ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6

Johannes Calvijn.

UITLEGSIFG

OP DE

ZENDBRIEVEN.

MET REGISTER,

Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. D., J. F. en J. R., in de tegenwoordige spelling,

DOOR

A. M. DONNER.

ZESDE DEEL.

I en II Timotheus, Titus én Filemon.

TE LEIDEN BIJ D. DONNER. 1 891.

ocr page 7

Johannes Calvijn.

UlTIiEGGfHG

OP DE

ZENDBRIEVEN VAN PAULUS

AAN

TIMOTHEUS, TITÜS en FILEMON.

Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. D. en J. F., in de tegenwoordige spelling,

DOOR

A. M. DONNER.

THEÜL iNST. Rijksuniversiteit

_utrecht

TE LEIDEN BIJ D. DONNER. 1891.

ocr page 8
ocr page 9

JOHANNES CALVIJN

AAN DEN

DOORLUCHTIGEN EN WAARLIJK CHRISTELIJKEN PRINS

E D U A R D, Hertog van Sommerset, Graaf van Hereford, enz.

Beschermer van Engeland en Ierland, en Voogd der Koninklijke Majesteit.

SALUT.

Dewijl, Doorluchtige Prins, die schoone sprake, die niet alleen van uwe bijzondere godzaligheid, maar ook van uwe andere waarlijk vorstelijke deugden gehoord wordt in het hart aller menschen, dien gij naar het aangezicht onbekend zijt, zulke groote liefde jegens u verwekt: zoo moeten met bijzondere liefde en eerbiediging tot u genegen zijn allen die in het koninkrijk van Engeland welgezind zijn: denwelken gegeven is, niet alleen openlijk die deugden te zien, waarover anderen zich verwonderen als zij ze hooren, maar ook zoo groote vrucht daarvan te genieten, als van een uitnemenden regeerder pleegt te komen, niet alleen tot het gansche lichaam des volks, maar ook tot een iegelijk lid. Want van uw lof, die met standvastig gerucht verbreid wordt, kan geen vermoeden komen dat hij ijdel is, alsof hij van vleiers kwam, dewijl in uwe handelingen een klaar getuigenis daarvan is. Het is zwaar het voogdijschap van een bijzonderen wees te bedienen die eenig goed heeft: maar door u wordt niet alleen het voogdijschap des konings dat u bevolen is, maar ook van het overgroote koninkrijk, zoo gelukkig en voorzichtig bewaard, dat alle menschen zich over de voorspoedigheid verwonderen. En opdat uwe deugd niet alleen onder de wetten, en in den gerusten en vreedzamen stand des rijks blinke, zoo heeft God die ook voorgesteld in den krijg te aanschouwen, welken gij ook met gelijken voorspoed en sterkte gevoerd hebt. Nochtans zoo vele en groote zwarigheden, die een ieder licht kan overleggen, en die gij zelve ondervonden hebt, hebben u niet verhinderd, boven alles aan te nemen de zorg en last van de religie weder op te richten: welke gedachte voorwaar de gemeene welvaart zoowel nut was, als zij een vorstelijken man betaamde. Want dit is eerst een standvastige gelukkigheid, en getrouwe bewaring der koninkrijken, zoo de Zone Gods, in welken zij gefundeerd zijn, en door welken zij bewaard worden, de regeerder daarover is. Daarom hadt gij het Engelsche rijk niet beter kunnen bevestigen, dan met die afgoderij te verdrijven, en den rechten godsdienst op te richten. Want dit kan niet geschieden, tenzij de rechte leer der godzaligheid, die door de heiligschennende tirannie van den Roomschen antichrist, veel te lang verdrukt gelegen heeft, wederopgericht worde; hetwelk is Christus in zijn rechterstoel zetten. En deze daad, die anders uitnemend is, is daarom te grooteren lof waardig, omdat onder degenen die regeer-

ocr page 10

6

ders zijn, niet velen gevonden worden, die hun heerschappij onderwerpen onder den geestelijken schepter van Christus. Zoo is het dan den doorluchtigen koning van Engeland zeer wel geslaagd, dat hij in zijn kindsheid uit zijn geslacht zulk een regeerder gekregen heeft. Want hoewel alle menschen zijn zeer edelen ingeboren aard prijzen, nochtans om zijn zeden tot mannelijke standvastigheid te schikken, en de gemeente van Christus in Engeland op te richten, was dusdanige bouwmeester meer dan noodig, dewijl zijn jonkheid hem verbiedt dit uit te richten. En ik twijfel niet, dat hij ook nu bekent, dat gij hem van God gegeven zijt, uit wiens hand hij weinig tijds hierna alle dingen naar zijn wil geschikt zou ontvangen. En mij heeft noch de verre afstand der plaatsen, noch de nederheid van mijnen staat, niet kunnen verhinderen mij met u te verblijden, om deze zeer uitnemende genegenheid om de eere van Christus te verbreiden, En voorwaar, dewijl God gewild heeft, dat ik een zou zijn van die, door wier arbeid Hij heden de oprechte leer des Evangelies der wereld wedergeeft: waarom zou ik niet ook u, die door Gods bijzondere weldaad tot een voorspraak en beschermer derzelver leer verordend zijt, zulke eere bieden als mij mogelijk is, hoewel ik verre van u ben ? En dewijl ik dit niet anders kon betuigen, zoo heeft het mij goedgedacht, immers tot een pand, deze uitlegging op deze twee zendbrieven van Paulus aan Timotheus u aan te bieden. En ik heb niet een gave bijgeval aangegrepen om u te schenken, maar heb met oordeel verkoren wat mij dacht 't bekwaamst te zijn. Paulus vermaant hier zijn Timotheus, met hoedanige leer de gemeente Gods moet gesticht worden, welke gebreken en vijanden men moet weder-staan, en hoeveel verdriet men moet opeten. Hij vermaant hem, dat hij om geene zwarigheden wijke, dat hij alle gevaar door sterkte des gemoeds overwinne, dat hij der ongeschikte menschen hardnekkigheid door gezag bedwinge, en dat hij niets doe uit eergierigheid om den menschen te behagen. Eindelijk, in deze twee zendbrieven hebben wij de ware regeering der gemeente, ons beschreven als op een levende tafel. En dewijl gij onder de autoriteit uws konings grooten arbeid doet om de gemeente van Christus in Engeland weder op te richten, welke door de booze goddeloosheid des paus-doms verdorven was, gelijk bijna alle andere Christelijke gemeenten : en dat gij tot deze zaak veel Timotheussen in 't werk hebt, zoo kunt gij voorwaar uwen heiligen arbeid niet beter schikken, dan zoo gij hem regelt naar dit voorschrift van Paulus. Want hierin is geen ding, dat voor onzen tijd niet zeer passend is: en wederom is bijna geen ding in de opbouwing der gemeente noodig, dat men niet hieruit kan halen. En mijn arbeid zal (gelijk ik hoop) immers wat hulpe doen, hetwelk ik nochtans liever heb dat het door bevinding bekend worde, dan dat ik met vele woorden daarvan roemen zou. Zoo deze mijn arbeid u, edele prins, behaagt, zoo heb ik mij zeer te verblijden. Ik twijfel niet, of gij zult naar uwe bijzondere beleefdheid, mijnen dienst wel afnemen. De Heere, in wiens hand al de einden der wereld zijn, beware den stand van het Engelsche koninkrijk lang gezond, en versiere uwen doorluchtigen koning met eenen prinselijken geest, en verrijke hem met allerlei goed, en geve u in dezen schoonen loop gelukkig voort te gaan, opdat zijn naam door u meer en meer verbreid worde!

Te GENÈVE, den 24en Juni 1548.

ocr page 11

DE INHOUD

VAN DEN

EERSTEN ZENDBRIEF VAN PAULUS

AAN

TIMOTHEUS.

Ik acht, dat deze zendbrief meer geschreven is om anderen dan om Timotheus; en zoo wie alles naarstig zal aanmerken, die zal met mij gevoelen. Ik ontken niet, dat Paulus hem ook heeft willen leeren en vermanen, maar ik zeg dat hier vele dingen vervat zijn, die hij overbodig zou schrijven, zoo hij alleen met Timotheus handelde. Hij was jong, en nog in zulk aanzien niet, dat genoegzaam was om de hardnekkige menschen te dwingen, die tegen hem oprezen En het schijnt uit de woorden van Paulus, dat toen sommigen waren, die een grooten uiterlijken schijn gaven, en niet gaarne voor een iegelijk zouden wijken: die daarnaar met zulke groote eergierigheid brandden, dat zij geen einde zouden maken van de gemeente te verstoren, zoo niet iemand die grooter ware dan Timotheus, zich daarmede moeide. Het schijnt ook, dat te Efeze vele dingen te doen waren, tot welke Paulus raad en bewilliging noodig was. Zoo dan, dewijl hij in den zin had Timotheus van vele dingen te vermanen, zoo heeft hij ook onder diens naam anderen willen vermanen.

En in het Eerste hfdst. wapent hij hem tegen sommige eergierige menschen, die zich voorgaven met ijdele kwestiën en vragen te roeren. En men kan gissen, dat dit Joden geweest zijn, die veinsden dat zij een ijver tot de wet hadden, en de stichting verachtende, alleen curieuse vragen voortbrachten. En dit is een ontheiliging der wet Gods, die niet te verdragen is, dat men daaruit niet neemt wat nut is, maar alleen stof zoekt om te snateren, en hare voorwending gebruikt om de gemeente met onnutte beuzelingen te bezwaren. Al zulke verderving heeft vele honderden -jaren dan het betaamde, ook in het pausdom geregeerd. Want wat is de Scholastieke theologie anders geweest, dan een ongeschikte en ongemeten hoop ijdele speculatiën? En men kan ook heden velen vinden, die om hun scherpzinnigheid in, het behandelen des Woords Gods te toonen, zichzelven toelaten daarin te spelen, niet anders dan gelijk in hei-densche philosophic. Paulus belijdt zichzelven aan Timotheus een auteur te zijn om zulk gebrek te straffen: en vermaant wat men voornamelijk uit de ^et moet leeren, opdat men zie, dat het ver-dervers der wet zijn, die ze anders gebruiken. Voorts, opdat zijn

ocr page 12

DE INHOUD VAN DEN EERSTEN ZENDBRIEF

autoriteit niet veracht werde, als hij zijn onwaardigheid beleden heeft, zoo beduidt hij ook grootelijks hoedanig hij door Gods genade is begonnen te zijn. Ten laatste besluit hij dit hfdst. met een wichtige vermaning, waarmede hij Timotheus in gezonde leer en goede conscientie bevestigt, en anderen vrees aandoet, voorstellende liet voorbeeld van Hymeneüs en Alexander.

In het Tweede hfdst. gebiedt hij, dat men alle menschen in de ge-meene gebeden Gode bevele, en voornamelijk de prinsen en overheden; waar hij ook als in het voorbijgaan, aanroert wat nuttigheid de wereld heeft uit de burgerlijke regeering. En daar wordt ook bijgesteld reden waarom men behoort voor allen te bidden, te weten, omdat God het Evangelie en Christus den Middelaar allen menschen aanbiedende, bewijst dat Hij wil dat zij allen zalig worden: hetwelk hij ook bevestigt met zijn apostelambt, dewijl hij eigenlijk den heidenen verordend was. Hieruit wekt hij alle menschen op, van wat plaats of land zij ook zijn, dat zij God bidden. En uit deze oorzaak handelt hij hoedanige zedigheid en onderworpenheid de vrouwen in de heilige vergadering behooren te betoonen.

In het Derde hfdst., als hij te kennen gegeven heeft hoe schoon ambt een opzienersambt is, zoo beschrijft hij een rechten opziener, en telt de gaven op, die hem noodig zijn. Daarna beschrijft hij hoedanig de diakenen behooren te zijn, en de vrouwen der opzieners en diakenen. En opdat Timotheus te meer naarstigheid en god-vreezendheid gebruike, zoo brengt hij hem in gedachtenis, wat het is te verkeeren in de bediening der gemeente, welke is het huis Gods, en de pilaar der waarheid. Ten laatste verhaalt hij het voornaamste hoofdstuk der hemelsche leer van den Zone Gods in het vleesch geopenbaard, waarbij alle andere dingen vergeleken, licht te achten zijn, in welke hij de menschen bekommerd zag zijn, die menscheneer en gunste zochten.

Voorts, zooveel het navolgende aangaat, in het begin van het Vierde hfdst. straft hij strengelijk zoowel de valsche leeringen van het verbieden des huwelijks en der spijzen, als de onnutte fabelen, die met dit hoofdstuk niet overeenkomen. En daarna zegt hij dat hem en allen godzaligen die dit hoofdstuk houden, die alleen vijanden zijn, die niet kunnen dragen dat de hope gesteld wordt op den levenden God. In het einde van het hfdst. bevestigt hij Timotheus wederom met een nieuwe vermaning.

In het Vijfde hfdst., als hij Timotheus matigheid en zachtmoedigheid in het berispen bevolen heeft, zoo handelt hij van de weduwen, die toen tot den dienst der gemeente aangenomen werden. En hij leert dat men niet alle weduwen zonder onderscheid zal aannemen; maar die in al hun leven beproefd en goed zijnde, tot het zestigste jaar gekomen zijn, en geen'huiselijken last hebben. Vandaar komt hij tot de ouderlingen, en vermaant hoe men ze behoort te behandelen, beide in nooddruft en tucht. Deze leer bevestigt hij als met een wichtige betuiging, en gebiedt wederom, dat men niemand lichtvaardig tot de orde van het ouderlingschap aanneme. Hij vermaant hem, dat hij tot zijn gezondheid wijn drinke in plaats van water. In het einde van het hfdst., vermaant hij hem te verwachten in lijdzaamheid, en op te schorten zijn oordeel in bedekte zonden.

In het Zesde hfdst. gebiedt hij van het .ambt der dienstknechten; en scheldt bij deze gelegenheid de valsche leeraars, die

8

ocr page 13

VAN PAULUS AAN TIMOTHEUS.

9

van ledige speculatien kijvende of disputeerende, meer gewin dan stichting zoeken. En hij leert hoe doodelijke pest de gierigheid is. Vandaar komt hij wederom tot een betuiging, die aan de eerste gelijk is: opdat hij Timotheus niet tevergeefs deze dingen geboden hebbe. Bij het einde, als hij in 't voorbijgaan van de rijken gemeld heeft, zoo verbiedt hij Timotheus wederom zich in ijdele leeringen te verwarren. Ik gevoel niet met het gemeene onderschrift der Grieken, hetwelk inhoudt dat deze zendbrief van Laodicea gezonden is. Want dewijl Paulus uit zijn gevangenis aan de Colossensen schrijvende, betuigt dat hij de Laodicensen nooit gezien heeft, zoo moeten degenen, die in deze meening zijn, die ik verwerp, twee Laodiceën maken in Klein-Azië, daar de schrijvers niet meer dan van ée'n melden. Bovendien had Paulus Timotheus te Efeze gelaten, toen hij naar Macedonië ging, gelijk zijn woorden betuigen. Dezen zendbrief heeft hij op weg geschreven, eer hij daar kwam, of in het weder-keeren, zijn reis volbracht hebbende. Nu is het openbaar, dat Macedonië verder is van Laodicea, dan Efeze zelve. En wederom is het onwaarschijnlijk, dat hij in het wederkeeren Efeze voorbij is gereisd, en naar Laodicea gegaan: voornamelijk, dewijl vele oorzaken hem daar riepen. Daarom acht ik meer, dat hij dien van elders geschreven heeft. Hoewel, ditzelve heeft zooveel niet te beduiden, dat ik zou willen strijden tegen degenen, die anders gevoelen: een iegelijk geniete zijn eigen oordeel; ik geef alleen te kennen, wat naar mijn oordeel het aannemelijkste is.

ocr page 14
ocr page 15

HET EERSTE HOOFDSTUK.

1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar de ordening') van Hand. 9 God onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus onze hope. col. i;27.

2 Aan Timotheus, mijn oprechten zoon in het geloof: genade, barm- f^he'isisV-a hartigheid en vrede van God onzen Vader, en Jezus Christus Gal. 1:3.

1 Petr. 1:2.

onzen Heere.

3 Gelijk ik u gebeden heb, dat gij zoudt te Efeze blijven, toen ik Hand. 20 ;i. naar Macedonië toog, alzoo wil ik dat gij sommigen verkondigt,

dat zij niet anders leeren:

4 En dat zij geen acht hebben op fabelen, en oneindelijke ge- i Tim. 4:7; slachtregisters, welke meer vragen voortbrengen, dan stichting 2 Tim. 2:15. Gods, die in het geloof is. 3,g1'-1:U:

1 Tim. 6:4

UITLEGGING.

i~i~xaulus een apostel. Had hij aan Timotheus alleen geschreven, r-'zoo was het niet noodig geweest zichzelven den naam apostel toe te schrijven, en zich alzoo te beschermen gelijk hij doet. Want Timotheus zou wel met den naam Paulus alleen tevreden geweest zijn. Want hij wist wel, dat hij een apostel van Christus was: en het was niet noodig hem dat te bevestigen, opdat hij 't geloofde; want hij was genoeg vanzelf daartoe genegen, en door lang gebruik daartoe gewend. Zoo heeft hij dan meer acht op anderen, die niet zoo gewillig waren om hem te hooren, of niet zoo lichtelijk zijnen woorden gehoor gaven. Om zulke menschen betuigt hij een apostel van Christus te zijn, opdat zij niet bestaan te verachten wat hij schrijft. En hij bevestigt zijn apostelambt met de ordening of het voornemen Gods; want niemand kan zichzelven een apostel maken, maar dien de Heere verordend heeft, die is een waar apostel, en eere waardig. En hij maakt niet alleen God den Vader tot een auteur zijns apostelambts, maar ook Christus mede. En voorwaar, de Vader doet niets in de regeering der gemeente, dan door den Zoon, en alzoo met den Zoon gemeen. Hij zegt; God de Zaligmaker, welken titel hij dikmaals pleegt den Zoon toe te schrijven: doch hij betaamt den Vader, omdat Hij ons zijnen Zoon gegeven heeft, Zoo wordt dan terecht Hem de eere onzer zaligheid toegeschreven. Want hoe zijn wij zalig? Te weten; Omdat de Vader ons alzoo liefgehad heeft, dat Hij ons door zijn Zoon heeft willen verlossen en zaligmaken. Dat hij Christus noemt onze hope, komt Hem eigenlijk toe: want wij beginnen dan goede hope te hebben, als wij op Christus zien. Want in Hem alleen is al de hope onzer zaligheid gelegen.

ocr page 16

1 TIMOTHEUS 1:2, 3.

2 Aan Timotheus, mijn oprechten zoon. Dit is geen kleine lof. dat Paulus te kennen geeft, dat hij Timotheus voor zijnen waren en rechtvaardigen zoon erkent, en wil dat hij van anderen als zoodanig erkend worde. Ja hij prijst Timotheus, alsof het zijn eigen persoon ware. Maar hoe zal dit overeenkomen met het woord van

Matt. 23:9. Christus: En gij zult niemand uwen vader noemen op aarde; alsook

i Oor. 4:i3. met dit getuigenis des apostels: Ofschoon gij vele vaders hebt

Hebi. 12:9. naar jiet vjeescilj z00 is (jaar nochtans ée'n Vader der geesten? Ik antwoord, dat Paulus den naam vader, alzoo zichzelven toeschrijft, dat hij Gode niet een tittel van zijn eer beneemt, noch verkort. Het is een gemeen spreekxvoord, dat niet strijdt tegen wat ondergeschikt wordt. Alzoo is de naam van Vader in- Paulus, als men op God ziet. Daar is maar ée'n Vader in het geloof, te weten. God, omdat Hij ons allen door zijn Woord en door de kracht zijns Geestes wederbaart en vernieuwt; want Hij alleen is het, die het geloot geeft. Maar die Hij verwaardigt te gebruiken tot dienaars, dien deelt hij ook zijn eer mede, doch Zichzelven niet verkortende. Zoo was dan God de geestelijke vader van Timotheus, en was de vader alleen, om eigenlijk te spreken. Maar Paulus, die een dienaar Gods was als hij Timotheus genereerde, die houdt dezen naam als onder God. Genade, barmhartigheid. Dit tweede woord: Barmhartigheid, heeft hij buiten zijn gewoonte daarin gesteld, mogelijk door bijzondere liefde tot Timotheus daartoe bewogen zijnde. Voorts, houdt hij geen juiste orde: want het laatste heeft hij in de eerste plaats gesteld, te weten; Genade, die uit de barmhartigheid vloeit. Want God ontvangt ons eerst tot genade, en bewijst ons daarna zijn liefde, omdat Hij barmhartig is. Maar het is niet ongewoon, dat men de oorzaak stelt na de vrucht, tot verklaring. Van het woord genade en vrede, is elders gesproken.

3 Gelyk ik u gebeden heb. Daar staat letterlijk: Opdat gij verkondigt, maar daar ontbreekt wat in den zin, of het woord opdat staat overbodig. Ten eerste maakt hij Timotheus wederom gedachtig, om wat oorzaak hij gebeden is te Efeze te blijven. Want dewijl Paulus zijnen lieven en getrouwen medehelper niet gaarne, en niet dan uit nood van hem had gelaten, om daar zijn werk naarstig te doen, waartoe niemand anders zoo bekwaam was, zoo moest hij door die gedachte naarstig vermaand worden, niet alleen opdat hij niet nutteloos den tijd zou slijten, maar opdat hij zichzelven wel en uitnemend daarin zou gedragen. Zoo vermaant hij hem dan hieruit, als door een sluitrede, dat hij zich stelle tegen de valsche leeraars, die de zuivere leer vervalschten. Dat hij zijn plaats en ambt te Efeze Timotheus bevolen heeft, daarin moet men zijn god-vreezende zorgvuldigheid aanmerken. Want hij arbeidde alzoo om meer gemeenten te verzamelen, dat hij, die hij tevoren verzameld had, niet verliet zonder herder. En voorwaar (gelijk iemand zegt) het is geen minder deugd te verkrijgen, dan wat verkregen is, wel te bewaren. Het woord verkondigen, vervat macht. Want Paulus wil hem macht geven om anderen te dwingen. Dat zij niet anders leeren. Het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, kan men overzetten; Anders of op een nieuwe wijze leeren, of onderscheiden leer geven. Dat Erasmus overgezet heeft volgen, behaagt mij niet, omdat het van de toehoorders kon verstaan worden, en Paulus spreekt van degenen, die uit eergierigheid een nieuwe leer voort-

12

ocr page 17

1 TIMOTHEUS 1:3, 4.

brachten. Zoo wij lezen, anders leeren, zoo zal dit verder strekken: want hij zal Timotheus verbieden nieuwe wijzen van leeren voort te brengen, die niet wel overeenkomen met die ware en rechte wijze, die hij geleerd had. Alzoo beveelt hij hem in den Tweeden zendbrief die levende gedaante zijner leer. Want gelijk daar een eenige waarheid Gods is, alzoo is daar ook een eenvoudige wijze van leeren, als die niet bedriegelijk noch geveinsd is, en die meer smaakt naar de majesteit des Geestes, dan naar den opschik der menschelijke welsprekendheid. Zoo wie hiervan afwijkt, die mismaakt en verderft de leer. Zoo dan, het woord anders leeren, moet men verstaan van de wijze en vorm der leer. Zoo wij lezen: Iets anders leeren, zoo zal men het van de stof verstaan. Doch men moet aanmerken, dat het een andere leer genoemd wordt, niet alleen die tegen de zuivere leer des Evangelies strijdt, maar ook elke, die het zuivere Evangelie door nieuwe en bijge-worpen gedichtselen vervalscht, of door onheilige speculatiën verduistert. Want alle gedichtselen der menschen zijn alle verdervingen des Evangelies. En die onheilig in de Schrift spelen, om het Christendom tot een kunst der grootschheid en eerzoeking te veranderen, die verduisteren het Evangelie. Zoo is dan deze gansche soort van leeren, vreemd van het Woord Gods, en van die zuiverheid dei-leer, in welke Paulus de Efeziërs gebiedt te blijven.

4 Geen acht hebben op fabelen. Fabelen noemt hij naar mijn oordeel, niet alleen gedichte leugenen, maar meer beuzelingen of onnutte dingen, die geen vastigheid noch grond hebben. Want daar kan wel iets niet leugenachtig zijn, en nochtans fabelachtig. En zonder twijfel, het Grieksche woord dat Paulus hier gebruikt, beduidt beuzelingen en onnutte dingen. En dewijl hij tot exempel een soort van fabelen daarbij stelt, zoo neemt hij allen twijfel weg. Want de disputatiën van de geslachtsregisters, stelt hij onder de fabelen, niet omdat het gedicht is al wat men daarvan kan zeggen, maar omdat het ijdel en ook onvruchtbaar is. Zoo kan men dan deze plaats aldus verklaren: Dat zij geen acht hebben op fabelen, gelijk daar zijn de geslachtsregisters. En dit is die fabelachtige historie, waarvan Suetonius meldt, die ook van de grammatisten en verstandige menschen ten allen tijde is bespot geweest. Want dit kon niet anders dan een bespottelijke curieusheid schijnen, de nutte wetenschap der dingen te verlaten, en den tijd te verslijten in na te rekenen het geslacht van Achilles en Ajax, en zijn vernuft te vermoeien om Priamus' zonen te tellen. Zoo dit niet geduld wordt in een kinderlijke wetenschap, waar de behagelijkheid plaats heeft, hoeveel minder zal het te verdragen zijn in de hemelsche wijsheid ? Hij zegt oneindelyke geslachtsregisters, daarom dat de ijdele curieusheid geen mate kent, maar van het eene doolhof dikmaals in het andere komt. Die meer vragen voortbrengen. Hij schat de leer uit de vrucht: want alle leer die niet sticht, is te verwerpen, al ware het dat zij geen ander gebrek had. Want alle leer, die niet anders dient dan om strijd te verwekken, is dubbel te straffen. En zoodanig zijn al de scherpzinnigheden, waarmede eergierige menschen hun vernuft oefenen. Zoo zullen wij dan gedenken, dat alle leeringen met dezen regel moeten gemeten worden, opdat die alleen goed geacht worde, die tot stichting dient: maar die stof tot twisting geven zonder vrucht, die zijn te verwerpen, als die der gemeente

13

ocr page 18

1 TIMOTHEUS 1 : 4.

14

Gods niet betamen. Was deze onderzoeking door sommigen honderden jaren geleden onderhouden geweest, al ware de religie met vele dwalingen besmet geworden, zoo zou immers die duivelsche kunst van redetwisten, die Scholastieke theologie genoemd wordt, niet zoo geweldig geworden hebben. Want wat is daarin, dan twisting en ijdele speculatiën, waar geen vrucht van komt? Daarom, hoe geleerder een iegelijk daarin is, zooveel te ellendiger is hij te achten. Ik weet wel met hoedanige verven van verontschuldigingen zij ze willen bedekken. Maar zij zullen nimmermeer maken, dat Paulus, alle zulken veroordeelende, gelogen hebbe. Stichting Gods. Want zulke scherpzinnigheden stichten in hoovaardigheid, zij stichten in ijdelheid, maar niet in God. Stichting Gods noemt hij, die Gode behaagt, of die naar God is. En hij leert dat deze in het geloof gelegen is: met welk woord hij de liefde Gods niet uitsluit, noch de vreeze Gods, noch de bekeering en boetvaardigheid: want wat zijn al deze dingen, dan vruchten des geloofs, die altijd uit de godzaligheid komen. Dewijl hij dan wist dat de godsdienst in het geloof alleen gefundeerd is, zoo was het hem genoeg het geloof te noemen, waaruit al het andere komt.

5 Maar het einde des gebods is liefde uit een zuiver hart, en een goed geweten, en ongeveinsd geloof.

6 Van welke dingen sommigen afgedw-aald zijnde, zijn geweken tot ijdelspreking.

7 Willende leeraars der wet zijn, niet verstaande wat zij spreken, noch wat zij bevestigen.

8 Wij weten dat de wet goed is, zoo iemand ze behoorlijk gebruikt.

9 Dit wetende, dat de wet niet is den rechtvaardigen gesteld, maar den onrechtvaardigen en ongehoorzamen, den godde-loozen en zondaren, den ongodvreezenden en onheiligen, den vadermoorders en moedermoorders, en doodslagers,

10 Den hoereerders en die bij mannen liggen, den menschendieven, leugenaren, meineedigen, en zoo daar iets anders is dat tegen de gezonde leer strijdt,

11 Naar het Evangelie der heerlijkheid van den zaligen God, 'twelk mij bevolen is.

Rom. 13:10. Gal. 5:14.

Rom. 7 :12. Gal. 5:23.

1 Tim. 6:15.

Dewijl de boeven, tegen wie Timotheus te doen had, zichzelven voorstelden onder de schaduw der wet, daarom voorkomt Paulus, en leert dat de wet hun niet alleen niet mede is, maar veelmeer tegen is: en dat zij zeer wel overeenkomt met het Evangelie 'twelk hij leerde. Want hun bescherming was niet ongelijk aan die heden de Questionarissen ons tegenwerpen, te weten, dat wij niet anders zoeken, dan dat de heilige theologie teniet gebracht worde, alsof zij alleen die in hunnen schoot onderhielden. Alzoo spraken zij van de wet, opdat zij Paulus hatelijk zouden maken. Maar wat doet hij om zulken rook te verdrijven ? Hij bewijst uit eigene beweging door een voorkoming, dat zijn leer zeer wel met de wet overeenkomt, en dat die allen verkeerdelijk de wet misbruiken, die ze tot een ander einde gebruiken. Gelijk heden, wanneer men de ware theologie beschrijft, zoo is het openbaar, dat wij begeeren dat zij wederopgericht worde

ocr page 19

1 TIMOTHEUS 1 : 4—6.

die ellendig is verscheurd en mismaakt geweest van deze beuzelaren, die tevergeefs met den naam van theologen, opgeblazen zijnde, niet weten dan van koude en blauwe beuzelingen. Het woord gebod,

stelt hij hier voor wet, een deel voor het geheel.

5 Liefde uit een zuiver hart. Zoo men de wet naar dit einde moet schikken, opdat wij onderwezen worden in de liefde, die uit het geloof en goede conscientie komt: zoo volgt daarentegen, dat die verkeerde uitleggers der wet zijn, die hun leer tot curieuse vragen wenden. Voorts, daar is niet veel aan gelegen, of men de liefde te dezer plaatse verstaat van de beide tafelen der wet, of alleen van de tweede. Ons wordt geboden God van ganscher harte lief te hebben, en onzen naaste als onszelven. Maar als de liefde gemeld wordt in de Schrift, zoo wordt zij meest van de tweede tafel verstaan. Hierin zou ik niet twijfelen, dit van de liefde Gods en des naasten te verstaan, zoo Paulus alleen de liefde genoemd had; maar dewijl hij daarbij stelt het geloof en de goede conscientie,

en een zuiver hart, zoo zal deze uitlegging, die ik stellen zal, niet vreemd wezen van den zin van Paulus, en zal bekwamelijk overeenkomen met de omstandigheid der plaats. Dit is de inhoud der wet,

dat wij God dienen met oprecht geloof en zuivere conscientie: bovendien, dat wij elkander liefhebben; zoo wie hiervan afwijkt, die verdraait de wet Gods, daarmede dat hij ze tot een ander einde wendt. Maar hier rijst een twijfeling, dat Paulus schijnt de liefde te stellen boven het geloof. Ik antwoord, dat degenen die alzoo gevoelen, veel te kinderachtig argumenteeren. Want ofschoon de liefde eerst genoemd wordt, daarom heeft zij niet den eersten trap der eer: want Paulus leert ook mede, dat de liefde komt uit het geloof. Nu is voorwaar de oorzaak eer dan wat daaruit komt.

En zoo men het gansche vervolg wel overlegt, zoo is wat Paulus zegt, zooveel alsof hij gezegd had; De wet is ons gegeven tot dat einde, dat zij ons in het geloof onderwijze, hetwelk een moeder der goede conscientie en liefde is. Alzoo moet het begin genomen worden van het geloof, en niet van de liefde. Daar is weinig verschil tusschen een zuiver hart en een goede conscientie: want beide komt uit het geloof. Want van het zuivere hart hebben wij. Hand.

15:9, dat God de harten zuivert door het geloof. En van de goede conscientie, betuigt Petrus dat zij gefundeerd is in de wederop ■ i Petr. a: 21. standing van Christus. Hieruit worden wij geleerd, dat nergens ware

liefde is, waar de vreeze Gods en de zuiverheid der conscientie niet is. Het is ook niet lichtelijk voorbij te gaan, dat hij bij elk ding zijn gedaante schrijft. Want daar is niets gemeener, noch ook lichter, dan van het geloof en de goede conscientie te roemen. Maar onder hoe velen is er een die metterdaad bewijst, dat hij ver van alle geveinsdheid is. Voornamelijk moet men aanmerken wat hij het geloof toeschrijft: waarmede hij te kennen geeft, dat de belijdenis des geloofs, bedrog is, waar geen goede conscientie is, en waar de liefde zich niet bewijst. Nu, dewijl de zaligheid der menschen gelegen is in het geloof, en de volmaakte dienst Gods gelegen is in het geloof, en de goede conscientie, en de liefde, zoo is het geen wonder, dat Paulus zegt, dat de inhoud der wet hierin gelegen is.

6 Van welke dingen sommigen. Hij blijft in de gelijkenis, die hij genomen had van een doelwit of einde. Want het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, beduidt van het doelwit afwijken,

15

ocr page 20

1 TIMOTHEUS 1 ; 6-9.

of afdwalen. Dit is een schoone plaats, waarmede hij alle leeringen van ijdelheid straft, die tot dit einde niet strekken. En vermaant ook mede dat alle vernuften en gedachten verijdelen, als zij elders toe strekken. De onnutte scherpzinnigheden kunnen wel vele men-schen tot verwondering trekken: toch blijft de zin van Paulus, dat het alle ijdele woorden zijn, die niet stichten in de godzaligheid. Daarom moeten wij naarstig toezien, dat wij niet anders zoeken in het heilige Woord Gods, dan grondige stichting, opdat Hij anders derzelver misbruik in ons niet straffe door zulk een streng exempel.

7 Willende leeraars der wet. Hij gispt hier niet die, die openlijk tegen de leer der wet strijden, maar meer die, die zichzelven met de voorwending der wet voorstellen, en daarop roemen. Van dezulken zegt hij, dat zij niet verstaan, dewijl zij hun verstand onnut in curieuse vragen vermoeien. En hij gispt ook mede hun hoovaar-digheid, als hij daarbij zet, wat zij bevestigen. Want men zal geen menschen vinden, die stouter zijn om dingen die zij niet weten, lichtvaardiglijk te bevestigen, dan zulke fabelmeesters. Want wij zien heden, met wat grootschheid en hoovaardigheid de scholen der Sorbonne hare meesterlijke stellingen uitwerpen. Maar van wat dingen r te weten, van dingen die ganschelijk voor der menschen vernuft verborgen zijn, door geen woord der Schrift, noch door geen openbaring te geenen tijde ontdekt. Zij bevestigen hun vagevuur met meerder stoutheid dan de wederopstanding der dooden. Zoo men het niet voor een zeker goddelijk woord wil houden, wat zij van de voorbidding der heiligen gedicht hebben, zoo roepen zij dat de gansche religie wankelbaar gemaakt is. Wat zal ik de onmetelijke doolhoven verhalen van de hemelsche hierarchiën, en dergelijke gedichtselen ? Zij zijn zonder getal. De apostel betuigt, dat in dit alles het oude spreekwoord vervuld wordt, dat de onwetendheid stout is: gelijk hij ook aan de Colossensen, hfdst. 2:4, zegt: Dat de opgeblazenen door het gevoelen huns vleesches zichzelven steken in dingen, die zij niet weten.

8 Wij weten dat de wet goed is. Wederom voorkomt hij die valsche beschuldiging, waarmede zij hem bezwaarden. Want zoo wanneer hij hun eergierige vertooning wilde wederstaan, zoo beschermden zij zichzelven hiermede als met een schild. Hoe dan? Wilt gij dat de wet begraven, en uit der menschen gedachtenis uit-gewischt zij ? Zoo dan, om deze valsche beschuldiging te benemen, zoo bekent hij dat de wet goed is, maar dat zij behoorlijk gebruikt moet worden. En hij komt nog verder: want hij leert dat de wet wel overeenkomt met zijn leer, en wendt ze wederom tegen hen.

9 Dat de wet niet is den rechtvaardigen gesteld. De apostel heeft niet voorgenomen van de gansche roeping der wet te handelen, maar hij ziet hier op de menschen. Want het geschiedt gemeenlijk, dat degenen die zoeken allervurigst in de wet te schijnen, met hun gansche leven bewijzen dat zij verachters der wet zijn. Van welke zaak heden een zeer klaar exempel gezien wordt in die de rechtvaardigheid der werken en het vrije goeddunken beschermen. Zij hebben zonder ophouden in den mond volmaakte heiligheid des levens, verdiensten, voldoeningen: en hun gansche leven bewijst, dat zij meer dan goddeloos en onheilig zijn, dat zij alleszins den toorn opwekken, en zorgeloos zijn oordeel versmaden. Zij verheffen grootelijks de vrije verkiezing van goed en kwaad: maar met de

16

ocr page 21

1 TIMOTHEUS 1 : 9.

17

werken bewijzen zij, dat zij des duivels slaven zijn, en met zeer enge duisternissen gebonden. Dewijl Paulus' tegenstanders zoodanig waren, zoo heeft hij om hun dwaze hoovaardigheid te bedwingen, vermaand dat de wet is als een zwaard Gods uit de schede getrokken om hen te verslaan: maar dat hij en zijns gelijken geen oorzaak hadden om voor de wet te gruwen, of diezelve te haten, welke den rechtvaardigen, dat is, den godzaligen en vrijwilligen dienaren Gods niet tegen is. Het is mij ook niet verborgen, dat sommige geleerde mannen een scherpzinniger verstand hieruit nemen, alsof Paulus gan-schelijk op Theologische wijze van de natuur der wet handelde. Want zij verstaan daaruit, dat de wet den kinderen Gods niet aangaat, die door den Geest wedergeboren zijn; dewijl zij den rechtvaardigen niet gesteld is. Maar de omstandigheid der plaats dwingt mij deze woorden eenvoudiger te nemen. Want hij neemt die ge-meene grondstelling, dat uit booze zeden goede wetten gesproten zijn: en zegt dat de wet Gods gegeven is, om der goddeloozen boosheid te bedwingen: want degene die van zelf goed zijn, dien is het gebod der wet niet noodig. Nu is de vraag, of eenig mensch van dit getal uitgenomen wordt? Ik antwoord, dat Paulus hier door het woord rechtvaardig, verstaat, niet die alleszins volmaakt zijn, (zoodanig als er geenen gevonden worden) maar die met de voornaamste genegenheid huns harten staan naar het goede: zoodat de godzalige begeerte hun zij als een vrijwillige wet, zonder iemands anders drijving. Zoo heeft hij dan de onbeschaamdheid der tegenstanders willen straffen, die zichzelven wapenden met de voorwending der wet tegen de godzalige mannen, die den waren regel der wet met hun gansche leven uitdrukten, daar de wet hun allermeest noodig was, hoewel zij nochtans niet zeer daarnaar vraagden: hetwelk beter uitgedrukt wordt met de tegengestelde rede. Zoo iemand niet toelaat, dat de booze stukken die Paulus hier optelt, bedekte-lijk den tegenstanders verweten worden, zoo zal het nochtans een eenvoudige wederlegging der valsche beschuldiging wezen: ware het dat zij een rechten en niet een valschen ijver tot de wet gehad hadden, zoo hadden zij zichzelven liever met dezelver wapen moeten wapenen, om tegen de booze daden te strijden, dan om hun eergierigheid en onnutte klapachtigheid daarmede te bedekken. Den onrecht-vaardigen en ongehoorzamen. Het Grieksche woord, waarvoor wij gezet hebben onrechtvaardigen, beduidt zooveel als buiten wet of wetteloos. En van dézen zijn de ongehoorzamen weinig onderscheiden, die hij in de tweede plaats gezet heeft. Door de zondaars, verstaat hij boosdoeners, of die een boos en schandelijk leven leiden. Voor ongodvreezenden en onheiligen. kan men niet ongeschikt overzetten, onheiligen en onreinen. Maar ik heb niet zoo eigenzinnig willen zijn in woorden waaraan niet veel gelegen was. Paulus heeft hier sommige gemeene stukken aangeroerd, welke in het kort alle overtredingen vervatten. De wortel is hardnekkigheid en wederspannigheid, welke hij met de twee eerste woorden beduid heeft. Door de ongoddelijken en zondaars, schijnen de overtreders der eerste en tweede tafel beduid te worden. Daarna stelt hij de onheiligen en onreinen, of die met een schandelijk leven besmet zijn. En dewijl voornamelijk op drieërlei wijze den naaste hinder gedaan wordt, te weten, met geweld, bedrog en onkuischheid, zoo heeft hij deze drie dingen in orde verhaald, gelijk men lichtelijk

Dl. VI.

ocr page 22

1 TIMOTHEUS 1:9—12.

kan zien. Want in de doodslagers en vadermoorders is geweld, ten tweede, wordt de schandelijke onkuischheid gehekeld, en ten derde komt hij tot het bedrog en andere booze daden.

io Zoo daar iets anders is. Met deze woorden leert hij, dat zijn Evangelie niet alleen niet strijdt tegen de wet, maar dat het ook een zeer goede bevestiging daarvan is. Want hij betuigt, dat hij met zijn prediken diezelfde waarheid bevestigt, die de Heere in zijn wet gegeven heeft tegen alles wat der gezonde leer tegen is. Waaruit volgt, dat zij, die de ziel der wet niet houden, van het Evangelie afwijken, maar dat zij alleen naar de schaduw grijpen. De gezonde leer, wordt gesteld tegen de flauwe vragen, van welke hij elders zegt, dat deze verkeerde leeraars verflauwen, welke wel met recht uit de vrucht ongezond geacht worden,- dat is, omdat zij een verderfelijkheid in de ziel genereeren. Hij heeft gesteld. Evangelie der heerlijkheid, voor heerlijk Evangelie: waarin hij toch die scherpelijk • gispt, die zochten het Evangelie te verkleinen, in hetwelk God zijn heerlijkheid bewijst. Hij zegt bij name daarbij: Dat het hem is betrouwd geweest, opdat een iegelijk versta, dat daar geen ander Evangelie is dan dat hij predikt, en dat daarom alle fabelen, die hij boven gestraft heeft, vreemd zijn zoowel van de wet als van het Evangelie Gods.

12 En ik dank Hem, die mij machtig gemaakt heeft, Christus Jezus onzen Heere, en mij getrouw geacht heeft, in den dienst stellende.

13 Die ik tevoren was een lasteraar, en vervolger, en overweldiger: maar ik heb de barmhartigheid gekregen, omdat ik het onwetend gedaan heb in ongeloovigheid.

12 Ik dank. De waardigheid van het apostelambt, dat Paulus zich-zelven toeschrijft, is zeer groot. En zoo men zijn voorgaande leven aanziet, zoo kon hij geenszins zulke eer waardig geacht worden. Daarom, opdat hij niet van hoovaardigheid gestraft worde, komt hij noodwendig om zijn persoon te melden, en hij belijdt vrij zijn onwaardigheid: doch zegt hij, dat hij desniettemin door Gods genade een apostel is. Ja datzelve, waardoor zijn autoriteit scheen verkleind te worden, wendt hij tot zijn voordeel, dewijl de genade Gods des te meer zich bewijst. Als hij Christus dankt, zoo bevrijdt hij zich-zelven van benijding en beneemt de oorzaak dezer vraag: of hij zul-ken heerlijken dienst waardig is of niet. Want hoewel hij in zich-zelven niet uitnemend is, zoo is het nochtans genoeg dat hij van Christus verkoren is. Daar zijn wel velen, die met denzelfden vorm van woorden ootmoedigheid uitgeven, maar zij zijn ver van de ongeveinsdheid van Paulus, wiens voornemen was, niet alleen moedig in den Heere te roemen, maar ook allen eigen roem af te leggen Maar waarvoor dankt hij ? te weten: Dat hij in den dienst gesteld is: want daaruit besluit hij, dat hij is getrouw geacht geweest. Want Christus neemt niet eergierig allerlei menschen aan, maar verkiest alleen degenen die bekwaam zijn. Daarom laat ons die als waardig aannemen, dien Hij verwaardigd heeft deze eer te geven. Het strijdt ook hier tegen niet, dat Judas naar de profetie van den ps. 109:9. psalm, een kleinen tijd is verheven geweest, opdat hij terstond zou vallen. Want het is een ander ding geweest in Paulus, gelijk hij

18

Hand. 8:3; 9:1; 22:4; 26:9.

1 Cor. 15:9. Gal. 1:13. Joh. 9:39. Hand. 3:17.

ocr page 23

1 TIMOTHEUS 1: 12, 13. 19

ook tot een ander einde, en met een andere conditie deze eer verkregen heeft, dewijl Christus verkondigt, dat hij Hem een uitverko- Hand. 9:15.

ren vat zal wezen. Maar het schijnt, dat Paulus aldus sprekende,

zijn getrouwheid, die hij tevoren had, stelt tot een oorzaak zijner roeping. Ware het alzoo, zoo zou het een gedichte en ongeschikte 1

dankzegging zijn; want hij zou zijn apostelambt meer aan zijne eigene verdienste toeschrijven dan aan God. Zoo zeg ik dan, dat dit de zin niet is, te weten, dat hij is tot het apostelambt aangenomen geweest, omdat zijn getrouwheid tevoren God bekend was. Want Christus kon niets goeds in hem voorzien, dan wat de Vader in .

hem gewrocht had. Daarom blijft dit altijd waarachtig wat Christus V

zegt; Gij hebt mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren. Hij Jo11- i5;18-heeft meer een bewijs zijner getrouwheid daaruit willen maken, om- :\;j

dat hij van Christus een apostel gemaakt is. Want degenen, die Hij •■,l

alzoo maakt, die verkondigt Hij als door zijn ordinantie en besluit,

dat men ze moet achten getrouw te zijn. In één woord, dit oordeel is niet te verstaan van de voorwetenschap, maar beduidt meer een getuigenis, dat den menschen gegeven wordt, alsof hij gezegd had;

Ik dank Christus, die mij tot den dienst roepende, openbaar gemaakt heeft, dat mijn getrouwheid Hem behaagt. Hij stelt daarbij ook een andere weldaad van Christus, te weten; Dat Hij liem bevestigd of machtig gemaakt heeft: met welk woord hij niet alleen verstaat,

dat hij eenmaal eerst door Gods hand is gemaakt geweest, opdat

hij bekwaam tot het ambt ware, maar hij vervat ook mede de ge- ■

durige toediening der genade. Want het zou niet genoeg geweest zijn, dat Hij hem eenmaal verklaard had getrouw te zijn, had Chris-tus hem niet met gedurige hulp bevestigd. Zoo bekent hij dan, 'Cf

dat hij dit beide uit Christus genade heeft, dat hij eenmaal verhe-ven is, en dat hij in den stand blijft.

13 Lasteraar en vervolger. Lasteraar tegen God, vervolger en overweldiger tegen de gemeente. Wij zien hoe getrouwelijk hij be-kent wat hem tot schande had kunnen gerekend worden, hoe hij zijne zonden ganschelijk niet verkleint, hoe gaarne hij zijn onwaardigheid bekennende, de grootheid der genade Gods verheft. Want l( , met den naam vervolger, niet tevreden zijnde, heeft hij zijn razernij en wreedheid met noch een ander woord meer willen uitdrukken.

Omdat ik het onwetend gedaan heb in ongeloovigheid. Ik heb ^

(zegt hij) vergeving mijner ongeloovigheid verkregen, omdat zij kwam uit onwetendheid. Want de vervolging en overweldiging waren niets dan vruchten van ongeloovigheid. Maar hij schijnt te kennen te geven, dat de vergeving geen plaats heeft, dan waar de ontschul-diging der onwetendheid is. Hoe dan? Of iemand wetens gezondigd heeft, zal het God nimmermeer vergeven ? Ik antwoord, dat men het woord ongeloovigheid moet aanmerken, waardoor deze woor-den van Paulus niet dan van de eerste tafel te verstaan is. De

overtredingen der tweede tafel worden vergeven, al is het dat zij ^

willens gedaan worden. Wie willens en wetens de eerste tafel breekt, 1

die zondigt tegen den Heiligen Geest, dewijl hij zichzelven recht tegen God stelt. Want hij valt niet door zwakheid, maar toont een zeker teeken zijner verwerping, onheilig tegen God drijvende. En hieruit kan men de beschrijving der zonde in den Heiligen Geest nemen? Ten eerste, dat zij is een wederspannigheid recht tegen God in het overtreden der eerste tafel; ten andere, dat zij is een

'.ï V N

, »•. • ; »

vi

i

T

Iv'

ocr page 24

20 ' 1 TIMOTHEUS 1 : 13, 14.

kwaadwillige verwerping der waarheid. Want waar de waarheid Gods niet verworpen wordt met voorgenomen boosheid, daar wordt de Heilige Geest niet wederstaan. Eindelijk, men kan de ongeloo-vigheid stellen als het geslacht, en het kwaadwillige voornemen hetwelk der onwetendheid tegen is, als het soort. Zoo doen dan die kwalijk, die de zonde tegen den Heiligen Geest stellen in de overtreding van de tweede tafel. Ook doen die verkeerdelijk, die de onbedachtzame en blinde drijving achten zulke zware zonde te zijn; want dan wordt eerst tegen den Heiligen Geest gezondigd, als de sterfelijke menschen willens krijg aannemen tegen God, om het licht des Geestes dat hun aangeboden is, uit te blusschen. Want zulks is een gruwelijke goddeloosheid en onmenschelijke stoutheid. Hij heeft ook zonder twijfel met stilzwijgende verkondiging die allen willen verschrikken, die eenmaal zijn verlicht geweest, opdat zij zichzelven niet stellen tegen de bekende waarheid, omdat het een doodelijke val is. Want zoo God Paulus zijne lastering vergeven heeft om der onwetendheid wille; zoo moeten die geen vergeving hopen, die wetens en willens zondigen. Maar het schijnt dat dit tevergeefs gezegd wordt: want de ongeloovigheid die altijd blind is, kan nergens zijn zonder onwetendheid. Ik antwoord, dat onder de onge-loovigen sommigen zoo blind zijn, dat zij bedrogen worden door een valsche meening, en dat sommigen alzoo verblind zijn, dat in-tusschen de boosheid de overhand neemt. Paulus was niet gansche-lijk vrij van booze genegenheid, maar hij werd door onbedacht-zamen ijver alzoo gedreven, dat hij meende dat het recht was wat hij deed. Zoo was hij dan niet met voorgenomen wil een tegenstander van Christus, maar door dwaling en onwetendheid : de farizeën die met booze conscientie Christus lasterden, waren niet ganschelijk zonder dwaling en onwetendheid; maar de eergierigheid en de god-delooze haat der gezonde leer, ja de razende wederspannigheid tegen God verwekte ze om booswillig en met voorgenomen raad zichzelven tegen Christus te stellen.

14 Maar de genade van onzen Heere Jezus Christus is bovenmate overvloedig geweest, met geloof en liefde, die in Christus Jezus is.

15 Het is een getrouw woord, en ganschelijk waardig aangenomen mm. 9:13. jg worden, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om de

Mark. 2:17. ' . 0

Luk. 6:32; zondaars zang te maken, van welke ik de voornaamste ben.

i^Tim' I-is Maar ik heb daarom barmhartigheid verkregen, opdat Jezus

1 Joh. 3:5. Christus in mij den voornaamste, alle zachtmoedigheid bewijze,

tot een voorbeeld dengenen die in Hem gelooven tot het eeuwige leven.

17 Den Onsterfelijke en Onzienlijke, Koning der eeuwen, Gode die alleen wijs is, zij eere en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.

14 De genade van onzen Heere. Wederom verheft hij de genade Gods, aan Hem bewezen, niet alleen om nijd weg te nemen, en dankbaarheid te betuigen, maar ook om die te stellen tegen de lasteringen der ongeschikte menschen, die geheel daarnaar stonden, dat zij zijn apostelambt verkleinden. Als hij zegt, dat de genade Gods is overvloedig geweest, en dat bovenmate, zoo geeft hij te kennen, dat de gedachtenis der voorgaande dingen is uitgewischt,

ocr page 25

1 TIMOTHEUS 1 : 14, 15.

ja verdronken geweest, opdat het hem niet hinderlijk ware bij de goeden, dat hij zoodanig geweest ware. Met geloof en liefde. Dit beide kan men op God duiden in dusdanigen zin: Dat God Zich-zelven bewezen heeft waarachtig te zijn, en een bewijs zijner liefde in Christus gegeven heeft, daarmede dat Hij Zich verwaardigd heeft zijn genade te doen. Nochtans wil ik het liever eenvoudiger nemen, dat het geloof en de liefde getuigenissen zijn dier genade, waarvan hij gesproken had, opdat hij niet geacht werd tevergeefs en lichtvaardig te roemen. En het geloof wordt gesteld tegen de ongeloovigheid en de liefde in Christus tegen de wreedheid, die hij tegen de geloovigen gebruikt had: alsof hij zeide, dat hij alzoo van God is veranderd geweest, dat hij een ander en nieuw mensch is. Zoo prijst hij dan de uitnemendheid der genade uit de teekenen en vruchten, welke de gedachtenis des voorgaanden levens moet wegnemen.

15 Het is een getrouw woord. Als hij zijnen dienst bevrijd heeft van oneer en onbehoorlijke lasteringen, zoo is hij daarmede niet tevreden, maar gebruikt ook tot zijn voordeel wat hem van de tegenstanders mocht tegengeworpen worden voor oneer. Want hij leert, dat het der gemeente nut geweest is, dat hij tevoren zoodanig geweest is, eer hij tot het apostelambt geroepen werd; dewijl Christus aldus als met een gegeven pand, alle zondaars geroepen heeft tot zekere hope van vergeving te verkrijgen. Want dewijl hij als van een onredelijk en wreed beest veranderd was in een herder, zoo had Christus een uitnemend bewijs zijner genade gegeven, waaruit alle menschen zouden leeren betrouwen, dat hun door geen zonden, hoe groot zij waren, de weg tot zaligheid toegesloten wordt. Maar hij stelt ten eerste een gemeene waarheid, dat Christus is gekomen om de zondaars zalig te maken: en hij versiert ze met een voorrede, die hij pleegt te gebruiken in zeer ernstige dingen: gelijk voorwaar in de onderwijzing van den godsdienst dit het voornaamste stuk is, dat wij tot Christus komen, opdat wij in onszelven verloren zijnde, zaligheid van Hem verkrijgen. Zoo dan, deze voorrede zij ons als een luidende bazuin, om den lof der genade van Christus te verbreiden, opdat zij te meer geloof bij ons hebbe: en zij zij ons als een zegel om het betrouwen van vergeving der zonde in onze harten te drukken, welke anders bezwaarlijk tot het hart der menschen kan doordringen. En ook wat oorzaak had Paulus waarom hij gehoor verwekt heeft met deze woorden; Het is een getrouw woord, dan omdat de menschen bij zichzelven twijfelen aan de zaligheid? Want ofschoon God de Vader ons duizendmaal zaligheid aanbiedt in Christus, en Christus van zijn ambt predikt: zoo zullen wij nochtans daarom niet nalaten te vreezen, of immers in onszelven te disputeeren, of het ook alzoo is. Daarom, zoo wanneer ons eenige twijfel van de vergeving der zonden in den zin komt, zoo zullen wij ze hiermede als met een schild sterkelijk leeren afwenden, te weten, dat het eene ontwijfelbare waarheid is, en waardig zonder twijfel aangenomen te worden. De zondaars zalig te maken. Daar is in deze woorden een krachtige beduiding: want degenen die bekennen dat Christus' ambt is zaligmaken, laten nochtans deze gedachte bezwaarlijk toe, dat zulke zaligheid den zondaren toekomt. Want ons gevoelen wordt altijd getrokken tot de beschouwing der waardigheid. Zoo haast als de onwaardigheid gezien svordt.

ocr page 26

1 TIMOTHEUS 1:15—17.

zoo vervalt het betrouwen. Daarom, hoe meer bezwaard een iegelijk is met zijne zonden, dat hij met zooveel te grooteren moed tot i3. Christus loope, te weten, steunende op deze leer: Dat Hij gekomen is, niet om den rechtvaardigen, maar om den zondaren zaligheid te geven. Men moet ook aanmerken, dat Paulus een bewijs maakt uit het gemeene ambt van Christus, opdat het door nieuwigheid niet ongeschikt zou schijnen, wat hij weinig tevoren van zijn persoon betuigd heeft. Onder welke ik de voornaamste ben. Denkt niet dat de apostel gelogen heeft om zedigheid te toonen: want hij heeft zoowel een ware als een ootmoedige belijdenis willen doen, en dat uit den grond zijns harten. Maar hier mocht iemand vragen, waarom hij zichzelven stelt als den voornaamste onder de zondaars, dewijl hij alleen door onwetendheid der gezonde leer gevallen is: en anders in zijn gansche leven onstraffelijk was bij de menschen? Met deze woorden worden wij vermaand, hoe zwaar en gruwelijk de zonde van ongeloovigheid bij God is, voornamelijk wanneer hardnekkigheid en wreedheid daarbij is. Bij de menschen is het wel licht, alles wat Paulus hier van zichzelven belijdt, te verkleinen met een voorgeving van onvoorzichtigen ijver: maar God acht de gehoorzaamheid des geloofs hooger, dan dat Hij de ongeloovigheid, waar hardnekkigheid bij is, voor een lichte zonde zou achten. Daarom zoo moet men deze plaats naarstig aanmerken, dat een mensch, die voor de wereld niet alleen onschuldig, maar in groote deugden uitnemend is, en een zeer geprezen leven leidt, een van de zwaarste zondaren geacht wordt om de hardnekkigheid zijner ongeloovigheid, omdat hij een vijand der Evangelische leer is. Want daaruit is het licht te verstaan, wat alle pomperiën der geveinsden vermogen voor God, als zij hardnekkig Christus wederstaan.

16 In mij den voornaamste. Als hij zegt den voornaamste, zoo ziet hij op wat hij boven gezegd had, dat hij de voornaamste is onder de zondaars. Daarom is het zooveel alsof hij zeide: Voornamelijk of inzonderheid. Hij beduidt, dat God terstond van den beginne aan zulk een voorbeeld voorgesteld heeft, waaruit als uit een klaar en hoog schouwspel kon gezien worden, opdat niemand zou mistrouwen, dat hem vergeving bereid is, zooverre hij met geloof tot Christus kwam. En voorwaar, onzer aller mistrouwen wordt voorkomen, als wij zien dat een voorbeeld der genade, die wij zoeken, in Paulus uitgedrukt is.

17 Den Koning der eeuwen. Door ijver breekt hij uit tot dezen uitroep, omdat hij geene woorden had, waarmede hij zijn dankbaarheid zou uitdrukken. Want de uitroepen hebben voornamelijk plaats, als wij gedwongen worden de woorden af te breken, omdat ze de grootheid der zaak te boven gaat. En wat is er wonderlijker dan de bekeering van Paulus ? Hoewel, hij vermaant ons ook mede door zijn voorbeeld, dat men nimmermeer op de genade der Goddelijke roeping moet denken, zonder teneinde tot verwondering verheven te worden. Hiertoe dient ook, dat de gedachtenis des ganschen voorgaanden levens door zulken grooten lof verslonden wordt: want wat grooter afgrond is de heerlijkheid Gods ? Die dingen, die hij hier Gode toeschrijft, hoewel zij Hem eeuwiglijk toekomen, zoo dienen zij nochtans eigenlijk tot de omstandigheid der plaats. Hij noemt Hem den eeuwigen Koning der eeuwen, in welken geen verandering plaats heeft. Onzienlijk, omdat Hij woont in een licht.

22

ocr page 27

1 TIMOTHEUS 1 : 17, 18.

waartoe niemand kan komen, gelijk hij hierna zal zeggen: Alleen wijs, omdat Hij alle wijsheid der menschen dwaas maakt, en van-1 Tlm- 6:16-wege ijdelheid straft. De inhoud komt overeen met die woorden, die hij gebruikt Rom. 11 : 33: O diepte des rijkdoms, enz. Hoe verborgen is de raad Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne wegen!

Want hij wil, dat de ongemeten en onbegrijpelijke wijsheid Gods,

met zulke eerbiediging van ons aangemerkt worde, dat wij door de verwondering wederhouden worden, al is het dat zijn werken boven ons verstand zijn. Doch het is twijfelachtig, als hij zegt alleen, of hij Gode alleen alle eer wil toeschrijven, of dat hij Hem noemt alleen wijs, of dat hij zegt, dat Hij alleen God is. De tweede zin behaagt mij 't best: want het gaat de tegenwoordige zaak voornamelijk aan, dat alle verstand der menschen aan den verborgen raad Gods onderworpen is. Toch ontken ik niet, dat hij zegt, dat God alleen alle eer waardig is. Want de spranken zijner heerlijkheid breidt Hij alzoo her- en derwaarts uit in zijn creaturen, dat zij nochtans geheel en al bij Hem blijft. Maar op beiderlei wijze wordt uitgedrukt, dat buiten God geen heerlijkheid is.

18 Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheus, naar de voorge

. i

Tim. 3:9.

gane profetieën over u, dat gij een goeden strijd daarin strijdt; j Tim.6:12.

19 Hebbende geloof en een goede consoientie: van welke sommigen afgekeerd zijnde, hebbende van het geloof schipbreuk geleden.

20 Onder welke zijn Hymeneüs en Alexander, die ik den Satan | xlm f- il overgegeven heb, opdat zij leeren niet te lasteren. i cor. 5; 3.

18 Dit gebod beveel. Al wat hij van zijn persoon hierin gebracht heeft, is gelijk een uitloop van het voorgenomen onderwerp.

Want toen hij Timotheus autoriteit wilde maken, zoo moest hij zelf zeer groote autoriteit hebben: daarom heeft hij wel van pas die meening wederlegd, die hem hinderlijk had kunnen zijn. Als hij nu bewezen heeft, dat zijn apostelambt niet te minder te achten is,

omdat hij eertijds tegen Christus' rijk gestreden had, zoo komt hij wederom tot het vervolg zijner vermaning, de verhindering weggenomen hebbende. Zoo is het dan het gebod, van 'twelk hij in het beginsel melding gemaakt heeft. Als hij hem noemt zoon, zoo betuigt hij niet alleen zijn goedwilligheid jegens hem, maar met dezen naam recommandeert hij hem ook anderen. Voorts, opdat hij hem te meer moed geve, zoo brengt hij wederom in gedachtenis,

hoedanig getuigenis hij van den Geest Gods had. Want dit was geen kleine opwekking, dat zijn dienst van God was bevestigd, en dat hij tevoren door Gods vermaning was geroepen, eer hij door menschen stemmen verkoren was. Het is schande der menschen verwachting niet te voldoen, hoeveel te schandelijker is het dan Gods oordeel te niet te maken, zooveel in u is. Maar men moet vooral weten, van wat profetieën hij spreekt. Sommigen meenen, dat Paulus door openbaring vermaand is geweest, dat hij Timotheus het ambt zou opleggen: hetwelk ik beken waar te zijn: maar ik zeg daarbij,

dat daar ook openbaringen geweest zijn, die door anderen verklaard waren: want Paulus heeft niet tevergeefs gezegd profetieën. Zoo verstaan wij dan uit zijn woord, dat daar meer profetieën van Timotheus geweest zijn dan een, waardoor hij der gemeente zou aan-

23

ocr page 28

24

geprezen worden. Want dewijl hij nog jong was, zoo had hij om zijne jonkheid kunnen veracht worden; en Paulus had ook der lasteringen kunnen onderworpen worden, dat hij jongelingen stelde in het ambt van oude Heden. Bovendien had God hem tot groote en zware zaken verordend; want hij was niet een van den gemee-nen hoop der dienaren des Woords, maar naast de apostelen, die in Paulus afwezen dikmaals in zijn plaats stond. Daarom was hem een bijzonder getuigenis noodig, waaruit het openbaar ware, dat niet door menschen lichtvaardigheid hem zoo veel toegeschreven was, maar dat hij van God zeiven verkoren was. Want het was te dier tijd niet gewoon, noch velen gemeen, met der profeten lof versierd te worden; maar dewijl in Timotheus bijzondere oorzaken waren, zoo heeft God niet gewild, dat hij- van menschen zou toegelaten worden, zoo hij niet eerst door zijn stem nuttig geacht ware: hij heeft niet gewild, dat hij in het ambt zou treden, eer hij door Hand. 13:2. profetische getuigenissen geroepen ware: gelijk ook Paulus en Barnabas geschied is, als zij tot leeraars der heidenen verordend waren. Want het was een nieuw en ongewoon ding, en zij hadden den schijn der lichtvaardigheid anders niet kunnen ontgaan. Iemand mocht hier nu tegenwerpen: Zoo God door zijne profeten tevoren verkondigd had, hoedanig een dienaar Timotheus zou wezen, wat was het noodig hem te vermanen, dat hij zich zoodanig zou bewijzen? Kon hij maken, dat de Goddelijke profetieën niet waar waren? Ik antwoord, dat het niet anders heeft kunnen geschieden, dan God beloofd had: maar intusschen moest Timotheus zichzelven niet begeven tot slaperigheid en luiheid, maar der voorzienigheid Gods onderdanig zijnde, zichzelven bewijzen een levend en werkzaam instrument Gods te zijn. Daarom is het niet zonder oorzaak, dat Paulus als hij hem wil prikkelen en vermanen, de profetieën verhaalt, waarmede God Zich der gemeente als borg heeft gesteld. Want daarmede werd hij vermaand, waartoe hij geroepen was. En daarom zoo zegt hij daarbij: Dat gij daarin strijdt, waarmede hij te kennen geeft, dat hij op het getuigenis Gods steunende, te moediger behoort te strijden. Want wat kan of mag ons grooter vrijmoedigheid geven, dan als wij weten, dat wij van God verordend zijn om te doen wat wij doen? Dit zijn onze wapenen, dit is onze hulp, op welke wij steunende, nimmermeer bezwijken. Met het woord stryd, geeft hij te kennen, dat men moet strijden. En dit betaamt in het gemeen allen godzaligen, doch bijzonder den christelijken leeraren, die als voorgangers of leidslieden zijn. Zoo is het dan zooveel alsof hij zeide: Zoo gij niet zonder strijd uwen dienst kunt volbrengen, zoo weest gedachtig, dat gij door Gods getuigenis tot een zeer zeker hope der overwinning zijt geroepen, en dat gij u door deze gedachtenis opwekt. Want het is een goede, dat is, eerlijke en zalige strijd, welken wij onder Gods leiding strijden.

19 Hebbende geloof en een goede conscientie. Het woord geloof, neem ik in 't gemeen voor de gezonde leer, in welker be-teekenis hij ook hfdst. 3, de verborgenheid des geloofs stelt. En voorwaar, deze twee worden voornamelijk in een leeraar vereischt, te weten: Dat hij de zuivere waarheid des Evangelies behoude, en daarna dat hij ze met goede conscientie en onvervalschten ijver bediene: waar deze twee zullen wezen, daar zullen de andere dingen vanzelf volgen. Van welke sommigen afgekeerd zijnde. Hij

ocr page 29

1 TIMOTHEUS 1 : 19, 20.

toont hoe noodzakelijk het is een goede conscientie met het geloof te vereenigen: omdat daarentegen de afwijking van het rechte pad een straf is der booze conscientie. Die den Heere niet met zuivere oprechtheid des harten dienen, maar hunnen boozen genegenheden toegeven, al is het dat zij tevoren het rechte verstand gehad hebben, zoo vallen zij daar ganschelijk af. Deze plaats is wel aan te merken. Wij weten, dat de schat der gezonde leer bij niets te vergelijken is, daarom moeten wij niets meer vreezen, dan dat die ons zal benomen worden. Nu leert Paulus hier een eenige wijze om dien wel te bewaren, te weten, zoo hij bewaard wordt door een goede conscientie: en dit bevinden wij dagelijks. Want waaruit komt het, dat zoo-velen het Evangelie verwerpen, en tot booze sekten vervallen, of in ongeschikte dwalingen verward worden? Te weten, omdat God door zulke verblinding de geveinsdheid straft, gelijk de oprechte vreeze Gods een bevestiging tot volharding is. Hieruit moet men twee dingen leeren. Ten eerste, worden de leeraars en dienaars des Evangelies vermaand, en in hun persoon de geheele gemeenten, hoezeer zij een afschrik moeten hebben voor geveinsde en bedriegelijke belijdenis der ware leer, welke zij hooren, dat streng gestraft wordt. Bovendien wordt die ergernis weggenomen, waardoor velen niet weinig beroerd worden, als zij zien dat sommigen, die tevoren zich tot Christus en tot het Evangelie begeven hadden, niet alleen wederom tot de oude superstitiën vervallen, maar wat veel erger is, dat zij met gruwelijke dwalingen verstrikt gehouden worden. Want door zulke voorbeelden wordt de majesteit des Evangelies openlijk beschermd, en God toont openlijk, dat Hij de ontheiliging daarvan geenszins kan dulden. En dit leert de bevinding aller eeuwen, dat alle dwaling, die van het begin der Christelijke gemeente geweest is, uit deze fontein vloeit: omdat de oprechte vreeze Gods in sommigen overvallen was door eergierigheid, en in sommigen door gierigheid. Want de booze conscientie is een moeder aller ketterijen; en wij zien heden, dat velen gelijk beesten tot Epicureïsche razernij getrokken worden, opdat hun geveinsdheid ontdekt worde, omdat zij het rechte geloof niet oprechtelijk aangenomen hadden. Ja het is ook te vreezen, dat het licht dat God gegeven heeft, in korten tijd zal uitgebluscht worden, en dat God het zuiver verstand des Evangelies bij zeer weinigen zal laten: omdat de verachting Gods alom regeert, en de booze en de verdorven zeden aan allerlei menschen toonen, dat in de wereld geene of zeer weinige oprechtheid is. De gelijkenis aan de schipbreuk ontleend, dient zeer wel: want zij leert, dat de gang van ons schip door een goede conscientie moet geregeerd worden, opdat het geloof ongeschonden tot de haven kome: dat is, men moet toezien, dat het geloof niet door een booze conscientie, gelijk door een verbolgen zee verzinke: en dat daar anders gevaar van schipbreuk is.

20 Hymenéüs en Alexander. Den eerste zal hij wederom noemen in den Tweeden zendbrief, waar ook de gestalte van zijn schipbreuk aangegeven wordt, want hij zeide, dat de wederopstanding geschied is. Het is geloofelijk, dat Alexander ook met zulke ongeschikte dwaling bezet is geweest. Verwonderen wij ons heden, dat de duivel sommigen met menigerlei verstrikkingen verleidt, dewijl wij zien, dat een van Paulus' metgezellen door zulk een gruwelijken val vergaan is? Hij noemt ze beiden aan Timotheus als bekende men-

25

ocr page 30

1 TIMOTHEUS 1 : 20.

26

schen. Ik twijfel niet, dat deze die Alexander is, dien Lukas meldt Hand. IQ: 33, die door zijn gedichte en onheilige rede, het oproer stilde, dat Demetrius en zijne metgezellen gemaakt hadden. Hij was van Efeze. En wij hebben gezegd, dat deze zendbrief voornamelijk om der Efeziërs wil geschreven is. Wij hooren nu hoedanige oorzaak hij had. Laat ons dan dit hoorende, de bezitting onzes geloofs met een goede conscientie onderhouden, opdat die tot het einde ongeschonden blijve. Die ik den satan overgegeven heb. Gelijk wij in i cor. 6:5. het Vijfde hfdst. van den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs gezegd hebben, daar zijn sommigen die het uitleggen, dat zij met ongewone geeselen zijn gestraft geweest, en verstaan het van die macht waarvan Paulus meldt in denzelfden zendbrief, hfdst. 12 : 28. Want gelijk de apostelen begaafd waren met de gave der gezondmaking, om de genade en weldadigheid Gods aan de godzaligen te betuigen: alzoo waren zij gewapend met macht tegen de godde-loozen en wederspannigen, dat zij ze den satan mochten overgeven om gekweld te worden, of dat zij ze met andere geeselen mochten straffen. Gelijk Petrus een bewijs dezer macht getoond heeft aan Hand* 13• 6 Ananias en Saflira, en Paulus in Bar-Jezus, den toovenaar. Maar ik ' wil het liever uitleggen van den ban of uitsluiting. Want er is geen geloofelijke gissing, waarom wij zouden gelooven, dat die Corinthiër, die met bloedschande gehoereerd had, anders dan met den ban gestraft is geweest. En zoo Paulus dien den Satan heeft overgegeven door de banning, waarom zouden diezelfde woorden hier niet datzelfde beduiden? Bovendien wordt daardoor de kracht der uitsluiting zeer wel verklaard. Want gelijk Christus den stoel zijns Koninkrijks in de gemeente heeft, alzoo is daar buiten niets dan de heerschappij des duivels. Daarom die uit de gemeente gestooten wordt, die moet zoolang onder de tirannie des satans blijven, totdat hij zich wederom met de gemeente verzoenende, tot Christus komt. Ik zonder één ding uit, te weten, dat hij om de grootheid des kwaads, hun de eeuwige vervloeking heeft mogen verkondigen: waarvan ik nochtans niets zekers durf te zeggen. Maar wat wil hij met de navolgende woorden: Opdat zij leeren niet te lasteren? Want die van de gemeente verworpen is, die neemt meer onbehoorlijke vrijheid aan, dewijl hij van het juk der gemeene discipline als ontladen zijnde, te brooddronkener is. Ik antwoord, hoewel zij zich in hunne ongeschiktheid verheugen, zoo worden zij nochtans verhinderd de kudde van Christus met hunne ziekte te besmetten. Want daarmede zijn de ongeschikte menschen allermeest hinderlijk, als zij onder dezelfde voorwending des geloofs, zich onder de anderen houden. Zoo wordt dan de macht om hinder te doen, hun benomen, als hun openbare schande aangedaan wordt, opdat alle eenvoudigen wel weten, dat het onheilige en gruwelijke menschen zijn, en dat zij daarom allen hun gemeenschap vlieden. Het komt ook somtijds, dat zij, wanneer hun zulke schande gedaan wordt, beschaamd worden, en hun hardnekkigheid aflaten. Zoo dan, al is het dat zij somtijds ongeschikter worden, zoo is het nochtans niet altijd een onnutte remedie om hun wreedheid te temmen en te breken.

ocr page 31

1 TIMOTHEUS 2:1.

HET TWEEDE HOOFDSTUK.

1 Zoo vermaan ik dan, dat men vóór alle dingen voorbiddingen, smeekingen, biddingen en dankzeggingen doe voor alle mensohen:

2 Voor koningen, en allen die in hoogheid gesteld zijn, opdat wij g^ich i'-u een liefelijk en gerust leven leiden met alle godzaligheid en eerbaarheid.

3 quot;Want dit is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker;

4 Die wil dat alle menschen zalig worden, en tot de kennis der Ezech.18:23.

, . n , amp; i 2 petr_ 3 .9

waarheid komen.

i ryoo vermaan ik dan. Deze oefeningen der godzaligheid be-X houden en bevestigen ons in den oprechten dienst en vreeze ^Gods, en onderhouden een goede conscientie, waarvan hij gesproken heeft. Daarom is het niet zonder oorzaak dat hij zegt, zoo vermaan ik dan; want deze vermaningen komen uit de voorgaande geboden. En ten eerste zegt hij van gemeene voorbiddingen, welke hij gebiedt niet alleen voor de geloovigen te doen, maar voor het gansche menschelijke geslacht. Want sommigen hadden aldus bij zichzelven kunnen overleggen; Waarom zouden wij zorgvuldig zijn voor de zaligheid der ongeloovigen, met wie wij niet te doen hebben? Is het niet genoeg, dat wij broeders onderling voor elkander bidden, en Gode zijn gansche gemeente bevelen? Want degenen, die daar buiten zijn, gaan ons niet aan. Deze verkeerde meening gaat Paulus tegen, en gebiedt den Efeziërs alle menschen in hunne gebeden in te sluiten, en niet alleen het lichaam der gemeente. Voorts, van deze vier dingen die Paulus hier meldt, wat onderscheid tusschen de drie is, ik beken dat ik het niet ganschelijk weet. Het is kinderachtig, dat Augustinus de woorden van Paulus draait tot het algemeene gebruik van zijn tijd. Hun uitlegging is eenvoudiger, die meenen dat voorbiddingen zijn, waarmede wij be-geeren van het kwade verlost te worden, en smeekingen, waarmede wij begeeren dingen die ons nut zijn, en biddingen, waarmede wij bij God klagen over het onrecht dat ons gedaan is. Hoewel ik onderscheidde ze niet zoo scherpzinnig, of wil immers een andere onderscheiding liever. Met het eene woord, dat Paulus hier gebruikt,

beduiden de Grieken allerlei gebeden, met het andere beduiden zij die gebeden, waarin iets zekers beduid wordt. En alzoo zouden deze twee woorden wel met elkander overeenkomen, gelijk een gemeen woord met een bijzonder. Met het derde woord pleegt Paulus die gebeden te beduiden, die wij de een voor den ander doen. En opdat wij niet teveel moeite doen in een onnoodige zaak, gebiedt naar mijn oordeel Paulus enkel, dat men zoo wanneer gemeene gebeden geschieden, zal bidden voor alle menschen, ook die tegenwoordig geen gemeenschap met ons hebben. Doch is die opeenstapeling van woorden niet tevergeefs: maar ik denk dat Paulus willens drie woorden tot eenzelfde einde te zamen heeft willen stellen, om de naarstigheid en gedurigheid des gebeds te meer te bevelen, en te sterker te drijven. Want wij weten, hoe groot onze traagheid is in deze oefening der godzaligheid. Daarom is het geen wonder, dat de Heilige Geest door den mond van Paulus

27

ocr page 32

28

ons met vele prikkelen opwekt. In het woord dankzegging, is geen duisterheid. Want gelijk hij wil, dat men God bidde voor de zaligheid der geloovigen: alzoo wil hij ook, dat men om hun blijden en gelukkigen voorspoed God danke. Want deze wonderlijke goedheid Mattb. 5:45. g0(jS) dig Hij dagelijks toont, als Hij zijn zon laat opgaan over goeden en boozen, is waardig dat wij prijzen: en onze liefde moet zich ook tot de onwaardigen uitstrekken.

2 Voor koningen. Hij meldt met name de koningen en andere overheden, omdat die boven andere menschen hadden kunnen gehaat zijn van de Christenen. Want zoovele overheden als te dien tijde waren, zoovelen waren daar gezworen vijanden van Christus. Zoo hadden zij dan mogen denken, dat men niet voor die moest bidden, die al hun kracht en macht gebruikten om het rijk van Christus te bestrijden, welks verbreiding meest was te wenschen. Maar Paulus komt ze hierin ^tegen en gebiedt duidelijk voor hen te bidden. En voorwaar de boosheid der menschen zal niet maken, dat de inzetting Gods niet zou te beminnen zijn. Dewijl dan God de overheden en prinsen tot bewaring des menschelijken geslachts geschapen heeft, ofschoon velen ontaarden, en afwijken van de ordening Gods, zoo moeten wij nochtans daarom niet aflaten wat Gods is, lief te hebben, en begeeren dat het welvare. Dit is de oorzaak waarom de geloovigen in wat land zij wonen, niet alleen den wetten en den geboden der overheden] moeten gehoorzaam zijn, maar ook in hunne jer. 29:7. gebeden, derzelver zaligheid Gode bevelen. Jeremia zeide tot de Israëlieten: Bidt voor den vrede van Babel, want in hun vrede is uw vrede gelegen. Dit is een algemeene leer, dat wij zullen begeeren, dat de machten van God verordend, gezond en gerust blijven. Opdat wij; een lieflijk. ^Hij stelt de nuttigheid voor oogen, om ons te meer op te wekken. Want hij telt de vruchten op, die wij uit de welgeschikte overheid verkrijgen. De eerste is een gerust leven: want de overheden zijn met het zwaard gewapend om ons in vrede te behouden. Want ware het, dat zij der ongeschikte menschen stoutheid ■ niet bedwongen, zoo zoude het alom vol rooverij en moorderij zijn. Zoo is dan dit het middel om vrede te behouden en te beschermen, als een iegelijk gegeven wordt, wat hem toekomt, en dat geweld der machtigen niet ongestraft blijft. De andere vrucht is de bewaring der godzaligheid, te weten, als de overheden arbeiden om de religie te onderhouden, om den dienst Gods te beschermen, en om' eerbied tot de heilige dingen te bevorderen. De derde vrucht is, de bezorging der openbare eerbaarheid. Want dit geschiedt ook door de weldaad der overheden, dat de menschen zichzelven niet begeven tot beestelijke onreinigheden, of tot onbehoorlijke dartelheden : maar dat veel meer zedigheid en matigheid hun plaats hebben. Zoo deze drie dingen weggenomen worden, hoedanig zal dan de stand des menschelijken levens zijn ? Zoo dan, zoo wij eenige zorg hebben voor de gemeene gerustheid, of godzaligheid, of eerbaarheid, zoo moeten wij gedenken ook voor die te zorgen, door welker dienst wij zulk uitnemend goed genieten. Waaruit wij verstaan, dat die razende menschen alle menschelijkheid afgelegd hebben, en niet anders dan beestelijke ongeschiktheid bewijzen, die begeeren dat de overheden weggenomen worden. Want wat groot onderscheid is tusschen deze twee dingen, te weten, dat men moet bidden voor de koningen, opdat het recht en de eerbaarheid; groeie,

ocr page 33

1 TIMOTHEUS 2:2, 3.

en de religie bloeie, en te zeggen, dat niet alleen de naam des konink-rijks, maar ook de gansche regeering den godsdienst tegen is. Nu,

de auteur der eerste waarheid is de Geest Gods: zoo moet dan de ander uit den duivel zijn. Zoo iemand vraagt of men ook voor die koningen moet bidden, van welke wij zulks niet krijgen, zoo antwoord ik, dat onze gebeden daartoe strekken, dat zij door den Geest Gods geregeerd worden, en alzoo beginnen ons toedieners i;

van zulk goed te zijn, waarvan zij ons tevoren beroofden. Zoo moeten wij dan nu niet alleen voor die bidden, die het nu waardig tV.

zijn: maar wij moeten God bidden, dat Hij degenen, die boos zijn,

goed make. Want wij moeten altijd deze grondreden behouden: Dat de overheden van God verordend zijn om de religie in gemeene gerustigheid en eerbaarheid te bewaren, niet anders dan gelijk de aarde verordend is om voedsel voort te brengen. Zoo dan, gelijk *

wij voor het dagelijksche brood biddende. God bidden dat Hij de aarde door zijnen zegen vruchtbaar make, alzoo moeten wij in die weldaden, waarvan boven gesproken is, dat gewone middel aanzien,

hetwelk God door zijn voorzienigheid verordend heeft. Hiertoe dient ook dit: Zoo wij deze weldaden, welker toediening Paulus aan de overheid toeschrijft, niet genieten, zoo komt het door onze schuld:

want de toorn Gods maakt ons de overheden onnut, gelijk zij de aarde onvruchtbaar maakt. Daarom komt het ons toe zulke straffen af te bidden, waarmede onze zonden gestraft worden. Bovendien worden de prinsen en alle overheden desgelijks van hun ambt ver- rV

maand. Want het is niet genoeg, dat zij een iegelijk recht doende, ■ ^

alle onrecht verhinderen en den vrede onderhouden: tenzij zij ook arbeiden om de religie te bevorderen, en door eerlijke discipline de zeden te schikken. Want het is niet zonder oorzaak, dat David ze1quot;8-2:12-

jes 49 * 23

vermaant den Zoon te kussen, en dat Jesaja zegt, dat zij voedster- • • •

heeren der gemeente zullen wezen. Daarom hebben zij zichzelven niet te flatteeren, zoo zij vergeten te helpen den dienst Gods te beschermen.

3 Want dit is goed. Als hij nu geleerd heeft, dat het nut is wat V

hij gebiedt, zoo stelt hij nu een sterker argument, te weten: Dat het 't( .

Gode alzoo behaagt. Want als men zeker is van zijn wil, zoo moet ons die vóór alle redenen zijn. Het woord goed, beduidt recht en behoorlijk. En dewijl de wil Gods een regel is, naar welken wij al onze werken moeten schikken, zoo bewijst hij dat het recht is, om- ■/

dat het Gode aangenaam is. Deze plaats is bijzonder waardig dat men ze aanmerke: waaruit ook een gemeene leer genomen wordt,

dat dit eerst de regel om recht en wel te leven is, dat men op het behagen Gods zien, en niet anders aangaat, dan dat Hij goed acht.

En daar wordt ook een wet om wel en godzalig te bidden gesteld,

dat wij God, die ons voorgaat, navolgen, en dat al onze gebeden ; •

naar zijnen wil en gebod gemaakt worden. Ware deze wijze gebleven,

zoo zouden de gebeden in het pausdom heden niet zoo vol ver- ,

dorvenheden zijn. Want ik bid u, waaruit zullen zij bewijzen, dat zij door Gods leer hun toevlucht nemen tot doode voorspraken en beschermheiligen, en dat zij voor de dooden bidden? Eindelijk, wat is er in hun gansche wijze van bidden, dat zij zullen kunnen bewijzen Gode te behagen ? Daarna volgt ook een bevestiging dezer uitspraak,

omdat God alle menschen wil zaligmaken. Nu, wat mag behoorlijker zijn, dan dat onze gebeden dit voornemen Gods dienen? Ten laat-

'.i! 'i, ' 'V'

29

m

'c;

'i')

y.

r quot;v

.'1

ocr page 34

1 TIMOTHEUS 2:3, 4.

ste bewijst hij, dat aller menschen zaligheid Gode ter harte gaat, omdat Hij alle menschen tot kennis zijner waarheid roept. Het is een bewijs van achteren, uit wat nu volgt. Want zoo het Evangelie Eom. 2:16. een kracjit Gods is allen die gelooven tot zaligheid, zoo is het zeker, dat allen, die het Evangelie aangeboden wordt, tot de hope des eeuwigen levens genood worden. Eindelijk, gelijk de roeping een bewijs der verborgen verkiezing is, alzoo laat Hij die toe tot de bezitting der zaligheid, die Hij zijns Evangelies deelachtig maakt: want het Evangelie openbaart ons de rechtvaardigheid Gods, welke een zekere ingang tot het leven is. Hieruit is het openbaar, hoe kinderachtig die dwalen, die deze plaats tegen de predestinatie stellen. Zoo God (zeggen zij) wil, dat alle menschen zonder onderscheid zalig worden, zoo is het valsch, dat somipigen tot zaligheid, sommigen tot het verderf door den eeuwigen raad Gods gepredestineerd zijn. Het zou mogelijk wat zijn, wat zij zeggen, ware het dat Paulus hier van een iegelijk mensch sprake, hoewel daarop ook dan wat zou te antwoorden zijn. Want hoewel men den wil Gods niet moet achten noch waardeeren uit zijn verborgen oordeelen, daar Hij ons die met uitwendige teekenen openbaart: zoo volgt nochtans daarom niet, dat Hij niet zou bij zichzelven verordend hebben wat Hij wil dat van een iegelijk geschiedt. Maar ik wil dit voorbijgaan, dewijl het de tegenwoordige plaats niet aangaat. Want des apostels eenvoudige meening is, dat er geen volk noch staat van menschen in de wereld is, die van de zaligheid uitgesloten is: want God wil dat het Evangelie allen menschen zonder uitzondering voorgesteld worde. Nu de verkondiging des Evangelies is levendmakende: zoo besluit hij dan wel te recht, dat God verwaardigt alle menschen der zaligheid deelachtig te maken. Maar hij spreekt van de soorten van menschen, en niet van een iegelijk persoon. Want zijn voornemen is niet anders, dan de vorsten en vreemde volken onder dit getal te besluiten. En dat hij wil, dat de leer des Evangelies dezen ook gemeen zij, dat is openbaar uit de getuigenissen die nu verhaald zijn, en uit dergelijke. Want het is niet voor niet gezegd: Ps. 2: lo. gjj Jioningen I Weest verstandig. Insgelijks, in denzelfden Psalm: Ik zal u de heidenen geven ten erve, en de einden der aarde ter bezitting. In e'e'n woord, Paulus heeft willen te kennen geven, dat men niet moet aanmerken, hoedanig de prinsen toen waren, maar hoedanig hen God wilde hebben. Het is een werk der liefde, dat men zorg draagt, en naarstigheid doet voor aller menschen zaligheid, die God roept, en dat men het met godzalige gebeden betuigt. En hiertoe dient het, dat hij God noemt onzen Zaligmaker. Want waaruit komt ons de zaligheid, dan uit de onverdiende goed-dadigheid Gods? Nu, God die ons de zaligheid deelachtig gemaakt heeft, zal ten eenigen tijd zijn genade tot ben mogen uitstrekken. Die ons nu tot Zich getrokken heeft, zal dezen met ons tot Zich kunnen brengen. En hij stelt voor zeker en bekend, dat Hij het doen zal: omdat het door de voorzeggingen der profeten alzoo voorzegd was van alle rangen en natiën.

5 Want daar is één God, en één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus;

6 Die Zichzelven gegeven heeft tot een prijs der verlossing voor allen, tot getuigenis te zijnen tijde.

30

Joh. 17 ; 3. Gal. 3 :19. Hebr. 9:15. Mattb.20:23. Ef. 1: 7. Col. 1:14.

ocr page 35

. I

1 TIMOTHEUS 2: 5. 31 ,

7 Waartoe ik gesteld ben een verkondiger en apostel (ik zeg deHand. 9:15;

waarheid in Christus Jezus, ik lieg niet) een leeraar der hei- (jai' i .'ie- ; \

denen in geloof en waarheid. 2 :8-

amp; 2 Timl.: 11. V.i

5 Eén God. Deze reden, dat God wil dat alle menschen zalig worden, omdat Hij een eenig God is, zou niet zeer sterk schijnen,

zoo men niet kwam van God op de menschen. Chrysostomus en i'

anderen na hem, nemen het aldus, dat daar niet zijn vele Goden,

gelijk de afgodendienaars dichten. Maar ik denk, dat Paulus' voor- tV.

nemen anders geweest is, te weten, dat hier de eenige God gesteld wordt bij de gansche wereld en verscheiden natiën, waaruit een wederkeerig aanzien rijst. Gelijk Rom. 3 : 29: Is God alleen der Joden God? Is Hij niet ook der heidenen God? Ja, Hij is een eenig God,

die de besnijdenis rechtvaardigt uit het gelooi, en de voorhuid door 1

het geloof. Zoo dan, hoewel toen onder de menschen verscheidenheid was, dewijl vele standen vreemd waren van het geloof, en vele ,

heidenen: zoo roept Paulus de geloovigen tot de eenheid Gods, opdat zij weten dat Hij met allen te doen heeft, dewijl Hij een eenig God van hen allen is; opdat zij weten, dat degenen, die onder de macht van denzelfden God zijn, niet voor eeuwig van de hope der zaligheid zijn uitgesloten. Ditzelfde wordt ook beduid met wat hij terstond van den eenigen Middelaar daarbij stelt. Want gelijk de ),. (

eenige God aller Schepper en quot;Vader is, alzoo zegt hij dat daar ' f

een eenig Middelaar is, door welken wij een toegang tot God heb- , i.'

ben: en dat deze Middelaar niet is alleen aan een volk of weinige i

menschen van eene zekere conditie gegeven, maar allen: dewijl de vrucht der offerande, waarmede Hij de zonde verzoend heeft, allen ■y'

toekomt. Ja, dewijl een groot deel der wereld zich toen van God

vervreemd had, zoo meldt hij duidelijk den Middelaar, door wel- 'V',

ken die nabij komen, die verre waren. Het woordje allen, is altijd ,, i

van de soorten der menschen, en niet van de personen te verstaan:

alsof hij gezegd had, dat niet alleen de Joden, maar ook de heidenen, niet alleen de gemeene lieden, maar ook de prinsen verlost zijn door den dood van Christus. Dewijl Hij dan wil, dat de weldaad '1 \

van zijnen dood allen gemeen zij, zoo doen die Hem onrecht, die '•(

door hunne meening iemand van de hope der zaligheid afwijzen.

