de straffen vermeld in art. 20 der wet van 14 April 1886 (Staatsblad n0. 62).
Art. 128.
Voor de toepassing der straffen wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij voormeld wetsartikel, bij art. 23 dier wet en bij de artt. Ill tot en met 113 van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 31 Augustus 1885 {Staatsblad n0. 159).
De straffen , vermeld in art. 20 , sub 6, der wet van 14 April 1886 {Staatsblad n0. 62), voor zoover de duur daarvan nog moet
32
worden geregeld, worden voor niet langer dau 4 weken opgelegd. De gestraften met water en brood ontvangen een en een half ration roggebrood per man en per dag.
Art. 129.
Opgelegde straffen kunnen door den geneesheer in overleg met den Cipier om gezondheidsredenen worden geschorst.
Bij verschil van gevoelen tusschen den geneesheer en den Cipier wordt aanvankelijk overeenkomstig het gevoelen van den geneesheer gehandeld.
Art. 130.
De in het vorig artikel bedoelde schorsing wordt onmiddellijk aan den Voorzitter van het College van Regenten medegedeeld, die, voor het geval hij er zich niet mede vereenigen kan, de beslissing van dat College inroept.
Art. 131.
De opgelegde straffen worden, met vermelding van de aanleiding daartoe, in het daarvoor bestemd register ingeschreven.
§ 34. Voeding.
Art. 132.
Voor de voeding gelden de bepalingen van het reglement, vastgesteld bij beschikking van den Minister vau Justitie van 19 November 1886, n°. 144.
In de vertrekken voor gemeenschappelijke opsluiting wordt het morgen- en avondeten en de middagspijs genuttigd door de gevangenen aan tafels gezeten.
Zij worden in de gelegenheid gesteld om vóór en rui den maaltijd een gebed te doen.
Art. 133.
De verstrekking van water en brood gedurende de twee eerste etmalen van den straftijd heeft plaats overeenkomstig de be-
33
schikking van den Minister van Justitie van 25 Augustus 1886, nquot;. 130.
Art. 134.
Aan zieke gevangenen worden toegediend de spijzen en dranken , welke door den geneesheer voorgeschreven worden.
§ 35. Kleeding- en ilgglngstukken.
Art. 135.
Veroordeelden wier straf den tijd van drie maanden te boven gaat, dragen de kleeding, welke voor de gevangenen is aangenomen.
Art. 136.
Alle andere gevangenen blijven in den regel hun eigen kleeding dragen , terwijl de vernieuwing daarvan hun dan tevens, voor -zooveel noodig, kan worden vergund.
Ook aan dezen wordt echter vanwege het Rijk de in het vorig artikel bedoelde kleeding verstrekt, zoodra hun eigen kleeding ontoereikend is, of zoodra het voor de netheid, zindelijkheid of veiligheid wenschelijk wordt geacht.
Art. 137.
Indien eigen kleeding wordt ontnomen, wordt deze, na in het daartoe bestemd register ingeschreven te zijn, zoo noodig, gereinigd en daarna geborgen in een katoenen zak. Die zak , waarop een inventaris wordt gehecht, blijft tot het ontslag van den gevangene in het magazijn voor eigen goederen van gevangenen bewaard.
Is de eigen kleeding niet voor bewaring vatbaar, dan wordt zij of aan de familie toegezonden of verkocht en de opbrengst daarvan ten bate van den gevangene op zijne rekening geboekt.
Art. 138.
Aan huisdienstdoende gevangenen kunnen schoenen worden verstrekt.
Dordeecht. H. 3
:i4
Art. 139.
Voor de verstrekking en verantwoording van kleeding- en liggingstukken, voor het stempelen of merken enz. wordt verwezen naar de bepalingen der Instructie, vastgesteld bij beschikking van den Minister van Justitie , van 15 September 1886, n*. 154.
§ 86. Mobilair.
Art. 140.
