ocr page 1
ocr page 2

stpmrmiband - Boekbinderij

J A. JOACHIMS THAI

Joden - Breestreat dj,

JirsmMa

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

t

ocr page 6

ê

fggiü 2929 59

f

I

i

ocr page 7

r

'

noDn wmn

X)E JZBUa-ID,

ÜOOll

L. WAGENAAR.

Opiierrabbiju.

Ie CURSUS.

Amsterdam, VAN CREVELD amp; Co. 1890,

ocr page 8
ocr page 9

yOORWOORD.

Dat aan eene „G odsdienstleeh v o o n de .1 e u r. dquot; in ons land behoefte bestaat, vereischt weinig betoog. De kennis van liet Jooclsche godsdienstleven in zijne veelzijdige uitingen vindt tot heden in onze godsdienstscholen zelden of nooit, zooals het inderdaad behoorde te zijn, eene volledige en systematisch afgeronde behandeling; terwijl ook de beoefening der bronnen, waaruit die kennis eigenlijk behoort te vloeien, door allerlei omstandigheden bf onmogelijk gemaakt of zeer beperkt wordt. Het werk, dat thans verschijnt, wil de kennis van Schulchan Aroech en aanverwante geschriften, daar waar zij onbereikbaar is, althans eenigcrmate vervangen. Nog veel liever echter wil het die kennis daar, waar zij in beperkte mate gekweekt wordt, bevorderen en aanvullen. Immers, de eerbiedwaardige oude wetboeken van het Joodsche godsdienstleven blijven steeds do heilzame bronnen, die, in de jaren der meergevorderde jeugd geopend, ons op onzen gang door hot geheele leven van dag tot dag leering en stichting moeten schenken. Het geheel te vervangen, is even onmogelijk als ongewenscht.

Trouwens, de beste en uitvoerigste werken, oude en jonge te zamen, zullen hunnen beoefenaars wel zeggen, maar niet to on en cn nog veel minder doen gevoelen, wat een innig bewust Joodsch leven beteekent. Neen, een indrukwekkend voorgaan te huis en een warm, bezield onderricht op de school moeten in getrouwe samenwerking deze heilige taak der opleiding verrichten. En achl wanneer daar de doode letter de levende daad en het opgewekte woord moet vervangen. Dat ouders en leeraren het toch begrijpen: het leerboek van den Godsdienst is slechts een gids, een leiddraad; maar—werkelijk gaan en toonen der jeugd, waar en wanneer en hoe men als getrouwe belijder of be-

ocr page 10

4

lijdstcr ouzcs dierbaren Jodeiitloius heeft te handelen en op te treden, da', moeten zij zelf uit', het licht hunner yeiiioedelijke leerimj, melde iiuicht hunner ernstiye vermauiny, muar bnoenal met den umceerstaanbaren druny can hun ei'jen indrukicekkend voorbeeld!

Wat overigens liet thans verschijnende werk betreft, het is uit den aard der zaak uit onze erkende oude godsdienstbronnen geput, waarbij eehter — het zij met oprechte waardeering vermeld — op menige plaats met vrucht gebruik gemaakt is van het uitmuntende werk -S.;-; can /,. Stern, Krankfurt a. .1/ . 1886. Om zooveel mo

gelijk rekening te houden met de verschillende graden van ontwikkeling bij de leerlingen, is het gesplitst in dne cursussen, die elkander achtereenvolgens aanvullen, zoodat de kennis van den eersten cursus noodzakelijk aan de beoefeniwj van den ticeeden en die van den ticeeden weder aan de beoefenimj van den derden moet voorafijaun.

Daar herhaalde opmerkingen over verschil van ritus in een leerboek voor de jeugd bizonder storend zijn voor den samenhang, zoo is doorgaans de Hoogduitsche ritus gevolgd. Bij gebruik van het werk door Portug. Israël, leerlingen dient dus wel hierop gelet te worden.

Wij sluiten dit voorwoord met den diepgevoelden wensch; «Moge de straal van Gods heerlijkheid op het door ons verrichte werk nederdalen! I^T TWVOI rO^ty mBW pSI W-

DE SCHRIJVER.

ocr page 11

De dertien Geloofspunten.

i.

1. God heeft de wereld geschapen en zorgt ten allen tijde voor al Zijne schepselen.

2. Er is maar één God; niets is zooals Hij. Daarom zeggen wij ook: IHX Tl „de Eeuwige is

TV

eenig !quot;

3. God is niet een mensch, zooals wij. Hij heeft in het geheel geen vorm. Wij kunnen Hem niet zien en ook niet denken, hoe Hij is.

4. God is er altijd geweest en zal altijd blijven bestaan.

5. Tot God alleen moeten wij bidden. Hij is de eenige, die ons alles geven kan.

9

•

6. Al wat de vrome, heilige mannen gezegd hebben, die wij Profeten (DWDJ) noemen, moeten wij gelooven.

7. Onze leeraar Mozes (1i3~i riw'ö) was de grootste profeet. Hij heeft aan Israël de Heilige Leer van God (de min) onderwezen.

T

8. Die Heilige Leer (min) hebben wij nu nog

T

ocr page 12

6

evenzou als Mozes haar aan onze vooronders geleerd heeft.

9. Evenals God eeuwig bestaat, zoo zal ook Zijne Heilige Leer nooit veranderen.

3.

10. God iceet alles; Hij weet ook alles, wat wij doen en wat wij denken.

11. God beloont alle goede menschen en straft hen, die doen, wat niet goed is.

12. Eens zal de Verlosser (rTtfE) komen, die

- r t

Israël naar het Heilige Land terugvoert en alle menschen leert. God te dienen.

13. De dooden zullen eens weder herleven.

Over God.

4.

God is overal. Daarom mogen wij ook in het geheim niets doen, wat ons verboden is.

God is de Almachtige. Hij kan alles; niets is Hem onmogelijk. Niets is er, al is het nog zoo groot en sterk, of God kan er mede doen, wat Hij wenscht.

God is de Algoede. Al wat Hij doet, is goed voor ons. Hij beloont het goede en schenkt vergiffenis aan hem, die berouw heeft over zijn gedrag.

ocr page 13

7

5.

Voor God, die Almachtig is, moeten wij eerbied en ontzag hebben (riKT). Aan Hem denkende,

t : •

moeten wij steeds doen, wat Hij ons geboden heeft, en zelfs in het geheim alles laten, wat ons verboden is.

Wij behoor en echter onzen God ook te beminnen, evenals liefhebbende kinderen hunnen vader (rDHX).

Zoo zeggen wij ook: Vm 'n ns4 ronw

t : i iv v: •• t ; - t ;

bDDI bDni „Gij zult den Eeuwige,

iitoen God, beminnen met geheel uw hart, geheel moe ziel en geheel uw vermogen.quot;

Wie God vreest en bemint, zal gaarne alles doen, wat God ons geboden heeft. Dit noemen wij: God dienen

O.

Als een mensch ons iets goeds doet, dan danken wij hem daarvoor. Hoezeer moeten wij dan wel onzen God danken, die ons leven en gezondheid schenkt en ons iederen dag zooveel goeds doet genieten! Daarom danken wij Hem steeds in onze gebeden en spreken voor Hem telkens lofzeggingen (nima) uit.

t :

Ook wanneer ons iets gebeurt, wat niet aangenaam is, moeten wij denken: wat God doet, die zoo Al wijs en Algoed is, is steeds goed voor ons.

ocr page 14

8

Wij zeggen dan: HOXn pi quot;[113 „Geloofd zij de rechtvaardige Redder!quot;

De Heilige Leer (min).

7.

De Heilige Leer of Thora (iTlln) is ons door God gegeven, om daaruit te leeren, hoe wij ons als brave, vrome menschen te gedragen hebben.

Daarom moeten wij allen, zooveel mogelijk, lederen dag in de Thora leeren. Deze plicht, dien men beoefening der Thora (rnljl HObiD noemt, is een van onze voornaamste plichten. Ook jonge kinderen moeten iets van de Thora leeren als ytlV!

en rm* min-

T • T

Het min nSD (de rol, waarin de Heilige Leer

T V Iquot;

geschreven is) is het heiligste, wat wij bezitten. Daarom moeten wij het met kostbare sieraden tooien, altijd er voor opstaan en het kussen, wanneer het in onze nabijheid gebracht wordt.

Waar eene Wetsrol aanwezig is, moeten wij ons eerbiedig gedragen en niets doen, wat in tegenwoordigheid van deze niet past.

Alle heilige boeken, als D^DIH, nlVön enz., moeten door ons met eerbied behandeld worden.

ocr page 15

9

Onze Ouders en Leeraren.

s.

„Eer uwen vader en uwe - moeder, opdat uwe dagen verlengd worden!quot; — zoo wordt ons door God geboden.

Onze ouders, wien wij naast God alles te danken hebben, moeten wij dus eeren en voor hen ontzag hebben.

Wat zij ons gebieden, moet door ons stipt gehoorzaam opgevolgd worden. Zonder verlof onzer ouders mogen wij in hunne tegenwoordigheid niets spreken. Nooit mogen wij ons op hunne plaats zetten.

Onzen ouders moeten wij behulpzaam zijn en hun het leven zoo aangenaam mogelijk maken. Zijn zij oud of zwak geworden, dan moeten wij hen steunen en onderhouden.

„ Wie zijne ouders slaat of verwensclit, is den dood schuldig!quot;

Ook zijnen grootouders en zijnen ouderen broeders en zusters is men oprechten eerbied verschuldigd.

Het hoogste ontzag is ons echter voorgeschreven tegenover onze leeraren, die ons in deugd en godsdienst onderrichten. Immers, wat zij ons schenken, is het hoogste en beste, wat wij kunnen bezitten.

Eindelijk behooren wij alle grijsaards en geleerden

ocr page 16

10

met eerbied te bejegenen en van onze plaats op te staan, wanneer zij ons naderen.

Ons gedrag tegenover andere menschen.

o.

Bemin ieder en haat niemand.

„Bemin andere menschen als u zeiven!quot; — gebiedt ons de Thora. Dit beteekent: verheug u, wanneer het iemand wel gaat en wees verdrietig, wanneer hij ongelukkig is, juist alsof het u zeiven betrof. Tracht steeds, anderen gelukkig te maken en doe een ander nimmer, wat gij niet zoudt willen, dat u geschiedt.

Wij mogen niemand haten. Wat ons in iemand niet behaagt, moeten wij hem als vrienden onder het oog brengen en trachten, het te verbeteren.

Zelfs onzen vijand mogen wij niet haten. Waar hij onze hulp noodig heeft, moeten wij hem nog eerder bijstaan dan onzen vriend, opdat wij ons gewennen, niemand te haten.

„Wreek u niet en wees niet haatdragend.quot; Vergeld nooit kwaad met kwaad; maar denk ook niet altijd aan het kwaad, dat men u gedaan heeft. Doe ieder wel, ook hem, die u verdriet veroorzaakt heeft.

ocr page 17

11

10.

Doe niemand leed.

De Thora schrijft ons voor, ieder te beminnen als ons zeiven. Hoe zware zonde is het dus, iemand — op welke wijze ook — leed te doen.

„ Wie iemand vermoordt, is zelf den dood schuldig!quot;

Wie zoo ruw en onmenschelijk zijn kan, om iemand te slaan, heet in de Thora een booswicht.

Wie een ander verdriet, schrik of angst aandoet, verkort zijne gezondheid en handelt dus even slecht, als wanneer hij het met do hand of mot een wapen zoude doen.

Wij moeten er voor zorgen, dat niemands leven in gevaar kan komen. Daarom moeten wij ook om platte daken, bij trappen, groeven, putten enz. eene hor sheering maken.

Op alles, wat gevaarlijk worden kan, als vuur, vergift, scherpe voorwerpen, gevaarlijke dieren enz., moeten wij streng letten, dat zij niemand schade doen. Doen wij dit niet, dan zijn wij voor de schade verantwoorde!ijk.

11.

BeLEEDICt NIEMAND EN SPREEK CiEEN KWAAD.

Daar de Algoede ons gebiedt, een ander te beminnen als ons zeiven, zoo mogen wij niemand door eenig woord kwetsen of heleedigen. Ieder woord.

ocr page 18

12

waardoor wij iemand, die tegenwoordig is, aan zijne gebreken of aan zijn ongeluk herinneren of op welke wijze ook onaangenaam treffen, moeten wij streng vermijden.

Het is hoogst venoerpelijk, iemand met een schimp-of spotnaam aan te spreken.

Wie een ander in 't openhaar beschaamt, behoort tot de grootste zondaars, die onze Godsdienst kent.

Wat men bij iemand gezien of gehoord heeft, mag men, zonder zijn verlof, niet bij anderen aanbrengen.

Nog minder mag men kwaadspreken, dat betee-kent: van iemand iets kwaads vertellen, al is het ook waar (jnn jV^b)-

De slimste zonde echter is laster dat beteekent: van iemand kwade dingen verbreiden, die niet waar zijn.

Het kwaadspreken is een doodelijk verderf voor hem, die het doet, voor hem van wien kwaad gesproken wordt en voor hem, die het aanhoort.

19.

Laat ieder, wat hem toebehoort en wees eerlijk.

Wat iemand bezit, is hem door God toegekend. Wie dus iemand van het zijne berooft, zondigt niet minder tegen God dan tegen zijnen medemensch.

Het is niet alleen verboden, iets te stelen of te

ocr page 19

13

rooven, van wien ook, al ware het ook nog zoo gering, neen, wij moeten in ieder opzicht het bezit van een ander eerbiedigen.

Men mag ook in scherts niemand iets ontnemen. Wie van iemands eigendom zonder zijn verlof gebruik maakt, staat gelijk met iemand, die steelt. Men mag geen gebruik maken van dat, wat niet

eerlijk verkregen is, al heeft men zich ook niet zelf daaraan schuldig gemaakt.

Wat wij iemand schuldig zijn, moeten wij hem ten volle voldoen. Eene schuld te ontkennen, staat gelijk met diefstal.

Alle schade, iemand door onze schuld aangebracht, moeten wij zoo spoedig mogelijk vergoeden.

Alle bedrog in den handel, bij koop en verkoop, is ons door de Thora streng verboden.

Hiertoe behoort ook de plicht, om steeds zeer nauwkeurige maten en gewichten te gebruiken.

Onjuiste maten en gewichten mogen wij volstrekt niet in ons bezit hebben.

13.

Denk van niemand kwaad en wijs de zondaren terecht.

„Beoordeel ieder naar de beste zijde!1' Weet gij van iemand iets kwaads, veroordeel hem niet on-middelijk. Wie niet goed doet, is daarom nog niet slecht. Menigeen weet niet beter of wordt gedwongen of verleid, om verkeerd te handelen. Daarom

ocr page 20

14

wordt ons geleerd: „beoordeel niemand, voordat (jij u in zijne plaats bevindt.quot;

Maar zeker is het ongeoorloofd, ja zeer afkeurenswaardig, van iemand kwaad te denken, zoolang daarvoor geen bewijs bestaat.

Terechtwijzen zult (jij uwen evenmensch!quot; Dit beteekent: als iemand verkeerd doet, dan moeten wij hem in het geheim en in zachte woorden op zijne fouten wijzen. Wij moeten dit zoolang doen, tot dat wij hem van zijne fouten overtuigd hebben. Maar — nimmer mag dit in 't openbaar geschieden. Daardoor immers zouden wij hem beschaamd doen staan, hetgeen een grnote zonde is.

14.

Sta uwkn evenmensch bi-t.

„Blijf niet rustig staan, wanneer iemand inrjevaar isquot; — wordt ons geboden. Waar iemand in gevaar is, moeten wij alles aanwenden, om hem te redden.

Heeft iemand iets verloren, dan moet men hem behulpzaam zijn, om het terug te vinden. AVaar iemand zich in eene moeielijkheid bevindt, is het onze plicht, hem zijne last te helpen verlichten.

Hem, wien het niet gelukkig gaat, moeten wij helpen, alvorens hij geheel gevallen is.

Het is eene heilige plicht, ja, het moet onze hoogste yreugde zijn, armen, zwervelingen, zieken, weduwen

ocr page 21

15

en weezen, in één woord: allen hulpbehoevenden bij te staan.

Ieder behoort minstens een tiende gedeelte van zijn inkomen af te zonderen voor zulke weldadige doeleinden (npT*')-

It t ;

Wij moeten gaarne weldoen, met vreugde en met een vriendelijk gelaat. Wie gaarne geeft, mag hopen, dat hij zelf door den Algoede zal gezegend worden.

Niet openlijk moet de weldaad geschieden, om ons er op te beroemen, maar zooveel mogelijk in het geheim, opdat de behoef tig e niet vernederd worde.

15.

Bemin de waarheid.

Alles, wat wij spreken, moet geheel waarheid zijn. Waarheid is voor ons alleen dat, waarvan wij zelf zeker gelooven, dat het zoo is.

Wie liegt, wie onwaarheid spreekt, of zwijgend onwaarheid aanhoort, beleedigt zijnen Schepper, bezondigt zich zeiven en misleidt zijnen evenmensch.

Al wat wij spreken, moet oprecht gemeend zijn. Het is slecht, iemand door onwaarheid te bedriegen of door schoone, vleiende woorden voor zich te winnen.

Iedere belofte, die wij iemand doen, moet ons heilig zijn. Een eenmaal gegeven woord te verbre-l'en, is eene zware sonde.

ocr page 22

16

Ons lichaam en voedsel.

16.

Steeds moeten wij God met ons lichaam dienen. Daarom moet ons lichaam ook altijd rein zijn. Geen spoor van onreinheid mag aan ons lichaam of onze kleeding gezien worden. Vooral moeten wij daarop letten, als wij bidden of uit heilige boeken lezen.

Bij vele gelegenheden moeten wij de handen was-schen, vooral 's morgens als wij opstaan, na zekere lichamelijke verrichtingen en voor iederen maaltijd, waarbij wij brood nuttigen. Dit noemt men D'T

* Iquot;T

's Morgens moet men bovendien nog minstens het aangezicht en den mond reinigen.

Vóór den maaltijd mag men tusschen □,T nb'LiJ

• i ~T - • ;

en geen woord spreken.

Ook moet men vóór het intreden van Sabbath-en feestdagen, ter eere van die heilige dagen, het lichaam nog eens op nieuw reinigen.

Alle personen van het mannelijk geslacht moeten uit eerbied voor het Opperwezen het hoofd gedekt houden, wanneer zij zich in de open lucht begeven, bij het gebed, bij het lezen uit Joodsche geschriften, bij het bezoek van bede- en leerhuizen en bij alle godsdienstige verrichtingen.

ocr page 23

17 17.

Niet alles, wat wij zien, mogen wi/j genieten. Een braaf mensch moet zijne begeerte bedwingen.

Daarom mogen wij niet verlangen naar dat, wat ons niet toekomt, en moeten dat, wat God ons gegeven heeft, met spaarzaamheid en matigheid genieten en steeds God voor alles, ook voor het geringste, dankbaar zijn.

Vele soorten van dieren en andere soorten van voedsel zijn ons verboden. En ook van de meeste dieren, die ons geoorloofd zijn, mogen wij het bloed, zekere vetcleelen en nog andere bepaalde deelen niet nuttigen.

Vleesch- en melkspijzen mogen niet door elkander gekookt, gegeten of op andere wijze gebruikt worden. Na het eten van vleeschspijzen moeten wij eenen behoorlijken tijd wachten alvorens wij melkspijzen mogen nuttigen. Ook hebben wij zoowel voor het bereiden als voor het gebruik van vleesch-en melkspijzen geheel afzonderlijke vaatwerken en gereedschappen.

Al deze wetten behooren tot het gewichtigste, wat onze Godsdienst ons voorschrijft. Zij moeten door iederen Israëliet met de grootste gestrengheid opgevolgd worden.

Het gebed.

is.

Twéé malen iederen dag, 's morgens en 's avonds,

ocr page 24

18

moeten wij lezen, dat wil zeggen een stuk

uit de Thora, dat met het woord ytlü begint. Daarin verklaren wij, dat er maar één God is, dat wij Hem beminnen en alles doen, wat Hij ons ge-boden heeft. Dit noemt men : het lezen van

{yvt nxnp

Bidden (nVSTI) is de plicht, om onzen God in

t • ;

woorden te prijzen, te danken en van Hem te vragen, wat wij behoeven.

Dit doen wij iederen gewonen dag drie malen. Er is een ochtendyebed (TVinji'), een middaggebed innjfS) en een avondgebed

t ; • : ~

Op Sabbath-, Feest- en Nieuweinaansdagen is er nog een bizonder gebed en op den Grooten

Verzoendag nog een slotgebed

19.

Bij ons gebed moeten wij steeds denken, dat wij voor den Allerhoogste staan en dus ernstig en aandachtig bidden, zonder iets te spreken of te doen, wat niet bij het gebed behoort.

Als het maar eenigzins kan, moeten wij ons gebed doen in eene verzameling van geloofsgenooten (TDÏS). Onze heiligste lofzeggingen, als JT'ip en

worden alleen uitgesproken, wanneer men in ver-eeniging het gebed verricht. Alsdan wordt ook op Sabbath, 's morgens en 's middags, op Maandag en

ocr page 25

19

Donderdag 's morgens en op vele bizondere dagen uit de iTïin gelezen

Belialve de vaste gebeden moeten wij dagelijks bij alles, wat wij genieten, bij het uitoefenen van vele geboden en bij verschillende andere gelegenheden lofzeggingen (rilD13) uitspreken.

t ;

Dc Schouwdraden (nï^i, de gebedsriemen en de Mezoeza (nnra).

20.

Aan iederen hoek van een vierhoekig kleed, dat door Israëlietische mannen gedragen wordt, moeten schouwdraden (nï*ï) aangebracht worden.

Deze draden heeten schouwdraden, omdat wij door het aanschouwen daarvan steeds aan de geboden van onzen God moeten denken.

Om aan dit gebod te voldoen, dragen wij onder onze kleeding bij dag een bizonder vierhoekig kleed en bij het ochtendgebed boven onze kleeding een grooter kleed (JT'vO, van schouwdraden voorzien.

Verder moeten alle mannelijke Israëlieten op werkdagen bij het morgengebed de gebedsriemen aanleggen op den linker-bovenarm (T en

boven op het voorhoofd (w'KT f^an)- In de

ocr page 26

20

huisjes der Telilliu bevinden zich, op perkament geschreven, vier af deeling en (JlVvinS) uit de min, waarin gesproken wordt van onze liefde voor God, het opvolgen zijner geboden en den wonderbaren uittocht uit Egypte.

Twéé van deze afdeelingen moeten ook, op perkament geschreven en in een kastje of kokertje nedergelegd, aan alle posten van de deuren en poorten onzer woningen gehecht worden (riTITQ). Dit

t :

geschiedt, om ons steeds bij het binnengaan en verlaten onzer woningen en vertrekken aan God en Zijne heilige geboden te herinneren.

De bizondere dagen.

21.

De Sabbath (rdv^)-

t quot;

Als God de wereld in zes dagen geschapen had,

maakte hij den zevenden dag tot eenen heiligen rustdag (n3v^)- Op dien dag moeten wij dus alle werk-

t quot;

zaamheden nalaten, rust genieten en veel tijd besteden aan het gebed en het beoefenen van de Thora en andere heilige boeken.

Niet alleen wij zelf mogen op rQvT geen werk

t quot;

verrichten of laten verrichten, maar wij moeten er ook voor zorgen, dat onze kinderen, onze bedienden, ja zelfs onze dieren op dien dag rust genieten.

ocr page 27

Ook mogen wij over onze gewone bezigheden of eiken anderen arbeid op flSlT niet spreken of na-

t quot;

denken.

De inwijding van den Sabbath en de scheiding er van geschiedt, behalve door het invoegen van zekere stukken in onze gebeden, ook nog door het uitspreken van en nb'lDn.

Als heiligen rustdag vereeren wij den Sabbath door bizondere kleeding en maaltijden en door feestelijke siering onzer woningen.

DE FEESTDAGEN (D^IU Dm 22.

Dk drie vreugdefeesten (D^H).

Drie voorname vreugdefeesten (Q^n of vfav)

• t : t

worden door ons gevierd ter herinnering aan de groote wonderen, door God onzen voorouders bewezen van hunnen uittocht uit Egypte tot hunne komst in het beloofde land Kanaiin (D'ISD 13')-

• it ; * - • • viquot;

Zij zijn :

1. HlïQn in, Hd feest der ongezuurde brooden, 15 — 22 Nissan, waarvan de vier middenste dagen (17 — 20 Nissan) de middendagen, bin, genoemd worden;

2. nty'Qü'n in, het icekenfeest, 6 — 7 Siwan;

3. nl3Dn in, het loofhuttenfeest, 15 — 21 Tisrie

ocr page 28

(met vijf middendagen, ■tylQn Vin, 17 —21 Tisrie) en onmiddellijk daaraan verbonden: rnVVH 311

viv^: T

het slotfeest, 22 —23 Tisrie, waarvan de tweede dag nog den bizonderen naam draagt van HTin nnöt^, Vreugdedag der Wet.

Op deze feestdagen mogen wij evenmin als op Sabbath eenig werk verrichten, behalve de bereiding van spijzen en dranken, het ontsteken van licht en het omgaan met vuur.

Op de middendagen nyiDH blfl) mag verder nog

zulk werk verricht worden, wat wij niet zonder onherstelbare schade of verlies kunnen nalaten.

De vreugdefeesten eeren wij, evenals den Sabbath, door bizondere kleeding en maaltijden, door feestelijke siering onzer woningen, door het uitspreken van en en daarenboven nog door eene

I- t T : -

blijde, feestelijke stemming (nTOti^).

T ; *

93.

Het feest der ongezuurde brooden (nlïön JH) wordt gevierd ter herinnering aan den uittocht uit Egypte en de wonderen, die daarbij plaats hadden.

Gedurende dit geheele feest mag door ons niets, wat gezuurd (T*ön) is, genuttigd worden of zich in onze huizen of in ons bezit bevinden. Dit is ons voorgeschreven ter herinnering aan den wonderbaren uittocht onzer voorouders uit het land Egypte, die zoo spoedig geschiedde, dat hun deeg niet meer kon rijzen.

ocr page 29

28

Op de beide eerste avonden van dit feest heeft in ieder huis eene voorlezing (mjn) plaats over den

TT quot;

uittocht uit Egypte, waarbij vier glazen of bekers wijn gedronken, lofzeggingen en gezangen voorgedragen en ongezuurde hrooden, JTiïO, en hittere

kruiden, ^110, genuttigd worden.

T

94.

Het loekenfeest (nl^Srn JH) 'vieren wij ter herinnering aan de wetgeving op den berg Sinai, die op 6 Siwan plaats had.

Dit feest heet ook dag der eerstelingen (Dni33n Dl*), omdat op dit feest voorheen in den heiligen tempel een offer, namelijk twéé brooden, van de nieuwe tarwe gebracht werd.

Reeds op den tweeden dag van het feest der ongezuurde brooden werd eene bepaalde maat [omer van de nieuwe garst op plechtige wijze van het veld afgesneden en in den tempel geofferd. Van dien dag moesten dan 49 dagen of 7 weken geteld worden tot het wekenfeest. Deze telling, die ook thans nog plaats heeft, noemen wij Omertelling

nbpn m*öD).

VI T - • ;

Het loofhuttenfeest (HlSpn JH) vieren wij ter herinnering aan de wonderbare bescherming, door God aan onze voorouders na hunnen uittocht uit Egypte gedurende veertig jaren in de woestijn verleend.

Dit feest heet ook het feest der inzameling (tppKH jn),

ocr page 30

2-i

omdat Israël in het heilige land dan alle veldvruchten ingezameld had en zich er mede verheugde.

Gedurende het loofhuttenfeest zijn wij verplicht, in loofhutten (nl3p) te vertoeven, waarvan de bedekking uit losse twijgen, loof, riet, stroo of iets dergelijks moet bestaan.

Ook moeten wij ons voor dit feest eenen bepaalden plantetihundel (^) aanschaffen, om dezen

T

lederen dag ter eere van God op te heffen, hem bij zekere gedeelten van het gebed in de hand te nemen en dagelijks daarmede eenen plechtigen omgang om de Biema te houden.

De zevende dag van het feest, waarop zeven zulke omgangen plaats hebben, heet

DE PLECHTIGE HOOGTIJDEN Dm

35.

De plechtige Hoogtijden, , zijn:

T • T

1°. rutrn het Niemoejaarsfeest, 1 — 2 Tisrie.

TT quot;

2°. Dl*, de Groote Verzoendag, 10 Tisrie.

De Nieuwej aarsdag is tevens de dag, waarop alle stervelingen en hunne daden bij den Allerhoogste in herinnering komen (|1quot;)3Tn Dl') eu Deze daarover recht uitspreekt (jHI Dl1'), om op den Grooten Verzoendag ieders levenslot onherroepelijk te bepalen. De geheele tijd van 1 tot 10 Tisrie is dus aan ernstige overdenking, vooral aan boete en berouw

ocr page 31

gewijd. Deze dagen heeten daarom n^Vv^D ^ ,

de tien hekeeringsdagen.

Om ons hart tot ernst, overdenking en berouw op te wekken, wordt op de beide dagen van het Nieuwejaarsfeest op eenen bazuin, geblazen

T

en heet dit feest daarom in de Thora t3l*

(dag van bazuingeschal).

3e.

Het Nieuwejaarsfeest staat, wat het rusten en de verdere viering als feestdag, D1L2 □V, betreft, ongeveer gelijk met de drie vreugdefeesten.

Op den grooten Verzoendag is, evenals op Sabbath, alle werk verboden Verder wordt deze verhevene, heilige dag door ons doorgebracht in vasten en bidden om verzoening en kwijtschelding van zonden. Ook wij menschen vragen elkander bij het naderen van den Verzoendag om vergiffenis van dat, wat wij tegenover elkander misdaan hebben.

Op den grooten Verzoendag is het ook verboden, zich als gewoonlijk te wasschen, zich te zalven en lederen schoeisel aan te trekken.

De gedenkdagen.

27.

Db algemeene vastendagen

De algemeene vastendagen zijn dagen van treurige

ocr page 32

herinnering, waarop wij geen spijs of drank nuttigen en bizondere smeekgebeden uitspreken. Zij zijn:

1°. Be 10de Teheth, n3ü3 ni1^, de dag, waarop de belegering van Jeruzalem door de Babyloniërs begon;

2°. De 17de Tammoez, TIDHS waarop

de muren van Jeruzalem door de Romein on bres geschoten en de stad ingenomen werd. In dezelfde maand Tammoez was Jeruzalem reeds vroeger dooide Babyloniërs ingenomen.

3°. Be 9ik Ah, 3^3 Op dezen ongelukkiger!

t : t :

dag zijn de eerste en tweede tempel beide verwoest en onze voorouders uit hun land verbannen. Ook de verdrijving onzer voorouders uit Spanje in het jaar 1492 had op dezen dag plaats. Op dezen dag begint het vasten reeds, evenals op den Grooten Verzoendag, den vorigen avond. Ook is het daarop verboden, zich als gewoonlijk te wasschen, zich te zalven en lederen schoeisel aan te trekken.

4°. Be vastendag van Gedalja, op

t : - :

3 Tisrie, ter herinnering aan den moord op Gedalja, den landvoogd, dien de Koning der Babyloniërs na de verbanning der Israëlieten had aangesteld over de kleine rest van hen, die hij in het heilige land had gelaten. Door dezen moord werd dit land ook van zijne laatste Joodsche bewoners beroofd.

5°. Be Vastendag van Esther, inDK op

13 Adar, ter herinnering aan het vasten door de

ocr page 33

27

Koningin Esther bepaald, toen onze voorouders in Perzië en Medië allen op éénen dag zouden omgebracht worden.

2H.

De feestelijke gedenkdagen.

Van 25 Kislew vieren wij acht dagen lang het iutoijdincjsfeest, rDUn. Dit feest is ingesteld, toen

t

onze voorouders na groote' overwinningen op de Syriërs, onder aanvoering van den held Juda de Makkabeër, weder naar Jeruzalem trokken , den tempel reinigden en den Joodschen offerdienst herstelden.

Het inwijdingsfeest wordt gevierd door het opsteken van lichten, lederen avond na het invallen van den nacht; terwijl wij onze feestelijke stemming toonen door huiselijke vreugde en door het invoegen en weglaten van zekere stukken bij onze gebeden.

Op 14 Adar of (in een schrikkeljaar) op 14 Adar II is het Lotenfeest, CTTlö- Dit is ingesteld door Mordechai en Esther, na de wonderbare redding onzer voorouders in Perzië en Medië, toen Koning Ahasweros op voorstel van zijnen eersten raadgever Hainan hen allen op éénen dag zoude laten ombrengen. Haraan zelf werd gehangen en Mordechai verkreeg zijn hooge plaats bij den koning.

Het verhaal van deze gebeurtenissen komt voor

ocr page 34

28

iu de rol van Esther, mDX nVjO, die wij dan ook op 14 Adar moeten voorlezen. Verder richten wij dien dag een feestmaaltijd aan, zenden elkander geschenken in spijzen en dranken en geven liefdegaven aan de armen.

Op 15 Adar of 15 Adar II is jUhvP aniS- Ook op dien dag wordt alle droefenis vermeden en de feestvreugde zooveel mogelijk bevorderd.

De Joodsche Jaartelling en de Nieuwemaansdag.

(üHn ^«quot;Ij-

Volgens de Joodsche jaartelling heeft het jaar 12 maanden van 29 of 30 dagen. Zij heeten:

,ïvd .rv^n

t • It- ~ t v ■ ; * i t ; v *• .

en -nsv

.... x ; t

Een schrikkeljaar heeft ook nog eene tweede Adar ('iw? m.S4). In iedere 19 jaren komen zeven zulke schrikkeljaren voor.

De eerste dag van iedere maand heet nieuwemaansdag, unn Als echter de vorige maand 30 dagen had, dan zijn de 30^ dag van die maand en de eerste dag der volgende maand beide 'vTin w'K~l-

Den dag van ^ln 'vTNI vieren wij in huis en Synagoge eenigermate als feestdag.

ocr page 35

l . gt; 5 J '

■

il) 1

1

gt; ' ^

ocr page 36
ocr page 37

nDsn rmsn

X)E CTETJO-nD,

1)0011

L. WACENAAR.

Opperrabbijn.

2e cursus.

Amsterdam, VAN CREVELD amp; Co. 1890.

ocr page 38
ocr page 39

God en Zijne Leer.

i.

God de Schepper en Bestuurder der wereld.

God heeft al het bestaande uitliet niets voortgebracht, uitsluitend door de macht van Zijn icoord of wil.

Hij heeft aan alles, wat wij op de wereld aantreffen, groot of klein, zijne bepaalde bestemming gegeven. Alles leeft en ontwikkelt zich naar de wijze en orde, door Hem van den beginne voor ieder schepsel vastgesteld.

Alleen God zelf kan die wijze en orde verbreken, en waar dit geschiedt, daar noemt men zulks een wonder.

God bestuurt de wereld naar Zijne Alwijsheid. Alles, wat er met eenig schepsel geschiedt, vindt in Hem zijne eerste oorzaak. Dit noemt men Zijne Voorzienigheid.

Gods wil is voor ons gebrekkig inzicht niet altijd begrijpelijk. Veel, wat ons ongelukkig voorkomt, is voor ons inderdaad nuttig en heilzaam.

2.

Het verbond tusschen God en Israël.

In de oudste tijden kenden de menschen God

ocr page 40

4

nog niet. Zij dienden de verschillende schepselen der natuur; zij maakten zich beelden en wierpen zich daarvoor aanbiddend neder. Slechts enkele menschen leefden er, die wisten, dat er een God was.

Abraham, onze eerste aartsvader, werd uitverkoren, om de kennis van God onder de menschen te verbreiden en onder zijne kinderen voort te planten. Met hem sloot God een verhond (rVö), waarbij Hij hem beloofde, dat zijne nakomelingen het Heilige Land Kenaan zouden verkrijgen, om daar

hunnen God te vereeren en te dienen. Tot eeuwig teeken van dit verbond werd de besnijdenis (H^D) ingesteld.

Aan Abrahams zoon Izak en diens zoon Jacob openbaarde zich God op nieuw en hernieuwde met hen het oude verbond, met Abraham gesloten.

De kinderen van Jacob, die den naam Israel verkreeg, de kinderen Israels (bïO*33) dus, kwamen door de Goddelijke beschikking naar het land Egypte, waar zij zeer veel moesten lijden, om daardoor in hun geloof aan den Eeuwigen God gesterkt te worden.

Als eindelijk de tijd er toe gekomen was, verloste God hen uit Egypte (Dnïö nstv^), waarbij Hij vreeselijke rampen over dit land bracht en groote wonderen verrichtte.

ocr page 41

8 3.

De tien geboden.

Nadat door den uittocht uit Egypte het geloof in God en Zijnen dienaar Mozes bij onze voorouders versterkt was, zouden zij spoedig na dien uittocht in de woestijn Sinai de Heilige Leer (min) ont-

T

vangen, eene eeuwige, onveranderlijke Wet, waaraan Israël in alle tijden zoude getrouw blijven.

De eerste geboden, die hun geleerd werden, waren de tien geboden die God zelf op den 6(lcn Sivan van den berg Sinai verkondigde. Dit noemt men: de openbaring op Sinai.

De tien geboden, op Sinai gegeven, zijn:

1. Ik ben de Eeuwige uw God, Die u uit Egypte gevoerd heb.

2. Gij zult geene andere goden hebben en aanbidden.

3. Gij zult den naam des Eeuwigen niet ijdel uitspreken.

4. Neem den Sabbath in acht en verricht op dien dag geenerlei werk.

5. Eer meen vader en uwe moeder.

6. Gij zult niet moorden.

7. Gij zult niet echtbreken.

8. Gij zult niet stelen.

9. Gij zult. geen valsch getuigenis afleggen.

10. Gij zult niet heg eer en, wat een ander toebehoort.

ocr page 42

6 4.

De Heilige Leer (rniH)

Nadat deze tien geboden door God verkondigd waren, maakte Deze aan Mozes op den berg Sinai den inhoud der geheele Heilige Leer bekend, om dezen aan Israël te leeren.

Van deze Heilige Leer werd de hoofdinhoud op-geteekend in de vijf hoehen der Thora (n^OH min ^Din), waarin ook Israels geschiedenis tot

T quot; :

den dood van Mozes voorkomt.

De nadere verklaringen echter, waar zonder deze Schriftelijke Leer rnljl) onmogelijk kan

begrepen en toegepast worden, werden mondeling aan Israël medegedeeld en heeten daarom: de mondelinge Leer (HÖ ^2^ rnin).

Deze mondelinge Leer werd dan ook, zonder op schrift gebracht te zijn, van geslacht op geslacht onder Israël overgeleverd. Eerst in lateren tijd, toen onze voorouders onder de verschillende volken verspreid waren, werd het noodzakelijk, ook den inhoud der mondelinge Leer op te teekenen. Zoo bezitten wij deze dan in verschillende geschriften, waarvan de voornaamste zijn: de Mischnci (niïi'Q) en de Talmoed niD^n) of Gernara (jnö2)-

; - TT C

Ieder Israëliet is verplicht, ten zijnen behoeve een HI In quot;13D in order te brengen of te doen in

T V Iquot;

order brengen, om daaruit te lezen.

ocr page 43

7

üuk de geschriften der mondelinge Leer, als Mischna, Gemara enz., behoort men zich zooveel mogelijk aan te schaffen, opdat men ten minste in de gelegenheid zij, zich daarin te oefenen.

