ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

tff) 2115

ocr page 4

0622 2172

ocr page 5

U.B, UTRECHT ASA

3275

Alexandre ïinet.

NAAR HET FRANSCH

DOOK

W. quot;V A. IsT IST E S.

SiSLIOTHiiSK SU*. RIJKSWWTWSfTiT UTRECHT

ROTTERDAM ,

1). A. DAAMEN. 1897.

ocr page 6

GEDRUKT EU J. J. GROEN EN 2CON TE LE10EW

ocr page 7

INHOUD.

Biz.

1. Vi net's Leven en Streven....... 5

2. Christendom en Opvoeding.......41

3. Kerk en Staat............70

4. Vinet Evangelist..........142

ocr page 8
ocr page 9

Vinet's Leven en Streven.

getrokken uit :

Studie over het leven én den arbeid Tan Vin et,

door

ARMAND VAUTIER.

Een vriend van Vinet schreef aan diens zoo zuivere en gezonde zedelijke natuur de voortgaande volmaking toe, die Vinet's talent onderscheidt te midden van een menigte vernuften, die-men ziet verduisteren en verminderen na den glans van een eerste verschijning in onze letterkundige wereld. Men kan nu verklaren, dat de naam en de invloed van den Christendenker datzelfde voordeel genieten en evenzeer voortdurend toenemen ten gevolge van het zedelijke levenssap, dat zijn arbeid doordringt en bewaart. Dit feit blijkt

ocr page 10

o vinet's leven en streven.

onder andere uit de talrijke studiën, welke uitmuntende geesten van verschillende richtingen aan hem gewijd hebben. In elk der vijf tientallen van jaren, sedert zijn dood verloopen, zijn verscheidene boek-deelen of meer of minder belangrijke artikelen verschenen, die aan hem gewijd zijn door theologen, wijsgeeren of letterkundige critici. En die beweging is niet met den tijd zwakker geworden; de laatste vijftien jaren zijn niet de minst rijke in dit opzicht.

Tot nog toe, het is waar, heeft het buitenland nóg slechts gedeeltelijk aan Vinet de plaats gegeven, die hem toekomt ; toch bleven Duitschland en Nederland niet achterwege met eenige blijken van sympathieke bewondering en men kan de werken, geschreven in het Fransch, nauwelijks tellen, die door hem gein-spireerd zij», zonder dat zelfs zijn naam er in genoemd wordt. Een zoodanige hulde, niet gebracht aan zijn persoon, maar aan de waarheid, die schittert in zijn werken, is juist wat Vinet zocht. Maar die hulde, welke een weldaad is voor hen, die haar brengen, kan veel algemeener worden. Het is een vergissing te zeggen, dat de werken van Vinet niet begrijpelijk genoeg zijn voor de meerderheid der lezers. Zeker

ocr page 11

vinet's leven en streven. 7

bevatten zijn geschriften gedeelten, die bij den lezer een zekere mate van letterkundige of theologische ontwikkeling vereischen, welke niet het deel kunnen zijn van het groote publiek; maar het gedeelte er van, dat kan worden aangeboden aan elk open en aandachtig verstand, is veel grooter dan men zich wellicht voorstelt, wanneer men zich er toe bepaald heeft, voornamelijk zijn genie te doen uitkomen. Het dubbele karakter van zijn arbeid en zijn geschriften wordt in treffend symbolieken vorm uitgedrukt door een schijnbaar weinig beduidend feit.

Gedurende zijn laatste zes levensjaren zag men in zijn studeerkamer twee kransen naast elkander hangen. De eene was hem aangeboden bij gelegenheid van het succes, behaald te Parijs, door een van zijn voornaamste werken, een met goud bekroond antwoord op een prijsvraag. De tweede krans, een bescheiden krans van mos, waarvan de beteekenis een geheel andere was, was hem aangeboden door een eenvoudigen schoenmaker, een van die werklieden, die, vernomen hebbende, dat een ernstig ongeluk het leven van Vinet in gevaar had gebracht, herhaaldelijk berichten kwamen inwinnen omtrent zijn toestand en hem zelf huiswaarts wilden dragen, toen hij

ocr page 12

8 'vinet's leven en streven.

het huis kon verlaten, waar hij was opgenomen. Men gevoelt, dat deze hulde minder zijn talent betrof dan zijn karakter en hein aanwees als den vriend der geringen, als dengeen, die hen liefderijk ontving, met meegevoel hen aanhoorde en hun dezelfde voorkomendheid en denzelfden eerbied betoonde, welke hij bewees aan bezoekers van hoogeren rang. Maar daarom juist heeft men in deze treilende getuigenis een zinnebeeld te zien van een belangrijk verschijnsel in de persoonlijkheid en den arbeid van A'inet. In beide toch is een populair element, dat, naar het ons voorkomt, meer op den voorgrond dient gebracht te worden dan tot nog toe gedaan werd in de geschriften zelfs dergenen, op wier getuigenis wij ons beroepen kunnen.

Vinet is man des volks en wel in de eerste plaats door zijn geboorte, door den nederigen stand zijner ouders, door de pijnlijke omstandigheden en schaarschte van brood, die heerschten om zijn wieg en later in zijn eigen huishouden. De onbekendheid van zijn afkomst droeg er veel toe bij hem te doen verkeeren in dat isolement, waarin hij zooveel jaren doorbracht, en was oorzaak van de stuitende minachting van sommige personen. Vinet's genegenheid voor de geringen en

ocr page 13

O

nedcrigen was yeen aangeleerde deugd, zij was natuurlijk en in zekeren zin ingeschapen; en de nederigen en geringen vergisten zich daarin niet, zij gevoelden begrepen te worden.

Misschien komt die genegenheid het meest uit in een artikel, dat hij schreef over Robinson, en in zijn liefde voor dat echte volksboek, dat zoo duidelijk in zijn held een type teekent, den vertegenwoordiger der afgezonderden en der paria's van de beschaving. Maar Vinet toonde zijn liefde voor het volk in engeren zin bij meer dan één belangrijke gelegenheid, o. a. bij de toelating der geringen tot het bestuur der Kerk en vooral toen er sprake was van het zoeken eener geloofsformule voor de Nieuwe Kerk, in 1847, bij welke gelegenheid hij de gedenkwaardige woorden sprak: «De formule van deze belijdenis zij toegankelijk voor de nederigste dienstbode, voor den onwetendsten opperman, indien zij Christenen zijn.quot; Toen het de vraag was, hoe de Christelijke waarheid en zede-leer behoorden gepredikt te worden om de harten te winnen, zei hij: „Biedt het volk niet aan een zedeleer, gebaseerd op redeneeringen, op een abstractie; geeft het een zedeleer, berustende op feiten. Die heeft liet volk noodig en gij weet dat.

ocr page 14

'10 vinet's leven en streven.

indien gij het volk kent.quot; Vinet kende het volk en had het lief.

Een der grootste eeretitels van het Christendom achtte hij de gescliiktheid er van mee te werken tot de verstandelijke ontwikkeling van het volk; zijn geschriften leggen er getuigenis van af, hoezeer dat onderwerp hem ter harte ging.

Niet uitsluitend met het oog op een uitgelezen publiek en lettende op de critiek schreef Vinet; hij wijdde gedurende twee of drie jaren al zijn beschikbaren tijd aan de vervaardiging zijner terecht zoo beroemd geworden Chrestomathie 1) Zijn geschreven woord, het is waar, is minder toegankelijk voor elkeen dan zijn gesproken woord, maar wie niet geheel vreemdeling is in den kring der gedachten, waarin Vinet zich beweegt, vindt zelfs in zijn meest wijsgeerige geschriften de verzuchtingen terug, die beantwoorden aan de nooden en belangen van allen.

Het is met voordacht, dat wij eenigszins uitgeweid hebben over dat gedeelte van het genie van Vinet,

') Helaas, thans verdrongen van onze Nederlandsche scholen door----andere leesboeken! (Noot van den V'ert.)*

ocr page 15

41

dat zich tot liet volk wendt. Inderdaad is het de aanwezigheid van dat gedeelte, wat deze uitgaaf wettigt en verklaart. Indien Vinet alleen gelezen moest worden door de geletterden, dan zou men het hun veilig kunnen overlaten de 27 mooie deelen in 8° te benutten, die te Parijs of Lausanne zijn uitgegeven, en die, met de werken, welke hijzelf uitgaf, bevatten wat zijn vrienden waardig gekeurd hebben aan het publiek te worden aangeboden. Maar niet allen hebben die verzameling binnen hun bereik en de uitgebreidheid er van lean daarenboven afschrikken en zoodoende zou juist de rijkdom en verscheidenheid van Vinet's werk menigeen houden buiten aanraking met den man, van wien een dagblad van Parijs zeide, vdat hij ongetwijfeld aan de wereld meer oorspronkelijke en ware gedachten gegeven heeft dan eenig mensch dezer eeuw.quot;1

Niet al, wat Vinet schreef, al blijft het kostbaar voor de kennis van zijn persoon en zijn ontwikkeling, is even geschikt om nu het publiek te worden aangeboden: vandaar, dat wij ons bepalen tot een keuze, een zeer matige keuze, die moge opwekken tot de begeerte naar meer!

Maar van alle boeken, die Vinet heeft geschreven,

ocr page 16

12 vinet's leven en steeven.

is dat, hetwelk hij met de meeste zorg bewerkt, herzien en verrijkt heeft, dat boek van zijn innerlijk leven, hetwelk elk mensch voor zich schrijft.

Wij kennen geen schrijver, wiens werken meer onmiddellijk uit de ziel kwamen. Toen hij nog heel jong was, drukte hij reeds zijn afkeer uit over de handelwijze van een dichter, die het genre dei-zwaarmoedigheid koos, zooals men een snaar kiest voor een viool. Vinet schreef nooit een woord, dat niet eerst geklonken had in zijn ziel; om Vinet te lezen moet men hem kennen. Voorzeker, men kan hem leeren kennen uit hetgeen Eugène Ramdert in zijn d Alexandre Vinet. hist oir e de sa vie et de ses oeuvresquot; schreef en uit Wat hij zeide in: vAlexandre Vinet d'après ses poesiesquot;, maar wij vreezen. dat de twee deelen evenmin als de werken van Vinet in ieders handen zijn en daarom bieden wij hun, die niet in de gelegenheid zijn ze te lezen, deze korte bijdrage aan over de omstandigheden, waaronder het leven van den grooten denker van Waadland voorbijging en die het punt van'uitgang zijn voor de meeste zijner werken.

Wat wij hier geven is verre van alles te bevatten, wat de vrienden van Vinet gaarne gegeven zouden

ocr page 17

vinet's leven en streven. 43

zien: de uitgever1), die het aan het publiek aanbiedt, is bereid om te voldoen aan hun wenschen, door deze uitgave te doen volgen door een andere, indien hij wordt aangemoedigd door de ontvangst van dit bundeltje.

') Ook de uitgeyer van dit boekje sluit zich hierbij aan en de vevfcalev zou niets liever doen dan den geheelen Vinf.t te vertolken.

ocr page 18

Onder de wandelaars, die tegen het einde van het eerste tiental jaren dezer eeuw kunnen geloopen hebben in den omtrek van het Collége cantonal van Lausanne, zal menigeen misschien ietwat glimlachend een jeugdigen scholier beschouwd hebben, die er verlegen uitzag en wiens eenigszins primitieve kleeding menig grappig gezegde ontlokte aan zijn kameraden. Gedeeltelijk uit beginsel, gedeeltelijk uit zuinigheid, vertrouwde zijn vader de zorg om hem te kleeden toe aan een kleinen dorpskleermaker. Nog eenige jaren echter en de scholier, wiens verschijning hem blootstelde aan de bespotting van zijn medeleerlingen, zal hen opwekken tot sympathieke oplettendheid en jeugdige bewondering. Die scholier hield reeds van lezen; hij vertoefde zeer gaarne in het huis van een boekverkooper, die woonde in de buurt van zijn familie, welke toen te Lausanne, rue du Pont, verblijf hield. Maar niemand zou het waarschijnlijk hebben gevonden, dat na ongeveer negentig

ocr page 19

vinet's t.even en streven. 15

jaren de werken van dat kind een der meest eervolle plaatsen zouden innemen bij de opvolgers van den boekhandelaar, zijn vriend, en in den geest der nieuwe menschengeslachten.

Niemand, zijn vader minder dan iemand anders, zou zoo iets hebben durven hopen. En toch meende die vader, een eerlijk en verstandig man, zijn zoon Alexander te kennen, dien hij tot aan diens zevende jaar zelf onderwezen had, en van wien hij geen groote verwachtingen had, terwijl Inj in den jongeren zoon Henri een veel levendiger geest en vurigheid opmerkte. Ofschoon hij tamelijk laat de rijke natuur van het kind had leeren kennen, droeg hij toch veel er toe bij die te ontwikkelen. Niet echter van den aanvang af: een strenge tucht, een onverbiddelijke veeleischendheid, die niet de minste inbreuk op den regel gedoogde, de herhaalde verwijtingen, die het gevolg er van waren, ziedaar meer dan noodig was om de uiterste gevoeligheid van den kleinen Alexander op te wekken en eiken dag het uur, dat de stap zijns vaders zich op de trap deed hooren, te veranderen in een oogenblik van schrik en tranen. Deze gestrengheid van den vader was voor dezen een gewetenszaak en een zaak van overlevering: zij kon slechts sterker uit-

ocr page 20

16 vinet's leven en streven.

drukking erlangen door de moeilijke omstandigheden, die zijn leven tot een tamelijk harden strijd maakten.

Gewezen lager onderwijzer, gewezen ambtenaar hij de tolrechten te Ouchy, waar zijn zoon geboren werd op den 17den JUni van het jaar 1797, moest Marc Vinet de twee volgende jaren in Duitsch-Zwitserland zijn brood verdienen als kopiist en slaagde hij er eindelijk in, dank zij zijn krachtigen en verstandigen arbeid, secretaris te worden van den Petit-Conseil aan het departement van inwendig bestuur van zijn kanton. Inderdaad bezat deze man van het ancien régime andere eigenschappen dan zijn gestrengheid. Met zijn open en ontwikkeld verstand, vertelde en las hij zeer goed in den kring van zijn gezin; menig dichterlijk stuk ontlokte hem ondubbelzinnige bewijzen van die gevoeligheid, die hij laakte in zijn zoon en die deze toch eigenlijk van hem had, hoezeer hij trachtte haar in het diepst van zijn ziel te verbergen.

Het beeld van Mevrouw Vinet danken wij haren zoon zelf, die, denkende aan haar, zeide: »Hoe ver ons geheugen ons ook terugvoert, overal vinden we de zorgen en de belanglooze liefde van onze beminde moeder terug, haar kalme en bescheiden toewijding, haar onophoudelijke zelfverloochening, zooveel deug-

ocr page 21

vinet's leven en streven. '17

den, die de wereld nooit gezien heeft, maar die liet geluk uitmaakten van haar echtgenoot en kinderenquot;. Hij noemt haar »zoo nederig, zoo geduldig, zij, die een heel leven lang niets deed dan verdragen en toegeven, en die, naar liet voorbeeld van haren Zaligmaker. in de wereld was gekomen om te dienen en niet om gediend te worden, die nooit op iets aanspraak maakte, nooit iets eischte en die het kleinste

bewijs van vriendschap met dankbaarheid vervulde''.

❖

* *

Nog voordat hij veertien jaar was begon Alexander de lessen in de Fraaie Letteren te volgen en mengde zicli met toestemming van zijn vader in de levenswijze zijner kameraden. Deze tijd was voor hem er een van ontluiking: zijn bekwaamheden en aanleg deden hem weldra gekozen worden tot vertegenwoordiger zijner makkers bij liet uitspreken van redevoeringen en het vervullen van moeilijke zendingen; hij bezat in die dagen in hooge mate de vroolijkheid, welke latere ervaringen en lichamelijk lijden nooit geheel hebben doen verdwijnen. »In den grondquot;, zei hij. «is het studentenleven zeer aangenaam; het bant zwaarmoedigheid en boezemt vroolijkheid inquot;. De politieke gebeurtenissen van die dagen deden de vaderlandlievende

ocr page 22

•18 vinet's leven en streven.

snaren bij hem trillen, die immer gevoelig gebleven zijn.

Het zou te ver voeren, hier te spreken over den V[net , den jongen Vinet van 1813, die zijn «Réveil des Vaudoisquot; J) de wereld inzond en door dat gedicht reeds blijk gaf van die moedige oprechtheid, van die behoefte om vrijuit te verkondigen, wat hij voorwaar hield, die later door hem werd verheven tot «eerste beginselquot;.

Overeenkomstig den wensch zijns vaders koos hij den geestelijken stand. Hij had in die dagen, zonder nog de innige en diepe vroomheid te kennen, een ernstige levensbeschouwing. Hij stichtte in vereeni-ging met andere theologische studenten een Vereeni-ging voor Bijbelstudie, met het doel jle vertaling der Heilige Schrift te volmaken. Zonder vrucht is deze Vereeniging niet gebleven.

Het was in den loop van zijn achttiende levensjaar, dat bij Vinet op een zeer sprekende wijze die evolutie plaats greep, welke den jongeling doet worden tot jongen man. Het was, toen hij gedurende eenige maanden de betrekking van onderwijzer vervulde bij den jongen Auguste Jaquet, te Longeroie bij Merges, en hij in

') De Opwekking der Waadlanders.

ocr page 23

vinet's leven en streven. 19

die zeer ontwikkelde familie al vond, wat de ontluiking van zijn rijke begaafdheden kon bevorderen en de schatten zijner kieschheid, de buitengewone fijn-lieid van indrukken kon openbaren, die verborgen waren onder grove trekken en soms wat linksche manieren; maar welke bleken uit zijn stem, zijn glimlach en vooral uit zijn blik. De tegenstelling was groot tusschen het afgezonderde en strenge leven van het ouderlijk huis en deze nieuwe omgeving van weelde en beschaafdheid. Eens, dat de jonge onderwijzer den Cid las met zijn welluidende stem, vol uitdrukking, bleef hij steken, overwonnen door zijn aandoening, en vluchtte hij haastig weg om op zijn bed vrij uit te weenen. Ook van de muziek hield hij zeer veel.

Kort na zijn terugkomst in Lausanne was het de beurt van Marc Vinet bewogen te worden en zijn aandoeningen niet meester te blijven bij hetgeen hij zag doen en hoorde spreken door zijn zoon.

Het was bij gelegenheid, dat beiden een academi-schen wedstrijd bijwoonden, waaraan Charles Mon-nard deelnam, die candidaat was voor het professoraat in de Fransche Letterkunde. De jonge Vinet stond op om deel te nemen aan dat letterkundig

ocr page 24

20

steekspel en maakte zijn aanmerkingen ten aanlioore van een talrijke menigte: de vader werd zoodanig aangegrepen door dat gezicht, dat hij heenging zonder te durven luisteren.

Dit geval bleef niet zonder uitwerking op de toekomst van hem, die bij deze gelegenheid de tegenstander was geweest van Monnakd. Dezen laatste, door den Opvoedingsraad van Bazel opgedragen zijnde om voor het Gymnasium van die stad iemand te zoeken, in staat om Fransche Taal- en Letterkunde te onderwijzen, aarzelde hij niet de keus te vestigen op den student, met wiens geschiktheid hij kennis gemaakt had door diens scherpe critiek. Na een schitterend examen in de letterkunde, door Vixkt afgelegd, werd deze keuze bevestigd door de Academie en den 30^en Juli 1817 vertrok hij naar Bazel.

*

Het was voor den twintigjarigen Vinet een moeilijke taak al de plichten te vervullen, aan zijn leeraar-schap verbonden, en zich nog tevens voor te bereiden voor de laatste examens, die zijn academische studiën moesten bekronen. Hij gevoelde al het treurige van het alleen zijn in een vreemde stad en de briefwisseling, die hij onderhield met zijn vader, zoowel als

ocr page 25

vineï's leven' en streven. 21

met zijn vrienden Secuetan en Louis Leresciie , waren hoog noodige oasen in de woestijn zijns levens. Doch — er was voldoende kracht in hem alles te doen, wat bevorderlijk, en alles te missen, wat hinderlijk kon zijn aan de vervulling zijner taak; hij voltooide zijn studiën en in Juli 1810 werd hij, na afgelegde examens, te Lausanne gewijd of ingezegend. Het is moeilijk te zeggen, welken steun hij bij dat alles ondervonden heeft door de hoop op de echtverbintenis, waarvoor hij onmiddellijk na zijn terugkeer te Bazel de toebereidselen maakte en die reeds in October 1819 werd ingezegend door dominee Leresche, zijn boezemvriend. Het was met zijn nicht, mejuffrouw Sophie de la Roïtaz, van Veytaux bij Montreux, dat Vin et zich in den echt verbond, en deze vrouw, die hein gaf, wat hijzelf noemde «de zoete verwezenlijking der zoetste droomen, die men ooit gedroomd heeftquot;, heeft niet opgehouden deel te nemen in zijn werk en in zijn strijd, met een verstand en een moed, zijner geheel waardig.

Het jonge gezin baadde zich niet in weelde; het traktement als leeraar was gering en toen het eerste kind geboren werd, was er 2 francs in huis, en toch verklaarde Vinet zoo volkomen gelukkig te zijn, dat

ocr page 26

22 vinet's leven en streven.

•

hij er niet aan dacht iemand te benijden, en de heide echtgenooten hebben dezen tijd huns levens, een tijd van zwaar werken en moeilijk leven, altijd beschouwd quot;als de schoonste huns levens.

Intusschen was Vineï benoemd tot Buitengewoon Hoogleeraar in de Fransche Letterkunde en kon hij, zijn theologische studiën beëindigd zijnde, zich met al zijn liefde wijden aan de Letterkunde, die in zijn oogen de spiegel der maatschappij was en als zoodanig een groote practische waarde bezat: hij droomde voor zijn land van een nationale letterkunde, geïnspireerd door liefde voor het vaderland, van een dichtkunst, die het zedelijk bewustzijn zou doen herleven enden godsdienst doen ontvlammen.

Het was in die dagen, dat hij zelf in het strijdperk trad, om zijn ouden, geëerbiedigden leermeester, den deken Cartot, in een geschriftje van vier bladzijden te verdedigen als verleaienwoordiüier dor oude vormen

O O c?

tegenover jonge dominees, die overhelden naar de nieuwe denkbeelden en die den ijverigen en eerwaarden deken beschuldigden van dwaling, God vragende zijn hart te treffen. Met gestrengheid oordee-lende over zekere neigingen van de beweging der opwekking, veroordeelde Vinet niet minder de hou-

ocr page 27

vinet's leven en streven. 23

cling der bevolking, in opstand tegen de sektarissen,' en erkende, dat, in het kanton Waadland vooral, de intrede van het piëtisme in Gods handen kon dienen om de onverschilligheid te doen ophouden en om aan de vroomheid een inniger kracht hij te zetten, een

levendiger en meer persoonlijk karakter te geven.

« *

Alvorens echter verder te spreken over de letterkundige werkzaamheid van Vinet te Bazel, is het hier de plaats over twee rampen te spreken, die van invloed moesten zijn op Vinet's leven. De eerste was de dood van zijn vader, die een diepen indruk op den jongen man maakte. Hij loeide in voortdurende wisseling van gedachten over alle mogelijke zaken met zijn vader, en de dood brak die verhouding plotseling af; het was hem een tijd lang of de veer zijns levens gebroken was. Hij stond nu alleen en het duurde eenigen tijd eerdat alleen-staan hem prikkelde tot dubbele werkzaamheid.

En deze ramp kwam niet alleen, werd zelfs nog voorafgegaan door. een andere, die hem gekweld heeft tot aan het einde zijner dagen.

Reeds van den aanvang van zijn verblijf te Bazel af was zijn gestel ondermijnd. Te veel werk, te weinig voedsel hadden zijn gezondheid reeds zoodanig ge-

ocr page 28

24

schokt, dat hij eens genoodzaakt was geweest zijn examens een jaar uit te stellen. Na dien tijd scheen hij echter hersteld, doch in Juli 1820 kreeg hij bij het opstaan een ongemak in den onderbuik, dat eenige maanden later een pijnlijke operatie noodig maakte, die slechts met twijfelachtig succes verricht werd en waarvan hij nooit geheel herstelde. Herhaaldelijk stortte hij in en noch het bezoeken van geneeskundige inrichtingen, noch het verblijven in gezonde streken hebben hem ooit geheel doen herstellen. In 1828 was hij te Louèche, waar hij niet alleen zichzelf, maar ook zijn zuster en zijn zoon Augustus te verplegen had, die plotseling doof geworden was, welke doofheid leidde tot een nog ernstiger en ongeneeslijke kwaal. Het was ook in dit jaar, dat zijn moeder stierf, die sedert den dood van Marc Vinet bij hem woonde, evenals zijn zuster Elise, die haar twee broers overleefde.

Deze rampen oefenden grooten invloed uit op Vinet, maar Vinet's behoefte om te denken en uitdrukking aan zijn gedachte te geven was te groot, om aan welke uiterlijke omstandigheden dan ook de heerschappij over zijn geest toe te staan.

ocr page 29

vinet's leven en streven. 25

Toch zou het verkeerd zijn te meenen. dat zijn lichamelijk lijden zonder invloed bleef op de ontwikkeling van zijn godsdienstig leven, en met name schijnt het jaar 1823, het jaar, waarin zijn leven ernstig bedreigd werd, beslissend geweest te zijn voor het werk, dat overigens langzaam in de diepte van zijn ziel geschiedde. In een brief aan het »Dagblad van de Vereeniging voor Christelijke Zedeleerquot; stelt hij, dat dogma en zedeleer één en dezelfde zaak zijn, want de geloofsleer is liefde en de zedeleer is liefde; al de Christelijke deugden zijn slechts noodzakelijke gevolgen van het feit der verlossing. Dit gezichtspunt was toen nieuw en zeer actueel; het omvatte de vruchtbare verzoening tusschen den geest der Nationale Kerken, die scholen voor zedeleer waren, en dien van de Opwekking, welke de zedeleer minachtte, denkende daardoor de genadeleer te verheffen.

Een andere overweging, die een belangrijke rol in zijn leven zou spelen, drong zich aan zijti gedachten op naar aanleiding der gebeurtenissen, die in liet kanton Waadland plaats grepen. Het waren daar de nieuwe leeringen, die door een groot aantal jonge dominees omhelsd waren en die in de pers waren verbreid of in de vergaderingen bekend onder den

ocr page 30

26 vinet's leven en streven.

naam van sluipvergaderingen, en die een verbittering onder liet volk teweeg brachten, welke wederom aanleiding gaf tot een verklaring van den Grooten Raad, die niets minder inhield, dan dat het niet de oproerlingen waren, die de openbare orde verstoorden, maar de burgers, die de vrijheid van godsdienst in toepassing brachten. Vinet zag'dadelijk in, dat deze onverdraagzame maatregelen het natuurlijk gevolg waren van het beginsel van een Staatskerk. Ofschoon hij persoonlijk niet instemde met de soort van vroomheid , die heerschte in de sluipvergaderingen, stelde hij zicli ten taak de vrijheid te verdedigen om baars zelfs wil: God vraagt vóór alles oprechtheid, die voor elkeen liet recht eischt uit te drukken, wat hij gelooft.

Talrijk zijn de geschriften, waaronder één, dat bekroond werd onder den titel van «Memorie over de vrijheid der godsdienstenquot;, welke Vinet naar aanleiding van dezen strijd schreef; het einde der zaak was, dat in 1820 Vinet beschuldigd werd van een poging tot opruiing en dat hij verklaard werd gedurende twee jaren ongeschikt te zijn tot het vervullen van pastoralen arbeid. Voorzeker had men geen beter middel kunnen bedenken om den naam van Vinet bekend te maken.

ocr page 31

vinet's leven en streven. 27

Het was in datzelfde jaar en het volgende (1830), dat de drie deelen der bekende Chrestomathie verschenen. En toen de twisten in Waadland over de vrijheid van godsdienst opnieuw begonnen, was Vineï weder op zijn post, hoewel zonder succes. Tezelfder tijd was Yinet betrokken in een anderen twist, die, van meer staatkundigen aard, de scheiding ten gevolge had van Bale-ville en Bale-carnpagne.

In een moeilijk oogenblik nam hij plaats onder de gewapende macht en betrok de wacht om de bedreigde stad Bazel te verdedigen tegen het landvolk, totdat men inzag, dat zijn pen hem als wapen beter paste dan een geweer, en tot tweemaal toe droeg het gouvernement van Bazel hem een diplomatieke zending-op naar het bestuur van Waadland.

Doch niets — zelfs niet het geraas eener omwenteling — kon hem afhouden van de hooge vragen, die het zedelijk en godsdienstig leven betroffen. Hij gaf in die dagen de preeken, door hem uitgesproken in de Fransche kerk te Bazel, in liet licht, na ze zorgvuldig herzien te hebben, en begon mee te werken aan een dagblad, dat onder den naam Semetir (Zaaier) te Parijs uitkwam.

In 1835, toen de kalmte te Bazel teruggekeerd was,

ocr page 32

28 vinet's leven en streven.

werd Vineï benoemd tot Gewoon Hoogieeraar in de Fransche Letterkunde aan de Moogeschool.

Hij was in dien tijd, kan men zeggen, beroemd geworden en hoewel onder de tallooze vleiende en gelukwensehende brieven er een was, die hem vermaande voorzichtig te zijn tegen elke neiging tot hoogmoed, is het geheel verkeerd uit dien brief ai'te leiden, dat er waarlijk gevaar bestond. De nederigheid , tot het uiterste gedreven, was een der kenmerkendste eigenschappen van Vinet en zoo kon het hem geen kwaad, dat velen der lezers van zijn talrijke geschriften, de onrustige geesten en bedroefden van harte tot hem kwamen om leiding en troost. Hij bezocht die personen, schreef hun, in proza of poëzie, en bleef dezelfde, tegen elk, hoog of laag in de wereld, nimmer den moed verloochenende zijner vroomheid, die zich aan bescheidenheid paarde. Om de volle schoonheid van Vinet's ziel te zien, zou men die ziel zelf moeten beschouwen, die, dikwijls ontroerd en bewogen. altijd volmaakt oprecht bleef, altijd strevende naar de volmaaktheid, naar een leven, doordrongen in alles en

overal van den Christel ij ken geest.

*

* *

ocr page 33

vinet's leven en streven. 29

Herhaalde malen had men getracht Vineï over te halen Bazel te verlaten en elders, te Genève cl' te Montauban, een professoraat in de theologie te aanvaarden of op nog andere plaatsen andere eervolle benoemingen aan te nemen; zelfs had hetjournalisme bij hem aangeklopt en had hij een korten tijd er over gedacht de letterkundige directie van de Semevr op zich te nemen; maar hij was te Bazel gebleven-

Eindelijk, in 1837, na den dood van Lerescue, professor in de practische theologie aan de Hooge-school te Lausanne, liet hij zich overhalen diens opvolger te worden en hoewel men te Bazel zijn heengaan betreurde en daarvan de duidelijkste blijken gaf, voelde Vinet zijn roeping en betrad Waad land weder, in welks lot hij steeds een levendig belang was blijven stellen.

Waadland had niet minder dan andere deelen van Zwitserland, dan geheel Europa, de gevolgen ondervonden van de staatkundige gebeurtenissen van het begin der i9lt;ie eeuw en had zijn deel gehad van de omwentelingen in het rijk der gedachten en meeningen, in sommige opzichten Waadland meer dan andere streken. De philosophie van Kant was doorgedrongen, de liberale beweging deed zich gevoelen, de studie

ocr page 34

30 vinet's leven en streven.

der natuurwetenschappen hield velen bezig en een liberaal en nationaal dagblad had zijn verschijning gemaakt; men dacht over een reorganisatie der Hoogeschool en had een normaalschool voor onderwijzers gesticht.

Toen Vineï den isteu November 1837, denzelfden dag, waarop Sainte Reuve zijn cursus over Port Royal te Lausanne begon, geïnstalleerd was in zijn nieuwe functies, zag hij zeer spoedig in, dat de toestand in Waadland niet vast was en dat een schok te verwachten was van een ernstig karakter.

De rede, door Vinet bij zijn installatie uitgesproken, was hoogst belangrijk, daar zij niet minder ten doel had dan te doen zien, hoe de Opwekking (Le Réveil) vruchtbaar kon zijn, indien zij , meer gehumaniseerd, niet langer de rede, de wetenschap en de kunst minachtte. Men gevoelde, dat hij de man was om zoo iets te zeggen en de beweging er toe te leiden, en van dat oogenblik af werd Vinet de leidsman en lierder van een geheel volk, ofschoon niet van het volk in zijn geheel, want Vinet zelf maakte zich ook toen geen illusies omtrent den werkelijk en toestand en voorspelde reeds in 1839 een omwenteling, die tegelijkertijd de vrijheid der Kerk en de belangen van het llooger Onderwijs zou belagen.

ocr page 35

vinet's leven en streven. 31

Was Vinkt door zijn wetenschappelijke talenten en de kracht van zijn karakter de leidsman van een belangrijk deel der ontwikkelde bourgeoisie, hij was de vriend der geringen, voor wie zijn deur nooit gesloten, zijn hart steeds geopend was, en het was in 1841, dat gebeurde, waar wij over spraken naar aanleiding van de krans van mos, hem door den armen schoenmaker gebracht. In 1841, toen zijn gezondheid een weinig aansterkte, zoodat iiij de lang vergeten gewoonte van heen en weer loopende half overluid te zingen weder aannam, kwam zijn leven in gevaar door een val op een wandeling. Het was toen, dat de liefde der geringen, die hem in zijn wetenschappelijke vlucht niet kon bijhouden, zicli op de reeds vermelde wijze openbaarde.

In 1839 schreef Vinet het grootste werk. dat uit zijn pen is gevloeid en waarvan wij hierachter een uittreksel geven. Het was getiteld: «Essai sur la manifestation des convictions religie usesquot; 1) en werd te Parijs bekroond. Eerst in 1842 werd het in het licht gegeven.

Den dag, volgende op dien, waarop men te Lau-

') Verhandeling over de openbaring der godsdienstige overtuigingen.

ocr page 36

32 vinet's leven en streven.

sanne bericht ontving van de bekroning, vond Vinet de zaal, waarin hij een les moest geven, gevuld met een menigte vrienden, die zijn katheder versierd hadden met bloemkransen en ruikers en die hem ontvingen met een hymne, gecomponeerd door Juste Olivier. Bewogen bleef hij op den drempel staan, sprak eenige treilende woorden en een gebed uit en trok zich onmiddellijk daarna terug, in zijn hart de getuigenis van deze dankbare liefde meenemende, die voor Item de ware bekroning was.

