ZIJN REPERTOIRE.
(Zomer 1888J,
DOOR
met de Portretten van
Z. D. H. den hertog van meiningen Hofpath Chronegk,
BENEVENS EEN
OVERZICHT van het HOOFDPERSOMEL.
cRottc , NUGH amp; VAN Dl TM AR.
. Tf'cï -fop
^WBïaAuajecH.j JC,..
1
'««üüt voor
der R^U. {a
utrecht
^ lt;5' ^ ^
Instituut voor Theaterwetenschap der R.U. ie UTRECHT
/
ACA^S
HET
Hertogl Meininger Hoftheater
i:x
ZIJN REPERTOIRE,
(Zomer 1888), ; â¢'
I i
1 R E C H T'
| krâ¢,
⢠ï u.. |
dook
im:.
met cle Portretten van
Z. D. H. den hertog van melningen en Hofrath Chronegk,
benevens een
OVERZICHT vim het HOOFDPERSONEEL.
cÃottczdam,
NIJGH lt;fe VAN DITMAR.
INHOUD.
liladz.
Het Hertogl. Meininger Hoftheater .............................. ]
Shakespeare: Julius Caesar.......................................... 15
Id. Der Kaufmann von Venedig ..................... 27
In. Was Ihr wollt ....................................... 40
Id. Ein Wintermarchen ................................. 51
Molière : Der eingebildete Kranke ........................... 62
Schiller: Die Rüuber............................................. 69
li). Wallenstein ............................................. 78
a. Wallensteins Lager ........................... 80
h. Die Piccolomini................................. 81
c. Wallensteins Tod .............................. 87
If). Maria Stuart .......................................... 93
Id. Die Jungfrau von Orleans ........................ 101
Id. Wilhelm Tell .......................................... 110
Grillparzer: Esther ................................................... 118
^examp;onee£
VAN HET
HERTOGL. MEININGER HOFTHEATER,
bij hunne G astvoorstelling en in 18S8.
De hoofdrollen zullen worden vervuld door de Dames:
Frau Berg (Paulina, Herzogin Wallenstein, Kennedy, Gertrud, Zares).
Frl. Lindner (Porzia, Olivia, Hermione, Zeit, Thekla, Jungfrau, Esther).
Frau Otto-Lorenz (Portia {Julias Caesar), Porzia (Der Kauf-mann von Vsnedig), Viola, Hermione, Griifin Terzky, Maria Stuart, Jungfrau, Armgard).
Frau Prasch-Grevexberg (Lucius, Nerissa, Viola, Marie, Perdita, Toinette, Thekla, Jungfrau, Esther).
Frau Teller (Calpurnia, Pauli-.ia, Elisabeth, Isabeau, Hedwig).
en door de Heeren:
Arndt (Gratiano, Xarr, Antolycus, Isolani, Karl VII).
Barthel (Marcus Antonius, Bassanio, Orsino, Florizel, Max Piccolomini, Mortimer, Lionel, Arnold Melchthal).
Görner (Lancelot Gobbo, Junker Andreas, Junger Scbafer, Thomas Diaforius).
Grube (Questenberg, Wrangel, Amias Paulet, Talbot, Atting-hausen).
Hassel (Alter Gobbo, Tobias, Alter Schafer, Argan, Wacht-meister).
Knorr (Julius Caesar, Antonio, Polixenes, Wallenstein, Lei-cester, Dunois, Teil, Ahasver).
Otto (Casca, Marocco, Erster Kurassier, Thibant d'Arc, Stauffacher).
Richard (Doge, Cannilo, Octavio Piccolomini, Burleigh, Du Chatel, Mordechai).
Teller (Cassius, Shylock, Arragon , Malvolio, Antigonus, Dr. Purgon, Buttler, Shrewsbury, Burgund, Hamann).
Weiser (Brutus, Shylock, Leontes, Ulo, Paulet, Talbot, Gessier).
Het spreekt van zelf, dat wij voor deze beschouwing verscheidene bronnen hebben geraadpleegd. Voornamelijk werden door ons gebezigd :
Hekrig: Die Meininger, ihre Gadspiele und deren Bedeutung
für das deutsche Theater.
Pjïölsz : llerzoglich Meiningen'sche Haf theater, seine
Entwickelung, seine Bestrehungen und die Bedeutnng seiner Gastspiele.
Ekenzel: Berliner Dramaturgie, 2de deel, bladz. 97â157. Gartenlaujbe 1879, bladz. 234 vlo-
d
Tevens danken wij verscheidene belangrijke gegevens aan de bereidwilligheid van Hofrath Chkonegk en den Regisseur Paul Richaed, beide Heeien zeggen wij daarvoor onzen warm sten dank.
Het Hertogl. Meinioger Hoftheater.
âNein, nicht der Schneider oder der Decorationsmaler: dasz sie die dramatischen Meisterwerke zu spielen. verstehen, dasz sie uns das Schauspiel des Dichters voll, rund und ganz geben : das ist das Geheimnisz der Meininger.quot;
Met deze woorden eindigt eene verhandeling van Karl Frenzel in zijn âBerliner Dramaturgiequot; over de voorstellingen ^ die het Meininger Hoftheater in 1874 voor de eerste maal te Berlijn had gegeven, de eerste maal bovendien, dat het gezelschap zich met zijn nieuwe denkbeelden buiten de grenzen van zijn vorstendom had gewaagd. Met de gedachte, de merkwaardige en eigenaardige vertooningen van zijn Hoftheater ook eens op een ander toonaai, voor een ander, talrijker en meer afwisselend publiek te beproeven, had zien Hertog George II, de ziel van zijn theater, sinds jaren bezig gehouden. Moeielijkheden van verschillenden aard verhinderden echter steeds de uitvoering van dit denkbeeld, immers zou zijn gazelschap voor een vreemd publiek optreden, dan kon dit geen ander zijn dan dat der Duitsche hoofdstad. Eene overwinning hier behaald zou tevens de grootste overwinning zijner denkbeelden zijn. De moeielijkheden werden eindelijk overwonnen en dan eersten Mei 1874 had de eerste voorstelling te Berlijn
2
plaats. De triomf was volkomen, avond aan avond werd het gezelschap door het publiek, dat het Friedrich-Wilhelm-stadtische Theater bij elke voorstelling geheel vulde, stormachtig toegejuicht, de tijd, voor het oponthoud te Berlijn bestemd, moest worden verlengd en slechts weinige stukken van het répertoire konden worden gegeven.
Ora te kuunen begrijpen, hoe het mogelijk was, dat het Meiningfer Hoftheater zulke schitterende triomfen kon vieren in de Duitsche hoofdstad, waar de grootste Duitsche tooneelspelers hunne talenten ten toon spreidden en de Opera de grootst mogelijke praal ontvouwde, moet men even een terugblik slaan op het Duitsche toooeel, zooals het vóór het optreden der Meiningers te Berlijn was en voor een groot deel nog is. Want al is het niet te loochenen, dat de Meiningers een zeer gunstigen invloed op verscheidene theaters hebben uitgeoefend â ook op het onze, daarover later â bij de meeste theaters heeft zich hun principe, al wordt het ook door bijna allen als juist erkend, nog niet kunnen baanbreken.
Na 1848 verkreeg men in Duitschland groote vrijheid tot het oprichten van theaters, waardoor tooneelgezelschap-pen als het ware uit den grond kwamen rijzen. Voorwendsel bij de oprichting was de kunst te willen dienen, het doel geld verdienen. De concurrentie dwong de ondernemers echter reeds spoedig naar stukken te zoeken, die publiek trokken en daarvoor kwamen, naast de operette, de sensatie-stukken voornamelijk in aanmerking, omdat deze door de hevige emotie, welke zij teweeg brengen , bij een groot aantal schouwburg-bezoekers zeer bemind zijn. Met behulp van alle middelen der decoratieve kunst werden deze stukken zoo natuurlijk mogelijk voorgesteld, de tooneelspelers teekenden rnet de scherpste lijnen, zoodat het publiek zich amuseerde en deze stukken het tooneel spoe-
3
dig geheel in beslag namen, ten koste vooral van de tragedie, die geheel op den achtergrond werd gedrongen.
De groots menigte van tooneelgezelschappen vorderde natuurlijk een groot aantal tooneelspelers; er was, om het maar eens plat uit te drukken , vraag naar dat artikel, het aanbod liet niet lang op zich wachten , want jongelui, die een bestaan zochten, werden~tooneelspelers, niet omdat zij talent hadden, niet omdat zij er roeping toe gevoelden, maar omdat zij er geld mee konden verdienen. Bij het groote gebrek aan tooneelspelers werd iedereen aangenomen en om nu ook met een gezelschap uit zulke elementen samengesteld van tijd tot tijd eens een stuk van eenige betee-kenis te kunnen geven, werd voor een paar stukken, waarin de hoofdrol als het ware de draagster van het stuk was, een der eerste tooneelspelers, aan grootere schouwburgen verbonden , als gast geëngageerd ; deze kwam dan door de gebrekkige omgeving des te beter uit, werd toegejuicht,- trok veel publiek en werd dus goed betaald. Eenige dezer tooneelspelers sloten dan ook, in weerwil van de prachtigste aanbiedingen, die men hun soms deed, geen vast engagement meer, maar togen met een paar rollen, die zij naar eigen goedvinden modelleerden, op reis. Heden aangekomen werd één repetitie gehouden en soms nog denzelfden dag opgetreden. Van samenspel was hierbij natuurlijk geen sprake, het drama zelf was volkomen bijzaak, de gast was de aantrekkingski-acht van het publiek, zijn spel werd bewonderd door een groot aantal toeschouwers en zoowel de gast als de directeur maakten goede zaken. Naast dit, het tooneelstuk vaak geheel vernietigende, virtuosendom, waarbij van samenspel geen sprake kon zijn, zag men theaters in eenige groote steden ontstaan, die honderden malen hetzelfde stuk gaven. Het ensemble liet hier natuurlijk niets te wenschen over, maar de stukken moesten licht te
4
verteren kost zijn voor een dagelijks afwisselend publiek. Onder deze omstandigheden moest de hoogste uiting der dramatische kunst, de tragedie, het meest lijden. Werd al eens met behulp van een gast een dusdanig werk vertoond, dan was van eenheid niets te bespeuren, één rol werd goed vertolkt, het overige was bijzaak. En als de minste bijzaak werd voor zulke stukken het decoratieve gedeelte beschouwd; in de opera, in de sensatie-stukken en vooral in de feeërien werd voor het oog alles gedaan, bij het hooge drama, als men het dan nog eens gaf, achtte men eene met de handeling overeenkomende decoratie een onnoodige luxe. De sympathie van het publiek voor deze stukken verflauwde onder die toestanden meer en meer en zij raakten geheel op den achtergrond, om plaats te maken voor tooneelwerken van het minst allooi, waarbij de groote menigte echter het meest genoot.
Van verschillende zijden begon men naar middelen uit te aien, om in dezen toestand verbetering te brengen en mannen als Heinrich Laube, Franz Dingelstedt, Eduard Devrient e. a., die aan het hoofd van groote tooneelgezel-schappen geplaatst waren, deden alles, wat zij konden, om het tooneel te verbeteren en het hoogere drama in eere te houden. Geen van allen mocht het geheel gelukken, maar de drie zooeven genoemde mannen hebben er in hunne resp. schouwburgen te Weenen, Munchen en Karlsruhe toch veel toe bijgedragen, dat het ensemble bij hunne voorstellingen verbeterde, terwijl Laube en Devrient ook door hun voorbeeld hebben getoond, dat een tooneelgezelschap niet moet worden geleid van de bureaux uit, maar dat een goed leider op het tooneel en bij de repetities behoort te zijn.
De grootste reformator der laatste jaren was wel Richard Wagner; wat hij heeft gedaan, is echter alleen dei-Opera ten goede gekomen, en niet eens alle Opera's, maar
5
bijna uitsluitend zijn eigen werken. Het was zijn streven de kunsten zoodanig te vereenigen, dat iedere kunst naar hare bijzondere eigenaardigheden de handeling zou dienen. Kichard Wagner heeft zijn ideaal verwezenlijkt gezien; telken jare, wanneer er Festspiele plaats hebben, trekken duizenden uit alle oorden van Europa en zelfs uit andere werelddeelen naar het stille Bayreuth.
Voordat aan opvoeringen in het Festspielhaus te Bayreuth kon gedacht worden, was Hertog Georg van Meinin-gen reeds met zijne denkbeelden tot verbetering- van het tooneel opgetreden, en liet hij in zijn theater inodel-vertoo-ningen geven van groote kunstwerken op dramatisch gebied. In 1866 aan de regeering gekomen, was het zijn streven,, naast den bloei van zijn land ook die der kunst te bevorderen. Kennis, talent en neiging deden hem er toe besluiten, aan het reeds zoo lang verwaarloosde theater zijne aandacht te schenken en vooral wilde bij het hoogere drama, dat, zooals wij zagen, het meest verwaarloosd werd, de hem toekomende plaats weer doen innemen.
Het gesproken drama was door Wagner niet in staat geacht, op het gevoel van den toeschouwer veredelend te kunnen werken, en daarom had hij dit bij zijne denkbeelden over eene reformatie van het tooneel a priori buitengesloten. De Hertog van Meiningen leverde door zijn dramatische vertooningen het bewijs van het tegendeel. Door het bestudeeren van het dichtwerk tot in zijn kleinste bijzonderheden, elk onderdeel behoorlijk te verzorgen, zich rekenschap te geven van elke situatie, van elk woord, en bij de vertooning niets als kleinigheid te beschouwen, verkreeg hij een geheel, dat de gedachten van den dichter zoo nabij mogelijk moest komen. Het spreekt van zelf, dat het decoratieve gedeelte, de costumes en accessoires
6
niet meer als bijzaken werden beschouwd, maar dat ook daaraan de noodige zorg werd besteed. Niet, dat het hier te doen was om het tentoonstellen van fraaie decoraties en schitterende costumes, zooals men de Meiningers wel eens heeft verweten, maar men wilde, dat deze overeenstemmen zouden met de handeling en het woord, daarom moest bij historische stukken de kleeding historisch waar, en het tooneel een de waarheid zoo nabij mogelijk komend beeld van de plaats der handeling zijn.
Niets, wat het oog op het tooneel ziet, moet storend werken, vandaar, dat de Hertog er ook op bedacht was, dat, wanneer het dichtwerk een groot aantal personen te zamen op het tooneel vereischte, die werkelijk de door den dichter gedachte massa voorstelden. De figuranten moesten niet meer onverschillige toeschouwers zijn van het tooneel, waarin zij optraden, maar aan de handeling zelf deelnemen. Was de vertooning tot in alle onderdeelen behoorlijk verzorgd, dan alleen kon het drama boeien en den toeschouwer van het begin af in die stemming brengen en houden, welke noodig is, om een kunstwerk behoorlijk te genieten en het in staat te stellen, een veredelenden invloed op den toeschouwer uit te oefenen. Dat is het, wat de Hertog wilde en wat hij ook in alle opzichten heeft bereikt.
Eene hervorming van het tooneel zou moeten beginnen met de leiding, dat was ook het oordeel van den Hertog van Heiningen, en daar nu niemand met zijn denkbeelden beter bekend was dan hijzelf, werd hij zijn eigen intendant. Hij ontwierp de schetsen voor decoraties en costumes of gaf er de denkbeelden voor aan; de verdeeling der rollen werd door hem met de meeste nauwgezetheid overwogen; van emplooien wilde hij niets weten : dat lid van zijn gezelschap, dat door den aard van zijn talent en zijne persoonlijkheid het meest overeenkwam met het door den
7
dichter geteekende karakter, werd gekozen. Daarbij behield hij zich steeds het recht voor om een tooneelspeler de rol, welke hem was toevertrouwd, weer af te nemen, wanneer bij de repetitie bleek, dat deze er minder geschikt voor was dan hij had gedacht. Hij besprak niet alleen de rollen met de tooneelspelers, die de hcofdrollen te vervullen hadden â in welke taak hij voor de vrouwelijke leden van zijn gezelschap bijgestaan werd door zijne kunstzinnige echtgenoote Freifrau Ellen von Heldburg en voor de mannelijke door Hofrath Chronegk â maar hij woonde de repetities bij en was met oog en oor zoo geheel bij de zaak, dat hem ook de kleinste fout niet kon ontsnappen. Al duurde do repetitie van één bedrijf soms uren lang', onvermoeid bleef hij op zijn post en gaf daardoor tevens aan zijne tooneelspelers een goed voorbeeld. Waar hun vorst hen zoo voorging in liefde voor de kunst, geduld en vlijt, daar kon het wel niet anders, of ook zij zouden hun best doen, om het ideaal van hun leider te helpen verwezenlijken.
De resultaten, die door zulke samenwerking van den vorstelijken leider en zijn gezelschap verkregen werden, voldeden den Hertog zoo goed, dat, zooals wij zagen, de gedachte bij hem rijpte, deze resultaten ook buiten Mei-ningen te vertoonen en daardoor aanhangers te winnen voor het daaraan ten grondslag liggende principe. Het onderscheid tusschen zijn principe en dat van Richard Wagner bestond immers ook daarin, dat deze voor de uitvoering zijner denkbeelden een geheel nieuw theater noodig had, hij daarentegen met ieder tooneel genoegen nam, dat maar groot genoeg was. Bn terwijl Wagner verlangde, dat het Duitsche volk in feestelijke stemming tot hem moest komen, ging het Meininger Hoftheater tot het volk, en meende de noodige stemming door zijne voorstellingen zelf onmiddellijk m het leven te kunnen roepen.
De leiding dezer gastvoorstellmgen werd aan Lu dwig Chronegk toevertrouwd. Toen Hertog Georg bij de aanvaarding zijner regeering in 1866 zi|n Hoftheater reorganiseerde, werd Chronegk daaraan verbonden en speelde hij acht jaren karakter-komische rollen; in 1873 werd hij tot Regisseur benoemd en reeds het volgende jaar had hij de eerste gastvoorstellingen te Berlijn te leiden. Tot heden is hij de ziel dezer gastvoorstellingen geweest, en ook in dit jaar zal hij weer daarbij tegenwoordig zijn. De Hertog erkende zijue verdiensten door hem achtereenvolgens in 1876 tot Ober-Regisseur, in 1877 tot Directeur, in 1879 tot plaatsvervangend Intendant, in 1880 tot Intendant en in 1884 tot Hofrath te benoemen. Zijne taak is geen geringe. Tal van moeielijkheden moeten worden overwonnen, voordat de gastvoorstellingen een aanvang kunnen nemen, waaronder wel de grootste is de voorbereiding der talrijke figuranten, die bij enkele stukken noodig zijn. Het is niet mogelijk, al deze figuranten mee op reis te nemen en daarom moet Hofrath Chronegk beginnen, voordat het gezelschap aankomt, om geheel ongeoefende mannen en vrouwen in korten tijd tot figuranten te vormen, die in staat zijn nan de handeling deel te nemen. Wat hij in slechts weinige dagon op dit gebied weet te bereiken, grenst aan het ongeloofelijke. Men moet dat zelf gezien en gehoord hebben, om het te begrijpen en naar waarde te schatten. Bij de groote massa personen, die dikwijls op het tooneel veree-nigd zijn, is er niet één, die niet door zijne gebaren, zijne handelingen iets uitdrukt, iets zegt. Wel wordt hem zijne taak daardoor vergemakkelijkt, dat de in een stuk niet ingedeelde tooneelspelers mee moeten figureeren, en deze dit met dezelfde toewijding- doen, alsof zij eene der hoofdrollen hadden te spelen.
Waar uitmuntende leiding, talent, kennis en toewijding
9
zoo hand aan hand gaan, daar was het wel niet anders mogelijk , of er moest een geheel ontstaan , dat in alle opzichten den toets der scherpste critiek kan doorstaan. Dit is ook hier het geval geweest. En toen nu hun werk bij het eerste optreden buiten Meiningen bekroond werd met het schitterende succes , waarvan Karl Frenzel in het aangehaald opstel in zijn âBerliner Dramaturgiequot; getuigenis geeft, werd in het vervolg ieder jaar een groote tournóe ondernomen ; in 1880 had Amsterdam de eer, de Meiningers in zijn Grooten Schouwburg te zien optreden en hun succes was ook daar zoo groot, dat de op de maand Mei bepaalde voorstellingen nog tot 11 Juni werden gegeven, toen zij moesten gestaakt worden , omdat een contract met Dusseldorf dwong, daar den 15den Juni op te treden. Het jaar 1886 was oorspronkelijk tot eene reis naar Amerika bestemd, maar door een zware ziekte van Hofrath Ohronegk moest dit plan worden opgegeven.
Om eens een klein denkbeeld te geven van de betee-kenis dezer gastvoorstellingen, mogen hier eenige cijfers plaats vinden. In 13 jaren werden 29 steden bezocht en gezamenlijk ongeveer 2000 voorstellingen gegeven, wier recette bijna vijf miilioen Mark bedroeg. De gedurende de eerste tien jaar gegeven weldadigheids-voorstellingen brachten-80,000 Mark op. Van de stukken van hun répertoire heeft Julius Caesar het tot het grootste aantal vertooningen gebracht, niet minder dan drie honderd.
Hoe groot intusschen ook de invloed der regie op de voorstellingen van het Meininger Hoftheater moge zijn, het spreekt van zelf, dat het welslagen der voorstellingen voor een groot deel ook afhankelijk is van de tooneelspelers.. die voor de bezetting der verschillende rollen voorhanden zijn. Want al is de bekwaamheid, om uit de aanwezige-
10
tooneelspelers juist dien te kiezen, wiens individualiteit het best met eene rol overeenkomt, zeer groot, men is niet in staat talenten te scheppen, en hoewel de Hertog zich veel moeite geeft, om de goede tooneelspelers voor zijn gezelschap te behouden, er heeft toch eene voortdurende verwisseling van personeel plaats, omdat het geven van gastvoorstellingen buiten Meiningeu voor de tooneelspelers groote onaangenaamheden na zich sleept. Men heeft wel eens gezegd, dat de Meiningers geen enkel goed tooneel-speler hebben: deze beschuldiging is volkomen ongegrond j men behoeft slechts de namen Barnay, Salomon, Nesper, Emmerich Robert e. a. te noemen, die aan dit gezelschap zijn verbonden geweest, om het tegendeel te bewijzen. Ook op dit oogenblik bezit het gezelschap weer krachten van groote reputatie. Het is bovendien van algemeene bekendheid, dat de Hertog jonge tooneelspelers, die talent toonen te bezitten, weet te vormen. Voor deze is zijn theater als liet ware eene leerschool geworden.
Niet beter kon het Meininger Hoftheater de juistheid van zijn principe toonen dan door het kiezen van zulke drama's voor zijn répertoire, die algemeen bekend waren en van welke de litteraire waarde door niemand meer in twijfel werd getrokken, drama's bovendien, die door ieder gezelschap te verkrijgen waren en die ook eens een deel van bet répertoire van andere theaters hadden uitgemaakt, maar reeds sindslanggeen publiek meer trokken. Alleen bij zulke keuze was het mogelijk, de voorstellingen met die van andere te vergelijken en na te gaan, of het die drama's in een zoodanig nieuw en beter licht had weten te plaatsen, dat zij weer aantrekkingskracht op het publiek zouden kunnen uitoefenen. Men moest tevens het gevaar trachten te ontloopen, dat de voorstellingen bij de beoordeeling zouden kunnen te lijden hebben onder
11
eene verkeerde keuze van het stuk. Verder moest men naast stukken, die gelegenheid geven tot het tentoonspreiden van veel glans en pracht, ook zulke plaatsen, die zich door grooten eenvoud kenmerken, om niet de verwijtingen te moeten hoeren, â die trouwens toch niet zijn weg gebleven â dat alleen de pracht zijner decoratiën en costumes het publiek aantrok. Bovendien zou het wenschelijk zijn , dat men ook de goede nieuwere en nieuwste drama's in het répertoire opnam, daardoor zou men kunnen toonen, dat zich deze stukken, die op andere tooneelen na drie of vier voorstellingen weer van het répertoire moesten worden genomen bij gebrek aan publiek â zooals dit ook nu nog bij ons meestal het geval is â hier staande kunnen houden en voortdurend publiek weten te trekken. Door op die wijze het répertoire samen te stellen, zou men het best het recht van bestaan en de levensvatbaarheid kunnen toonen van het principe, dat aan de vertooningen ten grondslag ligt.
Het Meininger Hoftheater heeft zoowel het een als het ander gedaan, en al heeft men ook in zijne keuze wel eens mis getast, zoodat een stuk weer spoedig na zijne eerste vertooningen van het répertoire moest verdwijnen, het heeft toch naast de klassieken van Shakespeare, Molière, Goethe en Schiller, stukken vertoond als Grillparzer's Esther, Lindner's Bluthochzeit, Fitger's Rexe e. a.; naast stukken, die schilderachtige décors, prachtige accessoires en keurige costumes vereischen, stukken als Shakespeare's Was Ihr loollt en Molière's Eingebildeter Kranker, die zoowel het een als het ander missen , alle met een even schitterend succes.
12
Het répertoire voor de gastvoorstellingen van dezen zomer is als volgt vastgesteld:
Shakespeare: Julius Caesar.
Der Kaufmann von Venedig.
Was Ihr ivollt.
Ein WintermdrcJien.
Molière : Der eingehildete Kranke.
Schiller; Die Rcmber.
Wallenstein in 2 avonden, (den eersten avond Wallensteins Lager en Die Piccolomini, den tweeden avond Wallensteins Tod).
Maria Stuart.
Die Jungfrau von Orleans.
Wilhelm Teil.
Grillparzer: Esther.
Eene korte bespreking der letterkundige beteekenis dezer werken en den uitvoerigen inhoud vau elk bedrijf, zal men in de volgende bladzijden kunnen vinden.
Voordat deze inleiding wordt besloten, moge nog een enkel woord hier plaats vinden over den invloed, welken het Hertogl. Meininger Hoftheater door zijne gastvoorstellingen op andere theaters heeft uitgeoefend. Het is door niemand â zelfs niet door zijne bestrijders â geloochend, dat de Meiningers groote, verrassende resultaten hebben verkregen. Velen betwijfelden echter, of andere tooneelen wel iets door hun optreden zouden kunnen leeren, het was bovendien te vreezen, dat zij, die iets van hen zouden overnemen, zich uitsluitend tot het uitwendige hunner voorstellingen zouden bepalen, zonder tot de diepere kern te willen of te kunnen doordringen. En zelfs, als men het
13
juiste principe erkende, dan hing het weislagen der toepassing toch ook nog voor een groot deel af van den geest, den smaak en het oordeel van den leider.
De eerste invloed der Meiningers was zeker de minste, dien zij van hun optreden hadden verwacht. Aangemoedigd door het geldelijk succes, dat zij met hunne gastvoorstel-lingen hadden verkregen, trokken nu ook andere gezelschappen te zamen uit, om gastvoorstellingen te geven. Daar deze in het samenspel alleen de kracht der Meiningers zagen, verbeterden zij hun répertoire niet, maar lieten dit hoofdzakelijk bestaan uit stukken van een lager genre; om kosten te sparen, stelden zij zich tevreden met hetgeen zij aan decoraties en wat verder tot een goede mise-en-scène behoort, in den door hen gehuurden schouwburg vonden, hoewel dit meestal gebrekkig, soms smakeloos was; op het spel der figuranten werd in het geheel niet gelet. Zoodoende ontbrak aan het uiterlijke hunner vertooningen te veel dan dat het publiek groote instemming daarmee zou hebben betuigd. Maar al ware de mise-en-scène evengoed geweest al die van de Meiningers, dan ontbrak nog altijd de hoofdzaak, namelijk de band, die alle deelen der vertooning tot één harmonisch geheel vereenigt en waaraan de voorstellingen der Meiningers hare groote aantrekkelijkheid juist te danken hebben.