Het gebed en de eeredienst.

5.

Het lezen van fWIp).

De drie afdeelingen van zijn:

1. (Deut. 6, 4—9), inhoudende de erkenning van Gods eenheid en regeering rVD^Q flVsp) (D^'vT;

* Iquot; T

2. tTtovT Dtf n*ni (Deut. 11, 13 — 21) inhoudende de

- I T T T :

erkenning der goddelijke geboden (HIVD nVsp) en

3. of de afdeeling van Tsitsies rilinö)

VI- quot;TT

(nV% inhoudende wederom de erkenning der geboden en die van den uittochi uit Egypte (DHXD nK'iquot;').

De tijd voor het lezen van is: des avonds

van het invallen van den nacht (ti'iDlSn JISV) tot

* T -

middernacht, of, zoo noodig, tot het opkomen van den dageraad (inC'n ; 's morgens van dat het

dag wordt tot na een vierde gedeelte van den dag.

De eerste der drie genoemde afdeelingen wordt ook in het nachtgebed ingelascht.

ocr page 44

s 6.

Het gebed (rpön)

t • :

Sedert den tijd, dat de tempel te Jeruzalem verwoest is, heeft de offerdienst (nl:3quot;lp) opgehouden

t : it

en is dus het gebed de eenige wijze, waarop wij onze gevoelens tegenover God te kennen geven. Als wij tot God in het gebed naderen, dan moeten wij dit steeds op passende en eerbiedige wijze doen. Ons lichaam in het algemeen en onze handen in 't bizonder moeten bij het gebed rein zijn; evenzoo de plaats, waar wij het gebed uitspreken.

Tijdens het gebed behooren wij alle niet daarbij behoorende gedachten van ons te verwijderen en met volledige aandacht te bidden, in een passende eerbiedige houding, net en welvoegelijk gekleed, ieder woord behoorlijk uitsprekende, maar stil en zonder bovenmatige verheffing van stem.

Bij het hoofdgebed njDv?) moeten wij

bovendien staan en wel met het aangezicht naaide zijde van het Heilige Land (mTO) gericht.

Het behoort ook tot den eerbied, aan het gebed verschuldigd, om het steeds zooveel mogelijk op eene vaste, bepaalde plaats te verrichten.

7.

De tijd, voor onze gebeden bepaald, is:

voor het ochtendgebed (rniTvP): tot 't einde van een derde gedeelte van den dag;

ocr page 45

9

voor het Moesafgebed (rjplO): onmiddellijk na nnn-vT tot uiterlijk zeven uren op den dag;

voor het middaggebed (nnjD): van 1273 ure's mid-

t :

dags tot het invallen van den nacht. Wordt het middag- en avondgebed nnjQ) onmiddellijk

na elkander gelezen, dan begint men met het middaggebed l1/.! ure voor 't invallen van den nacht, naaide lengte van den dag berekend;

voor het avondgebed indien het afzonder

lijk en niet te zamen met nnjD gelezen wordt;

t : •

van het invallen tot het einde van den nacht;

voor het slotgebed op D'TlMn CV: zoo

vroegtijdig, dat het gebed bij het invallen van den nacht eindige.

Als de tijd van het gebed nadert, mogen wij met geenerlei bezigheid beginnen, alvorens ons gebed verricht te hebben.

Wie verhinderd is, in vereeniging met geloofsge-nooten (TQÏS) te bidden, doet het evenwel, zooveel mogelijk, in den tijd, waarop de gemeente het gebed uitspreekt.

8.

De voornaamste deelen van onze gebeden zijn; a. quot;IIXTI rrüquot;quot;)!!, de ochtendlof zeggingen, die wij 's morgens vroeg na het ontwaken aan het ochtendgebed laten voorafgaan;

ocr page 46

10

b. man ^IDS, psalmen en verzen uit de Heilige Schrift, waarmede wij 's morgens Gods naam huldigen. Zij worden ingeleid door de lofzegging quot;lÖlW ^113 en gesloten door de lofzeggingen rDDvi^;

c. yiytï voorafgegaan en gevolgd door lofzeggingen [yvv ni313), als 's morgens 11« W enz., 's avonds 1-Dquot;D

enz.;

ci. rntr# nab^, het eigenlijke gebed, waarin wij bij iedere bidstonde eerst onzen God in al Zijne Grootheid huldigen (n^vT), dan onze verschillende

- IV

behoeften van Hem afsmeeken (Hinri of niP|53) en

t • : t i t -

eindelijk Hem voor Zijne Goedheid danken (iTTin);

(of pinn;, boet- en smeekgebeden, die wij op gewone werkdagen, 's morgens en 's middags op rnty^ laten volgen.

f- het verheven slotgebed, waarmede wij

iedere bidstonde eindigen.

Hierbij behooren nog:

g. op Vrijdag avond: isb enz.),

t - - t ) - t : - : :

psalmen en zangen, waarmede wij den heiligen Sabbath bij zijne intrede begroeten.

h. op ann nnun en de S^n vbt ■ de

vi , t * t ; t

psalmen, die wij noemen;

i. gedurende de het gebed

iquot; ; - r t

Als gebeden of dankzeggingen voor bizondere dagen gelden nog:

ocr page 47

11

a. oy feestdagen en bizoudere Sabbathdagen: feestgebeden (Ü^VÖ);

h. op vast- en boetedagen: smeek- en hoetcjebeden (nin^p en Dn-n);

c. op Dstn tgt; •eurgedichten (Hlrp)-

9.

Bij den gezamenlijken dienst {113'Ü

• * : t • ;

waarbij ten minste tien godsdienstig-meerderjarige mannelijke personen tegenwoordig zijn, worden voorgedragen:

een heilig gebed tot huldiging van Gods naam, door één persoon uit de gemeente voorgedragen en door de gemeente telkens met |SpK of ^31 xn1' beantwoord;

b. 1313, eene opwekking, om God te loven, waar-aan de gemeente door het uitspreken van Tl quot;p-D

voldoet;

c. ni^np, heiliging van Gods naam, door het uitspreken der verzen (D^pIDS), waarin de engelen God huldigen;

de zegening, die de priesters (D^n3) over de gemeente bij de verschillende bidstonden, behalve bij het namiddag- en avondgebed, uitspreken. In de meeste gemeenten geschiedt deze plechtigheid alleen op feestdagen en wordt op andere tijden in de plaats daarvan door den voorlezer

ocr page 48

12

het gebed Wrfbtf uitgesproken, waarin

de ü^n'3 voorkomt;

e. minn nx^p, het voorlezen uit de Thora op

t - - 1 :

Sabbath-morgen, Sabbath-middag, Maandag en Donderdag 's morgens, op feest- en vastendagen, gedenkdagen en nieuwemaansdagen.

Het bedehuis is Gods heiligdom, waaraan wij onbeperkten eerbied en ontzag verschuldigd zijn. Ook wanneer er niet gebeden wordt, mogen wij daar geene onverschillige en zeker geene onbetamelijke gesprekken voeren. Wij mogen in het bedehuis niet anders dan voor godsdienstige doeleinden binnentreden. Ook is het ongeoorloofd, er iets te nuttigen of er te slapen, als dit laatste niet in het belang van het bedehuis zelf vereischt wordt.

10.

De lofzeggingen (rilDquot;l3)

t :

Zoo dikwijls wij aanleiding vinden, om ons God te herinneren, zijn wij verplicht. Zijnen naam te loven. Daarom zijn ons voor tal van gelegenheden lofzeggingen voorgeschreven, die, naar het woord TilS, wat er in voorkomt, genoemd worden.

) t t :

Zoodanige lofzeggingen spreken wij uit:

a. vóór en na het gebruik van spijzen en dranken en bij het waarnemen van een aangename geur

ocr page 49

13

(pnsn nl3~i3). Door het uitspreken van deze lofzeggingen geven wij te kennen, dat wij iedere genieting als eene gave des Algoeden beschouwen, vervullen wij dus eenen plicht van kinderlijke dankbaarheid jegens het Opperwezen en verhoogen de waarde van het genot, dat wij smaken;

h. vóór het vervullen van vele godsdienstige plichten (niïDH nlrTD)- Wij danken dan Hem, die door zoodanige voorschriften ons leven hier op aarde geheiligd heeft (VniïfpÜ T^N4)-

c. bij allerlei gelegenheden, die ons aanleiding geven, om God te huldigen, te danken of tot Hem te smeeken (mlnn nlDIS)- Vele daarvan zijn in

TT- : •

onze gebeden ingelascht, vele andere worden op zich zelf in de gewone en buitengewone omstandigheden des levens uitgesproken.

Wie er bij tegenwoordig is, als eene lofzegging wordt uitgesproken, behoort (met uitzondering van enkele gevallen) door de woorden IJDIT XIH quot;|T13

en in de hulde, aan het Opperwezen gebracht,

1 •• T

in te stemmen.

De Sabbath \r\yj].

T -

11.

VOOEBEREIDINXr TOT DEN SABBATH.

De Sabbath is de heilige dag, die voor ons een eeuwigdurend teeken (nltf) vormt van het verbond

ocr page 50

14

(nna), door den Eeuwige met ons gesloten; die ons iedere week God als den Schepper van alles voor oogen stelt quot;!DT) en ons alle

onze gewone bezigheden doet vergeten, om in rust (nmjQ) en godsdienstige verlustiging te leven en veel tijd aan 't gebed en de beoefening dei-heilige geschriften te wijden.

Het is onze dure plicht, om uiterlijk des Vrijdags ons op de komst van dien goddelijken dag voor te bereiden door reiniging van het lichaam, het aantrekken der Sabbath-kleederen, feestelijken tooi onzer woningen, het opleggen van andere tafelkleeden en het ontsteken van minstens twéé Sabbath-lichten o-Diy 12 npb-in) — zoo mogelijk — door de vrouw

t - i - t : -

des huizes.

De Sabbathrust begint reeds vroegtijdig vóór het invallen van den nacht, ongeveer ter zelfder tijd, waarop in de synagoge het middaggebed wordt uitgesproken (nrufp |ot).

Om iedere vertraging van den Sabbath te voorkomen, is het ons verbotion, op Vrijdag met bezigheden te beginnen of reizen te ondernemen, die niet bepaald vroegtijdig vóór het begin van den Sabbath zullen geëindigd zijn.

13.

De Sabbathmaaltijden.

Op Sabbath zijn wij verplicht, drie maaltijden te

ocr page 51

houden, 's avonds, 's morgens en 's middags. Bij ieder daarvan moet de lofzegging over twee

(jeheele hrooden onb) uitgesproken worden,

ter herinnering aan het hemelsche manna, dat in de woestijn op Sabbath in dubbele mate viel.

Het deeg voor de Sabbath-brooden wordt ter eere van den heiligen dag door de huisvrouw zelve bereid en daarvan dan ook door haar zelve de gewijde heffing (rm) afgezonderd.

t -

De Thora schrijft ons voor, de heiligheid van den Sabbath in woorden te verkondigen (vihlp). Dit doen wij, behalve in onze Sabbath-gebeden, ook nog door het uitspreken van lofzeggingen en toepasselijke Bijbelverzen over een beker of glas wijn onmiddellijk vóór den avond- en den ochtendmaaltijd. Bij gebreke van wijn treedt 's avonds in de plaats daarvan het brood, 's morgens eenige andere drank.

Vóór het uitspreken van Uhlp mag men zoowel 's morgens als 's avonds niets nuttigen.

13.

De Sabbathrust.

Ofschoon ons op Sabbath alle arbeid (rDN^TD)

t t ;

verboden en volmaakte rust (nni3!3) voorgeschreven is, zoo zijn wij zelf volstrekt niet in staat, om te bepalen, wat al dan niet als arbeid beschouwd wordt. Dit is door onze geleerden op grond van

ocr page 52

16

de Heilige schrift en de overlevering der vroegere geslachten nauwkeurig bepaald.

Duidelijk wordt ons in de Thora voorgeschreven, op Sahbath niet alleen zelf van allen arbeid te rusten, maar ook er voor te waken, dat onze kinderen, onze dienstboden, ja zelfs onze dieren op dien dag geen werk verrichten.

Het is ons echter ook streng verboden, op Sabbath eenig werk, dat ons zeiven op dien dag ongeoorloofd is, door eenen niet-lsraëliet te laten verrichten, onverschillig of men het hem op Sabbath zeiven of vóór Sabbath opdraagt riTDtf)- Alleen

• : t : t ♦

ten opzichte van het verwarmen onzer woonvertrekken in het koude jaargetijde is dit geoorloofd.

Daar waar een menschenleven in gevaar is, hetzij door ziekte, door brand of op welke wijze ook (nivite: n::)D), is het niet alleen geoorloofd, maar

t ; - t : '

zelfs eene verplichting, op Sabbath al datgene te doen, wat tot afwending van het gevaar onvermijdelijk is.

De Sabbathvieking.

De viering van den Sabbath bestaat niet alleen in de vermijding van ongeoorloofden arbeid. Neen, de geheele wijze, waarop wij dien heiligen dag doorbrengen, moet met zijne hooge beteekenis in overeenstemming zijn,

ocr page 53

17

Bij het gaan — een zachte, rustige tred, bij onze bezigheid — geenerlei bezorging onzer clagelijksche aangelegenheden, bij ons spreken, ja, zooveel mogelijk, ook bij ons denken — geene herinnering daaraan!

Ook mogen wij ons op Sabbath niet begeven buiten het bepaalde gebied (Dinn), waarbinnen onze woonplaats gelegen is, en wel naar alle vier zijden niet verder dan 2000 Joodsche ellen.

Alleen voor godsdienstige aangelegenheden mag men — door het nederleggen van spijzen op eenige plaats binnen die 2000 ellen (311^) vóór het begin van den Sabbath — nog 2000 ellen verder van die plaats zich begeven en ook weder naar huis terug-keeren, maar dan ook naar de tegenovergestelde richting niet verder gaan dan 2000 ellen van den Eroeb verwijderd.

Tot de heiliging van den Sabbath behoort ook bovenal de beoefening der Thora en andere heilige geschriften (min quot;IIQ^n) of althans het aanhooren

t ; -

van godsdienstige voordrachten van Thorakundigen.

Bij het einde van den Sabbath doen wij den heiligen dag uitgeleide, behalve in ons avondgebed mrmln nnx), ook nog bovendien door de geur

it ; - t -

van welriekende specerijen het ontsteken

van licht (vtfKn ♦TiKÖ) en door het loven van den God, die het heilige van het ongewijde onderscheidt ÓnSQn). Ook deze plechtigheid geschiedt bij het

AVag. II 2.

ocr page 54

18

gebruik van wijn en onder het uitspreken van toepasselijke lofzeggingen. Zij heet in haar geheel

r6quot;nn.

t t : -

Bij gebreke van wijn gebruikt men hierbij eeni-gen anderen drank.

Vóór de verrichting van mag men gee-

t t : -

nerlei op Sabbath ongeoorloofd werk beginnen.

De Feestdagen (trnm om is.

Viering der Feestdagen.

Alles wat bij den Sabbath gezegd is omtrent rust, voorbereiding, het ontsteken van bijzondere lichten, het uitspreken van en nVlDn, plechtige

1 • t t ; -

stemming en beoefening van heilige geschriften, geldt in het algemeen ook voor de feestdagen crniü om die immers evenzeer heilige dagen

* t

zijn, ons door God gegeven.

Bovendien is ons op de feestdagen de feestvreugde D1L2 DV nnDfr) voorgeschreven, die voortspruit uit de herinnering van de groote, wonderbare daden des Allerhoogsten, die wij op deze dagen gedenken. Wij toonen deze vreugde: in het bedehuis door de voordracht van feestgebeden, en feestgedichten (B'ÜVÖ); in huis door gepaste blijdschap, feestmaaltijden, geschenken aan onze huisgenooten; maar bo-

ocr page 55

19

venal doordien wij armen en behoeftigen in staat stellen, zich mede op die dagen te verheugen.

Alle droefenis, die deze feestvreugde kan storen, moet op 21L3 DV vermeden worden.

De trenrweek over afgestorvenen wordt wegens de feestvreugde verschoven of, vóór DV reeds ingetreden zijnde, opgeheven. Evenzoo de dertig treurdagen over andere

verwanten dan ouders, indien vóór het feest de ge-heele treurweek geëindigd was.

16.

Onthouding van werk op de feestdagen.

t t :

Het verbod van allen arbeid geldt op de feestdagen evenals op Sabbath.

Geoorloofd is ons nogthans op die dagen — behalve op den Grooten Verzoendag —

a. Alles, wat voor de bereiding van spijs en drank noodzakelijk is, indien het eene verrichting is, die gewoonlijk op den dag zeiven geschiedt en ook in het belang der spijsbereiding tot 31L2 QV verschoven is; bijv. koken, bakken enz., maar daarentegen niet oogsten of malen of zelfs een dier slachten (indien niet bij zeer hooge noodzakelijkheid);

h. het ontsteken van licht en vuur, indien eeni-germate voor 't feest noodzakelijk, mits men het niet door wrijving of slaan te voorschijn hrenye en het ook niet uitblussche;

Wag. II 3*

ocr page 56

20

c. het dragen van voorwerpen in elk gebied, indien eenigermate voor het feest noodzakelijk;

(l. op den tweeden dag van ieder feest {iyamp; 31L2 DV) de verzorging en begraving van een lijk.

Op de middendagen is alle arbeid geoorloofd, die tot voorbereiding voor de viering der volgende feestdagen strekt; verder zoodanige arbeid, die zonder onherstelbare schade of nadeel niet kan nagelaten worden en niet opzettelijk tot de middendagen uitgesteld is.

17.

VOORBEKEIDING VOOR DEN VOLGENDEN DAG (niSH).

TT-;

De viering van den tweeden dag van ieder feest (W DV) stamt uit de tijden, toen de vaststelling van nieuwemaans- en feestdagen nog te Jeruzalem door den hoogen raad geschiedde. Op die plaatsen namelijk, waar men toen niet vroegtijdig genoeg kon weten, of de nieuwe maan op den 29sten of SQsten dag der voorafgaande maand gezien was en op welken dag dus het feest inviel, was men genoodzaakt, telkens twéé feestdagen in de plaats van één te vieren. En daar dit nu, behalve op njETI ÏTNI,

TTquot;

alleen ver verwijderd van Jeruzalem (in de oorden der ballingschap voorkwam, zoo noemen wij

T

den tweeden dag van ieder feest: Tvi' Dl*

Deze tweede feestdag is echter ten tijde,

ocr page 57

21

dat de bepaling der maanden en feesten door den hoogen raad ophield, door onze geleerden, met toestemming van geheel Israël, voor immer als feestdag behouden.

Intusschen staat het ons evenmin vrij, op den eersten feestdag iets, zij het ook nog zoo gering voor te bereiden voor den tweeden, als wij dit op eenen feestdag voor de volgende werkdagen zouden mogen doen. Alle werkzaamheden dus, die uitsluitend ten behoeve van den tweeden feestdag geschieden, mogen eerst na het invallen van den nacht beginnen.

Wanneer de tweede feestdag op Vrijdag of Sabbath invalt, dan mag men dan alleen op den feestdag spijzen of dranken voor den Sabbath bereiden, indien men reeds vóór de intrede van het feest, eenig brood en gekookte spijs 311^) ten behoeve

van den Sabbath heeft afgezonderd. Vóór deze handeling wordt eene bepaalde rO*l3 en ernaeene

t t :

verklaring omtrent de bedoeling van de 31^ uitgesproken. De wordt bij een der Sabbath-maaltijden genuttigd.

Het Pesach-Feest (ntïpn an).

is.

Het veebod van het gedeeseitde (fÜH)

Niet alleen dat, wat zelf gedeesemd is, mag door

ocr page 58

22

ons op Pesach niet genuttigd ot zelfs in ons bezit gehouden worden, maar ook alles, waarin iets ge-deesemds, indien ook nog zoo weinig, vermengd kan zijn.

Daarom mogen wij ons ten gebruike op Pesach geene spijzen en dranken aanschaffen, waarvan wij niet de zekerheid hebben, dat zij met geenerlei in aanraking gekomen zijn.

Ook de gereedschappen en toestellen, waarin het geheele jaar spijzen en dranken bereid worden, moeten voor Pesach door andere vervangen, of — voor zoover de godsdienstige voorschriften het toelaten — van alles, wat er in getrokken is, gezuiverd worden (nbv^n).

TT : -

Peulvruchten, als: erwten, boonen, linzen, rijst, boekweit enz., worden wegens mogelijke verwisseling met werkelijk op POS niet gebruikt.

Het verbod, om geen PC1 te nuttigen, geldt reeds op den dag vóór Pesach (nD3 3quot;!^) na verloop van een derde gedeelte van den dag (ongeveer ten 9 ure), terwijl een uur (V^ van den dag) daarna, ook alle overige genot en gebruik van ongeoorloofd is.

Alle flDH, dat gedurende Pesach in het bezit van eenen Israëliet gebleven is (nDön V1?^

is na afloop van het feest voor ieder Israëliet ten gebruike ongeoorloofd.

ocr page 59

23

19.

Het wegschappen van het gedeesemde.

Al datgene, wat wij als ^on op Pesach niet in ons bezit mogen hebben, moet reeds vroegtijdig vóór het feest uit ons bezit weggeschaft worden.

Op den avond aan npö voorafgaande zijn wij verplicht, een nauwkeurig ondersoek (npn3) in te stellen naar het nog aanwezige Dit onder

zoek moet geschieden bij een enkel, niet gevlochten kaarslicht op alle plaatsen, waar gedurende het ge-heele jaar iets gedeesemds kan gekomen zijn. Vóór het begin van het onderzoek wordt de daarbij be-hoorende rOIS en na afloop er van de verklaring

t t :

KTOn bs uitgesproken. Door deze laatste doen wyj

t • t

afstand van al het gedeesemde, dat door ons onverhoopt niet opgemerkt en daardoor in ons bezit mocht gebleven zijn.

Het pn, dat wij nog ten gebruike op denzelfden avond of den volgenden morgen behoeven, wordt na afloop van het onderzoek gedekt en op een bepaalde plaats zorgvuldig tot dit doel bewaard.

Wat verder bij het onderzoek gevonden is, wordt weggelegd en den volgenden morgen ten ongeveer 10 ure, bij voorkeur door verbranding, weggeschaft en daarna op nieuw NTün bi uitgesproken. Als-

t • t

dan doen wij in deze verklaring afstand van alle nog aanwezige hetzij het door ons al dan niet

ocr page 60

24

opgemerkt is nmvzn nnTH «Sti nnim)

T * J •* • quot;I quot; • •• • -; T * ;

(nnn^a.

Het staat ons vrij, dat ^Dn, wat vóór Pesach in ons bezit is, aan oenen niet-Israëliet w eg te schenken of te verkoopen, zij het ook in de verwachting, dat wij het na np3 op dezelfde wijze weder in ons bezit krijgen. Zoodanige verkoop moet echter op loettige wijze en naar de voorschriften onzer geleerden geschieden. Enkele verkoop van den sleutel, zooals dit wel eens pleegt te geschieden, heeft niet de minste waarde.

Ook baat het niet, het op afgelegen plaatsen weg te bergen of weg te sluiten. Geenerlei mag op npa in ons bezit zijn, onverschillig waar ter wereld het zich bevindt.

SO.

Het eten van ni'0 en en de m^n.

T - T TT quot;

Voor zooverre wij op Pesach brood nuttigen willen, moet dit zijn ongezuurd brood (Hi'D), met de

T -

meeste nauwlettendheid, zóó bereid, dat het onmogelijk tot rijzing kon komen.

Op de beide eerste avonden van het feest echter zijn wij verplicht, HïO te nuttigen, alsmede bittere

T -

kruiden nilQ), het laatste ter herinnering aan het

T

bittere slavenleven, door onze voorouders in Egypte geleid. Daarbij worden toepasselijke fHDIS uitge-

T ;

sproken.

ocr page 61

25

Ook schrijft ons de min voor, op die avonden aan

T

onze kinderen en hnisgenooten te verhalen van den uittocht uit Egypte. Dit geschiedt onder het gebruik van vier glazen of bekers wijn en onder het uitspreken van toepasselijke lofpsalmen en andere stukken uit onze Joodsche geschriften.

De orde der huiselijke plechtigheden van

deze beide avonden is in haar geheel opgenomen in eene verzameling, die wij quot;Tin (verhaal) noemen.

TT quot;

De voordracht daarvan en de verrichting der verschillende daarbij behoorende plechtigheden vormen een schoon, indrukwekkend huiselijk feest, waaraan wij op alle mogelijke wijze, als door feestelijke kleeding en het gebruik der kostbaarste tafelgereedschappen, die wij bezitten, luister bijzetten.

De seder-avonden (want zoo worden zij in den regel genoemd) zijn het glanspunt van het'Joodsche familieleven.

21.

De dag vóók np2 (np3 en de maand Nissan.

Tijdens het bestaan des tempels werden op den dag vóór Pesach na twaalf ure de tallooze Pesach-offers (npÖ geslacht en was het dus een al-

gemeene feestdag voor Israël. Daarom beschouwen wij nog heden den namiddag van dien dag als eenen feesttijd, waarop ons reeds de DV nnOw vervult en alle werkelijke arbeid gestaakt wordt.

ocr page 62

26

Om de waarde van het gebruik der ni'Ü 's avonds

T -

niet te verzwakken, mogen wij op dien dag geen HÏD nuttigen.

T quot;

De eerstgeborenen van het mannelijke geslacht, zoowel van vaders- als van moederszijde, zijn verplicht, op dien dag te vasten, ter herinnering aan de wonderbare redding van Israels eerstgeborenen in den nacht van de verlossing uit Egypte Jquot;V3^n)

(Dnira

Voor jonge kinderen vast de vader of, wanneer deze zelf een eerstgeborene is, de moeder.

Gedurende de geheele maand Nissan, waarin de verlossing uit Egypte plaats had, wordt geen p:nn gezegd; evenzoo op Sabbath geen Ook

wordt in deze maand geene lijkrede uitgesproken en de meeste vrijwillige vastendagen niet gehouden.

22.

De Omer-tijd now en het Wekenfeest (nijntrn jn)

Op den vooravond van den tweeden Pesach-dag werd voorheen, tijdens het bestaan des tempels, op plechtige wijze een Omer van de nieuwe garst

van het veld afgesneden en den Eeuwige als een dankoffer gebracht. Hierop moest men 7 weken of 49 dagen tellen HTfiD) tot het Weken

feest, waarop weder een offer van het nieuwe koren,

ocr page 63

27

nainelijk tivee hrooden (Dn^H TW) van de nieuwe tarwe, den Eeuwige gewijd werden. Ofschoon nu het brengen dezer offers in onze dagen niet meer mogelijk is, zoo is de plicht van het omer-tellen als eerbiedwaardige herinnering aan ons roemrijk verleden nog steeds van kracht.

Dit tellen vormt tevens een verband tusschen het feest der verlossing (JTiïOn JP!) en het feest der wetgeving (ntyntitl JH), dat dan ook als een slotfeest (rnVj?) van het eerste beschouwd wordt.

Het omer-tellen moet zorgvuldig en zonder verzuim geschieden bij het invallen van den nacht, na het uitspreken der daarbij behoorende Wie

t t :

's avonds niet geteld heeft, doet het den volgenden dag zonder Wie eenen geheelen dag ver-

t t :

zuimd heeft, telt alle volgende avonden zonder HDIS-

t t :

In den omer-tijd stierven eens vele leerlingen uit de beroemde school van Rabbi Akiba. In denzelfden tijd werden later, in het jaar 1096, tijdens den eersten kruistocht, talloozen onzer voorouderen wegens hun geloof gedood. Daarom geldt deze tijd als een treurtijd en mag men dus van 1 Ijar tot den dag vóór het wekenfeest, 5 Siwan, het haar van hoofd en baard niet laten afnemen, behalve op 18 Ijar, den 33sten dag van den omer X'b), om

dat toen de genoemde ziekte niet woedde. Ook is in dien zelfden tijd het sluiten van huwelijken verboden, behalve alweder op quot;1DV3 5quot;1? en gedurende

*. i t

ocr page 64

28

de drie laatste dagen vóór het Wekenfeest, welke „de drie dagen der omheiningquot;

T T : - ; vi;

genoemd worden, omdat Israël zich in die dagen moest voorbereiden voor de Wetgeving, die op 6 Sivan plaats vond.

De plechtige Hoogtijden (dw^d^).

33.

De Bekeeringstijd in het algemeen.

De hooge en heilige beteekenis der 'plechtige Hoogtijden (DWTH doet ons den geheelen tijd

* T ♦ T

van het jaar, waarin zij gevierd worden, in ernstige en boetvaardige stemming doorbrengen.

Reeds gedurende de geheele maand Eloel, die aan de Hoogtijden voorafgaat, wekt ons het bazuingeschal naiir njrpn), dat dagelijks in de Synagoge plaats heeft, op, om ons in ootmoed op den dag van de herinnering {p-DTn Dl') en het gericht (j^n Dl*) voor te bereiden.

Van den Zondag vóór njti'n UW1 of den Zondag

TT -

daaraan voorafgaande (wanneer dit feest op Maandag of Dinsdag invalt) beginnen de nln^DH ♦D', de dagen, waarop wij zeer vroeg 's morgens vóór het begin van den gewonen dienst bijzondere smeek- en boetgebeden uitspreken, en houden aan tot DniMH Dl'. Velen zijn gewoon, op tien van die dagen minstens een halven dag te vasten. Algemeen is ditgebrui-

ocr page 65

29

kelijk op den eersten der Selichoth-dagen en op

ttquot; viv

De tien dagen van ruti'n tot en met DV

ttquot;

DniÖSn heeten de tien hekeeringsdagen ^

Zij vormen eenen tijd van godsdienstigen ernst, waarin wij dagelijks in de bijzondere stukken, welke wij in rnji^ inlasschen, alsmede in

het gebed Almachtige om leven

en welzijn, om vergiffenis en kwijtschelding smeeken, en verder met meer dan gewonen ijver ons leven trachten te heiligen door het uitoefenen van deugd en weldadigheid en strenge vermijding van alles, wat tot verkeerdheid en onrecht kan leiden.

34.

Het Nieuwejaarfeest (niüTI ii'iÓ).

tt-

De plechtige stemming, waarin wij den Nieuwe-jaarsdag te gemoet gaan, vereenigt zich op dien dag zeiven met een gevoel van reine vreugde (nnQfr).

t : •

De dag van herinnering en gericht is een feestdag (3112 DV)! Immers, de Algoede is onze rechter. Die genade en ontferming oefent en Wiens alwijze beschikkingen ons steeds tot heil en welzijn strekken. Bovendien is het weder de eerste dag van een nieuw jaar (nX'H w'Nquot;!), waarop wij Gode danken voor

ttquot;

het leven,ons geschonken en het komende jaar met vernieuwde hoop en vertrouwen op Gods hulp intreden.

ocr page 66

80

aron hdiü „Tot een gelukkig jaar moogt

•• T * T T T ;

gij opgeteekenci worden!quot; — wenschen wij elkander reeds op den vooravond van het feest, terwijl wij bij den maaltijd van dien avond door het nuttigen van eenen in honig gedoopten zoeten appel het nieuwe jaar als een — indien het G-ode behaagt — zoet en gelukkig jaar begroeten, wat wij daarop in een kort, toepasselijk gebed van Hem afsmeeken.

In het algemeen vieren wij riJt^n UWquot;) als DV,

TTquot;

zoodat — op enkele uitzonderingen na — alle voorschriften omtrent de feestdagen ook op dit feest van toepassing zijn.

Het blazen op de bazuin (-ifiitf njrpri).

Plechtig en verheven zijn de gebeden, die wij op n:vn vxi tot onzen God opzenden, stichtelijk de

TT quot;

zangwijzen, waarop wij deze voordragen, indrukwekkend het bedehuis met de biddende menigte, die het vervult, wanneer op dien heiligen dag alles (ook velen der bezoekers) naar oud, eerbiedwaardig gebruik in witte kleederen gehuld is. Maar meer dan dit alles treft ons de stem van den horen of bazuin (nöivr), waarop dien dag — wanneer hij niet op Sabbath invalt — minstens dertig geluiden (rv6ip moeten voortgebracht en door ons

in plechtige aandacht aangehoord worden,

ocr page 67

31

Wanneer de quot;i2Vw weerklinkt, dan herinneren wij ons

T

Abrahams bereidwilligheid, om zijnen zoon voor God te offeren crnp)V, in wiens plaats door hem een ram gebracht werd. Als zijne kinderen bidden wij om de goddelijke genade.

De quot;121'^ doet ons denken aan het bazuingeschal

T

op den berg Sinai, toen God Zijne wet openbaarde

^rnin \m).

Eindelijk spreekt ons de 131^-klank van den

T

dag, waarop éénmaal op den grooten bazuin geblazen en alle volken naar Jeruzalem zullen vereenigd worden, om daar God te dienen pap;.

Maar bovenal roept ons de 131'^ toe: ontwaakt

T

en denkt, dat de Alziende God u richt; bekeert u en bidt om vergiffenis!

Zoowel hij, die op den 121^ blaast, als die er

T

naar luisteren, moeten wederkeerig van de gedachte vervuld zijn, dat daarmede aan het goddelijk voorschrift zal voldaan worden.

36.

De Verzoendag fomMn DlV-

„De dag der Verzoeningquot; Ql*) draagt

dezen naam, omdat ons, volgens' het woord der min, deze dag verzoening en kwijtschelding van

T

alle zonden brengen moet.

Daar die kwijtschelding echter alleen dan kan in-

ocr page 68

32

treden, wanneer wij zooveel mogelijk berouw too-nen over het verkeerde, door ons verricht, zoo wordt deze geheele dag, met inbegrip van den vóóravond, doorgebracht met indrukwekkende gebeden, waarbij de zondebelijdenis mv en de boetgebeden eene voorname plaats innemen.

Voor vergrijpen en oneenigheden echter tusschen menschen onderling brengt de Verzoendag geene kwijtschelding, wanneer wij niet zeiven vóór het aanbreken van dien grooten dag ons met elkander verzoend en het verkeerde zooveel mogelijk ongedaan gemaakt hebben.

De Verzoendag is een volmaakte rustdag fDiiV waarop ons, evenals op Sabbath, alle werkverrichting verboden is. Wij eeren hem door feestelijke inrichting onzer woning en het ontsteken van bijzondere lichten. Ook is het algemeen gebruikelijk, op dien dag in huis en synagoge lichten te ontsteken, die van vóór het begin tot. na het einde van den Verzoendag doorbranden.

Het vasten begint op dien dag reeds eenigen tijd vóór het invallen van den nacht. Ook de overige onthoudingen (liiet wasschen, niet zalven en geen lederen schoeisel aantrekken; gelden reeds op den vooravond.

ocr page 69

27.

Het Loofhuttenfeest (TllÏÏDri jry.

Het Loofhuttenfeest is meer dan eenig ander een vreugdefeest ftrv en heet daarom ook in de gebeden

unnofr |OT.

Met vreugde denken wij op dit feest aan de goddelijke bescherming, die ons nooit verlaat, zooals dit in de woestijn eenmaal zoo duidelijk gebleken is. De Loofhut (TDD), waarin wij dan vertoeven, is het

T *-.

beeld van die bescherming. In godsvruchtige blijdschap richten wij deze reeds vroegtijdig op, blijven daarin gedurende de niDp-dageu zooveel mogelijk getrouw vertoeven en verlaten haar alleen, wanneer de regen ons daartoe noodzaakt. G-een maaltijd van eenige beteekenis wordt buiten de loofhut gehouden. Op den eersten avond is men zelfs verplicht, in ieder geval, ook al regent het, iets in de loofhut te nuttigen. Bij iederen maaltijd van eenige beteekenis, die in de loofhut gehouden wordt, spreekt men de lofzegging n3D3 yamp;b uit.

Met niet minder blijde opgewektheid voldoen wij aan de andere bijzondere verplichting van dit feest, de aanschaffing van den plantenbundel (DVt1?), be-

T

staande in een imlmtak (dViV), drie mirtentakken

T

(Q^Dfl), twee beekicilgentakken en den

daarbij behoorenden ethrog Chritf), waarvan de drie eerste, tot éénen bundel vereenigd, bij de opheffing

Wag. II, 3

ocr page 70

84

van het in de rechterhand en de laatste af-

T

zonderlijk in de linkerhand gehouden wordt. Deze planten moeten, minstens voor den eersten dag, ons eigendom zijn en worden tot verheffing van Gods naam zoo schoon en sierlijk mogelijk aangeschaft. In de n3D en het ligt de eer en de betee-

T T

kenis van dit feest. Zonder uitoefening van deze, ons in de Thora uitdrukkelijk gegeven voorschriften verliest het feest zijn schoonste sieraad.

Het Slotfeest (mïgt;gt;n vormt een nieuw

feest op zich zeiven. Wel vertoeft men ook dan nog in de loofhut, maar spreekt de daarop betrekking hebbende lofzegging niet meer uit.

Op den tweeden dag van dit feest (min nTO'w) is een plechtig vreugdefeest ter eere der Heilige Wet, waarvan Avij de lezing op dezen dag eindigen en weder op nieuw beginnen. De personen, wien de eer te beurt valt, om bij het slot en het weder beginnen der Thora-lezing voor de Thora te verschijnen, noemen wij rnln jiin en jnn.

Ofschoon geen feestdag, zoo werd toch tijdens het bestaan des tempels de nieuwemaansdag w'Xl) (w'in in vele opzichten feestelijk gevierd. Ook bracht men op dien dag, evenals op de feestdagen, een bijzonder offer Van daar dat ook

thans nog de unn ^\S1 gevierd wordt, bij hot gebed

ocr page 71

door en een ïlpID-gebed, te huis

door eenige onderscheiding bij den maaltijd, nS^quot;1 X1D,,1 in rl?On en onthouding van minder

t : IT- - : •

noodzakelijken arbeid door vele godsvruchtige vrouwen.

De feestelijke gedenkdagen.

2H.

Het Inwijdingsfeest (roiin).

t

In overeenstemming met de blijde herinnering aan de roemrijke overwinningen, die onze voorouders tijdens het bestaan des tweeden tempels door de wonderbare hulp des Allerhoogsten behaalden en welke wij op het Inioijdiitgsfeest vieren, mag gedurende de acht dagen van dit feest geen klaagrede of vrijwillige vastendag gehouden worden en spreken wij in ons ochtendgebed lederen dag het uit.

De eigenlijke viering van het feest bestaat echter hoofdzakelijk in het ontsteken der Chanoeka-lichten door ieder mannelijk persoon van het gezin, of — daar, waar de man afwezig of verhinderd is — ook wel door de vrouw des huizes. Dit moet zoo spoedig mogelijk na het invallen van den nacht geschieden en wel zoo, dat het licht minstens een half uur kunne doorbranden.

Ofschoon op rDljn geenerlei arbeid verboden is,

t 7

zoo is het toch gebruikelijk, dat de vrouwen tijdens

Wag. 11, 3*

ocr page 72

36

het branden der lichten haren arbeid staken.