De mensch Christus. Als hij zegt mensch, zoo ontkent hij daar- i:

mede niet dat Hij God is: maar dewijl hij den band onzer ver- ■ *

eeniging met God wilde beteekenen, zoo heeft hij liever zijn men- \

schelijke natuur gemeld, dan zijn Goddelijke: hetwelk men naarstig moet aanmerken. Want hierdoor is het van den beginne aan ge- quot;•

schied, dat de menschen dezen of dien Middelaar dichtende, verder ! ' j;

van God afgeweken zijn, dewijl zij met deze dwaling, dat God verre

was, bezig zijnde, niet wisten waar zij zichzelven wenden zouden. • y

Dit kwaad betert Paulus, als hij God ons als tegenwoordig stelt,

dewijl Hij nederdaalt tot ons, opdat Hij niet boven de wolken te Vty

zoeken zij. Zoo wordt dan hier hetzelfde gezegd, wat wij lezen,

Hebr. 4:15: Wij hebben geen hoogepriester, die niet met onze zwakheden zou kunnen medelijden hebben, dewijl Hij alleszins verzocht is. En voorwaar, ware het dat dit in aller menschen hart ge prent ware, dat de Zoon Gods ons de broederlijke hand geeft, en dat Hij door de gemeenschap der natuur met ons vereenigd is, om

ons uit dezen onzen verdorven staat tot den hemel te verheffen: wie ' V

'i K ' 'quot;i

•'i'

gt;■)

I' 'i.

f' v •

.¥•-1;

ocr page 36

1 TIMOTHEUS 2 ; 5.

32

zou niet liever dezen rechten weg houden, dan in ongebaande plaatsen dwalen? Zoo dan, zoo wanneer wij God moeten bidden, zoo ons die hooge en ontoegankelijke Majesteit in den zin komt, opdat wij door derzelver vreeze niet afgeschrikt worden, zoo zullen wij ook mede den mensch Christus gedenken, die ons vriendelijk noodt, en ons als bij de hand grijpt: die den Vader, die anders vreeselijk en verschrikkelijk was, ons genadig en goedwillig maakt. Dit is de eenige sleutel, waarmede de deur des hemelschen rijks ons geopend wordt: zoodat wij met betrouwen verschijnen voor het aanschijn Gods. Daarom zien wij ook, dat de duivel ten allen tijde gearbeid heeft om de menschen daarvan af te wenden. Ik zwijg met hoe menigerlei kunsten en listen hij vóór de komst van Christus, der menschen gemoed her- en derwaarts getrokken heeft, om middelen te dichten, door welke zij tót God mochten komen. Terstond, van den beginne der Christelijke gemeente aan, toen Christus nauwelijks verschenen was met zulk een kostelijk pand, en die zeer liefelijke stem bijna nog uit zijn mond luidde op de Matt, li;28. aarde: Komt allen tot Mij, die, enz. zoo waren nochtans sommige kunstige bedriegers, die in Christus' plaats de engelen tot middelaars wilden voorstellen: gelijk men uit den zendbrief aan de Col. 2:18. Colossensen lichtelijk kan verstaan. Maar wat de duivel toen heimelijk zocht, heeft hij onder het pausdom zoo ver gebracht, dat nauwelijks de duizendste mensch den Middelaar Christus bekend heeft, zelfs met den naam. En de naam was alzoo begraven, zoodat de zaak zelve meer verborgen was. En nu, als God rechtzinnige en godzalige leeraars verwekt heeft, die wat een van de bekendste grondstellingen onzes geloofs behoorden te zijn, gezocht hebben wederom in der menschen gedachtenis te brengen, zoo bedenken de Room-sche Sophisten alle dingen, waarmede zij een zeer klare zaak mochten verduisteren. Ten eerste haten zij den naam zoozeer dat degenen, die Christus den Middelaar meldt, en de heiligen voorbijgaat, terstond een ketter geacht wordt. En dewijl zij niet bestaan gan-schelijk te verwerpen wat hier van Paulus geleerd wordt, zoo verzwakken zij het met een dwaze uitlegging, zeggende, dat Christus gezegd wordt e'en' Middelaar, maar niet alleen Middelaar. Maar dat is, alsof Paulus één God uit velen genoemd had. Want deze twee redenen hangen aaneen, dat daar is één God en één Middelaar. Daarom, degenen die Christus één onder velen maken, die moeten datzelfde ook van God zeggen. Zouden zij tot zulke onbeschaamdheid uitbreken, zoo zij niet door blinde razernij getrokken waren om de heerlijkheid van Christus te verdrukken? Anderen meenen scherpzinniger te zijn, als zij Christus stellen tot een eenigen Middelaar der verlossing, en de heiligen tot middelaars der verzoening. Maar de onverstandigheid van die wordt ook wederlegd door de omstandigheid dezer plaats, dewijl Paulus hier met voornemen handelt van de gebeden. De Geest gebiedt (zeg ik) voor allen te bidden, dewijl onze eenige Middelaar alle menschen tot Zich toelaat: gelijk Hij door zijn dood alle menschen met den Vader verzoend heeft. En nog willen zij Christenen geacht worden, die met zulke heiligschennende stoutheid Christus van zijn eer berooven. Nochtans wordt hier tegengeworpen, dat het een schijn van tegenstrijdigheid heeft. Want in deze zelfde plaats gebiedt Paulus ons voor anderen te bidden: hetwelk hij, Rom. 8 : 34, Christus als eigen toe-

ocr page 37

a , (

1 TIMOTHEUS 2:5, 6. 33

schrijft. Ik antwoord, dat de voorbiddingen der heiligen waarmede zij elkander helpen, niet verhinderen, dat wij desniettemin allen een eenigen Voorbidder zouden hebben. Want daar wordt niemand voor zichzelven of voor een ander verhoord, dan door de voorspraak

van Christus. Zoo dan, dat wij de een voor den ander bidden, 1'?.

daardoor wordt de eenige voorbidding van Christus niet weggenomen : maar onze voorbiddingen vloeien veelmeer daaruit, en strek- , ;i ken daartoe. Iemand zal mogelijk denken, dat wij lichtelijk met de

papisten vereenigd kunnen worden, zoo zij de voorbiddingen, die -y;

zij den heiligen toeschrijven, stellen onder de eenige voorbidding ,

van Christus. Maar het is niet alzoo: want het ambt der voorbid-ding geven zij daarom den heiligen, omdat zij dichten dat wij anders geen voorspraak hebben. Dit is de gemeene grondreden onder

hen: Dat ons voorspraken noodig zijn, omdat wij onwaardig zijn .quot;V

door onszelven voor het aanschijn Gods te verschijnen. Als zij alzoo spreken, zoo berooven zij Christus van zijne eer. Bovendien is het '

een gruwelijke lastering, dat men den heiligen zulke waardigheid ;

toedicht, door welke wij genade bij God zouden verkrijgen, waarvan

alle profeten, apostelen en martelaren, ja de engelen zeiven zooverre 1

zijn, dat hun ook met ons dezelfde Voorbidder noodig is. Bovendien is het een enkel gedichtsel, uit hunne hersenen voortgekomen, dat de dooden voor ons bidden. Zoo dan, onze gebeden daarop fun-deeren, is het geloof van de aanroeping Gods ganschelijk aftrekken.

Nu, Paulus stelt het geloof, uit het Woord Gods gekregen, tot een regel om wel te bidden, Rom. 10: 17. Zoo verwerpen wij dan te- '

recht wat ijdele menschen buiten Gods Woord dichten. Maar opdat

ik het niet langer make dan de uitlegging der plaats eischt, de in- 'J-y' houd is, dat die met den eenigen Christus zullen tevreden zijn, die ^

zijn ambt wel geleerd hebben: en dat naar zijnen lust zichzelven ƒ

middelaars te dichten, dien toekomt, die noch God, noch Christus kennen. Waaruit ik besluit, dat de leer der papisten, door welke de voorbidding van Christus verduisterd, ja bijna begraven wordt, en gedichte voorspraken opgebracht worden, zonder eenig getuigenis t

der Schrift, vol ongoddelijk mistrouwen en lichtvaardigheid is.

6 Die Zichzelven gegeven heeft. De vermelding der verlossing te dezer plaatse is niet overbodig. Want deze twee dingen hangen ïquot;3-10:14-noodwendig aan elkander, de offerande des doods van Christus en de gedurige voorbidding: en het zijn twee deelen des priesterschaps. y'v

Want naar deze beduiding wordt Christus onze Priester genoemd, Hebr. 7:17.

te weten, dat Hij eenmaal door zijn dood onze zonden verzoend heeft, om God ons genadig te maken, en nu in het heilige des ^.jvj

hemels getreden zijnde, voor den Vader verschijnt om ons genade te verkrijgen, opdat wij in zijnen naam verhoord worden. Waar-

mede de heiligschennende goddeloosheid der papisten te beter ont- •

dekt wordt, die de gestorven heiligen tot metgezellen van Christus in dit ambt stellen, en ook mede de eere des priesterschaps hun geven. Leest het Vierde hoofdstuk aan de Hebreen aan het einde, i»;

en het begin van het Vijfde, zoo zult gij vinden wat ik zeg, dat de l ;

voorbidding, waardoor God ons genadig is, in de offerande gefundeerd is. Ja de gansche wijze van het oude priesterschap bewijst dat. » ' Zoo volgt dan, dat men van het ambt der voorbidding niets van , Christus mag nemen, en anderen toeschrijven, zonder Hem van den ^ naam des priesterschaps te berooven. Bovendien, als hij Hem noemt i

Dl. VI. ■gt; '» i

K/.

,'vii

■V I p v'

■ : '

gt; V

I

1 'V';

ë

ocr page 38

1 TIMOTHEUS 2:6, 1.

den prijs der verzoening, zoo neemt hij alle andere verzoeningen weg. Hoewel, der papisten scherpzinnigheid is mij niet verborgen: want zij dichten dat de prijs der verzoening, welken Christus met zijn dood betaald heeft, ons in den doop toegevoegd wordt, opdat de erfzonde uitgewischt worde, en dat wij daarna door voldoeningen met God verzoend worden. Aldus hebben zij die weldaad, die algemeen en eeuwig was, verstaan van een kleinen tijd en van één soort alleen. Maar de volkomene behandeling dezer zaak kan men in de »Institutiequot; zoeken. Tot getuigenis. Dat is, opdat deze genade ten gezetten tijde openbaar worde. Hij had gezegd: Voor allen, welke woorden een vraag hadden kunnen opwerpen, waarom God dan een bijzonder volk verkoren had, zoo Hij Zichzelven bewijst allen in 't gemeen een genadige Vader te zijn, en Hij zoo in Christus een gemeene verzoening voor allen was? Aan deze zaak beneemt hij alle oorzaak, als hij de bekwame gelegenheid om de genade te openbaren, stelt in den raad Gods. Want zoo wij in den winter ons niet verwonderen, dat de boomen verdord, de zaailanden met sneeuw bedekt, de beemden door vorst gestremd zijn; en dat in het voorjaar, die dingen weder levend worden, die eenigszins een tijdlang dood geweest waren, omdat God de veranderingen der Gen. i. tijden verordend heeft: waarom zullen wij zijner voorzienigheid niet datzelfde recht in andere dingen toelaten ? Zullen wij God daarom van ongestadigheid beschuldigen, omdat Hij hetgeen, dat Hij altijd bij Zichzelven voorgenomen en besloten had, te zijnen tijd voortbrengt en openbaart? Daarom, hoewel dit onvoorziens en onverwacht der wereld geschied is, dat Christus zonder onderscheid den Joden en heidenen een Verlosser verschenen is, zoo zullen wij nochtans niet meenen, dat dit Gode onvoorziens is geweest: maar wij zullen liever leeren al onze zinnen zijner voorzienigheid te onderwerpen. Alzoo zal alles wat van Hem komt, ons zeer gepast zijn. Daarom vindt men in Paulus dikmaals deze vermaning, voornamelijk, waar van de roeping der heidenen gehandeld wordt, door welker nieuwigheid toen velen verwonderd en als verslagen waren. Dien dit antwoord niet genoeg is, dat God door zijn verborgen wijsheid de veranderingen en gebeurtenissen der tijden heeft beschikt, die zullen eenmaal bevinden, dat Hij ten tijde, als zij meenen dat Hij ledig geweest is, voor de nieuwsgierigen de hel gemaakt heeft.

7 Waartoe ik gesteld ben. Opdat hij niet (gelijk velen doen) schijne lichtvaardig te spreken van een zaak, die hem niet wel bekend is, zoo zegt hij, dat hij van God daartoe verordend is, om de heidenen, die tevoren van het rijk Gods vreemd waren, tot de deelachtigheid des Evangelies te brengen. Want zijn apostelambt tot de heidenen was een zeker fundament der roeping Gods. En daarom arbeidt hij zoozeer om dit te bevestigen: gelijk hij voorwaar bij velen niet zonder zwarigheid aangenomen werd. Hij stelt ook een eed of betuiging daarbij, als in een zeer ernstige zaak, te weten, dat hij is een leeraar der heidenen, en dat in geloof en waarheid: door welke twee dingen een goede conscientie beduid wordt, maar die-zelve moet ook op de zekerheid van den Goddelijken wil steunen. Zoo wil hij dan zeggen, dat hij niet alleen met oprechte genegenheid den Heidenen het Evangelie predikt, maar ook met geheele en onversaagde conscientie, dewijl hij niets doet dan door Gods bevel.

34

ocr page 39

35

8 Zoo wil ik dan, dat de mannen bidden op alle plaats, ophef- Joh. 4:23. fende reine handen, zonder toom en twist. jes^i-is.

9 Desgelijks ook de vrouwen in betamelijke kleeding met scliaamte Tit. 2:3. en matigheid zichzelven versieren, niet met gekruld baar, of1 Petr' ^: met goud, of kostelijke kleeding.

10 Maar door goede werken, hetwelk den vrouwen betaamt, die de godzaligheid belijden.

8 Zoo wil ik dan. Dit besluit hangt aan den naastvoorgaanden zin: want gelijk wij in den zendbrief aan de Galaten gezien heb-Gal. 4:5. ben: wij moeten met den Geest der aanneming begaafd zijn om God behoorlijk aan te roepen. Daarom, als hij de genade van Christus allen verklaard heeft, en gemeld heeft, dat hij daarom den heidenen gegeven is tot een apostel, opdat zij met de Joden gelijk dezelfde weldaad der verlossing zouden genieten: zoo wekt hij ze allen gelijkelijk op tot bidden. Want uit het geloof komt de aanroeping. Daarom heeft hij, Rem. 15 :Q, de roeping der heidenen bevestigd met deze getuigenissen: Dat de heidenen zich verheugen Ps. 67:s. met zijn volk. Insgelijks: Looft God, alle heidenen! Alsook: Ik zal Ps. ii7:i. u belijden onder de heidenen. Want het argument is goed, van het ps. 18:50. geloof tot de aanroeping, en van de aanroeping tot het geloof, 2Sam.22:50. gelijk van de oorzaak tot het gevolg, en van het gevolg tot de oorzaak. Hetwelk waardig is, dat men het aanmerke: want wij worden daaruit vermaand, dat God Zichzelven ons openbaart met zijne woorden, opdat Hij van ons aangeroepen worde: en dat dit de voornaamste oefening des geloofs is. Daarom, het woord: Op alle plaats, beduidt hier zooveel als wat het beduidt in den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs, zoodat daar nu geen onderscheid 1 Cor. 2:1. is tusschen heiden en Jood, tusschen Grieken en Barbaren. Dewijl God een gemeen Vader aller menschen is, en het nu in Christus vervuld is, wat Maleachi geprofeteerd had, te weten, dat niet alleen Mal. i:ii. in Judea, maar ook in de gansche wereld Gode reine offeranden geofferd zouden worden. Opheffende reine handen. Alsof hij zeide: Voorzoover een goede conscientie daarbij is, zoo is daar geen verhindering, waarom alle heidenen niet alom God zouden aanroepen.

Maar hij heeft het teeken gesteld voor de zaak zelve: want de reine of zuivere handen beduiden een zuiver hart; gelijk daarentegen Jesaja den Joden verwijt, dat zij bloedige handen tot God opheffen, waar Jes. i:i5. hij ze scheldt om hun wreedheid. Voorts, deze ceremonie is ten allen tijde gewoon geweest, omdat dit gevoelen ons van nature is aangeboren, dat wij opwaarts zien als wij God zoeken. En is altijd zoo gemeen geweest, dat ook zelfs de afgodendienaars, hoewel zij God aan houten en steenen beelden hechtten, nochtans deze wijze van de handen naar den hemel op te heffen, behouden hebben. Zoo zullen wij dan leeren, dat het een ceremonie is, die met de ware godzaligheid wel overeenkomt, zoover de waarheid, die daardoor afgebeeld wordt, daarbij is, te weten, dat wij, vermaand zijnde dat God in den hemel te zoeken is, ten eerste niets aardsch, noch vleeschelijk van Hem denken: daarna, dat wij de vleeschelijke genegenheden afleggen, opdat onze harten niet verhinderd worden zich boven de wereld op te heffen. Wanneer de geveinsden de handen in het bidden opheffen, zoo zijn zij gelijk apen; omdat zij -met het uitwendige teeken betuigende, dat zij het hart opgeheven

ocr page 40

1 TIMOTHEUS 2 : 8, 9.

hebben, aan den steen of het hout hangen, alsof God daarin besloten ware; of op de aarde liggen, met ijdele begeerten of verdraaide gedachten verward zijnde: en geven alzoo met tegenovergestelde gebaren getuigenis tegen zichzelven. Zonder toornigheid. Sommigen leggen dit uit voor een beroering des geestes, als de conscientie bij zichzelve beroerd is, en als met God kijft: hetwelk pleegt te geschieden, als wij zeer met tegenspoed bezwaard worden. Want dan zijn wij niet wel tevreden, dat God ons niet terstond te hulpe komt, en worden door onlijdzaamheid verstoord. Het geloof wordt ook door menigerlei aanval bestreden: want dewijl wij zijn hulp niet zien, zoo komen ons twijfelingen in den zin, of Hij ook voor ons zorgt, en of Hij wil dat wij zalig worden of niet, en dergelijke. Zulke verschrikking van het twijfelachtige gemoed, meenen zij met het woord twijfeling beduid te worden. Alzoo zou naar hun meening dit de zin zijn, dat men moet bidden met geruste conscientie en onversaagd betrouwen. Anderen (gelijk Chrysostomus) meenen dat hier een gerust en liefelijk hart, dat vrij van alle beroering is, geëischt wordt, niet zoozeer tegen God als tegen de menschen: omdat niets de zuivere aanroeping Gods meer verhindert, Matt. 5:24. dan twist en kijving. Waarom Christus ook gebiedt, zoo iemand met zijn broeder oneens is, dat hij zich eerst daarmede verzoene, eer hij zijn gave tot het altaar brengt. Ik beken wel, dat deze beide dingen zeer waar zijn: maar als ik de omstandigheid der tegenwoordige plaats aanzie, zoo twijfel ik niet, of Paulus heeft op die twistingen gezien, die daaruit rezen, dat de Joden verbolgen waren, dat de Heidenen hun gelijk gemaakt waren, en streden daarom over hun roeping, ja verwierpen ze en verstieten ze van de gemeenschap der genade. Zoo wil dan Paulus, dat alle kinderen Gods in alle landen en onder alle volken, eendrachtelijk God bidden, zulke twistingen gestild zijnde. Hoewel, wij worden geenszins verhinderd, uit een bijzondere uitspraak een gemeene leer te nemen.

9 Desgelijks ook de vrouwen. Gelijk hij den mannen geboden heeft zuivere handen op te heffen, alzoo leert hij nu hoe de vrouwen zich behooren te gedragen om behoorlijk te bidden: en hij schijnt de deugden, die hij hier aanprijst, bedektelijk te stellen tegen de uitwendige heiliging der Joden. Want hij geeft te kennen, dat geen plaats onheilig is, van welke geen toegang is tot God, zooverre zij beiden mannen en vrouwen niet verhinderd worden door hunne zonden. Hij neemt oorzaak om dat gebrek te beteren, dat de vrouwen plegen te hebben, en het is ook mogelijk dat te Efeze, in zulk een rijke en vermaarde koopstad, dit gebrek meer geregeerd heeft, namelijk, de overgroote zorg en begeerte der versiering: zoo wil hij dan, dat haar versiering met schaamte en zedigheid gematigd zij. Want overdadigheid en onmatige onkosten komen daaruit, dat de menschen begeeren zichzelven te vertoonen tot hoovaardigheid of onkuisch-heid. Daarom moet men hieruit een regel nemen tot middelmatigheid. Want dewijl de kleeding een middelmatige zaak is, dat is, een ding dat in zichzelve noch goed noch kwaad is, (gelijk alle uitwendige dingen zijn) zoo kan men kwalijk een zekere mate voorhouden, hoeveel daarin geoorloofd is. De overheid mag wetten maken tegen overdadige kosten, waarmede de booze lusten eenigszins bedwongen worden, maar de godzalige leeraars, die de conscientie moeten regeeren, moeten altijd het einde van het behoorlijk gebruik

36

ocr page 41

1 TIMOTHEUS 2:Q—11. 37

aanzien. Alzoo zal immers dit altijd buiten allen twijfel zijn, dat alles in de kleeding te verwerpen is wat niet overeenkomt met schaamte en matigheid. Hoewel, men moet altijd beginnen van de genegenheid des harten; want waar innerlijk dartelheid regeert, daar is geen schaamte; waar innerlijk eergierigheid regeert, daar zal in de uitwendige kleeding geen zedigheid noch matigheid zijn. Maar dewijl de geveinsden hunne booze genegenheden plegen te bestrijken en te versieren met wat verf zij kunnen, zoo moet men ze noodwendig leiden tot wat uiterlijk aan hun persoon gezien kan worden. Het zou groote ongeschiktheid zijn, te loochenen dat schaamte den eerbaren en kuischen vrouwen betaamt, als hare eigene en eeuwige versiering: desgelijks dat een iegelijk behoort mate te houden. Zoo zullen zij dan tevergeefs verontschuldigen al hetgeen hiermee in strijd is. Daarna bestraft hij zekere soorten van overdadigheid bij name: als gekruld of gevlochten haar, kostelijke gesteenten en gouden gesmijde. Niet dat het gebruik van goud of van kostelijke gesteenten ganschelijk verboden is, maar omdat deze dingen, waar zij gezien worden, gemeenlijk dat kwaad medebrengen, waarvan ik gesproken heb, en rijzen uit de fontein der eergierigheid of onbeschaamdheid.

io Hetwelk den vrouwen betaamt. Want voorwaar de versiering eener eerbare en godzalige vrouw moet anders zijn dan der hoeren versiering. Nu, met deze teekenen, die hij gesteld heeft,

)

worden zij onderscheiden. Bovendien, zoo men godzaligheid moet betuigen en belijden met de werken, zoo moet ook deze belijdenis in de kuische kleeding gezien worden.

11 De vrouw leere in stilheid met alle onderworpenheid. iCor. 14:34.

12 Maar ik laat de vrouw niet toe dat zij leere, noch dat zij Gen. 3:ic. autoriteit aanneme over den man; maar dat zij stille zij.

13 Want Adam is eerst geschapen, daarna Eva. 2 G2e2u' 1:27;

14 En Adam is niet bedrogen geweest: maar de vrouw bedrogen Gen.'3;6. zijnde, is in overtreding schuldig geweest.

15 Doch zij zal behouden worden door kinderen-genereering, zoo zij blijven in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.

ii Dat de vrouw leere in stilheid. Als hij van de kleeding gesproken heeft, zoo stelt hij nu daarbij, met wat zedigheid en matigheid de vrouwen zichzelven behooren te gedragen in de heilige vergadering. En ten eerste gebiedt hij haar liefelijk te leeren: want stilheid beduidt zwijgen, dat zij niet mede haar beurt houden in het spreken in de vergadering; hetwelk hij daarna klaarder uitlegt, als hij haar verbiedt anderen te leeren. Niet dat hij haar wil verbieden het werk van het huisgezin te onderwijzen, maar hij wil haar alleen het leerambt verbieden, hetwelk God den mannen alleen bevolen heeft; van welke zaak wij gesproken hebben in den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs. Zoo iemand hiertegen voortbrengt De-bora en dergelijken, van welke wij lezen, dat zij door Gods bevel het Bicht. 4:4. volk Gods geregeerd hebben, zoo is het licht hierop te antwoorden,

dat de doorgaande loop der dingen, waaraan God ons heeft willen binden, niet teniet gemaakt wordt door de werken, die God buiten de orde doet. Zoo dan, zoo de vrouwen somtijds geleerd

i

I

ocr page 42

38 1 TIMOTHEUS 2; 11—14.

en geprofeteerd hebben, en dat verwekt zijnde door den Geest Gods, dat heeft die mogen doen, die van alle wetten vrij is. Maar dewijl dit bijzonder is, zoo strijdt het niet tegen den eeuwigen en gewonen loop der dingen. Hij stelt daarbij wat het leerambt allernaast is: Dat zij geen autoriteit aanneme over de mannen. Want dit is ! de oorzaak waarom het leerambt haar verboden wordt, te weten, omdat haar conditie dit niet toelaat. Want zij zijn onderworpen, en j het leerambt is een ding, dat macht of hoogeren graad medebrengt, j Hoewel, deze reden schijnt niet sterk genoeg te zijn, dewijl ook de profeten en leeraars den koningen en anderen overheden onderworpen zijn. Ik antwoord, dat daar geen ongeschiktheid in is, dat iemand over sommigen gesteld is, en aan sommige anderen onderworpen is; maar dit heeft geen plaats in de vrouwen, die van nature (dat is, naar de gewone wet Gods) geboren zijn om onderworpen te zijn. Want der vrouwen heerschappij hebben alle wijze mannen altijd als een ongeschikt ding verworpen. Zoo zal dan eenigszins de hemel met de aarde vermengd worden, zoo de vrouwen het leerambt aangrijpen. Zoo gebiedt hij dan den vrouwen stille te zijn, dat is, in hunne orde te blijven.

13 Adam is eerst geschapen. Hij brengt twee redenen voort, waarom de vrouwen den mannen moeten onderworpen zijn, te weten, omdat God van den beginne aan deze wet gesteld, en aan de vrouwen ook deze straf opgelegd heeft. Zoo leert hij dan, al ware het menschelijk geslacht in zijn eerste en oorspronkelijke volmaaktheid blijven staan, zoo eischt de rechte orde der natuur, die uit

Gen. 3:i6. Gods bevel gekomen is, dat de vrouwen onderworpen zijn. Dit wordt ook niet verhinderd, daarmede dat Adam van zijn eerste waardigheid afvallende, zich van de heerschappij beroofd heeft. Want in de verdorvenheid, die na de zonde gekomen is, blijft nog altijd eenig overblijfsel van den zegen Gods; en de vrouw moest door haar zonde geen voordeel hebben. Nochtans, dat Paulus voortbrengt dat de vrouw 't laatst geschapen is, schijnt geen sterke reden der onderwerping te zijn: want Johannes de Dooper is vóór Christus geweest naar den tijd, hoewel hij nochtans naar de waardigheid ver onder Christus was. Maar Paulus heeft gewild, hoewel hij dat niet uitdrukt, dat al de omstandigheden, die van Mozes verhaald worden, van de lezers zouden overlegd worden. Nu, Mozes leert dat de vrouw alzoo na geschapen is, dat zij gelijk een toeworp des mans is, en dat zij met die conditie den man is toegevoegd, dat zij bereid zij om hem dienst te doen. Dewijl dan God niet twee hoofden met gelijke macht geschapen heeft, maar den man een mindere hulpe heeft toegevoegd, zoo roept Paulus ons terecht weder tot die orde der schepping, waarin de eeuwige en onveranderlijke inzetting Gods aangewezen wordt.

14 En Adam is niet bedrogen geweest. Hij ziet op de straf, die aan de vrouw opgelegd is: Dewijl gij de stem der slang ge-

Gen. 3; ie. hoorzaam geweest zijt, zoo zult gij onder de macht des mans zijn: en uwe begeerte zal tot hem zijn. Want dewijl zij een verderfelijken raad gegeven had, zoo was zij waardig, dat zij leerde onder eens anders recht en goeddunken te staan; dewijl zij den man afgeleid had van Gods bevel, zoo was zij waardig, dat zij van alle vrijheid beroofd, en onder het juk gebracht werd. Maar de apostel heeft hier niet de eenvoudige of naakte oorzaak der overtreding voorgesteld,

ocr page 43

1 TIMOTHEUS 2 ; 14, 15.

maar steunt op het oordeel door God gesproken. Hoewel, deze twee dingen schijnen wat te strijden, te weten, dat de onderworpenheid der vrouw een straf der overtreding is, en dat zij nochtans haar van de schepping aan is opgelegd. Want daaruit volgt, dat zij der dienstbaarheid onderworpen is, eer zij zondigde. Ik antwoord, dat daar geen verhindering is waarom daar niet van den beginne aan een natuurlijke voorwaarde der gehoorzaamheid is geweest, en dat daarna om der zonden wil een bijkomstige voorwaarde van dienstbaarheid begonnen is, zoodat de onderworpenheid nu onedeler is dan zij tevoren zou geweest zijn. Voorts, uit deze plaats hebben sommigen oorzaak genomen om te zeggen, dat Adam niet heeft gedwaald, maar dat hij alleen door verlokkingen der vrouw overwonnen is. Zoo meenen zij dan, dat de vrouw alleen door des duivels listen is bedrogen geweest, zoodat zij geloofde, dat zij en haar man den Goden zouden gelijk worden: en dat Adam niet den duivel heeft gehoor gegeven, maar dat hij de vrucht gesmaakt heeft om zijns vrouws begeerte te doen. Maar het is licht deze meening te wederleggen. Want had hij des duivels leugen niet geloofd, zoo zou God hem niet verwijten, zeggende: Ziet, Adam is gelijk een van ons. Daar zijn nog andere redenen die ik verzwijg, want het is niet noodig deze dwaling, die zelfs niet op eenige ge-loofelijke gissing steunt, met vele woorden te wederleggen. Want Paulus geeft met zijne woorden niet te kennen, dat Adam niet door datzelfde bedrog des duivels is verstrikt geweest: maar alleen, dat de oorzaak of oorsprong der dwaling van Eva gekomen is.

15 Doch zjj zal behouden worden. Dewijl de vrouwen door de zwakheid van den vrouwelijken aard meer vreesachtig en kwaad vermoedende zijn; en de voorgaande sententie zoo was, dat ook zelfs een zeer manlijk hart daardoor zeer bewogen en verslagen had kunnen worden: daarom heeft hij met een vertroosting gematigd wat hij gezegd had. Want de Geest bestraft en berispt ons niet, om met ons te spotten als wij beschaamd zijn: maar de verslagenen richt Hij terstond weder op. De vrouwen (gelijk nu gezegd is) hadden hierdoor mismoedig kunnen worden, als zij hoorden dat het verderf des ganschen menschelijken geslachts haar toegerekend werd. Want wat groote schuld is dit? voornamelijk dewijl in de onderworpenheid de toorn Gods zonder ophouden voor oogen is. Zoo dan, om haar te vertroosten, en haar conditie dragelijk te maken, zoo vermaant hij dat haar nog hope der zaligheid overgebleven is, hoewel zij een tijdelijke straf dragen. Men moet deze dubbele vrucht der vertroosting aanmerken, te weten, dat zij door de voorgestelde hope harer zaligheid opgehouden worden, opdat zij door de vermelding harer schuld verschrikt zijnde, niet tot wanhoop en vertwijfeling vallen. Bovendien, dat zij gewoon gemaakt worden, goedsmoeds de noodige dienstbaarheid te dragen, en dat zij zich-zelven gaarne den mannen onderwerpen, als zij vermaand worden dat zulke gehoorzaamheid haar zalig en Gode aangenaam is. Zoo deze plaats gedraaid wordt om de rechtvaardigheid der werken te bevestigen, gelijk de papisten doen, zoo kan men lichtelijk antwoorden, dat men hier uit des apostels woorden niet moet besluiten wat de werken verdienen, dewijl hij niet handelt van de oorzaak onzer zaligheid: maar dat alleen getoond wordt door wat weg God ons tot de zaligheid leidt, tot welke Hij ons door zijn

30

ocr page 44

1 TIMOTHEUS 2 : 15.

genade verordend heeft. Door de genereering. Dit zou den neuswijzen menschen bespottelijk zijn, dat de apostel van Christus, de vrouwen niet alleen vermaant tot het werk der genereering der kinderen, maar dat hij het als een godzalig en heilig werk alzoo drijft, dat hij zegt dat het de weg is om zaligheid te verkrijgen. Ja wij zien ook hoe schandelijk de hypocrieten, die heiliger willen schijnen dan andere menschen, het huwelijksbed gelasterd hebben. Maar op de schimpingen der goddeloozen is licht te antwoorden. Want ten eerste handelt Paulus hier niet alleen van de genereering der kinderen, maar van alle zwarigheden te dragen, die zwaar en menigerlei waren, beide in het baren en in de opvoeding der kinderen. Bovendien, de geveinsden of wijzen dezer wereld mogen oordeelen wat zij willen, wanneer een vrouw overleggende waartoe zij geroepen is, zichzelve der conditie onderwerpt, die haar van God opgelegd is, en het verdriet van het kinderdragen, noch de walging der spijzen, noch de krankheden, noch de zwarigheid, ja groote pijn van het baren, noch de zorgvuldigheid voor de vrucht, noch andere dingen, die hare roeping aangaan, niet weigert, zoo acht God deze gehoorzaamheid hooger dan of zij anders van over-groote deugden roemde. Zoo zij in het geloof blijven. Dewijl de oude overzetter boven gesteld had: Genereering der kinderen, zoo zijn deze woorden: Zoo zij 'blijven, in 't gemeen geduid geweest op de kinderen. Maar in 't Grieksch heeft Paulus één woord gebruikt, alsof wij zeiden; Kinderbaring. Daarom moet men het noodwendig duiden op de vrouwen. Voorts, opdat hij alle deugden der vrouwen niet stelle in het ambt des huwelijks, zoo stelt hij terstond daarna ook grootere deugden, met welke de vrouwen be-hooren uitnemend te zijn, opdat zij van de onheiligen onderscheiden zijn. Ja, de genereering is dan eerst Gode een aangename dienst, als zij uit geloof en liefde voortkomt. Bij deze twee stelt hij heiligmaking, waarin de gansche zuiverheid des levens vervat wordt, die den Christelijken vrouwen betaamt. Ten laatste stelt hij daarbij matigheid, waarvan hij weinig tevoren gesproken had, waar hij van de kleeding handelde; maar nu strekt hij ze verder uit tot andere deelen des levens.

HET DERDE HOOFDSTUK.

1 Dit is een zeker woord: zoo iemand een opzienersambt begeert, die begeert een schoon werk.

Tit. 1:6. 2 Zoo moet clan een opziener onberispelijk zijn, ééner vrouwe man,

1) oneerlijk sober, matig, geschikt, gastvrij, bekwaam om te leeren:

2) of^ wreed. 3 Niet genegen tot wijn, geen slager, geen vuil-gewinzoeker: maar

zedig; niet kijfachtig, niet geldgierig.

4 Die zijn eigen hnis wel regeert, die zijne kinderen in gehoorzaamheid heeft met alle eerbieding;

5 Zoo iemand niet weet zijn eigen huis te regeeren, hoe zal hij de gemeente Gods bezorgen ?

3) Of dui- 6 Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen in des beschuldi-

veis. ' gers oordeel valle.

40

ocr page 45

41

7 En hij moet ook goede getuigenis hebben van degenen die Deut. 1:13. buiten zijn: opdat hij niet valle in het verwijt of den strik ^,quot;3, 'xg.'a, ' des duivels.

i tit is een zeker woord. Dat Chrysostomus meent, dat dit leen besluit der voorgaande leer is, behaagt mij niet. Want J—'Paulas pleegt deze wijze van spreken meer te gebruiken in het begin eener stof. Bovendien was daar zulke groote betuiging niet noodig. Maar wat hij nu zeggen zal, is wat gewichtiger. Zoo zijn dan deze woorden als een voorrede, om de gewichtigheid der zaak te beteekenen, dewijl Paulus nu een nieuwe stof begint van herders aan te stellen, en regeering der gemeente te ordenen. Zoo iemand een opzienersambt. Dewijl hij aan de vrouwen het leerambt verboden had, zoo neemt hij daaruit oorzaak om nu van het opzienersambt te handelen, ten eerste, opdat het te beter openbaar zij, dat hij niet zonder groote oorzaak de vrouwen niet heeft willen toelaten om zulk een zwaar ambt te bedienen; ten andere, opdat hij de vrouwen alleen daarvan verbiedende, niet schijne al de mannen zonder onderscheid toe te laten; ten derde, omdat het nut was dat Timotheus en anderen vermaand werden, wat groote godvree-zendheid men in het verkiezen der dienaren behoort te gebruiken.

Zoo is dan naar mijn gevoelen, dit het verband der woorden, alsof Paulus zeide; Dat het zoover daarvan is dat de vrouwen zouden bekwaam zijn om zulk een groot ambt te bedienen, dat men zelfs niet de mannen zonder onderscheid daartoe den weg kan openen. Zoo vermaant hij dan, dat het niet zoo klein noch gemeen werk is, dat een iegelijk zou mogen bestaan dat aan te gaan. Want als hij zegt schoon, zoo ziet hij zonder twijfel op het spreekwoord: Wat schoon is, is zwaar om te doen; en stelt alzoo de zwarigheid bij de uitnemendheid. Ja hij redeneert aldus: Dat niet een iegelijk het opzienersambt kan bedienen, omdat het een uitnemende zaak is. Ik meen, dat de zin van Paulus nu klaar genoeg is: welken nochtans geen uitlegger gevat heeft, dat ik weet. De inhoud is, dat men in het aannemen der opzieners onderscheid moet maken, omdat het een zwaar en werkzaam ambt is, en dat degenen die daarnaar staan, naarstiglijk bij zichzelven moeten overleggen, of zij bekwaam zijn om zulken grooten last te dragen. De onwetendheid is altijd stout; en de voorzichtige wetenschap der dingen maakt den mensch zedig en matig. Waaruit komt het, dat dikmaals die met zulke groote stoutheid het regeerambt begeeren, die geen verstand noch voorzichtigheid hebben, dan omdat zij als met gesloten oogen vallen? Alzoo heeft Quintilianus gezegd, dat de ongeleerden zeer dapper spreken, waar de grootste redenaars beven. Als Paulus zulke lichtvaardigheid in het begeeren van het opzienersambt wil verhinderen, zoo vermaant hij ten eerste, dat het geen ledige waardigheid of ambt is, maar een werk is: daarna dat het niet een gemeen werk is, maar een uitnemend, en dat het daarom lastig en vol zwarigheid is, gelijk het in der waarheid is. Want het is geen lichte zaak, in zulke groote bediening den persoon des Zoons Gods te dragen, waar gehandeld wordt van de oprichting en verbreiding des rijks Gods, en van de bezorging der zaligheid der zielen, welke de Heere verwaardigd heeft met zijn dierbaar bloed te verlossen,

en van de regeering der gemeente, welke is de erve Gods. Maar

' 'i-'i

ocr page 46

1 TIMOTHEUS 3:1, 2.

ik heb niet voorgenomen hier een preek te houden, en Pauhis zal deze stof wederom in het volgende hoofdstuk aanroeren. Maar men kon vragen, of men ook eenigszins het opzienersambt mag begeeren ? Want dat schijnt ongeschiktheid te zijn, zoo iemand met zijne begeerte de roeping Gods voorkomt. En nu, als Paulus de lichtvaardige begeerte bestraft, zoo schijnt hij toe te laten, dat iemand voorzichtig en matig begeere. Ik antwoord: Zoo de eerzoeking in andere dingen bestraffelijk is, zoo is zij in het opzienerschap veel zwaarder te bestraffen. Maar de apostel spreekt van een godzalige begeerte, waardoor heilige mannen al de leer, die zij hebben, zoeken voort te brengen tot stichting der gemeente. Want zoo het ganschelijk ongeoorloofd ware het leerambt te begeeren, waartoe zouden die zich voorbereiden, die al hun jonge jaren in het lezen der Heilige Schrift doorbrengen. Zijn de theologische scholen niet de kweekplaatsen der herders? Daarom, degenen die alzoo onderwezen en geleerd zijn, dien is het niet alleen geoorloofd, maar zij moeten ook eer zij tot het ambt verkoren zijn, hun dienst Gode heiligen, zichzelven willig voorstellende: doch zoover zij zichzelven niet zelf daarin steken, noch door hun begeerte zichzelven tot opzieners verordenen, maar dat zij alleen bereid zijn om het ambt te bedienen, zoo hun dienst begeerd wordt Zoo zij naar behoorlijke orde niet geroepen worden, zoo zullen zij weten, dat het Gode anders behaagd heeft, en zullen het niet kwalijk nemen, dat anderen voor hen gesteld worden. Maar degenen, die zichzelven geenszins aanziende, alleen begeeren Gode en der gemeente te dienen, die zullen alzoo gezind zijn: en zullen ook zoo matig zijn, dat zij het niet zullen benijden, zoo anderen als waardiger voor hen verkoren worden. Zoo iemand tegenwerpt, dat de regeering der gemeente zoo zwaar is, dat verstandige menschen meer behooren daarvan af te schrikken, dan dat te begeeren: ik antwoord, dat de begeerte der godzaligen niet steunt op het betrouwen van hun eigen vernuft of deugd, maar op Gods hulp, van welke onze bekwaamheid 2 cor. 3; 6. komt: gelijk Paulus op een andere plaats leert. Voorts moet men aanmerken wat Paulus een opzienersambt of ambt eens bis-schops noemt, en dat des te meer, omdat de ouden door de gewoonte van hun tijd van den rechten zin afgeleid zijn, door onderscheid te maken tusschen opziener en bisschop. Want waar Paulus onder het woord opziener of bisschop (gelijk er eigenlijk staat) samengevat heeft alle herders, hebben de ouden daardoor verstaan dien, die in elk college of vergadering verkoren werd om de broeders voor te zitten. Zoo zullen wij dan gedachtig zijn, dat dit woord opziener (bisschop), zooveel is alsof hij gezegd had, dienaars, herders of ouderlingen.

2 Zoo moet dan. Het woord dan, bevestigt die uitlegging, die ik gesteld heb: want naar de waardigheid van het ambt, besluit hij dat het een man moet zijn met uitnemende gaven, en niet elk mensch uit den gemeenen hoop. Ware het een goed werk, gelijk de oude overzetter gesteld heeft, of een eerlijk werk, gelijk Erasmus gesteld heeft, zoo zou dit besluit niet sluiten. Hij wil, dat een opziener onbe-Tit. i:7. straffelijk is, gelijk ook in den brief aan Titus: beduidende in beide plaatsen, dat hij niet met eenige kwade faam of schande moet bezwaard zijn, waardoor hij zijn autoriteit zou verliezen. Want onder de menschen zal men niemand vinden, die zuiver is van alle feil. Maar

42

ocr page 47

1 TIMOTHKUS 3 : 2.

gemeene feilen te hebben, waardoor de naam en faam niet geschonden wordt, dewijl zij ook in den allereerlijksten mensch gevonden worden, is iets anders dan een boezen naam te hebben, of door eenige schandelijkheid onteerd te zijn. Zoo dan, opdat de opziener niet zonder autoriteit zij, zoo gebiedt hij een te verkiezen, die van eerlijke en ongeschonden faam is, en met geen kennelijke feil bevangen. Voorts, hij leert niet alleen Timotheus hoedanige opzieners hij moet verkiezen, maar vermaant ook een iegelijk, die naar zulken graad staat, dat zij zichzelven en hun eigen leven naarstig onderzoeken. Éener vrouwe man. Het is kinderachtig, dat sommigen dit uitleggen, dat hij alleen van ééne gemeente herder zij. De andere uitlegging is aannemelijker; Dat men behoort die aan te nemen,

die niet tweemaal gehuwd zijn geweest, maar een vrouw gehad hebbende, nu weduwnaars zijn. Maar zoowel hier als tot Titus,

luiden de woorden aldus; Die is, en niet: Die geweest is. En hierna, als hij van de weduwen zal spreken, zal hij met onderscheid een woord in den verleden tijd gebruiken. Bovendien zou hij alzoo tegen zichzelven strijden, dewijl hij op een andere plaats betuigt, 1 Cor-7:35-dat hij de conscientiën zulk een strik niet wil aanwerpen. Zoo is dan de uitlegging van Chrysostomus alleen waar, dat het in een opziener gestraft wordt meer vrouwen te hebben dan ééne: hetwelk te dien tijde bij de Joden bijna voor een wet was. En zij hadden het eensdeels uit de verkeerde navolging der vaderen. Want als zij lazen, dat Abraham, Jakob, David en anderen meer vrouwen tegelijk hadden dan ééne, zoo meenden zij dat hetzelve hun ook geoorloofd was. Anderdeels hadden zij deze verdorvenheid van de omwonende heidenen geleerd. Want in het Oosten is het huwelijk nooit met zulke godvreezendheid en trouw gehouden geweest als het betaamde. Hoe het zij, het was bij hen een gewoonte geworden vele vrouwen te hebben. Daarom is het niet zonder oorzaak, dat Paulus gebiedt, dat een opziener van deze smetten vrij zij.

Toch verwerp ik dier menschen meening niet, die meenen dat de Heilige Geest die duivelsche superstitie heeft willen voorkomen, die daarna is opgerezen: alsof hij gezegd had, dat men de opzieners niet alleen niet moet dwingen geen vrouw te hebben, maar dat het huwelijk den godzaligen zeer wel betaamt. Naar deze wijze zou hij dit van hen niet eischen als een noodig iets, maar zou het alleen prijzen, als niet vreemd zijnde aan de waardigheid des ambts.

Toch is het eenvoudiger en vaster, wat ik nu gezegd heb, te weten, dat Paulus den opzieners verbiedt meer dan ééne vrouw te hebben,

dewijl het een teeken is dergenen die onkuisch zijn, en die de huwelijkstrouw niet houden. Maar hier wordt tegengeworpen, dat wat in alle menschen zondig is, niet in de opzieners alleen behoort gestraft of verboden te worden. Hierop is licht te antwoorden, te weten, dat het niet terstond daarom anderen toegelaten wordt, omdat het bijname den opzieners verboden wordt. Paulus heeft zonder twijfel verboden al wat tegen de eeuwige wet Gods strijdt.

Want dit is zeker en vast: Deze twee zullen één vleesch zijn. Maar aen-2 =24-hij mocht in anderen eenigszins dulden, wat in een opziener te schandelijk, en daarom te onverdragelijk ware. Want hier wordt niet voor later een wet gegeven, dat een opziener, die een vrouw heeft,

niet daarna de tweede of ook de derde neme: maar hij verwerpt ze allen van de orde der opzieners, die zulke schandelijkheid ge-

43

ocr page 48

1 TIMOTHEUS 3:2, 3.

daan hebben. Zoo dan, wat nu gedaan zijnde, niet kon gebeterd worden, wordt hij gedwongen te dragen, doch alleen in het gemeene volk. Want wat remedie kon men daartegen doen? Zouden zij de tweede of derde vrouw verworpen hebben, die onder het Jodendom vele vrouwen genomen hadden? Zulke verwerping zou niet zonder onrecht geweest zijn. Zoo dan, wat niet wel doenlijk was, gaat hij onaangeroerd voorbij: hij heeft alleen uitgenomen, dat geen opziener met zulke smet bevlekt zij. Sober. Erasmus heeft overgezet, wakende. En dewijl het Grieksche woord beide beduidt, zoo zullen de lezers verkiezen wat zij willen. Het volgende woord wil ik liever overzetten matig dan sober, omdat het verder strekt. Geschikt, is die zichzelven betamelijk en eerlijk gedraagt. De gast-vryheid wordt bewezen aan de vreemden, en was bij de ouden zeer gebruikelijk. Want het zou den eerlijken menschen, en voornamelijk den bekenden, schande geweest zijn in de herbergen te lo-geeren. Het is heden iets anders. Doch deze deugd is en zal altijd om vele oorzaken, in een opziener noodig wezen. Ook hebben in de wreede vervolging der godzaligen, velen hun woonstede moeten veranderen, en daarom was het noodig, dat de huizen der opzieners der ballingen toevlucht waren. Ja, de nood der tijden heeft de gemeenten gedwongen tot onderlinge verlichting, dat de een den ander herberg verleende. En zoo de opzieners niet aan de anderen den weg hadden gewezen, zoo zouden velen door hun voorbeeld de beleefdheid en vriendelijkheid vergeten hebben: en alzoo zouden de ellendige ballingen omgekomen zijn. Bekwaam om te leeren. In den zendbrief aan Titus wordt de leer duidelijker gemeld. Hier stelt hij alleen met korte woorden de bekwaamheid. Want het is niet genoeg, dat iemand verborgen geleerdheid heeft, tenzij ook de genade van leeren daarbij is. Want velen houden in zich verborgen wat zij weten, omdat zij een onbekwame tong hebben, of omdat hun verstand niet klaar genoeg is, of omdat zij niet eenvoudig genoeg zijn in hun wijze van spreken. Dezulken moeten zich voegen tot andere dingen. Degenen die de zorg hebben het volk te regeeren en te leeren, moeten bekwaam zijn. En hier wordt niet alleen de vaardigheid van tong geëischt. Want men ziet velen die welsprekend zijn, in wier vaardig babbelen geen stichting is: maar hier wordt meer voorzichtigheid geprezen, dat het Woord Gods met kennis van zaken gevoegd worde tot het gebruik des volks. Het is waardig om te overleggen, hoezeer de papisten achten dat het hun niet aangaat, al wat de apostel hier leert. Want ik wil niet elk ding overleggen en optellen. Laat ons alleen dit laatste punt nemen; Ik bid u, met wat groote naarstigheid wordt dit bij hen bewaard. En voorwaar, deze gave zou overbodig zijn, dewijl zij het leerambt als een verachtelijk ding van zich werpen, hetwelk nochtans den opziener allereigenlijkst toekomt. Het is ook niemand verborgen, hoe verre het van den regel van Paulus is, dat een stom persoon aan den naam opziener of bisschop komt, alleen zoo hij de tooverachtige kleeding aan heeft: alsof de gehoornde bisschopsmuts, de ring wel met steenen versierd, de zilveren staf, en diergelijke beuzelingen met den bespottelijken opschik, een geestelijke regeering der gemeente maakten, welke nochtans niet meer van de leer kan afgescheiden worden, dan een iegelijk onzer van zijn eigen ziel.

3 Niet genegen tot den wijn. Met dit woord, dat Paulus hier

44

ocr page 49

1 TIMOTHEUS 3:3, 4.

gebruikt, beduiden de Grieken niet alleen dronkenschap, maar ook alle onmatigheid in het drinken. En voorwaar, het onmatig drinken is niet alleen een herder onbetamelijk, maar brengt ook vele boozere dingen mede: als gekijf, ongeschikte gebaren, dartelheiden andere dingen, die niet noodig zijn te verhalen. Maar de tegenstelling, die hij weinig daarna daarbij stelt, toont dat Paulus verder gaat. Want gelijk niet kijfachtig, gesteld wordt tegen slager of vechter, en niet gierig tegen begeerte naar vuil gewin: alzoo wordt zedig, gesteld tegen genegen tot den wijn. Zoo is dan de uitlegging-van Chrysostomus waar, te weten, dat de menschen van wijnzuchtigen en wreeden aard, van het opzienersambt verworpen worden. Dat Chrysostomus dat woord slager, neemt voor dien die met de tong slaat, (dat is, die lastert, of met gekijf wreedelijk opstuift) neem ik niet aan. Zijn reden beweegt mij ook niet, te weten, dat het niets groots zou wezen, ofschoon een opziener met de hand niet slaat.

Want ik meen, dat de krijgslustige wreedheid hier bestraft wordt,

welke den dienaren van Christus alzoo kwalijk dient, als iets anders.

Want dat is wel bekend, hoe bespottelijk die zich maken, die vaardiger zijn om met de vuist (opdat ik niet zeg met het zwaard) te slaan, dan om door hun gestadigheid anderer menschen gekijf te stillen. Zoo noemt hij dan slagers, die dreigachtig en hittig zijn. Vuil-gewinzoekers zijn alle gierigen: want zoo waar gierigheid is, daar zal ook mede terstond deze schandelijkheid wezen, waarvan de apostel meldt. Want daar zegt een: Wie rijk wil worden, die wil haastelijk rijk worden. Hieruit komt het, dat alle gierigen zich-zelven begeven tot schandelijk en ongeoorloofd gewin, al is het zaak dat het openlijk niet schijnt. Daarom stelt hij tegen die feil de verachting des gelds: gelijk er geen ander remedie is, waardoor het zou kunnen gebeterd worden. Ik zeg, zoo wie niet gaarne en goedsmoeds armoede verdraagt, die zal deze ziekte der vuile en slaafsche begeerlijkheid nimmermeer ontgaan. Tegen het woord slager, stelt hij zedig en niet kijfachtig. Het woord zedig, hetwelk (gelijk ik gezegd heb) gesteld is tegen genegen tot den wijn,

beduidt dien, die met stil en matig gemoed onrecht lijden kan, die veel vergeeft, die verbolgenheden verdraagt, die niet vreeselijk is door scherpe strengheid, noch het uiterste recht in alle dingen wil behouden. Niet kijfachtig is die, die twist en strijd vliedt. Want gelijk hij op een andere plaats schrijft: Het betaamt den dienst-2 Tim. 2:24. knechten des Heeren niet, dat zij vechtachtig zijn.

4 Die zyn eigen huis wel regeert. Hieruit is het openbaar, dat Paulus niet wil, dat een opziener onwetend is wat het zij in de wereld te leven, maar dat hij een goed en loflijk huisvader zij.

Want ofschoon de ongehuwde stand en het philosophische leven, dat ganschelijk verre is van de algemeene wijze, meer geprezen wordt, zoo wordt nochtans den voorzichtigen en verstandigen menschen dit bewezen, dat die geschikter en bekwamer zijn om de gemeente te regeeren, die des gemeenen levens niet onwetende zijn,

maar in het werk van den omgang met menschen zijn geoefend.

Daarom moet men die reden aanmerken, die hij weinig hierna daarbij stelt, te weten, dat die niet bekwaam is om de gemeente Gods te regeeren, die niet weet zijn huisgezin te regeeren. Nu zijn daar zeer velen, ja bijna allen, die uit dit ledig en eenzaam leven, dat is,

uit de monnikerij als uit een kuil en spelonk uitgetrokken wor-

45

ocr page 50

46

den, zijn zulken, te weten, eenigszins wilde en onbeleefde menschen. Nochtans prijst Paulus hier niet een mensch, die gevat en in huishouding wel ervaren is, maar die geleerd heeft zijn huisgezin te regeeren met eerlijke discipline. Hij spreekt voornamelijk van de kinderen, die hun vaders aard moeten vertoonen. Daarom zal het een opziener groote schande wezen, zoo hij kinderen heeft, die boos leven. Van de vrouwen zal hij hierna spreken. Nu roert hij het voornaamste deel van het huis aan, gelijk ik gezegd heb. In het eerste hoofdstuk aan Titus leert hij, wat hij hier beduidt met het woord eerbieding. Want als hij gezegd heeft, dat de kinderen des opzieners niet hardnekkig en ongehoorzaam moeten zijn, zoo zet hij ook daarbij, dat zij ook niet met de oneer der ongebondenheid of onmatigheid moeten bevangen zijn. In één woord, hij wil dat hun leven en zeden tot alle kuischheid, matigheid, en zedigheid geschikt zij. Dat bewijs van minder tot meerder dat daar volgt, is uit zich-zelve klaar, te weten, dat die geenszins genoegzaam is om het volk te regeeren, die onbekwaam is om zijn eigen huisgezin te regeeren. Want behalve dat daaruit openbaar is, dat hij de noodige gaven en deugden niet heeft, wat autoriteit of ontzag zal hij kunnen hebben onder het volk, als zijn eigen huis hem verachtelijk maakt?

6 Geen nieuweling. Dewijl te dier tijd velen in verstand en leer uitnemende, tot het geloof gebracht werden, daarom verbiedt Paulus zulken tot het opzienersambt toe te laten, terstond als zij zich tot Christus begeven hebben: want hij toont wat groot gevaar daarin gelegen is; want het is openbaar, dat zij meest opgeblazen en vol eergierigheid zijn. En alzoo zullen zij door hoovaardigheid en eer-zoeking vallen. Wat Paulus zegt, bevinden wij ook: want de nieuwelingen zijn niet alleen vurig om wat aan te gaan, maar zijn ook opgeblazen met dwaze vermetelheid, alsof zij door de wolken vliegen konden. Daarom is het niet zonder oorzaak, dat zij van de eere van het opzienersvak afgehouden worden, totdat mettertijd de hoogheid des verstands getemd worde. Het oordeel des beschuldigers. Dit kan men drieërlei wijze uitleggen. Want door dit woord beschuldiger, verstaan sommigen den duivel, anderen den lasteraar. De eerste zin behaagt mij best, omdat zelden door dat woord oordeel, kwaadsprekendheid beduid wordt. Doch wederom kunnen deze woorden, oordeel des duivels, zoowel actief als passief genomen worden, dat zij beduiden dat oordeel, waarmede de duivel oordeelt, of waarmede hij geoordeeld wordt. Het laatste heeft Chrysostomus gevolgd, en ik gevoel lichtelijk met hem. Want het is een fijne vergelijking, waardoor de groote onwaardigheid der zaak verheven wordt: zoo degene, die over de gemeente Gods gesteld wordt, door zijn hoovaardigheid valt in dezelfde verdoemenis, waarin de duivel gevallen is. Hoewel ik den anderen zin niet verwerp, te weten, dat hij den duivel oorzaak geven zal om door hem beschuldigd te worden; maar Chrysostomus' meening is juister.

7 Getuigenis van degenen, die buiten z|jn. Dit schijnt zeer moeilijk te zijn, dat een godzalig man de ongeloovigen zou hebben tot getuigen zijner oprechtheid, die toch razen met begeerte om tegen ons te liegen. Maar de meening des apostels is, dat zooveel den uitwendigen wandel aangaat, de ongeloovigen ook gedwongen worden te bekennen, dat hij een goed man is. Want hoewel zij alle kinderen Gods zonder oorzaak lasteren, zoo kunnen zij nochtans

ocr page 51

1 TIMOTHEUS 3 : 7—9.

dien niet oordeelen boos te zijn, die eerlijk en onschuldig onder ,

hen gewandeld heeft. Zulke kennis der eerbaarheid bedoelt Paulus hier. De oorzaak wordt daarbij gesteld: Opdat hjj niet valle in het verwijt, enz. Hetwelk ik aldus uitleg; Dat hij niet der schande

onderworpen zijnde, beginne onbeschaamd te worden, en met zoo- ,1/

veel te grooter vrijheid beginne zichzelven tot alle boosheid over

te geven, hetwelk is zichzelven in des duivels netten verstrikken. , f

Want wat hope is daar meer, waar geen schaamte der zonde is. ' :

8 De diakenen desgelijks moeten gestadig zijn, niet tweetongig, Haud. 6:3. V zich niet tot veel wijns begeven, niet vuil gewin zoekende; ^

9 Hebbende de verborgenheid des geloofs in zuivere conscientie. i Tim. 1:19.

10 En dezen zullen eerst beproefd worden, en daarna dienen, als ^ -zij onbestraffelijk bevonden zijn. ' V

11 De vrouwen desgelijks gestadig, geene lasteressen, sober, getrouw in alle dingen. , -i

12 De diakenen zullen ééner vrouwe mannen zijn, die hunne kin- • deren eerlijk regeeren, en hunne buisgezinnen. ■ , ^

13 Want degenen, die wel dienen, die verkrijgen zich eenen goe- Matt. 25:21.

den opgang, en groote vrijheid in het geloof, hetwelk in Christus njke °f' eer Jezus is.

' iv

8 De diakenen desgelijks. De onderscheidene uitleggingen moeten iv jj ons geen bezwaar maken. Het is zeker, dat de apostel handelt van ' ^ degenen, die een gemeene bediening in de gemeente hebben: waarmede 1 ; dier menschen meening wederlegd wordt, die meenen dat de huis- ' t;';, knechten hiermede bedoeld worden. En dat anderen het verstaan van -r}''' de priesters, die minder zijn dan de bisschop, heeft geen grond: ^ want het is uit andere plaatsen openbaar, dat de naam bisschop ' allen priesters gemeen zij geweest, en dit moeten alle lezers beken- vVj nen. En inzonderheid de plaats in het eerste hoofdstuk aan Titus vs. 7

betuigt genoeg, dat het deze beteekenis heeft. Zoo moeten wij dan Ü !

door het woord diakenen, die verstaan die Lukas meldt, Hand. 6:3, , i ,

dezen zijn die de armen bezorgden. Maar zoo wie meer wil lezen W

van hun ambt, die zoeke het in onze «Institutiequot;. De vier eerste ;

deugden zijn uit zichzelven genoeg bekend, die hij in de diakenen wil hebben. Doch het is naarstig aan te merken, dat hij vermaant dat zij niet tweetongig zijn: omdat die feil zeer moeilijk in die be-

diening kan vermijd worden, en moet nochtans even zoozeer als ^

eenig ander ding, zeer verre daarvan zijn.

9 Hebbende de verborgenheid des geloofs. Dit is zooveel alsof hij gezegd had: Die de zuivere leer der religie houden, en dat van harte, met ernstige vreeze Gods; of, die behoorlijk in het geloof onderwezen zijn, zoodat zij alle dingen weten, die een Christenmensch

noodig zijn te weten. Doch hij heeft met eerbied den inhoud der ,

godzalige leer genoemd: verborgenheid, gelijk voorwaar God door

het Evangelie den menschen op aarde de wijsheid openbaart, over

welke de engelen in den hemel zich verwonderen; waarom het geen ;

wonder is, zoo zij der menschen vernuft te boven gaat. Zoo zullen

wij dan gedenken, dat wij ze met zeer grooten eerbied moeten aan- '*

nemen. En dewijl wij door eigen vernuft nimmermeer tot zulke

groote hoogheid zouden kunnen opklimmen, zoo moeten wij oot- Ai,

moedig God bidden, dat Hij ze ons door zijnen Geest opene. We- V

m

ocr page 52

1 TIMOTHEUS 3:9—13.

derom als wij zien, dat de goddeloozen dezelve bespotten, of niet smaken: zoo zullen wij bekennen, dat het uit Gods genade is, dat Deut. 30;ii. wij de dingen, die anderen verborgen zijn, in onze harten en oogen hebben, gelijk Mozes zegt. Zoo wil hij dan, dat de diakenen in de verborgenheid des geloofs onderwezen zijn; want hoewel zij het leerambt niet hebben, zoo zou het nochtans veel te ongeschikt zijn, dat zij een ambt in de gemeente zouden bedienen, en in het Christelijk geloof ongeoefend zijn: voornamelijk, dewijl daar dikmaals nood komt om te vermanen en te vertroosten, zoo zij hun ambt wel willen bedienen. Hij stelt daarbij: In zuivere conscientie, welke strekt tot het gansche leven, en ook opdat zij weten, dat zij dan God dienen.

io En dezen zullen eerst beproefd worden. Hij wil, dat men niet onbekenden zal verkiezen, maar die bevonden zijn goed en eerbaar te zijn, gelijk in de opzieners. En hieruit is het openbaar, dat die genoemd worden onbestraffelijk, die geen bijzonder feil hebben. Nu, deze beproeving geschiedt niet in een uur, maar is in lange ondervinding gelegen. De inhoud is, dat men wanneer van diakenen te verkiezen gehandeld wordt, niet lichtvaardig allerlei men-schen zonder uitzondering moet aanstellen, maar dat men die moet ordineeren, die door hun voorgaand leven alzoo aangeprezen worden, dat het na onderzoek nu openbaar is, dat zij bekwaam zijn.

n De vrouwen desgelijks. Hij spreekt zoowel van de vrouwen der diakenen, als der opzieners: want zij moeten hunne mannen behulpzaam zijn in hun ambt: hetwelk niet kan geschieden, zoo zij niet geschikter zijn dan andere vrouwen. En dewijl hij de vrouwen gemeld had, zoo gebiedt hij hetzelfde van de diakenen, wat hij boven van de opzieners geboden had, te weten, dat een iegelijk van hen met e'e'n vrouw tevreden zijnde, een exempel eens kuischen en eerbaren huisvaders zij, en zijn kinderen en het gansche huisgezin in heilige tucht houde. En hieruit wordt dier menschen dwaling wederlegd, die deze plaats verstaan van huisknechten.

13 Die wel dienen. Dewijl een honderd jaren of twee na den dood der apostelen, die gewoonte geworden is, dat uit de diakenen priesters verkoren werden, zoo hebben zij in het gemeen deze plaats uitgelegd van het opklimmen tot een hoogeren graad: alsof Paulus die tot de eere des ouderlingschaps riep, die getrouw diakenen geweest waren. Hoewel ik niet ontken, dat de orde der diakenen somtijds een kweekschool kan gelijk zijn, waaruit ouderlingen genomen worden: zoo neem ik nochtans eenvoudiger de woorden van Paulus: alzoo, dat degenen, die dit ambt bediend hebben, geen kleine eer waardig zijn, dewijl het geen onreine oefening is, maar een bijzondere eerlijke dienst. Voorts, met deze woorden geeft hij te kennen, hoeveel der gemeente daaraan gelegen is, dat dit ambt van uitverkorene mannen bediend worde: dewijl men door heilige bediening zeer geacht wordt, en eerbied verkrijgt. Voorts, de papisten zijn meer dan bespottelijk, als zij voorwenden, dat zij in hunne diakenen doen wat Paulus leert. Ten eerste, waartoe maken zij hunne diakenen dan opdat zij den kelk dragen voor den priester in de processie, of in het aangaan van de mis, en de oogen der ongelooyigen met ik weet niet wat schouwspelen voeden? Ja zij onderhouden ook zelfs dit niet; want daar is in vijfhonderd jaren niet ée'n diaken aangesteld, dan om uit dezen rang terstond tot het priesterschap op

48

ocr page 53

• •, I

1 TIMOTHEUS 3 : 13—15. 4Q

te klimmen. Wat groote onbeschaamdheid is het dan, dat zij roemen, dat die tot hoogeren graad geleid worden, die wel gediend hebben: dewijl zij die alleen verwaardigen tot ouderlingen temaken,

die nooit geen deel van het voorgaande ambt aangeroerd hebben.

Vrijheid in het geloof. Terecht heeft hij dit daarbij gesteld; want i »

er is geen ding, waardoor men zoo vrij wordt als een goede con- ;

scientie, en een leven dat van zonde en oneer vrij is: gelijk daartegen die vreesachtig moeten zijn, die een kwade conscientie heb- ' ben. Is het dat zij zichzelven somtijds in ongebonden vrijheid verheugen, zoo is die niet recht noch duurzaam, noch heeft geen waarde. Daarom drukt hij ook uit, wat vrijheid hij meent: In het geloof, zegt hij, hetwelk in Christus is, te weten, opdat zij met zooveel te grooter betrouwen Christus dienen. Gelijk zij wederom een gestopten mond en gebonden handen hebben, en onbekwaam vy zijn om goed te doen, die schandelijk in hunnen dienst gewandeld

hebben: want hun wordt geen gehoor noch geloof gegeven. ,

14 Dit schrijf ik u, hopende haast tot u te komen.

15 Zoo ik te lang vertoef, opdat gij moogt zien, hoe men behoort ' • quot; in het huis Gods te wandelen, hetwelk is de gemeente des

levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid. Matt■ 10 ■18-

16 En zonder twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot;

God is geopenbaard in het vleesch, gerechtvaardigd in den Bar'3:37'

Geest, gezien van de engelen, gepredikt den heidenen, geloofd Ef- 3 '•5' fi-in de wereld, ontvangen in de heerlijkheid.

'V 1 f•

14 Dit schrijf ik u. Hij geeft Timotheus hope van zijn komst, eens-deels om hem moed te geven, en anderdeels de stijf halzigheid dier

menschen te bedwingen, die door zijn afwezen te ongebondener waren. A;

Nochtans belooft hij Timotheus niets verdichts, noch verschrikt ook de anderen niet door bedrog. Want hij hoopt ganschelijk te komen,

gelijk het ook geloofelijk is dat hij gekomen is, zoo hij dezen zendbrief geschreven heeft ten tijde toen hij Frygië doorreisde, gelijk ^ Lukas verhaalt Hand. 18:38. Dit zij ons een bewijs, met wat groote y.quot; zorgvuldigheid hij de gemeente bezorgd heeft, dewijl hij niet kon dulden, dat de remedie van het tegenwoordige kwaad een weinig tijds uitgesteld werd. Hoewel, hij zegt terstond daarbij, dat deze

zendbrief geschreven is om Timotheus te onderwijzen, zoo het mo- -i-.

gelijk gebeurde, dat hij langer van daar bleef dan hij meende. '

15 Hoe men behoort in het huis Gods. Met deze wijze van

spreken prijst hij de waardigheid en het gewicht des ambts: dewijl ..

de herders zijn als huishouders, wien de Heere zijn gemeente be-

volen heeft te regeeren. Zoo iemand een groot huisgezin te regee- V

ren heeft, die zorgt nacht en dag, en is naarstig dat geen ding j •

door zijn vergetelheid, of onwetendheid, of onachtzaamheid verloren ga. Zoo men om de menschen zooveel doet, hoeveel meer behoort

men om God te doen. Voorts is het niet zonder oorzaak waarom ',1;

God verwaardigt zijne gemeente met dezen naam te noemen, dewijl . ;

Hij niet alleen ons door de genade der aanneming tot kinderen

ontvangen heeft, maar ook midden onder ons woont. Daarna volgt •„

ook geen kleine verheffing, als hij ze noemt: De pilaar en de

vastigheid der waarheid. Want wat kon hij grooters van haar V-'

* ' :

i. .

: ivj ■ ■ .

,■ r: a

zeggen? Wat is er hooger en heiliger, waarin beide Gods eer en

■r

Dl. VI.

ocr page 54

1 TIMOTHEUS 3 ; 15.

50

der menschen zaligheid vervat wordt. Zoo al de lof der heidensche philosophic, waarmede zij van hare discipelen versierd wordt, op een hoop verzameld werd, wat zou het wezen bij de waardigheid dezer hemelsche wijsheid, welke alleen waardig is het licht, en de waarheid, en de leer des levens, en de weg, en het rijk Gods genoemd te worden. En deze wordt door den eenigen dienst der gemeente op aarde behouden. Wat grooten last hebben dan de herders op hunnen hals, dewijl zij over de bewaring van zulk een onuitspre-kelijken schat gesteld zijn. Zoo beuzelen dan de papisten onbeschaamd, die uit de woorden van Paulus besluiten, dat al hunne razernijen voor Gods Woord moeten geacht worden, omdat zij zijn de pilaren der waarheid, en daarom ook niet kunnen dwalen. Ten eerste moet men zien waarom Paulus de gemeente met zulk een schoonen naam versiert. Hij heeft zonder twijfel de herders, hun de grootheid van hun ambt voor oogen stellende, willen vermanen, met wat groote trouw, naarstigheid en eerbieding zij dat behooren te bedienen. Want hoe gruwelijk zal de straf wezen, zoo door hun schuld die waarheid vervalt, die het beeld der goddelijke heerlijkheid, het licht der wereld, en de zaligheid der menschen is? Voorwaar, die gedachte moet een gedurige vreeze den herders aanbrengen, niet opdat zij daardoor verslagen en mismoedig worden, maar opdat zij tot naarstige wacht vermaand worden. Hieruit kan men lichtelijk verstaan, in wat zin Paulus alzoo spreekt. Want de gemeente is een pilaar der waarheid, omdat zij ze door haren dienst beschermt en verbreidt. God komt niet zelve uit den hemel tot ons, noch zendt ook niet allen dag zijn engelen om zijn waarheid te verkondigen: maar hij gebruikt den dienst der herders, die hij tot dit einde verordend heeft. En opdat ik het breeder uitdrukke: Is de gemeente niet een moeder aller godzaligen, die zij vernieuwt door Gods Woord, die zij haar leven lang voedt en opbrengt, die zij bevestigt en leidt tot de volkomen volmaaktheid toe? Naar deze zelfde wijze wordt zij ook genoemd een pilaar der waarheid, omdat het ambt der bediening der leer, dat God in haar gesteld heeft, het eenige middel is om de waarheid te behouden, opdat zij niet verloren ga uit der menschen gedachtenis. Zoo wordt dan deze lof den dienst des Woords gegeven: welke wanneer hij weggenomen wordt, zoo vervalt de waarheid Gods. Niet omdat zij in zichzelve te onvaster is, zoo zij niet onderstut wordt door menschenschouders, gelijk dezelfde papisten roepen. Want dit is een vervloekte lastering, dat men zegt, dat Gods Woord onzeker is, totdat het zijn zekerheid van de menschen geleend heeft. Paulus wil hier alleen zeggen, wat hij tot de Romeinen Eom. 10:17. in het tiende hfdst. met andere woorden leert, te weten, dewijl het geloof is uit het gehoor, zoo zal het daar niet zijn, zoo daar geen prediking is. Zoo dan, zoo wanneer men de menschen aanziet, zoo wordt de waarheid opgehouden door de gemeente, omdat zij daarvan verkondigd wordt, omdat zij ze zuiver en onvervalscht behoudt, en omdat zij ze het nageslacht overlevert. Zoo de leer des Evangelies daar niet verkondigd wordt, zoo daar geene godzalige dienaars zijn, die door hun prediking de waarheid van duisternis en vergetelheid bevrijden, zoo zullen terstond de leugenen, dwalingen, bedriegerijen, superstitiën, en allerlei verdervingen het bestuur innemen. Eindelijk, het zwijgen in de gemeente, is een verbanning en verdrukking der waarheid. Wat is in deze uitlegging gedwongen?

ocr page 55

1 TIMOTHEUS 3: 15, 16.

Dewijl wij nu den zin van Paulus weten, zoo laat ons wederkeeren tot de papisten. Ten eerste, als zij dezen lof zich aantrekken, zoo handelen zij ongeschikt, zichzelven met eens anders vederen versierende. Want ofschoon de gemeente tot boven den derden hemel verheven werd, zoo zeg ik dat dit alles hun niet aangaat.

Ja, ik wend deze plaats tegen hen. Want zoo de gemeente is een pilaar der waarheid, zoo volgt daaruit, dat bij hen geen gemeente is, waar de waarheid niet alleen begraven ligt, maar gruwelijk is nedergeworpen en omgekeerd, en met voeten wordt getreden. Is dit een duister raadsel of een lichte beuzeling? Paulus wil geen gemeente bekend hebben, dan waar de waarheid Gods in eere is, en duidelijk gezien wordt. In het pausdom wordt zulks niet gezien,

maar alleen een verwerping en verderving: zoo wordt dan het rechte kenmerk der gemeente daar niet gevonden. Maar deze dwaling komt daaruit, dat zij hetgeen wat het voornaamste was, niet aanmerken, te weten, dat de waarheid Gods onderhouden wordt door de zuivere verkondiging des Evangelies: en dat zijn zekerheid niet steunt op der menschen vernuft of gevoelen, maar meer uit het hooge hangt, te weten, zoo men van het eenvoudige woord niet afwijkt.

16 De verborgenheid der godzaligheid is groot. Dit is wederom een andere verheffing. Want opdat de waarheid Gods door der menschen ondankbaarheid niet minder geacht worde dan het betaamt, zoo verheft hij haar waarde, als hij vermaant dat de verborgenheid der godzaligheid groot is, te weten, dewijl daar niet gehandeld wordt van verwerpelijke dingen, maar van de openbaring des Zoons Gods, in welken alle schatten der wijsheid verborgen zijn. col. 2:3. Uit de hoogheid van zulke groote dingen, moeten de herders hun ambt achten, opdat zij met te meerder godzaligheid en vreeze dat bedienen. God is geopenbaard. De oude overzetter heeft het woord God weggelaten, en de dingen die hier volgen, op de verborgenheid geduid, en dat ganschelijk ongepast en verkeerdelijk: gelijk het uit de handeling zelve klaarlijk zal gezien worden. Hoewel Erasmus ook met hem gevoelt; dewelke nochtans zichzelven genoeg wederlegt, en maakt dat hij niet te gelooven is, zoodat hem mijn wederlegging niet noodig is. Voorwaar de Grieksche handschriften komen alle in deze woorden overeen: God is geopenbaard in het vleesch. Maar of wij toelieten dat het woord God, niet uitgedrukt is door Paulus, zoo zal een iegelijk die alle dingen naarstig aanmerkt, bekennen, dat de naam Christus, daaronder verstaan moet worden. Doch ik volg zonder zwarigheid de lezing, die door de Grieken aangenomen is. Dat hij de openbaring van Christus, die hij daarna beschrijft, noemt groote verborgenheid, de oorzaak is klaar:

want dit is die hoogte, diepte en breedte der wijsheid, die hij meldt Ef. 3 : 18, bij welke al onze zinnen moeten verslagen zijn. Laat ons nu in orde alle dingen onderzoeken. Hij had niet eigenlijker van den persoon van Christus kunnen spreken, dan met deze woorden: God is geopenbaard in het vleesch. Want ten eerste hebben wij hier een klaar getuigenis van zijne beide naturen: want hij betuigt tegelijk, dat Hij waarachtig God en waarachtig mensch is. Ten andere wordt hier een onderscheid tusschen beide naturen betee-kend, als hij Hem op de eene zijde noemt God, en op de andere zijde stelt de openbaring in het vleesch. Ten derde wordt de eenheid des persoons beduid, als hij leert, dat het dezelfde is, die God

51

ocr page 56

1 TIMOTHEUS 3;:i6.

52

zijnde, in het vleesch geopenbaard is. Alzoo wordt het waarachtig en rechtzinnig geloof door dit eene getuigenis tegen Arius, Marcion, Nestorius, Eutyches zeer wel gewapend. Voorts is daar zeer krachtige beduiding in deze tegenstelling: Godin het vleesch. Want wat groot verschil is tusschen God en den mensch. En nochtans zien wij dat de ongemeten heerlijkheid Gods alzoo in Christus vereenigd is met deze onze rottigheid des vleesches, dat zij beide één persoon maken. Gerechtvaardigd in den Geest. Gelijk de Zoon Gods Zichzelven vernederd heeft, het vleesch aannemende: alzoo is ook in Hem een geestelijke kracht verschenen, welke betuigde dat Hij God was. Voorts, deze plaats wordt onderscheiden uitgelegd: maar ik zal mij tevreden houden met den rechten zin des apostels uit te leggen, en zal daarboven niets toezeggen. Ten eerste, de rechtvaardigmaking beduidt hier een bevestiging der goddelijke mogendheid, gelijk in Ps. 19 : 10, De oordeelen Gods zijn gerechtvaardigd, dat is, uitnemend, en geheel volmaakt. En in Ps. 51:6 wordt gezegd, dat God wordt gerechtvaardigd, dat is, dat Hem openbare lof zijner rechtvaardigheid gegeven wordt. Alzoo zegt Hij ook, Matth. 11 : 19, als Christus zegt, dat de wijsheid van hare kinderen is gerechtvaardigd geweest, zoo beduidt Hij daarmede dat haar eere gegeven wordt. Insgelijks, als Lukas, hfdst. 7 : 35 verhaalt, dat de tollenaars God gerechtvaardigd hebben, zoo beduidt hij daarmede, dat zij der genade Gods, die zij in Christus zagen, behoorlijke eerbieding en dankbaarheid bewezen hebben. Zoo dan, wat wij hier lezen, is zooveel alsof Paulus gezegd had, dat Diezelfde, die verschenen is met menschelijk vleesch bekleed zijnde, nochtans ook mede is bewezen Gods Zoon te zijn, zoodat de zwakheid des vleesches zijn heerlijkheid niet verkleind heeft. Het woord Geest, vervat al wat in Christus Goddelijk en boven-menschelijk was, en dat om twee oorzaken. Want dewijl Hij in het vleesch was vernederd geweest, nu daartegen de verklaring der heerlijkheid stellende, zoo heeft hij den Geest daartegen gesteld. Bovendien, die heerlijkheid, die de eengeboren Zoon Gods waardig joh. i: 14. was, (van welke Johannes leert dat zij in Christus is gezien geweest) was niet gelegen in uitwendige praal of aardsche versiering, maar was meest geheel geestelijk. Dezelfde wijze van spreken heeft hij Eom. i:3. gebruikt in het eerste hfdst. van de Romeinen: Die geworden is uit den zade Davids naar het vleesch, verklaart Gods Zoon te zijn in mogendheid des Geestes: uitgenomen dat hij nog een gestalte daarbij stelt, te weten, de wederopstanding. Van de engelen gezien, den heidenen gepredikt. Het is alles wonderlijk en verbazingwekkend: dat God de heidenen, die zoolang in de blindheid huns gemoeds gedwaald hadden, verwaardigd heeft met de openbaring zijns Zoons te begiftigen, welke ook den hemelschen engelen verborgen was. Want dat hij zegt, dat Hij van de engelen is gezien geweest, daarmede beduidt hij dat het zulk een schouwspel is geweest, dat door zijn nieuwigheid en uitnemendheid de engelen tot Hem gekeerd heeft. En hoe nieuw en ongewoon de roeping der heidenen geweest is, hebben wij gezegd in het Tweede hfdst. aan de Efeziërs. En het is geen wonder, dat het den engelen een nieuw schouwspel is geweest, die hoewel zij van de verlossing des menschelijken ge-slachts wisten, zoo wisten zij nochtans van den beginne niet hoe die geschieden zou en het moest hun verborgen zijn, opdat zij zich over zulke groote goedheid Gods te meer zouden verwonderen. In de

ocr page 57

1 TIMOTHEUS 3 ; 16—4 : 1.

wereld geloofd. Dit was wel vooral wonderlijk, dat God de onheilige heidenen, en de engelen de eeuwige erfgenamen zijns rijks, te gelijk dezelfde openbaring deelachtig gemaakt had. Maar zulke groote kracht des gepredikten Evangelies was geen klein mirakel, als Christus alle verhinderingen overwinnende, die tot gehoorzaamheid des geloofs heeft gebracht, die schenen ganschelijk ontembaar te zijn. Daar was voorwaar niets dat ongeloofelijker scheen, zoozeer waren alle toegangen gesloten. Nochtans heeft het geloof zich daardoor geworsteld, doch door een ongeloofelijke wijze van overwinning. Ten laatste is Hij in de heerlijkheid ontvangen. Te weten, uit dit sterfelijk en ellendig leven. Zoo dan, gelijk daar een wonderlijke verandering was in de wereld zooveel de gehoorzaamheid des geloofs aangaat, alzoo ook in den persoon van Christus: dewijl Hij uit zulken verwerpelijken staat eens dienstknechts verheven is aan de rechterhand des Vaders, zoodat Hem alle knie buigt.

HET VIERDE HOOFDSTUK.

1 De Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zul- ^ Tm. 3; i. len afwijken van het geloof, hoorende naar bedriegende geesten, judas 18. en leeringen der duivelen.

2 In geveinsdheid der leugensprekers, wier consoientie met een 2Thess.2:3. brandijzer gemerkt is.

3 Die verbieden te huwelijken, en gebieden te onthouden van

spijze, die de Heere geschapen beeft om te gebruiken met dank- Gfn- 1: 29; zegging voor de geloovigen, en die de waarheid bekend hebben. Kom. U;6.

4 Want alle schepsel Gods is goed, en er is geen ding te ver- ^°rquot;1103:130-werpen, dat met dankzegging genut wordt. Sir. 39; 19.

5 Want bet wordt geheiligd door het woord Gods, en het gebed. Ronu u-u!

i^i^ve Geest. Hij had Timotheus naarstig vermaand van vele din-

Igen, en nu toont hij, dat het zeer noodig was, omdat men —^dat gevaar moet voorkomen, wat de Geest Gods verkondigt ophanden te zijn, te weten, dat er zullen komen valsche leeraars, die beuzelingen voor de leer des geloofs in de hand zullen steken,

die de gansche godzaligheid stellende in uitwendige oefeningen, den geestelijken godsdienst verduisteren, welke alleen oprecht en betamelijk is. En voorwaar dezen strijd hebben de dienstknechten van Christus altijd gehad tegen zulken, die Paulus hier beschrijft. Want dewijl de menschen van nature tot geveinsdheid genegen zijn, zoo brengt ze de duivel lichtelijk 'daartoe, dat zij meenen dat God behoorlijk gediend wordt met ceremoniën en uitwendige tucht. Ja bijna alle menschen hebben deze meening zonder meester in hun hart gedrukt. Daarna komt daartoe des duivels listigheid, om de dwaling te bevestigen. Hieruit komt het, dat ten allen tijde bedriegers geweest zijn, die verdichten godsdienst aanprezen, waardoor de ware godzaligheid verduisterd werd. Voorts, uit deze pest rijst nog een ander,

te weten, dat in middelmatige dingen noodwendigheid gesteld wordt.

Want de wereld laat zich lichtelijk van datgene afhouden, dat van God geoorloofd was, opdat zij vrijelijk Gods wetten mogen over-

53

ocr page 58

1 TIMOTHEUS 4:1.

54

treden. Zoo dan, Paulus waarschuwt hierin Timotheus' persoon niet alleen de Efeziërs, maar ook alle gemeenten de gansche wereld door, voor de bedriegelijke leeraars, die verdichte godsdiensten instellende, en de conscientiën met nieuwe wetten verstrikkende, den waren godsdienst vervalschen, en de zuivere leer des geloofs schenden. Dit is het rechte kenmerk, hetwelk voornamelijk noodig is aan te merken. Voorts, opdat zij allen te naarstiger aannemen wat hij zal zeggen, zoo zegt hij vóór alles, dat het een zeker en klaar getuigenis des Heiligen Geestes is. Het is wel zonder twijfel, dat hij de andere dingen van denzelfden Geest ontvangen heeft: maar hoewel men hem altijd moet hooren als een instrument van Christus, nochtans in een gewichtige zaak wilde hij bijzonder betuigd hebben, dat hij niets voortbrengt dan door den Geest der profetie. Zoo beveelt hij ons dan deze profetie hoogelijk, en daarmede niet tevreden zijnde, zegt hij, dat zij klaar en niet duister is. In de laatste tijden. Dit zou niemand toen verwacht hebben, dat zij in zulk groot licht des Evan-2 Petr. 3:3. gelies zouden afwijken. Maar dit is het wat Petrus zegt, dat de val-sche leeraars de Christelijke gemeente altijd zullen bestrijden, gelijk zij voortijds het Israëlietische volk lastig geweest zijn. Zoo is het dan zooveel alsof hij zeide: Nu bloeit de leer des Evangelies: maar de duivel zal niet lang rusten, maar zal arbeiden om dat zuivere zaad met onkruid te verstikken. Deze vermaning was ten tijde van Paulus nuttig, opdat de herders en ook de anderen zich naarstig in de zuivere leer houdende, niet bedrogen werden. En is ons heden niet minder nut, dewijl wij zien dat geen ding geschied is, dat niet door duidelijke profetie des Geestes voorzegd is geweest. Bovendien kan men hier ook aanmerken, wat groote zorg God draagt voor zijn gemeente, als Hij zoo rijpelijk het gevaar voorkomt. De duivel heeft wel menigerlei kunsten, om ons daarmede tot dwaling te brengen, en komt ons met menigerlei listen aan: maar daarentegen wapent ons de Heere genoeg, zoo wij niet moedwillig willen bedrogen worden. Daarom hebben wij niet te klagen, dat de duisternis machtiger is dan het licht, of dat de waarheid van de leugen overwonnen wordt, maar wij worden meer gestraft om onze onachtzaamheid en traagheid, als wij van den rechten weg der zaligheid afgeleid worden. Maar die zichzelven in hunne dwalingen toegeven, brengen hiertegen dat men nauw zou kunnen onderscheiden, quot;wie of hoedanig Paulus hier beteekent. Heeft dan de Geest deze profetie voor niet gegeven, en zoolang tevoren verkondigd? Want zoo daar geen zeker onderscheid is, zoo zou de tegenwoordige vermaning tevergeefs, ja bespottelijk wezen. Maar dat zij verre, dat wij zouden denken, dat wij tevergeefs van den Geest Gods zouden verschrikt worden, en dat met de verkondiging des gevaars, niet ook mede dit middel zou vertoond worden, waardoor men dat mocht vlieden. En deze lastering wordt vanzelf genoeg wederlegd door de woorden van Paulus: want dat kwaad, dat hij leert vlieden, toont hij als met den vinger aan. Want hij spreekt niet van de valsche profeten in het gemeen, maar heeft klaarlijk een soort van valsche leer uitgedrukt, te weten, die de godzaligheid aan uitwendige dingen bindende, den geestelijken godsdienst verkeert en ontheiligt, gelijk nu gezegd is. Sommigen zullen afwyken van het geloof. Het is onzeker, of hij van de leeraren spreekt of van de toehoorders: doch ik wil het liever van de toehoorders verstaan: want de leer-

ocr page 59

1 TIMOTHEUS 4:1, 2.

aars noemt hij daarna bedriegende geesten. En dit heeft krachtiger beduiding, dat daar niet alleen zullen wezen die goddelooze leeringen zaaien, en de zuiverheid des geloofs vervalschen, maar dat hun ook geene leeringen zullen ontbreken, die zij tot hunne ketterij niet zullen trekken. Hieruit komt grooter verstoring, als de leugen alzoo de overhand neemt. Nu, het is geen kleine feil wat hij hier beteekent, maar is een gruwelijke misdaad, de afval van het geloof: en nochtans in het eerste aanzien schijnt het in de leer die hij aanroert, zoo groot kwaad niet te zijn. En of het zoo ware, is daarom het geloof ganschelijk te niet gemaakt, om de verbieding der spijzen of des huwelijks? Maar men moet een hooger orde aanmerken, te weten, dat de menschen een verkeerden godsdienst naar hunnen lust dichten, dat zij heerschappij aannemen over de conscien-tiën, en dat zij bestaan het gebruik der goede dingen te verbieden,

dat God toegelaten heeft. Wanneer de godsdienst eenmaal vervalscht is, zoo is daar niets geheels noch gezonds meer, ja het gansche geloof is vergaan. Daarom ofschoon de papisten ons bespotten, als wij hunne tirannische wetten van de uitwendige onderhoudingen bestraffen; zoo weten wij nochtans, dat wij een zeer ernstige en gewichtige zaak behandelen: want de leer des geloofs wordt te niet gemaakt, zoo haast als de godsdienst met zulke vervalschingen verdorven wordt. Want de twist is niet over vleesch of visch, noch over zwarte of aschgrauwe kleur, noch over den Vrijdag of Woensdag: maar over de uitzinnige superstitiën der menschen, die God met zulke beuzelingen willen tevreden stellen, en zichzelven een afgod stellen in Gods plaats, als zij Hem een vleeschelijken dienst toedichten. Wie zal ontkennen, dat dit een afwijking van het geloof is? Geesten. Hij verstaat profeten of leeraars: welke hij daarom alzoo noemt, omdat zij van den Geest roemen, en onder dezen titel zichzelven bij het volk verheffen. Dit is wel altijd waar, dat de menschen hoedanig zij ook zijn, door de ingeving des Geestes spreken: maar zij worden niet allen door denzelfden Geest gedreven. Want de duivel is somtijds een leugenachtige geest in den mond der valsche i Kon.22:23. profeten, om de ongeloovigen te bedriegen, die verdienen bedrogen te worden. Maar zoo wie Christus behoorlijke eer geeft, die spreekt uit den Geest Gods, gelijk Paulus betuigt. Maar deze wijze van spre- 1 oor. 12:3. ken, waarvan wij nu handelen, is eerst daaruit gekomen, dat de dienstknechten Gods betuigden, dat zij het uit de openbaring des Geestes hadden, wat zij voortbrachten, gelijk het in der waarheid ook was. Daarom is hun de naam des Geestes gegeven, wiens instrumenten zij waren. Nu die dienaren des duivels gelijk apen dit val-schelijk navolgende, zijn daarna begonnen datzelfde te roemen, en hebben ook valschelijk zichzelven den naam aangetrokken. Naar deze wijze zegt Johannes: Beproeft de geesten, of zij uit God zijn. En Paulus verklaart zichzelven, als hij zegt, leeringen der duive-1 joii, 4; 2. len, hetwelk zooveel is alsof hij gezegd had, hoorende naar valsche profeten en hunne duivelsche leeringen. Wederom moet men aanmerken, dat deze dwaling niet licht, noch door de vingeren is te zien, als de conscientiën aan der menschen gedichtselen gebonden worden, en de godsdienst ook mede vervalscht wordt.

2. In geveinsdheid der leugensprekers. Zoo men dit van de duivelen verstaat, zoo zullen hiermede beduid worden menschen,

die door des duivels ingeven bedriegen. Doch men kan het woord

55

ocr page 60

1 TIMOTHEUS 4:2, 3.

menschen, daaronder verstaan. Nu komt hij tot het bijzondere, als hij zegt: dat zij in geveinsdheid liegen, en dat hun conscientie met een brandijzer gemerkt is. En men moet weten, dat deze twee dingen, alzoo aan elkander hangen, dat het eerste uit het tweede voortvloeit: want de booze conscientiën en die met het brandijzer der boosheid gebrand zijn, nemen altijd haar toevlucht tot de geveinsdheid, als tot een open vrijstad: dat is, zij bedenken bedriegingen, om de oogen Gods te bedriegen. Want wat doen die anders, die Hem met bedrog der uitwendige onderhoudingen zoeken te bedriegen? Daarom moet men het woord geveinsdheid, naar de omstandigheid der plaats duiden. Want ten eerste moet het van de leer verstaan worden. Bovendien beduidt het zulke leer, die den geestelijken godsdienst tot lichamelijke oefeningen veranderende, zijn natuurlijke zuiverheid vervalscht. Alzoo vervat hij alle verdichte wijzen om Gode te behagen. Dit is de inhoud: Dat die allen door des duivels ingeven gedreven worden, die geveinsde heiligheid voortbrengen: want God wordt nimmermeer behoorlijk met joh. 4 :24. uitwendige ceremoniën gediend. Want de ware dienaars aanbidden Hem in geest en waarheid. Ten andere, dat deze zalf onnut is, waarmede de hypocrieten hun smart verzoeten, of veeleer die pleister, waarmede zij de wonden der booze conscientie zonder eenig voordeel tot een groote verderfenis verbergen.