Het optreden van het Meininger Hoftheater heeft echter ook een veel grooteren invloed uitgeoefend. Dit Hoftheater vierde de grootste triomfen met het reeds lang verwaarloosde klassieke drama, en daarom besloten verscheidene tooneelbestuurders, aangemoedigd door hun voorbeeld, te trachten dit ook weer tot eene nieuwe aantrekkingskracht voor het publiek te maken. Mocht dit streven ook al bij velen tot niets anders leiden dan tot het nabootsen der mise-en-scène, als: meer bij de handeling passende
14
decors en accessoires, historische getrouwheid der costumes, medewerking der figuranten, bij anderen daarentegen heeft hun principe wortel geschoten en heeft hun voorbeeld een hoogst gunstigen invloed uitgeoefend. Hun optreden in 1880 te Amsterdam heeft, zooals reeds vroeger is gezegd, ook op ons tooneel invloed gehad, maar het kan niet ontkend worden, dat die invloed ook bij ons zich hoofdzakelijk heeft bepaald tot de verbetering der mise-en-scène, in de allereerste plaats tot het meer en beter aan de handeling deelnemen der figuranten. Het principe, waarop de vertooningen der Meiningers zijn gegrond, namelijk alles ondergeschikt te maken aan den geest van het drama, heeft zich bij ons nog niet kunnen baanbreken. Bij bijna al onze too-neelgezelschappen ontbreekt zelfs een hoofd, dat het geheel overziet en leidt, ieder stuk tot in de kleinste bijzonderheden bestudeert, aan wien allen zonder onderscheid hebben te gehoorzamen en wiens wenken geheel worden opgevolgd.
Moge het tweede optreden van het Hertogl. Meininger Hoftheater in ons land, dat eerlang zal plaats vinden, ook te dien opzichte eene verandering ten goede brengen !
Schiedam, Maart 1888.
SHAKESPEARE.
Julius Caesar.
INLKIDING.
Julius Caesar is een der drie tragedies van den grooten Brit, die aan de Romeinsche geschiedenis ontleend zijn. Dit tverk is ontstaan in de allereerste jaren van de zeventiende eeuw, waarschijnlijk reeds in 1601. Ten tijde van den dichter waren het leven en de dood van Julius Caesar meermalen het onderwerp van drama's, een bewijs, dat de Engelschen dier dagen in dit onderwerp belang stelden, maar geen van al deze di-ama's heeft eenigen invloed gehad op Shakespeare's werk. Zijn bron voor deze tragedie is alleen geweest eeue Engelsche vertaling van den Griek-schen geschiedschrijver. Plutarchus, die naar eene Fransche vertaling in 1579 door Sir Thomas North bewerkt werd. Plutarchus werd door Shakespeare zoo strikt gevolgd, dat bijna iedere bijzonderheid, iedere gebeurtenis der tragedie aan hem ontleend is, verscheidene uitdrukkingen zelfs zijn letterlijk overgenomen. Men zou echter zeer mistasten, wanneer men daarom meende, dat de trawedie slechts eene
â ' O
dramatische bewerking van het verhaal van Plutarchus is, want hoe trouw de dichter zich ook aan zijne bron heeft
16
gehouden, hij is daar, waar de kiem tot eene dramatische uitbreiding lag, zijn gevoel voor de schildering Tan het echt menschelijke gevolgd en heeft tooneelen in het leven geroepen, die tot het beste behooren, wat ooit op dramatisch gebied is geschreven. Zoo vindt men b. v. over hetgeen onmiddellijk na Caesar's dood plaats had, bij Plutarchus slechts een gebrekkige schets van het groote, kleurenrijke beeld, dat Shakespeare ons voor oogen heeft getooverd. Van de rede van Brutus vindt men in Plutarchus niets en van die van Marcus Antonius slechts aangegeven, welken indruk het testament van Caesar op de menigte maakte, hoe verder M. A. het met bloed bevlekte kleed en de daarin zichtbaar zijnde dolksteken aan het volk toonde, en hoe dit daardoor tot opstand werd aangezet.
Deze tragedie bestaat eigenlijk uit twee deelen, waarvan het eerste en verreweg het beste deel den dood van Caesar, het tweede de lotgevallen van Brutus en Cassius voorstelt. Toch vormen die twee deelen in zooverre één geheel, dat in het eerste deel niet zoozeer de dood van Caesar den inhoud vormt, als wel meer de samenzwering tegen zijne heerschappij, de poging om de republiek te herstellen, terwijl in het tweede deel de ongelukkige uitkomst der samenzwering wordt geschilderd. Sommigen hebben gemeend, dat de tragedie eerder den naam van Brutus dan dien van Caesar zou moeten dragen, omdat Brutus toch eigenlijk de hoofdheld van het stuk is. Maar deze vergeten, dat Caesar niet alleen de hoofdpersoon is in de eerste helft van het stuk, dat zijn dood ook de oorsprong is van den buro'eroorloo', die den hoofdinhoud der tweede helft
O O'
vormt. Bij het zien van de lijken van Cassius en Titinius roept Brutus uit: âO, Julius Caesar, gij zijt nog machtig, uw geest is in ons midden, hij is het, die onze zwaarden naar ons zelve keeren doet.quot; Wel is Brutus in zooverre de
tragische held van het stuk, dat de dichter den strijd heeft geschilderd tusschen zijn menschel ijk gevoel en zijne plichten als Romein. Gaarne zou hij Caesar's geest willen dooden zonder zijn lichaam te doen bloeden, maar daar dit niet kan en Caesar's eerzucht voor de zaak de vrijheid gevaarlijk is, moet hij sterven. Tegenover de andere samengezworenen komt het veriaeven karakter van Brutus sterk uit, en terwijl Cassius Caesar dooden wil, omdat hij ijverzuchtig is op zijn roem en een persoonlijken afkeer van hem heeft, doet Brutus alleen aan de samenzwering meê, omdat het vaderland volgens zijn oordeel den dood van Caesar eischt. Maar Brutus kan door deze daad de Republiek niet redden en deze gaat toch onder. De laatste woorden van Antonius bij het lijk van Brutus, dat bij desniettemin de edelste van alle Romeinen was, werpen echter een verzoenend slotaccoord op de tragische schuld van dezen held.
Julius Caesar verwierf reeds in Shakespeare's tijd grooten bijval, en bij zijne verschijning wedijverden alle theaters in het geven van goede vertooningen dezer tragedie. In den tijd der Restauratie was het een der weinige werken van Shakespeare, die vertoond werden. De beste vertooning in onzen tijd is die van de Meiningers, en zij is model geworden voor allen, die deze tragedie later ten tooneele hebben gebracht. Welk succes de Meiningers daarmede hebben behaald, blijkt genoeg daaruit, dat zij, zooals op bladz. 9 werd gemeld, deze tragedie ongeveer drie honderd malen bij hunne gastvoorstellingen hebben vertoond. Zij begonnen er hun eerste gastvoorstelling mede op 1 Mei 1874, en sinds zijn zij gewoon meestal hunne voorstellingen met dit werk te beginnen.
Shakespeare behoefde niet aan decoratie-verwisseling bij de vertooning zijner stukken te denken, en kon de plaats
18
ilev handeling zoo dikwijls veranderen, als tij lust had, om de eenvoudige reden, dat men in zijn tijd nog geen decoratie had. Hij laat dan ook bijna elk tooneel op eene andere plaats spelen. Om nu Julius Caesar op hun tooneel over te brengen, zonder de ontwikkeling der handeling door een te vaak veranderen van het tooneel te storen, hebben de Meiningers met weglating van slechts één klein tooneel (het eerste van het vierde bedrijf) de achttien tooneelen van het stuk tot zeven weten terug te brengen. De drie tooneelen van het eerste bedrijf brachten zij op één plaats, ook de vijf tooneelen van het laatste bedrijf hebben zij op hoogst artistieke wijze op één plaats samengetrokken. De kleine scène aan het slot van het tweede bedrijf is aan het begin van het derde geplaatst, terwijl het laatste tooneel van dit bedrijf met de groote forum-scène is samengesmolten.
Met de volksscène's, die in dit stuk voorkomen, hebben de Meiningers de bewondering weggedragen van allen, die deze tragedie ooit van hen hebben gezien.
INHOUD.
Eerste Bedrijf.
De republikeinsch gezinde tribunen Flavius en Marullus ergeren zich over de burgers, die er een feestdag van maken Caesar te zien, en zich bij zijn triomftocht te verheugen, nu Caesar de zonen van Pompejus heeft overwonnen, terwijl zij vroeger Pompejus toejuichten; zij bevelen de burgers de plaats te ontruimen. Men hoort de trompetten, die het naderen van Caesar verkondigen. Wanneer Caesar genaderd is, roept eene stem onder het volk zijn naam. Hij laat den man naderbij komen, het is een waarzegger, die
19
hem aanraadt zich in acht te nemen voor de Iden van Maart. (De Idus of Iden van eene maand duidden den löden dag aan van Maart, Mei, Juli en October, en den IS^611 van iedere andere maand. Op den 13den Februari werd Caesar de kroon aangeboden, en op den IS'1611 Maart, den dag, waarop door sommigen zijne kroning werd verwacht, werd hij vermoord). Caesar let niet op die woorden en beveelt verder te trekken. Alleen Brutus en Cassius blijven terug; Brutus heeft geen lust het schouwspel van den wedloop, dat zal beginnen, mee aan te zien. Cassius tracht Brutus nu tegen Caesar op te ruien; tot drie malen toe hooren zij trompetgeschal en gejuich. Daar Brutus vreest, dat het volk Caesar de koningskroon zal aanbieden, herinnert Cassius hem aan zijn voorvader Junius Brutus, die Tarquinius Superbus verdreef en liever het regiment van den duivel dan de macht van een koning in Rome zou hebben geduld. Caesar komt met zijn optocht terug. Hij is toornig, ook al de anderen zien er misnoegd uit. Caesar waarschuwt Antonius voor Cassius; dien man zou hij vreezen, ware hij niet Caesar. Hij gaat met den optocht verder; alleen Casca blijft met Brutus en Cassius terug, om dezen te vertellen, wat er zooeven is gebeurd, namelijk dat Antonius aan Caesar tot driemaal toe da konins'skroon heeft aangeboden, maar dat Caesar haar telkens heeft geweigerd, waarbij het gepeupel dan in de handen klapte en juichte; bij de derde maal was Caesar, die aan vallende ziekte leed en die zich ergerde over het gejuich van het volk bij zijne weigering, neergevallen, en toen hij weer tot zich zelve was gekomen, had hij om verschooning gevraagd, wanneer hij iets onpassends gedaan of gezegd had. Voordat Casca heengaat, belooft hij Cassius, den volgenden dag bij hem te eten. Ook Brutus gaat heen, nadat hij Cassius heeft uitgenoodigd tot hem te komen, als hij hem wenscht
20
te spreken. Gassius vat het plan op, in den nacht briefjes van verschillend handschrift, alsof zij van verscheidene burgers kwamen, door het raam van Brntus te werpen, waarop geschreven zal staan, welke groote hoop Rome op Brutus bouwt. Daarna verwijdert ook hij zich.
Een onweer barst los. Casca ijlt met ontbloot zwaard over de straat, hij heeft allerlei spookachtige gestalten gezien; hij ontmoet Cicero, die hem vraagt, of Caesar den volgenden dag op het Capitool zal komen. Casca antwoordt, dat Caesar reeds aan Antonius had opgedragen hem. Cicero, te zeggen, dat hij komen zal. Wanneer Cicero verder is gegaan, komt Cassius; Casca deelt dezen mede, dat de Senaat van plan is Caesar morgen tot koning te kronen, waarop Cassius antwoordt, dat hij dan weten zal, waarheen zijn dolk zich zal wenden. Daar Casca hem belooft aan zijne zijde te zullen staan, deelt Cassius hem mede, dat hij reeds verscheidene personen voor zijn plan heeft gewonnen, waarmee hij juist eene samenkomst zal hebben. Cinna, een der samengezworenen, komt hem melden, dat de anderen hem reeds verwachten. Cassius geeft Cinna nu een blad papier, dat hij op den stoel van Brutus moet leggen, waar niemand dan hij het zal kunnen vinden, een ander, om het door zijn raam te werpen, en een derde, om het aan het standbeeld van Junius Brutus vast te hechten. Cassius en Casca zullen hem in zijn huis bezoeken, en hem vóór het aanbreken van den dag geheel voor hunne zaak zien te winnen.
Tweede B e d e ij f.
Brutus wekt zijn knecht Lucius, verzoekt hem licht in zijn werkkamer te brengen en hem dan te waarschuwen. Lucius voldoet aan dit bevel; in de kamer vond hij een
21
verzegelden brief, die er nog niet lag, toen hij naar bed ging en dien hij nu aan Brutus brengt. Deze opent den brief en leest de woorden: âBrutus, gij slaapt, ontwaak, herken u zelf, zal Rome â? Spreek, sla, herstel weer Hij begrijpt deze woorden, die men hem reeds meermalen in den laatstcn tijd heeft toegeroepen. Sinds Cassius hem over Caesar gesproken heeft, kan hij niet meer slapen. Br wordt geklopt; Lucius treedt binnen om te melden, dat Cassius en verscheidene andere in hun mantel gehulde mannen hem wenschen te spreken. Brutus beveelt hen binnen te laten, en nu treden Cassius, Casca, Decius, Cinna, Metellus en Trebonius binnen; door allen wordt ten slotte besloten, den volgenden dag Caesar te dooden, maar Marcus Antonius, dien Cassius ook wilde dooden, te laten leven. Mocht Caesar niet op het Capitool willen komen, dan zal Decius hem door vleierij er toe weten te brengen, dat hij toch gaat. Bij het aanbreken van den dag scheiden de samenzweerders en laten Brutus alleen. Portia, Brutus' gemalin, is van hare legerstede opgestaan, daar de onrust van haren man haar mede verontrust. Zij wil de oorzaak van zijn verdriet kennen ; eerst tracht hij een ontwijkend antwoord te geven, maar dan deelt zij hem mede, dat zij, om hare standvastigheid te beproeven, zich zelf gewond heeft. Buiten wordt er geklopt en daarom verzoekt Brutus haar, een oogenblik heen te gaan, dan zal hij haar naderhand alles vertellen. Ligarius, door Metellus tot Brutus gezonden, komt tot hem, hoewel hij ziek is. Als hij hoort, dat Brutus van plan is eene eervolle daad te volvoei-en, schudt hij zijne ziekte af om hem daarin bij te staan; beiden vertrekken, op weg zal Brutus hem alles mededeelen.
Er woedt een vreeselijk onweer. Caesar treedt in een nachtgewaad zijn kamer binnen en beveelt zijn dienaar de
22
priesters op te dragen, een offer te brengen en hem de voorspellingen mede te deelen, die zij uit de offerande afleiden, want zijne gemalin Calpurnia heeft driemaal in den slaap uitgeroepen: âHelpt! Helpt! zij vermoorden Caesar!quot; Calpurnia deelde hem nu ook mede, dat zij wonderteekenen heeft gezien, die haar verontrusten, en daarom smeekt zij hem heden niet uit te gaan. De dienaar keert met de boodschap der priesters terug, die hem ook den i-aad geven, heden niet uit te gaan. Berst wil Caesar er niet van hooren, maar later besluit hij ter wille vau Calpurnia thuis te blijven en te zeggen dat hij ziek is. Decius, die juist bij Caesar binnentreedt, zal de boodschap aan den Senaat overbrengen. Decius weet hem echter er toe over te halen toch te gaan, en wanneer nu ook de andere samenzweerders komen, om hem af te halen, besluit hij met hen mede te gaan.
Artemidorus, een Griek, die met eenige vrienden van Brutus bekend was, wil Caesar eene waarschuwing als smeekschrift overhandigen, als hij voorbij komt, om naaiden Senaat te gaan. Leest hij ze, dan is hij gered; zoo niet, dan is hij verloren.
D E i: D e B E D li IJ F.
Portia beveelt Lucius naar de Senaatzitting te gaan, om te zien, of Brutus er goed uitziet en wat Caesar doet; de Waarzegger deelt haar echter mede, dat Caesar nog' niet op het Capitool is, en dat hij op hem wacht om hem een verzoek te doen; belieft het Caesar hem aan te hooren, dan zal deze zich zelf het grootste genoegen doen, want hoewel hij niets met zekerheid weet, vreest hij toch, dat men tesren Caesar kwaads brouwt. Portia is in doodsangst,
O
maar zij laat niets merken. Het volk, waaronder zich ook
23
Artetnidorus bevindt, stroomt toe, Caesar eu de samenzweerders begeven zich naar het Capitool. Als Caesar den Waarzegger ziet, herinnert hij er hem aan, dat de Iden van Maart nu gekomen zijn, maar deze antwoordt, dat de dag nog niet om is. Artemidorus verzoekt Caesar zijn smeekschrift te willen lezen, daar het hem. Caesar, persoonlijk betreft, maar juist daarom zal hij het het laatst lezen. Caesar en de Senatoren, die bij zijne komst waren opgestaan, nemen nu hunne plaatsen in. Verscheidene smeekschriften worden hem overhandigd. Brutus vraagt hem verlof om den verbannen Publius Cimber te laten terugkeeren, Cassius werpt zich op de knieën om hem tevens voor Publius Cimber's vrijheid te smeeken. Caesar weigert. Dan vallen de samenzweerders met hunne dolken op hem aan, en als hij ziet, dat ook Brutus den dolk tegen hem opheft, valt hij onder den uitroep :Brutus, ook gij!'' dood neer, terwijl de Senatoren ontzet vluchten. Een dienaar van Marcus Antonius komt Brutus in naam van zijn heer verlof vragen, het lijk van Caesar te mogen naderen, welk verlof wordt toegestaan. Antonius treedt binnen, weeklaagt bij het zien van het lijk en verlangt, wanneer hij ook moet vallen, nu te sterven, maar Brutus antwoordt hem, dat niet besloten is hem te dooden. Eerst wil Brutus het volk toespreken, en hem dan zeggen, waarom hij, die Caesar zoo beminde, hem heeft gedood. Antonius vraagt om de gunst, het lijk van Caesar op de markt te mogen tentoonstellen en, zooals hij als vriend behoort te doen, eene redevoering bij de lijk-plechtigheid te houden. Brutus staat het hem onmiddellijk toe, maar Cassius is er tegen, omdat het volk door zijne rede kan opgeruid worden. Brutus meent echter, dat het hun eerder tot voordeel dan tot nadeel kan strekken, wanneer zij Caesar's lijk alle verschuldigde eer geven; hij zal trouwens vóór Antonius het spreekgestoelte beklimmen
â¢24
en het volk van Caesar's dood rekenschap geven. Hij staat Antonius nu toe het lijk weg te nemen en na hem het spreekgestoelte te betreden , hij mag van Caesar zooveel goeds zeggen als hij slechts wil, en hij mag er tevens bijvoegen, dat hij dit doet met verlof van hen, die Caesar doodden. Antonius zendt een bode naar Octavius Caesar (een geadopteerde zoon van Julius Caesar), om dezen tamp; waarschuwen niet te voldoen aan het bevel, dat Caesar hem gezonden had, en dus niet naar Eome te komen. Hij en de bediende dragen Caesar's lijk weg.
Groote volkshoopen dringen zich om Brutus en Cas-sius heen, zij willen rekenschap hebben over den dood van Caesar. Brutus zal hun rekenschap geven; hij deelt het volk in eene welsprekende rede mee, dat, hoewel hij Caesar bemind heeft meer dan iemand, hij hem toch heeft moeten dooden, omdat hij Eome meer beminde, daar Caesar heerschzuchtig was en de burgers van Rome tot slaven wilde verlagen. Antonius verschijnt met het lijk van Caesar, maar het volk is reeds geheel op de zijde van Brutns en wil hem in triomf naar huis brengen; op zijn verzoek blijft het echter, om ook Antonius te hooren. Wanneer het rumoer bedaard is, spreekt deze; in zijn rede weet hij de motieven der samengezworenen verdacht te maken; hij toont hun Caesar's doorboorden mantel en zijn lijk, zoodat het volk meer en meer partij tegen de samen-gezworenen begint te trekken, en als hij hen dan met Caesar's testament bekend maakt, waarin deze aan elk Romeinsch burger 75 drachmen (ongeveer 25 gulden) heeft vermaakt, dan wordt het volk zoo woedend, dat het Caesar's dood wil wreken. De rede van Antonius is het schoonste deel der tragedie, het is niet mogelijk haar in weinig woorden samen te vatten. Terwijl Caesar's lijk wordt weggedragen, komt een dienaar aan Antonius mededeelen, dat Octavius in Rome
25
is en dat Brutus en Cassias uit Rome gevlucht zijn. Automus gaat Octavius opzoeken. De dichter Cinna, die de lijk-plechtigheid wilde komen bijwonen, wordt door het oproerige volk gedood.
Vierde B e d e ij p.
Brutus en Cassius hebben beiden een leger op de been gebracht; Brutus bevindt zich met het zijne in de nabijheid van Sardes. Pindarus, de dienaar van Cassius, brengt Brutus een brief van zijn heer, waarin deze hem meldt, dat hij tot hem komen zal. Cassius komt met zijne soldaten en wil Brutus verwijtingen doen^ maar deze verzoekt hem zijne bezwaren onder vier oogen te willen mededeelen en niet in tegenwoordigheid der soldaten. Deze verwijderen zich en de beide mannen staan alleen tegenover elkander. Brutus verwijt Cassius, dat hij hem geld heeft geweigerd, toen hij hera dit heeft laten vragen, om zijne legioenen te kunnen betalen. Eene heftige woordenwisseling heeft tusschen beiden plaats, die echter met eene verzoening eindigt. Brutus klaagt hem nu zijn leed over den dood van Portia en deelt hem mede, dat Antonius en Octavius met sterke macht tegen de samengezworenen optrekken en zich met hunne scharen naar Philippi wenden. Titinus en Messala voegen zich bij Brutus en Cassius en er wordt besloten, hoewel Cassius er zich tegen verklaart, onmiddellijk ook naar Philippi. op te rukken. Daar het inmiddels nacht is geworden, gaan allen een weinig rust nemen. Brutus kan niet slapen., daarom laat hij zich door Lucius iets op de luit voorspelen; deze slaapt echter daarbij in en nu neemt Brutus een boek, en gaat zitten lezen. Plotseling verschijnt de geest van Julius Caesar, deze
26
verkondigt hem, dat hij hem bij Phillippi terug zal zien en verdwijnt dan weer. Brutus wekt in zijn angst de bedienden, niemand heeft iets gezien of gehoord; hij iaat nu Cassius weten, vroeg met zijne strijdmacht op te breken, bij zal met de zijne volgen.
Vijfde Bedrup.
In de vlakte van Philippi bevinden zich Antonius, Octavius en hun leger. De vijand trekt met zijn leger tegen hen op, Octavius en Antonius gaan hem met het hunne te gemoet. Brutus en Cassius komen aan, maar voor den strijd willen zij eerst een onderhoud hebben met Antonius en Octavius; dit onderhoud wordt toegestaan, maar vermeerdert slechts de verbittering. Cassius besluit, dat hij, mocht de slag heden voor de zijnen verloren gaan, zich zelf zal dooden, daarom neemt hij thans een hartelijk afscheid van Brutus. De slag woedt, de mannen van Cassius vluchten, en daar deze meent, dat de slag van alle zijden %oor de zijnen is verloren, smeekt hij zijn dienaar Pindarus, hem met zijn eigen zwaard, waarmee hij eens Caesar doodde, te doorboren, aan welk verlangen Pindarus voldoet, Ondei den uitroep; âCresar, gij zijt gewroken en met het zwaard, dat u den dood eens gaf!quot; sterft Cassius. Brutus heeft Octavius overwonnen; Titinus en Messala willen Cassius deze blijde tijding brengen, maar vinden hem dood. Titinus neemt den krans, dien Brutus hem voor Cassius had gegeven, legt hem op het hoofdd van Cassius en doodt zich dan ook met het zwaard van Cassius. Brutus komt en ziet zijne vrienden dood liggen. Toch mag hij hen niet beweenen; 'het is drie uur, en voordat de nacht aanbreekt, wil hij ia een nieuwen veldslag het geluk beproeven.
27
Het gevecht heeft plaats, maar het leger van Brutus wordt verslagen; daarom smeekt hij verscheidene van zijne vrienden hem te dooden; daar niemand het echter doen wil, berooft hij zich zelf van het leven. Antonius en Octavius komen met hun leger aan, zij zien het lijk van Brutus en hooren, hoe hij zich zelf den dood gaf. Antonius getuigt van hem, dat hij de edelste van allen was; al de anderen deden, wat zij gedaan hebben, uit afgunst tegen Caesar, hij alleen handelde zoo, omdat hij meende, het algemeen welzijn daardoor te kunnen bevorderen.
1 )er iCaufmann von quot;Venedig-.
(The Merchant of Vemce.)
INLEIDING.
The Merchant of Venice verscheen voor het eerst in druk in het jaar 1600 onder den titel: De voortreffelijke historie van den Koopman van Venetië. Met de buitengewone gruwelijkheden van den Jood Shy lock tegen voorzegden koopman, van ivien hij een geheel pond van zijn vleesch icilde snijden. En de verkrijging van Portia, door de keuze van drie kastjes. Geschreven door W. Shakespeare. Hoewel het stuk eerst in 1600 is verschenen, staat het toch vast, dat het in 1598 reeds geschreven was,, zoodat als tijd van zijn ontstaan met zekerheid kan worden aangenomen tusschen 1594 en 1598.
De dichter putte zijn stof uit eene Middeleeuwsch-Latijnsche verzameling van novellen Gesta Romanorum, waarin de beide verhalen, maar van elkander gescheiden.
28
voorkomen. Het eene verhaal, getiteld: De Müite conven-tioriem faciente cum Mer cat ore, (Over een krijgsman, die eene overeenkomst sluit met een koopman) geeft in alge-meene trekken het verdrag van den krijger met den koopman, den benarden toestand, waarin de eerste zich bevindt en zijne redding door tnsschenkomst van eene dame, zooals dit bij Shakespeare voorkomt, maar de vrijer krijgt hier het geld niet door tnsschenkomst van een vriend, doch staat zelf met zijn vleesch borg, terwijl ook de man, van wieri hij het geld krijgt, niet als âJood, maar als âKoopmanquot; wordt aangeduid. Zoowel het eene als het andere vindt men echter in een verhaal der Italiaansche novellen-verzameling II Pecorone van Giovanni Fiorentino, welk werk in het jaar 1554 voor het eerst te Milaan werd gedrukt, en waarvan eene Engelsche vertaling heeft bestaan, die Shakespeare waarschijnlijk heeft gekend. Het motief voor de geschiedenis der drie kastjes vond Shakespeare in eene andere novelle der Gesta Somcinovum, die reeds 111 het jaar 1577 uit deze verzameling door Robert Robertson in het Engelsch was vertaald. Vóór Shakespeare's stuk bestond ook nog eene ballade van den âJood Gernutus,quot; die het proces tusschea den Jood en den Koopman behandelt, welk proces noch in de Gesta Romanorum, noch in II Pecorone voorkomt.