De rOUn-lichten zijn gewijd aan hunne bestem-

t

ming. Men mag hen dus niet gebruiken, om er bij te zien. Daarom moet in het vertrek, waar men de lichten ontsteekt, nog een ander licht branden.

In mlP# njbv? en jlTDH rü-Q wordt de aanleiding tot het feest in D*p3n h# herdacht.

29.

Het Lotenfeest (D^Tlö)-

De val van Israels aartsvijand Haman en de verheffing van Esther en Mordechai vormen eene wonderbaar snelle en volmaakte overwinning van het waarachtige Jodendom met zijne aanbidding van den eeniger God op de wraakzucht zijner haters, zooals de geschiedenis zelden heeft opgeleverd.

Het dierbare geschrift, waarin de ooggetuigen van dat goddelijke wonder hunne ondervindingen hebben opgeteekend OnpX moet dan ook op Poerim door iederen Israëliet en Israëlietische vrouw zoowel 's avonds als 's morgens met volmaakte aandacht en oplettendheid gelezen of de lezing daarvan gehoord worden uit den mond van iemand, die zelf tot die lezing verplicht en geschikt is.

Ook wie de Tlbyft door een ander hoort voorlezen,

t * ;

leest — wanneer hyj eene aan de voorschriften vol-

ocr page 73

87

doende nSjO (nivTS voor zich heeft — voor

t • ; t ; t • :

zich zeiven stil elk woord mede.

Om aan de lezing van de n'j'JD met hare tot in-

t * ;

nige vreugde en dankbaarheid stemmende herinnering openlijken luister (D3n D1Dquot;1Ö) bij te zetten, geschiedt deze, zooveel mogelijk, in eene groote verzameling van geloofsgenooten.

In nn;^ nioii' en pTan nais wordt ook van dit feest de aanleiding in D*D3n btf herdacht.

wordt echter op D'IIÖ niet gelezen.

De feestmaaltijd (HDvi'O), op dien dag te houden, moet minstens eenigen tijd vóór het invallen van den nacht beginnen, en wordt alsdan in ieder geval Ü'pSn in jlTDH ingelascht.

Het zenden van feestgeschenken (jnliQ nibw'O)

t - i ; •

bestaat in het zenden van minstens twéé onmidde-lijk genietbare spijzen of dranken aan één onzer kennissen; het begiftigen van armen nUnO)

; v t t -

in het schenken van minstens twéé gaven aan twéé behoeftigen. De laatstgenoemde plicht overtreft de eerste in waarde en beteekenis. Immers, geen schoonere en prijzenswaardiger wijze is er, om zijne vreugde te uiten, dan de verblijding van armen, weduwen, weezen en zwervelingen.

De genoemde plichten gelden alleen op 14 Adar. Ook op 15 Adar (jvihir onia) echter, wordt geen klaagrede of vrijwillige vastendag gehouden en p:nn niet uitgesproken.

ocr page 74

:JS SO.

De Algemeene Vastendagen (toï n^n).

Op de algemeene vastendagen, behalve op 9 Ab, is ons hoofdzakelijk alleen het genot van spijzen en dranken verboden. De verdere viering dier dagen bestaat in de vermijding van bijzondere vreugde en genoegen, het uitspreken van boetgebeden (nlirbp) bij den ochtenddienst, het inlasschcn van het gebed •m# in rnty# rnop en het voorlezen van eene toepasselijke afdeeling uit de Thora en — bij den middagdienst — eene bijzondere haftara (^ITI

Bijzondere onthoudingswetten echter gelden omtrent 3X3 en den tijd van het jaar, waarop deze vastendag invalt. Geen wonder waarlijk, wanneer men begrijpt, dat die dag, waarop Israël zoo menigmaal bitter leed getroffen heeft, bovendien de dag is van Israels val en verbanning, van de verwoesting zijner heiligdommen en den ondergang van alles, wat eens zijn roem en luister vormde. Reeds op 17 Tammoez was de stad Jeruzalem ingenomen en de dagelijksche offerdienst in den tempel gestaakt. Wie beschrijft het leed, dat Israël nog trof in de drie weken van dien dag tot 9 Ab, waarin het zijne laatste krachten uitputte in de verdediging van den tempel, het eenig overgebleven, maar heiligste bolwerk zijns bestaans! — In deze drfe weken worden dus nog heden geene bruiloften

ocr page 75

.89

of andere bijzondere feesten gevierd, van niets gebruik gemaakt (behalve op ri3v^), waarbij de lof-

T -

zegging wm-vir moet uitgesproken worden en het haar van hoofd en baard niet afgeknipt.

Strenger nog wordt de onthouding, zoodra de ongelukkige maand Ab ingetreden is, dus in de necjm dagen van 1 tot 9 Ab. Dan mogen (behalve op Sabbath) vleeschspijzen noch wijn genoten, geene na het wasschen nog niet gedragen kleederen aangetrokken, evenzoo geen kleederen gewasschen of ter wassching gegeven, ook geen bad genomen worden, tenzij bij hooge noodzakelijkheid.

Op 9 Ab zeiven gelden in de eerste plaats dezelfde onthoudingen als op den Grooten Verzoendag en begint het vasten, evenals op dien dag, reeds eenigen tijd vóór het invallen van den nacht. Bovendien is het ons verboden van den vorigen dag ten 12 ure tot het einde van den vastendag in Joodsche geschriften, behalve van toepasselijken treurigen inhoud, te lezen en voorgeschreven, om van het invallen van den nacht tot 's middags 12 ure niet anders te zitten dan laag op den bodem, als treurenden. De gewone dagelijksche arbeid behoort althans tot 12 ure 's middags gestaakt te worden. Reeds bij den laatsten maaltijd (nppÖD nil^p) vóór de intrede van den vastendag zit men, ieder voor zich zeiven, laag op den bodem en eet niet meer dan één gekookte spijs.

ocr page 76

40

Bij den avond- en morgendienst worden treurzangen (nlrp), bij den avonddienst ook het Klaaglied (rquot;0*K) voorgedragen. Tallith en tefillin worden

t ••

eerst bij den namiddagdienst gebezigd.

31.

De overige bijzondere dagen van het jaar.

Behalve de reeds genoemde gewichtige dagen (Sabbath, feestdagen, nieuwemaansdagen, hoogtijden en gedenkdagen) zijn er nog enkele andere dagen, die hetzij door verblijdende of door meer ernstige herinneringen eenigermate van de overige dagen van het jaar onderscheiden zijn:

1. Van blijden aard;

«. JP! quot;HOK {„Bindt het feestquot;), de dag na elk der drie vreugdefeesten, die nog eenigzins onder den indruk van het voorafgaande feest wordt doorgebracht ;

h. quot;10^3 i'b {-De 33ste Omer-dag of 18 Ijar), zie hierboven no. 22;

c. 3^3 nü'Qn (15 Ah), een dag, die tijdens

t : t t* t *

het bestaan des tempels om verschillende geschiedkundige aanleidingen als volksfeest gevierd werd;

d. Tiry new {1ö Schewat], ook nijb'Kb n:trn {Nieuwjaarsdag voor de hoornen) ge-

t • t t t -

naamd; dit beteekent: het begin van het jaar, voor zooverre het de tienden van boomvruchten betreft.

ocr page 77

41

Alsdan beginnen zich namelijk bij boomen en planten de eerste teekeneu van nieuwen bloei na den stilstand 's winters te vertoonen.

e. Jüp 14 en 15 Adar I in een schrikkel

jaar.

Op deze dagen worden geene lijkredenen uitgesproken, geene vrijwillige vastendagen gehouden en 's morgens of ook 's middags (naarmate het in iedere gemeente gebruikelijk is) geen pjnn gezegd. 2. Van meer ernstigen aard:

a- |L2p 1133 Q,)^ Zoo noemt men den dag aan de meeste der nieuwemaansdagen (Unn vTNI)

v i

voorafgaande, omdat dan — voor zoover het op ieder dier dagen geoorloofd is — een vrijwillige boete- of vastendag gehouden wordt wegens de tekortkomingen, waaraan men zich in de voorafgaande maand heeft schuldig gemaakt; b. ^Dm In het begin van Ijar (na

nDÖ) en op het einde van Cheswan (na HlSD) wor-

- IV

den achtereenvolgens op eenen Maandag, Donderdag en weder Maandag vastendagen gehouden wegens iedere wetsovertreding of losbandigheid, waartoe de verloopen feesten konden aanleiding gegeven hebben. Dit geschiedt naar het voorbeeld van Ijob I, 4 — 5.

ocr page 78

De Maaltijd en het Yoedsel.

32.

Het wasschen deb handen (d*t

• itt - • :

Bij het nuttigen van spijzen en dranken behooren wij verschillende ^voorschriften in acht te nemen, waardoor wij ons als dienaren van onzen God onderscheiden, ons lichaam heilig (w'llp) en van alle

It

onreinheid verwijderd houden. Deze voor-

t :

schriften worden verdeeld in:

«. Het wassclmi van de handen vóór den maaltijd;

h. het uitspreken van lofzeggingen (filDIS) vóór

t :

en na den maaltijd ;

c. het in acht nemen der spijswetten.

Zooals wij vroeger zagen (I, 16), moet men zich, behalve 's morgens na het ontwaken en bij verschillende andere gelegenheden, ook vóór eiken maaltijd, waarbij brood genuttigd wordt, de handen tcasschen en de lofzegging Dn1* bv uitspreken.

• itt - • :

Dit wasschen van de handen moet geschieden met water, dat zuiver, onveranderd van kleur en voor geenerlei arbeid gebezigd is en met een vaat-werk dat geheel en ongeschonden is en een inhoud heeft van minstens Vjn middelmatig ei, terwijl het water door toedoen van menschelyjke kracht uit het vaatwerk over de handen moet gegoten worden. Nadat de handen in ruime mate (ten allerminste

ocr page 79

48

met de zooeven genoemde hoeveelheid) water overgoten zijn, maakt men ze geheel droog, na vooraf de lofzegging rhm bü uitgesproken te hebben, en

* •tt ~ ~

mag dan niets spreken tot na Over de verschillende lofzeggingen (nlD13), die

t :

bij den maaltijd zeiven voorkomen, is vroeger (zie no. 10) reeds gesproken en zal verder nog meer gezegd worden.

DE SPIJSWETTEN.

33.

Van de zoogdieren zijn ons alleen geoorloofd, die herkauwend zijn en gespleten hoeven hebben; van de vogels alle behalve 24 soorten, in de Thora genoemd, of liever (daar wij die niet goed kennen) alleen zoodanige, waaromtrent in onze plaats de zekere en ver trow chare overlevering bestaat, dat zij geoorloofd zijn; van de visschen die, welke in het water vinnen en schubben hebben.

Daar kruipende dieren, insecten en wormen in de meeste gevallen voor ons ongeoorloofd zijn, zoo hebben wij streng te letten op: het nazien van vruchten, waarin tijdens den groei wormen ontstaan, als: pruimen, dadels, erwten, linzen enz., alvorens wij deze gebruiken; het nazien en zuiveren van groenten en kruiden en het nauwkeurig lezen van spijzen, waarin zich vaak zeer kleine diertjes kun-

ocr page 80

44

nen bevinden, als gedroogde vruchten, rijst, gierst, gort enz.

Zoogdieren en vogels mogen alleen dan genuttigd worden, wanneer zij op eene bepaalde, aan velerlei voorschriften onderworpen wijze geslacht zijn (nL3TV^)- Zijn zij op eenige andere wijze gestorven of gedood of is het slachten niet in ieder opzicht naar behooren geschied, dan zijn zij als voor

t ;

ons ongeoorloofd.

Maar ook al worden zij behoorlijk geslacht, dan nog zijn zij alleen dan geoorloofd, wanneer zij niet lijdende waren aan een van velerlei gevaarlijke gebreken, die ons bij overlevering nauwkeurig bekend zijn (nSIG). Daar ook bij vogels vele zooda-

t •• ;

nige gevallen kunnen voorkomen, zoo moet bij het openen van gevogelte streng op alle vreemde verschijnselen aan de verschillende leden en ingewanden gelet en daaromtrent bij bevoegde geleerden eene beslissing ingewonnen worden.

Wanneer vleesch eenigen tijd buiten het vertrouwbare toezicht van eenen Israëliet gebleven is, dan mogen wij het niet meer als geoorloofd beschouwen, als wij niet door zekere teekenen of

kenmerken weten, dat het niet verwisseld is ^3) . T T

(|^n jö .

34.

Van geoorloofde en behoorlijk geslachte dieren

ocr page 81

45

mogen wij niet alle deelen nuttigen. Verboden is ons:

a. het bloed van zoogdieren en vogels (Dquot;i),

T

b. zekere bepaalde vetdeelen van vee

c. de verwrongen spier (nti^n 1^) van zoogdieren.

Uit deze verboden spruit de behandeling voort,

die het vleesch van geoorloofde dieren moet ondergaan, alvorens ten gebruike bereid te worden.

Zoo worden in de eerste plaats vele vetdeelen, vliezen en aderen uit het vleesch verwijderd, hetgeen men gewoonlijk poorsen noemt.

De verwijdering van de verwrongen spier met al hare vertakkingen is zoo moeielijk, dat daarom bij ons het geheele achtergedeelte van zoogdieren niet genuttigd wordt.

Om het bloed van zoogdieren en gevogelte behoorlijk te doen uittrekken, wordt hun vleesch vóór de bereiding in water gezet, gezouten en afgespoeld. — Bij gevogelte worden eerst zekere deelen verwijderd en andere maatregelen getroffen, om het zouten aan zijn doel te doen beantwoorden. [Zie over dit alles het „Aanhangselquot; van den 3den cursus.]

Eieren, waarin zich bloeddroppels bevinden, zijn ten gebruike ongeoorloofd.

33.

Het vleesch (en de andere geoorloofde deelen) van viervoetige dieren en vogels mag niet te zamen

i

ocr page 82

46

met melk gekookt, genuttigd of tot eenig ander doel gebruikt worden Tv^3).

T T : TT

Dit geldt ook omtrent spijzen, die vleesch- met die, welke melkdeelen bevatten.

Vaatwerken, keuken- en tafelgereedschappen, doeken enz., waarin vleeschdeelen getrokken zijn, mogen niet voor melkspijzen gebruikt worden, en evenzoo omgekeerd. Daarom is dit alles in een Joodsch huishouden voor vleesch- en melkspijzen streng van elkander gescheiden.

Ook mogen verschillende personen niet aan dezelfde tafel de een vleesch- en de andere melkspijzen nuttigen, tenzij op zeer merkbare wijze van elkander gescheiden.

Na het gebruik van melkspijzen mag men — na reiniging van de handen en den mond — onmiddellijk vleeschspijzen nuttigen. Na het nuttigen van vleeschspijzen moet men eenen behoorlijken tijd (naar het meest erkende gebruik zes uren) wachten, alvorens men melkspijzen nuttigt.

Alle tot hiertoe opgenoemde ongeoorloofde spijzen mogen ook niet genuttigd worden, wanneer zij onder geoorloofde vermengd zijn. Eene kleine hoeveelheid van eene ongeoorloofde spijs kan dikwijls eene veel grootere ten gebruike ongeschikt maken. Hieruit volgt:

a. dat bij iedere plaats gehad hebbende vermenging van ongeoorloofde spijsdeelen onder geoorloofde

ocr page 83

47

of van vleesch- en melkdeelen het oordeel van bevoegden moet ingewonnen worden;

h. dat wij spijzen noch dranken mogen nuttigen, waarvan wij niet zeker weten, dat daaronder geene ongeoorloofde bestanddeelen vermengd zijn. Uit dien hoofde is ons verboden:

1. Melk door met-Israëlieten zonder vertrouwbaar toezicht gemolken;

2. Boter of kaas zonder vertrouwbaar toezicht vervaardigd;

3. Melkbrood, dat niet door of onder toezicht van een vertrouwbaar Israëliet gebakken is;

4. In het algemeen alle kooksels, baksels, mengsels enz., waarbij de mogelijkheid van vermenging met ongeoorloofde bestanddeelen voor de hand ligt.

36.

Geoorloofde spijzen, die echter door niet-Israëlieten, zonder bijstand van eenen Israëliet, gekookt of gebakken zijn (*quot;133 mogen wij niet nuttigen.

• : t

Ook het waterbrood van niet-Israëlietische bakkers nrn hv na) is voor ons ongeoorloofd, tenzij op plaatsen, waar het bepaald gebruikelijk is, het wel te nuttigen.

Wijn van niet-Israëlieten, of slechts door niet-Israëlieten aangeraakt (tenzij in eene verzegelde llesch), is voor ons volstrekt ongeoorloofd (p Dflp).

ocr page 84

48

Tot de verboden, die op de voortbrengselen van het plantenrijk betrekking hebben, behooren:

a. Vermenging van verschillende zaadsoorten met het zaad van eenen wijnstok; enting van ongelijksoortige hoornen en struiken of van groenten en boomgewassen.

b. nbiy. De vruchten van vruchtboomen gedu-

t : r

rende de drie eerste jaren na hunne planting.

De vruchten van het vierde jaar moeten voor eenig bedrag gelost en het losgeld eerst onbruikbaar gemaakt en dan in het water geworpen worden.

37.

Het ongeoorloofde van spijzen of dranken gaat ook over op de vaatwerken of gereedschappen, waarmede zij in aanraking waren en die dus op eenige wijze bestanddeclen er van hebben opgenomen.

quot;Wanneer dus vaatwerken of gereedschappen met ongeoorloofde spijzen zijn in aanraking gekomen, of die, welke voor vleeschspyzen bestemd zijn, met melkspijzen of omgekeerd, of ook wanneer wij reeds gebruikte vaatwerken of gereedschappen voor keuken- of tafelgebruik van niet-Israëlieten of van in dit opzicht minder vertrouwbare Israëlieten gekocht hebben, dan moeten deze eerst eene zuivering (nV^jn ofTviOn) ondergaan, die ten doel heeft, de opgenomen ongeoorloofde bestanddeelen er uit te verwijderen.

ocr page 85

49

Deze zuivering bestaat, al naar gelang van omstandigheden, wijze van gebruik en bestemming, in uitkooken, overgieten, gloeien, afspoelen enz. In ieder bijzonder geval moet het oordeel van bevoegde geleerden ingewonnen worden.

Bovendien moeten alle metalen of glazen kook-en tafelvaatwerk en gereedschappen, die van niet-Israëlieten afkomstig en door ons gekocht worden, vóór het gebruik eerst uitwendig geheel gereinigd en dan over hunnen geheelen omvang in een stroom of wel in een naar de godsdienstige voorschriften ingericht had ondergedompeld worden ( n^ro. Daarbij wordt de bekende lofzegging uitgesproken.

Aarden vaatwerken met glazuur van binnen en houten vaatwerken, waaraan zich bestanddeelen van metaal bevinden, worden ondergedompeld, zonder dat eene lofzegging er bij uitgesproken wordt.

.m

Vermenging van wol en linnen (T3L2^w*).

Reeds vroeger (I, 16 en 20) hebben wij met eenige voorschriften omtrent ons lichaam en onze kleeding kennis gemaakt. Nog andere zullen in den volgenden cursus voorkomen. Hier willen wij nog één enkel zoodanig verbod van groot gewicht vermelden.

Het is ons namelijk verboden, kleêren, dekkleeden,

Wag. II, 4

ocr page 86

50

kussens enz. te gebruiken, -vvaarin wol van schapen en linnen met elkander op eenige wijze verbonden zijn, zij het door naaien, breien, spinnen, weven, duurzaam knoopen, of welke wijze ook, onverschillig hoeveel of weinig van de eene stof met de andere verbonden wordt.

Van daar, dat bij de aanschaffing van kleêren, idekkleeden, kussens enz. zeer nauwkeurig er op gelet moet worden, dat daarin geen TJLtytt' aanwezig is.

ERRATUM.

In het voorwoord (le cursus) regel 11 v. o. staat het, men leze hiervoor U e n.

ocr page 87
ocr page 88
ocr page 89

rrannrvEttn

IDE JIBUGi-ID,

door

L. WAGENAAR,

Opperrabbijn.

3« C U R S U S.

ocr page 90

VAN CREVELD amp; Go's Snelpersdrukkerij, J. ]). Meijerplein 8 en 10, Amsterdam.

ocr page 91

O O R W O O R D.

De (1 c r d c Cursus van dit werk mag niet versehijnen zonder inleidend woord van den schrijver. Ligt de inhoud van dezen Cursus nog binnen de grenzen van het gewone lager godsdienst-onderwijs ? — Menig ouder, ja, ook een enkel leeraar zal dit in ernst betwijfelen. «Moeten de kinderen dit alles noodzakelijk kennen?quot; Zeer zeker!... «Maar dan weten zij meer, veel meer dan wij!quot; ... Zoo is het ook ! Dat, wat ieder Israëliet noodzakelijk leeren moet, om met bewustzijn en overtuiging als zoodanig te leven, is aan velen, helaas! hoogst gebrekkig bekend, liet thans verschijnende werk is, naast andere in ons land bestaande schoolwerken, eene bescheiden poging, om door eene bevattelijke handleiding hierin eenige verandering te brengen. Het behelst niéts meer dan dat, wat de jeugd onbetwistbaar leeren moet, om voor een streng en oprecht gevoeld Joodsch leven voorbereid te worden. Geene geleerdheid, geen wetenschappelijk onderzoek, neen, eenvoudige uiteenzetting en verklaring van godsdienstwetten en godsdienstgebruiken. Niet de vraag, wat wij van dit alles weten, maar wel, wat de Israëliet als zoodanig er van kennen moet, vorme dus hier de maatstaf der beoordeeling. Dan, het kan niet anders, zal ook deze Cursus beschouwd worden als dat, wat hij is: eene handleiding voor alle meergevorderde leerlingen.

Zal daardoor misschien menige Israëlietisch knaap of meisje het Jodendom beter leeren kennen en waardeeren en in vele jeugdige harten weder de oude, onwrikbare Joodsche overtuiging en bezieling geplant worden?... God geve het! Want waarlijk — het is wensche-lijk, het is hoog noodig!

DE SCHRIJVER.

ocr page 92
ocr page 93

1.

I

HEILIGING VAN GODS NAAM (Dtfn ahlp).

Den naara van den eenigen God in ons geheel leven, in ons doen en laten te heiligen en onder de menschen tot eer en verheffing te brengen (Du'n whip) — dit is de groote, gewichtige taak, die op ons als Israëlieten rust. Geen offer mag ons te groot zijn, om dit Gode welgevallige doel te bevorderen. En evenals onze onvergetelijke voorvaderen gt; in alle geslachten, zoo moeten ook wij, indien het

van ons gevorderd wordt, bereid zijn, om ook het dierbaarste, ja ons leven en bestaan voor de eer van Gods heiligen naam (DuTI Uhquot;lp prijs te geven. Er kunnen zich tijden en omstandigheden voordoen, waarin zelfs de overtreding van een schijnbaar minder gewichtig gebod eene schending en ontwijding van dien naam (D'u'n zoude

ten gevolge hebben en op ons, als Israëlieten, dan de dure plicht rust, om zoodanige vernedering ten koste van alles te verhinderen. Aan drie misdaden bovenal mogen wij ons, ook dan, wanneer ons leven bedreigd wordt, nooit en onder geenerlei omstandigheden schuldig maken: heidendom ml3^)

ocr page 94

O

(mi, bloedschande (nVlV en moord niD^Öw4)

TT T : • ;

(QW.

T

Maar zeker mogen wij zelf' geene aanleiding geven tot QüTl ViVn: dit doen zij, die anderen, ge-loofsgenooten of andersdenkenden, door logen of bedrog, door rente of overwinst te kort doen; verder diegenen, die de overige wetten van raenschenliefde (zie I, 9 — 15) overtreden, of door hun algemeen gedrag het Jodendom in een belachelijk of hatelijk daglicht plaatsen. Vooral op hen, die door kennis en godsdienstig handelen in de oogen van het algemeen eene hoogere plaats innemen, rust de dure plicht, om door streng rechtvaardig, kuisch en menschlievend gedrag den menschen om zich henen eerbied voor het geloof in te boezemen. Iedere schijn van ongerechtigheid, laagheid of hartstochtelijkheid hunnerzijds doet afbreuk aan de achting voor onze heilige Leer.

Tot den plicht omtrent de heiliging van Gods naam behoort ook:

dien naam nimmer uit te spreken, zooals hij in de H. S. voorkomt (vinlfiOn QW;

T : -

dien naam, en dus ook iedere rO*13, niet onnoo-

T T :

dig uit te spreken;

geenen der heilige namen, waarmede het Opperwezen wordt aangeduid, op welke wijze ook, te vernietigen. — Heilige geschriften, onverschillig in welke taal overgebracht, mogen dus, wanneer zij

ocr page 95

7

in onbruik geraakt zijn, niet weggeworpen of vernietigd, maar moeten door begraving of op andere wijze aan het menschelijk oog onttrokken worden.

HEIDENSCHE ZEDEN en BEGRIPPEN (D^n nlpn).

Toen het ware geloof in den eenigen God aan onze voorouders geopenbaard werd, ontvingen zij onmiddellijk daarnaast de heilige taak, om alle sporen van het heidendom te bestrijden en uit te roeien. Geen wonder dus, dat ons niet alleen de werkelijke afgodendienst, maar ook alle zeden en gedragingen, die in het heidendom hun oorsprong vinden of slechts daaraan herinneren, als onjoodsch verboden zijn.

Ook zonder de minste bedoeling van aanbidding of vereering mogen wij geen menschelijk beeld in uitgehouwen of opgelegden arbeid (J-miï)

V IV T

vervaardigen.

Alle bijgeloof, dat wil zeggen: alle erkenning van andere geheime krachten en invloeden in de natuur dan de goddelijke Voorzienigheid, vindt zijnen oorsprong in het heidendom. Van Israël, het volk, dat den Eeuwige als eenigen God erkent en vereert, luidt het duidelijk; „Voorwaar, geene voorbeduiding geldt onder Jacob, geen toovenarij onder Israël!quot; Aan waarzeggerij, toovenarij, voorbeduiding, gunstige of ongun-

ocr page 96

8

stige tijden, slangenbezweren, liet raadplegen van dooden enz. mag geen Israëliet eenige waarde hechten. „Volkomen zult gij zijn met den Eeuwige, uwen God!quot;

Het is aan mannelijke Israëlieten verboden, de hoeken van het hoofdhaar, op welke wijze ook, zóó te verwijderen, dat het haar langs het voorhoofd, langs de slapen en achter de ooren in ééne lijn gelijk gemaakt wordt.

Daar het ons streng verboden is, verschillende plaatsen van den baard met een scheermes te verwijderen, en deze plaatsen moeielijk nauwkeurig kunnen aangewezen worden, zoo mogen wij in het algemeen het haar van den baard niet met een scheermes afscheren (nyna ni^).

Mannelijke personen mogen geene kleedingstukken aantrekken, die volgens de heerschende gewoonte voor vrouwen bestemd zijn; evenzoo ook omgekeerd. Dit geldt echter niet uitsluitend omtrent de kleeding, maar in het algemeen omtrent alles, wat tot opschik van het lichaam dient. Zoo mag geen man zich van blanketsel bedienen, het haar verwen enz.

Door de strenge opvolging van al deze geboden verheft zich de Israëliet tot het eigenlijke standpunt van het Jodendom, dat een afkeer heeft van alles, wat eenigszins aan de zeden der oude heidenen herinnert en dus zijne belijders niet alleen in hun

ocr page 97

9

geloof', maar ook in hunne uiterlijke gedragingen daarvan zoover mogelijk wenscht verwijderd te zien. Alleen hij, die deze voorschriften eerbiedigt, draagt den stempel van het eigenlijk Joodsche karakter.

III.

DAGELIJKSCHE BELIJDENIS VAN HET JODENDOM.

Ons leven, dat eene voortdurende bestrijding moet bevatten van al wat met het ware godsbegrip in strijd is, behoort aan den anderen kant van stonde tot stonde in woord en in daad vervuld te zijn van de belijdenis des dierbaren Jodendoms. Daartoe strekken vooral de volgende voorschriften:

1. yOlT nXHp, het lezen van

2. n^ön, de eeredienst.

t * ;

3. de gebedsriemen.

4. DTITO, de mezoeza.

t ;

5. riï% de schouwdraden.

6. nlD^3, de lofzeggingen.

t :

7. de besnijdenis.

t

rwnp.

In het verkondigen wij dagelijks, 's morgens

en 's avonds, de groote waarheid, waarvoor Israël leeft en strijdt: „Er is maar één eenige God!quot; Het is dan ook niet genoeg, de drie afdeelingen van zonder aandacht en bewustzijn te lezen.

ocr page 98

lu

Neen, dit lezen moet in de eerste plaats zóó geschieden, dat wij zelf althans iets vernemen van de woorden, die wij zeggen. De woorden van zijn bovendien van zulke beteekenis en gewicht, dat ons met nadruk voorgeschreven is, ieder woord. Ja iedere letter duidelijk en naar behooren uit te spreken en daar, waar twee letters konden ineensmelten, dit door eenige rust in het spreken te voorkomen. Maar naast dit alles wordt bij het lezen dier beteekenis volle afdeelingen bovenal aandacht (HilS) vereischt. Ja, wie

t t :

niet ten minste het eerste vers (pfJV?) met aandacht en bewustzijn heeft uitgesproken, heeft aan den plicht van het ^QiiMezen niet voldaan. Een ieder behoort dus dit eerste vers, in drie afdeelingen gesplitst, met de volgende opvatting te lezen.

bjOty* : en berjrijp, o Israël! deze

yroote waarheid;

lyriVtf Tl: Onze God is de Eeuwige God, Die altijd was en altijd zal zijn;

-|nx 'H: Deze, onze God, de Eeuwige, is eenig

t v

en ondeelbaar, met geenerlei goddelijk wezen naast zich.

Bij nK'np behooren de JiTp nlDquot;l3, de lof

zeggingen, die 's morgens en 's avonds vóór en na vl?quot;p uitgesproken worden. Zij zijn:

's Morgens:

Vóór 1. Titf Til': hulde aan den grooten Schepper der natuur, AVien allen, ook de hemelsche

ocr page 99

11

wezens, hun ontstaan te danken hebben (D^'Vlp en in volmaakte onderworpenheid heiligen (nit'np) en prijzen (a^Ö^ni) — eindigende over-

ti: • - t :

eenkomstig het begin nnlSSn quot;IVI'; 2. ns*! nDn}lt;. Met bijzondere toegenegenheid

t - t -

(rnnx) heeft de Schepper uit al Zijne gewrochten het eenige volk Israël uitverkoren, om de Heilige Leer te ontvangen en onder het menschdom te verbreiden. Als voorwerp dier liefde heeft Israël den duren plicht, om dagelijks de eenheid Gods met wederkee-rige liefde te verkondigen nlHn1?)-

Daartoe strekt het lezen van dat thans volgt.

Na ïT'p: nQK- Dat de groote waarheden,

in tirp verkondigd, waar zijn, blijkt uit de geschiedenis van vroegeren tijd, vooral uit de verlossing uit Egypte en de daarbij verrichte wonderen in het lied der Schelfzee (ilvinn

it : - : t t t *

bezongen. Zoo zal eens ook de groote verlossing (nblSj) aanbreken.

t ;

Vervuld met dit hoopvolle geloof beginnen wij het gebed (rnti'Ü volgens het voorschrift onzer

•• :, v t ;

wijzen: n^Sri1? nblS'j op voorbeeld van

psalm 19, einde en 't begin van ps. 20.

Voor Sabbath-morgen wordt de hulde quot;ilK lïV ter eere van den heiligen dag met bijzondere lofzeggingen en gedichten verrijkt (Jlntf btf, Vbn). In de plaats van quot;nVV treedt 's avonds

ocr page 100

12

uDOquot;l^ terwijl aan n3quot;l geheel be

antwoordt d1?')]; nsns-

Na V?''p volgt ook 's avonds een nblamp;i rüquot;D, die evenals 's morgens den uittocht uit Egypte op den voorgrond stelt en met eindigt.

Alsdan volgt echter nog als tweede lofzegging het bijzondere nachtgebed

t • :

Onder Eereclienst verstaan wij het groote geheel der gebeden, lofzeggingen, voordrachten en ceremoniën, die wij dagelijks, op gewone en buitengewone tijden, bij onze verschillende bidstonden verrichten.

Reeds hebben wij kennis gemaakt met de algemeene bepalingen, die omtrent onze bidstonden gelden (I, 18-19 en II, 6-7) alsmede met een opgave van de voornaamste bestanddeelen van onzen eeredienst (II, 8 — 9). Thans willen wij, getrouw blijvende aan de volgorde bij die opgave in acht genomen, ieder dier bestanddeelen met enkele daaromtrent geldende voorschriften nader omschrijven.

A. HET OCHTENDGEBED.

i. nntrn nimn

1. Het loflied öV'ty waarmede men bij het ter ruste gaan en na het weder ontwaken zijne ziel Gode toevertrouwt n^3).

2. ETT n'TLU en lï' TvTK, lofzeggingen, die op

ocr page 101

13

de lichamelijke verrichtingen van den morgen betrekking hebben.

3- en nna Deze zijn de

minn niD-D, de lofzeggingen, die men eigenlijk

t - : •

steeds moest uitspreken vóór het beoefenen der Thora, maar die thans 's morgens met het oog op den geheelen dag worden gezegd. Om echter bij het uitspreken dezer Jofzeggingen onmiddellijk met de beoefening der heilige geschriften te beginnen, volgt hier:

4. —uit de Thora (Num 6, 24-26), uit de Mischna (Peah T. 1) en

• t : t t v ■ t ;

uit den Talmoed (Sabbath 127).

5. De eigenlijke ochtendlofzeggingen, waarin wij na het ontwaken onze gedachten, dankzeggingen en smeekbigen bij het intreden van den nieuwen dag onzes levens uiten, beginnnen hier met

t t : - v;

een kort dankgebed voor den Schepper, die — zooals dit bij het ontwaken geschiedt — de ziel en het leven in levenlooze lichamen terugbrengt CVTHOn (DTiQ

* quot; * t : • t :

Van de reeks der eigenlijke nntfn nlDIS, die hier volgen, zijn de meeste oorspronkelijk bestemd, om uitgesproken te worden bij de verschillende verrichtingen, die met het ontwaken in verband staan ; zoo bijv. bij het hooren van den haan |ro bij het openen van de oogen üniy nplö, bij het aantrekken van een kleed enz. Om

overwegende redenen zijn deze lofzeggingen echteiquot;

ocr page 102

14

later, tot een geheel vereenigd, een bestanddeel van den ochtenddienst geworden.

6. vn en korte gebeden voor het godsdienstige, zedelijke en menschelijke geluk van den nieuw ingetreden dag.

7. ar ^33 DVDViJ • • • rl31- Deze belijdenis,

t ; » •

oorspronkelijk voor het slotgebed van den

Verzoendag bestemd, vormt hier met de stukken, die er onmiddellijk op volgen, eene korte, doch schoone inleiding tot „Wat zijn wij, wat ons leven?quot;

enz. — „weinig meer dan het redeloos gedierte; immers ,.al het aardsche is ijdel!quot; ('l'Dri *3).

77 ... |T

Wat aan ons leven beteekenis schenkt, is de hooge taak van de erkenning Gods, waartoe wij uitverkoren zijn (TjQ^ linjtf ^3«) als kinderen onzer beroemde voorvaderen (Drn3^ ^3 enz.) Deze

t t : ■ :

taak legt ons ook den plicht op (D'S'n HHiK om voortdurend God te danken en te huldigen en schenkt ons het kostelijke voorrecht 31ü no),

om twéémalen iederen dag, 's morgens en 's avonds, de éénheid Gods te belijden inhet^Q^, dat thans volgt.

8. Er waren ongelukkige tijden, waarin onze voorouders op straffe des doods het niet luide

mochten verkondigen. Toen moest het in angstige spanning in het geheim geschieden. Thans mogen wij Gode danken, die de tijden deed veranderen, zoodat wij Zijn naam openlijk en zonder schroom heiligen (3^3

ocr page 103

9. Met de plechtige bede (Kin HDX), dat eenmaal

t -

de tijd aanbreke, waarop de ballingschap eindige en de erkenning des eenigen Gods onder het mensch-dom algemeen zij, eindigen de int^n nl]D*13-

10. kv-ipQ3 vnuir QIK aL'ivi?

Tl:*: • : r : t t •* - ; r * :

Tlö^na vht'. „In drie gedeelten

gescheiden, worde dagelijks onze beschikbare tijd besteed aan de Heilige Schrift, de Mischna en hare verklaringenquot; — zoo luidt de levensregel van eenen onzer oude geleerden. En opdat nu ieder althans eenigermate daaraan getrouw kunne blijven, worden door ons iederen morgen uit elk der drie genoemde bestanddeelen onzer gewijde schriften eene kleine afdeeling gelezen. Zij zijn:

a. uit de Thora quot;13T1 (Num. 28,1 — 8 en Lev. 1,11), ook nlJSIpn JTvinö genaamd, omdat deze het voor-

t : it - - tt

schrift omtrent het dagelijksche vaste morgen- en namiddag-offer (TOn behelst;

b. uit de Mischna jDlpJD IHTK (Tractaat DTDT, hoofdstuk V), inhoudende de aanwijzing der plaats voor de behandeling en het nuttigen der offerdieren;

c. uit de overige geschriften onzer geleerden *31

behelzende de twaalf afleidingsrege-len, waarvan zich onze Talmudgeleerden in hunne verklaringen bedienen.

Thans — zoo spreken wij ten slotte — is het slechts de leer der offers, waarmede wij ons bezighouden. Moge spoedig het oude heiligdom hersteld

ocr page 104

16

worden (|1VT *17*), opdat de voorvaderlijke offerdienst weder plaats hebbe als in voormalige dagen

{ni^bnf?.

11. *nön 'pms-

t : ♦ : iquot; :

De inleiding tot en liet begin van ieder gebed wordt naar de opvatting des Jodendoms steeds gevormd door hulde aan het Opperwezen quot;quot;np*

(V'pSJT ^3 nnxi aipQ bt inn^ op deze

wijze immers brengen wij ons zeiven in de meest passende en gewenschte stemming, alvorens in werkelijkheid van den Algoede onze behoeften af te bidden. Wie Gode zijne hulde brengt, gevoelt meer dan anders Diens grootheid en eindelooze genade, en wordt ook in dezelfde mate vervuld van het bewustzijn, dat hij, aanstonds tot God biddende, onverdiende genade zal afsmeeken voor eenen mensch, wiens geringe aanspraken geheel in het niet zinken bij de onberekenbare weldaden zijns oneindigen Scheppers, die één oogenblik hem menigmaal pleegt te brengen. Maar tevens vervult hem onwillekeurig het vreugdevolle vertrouwen in Gods almacht en goedertierenheid. Dit gemengd gevoel van ootmoed en vertrouwen brengt de stemming te weeg, die onze Godsdienst bij den biddende verlangt. Van daar, dat reeds in den Bijbel de oudste gebeden met lof en hulde aan het Opperwezen beginnen. (Zie 0. a. Deut. 3, 23-25). En zoo gaan dus ook bij onzen morgendienst de Psalmen en Bijbelverzen,

ocr page 105

17

waarin wij God huldigen en die wij daarom ^DÖ noemen, aan het eigenlijk gebed vooraf.