Als hoogleeraar, zegt men, kon Vinet alleen geheel gekend worden door zijn studenten: in zijn lessen gaf hij zijn geheele gedachte met een stoutmoedigheid, die door zijn zorgvuldige waakzaamheid in toom gehouden werd, zoodra hij de pen opnam, begeerig als hij steeds was allen hartstocht te vermijden en waar hij zijn vrienden en zijn beginselen verdedigde dit alleen te doen , zooals hij zeide, op grond en in het belang der Christelijke waarheid.

Vinet had zich in het reeds genoemde geschrift doen kennen als tegenstander van de Nationale Kerk, daar hij de bescherming van de Kerk dooi' den Staat afkeurde om den wille van de hoogste godsdienstige belangen.

ocr page 37

vinet's levkn ex streven. 33

Kon hij, — ziedaar de ernstige vraag, die zich aan hem voordeed — kon hij in die omstandigheden blijven voortgaan jongelieden te helpen opleiden tot predikant bij die Kerk, waarvan hij een verklaard tegenstander was ?

Een gewetensvraag, die hij beantwoordde door den ilden November '1844 zijn ontslag te nemen Wel bleef hij op verzoek nog eenigen tijd zijn onderwijs geven, maar hij besliste op dien datum voor zijn geweten. En het was op den SOten Mei 1845, toen de door Vinet aangekondigde revolutie werkelijk uitgebroken was en een nieuwe wet elke vrijheid van godsdienst scheen te dooden, door elke godsdienstige vergadering buiten de door het reglement aangewezen kerken en uren te verbieden, dat Vinet zijn aanvraag om ontslag vernieuwde en inderdaad heenging.

Dat hij den strijd op zou geven, kon niemand verwachten, en niemand zal gelooven, dat hij er een oogenblik aan gedacht heeft, die inzage kan nemen van zijn talrijke grootere en kleine geschriften uit dien tijd; die weet van de redevoeringen, welke hij uitsprak, waarin zijn satirisch en ironisch talent schitterend uitkwam, te schitterender, omdat zijn

werkelijk Christelijk gemoed hem steeds billijk en

3

ocr page 38

34 vinet's leven en streven.

matig deed blijven, zelfs waar hij de snijdendste gedachten te openbaren had. Evenals liet meer, aan welks oever hij is geboren en stierf, bewaarde zijn ziel, in staat stormachtig bewogen te worden door rechtmatige verontwaardiging, altijd de innerlijke kalmte.

üe Staat en de geestelijkheid waren in openbaren strijd : honderd zestig predikanten namen hun ontslagen de vorming der Nieuwe Kerk werd door Vinet's raadgevingen en daden voorbereid. Op verschillende punten van liet kanton worden gemeenten georganiseerd en Vinct preekt dikwijls te Lausanne en elders. Verschillende van die preeken zijn nog bewaard gebleven.

Een maand, nadat Vinet zijn ontslag genomen had als theologisch professor, bood men hem het professoraat in de Fransche Letterkunde aan en hij aanvaardde die nieuwe functie, welke hij echter slechts achttien maanden waarnam, ten gevolge van een reorganisatie der Hoogeschool, waarbij het geheele oude personeel werd ontslagen. Den 3den December 1840 werd Vinet ontslagen, onder beschuldiging van andere godsdienstige bijeenkomsten bij te wonen dan die van de Nationale Kerk, en eenige dagen later drongen eenigen

ocr page 39

VINEï's LEVEN EN STREVEN. 35

zijner oud-leerlingen, die hein wilden behouden als professor buiten de officiëele instelling, er op aan, dat hij zich zou verbinden aan de pas opgerichte Theologische Faculteit der Vrije Kerk, en liij gaf gehoor aan hun wensch. Tevens gaf hij een cursus aan de hoogere meisjesschool, de opbrengst waarvan hij afstond voor het onderhoud van die inrichting. Hij had deze taak verkozen boven de meest dringende en soms de meest kiesch-edel moedige aanbiedingen, die hem van verschillende zijden, van Bazel in het bijzonder, gewerden.

* #

Maar zijn levenstaak liep ten einde. Van de eerste dagen van 1847 af hield het voorgevoel van een naderend einde zijn geest bezig. Dikwijls verliet hij alleen zijn bed om les te geven en begaf hij zich onmiddellijk na de les weder ter ruste. Zijn hoorders werden ge-trolfen door den bijzonder plechtigen toon van zijn onderwijs. De Commissie, die in opdracht had een plan van reglement te maken voor de Vrije Kerk, vergaderde meermalen bij hem aan huis; en daar hij slechts van uit zijn studeerkamer de beraadslagingen der Synode volgen kon, nam hij er aan deel door eenige brieven, waarvan ziekte hem verhinderde

ocr page 40

36 vinet's leven en streven.

den laatsten te voltooien. Na zoolang gestreden te heb-j ben voor de vrijheid van geweten. kon hij er niet aan denken het weer te plaatsen onder liet juk van een geestelijke dogmatiek. Ook ziet men hem met kracht er op aandringen, dat de geloofsbelijdenis van de Nieuwe Kerk een zeer eenvoudig, zeer kort en voor elk toepasselijk symbool zou zijn, «dat als een gouden beek zou stroomen van de lippen van het kind, van

den grijsaard en van den stervende..... Elk ander

systeem brengt ons terug naar het geloof op gezag, naai- de overlevering, naar het Katholicisme.quot;

Ofschoon hij slechts gedeeltelijk er in geslaagd is dit gezichtspunt te doen zegevieren, beeft hij zich niettemin toch hartelijk er in verheugd eindelijk een Kerk van vrije keuze te ziet} ontstaan, zonder geestelijkheid^ maar niet zonder herders, aan wier zelfbestuur alle lidmaten deelnemen. «Billijke vreugde,quot; zei Frédéric Chavannes, «zinnebeeld en voorspel van de eeuwige belooning.quot;

Op raad der geneesbeeren naar Clarens vervoerd, begreep Vinet weldra, dat zijn einde naderde. Het kostte hem veel, afstand te doen van den arbeid, dien hij zoo gaarne voltooid had, maar hij onderwierp zich zonder morren. Weinige dagen vóór zijn dood

ocr page 41

vinet's leven en streven. 37

dicteerde hij nog eenige bladzijden over Pascal en bestemd voor Le Semeur. Bemerkende, dat hij niet meer lezen kon, zei hij: »Ik word erger.... of liever, ik word beter.quot; Na zijn teedere dankbaarheid jegens zijn familie te hebben uitgesproken en zijn innige wenschen voor de vrienden, die hem omringden met hun liefde en hun gebeden, zegende hij zijn zoon en vroeg met gebroken stem vergiffenis aan God en de rnenschen; maar ziende, dat zijn vrouw zijn woorden opschreef, brak hij af en sprak nog slechts eenige woorden, doordrongen van die nederig! leid, die bij een man van zijn beteekenis een hemelsche aureool schijnt en het duidelijkste teeken van een innerlijk Christelijk karakter. »Vraag voor mij alle genadegiften, zelfs de allerkleinste,quot; zei hij tot een vriend, die aan zijn bed waakte en wiens zorgen hij met treffende dankbaarheid aanvaardde.

»Ik kan niet meer denkenquot;, zoo was een der laatste gezegden van den grooten Christelijken denker, die echter nog bidden kon en uitriep: »0, mijn God, erbarm IJ mijner!quot; Eenige oogenblikken later gaf hij den geest, op het oogenblik, dat de zon verscheen aan den horizon, op den 4den Mei 1847, een Dinsdag, juist als dit jaar, dat den vijftigsten verjaardag van

ocr page 42

88 VTNET'S LEV F.N E\T STREVEN.

zijn dood en den honderdsten van zijn geboorte omvat.

In den avond van dien dag werd de kist overgebracht naar liet kasteel du Chatelard, waar twee dagen later eenige honderden personen aankwamen, terwijl studenten kransen van laurier en immortellen brachten.

Na een godsdienstoefening, gehouden in het salon, waar de stem van Vinet zich zoo dikwijls had doen hooren, begaf de stoet zich naar het kerkhof langs een weg, geheel beschaduwd door kersehoomen in bloei. Afscheidswoorden werden uitgesproken door Guillaume Monod, den opvolger van Vinet aan de Moogeschool, en door een student, Aimé Steinlen, die sprak uit naam van zijn medeleerlingen. Een hymne van Olivier werd gezongen en daarna verspreidde de stoet zich.

Op het gedenkteeken, te zijner nagedachtenis opgericht op het kerkhof van Clarens, leest men twee bijbelwoorden: «Ceux qui auront étc intelligents lui-ront comme la splendour de Tétendue et ceux qui en auront amene plusieurs a la justice brilleront comme des étoiles a toujours et a perpétuitéquot; 1); en

') Duiiiël XII : 3.

ocr page 43

vinet's leven ex streven. 39

«Yotre vie est cacliée avec Chuist en Dieuquot; '). Het eerste drukt het gevoelen nit van zijn vrienden en leerlingen; het tweede, er aan toegevoegd door zijn weduwe, is getrouw aan de wijze, waarop hij altijd

over zichzelf gesproken heeft.

*

* *

Het eenvoudige monument, opgericht op liet graf van Vinet door een vriendenhand, was aanvankelijk gekeerd naai' liet Westen, doch daar ten gevolge van de vergrooting van het kerkhof een verplaatsing is geschied, richt het nu den blik naar het Oosten. Dit kleine feit schijnt een zinnebeeld. Vele belangrijke zaken hebben haar opkomst en ondergang gehad. Waarom zou het werk van Yinet met zijn nederige en heilige grootheid niet een omgekeerd lot hebben ? Vele van zijn meest oorspronkelijke en nieuwste opvattingen , onder den sluier van overlevering en vooroordeel verborgen, werden misschien aanvankelijk behandeld als niet te vorwezenlijke theorieën, bestemd om weldra beneden den horizon te verdwijnen. Maar de wereld gaat vooruit, de vraagstukken veranderen van aanzien. Reeds beroepen de vertegenwoordigers

') Kol. III: 3.

ocr page 44

40 v j net's leven en streven.

van verschillende richtingen zich op Vinet, hetgeen beteekent, dat allen aan hem een bestanddeel te ont-leenen hebben, hetwelk hun ontbreekt. Welke dus de uitgebreidheid en de duur van de reputatie van Vinkt zullen zijn, het Christelijk geestesleven, waarvan hij de rijke innerlijke harmonie en de allerbelangrijkste maatschappelijke gevolgen geopenbaard heeft, richt zich naar het Oosten en.... rekent op de toekomst.

ocr page 45

11.

Christendom en Opvoeding.

Het Christendom als Opvoeder.

Het Christendom is de uitmuntendste zedeleer, omdat het iets anders is dan een zedeleer. Het richt zich niet eerst tot liet verstand; het gaat regelrecht tot de ziel, met al de kracht van een feit. Het herhaalt niet de oude argumenten van elke menschelijke moraal, liet gebruikt die argumenten niet eens, want zij zijn altijd machteloos gebleken en het meest bekwame gebruik er van heeft nooit een enkel hart vernieuwd; het brengt een nieuw feit, dat buiten de natuur, boven de natuur, boven het verstand staat. Het spreekt van de deernis van den Allerhoogste; de wonderbare nederdaling dei-Godheid; het vleeschgeworden Woord; den Heilige, Dien alle Hemelen kennen, en Dien de eeuwigheid aanbidt, «Man van smarte geworden en verzocht in

ocr page 46

42 vinet's leven en streven.

krankheidquot;. Het vertelt aan de mensclüieid, neergedrukt onder den last der zonden en onder liet onbestemde gevoel van haar verval, dat er herstel is, bedacht door de liefde, vervuld door de liefde. Het vertelt ons op Golgotha van de verzoening van den Hemel met de aarde, en van de roeping der mensch-heid om haar oude verhouding met den Hemelschen Vader te hernieuwen; aan het ledige graf van Christus spreekt het van de bewijzen van leven en onsterflijkheid; op den grooten dag van het eerste Pinksterfeest verhaalt het van de weer herstelde wisseling tusschen den Geest van God en den geest des menschen, van de Hemelsche vreugde, die op de aarde nederdaalt en haar zegent, van den dageraad van het eeuwig geluk, die onze ellende verlicht, van den tijd, die aansluit aan de eeuwigheid over den grafkuil heen, en hoe zonder ophouden van de aarde tot den Hemel het gezicht volgt op de hoop, de vreugde op de vreugde, het leven op het leven. Dat is het feit, door het Christendom verkondigd; en door dat feit alleen wekt het, krachtig kloppende aan de deur van ons hart, met luider stem in dat hart na elkander de vreugde en de dankbaarheid, totdat zij er in ontwaken en levendig worden.

Welke zijn de ware fondamenten van elke politieke

ocr page 47

vinet's leven en streven. 43

vereeniging en van elke goede moraal? Wij hebben ze gevonden ') in de noodzakelijkheid en in de onderlinge liefde, in de eigenliefde en in een diepe aandoening des harten. Welnu, die twee beweegkrachten zijn aanwezig in het Evangelie; en waar ze elders te vinden in die mate? Of liever, waar vindt men ze anders dan in het Evangelie ? Welk stelsel is er, dat aan de ziel andere redenen tot. wedergeboorte kan verschaffen dan die, waarvan de ervaring ten volle de onmacht heeft bewezen? Welke kracht van overtuiging zou diep genoeg in het zedelijk leven kunnen doordringen om het geheel los te maken van zijn basis en het over te plaatsen op een geheel nieuwe? Men spreekt van stelsel: maar welk stelsel ter wereld zou zoo wonderbaarlijk kunstig kannen in elkaar gezet worden als deze godsdienst, die or zoo ver .van af is op een stelsel te gelijken, dat het juist de verdienste is, die men het minst er aan toekent? Door welke meer blijdschap aanbrengende boodschap zou het eigenbelang kannen worden in beweging gebracht? Hier is de boodschap des heils. Door welke weldaad

') In „L'éducation, la familie et la soeictéquot;, waarvan dit opstel een uittreksel is.

ocr page 48

44 VINEï's l.EVEN EN STREVEN.

zou de dankbaarheid levendiger kunnen worden opgewekt? Hier is een weldaad zoo groot, dat de ge-

f

dachte er geen edelmoediger kan bedenken. En men bedenke hier een zaak, wei de aandacht waardig. Do vreugde alleen zou ons zedelijk herstel niet voleindigen : die dankbaarheid moet er zich bij aansluiten; maar indien die dankbaarheid op haar beurt betrekking had op een, mindere gift dan die des heils, zou zij niet zooveel kracht op de ziel uitoefenen als het werk onzer wedergeboorte eischt. Hoe groot een weldaad zijn moge, indien zij niet de zaligheid geeft, indien zij niet verlost uit het onmetelijkste gevaar en het geduchtste ongeluk; indien zij niet de verschrikkelijkste vrees der menschen doet verdwijnen, dan zal zij in de ziel niet die algeheele omwenteling teweegbrengen, die haar een geheel nieuwe ziel doet worden. Om aan zichzelf ontvoerd te worden, om te worden losgerukt uit den bodem van het eigenbelang en overgeplant in dien der liefde, moet zij de overtuiging hebben verloren, door God verworpen en verdoemd te zijn. Zonder deze overtuiging ontglipten haar alle weldaden, zelfs die, welke in staat zouden geweest zijn haar zaligheid in één slag ten toppunt te voeren, en die haar voor altijd buiten gevaar zouden gebracht

ocr page 49

vinet's leven en streven. 45

hebben, en veranderden haar gewonen toestand niet merkbaar; wij zeggen niet alleen, dat het zoo zou kunnen zijn: wij zeggen, dat liet zoo is; want de ervaring doet het duidelijk genoeg zien. Men moest dus, om der ziel haar zaligheid aan te kondigen, haar in de eerste plaats haar veroordeeling duidelijk maken, haar toestand van verval vaststellen: welk een onderneming! Maar de menschelijke ziel, innerlijk gekweld, had reeds een gedeelte van die verschrikkelijke bekentenis stamelend tot zichzelf gezegd; zij was eenigs-zins voorbereid op de volledige openbaring van haar ellende; de Geest van God is een goed rechter van hetgeen in den mensch is. Deze overtuiging van zonde is het hengsel, waarop de deur draait, die ons den Hemel opent; zij is de voltooiing of liever het eerste gegeven van dit stoutmoedige stelsel der verlossing, zoo uitgestrekt, zoo lumineus, zoo streng doorgevoerd en zoo volmaakt, dat aan de aarde geschonken werd door den Zoon eens timmermans en eenige visschers. Bewonderenswaardig samenstel, welks zedelijke uitwerking haar wedergade niet vindt in de geheele geschiedenis der menschelijke indrukken. Twee verzekeringen, achtereenvolgens uitgesproken: gij zijf verloren! tot de ziel, die zich in verlegenheid waant;gij

ocr page 50

40 vinet's leven en streven.

zijt verlost! tot de ziel, die meent verloren te zijn, omvatten dat geheele systeem van God en voleindigen dat geheele werk van God.

Een onuitsprekelijke vreugde, volgende op een even onuitsprekelijken angst; een oneindigheid van ellende, gegraven om de grondvesten van een oneindigheid van geluk op te nemen; de ziel tot wanhoop gebracht, om het geluk ten volle te beseffen; ziedaar het plan Gods om den mensch een verheffing van dankbaarheid te doen gevoelen, die hem verheft boven de beperkte vlakte, waar zijn egoïsme hem drukt en hem plaatst onder de heerschappij van een edelmoediger kracht. Het gaat hem als de ster, die het geweld van een onweerstaanbare!! aandrang naar een andere sfeer van aantrekking voert. De aarde trok hem aan; nu is het God, Die hem tot Zich trekt.

Mocht iemand nu nog vragen hoe de dankbaarheid de ziel vernieuwt, laat men dan nadenken over den aard van dat gevoel. In de eerste plaats is de dankbaarheid klaarblijkelijk het eenige belanglooze gevoel, waarvoor onze tegenwoordige natuur vatbaar is; en juist daardoor is dat gevoel geschikt om het steunpunt te worden voor onze wedergeboorte. Het feit der verlossing is, door een buitengewone geestkracht

ocr page 51

vinet's leven en streven. 47

en een grenzenlooze vlucht aan het edelmoedigste deel van ons wezen te geven, daardoor alleen het werk begonnen van onze zedelijke vernieuwingv Daarna, en dit is het voornaamste punt, heeft de dankbaarheid of de liefde de eigenschap de ziel, die haar gevoelt , te vereenigen met het voorwerp, dat het gevoel heeft opgewekt. De dankbaarheid brengt ons nader tot, vereenzelvigt ons meer of minder met onzen weldoener; volmaakt ons, indien hij rein is, of doet ons langzamerhand dalen in waarde, als hij niet rein is. De dankbaarheid en een zoodanige dankbaarheid jegens God, Die heilig is, brengt ons er toe heilig te zijn; hoe zouden wij, overigens, dankbaar kunnen zijn voor een schulddelging, zonder op te houden liefde te gevoelen voor wat die delging noodig maakte Kortom, arm als wij zijn ten opzichte van God, onbekwaam iets te geven aan Hem, van Wien wij alles ontvingen, hoe zouden wij Hem onze dankbaarheid anders kunnen betuigen dan door het offer van ons hart, en hoe zouden wij Hem ons hart kunnen geven zonder alles lief te hebben, wat Hij liefheeft; zonder te haten alles, wat Hij haat, zonder het goede lief te hebben en de zonde te haten? Ziedaar de redeneering der ziel; zij is niet bedrieglijk; zij is zekerder

ocr page 52

48 vinet's leven en streven.

dan die van het verstand; zij komt nooit tot onjuiste slotsommen ; haar natuur verzet er zich tegen en zou ze niet kunnen verdragen.

Uit de dankbaarheid, opgewekt door zulk een weldaad en gewijd aan zulk een weldoener, vloeit vanzelf voort de geheele moraal, voor den individu in engen kring en in het openbaar. Het is zedelijk onmogelijk, dat hij, die aan die weldaad gelooft en die haar aanneemt, niet principieel alles is, wat liij zijn moet.

Echter beeft de goedheid Gods het niet daarbij gelaten; en na, men kan het gerust zeggen, de zedeleer aan het Kruis onderwezen te hebben, heeft Hij de beginselen er van ontwikkeld in het Evangelie. Hier vinden wij denzelfden samenhang, dezelfde stelselmatige volmaaktheid als in bet werk zelf, dat tot grondslag dient voor het hoek. Het Evangelie, beschouwd als zedelijk onderricht, is bet meest samenhangend, het strengst doorgevoerd, het volmaaktste van alle stelsels. Evenals bet water uit een bron, ofschoon het slechts één stoot ontvangen heeft, zich naar. de beweging van den grond en de helling er van volgende zich verdeelt en zich verspreidt naar het uitkomt, evenzoo ontspinnen zich zonder eenige

ocr page 53

VINEï's LEVEN EN STREVEN. 49

moeite alle bijzondere waarheden uit de eerste moreele waarheid, elk afdalende tot haar eigen onderwerp. Het innerlijk leven, het gezin, de stad, alles wordt geregeld in denzelfden geest en door dezelfde beginselen. Het is steeds een zelfde denkbeeld, evenals het water den vorm aannemende der ruimte, waarin men liet giet; altijd, zoowel jegens zichzelf, als jegens gezin en vaderland, is het te doen om waarheid, liefde, gerechtigheid. En hoe zou ook de minste afwijking kunnen plaats hebben? Er is geen enkel voorschrift, dat niet kan worden in verband gebracht met en gemeten door een eenig beginsel, het feit der verlossing; de leidende gedachte bij de geheele moraal is neergelegd in de schulddelgende zelfopoffering van het vlekkeloos Lam; al de lijnen, die de richting-aangeven van het menschelijk leven, gaan uit van bet Kruis, waar gerechtigheid en genade elkaar wederzijds voldoening hebben gegeven. Dit feit, wel overwogen, ontleed, geeft de geheele zedeleer aan.

Waarom nog verder uit te weiden over de zedeleer van het Evangelie? Zij vindt geen bestrijders. In ernst maakt men haar slechts één verwijt en dat verwijt is een hulde. Men beschuldigt haar van onuitvoerbaar te zijn; en men heeft gelijk, zoolang men

4

ocr page 54

50 vinet's leven en streven.

haar beschouwt afgescheiden van haar beginsel, Het juk van Christus is niet zacht, Zijn last is niet licht dan voor hen, die van Zijn Geest dat geloof hebben ontvangen, dat de overwinning over de wereld is. Maar voor hen is er nauwelijks een juk en een last, omdat hun gehoorzaamheid vrijwillig is, omdat de liefde ze licht maakt als een veer en omdat zij, zooals wij kunnen zeggen, niet drayen, maar gedragen worden. Ongetwijfeld zijn er verschillende graden van geloof, van blijdschap en van liefde; maar overal, •waar de overtuiging der zaligheid uit genade is doorgedrongen , is er iets van deze uitwerkselen aanwezig; men kan ze vinden tot in de minst ontwikkelde kringen, daar, waar het Christendom, kleurloos meestal, toch nationaal is gebleven en waar de Bijbel over het algemeen gekend wordt; er blijft in de denkbeelden nog iets over van dien goddelij ken geur; men vindt in alle geesten nog meer of minder het denkbeeld van een goeden God, een vaag vertrouwen op Zijn leiding, een verwarde gedachte aan Zijn Vaderschap, eenigszins vaste en gezonde, kortom zedelijke noties, alle dingen, die de oudheid nooit bezat en die het Evangelie aan de wereld gegeven heeft. ))In-dien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zoo zal ik gezond

ocr page 55

vinet's leven en streven. 51

wordenquot; (Matth. IX: 21) schijnt de Christenheid te zeggen; en het kleed des Zaligmakers verspreidt onder de Christenen nog meer leven dan al de wijsheid der wereld hun ooit geven zal. Wat kan er aan zulk een moraal ontbreken, 'als zij nog daarenboven populair is? Maar al wat wij tot hier toe gezegd hebben over haar grondslag en haar beweegkracht teekent haar reeds als de meest geschikte van alle leeringen voor het volk. Welke inspanning van het verstand kan de vreugde van een ongehoopte verlossing vragen ? En wat de voorschriften zelf betreft, wie heeft ooit beweerd, dat de nakoming er van een buitengewone ontwikkeling van het verstand eischte ? Deze godsdienst, die geheel zedeleer is; deze zedeleer, die geheel godsdienst is, lossen zich beide in elkander op, tot één enkele gedachte, die den wijsgeer geheel kan bezighouden en die onder het bereik van het kind ligt. Nauwelijks hebben de eerste vorderingen zijner taal u de tegenwoordigheid van den onsterflijken geest in het leemen huis aangekondigd; nauwelijks is de eerste kiem van zijn zedelijke natuur doorgebroken, of hij kan reeds zijn Zaligmaker ontvangen, indien gij Hem geeft; die verheven waarheden kunnen reeds de grondstof

ocr page 56

52 vinet's leven en streven.

vormen voor het eerste werk zijner gedachte; de God uit de natuur is voor hem niet zoo spoedig voelbaar als de God der genade. Wonderbare eigenschap van den Christelijken godsdienst, zoo diep en toch zoo kinderlijk! Hij is een oceaan, hij is een beek: »de olifant zwemt er in, het lam doorwaadt haar.quot;

Het is niet in een opeenvolging van dorre spreuken, dat God ons Zijn wil en de beginselen van Zijn bestuur heeft geopenbaard: Hij deed het voornamelijk door feiten. Alles is geschiedenis of alles staat in verband met de geschiedenis, in het boek, dat Hij ons gegeven heeft. Men zegt soms, dat dat boek, oud en oostersch, niet zich kan leenen tot onze hedendaagsche gedachte-vormen. O, in dit boek over het menschelijk geslacht verdwijnen het plaatselijke en het tijdelijke inhetal-gemeene. Zoudt gij het kind niet willen gelooven op dit punt ? Zonder eenige archeologische kennis, begrijpt het den Bijbel even goed als de taal zijner speelmakkers. Die taal der kinder-volken schijnt ook gemaakt voor de kinder-menschen. Hij doet meer dan die taal begrijpen: hij verlustigt zich in die schoone geschiedenissen. Men spreekt er veel van om de ernstige waarheden op te sieren, te verzachten; de schrijvers voor kinderen wijden zich bij voorkeur daaraan. Maar

ocr page 57

vinet's leven en streven. 53

de auteur van den Bijbel is hierin hun Meester als in alles. Wie zou ooit de randen van dezen beker, allen menschen aangeboden en op welks bodem het kind geen bitterheid vindt, hebben kunnen bestrijken met honig? Voor de kindsheid is alles honig in den goddelijker) beker. Welk boek is meer aantrekkelijk Welke geschiedenissen zijn krachtiger? Welke wonderen meer verblindend? Waar werd de ernst gematigd door meer bevalligheid, waar de lieflijkheid vergezeld door meer ernst? Waar werd de zedeleer beter handelend voorgesteld ? Dit geheele boek is de geschiedenis van een opvoeding. Groote en verheven opvoeding, die van het menschelijk geslacht: het kind ziet er in, zonder dat men het hem zegt, zijn eigen opvoeding. Hij durft zich, arm en zwak schepsel als hij is, herkennen in dien collectieven mensch, in dat kind dei-wereld, welks zedelijk leven, verteld, beschreven en voorspeld, zich uitstrekt, met een oneindigenrijkdom van bijzonderheden van liet eerste vers van Genesis tot aan het laatste van de Openbaring. Evenals de diepten van den mensch, openen zich voor zijn kinderlijk oog de diepten Gods op liellijke wijze. Hij tast met zijn kleine hand de wonderen van het oneindige. God heeft gesproken overeenkomstig al Zijn

ocr page 58

54 vixet's leven en' streven.

wijsheid, al Zijn goedheid: hij verstaat die groote stem; het Woord heeft gewoond onder de menschen vol van genade en waarheid; het kind neemt het op, eigent het zich toe en voedt zich er mede; en in de groote onwetendheid, zijn leeftijd eigen, weet het reeds meer waarheden dan de wijzen der oude tijden ooit hebben gevoeld of gezocht.

Ach, indien gij wilt, dat de menschen den Zaligmaker liefhebben, spreek hun over Hem in hun eerste kindsheid. Breng hen zelf tot den Gekruisigde; spreek hun van den overvloed van Zijn liefde voor hen; zeg hun, dat Hij hen lief had, vóórdat zij geboren waren; dat, ongelukkige schaapjes als zij waren zonder herder en zonder schaapskooi, Hij hen is komen zoeken in de woestijn, en dat Hij Zijn bloed heeft gegeven om hen te kunnen wederbrengen in de Hemelsche schaapskooi. Wees niet bevreesd tot hen te spreken van hun ellende, van hun natuurlijke verdorvenheid, van hun behoefte aan genade, waarin zij deelen met hun ouders, met u: zij zullen u gelooven, en zij zuilen vast ge-looven, even goed, beter dan de wijsgeer; want hun geweten zegt amen op het woord, dat hen veroordeelt; het oor hunner ziel is nog zuiver. Zij hebben nog niet »vele vonden gezochtquot; (Pred. VII: 29). Doe deze

ocr page 59

vixet's leven en streven. 55

jonge planten gelooven in de waarheid; geef hun van jaar tot jaar een vaster en sterker spijs; laat hun geloof groeien met hun verstand; laat hun verstand, bij elke nieuwe toename, met meer kracht zich bij het goddelijke verstand aansluiten; vorm een fonds van overtuigingen, christelijke ervaringen, godsdienstige gewoonten, ernstige en zoete herinneringen voor de kwade dagen, die de leeftijd van hartstocht en hoogmoed zal brengen. En waarom zou op dit punt alleen zich logenstraffen wat men zoo vaak heeft gezegd van de macht der eerste indrukken ? Hoe zou een zoo doorgebrachte jeugd zonder invloed kunnen zijn op het overige gedeelte des levens ? En zelfs indien voor een tijd de leerling van den goddelijken Meester moest afdwalen van den weg, die hem werd voorgeschreven, is er geen reden om te hopen, dat zijn afdwalingen minder noodlottig zullen zijn en dat hij spoediger en zekerder zal terugkomen naar de veilige haven, waar zijn jeugd een schuilplaats vond ? Gij weet met hoe groote moeite het christelijk leven de harde schors doorboort, die het voorbeeld der wereld, haar genietingen, haar ijdelheden en haar bedrieglijke wijsheid om ons hart doen groeien; haast u het Christendom in dat hart te sluiten,

ocr page 60

56

zoolang bet er zonder moeite in kan doordringen. De Zaligmaker heeft u gezegd de kleine kinderen tot Hem te laten komen; doe nog meer: geleid ze in Zijn armen en betrouw ze aan Zijn goddelijke boede.

Wij bebben getracht de moralizeerende kraebt van bet Evangelie te bewijzen, de uitnemendheid zijner onderwijzingen, de populariteit er van en de geschiktheid om als basis te dienen voor de zedelijke opvoeding-der jeugd. Wij geven deze feiten (want het zijn feiten) over in de aandacht der oprechte lieden van allerlei geloof; wij dagen hen uit ze te logenstraffen, indien zij , meenen het te kunnen doen, en in dat geval eenig beter middel tot zedelijk herstel van de maatschappij voor te stellen, en wij zeggen hun met den dichter: Si quid novisti rectius istis,

Candidus imperti; si non, his ut ere mee um. Wat ons betreft, wij gevoelen behoefte het te herbalen, wij verwachten welzijn en rust voor de maatschappij slechts van de godsdienstige en zedelijke overtuigingen; en die overtuigingen, wij verwachten ze slechts van het Christendom , omdat ze daar alleen te vinden zijn.

In dit droevig oogenblik, waarop zooveel verschillende oorzaken ze hebben doen verdorren in bet hart

ocr page 61

vinet's leven en streven. 57

van een zoo groot aantal onzer tijdgenooten, bloeien zij nog in al haar frischheid in den boezem van het Christendom. Het is op het terrein van dezen geopen-baarden godsdienst, dat krachtig de gevoelens en denkbeelden weder opgroeien, die verdord waren op den stam van de natuurlijke wet; het is daar, en daar alleen, dat in al de oorspronkelijke kracht weder verschijnen het geloof in God, het geloof'in den plicht, en de hoop op een toekomst van onsterflijkheid. De maatschappelijke wereld van de negentiende eeuw, minder afzichtelijk dan die der Cesars, is niet minder versleten ten opzichte van het zedelijk geloof: en indien. onder de bescherming van het Evangelie, de verkankerde menschheid onder liet Romeinsche keizerrijk haar jeugd zag herleven; indien zij opvoeren met vleugelen, gelijk de arenden (zie Jes. XL: 31); indien men van toen af, overal, waar het Evangelie begrepen is, hetzelfde verschijnsel zich heeft zien voordoen en de menschheid weer heeft zien te voorschijn treden in een jeugdige frischheid en schoonheid, die een tegenstelling vormden met de maatschappelijke uitputting; indien nog heden ten dage zij, die met zelfbewustheid het Christendom omhelzen, nieuwe schepselen worden, zelfs in de menschelijkebeteekenis

ocr page 62

58 vinet's leven en streven.

van het woord; hoe zouden wij dan nog er aan twijfelen , of het heldhaftige geneesmiddel der bekeering, toegepast in liet groot, de wereld zou ontrukken aan haar vervallen toestand, en, door een soort van over-storting, haar nieuw bloed en een bloeiende gezondheid geven zou?

Het Christendom als Onderwijzer.

Men vergisse zich niet in hetgeen boven deze opmerkingen staat: dit beteekent niet, dat de enkele toepassing van liet Christendom op het verstand voldoende is om het in alle beteekenissen te ontwikkelen; het beteekent slechts, dat naast alle andere middelen ter ontwikkeling het Christendom een nieuw plaatst, waarvan wij in dit hoofdstuk de waarde zullen bepalen.

Al wat zich van de ziel meester maakt, maakt zich ook van het verstand meester. Naast elk gevoel staat een gedachte.

Ook is het een algemeen waargenomen feit, dat elk belang, waardoor wij diep getroffen worden, in-

ocr page 63

vinet's leven en streven. 59

tellectneele krachten schept of liever wekt, waarvan wij ons niet bewust waren. Helvetius is niet uitgegaan van een valsch beginsel, toen hij voorstelde het verstand te ontwikkelen door de hartstochten. Het is zeker, dat zoolang de mensch niet onder den invloed is gekomen eener genegenheid, men niet weet, waartoe zijn verstand in staat is. Eenige gevallen uitgezonderd, waar de onvruchtbaarheid te duidelijk is, kan men altijd aannemen, dat de geest een voorraad sluimerende krachten in reserve houdt, in afwachting van dien groeten dag, den dag der omwenteling-van de ziel. Het voorschrift van Helvetius is dus zuiver wijsgeerig en zou inderdaad goed zijn, indien de genegenheden, die hij voorstelt op te wekken, tot die behoorden, welke geschikt zijn door haar ontwikkeling de ziel te zuiveren en te veredelen.