Is het dus ook hier mogelijk tamelijk nauwkeurig de bronnen aan te wijzen, waaruit Shakespeare voor zijn drama heeft geput, de meesterlijke karakterteekeningen zijn geheel van hem en in de handeling heeft hij enkele too-neelen gevlochten, die in geen zijner bronnen voorkomen, maar die juist op zijn hoofdkarakter een scherp licht werpen. Onder deze behoort voornamelijk te worden genoemd de ontvoering van Shylock's dochter Jessica, omdat hierdoor de haat, welken Shylock de Christenen toedraagt.
menschelijker woi-dt. Vooral Antonio haat liij, èn omdat hij gelden uitleent zonder interest, maar ook, omdat hij zijn godsdienst heeft bespot, op hem, den Jood heeft gespuwd en hem een hond heeft gescholden. Daar komt hem nu die zelfde Antonio om geld vragen, hij zal het hem geven, maar tegen de voorwaarde slechts, dat Antonio hem een pond van zijn vleesch moet afstaan, als hij niet op tijd kan betalen. Op het oogenblik, dat hij dit contract sluit, kan hij er nog niet aan denken, dat hij zich op Antonio zal kunnen wreken, want Antonio is zeer rijk. Maar dan verneemt hij de ongelukken van Antonio te gelijk met de tijding van Jessica's ontvoering door Christenen. Voor allen haat, waarmee de Christenen hem hebben vervolgd, voor allen smaad, dien zij hem hebben aangedaan, voor al het verlies, dat hem door bun schuld heeft getroffen, heeft hij nu Antonio als offer voor zijn wraak in handen en hij is vast besloten zich daarmee in eens te betalen voor het verledene en de toekomst. Hij is hier de beleedigde Jood uit de middeleeuwen, dien christelijke liefdeloosheid tot een uitvaagsel der maatschappij maakte. Zóó opgevat krijgt het karakter van Shylock iets menschelijks, en zoo wordt het ook in de laatste jaren door de meeste groote tooneelspelers vertolkt, het meest consequent door den Directeur van het Lyceum-Theatre te Londen, den grootsten Engelschen tooneelspeler Henry Irving.
Door de vermenging der hoofdhandeling met de geschiedenis der drie kastjes, verliest het stuk wel eenigszins, omdat daardoor eenheid van handeling ontbreekt. Deze geschiedenis bezit daarbij weinig innerlijke waarde. Immers van de moraal, dat niet alles goud is, wat blinkt, is door Portia's vader op eene wijze misbruik gemaakt, die het gansche levensgeluk zijner dochter op het spel zet.
30
Want zoo goed als Bassanio had ook een ander op het denkbeeld kunnen komen, dat het eenvoudigste kastje de hoogste waarde inhield.
De Meiningers vertoonden der Kaufmann von Veriedig het eerst te Berlijn den 12den Juni 1874. Maar er zijn weinig stukken, waarbij zooveel van de bezetting der rollen, voornamelijk der hoofdrol, afhangt als juist dit, te meer, daar velen de rol van Shylock wel eens door een groot tooneelspeler hebben zien vertolken en daarvan indrukken hebben verkregen, die niet zoo gemakkelijk uit te wisschen zijn, en die onmiddellijk den toeschouwer doen vergelijkingen maken. Het stuk beleefde daarom bij de Meiningers tot November 1881 slechts 15 voorstellingen en werd toen tot voor twee jaren geleden geheel van het répertoire genomen, omdat zij geen tooneelspeler hadden, die de rol van Shylock behoorlijk kon vervullen. In den laatsten tijd is dit drama echter weer met eeno nieuwe bezetting en prachtige mise-en-scène herhaalde malen door hen met het schitterendste succes vertoond.
INHOUD.
Eerste B E D R IJ F.
Antonio, de koopman van Venetië, spreekt met zijne vrienden Salariuo en Salanio over de gedrukte stemming, waarin hij verkeert; deze trachten haar daaraan toe te schrijven, dat zijn vermogen in schepen op zee is en hij daaraan Avel steeds moet denken, wat echter door Antonio zelf wordt teffengesproken. Zijn neef en vriend Bassanio met twee anderen voegen zich bij hen; ook deze onderhouden zich met Antonio over ziju bekommerd gelaat
31
en laten dan Antonio met Bassanio alleen. Deze deelt genen mede, dat hij gaarne als minnaar bij Portia, eene jonkvrouw te Belmont, zou willen optreden. Zijn voorgevoel voorspelt hem een blij uitzicht, maar hij bezit de middelen niet, om naast andere minnaars zijn rang als mededinger op te houden, hij vraagt daarom Antonio om hulp. Deze verklaart hem echter, dat zijn geheele fortuin op zee rondzwalkt eri hij op het oogenblik geen geld in kas heeft, evenmin gelegenheid heeft om de benoodigde som te verschaffen. Kan Bassanio zich op Antonio's naam het geld verschaffen, dan mag hij dit gerust doen. Beiden gaan er onmiddellijk op uit, om het geld te krijgen.
Portia onderhoudt zich met haar kamermeisje iVTerissa over een aanstaanden echtgenoot. Haar vader heeft besloten, dat haar minnaar uit drie kastjes â één van goud, één van zilver en één van lood â zal hebben te kiezen en hem, die het goede kastje kiest, moet zij tot man nemen. Zij spreken over de verschillende minnaars, die reeds tot haar gekomen zijn, maar van allen bevalt haar niet één. Ook over Bassanio wordt gesproken, over hem laat zich Portia zeer loffelijk uit, maar hij behoort niet tot de mededingers. Een bediende meldt de aankomst van den Prins van Marokko, een nieuwen mededinger.
Bassanio vraagt den Jood Shylock drie duizend dukaten te leen voor drie maanden, Antonio zal er borg voor blijven. Deze komt nu zelf en vraagt het geld voor zijn vriend, maar Shylock antwoordt ,hem, dat hij niet begrijpen kan, hoe Antonio bij hem om geld komt. Hij heeft hem een bloedhond genoemd, op zijn kleed gespuwd, hij beeft hem getrapt als een straathond, heeft zijn heiligen godsdienst beleedigd, en nu komt hij om zijn geld. Moet Shylock nu zeggen : âEdele Heer, verleden Woensdag hebt gij mij op het kleed gespuwd, den volgenden dag hebt
32
gij mij een schop gegeven, en weer op een anderen tijd mij een hond genoemd; en voor die hoffelijkheden kom ik tot u en leen u zooveel geld.quot; Toch wil hij hem het geld leenen en wel tegen een âeenvoudigenquot; borgtocht, maar âvoor de aardigheidquot; moet daarin de bepaling worden opgenomen , dat, als de som niet op tijd wordt terugbetaald, Antonio een pond vleesch van zijn eigen lichaam verbeurt. Bassanio wil niet, dat Antonio om zijnentwil dit contract zal teekenen, maar deze, overtuigd het geld op tijd te kunnen terugbetalen, neemt Shylock's voorwaarde aan.
Tweede B e d e ij f.
Lancelot Gobbo, de bediende van Shylock, overlegt met zich zelf, of hij nog langer bij zijn meester zal blijven ; dan komt zijn halfblinde vader, die zijn zoon niet herkent. Lancelot houdt hem eerst een beetje voor den gek, maar geeft zich dan te herkennen en hij vertelt zijn vader, dat hij het bij den Jood slecht heeft en gaarne bij Bassanio in dienst zou willen komen. Deze komt juist en op verzoek van vader en zoon Gobbo neemt hij Lancelot dadelijk in zijn dienst. Gratiano, zijn vriend, vraagt hem, naar Belmont met hem mede te mogen gaan; hij staat het na eenige aarzeling toe, verwacht hem echter dezen avond nog op een groot feestmaal, dat hij zal geven.
Jessica, Shylock's dochter, overhandigt Lancelot een brief, welken hij aan Lorenzo, dien hij op het feestmaal van zijn nieuwen heer zal ontmoeten, in het geheim m^et geven. Lorenzo komt met zijne vrienden en spreekt met dezen af 's avonds Jessica te ontvoeren. Lancelot geeft hem nu Jessica's brief, die hem aanwijst, hoe die ontvoe-
33
ring zal kuunen gebeuren en hem tevens mededeelt, dat zij zich van goud en kostbaarheden heeft voorzien en welke page-kleeding zij in gereedheid heeft gebracht.
Lancelot deelt Shylock zijn vertrek uit zijn huis mede en noodigt hem op het avondfeest bij zijn nieuwen heer. Khylock geeft Jessica de sleutels en beveelt haar aan, de deuren goed gesloten te houden, hij gaat het feestmaal bijwonen.
Gratiano en Salarino wachten gemaskerd reeds op Lorenzo, om hem te helpen Jessica te ontvoeren. Hij nadert, Jessica in jongelingskleeding wacht hem reeds boven aan het venster. Zij werpt hem een kistje met kostbaarheden toe en komt dan zelf, waarop allen vertrekken.
De Prins van Marocco is te Belmont aangekomen en doet aanzoek om de hand van Portia. Deze verklaart hem echter, niet vrij over hare hand te kunnen beschikken, maar hem te zullen huwen, die het juiste kastje kiest, zooals haar vader dit gewild heeft. Het gouden kastje draagt het opschrift: âHij, die mij kiest, verkrijgt, wat menig man begeertquot;; het zilveren kastje: âHij, die mij kiest, verkrijgt zooveel als hij verdient,quot; en het looden kastje: âHij, die mij kiest, sta af en waag al wat hij heeft.quot; In een van de drie is Portia's portret, en zoo hij dat kiest, is zij dadelijk de zijne. Na lang overleg kiest hij het gouden kastje, zij geeft hem den sleutel, hij ontsluit het en vindt een doodskop daarin, met een beschreven rol in zijn oogkas, waarin gezegd wordt, dat al wat blinkt nog geen goud is en menigeen het reeds berouwd heeft op zijn glans te hebben gebouwd. De Prins van Marocco moet nu onmiddellijk vertrekken.
Salarino en Solanio deelen elkander mede, hoe Shylock den Doge wakker geschreeuwd beeft en deze met
3
34
hem is uitgegaan, om zijne dochter te zoeken. Nooit, zegt Solanio, had hij eene zoo groote uitbarsting van woede gezien, als Shylock op de straten had vertoond, zoodat al de straatjongens van Venetië hem naliepen. Salarino verhaalt, dat tusschen Frankrijk en Engeland een rijk geladen vaartuig is vergaan, dat vermoedelijk aan Antonio toebehoort.
De Prins van Arragon is naar Belmont gekomen, om eene keuze te doen. Hij kiest het zilveren kastje, opent het en vindt er de afbeelding in van een idioot, die hem een briefje aanbiedt, waarin wordt gezegd, dat er genoeg verzilverde zotten zijn en dat één daarvan die is, die dit kastje heeft gekozen. Ook deze minnaar gaat dus onverrichter zake heen. Een bode komt melden, dat een jong Venetiaan als voorganger van zijn meester aan de poort is afgestegen. Portia hoopt, dat Bassanio die meester zal zijn.
Derde Bedrijf.
Solanio verzekert Salarino, dat op den Rialto (een van de grootste eilanden, waarop Venetië gebouwd is; vroeger kwamen daar de kooplieden geregeld samen) als zeker -wordt verteld, dat Antonio een schip verloren heeft. Shylock komt tot hen, ook hij heeft van Antonio's verlies gehoord en hij zegt nu reeds, dat Antonio wel voor zijn contract mag oppassen. Een bediende deelt Salarino en Solanio mede, dat Antonio hen wenscht te spreken, daarom gaan zij met den bediende heen. Tubal, een vriend van Shylock, verhaalt dezen nu, dat Antonio ook een schip verloren heeft, hetwelk van Tripolis kwam; verscheidene crediteuren, welke hij gesproken had, deden er een eed op.
35
dat Antonio springen moest. Shylock is gelukkig door deze mededeeling, maar ongelukkig door hetgeen tij hoort van zijne dochter, die zijn geld verkwist. Wanneer Antonio zijn contract niet houdt, zal hij diens hart nemen.
Bassanio is met Gratiano naar Belmonte gekomen, om ook eene keuze uit de kastjes te doen, maar Portia verzoekt hem, niet zooveel haast te maken met het wagen van de kans, want als hij eene verkeerde keuze doet, moet zij zijn gezelschap missen. Hij bekent haar zijne liefde en wil onmiddellijk de kans wagen. Na zich eeaigen tijd bedacht te hebben, kiest hij het looden kastje, waarin hij de beeltenis van Portia vindt. Nu is hij haar verloofde en zij schenkt hem een ring; zoo hij er ooit van scheiden kan, zoo hij hem mist of wegschenkt, zal zulks den ondergang van zijne liefde voorspellen en haar het recht geven, zich over hem te beklagen. Hij echter verklaart, dat deze ring nooit van zijn vinger zal scheiden, of hij moest dood zijn. Gratiano en Nerissa feliciteeren het verloofde paar en gene vraagt verlof om op denzelfden dag, waarop zij trouwen, met Nerissa te worden verbonden, wat gaarne wordt toegestaan. Lorenzo komt met Jessica en Salerio, deze brengt aan Bassanio een brief van Antonio, waarin hij schrijft, dat hem geen enkele onderneming is gelukt en alle schepen zijn vergaan; Shylock kwelt den Doge om zijn recht, men heeft hem trachten te overreden, maar niemand kon hem zijn eisch omtrent voldoening van het contract uit het hoofd praten. Bassanio besluit nu onmiddellijk naar Venetië te vertrekken, om door het aanbieden van een groote som Shylock tevreden te stellen. Vooraf zal hij zich met Portia, en Gratiano met Nerissa laten trouwen, de twee vrouwen zullen echter in Belmont achterblijven.
36
Antonio en Salarino trachten Shylock over te halen het geld aan te nemen en het contract te vernietigen, maar Shylock wil er niet van hooren, hij heeft er een eed op gedaan, dat hij zich aan het contract zal houden, en hij verwacht, dat de Doge hem recht zal laten wedervaren. Antonio is ook van meening, dat de Doge Shylock's eisch moet toestaan, want het recht mag niet willekeurig worden geschonden.
Portia legt het beheer over haar huis in handen van Lorenzo en Jessica, zij wil, zoo deelt zij mede, met Nerissa naar een klooster gaan, tot haar en Nerissa's echtgenoot teruggekeerd zullen zijn, Lorenzo neemt het aan. Portia zendt echter haren dienaar Balthazar naar Padua, naar haren neef, den advocaat Bellario, met een brief. Balthazar moet op een geschrift en een pak kleederen, dat de advocaat voor haar zal medegeven, wachten en dan daarmee met den grootsten spoed naar Venetië gaan. Portia deelt Nerissa mede, dat zij naar Venetië zullen gaan en hunne mannen wederzien zonder door hen te worden herkend. Zij haasten zich naar het rijtuig, dat reeds in het park wacht; onder weg zal Portia haar plan aan Nerissa rnede-deelen.
Vierde Bedrup.
De Doge en de Senatoren zijn met Antonio, Bassanio en hunne vrienden in de gerechtszaal. Dan treedt ook Shylock binnen. Allen trachten hem van zijn besluit terug te brengen en hem het geld te doen aannemen, in plaats van de volvoering van de in het contract gemaakte voorwaarde. Hij weigert, hij wil zijn pond vleesch. Bassanio biedt hem zes duizend dukaten aan in plaats van drie, maar hij blijft bij zijn eisch. De Doge heeft naar Padua
37
naar een groot rechtsgeleerde, Doctor Bellario, om raad gezonden en hij vermeent thans dat een bode met brieven van genoemden advocaat reeds buiten staat te wachten. De bode wordt binnengeroepen. Nerissa treedt op, gekleed als klerk van een advocaat, en geeft den Doge een brief over. Ondertusschen wet Shylock reeds zijn mes om het vleesch uit te snijden. De Doge deelt den inhoud van Bellario's brief mede; deze beveelt een jong en kundig advocaat aan om in zijne plaats de zaak te bepleiten. De jonge advocaat wordt toegelaten, het is Portia als advocaat gekleed. Hij (zij) wordt door den Doge welkom ge-heeten en verklaart met de aanhangige zaak geheel bekend te zijn. Hij (zij) verzoekt Shylcck den koopman genade te schenken, maar Shylock weigert zelfs, wanneer hem driemaal de volle som wordt aangeboden: voor geheel Venetië zou hij zijn eisch niet laten varen. Dan, zegt de advocaat, kan de Jood naar recht een geheel pond vleesch eischen, dat hij naar believen kan uitsnijden. Antonio neemt afscheid van Bassanio. Voordat Shylock echter het vleesch gaat uitsnijden, maakt de advocaat er hem opmerkzaam op, dat het contract duidelijk zegt âeen pond vleesch,quot; maar niet spreekt van een enkelen droppel bloeds. Vergiet Shylock dus onder het snijden een enkelen droppel Christen-bloed, dan zijn al zijne goederen volgens de wetten van Venetië aan den Staat vervallen. Nu wil Shylock met het geld genoegen nemen, maar de advocaat wil hem thans alleen zijn recht geven, anders niets. Ook mag hij wel oppassen, dat hij noch meer, noch minder dan juist één pond uitsnijdt, want slaat de schaal ook maar een haartje over, dan sterft hij, en al zijne goederen vervallen aan den Staat. Shylock wil de gerechtszaal verlaten, maar dat wordt hem niet toegestaan. In de wetten van Venetië is het verordend, dat zoo het bewezen is, dat een vreem-
38
deling een burger naar het leven heeft gestaan, de man op wien het was toegelegd, de helft van zijn bezittingen voor zich mag opeischen, terwijl de andere helft aan de openbare kas van den Staat vervalt. Bovendien wordt het aan den Doge overgelaten over het leven van den schuldige te beschikken, daar hij daarover te beslissen heeft. Deze wet is op Shylock toepasselijk, maar de Doge schenkt hem het leven; de helft van zijn vermogen zal Antonio hebben, deze is echter tevreden met de beschikking over do helft, ten einde ze bij zijn dood aan Lorenzo te vermaken. Maar hij stelt twee voorwaarden : vooreerst, dat Shylock onmiddellijk Christen moet worden, en dan, dat hij zich verbindt alles, wat hij bezit, bij zijn sterven aan zijne dochter en Lorenzo te vermaken. Shylock is met alles tevreden, maar vraagt verlof te mogen vertrekken, daar hij zich niet wel gevoelt; de Doge staat het hem toe, waarna tij heengaat. (1)
Als ook de Doge vertrokken is, brengen Antonio en Bassanio den advocaat (Portia) hunnen dank en verzoeken hem iets als een bewijs van hunne dankbaarheid te willen aannemen. Hij (zij) vraagt Bassanio den ring, welken hij aan zijn vinger heeft. Eerst wil hij hem niet geven, maar wanneer Portia vertrokken is, zendt hij op Antonio's raad Gratiano met den ring achterna. Deze haalt Portia en Nerissa in, geeft de eerste den ring van Bassanio, terwijl Nerissa zal trachten Gratiano's ring in handen te krijgen.
V IJ F D E B E D E IJ F.
Het is nacht, Lorenzo en Jessica zijn te Belmont. Stefano brengt het bericht, dat Portia nog vóór den dage-
1
Verscheidene tooneelgezelschappen eindigen het stuk met het heengaan van Shylock.
39
raad te Belmont zal zijn met Nerissa, Lancelot brengt de tijding, dat ook Bassanio er vóór den morgen zal zijn. Portia en Nerissa komen aan en gene zegt, dat zij bunne gebeden voor bet welzijn hunner ecbtgenooten bebben gestort. Zij geeft last, dat niemand iets van hunne afwezig-beid mag vertellen. Bassanio en G-ratiano komen met Antonio en bun gevolg, Portia beet Antonio in baar huis welkom. Intusschen verwijt Nerissa haren man, dat hij zijn ring, dien zij hem heeft gegeven, aan eene andere vrouw beeft gegeven, bij echter beweert hem aan den klerk van een advocaat te hebben geschonken. Portia berispt Gratiano daarover, haar man zou zeker den ring, dien zij hem gaf, voor al de schatten der wereld niet weg doen. Gratiano verklaart echter, dat Bassanio zijn ring aan den advocaat beeft geschonken en daarom had hij ook den zijne aan diens klerk gegeven. Portia is zeer boos daarover, maar Antonio verzoent de ecbtgenooten weer en Portia geeft Bassanio een nieuwen ring, evenzoo geeft Nerissa aan baren gemaal een nieuwen ring, zij herkennen hun eigen ringen; thans deelt Portia mede, dat zij de advocaat en Nerissa de klerk was. Ook geeft zij Antonio een brief, waarin dezen wordt medegedeeld, dat drie van zijne schepen plotseling1 de haven met rijke lading zijn binnengekomen, terwijl Nerissa aan Lorenzo en Jessica een akte overreikt, waarbij bepaald wordt, dat alles wat Shylock bij zijn sterven nalaat, bun zal toebebooren.
40
Was Ihr wollt.
(Twelfth-Night; or, What you will).
inlkiding.
De eerste opvoering van dit blijspel is waarschijnlijk voor Driekoningen-avond bestemd geweest, aan welk feit het zijn naam schijnt te danken te hebben, want geen der beide titels staat in eenig verband tot den inhoud. Het stuk is ontstaan tusschen 1599 en 1602, dus in den tijd van Shakespeare's grootsten bloei; het neemt dan ook onder des dichters vroolijke scheppingen eene eerste plaats in. De oorspronkelijke fabel, waarop dit stuk gebouwd is, hebben wij weer bij de Italiaansche Novellisten te zoeken. Een jong meisje, dat tot het middel van eene verkleeding in mansgewaad grijpt, om den geliefde onbekend te kunnen naderen, komt in Italiaansche novellen herhaalde malen voor. Shakespeare heeft dit motief niet alleen in What you will, maar ook reeds in The two Gentlemen of Verona, een zijner vroegste blijspelen, behandeld. Hij kon het in eene verzameling novellen van Bandello vinden, hoogstwaarschijnlijk gebruikte hij echter eene Engelsche bewerking, die hij vond in eene verzameling van acht novellen van Barnaby Rich, welke in 1581 het eerst verscheen, en wel de tweede dezer novellen, de Geschiedenis van Appo-lonius en Silla. Shakespeare heeft bij dit stuk weer eene groote oorspronkelijkheid getoond en is voortdurend van zijne bron afgeweken. Een der voornaamste afwijkingen bestaat wel daarin, dat Viola niet uit liefde tot een man heimelijk hare vaderstad verlaat, zooals het in de novelle bij Silla het geval is, maar dat zij eerst in den dienst van den Hertog in liefde tot hem ontbrandt. Maar ook in verschei-
41
dene bij-omstandigheden heeft Shakespeare zijne oorspronkelijkheid getoond en zoo geheel nieuwe motieven in zijn blijspel gebracht, dat dit bijna geheel als zijne eigene vinding te beschouwen is. Er bestonden vóór Shakespeare reeds in Italië een paar dramatische bewerkingen van het hoofdmotief, en het is mogelijk, dat Shakespeare er een van gekend heeft, daar het in Engeland bekend was, maar de in zijn stuk met het Italiaansche overeenkomende trekken zijn ook in Rich's verhaal te vinden.
Niet alleen echter, dat Shakespeare het motief, hetwelk hij bij de Italianen vond, heeft veranderd, hij heeft de hoofdhandeling ook samengevlochten met de geschiedenis van den Hofmeester Malvolio, die geheel zijne eigene schepping schijnt te zijn en welke komische figuur zoo zeer de aandacht trok, dat het blijspel aan dezen persoon juist zijn grootste succes op het tooneel, van het begin van zijn ontstaan af, heeft te danken gehad. Maar hoewel Malvolio de komische hoofdfiguur van dit blijspel is, heeft de dichter toch in hem een karakterbeeld vol psychologische waarheid geteekend. Hij is de strenge Puritein, die meent zeer deugdzaam te zijn, maar aan wiens deugden geen mensch iets heeft, te minder, omdat hij zoo zeer met zich zelf is ingenomen, dat hij bij niemand anders iets goeds zoekt of erkent. Men begrijpt zeer goed, dat niemand hem in huis mag lijden, en als men hem een poets gaat spelen, die op zijne belachelijke opgeblazenheid, domme ijdelheid en zelfverheffing is gebaseerd, dan gelukt die ook volkomen. De dichter heeft dezen verwaanden huichelaar flink aan de kaak gesteld, tevens neemt hij de dronkenschap, gerepresenteerd door Jonker Tobias, en de flauwhartigheid, voorgesteld door Jonker Andreas, goed onder handen. Ook de Hertog, die meer verliefd is op zijne liefde dan op zijne geliefde, en Olivia, die hare droefheid te zeer overdrijft, krijgen eene verstandige les.
42
De Meiningers vertoonden Was Ihr wollt het eerst den OQsten Mei 1874 te Berlijn, en tot heden heeft het stuk bij hen reeds meer dan honderd voorstellingen beleefd. Zij, die meenen, dat de Meiningers hun succes alleen aan de mise-en-scène hebben te danken, kunnen niet beter van de waarheid van het tegendeel worden overtuigd, dan door de bijwoning eener vertooning van Was Ihr wollt. Nooit heeft dit werk vroeger zoo'n succes gehad als de Meiningers er mee hebben verkregen. De poëzie, de uitgelaten humor van dit blijspel oefenen door hunne vertooning eene betoo-verende werking op den toeschouwer uit. Het is de régie gelukt, de meeste tooneelen van het stiik, die bij den dichter
O J
voortdurend van plaats verwisselen, op slechts ééne daartoe ingerichte plaats te vereenigen. Behalve het tooneel bij Olivia in het eerste, en het tooneel bij den Hertog in het tweede bedrijf, speelt het geheele stuk vóór het huis van Olivia; een trap leidt naar den tuin, die zich voor dit huis bevindt. Overigens heeft men zich slechts een paar kleine veranderingen en weinige onbeduidende verkortingen veroorloofd. Tot de veranderingen behoort voornamelijk, dat het lied, hetwelk de Nar voor den Hertog zingt, aan Viola is gegeven, waardoor deze gelegenheid krijgt den Hertog hare liefde te bekennen.
INHOUD.
Eerste Bedrijf.
De Hertog van Illyrië heeft Valentino tot Olivia gezonden, om haar te zeggen, dat hij haar bemint, maar Valentino werd niet toegelaten, daar Olivia zeven jaar wil treuren over den dood van haren broeder.
43
Aan de zeekust van Illyrië heefb Viola zich met een zeekapitein en matrozen kunnen redden, toen het schip, waarop zij en haar broeder zich bevonden, schipbreuk leed. De mogelijkheid bestaat, dat ook haar broeder zich heeft gered. De kapitein kent het land, waarin zij zich thans bevinden eu verhaalt haar, dat Hertog Orsino hier regeert, dat hij ongehuwd is, maar dat hij de liefde zoekt van Olivia, de dochter van een graaf, die een jaar geleden gestorven is, haar achterlatende met een broer, die kort daarna ook overleed. Van dien tijd af wil zij geen mannen meer zien. Viola zou gaarne die jonkvrouw willen dienen, maar zonder haar naam en stand te noemen. Zij besluit, nadat haar de kapitein geheimhouding heeft beloofd, zich te vermommen als jonkman, om zoo den Hertog Orsino te dienen.
Maria, de kamerjuffer van Olivia, berispt Jonker Tobias, oom van Olivia, om zijn laat thuis komen en zijn brassen en drinken. Olivia heeft er ook over geklaagd, dat haar oom den onnoozelen Jonkei Andreas in haar huis heeft gebracht, om hai-e hand te vragen. Deze komt nu zelf, geeft verscheidene staaltjes van zijne domheid en wordt door Tobias en Maria voor den gek gehouden.
