^â iiV.80tó,oVUiU8
â ' ' ' j i j't
v
7
fs
)
KUNSTHISTORISCH INSTITUoT DER RUKSUNiVERSITFiT UTRECHT
KUNSTHISTORISCH iNSTlTÃUT DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
Ã
/tttttttttttttttttttttttttttttttttttttt^
Groningsche schilders in de XVIe en XVIIe eeuw.
et is een in 't oog vallend verschijnsel, dat Groningen, hetwelk in onze dagen zich er op beroemt de bakermat van twee onzer grootste schilders: Josef Israels en Hendrik Willem Mesdag te zijn, in vorige eeuwen geheel en al bij de overige streken van ons vaderland ten achter stond. Waar steden als Middelburg en Goes in 't Zuiden, Alkmaar en Hoorn in 't Noorden , Deventer en Zwolle in 't Oosten in de zeventiende eeuw op tal van bekwame kunstenaars konden bogen, waar het naburige Friesland schilders telde als Jacob Backer, Abraham van den Tempel en Wijbrant de Geest, daar kan Groningen hun geen enkelen naam ter zijde stellen, die buiten de grenzen van ons vaderland bekendheid verkregen heeft. Toch is er te Groningen geschilderd, zij het dan ook in mindere mate en met minder talent. Waaraan dat ligt en hoe het komt, dat. de werken der Groningsche schilders heden ten dage vergeten of verloren schijnen te zijn, willen wij thans niet nasporen. Liever
[ 2 ]
roepen wij de aandacht onzer lezers in voor eene samenvatting van het voornaamste, dat over Groning-sche schilders der XVIde en XVIIde eeuw bekend is.
Het eerste bericht vinden wij in het in 1604 verschenen schilderboeck van Karei van Mander. âVries-âlant â zoo schrijft hij â en is soo bevrosen niet âgheweest, noch soo heel verdort, of daer en is uyt âGroeninge, tot vergroeninge haers roems, ontstaen âeen heerlijcke spruyt en bloem onser Consten, van âsoo deuchtsaem een cracht der roken datse d' eygen âweerdicheyt haers selfs soo heel openbaer maeckt, âdat ick van stinckende versuymlijckheyt te berispen âwaer, indien ick haeren lieflij eken schoonen geur niet âuyt en socht te breyden.quot; Deze bloem heette Jan Swart of Swart Jan; hij leefde omstreeks 1522 of 1523, toen de bekende Jan van Schoorl of Scorel uit Italië terugkwam, te Gouda. Zijne wijze van schilderen had met dezen kunstenaar overeenkomst, doch van zijne schilderwerken wist van Mander er reeds toen (1604) geen enkel meer aan te wijzen.
Heden ten dage zijn wij niet veel gelukkiger. Wel worden er in de Oude Pinakotheek te München en in het Museum te Keulen stukken op zijn naam gesteld, doch dit geschiedt alleen op grond der door van Mander geroemde gelijkenis met Jan van Schoorl en met eenige houtsneeprenten, die men meent, hem met zekerheid te mogen toeschrijven. Met de vermelding dat A riaen Pietersz. Crabeth, een broeder der beroemde glasschilders Dirk en Wouter Crabeth, zijn leerling geweest is, is onze wetenschap aangaande Jan Swart uitgeput.
[ 3 i
Weinig meer is er te vertellen over den tweeden schilder, dien van Mander de eere waardig keurde in zijn werk te worden opgenomen. Dezen, Herder genaamd, had hij in'de jaren 1573â-76 te Rome gekend. Daar hij hem later uit 't oog verloor, weet hij niets meer van hem, dan dat hij in zijne vaderstad de schilder van den Spaanschen stadhouder Verdugo was en âin alle deelen der Consten onghemeenen lof en gherucht weerdigh, ghelijck bij zijn wercken ghe-tuygd can worden.quot;
Een derde mededeeling van onzen schrijver handelt niet over een Groningsch schilder, maar over een in onze provincie door den boven vermelden Jan van Schoorl uitgevoerd kunstwerk; In Friesland in een abdij, geheeten Grootouwer ') heeft deze een altaarstuk met deuren gemaakt met eene voorstelling van het laatste Avondmaal met levensgroote figuren en allen portretten. Dit stuk is heden ten dage even spoorloos verdwenen als het gebouw, waarin het zich bevond. Nu wij echter weten, dat Schoorl in Groningen werkzaam is geweest, dringt zich de vraag aan ons op, of soms ook de beide stukken zijner hand, die in 1879 uit het goevernementshuis te Groningen naar het Rijksmuseum te Amsterdam zijn overgebracht
(1) De heer E. \V. Moes, assistent-bibliothecaris te Amsterdam maakte mij er opmerkzaam op, dat met dit woord ongetwijfeld Aduard wordt bedoeld, nog heden in den volksmond Ouwert geheeten. Ook wijst hij mij op het werk «Vitae et gesta Abbatum Adwerdensiumquot;, waarin veel over schilderwerken te Aduard voorkomt, maar steeds zonder naam der schilders. Voor deze en eenige andere opgaven voor dit opstel, spreek ik hem hier gaarne mijn hartelijken dank uit. Niet minder ben ik den heer dr. A. Bredius tot dank verplicht, voor de welwillende wijze, waarop hij ook thans weder zijne archivalische vondsten te mijner beschikking stelde.