1. Deze XlOn beginnen met de lofzegging

^113 en eindigen met de lofzegging Worden zij echter (b.v. als men laat ter synagoge komt) eerst na het eigenlijk gebed gelezen, dan laat men de begin- en slotlofzegging weg.

2. Wie door den Algoede uit levensgevaar gered was, bracht gedurende het bestaan des tempels een dankoffer (min Daar echter ons leven van dag tot dag op wonderbare wijze door de genade Gods beschermd wordt *3 Tlb iTTlPK),

T T - T ♦ quot; T l* T

zoo spreken wij ook iederen dag den dankpsalm (min1? quot;llQTQ) uit, die voor ons dat offer vertegenwoordigt. Dit geschiedt echter niet op die dagen, waarop voorheen geen min gebracht werd, n.i. op n|ir, ait: Dl', npö nofi^i^isnVin

en DniMH DV

3. De eerbied, aan het gebed verschuldigd, eischt, dat wij telkens, alvorens te bidden, ons eenigen tijd in kalme rust op het gebed voorbereiden en niet plotseling, zonder eenigen tijd van overgang, van den arbeid ons tot het gebed wenden. Dit vinden onze wijzen in het vers ^n'D jhetwelk dan ook steeds voorafgaat aan den Psalm in5? n'pnn

♦ T : T ♦ :

(Ps. 145), dien wij drie malen daags, o. a. twéé malen als inleiding tot het gebed, uitspreken.

4. Van dezen psalm beginnen de achtereenvol-

Wag. III, 2

ocr page 106

18

gende verzen met de letters van het alphabeth. De 3 echter ontbreekt. Eigenaardig merken onze geleerden op, dat dit de letter is, waarmede aan Israel een onherstelbare val verkondigd was r6iDJ

Dip (Amos 5, 2). Als had de psalmzanger daaraan gedacht, liet hij deze letter niet alleen weg, maar ook, in tegenstelling met die onheilspellende gedachte, onmiddellijk volgen VdV '71 quot;jftlD-Het slotvers UnjNI is ontleend aan Ps. 115.

5. Bij dezen psalm sluiten zich de onmiddellijk daaropvolgende aan tot het einde van het Psalmboek

(nDOT Va.

t t : -

6. Dezelfde strekking als al deze psalmen hebben ook de verzen Tn quot;p^l tot TjrnXön.

7. De verzen Kin nnK tot DW vormen

t - ■ - * i- :

eene passende inleiding tot het lied van de Schelfzee (DTI nTir), dat thans volgt en waarin tevens vol-

t quot; quot; ♦

gens het voorschrift der Thora, dagelijks de wonderbare verlossing uit Egypte wordt in herinnering gebracht.

8. nant^ is de slot-lofzegging der K'lJpn ^103 en wordt dus nooit uitgesproken, wanneer men niet vooraf althans een gedeelte der SIQH ^plDfi gelezen heeft.

i

in. over ya;? nsnp en de nxnp nom

zie hierboven.

De snon gt;p1D2 en de '^quot;p zijn één sa-

ocr page 107

19

menhangend geheel, terwijl de laatste weder, zooals wij gezien hebben, innig verbonden moeten zijn met mli^ rnbtf. Van daar dus, dat van het begin van lONvif tot na het einde van

het gebed door geen enkel daarbij niet behoorend woord mag afgebroken worden.

Bij het ochtendgebed moet W p aan yz* voorafgaan. Wie dus laat ter synagoge komt, mag wel een gedeelte, of zelfs alle (in het

laatste geval zonder rilD*l3) na het gebed uitspre-

t :

ken, ten einde yv met de gemeente te kunnen bidden, maar niet onmiddellijk met yv? beginnen, zonder vooraf en de iir p fllDIS gelezen te hebben.

iv. njb^.

De 18 lofzeggingen (rnti^ njbvi^), die thans volgen, vormen het eigenlijk gebed (n^ÖH), dat drie

t • :

malen daags door ons in plaats van de voormalige offeranden in den tempel uitgesproken wordt. Zoo deed .reeds een Daniël in Babylonië, terwijl levensgevaar hem omringde (Dan. 6, 11), en zoo zingt onze psalmzanger: „'s Avonds, 's morgens en's middags bid en klaag ik en Hij verhoort mijn stemquot; (Ps. 55, 18). — De oorspronkelijke naam van yu? is bewaard gebleven, ofschoon het gebed eigenlijk reeds sedert onheugelijke tijden 19 lofzeggingen bevat. Immers, kort na de verwoesting des tweeden tempels werd

Wag. III, 2*

ocr page 108

20

ons heilig geloof zoozeer bedreigd door het optreden van vele vrijzinnige secten (D^Q), dat de beroemde Joodsche geleerden van die dagen (R. G-amliël en zijne tijdgenooten) strenge maatregelen moesten nemen, om het zuivere Jodendom ongedeerd te behouden. In dien tijd werd ook in het dagelijksch gebed de bede tot den Allerhoogste om bescherming tegen het gevaar, dat het geloof bedreigde (erron nana, ingevoegd.

De werkelijke heden of smeekingen tot den Allerhoogste (mnn of ntrpa) zijn vervat in de 13 mid-

T * : T 1 T - '

delste lofzeggingen van de y'tf, die op Sabbath en feestdagen door een ander gebed vervangen worden. De drie éérste lofzeggingen daarentegen, waarin wij Gode lof en hulde brengen (PQUf) en de drie laatste, waarin wij Hem danken (iTTin), vormen bij alle

T T

bidstonden het begin en het slot van ons hoofdgebed.

1. nnan Tlöty 'n- Inleidende bede (Ps. 51,17).

T : • - T :

Door velen worden vóór dit vers nog andere inleidende verzen gelezen, als üïi* *3 (Deut. 32, 3). Dit mag echter alleen bij nrUD en tplD geschieden, daar 's morgens en 's avonds nblXS en nVfin

T ; T • ;

zonder scheiding elkander moeten opvolgen. (Zie hierboven bij W'p).

2. Van de drie eerste lofzeggingen heet de eerste niaX (vermelding der voorvaderen), de tweede JllTlü

T '

(Imlde aan Gods machtige en iconderbare daden), de derde niTTlp (heiliging van Gods naam).

ocr page 109

21

3. De eigenlijke heden (rtinri), waarin wij van

t • ;

den Algoede om voorziening in onze behoeften smeeken, volgen in samenhangende volgorde elkander op: In de allereerste plaats verstand en doorzicht njn (|jin nm) ; als eerste en schoonste vrucht daarvan een beter inzicht en inkeer tot onzen God rDV^n — Jesaja 6, 10 —; deze leiden tot

vergiffenis en kwijtschelding nn^D cob nbo) -

t • ; it - ;

Jes. 55, 7 — ; aldus gelouterd en met God verzoend, wordt de mensch het werkelijk heil waardig, bestaande in verlossing uit den nood

t ; •• t : ♦ ••

genezing van alle kwalen rWISTl (UXSTl)—Jer. 17,14 —

t ; iquot; t ;

en eindelijk den zegen in al het zijne

ent^n rois — En nu onze beden als

kinderen Israels, als beleiders van onzen godsdienst! Zij zijn: loeder verzameling onzer ballingen n3f?

—Jes. 27, 13 —; daarop: herstel onzer overheid en rechtspraak

iquot; : t • t

— Jes. 1, 26 — ; als gevolg daarvan ondergang van het ongeloof DTDrt n313 en verhef

fing der deugd I herstel van Jeruzalem

— Ps. 122, 6 — en het huis Davids (nDX n^) — Jer. 33, 15 —. Aan het slot van deze smeekingen richten wij tot God de bede, dat Hij ons gebed in welgevallen aanneme (U^lp ^Ov^)-

4. Van de drie laatste lofzeggingen, die, vooral met het oog op DHlQ den naam van dankgebeden (rnin) dragen, is de eerste (ni'l) de mlD)? n3quot;l3,

ocr page 110

22

de lofzegging, waarin bij den voormaligen tempeldienst, zoowel iederen morgen als op den Verzoendag, het goddelijk welgevallen voor den verrichten dienst werd afgesmeekt. Bij ons is hier natuurlijk de bede om herstel van den tempeldienst n:nnrn, innaro ingevoegd. - De volgende lofzegging (DHlO) is de eigenlijke riKTin

TT - ; *

waarin wij God danken voor de genade, die Hij ons iederen dag, ja iedere stonde bewijst. — De slot-lofzegging staat in verband met den

T

priesterzegen (a^PÜ rü'p), die bij den gezament-lijken dienst hier zijne plaats heeft en die immers met DlVv^ eindigt. (Zoo beantwoordt ook

lirTD aan en ïpa 11X3 aan v:3 Tl

iquot; -;T I ; vt; I IV T ; TT •• T

Deze lofzegging sluit het gebed met de smeeking om alle werkelijk heil, (in het woord Dlbti? samengevat). Bij het avond- en middaggebed (behalve bij het middaggebed op Sabbath en algemeene vastendagen) wordt DlbtT door de verkorte lofzeg-

T

ging DlVvtf vervangen. Het schoone gebed

T T

is grootendeels een van de slotgebeden, die door verschillende onzer oude geleerden na rntrj; njoiy uitgesproken werden.

Wij hebben vroeger reeds (I, 19 en II, 6) gesproken over aandacht, passende houding, kleeding en zacht hoorbare uitspraak bij het gebed in het algemeen en het staan met het aangezicht in de richting van

ocr page 111

23

Jeruzalem gekeerd bij rnti^ in het bijzonder;

zoodat wij hier nog slechts iets hebben bij te voegen omtrent de huigingen bij rnïi^ nübï^- Deze hebben plaats: bij het begin en het einde van de eerste lofzegging (nl^X) en van de n^Tin n313- Bij het

t tt - : *

woord buigt men de knie, bij nntlt; of bij DHlD

het geheele lichaam en bij quot;H richt men zich langzaam weder op.

Ook pleegt men voor het begin en na het einde van mti^ njbvT drie schreden achterwaarts en dan weder naar zijn plaats terug te gaan. Dit teekent den bescheiden sterveling, die in ootmoed en ontzag voor den Schepper terugtreedt, alvorens Hem te naderen, en ook bij het einde van zijn bede zich langzaam en eerbiedig van voor Diens aangezicht verwijdert. Na het einde van het gebed buigt men zich tevens recht voor zich uit, links en rechts, en blijft — zoo mogelijk — eenigen tijd van zijne plaats verwijderd staan, totdat de voorlezer aan iTvlhlp genaderd is, of bij het avondgebed tot

Over de uitbreidingen en wijzigingen, die de verschillende rilDIS van op bepaaalde tijden ondergaan,

t :

zal verder gesproken worden.

V. D'SK

Onder D'-öK (ook wel piPin of n^nn) ver

staan wij het uitspreken van verschillende smeek-

ocr page 112

24

en boetgebeden na yiff. De naam D^ÖX riVöJ spruit voort uit het gebruik, om bij het lezen van Dim pni (Ps. 6) — althans daar, waar een riTin aanwezig is, of ten tijde dat de gezaraentlijke dienst in de Synagoge verricht wordt — het aangezicht in den linkerarm of (wanneer men de draagt) in den rechterarm te leggen.

Van deze gebeden worden Dirn KIIT) en 'n alleen bij den ochtenddienst op Maandag en Donderdag, en quot;TjlK Vk ieder

op bepaalde dagen en tijden, die naar het gebruik in iedere gemeente afwisselen, gelezen.

Bij het avondgebed in het algemeen, voorts op Sabbath- en feestdagen en op nog vele andere bijzondere dagen en tijden (alweder naar gemeentelijk

gebruik afwisselend) wordt D'SX geheel weg-

♦ i- - - • ;

gelaten.

VI. SLOT VAN HET OCHTENDGEBED.

Aan het slot van het ochtendgebed lezen wij nog: i. Tnb ri^nn, dat immers drie malen dagelijks moet uitgesproken worden; 2. (Ps. 20),

behalve op Sabbath en feestdagen en vele bijzondere tijden, overeenkomstig het gebruik in de verschillende gemeenten; 3. ook wel

KIIDT nuhlp genaamd, wegens de verzen

t ; * ; »t i: it

TjTnS en TI, die daarin voorkomen en, evenals

de rivJhlp in als eene gezamentlijke hulde

ocr page 113

25

aan het Opperwezen door voorlezer en gemeente worden voorgedragen.

Het einde van den dienst vormt het verheven irbv, waarin wij eerst God prijzen en loven, Die ons voor alle ongeloof en heidendom behoed en ons geleerd heeft, alleen voor den eenigen God, den Koning aller Koningen, de knie te buigen (D^-Ü, Wiens heerschappij in den hemel en op de aarde onbegrensd is. Eenmaal — zoo bidden en vertrouwen wij — zal alle aanbidding van andere machten van de aarde verdwijnen en het geheele menschdom den Eeuwige' als den eenigen God erkennen (ï'jn'o'pp ^ nx ühp iVap*1]), zooals de profeet Zecharja geprofeteerd heeft: „Op dien dag zal de „Eeuwige eenig en Zijn naam eenig zijnquot; Kim Dlquot;3)

nnx iDah inx 'n rrrr.

tv ; t v v: •

B. HET NAMIDDAGGEBED.

Het Namiddag gebed (nniü n^ön) voor gewone

Ti* * ï

werkdagen, bestaat uit: TH1? nVnn (zie bij het

♦ t ; t ♦ ;

Ochtendgebed II, 3), mtTV

•• : •; t ; • i— - * ;

(zie Ochtendgebed V) en de slotbede

iquot; T

Ter herinnering aan het gestadige middag-offer V2 b\t? I^Dn), waarvoor dit gebed in de

♦ i- ; - t i •• v ♦ t

plaats getreden is, wordt algemeen vóór het begin van dit gebed de nlJDnpn (nan*!, zie

t;it- -tt o

Ochtendgebed I, 10) gelezen.

ocr page 114

26

G. HET AVONDGEBED.

Het Avondgebed voor gewone

werkdagen bestaat hoofdzakelijk uit; de W'p nl^TD (zie hierboven onder ^quot;p), nquot;]^

en wbtt.

VT

Vóór de ^'p ntD'IS worden echter nog enkele Bijbelverzen gelezen, als Dim Kim en ni^ln TI

; t r

(zondenbelijdenis bij het slot van den dag) en er na, de verzen T! ^113, die 18 malen

den naam Gods bevatten, overeenkomstig de 18 van en met het korte, doch verheven gebed IXT sluiten.

Bij den gezamentlijken dienst n^firn)

worden nog voorgedragen; ïTHp, ^quot;13,

D^ria n3quot;i3 en nninn (zie n, 9).

trnp.

Wegens de bijzondere heiligheid van dit gebed zijn daarbij — evenals bij ya? — eene staande en eerbiedige houding, verschillende buigingen en het achterwaarts schrijden bij het einde voorgeschreven.

Al naar gelang dit gebed geheel of ten deele wordt voorgedragen, spreekt men van;

1- tnp (tot p'ÖKI) bij 't begin of in het midden van eenig gebed, door den voorlezer;

2. dVit trnp of Sapnn trnp, het geheeie

ocr page 115

a?

aan het slot van eenig gebed, eveneens dooiden voorlezer. Men denke slechts aan de betee-kenis van enz.

3. DIJT v^np, d. w. z. yi^p met weglating .van bspnn, na het lezen van Bijbelverzen uit te spreken, bij voorkeur door kinderen in het rouwjaar over het verlies hunner ouders en op den verjaardag van hun overlijden, om door de openbare huldiging van Gods naam de nagedachtenis der overledenen te eeren en hunne zielsrust te bevorderen.

Aan de beteekenis en het gewicht van het t^Hp-gebed wordt eerst geheel voldaan door het telkens antwoorden van door de gemeente, maar bo

venal door het gezamentlijk aanheffen van Xa—l riOtT STP enz.

Na de voordracht van zekere deelen uit de geschriften onzer geleerden wordt in ti^Hp het bijzondere gebed voor het welzijn van de wetgeleerden en hunne leerlingen ingevoegd. Dit heet I^DTl tfnp.

; t

Deze plechtigheid, bestaande in de opwekking aan de gemeente, om God te loven, waaraan door deze met Tl beantwoord wordt, is be

stemd, om daarmede eenig gezamentlijk gebed of voordracht, als rV~TT^, en n'-llnn

op stichtelijke wijze te openen. Aldus luidt ook

ocr page 116

28

de aanhef van pDp rO,quot;quot;l3. (Zie verder). - Waar W-lS na -het gebed uitgesproken wordt, daar geschiedt dit ten behoeve van hen, die vooraf bij de voordracht er van, niet tegenwoordig waren.

nnnp.

Als wij in het gezamentlijk gebed tot de 3e lofzegging (nah-lp /tthlp nnN) genaderd zijn, waarin wij met

t i : it t -

eerbied melding maken van de hulde, door de heilige hemellingen dagelijks Gode gebracht {Dl* ^33 enz.), dan wekt de voorlezer de gemeente op, om in plechtige aandacht hier op aarde in te stemmen in deze hemelsche hulde door het uitspreken der zelfde verzen, als en die onze profeten van de God huldigende hemellingen vernamen (Jes. 6, 3 en Ezech. 3, 12). Zoo groeit dus de heiliging van Gods naam (nahlp) door de

t i ;

hoogere en lagere schepselen van het heelal tot één machtig geheel te zamen. Van daar ook, dat men bij het uitspreken dier verzen de voeten eenigs-zins van den grond verheft, naar Jes. 6, 2 DTlvJ^D

(W-

D'ïis nana

Daar de eigenlijke ceremonie van den priesterzegen bijna in alle gemeenten alleen op feestdagen plaats heeft, zoo komen wij daarop later terug.

ocr page 117

29

rninn

Op Sabbath 's morgens en 's middags, op Maandag en Donderdag, alsmede op feestdagen, middendagen, feestelijke gedenkdagen en nieuwemaansdagen, 's morgens en voorts op algemeene vastendagen 's morgens en 's middags, wordt bij den gezamentlijken dienst eene bepaalde afdeeling uit de min voorgelezen.

T

Het uitnemen van het rTlln uit de Arke

T V lquot;

(Un'pn vóór, en het weder terugbrengen daarhenen na afloop van die voorlezing, gaat gepaard met het aanheffen van toepasselijke Bijbelverzen en Psalmen, beurtelings door voorlezer en gemeente.

Oorspronkelijk moest het voorlezen uit de Thora-afdeeling, in verschillende onder-afdeelingen gesplitst, door evenzoovele mannelijke, godsdienstig-meerder-jarige personen uit de aanwezigen geschieden. Volgens het thans algemeen heerschende gebruik echter geschiedt het door een ander daartoe aangewezen persoon (^11 p), terwijl daarbij achtereenvolgens verschillende personen voor de Thora verschijnen, die echter elk woord zeer zacht voor zich zelf met dezen medelezen.

Het aantal personen, dat op deze wijze voor de Thora verschijnt (min1? is: op Sabbath-mid-

dag. Maandag en Donderdag, Chanoeka, Poerim en vastendagen drie, op nieuwemaans- en middendagen vier, op feestdagen vijf, op den Verzoendag zes, op

ocr page 118

30

Sabbath-morgen minstens zeven (behalve den waarover later).

De voorgeschreven volgorde bij het roepen om voor de Thora te verschijnen is; jrü, ♦ib,

en dan geen of ♦iV weder, tenzij voor TtiÖQ of op Sabbat-morgen voor of Natuur

lijk bestaan er echter voorschriften voor de verschillende gevallen, waarin het niet mogelijk is, deze volgorde stipt te handhaven.

Wie voor de Thora geroepen wordt, begeeft zich van zijne plaats langs den kortsten weg daarhenen, let eerst op de plaats in de H. S., waar men hem zal beginnen voor te lezen en die hem door den voorlezer getoond wordt, spreekt dan — terwijl hij de oogen sluit of van het min quot;ifiD afwendt —

T V lquot;

de gebruikelijke lofzeggingen uit, leest daarop zeer zacht met den voorlezer mede en spreekt na afloop der lezing de gebruikelijke slot-lofzegging uit. Alsdan blijft hij op de Biema staan tot dat ook degene, die na hem voor de Thora verschijnt, de slotlofzeg-ging heeft uitgesproken en begeeft zich dan naar zijne plaats, langs den tegengestelden weg van dien langs welken hij gekomen was.

Bij het voorlezen uit de Thora moet op ieder woord letter, klank en toonteeken nauwkeurig gelet worden. Woorden, die onjuist gelezen zijn, moeten zooveel mogelijk op juiste wijze herhaald worden. Geheel

ocr page 119

31

verplichtend is deze herhaling, wanneer eene sin-storende fout gelezen is.

Ook mogen in het fTD, waaruit voorgelezen wordt, geene onjuistheden voorkomen. Wanneer dit het geval is en de fout van eenige beteekenis is, dan moet de lezing in een ander JTD voortgezet worden.

Ieder is verplicht, de voorlezing uit de Thora stil en aandachtig te volgen, geheel vervuld van eerbied en ontzag voor het goddelijk wetboek, dat daar geopend ligt en waaruit als het ware de Godheid zelve tot ons spreekt.

Als een JTD geopend' ligt, mag men zich volstrekt niet uit het bedehuis verwijderen.

Na het einde der voorlezing wordt ♦VPI uitgesproken, behalve bij den middagdieust op Sabbath en op vastendagen.

Het te voorschijn- en weder terugbrengen nXïln)

T T

(nDJDrn, het opheffen en den volke toonen (rTDin)

T T : - : t T : ~

en het dichtrollen en omkleeden van het fTD

T ♦ ;

worden als godsdienstige eere-functiën (rilïQ) op hoogen prijs gesteld.

Bij alle overdenkingen onzes verstands en alle bewegingen onzes harten steeds aan God en Zijne Heilige Leer onderworpen te blijven — ziedaar het hooge doel, de heilige beteekenis der Teflllin (gebedsriemen), waarvan de eene hv p'pan) boven

ocr page 120

32

op het voorhoofd nabij de hersenen, de andere

(1* blP op den linker bovenarm nabij het hart aan-

t

gelegd wordt. Een bepaalde tijd is ons in de Thora voor de vervulling van dit gebod niet voorgeschreven. De heiligheid der Tefillin eischt echter als van zelve eene innig godsvruchtige stemming bij hem, die hen heeft aangelegd. Van daar, dat het bijna algemeen gebruikelijk is, slechts tijdens het ochtendgebed de Tefillin op hoofd en arm te hebben.

De vier afdeelingen (nVt^quot;lÖ), die op perkament geschreven, in de Tefillin worden nedergelegd, zijn: (Deut. 6, 4-9), DKrvrn (Deut. 11, 13-21)

Töa'bo 'b cnp (Ex. 13, MO) en *3 n^n,i

(Ex. 13, 11-16). Zij bevinden zich in de quot;1*

t v I ♦ ♦ :

op één doorloopend perkamenten blaadje geschreven, in de bv op vier afzonderlijke blaadjes,

in even zoo vele afdeelingen verdeeld.

De plaats, waar zij moeten aangelegd worden, is: voor de boven het midden van het

voorhoofd, in één lijn met de ruimte tusschen de oogen, zóó hoog, dat de vóórzijde (d. w. z. niet die, waar de riemen doorgetrokken zijn) daar komt te liggen, waar gewoonlijk de groei van het haar begint; voor de T Ve' op het dikke van den

t v 1 ♦ • :

linker bovenarm, naar de zijde van het hart gekeerd. De knoop (TC'p) van de moet

midden op de plaats onder het achterhoofd komen

ocr page 121

33

te liggen. Wie de Teflllin niet nauwkeurig op de genoemde plaatsen aanlegt, volbrengt het gebod niet naar behooren en spreekt dus bovendien telkens ongeldige lofzeggingen nD13) uit.

t t : • t t :

Tusschen het aanleggen van de Teflllin op den arm en het hoofd mag niets gesproken worden.

De riemen moeten, zoolang men de

Teflllin aan den arm en het hoofd heeft, steeds met de zwarte zijde naar buiten gekeerd zijn.

Het schrijven en vervaardigen der Teflllin is, evenals dat van een niln 13D, aan talrijke ge-

t viquot;

wichtige bepalingen onderworpen. Waar deze niet opgevolgd zijn, daar verliezen zij alle waarde, en wie hen aanlegt, voldoet niet aan zijnen plicht en maakt zich herhaaldelijk aan het uitspreken van schuldig. Daarom is het noodza-

t t : • t t :

kelijk, zich bij de aanschaffing van Teflllin te verzekeren, dat zij van een vertrouwbaar en erkend schrijver (ISjID) afkomstig zijn. Ook behoort men telkens ten hoogste na 3 of 4 jaren weder te laten onderzoeken, of zij nog in voldoenden staat verkee-ren (1^3).

*• t

De heiligheid der Teflllin vereischt, dat wij hen steeds, ook dan, wanneer zij van ons lichaam verwijderd zijn, met innigen eerbied behandelen, slechts op een reine, welvoegelijke plaats bewaren en zorgvuldig er voor waken, dat zij nimmer op den grond vallen,

Wag. III, 3

ocr page 122

34

Wij mogen de Tefillin op gewone werkdagen niet voor het einde van jl'xb iOI afleggen, op vinn vóór tplQ en op bin vóór

(op npÖ omn in vele gemeenten eerst vóór het lezen van ariD^pn1!).

nTITÜ.

t ;

De Mezoeza (nWÜ) is het zekere middel, om ons

t :

ten allen tijde bij het binnentreden en verlaten onzer woningen en vertrekken te herinneren, dat de erkenning van den eenigen God en de opvolging Zijner geboden ons hoogste levensdoel, ons innigst geluk moeten vormen. Die twéé afdeelingen tfDamp;j en QK rTITl), op perkament geschreven en

IT T T :

aan de posten van alle deuren en poorten onzer ■vsoningen en vertrekken aangebracht, zij vormen de bescherming tegen elk lager menschelijk streven, waarbij God en Zijne Heilige Leer zoude vergeten en slechts ijdele genieting gezocht worden.

In overeenstemming met deze heilige beteekenis moet de Mezoeza aangehecht worden in de holte van den deurpost, ter rechter zijde van hem, die binnentreedt, daar, waar het bovenste derde gedeelte der hoogte eindigt, minder dan een vuistbreedte van den buitenrand verwijderd, met de bovenzijde der letters in schuinsche richting naar binnen gekeerd.

ocr page 123

35

De plicht van het aanhechten der Mezoeza bestaat echter alleen bij zoodanigen ingang, die letterlijk aan het voorschrift der Thora beantwoordt, d. w. z. aan alle onmiddellijke of middellijke toegangen tot vertrekken, die eenigermate tot woning of verblijf strekken, verder minstens 24 vuistbreedten in het vierkant bevatten, door eene zoldering gedekt zijn en wier ingang van twéé posten, een bovendorpel en eene deur voorzien is.

Aan bedehuizen wordt dus de Mezoeza niet aangehecht, aan leerscholen wel.

Ook hecht men de Mezoeza niet aan den ingang van badkamers of andere plaatsen, waar de aanwezigheid der Mezoeza met den daaraan verschuldig-den eerbied zoude in strijd zijn.

nvv-

De herinnering aan den Allerhoogste en Zijne alwijze voorschriften door een aanschouwelijk teeken ten allen tijde bij ons levendig te houden, is de beteekenis van de rquot;l¥% die wij dan ook schouic-draden noemen.

Deze schouwdraden moeten aan alle vierhoekige kleederen, door mannelijke Israëlieten te dragen, aangehecht worden.

Nu geene vierhoekige kleederen door ons gedragen worden, trekken wij, ter vervulling van dit gewichtig gebod, in de eerste plaats 's morgens onmid-

Wag, III, 3*

ocr page 124

36

dellijk na het ontwaken een klein vierhoekig kleed

onder onze bovenklee-ding aan en dragen voorts bij het ochtendgebed een grooter kleed boven al onze kleederen.

Het en de daarbij behoorende nvï behoo-

ren van rooi te zijn. Slechts bij hooge noodzakelijkheid mag een rr'pü van eenige andere stof gedragen worden. Ook moet het (dit alles geldt ook van het pep JT^E) zoo groot zijn, dat een kind van omstreeks negen jaren zich grootendeels er mede bedekken kan, terwijl het voor het grootste gedeelte niet gesloten behoort te wezen.

Door iederen hoek van het worden vier

draden getrokken door eene omzoomde opening, die minstens de breedte van het bovenste lid van den duim en minder dan 3 duimbreedten van de beide randen verwijderd moet zijn. Deze draden worden dan ter halver lengte dubbel gelegd, zoodat zij feitelijk 8 draden vormen en voorts ten deele samengevlochten op eene bepaalde wijze, die door aanschouwing zeer gemakkelijk kan geleerd worden. De lengte van de nï*ï, nadat zij op de voorgeschreven wijze aan het gebonden zijn, is minstens 12 duimbreedten.

Daar de Thora ons voorschrijft, de te hech

ten aan een kleed, waarmede wij ons werkelijk bedekken (Deut. 22, 12) — men denke ook aan de lofzegging fjLS^rin'!' — zoo behoort het rquot;V^L3 ook

ocr page 125

37

op zoodanige wijze gedragen te worden, dat aan dit voorschrift voldaan wordt, dus ten minste geheel afhangende en over de schouders omgeslagen. Geheel tot een smallen reep samengevouwen en zoo om den hals gehangen, is het ten eenen male geen en voldoet dus niet aan het voorschrift.

Zooveel mogelijk behoort men zich telkens vóór het aantrekken van het vooraf te overtuigen,

dat zich de ri^i* nog in behoorlijken staat bevinden. Immers, is dit niet het geval, dan wordt aan de verplichting niet voldaan en de lofzegging wordt eene nbisnb nma.

t t : ■ t t:

Alleen wie des daags een rTaantrekt, spreekt daarover eene lofzegging uit, 's avonds of 's nachts niet.

mna

t :

Over de beteekenis, het gewicht en den verschillenden aard der lofzeggingen (fllDIS) is reeds vroeger ge-

t :

sproken (11, 10). De lofzeggingen, die bij iedere gelegenheid in 't bijzonder moeten uitgesproken worden, alsmede de bepalingen, die daaromtrent in ieder bijzonder geval gelden, vormen een onderwerp, waarvan de nauwkeurige kennis voor het streng Joodsche godsdienstleven onontbeerlijk is. Het aanleeren der rilD13 en van de bepalingen, die er op betrekking

t ;

hebben, wordt intusschen wegens den grooten omvang er van als een afzonderlijk leervak beschouwd.

ocr page 126

36

dellijk na het ontwaken een klein vierhoekig kleed

onder onze bovenklee-ding aan en dragen voorts bij het ochtendgebed een

grooter kleed (VlTS ri^ü) boven al onze kleederen.

T * -

Het en de daarbij behoorende nVÏ behoo-

ren van ivol te zijn. Slechts bij hooge noodzakelijkheid mag een j—van eenige andere stof gedragen worden. Ook moet het (dit alles geldt ook van het |1t:p zoo groot zijn, dat een kind

van omstreeks negen jaren zich grootendeels er mede bedekken kan, terwijl het voor het grootste gedeelte niet gesloten behoort te wezen.

Door iederen hoek van het worden vier

draden getrokken door eene omzoomde opening, die minstens de breedte van het bovenste lid van den duim en minder dan 3 duimbreedten van de beide randen verwijderd moet zijn. Deze draden worden dan ter halver lengte dubbel gelegd, zoodat zij feitelijk 8 draden vormen en voorts ten deele samengevlochten op eene bepaalde wijze, die door aanschouwing zeer gemakkelijk kan geleerd worden. De lengte van de nadat zij op de voorgeschre

ven wijze aan het gebonden zijn, is minstens

12 duimbreedten.

Daar de Thora ons voorschrijft, de riï*ï te hechten aan een kleed, waarmede wij ons werkelijk bedekken (Deut. 22, 12) — men denke ook aan de lofzegging r|L3^nnip — zoo behoort het r~i^L3 ook

ocr page 127

37

op zoodanige wijze gedragen te worden, dat aan dit voorschrift voldaan wordt, dus ten minste geheel afhangende en over de schouders omgeslagen. Geheel tot een smallen reep samengevouwen en zoo om den hals gehangen, is het ten eenen male geen en voldoet dus niet aan het voorschrift.

Zooveel mogelijk behoort men zich telkens vóór het aantrekken van het vooraf te overtuigen,

dat zich de riV'i* nog in behoorlijken staat bevinden. Immers, is dit niet het geval, dan wordt aan de verplichting niet voldaan en de lofzegging wordt eene

t t : ■ t t:

Alleen wie des daags een rT yü aantrekt, spreekt daarover eene lofzegging uit, 's avonds of 's nachts niet.

nima

t :

Over de beteekenis, het gewicht en den verschillenden aard der lofzeggingen (rilD13) is reeds vroeger ge-

t :

sproken (II, 10). De lofzeggingen, die bij iedere gelegenheid in 't bijzonder moeten uitgesproken worden, alsmede de bepalingen, die daaromtrent in ieder bijzonder geval gelden, vormen een onderwerp, waarvan de nauwkeurige kennis voor het streng Joodsche godsdienstleven onontbeerlijk is. Het aanleeren der nlD13 en van de bepalingen, die er op betrekking hebben, wordt intusschen wegens den grooten omvang er van als een afzonderlijk leervak beschouwd.

ocr page 128

Hier volgen slechts enkele hoofdregels, die bij het uitspreken der lofzeggingen in aanmerking komen:

1. Daar alles, wat wij hier op aarde genieten, door ons als eene gave uit de liefderijke hand des Allerhoogsten behoort beschouwd te worden, zoo verliest ieder genot, indien ook nog zoo gering, voor ons zijne waarde, als wij niet vooraf Gode er voor danken (nmn HTH TO nUlT1? IIDK)-

T T : : V - T T • ♦ T *• T

2. Onverschillig of wij eenige spijs of drank als voedsel of bijv. als geneesmiddel nuttigen, zoodra wij er genot van smaken, zijn wij verplicht, vooraf de daarbij behoorende lofzegging uit te spreken.

3. Datgene, waarover de lofzegging uitgesproken wordt, moet echter door ons eerst ter hand genomen of ten minste voor ons aanwezig zijn.

4. Tusschen het uitspreken der lofzegging en het gebruik van de spijs of den drank mag niets gesproken worden, wat niet voor de zaak zelve hoogst noodzakelijk is. Is dit wel geschied, dan moet de lofzegging herhaald worden.

5. Regel 3 en 4 gelden evenzeer bij de D'lïDn JTD1quot;!!!, zooals de lofzeggingen over riï'X

.quot;GD enz.

T *•. T

6. Bij eenen maaltijd, waarbij men vooraf over

het brood de trsisn rOIS heeft uitgesproken, wor-• - ; ♦

den over de spijzen en dranken, die verder op tafel komen, geene nlITD meer gezegd, behalve over wijn en over vruchten, welke laatste niet als eigen-

ocr page 129

39

lijk bestanddeel van den maaltijd beschouwd worden.

7. Bij twijfel of men eenige lofzegging wel heeft uitgesproken, behoeft deze in het algemeen niet herhaald te worden, behalve bij pTan /H^nDn

hv en |fi5n

8. De lofzegging na eenig genot (HJlinK HDIS)

t - t t ;

wordt eerst uitgesproken, wanneer men van eenige spijs minstens een olijf groot genoten heeft of van eenigen drank zooveel als in omvang gelijk staat met l1/2 maal de grootte van een middelmatig ei.

9. Waar minstens drie mannelijke, godsdienstig meerderjarige personen aan eenen maaltijd vereenigd zijn, waarbij brood genuttigd wordt (of zelfs door twéé van hen brood en door den derde eenige andere spijs of drank) wordt |iTan ro-n in plechtige vereeniging (pÖT) voorgedragen, waarbij één van allen de luid uitspreekt en de anderen

t ;

stil volgen en het slot van iedere rOquot;l3 eenigszins

t t :

sneller uitspreken, om telkens met m te kunnen antwoorden.

10. Waar de pan door 10 of meer personen geschiedt, wordt bij de voorbereidende verklaringen (TpDJ enz.) het woord ingevoegd.

nVö.

t *

Het verbond der besnijdenis (n^Ö JT-Q), reeds

t • • :

met Abraham voor al zijne mannelijke nakomelin-

ocr page 130

40

gen ten eeuwigen dage gesloten, werd bij de wetgeving op Sinai vernieuwd. Door het ondergaan der besnijdenis treedt dus ieder mannelijk Israëliet in den grooten, heiligen bond des Jodendoms. Onze godsdienst kent geen dieperen smaad, dan dien van onbesneden by) te zijn. Zelfs onze aartsvader Abraham werd bij al zijne deugd eerst volmaakt (CTDn) geheeten, toen hij het gebod der besnijdenis

* t

ontving (Gen. 17, 1).

De plicht, om het jonggeboren mannelijk kind te laten besnijden, rust in de eerste plaats op den vader of, bij diens afwezigheid, op de mannelijke verwanten, die zijne plaats innemen.

Wanneer de vader er toe in staat en bevoegd is, dan moet hij zelf de besnijdenis verrichten, zoo niet, dan draagt hij die aan eenen deskundigen en bevoegden persoon (Snl!3) op, maar stelt zich bij de verrichting der besnijdenis in de onmiddellijke nabijheid van den besnijder, om duidelijk te kennen te geven, dat deze als zijn gelastigde de besnijdenis verricht. In ieder geval spreekt de vader onmiddellijk nadat bij de besnijdenis de eerste handeling verricht is, de lofzegging uit: Sir lnnD3 iD^DnS VDyX waarop de aanwezigen den wensch

r t t t : -

laten volgen; rninb nnaS 0^3

nairta.

De besnijdenis moet volgens het duidelijke voorschrift der Thora op den 8stC11 dag en wel over dag

ocr page 131

41

plaats hebben (Lev. 12, 3). Het is gebruikelijk, haar, tot teeken van bereidwillige opvolging van het goddelijk voorschrift, steeds zoo vroeg mogelijk na het einde van den ochtenddienst te doen geschieden.

Het wordt als eene gewichtige godsdienstige eere-functie (mïO) beschouwd, het kind bij de besnijde-

T : •

nis, op onze knieën nedergelegd, vast te houden en dus als het ware het altaar te vormen, waarop Gode een heilig offer gebracht wordt (p13D)- Bij afwezigheid van den vader spreekt de p'IJp de lofzegging iDrpnb uit.

Wanneer een kind in de schemering, kort voor het invallen van den nacht geboren is, dan moet de geestelijkheid geraadpleegd worden. Immers, wanneer het niet nog ongetwijfeld dag was, dan mag de besnijdenis eerst op den 9den dag of, wanneer dan een Sabbath invalt, op den 10den of, wanneer dan Slü QV is, eerst na afloop daarvan plaats hebben.

In het algemeen mag op fDl? en tDl* de

T -

besnijdenis niet plaats hebben, wanneer het op dien dag niet zeker de 8ste dag van de geboorte is.

Kinderen, die ziek zijn of waarbij zich in 't algemeen eenig vreemd verschijnsel voordoet, mogen volstrekt niet eerder besneden worden, dan nadat men een geneeskundige geraadpleegd en deze zijne toestemming tot de besnijdenis gegeven heeft. Moest

ocr page 132

42

in zoodanige gevallen de besnijdenis uitgesteld worden, dan moet, alvorens zij later plaats heeft, bovendien de bestemming van den dag der besnijdenis aan de geestelijkheid onderworpen worden.

IV.