Viola (in mansgewaad) is onder den naam van Cesario in dienst van den Hertog getreden, en hoewel eerst drie dagen bij hem, heeft de nieuwe dienaar de genegenheid van den Hertog reeds weten te verwerven. Cesario wordt door den Hertog tot Olivia gezonden, hij mag zich door geene weigering laten afschrikken en niet onverrichter zake terugkeeren. Is hij bij haar toegelaten, dan moet hij haar des Hertogs vurige liefde schilderen. Viola zal het doen, maar het is een zware taak voor haar, want zij zelf zou des Hertogs gade willen worden.
Olivia's Nar is te lang uitgebleven, Maria zegt hem,
44
dat hare meesteres daarover zeer vertoornd is. Deze komt met haar hofmeester Malvolio, maar de Nar weet haar door zijne dwaze invallen weer gunstig te stemmen. Maria meldt hare meesteres, dat een jonkman haar wenscht te spreken, en haar oom Jonker Tobias hem tegenhoudt. Olivia zendt Malvolio tot den jonkman: wanneer hij door den Hertog is gezonden, wil zij hem niet toelaten. Malvolio komt terug en meldt haar dat de jonkman zich niet wil laten afwijzen en haar in ieder geval wil spreken, Olivia beveelt, hem dan maar toe te laten. Cesario (Viola) treedt op en vervult de opdracht, hem door den Hertog gegeven, maar Olivia verklaart hem, den Hertog niet te kunnen beminnen, zoodat deze maar geen bode meer moet zenden, tenzij Cesario zelf haar zou willen komen melden, hoe de Hertog de weigering opgenomen heeft. Olivia heeft liefde voor Cesario opgevat, zij zendt Malvolio met een ring Cesario achterna, dien hij hem moet overhandigen, wat hij er ook tegen zegge, want hij heeft den ring bij haar achtergelaten en zij wil hem niet.
Tweede Bedrijf.
Sebastiaan, de broeder van Viola, is ook gered door den zeekapitein Antonio, beiden naderen de zeekust, gene vertelt dezen wie hij is, en dat zijne tweelingzuster, die sprekend op hem gelijkt, in de zee is omgekomen. Antonio wil Sebastiaan's dienaar worden, maar deze, die naar het hof van Orsino gaan zal, dankt hem voor zijne goede bedoelingen, doch neemt zijn aanbod niet aan. Antonio hangt echter zoo zeer aan hem, dat hij toch met hem zal meegaan.
Malvolio heeft Viola ingehaald en geeft haar Olivia's ring, zij begrijpt er eerst niets van, daar zij Olivia geen ring heeft gegeven, maar dan ziet zij in, dat Olivia op
45
haar (die voor een man wordt gehouden) is verliefd geworden.
Jonker Tobias en Jonker Andreas zijn nog na middernacht met elkander aan het drinken, de Nar komt bij hen, zij maken een vreeselijk geraas. Maria komt hun zeggen, dat Olivia haren hofmeester Malvolio heeft geroepen, om hen het huis uit te jagen; Malvolio verschijnt en verwijt hun, dat zij van het huis hunner meesteres een bierhuis maken en geen achting hebben voor de plaats, waar zij zich bevinden , aan Jonker Tobias zegt hij in naam der jonkvrouw, dat, hoewel zij hem als bloedverwant in haar huis heeft ontvangen, zij niets te maken wil hebben met zijne uitspattingen en hij heen kan gaan, wanneer hij zijn gedrag niet wil veranderen. Do drie blijven echter doorzingen, zoodat Malvolio wegloopt. Maria, de twee jonkers en de Nar besluiten Malvolio een poets te bakken, üeze meent, dat ieder die hem maar aanziet op hem verliefd moet worden, daarom zal Maria duistere minnebriefjes op zijn weg strooien, waarin hij zich zelve zal afgeschilderd zien en daar haar schrift op dat van Olivia volkomen gelijkt, zal hij denken, dat die brieven van deze komen en zij op hem verliefd is. De twee jonkers en de Nar zullen op wacht staan, waar hij den brief zal vinden, om te zien, hoe hij hem uitlegt.
Cesario (Viola) verklaart den Hertog verliefd te zijn op iemand, die er uit ziet en van denzelfden leeftijd is als hij, zij zingt een lied, waarin zij van hare liefde voor hem doet blijken, maar hij zendt hem (haar) opnieuw naar Olivia. Wanneer Viola vraagt, wat hij doen zal, als Olivia hem niet beminnen kan, dan verklaart hij dit antwoord niet te zullen aannemen. Op hare vraag of eene vrouw, die hem zoo beminde als hij Olivia en die hij niet beminde, daarin zou moeten berusten, antwoordt hij, dat geen vrouw zóó kan beminnen als hij Olivia lief heeft.
46
De twee jonkers en Olivia's dienaar Fabio verbergen zich, terwijl Maria den brief voor Malvolio bestemd, op den grond neerlegt. Deze komt en overpeinst zijn geluk, wanneer het waar zou zijn, wat Maria hem heeft gezegd, dat Olivia hem zeer genegen is, en hij meent al in gedachte haar echtgenoot te zijn. Dan vindt hij den brief, hij herkent de hand der jonkvrouw, de brief is bestemd voor den Onbekenden Geliefde, hij opent hem, hij behelst eene liefdesverklaring. Malvolio verbeeldt zich natuurlijk, dat die voor hem bestemd is, en hij is er reeds van overtuigd, dat de jonkvrouw op hem verliefd is, In den brief staat, dat de geliefde hem in het Tervolg in gele hozen en met gekruiste kniebanden wenscht te zien, dat hij tegen de bedienden norsch moet zijn, zich tegen jonker Tobias moet kanten, steeds in de tegenwoordigheid van zijn geliefde moet glimlachen en veel van staats-aangelegenheden spreken. Hij zal alles doen, wat de geliefde hem heeft bevolen. De drie spionnen komen nu uit hun schuilhoek te voorschijn, amuseeren zich met de grap, en Maria, die er ook weer bij komt, raadt hun aan op zijn eerstvolgende komst bij Olivia te letten: hij zal in gele hozen voor haar verschijnen, een kleur, die zij verafschuwt; en met gekruiste kniebanden, eene mode, die zij verfoeit; en hij zal tegen haar glimlachen, wat thans, nu zij zich aan melancholie overgeeft, voor hare stemming zoo onuitstaanbaar zal wezen, dat hij zich de grootste minachting op den hals moet halen. Zij volgen haar alle drie, om het te zien.
Derde Bedrijf.
Viola komt tot Olivia, om aan de opdracht van den Hertog te voldoen, maar Olivia verklaart alleen hem (haar) te beminnen, hij alleen bezit haar hart. Viola echter zegb
47
haar, dat geen vrouw ooit in zijn (haar) hart meesteresse zal zijn.
Jonker Andreas deelt Jonker Tobias en Fabio mede niet langer in Olivia's Luis te willen blijven, daar hij haar den dienaar van den Hertog meer teekens barer gunst heeft zien geven, dan zij ooit aan hem heeft geschonken^ De twee anderen beduiden hem, dat hij alleen door bewijzen van dapperheid in de gunst van Olivia kan komen en hij dus Cesario (Viola) moet uitdagen; dit vindt hij goed, en zal daarom een fliuken brief aan nem gaan schrijven. Jonker Tobias lacht Andreas uit en zegt, den brief te zullen bezorgen en met alle middelen Oesario tot een antwoord over te halen. Maria roept hem, om naar Malvolio te komen zien, die elk punt van den brief heeft opgevolgd.
Antonio is Sebastiaan gevolgd en ontmoet hem hier. Deze zal hem daarom niet bekijven, maar met hem samenblijven, hij zal de stad eens gaan bezien; Antonio, die in een zeestrijd tegen de galeiën van den Hertog dienst deed, vindt het beter niet in het oog te loopen en hem in âDe Adelaarquot; af te wachten, daar Sebastiaan echter misschien het een of ander in de stad zou willen koopen, laat Antonio hem zijn beurs.
Olivia heeft Cesario een bode nagezonden, zij verzoekt Maria Malvolio te roepen ; deze komt, uitgedost met gele hozen en gekruiste kniebanden, hij glimlacht en haalt woorden uit den brief aan, zoodat Olivia meent, dat hij gek geworden is. De bode komt terug en meldt haar, dat de jonge edelman van Hertog Orsino daar weer is, maar dat hij hem nauwelijks had kunnen bewegen terug te komen. Olivia zal tot hem gaan, zij beveelt Maria goed op Malvolio door jonker Tobias en haar bedienden te laten passen, zij zou niet gaarne willen, dat hem iets overkwam. Jonker Tobias, Fabio en Maria komen bij Malvolio, deze volgt de wenken van
48
den brief op, de anderen houden hem voor den gek, zoodat hij heen gaat. Jonker Andreas komt met de uitdaging voor â Cesario, daar deze echter juist bij Olivia is, zal hij hem gaan opwachten en hem aanvallen. Tobias zal den brief niet bezorgen, maar de uitdaging mondeling overbrengen en dan grooten ophef maken van de dapperheid van Jonker Andreas. Cesario (Viola) komt nu met Olivia, deze verwijt hem dat hij een hart van steen heeft, daar hij hare liefde niet beantwoordt, zij dringt hem haar beeltenis op en verzoekt hem, toch morgen terug te keeren, Cesario wil echter, dat zij zijn heer zal trouwen. Wanneer Olivia vertrokken is, komen Jonker Tobias en Fabio bij Cesario, Tobias waarschuwt Cesario voor een verschrikkelijken tegenstander, dien hij aan den uitgang van den tuin zal vinden, Cesario begrijpt er niets van en wil in huis gaan, om een begeleider te vragen , daar Jonker Tobias dit echter niet duldt, wil Cesario gaarne weten, wie die tegenstander is en waarmee hij dezen heeft beleedigd. Tobias zal dit gaan informeeren, Fabio blijft bij Cesario en beiden besluiten naar Jonker Andreas te gaan, opdat Cesario zich met hem kunne verzoenen. Andreas komt met Jonker Tobias, en deze zegt genen zooveel van de verschrikkelijkheid van Cesario, dat Andreas niet met hem vechten wil, hij zal Cesario zijn schimmel geven, als hij de zaak laat rusten. Deze komt met Fabio terug. Jonker Tobias raadt de beide tegenstanders voor den vorm het zwaard te trekken, en stelt hen gerust, daar de een den ander geen kwaad zal doen. Wanneer Jonker Andreas en Viola met getrokken zwaard tegenover elkander staan, komt Antonio en neemt de schuld van Viola, die hij voor Sebastiaan houdt, op zich en trekt den degen, Jonker Tobias treedt echter tegen hem op, maar zij worden in hun gevecht verhinderd door twee gerechtsdienaars, die Antonio op last van den Hertog gevangen nemen. Antonio
49
vraagt Viola zijne beurs weer terug3 ten minste een deel van liet geld, maar Viola weet van geen geld, kent hem zelfs niet. Antonio is woedend over zulke ondankbaarheid en verklaart allen, dat hij dezen jongeling aan den dood heeft ontrukt. De gerechtsdienaars brengen hem weg. Viola begrijpt nu, dat hij haar voor Sebastiaan, haren broeder, heeft aangezien en hoopt dus, dat deze nog in leven zijn zal.
Vierde B e d e ij f.
De Nar is met eene boodschap van Olivia naar Cesario (Viola) gezonden en treft Sebastiaan aan, dien hij voor Cesario houdt. Sebastiaan begrijpt er niets van, dan komt Jonker Andreas, die hem ook voor Cesario houdt en geeft hem een slag, ook Jonker Tobias en Fabio voegen zich bij hen en meenen in Sebastiaan Cesario te zien. Er ontstaat een gevecht, de Nar loopt naar Clivia om haar daarvan mede-deeling te doen en deze komt nu zelf, schelt Tobias uit en noodigt Sebastiaan in haar huis. Deze kan er wel niet wijs uit worden, maar voldoet toch aan Clivia's wensch en gaat met haar mede.
Malvolio is door Jonker Tobias en Maria in een donkere kamer gesloten en de Nar, vermomd als pastoor Topaas, spreekt hem toe, om den boozen geest uit hem te drijven. Daar Tobias, die het bij zijne nicht erg verkorven heeft, hem weer zou willen vrijlaten, spreekt de Nar in zijne eigene stem tot Malvolio en als deze den Nar herkent, verzoekt hij hem om wat licht, inkt en papier en smeekt hem den brief, dien hij zal schrijven, aan de jonkvrouw te bezorgen; de Nar wil aan zijn verzoek voldoen.
Sebastiaan is in ,,De Adelaarquot; Antonio gaan opzoeken, maar heeft daar vernomen, dat deze hem in de stad is
4
50
gaan zoeken. Olivia komt met een priester en dringt bij Sebastiaan er op aan, onmiddellijk in het geheim met haar in de kapel te trouwen; het huwelijksfeest zullen zij vieren, zoodra hij openharing wenschelijk acht, Sebastiaan neemt haar voorstel aan.
V IJ F D E B E D R u P.
De Nar gaat Malvolio's brief aan Olivia brengen, maar wordt teruggehouden door Viola en den Hertog, die hem verzoekt de jonkvrouw te zeggen, dat hij haar wenscht te spreken, de Nar voldoet aan dit verzoek. Gerechtsdienaars brengen Antonio voor den Hertog, Antonio ziet ook Viola en verhaalt den Hertog, hoe hij met dezen knaap drie maanden lang samen geweest was, nadat hij zijn leven had gered, hoe hij, hem zoekende, in de handen der gerechtsdienaars was gevallen, maar die knaap toen niets meer van hem wilde weten, hem zelfs zijn beurs niet had willen teruggeven. Olivia komt en ziet Cesario (Viola) weer bij den Hertog, zij verklaart dezen, nooit zijne vrouw te zullen worden, Cesario (Viola) verklaart daarentegen niet bij Olivia te willen blijven, maar met den Hertog, dien zij lief heeft, te gaan. Olivia laat den Priester roepen en wil, dat haar gemaal Cesario (Viola) bij haar zal blijven, deze verklaart haar gemaal niet te zijn, de Priester bekrachtigt echter Olivia's woorden. Jonker Andreas komt nu mededeelen, dat Cesario hem en Jonker Tobias verwond heeft, deze komt beschonken, Olivia beveelt, haren oom te bed te laten brengen en zijne wonde te verzorgen. Sebastiaan nadert nu en vraagt Olivia verschooning, dat hij haar oom gewond heeft, hij vindt ook Antonio, dien hij overal heeft gezocht, ook Viola ziet hij hier: ware die gedaante vóór hem eene vrouw, hij zou zijne zuster teruggevonden
51
hebben. Viola maakt zich nu bekend en de Hertog biedt haar zijne hand aan, die zij gaarne aanneemt. De Nar brengt den brief van Malvolio, die er zich over beklaagt, dat hij in het donker wordt opgesloten, terwijl hij toch niets anders gedaan heeft dan hetgeen hem in Olivia's brief was bevolen. Malvolio wordt door Fabio gehaald, hij geeft Olivia den door hem ontvangen brief, die naar zijne meening door niemand dan door haar zelve kan geschreven zijn. Olivia verklaart intusschen, dat zij dien brief niet heeft geschreven, dat dit door Maria moet gedaan zijn. Fabio vraagt vergiffenis voor Maria, Jonker Tobias heeft haar gehuwd tot dank voor de wijze, waarop zij met hem Malvolio strikken heeft gespannen, om dezen voor zijn eigenwaan eens flink te straffen.
Ein ^Vintermarchen.
(The Winter's Tale).
IN LEIDING.
Van dit stuk wordt het eerst melding gemaakt in het dagboek van Dr. Forman, die het 15 Mei 1611 in het Globe Theatre zag vertoonen. Ook uit andere omstandigheden blijkt, dat het tot de laatste werken van den dichter behoort. De bron, waaruit Shakespeare voor dit stuk putte, is het verhaal van Robert Greene; Be vermakelijke historie van Dorastus en Faunia; dit verhaal verscheen het eerst in het jaar 1588 en was een der populairste verhalen van den laatsten tijd der 16de eeuw. Shakespeare heeft het echter weer op vele plaatsen geheel
veranderd, alle namen veranderd, de plaatsen van de twee deelen der handeling verruild â het tragische deel, de ongegronde jaloezie, speelt bij Greene in Boheme, de ijverzuchtige is bij hem de Koning van Boheme en zijn gast de Koning van Sicilië â en heeft er bovendien de personen Antigonus, Autolycus en Paulina bijgevoegd. De grootste verandering bestaat echter daarin, dat bij Greene de onschuldig aangeklaagde Bellaria (bij Sh. Hermione) tengevolge van het geleden onrecht en uit verdriet over het verlies van haar kind, werkelijk sterft, terwijl Shakespeare haar weder tot het leven laat terugkeeren. Met deze verandering moest ook het slot der Green'sche vertelling bij Shakespeare wegvallen, volgens welke de Koning van Boheme, in weerwil van de gelukkige vereeniging der beide geliefden, uit verdriet over het vroeger gebeurde â waarbij nog de omstandigheid komt, dat hij op zijne eigene dochter verliefd is â zich zelf het leven beneemt. Overigens volgde Shakespeare het verhaal tamelijk nauwkeurig.
Terwijl hij nu door de afwijking met betrekking tot het einde van Hermione het stuk op meer bevredigende wijze kon laten eindigen, meende hij, dat het phantastische der handeling het werkelijk tragische nu ook moest buitensluiten. Hij zocht de handeling in een sfeer te verplaatsen, die bij den toon van het sprookje beter past, spon het onwaarschijnlijke en toevallige, het wonderlijke en wonderbare der gebeurtenissen meer uit, en zag van werkelijkheid en waarschijnlijkheid geheel af. Hij stelde Russische keizers (Hermione is de dochter van een Russisch keizer) en het Delphische Orakel, Ridderschap en Heidendom naast elkander. Zijne tijdge-nooten namen hem al die onwaarschijnlijkheden zeer kwalijk, maar hij wilde die juist, en noemde zijn stuk daarom ook een sprookje, hoewel geen bovennatuurlijke krachten daarin medewerken.
53
Door zijne afwijking betreffende den dood der koningin trachtte Shakespeare klaarblijkelijk eene grootere harmonie tusschen de twee hoofddeelen der handeling te verkrijgen. Men kan echter niet zeggen, dat hem dit gelukt is, want de beide groote helften van het drama zijn als het ware twee stukken van geheel verschillend karakter. Hoewel de jaloezie van Leontes â vergeleken bij die van Othello â' meer eene carricatuur van dezen hartstocht is, maakt toch de eerste en omvangrijkste helft van het stuk een zooal niet tragischen, dan toch zeer ernstigen indruk, die ook niet verzacht wordt door de hoop op eene herleving van Hermione, want de toeschouwer behoudt tot aan het slot den indruk, dat Hermione werkelijk gestorven is. In de tweede helft van het stuk heerscht een geheel andere toon, het onderwerp is hier idyllisch onschuldig en vroolijk. De laatste twee bedrijven zijn van de eerste drie ook nog scherp gescheiden door de lange tusschenruimte van jaren en door de omstandigheid, dat de handeling gedeeltelijk op een geheel anderen bodem en door, voor een groot deel althans, andere personen geschiedt.
JEin Wintermarchen werd deu 22st;on Mei 1878 door de Meiningers voor de eerste maal gegeven en is thans reeds meer dan tweehonderd maal door hen vertoond. Franz Dingelstedt heeft dit stuk weer in Duitschland op het too-neel gebracht, maar om te doen uitkomen, dat men hier met een sprookje te doen heeft, liet hij er muziek en een ballet bij schrijven. Het stuk vond in die bewerking veel bijval, maar de Meiningers hebben het bewijs geleverd, dat het werk ook zonder muziek en ballet een grooten indruk op den toeschouwer kan uitoefenen. Het is zeker niet te veel gezegd, wanneer men beweert, dat hunne vertooning van Ein Wintermarchen tot hunne beste vertoo-
54
ningen behoort. Ook in dit stuk hebben zij zich slechts kleine wijzigingen veroorloofd : het kleine tooneel tusschen Cleomenes en Dion aan het begin van het derde bedrijf is nog bij het tweede gevoegd, en het tweede tooneel zoowel als het slot van het vijfde bedrijf hebben eene kleine verkorting ondergaan.
INHOUD.
E E E S T E B E D E IJ F.
Polyxenes, de koning van Boheme, heeft reeds lang vertoefd aan het hof van zijn vriend Leontes, den koning van Sicilië, en daarom besluit hij den volgenden dag naar zijn rijk terug te keeren. Maar Leontes wil van een vertrek niets hooren en dringt er bij zijn vriend op aan nog te blijven. Daar deze echter weigert, verzoekt hij zijne gemalin Hermione hem over te halen; deze voldoet aan zijn verzoek en ziet hare pogingen met goeden uitslag bekroond, Polyxenes zal nog acht dagen blijven. Hierdoor wordt Leontes' jaloezie opgewekt en hij meent, dat er eene ongeoorloofde betrekking tusschen zijne vrouw en zijn gast bestaat; ieder woord, hetwelk zij nu met elkander spi'eken, versterkt hem in zijne meening, en wanneer zij zich in een druk gesprek verwijderd hebben, beschuldigt hij zijne vrouw van echtbreuk. Hij is zoo zeker, dat zijne beschuldiging gegrond is, dat hij een zijner edellieden, Camillo, opdraagt, Polyxenes door vergift om het leven te brengen. Camillo tracht zijn heer van de onwaarheid zijner beschuldiging te overtuigen, maar zijne tegenspraak wakkert de jaloezie van den koning nog meer aan en hij denkt nu zelfs, dat Camillo de koningin helpt, om haar misdrijf ten uitvoer te kunnen brengen. Het eenige, wat Camillo van hem gedaan kan
55
krijgen, is, dat hij Hermione's goeden naam niet zal aantasten, als Polyxenes dood zal zijn. De koning belooft hem dit, waartegen hij nu de belofte aflegt, Polyxenes door vergift te zullen dooden, verder dan de belofte gaat hij echter niet. Integendeel, hij waarschuwt den koning van Boheme, zorgt er voor, dat deze kan vluchten, en verlaat zelf zijn land, om met hem mee te gaan.
Tweede B E D R IJ P .
De vlucht van Polyxenes en Camillo versterkt Leontes in zijne overtuiging van Hermione's schuld en hij klaagt deze nu aan met Polyxenes te hebben samengespannen, om hem met behulp van Camillo uit den weg te ruimen. In het bijzijn der hoflieden beschuldigt hij Hermione van overspel en beweert, dat het kind, hetwelk zij binnenkort ter wereld moet brengen, niet het zijne, maar van Polyxenes is, tevens klaagt hij zijne vrouw aan, de vlucht van haren minnaar te hebben begunstigd. Om alle deze redenen beveelt hij, Hermione in de gevangenis te werpen. Gegriefd door deze valsche en onverdiende beschuldiging, blijft Hermione nochtans kalm, hare vrouwen verboekt zij niet te weenen, wel moesten zij dat doen, als zij hoorden, dat hare meesteres de kerkerstraf werkelijk verdiend en zij zich zoo gedragen had, als haar gemaal haar beschuldigde gedaan te hebben. Deze houding der Koningin kan de meening van den Koning echter niet veranderen en de smeekingen zijner hovelingen versterken hem slechts daarin. Hoewel hij volstrekt niet twijfelt aan de schuld van Hermione, heeft hij, om niet van overijling te worden beschuldigd, twee boden, Cleomenes en Dien, naar het Orakel
56
van Delphi gezonden; aan zijn heilige uitspraak zal hij zich onderwerpen.
Hermione brengt in de gevangenis een meisje ter wereld ; Paulinaj de vrouw van Antigcnus en vriendin van Hermione, wil haar in den kerker bezoeken, maar wordt niet tot haar toegelaten, wel wordt haar toegestaan eene van Hermione's vrouwen te spreken. Deze geeft Pauliua bericht van de geboorte van het meisje, waarop Paulina de Koningin laat voorstellen haar het kind af te staan, om het den Koning te laten zien, of hem misschien de aanblik van het kind verteedert.
Hermione heeft het kind aan Paulina afgestaan en deze, die zich niet door den dienaar laat afschrikken, treedt met het kind bij den Koning binnen, ontkent zijne lasterlijke beschuldiging, verdedigt de onschuld barer meesteres en legt het dochtertje, dat sprekend op hem gelijkt, voor zijne voeten. Leontes wordt door hare verwijtingen nog meer verbitterd en gelooft nog sterker aan Hermione's schuld; hij beveelt Paulina weg te voeren, en als deze heengegaan is, het kind aan zijne voeten latende liggen, beveelt hij Antigonus, het kind te verbranden. Op de smeekingen zijner hoflieden verandert hij zijn besluit in zooverre, dat Antigonus het op een afgelegen eenzame plaats te vondeling moet leggen, verre van zijne grenzen: het toeval moge het daar redden of dooden; Antigonus zal aan dit bevel voldoen. Ben dienaar deelt nu mede, dat Cleomenes en Dion van Delphi teruggekeerd zijn. De Koning beveelt den Raad bijeen te roepen, om zijne echtgenoote in het openbaar te verhoeren en te veroordeelen.
57
Derde Bede ij p.
In liet bijzijn van het gansclie Holquot; wordt Hermioue voor het gerecht gesteld, zij treedt fier tes;en haren aanklager op en verdedigt zich tegen de lage beschuldiging-van haren echtgenoot^ zich beroepende op haar verleden. Zij vraagt den Koning, die vóór Polyxenes koinst aan zijn hof nooit aan haar heeft getwijfeld, welke bewijzen hij dan wel heeft voor zijne vreeselijke beschuldiging. Zij lieeft Polyxenes vriendelijk behandeld, omdat hij het haar zelf had bevolen, en uit dankbaarheid, daar hij zijn vriend was, Camillo was een braaf man, waarom hij vluchtte weet zij niet. Alles helpt echter niets, Leontes wordt door hare verdediging slechts versterkt in zijne overtuiging en veroordeelt haar ter dood. Maar de dood kan haar geen schrik meer aanjagen, hij zal haar welkom zijn, nu zij de liefde van haren echtgenoot heeft verloren en men haar hare kinderen heeft ontnomen. Acht zij dus het leven niet meer, haar eer wil zij niet besmet zien, daarom verlangt zij dat men de uitspraak van het Orakel hoore. Cleomenes en Dion treden alsnu binnen en geven de verzegelde uitspraak aan een beambte, die het zegel verbreekt en de uitspraak voorleest. Zij luidt: âHermione is kuisch, Polyxenes onschuldig, Camillo een trouw onderdaan, Leontes een jaloersch tiran, zijn schuldeloos kind is eerbaar verkregen, en de Koning zal zonder erfgenaam sterven, wanneer bet verlorene (kind) niet wordt teruggevondenquot;. Leontes noemt dit orakel een bedrog, maar terstond daarop komt men hem de tijding brengen, dat zijne eenige zoon gestorven is. Hermione valt bij deze tijding in onmacht en wordt weggedragen. Nu gaan Leontes de oogen open, hij beveelt alle middelen aan te wenden, om Hermione in het leven, te behouden en bekent zich zelf, dat hij zijne gemalin.
zija vriend en Camillo onrecht heeft aangedaan; bij verklaart luide, dat hij Camillo tot werktuig had uitgekozen, otn Polyxenes te dooden, maar dat zijn dienaar als eerlijk man liever al zijn goed in den steek had g'elaten dan zijn bevel uit te voeren. Paulina brengt hem onder weeklagen de verpletterende tijding, dat Hermione gestorven is, en zij overlaadt hem met verwijtingen, die hij vol berouw aanhoort, want hij gevoelt, dat hij ze verdiend heeft. Paulina, zijn verdriet ziende, krijgt medelijden met hem en zal hem helpen zijn leed te dragen.
