^ .
20 0-jarig bestaan
VAN ll(£l
KIUKglIiÃf W der Doopsgezinde Gemeente
te WORlvIJM
i ri)
r!V
cjcliouc/cn den 12 ^hci 18^ ^
|
'ei â 1
DOOJi
T. H' S[FMELTNK.
- V - * i ^ c- c r; â¢
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT i
ttji^
2872 693 7
/gt; ^
DESPRAA
TER HERDENKING VAN HET
!1I
te WORKUM
gehouden den 12 Mei 4 895
DOOK
T. H. SIEMELINK.
Toen ik deze toespraak gehoiiclen had, verzocht do Kerkeraad haar in druk te mogen geven. Ik heb gemeend dit verzoek niet te mogen weigeren, schoon de rede wellicht meer berekend was om uitgesproken dan om gelezen te worden. Deze gelegenheid kan ik niet laten voorbijgaan zonder het koor met den directeur den heer J. Jansen mijn welgemeenden dank te betuigen voor hetgeen zij hebben gedaan om onze feestelijke herdenking te doen slagen.
S.
Ir'salm : 1.
KOORZANG:
PSALM 103 : 4 en 2 naar de vertaling van Ten Kaïe.
Louf't den Heer !
Ja loof den Heer mijne ziel! houd zijn gunstbewijzen in gedachtenis!
Dankt den Heer!
Wij danken den Heer, want hij is goed en Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
Looft den Heer! Dankt den Heer, in eeuwigheid ! Amen!
tBr. cn -z.
Onze bijeenkomst werd geopend met een lied; dat lied sprak bij slooft den Heer!quot; van: «houdt Zijne gunstbewijzen in gedachtenis!quot;
Wie onzer voelt niet iets van de kracht van dien lOGquot;10 psalm, nu het 200 jaren geleden is dat de grondslagen werden gelegd voor dit kerkgebouw?
Is dit nu iets bijzonders? Is niet elke dag een herinneringsdag, en komen niet, als een stroom die door de velden gaat, de gedachtenissen elk oogenblik weer in nieuwe vormen tot ons op, die ons dwingen den blik achterwaarts te slaan? Zoo is het. Maar wanneer de zon op de hoogten schijnt worden de boorden gevuld, cn bij een gelegenheid als deze komen de getuigenissen van het verleden in zulk een overstelpende mate en spreken zóó luide van troost en verheffing, van boete en berouw, van dankbaarheid en van vroomheid, waarin twee honderd jaren achtereen zich het geloovig menschenhart heeft opgericht of neergebogen op deze plaats, dat het niet anders kan of wij voelen in dit morgenuur den zin, die in het woord tot Mozes gesproken, ligt opgesloten: strekt uwe schoenen uit want de grond waarop gij staat is heilige grond.quot; Daarom moge dit feestelijk samenzijn worden gelijk de fakkel wier vlam wordt aangeblazen en inniger stijge onze dank en krachtiger ons lied naar boven: »houdt Zijne gunstbewijzen in gedachtenis!quot;
Ge zijt echter met feestgedachten als deze alleen, niet tevreden omdat, ik gevoel het, gij uwe verwachtingen elders hebt opgesteld. Het is mij op dit oogenblik alsof ik een vraag op aller lippen lees een vraag, waarbij gij denkt aan de verstrooide en gevallen bladeren die in de geschiedenis van onze gemeente zijn opgeborgen; een vraag die aan mij den eisch stelt om de, tot nu toe, met zeven zegelen wel versloten bewaarplaats te openen, en aan u een blik te gunnen in die kleine wereld die is voorbijgegaan, maar waarin gesproken wordt van worden en ontstaan, van leven en bedrijf, van bloeien en verwelken onzer gemeente, kortom ons, in dit feosteljjk samenzijn, te doen herleven wat eens leven was in dit kerkgebouw en in onze gemeenschap.
Welnu laat ik naar mijn zwakke krachten beproeven om aan dien eisch te voldoen. Ik ben echter verplicht mijn onderwerp te bepalen; de uitgebreidheid der stof staat niet in evenredigheid met den tijd waarover wij te beschikken hebben. Ik zal daarom slechts twee grepen doen uit de geschiedenis onzer gemeente, en wel die, welke in overeenstemming zijn met de gedachtenis die wij heden vieren; namelijk trachten een beeld te ontwerpen van de opkomst onzer gemeente en van de stichting van dit kerkgebouw. Moge mijne poging leiden tot meerdere liefde voor onze gemeenschap, tot versterking en opbouwing van dat onnaspeurlijke in ons, dat, als het eeuwig profeten-woord van het goddelijke in het menschengeslacht heeft voortgeleefd van eeuwenher, zicli heeft uitgesproken in het zoeken van wat lieilig is en goed, en als een enkele draad zich ook
door ons verleden heeft heengewerkt. Wij doen het aan de hand van den 127e psalm het 1e vers:
»Zoo de Heer het huis niet bouwt, te vergeefs »arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan.quot;
I.
Het mag nu omtrent 350 jaren geleden zijn dat wij de eerste sporen ontdekken waaruit de doopsgezinde gemeente te Workum is ontstaan. Toch valt het niet te betwijfelen of vóór dien tijd reeds gaat, ook in onze woonplaats, iets om van dien nieuwen geestesadem die, in het begin der i6e eeuw, door de verdorde hoven van godsdienstig leven de aankondiging eener bhjder toekomst is. Tusschen de jaren 1530 en '32 vinden wij onder het gehoor van den grooten Hervormer te Wittenberg Luther, een zekeren Hieronymus en Albert van Workum en »het «kon niet anders of geestelijken, daar opgeleid, moesten sin hun vaderstad teruggekeerd, nu en dan de vrucht »van 't genoten onderwijs, al was het een verboden vrucht jen al kon het alleen ter sluik geschieden, onder 't volk sbrengen.quot; (1)
Wij kunnen wijzen op meer wegen langs welke onze stadgenooten bekend konden geraken met de nieuwe leer; om van algemeene niet te spreken, willen wij do aandacht vestigen op een die voor Workum in het byzonder geldt. De stad dreef namelijk een levendigen handel op de landen aan de Oostzee gelegen(2); de grootschippers nu, wier zeemanshart ruw en verhard was naar het uiterlijke, waren in den grond gevoelig voor indrukken van gods-
7
dienstigen aard; zoo moesten zij den invloed van dat verkeer ondervinden en mededragen naar huis.