DE VIERING ONZER BIJZONDERE DAGEN.

De dagelijksche belijdenis van ons dierbaar geloof, zooals deze in het voorafgaande hoofdstuk naar hare verschillende uitingen geschetst is, vormt het zekere middel, ons door den Algoede geschonken, om van dag tot dag te midden der gewone zorgen en bezigheden, die ons omgeven, de innige gehechtheid (rquot;Dntf) aan den Eeuwige, onzen God en den

T -I -

heiligen ijver voor onze hoogere bestemming als Israëlieten, als dienaren en belijders van het goddelijke woord onzer Thora, niet te verliezen. En toch zoude die dagelijksche belijdenis van ons geloof daartoe onvoldoende zijn, indien overigens de eene dag na den anderen onafgebroken in den dienst van het gewone menschelijke voorbijging en er geen tijden (D*30T) kwamen, waarop eene hoogere wet ons dwong, den arbeid te staken en ons tijdelijk aan alle lagere zorgen geheel en al te onttrekken. Reeds van de schepping is te dien einde de zevende dag van iedere week gezegend met de hoogere bestemming, om heilig te zijn voor onzen God. En bij de wetgeving

ocr page 133

43

werd, getrouw aan deze bestemming, die dag als heilige rustdag (rD*^) ingesteld, om ons iedere week

t quot;

de machtige schepping van het heelal in herinnering te brengen ID') en niet te doen vergeten de wonderbare verlossing onzer voorvaderen uit het land der slavernij, om spoedig daarop tot een heilig priestervolk gewijd te worden (D^YD quot;DT).

• it : * - . . v,«*

Naast dezen Sabbath zijn het de verschillende andere bijzondere tijden (TI HjViO), die alle, na heilige bestemming (ïinp Kquot;lpÜ) in plechtige. Godgewijde indrukken doorgebracht, ons leven hier op aarde moeten heiligen en ons voor godsdienstigen en zedelijken ondergang behoeden. Verdiept in den moeielijken strijd voor het bestaan, zouden wij het leven zelf tot het doel van onzen arbeid maken. De gewijde dagen des Heeren leeren ons telkens op nieuw begrijpen, dat het leven slechts de bodem is, waarop schoone vruchten van godsvereering en menschenliefde moeten gekweekt worden. Door hen wordt dus ons streven en arbeiden hier op aarde geheiligd, want het jtreedt in dienst van iets hoo-gers en edelers. Zonder die goddelijke dagen is het een rusteloos voortarbeiden, waaraan de hoogere bestemming, de wijding, de heiligheid ontbreekt.

De beteekenis en het karakter dier verschillende bijzondere tijden is door ons reeds vrij uitvoerig uiteengezet (I, 21 — 28 en II, 11—31), zoodat hier

ocr page 134

44

meer bepaaldelijk omtrent de viering van den Sabbath nog slechts het een en ander behoeft vermelding te vinden.

nr^.

t -

De voorbereiding tot, de viering van, de rust op en de maaltijden ter eere van den Sabbath (J—Dvi')

t quot;

hebben wij in het algemeen leeren kennen. Onbeantwoord is intusschen nog de gewichtige vraag: Welke werkzaamheden (niDsbo) zijn ons op den

t ;

Sabbath verboden? — Het algemeene antwoord op deze vraag is;

1. 39 Verrichtingen, die bij den bouw van het heiligdom in de woestijn vereischt en bij die gelegenheid op Sabbath verboden werden rrdKü'1?)

(ninxbü;

t ;

2. vele andere, die in hun aard en wezen met deze geheel overeenkomen en dus als uitvloeisels (finbln) daarvan gelden;

t

3. nog andere, die daarom verboden zijn, omdat zij door uiterlijke overeenkomst of andere oorzaken tot het volvoeren der beide eerstgenoemde soorten van werkzaamheden kunnen leiden.

Eene volledige en nauwkeurige kennis van alle op Sabbath ongeoorloofde verrichtingen kan slechts door de beoefening van Talmoed, Schoelchan Aroech en aanverwante geschriften verkregen worden. Om intusschen althans eenig overzicht er van te

ocr page 135

45

geven, verdeelen wij deze in: 1. Iets doen ontstaan, 2. tot een geheel verbinden, 3. het geheel nader vormen, 4. zuiveren, 5. bewerken, 6. voltooien, 7. scheiden, afzonderen of verdeelen, 8. bezigheid en beice-ging in het algemeen.

1. Iets doen ontstaan.

Zaaien, planten of bloemen begieten of bevochtigen, hetzij onmiddellijk of door in hare nabijheid te drinken of de handen te wasschen — ze in water zetten of zulk water aanvullen of ver-verschen — in 't algemeen alles, wat hunnen groei bevorderen kan.

2. Tot een geheel verbinden.

a. Van spijzen.

Het kneden van een deeg en in 't algemeen het aanmengen van korrelachtige stoffen, als; aarde, klei, mosterd, fijn gewreven brood of vruchten enz. tot een deeg. (Geoorloofd is alleen ten behoeve van den Sabbath zeiven een zoodanig mengsel te bereiden, onder voorbehoud, dat 1°. de vochtige be-standdeelen veel zijn, zoodat het geheel geen werkelijk deeg vormt, 2°. dat bij het vermengen datgene het eerst in het vaatwerk worde gedaan, wat op gewone dagen het laatst komt, 3°. dat de vermenging niet regelmatig b. v. met een lepel, maar eenvoudig met de hand, of door heen en weder schudden van het vaatwerk geschiede.) — Het brengen

ocr page 136

46

van kaas of andere eetwaren tot een afgerond en vorm.

b. Van stoffen.

Spinnen — draaien — tweernen — breien —haken — vlechten — een zeeft, mat- of mandewerk maken — kant maken en alles wat met deze verrichtingen gelijk staat; — weven en de verrichtingen, die daarbij behooren; — knoopen (geoorloofd is alleen, een knoop te maken, die alleen voor denzelfden dag bestemd, niet dubbel en niet aan het einde van een touw of draad gelegd is. Onder deze voorwaarden mag men ook voor denzelfden dag een strik met of zonder enkelen knoop er onder vervaardigen) ; — naaien — een naaisel vaster maken — lijmen — plakken enz. — vlechten van het hoofdhaar.

c. Van voorwerpen.

Bouwen of iets, wat gebouwd is, bevestigen of herstellen — een overdekking maken van minstens een vuist breed — een wand of schot tot afschutting plaatsen — aanbrengen of herstellen van deuren of vensters — herstellen van gebroken voorwerpen — verwijderen van oneffenheden op den bodem — een kuil of opening in den bodem maken.

d. Van plant- en delfstoffen.

Het binden van korenschoven — het bijeenbrengen of verbinden van eenige plant, vrucht of delfstof op de plaats, waar deze uit den bodem voort-

ocr page 137

47

komt — het samenbinden van vruchten, planten of bloemen tot één geheel.

3. Het geheel nader vormen.

a. Van den bodem.

Ploegen — omspitten — ingraven — ophoogen — effen maken.

b. Van voorwerpen.

Glad maken — poetsen — schaven — strijken (behalve bij spijzen) — polijsten — snijden — zagen — vijlen — houwen — klieven enz. (snijden van spijzen als voedsel is geoorloofd).

c. Van teekens en figuren.

Lijnen trekken, hetzij met kleurende of met scherpe voorwerpen — schrijven, teekenen, schilderen of op welke andere wijze ook figuren vormen, zij 't van blijvenden of niet blijvenden aard, als: in zand of op beslagen vensterruiten — verven — kleuren.

4. Zuiveren.

a. Van spijzen en dranken.

Wannen — lezen — filtreeren — zeven — zuiveren. (Bij spijzen mag men alleen de bruikbare bestanddeelen tot onmiddellijk gebruik met de hand uit de onbruikbare afscheiden. — Bij het afgieten van dranken, om het dikke terug te houden, moet iets van den drank onder het laatste vermengd blijven. — Bij het verwijderen van insecten of andere vreemde bestanddeelen uit dranken, moet iets van

ocr page 138

48

den drank mede verwijderd worden. — Vruchten mogen alleen tot onmiddellijk gebruik gepeld of geschild worden).

Van Kleederen.

Kleederen wasschen — in het water zetten — uit het water nemen — uitpersen — uitspreiden om te drogen — mangelen — vouwen — uitwrijven of uitborstelen van ingedroogd vuil.

5. Bewerken.

Malen, stooten, wrijven of zeer klein snijden (behalve het klein snijden of het fijn maken van spijzen tusschen de vingers of met de stompe zijde van een mes, alles tot onmiddellijk gebruik) — hard maken — week maken — smelten — looien — huiden inleggen of, op welke wijze ook, hard of rekbaar maken — koken, bakken, heet maken enz., onverschillig door vuur, door heete voorwerpen of op welke wijze ook. (Gaar gekookte spijzen of dranken in het koude jaargetijde door niet-Israëlieten in de kachel te doen warmen is geoorloofd, als zij daarin of daarop gezet worden vóór het stoken en in eene geheel van het vuur afgesloten ruimte geplaatst worden). — Vuur of licht, hetzij middellijk of onmiddellijk, doen branden of blusschen of het branden of blusschen er van bevorderen.

6. Voltooien.

Elke verrichting, waardoor aan eenig voorwerp

ocr page 139

49

de laatste hand gelegd, waardoor het voor zijne bestemming geheel geschikt wordt, bijv. het trekken van de noodige banden of riemen door kleederen of schoeisel, het verwijderen van rijgdraden, het slijpen of recht buigen van scherpe voorwerpen, het afspoelen van vaatwerken (tenzij men deze Sabbath nog wil gebruiken), het vouwen van kleederen in hun regelmatige vouw, het opwinden en in beweging brengen van uurwerken, machines enz.

7. Scheiden, afzonderen, verdeelen.

a. Van spijzen en dranken.

Uitpersen van vruchtensap, om tot drank te dienen, of het drinken van dat, wat zich van zelf op Sabbath afgezonderd heeft — melk, op Sabbath gemolken, drinken.

b. Van stoffen.

Een doek of spons uitpersen — een spons gebruiken, zoodat uitpersing veroorzaakt wordt — ijs of sneeuw opzettelijk doen smelten — het uithalen van weefsels of van gevlochten werk — losmaken van knoopen, die men op Sabbath niet vervaardigen mag, tenzij bij groote behoefte daaraan op den dag zelf, door eenen niet-Israëliet, wanneer de knoop van den beginne tot ontknooping bestemd was — scheuren of lostornen.

Wag. III. 4

ocr page 140

50

c. Van voorwerpen.

Breken (behalve van spijzen tot voedsel) —snijden, zagen enz. ook zonder de bedoeling, om aan het voorwerp een bepaalden vorm te geven (behalve van spijzen tot voedsel) — nitwisschen van teekens, figuren, letters enz., op welke wijze ook vervaardigd (vandaar ook het verbreken van zegels in lak).

cl. Van lichamen.

Een huid aftrekken — een huid splijten — het afscheuren, uitrukken, plukken enz. van haren of draden uit eenige huid of vel — het afknippen of hoe ook verwijderen van nagels — het uittrekken (van daar ook het kappen) van het hoofdhaar (gladmaken met de hand of met een zachten borstel is geoorloofd) — slachten — een dier (behalve dat levensgevaar veroorzaakt) dooden — een wond aanbrengen.

e. Van planten.

Maaien — afsnijden, of op welke wijze ook uitrukken van planten of gedeelten er van op de plaats, waar zij groeien - hun groei op eenige wijze tegengaan of belemmeren — een boom schudden of beklimmen — tegen een zwakken boom steunen — vruchten, van een boom gevallen, genieten of zelfs opheffen — het verwijderen van vruchten uit de aren of hulzen (wanneer deze laatste niet zelf genietbaar zijn),

ocr page 141

51

8. Beweging en bezigheid in het algemeen.

Het overbrengen van eenig voorwerp (behalve bij de kleeding en opschik behoorende) uit een afgesloten in een niet afgesloten gebied en omgekeerd (zie verder) — het dragen van een zoodanig voorwerp in een niet afgesloten gebied — het vangen, middellijk of onmiddellijk, van eenig dier — rijden — een dier berijden — varen — zwemmen — koop en verkoop — nazien van handelsbrieven — meten — wegen — berekenen — loten — lezen bij een licht (behalve in tegenwoordigheid van een ander) — het bespelen van instrumenten — het aanwenden van geneesmiddelen (tenzij bij niet onbeduidende ziekten, als zij door niet-Israëlieten bereid zijn).

Reeds is vermeld, dat men een op Sabbath on-geoorloofden arbeid ook niet door eenen niet-Israëliet mag laten doen, ook dan niet, wanneer men hem reeds vóór Sabbath opdraagt, dien op Sabbath te verrichten oid:1? mw.

• ; t : t *

Het is echter onder zekere voorwaarden geoorloofd, eenen niet-Israëliet vóór Sabbath eenig werk op te dragen, al bestaat ook de mogelijkheid, dat hij voor zich daaraan op Sabbath arbeidt. Deze voorwaarden zijn:

a. dat het werk niet bij ons te huis geschiede;

b. dat het loon vóór Sabbath bedongen zij;

Wag. III, 4*

ocr page 142

52

c. dat het werk ineen, en niet per dag beloond worde;

d. dat wi) op geenerlei wijze bepaald bevorderen, dat de niet-Israëliet op Sabbath arbeidt, zelfs niet door bijv. te verlangen, dat het werk spoedig na Sabbath voltooid zij;

e. dat het de bewerking van niet vaste goederen gelde;

f. dat het werk niet op eene openlijk zichtbare plaats geschiede (opdat geen misverstand daaruit geboren worde);

cj. dat wij door de verrichting van het werk op Sabbath geen voordeel hebben; dat dus de niet-Israëliet ook niet onze vaste bediende zij, die, door dit werk op Sabbath te verrichten, op eenen anderen dag aan een ander kan arbeiden.

Wanneer een Israëliet op Sabbath eenig ongeoorloofd werk met opzet verricht heeft, dan mag hij nimmer, en anderen eerst na dien Sabbath daarvan gebruik maken. Is het zonder opzet geschied, dan is het gebruik daarvan voor hem na het einde van den Sabbath, voor anderen onmiddellijk geoorloofd.

Van eenig werk, door eenen niet-Israëliet geheel voor zich zeiven op Sabbath verricht, mag een Israëliet alleen dan op dien dag gebruik maken, wanneer

a, het vervaardigde of bewerkte niet eenig voor-

ocr page 143

53

werp is, waarvan ons in het algemeen op Sabbath het gebruik niet vrijstaat (nïplÖ, zie verder);

b. het onmogelijk en ondenkbaar is, dat de niet-Israëliet bij zijn werk ten onzen behoeve meer of sneller gewerkt heeft. Hij moet bij zijn werk niet aan ons gedacht, of een zoodanig werk verricht hebben, dat voor weinige of voor vele personen geheel hetzelfde blijft;

c. door het gebruik, dat wij thans van zijnen arbeid maken, ook niet de mogelijkheid ontstaat, dat hij eenen anderen keer ten onzen behoeve meer of sneller arbeidt.

Heeft een niet-Israëliet ten onzen behoeve iets op Sabbath gearbeid, dan mag daarvan na het einde van den Sabbath eerst gebruik gemaakt worden, na verloop van zooveel tijd, dat het werk daarin kon geschieden (rfvyjr^ nra).

Voorwerpen, die niet reeds van vóór Sabbath voor hun eigenlijk gebruik konden of mochten bestemd zijn, als: volstrekt ongenietbare spijzen, voorwerpen van bijzondere fijnheid of kostbaarheid, voorwerpen, die eerst op Sabbath ontstaan zijn, voorwerpen voor verkoop bestemd, werktuigen voor op Sabbath verboden verrichtingen, of voorwerpen uitsluitend voor godsdienstige verrichtingen bestemd, mogen wij op Sabbath niet van hunne plaats bewegen, veel minder er van gebruik maken (nïplö).

tI :

Werktuigen, die gewoonlijk voor op Sabbath on-

ocr page 144

54

geoorloofde verrichtingen bestemd zijn, mag men alleen dan van hunne plaats bewegen, wanneer van hen zelf bij uitzondering, of wanneer slechts van hunne plaats voor eenige op Sabbath geoorloofde verrichting moet gebruik gemaakt worden.

Wy spraken zooeven van een voor Sabbath afgesloten en een niet afgesloten gebied. Dit vereischt nog eenige verklaring.

Als afgesloten gebied (Tnri muh) geldt iedere ruimte, die naar de hoogte of in de diepte door tien vuisten hooge wanden of afschuttingen omsloten is. Iedere vrije, niet aldus of op dergelijke wijze omsloten ruimte is, of moet door ons gelijkgesteld worden met een niet afgesloten ruimte nVvih) (D^nn. Men mag nu op Sabbath

• quot; t

a. niets overbrengen uit een quot;pnVI nVvjn in een

nivin en omgekeerd;

• - t :

b. in een HVvin niets vier Joodsche ellen

• - t :

ver dragen.

Wanneer dus onze woonplaats — zooals dit bij de meeste plaatsen het geval is — als D^nri te beschouwen is, dan mogen wij ook in die plaats zelve op Sabbath niets vervoeren, wat niet bepaald tot onze kleeding en opschik behoort.

Is echter die woonplaats op natuurlijke of kunstmatige wijze of op beide te zamen tot een «vrvn mfch geworden, dan mag dit dragen op den

ocr page 145

55

openbaren weg wel geschieden. — Om echter alsdan van de huizen naar de plaatsen en straten, en omgekeerd te mogen dragen, moet een op gezamenlijke kosten van alle Joodsche bewoners aangeschaft brood op eene bepaalde plaats als Eroeb (ninvn 2^) nedergelegd worden.

Over het Sabbath-gebied (Dinn), waarbinnen men zich in het algemeen op den heiligen rustdag bewegen mag, en over |*üinn 311^ is reeds vroeger gesproken (II, 14).

De toetten omtrent het zich bewegen en het vervoer van voorwerpen op Sabbath behoor en tot de gewichtigste bestanddeelen van de Sabbath-rust! Men leze slechts Exod. 16, 28 — 30 en Jeremia 17, 19—27.

In hoeverre nu de hier behandelde Sabbath-voor-schriften op Feest- en Middendag en gelden, hebben wij vroeger reeds geleerd (II, 15 — 17), evenals andere bijzonderheden omtrent de viering van de verschillende bijzondere dagen (II, 18 — 31).

Thans rest ons nog te spreken over den eere-dienst op die bijzondere dagen.

V.

DE EEREDIENST OP DE BIJZONDERE DAGEN.

De gedachten en herinneringen, die ons op de verschillende bijzondere dagen van het jaar vervul-

ocr page 146

56

len, vinden hunne duidelijke en welsprekende uitdrukking in de wijziging, uitbreiding of bekorting, die onze gewone gebeden, lofzeggingen en kerkelijke ceremoniën op die dagen ondergaan en in de bijzondere gebeden en gedichten, uitsluitend voor die dagen bestemd. Van beide willen wij hier een overzicht doen volgen.

A. WIJZIGINGEN IN DE GEWONE GEBEDEN. I. Wijzigingen in het Ochtendgebed (rT^ntJf). Aan de gewone nUaiDH nthö wordt op Sab-

T ;IT - -TT

bath en Nieuwemaausfeest de korte afdeeling omtrent het Moesaf-offer van die dagen (rOtfn DVDI

T - - :

of DD^nn Uit Numeri 28 toegevoegd.

In de Kquot;quot;ian *p1DÖ worden vóór Tüp VT op Sabbath- en Feestdagen eenige Psalmen ter eere dier heilige dagen ingelascht, o. a. Ps. 136, die Vnnn genoemd wordt. (De Psalm min1? quot;TiDtP

T - T ; : *

wordt op die dagen, zooals wij reeds gezien hebben, weggelaten.) Voorts leest men aan het slot der ^quot;quot;VOn quot;AIDS de verheven hulde en dankzegging notr: (ook wel n3quot;l3 genaamd).

Op Sabbath wordt ook de lofzegging nlK •quot;IVV) die aan ^quot;p voorafgaat, ter eere van dien heiligen dag met bijzondere dichtstukken vergroot.

ocr page 147

57

In het hoofdgebed worden op Sabbath- en Feestdagen de 13 middelste fllDIS, dus de eigen-

t :

lijke smeekingen, door ééne enkele vervangen,

t t ;

waarin de instelling, de beteekenis en de heiligheid dier rust- en feestdagen vermeld, en gebeden wordt, dat het den Algoede moge behagen, ons deze heilige tijden in welzijn en vrede en op eene waardige, Hem zeiven welgevallige en voor ons heilzame wijze te doen vieren. (nügt;0 nnN). Deze ééne

- : * it ; - ; T -

lofzegging eindigt dan quot;ook op Sabbath nSu'H vJnpO, op vreugdefeesten D^QTHI VttTwquot; vihpD, op het Nieuwejaarsfeest |1quot;DTn DVI anpD, op den

Verzoendag nniMH DVl

Het hoofdgebed bestaat dus op Sabbath- en feestdagen niet uit 19, maar uit zeven lofzeggingen (niD-D yyö) en heet dus ^3^ rhSD-

Op alle feestdagen wordt in de eerste der drie slot-lofzeggingen (Hïquot;! of het bijzondere gebed

ingelascht, waarin wij, in verband met de beteekenis dier lofzegging, om het herstel en de wederverhefflng van Israël, Jeruzalem en den tempel bidden, als wanneer ook de feestoffers weder als voorheen zullen gebracht worden.

Op de DWTtèn D'O* wordt de derde lofzegging

• T - * T

(viMlp nnX) verrijkt met het schoone, verheven

ITTquot;

gebed, waarin gebeden wordt om de verheffing van het menschdom (ïpnfi jn), van Israël ni23 |n),

ocr page 148

58

van de braven en uitverkorenen pSl) en

eindelijk van bet Opperwezen zelf ffllVQn1))-Op den Verzoendag volgt aan bet einde der

de reeks van belijdenissen waarin wij

op dien beiligsten aller dagen onze tekortkomingen voor den Allerhoogste blootleggen en om vergiffenis en kwijtschelding smeeken en

('nTjklJ xW 1^- Bij bet ochtendgebed op midden-dagen, nieuwemaansdagen, feestelijke gedenkdagen, algemeene vastendagen en verdere bijzondere dagen worden de gewone niO*^ uitgesproken.

Daarbij geschieden echter de volgende inlasschingen of wijzigingen:

Op -tylan Vin en trln in nxn het gebed RÜ'1'! nbv11- (Dit gebed wordt dus uitgesproken op

t : v

alle dagen, waarop voorbeen een t]p10 -offer gebracht werd, behalve op HSiy);

t ~

op de feestelijke gedenkdagen (rDIjn en in DHlD de dankzegging □quot;'pari waarin de aanleiding tot het feest in korte trekken herdacht wordt;

op algemeene vastendagen bij het ochtendgebed door den voorlezer tusschen en 12^01

.. t ; • •• iquot; t ;

het smeekgebed 133^;

op de nnv^n ^ verschillende wijzigingen,

die voortvloeien uit de stemming, die ons op die dagen bezielt, waarin wij ons den Allerhoogste bovenal als Koning en Rechter van het menschdom

ocr page 149

59

denken en rj|t^Dn -]^n) en waar

in wij om het leven en welzijn van ons en de onzen smeeken (iyOT, ïllOD *0, DlrOI en D^n 1ÖD3)-

: t I i t * : • - v iquot; ;

Onmiddellijk na de herhaling van het gebed door den voorlezer (n^öm mtn) volgen:

t • : - -t

op Wquot;gt;, (behalve op de DWllan wegens

♦ t quot; ♦ t

hunnen ontzagwekkenden ernst), DITin, en

nSUn de psalmen 113 — 119, die wij noemen en met de lofzegging sluiten (Op de zes

laatste dagen van Pesach en op m worden

it,

en weggelaten en noemt men dit dan

% ' : i~ t quot;

;

op de nsv^n W het gebed

Oorspronkelijk is dit gebed vervaardigd overeenkomstig den inhoud der TMfcW, waarom het dan ook op jnSlt' niet uitgesproken wordt, behalve

t -

bij ook op 3nquot;V wordt het weggela

ten, als deze op Vrijdag invalt, behalve bij het ochtendgebed.

D^rb (De Priesterzegen )

Toen tempel en offerdienst nog bestonden, moesten de priesters dagelijks na het brengen van het morgenoffer zich naar de daarvoor bestemde verhooging begeven, om van daar met hoog opgeheven handen volgens het voorschrift van Num. 6, 22 — 27 het volk in naam van God te zegenen. Thans geschiedt deze plechtigheid, gelijk wij reeds

ocr page 150

60

vroeger zagen (II, 9) in de meeste gemeenten alleen op feestdagen bij enkele bidstonden, terwijl bij _ alle overige morgen- en tplO bidstonden, evenals bij die van den namiddag op algemeene vastendagen en bij het slotgebed op D'TIV in de plaats daarvan het gebed UnttK VtVs1! door den voorlezer uit

gesproken wordt.

De plechtigheid van den priesterzegen vormt thans de eerbiedwaardigste herinnering en het indrukwekkendste overblijfsel van den voormaligen tempeldienst. Ieder persoon dus van priesterlijke afkomst (|n'3), die ter synagoge aanwezig is, wanneer de voorlezer tot de zegening oproept, is ten strengste verplicht, aan die roepstem gehoor te geven. Wie dit zonder wettige reden nalaat, overtreedt een duidelijk voorschrift uit onze Thora en handelt oneerbiedig tegenover de indrukwekkende herinnering aan Israels eenmaal zoo luisterrijken en beroemden heiligen dienst. Om wettige redenen verhinderd zijnde, behoort de |rl3 althans te zorgen, dat hij, alvorens de voorlezer tot de zegening oproept, de synagoge verlaten heeft.

De priesters begeven zich bij het begin van nVT naar de plaats vóór de Heilige Arke, waar de zegening zal plaats hebben, nadat zij zich vooraf van lederen schoeisel ontdaan hebben en hun door de Levieten (D^b) de handen gewasschen zijn.

Zij plaatsen zich aldaar met hun aangezicht naar

ocr page 151

61

de Arke tot vóór het begin der lofzegging, die aan de zegening voorafgaat. Alsdan wenden zij hun aangezicht naar de gemeente, verheffen hunne handen onder het tot de hoogte der schouders en richten hunne vingers op de bepaalde, voorge-schreven wijze.

De voorlezer zegt ieder woord van den zegen vooraf en dan spreken de priesters het uit.

Na het einde van ieder der drie verzen van den zegen antwoordt de gemeente

Waar slechts één priester de zegening verricht, wordt hij daartoe niet door den voorlezer met het woord Ü'irü opgeroepen.

Is de voorlezer zelf een dan neemt hij aan de plechtigheid volstrekt geen deel, maar blijft rustig en zwijgend staan, terwijl een ander den voorgaat. Is hij echter de eenige aanwezige dan moet hij de zegening verrichten.

De zegen moet door de priesters in plechtige aandacht uitgesproken en door de gemeente op dezelfde wijze aangehoord worden. Ieder woord, wenk of blik, waardoor de aandacht kan gestoord worden, moet men daarbij streng vermijden.

De gevallen, waarin de priester niet tot de zegening wordt toegelaten, als: ten gevolge van enkele zware zonden, wegens zekere lichaamsgebreken, wegens het aangaan van, of het ontsproten zijn uit een voor eenen priester ongeoorloofd huwelijk of wegens

ocr page 152

62

rouw om overleden verwanten, moeten steeds vooraf aan het oordeel van bevoegden onderworpen worden.

De priesterzegen mag volstrekt niet beschouwd worden als een middel) waardoor de priesters zeil eenigen invloed op de lotgevallen der gemeenteleden konden oefenen. Deze opvatting ware geheel in strijd met de begrippen van ons geloof. God alleen is het, die den zegen schenkt, en dien zegen wen-schen de priesters de gemeente toe. Dit ligt duidelijk in de woorden van den zegen opgesloten, en is klaarblijkelijk ook de zin van Num. 6, 27,

ns*.

Over de voorlesing uit de Thora (mlnil in het algemeen is hierboven reeds gesproken. Over die op Sabbath en feestdagen enz. zie het Aanhangsel van dit werk.

Bij de voorlezing uit de Thora sluit zich bij den ochtenddienst op Sabbath en feestdagen en op 9 Ab, alsook bij den namiddagdienst op alle algemeene vastendagen de mS3ön aan, d. w. z. de voordracht van

t t : -

een stuk uit de profeten, naar zijnen inhoud met dien van de Sabbath-afdeeling, of met de beteekenis van den dag overeenkomende.

De voordracht van de nitOfin wordt met bepaalde

t t ; -

lofzeggingen ingeleid en besloten (rnttSHn rTDIS). Aan hem, die de nquot;~lüan voordraagt (quot;TDflD),

' tt ; - * ; -

ocr page 153

68

wordt vooraf een stuk uit de Thora voorgelezen, en wel: op Sabbath-morgen de herhaling van de laatste verzen der afdeeling, nadat het verplichte aantal van minstens zeven personen voor de Thora verschenen was; op feestdagen en bijzondere Sab-bath-dagen, de buitengewone afdeeling, die uit de 2dü of 8de Wetsrol wordt gelezen; terwijl op alge-meene vastendagen des namiddags en op 9 Ab ook bij den ochtenddienst de TipöQ eenvoudig als derde of laatste der voor de Thora geroepenen optreedt en hem dus het laatste gedeelte der voor die dagen bestemde afdeeling wordt voorgelezen.

Ook de vijf rollen (nl^a vTOn) worden op ver-

• : •• t

schillende dagen vóór of na minn gelezen,

en wel: op nD2 (den laatsten dag of Qnquot;in rDt^)

iv t quot;

er vóór Tl?, op (den tweeden dag)

er vóór nn op rrotr of niap omn nzv

er vóór riViip, op (behalve 's avonds) ook na

nrrp, inpx, op 3K3 njnrn het Klaaglied nD'X (dit laatste echter in de meeste gemeenten alléén 's avonds na y v?}.

Over de inDN en het lezen er van hebben

wij vroeger gesproken.

Er zijn sommige Sabbath-dagen in het jaar, die eenigermate als bijzondere Sabbath-dagen beschouwd en waarop buitengewone gebeden of dichtstukken uitgesproken worden. De meeste daarvan ontleenen hunnen naam aan de bijzondere Thora-afdeeling of

ocr page 154

64

Haftara, die op die dagen gelezen worden. Zij zijn:

1. ri3v?, de eerste Sabbath na ♦yDïï' waarop de Thora-lezing weder met de eerste

afdeeling, begint.

2. De vier Sabbath-dogen vóór en na naar de bijzondere Thora-afdeelingen

die daarop gelezen worden, genaamd: «• Sabbath vóór of op 1 Adar of

I Adar II, waarop de afdeeling der D'Vp'v^ (Ex. 30,

II — 16) gelezen wordt, ter herinnering aan de oproeping tot het inleveren der bijdragen voor den tempelen offerdienst, die voorheen in dezen tijd van het jaar geschiedde, (Van daar stamt ook het offeren van

mra vóór of op Poerim, door ieder mannelijk persoon, boven de 20 jaren oud).

b. 113? rOtf, Sabbath vóór Poerim, waarop de

T - -

afdeeling omtrent het gebod van Amalek's eeuwigen verdelging, p^. ^ Ti5^ VvTH nK (Deut. 26, 16 — 19) gelezen wordt.

c. eerste of tweede Sabbath na

TT - -

Poerim; lezing van de afdeeling omtrent de reiniging met de asch van de ontzondigingskoe nquot;|lnn Hpn nXT (Num. 19), welke voorschriften voorheen in dezen tijd van het jaar in verband met het brengen der Pesach-offers meer dan anders in toepassing kwamen.

cl. ïinnn nsï^, Sabbath vóór of op 1 Nissan; lezing der afdeeling DD1? Htn ^quot;fnn (Ex. 12,1 — 20), waarin Israël op het Pesach-offer en het Pesach-

ocr page 155

65

feest wordt voorbereid. (De voorbereidings-Sabbath onmiddellijk aan Pesach voorafgaande, heet

(bi-m.

T -

3. De drie Sabbath-dagen in de drie treurweken tusschen T12n3 V en 3X3 quot;£2 Xnbn),

naar de bijzondere boetprofetieën van Jeremia en Jesaja, die daarop als Haftara's gelezen worden, ook genaamd: 'quot;Dquot;] quot;W en prn quot;amp;■

4. De Sabbath na 3T1, waarop Jesaja's troostrede lönj als Haftara gelezen wordt: lOnj (In het algemeen worden gedurende de zeven weken na 3'n (Knönjl even zoovele troostredenen

t t t v ; *r : '

van Jesaja als Haftara's gelezen.)

5- nnv^ nair, Sabbath na Hirn ITNquot;), dus in

T - - TTquot;

de bekeeringsdagen, zoo genoemd naar den aanhef dei-Haftara nnVvT (Hosea 14).

** TC* T

II. Het Moesaf-gebed (^piD n'pan)-

Het Moesaf-yehed (I, 18 en H, 7) bestaat hoofdzakelijk uit een yytf n^ön, d. w. z. een gebed, waarvan dezelfde lofzeggingen als bij het ochtendgebed het begin en het slot vormen, terwijl in het midden ééne lofzegging wordt uitgesproken, waarin de voormalige feestoffers in het algemeen en dat van iederen bepaalden Sabbath, feestdag of nieuwe-maansfeest in het bijzonder (uit de afdeeling DH^ö)

T ;

herdacht, het verlies van tempel en offerdienst betreurd en om het herstel daarvan gebeden wordt.

Wag. III, 5

ocr page 156

66

Een bijzondere uitbreiding ondergaat dit gebed op v£WT Alsdan immers worden in plaats van de ééne middelste lofzegging drie ingevoegd, naar hunne beteekenis en strekking genaamd: riVpVp/ en De eerste spreekt namelijk

van Gods almachtige regeering des heelals, de tweede van de herinnering aan alle schepselen in het algemeen en aan Israël in het bijzonder, die bij het Opperwezen ten allen tijde bestaat, de derde van het bazuingeschal, bovenal van dat der wetgeving en der toekomstige verlossing. Het zijn dus de heilige, verheven denkbeelden, waarvan de Nieuwejaarsdag en de ons

spreken, die in deze lofzeggingen vervat zijn. Ieder dezer drie lofzeggingen is aldus samengesteld; 1. Eene inleidende hulde aan het Opperwezen (wby, -OIT nntf en rvb:: nns4); 2. tien Bijbelver-

v \..*T .. T - Tlquot;:- T -

zen, waarvan 3 uit dG Thora, 3 uit cIg piofGtGn, 3 uit de overige heilige geschriften en nog één uit de Thora; 3. een slotgebed (Tpbo, en ^31^3 ^n), die bij de eerste afdeeling (nVrPQ) met de gewone slotbede van het feestgebed (jlnan DW samenvalt.

Daar de inhoud van de bede i'eeds in

het geheele SlpIQ-gebed opgesloten ligt, zoo wordt deze in dit gebed steeds weggelaten.

ocr page 157

67

III. Wijzigingen in het Middaggebed (nnjö)-

Na wordt bij het middag-gebed op Sabbathen feestdagen ook Kil uitgesproken.

Onmiddellijk vóór nrï'p draagt men op Sabbathmid-dag bovendien het vers Tiffin (Ps. 69,14) voor.

Het hoofdgebed bestaat op Sabbath-middag, evenals des morgens, uit zeven lofzeggingen n'pan), waarvan de middelste, de Sabbath-lofzegging nntf)

t -

(ins met n^n sluit, op Feestdagen en Hoog-

tv T - - ••I- :

tijden is het geheel gelijkluidend met het ochtendgebed dier dagen. Op ^in en m invoeging van

ny) rhy_\ op en anis van

in de nSVv^n W de bij het ochtendgebed

genoemde wijzigingen. Op algemeene vastendagen

door de gemeente in de lofzegging en door den voorlezer als afzonderlijke lofzegging vóór Op 9 Ab het gebed om Tsions ver-

iquot; t ;

troosting, Qnj, in de lofzegging Voorts

t. - .t . .

op algemeene vastendagen door den voorlezer het gebed in plaats van Jmrü

Op het hoofdgebed volgen op Sabbath-middag in de plaats van pjnn de verzen enz. Op

zulke dagen, waarop geen pjnn gezegd wordt, vervallen dus ook deze.

In de (behalve op Sabbath,

Vrijdag, 3nquot;V en Dnquot;V volgt hier het gebed

iquot; ; - rr

Wag. Ill, 5*

ocr page 158

68

Het is algemeen gebruikelijk, bij den namiddag-dienst op Sabbath gedurende den winter de Psalmen 104 en 120-134 (nl^ön Ti?, ^33 ^quot;IS) en gedurende den zomer één of twéé hoofdstukken der J—1Ï2K ^quot;12 te lezen.

IV. Wijzigingen in het Avondgebed (JTinj?)-

Het avondgebed onderscheidt zich op Sabbath, Feestdagen en Hoogtijden van dat der werkdagen hoofdzakelijk door de vervanging van yv dooreen voor Feestdagen en Hoogtijden gelijk aan dat van hun ochtend- en middaggebed en voor Sabbath met nUHp nn« als Sabbath-lofzegging.

T ; !-)• T -

Bovendien ondergaat het nog de volgende wijzigingen of uitbreidingen:

De verzen Dim {Wl vóór worden op die

dagen weggelaten, omdat smeekingen, als daarin vervat, op Sabbath niet worden verricht.

Het slot van het gebed luidt op die

dagen: wbv DllÖI enz-i omdat op Sabbath en Feestdagen de hoogste goddelijke zegen bestaat in de beschutting van vrede, kalmte en rust n2D) (DlbvT, die zich dan over onze woonsteden en fa-miliën uitspreidt.

Onmiddellijk daarbij (met weglating van Tl

sluit zich dan de voordracht van één of meer bijbelverzen aan, waarin de hoofdbeteekenis van den dag uitgedrukt is, als; op Sabbath 'HQwh, op

ocr page 159

69

de Vreugdefeesten nt^O quot;ÖT1' 0P het Nieuwejaars-feest l^pri, op den Verzoendag ntn Dl'S

Op Sabbath, Feestdagen en het Nieuwjaarsfeest (behalve de beide eerste avonden van Pesach) wordt in de synagoge vóór de plechtigheid van

verricht ^tot openlijke heiliging der gewijde dagen, tevens ten behoeve van hen, die te huis niet in de gelegenheid zijn, om ï^llp te hooren. Daarbij wordt ook op nlvair, nl3D en mtrn V?a-\ de lofzegging

t \ tt-

uitgesproken.

it v: v v

De Vrijdag-avonddienst bevat voorts:

natr rib^p, Psalmen en het schoone Sabbathlied

t - - t 1-

nn rD1? tot begroeting van den heiligen Sabbath-

t ;

dag bij zijne intrede;

na yv herhaling van en verkorte herhaling van (nlDX pO bevat alle gedachten

van dit gebed in verkorten vorm en wordt daarom ook genoemd „naar den inhoud der ze

ven lofzeggingenquot;);

PP^IS nan (Tractaat n^vT, Perek II) over de Sabbath-lichten, sluitende met de stichtelijke afdeeling T'quot;1 quot;IQK (einde van het Talmudtractaat nlDquot;l3).

t r : v - t t :

Op Zaterdag-avond (rQïi^ ♦XVID): vóór het gebed

t - *• t

de psalmen 144 en 67 tot uitgeleide van den Sabbath, in invoeging van HUJln nnK ter ver-

't ; - t -

melding van de onderscheiding tusschen gewijde en ongewijde dagen ulbiari), na en

ocr page 160

70

UMlp nntfl (behalve wanneer op een der aanstaande

It T - :

werkdagen 13quot;» Invalt) en quot;rp |ri% bijbelverzen, sprekende van den goddelijken zegen, bijstand en bescherming, om met deze bemoedigende gedachten de nieuwe week in te treden; waarna en Psalm 128

t t ; -

(aansporing tot vlijt en redelijken arbeid ^*03

(-|b baxn

Bij den avonddienst na het einde van Feestdagen ttr^KïlO) alleen lirmin nm en nb^rin (even-

•• T IT ; - T - T T ;

als te huis, zonder gebruik van specerijen en licht).

op ania en asa njnrn: nm] vóór

lyby- over roquot;^ rhya en —inp^ ri^jp op

die avonden is reeds gesproken.