Dat voorschrift, een Christen zou het hebben kunnen geven; en voorzeker, wanneer men zelfs niets anders wenscht te beschouwen dan het verstandelijk belang, welk middel tot opwekking is dan krachtiger en machtiger dan het Christendom zelf!

Indien elke sterke genegenheid inwerkt op het verstand en het ontwikkelt, zoo is het toch op ongelijke wijze, naar den aard der genegenheid en

ocr page 64

60

naai* het voorwerp er van. Om een volledig uitwerksel te krijgen, moet de genegenheid niet alleen sterk zijn, maar het voorwerp er van moet groot zijn. Het moet een groot punt van aangrijping aan de gedachte aanbieden, een groot aantal toegankelijke kanten hebben, vele gelegenheden tot inwerking. De aantrekkelijkheid moet zoo levendig en tegelijkertijd zoo innig zijn. dat de geheele ziel in vervoering het geheele verstand meesleept; het fonds der belangstelling moet onuitputtelijk zijn; de overdenking, opgewekt door het gevoel, moet geschikt zijn om op haar beurt het gevoel op te wekken, en deze voortgezette actie en reactie moet voor de gedachte een nieuwe bedding graven, een diepe bedding, waaruit zij niet kan ontsnappen. Zoo is de macht van het persoonlijk Christendom; men kan zeggen, dat het een omwenteling teweegbrengt in al onze vermogens, en, in vergelijking van vroegere gewoonten, ze een buitengewone vlucht doet nemen. Deze uitwerking is onafhankelijk van den omvang des verstands; het Christelijk gevoel geeft kracht aan den sterke zeil'; »want een iegelijk , die heeft, dien zal gegeven wordenquot;, (Matth. XXV ; 29) en doet zien, dat er geen rijkdom van genie is, waaraan de zedelijke opwekking niet

ocr page 65

vinet's leven en streven. 01

iets kan toevoegen; maar zijn uitwerkselen zijn wonderbaar op de trage en langzame geesten. Dit is geen veronderstelling, geen gissing. Een menigte waarnemers zijn in de gelegenheid geweest zich te overtuigen van de waarheid dezer stellingen. In liet bijzonder in deze laatste tijden heeft men in verschillende deelen van Europa een godsdienstige op-wekking en daardoor een opwekking van het meest verdoofde verstand gezien; men heeft middelmatige

mannen, en die, zonder die opwekking, het hun

•

geheele leven zouden gebleven zijn, zien opklimmen tot merkwaardige persoonlijkheden en in moeilijke omstandigheden heeft men hen krachten zien ont-wikkelen, waarvan men zeker meende, dat zij er geheel van ontbloot waren en van welker bezit zij zich geheel onbewust waren; zij verkregen niet alleen een gemakkelijkheid van spreken, een welsprekendheid, diê reeds voldoende zouden geweest zijn om met verwondering te vervullen wie hen gekend had even arm in denkbeelden als in vormen van uitdrukking, maar zij verkregen tevens nauwkeurige inzichten, fijnheid van opmerkingen en een gave om door te dringen, waarvan zij verder verwijderd waren dan van eenige andere zaak. In de streken, waarvan wij

ocr page 66

63 vinet's leven en streven.

spreken, heeft men door de kracht der godsdienstige genegenheid een treffend verschil zien ontstaan tusschen lieden uit het volk, waarvan sommigen geloofden en anderen niet; en dat verschil was geheel ten voordeele van hen, die geloofden; men heeft gezien, hoe dat gevoel onwetenden leerde zich duidelijk en gemakkelijk uit te drukken, hun leerde beleefd van taal, tactvol en kiesch te zijn, waartoe anderen, merkbaar beter onderwezen, zich onbekwaam toonden; en deze waarnemingen zijn te veel met elkaar in overeenstemming geweest en te talrijk, om niet te mogen gelooven, dat een geheel volk, aldus geplaatst onder de inwerking van het Evangelie, een model zou worden van intellectueele veredeling en van beschaving.

Heeft men er op gelet, dat de godsdienst een populair onderricht is in metaphysica en psychologie, een onderricht, dat misschien te doeltreffender is, daar het zonder onderwijzer gegeven wordt ? De christelijke godsdienst is een godsdienst van innerlijke waarneming; daarmee begint hij, daarmee gaat hij voort, daarmee eindigt hij. Men heeft den godsdienst een verwijt gemaakt van het mysticisme, waartoe hij schijnbaar leidt; maar in waarheid, het is een eer

ocr page 67

vinet's leven en streven. 03

voor hem, blootgesteld te zijn aan dat verwijt; het mysticisme is een lofspraak voor een godsdienst, die menschen zonder opvoeding in staat gesteld heeft te leven in het binnenste van hun ziel, de minste beroeringen er van waar te nemen en zich geheel te verliezen in de beschouwing van die zedelijke verschijnselen. Maar indien het mysticisme de klip is, waarop eenigen stranden, dan staan daar anderen tegenover, voor wie een verbazingwekkende kennis der zedelijke krachten , die tot hefboomen en als tegenwicht dienen voor het menschelijk leven, een merkwaardig stelselmatige blik op de beginselen van den wil, een opmerkelijke consequentie in de zedelijke leerstellingen, de vrucht van deze innerlijke studie, die het Christendom hun heeft voorgehouden, of liever, die hij hun tot behoefte en gewoonte heeft gemaakt. De kostelijkste redeneering, de logica van den plicht, is een der onderscheidende kenmerken van den Christen; men zou er niets bij wagen, te zeggen, dat hij alleen yrond-becjinselen heeft, in de volle beteekenis van het woord; ten minste, niemand zou zich durven beroemen omtrent zijn plichten denkbeelden te hebben, zoojuist omschreven en zoo onderling met elkaar in verband als de Christen; en hier doet de consequentie, een zaak vangroote waarde

ocr page 68

04 vinet's leven en streven.

ongetwijfeld, geen afbreuk aan de schoonheid van het leven en aan de ware harmonie er van. Dat alles heeft ontegenzeggelijk waarde in het practisch leven en behoort een der doeleinden te zijn van hen, die werken aan de opvoeding der lagere klasse; wrelnu! dat alles, hoe verheven het ook zij, is toepasselijk voor de onontwikkelde massa, toepasselijk voor de kinderen zelfs. Naar de mate der zwakheid van dien leeftijd, is het zoowel voor de kinderen als voor de volwassenen waar, dat het godsdienstig gevoel de intellectueele krachten ontwikkelt in verhouding van de kracht des gevoels en dat de gewoonte van zelfbeschouwing het verstand reeds vroeg rijpt.

Laat ons nu er ons toe bepalen het boek te beschouwen, dat ai die leeringen vol van elke soort van wedergeboorte bevat. Dat boek, of liever die verzameling van boeken, dat is de Bijbel.

Het Christendom, waaraan wij zooveel schoone vruchten toekennen, is dat, waarbij voor elk individu het onmiddellijk gebruik van den Bijbel wordt aangenomen. Het volk, de kindsheid, de mensch van eiken leeftijd en van eiken stand kunnen slechts Christenen worden door den Bijbel. Daar Gods bedoeling in het Christendom begint met de individuen

ocr page 69

G5

en eindigt met de raassa's en niet van de massa's tot het individu overgaat, heeft Hij gewild, dat elk den godsdienst onmiddellijk uit Zijn goddelijke handen ontving; dat elk de geopenbaarde leerstellingen opnam in en toepaste op zijn eigen hart; dat elk, voor zijn rekening, zich in verbinding stelde met de Stem van Boven; dat elk, om menschelijk te spreken, zich zijn eigen godsdienst zal maken. Naar dat beginsel, waarvan het onmiddellijke bewijs niet tot ons onderwerp behoort, is de Bijbel de bibliotheek van elk der leden van het menschelijk geslacht.

Om de volle waarde voor de opvoeding te beseffen, die verbonden is aan het lezen van die goddelijke geschriften, willen wij een kind met een zeer alle-daagsch verstand nemen uit een onzer armste dorpen. Wat is de kring zijner gedachten noodzakelijk beperkt! Wat zijn de middelen tot opwekking uiterst zeldzaam voor hem! Geen enkele mondelinge uiededeelinir van

O O

de zijde der ouders, die even onwetend zijn als hij en geheel worden bezig gehouden door de eeuwige bezorgdheid over den dag vanmorgen Weinig nieuwe voorwerpen treffen zijn oog: de geruchten van de groote wereldgebeurtenissen bereiken zijn oor niet, tenzij verzwakt en zeer onbestemd; zijn leven, zwaar

ocr page 70

66 vinet's leven en streven.

en werkzaam van den beginne, beteugelt het lachend spel eener verbeelding, die, als elke kinderlijke verbeelding, slechts een weinig vrijheid en ledigen tijd vraagt om zich een paradijs te vormen; de natuur is zijn eenigè leermeesteres, evenals die van den wilde; zij geeft hem eenig nauwkeurig onderwijst vormt zijn oordeel door de zintuigen, begint in groote trekken een opvoeding, die niet voltooid zal worden; dat is iets zonder twijfel, het is zelfs veel meer dan men denkt; en men heeft misschien bij de heden-daagsche stelsels van opvoeding te weinig rekening gehouden met het levendige en duidelijke onderricht der dingen; maar laat men zich ten slotte voorstellen, wat te midden der beschaafde maatschappij iemand wezen kan, wiens lot hem overlaat aan deze opvoeding, meer dan voor de helft in het wild gegeven. Maak u een voorstelling van de hulpbehoevendheid, van de stijfheid, van de dorheid van dien geest: daarna, ontsluit voor hem de school, leer hem lezen en laat hemden Bijbel lezen.

De Bijbel! Hij werd voor hem gemaakt; hij heeft zich bij voorbaat geplaatst op zijn punt van uitgang; bij voorbaat heeft hij zijn taal geleerd om die tot hem te spreken; men had nooit, al had men het kind

ocr page 71

vinet's leven en streven. 67

van den arme met nog zooveel zorg bestudeerd, een boek kunnen schrijven, dat het beter kon begrijpen. Welnu, in die taal, die de taal is van het kind en der natuur, verklaart de Bijbel liem de grootste zaken. Van den aanvang af wordt de spil van elke philo-sophische en zedelijke waarheid plechtig vast gezet De wetten der stol' en de wetten van liet geweten hechten zich aan haar gemeenschappelijk enonveran-derlijk middelpunt. Een zelfde punt van uitgang woi'dt gegeven aan de gedachten en aan liet leven van het kind. Eén woord wijst hem voor altijd den weg in den doolhof der wereld. Zoodra God openlijk erkend wordt, wordt het geweten, wordt de onveranderlijke wet van dfen plicht erkend. En eenmaal die vuurbaak op den levensweg geplaatst, volgt het kind bij haar zuiveren glans de lotgevallen van liet menschelijk geslacht. Hij is, als verstandige eu belanghebbende getuige, tegenwoordig bij de vestiging der eerste maatschappijen. Een onmetelijk drama, waarin al de opbouwende hartstochten van het menschelijk hart zich toonen in hun oorspronkelijke reinheid, in de gunstige omstandigheden van den eenvoud der oude zeden, ontwikkelt zich voor zijn verrukte oogen. De verbeelding en de sympathie worden beide ingepakt

ocr page 72

OS vjnet's leven en streven.

bij het zien der majestueuze verwikkelingen en der treffende episoden van dit onmetelijk heldendicht, dat van den drempel van het niet tot aan den dorpel der eeuwigheid geen oogenblik het spoor bijster raakt van de strengst volgehouden eenheid. Wat zoudt gij er van zeggen in de volksscholen de Iliade en de Odyssea van Homerus te laten lezen? Laat, zoudt gij zeggen, die weelde over voor de rijke kinderen, en sta het dien zelfs eerst op lateren leeftijd toe. Het Christenkind, bijna nog in de wieg, stamelt de meest verheven Iliade; het leest, als meest dringende studie, dit weelde-artikel, dat gij slechts toestaat aan een bevoorrechte klasse. Wat is er in den Bijbel, dat minder sterk, minder diep is dan de heldendichten van Homerus? Van hoeveel kanten integendeel schijnt de Bijbel niet op het eerste gezicht minder toegankelijk dan Homerus? En toch voeden wij het Christenkind met die spijs. Zeker, het is wel een belangrijk verschijnsel, dat het ver-hevenste geschiedkundig en godsdienstig monument , dat de naties bezitten, tevens het schoolboek is van onze kleine kinderen, en dat zij het begrijpen en dat zij er smaak in hebben, meer dan in alle andere boeken! Het heeft voor hen, het heeft voor het volk

ocr page 73

vinet's leven en streven. 69

al de aantrekkelijkheid van een nationaal heldendicht; het zijn de daden en lotgevallen van onze vooronders in het geloof, die wij vinden in dit groote cyclische gedicht. Wij vereenzelvigen ons zonder moeite met die patriarchen, de eerste schakels van die keten, die, van eenw tot eeuw, de geloovigen aan de ge-loovigen verbindt; met dienMozES, op wiens schreden wij ons verbeelden zelf liet beloofde land binnen te treden; met dien Uavid , wiens lange tegenspoed ons in zeker opzicht de onze toeschijnt, en wat zal ik zeggen van dat groote en goddelijke Opperhoofd van het uitverkoren volk, van dien Vorst der menschheid, in Wien de menschheid werd hersteld en verheerlijkt, en Die, bij Zijn komst op aarde, terwijl Hij het godsbegrip van het volk uitbreidt, voor ons het eenige wereldburgerschap uitroept en het aan ons onderwijst, dat werkelijk, oprecht en edelmoedig is!

Ja, het kind weet, dat het op elke dezer gewijde bladzijden zijn geschiedenis, zijn verleden, zijn toekomst leest. Die machtige belangstelling beveelt aan zijn aandacht de minste bijzonderheden aan en werkt mede tot zijn onderwijzing, waartoe hij een zoo overvloedige en zoo afwisselende bron vindt in den Bijbel. Men denkt er niet genoeg aan, dat men met

ocr page 74

70 VINET's LEVEN EN STREVEN'.

den Bijbel in- die zwakke handen en onder die zwakke oogen schatten van ware begrippen plaatst over de verhouding van den mensch tot de maatschappij , over het gezag der wetten, over de wijding er van, terzelfder tijd, dat men door het verhaal dei-feiten het kind inwijdt in de kennis van een menigte bijzonderheden van natuur en kunst, die het minder gemakkelijk en minder gretig zou geleerd hebben op elke andere manier. Wat mij nog overblijft te zeggen zal misschien verwondering baren: die taal van den Bijbel, met haar openhartigheid, haar primitief karakter, is meer geschikt dan eenige andere taal om die van het kind te vormen. In den Bijbel heeft men voor het kind te zoeken naar de eerste voorbeelden van verhaaltrant, van beschrijving, van welsprekendheid, al had men geen ander doel dan het te leeren spreken en schrijven. De Bijbel is de beste meester in de rhetorica voor den man van het volk. Weet men niet, dat de taal van dat heilige boek machtig veel heeft bijgedragen tot de schoonheid van een moderne taal? Het is met reden, dat een beroemd wijsgeer het betreurd heeft, dat in den tijd van de groote crisis van de Fransche taal niet een vertaling van den Bijbel, van de hand van den een of anderen

ocr page 75

vinet's leven en streven. 71

genialen man, tot type gediend heeft voor de proeven van die taal en tot algemeen voorbeeld voor haar vormen. De Bijbel heeft ontbroken aan de taal, zoowel als aan de zedenleer. Nu zou hij niets meer veranderen aan de eerste; maar Gode zij dank, hij kan nog altijd onze zeden hervormen !

In de landen, waar de belangstelling voor de godsdienstige zaken levendig is gehouden en zich verspreid heeft, toont zich die invloed van het Christendom op de opvoeding op duizend verschillende wijzen. Een vaste prediking is een oefening voor het verstand zoowel als voor het hart en daar zij meer wijsgeerig is naarmate zij zich dichter bij het Evangelie houdt, deelt zij aan den toehoorder het eenvoudigste mede der begrippen, over welker diepte en helderheid men zich niet genoeg verbazen kan. De goede godsdienstige boeken verheffen den geest zonder hem te doen verdwalen in luchtige streken en zonder hem minder stellig en minder practisch te maken. In onzen tijd heeft het denkbeeld der zending, die degrooteChristelijke gedachte is van dezen tijd, kennis verbreid, die tot nog toe geheel vreemd was aan het arme volk. Terwijl men zich bezighoudt met de middelen om aan dat volk te verschaffen, of liever eerst om ze door dat

ocr page 76

72 vinet's leven en streven.

volk te doen aannemen, de kennis, die slechts indirect nuttig is en bijgevolg het slechts weinig aandoet, heeft het zich die reeds bij voorbaat eigen gemaakt door een natuurlijk gevolg van de belangstelling, die het gevoelt voor het groote werk, dat wij zooeven genoemd hebben. De begeerte om in gedachten die zendelingen te volgen, die het de zijne noemen kan, naar de plaats hunner bestemming, heeft hun langzamerhand de aardrijkskunde doen kennen. Met die kennis zijn duizend andere kundigheden, duizend meer juiste begrippen omtrent de aarde, die wij bewonen, en der menschelijke zaken in het algemeen, langzamerhand zijn geheugen binnengedrongen. Die avontuurlijke tochten der christelijke liefde in Azië, Afrika en Australië, meestal uitgaande van Europa, hebben hem Europa zelf -doen kennen in verschillende opzichten. Ik kan mij niet in alle bijzonderheden begeven; maar ik geloot mij te kunnen bekorten door te zeggen, dat er menige landstreek is, waar de enkele belangstelling in den zendingsarbeid sedert jaren naar evenredigheid meer bepaalde kennis heeft verspreid, meer juiste denkbeelden heeft gegeven, het onderwijs van het volk op een hooger standpunt heeft gebracht, dan gedurende een tijdruimte van veel grooter omvang

ocr page 77

73

geschied is ten gevolge van de zorgvuldige pogingen van een regeering, die de verlichting lieflieel't.

Onafhankelijk van al, wat gezegd is, blijft er één voordeel over, dat onbetwistbaar aan het Christendom behoort. Zelfs veronderstellende, dat het geen onderricht geeft, het dwingt tot het geven er van. Geen prikkel is sterker dan de godsdienst, geen voorschrift dringender dan dat van den godsdienst, dien men niet kan afwijzen. Welnu, een zekere mate van verstandelijke ontwikkeling, en op zijn minst de leeskunst, de bijna onmisbare eisch -zijnde voor de vorming van den Christen, kan niemand, wien de uitbreiding en de handhaving van het Christendom ter harte gaat, zich ontslagen rekenen van het verschalfen van die kundigheden aan zijn kinderen. Wanneer God met Zijn eigen stem had bevolen om te leeren lezen, dan kon de Christen er zich niet meer toe verplicht gevoelen. God is in zijn oogen do uitvinder van het schrift. Door die kunst aan de menschen te geven, wierp Hij onder hen den hoeksteen van het groote gebouw van het Christendom. Hoe gretig zullen de geloovigen een kennis zoeken te verbreiden, waaraan de zaligheid der menschen verbonden is! Wat is het natuurlijk te zien hoe overal, waar het 'Christendom

ocr page 78

74

op den Bijbel gegrondvest is, de godsdienst zich maakt tot den steun, de hulpkracht van het volksonderwijs! Wie zal er zich over verwonderen, dat de eerste scholen in Europa door zijn toedoen tot stand kwamen, en dat nog tegenwoordig, in verschillende landen, de zorg voor de scholen de erkende, onbetwiste taak van de geestelijkheid is? De Kerk omvat de school; er kan, naar de natuur van het Christendom zelf en den vorm, waaronder wij het hebben ontvangen, geen Kerk zijn zonder school. Overal, waar het ware Christendom zal gesticht worden, zult gij scholen zien ontstaan; scholen zijn de eerste stichtingen van alle zendelingen; scholen behooren tot de voornaamste werkzaamheden van Christelijke philan-thropen; en men kan vaststellen, dat indien de godsdienst zich meester maakte van de onontwikkelde klassen, het volksonderwijs alleen daardoor een grooten vooruitgang zou gemaakt hebben.

Eén vraag nog: de gave der paedagogie is een afzonderlijke gave, zegt men, en niet alle menschen zijn geschikt ze te verkrijgen; wij gelooven het; maar wij gelooven ook, dat liefde en geduld twee elementen zijn van die kostbare gave. Waar zal men die het zekerst vinden? En alle zaken, overigens

ocr page 79

vinet's leven en streven. 75

gelijk staande, wie zal de beste zijn, in dit dubbel opzicht beschouwd, de onderwijzer, die werkt voor de wereld of die werkt voor God? De man, die de leerlingen vormt voor de aarde of die hen voorbereidt voor den Hernel? Het geweten onzer lezers antwoorde!

ocr page 80

in.

van Kerk en Staat,

De

Verhouding

Heeft de Kerk den Staat niet noodig? Kan de Staat den steun der Kerk missen ? Ziedaar vragen, die men onophoudelijk hoort doen. Ziedaar de tegenwerpingen, waartoe men het stelsel van de meesten onzer tegenstanders kan herleiden, als ten minste tegenwerpingen een stelsel kunnen vormen. Wij dringen tevergeefs bij hen aan dieper te gaan, zich te verhefCen tot de hoogte van een beginsel, de natuur der dingen als uitgangspunt te kiezen, als zijnde dit de eenige rechtmatige, de eenige zekere methode; immers, de eenige waarborg van een goed, beslist resultaat is de dingen naar hun natuur te behandelen. Zij blijven stijfhoofdig op het terrein van de nuttigheid. Voorzeker is dat terrein niet gunstiger voor hen dan dat

ocr page 81

77

der beginselen ; doch wij zullen doen filsof de quaestie, die ons bezighoudt, geheel en al daar was te vinden en nergens anders. Het zal overigens onze schuld niet zijn, indien, nauwelijks gescheiden, de terreinen weer samenvallen, en indien liet motto, dat wij voor het oogenblik aannemen: Quid utile, quid non, ongemerkt zich verliest in dat andere; Quid bonum et verum euro et rogo, et omis in hoc sum. Want welke andere nuttigheid zouden wij op het oog kunnen hebben dan een zedelijke, dat wil in andere woorden zeggen, het goede en het ware ? Jn welke andere .beteekenis kan de Kerk de bescherming van den Staat begeeren ? Met welk ander doel kan de Staat de medewerking-van de Kerk vragen? Zal de Kerk aan den Staat vragen om rijkdom en glans? Zal de Staat in de leer der Kerk een middel zien van goede orde en een werktuig tot dwang? Het is duidelijk, dat onze tegenstanders het zoo niet bedoelen; het is duidelijk, dat, indien dit hun bedoeling was, zij tevergeefs ons zouden verwachten op dat terrein. Het is dus in zedelijken zin, uit een oogpunt van het goede en het ware,dat wij twee vragen stellen, waarvan de-eerste deze is: »Heeft de Kerk, dat is te zeggen de geestelijke stichting bij uitnemendheid, de zuiver geestelijke

ocr page 82

78 vinet's leven en streven.

stichting, de bescherming van den Staat noodig?

Men begrijpt wel, dat hier sprake is van de ware Kerk en van den waren godsdienst. Indien men onder den naam van godsdienst iets anders verstond dan de goddelijke waarheid, zou elke redeneering overbodig zijn. Een menschelijke godsdienst heeft zeker den Staat noodig; de Staat heeft dan van zijn zijde toe te zien of hij dien godsdienst noodig heeft; maar deze vraag gaat ons niet aan. Wij spreken slechts over deze: Kan de godsdienst van God niet bestaan, kan hij niet bloeien zonder den steun van den Staat?

Buiten het Christendom heeft geen enkele Staat kunnen nalaten de godsdienstige instellingen in zich op te nemen, geen enkele godsdienstige instelling-heeft er aan kunnen denken zich los te maken van den Staat. Om de waarheid te zeggen, de twee planten zijn opgegroeid uit een zelfde loot. De godsdienst is staatkundig, de politiek is godsdienstig; de natie is een Kerk; het burgerlijk bestuur is een priesterschap en de priesterschap is een burgerlijk bestuur: de Staat en de mensch zijn slechts één. Men weet niet of de godsdienst den Staat deed ontstaan of dat de Staat den godsdienst te voorschijn

ocr page 83

vinet's leven en streven. 79

riep. In werkelijkheid hebben zij elkander gevormd of ten minste hebben zij elkander belangrijk gewijzigd. Er zijn zelfs volken, voor wie de godsdienst het vaderland is, het eenige vaderland, en waarvan de ware hoofdstad de hoofdzetel van hun godsdienst is, al is die zelfs buiten de grenzen van hun nationale vestiging. Daarin is iets, dat ik niet veracht. Er wordt op die wijze een plaats aart liet onzichtbare gegeven in het systeem der menschelijke belangen, aan den geest naast de stof; alleen, ten gevolge van dit gevaarlijk verbond wordt niet de stof geest, maar de geest wordt stof. Dat is de beteekenis van de eenheid, die verkregen wordt.

Twee behoeften hebben tegelijkertijd bevrediging-gezocht: die van den Staat, die nooit den godsdienst zal missen ; die van liet bijgeloof, dat slechts vastheid en duur zal vinden in een nauw verbond met de openbare macht. Dit verbond kan eeuwen levens voegen bij de eeuwen, die de dwaling reeds kon teren op de soort van betrekkelijke waarheid, die zij noodzakelijk bevat, ik bedoel het bestaan, dat zij dankte aan de omstandigheid, dat zij voorzag in zekere behoeften van de menschelijke natuur, en aan de verhouding, waarin zij kan staan tot de omstandigheden

ocr page 84

80 vinet's leven en streven.

van plaats, oorsprong en klimaat van liet volk, dat haar omhelsde.

Maar nog eens, de eenige vraag, die wij willen en die wij zelfs kunnen stellen, (want niemand zou ons een andere veroorloven) is deze: ))Heeft de godsdienst van God behoefte aan den Staat?quot;

Zelfs wanneer men den godsdienst slechts beschouwde als een der vormen van de vrije werkzaamheid van den menschelijken geest, zou men reeds kunnen antwoorden: Neen, de godsdienst heeft den Staat niet noodig. De wetenschap, de kunst, de algemeene en bijzondere philanthropie zijn voorbeelden, en zeker niet de eenige, van werken, die zich handhaven en bloeien in den Staat, ik geef het toe, maar zonder zijn steun en bescherming. De Staat doet, door het feit alleen, dat hij een veilige plaats is voor alle vrijheid, veel voor die zaken, die meerendeels slechts vrijheid behoeven. Indien hij bescherming verleent aan verscheidene, dan kan hij dat doen, niets aan hun natuur veranderende door de aanwending van zijn kracht. Maar ten slotte, het staat vast, dat vele dingen gedaan worden en kunnen gedaan worden zonder zijn tusschenkomst, omdat zij hun oorsprong hebben in de menschelijke ziel en in de noodzakelijke

ocr page 85

81

eisclien van onze natuur. En, als het er zoo mee gelegen is, hoe zou men dan rneenen, dat het machtigste idee, het diepst gaand beginsel, het meest algemeene, dat het nauwst verbonden is aan de mensehheid, de verst strekkende kracht van onze natuur, kortom, (want er is sprake van den waren godsdienst) hoe zou men meenen, dat wat het meest overeenkomstig de natuur der dingen en de behoeften van den mensch is, minder in staat zou zijn dan kunst, wetenschap, philanthropic, om in zijn eigen behoeften te voorzien zonder h alp van de openbare macht ?

De vrijheid moet liet leven zijn van den godsdienst, als liet waar is, dat deze de levenskracht is voor al «Ie innerlijke werkzaamheden van den mensch. Al onze zedelijke krachten eischen vrijwillige beweging. Men vermeerdert de waarde van den mensch, wanneer men in hem het gevoel van zijn persoonlijke volwassenheid en van zijn verantwoordelijkheid vermeerdert; de mensch bereikt eerst zijn volle waarde, wanneer hij zoo volkomen vrij is als overeen te brengen is met de vrijheid van anderen, even vrij als hij.

Maar zou dan onder al de menschelijke aandoeningen die, welke God tot voorwerp heeft, uitzondering

maken op die groote wet? Integendeel, het is bij

6

ocr page 86

vinet's leven en stéreven.

deze aandoening, dat die wet in haar volle kracht optreedt. Het godsdienstig gevoel is kiescher en naijveriger dan eenig ander. Het wordt ongerust bij de minste vermenging; het wordt bezoedeld door de minste aanraking; het duldt geen enkele verbintenis met iets anders; zijn hoogste belang is zich geheel los te maken van al wat vreemd is er aan. Welnu, de vereeniging van Kerk en Staat bedreigt blijkbaar dat belang.

Men spreekt van de behoefte, die de Kerk aan den Staat heeft, als was dat een denkbeeld, dat zich het eerst voordoet en dat dadelijk vermoed wordt.

Maar men behoorde het tegendeel het eerst te vermoeden. Men behoorde aan te nemen, dat de eerste behoefte, het eerste belang van een geestelijke instelling is alle aanraking te vermijden, en, wat meer zegt, eiken omgang met een wereldlijke instelling, gebaseerd op een beginsel zoo verschillend van het hare. Welke zijn, inderdaad, de waarschijnlijke gevolgen voor den godsdienst van dit verbond ? Vastgeknoopt aan een vreemd lichaam, verplicht de bewegingen er van te volgen en in zijn lot te deelen, verbonden zonder vereenigd te zijn, wijl noodzakelijkerwijs tusschen de twee contracteerende partijen

ocr page 87

83

geen enkele wederzijdsche verstandllouding, geen innei -lijke sympathie, geen ware overeenstemming bestaat, kan de Kerk immers onmogelijk vrij haar natuur en beginsel toepassen? Zij zou dan rekenen buiten den waard, dat is de Staat; een gastheer zonder ware genegenheid, zonder edelmoedigheid, die zijn gastvrijheid laat betalen, wijl hij die slechts beoefent en aanbiedt om ze zich te laten betalen. Wanneer een individu Christen wordt, is dat uit overtuiging; het is, omdat hij er zich toe gedwongen gevoelt; hij buigt voor iets, dat sterker is dan hij en toch één met hem is: liet geweten; maar wanneer de Staat christelijk wordt, dan is het niet om des gewetens wille, want hij heeft er geen; het is, op welke wijze men de zaak ook voorstelle, uit overweging van de voordeden, die hij door dat verbond hoopt te erlangen. Deze voordeelen, die in overeenstemming zijn met de natuur van den Staat, zijn niet die, welke de Kerk najaagt; dit huwelijk is dus van de zijde van den Staat een huwelijk om den bruidsschat, een huwelijk uit bejag: men kan weten wat het gevolg is van - dergelijke verbintenissen.

Wanneer de Staat zijn diensten aan de Kerk aanbiedt , heeft deze toch zeker wel het recht te vragen

ocr page 88

84 vinet's leven en streven.

wat hij voornemens is te geven? Niet de vrijheid; want indien de godsdienst onafhankelijk is, heeft hij wat gij hem geven wilt; en indien hij het niet is, wat is dan om het hem te maken anders noodig, dan dat gij ii terugtrekt? Geen zilver of goud, giftige gaven, doodende gaven, wanneer niet de godsdienst zelf ze den godsdienst aanbiedt. Zou liet macht zijn? Maar de macht is het middel en de verleiding tevens tot onderdrukking; en wanneer de godsdienst machtig is, dan is de macht de godsdienst. Zouden het instellingen zijn, meer geschikt Gods rijk te bevorderen? Maar weet de staatkunde wat Gods rijk is? En als de godsdienst niet weet welke instellingen hem passen, wie zal het dan weten, bid ik u? Zou het ten slotte licht, ijver, geestelijk leven zijn? O, de Kerk, die deze dingen van den Staat verwacht, zal ze nooit ontvangen, noch van den Staat, noch van den Hemel. Ik zie zeer goed, zeer duidelijk in, wat de Staat kan ontnemen aan de Kerk, maar ik zoek tevergeefs naar wat hij haar zou kunnen geven. Hemelsche gaven? Die komen slechts uit den Hemel. Aardsche voordeden? Zij mag ze niet aannemen.

Laat ons ons houden bij het ware en laten wij het niet los! Het welzijn van den godsdienst bestaat niet

ocr page 89

VINET'S- LEVEN EN STREVEN'. 85

daarin, dat Lij in aanzien is en machtig, zelfs niet daarin, dat zijn weg gebaand is; het welzijn van den godsdienst bestaat daarin, dat hij godsdienstig is. Alles wat buiten dat beginsel ligt, alles wat dat beginsel niet versterkt, is geen weldaad, maar een ramp. Zal fle Staat het beginsel, waardoor de godsdienst bestaat, krachtiger maken? Zal de Staat den godsdienst godsdienstige!- maken ? Zal de Staat de overwinning van het onzichtbare op het zichtbare verzekeren, want dat is eigenlijk godsdienst? Zal de Staat niet noodzakelijkerwijze het zichtbare over het onzichtbare doen zegevieren? Zal de Staat niet, door zijn tegenwoordigheid alleen reeds, een wijding geven aan die idee, tot vernietiging waarvan de godsdienst aan de menschen gegeven is?

Ziedaar de gedachten, welke in den geest van den geloovige worden opgewekt door die eenvoudige vraag: »Heeft de Kerk den Staat niet noodig?quot; Maar, om de waarheid te zeggen, de geloovige aanvaardt die vraag niet. Wie haar in ernst stelt, verloochent reeds de natuur van den godsdienst en de waarheid van ons geloof. Een godsdienst, die zichzelf afvraagt of hij geen behoefte heeft aan de hulp van de openbare macht, belijdt, dat hij niet in zichzelf gelooft.

ocr page 90

86 VINEï's LEVEN EX STREVEN.

Wij willen niet zeggen, dat de godsdienst geen belioeften, zelfs stoffelijke behoeften heeft; maar hij neemt geen hulp aan van iedereen. De geest moet de stof hem onderworpen doen zijn. Hij wil geholpen worden door het geloof, dat is door zichzelf. Indien de Staat, evenals een individu, kon gelooven, liefhebben, aanbidden; indien de Staat een geest was; indien de Staat in één woord niet de Staat was, dan zou niets den godsdienst beletten zijn hulp aan te nemen, zelfs te vragen. Wij zouden dan niet den geest zien als schuldenaar van de stof, maar den geest gediend door den geest. Maar de Staat gelooft niet, bemint niet, aanbidt niet; de godsdienst kan van hem dus geen macht ontvangen zonder zijn beginsel te verloochenen , zonder af te zweren wat hij leert, zonder in zijn werk juist dat element binnen te voeren, dat dooi' dat werk moet worden bestreden en overwonnen 1).

') „God btoud too, dat Zijn dienst up zoovele plaatsen ophield lieerscliend te zijn, niet omdat Hij hem aan zijn lot had overgelaten , maar omdat die dienst, hetzij hij uitwendig geëerd of vernederd wordt, altijd even geschikt is om zijn natuurlijk gevolg te bewerken, dat is de heiligmaking.