In die Oostzee-provinciën was de hervorming reeds in vollen gang. Doch het was van 1530â40 niet de onver-valschte leer van Luther of Zwingli die daar verkondigd werd. Handwerkslieden en reizende kooplieden, kramers en schippers waren de dragers van het nieuwe Koninkrijk Gods en werden de leermeesters in geestelijke dingen van onze plaatsgenooten. Bovendien, mannen uit het volk, gelijk onze schippers waren, komen niet bij voorkeur onder het gehoor van geleerden en bekeerde priesters, maar luisteren eerder naar de profetentaal van mannen, die als zij, uit het volk waren voortgekomen, en deze profeten behoorden meerendeels, zoo niet alle, tot die predikers en tolken eener »reine gemeente Godsquot; die de leer van broeders en bondgenooten heeft voorbereid. Zij verkondigden de hervorming meer in het doen ontwaken der volksconscientie dan in de opwerping van een hervormd priesterdom.(3) Hun taal vond weerklank in het vatbare zeemansgemoed; wanneer onze schippers van hun tochten teruggekeerd waren, zou daar hun mond gezwegen hebben, als het hart vervuld was van liet ginds gehoorde? Neen! Al hebben wij geen bescheiden, alles wijst er op, dat reeds voor liet midden der '10e eeuw ook in de plaats onzer inwoning de geest was ontwaakt, en gelijkgezinden als broeders en bondgenooten zicli te zamen voegden in schuur of huis, â om zoo de voorloopers te worden van hetgeen eens onze doopsgezinde gemeente worden zou.
H
Een oud uittreksel in liet archief onzer stadsgemeente versterkt mij in liet vermoeden, dat reeds in 1534 een dergelijke vereeniging in Workum bestond. Zekerheid krijgen wij eerst omtrent het midden der -lGe eeuw.(4)
Het was dan omstreeks het jaar 1550. Als een stil gerucht was het van mond tot mond gegaan dat een »Oudstequot; de gemeente zou voorgaan in gebed. Het was Gillis van Aken, die, op zijn doorreis naar Holland, ook de verstrooiden der gemeente Gods in Workum bezocht en den doop zou toedienen Men hield de bijeenkomsten :»te Workum in het veld.quot;(5) Bij voorkeur koos men een plaats uit, die door hare ligging een waarborg opleverde tegen eiken onverhoedschen overval; zulke gelegenheden bood de omgeving in ruime mate tusschen hare meren en moerassen. Tusschen het Workumer meer en de Olde-gaester brekken, op ruim een uur afstands van de stad, stonden enkele hutten en verstrooide woningen, Sandvoor-derrijp geheeten. In een dier visschershutten, of in het open veld. of in een eenzame boerenhofstede, kwamen, de geloovigen bijeen.(6)
Op die bijeenkomsten zongen de broeders en zusters met zachte en gedempte stem een der vele geestelijke liederen, die, schoon ongeschreven, toch door allen van buiten werden gekend. Dan knielde men neer en deed een stil gebed; daarna stond een der broeders op en las een psalm of een hoofdstuk uit liet Nieuw Verbond voor, en ieder die lust of roeping gevoelde mocht daarover zijne gedachten zeggen. De oefening sloot gelijk zij begonnen was met gebed en voordat de geloovigen zich verspreidden.
9
werd er bepaald waar en wanneer men elkander opnieuw zou ontmoeten.(7)
Zoo mag het hier zijn toegegaan toen Gilles van Aken onder de broeders optrad. Doch, gelijk ik heb gezegd, hy zou meer doen dan vermanen en voorgaan in gebed, hij zou ook de handoplegging doen en, als sOudste,quot; door den doop tot de gemeente toevoegen Er was veel volks aanwezig.(8)
De doop had onder handoplegging en broederkus plaats; en terwijl wij het oog laten gaan over die eenvoudige schare, wordt onze aandacht getrokken door enkelen wier houding en snit van kleed bij de meerderheid der aanwezigen afsteekt. Het zijn drie Vlaamsche vluchtelingen. Zij waren voor de vervolgingen uit Antwerpen naar Friesland geweken en hadden op hun tocht naar het noorden, zeker niet bij toeval, te Workum een toevlucht en vriendelijke opname bij de daar aanwezige broeders en zusters gevonden. Hunne namen zijn bekend gebleven. Het waren: Jaques d' Auchy, zijn zuster Claesken en haar man.(9) Jaques was reeds gedoopt; zijn zuster echter, ofschoon gehuwd en moeder van een kind, had zich nog niet waardig gekeurd den doop der reiniging te ondergaan; in het Workumerveld deed zij den beslissenden stap, en werd waarschijnlijk met haren nian(IO) door Gillis van Aken, in veler bijzijn, gedoopt.
Dergelijke doopbedieningen door rondreizende «Oudstenquot; hadden in den loop der jaren veelvuldig plaats. Van Leenert Bouwens, na Menno Simons en Dirk Philips, een der meest geziene Oudsten, die alleen meer dan 10,000
10
gedoopt heeft, weten wij dat hij omstreeks het jaar 1560 te Workum -49 tot de gemeente toevoegde en te Sand-voorderrijp 24. Meerdere berichten zijn ons niet overgebleven ; men schreef weinig, want elke letter schrifts kon een aanwijzing zijn voor de verspieders; maar al zijn de berichten schaars of ontbreken zij geheel, wij durven gerust aannemen, dat zulk een doopplechtigheid in of bij Workum geen ongewoon verschijnsel was.