[ 4 ]
(cat. Nr. 1333 en 1334: Het bezoek der koningin van Seba en David en Bathseba voorstellend) in deze provincie, waar ze zonder twijfel geruimen tijd bewaard werden, ontstaan zijn. Mocht dit zoo zijn, dan is hun transport dubbel te betreuren en zou men er de gelijkenis op kunnen toepassen, die de profeet Nathan aan David voor oogen hield, toen deze de daad gepleegd had, die op het eene der beide stukken wordt voorgesteld.
Tusschen van Mander en Houbraken ligt de bloeitijd van onze heerlijke zeventiende eeuwsche schilderschool. Uit dit tijdvak (± 1610â70) ontbreken ons bijna alle gegevens omtrent Groningsche schilders. Wel is waar hebben de notarieele akten aan 't licht gebracht, dat een zekere Jacob Ritsma, die omstreeks 1650 tot 1654 te Amsterdam in verbinding met Rembrandt voorkomt van Groningen geboortig was ^; wel is waar noemt het interessante schildersregister van Doctor Sysmus eenen Anthony Ketteling van Munster, die in 1671 als conterfeiter (d. w. z. portretschilder) te Groningen werkzaam en toen 60 jaar oud was, benevens eenen Giljct, eveneens portretschilder uit Groningen, doch in 1670 te Rotterdam gevestigd , â wiens kunst door het toevoegsel âredelijkquot; gekwalificeerd wordt 1), wel is waar deelt Galland in zijne Geschiedenis der bouwkunst mede, dat de architekt Conraet Roleffs, die o. a. de Nieuwe Kerk bouwde,
1
O. H. VIII 4; 9.
[ S ]
tevens schilder was, â doch van geen dezer kunstenaars is thans een werk bekend; terwijl omgekeerd van den schilder J. J. de Stomme, die in 1653 het portret van den Groningschen hoogleeraar Samuel Maresius schilderde '), wel werken bekend zijn, doch er omtrent hem niet blijkt, dat hij dit portret juist te Groningen geschilderd heeft en dus hier werkzaam was 1).
Een eerst in den jongsten tijd nader bekend geworden schilder Adam Camerarius stond ook tot Groningen in betrekking. Immers den 28 April 1863 verkoopt Sr. Adam Camerarius, konstschilder, residerende tot Groningen eene obligatie van Æ 1200 aan een Dr. Willem Piso 2). Dit dokument is echter tot dusver het eenige directe bewijs voor zijne werkzaamheid aldaar. Daarentegen is de rechtsgeleerde George Camerarius , die te Groningen voorkomt, volgens vondsten van Dr. Bredius hoogstwaarschijnlijk zijn broeder en komt de naam Camerarius ook herhaaldelijk in het album studiosorum voor, zoowel in 1643 en 1649, als in 1682 een 16 jarige Adam Camerarius Groninganus. Beide omstandigheden versterken het gewicht van het genoemde document met betrekking tot des schilders vestiging te Groningen. Reeds den 29 Juni 1647 komt Camerarius in een Amsterdamsche akte als getuige
1
Achterna is mij dit toch waarschijnlijk geworden, wegens het portret van Joh. Ger. a Besten (1590â1651), predikant te Dokkum en te Groningen, hetwelk Ipe Meinders (zeker ook een Groninger of een Fries) naar hem graveerde (van Someren, Nr. 4055':1).
2
Prot. Notaris J. v. d. Ven te Amsterdam.
[ 6 ]
voor *), terwijl hij in 1644 de regenten van het weeshuis te Naarden op het doek gebracht had, In October 1650 treffen wij hem nogmaals in de hoofdstad aan 1) en in 1657 taxeert hij aldaar met Maarten Kretzer de schilderijen verza meling van J. de Renialme.