Behoudens afwijkingen door den Minister vau Justitie goed te keuren, is het mobilair der gevangenverblijven samengesteld als volgt:
1°. In elk vertrek voor gemeenschappelijke opsluiting:
tafels, zitbanken, een zand- of spuwbakje, een bergplank met afscheidingen, blikken drinkbekers, een of meer waterkannen of kruiken, etensblikken, blikken boterdoosjes, houten spijslepels, een handstoffer, een vaagdoek, een of meer draagbare reukelooze privaten van het bestaande model en afzonderlijk achter afschutsels geplaatst, een mandje voor afval en een boek, waaruit op Zonen feestdagen en op andere dagen des avonds, wanneer de arbeid geëindigd is, door een gevangene kan worden voorgelezen;
2°. In elk nacht ver trek ;
behalve de noodige nachtlegers met toebehooren en wasch-blikken , voor iederen gevangene een zeepbakje , een handdoek , een haarkam en een kleerborstel;
3°. In elke cel:
een nachtleger, een draagbaar reukeloos privaat, een hoekkastje, een tafel, een zitbankje, een voetbankje of voetmat, een blikken boterdoosje, een waterkan of kruik, een houten spijs-lepel, een blikken drinkbeker , een etensblik , een waschblik , een handdoek , een haarkam , een kleerborstel, een zeepbakje, een handstoffer, een vuilnisblik , een vaagdoek , een inktkoker met schrijfpen, een bijbel of een kerkboek van de godsdienstige gezindte, waartoe de bewoner der cel behoort, een celkap en een mandje voor afval;
35
4°. In elk ziekenvertrek :
een ijzeren krib met toebehooren, een ziekenstoel, een paar pantoffels en andere benoodigdheden, ter beoordeeling van den geneesheer;
5°. In elk vertrek voor gegijzelden om schulden en toegelatenen tot de pistole:
een ijzeren krib met toebehooren, een kamergemak , een tafel, twee stoelen , een ladetafel, een spiegeltje, een kapstok , een inktkoker met schrijfpen, een bijbel of een kerkboek van de godsdienstige gezindte, waartoe de gegijzelde of de gevangene behoort, een waschtafel met toebehooren en een handdoek;
6*. In elk reinigingsvertrek: een badkuip met toebehooren.
Zoo mogelijk is één dezer uitsluitend bestemd voor de behandeling van lijders aan besmettelijke ziekten of aan huidziekten.
Aan de vrouwen kunnen op haar verzoek voetbankjes worden verstrekt.
Art. 141.
In de maand Januari van elk jaar en voorts zoo dikwijls het College van Regenten zulks wenschelijk of noodzakelijk acht, wordt door den Cipier in tegenwoordigheid van een lid van het College, de inventaris met het aanwezige mobilair vergeleken.
De uitslag daarvan wordt aan het College medegedeeld.
Voor het mobilair, dat bij die vergelijking zal blijken niet aanwezig te zijn en niet behoorlijk kan worden verantwoord, is de Cipier aansprakelijk
In elk vertrek hangt de inventaris van het daar aanwezige mobilair.
§ 37. Brandweer.
Art. 142.
In de gevangenis zijn steeds brandbluschmiddelen aanwezig.
Art. 143.
Het College van Regenten draagt zorg, dat de brandblusch-middelen te allen tijde bruikbaar- en dat alle beambten met de behandeling daarvan vertrouwd zijn.
36
Art. 144.
Bij het ontstaan van brand zendt de Cipier daarvan onmiddellijk bericht aan de hoofden der brandweer en der politie, en gedraagt hij zich wijders overeenkomstig het eerste lid van art. 27 van dit reglement.
In afwachting van de komst en de bevelen van leden van het College van Regenten, handelt de Cipier naar omstandigheden.
Art. 145.
Bijaldien de brand een dreigend aanzien heeft, neemt de Cipier, zooveel mogelijk in overleg met- en onder leiding van het College van Regenten , maatregelen tot het ontruimen van het in gevaar verkeerend gedeelte van het gesticht.
Het bergen der archieven, schrifturen en goederen is hij in dit geval ook zooveel mogelijk bevorderlijk.
De kettingen en sloten, benoodigd bij eene ontruiming , in het eerste lid van dit artikel bedoeld , zullen steeds in genoeg-zamen getale aanwezig zijn , en tweemaal 'sjaars door het College van Regenten aan een onderzoek worden onderworpen.
Art. 146.
De verplichtingen van de andere beambten ingeval van brand worden bij reglement door het College van Regenten vastgesteld.
Ingeval van brand in de nabijheid van het gesticht, worden de brandbluschmiddelen onmiddellijk in gereedheid gebracht, ten einde de veiligheid van het gesticht te bevorderen.
§ 38. WasscherlJ.
Art. 147.
De bewassching geschiedt, zoo mogelijk, door gevangenen.
§ SO. Verwarming.
Art. 148.
De verwarming van de gevangenverblijven vangt aan met den Isten November en eindigt met den Isten April.
37
Uithoofde van de weersgesteldheid kan het College van Regenten het aanvangen of eindigen van de verwarming vervroegen of uitstellen.
Art. 149.