Ziehier MM. de grondslagen waarop onze gemeente is opgericht. Drie honderd en vijftig jaren zijn voorbijgegaan, maar het werk onzer voorgangers is niet vergeefsch geweest; God heeft aan dezen arbeid een rijken oogst van zegen verleend; want nog leeft hun geest in onze gemeente voort. Is deze uitslag niet te danken aan de reden dat onze voorouders hun werk ondernamen in Gods kracht? Wanneer wij zien onder welke omstandigheden die grondslagen werden gelegd, moeten wij wel tot deze erkenning komen. We spreken niet van de lange reeks van bloedplaccaten: tot extirpacie ende extinctie van der «Lutheraensche en de andere abusive ende dwaelachtige Sectenquot; die van 1529 elkander geregeld opvolgden, ja die elke zes maanden door ons stadsbestuur opnieuw moesten worden gepubliceerd »ter tijdt toe anders bij ons daerinne gheordonneert sal wordenquot;, wat nimmer is geschied, en waarbij vooral diegenen werden bedoeld die «besmet waren van de Secte der Herdoperie.quot; We willen ook niet spreken van de zware oorlogen en twisten die de worsteling om de vrijheid met het machtige Spanje in deze landschappen zijn voorafgegaan. We blijven slechts staan bij getuigenissen, die
11
meer onmiddelijk onze gemeente betreffen en bewijzen dat ook hare bouwlieden vervolging en dood hebben getrotseerd en toch zijn staande gebleven in het lijden, alleen »om hun geestelijk tehuis voltooid te zien.quot; (11)
Kometen en staartsterren, waarin het bijgeloof dier dagen toekomend onheil zag, (12) zijn hun profetie nagekomen niet enkel in overstroomingen en oorlogsgeweld maar ook in het martelaarschap dat zij hebben gedragen. Wanneer wij dat herdenken komt bij den weemoed de trots, dat ook wij kunnen wijzen op het offer dat onze gemeente heeft gebracht op het altaar der geloofsvrijheid en dus ruim haar deel heeft bijgedragen tot verkrijgen van datgene dat door ernstige protestanten gelukkig nog wordt gewaardeerd.
Diezelfde Claesken toch die wij in liet Workumerveld gedoopt zagen omstreeks 1550 staat 9 jaren later terecht op de cancelerij te Leeuwarden voor kettermeester en monniken, om getuigenis te doen van haar geloof.
In hare antwoorden spreekt zooveel zelfvertrouwen, dat wij ons aangetrokken gevoelen tot het geloof van die eenvoudige vrouw.
»Waarom hebt gij u laten (her)doopen?quot; vraagt do kettermeester.
»De Schrift spreekt van nieuw leven,quot; is haar antwoord, »Johannes de Dooper wekt op tot boete, Christus ook, de «apostelen evenzeer, zij leerden het volk om boete en »betering te doen en dan zouden zij zich laten doopen. »Zoo heb ik mij tot boete en betering begeven en mij «laten doopen.quot;
12
«Gelooft gij niet dat Christus komt in 't brood?quot;
sChristus zit aan de rechterhand zijns Vaders, hij komt »niet onder der menschentandenis het gevatte wederwoord.
Aldus wordt zij weken lang ondervraagd; herhaaldelijk over het bloed en vleesch van Christus en het avondmaal. Zoo tracht men haar af te matten door herhaald verhoor; maar sterker dan haar vermoeidheid is haar wilskracht, hare antwoorden geven daarvan blijk. Welnu zou daar niets in haar gewoond hebben van hooger kracht? Zoo niet, hoe had een zwakke vrouw dergelijke beproevingen zoo lang en zoo manmoedig kunnen doorstaan? Want zij is niet een van die fanatieke of ziekelijk dwepende martelaressen, waarvan het eerste en middeleeuwsche Christendom weet te verhalen, die den dood zoeken, zij bljjft vrouw en moeder.
«Wat wilt gij doch met mijn armen man doen, die doch niet een letter lezen kan?quot; waagt zij te midden van haar pijniging aan den kettermeester te vragen. Want haaiman is ook gevangen. Niet om haar eigen lot maar om dat van haar man maakt zij zich bekommerd. Zij gevoelt zich sterk genoeg maar van haar man vreest zij dat hij het kruisvuur der beproevingen niet kan weerstaan.
»U Man blijft ook nog al eveneens, de Heere moet u verlichtenquot; zucht de rechter. Maar voor Claesken is juist deze zucht een lichtstraal en moediger richt zij zich op als zij antwoort: «Wij zijn al verlicht.quot;
Een paar monniken zullen ook eens hun krachten beproeven aan Claeskens bekeering; maar ze lijden terstond
13
de nederlaag. Zij zeggen niets anders, gelijk Glaoskcn aan hare vrienden schrijft, dan: »dat men Christi vleesch seten en zijn bloed drinken moeste en van de inzetting »over duijsent vijf hondert jaer, (d w.z. de inzetting dei-kerkvaders) «en dat ze slecht was, en naeu het Testament »eens doorlesen had.quot;
ïegen dit laatste verwijt voelt Claesken geheel haar innerlijk in opstand komen; en het doet ons goed wanneer wij haar hooren zeggen:
)gt;Wat meijnt gij, dat wij op het onseker aenloopen? «het is ons niet verborgen, wat in 't Nieuwe Testament «staet. Wij verlaten onse lieve kinderen, die ik om de »geheele werelt niet verlaten wonde, en wij setten daer »al bij op wat wij hebben; souden wij noch op 't onseker »aenloopen? wij soeken anders niet dan onse saliglieijd, »gij kond ons immers met de heijlige Schrift niet bewijsen, »dat wij een tittel togen des Heeren woord gebruijkon »en gelooven Maar het is al met u, dat wij 't van den »Duijvel hebben, en dat wij den hooveerdigen Duijvel in shebben.quot;
Den 14e Maart 1559 wordt zij met haar man en broeder te Leeuwarden verdronken.
Deze droeve herinnering staat in de geschiedenis onzer gemeente niet alleen. Als in 1574 de strijd tusschen prins en koningsgezinden met nieuwe woede ontbrandt, en Gaspar Eobles met zijn Waalsche soldaten in Workum ligt, komt Hendrik Pruijt seen schipper tot Harderwijkquot; dicht onder de Friesche kust. De Spaanschen hem ziende zetten een
14
jacht uit en klampen den schipper aan boord. Hij is pas gehuwd, zijn jonge vrouw vergezelt hem op de vaart
sTnjntjen Jans, schaep hier komt de wolfquot; roept Hendrik haar toe op het zien der Spanjaarden. Want ofschoon Harderwijk met den Koning van Spanje in vrede stond wist hij maar al te goed dat dit geen waarborg gaf voor hem en zijn vrouw. Hij vermaant haar nog tot vrijmoedigheid en »sonder geveijnstheijd te spreken, wat haer »gevraegd soude mogen werden quot; Zijn vermoeden blijkt niet ongegrond. Zonder reden moest Hendrik de Spaansche soldaten volgen naar land waar hij gevangen werd gezet. Hier blijkt tengevolge van zijn »sonder geveijnstheijd sprekenquot; dat hij een «broeder der Mennistgezindequot; is Trijntje Jans was ondertusschen naar Harderwijk getrokken om middelen te beproeven haar man en schip te lossen. Nu het echter uitgekomen is dat Hendrik een ketter is, kunnen de beulen de terugkomst van de vrouw niet afwachten, sdie sij ook den weg des lijden hadden mogen laten passeeren.quot;
Hendrik Pruijt wordt in een schuitje geworpen en met uitgestrekte armen aan de beide einden van do mastbank vastgebonden. Daarop boot en man met vet en teer besmeerd en in zee gebracht, waar alles in brand gestoken wordt en prijs gegeven. Dit tooneel voldoet den bevelhebber zoo goed, dat hij een duren eed zweert om de vrouw, komt ze onder zijn bereik, hetzelfde lot te doen ondergaan; ja, salwaer dat zij ergens in een stad al be-»graven was, zoo wilde hij nochtans haer doode lichaem »wederom opgraven en verbranden,quot; zegt de Chronist.