Antigonus is met het prinsesje, dat hij te vondeling moet leggen, op reis gegaan en is geland bij een woeste streek van Boheme. In den nacht is Hermione hem in den droom verschenen, heeft hem aangekondigd, dat hij wegens het volbrengen van het wreede bevel des Konings zijne gemalin Paulina nooit zal terugzien, en heeft hem bevolen het kind Perdita te noemen. Hij legt het meisje hier neer, naast haar een bundeltje en een perkament, waaruit blijkt, dat zij Perdita heet. Een storm woedt, een wilde beer komt op Antigonus aan, deze tracht hem te ontvluchten, maar wordt gedood, ook de boot met de manschappen, waarmee hij gekomen is, vergaat, niemand wordt gered dan Perdita, die door een ouden herder wuidt gevonden, welke haar wegens de kostbaarheden, die het kind bij zich heeft, mcdeneemt.
Vie ede Bedrijf.
De tijd meldt ons, dat sedert de vorige gebeurtenissen zestien jaren verstreken zijn.
Camillo is al dien tijd bij Polyxenes in Boheme geweest.
59
maar verlangt thans naar Sicilië terug te keeren, daar zijn Koning om hem heeft gezonden en hij dezen in zijn leed zou willen, troosten Polyxenes wil echter dezen trouwen dienaar niet meer laten vertrekken. De Koning vraagt Camillo naar zijn zoon Florizel en verneemt, dat die zich voortdurend ophoudt in de nabijheid van de woning van een herder, die plotseling rijk is geworden en eene dochter van zeldzame schoonheid heeft. Daar de Koning vreest, dat zijn zoon ter wille van dat meisje de herderswoning zoo dikwijls bezoekt, wil hij vermomd met Camillo naar den herder gaan, om het ware van de zaak uit te vorschen.
Florizel bevindt zich bij Perdita, zij is het meisje zijner keuze. De afstand, die er tusschen haar en haren geliefde bestaat, kwelt haar en zij denkt er met beven aan, dat een toeval zijn vader in hunne nabijheid zou kunnen voeren. Polyxenes en Camillo komen vermomd op het herdersfeest, zij worden door Perdita welkom geheeten en het feest begint. Florizel wil Perdita huwen, de herder stemt toe, de twee onbekenden zullen getuigen zijn. De vermomde koning vraagt zijn zoon, waarom zijn vader niet bij dit huwelijk tegenwoordig is en of hij dien niet eerst om toestemming wil vragen, Florizel antwoordt hem, dat zijn vader er niets van weten mag ; dan werpt Polyxenes zijne vermomming af, scheldt Perdita en den herder uit en bedreigt zijn zoon hem van den troon uit te sluiten, wanneer hij Perdita ooit weer nadert. De oude herder is wanhopig. Perdita raadt Florizel heen te gaan en slechts aan zijn stand te denkeu, deze echter is niet verschrikt, hij wil gaarne zijn erfrecht aan een ander geven, als hij maar Perdita's liefde mag behouden en zij met hem wil vluchten. Camillo besluit deze beiden te helpen in hunne vlucht, hij raadt hun zich naar Sicilië te begeven, naar Koning Leontes, waar Florizel zeker goed zal worden ontvangen, maar hij
60
moet dan zeggen door zijn vader te zijn gezonden; wat hij verder Leontes moet mededeelen, zal hij opschrijven, bovendien geeft hij hem over zijne goederen in Sicilië vrije beschikking, Autolycus, een landlooper, moet zijne kleeding met die van Florizel verruilen. Camillo hoopt, dat de Koning zijn zoon zal achtervolgen, en dan zal hij met hem meegaan en Sicilië wederzien. Rupel, de zoon van den herder, wil, dat zijn vader de afkomst van Perdita zal meedeelen, opdat zij er verder geen last meer van zullen hebben. Autolycus (in Plorizel's kleeding) hoort hun gesprek, maar Florizel willende helpen, en bevreesd, dat de mededeelingen van den schaapherder Plorizel's vlucht zouden kunnen verhinderen, zegt, dat de Koning zich op een schip bevindt, hij zal hen bij hem op dit schip brengen, brengt hen echter naar het schip, waarop zich Florizel en Perdita bevinden, zoodat zij mee moeten naar Sicilië, Autolycus gaat zelf ook mee.
V IJ i' d e B e p R IJ 1quot;.
De hovelingen verlangen van Leontes, dat hij een nieuw huwelijk sluite, opdat zijn huis niet zonder erfgenaam blijve. Paulina herinnert hem echter aan zijne gestorvene vrouw en krijgt van hem de belofte, dat hij niet zonder hare toestemming zal hertrouwen, tenzij ziju oog eene andere, die Hermiono als haar beeld gelijkt, aanschouwt. Een edelman bericht de aankomst van Florizel en Perdita, deze komen, en Florizel zegt door zijn vader te zijn gezonden. Als Leontes hem welkom heeft geheeten, verschijnt een edelman met het bericht dat Polyxenes met Camillo in Sicilië zijn aangekomen en hij verzoekt namens den Koning van Boheme, Florizel en Perdita gevangen te nemen. Leontes,
61
getroffen door de gelijkenis tusschen Perdita en zijne gestorvene gemalin, zal Polyxenes trachten over te halen zijne toestemming tot het huwelijk van Florizel te geven.
Uit een gesprek tusschen een paar edellieden vernemen wij nu het volgende: Polyxenes heeft den herder en zijn zoon in S'cilië teruggevonden en deze hebben den Koning alles medegedeeld, wat zij van Perdita's afkomst wisten, hem ook de papieren gegeven, die zij bij haar vonden, waaruit gebleken is, dat Perdita de dochter van Leontes is. Tevens vernemen wij uit dit gesprek, dat Leontes zijne dochter heeft teruggezien en allen daarbij diep geroerd zijn geweest. Ook hooren wij, dat de Koning met Perdita en de anderen naar het huis van Paulina zijn gegaan, om een standbeeld van Hermione te zien, dat door een groot kunstenaar juist voltooid is.
Allen bevinden zich nu in de kamer voor dit levensgroot beeld, dat Hermione niet voorstelt, zooals zij was, toen zij stierf, maar zooals zij nu zou zijn, als zij nog leefde. Leontes is bij het zien van het beeld zoo ontroerd, dat het hem toeschijnt, alsof het nog leeft. En... het leeft ook werkelijk; het Orakel had Hermione verkondigd, dat er nog hoop was op het behoud van hare dochter en daarom had zij zich in Paulina's huis verborgen gehouden, Leontes â wordt nu weer met zijn gade en dochter vereenigd.
MOLIÃRE.
Der einge bildete Klranke.
(Le malade imaginaire.)
inlkiding.
De geneesheeren en apothekers stonden in Molière's tijd â en met recht â in een zeer slechten roep, de groote Fransche blijspeldichter heeft ze in verscheidene stukken, als Le médecin rnalgré lui, L'amour médecin en vooral in Le malade imaginaire belachelijk trachten te maken. Den 101⢠Februari 1673 werd Le malade imaginaire voor het eerst vertoond, maar bij de vierde voorstelling op 17 Februari (Molière speelde zelf de rol van Argan in zijn stuk) gevoelde de dichter zich minder prettig dan anders, onder de voorstelling viel hij neer en overleed nog in denzelfden nacht, zoodat dit blijspel zijn laatste werk is geweest.
De Meiningers hebben vooral met dit stuk veel succes verworven. Reeds bij zijn eerste vertooning te Berlijn, den 9den Juni 1874, oogstten zij er veel bijval mee in, en die is in de laatste jaren zeker niet verminderd. Bij dit Stuk komt natuurlijk alles op de vertolking aan, want van prachtige mise-en-scène kan hier geen sprake zijn: een tresloten kamer met een soort alkoof, waarin zich Argan's bed bevindt; een tafel met medicijnflesschen, een paar
63
zetels, ziedaar alles voor het geheele stuk. De Meiniugers hebben, evenals het Theatre Francais, de balletten weggelaten en spelen nu de drie bedrijven achter elkander zonder het gordijn te laten vallen. Een kort stom, bij de handeling passend, tusschenspel vormt den overgang van het eene bedrijf naar het andere. Na het eerste bedrijf brengt Toinette Argan's bed en de kamer in orde, na het tweede wordt door een bediende de kamer en vooral het bed van Argan ontsmet. Het is overigens het streven der Meiningers geweest alles, tot in de kleinste détails, in overeenstemming te brengen met het karakter van den tijd, waarin het stuk is geschreven.
INHOUD.
Eerste Bede ij f.
Argan, de ingebeelde zieke, ziet zijne rekening van den apotheker Fleurant over de afgeloopen maand na eu ontdekt, dat hij vier drankjes en acht lavementen minder heeft gehad dan de vorige maand, geen wonder dus, dat hij zich in deze maand niet zoo goed gevoelt als in de vorige. Hij wil dat aan zijn geneesheer, dokter Purgon, laten weten, maar hoe hij ook belt, geen mensch komt, men heeft den armen zieke geheel alleen gelaten. Eindelijk na lang wachten komt zijne dienstmeid Toinette, hij scheldt haar uit, maar zij houdt hem voor den gek en beweert, dat hij volstrekt niet ziek is en zicb door Purgon en Fleurant als melkkoe laat gebruiken. Hij wil niets van haar hooren en beveelt haar zijne dochter Angelique te roepen, die echter juist aankomt. Terwijl Argan even weggaat, vernemen wij uit een gesprek tusschen Angelique en Toinette, dat gene verliefd is op Cleante, die haar verdedigd heeft, en dat Cleante heden bij haar vader om hare
64
band wil komen vragen. Argan treedt weer binnen en deelt Angeliqae mede, dat een jongmensch aanzoek om haar heeft gedaan, dat zijne vrouw haar wel liever non had laten worden, maar ten slotte toch in het huwelijk heeft toegestemd.
Angelique meent, dat Cleante dat jongmensch is, verheugt zich zeer over het besluit van hare oudeis en quot;\ei-telt haren vader, dat zij haren aanstaande zes dagen geleden toevallig heeft leeren kennen en zij van het eerste oogenbbk hunner kennismaking liefde voor elkander hadden opgevat. Spoedig blijkt echter, dat niet Cleante, maar Thomas Diaforius, aanstaand medicus en zoon van den arts Diafonus, aanzoek om haar heeft gedaan. Angelique, geholpen door Toinette, wil haren vader dat huwelijk uit het hoofd praten, maar hij dreigt, haar naar een klooster te zullen zenden, wanneer zij niet met Thomas huwt. Toinette verbiedt het haar en maakt Argan zoo kwaad, dat hij haar naloopt om haar te slaan. Beline, zijne tweede vrouw, komt binnen en weet haren man met de vleiendste uitdrukkingen tot bedaren te brengen, loinette, door hare meesteres ondervraagd, zegt juist het omgekeerde van hetgeen zij zooeven gezegd heeft, waardoor Argan nog kwader wordt en Beline daardoor gelegenheid heeft haren man nog' meer te vleien en te koesteren. Deze zal haar voor hare groote liefde ook beloonen, hij wil zijn testament maken. Beline, die reeds bij het woord âtestamentquot; siddert, heeft... den notaris reeds meegebracht. Deze treedt alsnu binnen, maar deelt Argan mee, dat hij zijne vrouw niets kan vermaken, hij kan haar wel bij zijn leven cadeaux geven. Dit vindt Argan ook goed en zegt daarom aan Beline, dat hij twintigduizend francs in geld en tienduizend francs in wissels heeft, die hij haar zal schenken. Toinette heeft het gesprek afgeluisterd en vertelt den inhoud aan Angelique,
65
die het, echter niet schelen kan, wat haar vader met zijne bezittingen doet, als hij maar niet over haar hart beschikt. Toinette zal Cleante zoo spoedig mogelijk met Argan's huwelijksontwerp in kennis stellen.
Tweede Bedrup.
Cleante is naar Augelique gegaan, om te vernemen, welk besluit zij ten aanzien van het haar voorgestelde huwelijk heeft genomen. Hij treft Toinette aan, die hem zegt, dat Angelique niet zoo gemakkelijk te spreken zal zijn, weshalve Cleante zich uitgeeft voor den vriend van haar muziek-onderwijzer en in diens plaats heden les komt geven. Als zoodanig stelt hij zich aan Argan voor, die hem toestaat de les te geven, maar in zijne tegenwoordigheid. Angelique wordt geroepen en schrikt, wanneer zij Cleante herkent, zij herstelt zich echter spoedig weer. Onmiddellijk daarop dient Toinette de heeren Diaforius, vader en zoon, aan. Cleante doet, alsof li ij heengaan wil, maar hij wordt door Argan tegengehouden, opdat hij ook eens den bruidegom van Angelique zal kunnen zien. De beide heeren Diaforius treden binnen, en na wederzijdsche begroeting houdt Thomas eene toespraak tot Argan, waaraan men terstond hoort, dat zij van buiten geleerd is. Alsdan wendt hij zich tot Angelique met zoo'n toespraak, vergist zich in den persoon en zegt op, wat voor Beline bestemd was, zijn vader redt hem echter en beveelt zijn zoon aan door de opnoeming van al zijne capaciteiten. Op Argan's uitnoodiging zal Cleante zijn leerlinge Angelique iets laten zingen, de leermeester kiest daartoe eene scène uit eene nieuwe operette. Angelique wil eerst niet, maar Cleante verzoekt haar zacht niet te weigeren en hem aan te hooren wanneer hij het stuk, dat zij zullen zingen.
66
verklaart. Deze verhaalt nu het avontuur, dat hij met Angelique heeft gehad en de gebeurtenissen, die daarop gevolgd zijn, zoodat zij nu in het duet, hetwelk volgt tusschen Tircis en Philis, met elkander kunnen spreken. Philis verklaart, dien anderen meer dan den dood te haten, Tircis alleen te beminnen en hem trouw te zullen blijven. Beline treedt thans binnen en Thomas wil de voor haar bestemde toespraak houden , zij valt hem in de rede, waardoor hij niet verder kan, zijn vader komt hem weer te hulp. Argan beveelt zijne dochter, Thomas hare hand te geven en hem trouw te beloven, zij weigert, omdat zij tijd moet hebben er over na te denken, haar vader wil haar dwingen, maar zij antwoordt, dat, wanneer haar vader haar geen man wil geven, die haar bevalt, zij zich geen zal laten opdringen, dien zij niet kan beminnen. Beline wil haar dadelijk naar het klooster zenden, Argan zal haar nog vier dagen tijd geven, om na te deuken; trouwt zij dan niet met Thomas, dan moet zij naar het klooster. De heeren Diaforius vertrekken, Angelique heeft reeds de kamer verlateu en ook Beline gaat heen, want zij heeft in de stad nog iets te doen, Argan herinnert er haar nog aan, bij den notaris te gaan. Voordat Beline het huis verlaat, komt zij haren man niededeelen, dat zich een man in Angelique's kamer bevond, die echter weggeloopen is, toen zij kwam, zijn dochtertje Louison was er ook bij. Deze wordt door haar vader uitgehoord, zij wil in het eerst niets vertellen en wanneer hij haar met eene roede slaat, valt zij neer en doet, alsof zij dood is. Later zegt zij hem echter toch, dat de plaatsvervanger van den muziek-onderwijzer bij Angelique is geweest en deze tot hare zuster gezegd heeft, dat hij haar bemint en hij hare hand heeft gekust. Beralde, een broer van Argan, komt dezen over een plan spreken. _
67
D E E D E Bedrup.
Toinette beveelt Angelique's belangen bij Beralde aan en verzoekt hem alles aan te wenden, om zijnen broeder dat huwelijk van zijne dochter met Thomas uit het hoofd te praten. Het zou zeer wenschelijk zijn een arts in huis te hebben, die zich met hen verbond, maar daar men dieu niet heeft, zal zij een dwazen streek uithalen. Beralde onderhoudt zijn broer over de zaak en zegt hem ook, dat zijne vrouw gaarne van zijne beide dochters nonnen zou willen maken, om bij zijn dood zijn geld te krijgen. Argan verklaart echter een arts tot schoonzoon te willen hebben, om steeds een geneesheer bij de hand te hebben, waarop Beralde hem antwoordt, dat er geen gezonder mensch op de wereld is dan hij. Er ontspint zich tusschen beiden een gesprek over de geneesheeren, waarin Beralde tegen hen te velde trekt en Molière prijst, die hen belachelijk heeft gemaakt. De apotheker Fleurant wil Argan een lavement komen toedienen, maar wordt door Beralde weggezonden ; Purgon, die Fleurant aan de deur ontmoet, komt woedend naar binnen, beklaagt zich over de verwaar-loozing zijner voorschriften en wenscht Argan alle mogelijke kwalen toe. Deze is wanhopig, maar Toinette kondigt een anderen geneesheer bij hem aan, dien zij niet kent, maar die sprekend op haar gelijkt. Zij verwijdert zich weer en komt dan als een dokter terug, beweert, dat Argan aan zijne longen lijdt en beveelt hem zulke dwaze middelen aan, dat Argan er toch maar liever niet mee beginnen zal. Beralde komt weer op Angelique's huwelijk terug â Purgon is de oom van Thomas en heeft Argan dat huwelijk aangeraden, hij zou zijn neef later alles vermaken; in zijne woede over de verwaarloozing zijner voorschriften heeft hij echter het testament voor Argan's oogen verscheurd â en zegt.
68
dat de raad, Angelique naar het klooster te zenden, van Beline komt, die gaarne het vermogen van haren man zou willen hebben. Argan beweert daarentegen, dat zijne vrouw hem zeer lief heeft, wat door Toinette bevestigd wordt, die hem aanraadt voor dood te gaan liggen, dan zal Beralde uit Beline's wanhoop kunnen zien, hoe zij haren man bemint, Beralde zal zich in een hoek verbergen. Beline komt, maar wanneer Toinette haar den dood van Argan mededeelt, is zij gelukkig, dat zij van zijn last bevrijd is, zij verzoekt Toinette den dood nog geheim te houden, totdat zij zijn geld en papieren in handen heeft, Argan springt nu op en Beline loopt gauw weg. Onmiddellijk daarop ziet Toinette Angelique komen, zij raadt Argan aan, ook eens met haar de proef te nemen; als Angelique hoort, dat haar vader dood is, is zij wanhopig en zij verklaart Cleante, die tot haar komt, niet met hem te zullen huwen, omdat haar vader tegen hun huwelijk was en zij na zijn dood zijn wensch wil vervullen. Argan omarmt thans zijne dochter en geeft Cleante zijne toestemming.
SCHILLER.
13 i e IR a u b e r.
INLEIDING.
Die Rauber is Schiller's eerste werk van beteekenis hij begon er aan als leerling der Karlsschule te Stuttgart in 1777 op 18 jarigen leeftijd en voltooide bet tegen het einde van het jaar 1780. Hij liet het stuk zonder zijn naam voor eigen rekening drukken en gaf het aan het Mannbeimer Hoftheater ter opvoering, waar het eenigszins verzacht en verkort don 13en Januari 1782 met het schitterendste succes werd vertoond in tegenwoordigheid van den dichter, die heimelijk het instituut had verlaten, om de vertooning bij te wonen. Dit succes is bet stuk bijgebleven, waar bet ook vertoond is, hoewel bet alle sporen draagt van de jeugd zijns dichters. Deze wilde den strijd schilderen tusscben wet en vrijheid; de held vermag zijn wil niet onder de wet te buigen, door een schurkenstreek van zijn broeder heeft hij , naar hij raeent, de liefde zijns vaders verloren, maar in plaats van nu te trachten die te herwinnen, wordt hij roover en moordenaar, geen gemeene dief of moordenaar, maar een, die zich wil wreken op hen, die geld en stand met oneerlijke middelen hebben verkre-
70
gen en die, hetgeen hij dezen afneemt, aan de brave noodlijdenden geeft. Maar ten slotte moet hij toch zelf erkennen, dat twee menschen zooals hij, het geheele gebouw der zedelijke wereld te gronde zouden richten. Om nu de door hem beleedigde wet een offer te brengen, doodt hij zich niet zelf, maar laat zich aan de rechtbank overleveren.
De Meiningers gaven Die Rduber het eerst den ]en Mei 1878 en behaalden er overal een zoo buitengewoon succes mede, dat het werk bij hen reeds bijna honderd vertooningen heeft beleefd. Zij spelen de eerste tooneelbewer-king des dichters in het costume der 15° eeuw, waarheen de dichter de handeling op verzoek van Dalberg, den Intendant van het Mannheimer Hoftheater, verlegd heeft. Zij hebben enkele uitdrukkingen gematigd en zich een paar verkortingen veroorloofd, waarvan de grootste is, dat de tweede ontmoeting tusschen Karei Moor en Amalia in den tuin wordt weggelaten.
INHOUD.
Eerste Bedkijp.
Frans Moor deelt zijn vader mede, dat hij een brief van hun Leipziger correspondent ontvangen heeft, die de treurigste berichten behelst over het gedrag van zijn broeder Karei. De oude Moor, die zielsveel van zijn zoon Karei houdt, is wanhopig over deze mededeelingen en laat zich door Frans overhalen, hem verlof te geven tot het schrijven van een brief aan Karei, waarin dezen wordt gemeld, dat zijn vader de hand van hem terugtrekt en hij hem nooit meer onder de oogen mag komen, voordat hij zich verbeterd heeft. Wanneer de oude Moor treurig naar bed is gegaan.
71
verzamelt Frans de stukken van den brief, dien hij zijn vader heeft voorgelezen om ze te vernietigen, opdat niemand gewaar worde, dat hij er zelf de schrijver van was. Hij is voornemens, zijn broeder geheel van het vaderhart los te scheuren, de oude zal dan spoedig van verdriet sterven, ook uit Amalia's hart wil hij Karei, dien hij haat, rukken, al zou haar halve leven er aan blijven hangen..
Karei Moor heeft te Leipzig, alwaar hij studeert, verscheidene dolle streken uitgehaald, maar wil zijn leven gaan beteren ; hij heeft aan zijn vader geschreven en hetn om vergiffenis gesmeekt, welke hij zeker is te erlangen, daarom neemt hij van zijne vrienden afscheid, daar ieder oogenblik de brief van zijn vader kan aankomen. Schwarz, een zijner vrienden, brengt hem den brief, maar als hij dien leest, wordt hij bleek als de dood, laat den brief vallen en snelt weg. Deze brief is van Frans, die zijn broeder in opdracht van zijn vader schrijft, dat zijn vader hem geen vergiffenis schenkt en hij het ook niet behoeft te wagen, genade aan de voeten van zijn vader te komen afsmeeken, daar hij dan in het onderste gewelf van den toren zoolang op water en brood zal worden' onthaald, tot zijne haren als arendsveêren groeien en zijne nagels tot vogelklauwen worden. Spiegelberg, een der grootste losbollen, stelt de anderen voor naar het Bohemer woud te gaan en daar eene rooverbende te vormen. Dit voorstel wordt door allen aangenomen en zij kiezen Karei Moor tot hun hoofdman. Deze, zooals hij meent, door zijn vader verstoeten, neemt dit aan ; de anderen zweren hem trouw tot in den dood en ook hij zweert tot aan zijn dood hun hoofdman te zullen zijn.
Frans tracht ook Amalia tegen Karei in te nemen door haar de schandelijkste dingen van hem te vertellen, maar zij doorziet zijn plan en noemt hem een booswicht en leuge-
72
naar. Frans wil nu zijn doel op eene andere wijze zien te bereiken en zegt haar, dat bij haar slechts op de proef heeft willen stellen, of zij zijn broeder werkelijk trouw gebleven is. Hij heeft Karei beloofd haar niet te verlaten, Yranneer hij niet meer mocht terugkeeren, en daar dit nu hét geval is, wil hij Karel's plaats bij haar innemen; zij doorgrondt hem en jaagt hem weg, want zij haat en veracht hem.
Tweede Bede ij f.
Frans peinst er over, hoe hij zijn vader kan vermoorden, zonder dat. de dokter sporen van verworging of vergif vindt. Hij besluit hem door schrik te dooden en vindt in Herman, die door den ouden Moor beleedigd en door Amalia afgewezen is, den man, die hem in zijn voornemen zal helpen. Terwijl de oude Moor en Amalia over Karei zitten te spreken, komt Herman vermomd met Frans binnen en beweert een wapenbroeder en afgezant van Karei te zijn, die diens laatste wensch komt vervullen, want Karei is als dapper soldaat op het slagveld gestorven Hij had vóór zijn sterven aan Herman verzocht zijn zwaard aan zijn vader te brengen en hem te zeggen, dat des vaders vloek hem in strijd en dood had gedreven en hij in vertwijfeling was gevallen; zijn laatste zucht was : Amalia. Herman geeft het zwaard, waarop met bloed staat geschreven: Frans, verlaat mijne Amalia niet, en Amalia, de alvermogende dood verhiak uw eed', ook Amalia's portret heeft hij voor Frans meegegeven, waaruit zij opmaakt dat Karei haar nooit bemind heeft. Frans brengt zijn vader tot wanhoop door hem te verwijten, dat hij de schuld is van Kareis dood; de oude Moor, door verdriet en wanhoop oververmeesterd, valt in Amalia's armen neer, en deze, meenende dat hij
73
gestorven is^ slaakt een gil en verlaat de kamer onder den uitroep: âDood! Alles dood!quot; Wanneer Frans haar hoort, komt hij vroolijk binnen en drukt zijn vader deoogen toe; nu is zijn tijd gekomen om zich in zijne ware gedaante te toonen en hij kan thans het lastige masker van zachtmoedigheid afwerpen.
De roovers bevinden zich in het Bohemer woud. Roller was gevangen genomen en zou worden opgehangen, maar de anderen, onder aanvoering van Kaï-el Moor, hebben hem gered; hij stond reeds bij de galg, toen de hoofdman de roovers beval, de stad op drie en dertig plaatsen ie gelijk in brand te steken; toen de geheele stad op één oogenblik in lichter laaie stond, kon Roller vluchten. Karei hoort, welke lage streken zijne manschappen in de verbrande stad hebben uitgevoerd, hoe zij grijsaards en kinderen hebben ter dood gebracht en is door deze wandaad ter neder gedrukt : zij werpt een smet op zijn werk. Roovers komen den hoofdman melden, dat benden Boheemsche ruiters door het bosch zwerven, een verklikker moet him den weg gewezen hebben, daar zij geheel ingesloten worden, moeten de roovers als wanhopigen vechten, anders zijn zij allen verloren. Een geestelijke, gezonden door de overheid, komt den hoofdman sommeeren zich over te geven, dan zal hij alleen maar geradbraakt worden. Karei lacht hem uit: hij is geen dief die met den nacht en den slaap samenspant, zijn handwerk is wedervergelding, wraak ziju beroep. De geestelijke tracht nu de anderen over te halen hun hoofdman gebonden over te leveren, zij zullen dan vergiffenis erlangen ; niemand echter wil er van hooren en de geestelijke wordt weggezonden met de boodschap, dat onder Moor's bende zich geen enkele verrader bevindt; het gevecht tegen de ruiters neemt thans een aanvang.
74
Deede Bede ij f.
Amalia is van het vroolijke gastmaal opgestaan, dat Frans kort na de begrafenis van zijn vader geeft en is naar den tuin gegaan. Frans achtervolgt haar en verklaart haar zijne liefde, zij echter antwoordt, dat zij hem verfoeit, waarop hij dreigt haar in een klooster te zullen sluiten, als zij aan zijne wenschen geen gehoor geeft. Wanneer zij daarop antwoordt, dat haar het klooster niet afschrikt, dreigt hij haar bij de haren naar de kapel te zullen sleepen en haar den huwelijkseed met den degen in de hand uit den mond te persen. Amalia slaat hem daarop in het gelaat, hij wil haar grijpen en medesleepen, zij doet alsof zij hem wil omarmen, maar rukt hem den degen van zijne zijde en jaagt hem daarmee weg. Zij besluit onmiddellijk naar het klooster te gaan, maar Herman, die de schuld, welke hij op zich heeft geladen, niet langer dragen kan, deelt haar mede, dat Karei en zijn vader nog leven en ijlt dan weer weg.