Met het stoken van den verwarmingstoestel wordt naar gelang van de weersgesteldheid gehandeld, en daarbij wordt in aanmerking genomen , dat eene warmte van 55 graden Fahrenheit in de gevangenver blij ven voldoende is.
De verwarming van de lokalen, waarin zieken worden verpleegd , wordt in overleg met den geneesheer geregeld.
Art. 150.
Bijaldien aan den verwarmingstoestel een gebrek wordt ontdekt, wordt het stoken dadelijk gestaakt.
De Cipier geeft daarvan onverwijld kennis aan den opzichter van het gebouw, die onmiddellijk de vereischte herstelling bevordert.
§ 30. Verlichting.
Art. 151.
Het gesticht wordt, met uitzondering van de woningen der beambten, voor rekening van het Rijk verlicht.
Art. 152.
De hoofdingang, de gangen, trappen en portalen worden verlicht van een half uur na zonsondergang tot een uur vóór zonsopgang.
De cellen en gevangenvertrekken worden verlicht van een half uur na zonsondergang tot het rustuur.
Wanneer ziekte of andere oorzaak zulks wenschelijk maakt, kunnen cellen en gevangenvertrekken ook gedurende den nacht verlicht blijven.
Art. 153.
De bewaarders en de bewaarster zijn belast met het ontsteken en blusschen van de gaslichten.
38
Wordt aan de gastoestellen eenig gebrek ontdekt, dan geeft de Cipier daarvan onverwijld kennis aan den opzichter van het gebouw, die onmiddellijk de vereischte herstelling bevordert.
Art. 154.
De Cipier zorgt, dat steeds zes lantaarns met kaarsen voorhanden zijn, om daarvan in buitengewone omstandigheden gebruik te kunnen maken.
§ 31. Kantine.
Art. 155.
Het genot der kantine wordt toegekend met inachtneming van de regelen, vastgesteld bij de artt. 62 en 63 van den alge-meenen maatregel van inwendig bestuur, behoorende bij het Koninklijk besluit van 31 Augustus 1886 {Staatsblad n°. 159) en bij de beschikkingen van den Minister van Justitie van 25 Augustus en 15 September 1886, n0. 130 en 156.
Art. 156.
De hoedanigheid van de artikelen, in de kantine verkrijgbaar, wordt onderzocht op den voet, waarop dit omtrent de benoo-digdheden voor het onderhoud der gevangenen plaats beeft.
Art. 157.
De opgave en de latere afgifte der aangevraagde kantineartikelen geschiedt op vastgestelde uren.
Art. 158.
De opgaven in het vorig artikel bedoeld, worden gedagteekend en in het archief van den Cipier gedurende drie jaren bewaard.
Art. 159.
De leverancier heeft alleen toegang tot het bureel van den Cipier.
39
Art. 160.
In de verblijven der gevangenen, die van de kantine gebruik mogen maken, is een tarief der kantine aanwezig.
§ 33. Pistole.
Art. 161.
Het genot der pistole mag alleen worden toegekend aan gedetineerden in het huis van bewaring.
Daarbij gelden de bepalingen van het reglement, vastgesteld bij het Koninklijk besluit van den 29sten September 1875 , n0. 5.
§ 33. Hinderen van gevangenen
Art. 162.
Met vrouwelijke gevangenen kunnen in het gesticht worden opgenomen kinderen, die niet van de moeder kunnen worden gescheiden.
Deze kinderen, als ook de kinderen in het gesticht geboren, moeten verwijderd worden , zoodra zij de zorg der moeder kunnen ontberen.
Het oordeel van den geneesheer wordt in deze gevraagd.
Art. 163.
In de voeding der kinderen wordt ten lasle van het Rijk voorzien.
Het verschaffen van kleeding- en liggingstukkeu heeft mede ten laste van het Rijk plaats.
Art. 164.
Van elke geboorte of elk sterfgeval doet de Cipier de aangifte , voorgeschreven bij het Burgerlijk Wetboek.
De geboorten en sterfgevallen worden door hem in het register van de kinderen ingeschreven.
'f® .y-X.'
i
â
â
O
40
?-S
§ 34. SLOTBEPALISTC}.
Art. 165.
In elke cel eu gevangen vertrek is op karton geplakt aanwezig een uittreksel van dit reglement, voor zooveel bet verpliclitingeri der gevangenen betreft.
Ieder gevangene wordt bij zijne insluiting hierop opmerkzaam gemaakt, terwijl bet hem wordt voorgelezen , ingeval hij niet kan lezen.
quot;A
Beboort bij het Koninklijk besluit van
Mij bekend ,
De Minister van Justitie,