„De voorspoed van den godsdienst verschilt van dien der koninkrijken. Een beroemd schrijver zeide, dat hij bljjde was ziek te zijn, omdat ziekte de ware toestand van den Christen is.

ocr page 91

vinet's leven en streven. 87

«Alles voor den geest, alles door den geestquot;; ziedaar de leuze van eiken godsdienst, die in zichzelf gelooft. Wat blijft er inderdaad van den godsdienst over, wanneer dit heerlijke devies van zijn banier gewischt wordt? Niets, want de godsdienst is niets anders dan de overwinning van het onzichtbare op het zichtbare, van den geest op de stof; godsdienstig zijn, dat is gelooven aan den geest, dat is gelooven, dat de geest of de waarheid, die uit God is, een innerlijke kracht heeft, voldoende voor zijn doel, en geen succes wettig of wezenlijk achten, dat niet door den geest verkregen is. Geen enkele godsdienst is zijn naam waardig, indien hij zich een verbond met de burgerlijke macht voorstelt als middel of doel; want met welk recht zou hij later kunnen zeggen: Ik vertegenwoordig op aarde de idee van de onafhankelijkheid en de souvereiniteit van den geest, en zijn overwinning op de stof? Wie zou inderdaad

Men zou om dezelfde reden kunnen zeggen, dat de onderdrukkingen van de Kerk, haar verstrooiing, de verwoesting harer tempels, het lijden harer martelaars do tijdperken van haar roem zijn; en dat, wanneer zij in de oogen der wereld schijnt te triomfeeren, dat gewoonlijk de tijd harer vernedering is.' (Montesquieu : Grandeur et decadence des Romains, hoofdstuk XXII.)

ocr page 92

88 vinet's leven en streven.

kimnen zeggen wie of wat in den godsdienst overwonnen had, de geest of de stof; en zelfs welke overwinning heeft hij gezocht ? Hij heeft met zijn eigen handen zijn geloofsbrief verscheurd en niemand heeft het recht, al werden overwinningen op overwinningen gestapeld, te zeggen, dat de geest overwonnen heeft. Elkeen heeft verlof slechts staatkunde te zien in eiken godsdienst, die steunt op de staatsmacht, en — voorzeker, men zal het niet nalaten.

Zal de godsdienst Gods werk zijn, dan moet hij niet ons werk zijn. Dit beteekent zeker niet, dat wij niet mogen, zelfs niet, dat wij niet moeten gebruik maken van al onze krachten, om hem in eere te brengen en te verspreiden; maar de geest moet dan samenwerken met den geest, fle gedachte van God de gedachte des menschen wordend en de waarheid ons geweten doordringend zooals een lichtende straal dringt door een doorschijnende middenstof; wij zijn doorschijnend, niet lichtgevend: God alleen is het licht; dat licht vereenigt zich met ons, en wij schijnen dan het uit te stralen; het is alsof liet licht van ons uitgaat, maar het houdt niet op zichzelf te zijn, en wij houden niet op onszelf te zijn; het is altijd God, Die een ziel binnenkomt door een andere ziel

ocr page 93

VINEï's LEVEN EN STREVEN. 80

heen; en wat de tweede ontvangt is geen uitstraling, geen deel van de eerste: het is de waarheid, het is God. Maar andere middelen, die gebruikt worden in naam van God, hebben niets van Hem, brengen niets van Hem aan; wij doen in Zijn naam een ander werk dan het Zijne, misschien dat van den duivel. Wij verloochenen de waarheid, terwijl wij haar voortplanten; wij zaaien ongeloof met de leerstellingen van het geloof, want wij zeggen aan den eenen kant, dat de waarheid machtig is; dat het Woord zichzelf voldoende is; dat het, nederdalende op de aarde, aan de zinnelijke wereld niets ontleend heeft dan een vergankelijk, zwak lichaam, eer zwakte dan kracht; dat het zich heeft afgezonderd met voorbedachten rade van alles, wat zijn overwinningen zou hebben kunnen doen toeschrijven aan iets anders dan aan het Woord zelf; dat het zich om beter uit te komen heeft geplaatst op een bodem, geheel samengesteld uit smaad en zwakheid, en dat liet toch het dubbelsnijdend zwaard is, dat doordringt tot de onderste afdeelingen der ziel, van den geest, der gewrichten en beenderen;...... wij zeggen, dat het zich verheerlijkt in zwakheid, dat het er behagen in schept voortdurend uit het niet te voorschijn te komen, iets

ocr page 94

90 vinet's leven en streven.

te trekken uit wat niets schijnt, niets is, om zoodoende

te beschamen wat is en wat schijnt te zijn.......

Ziedaar, wat wij zeggen, ziedaar wat elke godsdienst moet zeggen, tenzij hij zichzelf loge rist raiïe. En dan vragen wij voor die machtige waarheid den aanhang en steun van een vreemde macht; wij geven een geleide van huurlingen aan Hem, Die door één woord legioenen van engelen tot Zich zou roepen en Die, indien Hij behoefte had aan macht en eer, ze zeker niet aan ons zou ontleend hebben; wij teekenen verzet aan tegen de formeele verklaringen van een God, Die den man heeft vervloekt, welks hand steun bood aan de ark op het punt van te vallen; wij willen, dat men zal twijfelen aan den oorsprong van liet werk, of het goddelijk of menschelijk is, of deze Kerken, deze godsvereering, deze gemeenten een werk van de staatkunde zijn of een stichting van de hemel-sche Kerk. Welnu, de waarheid gelijkt op dien held van den lateren tijd, die, in de hitte van het gevecht, zijn vrienden, die hem met hun lichamen dekten, toeriep: «Verbergt mij niet, ik wil schijnen (gezien worden)!quot; De waarheid wil schijnen; en hoe zal zij schijnen, indien gij u plaatst tusschen haar en hen, wier blikken zij zoekt, laat ons zeggen, wier aan-

ocr page 95

vinet's leven en streven. 91

vallen zij trotseert? Achterwaarts dan, indien gij werkelijk gelooft; achterwaarts, want dan moet gij rekenen op haar kracht, naijverig zijn voor haar op haar eer, haar laten schijnen in één woord: en daarvoor behoeft gij u slechts terug te trekken. Dat zelfs is een daad van toewijding, een bewijs van geloof; ja, de eerste dienst of liever de eerste hulde, welke zij van n vraagt; liet teeken, waaraan zij u herkennen zal als beboerende tot de haren, is, dat gij u ervoor wacht, als machten dezer aarde, haar uw hulp aan te bieden: haar zoo helpen, is haar verraden. Weest haar werktuigen, haar kanalen, haar spiegels; weest haar belijders en haar slachtoffers; openbaart haar in uw redevoeringen, openbaart haar in uw leven; laat zij zich tentoonstellen in elk uwer personen; laat als door zoovele ruitjes van een zuiveren diamant dat goddelijke licht schijnen en zich vermenigvuldigen in allen, die het liefhebben; maar in naam der vrijheid, in naam van uw geloof, verduistert het niet door een dubbelzinnigen en hinderlijken ijver; houdt u op uwe plaatsen, het licht wil schijnen.

Indien men ons vraagt: Wat wilt gij, dat er van den godsdienst worde zonder den steun van den Staat ? zullen wij eenvoudig antwoorden: Laat van

ocr page 96

92 vinet's leven en streven,

hem worden wat kan; laat van hem worden wat er van worden moet; Iaat hem leven als hij levenskracht heeft en laat hem sterven als hij sterven moet: sit ut est, aut non sit. Het doel van den godsdienst in de wereld is te bewijzen, dat de geest sterker is dan de stof; dat hij sterk is zonder de stof, tegen de stof; ais de godsdienst slechts kan leven door kunstgrepen, dan is hijzelf een kunstgreep; als hij uit God is, dan is het hem gegeven, zooals het aan Jezus Ciiristl'S gegeven was, het leven in zich te hebben; dan moet hij het toonen; dat is zijn eerste roeping, dat is het onmisbare zegel van zijn Goddelijkheid; en zijn gewisheid zoowel als zijn waardigheid heeft, in den geest der menschen, alles te verliezen bij een stelsel, dat steeds twijfel toelaat of de godsdienst zijn leven ontleent aan innerlijke kracht of dat hij het verkrijgt door hulp van de openbare macht').

Dit onderzoek moet de godsdienst ten allen tijde kunnen doorstaan; als hij niet immer er toe bereid was, zou hij niet uit God zijn; maar ik begrijp wel,

') Men gelooft slechts aan een godsdienst, omdat mon veronderstelt, dat hij Gods werk is: alles is verloren, indien men de hand des menschen doet vermoeden (Portai.is).

ocr page 97

vinet's leven en streven. 93

dat men, nadat hij zoo langen tijd ingelijfd is geweest bij het openbaar gezag, een dergelijke proet voor hem vreest, de omstandigheden door die inlijving geheel verschillend geworden zijnde van die bij het ontstaan van den godsdienst. Maar indien die ongerustheid zoo ver gaat, dat men zijn bestaan zelfs bedreigd vindt door de afscheiding, groote God! welk een bekentenis legt men dan af, en welk denkbeeld moet men zich dan gevormd hebben van een godsdienst, die niet wortelt in de menschheid, geen kracht heeft in zichzelf, en die valt, zoodra de Staat hem loslaat? In dat geval zullen wij de proef te sterker eischen, naarmate men er zich te levendiger tegen verzetten zal. Men moet weten, wat die godsdienst eigenlijk is: of hij een grondslag heeft ja dan neen; men moet weten, wat zijn geloovigen zijn: of zij in God gelooven of in den Staat; zij moeten het zelf weten; zij moeten, zonder ergens aan te denken dan aan de waarheid, ver van de bedreigingen en ver van de aanmoedigingen van het gezag, zichzelf onderzoeken, ten einde te weten of wat zij tot nu toe hun godsdienst noemden een behoefte was of een gewoonte, een overtuiging of een oordeel; zij moeten hun godsdienst opnieuw aanvangen onder die gunstige

ocr page 98

04 vinet's leven en streven.

voorteekenen, onder die ernstige indrukken. Men zegt, dat velen zullen afvallen; dat is naar men de zaak opvat; wij denken, dat zij, die werkelijk geloofden, niet zullen ophouden te gelooven, en dat zij, die niet geloofden, niets zullen hebben af te zweren. En wanneer men dan tot ons zegt: Voor de levenden, toegegeven; maar wat zult gij • met de dooden doen ? De dooden! Wij zullen hun zeggen te leven; zij zullen er nooit een gunstiger gelegenheid voor vinden. Het is in de eerste plaats in het belang der dooden, dat wij de proef wenschen. Wat daarvan zij, God begeert een volk van vrijen wille; indien gij gelooft, moet gij wenschen, dat die wil zich toone; gij moet dan wenschen, dat alles, wat in de plaats kwam van den vrijen wil, verdwijnt, dat eigenbelang, vooringenomenheid, gezag de plaats ruimen en de waarheid alleen blijve!

Gij voorziet afval, afzwering, ledige kerken, bandeloos leven, een volk zonder God! Het is vreemd zoo te spreken, wanneer men meent den godsdienst van God te bezitten! Waar is dan uw geloof? WTelk denkbeeld maakt gij u dan van het voorwerp van uw geloof? Indien gij werkelijk gelooft, dan zult gij niet vreezen, dat de dampkring der vrijheid en oprechtheid

ocr page 99

vinet's leven en streven. 95

ooit voor het geloof een giftige en doodelijke wordt. Beraadt u, stelt u gerust; en vooral wacht u een argument te putten uit het kwaad, dat gijzelf gedaan hebt, en ons te komen zeggen: Wij hebben door ons stelsel de Kerk gevuld met zoogenaamde geloovigen, wier godsdienst slechts uit vooroordeel of misschien wel vrees ontstond, zij zullen ons ontsnappen, zoodra zij aan zichzelf overgelaten zijn en zelf in hun geestelijk onderhoud moeten voorzien; helpt ons om ze te tjehouden, zooals zij zijn, in de officiëele Kerk, en om die Kerk te vullen met geloovigen, hun gelijk. Neen, het kwaad kan niet dienen tot reden voor het kwaad; de waarheid, het recht worden niet voorgeschreven ; het is altoos tijd om er toe terug te keeren; en men moet er toe wederkeeren, zonder links of rechts te zien; men moet er toe terugkeeren in vertrouwen op God, Die aan een waar beginsel niet anders heeft kunnen verbinden dan gelukkige gevolgen, en Die zeker ons er borg voor staat.

En toch, vreemde zaak! men heeft gemeend, dat men een onweerstaanbaar argument ten gunste van. een staatskerk te berde bracht, door haar wonden bloot te leggen, door ons in den boezem zelfs dier Kerken zeer vele lieden aan te wijzen, die te kwijnend,

ocr page 100

96 vinet's leven en streven

te onverschillig voor de belangen der waarheid zijn om uit zichzelf voor haar een instelling te maken iu hun midden. Men wantrouwt de waarheid niet, zegt men, maar die lieden. En om aan dat bezwaar te gemoet te komen, tot wie denkt gij, dat men zich om hulp wendt? Tot menschen; en tot welke menschen? Tot degenen, die noch geschikt, noch geroepen zijn om voor te gaan in deze instelling Oer waarheid! Die menschen, zegt men, handelen in naam der geloovigen en vertegenwoordigen hen. Dat is te zeggen, dat deze onverschillige meerderheid, die men wel geloovigen wil noemen, met de bewaking-van hun geestelijke nooden, eenige mannen heeft belast, die misschien even onverschillig zijn, die het kunnen zijn in nog hoogere mate, die zelfs in den grond des harten vijandig kunnen staan tegenover liet belang, dat men hun toevertrouwt. Ik weet niet wanneer en op welke wijze zij als vertegenwoordigers zijn aangesteld; ik beweer alleen, dat ik, voor mijn aandeel, ze nooit heb aangesteld; dat, .ijverigen of onverschilligen als zij zijn, zij mij niet vertegenwoordigen; en ik ken duizenden anderen, die bereid zijn met mij te protesteeren. Maar laat ons deze zeer groote inconsequentie, waarin het

ocr page 101

97

geheele stelsel van een Staatskerk ligt opgesloten en waarin Ik zeer gemakkelijk een goddelooze bespotting-zou kunnen aan de kaak stellen, verder laten rusten. Laten wij ons bepalen tot liet feit. dat men wil doen uitkomen. Ziet, zégt men tot ons, den toestand van geestelijke kwijning, van diepe verdooving, waarin de onderste lagen der maatschappij verkeeren, en zegt ons of een Nationale Kerk niet noodig is! Wanneer ik in aanmerking neem. dat dit zonderlinge argument tevens het meest geliefde is, do zegevierende redeneering der beste pleiters van de vereeniging. dan geloof ik te kunnen opmaken hoe ver vooringenomenheid en gewoonte overigens verstandige menschen kunnen doen dwalen.

Wat! Men zal dus niet meer den boom naar zijn vruchten beoordeelen! Wat zeg ik? Het zal regel worden den boom goed te noemen, omdat zijn vruchten slecht zijn! Men moet de Nationale Kerk in stand houden, omdat de vruchten er van smakeloos zijn! Gij zegt tot ons: Ziet wat de Kerk is, ondanks haar verband met den Staat. Waarom zegt gij niet liever:» Ziet wat de Kerk is ten gevolge van haar band met den Staat? Welnu, laat ons ook dit argument laten voor wat liet is; laat ons niet onderzoeken of de

ocr page 102

08 vinet's leven en streven.

zedelijke toestand van de Kerk getuigt tegen de vei-eeniging in het verledene; laat ons onderzoeken ot hij een scheiding voor de toekomst wenschelijk maakt!

Gij spreekt waarheid; ik beken het: de godsdienstige ijver is niet algemeen en het aanbod, om de taal der economen te spreken, wordt zelden voorafgegaan of overtroffen door de vraag. Maar het is genoeg, dat het aanbod zeker is, en het zal dat te meer zijn naarmate het. openbaar gezag er zich niet mee bemoeit. Men wantrouwt tevergeefs de menschen : er zijn menschen, ijverig genoeg om al te doen, wat men ten laste van de maatschappij wil brengen, en zij zouden ongetwijfeld nog dringender zijn bij hun pogen, indien zij niet ten prooi aan de algemeene inbeelding waren, dat in alle behoeften reeds voorzien is door de wettelijke zorg van den Staat, en zij zich niet verbeeldden, dat hun ontijdige ijver dubbel werk zou doen.

Er zijn in de wereld tal van krachten, aan wie alleen de gelegenheid tot werken ontbreekt, een menigte hefboomen, die slechts een last ter oplichting vragen. Wantrouwt zelfs niet zoozeer hen, die u het meest traag toeschijnen, en die, wel verre van iets aan te Heden te hebben, u nauwelijks in staat schijnen

ocr page 103

90

iets te ontvangen. Gij kent hen niet en dat is uw schuld; uw stelsel heeft hen doen inslapen; en omdat zij, door uw zorgen verzadigd zijnde van eenig voedsel, zich niet verroeren om te voldoen aan een honger, dien zij niet kennen, meent ge, dat zij, eenmaal buiten uw schaapskooi gekomen, in het geheel geen weide zouden zoeken: dat zij niet er aan zouden denken zich een eeredienst te vormen: dat zij zouden voortleven als een plant, onbezorgd over toekomst en God! Ja, ik geef toe, die gevangene, dien men veertig jaar lang in een gedwongen onbeweeglijkheid had gehouden, en die, toen hij uit de gevangenschap kwam, zijn ledematen niet aan de beweging kon gewennen, noch zijn oogen aan liet licht, noch zijn geheele lichaam aan de buitenlucht, begon te weenen en vroeg zijn gevangenis terug. Nimmer zal het geweten, eenmaal vrijgemaakt, de zijne terugverlangen. Gij * zoudt er verantwoordelijk voor zijn, indien dit geschiedde; maar het zal niet gebeuren. Overal, waaide mensch voor zijn eigen godsdienst zal moeten zorgen, zal hij een godsdienst hebben, üie behoefte is algemeen, diep gevoeld en onuitbluschbaar; en wat haar aan uw oog onttrekt, is die instelling zelf, die niet alleen het geweten den tijd niet laat te spreken,

ocr page 104

'100 vinet's leven en streven.

zichzelf te voelen, maar die, godsdienst en eeredienst doende voortkomen uit den Staat, ons leert godsdienst en eeredienst gelijk te stellen met de wereldsclie belangen en de meest gewone maatschappelijke overwegingen.

Te spreken van de innerlijke kracht van de waarheid , te zeggen, dat zij in zichzelf voldoende is, dat is inissclnen een taal spreken, die de wereld niet begrijpen zal. Te zeggen, dat het godsdienstig instinct een bestanddeel van den mensch uitmaakt en dat, wanneer dit instinct zich niet kan openbaren, het eer gevangen dan verstikt is, dat is een volkstaal spreken, meer toegankelijk en begrijpelijk voor iedereen. Welnu, het is in zekeren zin waar, dat de mensch van nature godsdienstig is, dat wil zeggen, dat, indien de godsdienst afwezig is, er in den mensch een ledig ontstaat , dat hij niet lang kan verdragen. Een wezen, dat weet sterflijk te zijn en dat gevoelt onsterflijk te zijn, heeft zonder God geen zin. De mensch heeft nooden, welker bevrediging; smarten, waarvoor de vertroosting slechts in den Hemel te vinden zijn. De mensch zonder godsdienst is een boom zonder wortels, waaruit het sap terugtreedt. Hij zal godsdienstig zijn. als men hem veroorlooft het te wezen; godsdienstig.

ocr page 105

vinet's leven en streven. . '101

zoo men wil op een allereenvoudigste wijze; maar in elk geval is liet zeker, dat, indien de godsdienst zich aan hem vertoont zonder bij tnengselen, deze kans 1 leeft aangenomen te worden, een kans, die niet bestaat, wanneer hij zich in slecht gezelschap vertoont.

Welnu, er is voor den godsdienst geen slechter gezelschap te bedenken dan de politiek, omdat, daar die twee geen enkel beginsel gemeen hebben, hun samenwerking een noodlottige transactie daarstelt, omdat de godsdienst, zoodra hij het vrijgeleide van het gezag aanneemt, zijn eigen geloofsbrieven verscheurt. Al deed hij dat alleen, het zou reeds voldoende zijn; maar het blijft daar niet bij; in staat gesteld om macht uit te oefenen, oefent hij macht uit, en zoodra hij dat doet, al was het met vaderlijke zachtheid, erkent men hem niet langer, wantrouwt men hem. Vermijdt dien noodlottigen schijn en gij zult weten, voor de eerste maal misschien, welken vat de godsdienst heeft op het menschelijk hart. De verklaringen van het Evangelie over den weerstand, dien het hart der waarheid biedt, blijven er niet minder waar om; de vore van het Evangelie zal altijd besproeid worden met het zweet of de tranen van den ploeger, maar de rnensch heeft een zoodanige

ocr page 106

102 vjxet's leven en streven.

behoefte aan godsdienst, dat indien door een noodlottige toenadering gij hem den godsdienst niet doet houden voor politiek of voor een priesterlijke kuiperij, hij hem altijd eenige hulde zal brengen, eenige betrekking met hem zal onderhouden. Hij wachtte om hem te begroeten, tot hij hem zou ontmoeten in de eenzaamheid, in de berooving en in de majesteit der on afban kei ij kb eid.

Hebben wij, waai1 wij voor het volk bet recht vragen om zonder tusschenkomst van anderen te voorzien in zijn hoogste behoeften, terwijl wij er niet aan denken voor dat volk de onmiddellijke verzorging-van zijn wereldsche belangen te vragen, daarmede gezegd, dat het een goed rechter is in gene en een slecht rechter in deze zaken? Neen, doch alleen, dat hij gidsen vindt voor de laatste en geen voor de eerste. Of het volk, in zake godsdienst, geschikt is tot oor-deelen of niet, de zaak blijft gelijk; want als het volk niet geschikt is, de Staat is het evenmin. Welk stelsel, ten opzichte van den godsdienst, de Staat moge kiezen, er blijft altijd over, dat hij niet geven kan wat hij niet heeft; en daaruit volgt, dat het volk-den godsdienst uit zichzelf zal hebben, daar het dien niet van elders kan ontvangen en niet zonder gods-

ocr page 107

vinet's leven en streven. 103

dienst kan zijn. Men verwondere zich zooveel men wil over het feit, men zal het moeten erkennen. Overigens, bij den geringsten drang er toe, zullen wij verder gaan. Wij zullen stoutweg zeggen, dat de verhevenste vragen die zijn, waarvan het volk de beste oordeelaar is. Het kan niet of eerst na langen tijd zich een eigen meening vormen over verbodsbepalingen in zake koophandel, over de verdeeling van den éigendom, over de verdeeling van het gezag, over de vrijheid van industrie en over de concurrentie, over monopolie en over opkoop, enz.; maar het kan er een hebben over de hoogste belangen van zijn ziel en over de waarheid van de boodschap des vredes. »Ik dank U,quot; zeide Jezus Christus tot Zijn Vader, »dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard.quot;

Overheidspersonen, een senaat, een academie, een priester weten niet meer omtrent het wezen van den godsdienst, tenzij voorgelicht door den Heiligen Geest, dan een eenvoudige boer, en niemand kan in deze zaken een beslissing nemen voor een ander.

Wat bijna altijd de godsdienstige behoefte heeft vernietigd, het godsdienstig gevoel heeft verzwakt,

ocr page 108

104 vinet's leven en streven.

waï heeft afkeerig gemaakt van elke soort van gods-vereering, het is die verstikkende en ongezonde atmosfeer der Staatsgodsdiensten, die aanmatiging van godsdienstig oordeelsvermogen door de politieke lichamen, die langdurige heiligschennis, welke ieder meer of minder gevoeld heeft; liet is het denkbeeld, dat men wel ingang moest doen vinden: dat heel die godsdienstige instelling niets was dan een werktuig der staatkunde, een meening, die, in de eerste plaats voortgeplant door de uitverkoren geesten, in alle harten de idee van den godsdienst en van al, wat er mee in verband staat, heeft bezoedeld.

Bij een redeneering uitgaan van den geestelijken toestand der bevolkingen, die grijs geworden zijn onder het regime van een Staatsgodsdienst, dat is uitgaan van een gemakkelijk en valsch gegeven; men zou even gemakkelijk uit de slaperigheid en de dofheid van een mensch, die opgesloten was in een bedorven lucht, kunnen besluiten, dat in een zuivere lucht die mensch even slaperig en dof zou zijn. Inderdaad, ik begrijp bijna niet, hoe men dit argument durft gebruiken en vooral er op durft aandringen: de zedelijke krachteloosheid, het gebrek aan godsdienstige opgewektheid, die men zorg draagt te doen opmerken

ocr page 109

vinet's leven en streven. 405

bij de massa der leden van een Nationale Kerk, zijn die, vragen wij, redenen om het stelsel te prijzen of om het te laken ?

In de oogen der menschen, die zich niet losmaken van de zichtbare zaken, en zelfs voor den eersten oogopslag van iedereen (want de eerste blik keert zich zelden naar de goede zijde) hebben wij zooeven den godsdienst in een onzekeren toestand geplaatst. Wij hebben gehoord, hoe eerbiedwaardige mannen, wier practisch geloof het onze beschaamt, ons systeem beschuldigen van onophoudelijk het Christendom voor te stellen als een vraag, en het nimmer anders te omschrijven dan als mogelijk. Wij danken hun daarvoor, dat zij ons een gelukkige uitdrukking aan de hand gedaan hebben en de meest geschikte om onze gedachte kortelijks weer te geven. Want indien zij aan het woord mogelijk zijn ware beteekenis hechten, indien in hun gedachte het niet gelijk van beteekenis is met onmogelijk, dan drukt het volgens ons den normalen toestand uit van het Christendom in deze wereld. Evenals de instandhouding van den mensch een onophoudelijk vernieuwde schepping is, evenzoo is het voortbestaan van het Christendom op de aarde een eeuwigdurende ge-

ocr page 110

106 VINEï's LEVEN EN STREVEN.

boorte. Het is er mede als met zijn Leidsman: «Indien het tarvvezaad niet sterft, blijft liet alleen; maar indien het sterft, brengt het veel vrucht voort.quot; Sterven zonder ophouden, om onophoudelijk herboren te worden, dat is zijn wet, dat is zijn kracht. Sterven, dat wil zeggen zich voortdurend scheiden van elke kracht, die niet uit zijn beginsel ontspruit; bij voorbaat en op elk oogenblik afstand doen van de heerschappij van deze wereld, slechts zijn eigen leven leven, dat van dag tot dag, van minuut tot minuut ontvangen uit de handen van Hem, uit Wien het stroomt. Het was slechts toe te schrijven aan de vleeschelijke ingeving, bij het licht van den Tabor, een schuilplaats te bereiden voor de verheerlijkte geesten en te zeggen: ))Het is ons goed hier te wonen.quot; De waarheid heeft zelfs geen tent noodig, zij wil slechts gevestigd zijn in ons hart, en het geloof, de liefde hebben alleen het recht haar een schuilplaats aan te bieden. De tegenwerping, die men ons voorhoudt, sluit de meest indrukwekkende concessie in zich en legt getuigenis af voor ons stelsel. Het is dus waar, dat, zonder hulp van den Staat, het Christendom mogelijk is; het is dus waar, dat deze onstollelijke zelfstandigheid, die zucht, die geest door eigen kracht bestaat;

ocr page 111

vinet's leven en streven. 407

het is dus waar, dat datgene, wat geen enkelen steun heeft in de maatschappelijke instellingen, wat geen enkele vermelding verkrijgt in de wet, wat blijft buiten alles, mogelijk is, altijd mogelijk, bijgevolg onsterflijk; dat een gedachte, een enkele gedachte zal bestaan de eeuwen door, getuige zal zijn van de omwenteling der koninkrijken en de wereld eerst zal

verlaten, wanneer er geen wereld meer is----

Welnu, deze altijd mogelijke en bijgevolg noodzake-lijke gedachte, altijd mogelijk en dus onvergankelijk zijnde, welke grens kunt gij stellen aan haar uitgestrektheid, wanneer gij er geen stelt aan haar duur? Hoe kan liet u moeilijk zijn haar de geheele wereld toe te staan, indien gij haar alle eeuwen geeft? En haar te erkennen als almachtig, indien gij erkend hebt, dat zij onsterflijk is?

*

* *

Men spreekt veel over de diensten, welke de Nationale Kerken bewezen hebben. Het schijnt een dier vaststaande waarheden te zijn, waarover de redekaveling onherroepelijk gesloten is. AVij durven de discussie heropenen en vragen welk goeds de Nationale Kerken gedaan hebben, dat ook niet even goed had kunnen geschieden zonder haar hulp en dat niet zijn

ocr page 112

108 vinet's leven en streven.

oorzaken had, zeer gemakkelijk te ontwarren en liggende in een levensbeginsel, dat de Nationale Kerken konden scheppen noch onderhouden, noch zelf uit-blusschen? Wat! Omdat onder dezen vorm van bestuur de Kerk niet geheel en al gestorven is: omdat eenige stralen van het oude geloof, eenige vonken van het oude vuur niet hebben opgehouden te glimmen; omdat de inlioud sterker is geweest dan de vorm,

die onophoudelijk trachtte uit te blusschen en te

♦

verstikken, zullen wij aan dat stelsel al het goede toeschrijven, dat het niet heeft kunnen beletten, en wij zullen zijn lof zingen voor al het kwaad, dat het niet heeft kunnen doen! Hoe nu! Zonder dat stelsel zouden de herders niet getrouw zijn geweest, de kudden zouden niet aandachtig zijn geweest, de zielen zonden niet gedorst hebben naar God, het Evangelie zou geen kracht ter zaligmaking geweest zijn? «Maarquot;, zegt men, «onder de Nationale Kerk vindt de herder zijn kudde geheel gereed en de kudde wordt voorzien van een herder alvorens er om gevraagd te hebbenquot;. En ziet gij dan niet in, dat daarin juist het kwaad schuilt, en dat gij veel beter zoudt doen met aan die kudde de zorg over te laten een herder te zoeken, aan dien herder de zorg zich een kudde te verzamelen '?

ocr page 113

vinet's leven en streven. 100

Kunt gij niet inzien, dat in zake godsdienst de vrijheid van beweging het levensbeginsel zelf is, en dat elke inkrimping van het beginsel noodzakelijk het leven tot schade strekt? Wanneer sprake is van stoffelijke behoeften, dan is het voldoen er aan de hoofdzaak; wanneer wij over geestelijke behoeften spreken, dan vraagt de behoefte de aandacht; en voordat men de spijze toebereidt, die de behoefte zal voldoen, moet men zich eerst bezig houden met het scheppen der behoefte zelf. Nu kan dat de zaak van den Staat niet zijn', of, als het zijn zaak en zijn plicht is, dan kan hij zich daarvan op geen betere wijze kwijten dan door zich ter zijde te houden en door niets te doen.

»Zijn wij nietquot;, zal men wederom zeggen, «eerbied verschuldigd aan de Voorzienigheid, die heeft toege- , laten, die heeft gewild, dat de godsdienst bij de meeste volken een nationale zaak, een staatszaak was?quot; Vooreerst geloof ik, dat men zich niet goed uitdrukt en da.t bij de meeste volken de Staat eer godsdienstig of geestelijk geweest is, dan dat de godsdienst nationaal was. De Kerk vóór den Staat, dat is de orde. Zoodra er sprake is tusschen haar en den Staat van rang, is hef ontegenzeglijk, dat de voorrang

ocr page 114

ilO vinet's leven en streven.

aan de Kerk toekomt, en zij kan daar geen afstand van doen zonder zichzelf te verloochenen. Onafhankelijk of souverein, iets anders kan zij niet zijn. Maar spreken wij daarover niet verder; en laat ons, dewijl men spreekt over de Voorzienigheid, overeenkomen, dat sedert het ontstaan der Maatschappijen de Voorzienigheid veel zaken heeft toegelaten, en dat, indien men al wat zij veroorloofd heeft, moet eeren en handhaven, onze eerbied zich zal moeten uitstrekken tot dingen, die lijnrecht tegen elkander over staan '). Wanneer de Nationale Kerken ooit noodig waren geweest, dan zou de vraag voor ons zijn te weten of zij het nog zijn; maar wat is er, die de vroegere noodzakelijkheid bewijst? Wat, het feit, het feit van hun bestaan alleen! Ja, al wat bestaan heeft, was noodig, in dien zin. dat al wat bestaat reden van bestaan heeft, en dat deze reden, sterker geweest zijnde dan alle redenen van niet-bestaan, elk bestaan reeds daardoor noodzakelijkheid pleit, lir dien zin zijn alle dwalingen, zelfs de monsterachtigste, nood-

') Als een bewijs, dat God niet alles goedkeurt wat Hij toelaat, is niets treffender dan hetgeen men vindt in de volgende gedeelten van de Heilige Schrift, die men met elkaar moet in verband brengen: Dent. XYII: 14—20 en 1 Sam. X: 19.

ocr page 115

vinet's leven en streven. Ill

zakelijk geweest. Wil men daaruit afleiden, dat zij recht van bestaan hadden? Wil men zeggen, dat het goed was ze te omhelzen ? Wil men zeggen, dat zij, die ze omhelsden, in geen enkelen plicht te kort schoten, en zelfs door het te doen een plicht vervulden? Daarenboven, in het leven der ongelukkige mensch-heid schijnt menige ramp een weldaad en wordt alleen daarom goed genoemd, omdat zij volgde op een nog ondraaglijker ramp; en toch, op zichzelf beschouwd, is het niet minder een ramp en niets dan een ramp. Op zichzelf beschouwd, schijnt het leenstelsel ons een ramp toe; beschouwd als schakel in de maatschappelijke keten, lijkt het een geneesmiddel of een verzachtend middel ten minste; maar wie de begeerte zou durven uitdrukken om het te herstellen zou schijnen den vooruitgang der menschheid te be-leedigen. En toch, dat men er over nadenke, het zou in den grond der zaak slechts een dwaling zijn erger dan andere dwalingen en minder erg dan weer andere; want indien alles, wat slechts bij benadering-waar is. daardoor een dwaling is, dan is elk politiek stelsel een dwaling; en, zoolang de menschelijke maatschappijen nog kunnen duren, kunnen wij in politiek slechts aanspraak maken op betrekkelijke

ocr page 116

112

waarheid en op het betrekkelijk goede. Maar daar het volstrekt ware en het volstrekt goede het doel is van den godsdienst, is een godsdienststelsel, valsch en slecht in beginsel, veel erger dan een gelijksoortig politiek stelsel; en van dat standpunt beschouwd, is liet stelsel der Staatskerken veel minder te dulden dan het leenstelsel. Overweeg deze bewering vóór gij haar verwerpt; wij hebben haar overwogen alvorens ze neer te schrijven. Indien de instelling, die wij beschuldigen, noodzakelijk en gewoonlijk gevolgen had gelijk aan die van het leenstelsel, indien zij ons naar buiten benadeelde, indien zij ons bloed deed vergieten, indien zij onze eigendommen in gevaar bracht, indien zij ons bestaan verontrustte, dan zouden wij haar wel kunnen beoordeelen, en de vergelijking, die zooeven gemaakt werd, zou ons niet verwonderen. Maar daar liet kwaad, dat zij sticht, hoofdzakelijk negatief is, daar het slechts onze zedelijke eigendommen treft, daar het al onzen zwakheden, al onzen lafheden in het gevlei komt, neemt deze inwendige en doffe wanorde voor onze oogen de kentee-kenen van orde aan en wel verre van haar te haten, zooals zij verdient, verlagen wij ons er toe haar lief te hebben!

ocr page 117

vinet's leven en streven. 413

Laat ons altijd met eerbied, met liefde dien ge-heiligden naam van Voorzienigheid uitspreken, echter nimmer vergetende, dat de^ toekomst, de vooruitgang, de plicht ook de Voorzienigheid is!

Maar kortom, dewijl men in deze vraag de Voorzienigheid moeit, en daar men er van spreekt, wat zij .veroorloofd heeft, laat ons bewijzen, dat zij minder heeft toegestaan dan men denkt. Men zal wel goed vinden, dat wij de afgodendienende volken buiten rekening laten, die, bij welke een valsche godsdienst in ware verhoudingen met den Staat kan zijn zonder dat het ons verwondert. Souverein of slaaf, maar eei' souverein dan slaaf, nooit onafhankelijk en op zichzelf staand, zoo is, in de wereld, de natuurlijke positie van een menschelijken godsdienst. Laat ons dus, nog eens, niet spreken over de menschelijke godsdiensten; het Christendom boezemt ons belangstelling in; en daarenboven, het is voldoende voor al de punten, zelfs de meest bijzondere en de meest alge-meene, van onze stelling. Is het wel waar, dat het stelsel der Staatskerken een zoo ruime plaats bekleedt in de geschiedenis van het Christendom ? Uit hetgeen men ziet in de opvolgende eeuwen, den Staat gemoeid, veel te veel gemoeid in de zaken der Kerk,

ocr page 118

114 vinet's leven en streven.

moet men niet te haastig besluiten, dat de Kerk al dien tijd een instelling van den Staat is geweest. Het scheelt weinig of wij zouden liever zeggen: de Staat was een instelling van de Kerk. Dat is niet beter: het is zelfs. erger om de waarheid te zeggen; maar het toont ten minste de innerlijke kracht van de Kerk. Zij was Staatskerk in dien zien, dat zij den Staat meesleepte in haar loopbaan. Wanneer zij van den Staat een barer onderafdeelingen heeft willen maken, dan is zij er in geslaagd. Lang vóór de periode dei-Staatskerken of der Nationale Kerken is het tijdperk der Kerkstaten of der priesternaties geweest. De band is in alle beteekenissen verkeerd en in strijd met onze beginselen; maar de volgorde der woorden is niet onverschillig bij de vraag, die zich in dit oogenblik aan ons voordoet. Men moet toegeven, dat de Katholieke Kerk den Staat maar al te zeer gebruikt heeft om haar eigen doel te verwezenlijken; zij heeft zich nooit laten oplossen in den Staat. Zij heeft, ongelukkig genoeg, aan den Staat kracht en majesteit ontleend; nog erger, zij heeft bij haar geweldplegingen den vleeschelijken arm van den Staat te hulp geroepen; maar men moet haar het recht laten wedervaren, dat zij nooit de dienstbaarheid gekend heeft en nooit

ocr page 119

vinet's leven en streven. 115

haar onafhankelijkheid heeft prijs gegeven voor zijn gunsten. In het goede zoowel als in het kwade, wat zij geweest is, dat was zij zelf, en wat zij gedaan heeft, deed zij zelf; zij heeft haar wetten, haar regelen, haar geest, zij behoort zichzelf toe, /.ij luistert naar zichzelf, zij eerbiedigt zichzelf. Beschermd door haar leerstelling, die ten allen tijde de waarheid van den apostolischen zetel doet afvloeien, blijft zij in haar domein en verwijst den Staat naar het zijne; zij verwaardigt zich wel te bevelen, dat is haar ongeluk en haar schande; maar zij verwaardigt zich niet te gehoorzamen en dat is haar roem; zuivere en benijdenswaarde roem, indien zij slechts geweigerd had den menschen te gehoorzamen, om al haar gehoorzaamheid aan God te wijden.

De Staatskerk, in den eigenlijken zin, is een uitvinding van de Hervorming, toen, bevreesd geworden voor haar eigen beginsel, zij dit beginsel inderdaad verloochende na het in woorden te hebben bevestigd. De Hervorming, zich afscheidende van de Roomsclie Kerk, die noch de menigte noch de burgerlijke macht was, moest, om een hoofd te vinden, zich tot het volk wenden of tot de burgerlijke macht. Haar beginsel

ocr page 120

vinet's leven en streven.

voerde haar tot het volk; in het algemeen durfde zij niet; en om een toonbare en zichtbare autoriteit te hebben, richtte zij zich tot liet gezag, dat zij bisschop maakte.

Zoo is liet karakter van de Staatskerken; zoo kunnen zij omschreven worden in weinig woorden: de bisschoppelijke waardigheid, het Episcopaat, van het burgerlijk bestuur. Dat bestuur zelf, men zegt ons niet wie het bisschop gemaakt heeft; de Roomsch-katholieken geven zich wat meer moeite om het gezag van den apostolischen stoel te vestigen; de Protestanten houden zich voor elke rechtvaardiging van het feit, aan het bestaan van het feit, behoudens dat zij, indien men hen dringt, aan dat feit die waarde geven van door de Voorzienigheid beschikt te zijn, die men redelijkerwijs aan geen enkel feit kan weigeren. Zoodat dus de eigenlijke Staatskerken niet zoo heel oud zijn; zij da teer en uit de zestiende eeuw en kunnen, zonder beleediging, genoemd worden de misgeboorte van het protestantisme. Want het protestantisme verplichtte zich toen, door wijding te geven aan het beginsel der individualiteit, tot de republiek en verbond zich aan de vrijheid; men ziet, dat het ten minste zijn beginsel heeft verzwakt, er de hand aan

116

ocr page 121

vinet's leven en streven. 117

geslagen heeft, op het oogenblik zelf, dat het het uitriep. Wel zeer verschillend van den goddelijken Werkman, Die, toen Zijn werk gereed was, het beschouwde en zag, dat het zeer goed was, heeft do reus van de zestiende eeuw zijn plan nauwelijks uitgevoerd of hij schijnt, de oogen afwendend, te zeggen : Ziedaar, wat ik gemaakt heb, is slecht!

Met stelsel der Staatskerken is dus geen stelsel, maar een feit; het is eenvoudig een jammerlijke inconsequentie der groote mannen van de zestiende eeuw; achteraf trachten wij dat feit tot systeem op te bouwen ; maar wij kunnen, liet niet, het is een feit. Nooit had het als systeem veld kunnen winnen, het had zich zelfs niet als zoodanig kunnen geven; men had nog nauwelijks den strijd volstreden, die de omverwerping van een overeenkomstig systeem ten doei had gehad; de tegenstrijdigheid zou, onder woorden gebracht, te sterk geschenen hebben; zij kwam veel minder uit, wanneer zij besloten bleef in het domein van de praktijk. Niemand, tenzij de tegenstanders ■ van de Hervorming, was zich in die dagen de tegenstrijdigheid bewust, omdat, daar dezelfde ijver het volk en zijn hoofden bezielde, en daar hetzelfde plan en hetzelfde belang scheen te zijn het belang en het

ocr page 122

•J 18 vixet's leven en streven.

plan van allen, deze tijdelijke overeenstemming een sluier wierp over het beginsel en niet toeliet te zien hoe diep het gewond was. Helaas! het zijn niet de wonden, het zijn de jammerkreten van de mishandelde waarheid, die ons die wonden doen opmerken. Een beginsel kan lang ongestraft lijden, indien het zwijgend lijdt: en wij gevoelen zelden de oorzaak van zijn lijden, zoolang wij niet zelf door het kw'aad aangetast worden, als wanneer dat beginsel vleesch geworden zijnde van ons vleesch, niet enkel het beginsel meer lijdt, maar wij zelf. Maar dat oogenblik komt voor elke waarheid: eens. wordt zij een deel van een gevoelig en levend wezen; eens wordt zij een persoonlijk recht, een persoonlijk eigendom, en die nieuwe eigenschap bekleedt haar met een blijkbaarheid en een noodzakelijkheid, die zij in haar toestand van enkele gedachte moeilijk zou verkregen hebben ,

En het is juist naarmate de waarheid, waarvan wij spreken, in levende wezens een lichaam en een leven gekregen heeft, dat het grove feit der zestiende eeuw zich langzamerhand tot systeem verheven heeft: twee omgekeerde vormveranderingen, waarvan de een even onvermijdelijk was als de andere. Als de waarheid een feit werd, moest aan de andere zijde het feit een

ocr page 123

vixet's leven en streven. 119

stelsel worden. Het is het geworden. Men heeft achteraf een theorie bedacht; men heeft haar geschraagd met duizend redenen, waarvan er geen een aanwezig was vóór dat het feit in de wereld was; men heeft langzamerhand een wijsgeerige redeneering er voor opgebouwd en het bekleedt thans een eervolle plaats onder die feiten, die, na vertoon van hun aanspraken en bewijzen, in de maatschappij een plaats innemen, onder de bescherming, naar het schijnt, van de openbare meening.

Het is intusschen opmerkenswaardig, dat deze middelen en deze redenen met den tijd veranderen, dat wil zeggen, naarmate deze openbare meening, waarop het zich beroept, eenige van die redenen ter zijde heeft gelegd. Verdreven van het eene terrein, zoekt het een ander, totdat eindelijk de grond aan zijn voeten ontvalt. Het stelsel der Staatskerken wordt tegenwoordig niet verdedigd op dezelfde wijze als vroeger; zekere redeneeringen zijn onmogelijk geworden. En in het algemeen wordt liet minder verdedigd dan dat zijn voorstanders aanvallend te werk gaan, door zich gewoonlijk te bepalen tot het betwisten van de deugdelijkheid en de mogelijkheid der stelsels, die men er tegenover stelt, en door te

ocr page 124

m

trachten langs den weg der uitsluiting het recht te

verkrijgen, waarvan het bestaan ontkend wordt. r

*

Het is moeilijk te gelooven, dat overtuigde Chris-tenen zich de bescherming van de staatsmacht voorstellen als de eenige voorwaarde van bestaan voor een godsdiensl, gegrond op de Rots der Eeuwen. Indien zij Christenen zijn, dan zijn zij ongetwijfeld niet ongevoelig voor de ernstige en verheven bekoorlijkheid zich bewogen te gevoelen door den storm in een schip, dat niet vergaan kan. Maar zij zullen andere redenen tot vrees voorwenden: zij vreezen niet, dat het Christendom zal ondergaan, maar zij vreezen, dat het zal verbasteren. Men zou zeggen, dat het Christendom een kind der wildernis is, opgenomen, gepolijst door de beschaving, en dat men niet naar zijn wouden wil laten terugkeeren. Men vreest voor hem den invloed der eenzaamheid en der onafhankelijkheid. Men voorziet, dat het alle grillen vaneen toomelooze verbeelding zal doorstaan, zonder ophouden zich scheidende in onderverdeelingen en brokstukken en zich scheppende, binnen de dwaasheid, die het eigen en die uit God is, een andere menschelijke dwaasheid , de vrucht van een te nauwkeurige inwendige

ocr page 125

vinet's leven en streven. 121

beschouwing of een aandacht, die te veel in bijzonderheden afdaalt.

Het is vreemd, antwoorden wij , dat hetzelfde geloof, hetwelk ons doet aannemen, dat het bestaan van het Christendom onafhankelijk is van zijn aardschen toestand, niet ook doet rekenen op den bijstand en de werking van den Heiligen Geest in de Kerk.

Het is vreemd, dat men slee!its een voorbehoedmiddel vindt tegen die ongeregeldheden in den geheel uitwendigen en geheel stoffelijken invloed van een instelling, die de buitensporigheden van het leven niet kan beteugelen dan op voorwaarde het leven zelf aan banden te leggen.

Wat kan men daarna nog vragen: Waar is dan en waarin bestaat de orde? In de eenvormigheid ? Wie heeft dat gezegd? Waar is het bewijs? Daar, waarde verscheidenheid in de natuur der dingen is, is verscheidenheid de orde en is eenvormigheid wanorde. De eenvormigheid streelt den blik; zij voldoet in ons de luiheid en de behoefte aan rust; maar is zij daarom de stempel der waarheid? Verre vandaar: wanneer men den aard van het Christendom beschouwt, de menigte van zijn gedaanten, die overeenstemmen met al de gedaanten der menschen, zijn wijdte en zijn buigzaam-

ocr page 126

122

heid, die maken, dat elk mensch als aan hem persoonlijk gericht die boodschap kan ontvangen, welke aan alle menschen gericht is, de verwonderlijke verscheidenheid der karakters, de onbegrensde vrijheid der verbeelding, de onberekenbare gevoeligheden van liet geweten en ten slotte de ontelbare verklaringen, waarmee men den tekst van den Bijbel heeft onduidelijk gemaakt, clan is men wel genoodzaakt te oor-deelen, dat de eenvormigheid niet is de stempel der waarheid, maar die van de leugen of ten minste van de verdichting. In een domein als dit brengt het leven de verscheidenheid voort. En indien de instelling van de Staatskerken zich er op beroemt in een uitgestrekte omgeving het verschijnsel der eenvormigheid te verwezenlijken, dan veroordeelt zij zich reeds daardoor.

Men drijft ons beginsel zoo ver mogelijk door en men toont ons aan, dat het al de genootschappen in de kiem verstikt; want, zegt men, voortgaande van nuance tot nuance, en van scheiding tot scheiding, vindt het individu zich ten slotte alleen met zichzelf; en elk op zijn eigen houtje de Kerk zijnde, is er geen Kerk meer.

Helaas! ik zou wenschen, dat die vrees een rede-

ocr page 127

vinet's leven en streven, 123

lijker grond had. Men komt op tegen de individualiteit ten gunste der vereeniging, zonder te zien, dat de vereeniging zwak is, omdat liet individu zwak is, zonder in te zien, dat waar het individu verliest, de vereeniging armer wordt. Men vergeet, dat de onderlinge aantrekking van de vereeniging afhankelijk is van de individualiteit zelf, die bestaat uit overtuiging en wilskracht. Wie heeft u gezegd, dat individualiteit alleen bestaat uit wat verdeelt en afscheidt en niet uit hetgeen verbindt en veree-nigt? Tot hoe lang zal men individualiteit blijven verwarren met individualisme? Indien de ware gemeenschappelijke eenheid de overeenstemming is der gedachten en de samenloop van hetgeen allen willen, dan zal de vereeniging te sterker en te wezenlijker zijn, naarmate in elk barer leden meer gedachte en meer wil huist.

Die kracht, welke, om ons gelijken te doen vinden, er toe dringt om onszelf gelijk te maken aan anderen en die de scherpe kanten van onze individualiteit afslijt tot geheel verdwijnens toe, heeft vrij wat meer behoefte om bedwongen en betoomd te worden. De mensch gevoelt, dat het hem niet goed is alleen te • zijn; en terwijl zijn eigenliefde hem afzondert, doet

ocr page 128

124 vinet's leven en streven.

een ander instinct, soms hetzelfde, hem door alle moeilijkheden heen het gemeenschappelijk punt zoeken, waarop hij zich met zijn gelijken kan vereenigen. Dat punt wordt altijd gevonden, voor sommigen omdat zij besloten zijn het te vinden, voor anderen om een hoogere en betere reden. Al wat even diep is, is gelijk, en wanneer ei' een godsdienst is zoo innerlijk en zoo ernstig, dat hij weerklank vindt in de diepste diepten van het zijn, dan brengt hij daar in werkelijkheid hetzelfde geluid voort. Zoo is de aard van het Christendom. Geen enkele godsdienst leidt tot meerdere verdeeldheid aan de oppervlakte en vereenigt nauwer in de kern. Geen godsdienst geeft de geboorte aan meer sekten, maar geen andere kan onder de waarlijk godsdienstige leden van de verschillende sekten een meer innige eenheid bewaren. Men moet tot liet eene besluiten en zich over het andere verheugen. Men rnoet niet verwachten, dat men eindelijk in de godsdienstige sfeer slechts individuen zal zien; altijd en tot aan het einde der .wereld zal er veel meer gelegenheid zijn tot de vrees voor het tegenovergestelde; maar veel liever moet men, in de billijke vrees, dat telkens de een of andere kunstmatige vermenging-plaats heeft, trachten de ruwste en leugenachtigste

ocr page 129

vinet's leven en streven. 125

fier vormen, waaronder die vermenging zich voordoet, te vermijden.

En zelfs, zal men mij zeggen, zal dat vermijden nooit volstrekt zijn; men zal zien, in die onafhankelijke gemeenten, lioe de godsdienst opnieuw stremt; men zal zien, hoe, onder andere voorwaarden, dezelfde dienstbaarheid weer te voorschijn treedt, waaraan men meende ontsnapt te zijn; de meesten zoeken zich een paus en een heer in den eersten man, wiens woord krachtig en wiens geestdrift aanstekelijk is. Waar zijn, zelfs in die gemeenten, waar de Staat zich moeit noch met de vorming noch met de handhaving, waar zijn de werkelijk persoonlijke overtuigingen. waar is de persoonlijke godsdienst? Ik antwoord, dat men zelfs dan, wanneer wij op een gegeven oogenblik er geen zouden vinden noch te eener noch te anderer zijde, de voorkeur zou moeten geven aan het s3-steem, dat het denkbeeld van een collectieven godsdienst en van de heerschappij van het wereldlijke over het geestelijke niet erkent. Indien dan, vrij in zijn keuze, het individu heeft gekozen niet zichzelf te zijn, dan is het zijn eigen fout, waaraan geen enkele instelling medeplichtig is. De invloed of meerderheid, uitgeoefend door de omgeving, die ons de

ocr page 130

126 vinet's leven en stkeven.

Voorzienigheid gegeven heeft, is slechts een feit, stelt geen beginsel vast en verzwakt geen enkel beginsel, terwijl het Verbond van de Kerk met den Staat, door ons eigenmachtig gevoegd bij onze natuurlijke verhoudingen, een beginsel invoert, dat indruischt tegen het denkbeeld van godsdienst zelf, den godsdienst van natuur doet veranderen en hem bederft. Men behoort in het oog te houden, dat het niet onverschillig is uit te gaan van een waar of van een valsch beginsel en dat men gemakkelijker van de eene dwaling tot de andere vervalt, dan van de waarheid tot de dwaling komt.

Indien de nationale instelling alle sekten verzwond of ze belette te ontstaan, dan zou dat geen reden tot lof, maar tot blaam zijn; want het is klaar, dat die uitslag slechts verkregen zou zijn ten koste van de menschelijke natuur en van den godsdienst, die geen van beiden een zoodanige eenheid kunnen verdragen. Leven en verscheidenheid zijn in dat domein nauw verwant. Er is geen leven, waar geen sekten zijn; de eenvormigheid is het teeken des doods. Toch, tenzij een geweldige onderdrukking en een voortdurend schrikbewind het belette, en dikwijls in weerwil daarvan of ten gevolge er van juist, zullen er naast

ocr page 131

vinet's leven en strevrn. 127

de nationale instelling sekten ontstaan. Deze sekten, meer of minder duidelijk uitkomend, zullen langzamerhand tot zich trekken de zuiverste sappen dei-Kerk en de nationale instelling zal slechts als een weinig aangesloten weefsel behouden, wat het meest ruw is. Als zij zegt: zooveel te beter; als zij zegt; ik zal het hospitaal zijn, de ziekenverpleging van de Kerk, dan zullen wij antwoorden, dat de beste verpleging voor die soort van ziekte in de buitenlucht is, en dat zij, die te zwak schijnen voor de vrijheid, juist diegenen zijn, welke de grootste behoefte aan de vrijheid hebben ').

') Ik weet niet of men heeft opgemerkt, dat de ijverige verdedigers van het nationale stelsel onder de Protestanten zich beroepen op dezelfde beginselen, waarop de Katholieken steunen bij de ver -dediging van hun Kerk. Al wat die Protestanten zeggen tegen de Roomsehe eenheid kan gezegd worden tegen het nationale stelsel. Indien de Roomsehe eenheid zwaar, onduidelijk, stoffelijk en doodsch is, wat is dan de hunne? Indien de hunne redelijk is, hoe zullen zij dan bewijzen, dat de Roomsehe het niet is? Indien een Staatslichaam een godsdienst kan hebben, waarom zou dan een priester-corporatie er geen hebben ? Als het eerste een godsdienstig oordeel heeft, zal dan de laatste, die er nader aan toe is, liet niet hebben ? Het verschil is, dat de Roomsehe geestelijkheid teksten aanhaalt, zich beroept op het denkbeeld van voortdurende ingeving en dat de Nationale Kerk niets aanhaalt en zich op niets beroept. Het verschil is ook, dat het katholicisme gelooft algemeen te zijn als de waarheid en dat het nationalisme plaatselijk is als de meening.

ocr page 132

9

1'28 vinet's leven en streven.

Men dient te begrijpen, dat het instinct der vermenging, aan zichzelf overgelaten, minder sterk is en zijn gevolgen minder onherroepelijk zijn dan wanneer het vereenigingssysteem om zoo te zeggen den godsdienst heeft vastgemaakt aan den bodem. Het beginsel der individualiteit, dat van de persoonlijke verantwoordelijkheid blijven ongeschonden. De veer kan bedwongen worden, zij is niet zonder kracht geworden. Hot zij dus, dat men het eene gevaar be-schouwe of het tegenovergestelde, niets kan ons er toe brengen de Kerk één met den Staat te verkiezen boven de Kerk, gescheiden van den Staat. De ware eenheid wordt gewaarborgd door de individualiteit zelf; en de individualiteit is er op zijn eigen gebied.

Men betreurt de bekrompenheid van gezicht van zekere Kerken, die tegenwoordig dissentiëerend genoemd worden. Ik geef toe, dat de Nationale Kerken, echter niet omdat zij nationaal zijn, maar omdat zij

Eenmaal is het katholicisme nationaal geweest; maar toen gevoelde het niet meer Katholiek te zijn, en het werd weder nlti'a-montaan en van dat oogenblik af in de waarheid. De waarheid voor het protestantisme is, dat het ultrumonclain is, een andere manier om niet nationaal te zijn. Een opwekking van het katholicisme, die van het Christendom, hebben tot gevolg, dat beide niet nationaal blijven.

ocr page 133

vinet's leven en streven. 120

de Kerken dei- groote menigte zijn, gunstiger zijn (ten minste in onzen tijd) voor de algemeene en gematigde denkbeelden. Er is, in een zekeren zin, meer vrijheid in de Kerken van die soort gt; zooals er in een analogen zin ook meer vrijheid is in de Roomsche Kerk dan in de Hervormde Kerk. Een Nationale Kerk is een Kerk der menigte; als zij er de lasten van heeft, dan heeft zij de daaruit voortvloeiende voor-deelen. Maar men slaat er geen acht op, dat de engheid van blik,?en laat ons, als men dat wil, er hij-voegen de geest van kleinheid en de kleingeestigheid van de dissentiëerende Kerken het natuurlijk karakter is van een gemeente, gevormd onder de voorteekenen van oppositie en wederstand. Men vergeet, dat, wanneer iedereen dissentiëerend zou wezen, niemand het zijn zou, en dat is juist de toestand, dien wij wenschen. Overigens zullen er altijd hekrompen sekten zijn en in alle sekten zal bekrompenheid wezen, maar ik weet niet, of, goed uitgerekend, er ergens zooveel bekrompenheid is als in de nationale sekten. Wat is inderdaad meer gewoon in die zoogenaamde gemeenten dan dat men aan geheel uitwendige omstandigheden waarde hecht als redenen tot zekerheid en als onderpand van zaligheid ?

Wat betreft de overdrijving en de afdwalingen, die

9

ocr page 134

130 vinet's leven en streven.

men aan eenige bijzondere sekten heeft kunnen verwijten, wat heeft meer die fouten in waarheid opgewekt dan de geest van uitsluiting en van dwingelandij van de heerschende sekten ? Waar zijn die woeste uitbarstingen van dweepzucht meer voorgekomen dan in de schaduw en onder het juk der Nationale Kerken ? En hoe onschuldig zijn in liet algemeen die afdwalingen niet, waarde gevaarlijke prikkel van dwang en vervolging hun onthouden werd? Gij zult zien, dat overal, waar de betreurenswaardigste tooneelen van dien aard hebben plaats gehad, de vrijheid of het leven, of beide ontbraken. Het water, dat stilstaat, niet het stroomend water, verspreidt stinkende dampen. Zeker, wij zien niet zonder verdriet de afdwalingen van het godsdienstig gevoel; maar wij kunnen niet instemmen met de droefheid en de ergernis van sommigen bij het zien der drukte van sommige grilligheden. Onze smart wordt met meer kracht ingeroepen door andere feiten, die niet zoo in het oog loopen. Welk belang stellen wij in de lichaamskastijdingen, de vervoeringen, de zenuwachtige aandoeningen van eenige onmerkbaar kleine sekten'? Er is meer waarheid, meer verstand in die openbaringen dan in de trotsche en domme bedaardheid van een

ocr page 135

vinet's leven en streven. 131

vrijdenker; en in onze oogen is niets buitensporiger dan de onverschilligheid, evenals in de zedenleer niets erger is dan eigenbaatzucht.

De tegenwerping, die men trekt uit de mindere geschiktheid van de geestelijkheid der dissentiëerende gemeenten, schijnt ons zeer zwak. Deze minderheid is naar alle waarschijnlijkheid niet te zoeken in ijver en vroomheid; en indien men haar vindt in de wetenschap, dan hangt zij af van tijdelijke en plaatselijke oorzaken; want men weet niet waarom, in het algemeen, de Kerk, afgescheiden van den Staat, een inferieure geestelijkheid zou moeten hebben. Het is aan de klerken, overgelaten aan hun eigen krachten, dat Europa het beste deel van zijn beschaving verschuldigd is. De geestelijkheid zal zich ten minste wel, zoodra zij de behoefte er aan gevoelt, de bronnen weten aan te schaffen en tot haar gebruik toe te passen, waarover zij vrij is te beschikken, en als die bronnen niet bestonden, zou zij ze scheppen. Ten slotte kan de godsdienst al wat hij wil en geen macht ter wereld heeft zulke groote dingen tot stand gebracht als hij. Men zal overigens niet van ons eischen, dat wij tot in de kleinste bijzonderheden de organisatie bepalen voor de Afgescheiden Kerken. Zou men op zulk een

ocr page 136

132 vinet's leven en streven.

voorwaarde ooit iets beginnen? Men moet ons bewijzen, dat wat wij wenschen onmogelijk: is, en niet ons vragen op welke wijze en onder welken vorm het zal uitgevoerd worden.

In den grond, dien wij voorbereiden, moet alzoo de boom van den godsdienst noch vallen, noch verbasteren: maar wij hebben nog niet op alles geantwoord, want ziehier, wat men meer zegt: »01' uw beginselen waar zijn, of gij door de scheiding van Kerk en Staat die beginselen geheel kunt verwezenlijken, is van weinig belang. Gij spreekt van de natuur der dingen: wij zullen spreken van de kracht der dingen. Reken er op, dat deze weer zal opbouwen, wat gij gesloopt hebt. Een onweerstaanbare neiging zal de Kerk weer voeren naar de staatsruif. De vooruitgang zelf, dien gij voor de Kerk in het vooruitzicht stelt als gevolg van de scheiding, is er ons borg voor. Toen, in de vierde eeuw, de Kerk het Rijk was, was er geen onderscheid tusschen de Kerk en het Rijk; de Kerk trok het Rijk tot zich of de Staat absorbeerde de Kerk, dat doet er niet toe: de corporatie der geloovigen had de overwinning behaald; zij bleef als bedolven onder haar overwinning.

ocr page 137

vinet's leven en streven. 133

Ik wil toelaten. dat men vergeet, ik wil zelf vergeten , dat de Kerk voortaan, ten opzichte van het verbond en de natuurlijke gevolgen er van, een ervaring bezit, die zij toen niet had. Laat ons, indien men wil, dat verschil niet in rekening brengen.

Ik merk vooreerst op, dat deze tegenwerping niet gemaakt kan worden door dezelfde personen, die voorspeld hebben, als noodzakelijk gevolg van ons stelsel, dat het Christendom zich tot in het oneindige zal splitsen. Het eene gevaar stelt gerust omtrent liet andere en tusschen twee bezwaren, die elkaar tegenspreken, moet men kiezen. Laat ons dan een keuze doen en niets zien dan het tweede gevaar.

Leert de menschelijke geest dan nooit iets bepaalds en zou men het roekeloosheid durven noemen, indien iemand verklaarde, dat de slavernij onmogelijk hersteld kan worden? Elke maatschappelijke vorm, elk bestanddeel der beschaving, die voor ons een axioma is geworden, was voor vroegere geslachten een paradoxe en een hersenschim en de herinnering er aan maakt ons volstrekt niet ongerust, wij oordeelen er het leenstelsel, de slavernij, de pijnbank, niet minder onherroepelijk afgeschaft, om. Hebben wij ongelijk? En als wij gelijk hebben, als wij meenen ge-

ocr page 138

134

lijk te hebben, waarom dan, ten opzichte van deze andere ketterij, ons over te geven aan andere voorgevoelens? Men ziet niet tweemaal het doodenstrand: een dwaling sterft niet tweemaal, wat beteekent, in andere woorden, dat zij niet herleeft.

Men moet onderscheid maken. De dwalingen dei-ziel zijn onsterflijk. Terwijl deze man geneest, wordt de andere aangetast. Indien voor die dwalingen een tolboom of een graf kon gevonden worden in de instellingen of in de uitwendige feiten, dan zon God, in den oorlog, dien Hij dien dwalingen verklaarde, op een andere manier te werk zijn gegaan. Maar daar, in deze sfeer, de waarheid dwaasheid is voor den natuurlijken mensch, zou niets, wat binnen den gezichtskring ligt van den natuurlijken mensch, de waarheid geloof hebben kunnen verschaffen of kunnen waarborgen. Het dubbele wonder, dat wij in de wereld zien, is dat, ofschoon ei' in dezelfde zaak geen twee tegenovergestelde waarheden bestaan, een voor de ziel en een voor het verstand, toch dezelfde waarheid, die het hart verwerpt, binnendringt door de deur van het verstand, en dezelfde waarheid, die door het verstand verworpen wordt, door de deur van de ziel binnenkomt. De noodzakelijkheid ook doet

ocr page 139

VINEï's LEVEN EN STREVEN. '135

zeer dikwijls, ofschoon met tegenzin, de zaken der waarheid. Maar wanneer geen enkele denkbare of roelbare noodzakelijkheid een waarheid te hulp 1-omt, welke door de ziel niet wordt gesmaakt en coor het verstand niet opgenomen, welke kans blijft er dan voor die waarheid? Welnu, er is geen enkele litwendige voelbare noodzakelijkheid, geen enkele noodwendig uit den aard der zaken voortvloeiende omstandigheid, die doet gelooven aan de godheid van Christus en aan de zaligheid uit genade. Om er in te gelooven moeten hart en verstand onder het juk gebracht zijn: tot op dat oogenblik ontstaat dooide afwezigheid van deze waarheden geen enkele gaping in liet persoonlijk en maatschappelijk leven en de wereld, die er de grootste behoefte aan heeft, maar een niet gevoelde behoefte, gaat haar gang wel zonder die waarheden, ik bedoel haar wereldschen gang.

Niets belet dus, dat tot aan het einde der eeuwen ongeloof en ketterij in den echten zin der woorden een groot aantal aanhangers hebben. Maar het is niet zoo met de indirecte ketterijen, zooals die, welke ik hier aanval. In spijt van het hart, dat ze lieiheeft, veroordeelt het verstand ze of roeit de noodzakelijkheid ze uit. Zij zijn niet buiten het bereik en het oordeel

ocr page 140

136 VINEï's LEVEN EN STREVEN.

van den natuurlijken mensch. Als de geestelijke mensch de eenige is, die ze haat met een volmaakten haat, de natuurlijke mensch is in staat er ten volle de valschheid en de ongerechtigheid van te erkennen; en evengoed als menschen, die geen Christenen zijn, de slavernij kunnen verfoeien, ofschoon alleen de Christen er al de afschuwelijkheid van doorgronl heeft, evenzeer kan de verwarring van het wereldlijke en het geestelijke, door den Christen ongodsdienstig genoemd , den verlichten en zedelijken man van de wereld onrechtvaardig, dwaas en noodlottig toeschijnen. En de noodzakelijkheid, deze ultima ratio, niet alleen der koningen, maar ook der volken, voegt haar onmetelijk en overstelpend gewicht bij het gewicht der overtuiging.

Daarop vestig ik mijn hoop, dat de scheiding, eenmaal volbracht, onherroepelijk zal zijn. Dat het beginsel, goed of slecht, waarin de oude instelling-wortel heeft geschoten en is gegroeid, niet zal vergaan, is een andere zaak; dat het onder een minder regelmatigen, minder erkenden vorm nog invloed zal uitoefenen, ik geloof het, ofschoon de ondergang van de instelling wijst op verzwakking van het beginsel. En ik erken eveneens vrijmoedig, dat, indien iets mij geruststelt, het niet de geest van zelfverloochening

ocr page 141

vinet's leven en streven. 137

bij de sekten is. De liefde tot de heerschappij, en vooral de geestelijke heerschappij ligt in den aard van het menschelijk hart; men racet een verheven godsdienstig gevoel en een niet algemeene mate van vroomheid bezitten om haar te verstikken en vooral om er afschuw voor in te boezemen en hoevele, overigens oprechte menschen, zullen vervolgd worden door het schoonschijnende denkbeeld, dat het wereldlijke moet ondergeschikt zijn aan het geestelijke, niet alleen voor zoover elk mensch persoonlijk betreft in zichzelf, maar ook door elk in anderen! Hierin is een oorspronkelijk kwaad gelegen, dat wij eeuwig op onzen weg zullen ontmoeten. Misschien is het wel waar, dat het eerste beginsel, de primum mobile van het verbond, waartegen wij onze bezwaren inbrengen, bijna altijd de priesterlijke eerzucht was, of wat een groot Engelsch schrijver heeft bestreden onder den naam van geestelijk despotisme. Maar liet is juist omdat die wortel onsterflijk is, dat ons eenig verweermiddel is hem den grond te ontnemen, waarin hij zich nestelt en zich verbreidt en waar buiten hij niet groeien kan. Wij willen, dat de aanmatigingen van de geestelijke lichamen geen enkelen steun kunnen vinden in de instellingen; wij willen, dat de gedachte

ocr page 142

138

er aan zelfs niet bij hen kan opkomen; wij willen, dat zij rein blijven ondanks zichzelf, of ten minste, dat een der gevaarlijkste verleidingen hun bespaard blijft. Laat liet geestelijk despotisme zich uitbreiden in dc sfeer, die wij het wel moeten laten: maar dat het ten minste geen beslag legge op die, welke wij er aan kunnen ontrukken!

Overigens ben ik niet zoozeer geneigd om de vorming te voorzien van een zoo overheerschende godsdienstige meerderheid. Men vergeet te veel, dat het (Christendom in zichzelf het geneesmiddel bevat van de kwaal, waartoe het aanleiding kan geven. Als het een zoo groote maatschappelijke kracht heeft, dat liet alleen, van alle godsdiensten, een Kerk gesticht heeft, dan heeft het tevens en daardoor zelfs, een ruimer aandeel toegewezen en een grooter hulde gebracht aan het beginsel der menschelijke individualiteit dan eenige godsdienst en eenige wijsbegeerte. Dit bestanddeel der individualiteit, door het Christendom tegelijkertijd verheerlijkt en gezuiverd, wordt door de Voorzienigheid gebezigd tot twee tegenovergestelde doeleinden: het brengt voordeel aan de maatschappij door een wedstrijd uit te lokken van den vrijen wil en door aan den maatschappelijken

ocr page 143

vinet's leven en streven. 139

band het karakter en de kracht te geven van een levende omhelzing; en van een anderen kant belet het, middelpuntvliedende kracht van de maatschappij als het is zoowel als middelpuntzoekende kracht, het middelpunt alles tot zich te trekken, evenals het evenwicht van twee krachten in de wereld der voorwerpen, terwijl zij de sterren in de ruimte werpen en ze tevens binnen de bepaalde loopbaan houden, niet heeft toegelaten, dat de sterren, die haar kringen beschrijven om een middelpunt, alle te zamen een verschrikkelijke massa, één moeilijk te verduwen chaos werden. De individualiteit, onophoudelijk opgewekt en wakker gehouden dooi' een waren godsdienst , zal overal die brutale aankleving beletten, die dreigt de openbare vrijheid te verzwelgen, terwijl zij alleen het gezag bedreigt; zij zal de godsdienstige meerderheden ') wel weten te verdeelen naarmate zij zich vormen en houden ze in evenwicht door minderheden sterk genoeg of genoeg in aantal om het hoofd te bieden aan de meest vaste massa's. Maar voorzeker, indien men vreest voor de verovering

') Er zullen er altijd zjjn eu zij zullen duidelijk genoeg merkbaar zijn. Hiervoor zijn verschillende oorzaken, waarvan de lezer zieh wel rekenschap zal geven zonder onze hulp.

ocr page 144

140

van het gezag door een godsdienstige meerderheid, dan zou het toch vreemd zijn het geneesmiddel tegen de kwaal in de kwaal zelf te zoeken en zich in den kuil te werpen uit vrees van er in te vallen.

Ik veronderstel, dat men aanhoudt en zegt: »In-dien de Staat niet langs een omweg terugkeert tot het verlaten stelsel, dan zal hij in elk geval handelen in den geest van het grootste aantal.quot; Wij antwoorden, dat er tusschen die twee te kiezen, zaken een groot verschil is. Een godsdienst officieel maken, een geloof bevoorrechten, de burgers in afdeelingen splitsen naar hun bespiegelende meeningen, op een geheel willekeurige basis staatkundige ongelijkheden scheppen, wanneer de grondwet misschien alle ongelijkheid heeft afgeschaft, ongelijkheden, waartegen het geweten in verzet komt, zoowel het geweten van hen, die er onder lijden als van hen, die er voordeel van hebben, en dit alles te doen lang nadat de openbare meening en het openbaar recht eenstemmig de oude verwarring van het wereldlijke en het geestelijke hebben afgezworen, dat is belijden, dat de algemeene rede geen andere dan tijdelijke overwinningen behaalt, dat elke vooruitgang herroepen kan worden en dat de algemeene rede er aan onderworpen is, om de

ocr page 145

vinet's leven en streven. 141

krachtige taal van een vrome te gebruiken, «om tot zijn uitbraaksel terug te keeren.quot; Maar het is zoo niet: dit maatschappelijk verstand keert nooit opzijn schreden terug, als het ijverig voorwaarts gaat. In dit domein ten minste gelooven wij niet aan spoken (revenants) en wij zijn bijgevolg wel overtuigd, dat die misbruiken, eenmaal afgeschaft, niet zullen lier-leven. Daarna is het onze taak niet te zeggen, wat de godsdienst, eenmaal openbare meening geworden, en als zoodanig het gezag zoowel als de maatschappij beheerschend, van zijn karakter kan meedeelen aan de maatschappij als zoodanig en aan het gezag, optredend als gezag. Ik heb den tolboom geplaatst op een juiste grensscheiding; maar geen tolboom, hoe hoog die zijn moge, geen berg zelfs zal de lucht boven twee landen beletten gemeenschap te hebben en zich te vermengen; dit ligt in de natuur dei-dingen en ik verzet mij geenszins tegen die natuur. Waartoe zou ik trachten die wederzijdsche invloeden te regelen en te voorzien ? Ik weet, dat niets verkeerd zal zijn van hetgeen geschieden zal in een geest van waarheid, rechtvaardigheid en vrijheid.

ocr page 146

IV.

Vinet Evangelist.

En Mozes maakte een koperen slang en stelde ze op een steng; en het geschiedde, als een slang iemand heet, zoo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend. — Numeri 21: 9.

Ofschoon wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen, zoo is toch onze zaligheid verbonden aan een blik, en het geloof, dat ons verlost, is niet anders dan die blik. Het is met den mensch in de woestenij des levens als met de Israëlieten in die andere woestijn; dezen herleefden wanneer zij de oogen ophieven tot de koperen slang, gene wordt tot een nieuw leven gewekt, wanneer hij de oogen opheft tot het Kruis. Het is over dien blik, mijn

ocr page 147

vinet's leven en steeven. 143

broeders, dat ik u wilde onderhouden. God, Die iets gegeven heeft, dat wij kunnen vertellen, gaf ook iets om te beschouwen: het is het begin, het is het fondament van Zijn werk; het onze (dat , in zekeren zin, ook weer liet Zijne is, dewijl alles zonder uitzondering van Hem komt), het onze is aan te zien; ten minste, dat is ook het begin en het fondament van ons werk; alles komt daarop neer, alles berust er op, alles hangt er van af. Wij zouden hen, die onder het geloof iets minder verstaan of zich iets meer voorstellen, willen wederleggen. Wij zouden hun willen doen begrijpen, dat men niet gelooft, indien men niet aanschouwt, en dat het aanschouwen voldoende is om het geloof te hebben. Moge onze toespraak , door Gods genade, even eenvoudig zijn als onze gedachte!

Beslist te zeggen, dat wij dooi' een blik verlost zijn, zou beteekenen, dat wij onszelven verlossen. Nu is het wel waar, dat onze zaligheid volbracht wordt in ons,'en zelfs, naar de krachtige uitdrukking van Paulus, dat wij haar werken, maar de zaligheid heeft al haar wortels buiten ons. Daar is vooreerst een feit, dat geheel Gods werk is; een feit, waarin wij voor niets gelden: dat is de vergiffenis. God heeft

ocr page 148

144 vinet's leven en streven.

vergeven, God heeft de hand ter verzoening aangeboden, en Jezus Christus, tegelijkertijd rnensch en God, heeft Zich borg gesteld voor God jegens den rnensch en onderpand voor den mensch jegens God. Jezus Christus is de Middelaar van een nieuw verbond, waarin het gansche hart van God zich openbaart en dat tot zegel en leuze dit geheel nieuwe woord draagt: »God is liefde''. Dat is de vergiffenis, nog niet de zaligheid. De zaligheid begint buiten den rnensch en wordt in hem voltooid. De mensch wordt verlost door Jezus Christus, maar in zooverre, dat Jezus Christus hem heiligt. De mensch, verloren in den eersten Adam, zou niet gered zijn door den tweeden, indien die tweede Adam niet was een levend-makenden geest en hem niet deed wedergeboren worden tot een nieuw leven. Het is deze wedergeboorte, die werkelijk de zaligheid is. Welnu, deze wedergeboorte is wederom het werk van God, Die de zaligheid voltooit, zooals Hij het beginsel er van is; de mensch wordt niet uit zichzelf wedergeboren; maar ook wordt deze wedergeboorte niet bewerkt zonder den mensch; hij neemt er, door Gods genade, een werkzaam deel aan en een belangrijk, maar wat hij doet is zeer eenvoudig; het komt er op aan te

ocr page 149

vinet's leven en streven. 445

gelooven en te aanschouwen, te aanschouwen en te gelooven: hij, die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven. Men moet iets hebben om er naar te zien, dit hangt van God alleen af; maar men moet aanschouwen, dat is het deel des menschen. Het voorwerp, aan onze blikken voorgesteld, is van een zoodanige hatuar, heeft een zoodanige kracht, dat, aanschouwd, het ons het leven wedergeeft, zooals de slang van Mozes het leven wedergaf aan hen, die haar aanschouwden.

De levenwekkende kracht van den blik des geloofs: dat is het onderwerp van onze beschouwingen.

Wij zouden eerst kunnen spreken over de kracht of de macht van den blik in het algemeen. Wij zouden kunnen zeggen, dat het een kortere en levendige re wijze van bestudeeren is; dat men door den blik niet alleen leert kennen, maar ook spoedig liefhebben en bijna onweerstaanbaar, indien het voorwerp lievens-waardig is; kortom, dat de aanschouwing de eerste, de snelste, de zekerste methode van onderricht is. De aanschouwing vermaant, bestraft, verbetert, hervormt; zij maakt ons langzamerhand gelijkvormig aan het voorwerp der beschouwing; het voorbeeld,

eenvormig en goed volgehouden, maakt lessen over-

10

ocr page 150

'146 vinet's leven en streven.

bodig en is op zichzelf volledig als opvoedingsmiddel: wie niets ziet dan wat waar is, wie het goed ziet, wordt onwillekeurig voor het ware gewonnen; wij kunnen ons op God Zelf beroepen voor deze waarheid : Hij heeft ons in het Evangelie laten beloven, dat wij in den hemel aan Hem gelijk zullen worden, omdat wij Hem zien zullen, zooals Hij is.

Het is op dit beginsel, dat God Zijn werk van genade en van herstel heeft gebaseerd. Een blik had ons in het verderf gestort (Gen. Hl: (3); Hij heeft gewild, dat een blik ons zou verlossen.

Op welk voorwerp moest die blik gericht worden, die bestemd was in den boezem des menschen het goddelijk leven, uitgebluscht door de zonde, weer aan te blazen? Was het op den mensch zelf, dat de blik des menschen zich vestigen moest ? Zeker moet de mensch zichzelf beschouwen, dewijl zonder zich te beschouwen hij zich niet kan kennen, en zonder zelfkennis is alle andere nutteloos of onmogelijk. Maar wat zou voor het herstel van den mensch een blik kunnen beteekenen, uitsluitend op zichzelf geslagen? Indien hij zichzelf ziet, zooals hij niet is, wordt hij opgeblazen; ziet hij zich, zooals hij is, wordt hij ontmoedigd; en het goddelijke leven, dat de harmonie

ocr page 151

VINEï's LEVEN EN STREVEN. 147

van het hart met God beteekent, kan niet ontstaan te midden van den hoogmoed en kan de hoop niet ontberen. Het is dus ergens anders dan bij het aanschouwen van dit of booze öf dorre voorwerp, dat de mensch het leven vinden zal, indien het zijn bestemming is, het te vinden.

Zal de mensch dan, zooals het schijnt, den blik vestigen op God? Welk aanschouwen zou beter geschikt zijn, of liever, welk ander zou geschikt zijn om den ongelukkigen zoon van Adam te onderrichten, te berispen, te genezen, op te heffen? Maar God is omsluierd. Uit de dikke wolken, die Hem omgeven, schieten slechts stralen des bliksems. Uitgestrekte duisternis, schrikwekkende vlammen, dat is alles, wat onze begeerige en zieltogende blik ontmoet boven de menschelijke sfeer.

Want men bedriege zich niet: liet even zachte als majestueuze beeld, de idee zelfs van Hein, Dien de nieuwere tijden hebben geleerd gemeenzaam te noemen als den goeden God, is niet dat, wrat de verbeelding en de gedachte van den mensch van nature vervult; dit beeld is door het Evangelie gewekt: de goede God is een geopenbaard God.

Het is dus smartelijk, maar noodig het te bekennen:

ocr page 152

'148 vinet's leven en streven.

de aanschouwing van God zal den mensch niet tot een nieuw leven brengen, wijl dat gezicht óf voor onze oogen verborgen is of ons verplicht ze van schrik te sluiten. Maar hoe zal de mensch dan verlost worden door een blik?

Het Evangelie heeft onzen blik ook niet gericht op den mensch of op God onmiddellijk, en toch verwijst het tot den mensch en tot God, maar tot beiden vertegenwoordigd door Jezus Christus, vereenigdin Jezus Christus.

In Jezus Christus, inderdaad, beschouwen wij God in de volheid Zijner eigenschappen en de volkomenheid Zijns wils, en (wonderbare zaak!) den mensch tevens zooals hij is en zijn moet. God, heb ik gezegd, in de volheid Zijner eigenschappen, want het heeft Hem behaagd, dat de volle goddelijkheid belichaamd werd in Christus, en voor de eerste maal heeft Hij de oneindigheid Zijner liefde aan de wereld geopenbaard. Den mensch, zeide ik, zooals hij is en zijn moet: den eerste, aangeduid door den smaad en het lijden van Christus, die den maatstaf aangeven voor de schuld des menschen; den tweede, verwezenlijkt in de heiligheid van Christus, Die, in daden, in woorden en gedachten volmaakt de wet vervul-

ocr page 153

vinet's leven en streven.

lende, Zich verre verheven heeft boven de onschuld van den eersten Adam. Zietdaar, mijne broeders, het voorwerp, dat het Evangelie aan onzen blik aanbiedt; maar er is in dat voorwerp een middelpunt, een opperste oogenblik, dat het geheel omvat, dat er de geheele kracht van uitoefent op onze ziel en dat den blik, dien wij er-op vestigen, maakt tot het beginsel en het voedend element van een nieuw zedelijk leven. Dit middelpunt, dit opperste oogenblik, dat is de kruisdood. Met u rechtstreeks afgaande op dat bloedige middelpunt, treden wij in de gedachte van Paulus, die te midden van zijn volgelingen niets wilde weten dan Jezus Chkistus en Dien gekruist.

Jezus Christus is als een gebergte, van welks kruin de blik de geheele uitgestrektheid omvat van een land en doordringt tot zijn uiterste grenzen. Naarmate gij stijgt en van af de eerste bergvlakte strekt .uw oog zich verder uit dan aan den voet des bergs. Bij iedere schrede verwijdt zich uw gezichteinder; maar indien gij alles wilt omvatten met uwen blik, moet gij voortklimmen tot de kruin. Van daar ziet ge, wat ge reeds vroeger zaagt, en daarenboven ook dat, wat ge alleen van de kruin af zien kunt. Welnu, de hoogste top van Jezus Chkistus, als men

ocr page 154

150 vinet's leven en streven.

zoo spreken mag, is de gekruisigde Jezus. Van die hoogte ziet men alles, wat gezien kan worden; kent men alles, wat gekend kan worden; het gezicht, dat men van zoo hoog geniet, vereenigt en omvat alles. Als het geldt te weten wat de mensch is, wat zal het ons beter kunnen leeren dan de onuitsprekelijke afgrijselijkheid van dien dood, waarbij het overmatig lijden nog verscherpt wordt door de overmaat van den smaad, waar in den beker der smarten de ondankbaarheid en het verraad al hun bitterheid uitspreken, waar heerlijkheid en medelijden ontbreken en van waar God Zelf den blik afwendt en waaraan Hij Zijn troost onthoudt? Als een volmaakt rechtvaardig wezen zoo lijdt om der wille van den mensch, wat is dan de mensch, hoe wanhopig was dan zijn zondige toestand vaak geweest en tevens hoe groot zijn dan niet zijn oorspronkelijke waarde en uitnemendheid !

Wat is inderdaad in de gedachte Gods een wezen, voor wien God Zelf heeft willen sterven? Beschouw dan en zeg: Zie den mensch! Als het betreft niet den mensch te kennen, zooals hij is, maar zooals hij moet en kan zijn, wat zal het u beter leeren dan dat kruis, waaraan een rechtvaardig mensch — maar

ocr page 155

vinet's leven en streven. 151

een raeusch, let er wel op — sterft ter wille van de onrechtvaardige rnensclien; waaraan een menschelijke -/iel alles ten toon spreidt wat de mensch ooit heeft kunnen bevatten en nooit heeft verwezenlijkt aan zelfverloochening, grootmoedigheid, zachtheid, zedelijke kracht; hoe laat deze dood, vergeleken met alle, zelfs de edelmoedigste gevallen, waarvan de geschiedenis melding maakt, verre achter zich al die roemrijke tooneelen, zelfs die, waarbij de stervende bezieling putte uit den kruisdood? Zie dan nogmaals en zeg weder: Zie den mensch! Is het genoeg ? Neen, gij moet God Zelf zien en kennen. Het zien op het Kruis heeft . u tot deemoed gestemd, ik geef het toe; het heeft uw zedelijken zin overprikkeld en het heeft u het gevoel van uw oorspronkelijke bestemming en van wat ge hadt behooren te doen teruggegeven, ik geef het weder toe. Maar die fondamenten der hoop zouden altijd fondamenten der hoop blijven en nooit eenig gebouw steunen, indien God Zelf voor u bleef de onbekende God, tot Wien uw eerbied en uw liefde zich slechts aarzelend richten en verre van Wien zij onderweg , bezwijken. Maar in den dood van Zijn Zoon ontsluiert Hij Zich het gelaat en toont het vol genade en majesteit; Hij toont Zichzelf als een levend God, in Wiens

ocr page 156

vinet's leven en streven.

hand liet niet meer verschrikkelijk, maar zoet is te vallen; als een Vader in één woord, Die altijd Vader was, maar Die het u eerst Leden verklaart. Eveneens was Hij altijd heilig; maar hebt gij het ooit geweten, hebt gij u een denkbeeld gemaakt van wat de heiligheid van God is, tot op het oogenblik, dat God heelt toegestaan, dat, om de menschen te ontrukken aan de macht der zonde, Zijn heilige Zoon zulk een tegenspraak en zulken smaad duldde van de zijde der zondige menschen? Hadt ge tot hiertoe begrepen, dat lijden en zonden nauw vereenigd, onafscheidelijk verbonden waren en om zoo te zeggen slechts één geheel vormden? Welnu, een blik, één enkele blik zegt u dat alles, leert u alles, wat gij moest leeren, ontneemt u alle vrees, uitgezonderd de vrees voor de zonde, geeft u tegelijkertijd een Heer en een Vader weer, verzekert u in den hemel een vriend en middelaar, verwijdert uit uwen geest de duisternis van den twijfel, geeft den sleutel tot uw levensraadsel en doet u het anker der blijde verwachting werpen voorbij den sluier des doods.

Maar dringt deze inwendige omwenteling door tot in de diepste diepten van het zijn; onttrekt zij den mensch aan den druk van dien berg van wroeging en wanhoop,

152

ocr page 157

vinet's leven en streven.. 153

welks gewicht hem verpletterde en deed verstikken?

De Eeuwige heeft gezegd: »Ik zal de hemelen en

de aarde en de zee en het droge doen beven......

en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullenquot; (Haggaï 11:7 en 8). Ja, Hij zal de hemelen doen beven, om de aarde, dat is het hart des menschen, te kunnen doen beven. Wat de orde der hemelen beroert, kan wel het hart van den menscli beroeren en wanneer de Eeuwige geweld gebruikt om Zijn schepsel opnieuw tot Zich te nemen, kan men begrijpen, dat er ook in dat schepsel iets geweldigs, iets beslissends voorvalt, een verschrikkelijke en gezegende crisis, die tot ontknooping beeft de genezing en het leven. Zeg een van beide, öf dat de herstelling van den rnensch boven de macht, en het beproeven van de herstelling zelfs boven de liefde van God is; öf dat dit het heldhaftige , het onfeilbare middel was: in andere woorden, dat den mensch vrijkoopen het zekerste en waarschijnlijk het eenige middel was hem te redden, indien bet-waar is, zooals wij het nogmaals herhalen, dat hij niet kan verlost worden dan op voorwaarde van wedergeboorte. En nu, wat heeft hij anders daartoe te doen dan te aanschouwen? »En gelijk Mo/es de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de

ocr page 158

154 vinet's leven en streven.

Zoon des menschen verhoogd wordenquot; (Joh. III: 14). Waartoe verhoogd, zoo niet om Hem te aanschouwen ? «En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbequot; (Joh. VI:40).

Zoo is, naar de woorden der Schrift en wij zouden kunnen zeggen, zoo is volgens de getuigenis der ervaring, Gods plan voor uw verlossing. Want uw zaligheid wordt niet gewerkt buiten u of zonder u; gij kunt niet verlost worden, indien gij niet veranderd zijt, en gij kunt niet veranderd worden, dat wil zeggen, wedergeboren, zonder daardoor zelf verlost te worden. Uw zaligheid is niet uw werk, maar gegrondvest in God; zij wordt in u vervuld en het is met het oog op deze twee punten, deze twee groote genadegiften, dat liet Evangelie Jezus Christus noemt den oppersten leidsman en voleinder uwer zaligheid. Welnu, de voltooiing van de zaligheid is geheel opgesloten in de zedelijke uitwerkselen, die wij zooeven geschetst hebben; want, zoo gij opmerkt, dat men nog rekening moet houden met een ander element , de innerlijke genade, die macht van den Heiligen Geest, die wérkt op den geest des menschen en die het werkdadige beginsel is van zijn wedergeboorte.

ocr page 159

vinet's leven en streven. 155

zooals die wedergeboorte zelf de voorwaarde is om niet te zeggen het wezenlijke zelf van de verlossing, dan merken wij op, dat wij eensdenkend zijn metu; maar dat de genade, geheimzinnige werking waarvan de intieme functies ons ontsnappen, haar doel niet bereikt dan door in onze harten die blijdschap, die dankbaarheid, die hoop, die liefde te doen ontstaan, die te zamen den bodem uitmaken van het nieuwe schepsel en die, bovennatuurlijk in één zin, natuurlijk zijn in een anderen, wijl zij in het nauwste verband staan met de feiten, die het Kruis ons openbaart. Hoe noodzakelijk de genade zij, het is daarom niet minder waar, dat zij niet alleen werkt, dat zij niet werkt zonder de hulp van die feiten en dat men even goed zou kunnen zeggen, dat deze feiten onze wedergeboorte bewerken door haar tusschenkomst als dat de genade het doet door de hunne. Wat er ook zij te zeggen van de genade, het staat vast, dat alleen hij, die den Zoon aanschouwt, het eeuwige leven heeft, en dat deze aanschouwing, waartoe de genade Gods ons brengt en bepaalt, voldoende is om ons te verlossen. Wij zijn dus, voor zoover de genade Gods ons bekwaam maakt te beschouwen, verlost dooreen blik op het Kruis.

ocr page 160

'150 vinet's leven en streven.

Hier doen zich twee tegenwerpingen aan ons op, die betrekking hebben op de hoofdpunten van de voorgaande stelling. Is het kruis het eenige voorwerp van den blik ? Is die blik, inderdaad, niets meer dan een blik ?

Wij willen niet zeggen, broeders, dat er in Jezus Christus niets belangrijks is dan Zijn Kruis en dat men dat alleen moet beschouwen en al het overige verwaarloozen. Jezus Christus is niet alleen op de wereld gekomen om testerven. Hij heeft onderwezen, Hij heeft wonderen gedaan, Hij heeft geleefd in de verschillende toestanden van het menschelijk bestaan; en liet Evangelie heeft, door andere herinneringen over te leveren dan die van Zijn dood, den geheelen Jezus Christus aan onze studie, zoowel als aan onze vereering, aangeboden. Wij weten, en wij zullen wel oppassen het niet te vergeten, dat het Zijn Vader behaagd heeft, dat alle volheid in Hem zou wonen en dat Hij ons van Godswege is geworden tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing en niet verlossing alleen. Maar Jezus Christus

ocr page 161

157

kan ons slechts geworden zijn tot gerechtigheid, wijsheid en heiligmaking, omdat Hij onze verlossing uitmaakt. En welke is dan de band tusschen de verlossing en al het overige? Door welk middel brengt de verlossing voort of maakt zij mogelijk al het overige en wordt zij een daadwerkelijke en voltooide verlossing? Die band, mijne broeders, dat middel, het is juist die blik, die zich vestigt op de verlossing, op den Verlosser, op den gekruisigden Jezus.

Behoud van Jezus alles zonder den kruisdood, laat Hem al Zijn reinheid, al Zijn wijsheid en zelfs (voor zoover gij het kunt zonder den kruisdood), al Zijn liefde, ik zeg, dat, met weglating van het Kruis, zelfs ten opzichte der andere zaken, alle Volheid niet in Hem zal gewoond hebben; ik zeg, dat Hij u niet tot wijsheid, niet tot gerechtigheid, niet tot heiligmaking zal geworden zijn en dat Hij u in den grond der zaak zal gelaten hebben, zooals gij zijt.

Ik zeg, dat gij al deze dingen niet kunt grijpen en vervolgens ze onderscheiden en herkennen dan bij het licht van Zijn Kruis, aangezien dat licht alleen de heilige teekens leesbaar maakt, waarmede al die waarheden in het Evangelie zijn gegrift. Ik ga verder: ik zeg, dat deze wijsheid, deze gerechtigheid en deze

ocr page 162

158 vinet's leven en streven.

heiligmaking, onmisbare voorwaarden voor het eeuwige leven, heilig onderpand van onze erfenis (Ef. I; 14 en 2 Kor. V : 5), in kiem, in beginsel liggen opgesloten in ons geloof aan het verlossingswerk, of, zoo gij wilt, in den blik, dien wij slaan op dit werk; ik zeg, dat zij als vanzelf er uit voortkomen, evenals het koorn groeit uit zijn aar, evenals de aar haar koorn naar buiten drijft; ik zeg, dat het begin der wijsheid, het begin der gerechtigheid, het begin van de heiligmaking aanwezig is in de ziel, welker blik gevestigd is op het Kruis; ik zeg, dat naarmate hij er zich meer aan hecht, het geestelijk leven groeit en zich stilzwijgend ontwikkelt in den boezem van den geloovige onder de drie gestalten, die door die drie woorden worden aangeduid ; ik zeg, dat zonder dien blik er geen Christen is, en dat diezelfde blik, en die blik alleen, den Christen maakt.

Hij, die dit feit, den gekruisigden Christus, niet beschouwt, die liet verwaarloost, om, zooals hij zich verbeeldt, zich toe te leggen op het werkelijke en op het voornaamste, zal zijn doel, dat hij najaagt, slechts te zekerder missen. Hij is ijverig in de toepassing, maar in de toepassing van wat, bid ik u? Hij vestigt den blik op het leven; maar wat is het leven anders

ocr page 163

vinet's leven en streven. 159

dan gelooven in Hem, Dien de Vader gezonden heelt ? Hij wil zich niet bepalen, zegt hij misschien, tot een waarachtige, maar nuttelooze bespiegeling; hij zal het mysterie loslaten om de klaarheid aan te grijpen,het dogma niet tellen om de zedenleer te beoefenen: maar wil hij dan een boom planten zonder wortels, of stemt hij er in toe, dat zijn wijngaard, geënt met het zuiverste sap van de wereld, niets voortbrenge dan wilde druiven? Wat! de menschwording zou een feit zonder beteekenis zijn? Wat! indien we dat feit ontkennen (en het is zoo goed als het ontkennen, wanneer men het niet beschouwt), zouden wij toch dezelfde zedenleer hebben, de evangelische zedenleer, denzelfden geest, den geest der heiligmaking?

Het is integendeel duidelijk, dat wij dan in het Evangelie hoogstens een nieuwe uitgaaf, nauwelijks verbeterd, van de oude stelsels van zedenleer hebben. Ik zeg, nauwelijks verbeterd; want indien die nieuwe uitgaaf, in zekere opzichten, nauwkeuriger schijnt, in andere zal zij moeten lijken duister, overdreven en onmogelijk toe te passen. Het Evangelie zal zijn als een boek, geheel samengesteld uit geheimzinnige toespelingen, tot juist begrip waarvan men den sleutel zal missen, want die sleutel is het Kruis; wat zal

ocr page 164

160 vinet's leven en streven.

men van dat oogenblik af anders kunnen doen dan ter zijde zetten alles wat duister is, alles wat geestelijk is, alles wat buitensporig is, omdat men de kern er van niet bespeurt, die bevelen van zijn Kruis te dragen, zijn vader en moeder te haten, zichzelven af te sterven, te bidden zonder ophouden; wat anders te doen, in één woord, dan terug te vallen tot de hoogte der natuurlijke moraal, al spreekt men dan ook geheiligde namen uit, al roept men verheven herinneringen aan, en al viert men kerkelijke plechtigheden, zonder ze te begrijpen zoowel als zonder dat het hart er aan deelneemt, dus zonder werkelijk geloof; plechtigheden, waarvan de beteekenis ons ontsnapt, zooals duidelijk blijkt uit onze leer en ons leven?

Men moet niet zeggen: »Onder vele andere waarheden vinden we ook deze in het Evangelie.quot; Men moet zelfs niet zeggen: »Deze waarheid is de belangrijkste van het Evangeliequot;. Men zegge: ))Deze waarheid is het Evangelie zelve en al wat verder in het Evangelie staat, als ik het zoo zeggen mag, is er of de vorm of de overzetting of de toepassing van.quot;

Deze waarheid is overal aanwezig in het Evangelie, zooals het bloed overal aanwezig is in het raenschelijk

ocr page 165

vinet's leven en, streven. 164

lichaam. Alles herinnert haar, alles stelt haar voor oogen aan dengene, die de hoofdwaarheid begrepen heeft; zelfs daar, waar elk ander haar niet vermoedt, ziet hij, gevoelt hij haar: naar welke zijde hij den blik richt , tot welke bijzonderheid hij afdale, naar welke toepassing hij zoeke, hij ontmoet, hij herkent overal het Kruis. En hoe zou hij het niet overal vinden in een boek. in een godsdienst, waarvan het Kruis het èigenlijke onderwerp is? Want Jezus Christus is niet juist gekomen om ons met levensgevaar, ten koste van Zijn bloed de zedenleer te onderwijzen; Jezus Christus is niet juist gekomen om ons prac-tische waarheden te komen prediken, die wij nooit zouden vergeten hebben, indien wij God niet vergeten hadden, en die wij wel zouden terugvinden zoodra wij God zullen teruggevonden hebben: en die waarheden, ik bedoel die, welke de Evangelische zedenleer kenmerken, zijn van een zoodanigen aard, dat Jezus Christus ze niet met voordeel kon bekend maken, dan door tegenover die verschrikkelijke levensregels over te plaatsen het beeld van een genadig God en het onderpand van Zijn vergifTenis en de vernedering en de opoffering van den Zoon Zijner liefde. Onze

zaligheid is dus niet verbonden aan de bekendmaking

n

ocr page 166

162 vinet's leven en streven.

van deze leefregels, noch aan dequot;aandacht, die wij er aan schenken kunnen, ze losmakende van den persoon en het werk van Hem, Die ze geopenbaard heeft; vóór alles is zij de vrucht van de mensch-wording van Jezus Christus, van Zijn vernedering. Zijn lijden, Zijn dood en bijgevolg van den blik, die al de wonderen binnen ons bereik brengt en om zoo te zeggen ze tot ons eigendom maakt.

Ongetwijfeld is het waar, dat, wanneer men eenmaal deze groote bedeeling van de Goddelijke lankmoedigheid heeft aangenomen, het gepast, nuttig is al die onderrichtingen van Jezus Christus en der Apostelen te bestudeeren, waarvan men voortaan zeker is den sleutel te bezitten. Maar altijd moet men, om die leefregels te lezen, zich 'dicht bij Jezus Christus houden als bij een flambouw, die, naar de mate wij er dichter bij zijn, onze lectuur te gemakkelijker maakt. Het is onder den altijd werkzamen invloed, het is in tegenwoordigheid, te midden van deze gedachte; het is geheel omringd door haar licht en bestraald door haar warmte, dat men alles moet bestudeeren, wat het Evangelie bevat behalve deze waarheid. Zal ik te veel zeggen ? Men moet deze zedenleer overschrijven op het Kruis zelf van Jezus

ocr page 167

vinet's leven en streven. '163

Christus, opdat, wanneer men er zich toe zet haar te lezen, onze oogen zich niet losmaken van dat Kruis. Maar is zij er niet reeds op geschreven? Is Golgotha niet een nieuwe berg Sinai ? Is het Kruis niet een nieuwe tafel van een nieuwen Mozes? En kunnen wij niet, zonder dat onze oogen zich afwenden van dat tegelijkertijd gevloekte en geheiligde hout, zonder één enkel oogenblik Hern uit het oog te verliezen , Dien onze zonden er aan genageld hebben, lezen, als een nieuwe Decalogus,'een beknopte schets, een verkorten inhoud van deze nieuwe wet, en de wetten en de constitutie van dat nieuwe volk, dat Hij is komen verzamelen op de aarde uit elkèn stam, elke taal, alle volken en alle natiën?

Neen, het Kruis is niet alleen de flambouw, bij welker licht wij onderrichtingen lezen, ergens anders neergeschreven, het Kruis zelf is vol lessen. Laat ons een oogenblik spreken over de onderrichtingen van het Kruis.