De roovers zijn in eene landstreek aan den Donau gelegerd. Karei Moor is treurig gestemd, want hij denkt aan zijne gelukkige kinderjaren en vergelijkt dien tijd met zijn tegenwoordig leven. In hun gevecht tegen de ruiters hebben zij maar één man, Roller, verloren, de ruiters verloren er daarentegen drie honderd; nu Karei ziet, hoe trouw zijne mannen zijn, zweert hij bij het gebeente van Roller hen nooit te verlaten. Kosinsky komt, hij heeft veel geleden en wil zich daarom bij de bende van Karei aansluiten, maar deze weigert hem aan te nemen, om hem met ongelukkig te maken. Als Kosinsky echter verhaalt, hoe zijn vorst op de verraderlijkste wijze zijne geliefde die ook Amalia heet â den dag voor zijn huwelijk heeft gestolen en onteerd en dat deze geliefde in de klauwen
75
van den tijger kwijnt en treurt, dan spingt Moor ontroerd op en neemt Kosinsky aan. In acht dagen moeten de roovers in Frankenland zijn, om Kosinsky's bruid uit de handen van den verrader te bevrijden en dezen te straffen.
Vierde Bede ij p.
De roovers bevinden zich in de nabijheid van het kasteel van Moor. Karei zendt Kosinsky er heen, ora hem als Graaf van Brand uit Mecklenburg aan te dienen en laat dan met diepen weemoed zijn blik op het kasteel rusten, waar hij eens dacht gelukkig te zijn.
Karei is in het kasteel en wordt door Amalia, die hem niet herkend heeft, door de galerij rondgeleid, waar zich de familie-portretten bevinden, hij ziet het portret van zijn vader en blijft er ontroerd voor staan; wanneer zij voor Karel's portret komen, begint Amalia te weenen en gaat snel weg. Karei ziet daaruit, dat zij hem nog steeds bemint, Frans heeft den Graaf gezien en de gelijkenis met zijn bi-oeder Karei opgemerkt, hij ziet het portret van Ka-rel en krijgt daardoor de zekerheid, dat die Graaf niemand anders dan zijn broeder is. Zijn besluit is spoedig genomen: Karei moet sterven; hij schelt en Daniël, de oude huisknecht, treedt binnen. Frans tracht van hem te weten te komen, wat de Graaf tegen hem heeft gezegd en wanneer Daniël antwoordt van den Graaf te hebben gehoord, dat hij den ouden Moor heeft gekend en als zijn vader heeft lief gehad, gebiedt Frans den ouden knecht den Graaf te dooden. Deze ontstelt over dit bevel en wil er niets vau hooren, maar bang geworden door de bedreigingen van Frans, belooft hij den volgenden dag aan het bevel te voldoen.
Karei bevindt zich met Daniël in eene andere kamer
76
van het kasteel en deze verzoekt hem zijn hand te mogen kussen. Als Karei het hem toestaat, grijpt hij de hand en valt voor hem neder onder den uitroep: âLieve, beste Ka-rel !quot; Deze doet eerst alsof hij Daniël niet begrijpt, maar als de oude dienaar zegt, hem aan een litteeken aan zijne hand te hebben herkend, valt Karei hem om den hals en zegt, wie hij is. Daniël deelt hem het een en ander mede over het gedrag van Frans, maar de geheele waarheid wil hij niet zeggen; toch begrijpt Karei nu reeds, dat h'j door de schurkenstreken van zijn broeder ten val is gebracht.
Het is nacht, de rooverbende ligt om een vervallen kasteel in een nabij gelegen woud op den grond en wacht op haar hoofdman. Spiegelberg tracht Razmann over te halen Karei te vermoorden, maar Schweizer, die hem bespied heeft, steekt den verrader dood. Karei komt met Kosinsky, maar hoewel het reeds middernacht is, wil hij nog wakker blijven. Zoodra de anderen ingeslapen zijn, besluit hij zich te dooden, hij legt reeds zijn pistool aan, maar werpt het dan weer weg, want hij wil zich niet door de ellende laten overwinnen. Herman komt door het woud, treedt op den toren toe en klopt, Moor hoort, hoe eene stem uit den toren spreekt en treedt naderbij; daar Herman niet spreken wil, breekt hij de deur van den toren open, waaruit een grijsaard treedt, dien Karei onmiddellijk herkent : het is zijn vader. Toen Frans zag, dat zijn vader niet gestorven was, maar slechts in onmacht was gevallen, liet hij hem in dit onderaardsche gewelf werpen, om hem daar van honger te laten sterven. Herman had hem echter dagelijks wat eten gebracht en hem daardoor in het leven gehouden. Moor wekt de roovers, zegt hun, wat hij ontdekt heeft, dat die oude zijn vader is en beveelt Schweizer, Frans uit het bed te halen en hem levend bij den hoofdman te brengen.__
77
V IJ F D E B E D E IJ F.
Daniël wil in den naclit het kasteel verlaten, maar op het oogenblik, dat hij gaan wil, stormt Frans binnen, hij heeft een vreeselijken droom gehad, zijn geweten foltert hem, hij kan het in zijn bed niet langer uithouden en beveelt den pastoor te halen. Pastoor Moser komt bij hem en vraagt, wat hij wil; eerst bespot Frans den pastoor, maar de woorden van den geestelijke maken een zoo ontzettenden indruk op hem, dat hij ineen krimpt van wroeging en angst. Buiten hoort men de troepen van Schweizer, die de deuren trachten te openen en als dit niet gelukt het slot in brand steken. Frans wil bidden, maar hij kan niet, hij smeekt Daniël hem te dooden, daar deze echter weigert, worgt hij zich zelf. Schweizer treedt daarop binnen, vindt Frans reeds dood en schiet zich daarom voor het hoofd.
De oude Moor zit nog in het woud, spreekt met zijn redder over zijn zoon Karei en toont diep berouw, dat hij zich door Frans heeft laten misleiden. Karei wil zich niet laten herkennen, maar vraagt den ouden man zijn zegen, omdat hij de grendels van zijn kerker verbrak, de oude Moor zegent zijn zoon. Schweizer's makkers brengen het lijk van hun kameraad, die zich doodde, omdat hij Frans niet levend kon brengen; onmiddellijk daarop komt ook Amalia, die gehoord heeft, dat haar oom en Karei nog leven en samen in het bosch zijn. Karei verklaart echter harer liefde onwaardig te zijn, want hij is de hoofdman der roovers. Wanneer de oude Moor dit hoort, sterft hij, maar Amalia wil Karei daarom niet verlaten, de andere roovers eischen echter van hun hoofdman, dat hij zijnen eed van trouw houdt, waarop Amalia smeekt haar te dooden. Als Karei ziet, dat een der roovers op haar mikt, doodt
78
hij haar zelf; hij verklaart de anderen niet langer met hen mee te gaan, maar de beleedigde wet te willen verzoenen door zich zelf als offer aan te bieden. Men heeft duizend Louis d'or uitgeloofd aan hem, die den grooten roover levend overlevert; hij heeft een armen sukkel gesproken, die in dasrhuur werkt en elf kinderen in leven heeft. Dien man zal hij helpen.
11 e n s t e i n.
INLKIDING.
Toen Schiller in Mei 1792 met zijne geschiedenis van den dertigjarigen oorlog bezig was, kwam de gedachte bij hem op, deze stof ook dramatisch te bewerken. Toch kon hij eerst in Maart 1794 er mee beginnen een plan uit te werken, dat echter weer twee jaar liggen bleef, voordat hij tot de bewerking kon overgaan. Den 22sten October 1790 zette hij zich aan den arbeid, maar, hoewel hij er ijverig mee bezig bleef, werd het geheel eerst den Maart 1799
voltooid. Onder de bewerking zag hij, dat zijn stof voor een drama, hetwelk op het tooneel moest worden vertoond, veel te uitgebreid was, en hij was dus met het oog op de vertooning genoodzaakt, zijn stuk in verscheidene deelen te splitsen. Goethe wilde voor de opening van het nieuwe theater te Weimar het eerste bedrijf, dat toen het Lager was, als een zelfstandig werk vertoonen en gaf den dichter een soldatenlied, waarbij Schiller nog een paar strophen schreef, om het er in te voegen; ook nog een paar andere toonee-len werden uitgebreid en met een proloog, die nu aan het geheele werk voorafgaat, werd die Wallensteiner, zooals het
79
Lager toen heette, den 12den October 1798 het eerst gegeven. Nu dit gedeelte van het stuk was afgescheiden, besloot hij de rest in twee stukken te verdeelen, van welke het eerste die Piccolnmini, dat de verhouding der beide Piccolomini tot Wallenstein schetst, de geheele expositie der handeling bevat en juist daar eindigt, waar de knoop gelegd wordt, en het tweede, Wallensteins Tod, het eigenlijke treurspel is. Die Piccolomini werd het eerst den 303t®n Januari 1799 ter gelegenheid van den verjaardag der Hertogin Louise te Weimar vertoond en den 17den April herhaald, waarop dan den 203ten April Wallensteins Tod volgde, dat toen voor de eerste maal werd opgevoerd.
De Meiningers vertoonden Wallensteins Lager het eerst te Bremen den 18den Mei 1881 en zij gaven door hunne groepeeringen der krijgslieden van verschillende volkeren en kleederdrachten een zoo volkomen beeld van het Wallestein'sche legerkamp, dat deze vertooning een ongehoord succes verwierf. Dit succes heeft zich naderhand overal herhaald, zoodat dit deel der trilogie in nog geen 7 jaren bijna 150 voorstellingen heeft beleefd. Een jaar later vertoonden zij het eerst te Berlijn de beide andere deelen, en wel 22 April 1881 die Piccolomini en den daarop volgenden dag Wallensteins Tod; beide stukken zijn ieder reeds meer dan honderdmaal in die 6 jaren vertoond. Die Piccolomini wordt geheel gegeven, zooals het door den dichter is geschreven, slechts enkele gesprekken zijn een beetje verkort: hetzelfde geldt ook van Wallensteins Tod, hoewel in dit stuk wel eens het 13de en 14ie tooneel van het vierde bedrijf worden weggelaten. Tegenwoordig spelen zij op ééu avond het Lager en de Piccolomini, en den daarop volgen den de Tod.
80
INHOUD.
Wrtllensteins Imager.
Van inhoud in de gewone beteekenis kan men bij dit stuk niet spreken; de eenige handeling, die er in voorkomt, is, dat op het bericht, dat acht duizend man van het Wal-lenstein'sche lege»1 naar de Nederlanden zullen worden gezonden, besloten wordt een smeekschrift op te stellen, waarin gevraagd zal worden, de regimenten niet van elkander te scheiden, maar bij Wallenstein te laten blijven. Voor het overige bevat het stuk tooneelen uit het legerkamp, waaruit blijkt, dat het leger aan Wallenstein zeer gehecht is en het in hem en niet in den keizer zijn heer ziet. Tevens karakteriseeren de hoofdpersonen der gesprekken de regimenten, waartoe zij behooren en hunne aanvoerders. De Kroaat representeert het minste volk van het leger, dat zich als vee naar de slachtbank laat voeren, van zulk volk is Isolani een waardig aanvoerder; de eerste Jager en zijne kameraden zijn representanten van de avonturiers en gelukzoekers in het leger van Wallenstein^ de Arkebusier is, als zijn Duitsche heer Tiefenbach, den keizer getrouw; tegenover hem staat de Trompetter, een stem uit het regiment van Terzky, die Wallenstein vereert; de Dragonder toont, dat hij al even weinig te vertrouwen is als zijn generaal Buttler; de eerste Kurassier staat onder Max Piccolomini en daarmee is alles gezegd: hij representeert de nobele zijde van het toenmalig krijgsleven, terwijl de Wachtmeester, die de woorden van den veldheer precies kent en hem in alles tracht na te doen, eene caricatuur van Wallenstein zelf is. De geruïneerde boer, die de soldaten met valsche dobbelsteenen wil bedriegen, de als rekruut optredende burgerzoon, die zijn vader te vergeefs tracht
81
terug te houden en de predikende monnik zijn represen-tanten van den toenmaligen burger-, boeren- en geestelijken stand.
Die 1? i e c o 1 o 1« i ii i.
E E K S T E B E D li IJ F.
Het leger van Wallenstein, Hertog van Friedland, bevindt zich te Pilsen en deze heeft zijne vrouw en dochter ook daarheen laten konienj zij kunnen ieder oogenblik met Max, Octavio Piccolomini's zoon, arriveeren. De generaals klagen er over, dat men te Weenen de macht van Wallenstein met leede oogen ziet en alles in het werk stelt om hem die te ontnemen. Questenberg is als gezant van den Keizer met dat doel in het leger aangekomen; wanneer hij met Octavio Piccolomini in den kring der generaals treedt, wordt hij door hen zeer onvriendelijk ontvangen en men geeft hem duidelijk te verstaan, dat Wallenstein het hoofd van allen is, aller liefde heeft, en men niet van plan is zich aan den eerste den beste, die uit Weenen wordt gezonden, te onderwerpen. Wanneer de generaals vertrokken zijn en Questenberg met Octavio alleen is, geeft gene zijne verbazing te kennen over hetgeen hij heeft gehoord; in Weenen denkt men niet dat in het leger zulke begrippen heerschen ; men kent hier geen keizer meer, Wallenstein is de keizer. Octavio merkt op, dat Questenberg nu zelf kan zien, hoe gevaarlijk de opdracht is, die de keizer voor hem heeft meegegeven, de geringste verdenking kan hem het leven kosten, maar hij versaagt niet, want Wallenstein vertrouwt hem blindelings en van den kleinsten stap, dien hij doen wil, onderricht hij hem. Dat vertrouwen heeft Wallenstein hem plotseling geschonken op den morgen vóór den slag bij Lutzen, toen hij dezen wekteen een ander
6
82
paard aanbood, de Hertog viel hem toen om den hals en was ontroerd; sinds dien dag vervolgt hij hem met zijn vertrouwen, Max mag echter niet weten, welke rol zijn vader speelt. Max is juist met de dames aangekomen, hij omarmt zijn vader, maar bejegent Questenberg eveneens zeer koel ; uit de woorden van Max merkt Octavio tot zijn schrik op, dat zijn zoon gedurende de reis op Wallenstein's dochter verliefd is geworden.
Tweede B e d n u r.
De Hertogin verhaalt haren gemaal, dat zij teWeeneu geheel anders is ontvangen dau vroeger, en zij vreest, dat men hem op nieuw wil afzetten, zij smeekt Wallecstein toe te geven en de bevelen van den Keizer op te volgen. Hare zuster, de Gravin Terzky, stelt Wallenstein zijne dochter Thekla voor, die hij sinds haar achtste jaar niet meer heeft gezien en nu als volwassen jonkvrouw mag begroeten. Graaf Terzky overhandigt den Hertog brieven , deze leest die brieven en wordt somber; op raad der Gravin verlaten allen hem op Terzky na. Wallenstein geeft een der brieven aan zijn zwager, deze brief bevat het bericht, dat twee generaals, Altringer en Gallas, van den Hertog afgevallen zijn, Terzky wil nu weten, hoe het met het verbond staat, waarover hij in Wallensteins naam met den vijand reeds zoo lang onderhandelt, en hij verlangt zekerheid, daar hij geen enkel bewijs van zijn zwager in handen heeft, dat deze de anderen niet voor den gek houdt. Veldmaarschalk Ulo, die als vriend Wallenstein's geheim kent, deelt mede, dat het leger geheel op de hand van den opperbevelhebber is, alleen van de beide Piccolomini weet hij niets, en hij vreest, dat Wallenstein Octavio te veel
83
vertrouwen sclienkt, maar gene is daaromtrent zeer gerust, van Octavio is hij zeker. Wallenstein verlangt, voordat hij verplichtingen op zich neemt, de schriftelijke belofte van al de leger-aanvoerders, dat zij zich onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud aan zijn dienst zullen wijden. Ulo zal hem die verschaffen en nog wel heden avond op het banket, dat Generaal Terzky van plan is to geven, maar dan moet Wallenstein ook onmiddellijk een besluit nemen. Deze wil wachten, totdat het tijd is, en die tijd zal hem door de sterren worden aangewezen, waarop hij het volkomenste vertrouwen stelt. Ulo moge intusschen voor do onderteekeningen zorgen. Questenberg en de generaals treden binnen en Wallenstein verzoekt den gedelegeerde van den Keizer, hier ten aanhoore van zijne generaals des Keizers opdracht mede te deelen. Na eene inleiding, waarin hij eerst Wallenstein prijst en dan de zaken verkeerd voorstelt, meldt Questenberg dat de Keizer wil dat niet alleen het leger Boheme verlate en naar Regensburg trekko, maar bovendien, dat acht regimenten een Spaansch leger naar de Nederlanden zullen begeleiden. Zoodra de gezant van zijne opdracht inededeeling heeft gedaan, zegt Wallenstein in te zien, dat de Keizer zijn leger eerst zwakker wil maken om hem dan af te zetten : zijn besluit is daarom genomen, hij zal zelf heengaan. Eene groote beweging ontstaat bij die woorden onder de generaals en zij smeeken den Hertog geen besluit te nemen, voordat zij met elkander beraadslaagd hebben. Deze verwijst hen naar Ulo, die zijn wil kent.
84
Derde Bedrijf.
Ulo deelt Terzky mede, hoe hij de aanvoerders denkt over te halen, hij heeft een stuk opgesteld, waarin allen beloven den Hertog getrouw te blijven, echter met inachtneming van den eed en de plichten, die zij den Keizer verschuldigd zijn; dit stuk zal hun vóór tafel worden voorgelegd, maar na tafel, als de hoofden door den wijn beneveld ziju, laat men een ander stuk teekenen, waarin de clausule betreffende den Keizer niet voorkomt. Later zullen zij zich misschien niet aan het op deze wijze gegeven woord houden, maar de Hertog krijgt de onderteekeningen en zal handelen, de aanvoerders zullen hem dan toch wel volgen. Gravin Terzky heeft, buiten medeweten van Walleustein, zijna dochter Thekla eene samenkomst met Max bezorgd, deze komt, spreekt met de Gravin en verhaalt haar, dat hij heden morgen zijne liefde aan Thekla heeft verklaard; dan treedt Thekla binnen en de geliefden spreken, zoolang de Gravin bij hen is, slechts over den gelukkigen tijd, die voor hen aanbreekt, maar nauwelijks heeft de Gravin de kamer verlaten, of Thekla waarschuwt Max, niemand hier te vertrouwen, want zij hebben een ander doel met het bevorderen hunner plannen, dan hen beiden gelukkig te maken. L)e Gravin komt terug en beveelt Max onmiddellijk bij de gasten te gaan, zijn vader mist hem reeds. Zoodra Max vertrokken is, zegt de Gravin aan Thekla, dat de dochter van Wallenstein nooit mag denken aan een huwelijk met zoo'n man; Thekla ziet in dat haar voorgevoel juist geweest is.
V i e u d e B e d e ij f.
Graaf Terzky geeft het banket; allo generaals ziju reeds tegenwoordig als Max binnentreedt, de gastheer laat hem
85
een stuk lezen, waarin allen zich verbinden, voor zooverre de aan den Keizer gedane eed dit veroorlooft, Wallenstein getrouw te blijven, na tafel zal het hem ter onderteekening worden gegeven. Zoodra Max het stuk heeft gelezen, beveelt Terzky om het andere, zonder de clausule, neer te leggen en dit te verbranden. Illo vraagt Terzky hoe het met Max staat, waarop Terzky hem gerust stelt. Buttler nadert de beiden en zegt, dat hij met en zonder clausule hun man zal zijn, hij heeft hun plan doorgrond, toch kunnen zij op hem rekenen. De gasten drinken er flink op los, er wordt voortdurend nieuwe wijn gebracht, eindelijk haalt Terzky het stuk om het te laten teekenen en nu staan de gasten op; allen, ook Octavio, die het echter eerst nog eens inziet, onderteekenen. Max staat in gedachten, zijn vader treedt op hem toe en vraagt hem, waarom hij zoo laat gekomen is; als hij een ontwijkend antwoordt geeft, vraagt Octavio, waarom zijn vader niet weten mag, wat Terzky wèl weet, want deze was de eenige, die hem niet miste. Wanneer het stuk ter onderteekening aan Max wordt gegeven, weigert hij ; hij zal morgen teekenen. Illo, die dronken is, scheldt hem daarop uit en vraagt hem, of hij weigert, omdat de clausule weggebleven is en hem geen achterdeurtje is gelaten. Opmerkzaam geworden door deze woorden, zien nu de anderen het stuk nog eens in en ont-waren, dat het vóór tafel anders heeft geluid dan nu. Max blijft weigeren te onderteekenen, Illo trekt den degen en noemt hem een Judas, maar Max ontwapent hem en laat hem wegvoeren.
V IJ F D E B E IJ li IJ F.
Octavio Piccolomini is in zijne kamer en verwacht Max, die kort daarop binnentreedt; Octavio vraagt zijn zoon.
8(5
waarom hij niet onderteekend heeft, en wanneer deze antwoordt, omdat hem de zaak niet zoo dringend scheen, maar dat hij geen argwaan gekoesterd had, dan zegt hem zijn vader, dat hij zijn naam haast tot een schelmstuk had gegeven, want men wilde den Keizer zijn leger stelen en het aan den vijand overleveren. Max is van meening, dat dit alles buiten medeweten van Wallenstein gebeurt, maar zijn vader verzekert hem, dat de Hertog met alles bekend is en hij ieder reeds een lokaas heeft getoond : dat van Max is... Thekla. Max wil het niet gelooven, zijn vader verklaart hem echter uit Wallenstein's eigen mond te hebben, dat hij zich met de Zweden wil verbinden, Wallenstein heeft hem zelfs in vertrouwen brieven getoond. Max verzoekt zijn vader niet verder te gaan met zijne mededee-lingen, want hij wil het vertrouwen in zijn vader, die toont eene valsche rol te hebben gespeeld, niet verliezen. Maar Octavio moet hem nog meer zeggen en toont hem een geheim keizerlijk schrijven, waarin Wallenstein wordt veroordeeld en aan Octavio voorloopig het opperbevel wordt gegeven. Een kornet treedt binnen, hij brengt het bericht, dat Sesin, de onderhandelaar tusschen Terzky en de Zweden, in handen van Graaf Gallas is gevallen eu gewichtige depêches bij zich had, hij is onmiddellijk naar Weenen gezonden, de Graaf verwacht verdere bevelen van Octavio. A-ls deze met zijn zoon weer alleen is, deelt Max zijn vader mede, dat hij zekerheid wil hebben, of de Hertog al dan niet een verrader is, hij zal het hem zelf gaan vragen. Octavio wil zijn zoon terughouden, maar deze wil tegenover Wallenstein eerlijk zijn en weten, of hij den vriend, dan wel den vader in het vervolg zal moeten ontberen.
87
quot;VViilleiisteins Totl.
Eerste B E D R IJ F,
Wallenstein is met zija astroloog bezig, maar wordt plotseliug gestoord door Graaf Terzky, onmiddellijk gevolgd door Ulo, die het bericht brengt, dat Sesin gevangen is genomen en naar Weenon is gezonden. Terzkv en Illo dringen bij Wallenstein aan terstond te handelen, daar hij anders verloren is. De Zweedsche gezant is juist aangekomen, laat hij dezen zonder een besluit te hebben genomen weggaan, dan zal hij toch als landverrader worden veroordeeld ; de troepen hebben bovendien in een schrijven verklaard, niet naar Vlaanderen te willen gaan, de eerste schrede tot oproer is dus reeds gedaan. Als Wallenstein alleen is, overlegt hij nogmaals bij zich zelf, wat hij doen zal, en laat dan den Zweedschen Overstekomen. De een vertrouwt den ander niet, maar zoodra Wallenstein de onderteekening der generaals heeft getoond, wordt het vertrouwen van den gezant grooter en hij zegt volmacht te hebben, om met Wallenstein alles af te sluiten. Over de voorwaarden kunnen zij het niet eens worden, Wallenstein wil daarom de zaak eerst nog overwegen, de gezant zegt hem echter, dat dit de laatste onderhandeling is, die Zweden met hem wil voeren, mislukt ook die, dan worden alle onderhandelingen voor goed afgebroken. Terzky en Illo trachten Wallenstein over te halen, het gelukt hun echter niet, dan komt Gravin Terzky binnen, zij herinnert er hem aan, hoe ondankbaar de Keizer tegenover hem is geweest en zij weet hem ten slotte over te hnlen : de Zweedsche Overste wordt teruggeroepen .
88
tweede bedrup.
Wallenstein heeft met den Zweedschen gezant eene overeenkomst gesloten, deelt Octavio alles mede en geeft hem zijne bevelen ; dan komt Max binnen, terwijl zijn vader heengaat, en hij vraagt Wallenstein, of het waar is, dat hij een verbond met den vijand heeft gesloten. Wallenstein erkent dit en zegt hem, dat daaraan niets meer te veranderen is, hij moest zoo handelen, Max verlaat hem vol smart. Terzky en Ulo hebben vernomen, dat Wallenstein een deel van zijn krijgsvolk aan Octavio heeft toevertrouwd en komen hem noermaals waarschuwen, maar Wallenstein wil er niet van
o
hoeren, Octavio heeft zijn vertrouwen, het noodlot zelf heeft hem een bewijs gegeven, dat Octavio dit verdient: den avond vóór den slag bij Lutzen had de Hertog gezegd: diegene is mijn beste vriend, die mij den volgenden morgen het eei'st een bewijs van zijn liefde geeft; 's nachts droomde hij, dat midden in den slag zijn paard onder hem werd doodgeschoten, hij lag reeds hulpeloos daar, toen... werd hij door Octavio gewekt, die hem den raad kwam geven, in den slag niet zijn eigen paard te berijden, maar een, dat hij voor hem had uitgekozen, hij volgde dien raad, zijn neef bereed zijn paard, ros en ruiter zag men nooit weer terug.
Octavio bevindt zich in zijne kamer; Isolani treedt binnen en meent, dat er iets ten gunste van Wallenstein moet worden beslist, maar het kost Octavio, die hem zegt, dat hij nu de opperbevelhebber van het leger is, weinig moeite om Isoiani tot de partij van den Keizer over te halen; ook Buttler, die daai'op binnentreedt, wordt door Octavio tot de partij des Keizers overgehaald: Buttler heeft om den graventitel gevraagd, maar zijn verzoek is afgewezen, daarom heeft hij zich van den Keizer afgewend; Octavio bewijst hem echter, dat die afwijzing de schuld is van
89
Wallenstein en de Keizer heni ongevraagd geeft wat hij verlangt. Nu richt zich Battler's woede tegen Wallenstein en hij verzoekt Octavio, de bewaking van den Hertog aan hem toe te vertrouwen, wat hem wordt toegestaan. Max treedt binnen, hij verklaart zijn vader, dat hij diens gedrag tegenover Wallenstein schandeliik vindt; bij wil ook niet met Octavio meegaan, eerst zal hij van Thekla gaan afscheid nemen en dan zal hij weten wat hem te doen staat, daarvan kan Octavio intusschen overtuigd zijn, dat zijn zoon zich nooit als een onwaardige zal gedragen.