ló
Tnjntjen Jans kwam echter niet onder zijn bereik. Gelukkig vernam zij bijtijds het gebeurde en stelde zich niet aan het gevaar van verbranden bloot.
Wanneer wij dergelijke tooneelen. die Nero waardig waren, zien, vragen wij ons af: hoe zal het lot geweest zijn van de honderden broeders en zusters die in de plaats onzer inwoning nog toefden? Laten wij daaromtrent geen vermoeden uiten. Het eene moge voor het andere spreken. Maar uit deze dagen komt een opwekking, die aldus luidt:
))A1 ziet gij uw Greloofsgenooten swerven,
»Om Christi naem, met kommer, angst en pijn, ))Verlaeten van haer huijsgesin en erven,
»En dolen in een woest land en woestijn ,
))En waer sij zijn, als vluchtelingen woonen:
»Dewijl men haer een vast verblijf ontseijd, »En vijer,(13) en swaerd, en galg, en rad gaed toonei^
»Met grimmigheijd tot hare dood bereid ;
»Laet daerom niet u vijer'ge liefd verkoelen ,
))A1 waaijt den Noordenwind van kruis en smaed sMaer scherper wilt na 't zalig leven doelen,
»En op gebeen uw ziel tot God verlaet.quot; (14)
In dit opzicht zijn de voorgangers onzer gemeente niet tekort geschoten. Want als 12 jaren later, terwijl het Spaansche juk nauweljjks is afgeworpen, Prederik Inthiema uit een bekend Workums geslacht, een attestatie verzoekt uit zijn vroegere woonplaats omdat hij verblijf houdt in Leer, .in Oost Friesland,(15) wordt dit bewijs van afkomst
16
gctcekend door veri betrouwbare mannen. L)ezc getuigen en onderteekenaars zijn;
»Hemme Haukkens onsen mede-borgemeestcr ende »broed er in den Rade, oudt omtrent vijff en 't seventigh «jaeren,
»Lioloff Hermansz, oudt omtrent drie ent seventigh jaer, sHidde Jarichs en Albert Jacobs oudt over de 't seven-»tigh jaer, onsen borgers, alle oock mannen met eeren, »Lofweerdigh om de waerheijt ghetuigennisse te geven.quot;
De vier getuigen, »elcks van hun besonderquot; bekrachtigen hunne getuigenis op »Mannewaarheidquot; in plaats van met den eed, terwijl in Koudum, waar een dergelijke attestatie wordt afgeleverd, de eed wordt afgelegd.
Deze getuigen waren dus Doopsgezind Maar èn dat alle vier der onderteekenaars Doopsgezind waren, èn de plaats die een hunner inneemt in de stads regeering, èn hun hoogen leeftijd, geeft ons veel te denkeu met betrekking tot de uitgebreidheid en den ouderdom der toenmalige gemeente. In godsdienstzaken toch heeft de bekeering gewoonlijk niet op rjjperen leeftijd plaats.
Doch genoeg. Uit een tijd van moeite en strijd is de gemeente te voorschijn getreden. Wij herdenken haar ontstaan in weemoed; in het bitter lijden der grondvesters spreekt echter ook kracht des geloofs; hunne onderwerping aan den wil des Heeren openbaart zich aan de wereld als der vromen heldenmoed; hoe zou hun arbeid nog krachtig bevonden worden tot in dit geslacht, wanneer niet God hun kracht geweest ware, en hunne vernieuwing niet als
17
een pinkstervuur in hen was gewekt; want terecht zegt de psalmist:
»Zoo de Heer het huis niet bouwt, vergeefs arbei-»den de bouwlieden daaraan.quot;
ÃUSSCHENZANG.
Als w' eenzaam ons ten strijde gorden,
Gedreven door Uw hoog gebod,
Dan laat Gr' ons ook het loon geworden:
Den stillen vreed' in U, o God !
Maar als wij, één door heil'ge banden,
Kloek strijden, dicht bijeen geschaard.
Dan zien w' Uw Pinkstervlammen branden En daalt Uw hemel neer op aard'.
Komt broeders, saam den loop begonnen
En saam volhard in 't heilig werk ,
Dan wordt de wereld overwonnen,
Dan zijn wij elke macht te sterk!
Hier op deez' feestdag saam gebeden,
Als kind'ren van één huisgezin ,
En straks denzelfden strijd gestreden !
Zoo wordt ons alles tot gewin.
18
II.
Wij springen in de geschiedenis onzer gemeente 100 jaren over; d.w.z. wij gaan het tijdperk, waarin onze gemeente-organisatie zich zette gelijk wij haar aantreffen in het laatst der 17e en ook nog bijna onveranderd in het laatst der 19e eeuw, onbesproken voorbij.
Het eerste gedeelte van dit tijdperk wordt gekenmerkt door twisten over de leer. De strenge en minder strenge geestesrichting, die leidde tot de partijschappen van Prie-schen en Waterlanders of Hoogduitschers, openbaarde zich ook in den kring onzer gemeenschap. De eersten hielden hunne bijeenkomsten waarschijnlijk in het noude predick-huisquot;, dat aan de overzij gestaan heeft, vermoedelijk op de plaats waar nu nog de gemeente in de »Pelikaanquot; een rij woningen bezit; de Hoogduitschers kwamen dan bijeen op de plaats waar het tegenwoordig kerkgebouw staat.
Het gaat met dergelijke reformaties, als waarvan onze gemeente het gevolg is, gelijk met het water dat opwelt uit een bron. Voor het oog der wereld verborgen, stoort niets den vrede, maar, heeft het zich uit de enge kluisters omhoog gewerkt, dan stort het zich met geweld aan de oppervlakte uit, en wat eens te zamen was verdeelt zich in ontelbare stroomingen, waarvan iedere strooming haar eigen richting volgt; mettertijd maakt de heftigheid van het eerste te voorschijn treden plaats voor nadenken en bedaard overleg; dan voegt hetgeen gescheiden was zich weer bijeen; de verschillende richtingen, door bittere ervaring tot beter inzicht gekomen, zoeken elkaar, en kiezen nu langs dezelfde bedding weer hetzelfde spoor.
19
Zóó legden de twisten en verschillen over en in de leer onder broeders en zusters onzer gemeente zich neer, het: »Komt broeders zaam den loop begonnen,
»En zaam volhard in 't heilig werk;
»Dan wordt de wereld overwonnen «Dan zijn wij elke macht te sterk,quot;
werd opnieuw in de »vereenigde doopsgezinde gemeentequot; te Workum verstaan en bevestigd.
Het laatst der 17e eeuw is zeker wel een der hoogtepunten van geestelijk samenleven. Wanneer Govert Dou-wes of Luwe Sypckes of Bouwe Ages of Fettie Bauckes, de vier leeraren, met hunne eenvoudige prediking als vermaners op de plaats van deze samenkomst optraden, dan kon het toenmaals meer dan de helft kleinere kerkgebouw de schare niet bevatten. In 1692 telde onze gemeente dan ook 417 leden; 195 broeders en 222 zusters. Men mag dit getal gerust op meer dan 1000 zielen stellen. Bij zulk eene uitgebreidheid, en de getrouwe opkomst der leden, is het niet te verwonderen dat de behoefte aan vergrooting van het »predikhuisquot; zich dringend liet gevoelen.
Hierop waren de »mannen der gemeentequot; sinds eenige jaren bedacht geweest. Van het pand ten zuiden van de oude vermaning hadden zij zich door aankoop reeds verzekerd. Nu hielden ze het oog geslagen op de «ledige plaatsquot; die het vermaanhuis aan de noordzijde belendde. Die opene plaats was eigendom der stad, en in erfpacht afgestaan aan den oud-burgemeester Bince Hanses. Nauw was Bince Hanses overleden of de broeders haastten zich
20
een verzoek te richten aan de magistraat dezer stede »om de leege plaats van Bince Hanses, naast de Verma-«ning leggende, aan haar over te doen, tegen het onder-»houd van straat en wallen en betalende de Huijsfloreen «daarop leggende.quot;
Door de Heeren wordt besloten dit verzoek toe te staan, mits «indien iets meerder can bedongen worden wegens sde achterstallige floreenen, dat men daarin sijn best zou sdoen.quot; Dit laatste mislukte, en zoo wordt bij besluit van den 14° Maart 1G89 het terrein afgestaan aan de gemeente tegen het oorspronkelijk aanbod (16)
Nu scheen de weg geruimd om den lang gekoesterden wensch in vervulling te brengen. Een groote moeilijkheid moest echter nog overwonnen worden; van waar kreeg men het benoodigde geld? De gemeente beschikte niet over een groot vermogen. Als wij van het reeds genoemde jaar 1002 den staat opmaken dan komen wij tot dit overzicht: aan landerijen bezat zij 77 pondematen en 10 ein-sen.(17) Van de opbrengst van dit land moesten de floreenen en lasten wórden betaald. De floreenen en lasten waren zwaar in deze dagen; ongeveer 1 / 4 van den toen-maligen gezamenlijken huurprijs, die nauwelijks 400 Grid, bedroeg. Het vermogen in obligaties en schuldbekentenissen was bij de 4175 Gld. tegen een rentestandaard van meest 21 /.2 0/0. Voeg bij deze bezittingen de panden waarvan dit gebouw is opgetrokken, het oude predikhuis aan de overzij, dat spoedig voor verschillende gezinnen bewoonbaar werd gemaakt, en een achttal kamers en woningen, grootcndcels gratis door gealimenteerden dor
21
gemeente bewoond, en het volledig overzicht is gereed. Uit de gemeentekas kondon de kosten dus moeielijk bestreden worden. Wij hadden echter het geluk in den grootschipper en houthandelaar Johannis Jacobs een ervaren en ijverigen algemeen-boekhouder te bezitten.('18) Hij getroostte zich veel moeite en opoffering voor de gemeente die hem dierbaar was; hij was de man die niet rustte voor het geliefkoosd plan verwezenlijkt was; en toen men in 1694 begon het oude kerkgebouw te sloopen, deed hy een beroep op de offervaardigheid der leden, een beroep dat niet werd beschaamd. Binnen kort was voor / 2800 geteekend, welk bedrag aanmerkelijk mag heeten voor dien tyd, het particulier vermogen der leden in aanmerking genomen. Bij deze som voegde ieder der medediakenen wat hij als slot der jaarrekening had overgehouden, zoodat men, met nog enkele andere posten, kwam tot een totaal bedrag van 5100 Gld., waarover de »mannenquot; bij den opbouw konden beschikken.
Genoeg opgaven en cijfers!
Den le Mei 1695 werd een begin gemaakt met het graven der fundamenten; in den loop der week kwamen verschillende materialen aan; omtrent dezen datum (12 Mei), dus juist 200 jaren geleden, werd met den opbouw van het nieuwe predikhuis begonnen, dat 15 maanden latei-voltooid , een zestal geslachten heeft gediend, tot dank-, bede- en broederhuis.
Het nieuwe predikhuis werd geopend, maar ook een nieuwe toekomst voor onze gemeente. Het ging ons vaderland wel; het ging de plaats onzer inwoning wel; het ging
22
de leden onzer doopsgezinde gemeente wel in de 18e eeuw die aanbrak.
Iets van die welvaart kwam de gemeente ten goede.
Haar landbezit steeg, vooral door schenking, tot bij de 95 pondematen in 4 748. Toen het eerste jaar der Ba-taafsche vrijheid aanbrak, in 1796, was van dit land geen penning meer over; successievelijk had de gemeente zich van dit land ontdaan om haar vermogen uitsluitend in Staatspapier te beleggen, wat bij de i 8e eeuwsche land-prijzen voordeeliger was ( 19) Dit vermogen groeide vooral door twee testamentaire beschikkingen, een van 15218 Grid, en een van 20000 Gld., aan tot omstreeks 50000 Gld.
Dit wat de uiterlijke zijde van ons gemeenteleven betreft. Vergeet echter niet dat deze uiterlijke zijde ook een blik gunt in hetgeen daar binnen omgaat. Voor ons spreekt uit de rekenboeken een schat van godsdienstzin en wel practischen godsdienstzin, meer dan men oppervlakkig vermoeden zou. Slaan wij de gemeente-begrooting op, bijv. bij het jaar 1719. Voor bruto uitgaven staan hier geboekt 2137 Grid. Van deze uitgaaf komt alleen voor wekelijk-sche tegemoetkomingen aan minderbedeelde broeders en zusters, aan turf, rogge, bakloon, meel en gort, zuiver 1166 Gld. Zulk een groot deel der inkomsten werd dus afgezonderd voor het werk der liefde; toont uit dezen de gemeente dan niet dat het haar ernst is met het streven, dat de eerst bestudeerde leeraar Dirk Goijckes Hinloopen den 15e Pebr. 1700 haar voorhield naar aanleiding van zijn inleidingswoord: »één ding doe ik, ik jaag naar het
23
»wit, tot den prijs der roeping Gods die van boven is in «Christus Jezus.quot;
Die prijs toch wordt verkregen in daden van liefde en offervaardigheid voor hulpbehoevenden; daarom stelde de gemeente er een eer in om naar het apostolische voorbeeld te handelen, zoodat zij, gedurende de 200 jaren dat dit kerkgebouw staat, nimmer zich heeft pogen te onttrekken aan de plicht, die elke Christelijke gemeente als de heerlijkste roeping moest beschouwen, namelijk te zorgenvoorde shuisgenooten des geloofsquot; in stoffelijken zin; want hoe kan men beter het woord der liefde door de daad bezegelen?
Tot dit doel trachtte elk der leden naar zijn vermogen bij te dragen. Wij, die onze gaven versnipperen, staan verwonderd wanneer wij bijv. de opbrengst van de jaar-lijksche collecten op Paschen, Pinksteren en Kerstfeest in deze dagen nagaan (20) Bovendien werd tot dit practische Christendom nog zooveel afgezonderd door giften, besprekingen en beschikkingen. Ieder joeg mee tot den prijs der roeping Gods,
Hebben onze voorouders fouten, zij hebben de deugd der onderlinge aanhankelijkheid; moge deze deugd door minder bevoorrechten wel eens met een ondeugende glimlach worden herdacht, wij zijn dankbaar voor dat besef van onderling verbonden te zijn, welk besef gekroond wordt door hulpvaardigheid. Eere daarom deze gedachtenis ; laten wij haar niet verloren doen gaan. Ze moet ons aansporen tot navolging ook in dezen tijd. Wie alles wil omvatten, helpen of ondernemen, bereikt niets; op hem is het woord van onzen berijmden psalm van toepassing;
â¢2i
»Vergeefs op bouwen toegelegd;
sVergeefs, om 't huis voltooid te zien;
«Gezwoegd, gezweet, o arbeidslien!
Blijf met uw vroomheid, liefde, offervaardigheid, niet ver van uw eigen kring; leg toch iets van de vrucht van Gods geest neer in uw eigen broederschap; tracht daar in Zijnen naam te spreken en te doen. Weest profeten in woord en daad vooral in uwe gemeenschap, ge zult verwonderd staan hoe rijke oogst van zegen uw arbeid kroont.
In de 18u eeuw behoeft men niet meer bevreesd te zijn, ten minste niet in onze gewesten, dat terwille van een heilige overtuiging goed en bloed wordt gevergd. Toch schromen onze andersdenkende »Staatschristenenquot; niet op andere wijze, zijdelings en rechtstreeks, dwang uit te oefenen op onze geloofsovertuiging.
Het is ons allen bekend hoe vele loopbanen gesloten waren voor onze jonge mannen. Eereposten en aanzienlijke staatsbetrekkingen mochten niet door doopsgezinden worden bekleed; instellingen van algemeenen aard waren ten hunnen nadeele gereglementeerd.
Zóó enghartig was bijv. ons gemeentebestuur, dat, toen de mannen broeders klachten inzonden aan den raad, omdat de weeskinderen uit mennoniete ouders geboren in het stads weeshuis, wier uitrusting door de gemeente bekostigd was, gedwongen werden in de gereformeerde religie op te gaan, in plaats dat ze de vrijheid hadden de Vermaning te bezoeken, kregen zij ten antwoord dat de raad het niet »met zijn gewetenquot; kon overeen brengen deze
kinderen naar de »Vermaningquot; te laten gaan, een geweten dat echter ruim genoeg was om niet onbelangrijke bijdragen in die zelfde mennoniete vermaning gecollecteerd, ten bate van dat stadsweeshuis aan te nemen. (1733)
Rechtstreeks wordt de dwang, wanneer in 1722 onze doopsgezinde mannen predikers op hoog bevel der Staten voor de magistraat worden gedaagd om een formulier te teekenen als bewijs dat zij niet met Sociniaansche ketterijen zijn besmet. Waardig maar beslist is het antwoord dat Dirk Hinloopen, mede namens zijn vier medeleeraars den achtbare heeren voorleest: »UEd. vergt een saek, (zoo zegt hij) »ons nog onze voorvaderen sedert de grondlegging «van deeze vrije staat door Priiis Willem I (loffelijker sgeheuge) noijt so bijgeleid. â â â
«Wij geloven met UEd. al hetgeene door Mozes en de «profeten gesproken is. â
«Verwerpen met UEd. een stedehouder van Petrus â »maar tevens, hoewel wij geheel met u overeenstemmen »in geloof, dat de middelen van dwang nimmermeer mogen snog behoren gebruikt te worden in saken van conscientie, «waarover Godt alleen de magt aan sig behouden heeft, «aan wien ijder mensch van zijn gevoelen, zowel als van «zijn doen en laten te sijner tijdt rekenschap zal moeten «geven.
«Wat sullen we dan doen? Geloofsarticulen onderteke-«nen? Ons en onse Nakomelingen verbinden, daarbij te «sullen blijven? en zo alle niet welgestelde toehoorders «tot aanbrengers, fiscalen en inquisiteurs maken?quot;
2fi
Bij dit verzet van den ouden Vermaner komt het geuzenliedeken ons in den zin:
gt;:gt;Green pols verdraagt de keten »Green prikkel duit de hiel.
»Maar vrijheid van geweten »Is de ademtocht der ziel.quot;
De eisch van persoonlijke gewetensvrijheid vraagt Dirk Goijekes voor zich en de zijnen. Zóó sterk is dit verlangen gerijpt dat hij zelfs zijn overtuiging niet wil opdringen aan het nageslacht. Dat is de ware vrijheid, de leus der laatste dagen. Zelfstandig geloof, geen dwang. Maar men is spoediger gereed die vrijheid voor zich te eischen dan haar aan anderen te gunnen, en ras geneigd zijn eigen begrip tot steen des. hoeks voor anderen te formeeren.
Binnen deze wanden is het Woord verkondigd op velerlei wijze; laat het zoo blijven. Vrijheid eischen voor ons, vrijheid gunnen en geven in waardeering en hoogachting zoolang Gods eer wordt gezocht, aan anderen. Zoo spreekt Gods geest in ons: en wanneer wij op onzen tijd rekenschap moeten doen zal het gebouw van ons geloofsleven dan niet bevonden worden te zijn opgetrokken in Gods kracht ?
Mijne taak is ten einde,
Na twee honderd jaren sinds den opbouw is de gemeente weer vergaderd in hetzelfde bedehuis.
Heeft het slooft den Heer! houdt zijne gunstbewijzen sin gedachtenis!quot; niet een bijzondere beteekenis in dit
27
morgenuur? Ik spreek niet van velen die opgegaan zijn uit louter nieuwsgierigheid; maar in de eerste plaats van u, broeders en zusters der gemeente, die liet meer zijn dan in naam alleen: gaat er niet iets om, nu wij den blik rugwaarts hebben gewend; welt er niet een stille gedachte op bij de herinneringen van het verleden, die, in woorden herhaald, zou klinken: »heb ik genoeg gedaan?quot;
Maar ook voor alle waarlijk belangstellenden, voor wie deze plaats een toevlucht geworden is en hulpe, waar, wat hen en ons dierbaar is boven alles, de gewetensvrijheid, werd bedreigd of niet geacht.
Voor allen bij wie elke tint van waarachtig godsdienstig leven is als een lichtstraal uit den Hooge. â
Sinds dien datum van ouds hebben duizenden malen de geloovigen zich verzameld op deze plaats; hoevele hoofden hebben zich gebogen voor dien onbekenden God; hoevele stille gebeden zijn uit het bekommerde hart omhoog gerezen; hoevelen hebben hier hun troost en toevlucht gezocht; van dank en pnjze â zouden deze wanden kunnen getuigen -â
van leed en droefenis, boete, berouw â
van innige vroomheid en godsdienstzin; van het beste dat er opwelt uit een menschenhart en inenscheDleven. â Gij, oud, eerwaardig kerkgebouw zijt van dat alles de zwijgende getuige geweest.
Blijf uwe roeping getrouw; worde nooit uwe bestemming ontheiligd: blijf wat ge reeds 200 jaren zijt geweest ook nog voor toekomende geslachten:
â¢28
Een rustplaats voor den lijder,
Gebogen onder 't kruis, Een wijkplaats voor den strijder
Zij ons dit vriendlijk huis!
Moog' 't woord hier steeds weerklinken,
Dat leert en troost en sticht?
Moog' vaak een straal hier blinken Van 't eeuwig klare licht!
Een frissche levensadem
Uit hooger, reiner sfeer Doortint'le hier de harten
En stemm' ze tot Gods eer!
Daal neder in ons midden,
O Geest van liefd' en kracht,
Beziel ons spreken, bidden!
Houd voor ons heil de wacht!
Amen.
(1) De Hoop Scheffer, Kerkhervorming in Nederland tot 1531, II p. 489.
De geschiedenis der stad Workum in de eerste helft der 16e eeuw is de volgende: in het begin was ze herhaaldelijk het tooneel der Priesche twisten tusschen Schie-ringers en Vetkoopers, die later in Saksers en Gelderschen overgingen. In 1515 in de macht der Gelderschen, koos de bekende Groote Pier hier meermalen zijn verblijfplaats en doet uitvallen met zijn schepen en valt met de behaalde buit weer binnen de stad. De Saksers laten zich dit niet welgevallen en de sZwarte Hoopquot; neemt weerwraak, plundert eenige malen de stad, loopt de omtrek af, bij welke strooptochten kerk en toren verbrand worden Dergelijke overvallen hebben er meer plaats met meer of minder succes, al naarmate de Gelderschen een sterke bezetting in de stad hadden liggen, daar Workum betrekkelijk een open plaats was. Sinds 1520 maakt Karei V krachtdadig aanspraak op deze landen; ofschoon nu Workum door de Gelderschen als een soort bolwerk wordt beschouwd tegen de wassende macht van Georg Schenck toe Tautenborgh, Kareis stadhouder, en zelfs met poorten «vastgemaaktquot; en met een blokhuis met een hoogen toren bij den haven op het Zuidend voorzien, komt ze toch na heftigeii tegenstand van verschillende vaste punten in de stad, en nadat het blokhuis bij capitulatie is overgegaan, den 14(' Juni 1523 voorgoed in handen van Karei.
30
Van nu aan begint Kareis hervorming om »de inwen-»dige wondingen zijner Landen en Coninkrijcken te «helpen ende te genezenwelke ordonnantiën in 41 artikels nog tot voorbeeld zouden kunnen strekken, vooral waar wij gebukt gaan onder de kwestie der tegenwoordige «sociale nooden.quot; Al spoedig rijzen er echter klachten over inbreuk op plaatselijke vrijheden, de oude twisten komen in de vorm van animositeit tusschen het platte land en de steden weer te voorschijn, placcaten worden uitgevaardigd tegen nieuwe godsdienst-secten, de wederdoopers wagen een poging, kortom nog is de rust niet gekomen, alomme beroering. Ook in deze verwikkelingen neemt Workum zijn deel. Doch over het algemeen blijft het onder Kareis bestuur bij bedreigingen en »was die saeke onder de ketteren zoo verre, dat zij »nu niet heijmelijck als voren hare vergaderinghen ende »conventiculen, maer in 't openbaer begosten te houden, »tot zich treckende vele menschen,quot; zegt een oude Chro-nist (Winsemius) op het jaar 1535 met betrekking tot wederdoopers en dergelijken. Dit duurt totdat Philips II zijns Vaders macht overneemt en scherper tegenover het verzet optreedt. (1555)
(2) Nog in de -17e eeuw telt onze gemeente verscheidene grootschippers onder hare leden die handel dreven op de Oostzee.
(3) Vergel. o. a. L. Keiler sGesch. der Wiedertauferquot; e. a. ook de Hoop Scheffer o. m.
31
(4) Het algemeen verschijsel hoe, onder den druk der moeilijke tjjden die Friesland had beleefd in zijn eeuwenlange twist der partijschappen, het verlangen ontkiemt naar beter en de hoop dit betere gevonden te hebben spoedig wordt geloofd, is natuurlijk ook voor onze plaats en onze personen geldig. De afwisselende vreemde bezetting uit alle oorden, vooral uit Duitschland bijeen getrokken , kan ook een aanleiding geweest zijn om onze stad-genooten bekend te maken met hetgeen in het hart van Duitschland voorviel. Bovendien kozen velen die uit Holland naar Friesland kwamen, hun weg over Workum; zoodat het vermoeden voor de hand ligt dat mannen als Jan van Greelen en Pieter Holtzager, apostelen van Jan van Leiden, te Workum zijn geweest, welke laatste, in bovengemeld uittreksel in een dijksboek van de stad Workum, behelzende de »wonderlijcke veranderingen der stad sWorcum,quot; bij name wordt genoemd. Nog later was Workum de gewone overgang onzer predikers en oudsten van en naar Holland en Friesland.
(5) Zie voor deze bijzonderheden van Bracht, Martelaarsspiegel p. 236 vg. en 699 vg.
(6) Ik maak deze gissing op den volgenden grond; ten Gate in zijn »Gesch. der Doopsgezinden in Frieslandquot; p. 89 maakt melding hoe Leenert Bouwens ± 1556 te Sandvoort (waarschjjnhjk moet hier gelezen worden Sand-voorderrijp) 35 heeft gedoopt. Dit getal is te groot wanneer men het gehucht in aanmerking neemt. De gedoop-
32
ten waren uit den omtrek hier te zamen gekomen om gedoopt te worden.
p. -189 geeft hij, naar de bijdragen tot de societeit het aantal leden van de Workumer gemeente tusschen 1695 â1700 aan op 360 leden, en dat te Sandvoorderrijp op 24, Het lidmatenboek te Workum wijst echter 417 aan. Het is niet waarschijnlijk dat onder deze 417 leden 57 gealimenteerden waren, waarvoor geen contributie a 3 stuivers werd betaald. Meer waarschijnlijk is het dat die uit Sandvoorderrijp te Workum waren ingeschreven, ofschoon ze betrekkelijk een zelfstandige buitengemeente vormden. De laatste sporen dezer betrekkelijke zelfstandigheid blijven bestaan tot 1761 wanneer de bezitting dezer buitengemeente ten bedrage van f 1000 overgedragen wordt aan de gemeente te Workum. Bovendien bezat, zoover ik kan nagaan, onze gemeente altijd landerijen in Sandvoorderrijp; een bewijs hoe zij in die buurt betrekking had en gehad had.
(7) Naar ten Gate: «Herdenking van het 300jarig bestaan der Doopsgez. gemeente te «Zaandam.quot;
(8) Zie het verhoor van Claesken in van Bracht: martelaarsspiegel a. p
(9) Dat ik Jaques d' Auchij den bekenden Harlinger martelaar in Workum verblijf doe houden meen ik te mogen doen op den volgenden grond. Claesken, zijn zuster, dit staat vast, werd hier gedoopt. Het ligt voor de hand
33
dat zij tegelijk met haren broeder uit Antwerpen is gevlucht. Zonder haar man zal ze ook wel niet op reis zyn gegaan. Zoo zijn ze naar Friesland gereisd, hebben hun tocht van uit Holland over Workum genomen, waar Claesken die nog niet gedoopt was ofschoon ze reeds getrouwd was, tot de gemeente toetrad en zich waarschijnlijk met haar man vestigde terwijl Jaques naar Harlingen verder ging om als kramer in zijn onderhoud te voorzien. Alles pleit voor dit vermoeden, zelfs hun gezamehjke marteldood en in de verhoren doet Claesken zich kennen als haar broeder waardig, terwijl ze met liefde hem gedenkt, wel een bewijs dat ze veel te zamen hebben doorleefd en niet afzonderlijk hun kruis gedragen.
(10) Haar man was evenmin nog gedoopt. Uit de verhooren blijkt dat de rechters veronderstellen dat Claesken haar man heeft «overgehaaldquot;; in alle geval is zij de meerdere van haar man, ofschoon ook deze in weerwil van zijn mindere ontwikkeling geen oogenblik wankelt.
(11) Ps. 127 berijmde vertaling.
(12) Winsemius Croniek van Friesland p, 4'JO vgl.
(13) = vuur.
(14) Tieleman van Bracht a. w. II p. 1.
(15) Schotanus- Beschrijving van Friesland p. 26«.
34
(16) Aanteekeuing in een dijksboek op het stadsarchief.
(17) 1 pondemaat = 36^ are =12 eins, 1 eins = 20 penningen, 1 penning =14 voet.
(18) Het beheer beruste bij verschillende diakenen, die ieder een deel der landen, obligatiën of andere ad-ministrativa tot hun particulier beheer kregen. Rekening en verantwoording werd door hen gedaan den 16 - Febr. Een algemeen boekhouder had gewoonlijk een algemeen overzicht.
(19) Best land, b.v. aan het sVlietquot; bracht 1780 per pondm. op Æ 200». Workumer Nieuwland f 110». doch veel land kon bij verkoop het bedrag der lasten niet opbrengen, waarom de gemeente in 1730 verscheiden dergelijke stukken »per donatiequot; overdroeg aan Romke Nauta.
De rente-standaard aan Staatsobligatiën was evenmin hoog. In deze eeuw 2 pCt.
(20) De opbrengst dezer collecten van 1737 â 1772 bedroeg f 13567 ruim,
de opbrengst der armbussen van 1723 â 60 was f 15624 â enz.
T
HNKI.V'ER.SDRUK. - KlilPIliS. - WOK KI M