De Zaligmaker heeft niet tot liet Kruis gewacht om groote dingen te onderwijzen. Welke heerlijke lessen had Hij niet reeds gegeven, in den loop van Zijn arbeidstijd, Hij, in Welken al de schatten dei-wijsheid en kennis verborgen zijn! (Kol. II: 3). Welke

ocr page 168

164

lessen over de heiligheid en onschendbaarheid van de goddelijke wet, die geen mindere zaak tot doel heeft dan de volmaaktheid en waarvan geen jeta kan weggelaten worden! Welke lessen over de ellende •der raenschen, in al die plechtige woorden, die verklaren , dat de mensch het Koninkrijk der Hemelen niet zal binnengaan, tenzij hij wedergeboren is, en dat al wie niet gelooft in den Zoon Gods, dat wil zeggen niet zijn lot overgeeft in de enkele genade des Vaders, reeds vooruit, reeds nu, onherroepelijk veroordeeld is, en dat de toorn des Vaders op hem blijft! Welk een openbaring van die goddelijke genade in het enkele zien van den Middelaar, genageld aan het vloekhout, en Wiens kruisdood, zal hij vrucht dragen voor hen, ten wier behoevfe hij geschiedde en die hem tevens veroorzaakten, door dezen slechts behoeft te worden geloofd en aangenomen! Wat zouden zelfs al die lessen zijn zonder de feiten, waarop zij betrekking hebben? Men moet zelfs niet zeggen, dat de feiten de bevestiging zijn der woorden; men moet zeggen, dat de woorden de bevestiging zijn dei-feiten. Het onderricht is in de feiten en kon niet ergens anders zijn.

Wie zou ooit aan de heiligheid der wet geloofd

ocr page 169

vinet's leven en streven. 465

hebben zonder deze bloedige verzoening; aan de diepe verdorvenheid der menschen zonder de toepassing-van een zoo geweldig geneesmiddel; aan zulk een genade zonder zulk een offer ? Wie zou ooit begrepen hebben zonder dat alles, hoezeer wij verantwoordelijk zijn tegenover God; hoezeer wij moeten afsterven aan onszelf, om werkelijk te leven in eeuwigheid; hoezeer wij verplichtingen hebben jegens Gods schepselen; tot hoe ver onze toewijding en onze liefde Jegens alle menschen gaan moet '? Hoe zouden wij ingelicht worden over al die punten? Zou het geschieden door een zonnestraal of door een bliksemschicht? Het zou zijn door beide te gelijk; want het Kruis is zoowel het een als het ander; maar, verschrikkelijk en verrukkelijk, de helderheid komt niet van andere zijde. De menschheid wachtte feiten, om al die waarheden te waarmerken; de menschheid had behoefte niet om te hooren, maar om te zien; en zelfs al wat men nog meer kon zeggen, zij kon het niet hooren, zij kon er niet in gelooven, alvorens gezien te hebben. Jezus als slachtoffer moest tegenover de menschen van Jezus den leermeester getuigen; het offerlam moest den profeet inleiden.

Wat voorbeelden betreft, het leven van Jezus was

ocr page 170

160 vinet's leven en streven.

er- vol van, en het is hier de plaats om te zeggen, dat Zijn geheele leven niets is geweest dan één lijdensweg, een langzaam sterven, waarvan het Kruis slechts het hoogste punt en de wijding is; maar zoo het leven van Jezus, besloten door een natuurlijken en vreedzamen dood, ons toch nog zou moeten toeschijnen het schoonste van alle levens, hoe wordt het dan niet bekroond door zijn laatste tooneelen!

Wij hebben reeds gezegd, hoezeer het voortdurend zien op het goede en rechtvaardige er toe kan bijdragen om ons, met al de redeneeringen van het verstand en al de inwerkingen des gevoels, langzamerhand het rechtvaardige en het goede eigen te maken. Alle deugden van het heilige leven van Jezus zijn daar, maar opgevoerd tot den hoogsten graad en als in één punt bijeengebracht onder een enkelen blik.

Afgescheiden van alle omstandigheden, die hem verheven maken en die schitterend aantoonen, hoe daar een God is in een stervend mensch, is deze dood, plechtig aangekondigd, voorzien met al zijn bitterheid, al zijn smaad en al zijn verlatenheid en toch rustig afgewacht en vrijwillig ondergaan, de laatste en de hoogste uitdrukking van gehoorzaam-

ocr page 171

vinet's leven en streven. 107

heid, trouw, toewijding; de menschheid, die ten uilen tijde in zich omdroeg liet ideaal van de zuivere liefde, wachtte nog op de verwezenlijking er van en wacht die niet meer sedert den dag der kruisiging; want, zooals een apostel gezegd heeft: «Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft'' (I Joh. III: 16). Christus heeft Zijn leven voor ons gesteld! Wat zal het zijn, indien wij, in plaats van dien edelmoedigen dood te beschouwen in een soort van naaktheid, hem bekleeden met al de omstandigheden, die hem eenig maken onder alle sterfgevallen; indien wij hem beschouwen in het onnavolgbaar. karakter van majesteit en teederheid, van medelijden en gezag, die dat Kruis maken tot een troon, een rechtbank, een wijkplaats, en ons na achttien eeuwen dwingen met den hoofdman over honderd uit te roepen: «Waarlijk, Deze was Gods Zoon!quot; (Mattli. XXVH; 54). Laat ons aan dien goddelijken Middelaar alles laten, wat Hij ons niet kan mededeelen; Zijn goddelijkheid behoort slechts aan Hem, maar Zijn menschelijkheid is voor ons; de deugden, die Hij doet schitteren aan het Kruis, zijn, in haar volmaaktheid, menschelijke deugden; zij zijn ten onzen gebruike; zij zijn ons ter navolging gesteld;

ocr page 172

168 vinet's leven en streven.

die voorbeelden maken deel uit van onze erfenis. Welnu, Zijn geheele leven heeft denzelfden stempel gedragen als Zijn dood: getrouw, gehoorzaam, geduldig, liefderijk; Hij is het geweest zonder ophouden van de eerste dagen af, waarop Zijn geschiedenis Hem aan onze oogen toont; maar dat was ons niet voldoende; zelfs als voorbeeld was deze dood met al zijn kenmerkende voorvallen onontbeerlijk; zonder dat konden de deugden van Jezus voor begrensd doorgaan; Zijn voorbeelden, volmaakt in zichzelf, bleven onvolmaakt door de onvolkomenheid, indien men dat zeggen kan, van de toestanden; wij wisten niet hoe ver de menschelijke ziel behoort te gaan in deugd; wij weten het nu en Jezus Christus is het, Die het ons leert, maar zonder het Kruis zou Hij het ons niet geleerd hebben.

Moesten wij behalve het onderricht en de voorbeelden nog iets anders ontvangen van Jezus Christus , of waren de voorbeelden en de lessen voldoende ?

Gij weet wel, mijne broeders, dat zij niet voldoende waren, tenzij om ons oordeel onvermijdelijke!' te maken, indien zij, ons de geheele waarheid open en bloot aantoonende, ons niet één gemaakt hadden met de waarheid. En hoe deze vereeniging te wachten.

ocr page 173

yinet's leven en streven. 160

deze verandering van hart en van natuur, van den enkelen invloed van leer en voorbeeld? Men moet zich wel een zeer zwak, een zeer valsch idee gevormd hebben van de bekeering des harten, om zich te verbeelden, dat de schoonste voorbeelden en de ernstigste lessen de bekeering kunnen bewerken van wie dan ook. Indien de bekeering tegelijkertijd een dood en een geboorte is, de dood van den ouden mensch en de geboorte van een nieuwen mensch: indien de bekeering is een beginsel en een daad van overwinning op de wereld, ik wil zeggen op de vermaken, op de meening, op de vooroordeelen, op de wijsheid, op de deugden der wereld, op hetgeen er edel en schoonschijnend in is, zoowel als op liet onedele en op datgene, wat de wereld zelf verloochent.; indien de bekeering, ons blind makende voor de dingen, die men ziet, en ons oogen gevende voor de dingen, die men niet ziet, ons doet gebruik maken van de wereld als er geen gebruik van makende, ons in de wereld doet zijn zonder van de wereld te wezen, ons in één woord evenzeer in den geest tot vreemdelingen maakt op de aarde als wij het er zijn door onze afkomst en onze bestemming; indien de bekeering dat alles is en niets minder, dan veronderstelt zij een zoo algeheele en

ocr page 174

170 vinet's leven en streven.

zoo ernstige afzwering van al de beginselen van den natuurlijken mensch, ik zeg niet alleen van zijn ondeugden, maar ook van zijn deugden; dan veronderstelt zij een zoo algeheele overgave zonder iets terug te houden en zonder bijgedachte, zonder van God iets anders als vergoeding te verwachten dan God Zelf, dat het geheel onredelijk- zou zijn aan voorbeeld en leering, welke die ook zijn mochten, de kracht toe te kennen, in ons een zoo innerlijke en zoo tot den bodem doorwerkende omwenteling teweeg te brengen. Welnu, wij twijfelen er niet aan of deze omwenteling heeft plaats gehad bij tal van personen, zelfs bij zeer velen, indien wij bij hen, die ons persoonlijk bekend zijn, diegenen voegen, wier karakter en leven ons onder de oogen zijn gebracht door onwederlegbare getuigenissen. De maatschappij overigens heeft op haar manier die omwenteling ondergaan; en om elke andere bijzonderheid onbesproken te laten, zeg ik alleen, dat quot;de beschaafde naties de wapens van Christus hebben gemaakt tot de hunne en dat zij hunne verbonden en hun wetten er mede bezegeld hebben, ze hebben gegrift op hunne gebruiken en op hunne zeden. Denkt gij , te goeder trouw, dat Hij, tot Wiens eere en onder aanroeping van Wiens naam de wereld haar wetten.

ocr page 175

vinet's leven en streven. 171

zeden en geest heeft veranderd en een zelfde en onveranderlijke richting heeft gevolgd achttien eeuwen lang, dwars door de hinderpalen, welke de vijanden en bedervers van dit werk opwerpen; denkt gij, dat Die in de oogen der wereld niets anders was dan de eerste der wijzen en de eerste der deugdzamen! Neen, Hij was de Gekruisigde; Hij was de Verlosser: voor een mindere dan Hij konden geen achttien eeuwen achtereen het hoofd komen buigen; en om op hunne vaandels te schilderen, te verheffen op hunne paleizen, te griffelen op de zegels hunner republieken het teeken van een schandelijke strafoefening, moest het wel zijn, dat Hij, Die ze had ondergaan, in hunne oogen meer was dan een toegewijd menschen-vriend; Hij moest een Verlosser zijn; meer dan een martelaar: Hij moest een God zijn. Wisch uit het Evangelie, ik zeg niet het Kruis, maar de evangelische beteekenis van het Kruis, gij maakt die achttien eeuwen ongerijmd of onmogelijk.

Maar ge zult het niet doen; want wie van u, zelfs zonder het te begrijpen, zelfs zonder het te willen, .zal niet gedwongen zijn te erkennen, dat er slechts één zaak kan bestaan, die zooveel opeenvolgende geslachten er toe heeft kunnen brengen het Kruis tot

ocr page 176

172 vinet's leven en streven.

het symbool te maken van hun geloof en hun beschaving, en wel, Jat zij er in gezien hebben een Verlosser en in dien Verlosser, als Verlosser, de ge-heele godsdienstige waarheid en het laatste woord van God over Zichzelf en over de menschelijkheid ? Wij moeten niet vreezen het te zeggen: reeds voor lang zou men, zonder die beschouwing, niet meer spreken over het Evangelie in de wereld, als men er zelfs ooit over zou gesproken hebben; het is niet zoozeer het Evangelie, dat voor ons de leer van het Kruis heeft doen bewaard blijven, als wel de leer van het Kruis, die ons liet Evangelie heeft bewaard.

Evenals de aarde, met al de hemellichamen, alleen van de hand eens Gods de eerste en onuitputtelijke impulsie kon ontvangen, die hen sedert duizendtallen van jaren dien onmetelijken weg om de zon doet beschrijven in een altijd gelijkmatig bewegen, dat voor ons de jaren en de eeuwen meet, eveneens was het dooiden Christus, maar door den stervenden Christus, dat de rnensch en de menschheid voortgestuwd konden worden in die nieuwe loopbanen, die hun buiten de sfeer der wereld een geestelijke en goddelijke sfeer doen door-loopen. De geheele kracht, de geheele werkelijkheid van het Christendom in eiken Christen is daar en alleen daar.

ocr page 177

vinet's levex en streven. 173

liet voorbeeld zelf en de leer van Jezus Christus wachten, om levend en vruchtdragend gemaakt te worden, op een straal, uitgaande van het Kruis. Tot zoolang zij dien niet ontvangen hebben, is hun strekking betwistbaar, hun beteekenis onzeker: zij betee-kenen slechts, wat wij hen doen beteekenen; zij krijgen eerst een vaste, nauwkeurige, absolute waarde op het oogenblik, dat die straal, zal ik zeggen, die lichtende blik van den gekruisigden Jezus er duidelijk alle lijnen en alle trekken van heeft doen uitkomen, in relief heeft gebracht. Vooral is het eerst dan, dat de ziel beslist er toe overgaat die lessen in acht te nemen, die voorbeelden te volgen, en dat, om zoo te zeggen, haar schepen verbrandende, zij zich, het strand betredende van haar overwinning, elk middel van terugkeer ontzegt naar het land, dat zij verlaten heeft. De beslistheid, de kracht, het leven zijn slechts daar, omdat van daar uit en niet uit eenige les of eenig voorbeeld, vreugde en liefde ontspringen in onuitputtelijke stroomen.

Ik heb gezegd vreugde en liefde, die, als twee winden, uitgaande van verschillende punten van den horizon, zich vereenigen en te zamen slechts een sterken wind vormen, die de ziel heendrijft naar

ocr page 178

174 vinet's leven en streven.

God. Maar indien liefde het niet doet zonder blijdschap, de blijdschap doet het ook niet zonder de liefde; want indien de vreugde de voorwaarde is tot werkzaamheid, de liefde is de voorwaarde tot een goddelijke werkzaamheid en een goddelijk leven. Ongetwijfeld is het de vreugde van in den gekruisigden Jezus onze zaligheid te vinden, die onzen blik tot Hem trekt en op Hem gevestigd houdt; maar dat wij er werkelijk onze zaligheid vinden, dat onze zaligheid er vervuld wordt, komt niet door de vreugde, maar door de liefde, waarvan onze blik doordrongen wordt, in tegenwoordigheid van, of, om beter te zeggen, aan de voeten van de goddelijke liefde. Wij komen niet hier, mijne broeders, om u een leven van bespiegeling te prediken; wij hebben iets beters te doen; maar wij hebben het recht, na Jezus Christus u de bespiegeling aan te bevelen. De vreugde der zaligheid is noodig, ik beken het, om in ons hart de geketende liefde in vrijheid te stellen; maar wanneer ' eenmaal haar keten verbrijzeld is, wat hebben wij anders te doen dan haar haar vlucht te laten nemen, en zich zonder ophouden te drenken, te verlevendigen in de beschouwing van de meest volmaakte liefde? Ach, moge de mensch zich eenmaal kunnen vergeten!

ocr page 179

vinet's leven en streven. 175

Moge hij, bij oogenblikken ten minste, zijn geheele geluk vinden in bewondering, geestdrift en vertee-dering; moge hij niet alleen tot zichzelf zeggen: Jezus heeft mij verlost! Jezus heeft mij liefgehad! maar: Jezus is de verlossing, Jezus is de liefde! Moge hij somtijds in die liefde, die zaligheid is, vergeten, dat die liefde de zaligheid is, en in de liefde niets zien dan liefde! Wat verheft ten slotte de menschelijke ziel tot de hoogste hoogte, die het haar gegeven is te bereiken ? Wat maakt haar, volgens een apostel (2 Petrus 1:4) «der Goddelijke natuur deelachtigquot;? Niet de blijdschap, de liefde. De vreugde maakt haar levend, verheft haar; de vreugde brengt haar tot liefde; ik zeg meer (want het zou ketterij zijn geen rekening te houden met onze zwakheid): de vreugde komt de liefde te hulp in haar tekortkomingen, die anders doodelijk zouden zijn; maar alleen daartoe en tot niets anders dient de vreugde; de liefde is het einde, het doel van de vreugde; de liefde alleen is het leven. Gij kunt er over oordeelen door een vergelijking: welke oogenblikken zijn het gelukkigst in de loopbaan van eiken mensch? Het zijn de verheven oogenblikken, waaronder ik versta de oogenblikken, dat de ziel zich, door bewondering

ocr page 180

176 vinet's leven en streven.

of sympathie, levendig één voelt rnet wat goed, groot en edelmoedig is; zij gevoelt, dat die oogenblikken zich slechts zouden hebben te bestendigen, die bewondering zich los te maken van elk bijvoegsel, om baar een opperste zaligheid te bereiden. De ziel is slechts ten volle gelukkig, wanneer zij, in de veree-niging met haar beginsel, zichzelf vergeet; wanneer zij niets meer ziet dan haar beginsel; wanneer zij er in opgaat en ten opzichte van den God, Dien zij liefheeft, niets meer is dan een spiegel, een altaar of een echo. Maar al te vaak brengen de ernstigste bespiegelingen en die het meest den Christen waardig zijn, ons in gevaar ons te veel met onszelf bezig te houden; die overpeinzingen, die twistgesprekken over de vrijheid, over de verzekering der zaligheid, over de vereeniging van het geloof met de werken, over de hoedanigheden zelf van het geloof, brengen ons in te nauwe aanraking met ons onderwerp en geven maar al te veel vat aan die levendige zelfliefde, die zich in alles mengt en zich aan alles vasthaakt; maar de blik op Jezus , en die blik alleen, heeft een tegenovergestelde uitwerking.

Naarmate hij langer duurt, doet hij in onze ziel een heilige geestdrift ontstaan, een heilige liefde; hij

ocr page 181

VIN'ET'S l.EVEN EN STREVEN. 177

doet die gesteldheid in onze ziel voortduren of over-lieerschen; hij wordt het licht en tevens de warmte van ons leven; hij maakt alles gemakkelijk, eenvoudig, helder; hij doet meer dan de twijfelingen alleen weerspreken, liij verslindt ze; hij doet in zijn licht alle dubbelzinnige of valsche glanzen verzwinden; hij voorkomt de beuzelachtige vragen, hij werpt de spitsvondigheden buiten, hij schept een zegevierende blijkbaarheid en voert ons bij voorbaat in het licht des hemels en plaatst alle wolken, die boven onze hoofden waren, onder onze voeten.

En wat dit leven schept en onderhoudt, regelt het tevens; het gevoel van kracht, al is die zelfs onvolmaakt en gering, boezemt gereedelijk hoogmoed en stoutmoedigheid in; maar alle schatten der wijsheid zijn vervat in dat licht van het Krnis; het geeft ons niet het vertrouwen in God zonder ons te doen wantrouwen aan onszelf; het maakt zelfs van dat wantrouwen een gedeelte van ons geloof, een der elementen van onze kracht, een der waarborgen van onze veiligheid; in het kort, het boezemt ons de nederigheid in met den moed door op hetzelfde voorwerp onze blikken 'en onze hoop samen te trekken,

ons onophoudelijk door den mond des profeten her-

12

ocr page 182

vinet's leven en streven.

halende: «Aanschouwt den rotssteen, waaruit gijlieden gehouwen zijt, en de holligheid des hornputs, waaruit gij gegraven zijtquot; (Jesaja LI : i).

liet is ons onmogelijk alles te zeggen, mijne broeders, en zelfs om alles aan te duiden; maar dat is ook niet noodig. Wij hebben genoeg er van gezegd of liever gij hebt door onzen mond genoeg er van tot uzelven gezegd om te gevoelen, dat de gekruisigde Jezus Christus het voornaamste voorwerp voor den Christen is; dat zijn blik, geworpen op dat voorwerp, er onfeilbaar al de voorwerpen vindt van de Christelijke waarheid; dat wij deze voorwerpen niet op zichzelf staande met voordeel kunnen beschouwen, dan wanneer wij ze dicht bij het Kruis brengen, hetwelk alleen in staat is ze goed te doen zien en beoordeelen; dat, in één woord, er wel andere voorwerpen inden godsdienst zijn, maar dat we alleen door het.Kruis er een werkelijke, nauwkeurige, diepe, levende, afdoende kennis van kunnen verkrijgen.

Jezus Christus, wij herhalen het, is ons niet geworden tot wijsheid, gerechtigheid en heiligmaking dan omdat Hij ons is geworden tot verlossing.

Ook is het, mijne broeders, op dat laatste feit, op de verlossing uit genade, op de verzoening door

178

ocr page 183

Jezus Christus . op het volbrachte middelaarschap door den God-mensch, dat de Apostelen van Jezus Cimis-tus, dat Jezus Christus Zelf, den blik der opkomende Kerk hebben gericht en bevestigd, wel zeker er van zijnde, dat het geweten van den Christen, geplaatst in het middelpunt der waarheid, gemakkelijk den omtrek zou bereiken; terwijl het, zich aan den omtrek plaatsende, het middelpunt niet zien zou, wat zeg ik ? Het zou zich zelfs niet aan den omtrek kunnen plaatsen, omdat mén dien slechts uit het middelpunt ziet. De Joden plaatsten zich in gedachte op dien omtrek of in den cirkel, die waarlijk van buiten af ondoordringbaar en onzichtbaar is, toen zij tot Jezus Christus zeiden: «Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken 7quot; (Joh. VI: 28). En Jezus Christus bracht hen met één woord in dat miskende middelpunt, toen Hij hun antwoordde: »Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeftquot; (Joh. VI: 29). En wat deed Jezus Christus nog, mijne broeders, toen Hij Zijn leer wilde samenvatten en haar zichtbaar maken in een ritus, die haar geheel zou uitdrukken en bewaren, waarin niemand haar zou kunnen miskennen en waarin zij, zelfs bij afwezigheid van onderricht en

ocr page 184

VINEï's LEVEN EN STREVEN.

woord, zou teruggevonden worden onverminkt en zuiver? Hij stelde het Avondmaal in, dat blijkbaar liet lichaam van Jezus Christus vertegenwoordigt, overgeleverd voor onze zonden, Zijn bloed vergoten voor onze ongerechtigheden, en dat niets anders kan vertegenwoordigen, zoodat het tot aan het einde der eeuwen, overal, waar het gevierd zal worden, deze herinnering zal levendig houden, die gedachte zal opwekken in alle gemoederen, dat het Avondmaal niet anders is dan het quot;verkorte Evangelie zelf, het Evangelie door een beeld teruggebracht tot zijn grondgedachte. Het is tot dat middelpunt ook, dat ten allen tijde de hervormers den blik der Kerk hebben teruggevoerd, en elke Kerk, die er den blik weder heen richtte, heeft het leven hervonden, dat zij op geen andere plaats kon vinden. zelfs niet kon zoeken.

Wanneer de Apostelen het leven in hunne kudden willen onderhouden, dan richten zij, evenals Mozes in de woestijn, de koperen slang op en roepen uit: «Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande verachtquot; (Hebreen XH: 2). Zien zij het leven, den ijver, de liefde kwijnen in hun Kerken, dan spreken

ocr page 185

vinet's leven en streven. 181

zij liet motto uit van het Christendom; zij doen beroep op de herinnering aan den gekruisigden Christus; zij stellen Hem voor op een toon van smartelijke verbazing en verwijt, aan Zijn verstrooide dienaren: »0, gij uitzinnige Galaten! wie heeft ubetooverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de oogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruisigd zijnde?quot; (Gal. III: 1). Het is niet noodig de voorbeelden te vermenigvuldigen en de overtollige bewijzen te geven van het verleden. Wij behooren ook van liet tegenwoordige te spreken.

Wat is heden de prediking van het Evangelie anders dan aan de blikken der menschen den gekruisigden Jezus Christus voor te stellen? Waar ziet gij een Christelijk leven ontluiken en zich ontwikkelen dan alleen daar, waar de prediking begint en eindigt met dit woord: »Zie op Hem, Dien gij doorboord hebt?quot; Wat zeg ik? Is de prediking, die de nieuwe Christenen vormt, niet geheel opgesloten in deze woorden, even goed als de prediking, die hen doet volhouden, die hen ontwikkelt, er telkens weer op terugkomt, ze in al haar lessen op den voorgrond brengt en die lessen er toe terugbrengt ? Ja, dat eene

ocr page 186

182 VINEï's LEVEN EN STREVEN.

woord, dat eene voorwerp, het Kruis, kan voldoen om Christenen te vormen, en zonder dat woord is al het andere onvoldoende. Met eenige doel van het apostolaat van den zendeling zoowel als van dat van den predikant, het is Jezus Christus voor te stellen; het is zijn eerste onderricht en het is de kracht, de heerlijkheid, de beteekenis, de sleutel van alle andere. O wonder, dat onze bevatting te hoven gaat! Een blik, een enkele blik (ik zeg dus niet een redeneering, een studie, een arbeid), een eenvoudige blik brengt de wereld tot bekeering; en de voornaamste taak van den apostel is de zondaren, die zieltogenden in een tweede woestijn, er toe te bepalen hun zwaar geworden hoofd van den grond op te heffen en de oogen te wenden naar den kant, dien men hun wijst. En naar welke zijde? Naar den kant van een kruis, een afzichtelijk en bloedig voorwerp, een werktuig van foltering en het zinnebeeld der schande, en dat, indien de gestrafte het strafwerktuig niet had verheerlijkt, op onze verbeelding den bezoedelenden indruk zou maken van een galg of een schavot!

Welnu, het is het zien op dat voorwerp, dat de zaligheid der wereld verwezenlijkt, waarvan de prijs betaald is door de goddelijke goedheid; en al wat wij

ocr page 187

vinet's leven en streven. 183

te doen hebben, niet als voorwaarde voor een onvoorwaardelijke zaligheid, maar als middel om ons die toe te eigenen, het is dat voorwerp te beschouwen , het te beschouwen, niet alsof die blik alles ware, maar in dien zin, dat die vruchtdragende en scheppende blik alles bevat en voortbrengt.

Indien de teergevoeligen der wereld, wier verbeelding met haar weerzin voor afgrijselijkheden sterker is dan de behoeften en de aandrift hunner ziel zijn; indien de bewonderaars van de menschelijke volmaaktheden , die in opstand komen tegen de gedachte aan een bloedig offer en aan een zaligheid , welke hun trots niet kosteloos wil aanvaarden, hun oogen afwenden van het afgrijselijke en tevens vernederende schouwspel, dat wij hun voorstellen; indien het droevige er van hun het verhevene belet te zien, dan hebben wij de hoop, gegrond op eeuwenlange ervaring, dat er minder trotsche geesten zullen zijn. — -/ij zelf misschien, nadat Gods hamer hun hoogmoed zal hebben verbrijzeld — die hun oogen niet halsstarrig zullen afwenden en die zullen willen beschouwen, met bewondering aanschouwen zelfs Hem, Dien zij doorboord hebben. En, o hemelsche Broeder! terwijl velen zich verwonderen over U, over het ver-

ocr page 188

184 vinet's leven en streven.

wrongene van Uw gelaat, verwrongener dan eenig ander en zonder uiterlijken schijn; terwijl zij uitroepen over U: »Wat! dat is Hij, Dien men ons voorstelt als de opperste Leidsman en Voleinder van ons geloof! maar wel beschouwd is er niets in Hem, noch gedaante, noch glans, niets, dat Hem begeerlijk maakt!quot; — er zullen altijd gevonden worden, o goddelijke Gekruisigde! in alle eeuwen, in alle landen, bewonderaars voor Uwe schoonheid, die hun nooit zoo grootsch en zoo goddelijk zal toegeschenen hebben als onder liet angstzweet van Gethsémané, onder de geeselingen des Stadhouders en onder het bloed, dat de doornenkroon doet stroomen op Uw heilig voorhoofd! Gij zijt schooner voor liunne oogen dan een van de zonen der menschen, en het is onder Uw Kruis, in het aangezicht van Uwen smaad, dat zij met een bewogen hart schoone liederen zingen ').

') Noot vim den Vert. — Het door den auteur gemaakte lied blijve onvertaald; het luidt:

Sous ton voile d'ignominie,

Sous ta eouronne de douleur,

N'attends pas que je te renie,

Chef auguste de mon Sauveur!

Mon oeil, sous le sanglant nuage,

Qui me dérobe ta beauté,

ocr page 189

vinet's leven en streven. 185

Jezus Christus aan het kruis is schoon voor die eenvoudige zielen, schoon als de zaligheid, schoon als de liefde, als de waarheid, als de hoop, omdat Jezus Christus aan het kruis is alle zaligheid, alle liefde, alle waarheid, alle hoop; schoon met de schoonheid der genade en met de schoonheid der wet, omdat Hij, aan het kruis, waar Zijne liefde Hem aan gehecht heeft, voor hen de vertegenwoordiger is tevens van de genade en van de wet;zoodat /.ij bij het gezicht van dien smaad spreken van glorie, bij het zien van die smart spreken van vreugde en van leven bij het aanschouwen van dien dood; en zoodat dit Kruis, waar Jezus onbeweeglijk is, waar Hij, schijnbaar, niet meer handelt, niet meer onderricht en nauwelijks spreekt, hun Jezus toont vrij, werkend, sprekend, onderwijzend, loopend, en tot

, A retrouvé do ton visage L'ineffagable Majesté.

Jamais dans la sainto lumière,

Jamais daas lo repos du oiel,

D'nn plus cólesto caraotero

No brilla ton front immortel;

Au séjour de la beauté mêmo

Jamais ta beauté ne jeta Tant de rayons qu'au jour suprème Ou tu gravis sur Golgotha.

ocr page 190

18g vinet's leven en streven.

lien komend in triomf en in de volle glorie van uit liet midden van Zijn verheven vaderland; zoodat. niet meer ziende, wat het vleeschelijke oog ziet, en ziende, wat dat oog niet ziet, zij, neergeknield voor het schandhout, uitroepen: «Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die liet goede boodschapt, die den vrede doet hooren; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren; desgenen, die tot Zien zegt: Uw God is Koning!quot; (Jesaja LIT : 7).

Waarlijk, mijne broeders, wanneer men al deze trekken in de gedachte vereenigd heeft, dan moet men zich niet meer daarover verwonderen, dat eenige blikken zich op den gekruisigden Jezus richten en er op gevestigd blijven, maar hoe het mogelijk is, dat Hij niet op Zich vereenigt, in één algemeene en vurige bewondering, de blikken van alle menschen der wereld. Wanneer we hier niets anders willen zien dan wat de menschen gewoon zijn schoon te noemen, dan heeft zich nooit schooner schouwspel aan hunne bewondering aangeboden. Het is, zei de wijsheid der ouden, een schouwspel, Gode Zelf waardig, den rechtvaardigen mensch tegenover het ongeluk te zien

O O O

stellen en de onveranderlijke effenheid van zijn voor-

ocr page 191

vinet's leven en streven. 187

hoofd; het schouwspel van een God, slachtoffer van der menschen boosheid, en in elk der beleedigingen, die Hij van hunne zijde duldt, slechts een recht te meer vindende om te hunnen gunste te volharden; zou dat schouwspel, mijne broeders, indien het andere Oode waardig was, dan den menschen niet waardig zijn ? Heeft een zuiver goddelijke liefde niet meer rechten dan een enkel menschelijke deugd? Kunnen God en de sterfelijke mensch ernstig met elkaar vergeleken worden ? En wanneer God Zich verwaardigt Zijn oogen te slaan op den mensch, zou hot dan te veel geëischt zijn van den mensch, ik zeg niet de zijne op te heffen tot God, maar eeuwig Hem te beschouwen, Hem te aanschouwen op de knieën en als hoogste genadegift te vragen, ja, als grootste heerlijkheid, dat dit gezicht, dat hem beroert en zijn geheele wezen vervormt, hern nooit ontnomen worde?

Ik zeg zijn wezen beroeren en vervormen; want, wat spreken we liier van bewondering? Het betreft bekeering. Wat spreken we van schoon? Het betreft zaligheid! Wij bevelen dien blik aan als zaligmakend, als in staat om van den dood te doen overgaan tot het leven. Wij bevelen hem aan vooreerst aan hen.

ocr page 192

188 vinet's leven en streven. *

die niet gelooven, opdat zij na de beschouwing mogen gelooven en leven. En laten zij ons goed begrijpen. Wij verstaan hier niet onder den naam hlih het onderzoek der bewijzen, die de waarheid bevestigen van den Christelijken godsdienst, ofschoon de getuigenis, te zijnen gunste gegeven, bevestigd is door teekenen en wonderen en menigerlei krachten en be-deelingen des Heiligen Geestes (Hebr. 11:4): wij verstaan onder dat woord blik niet de studie der Schrift, ofschoon het woord der profeten, dat zeer duidelijk is, overal getuigenis aflegge omtrent Jezus. Al die zorgen zijn aanbevelenswaardig, noodzakelijk, en wij zullen ons wel wachten u af te keeren van een studie, die heden maar al te zeer verwaarloosd wordt en zonder welke het te vreezen is , dat velen er nooit toe komen Jezus Christus te aanschouwen; maar bij slot van rekening kan dat alles niet den blik vervangen, dien wij eischen, of er mee gelijk gesteld worden, en die blik alleen heeft dit alles zeer dikwijls vervangen. »llet geloof is uit liet gehoorquot; (Rom. X :17), dat wil zeggen, dat liet gehoor de oorsprong is van het geloof, zijn punt van uitgang; maar de blik moet het werk des gehoors voltooien. Waar is, naar uw meening, de man, die veel heeft hooren verhalen.

ocr page 193

-189

veel beeft gelezen en die niet heeft beschouwd? Een man, die zorgvuldig onderzocht beeft naar de bewijzen voor de goddelijkheid van Jezus; een man, welke de bewijzen heeft ontvangen en die niet Jezus beschouwd beeft? Een man, dien deze bewijzen hebben overtuigd, dat wil zeggen overwonnen, gedwongen te gelooven, maar wiens geloof, geheel lijdelijk, de waarheid ontvangt, ondergaat, maar haar niet omhelst, er zich niet mede vereenigt door een eigen beweging en voor wien, vreemde zaak, de waarheid tezelfder tijd bestaat en niet bestaat? Een man, die, door zijn studiën geleid tot aan den voet van liet kruis, daar blijft staan, de oogen ter neder geslagen, en die ze niet opheft naar dat Kruis, naar Hem, Dien het draagt en Wiens aanbiddelijk bloed afstroomt langs dat vloekhout? Anderen hebben niet kunnen gelooven, zoolang zij niet de oogen hebben opgeheven en Jezus Christus beschouwd: zij, ik beken het, hebben geloofd, maar slechts door dwang, wat betreft de geheele wereld en niet wat hun persoonlijk aangaat; hun geloof is bun slechts een juk en een last, zij torsen het en het draagt hen niet, totdat zij, na volbrachten arbeid en na uitputting van alle bronnen, niets anders zullen doen dan eenvoudig Jezus

ocr page 194

490 vinet's leven ex streven.

beschouwen. Is het te stout, wanneer wij van dien blik spreken als van een voorwaarde voor het ware geloof, wanneer Jezus Christus Zelf ons zegt: «Een iegelijk, die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft (d.w.z. een iegelijk, die, denZoon aanschouwd hebbende, ia Hem geloofd heeft), heeft het eeuwige levenquot; (Joh. VI: 40). Deze woorden, mijne broeders, verbinden beslist het leven aan een blik, ongetwijfeld niet aan elke soort van blik , maar een aandachtigen, ernstigen en langdurigen blik; aan dien blik, eenvoudiger dan die der waarneming, aan een blik, die beschouwt en niets meer: een kinderlijken blik, een blik, waarin de geheele ziel zich uit, een blik van de ziel en niet van het verstand en die niet zich ten doel stelt zijn voorwerp te ontleden, maar het geheel op te nemen in de ziel door de oogen.