D E K D E B K D R IJ F.
Gravin Terzky deelt Thekla mede, wat gebeurd is en wil dat zij alles zal aanwenden om Max voor de zaak van haren vader te behouden, maar zij mag niets aan hare moeder mededeelen. De Hertogin vraagt of haar gemaal aan het bevel van den Keizer zal voldoen; zij hoort, zonder echter iets meer te vernemen, dat dit niet het geval is. Wallenstein treedt binnen en verneemt dat Buttler uit eigen wil gekomen is, om zich bij hem aan te sluiten. De Hertog is zeer verheugd over dit bericht, daar hij juist Buttler nooit erg vertrouwd heeft; hij verzoekt zijne dochter iets voor hem te spelen. Tbekla neemt de citer, maar het is haar niet mogelijk te spelen, zij werpt het instrument wep en verlaat de zaal. Wanneer Wallenstein zegt, dat hij dit zonderlinge gedrag van zijne dochter niet kan begrijpen, deelt de Gravin hem mede, dat Thekla verliefd is op Max en deze haar hoopt te bezitten. Maar Wallenstein wil daarvan niets hooren, zijne dochter zal eens eene koningskroon sieren. Terzky stormt thans de zaal binnen en meldt, dat Wallenstein verraden is, de Kroaten en de Jagers hebben
90
heimelijk de stad verlaten ; Illo brengt nog slechtere tyding : er zijn nog meer regimenten vertrokken en de bevelen tot dit vertrek zijn gegeven door den Opperbevelhebber Octavio Piccolomini, die reeds lang met den Keizer in verbinding stond. Tot nu toe bleef Wallenstein kalm, maar bij het bericht van Octavio's verraad, valt hij op een stoel neer. Buttler komt bevelen van hem ontvangen, want hij blijft hem getrouw, niettegenstaande Wallenstein, Terzky en Ulo in den ban zijn gedaan. De Gravin deelt nu de Hertogin de gansche waarheid mede, deze valt daarop in de armen harer dochter in onmacht.
De kurassiers van het regiment van Max verzoeken bij den Hertog toegelaten te worden, dit wordt hun toegestaan en zij vragen hem, of het waar is, dat hij hen aan den vijand wil overleveren. Wallenstein tracht hen te overreden, en het zou hem wellicht gelukt zijn, wanneer Buttler niet juist had komen melden, dat de regimenten van Graaf Terzky den keizerlijken adelaar van hunne vaandels hebben afgerukt ; bij het hoeren van dit bericht verlaten de kurassiers de zaal. Het gansche Pappenheimer regiment komt op het slot aanrukken, zij verlangen hun veldheer Max terug, die zich bij Wallenstein moet bevinden. Max treedt binnen, hij wilde eerst in het geheim van ïhekla afscheid nemen, maar nu zal hij het in aller tegenwoordigheid doen. Wallenstein tracht hem terug te houden, de Pappenheimers willen het slot beschieten, de Hertog zal zelf de soldaten gaan toespreken. Nu vraagt Max aan Thekla, wat hij doen moet, waarop Thekla hem antwoordt te doen wat zijn eigen gevoel hem zegt, namelijk zijn plicht. Wallenstein heeft de soldaten willen toespreken, maar zij hebben hem niet eens aan het woord gelaten, daarom besluit hij Pilsen onmiddellijk te verlaten. Buttler moet zijn vriend, den Commandant van Eger, verzoeken Wallenstein met de zijnen morgen in zijne
91
vesting op te nemen, Buttler zal er terstond voor zorgen. De kurassiers zijn de zaal binnengedrongen, om Max te komen halen; wanneer deze de zaal verlaat, zinkt Thekla in de armen barer moeder neer.
Viekde Bedeuf.
Wallenstein is met de zijnen binnen Eger en daarmee is zijn lot beslist, want de Commandant der vesting, Gordon, heeft order gekregen Buttler blindelings te gehoorzamen, en deze deelt hem nu mede, wat gebeui'd is en dat ieder trouw onderdaan des Keizers verplicht is, den Hertog levend of dood over te leveren. De Zweden rukken op Eger aan en willen zich met Wallenstein vereenigen, deze mag Eger dus niet meer verlaten en moet hier gevangen genomen worden. Wallenstein komt met den Burgemeester der stad: hij is vol moed, den volgenden ochtend wil hij met de regimenten de vesting verlaten, de vrouwen zal hij onder bescherming van den Commandant stellen. Terzky en Ulo brengen de blijde tijding, dat de Zweden de Pappenheimers overwonnen hebben en zegevierend op Eger aanrukken, Max is gevallen. Nu de zaken zoo staan, heeft Buttler zijn besluit genomen, dat hij aan Gordon mededeelt: Wallenstein , Terzky en Ulo moeten nog dezen nacht vallen, Buttler zal den burcht sluiten, opdat men in de stad niet gewaar worde, wat voorvalt. Gordon tracht Buttler nog van zijn voornemen af te brengen, maar deze is vast besloten Wallenstein te dooden, voordat hij gelegenheid heeft zich met den vijand te vereenigen.
Thekla is bij het bericht van den dood van Max in onmacht gevallen ; weer tot zichzelf gekomen, wenscht zij den kapitein te spreken, die de tijding bracht, van dezen
92
verneemt zij, dat Max den dood heeft gezocht, als dapper soldaat is gestorven en in de kloosterkerk bij Neustadt is begraven. Zoodra Thekla met hare hofdame alleen is, deelt zij deze mede, dat zij in den nacht de stad wil verlaten om naar het graf van Max te gaan.
Vijfde B e d r ij f.
Buttier beveelt Majoor Geraldin de generaals Terzky en Ulo bij het gastmaal heden avond te overvallen en hen te dooden en dwingt de kapiteins Deveroux en Macdonald, om in Wallenstein's slaapkamer te dringen en hem te vermoorden.
De Hertog gevoelt zich heden avond niet gelukkig, zijn geluksster laat zich niet aan den hemel zien; de Gravin Terzky heeft akelige droomen gehad en wil den nacht bij Wallenstein doorbrengen, maar deze zendt haar weg. Gordon brengt do sleutels der vesting, dan stormt Seni, de astroloog, binnen, om Wallenstein te zeggen, hoe hij in de sterren heeft gelezen, dat den Hertog een ongeluk dreigt van valsche vrienden ; deze wil het echter niet gelooven, niettegenstaande ook Gordon hem waarschuwt, en gaat rustig te bed.
Buttier komt met de zijnen, Terzky en Ulo zijn reeds vermoord; Gordon tracht Buttier nog tegen te houden, maar in de verte hoort men trompetten en daar Buttier meent, dat het de Zweden zijn, geeft hij zijn commando en do moordenaars dringen, na eerst den kamerdienaar vermoord te hebben, Wallenstein's kamer binnen. Gordon deelt daarop mede, dat het niet de Zweden, maar de Keizerlijken zijn, die de stad binnenkomen, maar het is reeds te laat, Wallenstein is dood. Octavio Piccolomini treedt met zijn gevolg binnen, terwijl des Hertogs
93
lijk wordt weggedragen ; hij is vertoornd op Buttler, die misbruik van zijne macht heeft gemaakt, deze hoopt daarentegen op des Keizers goedkeuring voor hetgeen hij gedaan heeft. Gravin Terzky heeft vergif geuomen en sterft, ook de Hertogin is stervende, Thekla is gevlucht; voor Octavio komt een Keizerlijk schrijven aan, dat het opschrift draagt; Aan den Forst Piccolomini; Gordon overhandigt Octavio dit schrijven niet een verwijtenden blik.
M;aria ötuart.
INLEIDING.
Den 26sten April 1799 begon Schiller de bronnen voor de geschiedenis der ongelukkige Koningin van Schotland te bestudeeren, om haar tot onderwerp van een treurspel te maken, den 9lienJuui 1800 werd deze tragedie voltooid en reeds vijf dagen daarna te Weimar vertoond. Maria Stuart is niet in de eerste plaats een historisch drama, het zijn de rein menschelijke motieven, die er de hoofdlijnen van vormen. Men heeft het den dichter zeer kwalijk genomen, dat hij vau de geschiedenis is afgeweken en vooral de Engelschen hebben het hem euvel geduid, dat hij de twee Koninginnen (in het derde bedrijf) laat samenkomen, wat in de werkelijkheid nooit heeft plaats gehad, maar de dichter had die samenkomst noodig, om ons het karakter der beide Koninginnen goed te leeren kennen en ons aan te toonen, dat niet politieke noodzakelijkheid, maar alleen persoonlijke beweeggronden van Elisabeth, nijd en wraakzucht, Maria op het schavot hebben gebracht. Dat
i
94
de dichter aan Maria's zijde staat en haar in het helderste licht stelt, terwijl hij hare tegenstandster te donker afschildert, zij slechts aangestipt; de dichter koos Maria tot de tragische heldin van zijn stuk, hij kon dus niet anders handelen.
Den 31sten Augustus 1884 werd Maria Stuart het eerst te Berlijn door de Meiniugers vertoond. De mise-en-scène van dit stuk is schitterend, de decoratie der afscheidsscène is eene juiste copie der werkelijkheid en de ontvangst van den Franschen gezant aan het Engelsche hof wordt tot in de kleinste bijzonderheden historisch juist voorgesteld, de hoofdzaak blijft desniettemin ook hier weer een juist weergeven van het karakter der ti'agedie, zooals de dichter het zich heeft gedacht.
INHOUD.
Eerste Bed kijf.
Maria Stnart zit in Fotheringhay gevangen; in Mortimer, den neef van haar gevangenbewaarder, Amias Paulet, ziet zij een harer groote vijanden, deze overhandigt haar echter in het geheim een brief van haren oom, den Kardinaal van Lotharingen, waarin haar de raad wordt gegeven Sir Mortimer volkomen te vertrouwen, daar zij geen trouworen vriend in gansch Engeland heeft. Mortimer verhaalt haar nu, hoe hij op zijne reis te Eome is geweest, daar tot het catholicisme is overgegaan, toen met den Kardinaal van Guise naar Rheims is gekomen, haar beeltenis heeft gezien en hare geschiedenis heeft vernomen; tegelijkertijd vernam hij, dat zij onder de hoede van zijn oom gesteld was en daarin zag hij Gods wil, dat zijn arm gekozen was haar
95
te bevrijden, weshalve hij naar Engeland is teruggekeerd. De tijd dringt, want de Lords hebben het schuldig over haar uitgesproken, het Parlement wil het vonnis voltrokken zien en de Koningin draalt nog alleen, niet uit gevoel van menschelijkheid, maar uit list, daar zij gedwongen wil worden. Maria gelooft niet, dat Elisabeth het vonnis zal onderteekenen, maar wel vreest zij, dat de moordenaar in hare gevangenis zal binnendringen en haar ter dood brengen. Mortimer troost haar, redding is nabij, twaalf edele jongelingen hebben zich met hem verbonden, om haar met geweld uit hare gevangenis te ontvoeren. Graaf Aubes-pine, de Fransche gezant, weet van dit verbond, want zij vergaderen in zijn huis. Maria raadt het plan af, het zal hun hoofd kosten en haar niet helpen: er is maar één man in gansch Engeland, die hare poorten kan ontsluiten, en die man is graaf Leicester, de gunsteling van Elisabeth. Zij geeft Mortimer een brief, die haar portret bevat, om dien aan den Graaf te brengen en verzoekt hem te zeggen, dat Maria hem heeft gezonden, de Graaf zal zelf dit raadsel wel oplossen. Lord Burleigh treedt met Paulet de gevangenis binnen, hij komt als afgezant van het gerecht Maria meedeelen, dat zij ter dood veroordeeld is. Na eene scherpe woordenwisseling met Burleigh verlaat Maria de kamer. Als Burleigh en Paulet alleeu zijn, merkt gene op, dat de Koningin de keuze tusschen steeds met vrees op haar troon te zitten of Maria te moeten dooden, zou bespaard blijven, als zij maar getrouwere dienaren had; als Paulet die woorden niet begrijpen wil, spreekt Burleigh duidelijker, hij wil dat Paulet Maria in den kerker zal vermoorden of toelaten, dat een ander het doet, Paulet weigert zoowel het een als het auder.
96
Tweede B E D R IJ F.
Ter eere der Franschen, die Elisabeth's hand voorden koninklijken zoon van Frankrijk zijn komen vragen, worden aan het Engelsche hof groote feesten gegeven; de Fransche gezant Graaf Aubespine wil deze gelegenheid aangrijpen, om voor Maria een goed woord te spreken, maar Elisabeth ontslaat de Fransche heeren daarop terstond. De Koningin blijft alleen met Leicester, Burleigh en Shrewsbury. Burleigh dringt bij haar op onmiddellijke onderteekening van het doodvonnis aan, Shrewsbury raadt het haar echter ten zeerste af en Leicester meent, dat men Maria moet laten leven, maar als het ware onder den bijl van den beul; zoodra een arm zich voor haar wapent, sterve zij. Paulet komt zijn neef Mortimer aan de Koningin voorstellen, hij is in Frankrijk geweest, maar heeft zijn trouw Engelsch hart mee teruggebracht. Paulet brengt tevens de Koningin een brief van Maria, waarin deze om een persoonlijk onderhoud met Elisabeth verzoekt, Burleigh wil echter daarvan niet hooren, Shrewsbury is er zeer voor, Leicester meent, dat men de Koningin zelve moet laten beslissen, daarop verwijderen zich allen; als ook Mortimer wil heengaan, roept Elisabeth hem terug en geeft hem te verstaan, dat zij gaarne Maria's dood zou willen zien, zonder dat zij verplicht is haar te laten dooden. Mortimer begrijpt haar en neemt aan Maria te vermoorden, hij doet dit, zooals hij zegt, wanneer de Koningin hem alleen heeft gelaten, opdat Elisabeth, op hem rekenende, geen ander daarmee zal belasten. Mortimer heeft Leicester gezegd hem alleen te moeten spreken; dit onderhoud heeft nu plaats, beiden vertrouwen elkander niet, maar wanneer Leicester Maria's portret kust, heeft Mortimer vertrouwen op hem en deelt hem mede, dat hij Katholiek is geworden eu naar Engeland is gekomen, om
97
Maria uit hare gevangenis te bevrijden; hij hoopt op Leicester's steun; Elisabeth heeft hem zooeven opgedragen Maria te vermoorden, zij rekent op hem, er is dus tijd gewonnen. Leicester is angstig, de zaak kan. hem in gevaar brengen, hij is wel de gunsteling van Elisabeth, maar moet zich nog meer dan ieder ander in acht nemen, want zijne vijanden zijn steeds op den loer, men moet bedachtzaam te werk gaan, niets wagen; wanneer Mortimer hem aoo angstvallig ziet wikken, verlaat hij hem wrevelig. Elisabeth komt nu bij Leicester en deze weet haar, door hare ijdel-heid te vleien, er toe over te halen, om in de nabijheid van Fotheringhay te gaan jagen, dan als bij toeval Maria in hot park te ontmoeten en haar op die wijze het onderhoud te verschaffen, dat zij heeft verlangd. Elisabeth stemt na eenige aarzeling toe.
D E K D E B F, D R IJ F.
Maria heeft verlof gekregen in het park te mogen wandelen en is daarover zeer gelukkig, want zij meent die gunst aan Leicester te danken te hebben. Amias Paulet zegt haar echter, dat dit een resultaat van haar brief aan de Koningin is, en niet het eenige, want de Koningin is in de nabijheid en zal binnen weinige oogenblikken voor haar staan. Maria is verschrikt, onvoorbereid; zij wil, kan haar nu niet zien, maar Elisabeth staat reeds voor haar. Maria smeekt haar om hare vrijheid, valt zelfs voor haar op de knieën, maar wanneer Elisabeth uit de hoogte op haar neerziet en haar beleedigt, springt Maria op en zegt haar, dat de Engelsche troon door haar ontwijd is, en wanneer recht geschiedde, dan moest Elisabeth voor haar in het stof liggen, want zij is haar Honing, Elisabeth verlaat haai-daarop in woede. Mortimer heeft alles gehoord, dezen nacht
98
wil hij Maria nog bevrijden, alles is gereed, en wie er zich tegen verzet, moet vallen, maar Maria wil niet, dat er zooveel bloed om haar vloeie. Mortimer wil echter het uiterste wagen, want hij bemint Maria en, hoewel zij er zich tegen verzet, sluit haar in zijne armeu. Gewapend volk dringt het park binnen, men heeft de Koningin willen vermoorden, raaar het is mislukt, de dader is gevangen genomen, het complot is ontdekt, allen vluchten. Mortimer zegt echter te zullen blijven, om Maria te redden of met haar te sterven.
V i E K D E Bedrup.
Burleigh raadt den Franschen gezant aan oogenblikkelijk naar zijn land terug te keeren, want een pas van zijne hand werd bij den moordenaar gevonden en deze heeft in zijn huis gebiecht; aan Davison geeft Burleigh bevel onmiddellijk het doodvonnis van Maria aan de Koningin ter onder-leekening te overhandigen. Leicester merkt uit Burleigh's woorden tot zijn schrik op, dat ook zijne handelingen bekend zijn en wanneer hij dan van Mortimer verneemt, dat een brief, voor hem bestemd, bij Maria is gevonden, laat hij Mortimer als hoogverrader gevangen nemen; deze doodt echter zichzelf.
Burleigh is bij Elisabeth eu overhandigt haar den brief, dien hij bij Maria heeft gevonden ; de Koningin beslist nu, dat Maria zal sterven en Leicester haar zal zien vallen, zij heeft opdracht gegeven dezen aan de deur af te wijzen, wanneer hij bij haar wil binnentreden. Leicester laat zich niet afwijzen, rukt de deur open en treedt binnen. Op de beschuldiging antwoordt hij, dat hij alles gedaan heeft in Elisabeth's belang, dat de schijn wel tegen hem is, maar dat zijne eenige fout is, dat hij in 't geheim heeft gehandeld. Zonder hem ware Maria reeds vrij, want Mortimer, wie.i de
99
Koningin de opdracht gaf, Maria te vermoorden, was haar vriend en een werktuig der Gnisen; door diens tusschenkomst onderhandelde hij met Maria; hij wilde Mortimer laten gevangen nemen, maar hij heeft zich zelf gedood. Leieester stemt er thans zelf voor, dat Maria zal sterven; Burleigh weet het van de Koningin gedaan te krijgen, dat zij aan Leicester opdraagt het vonnis uit te voeren. Davison brengt de Koningin het vonnis ter onderteekening, maar Shrewsbury tracht nog eenmaal Elisabeth terug te houden; als deze echter alleen is, teekent zij het toch, laat Davison komen en geeft hem het onderteekeude vonnis, zonder hem te zeggen, wat hij daarmee moet doen. Davison wil een duidelijk bevel van de Koningin, deze laat hem echter alleen staan. Zoodra Burleigh ziet, dat Davison het vonnis onderteekend in handen heeft, ontrukt hij het hem en gaat spoedig daarmee weg.
Vijfde B ed rijf .
Het oogenblik voor de terechtstelling is aangebroken. Maria neemt afscheid van hare bedienden, die in tranen zijn uitgebarsten; ook Mei vil, haar vroegere hofmeester, komt afscheid van haar nemen, maar wanneer Maria zich bij hem er over beklaagt, dat zij zonder sacrament moet sterven, daar men haar een priester heeft geweigerd, deelt Melvil haar mede, dat hij tot priester is gewijd om hare laatste biecht te hooren; zij biecht al hare zonden, maar zegt, dat zij onschuldig is aan het misdrijf, waarvoor zij ter dood wordt, gebracht. Burleigh en Leicester treden de gevangenis binnen, Maria geeft Burleigh haren laatsten wensch te kennen en wil dan naar het schavot gaan. Aan de deur ziet zij Leicester staan, zij siddert en dreigt neer te vallen, maar
100
Leicester vangt haar in zijne armen op, en nu zegt zij hem, dat hij zijn woord houdt, want hij heeft haar zijn arm beloofd, om haar uit den kerker te voeren; nu zij op weg is van de wereld te scheiden, wil zij hem zeggen, dat zij hem heeft lief gehad: hij heeft haar echter ter wille van Elisabeth verlaten. Na deze woorden gaat zij naar het schavot, allen verlaten met haar de gevangenis, Leicester alleen blijft, hij kan haar niet zien vallen. Wanneer hij haar hoort bidden en het oogenblik gekomen is, waarop de bijl zal vallen, zinkt hij in onmacht neer. (1)
Elisabeth treedt hare kamer in de hevigste onrust binnen, want zij is in twijfel, ot het vonnis al dan niet voltrokken is: van een page verneemt zij, dat Burleigh en Leicester reeds bij het aanbreken vau den dag Londen verlaten hebben; nu triomfeert zij, het is gedaan met Maria. Shrewsbury, die van niets weet, komt Elisabeth nogmaals smeeken de voltrekking uit te stellen, want de schrijvers Kurl en Nau, op wier getuigenis Maria verooi'deeld is, hebben hem verklaard, valsch getuigd te hebben. Elisabeth geeft, bevel de zaak op nieuw te onderzoeken en roept Davison, om het vonnis terug te vragen. Hij zegt, dat Burleigh het hem ontrukt heeft en deze treedt daarop binnen met het bericht, dat de terechtstelling heeft plaats gehad. Elisabeth verbant Burleigh en laat Davison in den Tower werpen, maar Shrewsbury zegt haar, dat deze mannen, die naar haren wensch hebben gehandeld en nu voor haar zwijgen, een beter lot verdiend hebben. Hij verlaat haren dienst oogenblik-kelijk; van Leicester komt het bericht, dat hij naar Frankrijk is vertrokken.
1
De meeste theaters eindigen hier hot stuk.
101
Die Jung-frail von Orleans.
INLEIDING.
Dadelijk na de voltooiing van Maria Stuart begon Schiller in Juui zijne studiën voor eene nieuwe tragedie, tot welker heldin hij Jeanne d'Arc koos. Deze tragedie werd den lö11011 April 1800 voleindigd en den 23sten April te Weimar vertoond. In het begin was het zijn plan de heldin van zijn stuk evenals in de geschiedenis als heks te laten verbranden, maar dit plan gaf hij spoedig op. Eenmaal «leze stof gekozen hebbende, kon hij het wonderbaarlijke, dat daarin lag, niet vermijden en hij heeft dit trouwens ook niet beproefd. Johanna zal hare zending op aarde volbrengen, wanneer zij aan alle aardsche liefde weerstand biedt. Zoolang zij die voorwaarde vervult, blijft zij de wonderdoende heldin, maar als zij bij het zien van Lionel in liefde tot hem ontbrandt en den vijand, die haar het zwaard ontrukt, laat vluchten, neeft zij de voorwaarde verbroken en zij staat, verlamd door het bewustzijn harer schuld, stom en zwijgend daar, wanneer haar eigen vader haar als heks aanklaagt. Maar door dit zwijgen, dat hare verbanning na zich sleept, heeft zij hare schuld geboet; vrede keert in haar terug. Voor Lionel gebracht, doorstaat zij de proef, en nu heeft zij ook weer heldenkracht; zij voltooit hare zending en vindt in den slag in de armen van haren Koning en hare vrienden den dood.
Met die Jungfrau, dat op grootsche wijze door hen is gemonteerd, vieren de Meiningers ware triomfen, vooral het vierde bedrijf behoort tot het schoonste, wat men zich denken kan. In de gesprekken hebben zij enkele kleine verkortingen aangebracht en het tooneel met Montgommery blijft weg, overigens wordt deze tragedie geheel gegeven, zooals zij is geschreven.
102
INHOUD.
proloog.
Thibaut d'Arc, een rijk landbouwer te Dom Remi, heeft drie dochters, Margot, Louison en Johanna. Drie jongelingen â Etienne, Claude Marie en Raymond â hebben bij Thibaut om de hand zijner dochters aangevraagd; daar Frankrijk op dit oogenblik moeielijke tijden doorleeft, wil hij zijne dochters zoo spoedig mogelijk verzorgd zien en stemt daarom hun verzoek toe: Margot zal Etienne toe-behooren, Louison zal de vrouw worden van Claude Marie, maar zijne jongste dochter Johanna wil van een huwelijk niet Raymond niets weten, hoe gaarne haar vader deze verbintenis ook zou zien. Eenzaam zit zij soms uren lang onder een boom, van welken door het volk angstwekkende verhalen worden gedaan; dat jaagt den vader angst aan en in droomen ziet hij de wonderbaarlijkste dingen van haar. Toch wil hij zwijgen, hij kan zijn eigen dierbaar kind immers niet aanklagen. Bertrand, een andere landman, komt uit Vaucouleurs, hij heeft een helm in de hand, dien hij op wonderlijke wijze %ran eene Zigeunerin heeft gekregen. Johanna, die tot nu toe onbeweeglijk heeft gestaan, komt naderbij, ontrukt Bertrand den helm, zet hem op het hoofd en wanneer Bertrand verhaalt, dat Frankrijk geslagen is en Orleans bedreigd wordt, luistert zij aandachtig toe. Zij hoort van Bertrand, dat Ridder Baudricour niet ver van Vaucouleurs een troepje manschappen heeft bijeengebracht, om den Koning, wiens legerkamp zich te Chinon bevindt, te hulp te trekken. Johanna, door een profetischen geest bezield, verkondigt Frankrijk de overwinning. Uit de takken van den boom heeft eene stem tot haar gesproken en haar bevolen, nooit een man lief te hebben, het Fransche leger aan te voeren, Rheims te bevrijden en den
103
Koning te kronen. Wanneer zij alleen is, neemt zij afscheid van hare bergen, hare dreven en kudden, om op het bloedige veld eene andere kudde te gaan bewaken.
EERSTE Bedrup.
In het legerkamp te Chin on leidt de Koning met zijne geliefde Agnes Sorel een zorgeloos leven. Er is geen geld meer in de schatkist, den troepen is de soldij nog niet betaald, raadslieeren van Orleans komen om hulp smeeken, daar de stad andera gedwongen is zich binnen twaalf dagen aan den vijand over te geven. La Hire komt terug van eene zending naar Philips van Bourgondië met de boodschap, dat Philips, zooals de Koning hem heeft laten voorstellen, niet met hem vechten wil, en brengt te gelijk het bericht, dat de Parijzenaars den jongen Harry Lancaster hebben gekroond, ja, dat Karel's moeder Isabeau den knaap zelf op den koninklijken troon van Frankrijk beeft gezet. Karei is wanhopig bij het samentreffen van zooveel ongelukken; geen redding meer ziende, besluit hij zich met Agnes Sorel naar gene zijde van de Loire te begeven en het land aan de Engelschen over te laten. Op dit oogenblik komt Raoul, een ridder, die onder Baudricour staat, met de mede-deeling, dat Frankrijk overwonnen heeft door de hulp van een meisje. Deze zal aanstonds voor den Koning verschijnen, daar zij hem alleen wil zeggen, wie zij is. Men hoort het leger naderen, het volk juicht Johanna toe, maar de Koning wil haar op de proef stellen en verzoekt daarom Dunois, op den koninklijken stoel plaats te nemen, terwijl hij er zelf naast gaat staan. Johanna treedt binnen, wendt zich tot Dunois, verzoekt hem op te staan van de plaats, die hein niet toekomt, en wendt zich dan tot den Koning. Op de vraag
104
van den Aartsbisschop, wie zij is, antwoordt zij, dat zij eeue lierdersdocliter is uit Dom Remi, dat de Moeder Gods aan haar is verschenen en haar bevolen heeft, den Koning naar Rheitns te voeren en hem daar de koninklijke kroon op het hoofd te zetten. Een herant van het Eng-elsche leerer
O lt;gt;
komt een verdrag aanbieden , voordat Orleans zal worden bestormd, maar Johanna, sprekende in naam des Koninga, wil geen verdrag, zij zal, voordat de heraut het Engelsche leger weer heeft bereikt, daar ook zijn aangekomen en in Orleans het overwinningsteeken plaatsen.