Over Q'DCT enz, zie bij

het Ochtend- en Middaggebed.

B. BIJZONDERE GEBEDEN EN DICHTSTUKKEN VOOR BUITENGEWONE DAGEN (D^Vö)-

Tot hiertoe spraken wij van onze oorspronkelijke, oude gebeden (nl^firO- A1 deze gebeden zijn eenvoudig van vorm en bevattelijk van inhoud. Zeer dikwijls zijn zij geheel uit Bijbelverzen samengesteld; en ook daar, waar dit niet het geval is, spreken zij desniettemin in Bijbelschen stijl en uitdrukkingen. Wie geen vreemdeling is in den Bijbel, kan ook onze gebeden begrijpen, die, evenals deze,

ocr page 161

71

schoon en indrukwekkend, maar daarom niet minder eenvoudig en natuurlijk zijn.

Van minder eenvoudigen aard zijn de bijzondere gebeden en dichtstukken, in lateren tijd voor de buitengewone dagen en tijdstippen van het jaar vervaardigd, die den algemeenen naam van dragen en naar

hunnen verschillenden aard en bestemming verdeeld worden in: Feestdichtstukken (DWÖ), Smeek- en boet-rjebeden (rnlrvSp) en Treurzangen voor 9 Ab (rili'p) (II, S, 15, 23 en 30). Deze zijn in taal, vorm en inhoud zeer van de oude, Bijbelsche stukken onderscheiden. Hunne taal is het latere of nieuic-He-breemvsch, met vele vroeger ongekende woorden, vormen en verbindingen, ook zeer dikwijls met de vrijheid, den dichters eigen, op kunstmatige wijze omgewerkt. Bovendien zijn het gedichten in den lateren zin van het woord, d. w. z. met aanwending van velerlei kunstvormen, als: rijm, versmaat, alphabethische volgorde, (hetzij in de gewone orde, 3'K, of in de omgekeerde, TviTl, of op nog andere wijze, Wquot;2, jTK enz.), bepaalde woorden, bovenal den naam des vervaardigers, als beginletters der verzen en versleden, kunstmatige invlechting van bepaalde Bijbelverzen enz. Geen wonder dus, dat deze dichtstukken reeds om hunne taal en vorm gewoonlijk vrij wat moeielijker te vatten zijn, dan de oude, oorspronkelijke gebeden. Nu is dit echter ook het geval met hunnen rijken, veel-

ocr page 162

72

zijdigen inhoud. Alle begrippen, herinneringen en gedachten, die onze voorouders dagelijks vervulden, maar vooral op bijzondere dagen hun voor den geest kwamen, hun geloof, hunne vereering, hun bidden, hun vreezen, hun zuchten, hun danken, hun juichen, hun hopen, hunne studie, ja waarlijk, dit alles is met diep gevoel en aangrijpende kracht in deze. dichtstukken uitgedrukt. Het beteekent dus veel, deze goed en ten volle te begrijpen. Maar wie zal niet wenschen, hen te leer en begrijpen, wanneer hij weet, dat hij, daarin verdiept, eerst recht begint te leven in die wereld vau schoone, edele, aandoenlijke en echt godvruchtige Joodsche denkbeelden en herinneringen, waarmee ons geheel leven en gedrag als Israëlieten eerst zijne werkelijke kracht en betee-kenis verkrijgt? Inderdaad, wie op feest-, boete-en treurdagen geheel leven wil, bezield door de indrukwekkende gedachten dier heilige, gewichtige tijden, hij neme met verstand en gevoel aan de voordracht der deel!

1. De dertien geloofspunten (I, 1 — 3) belijden wij in een verheven gedicht, op de plechtigste oogenblikken onzes levens, in 't bijzonder aan het slot van Sabbath- en feestbidstonden, en aan het sterfbed van een geloofsgenoot.

2. Hulde aan God, onzen Vader, Koning en Beschermer is de groots gedachte, die in tal van gebeden, dichtstukken en liederen tot uitdrukking komt. Zoo bijv.:

ocr page 163

73

in het schoone, zoetvloeiende lied waarmede wij 's avonds bij het ter ruste gaan en des morgens bij het ontwaken, lichaam en geest G-ode toevertrouwen;

in het even lieftallige als beteekenisvolle Chal-deeuwsche gedicht Dby p3quot;l IT, dat gewoonlijk bij Sabbath- of Feestmaaltijden voorgedragen wordt;

in het naar den inhoud van pTDH be

werkte tafellied

; i- t v ♦

in het PD^n-lied Tiï dat de wonderbare

verlossing onzer voorouders op verschillende gevaarvolle tijdstippen bezingt;

in tal van verheven, plechtige dichtstukken uit de gebeden der Hoogtijden {D\S41l2n ÖW, als: op 'K nn in Ti'V (*) en en in fjDID - ^4?

en Tnisn - op '2 m: in mnsy -

Hni, pm* 'bysh jns4 en quot;jVö - en in ?jD1D -Tnixn -; op Dnisan dv: in mnp - nnia a^tan (naar n^nn), max

lyrtbx namp;yp enz. bijna al het volgende

tot de nirvbp - in ïpio - iamp;x, ini^n,

no^ri bb enz. tot

in het schoone, Chaldeeuwsche lied niQlp^,

t1 : -

waarin op bij het begin van de Thora-

t

lezing gezongen wordt van Gods grootheid, de hulde,

O De namen TiV, ]31N, HTIND. nSHN, rh-J en dragen de

□lt;[0V3 in de quot;intf bil? i2fquot;p niD13 naar de plaats, waar zij ingclasclit worden.

ocr page 164

74

Hem in de hemelen en op de aarde gebracht en Israels geloof en verwachtingen;

in de lofliederen, TlHTVTv? genaamd, en bestemd, om bij den ochtenddienst van de verschillende dagen der week voorgedragen te worden, en het Eerelied Ol33n quot;Tty) voor Sabbath- en Feestdagen

T -

(niTpï QW).

3. Gods grootheid bezingen ook de Hemelsche wezens, die wij Engelen noemen. Deze gedachte — wij zagen het reeds - ligt ten gronde aan een deel van de nntf hv Wquot;p nlSIS, dat heet. En dezelfde vormt ook den inhoud van eenige dichtstukken, die zich daarbij aansluiten, als; voorn!3t^

m: voor wvnii nit: nnxönn

voor a DV nnjTl, voor '3 DV :

D'VxiS nlFTlK en voorts aan eenige gedichten voor den Verzoendag, als: voor ^rP nnn^: riTl^n

nr Vk rn; voor ht

nj; voor rrr nnjQ;

4. Hoe de hoogere en aardsche wezens eenparig en te zamen Gods lof verkondigen, daarvan zingen nog eenige bijzondere dichtstukken voor de JPP, als: voor 'k nquot;i nnn-^: nnsï, voor

'3 m nnn^: pni^ ba, voor nnnir

pnir quot;hx, voor nn7» ^010:

D'pnir wm.

Ut; •• ♦ -

5. Eene bijzondere verhouding echter, een band van wederkeerige genegenheid en liefde heerscht tusschen

ocr page 165

75

God en Israël. Op vele plaatsen in den bijbel wordt dit verbond zinnebeeldig voorgesteld als een echtverbintenis tusschen het Opperwezen en Zijne geliefde (Israël), die Hij eenmaal aan zich verbond (DnïD nXT), haar huwde (min ?na), eindelijk

♦ i- : • T

echter na geruimen tijd van zich verwijderde |3in), Nog steeds zien beiden uit naar den ge-

T

lukkigen dag der hereeniging, die eenmaal zal aanbreken Vooral het Hoo-

gelied (Q'Tl^n is volgens de zinnebeeldige

opvatting onzer geleerden geheel van die denkbeelden vervuld en vormt dus Jiet lied van de wederkeerige liefde tusschen God en Israël.quot; Zoo wordt dus dit Hoogelied op npö, het feest der verbintenis gelezen en vormen weder de meeste dichtstukken, die op '3VN HDfi en op rDvT noö on'in in de nntr ir'p nimri ingeiascht worden, eene vrije en kunstige omwerking van T*^. Bijzonder uitmuntend door schoonheid zijn de dichterlijke beden tot den geliefden Vriend om weder-oprichting van het oude verbond, die op die dagen vóór inge-

•• T : ♦ - T

voegd worden en telkens naar het slot van het Hoogelied met nil ITQ beginnen.

Bij de intrede van den Sabbath begint Israël de gewone, alledaagsche zorgen te vergeten en God (haren geliefden vriend) meer nabij te komen. Van daar dus, dat ook bij de nadering van dat tijdstip door velen

ocr page 166

76

Cn^'n *1^ gelezen wordt en ook het schoone Sabbath-lied nil in denzelfden geest ver-

t :

vaardigd is.

6. Het feit van DHXp op zich zelf treedt overigens natuurlijk nooit meer op den voorgrond dan op Pesach. Van daar dus, dat van

quot;n4 npa, nnn^ van quot;3 nD3 sn J-blliin natrV bijna geheel daaraan gewijd zijn.

t - t - ;

7. In onmiddellijk verband daarmede staat de doortocht door de Schelfzee (CjlD Q* ^oor ons op de twee laatste dagen van Pesach herdacht wordt, zoodat TaV en nnniT dier dagen bijna geheel uit dichtstukken over dit wonderbare feit samengesteld zijn. Telkens treffen wij daaronder meer of minder uitvoerige omwerkingen aan van het Lied der Schelfzee QTI nTlT), hier en daar, zooals in Ti'V, tevens met gebruikmaking der verzen van den Pscdm SsitT*

QnïQD.

8. De plechtige sluiting van het eeuwig, onvergankelijk verbond tusschen God en Israël, de godsdienstige wording van dit volk had plaats op 6 Si-van bij de Wetgeving op Sinai (niln WO)- De Q'ÜVÖ van het Openbaringsfeest zijn bijna alle dichterlijke ontboezemingen over dit groote feit, telkens aan de hand der tien geboden. Voornamelijk de schoone, verklarende omschrijving dier

ocr page 167

77

geboden in de beide ÉpID-gebeden van dit feest zijn treffend en leerrijk.

9. Ook de lof van de Thora in het algemeen vormt het onderwerp van verschillende, waaronder zeer uitvoerige, feestrijmen voor deze dagen aan de hand der verzen 'üquot;n n^Nquot;! ♦iïp TI enz. in Spreuken

: - ♦ ♦itIT

8, 22 — 36, door onze wijzen zoo zinrijk aan de Thora in den mond gelegd. De geheele geschiedenis harer wording en ontwikkeling, van vele eeuwen vóór de schepping tot den grooten dag der openbaring, verhaalt de Thora naar aanleiding van genoemde verzen in miT^ van de beide dagen.

10. Vreucjde met en verheffing op deze Thora vervullen ons natuurlijk in de eerste plaats op den Vreugdedag der Wet (min nnQt^). Deze vinden

hunne uitdrukking in het gedicht even-

!♦ ; !♦

als de groote leeraar der Thora, Mozes, op dien dag gevierd wordt in b'biQ zijn verscheiden

in den treurzang Drp3 TX (nblt), terwijl de

tt i : ♦ t

—lïV-gedichten van dien dag aan zijne laatste zegeningen (roian nNTI) gewijd zijn, die immers op

t t : - :

dien dag uit de Thora voorgelezen worden.

11. Eén maal worden door ons alle 613 ge- en verboden onzer Heilige Leer achtereenvolgens opgesomd, en wel in de zoogenaamde van

t : -

quot;X fjDIÜ, beginnende nbrun nDK-

12. Ook enkele voorschriften over bepaalde geboden en andere bestanddeelen van onze wet of overleve-

ocr page 168

78

ring vinden op deze wijze eene min of meer dichterlijke of berijmde beschrijving, als:

de Pesach-voorschriften in bnn rvw

(D^ninü inx) ••

de ablV-bepalingen in van quot;K HIDD;

t

de rDD-bepalingen in van quot;2 JTOD;

T % .

de kalender-bepalingen in quot;}lt; npDön1? quot;1ÏV; de Joodsche maten, gewichten enz. in

a^pvT cvxn TX).

1 t !♦ t t

13. Naar de voorschriften dezer Thora zoude Israël zijnen God dienen in het heilige, uitverkoren land, door Hem reeds aan hunne voorouders toegezworen. Groot was Israels roem en luister, zoolang Zijn heiligdom in hun midden troonde. Vol trots en vereering spreken de feestdichters in levendige kleuren van den gewyden dienst, die voorheen binnen de muren van Israëls stad en tempel aanschouwd werd. Vooral op de bijzondere dagen van het jaar immers vindt Israël aanleiding tot deze verheffende, indien ook tevens weemoedige herinneringen. Zoo bijv. tot die van

den dagelyjkschen dienst (Tönn in nirV7D

srpi m p'vr quot;n ovb (nptf 'n);

het npö PIP. in noa Vvi* Vbb (n^TX r^X);

t : ; v v iquot;

het plechtig afsnijden en brengen van den Omer

1

Slotgedicht, evenals nrpns, Openingsgedicht.

ocr page 169

79

moyn nn-ipn) in hds bv o Vbb (^n DV 11X);

het brengen der eerstelingen (□''quot;1133) naar den tempel in myiV quot;3 b'bb

het brengen van o/quot; zijn losgeld naar

Jeruzalem in JTOD Wü quot;2 H^IK)

(nn^si;

het plechtig vreugdefeest van het waterscheppen

op nüp (nnxirn nnot^) in rrmya ' (D)Dn mux);

het brengen der sikkelen voor tempel- en offerdienst in D^p'vr ny-sh nnn-^en'anpDfin1? w);

de behandeling der ontzondigingskoe (nDIIX HIÖ)

T TT

in ni'V en nnn*^ van HIS TW-

De heiligste, diepst aangrijpende stonde echter • doorleven wij op den middagtijd van den Verzoendag, als de miDVn IID voorgedragen wordt. Dichter-

T T VIquot;

lijke beschrijvingen en ontboezemingen, oude, eerbiedwaardige en roerende zangwijzen voeren ons in de gedachte terug naar het heiligdom^ te Jeruzalem, wanneer daar de Hoogepriester op den grootsten aller dagen naar wet en overlevering met offerande, bloedspattingen, belijdenis en gebed, vergiffenis voor de tekortkomingen van zijn huis, stam en volk inroept. Van begin tot einde worden alle voorbereidingen tot, en bestanddeelen van dien ge-

ocr page 170

80

wichtigen dienst (DHlÖ^n DV door ons weder

in de herinnering doorleefd. Hier en daar vertoeven wij wat langer. Daar staat de Hooge priester bij den stier, die tot zondeoffer strekt (riXünn *quot;12) en, terwijl zijne hand op den kop van het dier rust, legt hij belijdenis af van de zonden van zich en zijn huis en smeekt om vergiffenis. Nog eenmaal doet hij hetzelfde voor de tekortkomingen zijner stamgenooten, de priesters, en eindelijk, staande bij den bok voor Azazel irhntDH insgelijks voor geheel Is

raël. Telkens volgen wij woordelijk zijne priesterlijke bede (quot;IQIX HTI quot;pi) en - toij bidden met hem, plechtiger, inniger dan ooit. En dan weder staat hij in het Allerheilige en verricht twéémalen in de nabijheid der heilige Arke de voorgeschreven bloedspattingen, ééne boven- en zeven benedenwaarts, om dit aanstonds in het Heilige voor het voorhangsel cnO^ te herhalen. Telkens telt hij

V 1 T

nnt^t /rinjo nnx enz. en - wij volgen hem tf-DlQ lm TjDV en verrichten die gewichtige telling mede. Eenige malen echter richten wij onzen blik naar gindschen voorhof (quot;mTW. Zie, daar

TT :

staan ze in dichte, onafzienbare rijen, de priesters en het volk cQ^m en volgen met gespannen gemoed de verrichtingen van den Opperpriester. En telkens als daar bij het uitspreken der belijdenis de eerbiedwekkende naam

ocr page 171

81

Gods D^n), geheel naar zijne schrijf-

T - ; T ; • ~ ~

wijze Dvi^) uitgesproken, uit zijnen mond

T ; - ••

weerklinkt, dan buigt die geheele ontzagwekkende, ontelbare schare als één man de knie en valt met het aangezicht ter aarde VH)

(Qn'iö btf en uit aller mond weergalmt

njn imD^o nina a*^ Tjra. En tot die

voor God bezielde gemeente behooren ook wij thans; want, in de gedachte zijn wij bij hen en hooren mede en sidderen van ontzag en knielen voor dienzelfden God en zeggen met hen QZ* Tplquot;! — wij, na tal van eeuwen, na zooveel lijden en dulden, na zoo hitter zwerven en dolen, — wij, volk zonder land, priesters zonder tempel... o. Goddelijk toonder! — En toch, het is helaas! slechts een droombeeld, want — zoo zeggen wij ten slotte — hoe gelukkig was het oog, dat eenmaal Israels werkelijken luister mocht aanschouwen (n'pK nnfcn p; nim Thans echter njni) (mm — alle glans en grootheid verdwenen,

thans rampen, ballingschap, druk en vernedering! Maar, het woord van God en Zijne profeten zal eenmaal waar worden, Jeruzalem en de tempel in hun ouden luister herleven en daar een heiligdom, een bedehuis zijn voor het geheele menschdom WD *3) (□'Dvn SdS XV rrn - Zoo eindigt de

• -t T : quot;IT* T • :

nTDjn nnp!....

14. Gelukkige, troostrijke gedachte te midden van het drukkende leed der ballingschap. Israels toekomst

Wag. III, 6

ocr page 172

82

mag niet ondergaan, zijn naam en beteekenis zich niet oplossen; immers er is een God, die ten laatste, als dood en verderf dreigt, wonderen doet, om Zijn volk te verlossen. Het is dezelfde God, die eenen Amcdek ten allen tijde wilde uitgeroeid zien, nnnan i) die de Chasmoneërs bijstond tegen de overmacht van Syrië (quot;Dl roun rDtt'V IVV), die eenen Haman ten gronde richtte en Mordecliai en Esther met vorstelijke eer sierde ÜDniS1? Hinnp en -nnDX mn^D)- Zijne verlossende hand zal eenmaal ook Israël en Jeruzalem uit het stof dei-vernedering verheffen en hen tot dat toppunt van luister voeren, waarvan dichters en profeten zoo

heerlijk zingen («IDS* TO in nDÖ Sü 'T1?

T - T

- DTW ^ als nnlXD van HDlin niV

nm en rawV ï]Dia.)

15. De gedachte aan Tsions toekomst verlaat Israëls dichters nimmer. Maar gewoonlijk uiten zij haar slechts als vertroostend slot na tal van diepe, vertwijfelde zuchten om redding uit den nood der ballingschap.

Immers, de meesten hunner leefden in die ongelukkige tijden van vervolging, waar alles tot sombere droefenis stemde. quot;Wat wonder, dat zij, met Tsions val en Israëls vernedering voor oogen, zelden voor blijde gedachten toegankelijk waren. 16. Vooral op die'treurige dagen en tijdstippen van

ocr page 173

83

het jaar, die van Israels grootste onheilen getuigen waren geweest, hoort men hen bitter klagen en tot God schreien om genade en ontferming. Een onaf-zienbaren tranenvloed vormen de treurzangen (nlj^) van 9 Ab met hunne hartverscheurende weeklachten om Israels rampen van voorheen en thans (QJsJ

quot;m Tnox, man, nir v yvx idt,

• i ; I •• • ; t - t t v ; t ; i-

enz.), met hunne

aangrijpende herinneringen aan schijnbaar vergeten goddelijke beloften of aan vervlogen grootheid (rO^tf

T ••

npin vu, nnas4 nns4, ION1 rü w, nïK

I- •• T ;i- T T - VI •• T : I-

enz.), met hunne wanhoopskreten: ^

iQ-ian Dnsx -iw, lib rrn no '•In4, ^

t ; -tv I ; IT T T V • —: -

-n^ ^ ^ MX, i:1? n^n no n idt,

• T quot; ♦ 'T TT V ;

met hunne aandoenlijke verhalen of beelden, als:

de sterreheelden bij Tsions val treurende, irXünS TX, de 24 af deelingen der priester ivachten nmOv^O TD) (njina van hunne plaatsen ger uid,

T : V IV - T : T T ••

en ; Jeremia en de schoone, maar

bezoedelde (Tsion), nxbon TX; Jeremia op de graven der voorvaderen, TX; Ahala en Aha-

liba (Israël en Juda of Samaria en Jerusalem, naar Ezech. 23, 4), |J-in JllOl^, en de zoon en dochter van li. Ismaël, ^nxOPI 'IJ nXV—De rampen van

• t - ♦ t v ;

1096 of nnn (Zie II, 22) zijn mede het onderwerp van bittere klaagtonen jri' *0, jV3D* en

I^ISJnXD. — Het slot der niyp vormen de Tsion-gedichten of Tsioniden, waarin tal van dichters,

Wag. III, 6*

ocr page 174

84

waaronder de meest beroemde, zich verdiepen in uitvoerige, wegsleepende schilderingen van Tsions vroegeren luister, zijn vreeselijken val en ten slotte van zijne toekomstige herleving. In alle wordt Tsion aanhoudend in den 2den persoon toegesproken, terwijl zij bijna alle in dezelfde bepaalde versmaat vervaardigd zijn. Geheel in denzelfden geest en vorm is de klaagrede aan de verbrande Thora,

quot; t t ; ♦ -

17. Ook de dichtstukken voor de overige treurtijden, als de noro PI HDDS DVi'b nirvbD, de nblT

voor de Sabbath-dagen van den Omer-tyjd en de drie treurweken, alsmede naHK, nVl? en DWHquot;! 2K van de Sabbath-dagen, aan Hlj/Dw en 'ü voorafgaande, vereenigen de herinnering aan vroegere onheilen met de gedachte aan de latere of nog tegenwoordige.. Slechts de meeste TIDrD Tquot;'1? mn^D en enkele van ^L7gt;quot;U Dlï behandelen meer bijzonder de feiten dier dagen.

18. In het algemeen bepalen zich de talrijke smeeZ:-en boetgebeden (nirvVD) voor Hoogtijden, bekeerings-en vastendagen volstrekt niet tot algemeene smeekingen om genade en kwijtschelding. Het is een rijkdom van innig vrome. Godgewijde en aandoenlijke overwegingen, die uit deze gebeden spreekt. De gedachte, die bij allo smeek- en boetgebeden op den voorgrond staat, is natuurlijk die,, dat door ons gezondigd en tegen den wil van onzen Schepper ge-

ocr page 175

85

handeld is Deze vormt den

•TT : i- T

grondtoon van alle belijdenissen (D^lTO, die wij op de verschillende boetedagen uitspreken en waarvan (behalve die van den Verzoendag, zie hierboven) de bekende alfabetische belijdenis met de daarbij

; iquot; T

behoorende inleidingen (irnlDK

VSO en de voornaamste is.

19. Deze gedachte weegt des te zwaarder bij het bewustzijn, dat de Almachtige, in Wiens hand onze lotgevallen zijn, de Rechter is. Wiens alziend oog onze handelingen gadeslaat, opdat Hij daarover naar recht en waarheid oordeele. Vooral op den QV jnn verheft zich dit bewustzijn in al zijne kracht en gewicht in ons binnenste en vindt zijne uitdrukking in het roerende, wegslepende Pjpn nSHJI, dat met zijne krachtige, eerbiedwaardige tonen zelfs het meest gevoellooze hart in beweging brengt.

20. En wanneer dan de dichter eenen blik in de geschiedenis slaat en ziet, hoe zelfs de vroomste, beroemdste mannen om enkele tekortkomingen zoo onverbiddelijk gestraft zijn, dan gevoelt hij nog heviger, hoe zondig, hoe met schuld beladen de gewone sterveling staat tegenover Hem, bij Wien slechts volmaakte deugd in eeuwigheid zetelt. Zoo bijv. in

x n:irn awib fpo in bz nnx

en in '3 mb mnïr in tvf? nnn nx-n

21. Is het besef en gevoel van berouw over het verkeerde de eerste stap op den weg van herstel en

ocr page 176

86

verbetering, hoe gelukkig, dat den mensch, wanneer hij eenmaal dien weg ingeslagen heeft, het licht van barmhartigheid, ontferming en genade zoo zacht en vertroostend te gemoet straalt. Er is vooral ééne plaats in de Thora, waar ons God op indrukwekkende wijze als genadig, barmhartig en lankmoedig wordt voorgesteld. Toen Mozes, na het treurig voorval met het gouden kalf, door gebed en smeeking de goddelijke genade voor Israël verworven had, zoude op zijne nadere bede de Algoede hem met de volheid van Zijne genade bekend maken. Daar stond Mozes, met het getuigenis der genade, de twee steenen tafelen, in de hand, weder op Sinai, en zie! daar daalt de goddelijke verschijning in een wolk afwaarts (p^3 TI quot;ITU nadert hem (ÖtT DÏW) trekt hem voorbij (V33 'H en tegelijk predikt een hoogere stem ('H Gods dertien eigenschappen der genade HTw j,; vhv) (nllp en roept: Dinn Tl TI enz. - Zoo had dus de Algoede zelf Israël geleerd, Hem in tijd van berouw en inkeer als God der genade te zoeken en met vermelding van deze nllO 3quot;* aan te roepen. En dit geschiedt dan ook ten allen tijde bij de voordracht der nirrbo herhaaldelijk in gebeden als nirv quot;px bx en S# *3 terwyl voorts innige smeekingen om ontferming en vergiffenis, zonder bepaalde vermei-

ocr page 177

87

ding der J'*, een belangrijk deel van den

eeredienst voor boete- en bekeeringsdagen uitmaken, als:

in de inleidende en begeleidende gebeden bij de verschillende □quot;ITl van den Verzoendag en andere boetedagen TT

wïi: kW |ni nnx, nbnnn nnx,

vyyn hilt;: nboi bno, ainn nnxi,

en ^jplï n^D); in een aantal D^Vfi van den Verzoendag, als: in — n^D en Dl*3 TJsi

- : : t

-1133; in mntf - lZTH X3X enz. »0

nsnv- m tjDiö-van n^nitot^nü^n^K, in -xa yatr, nnjrp en nns

•nV ; in de meeste mn^D van dien dag en in

it

eenige van de bekeeringsdagen, alsmede in de verzen TMfib HQ, die gewoonlijk bij het begin

iv t :

der rnnVD gelezen worden.

22. Verreweg het grootste gedeelte echter der JTirvbD voor vasten- en bekeeringsdagen bestaat uit bittere klaagtonen over het leed der eindelooze ballingschap (ni75) en komt daarin aan de niyp nabij,

t i

met dit verschil, dat zich in de nUT^D daaraan natuurlijk steeds de bede om vergiffenis en herstel vastknoopt. Om dit te begrijpen, behoeft men slechts in aanmerking te nemen, dat in onzen ge-heelen eeredienst zelden ieder Israëliet voor zich in het bijzonder zijne gedachten en verlangens voor het Opperwezen blootlegt. Integendeel; het is steeds de

ocr page 178

88

geheele gemeente, die als een aaneengesloten lichaam van leden, die in wederkeerig verband tot elkander staan, voor God verschijnt, om als zoodanig en in het meervoud tot God te bidden. En zoo vormen ook Israels zonden en zijne lotgevallen het onderwerp van ernstige overdenking op die tot ernst stemmende dagen. Tnsschen het onheil, dat dit volk treft en de verkeerdheden, waaraan het zich heeft schuldig gemaakt, heerscht immers de nauwste betrekking. Hoe vaak toch is het in de Thora reeds voorspeld, dat in latere dagen groote en vele rampen over Israël zouden komen, als het namelijk zijnen God zoude vergeten en verlaten hebben. Maar uit het midden der ellende zoude het ten laatste dien God weder zoeken en Hem vinden, als dat zoeken maar oprecht en in waarheid geschiedde. En nu zien de dichters om zich henen ... Welk leed is ons voorspeld, dat ons nog niet getroffen heeft? ... Voorzeker, Israels schuld was en is onbetwistbaar groot! Maar — wanneer zal er een einde komen aan zijn lijden en zwerven? Wanneer zal het weder geheel als volk zijnen God en Deze Zijn volk behooren? Zoo klagen en peinzen de boetedichters in talloos vele mrV^D en beroepen zich op:

de verdiensten der voorvaderen niDT), die

t :

hunnen kinderen te midden van het leed tot heil en verlossing mogen strekken;

ocr page 179

89

de offerande van Izak (mpj?) vooral in die vele nin^D, die geheel aan dit groote feit uit Israels verleden gewijd zijn en daarnaar nquot;!K genoemd worden;

de tallooze bloedige offers door Israël ten allen tijde ter verheffing van Gods naam (DC'ri vihlp hy) gebracht en als toonbeeld daarvan de tien geleerden 'ynn die hunne trouw aan de

Thora met den afgrijselijksten dood en marteling geboet hebben (op ITTpTK

op nrrvy: D^ribK SK, op rm1? nn:a:

niï en op Tn;

In korte, maar diep aangrijpende bewoordingen vindt men deze hoofdgedachten der o. a. uit

gedrukt in pKn ba üöb' (pDTfl van nnnir), onnnx nns hdt (nn^ en nb^j) en Ssj 'n 'n pani Dirn qinrö van rinquot;vb nnjo).

Volledigheidshalve maken wij hier nog melding van enkele groepen van dichtstukken (Q*ÜV£)), die in dit overzicht niet voorkwamen. Zij zijn:

1. Inleidingsgedichten. Voor den voorlezer bij het begin der niTH op bijzondere Sabbath

en feestdagen: quot;llDD: vóór het ter Thora

roepen der rvaWDquot;! min jnn: mahO; alsmede inleidende beden tot het Opperwezen door den voorlezer: nvfi'ö n^n en n^niK voor m1? ^did

ocr page 180

90

Dm, en voor quot;n nnV nnniy

en ^ox voor Dn'V1? nnnr.

2. Ver zameling sgedicliten. Alle feiten van Pesach

in npa nnr ('3 Vb n^n^o) en^npw

nV'pn (Snjn nnnw; Cle tien Bijhelsche

zangen (nn*^ quot;♦) in nDÖ quot;?,,7 n'^IT;

de reeds vroeger genoemde nilSV^I in quot;21 quot;X nnS t]D1Ö; de achtste dag in zijne verschillende beteekenissen in rTv^l ywb rTDn^O-

3. Dichterlijke of berijmde gebeden, als: het gebed om de daim (Veh nbön) in quot;X noab ^dio; het gebed om den regen (Dti^H n'psn) in ^ quot;Vh t]D1D en cle gebeden bij de r\s\'2'D-oingangen (niacin).

VI.

DE HUWELIJKSWETTEN.

Als door den wil des Allerhoogsten de schepping bijna voltooid was, werd door de plaatsing van den mensch op de aarde de kroon op dat wonderbare werk gezet. De aanwezigheid en invloed van den mensch zouden de schepping eerst aan haar eigenlijk doel doen beantwoorden, om namelijk dienstbaar te worden aan al wat goed en edel is, vervuld van den dienst en de vereering des oneindigen Scheppers. Ieder mensch is bestemd, om mede te arbeiden aan dezen grooten, heiligen arbeid, de planting en ont-

ocr page 181

91

wikkeling van godsvrucht en zedelijkheid hier op aarde. Maar, reeds als er nauwelijks één mensch geschapen was, sprak de Eeuwige: „Het is niet „goed, dat de mensch alleen zij, ik wil hem eenen „steun maken aan zijne zijde!quot; Inderdaad, de mensch alleen en op zich zelf staande, is niet geschikt en aangewezen, om zijne heilige taak op de aarde te volbrengen, en wel:

a. omdat hij naar lichaam, geest en gemoed eerst dan voor die taak voldoende kan toegerust zijn, wanneer er naast hem een ander wezen leeft, waarmede hij door wederkeerig heilige, onkreukbare banden van liefde, trouw en vereering verbonden is;

b. omdat het huis en de familie, die op deze ver-eeniging berusten, den meest geschikten, vruchtbaren bodem vormen voor de ontwikkeling van het Gode welgevallige onder de menschen.

Zoo vormt dus het huwelijk, waartoe ieder Israëliet na den gewenschten leeftijd bereikt en een behoorlijk middel van bestaan verworven te hebben, verplicht is, een heilige instelling, en wordt dan ook genoemd. Alle wetten en voorschriften, die omtrent het sluiten van het huwelijk en het huwelijksleven gelden, berusten op deze waarheid.

Bij het aangaan van een huwelijk geldt in de eerste plaats de gewichtige vraag: is deze verbind-tenis niet in strijd met de wetten, ons in de Thora voorgeschreven, om ons te heiligen en voor de gru-

ocr page 182

92

welen van het onknische, zedelooze heidendom te behoeden ?

Dit immers is het geval:

1. wanneer er tusschen de aanstaande echtelieden verwantschap bestaat in die graden, die door wet en overlevering nauwkeurig zijn vastgesteld;

2. wanneer de vrouw reeds met iemand door het huwelijk verbonden was of is, (vi^K flUWO en dit huwelijk niet door den dood van den echtgenoot of door scheiding (05) op wettige wijze is opgelost;

3. wanneer de vrouw vroeger van denzelfden man, die haar thans huwen wil, op wettige wijze gescheiden en intusschen weder met eenen anderen man gehuwd was TTHQ);

4. wanneer de man of de vrouw van ouders of voorouders afstammen, die door een onwettig huwelijk verbonden waren (ITOD);

5. wanneer de vrouw eene weduwe is, wier man bij zijn dood geen kinderen naliet en er tegenover zijn broeder of één zijner broeders de handeling van nï^n (zie verder) niet heeft plaats gehad

t •

(16 riDD');

6. wanneer de vrouw eene weduwe of

x t ; -

gescheiden vrouw is en niet eerst een be-

t :

paalde voorgeschreven tijd na den dood des mans of de scheiding verloopen is.

Een rrü mag bovendien niet huwen 0. a.: 1. eene gescheiden vrouw (nUhlH);

ocr page 183

93

2. eene vrouw, die de n^Vn tegenover haren

t •

zwager heeft moeten verrichten (PVlVn);

t

3. eene vrouw, wier vader een |n'3 en wier moeder eene vrouw is, die deze als |iquot;Ü niet had mogen huwen (n^n);

t t

4. eene oorspronkelijk niet-Israëlietische vrouw, die tot het Jodendom is overgegaan (rnV3).

Het huwelijk met niet-Israëlieten is ons allen ten strengste verboden. In de getrouwe handhaving van dit verbod ligt de meest onontbeerlijkste grondslag voor de instandhouding van onzen Godsdienst. Het aangaan of bevorderen van een zoogenaamd gemengd huwelijk is een onmiddellijke, openlijke aanval op het gebouw des Jodendoms. Ook de zoogenaamde overgang van den niet-Israëlietischen man of vrouw tot het Jodendom, om dan met Israëlieten in het huwelijk te treden — zooals deze helaas! hier en daar geschiedt — is slechts een middel, om het gemengde Muvelijk met zijnen voor ons geloof zoo doodelijken invloed in verdekten vorm mogelijk te maken. Overgang tot het Jodendom erkent onze Godsdienst alleen en uitsluitend uit pure, reine, heilige en degelijk beproefde overtuiging, zonder de minste nevenbedoeling.

Een huwelijk, dat niet om een der genoemde redenen verboden is, geldt dus als wettelijk geoorloofd. Maar, niet ieder zoodanig huwelijk is ook godsdienstig en zedelijk gewenscht. Immers, zal

ocr page 184

94

eene echtverbintenis aan hare reeds omschreven heilige bestemming beantwoorden, dan moet dit bovenal door den aard der verbindtenis zelve mogelijk gemaakt worden. Niet het vermogen is het in de eerste plaats, wat hier beslist. Ook bescheiden middelen, indien slechts met eerlijkheid en vlijt verworven, schenken geluk en vreugde aan hen, die er mede tevreden zijn. Goddelijke en men-schelijke deugd, zij leven in de nederigste hut zeker

niet minder dan in kostelijke paleizen. Maar----

deugd, godsdienstzin, vlekkeloos en eerbaar karakter, verleden en afstamming — zij vormen de hoofdvoorwaarden van een gelukkig en Gode welgevallig huwelijk. Is bij het sluiten van een huwelijk aan deze voorwaarden voldaan, dan kan dit dus onder Godes zegen gelukkig worden, indien man en vrouw hunne wederkeerige taak en verplichtingen ten volle begrijpen en in toepassing brengen. Waarin die taak en verplichtingen bestaan? — In alles, wat noodig en wenschelijk is, om huis en familie door vlijt en een spaarzaam beheer in stand te houden, te verzorgen en hen te veredelen door een streng zedelijk en warm godsdienstig leven en innig gelukkig te maken door wederkeerige, oprechte liefde en vereering, door zachtmoedigheid, vrede, inschikkelijkheid en vergevensgezindheid. Tot dit hoogste levensgeluk mede te werken en het uitsluitend binnen de wanden der dierbare woning te vinden,

ocr page 185

95

vormt de heilige roeping van man en vrouw, ieder naar den aard zijner bijzondere taak en bestemming.

De voltrekking van het huwelijk is oorspronkelijk eene volstrekt eenvoudige, alleen door haar eigen gewicht en beteekenis geheiligde handeling. Zij bestaat hoofdzakelijk daarin, dat de bruidegom, nadat eerst de lofzegging over den wijn en de lofzegging der verbindtenis (ppTTK uitgesproken zijn, in tegenwoordigheid van twéé in het algemeen en ook in dit geval geoorloofde getuigen

aan zijne bruid een voorwerp van eenige waarde (naar het thans heerschende gebruik, een gladden ring, zonder steen er in) overreikt, hetwelk tot op dat oogenblik zijn eigendom vormt en daarbij de woorden uitspreekt: IT 'h PPTlpD ntf nn

r\üD ;m

Nadat op deze wijze bruidegom en bruid zich in den Joodschen zin van het woord, aan elkander verloofd hebben (fDITK), wordt hun de rDIfO

' 4 T ;

voorgelezen, eene verklaring, waarin de man de voornaamste huwelijksplichten aanvaardt en aan zijne vrouw voor het geval van zijn overlijden of van echtscheiding, een zeker bedrag waarborgt. Deze wordt door de beide getuigen, alsmede door den bruidegom onderteekend.

Na de voorlezing der PDirO wordt op nieuw de lofzegging over den wijn en voorts de huwelijks-lofzeggingen nirTD) uitgesproken, te zamen

ocr page 186

96

de zeven lofzeggingen (nlDquot;)2 ^3^) genaamd. •

Bij de trouwplechtigheid moeten zich bruidegom en bruid onder ééne bedekking (HÖ^rV bevinden. Daardoor eerst verkrijgt de werkelijke trouwing hare geldigheid.

Wegens den hoogen ernst van den huwelijksdag, die als een dag van verzoening en van overgang tot een meer gewichtige en heilige levensroeping beschouwd wordt, is het algemeen gebruikelijk, dat bruid en bruidegom op dien dag tot na de huwelijksvoltrekking vasten, behalve .op een aantal dagen, waarop dit vasten ongeoorloofd is.

Het is zeker de vreeselijkste slag, die eenig huis en familie treffen kan, wanneer de banden van het huwelijk, eenmaal in naam van God en Zijn heilig geloof bevestigd, moeten verbroken worden. Toch verzet zich onze godsdienst niet daartegen, wanneer ■ inderdaad de heiligheid of het geluk van den echtelijken staat in hooge mate bedreigd of reeds verbroken is. In zoodanige gevallen moet echter eene wettelijke echtscheiding plaats hebben, die hoofdzakelijk bestaat in de overgave van een scheid-brief (□:). Wegens de talrijke en nauwkeurige voorschriften en bepalingen omtrent de vervaardiging van zulk een scheldbrief, de overgave er van en wat verder daarmede in verband staat, moet de ontbinding van het huvs elijk steeds onder leiding van volstrekt kundige en bevoegde Thora-geleerden plaats hebben.

ocr page 187

97

Wanneer een man sterft zonder kinderen van zijn kant na te laten, en er broeders van hem in het leven zijn, voor wie wegens bijzondere verwantschap het huwelijk met de weduwe volgens Joodsch voorschrift niet verboden is, dan mag die weduwe niet hertrouwen, alvorens door haar tegenover een dier broeders, bij voorkeur tegenover den oudsten, de handeling van niMVn (zie Deut. 25,

t *

7 — 10) voltrokken is.

VIL

ISRAELS HEILIGDOM EN DE OEFENING VAN DE WERKEN DER LIEFDE (DHDn m^pa).

De huwelijkswetten, in het vorige hoofdstuk behandeld, vormen met de spijswetten (II, 33 — 37) en de wetten omtrent rein en onrein, die thans op enkele na geen toepassing meer vinden, de streng afgebakende grenzen, waarbinnen de reinheid en heiligheid van Israëls leven ten eeuwigen dage zouden behouden en waardoor dit volk waardig zou blijven, Gods heiligdom in zijn midden te bezitten. Daarom volgen ook die wetten in het boek

t i; * -

onmiddellijk op de voorschriften omtrent het heiligdom en den offerdienst.

Tal van eeuwen reeds scheiden ons van den bitteren dag der beslissing, waarop dat groote heiligdag. in.quot;

ocr page 188

98

dom, Israels glans en grootheid, in de mededoogen-looze vlammen opging. Weinig is ons sedert dien tijd gebleven van die veelvuldige voorschriften, die slechts in onmiddellijk verband met het heiligdom en het bezit van het Heilige Land konden in toepassing komen. Maar, wie kent niet het treffende woord van onzen beroemden leeraar li. Jochanan ben Zakkai, bij de pninhoopen van den tempel tot eenen even beroemden leerling gesproken? „Treur „niet, mijn zoon! omdat wij den offerdienst ver-„loren hebben, die verzoening bracht voor onze „zonden. Er is ons eene andere, niet minder rijke „bron van Goddelijk welgevallen en verzoening ge-„bleven in het oefenen van ■weldaden (DHDH „Bedenk slechts, dat er geschreven staat: „Liefde-„daden verlang Ik en geene offers!quot;quot; Hoe gelukkig, dat Israël ook in de treurigste tijden van nood en ballingschap althans dit heiligdom, het heiligdom van liefde en goede, weldadige werken in zijn midden in eere gehouden heeft! Ja, zelfs daar, waar men de trouw aan zoovele van de gewichtigste voorschriften des Joodschen levens reeds lang heeft afgezworen, worden nog gèwoonlijk de harten door den gloed van dien erfelijken weldadigheidszin (Dnon en dat onvergankelijke gevoel van medelijden (mj^rn) verwarmd. En -waar dit het geval is, daar leeft het Jodendom nog! Met den aard dier weldadigheidsplichten willen wij

ocr page 189

99

thans kennis maken, maar vooraf nog een enkel woord wijden aan dat, wat ons nog uit de dagen van den voormaligen tempeldienst gebleven is.

De voorschriften voor en omtrent de Priesters (D^rf3).

De nakomelingen van Aaron, door den Eeuwige uit het midden van Israël uitverkoren, om den ge-wijden dienst in Zijn heiligdom te verrichten, zouden naai den wil des Allerhoogsten geheiligd zijn in hun leven en gedragingen, en door het overige Israël als God-gewijde priesters heilig gehouden worden. Voor zoover de voorschriften, tot dit doel aan de priesters en Israël gegeven, niet in onmiddellijk verband stonden met het bestaan van tempel- en offerdienst, gelden zij nog heden. De bijzondere plichten die ook thans nog op de Q^ro rusten, zijn:

1. De wetten omtrent het huwelijk van priesters (zie hoofdstuk VI);

2. het voordragen van de (zie pag. 59);

3. het vermijden van de aanraking van of de nadering tot een lijk (nonNÜIt:). Een |rü mag geen lijk aanraken (^D), dragen of in heiceging brengen

evenminj zich bevinden onder eene overdekking (VrfK), waaronder zich een lijk bevindt, eindelijk tot op vier Joodsche ellen afstand niet naderen tot een lijk, graf of eenige plaats, waar deze zich kunnen bevinden.

Wag. III, 7*

ocr page 190

100

Dit voorschrift, dat hier slechts in zeer alge-meene trekken is teruggegeven, vereischt voor de toepassing nog veel nauwkeuriger omschrijving, en moet dus daartoe steeds het oordeel van bevoegde geleerden ingewonnen worden.

Het is den jPÜ geoorloofd, ja, in het belang van de afgestorvenen zelfs voorgeschreven, te naderen tot het lijk van een der volgende verwanten: vader, moeder, vrouw, zoon, dochter, broeder en ongehuwde zuster, die met hem van denzelfden vader zijn.

Als uitverkoren dienaren van Gods heiligdom moesten de priesters door geheel Israël geëerd en heilig gehouden worden. Van daar stamt het nog heden geldend gebruik, om bij vele godsdienstige plechtigheden en verrichtingen den den voor

rang te geven, als: bij het ter Thora roepen, bij het nemen van verlof (nVvJha) of de inroeping van de aandacht (nSD) voor de voordracht van trnp /jlTSn enz-, en voorts bij de

toekenning van liefdegaven, die tusschen hen en personen van gelijke aanspraken en waardigheid moeten verdeeld worden.

De eerstgeborenen van mensch en vee (1132).

Sedert de wonderbare redding der Israëlietische eerstgeborenen (Oquot;'—llD3) in den verlossingsnacht, waarin die der Egyptenaren omkwamen, is al het

ocr page 191

101

eerstgeborene onder Israël den Eeuwige geheiligd. Daarom moet in de eerste plaats elk mannelijk kind, dat de eerstgeborene is van zijne moeder, omdat het oorspronkelijk den Eeuwige gewijd is, en als zoodanig den ft3 toebehoort, van dezen door den vader gelost, d. w. z. in zijn bezit terug gekocht worden voorde som van vijf D (thans voor eene daarmede overeenkomende geldsom), in geldstukken te overhandigen. Deze lossing (|3n jVquot;!3) heeft plaats den 31stei1 dag van de geboorte (behalve wanneer deze op rOi? of LTV invalt) en vervalt, wanneer de familie van vader of moeder tot de D'iHD of behoort.

Ook het mannelijk eerstgeboren jong van koeien, schapen en geiten (mlHÜ HOrD 1133) is den Eeuwige

■ t : t : ;

geheiligd en werd tijdens het bestaan des tempels, nadat enkele deelen er van geofferd waren, dooiden priester en zijn gezin genuttigd. — In onzen tijd moet zulk een eerstgeborene, daar het niet gelost worden kan, op eene bijzondere plaats verzorgd worden, terwijl men het niet tot arbeid bezigen, scheren of op eenige wijze beschadigen mag. Eerst wanneer het van zelf een gebrek krijgt, waardoor het voorheen tot offering ongeschikt ware geweest, dan mag het geslacht en genuttigd worden. — Daar echter deze wijze van behandeling moeielijk is en licht tot overtreding kan aanleiding geven, zoo is ieder Israëliet, die de geboorte van een mannelijk eerstgeborene onder zijn vee te verwachten heeft, verplicht, be-

ocr page 192

102

paalde maatregelen te nemen, dat de moeder bij de geboorte van het jong, althans ten deele, in het bezit van eenen niet-Israëliet zij. Daaromtrent moet echter in zoodanig geval de voorlichting van bevoegde geleerden ingewonnen worden.

Het mannelijk eerstgeborene van eene ezelin (quot;llQn 1Ü3) moet van den priester voor een lam gelost of door den eigenaar, als hij dit niet wil, op eene bepaalde wijze gedood en begraven, en mag voor geenerlei gebruik gebezigd worden.

Over de afzondering eener andere gewijde gave, die ook in onzen tijd behouden bleef, n. 1. n^H van

T -

het deeg des broods, zie in het „Aanhangselquot; van dit werk.

De oefening van de werken der liefde (DHDH

De oefening van liefdewerken, volgens een beroemd Joodsch schriftgeleerde, één der drie grondzuilen, waarop de maatschappij rusfiQiy D^n D'-m (DnonniVm bjn nnin^ri n-iinn vormt een groot, omvangrijk gebied, waarop barmhartigheid en deelneming in het lot van anderen in tal van vormen haren schoonen, Gode-welgevalligen arbeid verrichten. Overal, waar armen lijden, zwakken of vermoeiden zuchten, onvermogenden naar hulp uitzien, veriatenen ronddolen, zieken of zielto-

ocr page 193

103

genden aan hnnne sponde gekluisterd liggen, zijn het de woorden onzer Thora en gewijde geschriften, de stem van Israëls verleden ja, — gerustelijk mogen wij zeggen — de ingeving van het medelijdende, Joodsche gemoed, die telkens en bij herhaling onze aandacht en deelneming inroepen voor die zwakkere natuurgenooten en onverbiddelijk streng verbieden, ons oog, hart of hand voor hen te sluiten. „Dagelijks, ja iedere stonde — zoo spreekt de vermanende stem des Jodendoms —„roept ge voor u zeiven de goddelijke liefde in, waarzonder leven en bestaan ondenkbaar is; welnu, oefen dan eerst zelf liefde en barmhartigheid, opdat gij waardig wordt, haar van den Algoede te ontvangen. Doe gaarne wel, met een verblijd gemoed en voorkomend gelaat, vergroot niet het leed der zwakken of minder bedeelden door onvriendelijkheid en hardheid, maar steun hen in de eerste plaats met den troost van zachte, bemoedigende en deelnemende woorden en bejegening. Gij behoeft slechts te bedenken, hoe waar het is, dat het rad van het nootlot zich in eeuwige wenteling voortbeweegt ITin hïhj)

t * r •• - : -

en hoe lichtelijk de overgelukkige van heden morgen het medelijden zijner natuurgenooten kan behoeven, en indien al niet hij zelf, dan toch wellicht zijne dierbaarste vrienden of nabestaanden!

Onze Thora en gewijde geschriften schrijven ons vele malen met nadruk den plicht voor, om den

ocr page 194

104

arme en nog veel liever hem, die door armoede bedreigd wordt, op zoo juist en doelmatig mogelijke wijze hulp te verleenen. Deze bestaat eerst in de laatste plaats, als andere middelen uitgeput zijn, in het schenken van gaven of aalmoezen. Ben zwakken staande te houden, alvorens hij valt, d. w. z. hem, wiens middelen verminderen of quot;achteruitgaan, te helpen door verschaffing van arbeid of andere eerbare bronnen ■ van bestaan, door milde, be-langlooze voorschotten enz., ziedaar de ware en meest gewenschte vorm van weldoen (Lev. 25, 35), omdat deze den hulpbehoevende niet beschaamt of ontzenuwt, maar integendeel zijn eergevoel onaangetast laat, zijn zelfvertrouwen verhoogt en hem tot vlijtigen, onverdroten arbeid aanspoort.

Intusschen, bij alle liefde en hulpbetoon tusschen de menschen onderling, blijven er steeds ongelukkigen, die te midden der onveranderlijke omstandigheden geheel of ten deele tot de gaven hunner mede-menschen verwezen zijn. D'lpO (n«n Deut. 15, 11. Dezen die gaven toe te dienen, naar mate van ons vermogen, is de belangrijke liefdeplicht, dien wij npli' noemen.

It t :

Onze liefdegift den arme, wie hij ook zij, geheel te weigeren, wordt in de H. L. en in de vermaningen onzer profeten als eene daad van harde liefdeloosheid streng berispt en verboden. — Wel staat het ons vrij, ja wordt het ons zelfs aanbevolen, bij

ocr page 195

105

het schenken van liefdegiften, die armen eerder en milder te bedeelen, welke op billijke, natuurlijke gronden daarop aanspraak hebben, als: Onverwante tegenover den niet-verwante, den stadgenoot tegenover den vreemde, de armen van het Heilige Land (bKliT quot;3^) tegenover die van andere landen, den geleerde (DDH TD^n) tegenover den onkundige,

TT*;-

den zieke tegenover den gezonde, de vromo (voor wie, zich zelve te verzorgen, zoo vaak onmogelijk is) tegenover den man.

Maar bovenal behooren wij verschil te maken tusschen het geven van aalmoezen en het bedeelen van brave, eerbare, huiszittende armen, wier schaamtegevoel hen verbiedt, ons hunnen nood te openbaren. Tegenover de laatsten heeft de plicht der milddadigheid geene grenzen. Zij behooren — hetzij door de hulp van enkelen, door den Algoede met vermogen gezegende, of uit de armenkas, die door vereende krachten is samengebracht — in zoodanige mate geholpen te worden, dat men hen zooveel mogelijk in staat stelt, hunnen vroegeren stand te blijven ophouden, al was deze ook nog zoo aanzienlijk geweest.

Het bedeelen van hulpbehoevenden krijgt eerst zijne eigenlijke waarde door de wijze, waarop het geschiedt. Daar, waar het onvermijdelijk is, dat wij hun in eigen persoon onze gave ter hand stellen, daar geschiede dit nimmer op dien harden, af-

ocr page 196

loë

stootenden toon, die zoo bitter grieft en zoo zwaar vernedert, maar veeleer in dankbaarheid aan het Opperwezen, met vreugde over de gevonden gelegenheid tot weldoen, met zachte, bemoedigende woorden en bejegening. Een zesvoudig en zegen voorspelt Jesaja's profetenwoord hem, die den arme geene gave weigert, maar eenen elfvoudigen zegen hem, die dezen met een vriendelijk woord opbeurt!

Maar veel verkieselijker nog is het geheime, onzichtbare weldoen (iriDS Hplï), waarbij allo vertoon

v iquot; - It t ;

van weldadigheid vermeden wordt, ja — zoo mogelijk — de gever niet weet, wien hij zijne gave schenkt noch de bedeelde, wie zijn weldoener is. Het oefenen van liefdadigheid immers is als het ware niets meer dan het voldoen van eene onafwijsbare schuld tegenover het Opperwezen uit de middelen, die Hij zelf ons daartoe geschonken heeft. Daar is dus iedere schijn van zelfverheffing onverdiend en misplaatst.

Naast de algemeene liefdegiften staan die, welke eene meer bepaalde bestemming hebben en daarom, ofschoon evenzeer tot nplï behoorende, met bij-

1 t t :

zondere namen aangeduid worden; als:

min TlQ^n, het kosteloos verstrekken van

t :

Godsdienst-onderwijs aan onvermogende kinderen;

riDiDn, het behulpzaam zijn van onvermo-

t - - t : -

gende jonge meisjes tot het aangaan en sluiten van een passend huwelijk:

ocr page 197

107

QTHtt npiDH, gastvrijheid tegenover behoeftige doortrekkende vreemden;

C3*)yamp; pns, het vrijkoopen van krijgsgevangenen, tot slaven verkochte of onschuldig in den kerker zuchtende personen, wier leven of vrijheid bedreigd wordt;

het grootbrengen of verzorgen van hulpelooze weezen;

cronj; rróVn, het kleeden van behoeftigen; en de vele andere vormen van algemeene en Joodsche liefdadigheid, wier aantal even groot is als dat der velerlei behoeften voor lichaam en geest, die het menschelijk leven medebrengt.

De plicht van |Vquot;I2 is, als die van de

onmiddellijk vereischte redding van menschenlevens of menschelijke vrijheid, van zóó overwegend gewicht, dat alle voor weldadige doeleinden bestemde gelden daarvoor in de eerste plaats mogen en moeten aangewend worden.

Onder Q'-niN4 Dp^rn verstaan wij de zorg, dat de behoeftige vreemdeling, die bij ons doortrekt, eenige behoorlijke lafenis, zoo noodig, gelegenheid tot nachtverblijf en eenigen steun bij de voortzetting zijner reis vinde. Wie echter behoeftige vreemden aan zijne eigen tafel noodigt en hen met liefde in de genietingen van den huiselijken kring doet deelen, handelt in dien echt menschlievenden zin, die reeds het eerste Joodsche huis, dat van on-

ocr page 198

108

zen aartsvader Abraham, tot een wijd geopende, gastvrije verblijfplaats maakte voor allen, die, vermoeid van de reis, die stille, gemoedelijke tent naderden. De aanwezigheid van gasten vooral van als gasten aanwezige Thor a-geleer den (lTODH 'T/Dbn) vormt een schoon sieraad van de Joodsche tafel, voornamelijk op Sabbath- en Feestdagen.

Voor alle hier behandelde algemeene en bijzondere werken der liefdadigheid behoort ieder Israëliet minstens een tiende gedeelte van zijne in

komsten, evenals van ieder op nieuw verworven bezit, af te zonderen. Het geld van mag in

het algemeen besteed worden voor alle vrijwillige liefdegiften, dus niet voor geheel andere doeleinden, ook niet voor liefdegiften, waartoe men huiten zijn' vrijen wil verplicht is, en evenmin voor zulke, waartoe men zich zeiven reeds vooraf, zonder om het te denken, verplicht had,

en die men dus thans reeds schuldig is.

Het offeren van liefdegaven maakt slechts een gedeelte uit van het groote, omvangrijke gebied van □non d. w. z. van de hulp en bijstand

• t * :

in raad en daad aan allen, die, op welken grond ook, daaraan behoefte hebben. Met een liefdevol gemoed onder de menschen rond te gaan en steun te quot;verschaffen, overal en in welken vorm ook vereischt .... waar vindt deze heilige arbeid zijne

ocr page 199

109

grenzen? Niet in het vermogen van den weldoener; want zelfs de behoeftige kan door persoonlijken bijstand en opoffering van tijd en lichamelijke krachten dikwijls meer liefde bewijzen dan de vermogende met schatten gelds. Niet in het bezit van hem, dien wij bijstaan; want ieder mensch, ook de rijkste en aanzienlijkste, heeft vaak dringende behoefte aan de hulp zijner medemenschen. Evenmin in de omstandigheden, waarin wij onze medemenschen aantreffen; want — ook verblijd te zijn met de blijden, deel te nemen aan hunne feesten, mede aan te zitten bij een godsdienstig vreugdemaal (r~!lï!D bo

venal verhooging der bruiloftsvreugde fnn JlTOw)

1 T T - : •

(rto, vormt een gewichtig deel onzer liefdeplichten.

T - ;

Ja, niet eens de dood vormt de grens der liefdadigheid. Want de schoonste, de onbaatzuchtigste vorm Van QHDH is juist die van de ver

zorging van overledenen, die ons de weldaden hier op aarde niet meer vergoeden kunnen, welke dan ook terecht TOtfl ^lDn genoemd wordt (Gen. 47, 29).

Tot de gewichtigste en meest voorkomende uitingen van m behoort de zorg voor zieken, zielto-genclen en afgestorvenen alsmede de vertroosting der treurenden.

Onder ziekenbezoek (Q ^in 11^3) verstaat men: zich te begeven naar de woning van den zieke, hem, indien het hem geen last kan veroorzaken of

ocr page 200

110

vrees inboezemen, op eenen geschikten tijd persoonlijk fe bezoeken en door ons gezelschap opbeuren, maar bovenal, en in de eerste plaats, bidden om het behoud van diens leven, en voorts ons overtuigen, of zijne verzorging niet te v/enschen overlaat, om daarin — zoo noodig — persoonlijk te helpen voorzien.

Bij ernstige en gevaarlijke ziekten zijn wij verplicht, op de omzichtigste wijze te bevorderen, dat de zieke — alvorens hij daartoe niet meer in staat is — de onontbeerlijkste beschikkingen omtrent zijne aangelegenheden treffe, zich met zijne medemenschen verzoene en tegenover het Opperwezen belijdenis (^11) aflegge.

Een zieke, bij wien reeds de gewone teekenen van een naderend einde zich vertoonen (DDlü), moet men rustig laten liggen, daar iedere aanraking den dood kan bespoedigen, en dus als bloedvergieten te beschouwen is.

Eenen- zieltogenden mag men niet aan zich zeiven en zijne gewone omgeving overlaten. Het wordt als eene heilige godsdienstige verrichting (mVO) be-

t : ♦

schouwd, aan het sterfbed van eenen geloofsgenoot tegenwoordig te zijn en de laatste oogenblikken zijns levens door de voordracht van de grondwaarheid onzes geloofs (DTlbtfn KIH Tl quot;jllD

te heiligen. — Indien eenigszins mogelijk, zorge men er voor, dat daarbij tien godsdienstig-meerderjarige mannelijke geloofsgenooten (pa) tegenwoordig zijn.

ocr page 201

Ill

Alle aanwezigen spreken na het verscheiden de lofzegging riOXn j'l uit en zijn verplicht, eene kleine inscheuring in een hunner kleedingstukken te maken.

De D'n.D miap, de verzorging van overledenen van het oogenblik des verscheidens tot na de begraving vormt een heilige, ernstige en onbaatzuchtige liefdedaad, waarin de Joodsche opvatting van Dnon hare meest indrukwekkende uiting

vindt. Zij is van begin tot einde door de voorschriften der schriftelijke en mondelinge leer, alsmede door tal van door oude overlevering geheiligde gebruiken aan bepaalde vormen gebonden, waarvan geene afwijking mag plaats hebben. — De hoofdzorg voor dezen tak van rn berust in de meeste gemeenten bij vereenigingen, wier leden zich met die heilige, echt Joodsche liefdetaak belasten. Zulke vereenigingen dragen, in overeenstemming met hare beteekenis, gewoonlijk den naam van rnVO-l

Dnon of non.

De hoofdbeginselen des Jodendoms omtrent de verzorging van overledenen zijn;

1. Als de ziel uit het lichaam gescheiden is, dan behoort dit aan de aarde, en moet dus, zoo spoedig het mogelijk en volgens 's lands wetten geoorloofd is, begraven worden. Het is een groote smaad, het lichaam in zijn levenloozen, tot ontbinding snellenden toestand onbegraven en dus in het bereik van 't menschelijk oog te laten. Alleen

ocr page 202

112

waar het onbetwistbaar belang of de eer des overledenen het gebiedend vereischt, mag de begrafenis iets later geschieden.

2. Alle bezit, aanzien en onderscheiding verlaat ons tegelijk met het leven; op den weg naar het graf vergezelt ons slechts de goede naam en de herinnering aan het goede, hier op aarde door ons verricht of tot stand gebracht. Zij zijn dan ook de eenige eereteekenen of monumenten, die het Jodendom erkent, ja, bepaaldelijk bevordert. Derhalve geen uiterlijke praal bij een ontzield lichaam, geen schitterende opschik bij de woning van een naakt gebeente, geen rang of titel, geen leed sprekende vereering en onderscheiding, daar, waar „groot en Uein gelijkelijk aanwezig zijn!quot; — Eenvoud, sobere eenvoud, luidt de hoofdvoorwaarde van alles, wat met den afgestorvene en zijne laatste rustplaats geschiedt.

3. Erkenning en volledige vermelding, zonder overdrijving, van alle werkelijke deugden en verdiensten der overledenen, is onze dure plicht. Deze vormt ook de hoofdbeteekenis van de klaagrede ClfiDn), die wij hun -verschuldigd zijn.

4. In de omgeving eens dooden heersche een eerbiedige, bescheiden toon en gedrag, en moeten alle luidruchtigheid, ijdele of oneerbiedige gesprekken streng vermeden worden. Ja, in de onmiddellijke nabijheid des dooden is iedere bezigheid of verrrichting.

ocr page 203

113

als; eten, drinken, lezen, rekenen enz, verboden_

5. De doode is volslagen machteloos; het uur des verscheidens sluit dus ook de reeks zijner godvruchtige verrichtingen hier op aarde onverbiddelijk af. Daarom is het ons ter zijner eere ook verboden, in de kamer, waar zijn stoffelijk overschot ligt, bij de lijkstatie of op de begraafplaats ons met godsdienstige verrichtingen bezig te houden, als; het zichtbaar dragen van of psn, bidden, Wquot;p lezen. Thora' beoefenen of godsdienstige voordrachten houden (het laatste is echter als inleiding eener klaagrede op den overledene geoorloofd). — Met het oog op onwillekeurige afwijkingen van dezen plicht der vereering, wordt de plaats, waar de doode gelegen is, steeds met eene behoorlijke, minstens 10 vuisten hooge afschutting (ni'^na) van de naaste omgeving ge-

t • :

scheiden.

6. De begeleiding van een lijk op den weg naar zijne laatste rustplaats (riDH JTlbn) behoort tot de godsdienstige verrichtingen, die ons door onze geleerden met den meesten nadruk worden voorgeschreven. — Wie een lijk naar zijne laatste rustplaats ziet dragen, is verplicht, den lijkstoet ten minste eenige schreden te volgen.

7. Het doode lichaam en de doodskleederen met alles, wat onmiddellijk er bij behoort of er aan verbonden is, evenals de graven en wat er op

Wag. IU. 8

ocr page 204

114

groeit, zijn voor ieder ander gebruik volstrekt ongeoorloofd. — De graven zelf zijn onaantastbaar. Het opdelven of openen van graven is van een Joodsch standpunt als oneerbiedige schending van de rustplaats der overledenen te beschouwen.

Waar de treurweek om overleden

verwanten gehouden wordt, daar zijn wij verplicht, de treurenden te bezoeken en te troosten mn:) (D'VüN, maar moeten daarbij — evenals de drie vrienden tegenover Ijob — wachten, tot dat het gesprek door de treurenden geopend wordt. Bij ons afscheid van hen spreken wij de troostbode uit: |i»V -inït Tjinn onr Dipan Het is algemeen gebruikelijk, in ieder

• IT T

sterfhuis gedurende de treurweek dagelijks gezamenlijke bidstonden en daarbij tevens godsdienstige voordrachten te doen houden.

Daar, zooals wij reeds zagen, het verleenen van tijdelijke voorschotten een belangrijk bestanddeel dei-liefdadigheid uitmaakt, zoo is hier de geschikte plaats, om melding te maken van het in de Thora herhaaldelijk en met nadruk ons voorgehouden verbod, om niet van Israëlieten rente (jran) te nemen, of aan Israëlieten rente te geven.

In de algemeene menschelyke maatschappij geldt het nemen of geven eener matige rente niet als iets ongeoorloofds. Slechts het Jodendom keurt beide

ocr page 205

115

af, en laat geene gelegenheid voorbijgaan, om zijne belijders er voor te waarschuwen. Geen wonder dus, dat het verbod slechts voor Israëlieten onderling geldt.

Niet alleen het werkelijk nemen of geven van rente is ons verboden. Neen, ook alle mogelijke handelingen, waardoor middellijk of onwillekeurig veroorzaakt wordt, dat eene tijdelijke beschikking over eene geldsom eenigermate beloond wordt, is, als verwant aan of leidende tot rentevordering, ongeoorloofd.

Alle vormen en verhoudingen van handel en verkeer, waarbij dergelijke aangelegenheden kunnen voorkomen, mogen dus tusschen Israëlieten onderling niet afgesloten worden, zonder dat bevoegde geleerden er over geraadpleegd zijn.

Ook het geven van geschenken, het verleenen van buitengewone diensten, het bewijzen van meer dan gewone beleefdheid enz., in één woord alles, wat als belooning voor den tijdelijken afstand van geld kan doorgaan of onwillekeurig den schijn daarvan aanbieden, moet de schuldenaar tegenover zijnen schuldeischer vermijden.

Niet te verwarren met het nemen of geven van rente, dat slechts ons Israëlieten verboden werd, is het nemen van bovenmatige looeker winst. Dit schandelijk misbruik van iemands tijdelijke verlegenheid, om hem, onder den schijn van hulpvaar-

Wag. m, 8*

ocr page 206

116

diglieid, mededoogenloos van het zijne te berooven, is ons tegenover ieder en rnedemensch niet minder verboden dan diefstal of roof in de ergste mate. Ieder Israëliet, die zich aan het nemen van woekerwinst 'van wien ook schuldig maakt, vergrijpt zich vreeselijk aan het bezit van anderen en laadt bovendien schande en smaad op onze eerbiedwaardige Joodsche belijdenis. En wie het nog wagen zoude, zulk wangedrag met de woorden onzer heilige Thora te verdedigen... hij zwijge, want het woord Gods behoort niet op zijne lippen!

De vooesohbiften omteent dieeen en planten.

Het gevoel van barmhartigheid, dat ons er toe leidt, aan zwakke en hulpbehoevende menschen steun en troost te verleenen, gebiedt ons tevens teederheid en gevoel tegenover alle schepselen Gods. Zoo schrijft onze godsdienst ons voor;

Onze dieren in de Sabbathrust te doen deelen.

Vóór het begin van iederen maaltijd eerst onze huisdieren te verzorgen.

Een dier van den zwaren last, waaronder het zucht, te ontladen.

Een dier, dat bij planten of vruchten arbeidt, daarbij niet te muilbanden.

Alle onnoodige smart bij de dierente voorkomen, of, indien eenmaal aanwezig, te genezen of te verzachten (D^n ^#3

ocr page 207

117

Vruchtboomen, ja, in het algemeen, alle voorwerpen, gereedschappen, spijzen, dranken enz., indien ook nog zoo gering, niet onnoodig te vernietigen en dus het gebruik of genot, dat eenig schepsel, al ware het ook slechts een dier, daarvan hebben kan, onmogelijk te maken (JVniTri N1?)-

Andere geboden omtrent dieren en planten, waarvan ons de grond niet met zekerheid bekend is, en die wij dus als voor ons ondoorgrondelijke voorschriften der Goddelijke Alwijsheid hebben na te komen, zijn: Geen dier van het ons ten gebruike geoorloofde vee mag met zijn jong op denzelfden dag geslacht worden; d. w. z. als het eene geslacht is, moet eerst op nieuw de nacht ingevallen zijn, alvorens het andere, waar of door wien ook, geslacht mag worden (1J3 ntfl IDK).

Wie op den vrijen weg een nest aantreft van ten gebruike geoorloofde vogels, waarin de moeder op de nog genietbare eieren of nog niet vliegende jongen rust, mag niet de moeder met de jongen wegnemen, maar is verplicht, eerst de moeder weg te zenden en dan de jongen tot zich te nemen (|[5n niW)

Dieren van verschillende soort mogen op geenerlei wijze, ook niet bij den arbeid of als trekdieren, in nauwere verbinding tot elkander gebracht worden

Een dergelijk verbod geldt ook omtrent het plantenrijk (zie II, 36) en omtrent kleederen (zie II, 38). Er

ocr page 208

118

bestaat dus: ^3, D^T en DHJD ^3.

T .. ; •• : • t ; •* ; • T ; •

VIII.

DE FAMILIE, DE KERKELIJKE GEMEENTE EN HET VADERLAND.

Waar de wensch, om het goede en edele te bevorderen, de harten der menschen vervult, daar ontstaat als van zelve de behoefte aan vereeniging en samenwerking van krachten. Alleen en op zich zelf staande immers mist de mensch öf het vermogen, of in elk geval het geschikte gebied, om voor zijne hoogere bestemming hier op aarde te arbeiden. Maar die vereeniging eischt wederkeerig, wanneer zij eenmaal ontstaan is, de eenparige zorg en liefde harer leden voor haar duurzaam voortbestaan en bloei. — Zoo, wij zagen het reeds, is het familieleven met zijnen heiligenden invloed eene door God voorgeschreven, op onkreukbare liefde en trouw berustende instelling. Tal van voorschriften, reeds door ons behandeld, vinden op den gewijden bodem van dat leven hunne schoonste, zoo niet eenige toepassing. En aan den anderen kant is alleen daar, waar dit het geval is, een Joodsch huis in den ouden, eerbiedwaardigen zin van het woord gevestigd. De voornaamste dier voorschriften zijn:

ocr page 209

119

a. Op het gebied der Thora-studie (min): beoefe-

T

ning der H. L., zorg voor behoorlijk en voldoende godsdienstonderricht, aanwezigheid van een Séfer Thora en andere Joodsche geschriften, eerbiedige en vriendschappelijke bejegening van Thora-geleerden.

b. op dat van den dienst en de vereering des Aller-hoogsten het uitspreken en voordragen dei-gebeden, lofzeggingen en godsdienstige zangen en het verrichten der huiselijke godsdienst-ceremoniën op gewone en buitengewone tijden; getrouwe, bewuste en hartelijke viering van Sabbath-, feest-, treurdagen en andere bijzondere tijden; stipte, nauwgezette inachtneming der spijs- en kleedingswetten; viering van alle bijzondere voorvallen in het leven naar Joodschen geest en opvatting; in het algemeen het planten en aankweeken van Joodschen zin en heilige liefde voor het Jodendom bij allen en alles, wat zich binnen de wanden onzer woning ontwikkelt.

c. Op dat van menschenliefde en milddadigheid (□non getrouwe afzondering der reeds boven omschreven weldadigheidspenningen, hulp en opbeuring van armen en behoeftigen, het verstrekken van broederlijken raad aan allen, die daaraan behoefte hebben, hartelijke en milde behandeling van onvermogende vreemden, gastvrijheid, vooral tegenover waardige ongelukkigen.

Eene bijzondere uiting van gevoel en deelneming ligt er in de wijze, waarop vsij ons tegen-

ocr page 210

120

over loontrekkende personen, maar bovenal tegenover onze vaste loontrekkende bedienden hebben te gedragen. De Thora, die ons gebiedt, het loon van den daglooner niet hij ons te doen overnachten, leert ons in het algemeen, alle loontrekkende personen te beschouwen als vrije, zelfstandige personen, die ons slechts op het gebied hunner dienstplichten stipte gehoorzaamheid verschuldigd zijn, maar overigens aanspraak hebben op alle rechten van billijke, teedere en welwillende bejegening, die tegenover al onze medemenschen gelden, ja meer nog dan anderen, omdat hun geluk en verblijding in de eerste plaats bij ons berust en het meer of minder harde van den dienstbaren staat voor hen geheel afhangt van de bejegening, die zij van onze zijde ondervinden.

Het leven naar Joodschen zin en voorschrift, zelfs binnen de grenzen onzer woning, is alleen daar mogelijk, waar de verschillende familiën zich verbinden, om met vereenigde krachten die inrichtingen in het leven te roepen, die voor de voorbereiding en ontwikkeling van het Joodsche leven onontbeerlijk zijn. Eene zoodanige vereeniging is de Joodsche gemeente (n'pnp). Waar slechts eenige Joodsche familiën op eene plaats bijeen zijn, behoort eene gemeente gevestigd te worden, opdat door gezamenlijk streven het Joodsche godsdienstleven gegrondvest en voortge-

ocr page 211

121

plant worde. Ook hier vinden de drie grondzuilen der maatschappij {OnDH mlDV mtn)

• t • ; t t

hunne vertegenwoordiging in de zorg voor onderwijs, eeredienst en armwezen, het stichten van de daartoe noodige gebouwen en inrichtingen, als: scholen, bedehuizen (nVDJD *n3), leerzalen (nluhia ^2),

...... t t : ' quot; T

liefdadigheidsgestichten enz., het bijeenbrengen van vaste gemeente-, armen- en weldadigheidsfondsen, het aanschaffen van fTD en verdere kerkelijke behoeften, het aanstellen van kundige, godvruchtige en waardige voorbidders (quot;TDS n,l7v^), leeraren en sjochetim OHïT), maar bovenal in het beroepen van geestelijke hoofden of, in kleinere plaatsen, van gemeentelijke leeraren, bevoegd, waardig en geschikt, om het Joodsche leven in huis, kerk, school en gemeente door leering, vermaning en voorbeeld te planten, te bezielen, te leiden en te beschermen.

De Joodsche gemeente vindt den meest onontbeer-lijken waarborg van haar bestaan en ontwikkeling in de eenparige genegenheid, belangstelling en deelneming harer leden. Daarom is ieder lid der gemeente verplicht, met liefde zijn aandeel in de gemeenschappelijke lasten ten behoeve der gemeente te dragen, haar, waar het vereischt wordt, met raad en hulp bij te staan en hare hoofden en bestuurders in hunnen arbeid voor haar welzijn te steunen.

Wie, vergetende, dat in den bloei der gemeente de eenige waarborg ligt voor het voortbestaan des

ocr page 212

122

Jodendoms, zijne persoonlijke belangen tegenover die der geheele gemeente op den voorgrond plaatst, ondermijnt den vrede en de samenwerking en verwaarloost de hooge belangen van ons heilig geloof.

Wie zich op grond van eigenbelang van zijne gemeente afscheidt tinlÖ), staat gelijk

met hem, die de Joodsche belijdenis afzweert.

Het vaderland is het gebied, waarop de staat, waartoe wij behooren, gevestigd is. Deze staat vormt weder het groote lichaam, samengesteld uit de vereeniging van naar bepaalde wetten levende burgers, om door hunne gezamenlijke krachten het lichamelijk, geestelijk en zedelijk welzijn van allen te bevorderen en te beschermen. — Onze godsdienst beschouwt den staat als eene goddelijke instelling, voor het heil der menschheid onontbeerlijk, en zijne hoofden, de koningen en vorsten, als door God uitverkoren, met bijzondere eer bedeelde personen, wien wij dus onbeperkte hoogachting en ontzag verschuldigd zijn.

Met klem en nadruk houden ons onze profeten en geleerden den duren plicht voor, om als waardige burgers het welzijn van den staat en zijne instellingen op iedere wijze te bevorderen, zijne wetten als voor ons onvoorwaardelijk bindend te beschouwen (Kin xjroVon Kan), onze burgerlijke plichten in

t • t : - ; t •

ieder opzicht nauwlettend en zonder verzuim te

ocr page 213

123

vervullen, en in het algemeen ons vaderland boven alles te beminnen en met liefde onze beste krachten aan zijne welvaart te wijden.

Verzet tegen of ontduiking van de lasten, ons als burgers van den staat opgelegd, wordt ons door onze geleerden in de scherpste bewoordingen verboden en met roof en diefstal op ééne lijn gesteld.

Onze liefde voor het vaderland moeten wij ook toonen door aanhoudend voor het welzijn van den vorst en de overheid te bidden, b'i'önO 'in

bv [nj^trn jnirn.

Het ware ongerijmd te gelooven, dat deze oprechte vaderlandsliefde met het waarachtig Jodendom in strijd kan zijn. Tegen zoodanig betreurenswaardig, gevaarlijk misverstand verzetten zich de stem onzes harten, die ons gebiedt, den dierbaren bodem onzes vaderlands te beminnen, de welsprekende vermaningen onzer profeten en leeraren, die geene gelegenheid lieten voorbijgaan, zonder den plicht der vaderlandsliefde ons diep in het hart te prenten, maar niet minder het onfeilbare getuigenis van een eeuwenlang verleden, dat ons Israels zonen en dochteren steeds en overal als getrouwe dienaren en dienaressen van den vaderlandschen bodem, vaak ten koste van goed en bloed, voorhoudt, ook dan, wanneer zij op dien zelfden grond mededoogenloos vervolgd of vertreden werden.

Voorzeker is het ons ten strengste voorgeschreven

■

ocr page 214

124

Jeruzalem en het Heilige Land steeds, zelfs bij onze hoogste vreugde, vóór alles te gedenken. Ieder door ons en ten onzen behoeve opgericht gebouw, ieder feestmaal, ja iedere wereldsche vreugde moet tot aandenken van Jeruzalems en des Tempels verwoesting (I^Tinb quot;DT) in eenig opzicht onvolmaakt blijven. En tot onze innigste, heiligste smeekingen behooren die om het herstel en de weder verheffing van Tsion en Jeruzalem.

Maar, dit alles geschiedt ten behoeve der geheele menschheid. Want de herleving van Tsion en Jeruzalem beteekent voor ons Joodsch bewustzijn de verbreiding van algemeene Godserkenning, liefde en vrede over de geheele aarde. Zouden wij, om deze biddende, ons dierbaar vaderland een onwelwillend gemoed moeten toedragen ?.....

IX.

DE TREURPLICHTEN (n^S4) OM OVERLEDEN VERWANTEN.

Als uitvloeisel van het voorschrift onzer Thora, om over het verlies van ouders, kinderen, echtge-nooten, broeders en zusters rouw te drijven, zijn ons door onze geleerden talrijke Joodsche treurplichten (m^K) overgeleverd, die aan de eene zijde bestemd zijn, om aan onze droefenis over het geleden verlies uiting te geven, maar aan den anderen kant, om ons

ocr page 215

125

tevens verwijderd te honden van die slechts in uiterlijkheden bestaande teekenen van rouw, die ons als strijdig met onze Joodsche begrippen verboden zijn (in overeenstemming met het verbod van en nmp Nbl, Lev, 19, 28 en Dent. 14, 1).

t ;1t !♦ t ;

De Joodsche trenrplichten gelden bij het overlijden van onders, kinderen, echtgenooten, broeders en zusters, hetzij van vaders of moeders zijde.

Van het oogenblik des overlijdens totdat het graf gesloten is, heet hij, die het verlies van een dei-genoemde verwanten te betreuren heeft, Magende (pltf)- In het algemeen gelden dan dezelfde plichten als in het daaropvolgende tijdperk van rouw, behalve dat den pix ook het genot van vleesch en wijn verboden is en het hem daarentegen vrijstaat, lederen schoeisel aan te trekken en ter verzorging van de aangelegenheden des lijks of ter verrichting van andere onvermijdelijke bezigheden het huis te verlaten. De pix is vrijgesteld van het opvolgen van alle ceremonieele geboden, als:

enz., behalve op Sabbath- en feestdagen.

t :

Gedurende de eerste seven dagen na den dag dei-begrafenis (deze dag zelve niedegerekend) duurt de staat van mVrisi inyy# mbss?). Alsdan zijn den treurende verboden: het uitoefenen zijner beroepsbezigheden, baden, wasschen met warm water, het dragen van lederen schoeisel, zich van huis te verwijderen, regelmatig op stoelen, banken

ocr page 216

126

enz. te zitten, het aantrekken van nieuw gewasschen kleederen, het lezen in Joodsche geschriften, behalve van bijzonder droevigen inhoud (als Jeremia's boet-profetieën, Ijob, het Klaaglied enz.), iemand te begroeten of zijnen groet te beantwoorden. (Op den dag der begrafenis ook het aanleggen der Teflllin.)

De eerste maaltijd, dien de na de begrafenis

*• T

nuttigt, mag niet door hem zeiven aangeschaft, maar moet hem door zijne naburen of kennissen bezorgd worden (ntf-On fTTiyp)-

Gedurende dertig dagen van den dag

der begrafenis, met inbegrip van de treurweek, moeten de volgende handelingen vermeden worden: het wegnemen van het baard- en hoofdhaar, het aantrekken van nieuwe kleederen, het wasschen of laten wasschen van kleederen, behalve voor kinderen, en het deelnemen aan vreugdefeesten.

Voor kinderen bij het verlies hunner ouders is gedurende twaalf maanden na den dag des over-lijdens het deelnemen aan vreugdefeesten, het aantrekken van nieuwe kleederen, evenals, voor zoover mogelijk, ook het wegnemen van het baard- en hoofdhaar verboden, en hun voorgeschreven, dit geheele jaar als eenen tijd van rouw en vermijding van alle bijzondere vreugde door te brengen.

Wie een verwant verliest, waarom hij rouw bedrijven moet, is verplicht, als teeken van droefenis eene scheur van minstens eene vuist

ocr page 217

127

breedte aan te brengen, voor ouders aan zijne linker zijde in alle kleedingstukken, behalve het onderste, voor de overige verwanten aan zijne rechter zijde, alleen in het bovenste kleedingstuk. Deze scheur mag bij den rouw over de andere verwanten na de trenrweek gehecht en na de dertig dagen vastgenaaid, bij dien over ouders na de dertig dagen gehecht en nimmer weder vastgenaaid worden.

Voor hem, die het bericht omtrent het overlijden van ouders of verwanten binnen de dertig dagen ontvangt (PDlIp nyiQH?), gelden alle genoemde rouwvoorschriften, waarbij de dag van het bericht als die van de begrafenis geldt, terwijl de twaalf maanden, evenals steeds, van den dag des over-lijdens gerekend worden.

Bereikt iemand zoodanig bericht eerst na de dertig dagen (nplm dan moet hij bij het verlies

van een der overige verwanten voor eenigen tijd zijn lederen schoeisel afleggen en ter aarde zitten, bij dat van ouders bovendien de inscheuring in zijne kleederen maken en, indien het rouwjaar nog niet geëindigd is, dit tot twaalf maanden na het overlijden houden.

Op Sabbath en feestdagen wordt alle openlijk rouwbedrijf (X*prnS3 nagelaten en slechts

de rouwvoorschriften, die op verborgen handelingen betrekking hebben (n^:ï3 m^X), nagekomen.

ocr page 218

128

Over de opheffing of verschuiving van rmSsSt wegens invallende feestdagen, zie II, 15. Over dijt, zie hierboven pag. 27.

T

De verjaardag van het overlijden der ouders wordt jaarlijks gevierd door vasten, het doen branden van licht en het uitspreken van tTHp.

De nadere uiteenzetting der menigvuldige bijzonderheden, die zich aan de hier genoemde hoofdregelen in de toepassing aansluiten, zoude de perken van dit werk verre overschrijden. Hier, evenals overal op het r/ebied van ons godsdienstleven, blijft de getrouwe beoefening onzer oude, eerbiedicaardige Joodsche geschriften en de voorlichting onzer bevoegde kundige leeraren onvermijdelijk.

ocr page 219

AANHANGSEL.

i.

DE TELLING DER GEBODEN.

Aan de geslachten vóór Abraham waren de volgende zeven geboden en verboden gegeven, die de ru ^3 mïO JDC genoemd worden:

i. mt rnnj;, 2. arn nana {God ■niet te lasteren),

3. D'OT {moord), 4. (bloedschande), 5. SlJ, 6. Tin jG IDN', 7. D,:n {rechtspraak).

De mtn bevat, volgens de telling onzer geleerden, 248 (nquot;Dquot;l)

T

cjehoden en 365 (nquot;DC) verboden, dus te zamen 613 JTHH)

(msD-

Zeven andere zelfstandige geboden (waarover ook lofzeggingen worden uitgesproken) zijn geheel door onze geleerden ingesteld, en worden dus genoemd mïQ j/2'C'

pan. zij zijn; i. SSn, 2. nSjon ruvnp, 3. roun na,

4. iaquot;1! nar -u, 5. an1 Hivi, 6. msna, 7. an^-

Wat J-11313 betreft, komt de plicht van n?an j-1313 reeds in de min voor (Deut. 8, 10) en, volgens de telling van enkele geleerden, ook die van miiTI n313 (Deut. 32, 3).

Onder aiT^ zijn begrepen: poinn 311^ (II, 14), 311V Dlisn (III, 55) en pW3i1 311^ (II, 17).

II

DE JOODSCHE KALENDERBEREKENING.

De Joodsche kalenderberekenino- geschiedt in de eerste

O O

plaats naar den loop van de maan om de aarde, en wordt

Wag. Ill, 9

1

ocr page 220

130

vervolgens met de berekening van het zonnejaar zooveel mogelijk in overeenstemming gebracht.

Onder een maand verstaat men den omlooptijd van de maan om de aarde. Deze bedraagt 29 dagen, 12 uren, 44 minuten en 3 seconden. Het tijdstip, waarop de maan haren rechtlijnigen stand tusschen de aarde en de zon verlaat en weder hare verlichte zijde naar de aarde wendt, heet quot;ibïO

t

(tijd der wedergeboorte).

Daar de maanden echter naar geheele dagen behooren geteld te worden, zoo worden, in verband met de bepaling dei-feesten, de uren, minuten en seconden boven de 29 dagen, telkens op bepaalde tijden tot dagen vereenigd, waaruit de volgende regeling ontstaat:

Alle maanden behalve ptrmo en iSd3 hebben afwisselend 30 of 29 dagen, als: pM 30, quot;iquot;{lt; 29 enz.

De maanden jVCma en iSd3 hebben nu eens beide 29 dagen feen onvolledig jaar mDH), dan weder de eerste 29 en de tweede 30 (een recjelmatvj jaar HTIDS) en een ander-maal beide 30 dagen (een overvolledig jaar Zoo beeft

t :

dus een gewoon jaar 353, 354 of 355 dagen.

Om echter de viering der feesten naar den geest der Thora te doen geschieden, en wel: Pesach TSNII w'trQ en Sukkotb als syDNH Jin, zoo moet het verschil van het zonnejaar, dat 365 dagen telt, met het maanjaar (een verschil van bijna 11 dagen) op eenige wjjze vereffend worden. Daartoe wordt 7 raaien in de 19 jaren bij de 12 maanden van het jaar nog een 13tle ('3 nx) gevoegd, en wel in de jaren 3, 6, 8, 11, 14, 17 en 19. Zulk een jaar noemt men een schrikkeljaar (maiyO rUC') en, in tegenstelling daarvan, elk ander jaar gewoon jaar (rTOVw'sJ nJC)- In een schrikkeljaar heeft

ocr page 221

131

ü -IIN 30 en '2 nN 29 dagen, zoodat dus een schrikkeljaar 383, 384 of 385 dagen heeft. Telkens na 19 jaren (Jt3p TlinO kleinen kringloop) is het verschil van het zonne-en maanjaar bijna geheel vereffend.

De aarde volbrengt haren loop om de zon in 365 dagen en bijna 6 uren. Deze worden weder in vier tijdperken ieder van 91 dagen en T1/» uur verdeeld, terwijl het oogen-blik, waarop zulk een tijdperk eindigt, n£31pn genoemd wordt, zoodat men heeft: ilSipn, IICjI Tl, nüTl Tl en rOU Tl- Telkens na 28 jaren Omj TlinO grooten kringloop) valt de p'J Tl weder nauwkeurig op denzelfden dag dei-week en hetzelfde uur van den dag in.

Op den 60sten dag na de i-)CTl ilsJipn bij begint

men in yquot;V de woorden Till in te voegen en gaat

f TT-'**;

daarmede voort tot Pesach, terwijl van tot tplO

'X nDaS de woorden DEÓn mTfil mm ingevoegd

V IV - * -IT * -

worden.

Om overwegende redenen mag rUwTI CN'I nooit op Zondag, Woensdag of Vrijdag invallen (w'NI T'IN i\^) en dus ook nDs3 niet op Maandag, Woensdag of Vrijdag V'13

(noa.

Voor de overeenstemming van de dagen der week, waarop de verschillende feesten invallen, geldt de regel: iTX

-X- *

(Pesach I en 3N2 nj/CTl), w*quot;3 (Pesach II en nVi!2V),

-X- -X-

(Pesach III en nrwTI CNI), fT'1 (Pesach IV en JlNnp

of min nnor), rn (Pesach V en -1133 Dlï), 3quot;1 (Pesach VI

*

en den vooraf gaanden DniS).

Voor de kennis van den kalender voor ieder jaar in het bijzonder wordt steeds een jaarvorm aangegeven, bestaande uit 3 letters, waarvan de eerste rechts den dag aangeeft,

Wag. Ill, 9*

ocr page 222

132

waarop in dat jaar nJBTI TNT invalt, de eerste links hetzelfde voor den daaropvolgenden nD3, terwijl de middelste (PI, 3 of O aanduidt, of het jaar onvolledig, regelmatig of overvolledig is: bijv. J'TG, ITC'i enz.

III.

DE VOORLEZING UIT DE THORA.

Met het oog op de voorlezing uit de Thora op Sabbathmorgen is deze in 54 afdeelingen (nniD) verdeeld, waarvan gewoonlijk iederen Sabbathmorgen ééne gelezen worden. Het komt echter zelden voor, dat op alle Sabbathdagen van het geheele jaar slechts ééne JCHD gelezen wordt. Alleen in een schrikkeljaar naar den vorm Nquot;nn (HDS 3li' op rDB') is dit het geval. In alle andere jaren echter worden op één of meer Sabbathdagen 2 milD gelezen. De nadere regeling daarvan hangt af van den vorm van het jaar, het meerdere of mindere aantal Sabbathdagen, dat tengevolge daarvan met feestdagen samenvalt en voorts van enkele regelen, als: de afdeeling n3nD3 steeds vóór mjDl?, pnilNI onmiddellijk na 3TI, vóór en 1Ï in een gewoon jaar vóór nO-J te lezen .

Iedere NmD is voor de voorlezing op Sabbathmorgen in zeven gedeelten (DVU'IS) ingedeeld.

De eerste dier afdeelingen wordt tevens gelezen op den voorafgaanden Sabhathmiddag, Maandag eu Donderdag 's morgens.

Op enn vx-\ leest men de afdeeling van het dagelijksche offer, het Moesaf-offer van jquot;aü' en dat van nquot;T: van IDT1! tot en met MTIPI TN'IDI (Num. 28, 1—15);

op rOlJH de offers en geschenken der stamvorsten bij de

ocr page 223

133

inwijding des tabernakels (D^ii-Un iquot;1133quot;lp), en wel: op den Isten dag ava ,n,1 tot Sirny p, Op den 2lt;ien QV3

en Dra, op den Sden i^Scri DV2 en DVD enz.;

eindelijk op den 8sten van 'mm DV3 tot mJOH DN' TT.W p.

Wanneer nquot;quot;l of nSIJil op Sabbath invalt, dan leest men uit één JT'D de afdeeling der weeken uit het tweede de bijzondere afdeeling van den dag, en wel: op m van rOUTI DV31 tot en met DDTin TN131, op n313n dat gedeelte van de afdeeling m^3 DV3 ,n,l, dat bij dien dag behoort.

Op rrn naun leest men uit een jt'D de gewone afdeeling van ITT en uit het tweede die van HSUn, welke bij dien dag behoort.

Is op dien dag ook Sabbath, dan leest men uit het eerste jTD cle gewone week-afdeeling en uit het 2ilc en 3'lo de genoemde stukken.

Valt een der middendagen van nD3 of jquot;n3D op Sabbath in (IJDön Vin mr), dan leest men op dien dag de afdeeling iSiV quot;laN nnx nxi (Ex. 33, 12 tot 34, 26), waarin de vreugdefeesten vermeld worden.

Omtrent de nV'u'13 vóór en na Poerim, zie hier

boven pag. 64.

Is D'SpC roc* of ü'Tnn nstr tevens rrn, dan leest men uit het eerste JT'D de afdeeling der week, uit het tweede die van m rOÜ', uit het derde de bijzondere afdeeling van den dag.

Op wordt 's morgens de afdeeling omtrent den

oorlog met Amalek, pSöJ? ÏCS'I (Ex. 17, 8—16), gelezen.

' T T-

Op nD3 bestaan de Thora-voordrachten op de verschillende dagen in de eerste plaats (uit het 1ste jt'D) uit stukken, waarin het feest vermelding vindt. Zij volgen aldus op elkander: 13U'0 (Ex. 12, 21—51), 3CO IN quot;lir (Lev. 22, 26 tot 23, 44), h Chp

V IV •

ocr page 224

134

(Ex. 13, 1—16), f|D3 HDN* (Ex. 22, 24 tot 23,19), TjS Sds (Ex. 34, 1—26), lyp nanoa (Num. 9, 1—14), nWs 'H1] Ex. 13, 17 tot 15, 26) en 133n Ss (Deut. 15,19 tot 16, 17,

: quot; T

op Sabbath begint men met Deut. 14, 22). Begint

riDS op Donderdag, dan komt TlS Sds (of liever quot;ISN nnN riNI)

I: t ; •• T - :

vóór h Cnp.

Men pleegt de volgorde dezer afdeelingen aldus aan te duiden:

Nquot;Di3 nSr Anaioa Sdd .nsdds tr-ip ,N'nn iro.

t: T:;-; -: T:-; T ' - :

Uit het 2lt;ie wordt op PIDS, evenals op alle feestdagen, de afdeeling van het fjDIO-offer uit Dnr2 gelezen en wel: op de beide eerste dagen pC'Nin C'~frü1, op de zes overige dagen hetzelfde stuk, met weglating der drie eerste verzen (dus van aroipni).

Voor niysr is de bestemde Thora-afdeeling: voor den Isten dag het verhaal der Openharing op Sinai, ,Ki,Pu,n U,Tn3 (Ex. 19 en 20), voor den 2tien dag I33n enz., zie hier-

: - T

boven. — Uit het 2'lc alweder de f|D10-afdeeling uit Dnra, die met DniSSH DV31 begint.

Voor jTDD geldt de volgende orde :

laten dag: 3ü'3 tN quot;iTw' (zie hierboven) en uit het 2de jiquot;q de ïplO-afdeeling dT1 quot;l'ü'P n^0n31;

2tlen dag; geheel hetzelfde.

Gedurende de middeldagen telkens uit slechts één JTD de Jplö-afdeelingen der verschillende dagen van het feest, aldus gerangschikt:

3dcn dag: Eerst WH DV31, dan DV31, dan CV31

TOin en eindelijk aV31 WH DV31;

4den dag: Eerst DV31, dan ^3quot;in DV31, dan QV31

Tonn en eindelijk DV31 DV31;

ocr page 225

135

5lt;len dag; Eerst lymn DVai, dan^onn DVSI, dan QVai ••trrn en eindelijk TOHn QVSI DV31;

6den dag: Eerst TOnn DVSI, dan DV31, dan OVSI

T3m en eindelijk Tm aV31 TOHn aV3V,

Telen dag (T'in): Eerst TOnn aV31, dan Tm aV31, dan T3rn DV31 en eindelijk DV31 TCH aV31.

Op den 8sten dag (mïy 'rGÜ') uit liet 1ste J-|quot;D: quot;133,1 ^3 enz. (zie hierboven), uit het 2ilo: DV3.

Den daaropvolgenden dag is miD nnOC': uit het 1ste ^quot;D de afdeeling rOquot;Dn DNII, uit het 2ile liet begin van iTU'N'ia, tot mfyS, uit het 3lt;ie ar3.

Op nD3 Sr jnnx, '3 mgt;3U* en mïp ,J,ar, wanneer men de afdeeling quot;1331 ^3 leest, waarin gesproken wordt van

; quot; t

de vrijwillige offers, voorheen door alle mannelijke Israëlieten op de drie vreugdefeesten (D^JI ü'^ü') te Jeruzalem gebracht, door ieder naar zijn vermogen (ÏT rUHDS Ü'W), heeft na de Thora-lezing de plechtigheid plaats, die overeenkomstig daarmede T njnO genoemd wordt. Zij bestaat daarin, dat na-mens de hoofden en leden der gemeente liefdegaven, in vele gemeenten voor de armen van het H. L., worden geofferd en daarbij eene heilbede quot;'O) voor hun welzijn wordt uitge

sproken. Bij die gelegenheid worden ook de overledenen herdacht en bij het gebed voor hunne zielerust (Ui1) door velen liefdegaven geofferd.

Op a ruuTirjn leest men de afdeeling van I:ak's geboorte, mrnNips'm(Gen.21)en op '3rumrxidennprnris (Gen. 22). Uit het 2de op beide dagen de spUS-afdee-ling ^3rn cnnsi

Op 3nquot;V 's morgens de 3nquot;V rni3^ uit mO nnN* (Lev. 16)

ocr page 226

136

en 's middags de af deeling omtrent de huischheidswetten n'w'I7D3 D^SO quot;IN (Lev. 18). 's Morgens uit een 2de jyg de fjDID-afdeeling rlnS n'U'JD'l.

Voor algemeens vastendagen zoowel 's morgens als 's middags bestaat de Thora-lezing in het verhaal van Mazes' bede na de zonde van liet gouden half en de ingetreden verzoening Sm_ en rp ^03 (Ex. 32, 11—14 en 34, 1—10).

Alleen de afdeeling voor 3X3 njTtTil 's morgens is een andere, en wel □'gt;33 T^ÏD 'S (Deut. 4, 25—40), waarin Israels

♦ t ♦ ♦

ontrouw, straf en bekeering in latere tijden voorspeld worden.

IV.

HET IN WATER ZETTEN, ZOUTEN EN AFSPOELEN VAN HET VLEESCH (nn^O).

t • ;

A. Algemeeno behandeling van alle vleesch.

Men doet water in een vaatwerk, daartoe alleen en voor niets anders ia gebruik, en legt het vleesch daarin zoodanig, dat het over zijn geheelen omvang met water bedekt is. Zoo laat men het gedurende een half uur onder water staan, neemt het dan er uit en laat het water er af loopen, zoodat het nog slechts eenigszins vochtig blijft.

Alsdan legt men het vleesch op een daartoe alleen en voor niets anders in gebruih zijnde blad of vaatwerk, dat openingen heeft en vrij ligt, of ten minste schuin gelegen is, zoodat het bloed behoorlijk kan afloopen. Men neemt dan zuiver, droog, fijn zout, echter niet zoo fijn als meel, en bestrooit daarmede het vleesch zoodanig, dat het aan allo zijden en op alle plaatsen eenigermate met zout bedekt wordt. In dezen toestand laat men dan het vleesch gedurende een uur liggen,

ocr page 227

137

waarna men het drie malen met ruim water afspoelt en van alle er aan zittende bloed- en zoutdeelen zuivert.

B. Bijzonderheden omtrent enkele deelen van het dier.

De hop wordt eerst geopend, de hersenen met hun ■vliezen er uit genomen en dan de kop zelf van binnen en van buiten gezouten. (Genoemde vliezen zijn voor het gebruik ongeoorloofd.)

De long wordt evenals ander vleesch behandeld. Alleen worden er vooraf openingen in gemaakt en dan de groote kanalen opengesneden.

Het hart wordt vooraf behoorlijk opengesneden en het bloed er uit verwijderd. Ook wordt de spits er van afgesneden.

De lever, die vol bloed is, mag niet op de gewone wijze gezouten worden, maar wordt aldus behandeld: Men wascht haar behoorlijk en flink af, maakt dan door insnijding vele openingen er in, legt haar op een rooster of een braadspit over een vuur, of ook op kolen, doch zóó, dat zij vrij ligt, (echter volstrekt niet in papier of iets dergelijks gewikkeld), bestrooit haar met zout en laat haar zoo lang braden, dat zij werkelijk gaar en genietbaar is, en spoelt hanr dan drie malen behoorlijk met water af.

De milt wordt evenals ander vleesch behandeld, natuurlijk echter na vooraf behoorlijk gepoorst te zijn.

C. Bijzonderheden omtrent gevogelte.

Vogels worden in de eerste plaats over eene vlam (van stroo, hooi of iets dergelijks) eenige malen heen en weder bewogen, ten einde de haren af te zengen.

Voor het in water zetten wordt de kop afgesneden, het gevogelte geopend, de long en de andere inwendige deelen en ingewanden er uit genomen, vervolgens de groote hals-

Wag. III. 9quot;

ocr page 228

138

ader geheel en al er uit verwijderd, van de pooten de nagels afgesneden en insnijdingen gemaakt in de voet- en beengewrichten, verder het hart geopend, het bloed er uit verwijderd en de spits afgesneden, van de lever de gal met een stukje lever er bij verwijderd en eindelijk de maag geopend en onderzocht, of eenig vreemd voorwerp daarin aanwezig is (in welk geval het oordeel van bevoegden moet ingewonnen worden).

Alsdan wordt bet gevogelte en alle geoorloofde en tot nuttiging bestemde deelen daarvan, evenals alle vleesch, in water gezet, daarna van hinnen en van buiten met zout bestrooid en een uur in het zout gelaten, terwijl de gemaakte opening naar beneden hangt, opdat het bloed behoorlijk uitloopen kan, en eindelijk op da gewone wijze afgespoeld.

Eieren, in gevogelte gevonden, moeten in ieder geval afzonderlijk gezouten, en mogen nimmer met melkspijzen gekookt of gebruikt worden.

D. Enlcele nadere voorschriften,

Vleesch, dat in bevroren staat verkeert, mag niet in water gezet en gezouten worden, alvorens geheel ontdooid te zijn.

Wanneer het zouten 's avonds geschiedt, dan moet men daarbij minstens twéé lichten hebben, om alles naar behooren te kunnen waarnemen.

Alle vleesch, ook van gevogelte, moet binnen drie maal 24 uren na het slachten gezouten worden. Als die tijd verstreken is, dan kan het zouten niet meer plaats hebben, en is dus het vleesch als HfllD te beschouwen. Bij het vleesch van vee is het in vele gemeenten gebruikelijk, het binnen de drie dagen behoorlijk met water te overgieten, waarna het dan weder gedurende drie dagen gezouten kan worden.

ocr page 229

139 V.

DE HEFFING VAN HET BROOD (n^n).

T -

Van ieder deeg, dat uit tarwe, garst, haver, rogge of spelt bereid, tot brood gebakken zal worden, en waarvan bet meel eene ruimte beslaat, gelijk aan die van 431/5 middelmatige eieren [ongeveer l1/3 K. Gr. meel], moet vóór het bakken (na het uitspreken eener toepasselijke lofzegging) eene gewijde heffing (n^n), ongeveer ter grootte van een ei, afgezonderd en in vuur verbrand worden.

Van ieder deeg, dat in huis bereid wordt, geschiedt de afzondering van bij voorkeur door de huisvrouw of, bij

hare afwezigheid of verhindering, door een ander op haar last.

Kegel is dit bij het deeg, waarvan het brood van JTJIP of t3quot;V gebakken wordt (zie II, 12;.

Heeft men vergeten, van het deeg vóór het bakken de n^n af te zonderen, dan mag dit ook nog van het reeds gebakken brood geschieden; echter niet op rDU', en evenmin op Equot;1 van het brood, dat reeds voor L3quot;,, gebakken is. Op die dagen moet men een gedeelte van het brood overlaten en daarvan na het invallen van den nacht afzonderen.

Van brood, dat op U'quot;1 gebakken wordt, zondert men op dien dag wel de af, maar verbrandt haar eerst na het einde van het feest.

Wanneer van verschillende deegen of zelfs, na het bakken, van verschillende brooden, die ieder op zich zelf niet den voor n^n vereischten omvang (n^n HJPU') bezitten, nadat zij daartoe vereenigd zijn, de afzondering van moet plaats

hebben, dan kan die vereeniging, behalve bij deegen door hen werkeljjk aan elkander te hechten, cok nog geschieden door

ocr page 230

140

de deegen of brooden zoodanig te zamen in één en hetzelfde vaatwerk te leggen, dat geen geheel deeg of brood boven de wanden uitsteekt, 9f door volledige bedekking van alle met een en hetzelfde doek. Dit laatste is vooral van toepassing bij de mSO voor Pesach.

De verschillende huishoudelijke verriclitingen, die onze godsdienst ons voorschrijft, als nSn, -|jn npSlil, HrpSc, Tw'Sn enz. zijn natuurlijk bij voorkeur aan de Joodsche huisvrouw opgedragen.

In het algemeen heeft de Joodsche vrouw de gewijde bestemming, om in stillen ijver en spaarzaam beleid het huis en zijne behoeften te verzorgen en het in hoogeren zin gelukkig te maken door er godsdienstzin, orde en vrede te verbreiden.

Voor die schoone taak geheiligd, leeft zij gaarne en bij voorkeur binnen de wanden harer dierbare woning en vindt daar genoegen en gezelligheid. En waar zij, deze woning verlatende, onder de menschen verschijnt, daar doet zij dit zedig, Jciesch en ingetogen.

quot;Van den dag haars huwelijks heeft zij steeds en ten allen tijde het hoofdhaar gedekt, en nooit ontbloot.

Nog andere, hoogst gewichtige en heilige voorschriften worden haar bij het treden in den echt door ouderen van jaren nauwkeurig medegedeeld.

ocr page 231

Inhoudsopgave.

EERSTE CURSUS.

Les. Bladz. Voorwoord......3

1 — 3 De dertien geloofspunten ... 5

4 — 6 Over God ...... 6

7 De Heilige Leer (Hlln) .... 8

T

8 Onze ouders en leeraren ... 9 Ons gedrag tegenover andere menschen 10

9 Bemin ieder en haat niemand . . 10

10 Doe niemand leed.....11

11 Beleedig niemand en spreek geen kwaad 11

12 Laat ieder, wat hem toebehoort, en wees eerlijk.......12

13 Denk van niemand kwaad en wijs de zondaren terecht.....13

li Sta uwen evenmensch bij . . . 14 15 Bemin de waarheid . , . .15 16 — 17 Ons lichaam en voedsel . . . .16 18 — 19 Het gebed......18

20 De schoimdraden , de gebedsriemen (j^an) ew de Mezoeza (nniD) 19 De bijzondere dagen . . . .20

21 De Sabbath frDUÓ • ■ • .20

T -

De Feestdagen (D'OIÜ 0*0*) • . .21

ocr page 232

142

Les.

Bladz.

22-

-24

De drie vreugdefeesten (D^H)

•

21

25-

-26

De plechtige Hoogtijden (Q'WÜ D'O*)

24

De Gedenkdagen ....

25

27

De algemeene vastendagen

25

28

De feestelijke gedenkdagen .

27

29

De Joodsche jaartelling en de nieuice-

maansdag ({^In .

v 1

28

TWEEDE CURSUS.

1

-4

God en Zijne Leer.

.

8

1

God de Schepper en Bestuurder der wereld

8

2

Het verbond tusschen God en Israël

8

8

De tien geboden ....

5

4

De Heilige Leer ....

6

5-

-10

Het gebed en de eeredienst .

7

5

Het lezen van ypp (ytytf ntfnp

7

6

-9

Het Gebed (n^SH)

8

10

De Lofzeggingen (nl3n3)

t :

12

11-

-14

De Sabbath (rDU') ....

18

11

Voorbereiding tot den Sabbath

18

12

De Sabbathmaaltijden

14

18

De Sabbathrust ....

15

14

De Sabbathviering ....

16

15-

■17

De Feestdagen (0*3113 D'O*) •

* t

18

15

Viering der Feestdagen.

18

16

Onthouding van werk op

t t ;

de

• t ;

Feestdagen......19

ocr page 233

143

Les. Bladz.

17 Voorbereiding voor den volgenden dag

(mrjn).......20

t t

18-21 Het Pesach-Feest (nlïön JH). . . 21

18 Het verbod van het gedeesemde (pon) 21

19 Het wegschaffen van het gedeesemde . 23

20 Het eten van nïD en 11quot;|Ö en de miin 24

t quot; t tt -

21 De dag vóór nDÖ (nD3 en de

- iv - iv v iv

maand Nissan.....25

22 De Omer-tijd en het Wekenfeest

(nijn^n jn)......26

23 — 26 De plechtige Hoogtijden D^D*) ■ 28

• t • t

28 De bekeeringstijd in het algemeen . 28

24 Het Nieuwjaarsfeest CTiliTl • • 29

ttquot;

25 Het blazen op de bazuin njTpn) 30

26 De Verzoendag DV) • • 31

27 Het Loofhuttenfeest (ril3pn ün) . • 33

v ~

28 — 29 De feestelijke gedenkdagen . . .35

28 Het Inwijdingsfeest (rOUn) . • .35

t

29 Het Lotenfeest (D^IÖ) • • • .36

30 De Algemeene Vastendagen . . .38

31 De overige bijzondere dagen van het jaar 40

32 — 37 De maaltijd en het voedsel . . .42

32 Het wasschen van de handen (D*T 42

• i-t - ♦ ;

33 — 37 De Spijswetten.....43

38 Vermenging van wol en linnen 49

ocr page 234

144

DERDE CURSUS.

Bladz.

Voorwoord.......3

I. Heiliging van Gods naam (Dt^H ïTlIp) ■ 5

II. Heidensche zeden en begrippen (D^n jTipn) 7 tuin nxa na^n, ni^ en abV xb

nnj . . . s

viv

III. Bagelijksche belijdenis van het Jodendom . 9

1. yvv n^np ......9

2. n^n.......12

T ♦ ;

A. Het Ochtendgebed . . . .12

L in^n niD-}3.....12

n. snon '^03 . . , . . ie

ui. ïypnüna.....is

Iv- rn;^ .....19

v. nVa: ..... 23

VI. Slot van het Ochtendgebed . . 24

B. Het Namiddaggebed . . .25

C. Het Avondgebed . . . .26 Gezamenlijke dienst H^ön) • 26

vrnf?.......26

•O-D.......27

: t

• n^np.......28

nnmn ......29

3. .......31

4. nmo.......34

T ;

5. JTf y.......35

6. nüna.......37

t :

ocr page 235

145

Bladz.

7. n^D.......39

t ♦

IV. Be vieriny onzer bijzondere dagen . . 42 HTvT ........ U

r -

Opsomming der ri3v^ nlDX^Q ■ • -45

t - t ;

Voornaamste voorschriften omtrent rOtfVö nr^: nypio en -iidsV inr)xba^ ^3 -51

niTvih, Dinn.....54

V. De Eeredlenst op de bijzondere dagen . 55

A. Wijzigingen in de gewone gebeden.

I. Wijzigingen in het ochtendgebed (rVHTv^) 56

D^rü ......59

ninina .....64

II. Het Moesaf-gebed (fjDIQ n'pön) • ■ 65

III. Wijzigingen in het middaggebed (nnjD) 67

t ; ♦

IV. Wijzigingen in het avondgebed (JTDiy) 68

B. Bijzondere gebeden en dichtstukken voor buitengewone dagen (D,ü,l,'3) • • .70

1. De dertien geloofspunten . . .72

2. Hulde aan God, onzen Vader, Koning

en Beschermer.....72

3. Gods grootheid bezingen ook de Hemel-sche wezens......74

4. Gods lof door de hoogere en aardsche wezens te zamen verkondigd . .74

5. Wederkeerige liefde tusschen God en Israël ... .... 74

6. Uittocht uit Egypte (DHÏD • 76

ocr page 236

146

Bladz.

7. Doortocht door de Schelfzee d: nynj?) (^ID........76

8. Wetgeving op Sinai (iTlln |nO) • '. 76

9. Lof der Thora.....77

10. Vreugde met de Thora. . . .77

11. Opsomming der ge- en verboden

(rnxo.......77

12. Beschrijving van enkele voorschriften 77

13. De voormalige dienst in het heiligdom

(ahpan m rnn^) .... 78

14. God behoedt Israël voor ondergang . 81

15. Zuchten uit den nood der ballingschap 82 16 — 17. Treurzangen van 9 Ab en andere treurdagen .......82

18. Belijdenis van zonden (♦ni) • • .84 19 — 20. God de Rechter des Heelals . . .85

21. De dertien eigenschappen der genade

(nno rnamp;y vhv) .... 85

22. Smeekingen om verlossing uit de ballingschap (mbi).....87

T

Inleidings-, verzamelingsdichten en dichterlijke beden.......89

VI. De Huioélvjksicetten.....90

Beteekenis van het huwelijk . 90

Geoorloofde en ongeoorloofde huwelijken . 92

Gemengd huwelijk.....98

Godsdienstig en zedelijk gewenscht huwelijk 94

ocr page 237

147

Bladz.

Voltrekking van het huwelijk . . .95 Ontbinding van het huwelijk (t3!l) • . 96 De .......97

VII. Israels heiligdom en de oefening van de werken der liefde (DHDn • • 97 De voorschriften voor en omtrent de priesters (D^rp)......99

De eerstgeborenen van mensch en vee 100

De oefening van de werken der liefde

(Dnon ....

■ t • : ,,

De zwakken staande te houden Liefdegaven (nplï) •

It t ;

Onderdeelen van np'lV

it t ;

Het afzonderen van DHDn in den wijderen zin van

♦ t • ;

het woord.......109

o^in 1^3, mmp en 0^5« om: 109

Het verbod van rente (JTSD • • .114

De voorschriften omtrent dieren en planten 116

VIII. De Familie, de Kerkelijke Gemeente en het

Vaderland.......118

De familie in hare hoogere beteekenis . 118 De taak der familie op het drievoudige gebied van niln, en nquot;3. . .119 De Joodsche gemeente (nSnp, hare plichten en aanspraken.....120

Het vaderland en onze liefde er voor . 122

. 104

. 104

. 106

. 108

ocr page 238

148

Bladz.

Jeruzalem mag niet vergeten worden . 123 IX. Be Treurplickten om overleden

verwanten.......124

De staat van klagende • • .125

De treurweek (njnr rn^K) . . .125 De dertig dagen . . . .126

De inscheuring . . . .126

nnmp en npim • .127

Aanhangsel.

I. De telling der geboden . . . .129

II. De Joodsche kalendefberekening . . 129

III. De voorlezing uit de Thora . . .132

IV. Het in water zetten, zouten en afspoelen

van het vleesch (nrvbal . . . . ise T ♦ :

V. De heffing van het brood (n^n) . .139

T quot;

Vrouwelijke plichten.....140

13 R R A T A.

2de Cursus.

Bladz. 6 regel 1 en 2 v. o.: order, lees: orde. 3de Cursus.

Bladz. 32 reg. 11 v. o.: verdeeld, lees: nedergelegd. „ 59 „ 10 v. o.: als deze enz., lees: behalve bij het ochtendgebed van dezen dag, als hij op Vrijdag invalt. „ 64 „ llv. o.: eeuwigen, lees: eeuwige. „ 105 „ 11 v. o.: gezegende, lees: gezegenden. „ 112 „ 13 v. b.: leed, lees: luid.

ocr page 239
ocr page 240
ocr page 241
ocr page 242