Hebt gij zoo Jezus beschouwd, gij, die Jezus verloochent of die, zonder Hem te verloochenen, misschien erger doet, dewijl gij Hem tot niets herleidt ? O, verloochen Hem niet, cijfer Hem niet weg, dien God-mensch en dien Man van Smarten, vóór Hem beschouwd te hebben! Een enkele blik der oogen, eenvoudig, kinderlijk, vrij van vooroordeel, heelt dikwijls tot Hem gebracht menschen, die voor het

ocr page 195

im

eerst van Hem hoorden spreken; dezelfde genade kan u misschien ten deel vallen; maar wat zeker is. is, dat zij niet zal geweigerd worden (en inderdaad, is zij ooit geweigerd?) aan een naarstigen en lang-durigen blik, zooals dat heilige voorwerp hem eischt en waardig is. Wanneer Jezus , zooals de Apostel zegt, voor uw oogen een beeld zal zijn geworden of liever Zich aan u vertoond heeft als een beeld; wanneer, door het uitwerksel van Zijn diepen blik, Hij voorn gekruisigd zal zijn; wanneer gij voor de eerste maal zult aanschouwd hebben al de heerlijkheid van Zijn marteldood, al de majesteit van Zijn sterven, al het gezag van Zijn hoogste woorden, al de onbegrijpelijke liefde, die zich mengt met die onvergelijkelijke autoriteit; wanneer gij, den sluier van Zijn lijden doordringende tot in het geheim van Zijn werk en het geheim van Zijn ziel. God Zelf zult zien vernederd in den persoon van Jezus Christus tot op de diepte van onze ellende, terwijl de oneindigheid der liefde zich voor de eerste maal openbaart in de oneindigheid der macht; wanneer gij, in zeker opzicht (in een zeer werkelijken zin) met uw oogen zult gezien en met uw handen zult getast hebben, wat wij u aankondigen; dan zal, even eenvoudig als het licht

ocr page 196

'192 vinet's leven en streven.

dringt in de oogen en de luclit in de borst, zonder dat de oogen zicli bewust zijn gezien te hebben, of de borst weet, dat zij ademde, dit groote en ondoorgrondelijke wonder van een liefde, met welke en zonder welke wij ons God niet konden voorstellen. tot uw verstand doordringen, dat, bet inademende, om zoo te zeggen, er zich niet meer mee belast zal gevoelen dan uw borst bezwaard wordt door de lucht, die zij inademt: zoo natuurlijk is deze bovennatuurlijke waarheid tevens en zoo werd zij zonder door de men-schelijke ziel voorzien of vermoed te worden er , zonder dat wij het weten, door verwacht, gewenscht, geroepen !

Zullen wij, na gezegd te hebben: beschouwt! tot ben, die nog niet gelooven, hetzelfde niet zeggen tot hen, die geloofd hebben; zelfs aan hen, die waarlijk geloofd hebben?

Wij zouden ons dan een zeer oppervlakkig en zeer valsch denkbeeld van het geloof maken. Gelooven is niet een toestand, waarin men zich eens voor altijd plaatst, door de bewijzen aan te nemen van de godsdienstige waarheid; gelooven is een daad, een daad van de ziel, die altijd opnieuw aanneemt, wat zij eerst geloofd heeft en er zich onophoudelijk mee ver-eenigt. Als het er zoo mee gelegen is en als het waar

ocr page 197

193

is, dat men niet kan gelooven zonder te beschouwen, is liet dan niet duidelijk, dat men van hetoogenblik der bekeering af, die tot beginsel beeft gehad een blik, zonder ophouden moet aanschouwen'? Anderen zullen misschien zeggen: raen moet niet voortdurend beschouwen, maar onophoudelijk nadenken over hetgeen men gezien heeft. Zeker, mijne broeders, wij denken er niet aan de gedachte buiten te sluiten; en zelfs maakt zij een gedeelte uit van den blik, dien wij aanbevelen; echter zouden wij niet tevreden zijn, indien deze gedachte niet voortkwam uit dien blik, of indien deze blik niet terugkwam na die gedachte.

Ten slotte is het voorwerp van het Christendom niet een abstracte gedachte; het is een feit, een persoon, het is Jezus Christus en Dien gekruist. Dat feit, deze persoon vertoont zich natuurlijk aan den blik eer dan aan de gedachte; en wat inwerkt op onze ziel, in den gelukkigen zin, dien God heeft gewild , dat is het voorwerp zelf. Wij gelooven niet aan het Christendom, wij gelooven in Jezus Curistus. Wie Christen wordt in de wereld, wordt het niet door het Christendom (want het Christendom is zelf slechts een uitwerksel), doch door Jezus Christus. De verhoudingen, waarin wij staan als Christenen, zijn

13

ocr page 198

194 vinet's leven en streven.

geen verstandelijke verhoudingen, verhoudingen van onzen geest tot een waarheid, maar verhoudingen van persoon tot persoon, verhoudingen van ons, menschen, tot Christus, mensch en God. Het voorwerp van ons geloof is onzichtbaar, maar niet onpersoonlijk. het wordt niet gezien met de vleesehelijke oogen, maar niettemin wordt het gezien; en wij hebben er geen omgang mee als met een denkbeeld, dat beteekent in den grond met onszelven, maar als met een Wezen, Dat met ons is tot aan het einde der wereld. Al wie dus, Christen zijnde, niet beschouwt of weinig beschouwt, doet te kort aan zijn geloof, doet te kort aan zijn naam zelf: zijn eerste roeping, zijn eerste belang is, dikwijls en veel te beschouwen.

Indien deze overdenkingen , mijne broeders, u overtollig schenen, en indien gij er niet dadelijk de gepastheid van erkendet, dan zouden wij u zeggen, dat onder de overtuigde en oprechte Christenen, naast hen, die Jezus Christus wèl beschouwen, een groot aantal zijn, die Hem niet beschouwen of die Hem niet genoeg beschouwen. Er zijn er ook, diè Hem beschouwen, maar die niet dikwijls genoeg hun blikken en al hun gedachten vestigen op den gekruisigden Christus.

ocr page 199

vixet's leven ex streven. 195

De eersten verzuimen Je/.ls Christus te aanschouwen, omdat zij te veel offeren aan de gedachte of aan de daad, of omdat zij in plaats van Jezus Christus te aanschouwen, het zichzelf doen.

En om eerst te spreken van de eersten, de denkende geloovigen: denken is niet altijd beschouwen en denken aan Jezus is niet altijd Jezus beschouwen. Men kan zich losmaken van Jezus, zich verwijderen van Jezus, terwijl men aan Hem denkt. Het is dan niet meer de persoon, maar de idee van Jezus, die men voor oogen heeft. Men redeneert er over als over een denkbeeld , waarvan Hij de uitdrukking is. Men noemt Hern dikwijls, maar men noemt Zijn naam ijdel. Men heeft slechts den vorm van het voorwerp voor oogen, niet het voorwerp zelf. Men heeft gedaan als zij, die, terwijl zij de grootte, het gewicht, het uiterlijk en de kleur van een vrucht beschouwden, zouden vergeten, dat die vrucht sappig en voedzaam is, en haar zouden wegwerpen na haar gemeten, gewogen, getee-kend of geschilderd te hebben. Zoo moet men zich niet, of ten minste niet voornamelijk, bezig houden met Jezus Christus. Zich uitsluitend op deze wijze met Hem bezig houden, is zich niet met Hem bezighouden; het is alles vervullen met Zijn naam. Zijn

ocr page 200

196 vinet's leven f.n streven.

idee en overigens alles ledig laten van Hem. Wilt gij nuttig denken aan uwen Zaligmaker, beschouw,uwen Zaligmaker.

Wat de daad betreft, waaraan een oprecht Christen zich overgeeft bij den naam van Jezi/s Cukistus, deze doet wel veronderstellen, dat hij ten minste eenmaal Jezus CnmsTus aanschouwd heeft; maar de voortdurende daad beteek ent nog geen voort-durenden blik; verre van daar; zij kan den blik elders heen richten en vestigen; van Mem uitgegaan, wil ik gelooven, is het mogelijk, dat zij niet tot Hem wederkeert, en Zijn naam kan niet verbonden blijven aan het werk, wanneer dat werk niet het Zijne is. Zonder twijfel is de daad noodig: ongetwijfeld kan men met zekerheid zeggen van hem, die niet handelt, dat hij niet meer beschouwt, of zelfs, dat hij nooit aanschouwd heeft; maar de daad, zelfs voortgezet, zelfs onvermoeid, veronderstelt geen blik, ten minste niet in dezelfde mate. Het gevaar zit in de illusie, zoo licht te verkrijgen door anderen en door onszelf, en gemakkelijker naar aanleiding van de daad dan van de gedachte; want een geloof, dat niet handelt, kan zich niet vleien oprecht te zijn, terwijl men zich gemakkelijk overtuigt in de waarheid te

ocr page 201

VINEï's LEVEN EN STREVEN. '197

zijn, wanneer men werkt in naam van de waarheid.

Maar, hoe dit ook zij, de daad ontslaat niet van den blik, vervangt den blik niet; en wanneer zij volhardt, wanneer zij ontvlamt door haar eigen beweging, dan zeg ik nogmaals hetzelfde; want haar duinen voortgang beteekenen niet een verdubbeling van leven en evenmin een nauwe gemeenschap met Hem, in Wiens naam men handelt.

Neen, mijne broeders, zonder onze toevlucht te nemen tot eenige boosaardige ol' vernederende verklaring, is het zeker, dat wij zeer dikwijls iets doen, omdat wij liet vroeger deden; wij gaan voort, omdat wij begonnen zijn; wij klemmen ons vast aan ons werk, omdat het het onze is ol' omdat het een werk is. Onze eerste bezieling is uitgeput, maar de gewoonte en bijkomende zaken geven ons een nieuwe; wij volgen niet meer Jezus Ciiüistus na, maar wij volgens onszelf na, wij gehoorzamen onszelf; de gewoonte, afgescheiden van elk beginsel, ketent ons lieden aan ons verleden; en die eerste werken, eerst zoo goed gevoeld, worden eindelijk geheel machinaal en bijna onwillekeurig.

De blik alleen kan aan de daad teruggeven, niet die koortsachtige levendigheid, die onze hartstochten

ocr page 202

vinet's leven ex streven.

altijd voldoende zullen teweegbrengen, maar die kalme kracht, die kiesche maat en juistheid, die schoonheid , die onze hartstochten haar nooit zullen geven.

Er zijn er eindelijk, die beschouwen en zelfs aanschouwen , maar die het zichzelf doen. Wij hebben reeds gezegd, hoe noodig die zelfbeschouwing is. Maar indien het onmogelijk is of zijn ellende te beschouwen zonder tot Jezus Christus gedreven te worden, óf Jezus Christus te beschouwen zonder tot zijn eigen ellende te worden teruggebracht, deze ellende is toch niet het voorwerp van het reddend geloof, en het is niet het zien van die ellende, dat in onze harten de levenskiemen kan leggen of het onderpand der zaligheid. Men moet het zelfs bekennen; onmachtig tot redden, is het uitnemend geschikt om te doen ondergaan. Het ontmoedigt en verbittert beurtelings; het doet zelfs het een en het ander tegelijkertijd. Het put de ziel uit en ontzenuwt haar in dor berouw, die ziel, welke leeft van vreugde en hoop en die sterft in de droefheid; en het eenige leven, dat haar overblijft in dien dood, het eenige leven, dat geboren wordt uit dien dood, het is grilligheid, spijt, gemor en nijd.

De kennis van Gods wet verergert slechts het kwaad.

108

ocr page 203

vinet's leven ex streven. 109

door ons met hetgeen ons overbleef aan illusies en hoop, alles te ontnemen, wat wij nog hadden aan energie en kracht. Van flat oogenblik af, vreemd genoeg om te zeggen, is de toestand van hem, die de wet van God niet kent, te benijden boven den toe-stand van hem, die haar wel kent; de wet (Joodt in alle beteekenissen van het woord; want nadat men van haar geleerd heeft, niet alleen wat zij inhoudt aan eischen, maar ook dat, zooals de Apostel zich uitdrukt, het recht Gods is, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn (zie Rom. 1 : B2), is men reeds daardoor dood, dewijl men heeft opgehouden te gelooven ia zichzelf of te hopen in God. Maar, zult gij zeggen, dit betreft niet den Christen, die aan de wet niet onderworpen is en voor wien de bedeeling der gerechtigheid van Jezus CiiiiiSTi'S is gevolgd op de bedeeling der wet van Mozes. Ja, dat betreft hem wel degelijk, wanneer hij niet ijverig Jezus Christus beschouwt. Dit betreft hem, omdat er een beginsel van dood, een gedeeltelijke dood, is gelegen in de gewoonte, om zijn ellende te proeven en met lange teugen te genieten, in plaats van Gods genade te smaken en zich er in te verlustigen. Men vervalt niet tot wanhoop, ik weet het, omdat men.

ocr page 204

200 vinet's leven en streven.

genaderd tot den rand, teruggehouden wordt dooide herinnering aan Jezus Christus als door een keten, die men gevoelt op het oogenblik, dat zij geheel afgerold is, en dat men geen schrede verder naar den afgrond zou kunnen doen, zonder dat zij verbrijzeld werd; men komt dus niet tot de wanhoop, maar tot een diepe verslagenheid. De ziel is, ondanks eenige opflikkeringen, die van tijd tot tijd van het Kruis tot haar komen, gewoonlijk droevig en zwak tevens; zij heeft gemeend, dat het voldoende was Jezus eens voor altijd te beschouwen, maar men moet Hem steeds beschouwen of onophoudelijk naar de zonde den blik richten. Het oog heeft geen andere keus, op straffe van verblind te worden: en zoo zeker als het is, dat men zijn eigen ellende niet uit het oog zal verliezen, terwijl men den gekruisigden Jezus beschouwt, omdat die ellende als gegrift is op Zijn Kruis, even zeker is het ook, dat men Jezus Christus uit het oog kan verliezen, starende op eigen ellende, omdat het Kruis niet van nature gegraveerd is in het beeld van onze ellende.

Een apostel werd berispt, omdat hij begeerd had zijn hand te steken in de wonden van ,zijn verrezen Meester; wij vereenigen ons allen met die berisping

ocr page 205

20 i

en wij zeggen: Waarom stak hij ze niet liever in zijn eigen wonden, in de wonden zijner ziel? Maar in een anderen zin moet het voorbeeld van Thomas ons tot regel dienen; want het is niet in onze wonden, maar in die van Jezus, dat wij de handen moeten steken; en het is in dien zin, dat wij tot de geloovigen, «lie wij op het oog hebben, zeggen: Beschouwt, Ja, beschouwt overal; beschouwt uw ellende tot op den bodem; maar richt den blik meer op Jezus Christus; wacht u ten minste er voor uzell' met uw zonden te bezien anders dan door het Kruis van Jezus Christus en Zijn zegevierende liefde.

En om niet meer alleen te spreken van onze ellende, maar in het algemeen van de waarneming van onze indrukken en van den toestand, waarin wij ons achtereenvolgens bevinden, kunnen wij ons niet te veel wachten, mijne broeders, aan dit beschouwen den tijd en de belangstelling te wijden, die wij vooral noodig hebben voor de aanschouwing van onzen Zaligmaker. Hier, gij begrijpt het, geen uitsluiting, geen absoluut stelsel. Wij verdedigen de heilige zaak van de aanschouwing van Jezus, zonder het inkeeren in zichzelf te veroordeelen; want daardoor zouden wij tevens het Evangelie veroordeelen, dat het wettigt en aan-

ocr page 206

202 vinet's leven en streven.

beveelt. Inderdaad, men moet de goedkeuring ervan wel erkennen in deze woorden van Paulus : «Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven; of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is?quot; (2 Kor. XIII : 5), want deze woorden zouden niets beteekenen, indien liet zelfonderzoek verboden was. Men moet ook wel bekennen, dat Johannes, wanneer hij verklaart: «en hieraan kennen wij, dat wij in de waarheid zijn, zoo wij onze broeders liefhebbenquot;, ons opdraagt, ons zelfs verplicht tot deze zelfbeschouwing, tegen welke wij den schijn hebben u te willen wapenen. Maar, inderdaad, willen wij u slechts op uw hoede doen zijn tegen het misbruik er van en liet is de moeite waard dat te doen. Reeds het beginsel, dat ons op deze helling brengt, is verdacht; en aangezien het de beschouwing van zichzelf betreft, laat ons eerst ons beschouwen ten opzichte van dat beginsel; wij zullen zien, dat de eigenliefde bijna altijd veel aandeel heeft in deze gewoonte, die daarenboven nooit nalaat haar te voeden en te versterken. Wij vinden er een bitter genot, een smar-telijken wellust in onszelf te beschouwen, al was het slechts om onszelf te veroordeelen, ja zelfs te haten; en dat genot is zoo gevaarlijk, dat wij er ons van

ocr page 207

vinet's leven en streven. 203

zouden behooren te spenen, al hadden wij het betaald met een groote vernedering. Een ander gevaar, niet minder groot, is langzamerhand liet Kruis van Jezus Christus te ontlasten, de geheel vrijwillige vergiffenis van God behendig te vervangen door iets, dat eerst geen werk schijnt, maar er toch een is; aan het werk, dat buiten ons geschied is, iets van zijn volstrekte waarde te ontnemen, om dat over te brengen op het werk, dat in ons geschiedde en dat wij zoo licht aan onszelf toeschrijven, omdat het in ons gewrocht is; idet meer ons eenvoudig te verlaten op de Goddelijke genade en om alles in één woord te zeggen, van onze zaligheid een zaak en een quaestie van gevoel te maken. Zij is dat niet, kan dat niet zijn; in hetgeen volstrekt is, is geen sprake van meer of minder en evenals Jezus Christus niet meer of minder gestorven is voor de verschillende categorieën van personen, is Hij ook niet meer of minder gestorven voor elk van ons naar gelang van den toestand, waarin wij ons op een gegeven oogenblik bevinden. Mijne broeders, ik zou niet. God verhoede zulks, de noodlottige gedachte willen aanmoedigen, dat wij geen acht moeten slaan op hetgeen wij zijn, noch dientengevolge op hetgeen wij doen; een gedachte, die nood-

ocr page 208

204 vinet's leven en streven.

zakelijk ten gevolge zou hebben, dat wij behagen schiepen in het contrast tusschen ons geloof en onzen zedelijken toestand, dat wij te meer zouden juichen naarmate de tegenstelling sterker werd en dat wij als racer eenvoudig en meer oprecht dan alle andere geloof, dat zouden beschouwen, waardoor ons vertrouwen te sterker zou worden naarmate wij minder reden tot vertrouwen hadden, zoodat wij eindelijk ons te dichter bij God zouden wanen naarmate ons leven ons te eerder van Hem zou afbrengen. Wanneer de Apostel met lof sprak van hen, »die hopen tegen hoopquot; (Rom. IV: 18), dan is blijkbaar niet deze soort van Christenen door hem bedoeld. ofschoon zij inderdaad hopen tegen alle hoop. Wat zou er worden van het voorschrift der waakzaamheid, indien het recht van de zelfbeschouwing ons niet was toegekend ? Hoe het leven te bewaken, tenzij wij ons hart bewaken, waaruit de bron des levens ontspringt? En eindelijk, hoe zouden wij, in spijt van alle systemen, de gedachte ontkomen, dat de zaligheid bestaat in de gemeenschap van het hart en den wil met den Vader Vier geesten, en dat die gemeenschap, indien zij afnam , de waarde van den Hemel en der zaligheid zou verminderen?

ocr page 209

vinet's leven ex streven. 205

Leent Paulus ons niet zijn gezag, wanneer hij zegt, dat God ons in den Heiligen Geest (en niet in Zijn Woord) het onderpand van onze erfenis heeft gegeven en dat Zijn Geest (niet het Woord) getuigenis allegt aan onzen geest, dat wij Zijn kinderen zijn (Rom. YHI: 10)? Welnu, de werking van den Heiligen Geest heeft niets tooverachtigs: de Geest doet zich kennen door vruchten, die zijn gevoelens, geneigdheden, werken, een geheel leven; in dat leven, ontspruitende uit den Heiligen Geest, vinden wij dus het onderpand of den voorsmaak des Hemels.

Ma ar dit alles toegevende en desnoods het willende verdedigen, zeggen wij, mijne broeders, terwijl wij ons vasthouden aan de voorgaande opmerkingen, dat deze aanschouwing van onszelf, tenzij zij voortdurend gezuiverd worde door de aanschouwing van Jezus Christus , licht zelfzuchtig wordt en dat zij, tenzij beheerscht door de aanschouwing van Jezus Christus, ons met langzame schreden terugbrengt naar de eigengerechtigheid, naar de zaligheid door de werken, van daar naar den hoogmoed, indien wij onszelf verkeerd beschouwen, of tot de ontmoediging en de vertraging, indien wij ons waarnemen, zooals wij zijn ; zoodat ten slotte het edelmoedige beginsel, dat de

ocr page 210

20(3 VINEï's LEVEN EN STREVEN.

zaligheid uit genade ons in het harte had moeten leggen, dat beginsel, dat dooi' niets vervangen wordt, en waaronder slechts leugen, teleurstelling en opstand is; dat beginsel, zeggen wij, langzaam verslonden door eigenliefde en nieuwsgierigheid, afslijt en bezoedeld wordt in de kern van ons geloof, waarvan alleen de buitenste omtrek is staande gebleven, als de schors van een ouden boom, waarvan de tijd liet hout en het merg heeft verteerd. Nogmaals, beschouwt uzelf, ik wil het, ik begeer het, maar — doet liet in tegenwoordigheid van het Kruis, door Jezus Christus heen.

Wat hen betreft, van wie ik gesproken heb, die, hoewel zij Jezus Christus beschouwen, niet bovenal den gekruisigden Jezus aanschouwen en telkens tot Hem terugkeeren, ziehier wat ik hun te zeggen heb: er is niets dan verwarring, duisternis, strijd, nuttelooze vermoeienis in al de stelsels over Jezus Christus, die men achtereenvolgens afleidt uit het Evangelie, wanneer het slechts stelsels zijn; de meest verheven en de noodwendigste bespiegelingen over Jezus Christus leiden tot dorheid, tot den dood. Wij zijn het niet eens met hen, die zeggen: «Beschouwt het Kruis en ziet niet verder. Spreekt over liet Kruis

ocr page 211

207

en spreekt slechts over liet Kruis. Verontrust u niet met hetgeen Paui.us, Johannes, Christus in de eerste plaats, hebben gesproken over andere zaken: het is waar, dat zij hebben gesproken over de wedergeboorte, zonder welke men het Koninkrijk Gods niet kan zien, en over de heiligmaking, zonder welke niemand den lieer zien zal. Zij hebben daarvoor hunne redenen gehad, die ons onbekend zijn. Wat u aangaat, doet het niet; want liet is duidelijk, dat indien gij spreekt van de noodzakelijkheid van een nieuwe geboorte, gij den schijn hebt van den men-schen te bevelen opnieuw geboren te worden, en dat. indien gij in bijzonderheden treedt omtrent de heiligmaking, gij de deur zult openen voor de eigengerechtigheid, soort van brutalen wisselaar, dien Jezus Christus uit het heiligdom verdreef.quot;

Mijne broeders, wij zullen nooit iets dergelijks tot u zeggen. Er is geen keuze in liet Evangelie; men moet alles nemen, niets laten; en indien Paulus heeft kunnen zeggen, sprekende van de voortbrengselen tot voeding der stoffelijke wereld: «want alle schepsel Gods is goed en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijndequot;, hoe zouden wij dan datzelfde niet zeggen van het Evangelie, die andere

ocr page 212

208 vinet's leven en streven.

schepping. die andere wereld, waar zeker alles goed is? Wij zullen or alleen met den Apostel bijzeggen; »met dankzegging genomenquot;, wat wij hier vertalen door: mits uw dankbaarheid jegens Jezus Christus, mits uw overgave aan de enkele genade van God, mits uw vertrouwen in uwen Zaligmaker alles be-heerschen en doordringen; mits gij elk uwer gedachten trachtet te versterken en te verlichten met deze gedachte ; mits gij, na vele dingen geleerd te hebben, in alle waarheid kunt getuigen: »lk weet niets en wil niets weten dan dit eene: .Iezus Christus en Dien gekruist.quot;

Hoe wenschten wij, mijne broeders, uw oogen eu allereerst de onze, te kunnen gewennen aan dien een-voudigen blik op Jezus, die de kracht en de zalving-is geweest van tie geloovigen van alle eeuwen! Hoe wenschten wij in uw ziel te kunnen prenten, en in de onze het eerst, die kracht gevende overtuiging: dat alle verbindingen, alle knoopen, alle moeilijkheden van liet Christelijk leven als vanzelf zich oplossen en verzwinden in die welgelukzalige eenheid van den Christelijken blik! Die blik, zoo eenvoudig, dat het nederigste kind in staat is er toe, die blik voldoet voor alles; hij is het werktuig tot de meest

ocr page 213

vinet's leven en streven. 209

verschillende uitkomsten, het geneesmiddel voor de meest onderscheiden kwalen; hij doet de moeilijkheden der stelsels en de smart van den twijfel overwinnen, zoowel als de aanvallen van den hoogmoed en die van de wanhoop, de kwellingen der begeerlijkheid en die der smart, de bitterheid van den haat en de zwakheid der natuurlijke genegenheid; er komt uit het Kruis, wanneer men het aanschouwt, een lichtstraal, die alle duisternis verslindt, en een straal van liefde, die allen haat verteert. Wie kan bestaan als Hij zal verschijnen riep de laatste der profeten uit, de oogen gekeerd naar het oosten des itemels. En wij zeggen ook: Welke angst, welke smart, welke bitterheid kunnen bestaan als Jezus Christus verschijnt, als de Goddelijke liefde, de grenzenlooze, de onvoorwaardelijke liefde zich aan ons openbaart in liet mysterie van het Kruis? Alle redeneeringen, alle samenvoegingen, alle raadgevingen, alle methoden kunnen voor het hart, zelfs voor het verstand, niet gelijk gesteld worden met één blik op Jezus; en wanneer al die middelen eenig voordeel geven (en wie zou willen ontkennen, dat zij het kunnen'?), dan is toch nog die blik noodig, dan behoeven wij toch nog dat licht, om alles ten leven te wekken en te

14

ocr page 214

210 vinet's leven en streven.

bevestigen. Laat liet slechts verschijnen, zegt de profeet, want het komt er slechts op aan het te zien.

Denkt na, mijne broeders, over deze gedachte, die misschien zich te zelden aan uwen geest opdringt, dat het Kruis voldoende is voor alles. Men begrijpt wel eenige der zaken, waartoe het dient; men begrijpt ze niet alle. Men begrijpt, dat het troost brengt in een ziel, die gebukt gaat onder den last dei' zonde; maar begrijpt men ook, dat het even dienstbaar is het te beschouwen in de verdrukking des vleesches?,Men begrijpt, dat dit gezicht eens voor altijd een algemeene richting aan ons leven geeft; begrijpt men ook, dat wij bij elk der vragen uit het leven, die zich kunnen opdoen, ons tot het Kruis kunnen wenden, om een onmiddellijke raadgeving en een middel ter oplossing, daar het licht, dat er van uit straalt, niet alleen zich uitstrekt onmetelijk ver, maar evenals dat der zon, zich verdeelende en klein makende, doordringt in elke spleet, in elk der hoeken, die wij in ons leven er voor openen

Men begrijpt, dat het, aangeboden als geneesmiddel tegen onze ellende, ons de kennis en de maat onzer ellende geeft; maar begrijpt men even goed, dat het geschikt is om den twijfel weg te nemen omtrent' de waarheid zelve van hot Evangelie

ocr page 215

vinet's leven en streven. 211

en de radeloosheid te verdrijven, die de ongelukkige verwarring der stelsels, welke over het Evangelie handelen, in onzen geest doet ontstaan? Men begrijpt, dat het goed is den blik op het Kruis te richten in oogenblikken van beroering en duisternis; begrijpt men evenzeer, dat liet goed is er heen te blikken in de tijden van helderheid van geest, van rust des harten en voorspoed in liet leven, daar het niet alleen de opperste helderheid, de rustigste rust en de hoogste voorspoed is, maar tevens de waarheid en de heiligheid van al deze zaken'? Neen, wij kennen niet alles even goed, waartoe het Kruis ons dient; neen, niemand onzer trekt er zooveel voordeel van als er van te trekken is, daar scheelt veel aan, omdat niemand vaak genoeg tot zichzelf zegt, dat het dienstig is voor alles, dat het voldoende is voor alles, dat het alles omvat, dat het alles is, dat het alles geeft op de aarde en alles belooft in den hemel.

Dit is, mijne broeders, een wonderbaarlijkheid, eigen aan het Evangelie, dat, wanneer men, zich plaatsende op het standpunt des Evangelies, onderscheid wil maken tusschen de middelen, die het aanbiedt en het doel, dat het voorstelt, tusschen de olfers en de belooning, er aan verbonden, tusschen het tegen-

ocr page 216

212

woordige en de toekomst, de aarde en den hemel, men dat nauwelijks kan doen, zoozeer is de bestemming van den mensch één, zoozeer is de waarheid één, zoozeer zijn plicht en geluk, in onzen geest gescheiden door een uitwerking van ons verval, in den grond der zaak één. In het Evangelie is de belooning van het liefhebben, dat men meer lief krijgt, de belooning van het zien. dat men nog meer ziet. Wij hebben u vermaand te beschouwen, als zijnde een plicht der Christelijke wijsheid en voorzichtigheid; welnu, de heerlijkheid en het geluk des Hemels zullen bestaan in zien. Wie weet niet, dat zulks de naam is, die de gewijde schrijvers het liefst geven aan de hemelsche gelukzaligheid? Wie weet niet, dat in hun taal verlost zijn, genoemd wordt. God zien: getuige diegene onder hen, die ons verklaart, dat niemand zonder de heiligmaking God zal zien; getuige Jezus Christus Zelf, Die degenen gelukzalig noemt, wier hart rein is, omdat zij, zeide Hij, God zullen zien; getuige Johannes, die de Christenen aanmoedigt tot getrouwheid, door de hoop op te wekken eens God te zullen zien, zooals Hij is. Maar het is ongetwijfeld niet aan den God van Sinai, het is aan den God , Die op Golgotha den laatsten sluier wegnam,

ocr page 217

213

Die Zijn heerlijkheid voor ons verduisterde, dat Job dacht, toen hij, geslagen door alle geesels te gelijk, uitriep: «Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; en als zij na mijne huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vleesch God aanschouwenquot; (Job 19:25 en 26).

Het is tot denzelfden Zaligmaker-God, dat David zeide in zijn vervoering: »Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen; ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwakenquot; (Ps. XVH: 15). En zeker hebt gij geen reden verwonderd te zijn daarover, dat men u het eeuwige geluk in dien vorm voorstelt; gij, die weet, welk een vreugde, die op aarde haar wedergade niet heeft, men smaakt bij cie aanschouwing van Jezus Christus; en van al de beloften, waarmede men voor a het vooruitzicht van de hemelsche toekomst zou kunnen opsieren, veroorzaakt geen enkele meerdere vreugde in uw hart dan deze: »Gij zult Hem zien, Dien gij doorboord hebt.quot; Wanneer door woorden en daden een van onze gelijken ons bewijzen heeft gegeven van zijn liefde of zijn sympathie, dan schijnt het ons toe, dat hem te zien ons niets meer zal kunnen leeren, ons niets meer zal kunnen meedeelen. Welk belang stellen wij —

ocr page 218

vinet's leven en streven.

214

dunkt ons — in de trekken van zijn gelaat en den vorm van zijn lichaam ? En toch begeeren wij hem te zien; en wanneer wij hem gezien hebben, schijnt het ons toe, alsof wij van dat oogenblik af eerst weten hoe hij is, en dat wij hem vroeger niet kenden. Het geluid van zijn stem, een van zijn blikken openbaren hem ons geheel opnieuw, en quot;dat oogenblik opent, in onze verhouding tot hem, een geheel nieuw tijdvak. Dit, mijn broeder, geeft slechts een denkbeeld, maar toch een denkbeeld van dat persoonlijk zien van Jezus, dat den geloovigen is weggelegd in een ander leven. Hij zal zonder twijfel met hen geweest zijn tot aan het einde van hun aardsche loopbaan, zooals Hij met Zijn Kerk is tot aan het einde der wereld; zij zullen Hem gekend hebben; zij zullen met Hem gesproken hebben; eenigen zelfs, de gelukkige tijdgenooten van Zijn werk op aarde, zullen Hem gezien hebben met hun vleeschelijke oogen; maar Hem te zien met dien diepen blik, die doordringt tot het diepst van de ziel en dien Paulus zoo krachtig heeft gekenmerkt, zeggende: «Maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend benquot; (1 Kor. XHI;i2); doordringen tot in het Heilige der Heiligen, ik wil zeggen, in de uiterste diepte van die onuitsprekelijke

ocr page 219

vinet's leven en streven. 215

liefde; haar gevoelen zooals men Zijn eigen genegenheid kan gevoelen; die onvergelijkelijke liefde voortdurend smaken en met lange teugen indrinken; deel hebben aan al de gedachten van den Welbeminde; Zijn goddelijke vertrouwelijkheid opvangen; één met Hem zijn, zooals Hij één is met Zijnen Vader; elk oogen-blik bezield worden door de geheimzinnige kracht van Zijn blik en zichzelf zeggen: »Die verheven Vorst der eeuwigheid is Hij, Dien ik doorstoken heb: Hij. Dien mijne oogen aanschouwen, is tegelijkertijd mijn slachtoffer en mijn God . . .ijdele woorden, orn uit te drukken, wat onuitsprekelijk is, en toch voldoende om den hoopvollen blik een verrukkelijk en oneindig vergezicht te ontsluiten.

Mocht liet zich ontsluiten voor elk onzer! Maar laat onze blik, om, versterkt als hij is, te kunnen dringen niet door de wolken, maar door de pracht, die het schijnt ondoordringbaar te maken, langen tijd rusten op den gekruisigden Jezus; laat hij zich zoo voorbereiden om het gezicht van dit verblindend verschiet te verdragen; laat hij geleerd hebben den hemel te zien op de aarde, alvorens den hemel te zien in den hemel.

ocr page 220

H

ocr page 221
ocr page 222
ocr page 223
ocr page 224