3 Die verbieden. Als hij in 't gemeen de leer der duivelen aangeroerd, en daarna een deel daarvan, te weten, de geveinsdheid gesteld heeft, zoo stelt hij nu daarna twee vormen dezer geveinsdheid, te weten, de verbieding des huwelijks en der spijzen. Want deze dingen komen uit die geveinsdheid, welke de ware heiligheid verlatende, andere dingen om zich te blanketten en te bestrijken aanneemt. Want die zich niet onthouden van eerzoeking, haat, gierigheid, wreedheid, en andere dergelijke dingen, . die zoeken rechtvaardigheid te verkrijgen door het onthouden van dingen, die de Heere ons vrijgelaten heeft. Want waartoe worden de conscientiën met zulke wetten bezwaard, dan omdat men buiten Gods wet volmaaktheid zoekt ? En dit geschiedt niet dan van de geveinsden, die hun inwendige boosheid met zulke onderhoudingen, als met voorgehangen kleeden zoeken te bedekken, om alzoo vrijelijk de rechtvaardigheid des harten te overtreden, die door de wet geëischt wordt. Deze verkondiging des gevaars was klaar, zoodat het niet zwaar was te vlieden, hadden de menschen den Heiligen Geest, die zoo duidelijk vermaande, gehoor gegeven. Nochtans zien wij, dat de duisternissen des duivels in velen de overhand gehad hebben, zoodat dit groote licht van deze groote uitnemende en waardige profetie niet geholpen heeft. Want niet lang na der apostelen dood, zijn opgerezen Enkratieten (die hun naam ontleend hebben aan het woord onthouding) Tatianen, Katharen, Montanus met zijne sekte, en eindelijk de Manicheën, die het eten van vleesch en het huwelijk verfoeid, en als onheilige dingen verworpen hebben. En hoewel zij om hun hoovaardigheid, omdat zij anderen tot hun meening wilden trekken, van de gemeente verworpen zijn, zoo is het nochtans openbaar, dat die ze wederstaan hebben, te zeer tot hunne dwaling gevallen zijn. Dezen, waarvan ik spreek, wilden dat den Christenen geen wet opgelegd werd: maar intusschen gaven zij den superstitieusen onderhoudingen meer toe.

56

ocr page 61

1 TIMOTHEUS 4: 3.

57

dan het betaamde, gelijk bijvoorbeeld, zoo iemand zichzelven van het huwelijk onthield, of geen vleesch at. Zoo is de aard der wereld, zij droomt altijd dat men God moet dienen naar vleeschelijke wijze, alsot Hij vleeschelijk ware. En als nu langzamerhand alle dingen tot erger vervallen waren, zoo heeft deze tirannie de overhand behouden, dat het den priesters en monniken niet geoorloofd was zich in het huwelijk te begeven: en dat niemand op zekere dagen vleesch mocht eten. Daarom stellen wij niet ten onrechte den papisten deze profetie voor, als zij den ongehuwden staat, en het onthouden van spijzen strenger drijven dan eenig gebod Gods. Zij meenen met een scherpzinnige beuzeling te ontvlieden, als zij Paulus' woorden keeren tegen de Tatianen, of Manicheën, en der-gelijken; alsof de Tatianen niet dezelfde uitvluchten hadden mogen hebben, te weten, dat zij den zin van Paulus van zich geworpen, en tegen de Cataphryges en Montanus hun hoofd uitgelegd hadden: en alsof de Cataphryges niet de Enkratieten als schuldig in hun plaats hadden mogen stellen. Maar Paulus handelt hier niet van de personen, maar van de zaak zelve. Daarom, ofschoon daar honderd onderscheiden secten voortgebracht worden, die toch met dezelfde geveinsdheid in het verbieden der spijzen bevangen waren, zoo zullen zij allen in dezelfde schuld zijn. Waaruit volgt, dat de papisten zonder eenig gevolg hier de oude ketters voorwenden, alsof die alleen hier bedoeld werden: men moet altijd aanzien of zij dezelfde schuld hebben. Zij zeggen, dat zij den Enkratieten en Manicheën niet gelijk zijn, omdat zij niet ganschelijk het gebruik des huwelijks en des vleesches verbieden, maar alleen op zekere dagen de menschen dwingen zich van vleesch te onthouden, en alleen den monniken en priesters alsook den nonnen het huwelijk verbieden. Maar dit is een te lichtvaardige verontschuldiging, want zij stellen desniettemin heiligheid in deze dingen. Bovendien richten zij een valschen en verdichten godsdienst op: ten laatste verbinden zij de conscientiën aan de noodzakelijkheid, waarvan zij behooren vrij te zijn. Bij Eusebius in het Vijfde boek is een stuk uit de geschriften van Apollonius, waar hij onder andere dingen Montanus verwijt, dat hij de eerste geweest is, die het huwelijk gebroken heeft, en de geboden van het vasten opgelegd heeft. Hij zegt niet, dat hij het huwelijk of de spijzen ganschelijk verboden heeft. Het is genoeg zoo iemand de conscientiën daarmede bindt en verschrikt, en gebiedt God daarmede te dienen. Want het gebieden der dingen die vrij zijn, hetzij in 't gemeen of in het bijzonder, is altijd duivelsche tirannie. Doch uit de navolgende woorden, zal men beter bekennen, dat dit waar is, zooveel de spijs aangaat. Die God geschapen heeft. Men moet deze reden aanmerken, dat wij in het gebruik der spijzen met de vrijheid behooren tevreden te zijn, die ons van God gegeven is, dewijl Hij ze tot dit einde geschapen heeft. Dit is allen godzaligen een onuitsprekelijke blijdschap, dat zij weten dat alle spijzen, die zij tot voedsel innemen, hun van God als van hand tot hand gegeven wordt, zoodat haar gebruik zuiver en oprecht is. En wat groote vermetelheid der menschen is dit, dat men den menschen ontneemt wat God geeft. Hebben zij zeiven de spijzen geschapen ? Kunnen zij de schepping Gods teniet maken ? Zoo zullen wij dan altijd gedachtig zijn, dat Degene, die ze geschapen heeft, ook het gebruik vrijgemaakt heeft, hetwelk de menschen tevergeefs

ocr page 62

1 TIMOTHEUS 4 ; 3, 4.

willen verhinderen. God heeft, zeg ik, de spijzen geschapen om te eten, dat is, opdat wij ze genieten. Dit oogmerk zal door der men-schen autoriteit nimmermeer mogen teniet gemaakt worden. Hij stelt daarbij met dankzegging, want wij kunnen God voor zijn mildheid niets wedergeven, dan een getuigenis der dankzegging. En aldus bezwaart hij de ongoddelijke wetgevers met te grooteren haat, die de offerande des lofs, die God voornamelijk Zich wil gegeven hebben, met nieuwe en onheilige geboden verhinderen. Nu, de dankzegging kan niet wezen zonder soberheid en matigheid: want wie de weldadigheid Gods kwalijk misbruikt, die bekent ze niet waarlijk. Voor de geloovigen en die de waarheid bekend hebben. Hoe nu? Laat God niet allen dag zijn zon opgaan over de goeden en Matt, s : 45. boozen ? Is het niet door zijn bevel, dat de aarde den goddeloozen brood voortbrengt? Worden niet door zijnen zegen de allerboosten gevoed? Want het is een algemeene weldaad waarvan David zingt, Ps. 104; 14. Ik antwoord, dat Paulus hier van de geoorloofde gebruiken spreekt, waarvan wij voor God zeker zijn. Deze worden de goddeloozen geenszins deelachtig, om hun onreine conscientie, welke alles besmet, als daar staat bij Titus, hfdst. 1 ; 15. En voorwaar, om eigenlijk te spreken. God heeft de wereld, en al wat in de wereld is, zijnen kinderen alleen verordend, waarom zij ook Gen. i:28. erfgenamen der wereld genoemd worden. Want alzoo was Adam in den beginne gesteld een heer aller dingen, dat hij onder de gehoorzaamheid Gods blijven zou. Daarom heeft de wederspannigheid tegen God hem van het recht, dat hem gegeven was, met zijne nakomelingen beroofd. En dewijl alles Christus onderworpen is, zoo worden wij door zijn weldaad wederopgericht, en dat door het geloof. Daarom, al wat de ongeloovigen gebruiken, stelen of rooven zij als wat hun niet toekomt. In het laatste deel verklaart hij wie hij noemt geloovigen, te weten, die de kennis der gezonde leer hebben. Want het geloof is niet dan uit het woord Gods: opdat wij niet ten onrechte denken, dat het een verwarde en onbepaalde meening is, gelijk de papisten doen.

4 Want alle schepsel. Het gebruik der spijze moet men oor-deelen, eensdeels uit haar substantie, en anderdeels uit den persoon die ze nuttigt. Zoo strijdt dan Paulus met deze beide argumenten: want zooveel de spijzen aangaat, Paulus zegt dat zij zuiver zijn, dewijl zij van God geschapen zijn, en dat haar gebruik ons geheiligd wordt door het geloof en gebed. De goedheid der schepselen die hij hier meldt, is te verstaan zooveel den mensch aangaat, en dat niet zooveel het lichaam of de gezondheid aangaat, maar zooveel de conscientie aangaat: opdat niemand te curieuselijk philo-sopheere uit de omstandigheid der plaats. Want Paulus beduidt met ée'n woord, dat al wat uit Gods hand gegeven, en tot ons gebruik geschikt wordt, ons niet onrein noch besmet is, maar dat wij het mogen gebruiken, zooveel de conscientie aangaat. Zoo iemand hier tegenwerpt, dat in de wet vele beesten zijn geoordeeld onrein te zijn, en dat de vrucht welke de boom der kennis des goeds en des kwaads droeg, den menschen doodelijk geweest is: zoo is het antwoord, dat de creaturen niet alleen daarom zuiver worden genoemd, omdat zij Gods werken zijn, maar omdat zij door zijn weldadigheid ons gegeven zijn. Want men moet altijd de ordening Gods aanzien, en wat Hij gebiedt of verbiedt.

58

ocr page 63

1 TIMOTHEUS 4: 5.

5 Want zij wordt geheiligd. Dit is een bevestiging van den voorgaanden zin; Zoo zij met dankzegging gebruikt wordt. En het is een argument van tegenovergestelde dingen. Want deze twee,

heilig en onheilig, zijn tegenover elkander staande dingen. Laat ons nu zien, hoedanig de heiliging aller dingen is, die tot de onderhouding des tegenwoordigen levens dienen. Paulus zegt, dat die gelegen is in het woord Gods, en in het gebed: maar men moet aanmerken, dat dit woord met het geloof moet gevat worden, opdat het nut zij. Want hoewel God zelve door den eenigen Geest zijns monds alle ding heiligt, zoo voelen wij deze weldaad niet dan Matt. 6: i door het geloof. Hiertoe komt ook het gebed: waardoor wij van God ons dagelijksch brood begeeren naar Christus' bevel, en Hem voor zijn goedheid danken. Voorts, deze leer van Paulus vloeit uit deze grondstelling, dat de bezitting van geen ding behoorlijk is, dan dat de conscientie betuigt dat het onze is. Nu, wie is er van ons, die zich een korrel koren durft toeschrijven, zoo hij niet door Gods Woord geleerd is, dat hij de erfgenaam der wereld is? Dit leert ons wel het gemeen gevoelen, dat al wat in de wereld is, natuurlijk tot ons gebruik verordend is; maar dewijl de heerschappij der wereld ons in Adam benomen is, zoo worden al de gaven Gods die wij aanroeren, door onze onreinheid besmet, en zijn ons ook onrein, totdat God ons mildelijk te hulpe komt, en ons in het lichaam zijns Zoons plantende, van nieuws aan stelle tot heeren der wereld, opdat wij alle dingen die Hij ons geeft, vrijelijk als ons eigen goed gebruiken. Daarom heeft Paulus terecht de behoorlijke genieting aan het woord gebonden, waardoor alleen wij wederom krijgen, wat in Adam verloren was: want wij moeten God voor onzen Vader bekennen, opdat wij zijne erfgenamen zijn, en Christus voor ons Hoofd, opdat al wat Hem toekomt, onze worde. Waaruit men kan verslaan, dat het gebruik aller gaven Gods onrein is, tenzij de ware kennis en de aanroeping van den naam Gods daarbij is:

en dat het een beestelijk eten is, als de menschen zonder eenig gebed zich aan tafel zetten, en wel zat zijnde, elders heenloopen zonder God te melden. Zoo in gemeene spijze, die met den buik aan de verderving onderworpen zijn, zulke heiligmaking geëischt wordt, wat zal men van de geestelijke sacramenten gevoelen? Zoo het Woord daar niet bij is, en de aanroeping Gods, die uit het geloof geschiedt, wat blijft daar anders dan een onheilig ding. Hier moet men aanmerken het onderscheid, dat daar is tusschen de zegening der heilige tafel en der gemeene tafel. Want de spijzen die wij nuttigen om het lichaam te voeden, zegenen wij tot dit einde, opdat de nuttiging zuiver en behoorlijk zij: maar het brood en den wijn in het heilig nachtmaal, zegenen wij naar een uit-nemender wijze, opdat zij ons zijn panden des lichaams en des bloeds van Christus.

6 Zoo gij deze dingen den broederen voorhoudt, zoo zult gij een

goed dienaar van Jezus Christus wezen, opgevoed in de woor- 3.^™' 1 den des geloofs, en der goede leer, die gij gevolgd hebt. 1 Tim. 1

7 Maar de onheilige en oudwijfsche fabelen zult gij vlieden: maar 2 Tim. 2: oefen uzelven liever tot godzaligheid. g 'JJ14- 1:

8 Want de lichamelijke oefening heeft weinig nuts: maar de god- cói. 2:23

59

ocr page 64

1 TIMOTHEUS 4:6, 7.

zaligheid is tot alle dingen nut, als die heeft de belofte des tegenwoordigen en toekomenden levens.

9 Het is een zeker woord, en waardig alleszins aangenomen te worden.

10 Want hiertoe arbeiden wij, en ons wordt oneer aangedaan, omdat wij een vaste hope hebben in den levenden God, die de behouder aller menschen is, en voornamelijk der geloovigen.

6 Zoo gij deze dingen. Met dit woord vermaant hij Timotheus, dat hij dikmaals van deze dingen zal vermanen, hetwelk hij een weinig hierna wederom, ja ten derden male zal herhalen: want het zijn zulke dingen die nuttig zijn dikmaals in gedachtenis gebracht te worden. En men moet de vergelijking en 'tegenstelling hier aanmerken, die hieronder verborgen is. Want de leer, die hij aanprijst, stelt hij niet tegen valsche en ongoddelijke leeringen, maar tegen nietige beuzelingen, die niet stichten: deze wil hij hoogelijk vergeten hebben, als hij Timotheus gebiedt andere dingen te vermanen en in te geven. Zoo zult gij een goed dienaar. De menschen willen dikmaals liever allerlei dingen doen, dan zichzelven tot Christus begeven. Hieruit komt het, dat vele menschen zoeken den lof des verstands, der welsprekendheid, en der verborgen wetenschap. En dit is de oorzaak waarom noodige dingen achter gesteld worden, die niet zoo bekwaam zijn om des gemeenen mans lof te verkrijgen. Maar Paulus gebiedt Timotheus tevreden te zijn met dit eenige, dat hij een getrouw dienstknecht van Christus zij. En voorwaar deze titel moet ons veel heerlijker zijn, dan of wij duizendmaal serafijnen en scherpzinnig genoemd worden. Zoo zullen wij dan gedenken, gelijk de hoogste eer eens godzaligen herders is, een goed dienaar van Christus genoemd te worden, dat hij alzoo ook in al zijn bediening niets anders behoort te zoeken. Want zoo wie naar iets anders strekt, die zal mogelijk der menschen toejuiching verkrijgen, maar zal God niet behagen. Daarom opdat wij van zulk groot goed niet beroofd worden, zoo zullen wij leeren niets anders te begeeren, of geen ding zoo kostelijk te achten, dat niet alles hierbij vergeleken, ons van kleine waarde is. Opgevoed. Dit kon men ook overzetten Opvoedende, maar mij dunkt dat dit wat gedwongen zou zijn. Daarom wil ik het liever anders nemen, om de voorgaande vermaning te bevestigen door Timotheus opvoeding, alsof hij zeide: Gelijk gij van der jeugd aan wel onderwezen zijt geweest in het geloof, en als met moeders melk de gezonde leer hebt ingedronken, en tot dusver zonder ophouden voortgang daarin gedaan: zoo arbeidt om met getrouwen dienst uzelven zoodanig te bewijzen. Het woord geloof, wordt hier genomen voor den hoofdinhoud der Christelijke leer. En dat hij terstond hierbij gesteld heeft van de goede leer, dat is tot verklaring: want hij beduidt, dat in alle andere leeringen geen nuttigheid is, hoe behagelijk zij ook zijn. Deze woorden, die gij gevolgd hebt, beduiden volharding. Want velen, die van der jeugd aan Christus zuiver geleerd hadden, zijn daarna met den tijd ontaard, op wie Timotheus niet geleek.

7 Oefen uzelven. Als hij van de leer geboden heeft, hoedanig zij behoort te zijn, zoo vermaant hij ook, hoedanig voorbeeld hij anderen behoort te geven. Hij leert, dat men in de godzaligheid moet arbeiden. Want als hij zegt, oefen u, zoo geeft hij daarmede

60

ocr page 65

1 TIMOTHEUS 4:7, 8.

te kennen, dat deze oefening, zorg en naarstigheid een behoorlijke bekommering is, alsof hij zeide: Het is niet noodig dat gij uzelven in andere dingen tevergeefs vermoeit: gij zult allermeest nuttigheid doen, zoo gij met gansche genegenheid en macht staat naar de eenige godzaligheid. Voorts, door het woord godzaligheid, verstaat hij den geestelijken godsdienst, welke gelegen is in een zuivere consciëntie, hetwelk uit de navolgende woorden klaarder is, als de lichamelijke oefening daartegen gesteld wordt. Want de oefening des lichaams stelt hij niet in jagen, of loopen, of graven, of worstelen, of in handenarbeid: maar hij noemt alzoo alle uitwendige werken die tot godsdienstigheid gedaan worden, als daar zijn wakingen, lange vasting, op de aarde slapen, en dergelijke. Hoewel,

hij ziet hier niet op de superstitieuse onderhouding van zulke dingen: want anders zou hij ze ganschelijk verwerpen, gelijk hij in den zendbrief aan de Colossensen doet: maar nu verkleint hij ze alleen, coi. 2:21. vermanende dat zij niet zeer bevorderlijk zijn. Zoo dan, ofschoon het gemoed zeer oprecht is, en het einde recht: nochtans vindt Pau-lus in de uitsvendige handelingen niets dat hij groot acht. Dit is een zeer noodige vermaning; want de wereld is altijd daartoe genegen,

dat zij God met uitwendige oefeningen wil dienen, hetwelk een doodelijk gedichtsel is. Maar opdat ik die booze meening van verdienen late varen: onze natuur trekt ons altijd daarheen, dat wij aan de strengheid des levens meer toeschrijven dan het betaamt: alsof het een zonderling stuk der Christelijke heiligheid ware. Van welke zaak men geen zekerder bewijs kan hebben, dan dat toen dit gebod nog pas verkondigd was, de gansche wereld desniettemin bevangen geweest is met te overgroote verwondering over den ijdelen schijn der lichamelijke oefeningen. Hieruit is de monnikerij, en bijna de gansche zeer uitnemende discipline der oude gemeente: voornamelijk, die welke naar de meening van den gewonen man in zeer groote waarde gehouden werd. Hadden die oude monniken niet gedroomd, dat zij in zulke strenge wijze van leven, ik weet niet wat goddelijke of engelen-volmaaktheid hadden, zoo zouden zij zich nimmermeer zoo vurig daartoe begeven hebben. En hadden de herders zulke wijzen van beteugeling des vleesches, die toen gebruikelijk waren,

niet te zeer hoog geacht, zoo zouden zij nimmermeer zoo streng geweest zijn om zulks te eischen. Maar wat zegt Paulus daarentegen ? te weten, als iemand zich lang en veel daarin vermoeid heeft, zoo zal hij zeer weinig vrucht daarvan hebben. Want zij zijn niet anders dan beginselen der kinderlijke tucht.

8 Maar de godzaligheid is tot alle dingen nut. Dat is, degene die de godzaligheid heeft, dien ontbreekt geen ding, ofschoon hij zulke behulpselen niet heeft. Want de godvreezendheid heeft aan zichzelve genoeg om den mensch tot volkomen volmaaktheid te brengen. Zij is het begin, het midden, en het einde des Christelijken levens. Daarom waar zij geheel is, daar is niets gebrekkigs. Christus heeft niet zulke strenge wijze van leven gehouden als Johannes de Dooper: is Hij daarom een haar meer onvolmaakt geweest ? De hoofdinhoud zij: dat men ganschelijk naar de eenige godvreezendheid moet staan: want wanneer wij die eenmaal verkregen hebben, zoo begeert God niets meer in ons. En dat wij ons zoover tot lichamelijke oefening moeten geven, dat de oefening der godvreezendheid daardoor niet verhinderd of verachterd wordt. Die heeft de belofte. Dit is

61

»

'i

r,

ocr page 66

1 TIMOTHEUS 4 ; 8—10.

een zeer groote troost, dat God de zijnen nergens in gebrek wil laten. Want gelijk Hij onze volmaaktheid in de godvreezendheid gesteld had, alzoo geeft hij nu diezelfde een toevoeging van waren voorspoed. En dewijl het begin van waren voorspoed in dit leven is, daarom heeft hij de beloften der goddelijke genade ook hiertoe uitgestrekt, door welke wij alleen gelukkig en zalig zijn, en zonder welke wij de allerellendigsten zijn. Want God betuigt, dat Hij ook in dit leven onze Vader wil zijn. Maar wij zullen gedenken tus-schen het goed des tegenwoordigen en toekomenden levens een onderscheid te maken. Want God bewijst ons weldaden in deze wereld, alleen opdat Hij ons een smaak zijner goedheid geve, en door zulk een smaak ons tot begeerte der hemelsche goederen trekke, opdat wij daarin tevreden zouden zijn. Hierom is het, dat het goed des tegenwoordigen levens met vele ellendigheden niet alleen vermengd, maar ook overdekt is. Want het is ons niet nut, hier groote overvloedigheid te hebben, opdat wij niet overdadig zijn. Voorts, opdat niemand hieruit de verdiensten der werken verheffe, zoo moeten wij weten wat ik nu gezegd heb, dat de godvreezendheid niet alleen vervat de goede conscientie voor de menschen, en de vreeze Gods, maar ook het geloof en de aanroeping.

9 Het is een zeker woord. Nu stelt hij tot een slot der rede, wat hij tevoren in het begin tweemaal gezegd heeft. En het schijnt dat hij dit met voornemen gedaan heeft; want hij zal terstond een tegenwerping daartegen stellen. Voorts is het niet zonder oorzaak, dat hij dit zoo sterk bevestigt: want het is een waarheid die gan-schelijk strijdt tegen het gevoelen des vleesches, te weten, dat God den zijnen in deze wereld geeft al wat tot een gelukkig leven dient, daar zij toch dikmaals van alle goed beroofd worden, en daarom geacht worden van God verworpen te zijn. Zoo dan, Paulus met de enkele leer niet tevreden zijnde, verdrijft alle daartegen ingaande verzoekingen hiermede als met een schild, en vermaant alzoo de geloo-vigen der genade Gods de deur open te doen, welke door onze onge-loovigheid toegesloten wordt. Want voorwaar, zoo wij bekwaam waren tot de weldaden Gods, zoo zou Hij nog milder met ons handelen.

10 Want hiertoe arbeiden wij. Dit is een voorkoming, waarmede hij deze vraag beantwoordt: Of de geloovigen de allerellendigsten zijn, omdat zij met allerlei ellendigheden verdrukt worden? Zoo dan, om te bewijzen dat men hun staat niet behoort te oor-deelen uit den uitwendigen schijn, zoo zondert hij ze af van de anderen, ten eerste in de oorzaak, ten andere in de uitkomst: waaruit volgt, dat zij niets verliezen van de beloften die hij gezegd heeft, als zij met tegenspoed gekweld worden. De inhoud is, dat de geloovigen niet ellendig zijn in verdrukkingen, dewijl zij een goede conscientie hebben, en een gelukkige en blijde uitkomst verwachten. En dewijl de gelukkigheid des tegenwoordigen levens voornamelijk in twee dingen gelegen is, te weten, in eer en gemak, zoo stelt hij twee tegenovergestelde dingen, te weten, arbeid en oneer. Met den arbeid, verstaat hij allerlei ongerief en zwarigheid, als armoede, koude, naaktheid, honger, ballingschap, roovingen, gevangenissen, slagen en andere vervolgingen. Deze troost: Wij hebben een vaste hoop in den levenden God, is te verstaan van de oorzaak. Want wij zijn niet alleen ellendig als wij om de rechtvaardigheid lijden, maar het is ons ook een behoorlijke oorzaak tot verblijding. Ja bij

62

ocr page 67

1 TIMOTHEUS 4: 10—12.

onze verdrukkingen, is ook de hoop in den levenden God en deze Rom, 5:5. hoop wordt nimmermeer beschaamd: zoo volgt dan, dat den godzaligen alle ding tot gewin is te rekenen. Die de behouder is. Dit is de tweede vertroosting, dewelke nochtans aan de eerste hangt.

Want de verlossing waarvan hij spreekt, is als een vrucht der hoop.

Hetwelk, opdat het klaarder worde, zoo moet men weten dat het een bewijs is van minder tot meerder. Want het woord behouder,

strekt hier breed, en beduidt hij die beschermt en bewaart. Hij beduidt, dat de weldadigheid Gods zich strekt tot alle menschen. Zoo daar geen mensch is, die de goedheid Gods tot zich niet gevoelt, en derzelve deelachtig is, hoeveel te meer zullen de godzaligen die gevoelen, die op Hem hopen. Zal Hij niet een zonderlinge zorg voor hen dragen? en zal Hij Zich niet veel mildelijker over hen uitstorten?

Eindelijk, zal Hij ze niet tot het einde toe alleszins gezond behouden ?

11 Gebied en leer dit.

12 Dat niemand uw jonkheid verachte: maar wees een voorbeeld Tit. 2:15. der geloovigen, in woorden, in wandel, in liefde, in den geest, Tlt' 2'7quot; in geloof, in kuischheid.

13 Totdat ik kom, heb acht in het lezen, vermanen en leeren.

14 Vergeet niet de gave die in u is, die u gegeven is door de 1 petr _ 3 profetie met oplegging der handen des ouderlingschaps. Hand! 6:6

15 Bezorg dit, wees hierin bezig, opdat uw voortgang in allen 13:3 openbaar worde. 1 Tit. 6:22.

16 Heb acht op uzelven, en op de leer: volhard in deze dingen: 2 Tlm' 1-6 want zoo gij dit doet, zoo zult gij uzelven behouden, en degenen

die u hooren.

11 Gebied. Hij geeft te kennen, dat de leer zoodanig is, dat zij niet behoort te verdrieten, al ware het dat zij allen dag gehoord worde.

Want daar zijn ook andere dingen te leeren. Maar het woord dit,

heeft een krachtige beduiding: want het beduidt dat dit niet zulke kleine dingen zijn, dat het genoeg ware die eenmaal aan te roeren:

maar dat zij meer waardig zijn alle dagen verhaald te worden, want zij konden niet te zeer ingedrukt worden. Zoo betaamt het dan een voorzichtigen herder, te overleggen wat dingen het noodigst zijn, opdat hij die drijve. En hij heeft niet te vreezen voor de verdrietelijkheid: want zoo wie uit God is, die zal gaarne dikmaals hooren wat noodig is menigmaal te herhalen.

12 Dat niemand uw jonkheid. Dit zegt hij alzoo wel om anderen,

als om Timotheus' wil. Zooveel anderen aangaat, hij wil niet dat Timotheus' jonkheid verhindere hem zulken eerbied te bewijzen als hij waardig is: zoo verre hij anders zich alzoo gedraagt, gelijk het een dienaar van Christus betaamt. En hij vermaant ook mede Timotheus,

dat hij wat in zijn jonkheid ontbreekt, met vastheid van zeden ver-betere, gelijk of hij gezegd had: Maak dat gij door vastheid van zeden zulken grooten eerbied verkrijgt, dat uwe jonkheid, die anders pleegt der verachting onderworpen te zijn, uw autoriteit niet ver-mindere. Waaruit wij verstaan, dat Timotheus nog jong geweest is, die nochtans onder vele herders uitnemend was: en dat die verkeerdelijk doen, die met het getal der jaren meten hoeveel zij den menschen schuldig zijn. Voorts, welke dingen waarlijk betamen, zal hij terstond leeren, te weten, niet die uitwendige momaangezichten,

63

ocr page 68

64 1 TIMOTHEUS 4: 12—14.

gelijk daar zijn de bisschopsmuts, de staf, de ringen, en andere diergelijke ongeschikte beuzelingen, of rateltjes waarmede de kinderen spelen: maar gezondheid der leer en heiligheid des levens. In woorden en wandeling. Dat is zooveel alsof hij gezegd had: In woorden en werken, ja in het gansche leven. De dingen die hier volgen, zijn deelen der godzalige wandeling: Liefde, geest, geloof, kuischheid. , , Door het woord geest, versta ik den ijver tot God: doch zoo iemand

het liever breeder wil nemen, ik wil daartegen niet strijden. Kuischheid wordt niet gesteld tegen onkuischheid, maar beduidt reinheid des ganschen levens. Hieruit leeren wij dat die ongeschikt en bespottelijk zijn, die klagen dat hun geen eer gedaan wordt, daar zij toch geen ding hebben dat prijzenswaardig is: maar eer zichzelven » verachtelijk maken, beide door hun onwetendheid en onrein exempel des levens, of lichtvaardigheid, of andere onreinigheid. Want de eenige weg om eerbieding te verkrijgen, is, zoo wij door uitnemendheid der deugden, onszelven van verachting bevrijden. ■ ' 13 Totdat ik kom. Hij kende Timotheus' naarstigheid, en noch-

tans gebiedt hij hem zonder ophouden de Schrift te lezen. Want ;wat zullen de herders anders anderen leeren, zoo zij zeiven niet naarstig zijn om in de leering toe te nemen ? Zoo zulk een man vermaand wordt, dat hij zoeke dagelijks voortgang te doen, hoeveel te meer dient deze vermaning ons? Wee dan dier menschen onacht-■i zaamheid, die de getuigenissen des Heiligen Geestes niet dag en

nacht overleggen, om daaruit geleerd te worden om hun ambt te be

dienen. De omstandigheid des tijds brengt ook gewicht mede: want hoewel Paulus hoopte binnenkort te komen, zoo wilde hij nochtans intusschen niet dat Timotheus ledig zou zijn, hoewel het een korte tijd was. Hoeveel te naarstiger moeten wij ons dan voorzien voor ons gansche leven. Voorts, opdat men niet denke, dat een ledig lezen genoeg zij, zoo toont hij ook mede, dat men het moet te werk y , leggen, als hij gebiedt aan te houden in het lezen en vermanen:

alsof hij hem gebood te leeren, om den anderen gemeen te maken.

en uit te deelen. Ook is deze orde aan te merken, dat hij het lezen, stelt voor de leer en vermaning. Want voorwaar, de Schrift is de , fontein aller wijsheid, waaruit de herders moeten halen al wat zij bij

de kudde voortbrengen.

.1' 14 De gave die in u is. Hij vermaant hem, dat hij de gave waar

mede hij begaafd is, gebruike tot stichting der gemeente. Want de Matt. 26:26. Heere wil niet dat die talenten vergaan, of onnuttelijk in de aarde 2^k'19:22'begraven worden, die hij een iegelijk gegeven heeft om gewin r. daarmede te doen. De gave vergeten, is de gave onachtzaamlijk ten

onder houden door luiheid, zoodat zij als beroofd zijnde, zonder eenig gebruik verslijte. Zoo aanmerke dan een iegelijk van ons, wat gave l ;j hij ontvangen heeft, om die naarstig aan te wenden. Hij zegt, dat de

gave hem gegeven is door de profetie. Hoe? Te weten, omdat (gelijk boven gezegd is) de Heilige Geest Timotheus verordend had, l;' dat hij in de orde der herders zou aangenomen worden: want hij

was niet alleen verkoren door menschen oordeel, gelijk het pleegt te geschieden, maar de Geest had hem tevoren genoemd. Hij zegt f dat zij hem gegeven is met oplegging der handen: waarmede hij te

kennen geeft, dat hij is met den dienst, ook mede met noodwendige gaven versierd geweest. Het is den apostelen gewoon en gemeen geweèst, dat zij dienaars instelden door de oplegging der handen

ocr page 69

1 TIMOTHEUS 4: 14—16.

en van deze ceremoniën haar oorsprong en beduiding, heb ik boven wat aangeroerd; en wat daarvan meer is, kan men uit de «Institutiequot; halen. Die hier door het ouderlingschap verstaan het college of de vergadering der ouderlingen, gevoelen naar mijn oordeel recht. Hoewel, wanneer ik alle dingen aanmerk, zoo beken ik dat de andere zin niet kwalijk dient, dat het een naam van het ambt is. Hij heeft de ceremonie der inzetting gesteld voor de inzetting zelve. Zoo is dan de zin, dat Timotheus, toen hij door stemming der profeten tot den dienst aangenomen, en daarna met gewone ceremonie verordend was, ook mede met de genade des Geestes begiftigd is geweest om zijn ambt te bedienen. Waaruit wij verstaan, dat het geen ijdele ceremonie geweest is: dewijl die zegening, die de menschen door de oplegging der handen beduiden. God door zijn Geest volbracht heeft.

15 Bezorg dit. Hoe meer zwarigheid daar is in de bediening der gemeente, zooveel te meer moet een herder aanhouden, en alle naarstigheid doen: en dat niet alleen een tijd lang, maar gedurig. Zoo vermaant Paulus dan, dat er geen plaats is tot luiheid of verlokking, maar dat er groote naarstigheid en aanhouding noodig is. Als hij daarbij stelt: Opdat uw voortgang openbaar worde, zoo geeft hij te kennen, dat hij moet arbeiden, dat de stichting der gemeente door zijn hand meer en meer bevorderd worde, en dat goede vrucht daarvan gezien worde. Want het is niet een werk van één dag: daarom moet men zoeken dagelijks voortgang te doen. Anderen duiden het op Timotheus' persoon, dat hij tot beter voortga; maar ik wil het liever v^in de vrucht des dienstes verstaan. Deze woorden; In allen, kan men tweeërlei verstaan, te weten, dat alle menschen den wasdom zien, die uit zijn arbeid komt, of dat de wasdom alleszins of op alle zijden gezien worde, en dit laatste rijmt best.

65

16 Heb acht op uzelven. Een goed herder moet twee dingen bezorgen, te weten, dat hij in het leeren wake en naarstig zij, en zichzelven zuiver beware. Want het is niet genoeg dat hij zijn leven tot alle eerbaarheid voegt, en zich hoede dat hij geen kwaad exempel geve, tenzij hij bij dat heilige leven, ook met gedurige naar stigheid anderen leere. En de leer zal weinige kracht hebben, tenzij de eerbaarheid en heiligheid des levens daarmede overeenkomt. Zoo is het dan niet tevergeefs, dat Paulus Timotheus vermaant, dat hij alzoo wrel acht hebbe op zichzelven bijzonder, als op de leer tot gemeen gebruik der gemeente. En wederom beveelt hij hem standvastigheid, dat hij nimmermeer vermoeid worde. Want vele dingen geschieden dikmaals, die ons van den rechten loop kunnen afwenden, tenzij wij den voet vasthouden om te wederstaan. Zoo gij dit doet. Dit is geen kleine prikkel om der herderen zorgvuldigheid te verwekken, als zij hooren dat hun en des volks zaligheid daarin gelegen is, zoo zij naarstig en gedurig in hun ambt arbeiden. En dewijl de leer die waarlijk sticht, gemeenlijk geen groote uiterlijke versiering heeft, daarom vermaant Paulus, dat men moet aanzien wat nut is: alsof hij zeide: De eergierigen mogen door hun eerzoeking gevoed worden, en zij mogen zichzelven in hunne scherpzinnigheden behagen. Maar u aangaande, het zij u genoeg, te staan naar uwe en uws volks zaligheid. Deze vermaning gaat het gansche lichaam der gemeente aan, opdat zij van de eenvoudigheid niet walgen, dewelke de zielen levend maakt, en bij hen hun welvaart en gezondheid onderhoudt. Het moet ook niet ongeschikt schijnen, dat hij dit werk van

Dl. VI.

ocr page 70

66 1 TIMOTHEUS 4:16—5 : 1.

de gemeente te behoeden, Timotheus toeschrijft. Want voorwaar al wat Gode verkregen wordt, is zalig, en door de prediking des Evangelies worden wij tot Christus verzameld. En gelijk de ongetrouwheid of onachtzaamheid des herders der gemeente verderfelijk is, alzoo wordt terecht de oorzaak der zaligheid, zijner getrouwheid en naarstigheid toegeschreven. Het is wel waar, dat God alleen behoedt en zalig maakt: en het is ook niet geoorloofd zelfs het allerminste deel van de heerlijkheid Gods den menschen toe te schrijven. Maar God verkleint zijn heerlijkheid geenszins, als Hij der menschen hulp gebruikt om der menschen zaligheid toe te dienen. Zoo is dan onze zaligheid een weldaad Gods alleen, dewijl zij van Hem alleen komt, en wordt door zijn eenige kracht volbracht, en moet daarom Hem als den eenigen auteur toegeschreven worden. Maar daarom wordt der menschen dienst niet uitgesloten, en desniettemin is die regeering nut, waarin de gezondheid der gemeente gelegen is, gelijk Paulus betuigt Ef. 4:11. Ja dit is ook ganschelijk Gods werk. Want Hij is ook degene, die goede herders maakt, en drijft ze met zijn Geest, en zegent hunnen arbeid, opdat die niet tevergeefs zij. Zoo een goed herder zijnen toehoorders tot zaligheid is: zoo moeten de booze en ondeugende herders weten, dat het verderf dergenen die zij regeeren, hun zal toegerekend worden. Want gelijk de zaligheid der kudde een kroon des herders is: alzoo zal wat verloren gaat, van de ondeugende herders geëischt worden. Een herder wordt gezegd zichzelven te behoeden, als hij dat ambt dat hem bevolen is, getrouw volbrengende, zijner roeping dient: niet alleen omdat hij die gruwelijke straf ontgaat, waarmede de Heere door Ezechiël Ezech. 33:8. dreigt, zeggende: Ik zal het bloed van uwe hand eischen, maar omdat dit gewoonlijk is, dat de geloovigen hun zaligheid werken, als zij in den loop hunner zaligheid voortgaan: van welke wijze van spreken wij gezegd hebben aan de Eilippensen, hfdst. 2:12.

HET VIJFDE HOOFDSTUK.

Lev. 19:32. 1 Den oude bestraf niet scherpelijk, maar vermaan hem als uw

Spr' 8'1' vader, de jongen als broeders.

2 De oude vrouwen als moeders, de jonge als zusters met alle kuischheid.

3 Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn.

4 Voorts, zoo eenige weduwe kinderen of kindskinderen heeft, zoo laat die eerst godzaligheid bewijzen aan hun eigen huisgezin, en

Pr- 3:9- hunnen voorouders vergelding doen: want dit is goed en aange

naam voor God.

1

als vaders. Ja hij gebruikt een zachter woord, te weten, dat hij ze

ocr page 71

1 TIMOTHEUS 5 : 1—4.

vermane. En wij kunnen niet zijn zonder eerbied te bewijzen, als wij ons des vaders of moeders persoon voor oogen stellen: alzoo komt het dat in de plaats van strengheid des herders terstond matigheid komt. Toch moet men aanmerken, dat hij niet wil alzoo de ouden gespaard, en door de vingeren gezien hebben, dat men ze vrijelijk en zonder straffen laat zondigen: hij wil alleen dat men den ouderdom wat eerbiedige, opdat die zich te beter late vermanen. Ja hij wil ook bij de jongen matigheid gebruikt hebben, hoewel niet op gelijke wijze, want men moet den edik altijd met olie matigen. Maar daar is dit onderscheid, dat men de ouden moet eerbiedigen, en zijns gelijken met broederlijke zachtmoedigheid behandelen. Hieruit worden de herders vermaand, dat zij niet alleen moeten acht hebben op hun ambt, maar dat een iegelijk ook moet aanzien wat zijn ouderdom betaamt; want wat den een betaamt, betaamt niet terstond een ander. Zoo moeten wij dan dit gedachtig zijn, zoo de spelers aanzien, wat eerbaarheid hun betaamt in hun spelen, hoeveel te meer moeten de herders, die in zulke hooge plaatsen zijn, zulks niet vergeten. Deze woorden; met alle kuischheid, zijn van de jongen te verstaan, want in de jonkheid moet men allen tijd alle kwaad vermoeden vreezen. Toch verbiedt Paulus hier Timotheus niet, dat hij niets onkuischelijks of dartelijks bedrijve met de jonge maagden, (want dit verbod was niet noodig) maar gebiedt alleen, dat men moet toezien, dat den ongeschikten geen oorzaak tot lasteren gegeven worde. En opdat dit geschiede, eischt hij kuische gestadigheid, die in alle handeling en samenspreking gezien worde, opdat hij te vrijelijker met de jongen handele, zonder eenig kwaad gerucht

3 Eer de weduwen. Het woord eeren beduidt te dezer plaats niet allerlei eerbied, maar een bijzondere zorg, die de herders of opzieners in de oude gemeente aannamen. Want de weduwen werden in de trouw der. gemeente aangenomen, om uit het gemeene goed gevoed te worden. Zoo is dan deze wijze van spreken zooveel alsof hij gezegd had; In het verkiezen der weduwen, die onder uwe en der diakenen bezorging zullen zijn, moet gij acht hebben op die, die waarlijk weduwen zijn. Hoedanig haar conditie geweest zij, zullen wij hierna breeder behandelen. Nochtans moet men hier de reden aanmerken, waarom Paulus geene toelaat, dan die ganschelijk weduwen en verlaten zijn, en ook die geene kinderen noch kindskinderen hebben. Want zij begaven zich der gemeente op zulke conditie, dat zij allen de bijzondere bezorging des huisgezins zouden verlaten, en alle verhinderingen afleggen. Zoo verbiedt dan Paulus terecht die te ontvangen, die huisgezinnen hadden, en nu aan een ander ambt verbonden waren. Als hij zegt; Die waarlijk weduwen zjjn, zoo ziet hij op het Grieksche woord, dat van een werkwoord komt, dat beduidt verlaten en beroofd te zijn.

4 Zoo eenige weduwe kinderen. Deze plaats wordt onderscheidenlijk uitgelegd; en de twijfel komt daaruit, dat het laatste deel zoowel op de weduwen als op hare kinderen kan geduid worden. Die het van de weduwen verstaan, die meenen dat dit de zin is, dat zij leeren door godzalige bediening des huisgezins, de weldaad der opvoeding, die zij van de ouderen ontvangen hebben, aan de jongeren vergelden; alzoo verstaat het Chrysostomus en sommige anderen. Nochtans denken anderen, dat Paulus het eenvoudig neemt, te weten, van de kinderen of kindskinderen. Zoo dan, naar hun

67

ocr page 72

««

68 1 TIMOTHEUS 5:4, 5.

oordeel leert hij, dat hun moeder of grootmoeder het voorwerp is, aan hetwelk zij hun godzaligheid mogen bewijzen. Want er is geen ding natuurlijker dan de weldaad der ouden te vergelden: en daarom is het niet recht dat zulks van de gemeente zou verhinderd worden: daarom eer de gemeente bezwaard worde, zoo laat ze hun plicht doen. Dusver heb ik verhaald wat anderen gevoelen. Toch wilde ik wel, dat de lezers overleiden, of het vervolg niet aldus bekwamer zij: Dat zij leeren zichzelven tehuis godzalig gedragen, alsof hij zeide, dat dit een nuttig beginsel zou zijn om zichzelven tot Gods dienst te wenden, zoo zij tehuis bij de hunnen godzalige werken doen. Want de natuur leert ons onze ouders na God eeren: opdat wij door deze tweede godzaligheid tot de eerste gebracht worden. En dewijl Paulus zag, dat door de voorwending der religie het recht der natuur overtreden werd, zoo heeft hij om dat gebrek te beteren, den weduwen geboden zichzelven door huisleer te oefenen, om God te dienen. En deze uitlegging komt zeer wel overeen met het vervolg der woorden, dat zij met de menschen godzalig handelende, zichzelven in den dienst Gods oefenen, opdat zij door dwaze of beuzelachtige devotie, het gevoelen der menschelijkheid en beleefdheid niet afleggen. Voorts, de weduwen leeren hunne ouders vergelding doen, als zij de nakomelingen opvoeden, die van hen afkomen. Want dit is goed en aangenaam voor God. Alle menschen bekennen, dat dit een ongeschikt ding is, zoo iemand zijn ouders geen dankbaarheid bewijst. Want het natuurlijk gevoelen leert dit. En dit gevoelen is niet alleen een iegelijk ingeboren, dat de tweede graad der godzaligheid is aan de ouders te bewijzen: !/ maar de ooievaars zelve leeren ook ons door hun exempel, te er

kennen de weldaad, die ons van hen gedaan is. Maar Paulus hiermede niet tevreden zijnde, betuigt dat ditzelfde van God verordend is: alsof hij zeide: Niemand denke dat dit zij uit menschen meening opgerezen, maar God heeft het alzoo verordend.

i Oor. 7:32. B Die waarlijk weduwe is en verlaten, die hoopt op God, en vol-

Luk. i:37. hardt in bidden en smeeken nacht en dag.

6 Maar die in wellusten leeft, die is levend dood.

7 En gebied dit, opdat zij onberispelijk zijn.

■j '. Gal. 6:16. 8 Zoo iemand de zijnen, en voornamelijk zijne huisgenooten niet

voorziet, die heeft het geloof verzaakt, en is erger dan een ongeloovige.

5 Die waarlyk weduwe is, en verlaten. Hij spreekt nu klaar-jj * der dan tevoren: want hij leert dat die eerst waarlijk weduwen zijn,

die verlaten zijn en geen huisgezin hebben. Hij zegt, dat dezulken op God hopen, niet dat zij allen, of alleen dit doen. Want men ziet vele weduwen zonder huisgezin en zorg, die nochtans hoovaardig en stijfhalzig, en beide in leven en leer ongoddelijk zijn. Degenen, die kinderen of kindskinderen hebben, worden niet verhinderd hope op God te hebben; gelijk Job, Jakob en David. Anders ware het een vervloekt ding vele kinderen te hebben, hetwelk de Schrift alom onder de uitnemende gaven Gods rekent. Maar Paulus zegt hier, dat de weduwen op God hopen, gelijk hij 1 Cor. 7 : 32 schrijft, dat de ongehuwden alleen God zoeken te behagen, omdat zij niet gedeeld zijn, gelijk als die in het huwelijk zijn. Zoo is dan de zin, dat

ocr page 73

1 TIMOTHEUS 5 : 5, 6. 69

zij door geen verhindering afgetrokken worden van op God alleen te zien: want zij vinden niets in de wereld, waarop zij steunen kunnen. Met dit argument beveelt hij ze aan: want waar aardsche rijkdommen en alle hulp feilt, daar komt het der gemeente toe de hand uit te reiken om te helpen. Daarom der weduwen verlatenheid en alleenheid eischt des herders hulp. Volhardt in bidden. Dit is het tweede argument der aanbeveling, dat zij zonder ophouden bidden.

Waaruit volgt, dat men ze moet helpen en onderhouden op der gemeente kosten. Intusschen maakt hij met deze twee teekenen een onderscheid tusschen de waardige en onwaardige weduwen:

want deze woorden zijn zooveel alsof hij gebood alleen die aan te nemen, die geen hulp van menschen verwachten, maar alleen op God staan, en andere zorgen en bekommeringen afleggende, naarstig zijn in het bidden; en dat de anderen onbekwaam zijn. Deze gedurigheid in het bidden eischt, dat zij van andere zorgen vrij zijn.

Want degenen die bekommerd zijn met de regeering huns huisgezins,

hebben minder vrijheid en tijd. Wij worden wel allen geboden te bidden zonder ophouden; maar men moet zien wat eens iegelijks Luk. is:i. staat toelaat, als men stilheid zoekt om te bidden, en vrijheid van alle andere dingen. Wat Paulus in de weduwen prijst, datzelve Luk. 2:36. beduidt Lukas van Hanna, de dochter van Fanuël: maar ditzelve zou niet allen betamen: omdat het leven niet eenerlei is. Daar zullen wel ongeschikte vrouwen wezen, die meer nabootsters van Hanna dan navolgsters zijn, die om de altaren zullen loopen, en tot den middag in hare prevelingen naarstig zijn, en door deze voorwi^-ng zich van alle lasten des huisgezins onttrekken. En wanneer zij wederom te huis komen, zoo zij niet alle ding naar haren wil vinden, zoo zullen zij het gansche huisgezin met uitzinnig roepen verstoren, en ook somtijds tot slagen uitbreken. Zoo zullen wij dan gedachtig zijn,

dat niet zonder oorzaak aan de weduwen en veriatenen dit als een eigenschap toegerekend wordt nacht en dag te bidden, omdat zij vrij zijn van behoorlijke verhinderingen, waardoor degenen, die een huisgezin te regeeren hebben, datzelve niet kunnen doen. Nochtans is deze uitspraak niet voor de monniken en de nonnen, die hunne prevelingen en kermingen alzoo verkoopen, dat zij ledig gevoed worden. Gelijk daar voortijds geweest zijn de Euchieten of Psallia-nen. Want er is geen onderscheid tusschen de Euchieten en monniken en mispapen, uitgenomen dat de Euchieten zonder ophouden biddende, meenden dat zij alleen heilig en godzalig waren: maar de monniken en mispapen dichten dat zij met minder aanhoudendheid ook andere lieden heilig maken. Paulus is zulks niet in den zin gekomen, maar heeft alleen willen te kennen geven, hoeveel vrijer die zichzelven in gebeden kunnen oefenen, die geen andere afleiding hebben.

6 Maar die in wellusten. Als hij de ware weduwen met haar teeken aangewezen heeft, zoo stelt hij nu de anderen daartegen, die te verwerpen zijn. Het Grieksche woord dat hij gebruikt, beduidt degenen die zichzelven toegeven, en in wellust en lekkernij leven.

Daarom gispt Paulus naar mijn oordeel die, die haar weduwschap daartoe misbruiken, opdat zij van het juk des huwelijks en van alle zwarigheid vrij zijnde, een lustig leven in ledigheid leiden. Want wij zien velen, die haar vrijheid en gemak zoeken, en vroolijk leven. Van dezulken betuigt Paulus dat zij levend dood zijn. Hetwelk sommigen verstaan van de ongeloovigheid: maar ik gevoel zoo niet.

ocr page 74

70 1 TIMOTHEUS 5:6-8.

Want ik acht dat die bekwamelijker geacht wordt dood te zijn, die onnut en van geene waarde is. Want waartoe leven wij, dan opdat ons leven nuttig zij ? En wat zou het wezen, of daar een krachtige beduiding ware in het woordje levend? Want degenen, die een ledig leven begeeren om te gemakkelijker te leven, die hebben ook dit spreekwoord in den mond: Het is geen leven te leven, maar wel te pas te zijn is een leven. Alzoo zou de zin zijn: zoo zij meenen gelukkig te zijn, als zij naar haars harten begeerte wel varen, en achten dat eerst een leven te zijn, als zij in rust en vroolijkheid zijn, zoo zeg ik dat zij dood zijn. Doch dewijl deze zin mogelijk te scherpzinnig zou zijn, zoo heb ik dien alleen willen aanroeren, niet zekerlijk bevestigende. Het is zeker dat Paulus hier luiheid bestraft, opdat hij die noemt dood te zijn, die nergens.toe nut zijn.

7 En gebied dit. Hij geeft te kennen, dat hij Timotheus niet alleen leert wat hij behoort te volgen, maar dat de vrouwen zeiven naarstig moeten vermaand worden, dat zij met dusdanige gebreken niet bevangen worden. Want een herder moet niet alleen zichzelven stellen tegen booze werken, of tegen de eerzoeking dergenen, die zichzelven tegen reden indringen, maar moeten ook met leer en dagelijksche vermaningen alle gevaren voorkomen, zooveel in hen is. Dit was wel een gestadigheid en standvastigheid, geene weduwen toe te laten, dan die waardig waren: maar intusschen moest hij reden geven, waarom men ze niet zou toelaten. Ja men moet eerst de gemeente vermanen, dat geene onwaardige ingebracht werden, of zichzelven indrongen. Voorts, dit stuk der leer heeft Paulus wederom door zijne nuttigheid aangeprezen, alsof hij gezegd had, dat zij geenszins te verachten is, omdat zij gemeen is, dewijl zij dient tot de hoofdzaak, om recht en volkomenlijk te leven. Nu, er is geen ding in de school Gods meer te leeren, dan de overdenking des heiligen en volkomenen levens. Eindelijk, die leer der zeden wordt gesteld en vergeleken tegen de scherpzinnige speculatiën, van welke geen vrucht in dit leven gezien wordt, volgens dit woord; Alle Schrift is nuttig, opdat de mensch Gods volmaakt worde.

8 Zoo iemand. Erasmus heeft dit overgezet, zoo eenige, maar het behaagt mij beter dat het een gemeene uitspraak zij, en mannen en vrouwen vervat. Want Paulus pleegt zijne bewijsredenen te nemen uit algemeene grondstellingen, ook wanneer hij een bijzondere stof behandelt: en wederom pleegt hij uit bijzondere uitspraken een algemeene leer te leiden. En het zal voorwaar gewichtiger zijn, zoo het beiden van mannen en vrouwen gezegd is. Zoo zegt hij dan dat die het geloof verzaakt hebben, die al hun volk, en voornamelijk hun eigen huis, niet bezorgen. En dat terecht, want daar kan geen vreeze Gods zijn in dien mensch, die het menschelijk gevoelen alzoo kan afleggen. Zou het geloof, waardoor wij kinderen Gods worden, ons erger maken dan onredelijke dieren? Zoo dan, zulke onmen-schelijkheid is een openbare verachting Gods en verzaking des ge-loofs. En Paulus daarmede nog niet tevreden zijnde, bezwaart deze zonde, zeggende, dat die erger is dan een ongeloovige, die de zijnen vergeet. Hetwelk om twee oorzaken waarachtig is: want hoe groo-ten voortgang in de kennis Gods een iegelijk gedaan heeft, zoo eel te minder onschuld heeft hij. Zoo zijn dan die erger dan die onge-loovigen, die in dat klare licht Gods blind zijn. Bovendien is dit een weldaad, die de natuur zelve leert: want het zijn natuurlijke

ocr page 75

1 TIMOTHEUS 5:8, 9. 71

genegenheden. Zoo de ongeloovigen vanzelfs door de leiding der natuur genegen zijn om de hunnen lief te hebben, wat zal men gevoelen van die, die door geene zulke genegenheid geroerd worden? gaan zij niet de goddeloozen zeiven met hun onmenschelijkheid te boven ? Zoo iemand wil tegenwerpen, dat ook onder de ongeloovigen vele wreede en beestelijke ouders zijn, daarop is licht te antwoorden, dat Paulus spreekt van die ouderen alleen, die door de leiding en onderwijzing der natuur zorg dragen voor hunne kinderen. Want zoo iemand van deze volkomenheid ontaardt, die is voor een ongeschikt monster te achten. Hier wordt gevraagd, waarom de apostel de huisgenooten stelt boven de kinderen zeiven? Ik antwoord: als hij zegt: De zijnen, en voornamelijk zijne huisgenooten, zoo spreekt hij in beide plaatsen van de kinderen en kindskinderen. Want ofschoon de kinderen uitbesteed, of door huwelijk in een ander huisgezin gekomen zijn, of eenigszins van de ouderen verhuisd zijn, zoo wordt nochtans dat recht der natuur nimmermeer ganschelijk uitgebluscht: de oudsten moeten ze allen tijd als hun van God bevolen zijnde,

regeeren, of immers naar hun vermogen raden. Maar in de huisgenooten is een enger verbinding, want dezen moeten ze om twee oorzaken bezorgen, te weten, omdat zij hun bloed zijn, en ook omdat zij een deel zijn des huisgezins, dat zij regeeren.

9 Men zal de weduwe verkiezen, die niet minder dan zestig jaren oud is, die eens mans vrouw geweest zij;

10 Hebbende getuigenis in goede werken, zoo zij kinderen op- l Petr. i: 9. gevoed heeft, zoo zij gastvrij geweest is, zoo zij der heiligen 1voeten gewasschen heeft, zoo zij de verdrukten geholpen heeft, Ln!»'- 7:38-zoo zij in alle goed werk naarstig geweest is.

11 Verwerp de jonge weduwen, want als zij beginnen dartel te zijn tegen Christus, zoo willen zij trouwen.

12 Hebbende de verdoemenis, omdat zij de eerste trouw verworpen hebben.

13 Ook mede leeren zij ledig omgaan bij de huizen, en niet alleen ledig, maar ook klapachtig en nieuwsgierig, sprekende wat niet Tit. 2:3. betaamt.

1

twee oorzaken, waarom hij niet wil, dat men andere weduwen zal

ocr page 76

1 TIMOTHEUS 5:9—11.

aannemen dan van zestig jaren. Zooveel de begeerte des huwelijks aangaat, is het gevaar genoeg ontgaan, wanneer een vrouw boven de zestig jaren is gekomen: voornamelijk zoo zij in haar gansche leven niet meer dan ée'n man gehad heeft. Want het is gelijk een pand der onthouding en schaamte, wanneer een vrouw zoover gekomen is, met éénen man tevreden zijnde. Niet dat Paulus het tweede huwelijk misprijst of schandelijk acht. Ja hij vermaant meer de jonge weduwen tot huwelijken, maar omdat hij zorgvuldig heeft willen toezien, dat hij niemand den weduwlijken staat oplegde, die noodig was een man te hebben. Van welke zaak weinig hierna meer zal gezegd worden.

10 In goede werken. De gaven die hier volgen, gaan eensdeels de eere, en anderdeels den last aan. Daar zijn zonder twijfel eerlijke vergaderingen der weduwen geweest, vol deugden en eerbaarheid, en daarom wil Paulus niet dat men daarom zal aannemen weduwen, dan die met goede getuigenis van het gansche voorgaande leven versierd zijn. Nu zij werden niet verordend tot luie en ondeugende ledigheid: maar om den armen en kranken te dienen, totdat zij krachteloos geworden zijnde, rusten mochten met verlof der gemeente, gelijk die voldiend hebben. Zoo dan, opdat zij bekwamer zijn om dien dienst te bedienen, zoo wil hij dat zij in alle werken die haar eigenlijk toekomen, door lang gebruik geoefend zijn: gelijk daar zijn, arbeid en naarstigheid in de opvoeding der kinderen, gastvrijheid, dienst aan de armen, en andere werken der weldadigheid. Zoo iemand hier vraagt, zal men dan al de onvruchtbaren verwerpen, dewijl zij geene kinderen opgevoed hebben? Ik antwoord, dat de onvruchtbaarheid hier niet gestraft wordt van Paulus, maar de luiheid der moeders, welke als zij weigeren het verdriet der opvoeding der kinderen te verdragen, zoo geven zij daarmede genoeg te kennen, dat zij den vreemden niet zullen zeer behulpzaam wezen. En stelt ook mede den godvreezenden vrouwen dit eerlijke loon voor oogen, die zichzelven niet gespaard hebben: dat desgelijks hare oude dagen in den schoot der gemeente aangenomen zullen worden, om onderhouden te worden. Door de wassching der voeten, verstaat hij samenvattender wijze den dienst, die den heiligen pleegt te geschieden. Want het was toen een gewoonte de voeten te wasschen. Deze weldaad scheen verachtelijk, en bijna slaafsch te zijn: daarom heeft hij hiermede als met een teeken die vrouwen beteekend, die naarstig en niet lekker of teeder waren. Wat daarna volgt, gaat de milddadigheid aan, en datzelfde drukt hij ten laatste breeder uit, als hij zegt: Zoo zij in goede werken gedurig geweest is. Want hier spreekt hij van de weldadigheid.

11 Verwerp de jonge weduwen. Hij gebiedt niet, dat men ze van de gemeente uitsluite, of dat men haar eenige schande aandoe: maar hij zegt alleen dat men haar niet die eere moet mededeelen, die hij boven gemeld heeft. Zoo de Geest Gods door den mond van Paulus betuigt, dat geene, die onder de zestig jaren is, waardig is in die orde te komen, omdat de weduwlijke staat in jonger jaren zorgelijk is, wat stoutigheid is het geweest, later den jongen maagden in de allergrootste hitte harer jonkheid, een wet van eeuwige kuischheid op te leggen? Ik zeg, Paulus laat niet toe buiten huwelijk te blijven dan dien, die zoo oud zijn dat zij van alle gevaar der onkuischheid vrij zijn. Daarna is men in het aannemen der jonk-

72

ocr page 77

1 TIMOTHEUS 5: 11, 12.

ks vrouwen tot eeuwige kuischheid gekomen tot veertig jaren, daarna

;n tot dertig jaren, ten laatste zijn zij begonnen zonder eenige uitzon

de dering der jonkheid alle maagden te ontvangen. Zij zeggen, dat het

in den maagden, die geenen man gehad hebben, veel lichter is zich te

e- onthouden dan den weduwen. Maar zij kunnen niet maken dat dit

le gevaar niet zij te vreezen, dat Paulus vliedt en gebiedt te vlieden.

?e Zoo hebben zij dan lichtvaardig, ja ook wreedelijk den maagden,

ïn die noch teeder en jong zijn, een strik aangeworpen, die tot het

ig huwelijk bekwamer zouden geweest zijn. Want als zij beginnen,

al Hij zegt, dat die tegen Christus dartel zijn, die den staat, waartoe zij

geroepen waren, vergetende, zich vroolijker verheugden dan het bels taamt. Want zij behoorden in zedigheid te blijven gelijk het den ;e gestadigen vrouwen toebehoort. Daarom een weeker en ongebon-J, dener leven leiden, is gelijk dartelheid tegen Christus, wien zij haar n, trouw beloofd hadden. Dewijl Paulus sommige van zulke exempelen :n gezien had, zoo wil hij zulks met een gemeen middel verhinderen, le te weten, dat men nimmermeer geene ontvange, die te eenigen tijde ;ij tot begeerte des huwelijks zou mogen bewogen worden. Hoe meni-gerlei schandelijke ongeschikte misdaad wordt allen dag in het ;r pausdom uit die gedwongen kuischheid der nonnen voortgebracht ? n Wat kloosters worden van de onkuischheid niet doorbroken ? Daarom k ofschoon de zaak in den beginne behagelijk geweest was, zoo had-i, den zij nochtans, door zoovele en zware ondervindingen geleerd zijnde, te eenigen tijde den raad van Paulus moeten gehoor geven, n Nu doen zij niet alleen dit niet, maar verwekken allen dag meer t- en meer den toorn Gods door hun hardnekkigheid. Ik spreek niet ;, alleen van de nonnen: zij dwingen ook de priesters en monniken ;t tot eeuwige kuischheid, al de dagen huns levens. En intusschen e zieden en branden de schandelijke onkuischheden in hen, zoodat n nauwelijks van de tien een zichzelven kuischelijk gedraagt. In de e kloosters is de gemeene hoererij het allerminste kwaad dat men s vinden kan. Ware het dat zij voornamen God te hooren, waar Hij a hier door den mond van Paulus spreekt, zoo zouden zij terstond hun i, toevlucht nemen tot deze remedie die hij leert. Maar de hoovaar-t digheid is zoo groot, dat zij uitzinnig allen die vervolgen, die ze i. hiertoe vermanen. Deze woorden tegen Christus, voegen sommigen i bij het woord trouwen: en hoewel zooveel den zin van Paulus aan-i gaat, niet veel daaraan gelegen is, zoo is nochtans de eerste zin ; loflijker.

3 12 Hebbende de verdoemenis. Verdoemenis hebben, leggen som-

t migen uit, bestraffing verdienen. Maar ik acht dat het wat stren-

gers beduidt, te weten, dat ze Paulus verschrikt met de straf des : eeuwigen doods: alsof Paulus juist dat berispte, dat die uitnemende

: orde, door welke zij behoorden nader met God vereenigd te wor-

, den, hun een oorzaak der verdoemenis ware. En de reden wordt

1 daarbij gesteld, te weten, omdat zij van de trouw des doops en van

; het Christendom ganschelijk afwijken. Ik weet wel, dat het van an-

i deren anders verstaan wordt, te weten, dat zij de trouw, die zij der

gemeente beloofd hadden, niet houden, dewijl zij zich tot het huwelijk begeven, daar zij tevoren beloofd hadden tot den dood toe buiten huwelijk te leven: hetwelk geen schijn heeft: bovendien, waarom zou hij het de eerste trouw noemen ? Zoo dan, Paulus klimt stren-gelijker op, en verheft de zwaarte des kwaads, te weten, dat zij niet

73

ocr page 78

1 TIMOTHEUS 5 : 12, 13.

alleen Christus en der gemeente schande aandeden, van haar eersten staat afvallende, maar dat zij ook de eerste trouw door goddelooze afwijking verlieten. Want alzoo pleegt het te geschieden, dat degene, die eenmaal de palen der schaamte overtreden is, zichzelven tot alle onbeschaamdheid begeeft. Zij waren niet wel tevreden, dat haar lichtvaardigheid schandelijk geacht werd bij de godzaligen, en dat haar dartelheid wederstaan, of immers misprezen werd. En dit was haar een oorzaak om hardnekkiger zich te verheugen, totdat zij het Christendom verwierpen. Deze toevoeging rijmt zeer wel, want wat is er ongeschikters, dan dat wij der verzaking van Christus een deur opendoen, als wij de personen bezorgen willen ? Dat de papisten de belofte der eeuwige kuischheid hieruit willen bevestigen, is nietig. Want ofschoon wij het toelaten, dat het een gewoonte was dezen weduwen zulk eene belofte te laten doen, zoo gaat dit nochtans hun niet aan. Want ten eerste moet men het einde aanmerken: Want de weduwen beloofden voortijds niet daarom in den weduwlijken staat te blijven, opdat zij alzoo zouden een heiliger leven leiden dan in den gehuwden staat: maar omdat zij niet de mannen en de gemeente te zamen konden dienen. Maar bij de papisten wordt kuischheid beloofd alsof het een deugd ware, die uit zichzelve Gode behaagde. Bovendien verlieten zij toen haar vrijheid van huwelijken, als zij zoo oud waren dat zij niet meer bekwaam waren tot huwelijken: want zij moesten tenminste zestig jaren oud zijn, en met één huwelijk tevreden geweest zijn, daarmede een bewijs harer kuischheid gevende. Maar nu worden bij de papisten beloften gedaan, om eer dan het tijd is, of midden in de hitte der jonkheid, het huwelijk te verzaken. Wij misprijzen de tirannische wet van buiten het huwelijk te leven, voornamelijk om twee oorzaken, te weten, omdat zij dichten dat het een dienst is, waarmede men bij God kon verdienen, en omdat zij door lichtvaardigheid der beloften, de zielen in het verderf stooten. Deze dingen waren geen van beide in die oude ordening. Zij deden niet juist zulke belofte der kuischheid, alsof het leven in huwelijken staat minder Gode behaagde: maar alleen hielden zij zichzelven vrij van de band des huwelijks, haar gansche leven lang, zoover het de dienst eischte, tot welken zij verkoren waren. Zij beroofden zichzelven niet van de vrijheid die zij hadden tot het huwelijk, anders dan als haar, ofschoon zij vrij waren, het huwelijk nu ontijdig en onbekwaam was. Eindelijk, deze weduwen waren zoo ver verwijderd van de nonnen, als Hanna de profetes was van Claudia, de Vestaalsche maagd.

13 Ook mede ledig. Geen ding betaamt den vrouwen beter, dan de bewaring des huisgezins. Daarom hebben de ouden de schildpad gesteld tot een beeld der eerlijke en goede huismoeders. Nu zijn velen van tegenovergestelde ziekten krank. Want daar is geen ding, waarin zij grooter behagen hebben, dan in de vrijheid van hier en ginder te loopen, voornamelijk, als zij geen huisgezin hebben, te huis niets te doen hebben. Hiertoe dient ook, dat deze weduwen, dewijl zij als gemeene dienaren waren, te lichtelijker met eerlijker voorwending konden gaan, waar zij wilden. Als zij deze gelegenheid verkregen hadden, zoo hebben zij de weldaad der gemeente misbruikt tot ledigheid. Daarna (gelijk het pleegt te geschieden) is uit de ledigheid gekomen nieuwsgierigheid, welke is de moeder der klapachtigheid. Want het woord van Horatius is zeer waar: Vliedt een vrager,

74

ocr page 79

1 TIMOTHEUS 5 :13, 14. 75

want deze is klapachtig. Want (gelijk Plutarchus zegt) het is recht dat de nieuwsgierige menschen geen geloof hebben, welke zoo haast als zij iets vernomen hebben, nimmermeer ophouden, totdat zij het wederom uitgegoten hebben. Voornamelijk geschiedt dit in de vrouwen, welke nu van nature genegen zijn tot klapachtigheid, en geen verborgen zaak kunnen behouden of zwijgen, ^oo heeft dan Paulus niet zonder oorzaak deze drie dingen te zamen gesteld, ledigheid, nieuwsgierigheid, en klapachtigheid.

14 Zoo wil ik dan, dat de jonge weduwen trouwen, kinderen gene- i Cor. 7:9. reeren, het huisgezin bedienen, en den tegenstander geen oorzaak geven om te lasteren.

15 Want velen zijn nu afgeweken naar den duivel.

16 Zoo uenig geloovig [man,] of eenige geloovige [vrouw] weduwen heeft, zoo zullen zij haar te hulp komen, en de gemeente zal niet bezwaard worden, opdat zij genoeg hebbe voor de waarlijk weduwen

14 Zoo wil ik dan, dat de jonge weduwen trouwen. De neuswijze menschen bespotten dit gebod des apostels en zeggen: Dit is alsof men ze de sporen moest geven tot haar begeerlijkheid,

waartoe zij maar al te zeer genegen zijn. Want wie is er die niet weet, dat bijna al de weduwen van zelfs begeeren tot het huwelijk te komen? En superstitieuse menschen zouden oordeelen, dat deze leer van het huwelijk, een apostel van Christus niet wel betaamde.

Maar wanneer alle dingen wel overlegd zijn, zoo zullen verstandige menschen bekennen, dat Paulus hier niet leert, dan wat noodig en zeer zalig is. Want in den weduwlijken staat nemen velen oorzaak om te vrijer dartelheid te bedrijven: en van de andere zijde rijzen dikmaals geesten op, die in geveinsdheid liegen, en die in het leven buiten het huwelijk heiligheid stellen, alsof het een engelen volmaaktheid ware: en het huwelijk verdoemen zij ganschelijk, of zij verachten het, alsof daar besmetting in ware. Daar zijn weinigen,

zoowel onder de mannen als onder de vrouwen, die hun roeping aanzien. Onder hoevele mannen is er een, die den last van zijn huisvrouw te regeeren, gaarne aanneemt? te weten, omdat het een zaak is met ontallijke zwarigheden. En ook de vrouw, hoe noode neemt zij dat juk aan? Daarom, als Paulus den jongen weduwen gebiedt te trouwen, zoo roept hij ze niet tot de vroolijkheid des bruilofts, en vermaant ze niet dat zij zich in onkuischheid toegeven, als hij haar gebiedt kinderen te genereeren: maar als hij de zwakheid des vrouwelijken geslachts en de slibberige jonkheid overlegt, zoo vermaant hij ze tot een kuisch huwelijk, en ook mede om de lasten des heiligen huwelijks aan te nemen. En dit doet hij voornamelijk, opdat het haar niet schijne schandelijk te zijn, dat zij van de orde der weduwen verworpen worden. Want hij geeft te kennen, dat haar leven zoowel Gode zal aangenaam wezen, zoo zij de huishouding bezorgen, alsof zij in weduwlijken staat bleven. En voorwaar, God vraagt niet naar de meening der superstitieuse menschen, maar acht deze gehoorzaamheid grooter dan alle dingen,

wanneer wij liever zijner roeping gehoorzaam zijn, dan onzes harten lust volgen. Als zij dezen troost hooren, zoo hebben zij geen oorzaak om te klagen, dat haar onrecht geschiedt, of om kwalijk te

ocr page 80

1 TIMOTHEUS 5 : 14—16.

nemen, dat zij van een deel der eer uitgesloten worden. Want hij bewijst, dat haar leven in den huwelijken staat niet minder Gode behagelijk zijn zal in wel haar huisgezin te regeeren, dan of zij bleven in den weduwlijken staat. Als hij spreekt van de genereering der kinderen, zoo vervat hij hieronder alle zwarigheden, die in de opvoeding der kinderen te lijden zijn: gelijk hij onder de bediening des huisgezins, alle dingen vervat die tot de huisregeering dienen. Geen gelegenheid geven. Want gelijk de man zooveel is als het deksel der vrouw, alzoo is de weduwlijke staat velen kwaden vermoedingen onderworpen. En waartoe dient het, dat men zonder eenigen nood de vijanden des Evangelies tot lastering zal wapenen? Nu, een weduwe in hare jeugdige jaren kan zeer kwalijk zichzelve zoo voorzichtig hoeden, dat de booze menschen niet eenigen schijn vinden om te lasteren. Daarom, indien de stichting haar ter harte gaat, zoo moeten zij om den kwaadsprekers den mond te stoppen, een wijze van leven aannemen, waarvan men niet zoo lichtelijk kwaad vermoeden kan. Door het woord tegenstander, versta ik hier liever de gemeene tegenstanders des Evangelies, dan de bijzondere tegenstanders van eenige vrouw, dewijl Paulus zonder onderscheid gesproken heeft.

15 Want velen. Het is zeker, dat daar geen zoo heilige orde is, waaruit niet wat kwaads komt door der menschen boosheid. Maar de dingen die noodig zijn, moeten vast blijven, wat daar ook uit mocht komen: al ware het dat de hemel viel. Maar daar het vrij is een van beide deelen te verkiezen, naardat wij bevinden dit of dat nut te zijn, zoo is het wijsheid ook zelfs dat af te leggen, dat te voren behagelijk was: gelijk in deze tegenwoordige zaak. Het was niet noodig, dat de jonge vrouwen tot de orde der weduwen zouden aangenomen worden, en de bevinding leerde dat het een gevaarlijke en schadelijke zaak was. Zoo is het dan recht dat Paulus voor later toegezien wil hebben, dat zulks niet geschiede. Zoo de afwijking van sommige vrouwen krachtige oorzaak genoeg was om een algemeen remedie te zoeken, hoe vele oorzaken zouden de papisten heden hebben, om dien onkuischen maagdelijken staat af te brengen, zoo zij eenigszins de stichting aanzagen. Maar zij willen liever menigmaal honderdduizend zielen met den strik der goddelooze en duivelsche inzetting verworgen, dan één knoop ontbinden: waaruit het openbaar is, hoever hun tirannische wreedheid verscheiden is van de heilige gezindheid van Paulus. Naar den duivel. Deze wijze van spreken moet men aanmerken ; want niemand kan zelfs een haarbreed van Christus afwijken, zonder den duivel te volgen: want hij heeft heerschappij over al degenen, die Christus niet toekomen. Hieruit worden wij vermaand, hoe schadelijk het is van den rechten loop af te wijken, waardoor wij uit kinderen Gods gemaakt worden slaven des duivels, en uit de regeering van Christus gebracht worden tot de leiding des duivels.

16 Zoo eenig geloovig. Dewijl gemeenlijk een iegelijk gaarne zijn eigen last der gansche gemeente wil opleggen, daarom gebiedt hij bij name dit te vlieden. Hij spreekt van de geloovigen, die behoorden hunne weduwen te voeden. Want degenen, die hunne goddelooze maagschap verlaten hadden, behoorden van de gemeente aangenomen te worden. Zoo die zondigen, die zichzelven sparende

76

ocr page 81

1 TIMOTHEUS 5 : 16, 17.

toelaten dat de gemeente met onkosten bezwaard wordt, zoo mogen wij hieruit verstaan, in wat grooten kerkroof die zich verwarren, die door bedrog of roof ontheiligen, wat eenmaal der gemeente gegeven was.

17 De ouderlingen die wel regeeren. zullen dubbele eer waardig Rom. ib:27. geacht worden: voornamelijk, die arbeiden in het woord en Gal^ó:e,11 de leer. 2: 29-

1 Thess. 5 * !•

18 Want de Schrift zegt: Gij zult den dorschenden os den muil Hebr. 13:17'. niet toebinden; en: Een arbeider is zijn loon waardig. ?Cm ^9 • 0'

19 Tegen een ouderling laat geen beschuldiging toe, dan onder Lev. 19:13. twee of drie getuigen. Tob.Vfisquot;'

20 Die zondigen, bestraf die vóór allen, opdat ook de anderen Matt. 10; 10.

■t , -i Luk. 10: 7.

vreeze hebben. DeUt. i9:i5.

21 Ik betuig voor God, en den Heere Jezus Christus, en de uit-1 Tim. 6; 13.

', , , Kom. 1;9;

verkorene engelen, dat gij dit bewaart zonder vooroordeel, 9:1.

niets doende naar de eene zijde wijkende. 11^31' 1:23;

Gai. 1 : 20.

17 De ouderlingen die wel. Dit is ook zeer noodig om de orde 2'Tim. i:i. der gemeente te behouden, te weten, dat de ouderlingen niet ver-Deut- 17:4-geten worden, maar dat men ze bezorgt. Want wat is er onbeleefder, dan dat men die niet bezorgt, die der gansche gemeente zorg dragen ? Want dit woord ouderling, beduidt hier niet een van hoogen leeftijd, maar een ambt. Dat Chrysostomus door de dubbele eer verstaat nooddruft en eerbieding, daar strijd ik niet tegen; wie wil, die kan zijn meening volgen. Toch acht ik het geloofelijker,

dat hier een vergelijking is tusschen de weduwen en ouderlingen.

Paulus had tevoren geboden de weduwen te eeren: nu, de ouderlingen zijn meer waard eere te hebben dan de weduwen, daarom moet men hun bij de weduwen vergeleken, dubbel eere aandoen.

En om te toonen, dat hij geene geveinsde of momaangezichten aanprijst, zoo zet hij daarbij: Die wel regeeren, dat is, die getrouwelijk en naarstiglijk hun ambt bedienen. Want ofschoon iemand honderdmaal de plaats heeft, en van den titel roemt, zoo hij niet mede het ambt bedient, zoo zal hij met geen recht begeeren van der gemeenten bezoldiging te leven. Eindelijk, hij geeft te kennen,

dat men eere schuldig is niet den titel, maar den arbeid, welken die doen die in het ambt gesteld zijn. Toch stelt hij die hooger die in het woord en de leer arbeiden, dat is, die naarstig zijn in het woord te leeren. Want deze twee beduiden hetzelfde, te weten, de verkondiging des woords. Maar opdat niemand door den naam woord, een ledige studie en ijdele speculatie zou verstaan, daarom heeft hij ook daarbij gesteld leer. Hieruit kan men verstaan, dat daar toen tweeërlei ouderlingen geweest zijn: dewijl zij niet allen tot het leerambt verordend waren. Want de woorden luiden duidelijk, dat sommigen wel en eerlijk gediend hebben, dien nochtans het leerambt niet bevolen was. En voorwaar, daar werden gestadige en beproefde mannen verkoren uit het volk, die mede met de herders, met gemeenen raad en autoriteit der gemeente, de discipline bedienden, en waren als corrigeerders in de betering der zeden.

Hiervan klaagt Ambrosius, dat de ondeugendheid, of beter de hoo-vaardigheid der leeraren deze wijze afgebracht heeft, als zij alleen

77

ocr page 82

78 1 TIMOTHEUS 5 : 17—19.

uitnemend wilden zijn. Nu, opdat ik tot de woorden van Paulus wederkeere, hij gebiedt dat men voornamelijk den herders den nooddruft bezorge, die in het leeren bezig zijn. Want dit is de ondankbaarheid der wereld, dat zij voor de onderhouding der dienaren, niet zeer zorgvuldig is: en de duivel zoekt hierdoor de gemeente te berooven van de leer, als hij door vreeze der armoede en honger, velen verschrikt van dezen last aan te nemen.

18 Gij zult den os. Dit is een burgerlijk gebod, waardoor ons in 't gemeen gerechtigheid bevolen wordt, gelijk wij in den Eersten

i Cor. 9;9. zendbrief aan de Corinthiërs gezegd hebben. Want zoo hij verbiedt onbeleefd te zijn tegen de onredelijke dieren, hoeveel grooter beleefdheid eischt hij jegens de menschen? Zoo dan, deze sententie beduidt al zooveel, alsof daar in 't gemeen gezegd wordt, dat men eens anders arbeid niet moet misbruiken. De wijze van met ossen te dorschen, is heden in vele plaatsen van Frankrijk, Vlaanderen en Brabant, onbekend, waar het koren met vlegels uitgeslagen wordt: alleen die van Provence weten, wat het is met ossen dorschen. Maar dat gaat den zin niet aan, want men kan hetzelfde zeggen van het ploegen. Dat hij terstond daarna daarbij stelt, dat een arbeider zijn loon waardig is, brengt hij niet voort als een getuigenis der Schrift, maar als een spreekwoord, dat een iegelijk uit gemeen gevoelen

Matt. io:io. leert Gelijk ook Christus, toen Hij datzelfde tot zijne apostelen zeide, zoo heeft Hij niet anders voortgebracht dan een waarheid, die van alle menschen eendrachtelijk aangenomen wordt. Zoo zijn dan die wreed, en bedenken geen gerechtigheid, die de beesten, ik zwijg de menschen, laten hongeren, welker bloed zij uitzuipen tot hun voordeel. En hoeveel kwalijker is dier menschen ondankbaarheid te lijden, die hunnen herders den nooddruft weigeren, aan wie zij geen loon kunnen vergelden dat waardig genoeg is.

19 Tegen een ouderling. Als hij geboden heeft den herders loon te geven, zoo vermaant Paulus Timotheus ook, dat hij ze niet door valsche beschuldigingen laat lasteren, noch bezwaren met eenige beschuldiging, tenzij zij behoorlijke getuigenis hebben. Maar dit kon ongeschikt schijnen, dat hij die wet, die allen gemeen is, den ouder-

Deut. 17:6. lingen toeeigent, alsof zij hun alleen toekwam. Dit recht gebiedt

Matt. 18.16. qocj jn ajje za].engt; zjj ujj. monc[ van twee of drie getuigen beëindigd worden: waarom is het dan dat Paulus de ouderlingen alleen hiermede, als met een bijzonder privilegie wapent, alsof het hun eigen ware, te weten, opdat hun onschuldigheid .van valsche verklagingen vrij zij ? Ik antwoord, dat dit een noodige remedie is tegen de boosheid der menschen: want geen menschen zijn meer den valschen beschuldigingen en achterklappingen onderworpen, dan de godzalige herders. Want behalve dat zij door de zwarigheid des ambts somtijds overwonnen worden, of hinken, of kwalijk zien, waaruit de ongeschikte menschen vele oorzaken nemen om te berispen, zoo komt hiertoe ook, dat hoewel zij zeer naarstig hun ambt bedienen, zoodat zij zelfs niet in het allerminste feilen, zoo zullen zij nochtans nimmermeer duizend berispingen ontgaan. En dit zijn des duivels listen, der menschen harten te vervreemden van de dienaren, opdat de leer allengskens te zamen veracht worde. Alzoo wordt niet alleen den onschuldigen onrecht gedaan, omdat hun autoriteit en goede naam benomen wordt: (hetwelk nochtans een zeer onwaardig ding is in zulk een heerlijke bediening) maar der heilige leer Gods wordt

.

ïtT

ocr page 83

1 TIMOTHEUS 5 : 19, 20.

ook haar autoriteit benomen. En dit zoekt de duivel voornamelijk,

gelijk gezegd is. Want hier is niet alleen het woord van Plato waar,

waar hij zegt, dat het gemeene volk kwaadwillig is, en de uitne-menden benijdt: maar hoe oprechter een iegelijk herder het rijk van Christus zoekt te bevorderen, zooveel te meer wordt hij benijd,

en zooveel te hardnekkiger wordt hij aangeloopen. Nu, zoo haast als eenige beschuldiging van de dienaren des Woords voorkomt,

dat wordt aangenomen alsof zij nu daarvan overtuigd waren. Dit geschiedt niet alleen daarom, dat grooter volmaaktheid van hen tVv

geëischt wordt, maar ook omdat de duivel velen verwekt tot een lichtvaardig gelooven, zoodat zij zonder eenige onderzoeking, hunne herders met begeerte veroordeelen, welker goeden naam zij liever behooren te beschermen. Zoo is het dan niet zonder oorzaak, dat Paulus zich stelt tegen zulke groote ongerechtigheid, en gebiedt dat men de ouderlingen niet der kwaadsprekendheid der ongeschikte menschen zal onderwerpen, eer zij door behoorlijke getuigenissen overwonnen zijn, want het is geen wonder dat zij vele vijanden hebben, dewijl hun ambt is eens iegelijks feil te straffen, en eens iege-lijks booze genegenheid te wederstaan; en door hun strengheid te bedwingen allen die zij zien dwalen. Wat zal het dan wezen, zoo men zonder onderscheid al de valsche beschuldigingen hoort, die van hen gezaaid worden ?

20 Die zondigen, bestraf die voor allen. Zoo wanneer de goeden ' f;

verschoond en beschermd worden, dat trekken de boozen tot hun vrijheid. Zoo dan wat Paulus gezegd had van de onrechtvaardige ^

beschuldigingen te verhinderen, dat matigt hij alzoo met deze uit-spraak, dat nochtans onder dit deksel niemand geoorloofd is vrijelijk ongestraft te zondigen. En wij zien voorwaar met hoevele en menigerlei voorrechten, de paus zijne geestelijkheid voorzien heeft,

alzoo dat zij van alle berisping vrij zijn, hoewel zij nochtans zeer booselijk leven. Voorwaar, zoo men die uitzonderingen aanmerkt,

die Gratianus verzamelt, zoo is het niet te vreezen, dat zij te eeni-gen tijd zullen gedwongen worden om rekenschap te geven. Want waar zal men twee en zeventig getuigen vinden, die door dat schan- V,

delijk gebod bekend onder den naam van Sylvester, geëischt worden om een bisschop te oordeelen? Bovendien, dewijl geen leek toegelaten wordt om een bisschop te beschuldigen, en den minsten onder de geestelijkheid verboden is den meesten moeite te doen, waarom zouden zij dan niet vrijelijk alle oordeelen mogen bespotten ? Daarom moet men naarstig deze matiging houden, opdat de dartele tongen bedwongen worden, dat zij den ouderlingen hun eer niet benemen quot;.j'

door gedichte feilen, en dat nochtans een iegelijk onder hen, naardat '

hij zichzelven kwalijk gedraagt, streng gestraft worde. Want ik neem dit alzoo, dat het van de ouderlingen gezegd is, te weten, dat men / Vv

die openlijk moet bestraffen, die een ongebonden leven leiden.

Waarom, opdat de anderen, door zulk exempel vermaand zijnde, te meer vreezen, als zij zien dat ook zelfs die niet gespaard worden,

die in hoogeren trap en waardigheid zijn. Want gelijk de ouderlingen met een eerlijk leven den anderen moeten voorgaan: alzoo moet men ook wanneer zij gezondigd hebben, streng discipline tegen hen gebruiken, dat allen tot een exempel zij. Want waarom zou men dier menschen ongebonden vrijheid meer toegeven, welker zonden grooter schade doen dan van andere menschen ? Men moet verstaan,

79

t'.

ii'.

■

ocr page 84

I'-'

80 1 TIMOTHEUS 5:20—22.

dat Paulus dit zegt van booze stukken of schandelijke zonden, die 2

openbare ergernis medebrengen: want zoo iemand uit de ouderlin- Tin

gen slechts gefeild heeft, zonder groote booze daad, dien moet men die

zonder twijfel meer afzonderlijk vermanen, dan openlijk bestraffen. rijZ(

2i Ik betuig voor God. Deze betuiging is van Paulus hier ge- Wa

■ v steld, niet alleen als in een zeer ernstige zaak, maar ook om de nijd

groote zwarigheid. Want daar is geen ding zwaarder, dan met zulke stoi

' gerechtigheid oordeelen, dat men nimmermeer door gunst bewogen melt;

worde, noch de kwade vermoedingen toelate, noch door aandra- dat

gingen geroerd worde, noch te streng, noch iets anders in alle zaken woi

aanzie dan de zaak zelve. Want dan is het recht aan beide zijden, mo

gelijk wanneer de oogen voor de personen gesloten zijn, en niet aut

anders aanzien dan de zaak zelve. Voorts zullen wij gedenken, dat last

hier onder den persoon Timotheus alle herders vermaand worden, nee

en dat Timotheus met een schild gewapend wordt tegen alle booze ker

■ • verwekkingen, welke dikmaals plegen ook den allerbesten veel te wel

./'* doen te maken. Zoo stelt hij dan Timotheus God voor oogen, opdat zijr

i hij wete, dat hij alzoo met groote godvreezendheid zijn ambt moet . kei

bedienen, alsof hij voor Gods en zijner engelen oogen handelde. tw«

; ! Ilom-14:10- Als hij God genoemd heeft, zoo stelt hij daarbij ook Christus: want eer

'dezen heeft God alle macht des oordeels gegeven, en voor zijnen Tii

rechterstoel zullen wij eenmaal allen verschijnen. Hij stelt de engelen te

bij Christus, niet als richters, maar als die zullen getuigen wezen ooi

j'lv der onachtzaamheid, of lichtvaardigheid, of eergierigheid, of onge- dai

trouwigheid. Want zij zijn tegenwoordig als aanschouwers, om de die

' zorg der gemeente die hun bevolen is. En die moest voorwaar meer zal

lt;/ dan hout en steen zijn, die door die eene gedachte niet de onge- ma

voeligheid en onachtzaamheid aflegt, dat de regeering der gemeente va;

een schouwspel Gods en der engelen is. En waar dit hooge ge- op

tuigenis daarbij komt, zoo moet de vreeze en zorg dubbel worden. dil

y Hij zegt: De uitverkoren engelen, niet alleen opdat hij ze van de scl

verworpene engelen onderscheidde, maar om hun uitnemendheid, op- ik

dat hun getuigenis te grooter eerbied hebbe. Zonder vooroordeel. ge

;• Alzoo letterlijk in het Grieksch: maar hij beduidt meer te groote do

haast, als men de zaak nog niet wel overdacht hebbende, lichtvaardig ve:

oordeelt: of het beduidt te overgroote gunst, als wij de personen im

•, '.i meer toegeven dan recht is, of de een meer achten dan den ander, uz

alsof zij uitnemender waren: hetwelk in het oordeelen altijd ge

onrecht is. Zoo dan, Paulus bestraft hier de lichtvaardigheid of de oc uitzondering der personen. Wat daarna volgt, heeft bijna denzelfden

zin, dat men niet moet her- noch derwaarts afwijken. Want het is zii

•V ' niet wel te zeggen, hoe kwalijk die zichzelven kunnen wederhouden, de

fj die het rechterambt bedienen onder zoovele en menigerlei opwek- is

11 kingen. w(

y ■ ... di

v • 22 Leg niemand, lichtelijk de hand op, en heb geen gemeenschap d(

, ,. aan anderer zonden: bewaar uzelven rein. te

23 Drink voortaan geen water: maar gebruik wat wijns, om uwe m

; , iTim. 4-u maag en uwe vele krankheden: ze

/ , 2 Tim. i:6. 24 Sommiger menschen zonden zijn tevoren openbaar, haastende za

2:17; 13:3- tot het oordeel: maar in sommige volgen zij ook na. w

■ Sir:63i-33 25 Desgelijks ook de goede werken zijn tevoren openbaar: en die M

*-;• Gal. 5:19. anders zijn, die kunnen niet verborgen zijn. d; i'.'

i] ■'

fr ■. I

ocr page 85

1 TIMOTHEUS 5:22, 23.

22 Leg niemand lichtelijk de hand op. Hij heelt zonder twijfel Timotheus van nijd willen bevrijden, en vele klachten verhinderen,

die dikmaals tegen de godzalige dienstknechten van Christus op- .Jv

rijzen, die weigeren naar eens iegelijks eergierige begeerte te doen. ■,

Want sommigen beschuldigen ze van eigenzinnigheid, sommigen van ■■

(nijdigheid, sommigen roepen dat zij wreed zijn, omdat zij niet terstond die toelaten, die eenige aanbeveling hebben: hetwelk wij heden nijdigheid, sommigen roepen dat zij wreed zijn, omdat zij niet terstond die toelaten, die eenige aanbeveling hebben: hetwelk wij heden 1 meer dan te veel bevinden. Zoo vermaant dan Paulus Timotheus,

dat hij van zijn gestadigheid niet afwijke, en niet toelate dat hij over- 'A

wonnen worde door verkeerde begeerten: niet zoozeer omdat Timotheus zulke vermaning noodig was, maar meer om door zijn autoriteit die te bedwingen, die anders Timotheus hadden kunnen lastig zijn. Ten eerste, de oplegging der handen beduidt de ordineering, dat is, het teeken wordt gesteld voor de zaak die betee-kend wordt. Want hij verbiedt hem, dat hij niemand, die nog niet wel beproefd is, door te groote lichtvaardigheid toelate. Want daar zijn sommigen, die door begeerte naar het nieuwe, ook eiken onbe-. kende zouden willen voorthelpen, zoo haast als hij één ding of twee gedaan had dat behagelijk ware. Zulke ontijdige begeerte moet een gestadig en voorzichtig opziener wederstaan, gelijk Paulus hier Timotheus gebiedt te doen. En heb geene gemeenschap. Hij geeft te kennen dat degenen, die in een onbehoorlijke inzetting bewilligen, V

ook mede schuldig zijn met degenen, die de voornaamste oorzaak daarvan zijn. Hoewel sommigen leggen het ook aldus uit: Zoo hij :,i-

die toelaat die onwaardig zijn, zoo wat zij daarna misdoen, daarvan zal de schuld, of een deel der schuld, hun toegerekend worden: '■

maar dit dunkt mij eenvoudiger: Ofschoon anderen tot deze licht-vaardigheid uitbreken, zoo wil daarin hun medegezel niet zijn, lt;

opdat gij niet mede schuldig wordt gelijk zij. Want het geschiedt dikmaals, dat wij die nochtans recht gevoelen, door anderer men-schen dwaasheid en lichtvaardigheid verleid worden. Alzoo versta ik ook wat terstond hierna volgt: Bewaar uzelven rein, alsof hij gezegd had: Zoo anderen iets kwalijk doen, zoo zie toe, dat gij niet 1

door bewilliging of bevestiging besmet wordt. Zoo gij niet kunt verhinderen, dat zij zich niet verontreinigen, zoo betaamt het dat immers uw raad standvastiglijk van hen onderscheiden zij, opdat gij uzelven rein moogt bewaren. Zoo iemand liever heeft dat het eene gemeene uitspraak zij, die mag zijn gevoelen houden, doch naar mijn oordeel, is het beter dat dit woord uit het verband verklaard worde.

23 Drink voortaan geen water. Dewijl het verband door dezen zin afgebroken wordt, zoo meenen sommigen, dat het Paulus' woorden niet zijn. Maar wij zien, dat Paulus niet zoo curieus geweest is in de samenvoeging der redenen, en dat dit hem niet ongewoon is, onderscheiden uitspraken zonder orde te vermengen. Bovendien is het mogelijk, dat hetgeen op den rand daarbij gesteld was als de brief geschreven was, daarna door de dwaling der overschrijvers te dezer plaats ingelascht is. Doch moet ons dat niet zeer bekommeren, zoo wij de wijze van Paulus aannerken, waarvan ik nu gezegd heb, te weten, dat hij dikmaals schijnt verschillende dingen te zamen te vermengen. De inhoud is, dat Timotheus zichzelven ge-wenne wat wijns te drinken om zijn gezondheid te onderhouden.

81

Want hij verbiedt hem niet ganschelijk geen water te drinken, maar dat hij het water niet voor zijn gewonen drank gebruike: want dit

;y

Dl. VI.

ocr page 86

1 TIMOTHEUS 5 : 23, 24.

beduidt het Grieksche woord. Maar waarom raadt hij hem niet enkel wijn te drinken? Want als hij daarbij stelt weinig, zoo schijnt hij te willen de onmatigheid te verhinderen, welke in Timotheus niet te vreezen was. Ik antwoord, dat dit meer is uitgedrukt om de lastering der ongeschikte menschen te verhinderen, die anders lichtelijk zijn raad hadden kunnen bespotten, te weten, met dit of dergelijk voorgeven: Hoedanig is toch deze philosophic die vermaant wijn te drinken ? Is dit ook de weg tot den hemel ? Om dusdanige schimpingen te verhinderen, betuigt hij dat hij alleen zoekt den nood te hulp te komen, en gebiedt ook mede matigheid. Het schijnt dat Timotheus niet alleen sober, maar ook streng was in eten en drinken : als die zelfs zijn eigen gezondheid niet verschoonde. En het is zeker, dat hij dat niet gedaan heeft uit eergierigheid, noch uit bijgeloof. Waaruit wij verstaan, dat hij niet alleen van overdaad en wellusten zeer vreemd is geweest, maar dat hij ook, om tot het werk des Heeren te bekwamer te zijn, wat van de gewone spijzen nagelaten heeft. Want het was niet uit zijn aard en natuur, maar uit soberheid, dat hij geen wijn dronk. Hoe weinig zijn er heden die men het waterdrinken moet verbieden? En hoe velen zijn er die men moet vermanen tot soberheid van wijn drinken? Voorts zien wij hier, hoe noodig het ons ook is, als wij wel willen leven, om den Geest der voorzichtigheid van den Heere te bidden, opdat Hij ons matigheid leere. /Timotheus heeft wel het rechte merk en einde aangezien: maar dewijl hij van den Geest Gods berispt wordt, zoo bekennen wij, dat de uitnemende strengheid zijns levens een feil is geweest. En daar wordt ook mede een gemeene regel geleerd, dat wij onszelven in eten en drinken alzoo moeten matigen, dat een iegelijk acht hebbe op zijn gezondheid, niet om ons leven te verlengen, maar om zoolang als wij leven, God en onzen naaste nuttig en bevorderlijk te zijn. Zoo de overgroote onthouding, waaruit ziekten komen, misprezen wordt, hoewel daar geen bijgeloof in is: waarvoor zal men der Karthuizers hardnekkigheid houden, die liever zouden sterven, dan in den uitersten nood een weinig vleesch eten? Zoo den matigen geboden wordt hun gezondheid niet te verkorten door te overgroote matigheid, zoo zullen de onmatigen niet weinig gestraft worden, die door gulzigheid en overdadigheid hun kracht te niet maken. Zulke menschen zijn niet te vermanen, maar als onredelijke dieren van de spijze te drijven.

24 Sommiger menschen zonden. Dewijl niets de getrouwe dienaars des Evangelies meer kwelt, dan als zij geen middel zien om het kwaad te beteren, dat zij gedwongen worden de geveinsden te dulden, welker boosheid zij weten: en velen die schadelijke pesten zijn, niet van de gemeente kunnen drijven, ja ook niet zelfs verhinderen hun venijn door heimelijke listen te zaaien: zoo versterkt Paulus Timotheus met deze vertroosting, te weten, dat het te eenigen tijde wanneer het Gode zal behagen, zal geschieden, dat zij in het openbaar getrokken zullen worden. Alzoo bevestigt hij hem ook tot verdraagzaamheid, omdat men goedsmoeds den bekwamen tijd moet verwachten, welken God met zijn wijsheid verordend heeft. Ook worden de goede en heilige herders met een andere onwaardigheid gekweld, te weten, dat zij wanneer zij hun ambt met de uiterste volkomenheid en oprechtheid bediend hebben, nochtans met vele lasteringen en menigerlei benijding bezwaard

82

ocr page 87

83

worden, en zien dat wat prijselijk is, tot oneer verkeerd wordt. In dezen deele komt Paulus ook te hulp, als hij Timotheus vermaant, dat het licht van sommige goede werken tot een anderen tijd bewaard wordt. Daarom, ofschoon hun lof onder de aarde begraven wordt door der menschen ondankbaarheid, zoo moet men dit ook goedsmoeds verdragen, totdat de tijd der openbaring komt; hoewel hij geneest niet alleen dusdanig kwaad, maar dewijl het dikmaals komt dat wij in het verkiezen der dienaren bedrogen worden, wanneer degenen, die onwaardig zijn, zichzelven listig voorgeven, en de goeden ons nu onbekend zijn. Bovendien, ofschoon wij in ons oordeel niet feilen, zoo kunnen wij nochtans niet maken, dat anderen ons oordeel goed achten: maar de besten worden verworpen, hoewel wij daartegen zijn, en de boozen sluipen in, of steken zichzelven in, en het is niet mogelijk, of onze en der gemeente staat moet ons zeer benauwen. Zoo dan, Paulus arbeidt om deze ergernis weg te nemen, of immers te minderen. Zoo is dan dit de inhoud, te weten, dat men moet verdragen wat men niet terstond kan beteren: dat men mag zuchten wanneer daar nog geen bekwame tijd is om te beteren: maar dat men tegen de ziekten geen geweld gebruiken moet, als zij nog niet rijp of openbaar zijn: wederom, zoo wanneer der deugd haar eer niet gegeven wordt, dat men dan den vollen tijd der openbaring moet verwachten, en de plompheid der wereld dragen, en in de duisternis rusten, totdat de dag aanlicht. Nu kom ik tot de woorden, als ik de zaak met korte woorden verklaard heb. Als hij zegt: Sommiger menschen zonden zjjn tevoren openbaar, zoo geeft hij daarmede te kennen, dat zij vroeg openbaar worden, en als vóór den tijd tot der menschen kennis komen; en dit drukt hij uit door een gelijkenis, alsof zij loopende zich haasten tot hun oordeel. Want wij zien hoe velen onbesuisd tot den val loopen, en vanzelf de verdoemenis op zich halen, ofschoon de gan-sche wereld hun zaligheid begeert. Zoo wanneer dit geschiedt, zoo moeten wij bedenken, dat de verworpenen door de verborgen voorzienigheid Gods opgewekt worden om hunnen schuim uit te werpen. In sommigen volgen zij na. Dat Erasmus het overgezet heeft: Sommigen volgen zij na, behaagt mij niet: hoewel het schijnt met de samenvoeging der Grieksche woorden beter overeen te komen, nochtans eischt de zin, dat men het woordje in, daaronder versta. Want de tegenstellende vergelijking wordt niet weggenomen door de verandering des toevals. Want gelijk hij gezegd had, dat sommige menschen haastig tot hun oordeel zouden loopen, alzoo zegt hij nu daarentegen daarbij, dat sommiger of der anderer menschen zonden niet zoo haastig bekend worden. Hij geeft te kennen, dat sommiger menschen zonden, hoewel zij langer verborgen zijn dan het betaamde, en later openbaar worden, nochtans niet eeuwig zullen verborgen zijn: want zij zullen ook hunnen tijd hebben. Zoo nochtans de overzetting van Erasmus iemand beter behaagt, zoo moet nochtans dezelfde zin blijven: te weten, hoewel de straf Gods zich niet haast, zoo volgt zij nochtans langzaam achteraan.

25 Desgelijks ook de goede werken. Hij geeft te kennen, dat de godzaligheid en andere deugden somtijds vroeg bij de menschen haren lof hebben, zoodat de goeden in waarde zijn. En ofschoon het anders geschiedt, zoo zal de Heere nochtans niet toelaten, dat de onschuld en oprechtheid eeuwiglijk overvallen is: want zij wordt

ocr page 88

1 TIMOTHEUS 5 : 25—6 :1.

dikmaals met valsche beschuldigingen als met wolken verduisterd;

Matt ia2 43' doch ten laatste wordt dat vervuld, dat God die zal doen blinken ' gelijk de dageraad: maar intusschen nochtans is een gerust gemoed noodig, om te verdragen. Want wij zijn menschen, daarom moeten wij altijd zien wat mate onze kennis heeft, opdat wij niet verder treden: want dat ware in Gods ambt treden.

1 Petr. 2 ; 18.

p ■ Ir

HET ZESDE HOOFDSTUK.

Col* al 22 1 Alle dienstknechten, die onder het juk zijn, die zullen hunnen

Tit. 2:9. heeren alle eer waardig achten: opdat de naam Gods en de

leer niet gelasterd worde.

2 En die geloovige heeren hebben, zullen ze niet verachten, omdat zij broeders zijn, maar te meer dienen, omdat zij geloovig, en lief, en der weldadigheid deelachtig zijn.

Het schijnt, dat de dienstknechten in het begin des Evangelies hunnen moed verheven hebben, alsof zij vrijgelaten werden; want Paulus arbeidt alom zeer om die begeerte te bedwingen. En voorwaar, de staat der dienstbaarheid was zoo hard, dat het geen wonder is dat zij dien zeer haten. Voorts is het gewoonlijk, dat wij tot voordeel onzes vleesches wenden, al wat eenigen schijn heeft. Alzoo als zij hoorden, dat wij alle broeders waren, zoo besloten zij terstond, dat zij niet behoorden der broederen slaven te zijn. En ofschoon zij zulks niet gedacht hadden, zoo is nochtans den ellendigen menschen altijd vertroosting noodig, om de bitterheid der ellendigheden te matigen. Bovendien konden zij niet zonder zwarigheid daartoe gebracht worden, dat zij gaarne en met blijden moed hunnen hals aan zulk een streng juk zouden onderwerpen. Hiertoe dient dan de tegenwoordige leer.et schijnt, dat de dienstknechten in het begin des Evangelies hunnen moed verheven hebben, alsof zij vrijgelaten werden; want Paulus arbeidt alom zeer om die begeerte te bedwingen. En voorwaar, de staat der dienstbaarheid was zoo hard, dat het geen wonder is dat zij dien zeer haten. Voorts is het gewoonlijk, dat wij tot voordeel onzes vleesches wenden, al wat eenigen schijn heeft. Alzoo als zij hoorden, dat wij alle broeders waren, zoo besloten zij terstond, dat zij niet behoorden der broederen slaven te zijn. En ofschoon zij zulks niet gedacht hadden, zoo is nochtans den ellendigen menschen altijd vertroosting noodig, om de bitterheid der ellendigheden te matigen. Bovendien konden zij niet zonder zwarigheid daartoe gebracht worden, dat zij gaarne en met blijden moed hunnen hals aan zulk een streng juk zouden onderwerpen. Hiertoe dient dan de tegenwoordige leer.

1 Alle dienstknechten, die onder. Dewijl een iegelijk door val-schen waan zichzelven uitnemendheid toeschrijft, zoo is er niemand die goedsmoeds kan dulden, dat een ander heerschappij over hem heeft. Degenen die de noodzakelijkheid niet kunnen ontvlieden, zijn wel hunnen oversten onderdanig, doch onwillig, en zuchten, en murmureeren inwendig, omdat zij meenen dat hun onrecht geschiedt Al deze redeneering snijdt Paulus af met e'e'n woord, als hij allen die onder het juk zijn, gewillige onderdanigheid gebiedt: want hij geeft te kennen, dat men niet moet onderzoeken, of zij zulk of beter fortuin waardig zijn, dewijl het genoeg is dat zij aan zulken staat verbonden zijn. En als hij gebiedt, dat zij hunne heeren welke zij dienen, zullen achten eere waardig te zijn, zoo eischt hij niet alleen getrouwheid en naarstigheid in hunnen dienst, maar dat zij ze van harte eeren, als die in hoogeren graad gesteld zijn. Want niemand doet zijn overste of heer wat hij schuldig is, tenzij hij hun uitnemendheid aanziende, tot welke God hen verheven heeft, hen daarom eere doet, omdat hij hun onderworpen is. Want ofschoon zij dikmaals onwaardig zijn, nochtans die hoogheid, waarmede God hun verwaardigd heeft te begiftigen, is altijd eere waardig. Bovendien zal niemand zijnen heer gewillig eeren en dienen, zoo hij niet zeker is dat hij het schuldig is. Waaruit volgt, dat de onderdanig-

84

ocr page 89

1 TIMOTHEUS 6: 1—3.

heid begint van deze eer, van welke Paulus wil dat men waardig acht degenen, die in stand en autoriteit zijn. Opdat de naam Gods.

Wij zijn altijd zooveel ons voordeel aangaat, vernuftiger dan het betaamt. Alzoo, wanneer de dienstknechten ongeloovige heeren hebben, zoo kunnen zij lichtelijk zeggen, dat degenen die den duivel dienen, niet behooren heerschappij te hebben over de kinderen Gods. Maar Paulus wendt dit argument naar de tegenovergestelde zijde, te weten, dat men den ongeloovigen heeren gehoorzaam moet zijn, opdat de naam Gods en het Evangelie niet gelasterd worde;

alsof die God, welken wij dienen, ons tot wederspannigheid opwekte,

en alsof degenen die anderen behooren onderworpen te zijn, door het Evangelie hardnekkig en onbeweeglijk werden.

2 Die geloovige heeren. De broederschap schijnt gelijkheid te maken, en alzoo de heerschappij weg te nemen. Maar Paulus besluit het omgekeerde, te weten, dat de dienstknechten behooren des te liever zich aan hunne geloovige heeren te onderwerpen, omdat zij bekennen dat zij kinderen Gods, en derzelver genade deelachtig zijn, aan wie zij met broederlijke liefde verbonden zijn. Want dit is geen kleine verwaardiging, dat God ze in het voornaamste aan hunne aardsche heeren gelijkgemaakt heeft: want zij zijn te zamen door éénzelfde aanneming aangenomen. Zoo moet dan dit hun geen kleine opwekking zijn, om de dienstbaarheid goedsmoeds te dragen. Bovendien is de dienstbaarheid onder zachtzinnige heeren, die ons liefhebben, en die wij wederom liefhebben, verdragelijker. Ook degenen, die van onderscheiden stand zijn, worden door den band des geloofs zeer wel vereenigd.

Leer en vermaan dit.

3 Zoo iemand anders fleert, en met de gezonde woorden van on- i)Of,andere zen Heere Jezus Christus niet tevreden is, en met de leer die diIlgen naar de godzaligheid is,

4 Die is opgeblazen, niets wetende, maar raast in vragingen, woordenstrijden, waaruit nijdigheid, twist, kwaadspreking en i Tim. i: 4. kwaad vermoeden rijst, Tit. 3:9.

5 IJdele krakeelingen der menschen, die verdorven gemoed hebben, iCor. ii:i6. en die van de waarheid beroofd zijn, meenende dat godzaligheid gewin is: scheid u van dezulken.

Leer dit. Hij geeft te kennen, dat dit dingen zijn welke hij naarstig moet leeren: en wil dat bij de leer ook vermaningen zullen zijn. Zoo is het dan zooveel alsof hij gezegd had, dat men allen dag dusdanige leer den menschen moet indrukken, en dat men de menschen niet alleen moet leeren, maar ook met gedurige vermaningen voortdrijven en prikkelen.

3 Zoo iemand anders. Men kon voor anders, overzetten andere dingen. Hoewel, in den zin is geen twijfel. Want hij bestraft die allen, die in deze wijze van leeren niet overeenkomen, al is het dat zij niet openlijk noch met voornemen tegen de gezonde leer strijden. Want het kan geschieden, dat degenen die anders geen goddelooze noch openlijke dwalingen leeren, nochtans door onnutte klapachtigheid zichzelven voorstellende, de leer der godzaligheid vervalschen. Want waar in de leer geen vrucht gezien wordt, noch

85

ocr page 90

86 1 TIMOTHEUS 6:3, 4.

ook geen stichting, zoo is men nu van Christus' voornemen en inzetting afgeweken. Hoewel Paulus niet spreekt van de openlijke werkers der ongoddelijke leeringen, maar van de ijdele en onheilige leeraren, die door hun eerzoeking of gierigheid, de eenvoudige en rechte leer der godzaligheid mismaken: zoo zien wij nochtans hoe scherp en streng hij tegen hen oprijst; en het is geen wonder: want het is niet wel te zeggen, hoezeer hinderlijk die prediking is, die bestreken, en ganschelijk tot ijdele praal gemaakt is. Maar wie hij hier bestraft, is openbaar uit het vervolg der woorden. Want wat terstond daarna volgt: En met de gezonde woorden niet tevreden is, is een verklaring. Want zulke menschen plegen, door verkeerde curieusheid gedreven zijnde, al wat nuttig en grondig is, te verachten. Zoo dan, zij zijn gelijk dartele paarden, moedwillig zonder rede: en wat is dit anders, dan de gezonde woorden van Christus te verwerpen? Want zij worden genoemd gezond, omdat zij ons gezondheid aanbrengen, of bekwaam zijn om gezondheid te onderhouden. Datzelfde wordt door deze woorden beduid: De leer die naar de godzaligheid is. Want zij zal met de godzaligheid niet overeenkomen, tenzij zij ons in de vreeze en dienst Gods onderwijze, ons geloof stichte, lijdzaamheid, ootmoedigheid, en alle werken der liefde leere. Daarom, zoo wie niet zoekt nuttig te leeren, die leert anders dan het betaamt, ja zijn leer is noch godzalig noch gezond, met wat verf zij ook bestreken zij, wanneer zij niet strekt tot nuttigheid en voortgang der toehoorders. Zulken bestraft Paulus ten eerste van hoovaardigheid, ja van ijdele en opge-blazene hoovaardigheid. Bovendien, dewijl men geen bekwamer straf kan bedenken om de eergierigen te straffen, dan dat men al hetgeen waarin zij zichzelven behagen, voor onwetendheid verdoemt: zoo zegt Paulus dat zij niets weten, ofschoon zij met vele scherpzinnigheden opgeblazen zijn. Want zij hebben niets grondigs, maar alleen enkel wind. En hij vermaant ook mede alle godzaligen, dat zij zichzelven niet door zulke opgeblazen pomperie laten verheffen, ' dat zij niet vast in de eenvoudigheid des Evangelies zouden blijven.

4 Maar raast. Hier is een heimelijke tegenstelling tusschen de gezondheid der leer van Christus, en deze krankheid. Want als deze onnutte vragers zichzelven lang en veel vermoeid hebben, wat vrucht hebben zij ten laatste uit hunnen arbeid dan dat de ziekte ondertusschen te grooter wordt? Zoo dan, zij vermoeien zichzelven niet alleen tevergeefs, maar worden ook krank uit hun verkeerde nieuwsgierigheid. Zoo volgt dan hieruit, dat het verre van daar is dat zij behoorlijken voortgang zouden doen, gelijk het den discipelen van Christus betaamt. Het is niet tevergeefs dat hij vragingen en woordenstrijden te zamen stelt. Want met het eerste woord beduidt hij niet allerlei vragen, die uit sobere en matige begeerte tot leeren rijzen, of tot de zuivere verklaring der nuttige dingen dienen: maar zulke als heden in de scholen der Sorbonne en Sophisten gedreven worden, om de scherpzinnigheid te toonen. Daar rijst de eene vraag uit de ander, dewijl daar geen mate is, als iemand begeerende meer te weten dan 't betaamt, zijne ijdelheid toegeeft: hieruit rijst daarna veel gekijfs. Want gelijk de dikke wolken in de hitte niet zonder donder verdreven worden, alzoo moeten die doornachtige kwestiën tot gekijf en strijd uitbreken. Voorts, woordenstrijden noemt hij twistige disputatiën, meer over de woorden dan over de dingen

ocr page 91

1 TIMOTHEUS 6:4—6.

zeiven, of (gelijk men gemeenlijk zegt) zonder stof of inhoud. Want zoo iemand naarstig overlegt al de twistingen, die onder de So-phisten zeer hittig zijn, die zal bevinden, dat zij niet uit de dingen zeiven rijzen, maar uit niets gesmeed worden. In één woord, Paulus heeft alle vragen willen verdoemen, die ons tot nietige twistingen verwekken. Waaruit nijdigheid rjjst. Uit de vruchten toont hij,

hoezeer men de eergierige begeerte der wetenschap moet vlieden.

Want eergierigheid is een moeder der nijdigheid. Nu, waar nijdigheid regeert, daar zijn ook hittige lasterwoorden, kijvingen, en andere booze dingen, die hier van Paulus verhaald worden. Hij stelt daarbij, dat dezulken verdorven gemoed hebben en van de waarheid beroofd zijn. Het is zeker, dat hier de Sophisten gegispt worden, die de stichting verlatende, het Woord Gods verkeeren in een kunst van scherpzinnig te disputeeren, en in nietige beuzelingen.

Ware het dat de apostel alleen toonde dat de leer der zaligheid aldus onnut wordt, zoo ware het nog een onverdragelijke ontheiliging; maar deze berisping is veel zwaarder en strenger, dat hij zulk schadelijk kwaad dat daaruit rijst, en zulke doodelijke pesten verhaalt. Zoo zullen wij dan uit deze plaats leeren te gruwen voor de sophisterij, als voor een ding, dat der gemeente Gods doodelijker is dan men lichtelijk zou kunnen gelooven.

5 Dat godzaligheid gewin is. Dit zal men aldus duiden, dat de godzaligheid gewin is, of een kunst waar men veel mede wint, te weten, omdat zij het gansche Christendom met het gewin meten.

Want alsof de getuigenissen des Heiligen Geestes tot geen ander einde gegeven waren, dan opdat zij hunne gierigheid zouden dienen, gelijk met een waar, die tot verkoopen voorgesteld is, alzoo drijven zij koopmanschap daarin. Met zulken verbiedt Paulus de dienstknechten van Christus eenige gemeenschap te hebben. Want hij gebiedt Timotheus niet alleen, dat hij hun niet gelijk zij, maar ook dat hij ze als schadelijke pesten vliede. Want ofschoon zij niet openlijk tegen het Evangelie zijn, ja meer zichzelven door een val-sche belijdenis des Evangelies verheffen, zoo is nochtans hun gezelschap besmettelijk: bovendien, zoo de gemeene man ziet, dat wij met hen gemeenzaam zijn, zoo is het te vreezen, dat zij door het deksel onzer vriendschap heimelijk insluipen zullen, om het volk te bedriegen. Zoo moeten wij dan zeer naarstig arbeiden, dat een iegelijk versta, dat wij zoo wijd van hen verscheiden zijn, zoodat zij niets met ons gemeen hebben.

6 Het is een groot gewin de godzaligheid met genoegzaamheid. Spr- is au.

7 Want wij hebben niets in de wereld gebracht: en het is zeker, j0i'j i:2i; dat wij ook niets daaruit zullen dragen. pVm-is

8 Maar als wij voedsel en deksel hebben, daarmede zullen wij sir. 5: li.

, j Spr. 27:26.

tevreden wezen. s;r 29; 28.

9 Want die rijk willen worden, die vallen in verzoeking en strik, Ps. 55:23. en vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, die de menschen ^ 'peir_ '6.7_ in den val en verderf doen verzinken. jutt

10 Want de gierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke 5:1. sommigen lust hebbende, van het geloof afgedwaald, en zich- ^8:19 zeiven in vele smarten verward hebben. Spr. 15:16.

6 Het is een groot gewin. Hij heeft fijn, niet zonder ironische

87

ocr page 92

88 I TIMOTHEUS 6:6—9.

verbetering, dezelfde woorden terstond tot een tegenovergestelden noo zin gewend, alsof hij gezegd had: Die de leer van Christus verkoo- wil pen, die doen verkeerdelijk en booselijk, alsof godzaligheid gewin Hel ware: hoewel voorwaar, zoo iemand het wel waardeert, de godzalig- wil heid een groot en zeer overvloedig gewin is. En hij zegt dit alzoo, dat omdat zij ons geheele en volkomene zaligheid aanbrengt. Zoo zijn rijk dan dat heiligschenners, die op gewin des gelds staande, de god- zin: zaligheid en leer der ware religie maken tot hun gewin te dienen.

Maar de godzaligheid is ons een groot gewin genoeg uit zich-zelve, dewijl wij daardoor verkrijgen, niet alleen dat wij zijn erfgenamen der wereld, maar ook dat wij Christus genieten, en al zijne schatten. Met genoegzaamheid. Dit kan men zoowel verstaan van de genegenheid des harten, als van de zaak zelve. Zoo men het van de genegenheid des harten verstaat, zoo zal de zin wezen: Dat ki de godzaligen genoeg groot gewin verkregen hebben, dewijl zij niets

gt;■; begeeren, maar tevreden zijn met dat kleine dat zij hebben. Zoo

. men het van de genoegzaamheid der dingen verstaat, (hetwelk mij

ook niet minder behaagt) zoo zal het een belofte wezen, gelijk die is, die in Ps. 34:11 staat: De leeuwen lijden honger, en dwalen hongerig: maar die den Heere zoeken, die zullen geen goed gebrek hebben. Want de Heere is altijd bij de zijnen, en geeft een iegelijk zijn mate uit zijne volheid, naardat hun noodig is. Alzoo is de ware gelukkigheid gelegen in de godzaligheid: en deze genoegzaamheid is als een toeworp.

i; 7 Want wy hebben niets in de wereld gebracht. Dit heeft hij

n; daarbij gesteld, om de mate der genoegzaamheid te bepalen. Onze

,) begeerlijkheid is een onverzadelijke draaikolk, zoo zij niet bedwon-

' gen wordt. En dit is een zeer goede toom, zoo wij niet meer be

geeren dan de nood dezes levens eischt Want omdat onze zorgvuldigheid zich strekt tot duizend levens, die wij valschelijk bedenken, daarom overtreden wij de palen. Daar is geen ding gemeener noch ook bekender, dan deze sententie van Paulus: maar als een iegelijk dit bekend heeft, hetwelk men ook alle dagen met oogen ziet, zoo verslindt nochtans een iegelijk door zijn begeerte groote machtige bezittingen, alsof zijn buik groot genoeg ware om de halve wereld te bevatten. En dit is het wat men leest, Ps. 49: 14: Hoewel de dwaasheid der vaderen daarin openlijk gezien wordt, daarin dat zij '' ■ hoopten in deze wereld eeuwig te blijven, zoo hebben nochtans de

nakomelingen hunnen weg goed geacht. Zoo dan, opdat wij de genoegzaamheid behouden, zoo moeten wij leeren ons hart alzoo te stellen, dat wij niet meer begeeren, dan zooveel als tot het leven jj,' noodig is. Als hij voedsel en kleeding noemt, zoo sluit hij de lekker

heid en den overvloed uit. Want de natuur is met weinig tevreden: ^ en al wat boven het natuurlijk gebruik is, is overvloedig. Niet dat

een mild gebruik op zichzelve is af te keuren, maar de begeerte is altijd zondig.

9 Die ryk willen worden. Als hij vermaand heeft tot soberheid en verachting des rijkdoms, zoo vermaant hij nu, hoe schadelijk de begeerte is van veel te hebben, en voornamelijk in de dienaren ƒ der gemeente, van welke hij hier bij name handelt. De rijkdom

is niet de oorzaak der booze dingen, die hij hier verhaalt, maar de

begeerlijkheid, al is het dat iemand anders arm is. En Paulus leert niet alleen wat gemeenlijk pleegt te geschieden, maar wat altijd

■S:. ■Jv'

-V-I'

■gt;gt; -M

li .

ocr page 93

1 TIMOTHEUS 6:9, 10.

noodig is te geschieden. Want zoo wie dat voornemen heeft, dat hij wil rijk worden, die geeft zichzelven gevankelijk den duivel over.

Het is zeer waar, wat de heidensche dichter gezegd heeft; Zoo wie wil rijk worden, die wil het ook spoedig worden. Waaruit volgt,

dat die allen onbesuisd tot den val loopen, die naar de begeerte des rijkdoms gedreven worden. Hieruit komen ook die dwaze, ja uitzinnige begeerlijkheden, waardoor zij ten laatste in 't verderf verzinken : dit kwaad strekt wel overal, maar in de herders der gemeenten wordt het beter gezien. Want de gierigheid maakt ze zoo uitzinnig, dat zij geen ding vlieden, hoe ongeschikt het ook zij, zoo haast als de oogen door het blinken des gouds of zilvers verstrikt zijn.

io Want de gierigheid is een wortel. Het is niet noodig te zeer te arbeiden in de vergelijking met andere boosheden. Het is zeker, dat eergierigheid en hoovaardigheid dikmaals booze vruchten voortbrengen dan de gierigheid: en nochtans komt de eerzoe-king niet uit gierigheid. Ditzelfde kon men ook zeggen van de on-kuischheid: maar Paulus' voornemen is geweest, onder de gierigheid te besluiten alle soorten der boosheden, die men kon noemen. Hoe dan? Hij heeft enkel willen zeggen, dat daar ontallijk veel kwaads uit komt: gelijk wij gemeenlijk spreken, dat daar geen boosheid is, die niet rijst uit tweedrachtigheid, of gulzigheid, of dronkenschap, of uit zulke eenige andere zonde. En voorwaar, men kan dit zeer naar waarheid zeggen van de gierigheid, te weten, dat daar geen soort van boosheid is, die niet dagelijks daaruit rijst:

gelijk daar zijn ontallijk vele bedriegerijen, bestrijkingen, meineedig-heden, rooverijen, geschenken in het recht, kijvingen, haat, venijn-gevingen, doodslagen: eindelijk meest alle kunsten, waarmede men schade doet. Dergelijke waarheden vindt men alom bij de heidensche schrijvers. Daarom doen die ongeschikt, die Paulus berispen,

alsof hij dit vergrootenderwijze gesproken had, en zouden Horatius of Ovidius prijzen, als zij alzoo spreken. En och, of het de dage-lijksche bevinding niet bewees, dat de zaak enkel te kennen gegeven is, gelijk zij is. Maar wij zullen gedachtig zijn, dat diezelfde booze stukken, die uit de gierigheid rijzen, ook uit eerzoeking, of uit nijdigheid, of uit andere booze genegenheden kunnen rijzen,

gelijk zij in der waarheid daaruit komen. Tot welke sommigen lust hebbende. De Grieksche wijze van spreken is oneigenlijk als hij zegt, dat men de gierigheid begeert: doch de zin wordt daardoor niet verduisterd. Want hij zegt, dat het allergruwelijkste kwaad uit de gierigheid komt, te weten, de afwijking van het geloof. Want degenen, die van deze ziekte krank zijn, die ontaarden mettertijd meer en meer, totdat zij het geloof ganschelijk wegwerpen. Hieruit komen die smarten die hij verhaalt: door welk woord ik versta de gruwelijke kwellingen der conscientie, die den vertwijfelden men-schen plegen te overkomen. Hoewel, God oefent de gierigen ook met andere voorspelen, als zij zichzelven beulen zijn.

11 Maar gij, o mensch Gods! vlied zulks, en sta naar rechtvaar- 2 Tim. 2:32. digheid, godzaligheid, geloof, lijdzaamheid, zachtmoedigheid. 1 Tim l:18-

12 Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven i) Of, gebied, aan, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en hebt een goede be- Deut'sa-iis! lijdenis beleden voor vele getuigen. 1

13 Ik verkondig ') u voor God, die alle ding levend maakt, en voor wysb, 16:13,

89

ocr page 94

1 TIMOTHEUS 6: 11, 12.

MTat'- '■ li- Christus Jezus, die een goede belijdenis betuigd heeft voor

Jon. xo i oT. ,

Jfontius Pilatus:

14 Dat gij het gebod bewaart onbesmet en onbestraffelijk, tot de openbaring van onzen Heere Jezus Christus;

15 Welke te zijnen tijde zal openbaren die zalige en eeuwige

liTTe5171^ Vorst, de Koning der koningen, en Heer der heeren.

16 Die alleen onsterfelijkheid heeft, die in een ontoegankelijk

Deut34-12 licht woont, denwelken geen mensch gezien heeft, noch zien

1 Joh. 4:12. kan, denwelken zij eer en eeuwige macht. ') Amen.

1) Of, heer-

schappu. u Maar gjj, o mensch Gods! Als hij hem noemt mensch Gods,

zoo maakt hij de vermaning te gewichtiger. Voorts, indien men dit niet op den volgenden zin wil duiden, dat hij zegt te staan naar rechtvaardigheid, godzaligheid, geloof, lijdzaamheid, zoo stelt hij een remedie om de gierigheid te beteren, te weten, vermanende hoedanigen rijkdom hij behoort te begeeren, te weten, geestelijken rijkdom. Doch dit gebod kan ook tot andere stukken getrokken worden, te weten, dat Timotheus zichzelven van alle ijdelheid onttrekkende, die curieusheid vliedt, die boven bestraft is. Want zoo wie zichzelven met noodige dingen bekommert, die zal zichzelven lichtelijk van onnoodige dingen onthouden. Hij noemt sommige deugden tot een exempel, onder welke men ook de andere verstaan moet. Zoo dan, zoo wie staat naar rechtvaardigheid, en naar godzaligheid, geloof, liefde, en ook naar verdraagzaamheid en zachtmoedigheid, het is niet mogelijk, dat zulk een niet van de vruchten der gierigheid vreemd zou zijn.

12 Strjjd den goeden stryd. Gelijk hij in den naastvolgenden

2 Tim. 2:4. zendbrief zal zeggen: Die zichzelven tot den krijg begeven heeft,

die zal zich niet laten verwarren in dingen, die vreemd zijn van zijn roeping; zoo dan, opdat hij Timotheus aftrekke van te groote zorg der aardsche dingen, zoo vermaant hij, dat hij moet strijden. Want de onachtzame rust en toegeving komt daaruit, dat het meeste deel der menschen door ledigheid en spel Christus wil dienen, daar toch Christus al zijne dienstkechten tot krijg en strijd roept. En opdat hij hem moed geve tot zulk een strijd, zoo zegt hij dat het een goede strijd is, dat is, gelukkig, en daarom niet te vlieden. Want zoo de aardsche krijgslieden zich niet ontzien te strijden op onzekere uitkomst, en met gevaar des levens: hoeveel moediger be-hooren wij te strijden onder de leiding en banier van Christus, dewijl wij zeker zijn van de overwinning? Voornamelijk, dewijl wij prijs zullen ontvangen, niet zulken als de andere veldheeren hunnen krijgsknechten plegen te geven, maar de heerlijke onsterfelijkheid, en hemelsche zaligheid. Het ware voorwaar onbetamelijk, dat wij, dewijl ons zulke hope voorgesteld is, moede zouden worden of bezwijken; en dit is het wat hij terstond daarna zegt: Grjjp het eeuwige leven aan. Want het is zooveel alsof hij zeide: God roept u tot het eeuwige leven; daarom arbeid daarnaar, en veracht de wereld. Nu, als hij gebiedt het eeuwige leven aan te grijpen, zoo verbiedt hij hem midden in den loop op te houden, of lui te worden : alsof hij zeide, dat daar geen ding uitgericht is, totdat wij het toekomende leven verkregen hebben, tot hetwelk God ons roept. Alzoo ook aan de Filippensen, hfdst. 3 : 12, zegt hij, dat hij arbeidt om verder te komen, omdat hij het nog niet gegrepen had. Maar dewijl

90

1 Tim. 1; 17.

ocr page 95

1 TIMOTHEUS 6:12, 13.

voor de menschen tevergeefs zouden loopen, zoo God hun niet de auteur van hun loopen, en een oorzaak tot blijmoedige vaardigheid ware, jt de daarom meldt hij de roeping. Want geen ding behoort ons meer moed te geven, dan als wij hooren, dat wij van God geroepen zijn. wige Want daaruit besluiten wij, dat onze arbeid niet tevergeefsch zal wezen, dewijl hij van God geregeerd wordt, en waarin Hij ons zijn hand teliik reikt. Nu ware dit ook een zware verwijting, dat men de roeping Gods verworpen had. Daarom moet dit een zeer scherpe prikkel zijn. God roept u tot het eeuwige leven, zie toe dat gij niet elders heen afgetrokken wordt, of ook anders afwijkt, eer gij het verkregen hebt. En hebt een goede belijdenis beleden. Door de gedachtenis des voorgaanden levens, prikkelt hij hem om verder voort te gaan. Want het is schandelijker af te vallen, nadat men wel begonnen is, dan of men nooit begonnen was. Zoo vermaant hij dan Ti-motheus hierdoor, dat hij zich naarstig en loffelijk gedragen heeft, opdat zijn laatste met zijn eerste overeenkome. Ik versta een belijdenis, niet die met woorden gemaakt, maar meer met de daad zelve geschied is: en dat niet alleen eenmaal, maar in den gan-schen dienst. Zoo is dan de zin: Gij hebt vele getuigen uwer heerlijke belijdenis te Efeze, en in andere gewesten, die u aanschouwd hebben, dat gij getrouw en ernstig in de belijdenis des Evangelies wandeldet. Daarom dewijl gij zulk een bewijs gegeven hebt, zoo kondt gij nu niet zonder overgroote schaamte en schande uzelven anders bewijzen dan een uitnemend krijgsknecht van Christus. Hieruit worden wij in 't gemeen geleerd, dat een iegelijk hoe uitnemender hij is, zooveel te minder kan verontschuldigd worden, zoo hij afwijkt, en zooveel te meer Gode verbonden is om voort te gaan.

13 Ik verkondig u. Zulke groote kracht der betuigingen, die Paulus gebruikt, bewijst hoe een zware en zeldzame deugd het is, in den dienst des Evangelies volstandig te blijven, gelijk het betaamt tot het einde. Want hoewel hij ook anderen vermaant onder Timo-theus' naam, zoo spreekt hij nochtans ook mede hem aan. Voorts, wat hij zegt van Christus en van God, hangt aan de omstandigheid der tegenwoordige zaak. Want als hij dit Gode toeschrijft: dat Hij alle ding levend maakt, daarmede wil hij de ergernis des kruises tegengaan, welke niet anders dan een schijn des doods voorgeeft. Zoo geeft hij dan te kennen, dat men de oogen moet toesluiten, waar de goddeloozen den dood voorhouden, en daarmede dreigen, of liever, dat men de oogen op den eenigen God moet slaan, dewijl Hij die is, die de dooden wederopricht tot het leven. De inhoud strekt hiertoe, dat wij leeren het aanschouwen der wereld te verlaten, en op den eenigen God te zien. Wat hij terstond hierna zegt van Christus, vervat een uitnemende vertroosting. Want wij worden vermaand, dat hij niet onder eenigen Plato philosopheert, waar die ergens in de schaduw ledige disputatiën mocht handelen, maar dat de leer, die hij belijdt, met den dood des Zoons Gods bevestigd is. Want Christus heeft zijne belijdenis onder Pilatus niet met vele woorden, maar met de daad zelve bevestigd, te weten, daarmede, dat Hij willens den dood aangegaan heeft. Want hoewel Christus voor Pilatus liever wilde zwijgen, dan een woord tot zijne bescherming spreken, dewijl Hij daar kwam, tot een zeker vonnis overgegeven zijnde: zoo is nochtans in zijn zwijgen alzoo groote bescherming zijner leer geweest, alsof Hij ze met vele getuigen be-

91

ocr page 96

1 TIMOTHEUS 6 : 13, 14.

schermd had. Want Hij heeft ze beter bevestigd met zijn bloed, en met de offerande zijns doods, dan met zijn stem. Dit noemt hij een goede belijdenis. Want Socrates is ook gestorven, nochtans is zijn dood geen behoorlijke bevestiging zijner leer geweest. Maar als wij hooren, dat het bloed des Zoons Gods is gestort geweest, zoo is dat een heilig zegel, dat ons van alle twijfeling bevrijdt. Daarom zoo wanneer ons hart wankelmoedig is, zoo zullen wij gedachtig zijn, dat wij ondertusschen van den dood van Christus bevestiging moeten halen. Want wat groote ondeugendheid zou dat wezen, dat wij zulk een leider en voorganger verlieten.

14 Dat gjj het gebod bewaart. Met het woord gebod beduidt hij wat hij dusver van Timotheus' ambt gehandeld heeft, waarvan dit de inhoud was, te weten, dat hij zich zou bewijzen Christus en der gemeente een getrouw dienaar te zijn. Want wat nood is het, dit tot de gansche wet uit te strekken? Tenzij mogelijk iemand het liever wil verstaan van de bediening, die hem bevolen was. Want wij worden niet tot dienaars der gemeente gesteld, tenzij God ook mede ons gebiedt, wat Hij van ons gedaan wil hebben. Alzoo het gebod te bewaren, zou niets anders zijn, dan dat ambt dat hem bevolen was, met goede conscientie volbrengen. Ik versta het voorwaar ganschelijk van den dienst van Timotheus. De woorden, die hierna volgen, rijmen zoowel op het gebod, als op den persoon van Timotheus, zooveel den uitgang en de samenvoeging der Grieksche woorden aangaat: nochtans de zin, welken ik gesteld heb, is veel bekwamer. Paulus vermaant, dat Timotheus moet staan naar heiligheid en zuivere zeden, zoo hij behoorlijk zijn ambt wil voldoen. Tot de openbaring van onzen Heere Jezus Christus. Het is niet wel te zeggen hoe noodig het te dien tijde allen godzaligen was, hunne harten ganschelijk op den dag van Christus gehecht te hebben: dewijl in de wereld van alle zijden groote ergernis aankwam. Zij werden van alle zijden aangeloopen, zij waren van allen gehaat en vervloekt, zij waren aller menschen bespotting onderworpen, zij werden alle dagen met nieuwe ellendigheden verdrukt: en intusschen werd nergens van zulken grooten arbeid en zwarigheid eenige vrucht gezien. Wat konden zij dan anders doen, dan met de gedachten doorvliegen tot dien zaligen dag onzer verlossing? Hoewel, ditzelve heeft ook heden plaats bij ons, ja is bijna aan alle eeuwen gemeen. Want hoe vele dingen brengt de satan zonder ophouden onder onze oogen, welke ons anders honderdmaal van onze voornemens zouden afleiden. Ik laat varen vuur, zwaard, verbanningen en alle razende geweld der vijanden, ik laat varen de valsche beschuldiging en andere kwellingen : maar hoeveel dingen zijn daar in eigen kring, die erger zijn ? Daar rijzen eergierige menschen op; de Epicureërs en Lucianiërs berispen; de eigenzinnigen schimpen; de hypocrieten murmureeren; die vleeschelijk zijn, die bijten ons bedektelijk, wij worden door menigerlei listen her- en derwaarts gedreven. Eindelijk het is een groot mirakel, als in zulk een zwaar en zorgelijk ambt iemand onwankelbaar volhardt. Tegen zooveel zwarigheden is de eenige remedie, dat men de oogen slaat op de verschijning van Christus, en dat men altijd daarop steunt. En dewijl wij in onze begeerten plegen haastig te zijn, en God bijna dag en stonde te stellen, opdat Hij niet langer vertrekt te doen wat Hij beloofd heeft: daarom wederhoudt Paulus intijds deze haastiging in het verwachten der komst van

92

ocr page 97

1 TIMOTHEUS 6:14—16.

Christus. Want dit beduiden deze woorden: Welke te zijnen tjjde zal openbaren. Want de menschen verwachten dat te moediger, welks tijd zij weten nog niet gekomen te zijn. Hoe komt het, dat wij in het dragen der orde der natuur zoo lijdzaam zijn, dan omdat ons deze gedachte wederhoudt, te weten, dat wij ontijdig zouden doen, zoo wij met onze begeerten tegen de orde streden. Alzoo zullen wij weten, dat der openbaring van Christus hare zekere tijd verordend is, welken wij lijdzaamlijk moeten verwachten.

15 De zalige en eeuwige Vorst, Met deze lofwoorden verheft hij daarom de heerschappij Gods, omdat de glinstering der vorsten dezer wereld ons niet de oogen zou verstrikken. En zulke vermaning was voornamelijk te dien tijde noodig: want zoo groot en machtig als de rijken toen waren, zooveel werd de heerlijkheid en majesteit Gods verduisterd. Want allen, die geweld en heerschappij hadden, waren niet alleen zeer groote vijanden des rijks Gods; maar bespotten ook God hoovaardig, en vertraden zijnen heiligen naam met voeten. En hoe overdadiger zij den waren godsdienst verachtten, hoe meer zij meenden gelukkiger te zijn. Wie zou uit zulk aanzien der dingen niet geoordeeld hebben, dat God ellendig overwonnen en overvallen ware? Wij zien hoe hoovaardig en wreedelijk Cicero de Joden scheldt in zijn rede pro Flacco, omdat zij ellendig en verdrukt waren. Als de goeden zien, dat de goddeloozen alzoo in voorspoed opgeblazen zijn, zoo worden zij somtijds mismoedig. Daarom heeft Paulus de gelukkigheid, heerschappij en het rijk den eenigen God toegeschreven, om alzoo der godzaligen oogen van zulke ijdele glinstering af te wenden. Als hij God noemt alleen Heere, zoo maakt hij daarmede de burgerlijke ordening niet te niet, alsof daar geen overheden of koningen in de wereld moesten zijn: maar geeft te kennen, dat God alleen is die uit Zichzelven en door zijn eigen macht regeert. Hetwelk ook uit de navolgende woorden openbaar is, die hij tot een verklaring hierbij stelt, Koning der koningen, en Heer der Heeren. De inhoud is, dat alle machten der wereld aan zijne opperste heerschappij onderworpen zijn, en aan Hem hangen, en naar zijnen wil staan en vallen: en dat deze heerschappij niet is te vergelijken, dewijl andere dingen niet te vergelijken zijn bij zijn heerlijkheid, en dewijl deze heerschappijen kort en haast vergankelijk zijn, daar de zijne eeuwig duurt.

16 Die alleen onsterfelijkheid heeft. Paulus arbeidt om geen gelijkheid, waardigheid, noch uitnemendheid, noch ook geen leven buiten Christus te laten: daarom zegt hij nu, dat God alleen onsterfelijk is, opdat wij weten, dat wij met alle creaturen niet eigenlijk leven, maar alleen het leven van Hem hebben. Hieruit volgt, dat dit tegenwoordig leven als niets te achten is, als wij staan naar God, die de Fontein des onsterfelijken levens is. Maar hier wordt tegengeworpen, dat de ziel des menschen, en ook de engelen, onsterfelijk zijn; en dat daarom dit niet met waarheid van God alleen kan gezegd worden. Ik antwoord, dat hier niet ontkend wordt, dat God zijn onsterfelijkheid kan uitbreiden, als Hij gezegd wordt alleen die te hebben. Want dit is zooveel, alsof Paulus gezegd had, dat God alleen niet is uit Zichzelven en naar eigener natuur onsterfelijk, maar dat Hij ook de onsterfelijkheid in zijn macht heeft, zoodat zij den creaturen niet toekomt, dan zoover Hij ze onderhoudt, zijn kracht hun ingevende. Want zoo men de kracht Gods, die in des menschen

93

ocr page 98

1 TIMOTHEUS 6 : 16.

94

ziel gegeven is, wegname, zoo zou zij terstond verdwijnen: ditzelfde moet men ook van de engelen gevoelen. Zoo dan, om eigenlijk te spreken, de onsterfelijkheid is der natuur der zielen of der engelen niet onderworpen, maar komt van elders, te weten, van de verborgen ingeving Gods, volgens hetgeen Paulus elders zegt: In Hem leven. Hand 17:28. bewegen wij ons, en zijn wij. Zoo iemand meer en scherpzinniger dingen hiervan begeert, die leze het Twaalfde boek van Augusti-nus, gt;de Stad Gods.quot; Ontoegankelijk licht bewoont. Hij beduidt twee dingen, te weten, dat God ons verborgen is, en dat nochtans de oorzaak der duisterheid niet in Hem is, alsof Hij in duisterheid verborgen ware, maar in ons: want om de zwakheid of liever om de plompigheid onzes verstands kunnen wij tot zijn licht niet komen. Voorts, verstaat dat het licht Gods ontoegankelijk is, zoo iemand door zijn eigen kracht tot Hem wil komen. Want ware het, dat God Ps. 34:6. OIls den toegang niet opende, zoo zou de profeet niet zeggen, dat die verlicht worden die tot Hem komen. Hoewel het waarachtig is, dat wij nimmermeer, zoolang als wij met dit sterfelijk vleesch bevangen zijn, zóóver tot de uiterste verborgenheden Gods doordringen, dat ons geen ding verborgen zij: want wij kennen ten deele, icor. 13:9, en zien als door eenen spiegel in eene duistere rede. Zoo gaan wij dan door het geloof in het licht Gods, doch ten deele. Hierin-tusschen is dit waar, dat dit licht den mensch ontoegankelijk is. Denwelken geen mensch gezien heeft. Dit is daarbij gesteld tot groote verheerlijking, opdat de menschen leeren met het geloof zien op Dien, diens gestalte zij met de oogen niet zien, noch ook zelfs met het verstand des gemoeds. Want ik versta dit niet alleen van de lichamelijke oogen, maar ook van de macht der ziel. Men moet altijd aanzien waar de apostel henen wil. Het is zwaar alle ding, dat wij tegenwoordig zien, te verachten en te vergeten, om naar God te staan, die nergens gezien wordt. Want dikmaals komt die gedachte ons voor: Hoe weet gij of daar een God is, dewijl gij alleen hoort dat Hij is, en ziet Hem niet? Tegen dit gevaar wapent ons de apostel, als hij zegt: Dat wij Hem niet moeten waar-deeren naar onze zinnelijkheid, dewijl het ons verstand te boven gaat. Want daarom zien wij Hem niet, omdat wij geen scherpte van gezicht hebben, die zoo hoog kan opklimmen. Daar is een lange disputatie van dezen zin bij Augustinus: omdat het schijnt te i Joh. 3:2. strijden met wat in den Eersten zendbrief van Johannes staat: Dan zullen wij Hem zien gelijk Hij is: want wij zullen Hem gelijk wezen. En hoewel hij deze disputatie handelt in vele plaatsen, zoo schijnt hij ze nergens beter te bekorten, dan in den brief aan de weduwe Paulina. Doch zooveel den zin der tegenwoordige plaats aangaat, zoo is dit een eenvoudig antwoord: dat wij God in deze natuur niet kunnen zien: gelijk op een andere plaats gezegd wordt: vleesch en i cor. is: so. ijjoejj zuiien het rijk Gods niet bezitten. Want wij moeten vernieuwd worden, opdat wij Gode gelijk zijn, eer wij Hem zien kunnen. En opdat wij niet bovenmate curieus zijn, zoo moeten wij altijd dit gedenken, dat in deze onderzoeking de wijze des levens meer doet dan de wijze des sprekens. En wij moeten ook gedachtig zijn dit te vlieden, dat Augustinus voorzichtig gebiedt te vlieden, te weten, dat wij met twisten onderzoekende hoe God kan gezien worden, niet den vrede en de heiligmaking verliezen, zonder welke niemand te geenen tijde God zien zal.

ocr page 99

1 TIMOTHEUS 6: 17. 95

17 Dengenen die rijk zijn in deze wereld, gebied ') dat zij zich- ^ ofi Ter-zelven niet verheffen, of hopen op de onzekerheid des rijk-Mark. i:i8. doms, maar in den levenden God, die overvloedig alle ding Luk-8:14-geeft om te genieten.

18 Dat zij goed doen, opdat zij rijk zijn in goede werken, licht

tot geven '), gaarne mededeelende: i) of, om

19 Zichzelven een goed fondament wegleggende voor namaals, ien.

opdat zij het eeuwige leven vatten.

20 O Timotheus! bewaar dat u betrouwd is, vlied de onheilige Syr. 29:14. ijdele roepingen, ijdelsprekingen, en tegenstellingen der valsch Luk. 12: 33 genaamde wijsheid. quot;tuu i-4-

21 Dewelke sommigen voorgevende, van het geloof afgedwaald -4:7.

zijn. De genade zij met u! Amen. 2 j2;*®;

De Eerste zendbrief aan Timotheus, gezonden uit Laodicea, 3:9'

welke is de hoofdstad van Frygië.

ij Dengenen die rijk z|jn. Het is waarschijnlijk, dewijl onder de Christenen velen arm en verachtelijk waren, dat de armen (gelijk het pleegt te geschieden) van de rijken zijn versmaad geweest: en dat heeft voornamelijk te Efeze kunnen geschieden, dewijl het een rijke stad was: want daar regeert gemeenlijk de hoovaardigheid meest. En hieruit verstaan wij, hoe zorgelijk ding de overvloed der goederen is. Want het is niet tevergeefs, dat Paulus de rijken bijzonder met zulke strenge vermaning aanspreekt: dewijl hij hier die gebreken betert, die bijna altijd den rijkdom volgen, gelijk de schaduw het lichaam: en dat door de verdorvenheid van onzen aard,

wij die uit de gaven Gods altijd oorzaak nemen tot zondigen. Hij stelt bijname twee dingen, die de rijken moeten vlieden, te weten, hoovaardigheid en bedriegelijke hoop: waarvan het eerste rijst uit het laatste, en dit schijnt daarom ter tweede plaats daarbij gesteld te zijn, of hopen op de, opdat Paulus de fontein aller hoovaardigheid beteekenen zou. Want waaruit komt het, dat de rijken zich-zelven verhoovaardigen, en anderen verachtende, zichzelven te zeer behagen, dan omdat zij zichzelven achten gelukkig te zijn? Zoo dan,

dat ijdel betrouwen gaat voor, daarna volgt de opgeblazenheid. Als Paulus deze gebreken wil beteren, zoo spreekt hij eerst verachtelijk van den rijkdom, want het woord in deze wereld strekt tot verkleining. Want al wat uit de wereld is, heeft des werelds aard, te weten, dat het vergankelijk is, en haast verloopt. Het bedrog en de ijdelheid der hoop, die op den rijkdom is, bewijst hij daaruit, dat zijne bezitting zoo ongestadig is, dat hij is gelijk een ding, dat men niet gekend heeft. Want als wij meenen dezen te hebben, zoo ontvloeit hij ons in een oogenblik tijds. Hoe dwaas ding is het dan, dat wij hope daarop stellen. Maar in den levenden God. Die dit zal weten, zal lichtelijk zijn hoop van den rijkdom afwenden.

Want zoo het God alleen is, die ons alle ding geeft tot noodig gebruik des levens, zoo wordt zijn ambt aan den rijkdom toegeschreven, wanneer men de hoop daarop stelt. Aanmerk dat het een bedekte tegenstelling is, als hij zegt, dat God een iegelijk overvloedig geeft. Want de zin is: Ofschoon wij de volle overvloedigheid aller dingen hebben, zoo hebben wij nochtans niets, tenzij uit de eenige zegening Gods: want die is alleen, die ons toedient wat noodig is.

ocr page 100

96 1 TIMOTHEUS 6:17—20.

Waaruit volgt, dat die zeer dwalen, die op den rijkdom steunen, en niet geheel hangen aan de zegening Gods, in welke ons de nooddruft, en aller dingen genoegzaamheid gelegen is. Hieruit verstaan wij ook, dat wij niet alleen daarom van de hope der rijkdommen afgeroepen worden, omdat zij niet dan tot het gebruik des sterfelijken lichaams dienen: maar ook omdat zij niet zijn dan rook. Want wij worden niet alleen door brood gevoed, maar door de zegening Gods. Als hij zegt overvloedig, daarmede beduidt hij, hoe mild God aan ons is, ja aan alle menschen, en ook aan de onredelijke dieren: want zijn goeddadigheid weidt zich verder uit dan er behoefte is.

18 Dat zy goed doen. Bij de voorgaande remediën stelt hij ook een ander, om de verdraaide genegenheden der boozen te beteren, als hij leert welk het rechte gebruik der goederen is. Want hoe overvloediger iemand goed heeft, zooveel te grooter stof tot weldadigheid heeft hij: en dewijl wij altijd luier zijn tot uitgeven dan het betaamt, zoo prijst hij deze deugd met vele woorden. Bovendien geeft hij eenen prikkel uit de belofte des loons. Dat zij, zegt hij, met geven en mededeelen, zichzelven eenen beteren schat verzamelen in den hemel, dan zij kunnen hebben op de aarde. Met het woord fondament beduidt hij een gestadige en vaste gedurigheid. Want de geestelijke rijkdom, welken wij ons in den hemel verzamelen, is Matt. 6:20. motten, of dieven, of brand niet onderworpen, maar blijft eeuwig, buiten gevaar gesteld zijnde. Hiertegen is op de aarde geen ding waarlijk gefundeerd, maar alle ding is eenigszins als een vloed ongestadig. Voorts, dat de papisten hieruit besluiten, dat wij daarom het eeuwige leven verdienen, dat is veel te nietig. Voorwaar, het is Gode aangenaam al wat den armen gegeven is: maar dewijl ook de allervolmaaktsten, niet op het honderdste deel doen, wat zij behooren, zoo is onze mildheid niet waardig op zichzelve voor God gerekend te worden. Ja, zoo God ons tot rekenschap riep, er zou niet e'én wezen, of hij zou bankroet spelen, zóóver zijn wij van de volkomen betaling. Maar dewijl God ons uit genade met Zich verzoend heeft, zijn onze werken hoe klein die ook zijn, Gode alzoo aangenaam, dat Hij ze verwaardigt met onverdiend loon te loonen. Zoo dan, de vergelding komt niet uit onze verdienste, maar uit de milde aanneming Gods: en is zoover van tegen de rechtvaardigheid des geloofs te strijden, dat zij als een aanhang daarvan is.

zo O Timotheus! Hoewel het Grieksche woord, dat wij overgezet hebben: dat u betrouwd is, onderscheiden uitgelegd wordt, zoo meen ik nochtans, dat de genade, die Timotheus gegeven was om zijn ambt te bedienen, daarmede beduid wordt. En in gelijke wijze wordt zij genoemd talent: want op deze conditie betrouwt God ons al de gaven, die Hij ons geeft, dat wij Hem namaals rekenschap moeten geven, zoo de nuttigheid, die daaruit behoorde te komen, door onze traagheid verloren gaat. Zoo vermaant hij dan Timotheus, dat hij naarstig beware wat hem gegeven is: of beter, dat hij datgene wat hem te bewaren gegeven is, niet late verderven noch vervalschen: of dat hij zichzelven niet daarvan beroove door zijn eigen schuld. Want de gaven Gods worden ons dikmaals ontnomen door onze ondankbaarheid of misbruik. Daarom vermaant Paulus Timotheus, dat hij wat hem bevolen is, zoeke met goede conscientie en behoorlijk gebruik te bewaren. Vlied de onheilige. Deze vermaning dient hiertoe, dat hij arbeide in grondige leer,

ocr page 101

1 TIMOTHEUS 6 : 20. 97

7

hetwelk niet kan geschieden zonder opschik te vlieden: want waar begeerte om te behagen regeert, daar groeit geen begeerte der stichting meer. Daarom als hij sprak van dit betrouwde te bewaren, zoo heeft hij niet zonder oorzaak terstond daarbij geboden, ijdel geklap te vlieden. Voorts, dat sommigen het Grieksche woord, waarvoor wij gesteld hebben ydelsprekingen, overzetten rjdelheid der woorden, mishaagt mij zoozeer niet, uitgenomen dat zij daarna door de twijfelachtigheid des woords bedrogen zijnde, dat verkeerdelijk uitleggen: want zij verstaan daarbij zekere woorden, als noodlot, of fortuin. Maar ik acht, dat dier menschen grootsprekendheid en opgeblazen geklap daarmede beduid wordt, die met de eenvoudigheid des Evangelies niet tevreden zijnde, datzelve tot ijdele phi-losophie veranderen. Zoo dan, de ijdelsprekingen zijn niet in elk woord, maar in dat gedurig geluid, dat de eergierige menschen uit-schuimen, die meer zoeken te behagen, dan den voortgang der gemeente. En Paulus heeft de zaak zelve zeer bekwamelijk uitgedrukt; want hoewel zij, ik weet niet wat groots uitdonderen, zoo schuilt daar nochtans niets onder: zoo is het dan een ijdel geklank, dat hij ook onheilig noemt. Want de kracht des Geestes is uit-gebluscht, zoo haast als de leeraars hunne pijpen opblazen, om hun welsprekendheid te vertoonen. Nochtans tegen zulk klaar en betuigd verbod des Heiligen Geestes, is desniettemin deze pest doorgebroken, en is terstond van den beginne aan begonnen uit te botten, en zij heeft alzoo in het pausdom de overhand genomen, dat het vervalschte momaangezicht der theologie dat daar regeert, een levende spiegel is van dit onheilig en ijdel geluid, dat Paulus meldt. Ik laat varen, dat hare boeken en die roep-achtige disputatiën vol zijn van ontallijk vele dwalingen, razernijen, en lasteringen. Maar of zij ook anders niets ongoddelijks leerden, nochtans dewijl al hun leer niets anders vervat, dan grootsche woorden, en ganschelijk vreemd is van de majesteit der Schrift en kracht des Geestes, en gewichtigheid der profeten, en ongeveinsdheid der apostelen: zoo is zij daarmede enkel onheiliging der rechte theologie. Want ik bid u, wat leeren zij van geloof, bekeering, of aanroeping Gods, of van de zwakheid der menschen, hulp des Heiligen Geestes, en onverdiende vergeving der zonden? Wat leeren zij van het ambt van Christus, dat tot grondige stichting der godzaligheid dient? Maar hiervan zal men ook nog moeten spreken in den Tweeden zendbrief. Voorwaar, zoo wie iets verstandig en oprecht is, die zal bekennen dat de gansche grootsprekendheid der pauselijke theologie, en al die meesterlijke besluiten, die in hare scholen donderen, niet anders zijn dan onheilige ijdelsprekingen, en dat men ze met geen ander woord geschikt kan uitdrukken. En voorwaar, dit is een zeer rechtvaardige straf der menschelijke hoo-vaardigheid, dat die allen onheilig worden, die van de zuiverheid der Schrift afwijken. Daarom kunnen de leeraars der gemeente niet te naarstig arbeiden, om zulke verdervingen te vlieden, en om de jonge lieden daarvan te weren. De oude overzetter heeft voor ijdelsprekingen, gesteld nieuwigheden. En het schijnt uit de uitleggingen der oude leeraren, dat voortijds velen alzoo gelezen hebben, en men vindt het ook nog heden in sommige Grieksche handschriften. Maar de eerste lezing, die ik gevolgd heb, rijmt veel beter. En tegenstellingen. Dit heeft hij ook zeer eigenlijk en juist gezegd.

Cl. VI.

ocr page 102

1 TIMOTHEUS 6:20, 21.

Want in de scherpzinnigheden, waarop de eergierige menschen roemen, is zulke opgeblazenheid, dat zij de oprechte leer des Evangelies, die eenvoudig en nederig is, overvalt en bedekt. Zoo dan, die opschik, die zichzelven uitgeeft, en die met toejuichen van de wereld aangenomen wordt, noemt Paulus tegenstellingen. De eergierigheid is wel altijd vol twist, en een moeder van strijd: waaruit komt, dat degenen die zoeken zichzelven te verheffen, bereid zijn om van allerlei dingen te twisten en te strijden. Doch Paulus heeft voornamelijk hierop gezien, dat de ijdele leer der sophisten, zich hoog verheffende tot hemelsche speculatiën en scherpzinnigheden, door haren schijn de eenvoudigheid der ware leer niet alleen verduistert, maar ook onderdrukt en veracht maakt: gelijk de wereld meest door uitwendige glinstering bewogen wordt. Paulus wil niet, dat Timotheus daarom bewogen worde om ook zulks wat te doen. En dewijl dat der menschelijke curieusheid behagelijker is, wat een schijn van scherpzinnigheid uitgeeft, of dat tot opschik dient: zoo betuigt Paulus daarentegen, dat zulks wordt valsche wijsheid genoemd, die zichzelve verheft tegen de eenvoudige en nederige leer der godzaligheid. Hetwelk wij naarstig moeten aanmerken, opdat wij leeren al zulke geveinsde wijsheid bespotten en verachten, welke der wereld een groot wonder is, in welke nochtans geen stichting is. Want die wordt (naar Paulus' leer) eerst waarlijk en terecht wijsheid genoemd, die ons in het betrouwen en de vreeze Gods (dat is, in de godzaligheid) onderwijst.

2i Dewelke sommigen voorgevende. Uit de uitkomst en het einde, bewijst hij ook hoe schadelijke zaak het is, en hoezeer zij is te vlieden. Want God straft alzoo de hoovaardigheid dergenen, die om een grooten naam te verkrijgen, de leer der godzaligheid vervalschen en mismaken, dat Hij ze laat afvallen van de gezondheid des verstands, opdat zij in vele ongeschikte dwalingen verwarren. Hetwelk wij ook zien in het pausdom geschied te zijn: want als zij begonnen zijn naar heidensche wijze van de verborgenheden onzer religie te philosopheeren, zoo zijn daar ontallijk vele ongeschiktheden gevolgd. Het woord geloof wordt hier, gelijk in vele andere voorgaande plaatsen, genomen voor den inhoud der religie, en voor de gezonde leer. Zoo wij door dusdanige exempelen vermaand zijnde, vreezen van het geloof af te vallen, zoo laat ons blijven in het zuivere woord Gods, en een gruwel hebben van sophis-terij en alle scherpzinnigheden, dewijl zij gruwelijke verdervingen der godzaligheid zijn.

98

ocr page 103

quot;DE

TWEEDE ZENDBRIEF VAN PAULUS

AAN

TIMOTHEUS.

ocr page 104

......

ocr page 105

DE INHOUD

VAN DEN

TWEEDEN ZENDBRIEF VAN PAULUS

AAN

TIMOTHEUS.

Men kan uit het verhaal van Lukas niet zeker verstaan, wanneer de Eerste zendbrief geschreven is. Hoewel, ik twijfel niet, dat hij na dien tijd Timotheus persoonlijk gesproken heeft: en mogelijk (zoo men het gemeen zeggen wil gelooven) heeft hij hem in vele plaatsen tot een metgezel en medehelper gebruikt. Doch dat Timotheus nog te Efeze geweest is, toen deze zendbrief aan hem geschreven werd, is licht te verstaan. Want Paulus groet bij het einde, Pris-cilla, Aquila en Onesiphorus, waarvan de laatste een Efeziër was: en Lukas betuigt, dat de andere twee daar bleven, toen Paulus naar Judea reisde.

Het voornaamste stuk dan dat hij hier behandelt, is, dat hij Timotheus beide in het geloof des Evangelies, en in de standvastige en oprechte verkondiging daarvan bevestigt. Maar de omstandigheid des tijds doet niet weinig tot deze vermaning. Paulus had den dood voor oogen, welken hij bereid was te lijden om de getuigenis des Evangelies. Zoo dan, al wat wij hier lezen van het rijk van Christus, van de hope des eeuwigen levens, van den christe-lijken krijg, van het betrouwen op de belijdenis en van de zekerheid der leer, dat moet men alzoo nemen, alsof dat niet met inkt, maar met Paulus' bloed geschreven ware: want al wat hij hier leert en bevestigt, daarvoor stelt hij zijn dood tot een pand, en is bereid daarvoor te sterven. Zoo dan, deze zendbrief is als een openlijke onderteekening der leer van Paulus. Nu moeten wij gedenken, wat wij in den Eersten zendbrief vermaand hebben, te weten, dat Paulus niet aan één mensch alleen geschreven heeft, maar dat hij onder ééns menschen persoon, een gemeene leer voorgesteld heeft, die daarna als door zijn hand, aan anderen zou gegeven worden. En ten eerste, als hij Timotheus' geloof, waarin hij van kinds af aan opgevoed was, geprezen heeft, zoo vermaant hij hem, dat hij in de leer, die hij aangenomen had, en in het ambt dat hem bevolen was, getrouwelijk zou volharden: en ook mede roemt hij van zijn apostelambt, en van het loon, dat hem bewaard wordt, opdat

ocr page 106

102 DE INHOUD VAN DEN TWEEDEN ZENDBRIEF.

Timotheus niet verflauwe door zijn gevangenis, of door de afwijking van andere menschen. Hij prijst ook Onesimus, opdat hij door diens exempel, anderen moed geve. En dewijl dier menschen conditie zwaar is, die Christus willen dienen, zoo neemt hij gelijkenissen van landlieden en krijgslieden: waarvan de eersten zich niet pntiien veel arbeids in de bebouwing der aarde te doen, eer zij eenige vrucht zien: en de anderen zich van alle andere zorgen en moeiten ontslaan, opdat zij zich geheel tot de wapenen en tot hunnen hoofdman begeven. Daarna, als hij een korten inhoud zijns Evangelies gegeven heeft, gebiedt hij Timotheus dien ook anderen te leeren, en te zorgen dat die tot de nakomelingen overgeleverd worde. Daarna wederom zijn gevangenis gemeld hebbende, rijst hij op tot een heilige roeming, opdat hij de godzaligen door de grootheid zijns gemoeds opheffe. Want hij gebiedt ieder met hem te aanschouwen, wat kroon wij in den hemel zullen ontvangen. Bovendien gebiedt hij de strijden der disputatiën en de ijdele vragen te laten varen, en beveelt hun daarentegen de naarstigheid tot stichting. En opdat het te openbaarder zij hoe groot kwaad het is, zoo verhaalt hij, dat sommigen daardoor verdorven zijn geweest: en hij verhaalt er bijname twee, te weten, Hymenéüs en Filétus, die tot een ongeschikte razernij gevallen zijnde, zoodat zij het geloof der wederopstanding teniet maakten, gruwelijke straf hunner ijdelheid gedragen hebben. En dewijl zulke vallen grooten aanstoot plegen mede te brengen, voornamelijk de vallen van uitnemende menschen, die in eenige achting geweest zijn, zoo leert hij, dat de godzaligen hierdoor niet behooren beroerd te worden, dewijl die niet allen waarlijk Christus toekomen, die den naam van Christus belijden: en dewijl de gemeente dezer ellendigheid moet onderworpen zijn, dat zij in deze wereld onder de boozen en goddeloozen moet wonen; hetwelk hij nochtans, opdat de zwakke harten niet bovenmate daardoor verslagen worden, voorzichtig matigt, zeggende, dat de Heere de zijnen, die Hij verkoren heeft, tot het einde toe bewaart.

Daarna keert hij wederom tot Timotheus om hem te vermanen, opdat hij voortga in het getrouw bedienen van zijn ambt. En opdat hij hem te zorgvuldiger make, zoo voorzegt hij wat vreeselijke tijd den goeden en godzaligen staat te komen, en hoe verderfelijke menschen terstond zullen oprijzen; maar tegen dit al bevestigt hij hem met de hope eener vroolijke en gelukkige uitkomst. En voornamelijk beveelt hij hem een gedurige oefening in de godzaligheid, het rechte gebruik der Schrift te kennen gevende, opdat hij wete, dat hij daardoor op alle zijden bewaard is, tot grondige stichting der gemeente. Daarna verhaalt hij, dat de dood hem nu nabij is: doch alzoo dat hij als een overwinnaar tot een heerlijke triumf loopt; hetwelk een klaar bewijs van een wonderlijk betrouwen is. Ten laatste, als hij Timotheus gebeden heeft, dat hij zoo spoedig mogelijk tot hem kome, zoo toont hij de noodzakelijkheid daarvan aan uit den tegenwoordigen stand zijner dingen. Dit is het voornaamste stuk, waarmede hij zijnen zendbrief besluit.

ocr page 107

i:, {?V

•i

HET EERSTE HOOFDSTUK. ;v

1 Paulus, een apostel van Jezus Cliristus, door den wil Gods,

naar de belofte des levens, die in Christus Jezus is:

2 Aan Timotheus, mijn lieven zoon: genade, barmhartigheid, vrede Gal. 1:3. ,1 van God den Vader en Christus Jezus onzen Heere. j; petr/ifi

UITLEGGING.

■ V

iT-^vaulus, een apostel. Wij zien nu uit de voorrede zelve, dat r—'Paulus niet alleen om Timotheus' wil geschreven heeft: want anders zou hij zijn apostelambt niet zoo grootelijks bevestigen. Want wat zouden de versieringen der woorden noodig ge-weest zijn bij dien, die de zaak genoeg bekende en wist. Zoo neemt '■ j

hij dan hier gemeene en openlijke autoriteit aan bij alle menschen, l'

en doet het des te naarstiger, omdat hij den dood nabij zijnde, den ganschen loop van zijn dienst wil bevestigen: hij wil die leer ver-zegelen, in welke hij zoozeer gearbeid had om die te leeren en !./

verbreiden, opdat zij bij de nakomelingen heilig en zonder twijfel zij: en hij wil een ware gedaante daarvan in Timotheus achterlaten.

En ten eerste heeft hij zichzelven naar zijn wijze, een apostel van v

Christus genoemd: waaruit volgt, dat hij niet spreekt als een man uit den gemeenen hoop, of dat men hem niet als een mensch verachtelijk hooren moet, maar als dien, die den persoon van Christus \ draagt. En dewijl deze waardigheid zoo groot is, dat zij geen \ 'i mensch kan toekomen, dan door de weldaad en roeping Gods, zoo stelt hij ook mede de bevestiging zijner roeping, als hij daarbij zegt, dat hij door Gods wil verordend is. Zoo is dan zijn apostel-ambt buiten allen twijfel, dewijl God de auteur, inzetter en be- ■ schermer daarvan is. Naar de belofte. Opdat zijn roeping te ze- 'i kerder zij, zoo stelt hij de belofte des eeuwigen levens daarbij, alsof hij zeide: Gelijk God van den beginne aan het eeuwige leven be- '.j loofd heeft in Christus, alzoo heeft Hij nu mij gesteld tot een dienaar,

om diezelfde belofte te verkondigen. Waarmede hij ook het einde zijns apostelambts toont, te weten, dat hij de menschen tot Christus leidt, opdat zij daarin het leven vinden. Nu, hij spreekt zeer eigenlijk, als hij meldt dat de belofte wel voortijds den vaderen is gegeven geweest, doch betuigt dat dit leven in Christus is, opdat wij weten, dat het geloof dergenen, die onder de wet leefden, nochtans op Christus moest zien, en dat het leven, dat in de belofte vervat was, eenigszins achtergehouden is geweest, totdat het in Christus is voorgesteld geworden. ' v-.

2 Mijn lieven zoon. Met dit woord betuigt hij niet alleen zijn liefde tot Timotheus, maar geeft hem ook gezag: dewijl hij in hem 'J-

r i

• v

ocr page 108

104 2 TIMOTHEUS 1 : 2. 3.

als in zijn rechten nakomeling wil bekend zijn. En de oorzaak waarom hij hem zoon noemt, is dat hij hem in Christus gegenereerd had. Want hoewel deze eer Gode alleen toekomt, zoo wordt zij nochtans ook den dienaren gegeven, wier arbeid Hij gebruikt om ons wederom te genereeren. Genade, barmhartigheid. Het woord barmhartigheid, 'twelk hij hier gesteld heeft, pleegt hij in zijn gewone groetingen weg te laten, en ik acht dat hij het hier gesteld heeft, als hij zijne genegenheid sterker uitstort dan hij gewoon was. Voorts schijnt de orde verkeerd te zijn: want dewijl de barmhartigheid de oorzaak is der genade, zoo behoorde zij in de ordening der woorden, eerst gesteld te zijn. Hoewel, dit rijmt . ook niet kwalijk, dat zij nè, de genade gesteld wordt, opdat daar-

■ ' door te beter uitgedrukt worde, hoedanig die genade is, en van-

V waar zij komt: alsof hij duidelijkheidshalve daarbij gesteld had, dat

God ons liefheeft, omdat Hij barmhartig is. Hoewel, men kan het ook uitleggen van de dagelijksche weldaden Gods, welke alle getuigenissen zijner barmhartigheid zijn: want zoo wanneer Hij ons helpt, en zoo wanneer Hij ons van kwaad verlost, zoo vergeeft Hij onze zonden, en geeft onze zwakheid toe: dat doet Hij omdat Hij onzer genadig is.

Hai{om 2i • a ^ Ik dank God, dien ik dien van mijne voorouders aan in zuivere

i Tiiess.3; 10! conscientie, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in

mijne gebeden dag en nacht.

4 Begeerende u te zien, gedachtig zijnde uwe tranen, opdat ik met blijdschap vervuld worde. 0; 5 In gedachtenis brengende het oprechte geloof dat in u is, het

welk eerst gewoond heeft in Loïse, uwe grootmoeder, en in lï, Eunice, uwe moeder; ik ben zeker dat het ook in u [woont.]

v 3 Ik dank. Dit wordt in 't gemeen aldus uitgelegd, dat Paulus

God dankt, en dat hij terstond daarna de oorzaak of stof der dank-zegging zegt, te weten, omdat hij zonder ophouden Timotheus ge-v dachtig is. Maar de lezers mogen overleggen, of deze zin niet even

goed, of ook beter rijmt: Zoo wanneer ik uwer gedenk in mijne gebeden, ('twelk ik zonder ophouden doe) zoo dank ik ook mede God ■;J.\ . voor u. Want het Grieksche woord, waarvoor ik gesteld heb gelijk,

wordt gemeenlijker alzoo genomen. En voorwaar, uit de andere overzetting kan men niet dan een flauwen zin hebben. Naar deze uitlegging, zal het gebed een teeken der zorgvuldigheid, en de dankzegging een teeken der blijdschap wezen, te weten, omdat zoo dik-maals als hij van Timotheus dacht, zijne zeer schoone deugden hem ,'J in den zin kwamen, waarmede hij versierd was. Hieruit kwam de stof

der dankzegging: want de gedachtenis der gaven Gods, is altijd den godzaligen zoet en genoeglijk. Nu deze beide dingen zijn bewijs der ware goedwilligheid. Hij zegt, dat hij zonder ophouden zijner gedach-j,;quot; tig is, omdat hij dat nimmermeer liet, zoo wanneer hij bad. Dien ik

r'.: quot;■ dien van mijne voorouders aan. Deze betuiging heeft hij gesteld

tegen die bekende valsche beschuldigingen, waarmede de Joden hem alom bezwaarden, alsof hij een veriater van zijn vaderlandschen gods-i(', 1 dienst, en een afvaller van de wet van Mozes geweest ware. Daaren-

■h; tegen betuigt hij, dat hij God dient, dien hij van zijne ouders geleerd

had, te weten, den God van Abraham, die Zichzelven den Joden ge-

J

' V *

ocr page 109

2 TIMOTHEUS I : 3—5.

openbaard heeft, die zijn wet gegeven heeft door de hand van Mozes,

en niet eenigen nieuwen God, dien hij onlangs zichzelven had mogen gesmeed hebben. Maar hier kon men vragen, of dit fundament vast genoeg is, dat Paulus roemt dat hij dien godsdienst volgt, dien hij van zijne ouders geleerd heeft. Want hieruit volgt, dat dit een zeer sierlijke verf zou wezen om alle superstitiën te verontschuldigen,

en dat het zonde en schande zou wezen, zoo iemand op het allerminst afweek van de leer zijner ouders, hoedanig die ook is. Hierop is licht te antwoorden, dat hier niet een zekere wet wordt gesteld,

dat die allen zouden geacht worden behoorlijk God te dienen, die den godsdienst volgen, dien zij van hunne ouders ontvangen hebben: en wederom, dat die allen zouden schuld hebben, die van de gewoonte hunner ouders afweken. Want men moet altijd deze omstandigheid aanmerken, dat Paulus zijn afkomst niet had van de afgodendienaren, maar van de kinderen van Abraham, die den waren God dienden. Want wij weten wat Christus zegt. Joh. 4: 22, te weten,

dat de Joden alleen weten de rechte wijze der aanbidding, waar hij alle gedichte godsdiensten der heidenen misprijst. Zoo dan, Paulus steunt hier niet op het bloote gezag zijner voorvaderen, brengt ook niet allerlei vaders voort, maar neemt die valsche meening weg,

waarmede hij wist dat hij onrechtvaardig bezwaard was, te weten,

dat hij den God Israels verlaten, en een vreemden God aangenomen had. In zuivere conscientie. Het is zeker, dat Paulus' conscientie niet allen tijd zuiver is geweest, dewijl hij bekent, dat hij door geveinsdheid is bedrogen geweest, toen hij de begeerlijkheid zichzelven Rom. 7 s. toegaf. Want dat Chrysostomus zijn farizeërschap verontschuldigt,

omdat hij niet door boosheid, maar door onwetendheid tegen het Evangelie gestreden had, is niet genoeg: want de lof der zuivere conscientie is geen kleine lof, en kan ook van de oprechte en ernstige vreeze Gods niet gescheiden worden. Daarom duid ik het alleen op den tegenwoordigen tijd, aldus, dat hij denzelfden God dient, welken zijne voorvaders gediend hebben; maar dat hij Hem nu dient met oprechte genegenheid des harten, van dien tijd aan, in welken hij door het Evangelie is verlicht geworden. Want tot dit-zelve dienen al die betuigingen, die hij in de Handelingen der Apostelen gebruikt, als: Ik dien den God mijner vaderen, geloovende Hand.24 :u. alles wat daar is in de wet en profeten. Insgelijks: En nu sta ik het Hand. 25:6. oordeel onderworpen, om de hope der belofte, die onzen vaderen gegeven is, tot dewelke onze twaalf geslachten hopen te komen.

Insgelijks: Om de hope Israels ben ik met deze keten gebonden. Hand.28:20. In mijne gebeden nacht en dag. Hieruit is het openbaar, hoe naarstig hij geweest is in het bidden: nochtans zegt hij van zichzelven niet anders, dan wat Christus al den zijnen beveelt. Daarom behooren wij door zulke exempelen gesterkt en ontstoken te worden tot navolging, opdat zulke noodige oefening immers gewoon is onder ons. Zoo iemand door de gebeden des daags en des nachts wil verstaan de gebeden, die Paulus gewoon was op zekere uren te doen, daarin zal geen ongeschiktheid wezen: hoewel, ik leg het eenvoudiger uit, te weten, dat hij te geenen tijde zonder bidden is geweest.

5 In gedachtenis brengende. Hij prijst het geloof van Timotheus,

en van zijne grootmoeder, en zijne moeder niet zoozeer om hem te prijzen, als om te vermanen: want wanneer iemand wel en ernstig

105

ocr page 110

1'

106 2 TIMOTHEUS 1 : 5, 6.

begonnen is, zoo moet de voortgang een moed geven, en de exempelen, die men tehuis ziet, hebben scherpe prikkelen tot opwekking. Daarom heeft hij hem Loïse, zijn grootmoeder, en Eunice zijn moeder voorgesteld, van wie hij van kinds af aan alzoo opgevoed is geweest, dat hij met de melk de godzaligheid heeft mogen indrinken. Zoo dan, Timotheus wordt door deze godzalige opvoeding vermaand, dat hij niet ontaarde van zichzelven en de zijnen. Het is onzeker, of deze vrouwen tot Christus bekeerd waren, en dat dit zij een begin des geloofs geweest, dat Paulus hier prijst, of dat haar buiten het Christendom geloof toegeschreven wordt. Hoewel dit laatste acht ik het waarschijnlijkst. Want hoewel toen alle dingen vol verderfelijke superstitiën waren: zoo heeft nochtans de Heere altijd de zijnen gehad, die Hij niet met de anderen heeft laten verderven; maar heeft ze Hem bijzonder geheiligd, opdat onder de Joden altijd eenig pand der genade zou gezien worden, die Hij aan Abraham beloofd had. Zoo dan, het is niet wonderlijk, noch ongeschikt, dat zij in het geloof des Middelaars geloofd hebben, en gestorven zijn, hoewel Christus hun nog niet geopenbaard was. Toch zeg ik dit niet met zekerheid, ik zou dit ook niet anders dan lichtvaardig kunnen. Ik ben zeker. Met dit woord word ik bevestigd in die naastvoorgaande gissing. Want naar mijn oordeel spreekt hij hier niet van het tegenwoordige geloof van Timotheus. Want hij zou het geloof van den voorgaanden lof verkleinen, zoo hij alleen zeide, dat Timotheus zulk een geloof had als zijn grootmoeder en moeder: maar ik versta, dat hij van kindsaf, toen hij tot de kennis des Evangelies nog niet gekomen was, met zulk een geloof en vreeze Gods begaafd is geweest, dat het in hem was als een levend zaad, dat daarna op-sproot.

6 Daarom vermaan ik u, dat gij opwekt de gave Gods, die in u 'r' Haud. 6:«; is, door de oplegging mijner handen.

i9:6.' ' 7 Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtig-

g.T2™'4:U: heid, maar der mogendheid, en der liefde, en der soberheid.

Rom. 3:15. 8 Daarom schaam u niet der getuigenis onzes Heeren, noch

Hand 21*33. mijner, die zijn gevangene ben; maar wees der verdrukkingen

-J- Ef. 3:i. des Evangelies deelachtig, naar de mogendheid Gods;

Tit.quot; 3:4. 9 Die ons behouden en geroepen heeft met een heilige roeping:

9?3 ?9 niet naar onze werken, maar naar zijn voornemen, en naar de

Ooi. i: genade, die ons is gegeven in Christus Jezus, voor de tijden

Tit. 1:2. (Ip-p „.orplrl •

IPetr. 1:20. wereia,

Jes. 25:8. 10 En is nu geopenbaard door de verschijning van Jezas Christus

. j Hand. i'iB: onzen Zaligmaker, die onzen dood weggenomen, en het leven en

■ i 13Gai de onsterfelijkheid in het licht gebracht heeft door het Evangelie.

2:8. 11 Waartoe ik gesteld ben een verkondiger, en apostel, en leeraar V , _.Etder heidenen:

f-'Vquot; 1 Tim. 2:7.

f. 12 Om welke oorzaak ik ook dit lijd, doch word niet beschaamd:

iH'

want ik weet wien ik geloofd heb, en ik ben zeker, dat Hij machtig is het pand, dat ik bij Hem heb, te bewaren tot dien dag.

fy

et.S

6 Daarom vermaan ik u. Paulus geeft te kennen, dat Timotheus, hoe hij met meerder genade Gods begaafd was, zooveel te naarstiger behoort te arbeiden tot dagelijkschen voortgang. Want men moet

ocr page 111

2 TIMOTHEUS 1 : 6. 107

aanmerken het woord daarom. Want deze vermaning is meer dan noodig. Want het pleegt te geschieden, en is eenigszins natuurlijk,

dat de uitnemendheid der gaven zorgeloosheid medebrengt, waarbij daarna ook luiheid komt, en de duivel arbeidt zonder ophouden, om alles te verstikken wat goddelijks in ons is. Zoo betaamt het ons dan naarstig daartegen te arbeiden, om al dat goede, dat in ons begonnen is, te versieren, om wat lauw is, te ontsteken. Want de gelijkenis, die Paulus hier gebruikt, is genomen van een vuur dat i cor. u: 40. zeer weinig is, of terstond zoude uitgaan, zoo het niet door veel blazens en hout aanstokens, wederom kracht en vlam gekregen. Zoo zullen wij dan gedenken, dat wij de gaven Gods tot gebruik moeten wenden, opdat zij niet roesten, zoo wij ze ledig laten, of onderdrukken. Wij moeten ook gedenken, dat wij daarom naarstigen voortgang moeten doen, opdat zij niet door onze traagheid verstrikt worden. Die in u is door de oplegging. Het is zonder twijfel, dat Timotheus door de gemeene begeerte der gemeente is geroepen, en niet door Paulus' goeddunken alleen verkoren: toch is het niet onbehoorlijk, dat Paulus de verkiezing zichzelven bijzonderlijk toeschrijft, waarvan hij de voornaamste oorzaak was; hoewel hij hier eerder spreekt van de ordening dan van de verkiezing, dat is, van de gewone plechtigheid der inzetting. Vports, het is niet openbaar,

of in de inzetting des dienaars een iegelijk pleegt de hand op des-zelven hoofd te leggen, of alleen een uit aller naam. Ja de gissing is meer, dat daar alleen een geweest is, die zijne handen oplegde.

Zooveel de ceremonie aangaat, de apostelen hadden die genomen uit de oude gewoonte huns volks, of liever, dewijl zij in het gebruik was, zoo hebben zij ze behouden. Want dit is een deel der betamelijkheid, die Paulus op een andere plaats aanprijst. Hoewel men kan twijfelen, of de tegenwoordige oplegging der handen van de ordening te verstaan is: want de gaven des Geestes, waarvan Paulus spreekt Rom. 12 en 1 Cor. 13 worden door de oplegging der handen gegeven ook velen anderen, die tot geene herders verordend werden. Maar ik versta lichtelijk uit den Eersten zendbrief, dat Paulus hier handelt van het ambt der herders. Want deze plaats komt overeen met wat hij daar zegt: Wil niet vergeten de genade die i Tim.4; 14. u gegeven is met de oplegging der handen des ouderlingschaps.

Wanneer dit aldus is, zoo wordt hier gevraagd of de genade gegeven is door het uitwendige teeken? Op welke vraag ik antwoord,

dat de dienaars door het gebed der gansche gemeente, Gode bevolen werden, zoo wanneer zij verordend werden: en dat hun alzoo genade van God verkregen werd, en dat zij niet door de kracht des teekens gegeven is. Hoewel het teeken werd niet tevergeefs noch onnut daarbij gevoegd, maar was een onbedriegelijk teeken dier genade, die zij uit Gods hand ontvingen. Want die ceremonie was niet een onheilige inzetting alleen gevonden om in der rnen-schen oogen autoriteit te verkrijgen; maar was een behoorlijke heiliging voor God, welke niet volbracht wordt, dan door de kracht des Heiligen Geestes. Bovendien neemt Paulus het teeken voor de gansche zaak of handeling: want hij beduidt dat Timotheus met genade begaafd is geweest, toen hij Gode tot een dienaar opgeofferd werd.

Alzoo is dit een samenvattende wijze van spreken. Maar hier wordt ook een andere vraag opgeworpen: Want zoo Timotheus toen eerst toen hij verordend werd, de gave ontvangen heeft, die tot de be-

ocr page 112

2 TIMOTHEUS 1:6, 7.

diening zijns ambts noodig was, wat verkiezing was dat van een mensch, die nog niet bekwaam noch geschikt, maar van de gaven Gods nog ledig en beroofd was? Ik antwoord, dat het hem toen niet alzoo gegeven werd, dat hij het tevoren niet had: want het is zeker, dat hij tevoren met leer en andere gaven is uitnemend geweest, eer Paulus hem tot den dienst verordende. Maar het is niet ongeschikt te zeggen, dat God, toen hij zijnen dienst wilde gebruiken, en hem daartoe geroepen had, hem toen ook bekwamer gemaakt, en met nieuwe gaven versierd, of de gaven die hij hem tevoren gegeven had, verdubbeld heeft. Zoo was dan tevoren in Timotheus niet ganschelijk geen gave, maar zij heeft zich toen meer geopenbaard, toen hem het leerambt opgelegd was.

7 Want God heeft ons niet gegeven. Dit is een bevestiging der naastvoorgaande uitspraak, waarmede hij voortgaat om Timotheus op te wekken, dat hij de kracht der gaven, die hij ontvangen heeft, verklare. En hij gebruikt dit argument, te weten, dat God zijne dienaars regeert met den Geest zijner mogendheid, welke het tegendeel der vreesachtigheid is. Waaruit volgt, dat zij niet uit traagheid moeten neerliggen, maar dat zij, met groot betrouwen en vaardigheid opgeheven zijnde, die kracht des Geestes met openbare vreugd moeten voortbrengen en bewijzen. Daar is een plaats, Rom. 8 : 14, die bijna dezer gelijk schijnt, maar heeft in haar verband een anderen zin. Want hij handelt daar van het betrouwen der aanneming tot kinderen, hetwelk alle geloovigen hebben: maar hier handelt hij bijzonder van de dienaren, en vermaant ze onder Timotheus' persoon, dat zij zichzelven naarstig vermanen tot grootmoedigheid, dewijl God niet wil, dat zij flauwelijk hun ambt bedienen, maar dat zij sterkelijk aanhouden, betrouwende op de krachtige werking des Geestes. Hieruit worden wij vermaand, dat niemand van ons die grootheid en ongebroken standvastigheid des Geestes heeft, die ons om ons ambt te bedienen noodig is, totdat wij van boven met nieuwe kracht bekleed worden. En voorwaar, daar zijn zoo vele en groote verhinderingen, dat geen menschelijke kracht genoegzaam is om die te overwinnen. Zoo is het dan God, die ons begaaft met den geest der mogendheid Want degenen, die ook anders groote kracht too-nen, vallen in een oogenblik tijds, wanneer zij door de mogendheid des Geestes Gods niet opgehouden worden. Ten andere verstaan wij, dat allen die naar der dienstknechten wijze zoo vreesachtig en zoo bloode zijn, dat zij niets bestaan tot bescherming der waarheid, wanneer het noodig is geenszins geregeerd worden van den Geest, van welken de dienstknechten van Christus geregeerd worden. Waaruit volgt, dat onder degenen, die den naam van dienaren dragen, heden zeer weinigen zijn, die het rechte teeken der beproeving hebben. Want onder hoevelen vindt men één, die op de mogendheid des Geestes steunende, standvastig alle hoogheid veracht, die tegen Christus oprijst ? Zoeken zij niet meest ailen zichzelven en hun gemak? Zijn zij niet terstond verslagen, en zwijgen zoo haast als daar maar iets kraakt of geluid geeft? Alzoo komt het, dat in hunnen dienst geen majesteit Gods gezien wordt. Het woord Geest, wordt hier gesteld voor de gaven des Geestes, gelijk in vele andere plaatsen. Maar waarom heeft hij daarbij gesteld: Liefde en soberheid? Naar mijn oordeel, om de mogendheid des Geestes te onderscheiden van de onmatigheid der dolle menschen, die wreedelijk

108

ocr page 113

2 TIMOTHEUS 1 : 7, ö. t09

van den Geest Gods roemen, als zij met schrikkelijk geweld gedreven worden. Zoo heeft hij dan bijname uitgedrukt, dat die mogende kracht, met soberheid en liefde, dat is met liefelijke begeerte der stichting gematigd zij. Voorts ontkent Paulus niet, dat de profeten en leeraars vóór de verkondiging des Evangelies met denzelfden Geest begiftigd zijn geweest: maar hij geeft te kennen, dat deze gave nu voornamelijk onder het rijk van Christus behoort plaats te hebben, en uitnemend te zijn.

8 Daarom schaam u niet. Dit zeide hij daarom, dat de belijdenis des Evangelies te dien tijde schandelijk geacht was. Zoo gebiedt hij hem dan, dat hij zich niet laat verhinderen door eerzoe-king of vreeze van oneer, van de vrijheid der verkondiging des Evangelies: en dit besluit hij uit de voorgaande woorden. Want zoo wie met de kracht Gods gewapend is, zal niet bevreesd wezen, wanneer de wereld hem tegen is: maar wat de goddeloozen tot schande rekenen, zal hij zich heerlijk achten. En hij heeft terecht het Evangelie genoemd, het getuigenis des Heeren: want hoewel onze hulpe Hem geenszins noodig is, zoo legt Hij ons nochtans dit op, dat wij Hem getuigenis geven om zijn heerlijkheid te bevestigen. Dit is een groote en bizondere eer, die de Heere verwaardigt ons te doen, ons zeg ik allen, (want een iegelijk Christen moet achten, dat hij een getuige is van Christus) doch voornamelijk den herders en leeraars, gelijk Christus tot zijn discipelen zeide; Gij zult mijne ge- Hana- 1: tuigen wezen. Zoo dan, hoe meer de leer des Evangelies in de wereld gehaat is, zooveel te sterker moeten wij doorworstelen tot een vrije belijdenis daarvan. Als hij daarbij stelt: Noch myner, daarmede vermaant hij Timotheus, dat hij niet weigere zijn metgezel te zijn, als in een gemeene zaak. Want als wij beginnen ons-zelven van dier lieden gezelschap te onttrekken, die om den naam van Christus vervolging lijden, wat doen wij anders, dan dat wij een Evangelie zoeken, dat van alle vervolging vrij is? Nu, dewijl daar genoeg waren, die Timotheus aldus bespotten: Ziet gij niet wat uwen meester geschied is? Weet gij niet, dat gij hetzelfde loon zult ontvangen? wat steekt gij ons een leer in de hand, die gij ziet van de gansche wereld verstooten te worden? Zoo was het noodig,

dat hij met dusdanige vermaning opgericht werd: Gij hebt u mijner niet te schamen, dewijl in mij niets is, waarover men zich zou schamen: want ik ben een gevangene van Christus, dat is, ik word niet om eenige booze daad, maar om Christus' naam in gevangenis gehouden. Maar wees mijner verdrukking deelachtig, naar. Hij stelt een middel, waardoor hetgeen hij gebeden heeft, kan geschieden, te weten, zoo Timotheus zichzelven voegt om verdrukkingen te lijden, die met het Evangelie gepaard gaan. Want zoo wie voor het kruis gruwt en vliedt, die zal zich altijd het Evangelie schamen. Daarom, als Paulus vermaant tot een vrijmoedige belijdenis, opdat hij dit niet tevergeefs doe, zoo predikt hij niet zonder oorzaak ook mede van het kruis te dragen. En hij stelt daarbij: Naar de mogendheid Gods; want anders zouden wij terstond overwonnen worden, zoo God ons niet ophield. En deze woorden vervatten zoowel vermaning als vertroosting. De vermaning is, dat hij zijne oogen afwende van zijn tegenwoordige zwakheid, en op Gods hulp betrouwende, besta en poge boven zijn macht. De vertroosting is, dat zoo wij iets lijden om des Evangelies wil, God ons als een

ocr page 114

110

Verlosser zal bijstaan, door wiens kracht wij overwinnaars zullen wezen.

9 Die ons behouden heeft. Uit de grootheid der weldaad toont hij, hoeveel wij Gode schuldig zijn. Want de zaligheid, die Hij verwaardigt ons te geven, verslindt lichtelijk al het kwade, dat wij in deze wereld moeten dragen. Het woord behouden, hoewel het een gemeene en breede beteekenis heeft, zoo wordt het nochtans hier naar de omstandigheid der plaats verstaan van de eeuwige zaligheid. Zoo geeft hij dan te kennen, dat die veel te ondankbaar zouden zijn, die door Christus eeuwige en onvergankelijke zaligheid verkregen hebbende, liever hun ijdel en vergankelijk leven sparen, dan zij hunnen Verlosser zouden belijden. De verzegeling der zaligheid stelt hij in de roeping; want gelijk de zaligheid der menschen volmaakt is in den dood van Christus, alzoo maakt God ons derzelve deelachtig door het Evangelie. En de roeping wordt genoemd heilig, tot meerdere verheffing. Maar dit moet men naarstig aanmerken, want gelijk men de godzaligheid nergens moet zoeken dan in Christus, alzoo zou Hij wederom zonder vrucht gestorven en wederopge-staan zijn, zoover Hij ons tot de gemeenschap dezer genade niet roept. Daarom, als Hij ons de zaligheid verkregen heeft, zoo is daar nog dit ander, te weten, dat Hij ons in zijn lichaam plantende, ons zijner weldaden deelachtig maakt, om die te genieten. Niet naar onze werken. Hij beteekent den oorsprong onzer roeping en onzer gansche zaligheid. Want wij hadden geene werken, waarmede wij God hadden kunnen voorkomen; maar het hangt alles aan zijn onverdiend voornemen en verkiezing. Want deze twee woorden, voornemen en genade, zijn zooveel als genadig voornemen, alsof hij gezegd had, onverdiend voornemen. Want hoewel Paulus het woord voornemen, pleegt te stellen voor den verborgen raad Gods, welks oorzaak bij Hem is, zoo heeft hij nochtans tot meerdere verklaring het woord genade, daarbij willen stellen, om te zekerder alle aanzien der werken uit te sluiten. En de vergelijking roept klaarlijk genoeg, dat de werken geen plaats hebben, waar de genade Gods regeert; voornamelijk wanneer wij teruggeroepen worden tot de verkiezing Gods, waarmede God ons voorkomt, als wij nog niet geboren zijn: van welke zaak wij meer hebben Ef. 1, want hier roer ik het alleen met korte woorden aan, omdat ik het daar breeder behandeld heb. Die ons gegeven is. Uit de orde des tijds besluit hij, dat de zaligheid ons voor niet gegeven is, welke wij geenszins verdiend hadden. Want zoo God ons verkoren heeft vóór de schepping der wereld, zoo kon Hij geen acht hebben op de werken, die geene waren, toen wij zeiven er nog niet waren. Want dat de So-phisten beuzelen, dat God is bewogen geworden door de werken die Hij voorzag, dat kan wel met korte woorden wederlegd worden. Want hoedanig zouden onze werken geweest zijn, zoo God ons verlaten had, dewijl de verkiezing Gods de fontein en het begin alles goeds is? Dit geven der genade, dat hij meldt, is niet anders dan een voorordening, waarmede wij tot kinderen Gods aangenomen zijn. Van welke zaak ik de lezers wilde vermaand hebben, omdat God dikmaals gezegd wordt dan eerst ons zijn genade te geven, als wij haar vrucht en kracht gevoelen. Maar hier handelt Paulus, wat God van den beginne aan bij Zichzelven voorgenomen heeft. Zoo heeft Hij dan gegeven wat Hij door geene verdiensten

ocr page 115

.'.v.i • •4.'

2 TIMOTHEUS 1 ; 9, 10. 111

verwekt zijnde, dengenen die nog niet geboren waren, verordend V '

had, en in zijne schatten bewaard heeft, totdat Hij met de zaak i

zelve openbaarde, dat Hij geen ding tevergeefs voorneemt. Tyden

der wereld, noemt hij hier gelijk in Titus 1, het gedurig vervolg • gt;

der jaren, van de schepping der wereld aan. Want die scherpzinnige ;

disputatie, die Augustinus heeft in vele plaatsen, is vreemd van den • j'

zin van Paulus. Zoo is dan de zin: Vóór alle eeuwen, eer de tijden .

begonnen. Voorts moet men aanmerken, dat hij het fundament der

zaligheid in Christus stelt: want buiten Hem is geen aanneming '•*;

noch zaligheid der menschen, gelijk ook aan de Efeziërs, hfdst. 1, V

gezegd is. ',n!,

io En is nu geopenbaard. Merk op hoe bekwamelijk hij het geloof, dat wij uit het Evangelie hebben, vereenigt met de ver- .y

borgen verkiezing Gods, en aan deze beiden elk zijn plaats geeft.

God heeft ons nu door het Evangelie geroepen, niet omdat de raad van onze zaligheid haastig en onvoorziens opgekomen is, maar omdat Hij het alzoo van de uiterste eeuwigheid aan voorgenomen

had. Christus is nu verschenen tot onze zaligheid, niet omdat de -

kracht van zalig te maken Hem nu eerst gegeven is, maar omdat deze genade ons vóór de schepping der wereld in Hem bewaard is. De kennis dezer dingen wordt ons door het geloof geopenbaard.

En aldus heeft de apostel wijselijk het Evangelie vereenigd met de ,'!-

oudste beloften, opdat het door de nieuwigheid niet veracht worde.

Maar er wordt gevraagd, of het den vaderen onder de wet ver- i

borgen is geweest? Want is het, dat deze kennis eerst door de komst van Christus geopenbaard is, zoo volgt daaruit, dat zij tevoren is verborgen geweest. Ik antwoord, dat Paulus spreekt van de volle vertooning der zaak zelve, waarop ook der vaderen geloof steunde: aldus wordt hun niets benomen. Want daarom hebben Abel,

Noach, Abraham, Mozes, David, en alle godzaligen eenzelfde zalig- ^

heid met ons verkregen, omdat zij hun betrouwen in deze verschijning gesteld hadden. Zoo dan, als hij zegt, dat de genade ons door de verschijning van Christus geopenbaard is, zoo sluit hij de vaders niet uit van de gemeenschap daarvan, die door hetzelfde geloof,

deze verschijning met ons deelachtig geworden zijn. Want Christus was gisteren gelijk als nu: maar Hij heeft Zichzelven niet geopen-Hebr'13:8-baard vóór den tijd van den Vader verordend, als Hij Zichzelven '.

ons door zijn dood en wederopstanding vertoond heeft. Nu, hierop,

als op het eenige pand en vervulling onzer zaligheid, ziet beide ons en der vaderen geloof in 't gemeen. Die den dood heeft teniet

gemaakt. Als hij de verlichting des levens het Evangelie toeschrijft, ^

zoo is zijn meening niet, dat men van het Woord moet beginnen,

Christus' dood en wederopstanding nalatende, (want het Woord steunt eer op de daaraan ten grondslag liggende materie) maar hij ,gt;'

geeft alleen te kennen, dat de vrucht dezer genade niet anders tot de menschen komt, dan door het Evangelie, volgens wat Paulus op een andere plaats zegt: God was in Christus, de wereld met Zichzelven 2 Cor- 5:19-verzoenende, en heeft het woord der verzoening ons te bewaren gegeven. En dit is een schoone lof des Evangelies, dat het genoemd

wordt, een verlichting des levens. Bij het leven stelt hij ook de f

onsterfelijkheid, alsof hij zeide: het ware en onsterfelijke leven. V-

Tenzij men mogelijk liever door het leven wil verstaan de weder- quot;j'

geboorte, op welke de zalige onsterfelijkheid volgt, die nog gehoopt

' ;■

V' ,,

i

ï i

i V

ocr page 116

112

wordt. En voorwaar dit is ons leven, niet wat wij met de onredelijke beesten gemeen hebben, maar wat in de deelachtigheid van het beeld Gods gelegen is. En dewijl in deze wereld niet gezien wordt wat zulk leven is, of wat het vermag, zoo heeft hij terecht om dat uit te drukken daarbij gesteld onsterfelijkheid, welke is een openbaring van dat leven, dat nu verborgen is.

11 Waartoe ik gesteld ben. Het is niet tevergeefs, dat hij het Evangelie met zijn apostelambt zoozeer prijst. Want de duivel zoekt geen ding sterker, dan het geloof der gezonde leer eenigszins uit onze harten uit te roeien: en dewijl hij dit niet altijd kan doen, als hij ons met openbare krijgen bestrijdt, zoo loopt hij ons aan met heimelijke en verborgen listen. Want opdat hij der leer haar geloof beneme, zoo verzwakt hij de roeping der godzalige leeraren. Daarom, als Paulus den dood voor oogen had, en de oude en gewone listen des duivels wel wist, zoo heeft hij alzoowel de leer des Evangelies in 't gemeen, als zijn roeping willen bevestigen, gelijk dat beide noodig was. Want ofschoon daar lange redevoeringen gedaan worden van de waardigheid des Evangelies, zoo zullen zij ons niet zeer bevorderlijk wezen, tenzij wij weten hoedanig het Evangelie is. Want velen zullen bewilligen in die gemeene grond-reden van de zekere autoriteit des Evangelies, die nochtans daarna niets zekers zullen hebben dat zij volgen. Dit is de oorzaak waarom Paulus bijname wil bekend zijn voor een getrouw en behoorlijk dienaar dier levendmakende leer, die hij gemeld had. En hiertoe dient het, dat hij in het uitdrukken eener zaak, zichzelven versiert met menigerlei titelen. Hij noemt zichzelven een uitverkondiger, wiens ambt is, de ordeningen der prinsen en der overheden te openbaren. De naam apostel komt hem eigenlijk toe. En dewijl daar een overeenkomst is des leeraars met den discipel, zoo geeft hij zichzelven ook dezen derden naam, opdat degenen, die van hem leeren, weten dat zij een meester hebben, die hun van God verordend is. Maar wie betuigt hij zichzelven gesteld te zijn? Den heidenen. Want betrekkelijk hun was de voornaamste twijfel: omdat de Joden zeiden, dat de beloften des levens niemand anders toekwamen dan Abrahams kinderen naar den vleesche. Zoo dan, opdat de zaligheid der heidenen niet twijfelachtig zij, zoo zegt hij, dat hij bijzonder tot hen gezonden is.

12 Om welker zake wil. Het is genoeg bekend, dat der Joden razernij meer hieruit dan uit eenig ander ding is ontstoken geweest tegen Paulus, te weten, omdat hij het Evangelie ook den heidenen gemeen maakte, hoewel deze woorden: om welke oorzaak, zijn te verstaan van den ganschen voorgaanden inhoud der woorden: en moeten daarom niet gebonden worden aan dat laatste stuk betrekkelijk de heidenen. Zoo dan, opdat de banden en gevangenis, waarin hij gehouden was, niet eenigszins zijn autoriteit zouden verminderen, zoo strijdt hij daartegen met twee argumenten. Want hij toont, dat deze zaak hem eerder heerlijk is dan schandelijk, dewijl hij niet om eenige misdaad gebonden is, maar omdat hij Gode, die hem roept, is gehoorzaam geweest. Want dit is een ongelooflijke groote troost, als wij tegen alle ongerechtige oordeelen der menschen, onze goede conscientie kunnen stellen. Ten andere bewijst hij uit de hope eener gelukkige uitkomst, dat in zijne banden en gevangenis geen ding is, waarover men zich behoort te schamen. Zoo wie met zulk schild

ocr page 117

2 TIMOTHEUS 1 : 12. 113

gewapend is, die zal alle grootste verzoeking kunnen overwinnen.

Én als hij zegt, dat hij niet beschaamd wordt, zoo geeft hij anderen 1

moed tot dezelfde sterkte. Want ik weet, wien ik geloofd heb.

Dit is de eenige plaats, waarheen alle geloovigen hun toevlucht zullen JH;

nemen, zoo dikwijls als zij van de wereld voor verdoemde en vertwijfelde menschen gehouden worden, te weten, dat het hun genoeg

zij, dat zij Gode bekend en aangenaam zijn: want wat einde zal 1 ■

daar wezen, zoo zij op menschen staan ? En hieruit moet men verstaan, wat groot onderscheid daar is tusschen het geloof en een

meening. Want als Paulus zegt; Ik weet wien ik geloofd heb, zoo Vi

geeft hij daarmede te kennen, dat het niet genoeg is dat men gelooft, tenzij men God tot een auteur hebbe, en dat men goed zeker daarvan is. Zoo dan, het geloof steunt niet op menschen autoriteit,

en rust niet alzoo op God, dat het twijfelachtig zij, maar wetenschap moet daarbij zijn, anders zou het zwak zijn tegen de ontal-lijk vele aanvallen des duivels. En zoo wie met Paulus deze wetenschap heeft, die zal bevinden, dat ons geloof niet tevergeefs genoemd

wordt een overwinning, waardoor de wereld overwonnen wordt; •'

en dat niet tevergeefs van Christus gezegd is, dat de poorten der Matt-10:18-hel geen macht daartegen zullen hebben. Ik zeg, dat die in alle onweder en watervloeden onbewogen rusten zal, die dit vast en zeker houdt, dat God, die niet liegen en bedriegen kan, het gesproken heeft, en zonder twijfel volbrengen zal wat Hij beloofd heeft. Wederom, zoo deze waarheid iemand niet verzegeld is, die zal op eiken tijd als een riet her- en derwaarts buigen. Zoo dan, deze plaats is waardig dat men ze aanmerkt: want zij drukt zeer wel de kracht des geloofs uit, als zij leert, dat wij in den allergrootsten tegenspoed Gode deze eer moeten geven, dat wij niet twijfelen dat Hij waar '•

en getrouw zal wezen. Bovendien, daar zij leert dat men op het woord moet rusten en steunen, alsof God uit den hemel ons verschenen ware. Want zoo wie met deze verzekerdheid niet gewapend is, die verstaat niets. En wij zullen altijd gedenken, dat Paulus niet in de lucht is philosopheerende: maar dat hij, alsof hij de zaak tegenwoordig voor zijn oogen had, ernstig betuigt wat het betrouwen des eeuwigen levens vermag. Ik ben zeker, dat Hij machtig is. Dewijl de kracht en grootheid der gevaren ons dikmaals verschrikken, of immers tot mistrouwen opwekken, daarom is het ons noodig met dit schild gewapend te zijn, te weten, dat wij in de kracht Gods hulpe genoeg hebben. Gelijk Christus, waar Hij ons gebiedt zonder zorge te zijn, dit argument gebruikt: de Vader, die u Mij gegeven Joh. io:29.

heeft, is bovenal; waarmede Hij beduidt, dat wij buiten gevaar zijn, i

dewijl de Heere, die ons in zijn bescherming aangenomen heeft,

overvloedig machtig is om te wederstaan. Het is wel waar, dat de duivel niet rechtuit en openlijk die gedachte durft in te geven, dat God niet machtig is, of verhinderd wordt zijn belofte te volbrengen (want ons gevoelen gruwt van zulke godslastering) maar hij neemt eerst onze oogen en verstand in, en beneemt ons alzoo alle gevoelen van de goddelijke mogendheid. Zoo moet dan dat gemoed gereinigd zijn, dat ze niet alleen zal smaken, maar ook der-zelver smaak in alle aanvechting behouden. Voorts, zoo wanneer Paulus spreekt van de mogendheid Gods, zoo verstaat hij het van de dadelijke of krachtig werkende mogendheid. Want het geloof stelt altijd de kracht Gods en het woord te zamen, hetwelk het niet ui. vi. s

i's

r.yi

ocr page 118

114 2 TIMOTHEUS 1:12, 13.

dicht, maar heeft en bezit het in het ontvangen. Alzoo zegt hij Rom. 4: 20 van Abraham; hij heeft niet getwijfeld noch gewankeld, maar hij heeft Gode de eer gegeven, voorzeker wetende dat Degene, die het beloofd had, ook machtig was te volbrengen. Men moet ook aanmerken op deze woorden, mijn weggelegd pand, hetwelk hier genomen wordt voor het eeuwige leven. Want wij nemen hieruit, dat onze zaligheid in de hand Gods staat, minder noch meerder dan in de hand eens bewaarders is hetgeen dat hem is gegeven te bewaren op geloof. Hing onze zaligheid aan ons, en dat zij in onze bewaring ware, in hoeveel gevaren zou deze geduriglijk zijn gesteld ? Maar nu is het zeer wel, dat zij bij zulk een bewaarder gelegd is, waar ze buiten alle gevaar is.

2 Tim. 3: u. 13 Heb de eigenlijke gestalte der gezonde woorden, die gij van mij

geleerd hebt, in het geloof en de liefde, die in Christus Jezus is.

14 Bewaar het goede pand, dat u betrouwd is, door den Heiligen

Geest, die in ons woont.

nana. l9;io. 15 Grij weet dit, dat allen die in Azië zijn, zich van mij afgewend

hebben, onder dewelke zijn Fygellus en Hermógenes.

2 Tim.4:19. 16 De Heere geve den huize van Onesiforus barmhartigheid: want

Mütt. 25*37. .. .. ... ...

hij heeft mij dikwijls vermaakt, en heeft zich mijner keten niet

geschaamd.

17 Maar als hij te Rome was, zocht hij mij zeer naarstig, en vond mij.

18 De Heere geve hem, dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere in dien dag: en hoe veel hij mij te Efeze gediend heeft, weet gij zeer wel.

Hi

Tamp;r

ir

vvii

13 Heb de eigenlijke gestalte. Ik neem niet aan, wat anderen aldus uitleggen: uwe leer zij als een exempel of patroon, waar zich de anderen naar mogen schikken. De uitlegging van Chrysostomus komt ook met Paulus' meening niet overeen, te weten, dat Timo-v theus eigenlijk een gedrukt deugdenbeeld in zijn hart zou hebben,

door de leering van Paulus. Het komt mij veelmeer voor, dat de V', , apostel Timotheus beveelt, vastelijk de leer te onderhouden, die

,i/.i . hij had geleerd, niet alleen zoo veel de substantie belangt, maar

ook de afbeelding der rede zelve, en de gestalten der woorden. vtotvttu- Want het Grieksche woord, dat hij hier gebruikt, is een levend crig. uitdruksel der dingen, gelijk alsof zij voor de oogen voorgesteld

werden. Den heiligen Paulus was wel bekend, hoe lichtelijk dat men ■V ' van de reine leer wijkt en afvalt. Hierom zoo wil hij verhoeden op

alle manieren, zoo veel als hem mogelijk is, dat Timotheus van den vorm der leeringen, dien hij hem geleerd had, toch niet zou afwijken, en dat hij zijn manier van leeren ganschelijk schikken zou naar hetgeen bem was voorgeschreven. Niet dat er zooveel aan de (y . woorden gelegen is, maar dat het bovenmate zeer schadelijk is, iets

pi-'' ' van des Heeren woorden te veranderen, of een anderen vorm te

geven. Hieruit kan men zien, wat theologie of wetenschap van den godsdienst in het pausdom is, die van dit voorbeeld hetwelk Paulus .;i|, ■1 hier beveelt, zoo wijd ontaard is, dat ze veel beter gelijkt een

waarzegging van vogelgeschrei, of antwoord van zeer duistere raad-;4- selen, dan de leer, die uit het Woord Gods is genomen. Ik bid u

'■:r' .

i .i,quot;*

' \ * A

ocr page 119

2 TIMOTHEUS 1:13, 14. 115

■.'i

•«

toch, zeg mij, al de boeken der papisten, wat gevoelen hebben zij

van Paulus? Deze te zeer stoute en groote vrijheid in de verval- 1

sching der leer, bewijst wel dat het zonder oorzaak niet is, dat Pau- 'Iv.

lus Timotheus gebiedt de eigenlijke gestalte der leer te onderhouden. j/t;

En de gezonde woorden stelt hij niet alleen tegen de leeringen der

goddeloozen, maar ook tegen koude kwestiën, die voor gezondheid ' i

anders niet brengen dan kwelling. In het geloof en de liefde. Ik weet dat het woordje in, naar de Hebreeuwsche manier van spreken,

dikmaals genomen wordt voor met: maar mij dunkt dat het hier een andere beduiding heeft. Want Paulus stelt dit tot een teeken U

der gezonde leer, opdat wij zouden weten wat zij bevattende is, en welke haar hoofdsom is: welke hij naar zijn gewone manier gan-

schelijk vervat in geloof en liefde. En hij stelt beide in Christus, VV

gelijk in der waarheid de kennis van Christus voornamelijk gelegen is in deze twee stukken. Die het nu overgezet hebben; met geloof en liefde, brengen dezen zin voort, te weten, dat Timotheus bij de gezonde leer voegt, de genegenheid der vreeze Gods en der liefde.

Ik belijd wel, dat er niemand getrouwelijk kan volharden in de gezonde leer, dan degene die voorzien is van waar geloof en onvervalschte liefde: maar de eerste uitlegging is beter naar mijn verstand, te weten, dat de heilige Paulus hiermede uitdrukkelijk te kennen geeft, hoedanig zijne woorden zijn, en wat zij in zich vervatten. Zeggende, dat de hoofdsom daarvan in geloof en liefde gelegen is; wier oorsprong en begin is de kennis van Christus. H

14 Bewaar het goede pand. Deze vermaning gaat verder:

want hij vermaant, dat hij wel aanmerken zal, waarmede hem God .V,;

begaafd heeft, en dat hij zooveel te meer vlijt en naarstigheid doen ■■

zou, als zijn pand boven anderen uitnemender en grooter is: wantin 'J;

een zaak, waar klein belang aan gelegen is, en die zooverre niet gaat, ';;i|

daar begeert men niet, dat zoo scherp op gelet wordt. Door het '■lt;

woord pand, versta ik zoowel de eer zijns ambts, als de andere gaven, waarmede Timotheus begaafd was. Anderen trekken het alleen op zijn ambt: maar het komt mij voor, dat het voornamelijk beduidt, de gaven die nog grooter dan zijn ambt waren, te weten,

al de gaven des Heiligen Geestes, waarin hij zeer uitnemend was.

Hij gebruikt het woord pand nog om een andere oorzaak, te weten,

opdat Timotheus gedenken zou, dat hij daarvan eens rekening zal i;,'

moeten geven: want wij moeten getrouw bedienen al hetgeen wat ons van God bevolen is: en het Grieksche woord hetwelk hij hier gebruikt, beduidt, uitnemend of uitgelezen. Daarom heeft Erasmus niet kwalijk uitgelezen, egregium, om de uitnemendheid aan te j

wijzen, welke overzetting ik gevolgd heb. Maar welk is het middel om zulks te bewaren? Zulks is, dat door onze onachtzaamheid niet te niet ga, hetgeen God ons medegedeeld heeft; of dat het ons niet ^

ontnomen worde door onze ondankbaarheid, of omdat wij het mis bruikt hebben. Want sommigen verwerpen de gaven Gods: en som-migen, nadat zij dezelve ontvangen hebben, berooven zichzelven daarvan. Nochtans omdat de zwarigheid in het bewaren, onze krachten te boven gaat, zoo voegt hij daarbij door den Heiligen Geest:

alsof hij zeide: ik eisch van u niet meer dan gij vermoogt:

want de Heilige Geest zal u geven hetgeen gij van uzelven niet V

hebt. Hieruit volgt, dat men des menschen krachten niet achten moet uit de geboden Gods: want gelijk hij door de woorden ge-

1' ■ if

v'_

I

'■ i;

I 'V 1 r,

'ix

ocr page 120

2 TIMOTHEUS 1 : 14-16.

biedt, insgelijks drukt hij ook de woorden in het hart; en de krachten versterkende, zoo maakt hij dat hij niet tevergeefs gebiedt. Wat daar volgt: Door den Heiligen Geest, die in ons woont, geeft te kennen, dat Hij bereid is om de geloovigen te helpen, mitsdien zij de hulp niet van zich stooten, die Hij hun aanbiedt. .

15 Gij weet dit, dat allen die. Deze afwijking, die hij hier vermaant, kon menig mensch in het hart verslaan, en daarbenevens meniger-hande kwaad vermoeden baren; gelijk wij toch bijna gewoon zijn, altijd alle ding op het kwaadst te nemen. De heilige Paulus voorkomt al zulke ergernis met een groote volstandigheid en met een welgemoed hart, opdat alle geloovigen leeren zouden voor een vervloeking te houden de ontrouwigheid dergenen, die alzoo een dienaar van Jezus Christus verlaten hadden, welke alleen een gemeene zaak voorstond in gevaar zijns levens: en dat zij hierom den moed niet zullen verloren geven, aangezien zij hooren dat de heilige Paulus zelve niet verlaten is geweest van God. Hij noemt er hier twee, welke (naardat het wel te gelooven is) voornamer geweest zijn dan de anderen, opdat hij hun schelden en lasteren den mond zou stoppen. Want het is een gemeen gebruik bij de afvalligen, die van de banier van Christus wijken, dat zij al de beschuldigingen versieren die zij kunnen, tegen de oprechte en getrouwe dienaars des Evangelies, om hun schandvlekken te verontschuldigen en te bedekken. Omdat Fygellus en Hermógenes wel wisten, dat hun traagheid terecht berucht zou zijn bij de geloovigen, ja dat zij ook konden veroordeeld worden van booze ontrouw, zoo zouden zij geen groote zwarigheid gemaakt hebben, den heiligen Paulus met valsche lastering achterklap te doen, en schandelijk zijn onschuld te kwetsen. Opdat de heilige Paulus nu alle middelen wegneme, om in hun leugenen niet te gelooven, zoo teekent hij hen met een teeken, hetwelk zij wel verdiend hadden. Huns gelijken zijn er nog heden ten dage zeer velen, die, omdat zij hier terstond niet aangenomen worden in den dienst, of omdat men ze afzet, en van al zulke eer berooft door hun boosheid, of omdat men ze niet voedt en ledig laat gaan, of omdat zij hoererij of dieverij bedreven hebbende, gedwongen worden te vlieden: daarna zoo wandelen ze door Frankrijk en andere landen, en beschuldigen ons met alle kwaad, en spreken lasterlijke woorden naar al hun vermogen: en op die wijze verontschuldigen zij zich. Daar zijn ook sommige broeders, die zoo onverstandig zijn, dat zij ons beschuldigen van wreedheid, als iemand van ons zulken afmaalt, die zoo van gedaante zijn. Maar het ware te wenschen, dat al degenen die zoodanig zijn, met een brandijzer aan het voorhoofd geteekend waren, waardoor men ze kon kennen, zoo haast als men ze zag.

16 De Heere geve barmhartigheid. Wij verstaan uit dit gebed, dat de vriendschap en dienst, die den heiligen gedaan is, niet tevergeefs is, ja al mochten zij dat niet terugloonen. Want dat hij God bidt, dat Hij het hem vergelden wil, heeft een kracht der beloften in zich. En daarbenevens zoo toont de heilige apostel, dat hij niet ondankbaar is, als Hij de vergelding des loons Gode overgeeft, aangezien hij zelf de macht niet heeft om zulks te voldoen. Wat zou het geweest zijn, had hij de macht gehad om te vergelden? Voorwaar hij zou metterdaad bewezen hebben, dat hij geen ondankbaar mensch was. Voorts, zoo moet hier onthouden zijn, hoewel hij hier

116

ocr page 121

117

niet prijst dan de weldaad en mildheid van Onesiforus, desniettemin om zijnentwil zoo wenscht hij zijn gansche huisgezin het goede.

Waaruit wij verstaan, dat de zegen Gods niet alleen komt op den rechtvaardige, maar ook op zijn geheele huisgezin. De liefde Gods is zoo groot tot de zijnen, dat zij zich verspreidt over al degenen,

die met Hem vereenigd zijn. Aangaande wat hij zegt, dat Onesiforus zich niet geschaamd heeft zijner ketenen, is niet alleen een teeken van vrijmoedigheid, maar ook van ijver, te weten, dat hij zich dik-maals willig om Paulus' wil in groot gevaar heeft laten vinden, en in achterklap der menschen.

18 De Heere geve hem, dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere. Sommigen leggen dit aldus uit: De Heere geve hem, dat hij bij den rechter Christus barmhartigheid vinde. En voorwaar dit is nog eenigszins verdragelijker, dan die plaats van Mozes: De Heere liet regenen door den Heere, op deze wijze uit te leggen; De Vader Gen. i»:24. liet regenen door den Zoon. Nochtans zoo kan het wel zijn, dat de heftige beweging den heiligen Paulus gedrongen heeft tot een overbodige herhaling, gelijk dat dikmaals gebeurt. Dit gebed leert ons,

hoeveel grooter vergelding hun bereid is, die zonder eenige verwachting van aardsch loon, hunne diensten den heiligen doen, dan of zij het thans uit menschenhanden ontvingen. Maar wat bidt hij? Dat hij barmhartigheid zou vinden. Want degene, die barmhartig geweest is jegens zijn evennaaste, dien zal wederom een dergelijke barmhartigheid van den Heere geschieden. Zoo ons deze belofte niet aanzet om weldaad te bewijzen, zijn wij dan ook niet ganschelijk grof en onverstandig? Hieruit volgt ook wel, dat God onze verdiensten naar hare waardigheid niet vergeldt, maar dit is het zeer goede en uitnemende loon, dat Hij ons geeft, als Hij ons vergeeft:

en dat Hij Zich niet bewijst zulk een straffen rechter, als een genadig en barmhartig Vader.

HET TWEEDE HOOFDSTUK.

1 Gij dan, mijn zoon! word machtig in de genade, die in Christus Jezus is;

2 En wat gij van mij gehoord hebt door vele getuigen, beveel dat geloovige menschen, welke geschikt zullen wezen, om ook anderen te leeren.

3 Gij dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Christus.

4 Niemand die strijdt vermengt zich in hanteeringen, die den leeftocht aangaan, om dien te behagen, die hem tot den krijg verkoren heeft.

5 Zoo ook iemand kampt, die wordt ook niet verkoren, tenzij 1 Oor. 9:25. hij wettelijk kampe.

6 De landman moet eerst arbeiden, eer hij de vruchten zal genieten, i Cor. 9:10.

7 Merk wat ik zeg; de Heere geve u verstand in alle dingen.

1 y—gt;ij dan, mijn zoon! Gelijk hij hem hierboven bevolen had, 1 -|-het pand des Heiligen Geestes wel te bewaren, zoo beveelt hij hem ook alsnu, dat hij zich sterken zal met genade.

Hierdoor wil hij alle traagheid en sloffigheid verjagen: want ons

ocr page 122

118 2 TIMOTHEUS 2:1. 2.

vleesch is zoo traag, dat zelfs die zoo uitnemend begaafd zijn, nog ter halverwege vermoeid worden, tenzij zij dikwijls opgewekt en aangeprikkeld worden. Iemand kon nu zeggen: Wat is het van noode den mensch te vermanen, dat hij machtig zou worden in genade, zoo niet de vrije wil daarin eenigszins mede wrocht? Ik antwoord, dat God ons hetzelfde geeft door zijn Geest, wat Hij van ons eischt door zijn Woord, opdat wij versterkt zouden worden in de genade, die Hij ons heeft gegeven. En nochtans zoo zijn de vermaningen daarom niet onnut of overtollig: want de Geest Gods, die ons van binnen is leerende, maakt dat deze in onze ooren niet tevergeefs klinken. Die alsdan bekennen .zal, dat deze tegenwoordige vermaningen niet vruchtbaar kunnen zijn, dan door de verborgen kracht des Heiligen Geestes, die zal daarmede nimmermeer den vrijen wil bevestigen. Hij voegt daarbij: Die in Christus Jezus is, en dat om tweeërlei oorzaak, te weten, opdat hij bewijzen zou dat ze van nergens elders komt, dan van Jezus Christus: en dat ze niet e'én van die Christenen zijn, zal ontbreken. Want nademaal daar e'én Christus is, ons allen gemeen, zoo volgt er uit, dat wij al te zamen deelgenooten zijn zijner genade: die om deze oorzaak gezegd wordt in Christus te zijn, omdat al degenen, die van Christus zijn, haar moeten hebben. Deze liefelijke naam van zoon, dien hij hem hier geeft, dient niet weinig om zijn hart te winnen, opdat het zijn leering te beter aanneme.

2 En wat gjj van mij gehoord hebt. Hij toont hier wederom, hoe groote zorg hij draagt, dat de gezonde leer verkondigd mag worden aan degenen, die na hem zullen komen, en vermaant Timo-theus niet alleen dat hij dezelfde gestalte of het voorbeeld van die volgen zou, gelijk hij hiervoren gedaan heeft: maar dat hij deze ook van hand tot hand beschikken zou door getrouwe leeraars: opdat ze hier en daar verspreid zijnde, inwortelen mocht in de harten veler menschen: want hij zag wel, dat ze lichtelijk had kunnen vervallen, tenware zij intijds verspreid werd door den dienst van sommige leeraars. En voorwaar wij zien hier wat satans werk geweest is terstond na den dood der apostelen: want alsof de predikatie der apostelen een deel eeuwen lang begraven ware geweest, zoo heeft hij ontallijke beuzelen voortgebracht, die door haar vree-selijke en verschrikkelijke vreemde ongeschiktheid, alle superstitiën van alle geslachten der wijde wereld te boven zijn gegaan. Aldus moet men zich dan niet verwonderen, al is het dat de heilige Pau-lus om zoo groot kwaad te verhoeden, zoo groote begeerte heeft dat zijn leer als een schat worde weggelegd, in de handen van getrouwe dienaren, die bekwaam zouden zijn om te leeren: alsof hij zeide: beschik dat er na mijn dood zeker getuigenis van mijne leer zij: hetwelk geschieden zal, zoo gij niet alleen hetgeen gij van mij gehoord hebt, in der waarheid leert: maar ook beschikt dat zulke verkondiging zich nog wijder door andere getrouwe dienaren uitstrekt. Daarom alle degenen, die gij daartoe bekwaam ziet, geef hun dezen schat in handen. Hij noemt ze geloovige menschen, niet door het geloof, hetwelk allen Christenen gemeen is: maar bij uitnemendheid noemt hij ze alzoo: Lieden die een byzonder geloof hebben. Wij mogen dit woord geloovig, ook nemen voor getrouwe en waardige lieden om te vertrouwen: omdat er zeer weinig zijn, die van ganscher harte zorgvuldig zijn, om de leer, die haar

ocr page 123

2 TIMOTHEUS 2 : 2—4. 119

bevolen is, in eeuwige gedachtenis te houden. Sommigen zijn opgeblazen met menigerlei eergierigheid; anderen met gierigheid; een derde met boosheid; een vierde vreest in gevaren. Zoo wordt hier dan eene uitnemende getrouwheid geëischt. Door vele getuigen. Hij wil hier niet zeggen, dat hij om Timotheus' wil vele getuigen daartoe geroepen heeft, gelijk het de manier van doen is in contracten, en andere gewichtige handelingen: maar omdat sommigen in twijfel konden stellen, of hetgeen Timotheus leerde, van Paulus gekomen was, of dat hij hetzelve versierd had. Aldus neemt hij allen twijfel weg door deze rede, die hij hier bijbrengt, te weten, dat hij niet in 't verborgen in eenige hoeken gepredikt had; maar dat er nog velen in het leven waren, die getuigen konden dat Timotheus niets voorstelde, of zij hadden dat ook tevoren uit den mond van Paulus gehoord. Aldus was dit zeer goed, om Timotheus' leer niet verdacht te houden, aangezien er velen waren, die dit konden betuigen, welke jongeren van Paulus geweest waren. Hieruit leeren wij hoezeer een dienaar van Christus arbeiden moet, om de reine leer wel te bewaren en te onderhouden, niet alleen zoo lang als hij leeft, maar zoo ver als zijn zorg en vlijt kan strekken.

3 Gij dan, lyd verdrukkingen. Het is niet zonder groote noodzakelijkheid en oorzaak, dat hij hier deze tweede vermaning heeft bijgevoegd: want die zich aanbieden in Christus'dienst, moeten zich bereiden tot alle verdrukkingen: daarom zal er ook nimmer volstandigheid zijn, zonder verdraging van verdriet. En hierdoor voegt hij daarbij: Als een goed krijgsknecht van Jezus Christus, te kennen gevende met dat woord, dat al degenen, die Christus dienen, moeten strijden, en dat hun wijze van strijden niet ligt om anderen lijden aan te doen, maar in lijdzaamheid. Het overdenken dezer dingen is ons allen meer dan noodig. Wij zien hedendaags hoe velen er zijn, die het geweer van zich werpen, en nochtans in den beginne vrome strijdbare mannen schenen te zijn. Vanwaar komt dit? Omdat zij zich niet wennen kunnen onder het kruis. In den beginne, zijn ze zoo vreesachtig, dat zij een verschrikking hebben voor den strijd; daarna weten zij geen ander middel om te strijden, dan met hunne vijanden te vechten uit hoogmoedigheid, en kunnen niet leeren wat het is, hunne zielen in lijdzaamheid te bezitten.

4 Niemand die strjjdt. Hij blijft bij de gelijkenis van den strijd, die hij boven heeft genomen, hoewel om eigenlijk te spreken, dat hij hierboven Timotheus genoemd heeft een krijgsknecht van Christus, is geweest door een figuurlijke rede. Nu gebruikt hij een vergelijking van de manier van den wereldlijken krijg met die van den geestelijken en Christelijken krijg, en dat in dezen zin. De voorwaarde des krijgshandels is, dat een krijgsknecht, zoodra als hij ingeschreven is bij eenig hoofdman of vorst, niet denkt dan om dingen die den oorlog aangaan, verlatende zijn huis en al zijn andere zaken; insgelijks ook wij, willen wij ons gan-schelijk onder Christus begeven, zoo moeten wij losgemaakt zijn van al de strikken en beletselen dezer wereld. In hanteeringen, die den leeftocht aangaan. Hij meent hiermede de zorg van huis en huisgezin, en de andere dagelijksche beletselen. Alsof hij zeggen wilde: de akkerlieden zullen hun akkerwerk nalaten, de kooplieden hun kramen en winkels, zoolang dat zij den tijd volbracht hebben, welken zij met oorlogen moeten uitdienen. Nu

ocr page 124

2 TIMOTHEUS 2 : 4-6.

moeten wij de gelijkenis trekken op de tegenwoordige zaak, dat al degenen, die onder Christus willen strijden, zich van alle beletselen en strikken deze wereld moeten ontslaan, en zich gan-schelijk begeven onder den dienst van Jezus Christus. Eindelijk, wij zullen gedachtig zijn het oude spreekwoord, hetwelk de Latijnen hebben gebruikt, als zij hun offeranden deden, te weten: Hoe age, dat is: Doe dat, namelijk, wat gij in handen hebt: hetwelk beduidt, dat als er quaestie is van godsdienst, zoo moeten wij ons daartoe zoo vlijtig begeven, dat onze zinnen noch genegenheden nergens elders heengaan. De oude Latijnsche overzetting luidt aldus: Niemand strijdende onder God, enz. maar dit bederft den ganschen zin van Paulus. Wijder zoo spreekt de apostel hier tot alle dienaars en herders der kerken, onder den persoon van Timotheus. Het is wel waar, dat het een algemeene waarheid is, maar nochtans gaat zij voornamelijk den dienaars des Woords aan. Dezen zullen dan vóór alles toezien, wat beletselen niet overeenkomen met hun ambt, opdat zij daarvan ontslagen zijnde, Jezus Christus navolgen. Daarna zullen de anderen elk in hun beroeping denken, wat daar is wat hen van Christus aftrekt, opdat die Vorst en hemel-sche Kapitein geen minder aanzien bij ons hebbe, dan men eenig sterfelijk mensch toeschrijft, die bevel heeft over aardsche krijgslieden, en hem eed hebben gedaan.

5 Zoó iemand kampt. Hij handelt hier alsnu van de volstandigheid, opdat men niet meene altemaal gedaan te hebben, als men eens of tweemaal gekampt heeft. En neemt hier een gelijkenis van kampers, die daar worstelen, van welke niemand den prijs wegdraagt, tenzij hij een overwinnaar tot het einde toe blijft. Desgelijks leert hij ook in den Eersten brief aan de Corinthiërs, hfdst. 9 : 24, Als men loopt in de loopbaan, zoo loopen zij allen, maar ée'n ontvangt den prijs: loopt nu alzoo, dat gij hem krijgt. Is er dan iemand die moede wordt in den eersten kamp, en terstond uit het veld treedt om te rusten, zoo wordt hij eerder geoordeeld van traagheid, dan dat hij gekroond wordt. Aldus ook met ons. Nade-maal Christus hebben wil, dat wij al de dagen onzes levens strijden zullen, wie is er dan nu, die den moed behoort verloren te geven halverwege zijnde; hij berooft zichzelven van alle eer, of hij ook al vromelijk was begonnen. Wettelijk stryden, dat is, den kamp zoo gedurig te houden, en alzoo lang als het van de gezette wet verordend is: opdat niemand ophoude en daar uitschelde, eer de verordende tijd geëindigd is.

6 De landman moet arbeiden. Ik weet wel, dat anderen dit anders hebben overgezet: De landman moet arbeidende (of die daar arbeidt) eerst zijn vruchten genieten. En ik belijd, dat zij van woord tot woord gevolgd hebben, zooals de heilige Paulus het in de Griek-sche taal gesteld heeft: maar die het vervolg van den tekst zeer scherp zal inzien, zal daarin met mij overeenkomen. En ook deze manier van spreken is onder de Grieken zeer gemeen, dat zij het deelwoord voor de onbepaalde wijs stellen, te weten, arbeidende voor arbeiden. Aldus is dan hier de zin: Dat de arbeiders de vruchten niet genieten, tenzij zij eerst gearbeid hebben met ploegen, zaaien, maaien, enz. Zoo de akkerlieden nu geen arbeid sparen, hopende daarvan te eeniger tijd vruchten te genieten, en in lijdzaamheid den tijd des oogstes verwachten: hoeveel te meer zal

120

ocr page 125

2 TIMOTHEUS 2:6—8.

het kwalijk voegen, zoo wij den arbeid weigeren, dien ons Jezus Christus heeft opgelegd, ons voorstellende zoozeer uitnemend loon ?

7 Merk wat ik zeg. Dit heeft hij hier niet bijgevoegd, om het duistere, dat in de vorige gelijkenissen is: maar opdat Timotheus bij zichzelven wel overdenken zou, hoeveel uitnemender het strijden onder Christus is, en hoeveel beter het loon is: want al is het zaak, dat wij het gedurig overdacht hebben, wij gevoelen dat nauwelijks. Het gebed, dat daarna volgt, is er bijgevoegd bijwijze van verbetering. Want omdat onze zinnen niet klimmen kunnen tot deze onverderfelijke kroon des eeuwigen levens, zoo heeft de heilige Paulus zijn toevlucht tot God, biddende dat Hij aan Timotheus verstand wil geven. Hieruit nemen wij, dat wij niettemin tevergeefs geleerd worden, zoo ons de Heere het verstand niet opent: zoo ook, dat tevergeefs de geboden gegeven zijn, geeft Hij ons de sterkte niet om dat al te volbrengen. Want wie is er, die beter zou kunnen prediken als Paulus? En nochtans, opdat hij zonder vrucht niet predike, zoo bidt hij Gode, dat Hij zijnen discipel terecht sture en leide.

8 Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de dooden is opgestaan, uit het zaad Davids naar mijn Evangelie. p-8^7!

9 Om hetwelk ik lijd tot de banden toe, als een kwaaddoener: jês. na maar het woord Gods is niet gebonden. 1;1

10 Daarom verdraag ik het alles om de uitverkorenen, opdat zij 13:23. de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is met eeuwige heerlijkheid. Col. i: 24

11 Het is een getrouw woord: Zoo wij met Hem gestorven zijn, Rum- 6:8 zoo zullen wij ook met Hem leven:

12 Zoo wij verdragen, zoo zullen wij ook met Hem heerschen; Bom. 8:i zoo wij Hem verloochenen, zoo zal Hij ons ook verloochenen; Matt. 10:

13 Zijn wij ongeloovig, Hij blijft nochtans getrouw, Hij kan Zich- ;

zeiven niet verloochenen. i Jou. 2:

Bom. 3 0 : 6.

8 Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus. Hij drukt hierNum-23: bijname uit een deel van deze leer, welke hij hebben wilde dat gezond en ongeschonden overgeleverd zou worden dengenen, die na hem zouden komen. Nu is het waarachtig, dat hij hier een deel dwalingen aanroert, waar hij de meeste vrees voor had: hetwelk men ook bekennen zal door wat er volgt, als hij van de dwaling van Hymene'us en File'tus zal spreken: want zij verloochenden de opstanding, waarvan wij een zeker pand hebben in deze belijdenis,

als zij zeiden, dat zij alreeds geschied was. Wijder zoo leeren de oude historiën wel, hoe noodig deze vermaning van Paulus geweest is. Want de satan heeft alle middelen gebruikt die hij kon, om het geloof der opstanding te verderven; want nademaal zij twee deelen heeft, te weten, dat Jezus Christus geboren is uit het zaad Davids,

en dat Hij opgestaan is uit den dood, zoo is Marcion terstond opgestaan na de tijden der apostelen, die zijn best gedaan heeft om teniet te doen de waarheid van de menschelijke natuur, die in Jezus Christus is. De Manicheën zijn daarna gekomen, en nog hedendaags verspreidt zich deze pest naar alle kanten. Aangaande de opstanding hoevelen zijn er toch wel, die hun best gedaan hebben met verscheidene middelen, om die hope te vernietigen? Deze betuiging

121

ocr page 126

2 TIMOTHEUS 2 : 8, 9.

van Paulus is dan zooveel alsof hij gezegd had: Opdat niemand mijn leer vervalsche noch verderve door laster, zoo heb ik aldus gepredikt, dat Christus, die mensch geworden is uit het zaad Davids, eveneens opgestaan is uit de dooden. Hij noemt, zyn Evangelie, niet omdat hij zeggen wil, dat hij daarvan een auteur was, maar omdat hij een dienaar daarvan is. Wij hebben altezamen een zeker pand van onze opstanding in de opstanding van Christus. Daarom, die daar belijdt dat Christus van den dood is opgestaan, dezelfde bevestigt dat ons desgelijks zal geschieden: omdat Christus niet verrezen is om Zijnentwil of voor Zichzelven, maar voor ons: want het Hoofd behoort niet gescheiden te zijn van zijn leden. En wat meer is: in de opstanding van Jezus Christus is begrepen de vervulling van onze verlossing en zaligheid: want de dood wordt daar mede bijgevoegd. Christus dan die dood is, is opgestaan. Waarom toch, en tot wat einder Dit moet dan wezen om onzentwil. En hierin vertoont zich ook de kracht en de vrucht van beide, te weten, zoowel van de opstanding als van den dood. Dit beginsel moet altijd onthouden worden, dat de Heilige Schrift niet gewoon is van deze dingen koud te spreken, en alsof ze maar eenvoudig de historie wilde verhalen: maar stilzwijgend meent zij daarmede de vruchten. Uit het zaad Davids. Door dit woord wordt niet alleen bevestigd de waarheid van de menschelijke natuur in Jezus Christus, maar Hem wordt ook gegeven de eer en de naam van Messias. De ketters loochenen, dat Christus waarlijk mensch is geweest. Anderen droomen, dat zijn menschheid van den hemel is nedergedaald. Anderen, dat alleen in Hem was een schijn van mensch, en dat Hij geen ware menschelijke natuur heeft. De heilige apostel roept integendeel, dat Hij is geweest uit het zaad Davids, met welk woord hij voor vast wil bevestigen, dat Hij is geweest een waar mensch, geboren uit een vrouw, de maagd Maria. Hoeveel te meer de ketters zich bevlijtigen deze plaats, die zoozeer klaar is, bedrie-gelijk neder te werpen, zooveel te meer ontdekken ze hun onverstand. De Joden en andere wederpartijders van Jezus Christus loochenen, dat Hij het is, die overlang beloofd is geweest: maar de heilige Paulus bevestigt, dat Hij de Zone Davids is, en dat Hij van dat huis gekomen is, waaruit de Messias moest spruiten.

9 Om hetwelk ik lijd. Dit is een voorkoming: want de banden verkleinden de autoriteit zijns Evangelies bij de onwetenden. Hij belijdt dan dat hij naar den uiterlijken schijn gevangen ligt als een kwaaddoener: maar hij voegt daarbij, dat zijn banden niet beletten, dat het Evangelie zijn vrijen loop behoudt. En wat meer is, hij bewijst dat zijn lijden tot zaligheid strekt voor de uitverkorenen, omdat al zulks voor hen tot meerdere bevestiging strekt. Dit is de onverwinnelijke sterkte der martelaren van Jezus Christus, als de verzekering van de goede zaak, die zij drijven, hen boven de wereld verheft, alzoo dat zij niet alleen klein achten alle pijn en lijden des lichaams, maar dat ze ook naar geenerhande schande vragen die men hun aandoet, als dit alles onder hun voeten werpende, door hun goede hope die zij hebben. En wat meer is, alle geloovigen behooren deze aanmerking te trekken tot hun gebruik, om zich meer te bevestigen, als zij zien, dat de dienaars des Evangelies geweldig behandeld worden van de vijanden der waarheid, opdat ze daardoor niet minder eerbied aan het Evangelie bijdragen: maar dat

122

ocr page 127

2 T1MOTHEUS 2:9—11.

ze Gode de heerlijkheid geven, door wiens kracht zij zien dat de waarheid altijd boven drijft, in spijt van alle beletselen der wereld. En voorwaar, ware het niet, dat wij het vleesch niet zoozeer toegedaan waren, deze eenige vertroosting behoorde ons genoeg in allen druk en lijden te voldoen: te weten, worden wij van de wreedheid der boozen verdrukt, zoo laat nochtans daarom het Evangelie niet na zijn loop te nemen, en zich altijd wijder te verspreiden. Want hoe zij het aanleggen, zoo kunnen zij het licht des Evangelies zoozeer niet verduisteren, of het schijnt altijd nog veel klaarder. Laat ons dan willig lijden, of tenminste lijdzaam, dat zoowel ons lichaam als onze naam gehouden worde in de gevangenis, mits de waarheid Gods altijd meer doorbreke, en zich meer en meer naar alle zijden verspreide.

10 Daarom verdraag ik het alles. Hij toont metterdaad, dat in zijn banden geen opspraak noch oneer is, als zij recht worden ingezien, aangezien zij de uitverkorenen zeer nut zijn. Aangaande hetgeen hij zegt, dat hij verdraagt voor de uitverkorenen, dat toont, hoeveel meer hij de opbouwing der kerke acht, dan zichzelven; want hij is bereid niet alleen te sterven, maar ook om onder het getal der kwaaddoeners gerekend te zijn, opdat hij de zaligheid der kerke van Christus mag bevorderen. Wijder zoo leert de heilige Paulus hier hetzelfde wat hij in het eerste hfdst. aan de Colos-sensen, vs. 24 leert, waar hij zegt, dat hij het overblijfsel der verdrukking van Christus in zijn vleesch vervult voor zijn lichaam, hetwelk is de gemeente: waardoor het onverstand der papisten genoegzaam wordt nedergelegd, die hieruit willen nemen, dat de dood van Paulus gediend heeft tot voldoening onzer zonden. Alsof de heilige Paulus eenig ander ding aan zijnen dood toeschreef, dan dat hij dienen zou om het geloof der geloovigen te bevestigen: want hij voegt terstond de uitlegging daarbij, als hij nergens elders de zaligheid der geloovigen in stelt dan in Jezus Christus. Wie hiervan meer bescheid begeert, leze het aangehaalde hfdst. Met eeuwige heerlijkheid. Dit is het einde der zaligheid, hetwelk wij in Christus verwerven; want onze zaligheid is, Gode te leven: welke zaligheid begint met onze wedergeboorte, en is vervuld, als wij ganschelijk ontbonden worden, en God ons in zijn rijk vergadert, ons verlossende van de ellenden van dit sterfelijke leven. Bij deze zaligheid komt nog de genieting der hemelsche, ja ook der goddelijke glorie. Om de genade van Christus grooter te maken, zoo heeft hij hierbij gezet, de eeuwige heerlijkheid met de zaligheid.

11 Het is een getrouw woord. Hij stelt hier een betuiging voor de waarheid, die hij daarna verhaalt: omdat den vleeschelijken zinnen niets meer tegen is, dan te zeggen, dat wij moeten sterven, opdat wij mogen leven, en dat de dood de ingang van het leven is. Want men kan uit andere plaatsen nemen, dat de heilige Paulus voor een gewoonte heeft, zulke voorrede te gebruiken in gewichtige zaken, of iets dat moeilijk om te gelooven is. Eindelijk, hij wil zeggen, dat wij niets deelachtig zullen worden van het leven en de heerlijkheid van Jezus Christus, tenzij wij eerst verootmoedigd zijn geweest, en dood zijn met Hem. Gelijk hij zegt in het Achtste hfdst. aan de Romeinen, vs. 29, dat alle verkorenen verordend zijn, om den beelde zijns Zoons gelijkvormig te worden. Dit is zoowel gezegd om de geloovigen te vermanen als te troosten. Want

123

ocr page 128

2 TIMOTHEUS 2:11—13.

wie is er, die niet bewogen zou worden van deze vermaning, dat het ons niet moeielijk noch verdrietig zal zijn verdrukking te lijden, die zulk een gelukzalig einde hebben r Die gedachte verzoet alles wat bitter in het kruis mag wezen: want noch lijden, noch pijn, noch schande, noch de dood zelve behooren ons te verschrikken, als wij denken in alle dezen gemeenschap met Christus te hebben: en voornamelijk omdat het beginselen en voorbereidselen zijn der eeuwige triumf. De heilige Paulus maakt dan alle geloovigen met zijn voorbeeld stouter, opdat zij met vroolijke harten alle verdrukkingen om den naam van Christus zouden aannemen, waarin zij alreeds een smaak vinden des eeuwigen levens. Is dit nu onze zinnen tegen, en hebben wij een verschrikking voor het kruis, en zijn ons de oogen zoo schemerende, dat wij Christus daarin niet zien: zoo laat ons denken dit schild voor te stellen: Het is een getrouw woord. En in der waarheid, waar Jezus Christus tegenwoordig is, daar moeten wij ook bekennen ons leven en zaligheid te zijn. Daarom moeten wij ons vast aan deze gemeenschap houden en in 't hart drukken; dat wij niet alleen sterven, maar met Christus, om hiernamaals met Hem gemeenschap in het leven te hebben: dat wij met Hem lijden, opdat wij deelachtig zouden worden dezelfde glorie met Hem. Wijder, door het sterven verstaat hij alle uiterlijke afsterving, waarvan hij spreekt in den 2den brief aan de Corinthiërs, hfdst. 4: 10.

12 Zoo wij Hem verloochenen. Hij voegt hier ook een bedreiging bij, om alle traagheid en sloffigheid van ons te verjagen. Want hij geeft te kennen, dat degenen die uit vreeze van vervolging de belijdenis van Jezus Christus verwerpen, geen part noch deel aan Hem hebben. Want wat reden is er toch, dat wij meer achten zullen dit vergankelijke leven, dan den allerheiligsten naam des Zoons Gods ? en waarom zou Hij onder zijn getal stellen degenen die Hem ontrouw zijn, en Hem verloochenen? Dat men zich wil verontschuldigen met zwakheid baat hier niet: want ware het zaak dat de menschen zichzelven niet bedrogen uit eigen wil met ijdele pluimstrijkende gedachten, zij zouden volstandig wederstaan, voorzien zijnde met den geest der sterkte. Dat zij Christus schandelijk verloochenen, dat komt niet alleen door zwakheid, maar door ongeloof, omdat zij verblind zijnde, door de aanlokkingen van deze wereld, zoo kunnen zij niets zien van het leven, dat in het rijk van Jezus Christus is. Maar deze leer heeft wel van noode meer overdacht te zijn, dan verklaard. Want de woorden van Christus zijn heel klaar: Die Mij verloochend heeft, dien zal Ik ook verloochenen. Daar ontbreekt niet meer aan, dan dat een iegelijk bij zichzelven overdenke, dat dit geen bangmakerij is, maar dat de rechter zulks met ernst verkondigt, hetwelk men eens waarlijk bekennen zal, als de verordende tijd Hem openbaart. Wat daar terstond volgt: Dat God getrouw blijft, hoewel wij ongeloovig zijn: geeft te kennen dat onze ongetrouwheid in 't geheel niets afdoet aan den Zoon Gods, noch aan zijn heerlijkheid, omdat Hij genoeg van Zichzelven heeft, zoo heeft Hij onze belijdenis niet van noode. Alsof hij gezegd had: Laat ze Jezus Christus verlaten, die Hem willen verlaten, zoo benemen ze Hem daarmede niets, al gaan ze verloren. Hij blijft geheel. Hoewel hij dit nog breeder uitdrukt, te weten, dat Christus ons daarin niet gelijk is, dat Hij de waarheid zou verloochenen.

124

ocr page 129

2 TIMOTHEUS 2; 13, 14.

Waaruit blijkt, dat al degenen die Christus verloochenen, van zijne gemeenschap vervreemden. Door dit middel drukt de apostel de lt;

zachte pluimstrijkerijen en verontschuldigingen uit, waar de afvalligen v.

zichzelven mede streelen, en omdat zij schalk en dubbel zijn, zich j t

vermommende op verscheidene manieren, zoo zouden zij ook gaarne 'quot;',

een veranderlijken Christus van onderscheiden gestalte versieren, • ';i

hetwelk de heilige Paulus zegt, dat niet geschieden kan. Intusschen is te onthouden wat ik hierboven aangeroerd heb, dat daarom ons geloof gegrond is in de eeuwige onveranderlijke waarheid Gods,

opdat het niet door de onstandvastigheid of afval der menschen U

wankelbaar worde.

125

iV1'

14 Vermaan zulks, betuigende voor den Heere, dat zij geen woordenstrijden voeren, die nergens toe nut zijn dan tot verkeering der toehoorders.

15 Doe naarstigheid om uzelven Gode aangenaam voor te stellen een arbeider die niet beschaamd wordt, het woord der waarheid recht uitdeelende.

16 Maar vlied de onheilige en ijdele spraken: want zij zullen tot i Tim. i:4;

meerder goddeloosheid gedijen. Tit. 1:14;

17 En hun woord zal verteren gelijk de kanker: Onder welke 3:9-zijn Hytneneus en Filétus. l Tim. l: 20.

11 Die van de waarheid afgedwaald zijn, zeggende dat de op- ^:

standing nu geschied is, en hebben sommiger geloof verkeerd.

14 Vermaan zulks. Dit aanwijzende zulks of deze dingen, is zeer gewichtig: want hij geeft te kennen, dat de hoofdsom des Evangelies, die hij hier gesteld heeft, en de vermaningen, die hij daarbij heeft gevoegd, van zoo groote waarde zijn, dat een goed en

getrouw kerkendienaar nimmer moede behoort te worden in het v ,

voorstellen daarvan, omdat het zaken zijn een gedurige handeling waardig, en welke men niet genoeg overdenken en ook herhalen kan. Dit is hetgeen, zegt hij, dat ik niet alleen begeer dat gij eens zult prediken, maar waartoe gij vlijt en arbeid zult doen, opdat ze

dikwijls mogen verhaald worden, en in der menschen harten ge- ■'

drukt. Want een getrouw leeraar behoort op geen ander ding te

zien, dan op wat stichtelijk is, en daar ganschelijk om arbeiden. En '.v'

integendeel, zoo beveelt hij hem niet alleen, dat hij zich onthouden '''

zal van ijdele en onnutte kwesties, maar anderen ook alzulks te 'v

verbieden, dat zij zich daarvoor zouden wachten. Het Grieksche

woord, hetwelk hij hier gebruikt, en wij overgezet hebben; Geen V

woordenstrijd te voeren, beduidt, dat wij ons niet zullen geven tot verwarde hatelijke disputatiën, die gemeenlijk komen uit een dwaze genegenheid, omdat men veel te scherpzinnig wil zijn. De betuiging voor den Heere, is om dengenen een vrees aan te jagen,

die anders zouden willen doen. En wij mogen uit deze strengheid nemen, wat schadelijker ding voor de kerk is, twistige wetenschap,

dat is te zeggen, die Godes vreeze verlaat, en strekt om een naam te verkrijgen, gelijk al de zoogenaamde hoogschijnende theologie des pausdoms is. Die nergens toe nut zijn. Hij veroordeelt den woordenstrijd om tweeërlei reden, te weten, dat het een onvruchtbaar ding is, en zeer schadelijk om de zwakken te verstoren. Wijder, hoewel ik Erasmus in deze overzetting gevolgd heb, omdat ze

amp;

t v

■¥

i'

/

•l

ocr page 130

2 TIMOTHEUS 2 : 14, 15.

wel overeenkwam met de meening van Paulus, nochtans wil ik de lezers vermaand hebben, dat Paulus' woorden aldus moeten verklaard worden: Hetwelk tot geenerhande ding nut is. En voorwaar, de reden vloeit veel beter akoo, dan of hij gezegd had: Wat is het van noode, aangezien daar geen nuttigheid van komt, maar veel kwaads, zoodat er het geloof van velen door verkeerd wordt. Laat ons vóór alles onthouden, als de leer en manier van prediken niet nut is, dat ze om deze zaak alleen, met recht verwerpelijk is: want God wil onze neuswijsheid niet dienen, maar ons vruchtbaar onderwijzen. Laat ons dan van ons werpen alle neuswijze en te zeer diepzinnige kwesties, die niet stichten. Maar dit tweede is veel boozer, als men kwesties voortbrengt tot verkeering der toehoorders, die zonder dit voorzegde aireede onvruchtbaar zijn. Och, of zij dit ter harte namen, die altijd met de tong gewapend zijn, om met woorden te strijden, en bijzonder die op elke rede, die daar kan worden voorgesteld, altijd oorzaak zoeken om te bestrijden, zoodat ze ook letten tot op één woord, ja tot op één lettergreep zijn hun strikken bereid, om den mensch te vangen. Maar de eergierigheid trekt ze al naar wat anders, en dit is ook in sommigen dikwijls een toegezonden ziekte van God, hetwelk ik in vele menschen bevonden heb. Aangaande hetgeen de heilige Paulus zegt: Tot verkeering, de ervaring bewijst dagelijks dat dit waarachtig is. Want het is een natuurlijk ding, dat men strijdende de waarheid verliest, en satan behelpt zich met twist, om de zwakken te verstoren, en hun geloof te verkeeren.

15 Doe naarstigheid. Omdat alle twist in de leer hieruit zijn oorsprong heeft, dat de vernuftige menschen voor de wereld be-geeren geacht te worden, stelt de heilige Paulus tegen dit gebrek een zeer goed en eigenlijk hulpmiddel, als hij Timotheus verordent, dat hij altijd en gedurig zijn oogen op God zal hebben, alsof hij zeide: De anderen zoeken plasdankje te behalen van de vergadering, maar wilt gij zoeken en naarstigheid doen, dat gij van God moogt bevestigd zijn, en uw ambt desgelijks. En voorwaar, daar is niets dat de ijdele begeerte om boven anderen uit te luchten, meer bedwingt, dan als wij denken, dat wij met God te doen hebben. Aangaande het woord dat daar volgt, hetwelk Erasmus heeft overgezet: Waar men geen schaamte voor behoeft te hebben : hoewel ik deze overzetting niet verwerp, zoo heb ik 'tnochtans liever uitgelegd actief: Die niet beschaamd wordt: omdat dit meer gebruikt wordt bij de Grieken, en mij dunkt dat het beter op deze tegenwoordige plaats sluit: want daar is een tegenstelling onder. Degenen die door twist de kerk verstoren, zijn zoozeer verhit, omdat zij zich schamen ver wonnen te worden, en zouden zich laten dunken onteerd te zijn, ware het dat er iets was dat zij niet wisten; de heilige Paulus roept ons ter contrarie tot Gods oordeel. En vooral beveelt hij ons, dat wij geen ledige disputeerders zullen zijn, maar arbeiders: met welk woord hij zijdelings bestraft de dwaasheid dergenen die zich zoozeer met arbeid kwellen naar een nietig en onnuttig ding. Laat ons dan arbeiders zijn tot opbouwing der Kerk, en ons alzoo in Gods werk bevlijtigen, dat er eenige vruchten door komen, zoo zal er geen zaak wezen, waar wij ons voor behoeven te schamen. In één woord, hij beveelt Timotheus naarstig te arbeiden, opdat hij niet beschaamd worde voor God, in de plaats waar de eergierigen anders niet

126

ocr page 131

2 TIMOTHEUS 2 : 15—17.

vreezen, dan deze schaamte alleen, dat zij zouden mogen verliezen van hunne hoogachting, als dat zij niet fijn en diepzinnig zijn in wetenschap. Recht uitdeelende. Het Grieksche woord beduidt eigenlijk: Recht afsnijdende, en is een goede gelijkenis, welke eigenlijk uitdrukt het voornaamste einde om te prediken; want omdat wij ons behooren tevreden te stellen met het eene Woord Gods, waartoe dienen de dagelijksche predikatiën? ja ook de ambten der herders?

Is de Schrift niet in 't midden gesteld? Maar Paulus kent het voorsnijdersambt den leeraren toe: gelijkerwijs een vader zijnen kinderen brood voorsnijdt, en uitdeelt aan kleine stukskens. Nu beveelt hij aan Timotheus, dat hij 't recht voorsnijden zal, opdat hij niet te zeer onledig zijnde met de korst af te snijden (gelijk sommige ongeschikten gemeenlijk doen) de binnenste kruimen onaangeroerd late. Nochtans zoo versta ik bij dit woord, de wijze uitdeeling van Gods Woord in 't gemeen, die juist geëvenredigd is naar des hoorders nut. Want sommigen snijden ze kort en stomp af, sommigen scheuren ze in stukken, sommigen verdraaien ze tot een anderen zin, anderen vermorsen ze, anderen blijven op de korst staande,

gelijk ik gezegd heb, en komen niet tot het binnenste der zielen.

Hij stelt de rechte uitdeeling tegen al hunne gebreken, dat is te zeggen, de manier der eigenlijke uitlegging tot stichting. Want het is als een regel, waarnaar men richten moet alle uitlegging der Schrift.

16 Vlied de ijdele spraken. Ik heb in het laatste hfdst. van dezen voorgaanden brief gezegd, wat mij van deze woorden dunkt:

daar zullen de lezers zien. Opdat hij nu Timotheus te beter af-keeren zou van het onheilige geklap, zoo waarschuwt hij hem, dat het is als een verwarring of bodemlooze diepte, waar men niet uit komen kan, maar waarin zich de menschen meer en meer verdrinken.

17 En hun woord. Ik ben onderricht door den heer Textor, zie opdracht medicijnmeester, dat Erasmus deze plaats kwalijk heeft overgezet. Tweeden die van twee ziekten, die zeer onderscheiden zijn, ée'n gemaakt brief aan ae heeft: want hij heeft kanker gesteld in de plaats van Gangrena, c?nsen!om hetwelk is het verstorven kankervleesch. En Galenus onderscheidt

ze op vele plaatsen, en voornamelijk waar hij de definities geeft,

in het boek genaamd: De Tumoribus praeter naturam. En Paulus Aegineta besluit in zijn zesde Boek, op gezag van Galenus, van den kanker aldus, te weten, dat het een oneffen zwelling is, het bovenste gezwollen, leelijk om aan te zien, van kleur als lood, en is zonder pijn. Daarna stelt hij ze tweeërlei,

gelijk ook de andere medicijnmeesters doen, te weten dat er sommige kankers zijn, verborgen zonder zwering, en andere, die zwerende zijn, naarmate de melancholie waaruit ze spruiten, te overvloediger is. Aangaande de Gangrena, daarvan schrijft Galenus, zoowel in het tweede Boek aan Glaucus als in het bovenaangehaalde. Ook Aetius in zijn veertiende Boek, en dezelfde Aegineta in zijn'vierde Boek aldus daarvan sprekende, dat zij van groote verhittingen komt,

die men noemt hittige gezwellen, als zij met geweld eenig lid des lichaams bezetten, alzoo dat zulk een deel beroofd zijnde van hitte en een levenden geest, tot versterving komt. Is zij nu gansch dood, zoo noemt men ze in 't Latijn, sideratio, en gemeenlijk heet men ze Sint Antonius' vuur. Ik vind ook, dat Cornelius Celsus deze twee

127

ocr page 132

2 TIMOTHEUS 2:17, 18.

128

woorden aldus onderscheidt, dat de kanker het geheel is en Gan-grena een deel: maar zijn dwaling is openlijk nedergelegd in vele plaatsen, door geneesheeren van naam en autoriteit. Dan de gelijkheid der woorden van Kanker en Gangrena, hebben hem kunnen bedriegen, maar in het Grieksch kan zulk bedrog der woorden niet y.txpy.'iyoi/. zi]n: want zij noemen Karkinon, kanker, zoowel een dier als de ziekte, terwijl de taalkundigen meenen, dat G an gr e na komt van flcTo tol; Apo toe grinein, hetwelk zooveel is als eten. Zoo moeten wij ypx'ivsiv. hier dan behouden het woord Gangrena, hetwelk de heilige Pau-lus gebruikt, welke ook met de invretende ziekten allerbest overeenkomt. Hier hebben wij nu de uitlegging der woorden aangegeven. En alle geneesheeren zeggen, dat deze ziekte zoo van aard is, dat indien men niet bijtijds daarin voorziet, zij zich steeds uitbreidt in het lichaam, ja tot in het gebeente voort-eet en niet ophoudt immer te verteren, totdat ze den mensch geheel gedood heeft. Als het dan aldus is, dat deze ziekte terstond zoo groot verderf voortbrengt, en door haar voortwoekeren al de andere deelen aansteekt, zoolang totdat het gansche lichaam ineenvalt: zoo heeft de heilige Paulus zeer juist de valsche leeringen vergeleken, bij deze voortwoekerende zeer schadelijke ziekte: want geeft men die eenmaal ingang, zoo breiden zij zich uit tot verstoring der gansche gemeente. Ómdat dit dan zulk een schadelijke voort-etende ziekte is, zoo moet men ze bijtijds voorkomen, en niet wachten, totdat ze geweldig wordt in het voortgaan: want dan is het geen tijd meer om daarin te voorzien. Hierdoor is gekomen die verschrikkelijke uitblussching des Evangelies in het pausdom, omdat de verdervingen langen tijd zonder eenig verhinderen haren ingang hebben gehad, door de onwetendheid en traagheid der herders, waardoor gevolgd is dat de zuiverheid der leer allengskens is teniet gegaan. Onder welke zyn Hymenéus. Hij wijst de pestilentiën zelve met den vinger aan, opdat zij zich daar al te zamen voor zouden wachten: want dulden wij dat zulk volk niet wordt ontdekt, dat naar de gansche vernieling der kerke van Christus staat, zoo geven wij hun eenige macht om schadelijk te zijn. Het is wel waar, dat wij de gebreken onzer broederen behooren te bedekken, maar dat is te verstaan van gebreken, waar de ziekte niet van voortwoekert. Maar waaraan het gevaar van velen hangt, daar is onze veinzing kwaad, tenzij wij op tijd en stonde het kwaad ontdekken. Want hoe? Zal het rede zijn om een mensch te sparen, en dat er honderd of duizend door mijn zwijgen zullen verloren gaan ? En voorwaar, de heilige Paulus heeft niet gewild, dat dit alleen Timotheus zou gezegd zijn: maar hij wilde hebben, dat de goddeloosheid van deze twee allen geslachten en allen eeuwen zou bekend zijn, opdat hij hun verkeerde schadelijke leer den voortgang belette. Nadat hij gezegd heeft dat zij van de waarheid afgedwaald zijn, zoo toont hij het soort van hunne dwalingen, te weten, dat zij overal zaaiden: Dat de opstanding alreeds geschied was. Zichzelven verzinnende zonder eenigen twijfel een allegorische opstanding: wat ook in onzen tijd sommige snoode honden zijn begonnen te doen. En met deze listigheid zoo verkeert de satan het voornaamste artikel onzes geloofs, van de opstanding des vleesches. Omdat deze razernij nu oud is, en dat de heilige Paulus ze zoo streng veroordeeld heeft, zoo behooren wij te minder daarom verstoord te zijn. Maar als wij hooren zeggen.

ocr page 133

2 TIMOTHEUS 2 : 18, 19.

dat alreeds van den beginne des Evangelies sommiger geloof is verkeerd geweest, behoort zulk een exempel ons op te wekken naarstig en vlijtig te zijn, opdat wij intijds van ons en anderen zulk een zorgelijke pestilentie verjagen: want omdat de mensch genegen is tot alle ijdelheid, zoo kan er zulk een monsterachtige ongerijmdheid niet opkomen, of daar zijn sommige menschen, die al-zulks gehoor geven.

19 Maar het vaste fundament Gods staat, en heeft dezen zegel; Jcli. 10:14. De Heere kent degenen, die Zijne zijn, en een iegelijk, die den

naam van Christus aanroept, wijke af van ongerechtigheid.

20 Maar in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren Kom. 9:21. vaten, maar ook houten en aarden: en sommige ter eere, maar sommige ter oneere.

21 Indien dan iemand zichzelven reinigt van deze, die zal wezen een vat ter eere, geheiligd, bekwaam tot gebruik des Heeren,

tot alle goede werken bereid gemaakt.

129

19 Maar het vaste fundament. Wij ondervinden meer dan genoeg, hoe groote ergernis de afval van hen voortbrengt, die wel eertijds met ons een gelijke belijdenis des geloofs hebben afgelegd. En voornamelijk geschiedt dit in bekende lieden, die grooter naam gehad hebben dan de anderen: want zoo het iemand is, wiens naam niet groot is, daardoor worden wij zoozeer niet bewogen. Maar degenen, die uitnemend zijn geweest, naar de gemeene meening der menschen, zoodat het in het eerst scheen, dat zij de pilaren der kerk waren, die kunnen niet vallen, of zij trekken anderen in denzelfden val met zich, tenzij hun geloof van anderen wordt ondersteund. Dit is wat de heilige Paulus als nu behandelt: want hij geeft te kennen, dat de geloovigen geen oorzaak hebben om den moed verloren te geven, al ware het schoon, dat zij die zagen vallen, die zij tevoren meenden pilaren der kerk te zijn, en de allernaasten. Voorts, zoo gebruikt hij deze vertroosting, dat de ongestadigheid noch ontrouw der menschen Gode niet beletten kunnen, zijn kerk tot den einde toe te bewaren. Èn ten eerste zoo roept hij ons tot de verkiezing Gods, welke hij noemt het lundament, bij gelijkenis aanwijzende met dit woord, de vaste en onwankelbare duurzaamheid daarvan. Evenwel dit alles dient, om de zekerheid van onze zaligheid te bevestigen, aangezien wrij van Gods uitverkorenen zijn; alsof hij zeide, dat de verkorenen Gods niet hangen aan allerlei fortuin of geval, maar op een vast onbeweeglijk fundament rusten, omdat hun zaligheid in de hand Gods is. Want gelijk alle planting, die de Hemelsche Vader niet geplant heeft, uitgeroeid moet worden: alzoo Matt. 15; 13. ook alle wortel, die met zijne hand is vast gemaakt, kan door geene winden noch stormen omvergeworpen worden. Laat ons dan dit allereerst onthouden: hoewel de zwakheid onzes vleesches zeer groot is, nochtans zoo zijn de uitverkorenen buiten gevaar, omdat hun vastigheid niet hangt aan hun eigen kracht, maar zij zijn in God gegrond. Hebben dan de fundamenten van menschenhanden zoo groote vastigheid, hoeveel te vaster zal dan dat zijn, dat God gelegd heeft? Ik weet wel, dat dit van sommigen getrokken wordt op de leer, dat men de waarheid daarvan niet acht, om de ongesta-

9

Dl. VI.

ocr page 134

2 TIMOTHEUS 2 : 19, 20.

digheid der menschen, maar men kan lichtelijk verstaan uit liet verband, dat de heilige Paulus van de gemeenten of van de uitverkorenen spreekt. En heeft dezen zegel. Omdat het woord sig-naculum, sommigen bedrogen heeft, welke gemeend hebben dat een teeken zoo genoemd wordt, zoo heb ik het overgezet, zegel, hetwelk minder twijfelachtig is. En voorwaar de heilige Paulus verstaat het alzoo, dat de zaligheid van de uitverkorenen besloten is onder de verborgen bewaring Gods, als met een zegelring, gelijk de Schrift getuigt, dat ze geschreven zijn in het boek des levens. Verder worden wij vermaand zoowel door het woord zegel, als door den zin die daarna volgt, dat wij niet behooren te oordeelen van het groote of kleine getal der uitverkorenen, naar ons goeddunken: want wat God verzegeld heeft, wil Hij dat eenigszins voor ons gesloten is: en wat meer is, dit komt God eigenlijk toe: te kennen degenen, die Zijne zijn. Zoo moeten wij ons niet verwonderen, al is ons dikmaals het groote getal verborgen, en al is het dat wij bedrogen worden, als wij de verkiezing zelve willen stellen. Nochtans zoo moeten wij altijd aanmerken, waarom en tot wat einde hij hier van het zegel vermaant, te weten, als wij zulke dingen zien geschieden, dat wij terstond gedachtig zullen zijn wat de heilige Johannes zegt: Dat die van ons uitgegaan zijn, van ons niet waren. Waaruit tweevoudige vrucht zal volgen, te weten, dat ons geloof niet wankelbaar zal staan, alsof het aan menschen hing, en zullen door verbaasdheid niet verslagen worden, gelijk men gemeenlijk ziet geschieden in dingen, die daar ongedacht komen. Voorts, zeker zijnde, dat de gemeente desniettemin behouden zal zijn, zullen wij te lijdzamelijker dragen, dat de verworpenen in de ellende vallen, waartoe ze geschikt waren, omdat het getal, waarmede God tevreden is, geheel blijft. Zoo dikwijls als daar dan eenige haastige verandering geschiedt in de menschen, waar wij niet om dachten, en die wij niet verwachten, zoo laat ons dit terstond gedachtig zijn: De Heere kent degenen, die Zijne zjjn. — En een iegelijk, die den naam van Christus aanroept. Gelijk hij hier tevoren de ergernis voorkomen heeft, opdat de afval van eenig mensch den geloovigen niet te groote verslagenheid zou maken: desgelijks ook nu een exempel hebbende voorgesteld van hypocrieten, zoo leert hij dat men met God niet spotten zal, makende een valschen Christelijken schijn: alsof hij zeide: Omdat Zich God alzoo wreekt over die hypocrieten, hun boosheid ontdekkende, zoo laat ons Hem leeren vreezen met een rein hart, opdat ons desgelijks ook niet geschiede. Die dan God aanroept, dat is: Die zegt dat hij van het volk Gods is, en voor zulk een wil geacht zijn, die vliede van alle goddeloosheid: want den naam des Heeren aanroepen, is hier zooveel als roemen van zijnen naam, of zich hoog beroemen van zijn kudde te zijn, gelijk daar staat in Jes. 4:1: Eens mans naam aanroepen over een vrouw; wat beduidt dat de vrouw geacht wordt zijn wettige huisvrouw te zijn. En als daar gezegd wordt, dat de naam Jakob aangeroepen werd over het gansche geslacht, is, dat de naam der familie bewaard en onderhouden is van vader op zoon, omdat het geslacht uit Jakob voortgekomen is.

so Maar in een groot huis. Hij treedt nu verder, en bewijst door gelijkenis, dat wij ons zoozeer niet behooren te ontzetten, als wij sommige lieden zien, die voor een tijd een groote godvruch-

130

ocr page 135

2 TIMOTHEUS 2:20, 21. 131

tigheid en uitnemenden ijver hebben bewezen, en dan schandelijk wederom teruggekeerd zijn: maar dat wij veeleer hierin een eigenlijken dienst Gods behooren te bekennen, welke met zijne voorzienigheid zeer wel overeenkomt. Want wie is er, die een groot huis zal willen lasteren, waarin van allerlei huisraad is, omdat het niet alleen vaten heeft tot heerlijken en kostelijken dienst bereid: maar ook andere, om te bezigen tot onbeduidende en verachtelijke dingen? Ja dit onderscheid dient tot groote sierlijkheid, als de kast en de tafel van goud en zilver blinken en ook de keuken voorzien is met allerhande houten, aarden en koperen vaten: waarom verwonderen wij ons dan, zoo God, (die een vader des huisgezins is)

zoozeer rijk en overvloeiende in alle schatten en rijkdom, in deze wereld als in een zeer groot huis, verscheidene menschen heeft, als verscheiden huisraad? Voorts, de uitleggers komen niet wel overeen,

of het groote huis alleen de kerk beduidt, of de gansche wereld. Mij dunkt dat het verband ons zegt, dat wij dit al van de kerk zullen verstaan: want de heilige Paulus spreekt niet van de vreemden, maar van betzelfde huisgezin Gods. Wat hij nochtans zegt is ook in 't algemeen waar, ja zelfs in Rom. 9:21 duidt hij het op de geheele wereld, waar hij onder dit woord alle verworpenen vervat.

Daarom mag men niet zeer strijden, of hij dit te pas brengt op de geheele wereld. Evenwel daar is niet aan te twijfelen, of de rede van Paulus strekt daartoe, dat men voor geen groote vreemdigheid zal houden, dat de kwaden onder de goeden vermengd zijn, hetwelk voornamelijk in de kerk geschiedt.

2i Indien dan iemand zichzelven reinigt. Zijn de verworpenen vaten ter oneere, zoo is de oneer in hen besloten: nochtans zoo mismaken zij het huis niet, en doen den vader des huisgezins geen oneer, alzoo hij verscheiden huisraad verordend heeft in zijn huis,

en elk vat schikt tot zulk gebruik als het verdient. Maar wij zullen ons leeren schikken door hun exempel tot een heerlijk en beter gebruik: want in de verworpenen zien wij als in een spiegel, hoe gruwelijk des menschen staat is, zoo hij niet dient tot heerlijkheid Gods van ganscher harte. Zoodanige exempelen geven ons dan een zeer schoone oorzaak tot vermaning, dat wij ons bevlijtigen zullen tot een onschuldig en heilig leven. Dat nu velen deze plaats misbruiken, om te stellen bij den willende en loopende, wat de apostel op een andere plaats getuigt, Gode eigenlijk toe te komen. Rum. O; ic. die daar barmhartigheid doet, is van kleine waarde: want de heilige Paulus disputeert hier niet van de verkiezing der menschen,

om te leeren wat daarvan de oorzaak is, gelijk in Rom. 9, maar hij wil alleen zeggen, dat wij den ongeloovigen niet gelijk zijn, die wij zien, dat tot een kwaad einde geboren zijn. Daarom zoo is het dwaselijk gedaan, dat men uit deze woorden wil zoeken, of het in des menschen macht is, zichzelven te stellen in het getal van de kinderen Gods, en dat zij zeiven oorzaak zouden zijn van hunne aanneming. Doch hierover gaat het nu niet. Laat ons tevreden zijn met deze korte vermaning, tegen degenen, die den mensch bevelen te doen, opdat hij gepredestineerd worde. Alsof de heilige Paulus den menschen verordende wat zij zouden doen, eer zij geboren zijn,

ja eer des werelds grond gelegd was. De anderen, die hier uitzonderen, 5at de mensch zijn vrijen wil heeft, en dat nog zooveel bij hem is, dat hij zich kan bereiden om bekwaam en geschikt tot

ocr page 136

2 TIMOTHEUS 2 : 21, 22.

Godes dienst te zijn, schijnen bij het eerste aanzien, dat zij zoozeer ongeschikt niet zijn als de eersten : nochtans zoo brengen zij niets bij dat vast is. De apostel gebiedt, dat zij, die zich Gode begeeren te heiligen, zich zuiveren zullen van de onreinigheid en vuiligheid der booze menschen. God beveelt overal desgelijks: want wij hoo-ren hier niet anders, dan wat wij gezien hebben op vele plaatsen in de brieven van Paulus, en voornamelijk in den Tweeden brief aan de Corinthiërs: Zijt rein, die daar draagt de vaten des Heeren. Hieruit blijkt zonder eenigen twijfel, dat wij geroepen zijn tot heiligheid: maar daar is onderscheid tusschen de roeping en het ambt der Christenen, en hun vermogen of de macht. Wij loochenen niet dat van de geloovigen gevorderd wordt,' dat ze zich zullen reinigen; maar de Heere zegt op een andere plaats, dat het zijn eigen werk Ez. 3«; 25. is, gelijk door Ezechiël beloofd is: Dat Hij rein water zal sprengen, opdat wij gezuiverd worden. Daarom behooren wij liever den Heere te bidden, dat Hij ons reinige, dan tevergeefs in dat stuk onze krachten te willen beproeven, zonder zijn hulp. Het vat ter eere geheiligd beduidt, afgezonderd tot heerlijk en hoog gebruik. Aldus is het bekwaam voor den Vader des huisgezins, omdat het Hem in dingen dient, die Hem aangenaam zijn. Daarna, zoo legt hij de gelijkenis uit, als hij daarbij voegt, dat wij moeten zijn tot alle goede werken bereid gemaakt. Laat dan zwijgen die razende menschen, die daar zeggen: Ik zal tot Gods heerlijkheid dienen, gelijk Farao: wat ligt daaraan gelegen, als God maar wordt groot gemaakt? Want God bewijst hier openlijk, hoe Hij wil dat wij Hem zullen dienen, te weten, heiliglijk en godzaliglijk levende.

i Tim. g ; li. 22 Maar vlied de begeerten der jonkheid, en sta naar reclit-

i Oor. 1:2. vaardigheid, geloof, liefde, vrede, met al degenen, die den Heere

aanroepen uit een rein hart.

i Tim. i:4; 23 En verwerp de vragen, die dwaas en zonder leering zijn, we

tende, dat zij strijd voortbrengen.

24 Want een dienstknecht des Heeren moet niet strijden, maar i Tim. 3:2. vriendelijk zijn jegens een iegelijk, bekwaam om anderen te

leeren, en kwaad te verdragen.

Gal. 0:1. 25 Degenen, die tegenstaan, met alle zachtmoedigheid onderwij

zende; of hun God te eenigen tijde gave, dat zij zich bekeerden tot erkentenis der waarheid.

26 En dat zij des duivels strikken ontkwamen, van welken zij gevangen zijn naar zijn wil.

22 Vlied de begeerten. Dit is het slot van wat hierboven gezegd is: want omdat hij door het vermanen van ijdele en nuttelooze twisten oorzaak gehad heeft om Hymene'us en File'tus aan te tasten, welke door hunne scherpzinnigheid en eergierigheid van het rechte geloof waren afgeweken, zoo vermaant hij Timotheus wederom, dat hij zich van al zulke schadelijke pestilentie wachte. En tot dit einde beveelt hij hem, dat hij de begeerlijkheden van de jonkheid wil vlieden: met welke woorden hij niet meent de onbetamelijke hittigheid, of andere schadelijke dartelheid, of andere booze lusten, waar de jongelieden gemeenlijk mede behebt zijn: maar allerlei aanvechtingen, waar de jonge onbedachte jeugd maar al te spoedig toe genegen is. WTordt er eenige twist aangeroerd, de jongelieden

132

0:4. Tit. 3:9.

ocr page 137

2 TIMOTHEUS 2 : 22—24.

zullen daar veeleer toe verhit zijn, dan die op rijperen leeftijd gekomen zijn; zij worden veeleer boos, onervarenheid doet hen zeer lichtelijk dwalen, jonge wulpschheid en stoutheid bedriegt hen zeer dikwijls. Daarom is het niet zonder oorzaak, dat Paulus Timotheus vermaant, die nog jong was, dat hij zich zou wachten van de gebreken, die bij de jonge jaren zijn, welke hem anders lichtelijk zouden hebben gebracht tot onnutte twisten. Sta naar gerechtigheid. Hij prijst hem de tegenovergestelde genegenheden aan, die hem het verstand kunnen bewaren, opdat hij door ongematigde jeugd niet dwale, alsof hij zeide: Dit zijn de dingen, waartoe gij u ganschelijk moet begeven, met alle vlijt en naarstigheid. En allereerst stelt hij de gerechtigheid, dat is, den regel van wel en oprecht te leven. Daarna stelt hij daarbij, het geloof en de liefde, waarin de gerechtigheid voornamelijk gelegen is. Vrede dient bovenmate zeer tot deze zaak. Zij moeten wel twistig en begeerig om te kijven zijn, die zich verheugen in woordenstrijden, die hij hier verbiedt. De aanroeping Gods wordt hier algemeen genomen, voor den dienst Gods, een deel voor het geheel. Tenzij men het liever trekke tot de belijdenis: maar omdat die in geheel den dienst Gods het voornaamste punt is, daarom beduidt aanroeping zeer dikwijls den ganschen godsdienst. Voorts, zoo weet men niet wel, als hij gebiedt vrede te zoeken met al degenen, die den Heere aanroepen, of hij het tot een exempel stelt voor alle geloovigen, alsof hij zeide, dat deze genegenheid gemeen behoort te zijn allen oprechten dienaars Gods, dan of hij Timotheus beveelt, dat hij met hen in vrede leve. De laatste zin schijnt wel de gepaste te zijn.

23 En verwerp de vragen, die dwaas zijn. Hij noemt ze dwaze vragen, omdat ze zonder leering zijn, dat is, zij dienen ganschelijk niet tot de stichting, hoe schoonen schijn der scherpzinnigheid zij ook mogen hebben. Want alsdan zijn wij recht wijs, als onze wijsheid eenige nuttigheid voortbrengt: hetwelk naarstig moet onthouden worden. Want wij zien door wat verkeerde listigheden de wereld zich zeer wonderlijk laat leiden, en hoezeer de menschen dit be-geeren en naloopen. Opdat dan behagelijke eergierigheid ons niet trekke, om door zulken roem gunst der menschen te verwerven, zoo laat ons altijd deze plaats van Paulus gedenken, dat de vragen die in groote achting zijn, dwaas zijn, omdat zij zonder vrucht zijn. Daarna zoo drukt hij het kwaad uit, hetwelk deze vragen gemeenlijk voortbrengen: en hij zegt niets, of wij bevinden het dagelijks, te weten, dat zij stof tot gekijf en strijd voortbrengen. En daarenboven, het meerendeel betert zich nog niet, hoewel zij vermaand worden door zoovele leeringen.

24 Ook moet een dienstknecht des Heeren. Dit is Paulus' argument: Èen dienaar Gods moet vreemd zijn van alle gekijf; de dwaze vragen zijn kijfachtig; die dan een dienaar Gods wil zijn, en daarvoor geacht wezen, die moet daarvan een gruwel hebben. Moet ons deze eenige reden alle overtollige vragen doen vlieden, te weten, dat het strijden of kijven een knecht Gods niet wel betaamt, hoe dwaas doen zij dan, die gedurigen twist omroerende, met opzet zich daarin nog durven beroemen. Laat nu de theologie der papisten te voorschijn komen: wat zal men daar anders in vinden, dan een wetenschap om te kijven en te vechten? Hoe meer iemand dan bij zichzelven is toegenomen, zooveel te onbekwamer

133

ocr page 138

134 2 TIMOTHEUS 2 : 24—26.

is hij om Jezus Christus te dienen. Als hij hebben wil, dat een dienaar van Christus vriendelijk moet zijn, zoo begeert hij een deugd, die tegenover den twist staat. Tot ditzelfde dient ook wat er terstond volgt, te weten, bekwaam om te leeren: want de leering zal geen plaats gegeven worden, tenzij er bescheidenheid en gelijkmatigheid zij, want wat mate zal een leeraar houden, als hij verhit zal zijn tot strijden? Daarom, zooveel te bekwamer als iemand zal zijn om te prediken, zooveel te meer zullen hem alle twistige kijvingen een gruwel zijn. Omdat nu de ongeschiktheid van sommigen toorn kan verwekken, of verachting voortbrengt, is verdraagzaamheid daarbij gevoegd, tevens de oorzaak aangevende waarom zij noodig is, te weten, opdat een getrouw dienaar ook zal beproeven, of hij de ongehoorzamen en wederspannigen ook weder op den rechten weg kan brengen: hetwelk niet geschieden kan, tenzij hij vriendelijkheid en zoetigheid gebruike.

25 Of hun God te eenigen tijd gave. De uitdrukking: Of hun God, toont aan de zwarigheid der zaak dat zij bijna ongelooflijk is, of dat daar weinig hope voor is. De heilige Paulus verstaat het dan alzoo, dat men zachtmoedigheid en lieflijkheid gebruiken zal tegen degenen, die haar nauwelijks waardig zijn: en al zou er in den beginne geen schijn van overwinning zijn, nochtans zoo moet men zulks altijd beproeven en onderzoeken. Op gelijken grond zegt hij: Dat het hem God zal geven: want nademaal de bekeering des menschen in Gods hand staat, wie is die daar weet, of die heden schijnen ongeleerd te zijn, terstond door de macht Gods geheel anders zullen worden ? Degene, die dan denken zal, dat het berouw een gave en werk Gods is, die zal veelmeer hopen, en moed genomen hebbende door deze verzekering, zoo zal hij meer arbeid en naarstigheid doen, om de wederspannigen te onderrichten. Dit moet vastgehouden, onze plicht en ambt is, planten en nat maken; en dit doende, zoo moeten wij den wasdom van den Heere verwachten. Aldus baat al onze arbeid en toedoen der krachten op zichzelven niets, en nochtans zoo maakt de genade Gods, dat zij niet onnut zijn. Desgelijks mogen wij hieruit verstaan, welke het ware berouw is dergenen, die voor een tijd Gode ongehoorzaam zijn geweest: want de heilige Paulus zet het begin daarvan in de kennis der waarheid. Hierdoor geeft hij te kennen, dat des menschen verstand blind is, zoo dikwijls als het zich tegen God en zijn leer moedwillig verheft. De verlossing van den dienst des duivels volgt de verlichting; want satan maakt de ongeloovigen zoo dronken, dat ze slaperig zijnde hun kwaad niet gevoelen. En integendeel, als ons de Heere verlicht door de klaarheid zijner waarheid, zoo wekt Hij ons uit dien doodelijken slaap, Hij breekt de strikken die ons gebonden hielden, en weggenomen hebbende alle beletselen, zoo bereidt Hij ons tot zijn dienst.

26 Van welken zij gevangen zijn. Het is voorwaar een ellen-- dige en vreeselijke staat, als de duivel zooveel macht over ons heeft,

• dat hij ons naar zijn wil als slaven heen en weer trekt. En noch-

tans is de staat van allen, die de duivel van God vervreemdt door y 'iy. den hoogmoed huns harten aldus. En wij zien dagelijks duidelijk

deze moorddadige heerschappij des satans in de verworpenen: want zij zouden zich zoo schandelijk en razend niet overgeven tot alle vuiligheid en verschrikkelijke boosheden, indien zij niet gedreven

'v.'-v*

■is.'

'1 .1 i lt; ■

'l.li

ocr page 139

2 TIMOTHEUS 2 : 26—3 : 1.

werden door eene verborgene kracht des duivels. Dit is wat wij gezien hebben Efeze, hfdst. 2:2: Dat satan zijn kracht gebruikt in de ongeloovigen. Wij worden vermaand door dusdanige exempelen, dat wij ons zorgvuldiglijk zullen begeven onder het juk van Jezus Christus, en ons laten regeeren van zijnen Heiligen Geest. Nochtans dusdanige gevangenschap verontschuldigt den booze niet, dat hij daarom niet zondigt, omdat hij door het aanstoken des duivels zondigt. Want hoewel hun overgegeven razende uitzinnigheid om kwaad te doen van de regeering des duivels komt, nochtans zoo doen ze niets gedwongen, maar buigen zich met alle genegenheid, waar satan ze leidt. Aldus geschiedt het, dat hun gevangenschap vrijwillig is.

HET DERDE HOOFDSTUK.

1 En weet dit, dat in de laatste dagen zullen komen gevaarlijke ') 1 Tim- 1:1-

.., ' 0 B ' 2 Petr. 2:3.

tijden: jud. 18.

2 Want er zullen menschen wezen zichzelven liefhebbende, geld- 11 Of, zware, gierig, vermetel, hoovaardig, lasteraars, den ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig,

3 Zonder natuurlijke liefde, zonder trouw, valsche beschuldigers,

onmatig, wreed, zonder liefde tot het goede,

4 Verraders, roekeloos, opgeblazen, die de wulpschheid liever hebben dan God:

5 Hebbende een gedaante der godzaligheid, maar de kracht daarvan hebben zii verloochend. Wend u ook af van dezen. Matt. 18; it.

„ „T , J . , . Eom. 10:17.

b Want van dezen zijn het, die m de huizen insluipen, en nemen 2Thess.3:6.

de vrouwkens gevangen, die met zonden beladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden; 2 joh. 10.

7 Die altijd leeren, maar nimmermeer tot kennis der waarheid MaU' 23:14, kunnen komen.

it—Mi weet. Met deze verkondiging wil hij Timotheus meer aan-l-1 prikkelen tot alle vlijt en naarstigheid: want als al onze zaken -'—'naar onze wenschen gaan, zoo worden wij slof, maar de nood nijpt ons scherper. De heilige Paulus waarschuwt ons, dat de gemeente onderworpen zal zijn aan zeer zware ziekten, die een bijzondere getrouwheid, waking, wijsheid, naarstigheid en onoverwinnelijke standvastigheid in de dienaars der kerken eischen zullen, gelijk of hij Timotheus beval zich te bereiden tot zware oorlogen, vol van groote zorgvuldigheid, die hem nog toekomende waren. Hieruit zullen wij leeren, dat wij voor geen zwarigheden zullen wijken, noch ook vervaard zijn: maar veel liever moed grijpen om zulks te weder-staan. Hij begrijpt onder de laatste dagen, den ganschen staat der Christelijke Kerk. En voorwaar, hij vergelijkt met deze woorden niet zijn tijd met den onzen, maar hij leert veelmeer, hoedanig de gestalte van Christus' rijk behoort te zijn: want daar waren sommigen, en ook velen, die ik weet niet wat zaligen vrede bedachten,

die vrij was van alle moeielijkheid. In e'e'n woord, hij verstaat het alzoo, dat er ook onder het Evangelie niet een zoo goede ordening overal wezen zal, dat alle gebreken verjaagd zijnde, alle deugden

135

ocr page 140

2 TIMOTHEUS 3; 1—4.

zullen bloeien, en dat daarom de herders van de Christelijke gemeente niet minder te doen zullen hebben tegen de boozen, dan voormaals de profeten en getrouwe priesters gedaan hebben. Waaruit volgt, dat het geen tijd is om ledig te zijn, noch om te rusten.

2 Want daar zullen menschen wezen. Merk op, waarin hij de gevaarlijkheid en wreedheid der tijden stelt, te weten, in de booze en verkeerde zeden der menschen, en niet in krijg of hongersnood, ziekten of anderen tegenspoed, jammer of ongeluk, die in het lichaam geschieden. En voorwaar, den geloovigen is niets bitterder of dengenen die God van harte vreezen, dan zulke verderving van zeden te zien: want gelijk hun niets liever is dan Godes heerlijkheid, zoo kwelt hun ook zijne versmaadheid allermeest. Ten tweede, zoo moet hier aangemerkt zijn, van wie hij spreekt: want hij roert hier geen vijanden aan, die buiten zijn, die met moedwil en opzet den naam van Christus bestrijden, en openlijk tegen zijnen naam oorlogen: maar huisgenooten, die voor lidmaten der gemeenten willen gehouden zijn: want zoover wil God zijn kerk oefenen, dat ze al zulke pestilentie in het midden van haar (als in haren schoot) zal dragen, hoewel zij nochtans een gruwel heeft om ze te kweeken. Daarom zoo wij er hedendaags vele dergelijken onder ons vermengd zien, waar wij terecht een gruwel voor hebben, laat ons lijdzaamlijk lee-ren zuchten onder dezen last, nademaal wij hooren, dat de staat der Christelijke Kerk aldus is. Voorts, zoo is het groot wonder, dat degenen, waarvan Paulus zooveel boosheden vertelt, nog eenigen schijn der godzaligheid kunnen behouden, gelijk hij zelf getuigt. Maar de ervaring, die wij dagelijks daarvan hebben, leert dat men zich over zulks zoozeer niet behoeft te verwonderen; want het is ongelooflijk, hoe groot de stoutheid en verkeerdheid der hypocrieten is, zoodat zij in groote gebreken (die men met de hand kan tasten) meer dan onbeschaamd zijn in het verontschuldigen, nadat zij eens geleerd hebben, valschelijk den naam Gods voor te stellen, om zich te bedekken. Met hoeveel boosheden was hiervoormaals het leven der Farizeën vervuld? En nochtans, alsof zij gansch zuiver geweest waren van alle smet en gebrek, hadden ze een naam van uitnemende heiligheid. Insgelijks ook hedendaags, hoewel de pauselijke beestelijkheid vervuld is met zooveel schandelijke stukken en stinkende vuiligheden, dat zij de gansche wereld vergiftigt, alleen van haren stank die van haar uitgaat, nochtans zoo laten ze daarom niet na, met alle valschheid zichzelven het recht en den naam van heiligheid toe te schrijven, ja met een onverdragelijken hoogmoed. Als dan de heilige Paulus zegt, dat de hypocrieten, hoewel zij besmet zijn met ontallijke en openbare gebreken, daarom nog niet nalaten onder het deksel van godzaligheid grootelijks te bedriegen; dit mag ons niet vreemd dunken, aangezien wij dagelijks exempelen genoeg voor oogen hebben. En voorwaar, de wereld is wel waardig dat zij bedrogen wordt door alzulke deugnieten, nademaal zij de ware heiligheid veracht, of die niet dulden kan. Daarenboven verhaalt de heilige Paulus gebreken, die zich bij het eerste aanzien niet laten merken; en wat meer is, zulke, die gemeenlijk geveinsde heiligheid bij zich hebben. Want is er wel een hypocriet, die niet hoovaardig is? Die zichzelven niet liefheeft? Die den ander niet veracht? Die niet wreed en onnatuurlijk is? Die geen verrader is? Maar het zijn al verborgen gebreken, welke zich voor de oogen der menschen

136

ocr page 141

2 TIMOTHEUS 3:4—7. 137

niet openbaren. Verder, zoo ware het een onnoodige zaak om dit '

van woord tot woord uit te leggen; want zij hebben het niet van t

noode. Alleen moeten de lezers opmerken, dat eigenliefde, welke vy,

het gebrek is, dat hier de eerste plaats heeft, de voornaamste oor- j t

sprong is, waaruit al de andere gebreken spruiten, die daarna vol- :

gen: want die zichzelven liefheeft, wil altijd boven alle andere men- -'j'

schen zijn; hij veracht ze, hij is wreed, hij geeft de gierigheid den ,

toom, is ontrouw, toornig, wederspannig tegen vader en moeder,

de deugd verachtende, en andere dergelijke gebreken. Omdat nu de -V'

meening van Paulus is geweest, de valsche profeten aan te wijzen

met zulke teekenen, opdat zij gezien en bekend mochten worden

van alle menschen: zoo komt ons toe de oogen eens open te doen,

om degenen te zien, die ons hier met den vinger aangewezen worden. . ^

5 Wend u ook af van dezen. Deze vermaning bewijst genoeg,

dat de heilige Paulus niet spreekt van een verre toekomst, en dat hij niet voorzegt wat in vele eeuwen daarna geschieden zou: maar wat hij van de laatste tijden gezegd had, het tegenwoordige kwaad

getoond hebbende, dat brengt hij te pas op zijn tijd. Want hoe zou -

zich Timotheus kunnen afwenden van het volk, dat vele eeuwen

daarna zou komen? Aldus begon dan de kerk van Christus terstond

na het aanvangen des Evangelies, met deze verderfelijke ziekten

besmet te worden. .• *.

6 Want van dezen zijn het, die. Men zou zeggen, dat de hei- f lige Paulus hier uitdrukkelijk naar het leven afbeeldt de monnikerij. i Maar opdat wij den naam monnikerij achterwege laten, zoo zijn de

teekenen, waarmede de heilige Paulus de valsche leeraars afmaalt, S

genoegzaam, te weten, dat zij in de huizen sluipen, die door zoete aanlokkingen de vrouwkens tot zich trekken, en verleiden ze met t.

schoonspreken tot verscheidene valsche godsdiensten. Aan deze teekenen is goed te merken, zoover wij onderscheiden willen, tusschen V deugnieten en onnutte menschen, en getrouwe dienaars van Christus.

Die nu zulks zijn, die zijn hier zoo volkomen geteekend, dat hun geen onverstandig tegenstribbelen kan baten. Het woord, dat wij \

overgezet hebben; Sluipende in de huizen, beduidt eigenlijk, een ■

heimelijken ingang te vinden, en door looze middelen daar ingaan.

Hij stelt hier liever de vrouwkens dan de mannen, omdat ze zich lichtelijker laten bedriegen. Hij zegt: Die de vrouwkens gevan- ;

gennemen, omdat deze valsche profeten met verscheidene listen zich deze onderdanig maken, eensdeels door zeer scherp onderzoek naar al haar werken, en anderdeels door schoonspreken en liefkozen.

En dit is het wat hij daar terstond bijvoegt: Die met zonden be-laden zjjn: want zoo zij niet gedwongen waren door den band der 1

booze conscientiën, zij zouden zich zoo naar het believen der val-sche leeraren in veel dingen niet laten verleiden. Aangaande het N

woord, begeerlijkheden, dat neem ik in 't algemeen voor alle dwaze en lichtvaardige begeerten, daar die van gedreven worden, die God van harte niet zoeken, en nochtans voor vroom en heilig willen geacht worden: want er is geen ophouden aan, als zij van de consciëntie afwijken, zoo bekleeden zij zich telken reize wederom met ^ , valschen schijn, en vermommen zich dan met het eene dekkleed, en dan met het andere. Chrysostomus laat dit liever slaan op onzuivere '} en onbeschaamde begeerlijkheden; maar het verband aanmerkende, ■■''i zoo volg ik liever de eerste uitlegging; want daarna volgt; Die •

' i-

Vi

* .lt; •!

ocr page 142

2 TIMOTHEUS 3:7, 8.

altijd leeren, en nimmermeer de waarheid leeren beiyden. Het

drijven dan van deze onderscheidene begeerlijkheden, waarvan hij hier spreekt, is, als er niets zekers in haar conscientie is, en zij wankelbaar staan, nu eens her- dan derwaarts willende. Zij leeren (zeg ik) naar hare curieusheid, met ongestadige zinnen, en hierdoor is het, dat zij nimmermeer kunnen komen tot de rechte kennis der waarheid. Voorwaar, het is een verkeerd aangelegd onderzoek, dat nimmer tot eenig recht verstand kan komen. Hoewel zoodanigen nochtans bij zichzelven meenen zeer wijs te zijn, doch wat zij weten, is niets, als zij de waarheid niet hebben, die het fundament van alle wetenschap is.

8 En gelijk Jannes en Jambres tegen Mozes stonden, alzoo staan dezen ook tegen de waarheid, menschen met verdorven zinnen, onbekwaam tot het geloof.

9 Maar zij zullen niet meer voortgang hebben: want hun uitzinnigheid zal een iegelijk openbaar worden, gelijk ook van genen geworden is.

10 Maar gij hebt doorzien mijn leer, en manier van leven, voornemen, geloof, lankmoedigheid, liefde, lijdzaamheid,

11 Vervolgingen, verdrukkingen, die mij geschied zijn te Antiochië, Iconië, Lystre: wat vervolging ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit allen verlost.

12 En ook allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden.

8 En geljjk Jannes. Deze vergelijking bevestigt wat ik hierboven van de laatste dagen heb gezegd: want zij geeft te kennen, dat het ons zoowel geschiedt onder het Evangelie, als der Kerk van Christus geschied is in haar eersten aanvang: ten minste, nadat de wet verkondigd is, gelijk ook Ps. 129 ; 1 te kennen geeft, dat de kerk nooit zonder strijd is geweest: Israël zegge nu: zij hebben mij dikmaals van mijne jeugd aan benauwd, de boozen hebben op mijnen rug geploegd, en hebben hun voren lang getogen. Aldus vermaant ons dan de heilige Paulus, dat men zich niet behoeft te verwonderen, zoo er vijanden tegen Christus oprijzen, om het Evangelie te weder-staan, aangezien Mozes desgelijks zijn wederpartijders heeft gehad, tegen welke hij heeft moeten vechten: want die exempelen genomen uit de hooge oudheid, dienen ons niet weinig tot troost. Voorts, zoo komen vele uitleggers hierin genoeg overeen, dat deze twee, die hier genoemd worden, twee toovenaars geweest zijn, van Farao verordend. Maar het is onzeker vanwaar de heilige Paulus hun namen heeft, behalve dat het waarschijnlijk is, dat vele dergelijke historiën van hand tot hand gegaan zijn, welke God niet heeft willen hebben, dat ze vergeten zouden worden. En het kan wel geschied zijn, dat ten tijde van den heiligen Paulus, uitleggingen op de profeten zijn geweest, welke op het breedst verklaarden, wat Mozes maar in het kort verhaalt. Hoe het is, het is zonder oorzaak niet, dat hij dezelven bij name noemt. Zoo men vraagt waarom er twee geweest zijn, zoo is het waarschijnlijk, omdat de Heere zijn volk twee leidslieden verwekt en verordend had, Mozes en Aaron: zoo heeft Farao daartegen ook willen stellen even zooveel toovenaars.

138

Ex. 7:11.

Haud. 13:60. Hand. 14:2. Hand. 14:19. 2 Cor. 1:10. Ps. 34:20. Spr. 2: 1. Luk. 24 :26. Hand. 14: 22. 1 Thess. 3 ; 3.

ocr page 143

2 TIMOTHEUS 3 ; 9, 10.

9 Maar zj) zullen niet meer voortgang hebben. Hij geeft Ti-motheus moed tot den strijd, hem voorstellende zeker hope op overwinning. Want hoewel hem de valsche leeraars groote moeite aandoen, nochtans zoo belooft hij hem, dat het geschieden zal, en dat ook zeer haast, dat zij met alle schande vervallen zullen: hoewel dat de uitkomst met deze belofte niet overeenkomt. En het schijnt dat de heilige Paulus een weinig hierna heel wat anders spreekt, als hij zegt: Dat zij tot het kwade zullen voortgaan. En de uitlegging van Chrysostomus is hier ook niet goed, te weten, dat zij van dag tot dag erger zullen worden, maar dat zij de anderen niet zullen hinderlijk zijn: want hij voegt daar namelijk bij, dwalende, en in dwaling leidende. En voorwaar, ditzelfde bewijst de ervaring. Zoo is het dan waarschijnlijker, dat de heilige Paulus verscheiden opzicht heeft gehad: want dat hij zegt, dat ze niet meer zullen voortgaan of toenemen, is geen algemeene zaak: maar hij verstaat alleen, dat de Heere hun dwaasheid aan veel menschen zal ontdekken, die zij eertijds door hun bedriegelijke bezwering bedrogen hadden. Daarom als hij zegt: Dat hun uitzinnigheid een iegelijk zal openbaar worden: zoo neemt hij het geheel voor een deel, samenvattender-wijze gesproken. En voorwaar, die middelen hebben om te bedriegen, en zulks allerbest kunnen, komen in den beginne met schoone uit-gestrekene woorden voort, en hebben den mond vol pluimstrijkerijen en schoone vleiwoorden. In één woord, het schijnt dat ze wonderen zullen doen, en dat hun geen ding onmogelijk zal zijn: maar veel wonderlijker schijnt het, als hun beuzelen en bedrog zoo haastelijk verdwijnen, en dat het alles als rook vergaat: want God opent er velen de oogen, zoodat ze beginnen te zien, wat hun tevoren een tijdlang was verborgen geweest. Nochtans wordt de dwaasheid of uitzinnigheid der valsche profeten nimmermeer zoo geheel ontdekt, dat ze allen menschen bekend is. En wat meer is, de eene dwaling is zoo haast niet verjaagd, of er staat terstond weder een andere op. Daarom zijn beide deze vermaningen van noode. Opdat de getrouwe dienaars den moed niet zouden verloren geven, gelijkerwijs of al den strijd tevergeefsch ware, die ze tegen deze dwalingen hadden, zoo is het van noode, dat men ze moed geve, met de gelukkige hulp en voortgang, die God aan zijne leer zal geven. Zij moeten ook niet denken, als zij eens of tweemaal vvederstaan hebben, dat ze den strijd alsdan geheel kwijt zullen zijn, maar dat er altijd wederom nieuwe middelen des strijds zullen oprijzen: van welke wij hierna spreken zullen. Laat ons voorshands tevreden zijn, dat Timotheus hier voorgesteld wordt een zekere hope van gelukzalige uitkomst, opdat hij meer moed in het vechten hebbe, hetwelk hij bevestigt met hetzelfde exempel dat hij verhaald heeft: want gelijk de waarheid de overhand behouden heeft tegen de toovenaars, zoo belooft hij, dat de leer des Evangelies de overwinning zal houden tegen alle valsche vonden, die men zal mogen bedenken.

10 Maar gij hebt doorzien mijn. Hij gebruikt ook dit bewijs om Timotheus te bewegen, te weten, dat hij niet als een nieuw en ongeoefend ruiter in den strijd trekt, aangezien de heilige Paulus hem zelf geleerd en geschikt heeft naar zijn voorbeeld vóór langen tijd. En hier is niet alleen kwestie van de leer: want de dingen, die hij tegelijk verhaalt, maken de rede zeer gewichtig. En ook zoo teekent hij ons een levend beeld van een leeraar, te

139

ocr page 144

2 TIMOTHEUS 3 : 10—12.

weten, die niet alleen zijn jongeren met woorden onderwijst: maar ook bijwijze van spreken, hun zijn hart ganschelijk opent, opdat zij verstaan zouden, dat het niet is door eenige geveinsdheid, maar wat hij leert, dat hij dat van harte leert. En dat is het, wat hij te kennen geeft door het woord voornemen. Hij voegt daar ook andere beduidingen bij, van waarachtige en ongesmukte genegenheid, als geloof, liefde, lankmoedigheid en lijdzaamheid: want Timotheus was in de school van Paulus van zulke beginselen onderricht geweest. Hoewel hij alzoo sprekende, hem niet alleen doet gedenken wat hij van hem geleerd heeft: maar geeft hem getuigenis van zijn voorleden leven, opdat hij hem door zulk een middel bewege tot volstandigheid; want hij prijst hem als een navolger van deze deugden. Alsof hij zeide: Mijne heilige manieren in het leven zijn u overlang bekend geweest, en gij zijt dezelve wel gewoon om na te volgen; daar ontbreekt nu niets meer aan, dan dat gij volhardt, zoo gij zijt begonnen. Desniettemin zoo begeert hij, dat hij het exempel der liefde, des geloofs en der lijdzaamheid gestadig voor oogen zal hebben, en hierom zoo verhaalt hij hem bijzonder, de vervolgingen, die hem meest bekend waren.

11 En de Heere heeft mjj uit allen verlost. Dit is een vertroosting, waardoor hij de bitterheid der vervolging verzoet, te weten, omdat hare afloop altijd een gelukkig en vroolijk einde heeft. Zoo men hier tegenwerpt, dat men waarover hij zich hier beroemt, altijd niet ziet geschieden; ik belijd dat het waar is, zooveel als onze vleeschelijke zinnen belangt: want de heilige Paulus zelve is daar op het laatst niet van verlost geweest: maar als God ons zeer dikmaals verlost, zoo geeft Hij ons daardoor te kennen, dat Hij ons bijstand doet, en dat Hij ons hierna zal bijstaan: want door de ondervinding van de tegenwoordige hulp, zoo behoort ons betrouwen zich te strekken op den toekomenden tijd. Dit is dan zooveel alsof hij gezegd had: Gij hebt door ervaring bekend, dat God mij nooit verlaten heeft, aldus moet gij geen zwarigheid maken om Hem na te volgen naar mijn exempel.

12 En ook allen. Omdat hij nu van zijn vervolgingen vermaand had, zoo voegt hij daar alsnu ook bij, dat hem niets geschied is, wat alle geloovigen ook wel mogen verwachten. En zegt dit eensdeels, opdat zich de geloovigen schikken zouden om dezen staat aan te nemen, en willig te dragen, anderdeels opdat de goeden geen kwaad vermoeden op hem zouden hebben door de vervolgingen, die hij van de boozen geleden heeft, en lijdende is. Gelijk het zeer dikmaals geschiedt, dat men de belasten altijd met een kwaad oordeel bovendien belast. Want degenen, op wie de menschen afgunstig zijn, van zulken oordeelt het gemeene volk, dat God hun zulk kwaad toeschikt. Aldus zet de heilige Paulus zichzelven door deze alge-meene sententie in het getal der kinderen Gods: en daarbenevens zoo vermaant hij ze al te zamen, dat zij zich bereiden zullen om vervolging te lijden. Want is deze staat al dengenen verordend, die godzalig in Jezus Christus willen leven, zoo moet er ook uit volgen, dat die uitgezonderd willen zijn van vervolgingen, Jezus Christus verzaken. VVant het is verloren moeite, Christus van zijn kruis te willen scheiden, aangemerkt dat dit 's werelds aard is, Christus en zijne lidmaten te haten. Nu is haat nimmermeer zonder wreedheid, en hieruit komt de vervolging. Eindelijk, laat ons denken dat wij

140

ocr page 145

2 TIMOTHEUS 3 : 12, 13.

Christenen zijn op deze voorwaarde, dat wij velerhande moeite,

druk en lijden zullen onderworpen zijn. Nu zou men kunnen vragen,

of alle menschen dan martelaars moeten zijn? svant men weet wel,

dat er veel geloovigen zijn geweest, die nooit verbannen zijn, noch gevangen, noch verjaagd, noch eenige andere manier van vervolging hebben geleden? Ik antwoord, dat de satan de dienaars van Jezus Christus al te zamen door ée'n middel niet vervolgt: maar nochtans zoo is het ganschelijk van noode, dat zij al te zamen de wereld tot vijand hebben, hetzij op wat manieren dat is, opdat hun geloof geoefend worde, en hun standvastigheid beproefd: want satan, die een erfvijand van Christus is, zal nimmermeer dulden, dat er een recht Christen is, die in rust al zijn leven mag leiden: en ten andere, zoo zullen er altijd venijnige booze menschen zijn, die ons als doornen zullen steken. En wat meer is, zoo haast als zich de ijver Gods in een geloovige toont, zoo ontsteekt hij de uitzinnigheid van alle ongeloovigen. En hoewel hun zwaarden niet uitgetogen zijn, zoo laten ze daarom niet na hun venijn te schieten, of te murmureeren,

of op de tanden te bijten, of achterklap te doen, of eenig oproer te verwekken, en dergelijke. Aldus dan, hoewel alle Christenen eenerlei aanvechting en strijd niet hebben, nochtans zoo hebben ze een algemeenen staat van strijden en aanvechtingen, en zullen niet geheel noch overal in rust zijn, en van vervolging vrij.

13 Maar de booze menschen en bedriegers zullen tot het kwade voortgaan, verleidende en verleid wordende.

14 Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en dat u betrouwd 1 Tim- 1:13-is, wetende van wien gij het geleerd hebt.

15 En dat gij van kinds af de Heilige Schriften geweten hebt,

welke u wijs kunnen maken ter zaligheid, door het geloof dat in Christus Jezus is.

16 Al de Schrift is van God ingegeven, en nuttig tot leering, tot 2 Petr. i:20 bestraffing, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is.

17 Opdat de mensch Gods geheel zij, tot alle goede werken vol-maaktelijk onderwezen.

13 Maar de booze menschen. Dit is de allerbitterste vervolging,

als wij zien dat de boozen met hun schelmachtige stoutigheid, met hun lasteren en dwalingen zich versterken. Alzoo zegt de heilige Paulus op een plaats, dat Izak vervolgd is geweest van Ismaël, niet met het zwaard, maar met spotternij. Waaruit wij ook afleiden, wat hij hierboven van vervolging gesproken beeft, waarmede hij niet alleen e'én soort meent: maar hij heeft in het gemeen gesproken, van alle moeite, kwelling en benauwdheid, die de kinderen Gods moeten dragen en lijden, als zij strijden voor de eere huns Vaders. Ik heb een weinig hierboven gezegd, hoedanig deze afloop is, waarvan de apostel spreekt: want hij voorzegt niet alleen, dat zij hardnekkig zullen wezen in het wederstaan: maar dat zij ook grootelijks toenemen zullen om anderen hinderlijk te zijn, en mede in verderving te brengen: want een deugniet kan alleen meer omstooten en verderven, dan tien getrouwe leeraars kunnen opbouwen, zij arbeiden zoo naarstig als zij willen. Ook is er nimmermeer van satans on-

141

ocr page 146

2 TIMOTHEUS 3 : 13, 14.

kruid gebrek, om het goede koren te bederven. En wat meer is, als men de valsche profeten eens meent uitgeroeid te hebben, zoo komen er altijd wederom nieuwe aan. Voorts, zoo men vraagt, van waar komt deze schadelijke macht? De oorzaak is, niet dat de leugen vanwege hare natuur sterker is dan de waarheid, of dat de listigheden of schalkheden des duivels de kracht des Heiligen Geestes te boven gaan; maar omdat de menschen, die aireede van zichzelven genegen zijn tot alle ijdelheid en dwalingen, veeleer aannemen wat met hun natuur overeenkomt: en wat meer is, verblind zijnde door een rechtvaardige wrake Gods, zoo trekt ze de satan hier en daar naar zijn wil, als arme slaven. En dit is de voornaamste reden, waarom de booze pest der 'valsche leeringen, zoo groote kracht heeft, te weten, dat de ondankbaarheid der menschen zulks verdient. Het is grootelijks van noode, dat vrome leeraars hiervan vermaand worden, opdat zij zich tot een gedurigen strijd mogen bereiden, en dat zij niet moede worden door den langen tijd, noch verwonnen worden door den moedwil en stoutheid der vijanden.

14 Maar blyf gij. Hoewel in alle manieren de goddeloosheid altijd meer wint en inbreekt, zoo beveelt hij desniettemin Timotheus alle standvastigheid. En voorwaar het is een waar bewijs des geloofs, als wij niet moede worden in het wederstaan des duivels, die zonder ophouden alle listen voortbrengt, en dat wij niet van den rechten weg keeren, hetzij ook hoe schalke winden hij blaast: maar vast gehecht blijven in de waarheid Gods, als in het rechte anker der zaligheid. Deze woorden, wetende van wien gij het geleerd hebt, zijn hier gesteld om de zekerheid zijner leer te prijzen: want is er iemand kwalijk onderricht geweest, hij behoort daar niet in te volharden: maar veel meer integendeel, wij moeten afleeren al wat wij geleerd hebben buiten Jezus Christus, zoo wij zijn jongeren willen zijn, gelijkerwijs het ons tot een begin der reine leer in het geloof is geweest, te verwerpen en te vergeten alle instellingen des pausdoms. En daarom gebiedt de apostel Timotheus niet de leer, die hij geleerd heeft zonder onderscheid te onderhouden: maar alleen die hij voorzeker weet dat waar is: door welk woord hij te kennen geeft, dat daarin oordeel en rijp onderscheid gebruikt moet zijn. Voorts, zoo schrijft hij zichzelven dit niet toe, als een gemeen man, te weten, dat hetgeen hij geleerd heeft, aangenomen moet worden voor goddelijke openbaring; maar hij maakt vrijmoedig bij Timotheus zijn aanzien grooter, welken hij wist dat zijn getrouwheid bekend was, en die zijn roeping voor goed bekende. Nu voor vast wetende, dat hij door een apostel van Christus geleerd was, kon hij hieruit verstaan, dat het geen menschelijke, maar Christus' leer was. Deze plaats vermaant ons, dat de hardnekkigheid zoo zorgvuldig moet verhoed worden, in dingen, die geen genoegzame zekerheid hebben (gelijk alle leeringen der menschen zijn) als in onbuigzame standvastigheid, de waarheid Gods te houden. Daarenboven zoo leeren wij hieruit, dat het geloof vergezelschapt moet zijn met verstand, om te onderscheiden tusschen Godes en des menschen woorden, opdat wij niet lichtelijk staande blijven op al hetgeen ons voorkomt: want daar is niets dat minder overeenkomt met den rechten aard des geloofs, dan een al te groote lichtvaardigheid in lichtelijk te gelooven: als men zonder onderscheid aanneemt al wat een iegelijk zegt, aangezien de voornaamste grond des geloofs is, verzekerd te

142

ocr page 147

2 TIMOTHEUS 3: 14—16.

zijn, dat men God voor een beschermer heeft. Dat hij daarbij voegt;

Dat de leer aan Timotheus is betrouwd geweest, is om zijn '

vermaning wichtiger te maken: want het is meer, als ons eenig

ding bij manier van een pand te bewaren is gegeven, dan eenvoudig

overgeleverd. En ook zoo was Timotheus niet onderwezen geweest .ï.l'

als een ander gemeen man; maar zijn onderwijzen strekte zoover,

dat hij ook anderen onderwijzen en leeren zou, wat hij geleerd had. i :

15 En dat gij van kinds af. Dit was ook geen kleine hulp, dat

hij van zijne jeugd aan gewoon was de Heilige Schrift te lezen; ^

want een oefening, die men zoo aanhoudend heeft, kan de mensch zeer versterken tegen alle bedrog. En daarom placht men hier voormaals daar zeer wel in te voorzien, dat degenen, die men bestemde om in de toekomst dienaars des Woords te worden, van kinds af onderwezen werden in de reine leer, en dat men ze zeer zorgvuldig opvoedde in het lezen der Heilige Schrift, opdat zij hun ambt bedienende, geen nieuwe onbeproefde leerkinderen zouden zijn. En 'i voorwaar, dit moet voor een zonderlinge weldaad Gods geacht zijn,

als iemand zoo van zijn kindsheid af in de kennis der Heilige Schrift onderwezen wordt. Die u wijs kunnen maken. Dit is een uitnemende lof der Heilige Schrift, dat men niet elders genoegzame wijsheid der zaligheid behoeft te zoeken, gelijk hij dat ook volko-mener uitdrukt, in den navolgenden zin. Nochtans zoo toont hij daarbenevens wat het is, dat wij in deze Schrift moeten zoeken;

want de valsche profeten hebben de Schrift ook tot een deksel. j:

Daarom, opdat zij ons nuttig ter zaligheid zij, zoo is het van noode, i

dat wij haar recht gebruik hebben. Want wat zal er van zijn, zoo 'Ai'-

wij ons alleen tot neuswijze kwestiën geven ? zoo men alleen op de 'ty

letter der wet blijft staan? en dat men Jezus Christus niet zoekt?

Wat zal er van zijn, zoo men den rechten zin der Schrift door duis- V'

tere kantteekeningen en eigen vindingen meer verwart en verderft?

En daarom zoo wijst hij ons te recht tot het geloof in Jezus Chris- '

tus, als tot het rechte wit, ja tot de hoofdsom der Schrift; want wat er volgt hangt aan dit geloof. \ ;

16 Al de Schrift is, of, de geheele Schrift is, hoewel daar geen t V onderscheid in is, zoo veel den zin belangt. Hij vervolgt dit prijzen, dat hij in weinig woorden had aangeroerd. En ten eerste zoo prijst hij de autoriteit der Schrift, daarna de nuttigheid, die daaruit komt. Om haar autoriteit of aanzien te beschermen, zoo zegt hij ','i; dat ze is van God ingegeven: want is het alzoo, de menschen be-

hooren ze zonder eenig tegenspreken aan te nemen met alle eerbieding. Dit is het beginsel dat onze religie onderscheidt van alle ■ andere, te weten, dat wij weten dat God met ons gesproken heeft, gt;',■ en gewisselijk verzekerd zijn, dat de profeten naar hun verstand niet gesproken hebben, maar als instrumenten des Heiligen Geestes alleen verkondigd hebben wat zij van boven ontvangen hadden. Die dan in de Heilige Schrift wil toenemen, die besluite allereerst bij zichzelven, dat de wet en profeten niet een leer zijn gegeven naar menschen vernuft en wil, maar van den Heiligen Geest gedicht.

Zoo men hier tegenwerpt: Hoe zal men dit kunnen weten? Ik antwoord, dat God openbaart een auteur daarvan te zijn, zoo wel den gt; leerlingen als leeraars, door de openbaring van dezen zelfden Geest. gt;■, Want Mozes en de profeten hebben niet lichtvaardig in het licht gebracht wat wij in Schrift hebben door hun handen, maar omdat i

143

M'

■ '

gt;

' ■■■ ' f

ocr page 148

2 TIMOTHEUS 3 :16, 17.

zij spraken, gedreven zijnde van Gods Geest, zoo hebben zij stou-telijk zonder eenige vreeze getuigd wat waar was, dat het Gods mond was die het gesproken had. Dezelfde Geest dan, die Mozes en de profeten verzekerde van hun roeping, geeft ook alsnu onzen harten getuigenis, dat Hij zich bediend heeft van hunnen dienst, om ons te leeren. Daarom moet men zich niet verwonderen, zoo sommigen twijfelen aan den auteur der Schrift. Want hoezeer nochtans zich de mogendheid Gods daarin vertoont, nochtans zoo zijn er geen menschen die oogen hebben, dan alleen degenen, die van den Heiligen Geest verlicht zijn : en dezen zien alleen, wat allen menschen wel behoorde zichtbaar te zijn, en nochtans is het niet zichtbaar dan voor de uitverkorenen. Dit is' het eerste deel, dat zulke eer-biedenis, als wij Gode toedragen, dat wij die ook der Schrift schuldig zijn, omdat ze van Hem alleen is gekomen, en niets men-schelijks met haar gemengd is. Nuttig tot leering. Dit is het andere deel van den lof over de Schrift, te weten, dat zij in zich begrijpt een volkomen regel, om wel en gelukzalig te leven. En dit zeggende, zoo geeft hij te kennen, dat ze door een verkeerd misbruik bedorven wordt, als men deze nuttigheid niet zoekt. En door dit middel zoo tast hij van bezijden die deugnieten aan, welke het volk met hun ijdele versieringen en droomen (den wind gelijk) wilden vergenoegen. Met dezelfde reden mogen wij ook hedendaags al degenen veroordeelen, die zonder eenige stichtelijke genegenheid diepzinnige kwestiën opwerpen, die met al hun scherpzinnigheid niet passend noch nut tot stichting bijbrengen. En ook zoo dikwijls als dergelijke scherpzinnige lichte beuzelingen voortgebracht worden, zoo moet men ze met dit schild wederstaan, te weten, dat de Schrift nuttig is. Waaruit volgt, dat het niet geoorloofd is, dat men ze zonder nut zal behandelen: want de Heere heeft onze neuswijsheid niet willen behagen, noch onzen roem willen toegeven, of ons stof willen geven om daarmede te snappen en te jokken, als hij ons de Heilige Schrift heeft gegeven, maar hij heeft gelet op ons nut. Daarom moet het recht gebruik der Heilige Schrift altijd strekken tot alle nuttigheid. Tot leering. Hij betoont hier bij stukken, tot hoe velerlei de Schrift nuttig is. En allereerst stelt hij de leering, gelijk ze ook wel waardig is de eerste plaats te hebben: want vermaning en straffing zouden nergens toedienen, zoo men niet eerst leerde. Maar omdat de leer alleen dikwijls koud is, zoo voegt hij daarbij: De bestraffing en verbetering. Voorts, zou hier te lang zijn, uit te leggen wat wij uit de Schrift leeren. En hij heeft al reeds in het kort onder dit woord geloof getoond, welke de hoofdinhoud daarvan is. Dit is dan de voornaamste wetenschap, het geloof in Jezus Christus; daarna zoo volgt de onderwijzing om het leven wel te reguleeren; daarna zoo komen de aanprikkelingen der vermaningen en bestraffingen. Aldus degene, die het rechte gebruik der Schrift weet, gelijk dat behoort, behoeft niets meer dat tot de zaligheid behoort, noch om wel te leven. Daar is geen groot onderscheid tusschen bestraffing en verbetering, dan alleen dat het laatste van het eerste komt: want het begin van berouw is kennis van ons kwaad, en het gevoelen van Gods oordeel. De onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, beduidt het middel om heilig en godzalig te leven.

17 Opdat de mensch Gods geheel. Het woord geheel, wordt genomen voor volkomen, of waaraan niets ontbreekt: want hij

144

ocr page 149

2 TIMOTHEUS 3 : 17—4; 1.

bevestigt eenvoudig, dat de Schrift genoegzaam is tot volkomenheid. Die dan met de Schrift niet tevreden is, wil wijzer zijn dan het wel betaamt of nuttig is. Maar men doet hier een vraag; aangezien de heilige Paulus van de Schrift spreekt, die onder het Oude Testament begrepen is, hoe kan het geschieden, dat ze den mensch ganschelijk volkomen maakt? want is het zoo, dan schijnt wat de Apostelen na dien tijd bijgevoegd hebben, overtollig te zijn? Ik antwoord, dat er niets bijgevoegd is, zooveel de substantie aangaat: want de schriften der apostelen bevatten niet anders dan een zuivere en rechte uitlegging van de wet en profeten, met de overlevering der voorzegde dingen. Hierdoor zoo geeft de heilige Paulus geen kwaad getuigenis van de Schrift: en nademaal zijn leer thans voller en klaarder is, door het bijkomen des Evangelies, wat zullen wij dan zeggen, dan dat veelmeer te hopen is, dat deze nuttigheid, waarvan Paulus spreekt, zich veelmeer openbaren zal, zoo wij ze willen onderzoeken en aannemen?

HET VIERDE HOOFDSTUK.

1 Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, die Bom. 1:9; de levenden en dooden oordeelen zal, in zijne verschijning en in a'cór. i:23; zijn koninkrijk: Gal.1!:20.

2 Predik het woord, houd aan tijdig en ontijdig, bestraf, dreig, fü. i : s. vermaan met alle lankmoedigheid en leer. i Ti'm's2 21

3 quot;Want er zal een tijd komen, dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen: maar zullen naar hun eigen begeerlijkheden leeraars opgaderen, als hun de ooren jeuken.

4 En zullen hun ooren van de waarheid afwenden, en zich keeren tot fabelen.

145

1

Dl. VI. io

2

dat alle menschen ze moeten lezen, maar dat de leeraars haar ook behooren te bedienen, hetwelk hun opgelegd is. Daarom gelijkerwijs al onze wijsheid besloten is in de Schrift, en dat wij niet behooren op andere plaatsen wetenschap te zoeken, noch de leeraars uit eenige andere fontein mogen putten: alzoo ook degene, die de hulp van de levende stem veracht, en zich vergenoegt met de stomme Schrift, die zal gevoelen wat groot kwaad het is, het middel der prediking te verachten, dat van God en Jezus Christus verordend is. Laat ons gedenken (zeg ik) dat het lezen der Heilige Schrift een iegelijk alzoo aangeboden is, dat nochtans intusschen het ambt der herders geenszins daardoor verhinderd behoort te zijn. Daarom zullen alle geloo-vigen hun best doen, om toe te nemen, zoowel in het lezen als in het hooren, omdat ze God het een zoowel als het ander niet te-

ocr page 150

2 TIMOTHEUS 4:1, 2.

vergeefs verordend heeft. En de heilige Paulus voegt daar een betuiging bij, als in een zaak waaraan zeer veel gelegen is, Timo-theus God voorstellende, als Degene die daarover wraak zal nemen en Christus als een Rechter, zoo hij niet volhardt in het predikambt. En voorwaar, gelijkerwijs God door een onuitsprekelijk pand getoond heeft, wat zorg Hij draagt voor de zaligheid zijner gemeente, als Hij zijnen eenigen Zoon niet gespaard heeft, zoo zal Hij ook de kerkendienaren niet ongestraft laten, als door hunne sloffigheid de zielen, die Hij zoo duur gekocht heeft, zullen omkomen of tot een roof worden uitgedeeld. Hij staat voornamelijk op het oordeel van Christus: omdat de dienaren des Woords zijn persoon vertoonen: ook zal Hij strenger rekenschap vorderen van hun kwade bediening. Die de levenden en dooden zal oordeelen. Dat is te zeggen, degenen die Hij in zijn toekomst nog levend zal vinden: en ook die tevoren gestorven zijn. Zoo zal er dan niet ee'n zijn, die zijn oordeel ontvlieden zal. De verschüning van Christus en zijn Koninkrijk, beteekenen hetzelfde; want hoewel Hij nu in den hemel en op aarde regeert, nochtans zoo is zijn rijk nog niet klaarlijk geopenbaard: maar is veeleer verborgen in duisternis onder het kruis, en wordt aangevochten door geweld zijner vijanden. Alsdan zal zijn rijk waarlijk opgericht zijn, als Hij al zijn vijanden ten onder gebracht heeft, en alle tegenpartij verslagen en vernietigd heeft, en zijn majesteit vertoond wordt.

2 Houd aan tydig en ontijdig. Door deze woorden prijst hij niet alleen de gedurigheid aan, maar ook de inspanning, die alle beletselen en zwarigheden te boven komt. Want omdat wij uit eigene natuur te slap en traag zijn, zoo worden wij lichtelijk verwonnen dooide minste beletselen, die daar kunnen komen, ja wij zoeken ook somtijds gaarne beschermingen, om onze traagheid eenen schijn te geven. Laat ons nu aanmerken met hoeveel middelen de satan gewapend is, om onzen loop te beletten: en wat meer is, hoe traag zij zijn om na te volgen, die daar geroepen zijn, en hoe ze terstond vermoeid en verdrietig zijn om goed te doen. Daarom zal het Evangelie niet veel plaats behouden, tenzij de dienaars des Woords ook op ontijden prediken. Voorts, zoo strekt deze ongelegenheid zoowel op de dienaars des Woords, als op het volk. De dienaar des Woords, dat hij zijn ambt niet alleen bediene op zijn gezette uren, of zooals het hem gelegen komt, maar dat hij zichzelven geen rust late, moeite noch arbeid sparende. Zoo men het volk aanziet, zoo is der dienaren vlijtigheid niet aangenaam, als men naarstigheid doet om degenen die zeer slap zijn voort te drijven, als men de hand uitsteekt om die tegen te houden die elders loopen, als men de ijdele bekommeringen van deze wereld bestraft. Hij beveelt hem te prediken met strafdreiging en vermaning, waarin hij te kennen geeft, dat ons veel prikkels van noode zijn, om ons den rechten weg te doen navolgen: want zoo die lichte leerzaamheid in ons ware, die er wel behoorde te wezen, een dienaar van Jezus Christus zou ons alleen met één wenk tot zich trekken. Maar nu zijn de gematigde vermaningen niet genoegzaam, ik verzwijg goeden raad, tenzij daarbij gevoegd worden groote bestraffing en heftige bedreigingen. Met alle lankmoedigheid. Deze uitzondering is grootelijks van noode; want de bestraffingen vallen vanzelf neer door vurig geweld, of zij vergaan als rook, tenzij zij op de leer rusten; want de vermaningen en be-

146

ocr page 151

2 TIMOTHEUS 4 : 2, 3. 147

straffingen zijn alleen behulpselen van de leer, en hierom baten zij weinig zonder de leer. Zij zullen ze tot een exempel nemen, die anders niets dan hittigheid en bitterheid gebruiken: en die met geen vastgegronde leer voorzien zijn: want zij arbeiden veel, en roepen met luide stemmen, en maken groot gerucht, en dit al zonder eenige nuttigheid, omdat ze timmeren zonder fondament. Ik spreek van degenen, die behalve dit, niet boos zijn, maar die niet wijs zijn, en te zeer hittig. Want degenen, die al hun heftigheid bijbrengen die ze hebben, om de gezonde leer tegen te staan, zijn veel gevaarlijker, en zijn niet waardig dat men hen hier vermane. In één woord, de heilige Paulus wil hebben, dat de bestraffingen gegrond zullen zijn in de leer, opdat ze met recht niet verworpen worden als lichtvaardig en van kleine waarde. Ten tweede, zoo wil hij, dat de scherpheid geminderd worde met zoetigheid of lankmoedigheid: want daar is niets zwaarder, dan verhit zijnde, onze hittigheid te bedwingen. Als wij dan van ongeduld gedreven worden, zoo weten wij van geen ophouden, en doen geen winst: want boven hetgeen onze bitterheid tot spot strekt, zoo vergramt ze nog der men-schen harten. Daarbij gevoegd, dat het grove straffe volk de hardigheid dergenen niet kan verdragen, waar het mede te doen heeft, en het verdriet en de wederwaardigheid niet kan verzwelgen, welke wij nochtans moeten verteren, zoo wij willen toenemen. Daarom moet men met de straf lankmoedigheid mengen, opdat men bekennen kan, dat zij uit een vreedzaam hart komt.

3 Want er zal een tijd komen. Uit dezelfde verkeerdheid der menschen toont hij, hoe zorgvuldig de dienaars des Woords moeten zijn, omdat het zeer haast geschieden zal, dat het Evangelie zal worden uitgebluscht, en uit 's menschen gedachten verdwijnen, tenzij de getrouwe dienaren hun uiterste best doen om dat te beschermen. Inmiddels dewijl daar nog eenige eerbied van Christus is, zoo geeft hij te kennen, dat men de bekwaamheid des tijds waarnemen zal: even alsof iemand, den naderenden storm ziende, zeide dat men niet slap moest arbeiden, maar zich met allen vlijt haasten, omdat men zulk een gelegenheid van tijd terstond daarna niet zou hebben. Als hij zegt: Dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, daarmede geeft hij te kennen, dat men de gezonde leer niet alleen zal verachten en versmaden, maar dat men ze ook zal haten. Hij noemt ze gezonde leer, krachtens haar gevolg, gelijk hij gemeenlijk doet, omdat ze ons waarlijk vormt tot de vreeze des Heeren. Hij noemt deze leer een weinig daarna ook waarheid, alsof hij zeide: De ware en natuurlijke uitlegging of handeling van het Woord Gods. En stelt ze tegen de fabelen, dat is te zeggen, onnutte menschenvonden, waardoor de eenvoudigheid des Évangelies gebroken wordt. Laat ons dan allereerst hieruit leeren, dat hoe grooter gemeenlijk de hoogmoed der menschen is om de leer van Christus te verachten, zooveel te vlijtiger behooren de getrouwe dienaars van Christus te zijn om dezelve te beschermen, en te meer arbeid te doen, opdat ze geheel blijve: en niet alleen dit, maar ook des satans voornemen door hun zorgvuldigheid voor te komen. Heeft men dit weieens op zekeren tijd moeten doen, zoo is het alsnu meer dan noodig, door de groote ondankbaarheid der menschen. Want degenen, die het Evangelie nu in den beginne met groote genegenheid aangrijpen, en een zeer grooten ijver toonen te heb-

ocr page 152

2 TIMOTHEUS 4:4.

148

ben, krijgen een weinig tijds daarna daarvan een walging, en ten laatste spuwen zij dat weder uit. Daar zijn ook anderen, die het in 't eerst zeer toornig verwerpen, of zij hooren er met alle verachting naar, en spotten daarmede. De anderen die niet lijden willen, dat men hun het juk op de schouderen legt, die aarzelen, en de heilige tucht hatende, vervreemden zij ganschelijk van Christus; en wat meer is, van vrienden worden ze openbare vijanden. Nochtans zoo moet men tegen zoodanige groote ondankbaarheid strijden, ja men moet er zich nog zooveel te meer tegen sterk maken, dan of ze al te zamen al willens den aangebodenen Christus aannamen, zoover is het er van af, dat wij, den moed verloren gevende, zouden moeten wijken. Daarenboven, vermaand zijnde van al zulke versmading des Woords Gods, ja van een zoo plompe verwerping, zoo moeten wij niet nederzitten, alsof dit een nieuw schouwspel ware, aangezien inderdaad alles vervuld is, wat de Heilige Geest hier verkondigt, dat geschieden zou. En voorwaar, omdat wij van nature genegen zijn tot ijdelheid, zoo is het geen nieuw noch ongewoon ding, zoo wij ons liever tot fabelen overgeven dan tot de waarheid. Daarbij gevoegd, dat de leer des Evangelies, die eenvoudig en verwerpelijk schijnt te zijn, eensdeels onzen hoogmoed niet tevreden kan stellen, noch ook onze neuswijsheid genoegdoen. Och, hoe weinig zijn er nu die met den geestelijken smaak begaafd zijn, opdat hun de nieuwigheid des levens wel mocht smaken, en al hetgeen wat ze bevat. Hoewel de heilige Paulus hier profeteert van eene goddeloosheid in een zekeren tijd, die alstoen nog niet was, wil hij hebben, dat Timotheus intijds daarin zal voorzien. En zullen zich opgaderen. Dit woord opgaderen of vergaderen, moet wel aangemerkt zijn: waardoor hij te kennen geeft, dat de uitzinnigheid der menschen zoo groot zal wezen, dat zij niet tevreden zullen zijn een klein getal van bedriegers te hebben, maar dat ze een groote menigte zullen begeeren: want gelijk de begeerlijkheid van ijdele en schadelijke dingen onverzadelijk is, zoo vergadert de wereld ook middelen van alle kanten, en zonder mate, en zoovele als zij er kan droomen en verzinnen, waardoor ze zichzelven verderft. En de duivel heeft altijd zulke leeraars met groote menigte bij de hand, die de wereld begeert: want der boozen aanwas is altijd zeer vruchtbaar geweest, gelijk die nog hedendaags is. Daarom heeft de duivel nimmermeer dienaars gebrek, om te bedriegen, alzoo hij ook nimmermeer stof gebrek heeft om alzulks te doen; want de zeer groote verkeerdheid, die bijna altijd onder de menschen heerscht, verdient dit wel dat ze God verwerpen of Hem en zijn zalige leer verachten, en dat ze de leugen liever aannemen. Daarom dat er nu dikmaals valsche leeraars oprijzen, en als een zwerm bijen zweven, laat ons dit aan de rechtvaardige wrake Gods toeschrijven; want wij zijn waardig dat wij overvallen en verdrukt worden met zulke kwaadheid, aangezien Gods waarheid geen plaats onder ons vindt, of als zij plaats verkregen heeft, zoo wordt ze terstond uit haar bezit gejaagd. En ook zijn wij zoozeer overgegeven tot fabelachtige leeringen, dat geen menigte der bedriegers ons te veel kan zijn. Alzoo in 't pausdom; wat een groote mengelmoes van monniken zijn daar ? Zoo men onderhouden en voeden moest een dienaar des Woords, in zijn ambt oprecht en getrouw, in de plaats van tien monniken, of zooveel mispapen, terstond zou men anders niet

ocr page 153

2 TIMOTHEUS 4:4, 5. 149

hooren dan klachten over de zeer groote kosten. Daarom is dit des werelds aard, zij vergadert te hoop door een onverzadelijke begeerte ontallijke bedriegers, en wenscht uit te roeien al hetgeen dat van God is. En er is geen andere oorzaak van zooveel dwalingen, dan dat de menschen met opzet en voornemen liever willen bedrogen zijn, dan oprechtelijk geleerd. Dit is het wat de heilige Paulus daarbij voegt van de jeuking der ooren. Want als hij de oorzaak van zoo groot kwaad wil aanwijzen, zoo gebruikt hij een zeer gepaste beeldspraak, waardoor hij te kennen geeft, dat de menschen zoo lekkere ooren zullen hebben, en zoozeer nieuwsgierig en begeerlijk tot wat nieuws, dat ze veel leeraars en meesters overhoop zullen slaan, en zich telken reize door nieuwe vonden her- en derwaarts laten voeren. Het eenige hulpmiddel om in dit gebrek te voorzien, is, dat de geloovigen zullen vermaand worden,

om naar de zuivere leer des Evangelies te hooren.

5 Maar. gij, wees wakker in alle dingen: lijd verdrukking, doe het werk van een evangelist, maak uwe beroeping zeker.

6 Want ik word nu geofferd, en de tijd mijner verscheiding is nabij. 2 Petr-1; 14-

7 Ik heb den goeden kamp gekampt, den loop heb ik geëindigd,

ik heb het geloof behouden;

8 Voorts is mij de krone der rechtvaardigheid weggelegd, welke * Con 9^26. mij in dien dag geven zal de Heere, die een rechtvaardig rechter is, en niet alleen mij, maar ook allen, die zijne toekomst beminnen.

5 Maar gü, wees wakker in. Hij vervolgt de voorgaande vermaning, te weten, hoe zwaarder de ziekten worden, met zooveel te meer zorgvuldigheid zal Timotheus zijn uiterste best doen om die te genezen: en zooveel te meer als de gevaren naken, zooveel te scherper wacht zal hij houden. En omdat den getrouwen dienaren van Christus terstond veel strijd bereid is, als zij hun ambten getrouwelijk bedienen, zoo vermaant hij Timotheus ook dat hij standvastig en onverwinnelijk zal zijn, om allen tegenspoed te lijden, die hem mocht overkomen. Doe het werk van een evangelist. Dat is alles te doen wat een evangelist toebehoort. Voorts zoo is 't onzeker, of hij met dit woord alle dienaars des Evangelies wil aanwijzen, dan of dit eenig bijzonder ambt is geweest. Tot dit tweede ben ik meest genegen, omdat men uit het 4ae hfdst. aan de Efeziërs duidelijk zien kan, dat er een overgang geweest is tusschen de apostelen en herders: alzoo dat de evangelisten de naaste helpers der apostelen waren. En alsnu zoo is het waarschijnlijker, dat Timotheus,

dien de heilige Paulus voor zijnen naasten medehelper in alle dingen genomen had, in waardigheid van ambt en staat is geweest boven andere gemeene leeraars: dan dat men zeggen zou, dat hij een van die is geweest. Daarna, dat hij zoo heerlijk van zijn ambt spreekt,

dient zoowel om hem moed te geven, als om zijn autoriteit groot te maken bij anderen: op welke twee zaken de heilige Paulus gezien heeft. Maak uwe beroeping zeker. Zeggen wij in dit laatste deel van deze plaats: Volbreng uw ambt, gelijk de oude overzetting heeft, zoo zal de zin aldus zijn: Gij kunt anders den last niet volbrengen, die u opgelegd is, dan te doen hetgeen ik u bevolen

ocr page 154

150 2 TIMOTHEUS 4:5, 6.

heb; daarom zie toe, dat gij niet halverwege blijft steken. Maar ThypoCpo- omdat het Grieksche woord, hetwelk hier gesteld is, somtijds be-psïv. duidt geloof maken of verzekeren, zoo behaagt mij deze zin beter, en komt ook met het verband best overeen. Als Timotheus zal waken, en alle kwellingen lijdzamelijk verdragen, in het prediken volharden, zoo zal het ook geschieden, dat de waarheid van zijn ambt verzekerd en bevestigd zal worden, te weten, omdat zij hem door zulke teekenen al te zamen kennen zullen voor een goeden en getrouwen dienaar van Jezus Christus.

6 Want ik word nu geofferd. Hier stelt hij de oorzaak van zijne betuigingen, die hij hiervoren zoo ernstig heeft gedaan, alsof hij zeide: Zoolang als ik geleefd heb, is u van mij de hand gereikt, gij hebt geen gebrek gehad aan mijn gedurige vermaningen, mijn raad heeft u grootelijks geholpen, en mijn exempel heeft u tot groote bevestiging gediend: maar nu is het tijd, dat gij uzelven leert en vermaant, en dat gij alsnu alleen zonder hulpe begint te leeren zwemmen: zie wel toe, dat men geen verandering in u bevindt door mijn sterven. Wijder, zoo moet deze manier van spreken aangemerkt zijn, waarmede hij zijn dood te kennen geeft. Door het woord verscheiding beduidt hij, dat wij stervende niet gansch vergaan, omdat de ziel alleen van het lichaam scheidt: waaruit wij verstaan, dat de dood niets anders is dan een scheiding der ziel van het lichaam, welke verklaring de onsterfelijkheid der zielen bevestigt. De offering komt bijzonder met den dood van Paulus overeen, welken hij leed om de waarheid van Christus te beschermen: want hoewel alle geloovigen zoowel gehoorzaam levende als stervende, Gode aangename offeranden zijn, nochtans zoo zijn de martelaren opgeofferd op eene uitnemender wijze, stortende hun bloed om den naam van Jezus Christus. Voeg daarbij, dat het woord, hetwelk de TTTévSsg- heilige Paulus hier gebruikt, niet alle manieren van offeranden beteekent, maar die daar dienen om verbonden te bevestigen. Zoo beduidt dit woord dan op deze plaats, wat hij duidelijker uitdrukt in het tweede hfdst. aan de Filippensen vs. 17, als hij zegt: En ofschoon ik geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs, zoo ben ik blij: want hij meent daar, dat het geloof der Filippensen zal bevestigd worden door zijn dood, meer of minder, gelijk de verbonden voormaals plegen bevestigd te worden, door het dooden der opgeofferde beesten. Niet dat de zekerheid van ons geloof (om zoo te spreken) gegrond is in de volstandigheid der martelaren, maar omdat ze grootelijks dient om ons te bevestigen. De heilige Paulus heeft hier dan zijn dood versierd met een schoon getuigenis, als hij dien genaamd heeft een bevestiging van zijne leer: opdat de geloovigen te meer bewogen zouden zijn om volstandig te blijven, dan den moed verloren te geven, gelijk het dikmaals gebeurt. En de tijd mijner verscheiding. Deze manier van spreken moet ook aangemerkt zijn, omdat hij de verschrikking en vreeselijkheid des doods zoo bekwamelijk verkleint, toonende zijn aard en kracht: want waardoor komt toch, dat de menschen zoo groote verschrikking hebben, en zoozeer verslagen zijn, zoo haast en zoo dikmaals als zij hooren van sterven, dan dat zij meenen ganschelijk te vergaan, als zij sterven? Integendeel, de heilige Paulus hem noemende een ontbinding of scheiding, loochent dat de mensch vergaat, en leert, dat de ziel alleen gescheiden wordt van het lichaam. En dit

V I :

- ■' , n

ocr page 155

2 TIMOTHEUS 4:6—8.

doet hem stoutelijk zeggen, dat de tijd nabij is, hetwelk hij niet zou kunnen doen, zoo hij niet den dood versmaadde: want hoewel deze genegenheid natuurlijk is, waarvan wij nimmermeer ganschelijk kunnen verlost zijn, te weten, dat de mensch den dood vliedt, en hem heeft in verschrikking, nochtans zoo moet men deze vrees door het geloof overwinnen, opdat zij ons niet belette gehoorzaam van hier te scheiden, zoo dikwijls als ons de Heere zal roepen.

7 Ik heb den goeden kamp gekampt, den loop. Omdat gemeenlijk, naardat 's menschen einde is, het oordeel is, zoo kon de kamp van den heiligen Paulus als kwaad geoordeeld zijn geweest, nade-maal zijn einde niet te gelukkig scheen; en hierom zoo roemt hij van zijn kamp, hetzij ook hoedanig des menschen oordeel hiervan zij. En dit is een getuigenis van een uitnemend geloof: want hij was niet alleen ellendig geacht, naar aller menschen meening, maar hem naderde ook een zeer schandelijke dood. Wie zou hem nu in het kampen niet ongelukkig hebben geacht? Dan, hij hangt niet aan der verkeerde menschen oordeel, maar verheft zich veeleer met groothartig gemoed boven alle kwellingen en ellenden, opdat er niets zij, hetwelk zijn zaligheid en heerlijkheid belette. Hij geeft dan te kennen, dat de kamp, dien hij gekampt heeft, goed en eerbaar is, en verheugt zich in 't gezicht van den dood: omdat die het rechte einde zijns loops is. Wij weten, dat degenen, die zich in het loopen oefenen, hun wenschen vervuld zien, als zij op het einde zijn. Insgelijks geeft hij hier ook te kennen, dat de dood van de Christelijke ridders gewenscht wordt, omdat die een einde van al hun arbeid is, en daarbenevens zoo vermaant hij ons daartegenover, dat wij nimmermeer in dit leven moeten rusten: want het baat niet, dat wij vlijtig geloopen hebben van het begin der loopbaan, tot den halven weg, tenzij men tot het einde komt, dat daarop volgt. Dat hij het geloof heeft behouden, kan in tweeërlei zin verstaan worden, te weten, dat hij een getrouw krijgsknecht onder zijn hoofdman tot het einde toe is geweest, of dat hij volstandig geweest is in de rechte leer. Beide komen ze zeer wel met den tekst overeen. En voorwaar, hij kan zijn getrouwheid voor den Heere niet beter loflijk maken, dan de leer des Evangelies te verkondigen, en gedurig voor te staan. Nochtans zoo twijfel ik niet, hij heeft hier een toespeling willen maken op den eed, dien de krijgsknechten doen, als zij worden ingeschreven om ten oorlog te trekken: alsof hij zeide, dat hij een goed krijgsknecht is geweest, vroom en getrouw voor zijn Hoofdman.

8 Voorts. Gelijkerwijs hij zich beroemd heeft over zijn kamp en de vervulling van zijn loop, en over zijn behouden geloof, zoo bevestigt hij ook alsnu, dat hij niet tevergeefs heeft gearbeid: want het kan wel geschieden, dat er een zal wezen, die zeer grooten arbeid zal doen, en nochtans bedrogen worden in het loon, dat men hem schuldig is: maar de heilige Paulus zegt, dat hij van zijn loon verzekerd is. Deze zekerheid komt hieruit, dat hij zijn oogen op den dag zijner opstanding slaat, hetwelk wij ook moeten doen; want laat ons zien naar wat einde wij willen, er verschijnt niets dan de dood. Daarom, zoo moeten wij niet blijven hangen in het aanzien der wereld, maar veelmeer onszelven voorstellen de toekomst van Christus. Hierdoor zoo zal 't geschieden, dat er niets zal zijn, dat onze zaligheid zal verminderen. Verder, omdat hij hier noemt

151

ocr page 156

152 2 T1M0THEUS 4:8.

.quot;:

de krone der rechtvaardigheid, en den rechtvaardigen rechter, ^ en dit woordje wedergeven gebruikt; hieruit doen de papisten

hun best om de verdiensten der werken op te bouwen, en om daarmede een bolwerk te maken tegen de genade Gods. Maar hun reden is ijdel: want de rechtvaardigmaking, die uit de genade Gods komt, die ons door het geloof gegeven wordt, strijdt ganschelijk niet met de vergelding der werken: maar veelmeer komen deze twee zeer wel overeen, dat de mensch uit genade gerechtvaardigd )■! ' -i is door Christus' weldaden, en dat God hem nochtans loon zal

. / geven van zijne werken; want zoo haast als God ons aangenomen

|^y heeft in genade, zoo ontvangt Hij ook onze werken voor aange

naam, zoodat Hij ze wel zelve loon toeschikt, ofschoon Hij het niet schuldig is te doen. Doch de papisten dwalen hierin op tweeërlei manier. Ten eerste, dat zij hier uitzonderen, dat wij de genade Gods verdienen, omdat wij goed doen door de kracht van onzen vrijen wil. Daarna, als ze God ons alzoo verbinden, minder of meerder, dan of ons de zaligheid van elders kwame dan door zijn ,,, genade. Dan, dit volgt niet, al is het dat God rechtvaardig weder-

rTJ' geeft, wat Hij geeft, dat Hij ons daarom iets schuldig is, want Hij

is rechtvaardig, ja ook in de goedheid, die uit genade of voor niets geschiedt. En Hij geeft het loon, dat Hij beloofd heeft, niet dat wij hetzelve voorkomen door eenigen dienst, maar omdat Hij volhar-^dende in dezelfde mildheid, die Hij aan ons is begonnen te bewijzen, aan ons vervolgt genade op genade te doen. Zoo is het dan ten onrechte en tevergeefs, dat de papisten hun best doen, om door deze plaats te bewijzen, dat de goede werken uit de kracht van den goeden wil komen: aangemerkt dat er geen zwarigheid is te zeggen, dat God zijne werken in ons kroont. Het is ook niet minder tevergeefs en dwaselijk gearbeid, dat ze hun best doen, om hierdoor de gerechtigheid des geloofs te vernielen, aangezien de goedheid Gods, door welke Hij den mensch om niet bemint, hem niet toerekenende zijn zonden, geenszins met de vergelding der werken strijdt, welke Hij wedergeven zal, door dezelfde mildheid, waarmede Hij de beloften heeft gedaan. En niet alleen mij. Opdat alle andere menschen met hem even wèlgemoed zouden kampen, zoo noodigt hij ze ook al te zamen mede tot de deelachtigheid van deze kroon. /,f' ; Want zijn onverwinnelijke standvastigheid zou ons niet tot een

'.'■•'t,: exempel kunnen dienen, zoo niet dezelfde hope deze kroon te

' ' ■' verwerven, allen menschen voorgesteld ware. Hij wijst de godzaligen

■ /■; hier met een bijzonder teeken aan, als hij zegt: Al degenen, die

zijn toekomst beminnen. Voorwaar, waar het geloof eenige kracht j, •. zal hebben, daar zal het de zinnen niet slaperig laten zijn in deze

wereld, maar het zal ze verheffen in de hope op de laatste opstanding. Zoo geeft hij dan te kennen, dat al degenen die zoo gansch overgegeven zijn tot deze wereld, en dit vergankelijk leven beminnen, die ; naar de toekomst van Christus niet vragen, en geen begeerlijkheid

daarnaar hebben, zich berooven van de onsterfelijke heerlijkheid. Wee ,,:. r dan onze plompe onverstandigheid, die ons alzoo bedwongen houdt,

dat wij nimmermeer van harte op de toekomst van Christus denken, ïX]/ waarnaar nochtans al hetgeen in ons is, zich behoorde heen te strekken.

gt; 'ïiï Daarenboven door ditzelfde woord sluit hij ze uit het getal der geloo-

.i|Y« vigen, denvvelken de toekomst van Christus vreeselijk en verschrik-

kelijk is, welke niet bemind kan worden, tenzij ze zoet en lieflijk is.

P!

•S;'

ocr page 157

2 TIMOTHEUS 4:9—12.

9 Benaarstig u haastelijk tot mij te komen.

10 Want Demas heeft mij verlaten, naardien hij lt;le tegenwoor-ledige wereld heeft liefgekregen, en is naar Thessalonika gereisd, Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.

11 Lukas is alleen bii mii. Neem Markus mede, en breng hem Col. 4; u.

...... , .. Hand, 16:37.

met u, want hij is mij nut tot den dienst. Col. 4:10.

12 Tychicus heb ik naar Efeze gezonden. Haf™' 'iï- -i

13 Als gij komt, zoo breng den reismantel ') dien ik te Troas liet Col. 4:7. bij Carpus, en de boeken, voornamelijk de perkamenten. Jjeof' kofler'

g Benaarstig. Wetende, dat de tijd van zijn dood nabij was, zoo twijfel ik niet, of hij had vele zaken, waarvan hij met Timotheus in zijn tegenwoordigheid wilde spreken, tot groot voordeel en nuttigheid der gemeente. En daarom zoo maakt hij geen zwarigheid hem te ontbieden uit een landschap, dat over zee gelegen was.

Voorwaar het is geen kleine zaak geweest, waarom hij hem ontbood uit een der gemeenten, waarover hij gesteld was, en dat daarenboven uit zoo verre plaats. Men kan hieruit afleiden, hoeveel gewicht de samensprekingen van zulke mannen heeft: want wat Timotheus in zeer korten tijd had geleerd, zou allen kerken een langen tijd zeer nuttig zijn, alzoo dat het verlies van een half of geheel jaar, bij de vergoeding zeer klein te achten was. En nochtans zoo blijkt door wat er volgt, dat de heilige Paulus Timotheus bij zich ontbiedt, ook om zijn eigen zaken, omdat hij getrouwe dienaars gebrek had: hoewel hij hetgeen zijn persoon aanging niet stelde voor het welzijn der gemeenten, maar omdat dit de leer des Evangelies aanging, die allen geloovigen gemeen is. Want gelijk hij dezelfde leer in zijn banden verdedigde, zoo was het ook van noode,

dat er anderen zouden zijn, om te helpen tot deze verdediging.

10 De tegenwoordige wereld hebbende liefgekregen. Het is voorwaar een zeer schandelijke daad van zulk een persoon geweest,

de liefde dezer wereld vóór Jezus Christus te stellen: nochtans moet men niet denken, dat hij Christus ganschelijk verloochend heeft,

en zich wederom tot alle goddeloosheid heeft begeven, of tot de ijdelheid en de aanlokselen dezer wereld: maar hij had alleen zijn eigen gemak en rust liever dan het leven van Paulus. Hij kon Paulus niet bijstaan zonder veel zwarigheden, benauwdheden en gevaar zijns lijfs. Hij moest veeL lieden een schande zijn, veel wederwaardigheden moest hij opeten, hij werd gedwongen zijn eigen zaken te laten varen; verwonnen dan zijnde van het verdriet des kruises, zoo heeft hij in zijn eigen zaken willen voorzien. En ongetwijfeld, de wereld heeft hem al een weinig zoet aangestaan. Dan, men kan hieruit wel merken, dat hij een van de voornaamste is geweest, omdat hem de heilige Paulus ook noemt onder zeer weinigen in den brief aan de Colossensen 4 : 24 en insgelijks in den brief aan Filemon vs.

24, waar hij hem ook stelt onder het getal van zijne medehelpers. En daarom moet men zich niet verwonderen, zoo hij hem hier wat hard aantast, nademaal hij meer op zichzelven gezien had, dan op Christus. De anderen, waarvan hij daarna vermaant, waren van hem niet gescheiden dan om rechte en goede oorzaak, en dat met Paulus believen. Waaruit ook blijkt, dat Paulus zich zoo niet gezocht heeft,

dat hij de gemeenten berooven wilde van hunne herders, maar dat hij ze alleen begeerd heeft, om daar eenige verlichting van te

153

ocr page 158

154 2 TIMOTHEUS 4:12, 13.

hebben. En voorwaar, men moet niet twijfelen, of hij heeft altijd deze zorg gehad tot zich te roepen, of bij zich te houden dengenen, wiens afwezen de andere kerken niet schadelijk was. Om deze reden had hij Titus afgezonden naar Dalmatië, en anderen op andere plaatsen, als hij Timotheus ontbood bij hem te komen. En wat meer is, opdat in het afwezen van Timotheus de gemeente van Efeze niet onvoorzien van dienaars blijve, zoo noemt hij Tychicus, en geeft dat Timotheus te kennen, opdat hij weten mag, dat er een zal komen, die in zijn afwezen zijn ambt zal bewaren.

13 Breng den reismantel, dien ik te Troas liet by. Aangaande het Grieksche woord, hetwelk overgezet is reismantel, daar zijn • verscheidene uitleggingen van. Sommigen zeggen, dat het is een

koffertje of kastje, waarin men boeken of iets anders kon : ,! ■ sluiten; anderen meenen, dat het een soort van kleed is geweest

; om in het reizen te gebruiken, eigenlijk tegen wind en regen die

nende. Dan, wat men nu neemt van deze twee, hoe kan het komen dat de heilige Paulus van zoo verrre plaats zulks hem wil gebracht hebben, hetzij een reismantel of een koffer ? Even alsof er geen arbeidslieden binnen Rome waren geweest, of dat er laken of hout gebrek was. Zeggen wij, dat het een koffer was vol papieren, boeken, brieven, zoo is de twist neergelegd: want zulks was voor geen geld te Rome te koop. Dan, omdat sommigen dit vermoeden niet aannemen, zoo ben ik tevreden, dat het vertaald worde door een reismantel. En daar valt geen zwarigheid, omdat Paulus ze van zoo verre doet komen, omdat ze hem gemakkelijker was, aangezien hij dien langen tijd gebruikt had. En ook dat hij de kosten wilde '■v quot; sparen, om een ander te koopen. Hoewel, om de waarheid te

zeggen, de eerste' uitlegging behaagt mij beter, aangemerkt hij terstond daarna, van boeken en perkamenten vermaant: waaruit ook blijkt, dat de heilige Paulus niet opgehouden heeft in het lezen, ■ ' hoewel hij zich alsnu bereidde tot den dood. Waar blijven nu degenen,

die zoover meenen gekomen te zijn, dat zij geenerhande oefening 5^0 meer van noode hebben? Wie is er, die zich zal durven vergelijken

met den heiligen Paulus? Zooveel te meer wordt ook door dit woord neergelegd en valsch gemaakt, de razernij van de uitzinnige menschen, die de boeken verwerpen, en alle lezen voor kwaad oor-/1.1 , deelen, zich anders nergens mede roemende, dan met hun Godde-

iJUf? Hjke inblazingen. Maar wij zullen denken en weten, dat het gedurige

lezen allen geloovigen hier wordt aangeprezen, als een middel van God verordend, om toe te nemen. Iemand kon vragen, wat had Paulus een mantel of rok te ontbieden, toen hij gevoelde, dat hem # de dood zoo nabij was ? Deze zwarigheid beweegt mij ook, dat ik

het liever van een koffertje versta. Hoewel hij toen eenige oorzaak kon hebben, die ons thans onbekend is, waarom hij dezen rok wilde hebben. Derhalve kwel ik mij niet zeer om deze dingen.

• I i1'

.1 i

14 Alexander, de smid, heeft mij veel kwaads bewezen, de Heere 1 Tim. 1:20. vergelde hem naar zijne werken.

W. 15 Van welken wacht u ook, want hij heeft onze woorden zeer

tegengestaan.

16 In mijn eerste verantwoording stond mij niemand bij, maar V.^ /; zij verlieten mij allen. Het worde hun niet toegerekend.

''■jm!'* Maar de Heere stond mij bij, en versterkte mij: opdat de

Pa

J

• :lt; I

'v r v t. '

•I y - ,•, ;gt;•

•Vi

i • ?

ocr page 159

2 TIMOTHEUS 4 : 14—16.

uitroeping door mij zou bevestigd worden, en al de heidenen hooren zouden. En Hij heeft mij verlost uit den muil des leeuws.

18 En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot zijn hemelsch koninkrijk, denwelken zij eere van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

19 Groet Prisca en A'quila, en het huisgezin van Onesiforus. EoSf l«^32

20 Erastus is te Corinthe gebleven, en Trofimus heb ik te Milete 2' Tiin, iWe krank gelaten. _ _ land. mV*

21 Doe naarstigheid om voor den winter te komen. U groeten 21:29. Eubulus en Pudens, en Linus en Claudia, en al de broeders.

22 De Heere Jezus Christus zij met uwen geest. De genade zij met u. Amen.

14 Alexander, de smid. In dezen mensch is een verschrikkelijk voorbeeld van afval geschied. Hij had zekere genegenheid bewezen,

om het rijk van Jezus Christus te bevorderen, van hetwelk hij zich na dien tijd openbaar vijand verklaard heeft, en vijandelijk bevochten. Nu is het alzoo, dat er geen boozer, zorgelijker, noch venijniger vijanden zijn, dan zulken. Maar van den beginne heeft de Heere gewild, dat zijn kerk van zoodanigen niet geheel zoude vrij en ontlast zijn, opdat wij den moed niet zouden verloren geven, als wij dergelijke verzoekingen lijden. Hier moet aangemerkt zijn, welke het groote kwaad is, waarvan de heilige Paulus klaagt, dat hem Alexander heeft bewezen, dat is, dat hij zijn leer is tegen geweest. Hij was een smid,

die in de scholen niet onderwezen was, om een groot disputeerder te zijn: maar de vijanden uit eigen kring zijn altijd meer dan genoeg onderwezen geweest, om hinderlijk te zijn. En de oneerlijkheid van zulke lieden vindt altijd volk op deze wereld, die hun geloof geven,

alzoo dat dikwijls een kwade onwetendheid die onbeschaamd is, meer moeite en beletselen zal doen, dan een scherpzinnige en verstandige geest, die wetenschap heeft. Voeg daarbij, dat de Heere als Hij zijn dienaars te kampen stelt met zulke uitvaagselen, zoo wil hij voornamelijk hebben, dat ze geen opzicht hebben zullen op deze wereld,

opdat zij zichzelven in hunlieder grootheid, schijn en opschik niet behagen. Nu dan kan men uit de woorden van Paulus verstaan, dat hem niets zwaarders te dragen was, dan als men tegen de gezonde leer streed. Want had Alexander zijn persoon gekwetst of te na gekomen, of dat hij hem eenig geweld of onrecht had gedaan,

dat zou hij alles met lijdzaamheid verdragen hebben; maar waar Gods waarheid door wordt gekwetst en bestreden, dat ontsteekt zijn getrouw hart met toorn, en belgt hem zoo: want dit moet in al de leden van Christus vervuld worden: De ijver van uw huis heeft 69:10' mij verteerd. En hiertoe strekt deze zoo strenge toewensching, te weten, dat hem de Heere zou vergelden naar zijne werken. Een weinig daarna, als hij zich beklaagt, dat ze hem al te zamen hebben verlaten, ziet men nochtans niet, dat hij de wraak Gods over hen roept: maar integendeel, zoo stelt hij zichzelven tot een voorbidder, om voor hen vergeving te verwerven. Aangezien dan dat hij zoo zachtmoedig en barmhartig is tegen al de anderen, hoe geschiedt dit dan, dat hij zichzelven hier zoo zeer straf en onverbiddelijk tegen dezen mensch alleen stelt? Voorwaar, omdat de

155

ocr page 160

2 TIMOTHEUS 4 : 14—16.

156

■i -if

■

:5

I

-i

I- j k •;

M.

I

n-

*

■ ;:C ;:s

:/-■ vrl

anderen gezondigd hadden uit vrees en zwakheid, zoo begeert hij dat God hun zulks vergeve; want alzoo moeten wij medelijden met de krankheid van onze broeders hebben. Maar omdat deze Alexander tegen God opgestaan was uit hoogmoedigheid en booze stoutigheid, en dat hij moedwillig de waarheid, van hem tevoren bekend, wederstond, zulke goddeloosheid verdiende geen barmhartigheid. Men moet dan niet denken, dat de heilige Paulus dezen wensch heeft gedaan uit hittige gramschap, of vleeschelijke genegenheid: want hij heeft zoowel de eeuwige verdoemenis Alexander toegewenscht, als Gods barmhartigheid door Gods Geest den anderen, en met een welgeschikten ijver. Alsnu de heilige Paulus door de leiding des Heiligen Geestes hier een hemelsch vonnis verkondigt: zoo kunnen wij uit deze plaats verstaan, hoe dierbaar God zijn waarheid houdt, om welke, als men ze wederstaat, Hij een zoo straffe wraak doet. Maar voornamelijk zoo moet aangemerkt zijn, wat groote zonde het is, zichzelven met opzettelijke boosheid tegen de zuivere leer te verheffen. Verder, opdat men den apostel kwalijk navolgende, dergelijke wensching niet misbruike, zoo moet men in dit stuk drie dingen aanmerken. Ten eerste, dat wij ons eigen ongelijk niet zullen vervolgen, opdat wij door eigenliefde en aanmerking van eigen voordeel niet worden gedreven, gelijk wel dikwijls geschiedt. Ten tweede, dat wij in het beschermen der heerlijkheid Gods, onze genegenheid daaronder niet mengen, welke altijd de rechte ordening verstoort. Ten derde, dat wij niet onvoorzichtig of haastig moeten zijn, om een verdoemelijk oordeel te geven over alle menschen zonder onderscheid, dan alleen tegen de verworpenen, die door hun goddeloosheid betoonen dat zij al zulks zijn; alzoo dat onze wen-schen overeenkomen met het oordeel Gods; anders zoo ware het te vreezen, dat ons geantwoord zou worden, hetgeen Christus zijnen jongeren antwoordde, welke door hun wenschen zonder onderscheid bliksemden tegen alle degenen, die hun niet gehoorzaam waren. Luk. a: 33. te weten. Gij weet niet van wat geest gij zijt. Zij lieten zich wel 1 Kon.1:'o. dunken, dat zij Elias tot een beschermer hadden, die hetzelfde van den Heere begeerd had. Maar omdat er nog veel aan ontbrak tus-schen den Geest van Elia en den hunnen, zoo was hun navolging dwaas en ongeschikt. Daarom is het noodig, dat ons God zijn oordeel openbaart, eer wij alzulke wenschen zullen aanvangen, en daarbenevens, dat Hij met zijn Geest als met een toom onzen ijver matige. En zoo dikmaals als wij de heftigheid van Paulus zullen gedenken tegen een mensch, laat ons ook gedachtig zijn, de wonderlijke goedheid, die hij ook gebruikt heeft tegen degenen, die hem zoo schandelijk verlieten, opdat wij door' zijn voorbeeld medelijden leeren met onze zwakke broederen. Verder om degenen aan te spreken, die verzonnen hebben dat de heilige Petrus de opperste geweest is in de kerk van Rome: ik wilde wel, dat ze mij nu een weinig zeiden, waar hij toen ter tijd was. Want naar hun meening, was hij op dien tijd nog niet dood, aangezien zij zeggen, dat tusschen zijn dood en Paulus' dood een geheel jaar ligt. Wat meer is, zij trekken zijn pontificaat tot zeven jaar. De heilige Paulus maakt hier melding van zijn eerste verantwoording, hij zou zoo spoedig niet terechtstaan voor de laatste maal. Opdat dan de heilige Petrus den pauselijken titel niet verlieze, zal hij dan hier moeten aangeteekend worden, als een die het Evangelie ontrouw is

i

ocr page 161

2 TIMOTHEUS 4: 16—18.

geweest: nademaal hij Paulus zoo leelijk verlaten heeft? Voorwaar als het al te zamen wel doorzien zal zijn, zoo zullen wij bevinden, dat al hetgeen men geloofd heeft van zijn pausdom, niet dan een fabel is geweest.

17 Maar de Heere stond my bjj. Dit voegt hij hierbij om de ergernis te schuwen, die hij zag, dat er uit komen kon, omdat er velen waren, die hem zoo schandelijk verlaten hadden, in de verantwoording zijner zaken; want hoewel de Romeinsche gemeente in dit stuk zeer kwalijk gedaan had, zoo zegt hij nochtans, dat dit het Evangelie geen schade heeft gedaan: nademaal hij alleen voorzien met een hemelsche kracht, genoegzaam sterkte heeft gehad om al den twist te bezweren. Ja het was nog zoover vandaar, dat hij den moed zou verloren geven, ziende de anderen al te zamen met vrees beladen, dat daardoor zooveel te klaarlijker is bekend, dat de genade Gods niet van noode heeft eenige hulp van een ander te lee-nen; want men moet niet denken dat hij dit zeggende, zichzelven roemt over eenige kracht of sterkte: maar hij dankt den Heere, hoewel hij in zeer groote aanvechting van alle kanten was, dat hij niet werd neergedrukt, noch den moed verloren gaf in zoo gevaarlijke bekoringen. Hij belijdt dan, dat hij van Gods hand onderhouden en beschermd is geweest, en is alleen hiermede tevreden, dat hem de innerlijke gaven des Heiligen Geestes, schild en wapenen geweest zijn, om hem vromelijk tegen al de stormen zijner vijanden te verweren. Hij voegt de zaak daarbij: Opdat de uitroeping door mij zou bevestigd worden. Het Grieksche woord beduidt eigenlijk een uitroeping of publicatie, die statelijk met trompettengeluid afgeroepen wordt. Aldus noemt hij zijn bevel, dat hij had om het Evangelie onder de heidenen te verkondigen, hetwelk hem inzonderheid bevolen was: Want de predikatie van de anderen geleek minder zulke uitroeping, omdat ze besloten was onder de Joden. Het is niet zonder oorzaak, dat hij dit woord overal gebruikt. Het was ook geen kleine bevestiging zijns Evangelies, hoewel de gansche wereld van kwaadheid schuimde tegen hem, en aan de andere zijde verlaten was van allen menschelijken bijstand, dat hij nog onoverwinnelijk is gebleven: want hierin toonde hij metterdaad, dat zijn apostelambt van Christus was. Hij voegt daar ook het middel van de bevestingen bij, als hij zegt: Dat het al de heidenen hadden gehoord, dat hem de Heere zoo krachtelijk had bijgestaan. Want men kon hieruit verstaan, dat de roeping, zoowel van den heiligen Paulus als van de heidenen, waarlijk van den Heere was.

18 En Hij heeft mij verlost uit den muil des leeuws. Onder dit woord, des leeuws, verstaan velen Nero. Ik denk liever, dat hij door deze manier van spreken, al zijn gevaar heeft willen te kennen geven, alsof hij zeide: uit het midden des vuurs, of uit de kaken des doods. Hij geeft ook te kennen, dat zijn ontkomen niet geweest is zonder een wonderlijke hulpe Gods, omdat het gevaar zoodanig was, dat hij anders terstond was verslonden geweest. Hij zegt, dat hij dergelijke ook hoopt op een andere reis: niet dat hij van den dood ontkomen zal, maar dat hij van den satan niet zal worden verwonnen, of dat hij van den rechten weg niet wijken zal. Dit is wat wij voornamelijk moeten begeeren, niet om het lichaam te bezorgen, maar dat wij overwinnaars mogen blijven van alle bekoringen, en dat wij bereid zijn om honderd-

157

ocr page 162

2 TIMOTHEUS 4 : 18—22.

158

maal te sterven, liever dan wij eens denken zouden om ons te besmetten met eenige booze werken. Hoewel mij is bekend, dat er sommigen zijn, die dit woord, boos werk, nemen voor het geweld der boozen: gelijkerwijs of de heilige Paulus gezegd had: De Heere zal niet toelaten, dat mij de boozen eenig kwaad zullen doen. Maar de andere zin is wel beter, te weten, dat hij zich zuiver en vrij zal bewaren van alle zonde en booze daad: want hij voegt daar terstond bij: In zijn hemelsch koninkrijk. Daardoor te kennen gevende, dat dit de ware zaligheid is, als God ons in zijn rijk leidt, hetzij door het leven, of door den dood. Dit is ook wel eene uitstekende plaats, om tegen de papisten te bevestigen den gedurigen loop der genade Gods jegens de zijnen, want de papisten beleden hebbende, dat het beginsel onzer zaligheid van God komt, zoo schrijven zij den vrijen wil toe het volharden, en de bevordering daarvan: alzoo dat door dit middel, de standvastigheid een men-schelijke kracht is, en niet een hemelsche gave: maar de heilige Paulus dit ambt Gode toeschrijvende, dat Hij ons bewaren moet tot zijn rijk, bevestigt wel openlijk, dat wij door zijn hand geleid worden den ganschen loop onzes levens, totdat wij den tijd van onzen kamp vervuld hebbende, victorie verkrijgen. En hiervan hebben wij een exempel dat wel waardig te onthouden is, in Demas' persoon, van wien hij een weinig hierboven vermaand heeft: omdat hij een vroom kamper van Christus geweest was, en na dien tijd zoo schandelijk wederom is afgevallen. Het andere, dat hier volgt, heeft geen uitlegging van noode, omdat dit op andere plaatsen gezien is.

ocr page 163

DE ZENDBRIEF VAN PAULTJS

AAN

TITUS.

ocr page 164
ocr page 165

JOHANNES CALVIJN

AAN TWEE UITNEMENDE DIENAARS VAN JEZUS CHRISTUS,

WILLEM FAREL en PETRUS VIRET, zijne lieve broeders en medehelpers in het werk des Heeren,

ZALIGHEID.

Hoewel deze mijne uitlegging, die ik onder u beider naam in 't licht geef, een zeer kleine gave is: nochtans weet ik voorzeker, dat gijlieden dezelve in aangenaamheid zult ontvangen, omdat de inhoud dezes briefs mij opgewekt heeft om dit te doen. Titus, aan wien deze brief gezonden is, had in Creta den last aangenomen, om het werk te volbrengen, dat Paulus had aangevangen. Evenzoo staat mijn zaak schier met ulieden. Want als gijlieden met grooten arbeid en gevaar deze kerk van Genève hadt begonnen op te richten; zoo ben ik een weinig tijds daarna gekomen bij ulieden als een medehelper, en na den tijd zoo ben ik in ulieder plaats gekomen, om naar mijn zwak vermogen mij ganschelijk aan ulieder zoo gelukkig begonnen werk over te geven; waarin ik en mijn medehelpers dagelijks nog onze uiterste vlijt en naarstigheid doen. Is het nu met zoo groote vordering niet gelijk wel te wenschen ware, zoo geschiedt het nochtans van goeder harte in alle trouw, naar ons zwak vermogen.

Opdat ik nu wederom tot ulieden keere, aangezien ik, mij vergelijkende met ulieden, dezelfde rol op mij genomen heb, die Paulus Titus beval: zoo kwam het mij voor, dat deze vergelijking mij drong, om u beiden vóór alle anderen uit te kiezen, en dezen mijn arbeid toe te schrijven. Intusschen, zoo zal het allerminst dienen voor degenen die in onzen tijd zijn, en mogelijk ook voor degenen die na ons zullen komen, tot eenig getuigenis onzer vriendschap en heilige vereeniging. Ik denk niet dat er ooit zulke twee vrienden geweest zijn, die met elkander in zoo groote vriendschap en gemeenen liefelijken omgang op deze wereld hebben ge-geleefd, als wij in onzen dienst. Ik heb hier het herdersambt met u beiden bediend, maar nochtans is het nooit zoover gekomen, dat er eenige blijk van afgunst tusschen ons is geweest, maar het kwam mij altijd voor, dat gijlieden en ik ée'n waren. Wij zijn daarna van plaats gescheiden geweest; want gij, meester Willem, werd geroepen door de kerk van Neufchatel, welke gij van de pauselijke tirannie hebt verlost. En gij, meester Pieter, desgelijks door de kerk van Lausanne. Intusschen bewaart elk van ons zoo wel zijn bevolen plaats, dat door onze eenigheid de kinderen Gods zich vergaderen in den

ii

Dl. VI.

ocr page 166

162

schaapstal van Jezus Christus, ja vereenigd worden in zijn lichaam. Daarentegen barsten de vijanden schier van spijt, ik zeg niet alleen onze buitenlandsche vijanden, die openlijk tegen ons krijgen: maar ook degenen die ons veel nader zijn, de vijanden in eigen kring, die ons van binnen kwellen: want ik tel ook dit onder de deugden van onze vriendschap, dat die snoode rekels, wier beten om haar te verscheuren niet doordringen, met al haar bassen tevergeefs arbeiden. En voorwaar, wij behoeven niet veel te vragen naar hunne onbeschaamdheid, nademaal wij ons waarlijk voor God mogen roemen, en het bewezen hebben door duidelijke getuigenissen en goede leeringen bij de menschen, dat wij onder ons geen ander omgang of vriendschap hebben, dan die in Christus' naam geheiligd is, en zijne kerk totnogtoe tot nut is geweest, en tot geen ander einde strekt, dan dat zij al te zamen met ons een in Hem mogen worden. Vaartwel, mijn allerliefste broeders en vrienden! De Heere

Jezus Christus wil altijd ulieder beider arbeid zegenen.

,

Te GENÈVE, den 29en November 1549.

ocr page 167

»

DE INHOUD

VAN DEN

ZENDBRIEF VAN PAULUS

AAN

T I T U S.

gt;'

4

P.;- ;•

De heilige Paulus, alleen den grond eener gemeente in Creta ge- . l

legd hebbende, omdat hij ook op andere plaatsen moest wezen, en f

niet een leeraar was van één eiland, maar der heidenen apostel, l

had Titus bevel gegeven, als evangelist, om zijn aangevangen werk i

te vervolgen. Men kan lichtelijk zien aan dezen brief, dat de satan ƒ.■

terstond na het heengaan van Paulus zijn best gedaan heeft, om niet alleen om te keeren de ordening der kerk, maar ook de leer te i,

vervalschen. Er waren eergierige lieden, die gaarne begeerden in de gemeente te prediken, en van het getal der predikanten te wezen.

Omdat Titus hunne verkeerde begeerlijkheden niet wilde believen en toegeven, zoo vielen er veel woorden in veel gezelschappen, hem strekkende tot schande en laster. Daar waren er uit de Joden, die onder het deksel van Mozes' wet te houden, veel beuzelingen bijbrachten. Zulken werden met groote begeerte gehoord. Ja men veinsde zich niet om dezen voor te staan. De meening van Paulus is dan geweest, toen hij dit schreef, om Titus met zijn autoriteit te wapenen in het aannemen van deze bevelen, en om zulks beter te dragen. Want er is niet aan te twijfelen, daar zijn er geweest, die hem veracht hebben: alsof hij niet meer ware geweest, dan een uit het gemeene getal der dienaars en herders.

Het kan ook geschied zijn, dat men klachten hier en daar tegen hem gehoord heeft, dat hij te .grooten last aannam, en

I meerder autoriteit gebruikte dan hem toekwam, omdat hij niemand aannemen wilde tot dienaar, zoo hij hem niet ondervraagd en beproefd had. En hieruit mogen wij afleiden, dat de heilige Pau- ^ meerder autoriteit gebruikte dan hem toekwam, omdat hij niemand aannemen wilde tot dienaar, zoo hij hem niet ondervraagd en beproefd had. En hieruit mogen wij afleiden, dat de heilige Pau- ^

lus niet zoozeer om Titus' wil alleen geschreven heeft, als in het gemeen voor het gansche volk te Creta. Want het is niet waarschijnlijk, dat hij Titus hier heeft willen bestraffen, als te lichtvaardig zijnde om opzieners voor te staan, die der gemeente onwaardig '

waren: noch dat hij hem ook een les heeft willen geven, gelijk men een leerjongen doet, of iemand die pas in dienst komt, om hem te ■•.'■t,

toonen wat manier van prediken hij voor zijn volk zou moeten *

■■ /.

,v u

''V

ocr page 168

164 DE INHOUD VAN DEN ZENDBRIEF.

houden. Maar omdat ze hem in zulke waarde en achting niet hielden als behoorde, zoo geeft hem de heilige Paulus hier macht, om dienaars te stellen, en alles te doen, dat tot de orde der kerk behoorde, zooals hij zelf zou hebben gedaan, tegenwoordig zijnde. Omdat er nu velen waren, die gaarne een andere manier gezien hadden in de leer, dan die hij gebruikte, zoo verklaart de hei- ; lige Paulus, dat hij deze alleen voor goed kent, alle andere verwerpende: en vermaant hem daarin voort te varen, en altijd te onderhouden zijn begonnen wijze. Hij toont dan eerst wat personen men behoort te kiezen, die dienaars zullen wezen. Onder andere gaven, die hij begeert dat in een dienaar zullen zijn, wil hij hebben dat het een man zij, die in de gezonde leer wel beproefd zij en geoefend, opdat hij de tegenpartijders kan wederstaan: hierdoor zoo verhaalt hij zekere gebreken, die bij de Cretensen waren. Voornamelijk bestraft hij de Joden, die eenige heiligheid stelden in verscheidenheid der spijze, en andere uiterlijke dingen. Om hun neuswijze beuzelingen neder te leggen, zoo stelt hij daartegen, de ware en oprechte oefeningen van godzaligheid, en een vroom christenleven. En om hun deze leering te beter in te drukken, zoo beschrijft hij in 'tkort eens iegelijks beroep: en beveelt Titus namelijk, dat hij daar vlijtig en gedurig op zal blijven staan: en daarbenevens zoo vermaant hij de anderen ook, dat ze niet moede zullen worden, als ze die dikmaals hooren verhalen: en toont dat dit het rechte einde is onzer verlossing en zaligheid door Christus verworven. En zoo hier eenige twistmaker tegen riep, en niet gehoorzaam wilde zijn, dien beveelt hij, dat men zal vermijden. Zoo zien wij dan hier als-nu, dat de heilige Paulus geen ander oogmerk heeft, dan dat hij Titus' zaak aanneemt en hem de hand biedt, om voort te varen in het werk des Heeren.

ocr page 169

HET EERSTE HOOFDSTUK.

1 Paulus, een dienstknecht Gods, en apostel van Jezus Christus,

naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is,

2 ') Tot de hope des eeuwigen levens, welke God, die niet liegen 0m de kan, beloofd heeft voor de tijden der eeuwen. Eom. 6:24.

3 Maar heeft zijn woord ') te zijnen tijde geopenbaard door de 23.9 prediking:, die mii betrouwd is, naar het bevel van God, onzen 2 Tim. 1:10.

V IPetr. 1:20.

Zaligmaker. 2) Of, Door

4 Aan Titus, mijn oprechten zoon naar het gemeen geloof, ge- ^0ert' nade en barmhartigheid en vrede zij u van God den Vader, prediken, en den Heere Jezus Christus, onzen Zaligmaker. 2ft'

Hand. 16:3.

UITLEGGING. ÏTcor/l-ie.

Ef. 1 : 2.

iT—^en dienstknecht Gods. Deze lange en zorgvuldige lofrede, i p'etr. ï:2. I-' die de heilige Paulus hier doet van zijn apostelambt, bewijst ^ Jwel, dat hij meer opzicht heeft op de kerk, dan slechts op den persoon van Titus: want Titus twijfelde aan zijn apostelambt niet. De heilige Paulus heeft voor een gewoonte, zijn roeping met heerlijke titels te verhalen, om zichzelven aanzien te maken. En daarom,

naardat hij de genegenheid kent van hen, aan wie hij schrijft, daarnaar maakt hij zijn titels groot of klein. Omdat nu zijn meening hier is, het grootspreken te vernederen dergenen, die hoogmoedig opstonden : zoo prijst hij om die reden zijn apostelambt zeer hooglijk. En hoewel hij Titus schrijft, geschiedt dit niet, opdat hij den brief alleen in zijn kamer zou lezen, maar opdat hij dien hun in 't openbaar zou mededeelen. Ten eerste noemt hij zich een dienstknecht Gods; daarna zoo voegt hij daarbij, hoedanig zijn ambt is,

te weten, dat hij een apostel van Jezus Christus is. Want daar zijn verscheiden trappen tusschen de dienstknechten Gods. Aldus daalt hij van het geheel tot het deel. Men moet hier ook gedachtig zijn,

wat ik op een andere plaats verklaard heb, dat dit woord, dienstknecht, hier wat anders beduidt, dan gemeene onderdanigheid,

gelijk alle geloovigen dienstknechten Gods genoemd worden: want hier is het genomen voor een dienaar, dien een zekere last of bevel is opgelegd. In denzelfden zin werden ook voormaals deJes. 42:i.

• Alütt X2 * 18

profeten genoemd, en Jezus Christus zelve het hoofd aller profeten: ' ' ' Ziet, dit is mijn dienstknecht, Ik heb hem verkoren. Alzoo ook David opzicht hebbende op zijn koninklijke waardigheid, noemt zich een dienstknecht Gods. Het kan ook wezen, dat de heilige Paulus zich om der Joden wil een dienstknecht Gods noemt, omdat zij voor

ocr page 170

TITUS 1:1.

166

een gewoonte hadden zijn autoriteit te verkleinen, tegen hem inbrengende de wet, alsof hij tegen de wet had gestreden. Zoo wil hij dan alzoo voor een apostel van Jezus Christus bekend zijn, dat hij nochtans roemt den eeuwigen God te dienen. Aldus voegt hij niet alleen deze twee titels te zamen, maar hij bewijst dat ze verbonden zijn met een onverbreekbaren band. Naar het geloof der uitverkorenen. Is er iemand, die aan zijn apostelambt twijfelt, zoo geeft hij dit door een zeer goed middel meerder aanzien, het met de zaligheid der uitverkorenen voegende, alsof hij zeide: Daar is een onderling verdrag tusschen mijn apostelambt en het geloof van Gods uitverkorenen. Daarom zal dat niemand verwerpen, tenzij hij verworpen is, en afgekeerd van het ware geloof. Wijders, zoo meent hij de uitverkorenen, niet alleen die toen ter tijd leefden, maar ook , al degenen, die daar geweest waren van den beginne der wereld: want hij wil zeggen, dat hij geen leer voortbrengt, of zij komt met hët geloof van Abraham overeen, en met dat van al de vaderen. Alzoo ook nu, is er iemand, die een navolger van Paulus wil geacht zijn, zoo is het noodig, dat hij zich toone een dienaar van dezelfde leer te zijn. Ook is in deze woorden een stilzwijgende tegenstelling besloten, opdat sommiger ongeloof en wederspannigheid de autoriteit des Evangelies niet verkleine: want toen, gelijk ook nog op dezen tijd, was het een ergernis, die de zwakken zeer verstoorde, als de meeste hoop dergenen, die zich met den naam van gemeente aanprezen, de zuivere leer van Jezus Christus verwierpen. En daarom toont de heilige Paulus, hoewel zij zich al te zamen zonder onderscheid op den naam Gods beroemen, nochtans zoo zijn in dit getal vele verworpenen; gelijk hij op een andere plaats zegt: | Kom. 9:7. Dat zij niet allen Abrahams kinderen zijn, omdat zij Abrahams zaad naar den vleesche zijn. En de kennis der waarheid. Ik neem dit woordje en, voor te weten: want hij verklaart welke het geloof is, waarvan hij hier vermaand heeft. Hoewel dit geen volle verklaring des geloofs is, dan alleen een beschrijving te pas gebracht tot de omstandigheid van deze plaats: want om te toonen en te beschermen, dat in zijn apostelambt bedrog noch dwaling is, zoo betuigt hij dat het niets inhoudt, dan de zekere en openbare waar- ; heid, door welke de menschen kunnen onderwezen worden, om God oprechtelijk te dienen. Ten eerste, als het geloof, kennis wordt genoemd, zoo wordt het niet alleen onderscheiden van meening of waan, i maar ook van dat onvolkomen geloof, hetwelk de papisten ver- i sieren: want zij hebben een verward geloof gedicht, hetwelk ledig is van alle licht der kennis. Maar als de heilige Paulus dit het geloof toeschrijft, als een ding, dat het eigen is, te weten de waarheid te kennen, zoo ziet men wel, dat hij openlijk bewijst, dat er geen geloof zonder kennis is. En in dit woord, waarheid, drukt hij nog meer uit de zekerheid, die de aard des geloofs eischt: want het geloof is niet tevreden met een waarschijnlijken grond, maar het begeert de uitgedrukte waarheid. Verder, zoo spreekt hij hier niet van alle waarheid, maar van de hemelsche leer, die tegen de ijdelheid van het menschenverstand gesteld is: want gelijk God Zichzelven door dezelve geopenbaard heeft, zoo is zij ook alleen deze eere waardig, dat ze de waarheid wordt genoemd, gelijk de Heilige Schrift haar die ook overal toeschrijft. De heilige Johannes in hfdst. 16: 13: En de Geest zal u leiden in al de waarheid. En

ocr page 171

TITUS 1: 1, 2.

hfdst. 17 : 17; Uw woord is de waarheid. Ook aan de Galaten, hfdst.

3:1: Wie heeft u betooverd, dat gij der waarheid niet gehoorzaam zijt? Ook Col. 1:5: Het woord der waarheid gehoord hebbende,

het Evangelie van den Zoon Gods. Insgelijks 1 Tim. 2:4: Hij wil dat ze allen tot de kennis der waarheid komen. En 3: 15: De gemeente des levenden Gods, de pilaar en vastigheid der waarheid.

In één woord, deze waarheid is de rechte en zuivere kennis Gods,

welke ons bewaart en verlost van alle dwaling en leugen. En daarom zoo behooren wij dezelve in zooveel te grooter waarde te houden,

aangezien daar niets ellendigers is, dan altijd als onredelijke beesten te dwalen. Wat er volgt; Die naar de godzaligheid is, bindt inzonderheid de waarheid, waarvan hij gesproken heeft: en daarbe-nevens zoo strekt het ook om de leer van Paulus te prijzen door haar vrucht of einde, omdat ze nergens elders toe strekt, dan opdat God gediend mag worden, gelijk dat behoort, en dat de oprechte ware religie plaats mag hebben onder de menschen. En daarom zuivert hij zijn leer van alle vlekken der ongoddelijke neuswijsheid.

Gelijk hij deed, staande voor Felix, Hand. 24: 10. Insgelijks voor Agrippa, hfdst. 26 : 1. Want nademaal alle neuswijze en overtollige kwestiën den godzaligen met recht verdacht en hatelijk behooren te wezen, omdat zij niet dienen tot stichting, zoo is dit de rechte en eenige waarachtige lof der leer, als men zeggen mag, dat ze ons onderwijzen zal om God te vreezen, en Hem eerbiedenis te doen.

Hierdoor worden wij ook vermaand, dat naardat een iegelijk toe- k

genomen is in godzaligheid, naar die mate hij ook een jonger van Christus is. Gelijk ook die voor een oprechten godgeleerde mag geacht worden, die de conscientiën alleen sticht in alle godzalig- -y

heid. Aangaande wat hij daarbij voegt: In de hope des eeuwigen (

levens, daar is niet aan te twijfelen, of hij wijst de zaak, te weten ,

het eeuwige leven aan: want het Grieksche woord is gaarne op deze beteekenis gesteld, en daarom kan men dat overzetten, om de hope, of, op hope: want van het bedenken des eeuwigen levens begint de ware religie en vlijtige overgave tot de godzaligheid:

gelijk Paulus, prijzende der Colossensen geloof en liefde, voor deooi. i;3.

zaak en het fundament daarvan stelt de hope, die in de hemelen bewaard is. Want de sadduceën en allen die onze hope in deze wereld besluiten, wat schijn zij hieraan ook geven, zoo kunnen ze anders niet doen, dan in de wereld een Godsversmading brengen, en stellen de menschen in een staat als de beesten. Daarom, een goed leeraar moet altijd hierop zien, dat hij de menschen van het aardsche trekke, om hen te verheffen tot het hemelsche. Ik belijd wel, dat wij in veel grooter achting de heerlijkheid Gods moeten hebben,

dan onze zaligheid; doch dat is nu niet de kwestie, welke van t'

beide in waardigheid moet voorgaan. Ik zeg alleen, dat de men- ;

schen God nimmermeer rechtvaardiglijk zoeken, tenzij zij een betrouwen hebben om tot Hem te komen, en dat ze nimmermeer hun hart terecht tot de godzaligheid zetten, tenzij zij onderwezen zijn gt;quot; ■

in de hope van het eeuwige leven.

2 Welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft. Omdat de heilige Augustinus, in de plaats waar wij overzetten: Tyden der *

eeuwen, gelezen heeft: Eeuwigen tyd, in plaats van: Langen tijd,

zoo kwelt hij zichzelven wonder, om de eeuwigheid des tijds te verklaren : maar hij légt ten laatste voor eeuwig uit: die allen leeftijd »

167

J;

I '■

' /.

4'''

ocr page 172

TITUS 1 ; 2, 3.

te boven gaat. Nochtans, zooveel den zin aangaat, daarin zijn hij, de heilige Hieronymus, en alle anderen eens, te weten, dat God vóór de schepping der wereld, de zaligheid heeft verordend te geven, welke Hij alsnu geopenbaard heett door het Evangelie. Anders zou Paulus het woord, beloofd, misbruikt hebben in de plaats van verordend: want eer de menschen waren geschapen, zoo was hier niemand aan wien God kon beloven. Hoewel deze uitlegging van mij niet verworpen wordt, als ik het al te zamen wel nauw inzie, zoo word ik gedwongen anders te denken, te weten, dat het eeuwige leven den menschen lang te voren is beloofd geweest, en niet alleen die alstoen leefden, maar dok den volke in onzen tijd. Want God zag alleen op het zaad Abrahams niet, als Hij zeide: Alle geslachten zullen in uw zaad gezegend worden, gelijk Gen. 22: 18 staat, maar Hij ziet ook op al degenen, die na hem zullen komen. En wat hij in het eerste hfdst. van den Tweeden brief aan Timo-theus zegt: Dat de zaligheid gegeven is vóór lange tijden, hoewel dat in onderscheiden zin gezegd is, zoo hindert dat hier niet; want dit woord eeuwen, of lange tijden, heeft desalniettemin dezelfde beteekenis in deze beide plaatsen: want nademaal het Grieksche woord een doorgaanden loop der tijden beduidt, van het begin tot het einde der wereld, zoo verklaart de heilige Paulus in deze plaats, dat de zaligheid den uitverkorenen gegeven of verordend is, eer de tijden hun loop hadden. En omdat hij hier van de beloften handelt, zoo vervat hij al de eeuwen niet, zoodat hij ons leiden wil buiten de schepping der wereld; maar hij leert, dat er vele honderden van jaren zijn voorbijgegaan, nadat de zaligheid beloofd was. Zoo nu iemand op het kortst wil hebben, eeuwige tyden, voor de eeuwen zelve, dat mag hij doen. Maar omdat de zaligheid eerder gegeven is door de eeuwige verkiezing Gods, dan beloofd, hierdoor is in den Eersten brief aan Timotheus, het geven vóór alle eeuwen gesteld; en zoo moet men hieronder een algemeene aanwijzing verstaan. Maar hier beduidt het anders niet, dan dat de belofte een lange reeks van eeuwen ouder is, omdat ze haar begin heeft gehad terstond in den beginne der wereld. In denzelfden zin leert hij ook in het eerste hfdst. aan de Romeinen vs. 2, dat het Evangelie hetwelk alleen verkondigd moest worden na de opstanding van Jezus Christus, in de Schrift beloofd was geweest, door de profeten; want daar is een groot onderscheid tusschen de beloften die hiervoormaals aan de vaderen zijn gedaan, en de tegenwoordige openbaring van genade. Die niet liegt. Dit is er niet zoozeer bijgevoegd om Gods lof, als om de bevestiging van ons geloof. En voorwaar, zoó dikwijls en menigmaal als er kwestie is van onze zaligheid, zoo moeten wij denken, dat het gegrond is op het Woord van Hem, die niet liegen noch bedriegen kan. En in der waarheid, de onveranderlijke waarheid Gods is de eenige bevestiging der geheele religie.

3 Maar heeft zijn woord te zijnen tijde geopenbaard. Het was wel eenige openbaring, als God hiervoormaals door zijne profeten sprak; maar omdat Jezus Christus door zijn toekomst openlijk die dingen geopenbaard heeft, die in duisterheid tevoren gesproken waren, en na dien tijd de heidenen geroepen zijn tot de gemeenschap des verbonds; hierdoor zoo zegt de heilige Paulus, dat hetgeen te voren ten deele was getoond, alsnu geopenbaard is. Dat hij zegt;

•iV.

.-'i'i ' /

t- M

ul i h*

m i

}:'ri,

PÏ

m

168

li

I

■- u

m

'? Y ■: ■'

:V-

■•■. .v.1 jol^

I

I

'•■Vifl

i -v^

I

ocr page 173

TITUS 1 : 3, 4. 169

Te zynen tyde, dat is zooveel als wat hij aan de Galaten, hfdst.

4:4, zegt: De volheid des tijds. Want hij vermaant ons, dat het t

de eigenlijke tijd geweest is, als het den Hcere beliefd heeft dit alles te doen, opdat Hij de dwaasheid der menschen voorkome, die ^

zoo stout zijn, dat zij vragen waarom Hij het niet eerder heeft gedaan, of waarom nu meer als morgen. Opdat wij dan niet bovenmate neuswijs zouden zijn, zoo leert hij, dat de tijden op zulke wijze in de handen en beschikking Gods zijn, dat men van Hem anders niet denken moet dan dat Hij alle dingen op hunnen bekwamen tijd doet, en dat in goede orde. Zijn Woord. Een van beide moeten wij hier zeggen: Door zijn Woord, of dat hij Christus het Woord noemt; tenzij men hierbij iets wil verstaan om den zin te vullen. Deze tweede uitlegging mishaagt mij niet. Aldus zegt de heilige Johannes in het begin van zijn brief: Hetgeen wij gehoord 1 Joh-1:1-hebben, hètgeen wij met onze oogen gezien hebben, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben van het Woord des levens, en dat het leven is geopenbaard. Alzoo zeg ik, dat het eenvoudigste is, dat God het leven door het Woord geopenbaard heeft, of het woord betrekkelijk het leven geopenbaard heeft door de prediking des Evangelies. De prediking, waarvan hij hier spreekt,

is het verkondigde Evangelie: gelijk in der waarheid dit het voornaamste is, dat wij daardoor hooren, te weten, dat Christus ons is - gt; gegeven, en het leven in Hem. Verder, omdat zij niet allen zonder onderscheid tot zulk groot ambt bekwaam zijn, en dat er zich i' niemand in moet dringen, zoo bevestigt hij zijn roeping naar ouder i gewoonte. Waaruit wij leeren moeten wat wij dikmaals op andere en, plaatsen hebben aangewezen, dat niemand de eere toekomt, dan eid degenen die bevestiging hebben, dat ze van God verordend zijn: i. want de dienaren des satans roemen zich valschelijk, dat ze van God geroepen zijn, maar daar is geen waarheid in hunne woorden. ,, De heilige Paulus brengt niet bij, dan wat bekend en betuigd is,

zoo dikmaals als hij van zijn roeping vermaant. Daarenboven, zoo kunnen wij uit deze plaats verstaan, tot wat einde de apostelen verordend zijn, te weten, om het Evangelie te verkondigen, gelijk hij op een andere plaats zegt: Wee mij, zoo ik het Evangelie niet i cor. sue,

predik: want het uitdeelen is mij bevolen. Daarom, degenen die 17-stom zijn, en in luiheid en lekkerheid leven, zijn meer dan onbeschaamd, als zij zich roemen, dat ze der apostelen navolgers zijn.

Onzen Zaligmaker. Hij geeft den Vader en Zoon dezelfde bijvoe- \

ging: gelijk in der waarheid zoowel de een als de ander onze Zaligmaker is, nochtans op onderscheiden grond: want de Vader wordt t Zaligmaker genoemd, omdat Hij ons gekocht heeft door den dood zijns Zoons, opdat Hij ons erfgenamen zou maken des eeuwigen levens. En de Zoon is Zaligmaker, omdat Hij zijn dierbaar bloed gesteld heeft tusschen God en ons, tot een pand en prijs onzer zaligheid. Aldus heeft ons de Zoon zaligheid door den Vader ge- ^ bracht, en de Vader heeft ze ons gegeven door den Zoon.

4 Mijn oprechten Zoon. Hieruit blijkt in wat zin het gezegd is dat de dienaar des VVoords geestelijk baart degenen, die hij tot de gehoorzaamheid van Jezus Christus brengt, te weten, dat hij insgelijks herboren wordt. De heilige Paulus stelt zich als een vader over Titus, door het geloof: maar hij voegt daar terstond bij, dat dit geloof hun beiden gemeen is, opdat zij beiden te zamen gelijkelijk één

■ /,

4'

ocr page 174

lil

170 TITUS 1:4,5.

• V gt;'-----

Vader in den hemel hebben. Daarom zoo wordt Gods recht niet verkort, als Hij ze geestelijke vaders met Zich noemt, door wiens dienst Hij degenen herbaart, die Hij wil; als die van zichzelven niets zijn, zonder de kracht des Heiligen Geestes. Het andere vindt gij in de voorgaande brieven, bijzonder in den Eersten brief aan Timotheus.

■gt; :

5 Daarom heb ik u in Creta gelaten, opdat gij hetgeen ontbrak, ■ t- J 2 Tim. 2:2. voorts zoudt terecht brengen, en in alle steden ouderlingen

stellen, gelijk ik verordend had.

l Tim. 3:2. g Indien iemand onberispelijk 'is, ééner vrouwe man, die geloovige

kinderen heeft, niet bevlekt met overdadigheid of ongehoorzaam.

u

m •' , ■

5 Daarom heb ik u. Dit begin bewijst openlijk, dat de heilige Paulus Titus om zijnentwil niet zoozeer vermaant, als wel dat hij ; 'f; hem bij andere menschen hierdoor wil prijzen, opdat hem niemand

' ' hinderlijk zou wezen. Want hij getuigt, dat hij hem zijn plaats be-

volen heeft, daarom behoort het wel, dat ze hem al te zamen bekennen v • - voor een stedehouder van Paulus, en hem met allen eerbied aan-

V gt; nemen. Want omdat den apostelen geen zekere plaats om te blijven

j bevolen was, maar bevel hadden om het Evangelie door de gan-

! V:. sche wereld te prediken, zoo was hierom, als zij uit eenige stad of

S . landschap trokken om naar een ander te reizen, hun gebruik,

dat ze in deze plaatsen bekwame mannen stelden, door wiens middel en diénst volbracht mocht worden, wat zij aangevangen hadden. Aldus zegt Paulus, dat hij de gemeente der Corinthiërs ge-4' fundeerd heeft, maar dat de andere bouwlieden waren, die op zijn

grond verder zouden bouwen, en het werk voortzetten. Het is wel waar, dat dit allen herders toekomt, omdat de kerken altijd moeten wassen en toenemen, zoolang als de wereld zal staan, maar boven z ! de gemeene orde der herders, zoo had Titus bevel den staat der

v .v, kerken op te richten en te ordenen. Want de herders krijgen geen

; i'.';' bevel, dan als de kerken aireede ingesteld zijn, en op eeniger wijze

gereformeerd zijn: maar Titus had wat meer bevel, te weten, den

I'

' ^ kerken eenigen vorm te geven, die nog niet geordend waren, en dat

t • ?

■ 'V''

v'iv.V

hij een zekere regeering met tucht zou instellen, want de heilige ■; Paulus was weggegaan, nadat hij het fundament gelegd had. Daarom,

zoo was het Titus' ambt, het aangevangen werk verder op te maken, opdat het een redelijken vorm van een bouwwerk mocht verkrijgen. Dit noemt hij terecht: Brengen wat er ontbrak. Want het op-yff# bouwen van eene gemeente is zoo licht werk niet, dat men ter-

-t .'stond alle ding volmaakt kan hebben Men kan wel niet zeggen, hoe

lange tijd de heilige Paulus in Creta geweest is, maar is daar noch-i quot;J tans zekere dagen gebleven, en heeft zijn tijd daar getrouwelijk

aangelegd, om het rijk van Christus op te richten: hij was zoo ver-mM standig en voorzichtig, als eenig man kon wezen, hij hield nimmermeer

' ■' u' op van arbeiden, nochtans belijdt hij, dat hij hun te Creta een

Sfei' onvolmaakt werk had gelaten. Men kan hier aanzien wat zwarigheid

daaraan gelegen is: en ook hedendaags bevinden wij, dat het . geen een of twee mans werk is de vervallene kerken en gemeenten

i'-y'y' in eenigen middelmatigen en beteren staat te stellen. Hierdoor zoo

moeten degenen, die aanhoudend zekere jaren lang de kerken van Christus gebouwd hebben, altijd meer en meer vlijt doen, om dat te

:v;-. -'k

■■•nv

—

ocr page 175

. (

TITUS 1:5. 171

!*-».

verbeteren, wat er nog aan ontbreekt. Wijders, zoo dient hier aangemerkt de bescheidenheid van Paulus, die gaarne duldt, dat een , andere in meerder volmaaktheid stelle wat hij aangevangen had. En hoewel Titus veel minder dan hij was, nochtans zoo weigert Paulus hem niet een verbeteraar te zijn, en de laatste hand aan zijn werk te slaan. Aldus behooren alle getrouwe dienaars genegen te zijn;

een iegelijk zal alle ding niet eergierig tot zich alleen trekken, maar zullen de een den anderen de hand om te helpen leenen, en zoo er dan iemand van hen allen is, die meer voordeel door zijn arbeid gedaan heeft, daar zullen zich de anderen liever in verblijden, dan ■ (

dat zij hem daarom zouden haten. Ook zullen wij niet denken dat wat de heilige Paulus door Titus wilde verbeterd hebben, hij nagelaten had door onwetendheid, vergetelheid of traagheid, maar dat hem de tijd ontbroken was om zulks te volbrengen. In ée'n woord,

hij beveelt Titus, wat hij zelf zou verbeterd hebben, zoo hij langer te Creta was gebleven: niet dat hij iets veranderd zou hebben, maar toegedaan wat er nog ontbrak, nademaal de zwarigheid van zulk werk zoo niet gelegen is, dat het al op e'e'n dag kan volbracht worden. En dat gy in alle steden stelt. Dit is meestal na de leer het tweede in een geestelijk bouwwerk, dat er herders worden gesteld, die de zorg van de regeering der kerk moeten hebben. Hierom maakt de heilige Paulus er gewag van, vóór alle andere zaken.

Hier moet vlijtig aangemerkt zijn, dat de gemeenten geheel in haren stand niet kunnen blijven, zonder den dienst der herders: daarom, k

waar dan eenige vergaderingen van volk of gemeente is, daar moet ;

een herder gesteld worden. Doch zoo wijst hij hier niet aan dat elke stad alleen maar e'én herder zal hebben, zoodat in wat plaats het zij, altijd maar één herder zou zijn; maar hij wil hebben dat er i

geen steden zonder herders zullen zijn. Aangaande het woord ouderlingen of presbyters, elk weet wel dat zij alzoo niet genoemd worden om hun ouderdom, aangezien daar velen tot dezen staat gesteld zijn, die nog jong zijn geweest, gelijk Timotheus. Maar dit is altijd in alle talen aangenomen geweest, dat om der eere wil de regeerders der kerken alzoo genaamd werden. En hoewel wij uit den eersten brief aan Timotheus verstaan kunnen, dat er tweeërlei ouder- ' ,

lingen zijn, nochtans zoo zal het verband spoedig bewijzen, dat hier anders geene gemeend worden dan de leeraren, te weten, die verordend waren om te prediken, aangezien hij dezelfde hierna bisschoppen zal noemen. Maar het schijnt, dat hij Titus hier te veel toegeeft als hij hem beveelt in alle kerken dienaren te verordenen en te stellen, zoodat zulks bijna een koninklijke macht zou wezen. En wat meer is, zoo wordt hiermede den kerken haar recht om te kiezen benomen, en het college der herders zijn oordeel: en dit ware genoeg om den dienst der heilige kerken te ontheiligen. Dit antwoord is licht, te weten, dat hij hier in Titus niet toelaat, alleen alles naar zijn zin te doen, en dat hij in de kerken alzulke dienaren zal stellen, als hij daar wilde hebben: maar hij beveelt hem alleen dat hij bij de verkiezingen zal wezen, als een die de zaak zal besturen,

waar het van noode is. Deze manier van spreken is genoeg gemeen,

gelijk men zegt van een raadsheer, stadhouder of regent dat hij raads-heeren stelt, als hij om die te kiezen het volk vergadert. De heilige gt;;

Lukas spreekt ook alzoo in de Handelingen, van den heiligen Pau-Hand. u; 23.

lus en Barnabas, niet dat zij zichzelven indrongen, of dat zij uit

• r

1'' ■

t.

ocr page 176

TITUS 1: 5, 6.

eigen bevel alleen dienaars wilden instellen, die den kerken onbekend, en onbeproefd waren: maar omdat ze daartoe bekwame mannen ordenden, die naar de begeerten des volks daartoe verkoren waren. Het is wel waar, dat wij uit deze plaats leeren, dat er op dien tijd zulk een gelijkheid onder de dienaren niet is geweest; daar is er een geweest die macht, raad en aanzien had boven de anderen: maar dit heeft niets uit te staan met de tirannische en ongoddelijke gewoonte van begiftigingen in het pausdom: want de apostelen hadden een geheel andere wijze.

6 Zoo iemand onberispelijk is. Opdat er niemand op Titus verstoord zij, alsof hij te wreed eii te straf geweest ware in het verwerpen van sommigen, zoo neemt Paulus al den haat op zich, en wil hebben, dat men al hetgeen Titus hierin doet, hem zal wijten: want hij zegt, dat hij hem uitdrukkelijk bevel heeft gegeven niemand aan te nemen, tenzij ze waren gelijk hij ze hier beschrijft. Daarom gelijk hij onlangs getuigd heeft, dat Titus van hem gesteld was om leeraars aan te stellen, opdat de anderen hem ook deze macht toelaten zouden, zoo verhaalt hij alsnu ook den regel, dien hij hem gegeven heeft, opdat door de lastering der boozen, door den haat der onwetenden, de strengheid van Titus niet worde verbreid. Wijders, omdat ons deze plaats als in een tafereel afmaalt het beeld van een oprechten opziener, zoo behooren wij ze vlijtig aan te merken. Maar omdat ik hiervoren in den Eersten brief aan Timotheus bijna al wat hieronder begrepen is, heb uitgelegd, zoo is het genoeg dat ik het nu aanstip. Dat hij zegt: onberispelijk, daarmede wil hij niet zeggen dat hij vrij van alle gebreken moet zijn: (want men zou zulken niet kunnen vinden, hetzij ook waar men is) maar dat hij met geenen kwaden naam berucht zal zijn, welken hem zijn autoriteit zou kunnen verkleinen. Zoo wil hij dan hebben, dat hij een goed gerucht heeft, en in goede achting is. Waarom hij gebiedt, dat hij ééner vrouwe man zal zijn, daarvan hebben wij gehandeld in den Eersten brief aan Timotheus. Het was zoo zeer gemeen bij de Joden veel vrouwen te trouwen, dat deze booze gewoonte, bijna in een wet veranderd was. Was het geval, dat iemand die twee vrouwen getrouwd had, eer hij den naam van Christus droeg, zoo zou het onredelijk geweest zijn hem te dwingen om de een te verlaten. Daarom zoo duldden de apostelen, wat nochtans zeer schandelijk was, omdat zij het niet konden beteren. En degenen, die nu in veelwijverij verward waren, hoewel zij nu met één vrouw klaar zouden zijn om hun berouw te bewijzen, zoo hadden ze nochtans aireede een teeken van hunne ongestadigheid getoond, hetwelk hunnen naam eenige schandvlek zou kunnen geven. Zoo is het dan zooveel, alsof de heilige Paulus hier bevolen had, zulken te kiezen, die zichzelven rein in hunnen echtelijken staat droegen, tevreden zijnde met ééne vrouw, en dat hij degenen verwierp, die met ongeregelde lust zich tot zooveel vrouwen begaven. Daarom zoo iemand na den dood van zijne huisvrouw een andere trouwt, zoo mag men hem nochtans daardoor niet anders achten dan voor ééner vrouwe man: want hij zegt niet, dat men kiezen moet, die ééner vrouwe man geweest is, maar die het is. Hebbende geloovige kinderen. Aangezien in eenen dienaar der kerk wijsheid en stadigheid geëischt worden, zoo behoort men zulks in zijn huisgezin te zien: want die zijn eigen huis niet kan regeeren, hoe zal hij dan wel

172

ocr page 177

TITUS 1:6, 7.

bekwaam zijn om eene gemeente wèl te regeeren? Wat meer is, het is niet genoeg, dat een herder alleen zonder opspraak is, maar dat ook zijn huisgezin zij als een spiegel van eerlijke en reine tucht. En daarom beveelt hij in den Eersten brief aan Timotheus, den vrouwen der dienaren insgelijks, hoe zij zich behooren te houden. Eerstelijk begeert hij hier, dat de kinderen zullen geloovig zijn, waaruit men zien kan, dat zij in de gezonde oprechte religie en leer in de vreeze Gods zijn opgevoed. Ten tweede, dat zij niet bevlekt moeten zijn met overdadigheid, opdat men daardoor kan merken, dat ze opgevoed zijn geweest in alle eerbaarheid en matigheid. Ten derde, dat zij niet ongehoorzaam zullen wezen: omdat degenen, die van zijne kinderen geen eerbied noch onderdanigheid kan verwerven, zeer kwalijk een gansche gemeente onder de tucht zal kunnen regeeren en onder bedwang houden.

7 Want een opziener moet onberispelijk zijn als een huishouder Gods, niet hardnekkig zichzelven behagende, niet toornig, niet Lev. 10: wijngierig, geen vechter, geen vuilgewinzoeker; Et' o;18-

8 Maar die gaarne herbergt, die God liefheeft, voorzichtig, rechtvaardig, heilig, matig.

9 Die aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, vasthoudt,

opdat hij machtig zij ook te vermanen door gezonde leer, en degenen, die tegenstaan te overwinnen.

7 Want een opziener. Hij verhaalt hier wederom, dat die naar eens herdersambt staan, goed van naam en faam moeten zijn, en bevestigt dit met redenen, te weten, omdat de kerk Gods huis is:

die nu bevolen is om daarin te regeeren, die is daarin gesteld als een huishouder Gods. Nu is het kennelijk, dat de menschen kwalijk spreken zouden van zulk een, die in zijn huis een hoofd [ stelde, die kwalijk befaamd ware, en van wie opspraak ware: zoo ware het dan een veel onredelijker en onverdraaglijker ding dat er zulke huismeesters, stadhouders of regeerders in Gods huis waren. Voorts, dit woord uitreiken, hetwelk Erasmus hier behouden heeft,

daarin de oude overzetting volgende, drukt de meening van den heiligen Paulus niet uit, want opdat men te zorgvuldiger in het kiezen der opzieners zou wezen, zoo versiert hij dit ambt met zoo eerbaren lof, te weten, dat het is het voorstanderschap Gods: gelijkerwijs hij tot Timotheus zegt: Opdat gij weet, hoe gij in i Tim.3 het huis des Heeren moet verkeeren, welke is de gemeente des levenden Gods, pilaar en vastigheid der waarheid. Wijders, zoo toont deze plaats genoeg, dat er geen onderscheid is tusschen priester en bisschop: want hij noemt ze nu zonder onderscheid bisschoppen, degenen die hij een weinig hier tevoren priesters of ouderlingen had genoemd, ja dezelfde zaak vervolgende, zoo gebruikt hij zonder onderscheid in één zin deze twee namen: gelijk de heilige Hieronymus ook gedaan heeft, zoowel op deze plaats, als in den brief aan Evagrius. En men kan hieruit zien hoeveel men meer der menschen goeddunken toegegeven heeft, dan het wel behoorde: want het woord des Heiligen Geestes teniet gedaan zijnde, zoo hebben de menschen een gebruik ingevoerd naar hun eigen vernuft, hetwelk ten laatste de overhand heeft genomen. Het is wel waar, dat

173

ocr page 178

1^3 174 TITUS 1:7—9.

ik niet verwerp wat dadelijk aangenomen is in het begin der gemeente van Christus, te weten, dat elke vergadering der opzieners een regeerder of overste zou hebben: maar te zeggen dat de naam van dit ambt, dat God in 't gemeen allen predikers gegeven had, op één alleen getrokken zou worden, en dat al de anderen daarvan zouden beroofd zijn, is zeer vreemd en onredelijk. Daarenboven, om zoo de taal des Heiligen Geestes om te keeren, dat ze ons met ; dezelfde woorden wat anders heeft willen beduiden, dan het den

Heiligen Geest beliefd heeft, voorwaar dat is te groote en godde-looze stoutheid. Niet hardnekkig. Hij veroordeelt dit gebrek niet zonder grond in een opziener, wiëns ambt is niet alleen goedertie-renlijk te ontvangen degenen, die vrijwillig tot hem komen, maar ook degenen die aarzelen tot zich te lokken en te trekken, opdat hij ze al te zamen tot Christus brenge. Nu is het alzoo, gelijk Plato zegt in een brief, dien hij aan Dion heeft geschreven: Dat de hard-i' nekkigheid gezellin en waardin van de eenzaamheid is, dat is te

zeggen, dat een eigenzinnig mensch alleen moet wonen. Want gezelschap noch vriendschap kunnen niet onderhouden worden, als een mensch zichzelven zoo behaagt, dat hij niemand wil toegeven, noch voor niemand wijken. En voorwaar, alle hardnekkige men-;Y schen zullen terstond tweespalt maken, zoo spoedig als zij eenige

kleine oorzaak hebben. Waaruit blijkt hoe zorgelijk deze pestilentie

. : '

is, die de kerk door twist verscheurt. In het begin is de leerzaamheid tegen dit gebrek gesteld, daarna beleefdheid en zedigheid jegens alle menschen: want een opziener die niet bereid is om te leeren, zal anderen nimmer wel kunnen leeren. De heilige Augustinus prijst zeer deze sententie van Cyprianus, waar hij zegt van een opziener of herder, dat hij alzoo geduldig moet zijn om te leeren, als wijs om te prediken. Daarbenevens, zoo hebben de opzieners dikmaals raad en vermaningen van noode: weigeren ze vermaand te zijn, verwerpen ze goeden raad, zoo zullen ze daarna tot groot nadeel der kerken moeten vervallen. Zoo is dan het hulpmiddel van dit kwaad, dat ze niet te eigenzinnig of neuswijs moeten zijn. Voorts heb ik liever willen zeggen: Liefhebber der goedertierenheid of goedheid, dan met Erasmus: Liefhebber van goede dingen; want het schijnt, dat de heilige Paulus deze deugd en gastvrijheid, stelt tegen gierigheid en karigheid. Hij noemt hem rechtvaardig, die onschuldig bij de menschen leeft. Heiligheid komt Gode toe: want p- Plato zelf onderscheidt aldus deze twee woorden,

v 9 Vasthoudende aan het getrouwe Woord. Dit is wel in der

r* waarheid de voornaamste gave, die in een predikant geëischt wordt,

die voornamelijk om te prediken is verkoren: aangezien de ge-meente anders niet geregeerd kan worden dan door het Woord gt;' Gods. Hij noemt het getrouwe woord, de zuivere leer, die uit den

mond Gods gekomen is. Hij wil, dat een opziener deze vast zal bewaren, zoodat hij niet alleen in dezelve wel behoort onderwezen te zijn, maar dat hij zichzelven ook standvastig moet bewijzen om de leer te beschermen; want er zijn sommige lichtvaardige geesten, die zich lichtelijk laten verleiden tot verscheiden manieren van leeringen: de anderen verliezen den moed uit vrees, of worden door andere oorzaken bewogen, om de waarheid niet voor te staan. De heilige Paulus wil dan hebben, dat men degenen zal kiezen, die Gods waarheid met beide armen omhelsd hebben, die dezelve vast-

ocr page 179

TITUS 1 :lt;?, 10.

houden, en laten ze hun niet uit de hand trekken, noch dulden dat men hun daarvan zal berooven. En voorwaar daar is niets zor- ' t

gelijkers, dan deze ongestadigheid en lichtheid, waarvan ik heb ge-sproken: als een dienaar des Woords niet getrouwelijk en vast bij het Woord blijft, waarvoor hij zich een standvastig beschermer altijd behoorde te bewijzen. In e'én woord, van een leeraar wordt niet alleen geëischt, dat hij wijs moet zijn, maar hij moet ook alzulke genegenheid hebben tot de zuivere leer, dat hij daarvan nimmermeer afwijke.

Maar wat beduiden deze woorden: Het woord, dat naar de leer is? dat is te zeggen, het woord hetwelk nuttig is tot stichting der '

gemeenten. Want de heilige Paulus is niet gewoon den naam van leer te geven aan al hetgeen dat men kan leeren of weten, hetwelk geen vrucht noch vordering in de godvruchtigheid doet: maar hij verwerpt veelmeer als ijdel, al te zeer diepe bedenkingen, die geen nut doen, hoe scherpzinnig zij ook mogen wezen. Gelijk hij Rom.

12:7 leert: Die leert, doe dat in de leer, dat is, dat zijn leer den hoorders tot voordeel en nuttigheid mag strekken. In één woord,

het eerste stuk dat hier geëischt wordt, is, dat een dienaar in de wetenschap der gezonde leer moet onderwezen zijn. Het tweede, dat hij door een sterke welgemoede standvastigheid, de belijdenis daarvan tot in den dood toe moet voorstaan. Het derde,

dat zijn manier van spreken stichtelijk moet zijn, en dat hij het hier en daar niet eergierig zoeke door scherpzinnige beuzelingen: maar dat hij alleen het vaste en oprechte voordeel der kerken zoeke.

Opdat hij matig zij ook te vermanen, en degenen die tegenstaan te overwinnen. Wij leeren hier ten eerste uit, welke de rechte wetenschap van een opziener is, en tot wat einde ze behoort te strekken. De herder heeft oprechte wetenschap en wijsheid, i die met oprechte kennis des geloofs begaafd is. Hij gebruikt zijne wijsheid gelijk dat behoort, als hij dezelve tot des volks stichting ,, gebruikt. En dit is een uitnemend groote lof des Goddelijken Woords,

als daar gezegd wordt, dat het Woord niet alleen genoegzaam is,

om de leerzamen te regeeren, maar om de hoogmoedigheid der wedersprekers ook te wederstaan en te overwinnen. En voorwaar,

de kracht der waarheid door den Heere geopenbaard, is alzulks,

dat ze lichtelijk alle leugenen overwint. Laat dan alsnu de bisschoppen van den paus komen, en laat ze roemen zoozeer als zij willen, dat ze navolgers der apostelen zijn: aangezien de meeste hoop zoo onwetend is, en naakt van alle geleerdheid, dat zij het voornaamste van hunne waardigheid stellen in niets te weten.

10 Want er zijn vele ongeregelden en ijdellniclsprekers, hard-Hand. 15; 2.

nekkig, en ook verleiders der zinnen, voornamelijk die uit de

besnijdenis zijn. -'„I

11 Welken men moet den mond stoppen: die geheele huisge-2 Tim. 3:G.

zinnen omkeeren, en leeren wat niet betaamt, om des vuils Mattquot; 23'13'

gewins wil.

12 Een van hen, hun eigen profeet,l) heeft gezegd: De Cretensen i) Epime-zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luie buiken. mdes'

14 Dit getuigenis is waar.

io Want er zyn vele. Nadat hij een gemeenen regel voorgeschreven heeft, die overal behoort onderhouden te worden: opdat

175

gt;; •J-y.

t.

ocr page 180

■' n 176 TITUS 1:10, 11.

Titus nog te vlijtiger zij in het waarnemen, zoo stelt hij hem een bijzondere noodige zaak voor, die hem boven alle anderen meer behoorde aan te porren: want hij waarschuwt hem dat hij te doen heeft met vele ongeregelde en neuswijze hoofden: dat er sommigen zeer blazen, en vol van ijdel geklap zijn, velen die ook verleiders zijn: en dat hij daarom hiertegen goede leidslieden moet kiezen, die wel voorzien zijn, en eigenlijk dienen om alzulken vromelijk te wederstaan: want worden de kinderen dezer wereld vlijtiger en zorgvuldiger, als zij eenig gevaar voor oogen zien, en de satan aan de andere zijde al zijn listen bijbrengt, die hij kan versieren, zoo ware het wel een groote schande, dat zij ledig, traag en stout zouden blijven, alsof het al in vrede ware. Ongeregelden. Ik heb dit woord aldus overgezet, waar de oude overzetter heeft: Onge-hoorzamen. Erasmus: Onhandelbaren. Hij beduidt hiermede die in orde niet willen gesteld zijn, en alle juk en onderdanigheid verwerpen. Als hij zegt: IJdelheidsprekers, daar meent hij niet alleen mede degenen, die valsche leeringen en dwalingen voorstellen, maar die tot eergierigheid en roemen genegen zijnde, aan ijdele scherpzinnige beuzelingen blijven hangen: want ijdelheid der woorden is hier gesteld, tegen nuttige en vaste leering. Aldus vervat dit woord al deze zeer diepe bedenkingen, die koud en onnut zijn, die niet dan wind zijn, omdat ze geenszins tot de godzaligheid en godvruchtigheid dienen, hoedanig het hedendaags in de geheele scholastieke theologie van het pausdom is. En dezen noemt hij nochtans: Verleiders der zinnen, of men moest het liever van eenige anderen willen verstaan: maar het laat mij dunken dat hij dezelfden meent: want de leeraars van alzulke beuzelingen hebben zekere aan-lokselen, waar ze de zinnen der menschen alzoo mede kunnen pluimstrijken, en bij manier van spreken alzoo betooveren, zoodat ze der gezonde leer geen plaats meer geven. Hij zegt, dat dezen voornamelijk onder de Joden zijn: want er ligt veel aan, dat alzulke pestilentiën allen menschen mogen bekend zijn. Ook als daar eenige groote zwarigheid is, die de gansche gemeente aangaat, zoo zullen wij de opiniën dergenen niet volgen, welke hebben willen, dat men de eer van dezen man of van een ander wil sparen. En dit Jood-sche volk, omdat het anderen door de heiligheid van zijn geslacht te boven ging, zoo was het der gemeente zooveel te schadelijker in het wederstaan des Evangelies. Dit is dan de oorzaak, waarom de heilige Paulus de Joden te scherper aantast, te weten, omdat hij hun de macht beneme om eenigszins schadelijk te wezen.

ii Welken men den mond moet stoppen. Een goed dienaar moet dan goede wacht houden, opdat hij door zijn veinzing niet gedooge, dat gevaarlijke en verkeerde leeringen allengskens insluipen, of dat hij den boozen geen tijd noch plaats late om die te zaaien. Maar men kon hier vragen, hoe zal het kunnen geschieden, dat een opziener de hardnekkigen en eigenzinnigen zal dwingen te zwijgen: want die alzoo zijn, zwijgen gemeenlijk niet, hoezeer zij ook met redenen overwonnen worden, ja ook dikmaals, hoe openlijker ze verwonnen zijn, hoe onbeschaamder zij nog worden: want boven het wassen en ontsteken hunner boosheid, zoo geven ze zich nog tot alle onbeschaamdheid. Ik antwoord, als zij nedergeveld zijn door het zwaard des Goddelijken Woords, en door de kracht der waarheid beschaamd zijn, zoo zal hun de kerk het zwijgen mogen ge-

Irtfc

si

•4

ocr page 181

TITUS 1:11, 12. 177

bieden: volharden ze alsdan, zoo zal men ze ten minste mogen jagen uit het gezelschap der geloovigen, opdat ze geen hope hebben om schadelijk te zijn. Evenwel de heilige Paulus stelt hier eenvoudig: Den mond stoppen, voor hun ijdel geklap neder te leggen, hoezeer zij daartegen ten einde toe snateren: want die met Gods Woord verwonnen is, heeft niets meer te zeggen, hetzij ook wat hij inbrengt, of hoe hij snatert. Die geheele huisgezinnen om-keeren. Zoo het geloof van één mensch in gevaar van omkee-ren is, wijl er kwestie is van het vervallen van één ziel door het bloed van Jezus Christus gekocht, behoort dan immers een herder niet terstond zijn uiterste vlijt aan te wenden om dit te weder-staan ? Is het zoo: hoeveel te minder dan is het onverdraaglijker geheele huisgezinnen te zien omkeeren? Hij verklaart de manier van de omkeering: Omdat zij leeren dingen, die hun niet betaamt te prediken. Waaruit wij verstaan mogen, hoe zorgelijk het is van de gezonde leer af te keeren, hoe weinig dit ook zij, want hij zegt niet, dat het leeringen waren die openlijk niet deugden of in strijd met de ware religie, waardoor zij veler menschen geloof zouden hebben omgekeerd: maar wij kunnen het verstaan van allerlei verderfelijke leeringen, welker einde niet strekt tot stichting. Het is in der waarheid alzoo: In deze vleeschelijke zwakheid, die zoo groot is, struikelen wij zeer lichtelijk. En door dit middel geschiedt, dat de satan lichtelijk door zijn dienaars omwerpt, wat de getrouwe dienaars met grooten arbeid in langen tijd hadden opgericht. Hij roert ook den oorsprong van dit kwaad aan, te weten, begeerlijkheid van vuil gewin, waardoor hij ons vermaant wat zorgelijke pestilentie gierigheid is voor kerkdienaren. Want zoo haast als zij zichzelven zoozeer beginnen te vergeten, dat ze gansch op de winst willen staan, zoo beginnen ze te veinzen en spreken de lieden naar den mond, waar ze mede te doen hebben, opdat zij hun gunst mogen verwerven. En hieruit volgt terstond verderving en ontheiliging van de zuivere leer.

12 Een van hen, hun eigen profeet. Ik twijfel niet, of degene, waarvan hij hier spreekt, is Epimenides geweest, die een Cretenser was: want als hij zegt, dat hij van henlieden was, en hun eigen profeet, daarmede geeft hij ongetwijfeld te kennen, dat hij van het Cretensisch geslacht was. Men twijfelt waarom men hem hier profeet noemt. Sommigen brengen deze reden bij, omdat het boek, waaruit de heilige Paulus dit getuigenis genomen heeft, genaamd wordt het boek der orakelen. Anderen meenen, dat de apostel hier spottenderwijze spreekt, alsof hij zeide, dat zulk een profeet hun toekomt, omdat ze de getrouwe dienaars van Christus niet willen hooren. Maar omdat de Grieken somtijds de dichters profeten noemen, gelijk de Latijnen ze Vat es noemen, zoo neem ik het hier eenvoudig voor leeraar. En de oorzaak, waarom zij alzoo worden genoemd, schijnt te komen, omdat men de dichters altijd goddelijke lieden geacht heeft, die van den Geest Gods werden gedreven. Waarom ook Adimantus bij Plato in zijn tweede boek van het gemeenebest de dichters kinderen Gods heeft genoemd, en daarbij voegt, dat zij ook tot hunne profeten zijn gesteld. Hieruit dunkt mij, dat de heilige Paulus aldus sprekende, zichzelven naar het gemeen gebruik van spreken voegt. Voorts, zoo mag men daarop niet staande blijven, waarom Epimenides zijn landlieden leugenaars

12

Dl. VI.

ocr page 182

178 TITUS 1 :12, 13.

noemt, te weten, omdat ze roemden dat ze Jupiters graf hadden, maar omdat de dichter dit neemt uit het oude gemeene gerucht, zoo verhaalt de heilige Paulus het als een spreekwoord. Wijders, zoo leeren wij uit deze plaats, dat zij te zeer scrupuleus zijn, die uit heidensche schrijvers niets durven aanhalen; want nademaal alle waarheid van God is, hebben die ongeloovigen iets gezegd, dat wel van pas dient en waar is, wat men niet zal verwerpen, want het is van God gekomen. Daarenboven, nademaal het van God is, waarom zou het dan niet toegelaten worden tot zijne heerlijkheid te pas te brengen, al hetgeen er gepast bijgehaald kan worden? Die hiervan meer wil weten, leze de oratie, die Basilius gehouden heeft, de jongelieden onderwijzende, hoe zij zich in zake de boeken der heidensche schrijvers zullen houden.

13 Dit getuigenis is waarachtig. Hoewel deze auteur een onge-loovige is, en van geene autoriteit, nochtans neemt de heilige Paulus aan hetgeen waar van hem gezegd is. Wijders, er is geen twijfel aan, die van Creta zijn zeer booze lieden geweest, aangezien Paulus met hen zoo scherp omgaat: want hij zou nimmermeer tegen hen zoo straf geweest zijn, zoo hem geen zeer groote oorzaken daartoe hadden gedreven, aangezien hij voor een manier heeft het volk met zoetigheid te bestraffen, die nochtans somtijds wel groote en zeer harde straf waardig zijn. Wat versmadelijker woorden zou men kunnen vinden dan hij hier gebruikt, te weten, dat zij zijn luie buikbeesten, hardnekkig, verleiders, leugenachtig, zonder trouw? En hij verwijt deze gebreken niet aan een of twee, maar hij scheldt en veroordeelt het geheele volk van Creta. Wijders, zoo is dit een wonderlijke raad Gods, dat onder de eersten geroepen is tot het deelgenootschap aan zijn Evangelie een zoo verkeerde natie, en kwalijk berucht door haar gebreken, maar zijn goedheid is niet minder te bewonderen, dat Hij zijn hemelsche gave medegedeeld heeft dengenen, die niet waardig waren, dat ze hier op aarde zouden leven. In dit zoozeer verdorven landschap heeft de kerk van Jezns Christus als in het midden van de hel eenige plaats gehad, en heeft niet nagelaten altijd toe te nemen en wijders te verspreiden, hoe groot ontallijk kwaad aldaar heerschende was. Want ƒ • de heilige Paulus bestraft hier niet alleen degenen, die vreemd waren

van het geloof, maar ook namelijk degenen, die tot Jezus Christus bekeerd waren. Omdat hij nu zag, dat zulke schandelijke gebreken reeds lang geworsteld hadden, en zich meer en meer verspreiden, zoo spaart hij de gansche natie niet, opdat hij degenen genezen zou, voor wie hij hope op gezondheid had.

Om deze oorzaak bestraf' ze dapperlijk, opdat zij gezond worden in het geloof,

Jes. 29:13. 14 En niet achten op joodsche fabelen, en geboden der menschen,

Matt. 1519« ^ i • t pi

Col. 2:22. die van de waarheid aikeeren.

15 Alle dingen zijn den reinen rein, maar den onreinen en onge-

2 Tim', i; ic. loovigen is geen ding rein, maar ook hun gemoed en conscientie

Matt- 16: quot;• is onrein

Hand. 1U : 15. 18 onreI11-

Eom. 14:20. 16 Zij zeggen, dat zij God kennen, maar loochenen Hem met de

Kom. i4 * 23! werken, dewijl zij gruwelijk zijn en ongeloovig, en tot alle

goede werken niet deugende.

: gt; : • K

■■m

:,'i' ■■

ocr page 183

TITUS 1 : 13, 14.

Om deze oorzaak bestraf ze dapperlyk. Tot de wijsheid, die een opziener behoort te hebben, is dit het minst niet, dat hij zijn manier van prediken voege, naardat de zinnen en manieren van die eischen, tot wie hij spreekt: want men moet met de wederspan-nigen en ongetemden alzoo niet handelen, als met de goedertierenen en leerzamen; aangezien men om de leerzamen te prediken, zoetheid en goedertierenheid moet gebruiken, die overeenkomt met hun leerzaamheid: maar zooveel den hoovaardigen en wederspannigen aangaat, is het van noode strengheid te gebruiken, en hun hoogmoedigheid en eergierigheid te bestraffen, gelijk het gemeen spreekwoord luidt: Voor een harden knoest moet men een harden beitel gebruiken. De oorzaak, waarom de heilige Paulus wil hebben, dat Titus aldus straf en wreed zal zijn in het bestraffen der wederspannigen, teekent hij hier aan, te weten, omdat het kwade beesten zijn. Opdat zü gezond worden in het geloof. Het is onzeker, of hij met het woord gezond, stilzwijgend deze gezondheid tegen hunne ziekten en gebreken stelt, waarvan hij vermaand heeft, of dat hij hun eenvoudig in het gezond geloof beveelt te blijven. Het laatste houd ik voor het beste. Omdat ze derhalve reeds van zichzelven verkeerder zijn, dan het wel goed is, en dat ze lichtelijk nog meer en meer kunnen bedorven worden, zoo wil hij hebben, dat men ze strakker en nauwer in het gezonde geloof zal houden. Daarna zoo toont hij, hoe het geloof zal gezond blijven, te weten, als het niet bedorven wordt door eenige fabelen. Om dit gevaar te schuwen, gt;• hij zoo geeft hij ze dit middel, dat zij hun zinnen daartoe niet geven o is zullen: want God wil hebben, dat wij zoo vlijtig in zijn Woord zullen zijn, dat fabelen of droomen van menschen bij ons geen plaats hebben. En voorwaar als Gods waarheid bij ons eens de overhand gehouden heeft, en in ons wel geworteld is, al hetgeen men tegen haar zal brengen, zal ons niet smaken, maar ons dunken bot en grof te zijn, zoodat daarop onze zinnen niet zullen achten. Daarom, willen wij het geloof geheel behouden, laat ons leeren al onze zinnen zorgvuldig getoomd te houden, opdat ze niet afwijken tot vreemde vonden; want zoo haast als iemand den fabelen gehoor wil geven, zal hij de zuiverheid des geloofs verliezen.

14 Joodsche fabelen. Hij noemt fabelen, alle lichtvaardige vonden, hetwelk de Latijnen noemen nugae, beuzelingen: want wat hij terstond daarbij voegt: geboden der menschen, beduidt hetzelfde. Hij noemt ze vijanden der waarheid, die niet tevreden zijn met de zuivere leer van Jezus Christus, maar hun beuzelingen en valsche vonden daaronder mengen: want wij moeten het voor fabelen houden al wat de menschen versieren bij zichzelven. Dit gebrek schrijft hij voornamelijk den Joden toe, omdat ze onder het deksel van Gods wet superstitieuse ceremoniën invoerden: want de heidenen hoorende, dat ze ellendig bedrogen waren geweest al hun leven lang, verzaakten veel lichtelijker hun eerste manier van leven: maar de Joden, omdat ze in de oprechte religie des Ouden Testaments opgevoed waren, hielden zeer eigenzinnig de ceremoniën vast, welke al de kerken verstoorden, omdat zoo haast, als zich het Evangelie aan eenige plaats begon te openbaren, zoo hielden zij niet op, zijn zuiverheid te bevlekken met hun deesem, dien zij daaronder mengden. Hierom verbiedt de heilige Paulus alleen in het gemeen niet, dat ze wel toezien van de gezonde leer te vervreemden, maar wijst het

179

ocr page 184

TITUS 1 : 14, 15.

tegenwoordige kwaad genoeg met den vinger aan, waarvoor zij zich voornamelijk moesten wachten.

15 Alle dingen. Hij roert hier een deel der leeringen aan, die hij fabelen heeft genoemd: want zij stonden zeer op het onderscheid der spijzen, gelijk ze Mozes voor een tijd verordend had, alsof zulks nog noodig was, ja wat meer is, zij stelden bijna hun heiligheid in deze kleine onderhouding. Wij hebben op een andere plaats getoond, hoe schadelijk dit voornemen der kerk was. Allereerst werpt men een strik van dienstbaarheid om de conscientiën; de onwetenden, gebonden zijnde aan deze superstitie, hadden hierdoor een deksel voor de oogen, hetwelk hun 'belette in de oprechte leer en kennis van Jezus Christus toe te nemen. Was daar nu iemand uit de heidenen, die dit juk weigerde op zich te nemen, omdat hij het niet gewoon was, de Joden bestreden dit terstond, alsof dit het voornaamste punt der religie was. Daarom is het zonder oorzaak niet, dat Paulus zich aldus dapper tegen dusdanige verdervers des Evangelies stelt. En voorwaar in deze plaats wordt niet alleen hun dwaling nedergelegd, maar hij bespot ook zeer bekwamelijk hun ijdel-heid, zeggende, dat het hun ganschelijk niet baat met zoo groote zorgvuldigheid te arbeiden, om zich van zekere spijze te onthouden. Met het eerste deel beschermt hij de Christelijke vrijheid, zeggende, dat den geloovigen niets onrein is. Omdat hier nu geen kwestie is van gezondheid des lichaams, maar van rust der conscientiën, zoo meent hij anders niet, dan het ónderscheid der spijzen, dat onder de wet heeft plaats gehad, en als nu te niet gedaan is, en weggenomen wordt. Nochtans zoo blijkt om deze zelfde redenen, dat die nog heden ten dage hiervan benauwdheid maken in hun conscientiën, zeer kwalijk doen: want deze leer is niet voor een tijd gegeven, maar het is een eeuwige spreuk des Heiligen Geestes, van welke het niet geoorloofd is door eenige nieuwe wet iets in het minst af te doen. Daarom zoo moet dit waar blijven tot het einde der wereld, dat men zonder onderscheid voor God alle spijs mag gebruiken. Hierdoor wordt deze plaats bekwamelijk en zeer wel bijgebracht tegen de tirannie van den paus, welke op zekere tijden verbiedt vleesch te eten. Ik weet het bedrog wel, dat zij hiertegen bijbrengen, te weten, dat ze geen vleesch verbieden te eten, omdat het onrein is, (want zij belijden dat alle spijze rein en zuiver in zichzelve is) maar dat het onthouden van vleesch, tot een ander einde is geboden, te weten, om de wederspannigheid onzes vleesches te temmen. Alsof God hier voormaals varkensvleesch had verboden te eten, omdat Hij de zeugen onrein acht: want de oud-vaders zeiven die onder de wet waren, hebben op zichzelf zuiver en rein geacht al wat God geschapen heeft: maar de oorzaak, waarom zij de varkens onrein achtten, en andere spijze in de wet uitgedrukt, is: omdat hun het gebruik niet geoorloofd was, wijl God hun zulks verboden had. De apostel Paulus noemt ze dan in geen anderen zin al tezamen rein, dan dat het alles vrij te gebruiken is, zooveel de conscientie aangaat. Hierdoor blijkt, zooveel dan daar eenige ordening is, die de conscientie verplicht dat het noodig is, dat men zich dan eenige spijze onthoude, die beneemt ongoddelijk den geloovigen de vrijheid, die hun van God is gegeven. Maar den onreinen en ongeloovigen. Dit is het tweede deel, waarmede hij de onnutte en ijdele verhoedingen van zulke meesters bespot: want

180

ocr page 185

TITUS 1: 15, 16.

hij zegt, dat zij daarmede niets winnen, dat ze de onreinigheid in zekere spijze willen vermijden: want zij mogen niets aantasten dat onrein is. Waarom doch dat? want zij zijn besmet en onrein, en daarom wat anders rein was, wordt onrein, alleen door hun aantasten. Verder, hij voegt de ongeloovigen niet bij de onreinen, alsof het tweeërlei volk ware: maar hij voegt dat daarbij, bij manier van uitlegging; want omdat voor God geen reinigheid geldt, dan de reinigheid des geloofs, zoo volgt er uit, dat alle ongeloovigen onrein zijn. Daarom zullen zij door onderhoudingen van wetten of regelen tot de reinheid niet komen, waarnaar ze jagen; want omdat zij zeiven onrein zijn, zoo zullen ze hier in deze wereld niets vinden, wat hun rein is. Maar ook hun gemoed en conscientie. Hij toont hier den oorsprong, waaruit alle vuiligheden spruiten, die zich in den loop des tijds door het gansche menschelijke leven verspreiden: want is het hart niet wel gereinigd, hoe schoon des menschen werken schijnen, en hoe goeden reuk zij voor de men-schen hebben, nochtans zoo zijn ze voor God door hun stank een walging; gelijk er geschreven staat 1 Sam. 16; 7, De Heere ziet het hart aan. En Jer. 5:3, De oogen des Heeren zien de waarheid. Waardoor geschiedt, dat de dingen, die groot voor de menschen schijnen, een afgrijselijkheid voor God zijn. Het gemoed, beduidt het verstand, en de conscientie behoort meer tot de genegenheden des harten. Hier moeten twee dingen waargenomen worden, ten eerste, dat de mensch voor God geacht is, door zuivere genegenheid des harten, en niet door de uiterlijke werken; daarna, dat de onreinig-heden des ongeloofs zoo groot zijn, dat ze niet alleen den mensch vergiftigen, maar ook al wat hij ter hand neemt. Waarvan meniezen kan Haggaï 2. En hierom zegt de heilige Paulus op een andere plaats; dat alle ding ons geheiligd wordt door het woord, zoodat de menschen niets rein gebruiken, dan wat ze van de hand Gods door het geloof ontvangen.

16 Zij zeggen, dat zij God kennen. Hij behandelt ze naar hunne verdiensten; want de hypocrieten, die op onderhoudingen van geene beteekenis blijven staan, verachten stoutelijk het voornaamste van een Christelijk leven. Aldus geschiedt het, dat zij hun ijdel-heid ontdekken, als zij in hunne openbare boosheden openlijk een versmading Gods toonen. En dit is het wat de heilige Paulus meent, dat degenen, die gezien willen worden als die zich bij e'én soort van spijze houden (en hiervoor bovenmate zeer strijden, alsof ze het juk van zich hadden geworpen) vol van alle vuiligheid en boosheid zijn, en dat men in hun geheele leven niet e'én vonksken der deugd ziet.

HET TWEEDE HOOFDSTUK.

1 Maar gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt.

2 Vermaan de oude mannen, dat zij sober zijn, gestadig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid. 1 T,m 2 g

3 De oude vrouwen insgelijks, dat zij zichzelven gedragen, gelijk i petr. 3:3.

181

ocr page 186

182 TITUS 2:1, 2.

'' '■'] l Tim. 5:13. heiligen betaamt : dat zij geene lasteressen zijn, zich niet

tot veel wijns begeven, maar leeraressen der heerlijkheid.

3 Opdat zij de jonge vrouwen onderwijzen hare mannen lief te

hebben, hare kinderen lief te hebben;

Gen. 3:16. 5 Dat zij zedig zijn, zuiver, het huis bewarende, goed, haren

1 CEf.15:22. mannen onderdanig, opdat het woord Gods niet gelasterd

Col. 3: is. worde.

1 Petr. 3:1.

'Mi

aar gjj, spreek. Hij toont het middel, om de fabelen te verjagen, te weten, dat Titus zich houden zal aan al hetgeen stichtelijk is. De gezonde leer, noemt hij hier die, waardoor de menschen kunnen onderwezen worden in de godzaligheid: want alle beuzelingen verdwijnen, als men predikt wat waar en vast is. Als hij nu Titus beveelt, dingen te prediken die met de gezonde leer overeenkomen, dat is zooveel alsof hij zeide: Dat Titus zich gedurig aan deze verkondiging vasthouden zou. Want het zou niet genoeg zijn, dat men eens of tweemaal hiervan alleen zou vermanen, maar zoolang als Titus het predikambt bedient, wil hij hebben, dat hij zich met deze leer bezig houde. De gezonde leer wordt alzoo genaamd door haar gevolg: gelijk hij daartegenover zegt, dat de ongeschikte menschen naar alle kwesties verlangen, die onnut zijn. Gezonde, daarmede beduidt hij de heilzaamheid die ze brengt, te weten, het rechte heil en de gezondheid der zielen. Daarom verjaagt hij uit de gemeente door i; dit eene woord, als door een plechtig besluit, allerlei beschou

wingen, die meer tot roem dienen, dan tot godzaligheid, gelijk hij gedaan heeft in de beide brieven aan Timotheus. Hij stelt de gezonde

■ igt;

■ki

leer in twee deelen: het een, waarmede hij ons de genade in Chris-, ;gt;'y: tus aanprijst, opdat wij zouden weten, waar wij onze zaligheid zou-

.. v: den zoeken; de andere, waardoor ons leven bereid wordt in de

'r vreeze Gods, en eenvoudigheid. Hoewel nu het eerste, waarin 't ge-

■ V 0 loof begrepen is, uitnemender is dan het andere, en dat het daarom

■ ''v, vlijtiger moet onthouden worden, Paulus nochtans schrijvende aan

Titus, is niet te zorgvuldig geweest, om deze orde te houden: want hij had met een verstandig man te doen, welken hij ongelijk zou hebben gedaan, hem alles van woord tot woord voor te zeggen, gelijk men den kinderen of aankomelingen doet. Het is wel waar, dat hij onder den persoon van Titus, de gansche kerk van Creta

i /-■ predikt: nochtans zoo neemt hij de betamelijkheid in acht, opdat

■C'-l hij niet schijne aan Titus' wijsheid te wantrouwen. Daarbenevens,

dat hij lang in zijn vermaning is, is voornamelijk omdat zij tot Vy ■•'ó een begeerte van heiligheid en van eerbaar te leven moesten ge

bracht worden, in plaats dat ze zeer vlijtig waren tot onnutte kwes-tiën: want daar is niets, wat beter de verdoolde scherpzinnigheid der menschen betoomt, dan als zij bekennen in wat plichten zij zich

[ r. 'j behooren te oefenen.

^ 2 Vermaan de oude mannen. Hij begint van de particuliere

y; plichten, opdat zijn woorden het volk te aangenamer zouden zijn.

Dit doet hij, niet alleen opdat hij zichzelven voegen zou, naardat .gt;'.fifi zij begrijpen konden, maar opdat hij ze beter zou aandringen;

want als men een algemeene leer voorstelt, die beweegt zoozeer niet: maar nadat hij een iegelijk in zijn beroeping vermaand heeft, :v'i en hun eenige exempelen heeft voorgesteld, zoo kan daar niemand

■4;#

ï'J-'.'U

'v 'k.r

'A

ocr page 187

TITUS 2:2, 3.

wezen, of hij kan daaruit lichtelijk verstaan, dat God hem last genoeg heeft opgelegd, waarin hij zich behoort te oefenen. Hierdoor is het niet vannoode, dat wij hierin een fijne onderscheiding willen zoeken, omdat de meening van den heiligen Paulus alleen is in het kort aan te wijzen, van wat zaken getrouwe leeraars be-hooren te spreken, en niet om daarvan op het breedst te handelen. Hij vermaant allereerst van de oude mannen; hij wil hebben, dat zij sober zullen wezen: want overdadig drinken is een zeer schandelijk gebrek voor oude lieden. Zooveel de statigheid aangaat die hij daarbij voegt, die verkrijgt men door goede manieren en een welgeregeld leven: want daar is niets ongeschikter, dan als een oude gek jonge dwaasheid dartel bedrijft, en alzoo de jeugd in haar dwaasheid sterkt. Daarom moeten de oude lieden in hun leven een statige eerbaarheid bewijzen, welke de jonge lieden leiden mag tot schaamte en zedigheid. Dit zullen ze voornamelijk verwerven door gestadigheid, die hij daarbij stelt. Gezond in het geloof. Ik weet niet, of dit een heimelijke toespeling op de verscheidene ziekten der oude lieden is, waartegen hij deze gezonde leer der zielen wil stellen. Het komt mij wel voor, dat het zoo is, nochtans wil ik dat niet beslissen. Hij vervat door deze drie deelen den ganschen inhoud der Christelijke volkomenheid, en dat niet zonder oorzaak: want wij eeren en dienen God door het geloof, omdat de aanroeping en andere oefeningen van den waren godsdienst, van het geloof niet kunnen gescheiden zijn. De liefde strekt zich tot al de geboden van de tweede tafel. Daarna zoo volgt de lijdzaamheid, als de saus van geloof en liefde: want zonder lijdzaamheid zou het geloof niet lang kunnen duren. Vele dingen komen ons dagelijks over, waardoor wij vertoornd zijnde, omdat zij onredelijk zijn, of zwaar en moeilijk, waardoor wij niet alleen in de liefde verzwakt zouden worden, maar ook bijna dood, zoo wij niet van de lijdzaamheid werden onderhouden.

3 De oude vrouwen insgelijks. Men ziet gemeenlijk, dat de oude vrouwen zichzelven meer opschikken dan het wel behoort, of ook gaarne iets bijzonders in haar kleeding hebben; zelden ziet men ze de middelmaat houden. In deze twee gebreken heeft de heilige Paulus willen voorzien, haar voorschrijvende de wijze, die bij de welvoegelijkheid en bij den godsdienst past. Of wilt gij het eenvoudiger, dat zij met hare kleederen hare godzaligheid bewijzen. Hij bestraft hier ook twee andere gebreken, waaraan zij gaarne onderworpen zijn: als hij zegt, dat zij geen lasteressen zijn, noch overgegeven aan den wijn. Veel gesnap te hebben, is een vrouwelijk gebrek, en dit neemt gemeenlijk toe met den ouderdom. Hier nog bijgevoegd, dat zij gelooven niet welsprekend te zijn, zoo zij wat klappen, lasteren, en een iegelijk over de hekel halen. Hierdoor geschiedt het zeer dikwijls, dat de oude vrouwen door haren lasterlijken klap, vele huizen als met een brandende toorts ontsteken. Velen zijn er ook genegen om wijn onmatig te drinken. Waardoor geschiedt, dat ze alle zedigheid en deftigheid vergetende, onbetamelijke dartelheid bedrijven. Verder, opdat zij vlijtiger zouden zijn om haar roeping na te komen, zoo bewijst hij, dat het niet genoeg is, dat zij eerbaar leven, tenzij zij daarbenevens de jonge vrouwen onderwijzen om kuiscli en eerbaar te leven. En daarom voegt hij daarbij: Dat zij door haar voorbeeld de jonge vrouwen gestadiger en ge-

183

ocr page 188

TITUS 2: 3—7.

matigder zouden maken, die anders door de vurige jonkheid te dartel en moedwillig worden.

4 Dat zy hare mannen beminnen. Ik ben niet van de meening dergenen, die denken, dat de heilige Paulus hier de onderwijzingen verhaalt, die van de oude vrouwen den jongen behooren te geschie- i den: want die het verband wel aanmerkt, zal lichtelijk gevoelen, dat de apostel den schuldigen plicht der vrouwen vervolgt, die (rvCppovi den ouden ook toekomt. Daarenboven zou in 't Grieksch de woord-en schikking ongepast zijn. Nochtans als hij aan de oude vrouwen (rüCppoi/as een regel geeft hoedanig zij moeten wezen, zoo stelt hij daarmede shoci. den jongen een exempel, hetwelk zij behooren na te volgen. Aldus leert hij ze zonder onderscheid beiden tegelijk. Kortelijk, hij wil hebben dat de vrouwen door de liefde van hare mannen en kinderen, zich niet geven zullen tot eenige dartele liefde: maar dat ze zich te huis in alle soberheid zullen houden. Hij verbiedt haar op straat te staan snappen. Hij beveelt haar kuischheid en daar-benevens zedigheid, opdat ze aan de bevelen harer mannen zouden onderdanig zijn: want degenen die wel andere deugden hebben, nemen somtijds oorzaak om zich daardoor te verhoovaardigen, en worden alzoo, dat men daarmede niet kan omgaan, zoodat zij haren mannen niet zeer gehoorzaam zijn. Wat hij daarbij voegt: Opdat het woord Gods niet gelasterd worde, meent men, dat voornamelijk voor die vrouwen gezegd is, die ongeloovige mannen hadden, die uit de booze manieren hunner vrouwen kwalijk van het Evangelie konden oordeelen: en het schijnt dat dit bevestigd wordt door de woorden 1 Petr. 3 : 1. Nochtans wat zal het beteekenen, indien hij niet alleen van de mannen spreekt? En voorwaar, 't is waarschijnlijker te zeggen, dat zulk een heilig leven van hen geëischt wordt, opdat ze door hunne gebreken het Evangelie overal niet zouden lasteren. Het overige zoeke men 1 Tim. 5.

6 Insgelijks vermaan de jonge mannen, dat zij matig zijn.

7 Uzelven bewijzende in alles een goed voorbeeld van goede werken in de leer, geheelheid, gestadigheid.

8 In woorden gezond, onstraffelijk, opdat degene, die het tegenstaat, beschaamd worde, niets kwaads hebbende van u te zeggen.

9 Vermaan de dienstknechten, dat zij hunnen heeren onderdanig zijn, in alle dingen hun behagende, niet tegensprekende.

10 Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende, opdat ze de leer van God, onzen Zaligmaker, versieren in alle dingen.

6 Vermaan de jonge mannen. Hij beveelt, dat de jonge mannen alleen zullen onderwezen zijn in matigheid, omdat deze deugd (gelijk Plato zegt) des menschen gansche verstand gezond maakt. Zoo is het dan zooveel alsof hij zeide: welgeschikt, naardat de rede het eischt.

7 Uzelven bewijzende. Want zonder dit zou de leer kleine autoriteit hebben, zoo niet haar kracht en mogendheid in het leven eens opzieners als in een spiegel werd gezien. Hij wil dan hebben, dat een leeraar een voorbeeld zal wezen, naar wien zich zijn onderzaten mogen schikken. Hetgeen daarop volgt, is om den duisteren zin, twijfelachtig. Voorbijgaande andere uitleggingen, zoo zal ik

184

1 Tim. 4 :12. 1 Petr. 5 : 3. 1 Petr. 2 :12, 15; 3: 16. Ef. 6 : 5. Col. 3: 22. 1 Tim. 6:1. 1 Petr. 2 :18

ocr page 189

TITUS 2 : 7—9.

hier stellen wat mij 't waarschijnlijkst dunkt te zijn. Ten eerste, zoo voeg ik deze woorden samen: Van goede werken in de leer:

want nadat hij Titus bevolen heeft dat hij predikende, de anderen tot goede werken zou opwekken, zoo wil hij hebben, dat men in zijn leven goede zeden en manieren zal merken, die met zijn leer overeenkomen. Want het woordje in, geeft een overeenstemming te kennen. Wat daar voorts volgt, is niet duister; want hij beveelt Titus geheel en gestadig te zijn, opdat hij een voorbeeld vertoone van zijne leer, in zijn goede werken. In woorden gezond, kan men naar mijn gevoelen trekken op het gemeene leven, en de da-gelijksche samensprekingen: want het zou niet wel sluiten, dat men dit uitleggen zou van de openbare prediking, aangezien hij anders niet hebben wil, dan dat Titus' leven overeenkome met zijn woorden en prediking. Waardoor hij beveelt, dat zijn woorden zullen vreemd zijn van al wat hinderlijk is. Het woord onstraffelijk, kan zoowel op Titus' woord getrokken worden, als op zijn persoon. Ik neem

I liever het tweede aan, opdat de andere vierde naamvallen (wat de Grieksche woordschikking lichtelijk toelaat) daaraan hangen, in dezen zin; Opdat gij u onstraffelijk bewijst in gestadigheid, geheelheid, en gezonde woorden. liever het tweede aan, opdat de andere vierde naamvallen (wat de Grieksche woordschikking lichtelijk toelaat) daaraan hangen, in dezen zin; Opdat gij u onstraffelijk bewijst in gestadigheid, geheelheid, en gezonde woorden.

8 Opdat degene, die tegenstaat. Hoewel een Christen op een ander einde moet zien, nochtans behoort dit ook niet versmaad te wezen, te weten, dat den ongeloovigen den mond mag worden gestopt, gelijk wij overal vermaand worden, dat men hun geenszins oorzaak moet geven om kwalijk te spreken; want zij keeren tegen Christus en zijn leer al de opspraak, die zij op ons leven kunnen vinden. Hierdoor wordt door onze schuld de heilige naam Gods gesmaad en gelasterd. Daarom, zooveel te meer als wij zien dat onze tegenstanders ons nagaan, zooveel te vlijtiger zullen wij zijn, dat wij ons voor hun opspraak zullen wachten: en hun boosheid zal in ons doen wassen een begeerte en genegenheid tot alle goede werken.

9 Vermaan de dienstknechten. Wij hebben hierboven gezegd, dat de heilige Paulus deze dingen maar om een voorbeeld te geven aanroert, niet om de zaken in haar geheel te verklaren, even alsof hij ze met opzet geheel wilde behandelen. Daarom gebiedende dat de dienaars hunnen meesters in alles zullen behagen, moet deze begeerte om te behagen zich bepalen tot wat recht en billijk is, gelijk men dit ook genoeg verstaan kan uit andere dergelijke plaatsen, waar deze uitzondering duidelijk wordt genoemd, dat er niets geschiede dan wat Goddelijk is. Hier moet bijzonder onthouden zijn, dat de apostel hierop staat, dat die onder eens anders autoriteit en macht zijn, gehoorzaam moeten zijn; hetwelk hij zonder oorzaak niet doet; want er is niets dat des menschen natuur meer tegen is dan de onderdanigheid; en hier was zorg, dat ze onder het deksel van 't Evangelie wederspanniger konden worden, omdat ze zich lieten dunken, onredelijk te zijn, dat ze de macht der ongeloovigen zouden onderdanig zijn. En zooveel te meer behoorden de herders en dienaars des Woords vlijtiger en zorgvuldiger te zijn, om deze hardnekkigheid en wederspannigheid te breken en te beletten. Voorts, zoo bestraft hij twee algemeene gebreken, die men veel bij de dienstboden ziet, te weten, de stoute onbe-scheidene dartelheid, en de begeerte om te stelen. De comediestukken

185

ocr page 190

TITUS 2:9—11.

zijn overal vol van bijtende scherts, waarmede de dienaars hun meesters bespotten. En het is ook zonder oorzaak niet, dat men wel eertijds der dienstknechten naam veranderd heeft, en dat men ze nu dieven noemt, gelijk dit in Frankrijk veel gedaan wordt. Aldus is het wijsheid, bevelen te pas te brengen, naardat een iege-7nlt;TTig. lijk van aard en zeden is. Het oorspronkelijke woord wordt hier voor trouw genomen, die zij hunnen meesters behooren te bewijzen. Daarom, als hij zegt: Alle goede trouw bewijzende, zoo wil hij hebben, dat ze alle zaken huns meesters getrouw zullen bedienen, zonder bedrog of eenige schade. Opdat ze versieren. Deze prikkel der vermaningen behoort ons wel 'aan te drijven, als wij hooren zeggen, dat Gods leer versierd wordt door onze eerlijke manieren en zeden, welke nochtans een spiegel zijner heerlijkheid is. En voorwaar, wij zien dat dit zeer dikmaals geschiedt: gelijk ze ook integendeel ons booze leven onteert. Want gemeenlijk wordt de mensch geacht naar zijn booze of goede werken. Nochtans, zoo moeten wij deze omstandigheid ook onthouden, dat God wel versiering van dienstknechten wil aannemen, wier leven zoo snood en verwerpelijk was, dat zij bijna niet voor menschen werden geacht: want hij spreekt hier van de dienstknechten niet, gelijk wij ze hedendaags hebben, maar van slaven, die men voor geld kocht, en die men als paarden of ossen bezat. Is hun leven een versiering van den Christennaam, laten zij, die nu in meerdere achting en eere zijn, wel toezien, dat ze dezen uitnemenden hoogen naam niet bevlekken door hun schandelijke en ontrouwe werken.

11 Want de zaligmakende genade Gods is versohenen aan alle menschen.

12 En onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en wereldsohe begeerlijkheden verzakende, matig, rechtvaardig en godzalig leven in de tegenwoordige wereld;

13 Verwachtende de zalige hope en verschijning der heerlijkheid van den grooten God, en van onzen Zaligraakpr Jezns Christus;

14 Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zon verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk reinigen, ijverig in goede werken.

15 Spreek dit, en vermaan en bestraf met allen ernst. Dat u niemand verachte.

ii Want de zaligmakende genade Gods. Hij brengt een bewijs bij van het einde onzer verlossing, hetwelk hij leert, dat een prikkel is om wel en heilig te leven. Waaruit volgt, dat het ambt van een goed en getrouw leeraar veelmeer moet strekken om de lieden te vermanen tot een heilig leven, dan der menschen harten met ijdele kwesties bezig te houden. Gelijk Zacharias in zijn lofzang Luk. i:7*. zegt; Hij heeft ons verlost om Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid al de dagen onzes levens. En dat is het wat de heilige Paulus hier zegt: De genade Gods is geopenbaard, ons onderwijzende: want hij geeft te kennen, dat deze genade ons behoort te strekken tot onderwijzing, door welke wij ons leven wel zullen aanstellen. Anderen trekken tot een oorzaak van vrijheid, wat van de barmhartigheid Gods gezegd wordt; weer anderen wor-

186

Ef. 1: 4. Col. 1:22. 2 Tim. 1: 9. 1 Joh. 2 ; 16.

1 Oor. 1:7. Fil. 3:20. Gal. 1:1; 2:20.

Ef. 6:2. Hebr. 9:14. Ef. 2:10.

1 Tim. i: 12.

ocr page 191

TITUS 2 : 11—13.

den door hun onachtzaamheid belet, dat ze niet denken op de vernieuwing des levens. Maar voorwaar, de openbaring van de genade Gods brengt voornamelijk met zich een vermaning om heilig en godzalig te leven. Alle menschen. Hij belijdt uitdrukkelijk, dat ze allen menschen gemeen is, en dat door de dienaars, waarvan hij gesproken heeft. Intusschen zoo meent hij alle menschen niet, maar hij wijst alle rangen en standen van dit tegenwoordige leven aan. En dit is niet klein te achten, dat de genade Gods ook afgedaald is tot den slavenstand: want nademaal God de allerverworpensten en kleinsten niet versmaadt, zoo ware het een groote ongeschiktheid, dat wij lui en traag zouden zijn in het omhelzen zijner groote goedheid en barmhartigheid.

is Opdat wij de goddeloosheid verzakende. Hij geeft ons hier alsnu een regel, om ons leven wel aan te leggen, en waardoor wij zulks beginnen zullen, te weten, met het verzaken van ons vorig booze leven: hetwelk hij in twee deelen stelt, te weten, goddeloosheid en wereldsche begeerten. Onder de goddeloosheid vat hij niet alleen alle superstitiën, waarin zij gedwaald hadden, maar die groote goddelooze versmading Gods, welke wij zien dat onder de menschen regeert, ten tijde toen ze verlicht werden om de waarheid te kennen; want hoewel het schijnt, dat ze eenige religie hebben, nochtans zoo vreezen zij God nimmer, noch dragen ooit oprechten eerbied, die uit oprechten ijver en hartelijke genegenheid komt: maar hebben veel slaperige conscientiën: zoodat ze niets minder bedenken, dan dat men God moet dienen. Hij noemt wereldsche begeerlijkheden, alle vleeschelijke begeerten: want wij zien nergens op, dan op wat wereldsch is, ten tijde toen God ons tot Zich heeft getrokken: want de overdenking van het hemelsche leven begint door de wedergeboorte. Eer dit geschiedt, zoo strekken onze zinnen en genegenheden ganschelijk tot de wereld, en hangen vast daaraan. Matig, rechtvaardig. Gelijk hij hiervoren drie dingen gesteld heeft, als hij het Christelijke leven in e'én woord wilde vervatten, zoo besluit hij het ook met deze drie: Godzaligheid, rechtvaardigheid en matigheid. Godzaligheid is de dienst bij God. Rechtvaardigheid heeft plaats bij de menschen. Die met deze twee gaven begaafd is, heeft een volkomenheid van alle deugden. En voorwaar, in Gods wet is geheele volmaaktheid, waaraan niets kan toegevoegd worden: maar gelijkerwijs de oefeningen der oprechte religie als aanhangselen zijn van de eerste tafel, zoo ziet ook de matigheid, waarvan de heilige Paulus hier vermaant, op niets anders, dan op onderhouding der wet. En gelijk ik hierboven gezegd heb van de lijdzaamheid, die is hier bij deze twee andere gevoegd, als een saus. En de apostel strijdt tegen zichzelven niet, al is het, dat hij ze nu eens lijdzaamheid noemt, en dan matigheid, als de vervulling van een heilig leven: want het zijn geen verscheiden deugden, aangezien matigheid onder zich lijdzaamheid vervat. Hij voegt daarbij: In deze tegenwoordige wereld, omdat God dit tegenwoordige leven verordend heeft, om ons geloof te beproeven. Hoewel de vrucht van de goede werken zich nog niet openbaart, zoo behoort ons nochtans genoeg hope te zijn, om ons moed te geven, en tot weldoen op te wekken: en dit is het, wat hij hier terstond bijvoegt.

13 Verwachtende de zalige hope. Hij stelt den grond zijner

187

ocr page 192

TITUS 2:13.

188

vermaningen in de hope van de toekomende onsterfelijkheid: en voorwaar, het kan niet liegen, zoo deze oprechtelijk in onze harten is gedrukt, zij zal ons ganschelijk Gode toeëigenen. Integendeel, die niet ophouden altijd naar het vleesch en naar de wereld te leven, hebben nooit oprechtelijk gesmaakt, wat de belofte van het eeuwige leven is: want als God ons tot den hemel roept, zoo trekt Hij ons af van wat aardsch is. Hij heeft hier de hope voor de gehoopte zaak gesteld: anders zoo zou de spreekwijze oneigenlijk zijn. Aldus noemt hij ze ook het gelukkige leven, hetwelk ons in den hemel is bereid. Daarbenevens verklaart hij, wanneer het zijn zal, dat wij alzulks zullen genieten, en wat wij behooren aan te zien, zoo dikwijls als wij gedenken of een begeerte hebben tot onze zaligheid. Door heerlijkheid versta ik niet alleen die, waardoor God in Zichzelven verheerlijkt is, maar ook die Hij alsdan aan alle kanten uitstorten zal, om zijnen uitverkorenen mede te deelen. Hij noemt God, groot: omdat zijn grootheid (dewelke de menschen verblind zijnde door den ijdelen schijn van deze wereld, alsnu verkleinen, en ook dikwijls zooveel in hen is, vernietigen) zich openbaren zal in den jongsten dag: want de schijn van deze wereld, die zich groot voor onze oogen vertoont, verblindt ons alzoo, dat de heerlijkheid Gods als in duisternis verborgen ligt. Maar Jezus Christus zal door zijn toekomst doen verdwijnen al dezen grooten wereldlijken schijn, zoodat er niets meer zal wezen, wat den glans zijner heerlijkheid zal verduisteren, noch zijn grootheid en mogendheid verminderen. Het is wel waar, dat de Heere dagelijks zijn groote mogendheid door zijne werken toont: maar nochtans, omdat de menschen door hun blindheid verhinderd worden om dezelve te zien, zoo wordt er gezegd, dat ze in duisterheid verborgen is. Maar de heilige Paulus wil hebben, dat de geloovigen nu door het geloof zullen inzien, wat in den jongsten dag eerst openbaar zal zijn, en dat wij God daardoor zullen groot maken, denwelken de wereld in verachting heeft, of tenminste alzoo niet acht, gelijk behoort. Verder, men zou kunnen twijfelen of men dit tezamen behoort te voegen: Jezus Christus den grooten God en onzen Zaligmaker, of dat het eene deel van God den Vader verstaan wordt, en het andere van den Zoon. De Arianen, nemende dezen laatsten zin, hebben daardoor willen bevestigen, dat de Zoon minder dan de Vader was: omdat de heilige Paulus God den Vader hier noemt den grooten God, en een onderscheid (naar hun meening) tusschen den Zoon stelt. De getrouwe leeraars der kerken, deze lasterrede den mond willende stoppen, hebben sterk beweerd, dat het beide van Christus was gesproken. Nochtans kan men de Arianen wel met minder woorden en zekerder overwinnen: omdat de heilige apostel, nadat hij gesproken heeft van de verschijning van den grooten God, hij daar terstond heeft bijgevoegd, Jezus Christus: om ons te doen verstaan, dat deze verschijning der heerlijkheid in zijn persoon zal geschieden. Alsof hij zeide: Als Jezus Christus zal verschijnen, alsdan zal ons de grootheid der heerlijkheid Gods geopenbaard worden. Wij leeren hieruit ten eerste, dat er niets is, wat ons vlijtiger en genegener om goed te doen maaljt, dan de hope van de toekomende opstanding. Daarna, dat de geloovigen altijd hun oogen op dezelve moeten hebben, opdat zij op den rechten weg niet moede worden: want hangen wij ganschelijk niet

ocr page 193

TITUS 2 : 13—15.

daaraan, zoo vallen wij telken reize wederom tot de ijdelheid van deze wereld. Maar omdat de toekomst des Heeren in het oordeel ons zou kunnen verschrikkelijk zijn, zoo is ons Jezus Christus voorgesteld als een Zaligmaker, die ook zelve de richter zal wezen.

14 Die Zichzelven gegeven heeft. Dit is een andere reden van vermaning, genomen uit het einde of de kracht van den dood van Jezus Christus. Christus heeft Zichzelven opgeofferd, opdat Hij ons verlossen zou van de slavernij der zonde, en ons verwerven om zijn erfgenamen te zijn. Daarom is het noodig, dat zijn genade met zich brengt een vernieuwing des levens: omdat degenen, die de zonde nog dienen, de weldaden der verlossing onnut maken. Nu is het alzoo, dat wij bevrijd zijn van de slaveVnij der zonde, opdat wij de gerechtigheid Gods zouden dienen. En daarom voegt hij dit daar terstond bij; Een eigen volk, ijverig tot goede werken. Door welke woorden hij te kennen geeft, dat de weldaad of vrucht der verlossing aan ons teniet gaat, zoo wij nog met begeerlijkheden dezer wereld omwonden zijn. En opdat hij het te beter uitdrukken zou, dat wij door den dood van Jezus Christus geheiligd zijn tot goede werken, zoo heeft hij dit woord reinigen gebruikt: want het zou een groote schande zijn, dat wij wederom met de vuiligheden werden besmet, van welke ons de Zoon Gods gereinigd en gezuiverd heeft door zijn bloed.

15 Spreek dit. Dit slot is zooveel, alsof hij Titus gebood, dat hij gedurig op deze stichtelijke leer zou staande blijven, en niet moede worden, want zij kan niet te veel noch genoeg herhaald worden. Hij wil ook hebben, dat hij benevens deze leer, prikkelen van vermaningen en bestraffingen zal voegen: want het is niet genoeg, dat de menschen vermaand worden van wat zij schuldig zijn te doen, tenzij zij ook dapper aangedreven worden. Degene, die deze dingen, die hierboven gezegd zijn, weet, en altijd in den mond heeft, zal niet alleen stof hebben om te leeren, maar ook om te bestraffen met alle autoriteit. Ik kom met Erasmus niet overeen, die dit Grieksche woord heeft overgezet; Met naarstigheid bevelen. Chrysostomus' meening is prijselijker, die dit uitgelegd heeft, met strengheid en straf tegen schandelijke zonden; hoewel het schijnt dat Chrysostomus zelve de meening des apostels niet heeft geraakt: want hij wil dat Titus gezag of eerbied verwerve door dit prediken; want de neuswijze menschen, en degenen die te zeer op scherpzinnigheid staan, walgen van de geboden, die daar strekken om heilig en gerechtig te leven, en achten ze als veel te gemeen. Opdat Titus dan in dusdanige walging voorzien zou, zoo beveelt hem de heilige Paulus, dat hij bij zijn leer deftigheid en autoriteit zal voegen. Tot datzelfde einde strekt ook naar mijn oordeel wat er volgt: Dat u niemand verachte. Daar zijn sommigen die meenen, dat de heilige Paulus Titus vermaant, dat hij gehoor en eerbied verwerven zou door heilig te leven. En voorwaar, het is alzoo, dat heiligheid en oprechtheid van zeden aan de leer autoriteit geeft; maar de apostel ziet hier op een ander einde, want hij spreekt hier meer tot het volk, dan tot Titus, omdat er zoovelen waren, die zoo lekkere ooren hadden, dat de eenvoudigheid des Evangelies hun een verachting was, omdat zij zoo neuswijs waren, en zoo begeerig om wat nieuws te hooren, dat ze der stichting nauwelijks plaats gaven. Den hoogmoed van alzulke lieden vernedert hij, en verkondigt hun

189

ocr page 194

TITUS 2 : 15-3 : 1, 2.

scherpelijk, dat ze ophouden zullen van het verachten der gezonde en nutte leer. Aldus wordt bevestigd wat ik in het begin gezegd heb, dat deze brief meer geschreven is aan de Cretensers in het gemeen, dan bijzonder aan Titus.

HET DERDE HOOFDSTUK.

1 Vermaan ze, dat, zij den vorsten en overheden onderdanig en gehoorzaam zijn, en tot alle goed werk bereid:

2 Dat zij niemand lasteren, niet twisten, maar redelijk zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensohen:

3 Want ook wij waren voortijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, en dienende menigerlei begeerlijkheden en wellusten, wandelende in boosheid en nijd, hatelijk zijnde, en elkander hatende-

yermaan ze. Het blijkt uit vele plaatsen in de Schrift, dat \ / de apostelen genoeg te doen hadden, om het volk te hou-' den in de onderdanigheid en gehoorzaamheid der overheid en vorsten; want van nature zijn wij al tezamen genegen om te heerschen. Hierdoor geschiedt het, dat niemand zich gaarne goedwillig aan een ander onderwerpt. Daarenboven, die alstoen zagen, dat de overheden meestal Christus tegen waren, dien kwam het lichtelijk in de gedachte, dat ze niet waardig waren, die toen overheid waren, dat men ze eenige eer zou doen. En voornamelijk de Joden, die moeilijk te temmen waren, en zeer wederspannig, en niet ophielden van muiterij en oproer. Nadat nu de heilige Paulus van de particuliere plichten vermaand heeft, zoo wil hij nu, dat ze in 't gemeen allen zullen vermaand worden, om zich vredelijk te schikken onder de burgerlijke ordening, de wetten gehoorzaam zijn, en der overheid onderdanig: want deze onderdanigheid, die hij jegens de vorsten begeert, en deze gehoorzaamheid jegens de overheid, ziet op de plakkaten, wetten, statuten, en andere stukken der burgerlijke inrichting. Wat hij terstond daarbij voegt, kan ook daartoe getrokken worden, alsof hij zeide: Die niet weigeren wel en eerbaarlijk te leven, zullen de overheid gaarne gehoorzaam wezen: want nademaal zij verordend zijn tot bescherming van het men-schelijke geslacht, degene die begeert dat ze worden weggenomen, of zich hun niet onderwerpen wil, is een vijand van alle billijkheid en recht, ja weet niet wat menschelijk is. Nochtans, wil men dit liever verstaan in 't gemeen, buiten eenige bijzondere omstandigheid, ik zeg daar niets tegen. En voorwaar, er is niet aan te twijfelen, of hij vermaant ze door deze woorden, om hunnen naasten goed te doen op alle manieren.

2 Dat zij niemand lasteren. Alsnu toont hij hun het middel, waardoor zij vrede en vriendschap met ieder zullen kunnen houden. De mensch is van nature (gelijk wij gezegd hebben) zichzelven verheffende, en anderen altijd verachtende. Aldus geschiedt het, dat er velen zijn, die zich verhoovaardigen op de gaven en weldaden Gods, met verachting huns naasten: en uit alzulke verachting komen lasterlijke woorden. Daarom verbiedt hij dan den Christenen

190

ocr page 195

TITUS 3:2, 3.

dat zij zich niet zullen beroemen, noch kwalijk van een ander spreken, hetzij ook wat gaven zij mogen hebben boven andere men-schen. Intusschen moet men niet denken, dat hij hebben wil dat men de boozen in hun gebreken zal pluimstrijken, maar hij veroordeelt alleen het kwaadspreken en lasteren. Als hij zegt: Dat zjj niet zullen vechten, dat is zooveel alsof hij zeide, dat men alle kijving moet schuwen. En daarom heeft dit de oude Latijnsche overzetter wel overgezet, stellende, dat ze niet twistig zouden wezen : want men kan ook wel op een andere manier vechten, dan met de hand of het zwaard. En het blijkt openlijk door wat er volgt, dat de zin zoo is: want hij toont de remediën om daarin te voorzien, als hij gebiedt dat ze zich redelijk en zachtmoedig jegens alle menschen zullen houden: want redelijkheid of beleefdheid is het tegendeel van strafheid, als men van zijn recht niet wil wijken: en zachtmoedigheid is het tegendeel van bitterheid. Daarom zoo wij allerlei twist en kijvagie willen vlieden, laat ons allereerst vele dingen door zachtmoedigheid leeren matigen, en daarna ook al veel verdragen: want de lieden die bovenmate straf zijn en bitter, dragen een vuur met zich om alle kijvagiën en geschillen te ontsteken. Verder zegt hij: Jegens alle menschen, om te kennen te geven, dat men ook de allerverwerpelijksten en snoodsten moet sparen: omdat degenen die geloovig waren, de ongeloovigen gansch niet achtten, en meenden dat de anderen geenerhande beleefdheid noch goedertierenheid waardig waren. De heilige Paulus heeft zulke strafheid en bitterheid willen bestraffen, welke nergens elders uit voortkomt, dan uit eergierigheid.

3 Want ook wij waren voortijds. Er is niets beters om onze hoovaardigheid te bekennen, noch om onze stuurschheid te verzoeten, dan als men ons toont dat al wat wij op een ander schieten, op ons eigen hoofd kan vallen; want deze mensch vergeeft zeer lichtelijk, die ook vergeving behoeft. En voorwaar, er is geen andere oorzaak, die ons onverbiddelijk maakt jegens onze broeders, dan het missen van zelfkennis. Het is wel waar, dat al die een oprechten en zuiveren ijver Gods hebben, wreed zijn op die daar zondigen: maar omdat ze aan zichzelven eerst beginnen, zoo is hun wreedheid altijd gemengd met beleefdheid en barmhartigheid. Aldus dan, opdat de geloovigen niet hoogmoedig noch onbeleefd met anderen zouden spotten, die nog in onwetendheid en verblindheid zijn, zoo brengt hun de heilige Paulus in gedachtenis, hoedanig zij tevoren zijn geweest, alsof hij zeide: Moet men zoo wreedelijk handelen met degenen, die God de goedheid der verlichtingen nog niet gegeven heeft in het geloof, om diezelfde oorzaak had men wel eertijds met ons op zulke wijze ook kunnen handelen, en ons onbeleefd met woorden kunnen kwellen: maar voorwaar, gij zoudt niet gewild hebben, dat iemand zoo onbeleefd met u was omgegaan : gebruikt dan alsnu dezelfde matigheid en zoetheid jegens andere menschen. Door deze woorden van Paulus moet men twee dingen verstaan. Het eerste is, dat die alsnu verlicht zijn van den Heere, verootmoedigd zijnde door het gedenken van hun oude onwetendheid, zich niet hoogmoedig behooren te verheffen, noch andere menschen onredelijker of harder behandelen, dan zij dachten dat men hun behoorde te behandelen, toen zij in zulken staat waren. Het tweede is, dat zij bedenken zullen wat hun toen

191

ocr page 196

192 TITUS 3 ; 3.

geschied is, een ander morgen ook kan geschieden: die kunnen ook in de kerk ingelijfd worden, die heden nog vreemd zijn: en gebracht zijnde tot betering huns levens, kunnen zij deelachtig gemaakt worden Gods gaven, waar zij alsnu van beroofd zijn. Van beide ■ j ziet men een spiegel in de geloovigen, die wel eertijds duisternis

' '' waren, en daarna een licht geworden zijn in den Heere. Daarom,

de kennis van hun eersten staat, behoort ze op te wekken en te bewegen tot medelijden. Aan de andere zijde, toont de genade Gods die nu in hen is, dat de anderen ook wel tot de zaligheid kunnen worden gebracht. Aldus zien wij, dat wij van God moeten verootmoedigd zijn, opdat wij goedertieren en zoet jegens onze broeders zouden wezen: want hoovaardigheid is wreed en een versmaadster van alle menschen. Op een andere plaats, zoo vermaant hij een Gai. c; i. iegelijk van ons onze zwakheid, opdat hij ons zou opwekken tot zoetheid. Hier ziet hij verder, want hij wil hebben, dat wij de gebreken gedenken zullen, waarvan wij verlost zijn, opdat wij ze niet te hard vervolgen, die nog in zulke gebreken steken. Wijder, aangezien de heilige Paulus in het kort hier des menschen aard beschrijft, gelijk hij is vóór hij door den Heiligen Geest veranderd ; is, zoo mogen wij in deze beschrijving merken, hoe ellendig wij

l'J} zonder Christus zijn. Ten eerste noemt hij de ongeloovigen,

' ■ ■gt;: onwys, omdat alle menschelijke wijsheid, niet dan enkel ijdelheid

is, zoolang als zij God niet kennen. Daarna noemt hij ze ongehoorzaam: want gelijk het het geloof alleen is, dat een oprechte gehoorzaamheid tot God baart: zoo is ook ongeloof altijd weder-spannig en eigenzinnig. Hoewel men het Grieksche woord zou kunnen overzetten, goddelooze, om dan een deel van deze onwijsheid uit te drukken. Ten derde zegt hij, dat de ongeloovigen dwa-joh. 8:i2; Jende zijn, of verdwaald. Want Christus is alleen de weg en het licht der wereld. Daarom volgt hier noodzakelijk uit, dat al die van God vervreemd zijn, dwalende zijn al hun leven. Hij heeft tothiertoe getoond, welke de aard des ongeloofs is: alsnu voegt hij daar ook bij, de vruchten die daaruit komen, te weten, begeerlijkheden en wellusten, boosheid en haat, en andere dergelijke. Het is wel waar, dat een iegelijk niet besmet is met al deze gebreken tegelijk: maar omdat alle menschen de booze begeerlijkheid dienen, en overgegeven zijn tot verkeerde lusten, hoewel de een hiervan, de ander daarvan gebrek heeft, zoo heeft nochtans de heilige Paulus bijzonder if; opgeteld wat vruchten het ongeloof voortbrengt, van welke opnoe-

y'.i ming gehandeld is, aan het einde van het eerste hfdst. in den

brief aan de Romeinen. Wijder, omdat de heilige Paulus door deze teekenen de kinderen Gods onderscheidt van de ongeloovigen: willen wij van het getal der geloovigen zijn, zoo moet ons hart van alle haat gereinigd zijn, en gezuiverd van alle boosheid. Wij moeten anderen liefhebben, en moeten ons weder bijzonder bemind maken. , Voorts, zoo zou het niet wel staan, dat de begeerlijkheden over ons

'': H 1 heerschten, welke naar mijn meening genoemd worden verscheiden

te zijn, omdat de ongeregelde lusten, waarvan de vleeschelijke mensch naar alle zijden wordt gedreven, als tegengestelde golven zijn, tegen elkander strijdende, den mensch her- en derwaarts voerende, zoodat hij schier elk oogenblik verandert. Zoodanig is in der waarheid de ongestadigheid van allen, die zich overgeven aan de begeerlijkheden des vleesches: omdat er geen vastigheid is, dan in de vreeze Gods.

ï

-■ V.

ocr page 197

TITUS 3 : 4. 1Q3

Maar nadat de goedertierenheid van God onzen Zaligmaker, en de liefde tot de menschen geopenbaard is, heeft Hij ons zalig Ef. i u. gemaakt, 2 Tim' 1: !gt;quot;

Niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, Hand, 15: n. maar naar zijne barmhartigheid door het bad der wedergeboorte, Joh-^ 5-en vernieuwing des Heiligen Geestes.

Denwelken Hij rijkelijk over ons heeft uitgegoten, door Jezus Ezech.30:25. Christus onzen Zaligmaker.

Opdat wij, gerechtvaardigd door zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens.

I

Of het voornaamste woord in dezen zin is, dat God ons door zijne barmhartigheid heeft zalig gemaakt, óf er ontbreekt wat in deze rede. Aldus kan men daaronder verstaan, dat de menschen tot het betere veranderd en vernieuwd zijn, nadat God met hen medelijden heeft gehad, alsof hij zeide: Alstoen voorwaar begont gij van anderen onderscheiden te worden, als God u wedergeboren heeft door zijnen Heiligen Geest. Nochtans opdat men een volkomen zin vinden mag in de woorden van Paulus, zoo is het niet vannoode, dat men daar iets bij zal voegen. Wijder, hij stelt zichzelven onder het getal, opdat zijn vermaning te krachtiger zou wezen.

4 Nadat de goedertierenheid en liefde. Allereerst zou men kunnen vragen, te weten, of de goedertierenheid Gods in de wereld toen eerst is beginnen zich te openbaren, als Christus in het vleesch geopenbaard is: want de oudvaderen hebben voorwaar God van het begin bevonden goedertieren en genadig. Zoo is het dan niet de eerste openbaring van de goedertierenheid Gods en vaderlijke liefde jegens ons geweest. Het antwoord is licht, dat de oud-vaderen, die onder de wet waren, anders de goedertierenheid Gods niet gesmaakt hebben, dan op Jezus Christus ziende, in wiens komst al hun geloof was. Aldus is het te verstaan, dat de goedertierenheid Gods geopenbaard is, als Hij het pand daarvan geopenbaard heeft, en inderdaad bewezen heeft, dat het niet tevergeefsch was, dat God den menschen zoo dikmaals de zaligheid had beloofd. God heeft de wereld zoo liefgehad (zegt de heilige Johannes) dat hij haar Joh. 3:ie. zijn eigen Zoon heeft gegeven. De heilige Paulus zegt ook elders. God bevestigt zijn liefde jegens ons, dat, toen wij nog vijanden Eom. c; s. waren, nochtans Hij zijn Zoon heeft gezonden. Het is een zeer gemeene manier van spreken in de Schrift, dat door den dood van Christus, de wereld Gode is verzoend geweest, dien wij nochtans weten dat een goedertieren en barmhartig Vader ten allen tijde is geweest, maar omdat wij de oorzaak der liefde Gods jegens ons,

noch de zaak van onze zaligheid niet vinden dan in Jezus Christus,

zoo is het niet zonder oorzaak gezegd, dat ons God de Vader in Hem zijn goedertierenheid heeft geopenbaard. Hoewel er nog wat anders is in deze plaats, daar de heilige Paulus niet spreekt van deze gemeene openbaring van Jezus Christus, als Hij mensch geworden is in deze wereld; maar van de openbaring, die door het Evangelie geschiedt, als Hij Zich bijzonder aanbiedt en openbaart den uitverkorenen. Want de heilige Paulus was niet bekeerd in de eerste komst van Jezus Christus, maar integendeel, Christus was opgestaan in heerlijkheid, de zaligheid was velen menschen in zijn naam

13

Dl. VI.

ocr page 198

TITUS 3 :'4, 5.

geopenbaard, niet alleen het Joodsche land, maar ook in de bijgelegen landen, toen de heilige Paulus verblind door ongeloof, met alle middelen naar zijn uiterste best deze genade zocht uit te blus-schen. Aldus meent hij dan, dat de genade Gods hem en anderen toen geopenbaard is, als zij verlicht zijn geworden in de kennis des Evangelies. En voorwaar de toevoeging zou anders niet wel sluiten, omdat hij niet zonder onderscheid van alle menschen zijns tijds spreekt, maar hij spreekt eigenlijk tot degenen, die van de anderen afgescheiden waren, alsof hij gezegd had, dat ze een tijdlang den ongeloovigen waren gelijk geweest, die nog in duisternis liggen, maar dat ze alsnu onderscheiden zijn van de zoodanigen, niet door hun eigene verdiensten, maar door de genade Gods: gelijk hij in den eersten brief aan de Corinthiërs 4: 7, door ditzelfde middel alle eergierigheid des vleesches onderdrukt: Wie is er die u scheidt of in hooger achting boven de anderen stelt? De goedertierenheid en liefde. Hij heeit de goedertierenheid in de eerste plaats gesteld, welke God opwekt om ons te beminnen; want Hij zal in ons niets vinden, dat Hij moet beminnen: maar Hij heeft ons lief, omdat Hij goedertieren en barmhartig is. Wijders, hoewel Hij zijn goedertierenheid en liefde voor alle menschen betuigt, nochtans zoo kennen wij deze niet, dan door het geloof, als Hij Zich jegens ons verklaart een Vader in Jezus Christus te zijn. De heilige Paulus heeft zeer groote gaven van God ontvangen, eer hij tot het geloof van Christus was geroepen, welke hem een smaak konden geven van de vaderlijke goedertierenheid Gods. Hij was van kindsbeen af in de wet onderwezen geweest, en nochtans zoo dwaalt hij in duisternis, welke hem de goedertierenheid Gods heeft belet te gevoelen, ter tijd toe dat zijn verstand door den Heiligen Geest verlicht was, en dat Christus tusschenbeide kwam om getuige en borg te zijn van de genade Gods des Vaders, van welke wij zonder Hem al te zamen buiten gesloten zijn. Aldus meent hij, dat de zoetigheid en liefde Gods ons anders niet geopenbaard is, dan door het licht des geloofs.

5 Niet door de werken. Wij moeten gedenken, dat de heilige Paulus hier tot de Joden spreekt, en beschrijft het middel, waardoor zij in het rijk Gods gegaan zijn. Hij zegt, dat zij het door hunne werken niet verdiend hebben, om de zaligheid deelachtig te worden, of om verzoend te worden door het geloof voor God, maar dat zij dit groote goed alleen door de barmhartigheid Gods hebben verkregen. Waardoor wij uit de woorden des apostels verstaan, dat wij God niets brengen, maar dat Hij ons ten bate komt met zijn groote genade en goedheid, zonder eenigszins op onze werken te zien. Want als hij zegt: Niet door de werken die wy gedaan hadden, zoo geeft hij te kennen, dat wij niets vermogen dan zondigen, tot den tijd toe dat ons God herboren heeft: want deze ontkenning hangt aan de voorgaande bevestiging, waar hij gezegd had: Dat zij, die nog in Christus niet vernieuwd waren, onwijs, ongehoorzaam, en genegen waren tot alle wellusten. En in der waarheid, wat goed werk zou hier kunnen spruiten uit een zoo verdorven stam? Degenen, die daar zeggen, dat de menschen de macht hebben zichzelven te bereiden om tot God te komen, zijn razende beesten. Want in den ganschen loop huns levens gaan zij altijd meer en meer van God af, tot den tijd toe dat Hij ze de hand geeft, om hen op den rechten weg te brengen, waarvan zij afgedwaald waren. In één woord, dat

194

ocr page 199

TITUS 3 : 5.

wij geroepen zijn tot de gemeenschap van Jezus Christus, meer dan de anderen, schrijft de heilige Paulus altezamen der barmhartigheid Gods toe, nademaal er geen werken der rechtvaardigheid in ons zijn geweest. Deze reden zou niet goed zijn, zoo hij dit niet voor vast en zeker hield, dat al hetgeen, waarnaar wij zonder het geloof staan, voor God boos en onrechtvaardig is. Aangaande degenen, die door den voorleden tijd, die hier gesteld is, dit bedrog versieren, dat God de toekomende verdiensten der menschen ziet, als Hij ze roept, dezen zijn te zeer ongeschikt. De heilige Paulus (zeggen ze) terwijl hij ontkent, dat God bewogen wordt door onze verdiensten, omdat Hij ons tot Zich roept door zijn genade, trekt dit op den voorleden tijd. Daarom is het alzoo, dat hij alleen de voorgaande rechtvaardigheid buiten sluit; de rechtvaardigheid, die daarna komt, moet dan gerekend worden. Maar hoe toch? Zij nemen hier een begin, hetwelk de heilige Paulus in al zijn schriften verwerpt, als hij de verkiezing, die uit genade geschiedt, voor het fundament der goede werken stelt. Verkrijgen wij dit door de eenige goedheid en genade Gods, dat wij bekwaam gemaakt zijn om wel en heilig te leven, waar zullen dan onze toekomende verdiensten blijven, die God zal kunnen zien ? Indien de boosheid zulke heerschappij over ons heeft vóór God ons roept, dat ze nimmer ophouden zal verder te gaan, totdat ze gekomen is tot haar toppunt, wat aanzien zal God kunnen hebben op onze toekomstige rechtvaardigheid, waardoor Hij zou kunnen bewogen worden om ons tot Zich te roepen r Laat ons dan op zulke beuzelingen niet achten. De heilige Paulus heeft om geen andere oorzaak van de voorgaande werken gesproken, dan om alle verdiensten buiten te sluiten, want zijn woorden zijn even zooveel, alsof hij gezegd had: Zoo wij ons beroemen op eenige verdiensten, hoedanig zijn toch onze werken geweest? want deze onomstootbare reden blijft staande: Dat de menschen niet beter zullen zijn, dan zij geweest zijn, tenzij ze God door zijn roeping beter maakt. Hij heeft ons zalig gemaakt. Hij spreekt van het geloof, en bewijst dat wij aireede de zaligheid verworven hebben. Daarom, hoewel wij omwonden zijn met zonden, en een doodelijk lichaam met ons dragen, nochtans zoo zijn wij zeker van onze zaligheid, zoo wij door het geloof in Christus zijn ingelijfd. Gelijk Hij zelf gezegd heeft, die in den Zoon Gods gelooft, is van den dood doorgegaan in het leven. Nochtans een weinig hierna, het woord geloof daartusschen stellende, zoo zal hij bewijzen, dat wij nog inderdaad niet verkrijgen, wat ons Christus door zijn dood heeft verworven. Waaruit volgt, dat onze zaligheid ten deele van God vervuld is, welker genot opgehouden wordt tot het einde van onzen strijd. En dit is hetgeen de heilige Paulus op een andere plaats ook leert, dat wij in Eom. hope zijn zalig geworden. Door het bad der wedergeboorte. Ik twijfel niet, of hij maakt voor het minst een toespeling op het doopsel. Ja ik lijd gaarne, dat deze plaats uitgelegd wordt van het doopsel:

niet dat de zaligheid in het uiterlijke teeken des waters is besloten: maar omdat ons het doopsel de zaligheid verzegelt, die ons door Jezus Christus is verworven. De heilige Paulus handelt van de openbaring der genade Gods, welke wij gezegd hebben, dat ons geschied is door het geloof. Nademaal dan een deel van deze openbaringen in het doopsel is gelegen, te weten, zoover het verordend is tot bevestiging des geloofs, zoo spreekt hij terecht van hetzelve. Daaren-

195

ocr page 200

196 TITUS 3 : 5, 6.

boven, nademaal het doopsel als een ingang in de gemeente is, en een teeken dat wij in Christus ingelijfd zijn, zoo brengt de heilige Paulus het hier wel te pas, als hij aantoonen wil, hoe de genade Gods ons geopenbaard is. Het redebeleid is dan aldus: God heeft ons door zijn barmhartigheid zalig gemaakt, van welke zaligheid Hij ons een teeken en pand in den doop heeft gegeven, ons aannemende in zijn gemeente, en ons inlijvende in het lichaam zijns Zoons Jezus Christus. De apostelen hebben voor een gewoonte gehad, hun argument te nemen van de sacramenten, om te bewijzen wat daarin wordt afgebeeld, aangezien dit beginsel onder de Christenen plaats moet hebben, dat-God niet met ons spot, onsijdele figuren gevende, maar dat Hij van binnen vervult door zijne kracht, wat Hij met het uiterlijke teeken bewijst. Hierdoor zoo wordt het doopsel terecht en eigenlijk een bad der wedergeboorte genaamd. Degene, die op zulke wijze de waarheid en het teeken te zamen voegt, dat hij het teeken noch voor onnut of zonder kracht houdt, en dat alzoo nochtans, dat hij om het teeken te versieren, den Heiligen Geest niet beneme wat Hem toekomt, deze zeg ik, zal terecht het gebruik en de kracht der sacramenten verstaan. En hoewel de ongeloovigen niet gewasschen zijn door het doopsel noch ook herboren, nochtans zoo behoudt het die kracht zooveel als ze God aangaat: want hoewel zij de genade Gods verwerpen, nochtans zoo is zij haar aangeboden. Maar de heilige Paulus spreekt hier tot de geloo-vigen, in welke, omdat het doopsel altijd krachtig is, zoo wordt het terecht te zamen gevoegd met zijne waarheid en zijn vrucht. Wij worden vermaand door deze manier van spreken, willen wij het doopsel $ niet verkleinen, dat wij getuigenis moeten geven van zijne kracht door

^ ■( nieuwigheid des levens. En vernieuwing des Heiligen Geestes.

; jJ5;'' 1 Hoewel hij van het teeken vermaand heeft, om ons de genade Gods

1 ^ te kennen te geven, niettegenstaande opdat wij daarop niet zouden

blijven staan, zoo wijst hij ons terstond op den Heiligen Geest, ;; Si opdat wij weten zouden, dat wij door zijne kracht gereinigd zijn,

W' y Ezech.86:23. en niet door de kracht des waters, naar de woorden van Ezechiel:

'♦■'f.' Ik zal rein water op u sprengen, te weten, mijn Heiligen Geest. En

: voorwaar de woorden van Paulus komen al zoozeer overeen met

I •' des profeten woord, dat men klaarlijk ziet, dat ze beiden te zamen

.r hetzelfde zeggen. Hierom heb ik in het begin gezegd, dat hoewel

. v- de heilige Paulus eigenlijk van den Heiligen Geest handelt, noch-

gt;; tans maakt hij ons wel een toespeling op het doopsel. Daarom is

het Gods Geest, die ons hcrbaart, en nieuwe creaturen maakt: maar omdat zijn gaven der genade onzienlijk en verborgen zijn, zoo - wordt ons daarvan een zienlijk teeken getoond in het doopsel. An-

iy deren lezen: door het bad der wedergeboorte en door de ver-

* quot;/ nieuwing, wat ik ook niet verwerp: maar door het bad der weder

geboorte en der vernieuwing past naar mijn oordeel beter.

6 Denwelken Hy rijkelijk: heeft uitgegoten. Naar den Griek-. JB*. schen tekst zoo kon dit woord, denwelken, terugslaan zoowel op

|||k| het bad, als op den Heiligen Geest, niettegenstaande dat in den zin

geen groot onderscheid is: nochtans zoo zal de gelijkenis beter zijn, ' zoo wij het laten slaan op het bad. En dit strijdt met deze sententie

niet, dat ze allen zonder onderscheid gedoopt zijn, want als hij be-/Cfc'/j; wijst dat het bad is uitgegoten geweest, zoo spreekt hij zooveel van

het teeken niet, als van de afgebeelde zaak, waarin de waarheid van

lt;* M.

A

if f

'i l

t

'■

'■gt;

:n

• •

■, * ■ t.

. i

K:

■f

ïi

ji,,

V

1

1

fï-quot;

i !

V.

■4'

ocr page 201

TITUS 3:6, 7.

het teeken gelegen is. Als hij zegt, rijkelijk, zoo geeft hij te kennen, dat zooveel te meer als iemand onzer voorzien is met uitnemende gaven, zooveel te meer hij gehouden is aan de barmhartigheid Gods, welke ons alleen rijk maakt, aangezien wij van onszelven ganschelijk ijdel en beroofd zijn van alle goed. Zoo mij nu iemand tegenwerpt, dat al de kinderen Gods zoo overvloedig geestelijken rijkdom niet hebben, maar op velen zeer weinig wordt uitgegoten: ik antwoord, dat er niemand is, hetzij hoe weinig hij daarvan ontvangt, hij kan waarlijk rijk worden geacht: omdat het allerminste druppelken des Heiligen Geestes (om alzoo te spreken) als een onophoudende loopende fontein is, die nimmer verstopt noch verdroogd wordt: zoo is dan tot volheid genoeg, dat hoe weinig ons gegeven wordt, ons nimmermeer iets ontbreekt. Door Jezus Christus. Want Hij is het alleen, door wien wij aangenomen worden tot kinderen Gods: zoo is Hij het dan ook alleen, door Wien wij des Heiligen Geestes deelachtig worden gemaakt, welke de Godspenning en getuige is van onze aanneming. De heilige Paulus leert dan door dit woord, dat er niemand is, die den Geest der wedergeboorte ontvangt dan die lidmaten van Jezus Christus zijn.

7 Opdat wij gerechtvaardigd. Nemen wij de wedergeboorte in haar eigenlijke en gebruikelijke beteekenis, zoo kon het schijnen, dat de apostel hier stelde gerechtvaardigd voor wedergeboren : en somtijds beduidt het ook hetzelfde, maar het is niet zeer dikmaals. Hier is ook niets dat ons dwingt, van de eigenlijke en rechte beteekenis af te wijken. De meening van Paulus is, dat wij, al wat wij zijn en hebben, der genade Gods toeschrijven moeten, opdat wij ons tegen anderen niet zouden opblazen. Hij verheft dan hier de barmhartigheid en goedheid Gods, Hem toeschrijvende de gansche oorzaak onzer zaligheid. Maar omdat hij van de ongeloo-vige gebreken had gesproken, zoo kon hij de gave der wedergeboorte niet achterwege laten, die een medicijn is om haar te genezen. Nochtans zoo belet hem dit niet terug te keeren om Gods barmhartigheid te prijzen, ja, hij mengt deze twee te zamen, te weten, dat ons de zonden uit genade om niet vergeven zijn, en dat wij wedergeboren zijn, om Gode gehoorzaam te wezen. Het is wel waar, dat de heilige Paulus bevestigt, de rechtvaardigmaking een gave Gods te zijn, uit genade geschied: maar de kwestie is alleen, wat het is, wat hij door dit woord, rechtvaardigmaking, beduidt. Het schijnt, dat het verband van den tekst eischt, dat het verder strekt, dan toerekening der rechtvaardigheid: welke beteekenis dit woord zeer zelden in de brieven van Paulus heeft, gelijk ik verhaald heb: nochtans zoo is er niets dat hem belet, dat het niet kan getrokken worden op vergeving der zonden. Als hij zegt, door zijne genade, komt dit zoowel Jezus Christus als den Vader toe, en het is niet noodig dat men strijde, welke uitlegging de beste is, aangezien dit in eeuwigheid waar blijft, dat wij door de genade Gods rechtvaardigheid gekregen hebben door Jezus Christus. Erfgenamen der hope. Dit is hierbij gevoegd bijwijze van uitlegging. Hij had gezegd, dat wij zalig zijn gemaakt door de genade en barmhartigheid Gods, en nochtans zoo is onze zaligheid nog verborgen: daarom zegt hij alsnu, dat wij erfgenamen van het eeuwige leven zijn gemaakt: niet dat wij reeds in de bezitting daarvan getreden zijn, maar omdat ons de hope daarvan een vaste

197

ocr page 202

198 TITUS 3:7, 8.

en zekere gewisheid geeft. De inhoud hiervan is, dat wij dood zijnde, door Christus' weldaden wederom in het leven zijn gesteld, als ons God de Vader zijn Geest heeft gegeven, door wiens kracht wij gereinigd en vernieuwd zijn, en dat daarin onze zaligheid ligt: '■ maar omdat wij nog hier op deze wereld verkeeren, wij alsnog het

eeuwige leven niet genieten, maar het alleen door hope bezitten.

8 Dit is een getrouw woord, en ik wil, dat gij dit ernstelijk be-

i) Of, de tuigt, opdat degenen die aan God gelooven, zorg dragen om

keu1 te ver- goede werken voor te staan want deze zijn heerlijk en nuttig

heffen; of, (jgjj menschen.

hun de voorste plaats te 9 Maar wedersta de dwaze vragen en rekeningen der geslachten,

ieiMm i• 4- twistingen en strijdingen van de wet: want zij zijn onnut

4:7; 6:20. en ijdel.

2 Tim. 2:10.

8 Dit is een getrouw woord. Deze wijze van spreken gebruikt Paulus gemeenlijk, als hij iets gansch ernstelijk wil zeggen: gelijk hij deze woorden ook gebruikt in de beide brieven aan Timotheus, en daarom stelt hij terstond daarbij: Ik wil, dat gij dit betuigt., dat is te zeggen, dat gij stoutelijk spreekt. Aldus beveelt hij Titus, dat hij alle andere dingen verlatende, dat predike wat zeker en ontwijfelbaar is, dat hij daarin vervolge, hierop staande blijve, terwijl anderen hun ijdelen en onnutten klap uitslaan. Waaruit wij ook leeren, dat een opziener niet lichtvaardig alle dingen bevestigen zal, dan alleen die hij bekent waar te zijn. Betuig, zegt hij, déze dingen, omdat ze waar en geloofwaardig zijn. Ook zoo worden wij aan de andere zijde vermaand, dat het ambt eens dienaars is, ■I gedurig te betuigen, en vrijmoediglijk dat voor te staan, wat waar

en zeker is, en in het geloof sticht. Opdat degenen, die aan God gelooven. Hij vervat in 't algemeen al hetgeen hij tevoren gehandeld heeft van eens iegelijks beroeping, en ijver om wel en heilig te leven, alsof hij de vreeze Gods en een wel geregeld leven tegen ledige en ijdele bedenkingen stelde; want hij wil hebben dat het volk op alzulke wijze worde geleerd, dat ze vooral naar goede werken zullen staan, die in God hebben geloofd. Wijder, omdat het Grieksche woord, hetwelk hier gesteld is, op verscheiden wijze wordt genomen, zoo kan men deze plaats ook op verscheiden wijze »■;, • uitleggen. Chrysostomus legt het aldus uit: Opdat zij naarstigheid

doen hunnen naasten en broeders door aalmoezen te helpen Het ; y!', is wel waar, dat het Grieksche woord somtijds helpen beduidt,

maar als wij dat alzoo nemen zouden, zoo moesten wij verstaan, dat ons de goede werken helpen, wat te hard zou klinken. Het woord vorderen, zou in onze Hollandsche taal beter passen. Maar zoo wij zeiden, dat ze zorg zullen dragen, als hebbende de voorste plaats, wat ook een beteekenis is van dit woord; tenzij men liever had wat ik op den kant heb gesteld, dat ze zorg zullen dragen, om aan de goede werken de voorste plaats te geven. En voorwaar, dit past niet kwalijk, te zeggen, dat de heilige Paulus gebiedt, dat de goede werken in de geloovigen zouden plaats hebben, nademaal men de-5^ '* zelve anders veracht. En hoewel het een plaats is voor tweeërlei

uitlegging vatbaar, nochtans zoo kan men lichtelijk de meening M *• van Paulus bekennen, te weten, dat het einde der Christelijke leer

is, dat zich de geloovigen oefenen in goede werken, en daarom

■ '11

: i lt; -

ocr page 203

TITUS 3 : 8, 9.

zoo wil hij hebben, dat zij daar al hun vlijt en naarstigheid zullen toedoen. En het schijnt, als de apostel zegt: Dat ze zorg zullen dragen, dat hij een zeer fraaie zinspeling maakt op de ijdele en ledige beschouwingen, waarmede men zich zonder eenige vrucht en buiten het leven om bezighoudt. Verder, zoo is hij niet zoo zorgvuldig voor de goede werken, dat hij de vruchten voorstellende, den wortel, te weten, het geloof veracht. Hij ziet op beide, en geeft het geloof de eerste plaats, welke het ook toekomt. Want die hij wil hebben dat tot goede werken zullen genegen zijn, zijn degenen, die in God geloofd hebben: waarmede hij verstaat, dat het geloof op zulke wijze moet voorgaan, en dat de goede werken navolgen. Want deze zijn eerlijk. Dit trek ik meer tot de leer dan tot de werken, en dat in dezen zin: het is nut en eerlijk, dat de menschen alzoo onderwezen worden. En daarom zijn dit eerlijke en nutte dingen- voor de menschen, die hij Titus beveelt te onderhouden, en daarvoor zorg te dragen. Het Grieksche woord kan overgezet worden, goed, schoon, of eerlijk: hoewel men naar mijn verstand beter kon zeggen, uitnemend: want hij wil zeggen, dat alle andere dingen die men predikt, niet deugen, omdat ze geen nuttigheid noch voordeel doen: gelijk integendeel, wat nuttig tot zaligheid is, lofwaardig is.

9 Verwerp de dwaze vragen. Er is geen groote zwarigheid te maken, om deze plaats uit te leggen. Hij stelt de vragen of kwes-tiën tegen de zekere en oprechte leer : want hoewel men zoeken mo-1 eer men kan vinden, nochtans zoo is er in het zoeken een mate gelegen; dat is, dat men weten moet wat nuttig is om te weten; daarna, dat men vast in de waarheid blijve, als men ze bekend heeft. Maar degenen, die neuswijs alle dingen onderzoeken, en nergens op blijven staan, die kan men wel terecht twistzoekers noemen. In één woord, de heilige Paulus veroordeelt hier, al wat de Sorbonnische scholen prijzen en lofwaardig houden: want al de leering der papisten is anders niet dan een verwarring van alle kwestiën. Hij noemt ze dwaas, niet dat ze, als men ze eens aanziet, zoodanig schijnen: (want zij bedriegen den mensch met eenen schoonen uiterlijken schijn van wijsheid) maar omdat ze gan-schelijk niet tot de rechte religie dienen. Als hij daarbij voegt: Rekeningen der geslachten, zoo stelt hij een deel van de dwaze kwestiën bijwijze van voorbeeld, te weten, als de neuswijze menschen, niet zoekende om vrucht uit de heilige historiën te halen, den oorsprong der geslachten onderzoeken, en andere dergelijke beuzelingen, waarmede zij zich bekommeren, en waarin zij zonder vrucht tevergeefs arbeiden. Van welke ijdelheid wij gesproken hebben in het begin van den Eersten brief aan Timotheus. Hij voegt daar terecht bij: De twistingen; want nademaal de kwestiën nimmer zonder hoogmoed en eergierigheid zijn, zoo moeten daaruit terstond kijvingen en twistingen spruiten: want een iegelijk wil de sterkste zijn. Daarbenevens hebben zij nog een stoutheid, om de onzekere dingen te bevestigen, welke voornamelijk den strijd beroert. Hij noemt ze strijden van de wet, hatelijk, als die onder het deksel der wet van de Joden werden voortgebracht, en beroerte maakten. Niet dat de wet beroerte van zichzelve maakt, maar omdat de Joden de manier makende alsof ze de wet voorstonden, den vrede der kerken door hunnen dwazen strijd verstoorden, en dat

199

ocr page 204

200 TITUS 3:9, 10.

'1,1 ________________

3 door het onderhouden der ceremoniën, het onderscheid van spijs,

en dergelijke. Want zj] zün onnut en ijdel. Aldus moet men dan altijd de nuttigheid in de leer aanzien, alzoo dat al wat niet tot stichting dient, men ganschelijk niet zal achten. En daar is nochtans geen twijfel aan, de Sophisten die van deze nietige dingen ratelen, zij bevestigen nog, dat deze waardig zijn, dat ze bekend worden, en nuttig boven alle andere. Maar de heilige Paulus bekent geen nuttigheid, dan die het geloof vermeerdert en sterkt, en die den mensch in een heilig en godzalig leven leidt.

Matt. 18:17. 10 Een kettersch mensch vermijd, na de eerste en tweede ver-

Eom. 16:17. tnnnintr

2 Thess. 3:6. maning.

2 Tim. 3:5. 11 Wetende, dat dezulke verkeerd is, en zondigt, als die bij zioh-

2 Joh. lo. zeiven verdoemd is.

12 Als ik Artemas of Tyohicus tot u zal zenden, zoo doet naarstigheid om tot mij te komen te Nicopolis: want ik heb voorgenomen daar te overwinteren.

Hand. 18:24. 13 Geleid Zenas den wetgeleerde, en Apollos naarstig, opdat hun

1 Cor. 1: l2. niets ontbreke.

i) of, gelijk 14 Laat ook de onzen leeren goede werken voor te staan '), tot

de eerste noodzakelijk gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.

plaats te ge- 15 Allen, die met mij zijn groeten n. Groet ze die ons liefhebben

ven.opdatze . 7

mogen uit- m net geloot. De genade zij met u allen. Amen.

blinken. _ 7

Geschreven uit Nicopolis, een stad in Macedonië, aan Titus den eersten opziener der gemeente te Creta.

io Een kettersch mensch vermijd. Hij voegt dit hier terecht bij: want er zal nimmer aan den twist en strijd een einde wezen, zoo wij de hardnekkigen door disputatiën willen winnen: aangezien zij nimmer woorden gebrek zullen hebben, en aan de andere zijde zoo vermeerdert onbeschaamdheid hun den moed alzoo, dat ze nimmermeer kijvensmoede worden. Nadat de heilige Paulus Titus den vorm verordend heeft, dien hij zou voorstellen, zoo verbiedt hij hem alsnu, dat hij niet veel tijd verslijte in ketterschen twist, omdat de eene disputatie altijd wederom de andere baart, en het eene gekijf uit het andere rijst: want dit is de listigheid en loosheid des duivels, de goede getrouwe herders in twist en verwarring te brengen door de booze twistgierigheid van zulke lieden, opdat hij ze daardoor afkeere van het ambt en de genegenheid om te prediken. Wij moeten ons dan wel wachten, dat wij ons met de netelige disputatiën niet bezighouden: opdat wij intusschen geen tijd zullen kunnen hebben, om ons ten dienste te stellen voor het hoopken des Heeren, wetende dat twistgierige menschen nimmermeer van moeite zullen ophouden. Dat hij ze nu gebiedt te vermijden, is zooveel dat men niet zeer mag arbeiden, om hun genoeg te doen, ja dat er niets beter is, dan hun de oorzaak van den strijd te benemen en af te slaan, als zij dat zoeken. Dit is een zeer noodige vermaning, want ook die anders gaarne van woordenstrijd zich zouden onthouden, worden somtijds van schaamte in disputatie getrokken: want het schijnt dat het wijken groote schande is. Daarenboven zoo is er niet één zoo vreedzaam gemoed, of het wordt vergramd door het hoovaardige roemen van zulke vijanden, omdat ze zich laten dunken.

Mi-

iH

t

V»

-1

V'.'v

/•1

'

.; 1.

é i V.;

'r,:

n'

*

vV

Sv

i.;

•i

i

■y'

4.

■

gt;■ t

'if • i

v.

ï?:

V

/

0

:j

-. V» ■*.

[K*

'u. 'ï'i

i

gt;

■ A

ocr page 205

TITUS 3; 10.

201

dat men niet behoort te dulden, dat men alzoo hoogmoedig met de waarheid zal spotten, gelijk ze ook doen. Daar zullen hier ook nimmermeer menschen gebrek zijn die neuswijs, twistgierig, en naar disputatiën en kijvagiën zullen staan. Maar de heilige Paulus wil niet hebben, dat een dienaar van Jezus Christus zich zeer bezighouden zal met tegen de ketters te disputeeren. Nu moeten wij bezien wat het is, wat hij met het woord, kettersch mensch meent. Algemeen aangenomen is het onderscheid tusschen een oproerig, en een kettersch mensch, wat naar mijn oordeel door den apostel hier wordt nedergelegd: want hij spreekt hier niet alleen van die een zekere dwaling of eenige leer beschermen of voorstaan, maar in 't algemeen van al degenen, die niet tevreden zijn met de gezonde leer, die hij hun onlangs heeft voorgesteld. Aldus vervat hij onder dit woord, alle eergierigen, wederspannigen, eigenzinnigen, die door ongeregelde lusten gedreven zijnde, den vrede der gemeente verstoren, en maken oproer en twist. In één woord, de heilige Paulus noemt ze ketters, al die door hun moedwilligheid de eenigheid der kerk breken. Intusschen moeten wij matigheid gebruiken, alzoo dat wij ook terstond voor ketters niet oordeelen, al degenen die onze meening niet hebben; want daar zijn sommige zaken, al is het zelfs dat de Christenen daarin niet eensgevoelend zijn onder elkander, zoo zal men daarom niet zeggen, dat ze in secten afgedeeld zijn: want de heilige Paulus gebiedt zelve op een andere plaats alzoo, als hij wil hebben dat men de openbaring Gods zal verwachten, en dat nochtans intusschen de eendrachtigheid geheel blijve, in het derde hfdst. aan de Filippensen, vs. 16. Maar zoo dikmaals als de hardnekkigheid zoover komt, dat iemand die zijn hoofd alleen wil volgen, zich van het lichaam of hoopken van Christus scheidt, of den loop der gezonde leer des Evangelies belet, daar moet men zich vromelijk tegen verzetten. Kortelijk, ketterij of secten, en eenigheid der gemeente, die staan geheel tegenover elkander. En nade-maal deze eenigheid der gemeente voor God hooggeacht is, en dat wij dezelve in groote waarde behooren te houden, zoo moeten wij integendeel in groote verachting, ja voor vervloeking de ketterij houden. Daarom, hoewel het woord secte of kettery, in aanzien is onder de philosophen en politieken, nochtans heeft het met recht een kwaden naam bij de Christenen. Wij verstaan alsnu wie dat zij zijn, die de heilige Paulus meent, als hij zegt, dat men de ketters zal vermijden. Ook moet aangemerkt zijn wat hier terstond volgt, te weten: Na de eerste en tweede vermaning. Wij mogen anders niet oordeelen of het een ketter is, want het is ons niet geoorloofd iemand op het eerste aanzien te mogen verwerpen, dan aleer men beproefd heeft, denzelven weder op den rechten weg te brengen. Wijder, als hij daarbij stelt vermaning, daarmede meent hij niet die van een gewoon man, maar die van den dienaar geschiedt, uit openbare autoriteit der gemeente: want deze woorden zijn zooveel alsof hij zeide, dat ze met een scherpe correctie moeten bedwongen worden. Die uit deze plaats nu afleiden, dat men de hoofden en voornaamsten van verkeerde leeringen anders niet doen zal dan bannen, en geen grooter straf tegen hen gebruiken, die spreken daar niet recht van: want er is onderscheid tusschen het herdersambt en dat der overheid. De heilige Paulus aan Titus schrijvende, handelt niet van het ambt en den plicht der overheid, maar hij toont

ocr page 206

202 TITÜS 3 : 10—15.

wat een herder schuldig is te doen. Hoewel het zeer goed is deze matigheid te gebruiken, dat ze zoozeer niet gedwongen worden door kracht en geweld, als door tucht gestraft, zoover daar eenige hope op betering in hen is.

ii Wetende, dat dezulke verkeerd is. Hij noemt verkeerd, op wien geen hope van betering meer is: want zoo wij door onzen arbeid iemand op den rechten weg kunnen brengen, wij behooren dat niet te laten. Dit is een gelijkenis ontleend aan een gebouw, dat niet alleen aan sommige hoeken vervallen is, maar tot den grond vaneengescheurd, zoodat er geen middel meer is om op te maken, en wederom in zijn zelfden vorm te stellen. Hij voegt daar het teeken dezer verkeerdheid bij, te weten, een booze conscientie, als hij zegt, dat die de vermaning niet onderdanig zijn, bij zichzelven verdoemd zijn: want nademaal zij hardnekkig de waarheid verwerpen, zoo is het zeker dat ze moedwillig zondigen. Zoo zou het dan niet baten hen over iets te vermanen. Daarbenevens zoo verstaan wij ook uit de woorden van Paulus, dat men niet lichtelijk en on-bedachtelijk iemand voor een ketter zal schelden; want hij zegt: Wetende dat degene die alzulks is, verkeerd is. Een opziener wachte zich dan wel, dat hij zijn oordeel den toom niet te lang geve, en door denken of voornemen iemand als een ketter schelde, die hij nog niet wel weet of hij zulk een is.

13 Zenas den wetgeleerde. Het is onzeker, of hij meent dat Zenas een geleerde in het burgerlijk recht was, of in het Mozaische: maar omdat men uit de woorden van Paulus kan merken, dat het een bevreesd man is geweest, die eens anders hulp van doen had, zoo is het waarschijnlijker dat Apollos en hij van éénen staat waren, te weten, uitleggers van de wet Gods onder de Joden: want zoo-danigen hebben eerder gebrek, dan die rechterlijke zaken door hun raad beslissen. Ik heb gezegd, dat men uit de woorden van Paulus kan merken, dat Zenas behoeftig was: want naarstig geleiden, beduidt hier, geld tot hun reis bestellen; gelijk uit het verband blijkt: want omdat die van Creta, denwelken hij dit beveelt te doen, zich niet beklagen zouden, en zeggen dat men ze met deze kosten lastig valt, zoo vermaant hij ze, dat ze niet onvruchtbaar moeten zijn, en dat ze vlijtig moeten zijn om zich tot alle goede werken te geven. Wij hebben hierboven (vs. 8.) van deze manier van spreken verhaald. Hetzij dan dat hij hun gebiedt uitnemend in goede werken te zijn, of aan de goede werken de eerste plaats te geven, zoo geeft hij te kennen, dat het hun nut is, dat hun oorzaak om mildheid te bewijzen wordt aangeboden, opdat ze niet onvruchtbaar zijn onder dit voorwendsel, dat de gelegenheid ontbreekt, of dat de nood het niet vordert. Wat er volgt, heb ik genoeg uitgelegd in de voorgaande brieven.

m

* ' / IJ; V

: v.

' ' ï;

: *!

• *•;

V - gt;

.. gt;; ■

amp;ê i

, ■■■

.^■ 3:

■ ;:v! •, ' ; ,'.1 '

M '

■'W ï

l'l'V !

:

tv .i:/

*'0i } • i'

quot;.'/i r-

5' -li' ' ■ --

;

v -■ 'V-i :Ö . .*'■

4$ :■ 'ƒ

■•i-Vi

-I

■

.•' ■ fj '

::

ocr page 207

DE ZENDBRIEF VAN PAULUS

AAN

F1LEM0K

ocr page 208
ocr page 209

DE INHOUD

VAN DEN

ZENDBRIEF VAN PAULUS

AAN

F IL E M 0 N.

Hoewel men uit de andere brieven van Paulus, waarin hij voornamer stof behandelt, de mogendheid des Geestes, die in hem geweest is, meer bekennen kan, zoo kan ons nochtans deze brief ook getuigenis daarvan geven: in welken hoewel hij daarin een gewone en eenvoudige zaak behandelt, zoo laat hij daarom niet na hem tot God te verheffen naar zijne gewoonte. Hij zendt terug een weggeloopen slaaf en dief, en bidt den meester, dat hij hem zijn misdaad wil vergeven. Maar van deze zaak handelende, zoo spreekt hij zeer wel van de matigheid en beleefdheid, die in een christenmensch behoo-ren te wezen, dat men schier zou zeggen, dat hij daar een zaak handelt, die de gansche gemeente aangaat, en niet één mensch alleen. Biddende voor een man van nederen staat, ganschelijk veracht, zoo spreekt hij zoo ootmoedig, matig, en verkleint zich zoozeer, dat men nauwelijks een plaats zal kunnen vinden, waarin men de liefelijkheid zijns geestes beter zal kunnen zien, dan deze brief naar het leven afbeeldt.

ocr page 210
ocr page 211

1 Paulus, een gevangene van Jezus Christus, en Timotteus, de broeder, aan Filemon, den beminde, en onzen medehelper.

2 En aan Appia, de geliefde, en Archippus, onzen medestrijder,

en aan de gemeente, die te uwen huize is:

3 Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere Rom. i: 7 J ezus Christus. ? Petr! 3l

4 Ik dank mijn God, uwer altijd gedenkende in mijne gebeden. Coi.^1^3.

5 Dewijl ik uwe liefde en geloof hoor, hetwelk gij hebt aan den 2 Thess. i Heere Jezus Christus, en aan al de heiligen;

6 Opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde door de kennis alles goeds, dat in u is, in Christus Jezus.

7 Want wij hebben groote vreugd en grooten troost, in alle liefde,

dat de harten der heiligen verkwikt zijn door u, broeder!

UITLEGGING.

1 gevangene van Jezus Christus. In denzelfden zin, waarin hij

Izich op andere plaatsen noemt een apostel van Christus, of J—^dienaar van Christus: zoo noemt hij zichzelven hier, een gevangene van Jezus Christus, te weten, omdat de banden, waarmede hij vast gehouden werd om het Evangelie, teekenen en wapenen waren van zijn gezantschap van Christus. Zoo verhaalt hij dan deze, om autoriteit te venverven; niet dat ik zeggen wil, dat hij verachting of versmaadheid vreesde; (want er is geen twijfel aan, Filemon heeft hem zulken eerbied en erkenning bewezen, dat hem niet van noode ware eenige titels of recommandatiën) maar omdat hij voor een weggeloopen slaaf wilde spreken, waarin het meest de voorbede om vergiffenis kracht had. Aan Filemon. Het is ge-loofelijk, dat deze Filemon een leeraar of herder is geweest: want voorwaar, de heilige Paulus is niet gewoon, een gewoon mensch zulken titel te geven, gelijk hij dezen doet, hem noemende, medehelper. Hij voegt daar ook bij Archippus, welke ook een dienaar eener gemeente is geweest, gelijk het blijkt: zoo hij namelijk dezelfde is, van wien hij vermaant in het einde des briefs aan de Colossen-sen, wat hoogstwaarschijnlijk is. Want dat hij liem noemt, zijn medestrijder. is ook een titel die voornamelijk den dienaars der kerk toekomt. Want hoewel het strijden een algemeen christenwerk is: nochtans omdat de leeraars in dezen strijd als vaandragers zijn, behooren ze nog meer dan de anderen bereid te zijn om te strijden, en ook geeft hun de satan veel meer moeiten dan den anderen. Wat meer is, het kon wezen dat Archippus Paulus' metgezel was geweest in eenigen strijd, en dien mede deelachtig is geweest. En in e'én woord: de heilige Paulus gebruikt dit woord, zoo dikmaals als hij van vervolgingen vermaant. Verder, zoo schrijft hij het huisgezin van Filemon een uitnemenden lof toe, als

ocr page 212

FILEMON vs. 2—6.

hij zegt, aan de gemeente, die te uwen huize is. En voorwaar, het is ook geen kleine lof van een vader des huisgezins, dat hij alzoo zijn huisgezin onderwezen heeft, dat het als een kleine gemeente is, en dat hij zelf het herdersambt in zijn huis bedient. Daarbenevens zoo is het ook een zaak, die niet dient vergeten te zijn, dat deze goede mans huisvrouw ook zoo was: want de heilige Paulus prijst haar niet zonder oorzaak.

4 Ik dank mijn God. Men moet vasthouden, dat de zaak waarvoor hij God dankt, dezelfde is waarvoor hij bidt: want de allervol-maaktsten hier op aarde hebben nimmermeer zoo groote stof om zich te verblijden, of het bidden is hun altijd van noode: opdat hun God geve niet alleen het volharden tot den einde, maar ook van dag tot dag meer en meer toe te nemen. Deze lof, dien hij Filemon toeschrijft, vervat in het kort, al de volkomenheid van een christenmensch. Deze bevat twee deelen, te weten, het geloof in Christus, en liefde jegens onze naasten; want hiertoe strekken alle plichten, werken en roepingen onzes levens. Het geloof wordt genoemd, geloof in Christus, omdat het eigenlijk op Christus ziet: gelijk ook God de Vader anders niet bekend kan worden dan in Hem alleen, en al het goed dat het geloof zoekt, kan niet gevonden worden dan in Hem alleen. Aangaande de liefde, die voegt hij op zulke wijze niet bij de heiligen, alsof ze zich ook niet ten deele tot anderen moest uitstrekken: want nademaal dit de leering der liefde is, ons vleesch niet versmaden, en dat wij Gods beeld eeren, welke in onze natuur gedrukt is: voorwaar, zoo omvat ze het gansche menschelijke geslacht. Maar omdat de huisgenooten des geloofs met ons verbonden zijn aan een vasteren band, en God ons voornamelijk het toezicht op zulken gebiedt, zoo komt hun van rechtswege de eerste plaats toe. De samenhang der rede is een weinig verward, nochtans is daarin geen duisterheid, zooveel den zin aangaat, dan dat men zou kunnen twijfelen of het woord altyd, bij het eerste of bij het tweede lid behoort: want de zin, die men daaruit nemen kon, kan aldus zijn, dat zoo dikwijls als de apostel voor Filemon bad, zoo mengde hij daar altijd een dankzegging bij, te weten, omdat de godzaligheid en vreeze Gods die in hem was, den heiligen Paulus oorzaak van vreugd gaf: want anders zoo kon het dikwijls geschieden, dat wij voor sommigen bidden zullen, in wie wij niet vinden, dan stof om te zuchten en te schreien. Hoewel de andere onderscheiding meer wordt aangenomen, te weten, dat de heilige Paulus dankzegging doet voor Filemon, en altijd zijner gedenkt in zijne gebeden. De lezers hebben dan hier den keur, maar de eerste zin bevalt mij beter. Verder is in vs. 5 de orde niet juist: want nadat hij van de liefde en het geloof gesproken heeft, zoo voegt hij daarbij, jegens den Heere Jezus Christus en de heiligen, in plaats dat de tegenstelling meer eischte, dat Christus in de tweede plaats werd gesteld, omdat ons geloof op Hem ziet.

6 Opdat de gemeenschap uws geloofs. Dit deel heeft niet weinig duisters; nochtans ik zal mijn best doen, om het zoo te verklaren, dat de lezers toch eenigszins de meening van Paulus zullen verstaan. Allereerst moet men weten, dat de apostel zijn lofrede op Filemon hier niet vervolgt, maar veelmeer uitdrukt wat het is, dat hij begeert hem van God te worden gegeven: want deze woorden hangen aan wat hij te voren had gezegd, dat hij zijner ge-

208

ocr page 213

FILEMON vs. 6, 7.

dachtig was in zijne gebeden. Wat heeft hij dan voor Filemon gebeden? dat zijn geloof geoefend in goede werken, bevonden mocht worden oprecht en niet ijdel: want hij noemt dit, gemeenschap des geloofs, als het geloof in des menschen hart niet ledig verborgen blijft, maar voor de menschen in het licht treedt door oprechte daden: want hoewel het geloof zijn plaats heeft in de verborgenheid des harten, zoo maakt het zich nochtans den menschen gemeen door goede werken. Zoo is het dan zooveel alsof hij gezegd had; Opdat uw geloof zich gemeen makende, zijn kracht toone in al wat goed is. Het woord, kennis van alle goed, wordt genomen voor bevinding of beproeving: want hij wenscht dat door de daden zijn geloof levend en in volkomener kracht beproefd wordt: hetwelk geschiedt als de menschen met wie wij omgaan, ons leven christelijk en heilig bekennen. En daarom zegt hij: Van alle goed dat in ons is. Want al het goed, dat in ons is, openbaart ons geloof. In Christus Jezus. Men kan ook vertalen jegens Christus; doch, zoo het kan, ik heb liever in Christus: want wij bezitten de gaven van Christus zoo, dat wij die nochtans niet deelachtig zijn, dan zooverre wij leden van Christus zijn. Doch wijl voorafgaat; In u, zoo vrees ik dat het wat hard zal klinken, en daarom heb ik in de woorden niet willen veranderen, maar heb alleen de lezers wel willen waarschuwen, alles aangemerkt hebbende, dat zij van beide (in of jegens) zullen kiezen wat hun goeddunkt. Want wy hebben groote vreugd. Hoewel bij de Grieken de lezing meer aangenomen is, groote genade, zoo acht ik nochtans dat het overgezet behoort te zijn, vreugd; want omdat in het Grieksch deze twee woorden, genade en vreugd, slechts in één letter verschillen, zoo heeft men zich lichtelijk kunnen vergissen. Wat meer is, willen wij Chrysostomus gelooven, de heilige Paulus neemt wel op een andere plaats, genade voor vreugd. En hoe zou het woord genade te pas komen, bij wat volgt; en grooten troost? Het is genoeg klaar, dat de heilige Paulus hier wil zeggen; Dat hij een groote vreugd en troost vindt, omdat Filemon zich bevlijtigd heeft om den nood der geloovigen te hulp te komen, en het is voorwaar een zonderlinge liefde, zoo groote vreugd te gevoelen over eens anders vordering. Maar men moet ook aanmerken, dat de apostel niet spreekt van een vreugd, die hij alleen heeft gehad, want hij zegt dat er velen zijn, die zich verblijd hebben, dat Filemon zulke beleefdheid en milddadigheid getoond heeft, om den geloovigen te hulp te komen. Dat gij verkwikt hebt. Dit neemt de heilige Paulus voor verlichting van verdriet en moeite, of den armen en bedrukten alzoo te hulpe te komen, dat ze bevredigd zijnde in hun gemoed, los van alle verdriet en droefheid rust mogen hebben. Want het woord innerlijke leden, beduidt de genegenheden. En het woord dat wij overzetten verheugd, is zooveel als vreedzaamheid. En daarom bedriegen dezen zich leelijk, die dit trekken tot den buik of tot het voedsel des lichaams.

8 Daarom, hoewel ik groote vrijmoedigheid heb in Christus, u te gebieden wat u betaamt:

209

9 Zoo bid ik nochtans liever om der liefde wil, dewijl ik zoodanig ben, als Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus.

u

Dl. VI.

ocr page 214

'■;v ; 210 FILEMON vs. 8—10.

W -----

-5, Col. 4:9. 10 Ik bid u voor miinen zoon Onésimus, denwelken ik in mijne

1 Cor. 4:16. V J t IJ 1. V

Qai 4.X9. banden geteeld neb.

Jak. i:i8. 11 Dewelke u eertijds onnut was, maar nu u en mij wel nut.

12 Denwelken ik wedergezonden heb, en gij ontvangt hem, dat is mijn ingewanden.

13 Denwelken ik begeerde bij mij te houden, omdat hij mij voor u dienen zou in de banden des Evangelies.

14 Maar buiten uw goedvinden heb ik niets willen doen, opdat uwe goeddadigheid niet zou wezen als uit bedwang, maar gewillig.

8 Daarom, hoewel ik groote vrijmoedigheid. Dat is: schoon ik naar recht u kon gebieden, nochtans uwe liefde maakt, dat ik u liever bid. Deze macht om te gebieden schrijft Paulus zichzelven toe, om tweëerlei oorzaak, te weten, dat hij is een oud man, en een gevangene van Christus. Hij zegt, dat hij liever om der liefde wil Filemon bidt: omdat wij door ons bevel den menschen de zaken opleggen, die wij van hen door dwang tegen hun wil verwerven willen: maar tegenover de onderdanigen, of die zulks goedsmoeds doen zullen, is het niet noodig, dat men een bevel gebruikt. En omdat degenen die van zichzelven bereid zijn hun behoorlijken plicht te doen, liever hooren dat men hun beleefd voorstelt, wat men van hen begeert, dan dat men tegen hen het bevel gebruikt: zoo heeft de heilige Paulus (die met een beleefden en onderdanigen man te doen had) zonder oorzaak het bidden niet gebruikt. En hierin toont hij door zijn exempel, dat de herders liever hun best moeten doen om de menschen liefelijk tot zich te trekken, dan met geweld of wreedheid. En voorwaar, waar hij tot bidden komt, en alzoo zich vernedert, en zijn autoriteit achterwege laat, heeft dit veel meer ; y :'' : 1; kracht om ingang te vinden, dan of hij zijn bevel (hetwelk hij wel

f.'n had) gebruikte. Intusschen schrijft hij zichzelven niets toe, dan in

tóVi Christus, te weten, door het bevel van Christus ontvangen. En voor-

% r\ waar, die Christus tot apostelen verordend heeft, die wil Hij niet

hebben dat hun autoriteit zal ontberen. Daarbij voegende, wat u betaamt, hiermede te kennen gevende, dat de herders geen macht hebben, al wat hun goeddunkt zonder eenig onderscheid aan te nemen, maar dat hun macht binnen deze palen gesloten is, dat ze niet bevelen zullen dan wat eerlijk, betamelijk, en stichtelijk voor tj 1 een iegelijk is. Hierdoor (gelijk ik een weinig hiervoor gezegd heb)

worden de herders vermaand, dat ze hun best zullen doen om der menschen hart te winnen met de allermeeste zoetigheid, die zij kunnen, zoo dikmaals als men door zulk middel meer gewin kan doen. Nochtans zoo moeten intusschen degenen weten, die zoo zoe-Uf': telijk behandeld worden, dat men minder van hen eischt dan zij wel

-fjj. ' schuldig zijn. Het woord, oud man, beduidt hier geen leeftijd, maar

yi,quot;'' '■ bediening. Zoo men vraagt waarom hij zich geen apostel noemt,

V 4 de oorzaak is, omdat hij hier met een van zijn metgezellen te doen

heeft, te weten, een dienaar des Woords, met wien hij gemeenzaam spreekt.

id Ik bid u voor mjjnen zoon. Omdat het bidden voor een ander niet zeer gewichtig is, als het op geen goede zaak gegrond is, zoo toont de heilige Paulus alhier, dat tusschen hem en Onésimus een band is, die hem genoegzame oorzaak geeft om voor hem te bidden. Het is waardig om te onthouden, dat zich Paulus

ocr page 215

FILEMON vs. 11—13.

hier alzoo vernedert, dat hij den naam zoon geeft aan een weggeloopenen slaaf en dief. Aangaande hetgeen hij zegt: Dat hy hem.

geteeld heeft, moet verstaan worden wat door zijn ambt is geschied,

en niet door zijn kracht. Want het is ook geen menschenwerk, eens menschen ziel te vermaken en vernieuwen naar het beeld Gods. En van deze geestelijke teling spreekt hij nu. Nochtans omdat de ziel herboren wordt door het geloof, en het geloof uit het gehoor komt,

hierdoor heeft degene, die de leer bedient een vaderlijk ambt, en Kom. iu ; 17. draagt daarvan dien naam. En wat meer is, nademaal het woord Gods, dat door de menschen gepredikt wordt, het zaad des eeuwigen levens is, zoo moeten wij ons niet verwonderen, zoo degene, uit wiens mond wij dit zaad ontvangen, opdat het in ons zou vrucht doen, vader wordt genaamd. Hoewel intusschen te onthouden is, dat het ambt bij den mensch op zulke wijze kracht heeft de ziel te herbaren, dat het (om eigenlijk te spreken) God zelf is die daar herbaart, door de kracht zijns Heiligen Geestes. Aldus is deze manier van spreken niet, om de plaats in gekijf te stellen tusschen God en de menschen, opdat men weten mocht wien de prijs toekomt:

maar zij bewijst alleen wat God door de menschen doet. Als hij zegt, dat hij hem geteeld heeft in zijn banden, deze omstandigheid is om zijn voorbidding voor Onésimus te gewichtiger te maken.

12 Ontvang hem dan, dat is mijn ingewanden. Het was onmogelijk iets krachtigers voort te brengen, om de gramschap van Fi-lemon te verzoeten en te stillen: want had hij zich onbeweeglijk willen toonen, om zijn slaaf niet te willen vergeven, dit doende zou , hij wreedheid hebben gebruikt tegen de ingewanden van Paulus. Aldus ziet men hier een wondere goedheid en lieflijkheid van den heiligen Paulus, dat hij zich niet geschaamd heeft aan te nemen als zijn ingewanden een verworpenen slaaf. Ja wat meer is, een weg-geloopen dief, opdat hij hem bevrijden zou van zijns meesters ongenade en toorn. En voorwaar, hadden wij de bekeering Gods in zulke achting als dat behoort, wij zouden degenen ook aannemen en omhelzen met grooter genegendheid, die verandering betoonen,

en zich oprechtelijk zonder geveinsdheid bekeeren.

13 Denwelken ik begeerde bij mij te houden. Dit is een andere oorzaak, om Filemon tevreden te stellen, dat hem de heilige Paulus zijn slaaf terugzendt, wiens dienst hij nochtans zelf wel behoefde:

want het zou een groote onbeleefdheid zijn geweest, deze begeerte van Paulus te verwerpen. En Paulus toont stilzwijgend, dat hij het voor een aangename gave behoort te nemen, dat hem Onésimus wordt teruggezonden, opdat hij lieflijk mocht ontvangen worden,

en dat met hem niet hard worde gehandeld bij zijn thuiskomst.

Hoewel hij daar ook nog andere omstandigheden bijvoegt, te weten, dat Onésimus zijns meesters plaats zal aanvullen, hem zulken dienst bewijzende; daarna dat hij uit beleefdheid niets van het recht van Filemon heeft willen onttrekken; ten derde, dat Filemon alsdan meer dank zal behalen, als hij Onésimus, bij hem gekomen zijnde,

willig uit liefde weder ontvangt. Uit dit laatste leeren wij, dat wij de martelaars van Christus behooren bij te staan, zoo wij allerbest kunnen, als zij om het getuigenis van Christus en zijn Evangelie arbeiden: want achten wij dat de gevangenissen, geeselingen, ballingschap, geweld en verbeurdverklaring der goederen het Evangelie toekomen, gelijk Paulus hier zegt: die dan weigert hun metgezel

211

ocr page 216

212 FILEMON vs. 13—15.

te zijn, en met hen te deelen, die scheidt zichzelven van Christus. Het voorstaan des Evangelies is allen menschen gemeen, en wij be-hooren dat al te zamen te beschermen. Daarom die om het Evangelie vervolging lijdt, moet niet geacht worden als een gemeen man, maar als die de plaats der gansche gemeente inneemt: waaruit volgt, dat alle geloovigen een gemeene zorg voor hetzelve behooren te hebben, opdat ze het Evangelie van niet één mensch verlaten, gelijk het wel dikwijls pleegt te geschieden.

14 Opdat uwe goeddadigheid niet zou wezen. Dit is uit den algemeenen regel genomen, dat er geene offeranden Gode aangenaam zijn, dan die goedwillig geschieden. Aldus spreekt de heilige Paulus ook van aalmoezen, 2 Cor. Q : 7. Het Grieksche woord, hetwelk hier gesteld is, wordt voor weldaad genomen. En het woord bedwang is het tegendeel van wil, als men door ervaring niet zien kan, of er een volkomen vrije wil is: want de vriendschap, die van een vrij en mild hart geschiedt, en niet door het aandringen van een ander, deze is prijzenswaard. Dit stuk is ook wel waardig aangemerkt te zijn, dat de heilige Paulus Onesimus' schuld erkennende, die in verleden tijd geschied is, bevestigt, dat hij veranderd is. En opdat Filemon niet twijfelen zou, of zijn knecht keert tot hem

■' /1 terug met een andere natuur en nieuwe zeden, zoo zegt de heilige

Paulus, dat hij zelf diens bekeering inderdaad heeft bevonden.

••TV I 15 Mogelijk is hij voor een tijd gescheiden, opdat gij hem eeuwig-

lijt zoudt ontvangen.

■'!: 't- 16 Niet meer als een dienstknecht, maar boven een dienstknecht,

namelijk een lieven broeder: voornamelijk mij, hoeveel meer vi;5*( 'ij; u, beide in het vleesch en in den Heere.

V-f ] , 17 Zoo gij mij dan voor een metgezel houdt, ontvang hem als mij.

: v 18 En zoo hij u eenig ongelijk gedaan heeft, of iets schuldig is,

K ./ reken dat mij toe.

19 Ik Paulus heb het geschreven met mijne hand, ik zal het betalen, opdat ik niet zegge, dat gij ook nzelven mij schuldig zijt.

15 Mogelijk is hij voor een tijd gescheiden. Zoo wij tot gramschap zijn bewogen geworden door de gebreken der menschen, zoo worden wij wederom verzoend, als wij zien dat wat zij door boosheid gedaan hadden, door Gods raad tot een goed einde gewend is. Want

|i', de gelukkige afloop is als een remedie tegen het kwaad, hetwelk

ons van de hand Gods is toegezonden, opdat wij de misdaden uit-Gen. 45:5. wisschen. Aldus deed Jozef, die lettende op wat door de wonderlijke voorzienigheid Gods geschied was, dat hij verkocht zijnde voor een slaaf, nochtans tot zeer hoogen staat verheven werd, waardoor hij zijn vader en broeders in 't leven kon behouden, vergeten hebbende de ontrouwheid en wreedheid zijner broederen, zoo zegt hij dat hij om hunnentwil vooruitgezonden was. De heilige Paulus vermaant dan, dat hij niet zoozeer behoort vertoornd te zijn om het wegloopen zijns knechts, nademaal zulke weglooping tot een bijzonder goed einde is geraakt. Want aangezien de voorzegde knecht aireede een weglooper in zijn hart was, als hem Filemon nog in zijn huis had, zoo had hij geen recht bezit van denzelven nademaal hij vol boosheid en ontrouw was, en kon ook niet recht van hem gediend zijn. Hij zegt dan, dat hij voor een tijdlang een

-■

v.» ■ - «

,'lt;• f

ocr page 217

FILEMON vs. 15—17.

ledigganger is geweest, opdat hij door het veranderen van plaats een gansch ander man zou worden, en ganschelijk vernieuwd zijnde, wederom tot hem zou keeren. Dit matigt de apostel al te zamen zeer wijselijk, noemende het wegloopen van Onesimus een scheiding of wegreizing, en voegt daarbij, dat hetzelve niet geweest is, dan voor een tijd. In één woord, hij stelt het eeuwige nut tegenover het verlies van korten tijd. Hij brengt nog een andere nuttigheid bij, die door zijn wegloopen is geschied, niet dat ze alleen oorzaak is geweest, dat Onesimus zich heeft gebeterd, zoodat hij alsnu begint een nuttig knecht te zijn, maar dat hij ook alsnu zijns meesters broeder is geworden. Verder, opdat het hart van Filemon, nog gewond zijnde door dezen verschen toorn, dezen naam broeder niet kwalijk zou nemen, zoo bekent hem de heilige Paulus allereerst zelve voor broeder. Hiermede verstaat hij dat Filemon meer met hem vereenigd is, aangezien zij beiden een gelijke vereeniging hebben voor den Heere, ook naar den Geest, maar dat Onesimus naar den vleesche een lid van zijn eigen huisgezin is. Men ziet hierin, de zeer groote zedigheid van Paulus, die zich niet te waardig kent, broeder te noemen een verachten slaaf, ja, noemt hem een lieven broeder. En voorwaar, het ware te zeer groote hoovaardigheid, dat men zich schamen zou broeders te noemen, die God onder het getal zijner kinderen houdt. Door deze woorden, hoeveel meer u, geeft hij niet te kennen, dat Filemon in een hoogeren staat naar den Geest gesteld is, maar de zin is aldus: Aangezien ik hem voor een lieven broeder houd, zoo behoort gij veelmeer zulks te doen, aangezien tusschen u beiden een dubbele band der vereeniging is. Verder, aangezien het zeker is, dat de heilige Paulus niet onvoorzichtig noch lichtvaardig antwoordt (gelijk sommigen wel doen) voor een mensch die hem niet genoeg bekend was, en dat hij zijn geloof niet verheft of prijst, aleer hij datzelve beproefd en goedgevonden heeft: zoo wordt ons in den persoon van Onesimus een exempel des berouws voorgesteld, waardig te gedenken. Men weet wel dat de slaven zeer verkeerd van aard zijn, zoodat er bijna van honderd niet één is, die vruchtbaar in het goede is. Aangaande Onesimus, zoo is wel te denken, nademaal hij gevloden was, dat hem de lange kwade gewoonte in boosheid had verhard. Zoo is het dan een wonderlijke deugd geweest, dat hij zich terstond van alle boosheid (die hem zeer aanhing) heeft ontslagen, en dat op zulke wijze, dat de apostel waarlijk dit getuigenis van hem geven kan, dat hij alsnu een ander mensch is geworden. Hieruit spruit nog een zeer nutte leer, te weten, dat de uitverkorenen Gods somtijds op ongeloofelijke manieren, niet op de gewone wijze, maar somtijds door verkeerde aanslagen, geleid worden tot de zaligheid, ja ook door verwarde onvoorziene middelen. Onesimus woonde in een heilig en godvruchtig huis, zich-zelven door zijne booze daden daaruit bannende, zoo wijkt hij met moedwil ver van God en het eeuwige leven. Maar God door zijne wonderlijke voorzienigheid stelt wederom zeer wonderbaar zijn hardnekkige booze weglooping terecht, alzoo dat hij onder de handen van den heiligen Paulus komt.

17 Zoo gij mij dan voor een metgezel houdt. Hij vernedert zich hier nog veelmeer, overgevende een weggeloopen slaaf zijn recht en eer, en stelt zich genoeg in zijn plaats, gelijk hij hierna

213

ocr page 218

FILEMON vs. 17—IQ.

ook zijn borg zal worden. Want het was grootelijks van noode, dat zich Filemon lichtelijk zou laten verzoenen, en zich een genadig meester over Onesimus toonde, opdat een al te groote straf hem niet tot mistroostigheid bracht. Hierom arbeidt Paulus daarnaar ook zeer. En wij worden hier door zijn exempel vermaand, met wat genegenheden wij een armen zondaar bijstaan moeten, wiens berouw ons blijkende is. Is dit dan ons ambt en plicht, een ander te bidden om den boetvaardigen vergeving te verwerven, hoeveel te meer behooren wij de feilen te vergeven, die ons geschied zijn, als daarvan berouw bewezen wordt?

18 En zoo hy u eenig ongelijk heeft gedaan. Men kan hieruit verstaan, dat Onesimus zijnen meester wat bestolen had, gelijk gemeenlijk de wegloopers doen. En desniettegenstaande, zoo verzoet hij zijne booze daad, opdat ze zoo hatelijk niet zou zijn, en dat met deze woorden, die hij daarbij voegt; Of is hü u iets schuldig. Want er was geen wettig contract tusschen hen; alleen was de slaaf zijn meester verbonden door de schade, die hij hem met wegloopen had berokkend. Hierdoor is de goedheid en beleefdheid van Paulus nog zooveel te grooter, dat hij voor een booze daad bereid is te voldoen. Deze woorden: Opdat ik u niet zegge, dat gjj ook uzelven mij schuldig zjjt, zijn hierbij gevoegd, om te kennen te geven wat groot betrouwen hij heeft, om zijn begeerte te verkrijgen, alsof hij zeide: Er is niets dat gij mij weigeren zult (gelijk ik zeer wel weet) ja, al begeerde ik uzelven. Hier zien ook de woorden van de herberg en andere dingen op, waarvan wij terstond zullen hooren. Er is nog maar één kwestie, te weten, hoe Paulus durft beloven eenig geld te betalen, aangezien zoo hem de gemeenten niet verzorgd hadden, hij het zelve kwaad genoeg had om te leven. Het schijnt voorwaar dat deze belofte spot is, als men zijn gebrek en armoede aanmerkt, maar men kan lichtelijk zien, dat de heilige Paulus door deze manier van spreken begeert dat Filemon toch van zijn slaaf niet terug zou eischen, wat deze hem van rechtswege wel zou schuldig zijn. En.hoewel hij het niet ronduit zegt, toch verzoekt hij zijdelings, dat hij de rekening, die hij tegen Onesimus mocht hebben, uitwissche en vergete. Dit is dan zijn meening: Ik wil niet hebben, dat gij met uwen slaaf zult te recht gaan, tenzij gij mij voor een schuldenaar in zijn plaats wilt hebben: want hij voegt daar terstond bij: Dat Filemon hem gan-schelijk toekomt. Die nu zegt, dat hem de man geheel toebehoort, die mag niet vreezen eenig geld te betalen.

20 Zeker, broeder! laat mij u gebruiken in den Heere, verkwik mijne ingewanden in den Heere.

21 Ik heb aan u geschreven met een betrouwen op uwe gehoorzaamheid, wetende dat gij doen zult, ook boven hetgeen ik zeg.

22 Bereid mij ook mede een herberg: want ik hoop dat ik door uwe gebeden u zal geschonken worden.

23 U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus.

24 Markus, Aristarchus, Démas, Lukas, mijne medehelpers.

25 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uwen geest. Amen.

Gezonden uit Rome, door Onesimus den dienstknecht.

214

Col. 1:7; 4:12.

Col. 4 : 10. 2 Tim. i: 11. Hand. 27:2. Col. 4:10. Col. 4:14. 2 Tim. 4 :10.

Col. 4:14. 2 Tim. 4:11.

ocr page 219

FILEMON vs. 20—25.

20 Zeker, broeder! Deze bevestiging is hierbij gesteld, om hem te ernstiger te vermanen, alsof hij gezegd had: Alsnu zal het inderdaad blijken, dat gij in niets van mij gescheiden zijt, en dat gij geheel genegen zijt om mij vriendschap te doen, en dat al uw goed tot mijn best is, als gij wederom in genade ontvangt, die zich met mij alsnu zoo vereenigd heeft, en al zijn verleden misdaden vergetende zijt. Hij herhaalt dezelfde manier van spreken, als boven van de verkwikking der ingewanden. Hieruit mogen wij afleiden, dat de maatschappelijke orde door het Evangelie niet omgekeerd is, en dat het recht en de macht, die de meesters hebben over hun dienstknechten of slaven, niet teniet is, want Filemon is geen gewoon man, maar een medehelper van Paulus, om den wijngaard van Christus te planten: en desniettegenstaande, het meesterschap, dat hij over zijn slaaf had, en door de wetten toegelaten was, is hem niet benomen; maar hem is alleen bevolen, dat hij hem goedertierenlijk zal ontvangen, hem zijn misdaad liefelijk vergevende. Ja, de heilige Paulus bidt hem ootmoedig, dat hij wederom in zijn vorigen staat mag worden gesteld. Verder, dat zich de heilige Paulus alzoo vernedert, voor een ander biddende, vermaant ons hoever ze nog van oprechte betering zijn, die hun gebreken hardnekkig verontschuldigen, of die zonder schaamte of eenig teeken der ootmoedigheid zoo belijden gezondigd te hebben, alsof ze nooit gezondigd hadden. Voorwaar, toen Onesimus zag, dat een zoo edele apostel van Jezus Christus zoo zorgvuldig voor hem bad, zoo behoorde hij zich veelmeer te verootmoedigen, om zijns meesters hart te buigen, dat het hem goedertieren zou wezen. Hiertoe dient, dat hij zich verontschuldigt over zijn stout schrijven: want hij wist wel, dat Filemon meer zou doen dan hij begeerde.

22 Bereid my ook. Dit vast betrouwen van Paulus is ook een prikkel geweest, om Filemom meer te bewegen: daarna zoo geeft hij hem hope, in korten tijd met zijn komst verblijd te worden. Hoewel men nu niet weet, of de heilige Paulus na dien tijd van zijne banden verlost is geweest, daarvan is geen zwarigheid te maken, al ware het ook dat hij van deze tijdelijke hope is beroofd geweest: want hij heeft anders niemand van zijne verlossing kennis gegeven, dan zoo het den alvermogenden God beliefde. Alzoo heeft hij zijn hart altijd hangende gehouden, totdat Gods wil in het einde zich openbaarde. Men moet ook aanmerken, dat hij zegt, dat de ge-loovigen ontvangen zullen wat zij bidden; want daaruit leiden wij af, hoewel onze gebeden hunne werkingen hebben, dat ze nochtans door hunne verdiensten niet deugen; want het geschiedt al te za-men om niets en uit genade, wat zij verwerven.

24 Demas. Hij is degene, die hem na dien tijd verlaten heeft, waarover hij zich 2 Tim. 4: 10 beklaagt. Zoo dan de ijdelheid dezer wereld wederom tot zich getrokken heeft een van de medehelpers van den heiligen Paulus, als verdrietig en moede zijnde, niemand betrouwe zich te zeer op den ijver van een jaar: maar aanmerkende hoe groote weg in onzen loop nog gelegen is, laat ons den al-mogenden Heere bidden, dat Hij ons oprechte volstandigheid wil verleenen.

215

ocr page 220
ocr page 221
ocr page 222
ocr page 223
ocr page 224