De werken van Camerarius zijn voor het grootste gedeelte portretten; één bijbelsch onderwerp van hem wordt te Amsterdam bewaard x). Zijne stukken verraden Rembrandts invloed, zij behooren tot de goede voortbrengselen onzer schilderschool en gaan als zij slechts met de initialen A. C. gemerkt zijn, niet zelden door voor werken van geen geringeren als Albert Cuyp. Tot deze categorie behoort misschien ook een goed levensgroot mansportret in de Galerij te Dresden, waarop een vervalscher de letters A. C. tot A. Cuyp heeft aangevuld, zoodat het onder diens naam vermeld staat. (Cat. Nr. 1785).
Een jongere en veel minder begaafde tijdgenoot van Camerarius was Hermannus Collenius, gelijk zijn naam aanduidt, van Kollum geboortig. Ook dezen treffen wij aanvankelijk te Amsterdam cn eerst op lateren leeftijd te Groningen aan. Reeds den 4den December 1666 maakte Hermannus Collenius als jongman van omstreeks 16 (!) jaren, kloek en gezond van lichaam bij den Notaris W. Banning te Amsterdam zijn testament. Hij an-nulleert daarbij een vroeger (!) testament, voor zijn vertrek binnen Leeuwarden gepasseerd. Zijne eenige
1
{2) id. id. A. Tullingh ibid.
[ 7 ]
erfgename is zijne nicht Grietje Coriandèr, huisvrouw van Dominicus Liru, Notaris te Buitenpost. Aan de gereformeerde en aan de algemeene armen te Kollum vermaakt hij elk honderd gulden. Getuige was Tjerk Heres Jellama, dus blijkbaar ook een Fries. Dit document leert ons het geboortejaar van Collenius; voorts, dat hij toen reeds wees was, dat hij vermoedelijk kort te voren uit Leeuwarden naar Amsterdam was verhuisd en dat hij uit een familie stamde, die hare namen te latinizeeren pleegde , hetgeen op een zekere mate van beschaving wijst. Vijf jaar later, in 1671 huwt de 21 jarige, thans uitdrukkelijk wees genoemde schilder de 25 jarige Amsterdamsche Judith Pijl. Ook thans weder assisteerde hem zijn landsman, ditmaal Tjerk Jellemans genoemd '). In het volgende jaar fungeert Collenius te Amsterdam als een der deskundigen in de bekende twist over Italiaansche schilderijen, die er tusschen den kunstkooper Gerrit Uylenburch en den Grooten Keurvorst van Brandenburg ontbrand was 1). Nog een jaar later, verwerft hij te Amsterdam het poorterrecht 2). Dit is tevens zijne laatste vermelding daar ter plaatse. Wanneer hij naar Groningen verhuisde, weten wij niet; dat hij het deed, .blijkt onder anderen uit de door hem geschilderde behangsels en zolderstukken, die daar nog in meer dan één huis te zien zijn 3), benevens uit
1
Ibid. IV, 42.
2
Scheltema, Aemstels Oudheid IV, 64.
3
Zoo bijv. een kamerbehangsel in het huis van Jhr. Mr. R. M. A. de Ma-rees van Swinderen aan du Noordzijde Groote Markt.
[ 8 ]
eene aanteekening bij Kramm, die aan den heer Jhr. Mr. S. W. H. A. van Beyma thoe Kingma te Leeuwarden de mededeeling verschuldigd was, dat zich in 't bezit van den heer P. de Vries aldaar een groot schilderij bevond, voorstellende eene Groningsche familie, gemerkt en gedateerd 1707. Voorts deelt Mr. J. A. Feith mij mede, dat onze schilder volgens reso-lutiën der h.h. Staten van Stad en Lande in 1686 twee schoorsteenstukken, de Vrijheid en de Gerechtigheid schilderde, welke nog als zoodanig in de Statenzaal en in eene bovenkamer van 't Provinciehuis aanwezig zijn. Dezelfde heer vond in de registers van doop, trouw enz., dat den 30 Januari 1689 in de A-Kerk IJtjen, dochter van Hermannus Collenius en Maria Bronsvelt â eene tweede vrouw dus â in de Broerstraat gedoopt werd. Deze IJtje huwde den 20 Jan. 1726, waarbij haar zwager, Willem Bengel, haar bijstond. Dit doet vermoeden, dat haar vader toen dood was, die evenwel nog in Dec. 1721 bij het huwelijk van zijn dochter Anna met genoemden Bengel tegenwoordig was geweest.