Tweede Bed kijf.
Een veldslag heeft plaats gehad, de Eranschen, onder aanvoering van Johanna, hebben de overwinning behaald en de Engelschen zijn op de vlucht gedreven. De Engelsche veldheeren Talbot 011 Lionel geven Hertog Philips van Bourgondië de schuld van de geleden nederlaag. Isabeau, Karel's moeder, verzoent do mannen weer, maar deze richten nu alle drie hunne verwijtingen tegen haar. Tegen den wil van Hertog Philips wordt besloten ter ruste te gaan en bij het aanbreken van den dag den vijand op nieuw aan te vallen. Johanna, begeleid door de Fransche soldaten, Talt midden in den nacht den vijand aan, de Engelsche soldaten vluchten. Talbot is niet in staat de vluchtenden staande te houden, het Engelsche legerkamp wordt in brand gestoken. Montgommery tracht door de vlucht zijn leven te redden, maar ziet zich plotseling voor Johanna staan, hij smeekt haar om zijn leven, maar zij heeft de gelofte gedaan geen Engelschman te zullen sparen en wil dus, dat hij zal vechten; na een kort gevecht valt hij doodelijk getroffen neer. Een ridder met gesloten vizier
105
treedt nu op haar toe, maar met hem weigert zij te vechten, omdat hij de Bourgondische kleuren draagt, hij is Hertog Philips zelf. Dunois en La Hire ijlen Johanna te hulp en willen met den Hertog in het strijdperk treden ; Johanna komt echter tusschen beide en weet den Hertog te overreden weer de zijde van zijn Koning te kiezen. Zij omarmt den Hertog, La Hire en IJunois laten hunne zwaarden zakken en omarmen hem ook.
D e ii d k B j; d n u r.
Het legerkamp van den Franschen Koning bevindt zich te Chalons, Dunois en La Hire zijn beideu op Johanna verliefd en begeeren haar beiden tot vrouw, zij zelve moet beslissen. Chatillon komt in naam van den Hertog van Bourgondië den Koning de voorwaarden van het vredesverdrag aanbieden, welke deze alle aanneemt; de Hertog treedt kort daarop binnen en wil zich aan de voeten van den Koning werpen; deze ontvangt hem in zijne armen en eene algemeene verzoening tusschen Franschen en Bourgondiërs heeft plaats. Johanna treedt nu nader, Dunois en La Hire vragen om hare hand, maar zij zegt, geen van beiden te mogen beminnen, hare gelofte verbiedt haar dit. Een ridder komt mededeelen, dat de vijand zijn leger tot een aanval heeft opgesteld, Johanna ijlt weg, om hare soldaten aan te voeren.
Talbot, steunende op Fastolf, wordt doodelijk gewond onder een boom neergelegd, Lionel deelt den gewonden veldheer mee, dat Parijs een verdrag met den Koning heeft gesloten. Bij het hooren van dit bericht rukt Talbot wanhopig het verband van zijne wonden en sterft.
Een lidder in zwarte wapenrusting met gesloten vizier, wordt door Johanna vervolgd. De ridder vermaant haar
7*
106
niet verder te gaan; zij wil met hem vechten, maar wanneer zij hem een slag wil toebrengen, verdwijnt hij onder bliksem en donderslag met de woorden; Dood, wat sterfelijk is. Een oogenblik staat Johanna als verbijsterd, dan wil zij de plaats verlaten, wordt echter daarin verhinderd door een anderen ridder met gesloten vizier, die op leven en dood met haar vechten wil; het is Lionel. Na een kort gevecht slaat zij hem het zwaard uit de hand, hij worstelt met haar, Johanna rukt hem den helm van het hoofd, waardoor zijn gelaat zichtbaar wordt, zij heft haar zwaard op om hem te dooden, ziet hem in het gelaat, en laat haar arm weer zinken: zij kan hem niet dooden, zij is plotseling verliefd op hem geworden. Vol wanhoop grijpt zij nogmaals naar het zwaard, maar het is haar onmogelijk, zij kan hem niet dooden, maar raadt hem aan te vluchten. Hij heeft medelijden met haar en wil haar redden, dan hoort zij de Franschen, die haar zoeken, zij smeekt hem te vluchten, want zij zou sterven, als hij viel; hij gaat weg, maar ontrukt haar eerst het zwaard als een onderpand, dat zij elkander zullen weerzien. Dunois en La Hire vinden Johanna, deze valt in La Hire's armen in onmacht.
Vierde Bedrijf.
In een feestelijk versierde zaal te Rheims wacht Johanna het oogenblik der kroning af, zij gevoelt zich zeer ongelukkig, want zij weet, dat zij hare gelofte verbroken heeft. Met weemoed denkt zij terug aan den tijd, toen zij nog een eenvoudig dorpsmeisje te Dom Remi was; dien tijd zou zij zoo gaarne zien terugkeeren. De Koning staat gereed, om naar de kathedraal te gaan, waar Johanna hem de kroon op het hoofd zal zetten, Fransche veld-heeren brengen haar het vaandel, maar zij schrikt er voor
107
terug, zij gevoelt, dat zij onwaardig is het langer te dragen; de kroningsmarsch wordt reeds gehoord, er is geen tijd te verliezen, zij dringen haar daarom het vaandel in de hand en verlaten met haar de zaal.
Johanna's zusters zijn met hare mannen naar Rheims gekomen, om hare zuster te zien. In den optocht gaat deze met gebogen hoofd en onvaste schreden vóór den Koning. Wanneer de optocht in de kerk is, komt Thibaut d'Arc met Raimond; de vader heeft zijne dochter gezien, hij heeft gezien, dat zij ongelukkig is en acht nu de tijd gekomen om hare ziel te redden, wanneer haar lichaam ook te gronde gaat. Johanna komt wanhopig uit de kerk loopen, zij kan het er niet uithouden, hare zusters omarmen haar en aan de zusterlijke borst gevoelt zij zich weer gelukkig. De Koning treedt met Agnes Sorel, den Aartsbisschop, Hertog Philips en de ridders uit de kerk en wil, dat Johanna, wanneer zij een mensch is, zal zeggen, waarmee hij haar gelukkig kan maken, maar is zij een hemelsch wezen, dan wil hij aanbiddend voor haar nederknielen. Alles zwijgt, dan treedt Thibaut d'Arc voor Johanna en klaagt haar aan, dat zij met den duivel in betrekking staat. lu naam der Drieëenigheid vraagt hij haar, of zij tot de heiligen en reinen behoort. Aller blikken zijn op Johanna gei'icht, maar deze staat onbeweeglijk. Men smeekt haar het stilzwijgen te verbreken en te zeggen, dat zij onschuldig is, maar zij blijft onbeweeglijk staan. Dunois werpt zijn handschoen neer, hij staat borg voor hare onschuld: wie waagt het haar een schuldige te noemen? Een hevige donderslag is het antwoord. Bij den God, die daarboven dondert, daagt haar vader haar uit hem te logenstraffen, een tweede nog heviger donderslag is het antwoord, zoodal het volk angstig naar alle zijden ontvlucht. De Aartsbisschop neemt zijn crucifix en vraagt Johanna dit aan te
108
grijpen, wanneer de stem van den donder voor haar getuigt, maar Johanna blijft onbeweeglijk; allen verlaten haar. Alleen Dunois blijft bij haar, hij gelooft aan hare onschuld en reikt haar de hand, maar zij wendt zich van hem af. Du Chatel komt haar in naam des Konings melden, dat zij de stad ongedeerd kan verlaten en gaat weer heen, zoodat zij geheel alleen is. Dan verschijnt Raimond, blijft eerst op een afstand staan en beschouwt haar met diepe smart. Hij treedt op haar toe, grijpt hare hand en smeekt haar met hem mee te gaan. Bij zijn aanblik geeft zij het eerste teeken van leven, ziet hem aan, richt hare blikken ten hemel, neemt hem bij de hand en gaat met hem mee.
V IJ F I) E B E D Ji i,r F.
Het is donker, een hevig onweder woedt, tusschen de donder- en bliksemslagen hoort men schieten. Toen de Franschen Johanna hadden verbannen, zijn de Engelschen opnieuw tegen hen opgestaan en hebben hen overwonnen; in de nabijheid van het woud staan de beide legers tegenover elkander. Raimond en Johanna dwalen in het woud rond; de kolenbranders hebben haar eenige verkwikking gegeven, maar als zij den beker aan den mond wil zetten, rukt haar de jongen, die juist uit de stad is gekomen, den beker uit de hand: hij heeft haar herkend, zij is de heks van Orleans. Op nieuw moeten zij weer op weg, Johanna wil dat Raimond niet langer de ontbering met haar zal dealen, deze smeekt haar zich met God te verzoenen, want ook hij gelooft dat zij schuldig is. Dat doet haar leed, want zij dacht dat bij, het eenige wezen dat haar in het ongeluk getrouw gebleven is, haar voor onschuldig had gehouden. Waarom zij dar. zweeg op de zware beschuldi-
100
ging ? Omdat zij zich zwijgend wilde onderwerpen aan het lot, dat God over haar had beschikt. Koningin Isabeau komt met soldaten, deze, Johanna ziende, willen vluchten, maar Isabeau neemt haar zelve gevangen en beveelt de soldaten haar naar Lionel te brengen, Eaimond vlucht wanhopig weg.
De Aartsbisschop en Du Chatel trachten Dunois over te halen terug te keeren tot het leger, maar hij wil niet, omdat men Johanna onrechtvaardig heeft verbannen. Daar komt Raimond mededeelen, dat Johanna door de Engelschen gevangen genomen is en nu is Dunois bereid mee te vechten; Johanna moet vrij zijn, voordat de dag ten einde is.
Johanna is in een toren opgesloten onder de hoede van Lionel en Isabeau. Lionel smeekt haar de zijne te worden, dan zal hij haar tegen de geheele wereld verdedigen, maar zij wil er niets van hooren. De Franschen rukken aan, Lionel verlaat Johanna en zij wordt met zwaardere ketenen geboeid. Ben soldaat stijgt naar boven, om den slag te kunnen overzien, hij deelt Isabeau mede, wat op het slagveld gebeurt. Wanneer Johanna hoort, dat de Koning gevangen is, verbreekt zij hare boeien, ijlt naar buiten, dringt tot den Koning door en redt hem.
De Franschen hebben de zege bevochten, maar in de armen van den Koning ligt Johanna doodelijk gewond. Nog eenmaal richt zij zich op, ziet, dat zij zich weer bij haren Koning bevindt en zinkt dan dood neer. Op bevel des Konings wordt zij met vaandels bedekt.
110
Wilhelm Tell.
INLEIDING.
Aan Wilhelm. Teil werkte Schiller van 25 Augustus 1803 tot 18 Februari 1804; den 17den Maart 1804 had de eerste opvoering te Weimar plaats; Tell is Schiller's laatste voltooid werk. Niet Tell is de held van het stuk, zooals de titel zou doen vermoeden, maar het gansche Zwitsersche volk, dat voor zijne vrijheid elk offer brengen wil, treedt als zoodanig op. Men kan zelfs den dichter de aanmerking niet onthouden, dat Teil zelf een weinig sympathiek persoon is, met woorden is hij zeer moedig, maar alleen bij de redding van Baumgarten toont hij ook een man van de daad te kunnen zijn. De dood van Gessier door zijne hand is een gewone sluipmoord, die na den monoloog, welken de dichter Tell in den mond legt, nog minder te verontschuldigen is. De dichter heeft dit trouwens ook zelf ingezien en daarom laat hij aan het einde van heb stuk Johannes van Schwaben optreden, die zijn oom. Keizer Albrecht, vennoord heeft ; hierdoor wil hij het onderscheid doen zien tusschen Tell's daad, die haar ter wille van vrouw en kinderen volbracht, en die van Johannes, die den Keizer uit wraak vermoordde. Grootsch is in Wilhelm Teil de teekening van het Zwitsersche land en zijne bewoners, hoewel de dichter het land nooit gezien heeft. Gustave Schwab zegt daarvan: wanneer men Schiller's Tell heeft gelezen en men komt dan voor het eerst in Zwitserland, dan meent men het land reeds in den droom te hebben gezien.
In nog hoogere mate is dit laatste het geval, wanneer men Teil door de Meiningers heeft zien vertoonen, daar
Ill
hunne decoraties voor dit stuk op de plaais zelve geteekend zijn en de grootste nauwkeurigheid in zeden en kleederdracht door hen in acht genomen wordt. Teil werd het eerst den 16den Mei 1876 gegeven en is nu reeds ongeveer 200 malen vertoond. Schiller zou zeker tevreden zijn, wanneer hij zag, hoe hier al zijne voorschriften stipt worden opgevolgd. Enkele kleine verkortingen en afwijkingen hebben zij zich veroorloofd: zoo sluit de Rutli-scène met de belofte der verzamelden en komt Gessier niet te paard op het tooneel, waardoor de scène met Armgard wel wat van zijne waarde verliest.
INHOUD.
Eetjste Bedruk.
Het Vierwaldstatter-meer is kalm, de viaschersknaap, de herder en de jager zingen hun lied; plotseling barst er een onweer los, Baumgarten komt ademloos aangeloopen en vraagt den veerman hem over het meer te '/et,ten. Deze weigert echter bij zooJn weer, het zou hem zijn leven kunnen kosten, maar Baumgarten moet er over, want hij wordt, achtervolgd door de soldaten, omdat hij des Keizers burchtvoogd, die zijne vrouw wilde onteeren, met een bijl doodgeslagen heeft: de veerman blijft nochtans weigeren, het onweer woedt te hevig. Juist komt Teil aan, hij hoort, wat er gaande is en zet Baumgarten over, nog net bijtijds, want de ruiters komen reeds aanzetten en zijn woedend, dat hun man ontsnapt is : zij zullen zich daarvoor op de anderen wreken.
Werner Stauffacher spreekt met zijne vrouw Gertrud over den ernst der tijden, zij raadt haren man aan stil te
112
beraadslagen met een paar andere mannen over de wijze, hoe zij zich van de verdrukking kunnen bevrijden. Staufiacher zal onmiddelijk naar Uri gaan, naar Walter Fiirst, Tell's schoonvader, die over den toestand denkt als hij, en met dezen spreken. Teil heeft Baumgarten gered en brengt hem bij Werner, die een vader der verdrukten is.
Arbeiders zijn bezig, bij Altorf een kerker te bouwen en worden door den opzichter met geweld tot het werk aangezet. Teil en Stauffacher komen voorbij, te gelijk komt een uitroeper met een hoed op een staak de mannen van Uri in 's Keizers naam gebieden aan den hoed, die in het midden van Altorf zal opgericht worden, in het vervolg niet anders dan met gebogen knie en ontbloot hoofd voorbij te gaan, opdat de vorst leere kennen, wie hem gehoorzaam is , leven en goed zijn verbeurd, wanneer men aan het bevel niet voldoet. Onder de arbeiders ontstaat nu plotseling een tumult, een leidekker is van het dak gevallen. Bertha von Bruneck, die juist met haar gevolg voorbij komt, werpt hare juweelen onder het volk, om den man, zoo mogelijk, nog te redden, maar hij is reeds dood.
Arnold van Melchthal houdt zich bij Walther Fürst schuil; hij heeft den gerechtsdienaar, die hem op bevel van den landvoogd zijne ossen wilde afnemen, de vingers verbrijzeld. Stauffacher treedt binnen, terwijl Arnold zich verbergt, en wordt door Walther Fiirst hartelijk welkom geheeten. Zij spreken over den toestand des lands en Stauffacher verhaalt eene nieuwe laagheid van den landvoogd, welke hij zooeven heeft vernomen. De landvoogd heeft namelijk den ouden Melchthal beide oogen laten uitsteken, omdat hij zijn zoon, die gevlucht is, niet kon overleveren. Arnold hoort dit en komt ontzet uit zijn schuilhoek te voorschijn; de drie mannen nemen thans het besluit ieder met tien vertrouwde mannen
113
uit üri, TJnterwalden en Schwyz op de Eutli, een verborgen weide, 's nachts te komen en daar samen een besluit te nemen; de drie mannen zweren op dood en leven gezamenlijk de vrijheid te zullen verdedigen.
Tweede Bedrup.
üe Vrijheer van Attinghausen drinkt met zijne knechten den morgendronk en spreekt dan met zijn neef Rudenz, die naar Gessler's burg wil gaan, over de plichten, die de vrije Zwitser heeft. Hij zegt hem, dat hem niet woord eu eed aan de zijde van den Keizer doen staan, maar dat Bertha van Bruneck, die bij Gessier verblijf houdt, hem aan den Keizer bindt, dat hij deze jonkvrouw verwerven wil door van zijn land af te vallen, maar men lokt hem slechts met dit meisjo, toestemming tot een huwelijk met haar zal men hem toch nooit geven.
Op de Rutli komen Walter Fiirst, Werner Stauffacher en Arnold van Melchthal ieder met tien mannen in den nacht samen; er wordt besloten de landvoogden met hunne soldaten het land uit te jagen, zoo mogelijk zonder bloed te vergieten. Maar men zal daarmee tot Kerstmis wachten, omdat de inwoners dan volgens oud gebruik den landvoogd geschenken op zijn slot brengen, tien of twaalf mannen kunnen dan zonder opzien in het slot komen, de anderen staan in eene hinderlaag en het slot is gewonnen. Wanneer op den bepaalden dag de burgen gevallen zijn, dan geven zij elkander door vuursignalen op de bergen bericht. De mannen zweren te willen zijn een eenig volk van broederen, in nood noch gevaar van elkander te scheiden, en keeren dan weer naar hunne haardsteden terug.
114
Deede Bede ij f.
Teil neemt afscheid van vrouw en kinderen, om naar Altorf te gaan. Hedwig, zijne vrouw, wil hebben, dat hij thuis blijft, omdat Gessier zich te Altorf bevindt, maar Teil zegt te moeten gaan, daar hij het heeft beloofd; zijn zoon Walther gaat met hem mee.
Bertha is in het woud op jacht, zij wordt achtervolgd door Eudenz, die haar zijne liefde bekent, maar zij wil hem niet aanhooren, zoolang hij zijn plicht vergeet tegenover zijn volk en de slaaf van Oostenrijk is; hij staat verbaasd, dit verwijt van haar te hooren, daar hij zich toch juist om haar bij Oostenrijk heeft aangesloten, maar zij zegt, dat zij het Zwitsersche volk lief heeft en hem alleen dan hare hand zal reiken, wanneer hij weer aan de zijde van zijn volk staat.
Op eene weide bij Altorf staan twee soldaten de wacht te houden bij den hoed. Teil komt met zijn zoon voorbij, maar bewijst den hoed niet den verlangden eerbied en wordt daarom door de soldaten gegrepen, die hem naar de gevangenis willen brengen. Wanneer het volk hem bevrijden wil, komt juist G-essler met zijn gevolg aan en omdat Teil een meester in het schieten is, beveelt Gessier hem, tot straf voor zijne ongehoorzaamheid aan de bevelen des Keizers, een appel van het hoofd van zijn zoon te schieten. Teil, ontzet over dat bevel, valt voor den landvoogd op de knieën. Walter Fürst, Bertha en Rudenz smeeken dezen het bevel in te trekken : niets kan baten, het is een gunst, die hij Teil biedt, want hij en zijn kind hebben eigenlijk den dood verdiend. Wanneer Teil ziet, dat er geen genade van Gessier te hopen is, legt hij op zijn kind aan, maar vooraf neemt hij nog een pijl, dien hij verbergt, schiet, en treft den appel midden door. Hij wil nu weggaan, maar Gessier vraagt hem, waarom hij den tweeden
pijl bij zich heeft gestoken. ïell geeft daarop een ontwijkend antwoord; als Gessier hem echter zegt, dat zijn leven hem geschonken is, welke reden hij er ook voor moge gehad hebben, dan zegt Teil, dat hij met dezen tweeden pijl hem doodgeschoten had, wanneer hij zijn kind had getroffen, en die pijl zou zeker niet gemist hebben. Gessier beveelt thans Tel! te binden, hij heeft hem wel zijn leven geschonken, maar opdat hij zeker zij voor zijne pijlen, zal hij hem over het meer naar Kussnacht brengen en hem daar m de gevangenis opsluiten.
Vr i E K D F. Bed K IJ F.
Een visscher staat met zijn knaap naar het meer te zien, waar een schip in groot gevaar is; plotseling komt Teil aangeloopen en werpt zich dan op de knieën. Toen het schip, waarmede hij gebonden' naar Kussnacht zou gebracht worden, bijna verloren was, had een van Gessler's dienaren den raad gegeven, Teil los te maken en dezen aan het roer te zetten, daar hij wellicht allen zou kunnen redden; men had hem toen los gemaakt, hij had het schip naar eene vooruitstekende rots gestuurd, was daarop gesprongen en had het schip weer in het meer gestooten. Aan zijne vrouw laat hij nu weten dat hij gered is, dat zij spoedig meer van hem zal hooren en gaat dan langs den kortsten weg naar Kussnacht.
De Vrijheer van Attinghausen is stervende. Voordat hij den laatsten adem uitblaast, hoort liij nog, dat het verbond op de Eutli is gesloten en dat Rudeuz zich bij de Zwitsers heeft aangesloten. Deze heeft zich naar het slot begeven, maar komt te laat, want zijn oom is reeds gestorven ; hij vereenigt zich nu met de anderen om Zwitserland te
116
bevrijden van het juk der tyrannie. Ook Eudenji heeft reeds daaronder moeten lijden, want Bertha is hem ontroofd, daarom wil hij niet tot Kerstmis wachten, maar den opstand onmiddellijk beginnen. Arnold besluit hem te ondersteunen, Stauffacher en Walther Fürst zullen intusschen alles tot het groote werk voorbereiden en de vuursignalen op de bergen afwachten.
Teil staat aan den hollen weg bij Kussnacht, dien Gessier passeeren moet, om naar zijn burcht te gaan, dezen af te wachten. Teil heeft besloten hem te dooden, wanneer hij voorbij trekt. Zoodra Gessier komt, werpt Armgard zich aan zijne voeten, om hem genade voor haren man te vragen, die reeds zes maanden voor een licht vergrijp in de gevangenis smacht, maar Gessier wil op haar trappen, wanneer zij niet weggaat en hij zegt, dat hij nog veel te goed is en strenger moet worden... Op dit oogenblik doorboort hem Tell's pijl en hij sterft, terwijl hot volk over zijn dood juicht.
V ij f d e Bede ij f .
De vuursignalen zijn gegeven, de kerker bij Altorf wordt afgebroken, Rudenz heeft zich dapper gedragen en hij heeft nog het geluk gehad Bertha uit het brandende slot van den landvoogd, waarin deze haar had opgesloten, te redden ; alle tyrannen zijn uit Zwitserland verjaagd. Onder het gejubel van het volk brengt Werner de tijding, dat Keizer Albrecht door zijn neef Johannes van Schwaben vermoord is en dat de moordenaar zich in de bergen moet ophouden.
Hedwig verwacht met hare kinderen Teil ieder oogenblik terug, zij biedt een monnik, die aan haar huis komt, lafenis aan. Zoodra Teil teruggekeerd is, den mon-
117
nik ziet, en deze zich heeft bekend geiaakt, verzoekt hij zijne vrouw en kinderen in huis te gaan. Deze monnik is niemand anders dan Hertog- Johannes, die juist bij Teil barmhartigheid hoopt te vinden, omdat deze zijn vijand ook doodde. Maar Teil zegt hem, uit noodweer te hebben gehandeld, om vrouw en kinderen te beschermen, terwijl hij uit wraak een moord heeft gedaan. Teil wijst hem den weg naar Rome, daar moge hij heengaan en den Paus zijne schuld biechten, Johannes besluit dezen raad op te volgen. Het Zwitsersche volk komt Teil begroeten en Bertha vraagt te worden opgenomen in het verbond der Zwitsers; als vrije Zwitsersche geeft zij Rudenz hare hand.
GRILLPARZER.
Esther.
INLEIDING.
In het Oostenrijksche dichterboek van Emil Kuh werd een fragment van Grillparzer's Esther in 1863 het eerst gepubliceerd; na des dichters dood in 1871 dacht men onder zijne papieren meer van dit stuk te zullen vinden, maar werd daarin teleurgesteld, zoodat er dus niets anders voorhanden is dan het fragment, dat reeds in 1863 geschreven was. De dichter vond natuurlijk het hoofdmotief voor zijn stuk reeds voorhanden, maar zooals uit het fragment reeds blijkt, was het zijn plan, zich niet te storen aan de tradities, die door Het hoek Esther van de hoofdpersonen bekend zijn; het is niet onwaarschijnlijk, dat Lope de Vega's Schoone Esther hem daarbij geïnspireerd heeft. Hoewel het stuk fragment is gebleven, is het toch in zooverre een geheel, dat de volkomene overwinning van Esther op den Perzisch en koning daarin wordt voorgesteld.
De Meiningers geven dit fragment meestal met een der stukken van Molière op één avond; de voor ons ondergegane wereld laten zij door hunne vertooning in den vol-
119
len glans barer voormalige grootheid treden, daardoor weten zij dit fragment voor den toeschouwer boeiend te maken. Het eerst door hen te Berlijn den 27Kten April 1875 gegeven, mochten zij het reeds ongeveer honderd maal vertoonen.
INHOUD.
Koning Ahasveros is van zijne vrouw Vasthi gescheiden , hierdoor heerscht er eene treurige stemming aan zijn hof. De Koning zelf sluit zich in zijne kamers op, onttrekt zich aan de belangen van het rijk en weigert antwoord en bevelen te geven. Op last van Haman zal men trachten hem eene andere vrouw te bezorgen, om zijne mismoedigheid, waarvan h'j in eene door de hovelingen gehoorde alleenspraak blijk geeft, te verdrijven, echter mag zij geen vorstenkind zijn, want die wijst hij toch af. Men zal daarom alle schoone meisjes van het gansche land verzamelen, hij kan er zich dan zelf een uitkiezen; alle meisjes, die gevraagd worden, zullen moeten komen, en die weigert, zal worden gedwongen.
Esther woont met haar oom Mordechai alleen in eene hut; ook zij hebben van het bevel gehoord, maar Esther meent niet gevraagd te zullen worden, omdat zij eene Jodin is en als zoodanig in de oogen der anderen veel te laag staat, dan dat de Koning haar hand en ring ooit zou kunnen aanbieden. De boden des Konings komen haar echter halen, om ook aan den Vorst te worden voorgesteld.
Ahasveros wil van het plan niets weten en zendt al de meisjes weer weg. Esther wordt ook weggezonden, deze toont daarover echter zooveel vreugde, dat de Koning haar weer terugroept. De natuurlijke wijze, waarop zij met den Koning spreekt, de onbevangenheid, waarmede zij hemd©
120
waarheid zegt en hem raadt zijne vrouw Vasthi weer terug te roepen, bekoren hem zoo zeer, dat hij haar tot zijne vrouw kiest, maar onder die voorwaarde, dat zij uit vrijen wil, niet omdat zij gedwongen wordt, den gouden krans aanneemt, die voor de door den Koning te kiezen vrouw was bestemd. Eerst weigert Esther den krans aan te nemen, maar wanneer de Koning zegt, dat hem geen geluk meer beschoren is en hij nu eenzaam zijn levensweg tot aan zijn dood zal moeten vervolgen, neemt zij den krans en legt hem op haar hoofd.