DB VURIGE VEREERDER
van den
if, Jlntouius h\\ fnulmu
1
a
KORTE LEVENSBESCHRIJVING.
PE pEBEDEN ONDER DE ft. JVIlS, Noveen, Litanie,
de Kleine Getijden van den H. Antonius en het wonderbaar Responsorium.
DE NEGEN DINSDAGENEN 31 OVERWEGINGEN
voor eiken dag der Maand,
met een Mirakel achter eiken dag der Noveen, der negen Dinsdagen en na elke overweging.
BENEVENS EEN AANHANCSEL
van vele zijner Wonderwerken
door
JNt. 13. Gr.
Beams, qui inveuit amicum verum.
Gelukkig hij, die .een waren vriend vond.
Eccl. XXV, 12.
quot;i*'------- quot; ' ' v . â¢
Vijfde Uitgaaf, jiret'.verse hifi end a -Gebeden,
VftW.WIJtKttóil
G. MÃSMANS Senipt, VJSoscu.
1 ,l,im 111 1 1 1 quot;m- '.-.iiwi.....m
i-
L
/
. 7 ' Jï 2i
sir
lt;gt;{â »s
/ i :gt; /
ü
/ ö ^3 /
V .
zrr
â - r ï
|
amp; -0 | |||||||||||
|
⢠^
â i
/ /
VOOEWOORD.
igt; r bestaat wel geen oprecht geloo-vige, een vroom bisschop, 1) of bij gevoelt godsvrucht tot den heiligen Antonius van Padua; want die vriend van God weigert niemand zijnen bijstand. Integendeel is hij immer bereid, de gebeden te verhoeren, die men tot hem richt. Door zijne voorspraak worden schepelingen te midden dei-stormen behoed; de zieken vinden bij hem de gezondheid terug; door zijne tuséchen-komst hebben heilzame echtverbintenissen plaats en ontkomt de reiziger menig dreigend gevaar. âDeze groote heilige,' dus schrijft een beroemd geleerde dei-universiteit van Parijs, 2) âheeft van God een bijzonder voorrecht verkregen, om verloren zaken aan haar eigenaar terug te bezorgen. Ik zelf heb het zeer dikwerf reeds
1) Robert de Licio, episc. Aquin, Serrao de S. Ant. Pat. â In op. complet. S. Ant. pag. 3.
2) Guil. Pepins, Serm. de S. Aiit., 1. c.
IV
ondervonden en kan derlialve met hetzelfde recht tot hem zeggen, als de heilige Bernardus sprak tot de allerheiligste Maagd: âDat hij ophoude, uwen lof te verkondigen, die u in dringende aangelegenheden heeft aangeroepen, zonder uwen bijstand te ondervinden.' Daarom ook is de devotie tot den H. Antonius over de gansche aarde verspreid, zoodat wel nergens een katholiek land wordt aangetroffen, waar de H. An tonius zijne trouwe vereerders niet heeft.
De seraphijnsche kerkleeraar, de H. Bo-naventura beweert, dat men door de voorspraak van den H. Antonius alle genaden kan verwerven, welke niet anders dan door een wonder kunnen verkregen worden. Hoofdzakelijk echter roept men zijne voorspraak in:
1°. Om verloren of gestolen zaken terug te erlangen.
2°. Om genezing in alle lichaamskwalen.
3°. Om voor zich of anderen den heiligen wil van God te kennen, vooral met betrekking tot de keuze van een levensstaat.
4°. Om een gelukkigen uitslag bij ondernemingen, welke de eer van God en het heil der zielen of ook zelfs de tijdelijke welvaart betreffen.
Wat nu de tijdelijke belangen aangaat, hieromtrent moeten onze gebeden altijd ge-
schieden met die gesteltenis, dat hetgeen wij vragen, Gode welgevallig zij, en tot het heil onzer ziele strekke; want God verhoort de gebeden niet, die wij tot hem stieren om tijdelijke goederen te erlangen, indien daardoor het ware goed, het behoud onzer ziel, zon gevaar loopen. Ons gebed is echter dan nog geenszins vergeefsch, want God verleent ons alsdan veel hooger en grooter genade, dan waarom wij meenden te bidden.
De hoofdzaak is, dat wij altijd met levend geloof bidden, met onwankelbaar vertrouwen en vooral met een hart, dat vrij is van zware zonden. Dan kunnen wij alles verkrijgen van hem, die tijdens zijn sterfelijk leven er slechts op uit was, ongelukkigen en bedrukten bij te staan.
âA/\/\/V-â
LEVENSSCHETS
VAN DEN
H. ANTONIUS VAN PADUA.
zMMyW ët was op Pinksterdag van liet jaar 1221, dat de H. Seraphijnsclie Vader Pranciscus in do vlakte ran Assisië zijne broeders samenriep, tot het hou-1 den van een generaalkapittel der orde. | Vijf duizend Minderbroeders kwamen ' daar bijeen, om hun heiligen vader en ordestichter te zien, zijne wijze leerredenen te hooren en door hem te worden aangewezen, om hier of daar eene raissiete volbrengen.
Onder die talrijke broederschare bevond zich ook een jong kloosterling van ongeveer zes en twintig jaren. Engelachtig schoon was zijn gelaat, en gansch zijn houding getuigde van eene beschaafde opvoeding en edele afkomst. Zoo zijn binnenste had kunnen doorschouwd worden, zou men
7
daarin een wonderbare wijsheid en den grondslag eener buitengewone welsprekendheid gevonden hebben, gepaard met een heiligheid vanleven, welke voorden levenswandel des grooten patriarchs van Assisië niet onderdeed.
Geen der aanwezige broeders, geen der oversten, niet eens zelfs de H. Francis-cus, vermoedde zulks, want de jeugdige kloosterling zocht zijne voortreffelijke hoedanigheden met dezelfde bezorgdheid te verbergen. als in den regel de meeste men-schen er naar streven, ze uitwendig te doen schitteren.
Ingetogen bleef hij alleen te midden dezer groote vergadering, zonder zich met iets anders bezig te houden dan het gebed, zonder nadere bekende dan God. Tijdens die eenzaamheid kon hij echter ongestoorde vreugde smaken in de aanschouwing van het heilige gelaat zijns veelbeminden vaders Franciscus, terwijl de H. Franciscus dit zijn kind niet kende, dat toch door God op eene bijzondere wijze bemind werd.
Allengs gingen de broeders weder uiteen; ieder volgde de aangewezen bestemming, doch aan hem dacht niemand. Ook gaf weinig spraakzaamheid hem den schijn van minder bekwaamheid. Alle provincialen waren reeds vertrokken, slechts de
8
provinciaal van Komagna, Gratiaan, was nog aanwezig. Deze had een priester noo-dig, om in het arme en gansch afgelegen klooster van Monte Paolo, voor de zich daar bevindende broeders, die een kluizenaarsleven leidden, de H. Mis te lezen. Dien 'jongen kloosterling ziende, naderde Gratiaan hem met de vraag: âZijt gij priester?quot; â Ja, was het eenvoudig antwoord. â Hebt gij reeds eene bestemming? â Neen, Vader! antwoordde hij wederom even kort. â Zoiidt gij gaarne naar de kluis van Monte-Paolo gaan ? â Ik zal gaan, waarheen God wil. â Ga dan niet mij,quot; zeide Gratiaan; en de jeugdige kloosterling volgde hem, zonder een woord te spreken.
Te Monte-Paolo aangekomen, wierp hij zich voor de voeten des gardiaans met het verzoek hem bezigheden in zijn klooster aan te wijzen. De gardiaan liet hem schotels reinigen en kamers vegen, wathij bereidwillig volbracht. Deze jonge, onbekende kloosterling was niemand anders dan de later zoo beroemd geworden groote Wonderdoener, de heilige Anto-nius van Padua.
Laten wij hem voorloopig in zijne verborgenheid, waar hij door God werd voorbereid tot het groote Apostelambt, en werpen wij eerst en vooral een blik op zijn voorgaand leven.
9
, gt;.
Antonius aanschouwde te Lissabon het levenslicht, op dien luistervollen dag, waarbij de heilige Kerk het feest van de Verheerlijking der allerheiligste Maagd viert, den 15den Juni van het jaar 1195. Zijn vader was don Martin, uit het beroemde geslacht der Bouillons, dat aan de wereld d.e schitterende ster, den vermaarden, recht-zinnigen christenridder Godfried, koning van Jerusalem, schonk. Donna Teresa, de moeder van onzen heilige, behoorde tot eene oud-adellijke Portugeesche familie; men gelooft, dat zij afstamt van Isoning Froila, die tijdens de achtste eeuw in Asiurië heerschte. Het paleis van üon Martin van Bouillon, te Lissabon, was gelegen tegenover de Kathedraal, toegewijd aan de allerheiligste Maagd Maria. Daar ontving zijn zoon in het H. Doopsel den naam Ferdinand, welken hij later bij het aanvaarden van zijn ordekleed met den naam Antonius verwisselde. Vroegtijdig reeds openbaarde zich, wat eens van dit kind zou worden. Weende het kind, dan kon zjjne moeder het slechts troosten, door met hem naar het venster te gaan, van waaruit men de Kathedraal kon zien. Aanstonds stilde het kind zijne tranen, welke plaats maakten voor een vriendelijk lachje. Door een onzichtbare
10
macht scheen het te worden aangetrokken; de handjes strekten zich naar de goddelijke woning uit, waar zijne vrome moeder hem aan Maria, de Koningin des Hemels, had opgedragen.
Donna Teresa kweekte, als een oprecht christelijke moeder, deze goede beginselen in het kinderlijk gemoed aan. Zorgvuldig zocht zij alles te weren, wat deze reine en teedere ziel schaden kon, en ontstak in het hart haars zoons het vuur der goddelijke liefde. Vooral echter was zij er op bedacht, hem vroegtijdig een teedere godsvrucht voor Maria in te boezemen en vond er haar vermaak in, hem den schoonen lofzang: O gloriosa Domina, âo Koningin' te leeren zingen. Die heilige lofzang klonk ook in latere jaren zoo dikwerf uit den mond des heiligen; liefelijk liet hij hem klinken in de eenzaamheid en op zijn reizen; hij herhaalde hem in de beproevingen des levens, en op het einde van zijnbewonderenswaardige loopbaanruisch-te dit lied nog als een laatste gebed van zijne lippen.
Gelukkige Teresa, gelukkige moeder, die waardig bevonden werd, aan de Kerk en de wereld eenen heilige te schenken! Haar lichaam rust te Lissabon in de kerk, welke aan haren zoon :s toegewijd. Op den grafsteen dier geze-
11
gonde vrouw zijn de eenvoudige maarbeteeke-nisvolle woorden uitgehouwen: Hier rust de moeder van den H. Antonius! llic jacet mater Sancti Antonii! Overladen met de zegeningen des hemels, opgevoed door eene zeer godvree-zende en deugdzame moeder, zag ieder in den jeugdigen Ferdinand een engel der zuiverheid en godsvrucht. Vijf jaar oud zijnde, legde hij reeds ter eere der onbevlekte reinheid van Maria de belofte af van eeuwige maagdelijkheid.
Destijds was het bij voorname familiën het gebruik, de opvoeding hunner zonen toe te verduwen aan priesters en kloosterlingen, en aldus werd ook Ferdinand reeds in den ouderdom van tien jaren bij de geestelijken dei-kathedraal van Lissabon ter studie geplaatst. De kweekelingen droegen gedurende dien tijd het geestelijk gewaad, mochten de koorgezangen bijwonen en rekenden het zich tot eer, den priester bij het opdragen der H. Mis behulpzaam te zijn. Op die wijze werden hun nevens wetenschappelijke kennis ook de verhevene begrippen van deugd en vroomheid ingeprent.
Ferdinand bracht vijf jaren aan de kathedraal door en droeg eveneens het geestelijk kleed van de bedienaren dier kerk. Hij achtte zich bovenmate gelukkig, het huis Gods te mogen bewonen; nog gelukkiger
12
evenwel was hij, toen hem werd toegestaan, zijne zwakke stem met de koorgezangen der priesters te vereeuigen en aan het altaar onder de H. Mis te mogen dienen Zijne deugd en heiligheid bereikte weldra een verheven graad. De herinnering aan het eerste door den heilige te Lissabon gedane wonder, is het volk nog levendig bijgebleven. Op zekeren dag namelijk bad Ferdinand met bijzondere vurigheid in de kathedraal. De booze geest, afgunstig op de buitengewone heiligheid, aan dien jongen leeftijd verbonden, geraakte daardoor in hevige woede en verscheen den heilige in eene vreeselijke gedaante. De onverschrokken jongeling, vol levendig geloof, maakt echter het kruisteeken op de marmeren trappen van het koor der kerk, en o wonder! de steen wordt week onder de aanraking zijner onbevlekte hand en het heilig teeken des kruises blijft zichtbaar in den steen gedrukt. Nog heden ten dage, nadat ruim zes eeuwen sedert zijn vervlogen, staat het zegevierende teeken betreffende dit wonder van levendig geloof, in groote vereering hij het volk. Dat was het eerste wonder, waarbij zich gedurende het leven van den heilige ontelbare andere zouden aansluiten.
13
Ferdinand had alsdan vijftien jaren bereikt ; hij was op dien leeftijd, waarin de lelie der zuiverheid haren luister ten toon spreidt, doch weldra ook aan de duivelsche inblazingen het meest is blootgesteld. God deed echter in den heilige het verlangen ontstaan, zich geheel en al aan zijnen dienst toe te wijden; want hij wilde deze zuivere aanvallige bloem behoeden ook voor de minste aanraking der gevaarlijke wereld. Daarom verliet Ferdinand zijne dierbare ouders, de brave leermeesters, die hem van zijne prille jeugd hadden opgevoed, alsmede zijne waarde medescholieren, en trad in het klooster der reguliere kanunniken van den H. Augustinus. De priesters der kathedraal vergaten echter hunnen getrouwen vriend nimmer en kozen hem, nadat hij tweeëntwintig jaren later, onder den naam Antonius, op de lijst der heiligen was ingeschreven, tot hun bijzonderen patroon. Ter gedachtenis aan de jaren, welke de heilige in hun midden had doorgebracht, richtten zij hem in de kathedraal een altaar op, waarop hij in de roode soutane en het kloosterkleed der geestelijken werd afgebeeld 1) en vierden telken jare hem ter eere een
1) Thans nog vindt men afbeeldingen van den heilige, waarop hij in dit kleed wordt voorgesteld.
' :
U
eigen feest. Dit voorbeeld volgend, kozen alle geestelijke scholen in Portugal den H. Antonius tot hun voornaamsten beschermer.
Elf jaren bracht de Heilige bij de kanunniken van den H. Augustinus door. Doch haasten wij ons, hem te zien toetreden tot de Serhphijnsche orde en slaan wij derhalve de beschrijving over van de deugden, welke hij al dien tijd als kanunnik beoefende.
In het jaar 1219 begaven zich vijf Minderbroeders tot verspreiding des geloofs naar Marokko en werden tijdens hunne reis inhet klooster, het Heilige Kruis genaamd, bij de reguliere domheeren te Coïmbra gastvrij opgenomen, Don Ferdinand was juist destijds belast, zorg te dragen voor de vreeiji-delingen^^ie in het klooster tijdelijk ver-toefden^, en leerde nu deze heilige, ootmoedige, en naar den schijn onbeduidende kloosterbroeders kennen, welke weinige maanden later, met de martelaarskroon versierd, terugkeerden. Die vijf Franciscanen vergoten den l(3den Januari 1220 hun bloed in Afrika, en hunne kostbare overblijfselen werden naar het klooster, het Heilig Kruis, vervoerd. Aan die overbrenging waren wondervolle voorvallen verbonden, wier nadere beschrijving deze korte levensschets niet toelaat. Zoo keerden dan
m
|
'W1-
15
deze, voor vier maanden nog gansch onbekende, arme vreemdelingen terug met den luister als van een koninklijken stoet omgeven, en vereerd door het volk. Antonius had hun nog korten tijd te voren de van christelijke liefde getuigende aalmoezen uitgereikt, en thans waren zij reeds, door het heldhaftige vergieten van hun bloed voor het geloof, de eeuwige woning binnengegaan. Het brandend liefdevuur, dat de grootmoedige ziel van Don Ferdinand vervulde, kende van dat oogenblik af nog slechts één wensch; dien namelijk, om eveneens den martelaarspalm te verwerven. Had reeds de deugdzaamheid der Minderbroeders zulk een krachtigen indruk op zijn hart uitgeoefend, thans werd hij met een onweerstaanbaar geweld er toe gedreven, om tot die orde over te gaan, welke hem in de gelegenheid kon stellen, zijn bloed voor Jesus Christus te vergieten.
De oversten van het klooster het Heilig Kruis moesten, hoe zwaar hun het afscheid van Don Ferdinand ook viel, den roep Gods eerbiedigen en toestemming verleenen. Zij verzochten hem nog de gunst, om het ordekleed der Minderbroeders in hun midden voor 't eerst te aanvaarden, aan welk verlangen hij voldeed.
16
Don Ferdinand ging tijdens den zomer van het jaar 1220 in het klooster Olivares bij Goïmbra tot de orde der Minderbroeders over en ontving ter eere van den eersten beroemden kluizenaar, aan wien het klooster te Goïmbra was toegewijd, den naam Antonius. Moest deze naam niet reeds een veel beduidend voorteeken zijn van hetgeen onze Heilige eens zou worden ? De naam Antonius is namelijk afgeleid van nlte tonans, hetwelk zooveel beteekent als hevig ratelende donder; en was Antonius wellicht die geweldige donder niet, waardoor God zich van de gansche wereld zou laten huldigen ?
Gods inzichten waren Antonius zeiven verborgen; hij dacht slechts aan den marteldood. Met dat doel was hij Minderbroeder geworden, en plechtig hadden hem zijne oversten beloofd, dat hij, na het afleggen der heilige beloften, voor de missie in Afrika zou worden bestemd. Zij hielden woord. Nadat Antonius eenige maanden in het noviciaat had doorgebracht, legde hij de plechtige beloften af en in December van hetzelfde jaar (1220) werd hij naar Afrika gezonden, naar het land, waar de H Bernardus met zijn gezellen den marteldood had doorstaan. God echter schepte
17
geen behagen in het vergieten zijns bloeds, maar Antonius moest een voortdurend slachtoffer zijner liefde wezen, en de Sera-phijnsche orde uitbreiden. Nauwelijks in Marokko aangeland, werd hij, met Gods toelating, door een hevige koorts overvallen, welke hem vier maanden bedlegerig hield. Zijne gezellen zonden den overste in Spanje hiervan bericht, en Antonius ontving aanstonds het bevel, om terug te keeren.
God zelf bracht hem nu op de plaats, welke voor hem bestemd was. Niet ver meer van Spanje brak een geweldige storm los, die het schip, waarop Antonius zich bevond, op de kust van Sicilië wierp. Na enkele dagen te hebben gerust, begaf hij zich van daar naar Assisië, waar het generaal kapittel samenkwam. Reeds hebben wij verhaald hoe broeder Gratiaan, provinciaal in het klooster Romagna, hem naar de kluis van Monte-Paolo riep. Tien maanden bracht Antonius in die kluis, aan de wereld en zijne broeders onbekend, eenzaam door. Zoo bereidt God de uitverkoren zielen, aan welke Hij het rijk der waarheid en goddelijke liefde tor uitbreiding wil toevertrouwen, gewoonlijk in stille verborgenheid voor. Antonius ontving bevel, met h. antonius, 2
18
verscheiden broeders, die de heilige wijdingen zouden ontvangen, naar Forh te gaan. Daar bevonden zich ook eenige broeders van de orde der Predikheeren, alsmede wereldsche geestelijken, om eveneens te worden gewijd. Ter voorbereiding meld men vooraf geestelijke oefeningen. Na afloop eener conferentie legde de bisschop Antonins de taak op, om voor de verzamelde priesters een toespraak te houden. Hij gehoorzaamt. In het begin was hij een-voudio-, ja beschroomd; hij wilde veracht en onbekend blijven, en gaf derhalve bij deze gelegenheid de voorkeur aan de ootmoedigheid boven den roem der wetenschap. Langzamerhand grijpt een heilige geestvervoering den redenaar onwillekeurig aan. Hij kan het goddelijk liefdevuur, dat zijne ziel verteert, niet langer weder-staan; wonderbaar neemt zijn woord in kracht toe; zijne door vasten verzwakte stem hervat haar vollen klank; zijn lichaam, door strenge boetplegingen terneergebogen, richt zich op en zijne gestalte herkrijgt wederom de hem aangeborene edele indrukwekkendheid.
Stom van verbazing, ja door angst bevangen, staarden de geestelijken dien armen, onbekenden broeder aan. Zij wilden
19
de kracht zijner rede toeschrijven aan eene voorbijgaande geestvervoering, waarin hij voor dat oogenblik geraakte; als hij echter van lieverlede uit de verhevenste plaatsen der Kerkvaders en onderscheidene teksten der H. Schrift de roerendste en verhevenste gedachten ontwikkelde, begreep elk, dat een wonder der diepste ootmoedigheid dezen grooten heilige tot nog toe bad verborgen gehouden. De provinciaal, broeder Gratiaan, haastte zich, de in Antonius ontdekte hoedanigheden aan den H. Franciscus van Assisië bekend te maken. Die tijding verblijdde de ziel van Franciscus door heilige hoop en vreugde; het werd hem duidelijk, dat van nu af een drievoudige luister zijne orde reeds hier op aarde zou kenmerken, namelijk die der heiligheid, der kunde, en van het martelaarschap, en hij beval Antonius, om zijn leven voortaan te wijden aan de verspreiding des geloofs. Nederig en gehoorzaam begon nu die heilige zijne talrijke missiereizen. Hij doorreisde het Noorden van Italië en het Zuiden van Frankrijk. Arlès, Avignon, Montpellier, Lu-nel, Toulouse, Drives, Limoges, Le Puy, Brioude en nog aan talrijke andere Fransche steden viel het geluk te beurt, den nieuwen Apostel te zien en te hoeren.
20
T
Gewoonlijk hield Antonias zijne predikatiën in het open veld; want de kerken konden de menigte volks, welke hem wenschte te hooren, niet bevatten. Dikwerf omringden meer dan dertig duizend mensehen zijn preekstoel. Den nacht te voren zag men reeds eene ontelbare menigte mannen en vrouwen, van fakkels voorzien, de wegen bedekken, en zich verdringen op de plaats waar de preek zou gehouden worden. Midden onder het landvolk zag men ridders en voorname vrouwen op de bestemde plaats, in stille verwachting samengestroomd. Vreugde beving allen, zoodra de heilige missionaris verscheen, door geestelijken omringd. Dan volgde weder stilte en de harten ontsloten zich, om den dauw der goddelijke genade op te vangen. Gelijk een vlammend vuur drong het woord des heldhaftigen verkondigers van Jesus Christus in de harten der toehoorders. Weldra vloeiden er overvloedige tranen; het snikken en de smartelijke ontboezeming van berouw verdoofden schier de stem des indruk-wekkenden redenaars.
Natuur en genade hadden zich in dien heilige vereenigd, om de wegslepende kracht zijner woorden ingang te doen vinden. Zijne stem was helder en zeer wellui-
9
_L
21
dend; sierlijk waren zijne gebaren. Zoozeer was hij van de H. Schrift doordrongen, dat hij bij de onderscheidene punten, die hij behandelde, telkens den meest gepasten tekst wist aan te halen. Van zijne lippen vloeide het woord der Schriftuur als een levendmakende bron des lichts in de ziel der toehoorders; door de zalving echter, die zijne rede vergezelde, kreeg zijne welsprekendheid haar volle uitwerking en op die wijze deelde hij van den overvloed zijns harten aan anderen mede. Is het te verwonderen, dat, dewijl zijne ziel door het goddelijk vuur was ontstoken, die Seraphijnsche heilige ook de harten van anderen ontvlamde? De voortdurende wonderen, welke bijna al zijne schreden vergezelden, bekrachtigden de vruchten zijner sermonen.
Door de vurigheid des geloofs en dei-liefde als het ware voortgedreven, stortte zich de volksmenigte gewoonlijk op den heilige, zoodra hij ophield te preeken, om zijne handen en voeten te kussen, waarbij menigwerf zijne kleederen werden verscheurd. Overal, waar de heilige gepreekt had, zag men de bitterste vijanden zich met elkaar vei'zoenen, ketters tot het geloof be-keeren, ingekankerde haat maakte plaats voor vriendschap en vrede, woekeraars
22
gaven het onrechtvaardig verkregen goed terug; overal werden godsdienstige gezel-en broederschappen gevormd, welke zich er op toelegden, de boetvaardigheid te beoefenen, en nog lang tot stichting van het nageslacht strekten. De zielenijver des heiligen kende geene grenzen. Een jaar voor zijn dood trok hij naar Padua terug, om gevolg te geven aan het verlangen van verscheidene bisschoppen, die zijne preeken in schrift wenschten te bezitten. Gedurende den H. Vastentijd echter, kon hij niet nalaten, dit brave volk het woord Gods te verkondigen en bad Padua dus tevens het geluk, gedurende veertig dagen zijne stem te mogen aanhooren, welke tien jaren lang door de wereld had geklonken.
Hoe dikwerf geschiedde het, dat de nacht inviel en Antonius, door de uitgebreidheid zijns apostolischen arbeids, geen tgd wist te vinden, zich het noodige voedsel te gunnen! doch God sterkte en ondersteunde zijnen dienaar door de inwendige genade; Hij openbaarde zich aan hem in talrijke verschijningen. Antonius wilde nog weinige oogenblikken voor zijn gelukzalig afsterven, toen hij als het ware reeds geheel in God scheen verslonden, hier beneden voor 't laatst den lof der allerhei-
23
ligste Maagd zingen. Eenklaps hoorden de broeders, die zijn sterfbed omringden, hem reeds met gebroken doch zoete stem, zijnen geliefkoosden lofzang aanheffen, dat gezang der Engelen-Koningin ter eere: O Koningin enz. Toen hij zijn lied had geëindigd, geraakte de trouwe dienaar Gods in verrukking. Jesus en Maria verschenen hem en noodigden hem uit tot het zalig paradijs. Aldus ontsliep bij zacht in de vreugde des Heeren, op eenen Vrijdag, 13 Juni 1231. Hij was zes en dertig jaren oud en had tien jaren doorgebracht in de orde van den H. Pranciscus.
Nog geen vol jaar was sedert den dood des heiligen voorbij en reeds werd by door Paus Gregorius IX, op Pinksterdag, 30 Mei 1232, onder den glorievollen naam: Anto-nius van Padua, tot het getal der Heiligen verklaard.
gt;TTTT TTTTTTT~TT-TTT TTTT rrTTTTTT rTTT^TT TTTT TTTT TTTT T^TT TT TT \
GEBEDEN' ONDER DE H. MIS.
TER BERE VAN DEN
U. ANTOSIUS VAX PADUA.
lfr
{Vóór de heilige Mis.)
iS
V
H.
C%
«achtige helper in alle nood wen digheden, H. Antonius, in dezen niijnen nood, welke u wel bekend is, neem ik tot u mijne toevlucht en kom bij u, trouwe vriend, mijnen nood klagen. Ofschoon ik uwe hulp niet waardig ben, nader ik tot u evenwel, vol vertrouwen op uwe groote goedheid, welke gij reeds aan menigeen, die tot u smeekte, bewezen hebt. Voor uwe voeten werp ik mij ootmoedig neder en roep uwe hulp in. Om uwen bgstand te verwerven, wil ik uit liefde tot u thans deze H. Mis aandachtig bijwonen. Laat, bid ik u, met het oog op deze allerheiligste offerande, mijn kommer u niet onverschillig zijn, maar wees mijn voorspreker bij den troon der goddelijke barmhartig-
25
heid. In uwe handen, o H. Antonius, is nu miin lot gesteld en ik ben derhalve zeker, dat gij voor een gelukkige uitkomst zult zorgen, indien het slechts Gods heiligen wil behaagt.
Begin der H. Mis.
jTn den naam des Vaders en des Zoons en K des H. Geestes. Amen.
Heilig, o God, mijn verstand en ziel opdat ik U waardig dienen en van ganscher harte i^oge prijzen en vereeren. Sta mij ° .he°:ielsclie Vader, opdat ik bij dit iuisoffer, het lijden en sterven van uw«a Zoon Jesus Christus aandachtig over-wege en het met den priester tot verheer-Igkmg uwer oneindige majesteit opdrage, tot dankzegging voor alle genaden en weldaden, tot uitboeting mijner zonden en die der gan-sche wereld, tot troost der geloovige zielen en het bekomen uwer genade en barmhartigheid voor mij en allen, voor wie ik verplicht ben te bidden. Amen.
j Conflteor.
IJi06 groot, o mijn Jesus, is uwe goedheid ^â¢1 jegens mij! Slechts uit liefde tot mij, armen zondaar, zijt Gij menscb geworden, om voor mij te leven en te sterven; maar
26
ook bij het verlaten dezer wereld, hebt Gij dit H. Offer ingesteld, waarbij Gij TJ zeiven aan den hemelschen Vader voor mjj en de gan-sche wereld onafgebroken opoffert. Hoe zal ik ü, o mijn Jesus, deze liefde vergelden! In plaats ü hiervoor dankbaar te zijn, heb ik U zoo menigwerf beleedigd en vergramd. Daarom klop ik op mijne borst en smeek: o Jesus, wees mij genadig en barmhartig.
Introïtus.
e midden der kerk liet Antoniu-5 zijne stem weerklinken; God vervulde hem met den geest van wijsheid en verstand en bekleedde hem met het eeregewaad. â Hoe zoet is het, den lof des Heeren te zingen en den naam des Allerhoogsten te ver-heeriyken! Eere zij den vader. enz.
Kyrie eleison.
§ Jesus, ontferm U onzer door uwe heilige menschwording en verlos ons van den booze. Jesus, ontferm U onzer door uwe heilige menschwording en verlos ons van den booze.
O Jesus, ontferm ü onzer door uw heilig kruis en lijden en verlos ons van alle zonden.
O Jesus, ontferm U onzer door uwen bitteren dood en behoed ons voor een onvoor-zienen en eeuwigen dood.
27
Gloria.
ere zij God in den hooge en vrede op aarde den menscheu van goeden wil. Wij loven ü, wij zegenen U, wij aanbidden ü, wij verheerlijken U; wij danken ü ter wille uwer groote heerlijkheid. Heer God, koning des hemels, God, almachtige Vader. Heer eeniggeboren Zoon, Jesus Christus: Heer God, Lam Gods ; Zoon des Vaders; Dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer. Dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor onze smeekingen. Die zit aan de rechterhand des Vaders, ontferm U onzer. Want Gij alleen zijt heilig. Gij alleen Heer, Gij alleen de Allerhoogste, Jesus Christus, met den heiligen Geest in de heerlijkheid van God den Vader. Amen.
Collecte.
^we H. Kerk, o God, verheugt zich in de voorspraak van uwen zaligen belijder Antonius; dat uwe goddelijke bescherming haar steeds bijblijve en geleide tot de eeuwige gelukzaligheid. Door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die met U in de eenheid des heiligen Geestes leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.
28
Epistel.
Uit het boek der Wijsheid. (K. 7.)
(De Kirk legt de woordt-n des heiliger) Schrijvers den H. Antonius in den mond. Igt;e geest d^r â wijsheid, waarvan g^sproien word-, is de geest van Jeaus Christus. De wijsheid is de leer van Jesns Christus en Christus zelf is de eeuwige wijsheid Gods. Laat ons die gewichtige woorden overwegen, en zalig de man, die ze in waarheid op zich zeiven kan toepass n.)
Uk bad, en verstand werd mij gegeven; H ik riep aan, en de geest der wijsheid werd
mij verleend. Ik achtte haar meer dan schepters en tronen, en rijkdom hield ik voor niets in vergelijking met haar. Ik vergeleek haar niet met edelgesteente; want al het goud, vergeleken met haar, is maar een luttel zands, en zilver is als slijk te achten in vergelijking met haar. Moer dan gezondheid en schoonheid beminde ik haar, en ik besloot haar tot mijn licht te bezigen ; want haar licht is onuitdoof baar. Doch alle goed verkreeg ik tegelijk met haar, en on-telbaren rijkdom door hare bemiddeling. â En ik verblijdde mij over alles, omdat die wijsheid mijne leidsvrouw was; doch ik wist niet, dat zij de moeder was van dit alles. Met oprechtheid leerde ik haar kennen en met mildheid deel ik haar mede, ik verberg haren rijkdom niet, want een onuitputte-
29
lijliG scbat is zij voor de mGnschen ; Gn dio gebruik daarvan maakten, werden deelge-nooten van Gods vriendschap, dewijl zij Hem aangenaam waren om de gaven van het onderricht. Mij nu verleende God, naar wensch te spreken en uit te denken wat past voor hetgeen mij gegeven is; want Hij, Hij is de wegwijzer der wijsheid en geleider dei-wijzen.
Gradnaal.
mond des rechtvaardigen zal de leer Mjl der wijsheid herhalen en zijne tong de | geboden Gods verkondigen. â De Wet. Gods^was diep in zijn hart gegrift; daarom zal zijn voet niet wankelen.
God komt alle eer toe! Hem zij lof! De tong des gerechten is kostbaarder dan het zuiverste zilver en zijne lippen onderrichten cie volkeren. Aan God behoort alle eer.
{Tijdens het feest van Paschen.) De rechtvaardige zal gelijk esn lelie z!ch verheffen en eeuwig voor den Heer bloeien. Gode behoort alle eer!
{Na Septuagesima voegt men hij hei Graduale:)
Gelukkig de man, die God vreest en naar de wet Gods verlangt. Zijne nakomelingen zullen machtig zijn op aarde; en het ge-
30
slacht van hen, die oprecht van harte zijn, zal in eenwigheid gezegendblijven. Eer en rijkdom woont in het huis des rechtvaardigen en zijne gerechtigheid zal van eeuwigheid tot eeuwigheid heerschen.
Evangelie. (Matth. V.)
(üe woorden in dit Evangelie zijnJhoof'|z,:l^}.iikTIt'ir verkondiKinK des geloofs gesproken; de goddelijte H^-i-land richt ze echter ook tot alle geloovigeo en m he
M zonder tot hen, die zich op do f he^ich
zi zullen door hun voorbeeld en levend geloot üet licnt
der wereld en het zout der aarde zyn.)
Wn dien tijde zeide Jesus aan zijne leer-IT lingen: âGij zijt het zout der aarde. Doch, f indien het zout zijne kracht verliest, waarmede zal dan gezouten worden ? Het is tot niets meer goed, dan om weggeworpen en van de menschen vertreden te worden, brij ziit het licht der wereld. Een stad, die op eenen berg is gelegen, kan niet verborgen worden. Men ontsteekt ook geen licht en plaatst hetzelve onder eene korenmaat, maar op eenen kandelaar, opdat het voor allen lichte, die in het huis zijn. Dus schijne uw licht voor de menschen, opdat zij uwe goede werken zien, en uwen Vader verheer-liiken, die in de hemelen is. Vermeent met, dat Ik gekomen ben, om de Wet en de pro-
31
feten te niet te doen. Ik ben niet gekomen, om dezelve te niet te doen, maai- om ze te vervullen. Want voorwaar Ik zeg u, totdat hemel en aarde zullen voorbijgaan, zal er geen letter of stipje van de wet vergaan, totdat alles geschiede. Die derhalve een van de kleinste geboden te niet doet, en de menschen dus leert, zal de geringste in het rijk der hemelen heeten; maar die dezelve doet en leert, zal groot in het rijk der hemelen genoemd worden.
Opdracht.
ijne waarheid en barmhartigheid zullen met mijnen dienaar zijn, zegt de Heer, en zijn macht zal ter eere van mijnen naam voor immer verheerlijkt worden.
- De Secreten.
1
^eef, o God, onze Verlosser, dat deze offerande opstijge tot heil van uw volk voor hetwelk Gij, o levend brood, ü hebt opgeofferd ter eere uws hemelschen Vaders, met wien Gij leeft en heerscht in eenheid des hei-ligen Geestesin alle eeuwen der eeuwen. Amen.
CA Prefatie en Sanctus.
1 machtige eeuwige God! De Engelen â loven en prijzen uwe heerlijkheid, de
32
Heerscharen aanbidden ü en de Machten des hemels sidderen voor uw aanschijn. De Cherubijnen en Seraphijnen juichen en prijzen ü uit éénen mond. Wij bidden ü, barmhartige God, Heer, heinelsche Vadei, wil toch onze harten tot hemelsche begeerten opwekken, opdat ook wij met alle Engelen en Aartsengelen altijd en overal aan uwe goddelijke majesteit lof en dank betuigen, terwijl wy met hen in allerdiepsten ootmoed belijden en zeggen: Heilig, heilig, heilig, Heer God van Sabaoth. Hemel en aarde zijn vervuld met uwe heerlijkheid. Hosanna in den hooge! Gezegend Hij, die kornt in den naam des Heeren. Hosanna in den hooge!
^ Tóór de H.Consecratie.
ij bidden ü, allerheiligste Vader, oot-^ 11 moedig door uwen Zoon Jesus Christus, | onzen Heer, om ons gebed te zegenen en dit onbevlekt offer genadig aan te nemen. Wij offeren het ü op voor uwe heilige katholieke Kerk. Schenk haar vrede en eenheid, bestier en geleid haar over de gansche aarde, benevens uwen dienaar, onzen Paus N. N., onzen bisschop N. N. en alle geloovigen en belijders van het katholieke en apostolisch geloof.
33
Gedenk, o Heer, uwe dienaars en die-j naressen N. N. en allen hier tegenwoordig, wier geloof en godsvrucht à bekend zijn, voor welke wij ü dit offer opdragen, â of die U deze offerande van lof voor zich en de hunnen aanbieden. Neem het voor hen en ons aan, tot redding onzer
i zielen, tot hoop op ons behoud en tot welzijn des gansohen Christendoms. Wij vereenigen onze gebeden met de bede dei-allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria en aller heiligen, dat gij ons door hunne voorspraak en verdiensten in alles gelievet te beschermen. zielen, tot hoop op ons behoud en tot welzijn des gansohen Christendoms. Wij vereenigen onze gebeden met de bede dei-allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria en aller heiligen, dat gij ons door hunne voorspraak en verdiensten in alles gelievet te beschermen.
Aanschouw, o barmhartige God, deze heilige offerande, verleen ons vrede in onze dagen, red ons van het eeuwige verderf, en neem ons eens daar boven op onder het getal uwer uitverkorenen. Zegen, o God, dit after en geef, dat het voor ons worde het Liichaam en Bloed van uwen teeder geliefden ^oon, onzen Heer Jesus Christus.
Gedurende de H. Consecratie-
IJl Jesus, ik geloof in Ã1 O Jesus, ik *1/ hoop op ü! O Jesus, ik bemin ü van 11 ganscher harte! Jesus, wees mij genadig 1 h. antoniüs. 3
34
en vergeef mij mijne zonden. O Jesus, voov U leef ik! O Jesus, voor U steïf ik! O Jesus, de uwe ben ik in leven en dood! Eeuwige liemolsche Vader, ik ofier U het kostbaar bloed van Jesus Christus op tot boeting mijner zonden en voor het welzijn der H. Kerk.
Na rtc H. Consecratie.
ijn Jesus, met den diepsten eerbied Ãfï aanbid ik ü bier onder do gedaante van brood. Ofschoon Grij de oneindige heilige en waarachtige God zijt, toont Gij ons hier uwe oneindige barmhartigheid; richt daarom uwe oogen op ons, die hier geknield uwen lof prijzen. Dat dit H. Offer door de Engelen tot den troon uws hemel-schen Vaders gebracht worde, opdat Hij daardoor verheerlijkt en wij allen met he-melsche zegeningen vervuld worden, wij die U hier op het altaar in uw heilig Vleesch en Bloed aanbidden.
Gedenk ook, o Heer, uwe dienaars en dienaressen N. N-, die ons met bet teeken des geloofs zijn voorgegaan en in vrede rusten. Verleen dezen, o Heer, en allen, die in Christus rusten, het oord van verkwikking, licht en vrede, door denzelfden Christus, onzen Heer. Maak ook ons, zon-
35
daars, die op de volheid uwer barmhartigheid hopen, deelachtig aan de gemeenschap uwer heilige apostelen en martelaren en alle heiligen. Wend uw aanschijn af van onze zonden, vergeef ons en neem onsin uwe gemeenschap, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer. Amen.
PAT£R KOSTER.
{Bid het Onze vader). Bij het Agnus Dei.
wereld, ontferm U onzer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm ü onzer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden dei-wereld, schenk ons den vrede.
0 God, oorsprong van alle heilige begeerten, beraadslagingen en vrome handelingen, schenk aan uwe dienaren den vrede, dien de wereld niet géven kan, opdat onze harten uwe geboden onderhouden; en geef, dat onze levensdagen onder uwe bescherming bevrijd mogen blijven van alle vijandelijke beroerten. Door Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
am Gods, dat wegneemt de zonden der
3G
Voor de H. Commnuie.
A
^ J'er, vijf talenten liebt gij mij gegeven; IT hier zijn vijf andere, welke ik daarmede gewonnen heb . . . Welaan, gij goede en getrouwe knecht, omdat gij over weinig getrouw geweest zijt, zal ik u voor veel stellen ; treed binnen in de vreugde des Heeren.
Tijdens de H Communie.
line z;ei verlangt naar U, o mijn Jesus. Mï Doch hoe durf ik, zondig^schepsel, het 0 j wagen, U de oneindige heiligheid zelve, in mijn besmeurd hart te ontvangen. O Heer, ik ben niet waardig, dat gy onder mijn dak komt, maar spreek slechts één woord, dan wordt mijn ziel gezond. Ik betreur al mijne zonden en bid U, o Jesus, laat nu ten minste mijn verlangen, om mij met dit hemel-sche brood op eene geestelijke wijze te vei-kwikken, ü welgevallig zijn.
O God, die ons in het wonderbaar Sacrament des Altaars de gedachtenis aan uw lijden en sterven hebt achtergelaten, laat ons, bidden wij Ã, de heilige geheimen van uw lichaam en bloed zóó vereeren, dat wij de vrucht uwer verlossing voortdurend mogen ondervinden. Amen,
37
Na de H. Communie.
fGod, die ons met uwe weldaden hebt overladen, verleen ons, dat wij door de glorierijke verdiensten van den H. Anto-nius, uwen belijder, aan de volle vruchten van dit heilig Offer deelachtig worden. Door Jesus Christus, onzen Heer. Amen.God, die ons met uwe weldaden hebt overladen, verleen ons, dat wij door de glorierijke verdiensten van den H. Anto-nius, uwen belijder, aan de volle vruchten van dit heilig Offer deelachtig worden. Door Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
0 mijn Jesus, mjjn Heiland en God, die den derden dag na uwen dood zijt opgestaan en uwe Moeder benevens de apostelen op het zien van uw eerwaardig lichaam verblijd hebt, geef, dat ik uit het graf mijner zonden opslaan en in een nieuw leven van genade voor U moge wandelen, opdat ik eens waardig worde, uw heilig aanschijn in de eeuwige heer^ lijkheid te aanschouwen. Amen.
Bij de laatste collecte.
feem. o allerheiligste Drievuldigheid, dit H. Offer aan, hetwelk de priester aan het altaar ü heeft opgedragen. Dat het tl, als een zoenoffer tot vergeving mijner zonden, welgevallig zij, en mij de genade schenke, mijn geloof, hoop en liefde meer en meer te verlevendigen, opdat ik gesterkt door dit heilig geheim, alle aanvechtingeneem. o allerheiligste Drievuldigheid, dit H. Offer aan, hetwelk de priester aan het altaar ü heeft opgedragen. Dat het tl, als een zoenoffer tot vergeving mijner zonden, welgevallig zij, en mij de genade schenke, mijn geloof, hoop en liefde meer en meer te verlevendigen, opdat ik gesterkt door dit heilig geheim, alle aanvechtingen
38
des boozen vijands standvastig ovenvinne en eens in het rijk der eeuw.ge glorie worde opgenomen.
Bij den zegen
ns zegene de almachtige God, de Vader, ' en de Zoon en de heilige Geest. Amen.
Bij liet laatste Evangelie.
|fn het begin was het Woord en het |ï Woord was bij God, en ^et Woord was 1 God. Dit was in het begin bij God. Alles is door hetzelve gemaakt, en zonder dat is er niets gemaakt van hetgeen er gemaakt is. In hetzelve was het leven, en bet was het licht der menschen, en het licht scheen in de duisternissen, en ae duistei-nissen hebben het niet aangenomen, fci werd een mensch van God gezonden, wiens naam Joannes was. Die kwam a s een getuige, om getuigenis van het licht te geven, ten einde allen door hem gelooven zouden. Hij zelf was het licht met, maai hij kwam slechts om van hot licht getuigenis te doen. Het ware licht was dat, hetwelk alle menschen, komende 111 de⢠wereld, verlicht. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt,
39
de wereld beeft Hem niet gekend. Hij kwam onder zijn eigen, maar de zijnen hebben Hem niet ontvangen. Nochtans aan zoovelen als Hem aangenomen hebben, heeft Hij de macht gegeven kinderen Gods te worden, degenen namelijk, die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede, noch uit den wille des vleesches, noch uit den wille des mans, maar uit God geboren zjjn. Eu bet Woord is vleesch geworden en het heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd als van den eeniggeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid.
Na de heilige Mis.
Ifk bedank ü, o mijn Jesus, voor hethei-K liga oft'er, dat Gij mij nu hebt laten bijwo-| nen ; geef, dat uw dierbaar bloed voor mij niet tevergeefs gestort zij. Schenk mij dooide verdiensten van uw kruisdood, dien Gij hier op het altaar hernieuwd hebt, de genade om de zonden te vluchten en in uwe heilige wonden te leven en te sterven; verleen ook o Heer, aan de zielen van alle afgestorvene geloovigen de eeuwige rust. Amen.
â*A/V/Wâ
NOVENE
TER EE RE
VAN DEN H. ANTON[ÃS.
Eerste da^.
IB rooteheilige Antonius,die verdiendet tijdens uw sterfelijk leven het Kindje Jesusteaansohouwen, om alzoovóóruw verscheiden eenigszinsaan dehemelsche | vreugde deelachtig te worden, sla uwe I oogen op de ellende en nood van uwen vereerder, den geringsten uwer kinderen ; laat u uit medelijden bewegen, voor mij te bidden. Ik beken wel,dat alle wederwaardigheden die bijna ieder oogenblik onzen vrede verstoren, de vruchten en de uitwerkselen onzer zonden zijn; doch op uheb ik hettroostvol vertrouwen gesteld, dat, indien gij bij uwen Schepper zult aanhouden, mij de genade zal verleend worden, waarom ikthansuwebemiddelinginroep. O glorierijke heilige, die de gave van wonderwerken bezit, aarzel niet, mij uwen bijstand te verleenen. Onze Vader. Wees gegroet.
41
Wonder.
m Eerw. Paters Augustijnen hadden in K T Bengalen een jongen slaaf gekocht, die afgoden-dienaar was. Zij bespeurden in hem echter de vreemdste hoedanigheden, en daar zij veel hoop koesterden, hem te zullen bekeeren, was hij aan zijn meesters zeer duur betaald. Aanstonds begonnen zij hem te onderwijzen, en hunne pogingen bleven niet vruchteloos ; want hun leerling begreep en onthield al hetgeen men hem leerde, dat het een lust was. Alleen zijn hart bleef weerspannig, en verzette zich hardnekkig tegen de waarheid, welke hij met zijn vlug verstand evenwel goed begreep. Eens, dat hij een vertrek binnenkwam, waarin zich een beeld bevond van den H. An-tonius, begon dit eensklaps te leven, verweet hem nadrukkelijk zijn halsstarrigheid, en diende hem met zijn koord gevoelige slagen toe. De arme jongen bai'stte in tranen los, en op zijn geschrei kwamen de kloosterlingen haastig aangeloopen.
Toen zij de reden er van vernamen, hadden zij geen moeite meer, hem over te halen, om Christen te worden. iSahet doopsel waardig te hebben ontvangen, leidde hij daarop een voorbeeldig leven, werd kloos-
42
ierling der orde, en predikte met zooveel ijver, dat bij in korten tijd twintig duizend heidenen bekeerde.
Boll Miss.
Tweede dag.
eu machtige H. Antonius, al-
wonderen zoekt, treft ze in menigte
bij u aan. Laat mij de kracht uwer wonderen ondervinden, ten einde de belangen mijner ziel daai'door te bevorderen. Verkrijg mij vooral van den almachtigen God de genade, dat ik bevrijd blijve van een plotselingen en onvoorzienen dood, en behoed mij voor zware zonden en den eeuwigen ondergang. Wek de verdoolden uit hunne dwaling op en toon hun den weg des eeuwigen heils. Bewaar mij in alle noodwendigheden des levens, bijzonder, waar het mijne eeuwige zaligheid betreft. Help mij alsdan den vijand mijner ziel overwinnen. Wil ook van mij weren alle ziekten en rampspoed, die ons op deze gevaarlijke levenszee zoo dikwerf overvallen. Waak over mij, mijn beschermer, opdat ik nimmer meer Gods Geest verlieze, ol' indien ik hem helaas ooit verliezen
43
mocht, denzelve door u, die verloren zaken terugbezorgt, aanstonds wedervinde.
Onze Vader. Wees gegroet.
WoNDEU.
ene infante van Spanje lag bevigziek; bet was een jeugdig kind, dat om zijne goedaardigheid door zijne ouders te meer werd bemind. Ondanks al hunne -zorgen, verergerde de kwaal en stierf het. Niets vermocht de smart der koningin-moeder te lenigen; deze verlangde niets vuriger, dan dat de H. Antonius haar kind wederom zou doen herleven. De koning had intus-schen last gegeven, het arme lijkje te begraven ; want reeds was de vierde dag voorbij, zoodat het tot ontbinding begon over te gaan. Ue koningin verzette er zich echter tegen, overtuigd als zij was, dat haar gebed zou verhoord worden. De H. Antonius bewerkte inderdaad dit wonder, dat het ganscho hof met ontzetting vervulde. Het verrezen kind sprak tot de koningin: âMoeder, toen gij den H. Antonius voor mij badt, was ik in het paradijs te midden van het koor der maagden; en in dien schoot van geluk maar al te zeer het gevaar van de ijdelheden dezer wereld ziende, beval ik
44
mij Gode afin, ten einde u niet te verhoo-ren Doch de Heer antwoordde mij, dat Hij vast had besloten, zijnen dienaar geen enkele gunst te weigeren, en dat zoowel uw dringende bede als uw levendig geloof deze belooning wel verdiende; dat ik derhalve terug zou keeren naar de aarde, om uwe droe fenis een weinig te verzachten, en u de heugelijke tijding te brengen van mijn geluk; duch dat ik ook op mijne beurt zou verhoord worden, en dat Hij mij binnen veertien dagen wederom tot zich zou roepen door een zach-ten dood. en voor mij de gelukkig toegekende plaats zou bewaren.quot; Zooals het kind voorzegd had, gebeurde het, en ganseh het hof kon als getuige der voorspelling, de waarheid er van bewijzen.
Boll Miss.
Derde das?.
voorspreker, H. Antonius,
t der bedroefden, met groot ver-
) trouwen kom ik tot u, om hulp te verwerven in mijne behoeften. H. Antonius, geef, dat ik onder het getal dier kinderen gerekend worde, wier bede door uwe tusschenkomst verhoord wordt. Ik beken, dat ik wegens mijn veelvuldige zonden uwe voorspraak niet waardig beu. Daar gij echter tijdens
45
uw leven zelfs de grootste zondaars tot berouw en liefde jegens God wist aan te sporen, stel ik mijn vertrouwen op u en richt tot u mijne bede. Draag ze aan den goeden God op, en geef, dat indien het mijner zaligheid dienstig is, door uwe verdiensten mijn verlangen vervuld worde. Sta mij bij gedurende mijn ganschen levensloop, en help mij, naarmate mijn zielebeil het vordert.
Onze Vader, Wees gegroet.
Wonder.
aat mij u de beschamende les verhalen, welke de H. Antonius eens aan een ondankbare en ijdele dame uit Oremona gaf. Zij had een zeer kostbaar halssnoer verloren en vertelde aan eene vriendin die meer godsvrucht bezat dan zij, haar ongeval. Deze raadde haar aan, eene Mis ter eere van den H. Antonius te laten lezen, haar de verzekering gevende, dat de heilige haar het snoer zou doen terugvinden. Fatsoenshalve gaf zij hare vriendin het geld, om een Mis te laten lezen; doch zonder het minste gelooi er aan to slaan en inwendig er van doordrGngen, dat dit eerder een ingeblazen verzinsel ten bate der priesters was, dan een godsdienstig en Gode welgevallig werk.
46
Eenige dagen later vond die dame in haai kamer haar halssnoer benevens het geld, dat zij voor de Mis had gegeven. Verslagen docr dit wonder, dat haar tegelijk hare ondankbaai-heid, hebzucht en ongeloovigheid verweet, kon zij dit voorval niet verzwijgen. Alsdan vernam zij van haar zoontje, dat deze inderdaad een zeer eerbiedwaardig kloosterling in de kamer had zien komen, en het snoer op dezelfde plaats bad zien leggen, waarhetwasteruggevonden.Dooi deze les en uitstekende genade getroffen, beloofde de dame er zich erkentelijk voor te zullen betoonen, door het graf van den heilige te bezoeken, en het wonder, dat hij te harei gunste had bewerkt, openlijk bekend te maken.
Azevedo 228.
Vierde dag.
heilige Antonius, ijverige verkondiger der katholieke waarheid, die dag en nacht met onvermoeid pogen de leer dei-ware Kerk verkondigdeten de verdwaalden tot het geloof bekeerdet, zie hoeveel duizenden zielen in de schandelijkste dwaling ronddolen en ook anderen in het verderf trachten mede te sleuren. Zie, hoe de ware Kerk van alle kanten wordt aangevallen en hoe lauw en traag vele geloovigen zich gedragon,
47
waarom zij verdienen, door den rechtvaardigen God met de vreeselijke straf te worden gekastijd, van het eenig waar geloof te verliezen. O H. Antonius, toon ook nu nog uwen gver voor de Kerk van Christus. Verkrijg voor alle dwalenden een oprechte bekeering, voor de oprechte ge-loovigen echter die hoogachting voor het heilig geloof gelijk het letaamt. Bid voor ons land en onze woonplaats, opdat alle verdwaalden tot het heilig geloof terugkeeren. Verhoor ons gebed, o ijvervolle geloofspredi-ker, tot meerdere eer van God.
Onze Vader. Wees gegroet.
Wonder.
ene Milaneesche dame, die een paar kostbare oorringen had verloren en ze niet kon terugvinden, liet twee Missen lezen ter eere van den H. Antonius, en woonde die persoonlijk bij. Tehuis komende, vond zij de oorringen in het daarbij hoorende kastje terug, en spoedde zich, verheugd als zij was, naar haren man, olt;n hein die heugelijke tijding te brengen; echter niet zonder spijt van het geld* dat zij voor de beide Missen gegeven had. Deze belceef haar terecht; doch de H. Antonius strafte haar nog erger
48
over hare ondankbaarheid ; wantophetoogen-blik. dat zij hare oorbellen wilde aandoen, vond zij er slechts één in het kastje. De andere was vervangen door het geld der twee Missen, dat haardooreene geheimzinnige hand was terugbezorgd. Zij erkende alsdan haar misstap, liet de verkeerde meening, van te veel ter eere van den heilige gedaan te hebben, varen, en bemerkte weldra, dat er integendeel heel wat meer diende gedaan te worden, om hem te bevredigen. Zij verdubbelde haren eerbied jegens hem, herwon eindelijk van den H. Antonius door middel van een ootmoedig berouw zijne vorige goedgunstigheid, en liet het gebeurde te Padua in de registers van de Sacristie der kerk van den H. Antonius opteekenen.
Boll Azev. 228.
Vijfde dag.
jeilige Antonius. ik stel mij onder uwe heilige bescherming en beveel mij in uwe rijke verdiensten dringend aan Ik smeek u ootmoedig, wil toch met het oog op de groote liefde en het kinderlijke vertrouwen, waarmede mijn hart jegens u bezield is, mijn naam in uw hart schrijven, en mij onder het getal diergenen opnemen, welke gij op bijzondere wijze bemint en bijstaat,
49
opdat ik in al mijne aangelegenheden een zekere toevlucht bij u vinde. Sta mij vooral bij met uwe liefde en hulp in mijne laatste oogenblikken, opdat ik mij in alle eeuwigheid met u in den hemel moge verheugen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Wonder.
en Calvinist bespotte dikwijls de kali^. tholieken wegens heiligenvereering en ^ ' wonderen. Hij doorreisde Italië en ging naar Eome, alwaar het gezicht van zoovele heiligdommen hem slechts nieuwe stof tot spotternij leverde. Eindelijk begaf hij zich naar Padua en trad de Kapel van den H. Antonius binnen, ten einde het prachtige beeld- en snijwerk, dat diens wonderwex'ken voorstelt, te bewonderen. Toen gevoelde de reiziger zich als door een onweder-staanbaar geweld gedreven, om zijn dwalingen af te zweren en zich te bekeeren. Hij echter weerstond en vertrok naar Milaan; de gedachte aan de wonderen van den H. Antonius bleef hem evenwel dag en nacht bij. Zijn ziel was diep getroffen geworden en hij zag wel in, dat er geen ander middel bestond, om zijn arm geweten te bevredigen, dan katholiek te worden. Hij werd het inderdaad, en gaf zich genu anionics. 4
5l)
wonnen voor de macht dos beiligen. Sedert smaakte hij zooveel vreugde, dat hij, niet tevreden met zijn geluk, ook anderen daaraan zooveel mogelijk wilde deelachtig maken. Hij schreef en liet te Venetië een open brief drukken, waarin hij betoogde, boe gemakkelijk het is, tot de kennis van het ware geloof te geraken, en het groote genot beschreef, waarmede degenen zijn vervuld, die dat geloof omhelzen. Wat hem aangaat , hij ging zoo groot op 't katholiek geloof, dat hij dit voor alle smarten ter wereld niet zou verzaakt hebben.
Boll Azev. 196.
Zesde dag.
Antonius. die om uwe en-
reinheid waardig zijt bevon-le Engelen, met Maria, de Maagd der maagden en Jesus, de Lelie der kuiscbheid, vertrouwelijk om to gaan, werp op mij een blik van medelijden. Gij, die reeds aan anderen, door de aanraking van uw kleed, de gave der kuiscbheid kondet ver-leenen, reinig door uwe machtige voorspraak mijne ziel en lichaam, reinig mijne zinnen, mijn geest en mijn bart. Geef dat ik, in navolging uwer bewonderenswaardige zuiverheid, zelfs de geringste gedachte,
51
walke in strijd is met deze beminnelijke deugd, verfoeie Verleen mij sterkte in het beoefenen dier deugd, opdat ik Jesus en Maria welgevallig worde. O konde ik door uwe tus-schenkomst de vreugde smaken, welke in den hemel voor kuiscbe zielen is weggelegd.
Onze Vader. Wees gegroet.
Wonder.
en in de kunst zeer ervaren chirurgijn uit Bordeaux kreeg van zijn heer, den prins van Aquitanië, last, om het leger, dat naar Castilië gezonden werd. te vergezellen en het zijn diensten te verleenen. Hij kon zulks niet weigeren, en niettemin hielden gebiedende omstandigheden hem tehuis. In die verlegenheid kwam de gedachte bij hem op, zijn toevlucht te nemen tot den H. Antonius, waarna hij eerbiedig voor zijn altaar nederknielde. Terwijl hij een Mis, welke tot dat einde werd opgedragen, bijwoonde, zag hij, dat het hoofd van het beeld des heiligen een ontkennende beweging maakte. Aanvankelijk meende hij, dat hem een gezichtsbegoocheling overkwam, doch meer oplettend toeziende.
52
kreeg hij de overtuiging, dat het beeld werkelijk zijn hoofd bewoog, als wilde het zeggen : neen. Ten eenentnale wist hij niet, waaraan zich te houden, noch hoe bij dit teeken moest uitleggen; had het te beduiden, dat hij in 't geheel niet zou vertrekken, of wel, dat, ingeval hij vertrok, de gevaren, welke hij duchtte, niet zouden verwezenlijkt worden? Terwijl bij aldus in twijfel verkeerde, werd bij aan het hof ontboden. Hij begaf zich derwaarts, zijn heiligen beschermer dringend om uitkomst smeekend. Ten paleize aangekomen, kreeg bij van den prins zeiven een tegenbevel. Aanstonds betuigde hij den H. Antonius zijnen dank, en aarzelde niet dit feit te laten aanteeke-nen tot meerderen roem van zijn beschermer.
Azevedo 245. Bol.
Zevende dag.
Antonius, kostbare lelie van on-schuld en voorbeeld van nederigheid, ^ bevorderaar der eer van God en het heil der evennaasten, tot u wend ik mij heden met innig vertrouwen en kinderlijke genegenheid. O, hoevele menschen hebt gij reeds in het opsporen van verloren zaken wonderbaar geholpen; en gij zoudt mij in
53
deze mijne ellende geen hulp bieden en niet door medelijden worden bewogen? O, mijn getrouwe vriend, u klaag ik mijn nood, u leg ik m^ne smart bloot. Ik heb schipbreuk geleden in mijn geloof, de reinheid der kinderlijke onschuld verloren. Waar zal ik hulp zoeken ? Daarom snel ik tot u, H. Antonius. Wees door uwe vermogende voorspraak mijn redder en laat mij het witte kleed der heilig-makende genade terugvinden. Voer mij vol liefde wederom terug voor den troon van Gods barmhartigheid, en verzoen mij met het goddelijk Hart van Jesus. In eeuwigheid zal ik u H. Antonius, daarvoor loven en danken.
Onze Vader, Wees gegroet.
Wond eb.
fimotius van Soria, Maronitisch imotius van Soria, Maronitisch 1) bisschop van Mediü en Mesopotamië, ging met eenige reisgezellen scheep, ten einde naar Eome te stevenen. De overtocht was gelukkig geweest, en zij hoopten dan ook weldra de haven te bereiken, toen eensklaps een vreeselijke stormwind hen over-
1
De Maronkttn. Eei» Koomsch katliolh-k volk, dat den Sy rise hen ritus volgt, wonen e aau den Libanon,
54
viel. Door den orkaan aangegrepen, werd het schip op de woedende baren heen en weer geslingerd ; men zag de zeilen achtereenvolgens in flarden scheuren, de voorsteven werd verbrijzeld, en toen het roer wa? weggeslagen, koesterden zij niet de minste hoop meer op behoud. De goedaardige bisschop, die eene groote godsvrucht jegens den H. Antonius bezat, liet intusschen den moed niet zinken, hij begon hem aan te roepen, spoorde zijne lotgenoo-ten ann, zulks evenetns te doen, en deed hen beloven, hem, indien zij ongedeerd mochten aanlanden, een kaars te zullen offeren. Nauwelijks was deze belofte geschied, of de storm bedaarde en zij bespeurden, dat zij zich in de zoo vurig gewenschte haven bevonden, die zij nog ver verwijderd achtten Toen zij voet aan wal zetten, werd de belofte vervuld en nooit vergaten zij het uitstekend gunstbetoon des H. An-tonis, waarvan zij het voorwerp waren geweest.
Boll. Miss.
Achtste dag.
Antonius, verheven leermeester en licht der H. Kerk, minnaar van Gods geboden, bid voor ni|j den Zoon van God,
55
opdat ik in het geloof volharden en onder uwe medewerking datgene voltrekken moge, wat gij in woorden en werken hebt geleerd. O H. Antonius, onwetenden hebt gij den weg der waarheid gewezen en ketters in boetvaardigheid tot God teruggebracht, verwerf ook voor mij en allen, die tot de strijdende kerk van Christus behooren; door uwe voorspraak eene onwankelbare standvastigheid in het katholiek geloof. Haast u echter, degenen te hulp te komen, welke door het ongeloof van Christus, den eenig waren weg, zijn afgeweken; verlicht hun verstand en overwin hunne hardnekkigheid, opdat zij tot den schoot der kerk terugkeeren en ontrukt worden aan den afgrond der hel.
Onze Vader. Wees gegroet.
Wonder.
Xen Portugeesch ridder, door een wree-de ziekte aangetast, welke hem aan den rand des grafs bracht, had vier Minderbroeders gevraagd, om hem op te passen. Eens, dat hij buiten kennis raakte, zag hij den H. Pranciscus en den H. Antonius naderen, die hem vroegen, ot hij hen ken-en Portugeesch ridder, door een wree-de ziekte aangetast, welke hem aan den rand des grafs bracht, had vier Minderbroeders gevraagd, om hem op te passen. Eens, dat hij buiten kennis raakte, zag hij den H. Pranciscus en den H. Antonius naderen, die hem vroegen, ot hij hen ken-
56
de. De zieke bekwam intussohen eenigszins en antwoordde hun: âJa gij zijt twee dier kloosterlingen, welke ik verzocht heb, mij op te passen.' âNeen,quot; antwoordde Eranciscus âwij zijn Antonius en Pranciscus, en komen uit den hemel u bezoeker;.'
,0, heilige vader,' hernam de ridder, âwees mij genadig, en gewaardig u het geestelijk kleed uwer orde te zegenen, dat ik heb laten vervaardigen, om daarin begraven te worden als blyk der hoogachting, welke ik uw orde toedraag,quot; De heilige zegende werkelijk dit kleed, terwijl de H. Antonius hem in zijne minzame goedertierenheid toelachte. Voorts verdwenen beiden, en de ridder was op hetzelfde oogenblik genezen. Hij leefde nog twaalf jaren, en bewaarde met den meesten eerbied het kleed, dat die heilige ordestichter in tegenwoordigheid van den H Antonius had gezegend.
Bolland. Azevedo, 194
Negende dag:.
Antonius, onoverwinnelijke bestrij-I der van den boozen vijand, gij weet het en wij ondervinden het helaas, hoezeer de duivel het op onze ziel heeft gemunt en rondloopt als een brullende leeuw,
57
zoekende, wien hij zal verslinden. On/.e arme zielen verkeeren derhalve voortdurend in gevaar van door zijne listen eeuwig in het verderf te worden gestort. Daar echter de Allerhoogste u, ter wille uwer groote verdiensten, eene verbazende macht over den satan heeft toegestaan, bidden wij u dringend, ons toch in zoovele en gevaarlijke aanvechtingen van den boozen geest, krachtdadigen bijstand te verleenen, opdat wij voor hem niet zwichten, maar door uwe voorspraak aan zijne listen ontkomen, en van de hel bevrijd, aan de eeuwige gelukzaligheid mogen deelachtig worden. Onze Vader, Wees gegroet.
Ignatius Martinez der Sociëteit
ti Jesus, werd aan het Tortugeesche
Wonder.
t' als groot predikant geroemd. Naar Italië gereisd zijnde en te Padua vertoevend, wenschte hij de ongeschonden tong van den H. Antonius te kussen. Doch bij bet vereeren dier heilige reliquie, voelde hij zich inwendig zoo hevig getroffen over het misbruik, dat hij van zijn eigen tong maakte, door liever uit ijdele behaagzucht te preeken, dan met het doel om zijne toehoorders tot berouw over hunne zonden
58
op te wekken, dat hij in tranen losbarstte, en zijne fouten erkennende, besloot, om voortaan voor dien gevaarlijken eerepost van hofprediker te bedanken, en zich niets anders meer ten taak te stellen dan arme lieden te onderwijzen. Met het oog op zjjn hoovaardig-heid kwam hem dergelijke onderneming aanvankelijk vernederend voor, doch spoedig onderdrukte hij dit gevoelen, en mocht weldra de zoetste vrucht smaken van zijn nederig herderlijk ambt, dank zij den bijstand van den H. Antonius, Ten einde het volk af te houden van verkeerde liederen te zingen, componeerde hij godsdienstige gezangen, en mocht een voortreffelijk bewijs ondervinden, dat zijne onderneming Gode welgevallig was, daar hem eens een Engel tot slot van zijn dichtstuk een versregel dicteerde. Na den ootmoed der heiligen te hebben nagevolgd, viel hem zelfs het geluk ten deel, te sterven als een heilige. Hij had het verlof gevraagd en ook verkregen, om in het graf naast den stok te mogen rusten, welke hem op zijn apostolische tochten tot steun verstrekt bad. Dan, lange jaren daarna, vond men bij het openen van zijn graf den stok groen en in bloeienden toestand terug, door eene nog ongeschonden hand omklemd. De koning
59
van Portugal kuste die hand als bewijs van hoogen eerbied.
Azevetlo 176.
Dankzegging na ontvangen weldaden.
1
CMijne ziel, loofden Heer, en alles watinmij is, p rij ze zijn heiligen naam. Loot, ^ mijne ziel, den Heer en vergeet geen enkele zijner weldaden. De Heer is genadig en barmhartig, lankmoedig en van groote ontferming. Gelijk een vader zich ontfermt over zijne kinderen, aldus ontfermt, de Heer zich over hen, die Hem vreezen. Hoe vol erbarming hebt Gij mij, o God, de macht der voorspraak van den H. Antonius doen gevoelen. Nu beken ik, dat niemand tevergeefs smeekt, die door Antonius Gode bidt. O mijn beminnelijke voorspreker en beschermer, door u dank ik God voor de mij verleende genade. Ik stel mij uit dankbaarheid geheel en al als een kind onder uwe vaderlijke hoede, en beloof u van nu af aan, altijd zorgvuldig de zonden te vermijden en God van ganscher harte te beminnen. Smeek voor mij, o H. Antonius, de genade af der volharding, want groot is God in zijne heiligen.
ém
60
LITANIE VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA. eer, ontferm ü onzer!
Christus, ontferm U onzer!
Heer, ontferm U onzer!
Christus, hoor ons!
Christus, verhoor ons!
God hemelsche Vader, ontferm U onzer! God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm
U onzer!
God H. Geest, ontferm U onzer! H. Drievuldigheid, één God, ontferm IJ onzer! H. Maria, bid voor ons!
H. Moeder Gods, bid voor ons! H. Maagd der maagden, bid voor ons! H. Antonius. van Padua, bid voor ons! Apostel des Evangelies, bid voor ons! Trouwe dienaar des Allerhoogsten, Luister der Minderbroeders,
Lelie der reinheid,
Nauwkeurige betrachter der kloosterlijke
armoede '
Stipte betrachter der gehoorzaamheid, ^ Spiegel der kuischheid, g
Roos van verduldigheid,
Vuur van liefde.
Ster van heiligheid.
Voorbeeld van levenswandel,
1
61
Steunpilaar der Kerk,
Schatkamer der H. Schrift,
Leeraar der waarheid,
Verkondiger der genade,
Uitroeier der misdaad,
Geesel der ketters,
Schrik der ongeloovigen,
Groot ijveraar der zielen,
Troost der bedrukten,
Voorzegger der toekomst,
Martelaar van begeerte,
Opwekker der dooden,
Schrik der hel,
Terugbrenger van verloren zaken, Groote wonderdoener,
Onze beminde vader en beschermer, Wees genadig, spaar ons Heer!
Wees genadig, verhoor ons Heer! Wees genadig, verlos ons Heer! Van alle onheil,
Van alle zonden,
Van de listen des boozen vrjands, Van-pest, hongersnood en oorlog. Van de rampen der aardbeving. Van brandschade,
bliksem en onweder,
eeuwigen dood, de verdiensten van den H. An-
62
Door zijne SerapMjnsche liefde,
Door zijn voorzeggenden geest,
Door zijn ijver voor de bekeering der zondaars, ^
Door zijn vurig verlangen tot den mar- ^ teldood, o
Door zijne getrouwe naleving der kloos- 0 tergeloften, °
Door zijn onvermoeiden arbeid, quot;
Door zijne voortdurende wonderwerken, ® In den dag des oordeels, §_
Wij zondaars, wij bidden U, verhoor ons!
Dat Gij ons de genade eener ware bekeering gelieft te verleenen, wij bidden ü, verhoor ons!
Dat Gij ons het vuur zijner liefde wilt me-dedeelen, wij^ bidden U, verhoor ons! Dat Gij door de voorspraak en de verdiensten van den H, Antonius uwen ^ rechtmatigen toorn van ons wilt afwen- ca: den, wij bidden U, verhoor ons! gt Dat Gij de vereering van dezen heilige
wilt bestendigen en vermeerderen, § Dat Gij allen, die tot hem hun toevlucht q
nemen, wilt verhooren.
Dat wij door de verdiensten van den § H. Antonius vergiffenis onzer zonden ^ mogen verwerven,
68
Dat, wij, volgens zijn voorbeeld, de ijdel-heden en gevaren dezer wereld mogen overwinnen, wij bidden U, verh. ons.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden dei-wereld, spaar ons, lieer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden dei-wereld, verhoor ons, Heer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden dei-wereld, ontferm U onzer, Heer!
Onze Vader, enz. Wees gegroet, enz.
Heer, verhoor mijn gebed.
En laat mijn geroep tot ü komen.
Gebed.
^od, die wonderbaar zijt in uwe heiligen, geef ons, die in den naam van den H. Antonius, uwen belijder, vergaderd zijn, hetgeen wij verlangen, opdat wij in alle noodwendigheden beschermd worden en nimmer ophouden, uwen goddelijken lof te verkondigen. Door onzen Heer, Jesus Christus, die leeft en heersoht met den Vader.en den H. Geest in alle eeuwen der
wen. Amen.
jmm-
gaüKsagggsia
KLEINE GETIJDEN van den TI. Antonius van Padua. DE METTEN.
De zegen van den H. Antonius.
wjiet het buis des Heeren; vlucht, gij weerspannige partijen, de leeuwuit het geslacht van Juda, de wortel van ^ David heeft overwonnen. Alleluja. V. Heer, open mijne lippen, K. En mijn mondzaluwlofverkondigen. V. God, geef acht op mijne hulp, R. Heer, haast IJ om mij te helpen. Eere zij den Vader, enz. Alleluja.
(Van Septuagesima tot Paaclien zegt men in plaats van Alleluja:
Zof zij U, Heer, Koning der eeuwig» hesrlijkheid.