Andere stukken van hem ziet men bij den heer Mr. Bakker op de Reguliersgracht te Amsterdam (een zoogen. Vanitas met een levensgrooten, naakten bellenblazer), in de verzameling Peltzer te Keulen (portret van een geharnast krijgsman; den 26 Oct. 1886 te Amsterdam verkocht, gemerkt: Collenius f. 1690) en in de raadzaal ten stadhuize te Groningen (twee allegorische stukken, waarvan één met levensgroote beelden). Ook het provinciaal museum aldaar bezit behalve
[9 1
een gemerkt stuk van de geschiedenis van Cimon en Pera, sinds korten tijd ook het eveneens gemerkte portret der burgemeestersdochter Elsbeth Schay, welke in 't gezelschap van een zwarten knecht en in een randwerk met haar monogram en hare acht kwartieren is afgebeeld. Voorts weten wij door het onderschrift van een gravure van Lambert Visscher, dat Collenius het portret van den in 1699 gestorven Duitschen predikant J. Sylvius te Amsterdam schilderde, terwijl in 1680 in den inventaris der weduwe van zal. Gerrit Pijl te Amsterdam (zijn schoonvader?), het conter-feitsel van Harmanus Collenius voorkomt ').
Wilde men het karakter van Collenius' kunst met een paar woorden beschrijven, zoo zou men kunnen zeggen, dat hij in zijne portretten aan Netscher herinnert, doch veel geringer is dan deze, terwijl in zijne historische stukken onmiskenbare invloeden der Vlaam-sche school zijn waar te nemen, in één woord, dat hij een eklektisch meester uit een tijdperk van ras naderend verval is.
Twee Groningers worden door Houbraken de eer waardig gekeurd, in zijn Groote Schouburg der Ne-derlandsche Schilders en Schilderessen te worden opgenomen. Het zijn Johannes Starrenberg, ook Ster-renberg of Sterenberg geheeten en Jacob de Wolff 1). Aangaande hun leven wordt medegedeeld, dat de eerstgenoemde in voorspoedige omstandigheden leefde
1
Dl. III, blz.'310â15.
[ io ]
en zich door zijn vleiende en welbespraakte tong in de gunst van den stadhouder van Friesland en der meeste hovelingen wist in te dringen, terwijl daarentegen de Wolff, zijn tijd-, stad- en kunst-genoot en boezemvriend door tegenspoed achtervolgd, het moest beleven, dat anderen hem overvleugelden. Dit bracht hem tot wanhoop, zoodat hij in 1685 door zelfmoord een einde aan zijn leven maakte. Beide schilders schijnen het historische vale beoefend te hebben. L. Smids ') bezong eenige hunner werken en noemt als onderwerpen: een Antiochus en Stratonice, een Antigone en Oedipus en een Constantia en Karei door Starrenberg; Alcestis en Admetus, Cassandra, Hy-permnestra, Andromeda en Pyrrhus, Fannia en Mar ins , Marianne, en Pretiosa door Jacob de Wolff1). Waarschijnlijk hebben deze stukken toen ter tijde indruk gemaakt; of zij het heden ten dage nog zouden doen , mag betwijfeld worden , daar soortgelijke onderwerpen , door een Lairesse, Hoet, Voorhout of Hou-braken geschilderd, ons meer dan koud laten.
Starrenberg heeft ook het portretschilderen beoefend, gelijk uit een voluitgemerkt levensgroot borstbeeld van den bekenden Hendrik Picard blijkt, hetwelk op diens bezitting Fraeylamaborg te Slochteren nog heden ten dage bewaard wordt. Dit stuk, waarop hij zich J. Sterenberg teekende, doet hoegenaamd niet onder
1
Aan hem wordt in de verzameling Liechtenstein te Weenen, de voorstelling van een badkamer toegeschreven. Mij is dit stuk helaas onbekend.
[ II ]
voor de portretten, die het gros zijner tijdgenooten in Holland leverden, al toont het met hunne werken het verval aan, waartoe onze kunst binnen één menschen-leeftijd geraakt was! Dit is ook ongeveer het oordeel van Kramm over den schilder, van wien hij t\\ ee levensgroote borstbeelden in bruingrauwe ovalen omlijsting zag, die hij met portretten van Nicolaes Maes vergelijkt, ze prijzende als verdienstelijk van kleur en teckening, gelijk ook fiks gepenseeld. Een vierde portret is dat van den doopsgezinden predikant Lieuwen Willem de Graaf te Harlingen, later te Amsterdam (1652â1704), waarnaar Petrus Acneae een zwarte-kunstprent maakte.
Tot ons tijdvak behoort eindelijk nog de schilder Hendrik Carré de Oude. Deze, een zoon van den Frieschen hofschilder Francois Carré, was een leerling van Jurriaan Jacobsz en Jacob Jordaens. Reeds een goed meester geworden zijnde, werd hem door Albertina Agnes een Vendel soldaten aangeboden, waarop hij het penseel voor den degen verwisselde, en o. a. Groningen tegen de Munsterschen hielp verdedigen '). Later begaf hij zich weder tot de schilderkunst, hield afwisselend in Amsterdam, den Haag en Londen verblijf en leidde zijne vier zonen tot de kunst op.