Lofzang.
'ij 't vernemen van de mare.
Dat een Minderbroederschare,
Vijf in tal als mart'laar sneeft, En voor Jesus 't leven geeft,
Wordt hij aanstonds Minderbroeder, Draagt zich op aan dAlbehoeder, En met 't woord Gods in de hand,
65
Snelt hij naar der wilden strand.
Geef, o Jesus, vol genaden,
Groot in macht en groot in daden, Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd'.
ANTIPHOON.
i
londerbare Held van Spanje, schrik der
1
ongeloovigen, nieuw licht van Italië, 1 kostbaar pand van Padua, verkrijg voor ons, Antonius, de bescherming der genaden van Christus, opdat wij den korten tijd, die ons vergund wordt, niet vruchteloos laten voorbijgaan.
Dat zich alle kinderen des Heeren verblijden, dat zij den lof van den H. Antonius alom verbreiden 1
Gebed.
God, die door de H. Kerk wonderbaar genoemd wordt in uwe heiligen, door wier voorspraak zij bijstand gevoelt in allek wellingen, verleen ons, dat wij, die in den naam van uwen zaligen Belijder Antonius vergaderd zijn, m ogen verkrijgen wat wij verzoeken ; opdat wij, in alle voorvallen beschermd wordende, nimmer ophouden U teloven en te danken; door Jesus Christus, uwenZoon, onzen Heer. Amen. h. anionics. 5
66
DE PRDIEN.
God, geef acbt op mijne hulp,
Heer, spoed ü om mij te helpen.
Eere zij den Vader, enz.
CVj Lofzang.
ÃTij verdrijft de ketterijen,
~ V Met het woord Gods te verbreien; Breekt der helle kerkerslot,
En bevrijdt de Bruid van God.
Geef, o Jesus vol genaden,
Groot in macht en groot in daden. Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd'.
Antiph. Door wonderteekenen, die van Gods
macht getuigen, Doet hij het ongeloovig volk zich geloovig ne-
derbuigen
Voor God, zijn Heer, wiens dierb're Bruid
hun lastermond, Door bun vermeten taal, zoo dikwijls had
gewond.
Ontwaak, H. Antonius, tot onze hulp, Verlos ons van alle zichtbare vijanden.
Gebed.
God, die uwen H. Belijder Antonius zulk een uitmuntenden verkondiger van
67
uw woord gemaakt, en de H. Kerk door zijn zalige leering zoo wonderbaar verblijd hebt; verleen ons genadig dat wij, hetgeen hij ons met woorden en werken geleerd heeft, door
zijnevoorspraakgetrouwmogennavolgen, door Jcsus Christus, uwen Zoon onzen Heer, Amen.
DE TERTIÃN.
God, geef acht op mijne hulp,
Heer, spoed ü om mij te helpen.
Eere zij den Vader, enz.
Lofzang.
aat'ren vloeien uit do steenen,
Hard versteende harten weenen Als zijn tong, die honing vloeit, Hen met s hemels dauw besproeit. Geef, o Jesus, vol genaden,
Groot in macht en groot in daden. Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd'.
Antiph. Hij dorstte steeds naar U, o God, en ) _ placht te waken,
v an 't eerste morgenlicht, in uwen dienst . en zaken.
Gij wildet, dorstend aan het kruis, dan voor
hem zijn
Een helderschijnend licht, een levende fontein.
68
Doe door uwe verdiensten, allerminnelijkste Antonius,
Onze harten in de liefde van Christus smelten.
t Gebed.
tort, allerliefste Jesus, den vruchtbaren regen uwer liefde overvloedig over onze dorre harten uit, en zuiver ze, door de voorspraak van den H. Antonius, van alle vlekken der zonde, Gij, die leeft en heerscht met den Vader en den H. Geest in alle eeuwen der eeuwen Amen.
DE SEXTEN,
God, geef acht op mijne hulp,
Heer, spoed ü om mij te helpen.
Eere zij den Vader, enz.
Lofzang.
/apltijd had hij in zijn leven cfTV 't Heilig kruis in't hart geschreven;
' Droeg dit teeken in zijn ziel Wat hem nimmer lastig viel.
Geef, o Jesus, vol genaden.
Groot in macht en groot in daden, Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd'.
Antiph. Looft, schepselen, den Heer, die uit
de hemelzalen,
69
Zijn milden zegen op u allen neer doet dalen, En uwe hoop beloont door 't onwaardeerbaar goed,
Dat, door Antonius, Hij voor u allen doet. Dat allen zich verheugen en verblijden, die door Antonius tot den schoot der heilige Kerk gebracht zijn.
Gebed.
God, voor wiens aanschijn de hemelen zelfs niet zuiver zijn, sla een oog van genade op ons, wier vlekken Gij door het dierbaar bloed van uwen eenigen Zoon U ge-waardigd hebt af te wasschen, en vergun ons, dat wij, door de voorbede van den H. Antonius, zóó door de tijdeljjke goederen mogen wandelen, dat onze geest altijd naar ü en naar de eeuwige goederen wenschen en verlangen moge. Door denzelfden Jesus Christus, die met ü en den H. Geest leeft en heerscht in allo eeuwen der eeuwen. Amen.
DE NONEN.
God, geef acht op mijne hulp.
Heer, spoed ü om mij te helpen.
Eere zij den Vader, enz.
70
Lofzang.
t
JL iji0 z'e-'e wordt ontbonden,
Mj. En in die fontein verslonden, Cj' Waar zij nu in vrede rust, Eeuwig haren dorst aan bluscht.
Geef o Jesus, vol genaden,
Groot in macht en groot in daden, Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd'.
Antiph. Verheug u, Padua, in wier verblijde
Staten
Pe Heer zulk eeuen schat heeft inbezit gelaten, En dat de goede God u heeft geopenbaard, In welk een fraai altaar hij dient te zijn bewaard. De Heilige verheugt zich in zijne heerlijkheid. Hij verblijdt zich in zijne rustplaats.
Gebed.
aat, o genadige God, uw H. Kerk zich verheugen in de voorspraak van uwen H. Belijder Antonius,opdatzij door geestelijke hulp ten alle tijde gesterkt en waardig gemaakt worde, om eenmaal de eeuwige vreugde te genieten; door onzen Heer Jesus Christus, die met U leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
71
1)E VESPERS.
God, geef acht op mijne hulp,
Heer, spoed U om mij te helpen.
Eere zij den Vader, enz.
Lofzang.
oen hjj zalig was gestorven,
Is zijn stoffelijk deel bedorven; Maar zijn tong, Gods lof gewoon. Bleef onbedorven en zeer schoon.
Geef, o Jesus, vol genaden,
Groot in macht en groot in daden, Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd'.
Antipli. O zegenrijke tong, die zongt den lof
des Heeren, En ook denzelfden lof den menschen placht
te leeren,
Wij zien nu zonneklaar, door zulk een wonderdaad,
Op welk een hoogen trap gij in Gods achting staat.
Gezegend zij de H. Antonius, dien de Allerhoogste in den Hemel met zijne heerlijkheid gekroond heeft.
li},
Gebed.
erhoor ons, o God, onze Zaligmaker, opdat wij, door de voorbede van den
72
H. -Antonms, uwen belijder, den H. Geest,dien Gij beloofd hebt aan allen, die denzelven vragen, beden door zijne verdiensten waardigmo-gen worden te ontvangen, dien zaligmakenden Geest die met U en den Vader leeft enbeerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.
DE COMPLETEN.
Bekeer ons, God onze Zaligmaker, En wend uw toorn van ons af. God, geef acht op mijne hulp.
Heer, spoed U om mij te helpen.
Eere zij den Vader, enz.
Lofzang.
1 aan uwe dienaars geven, Zoo gestorven, als die leven
iw voorspraak, vol van kracht, 't Goed, waar iedereen naar wacht. Geef, o Jesus, vol genaden.
Groot in macht en groot in daden, Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd'.
Antiph. Nu is hij deelgenoot der hemelvreugd
geworden
Van 't zalige getal der vaders van zijn orden.
Wier leven hij hier had beoefend met de daad.
Ziet, welk een kroon de deugd baar minnaars
achterlaat!
73
I Gebed.
(fljvoedertieren Jesus, die uwen belijder, den \JU H. Antonius, met gedurigen luister van ) wonderteekenen versiert, verleen ons genadig dat wij hetgeen wij met vertrouwen door zijne verdiensten verzoeken, door zijne voorbede mogen bekomen. Die leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
OPDRACHT.
cif
/Intonius, neem de getijden,
Die 'k u ter eere bid, toch aan; ^ Ik wil uw dienaar zijn voortaan. Wil door uw macht mijn ziel bevrijden, Haar steeds beschermen in den nood, Vooral in 't uur van mijnen dood, Wanneer zij zal van 't lichaam scheiden: Geef dat zij op dien laatsten dag U tot haar leidsman vinden mag, Die haar met liefde zult geleiden Door uwe hulp en aan uw kand,
Tot in het hemelsch Vaderland!
Ach, toon ook, bid ik, uw vermogen Aan hen, die nog in kwelling zijn :
Toon aan de zielen Gods aanschijn,
Opdat ze in vrede rusten mogen.
Verkrijg van Gods barmhartigheid Voor haar de volle zaligheid.
WONDEEBAAK RESPONSORIUM.
4 nder de verschillende gebeden tot den H. Anto-i'ius, welke in liet kerkelijk officie zijn opgenomen, dient vooral in de eerste plaamp;tain aanmerking te komen liet zoogenaamde âWonderbare Responsorium,quot; wegens zijne beroemdheid en de vele gunstbewijzen Gods, daaraan verbonden.
l-e oudste schrijvers zeggen, dat de H. Bonaven-tura het heeft vervaardigd. Vervuld van bewondering over de tallooze wonderen, welke er door de voorspraak van den H. Antonius plaats grepen, wilde de seraphijnsche kerkleeraar dit alles, in korte woorden, saamgevat, den geloovigen diep in het geheugen prenten. En zoo steeg uit zijn brandend hart dit gezang van liefde en glorie: Si quceris miracula. Sedert onheugelijke tgden klinkt dit godsdienstig lied in de kerk van den H. Antonius te Padua waar het meermalen op verzoek der vrome pelgrims gezongen wordt voor de reliquiekast, welks het gebeente van den heilige bevat. Zeer oikwijls worden hierbij plotseling de gebeden der pelgrims verhoord.
Paus Pius IX heeft den 25 Jan. 1866 aan dit gebed verschillende aflaten verhonden. Zoo dikwijls men het aandachtig bidt, verkrijgt men een aflaat van honderd dagen. Wie het dagelijks, gedurende een maand lang verricht, kan onder de gewone voorw-tarden, op een dag der maand naar verkiezing, na het ontvangen der H. H. Sacramenten, een vollen aflaat verdienen.
.1
li)
Jilt gij miraak'len zien? Het weenen, kermen, zuchten, De duivel, dood en pest, de ketters moeten vluchten. Wat ziekten het ook zijn, melaatschheid
zelfs vergaat;
Geen mensch, hoe krank hij is, die niet
gezond opstaat, R. De zee deinst voor hem t'rug, de banden
der gevangen,
Zij springen door hem los; zoo jong als Q oud ontvangen
In al hun bangen nood, hulp, troost en
onderstand:
En wat verloren is, komt wederom ter
hand.
Degenen, die tot hem slechts richten hun
gebeden.
Zij hebben noch gevaar, noch ramp, noch
zwarigheden
Dat hij, die 't ondervindt, 't belijde
openbaar-En Paduanen b!ij 't getuigen ^teg^ar: E. De zee deinst voor hem t'rug, énZiv- Vt. Glorie zij den Vader, enz.
Bidt voor ons, H. Antomutfi /N) lt;â¢
Opdat wij waardig mogetf VYOwleD ^e'lxi- x 1 often van Christus!
k s
76
Vgedurigen luister van wonderwerken versiert, verleen ons genadig, dat wij, hetgeen wij met vertrouwen door zijne verdiensten verzoeken, door zijn voorbede mogen verwerven. Door Jesus Christus onzen Heer. Amen.
Gebed voor het beeld van denH. Antonius-
H. Antonius van Padua, machtigehelper
in alle noodwendigheden, dewijl zooveel
menschen uwe krachtige hulp roemen, wil ook ik in uwen trouwen bijstand troost zoeken : Ik kniel hier voor uw beeld neder, H. Antonius, methet vast vertrouwen, datgij mij, o getrouwe vriend Gods, kunt en wilt helpen. Indien dus mijn wensch rechtmatig en volgens Gods wil is, zoo bewerk de vervulling daarvan ; zou hij echter strijdig zijn met debelangenmijner ziel, wil mij dan, bid ik u, van God een andere genade verwerven.
Ach, verhoor mij toch, liefderijke H. Antonius ; neem mijn ⢠smeeken goedgunstig aan; dat mijne tranen en zuchten tot u doordringen. Geef dat mijn vast vertrouwen niet vruchteloos zij, opdat allen, u prijzen en zeggen: Hij heeft op Antonius
LAAT ONS BIDDEN'.
Imachtige en eeuwige God, die uwen glo-
rierijken Belijder, den H. Antonius met
77
vertrouwd, on is verhoord en getroost. Ik bid u alzoo, meer ter wille uwer eer, dan wel te mijnen gunste; want uw lof moet verkondigd worden over de geheels aarde, en uw machtige hulp geprezen door alle eeuwen.
Let niet op mijne onwaardigheid, maar gedenk, hoe aangenaam uw gebed is voor God, die het opperste goed was en nog is. Wees mijne tallooze zonden niet indachtig, waardoor ik uwen en mijnen God en Heer zoo menigmaal smartelijk bedroefde; maar verkrijg mij daarvoor vergiffenis en een standvastig voornemen om ze voortaan zorgvuldig te vermijden. Versmaad dan toch een ootmoedig en vermorzeld hart niet, gelijk ook God het niet veracht,
Met groots liefde en eerbied bezoek ik uw aanvallig beeld, waarbij gij het Kindje Jesus in uwe armen draagt, en bid u: draag mijne bede den goddelijken Zaligmaker op. Ik zal nimmsr ophouden u te prijzen, maar uwen roem aan allen verkondigen. Amen.
ANTIPHOON: âO zegenrijke tong.'
i Op Witten Donderdag, 8 April van Let jaar 1263 â tÃj Bonaventura het marmeren graf, waarin
Vift'.' gebcönt0 van den H. Antonius gedurende twee jaren rustte, openen, waarbij liet volk toe-. sirbomde, om de kostbare reliquiën te zier. Het vleesch
78
van dit heiüg lichaam was geheel verteerd, maar, o wonder! te midden der dorre doodsbeenderen, zag meu de tong van den roemvollea gfloofsprediker zoo volkomen rood en ongeschonden, als in de dagen, waarop zij aan de kinderen der men^chen de goddelijke leer verkondigde. Bij het aanschouwen van dit wonder, ontwelden aan aller oogen tranen van liefde en aandoening. De H. Bonaventura hield niet op, die tong, dat leerzaam werktuig van den H. Geest, aan te staren. Hij nam haar in zijne handen, vereerde haar vurig, en riep in de teederste bewoordingen aldus Tit: âO gezegende tong. die steeds Gods lof verkondigdet en anderen leerdet, God te prijzen; thans blijkt, hoe verheven gij zijt voor God.quot;
O zegenrijke tong, die zongt den lof des
Heeren,
En ook denzelfden lof den menschen placht'
te leeren,
Wij zien thans zonneklaar, door zulk een
wonderdaad,
Op welk een hoogen trap gij in Gods achting staat.
Ander gebed voor het beeld v. d. H. Antonius.
^es gegroet, o H. Antonius, witte lelie der zuiverheid, glorie en sieraad dei-Kerk. Wees gegroet, o H. Antonius, hoogverheven Cherubijn, en in liefde ontstoken Seraphijn. Ik groet en vereer u uit den grond mijns harten, en wensch u geluk met de bijzondere gaven, waarmede de
79
goedertieren God u zoo mild beeft bevoorrecht. O liefdevolle H. Antonius, in ootmoedigheid des harten kom ik voor uwe voeten nederknielen, dewijl gij nog niemand ongetroost hebt gelaten. Met grool veitiouwen kom ook ik u mijn nood klagen. Met een bedroefd, doch vertrouw-yol hart, staar ik uw beeld aan, en richt in den geest mijne oogen tot u ten hemel. Ach, zie welwillend op mij neêr, en laat uw hart bewegen door medelijden. Ik bid u om uwe liefde tot het zoete Kindje Jesus, dat gij op uwe armen draagt, wil Hem mijn nood blootleggen, en mij bij God genade verwerven. O, hoe gemakkelijk kunt gij mij ter hulp komen, H. Antonius, en met één zucht de vervulling mijner wenschen van Christus erlangen. Want, daar Hij u, toen gij nog op aarde leefdet, zoozeer beminde, dat Hij u niet slechts als Kind verscheen, maar zich ook in uwe armen liet dragen, zal Hij u thans, nu gij in den hemel met Hem vereenigd zijt, nog veel meer beminnen, eeren en verhoeren. Gelijk men bij uw beeld u met Kindje Jesus vereenigd vindt, zoo ook zijt Gij, Jesus en Antonius, als twee minnende harten in alle eeuwigheid verbonden. Ik groet U daarom, Jesus en Antonius,
80
vereer en loof U beiden, in liefde vereenigd, en bid U, weest mij genadig en ontsteekt mijn hart in liefde en godsvrucht tot ü. O Jesus, ik smeek ü ter wille van uwen vriend Antonius. O Antonius, ik bid u door de verdiensten van uwen beminden Jesus. O Jesus en Antonius, ik bid U ter-wille uwer liefde en de innige vereeniging uwer harten, neemt mij als getrouwen vriend in uw gezelschap op, voor tijd en eeuwigheid. Ik beveel U mijne ziel aan, schenk U mijn hart, en geef mij geheel aan ü over. Amen.
Gbeed om verloren zakeu terug te vinden,
Jj Antonius, hoe groot en sterk is in u de rf, genade en de kracht Gods, hoevelen ~ ^ hebtgij reeds liefderijk geholpen, vooral wanneer zij u baden, om verloren zaken terug te vinden. Zie, op dit oogenblik kom ook ik ootmoedig u bidden : geef, dat ook ik, onwaardige, uwe hulp en troost onder-vinde. Ik weet, dat het lieve Kindje Jesus op uwe armen u geen enkele bede zal weigeren. Daarom beveel ik u aan hetgeen ik verloren heb, opdat ik, door uw toedoen, weder in het bezit daarvan gerake, en mij over uwe bescherming en liefde moge verheugen. Amen.
i
Oorsprong van de godsvruclit der negen J)insdagen ter eere van den H. Antonins van Fadna.
e H. Antonius stierf op een en Vrijdag, doch wegens onderscheiden moeie-iijkheden, welke zich tijdens de teraardebestelling zijns lichaams voordeden, en de tallooze wonderen, die bij het lijk plaatsgrepen, was meu genoodzaakt, de begrafenis uit te stellen; deze geschiedde eerst Dinsdags den 17 Juni 1231. Dien dag echter volgden talrijker en treffender mirakelen dan te voren. Uit dankbaarheid en liefde wijdde het volk den Dinsdag aan degods-vrucht en vereering van den H. Antonius, die door God op zulk een uitstekende wijze was verheerlijkt. Bij voorkeur werd 's Dinsdags het graf des heiligen bezocht, en algemeen heersch-te te Padua de meening, dat men op dien dag alle genaden van God door zijne voorspraak kon bekomen. Deze godsvrucht werd in het jaar 1617 op buitengewone wijze bekrachtigd, doordien de H. Antonius te Bologna aan eene aanzienlijke dame, antonius. 6
h.
82
welke liem dringend om eene bijzondere genade smeekte, des nachts verscheen, en de volgende woorden tot haar sprak; âBezoek gedurende negen Dinsdagen mijn beeld in de kerk van den H. Franciscus, en gij zult verhoord worden.quot; De godvruchtige vrouw volgde stipt het voorschrift van den heilige, en verwierf, hetgeen zij zoo vurig verlangd had.
De Minderbroeders beijverden zich, deze vvonderbare gebeurtenis en de godsvrucht der negen Dinsdagen algemeen te versprei den; en gansch Italië benevens vele andere landen brachten haar weldra in beoefening.
Hoe aangenaam deze godvruchtige oefe ningen aan God en den H. Antonius zijn, bewijzen de ontelbare wonderen, genaden en weldaden, waarmede God ze heeft bekrachtigd. Er is wel bijna niemand gevonden, die deze oefening van godsvrucht met levendig geloof en standvastig vertrouwen ondernomen heeft, zonder de verlangde genade of eene veel grootere gunst te hebben verworven. Bij deze godsvrucht nu behoort men het volgende in acht te nemen:
1. Jilen vereert den H. Antonius gedurende negen achtereenvolgende Dinsdagen in eene kerk van de orde der Franciscanen, door het bijwonen van eene of meerdere heilige misseii, als ook door passende gebe-
83
den, waartoe men naar verliezing de volgende kan bezigen.
2. lederen Dinsdag nadert men met veel godsvrucht tot het H. Sacrament der Biecht en des Altaars. Het ontvangen dier heilige Sacramenten wordt wel is waar niet iederen Dinsdag gevorderd, doch dit is slechts aan te raden, opdat men in staat van genade zij en aldus eerder verhoord worde.
8, Op plaatsen, waar geen ordekerken van den H. Franciscus bestaan, kan men deze godsvrucht in eene andere kerk, of zei I's tehuis voor een beeld van den heilige met vrucht verrichten.
4. Als men de begonnen oefening wegens gewichtige tusschenkomende omstandigheden onderbreken moet, kan men ze latei-vervolgen en op de dagen, die men beschikbaar heeft, doorzetten.
5. Mocht er voor of na een dezer Dinsdagen een groote feestdag invallen, dan kan men op denzelve de heilige Sacramenten ontvangen, doch op Dinsdag de godsdienstige oefening houden.
6. Alwie uit deze devotie wezenlijke vruchten wil trekken, beijvere zich met de meeste zorg, de deugden van den heilige nauwkeurig na te volgen; want de ware vereering der heiligen bestaat in de navol-
84
ging hunner deugden, gelijk de H. Augusti-nus zegt. (Serm. 47 de S. SJ
De voor deze oefeningen verleende aflaten zijn:
1. Alle geloovigen, die op een der negen Dinsdagen, welke het feest des heiligen (13 Juni) onmiddellijk voorafgaan, eene kerk der Minderbroeders bezoeken en de gewone voorwaarden, aan den aflaat verbonden, vervullen, kunnen een vollen aflaat verdienen. (Benedict. XIV 7 Mei 1751.)
2. Op iederen anderen Dinsdag des jaars een aflaat van zeven jaren en zeven quadra-genen. (Benedict. XIV 7 Mei 1751.)
8. Vollen aflaat voor iederen Dinsdag, als men bij uitstelling van het Allerheiligste een Franciscaner ordekerk bezoekt en verder de gewone voorwaarden van den aflaat vervult. (Clemens XIII 28 Maart 1763.â Clemens XIV 25 Mei 1770.)
Bijzondere gebeden yoor elk der negen Dinsdagen.
Eeestb Dinsdag.
florierijke H. Antonius, verheven minnaar van Jesus Christus, die door de kracht van het heilig Kindje, dat gij op uwe armen draagt, zoovele dooden totlorierijke H. Antonius, verheven minnaar van Jesus Christus, die door de kracht van het heilig Kindje, dat gij op uwe armen draagt, zoovele dooden tot
85
het leven hebt opgewekt, heb medelijden met zooveel zielen, die door zware zonden het leven der genade hebben verloren. Verlos hen uit de slavernij des duivels en zorg, dat zij weder genade erlangen; want deze is bet, die den menscb verwijdert van de genegenheden tot bet aard-sche, hem ten hemel leidt en hem van een slaaf des vleesches, gelijk bij te voren was, tot een waar geestelijk wezen maakt. O, getrouwe voorspreker en beschermer, al mijne hoop, al mijn vertrouwen stel ik op u, al mijne bekommeringen en ellende werp ik in den schoot uwer ontferming. Gij, o groote heilige, zijt mijne vreugde en geluk; gij zijt het voorwerp en het doel mijns verlangens, de troost mijner ziel; gij zijt geheel mijn toevlucht. Ik kan derhalve niets anders doen, dan u door mijn gebed, mijne zuchten en tranen smeeken, een gelukzaligen dood voor mij te verkrijgen en mij te behoeden tegen de rampen en gevaren, welke mij ieder oogenblik bedreigen. Verwerf mij dan door uwe voorbede, o groote heilige, een goed uiteinde, een gelukkigen overgang van deze wereld naar den hemel. Wees mijner gedachtig en voer mij op den weg der gerechtigheid, welke tot het hemelsch verblijf geleidt, Bescherm en bewaar de ziel van uwen
86
dienaar (dienares), die aan zooveel gevaren van dit vergankelgk leven is blootgesteld. Stem den God, dien gij op uw armen houdt, gunstig voor mij, opdat ik hier op aarde altijd met Jesus leve, en in den hemel Hem eeuwig aanbidde en love, Amen.
^4/ Wonder,
iïLekere Marcoald, in de omgeving van Padua ^1 woonachtig, had eene vrouw met name Gillia, welke ten gevolge eener tienjarige ziekte aan het been lam en zoo machteloos was geworden, dat zij zichternauwernood metkruk-ken kon bewegen. Toen bet gerucht der bij den dood des H. Antoniusgebeurde wonderenhem ter oore was gekomen, had de vrome man sterk vertrouwen, dat zijne vrouw zou genezen. Hij voerde haar op een paard naar Padua en liet haar de kerk binnenbrengen bij het graf vau den heilige. De godvreezende Gillia bad vurig en werd genezen. Het been werd even recht als weleer, en zij keerde, de goedheid en macht van den wonderdoener vei-heerlijkende, te voet huiswaarts.
Missaglia 191. â- Bolland, â Pollent. Waddingh.
Tweede Dinsdag.
Roemvolle H. Antonius, Seraphijn der goddelijke liefde, helder schijnend licht der kerk, die ontelbare menschen in de
1
87
duisternis van misdaden en ongeloof, met den weg der waarheid tevens den weg des hemels hebt aangewezen, hun de zalige boetvaardigheid opleggende, verkrijg, bid ik u, voor alle goedgeloovige Christenen de volharding in het geloof tot het einde toe; voor alle geloovigen een oprechte bekeering en voor alle zondaren een heilzame levensverbetering. 0 groote heilige, u vertrouw ik het heil en leven mijner ziel. Ik geef mij zeiven en al wat in mij is, in uwe handen, opdat gij mij den waren weg aanduidt. Verbreek de hardnekkigheid mijner ziel; maak, dat mijn hart zich enkel tot God wende en in Hem beruste. Leer mij alles, wat op aarde is, geringschatten, de eerzucht te vermijden, al het aardsche te verachten, doch alleen de hemel-scbe goederen te zoeken, en in die zakensmaak te vinden, welke de eeuwigheid betreffen. Vernietig in mij die ongeregelde neiging, welke mij aan mij zeiven hecht en mij steeds tot zinnelijkheid en aardsch genot aanspoort. O goede heilige, wees de vriend mijner ziel; daarom zal uw naam verheven worden; de mijne daarentegen in vergetelheid geraken ; uwe, niet mijne werken zullen verheerlijkt worden en alle menschen zullen uwe grootheid loven en prijzen. Amen,
88
Wonder.
Iln den jare 1682 had Judith Bianca te Na-H pels hevige smart te verduren van eene allerpijnlijkste, afzichtelijke verzwering. Hierbij kwam, dat kwalijk riekende stotfen haar uit neus en mond vloeiden. Na alle men-schelijke hulpmiddelen te hebben aangewend, nam zij hare toevlucht tot den H. An-tonius en begon de oefening der negen Dinsdagen. Bij het aanbreken der tweede week, ontwaarde zij, onder het gebed, in den mond een afgestooten vleeschachtig gezwel, dat de oorzaak was harer kwaal. Van af dat oogenblik verdween de verzwering en kon zij den H. Antonius voor een volkomen genezing bedanken. Pianzoia 86.
Deudb Dinsdag.
roote H. Antonius, voortreffelijke en getrouwe vriend van Jesus, die door den aanbiddelijken Heiland by uitnemendheid zijt uitverkoren, om een schrik te zijn voor den booze, ik bid u, bewaar mij voor de doodzonde, welke volgens de H. Schrift de ware booze geest en de gruwzame tiran onzer ziel is. Ontferm u mijner, o groote heilige, en bescherm mij door uwe voorspraak tegen dit helsch gedrocht, dat mij
89
wil berooven van de genade mijns beminden Jesus, en mij aan den eeuwigen dood schuldig maken. Beschaam thans nog, o machtige H. Antonius, dien oproerigen en gevaarlijken geest, die er slechts op bedacht is, hoe hij mijne ziel door zijn duivelsche ingevingen ten verderve zal richten. Verdedig mij tegen de aanvallen van den helschen draak, en maak, dat ik door u geholpen, moge zegevieren over die duistere machten. Gij weet wel, dat ik genade en zelfs krachtige genade noodig heb, om haar te weerstaan en de natuurlijke genegenheden te overwinnen, welke van onze eerste jaren altgd ten kwade willen. Deel mij de genade mede, welke voor het heil mjjner zie] zoo noodzakelijk is, opdat ik de booze neigingen mijner bedorven natuur, welke mij tot zonden en het verderf aanzetten, overwinne. Ondersteun mij en ontsteek in mijn hart het vuur der liefde, want ik gevoel de heerschappij der zonde, welke strijd voert tegen het gezag van mijnen geest, waarbij ik niet zelden, als zij mij verleidt, het zinnelijke na te jagen, gevangen wordt genomen. O spiegel van geduld, o volmaakt voorbeeld van deugd, begunstig ons met uwe weldaden in de ellenden ea den druk, waarmede wij ons helaas overladen gevoelen, en verkrijg ons van
90
bet Kindje Jesus, dat op uwen arm rust, de genade, allen tegenspoed, die ons ontmoet, met geduld te verdragen, opdat wij, hier op aarde ons kruis geduldig gedragen hebbende, ook eens in den hemel de eeuwige vreugde mogen genieten. Amen.
Wonder.
en Poolsch hertog te Padua aangekomen zijnde, begaf zich met zijn gevolg naar S. Prosdocimo, en terwijl hij achter langs de kerk van den H. Antonius kwam, vroeg hij, wat dat voor een gebouw was. Dat is, zeide men hem, de kerk van den H. Antonius, patroon dezer stad. Iemand van zijn gevolg, dit boorende, wilde den geestige spelen, en sprak op spottenden toon: âIs bet die Antonius, ter eere van wien de varkens eene bel om den nek dragen?' Doch ternauwernood had bij dit gezegd, of zijn mond spleet van het eene oor tot het andere open, en zijn arm, waarmede hij de kerk aanwees, verdorde. De H. Antonius strafte aldus op hetzelfde oogenblik de vermetelheid van zijn ongelukkigen beleediger. De hertog, die het smadend gezegde niet gehoord had, waarmede die goddelooze den heilige be-
91
spotte, vroeg zijn zoon wat er gebeurd was. De toedracht der zaak vernemende, wekte hij den ongelukkige tot berouw op over zijne heiligschennende spotternij, en spoorde hem aan, naar de kerk te gaan, om den heilige vergiffenis te smeeken. De gestrafte volgde dien raad, en de II. Antonius vergaf hem die beleediging, schonk hem niet alleen zijn vorigen toestand terug, maar verwierf hem tevens de genade van een oprechte bekeering.
mderbare H. Antonius, die den zie
Boll. Azevedo. 168.
Vierde Dinsdag.
ken zoo dikwijls de gezondheid hebt teruggeschonken, en dengenen verkwikking hebt verleend, die in zwakheid zoowel naar lichaam als ziel tot u zuchten, ik smeek u dringend, wil toch mijn ziel van alle hare wonden heelen, en de genade des H. Geestes in mijn hart versterken, om », het meer en meer met bet vuur uwer liefde ) te ontsteken. Verkrijg mij, o groote heilige, den zegen des hemels, kracht in geloof en hoop, alsmede vergeving voor mijne nalatigheden. Draag aan de goddelijke rechtvaardigheid dit nederig gebed op: Ik heb
92
gezondigd, o Heer, ik heb gezondigd. Ik bid u om vergiffenis, o mjin God. O Vader der barmhartigheid en God aller vertroosting, vergeef mij door uwe oneindige goedertierenheid! O, H. Antonius, zorg, dat deze bede mijns harten doordringe tot den troon der goddelijke barmhartigheid, opdat de liefderijke Zaligmaker, die mij door zijn dierbaar Bloed verlost heeft, haar aan den eeuwigen Vader opdrage, ten einde vergiffenis der zonden, bevrijding der smarten, die mij kwellen, en de eeuwige heerlijkheid te bekomen, welke gij in den hemel bezit. Amen.
Wonder.
r leefde te Perpignan een man van onberispelijk gedrag, die een groote godsvrucht koesterde jegens den H Antonius. Zijne vijanden slaagden er in, hem, door bemiddeling van valsche getuigen, wegens een vreeselijke misdaad te beschuldigen. Voor het gerecht gebracht, werd hij schuldig verklaard, en ter dood veroordeeld. In de gevangenis hield hij niet op, zich aan zijn heiligen beschermer aan te bevelen, en riep zijn hulp nog des te meer in, toen men hem naar het schavot leidde. Eensklaps verscheen de heilige te
93
midden der gerechtsdienaars, verbrak de boeien van den onschuldige, en bracht hem ten aanschouwe van het gansche volk in eene kapel, waar de treurige stoet juist voorbij kwam. Bij dit schouwspel roepen alle aanwezigen als uit één mond, dat de veroordeelde onschuldig is. Als dit feit den koning van Arragon ter oore kwam, liet hij den gevangene niet slechts vrij, maar stelde hem schadeloos voor hetgeen hij had ondergaan, en herstelde hem plechtig in zijne eer. Eene te dier stede bewaarde schilderij vereeuwigt de herinnering aan dit heugelijk voorval.
Boll. Miss Azevedo. 13 Juni Leven v. d. H. Antonius.
Vijfde Dinsdag.
Roemrijke H. Antonius, moedige bestrijder der ongeloovigen, die meermalen de boeien hebt verbroken van hen, die onder tirannie van vorsten zuchtten, ik bid u, verbreek de banden der zonden en booze neigingen, die mijne ziel kwellen. Ik smeek u, groote heilige, verhoor dit ootmoedig gebed, dat ik voor uw altaar verricht. Bekom mi) door uwe voorspraak een deugdzaam leven, ware zelfkennis, volmaakte versterving mijner zinnen en
94
een volkomen overwinning in alle bekoringen Ontsteek in mijn hart het vuur der goddelijke liefde. Weiger mij uwen bijstand niet, als mijn ziel van het lichaam zal scheiden. Sterk mij in dat oogenblik tegen den vijand mijns hells. Kom mij te hulp in die bange uren, en verzoen mij met God, opdat Hij mij mijne zonden vergeve en ik do H. Drievuldigheid, in het gezelschap dei-gelukzaligen, immer moge loven en verheerlijken.
Kom o H. Geest, vervul mij met uwe vertroosting, opdat mijne ziel niet in zwakheid vervalle. Laat mij, o God, in uwe oogen genade vinden, die mij geleide en onophoudelijk aanspore, om goede werken te verrichten, door Jesus Christus uwen Zoon, die met U leeft en heerscht in eenheid des H. Geestes in eeuwigheid. Amen.
Wonder.
ekere Antonius, die in de nabijheid van Padua was geboren, had ten gevolge eener beroerte het gebruik van den linker arm verloren. Tot overmaat van ramp werd hij van diefstal beschuldigd en voor de rechtbank gedaagd. God liet hem deze vernedering slechts ondergaan, om hem
95
daarna te verheffen. Gevankelijk voor de rechters gebracht, begon hij met luider stem en een levend vertrouwen te bidden; âH. Antonius,quot; sprak hij, âgeef dat, indien ik schuldig ben, mij hier ten aanzien van een ieder, hetzelfde gebrek aan mijn rechterarm overkome, als wat ik aan mijn linker ondervind: dat zal mij voor immer in de onmogelijkheid stellen om te stelen; â ben ik echter onschuldig, sta mij dan daarentegen toe, dat ik in tegenwoordigheid der rechters van mijn gebrek geneze!quot; Nauwelijks was dit gebed geëindigd, of hij kreeg het gebruik van zijn linkerarm terug. Volkomen genezen, werd hij in 't bijzijn van elk verlost van zijn kwaal en ontheven van de misdaad, die men hem ten laste legde.
Leven van den U. Antonius. Boll. Miss. Azevedo.
Zesde Dinsdag.
ijn God, oorsprong van barmhartig
heid, Gij hebt aan mij gedacht, toen
ik ü verlaten had. Geef, dat ik immer aan U en uwe geboden denke. O eenige sterkte mijner ziel, maak haar door uwe volkomen reinheid altijd vrij van aardsche begeerten. Dat is het doel mijner hoop; zonder ü is er geen ware en rechtmatige
96
vreugde te verwachten. Toon mij door de verdiensten van uwen getrouwen dienaar, Anto-nius, uwe goddelijke barmhartigheid. Verbeter, o Heer, in mij wat onvolmaakt is.
O groote H. Antonius, die vele zieken hebt genezen, aan menigeen het gezicht, het gehoor en de spraak hebt terug geschonken, genees door uwe voorspraak alle ziekten mijner ziel en hare ongeregelde begeerten ; heersch over mijne tong, opdat ik ze niet tegen de eer van God misbruike of te^en den evennaaste, dien God mij bevolen heeft te beminnen. O, hoe dikwijls klopt de lieve Jesus aan de deur mijns harten, en wil Hij mij in zijnen dienst aannemen, mij tot waakzaamheid en overweging der eeuwige waarheden aanmanende, terwijl ik mij bezighoud met datgene, wat als een schaduw voorbijgaat! Maak, dat de goddelijke ingevingen tot mij doordringen. en wil toch verhoeden, dat ik de verlokkende stem mijner zinnelijkheid volge. O wonderbare heilige, die door eene bijzondere genade Gods, zooveel verloren zaken terugbrengt, maak dat ik de genade Gods en de rust mijner ziel wedervinde, welke ik ongelukkigerwijze door de zonden heb verloren, en wat mij meer dan eenig ander verlies leed doet. Amen.
97
Wonder.
,L
lln de nabijheid van het klooster, ge-naamd Monte Paolo, staat een kapel, toegewijd aan den H. Antonius, opgericht als een bewijs van dankbaarheid voor het wonder, dat wij gaan verhalen. Zekere Jacobus Paganelli van Eavenna was doo-delijk ziek, en de geneesheeren wanhoopten aan zijn behoud. Zijne bloedverwanten, die hem geen oogenblik verlieten en over zijn toestand in de grootste onrust verkeerden, zagen, dat hij eensklaps kalm werd en een zucht liet. Eenige oogenblik-ken daarna ontwaakte hij en wierp zich uit het bed, roepende: âTolle grabatum tuum et ambula: neem uw bed op en wandel.' De aanwezigen dachten, dat hij in ijlenden toestand verkeerde, doch Jacobus hield vol, dat hij genezen was. Hij had gedroomd, dat hij voor de reliquie-kast van den H. Antonius stond, en ofschoon hij die nooit had aanschouwd, gaf hij er niettemin een heel nauwkeurige beschrijving van. Terwijl hij zich aldaar bevond, had de heilige hem geboden, zijn bed op te nemen en te wandelen, gelijk men hem zooeven had hoeren roepen, en hij gevoelde zich op eens genezen. h. antonius. 7
98
Over dit wonder getroffen, deed hg de belofte, tot het einde zijns levens kleederen te zullen dragen, van dezelfde kleur als die van den H. Antonius, en een kapel te zijner eer te bouwen. Hij vervulde die belofte, vereeuwigde de wonderbare genezing door een opschrift, en leefde daarna nog tien jaren.
Zevende Dinsdag.
tot uwen troon, o onsterfelijke
heerlijkheid, ofschoon ik aan
lik nader tot
1
h gelijk ben. Uwe zoo milde goedheid schenkt mij moed, om voor uw aangezicht te verschijnen en U mijn hart uit te storten. Alles wat mij aangaande deugdzaamheid is geleerd, wil ik in uwen dienst aanwenden. O mijn Heer en mijn God, geef ons de genade, alleen op U onze hoop te vestigen en ons onder uwe vleugelen verborgen te houden. Bescherm ons tegen alle vijanden, wek ons uit onze traagheid op. Dat de gedachte aan U in ons werke, dat zij ons opwekke en ont-steke, opdat wij uwe zoetheid smaken en onze harten tot U opheffen. Schenk mij U zeiven, o mijn God, want ik bemin ü. En geef, dat, dewijl ik ü niet genoeg liefheb, ik U meer en meer beminne zonder
99
ooit van U te scheiden. Ik weet en erken, dat ik zonder U overal niets dan ellende en rampspoed aantref. Derhalve stel ik al mijne bezorgheid in uwe handen, o Heer, opdat ik leve en uwe geboden onderhoude. Gij kent mijne onwetendheid en zwakheid; onderricht en genees mij.
O H. Antonius, heilige vriend en dienaar Gods, leer mij den weg des hemels; geef, dat ik de voetstappen voige van mijn Verlosser Jesus Christus; wees mij een getrouwe gids; verlicht mij in de duisternissen van dit sterfelijk leven; wees mijn helper in alle gevaren naar lichaam cn ziel; toon mij, wat ik doen en vermijden moet tot eer van God en het heil mijner ziel. Verlaat mij niet, o groote heilige. Gaarne wil ik onder uwe leiding leven en sterven. Amen.
Wonder.
Ijie oorspronkelijke schilderijen, die den JS,! H. Antonius voorstellen, brengen den f indruk teweeg van den diepen ootmoed, die hem bezielde De schilderij van Giotto, welke aan den linkerkant van het hoofdaltaar zijner kerk hangt, legt getuigenis af dier nederigheid en verspreidt te gelijk den roem, als loon aan deze deugd
100
verbonden. In het jaar 1749 barstte er in de kapel van den H. Antonius een hevige brand uit, en alles, wat zich daarin bevond, werd een prooi der vlammen. Alleen de schilderij van Giotto werd door het vuur gespaard, en behield al haar luister, zonder zelfs door den rook te worden beschadigd. Dit wonder maakte haar nog meer vereerenswaardig, en men smaakt een altijd nieuw genot, daarin de trekken van den heilige te aanschouwen.
Azevedo. Leven van den II. Antonius.
l-j^b da ^£.1 alma( i ^-gesoha
Achtste Dinsdag.
dank, o mijn God, dat Gij in uwe almachtige goedheid de wereld hebt geschapen en haar door uwe wonderbare wijsheid bestiert. Ik dank ü, mijn God, dat gij alleen mijn gansche vreugd en hoop uitmaakt. Ik dank U voor alle uwe gaven en voornamelijk hiervoor, dat Gij mij zoo menigmaal mijne zonden vergeven hebt. Dat de hemel U love, en de aarde uwe macht verkondige, o oorsprong aller genade en goedertierenheid! Hoe dikwijls heb ik mij van U afgewend en mij tot de ijdele wereld begeven, terwijl ik den weg uwer geboden verlietI O hoe billijk is het, dat ik ü bemin, U dank betuig en uwe verheven
101
majesteit onophoudelijk wegens hare oneindige barmhartigheid love, daar deze mij uit al mijne dwalingen heeft geholpen. O mijn God, die mijne schreden kent, ontferm U mijner en gewaardig U, mijne door de zonden verzwakte ziel te versterken.
O roemvolle H. Antonius, medelijdende vertrooster der bedroefden, die den bedrukten zoo dikwijls in hunnen nood te hulp komt, verlaat mij niet; ondersteun de armoede mijner ziel. Ongeduld, achterdocht en booze oordeelvellingen vervoeren mijne ziel, sporen mij tot wraak aan en tot vernedering van anderen; niet licht vergeef ik beleedigingen en ik erbarm mij niet over mijnen naaste. Dat God zich door u, o groote Heilige, ontferme over mijne ellende en mij helpe tot eene oprechte bekeering. Geef, dat ik getroffen worde door de pijlen der goddelijke liefde, en het genot der wereld met hare ijdele genoegens vermijde. Dat de genade mijne zwakheid ver-sterke en mijn leven voor ongevallen behoede. Dat de allerheiligste barmhartigheid mij bijsta en mijn verlangen vervulle, door den overvloed uwer verdiensten. Maak, dat ik van den weg der deugd nimmer afwijke, opdat ik eens in uw gezelschap den drieëenigen God eeuwig prijze en love. Amen.
102
Wonder.
aèr
JL en luthersch protestant uit Saxen, Mi Henri Hinez genaamd, was in het bezit ^ j S'an een schilderij, waarop de H. Antonius stond afgebeeld, en welke hij uit minachting omgekeerd aan den muur zijner kamer had hangen. Eenige katholieken merkten hem zulks op, en draaiden haar in zijn bijzijn om; doch zoodra waren zij niet verdwenen, of de man keerde ze opnieuw om, zeggende: âAls ze zich vanzelf omdraait, word ik katholiek.' Dit was een soort van tegenstand, welken hij bood aan zijne inwendige wroegingen. Doch verbeeld u zijne verslagenheid, toen weinige dagen later het portret zich niet slechts vanzelf omwendde, maar zich van den muur onthechtte en in de lucht bleef hangen. Niettegenstaande dit geval en de vrees, welke hij er door ondervond, volbracht bij echter zijn belofte, om de dwaling af te zweren, geenszins. Hij meende, dat lange reizen zijn gemoedsbezwaren zouden afleiden; doch waarheen hij ook trok, de knaging en kwelling des gewetens kon bij niet ontkomen; integendeel, zij verergerden. Nadat hij onderscheiden ver afgelegen streken had bezocht, kwam
103
hij in Italië, en nam in Toscane dienst. Meer dan ooit door inwendige beroeringen geteisterd, bevond bij zicli eens te Porto-Perrajo, en boorde toevallig den eerwaarden bisschop van Massa, Monseigneur Paul Pecci preeken. Alsdan zwoer by door tusscbenkomst van den H. Antonius de dwaling af, om het katholicisme te omhelzen. Verder leefde hij alsoprecht christen, voelde zich tot den geestelijken stand geroepen, trad in de orde der Conventueelen, onder den naam van broeder Antonius-Paulus, en stierf eindelijk als een volmaakt klooster-
Boll. Azovedo. 196.
Negende Dinsdag.
ijn aanbiddelyke Jesus, die alleen uit eigen kracht wonderwerken verricht en U toch wonderbaar wilt toonen in uwe heiligen, daar Gij bun de gave mededeelt, wonderen te doen, om of wel uwe goddelijke macht in hen te laten schitteren, öt' om door hunne bemiddeling uwe weldaden aan de wereld te schenken; â ik ellendig schepsel, aanbid ü met diepen ootmoed; ik dank ü met de meeste erkentelijkheid voor de bijzondere gunsten en genaden, waarmede Gij uwen trouwen dienaar, den H. Antonius van Padua, hebt verrijkt. Bij de beschouwing van zooveel groote voor.
104
rechten, die Gij hem verleent, bid ik uwe goddelijke barmhartigheid, schenk door zijne voorspraak en verdiensten aan allen, die zich met godsvrucht tot hem wenden, het leven dei-genade ; zoo zij zich in dwaling bevinden, het licht der waarheid; als '/.ij in onrust en verdriet verkeeren, troost; indien zij ziek zijn, de gezondheid; hebben zij hunne goederen verloren, dat zij ze terugvinden. Ik smeek uwe goddelijke majesteit dringend, laat ons in al onze noodwendigheden de gunstige uitwerking zijner voorspraak ondervinden, opdat wij uwe barmhartigheid eeuwig mogen prijzen. Ik aanbid ü, o almacht des Vaders; ü aanbid ik o wijsheid des Zoons ; ik breng U de hulde der aanbidding, o liefde van den H. Geest. In alle nederigheid dank ik U, o allerheiligste Drievuldigheid, voor al het goede, mij ooit bewezen, en bid U ten zeerste, wil mij de gunst, waarnaar ik vol betrouwen verlang, genadig verleenen, mij nimmer verlaten in mijnen nood, maar door de verdiensten en voorspraak van mijnen beschermer Antonius, mij goedgunstig verhooren. Amen.
Wondee.
u e Trente liet een ridder zijn kostbaren ring, dien hij aan den vinger droeg, in een meer vallen. Vol spijt over dit ver-
f
105
lies, begeeft hij zich naar Padua, laat er ter eere van den H. Antonius een zingende Mis opdragen, en komt middelerwijl op de markt. Diiar valt zijn oog op een keurigen visch, dien hij kooptom hem aan depaters Franciscanen ten geschenke te doen; dit alles met bet inzicht om zijn ring terug te vinden. En o, wonder! Bij het opensnijden van den visch, vinden de kloosterlingen in de ingewanden het vermiste kleinood. Onverwijld bracht men het den ridder terug, die geheel verwonderd, luide den roem van den H. Antonius verkondigde.
Boll.
Sluitgebed na afloo]) van de oefening der negen Dinsdagen.
eilige Antonius, getrouwe voorspreker, met Gods genade en onder uwe bescherming heb ik de godvruchtige oefeningen, welke gij zelf hebt aanbevolen, geëindigd. Wel was ik van goeden wil, om alles te doen, wat tot uwe verheerlijking kon bijdragen; maar gij kent mijne zwakheid en nietigheid, en weet, hoe gering mijne godsvrucht is; vergoed derhalve hetgeen daaraan ontbreekt, offer uwe verdiensten en goede werken voor mij op, en geef, dat ik onwaardige, genade en verboor-ring vinde. Amen.
VERSCHILLENDE KRACHTIGE GEBEDEN TOT DEN H ANTONIUS.
I. lt;
In allerlei noodwendigheden.
r§| p^poezeer voel ik mij getroost, o mijn ^IMÃIs beminnelijke beschermer, als ik iu uwe litanie de woorden lees: Troost yfc der bedrukten. Ach zie, ik verkeer in zul ⢠M ke pijnlijke droefheid, zag geene hoop j meer, maar deze woorden hebben mijne 1 ziel opgebeurd. Daarom kom ik dan ook tot u, goede H. Antonius, en met vertrouwen smeek ik u, sta mij bij in dezenoodwgndigheid. Om de liefde die uw hart vervulde, toen gij het goddelijk Kindje op uwe zuivere banden mocht dragen,bid ik u, mij te verhooren. O gij, die niemand ongetroost wegzendt, troost ook mijn bedroefde ziel. Ik ben er zeker van, als ik met een vast vertrouwen tot u roep, zult gij mij helpen, als het mij zalig is. Goede H. Antonius, boezem mij zulk een vertrouwen in en verhoor mij. Amen.
107
II.
Om vergiff enis der zonden en liefde tot God.
^jOoemrijke H. Antonius, wiens goheele Ml leven zoo zuiver en vlekkeloos is v geweest, en die altijd zoo vurig hebt geijverd voor de eer en glorie van God ! verwerf mij tot zijne meerdere eer, de vergiffenis mijner tallooze zonden, en de genade, om ze door ware boetvaardigheid uit te wis-schen. Maak, dat mijn volgend leven her-stelle, wat ik tot nu foe heb misdreven; dat het als eene afspiegeling zij van het uwe. Verwerf mij daarom eene vurige liefde tot God, dien gij altijd zoozeer hebt liefgehad, gij wiens geheele streven er op uit was, om die liefde onder de menschen te verbreiden. Ik bid u, zet dat apostelschap van liefde in den hemel voort, en begin met mij, die zoozeer bekeeriug noodig heb. In den hemel zal ik u er eeuwig voor danken. Amen.
m.
%
Om verloren zaken terug te vinden.
Antonius, groote wonderdoener! die verloren zaken terugbrengt, zie, ik heb door mijne zonden Gods straffen ver-
VERSCHILLENDE KRACHTIGE GEBEDEN TOT DEN H ANTON1ÃS.
I.
In allerlei noodwendigheden.
||^|oezeer voel ik mij getroost, o mijn JjMMb beminnelijke beschermer, als ik in vit uwe woor^en lees : Troost
7|C der bedrukten. Ach zie, ik verkeer in zul â ke pijnlijke droefheid, zag geenehoop j meer, maar deze woorden hebben mijne 1 ziel opgebeurd. Daarom kom ik dan ook tot u, goede H. Antonius, en met vertrouwen smeek ik u, sta mij bij in deze noodwendigheid. Om de liefde die uw hart vervulde, toen gij het goddelijk Kindje op uwe zuivere handen mocht dragen,bid ik u, mij te verhooren. O gij, die niemand ongetroost wegzendt, troost ook mijn bedroefde ziel. Ik ben er zeker van, als ik met een vast vertrouwen tot u roep, zult gij mij helpen, als het mij zalig is. Goede H. Antonius, boezem mij zulk een vertrouwen in en verhoor mij. Amen.
107
II.
Om vergiffenis der zonden en liefde tot God.
^Ooemrijke H. Antonius, wiens gebeele Bj leven zoo zuivei- en vlekkeloos is 0 v geweest, en die altijd zoo vurig hebt geijverd voor de eer en glorie van God! verwerf mij tot zijne meerdere eer, de vergiffenis mijner tallooze zonden, en de genade, om ze door ware boetvaardigheid uit te wis-scben. Maak, dat mijn volgend leven her-stelle, wat ik tot nu toe heb misdreven; dat bet als eene afspiegeling zij van bet uwe. Verwerf mij daarom eene vurige liefde tot God, dien gij altijd zoozeer hebt liefgehad, gij wiens geheele streven er op uit was, om die liefde onder de menschen te verbreiden. Ik bid u, zet dat apostelschap van liefde in den hemel voort, en begin met mij, die zoozeer bekeering noodig heb. In den hemel zal ik u er eeuwig voor danken. Amen.
in.
Om verloren zaken terug te vinden.
CV â
Antonius, groote wonderdoener! die verloren zaken terugbrengt, zie, ik heb door mijne zonden Gods straffen ver-
108
verdiend; en tot kastijding daarvan zendt Hij mij deze kwelling over. Ik verdien zulks ten volle, ik beken het tot mijne eigen schande, en ik ben niet waardig, van deze droefheid verlost te worden. Douh, goedo vader, ik bid u, zie niet op mijne onwaardigheid, maar bid God, dat Hij mij, afgedwaald schaapje, weder in den waren schaapstal vrille opnemen; van nu af wil ik Jesus getrouw gaan dienen, opdat ik zijne liefde en genegenheid geheel moge terugvinden. Tevens bid ik u, wijs mij de plaats aan, waar ik het verlorene moet zoeken, opdat ik weder in het bezit daarvan moge gesteld worden, en daardoor iiw glorierijke naam met nieuwen luister omgeven moge worden. Amen.
IV.
Om de genade, van goed de plichten van zijnen levensstaat te vervullen.
§ heilige Antonius, volmaakt voorbeeld van gehoorzaamheid aan den wil Gods! om de groote verdiensten, die gij u verzameld hebt door uwe bereidvaardigheid in het opvolgen van de hevelen uwer oversten, bid ik u, maak mij ijverig en getrouw in de vervulling der plichten, welke God mij heeft opgelegd. Verlicht en ver- heilige Antonius, volmaakt voorbeeld van gehoorzaamheid aan den wil Gods! om de groote verdiensten, die gij u verzameld hebt door uwe bereidvaardigheid in het opvolgen van de hevelen uwer oversten, bid ik u, maak mij ijverig en getrouw in de vervulling der plichten, welke God mij heeft opgelegd. Verlicht en ver-
109
sterk mij, ondersteun mijn moed in de bezwaren, mijn geduld in de moeilijkheden, bewaar mij voor iedere overtreding-, opdat ik ten prijs voor mijne gehoorzaamheid eens moge verdienen, in den hemel in uw gezelschap, God lof te zingen en zijne barmhartigheid te prijzen. Amen.
V.
Gebed voor een zieke.
^I^ïoemrijke H. Antonius, die tijdens uw lOJij leven en na uwen dood zooveel won-'-^1V deren gewrocht, en aan zooveel kranben de gezondheid weergegeven hebt, o, ik kom uwe machtige voorspraak inroepen voor... Zie, die persoon, mij zoo dierbaar, ligt op het ziekbed uitgestrekt; ach, wees goedgunstig en verhoor mij als ik u smeek: geef hem de gezondheid weder. Wellicht zendt God hem die ziekte over als een boete voor zijne overtredingen : ach, ik bid u, vertoon aan God uwe overvloedige verdiensten. Mogen zij aanvullen, wat aan zijne volmaaktheid ontbreekt, en zoo Gods rechtvaardigheid doen wijken voor zijne oneindige barmhartigheid. Bezorg aan .... de gezondheid weder, opdat hij, tot meerdere eer en glorie Gods, weder kunne arbeiden
110
en zijne bezigheden volbrengen. Geef hem de krachten des lichaams weder; gij hebt in uw leven er zoovelen gezond gemuakt, gij zult ook hem genezen, dit vertrouw ik zeker, indien het hem zalig is. Amen.
VI.
Voor de hclceering van een zondaar.
ijn beminde H. Autouius! gij wordt genoemd de uitroeier der misdaad. Vertrouwvol werp ik mij aan uwe voeten neer, en beveel u dringend het eeuwig
heil aan van de ziel van----Hoe ongelukkig
zijn zij, die Jesus uit hun hart verbannen, en er den duivel in toegelaten hebben! Ook die ziel behoort, helaas, tot dat getal. Goede H. Antonius, laat niet toe, dat deze, die mij zoo dierbaar is, verloren ga. Schitterende sier van heiligheid, werp uwe stralen in dat duister gemoed, verdrijf daaruit den nacht der zonde, opdat het de gevaren moge inzien, die het bedreigen. Ach, zoo die ziel in dezen toestand eens in de eeuwigheid werd geslingerd 1 Verschrikkelijke gedachte! Neen, laat zulks niet toe, H. Antonius, bekeer deze ziel, gelijk gij erop aarde zooveel door uw machtig woord bekeerd hebt, verlaat haar niet, alvorens
Ill
ze de gelukkige eeuwigheid te hebben binnengeleid. Amen.
VII.
Van een kind voor zijne ouders.
ijn beminde H. Antonins, die altijd JOlT zoo vol liefde waart vooi' uwe ouders, | zie. ik kom mij voor u nederwerpen om een mijner dierbaarste plichten te vervullen. Ik kom uwen bijstand en uwe zegeningen afsmeeken voor hen, aan wie ik naast God alles te danken heb. Nooit zal ik hun naar waarde hunne weldaden kannen vergelden. Daarom smeek ik u, kom mij daarin te hulp. Zegen gij mijne dierbare ouders, verkrijg hun alle gunsten en genaden, zegen hen in hunne tijdelijke zaken, opdat zij zich de zware offers beter kuuneu getroosten, welke ik hun kost; maak van mij een rechtgeaard kind, opdat zij met voldoening op al die offers en inspanningen kunnen terugzien; maak, dat ik mij hunne zegeningen waardig make, welke in het oog van God zoo zwaar wegen; verwerf hun, zoo het hun zalig is, een lang leven, bevrijd van zorgen en druk, en voer hen eens het paradijs des hemels binnen. Amen.
112
VIII.
Om een zaligen levensstaat.
roote Heilige, zoo gelioovzaam aan Gods stem, die u op zulke wonderdadige wijze uwe roeping deed kennen! verwerf mij de genade, om den staat te kennen dien God van eeuwigheid voor mij heeft bestemd. Zie, de wereld lokt mij aan en tracht mij aan haren zvvaren en helaas zoo bitteren dienst te verbinden door allerlei schoon klinkende voorwendsels; ach, maak toch, dat ik in deze gewichtige zaak niet misleid worde, maar mijne keus daarheen richte, waar God het wil. Verhoor mij, groote H. Antonius, verhoor mij, opdat ik, na God gediend to hebben zooals Hij verlangt, eenmaal eeuwig gelukkig moge zijn. Amen.
IX.
^ Voor eene siel des vagevuurs.
^ïljTachtige voorspreker, H. Antonius. die ïlY Jesus zoo teeder bemint en zooveel f op zijn aanbiddelijk Hart vermoogt,ach, sla van den troon uwer onsterfelijkheid uwe oogen op het vagevuur, op dien kerker, waar zoovele zielen, de beminde bruiden van Jesus, in harde gevangenschap zuchten. Eéne
IIS
Vooral smeek ik u, spoedig daaruit te verlossen; gij, die door uwe voorspraak zoo menigmaal onschuldige gevangenen hier op aarde hebt bevrijd, heb medelijden met de ziel van .... Zij is schuldig, ja, maar ach, wie weet, ben ik door mijne slechte voorbeelden misschien oorzaak harer fouten geweest, en nu moet zij voor hare zwakheid boeten. Heb medelijden met die ziel, uw gebed is zoo machtig; bied aan God zijn Zoon aan, dien gij als een Kindje op uwe armen hebt mogen dragen. Smeek den Vader, terwille van zijn Zoon, die ziel van hare boeien te bevrijden, en God zal u verhoeren. Zij zal u eeuwig dankbaar zijn en uwe glorie vermeerderen, als zij in den hemel zal zijn aangekomen. Vol vertrouwen smeek ik u, verhoor mij. Amen.
X.
Voor het wélslagen eener tydelyke zaak.
^Llles, H. Antonius, alles vermoogt gij 1\ op het hart van Jesus en Maria;
^ nimmer klopt gij daar tevergeefs aan. Ik smeek u dus vol vertrouwen, sla uwe liefdevolle oogen op mij, uwen onwaardigen dienaar ; vol vertrouwen smeek ik u om zegen en voorlichting in deze zaak .... die voor
h. antonius. ö
114
mij van zoo groot gewicht is. Mocht ecMer hetgeen ik vraag, strijdig zjjn met Gods eer en mijne zaligheid, bekom mij dan de genade, om mij met gelatenheid te onderwerpen aan debe-stieringvan Gods Voorzienigheid,die alles naar wijsheid beschikt voor ons eeuwig heil. Amen.
XI.
Om eene geestelyhe genade.
iolmaakt voorbeeld van allen, die hunne zaligheid willen bewerken, H. Antonius, ik kom thans uwe hulp inroepen voor mijne ziel ; voor haar vraag ikudezegenade.... O, gij, groote ijver aar der zielen, die op aarde geene moeite te groot hebt geacht, om zielen voor God te winnen, zoudt gij mijn gebed kunnen verstooten? Neen, gij kunt het niet verwerpen, ik heb daarvan het zoete vertrouwen. Doch, mijn gebed is geene verhooring waardig; daarom, voeg gij uwe smeekingen bij de mijne, vraag gij van God dezegeestelijkege-nade... en Hij zal u ongetwijfeld verhooren,daar-van ben ikverzekerd. Zoogeschiedehet. Amen.
XII.
quot; 1 -7 - 1'quot;:gdenvandenH. Antonius.
van God. Ach, vraag dan Hem, dat ik u in de verte
Antonius, vermag alles
115
moge navolgen. Verwerf mij uwe verachting van het aardsche, die u deed besluiten, het nederige ordekleed te verkiezen boven de omgeving, waarin gij geboren waart; uwe diepe nederigheid, die u uwe uitstekende geestesgaven deed verbergen, aan God overlatende, ze aan uwe oversten tropen-baren. Bekom mij een groot vertrouwen op God, gelijk aan dat, waardoor gij zoovele wonderen hebt verricht; verkrijg mij uwe vlekkelooze zuiverheid, waardoor gij verdiend hebt het Kindje Jesus op uwe armen te mogen dragen en zijne hemelsche omhelzingen te ontvangen, welke uw hart met zulke vurige liefde ontvlamden. Om uwe zegenrijke tong, welke jaren na uwen dood nog ongeschonden werd teruggevonden, verkrijg mij, bid ik u, dat ik mij nooit aan lichtzinnige of onzuivere taal, nooit aan kwaadspreken of laster schuldig make, maar steeds woorden vinde om mijn naaste te verontschuldigen, en Gods lof te verkondigen.
In één woord, maak dat ik alle deugden, waardoor gij zoozeer hebt uitgeblonken, beoefene in dien graad, welken God van mij verlangt; zoodoende zal ik eenmaal waardig worden bevonden, om Gods glorie binnen te gaan en zijn beminnelijk gelaat voor eeuwig
116
te aanschouwen. Verkrijg, bid ik u, dezelfde eunsten voor al mijn dierbaren. Amen.
XIII.
Om een zalig sterfuur.
/ït elukzalige Antonius, kloekmoedige Belij-Vj der van God, onverschrokken mission-naris, om uw zaligen dood en de kostbare kroon, die thans uw voorhoofd omkranst, bid ik u, wees gij mijn beschermer in dat allergewichtigste oogenblik mijns levens, dat over mijne eeuwiglieid zal beschikken; dan zal ik misschien niet in staat zijn, u aan te roepen; daarom smeek ik u nu, kom mij dan te hulp. Laat niet toe, dat ik zonder de heilige Sacramenten sterve, en onvoorbereid valle in de handen van den levenden God. Maak, dat ik altijd Gods tegenwoordigheid voor oogen boude, mg nimmer door eenige zonde bevlekke, en van nu af aan mijne driften en kwade neigingen sterve, teneinde eenmaal waardig te worden, een zalig sterfuur te hebben, opdat ik, na behoorlijk mij te hebben voorbereid, met vertrouwen tot Jesus kunne zeggen: Zie Heer, hier ben ik, uw dienaar, neem mij in genade aan. Amen.
117
XIV.
Gehed als God ons nog niet heeft verhoord.
k was bedroefd, o Heer, en heb tol U gebeden. Gij echter in uweondoorgrondeiijke wijsheid, hebt mij tot heden niet verhoord. O voorzeker, ik was zulks niet waardig; mijne zonden hebben een beletsel gesteld voor uwe goedgunstigheid. Ik smeek ü echter om de eer van den H. Antonius, wiens voorspraak ik heb ingeroepen, verhoor mijn gebed, o God, indien het niet strijdig is met mijne zaligheid.
Ik ben het niet waardig, doch bedenk o hemelsche Vader, dat uw lieve Zoon ook voor mij is gestorven ; zie die doorboorde handen en voeten, die geopende zijde, die doornenkroon. Zie uwen Zoon aan het kruis hangende voor mij; en verstoot mij dan, o lieve Vader, als Gij kunt. Neen, Gij kunt mij niet verstooten. Gij zult mij verhooren; en indien mijn gebed zulks niet verdient, dan kunt Gij toch de voorbede van uwen dienaar Antonius niet versmaden.
Mocht hetgeen ik vraag niet overeenkomen met uwe goddelijke plannen omtrent mijn zie-leheil, schenk mij dan, bid ik U, eene andere genade, in naam van uwen dierbaren Zoon Jesus en door de voorspraak van mijn bescher-jner. Amejj.
Overwegingen voor iederen dag der maand.
Eerste Overweging.
Oter het geloof.
e geopenbaarde waarheden vast en zoudertwijfeigelüoven, ze tegen hare bestrijders verdedigen, aan anderen ze leeren, de wankelenden in het geloof sterken en nauwkeurig naar de voorschriften des geloofsleven, dit zijn de zekerste bewijzen, dat het geloof levendig is in ons.
De H. Antonius beoefende deze deugd op heldhaftige wijze. Hij brandde van verlangen om zijn heilig geloot te belijden en deszelfs waarheden met zijn bloed te bezegelen. Vandaar zijn verlangen naar het martelaarschap, die plechtige getuigenis van een krachtvol geloof, die alle andere in krachtdadigheid overtreft. Dewijl hem echter deze troost was ontzegd, bevestigde hij de waarheden van het H. Geloof, zooveel het zijn woord vermocht, en verdedigde hij haar in geleerde geschriften. Het bij de volkeren eenigermate insluimerend geloof werd door de prediking van
r
119
Antonius tot een nieuw leven opgewekt en door zijne wonderen bekrachtigd. Hij beschaamt de ketters en brengt hen tot zwijgen. Paus Gregorius IX verleent hem daarvoor den eeretitel van een licht en voortreffelijk leeraar der H. Kerk.
Vergelijken wij nu ons geloof met dat van den H. Antonius. Het geloot' is eens gave Gods, welke wij echter door den omgang met verdwaalden en ongeloovigen en 'het lezen van godsdienstlooze geschriften, helaas ook wederom kunnen verliezen; en hoe dikwerf geschiedt dit in onze dagen! Het is derhalve onze plicht, zulke verderfelijke lectuur als gift te vermijden. Het geloof moet in ons vermeerderd worden door het lezen van goede boeken en het aanhooren van Gods woord; âHet geloof komt van het aanhooren.quot; â Wonen wij ijverig de predikatie bij?
Ook moet het geloof door ons verspreid worden. Het is ons niet gegeven, hetzelve van den Stoel der waarheid te verkondigen of schriftelijk te verdedigen; doch aan gelegenheden ontbreekt het ons niet, om, indien het in ons bijzijn wordt aangerand, het zonder schroom te verdedigen. â Kun-.nen wij het evenwel ook niet in onze handelingen doen uitkomen ? Het geloof zonder
120
de werken is dood en zal ons daarom, als wij in gebreke blijven, nog schuldiger maken voor God. Hoe is het mogelijk, dat ik aan de H. Kerk geloof en haar desniettemin weiger te gehoorzamen? Hoe kan ik aan de alomtegenwoordigheid Gods gelooven en daarbij voor zijn aanschijn zondigen ? Vermeerdei-, o Heer, in ons het geloof. O, verlevendig het in mijn ziel door de voorspraak van den H. Antonius.
Wonder.
fp zekeren Dinsdag waren eenige maaiers aan het werken. Tijdens het rustuur werd een hunner, die niets at, hierover door een soort opzichter van het werkvolk aangesproken. De man antwoordde, dat hij vastte ter eere van den H. Antonius. Er behoefde, zooals men licht begrijpt, weinig meer aan te worden toegevoegd, of hij werd het mikpunt van allerlei dolzinnige uitdrukkingen. âVerbeeldt gij u, sprak de onbeschaamde, dat de heilige veel belang stelt in uw vasten? Meent, ge, dat gij er minder om zult behoeven te werken, en dat er voor u een fortuin uit den hemel zal komen vallen? ik voor mij vast nooit, omdat maaiers er niet aan gehouden zijn.quot; ,Handel opp zekeren Dinsdag waren eenige maaiers aan het werken. Tijdens het rustuur werd een hunner, die niets at, hierover door een soort opzichter van het werkvolk aangesproken. De man antwoordde, dat hij vastte ter eere van den H. Antonius. Er behoefde, zooals men licht begrijpt, weinig meer aan te worden toegevoegd, of hij werd het mikpunt van allerlei dolzinnige uitdrukkingen. âVerbeeldt gij u, sprak de onbeschaamde, dat de heilige veel belang stelt in uw vasten? Meent, ge, dat gij er minder om zult behoeven te werken, en dat er voor u een fortuin uit den hemel zal komen vallen? ik voor mij vast nooit, omdat maaiers er niet aan gehouden zijn.quot; ,Handel op
121
uw manier,quot; hernam de godsdienstige dag-looner, âik weet evengoed als gij, dat wij strikt genomen niet verplicht zijn, te vasten ; doch het is ook geenszins berispelijk, iets meer te doen, dan men wel moet, daarbij, de verdiensten gaan niet verloren, en door middelen van boetvaardigheid moeten wij onze zaligheid verkrijgen. De pastoor heeft ons zelfs gezegd, dat een glas water, uit menschlievendheid geschonken, zijn loon niet mist, en één ijdel woord niet ongestraft zal blijven. Gij echter vreest niet. God en den H. Antonius door uwe taal te beleedigen.' De opzichter hield niet op met spotten, als plotseling de lucht betrok, en een bliksemstraal hem te midden van het werkvolk dood ter aarde wierp. Dit voorbeeld leerde den overigen maaiers. God en de heiligen te eerbiedigen, de godvruchtige werken van anderen niet 't belachelijke te trekken of te verhinderen, en bevestigde den vromen arbeider nog meer in zijne devotie tot den H. Antonius. Azeveao.
Tweede Overweging.
Over de Hoop.
e goede werken, welke wij verrichten, vloeien meestal voort uit de christelijke
122
deugd van hoop; want wij verwachten daarbij de toekomstige eeuwige belooning, welke God ons daarvoor beloofd heeft. âMijn hart, o God,quot; zegt de koninklijke profeet David, ,is ten allen tijde genegen tot de vervulling uwer geboden, in het vooruitzicht der belooning.'
Wie meer voor God verricht, hoopt derhalve ook meer. Hoe verdienstelijker de werken zijn, die men doet, des te grooter is ook de beoefening der deugd van hoop.
Antonius hoopte op zulk een glorierijke plaats in den hemel, waarvan de Heiland gesproken heeft. Hij gaf niet toe aan de geringste bevrediging zijner zinnen, maar streefde zonder ophouden naar hoogere volmaaktheid. Ieder oogenblik zijns levens was geheiligd door gebed, boetpleging en godvruchtige overwegingen. Hij trachtte zijne verdiensten voor den hemel te vermeerderen, de woorden des H. Geestes indachtig: âLaat het kleinste deel der gaven Gods niet verloren gaan.' De zes en dertig jaren zijns levens waren ook zes en dertig jaren van verdiensten voor het eeuwige leven. Wat nu doen wij voor den hemel ? En toch is ons het aardsch bestaan slechts geschonken, om den hemel te be-
123
reiken. Dit kort voorbijgaand leven brengen wij, helaas, maar al te dikwijls door in ijde-len lediggang en scliuldige onverschilligheid. Als een dwaze zouden wij hem beschouwen, die een gunstige gelegenheid om een groot vermogen te verwerven, zon laten varen, zonder haar te benuttigen. Handelen wij niet nog veel dwazer, als wij ook slechts één oogen-blik, dat ons dienstig kon zijn voor den hemel, nutteloos laten voorbijgaan? Laat ons toch tenminste evenveel zorg besteden, om hemelsche goederen te verwerven, als wij moeite aanwenden voor aardsch gewin. Maar neen, alles wordt voor dit ellendig leven gedaan en niets geschiedt er voor den hemel. â Alles voor het voorbijgaande leven, niets voor het eeuwige leven. â Verwachten wij dan na den dood geene vergelding ? Wek, o God, mijn ziel op, om door de verdiensten van den H. Antonius mijne hoop te stellen op de eeuwige goederen.
Wonder,
icht bij het klooster der Minderbroeders te Montpellier lag een groote, door talrijke kikvorschen bevolkte vijver. Hun oorverdoovend gekwaak was den kloosterlingen zeer hinderlijk; want dit geraas
124
stoorde zoowel de studie als het gebed, en er was niemand, of het verveelde hem, tot zelfs den H. Antonius toe. Op zekeren dag ging deze aan den kant van het water staan, maakte er een kruisteeken over, en legde den kik-voischen het stilzwijgen op. Dezen gaven hieraan onmiddellijk gehoor, en ofschoon zij zeer menigvuldig in getal waren, hoorde men nooit meer hun geluid. Die plaats bewaarde den naam des heiligen en nog heden ten dage noemt men haar het meer van den H. Antonius. Men heeft opgemerkt, dat kikvor-schen uit dien vijver in een ander water verplaatst, evenals alle andere beginnen te kwaken, terwijl zij, die er, uit welken sloot ook, in worden overgebracht, aanstonds stom worden.
Miss. Azev. Leven II. Antonius.
Derde Overweging.
Over de liefde.
[jit liefde werd de mensch geschapen en hij gevoelt dus vanzelf de behoefte i in zich, om te beminnen ; hij bemint of wel den Schepper of de schepselen. Hoe meer de liefde tot het aardsche in hem vermindert.
125
des te krachtiger ontsteett de goddelijke liefde zijne ziel. Vergeet hij echter zijn Schepper, dan zal hij zijne liefde, of zichzelven voorbehouden, of haar op onteerende wijze aan de schepselen schenken.
De ziel van Antonius was vrij van elke aardsohe liefde; hij volbracht het gebod des Heeren: â Gij zult God uwen Heer beminnen,quot; op de meest volmaakte wijze. Hij beminde God uit geheel zijn hart, uit geheel zijne ziel en uit al zijne krachten; niets beminde hij behalve God. Hij verliet zijn vaderland, zijn vermogen, eer, genot en vrijheid, om in het volle bezit van God te kunnen geraken. God was het doel van al zijn streven, en hij zocht Hem uit gansch het vermogen zijner ziel. Is het nog te verwonderen, dat deze engelachtige heilige het vuur der liefde, dat hem zeiven verteerde, ook in de harten van anderen kon ontsteken ?
In het klooster Ara Gceli te Rome wordt eene oude schilderij van den H. Antonius bewaard, waarop de heilige met een vlammend hart, als zinnebeeld zijner brandende liefde, staat afgebeeld. God immers overlaadde zijn trouwen dienaar daarvoor met de volheid zijner genade.
Wat kunnen wij beminnen, indien wij God
126
niet beminnen ? Hef; leren misschien, dat voorbijvliegt ? of de gezondheid, die zoo onbestendig is ? Het geluk is wisselvallig, ppi* bedriegt en de glorie gaat voorbij. Het men-schelijk hart is voor God geschapen en is niet tevreden, alvorens het rust in God. Het onredelijk schepsel zelf is dankbaar voor het goede, dat hem bewezen wordt, en de mensch vergeet de weldaden van zijnen God, die hem heeft geschapen, hem onderhoudt, hem vergiffenis schenkt en hem wil redden ? Ach, hadden wij God toch lief, dachten wij menigmaal aan Hem, dankten wij Hem voor zijne onuit-jDuttelijke weldaden, vervulden wij zijn heilige geboden met liefde en onderwierpen wij ons aan zijnen heiligen wil 1 Laat ons de schepselen slechts in die mate en zoodanig beminnen als God het ons heeft veroorloofd. Welke bittere verwijtingen en veroordeeiingbereiden wij onszelven, als wij ons daartegen verzetten ! H. Antonius, vurigo roos van liefde, bid voor ons.
Wonder.
Jk
fe H. Antonius heeft menigmaal sommige wonderen herhaald, zoodat men niet zal verwonderd zijn, hier een soortgelijk voorval aan te treffen als te Montpelliere H. Antonius heeft menigmaal sommige wonderen herhaald, zoodat men niet zal verwonderd zijn, hier een soortgelijk voorval aan te treffen als te Montpellier
127
gebeurde, toen hij de kikvorsclien aan zich deed gehoorzamen en tot zwegen bracht. Ditmaal greep zulks plaats te Lunel. Terwijl de heilige, als gardiaan van het. klooster, zich naar Le Puy op weg begaf, hield hij daar onderweg stand, om te preeken ; doch, aangezien de toehoorders te talrijk waren, dan dat de kerk hen kon bevatten, richtte hij in de open lucht het woord tot hen, gelijk hij dikwerf deed, en wel in de onmiddellijke nabijheid van een meer, dat niet ver van de stad verwijderd lag. Terwijl hij sprak, lieten de kikvorschen zich zoo luide hooren, dat der gansche schare hooren en zien verging, en zelfs de redenaar geweldig werd gestoord. De H Antonius hield op. en naar het water gekeerd, zegende hij de kikvorschen, terwijl hij ze het stilzwijgen oplegde. En, o schoone deugd van gehoorzaamheid I De woelige kikkers zwegen, zoolang de predikatie des heiligen duurde: eeneuitmuntende beweegreden om degenen, die hem aanhoorden, aan te sporen, hun gedrag naar zijne woorden in te richten.
Azev. Leven v. d. H. Aut.
128
Vierde Overweging.
Over de Naastenliefde.
4lS iemand zegt: ,ik heb God lief,quot; en zijn Jri broeder haat, hij is een leugenaar.
Job. 4: 20). Hfit eerste gebod luidt:
âGij zult den Heer uwen God liefhebben.....quot;
Het tweede gebod is hieraan gelijk Gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zeiven.... Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander lief hebt, gelijk Ik u heb liefgehad.quot; (Joh. 13: 34).
De naastenliefde kenmerkt zich op tweevoudige wijze. De eerste en voortreffelijkste wijze bestaat in den ijver en de zorg voor de ziel des evennaasten; de tweede in de zoi-g voor de behulpzaamheid bij diens tijdelijke noodwendigheden. De H. Antonius beoefende op beide wijzen de christelijke liefde uit al zijne krachten. Hij lenigde de smart der armen en gevangenen, die zich in hechtenis bevonden, omdat zij niet bij machte waren, hunne schulden to betalen; hij bezocht en verpleegde de zieken, troostte de droefgeestigen, riep vereenigingen in het leven tot het beoefenen der boetvaardigheid en naastenliefde. Indien zijn menschelijke hulp te kort schoot, dwong zijne liefde hem tot het doen
129
van wonderen. Doch wat zullen wij van ziine brandende liefde voor het zieleheil zeggen? Om verloren zielen op te zoeken, was geen land hem te uitgestrekt. Wie telt ze, de zondaars, die aan hem hun bekeering te danken hebben ?
Laten wij ons ook naar het voorbeeld van den H Antonius op naastenliefde toeleggen; want de liefde bedekt de menigte der zonden. Beminnen wij de armen, die lijdende ledematen van Christus. Helpen wij hen naar best vermogen : aalmoezen geven is geld bij God beleggen. Vooral moeten wij de ziel van den naaste beminnen. Wij mogen niet onverschillig blijven bij haar eeuwig verderf. Aan de redding der zielen werkzaam zijn, is deelnemen aan het verlossingswerk des Heeren, en strekt tot eer van God en het heil onzer eigene ziel. Wij kunnen zelfs apostelen worden, indien wij de liefdadige instellingen ondersteunen en bevorderen. Laat ons tot het heil der zielen een weinig van dat geld afzonderen, waarmede wij zoo dikwijls onze zinnelijkheid en ijdelheid najagen en bevredigen.
O H. Antonius, verkondiger des geloofs, verkrijg ons ook de naastenliefde en zielenijver, opdat wij onder de bevorderaars des geloofs mogen gerekend worden.
h. antonius. 9
130
Woud er.
t
s de H. Antonius op zekeren dag, naar
zijn klooster te Puy teruggekeerd, pre
dikte, gebeurde het, dat de booze geest een list verzon, om aan de woorden des heiligen de heilzame uitwerking voor het volk te onttrekken. Hij vermomde zich in de gedaante van een bode, baande zich een weg dwars door de menigte, luide te kennen gevende, dat hij een vrouw zocht, aan welke bij een brief moest bezorgen Haar gevonden hebbende, vertelde hij in afgrijselijke bijzonderheden, dat haar zoon juist was vermoord, en overhandigde haar den brief. Bij die tijding wordt de arme vrouw dooide hevigste droefheid overmeesterd, Inat hartverscheurende kreten hooren en trekt aller aandacht tot zicb. De H. Antonius geeft een teeken tot stilte, en zegt tot de vrouw, dat zij alle vrees uit haar hart moet verbannen; dat baar zoon leeft, en zij hem weldra zal zien. Verder verklaarde hij, dat men geen geloof moest hechten aan deze list des duivels, die dit bedrog slechts te baat nam, om het volk tijdens de preek te verstrooien, en er de vruchten van te verijdelen. Toen de satan zich ontmaskerd zag, verdween hij onder het uitstoo-
131
ten van een scbrikbarend gehuil, een vullen damp in de lucht achterlatende. Nadat het volk tot bedaring \vas gekomen, maakte de H. Antonius zich die helsche list ten nutte, door zijne toehoorders in het geloof te versterken, en ben te waarschuwen, om toch altijd op hunne hoede te zijn tegen de lagen des duivels. AzeveJo. 69
Vijfde Overweging,
Over de liefde tot onzen goddelijken , Zaligmalcer.
Tïlesus Christus heeft ons liefgehad en Jy zich voor ons opgeofferd. Om onzentwil j heeft Hij zijne glorie en heerlijkheid verlaten en is uit den hemel neergedaald. Hij is voor ons aan het kruis gestorven. Ter wille van ons verblijft Hij in bet H. Sacrament zijner liefde; en Hij verklaart zelfs, dat het zijn vermaak is, onder ons te wonen. Heeft Hij na al deze bewijzen zijner liefde geen recht op onze wederliefde?
Wie zal die liefde Gods in den H. Antonius beschrijven? Zijn hart smolt van liefde, als bij de diepe nederigheid van het Kindje Jesus in de kribbe overwoog. l)e goddelijke Heiland, die eens sprak: âIndien iemand Mij liefheeft, zal Ik bij hem mijn intrek
132
nemen,'' beloonde ook in geruime mate de liefde van Antonius, en verblijdde zijn trouwen vriend dikwijls door zijne zichtbare tegenwoordigheid. Zijn ziel werd echter ook geweldig ontroerd bij de overweging over het lijden onzes Heeren. Antonius verlangde in zijne liefde tot den gekruisten Jesus steeds, om op een Vrijdag te sterven, en deze heilige troost viel hem ook ten deel.
âAls iemand onzen Heer Jesus Christus niet bemint,quot; zegt de H. Apostel Paulus, âhij zij vervloekt.quot; En indien wij God, onzen Schepper, niet reeds toebehoorden, dan nog zouden wij ons aan God, als onzen Verlosser, geheel en al moeten toewijden. Kunnen wij ons leven niet voor het zijne opofferen, dan moeten wij toch wederliefde in onze harten gevoelen. Be-yveren wij ons toch, God te beminnen, dien God, welke ons liefhad, toen wij niet waardig waren, bemind te worden. Beminnen wij Hem uit geheel ons hart, want Hij heeft zich voor ons geslachtofferd. Betuigen wij Hem onze liefde voor het Tabernakel, gedurende de H, Mis, bij de H. Communie, waarin Hij zich zeiven geheel aan ons schenkt. Hij spreekt tot ons: âZoon, schenk Mij uw hart!' O beminde vriend des goddelijken Hei-
133
lands, H. Antonius, verkrijg voor mijn arm hart een weinig meer liefde tot Hem, die het bovenmate liefheeft.
Wondeu.
tot een onafzienbare menigte volks. God
veropenbaarde hem, dat de duivel hem een strik spande, ten einde te beletten, dat zijn predikatie vruchten zou dragen Antonius bereidde zijne toehoorders hierop voor, en raadde hun aan, niet verstrooid uiteen te loopen, indien de booze geest eene kwaadaardige poging zou aanwenden.
De redenaar stond op eene verheven stelling, welke men daar ter plaatse had opgericht, en die de noodige stevigheid bezat. Op eens zakte het timmerwerk ineen, doch zonder dat iemand eenig letsel overkwam. Het volk bracht hulde aan den voorspellenden geest van den heilige, en daar het te voren werd verwittigd van hetgeen gebeuren zou, was het voor niets beducht, doch wachtte geduldig den afloop van dit voorval af. Nadat de stelling weder was opgeslagen, zette de heilige zijne preek voort, en de list van satan diende slechts, om deze toespraak met nog beter uitslag te bekronen.
e heilige Antonius preekte te St. Julian
134
Zesde Orerwegiitg.
Over de Godsvrucht tot de H. Maagd.
quot;^T^ehalve de liefde tot God is er niets ver-Tjj hevener, troostvoller en heilzamer, dan ^ de godsvrucht tot Maria. Deze godsvrucht i.s ten allen tijde, op alle plaatsen, door alle volkeren beoefend geworden. Eerbied, vertrouwen en liefde zijn de drie ware bestanddeelöii der oprechte vereering van Maria. Eerbied zijn we haar verschuldigd, wegens hare waardigheid, hare onmetelijke verdiensten en hare glorie in den hemel. â De liefde is haar echter eigen als eene teedere moeder, welke ons voortdurend hare moederlijke teederheid bewijst.
Maria heeft van alle heiligen deze drievoudige vereering genoten. De H. Antonius bekleedt onder hare trouwe dienaren een eerste plaats. Op het feest van Maria's hemelvaart aanschouwde hij het levenslicht, werd gedoopt in de kerk van Maria-He-meivaart te Lissabon en ook in deze kerk aan Maria opdragen. In lichaams- en zielsgevaren riep hij Maria aan, en trachtte zijna liefde tot haar in de harten aller menschen te ontsteken. Talrijk waren zijne predikatiën over de grootheid, goedheid en liefde dier hemelsche Koningin, en van zijne
135
stervende lippen ruischte zijn gelief koosde lofzang: âO Koningin!quot; O, mocht ook ons de gunst ten deel vallen, in het stervensuur getroost te worden door Maria, die Moeder van barmhartigheid, gelijk de H. Antonius zulks ondervond. Om aan dit geluk deelachtig te worden, moeten wij Maria een kinderlijkeliefde en vereering toedragen, in alle moeilijkheden dezes levens ons tot baar wenden, steeds het schapulier en een rozenkrans bij ons dragen, met godsvrucht bij hare voornaamste feestdagen tot de HH. Sacramenten naderen en immer indachtig zijn, dat een kind van Maria nooit zal verloren gaan.
W ONDER.
adat de heilige eens gepredikt had, en 1 V een dorp in de nabijheid van Marseille ^ doortrok, werd hij met zijn reisgenoot door eene godvreezende vrouw dier plaats uitgenoodigd om bij haar eenige verkwikking te gebruiken, hetgeen hij aannam. Opgetogen van blijdschap, dat de H. Antonius binnen hare woning vertoefde, daalde deze vrome vrouw naar den kelder af, om wijn te halen, doch vergat inderhaast, de kraan van het vat dicht te draaien, of deed haar slechts ten halve
136
toe, zoodat de wijn wegstroomde. Boven gekomen, neemt zij een beker, en terwijl zij dien wil opvatten, houdt zij er den voet van in haar hand. De beker was van glas, en het arme vrouwtje zat er nog meer over in, dewijl zij hem slechts geleend had. Antonius, getuige van dit schouwspel en in den geest bespeurende, wat er, buiten weten van zijn gastvrouw, in den kelder had plaats gegrepen, wilde niet toelaten, dat de hem betoonde milddadigheid zoo slecht zou beloond worden. Met de handen bedekte bjj zijn aangezicht en sprak een kort maar vurig gebed, waarna men aanstonds den beker wederom in zijn vorigen toestand hersteld zag. De vrouw keert naar den kelder terug, en bemerkt, dat de wijn uit het vat is geloopen; doch het wonder, waarvan zij zooeven getuige was geweest, deed haar een tweede verhopen, en inderdaad; bij het vat gekomen, vindt zij dit gevuld met wijn, van oneindig beter soort dan de vorige. Verheugd snelt zij de trappen op, om hare gasten te bedanken; dezen echter waren reeds vertrokken, daar zij wilden vermijden, dat het dubbel wonder in den omtrek ruchtbaar werd, terwijl zij nog clüDWGzig waren. Azevedo. 62.
137
Zevende Overweging:.
Over de ootmoedigheid.
^loogmoed is een ongeregeld verlangen, XT om door anderen geacht en geprezen ^ te worden. Dit kwaad wordt veroordeeld door God en de menschen. God kan den lioovaardige niet dulden: vroeg of laat zal Hij hem vernederen. De daartegenover gestelde deugd is ootmoedigheid. Indien wij God in al zijn grootheid en verhevenheid overwegen en van ons-zelven nietige gedachten hebben, schrijven wij ook aan God alle eer en goedheid toe. De nederigheid helpt ons alle wederwaardigheden, smaad en tegenspraak met geduld verdragen. De volmaakte nederigheid is gelegen in het verlangen, om verborgen te blijven en niet door de menschen gezocht te worden.
Welken ootmoed zien wij in den H. Antonius! Hij veracht alle aardsche grootheid en luister. Hij begeert slechts verborgen te leven in het huis des Heeren. Hij erft een beroemden naam, en verwisselt dien met den naam Antonius, om daarmede onbekend in een arme orde te kunnen leven. Zoo zorgvuldig zocht hij zijne talenten voor anderen te verbergen,
138
dat men hem aanvankelijk voor heel onbekwaam hield. Aan het nietigste en verachte-lijkste werk geeft hij de voorkeur. Een dringend bevel van den H. Pranciscus is er noodig, om Antonius aan zijn verborgen leven te onttrekken. De bewondering zijner eeuw geworden, schrijft hij zulks niet aan zichzel-ven, maar alleen aan God toe.
Slechts weinig christenen behartigen de waarde der ootmoedigheid ; zelden wordt deze deugd in het leven beoefend, en toch is zij voor ons heil zoo noodzakelijk. âIndien gij niet wordt als kinderen, kunt gij het rijk der hemelen niet ingaan,quot; zegt de goddelijke Zaligmaker. De nederigheid bestaat ook niet daarin, dat wij voor onze talenten en goede eigenschappen in't geheel niet uitkomen ; want de Zaligmaker zegt: âLaat uw licht schijnen, opdat de meuschen mijn Vader, die in den hemel is, daarvoor prijzen.quot; De oprecht eenvoudige erkent, dat al het goede in hem van God komt, hij veroordeelt of veracht niemand dan zichzelven alleen. O H. Antonius, voorbeeld van nederigheid, bid voor ons!
W ONDEE.
nder de godsdienstigste volken bevond zich immer een kwaadwillige, door wiens
139
hardnekkigheid, met toelating Gods, de deugd van den H. Antonius op de meest schitterende wijze uitkwam. Een huichelaar noodigde den heilige, onder den schijn van gastvrijheid, bij zich ten maaltijd. Het was Vrijdag, en ten einde zijn gast te beproeven, werd er een gebraden kapoen opgedisoht. De heilige, die de kwade bedoeling des gastheers bad doorgrond, liet, om hem nog meer te beschamen, niet het minste teeken van afkeuring blijken, en at met het onverschilligste gezicht ter wereld. Dat was voldoende voor den ontaarde, om zich overtuigd te wanen, den heilige in zijne strikken gevangen te zien, zoodat hij hetn bij den bisschop ginff aanklagen. De H. Antonius wordt ontboden; hij verschijnt; maar ter zelfder stond, dat de schotel, die tot bewijs der beschuldiging dienen moest, werd aangebracht, zag men daarin, in plaats van het overschot des vogels, slechts vellen en graten van een visch. De booze lasteraar zag zichzelven bedrogen, en Antonius verheerlijkt; want niet tevreden, met den kapoen in visch veranderd te hebben, had de heilige den huichelaar nog belet, die verandering onderweg te bemerken.
Azevedo. 70.
140
Achtste Overweging.
Over de armoede.
elukkig de man, die het goud niet najaagt en zijne hoop niet stelt op vergankelijke goederen.quot; Hoe moeilijk zullen echter volgens de woorden des Hei-lauds de rijken den hemel binnengaan. Het is inderdaad ook moeilijk, rijk te zijn en zijn hart niet aan de rijkdommen te hechten. Die den rijkdom bovenmate liefheeft, verwijdert zich van God.
Antonius was op vijftienjarigen leeftijd erfgenaam van een groot vermogen; grootmoedig verzaakte hij hieraan, om de armoede van onzen goddelijken Verlosser te deelen, en het kloosterleven te omhelzen. De orde, waarin hij een aanzienlijk vermogen en groot aanzien had, verlatende, trad hij in de orde van den H. Pranciscus. Hier zou hij hoofdzakelijk van aalmoezen leven. Naar het voorbeeld des H. Franciscus was hij eenvoudig tevreden met een oud gelapt kleed. De brevier en de H. Schriftuur zijn de eenige voorwerpen, die hem op zijne reizen vergezellen. Hoe dikwijls was de open lucht of een rotsspelonk zijn onderkomen des nachts!
141
God veroordeelt den rijkdom niet, maar slechts hem, die zijn hart daaraan hecht; want cr zijn veel heiligen geweest, die groote aardsche goederen bezaten. Wil dus iemand tot volmaaktheid komen, zonder te willen verzaken aan de tijdelijke schatten, dan ten minste moet hij zich, het oog gericht op het voorbeeld des Heeren, die niets had, waarop Hij zijn hoofd kon nederleggen, diep voor God vernederen. Al wat hij bezit en verkregen heeft, moet hij in ruime mate nuttig besteden, en door milde aalmoezen zijn ziel redden. Ook de armoede is tot het geluk der ziel dikwijls noodzakelijk. Opdat zij echter tot heiliging der ziel strekke, moet zij met geduld en overgeving aan de goddelijke Voorzienigheid gedragen worden. O H. Antonius, vurige minnaar der Seraphijnsche armoede, verleen den armen het noodige geduld, den rijken de christelijke liefde en onthechting van hun hart aan de aardsche goederen.
Wonder.
elfs ketters werden gedwongen, den heilige hulde te brengen. Eenigen hunner, bemerkt hebbende, boe lichtvaardig de heilige aan uitnoodigingen deelnam, beslo-
142
ten met hem eens een loopje te nemen en verzochten hem ter tafel. Toen zij aanzaten, liet men een katuil of wel een dier groote vledermuizen opdienen, gelijk er op Sicilië menigvuldig worden aangetroffen : zij wilden hem diets maken, dat het een kip was, en vroegen of hij die wilde aansnijden, en zelf de stukken ronddeelen. Antonius aarzelde niet. Ziende, dat hij hun lage spotternij niet bemerkte, begonnen zij luidkeels te lachen. Doch de heilige bad inwendig God gebeden, om die dwazen te beschamen, ten einde zij tot Hem zouden wederkeeren. En inderdaad, het is een kip, in werkelgkheid een kip, die hij ziet te hebben stuk gesneden, gelijk men het hem had willen doen gelooven. Getroffen op het gezicht van dit wonder, gaven zij zich gewonneji, en omhelsden het ware geloof met innig leedwezen over hunne zonden.
Azevedo. 71.
Negende Overweging.
Over de kuischheid.
rLf
alig zijn de zuiveren van harte, want
.--n zij zullen God aanschouwen.' C p , Die de kuischheid liefheeft, zal den Koning der koningen tot vriend hebben.' â
143
âKostbaarder dan alle goud ter wereld is een zuiver hart.quot; De zuiverheid verheft den mensch boven de Engelen; de Engelen bezitten haar immers, doch zonder daarvoor gestreden te hebben; de mensch daarentegen komt in 't bezit van dien schat door waakzaamheid, gebed en strijd.
De H. Antonius koesterde van zijn vroegste jeugd af de meeste zorg, om de lelie der zuiverheid ongeschonden te bewaren, en ten einde deze maagdelijke bloem te vrijwaren tegen den booze, omgaf hij haar met een doornenhaag van boetvaardigheid. De kastijding van zijn onschuldig lichaam en het voortdurend gebed verschaften ook aan die reine bloem een frisschen en hemelschen dauw. Vooral stelde hij zijne ziel onder de bescherming van Maria, die glorierijke Moeder der maagden. Jongeling zijnde, vlucht Antonius de booze wereld en begeeft hij zich tot de eenzaamheid des kloosters, om troost te vinden in de schaduw van het altaar. Zoo trouw werkte hij met de goddelijke genade mede, dat hij het vuur der begeerlijkheid geheel in zich uitdoofde, en als een Engel in menschelijke gedaante leefde. Door zijnen adem of de aanraking zijner kleederen deelde hij aan anderen
144
de gave der kuischheid mede; hij ook aanschouwde zijn beminden Verlosser menigmaal in zichtbare gedaante. Mochten wij op het voorbeeld van den H. Antonius en door zijne voorbede onze harten in vurige liefde tot de kuischheid ontsteken. Hoe schoon is eene reine ziel! Bewaken wij derhalve onze oogen, onze verbeelding en ons hart, vermijden wij alle gelegenheden en gevaren van zonden, lichtzinnige gezelschappen en verdachte boeken. Laten wij in het uur des gevaars, onze zwakheid indachtig, vluchten tot het hart onzer Moeder, de Koningin der maagden.
Wonder.
ijdens men het klooster te Lentini
1
J bouwde, werd een voerman, die daar voorbij reed, door een val van een ontzaggelijk grooten steen verpletterd en zoo vree-selijk verminkt, dat geen menschelijkgedaante meer in hem kenbaar was. De H. Antonius bevond zich vtij dicht in den omtrek. Bij het vernemen van het ongeval, snelt hij naar het misvormde lijk en roept luide, dat ieder het hoort: âIn den Naam van Jesus Christus, door de verdiensten van den H. Franciscus van Assisië, sta op!' En, o wonder I De man staat op, alsof er niets gebeurd
145
Was, dankt God en den heilige en hervat zijn WfU'k. Mias. Azev.
Tiende Overweging.
Over de gehoorzaamheid.
âij^hfistus is voor ons gehoorzaam ge-weest tot den doo l, ja tot den dood des kruises.quot; Geen offer is den Heer zoo aangenaam als de gehoorzaamheid, welke wij om zijnentwil bewijzen aan degenen, die over ons gesteld zijn. De eigen wil is het dierbaarste, wat wij bezitten ; en wij schenken Gode door de gehoorzaamheid onze kostbaarste gave.
De H, Antonius, die in alle andere deugden zoozeer uitmuntte, moest ook een volmaakt voorbeeld van gehoorzaamheid zijn. Zijnen ouders behaagde hij als kind door zijne volkomen onderwerping. Als kloosterling ondernam hij niets zonder toestemming en verlof zijner Oversten. De gehoorzaamheid brengt zijne talenten en begaafdheden aan 't licht en maakt hem tot Apostel. Tot overste benoemd van onderscheidene kloosters, strekt hij steeds overal zijnen broeders tot volmaakt voorbeeld van stiptheid en trouwe inachtneming van den regel Het is daarom niet te verwonderen, dat Antonius zulke h. antonius. 10
146
groote wonderen verrichtte, want de H Geest zegt: âDe gehoorzame zal van zegepraal tot zegepraal geraken.quot; âNeem den eigen wil weg,' roept de H. Bernardus uit, âen er zal geen hel meer zijn.quot; De ongehoorzaamheid opent de hel, de gehoorzaamheid ontsluit echter de poorten van het Paradijs. Als volgelingen van Hem, die gehoorzaam is geweest tot den dood, kunnen ook wij alléén door gehoorzaamheid de eeuwige zaligheid verwerven. Luisteren wij alzoo naar God, door het vervul len zijner geboden, en in één woord naar allen, die door God als oversten over ons gesteld zijn. Dat iedere zie) in 't bijzonder zich late leiden door de stem des gewetens. De gehoorzaamheid zal ons op den veiligen weg der zaligheid voeren.
W ONDEK.
ene zeer godvruchtige vrouw bewees, behalve dat zij vele goede werken verrichtte, vooral den Minderbroeders groote weldaden Hierdoor haalde zij zich de gramschap baars echtgenoots op den hals, die haar eens, toen zij aalmoezen naar het klooster ging brengen, bij 't terugkeeren met beleedigingen overlaadde, haar sloeg
147
en in een vlaag van woede met, één ruk het gansche hoofdhaar uittrok. In dien deernis-waardigen toestand ging de mishandelde vrouw-naar het klooster terug, waar de H. Antonius zich bevond, en vertelde hem de barbaarsche handelwijze, waarvan zij bet slachtoffer was geweest. De heilige troostte haar, liet de kloosterlingen samenkomen, bad in vereeniging met hen voor hun ongelukkige weldoenster, en op eens begon haar hoofdhaar weder aan te groeien, en zag er schooner uit dan te voren. Dit wonder maakte op haar goddeloozen en wreeden man diepen indruk. Niet slechts voelde hij leedwezen over zijne oploopendheid, maar hij werd zelf een der meest toegenegene vrienden van den H. Antonius en der kloosterlingen, die hij tot het eind zijns levens met aal
Azevedo. 68.
moezen begiftigde.
Elfde Overweging,
Over Tiet geduld.
onder het geduld missen alle andere
deugden haar volle waarde, want de ziel
van een christen moet tot lijden bereid zijn. Men kan God dienen, noch den hemel verwerven, zonder het geduld. Tot het christendom uitvevkoren, zijn wij
148
bestemd om te lijden ; want wij volgen de voetstappen van onzen gekruisigden God. Door lijden alleen zullen wij het rijk dei-hemelen ingaan.
Gelijk goud in het vuur beproefd wordt, zoo moest Antonius door moeielijkheden zijne deugd bestendigen. Hij brandde van verlangen om bloedgetuige te worden, maar God besloot, hem deze gunst te weigeren. Hoeveel lijden had hij niet te doorstaan op zijne ontelbare reizen! Zijne levensbeschryvers melden ons, dat hij uiterst zwak van gestel was. Ontegensprekelijk veel had zijn, door de koorts en dagelijksche ontberingen afgemat lichaam te verduren. Nog was de maat zijns lijdens niet vol; want de liefdevolle apostel moest zelfs vanwege onboetvaardige zondaren mishandelingen ondergaan. Ketters lasterden hem en stonden met dolk en vergift naar zijn leven. Geen kruis was echter voor de ziel van Antonius te zwaar; ten innigste met den gekruisten Zaligmaker verbonden, verheugde hij zich veeleer, met en voor Hem te lijden.
Zonder geduld zijn ons zelfs de geringste moeielijkheden onverdragelijk. Onshart wordt door onrust en klagen nimmer opgebeurd, integendeel slechts meer verbitterd en tot het
149
kwaad gevoerd. Het geduld bevredigt onzen geest, verzacht alle bekommernis, wischt, de zonden uit en levert zelfs in korten tijd veel verdiensten op voor den hemel.
Wond eb.
Irn het jaar 1683, tijdens de maand Juni, viel er te Venetië een meisje, dat nauwelijks 10 jaren oud was, uit het raam van een zeer hooge verdieping. De vader, getuige van dien val, riep terzelfder stond uit H. Anto-nius, red baar!quot; â En o wonder, het kind bleef aan een balkon der benedenverdieping haken, en hing alzoo tusschen hemel en aarde. Men haast zich, het kind los te maken, en het ontsnapt aan een gewissen dood. Gelukkig degene, die in de ure des gevaars den H. Antonius weet aan te roepen ; hij kan met alle zekerheid op zijne hulp vertrouwen, gelijk dit kind ondervond, ten gevolge dei-plotselinge aanroeping van den vader.
Boll. 76G. 13. Juni.
1
Twaalfde Overweging.
Over de boetvaardigheid.
iets schenkt ons zoo grooten troost in dit leven en versterkt onze gelatenheid bij
150
het sterven zoozeer, als de gepleegde boetvaardigheid ; zij delgt de begane schulden, bewaart ons tegen het hervallen in de zonde, en herstelt ons in de goddelijke genade. De H. Antonius zegt: âWilt gij niet door God gestraft worden, tuchtig dan u zei ven.quot; De zonde moet noodzakelijkerwijze óf gestraft worden door hem, die ze begaat, óf door God, tegen wien ze begaan wordt. Het heilig Concilie van Trente zegt: âHet leven van den christen moet eene voortdurende boetvaardigheid zijn.quot;
Wie zou kunnen beschrijven, hoe verheven de beoefening dier deugd door den H. Antoniusquot; werd opgevat? Van jongs af kastijdde hij zijn lichaam door allerlei onthouding. Hoe weinig tijd gunt hij zich tot rust en zoekt die dan veelal nog op den barden grond. Zoo winter als zomer, immer in hetzelfde grove habijt, waaronder nog ruwe boetgordels zijn teeder lichaam knellen. Bij al de verstervingen, die hij zich zeiven oplegde, deed hij de meeste zijner reizen te voet, en moest dikwert het noodige voedsel ontberen, om niet te spreken van zijn lange predikatiën en het voortdurend vermoeiend biecht-hooren.
151
Er bestaan duizenderlei kleine middelen, om de boetvaardigheid te beoefenen. Waarom benuttigen wij die niet? De kleine verstervingen, het verdragen der verschillende luimen van den evenmensch, eene voorbijgaande ongesteldheid, zonder morren ondergaan, alle deze kleinigheden gewaardigt, God zich, als offer van ons aan te nemen. Deze zeer zeker kleine droppeltjes vullen toch langzamerhand den lijdenskelk, dien Jesus Christus ons aanbiedt. Met deze geringe offers kunnen wij in ons vele zonden wegnemen, en den schat voor het toekomstig leven aanmerkelijk vermeerderen. O, H. Antonius, volmaakt â voorbeeld van boetvaardigheid, verkrijg ons van God den waren geest van versterving.
Wonder.
^KXet was in de maand November van I j 't jaar 1680, dat een barbier te Napels ^ inden winkelzichmetzijnkind vermaakte, en het in zijn armen liefkoosde. Zijn oude vijand, die juist voorbij liep, hem in die houding ziende, nam deze gelegenheid te baat, om zich te wreken, trad eensklaps binnen en bracht den ongelukkigen vader verscheidene dolksteken toe. Zulks viel den
152
moordenaar des te gemakkelijker, naarmate zijn slachtoffer er slechts op bedacht was, het wichtje tegen steken te behoeden. Op zijn hulpgeschrei snelt zijne vrouw toe, en vindt het kind zonder letsel naast haren echtgenoot liggen, die in zijn bloed baadde. Vol betrouwen haalt de vrouw het responsorium van den H. Antonius met een prentje, dat men haar enkele dagen geleden had gegeven, te voorschijn ; zij legt dit op de eerste wond, die zij ontbloot en welke onmiddellijk dichttrekt, behandelt zoo vervolgens iedere wonde, en telkens met denzelfden uitslag. Haar man, aldus in een oogwenk genezen, staat op, en terwijl hij den H. Antonius bedankt, maakt hij bet wonder, dat zooeven met hem plaats greep, overal bekend. Bo11- 13- Juni- 763-
Dertiende Overweging.
Over het geheel.
et. gebed is de sleutel, welke ons de
hemelsche schatten opent en de gids,
, die de ziel tot God brengt. Derhalve is liet duidelijk, dat de heiligen slechts door middel van het gebed tot heiligheid geraken. Bidden wil namelijk zeggen: met God spreken, aan God denken, God om
153
genade bidden. Is de ziel Gode indachtig, zoo zal zij ook tot de kennis Gods komen, spreekt zij tot Hem, dan vereenigt zij zich met God; bidt zij tot God, dan kan zij ook alles van hem verwerven. Een krachtig wapen tegen den booze is het gebed. De zondaar zal, als hij bidt, weldra tot oprechte bekeering komen, en de rechtvaardige verkrijgt de genade dbr volharding, door God ootmoedig aan te roepen.
Antonius was een man des gebeds, daarom was hij nederig, kuisch en geduldig. Zijne innige vereeniging met God werd door niets verbroken. In het gebed erlangde hij alle genaden, door welker kracht hij vele wonderen wrochtte. Ontbrak het dien vriend des gebeds gedurende den dag aan gelegenheid, om zich met God te onderhouden, dan offerde hij zijne nachtrust op, om, naar het voorbeeld zijns goddelijken Meesters, den nacht in het gebed door te brengen.
Wie zal ook ons dien ijver in bet gebed verleenen? Indien wij den waren geest des gebeds bezaten, dan zouden wij niet zoozeer tot het wereldsche genegen zijn. Dagelijks onderhouden wij ons met de schepselen, en zouden wij dan niet tot onzen Schepper willen spreken? Om die ondankbaarheid der menschen stortte de
154
goddelijke Zaligmaker tranen en zeide: âo hemelsche Vader, de wereld kent U niet!quot; Zouden wij dan steeds onverschillig blijven voor God en het belang onzer ziel? Men behoeft niet geleerd te zijn, om goed te kunnen bidden. Eene eenvoudige ziel, een onwetend mensuli kan beter en met meer vrucht bidden, dan de grootste geleerde, indien hij met meer nederigheid voor God verschijnt. Verleen mij, o mijn God, den geest des ge-beds door de verdiensten van den H Anto-nius van Padua.
Wonder.
fe echtgenoote van zekeren Jean de Gastel-Franco, Sophie genaamd, nabij Trevise woonachtig, had het ongeluk door den duivel bezeten te zijn en leefde reeds 10 jaren in dien beklagenswaardigen staat. Haar gemaal had het voorgevoel, dat zij op het feest van den H. Antonius van dat jaar (het was in 1278) zou verlost worden. Te dien einde vervoerde hij zijne vrouw naar Padua, en slaagde er in, haar binnen de kerk te brengen; bedaard kuste zjj het graf van den heilige, en men zou gezegd hebben, baar zoo rustig ziende, dat zij reeds genezen was. Zij keerden daarope echtgenoote van zekeren Jean de Gastel-Franco, Sophie genaamd, nabij Trevise woonachtig, had het ongeluk door den duivel bezeten te zijn en leefde reeds 10 jaren in dien beklagenswaardigen staat. Haar gemaal had het voorgevoel, dat zij op het feest van den H. Antonius van dat jaar (het was in 1278) zou verlost worden. Te dien einde vervoerde hij zijne vrouw naar Padua, en slaagde er in, haar binnen de kerk te brengen; bedaard kuste zjj het graf van den heilige, en men zou gezegd hebben, baar zoo rustig ziende, dat zij reeds genezen was. Zij keerden daarop
155
naar hun woning terug. Doch op eenigen afstand van de kerk betrekt helaas het gelaat der ongelukkige en zij stort neer in een aanval van razernij, die genoegzaam bewijst, dat zij in 't minst niet is verlost. Men wil haar naar de kerk terugvoeren, doch de bezetene biedt zoo hevig tegenstand, dat alle pogingen mislukken. Eindelijk gelukte het, haar op een stoel te binden, en het kerkportaal te bereiken ; maar naar binnen gaande, breekt de stoel, springen de koorden stuk, en met de meeste krachtsinspanning sleuren verscheidene mannen de vrouw tot aan het altaar des heiligen. Zij waren er van overtugd, dat, indien het gelukte, haar dit met de handen te doen aanraken, zij verlost zou zijn. Hierin slaagden zij ten laatste door middelen van geweld. Nauwelijks had zij de hand op het altaar gelegd, of zij riep met heldere stem: âO, H. Antonius, barmhartigheid!quot; Die woorden uitende, kwam zij tot zich zei ven; hare trekken kregen hun gewonen vorm terug, de gejaagdheid bedaarde en zij hervatte het gebruik harer zinnen. Op de plechtigste wijze betuigde zij haren dank aan den heilige, die haar verlosser geweest was.
Boll. 758,
156
Veertiende Overweging'.
Over onze bestemming.
ie u gemaakt heeft al wat gij zijt, heeft recht om te eischen, dat gij geheel voor Hem zijt,'' zegt de H. Au-gustinus. God alleen is ons laatste einde. Niet anders heeft Hij ons kunnen scheppen, dan voor zich. â Ons hart zegt ons, dat wij slechts geschapen zijn voor God. â Indien wij zulks loochenen, zouden wij verraad plegen aan ons zeiven. Een ieder moet hebben wat hem toebehoort; laten wij dan voor God leven, vermits wij Hem toebehooren.
De H. Antonius strekt ons van af zijn eerste levensjaren hier tot navolging. In alle zijne handelingen en ondernemingen was God zijn eenig streven, en tot zijn dood herinnerde hy den mensch in verhevene leerredenen aan zijn eindbestemming.
Indien wij God niet van ganscher harte zijn toegedaan als goedertierene kinderen, zullen wij tegen wil en dank zijne slaven worden; want het is noodzakelijk, dat wij leven, óf onder de heerschappij zijner goedheid, óf onder die zijner rechtvaardigheid. Welk deel zullen wij kiezen? Elke zaak moet strekken tot haar einde en volgens
157
hare natuur werken. Indien rle zon, die geschapen is om te verlichten, weigerde haar licht te doen schijnen, zou het zijn alsof zij niet bestond, of liever, zij zou een wanschepsel wezen voor de wereld. Zoo ook is niets zoo onredelijk en wanschapen als een voor God alleen bestemd hart, dat zijn Schepper niet onverdeeld liefheeft. â Zijn al onze gedachten en werken voor God alleen ? Ach, hoe weinig verrichten wij, dat waarlijk genoemd kan worden voor Hem te zijn! Wat doen wij op deze wereld, indien wij aan het eenige werk niet arbeiden, waarvoor wij gekomen zijn! O, H. Antonius, verkrijg ons door de verdiensten uwer offervaardige liefde, dat wij steeds onze bestemming hier op aarde mogen indachtig zijn, en dienovereenkomstig leven.
Wonder.
fe Venetië ontstond in een huis een geweldige brand. Er was niemand in, die het bemerkte en die, óf hulp kon roepen, óf wel bijstand verleenen. De familie, die het bewoonde, bezat veel godsvrucht tot den H. Antonius, en had een beeltenis van dien heilige aan een deur vastgehecht. De vlammen lieten zelfs niet den minstene Venetië ontstond in een huis een geweldige brand. Er was niemand in, die het bemerkte en die, óf hulp kon roepen, óf wel bijstand verleenen. De familie, die het bewoonde, bezat veel godsvrucht tot den H. Antonius, en had een beeltenis van dien heilige aan een deur vastgehecht. De vlammen lieten zelfs niet den minsten
158
rook door, doch doofden vanzelf uit, zonder de aangrenzende vertrekken te bereiken, waar zich het kostbaarste bevond, wat die familio bezat. Toen de eigenaars tehuis kwamen, bedankten zij den H Antonius, die zich ge-waardigd had, hen door de macht van zijn afbeeldsel en den eerbied, dien zij hem toedroegen, van een onafzienbare verwoesting te vrijwaren. Azevedo. 241.
Vijftiende Ovorwegiug
Over de verachting van het aardsche.
t
hechten aan
lllJ vergankelijke zaken; want zij zullen r met deze te gelijk vergaan.quot; Zoodra men deze wereld najaagt, houdt men eenigszins op christen te zijn. De goddelooze wereld, zoo genegen tot grootheid, vermaak en alles wat eigenliefde streelt, is de gezworen vijandin van Jesus Christus. â Hare grondregels, hare geboden en hare belangen zijn tegenstrijdig; â wij kunnen niet beiden te gelijk, God en de wereld dienen; men moet met de vriendschap van Jesus, of met die der wereld breken.
Getrouw aan de beloften zijns doopsels, koos de H. Antonius niet slechts de vriendschap Gods tot zijn deel, maar zocht, naar
159
het voorbeeld zijns Verlossers, zich voor het oog der wereld te verbergen, en verzaakte den duivel, diens ijdele pracht en alle aard-sche vergankelijke schatten. De wereld heeft niets, om degenen, die haar dienen, te kunnen betalen. Hare schatten, vermaken en eereambten kunnen het menschelijk hart wel misleiden, maar hem geen voldoening schenken; want het zijn in werkelijkheid slechts ijdele schatten en valsche vermaken, of liever, het zijn waarachtige kwellingen, Zij maken den mensch afkeerig van alle goed, en beletten zijn waar geluk. Hijk-dom is niet slechts wisselvallig en broos, maar veelal vol bitterheden en hartzeer. Men zucht en lijdt op den troon, zoowel als in de schamele woning. O, H. Antonius, verkrijg ons van God de genade, om den geest dei-wereld in ons te vernietigen en hare ijdel-heden te verachten.
1 Wondee.
pijlen ontstal in een logement aan een Armeniër den reiszak, die al zijn geld
1 bevatte. In die verlegenheid nam hij zijn toevlucht tot den H. Antonius, tot wien hij een bijzondere devotie bezat. Eensklaps gaat er licht op in zijn geest. Hij stijgt met andere lieden te paard, om met hen
160
den dief te aohtei-balou. De ruiters spreken onderling af, een grooten cirkel te maken, en vertrekken, de samenkomst boijalende in een boscbje, te midden der vlakte gelegen. Daar ter plaatse aangekomen, bespeuren zij iemand, die al het mogelijke aanwendt, om zijn paard vooruit te krijgen. Zweep noch sporen helpen echter iets. De vreemdeling herkent de ruiters, en geeft hun terstond den reiszak over, met de bekentenis, dat hij is overtuigd, dat zijn paard plotseling stilstaat door een bijzondere toelating van God, die teruggave van het gestolene vorderde. Nauwelijks hatl hij uitgesproken en de zaken teruggegeven, of zijn paard vloog pijlsnel voort, zonder dat het zijn vervolgers mogelijk was, het in te halen of staande te krijgen.
Azevedo.
Zestiende Overweging.
Over den dood.
e H. Schrift zegt: âIk ben misschien slechts ééne schrede van den dood verwijderd.quot; (1 Kon. XX. 3) en volgens de woorden van Tertul. is er geen dag van morgen voor een Christen. Wel heeft de Christen reden om den dood te vreezen, als hij niet leeft, gelijk het een volgeling van Christus
161
betaamt. Wat rekenscliap zal men moeten geven, na een leven vol wellusten! Wat spijt moet het zijn, alle gelegenheid verloren te zien, om zalig te kunnen worden. O rampzalig oogenblik, dat het einde is van al het aardsche, en een begin maakt aan de eeuwige smarten, zoo men als vijand van God sterft!
Wat zouden wij wenschen, gedaan te hebben in de ure des doods? Laat ons nu doen, hetgeen wij alsdan zouden wenschen, gedaan te hebben. Daar is geen tijd te verliezen. Elk oogenblik kan het laatste van ons leven zijn. Hoe langer wij geleefd hebben, des te nader zijn wij bij het graf: de dood is des te meer nabij, naarmate hij langer is uitgesteld.
De H. Antonius was immer tot dien ge-wichtigen stap bereid. Zijn afsterven, in een geur van heiligheid, spore ons aan, onze levensdagen in navolging zijner deugden door te brengen. Wat immers zal er van schoonheid, geld, vermaak en eer geworden? Hoe oordeelt men er over bij den dood ? De uiterlijke schijn bedriegt ons tijdens het leven; nadert de dood, dan ziet men de zaken, gelijk ze zijn. De levende mensch acht de wereld, de stervende veracht haar. Wien moet mengeloo-ven, den stervenden of den levenden mensch?
h. antonius. 11
162
Laten wij dus ons gedrag zóó regelen, dat de dood ons niet onvoorbereid vinde. O H. An-tonius, verkrijg ons van God de genade van een zalig uiteinde.
W ONDER.
en priester, die veel godsvrucht tot Anto-nius bezat en te Padua woonde, had vijanden. Zij bespiedden hem overal en nadat door hen besloten was, hem te wurgen, legden zij zich op eene plaats, waar depriester noodzakelijk moest voorbij komen, in hinderlaag. Een kloosterling vertoont zich te midden der plek, waar de moordenaars hadden post gevat, en blijft staan. Zij echter bevelen hem, door te gaan, âGaat gij door,quot; was het antwoord des kloosterlings; 9ik verkies hier te blijven.» â âWie zijt gij?quot; roepen de ellendigen, die ten koste van wat ook stand willen houden, hem toe. âTk ben, antwoordde hij, âde H. Antonius van Padua en kom om een priester, dien gij wurgen wilt, te beschermen.' Bevend en onthutst vallen zij aan zgne voeten neer en op hetzelfde oogenblik gaat de priester, dien zij opwachten, voorbij. Alsdan verdween de heilige en de moordenaars knielden voorden priester neer, hem vergeving smeekend
163
en tevens het wonder verhalend, dat de H. Antonius te zijnen gunste had verricht, zonder dat de priester hem te hulp had geroepen. Aldus trad de groote heilige eensklaps als verdediger van zijn godvruchtigenbeschermeling op.
Azevedo. 192.
Zeventiende Overweging'.
Over het oordeel.
YfVe H. Augustinus, het oordeel Gods over-E J wegende, roept uit: âWee zelfs hetgere-geldste en deugdzaamste leven der men-schen bij aldien Gij, o mijn God, het zonder barmhartigheid onderzoekt!' Eenmaal zullen wij moeten verschijnen voor den rechterstoel van God, om geoordeeld te worden volgens het goede en kwade, dat wij gedaan hebben. Niets wat uitdrukkelijker en duidelijkerindeleerder Kerk vermeld staat, dan deze waarheid. â Wat te zeggen bij het zien van zoovele kwade gedachten, zooveel zondige werken en misbruikte genade ? Alles zal onderzocht worden, tot de verborgenste schuilhoek des harten ; en indien de rechtvaardigen nauwelijks rechtvaardig bevonden worden, wat moet het lot van ons zondaren dan wezen ? Wanneer de onverbiddelijke Rechter het vonnis over onsgeveld heeft, is zulks voor eeuwig onherroepelijk! Zou, indien
164
de dood ons trof, een gunstig vonnis voor de gan-sche eeuwigheid ons deel zijn? Laten wij Gode dankbaar zijn, dat Hij ons in zijn lankmoedigheid zoo herhaaldelijk heeft gespaard voor een droevig oordeel, ook toen wij in de zonden bleven voortleven, zonder de genademiddelen aan te wenden, welke zijne ondoorgrondelijke liefde instelde, om ons het eeuwig onderpand te verzekeren. Verlevendigen wij ons geloof omtrent deze gewichtige aangelegenheid, opdat wij, hiervan meer en meer doordrongen, met behulp van den H. Anto-nius, ons zóó mogen gedragen, dat een gunstig oordeel over ons worde uitgesproken.
i Wonder.
ei'wijl de H. Antonius te Padua stond te preeken, stormde een in woede ver-^ keerende zinnelooze de kerk binnen en bracht groote verstrooidheid teweeg onder de luisterende menigte, welke aan des heiligen lippen hing. Antonius verzocht hem bedaard te zijn, doch hij hield niet op te razen, en door het gedrang heen vliegende, gaat bij recht op den heilige af. Bij hem gekomen, vraagt bij om zijn koord te kussen, hetwelk Antonius hem medelijdend toereikt Maar terwyl hij hem toestaat het koord te kussen, schenkt hij hem tevens het
165
gebruik zijner zinnen terug, en de genezene luistert in bedaarde houding aandachtig naar het overige der predikatie. Daarna bewees hij God en den heilige verschuldigden dank voor het uitstekend wonder, welks heilzamen invloed bij mocht ondervinden. Azoveüo. 82.
Achttiende Overweging,
Over den Hemel.
quot; zal nooit geheel verzadigd zijn,
JJjliï tenzij ik God zal zien in zijne heerlijk-
heid.quot; (Ps. XVI: 15.)
Hemel, o groot en veel omvattend woord I Die van den Hemel spreekt, spreekt van de afwezigheid van alle kwaad en de verzameling van alle goed, de eeuwige woning Gods, den prijs van bet bloed van Jesus-Ghristus den Zoon Gods, en de vervulling aller begeerten. God van aanschijn tot aanschijn te zien en zoodanig, als Hij in zijne heerlijkheid zetelt; God zonder mate te beminnen. God te bezitten, zonder vrees van Hem ooit te verliezen, gelukkig te zijn door het geluk van God zelf; ziedaar het voorwerp onzer hoop. Ach, slechts weinig zijn de dagen van ballingschap hier beneden, en weldra zal ik eeuwig zijn bij Hem, dien mijn hart bemint.
Wat is er aan gelegen, in wat rang of stand
166
wij hier op aarde leven, als wij slechts gedurende de gansche eeuwigheid met God ver-keeren! Schoon zegt dan ook de H.Bernardus: âIndien de arbeid u afschrikt, laat het loon u moed geven.quot; Zou ik mij met recht kunnen beklagen, dat eene oneindige gelukzaligheid mij een weinig moeite kost? Ten koste vaneen leven,vervuld van moeielijkheden, opoffering en en armoede, ging de H. Antonius den hemel binnen, en nochtans meende hij, voor deu prijs van zijn bloed, hem niet te duur te betalen, indien God het had toegestaan. O gelukzalige eeuwigheid, dat de mensch uwewaardekende!
Verwekken wij in ons eene groote begeerte om God te aanschouwen, en zien wij met verachting neder op het aardsche, bij de overweging over den Hemel.
Wonder
fp een keer dat de H. Antonius gepredikt had, sloeg hij, ten einde zich aan de toejuichingen der menigte te onttrekken, een verborgen en eenzamen weg in. Zekere vrouw echter, die een aan armen en beenen mismaakt kind had, nam dit op haren rug, koos een ander voetpad en haastte zich, ten einde den heilige aldus te ontmoeten. Weldra haalde zij hem in, en legde het kind aan zijne voeten neder, hem smeekende, het door hetp een keer dat de H. Antonius gepredikt had, sloeg hij, ten einde zich aan de toejuichingen der menigte te onttrekken, een verborgen en eenzamen weg in. Zekere vrouw echter, die een aan armen en beenen mismaakt kind had, nam dit op haren rug, koos een ander voetpad en haastte zich, ten einde den heilige aldus te ontmoeten. Weldra haalde zij hem in, en legde het kind aan zijne voeten neder, hem smeekende, het door het
167
teeken des kruises te willen genezen. De heilige wilde in zijne nederigheid zich hieraan onttrekken, doch de moeder hield aan, met luider stem roepende: âAch! Vader An tonius, heb medelijden met mij en dit arm kind!quot; Aangedaan van mededoogen, zegende de heilige het kreupele kind, dat zich aanstonds volmaakt genezen oprichtte. Vol erkentelijkheid voor deze haar bewezen gunst, verkondigde de getrooste moeder alom met innige vreugde de macht van God en den H. Antonius.
Henr. Sed, c. 17. 193.
Negentiende Overweging.
^ Over de zorg onzer zaligheid.
ïfjl e zaligheid is eigenlijk de zaak van den m mensch; al het overige moet voor niets ^7 gerekend worden. âEr is vóór alles slechts ééne zaak noodig.quot; (Luc. X. 42). Daden van keizers en koningen zijn beuzelingen, in vergelijking met haar. De gewichtigste en eenige zaak is, God te dienen en zijn zaligheid te bewerken. Alle goed, al de volmaaktheid en al het geluk van den mensch zijn daarin gelegen. Het strookt niet met de rede, eene zaak te verzuimen, waarvan de gevolgen zoo belangrijk zijn, de uitslag zoo onzeker is, en het verlies zoo onherstei-
168
baar. Wat dwaasheidj welke verblindheid, er niet op bedacht te zijn, godsdienstig te leven! âWat baat het den mensch, de ge-beele wereld te winnen, indien hij schade lijdt aan zijne ziel?'
En evenwel, niets, waaraan de mensch minder denkt, dan aan zijne zaligheid. Voor alles draagt men zorg, behalve voor zijne ziel. Alles moet winst opleveren. Datgeld moetopintrest belegd, dat stuk land moet bebouwd, de inkomsten van het land moeten vermeerderd worden. Men klaagt over elk verlies, behalve over een verlies, dat onherstelbaar is. Groots kosten worden voor het lichaam besteed, en niets doet men voor de ziel. De rijkdommen en goederen dezer wereld versmadende, deed de H. Antonius daarvan vrijwillig afstand, ten einde zijn hart slechts te hechten aan zijn eeuwige belangen en die van anderen. Laat ons vooral dit voorbeeld van den H. Antonius niet uit het oog verliezen, maar dat onze grootste bezorgdheid hierin besta, om ten koste van wat ook, onze zaligheid te bewerken.
Wondee.
en in Vlaanderen geboren Minderbroeder, die missionnaris in Amerika geweest was, kwam in het jaar 1856 te Rome
169
aan. Hij bezocht, met godsvrucht de heilige plaatsen, toen het gebeurde, dat hij zijne portefeuille, welke al zijne papieren bevatte, verloor, terwijl hij de plaats dei-Drie Fonteinen bezocht, waar de H. Paulus onthoofd werd. Eerst toen hij aan de Ara-Coeli kwam, bemerkte hij zulks. Hij wendde gt; zich tot den H. Antonius, droeg eene H. Mis aan zijn altaar op en maakte den weg naar de Drie Fonteinen terug, in de hoop zijn portefeulle terug te vinden; zijn gang vras echter vergeefsch. Drie dagen lang volhardde hij in zijn vertrouwen. Niettegenstaande er een aanhoudende slagregen viel, keerde hij drie achtereenvolgende dagen terug, na iederen dag de heilige geheimen te hebben verricht. Den derden dag eindelijk, vond hij zijn portefeuille in een heg ongeschonden terug, en waren zijne papieren, in weerwil van het slechte weder, zelfs niet nat geworden, dat men toch zou moeten verondersteld hebben. Tot herinnering dezer blijde gebeurtenis liet hij eene kleine schilderij vervaardigen, welke nog heden de kapel van Antonius in de kerk Ara-Geel i versiert, waar de heilige in hooge vereering staat.
â W
uiilfft'
li
170
Twintigste Overweging.
Over de vrees voor de zonde.
Iln een zijner brieven schrijft de H. Paulus: K n Wat vrucht hebt gij dan gehad in die dingen, waarovergijunuschaamt?' Welk verlies, helaas, is het verlies van eenen God, die oneindig goed en barmhartig is, van wien wij al ons geluk en het eeuwig welzijn te wachten hebben, maar dien men verliest door de zonden. De H. Augustinus, dit punt overwegende, drukt zich in deze bewoording uit: âWee de vermetele zielen, die zich van U verwijderend, mijn God, iets beters hopen te vinden dan ü!quot; Demensch denkt, dat hij ongelukkig is, als hij de aard-sche goederen verliest, maar hij denkt zoo weinig aan de eeuwige en hemelsche goede-ren, welke, volgens de woorden van den Apostel, de roest, noch de mot zal verteren, en waarbij al het vergankelijke goed dezer wereld slechts een bedriegelijke schijn is. â Deze gedachten alleen zijn in staat, om ons schrik in te boezemen voor de minste zonde.
O zonde, hoe algemeen zijt gij onder de menschen! Hoe vermetel brengt gij het schepsel in opstand tegen God, die toch alle liefde waardig is, en zonder wien wij niets zijn, noch iets vermogen. Vreezen wij der-
171
lialve God, door de zonden te vermijden, en laat ons door werken toonen, wat wij met den mond belijden.
Bedenken wij toch wel, dat Jesus voor onze zonden aan het kruis is gestorven. â Laat zijn kruisdood en bitter lijden voor ons niet vruchteloos zijn, maar de uitwerking op ons hebben van een oprecht berouw over onze misdaden. De H. Antonius, die zoo bereidwillig den tijdelijken nood lenigt, zal, indien wij hem met kinderlijk vertrouwen aanroepen, ons van God voorzeker de genade erlangen, steeds met grooten afschrik bezield te zijn tegen het kwaad.
. Wonder.
^JTijdens mijn verblijf te Ferrara in het jaar 1846 werd mij in last gegeven, Z. Em. den
1 kardinaal-aartsbisschop Cadolini het volgend wonder bekend te maken. Den IS4⢠Juni, feest van den H. Antonius, bevonden zich twee jeugdige kinderen, tijdens de processie, alleen te huis. Het was een meisje van zeven jaar, Theresia geheeten, en een jongetje van drie jaar. Samen waren ze aan 't spelen, toen eensklaps Theiesia, die op den rand van een put zat, in de diepte neerstortte; het broertje had haar onverwachts bij de beentjes gegrepen, zoodat zij achterover was ge-
172
slagen. Het ontstelde kind begon met angstige kreten zijn broeder Antoon, een jongeling van tien jaren, die zicli op straat met zijn kameraden vermaakte, te hulp te roepen. Op bet gescbreeuw scbiet bij toe, docb zijn broertje is te klein, om bet slot der buisdeur van binnen open te draaien, zoodat bij zicb genoodzaakt ziet, om bij den buurman over den muur te klimmen, ten einde binnenshuis te komen, waar bij al aanstonds zijn zusje in bet water ziet liggen. Men roept om hulp, mannen baasten zicb bet arme kind te redden ; docb al dadelijk vond men geen ladder, om in den put neer te dalen. Tot overmaat van ramp was de aangebrachte te kort, zoodat er twee aan elkaar moesten gebonden worden. Middelerwijl lag Tberesia altijd nog te water, en op zijn minst kon men den tijd, welken al die maatregelen vorderden, op drie kwartier schatten. De breedte van den put overtrof de lengte van het kind, en er deed zicb van binnen geen vooruitstekend voorwerp op, dat bet kind aan armen ofbeenenkon tegenhouden. Ten laatste werd de kleine er ongedeerd uitgetrokken, zonder bet minste teeken van schrik te verraden ; men zag haar beneden op de watervlakte liggen, terwijl zij lachte en opgeruimd was, alsof zij in bed lag Toen zij er uit kwam, waren de klee-
173
deren nauwelijks nat, en haar ondergoed zelfs niet voclitig. Algemeen erkende men, dat de H. Antonius de bewerker van dit wonder was. De vader van Theresia, sedert negen, en hare moeder, sinds een maand overleden, waren doordrongen geweest van innige devotie jegens dien heilige, en hadden hem het lot hunner kinderen aanbevolen. Juist nu, dat dit voorval plaats greep, werd, gelijk wij reeds boven gezien hebben, de processie gehouden, den H. Antonius ter eere.
Archieven van het Aartabisdom Ferrara.
Een en twintigste Overweging.
Over het uitstellen der heheering.
et besluit is genomen; onverwijld zal ik beginnen God wel te dienen.quot; (Ps. LXXVI. 11.) Men wacht veel te lang, zich tot God te wenden. Het draagt den schijn, dat men Hem tracht te vermijden, terwijl de mensch er naar streeft, te midden dei-zonden, zijn bekeering van dag tot dag uit te stellen. Dan, dan zal ik mg be-keeren, zegt de zondaar. Indien echter de eeuwigheid in gevaar is, kan men geen zekerheid genoeg nemen. Zullen morgen de ketenen lichter te verbreken zijn, of
174
het hart minder verstokt? Ongetwijfeld neen; de tijd, die alles verzwakt, versterkt de kwade gewoonten. Door de geneesmiddelen uit te stellen, maakt men de kwalen ongeneeslijk.
Wat belet ons de stem te volgen, die ons tot de boetvaardigheid roept? Wat doet ons vreezen ? Hot is moeilijk, van leven te veranderen, dit zij erkend; maar, wat behoort een christen niet te doen, die een gekruisten God aanbidt en op een Hemel hoopt? Zoo wij iets duchten, dat dit dan het lange misbruik zij, hetwelk wij van Gods genade maken. UitstellenI Is de toekomst in onze macht? Waarheid is het, dat God ons verwacht, de H. Schrift zegt het; doch zij zegt niet hoe lang wij nog zullen leven. Die de vergiffenis beloofd heeft, beloofde den volgenden dag niet aan de zondaren. Misschien zal ik den lijd hebben, maar misschien ook niet! Moet men niet zinneloos zijn, om in zake zijner zaligheid te bouwen op een misschim ?
O wonderbare H. Antonius, door wiens woord duizenden zondaren tot God zijn teruggekeerd, bid voor ons, opdat wij bij deze overweging niet langer Gods goedheid versmaden, maar in oprechtheid des harten
175
aanstonds tot Hem wederkeeren, alvorens het te laat is.
Wonder.
_JL
e Imola werd zekere Stepbanus Bar-mocini van een te Modena gepleegden | moord beschuldigd, en op de pijnbank uitgestrekt. Ofschoon bij onschuldig was, persten hem de hevige martelingen de verklaring af, dat hij aan de misdaad medeplichtig was, zoodat hij werd veroordeeld om te worden opgehangen. De man, die een groot vereerder van Antonius was, beval zich den heilige voortdurend aan en deed de gelofte, zijn graf te bezoeken, zoo hij wederom in vrijheid werd gelaten. Op zekeren dag verscheen hem de heilige en gaf hem de verzekering, dat hij niet zou sterven. De bepaalde dag, waarop het vonnis moest worden ten uitvoer gebracht, was intusschen aangebroken en viel gelijk in met den feestdag van den H. Antonius. Stepbanusbereiddezicb voor tot den dood, door het ontvangen der HH. Sacramenten, en begaf zich daarna op weg naar de plaats der terechtstelling, zonder de hoop te laten varen, om door den H. Antonius gered te worden. Hij beklom zelfs de ladder van het schavot; de beul legde hem
176
den strop om den hals, doch op 't oogenblik dat hij van de leer werd gestooten, braken koord en knoopen met een gekraak, dat alle aanwezigen het hoorden. Stephanas valt neer zonder het minste letsel, staat op en roept: âLeve de H. Antoniuslquot; Duizendwerf wordt door het volk geantwoord: âEen wonder, leve de H. Antonius!quot; In de gerechtelijke stukken, betreffende het onderzoek in zake dezen manslag te Modena opgemaakt, liet Stephanus dit feit opnemen, werd ten bewijze zijner dankbaarheid voor die redding, leekebroeder van de orde des H. Franciscus, en volgde naar best vermogen den heilige, wiens kleed hij aanvaard had, in deugden na.
Boll. Azevedo.
Twee en twintigste Overweging.
Over het mensdielijk opzicht.
quot;Y
â Jv.iets moet men vreezen, men moet zich ly nergens om schamen, als meu het tee-^ ken des kruises op zijn voorhoofd iraagt.quot; H. Augustinus.
De wereld praat; laat haar praten: zouden de dwaze gesprekken ons beletten, verstandig te handelen ? Maar wat zal men zeggen ? Men zal moeten bekennen, dat wij God meer vreezen dan de menschen. De god-
177
doloozen zullen zelfsinwendig ons achten. Wat is er aan gelegen, wat men van ons zegt, indien wij slechts onze plichten betrachten, en God over ons tevreden is?
In een brief aan de Romeinen schrijft de Apostel: âIk schaam mij over het Evangelie niet.quot; Welke lafheid, zich voor het Evangelie te schamen! Men stelt er prijs op, eereteekens en ridderorden van koningen te dragen, en men is beschaamd, de onderscheidingsteekenen van Jesus Christus te doen uitkomen. De geringste ambachtsman schaamt zich niet voor zijn beroep, maar beroemt zich op hetgeen hg vervaardigt; menig katholiek daarentegen vermijdt zelfs den schijn van christen te zijn. Zegt de goddelijke Zaligmaker niet: âHij die zich over Mij zal geschaamd hebben, over dien zal Ik mij schamen bij mijnen Hemelschen Vader?'
Is het een schande, de verheven leer van Jesus te belijden, en hare grondregels te volgen ? De zondaar schaamt zich veelal niet over zijne gruwelen, en wij zouden ons schamen, .vroom en deugdzaam te leven? Wat er ook van zij, het meest is hij te prgzen, die God getrouw dient, en Hem vrijmoedig durft belijden. Wij zien den H. Antonius door de Kerk onder hare belijders gerangschikt; een over-
h. antonius. 12
178
groot bewijs voorwaar, hoezeer hij het raen-schelijk opzicht verachtte. Dat zijn gedrag dan steeds ons richtsnoer zij.
Wondek.
en vaartuig, met zes koppen bemand, kreeg Venetië in 't gezicht, en liep op de stad aan. Eensklaps sloeg een windvlaag hetzelve om, en het dreigend gevaar inziende, riepen alle schepelingen den H. Anto-nius aan, met uitzondering van eenen, die weinig waarde hechtte aan de hulp der heiligen. Deze ondervond helaas het bewijs, wat waarde zijne vreemdsoortige en trotsche denkbeelden bevatten. De schepelingen, die de hulp van Antonius hadden ingeroepen, slaagden er in, zich aan het omvergeworpen vaartuig vast te klampen en bereikten aldus het droge: hij alleen, die in zichzelven meer vertrouwen stelde, dan in de uitverkorenen des hemels, vond zijn graf in de golven. Immer breekt er een uur aan, waarin men begrijpt, waartoe de godsdienst strekt en hoe duur deszelfs verachting kan te staan komen. Wee dengeno, wienin den gevaarvollen tijd, dien wij beleven, degelijke, godsdienstige beginselen ontbreken.
Azevedo. 216.
179
Drie en twintigste Overweging.
Over het mistrouwen van eichzelven.
âyjli® meent, dat hij staat, zie toe, dat hij Bï niet valle.quot; (1 Cor. X. 12.) De mensch ^ f heeft niets zoozeer te vreezen, als zichzel-ven. Zijne eigene zwakheid moet hem meer schrik inboezemen dan alle machten dei-hel. Zeggen wij met den H. Philippus Nerius ; âHeer, wacht ü vandaag voor mij ; want ik zal U verraden, indien Gij mij aan mijzelven overlaat.quot; En toch is slechts één woord, één zucht, één oogslag tot God gericht, voldoende, om den helschen vijand te overwinnen. Adam heeft gezondigd; Salomon heeft God vergeten; de H. Petrus heeft zijn goddelgken Meester verloochend.
Wat zal er vanhetzwakkerietgeworden,als de wind zulke cederhoomen omverwerpt?
Onze hartstochten en zinnen spannen elk oogenblik tegen ons samen ; ons eigen hart is onze gevaarlijkste vijand. Zij, die onder het geweld der vervolgingen niet bezweken, zijn nog gestruikeld in de woestijn; na wreeds geloofsvervolgingen getrotseerd te hebben, konden zij nog niet geheel en al hunne driften beteugelen. Laten wij toch niet op ons-zelven vertrouwen.
180
De grootste heiligen hebben gesidderd van vrees, bij de overweging over de zwakheid hunner ziel en het gevaar, waarin zij verkeerden, hunnen God te verliezen. Kluizenaars en groote boetvaardigen heeft men bi] hun sterven hooren zuchten in afwachting van het vonnis der goddelijke gerechtigheid, niet wetende wat zij waren, noch wat zij misschien zouden, worden. â O H. Antonius, toonbeeld van voorzichtigheid, indien er slechts één oogenblik noodig is, om van een heilige een verworpeling te maken, sta ons dan, bidden wij u, door uwe veelvermogende hulp ter zijde, opdat de zondige genegenheden des harten ons nooit overvallen.
Wondde.
de H. Antonius op zekeren dag
heilzame uitwerking predikte, kwam een bende van twee en twintig 1) dieven, die zich in bosschen schuil hield, om de reizigers leeg te plunderen, zich bij de toehoorders aansluiten.
Geen woord namen zij aan van de won-
1) Aldus de kroniek der Franciscanen. Azevedo en verscheiden andere geachte schrijvers zeggen twee en twintig; de Bollandisten spreken slechts van twaalf.
181
derbare bekeeringen, waarvan alom sprake was ; doch kwamen louter uit nieuwsgierigheid luisteren, zonder plan om hun roo-vurij te laten varen. Zij woonden de preek dan bij, doch wat gebeurde er? De redenaar bracht zulken indruk op hun hart teweeg, dat allen, als één man, besloten hem hunne biecht te gaan spreken. De heilige hoorde een voor een hun biecht, en legde hun een penitentie op. Vervolgens voorspelde hij eenigen, dat zij in het goede zouden volharden en een zalig uiteinde zouden hebben; terwijl anderen, die in misdaden zouden hervallen, werd voorzegd, dat zij hun leven op het schavot zouden eindigen. Een hunner, die op zeer gevorderden leeftijd, als penitentie, hem door den heilige op-gelegd, twaalf pelgrimstochten naar Rome had gemaakt, verhaalde bij den terugkeer zijner laatste reis, dat de voorspelling van Antonius betreffende ieder zijner oude makkers iu vervulling was gegaan: dat zij, wien volharding beloofd was, werkelijk als oprechte Christenen waren afgestorven, en diegenen, welke hunne buitensporigheden hadden hervat, allen door een ellendigen dood waren getroffen, of dooide hand des beuls waren omgebracht.
Boll. 737. Chron. Fraucisc.
182
Vier en twintigste Overweging,
van dien zal veel . XII. 48). Wij i genade of zij is ons gekocht door Jesus, voor den prijs van zijn bloed, en stervende aan het kruis heeft Hij zijnen Vader om haar gebeden. Een godvruchtige gedachte onderdrukken, die van God komt, de inspraken verdooven, die ons tot het goede aansporen: het zijn zoovele pogingen, om het bloed van Jesus te miskennen, en de verdiensten zijns lijdens vruchteloos te maken.
Niet slechts zullen wij Gode rekenschap moeten geven voor de genaden, die wij ontvangen hebben, maar ook van die, welke zijne goedheid ons zou geschonken hebben, indieu wij daaraan geen hinderpaal hadden gesteld. Het hangt slechts van ons af, om met de genade mede te werken. Zoolang reeds onderwezen te zijn in de school van den H. Geest en niets te leeren! â Zoo menigwerf vermaand, berispt, bedreigd, en doofgebleven. â Laat ons indachtig zijn, dat God een schuld-eischer is, die zich door niemand laat misleiden, en schoon Hij ons niet dwingt, onze schulden, die vrij groot zullen zijn, zoo haastig te betalen, moeten wg niet vergeten, dat
183
er eindelijk een in aat van genade en v anzonde is.
Bedanken wij den H. Geest voor al de genaden, ons geschonken, en vragen wij Hem, om altijd met denzelfden ijver, waarmede Anto-nius diens heilige inspraken volgde, getrouw aan zijne gaven te beantwoorden.
WONDEB.
fne vrouw uit Forli, met naam Beatrix, had op het hoofd een gezwel, dikker dan een vuist, dat gedurende een tijdsverloop van tien jaren vreeselijk in omvang was toegenomen, en haar leven in gevaar bracht. Na vruchteloos alle geneesmiddelen aangewend en den raad van bekwame geneeshee-ren te hebben gevolgd, deed zij de belofte aan den H. Antonius, zijn graf met een zilveren draad te zullen omringen, zoo zij van dit gezwel genas. Inmiddels sliep zij in, en droomde, dat de H. Antonius in persoon dezen uitwas in vier stukken kwam snijden, daarop verdween, en haar genezen verliet. Zij ontwaakt, en gelijk zij in den droom gezien had, springt het gezwel in vieren open en lost zich in een stroom van bedorven bloed op. Spoedig genas zij, vervulde hare belofte en bleef voortdurend eene heilige en dankbare
devotie koesteren jegens den heilige.
Boll. 138.
184
Vijf en twintigste Overweging.
Over het gebruik van den tijd,
i^od heeft aan niemand den tijd gegeven v om te zondigen.quot; (Eccl. XV. 21.) Het verlies van den tijd is een van de grootste dwaasheden der wereld. Dit leven is zoo kort, alle oogenblikken zoo kostbaar, en niettemin leven wij, alsof dit leven nooit moest eindigen, en wij gedurende hetzelve niets te volbrengen hadden.
Helaas, indien aan een verdoemde een enkel oogenblik vergund werd van al den tijd, dien wij verliezen, hoe vlijtig zou hij het besteden. Ieder oogenblik onzes levens kunnen wij een eeuwige zaligheid verzekeren. Geen gelegenheid laten wij voorbijgaan om ons te verlustigen, of onzen rijkdom te vermeerderen, en elk oogenblik gaat de gelegenheid verloren, om aan onze zaligheid te arbeiden.
Denken wrj toch niet, dat de dag het best besteed is, waarop wij onze zaken hebben bevorderd; â want alleen die dag brengt het meeste voordeel aan, waarop wij de meeste verdiensten hebben vergaderd voor onze ziel, en waarbij God het best, bevredigd is.
Laat ons zóó leven, dat wij ten allen tijde met oprechtheid kunnen getuigen, voor God en onze zaligheid te hebben gearbeid. â
185
Vernieuwen wij onze voornemens, om God wel te dienen, en bidden wij den H. Anto-nius, om evenals hij, steeds diep doordrongen te zijn van de gewichtige waarheid, dat al de tijd, dien wij voor God niet besteden, verloren is.
Wonder,
fp den 2p den 2den Augustus van het jaar 1675 stortte een eerbiedwaardig priester, op wegnaar Assisië. om te gaan biechten, met zijn paard in een diepe gracht niet ver van Cerinno. Tusschen het getuig verward, was het hem bepaald onmogelijk, zich wederom in het zadel te lichten, In die vreeselijke en benarde houding, riep hij, door vurig vertrouwen bezield, Antonius aan, en ondervond weldra de heilzame uitwerking zijner hulp. Het, paard maakte een hevige zwenking, welke zijn meester in staat stelde, zich uit de war te helpen, en er wederom boven op te springen. Leed was hem daarbij niet overkomen, noch het minste letsel. Naar aanleiding van dit gunstbetoon, liet hij een authentieke akte ter herinnering opmaken, ging het graf van den heilige te Padua bezoeken, en hing daar, ten blijke zijner dankbaarheid, een ex-voto op. Boil 768.
186
geloovigen dragen, zonder inderdaad ge-
loovigen te zijn; het zijn degenen, dio de Sacramenten van Jesus onteeren en ontheiligen.quot; (H. Augustinus). De heilige Sacramenten zijn de kanalen, waardoor het bloed en de verdiensten van Jesus Christus tot ons komen, en de bronnen der onmisbare genade voor onze zaligheid. Indien wij ze misbruiken, maken wij onze zaligheid onmogelijk.
De Sacramenten misbruiken, is de uitwerking daarvan beletten, door de slechte gesteldheid, waarmede wij tot dezelve naderen. Wat al redenen om te vreezen!âZoovele biechten en zoo weinig bekeering 1 â Zoo dikwijls het goddelijk Lichaam te nuttigen, en altijd een zinnelijk leven te leiden! â En toch schenkt één enkele H. Communie, waardig ontvangen, genoegzame kracht, om den marteldood te doorstaan.
Sidderen wij bij de gedachte, dat, indien wij het lichaam des Heeren ontvangen, zonder een oprecht berouw over onze zonden, wij, volgens de woorden van den H. Paulus ons eigen oordeel eten. Hoe zullen wij Code eerherstel geven voor de gruwelen, Hem aan-
Zes en twintigste Overweging.
Over het gebruik der HH. Sacramenten.
r zijn slechte christenen, die den naam van
187
gedaan, daar wij het Bloed van Jesus Christus ontheiligd hebben in onze onwaardige of heiligschennende Communiën?
Overwegen wij, waarin wij bij het biechten en cc mmuniceeren te kort schieten, en vragen wij God, door de voorspraak van den H. Antonius, die het aanbiddelijk geheim des altaars op zoo schitterende wijze tegen de ketters verdedigde, de genade om voortaan met een rouwmoedig hart en naarstige voorbereiding tot de HH. Sacramenten te naderen.
WONDBE.
fp het Paaschfeest van het jaar 1225 predikte de H. Antonius te Toulouse en verhief zijne stem tegen de ketterij der Albigenzen, toen zekere ketter, Guiaud of Guayaud geheeten, de wondermacht van den heilige wilde beproeven. Of hij geen geloof hechtte aan het mirakel, dat Antonius ten aanschouwe van den ketter Bon-ville te Rimini verricht had 1), of wel
1) Deze ketter betwistte te Rimini den H. Antonins de tegenwoordigheid van Jesus onder de nederige gedaante van brood en had de vermetelheid, dit geloofspunt op gelgke wjjze bevestigd te willen zien door zijn paard, wat hij sinds drie dagen geen voedsel. verstrekte, verklarende niet eer te zullen gelooven, alvorens het paard, zonder de voorgelegde haver aan te raken, de H. Hostie aanbad. Hjj werd evenwel door Antonina beschaamd.
si s
188
openlijk wilde uitkomen voor zijne verregaande goddeloosheden, wordt niet gemeld. Genoeg, dat bij den heilige voorsloeg, de proef te nemen met zijn ezel, die naar zijn meening veel dommer was, dan het paard van Bonville. âIndien mijn ezel,quot; dus sprak hij, âde haver laat staan, om het H. Sacrament te aanbidden, zal ik aan de goddelijke tegenwoordigheid gelooven.' De heilige nam zulks aan, onder beding van vier dagen uitstel, gedurende welke bij zich met bidden en vasten voorbereidde. De morgen van den vierden dag breekt aan. A.ntonius verlaat, door de geloovigen in processie vergezeld, do kerk en op de bestemde plaats aangekomen, beveelt bij den ezel, de H. Hostie, welke hij in zijne banden houdt, te aanbidden, Guayaud echter biedt het dier haver aan, doch niettegenstaande het beest gedurende verscheidene dagen was uitgehongerd, opdat zijn meester met meer zekerheid zou slagen, weigert het hardnekkig 't voeder aan te roeren, keert zich integendeel naar het H. Sacrament, knielt neer voor de voeten van Antonius en blijft aldus in eerbiedige houding liggen, tot de heilige zich verwijdert. Dit wonder had dezelfde uitwerkingals dat te lïimini: Guayaud met zijn ketterscbe geestverwanten stondeii
189
verbaasd en werden mei schande overladen.
Azevedo. Leven H. Antonius.
Zeven en tmntigste Overweging.
Over de H. Mis.
en zal Mij op alle plaatsen eene reine en heilige offerande opdragen.quot; (Mal. 1,11.) De H. Mis is eene vernieuwing der bloedige offerande des kruises. lederen dag herhaalt men in onze kerken, hetgeen eenmaal geschied is op den berg van Calvarië. In Gods oog kunnen wij derhalve niets aangenamer doen, dan deze goddelijke offerande bij te wonen. Om bij dit verheven offer echter met vrucht tegenwoordig te zijn, moeten wij onze goede meening met die des priesters vereenigen, en met hem Gods Zoon opofferen aan zijnen Vader, of liever ons hart met hethart van Jesus Christus vereenigen, om ze beide aan God op te dragen.
Wij vergrammen God bijna ieder oogenblik en onze zonden maken ons schuldig aan oneindige straffen. Hoe zullen wij voldoen aan de goddelijke rechtvaardigheid, zoo wij haar het smartvol lijden onzes Heeren niet opdragen, om daardoor aan te vullen, hetgeen in ons ontbreekt? Alle gestrengheid der boet-
190
vaardigen, alle folteringen der martelaren kunnen niet voldoen voor onze schulden, zonder de offerande der H. Mis.
God zou zoo vele gruwelen in de wereld niet kunnen dulden, indien Hij zijnen Zoon op onze altaren niet zag opdragen. De kracht van dit welgevallig slachtoffer weerhoudt den arm zijner gerechtigheid. Schreeuwen al onze zonden om wraak, het bloed van Jesus roept om barmhartigheid. Laten wij, zoo dikwijls in ons vermogen is, den Zoon Gods, geslachtofferd op het altaar, onzen eerbied bewijzen. Wat schande voor ons en wat oneer voor Hem, dat Hij zoo menigmaal schier alleen in onze kerken vertoeft!
Maken wij het voornemen, om eiken dag aandachtig de H. Mis bij te wonen, en bidden wij den H. Antonius, dat ons hart worde opgewekt tot den hoogen eerbied, waarmede hij dagelijks de heilige geheimen vierde.
Wonder.
fe Fransche kroniek der tachtig generaals van de orde der Minderbroeders verhaalt een visioen, dat deH. Antonius had, terwijl hij het H. Misoffer opdroeg. God, die hem tot die orde bestemde, begon hem vol-genderwjjze daartoe voor te bereiden. Op het oogenblik, dat hij als geheel was weggesleept
191
in zijne vurige liefde, bij de tegenwoordigheid van den driewerf heiligen God, die dooide woorden der H. Consecratie op het altaar was neergedaald, zag hij de ziel van een hem bekenden Minderbroeder voor zich verschijnen, welke toen juist het stoifelijke omhulsel had verlaten, gelijk een vogel het vagevuur overvloog, en glorievol ten hemel zweefde. Onze heilige begreep uit dit visioen eerstens, dat deze kloosterling, ver van die plaats verwijderd, moest gestorven zijn; vervolgens, dat zijne ziel was gered; op de derde plaats, dat zij zuiver en zonder vlek was; en eindelijk de volmaaktheid der orde, tot welke de kloosterling had behoord, waartoe ook hij zich vurig genegen gevoelde, en dat dit dus het doel moest zijn, waarom God hem zulks had geopenbaard. Zoo verheven is de belooning, welke de Heerheeft weggelegd aan de heilige mannen,die waardiglijk de verheven geheimen vieren en waarmede het Hem behaagt, hen soms reeds tijdens bet leven te begunstigen.
Aclit en twintigste Oyenveging'.
Over de Aalmoes.
eef de aalmoes aan allen, die ze u vragen, uit vrees, dat diegene, wien gij ze weigert, Jesus Christus zelf niet zij
192
in persoon.quot; (H. Augastinus.) Wat zijn wij Jesus niet verschuldigd, die, door de armen in zijne plaats te stellen, ons zelfs gelegenheid schonk, Hemzelven goed te bewijzen. Hij is in het heilig Sacrament des altaars, om daar de hulde onzer aanbidding te ontvangen en den geloovigen tot voedsel te strekken. Onder de armen bevindt Hij zich, om onze mededoogendheid tot zich te trekken, en gespijzigd te worden door de geloovigen. Gelukkig hij, die Jesus Christus een aalmoes geeft; maar ongelukkig demensch, die ze Hem weigert! Hetgeen men den grooten en rijken der wereld schenkt, gaat meestal verloren; wat aan God gegeven wordt, is nooit verloren. Alles geeft hij honderdvoudig terug. Geen glas water zal onbeloond blijven. Opschik, pracht en weelde hebben duizenden huisgezinnen ten onder gebracht; de aalmoes heeft er nooit één enkel verarmd. Veel schranderheid en moeite zijn er noodig, om rijkdommen te vergaderen! den armen mede te deelen van hetgeen men bezit, kost niets. Wat zullen in den dag des oordeels de onmeedoogende rijken antwoorden, als de armen hen beschuldigen? â als Jesus Christus, hunne hardvochtigheid hun verwijtende, hen zal veroordeelen tot het eeuwige vuur, dewijl zij ongevoelig bleven voor zijn
193
honger, dorst en naaktheid? Denken wij er aan, dat wij voor den goddelijken rechterstoel niets te vreezen hebben, als de armen onze zaak verdedigen. Welk verheven begrip de H. Antonius bezat van het weldoen aan armen, getuigen zijne menigvuldige predikatiën, waarin hij den rijken ernstig aanmaande, om de behoeftigen te ondersteunen, als zijnde zulks een hunner grootste plichten.
â⢠Gaan wij bij onszelven na, hoe wij ons opzichtens den armen gedragen.
t WoNDEB.
ISl r ligt een gevaarlijke grens tusschen rijk-Du. dom en gierigheid, en voor den rijke, 0 1' die baar overschrijdt, is het eeuwig leven onherroepelijk verloren.
De H. Antonius bewijst het ons door hel; volgende feit. Een voornaam en rijk, maar gierig heer was te Florence gestorven en de heilige werd verzocht, zijn uitvaart te houden. Denzelfden morgen, waarop deze plechtigheid was bepaald, verscheen hem Jesus Christus, en maakte hem bekend, dat de overledene veroordeeld was om zijn hebzucht. De heilige begon dan in zijne predikatie hevig uit te varen tegen de gierigaards en de rijken, en met nadruk te wijzen op de onmenschelijkheid van dezen en het gevaar
h. antonius. 13
194
van genen. Vervolgens over den overledene sprekende, maakte hij openbaar, dat deze om zijne gierigheid was veroordeeld voor eeuwig, en tot staving zijner bewering voegde hij er aan toe, dat bet hart van dien ongelukkige nog rookende was, te midden van het goud, dat hij in zgne koffers had opgesloten. Op het hooren van zulk een wonder aangegrepen, stormden de geloovigen in verwarring de kerk uit, en snelden in menigte naar het huis van dien heer, waar zij werkelijk zijn hart nog warm vonden te midden van 't opeengestapeld goud. Daarop keerdemennaar de kerk terug; het lichaam werd geopereerd, doch zijn hart werd niet meer ontdekt. God wilde aldus op een treffende wijze de verwerping van dien ellendigen en slechten rijke doen zien, en dit verschrikkelijk voorbeeld bewei'kte groo-te bekeering, in 't bijzonder onder de rijken en gierigaards. _.
Negen en twintigste Overweging.
ee den mensch, door wien de erger
Over het kwaad voorbeeld.
nis komt. (Matth. XVIII, 7.) Het
slechte voorbeeld heeft meer zielen in
het verderf gestort, dan alle heiligen er ooit hebben kunnen zalig maken. Indien de poorten der hel voor een oogenblik werden geo-
195
pend, zou men er weinig veroordeelden aantreffen, die hun schrikkelijk lot niet aan dezen of genen toeschreven, 0 welk bitter verwijt! Wij moeten onze vijanden beminnen, en wij zouden zielen doen verloren gaan, welke ons nimmer eenigleed veroorzaakten ? â Iemand, die het ongeluk heeftgehad.datdoor zijne schuld zielen, door het bloed van een God verlost, van de eeuwige zaligheid zijn beroofd, moet met recht voor eigene zaligheid vreezen.
Wat kunnen wij van Jesus Christus verhopen, na Hem beroofd te hebben van hetgeen Hij zoo duur moest vrijkoopen?
O ouders, die niet christelijk leeft! het ware beter, dat uwe kinderen u nooit geschonken waren. Gij hebt hun slechts het leven gegeven, om hun den dood aan te brengen, en zelfs den eeuwigen dood. Als zij eenmaal van u den hemel eischen, wat zult gij kunnen antwoorden?
Laten wij ons bekleeden met Jesus Christus. Dat men in ons zijnen geest, zijn gedrag, zijne deugden erkenne en wel zoodanig, dat men ons ziende, zijner indachtig worde Door een stichtelijk leven helpen wij evenzeer mede tot de zaligheid onzer evennaasten, als een ergerlijk leven tot hun onheil strekt.
Het heilig leven van den H. Antonius, eene aaneenschakeling van goede werken, dat, evenals van zoovele andere heiligen, alle eeuwen
196
door, den christen zal blijven stichten, spore ons aan, om niets te verrichten, wat in het minst den evenmensch kan geven.
WONDER.
lllmcentius Vileso, uit Weenen afkomstig, ï[T viel, terwijl hij een reis maakte, in de macht van een moordenaarsbende. Zij stormen ophem aan, grijpen hem vast, knevelen en plunderen hem onder bedreiging, hem te wurgen, zoo hij weigert hun den losprijs, dien zijzelven zullen vaststellen, te betalen. Niet wetend, hoe de reis verder te zullen voortzetten, smeekte de ongelukkige hun, terwille van den H. Antonius, hem ten minste zooveel te laten houden als noodig was, om huiswaarts te kunnen keeren.
Bij 't hooren van dien naam worden de roovers met schrik en ontsteltenis vervuld, alsof een donderslag hun tegenklonk; zij geven Vincentius zijn geld en kleederen terug en verdwijnen als een schaduw. Verbeeldt u de virbazing en de dankbetuiging van den trouwen dienaar des H. Antonius! Azevedo. 241.
Dertigste Overweging.
Over het vertrouwen op God.
â ij zijt mijn God; myn lot is in uwe handen.quot; (Ps. XXX, 16.) De mensch vertrouwt zijne gezondheid toe aan een ge-
197
neesheer, zijn geding aan een rechtsgeleerde; of indien hij het ongeluk heeft van blind te zijn, niet zelden zijn leven aan een kind: hoe zouden wij dan bezwaar maken, ons over te geven aan den wil van God?
âWerpt u in Gods armen,quot; zegt de H. Au-gustinus. âHij zal ze niet terugtrekken,om u te laten vallen.quot;
De zorg van Gods vaderlijke Voorzienigheid strekt zich immers uit tot over de mieren en kleinste insecten. Wat dan hebben zielen te vreezen, geschapen naar Gods beeld en verlost door het bloed van Jesus Christus ? De he melsche Vader spijst de ongeloovigen, die hem niet kennen. Hij overlaadt met zijne weldaden de goddeloozen, die zijnen heiligen naam lasteren; wat zal Hij niet doen voor christenen, die Hem eeren en beminnen, en ten koste van zijn éénigen Zoon zijn verlost!
Onze belangen zijn in zijne handen zóó veilig toevertrouwd, dat wij vruchteloos naar een beteren waarborg zouden zoeken. De tee-dere liefde, die Hij zijnen kinderen toedraagt, noodzaakt Hem, voor hen te zorgen. Zijne bescherming heeft Hij ons toegezegd; zijn woord zal Hij gestand doen. Eerder zullen hemel en aarde vergaan, dan dat God den rechtvaardige zal teleurstellen, die op Hem vertrouwt.
198
Reeds meermalen hebben wij mirakelen aanschouwd van den H. Antonius, zonder ons misschien af te vragen, hoe die belijder zoo bij uitnemendheid de schitterenste wonderen verrichtte. En toch, waaraan moet de uitwerkende kracht daarvan worden toegeschreven, tenzij aan zijn onwrikbaar geloof en vertrouwen op God, wiens eer hij trachtte te bevorderen ?
Onderzoeken wij ons hart of het een vertrouwen koestert, overeenkomstig de grenzen-looze goedheid Gods en de oneindige verdiensten van Jesus Christus.
Wonder.
aus Nicolaas IV, van de orde der Minderbroeders, liet eene schilderij van den H. Antonius in mozaïek maken naast die van den H. Franciscus, in het gewelf van de hoofdkapel der kerk van St. Jan van Latra-nen Bonifacius VIII meende, dat het volstrekt niet paste, dit portret van den H. Antonius te midden der apostelen te laten prijken. Evenwel liet hij dat van den H. Franciscus met rust, en gaf last, het andere uit te kappen, om het portret van den H. Gre-gorius den Groote daarvoor in de plaats te stellen. De werklieden begonnen er aan, doch bij den eersten hamerslag voelden zij zich door een onwederstaanbare kracht terugge-
199
stooten, zoodat zij van de stelling vielen. Bo-nifacius VIII, dit vernemend, kwam terug van zijn besluit en antwoordde: âLaat den H. An-tonius daar toch maar staan, ik zie wel, dat wij het tegen hem nooit zullen winnen.quot; De voornaamste kerk ter wereld behield op die wijze het afbeeldsel van den heilige, en daarenboven werd naderhand een tweede geschilderd in de Basiliek van de H. Maria de Meerdere. Boll. Azevedo, 178 â Mis. 366,
Een en dertigste Ovenveging.
Over de navolging van Christus.
[ijn goddelijke Meester, ik zal ü volgen alwaar Gij gaan zult.' (Matth. VIII: ^19.) De eerste mensch geraakte uit den staat zijner onschuld, dewyl hij aan God gelijk wilde zijn. Zijne nakomelingen kunnen niet zalig worden, tenzij zij gelijk worden aan den Zoon Gods. Deze heei't zich namelijk, door de menschelijke natuur aan te nemen, ons als een voorbeeld ter navolging gesteld, en dewijl Hij het hoofd der uitverkorenen is, zullen wij verworpen worden, indien wij aan Hem niet gelijk willen zijn.
Men let met zooveel zorg op de wereldsche plichtplegingen, en slaat niet het minste acht op het leven van Jesus. Hovelingen voegen
200
zich naar het voorbeeld van hunnen vorst; de wijsgeeren bebben leerlingen gehad, die zelfs hunne gebreken navolgden. Hebben wij ooit ernstig getracht, de deugden van den Zoon Gods na te volgen ? Welke schande voor ons, nog geen poging te hebben aangewend om Hem te volgen! Wat oneer voor Hem, ons te zijn voorgegaan en niemand te hebben, die Hem volgt!
Wij zijn gedoopt en blijven slaven des duivels ; wij staan geschaard onder de banier des kruises en zijn slechts aanhangers van de wereld en het vleesch! Het is evenwel noodzakelijk, dat wij of wel aan het doopsel en de belijdenis van Christus verzaken, of wel ons leven inrichtennaar dat des Zaligmakers. Hierin bestaat het christendom, dat men Christus navolge in zijn leven en dood.
Vergelijken wij ons gedrag met dat van den H. Antonius, en wij zullen bespeuren, hoe ver wij nog verwijderd zijn van de ware navolging ; daar deze, als volmaakt leerling van Jesus alles verlatende. Hem is gevolgd.
Wonder.
fnder de toehoorders, welke zich verdrongen rondom den H. Antonius, tijdens hij te Rome predikte, waren Grieken, Fran-schen, Spanjaarden, Duitschers, Engelschen,nder de toehoorders, welke zich verdrongen rondom den H. Antonius, tijdens hij te Rome predikte, waren Grieken, Fran-schen, Spanjaarden, Duitschers, Engelschen,
201
Belgen, Zwitsers, Schotten en Slaven aanwezig, ongerekend hen, wier nationaliteit niet wordt vermeld. Van al deze volkeren gingen mannen ter preek, meer om den rjveraar te zien, dan met het doel hem te aanhooren. Zij hadden namelijk verondersteld, dat Antouius in zijne moedertaal, het Portugeesch, zou gesproken hebben, of wel in het Latijn of Ita-liaansch. Maar niet weinig stonden zij verbaasd, toen zij merkten, dat ieder hem in zijn eigen moedertaal verstond, alsof zij een hunner landgenooten hoorden. De Engelschen hoorden Engelsch spreken,de Zwitser zijn taal, de Slaaf Slavisch, de Pranschman Pransch en evenzoo de overigen. Hij hield derhalve slechts één preek in zooveel talen als door zijne verschillende hoorders gesproken werden; mirakel, dat nog aan niemand na de apostelen was gegund; maar slechts wa Antonius, van andere heiligen wordt gemeld. Aldus behaagde het God, zijnen dienaar in tegenwoordigheid des Stedehouders van Jesus Christus, te midden der wereldstad, te verheerlijken.
Azev. 103 Boll. Miss.
Gi-e'toed.en. ond-er Ih-et Xjof.
(van den h. alphousüs.)
Aanm. 300 dagen aflaat, telkens als men óit gebed godvruchtig leest vóór 'net Allerheiligste. Volle aflaat eensin de maand, onder de gewone voorwaarden, voor hen, die het een geheele maand dagelijks zullen gebeden hebben. (7 Sept. 1854.)
-ÃlliP'60'quot; Jesus, die uit liefde voor de quot;^jyipak menschen dag en nacht hier in dit Sacrament verblijft, vol barmbartig-TTv lieid en teedere liefde, allen afwachtend, % roepend en ontvangend, die ü komen | bezoeken, ik geloof vastelijk dat Gij in I het H. Sacramentdes Altaarstegenwoor-dig zijt, en aanbid U in den afgrond van mgn niet. Ik dank U, dat Gij mij met gunsten hebt overladen, vooral dat gij U zeiven in dit H. Sacrament aan mij geschonken, mij uwe allerheiligste Moeder Maria tot Voorspreekster gegeven, en mij geroepen hebt om U in deze. kerk te bezoeken. Ik kom uw liefdevol hart groeten, en wel met een drie-
203
iedig doel: ten eerste, uit dankbairlieid voor die groote gift; ten tweede tot herstel der be-leedigingen, die Gij van al uwe vijanden in dit aanbiddelijk geheim ontvangen hebt, en ten derde, met de meening om U door dit bezoek te aanbidden op alle plaatsen der aarde, waar Gij bet minst vereerd en bet meest verlaten zijt in dit goddelijk Sacrament.
O, mijn Jesus, ik bemin u uit geheel mijn hart. Ik gevoel berouw, vroeger zoo dikwijls aan uwe oneindige goedheid mishaagd te hebben. Met behulp uwer genade neem ik mij voor, U in de toekomst niet meer te beleedi-gen. Hoe ellendig ik ook ben, ik wijd mij thans geheel aan U, ik geef en offer U zonder voorbehoud op mijnen wil, mijne genegenheden, verlangens en al wat mij toebehoort. Doe voortaan met mij en al het mijne zooals u behaagt. Ik verlang en vraag U slechts uwe heilige liefde, de volharding en de volmaakte vervulling van uw heiligen wil. Ik beveel u de zielen des vagevuurs, vooral die de meeste godsvrucht tot het Allerheiligste en de H. Maagd Maria gehad hebben. Ik beveel u ook alle arme zondaars. Eindelijk, welbeminde Verlosser, ik vereenig mijne genegenheden en gebeden met die van uw van liefde brandend Hart, en aldus vereend, offer ik ze uwen bemelsehen Vader, Hem smee-
204
kend, in uw Naam cn uit liefde tot ü, ze te willen aannemen en verLooren.
Geestelijke Communie.
ijn Jesus, ik geloof, dat Gij in het H. Sacrament verblijft. Ik bemin U bo-â venal, en wenschU in mijn hart te bezitten. Ik kan U thans niet werkelijk ontvangen, kom daarom ten minste geestelijker-wijze in mijn hart. Ik omhels ü alsof ik ü werkelijk bezat, en vereenig mij geheel met U; duld niet, dat ik mij nog ooit van U scheide.
Bezoek bij Jesds.
Ilesus in het H. Sacrament, ziedaar de bron -TT van alle goed: Als iemand dorst heeft,
1 dat hij tot Mij home. (Jo. VII, 37). O, welk een overvloed van genaden hebben de heiligen niet ten allen tijde geput uit deze fontein van liefde, waar de goddelijke Heiland ons alle verdiensten zijns lijdens uitdeelt, zooals de profeet voorzegde: Gij zult met vreugde putten aan de bronnen des Heeren. (Is. XII, 3).
Allerbeminnelijkste, allerzoetste, allerliefste Jesus, leven, hoop, schat en eenige liefde mijner ziel, ach, hoeveel heeft het U gekost, om
205
in dit Sacrament ondei- ons te wonen! Gij hebt daarvoor moeten sterven, om daarna op onze altaren te kunnen verblijven; en dan, welken smaad moet Gij niet verduren in dit Geheim zelf, om ons uwe weldoende tegenwoordigheid te schenken! Maar alles heeft moeten wijken voor de kracht uwer liefde en begeerte om door ons bemind te worden.
Kom dan, Heer, kom in mijn hart, sluit er de deur van, opdat er nimmer eenig schepsel binnentrede om U de liefde te betwisten, die ik U alleen en geheel schuldig ben. Heersch Gij alleen, zoete Jesus, over mij; bezit Gij alleen mij geheel. En mocht ik ü niet volmaakt gehoorzamen, tuchtig mij dan, opdat ik meer nauwgezet zij in het volbrengen van uw heiligen wil. Maak, dat ik geen ander vermaak verlange en zoeke dan ü te behagen, U dikwijls op de altaren te bezoeken, mij met U te onderhouden en U te ontvangen in de H. Communie Laat al wie wil, andere goederen zoeken: ik voor mij bemin en begeer slechts den schat uwer liefde: dat is het eenige wat ik U wil vragen aan den voet van het tabernakel. Maak dat ik my zeiven vergete om slechts uwe goedheid te gedenken. Gelukkige Serafijnen, ik benijd u niet uwe glorie, maaide liefde waarvoor gij tot uwen en mijnen God brandt; leert mij wnt ik doen moet om
206
Hem te beminnen en aangenaam te zijn.
Schietgebed. Mijn Jesus, slechts ü wil ik beminnen.
. Gebed tot Maria.
Allerheiligste en onbevlekte Maagd Maria, xrl mijne teedere Moeder! tot u, Moeder
| van God, Koningin der wereld, Voorspreekster, hoop en toevlucht der zondaren, neem ik, de allerellendigste van allen, heden mijne toevlucht. Ik vereer u, groots Koningin, ik dank u voor alle gunsten, die gij mij tot heden bewezen hebt, vooral dank ik u, dat gij mij van de hel bevrijd hebt, die ik helaas! zoo menigmaal verdiende. Ik bemin u, allerbeminnelijkste Vorstin, en omdat ik u bemin, beloof ik u, u altijdte zullen dienen, en alles aan te wenden om u ook door de anderen te doen liefhebben. Aan u vertrouw ik al mijne hoop, alles wat mijne zaligheid aangaat: ontvang mij voor uwen dienaar, en bedek mij met den man el uwer bescherming, o lieve Moeder van barmhartigheid! Daar gij zoo machtig zijt bij God, behoed mij voor alle bekoringen, of wel, verkrijg mij de kracht ze te overwinnen tot mijnen dood. Ik vraag u de ware liefde tot Jesus, ik verwacht door u de genade van een goeden dood. In naam yan uwe liefde tot God, smeek ik u, o Moe-
207
der, mij altijd bij te staan, maar vooral in mijn laatste uur. Verlaat mij toch niet alvorens gij mij in het bezit des hemels ziet, u zegenend en uwe barmhartigheid bezingend door de gansche eeuwigheid. Zóó wensch, zóó hoop ik het. Amen.
Als de zegen gegeven wobdt.
'Tï^ieve Jesus, ik geloof, dat Gy werkelijk 11^ hier tegenwoordig zijt. Ik bemin U en verlang naar U, ach kom met uwe genade in mijn hart. Ik omhels U, verwijder U niet meer van mij, doch schenk mij uwen krachtigen zegen, o verborgen God. Tn den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.
AANHANGSEL
et wonder, dat ik ga beschrijven, had
plaats te Pfidua, den 12den Maart 1853,
van nog eenige treffende mirakelen van den machtigen Wonderdoener, den H. Antoninst van Fadna.
, met zekere Vincentine Vigo, te Pavia geboren. Dit zeventienjarig meisje was sedert geruimen tijd ziek en lam. Men moest haar rondkmien in een wagentje, waar men haar in en uit moest helpen. Niettegenstaande het gevoelen der geneesheeren, verloor zij geenszins hoop op herstel, indien hare ouders haar slechts naar Padua wilden vervoeren, om het stoffelijk overschot van den H. Antonius te bezoeken. Dezen aarzelden evenwel, die reis te ondernemen, doch door omstandigheden gedwongen van woonplaats te veranderen en naar Padua te verhuizen, waren zij aanstonds bij hun vestiging aldaar er op bedacht, dataan het verlangen van hun kind kon worden voldaan. Werkelijk voerde men het in haar wagentje de kerk binnen en biechtte zij; onmid-
209
dellijk daarop werd zij tot de H. Tafel toegelaten en had nauwelijks het Levend brood ontvangen, of men zag haar pogingen aanwenden, om het wagentje te verlaten. De moeder wilde haar daarin terughouden; doch Vincentine kwam er totaal genezen uit,en liep naar het altaar van den heilige, terwijl de toeschouwers met blijdschap op het gelaat uitriepen: âEen mirakel!quot; De bisschop van Padua deed dit voorval met de noodige waarheidsbewijzen overal verspreiden.
en soldaat, in dienst der Venetiaansche republiek, Antonius Berignone geheeten, woonde een veldslag in het Oosten bij, en zag, dat men een buks recht op hem afschoot. Slechts even had hij nog den tijd inwendig te zeggen: âH. Antonius, help mij!quot; Zijn eigen geweer stak tusschen den schouderriem, en de vijandelijke kogel vloog te pletter tegen den loop van dit geweer. Zulks was zijn geluk, en hij dankte den H. Antonius, wien hij zijn behoud toeschreef. Met het leger teruggekeerd, haastte hij zich, een pelgrimstocht naar Paduaquot; te ondernemen, en hield zijn heiligen beschermer tot het einde zijns levens in hooge vereering.
__Boll. TJ8
14
H. ANTONIUS.
210
ffien vierjarig kind leed aan vallende ziek-te. door welke kwaal het niet meer in staat was, de beenen te bewegen; zoodat het zich slechts kruipend van de eene naar de andere plaats kon wenden. De vader, met het ongeluk van het meisje ten zeerste bewogen, maakte het plan, haar aan den H. An-tonius voor te stellen, en bij gelegenheid dat deze juist gepreekt had, ging hij met het kind in zijn armen Antonius te gemoet, den heilige smeekend, het kind te zegenen, en van zijn ziekte te genezen, in den naam van Jesus Christus. Antonius maakte het teeken des kruises van over het hoofd des kinds tot aan de voeten, terwijl hij de allerheiligste Drievuldigheid aanriep. Dit goddelijk teeken bracht plotseling een voortreffelijken ommekeer teweeg; het zieke meisje wilde de armen van haar vader verlaten, stond recht op, en begon vlug te loopen. Nimmer ondervond zü later de crevolgen meer van haar vreeselijke
. J . n 791
|£n 1672 tijdens de maand November, leed It een priester in Castelle sinds lange jaren aan een verlamming, welke hem het gebruik van al zijne ledematen belette. Hij had den H. Antonius gebeden en meermalen ver-
211
scheen hem de heilige, hem aanradend, zich naar Padua te begeven, waar hij zou verhoord worden. Eindelijk ging de lamme er heen, en biechtte bij den Eerw. pater Coxiali, Minderbroeder te Padua, die hem ook de H. Communie toereikte. Nauwelijks had hij die ontvangen, of hij zakte op de trappen van het ^ allaar ineen, en bleef daar voor half dood liggen. Eenige oogenblikken later richtte hij zich vanzelf op, en liep de heele kerk rond, den H. Antonius, die hem genezen had, verheerlijkend. Naar de toedracht van dit wonder ondervraagd, antwoordde hij; âIk had de H. Communie nauwelijks ontvangen, of ik zag als 't ware een vlam schieten uit de reliquie-kast van den heilige, en toen ze mij aanraakte, voelde ik, dat ik viel. Terwijl ik zoo op den grond lag uitgestrekt, scheen het mij toe, dat al mijne ledematen buigzaam werden en voelde ik mijne krachten genoegzaam teruggekeerd, om op te staan en te loopen, gelijk ik gedaan heb.quot; Men maakte een authentieke akte op van het wonder, dat, den ^ H. Antonius ter eere, overal werd verspreid.
__Boll. 763.
fe Florence verloor in de maand Novem-e Florence verloor in de maand Novem-J her 1674 een slachterzoontje, Frans Maria Eicci geheeten, het gezichten zwollen
k____
212
zijne oogen hevig op. Alle aangewende men-schelijke middelen verergerden slechts de kwaal, zoodatzijne ouders meenden, totdievan den godsdienst hun toevlucht te moeten nemen. Zij verzochten derhalve eenen Minderbroeder, de oogen van bun zoon met de re-liquie van den H. Antonius te zegenen. De kloosterling raakte de zieke oogen met een draad uit de koord des heiligen aan, en zalfde ze vervolgens met olie uit de lamp, die voor zijn altaar brandde. Den nacht daarop riep het kind eensklaps uit; âDaar isdeH. Antonius, daar is de H. Antonius!'' De ouders snelden toe en vonden het genezen. Zijne oogen waren in normalen toestand gelijk vroeger, en het kon wederom zien.
O '
G Ã^ens ^en bsrfst van het jaar 1687 maakte zich een vierjarig kind te Napels gereed, om met eenige personen een wandelrit te maken; het wilde in het rijtuig klimmen, stapte echter mis en gleed onder het rad, juist toen het paard voortliep. Het rijtuig ging hem over het voorhoofd en den arm. Men dacht niets anders dan een lijk op te rapen, maar neen : het kind richtte zich op. In zijn val had het den H Antonius aangeroepen, den beschermer van allen, die in gevaar verkeeren.
w
213
fon Thimotheus Syro, aartsbisschop der Maronieten in Medië, vertoefde in 1683 on Thimotheus Syro, aartsbisschop der Maronieten in Medië, vertoefde in 1683 w te Eome en bekwam van de Congregatie der Propaganda ten voordeele van zijn aartsbisdom een geldelijken onderstand, waarvan men hem tevens den authentieken titel had geschonken. Hij had het ongeluk, die akte te verliezen, en wat hij ook zocht, nergens was ze terug te vinden. Den volgenden dag begaf hij zich naar de kerk derH. H. Apostelen, en droeg de Mis op aan het altaar van den H. Antonius, hem smeekend, dat hij toch zijne papieren terug mocht vinden. Hij komt tehuis, en het eerste wat zijn blikken treft, is de zoo lang gezochte akte, werkelijk op de tafel ontvouwd. Dankbaar voor Antonius' tusschenkomst, maakte hij tot meerdere eer van den heilige dit feit naar best vermogen openbaar. Boll 766
r leefde te Padua een doofstom geborene, die den ouderdom van vijf en twintig jaren had bereikt. De jongeling had tweemaal eene verschijning van den H. Antonius, die hem aanraadde, zich tot hem te richten, wilde hij van zijne dubbele kwaal verlost worden. Daar hjj van bekrompen ver-
214
stand was, meende hij, zich tot den H. An-tonius in persoon te moeten wenden, en ging den heilige de gansche stad door zoeken. Bij eene derde verschijning vernam hij, wat hem te doen stond, en ging alsdan naar de kerk des heiligen, waar hij een ganschen nacht doorbracht, hem biddende om genezing, zoo hij zulks vermocht. Den volgenden namiddag omstraalt hem eensklaps een bovennatuurlijk licht, en wordt hij tegelijkertijd van het hoofd tot de voeten een geweldigen schok gewaar, waarop hij hevigermate begint te zweeten. Daarna bemerkt hij, even goed te hooren en te spreken als iedereen. Zelfs had hij een andere tong dan de vorige, welke misvormd en monsterachtig was. Na het gebeurde had hij een gewonen tongval, en met uitzondering van sommige gebruikelijke spreekwijzen, was zijn spraak in het minst niet van anderen te onderscheiden. Met onbeschrijfelijke blijmoedigheid dankte hij God, als ook den H. Antonius, en een ieder stond verstomd van zulk een schitterend wonder. Piet was zijn naam, maar van dat oogenblik af noemde men hem Antonius, een naam, dien hij zijn leven lang behield, Boll. 733
215
A
Idonsia, dochter der koningin Theresia van Portugal, leed aan een doodelijks -ziekte en was door de geneesheeren opgegeven. Haar moeder bad tot den H. Anto-nius: â Herinner u, o groote heilige, dat ook gij te midden van dit koninkrijk zijt geboren en onze onderdaan zoudt geweest zijn. Waarom zoudt gij mijn kind niet gadeslaan?quot; En alles wat de moederliefde haar kon ingeven, voegde zij er aan toe, om de gunst des heiligen te winnen. Des nachts had hare dochter een droom. Zij zag den H. Antonins, die haar toesprak: â Kent gij mij ? Ik ben de H. Antonius en ben gekomen, wijl uwe moeder mij heeftaange-roepen.Kies nu: of heden met mij het Paradijs binnengaan, of tot troost uwer moeder wederom gezond worden.quot; Aldonsia koos het laatste en genas op hetzelfde uur. Zij hield den H. Antonius bij het koord en riep verheugd hare moeder, doch terwijl deze kwam toegesneld, verdween de heilige. Aldonsia stond op en leefde, om de dagen harer moeder te veraangenamen, terwijl zij haren weldoener een voortdurende dankbaarheid betoonde. Azevedo.
Lp den vooravond van het feest des H.
Antonius, in het jaar 1683, viel in het dorp St. Laurent bij Florence een kind met het gezicht in een^kolenvuur en bleef
216
zoo liggen, tot de moedei- kwam toeloopen. De ongelukkige durfde zich geen denkbeeld maken van denerbarmelijken toestand, waarin zij haar kind zou aantreffen. Maar van het eerste oogenblik af aan, had zij den H. An-tonius gebeden, en het kind werd uit het vuur gehaald, zonder dat er een haar was verbrand. Wie zal de verwondering en erkentelijkheid dezer vrome vrouw beschrijven ?
Boll. 766.
arco Malvolti werd in 1683 doodelijk gewond, zoodat de dokters wanhoop ten aan zijn behoud. Ghettini, een pater Conventueel, kwam hem bezoeken, zegende hem en zalfde zijne wonden met olie, afkomstig uit de lamp, welke voor de reliquie-kast des H. Antonius te Padua brandt. Den volgenden morgen vond de chirurgijn zijn patiënt volkomen genezen. Slechts een flauw litteeken was er overgebleven, als om getuigenis af te leggen van de gunst, die hem was verleend.
Boll. 766.
ten godvruchtige dame, die het grondge-. bied van Pisa bewoonde, was tot diepe ^ ' armoede vervallen, en door een langdurige ziekte tot bet uiterste gebracht. In die omstandigheden ging het haar vooral ter harte,en godvruchtige dame, die het grondge-. bied van Pisa bewoonde, was tot diepe ^ ' armoede vervallen, en door een langdurige ziekte tot bet uiterste gebracht. In die omstandigheden ging het haar vooral ter harte,
217
twee jeugdige meisjes hulpeloos te moeten achterlaten. Reeds had zij veel gebeden, en nog bad zij immer den H. Antonius, om haren kommer te willen lenigen. De heilige
O O
verscheen haar eens en deed haar het voorstel, om aanstonds met hem naar het Paradijs te gaan, of wel hier op aarde te blijven, om hare kinderen te verzorgen. De brave vrouw, den hulpbehoevenden toestand harer kinderen overwegende, antwoordde: âGroote H. Antonius, zoo ik hier op aarde blijf tot welzijn mijner kinderen, ben ik van mijn eeuwig heil verzekerd, en daarom kies ik zulks!quot; Op 't zelfde oogenblik stond zij genezen op. Er werd een nauwkeurig relaas opgemaakt van dit mirakel, hetwelk daarenboven wordt bekrachtigd door pater Panzarrini de Volterra, een kloosterling, uitblinkend door zijn geloof en volmaakte oprechtheid. Bo11- 766
n Juni 1685 brak een zestigjarige grijsaard, Jean Bogiani, zijn been. Enkele dagen na de verbinding deedhijdegelofte zich te voet naar het altaar van den H. Antonius te begeven, indien hij genas. Hij bewoonde den burcht St. Blaise, in het Venetiaansch hertogdom, en vertrok op krukken, om aldus het klooster van den H. Antonius te bereiken. De kerk naderend, voelde hij zich geheel her-
218
steld; zijn been was genezen en bij ging zelf zijne krukken aan het altaar ophangen, als bewijs der genade, die hem was betoond.
Bologne was in 1684
ezeten, had hevige smar
Boll. 796.
en raakte onderscheidene malen buiten kennis. Zij vermoedde niet, dat haar toestand het werk des duivels was, en had er nooit aan gedacht, den duivel te laten bezweren Genoemde vrouw bezat veel godsvrucht tot de H. Maagd en den H. An-tonius. Op zekeren nacht, dat zij hem had aangeroepen, verscheen hij haar, door een schitterend licht omstraald, en zeide, dat zij veel vertrouwen op Maria moest hebben, daar deze haar zou verlossen, en dat hij zelf dooide H. Maagd gezonden was, om haar te genezen. Terwijl hij die woorden sprak, nam hij haar bij haren arm en hield het hoofd naar een Moedergodsbeeld gekeerd, dat op de bedplank stond. Zelf bad hij de Moeder Gods, om hare dienares de gezondheid terug te schenken, en verdween daarop. Francisca braakte een aantal wormen en was voortaan van den duivel en haar lijden verlost. Zij riep haren man en de overige slapende huisgenooten
219
op, om hun dit blijde voorval bekend te maken.
Boll. 779.
t
s het lichaam van den H. Antonius naai
de kerk der H. Maagd te Padua werd
gebracht, volgde eene vrouw, Cuniza ge-heeten, welke gebukt ging onder den last van een grooten bult, zoo goed zij vermocht, den lijkstoet, terwijl zij zich den heilige aanbeval, ten einde van haar droevige ziekte bevrijd te worden. Op het oogenblik, dat de processie de kerk binnentrad, gevoelde de vrouw, dat haar houding veranderd was en een regelma-tigen vorm herkregen had. Men kan zich de vreugde en verbazing der menigte verbeelden op het gezicht van zulk een wonder.
Waddingh. Miss. 188.
Iln 1830 viel een tienjarig kind te Rome uit het venster der derde verdieping. De moeder slaakte slechts den kreet âH. Antonius!' Onze kleine kwam op den grond terecht, doch bezeerde zich niet en liep naar binnen. De moeder, in allerijl naar beneden gesneld, trof haar kind ongedeerd aan âMaar hoe is het mogelijk?' vraagt zij hem. âWel, was het antwoord, âeen broeder heeft mij in zijne armen genomen en op den grond gezet.' Zij begreep, dat zulks de H. Antonius moest
220
zijn, en liet aanstonds in de kerk Ara-Coeli eene H. Mis opdragen. Ook verhaalde zij het gebeurde in de sacristie, waar vele kloosterlingen aanwezig waren. Pater Pranciscus de Camajore, dit hoorende, wilde het kind zelf hooren, en vroeg hem of de broeder, door wien hij gered was, op hem geleek. ,0, hij was veel schooner,quot; antwoordde de knaap en knielde met zijne moeder voor het beeld van den H. Antonius. Het beeld aanschouwende, roept de kleine uit: âMoeder, dat is de broeder, die mij op den grond neerzette!quot; De godsdienstige vrouw kon haar vreugde niet bedwingen en verwijderde zich met den uitroep; âLeve de H. Antonius, leve die verheven heilige!' Dit feit is bekrachtigd door mondelinge verklaringen van vele getuigen, onder anderen pater Joseph Dafiano, Minderbroeder, en rector der Clarissen te Tivoli.
en 6 Juli 1780 verwierf te Padua, Agnes, dochter van Andreas Beltrami, een uitstekende gunst van den H. Antonius. Een harer vingers was door een ongeneeslijke kwaal aangestoken, welke gedurende vier jaren aan alles weerstand bood. De heelkundigen waren van oordeel, dat de vinger moest worden afgezet, ten einde koud vuur te voorkomen. De zieke, die altijd veel godsvrucht
221
tot den H. Antonius had getoond, kwam op de gedachte, de oefening der negen Dinsdagen te houden. Daarmede begonnen, gevoelde zij zich op zekeren dag geheel genezen, tot verbazing van allen, die haar kenden.
Pianzola 83.
U n 1232 volgde een klein kind uit de om streken van Padua, Emilia genaamd, hare moeder, welke vuur ging halen. Bij ongeluk struikelde het en viel in een diepen sloot. Dit werd eerst door de moeder bij het terug-keeren bemerkt, en vóór zij haar kind er uit kon halen, was het reeds verdronken. Men kan zich hare ontsteltenis begrijpen. De buren snellen op hare kreten toe, nemen, de wondermacht van den H. Antonius indachtig, het lijk op, en leggen dit voor de reliquie-kast des heiligen neder. Nauwelijks lag het kind daar, ot er kwam beweging in; het gaf in-gezwolgen water over, richtte zich lachend op, en liep naar de moeder om haar te omhelzen.
Polent. Miss. 195.
Jeatrix de Silva, zuster van den gelukzaligen Amedeus, was met een teedere devotie tot de H. Maagd en den H. Antonius bezield, en had het geluk, beider bescherming te mogen ondervinden, toen zij aan
222
het hof in ongenade was gevallen. Door de koningin van Oastilië uit afgunst in de gevangenis geworpen, werd zij door de H. Maagd vertroost. Die goede Moeder gewaardigde zich, aan haar te verschijnen, hare droefheid te lenigen en haar te voorspellen, dat zij na drie dagen in vrijheid zou zijn, wat ook verwezenlijkt werd. Ten einde nieuwe gevaren te voorkomen, ontvluchtte Beatrix heimelijk het hof. Onderweg hoorde zij twee kloosterlingen haalbij haar naam noemen. Op dit gerucht onthutst, was zij eerst van gedachte, dat zij haar ter achterhaling waren nagezonden. Doch wel ver van daar: een der beide kloosterlingen was de H. Antonius, die tot haar sprak: âVrees niet, mijne dochter, ik kom u bijstaan en versterken. Gij zult de stichtster worden der orde van de 0. B. O. der K. Maagd en zult aan uwe geestelijke dochters het kleed geven, waarin gij de Moeder Gods, toen zij u verscheen, zaagt gehuld.' De verschijning hield op, en Beatrix dankte den heilige van gan-scher harte, haar aldus te hebben vertroost. Later zag zij deze voorspelling bewaarheid; want zij werd inderdaad de stichtster dier voorname orde.
Waddingh. â Miss. 269.
223
fe H. Antonius houdt niet op, zijnen naasten blijken van innige genegenheid te toonen, getuige het voorval in 1774 met Catharina Clerici van Est. Deze brave vrouw lag, door een samenloop van ongeneesbare ziekten uitgeput, op het uiterste. Op zekeren nacht, dat zij zich tot het andere leven voorbereidde, verscheen de heilige haar, groette haar vriendelijk, en vroeg, hoe het met haar was. De zieke zeide hem, hoe zij het maakte, en de heilige hernam: âWelaan, neem uwe toevlucht tot den H. Antonius, laat ons samen zijn responsorium bidden, en ik verzeker u, dat gij zult genezen ' Zij begonnen werkelijk het gebed en de heilige verdween. WatCa-tharina betreft, zich gansch getroost en volkomen genezen gevoelende, begreep zij, dat de broeder, die haar bezocht had, niemand anders was dan de H. Antonius zelf. Vervuld van vreugde ging zij hem te Padua hare dankbaarheid betuigen.e H. Antonius houdt niet op, zijnen naasten blijken van innige genegenheid te toonen, getuige het voorval in 1774 met Catharina Clerici van Est. Deze brave vrouw lag, door een samenloop van ongeneesbare ziekten uitgeput, op het uiterste. Op zekeren nacht, dat zij zich tot het andere leven voorbereidde, verscheen de heilige haar, groette haar vriendelijk, en vroeg, hoe het met haar was. De zieke zeide hem, hoe zij het maakte, en de heilige hernam: âWelaan, neem uwe toevlucht tot den H. Antonius, laat ons samen zijn responsorium bidden, en ik verzeker u, dat gij zult genezen ' Zij begonnen werkelijk het gebed en de heilige verdween. WatCa-tharina betreft, zich gansch getroost en volkomen genezen gevoelende, begreep zij, dat de broeder, die haar bezocht had, niemand anders was dan de H. Antonius zelf. Vervuld van vreugde ging zij hem te Padua hare dankbaarheid betuigen. rianzoia 83.
en jaar na den dood des H. Antonius, begaf zich eene Duitsche vrouw, Carilina, naar dië stad, ten einde het gezicht te herkrijgen, waarvan zij zeven jaren lang door eene oogziekte was beroofd. In de kerk sprak zij hare biecht en communiceerde voor het graf van den heilige, terwijl zij vurig
224
zijne tusschenkomst afsmeekte. Weldra begon zij de voorwerpen te onderscheiden en het eerste wat zij zag, was het graf van haren heiligen voorspreker, wiens weldadigheid zij vol dankbaarheid luide verheerlijkte.
Miss.
^5 lan Perrara werd een jeugdig meisje, Jo-X T hanna geheeten, naar Padua vervoerd.
Zij was door den duivel bezeten en werd verschrikkelijk gekweld. Tijdens zij nog met hare moeder in de herberg vertoefde, riep deze al weenend den H. Antonius aan, om toch hare dochter te verlossen. Eensklaps verschijnt de heilige en zegt haar op zachten toon: âMoed, brave vrouw, uwe dochter is reeds genezen.quot; Zij ging er zich van overtuigen, en bevond inderdaad, dat hetgeen zij vernomen had, was bewaarheid, pianzoia 73.
e Napels had een edelman een rekening verloren, die van veel gewicht voor hem was, en hij kon ze ondanks alle nasporingen niet meer terugvinden. Hij verzocht zijn oom, een priester, te zijner intentie de H. Mis te lezen op het altaar van den H. Antonius. Toen laatstgenoemde uit de kerk terugkeerde, werd hij door drie landbouwers aangesproken, die hem vroegen, wien een
225
gevonden papier, dat zij hem toonen, kon toebehooren., Wel aan mijn neef!quot; antwoordde de vrome priester, nam de rekening aan, ging den H. Autonius bedanken, en liep aanstonds terug naar zijn neef, die den H. Antonius bartelijken dank betuigde. Azevedo. 251.
Ãene boerin uit de omstreken van Padua bezat als eenig goed een akkertje, dat zij zelve bebouwde. Tot baar ongeluk vielen in menigte musschen daarop neer, en richtten veel schade aan. Zij meende ze te kunnen verjagen, doch het baatte niets; de vogels gingen een weinig verder aan het plunderen, en dreigden niets voor den oogstte zullen overlaten. Het vrouwtje beloofde eene novene ter eere van den H. Antonius, en zonder acht te geven op de musschen, ging zij iederen dag den heilige bidden. Dit hielp haar beter, dan al hare vogelverschrikkers; want van nu af, bemerkte zij geen enkelen vogel meer op het veld, en toen de tijd van inzamelen aanbrak, had zij een overvloedigen oogst.ene boerin uit de omstreken van Padua bezat als eenig goed een akkertje, dat zij zelve bebouwde. Tot baar ongeluk vielen in menigte musschen daarop neer, en richtten veel schade aan. Zij meende ze te kunnen verjagen, doch het baatte niets; de vogels gingen een weinig verder aan het plunderen, en dreigden niets voor den oogstte zullen overlaten. Het vrouwtje beloofde eene novene ter eere van den H. Antonius, en zonder acht te geven op de musschen, ging zij iederen dag den heilige bidden. Dit hielp haar beter, dan al hare vogelverschrikkers; want van nu af, bemerkte zij geen enkelen vogel meer op het veld, en toen de tijd van inzamelen aanbrak, had zij een overvloedigen oogst.
Azevedo. 204.
Jlr en zuster der derde orde van den H. J^Franciscus was lam en tevens stom ge-(~r\ worden. Pater Bernardus Coinage ging haar bezoeken en vroeg naar haar naam, n. antonius. 15
226
waarop iemand zeide, dat zg volstrekt niet spreken kon. De pater beval haar niettemin te zeggen, hoe zij heette, in den naam van Jesus Christus en den H. Antonius. Alsdan antwoordde de zuster hem krachtens de heilige gehoorzaamheid: âAgatha.quot; Zij werd daarbij door een hevige siddering bevangen, doch de pater beval haar uit hoofde derzelfde gehoorzaamheid en in den naam van den H. Antonius, met beven op te houden; en op denzelfden stond was zij van haar beving genezen. Vervolgens liet hij haar een glas wijn brengen, en voorzeide, na haar aldus de spraak te hebben teruggeschonken, dat zij binnen den tijd van twintig dagen zou loopen. Aldus geschiedde ook werkelijk.
IJoll. Azevedo. 288.
erwijl bij het klooster der Minderbroeders te Monopoli, zeker jongeling bezig was een kuil te graven, stortte onverwachts een nabijgelegen heuvel in, en begroef hem ouder een geweldige aardlaag. Zijn moeder en de kloosterlingen stelden alles in bet werk, om hem er onder uit te halen. Men koesterde echter geen hoop meer, hem levend terug te zullen vinden. Doch verbeeld u de vreugde der gravers, toen zij den jonkman ongedeerd zagen. Men vroeg hem, hoe hij onder zulk
227
een aardmassa niet gestikt en onder de zware drukking niet verpletterd was. Hij antwoordde, in dit dringend gevaar den H. Antonius te hebben aangeroepen; dat deze hem te hulp kwam, en hem niet verlaten bad ; dat hij hem met de eene hand vast hield, ten einde het stikken te voorkomen, met de andere den in-gestorten grond terugdringend, om niet vermorzeld te worden. De verbazing en verrassing der goede lieden te beschrijven, zou onmogelijk zijn; doch de erkentelijkheid endank-betuiging van den gelukkigen beschermeling des H. Antonius overtrof hun geestdrift ver.
Miss. 199.
0|fekere Dominicus te Comacchio, ging voor K zaken uit. Zijn weg was langs een meer, ^ | terwijl hij vergezeld werd door zijn zoontje, dat hij herhaalde malen aanspoorde, achter hem te loopen. Het kind, dat liever aan den kant van het water speelde, stortte er eensklaps in en de vader bemerkte het pas, toen hij eenigen tijd was doorgeloopen. Hij gaat terug en ziet zijn zoontje in het water; doch reeds gestikt. De vader trekt zijn kind er uit, gaat naar huis terug, en daar gekomen, reikt hij het lijkje aan de moeder over. De overweldigende smart, die beiden aangreep, kon toch hunne godsvrucht tot den H. Anto-
228
nius niet verdooven. Samen brachten zij hun kind naar de kerk der Minderbroeders en knielden voor het altaar van den Heilige neder, hem smeekende. het te doen herleven. Zij deden de belofte, indien hij hun zoon van den dood verwekte, dat zij dezen zijn graf zouden laten bezoeken. Eu zie, de ziel des kinds keerde terug in het lichaam, dat zijn gevoel herwon, en zich uit de armen der moeder wilde losmaken. Men zette den kleine neer, en te voet keerde hij huiswaarts met zijne ouders, die niet talmden, met hun zoontje naar Padua te gaan om de belofte te vervullen. Miss. 196.
stoffelijk overschot des H. An-
ich in het klooster van Arcelli t uevunu, vverden de kloosterlingen als het ware belegerd door onafzienbare menschen-scharen. Maar toen het avond werd, kon men het klooster en de kerk sluiten. Te middernacht rukt nogmaals een menigte op het klooster aan, luide schreeuwend, om het lichaam van den H. Antonius te zien en te vereeren. Men bestormt bet verblijf der kloosterlingen, de sloten worden verbroken, en de deuren ingetrapt. Voor die open deuren nu en het door kaarsen verlichte vertrek wordt het volk door een onzichtbare macht tegengehouden. Driemaal beproeft het, den drempel te ovgigt;
229
schrijden, tot driemaal staat het onbewegelijk, als vastgenageld aan den grond, zonder een voet te verzetten. Getroffen en verstomd, herkende de menigte de hand Gods, en knielde neder, om van verre dat waardig en dierbaar overschot te vereeren. Alles stond onthutst van een wonder, welks uitwerkselen algemeen waren ondervonden. Azevedo. 134. Misa. 178.
u^ekere Venetiaansohe vrouw, Cesaria ge-jLy naamd, was sedert twee jaren ontroost-baar wegens een ongeluk, dat haar aan hand en voet overkwam. Die ledematen waren geheel en al ontwricht. Herhaaldelijk over de wonderen van den H. Antonius hoo-rende spreken, besloot zij, zich naar Padua te laten vervoeren, om den heilige vol vertrouwen om genezing te smeeken. Zij ging derwaarts, bezocht vol eerbied het graf des heiligen, en raakte nauwelijks den steen aan of zij werd verhoord. De hand kreeg de vorige buigzaamheid terug en haar voet was geheel hersteld. Hare vreugde werd door de getuigen van dit wonder beantwoord door eenparige toejuiching, den weldadigen wonderdoener ter eere. Misg. 191
230
e Padua leed Solange de Montagnana aan TTW een zeev ernstige kwaal, zoodat men wan-) hoopte, haar te genezen. Doch zij beval zich den H. Antonius aan, van wien zij genezing verhoopte. Op zekeren nacht, dat zij ineeslapen was, voelt zij haar bed schudden en vliegt van schrik op. Zij weet nog met wat er gaande is, maar wacht of zij nogmaals iets gewaar wordt. Werkelijk, een tweede schok beweegt het bed. Ontsteld roept de zieke uit: âWie is daar?quot; En aanstonds hoort zij een stem, die haar antwoordt; âVrees niet,
Solange, ik ben Antonius, dien gij zoo menigmaal hebt aangeroepen.' ,0, heilige vader, spreekt zij gansch kalm, âgeef dat ik geneze-
De Heer heeft u genezen,quot; antwoordt de heilige Antonius. Inderdaad, Solange voelt hare krachten terugkeeren, staat op, maakt het den huisgenooten en hare gansche familie bekend, en vereenigt zich met allen, om den Heer te bedanken voor de wonderbare gene-z^ng# Missaglia. 192.
edurende zyn leven trok de H. Antonius meermalen door het dorp Cap de Goro, gelegen in de nabijlieid van Polesella, en werd daar immer met veel eerbied bejegend. Na zijn dood werd een meisje uit die streek,
231
met name Samaritana, eensklaps, terwijl zij op het veld bezig was, door een zenuw-ziekte overvallen, welke haar gansch misvormde. Haar beenen bleven rugwaarts gebogen, en zij kon zich niet anders bewegen dan kruipend op de handen, met het gezicht omlaag. Ieder was getuige van dit vreemd verschijnsel. De bedroefde ouders brachten hun dochter naar Padua, in de hoop, dat de H. Antonius haar zou genezen. Werkelijk, na meer dan een half uur gebeden te hebben, richtte de zieke zich plotseling op, en kon te voet huiswaarts keeren. Toen de dorpelingen dit krachtdadig wonder vernamen, gingen zij in grooten getale het gelukkig kind te gemoet. Dit kwam het dorp onder het gelui der klok binnen, en haar dorpsgenooten gevoelden zich gelukkig, te dier gelegenheid met geestdrift de huldeblijken te hernieuwen, welke zij voorheen den H. Antonius in persoon mocht bewijzen.
Missaglia. 190.
fp zekeren dag verdween uit de sacristie van een klooster te Palermo een zeer kunstig bewerkt wierookvat. De dief, een knecht van den koster, voer het hevigste tegen de inbrekers uit, en ging in zijne huichelarij zoo ver, dat hij den koster aanspoorde, met hem bij het altaar van den H. An-p zekeren dag verdween uit de sacristie van een klooster te Palermo een zeer kunstig bewerkt wierookvat. De dief, een knecht van den koster, voer het hevigste tegen de inbrekers uit, en ging in zijne huichelarij zoo ver, dat hij den koster aanspoorde, met hem bij het altaar van den H. An-
232
tonius te gaan bidden. Zij doen het werkelijk, doch terwijl zij hun gebed verrichten, gevoelt de dief een onweerstaanbare behoefte, om den neus te snuiten, en trekt, terwijl hij zijn zakdoek te voorschijn haalt, ook het wierookvat uit den zak, dat daarin met een ketting bleef vasthaken. Op heeter daad werd hij aldus betrapt, en met schaamte overladen. Een bewijs, dat men niet straffeloos met den H. Antonius kan spotten.
Boll. 779. Miss. Azev.
|ln 1615 namen de Calvinisten van La Ro-IX chelle met twaalf schepen de stad Olinden in, waar zij de grootste buitensporigheden en ongeloofelijke schade aanrichtten. Zij verwoestten de kerken en verbryzelden de heili-gen-beelden, behalve een beeld van den H. Antonius, dat de kapitein, Pandemille, bewaarde, om het aan boord naar hartelust te verminken. Zij zetten vervolgens koers naar San-Salvador de Bahia in Brazilië, en begonnen onderweg het beeld des heiligen op duizenderlei wijzen te onteeren, terwijl zü het de grootste versmadingen aandeden, als b. v.: âGeleid ons naar de Baai!' Dan ziet, hoede heilige dien ketterschen heiligschenners schrik wist in te boezemen. Alle okshoofden, welke op de twaalf schepen aanwezig waren, en wijn
233
of zoet water inhielden, sprongen te gelijk open, zoodat het scheepsvolk gedeeltelijk van dorst omkwam. Daarna bedierf de scheepsbeschuit en wat er aan verdere levensmiddelen voorhanden was, waardoor velen der bemanning van honger stierven. Anderen werden door pest of eenplotselingendoodgestraft, tot eindelijk een vreeselijke storm alle schepen deed vergaan, met uitzondering van dat, waarop de kapitein zich bevond. Dit vaartuig werd door den wind naar Segerippa voortgestuwd, en viel in de macht van Fran-ciscus Sosa, koninklijk stadhouder. Ten einde niet ontdekt te worden, wierp men het beeld van den H. Antonius te water, dit spoelde echter weg en bereikte de baai, waar het zich aan het strand vanzelf oprichtte. Pandemille en de zijnen, krijgsgevangen gemaakt, liepen op hunne beurt diezelfde haven binnen en op het zien van het beeld, begrepen zij, dat de heilige klaar stond, om hun smaad te wreken. Alsdan bekenden zij de beleedigingen, den H. Antonius aangedaan, en werden opgehangen. Daarna werd het beeld onder de verschuldigde eerbewijzingen van daar weggenomen en de H. Antonius tot patroon der stad verklaard.
Boll. Azevedo. 180 Miss.
234
later Joseph, uit het klooster der Minderbroeders van Padua, werd door een ,, kwaadaardige koorts aangetast, die hem aan den rand des grafs bracht. Sedert twee maanden hing hij tusschen leven en dood, en verloor alle hoop op de middelen, door de kunst aangewend, waarbij hij geen baat vond. Zijn vertrouwen was verdeeld tusschen de H.
- Maagd, den H. Franciscus en den H. Antonius. Op den dag, welke gewijd was aan het feest der Tong van laatstgenoemden heilige, liet bij te zijner intentie bij de relequie-kas van Antonius door twee kloosterlingen bidden. Dienzelfden dag gevoelde hij zich beter, en weldra mocht bij zich in eene uitstekende gezondheid verheugen. Het daarop volgend Paaschfeest begiftigde hij bet altaar van den H. Antonius met eene schilderij. Ziek te bed liggend, was hij er op voorgesteld met den dood aan zijne zijde, gereed hem te treffen, terwijl de H. Antonius den slag afweerde, en den dood met een enkele beweging verjoeg. Op de schilderijlijst las men een opschrift van den volgenden inhoud : âSteunend op den bijstand der allerheiligste Maagd, van den H. Franciscus en den H. Antonius, zijn beschermer, ontkwam pater Joseph, Conventueel der Minderbroeders des
235
H. Antonius van Padua, den toeleg des doods in het jaar O. H. 1691 quot; Boil 777.
|f n 1689 steeg gedurende 16 dagen het water van de Adigo zoo schrikbarend, f dat gansch het Polesellaansch gewest door een vreeselijke overstrooming werd bedreigd. De inwoners van Lendinara deden met het stedelijk bestuur aan het hoofd, openbare gebeden en bedevaarten naar verschillende heiligdommen; doch het water bleef wassen en het gevaar werd steeds dreigender. De raadsleden der stad wendden zich tot den Eerw. pater gardiaan der Minderbroeders, om voor het volk plechtig het H. Sacrament uit te stellen, alsook het beeld van den H. Antonius. Zulks werd voorgeschreven.Nauwelijks waren de oefeningen begonnen, of het volk nam er in menigte deel aan en eensklaps begon het water te vallen. In één enkelen nacht viel de rivier vier voet, en den volgenden morgen stond het water op zijn gewone hoogte. Deze uitstekende gunst in zulk een dreigend gevaar gaf aanleiding, dat de H. Antonius tot patroon der stad werd gekozen.
0|^eker godvruchtig Armeniër lag eens voor J*!, het altaar van den heilige in de kerk Cj biddend neergeknield. Plotseling komt
236
een der dienstknechten hem inderhaast zeggen; âKom terstond naar huis, want het begint te branden en verkeert in 't grootste gevaar!quot; Wie zou op zulk een tijding niet ontstellen? De man echter, met bewonderenswaardig vertrouwen bezield, antwoordde slechts : â Het zal mij meer baten, deu H. An-tonius voor mij zeiven en mijn huis hier te blijven bidden, dan er in persoon heen te gaan.' En in weerwil van het voortdurend aandringen zijner bedienden verroerde hij zich niet, maar ging door met bidden. Wat Was er het gevolg van? De vlammen gingen vanzelf uit, zonder merkelijke schade aan het huis te veroorzaken, en de Armeniër liet uit dankbaarheid voor de verleende bescherming eene daaraan herinnerende schilderij maken, welke hij naar Padua zond. Azevedo. 241.
e zuster van den H. Antonius, Donna Maria Martin, reguliere kanunnike, lag op sterven. De kloosterzusters stonden rond haar geschaard, bewezen alle mogelijke zorgen, en gaven blijk van het teederst medelijden. Het was de 18e Februari, dag, waarop in Portugal, en voornamelijk in dit klooster, het feest gevierd werd van den H. Theo-tonus, zijnde de stichter van genoemd klooster. Donna Maria scheen op het uiterste en uit-
237
geput van krachten, als men eensklaps opbaar gelaat een levendige blijdschap bespeurde, en zij hare stem hervattend, uitriep: âMaakt plaats, zusters, daar is mijn vader, de H. Theotonus, die mij met mijn broeder Antonius komt bezoeken, om mij naar het Paradijs te vergezellen!'' En op die woorden gaf zij den geest, terwijl hare reine ziel in den schoot van God werd opgenomen.
Azevedo. L. III. 195.
G. MOSMANS Senior, 's BOSCH. Uitgever,
J
IMPRIMATUR: ^
J. M. Scholtis, Parochus et Decanus.
ad hoc delegatus.
Galopiae, 20 Nov. 1884-,
GOEDKEURING.
2e druk.
E. X. RUTTEN, ad hoc delegatus. Maastricht, 8 Nov. 1887.
H
INHOUD.
U
i i q
Maiz.;
Voorwoord/. . . . i!.................
Levensschets van d^n H. Anton^us van Padaa .... G
Gebeden onder de H. Mis, ter eere v. d. H. Antonius. 34
Novene ter eere van den H. Antonius................40
Dankzegging na ontvangen weldaden................59
Litanie van den II. Antonius........................60
Kleine getijden van den U. Antonius................64
Wonderbaar Responsorium van den H. Antonius ... 74
Gebed voor het beeld van den H. Antonius..........76
Antiphoon: âO zegenrijke tongquot;....................77
Ander gebed voor het beeld van den H. Antonius . . 78
Gebed om verloren zaken terug te vinden............80
Oorsprong van de godsvrucht der negen Dinsdagen,
ter eere van ^en H. Antonius . . .................81
Bijzondere gebeden voor elk der negnn Dinsdagen . . 84
Sluitgebed na afloop der negen Dinsdagen.....105
Verschillende geleden tot den II. Antonius.
In allerlei noodwendigheden . . . . quot;........106
Om vergiffenis der zonde en liefde tot God.....107
Om verloren zaken terug te vinden.........107
Om de genade, goed de plichten van zijn levensstaat te
vervullen....................108
Gebed voor oen zieke...............109
Voor de bekeering van een zondaar.........110
Van een kind voor zijne ouders..........111
Om een zaligen levensstaat .... â¢.......112
Voor eene ziel des vagevuurs...........112
Voor liet welslagen eener tijdelijke zaak......113
Om eene geestelijke genade . ...........114
Gebed om de deugden van den H. Antonius .... 114
Om een zalig sterfuur...............117
Als God ons nog niet verhoord heeft........116
J 7/
Overwegingen voor lederen dag der maand.
Bladz.
1. Over het geloof.......................118
2. Over de lioop.................121
3. Over de liefde.................124
4. Over de naastenliefde .............128
5. Over de liefde tot den Zaligmaker.......131
6. Over de godsvrucht tot de H. Maagd......134
7. Over de ootmoedigheid.............137
8. Over de armoede................140
9. Over de kaischheid...............142
10. Over de gehoorzaamheid............145
11. Over het geduld................147
12. Over de boetvaardigheid............149
13. Over bet gebed ................152
1 . Over onze bestemming.............156
15. Over de verachting van het aardsche......158
16. Over den dood.................160
17. Over het oordeel................163
1 . Over den Hemel................165
9. Over de zorg onzer zaligheid..........167
20. Over de vrees voor de zonde..........170
21. Over het uitstellen der bekeering ........173
22. Over het menschelijk opzicht..........176
23. Over het mistrouwen van zich zeiven......179
24. Over het gebruik der genade..........182
25. Over het ger.ruik van den tijd .........184
26. Over het gebruik der HH. Sacramenten.....186
27. Over de H. Mis................189
28. Over de aalmoes................191
29. Over het kwaad voorbeeld . ..........194
30. Over het vertrouwenM)p God..........196
31. Over de navolging van Christus .........199
Gebeden onder het lof...............203
Aanhangsel van nog eenige treffende mirakelen van den machtigen Wonderdoener, den H. Antonius van Padua......................208
|
â ipKi | ||
|
mm | ||
|
â | ||
|
1 |
1 |