Hoe lang Carré na het ontzet nog te Groningen bleef, en of hij daar als schilder werkzaam was, is onbekend. Van Gooi deelt slechts mede, dat hij eerst te Am-
(1) Volgens het niet zeer vertrouwbare bericht van van Gooi (N. Schoub. I 122) telde hij toen eerst 16 jaren, daar de 2 October 1656 als zijn geboortedag wordt opgegeven.
[ 12 ]
sterdam, en daarna in den Haag verblijf hield, benevens dat in laatstgenoemde stad in 1684 zijn oudste zoon Franciscus Abraham geboren werd. Uit de aan-teekeningen van Dr. Bredius blijkt, dat hij reeds in 1680 herhaaldelijk als getuige in den Haag optrad.
Over een aantal andere schilders uit het laatste gedeelte der I7de eeuw zooals Jan van Dieren, Gerard en Pieter van der Veen, en Benheimein (?) weten wij al niet meer te zeggen, dan wat van Gooi over den eerstgenoemde zegt: âhij is een kunstcnaer, wiens naem ik nooit gehoort hebbe.quot; Slechts ter wille der volledigheid noemen wij hier hunne namen en tevens, omdat zij de leermeesters waren van twee meer bekende schilders: Jan Abel Wassenbergh en Johannes Antiquus. Het leven en de werkzaamheid van deze valt echter reeds geheel in de achttiende eeuw, en de behandeling ervan overschrijdt dus de grenzen, die wij ons ditmaal gesteld hebben.
Den Haag, September 18g 1.
Corn. Hofstede de Groot.
[ 13 ]
BIJLAGE.
Werken van Adam Camerarius.
1. De regenten van het Weeshuis te Naarden in het jaar 1644. Nog heden ten dage in het gebouw aanwezig. Gemerkt A. Camerarius 1644.
2. De hoofdman over honderd. Rijksmuseum te Amsterdam (Catalogus Nr. 222). Gemerkt A. Camerarius.
3. Het portret van Dr. Cornelis Boom en
4. van Maria van Schoonhoven ; beide bij den heer Hooft van Vreeland te Amsterdam. Gemerkt A. C.
5. Klein portret van een SÃjarig man; geschilderd in 1657; bij Rev. Robert Trail te Edinburgh. In 1883 aldaar tentoongesteld (Catal. Nr. 303, School of Rembrandt). Gem. A. C. 1657, (Aet. 56).
6. Levensgroot mansportret bij den heer Wesendonck te Berlijn. Gemerkt A. C.
7. Familiestuk der, na de herroeping van het edikt van Nantes uit Frankrijk uitgeweken familie Vlamerding. In het Museum te Darmstadt, (Catalogus Nr. 439). Gemerkt A. Camerarius 1689.
8. Portret eener oude dame, in de collectie Wilson, (Catal. Nr. 106, sedert verkocht) toegeschreven aan den jongen A. Mijtens, maar gemerkt met het echte monogram A. C.
[ 14 ]
9. Groot stuk in het schilderijendepót op slot Kron-borg bij Elseneur, aldaar gehouden voor een valschen A. Cuyp. Mededeeling van Karl Madsen te Kopenhagen.
io(?) Levensgroot kniestuk van een heer op leeftijd. Gemerkt A. C(uyp; dit laatste gedeelte valsch). Galerij te Dresden, Catalogus Nr. 1785. De toeschrijving aan Camerarius is niet geheel zeker, mogelijk heet de schilder C. A. . . .
11. Het portret van zalr Dirk Kieff te Amsterdam, door Camerarius geschilderd. In 1656 in den boedel van den overledene voorkomend. Protokol van den notaris F. v. Uittenbogaert te Amsterdam.
12. Het Portret van Emerentia van der Gracht, in in de Hollandsche Parnassus (1660) aldus bezongen door J. Serwouters (p. 55). Op het afbeeldsel van Juffr. Emerentia van der Gracht, Geschildert door Adam Kamerarius: âDit is Emerentia; het zichtbaariijke deel, Getroffen door de swier van Kameraars penseel.quot; enz. ').
1
O. H III. 72.
O
EX BIBLIOTECA MAX J. FRIEDLANDER
\lo
r
KUNSTHISTORISCH INSTITUUT DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
14
f-quot;KUNSTHISTORISCH INSTITUUT I DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT