ocr page 1
ocr page 2

■IWWBI

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6

Johannes Calvijn.

IJITLEGSIKG

OP DE

ZENDBRIEVEN.

MET REGISTER.

Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. D., J. F. en J. R., in de tegenwoordige spelling,

dodr

A. M. DONNER.

ZEVENDE DEEL. — HEBREEN.

TE LEIDEN BIJ D. DONNER. 1891.

rijksuniversiteit utrecht

lliilil.........

1373 4219

ocr page 7

Johannes Calvijn. UITLEGGING

OP DEN

ZENDBRIEF AAN DE HEBREEN.

Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. F., in de tegenwoordige spelling,

DOOR

A. M. DONNER.

--------------

f

TE LEIDEN BIJ D. DONNER.

1 89 1.

ocr page 8
ocr page 9

DEN HOOGMACHTIGEN EN DOORLUCHTIüEN VORST

SIGISMUND AUGUST,

DOOR GODS GENADE KONING VAN POLEN, GROOTHER LOG VAN LITHAUEN EN ERFHEER VAN RUSLAND, PRUISEN EN MASOVIË, ENZ.

WENSCHT

JOHANNES CALVIJN

ZALIGHEID.

Aangezien hedendaags, allerdoorluchtigste koning! zooveel ongeschikte lieden in alle plaatsen zonder eenig onderscheid zoo onervaren schrijven, en de eenvoudige lezers, die geen recht oordeel hebben, met hunne beuzelingen bezighouden: zoo is er nog boven dit gebrek een ander kwaad, veel minder te dulden, te weten, wanneer zij den koningen en anderen vorsten hun onnutte boeken opdragen, om meer kleur te geven, of ten minste om hunnen beuzelingen een beteren schijn te geven, zoo verkorten deze niet alleen de lofwaardige namen van hen, maar doen hun ook een deel van hunne oneer en schande dragen. De onredelijke lichtvaardigheid van zulke lieden is dan een oorzaak, dat andere wijze en voortreffelijke schrijvers zich moeten verontschuldigen, als zij aan eenige uitnemende mannen openlijk hun arbeid willen opdragen, waarin nochtans niets is, dan wat waardig is aangenomen te worden, en ook eigenlijk zulken past, dien het wordt aangeboden. Hierdoor heb ik deze voorrede gemaakt, opdat ik niet schijne te wezen van het getal dergenen, die zoo stout naar eens anders exempel wat aangrijpen, alsof al wat men gewoonlijk is van doen, (al ware het schoon kwalijk of onwijselijk gedaan) geoorloofd ware. Mij is ook niet onbekend, wat schijn van stoutigheid dit medebrengt, dat ik, een man van kleinen staat en onbekend, uwer Koninklijke Majesteit durf aanspreken. Maar, o koning! zoo gij mijn redenen gehoord hebbende, mijn daad voor goed bekent, wat dan anderen daarvan oordeelen zal ik niet veel achten. Ten eerste dan, hoewel ik mijn geringheid wel beken, en ook daarbenevens wel weet wat eerbied uwer majesteit toekomt: nochtans de wijdruchtige faam van uwe godvruchtigheid, (die bijna verspreid is bij alle beminnaars der waarheid en der leeringen van Jezus Christus) is alleen genoegzaam, om mij alle vreeze te benemen: want ik breng met mij een gave, dewelke uwe godvruchtigheid niet zal gehengen, dat ze verworpen wordt. En aangezien het in der waarheid alzoo is, dat de zendbrief aan de Hebreen geschreven, een zeer nutte disputatie inhoudt van de eeuwige Godheid van Christus, van zijn hooge meesterschap, en het eenig

ocr page 10

6

priesterdom (hetwelk de voornaamste hoofdstukken der hemelsche wijsheid zijn) en op zulke wijze deze uitlegging drijft, dat hij ons daarin levend uitbeeldt al de kracht en het gansche ambt van Jezus Christus: zoo behoort wel met recht deze zendbrief gehouden en geprezen te zijn als een bijzondere schat in de kerk van Jezus Christus. Voorwaar ik twijfel niet, of hij wordt van u geëerd en geprezen, gij die van ganscher hart begeert, dat de Zone Gods, Jezus Christus zal regeeren, en boven alles uitblinken. Aangaande mij, die deze uitlegging ondernomen heb, ik zeg niet wat nuttigheid ik daarmede heb gedaan; dan alleen dat ik vast betrouw, dat gij voor het minst mijne getrouwigheid en vlijtigheid wel ingezien hebbende, voor goed zult bekennen. En gelijk ik mijzelven niet toeschrijve eenigen lof van groot vernuft of wijsheid, zoo schaam ik mij ook niet, als het van noode is, de gaven te bewijzen die mij van God gegeven zijn, om de Schrift te verstaan: aangezien zulks anders niet is dan in den Heere roemen. Is er nu eenige bekwaamheid in mij, om de kerk van Jezus Christus behulpzaam te wezen, zoo heb ik mijn best gedaan in dezen mijnen tegenwoordigen arbeid. Waardoor ik ook wel hoop, o koning, dat deze gave (gelijk ik gezegd heb) mij niet alleen dienen zal tot genoegzame verontschuldiging aan uwe majesteit, maar mij ook niet weinig gunsten zal brengen. Het zal ook mogelijk een nieuw middel zijn, om zoowel uwe Majesteit, die van zichzelve zeer willig is, te noodigen tot de opbouwing van Christus rijk, als velen van uwe onderzaten, om het aan te nemen. Gij hebt een zeer wijd en edel koninkrijk, met menigerlei edele versieringen begaafd, maar alsdan zal het eerst een waar en vaste gelukzaligheid hebben, als het Jezus Christus zal aannemen voor zijnen leidsman en oppersten regeerder, om onderhouden te zijn door zijn voogdij en bescherming. Het zal ook uwe Koninklijke Hoogheid, waarin gij gesteld zijt, zeer wel betamen, dat gij Hem uw schepter onderwerpt, zóó dat er geen heerlijker triumf kan wezen. Want is het alzoo, dat onder de menschen de bekentenis van weldaad eigenlijk geacht wordt de tucht te zijn van een goed en vroom hart: wat zou dan een koning meer kunnen misstaan, dan zich ondankbaar te toonen tegen den Zone Gods, van welken hij verheven wordt tot de allerhoogste eer? Daarom is deze dienst niet alleen eerlijk en edel, maar meer dan koninklijk, welke ons verheft in het getal der engelen, te weten, als men den troon van Christus onder ons opricht, opdat zijn hemelsche stem het eenige richtsnoer zij, om daarnaar te leven, zoowel voor den laagste als voor den hoogste. En hoewel het een zeer gemeen woord is, dat een iegelijk schier in den mond heeft, dat hij de heerschappij van Christus onderdanig is, nochtans zoo zijn er weinigen, die Hem de geroemde onderdanigheid bewijzen. Hetwelk niet eerder geschiedt, dan als alle godsdienst opgericht en afgemeten is, naar het ware richtsnoer der Heilige Schrift. Maar als men dit beginnen wil, zoo rijzen er wonderlijke aanvechtingen op, alzoo dat de menschen niet alleen opgeblazen door hoovaardigheid, maar ook betooverd met een wonderbaarlijke onzinnigheid, minder eerbied bewijzen aan den waren onherroepelijken eeuwigen raad van den hemelschen leeraar Jezus Christus, dan aan hun eigen versierde droomen. Want met wat schijn zij zich bedekken, die om ons te bestrijden, voor den roomschen antichrist hun best doen, zoo zal men bevinden, dat al de twist,

ocr page 11

7

waarmee de kerk sinds dertig jaar zoo deerlijk gekweld is, hieruit zijn oorsprong neemt, dat degenen, die de voornaamsten geacht willen zijn onder de jongeren van Christus, niet lijden mogen dat ze de leer van Christus onderworpen worden. Eergierigheid en stoutheid hebben zoozeer de overhand genomen, dat de waarheid Gods onder zooveel ontallijke leugenen begraven is geweest, en al haar zuivere instellingen met vuil stinkende vervalschingen besmet zijn. De dienst van God is overal en in alles geschonden; de leer des geloofs is gansch onder den voet gesmeten, het gebruik der sacramenten ver-valscht; de regeering der kerken verkeerd in een woeste en wreede tirannie; van al hetgeen dat tot den godsdienst behoort, is gemaakt een onreine bedriegelijke kramerij; de macht van Jezus Christus is getrokken tot de goddelooze onredelijke tirannie. En in de plaats van een christelijken godsdienst, is gekomen een gruwelijke verontheiliging van alle dingen, vol van alle grove bespottingen, zoo plomp en openbaar, dat het een onuitsprekelijke schande is. Als wij nu om in al dit groote kwaad te voorzien, dit eenige hulpmiddel bijbrengen, dat hier op aarde de Zone Gods sprekende uit den hemel gehoor werd gegeven, zoo verheffen zich terstond deze groote tegenstrijdende reuzen: niet om de kerk op hun schouders te dragen, maar om groot te maken door groote hoovaardige titelen hunne afgoden, die zij zelf versierd hebben, en niets dan rook zijn. Zoo men hun vraagt, waarom zij ons zoo zeer tegenstaan, zij antwoorden tot een bedeksel: dat wij door onze verstoring, oproer in den vrede der kerken maken. Als het komt om te oordeelen of zulks waarachtig zij, zoo beschrijven ons deze looze gezellen een kerk, die in alle manieren haar regeering heeft ver verscheiden en heel oneens met Christus. Wat is dit anders, dan alle vlijtigheid doen, om een booze en schelmachtige afscheiding te maken van het hoofd en zijne lidmaten? Hieruit blijkt dat er velen van henlieden zijn, die zich zeer ijdel beroemen christenen te wezen: aangezien de meeste hoop niets kwalijker dulden kan, dan geregeerd te worden naar de zuivere leer des Evangelies. Wat gij waarlijk bekent, o koning, noodig te zijn, dat het land ernstiglijk gezuiverd moet worden van zoovele valsche godsdiensten, opdat Jezus Christus aangenomen worde in volle bezitting zijns rijks, dit is in u een zonderlinge wijsheid: maar aan te grijpen en te beginnen wat gij oordeelt zeer van noode te zijn, is voorwaar een zeer zeldzame deugd. Daar zijn aireede vele beginselen, die allen menschen schier een zekere hope geven, dat gij van God voorzien en geschikt zijt, als een Hiskia of Jozua, om in korten tijd in het koninkrijk van Polen op te richten de zuivere leer des Evangelies, welke verdorven is geweest over de geheele wereld, door de schalkheid des duivels en ontrouwigheid der menschen. Want zwijgende van al uwe andere uitnemende deugden, waarover zich alle vreemdelingen zeer verwonderen, en uwe onderzaten wel gewaar worden tot hun groot profijt, aangezien men altijd in u gemerkt heeft een wonderlijken goeden ijver tot God, zoo schittert voorwaar dit bij u nu zeer klaar. Maar het voornaamste is, dat de zon der gerechtigheid Jezus Christus uwen geest in zulken schijn verlicht heeft door de klaarheid zijns Evangelies, dat gij voor vast besloten houdt, dat men van niemand anders dan van Hem, het ware middel om een kerk wel te regeeren, zoeken noch nemen moet. En daarbenevens, zoo kunt gij ook zeer wel aan-

ocr page 12

8

merken, welke het onderscheid is tusschen den waren godsdienst, hilt;

die Christus zelf heeft ingesteld, en den anderen nagemaakten en dii

valschen dienst, die daarna is ingevoerd. Want u is bekend, dat de ap

dienst Gods bedorven en geschonden is geweest, door middel van de is

ontallijk valsche godsdiensten, die in zijn plaats gekomen zijn. De Hi

genade door Jezus Christus is op onwaardige wijze door veel duis- he

tere dwalingen verdonkerd en begraven geweest. De kracht van de

zijnen dood verminderd; Hij zelf bijna verscheurd en in stukken ge

gedeeld; de conscientiën zijn ellendig, ja wreed (mag ik wel zeggen) ne

gekweld en gekruisigd geweest, omdat het betrouwen der zaligheid za

gansch omgekeerd en vernietigd was. De arme menschen zijn afge- sc

keerd en verleid geweest van de ware en rechte aanroeping Gods, on

in veel verscheiden twijfelingen en omwegen. De kerk is verdrukt ge

met een wreeden tiran. In e'én woord, er is niet ée'n stuk des chris- di

tendoms geheel gebleven. Het is wel te gelooven, alleredelste koning! te;

dat het niet is zonder oorzaak, dat u God begaafd heeft met zulk hi'

verstand, maar dat Hij u verkoren heeft tot een dienaar in zeer ge

gewichtige zaken. En opdat het onschuldige bloed geen wraak Pc

begeere over het edele koninkrijk van Polen, noch hetzelve nu zulk af

een groot geluk belette, zoo is het door een wonderbare voorzie- le:

ning Gods geschied, dat tot dezen tijd toe in dit rijk niet een de

druppel bloeds om het geloof gestort is geweest. De koning Sigis- uv

mund, uwer majesteits vader, een vorst waardig der gedachtenis, is m:

zoo barmhartig en goedertieren geweest, dat hoewel de wreedheid te

zich verspreid had over vele koninkrijken in de christenheid, noch- jes

tans zoo heeft hij zijn handen onbesmet gehouden. Nu voorwaar, hi;

neemt uwe edelheid en ook de voornaamsten van uwe regenten des is,

rijks, niet alleen Jezus Christus (die zichzelven aanbiedt) wellicht aan, di

maar zij hebben grooten lust en begeerlijkheid daartoe. Ja wat meer d£

is, ik zie hier Johannes a Lasco, die geboren is uit den edelen stam de

der graven, als een brandende fakkel voor andere volken lichten. Waar- kc

door de onbeschaamdheid van Eccius zooveel te onverdragelijker is, ee

welke opdragende zijn boek van de mis, aan den koning Sigismund, bc

uwer majesteits vader, zooveel als in hem was, uw edel rijk een lee- dc

lijke vlek heeft opgelegd. Niettemin dit is niets nieuws geweest van w:

dezen schijnheilige, welke als een der grootste dronkaards, gewoon oc

was zoowel op het altaar, als in den stal te spuwen. Aangaande mij, gi

zoo ik met het opdragen van dezen mijn arbeid aan uwe majesteit nc

ten minste zooveel profijts doen mag, dat de Poolsche naam ge- D

reinigd wordt van zulke stinkende vuiligheden van Eccius, opdat w-

zij niet hangende blijven, waar zij tegen alle redenen zijn ingewor- D

pen, zoo zal ik mij laten dunken veel gewonnen te hebben. En in ni

der waarheid, men zou nauwelijks bekwamer boek kunnen kiezen G

uit de gansche Schrift, hetwelk beter daartoe dient. Want het schrij- al

ven van dezen onzen apostel strekt meest om te bewijzen, dat de ei

offerande die Eccius voorstaat, openbaar het priesterschap van is

Jezus Christus wederstaat. Het is wel waar, dat de apostel hier niet ai

vermaant van de missen, welke de duivel alstoen nog niet gespo- ei

gen had uit de hel. Maar als hij hebben wil, dat de kerk tevreden ze

zal zijn met de eenige offerande, die Jezus Christus aan het hout zc

des kruises volbracht heeft, opdat al de ceremoniën van offeranden al

ophouden zouden: zoo is er niet aan te twijfelen, of hij beneemt den di

menschen ook den weg van deze nieuwe instelling. De apostel roept w

ocr page 13

O

tist, hier, dat Christus eens opgeofferd is geweest aan het kruis. Eccius en dicht, dat deze offerande alle dagen behoort vernieuwd te worden. De de apostel verkondigt, dat de Zone Gods alleen een bekwaam priester de is geweest, opdat Hij Zichzelven den Vader opofferen zou, en dat De Hij hiertoe is ingesteld, en met eede bevestigd. Eccius loochent, dat lus- het priesterschap in Christus persoon blijft, en schrijft zijn ambt van den gehuurden mispapen toe. Maar ik weet zeer wel wat beuzelin-ten gen hij gebruikt in deze en dergelijke zaken, die hij spottelijk meent en) neer te leggen: maar het is geen zorg, dat hij iemand bedriegen eid zal dan degenen, die met opzet blind willen zijn, of het licht gan-:ge- schelijk vlieden. Hoewel hij alzoo smoordronken is geweest in zijn ids, onverdragelijke pluimstrijkende hoovaardigheid, dat hij meer moeite ukt gedaan heeft om zich eergieriglijk te beroemen, dan om verstan-ris- dig te disputeeren; nochtans opdat het niet schijne, dat ik mij ng! tegen een dooden hond verzetten wil, zoo zal ik voor deze reize ulk hiertoe niet meer zeggen, dan dat men deze uitlegging daartoe eer gebruike, welke de schandvlek, die hij na zijn dronken drinken den mk Poolschen naam met zijn stinkend boek toegeblazen heeft, wel zal ulk afwasschen. Men behoeft ook niet bezorgd te zijn, dat die zijn boek ïie- lezen, in zijn strikken zullen worden gevangen. Voorts, aangaande sen dezen mijnen arbeid, dien ik uwer majesteit opdraag, hiermede heb ik jis- uwer majesteit niet alleen willen bewijzen, wat eerbied ik tot uwe , is majesteit draag, maar het geschiedt ook om dien aan de gansche wereld eid te vertoonen. Nu ontbreekt er niets meer aan, dan dat ik uwe mach- jesteit ootmoedig bid, dat gij dezen mijnen arbeid (zoo klein als lar, hij is) niet wilt verachten. Voorwaar, zoo hij een klein prikkeltje des is, om uw Christelijk voornemen te bewegen, zoo zal ik mij laten ,an, dunken, dat ik daarmede zeer groote vruchten heb gedaan. Ga eer dan nu voort, o grootmachtigste koning! neem deze zorg aan onder am de zeer gelukkige geleiding van Jezus Christus, die uwe uitnemende tar- koninklijke hoogheid en heerlijke deugd waardig is: opdat de is, eeuwige waarheid Gods (welke de glorie en zaligheid der menschen nd, begrijpt) wederom het recht mag krijgen, waarvan zij beroofd is ee- door het overweldigen van den antichrist in uw gansche rijk. 't Is wel ran waar, dat dit een zoo zwaar werk is, dat het billijk den allerwijsten )on ook veel zorg en vrees aanbrengt; maar ten eerste, daar moet zoo iiij, groot gevaar niet wezen, of wij behooren het willig te verdragen, teit noch zoo groot geschil, hetwelk wij niet gedurig moeten wederstaan. ge- Daar moet ook zoo harde kamp niet wezen, of wij moeten ons daar dat welgemoed in toonen, en dat om zoo oprechte en noodige zaak. or- Dewijl dit ook een werk Gods is, zoo moet men hierin zoozeer in niet zien, hoever zich de menschelijke kracht strekt, maar men moet zen God den lof dezer kracht geven, en betrouwen dat wij die niet irij- alleen voor een helpster hebben, maar ook voor een leidsvrouw de en bijstandster, en ons alzoo verstouten boven onze sterkheid. Het ran is ook niet zonder oorzaak (zeg ik) dat de Schrift overal Gode het liet ambt toeschrijft, om den grond zijner kerk te leggen, ook te vernieuwen po- en op te bouwen: Want behalve dat dit ganschelijk een goddelijke len zaak is, en verre te boven gaat wat de wereld daarvan kan begrijpen, out zoo haast als zich eenig goed begin vertoont, zoo raapt de duivel ien al de hinderlijke middelen te hoop, die hij vinden kan, opdat hij len dezen voortgang breke en belette. Wij weten, dat de overste dezer ept wereld nimmer gebrek zal hebben aan een ontallijk getal trawanten.

ocr page 14

10

die altijd willig en bereid zijn om hun best te doen, om het rijk van Jezus Christus te bestrijden. Sommigen daartoe gedwongen door eergierigheid; anderen daartoe verwekt om den buik. Deze aanvechtingen geven ons naar onze zwakheid genoeg te doen; maar ik twijfel niet, of uwe majesteit zal wel grooter zwarigheden daarin vinden. Zoo wie zich dan toerust, om de leer der zaligheid en der kerk voor te staan, die moet gewapend zijn met een onverwinnelijke standvastigheid; en ook, omdat het een zaak is, die onze krachten te boven gaat, zoo bezorgt ons God daarin met hemelsche wapenen. Intusschen moet ons werk zijn, dat wij Gods beloften in onze harten prenten, welke wij overvloedig in de Schrift vinden, te weten, dat gelijk God met eigen hand den grond zijner kerk heeft gelegd, ook niet zal gedoogen, dat zij blijve vervallen, maar Hij zal zorgvuldig zijn om het vervallene weer op te richten. Dit zeggende, zoo belooft Hij ons, dat Hij in dit werk ons nimmermeer verlaten zal. Want gelijk Hij niet wil, dat wij ledige aanschouwers zijner kracht zullen zijn, zoo betoont Hij ook openlijk door bijstand en versterking der arbeiders handen, dat Hij de oppermeester des werks is.

Daarom laat het ons niet verdrieten in gedachtenis te houden, wat de

de Schrift zoo dikmaals verhaalt, en ons indrukt, niet zonder oor- w«

zaak, te weten, hoe dikmaals wij in den strijd moeten gaan tegen wc

onze vijanden, die ons gestadig wederstaan, en tot den dood toe hij

haten. Want gelijk hiervoor verhaald is, zij zijn menigerlei en da

zonder getal. Maar dit alleen zal krachtig genoeg wezen om ons de

een manlijk gemoed te geven, dat wij een zoo onverwinnelijken als

hoofdman hebben, dat, hoe meer men Hem stormen en slagen levert, wi

hoe meer Hij overwinningen en triumfen in handen heeft. Vaarwel, m

o alleronverwinlijkste koning! De Heere Jezus Christus wil u re- ve

geeren door zijnen Geest der wijsheid, en u onderhouden door zijn ei

Geest der sterkheid; u vervullen met allerlei zegen, uwe majesteit dt

lang voorspoedig bewaren, en uw koninkrijk beschermen. Alzoo moet d(

het geschieden. 01

Te GENÈVE, den 23en Mei 1549. „

bI ol

Z( hi C

k

g

ei h

--n

a n k I C 1 a n z 1;

ocr page 15

DE INHOUD

/

VAN DEN

ZENDBRIEF AAN DE HEBREEN.

Niet alleen is in vroegere tijden over den naam des schrijvers van dezen brief velerlei gevoelen geweest, maar de brief zelve is nauwelijks, en dat zeer laat, in de Latijnsche kerk aangenomen geworden; want zij hadden een kwaad vermoeden op denzelven, alsof hij een weinig der dwaling der Novatianen scheen toe te geven, en dat in het punt waar hij leert, dat er geen verzoening der zonden meer is voor degenen, die weder in zonden gevallen zijn. Maar als wij ter plaatse zullen komen, waar van deze stof gehandeld wordt, zullen wij toonen, dat men ten onrechte zulk kwaad vermoeden heeft gehad. Wat mij aangaat, ik ontvang en neem denzelven aan zonder eenige zwarigheid onder de apostolische brieven, en twijfel niet, of het bovengenoemde is geschied door de listigheid des duivels, en doordat men sommige menschen gevonden heeft, die dezen zendbrief van het getal der authentieke boeken wilden afsnijden, om dien zijn autoriteit te benemen. Want er is geen boek in de gansche Heilige Schrift, dat zoo klaarlijk van Christus' priesterschap spreekt, en ook zoo heerlijk de kracht en waardigheid der eenige offerande verheft, die Hij opgeofferd heeft door zijn dood; nog zoo volkomen van het gebruik en de aflegging der ceremoniën handelt, en in ée'n woord, die zoo volkomenlijk verklaart, dat Jezus Christus het einde der wet is. Laat ons dan niet toelaten, dat de kerk van Christus, en wij met haar, beroofd worden van een zoo grooten schat; maar laat ons liever zijn gebruik behouden, en hem ernstiglijk en wel bewaren. Verder, om te weten wie hem gemaakt heeft, daar behoeft men zoozeer niet om te twisten. Sommigen mee-nen, dat het de heilige Paulus geweest is; anderen Lukas, weer anderen Barnabas, een vierde Clemens, gelijk ook de heilige Hiero-nymus zegt. Evenwel, Eusebius spreekt in het zesde boek van zijn kerkgeschiedenis van niemand anders, dan van Lukas en Clemens. Ik weet wel, dat deze brief in Chrysostomus' tijd overal van de Grieken is aangenomen geweest, als een van Paulus; maar de Latijnen hebben daarvan een ander gevoelen gehad, bijzonder die aan der apostelen tijden de naasten zijn geweest. Ik voorwaar, kan niet gelooven, dat hij van Paulus is geschreven geweest: want die zeggen, dat Paulus met willen en voornemen zijn naam daaruit gelaten heeft, omdat hij van de Joden gehaat was, voorwaar dezen

ocr page 16

DE INHOUD VAN DEN

brengen niet veel bij. Want zou het alzoo zijn, waarom zou hij dan kra^

Timotheus gemeld hebben? want daarmee had hij zichzelven ver- zoo

raden. Maar integendeel, de manier van leeren en de stijl van daa

schrijven geven genoegzaam getuigenis, dat het een ander geweest ach

is dan de heilige Paulus. En die hem geschreven heeft, belijdt in voo

het 2 hfdst., dat hij een van de discipelen der apostelen is, het- gev

welk wijd verscheiden is van Paulus' wijze van schrijven. Daarenboven alle

ziet men, dat hij in het 6 hfdst. aanvoert de manier en gewoonte hiei

van den catechismus; dit zou niet wel overeenkomen met den tijd van uitr

Paulus. Daar zijn ook nog andere redenen, die wij op haar plaats den

zullen aanteekenen. Ik weet ook de .verontschuldiging wel, die men ze

gemeenlijk bijbrengt van den stijl des briefs, te weten, dat men Hei

daaruit niet oordeelen mag, omdat deze brief uit de Hebreeuwsche klei

taal van den heiligen Lukas of van een ander overgezet kan zijn, red

maar dit kan lichtelijk neergelegd worden. Ik laat varen de plaat- hij

sen, die hierboven uit de Heilige Schrift verhaald zijn, en zeg alleen, zijn

was deze brief in het Hebreeuwsch geschreven geweest, zoo was sch

er in het woord testament, geen toespeling geweest, waarmede de mei

schrijver zich ophoudt. Ik zeg daarom hetgeen hij handelt in het voe

9 hfdst. van de eigenschap eens testaments, dat het uit geen andere eng

fontein geput kan zijn, dan uit het Grieksche woord: want het eng

Grieksche woord Diatheke heeft twee beteekenissen, te weten, ten

testament en verbond, maar het Hebr. Berith beduidt anders niet mir

dan verbond. Deze reden alleen zal den verstandigen genoeg doen, me^

om te bevestigen wat ik gezegd heb, te weten, dat deze zendbrief tus

geschreven is in de Grieksche taal. Aangaande hetgeen men hier- als

tegen inbrengt, dat het waarschijnlijker is dat de apostel den Joden bel

in hun eigen taal geschreven heeft, is ook van geen waarde. Hoe- In

velen werden er toch gevonden in dien tijd, die de taal hunner naa

vaderen nog verstonden? want naar het land, waarin een iegelijk Zie

woonde, daarnaar was eens iegelijks taal; en de Grieksche taal zou

was meer verspreid, en werd meer gebruikt, dan eenige andere. voc

Nu wil ik komen tot den inhoud van den zendbrief. Allereerst staj

moet men wel aanmerken, dat het schrijven van den apostel kor

hier niet strekt om den Joden te doen gevoelen dat Jezus Maria's wel

zoon is, of Christus hun beloofde verlosser: maar omdat hij tot wei

degenen schrijft, die nu zeer toegenomen waren in de Christe- bel

lijke leer, zoo neemt hij dit punt voor vast en zeker. Maar al zijn ker

voornemen en arbeiden is, om te bewijzen hoedanig het ambt van Joc

Christus is; opdat men daardoor bekennen kan, dat door zijne komst hui

de ceremoniën der wet zijn teniet gedaan. En dit onderscheid moet zoc

bijzonder aangemerkt zijn: want gelijk het den apostel een over- dat

tollige arbeid zou geweest zijn, hun breeder te bewijzen, dat het hei

Christus was, die hun verschenen was, waarvan zij tevoren wel onder- ver

richt waren, alzoo was het noodig, dat hij hun leerde hoedanig sch

Christus was. Want zij verstonden niet het einde, de kracht, noch hei

ook de vrucht der komst van Christus, maar zichzelven bedriegende ge1*

met een valsche uitlegging der wet, hebben zij de schaduw voor het Da

geheele lichaam aangevat, en waren daarmede tevreden. Het gaat Ch

ons nu ook bijna in onze tijden evenzoo met de papisten. Want zij is

belijden met ons wel, dat Christus de Zone Gods is, die de wereld pri

tot een Verlosser beloofd was: maar als men de zaak terecht aan- dat

grijpen zal, zoo ontrooven zij Christus meer dan de helft van zijne vai

12

ocr page 17

ZENDBRIEF AAN DE HEBREËN.

Jan kracht. Opdat nu de schrijver van dezen brief zijn rede wel beginne,

^er- zoo neemt hij zijn aanvang van Christus' macht en waardigheid:

van daarom dat het den Joden vreemd dacht, dat men de wet minder

;est achtte dan het Evangelie. En ten eerste zoo werpt hij het punt

in voor, waarover de twist was, te weten, dat de leer van Christus in-

let- gevoerd, de eerste plaats behoort te houden, omdat zij de slotsom

ven aller profeten is. En omdat de eerbied, dien zij Mozes toedroegen,

nte hierin eenig beletsel kon wezen, zoo bewijst hij dat Christus veel

van uitnemender is dan Mozes en alle andere profeten. En nadat hij ze

lats den een na den ander aangeroerd heeft, en bewezen waarin Christus

nen ze allen te boven gaat, zoo zet hij ook bij name de engelen onder

nen Hem, opdat met hen alle anderen zouden worden teruggesteld en

che klein geacht bij Christus. Voorts gaat hij zeer wijselijk met deze

:ijn, rede aldus voort, en dat niet zonder merkelijke oorzaak: want was

lat- hij van Mozes begonnen, zoo zou zijn vergelijking hatelijker geweest

;en, zijn: maar nadat hij vertoond heeft door de Schrift, dat alle hemel-

was sche machten onder Christus zijn, zoo is noch Mozes noch eenig

de mensch, hoedanig hij ook zij, die weigeren zal den engelen toege-

het voegd te worden, opdat de Zoon Gods boven alle menschen en

lere engelen gesteld worde. En daarom, nadat de heilige apostelen de

het engelen heeft gezet onder de macht en heerschappij van Christus,

ten, terstond zich nog meer verstoutende, legt hij uit hoe veel Mozes

liet minder was, te weten, dat hij zoo veel van Christus scheelt, gelijk

)en, meester en knecht doen. Dat hij dan in de drie eerste hfdst. Chris-

rief tus in de hoogste plaats van macht stelt, strekt hiertoe, dat zij,

ier- als Christus spreekt, allen moeten zwijgen, en dat ons geen ding

den beletten zal om de leer van Jezus Christus goed gehoor te geven,

^oe- In het Tweede hfdst. stelt hij ons Christus voor als onzen broeder

ner naar ons vleesch: door dit middel zoo lokt en trekt Hij ons tot

ïlijk Zich, opdat wij te williger ons Hem gansch verloven en overgeven

taal zouden. Hij mengt hierbij ook sommige vermaningen en dreigingen voor die traag in de gehoorzaamheid zijn, of hardnekkig weder-

erst staan. En dat doet hij tot in het laatst van het Vierde hfdst. Daarna

stel komt hij tot de verklaring des priesterschaps van Jezus Christus:

•ia's welks ware en zuivere belijdenis teniet doet alle ceremoniën der

tot wet. En nadat hij in 't kort verklaard heeft, hoe lief ons hetzelve

ste- behoort te zijn, en hoe vrij wij op hetzelve rusten en ons verze-

zijn keren mogen; zoo gaat hij een weinig buiten zijn rede om de

van Joden te bestraffen, die nog als kinderen in hun eerste beginselen

mst hunnen tijd verkwisten. En om hun een verslagen hart te maken,

loet zoo dreigt hij ze hard en zeer verschrikkelijk, want hij toont hun

ver- dat het grootelijks te vreezen staat, zoo zij volharden in hun traag-

het heid en niet meer toenemen in de leer van Christus, dat God hen

der- verwerpen zal. Maar terstond daarna verzoet hij wederom deze

inig scherpheid en bittere straf, zeggende, dat hij een goede hope vah

och hen heeft op betering: en dit geschiedt opdat hij hun moed zou

nde geven om meer toe tequot; nemen, liever dan hun geheel te verwerpen,

het Daarna keert hij wederom tot de zaak des priesterschaps van

;aat Christus, en leert daar allereerst, dat er een groot onderscheid

t zij is tusschen de zaak van het priesterschap van Christus en het

reld priesterschap, hetwelk onder de wet was. Daarbenevens toont hij ook

lan- dat Christus' priesterschap uitnemender is, omdat het in de plaats

;ijne van het andere komt, en met eede bevestigd is, dat het eeuwig is,

13

ocr page 18

I

14 DE INHOUD VAN DEN ZENDBRIEF ENZ.

en altijd duren zal. Dat ook die het bedient, in alle waardigheid en eere Aaron en allen anderen van het geslacht van Levi verre te boven gaat. Vertoonende ook dat hierom een afbeelding is geweest in den persoon van Melchizedek. Om nu zeker te bewijzen, dat de ceremoniën der wet ganschelijk teniet zijn gedaan, zoo verhaalt hij, dat zij zijn ingesteld geweest tot geen ander einde (gelijk ook de tabernakel) dan om het hemelsche voorbeeld te dienen. Waaruit volgt dat wij daarin niet moeten blijven, tenzij wij halverwege willen blijven en tot de rechte haven niet begeeren te komen. Tot een bevestiging dezer redenen, verhaalt hij de spreuk van Jeremia, waar een nieuw verbond beloofd wor.dt: hetwelk anders niet is, dan een verbetering van het oude: waaruit volgt, dat het oude krank en vergankelijk was. Daarna handelende van de gelijkenis en overeenkomst tusschen de schaduw en waarheid in Christus Jezus geopenbaard: zoo besluit hij, dat alle ceremoniën van Mozes ingesteld, teniet zijn gedaan door de offerande van Jezus Christus: want de kracht en het vermogen van deze offerande is eeuwig: en daarbenevens, dat in dezelve niet alleen is volkomen en geheele versterking des Nieuwen Testaments, maar ook een ware geestelijke vervulling van het uiterlijke priesterschap, hetwelk onder de wet zijn plaats had. Bij deze leer zet hij nog een vermaning, welke hen als een prikkel opwekt, opdat zij, wederstaande alle beletselen, Jezus Christus in zulken eerbied ontvangen zouden als dat behoort. Aangaande de exempelen van zoovele vaderen, die hij in het llt,e hfdst. verhaalt, zoo dunkt mij, dat hij dezelve tot dit einde bijbrengt: om den Joden te kennen te geven, als zij van Mozes gebracht zijn tot Christus, dat zij daardoor niet afwijken van de heilige vaderen, maar daardoor nog meer worden vereenigd met hen: want is het geloof de zonderlingste deugd, die daar geweest is in de vaderen, ja de wortel van alle deugden, zoo volgt er uit, dat ook door hetzelve bijzonder bekend zullen worden de kinderen van Abraham en der profeten. En wederom daarentegen, dat al degenen, die het geloof der vaderen niet hebben, onechte kinderen zijn. En dit is een punt hetwelk overvloedig den lof des Evangelies voorstelt: waardoor het ook van ons in groote waarde behoort gehouden te zijn, te weten, dat wij gemeenschap en overeenkomst hebben in dit stuk met de algemeene kerk, die van het begin der wereld aan geweest is. De twee laatste hfdst. vervatten verscheidene onderwijzingen, om een godzalig leven te leiden, als van hope, verdraagzaamheid des kruises, van standvastigheid, van dankbaarheid voor de weldaden Gods, van onderdanigheid, barmhartigheid, en andere werken der liefde, als reinheid en dergelijke. Ten laatste besluit hij zijnen brief met een gebed, en geeft hun hope van zijne komst.

ocr page 19

d e it

e j.

L-

;t

HET EERSTE HOOFDSTUK.

3i 1 God voortijds veelmaal en op velerlei wijze gesproken hebbende ;e tot de vaderen door de profeten;

13 2 Heeft deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon,

13 welken Hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alle dingen, Matt, 37.

door welken Hij ook de wereld gemaakt heeft. ps. 33/e.'

gt;: Joh. 1: 3.

n Ef. 3 ; 9.

Ie UITLEGGING. col. 1:6.

i /—gt; od voortijds veelmaal. Dit begin dient tot lof en prijs der

;n 1 -|-leer van Jezus Christus: want het geeft te kennen, dat men

is ^--^ze niet alleen aannemen moet met grooten eerbied, maar

[j. dat men daarop alleen ganschelijk zal vast staan en rusten. Opdat

;t. dit nu beter verstaan mag worden, zoo moet de tegenstelling van

m elk deel wel aangemerkt zijn. Ten eerste stelt hij den Zoon Gods

3t tegen de profeten. Ten tweede, ons tegen de vaderen. Ten derde,

n de onderscheiden manier van spreken, die God gehouden heeft bij

et de vaderen, tegen deze laatste openbaring, die ons geschied is door

n) Christus. Nochtans in al deze verscheidenheid stelt hij ons maar

it- ee'n God voor, opdat niemand meene, dat de wet met het Evan-

;n gelie streed, of dat er een gever zou zijn van de wet, en een ander

of van het Evangelie. En opdat gij den inhoud van dit al wel verstaan

nt moogt, zoo moet deze afbeelding daartoe gebruikt worden:

et God heeft gesproken:

T1' Voormaals door de profeten; nu door den Zoon.

Toen tot de vaderen; doch nu tot ons.

Toen op verscheidene wijzen; nu als in den laatsten tijd.

;Sj Deze grond gelegd zijnde, zoo is daar een overeenkomst tus-

schen de wet en het Evangelie gemaakt: want God die Zich altijd tls gelijk is, wiens woord standvastig is, en waarheid onveranderlijk is.

heeft zoowel tot den een als tot den ander gesproken. Maar men moet aanmerken, wat onderscheid er is tusschen de vaderen en ons: want hiervoormaals heeft Hij zijn woord anders gematigd bij hen, dan nu bij ons. Allereerst zoo heeft Hij voor hen gebruikt de profeten: maar om tot ons te spreken heeft Hij verordend zijn eenigen Zoon tot een afgezant. Zoo is dan onze staat in dit deel der openbaring veel beter. Mozes wordt ook in het getal der profeten gesteld, zoodat hij een van degenen is, die veel minder zijn dan de Zone Gods. Aangaande de wijze der openbaring, zoo gaan wij haar ook verre te boven: want de verscheidenheid der gezichten en overige regeering, die in het Oude Testament was, was een teeken, dat het nog geen rijk was, dat vast en eeuwig zou

ocr page 20

HEBREÊN 1:1, 2.

staan, gelijk het behoort te zijn; en zulks eerst wordt, als alle dingen wel volkomenlijk opgericht en gesteld zijn. En hiertoe dient, wat hij zegt: Veelmaal en op velerlei wijze. God zou altijd tot het einde toe deze zelfde wijze wel gevolgd hebben, zoo zij in alle stukken volkomen en volmaakt ware geweest. Zoo volgt hier dan uit, dat deze verscheidenheid een teeken was van onvolmaaktheid. Voorts, deze twee woordjes versta ik alzoo: Veelmaal, te weten, ToXvps- op verscheidene tijden: want om het Grieksche woordje uit te leg-püg. gen op het allerscherpzinnigst is in vele deelen, gelijk het geschiedt als men van een zaak nog volkomenlijker wil handelen, op TroXvrpó- een anderen tijd. Het Grieksche woord, waarvoor wij gesteld heb-tw?. ben: Velerlei wjjze, beduidt naar mijn verstand: Verscheidenheid in de manier van spreken. Als hij zegt, dat Hij tot ons gesproken heeft, in deze laatste dagen, zoo geeft hij ons te kennen, dat er geen oorzaken meer zijn, waarom wij naar eenige andere openbaring wachten zouden : want het woord, dat ons Christus gebracht heeft, is geen stukhandel der goddelijke leer, maar het is een volkomen besluit van al hetgeen wij behooren te weten tot onze zaligheid. In dezer voege verstaan de apostelen de laatste dagen: gelijk Paulus ditzelve ook verstaat als hij zegt, dat wij het zijn, op wie i Cor. io:ii. het einde der eeuwen gekomen is. Is het nu alzoo, dat God alsnu gesproken heeft voor de laatste maal, zoo moeten wij zoover komen, en als wij daartoe gekomen zijn, moeten wij staan blijven. Kennis van deze beide dingen te hebben is zeer noodig: want het was den Joden een groot beletsel, dat zij niet aanmerkten dat God de volmaakte leer bewaard had tot op een anderen tijd: maar tevreden zijnde met hun wet, zijn zij niet voortgeschrijd tot het rechte einde. Toen nu Christus in de wereld verschenen was, zoo is er een ander kwaad begonnen in de wereld te heerschen: want de menschen willen nogal verder gaan dan tot Christus: want wat is toch anders het pausdom, dan een overschrijding van deze palen, die ons de apostel hier stelt? Daarom gelijk de Heilige Geest te dezer plaatse ons al te zamen noodigt tot Christus te komen, alzoo verbiedt hij ook, dat wij dit laatste woord, dat hij gemeld heeft, overtreden zullen. In één woord, het einde van al onze wijsheid wordt hier in het Evangelie gesteld.

2 Welken Hjj gesteld heeft. Hier versiert hij Jezus Christus met hetgeen waarin Hij lofwaardig is, en geprezen moet worden, om ons daardoor te trekken, dat wij Christus allen eerbied zouden bewijzen: want nu het zoo is, dat Hem de Vader alles onderworpen heeft, zoo behooren wij mede onder zijn bevel. En daarbenevens leert hij, dat er niets goeds is te vinden buiten Christus, aangezien Hij een erfgenaam van allen is. Waaruit ook volgt, dat wij bovenmate zeer ellendig zijn en alle goed gebrek hebben, tenzij Jezus Christus ons helpt met zijne rijkdommen. Hij voegt daar ook bij, dat men deze eer schuldig is den Zone Gods, dat Hij alle dingen in zijne macht heeft, omdat alle dingen door Hem geschapen zijn. Hoewel nochtans deze twee titels Christus toegeschreven worden in verscheiden opzicht. Want de wereld is door Hem geschapen, aangezien Hij de eeuwige wijsheid Gods is: welke van den beginne geweest is een beschikster of regeerster van al zijne werken. En hieruit kan men aanmerken Christus' eeuwigheid. Want Hij moet immers tevoren geweest zijn, eer de wereld door Hem geschapen werd. Wil men nu

16

ocr page 21

HEBREEN 1:2, 3.

zoeken de lengte des tijds, zoo wordt er geen begin gevonden. En dit verkort ook geenszins zijn macht, als daar gezegd wordt, dat de wereld door Hem geschapen is: gelijk of Hij ze zelf niet geschapen had. Het is een gewone wijze van spreken, die dikmaals in de Schrift gebruikt wordt, dat de Vader wordt genoemd Schepper. En aangaande hetgeen er op sommige plaatsen bijgevoegd is, door zijn ®; ^1-wijsheid, door zijn woord, of door zijn Zoon, is zooveel alsof de col.'i :'ig. wijsheid schepster of voortbrengster genoemd werd: nochtans is daarbenevens het onderscheid der personen aan te merken, niet naar het inzien der menschen, maar gelijk het is in God zeiven tus-schen den Vader en den Zoon. Zoo dan, de eenheid des Godde-lijken wezens maakt, dat al hetgeen wat wezenlijk in God is, zoowel den Vader als den Zoon toekomt: en wat meer is, dat al hetgeen

Idat alleen Gode toekomt, zoowel den een als den ander gemeen is:dat alleen Gode toekomt, zoowel den een als den ander gemeen is:

maar dit hindert ganschelijk niet een iegelijk dezer beide personen hun eigenschap te hebben. De naam erfgenaam wordt Christus in het vleesch geopenbaard toegeschreven: want mensch geworden zijnde, en dezelfde natuur aangenomen hebbende die wij hebben, zoo wordt Hem de naam van een erfgenaam gegeven: en dat omdat wij door Hem zouden terugkrijgen, wat wij in Adam verloren hadden. Want God had in den beginne den mensch gesteld tot een

! erfgenaam van al zijne goederen, alsof hij zijn zoon geweest ware: erfgenaam van al zijne goederen, alsof hij zijn zoon geweest ware:

maar de eerste mensch vervreemd zijnde van God door de zonde, had zichzelven beroofd en al zijn nakomelingen, zoowel van Gods zegen, als van alle goed. Zoo beginnen wij dan eerst terecht de rijkdommen Gods te gebruiken, als Christus, die een algemeen erfgenaam is, ons ontvangt om gemeenschap met Hem te hebben, en zijn rijkdom en goederen met ons mededeelt. Want hierom geeft Hem de apostel den naam erfgenaam, opdat Hij ons met zijne goederen rijk make. Ja, de apostel versiert Hem hier met dezen naam, opdat wij weten, dat wij zonder Hem ontbloot zijn van alle goed.

Wilt gij dit woord van allen, in 't mannelijke nemen, zoo zal ons dit toonen, dat wij Christus moeten onderworpen zijn, omdat wij Hem van God den Vader gegeven zijn. Dan, ik zet het liever in 't onzijdige: van alle dingen, waarmede dan te kennen gegeven wordt, dat wij verstooten en beroofd zijn van alle behoorlijke bezitting des hemels en der aarde, en van alle creaturen, tenzij wij die weder deelachtig worden door Christus.

8 Dewelke alzoo Hij is het schijnsel zijner heerlijkheid, en het

eigen beeld zijner substantie, dragende alle ding met zijn machtig col. i ■. is. woord, de reiniging onzer zonden door Zichzelven gemaakt .d2e^

hebbende, is gezeten ter rechterhand der hoogste Majesteit, in de hoogste plaats.

17

2

1

Dl. vu.

ocr page 22

■ ---

18 HEBREËN 1:3.

Schynsel der heerlijkheid, en het eigen beeld der substantie (

Gods. Beide manieren van spreken zijn ontleend: want men kan van a

zoo uitnemende en verborgene dingen niet spreken, tenzij men van v

de geschapen dingen een gelijkenis ontleene. Daarom is het niet g

noodig, dat wij al te diepzinnig zullen disputeeren, hoe de Zoon, ^

die één wezen heeft met den Vader, genoemd wordt een schijnsel v

uit zijn blinkend licht. Men moet bekennen, dat het ongeschikt is, ^

hetgeen van de schepselen tot de verborgen majesteit Gods getrokken v

wordt. Nochtans deze dingen, die onze zinnen begrijpen kunnen, ^ worden bekwamelijk Gode toegeschreven: opdat wij weten wat wij

in Christus zoeken zullen, en wat nuttigheid Hij ons brengt. Daar j

moet ook wel aangemerkt zijn, dat dezë woorden niet strekken om j,

eenig lichtvaardig bedenken te geven: maar dat wij daarin hebben ^

een ware en vaste leer des geloofs; en daarom moeten wij deze n

heerlijke titelen van Christus ons ten nutte maken: want om onzent- ^

wil zijn ze Hem hier toegeschreven. Als wij dan hooren, dat de q Zoon is het schijnsel der heerlijkheid des Vaders, zoo laat ons

denken, dat de heerlijkheid des Vaders voor ons onzichtbaar is, w

totdat zij ons in Christus verschijnen zal. En dat Hij ook hierom w

genoemd wordt het uitgedrukte levende of eigen beeld van de sub- Sl

stantie des Vaders: omdat ons de mogendheid des Vaders verbor- v

gen is, totdat zij zich toont in Christus als in een uitgedrukt beeld. e

Die nu met deze aanmerking niet tevreden zijn, maar hooger willen Sl

philosopheeren, die arbeiden en kwellen zich tevergeefs: want zij g

verstaan de meening des apostels niet. Want hij heeft hier niet s

willen leeren wat gelijkenis de Zoon met den Vader inwendig heeft, w

maar gelijk ik gezegd heb, hij heeft ons geloof willen bevestigen t(

met vrucht en nuttigheid: opdat wij leeren zouden, dat God ons v

niet anders geopenbaard is dan in Christus. Want in het wezen (j

Gods is zoo onmetelijke klaarheid, dat er onze oogen van verduis- ^

terd worden, totdat zij wederom verlicht worden in Christus. Waar- (j

uit volgt, dat wij gansch blind zijn in Gods licht, tenzij het ons v

verschijne in Jezus Christus. Dit is voorwaar een zeer nutte wijsheid, v

dat wij door een waar levend geloof en door de bevinding Christus' (j

uitnemendheid leeren kennen. En ditzelve, gelijk nu gezegd is, zal h men ook verstaan van het uitgedrukte beeld: want omdat God in

Zichzelven voor ons onbegrijpelijk is, zoo verschijnt ons zijn ge- u daante nergens anders in dan in zijnen Zoon. Het Grieksche woord

beduidt hier anders niet dan een zienlijk licht, waarvoor wij gesteld j

hebben, schijnsel of klaarheid, die onze oogen kunnen verdragen; ie

en het andere Grieksche woord, waarvoor wij gesteld hebben eigen ^ beeld, beduidt een levende gedaante van het verborgen en onzienlijke

wezen Gods. Door het eerste woord worden wij vermaand, dat er geen ie

licht is buiten Christus, ja niet dan enkel duisternis: want als God Vi

het eenige licht is, waardoor wij allen moeten verlicht worden, zoo w

is er geen ander middel (om zoo te spreken) waardoor Hij Zichzelven z[ uitstort in ons, dan deze instraling. Door het tweede worden wij

vermaand, dat God waarlijk en geheel bekend wordt in Christus: V(

want Hij is geen duister noch nagemaakt beeld van God, maar e( het uitgedrukte levende beeld, waarin God zelve vertoond wordt,

gelijk een penning den vorm des stempels vertoont, waarmede hij (j,

geslagen is. Evenwel de apostel zegt ook nog meer, te weten, dat jyj

de substantie des Vaders Christus eenigszins is ingedrukt. Het vv

ocr page 23

HEBREËN 1:3.

19

Grieksche woord, hetwelk ik overgezet heb substantie (daarin de andere overzetters volgende) beduidt naar mijn verstand niet het wezen des Vaders, maar de persoon; want het ware onbekwamelijk gezegd, dat Gods wezen Christus ingedrukt ware, aangezien hun beider wezen één is en dat eenvoudig. Maar dit kan met waarheid wel en bekwamelijk gezegd zijn, dat al hetgeen de Vader eigens heeft, volkomenlijk in Christus den Zoon uitgedrukt is: in zulker voege, dat hij die den Zoon heeft, ook al hetgeen heeft, dat in den Vader is. De oudvaders, die recht en getrouwelijk geleerd hebben, gebruiken het woord hypostasin, hetwelk beteek ent substantie, in zulke beteekenis, dat het drievoudig in God is. Aangaande het woordje ousia, hetwelk wezen beduidt, dit geeft te kennen, dat er maar één eenvoudig wezen in God is..De heilige Hilarius neemt overal dit woord substantie, voor persoon. Voorwaar, hoewel het hier niet des apostels meening is, te bewijzen hoedanig Christus in Zichzelven is, maar hoedanig Hij Zichzelven metterdaad bewijst, nochtans zoo worden de Arianen en Sabellianen door deze woorden genoeg overwonnen, te weten, als hij Christus toeschrijft, wat alleen Gode toebehoort, en dat hij daarenboven twee verscheiden substantiën in den Vader en den Zoon stelt: want wij verstaan hieruit, dat de Zoon één God is met den Vader, en dat er desniettemin (zooveel de eigenschap belangt) onderscheid tus-schen beiden is, in zulker voege dat elk zijn substantie heeft. Dragende alle ding. Dit woord dragen, wordt hier genomen voor beschermen, en maken, dat alle creaturen in hun gestalte blijven: want zijn meening is, dat alle dingen terstond vervallen zouden, tenware zij door zijn kracht onderhouden werden. Evenwel, dit woord z|jner, kan uitgelegd worden zoowel van den Vader als van den Zoon. Nochtans, dewijl het gewoonlijker uitgelegd wordt van den Zoon, en zeer wel overeenkomt met den tekst, zoo neem ik deze uitlegging ook gewillig aan. Daar staat letterlijk: Door het woord zyner macht, maar naar de Hebreeuwsche wijze is dat zooveel te zeggen, als: Door zjjn machtig woord. Dat nu sommigen den tekst aldus geweldig verkeeren: dat Christus alle dingen onderhoudt door het woord des Vaders, dat is door Zichzelven, die het Woord is, heeft niet veel te beduiden, en waartoe is zulke gedwongen uitlegging vannoode? want de Schrift heeft voor een gebruik, Christus een anderen naam te geven dan die hier gesteld is: waarom dan dit woord eenvoudig hier beduidt, een wenkteeken, dat iemand geeft om zijn wil te beduiden; en de zin is, dat Christus die met een wenk alleen de gansche wereld bewaart, niet geweigerd heeft den last onzer reiniging te volbrengen. Dit is het tweede deel der leer, die in dezen brief behandeld wordt: want het kenmerkende van de geheele redeneering is gelegen in deze twee punten, te weten, dat Jezus Christus gehoord moet zijn boven allen, omdat zijn autoriteit boven allen strekt, en dat Hij een einde gemaakt heeft aan de oude offerande der wet: dewijl Hij ons door zijn dood verzoend heeft met den Vader. Daarom, deze eerste sententie, wijl zij een algemeene stelling is, zoo heeft zij ook twee deelen. Aangaande hetgeen hij zegt: Door Zichzelven, daaronder moet verstaan worden deze tegenstelling, te weten, dat de schaduwen der wet van Mozes Hem niet geholpen hebben om dit te doen. Bovendien, zoo wordt bewezen, wat onderscheid er is tusschen Christus en de

ocr page 24

HEBREEN 1: 3, 4.

Levitische priesters: want s'an hen werd ook gezegd, dat zij de zonden reinigen: maar zij ontleenden deze kracht van elders. Kortelijk, hij heeft hiermede willen buitensluiten alle andere middelen of behulpse-len, aangezien hij de kracht en prijs der reiniging alleen in Jezus Christus stelt. En zit ter rechterhand, alsof hij zeggen wilde, nadat Hij den menschen zaligheid verworven heeft zoo is Hij opgenomen in de eeuwige heerlijkheid, opdat Hij over alle dingen heerschen zou. Dit heeft hij hier bijgevoegd, om te bewijzen, dat de zaligheid van Christus voor ons verworven, niet tijdelijk is: want wij hebben de gewoonte de macht altijd te meten naar wat wij tegenwoordig zien. Hij vermaant ons dan, dat wij Christus niet te minder achten zullen, omdat Hij ons niet voor oogen is, maal- dat dit meer is een vermeerdering zijner heerlijkheid, dat Hij opgenomen en verhoogd is in de allerhoogste heerschappij. De rechterhand is Gode toegeschreven, bijwijze van gelijkenis: want God is in geen plaats besloten, en heeft geen linker- noch rechterzijde. Derhalve de zitting van Christus is niet anders dan het rijk, hetwelk Hem gegeven is van Fa. 2;io. zijn Vader, en de macht waarvan Paulus spreekt: Opdat in zijn naam zich alle knie zou buigen. Aldus ter rechterhand des Vaders te zitten, is anders niet, dan te heerschen in de plaats des Vaders: gelijk gewoonlijk geschiedt, van alle stadhouders der vorsten, dien volle macht gegeven is over alles, en daarom zijn daar deze woorden bijgevoegd: Der hoogste majesteit, daarbenevens: In de hoogste plaats, om ons te kennen te geven, dat Christus zittende is in den hoogsten troon, waaruit men blinken ziet de mogendheid Gods. Daarom gelijk Hij behoort bemind te zijn, omdat Hij ons verlost heeft, alzoo behoort Hij ook aangebeden te zijn in deze hoogste mogendheid.

Fii. 2:9. 4 Zooveel uitnemender geworden dan de engelen, als Hij uitne-

mender naam boven hen verkregen heeft.

Handquot; 13^33 ® Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt

Hebr. 5:5. mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd? En wederom: Ik zal

iKron 22 io hem tot een Vader zijn, en Hij zal mij wezen tot een Zoon.

6 En wederom, als Hij den eerstgeborene in de wereld brengt, Ps. 97; 7. zegt Hij: En al de engelen Gods zullen Hem aanbidden.

4 Zooveel uitnemender geworden. Nadat hij nu Christus boven Mozes en alle anderen gesteld heeft, Hem nu ook vergelijkende bij de engelen, zoo vermeerdert hij des te meer zijn lof. Het was een zeer gemeen gevoelen bij de Joden, dat de wet door de engelen gegeven was; zij hoorden ook, dat er overal in de Schrift van de engelen geschreven is tot hun groote eer, en gelijk de wereld bovenmate zeer genegen is tot bijgeloof, zoo verkortten de Joden de eer Gods, en verhieven de engelen te zeer. Daarom zoo moesten zij op hun plaats gesteld worden, opdat zij voor het schijnsel van Christus geen beletsel zouden zijn. En ten eerste maakt hij een bewijs uit den naam, te weten, dat Christus veel uitnemender is dan zij, omdat Hij genaamd wordt de Zone Gods, en bewijst met twee getuigenissen uit de Schrift, dat Jezus Christus toekomt deze lofwaardige naam, welke twee getuigenissen wij eerst moeten verklaren, en daarna den inhoud der gansche zaak op het kortst samenvatten.

ocr page 25

HEBREËN 1 : 5.

5 Gj) zjjt mjjn Zoon. Men kan niet loochenen, of dit is van David gezegd, te weten, in zulker voege, dat hij den persoon van Christus vertoont. Aldus is David van hetgeen deze psalm inhoudt een schaduw geweest,' doch in Christus wordt het levend uitgedrukt. Want dat David de grenzen zijns rijks wijd uitgebreid heeft, nadat hij aan zich vele vijanden van rondom onderworpen had, is een afbeelding geweest van deze belofte: Ik zal u de heidenen tot een erfdeel geven. Maar wat was dit evenwel bij het zeer wijd uitbreiden van het rijk van Christus, waarvan de grenzen uitgebreid zijn van het oosten naar het westen? In gelijke voege is David ook Zone Gods geheeten, te weten, omdat hij bijzonder is uitgezonderd, om uitnemende werken te doen: maar dit is nauwelijks nog een klein vonkje van de groote glorie, die in Christus schittert,

waarin de Vader zijn beeld gedrukt heeft. Aldus behoort de naam Zoon, alleen Christus door een bijzonder voorrecht, en hij kan ook geen anderen toegeschreven zijn, hetzij ook wie het zij, of hij wordt misbruikt. Want dezen en anders geenen heeft ons de Vader aangewezen. Maar de redeneering des apostels schijnt nog niet sterk genoeg te zijn; want waarop legt hij zijn fundament om te bewijzen, dat Christus uitnemender is dan de engelen, anders dan dat Hij den naam Zone Gods heeft? alsof Hem zulks ook niet gemeen ware met de vorsten en alle anderen, die hier de macht en waardigheid der overheid hebben, van welke geschreven staat: Gijlieden zijt Goden, Jer-331:o'J-en kinderen des Allerhoogsten. En of de profeet niet eervol ge- jok ïóik. sproken had van het geheele Israël, waar hij het noemt de eerstgeborene Gods: want de naam zoon is aan dat volk overal toegeschreven. En wat meer is, David noemt op een andere plaats de engelen, kinderen Gods, waar hij zegt: En wie zal den Heere gelijk Ps- 89^ zijn onder de kinderen der Goden? Hierop is lichtelijk te antwoorden, te weten, dat de vorsten zoo genoemd worden naar een bijzonder aanzien, en dat in Israël beteekend wordt de algemeene genade der verkiezing. De engelen worden figuurlijk Gods kinderen genaamd, omdat het hemelsche geesten zijn, welke in de zalige onsterfelijkheid eenigen smaak der Godheid hebben. Maar als David geheeten wordt de Zone Gods, in den persoon van Jezus Christus,

zonder daar iets bij te voegen, zoo beduidt dat wat bijzonders, en is uitnemender dan al de eer, niet alleen van Israël, maar ook van vorsten en engelen. Anders zoo ware het een onbekwame manier van spreken, zoo die bij uitnemendheid wordt genoemd Gods Zoon,

en niet meer had dan anderen; want Hij wordt uitgezonderd uit het getal der anderen. Nu het dan alzoo is, dat dit met uitsluiting van anderen gezegd wordt van Christus: Gij zijt mijn Zoon,

volgt daaruit, dat geen van de engelen zulke eer toekomt. Wilde nu iemand hiertegen antwoorden, dat David door dit middel ook boven de engelen verhoogd wordt, zoo antwoord ik, dat het niet onredelijk is, dat hij boven de engelen verhoogd wordt, zoover hij een afbeelding van Christus is, gelijk den engelen geen ongelijk geschiedde, toen de hoogepriester genaamd werd een middelaar om de zonde te verzoenen. Want den priesters kwam dit van rechtswege niet toe: maar omdat zij Christus toekomend rijk afbeeldden, zoo ontleenden zij ook dezen naam aan Christus. En ook de sacramenten, hoewel zij in zichzelven niets dan doode dingen zijn:

nochtans zijn ze versierd met titels, welke den engelen niet toe-

21

ocr page 26

22 HEBREËN 1: 5, 6.

geschreven mogen worden zonder gruwelijke zonde. Hieruit blijkt, api

dat het argument van Paulus goed is, dat hij trekt uit den naam de

Zoon. Aangaande zijn geboorte, daarvan moet dit kortelijk onthou- ter

den zijn, te weten, dat zij hier genomen wordt in een betrekkelijk bai

opzicht. Want de diepzinnigheid van Augustinus, die hier versiert gir

een eeuwig en gedurig heden is zeer klein te achten. Het is wel oo

waar, dat Christus de eeuwige Zone Gods is, want Hij is Gods aai

wijsheid, vóór alle tijden geboren, maar dit komt bij deze plaats zei

niet te pas, waarin op de menschen gezien wordt, van welke die

Christus bekend is geweest voor den Zone Gods, nadat Hem de Vader hel

verklaard heeft. Deze verklaring dan, waarvan Paulus spreekt in ko:

den brief aan de Romeinen in het eerste hfdst. vs. 4, is geweest, nie

(bij manier van spreken) een gestalte van zijne eeuwige geboorte: wa

want deze verborgene en inwendige voorafgaande geboorte was den tin

menschen onbekend, en kon tot onze kennis niet gekomen zijn, ku:

zoo niet de Vader ze door zichtbare openbaring had vertoond. Ik hei

zal Hem tot een Vader zjjn. In dit tweede getuigenis moet dit- ap»

zelfde ook aangemerkt zijn. Hoewel Salomo hier beduid wordt, die we

nochtans minder was dan de engelen, is hij desniettemin uitgezon- da;

derd van het gemeene getal, als God hem belooft, dat Hij zijn hie

Vader wil zijn; want Hij zou hem geen vader zijn als een van de kin- me

deren Abrahams, of een van de voornaamsten, maar als dengenen die dit

allen anderen te boven gaat. Zoo is hij dan daar gesteld door dat- wc

zelve voorrecht, alsof hij de zoon ware, en alle anderen zijn van de

zulke eer buitengesloten. Het blijkt openlijk uit het vervolg, dat dit op geen ander manier van Salomo gesproken wordt, dan waar hij Christus afbeeldt: want de heerschappij der gansche wereld is dezen Zoon (van welken hier gesproken is) toegeschikt, en de eeuwigheid der heerschappij verzekerd. Integendeel, ziet men dat Sa-lomo's rijk besloten is geweest binnen zeer enge grenzen, en dat het ook niet lang duurde: want terstond na zijn dood is het gescheurd, en zekeren tijd daarna is het vervallen. En daarom worden in den psalm zon en maan tot getuigen genomen, en de Heere zweert, dat zoolang als zij aan den hemel zullen lichten, dit rijk staande en geheel zal blijven. En integendeel, het koninkrijk Davids,

is in korten tijd vervallen, en ten laatste geheel ondergegaan. En scl

wat meer is, men kan lichtelijk uit vele plaatsen der profeten ver- rei

staan, dat deze belofte nooit anders genomen is geweest, dan van hi(

Christus, alzoo dat zich niemand dienen kan met dit bedrog, dat m(

het een nieuwe vond is; want hieruit is het een gemeen gebruik wi

geworden bij de Joden, dat zij Christus hebben genaamd den on

Zone Davids. to^

6 En wederom, als Hij den eerstgeborene in de wereld ho

brengt. Hier verheft hij Christus nu met een ander rede boven de D(

engelen, omdat het den engelen geboden is Hem te aanbidden: to

want daar volgt, dat Hij hun Hoofd en Vorst is. Nochtans kon het lel

schijnen, dat de apostel dit ten onrechte op Christus trekt, wat enkel ha

van God gezegd is. Antwoorden wij nu dat Christus eeuwig God de

is, en dat hierdoor al wat God toebehoort, Hem ook van rechts- ve

wege toekomt, zoo hebben wij nog niet in alles voldaan, want het de

zou weinig tot bewijs der twijfelachtige zaak dienen, dat men uit wi

de algemeene titels Gods een bewijs maakte: want hier wordt ge- sc

handeld van Christus, die geopenbaard is in het vleesch. En de kr

I

ocr page 27

HEBREËN 1:6, 7.

apostel zegt namelijk, dat de Geest Gods alzoo gesproken heeft, als de eerstgeborene in de wereld wordt gebracht, hetwelk dan niet terecht gezegd ware, zoo niet de psalm eigenlijk sprak van de openbaring van Jezus Christus. En voorwaar het is alzoo, want het begin des psalms is een vermaning tot alle blijdschap. David spreekt ook niet tot de Joden, maar hij richt zijn woorden tot het gansche aardrijk, tot de eilanden toe, dat is te zeggen, tot de landen over de zee. De reden is daarbij gezet: Want de Heere zal heerschen. En die dezen geheelen psalm nagaat zal daarin niets anders zien, dan het rijk van Christus, hetwelk begonnen is, toen het Evangelie verkondigd is geworden. En de gansche inhoud des psalms is anders niet (bij manier van spreken) dan een hooge en heerlijke bevestiging, waardoor Christus gezonden wordt, om gesteld te worden in bezitting van dit rijk: want wat oorzaak van vreugde zou men anders kunnen krijgen uit dit rijk, zoo het niet de gansche wereld zaligheid aanbracht, zoowel den heidenen als den Joden? Waardoor de apostel hier wel eigenlijk spreekt als hij zegt: dat Christus in de wereld is gebracht, te weten, omdat zijn komst tot de menschen daar beschreven wordt. Voorts, het Hebreeuwsche woord, waarvoor hier engelen gesteld is, is Elohim, wat ook beteekent God: maar men moet niet twijfelen, of de profeet spreekt hier van engelen: want dit is de zin, dat er geen zoo groote macht is, of zij moet onderworpen zijn aan de heerschappij van dezen koning, wiens komst de geheele wereld verblijden moet.

7 En tot de engelen zegt Hij: Die zijne boden maakt geesten, en Ps. ioi : 4. zijne dienaren vlammen des vuurs.

8 Maar tot den Zoon zegt Hij: üw troon, o God, duurt van eeu- Pa. 45:1. wigheid tot eeuwigheid, de schepter uws rijks is een schepter

der rechtvaardigheid.

9 Gij hebt gerechtigheid lief gehad, en ongerechtigheid gehaat:

daarom heeft U, o God, uw God gezalfd met olie der vreugde boven uwe medegenooten.

7 Maar tot de engelen. Dat is zooveel als van de engelen. Het schijnt, dat deze plaats, die de apostel hier aanhaalt, op een anderen zin getrokken wordt. Want aangezien het zoo is, dat David hier de orde beschrijft, welke wij in de regeering der wereld aanmerken : zoo is er niet zekerders, of hij spreekt in dit vers van de winden, die hij zegt, dat van den Heere tot boden gemaakt zijn,

omdat Hij ze gebruikt als de allersnelste loopers. Gelijk Hij ook toont, als Hij den bliksem over de gansche wereld laat schijnen, hoe snelle en vlijtige boden Hij heeft om zijn bevel te volbrengen.

Doch dit betreft de engelen niet. Sommigen hebben hun uitvlucht tot de allegorie of beeldspraak, alsof de apostel den klaren en letterlijken zin, allegorisch uitlegde van de engelen. Maar mij behaagt beter, en ik zeg liever dat dit getuigenis hier gesteld is, om den engelen bij gelijkenis toegevoegd te zijn, op deze wijze: David vergelijkt de winden bij de engelen, omdat deze zulk een ambt in de wereld bedienen, gelijk de engelen in den hemel doen: want de winden zijn als zienlijke geesten. En voorwaar, gelijk Mozes in de schepping der wereld alleen verhaalt wat onze zinnen begrijpen kunnen, en nochtans hebben wil, dat men daarmede hooger dingen

23

ocr page 28

HEBREËN 1 : 7—9.

verstaan zal: zoo doet David ook in deze beschrijving der wereld en der natuur, en maalt ons als in een schilderij af hetgeen wij van de hemelsche dingen moeten verstaan. En daarom dunkt mij, dat dit is een bewijs genomen van het gelijke, als de apostel den engelen toeschrijft, wat eigenlijk van de winden gezegd is.

8 Maar tot den Zoon zegt H|j. Wij kunnen niet ontkennen, deze psalm is van Salomo gedicht, in den vorm van een bruiloftslied, want daarin wordt verhaald zijn huwelijk met de Egyptische koningsdochter: maar zoo moet men ook belijden, dat wat hier verhaald wordt zoo uitnemend hoog is, dat het in geenerlei wijze Salomo toekomt. De Joden, omdat ze niet gedwongen zouden worden te bekennen dat Christus God is, werpen hier een bedriegelijke spotrede op, te weten, dat Christus genaamd is de troon Gods, of dat men hierbij moet verstaan het werkwoord; Hij heeft Hem gesteld. Zoo moest naar de eerste uitlegging dit woord Elohim in den twee

den naamval gesteld worden, om in de plaats van uwen troon, te sc

zeggen, den troon Gods. De andere uitlegging verzint een onvol- in

maakte rede. Doch men ziet wel, dat zij niet dan uitvluchten zoeken. g(

Die dan dit vers wil lezen met gematigden geest, en geen twist be- C

geert, die zal niet loochenen, dat de Messias hier God genaamd si

wordt. En het is ook noodeloos, dat men zegge dit woord den engelen st

en rechters gemeen te zijn: want men zal geen plaatsen vinden, g(

waar dit woord iemand alleen en enkel toegeschreven wordt dan al

God alleen. En wat meer is, wiens troon zal in der eeuwigheid ri

bevestigd zijn dan alleen die van God? Zoo dan, de eeuwigheid n(

des koninkrijks is een getuigenis der Godheid. Verder, de schepter m

van Christus' rijk is genaamd een schepter der gerechtigheid, waar- n

van in Salomo wel eenige trekken geweest zijn, hoewel nochtans o:

zeer duister, te weten, zoover hij zich toont een rechtvaardig ko- di

ning, een liefhebber der gerechtigheid. Maar de rechtvaardigheid en k

gerechtigheid in het rijk van Jezus Christus strekken zich veel ver- d

der uit, te weten, dat hij door zijn Evangelie (hetwelk een geeste- sc

lijke schepter is) ons wederom vernieuwt in de gerechtigheid Gods. n

Ditzelve moet men van het liefhebben der gerechtigheid gevoelen: d

want omdat Hij gerechtigheid bemint, zoo maakt Hij, dat zij in de C

zijnen regeert. Daarom heeft Hy U gezalfd. Het is wel alzoo, dat slt;

dit waarlijk van Salomo gezegd is, die koning gemaakt is, omdat w

hem God verkoren heeft boven zijn broeders, die anders van ge- v

lijken rang waren, en zoowel koningskinderen als hij. Maar dit komt d

veel eigenlijker Christus toe, die ons aangenomen heeft tot zijne E

medegenooten, hoewel wij het rechtens eigenlijk niet waren. Hij a

is gezalfd geweest boven ons allen, want zijn zalving was zonder o

mate: maar wij zijn gezalfd een iegelijk tot zeker deel en mate, ti

naardat Hij een iegelijk uitgedeeld heeft. En wat meer is. Hij is n

gezalfd geweest om onzentwil, opdat wij al te zamen uit zijne vol- b

heid putten zouden. Daarom is Hij Christus, dat is, de gezalfde, en d

wij zijn van Hem Christenen, gelijk beekjes uit de fontein. Omdat d

nu Christus deze zalving in zijn vleesch ontvangen heeft, zoo wordt e

hier gezegd, dat Hij gezalfd is geweest van zijn God, want het z

ware onbetamelijk, dat Hij God zou onderworpen zijn, dan voor- 2 zooveel zijn menschelijke natuur aangaat.

h

24

r.

I

ocr page 29

HEBREËN 1 : 10—13.

10 En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de Ps. iu2 :2«. hemelen zijn de werken uwer handen;

11 Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft, en zij zullen allen r)1JyS' 40:8; als een kleed verouden; 2 Petr. 3; 7,

12 En Gij zult ze als een dekkleed ineenrollen, en zij zullen ver- 10-anderd worden, en Gij blijft dezelfde, en uw jaren zullen niet vergaan.

13 Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijne w rechterhand, totdat Ik uwe vijanden stellen zal tot een voet- i Cur.' ir, ■ 25! bank uwer voeten? Hebr.;i0;i2.

14 Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om degenen, die erfgenamen der zaligheid zullen zijn?

10 En: G|j, Heere! Dit getuigenis kon bij het eerste gezicht schijnen onbehoorlijk op Christus te zijn getrokken, en voornamelijk in een twijfelachtige zaak, gelijk hier verhaald wordt: want hier is geen twist van de heerlijkheid Gods, maar van wat eigenlijk Christus toekomt. Nu wordt in deze woorden van Christus niet gesproken, maar de mogendheid Gods wordt hier blootelijk voorgesteld. Ik belijd wel, dat Christus in den ganschen psalm niet eens genoemd wordt, maar men kan openlijk bekennen, dat Hij ons daarin alzoo aangewezen wordt, dat niemand twijfelen kan, of Christus'

rijk wordt ons daarin voorgesteld, alsof dat eigenlijk het voornemen geweest was. Daarom, de geheele inhoud van dezen psalm,

moet den persoon van Christus toegevoegd worden: want dit wordt niet vervuld dan in Christus: Gij zult u opmaken en over Zion Ps-102:14-ontfermen, opdat de heidenen uwen naam vreezen, en alle koningen der aarde uwe heerlijkheid. Insgelijks: Wanneer de volken te zamen Ps. 102;23. komen, en de koninkrijken om den Heere te dienen. Voorwaar wij doen verloren moeite, dien God te zoeken, door welken de gan-sche wereld vereenigd is in één geloof en godsdienst, zoo wij Hem niet zoeken in Jezus Christus. Zoo dan, de andere dingen, die in dezen psalm vervat zijn, komen ook bekwamelijk den persoon van Christus toe: en dit onder anderen, dat Hij een eeuwig God is,

schepper van hemel en aarde; dat Hem eeuwigheid toegeschreven wordt, en zonder eenige verandering, waardoor zijn heerlijkheid verheven wordt tot de allerhoogste trap, en dat Hij uit het getal der creaturen wordt uitgezonderd. Aangaande hetgeen David zegt: De hemelen zullen vergaan, sommigen leggen dit aldus uit: Ja al geschiedt het; dus zoo, alsof hij het niet bevestigde. Maar wat is ons deze gedwongen uitlegging van noode, wetende dat alle creaturen der ijdelheid onderworpen zijn ? want waartoe zou deze vernieuwing dienen, die de hemelen zeiven verwachten, ja met zulke begeerte als degenen, die in den arbeid des barens zijn, dan dat de creaturen zich nu neigen ten ondergang? Voorts, zoo brengt de eeuwigheid van Christus, die hier aangewezen is, den geloovigen een bijzondere vertroosting, waarvan de psalm aldus besluit: Dat zij deelachtig zullen zijn deze eeuwigheid: gelijk Jezus ons Hoofd Zichzelven en al zijne goederen zijnen lidmaten mededeelt.

13 Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd. Hier verheft hij weder Christus' hoogheid door een ander getuigenis, opdat men hierdoor bekenne, hoeveel hooger Hij is boven de engelen.

25

ocr page 30

HEBREËN 1; 13, 14.

Dit getuigenis is genomen uit Ps. 110, die niet uitgelegd kan wor- du

den dan van Christus: want nademaal het den koningen niet ge- is

oorloofd is geweest de offerande aan te roeren, waarvan Uzzia met is

zijn melaatschheid getuigenis aflegt, en dat het niet blijkt, dat di

David of eenige opvolgers zijns rijks tot priesters verordend zijn zo

geweest, zoo volgt hieruit, dat hier een nieuw koninkrijk voorge- te

steld wordt en ook een nieuw priesterdom, nademaal éénzelfde per- iei

soon tot Koning en Priester gesteld wordt. En wat meer is, de kr

eeuwigheid des priesterschaps komt niemand toe, dan Christus alleen. m:

En terstond in het begin van den psalm wordt Hij gesteld aan Gods da

rechterhand. Welke manier van spreken, gelijk ik verhaald heb, ni

zooveel is, alsof Hem de tweede plaats door den Vader gegeven be

ware: want dit is een gelijkenis, waardoor te kennen gegeven wordt, er

dat Hij is een stadhouder des Vaders, en de voornaamste gezant al

in het uitrichten van zijn macht, alzoo dat de Vader heerscht door or

zijn hand. Daar is niet één onder al de engelen, die zulk een uit- Je

nemend ambt heeft: zoo volgt hieruit, dat Christus veel hooger is he

dan zij allen zijn. Totdat Ik uwe vijanden stellen zal. Omdat aa

Jezus Christus nimmer zonder vijanden is, die zijn rijk bestormen, va

zoo kon het zijn, dat het niet al zonder gevaar is: wetende dat die he

zich benaarstigen om het te onderdrukken, groote macht en geweld pl

hebben, ook verscheiden looze vonden en middelen gebruiken, en kr

dat zij al hun dingen met een razend geweld aangrijpen. Voorwaar kl

zoo wij aanmerken willen wat wij voor oogen zien, zoo zal ons oj

somtijds dunken, dat het rijk van Christus vallen zal. Maar deze gi

belofte neemt alle vrees van ons, als hij ons zegt, dat Christus m

nimmermeer van zijn stoel gezet zal worden, maar dat Hij veeleer G

al zijn vijanden onder zijn voeten brengen zal. Zoo moeten wij dan sc

deze twee stukken onthouden, te weten, dat het rijk van Christus m

nimmer in rust en heel vredig zijn zal, maar dat het veel tegenstan- wi

ders zal hebben, die het zullen verstoren. En hoe het zijn vijanden wi

aanleggen, zij zullen nimmer tot hun voornemen kunnen komen: m

want dat Christus gezeten is ter rechterhand zijns Vaders, is niet ui

voor een tijdlang, maar zal tot het einde der wereld toe duren; dt

alzoo dat allen, die zichzelven zijne heerschappij niet onderwerpen, D

zullen vermorzeld en onder zijn voeten worden vertreden. Zoo nu ar

iemand vraagt, of Christus' rijk dan een einde zal nemen, nadat Hij hc

zijn vijanden verstooten en verdorven zal hebben? Ik antwoord, bf

dat het wel waar is, dat het eeuwig duren zal, maar het op zulke ve

wijze zal zijn gelijk de heilige Paulus verklaart in 1 Cor. 15:25; ze

want wij moeten verstaan, dat God, die nu alleen in Christus wil he

gekend zijn, ons alsdan verschijnen zal in Zichzelven: en nochtans zc

zoo zal Christus daarom niet ophouden het Hoofd te zijn van de d( menschen en engelen, en zijn eer zal hierom geenszins verkort worden. Men zal ook breeder beantwoording vinden op deze zaak, in de aangehaalde plaats aan de Corinthiërs.

14 Z|jn ze niet allen. Hier voegt hij nu bij, hoedanig de stand der engelen is, opdat de gelijkenis te klaarder kan verstaan worden. Dat hij ze nu geesten noemt, deze naam heeft uitnemendheid,

want hierin zijn ze boven de lichamelijke creaturen. Maar het woord dienstbaarheid, hetwelk hij hun terstond daarna toevoegt, daardoor worden zij in hunnen stand gesteld, want dienstbaarheid is het tegenovergestelde van heerschappij. En dit verklaart hij nog

J

26

ocr page 31

HEBREËN 1 ; 14.

duidelijker, als hij zegt, tot dienst. Het eerste bijvoegelijk woord is zooveel of hij ze officieren noemde, maar de naam van dienaars,

is lager en verwerpelijker. Het is wel waar, dat het een heerlijke dienst is, dien God den engelen toevoegt: nochtans omdat zij dienen, zoo blijkt daaruit, dat het een zeer groot onderscheid is, om hen te vergelijken met Christus, die een Heere van alles is. Werpt nu iemand wederom hiertegen, dat Christus in vele plaatsen ook een knecht en dienaar genoemtl wordt, en dat niet alleen Gods dienaar maar ook de onze, dit is lichtelijk neder te leggen, door te zeggen dat dit niet is krachtens zijn natuur, maar door zijn gewillige vernietiging; gelijk de heilige Paulus betuigt; en dat nochtans daar-Fa-2:7-benevens zijn heerschappij geheel blijft; en integendeel dat de engelen tot dat einde zijn geschapen, opdat zij dienen zouden, en al hun werk in dienstbaarheid is gelegen. Zoo is er dan groot onderscheid: want wat den engelen natuurlijk toekomt, geschiedt Jezus Christus maar bij toeval, omdat Hij ons vleesch aangenomen heeft. Wat zij noodzakelijk doen moeten, heeft Christus gewillig aangenomen. En wat meer is, Christus is zulk een dienaar, dat Hij van zijne heerlijkheid in zijn heerschappij niets verliest, ja ook in het vleesch. De geloovigen hebben een bijzonderen troost uit deze plaats, als zij hooren dat de engelenscharen hun gesteld zijn tot knechten en dienaren om hun zaligheid te verzorgen. Het is geen klein pand der Goddelijke liefde tot ons, dat zij onze zaken zonder ophouden benaarstigen. Hieruit komt ook een bijzondere bevestiging van ons geloof, te weten, dat onze zaligheid gesterkt zijnde met dusdanige hulpe, buiten alle gevaar is. Aldus voorziet ons dan God zeer wel in onze zwakheid, als Hij ons zoodanige helpers beschikt, die met ons den satan wederstaan, en zich bevlijtigen in alle manier, om ons te onderhouden en te beschermen; maar met deze weldaad voorziet God bijzonder zijn uitverkorenen. Daarom, willen wij hebben, dat de engelen onze zullen zijn, zoo moeten wij lidmaten van Jezus Christus worden. Hoewel men ook getuigenissen uit de Heilige Schrift zou kunnen tegenwerpen, waaruit blijkt dat de engelen ook gezonden zijn geweest om de verworpenen: want in Daniël wordt gesproken van de engelen der Perzen en Grieken; ik Dwi. 10:20. antwoord hierop, dat zij op zulke manier van de engelen zijn geholpen, dat de Heere door zulk een middel zijns volks zaligheid bevorderde; want de gelukkige voortgang en overwinning, die zij verwierven, kwam altijd meest der gemeente ten goede. En dit is zeker, nademaal wij uit Gods rijk gebannen zijn door de zonde,

hebben wij geen gemeenschap met de engelen, dan door de verzoening in Christus geschied. Dit kan men zien in de ladder, die den patriarch Jakob in een gezicht voorgesteld werd.

HET TWEEDE HOOFDSTUK.

1 Hierom moeten wij meerder acht hebben op hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet doorvloeien.

2 Want is het woord, dat door de engelen gesproken is, vast ge- Gen. 17:19; weest, en heeft alle overtreding en ongehoorzaamheid rechte 2QgJ' 19; 13 vergelding des loons ontvangen: 24.

27

ocr page 32

HEBREËN 2:1.

Hebr. 12:25. 3 Hoe zullen wij dan ontvlieden, zoo wij in zoo groote zaligheid

Mark! i ■ il.' onachtzaam zijn: dewelke eerst gepredikt zijnde door den Heere, is

aan ons van degenen, die hem gehoord hebben, bevestigd geweest. 4 Mitsgaders ook Gods getuigenis teekenen en wonderheden, me-Mark. ie: 20. nigerlei krachten en bedeelingen des Heiligen Geestes naar

zijnen wil.

i 'Tquot; ^rierom moeten wjj. Hij verklaart alsnu, waartoe hij deze

|-1 zaak totnogtoe nagegaan is, Christus met de engelen verge-

-Mijkende, te weten, om de leer van Christus de hoogste autoriteit te geven. Want zoo de wet, die door de engelen gegeven was, niet verachtelijk ontvangen moest worden, en hare overtreding zwaar gestraft is geweest, wat zal dan geschieden' (zegt hij) den versmaders van het Evangelie, waarvan de Zoon Gods een insteller en beschermer is, en bevestigd is met zoovele wonderteekenen ? Dit is de inhoud: Zoo veel de waardigheid van Christus grooter is dan de waardigheid der engelen, zoo veel meer eerbiedingen is men het Evangelie schuldig dan de wet. Aldus prijst en verheft hij de leer door den persoon des instellers. Dunkt het nu iemand onredelijk, nademaal beide de leeringen, zoowel van de wet als van het Evangelie van God zijn, dat de eene leer boven de andere wordt gesteld, alsof Gods macht verkort ware, als de wet minder geacht wordt dan het Evangelie, dit is lichtelijk te beantwoorden, te weten, dat het wel waar is, dat God altijd even gelijk gehoord moet worden, wanneer en zoo dikmaals als Hij spreekt, maar nademaal Hij Zich ons vol-komenlijker openbaart, zoo is het zaak, dat wij naar de mate der openbaring, vreeze en genegenheid om Hem onderdanig te zijn, meer en meer zullen hebben. Niet dat God voor Zichzelven op den eenen tijd minder is dan den anderen: maar omdat wij zijn grootheid en uitnemendheid niet allen tijd evengelijk bekennen. Hier rijst nu nog eene andere vraag: of de wet ook niet gegeven is door de hand van Christus? Zoo het alzoo is, zoo schijnt de rede des apostels ongeschikt. Ik antwoord, dat in deze vergelijking aan de eene zijde gezien is, op de verborgen openbaring, en aan de andere zijde, op de klare openbaring. En aangezien het alzoo is, dat Christus Zich in het verkondigen der wet niet dan zeer duister openbaart, en dat niet dan onder een afbeelding, zoo moet zich niemand verwonderen, al is het dat zonder van Christus te gewagen, gezegd is dat de wet door de engelen is gegeven: want Christus is daar niet openlijk verschenen. Maar in het verkondigen des Evangelies, daarin is zijn heerlijkheid klaarlijk en merkelijk gezien geweest, in zulker voege, dat Hij rechtens voor den oorsprong daarvan werd gehouden. Opdat wij niet doorvloeien, of wilt gij liever overvloeien, hoewel daaraan niet veel gelegen is, omdat men uit de tegenstelling de rechte meening wel kan verstaan. Want aanmerken en doorvloeien staan tegenover elkander. Het eerste beduidt, acht hebben of bewaren; het andere beduidt, laten uit-loopen al wat uitgegoten is, gelijk een zeef of lekkende ton: want ik prijs hun meening niet, die het verstaan voor vergaan, gelijk men leest in 2 Sam. 14: 14: Wij vergaan als water, hetwelk op de aarde uitgestort wordt. Men moet, gelijk ik gezegd heb, de tegenstelling aanmerken, die daar is tusschen behouden en uitstorten: want een vlijtig opmerkend verstand gelijkt een welgesloten vat.

28

Hand. 14 :3 19 :11.

ocr page 33

HEBREËN 2: 1—3.

maar een ongestadig onachtzaam verstand is een vat vol gaten gelijk.

2 Vast is geweest. Dat is, gewichtig geweest, omdat het God bevestigd heeft: hetwelk beter verstaan kan worden uit de bijgevoegde straffen, want geen overtreder noch wetversmader is ongestraft gebleven. Deze vastigheid beduidt hier dan autoriteit, en wat daarbij gevoegd is, van de vergelding of straf, moet verstaan worden als een uitlegging van het voorgaande woord, omdat het zeker is, dat het geen ijdele noch vergeefsche leer is, aangezien God toont,

dat Hij de overtreders met geweldige hand wil straffen.

3 Zoo wü in zoo groote zaligheid onachtzaam zjjn. Niet alleen de verwerping van het Evangelie, maar ook de verachting verdient groote straf. En dat naar de groote genade, die daarin wordt aangeboden. Hierom zegt hij, zoo groote zaligheid: want God wil hebben, dat wij zijne gaven achten zullen naar hare grootheid. Hoe kostelijker zij dan zijn, zooveel te schandelijker is onze ondankbaarheid, worden ze van ons op behoorlijke wijze niet geprezen. In één woord: zoo groot als Christus is, zoo groote straf zal ook de wrake Gods zijn over de versmaders des Evangelies.

En men moet aanmerken, dat dit woord zaligheid, hier bijwijze van overnoeming gezegd is van de leer: want gelijk God op geen andere wijze de menschen zalig wil maken, dan door het Evangelie, alzoo verwerpt men ook alle zaligheid, als men het veracht: want het is

een kracht Gods dengenen die gelooven. Die dan elders zaligheid Rom-i = i6-zoekt, wil ze verwerven door een ander middel dan door de kracht Gods, hetwelk een groote dwaasheid is. Deze lof strekt niet alleen om het Evangelie te prijzen en te verheffen, maar het is ook een bijzondere versterking van ons geloof: want hij betuigt, dat het woord niet ijdel is, maar dat daarin besloten is een zekere en gewisse zaligheid. Dewelke eerst gepredikt zijnde. Hier stelt hij den Zoon Gods tegenover de engelen, welke de eerste verkondiger des Evangelies is geweest: en ook mede gebruikt hij hier een voorkoming,

om de twijfelachtigheid weg te nemen, welke anders in veler men-schenharten kon komen. Want zij waren van Christus niet mondelings geleerd geweest: want de meesten van hen hadden Hem nooit gezien. Hadden ze dan alleen op menschen gezien, door wiens leer zij tot het geloof gekomen waren, zoo zouden zij niet in zoo groote waarde gehouden hebben wat zij geleerd hadden. En daarom vermaant ze de apostel, dat de leer, die hen door andere handen gekomen is, desniettemin van Christus komt. Want hij zegt, dat het geweest zijn jongeren van Christus, die getrouwelijk overgeleverd hebben wat zij van Christus in bevel hadden. En daarom gebruikt hij dat woord bevestigen, alsof hij zeide: Het is geen gerucht geweest, dat bijgeval is gezaaid, zonder te weten vanwaar het komt,

of ook door verdachte getuigen geschied, maar heeft voortreffelijke auteurs, geloofwaardige lieden. Voorts, zoo geeft deze plaats ook te kennen, dat deze zendbrief van Paulus niet is geschreven: want Paulus pleegt zoo kleinmoedig van zichzelven niet te spreken, dat hij belijdt een van de jongeren der apostelen te zijn; hetwelk hij niet doet door eergierigheid, maar omdat de booze menschen onder dit deksel naarstigheid deden, om de leer nadeel te doen. Zoo blijkt dan, dat het de heilige Paulus niet is, aangezien deze schrijft, dat hij aan het Evangelie gekomen is door het hooren van anderen,

en niet door openbaring.

29

ocr page 34

30 HEBREEN 2 : 4.

4 Mitsgaders ook Gods getuigenis. Boven hetgeen de apostelen van den Zone Gods hadden, dat zij predikten, zoo heeft de Heere ook hun leer bevestigd met wonderteekenen, als met een bijzondere onderteekening. Daarom doen degenen ongelijk niet alleen den woorde Gods, maar ook den werken, welke het Evangelie niet ontvangen met eerbied, hetwelk met zulke getuigenissen is bevestigd. Tot een meerder uitbreiding zoo gebruikt hij drieërlei namen, om de wonderen te beduiden. Zij worden genoemd teekenen, omdat zij de zinnen der menschen hooger dingen doen bedenken, dan wat gezien wordt. Zij worden genaamd wonderen, omdat zij wat nieuws en ongewoons in zich hebben. Zij worden genaamd krachten, omdat de Heere in dezelve toont een bijzonder en zeldzaam bewijs zijner kracht. In het woord getuigenissen, wordt aangeteekend het recht gebruik der wonderen, te weten, dat zij behooren te dienen om het Evangelie te bevestigen; want wij zullen bevinden, dat bijna al de wonderen, op wat tijd ze geschied zijn, tot zulk einde zijn geweest, opdat ze den woorden Gods als zegelen zouden zijn. En zooveel te meer is het bijgeloof der papisten te verkeerder, die hun versierde wonderen gebruiken, om de waarheid Gods te krenken. Het woord mitsgaders, is alzoo te verstaan, dat wij bevestigd zijn in het geloof des Evangelies, door een overeenkoming, welke is tusschen God en de menschen, omdat de wonderen Gods met der menschen stem overeenkomen, en daarin dienen als getuigenissen. Hij voegt daarbij bedeelingen des Heiligen Geestes, door welke de leer des Evangelies ook versierd is geweest, en welks aanhangselen zij waren: want waartoe heeft God de gaven zijns Geestes uitgedeeld, dan eensdeels opdat zij middelen en behulpselen zijn om deze leer te verkondigen: anderdeels, om door verwondering der menschen harten te bewegen tot gehoorzaamheid der leer. En i cor. 14:22. hierom zegt de heilige Paulus, dat de verscheidenheid der talen gegeven is tot een teeken voor de ongeloovigen. Dit woord; Naar zijnen wil, vermaant ons, dat de krachten, waarvan hij hier spreekt, niemand mogen toegeschreven worden, dan Gode, en dat zij niet geschied zijn bijgeval, maar door zijn zekeren raad, opdat zij het geloof des Evangelies bezegelen zouden.

5 Want Hij heeft aan de engelen de toekomende wereld niet onderworpen, waarvan wij spreken.

p«- 8:5. 6 Maar iemand heeft ergens betuigd en gezegd: Wat is de menschi

dat gij zijner gedachtig zijt? of des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt?

7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, met heerlijkheid en eere hebt Gij hem gekroond, en hebt hem gezet over de werken uwer handen.

Pu. 8:7. 8 Alle dingen hebt Gij zijnen voeten onderworpen: want dewijl

i Oor. is! 27! Hij het Hem alles onderworpen heeft, heeft Hij niets uitgelaten,

Ef- 1:22- dat Hem niet onderworpen zij: maar nu zien wij nog niet, dat

Hem alle ding onderworpen is.

rn. 2:3. 9 Maar wij zien, dat Jezus, die een weinig minder geworden

Hand. 2:33. was dan de engelen, met heerlijkheid en eere gekroond is, om

het lijden des doods: opdat Hij door Gods genade voor allen den dood smaken zou.

ocr page 35

HEBREEN 2:5. 31

5 Want Hjj heeft. Hij bewijst wederom met een ander argument,

dat men Christus moet onderdanig zijn, te weten, omdat de Vader Hem in handen gegeven heeft het rijk, en het geheele bestuur der gansche wereld: van welke eer de engelen zeer verre zijn. Waaruit

(volgt, dat er niets in de engelen is hetwelk beletten kan, dat Hij, die de hoogste plaats heeft, boven allen niet zij. Allereerst moeten wij den psalm (waarvan hij spreekt) uitleggen, omdat het schijnt, dat hij hem kwalijk te pas brengt op Christus. David verhaalt daar de volgt, dat er niets in de engelen is hetwelk beletten kan, dat Hij, die de hoogste plaats heeft, boven allen niet zij. Allereerst moeten wij den psalm (waarvan hij spreekt) uitleggen, omdat het schijnt, dat hij hem kwalijk te pas brengt op Christus. David verhaalt daar de 1 '.i

weldaden, die God het menschelijk geslacht doet: want nadat hij i'

de kracht Gods aangemerkt heeft in den hemel en sterren, zoo komt hij tot de menschen, in welke de wonderlijke goedheid Gods zonderling is blijkende. En hierom spreekt hij ook niet van éen

Imensch alleen, maar van allen. Ik antwoord, dat dit al te zamen niet kan maken, dat deze uitspraken niet zullen verstaan worden van den persoon van Christus alleen. Ik belijd wel, dat de mensch in den beginne gesteld is geweest om de wereld te bezitten, opdat hij heerschen zou over al de werken Gods: maar hij verdiende door zijn overtreding beroofd te worden van alle heerschappij. Want hetmensch alleen, maar van allen. Ik antwoord, dat dit al te zamen niet kan maken, dat deze uitspraken niet zullen verstaan worden van den persoon van Christus alleen. Ik belijd wel, dat de mensch in den beginne gesteld is geweest om de wereld te bezitten, opdat hij heerschen zou over al de werken Gods: maar hij verdiende door zijn overtreding beroofd te worden van alle heerschappij. Want het

Iis de rechte straf van ondankbaarheid in een onderzaat, die van een ander houdt dan van zijn heer, denwelken hij weigert te belijden en te dienen in zulke getrouwigheid als dat behoort, dat hij beroofd wordt, van recht en weldaad, die hem te voren gegeven waren. En daarom zoo haast als Adam zich van God keerde door zijn zonde, zoo is hij rechtens beroofd geworden van al het goed,is de rechte straf van ondankbaarheid in een onderzaat, die van een ander houdt dan van zijn heer, denwelken hij weigert te belijden en te dienen in zulke getrouwigheid als dat behoort, dat hij beroofd wordt, van recht en weldaad, die hem te voren gegeven waren. En daarom zoo haast als Adam zich van God keerde door zijn zonde, zoo is hij rechtens beroofd geworden van al het goed,

dat hij had ontvangen. Niet dat hij daarvan het gebruik verloren heeft, maar omdat hij geen behoorlijk recht daarvan heeft kunnen behouden, nadat hij van God was afgevallen. God heeft gewild, dat ook zelfs in het gebruik teekenen van deze berooving zouden zijn:

gelijk men ziet, dat het wilde gedierte zeer wreedelijk zich tegen ons stelt, en in plaats dat ze ons behoorden te ontzien, zoo vreezen wij ze; dat sommigen nimmer alzoo kunnen getemd worden,

dat zij ons willen onderdanig wezen, en sommigen met groote moeite, zoodat zij ons hinderlijk zijn in verscheiden manieren; dat de aarde niet vruchtbaar is, nadat zij bezaaid is; dat de hemel,

de lucht, de zee en andere schepselen ons dikwijls tegen zijn. Maar al ware het nog, dat alle creaturen in hun roeping van onderdanigheid bleven, nochtans al hetgeen Adams kinderen gebruiken, wordt hun voor diefstal toegerekend: want waardoor zouden zij zich kunnen beroemen dat iets hun toebehoort, aangezien zij zeiven Gode niet toe-behooren? Dit tot een fundament gelegd zijnde, zoo blijkt, dat deze weldaad Gods ons geenszins toekomt, dan toen door Christus het recht is hersteld, wat wij in Adam verloren hebben. Op dezen grond leert Paulus ons, dat de spijze ons geheiligd wordt door het V

geloof. En op een andere plaats: dat geen ding den ongeloovigen i Tim. 4:5.

rein is, want zij hebben een besmette conscientie. Dit is het watTit-1;15-wij in het begin van dezen zendbrief gehoord hebben, dat Christus I,:

geordineerd is van zijnen Vader een erfgenaam van alle dingen.

Voorwaar een alleen de geheele erfenis toeschrijvende, zoo sluit hij hiermede alle anderen buiten, als vreemden. En dat met goed recht: want wij zijn al te zamen uit het rijk Gods gebannen. Zoo is het ons dan niet geoorloofd, te rooven de creaturen, die daar verordend waren tot voeding zijner huisgenooten. Maar Jezus Christus, door wien wij wederom geroepen zijn in het huisgezin Gods,

■ k;

ocr page 36

HEBREËN 2:5, 7.

ontvangt ons met zich in de gemeenschap zijns rechts, opdat wij de de gansche wereld met Gods zegen gebruiken zouden. En daarom

Rom. 4; 13. bewijst de heilige Paulus, dat Abraham erfgenaam der wereld ge- ^ei

maakt is door het geloof, omdat hij in Christus' lichaam ingelijfd en

was. Is het nu alzoo, dat de menschen verstoken waren van alle te£

weldaden Gods, totdat zij die wederom deelachtig werden door do

Christus, zoo volgt er uit, dat wij in Adam deze heerschappij ver- quot;

loren hebben, waarvan deze psalm spreekt, en dat wij daarom weder da

van nieuws moeten begiftigd worden. Nu, deze vernieuwing begint wo

van Christus als het hoofd. Zoo moeten wij dan niet twijfelen, of lip

wij moeten op Hem zien, zoo dikwijls en wanneer daar vraag is Me

van de heerschappij der menschen over alle creaturen. Hiertoe we

dient ook wat de apostel gezegd heeft, namelijk, de toekomende He

wereld: want hij neemt dit voor de vernieuwde wereld. En opdat da;

wij dit beter mogen verstaan, laat ons voorstellen, dat er twee werelden W;

zijn, te weten, de eerste oude wereld, die door Adams zonde ver- hei

dorven is geweest, en de tweede, in zulke wijze als ze door Chris- te^

tus weder opgericht is. Want de gestalte der eerste schepping is wo

vergaan en vervallen met den mensch, zooveel de menschen aan- zie

gaat. Deze psalm heeft dan geen plaats, dan ten tijde dat de nieuwe ter

wederoprichting door Christus geschied is. Men ziet nu wel, dat we

hij niet noemt de toekomende wereld, hoedanig wij verwachten na laa

de verrijzenis, maar zoo als zij begon van het begin des konink- ge

rijks van Jezus Christus, en haar vervulling zal hebben in de laatste bn

verlossing. Voorts, weet ik niet, waarom hij hier Davids naam weg- zie

gelaten heeft. Zooveel is het, dat hij niet uit versmaadheid zegt zej

eene, maar voornaamste, hij noemt hem alzoo uit eere, als een zie

van de profeten of schrijvers. ve

7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen. vis

Hier is alsnu wederom een nieuwe zwarigheid in de uitlegging der aio

woorden. Het is wel waar, dat ik tevoren bewezen heb, dat deze Da

plaats niet ongepast van den Zoon Gods uitgelegd is, maar het va:

schijnt alsnu dat de apostel de woorden tot een anderen zin trekt, tol

dan ze David heeft verstaan; want het schijnt dat hij dit woord: on

Een weinig, tot den tijd trekt, opdat men versta: Een weinig de

tjjds. En de vermindering verstaat hij van hetgeen, waarin Zich be:

Christus vernietigd heeft, en trekt de heerlijkheid tot den dag tol

der verrijzenis, in plaats dat David het algemeen verstaat van al ho

het leven des menschen. Ik antwoord, dat het de meening des he

apostels hier niet geweest is, te verhalen de eigenlijke uitlegging hij

der woorden: er is geen zwarigheid van, al zoekt hij zulke toe- zal

speling in Davids woorden, om de rede te versieren, waarvan hij Pa

handelt. Gelijk de heilige Paulus doet, verhalende Mozes' getuigenis ge

in het 10de hfdst. aan de Romeinen, te weten: Wie is er, die ten ee:

hemel zal opklimmen? enz., terstond daarbij voegende, niet een uit- vo

legging, maar een versiering betrekkelijk hemel en hel. Davids ofs

meening is aldus: Heere, Gij hebt den mensch verheven tot zoo dil

groote waardigheid, dat het niet veel scheelt of hij genaakt de eere ge

Gods of de engelen: want Gij hebt hem verordend te zijn een oe heerschappijvoerder over heel de wereld. De apostel heeft dezen

zin niet willen verkeeren noch tot iets anders willen trekken: maar scl

hij wil alleen, dat wij in Christus zullen aanmerken, in wat ver- ge

kleining Hij Zich voor een weinig tijds gesteld heeft: en daarna lijl

32

ocr page 37

HEBREËN 2 : 7—9.

de heerlijkheid, waarmede Hij eeuwig gekroond is. Dit doet hij meer,

slechts gebruik makende van de woorden, en niet om uit te drukken wat David daarmede meende. Hij neemt ook: Gedachtig zijn, en bezoeken, voor hetzelfde; maar bezoeken heeft wat meer be-teekenis: want hij wijst ons hier de tegenwoordigheid Gods aan door zijne krachtige werken.

8 Alle dingen Hem onderwerpende. Men zou kunnen meenen,

dat de bewijsreden aldus ware: Alle dingen zijn den mensch onderworpen, van welken David spreekt; alle dingen nu zijn het mensche-lijk geslacht niet onderworpen: zoo spreekt hij dan niet van elk mensch.

Maar dit bewijs kan niet bestaan, omdat de tweede stelling,

welke men de kleinste noemt, ook van Jezus Christus geldt. Want Hem zijn ook nog niet alle dingen onderworpen, gelijk de heilige Paulus daarvan handelt 1 Cor. 15 ; 28, waarom het verband een ander is.

Want nadat hij dit gezet heeft, dat Christus zonder uitzondering heerscht over alle creaturen, zoo voegt hij daarbij bijwijze van tegenstelling: Maar nu zien wij nog niet, dat Hem alles onderworpen is; en om dit te voldoen, zoo leert hij, dat men nochtans ziet, dat alsnu alle dingen in Christus vervuld zijn, hetwelk daarna terstond volgt: heerlijkheid en eere, alsof hij gezegd had; Hoewel deze algemeene onderwerping ons nog niet blijkt, nochtans laat ons hiermede tevreden zijn, dat Hij na zijn dood verheven is geweest in de hoogste plaats der eere; want wat er nog aan ontbreekt, zal op zijn tijd vervuld worden. Maar vooreerst stooten zich sommige menschen hieraan, dat de apostel al te scherpzinnig zegt, dat er niets is, dat niet aan Christus onderworpen is, aangezien David in 't algemeen alles vervat; want de stukken, die hij daarna verhaalt, bewijzen zulks niet, te weten; De beesten des velds, de visschen der zee, en de vogelen der lucht. Ik antwoord, dat de algemeene zin niet bepaald moet worden tot deze stukken, omdat David niets anders heeft willen doen, dan slechts een proeve toonen van deze heerschappij in zichtbare dingen, ja heeft ze uitgebreid tot zeer kleine dingen, opdat wij weten zouden, dat er niets is dat ons toebehoort, dan hetgeen ons door de goedheid Gods en mede-deeling van Christus toekomt. Daarom kan met dezen zin aldus besloten worden: Gij hebt Hem alles onderworpen, niet alleen wat tot eeuwige zaligheid dient, maar ook het allerkleinste, wat ten behoeve des lichaams dient. Hoe het zij, deze lage heerschappij over het gedierte, hangt aan de hooge. Nu wordt gevraagd; Hoe kan hij dat loochenen, dat aan Christus niet alles onderworpen is ? Men zal de beantwoording dezer vragen vinden in de woorden van

Paulus zoo even aangehaald. Ook hebben wij daar een weinig van aan- i cor. i5: as, geroerd in het begin van dezen zendbrief, omdat Jezus Christus een gedurigen strijd heeft met verscheidene vijanden, zoo is Hij nog voorwaar niet vast en vredelijk in de bezitting zijns koninkrijks:

ofschoon Hij niet gedwongen is door nood om te oorlogen, maar dit geschiedt met zijn wil, dat zijn vijanden niet geheel ten onder gebracht zullen worden, tot den laatsten dag, opdat wij door zulke oefeningen beproefd worden.

9 Jezus, die een weinig minder geworden is. Omdat het Griek-sche woord van twijfelachtige beteekenis is, zoo ziet hij meer op de daad,

gelijk zij in den persoon van Christus geweest is, dan op de eigenlijke uitlegging der woorden, gelijk ik reeds gezegd heb. En de

dl vn. 3

33

y

n

Q

e

)r r-

ïr

it

)f

is

)e

e

it

n

I'

s-

is

a-

re

at

ia

ki

te

gt

m

n.

sr

se

et f

.t, i:

ig

:h

«-g al

es ig

e-

VJ

is

in

t-

is

)0

re

m

m

ar iquot;_

i

ia

ocr page 38

HEBREËN 2:9, 10.

heerlijkheid, die in de verrijzenis aan te merken is, stelt hij voor: sc]

welke heerlijkheid David verstaat van al de gaven, waarmede de mi

mensch versierd is door Gods weldaden. Nochtans is hier niets tio

onbetamelijks in deze vergelijking der woorden van den apostel i^e

met den profeet: want hij laat den letterlijken zin in zijn geheel. Ue

Wat hij nu zegt: Door het lijden des doods, heeft zooveel in, iie

alsof hij zeide, dat Christus den dood lijdende, is verheven om de qi

heerlijkheid, die Hij verworven heeft. Gelijk ook de heilige Paulus a]]

bewijst aan de Filippensen in het 2ae hfdst. vs. 8. Niet dat Christus to

iets voor Zichzelven alleen verworven heeft, gelijk de Sophisten ]3r

versieren, dat Hij eerst het eeuwige leven voor Zichzelven verdiend ori

heeft, en daarna voor ons: maar hij toont hier alleen, welke het di:

middel is om de heerlijkheid te verwerven. Christus is tot dit einde hi-

ril. 2: io. gekr00nd: Opdat alle knie voor Hem zou buigen. Aldus kan men zu

met reden besluiten, dat alle dingen Hem in handen zijn gegeven. he

Opdat Hij door Gods genade. Hij verhaalt de oorzaak en de W(

vrucht van Jezus Christus' dood, opdat men niet denke, dat zij iets qj

verminderen van zijne waardigheid: want als wij hooren zeggen, Wi

dat ons een zoo groot goed medegedeeld is, is er geen kwestie ge

meer van versmading, omdat de bewondering over de goedheid hi

Gods dat beneemt. Als hij zegt: Voor allen, zoo meent hij niet qi

alleen, dat Hij voor ons allen een exempel is geweest, gelijk Chrysos- n;

tomus verhaalt, met de gelijkenis van den geneesheer, welke eerst lij

den bitteren drank proeft, opdat de kranke niet weigere dien in -.v

te nemen; maar hij wil hiermede zeggen, dat Christus voor ons cl(

gestorven is, omdat Hij Zichzelven stellende in onze plaats, ons d:

verlost heeft van de vervloeking des doods. En daarom is er bij- zi

gevoegd, dat zulks geschiedt door de genade Gods, omdat de on- hlt;

eindige liefde Gods, die Hij tot ons had, een oorzaak is geweest ol

onzer verlossing. Door welke geschied is, dat Hij zelfs zijn eenigen ei

Zoon niet heeft gespaard. Dat Chrysostomus den dood smaken, uit- zi

legt bij manier van spreken, voor proeven op het uiterste der lip- w

pen, omdat Christus victorie verworven heeft over den dood, ziet c

men mij niet verwerpen noch verachten: nochtans weet ik niet, of di

de apostel zoo diep heeft willen spreken. h-

10 Want het betaamde Hem, dat Hij om wiens wil en door wien alle (u dingen zijn, veel kinderen tot de heerlijkheid leidende, den j Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen. h

11 Want ook Hij die heilig maakt, en degenen die geheiligd o Hand. 17:2«. worden, zijn allen uit een: ora welke oorzaak Hij Zich niet b

schaamt hen broeders te noemen, g

Ps. 22:23. 12 Zeggende: Ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen: b

in 't midden der gemeente zal ik U loven. a P3- 18:3- 13 En wederom: Ik zal miin betrouwen op Hem stellen. En

Jes 12*2 .

.les! 8: is! wederom: Zie daar, ik en de kinderen, die Mij God gegeven

heeft. d

e

io Want het betaamde Hem. Het voornaamste hiervan is, dat o

hij Christus' vernedering den geloovigen heerlijk wil maken. Want I-

als daar gezegd wordt, dat Hij ons vleesch aangenomen heeft, zoo h

schijnt het, dat Hij Zichzelven gesteld heeft in het getal van andere ii

menschen. En het kruis vernedert Hem beneden alle andere men- a

34

ocr page 39

HEBREËN 2 : 10, 11.

schen. Daarom moet men zich wel wachten, dat men Christus niet minder achte, om hetgeen, waarin Hij Zich om onzentwil vernietigd heeft, hetwelk hier alsnu behandeld wordt. Want de apostel bewijst, dat dit den Zoon Gods tot groote eere behoort te strekken, omdat Hij hierdoor gehuldigd is tot een hertog onzer zaligheid. Ten eerste, zoo neemt hij dit voor vast en zeker, dat men op Gods gewisse ordening moet staan: want gelijk door zijn kracht alle dingen onderhouden worden, zoo behooren zij ook te dienen tot zijne heerlijkheid en eere. Aldus kan men geen beter reden bijbrengen, dan dat het Gode alzoo beliefd heeft. Hiertoe dient de omschrijving, die hij gebruikt; Om wiens wil en door wien alle dingen zijn. Hij kon Hem wel met e'e'n woord God noemen, maar hij heeft ons willen vermanen, dat wij voor het allerbeste houden zullen, hetwelk Hij zelf verordend heeft, wiens wil en mogendheid liet rechte einde is van alle dingen. Nochtans schijnt nog niet, dat wel bestaan kan wat hij zeggen wil, dat het Christus betaamd heeft op zulke wijze geheiligd te worden. Maar dit hangt aan den gewonen weg, dien God met de zijnen houdt: want Hij wil dat ze zullen geoefend worden door verscheidene benauwdheden, en dat zij al hun leven leiden zullen onder het kruis. Aldus moest dan Christus, omdat Hij de eerstgeborene is, in zijn rijk gaan door het kruis, nademaal deze conditie allen Christenen gemeen is. Dit is de gelijkvormigheid van het hoofd met de leden, waarvan gesproken wordt in Rom. 8 :29. En het is een zonderlinge vertroosting om de bitterheid des kruises te verzoeten, als de geloovigen hooren, dat zij geheiligd zijn met Christus door druk en lijden. Hierdoor zien ze een oorzaak, waarom ze liever het kruis liefelijk omhelzen zullen, dan daarvoor schromen. Hetwelk niet geschieden kan, of de schande des kruises van Christus wordt terstond weggenomen en men ziet de heerlijkheid blinken: want wie is er die misprijzen zal, wat geheiligd is? Wie zal deze gave oneerlijk achten, waardoor wij bereid worden tot de glorie? Beide wordt dit ons hier door Christus' dood geleerd. Door wien alle dingen zijn. Als daar van de schepping gesproken wordt, dat is den Zoon toegeschreven als hetgeen Hem eigenlijk toekomt, te weten, dat alle dingen door Hem geschapen zijn. Maar de apostel wil hier niet anders te kennen geven, dan dat alle creaturen vaststaan, en onderhouden worden door de kracht Gods. In de plaats, waar wij hier gesteld hebben heiligen, stellen anderen volkomen maken, of vervullen. Maar omdat het Grieksche woord, hetwelk de apostel gebruikt verscheiden beduiding heeft, zoo dunkt mij dat duidelijk blijkt, dat mijn uitlegging beter met den tekst overeenkomt; want hij wijst ons hier een bijzondere en rechte heiliging aan, door welke de kinderen Gods aangenomen worden, en ook van de wereld afgezonderd worden. Terstond daarna wordt ook gesproken van de heiligmaking.

ii Want Hij die heilig maakt. Hij bewijst wat hij gezegd heeft, dat dit in Christus' persoon moest vervuld worden, door de ver-eeniging, die daar is tusschen Hem en zijne leden. Daarbenevens ook, dat dit een bijzonder getuigenis is van de goedheid Gods, dat Hij ons vleesch aangenomen heeft. Hij zegt dan, dat het hoofd der heiligheid, en wij die haar deelachtig zijn, zjjn allen uit één, dat is te zeggen, van ée'n natuur, gelijk ik uitleg. Gemeenlijk wordt dit aldus genomen: Van één Adam. Anderen trekken dit op God, en

35

ocr page 40

36 HEBREËN 2:11.

niet zonder reden, maar mij dunkt dat de uitlegging beter is van go

één natuur: alsof hij zeide, dat wij uit één kluit gemaakt zijn. Dit en

dient zeer wel om ons betrouwen te bevestigen, te weten, dat wij W

vereenigd zijn met een zoo vasten band der vriendschap met den di

Zone Gods, dat wij de heiligheid, die wij van noode hebben, in go

onze natuur kunnen vinden: want Hij heiligt ons niet alleen als mi

God, maar zijn menschelijke natuur heeft ook macht om te heiligen; he

niet dat de menschheid deze kracht in zichzelve heeft, maar omdat wc

God daarin gestort heeft een volmaakte volheid der heiligheid, ge

opdat wij al te zamen daaruit putten zouden. Waartoe ook deze na

uitspraak dient: Ik heilig mijzelven voor hen. Zijn wij dan onheilig be

en onrein, wij behoeven de remedie niet ver te zoeken, welke ons pr

aangeboden wordt in ons vleesch. Wil men dit ook liever nemen hi

van de eenigheid des geestes (die wel anders is tusschen den ge- de

loovige en den Zoon Gods, dan zij gemeenlijk is tusschen de in

menschen) ik zeg daar ook niets tegen. Nochtans volg ik liever w(

wat meest aangenomen is, waar het niet met Schrift en rede strijdt. zi; Hij schaamt Zich niet hen broeders te noemen. Deze woorden

zijn genomen uit Ps. 22 : 23. Dat Christus hiermede wordt gemeend, d:

of dat David dit in den persoon van Christus spreekt, daar zijn is

allereerst de evangelisten getuigen van, die meer verzen uit dezen ui

Ps. 22; 19. pSaim aanhalen, te weten: Zij hebben mijne kleederen onder zich sc

gedeeld. Zij hebben Mij gal in mijne spijzen gegeven. Mijn God, O]

ps. »2:4. ujijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? En wat meer is, de zaak W

op zichzelve bewijst zulks genoeg: want in de historie des lijdens oi

van Christus kan men een levend beeld zien der dingen, die in v(

dezen psalm verhaald worden. Het slot van den psalm, hetwelk h(

van de roeping der heidenen is, kan niemand anders toegeëigend o]

worden dan Jezus Christus alleen. Al de einden der aarde zullen al

zich tot den Heere bekeeren, Hem zullen aanbidden alle geslachten tc der heidenen. Het Koninkrijk is des Heeren, en Hij zal regeeren

over de heidenen. De waarheid van al dit verhaalde is alleen in ui

Jezus Christus, die Gods rijk niet heeft vermeerderd over een kleine d:

oppervlakte, gelijk David gedaan heeft, maar Hij heeft dat uitge- 11

breid door de gansche wereld, waar het tevoren besloten was binnen vi

zeer enge palen. Daarom moet men niet twijfelen, of deze boven ver- gi

haalde woorden zijn ook van Christus gesproken. Voorwaar, hij D

spreekt zeer eigenlijk, en gebruikt duidelijke woorden, zeggende h-

dat Hij Zich niet geschaamd heeft. Hoe groot onderscheid is er d

toch wel tusschen Hem en ons? Hij vernedert Zich dan zeer laag, vi

als Hij ons de genade doet, dat Hij ons broeders noemt: anders b

zijn wij onwaardig, dat Hij ons onder zijn dienaren houdt. En deze d

groote waardigheid, die Hij tot ons heeft, vermeerdert de omstan- h

digheid: want hetgeen Christus spreekt, spreekt Hij niet als een S(

sterfelijk mensch in een knechtsgedaante, maar bekleed zijnde met v

onsterfelijke heerlijkheid, na zijne verrijzenis. Aldus is dit woord o

van zulke waarde, alsof Hij ons met Zich in den hemel trok. Zoo h

dikmaals dan en wanneer wij hooren dat Christus ons broeders d

noemt, laat ons bedenken (bijwijze van spreken) dat Hij ons be- h

kleedt met zijne gestalte, opdat wij door den naam broeders het o

gelukzalige leven en al de hemelsche goederen zouden verwerven. v

En wat meer is, wij moeten wel onthouden, wat last Jezus Christus g

aanneemt, te weten, den naam Gods te verkondigen, hetwelk be- z

ocr page 41

HEBREËN 2: 11—13

gonnen is, toen het Evangelie de eerste maal verkondigd werd; en het geschiedt nog alle dagen door het ambt van de dienaren. Waaruit men verstaan kan, dat het Evangelie ons gegeven is tot dit einde, opdat het ons leide tot de kennis Gods, en zijn goedheid onder ons geprezen en heerlijk gemaakt worde. Daarna moet aangemerkt zijn, dat Christus de oorsprong des Evangelies is, hetzij ook op wat manier Hij ons van de menschen voorgedragen wordt. En dit is het wat de heilige Paulus zegt: Dat hij en anderen, gezanten van Christus zijn, en hun vermaning geschiedt als uit den naam van Christus: hetwelk ons tot grooter eerbied des Evangelies behoort te trekken. Want men moet gewisselijk denken, dat in het prediken de menschen niet zoozeer spreken, als Christus doet door hunnen mond. Ook op dien tijd, als Hij belooft den naam Gods den menschen te verkondigen, zoo heeft Hij opgehouden niet meer in de wereld te zijn. Nochtans is het waar, dat Hij Zichzelven dit werk tevergeefs niet toeschrijft. Zoo heeft Hij dit dan waarlijk door zijn jongeren vervuld.

12 In het midden der gemeente. Hieruit blijkt nog breeder, dat de verkondiging van Gods lof altijd in het Evangelie besloten is: want zoo haast als ons God is bekendgemaakt, zoo is zijn onuitsprekelijke lof klinkende door onze harten en ooren. En intus-schen vermaant ons Christus door zijn voorbeeld, dat wij hetzelfde openlijk doen zullen, opdat het van velen kan gehoord worden. Want het ware niet genoeg, dat een iegelijk van ons God voor zijn ontvangen weldaden alleen dankte: maar openlijk getuigenis gevende van onze kennis, zoo wekken wij de een den ander op om hetzelfde te doen. En voorwaar, deze leer is ons als een prikkel, opdat wij met vurige begeerte gebracht worden om God te loven, als wij hooren zeggen, dat Christus eerst lofzingt, en Hij ons den toon geeft om Hem na te zingen.

13 Ik zal myn betrouwen op Hem stellen. Aangezien deze uitspraak in Ps. 18: 3 staat, zoo is het licht te gelooven, dat ze daaruit genomen is: want behalve dat de heilige Paulus in Rom. 15 :9 ook een ander vers van de roeping der heidenen in het rijk van Jezus Christus aanhaalt, zoo toont de gang van het onderwerp genoeg, dat David daar in eens anders persoon spreekt: want in David blijkt nauwelijks een kleine schaduw van zoo groote mogendheid, gelijk daar zoo hoogelijk verkondigd wordt. Hij beroemt zich, dat hij tot een hoofd gesteld is over de heidenen; dat ook de vreemden en onbekenden goedwillig zich onder hem gegeven hebben, alleen om het gerucht van zijne vermaardheid. Het is wel waar, dat David met kracht van wapenen eenig volk onder zich gebracht heeft, welke zijne buren en bekenden waren, en heeft die ook onder schatting gehouden: maar wat is dit te rekenen bij de mogendheden van vele koninkrijken? En wat meer is, waar is de goedwillige onderdanigheid? Waar is het volk zoo ver van hem gezeten, dat hij ze niet kent? Kortelijk, waar is de zeer bijzondere uitroeping der genade Gods aan de heidenen, van welke de psalm leert op het einde? Het is dan Jezus Christus, die verordend is een Hoofd onder verscheiden volken, onder Wien zich de vreemdelingen stellen van de uiterste einden der wereld: van wiens gerucht zij allen opgewekt worden, omdat zij door wapenen niet gedwongen worden zijn juk aan te nemen: maar door de leer onderworpen zijnde, zoo

37

ocr page 42

38 HEBREEN 2 : 13.

bieden zij zichzelven gewillig aan om Hem te dienen. Men ziet ook ricl

in de gemeenten, deze versierde en leugenachtige belijdenis van als

gehoorzaamheid, waarvan ook in dezen psalm wordt gesproken. ooi

Want velen doen dagelijks belijdenis, dat zij Christenen zijn, maar do(

het geschiedt van harte niet. Laat ons dan voor waar houden, dat Ch

deze psalm bekwamelijk op Christus uitgelegd wordt. Maar wat raz

dient dit tot de tegenwoordige zaak? Want het schijnt niet, dat fet

hieruit volgt, dat Christus en wij uit een zijn: hoewel Hij Zich zeer Isr

op God betrouwt. Ik antwoord, dat het bewijs goed is: want zoo ma

Hij geen mensch ware, den gebrekkelijkheden der menschen onder- lee

worpen, zoo had Hij geenszins zulk betrouwen van noode. Hangt is, zijn hulpe dan ook aan God, zoo heeft Hij een gemeenen staat met gt; da'

ons. Voorwaar, liet is niet tevergeefs, dat wij op God betrouwen: vai

want wij zouden ellendig, ja geheel verloren zijn, werd ons zijn ge- do

nade onttrokken. Het betrouwen dan, dat wij op God stellen, is eei

een getuigenis van onze gebrekkelijkheid, hoewel wij hierin ver- Gc

scheiden zijn met Jezus Christus, te weten, dat Hij de zwakheid op

gewillig gedragen heeft, die ons van noodswege is opgelegd. Verder me

behoort dit ons betrouwen op God zeer te versterken, dat wij en

Christus hebben voor een hoofd en meester: want wie zal vreezen di(

dat hij dwaalt, Christus' voetstappen volgende? Er is niet voor te er

vreezen dat ons geloof ijdel is, dat wij met Christus gemeen hebben, da

dien wij weten dat niet kan bedriegen. Zie daar, ik en de kinderen. lee

Het is zeker, dat Jesaja hier van zichzelven spreekt: want toen hij we

het volk hope gaf van hun verlossing, en zijn belofte, die hij deed, G(

niet voor waar werd aangenomen, opdat hij door het hardnekkig wc

ongeloof des volks, den moed niet zou verliezen, zoo gebiedt hem m(

de Heere onder zeer weinig geloovigen de leer te bevestigen, die Di

hij verkondigde; alsof Hij zeide: Hoewel mijn leer van den grooten zij

hoop verworpen zal worden, nochtans zoo zullen er sommigen we- lij

zen (hoewel nochtans zeer weinig) die haar zullen aannemen. Jesaja kr

steunende op dit antwoord, grijpt wederom moed, en betuigt dat he

hij en zijn jongeren, die hem gegeven zijn, altijd bereid zullen zijn ke

om Gode na te volgen. Nu moeten wij zien waarom de apostel ni

deze spreuk op Christus trekt. Allereerst zal geen mensch, die eenig he

oordeel heeft, kunnen loochenen, dat wat daar evenzeer gezegd wordt, w:

dat de Heere zal zijn een steen des aanstoots den huize van Israël Z(

en Juda, in Jezus Christus is vervuld. En voorwaar, gelijk de ver- wj

lossing en wederkeering uit de gevangenschap van Babel, een begin tu

der afbeelding is geweest van de oprechte verlossing, die den ui

vaderen en ons verworven is door de krachtige hand van Christus; w:

insgelijks ook, dat er zoo weinig Joden waren, die van deze wel- v;

daad Gods hebben genoten, in zulke wijze dat er slechts sommigen oi

werden behouden, is ook een voorbeduiding en teeken geweest der oi

toekomende blindheid: waardoor geschied is, gelijk zij Christus ee

hebben verworpen, werden zij ook van Christus verworpen, en zijn E

vervallen. Daar moet naarstig waargenomen, dat de beloften van bi

de opbouwing der kerk, waarvan de profeten vermanen, van dien H

tijd af dat de Joden wederom uit de Babylonische gevangenschap Ik

gebracht zijn, het koninkrijk van Christus toekomen; want de Heere w

heeft deze wederbrenging zijns volks tot zulk einde laten geschie- vi

den, opdat de kerk zou staande blijven tot de toekomst zijns Zoons, h

door wien zij ten laatste wederom oprechtelijk zou worden opge- al

ocr page 43

39

richt. Nu het aldus is, zoo spreekt de Heere niet alleen tot Jesaja,

als Hij hem gebiedt de wet en getuigenissen te bezegelen, maar ook tot alle dienaren in zijn persoon, denwelken strijd was nakende door het ongeloof des volks. En daarom spreekt Hij bijzonder tot Christus, die van de Joden meer bestreden zou worden, met eene razende en wederspannige hardnekkigheid grooter dan al de profeten, die vóór Hem geweest waren. En wij zien alsnu, dat die in Israels plaats zijn gesteld, niet alleen Christus' Evangelie verwerpen,

maar ook zich tegen Hem oprichten. Niettegenstaande, hoewel de leer des Evangelies den huisgenooten der gemeenten een aanstoot is, nochtans wil God niet, dat ze vervallen zal, maar gebiedt veeleer dat ze verzegeld zij onder zijn jongeren. En Christus in den naam van alle leeraars als hun Hoofd, ja als de eenige leeraar, die ons door hun ambt regeert, verkondigt, hoewel dat wij in deze wereld een groote ondankbaarheid zien, dat er nochtans altijd sommigen Gode gehoorzaam zullen zijn. Aldus wordt deze plaats van Jesaja op Christus recht geduid. En hieruit neemt de apostel dat wij één met Hem zijn, omdat Hij Zich met ons verzamelt, als Hij Zichzelven en ons met Zich den Vader opoffert: want zij worden één lichaam, die onder één regel des geloofs Gode gehoorzaam zijn. Wat kon er bekwamer gezegd worden om het geloof te prijzen, dan dat wij daardoor metgezellen des Zoons Gods zijn, die ons door zijn exempel leert, en ons den weg wijst? Daarom zoo wij Gods woord volgen,

weten wij zekerlijk, dat wij Christus hebben voor een leidsman. Gelijkerwijs ook integendeel Christus niet toebehooren, die zijne woorden ongehoorzaam zijn. Ik bid u, zeg mij toch, wat kan men meer wenschen, dan dat wij eensgezind zijn met den Zoon Gods? Dit verbond en deze vervulling is in het geloof gelegen, en daarom zijn wij door liet ongeloof met Hem oneens, hetwelk een zeer gruwelijk ding is. Het woord kinderen, hetwelk op vele plaatsen zooveel als knechten is, wordt hier voor jongeren genomen. Die m|j God gegeven heeft. Hier wordt de eerste oorzaak van gehoorzaamheid aangetee-kend, te weten, dat God ons zelf aangenomen heeft. Christus brengt niemand tot zijn Vader dan degenen, die de Vader Hem gegeven heeft. Dit geven, weten wij dat aan de eeuwige verkiezing hangt;

want die de Vader geschikt heeft tot het leven, die levert Hij zijnen Zoon over, opdat Hij ze bescherme. Dit zegt Hij in Johannes: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen. Als wij ons dan Christus onderwerpen in gehoorzaamheid des geloofs, zoo laat ons hieruit leeren, dat wij het, alles der barmhartigheid Gods toeschrijven:

want wij zullen nimmer tot Hem geleid worden, dan door de hand van Christus. Daarenboven geeft ons deze leer een bijzondere reden om vast te betrouwen: want wie zou hier toch kunnen beven, zijnde onder de sterke bescherming van Jezus Christus ? Wie is er, hebbende een zoo sterken behoeder, die alle gevaren niet zou klein achten: En voorwaar, als Christus zegt: Zie ik en mijne kinderen, zoo volbrengt Hij met der daad wat Hij op een andere plaats zegt: dat Joigt;-10; 28. Hij niet gedoogen zal dat een van die Hem de Vader gegeven heeft, zal verloren gaan. Kortelijk, wij moeten hieruit leeren, hoewel de wereld het Evangelie met een uitzinnige wederspannigheid van zich werpt, zoo zullen nochtans altijd de schaapjes de stem huns herders kennen. Hierom zal ons de goddeloosheid van alle standen, van alle tijden en geslachten niet verschrikken,

ocr page 44

I

40 HEBREEN 2 : 13, 14.

nademaal Christus de zijnen verzamelt, die Hem in bewaring zijn gegeven. Vallen nu de verwerpers des woords door hunne godde-Mutiii.is:is. loosheid in den dood, door dit middel wordt de planting die van God niet geplant is, uitgeroeid. Middelertijd laat ons weten, dat Christus - ,rim- -: 19- de zijnen kent, en dat hun geheele zaligheid bij Hem verzegeld is, en dat van de zijnen niemand verloren gaat. Aldus laat ons met deze verzegeling tevreden zijn.

juli. i; 14. 14 Dewijl dan de kinderen vleesoh en bloed deelachtig zijn, zoo

Jes, '25: sl is Hij desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door

iios. 13:14. (Jen dood vernietigen zou dengene, die de macht des doods

1 Our. la : 54. o j

2 Tim. i; io. nacl, dat is den duivel:

15 En verlossen zou allen, die met vreeze des doods hun leven lang der slavernij onderworpen waren.

14 Dewijl dan de kinderen. Dit is het slot van wat hierboven verhaald is, en daarbenevens verklaart hij de reden beter, die hij hierboven een weinig aangeroerd had, te weten, waarom de Zone Gods met ons vleesch moest bekleed zijn. Alzulks geschiedde, opdat Hij één natuur met ons deelachtig zou zijn, en dat Hij stervende ons verlossen zou van den dood. Deze plaats is waardig, dat men ze wel onthouden zal: omdat niet alleen hierdoor de waarheid van de menschelijke natuur van Christus bevestigd wordt, maar ook omdat Hij ons bewijst wat vruchten daaruit komen. De Zone Gods, zegt hij, is mensch geworden, opdat Hij deelachtig werd één geslacht en natuur met ons. Wat kon Hij bekwamer zeggen tot versterking van ons geloof: want hierdoor blijkt, dat Hij ons in onuitsprekelijke liefde heeft liefgehad: maar de overvloedige kracht van deze liefde ligt in de aanneming van onze natuur, opdat Hij Zich den staat van sterven zou onderwerpen: want de Godheid kon niet sterven. En hoewel Hij de vrucht van zijn dood maar kortelijk aanroert: zoo is nochtans in zoo weinig woorden de zaak levendig en wonderlijk wel uitgedrukt, te weten, dat Hij ons zoo bevrijd heeft van de kracht des duivels, dat wij alsnu voor hem niet behoeven te zorgen; en dat Hij ons alzoo verlost heeft van den dood, dat wij dien niet meer behoeven te vreezen. Maar omdat hier niet één woord is, of het is zeer gewichtig, zoo moeten wij deze plaats des te vlijtiger doorzien en uitleggen. Ten eerste, deze vernieling des duivels, waarvan hij hier spreekt, strekt hiertoe, dat hij geen macht meer over ons heeft: want hoewel de duivel nog kracht heeft, en gedurig zijn best doet om ons te verderven: nochtans zijn macht, die hij heeft om ons te beschadigen, is hem benomen. En dit is ons een groote vertroosting, dat wij verzekerd zijn, met een vijand te kampen, die geen macht over ons heeft. Dat dit om onzentwil gezegd is, kan men verstaan uit het navolgende: Opdat hij vernietigen zou dengene, die de macht des doods had; want de apostel wil hierdoor te kennen geven, dat de duivel vernield is, zoover hij macht had om ons te verderven. Dit rijk wordt alzoo genoemd van zijn werking, omdat het ons doodelijk is, en verderving brengt. Hij bewijst dan, dat niet alleen de tirannie des duivels vernield is door den dood van Jezus Christus: maar de duivel zelve zoo machteloos nedergeslagen is, dat wij hem niet meerder behoeven te vreezen, dan of er geen duivel ware. Hij spreekt

ocr page 45

HEBREËN 2 : 14—16.

van den duivel in 't enkelvoud, gelijk de Schrift dat voor een gebruik heeft. Niet dat er maar één is, maar omdat ze al te zamen één lichaam vormen, dat zonder hoofd niet kan gedacht zijn.

15 Allen, die met vreeze. Deze plaats drukt zeer wel uit, hoe ellendig het leven dergenen is, die den dood vreezen, gelijk het ook moet zijn, dat hij dengenen vreeselijk en verschrikkelijk is, die daaraan zonder Christus denken: want alsdan vinden ze anders niet dan vervloeking: want waarvan komt toch de dood, dan door Gods toorn tegen de zonde? Vandaar komt deze slavernij zoolang zij lt;

leven: dat is te zeggen, een gedurige strijd der benauwdheid, waarmede de arme zielen verstrikt worden: want het oordeel Gods staat hun altijd voor oogen door de kennis en knaging der zonden.

Jezus Christus heeft ons verlost van die vreeze, die onze vervloeking dragende, weggenomen heeft al wat voor ons in den dood kon verschrikkelijk zijn. En hoewel het waar is, dat wij ook moeten sterven: nochtans levende en stervende zoo zijn wij gerust en weltevreden, wetende dat wij Christus voor een leidsman hebben. Is er nu iemand, die zijn zinnen niet tevreden kan stellen door versmading des doods, deze moet weten, dat hij nog zeer weinig in Christus' geloof gevorderd is: want gelijkerwijs een te zeer groote vreeze komt door gebrek van kennis der genade van Jezus Christus, zoo is het ook een zeker teeken van ongeloof. De dood beduidt hier niet alleen scheiding van ziel en lichaam, maar ook de straf, die ons door Gods toorn toegezonden is, in zulke wijze,

dat dit woord begrijpt de eeuwige verdoemenis: want waar schuld en overtreding tegen God is, daar vertoont zich terstond de hel.

1

16 Want Hij neemt voorwaar de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.

17 Daarom moest Hij alleszins den broederen gelijk worden, op-rn. ü:7.

dat Hij barmhartig wezen zou, en een getrouw Hoogepriester, Hebr- 4: la-in hetgeen bij God (te doen was) om de zonden des volks te verzoenen.

18 quot;Want daardoor dat Hij zelf verzocht zijnde geleden heeft, Hebr. 4; 15.

kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.

16 Want Hij neemt. Hij vergroot door deze gelijkenis de weldaad en eere, die Christus ons gedaan heeft, aannemende ons vleesch,

omdat Hij nooit zulke eer den engelen heeft bewezen. Omdat dan het menschelijk geslacht zoo bijzonder hulp van noode had, om zulk een verschrikkelijken val des menschen te verzoenen: zoo heeft het den Zone Gods beliefd, dat er een uitnemend pand zijn zou van zijne liefde, die Hij tot ons droeg, hetwelk den engelen niet gemeen was. Dat Hij ons hier boven de engelen stelt, is niet geweest om de uitnemendheid die in ons was, maar door het aanzien van onze ellende. Hierom moeten wij niet roemen, dat wij hooger 1,

zijn dan de engelen: maar dat de hemelsche Vader meerder barmhartigheid jegens ons gebruikt heeft, gelijk wij wel van noode had- ,1den, opdat de engelen van boven zouden zien een zoozeer groote goedertierenheid op de aarde uitgestort. Dat hij hier gebruikt den tegenwoordigen tijd. Hij neemt niet, laat ik slaan op het getuigenis ' der Schrift, alsof hij ons voor oogen toonde, wat in voortijden van de profeten beloofd was. Voorts, zoo is deze ééne plaats sterk ge-

41

•1 V , ) 'l

'

1 ,■

1

■ 1

■1', .

1

; . .. . ■%

ocr page 46

HEBREEN 2 : 16, 17.

noeg, om de Marcionieten, Manicheën, en alle andere dergelijke droomers te overwinnen, die daar loochenen, dat Christus waarachtig mensch is en geboren van menschelijk zaad. Heeft Christus dan anders niets gedaan dan dat Hij een menschelijk figuur gedragen heeft, zoo is Hij ook in voorleden tijden dikmaals verschenen in de gedaante der engelen: zoo zou daar dan geen onderscheid zijn. Maar omdat men niet zeggen kan dat Jezus Christus ooit een ware engel geweest is, bekleed met een engelennatuur, kan men om deze reden dan beter zeggen, dat Hij eer den mensch aangenomen heeft, dan de engelen. De apostel spreekt van de natuur, en geeft te kennen dat Jezus Christus met het vleesch bekleed zijnde, waarachtig mensch is geweest, in zulke wijze, dat in twee naturen eenigheid des per-soons is: want deze plaats is den Nestorianen niet gunstig, die daar versieren twee Christussen te zijn: alsof de Zone Gods geen waarachtig mensch ware geweest, dan dat Hij alleen in menschenvleesch gewoond had. Wij zien wel, dat de apostel een heel andere meening heeft gehad: want hij wil hier bewijzen, dat wij eenen broeder vinden in den persoon van den Zone Gods: uit oorzaak van de mede-deeling van éêne natuur. Daarom niet tevreden zijnde, dat Hij Zich mensch noemt, zoo zegt hij, dat Hij geboren is van menschelijk zaad. En stelt namelijk het zaad van Abraham, opdat men zijn woorden beter geloof zou geven: want zulks is uit de Schrift genomen.

17 Daarom moest Hy alleszins. Daar moeten in de menschelijke natuur v^n Jezus Christus twee dingen aangemerkt zijn, te weten, het wezen des vleesches en de bewegingen. Hierom leert de apostel, dat Hij niet alleen het menschelijk vleesch aangenomen heeft, maar ook alle bewegingen, die eigenlijk in den mensch zijn. Hij toont ook de vrucht die daaruit komt, welke de ware leer des ge-look is, te weten, dat wij in ons gevoelen, waarom de Zone Gods onze zwakheden heeft aangenomen: want wat is het van al de wetenschap, die wij kunnen hebben, zoo wij deze vrucht niet gevoelen? Verder zoo verkondigt hij, dat Christus onderworpen geweest is het menschelijk lijden, opdat Hy barmhartig wezen zou, en een getrouw Hoogepriester. Welke woorden ik aldus uitleg, opdat Hij zou zijn barmhartig en ook daarom getrouw. Want in een hoogepriester (wiens ambt is, de gramschap Gods te verzoenen, de ellendigen te helpen, de gevallenen op te richten, en de belasten te ontlasten) is vooral barmhartigheid van noode, welke in ons het gemeene medelijden baart; want het gebeurt niet dikmaals dat zij, die altijd op hun gemak geleefd hebben, lichtelijk andermans leed gevoelen. Voorwaar, wat Virgilius, de Latijnsche dichter, gezegd heeft, is uit de dagelijksche gewoonte der menschen genomen:

Recht kan ellende worden overdacht van degenen, die lijden heeft bezocht.

Niet dat het den Zone Gods van noode was, getrokken te worden tot beweeglijke barmhartigheid door lijden en moeielijkheid: maar omdat men ons anders niet zoo wèl zouden kunnen doen verstaan, dat Hij barmhartig en genegen ware om ons te helpen, zoo Hij niet geoefend geweest ware in onze ellende: want dit (als vele andere dingen) is geschied om onzentwil. Daarom, zoo dikmaals als ons eenig verdriet, kruis of lijden aankomt, hetzij ook wat het zij: zoo laat ons gedenken, dat ons niets geschiedt, of de Zone Gods heeft dat ook zelf geproefd, opdat Hij medelijden met ons

42

ocr page 47

43

zou hebben. En wij zullen niet twijfelen, of Christus is ons altijd alzoo behulpzaam, alsof Hij zelf met ons lijdende ware. Het woord getrouw beduidt waarlijk en oprecht: want het is een tegenstelling van een valsch mensch, die aan den roep zijns ambts niet het minst voldoet. Ook de ondervinding van onze ellende is Christus tot zulk een mede-doogen trekkende, dat Hij zorgvuldig is om voor ons aan God om hulp te bidden. Wat is er nu nog meer? Toen Hij onze zonden wilde reinigen en voldoen, zoo heeft Hij onze natuur aangedaan, opdat Hij in ons vleesch den prijs der verzoening zou hebben, kortom, opdat Hij ons met Zich zou inleiden in Gods heiligdom, door het recht der natuur, hetwelk wij met Hem gemeen hebben. In hetgeen dat bü God te doen was, hieruit verstaat hij al wat daartoe behoort en tot onze verzoening strekt met God.

18 Want daardoor dat Hij zelf verzocht zjjnde. Geoefend zijnde (zegt hij) in onze krankheden, zoo is Hij om ons te helpen genegen : want verzoeking beduidt hier niet anders dan bevinding of proef. En kan Hij, is hier genomen, voor Hjj is bekwaam, Hü dient, of is genegen.

HET DERDE HOOFDSTUK.

1 Hierom, heilige broeders! die der hemelsche roeping deelachtig

zijt, aanmerkt den Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis, Hebr. i; 14 Jezus Christus; 8!l:

2 Die getrouw is dengenen, die Hem gesteld heeft, gelijk ook Nam. 12:7. Mozes in geheel zijn huis getrouw was.

3 Want deze is zooveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene, die het huis gemaakt heeft, meerder eer heeft dan het huis.

4 Want een iegelijk huis wordt van iemand gemaakt, en God Gen. 1; 1. is het, die dat al gemaakt heeft.

5 En Mozes [was] getrouw in geheel zijn huis, als een dienaar, Deut. 18; 15, tot getuigenis der dmgen, die namaals zouden gezegd worden.

6 Maar Christus als de Zoon over zijn huis: wiens huis wij zijn, 1 Cor. 3:16; zooverre wij het vertrouwen en de hoop, waarvan wij roemen, 2 oól-. 6:16. tot het einde vast behouden. itonT's V 5'

1 t hierom, heilige broeders! Hij besluit hier de voorgaande

I-1 leer met een zeer nutte vermaning, opdat de Joden vlijtig

-'-overdenken zouden en bekennen, hoedanig en hoe groot Christus \vas. Want omdat hij Hem hierboven een leeraar en hooge-priester genoemd heeft, zoo heeft hij met korte woorden een gelijkenis genomen van Mozes en Aaron, als nu beide hun ambten vervattende. Want hij versiert Hem met de beide titels, gelijk Hij ook twee ambten in de kerk Gods bezit. Mozes heeft het ambt van een profeet en leeraar bediend, en Aaron van een priester, maar aan Christus is hun beider ambt gegeven. Daarom, willen wij Hem aannemen, gelijk dat behoort, zoo moeten wij aanmerken hoedanig Hij is, en wij moeten Hem bekleeden met zijne kracht, opdat wij in zijn plaats geen ijdele schaduw van Christus aangrijpen. Allereerst,

ocr page 48

44 HEBREËN 3 : 1—3.

dit woord aanmerkt, is zeer gewichtig; want het geeft te kennen, dat men deze plaats zeer vlijtig moet inzien, zoodat het zonder groote straf niet versmaad kan worden. En daarbenevens, dat de ware kennis van Christus genoeg is, om alle duisterheid der dwalingen te verjagen. Opdat hij dan den Joden alsnu te meer moed geven zou tot zulke genegenheid, zoo vermaant hij ze van hun eigen roeping, alsof hij zeide: God heeft aan ulieden geen kleine genade betoond, dat Hij ulieden tot zijn rijk geroepen heeft. Nu ontbreekt er niets meer aan, dan dat gij alsnu uw oogen slaat op Christus, den hertog des levens. Maar daarom moeten wij niet denken, dat dit alleen tot de Joden gezegd is, maar dat het een algemeene leer is al dengenen voorgesteld, die daar begeerte hebben om in Christus' rijk te komen, dat zij naarstiglijk op Christus zien zullen, aangezien Hij de eenige meester van ons geloof is, en zulks bevestigd heeft door zijn offerande. Want belijdenis wordt hier genomen voor geloof, en is zooveel alsof Hij zeide: Het geloof dat gij hebt, is ijdel en onnut, tenzij het op Christus sta.

2 Die getrouw is. Dit is een lofrede op het apostelambt van Jezus Christus, opdat de geloovigen vrijelijk op Hem zouden rusten. Hij prijst Hem op tweeërlei wijze, te weten, dat Hem onze hemelsche Vader voor ons verordend heeft tot een leeraar, en dat Christus zelf zijn opgelegd ambt getrouwelijk heeft volbracht. Deze twee zijn altijd noodzakelijk, om de autoriteit der Schrift te versterken: want God moet alleen gehoord zijn, gelijk de gansche Schrift uit-

Joii. 7: ie. wijst. Hierom betuigt Christus, dat zijn leer die Hij voorstelt de zijne niet is, maar zijns Vaders. En zegt ook op een andere

Luk. 9:48. plaats: Die Mij ontvangt, die ontvangt Dengene, die Mij gezonden heeft. Wij spreken hier van Christus, gelijk Hij met ons vleesch bekleed is. Hij is een dienaar des Vaders, om te verkondigen wat Hem bevolen is: en benevens de beroeping van Christus die van God is, zoo is nog dit, dat Hij die getrouw en oprecht bediend heeft, hetwelk van alle getrouwe predikanten geëischt wordt, opdat zij aanzien en gehoor in de kerk van Christus mogen verkrijgen. Worden deze twee punten nu beide in Christus gevonden, zoo kan men die voorwaar niet verachten, of God wordt mede veracht en versmaad. Gelyk ook Mozes was. Een weinig de zaak van het priesterambt achterwege latende, zoo handelt hij hier van het apostelambt van Christus: want aangezien daar twee deelen in het verbond Gods zijn, te weten, verkondiging der leer, en wezenlijke bevestiging, zoo zou de geheele volkomenheid des verbonds anders niet vaststaan, zoo niet dezer beider recht in Hem werde gevonden. De schrijver dezes zendbriefs van beide hebbende vermaand, zoo wekt hij ook ten laatste door een korte vermaning de geloovigen op tot alle vlijtigheid. Verder, zoo begint hij nu een grooteren handel, en legt deze zaak breeder uit, en begint met het ambt en den last eens leeraars, en hierom vergelijkt hij Christus alleen bij Mozes. Aangaande hetgeen hij zegt, in geheel zijn huis, kon getrokken worden op Mozes, maar ik voeg het liever aan Christus toe, opdat Hij gezegd worde zijnen Vader getrouw te zijn in het regee-ren des huizes. Waaruit volgen moet, dat ze van de kerk van Christus niet zijn, die in Christus niet gelooven.

3 Want deze is zooveel meerder heerlijkheid waardig geacht. Opdat men niet meene, dat hij Christus aan Mozes gansch gelijk

ocr page 49

HEBREËN 3 : 3, 4.

wil maken, zoo bewijst hij hoe veel Christus grooter is, en dit doet hij door twee bewijsredenen. Mozes heeft alzoo de kerk bediend,

dat hij nochtans altijd een lidmaat en deel daarvan was: maar Jezus Christus is de hoogste werkmeester, zijnde boven alle bouwlieden. Mozes anderen regeerende, wordt ook geregeerd, zoodat hij een dienaar was: maar Christus, omdat Hij de Zoon was, behoudt de heerlijkheid. Het is een gemeene gelijkenis en gewoon spreek-1 Tim-3:15-woord, dat de kerk genaamd wordt een Godshuis, en omdat ze nu geboren is uit geloovigen, zoo wordt hierom een iegelijk van hen een levende steen genaamd, en somtijds ook vaten, waar het huis i Petr- S:5. mede wordt toegerust. Zoo is er dan niet een die zoo uitsteekt of 'm : hoog is, of hij is een lid begrepen onder het lichaam. God is alleen de opperste werkmeester, welke ook alleen over zijn bouw en werk moet gesteld zijn. Nu is het waar, dat God in Christus woont,

op zulke wijze dat al wat van God gezegd is Christus toekomt.

Wil nu iemand tegenwerpen, dat Christus ook een deel des huizes is,

omdat Hij het fundament is, onze broeder, en omdat Hij gemeenschap met ons heeft, en wat meer is, dat Hij geen werkmeester is,

omdat Hij ook van God gemaakt is, dit kan men lichtelijk beantwoorden, te weten, dat ons geloof alzoo in Hem gegrond is, dat Hij desniettemin gesteld is tot een regeerder over ons. Dat Hij ook op zulke wijze onze broeder is, dat Hij nog daarbenevens ook onze Heere blijft. Dat Hij op zulke wijze van God gemaakt is, zooveel zijn menschheid belangt, dat Hij nochtans alle dingen levend maakt en vernieuwt door zijnen Geest, omdat Hij een eeuwig God is. De Schrift gebruikt verscheiden uitleggingen en getuigenissen, om de genade van Jezus Christus uit te drukken, die Hij tot ons heeft, maar daar is er niet eene die iets vermindert van zijne eer, waarvan de apostel als-nu vermaant. En dit is de oorzaak, waarom zij allen op ée'n lijn moeten gesteld zijn, omdat ze het hoofd moeten onderdanig zijn,

en dat Christus alleen door dit middel uitgezonderd wordt, omdat Hij het hoofd is. Antwoordt nu iemand wederom, dat Mozes zoowel werkmeester geweest is als Paulus, die zich met dezen naam roemt: ik antwoord, dat deze naam den profeten en leeraars toegeschreven is, maar niet eigenlijk, nademaal zij niet dan instrumenten zijn, die gansch dood zijn, tenzij God uit den hemel eenige kracht hun inblaze. En wat meer is, zij arbeiden op zulke wijze om de kerk te bouwen, dat zij zelf ook vereenigd worden in de bouwing des huizes,

als een deel daarvan zijnde. Maar het is heel wat anders met Christus: want Hij heeft altijd zijne gemeente gebouwd door de eigenlijke kracht zijns Heiligen Geestes. Wat meer is. Hij is altijd uitblinkende en verheven geweest boven het gemeene getal van alle anderen, omdat Hij op zulke wijze de waarachtige tempel Gods was, dat Hij ook mede God was, die daarin woonde.

4 Die het al gemaakt heeft. Hoewel men deze woorden kon trekken tot de schepping der gansche wereld, nochtans zoo drijf ik deze op de tegenwoordige zaak, opdat wij verstaan dat er niets geschiedt in de kerk van Christus, of men moet bekennen, dat het van de kracht Gods komt: want Hij is het zelf, die ze met eigen hand gefundeerd heeft, Ps. 87:5. En Paulus zegt van Jezus Chris-Ef. 4; is. tus, dat Hij het hoofd is, uit hetwelk het geheele lichaam, te zamen gevoegd en gebonden door al de toegevoegde leden, naar de werking van een iegelijk deel in zijne mate, opwast. Hierom

45

ocr page 50

HEBREËN 3; 4—6.

zegt hij ook dikmaals, dat de vrucht zijns predikambts een werk Gods is. In één woord, zoo wij dit in der waarheid aanmerken: hoewel God de middelen van menschen gebruikt tot opbouwing zijner kerk, zoo is Hij nochtans alleen die het al volbrengt. Want het instrument kan den werkmeester niet verminderen.

5 Mozes was getrouw in geheel zijn huis. Dit is het tweede onderscheid, te weten, dat Mozes de leer bevolen is geweest, maar het is geschied op zulke wijze, dat hij zoowel als alle anderen, Gode moest onderworpen zijn. Maar Jezus Christus, hoewel Hij aangenomen heeft de gestalte eens dienstknechts, nochtans is Hij Meester en Heere, onder wien zij allen moeten buigen. Hij is tot een algemeen erfgenaam gesteld, gelijk wij gezien hebben in hfdst. 1: 2. Tot getuigenis der dingen, die namaals zouden gezegd worden, leg ik eenvoudig uit: Omdat Mozes een. verkondiger was van deze leer, die naar gelegenheid des tijds het oude volk moest verkondigd wezen: zoo heeft hij mede getuigenis van het Evangelie gegeven, waarvan de tijd om te prediken nog niet gekomen was: want voorwaar het blijkt openlijk, dat de volkomenheid der wijsheid in het Evangelie begrepen, het einde en de vervulling der wet is. En het schijnt, dat het Grieksche woord (hetwelk van den toekomenden tijd spreekt, en wij overzetten; Der dingen die namaals zouden gezegd worden, of die te zeggen waren) deze uitlegging begeert. De inhoud daarvan is, dat Mozes het volk getrouw verkondigd heeft wat hem van God bevolen was: maar dat hem een zekere mate gesteld was, die hem niet geoorloofd was te overtreden. God heeft voortijds dikmaals op menigerlei wijze gesproken door de profeten, zoodat Hij tot de volheid des tijds de verkondiging des Evangelies opgehouden heeft.

6 Wiens huis wjj zyn. Even gelijk de heilige Paulus (nadat hij deze voorrede gebruikt heeft, dat hij een apostel is verordend voor de heidenen) daarbij voegt, dat de Romeinen, aan wie hij schrijft, van hetzelfde getal zijn, opdat hij bij hun vast betrouwen verwerve: zoo doet alsnu de schrijver van dezen brief, en vermaant de Joden, die nu Christus' naam beleden hadden, dat ze in hun geloof volharden zullen, opdat zij werden van het getal der huisgenooten Gods. Hij had te voren gezegd, dat het huis Gods onder de heerschappij van Christus is: hieraan wordt zeer bekwamelijk deze vermaning toegevoegd, dat zij alsdan plaats zullen hebben in het huisgezin Gods, als zij Christus onderdanig zijn. Maar omdat ze nu het Evangelie hadden begonnen aan te nemen, zoo stelt hij daar deze voorwaarde bij: Zoo zij blijven vaststaan in zjjn geloof. Ik zet hier voor hoop, geloof, en voorwaar, hopen is ook niet anders dan volstandigheid des geloofs. Betrouwen en roemen stelt hij hier, om de kracht beter uit te drukken. En hierom zeggen wij, dat die het Evangelie vreezende en wankelende inwilligen, geenszins geloovigen zijn: want het geloof kan niet wezen zonder eenen gerusten geest, dewelke een roemende standvastigheid baart. Ook heeft het geloof altijd deze twee werken bij zich, te weten, stoutigheid en roemen: gelijk wij gezegd hebben in Rom. 5 en in Ef. 3, tegen welke plaatsen de gansche pauselijke leer strijdt. Door dit alleen (aangenomen dat zij geen ander gebrek had) verderft ze veelmeer de kerk Gods, dan zij dezelve bouwt. Want zij verduisteren niet alleen door hun eigen vonden, maar verdoemen

46

ocr page 51

HEBREËN 3:6, 7.

ook openlijk zeer lichtvaardig deze zekerheid, door welke alleen de apostel leert, dat wij geheiligd worden om tempelen Gods te zijn.

En wat meer is, wat vast betrouweu of stoutigheid kan daar zijn,

als de menschen niet weten wat zij gelooven zullen? En dit zeldzaam wonder van het verwarde geloof hetwelk zij versieren, is niet anders dan een toelating om van den rechten weg te dwalen. Deze plaats vermaant ons, dat wij altijd voortvaren moeten tot onzen dood toe; want al ons leven is niets dan een loop.

7 Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, zoo gij zijne p»- 95 stem hoort. Ex. ii-.i.

8 Zoo verhardt uwe harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering, ten dage der verzoeking in de woestijn.

9 Waar Mij uwe vaders verzochten, zij beproefden Mij, en zagen mijne werken, veertig jaren.

10 Daarom was Ik verstoord op dat geslacht, en zeide: Zij dwalen altijd met het hart, en zij hebben mijne wegen niet bekend.

11 Zoodat Ik zwoer in mijn toorn: Zoo zij in mijne ruste komen! ^^3

12 Ziet, broeders! dat niet te eenigen tijd in iemand van ulieden een boos, ongeloovig hart zij, om van den levenden God af te wijken.

13 Maar vermaant elkander allen dag, zoo lang het heden genaamd wordt, opdat niemand onder ulieden verhard worde,

door de verleiding der zonde.

Hij gaat voort met zijne vermaningen, dat zij den sprekenden Christus zouden onderdanig zijn, en opdat zijn vermaning te meerder aanzien hebbe, zoo bevestigt hij dit met een getuigenis uit David.

Want aangezien zij wat hard moesten aangetast worden, zoo was het beter eens anders rede te gebruiken, opdat hij ze niet vertoornde. Had hij hun eenvoudig het ongeloof hunner vaderen verweten, zij zouden dat niet gaarne gehoord hebben: maar nu hij hun David voorstelt, zoo is de zaak zoo hatelijk niet. De inhoud dan hiervan is, gelijk het Gode van den beginne aan beliefd heeft,

dat men zijn woord zou onderdanig zijn, en niet heeft kunnen lijden eenige hardnekkigheid, of Hij heeft ze zwaarlijk gestraft: alzoo ook hedendaags: willen wij ons niet laten leeren, onze hardnekkigheid zal niet minder gestraft worden. Voorts, zoo is de rede blijven hangen tot dat deel, waar hij zegt: Ziet, broeders! dat niet te eenigen tijd, enz. Opdat dan het verband te beter vloeie, zoo moeten wij wat er overblijft tusschen haakjes stellen, en nu elk stuk afzonderlijk naar orde uitleggen.

7 Gelijk de Heilige Geest zegt. Dit is veel beter om der lieden harten te bewegen, dan of hij David bijname noemde. En het is zeer goed en nuttig, dat men zulke manier van spreken gebruikt,

opdat wij gedenken, dat de woorden uit de boeken der profeten getrokken, geen menschenwoorden zijn, maar Gods. Voorts, wijl deze uitspraak: Heden! zoo gij zijne stem hoort, een deel is van het voorgaande vers, leggen sommigen het niet kwalijk uit: Och,

of gij, enz. Het is wel waar, nadat David de Joden, Gods volk en zijne schapen genoemd heeft, heeft hij daar terstond bijgevoegd: Dat zij Gods stem moeten hooren: want hij vermaant ook daarbenevens

47

ocr page 52

HEBREËN 3:7, 8,

degenen, die hij genood had om Gods lof te zingen, en zijn goedheid te prijzen, dat gehoorzaamheid de voornaamste dienst is, die God begeert, en alle offeranden te boven gaat. Zoo is dan het voornaamste, dat zij Gode gehoorzaam zijn. Hier volgt: En verhardt uwe harten niet, door welke woorden bewezen wordt, dat onze wederspannigheid tegen God geen anderen oorsprong heeft, dan booze moedwilligheid, te weten, als wij de genade van Christus buitensluiten. Het is wel waar, dat wij van nature een steenen hart hebben, en dat ieder deze hardigheid medebrengt uit zijns moeders lichaam, en dat God alleen de harten kan vermurwen en verbeteren: nochtans, als wij de stem des Heeren van ons stooten, geschiedt dat door moedwillige verachting, en door geen andere aandrijving. Hiervan kan een iegelijk zijn eigen getuige wezen. Waardoor de Geest terecht alle ongeloovigen bestraft, omdat zij zich tegen God stellen, en dat zij zeiven de oorzaak zijn van hunne hardnekkigheid, opdat zij de schuld aan geen ander zouden geven. Nochtans zoo kan men hieruit niet besluiten, dat het in onze macht en wil is onze harten te bereiden tot Gods gehoorzaamheid, maar het is eerder vannoode dat dit den menschen altijd gebeure, hunne harten te verharden, totdat hun een ander hart van den hemel gegeven wordt. Want omdat wij genegen zijn tot alle boosheid, zoo zullen wij nimmer ophouden Gode wederspannig te zijn, totdat wij door zijn hand getemd en gedwee zijn gemaakt.

8 Geljjk het geschied is in de verbittering. Het was zeer nut om tweeërlei oorzaak, dat de ongehoorzaamheid hunner vaderen hun werd verhaald: want alzoo zij dwazelijk opgeblazen waren door het roemen op hun geslacht, zoo volgden zij dikmaals hunner vaderen gebreken inplaats van de deugden, en verontschuldigden zich met hun voorbeeld. Hoorende nu dat hun vaderen ongehoorzaam waren geweest, zoo bekenden ze hierdoor beter, dat deze vermaning niet onnoodig was. Ook omdat ten tijde des apostels deze twee redenen plaats hadden, zoo brengt hij gaarne te pas, wat voortijds van David gezegd was: opdat ook degenen, aan wie hij dezen briet schrijft, niet te zeer op hunne vaderen zouden staan. Hieruit moet een algemeene leer genomen worden, in hoeverre men de autoriteit der vaderen toelaten zal, te weten, zoover, dat wij daardoor niet afgekeerd worden van den eenigen God: want zijn daar oudvaderen eerwaardig geweest, zoo zijn ze voorwaar onder de Joden geweest. En niettegenstaande, zoo beveelt David uitdrukkelijk hunnen kinderen, dat ze zich wachten zullen huns gelijken te worden. Ik twijfel niet, of hij ziet hier op de historie in Exodus 17, want David gebruikt hier twee namen, die Mozes verhaalt, dat aan de plaatsen gegeven zijn waar dit geschied was, te weten, Meriba, hetwelk twist of verbittering beduidt, en Massa, dat zooveel is als verzoeken: want zij verzochten God, zeggende, dat Hij niet in 't midden van hen was, uit oorzake van het gebrek aan water. En daarnevens, zoo hebben ze Hem ook vergramd, omdat zij met Mozes twist hadden. En hoewel daar nog vele andere voorbeelden zijn van hunne ongehoorzaamheid, zoo kiest David dit voornamelijk uit, omdat het waardig te onthouden is boven alle andere. Verder, omdat hij naar de orde des tijds, het overige vervolgd heeft, immers het meeste deel, gelijk men bekennen kan uit het vierde boek van Mozes, waarin men een doorgaande afmaling ziet van velerhande verzoeking, de een na de

48

ocr page 53

HEBREËN 3:8—11.

ander van het tiende hfdst. af, zoo vindt men deze in hfdst. 20,

welke omstandigheid de misdaad nog veel gruwelijker maakt: want nadat zij zoo dikmaals Gods goedheid en kracht gesmaakt hebben, zoo laten zij nog niet af moedwillig met Hem te twisten, en ge-looven Hem gansch niet. Ach, wat groote ondankbaarheid is dit? Hij stelt dan een deel voor het geheel. Het woord verzoeken,

wordt hier genomen voor smart aandoen: want hoewel God hun dikmaals allen bijstand gedaan had, nochtans vergetende al het goed dat hun geschied was, zoo vragen ze al spottende: waar is zijne kracht ?

9 Zy proefden my. Dit deel moet aldus uitgelegd worden: hoewel zij gezien en geproefd hadden mijne werken. Want Hij vergroot deze goddelooze misdaad, omdat zij zich zoo weinig beteren, zijnde gewaarschuwd met zoo menige beproefde daad; want het is een groote onachtzaamheid en plompheid geweest, dat ze de kracht Gods zoo klein achtten, die ze zoo geheel beproefd hadden. Wat er volgt van de veertig jaren, is met het volgende in Da-vids psalm vervat. Nu weten wij, dat de apostelen in het bijbrengen der getuigenissen, meer zien op den hoofdinhoud der zaak, dan zoo zorgvuldig op de woorden te staan. En ook zoo beklaagt Zich God, dat Hem dit volk moeilijk geweest is veertig jaren lang, omdat zij door al de weldaden, die Hij hun gedaan hoeft, niet gebeterd zijn. Want hoewel God dezen ondankbaren gedurig zijn goedheid bewees, desniettemin hielden zij niet op, zich tegen Hem te verheffen. Hierdoor komt de gedurige verstoring, alsof Hij zeide: Zij hebben Mij niet voor e'énmaal noch voor een weinig tijds verstoord, maar volhardende in hun boosheid, wel veertig jaren lang. Geslacht beduidt ouderdom, of den tijd van eens menschen leven.

10 En Ik heb gezegd. Dit is een uitspraak Gods, waardoor Hij verkondigt, dat zij buiten hun zinnen zijn, en voegt de reden daarbij, te weten: Omdat zij zyne wegen niet hebben bekend. In één woord. Hij houdt ze voor vertwijfeld volk, omdat zij van zinnen en rede zijn beroofd, en spreekt hier in den persoon van een mensch, die na veel onderzoekens zegt, dat hij hun dwaze hardnekkigheid bekent: want Hij zegt, dat zij altijd dwalen, zoodat men geen hope van betering ziet.

11 Zoodat Ik zwoer. Dit is de straf van hun zotte uitzinnigheid,

dat zij beroofd zijn van hun beloofde erve. Voorts, noemt de Heerc zjjn rust het land, waar zij hun zekere woonplaats zouden hebben gehad. Want zij waren als vreemdelingen en pelgrims in Egypte geweest, maar het land Kanaan zou hun naar de belofte Gods tot een eeuwige erve geweest zijn. En God noemt ze zijne, door de belofte, want wij hebben nimmer vaste plaats, dan waarin wij gesteld worden van de hand Gods. Het recht van deze zekere bezitting was gegrond in wat God tot Abraham sprak: Ik zal dit

49

land uw zaad geven. Aangaande wat God zweert, hierdoor wordt Gei1- 12 de booze moedwilligheid te klaarder en met meerder kracht uitgesproken; het is een teeken, dat Gods toorn zeer ontstoken is. Zoo z|j in myn rust komen! Dit is een manier van zweren, waarbij wat verstaan wordt; een verwensching of dergelijke, naardat de menschen spreken. En als God zelve spreekt, zoo is het zooveel alsof Hij zeide; Zoo achte men Mij niet waar, of men geloove Mij daarna niet, indien het niet alzoo geschiedt. Nochtans leert ons

4

Dl. VII.

ocr page 54

HEBREËN 3:11, 12.

deze manier van spreken, waarin een weinig ontbreekt, alle vreeze en eerbied, opdat wij niet lichtvaardig zullen zijn in het zweren: gelijk er velen zijn, die gewoon zijn in alle redenen gruwelijk te vloeken en te zweren. Aangaande deze plaats, wij moeten niet denken, dat zij alstoen door den eed Gods eerst verstoeten werden van den ingang des beloofden lands, toen zij God verzochten te Rafidim. Zij waren daar lang tevoren buitengesloten geweest, te weten, nadat zij het antwoord van de verspieders ontvingen, en zwarigheid maakten om verder te trekken. God zegt dan hier niet, dat het verzoeken de eerste oorzaak is geweest, waardoor zij verworpen werden van het bezit des .beloofden lands, maar Hij geeft hier te kennen, dat ze door geenerlei kastijding tot een verstandig hart wederom konden geroepen worden, zij hoopten zonde op zonde; en door dit middel toont Hij, dat ze wel verdiend hebben van Hem zoo straf behandeld te worden, omdat zij niet ophielden, Gods gramschap meer en meer te vermeerderen door de zonde; alsof Hij zeide: Dit is het geslacht, dat Ik geweigerd heb het bezit des lands wat ik hun beloofd had, die na veertig geheele jaren hun hardnekkige dwaasheid getoond hebben door ontallijke zonden.

12 Ziet, broeders! dat er niet te eeniger tijd. Ik wil liever behouden wat de apostel letterlijk gesteld heeft, dan eenige omschrijving te maken, te weten, een boos ongeloovig hart. Waarmede hij te kennen geeft, dat ongeloof gemengd zal zijn met verkeerdheid en boosheid, zoo zij zich van het geloof in Christus afkeeren, nadat zij Christus gesmaakt hebben: want hij spreekt tot die thans de leer des Christendoms geleerd was. En daarom voegt hij terstond daarbij: afwijkende, want men kan niet afwijken, of er moet verraderij of ongetrouwigheid geschieden. En daarbenevens toont hij hun een middel, om in deze verkeerdheid niet te vallen, te weten, dat zij elkander zullen vermanen. Want omdat wij van nature tot het kwade genegen zijn, zoo hebben wij onderscheidene hulp van noode, om ons te houden in de vreeze Gods. Wordt ons geloof niet dikmaals geholpen, zoo blijft het verslagen; wordt het niet verwarmd, zoo blijft het koud en gansch bevroren; wordt het niet opgewekt, zoo blijft het slaperig. Hierom begeert de apostel, dat wij door onderlinge vermaningen elkander zullen stichten, opdat de satan door zijn looze vonden in ons hart niet komt, en ons alzoo door zijn bedrog van God afkeere. Welke wijze van spreken moet aangemerkt zijn; want wij werpen ons niet terstond met den eersten aanval in deze razernij om tegen God te strijden, maar de vijand komt ons allengskens bestormen door verkeerde middelen, opdat hij ons door zijn bedrog in zijn net vange, en alsdan verblind zijnde, zoo vallen wij in een openlijke wederspannigheid. Hier moet dan intijds in voorzien zijn: want daar is geen mensch, of dit gevaar dreigt hem, omdat er niets zoo licht is, dan bedrogen te worden; en na het bedrog, zoo wordt het hart verhard. Hieruit kunnen wij zien, hoe zeer ons van noode is, met gedurige vermaningen geprikkeld en opgewekt te zijn. En de apostel verbiedt niet alleen met een algemeen bevel, dat zich een iegelijk zal wachten: maar hij wil, dat zij in zulke manieren zorgvuldig zullen zijn voor de zaligheid van elk lid, dat zij door hun verzuim niet een van degenen, die eens geroepen zijn geweest, zullen laten verloren gaan. En hierin volbrengt hij het

50

ocr page 55

HEBREËN 3: 12-14.

ambt eens rechten herders, die op zulke manier voor de geheele kudde moet waken, dat hij niet ée'n schaapje verwaarlooze.

13 Zoolang het heden genaamd wordt. Alsnu voegt hij de woorden Davids wat nader tot zijne rede: want dit heden, waarvan in den psalm gesproken is, vermaant ons, dat wij het niet alleen trekken zullen op Davids tijd, maar dat hij den ganschen tijd begrijpt, in welken God tegen ons spreekt. Daarom zoo dikwijls en menigmaal en op wat tijd Hij zijnen mond opendoet om ons te leeren, zoo laat ons gedachtig zijn: Heden, zoo gij zijn stem hoort! De heilige Paulus onderwijst ons ook op denzelfden grond, wanneer ons het Evangelie gepredikt wordt, zoo is het de aangename tijd, in welken ons God verhoort, en de dag der zaligheid, in welken Hij ons helpt. Nu, wij moeten dezen bekwamen tijd waarnemen: want laten wij hem door onze luiheid voorbijgaan, wij zullen ons na den tijd tevergeefs beklagen, als hij ons is benomen. Gelijk Christus zegt: Wandelt zoolang gij het licht hebt, want de nacht zal zeer haast komen. Daarom dit woord zoolang, waarschuwt ons, dat wij altijd geen gelegenheid vinden zullen, zoo wij hardnekkig geweest zijn om God te volgen, als Hij ons geroepen heeft. God klopt nu aan onze deur; doen wij Hem niet open, zoo zal het daarop geschieden, dat Hij ons de deur zijns rijks toesluiten zal. In ée'n woord^ het zuchten dergenen, die Gods genade versmaden, die hun heden aangeboden wordt, zal te laat komen. Omdat wij dan niet weten of God zijn roepen verlengen wil tot morgen, zoo laat ons geenerlei uitvlucht van vertrek nemen. Hij roept ons heden, laat ons terstond antwoorden: want er is geen geloof, dan waar een gereed hart is om gehoorzaam te zijn.

14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zoover wij het beginsel des vertrouwens tot den einde vasthouden;

15 Dewijl gezegd wordt; Heden, zoo gij zijn stem hoort, verhardt uwe harten niet, gelijk in de verbittering.

16 Want sommigen, als zij die gehoord hadden, verbitterden [den Heere] maar niet allen, die doorMozes uit Egypte kwamen.

17 Maar van welke had Hij de walg veertig jaren? Was het niet

van degenen, die gezondigd hadden, welker lichamen in de Num. u:3G.

... 11 •• o Ps.lO(i:2C. woestijn gevallen zijn? .........._ Boek der

18 En welken zwoer Hij, dat zij in zijn rust niet komen zouden, wijsii. 1:11. anders dan degenen, die ongehoorzaam geweest waren ? Judas 5,

19 En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan om het ongeloof. :De':'t'

14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden. Hij prijst ze hier, omdat zij zeer wel begonnen zijn: maar opdat zij onder het deksel der genade, die zij ontvangen hebben, de slofheid des vlee-sches den toom niet te ruim zouden geven, zoo zegt hij, dat zij standvastigheid van noode hebben. Want er zijn er velen, die het Evangelie slechts met het uiterste hunner lippen hebben gesmaakt, en houden zich alsof zij gekomen waren tot de hoogste volkomenheid,

niet denkende, dat men altijd moet vorderen. Hierdoor geschiedt ook,

dat zij niet alleen blijven staan in het midden des loops, maar ook bij den slagboom in de renbaan, en zich dan zeer haastelijk naar een andere plaats keeren. Het is wel waar, dat deze tegenwerping een schoonen schijn heeft: wat willen wij meer, nu wij Christus verwor-

51

ocr page 56

HEBREËN 3 : 14—17.

ven hebben? Bezit gij Christus in het geloof, zoo moet gij daarin volharden, wilt gij eeuwig deze bezitting genieten. En daarom heeft ons Christus gegeven Hem te genieten op deze conditie, dat wij tot in den dood zoo groote weldaad zullen bewaren door hetzelfde geloof, waardoor wij toegelaten zijn, om die deelachtig te zijn. En hierom zegt hij, het beginsel, aanwijzende, dat het geloof nu maar begonnen was. Aangezien het Grieksche woord hypostasis, somtijds betrouwen beteekent, zoo kan men dat hier alzoo nemen. Nochtans mishaagt mij niet, dat men overzette substantie, gelijk ook van anderen is overgezet: hoewel ik het nog een weinig anders uitleg. Want daar zijn anderen, die meenen, dat het geloof alzoo genaamd wordt, omdat al het wezen des menschen zonder het geloof niet dan ijdelheid is: maar ik zeg, dat het is, omdat wij daarin zullen rusten: alzoo er geen ander steunsel is, waardoor wij vast kunnen blijven staan. Het woord vasthouden, voegt daar zeer wel bij, want wij zullen vaststaan, en buiten alle gevaar van wankelen, mits wij op het geloof gegrond zijn. Dit is dan de inhoud van wat hij wil zeggen, dat het geloof, waarvan wij nog maar het beginsel hebben, altijd toeneemt, zijnde sterk en volstandig tot het einde.

15 Dewijl gezegd wordt. Hij leert, dat de reden van toenemen nimmer ophoudt, zoolang als wij leven, omdat ons God allen dag roept. Want omdat het geloof met de predikatie des Evangelies overeenkomt, en het gebruik der predikatie levenslang duurt, zoo moet men ook gedurig voorttreden in aanwas des geloofs. Dewijl gezegd wordt, is zooveel, alsof hij zeide: Aangezien het alzoo is, dat de woorden Gods niet ophouden, zoo is het nochtans niet genoeg, dat wij zijn leer eens met een blij gemoed ontvangen hebben, tenzij wij ons voegen om leerzaam en onderdanig te zijn, morgen en overmorgen, ja ten einde toe.

16 Want sommigen, als zij die gehoord hadden. David spreekt in zulke manier van de vaderen, alsof zij allen, die toen ter tijd waren, ongeloovig waren geweest. Nochtans is het zeker, dat er sommigen onder de boozen waren vermengd, die de ware vreeze Gods hadden. De apostel dit vertellende, verzoet een weinig wat te hard van David gezegd was, om ons te leeren, dat dit woord algemeen een iegelijk voorgesteld wordt, opdat zij het allen zouden gehoorzaam zijn met één inwilliging, en dat het ongeloof terecht in het geheele volk veroordeeld wordt, door den afval van het grootste deel, inzoover het lichaam dan verscheurd en zonder steunsel is. Verder, van wat hij zegt: Dat sommigen verbitterd waren, en Hem tot gramschap hebben opgewekt, hoewel het getal van dezen veel grooter was dan het andere, dit doet hij niet alleen, omdat hij hen niet vertoornen zon, maar opdat hij den Joden moed zou geven, dat zij degenen volgen zouden die geloofden, alsof hij zeide: Zoo u God verbiedt der vaderen ongeloof te volgen, zoo stelt hij u ook de andere vaderen voor, opdat ulieden hun geloof tot een voorbeeld zij. Hierdoor wordt dit verzoet, want het kon zonder dit anders te hard schijnen, had hij hun geheel van de wegen hunner vaderen geboden af te keeren. Kwamen door Mozes, beteekent, door de hand van Mozes: omdat hij een dienaar der Egyptische verlossing was. Dit is een stilzwijgende vergelijking van de weldaad, die hun God door Mozes gedaan had, en van de deelachtigheid van Christus, waarvan boven vermaand is.

52

ocr page 57

HEBREËN 3: 18—4: 1.

i8 Op welke Hü vertoornd is geweest. Hij geeft te kennen, dat God nooit op zijn volk vertoornd is geweest, dan om rechtvaardige zaken. Gelijk de heilige Paulus ook bewijst in 1 Cor. 10 ; 5, 6. Daarom van zoo menige straffen als wij lezen dat het volk Gods geschied zijn, zoo vele zware zonden bevinden wij, die Godes wraak ontsteken en over zich roepen. En altijd moeten wij meest aanzien, dat het ongeloof de oorsprong van alle kwaad is. Want hoewel hij dat stelt op het laatst, nochtans zoo verstaat hij, dat het de eerste oorzaak geweest is van de vervloeking. En voorwaar, nadat zij eens ongeloovig zijn geweest, zoo hebben zij niet opgehouden zonden op zonden te hoopen, en van de eene misdaad in de ander te vallen, en alzoo zich terstond wederom nieuwe straf verwekt. Dezelfden dan, die door wantrouwen van zich verstieten het bezit van het aangebodene land, zijn voortgevaren in hun hardnekkigheid: nu eens door begeerlijkheid, dan door murmureeren, dan weer door hoererij, of door zich te besmetten met valschen godsdienst, opdat hun boosheid alzoo te openbaarder zou zijn. Dit ongeloof, dat zij van het begin aan getoond hebben, heeft hun belet Gods weldaden te genieten: want de versmading des Woords heeft ze altijd verwekt tot zondigen. En gelijk zij allereerst verdiend hebben, dat God hun beroo-ven zou van hun beloofde rust, zoo zijn ook al de zonden, die daarna geschied zijn, uit denzelfden oorsprong gekomen. Verder, zoo wordt hier getwist, of Mozes, Aaron en huns gelijken in dat getal begrepen zijn. Ik antwoord, dat de apostel hier meer spreekt van het geheele lichaam in het gemeen, dan van elk lidmaat bijzonder. Het is zeker, dat er veel geloovigen zijn geweest, welke niet gevallen zijn in de algemeene goddeloosheid, of is het geschied, zoo hebben zij daarvan berouw gehad. Aangaande Mozes, die is maar eens wankelbaar in zijn geloof geweest, en dat voor een zeer korten tijd. Daarom is in des apostels woorden een samenvatting van wat in de Schrift dikmaals voorkomt, en wel zoo menigmaal als er sprake is van eene menigte of een ganschen hoop volks.

HET VIERDE HOOFDSTUK.

1 Laat ons dan vreezen, dat niet iemand van ons de belofte van in zijn rust te komen, verlatende, schijne verhinderd te zijn.

2 Want het is ons verkondigd, gelijk ook hun; maar het woord der prediking hielp hun niet, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het hoorden.

i 'T' aat ons dan vreezen. Hij besluit, dat het te vreezen is, dat de | Joden aan wie hij schrijft, beroofd mochten worden van hun ' aangeboden zegen. En zegt wederom: Dat niet iemand, te kennen gevende, dat zijn begeeren ganschelijk is, om hun al te zamen tot God te brengen, zonder iemand uit te zonderen. Gelijk het ambt eens goeden herders is, dat hij alzoo voor zijn kudde zorgt, en elk schaap alzoo bewaart, dat er niet ée'n verloren gaat. Dezelfde genegenheid behooren wij de een voor den ander te hebben, en te vreezen zoowel voor een ander als voor ons zei ven.

53

ocr page 58

HEBREËN 4:1, 2.

Verder, deze vreeze, die ons hier bevolen wordt, is niet om ons de zekerheid des geloofs te benemen, maar om ons zoo groote zorgvuldigheid te geven, dat wij door onachtzaamheid niet te slap-hartig worden. Wij moeten dan vreezen, niet dat wij zullen beven of wantrouwen, alsof het onzeker ware wat er geschieden zal, maar wij zullen Gods genade niet verstooten. De belofte verlatende. Hij geeft te kennen, dat niemand verstooten wordt, dan degene die de genade Gods van zich stootende, eerst zichzelven al willens van de beloften Gods onterft. Want Gode berouwen alzoo zijn weldaden niet, dat Hij zijn gaven geduriglijk laat uitdeden, dan als wij zijn stem niet waarnemen. Het woord dan, leert ons, dat wij door eens anders val ootmoedig zullen zijn, en altijd waken. Gelijk Paulus zegt: Dezen zijn door ongeloof afgebroken, verheft u niet, maar vreest.

2 Want het is ons verkondigd. Hierdoor vermaant hij ons, dat het een leer is, waarmede ons God heden tot Zich roept, en die voortijds den vaderen verordend is. Waarom zegt hij toch dit? Opdat wij zullen verstaan, dat de roeping Gods ons niet meer zal baten, dan zij hun gedaan heeft, zoo wij dezelve niet bevestigen met het geloof. Dit is hier dan bijgevoegd bijwijze van toelating, dat het wel waar is, dat ons het Evangelie voorgesteld is, maar opdat wij ons niet ijdel beroemen, zoo zegt hij daarbij, dat de ongeloovigen, aan welke God die eere gedaan had, dat Hij ze een zoo groot goed deelachtig maakte, daarvan nochtans geen vruchten hebben gehad: alzoo ook met ons, wij zullen aan Godes zegen niet geraken, tenzij wij hem door het geloof ontvangen. En hierom zet hij het gehoor achteraan, opdat wij zullen weten dat ons het hooren niet baten zal, al komt ook schoon het woord voor onze ooren, zoo niet het geloof daarbij gevoegd is. Verder, zoo moet men hier aanmerken, de verhouding tusschen het woord en het geloof, hetwelk deze is: Het geloof kan van het woord niet gescheiden zijn, en wordt het woord gescheiden van het geloof, zoo baat het niet. Niet dat de kracht des woords aan ons hangt, want al ware de geheele wereld leugenachtig, daarom houdt Hij niet op waarachtig te zijn, die niet liegen kan. Maar het woord brengt zijn kracht in ons niet eerder dan als het geloof den ingang Kom. i:i6. bereidt. Want het is een kracht Gods tot zaligheid den ge-loovigen. Gods gerechtigheid wordt daarin openbaar, maar het is van geloof tot geloof. Alzoo geschiedt, dat Gods woord altijd zijn kracht heeft, en is zalig voor de menschen, zoo men inziet als het is, en naar zijn aard; maar alleen de geloovigen hebben vrucht daarvan. Aangaande het eerste deel, waar ik gezegd heb, dat er geen geloof is als het woord ontbreekt, en dat degene, die zulks doen wil, het geloof uitbluscht en vernietigt, dit is waardig onthouden te worden: want hierdoor blijkt, dat het geloof niet zijn kan dan in de kinderen Gods, denwelken alleen de belofte der verkiezing aangeboden is. Want wat geloof zullen de duivelen hebben, welken geene zaligheid beloofd is? Wat geloof zullen ook alle goddeloozen hebben, die niet weten wat het woord Gods is? Daarom moet het gehoor altijd voor het geloof gaan, en dat op zulke wijze, dat wij bekennen moeten, dat het God is, die daar spreekt, en niet de menschen.

3 Want wij, die golooven, komen in de rust, gelijk Hij gesproken Pa. M:l2. heeft: Alzoo heb ik gezworen in mijn toorn, zij zullen in mijne

54

ocr page 59

HEBREËN 4:2, 3.

rust niet komen! hoewel de werken van den beginne der wereld aan volmaakt waren.

4 Want Hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken; Gen, 2:5.

En God heeft gerust op den zevenden dag van al zijne werken. fi?i'720'

5 En wederom, hierin: Zij zullen in mijne rust niet komen! Deut- 5:14.

6 Dewijl dan dit blijft, dat sommigen daarin komen, en dien het

eerst verkondigd is, daar niet in gekomen zijn, vanwege de i

ongeloovigheid,

7 Zoo bepaalt Hij wederom een dag na zooveel tijds, zeggende door David: Heden, (gelijk gezegd is): Heden, zoo gij zijn stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet.

8 quot;Want had ze Jezus in de rust gebracht, zoo zou Hij daarna Dat is Jozua.

van geen anderen dag gesproken hebben. ■.

9 Zoo blijft er dan een ruste voor het volk Gods.

10 Want die in zijn ruste gegaan is, heeft zelve van zijne werken genist, gelijk God van de zijne.

Hij begint alsnu te versieren de plaats, die hij uit David had aangehaald. Tot hiertoe heeft hij daarmede gehandeld naar de letter (gelijk men zegt) dat is, naar haar eigenlijken zin, maar nu versiert en vermeerdert hij die. En daarom is wat hij doet meer een toespeling op Davids woorden, dan een uitlegging. Daar is een dergelijke vergrooting in den brief van Paulus aan de Romeinen hfdst. 10, waar hij Mozes getuigenis behandelt: Wie is er die ten hemel zal opvaren ? En het is niet vreemd, dat de Schrift tot dit tegenwoordig i ■, ' gebruik aangewend wordt, want men verlicht met kleuren van ge- ' lijkenissen, wat tevoren eenvoudig gezegd is. De inhoud van al hetgeen hier gezegd is, strekt hiertoe, dat de bedreiging, die God in ; tii. den psalm doet van berooving zijner ruste, ook ons aangaat: aan- In gezien wij nog hedendaags van Hem tot rust geroepen worden.

De meeste zwarigheid van deze plaats komt hieruit voort, dat velen geweld doen haar tot een anderen zin te trekken, hoewel de Apostel hier anders niet begeert dan dat hij zegt, dat ons een zekere rust wordt voorgesteld, dat hij ons daartoe begeerig maakt, en daarbenevens ons ook met vreeze nijpt, opdat ons ongeloof zulks niet belette. Intusschen leert hij ons ook, dat de rust, waar wij nu ingaan, veel uitnemender is, dan de rust van het land Kanaan.

Maar wij zullen dit ordelijk van stuk tot stuk verklaren.

3 Wij, die gelooven, komen in de rust. Dit is een bewijs uit tegenovergestelde dingen. Alleen het ongeloof sluit ons buiten Gods rijk: hieruit volgt dat wij door het geloof daarin komen; want wij moeten gedenken, dat hij hiervoren gezegd heeft, te weten. God V

verstoord zijnde op de ongeloovigen, heeft gezworen, dat zij zijn }.[

rust niet deelachtig zullen zijn. Dezen gaan er dan in, welker ongeloof zulks niet belet, en zooverre God hun daartoe noodigt. Maar sprekende in den eersten persoon, zoo lokt hij ze met meerder zoetigheid, hen afscheidende van de vreemden. Hoewel de werken.

Opdat hij verklare, welke onze rust is, zoo roept hij ons tot wat Mozes zegt, te weten, dat God heeft gerust van al zijn werken, terstond na de schepping der wereld, en ten laatste besluit hij, dat de ware rust der geloovigen, die eeuwiglijk duurt, is wanneer zij Gode gelijkvormig zijn. En voorwaar gelijk de hoogste zaligheid der men-

55

i r

■ r

. ■'

•■.w

ocr page 60

HEBREËN 4: 3—9.

schen is zijnen God aan te hangen, zoo moet dat ook het laatste einde zijn, waartoe al onze raadslagen en werken gebracht worden. Dit bewijst hij, omdat God die men zegt dat gerust heeft, zijn rust langen tijd daarna den ongeloovigen ontzegt, wat Hij tevergeefs zou doen, zoo Hij niet wil, dat de geloovigen naar zijn exempel zullen rusten. En daarom zegt hij, dewijl dan dit blijft dat sommigen daarin komen. Want is het een straf des ongeloofs, dat zij niet ingaan, gelijk het reeds gezegd is, zoodat de ingang den geloovigen openstaat. Maar wat hij daar terstond bijvoegt, heeft wat meerder zwarigheid, te weten, dat in den psalm ons een ander heden wordt aangewezen, wijl de vroegeren buitengesloten worden: want het schijnt dat Davids woorden daarvan niets willen uitdrukken; dan alleen is daardoor te kennen gegeven, dat God het ongeloof des volks gestraft heeft, hun beroovende van het bezit des beloofden lands. Ik antwoord, dat dit gevolg goed is, te weten, dat wat hun onttrokken is, ons is aangeboden, aangezien de Heilige Geest ons vermaant, dat wij ons wachten zullen, dat wij om onze Schuld niet gestraft worden met dergelijke straf. Want wat zou het toch zijn, ware ons heden niets beloofd, zou dan deze vermaning plaats hebben: Wacht u, dat u niet gebeure hetgeen den oudvaderen geschied is? Daarom zegt de apostel recht, omdat het ongeloof der vaderen deed, dat hun bezit ledig en woest bleef, zoo is de belofte den kinderen vernieuwd, opdat zij zouden verwerven wat de anderen versmaad hadden.

8 Want had ze Jezus in de rust gebracht. Hij wil niet loochenen, dat David door de rust verstaat het land van Kanaan, waarin Jozua het volk leidde, maar hij loochent, dat het de laatste rust was, waarnaar zij hoopten, die in dien tijd den geloovigen met ons ook gemeen is geweest: want het is zeker dat zij hooger gezien hebben, dan op dat beloofde land. En dat het land Kanaan zoo hoog geacht wordt, kwam nergens door, dan dat het een afbeelding of teeken was van de geestelijke erve. Daarom nadat zij de bezitting verworven hadden, zoo moesten zij niet rusten, als gekomen zijnde tot hun hoogsten wensch en begeeren, maar veelmeer denken wat geestelijks hierin was verborgen. Degenen, voor wie David den psalm gedicht heeft, waren het beloofde land genietende: maar intusschen werden ze noch vermaand op een hooger plaats beter rust te zoeken. Wij zien, dat het land Kanaan een ruste is geweest: maar alleen een figuur en schaduw, en zulks, dat het van noode was den geloovigen verder te reizen. In deze meening zegt de apostel, dat hun door Jozua geen rust gegeven is: omdat het volk in het beloofde land onder zijn geleide gekomen is, opdat het zich benaarstigen zou in den hemel te gaan met meerder moed en begeerlijkheid. En hieruit kan lichtelijk verstaan worden, wat onderscheid daar tusschen hen en ons is. Want aangezien het zoo is, dat ons beiden een perk voorgesteld is: zoo hebben zij veel uiterlijke figuren gehad, waar zij zich naar schikken zouden, en die hebben wij niet. En voorwaar het was ook niet van noode, dat wij ze hebben zouden, aangezien ons klaarlijk en onbedekt, de waarheid zelve is voorgesteld. Want hoewel onze zaligheid nog alleen in hope gelegen is, nochtans zooveel de leer aangaat, die leidt ons recht tot den hemel. En Jezus Christus reikt ons de hand niet, om ons te leiden door veel omwegen van figuren, maar om ons uit deze wereld te voeren, recht in zijn hemelsche rijk. Wat aangaat dat de

56

ocr page 61

HEBREËN 4:9, 10.

apostel de schaduw van de waarheid afscheidt, is omdat hij met de Joden te doen had, die te zeer op uiterlijke dingen stonden. Hij besluit ten laatste, dat voor Gods volk een sabbat blijft, dat is, eene geestelijke rust, waartoe God ons dagelijks roept.

ie Want die in zijn rust gegaan is. Dit is dan de verklaring van dezen eeuwigen sabbat, waarin de hoogste zaligheid der men-schen ligt, waarin eenige vergelijking is tusschen God en hen, waardoor zij met Hem vereenigd worden. Want al hetgeen de phi-losophen ooit gedisputeerd hebben aangaande het hoogste goed, zijn niet dan enkele beuzelingen geweest, want zij zochten de zaligheid in zichzelven. Dewijl ons van noode is, dat wij buiten ons zeiven moeten gaan om de ware zaligheid te vinden, zoo is dan het opperste goed der menschen anders niet, dan een vereeniging met God; en daartoe komen wij, als wij ons schikken naar het voorbeeld, dat ons in zijn persoon voorgesteld wordt. De apostel bewijst, dat deze gelijkvormigheid hierin ligt, als wij van onze werken rusten. Waaruit ten laatste volgt, dat de mensch welgelukzalig is, die zichzelven verloochent, want ons rusten van onze werken, wat is het anders dan afsterving des vleesches, te weten, als de mensch zichzelven verloochent om Gode te leven? Want als daar twist is om wel en heilig te leven, zoo moeten wij altijd hiervan beginnen, dat de mensch als dood zijnde in zichzelven, toelate dat God in hem leve; dat hij rust van zijn eigen werken, om God plaats te geven, die in hem werkt; want men moet noodzakelijk belijden, dat het leven alsdan wel geschikt is, als het Gode gehoorzaam is. Nu, om de verkeerdheid onzer natuur geschiedt dat nimmermeer, dan als wij ophouden van onze eigen werken. Daar is (zeg ik) zulk eene tegenstrijding tusschen Gods regeeren en onze genegenheid, dat Hij in ons niet werken kan, tenzij wij rusten. Omdat nu de volkomenheid van deze rust nimmermeer in dit leven is, zoo moeten wij van dag tot dag ons benaarstigen om daartoe te komen. Aldus gaan er de geloovigen in, maar op deze conditie, dat zij gestadig in een gedurigen loop voortgaan. Verder, twijfel ik niet, of de apostel maakt met opzet een toespeling op den sabbatdag, opdat hij de Joden trekken zou van dat uitwendig onderhouden van den sabbat: want de vernietiging daarvan kan anders niet verstaan worden, dan dat men het geestelijke einde bekcnne, waartoe hij ingesteld was. En daarom strekt des apostels rede tot tweëerlei zaken; Want prijzende de uitnemendheid der genade, verwekt hij ons die aan te nemen door het geloof; en daarbenevens toont hij ook, welke het ware onderhouden van den sabbat is: opdat de Joden staande op de uiterlijke ceremoniën, zichzelven niet meer bedriegen zouden. Het is wel waar, dat hij niet volkomen spreekt van de vernietiging van den sabbat; want het is zijn voorgenomen rede niet, maar toonende dat deze ceremonie een ander opzicht had, trekt hij ze allengskens door dit middel van het misverstand, dat zij daarin hebben. Want wie dat verstaat, dat dit gebod een ander opzicht heeft dan op uitwendige rust, of vergankelijken dienst; die zal, als hij op Christus ziet, terstond wel bekennen, dat het gebruik der ceremoniën te niet gedaan is door Christus komst. Want als het lichaam verschijnt, zoo gaat de schaduw terstond weg. Daarom moet men vooral altoos toezien, opdat men bewijze, dat Jezus Christus het einde der wet is.

57

ocr page 62

HEBREËN 4: 10—12.

11 Laat ons dan naarstig wezen om in deze rust te komen, opdat niemand in hetzelfde voorbeeld der ongelooviglieid valle.

12 Want het woord Gods is levend en krachtig, en scherper dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeeling der ziel en ook des geestes, zenuwen en leden, en is een onderscheider der gedachten en meeningen des harten.

13 En er is geen creatuur voor Hem onzienlijk, maar alle ding is naakt en ontdekt voor zijne oogen, met welken wij te doen hebben.

Nadat hij het wit getoond heeft, waarop wij schieten moeten, zoo wijst hij ons wat pad wij in moeten, hetwelk is, onszelven te verloochenen. En omdat hij nu den ingang der rust vergelijkt bij een rechten loop, zoo zet hij daar den val wederom tegen: en in dezer voege blijft hij bij de vergelijking van de beide deelen, hoewel hij nochtans daarbenevens een zinspeling maakt van de voorzegde Num. 2G: es. geschiedenis van Mozes, te weten, van degenen, die in de woestijn vielen, om hunne wederspannigheid tegen God. En daarom zegt hij: In hetzelfde voorbeeld der ongeloovigheid, ons te kennen gevende, dat de straf van ongeloof en wederspannigheid daar vertoond wordt, alsof zij ons ware op eene tafel afgemaald, en dat wij niet twijfelen zullen, ons zal desgelijks geschieden, wordt zulk ongeloof bij ons bevonden. Vallen wordt hier genomen voor vergaan, of om nog duidelijker te zeggen, zoo is het hier gesteld voor de straf, en niet voor de zonde, en ziet zoowel op het voorgaande woord, in te komen, als op de droeve vernieling der vaderen, door wier exempel hij de Joden wilde vervaard maken.

12 Want het woord Gods is levend. Al wat hier van de kracht des woords gehandeld wordt, strekt daartoe, dat zij zullen verstaan, dat zij niet ongestraft zullen blijven, zoo zij Gods woord versmaden, alsof hij zeide: zoo dikmaals als God zijn woord tot ons zendt, zoo spreekt Hij ernstig met ons, opdat Hij al het inwendige bewegen zou. Derhalve is er geen deel der ziel, of het behoort daardoor bewogen te worden. Verder, eer wij voortvaren, moet hier gezien zijn, of de apostel hier algemeen spreekt van het woord, dan of dit alleen den geloovigen aangaat. Want het is zeker, dat Gods. woord niet even krachtig is in alle menschen: want het openbaart zijn kracht in de verkorenen, opdat zij door de kennis van zichzelven vernederd zijnde, hun toevlucht tot de heerlijkheid van Christus zouden nemen. Hetwelk niet geschieden kan, of het woord moet tot in het diepst der harten zinken, en geveinsdheid (die wonderlijke verholen plaatsen in des menschen harten heeft) moet uitgeroeid zijn. En wat meer is, wij moeten niet alleen gevoelen eenige lichte aantasting of aanprikkeling, maar moeten gekwetst of doorstoken zijn tot in des harten grond, opdat wij nedergeslagen zijnde door het gevoelen van den eeuwigen dood, onszelven leeren afsterven. In e'én woord, wij zullen nimmermeer vernieuwd van Ef. 4; 29. geest worden (hetwelk de heilige Paulus nochtans gebiedt) ter tijd toe dat onze oude mensch gedood zij door dit scherpsnijdende gees-rii. 2:15 telijke zwaard. Daarom zegt de heilige Paulus, dat de geloovigen Gode opgeofferd worden door het Evangelie, want zij kunnen niet tot de gehoorzaamheid Gods gebracht worden, tenzij hun eigen wil ver-

58

Jes. 49:2. Ef. 6:17. Pred. 12:11.

Ps. 33:13. Sir. 15:20; 23: 28.

ocr page 63

HEBREËN 4: 12.

nietigd is, en kunnen ook het licht der goddelijke wijsheid niet ontvangen, tenzij eigen vernuft is uitgebluscht. In de verworpenen merkt men ganschelijk deze dingen niet: maar zij versmaden hoo-vaardig de stem Gods, die tot hen spreekt, en spotten daarmede, of murmureeren tegen zijn leer, en verheffen zich hardnekkig daartegen. In e'én woord, gelijk het woord Gods een hamer is, zoo hebben zij ook een hart gelijk een aanbeeld, dat door zijn hardigheid de slagen van zich stoot, hoe krachtig zij ook zijn. Daarom is het ver van daar, dat het woord Gods zoo diep in hen zou gaan tot de verdeeling der ziel en des geestes. Hierdoor blijkt dat deze rede alleen getrokken moet zijn tot de geloovigen, aangezien zij alleen levend alzoo onderzocht worden. Nochtans het verband wijst aan, dat deze uitspraak algemeen is, en dat zij ook strekt tot de verworpenen; want aangenomen, dat zij niet vermurwd worden,

maar dat ze tegen God een ijzeren of stalen hart dragen, zoo dwingt en veroordeelt hen nochtans hun eigen schuld. Het is wel waar, zij lachen daarom, maar het is een gedwongen bittere lach, want van binnen dunkt hun, dat het hart hen verworgt, zij zoeken verscheidene uitvluchten, om voor den rechterstoel Gods niet te komen:

nochtans hetzij hun lief of leed, zoo worden zij door dit woord ook getrokken, waartegen zij zich zoozeer hoogmoedig verzetten, dat men ze terecht vergelijken kan bij razende honden, welke hoewel zij met de pooten krabben, of met de tanden in de keten bijten, waaraan zij gebonden zijn, zoo baat het hun niet, want zij blijven toch evenwel bedwongen. En wat meer is, hoewel de kracht van dit woord zich niet terstond openbaart, desniettegenstaande, zal men ten laatste klaarlijk door ervaring bekennen, dat het niemand tevergeefs werd verkondigd. Het is voorwaar een algemeene sententie, waar Christus zegt: Als de Geest zal zijn gekomen, die zal de wereld Joh. i6;8. oordeelen. Nu is het alzoo, dat de Geest door het prediken des Evangelies dit oordeel volbrengt. In één woord, hoewel het woord Gods altijd deze kracht niet openbaart tegen de menschen, nochtans zoo is de kracht in het woord besloten. Maar de apostel handelt hier van de natuur en van het eigen ambt des'woords, en dat alleen tot dat einde, dat wij zullen weten, zoo haast als dit woord in onze ooreu klinkt, zoo zijn onze conscientiën voor den rechterstoel Gods gedaagd en voor schuldig beklaagd, gelijk alsof hij zeide: Meent iemand, als men het woord Gods verkondigt, dat de lucht alleen met een ijdel geluid geslagen wordt, die dwaalt zeer: want het is een levend ding en vol verborgen kracht, hetwelk in den mensch geen plaats laat, of het roert die om. Dit wil hij dan zeggen: Zoo haast als God zijnen heiligen mond geopend heeft, zoo behooren alsdan mede onze zinnen geopend te zijn, om het te ontvangen.

Want Hij wil niet dat zijn woord tevergeefs verspreid worde, of dat het verdwijne, of op de aarde valle, en dat men het klein achte:

maar dat het met een kracht tot des menschen hart spreke, en zich Hem, te weten het woord onderwerpe, en dat Hij hierom zijn woord de kracht gegeven heeft, opdat het door alle hoeken der ziele zou doordringen, de gedachten onderzoeken, de bewegingen onderscheiden, in één woord, te toonen een rechter te zijn. Maar mi rijst hier wederom een nieuwe twist, te weten, of dit verstaan moet worden van de wet of van het Evangelie. Die nu meenen, dat 2Cor 3 - 6 7 de apostel van de wet spreekt, halen dit getuigenis van Paulus Eom. 4:15!

59

ocr page 64

HEBREËN 4:12.

60

aan, dat het is een bediening des doods; dat het de letter is die doodslaat; dat zij niets dan toorn brengt, en meer dergelijke. Maar de apostel teekent hier ook verscheiden bewegingen aan. Want gelijk wij gezegd hebben, het is een levendmakende doodslag, die door het Evangelie geschiedt. Laat ons dan verstaan, dat de apostel hier spreekt van de geheele leer Gods, als hij zegt, dat zij levend en krachtig is. Hierdoor betuigt Paulus ook, dat uit zijn prediking een 2 Oor. 2: ie. reuke des doods ten doode gaat voor de ongeloovigen, en een reuke des levens ten leven voor de geloovigen; alzoo God nimmer tevergeefs spreekt, of Hij brengt den een tot de zaligheid, en ver-Matt 18: is. werpt den ander tot de verdoemenis. Dit is de macht van het binden en ontbinden, welke God zijnen apostelen bevolen heeft. Het is ook de geestelijke macht waarvan Paulus roemt in den Tweeden brief aan de Corinthiërs, hfdst. 10: 4. En voorwaar, hij belooft ons nimmer zaligheid in Christus, of hij verkondigt daartegenover zijn wrake voor de ongeloovigen, die Christus verwerpende, zichzelven den dood verwerven. Daarenboven moet hier aangemerkt zijn, dat de apostel hier spreekt van Gods woord, hetwelk ons is gebracht door dienst der menschen. Het zijn dolende en schadelijke gedachten, te zeggen waar te zijn, dat het innerlijke woord krachtig is, maar dat hetgeen 'twelk uit des menschen mond komt, dood en zonder eenige kracht is. Ik belijd wel, dat de kracht uit des menschen tong niet komt, en dat zij ook niet ligt in het geluid, maar dat men ze ganschelijk den Heiligen Geest toeschrijven moet, en dit verhindert den Heiligen Geest niet zijn kracht te toonen in het gepredikte woord: want omdat God niet zelf spreekt, maar door menschen, zoo staat Hij daar zorgvuldig op, dat daarom zijn leer niet versmaad moet wezen, al zijn de menschen daar uitdeelers van. Rom. i: 16. Aldus doet Paulus, noemende het Evangelie een kracht Gods. Hij versiert uitdrukkelijk met dezen naam zijn predikatie, want hij zag dat het woord Gods voor sommigen als schande gehouden werd, en van anderen versmaad werd. En als hij op een andere plaats leert, dat wij zaligheid verwerven door de leer des geloofs, zoo zegt hij voornamelijk, dat het de leer is, die daar is gepredikt. Wij zien ook hoe uitdrukkelijk God ons de leer beveelt, welke ons uitgedeeld wordt door middel van menschen, opdat Hij ons houde in de eerbiediging en onderdanigheid daaraan. Voorts, dat het woord Gods genoemd wordt een levend woord, zoo moet daaronder verstaan zijn, in betrekking tot de menschen: hetwelk beter verstaan wordt uit het tweede bijgevoegde woord. Want hij toont hoedanig dit leven des woords is, als hij daarna zegt, dat het krachtig is. Want des apostels voornemen is hier, om ons te bewijzen, hoedanig het woord Gods tegen ons is. Aangaande de gelijkenis van het zwaard, de Schrift gebruikt dit op andere plaatsen desgelijks: maar de apostel, niet tevreden zijnde met een bloote vergelijking, zegt dat het woord Gods scherper is dan eenig tweesnijdend zwaard: omdat men toen ter tijd niet anders droeg, dan zwaarden die aan e'én zijde sneden. En gaat door. Dit woord ziel, wordt dikmaals genomen voor geest, en het verstand: maar als zij bijeengevoegd zijn, begrijpt het een (te weten ziel) in zich alle beweeglijkheid, en het ander (te weten geest) het vermogen des verstands. Alzoo schrijft Paulus in 1 Thess. 5 : 23, God biddende, dat Hij hun geest, ziel en lichaam onstraffelijk beware tot de toe-

ocr page 65

HEBREËN 4: 12, 13.

komst van Jezus Christus. Hiermede wil hij niet anders zeggen, dan dat zij in verstand en wil en in al hun uiterlijke werken zuiver en rein zouden blijven. Desgelijks Jes. 26:9, waar hij zegt; Mijn ziel heeft U des nachts begeerd, met mijn geest heb ik U gezocht. Hiermede wil hij zeggen, dat hij zoo vlijtig is om God te zoeken, dat hij zijn geest en hart daartoe gansch gebruikt. Ik weet wel, dat anderen dit anders uitleggen, maar ik hoop, dat alle lieden van goed oordeel lichtelijk met mij daarin zullen overeenstemmen. Laat ons nu wederkeeren tot de tegenwoordige plaats. Gods woord gaat door tot de verdeeling der ziel en ook des geestes: dat is te zeggen, het onderzoekt al het leven der menschen: want het dringt door in alle gedachte, en doorgrondt den wil en al zijn begeerlijkheid. Insgelijks is te verstaan wat hij zegt van de zenuwen en leden ; want hij geeft daarmede te kennen, dat er geen ding zoo hard noch vast in den mensch is, noch ook zoo verborgen, of de kracht! des woords kan het raken. Dit is wat de heilige apostel zegt, 1 Cor. \ 14; 24, dat de profetie dient om de menschen te straffen en te verdoemen, opdat de verborgenheden des harten geopenbaard worden. Voorwaar, aangezien het ambt van Christus is, de verholen gedachten des harten te ontdekken en in 't licht te brengen, zoo doet Hij dit meestendeels door zijn Evangelie, hetwelk is een oordeel en woord, omdat het den geest des menschen trekt als uit een diepe verwarring, waarin hij tevoren gewonden was, en brengt hem tot het licht der kennis: want er is geen grooter duisternis dan ongeloof, en geveinsdheid kan ons op verschrikkelijke wijze verblinden. Hieruit komt dit onderscheid of oordeel, waarvan de apostel spreekt: want de gebreken verborgen onder een valschen schijn van deugden, worden openbaar, als hun blanketsel weg is. En hoewel de verworpenen voor een tijdlang in hun verholene plaatsen blijven, nochtans voelen zij ten laatste, dat het licht van Gods woord zoover doordringt, dat zij Gods oordeel niet ontgaan kunnen. Hieruit spruit hun murmureeren en razen: want waren zij niet verslagen door het woord, zij zouden alzoo hun moedwillige dolheid niet toonen. Zij zouden daarmede wel willen spotten, en ook begeeren te veinzen: maar God laat het hun niet toe. Want zoo dikwijls dan als zij het woord Gods tegenspreken, of zich toornig daartegen verheffen, moeten zij belijden, dat zij deszelfs kracht tegen hun wil van binnen gevoelen.

13 En er is geen creatuur. Dit woordje en, is zooveel (naar mijn oordeel) alsof hij zeide, want, en is daar gesteld om deze sententie te bevestigen, dat er in den mensch niets is verborgen, of het wordt geoordeeld door Gods woord; en hij neemt zijn bewijs van Gods natuur. Er is geen creatuur (zegt hij) dat voor God is verborgen: zoo kan daar dan niets in des menschen ziel zoo diep steken, of het wordt door Gods woord in 't licht gebracht, 'twelk aan zijn meester gelijk is. Want gelijkerwijs het werk Gods is, de harten te doorgronden, zoo gebruikt Hij ook deze kennis door zijn woord. De uitleggers, die hierop niet gezien hebben, (te weten, dat het woord Gods is gelijk een dieplood, waardoor Hij beproeft en onderzoekt wat in onze harten verborgen ligt) hebben deze gansche plaats geweld aangedaan, en nog kunnen zij daarmede niet uit. Maar alle zwarigheid wordt weggenomen, als men deze bewijsreden maakt, dat men het woord Gods met een rein hart en oprechte

61

ocr page 66

HEBREËN 4: 13—15.

begeerlijkheid moet onderdanig zijn, omdat God (die de harten kent) dit werk zijn woord heeft toegeschikt, te weten, door te gaan in de diepe gedachten en meeningen des harten. De dubbelzinnige be-teekenis der woorden heeft de overzetters ook bedrogen, want zij hebben gesteld: Tot welken wij spreken; waar men liever behoorde te zetten: Waarmede wij te doen hebben. Wat dezen zin heeft: Dat het God is, die met ons handelt, of: Met wien wij te doen hebben; daarom zal men met Hem niet spotten of spelen, als met een sterfelijk mensch: maar zoo dikwijls als ons zijn woord voorgesteld wordt, zullen wij beven, omdat er niets zoo verborgen is, of het is voor zijn oogen ontdekt.

14 Dewijl wij dan eenen grooten Hoogepriester hebben, Jezus den Zone Gods, die door de hemelen ingegaan is, laat ons onze belijdenis vasthouden.

15 Want wij hebben geen Hoogepriester, die niet zou kunnen medelijden hebben met onze krankheden, maar die in alle dingen naar gelijkheid is verzocht geweest, zonder zonde.

1G Daarom laat ons toegaan met vrijmoedigheid tot den troon zijner genade, opdat wij barmhartigheid verkrijgen, en hulpe vinden in den bekwamen tijd.

Hebbende dan. Hij heeft tot hiertoe gesproken van het apostelambt van Jezus Christus, alsnu begint hij te spreken van zijn tweede ambt: want wij hebben gezegd, dat Jezus Christus, toen Hij ons gezonden werd, twee ambten heeft aangenomen, te weten, van leeraar en priester. Daarom nadat de apostel de Joden vermaand heeft, dat zij Christus leer in alle onderdanigheid zouden aannemen, toont hij hun alsnu, wat vruchten uit zijn priesterschap komen. En dit is het tweede van de twee deelen der disputatie, waarvan hij handelt. Hij vereenigt zeer wel in deze rede, het priesterschap met het apostelschap, zeggende dat dezer beider einde strekt, opdat wij tot God zouden komen. Hij gebruikt hier weder een invoering, omdat hij dit artikel boven een weinig aangeroerd had, dat Christus onze priester is. Maar opdat men de kracht des priesterschaps niet gewaar kan worden dan door de leer, zoo moest hij dezen weg in, om de harten te bereiden, dat zij Jezus Christus zouden hooren. Nu ontbreekt er nog, dat die Christus kennen voor hun meester, en zich als leerjongens onder Hem geven, ook uit zijn mond en school leeren wat nuttigheid ons zijn priesterschap brengt, en welk het gebruik en einde daarvan is. Hij zegt allereerst: Hebbende een hoogepriester Jezus den Zone Gods. Laat ons deze belijdenis houden. Belijdenis wordt hier gesteld voor geloof, gelijk hier boven. En omdat nu het priesterambt dienen moet om de leer te bevestigen: hieruit leidt de apostel af, dat wij geen oorzaak hebben te wankelen noch te twijfelen in het geloof van het Evangelie, hetwelk de Zone Gods voor goed erkend heeft, en bevestigd. Want die deze leer niet zeker en oprecht houdt, die doet den Zone Gods oneer, en ontkleedt Hem van de waardigheid zijns priesterambts. Een zoo uitnemend pand behoort ons betrouwen te vermeeren, om zonder vreeze op het Evangelie te rusten.

IS Wij hebben niet. In den naam des Zoons Gods, die hier gesteld is, daarin is zulke grootmachtigheid, dat zij ons dwingt Hem

62

Hebr. 3:1; 0:20; 8:1; 9: 11.

Hebr. 2 :18,

Fil. 2 :7. Jes. 53:9. 2 Cor. 5:21. I Petr. 2 : 22. 1 Joh. 3 ; 5. Rom. 3:25.

14 ]

ocr page 67

HEBREEN 4: 15.

63

te vreezen en onderdanig te zijn. Nochtans zoo wij anders niets aanmerken in Jezus Christus, zullen onze conscientiën nog niet gerust zijn. Want wie is er, die niet vreezen zal voor het aanschijn des Zoons Gods, bijzonder als hij aanmerkt van wat gestalte Hij is, en als hem zijn zonden tevoren in gedachtenis komen? En wat meer is, de Joden konden een ander beletsel hebben, want zij waren het Levitische priesterdom zeer gewoon. Zij zagen daar een sterfelijk mensch onder hen verkoren, die in het heilige der heiligen ging, opdat hij door zijn bede zijn broeders verzoenen zou. Het is een zeer schoone zaak, als de Middelaar, die ons met God verzoenen kan, een uit de onzen is. Deze aanlokking kon de Joden verstrikt en hen bewogen hebben om altijd geheel genegen te zijn tot het Levitische priesterambt, had de apostel hier niet in voorzien, en hun getoond dat de Zone Gods niet alleen uitnemend in heerlijkheid is, maar dat Hij ook jegens ons gebruikt een gelijke goedheid en zoetheid. Dit wil hij in deze plaats te kennen geven waar hij zegt: Dat Hij in onze krankheid mede geoefend is, opdat Hij met ons medelijden zou hebben. Aangaande het woord medelijden, daarvan wil ik niet te diepzinnig disputeeren, want deze kwestie is niet minder onnut dan te zorgvuldig, te weten, of Jezus Christus ook nu onderworpen is aan onze ellendigheden. Voorwaar de apostel heeft ons hoofdniet willen breken met zulke scherpzinnige en ijdele vleeschelijke aanmerkingen: maar hij heeft ons alleen willen wijzen, dat wij den Middelaar niet ver behoeven te zoeken, aangezien ons Christus de hand reikt, eer wij het ooit kunnen begeeren; dat er ook geen oorzaak is, waarom wij zouden verschrikken voor zijn grootmachtigheid, aangezien Hij onze broeder is; dat wij ook geen oorzaak hebben om te vreezen, dat Hij niet met eenig menschelijk gevoelen is geraakt om ons te helpen, alsof Hij met het kwaad niet bekend was, aangezien Hij onze krankheden gedragen heeft, opdat Hij meer genegen zou zijn, om te helpen. De geheele rede van den apostel moet getrokken zijn op den zin des geloofs: want hij disputeert niet hoedanig Christus in Zichzelven is, maar hoedanig Hij Zich jegens ons vertoont. Aangaande de gelijkheid, daarmede meent hij de gelijkheid der natuur: daardoor te kennen gevende, dat Jezus Christus ons vleesch aannemende, ook onze aandoeningen heeft aangenomen: opdat Hij niet alleen betoonde, dat Hij een waar mensch was, maar dat Hij ook door ervaring zelve geleerd zou worden den ellendigen en bedrukten hulpe te dóen. Niet dat de Zone Gods vannoode had zulk onderwijs of onderricht, maar omdat wij anders in onzen geest niet kunnen begrijpen de zorgvuldigheid, die Hij voor onze zaligheid draagt. Zoo dikwijls en wanneer wij dan van de zwakheden onzes vleesches gekweld worden, zoo laat ons gedenken, dat ze de Zone Gods bezocht en desgelijks gevoeld heeft, opdat Hij ons wederom oprichten zou door zijne kracht en macht, en dat wij niet gansch door dezelve verdrukt zouden blijven. Nu kan men vragen wat hij verstaat door de krankheden, want dit woord wordt verschillend verstaan. Sommigen verstaan daaruit, koude, hitte, honger en andere lichamelijke gebreken; daarbij ook versmaadheid, armoede en dergelijke, gelijk men ook ziet bij den heiligen Paulus in vele plaatsen, bijzonder in 2 Cor. 12 : 10. Maar de meening dergenen, die daaronder begrijpen de bewegingen des gemoeds, met alle uiterlijke kwelling, is beter: gelijk daar zijn, vreeze, droefheid,

ocr page 68

HEBREËN 4: 15, 16.

verschrikking van den dood, en dergelijke. En voorwaar, dat onderscheid: Zonder zonde, zou hier tevergeefs bijgevoegd zijn, zoo hij niet sprak van de bewegingen, die ons altijd hinderlijk zijn door onze verkeerde natuur; Maar in Jezus Christus, in wien de hoogste gerechtigheid en volmaakte zuiverheid geweest is, zijn zij afgezonderd geweest van alle gebrek. Het is zeker, dat armoede, ziekte, en dingen, die buiten ons zijn, niet gerekend worden voor zonde. Daarom als hij spreekt van krankheden, die de zonde zeer nakomen, zoo moet men niet twijfelen, of hij verstaat daarmede de bewegingen des gemoeds, die de menschelijke natuur onderworpen zijn, en dat door zijne krankheid; want de conditie der engelen is in deze deele beter dan onze: zij zijn vreeze noch droefheid onderworpen, en worden ook niet gekweld met verscheiden zorgvuldigheid, en schrikken niet voor den dood. Deze krankheden heeft Christus met vrijen wil op Zich genomen, en heeft hier tegen willen vechten: niet alleen omdat Hij ons daarover victorie zou verwerven, maar opdat wij verzekerd zouden zijn, dat Hij bij ons is, zoo dikmaals en menigmaal als wij dezelve proeven. Derhalve is Hij niet alleen een wezenlijk mensch geworden, maar heeft ook op Zich genomen de gestalte van de menschelijke natuur. Maar er is een onderscheid bijgevoegd, zonder zonde: want men moet altijd wel aanmerken het onderscheid der bewegingen van Christus en de onze, te weten, dat Christus bewegingen altijd wel geregeerd zijn geweest naar den rechten regel der gerechtigheid; maar de onzen, die uit onzuiveren grond komen, smaken altijd naar de natuur, waarvan zij haren oorsprong hebben, want zij zijn ongeregeld en teugelloos.

16 Daarom laat ons toegaan met vrijmoedigheid. Hij besluit hier, dat ze allen een toegang tot God hebben, die tot Hem komen in den naam van dezen Middelaar Jezus Christus, en op Hem vast staande zijn. Ook vermaant hij de geloovigen, dat zij niet vreezen zullen zich voor het aangezicht Gods te vertoonen. En dit is de voornaamste vrucht van de geestelijke leer, een vast betrouwen te hebben, om God aan te roepen; gelijk integendeel alle religie ter nederligt, als men deze verzekering den conscientiën beneemt. Waaruit men lichtelijk verstaan kan, dat het licht des Evangelies in het Pausdom is uitgebluscht geweest, waar den armen, ellendigen menschen bevolen wordt, dat zij twijfelen zullen, of hun God genadig en gunstig is, of tegen hen verstoord is. Zij gebieden wel dat men God zal zoeken, maar zij toonen den weg niet, waardoor men tot Hem zal komen; en de deur wordt toegedaan, waardoor men alleen moet ingaan. Zij belijden wel met woorden, dat Christus hun Middelaar is; maar als het aan de daad komt, zoo doen zij de kracht zijns priesterschaps te niet, en ontstelen Hem zijn eer. Want dit moet volgen, dat Christus niet bekend wordt voor een oprecht Middelaar, tenzij alle twijfel van den mensch zij weggenomen, te weten, of zij een toegang tot God hebben, of niet. Anders zou dit gevolg niet deugen; wij hebben een priester die bereid is om ons te helpen; zoo moeten wij dan gaan tot den troon Gods met betrouwen, en zonder eenigen twijfel. En voorwaar, waren wij niet alzoo onderricht, dat Jezus Christus ons willig de hand reikt, wie is er van ons, dat hij met vrijmoedige stoutigheid tot dezen troon zou gaan? Hierdoor blijkt dan waarachtig wat ik gezegd heb, te weten, dat men Christus priesterdom van zijne kracht berooft, als

64

ocr page 69

HEBREËN 4:16.

de mensch in twijfel staat, en zichzelven kwelt om hier en daar middelaars te zoeken, alsof Christus alleen niet machtig genoeg ware: want wie op zijn voorbidding of bescherming vaststaat in de waarheid (gelijk de apostel hier zegt) die is zeker, dat zijn gebed zal verhoord worden. De grond van deze verzekering is, dat de troon Gods niet versierd is met eene naakte majesteit, om ons te verschrikken, maar met een nieuwen titel, te weten, van genade,

welken wij altijd gedenken moeten, als wij Gods tegenwoordigheid vlieden. Want het kan niet geschieden, zoo wij de glorie Gods met het hart omhelzen, of zij zal terstond alle mistroostigheid verslinden. En alzoo zal zijn troon niet verschrikkelijk zijn. Opdat dan de apostel onze mistroostigheid matige, en onze harten ver-losse van alle vreeze en beving: zoo versiert hij dezen troon met genade, en geeft hem een naam, die ons door zijn zoetigheid trekt;

alsof hij zeide: Nu het alzoo is, dat God in zijn troon een wimpel der genade en zijner vaderlijke liefde opgericht heeft; zoo behoeven wij niet te vreezen, dat zijn mogendheid ons verstooten zal, en beletten tot Hem te komen. De inhoud hiervan is. dat wij God stoutelijk zullen aanroepen, met een vast betrouwen, wetende dat Hij onzer genadig is, mits het door den Middelaar Christus 'geschiedt, gelijk in Ef. 3: 12 staat. Want als Jezus Christus ons onder zijn bescherming ontvangt, zoo bedekt Hij met zijne goedheid de wonderlijke mogendheid Gods (die anders verschrikkelijk kon zijn) opdat in deze anders niet blijke dan genade en vaderlijke gunst. Opdat wij barmhartigheid verkrijgen. Dit is hier niet bijgevoegd zonder groote oorzaak, te weten, opdat hij die voornamelijk bevestige, die barmhartigheid van noode hebben: opdat niemand, verslagen zijnde door zijn ellendigheid, zichzelven den weg sluite door zijn wanhoop.

Deze manier van spreken: Opdat wij barmhartigheid verkrijgen,

heeft allereerst in zich een zeer zoete leer, te weten, dat al degenen,

65

die op de voorbidding van Christus rusten, en God aanroepen, ganschelijk zullen verzekerd zijne barmhartigheid te verwerven. Wederom alle anderen, die dezen weg niet intreden, dreigt de apostel van verre, en geeft hun te kennen, dat ze God niet verhoeren zal, omdat zij het eenige verzoenmiddel versmaad hebben. Hij voegt hierbij: Opdat wij hulpe vinden in den bekwamen tijd, dat is te zeggen, willen wij verwerven al wat tot onze zaligheid van noode is. Deze bekwaamheid ziet op den tijd der roeping, volgens de plaats uit Jesaja, die de heilige Paulus gebruikt tot .jes. 49:3. de verkondiging des Evangelies; Dit is nu de aangename tijd, enz. 2 Col'-6:2-Want de apostel ziet op den huidigen dag, in welken God tot ons spreekt. Hooren wij dan nu, dat God tot ons spreekt, en vertrekken wij dat tot des anderen daags, de nacht zal met zijne duisternissen komen, in welken wij alsdan niet zullen doen, wat wij nu wel kunnen, en het zal ons niet baten aan de deur te kloppen, die gesloten is.

DL VII.

ocr page 70

HEBREËN 5:1.

HET VIJFDE HOOFDSTUK.

1 Want een iegelijk hoogepriester uit de menschen genomen, wordt voor de menschen ') gesteld in hetgeen bij God (te doen is) om te offeren gaven en slachtofferen voor de zonden;

2 Die behoorlijk den onwetenden en dwalenden lijden kan, dewijl Hij ook met krankheid omvangen is;

3 En daarom moet hij, gelijk voor het volk, alzoo ook voor zich-zelven offeren voor de zonden.

4 En niemand neemt zichzelven die eere aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs ook Aaron.'

5 Alzoo ook Christus heeft Zichzelven niet verheerlijkt om hoogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt mijn Zoon, Ik heb u heden gegenereerd.

6 Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: Gij zijt priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melohizedek.

i -r quot;'jr 'rant een iegelijk hoogepriester. Hij vergelijkt de Levi-\/\/ tische priesters met Jezus Christus, en toont waarin Hij ' ' hun gelijk is en ongelijk. De geheele rede zal hiertoe strekken, dat Christus' ambt wel verstaan moet worden. Daarna zal hij bewijzen, dat al hetgeen onder de wet verordend is, alleen om Christus' wil is verordend. Daaruit zal de apostel eindelijk een doorgang krijgen, om te bewijzen de vernietiging des ouden pries-terschaps. Ten eerste, zegt hij, dat de priesters zijn genomen uit de menschen; ten tweede, dat het geen zaak van één mensch is, maar van het geheele volk; ten derde, dat zij niet ledig behooren te komen om God te verzoenen, maar voorzien met offerande; ten vierde, dat zij niet uitgezonderd moeten wezen van onze krankheden, opdat zij te beter hulpe kunnen doen dengenen, die gekweld worden; ten laatste, dat zij zich niet lichtvaardig in het priesterambt moeten indringen: maar dat zij alsdan een wettige eere hebben, als zij van God verkoren en bevestigd zijn. Laat ons nu van elk deel op het allerkortst handelen. Nochtans eer wij voortgaan, zoo moeten wij de onwetendheid van diegenen bestraffen, die dit op onze tijden trekken, alsof er hedendaags een dergelijk gebruik van priesters ware om offerande te offeren. Evenwel, eenige lange wederlegging is niet van noode, om deze beestelijkheid te wederstaan. Want wat blijkt er klaarlijker, dan dat de waarheid, die in Christus is, met de figuren overeenstemt, welke, gelijk zij op hun tijd zijn voorgegaan, zoo hebben zij nu haar einde genomen ? En dit zal klaarlijker bekend worden door de uitbreiding van den tekst. Daarom, degenen, die door deze plaats het misoffer willen bevestigen, zijn meer dan spotwaardig. Nu keer ik weder tot den rechten zin des apostels. Hij zegt, dat de priesters genomen zijn uit de menschen: hieruit volgt, dat Christus een waar mensch moest zijn: want omdat wij verre van God zijn, zoo komen wij nochtans eenigszins te voorschijn voor zijn aanschijn in den persoon des priesters: wat niet geschieden zou, zoo Hij niet een uit ons ware. Daarom, dat de Zone Gods een gemeene natuur met ons heeft, dit vermindert zijne waardigheid niet, maar het vermeerdert ze veelmeer. Want Hij is bekwaam om

66

1) Calvijn: Is voor de menschen verordend in hetgeen Gode toekomt.

Lev. 9:7; 16:6.

Hebr. 7 :26. 2Kron.26:16.

Exod. 28:1. lEron.23:13.

Ps. 2: 7. Hand. 13:33. Hebr. 1:5. Ps. 110:4. Hebr. 7 :17.

ocr page 71

HEBREËN 5:1, 2.

ons met God te verzoenen, omdat Hij mensch is. En daarom noemt Hem de heilige Paulus klaarlijk een mensch, om te bewijzen dat Hij onze Middelaar is: want ware Hij genomen uit de engelen, of elders, en niet met ons vereenigd, zoo konden wij door Hem met God niet vereenigd worden. Voor de menschen. Dit is het tweede deel, dat de priester niet bijzonder voor zichzelven dient, maar dat hij verordend is tot het gemeene welzijn des volks. En wij moeten dit naarstiglijk aanmerken, opdat wij weten, dat onze zaligheid gelegen is in de offerande van Jezus Christus. Deze woorden: Hij verordent de dingen, die Gode toekomen, drukken het gebruik uit. Nochtans kan men dit onderscheiden verstaan, aangezien het Griek-sche woord zoowel een passieve als een actieve beteekenis heeft. Die het passief nemen, leggen het aldus uit: Is gesteld in deze dingen. Ik houd de andere uitlegging wel zoo goed: De priester verordent of bezorgt de dingen, die Gode toekomen: want de uitlegging vloeit veel beter, en de sententie is voller. Nochtans, in wat manier men het nemen wil, des apostels meening strekt hiertoe, dat wij bij God niets hebben, tenzij er een priester zij: want aangezien wij onheilig zijn, wat gemeenschap hebben wij dan met heilige dingen ? In ee'n woord, wij zijn vervreemd van God en zijn dienst, totdat zich de hoogepriester tusschenbeide stelt, en dat hij zich voor ons vertoone, en in onze plaats trede. Opdat hij gaven offere. Het derde, dat hij den priester toevoegt, is offerande der gaven. Nochtans stelt hij hier twee woorden; Gaven en offeranden. Het eerste, naar mijn verstand, bevat verscheidene soorten van offeranden: zoo is het dan het voornaamste deel. Het tweede beduidt alleen de offeranden der reiniging. De inhoud daarvan is nochtans, dat de priester geen verzoener kan wezen tusschen God en den mensch, of er moest eenig beest wezen om op te offeren, omdat de zonden niet gezuiverd worden zonder offerande, en dat Gods toorn zonder dit niet vezoend wordt. Daarom zoo dikmaals, als er twist is van de verzoening tusschen God en de menschen, zoo is het noodig, dat dit pand altijd voorga. Aldus zien wij, dat de engelen niet machtig genoeg zijn om van God genade te verwerven, omdat zij niet voorzien zijn met offeranden. Insgelijks is het ook van de profeten en apostelen te verstaan. Zoo is er niet dan Jezus Christus, die de zonde uitgewischt heeft door zijne offerande, welke ons een genadigen God maakt, en bij Hem voorbidt om ons te geven wat ons van noode is.

2 Die behoorlijk. Dit vierde deel komt zeer na aan het eerste, nochtans moet het onderscheiden zijn: want de apostel leerde in het eerste deel, dat het menschelijke geslacht met God vereenigd is in eens menschen persoon, omdat alle menschen van één vleesch en één natuur zijn. Alsnu roert hij wat anders aan, te weten, dat de priester de zondaars behoorlijk moet verdragen, omdat hij een metgezel is hunner krankheden. Het Grieksche woord, dat de apostel hier gebruikt, is verscheiden uitgelegd, zoowel van de Grieken, als van de Latijnen. Ik meen, dat het eenvoudig zooveel zegt als: Om zich te voegen tot medelijden. Het is wel waar, dat al hetgeen hier gezegd is van de Levitische priesters niet overeenkomt met Christus, want wij weten, dat Christus uitgezonderd is geweest van alle besmetting der zonde: daarom verschilt Hij met de anderen hierin, dat het Hem niet van noode is creweest. offerande

67

ocr page 72

HEBREËN 5 : 2—4.

voor Zichzelven te doen, maar het is genoeg, dat Hij al onze krankheden gedragen heeft, zijnde nochtans onbevlekt van alle zonde. Daarom, zooveel de oude Levitische priesteren belangt, de apostel zegt, dat deze der menschelijke krankheid waren onderworpen. En dat zij daarom hun eigen zonden ook verzoeijd hebben door offerande, opdat zij niet alleen minlijk de gebreken van anderen zouden dragen, maar dat zij daarmede ook medelijden zouden hebben. Dit stuk moet op zulk eene wijze Christus toegevoegd zijn, dat nochtans deze uitzondering, waarvan hij boven vermaant, daarmede overeenkome, te weten, dat Hij onze krankheden gedragen en geproefd heeft zonder eenige zonde. Hoewel Hij altijd uitgezonderd is geweest van zonde, zoo dient dit gevoelen der bewegingen en krankheden, waarvan hiervoren gesproken is, gènoeg daartoe, dat Hij genegen is om ons te helpen, barmhartig en goedertieren om onze zonden te vergeven, en zorgvuldig voor onze gebreken. De inhoud hiervan is, dat Jezus Christus niet alleen onze broeder is door de vereeniging van ons vleesch en natuur, maar dat Hij ook door de mededeelachtigheid onzer krankheden ingevoerd is, en genoeg gemaakt om ons te verdragen, ook liefelijk en genadig te zijn. Het Grieksche deelwoord, waarvoor wij zeggen: Die daar kan, is van meerder kracht in onze gewone spreektaal, dan of wij zeiden: Kunnende. Het wordt genomen voor bekwaam of geschikt. Deze twee woorden onwetenden en dwalenden, zijn hier naar de Hebreeuw-sche wijze gesteld voor zondaars, en hiervan moeten wij hierna nog spreken.

4 En niemand neemt zichzelven die eere aan. In dit stuk moet aangemerkt zijn eensdeels de overeenstemming, en anderdeels het onderscheid. De roeping Gods maakt het ambt recht. Alzoo dat niemand het behoorlijk noch ordelijk gebruikt, of hij is van God daartoe gemaakt. Dit is Jezus Christus en Aaron gemeen; want beiden zijn ze daartoe van God geroepen, maar zij zijn hierin onderscheiden: want omdat later Christus op een nieuwe en onderscheiden manier gevolgd is, en tot een eeuwig priester verordend, zoo blijkt, dat Aarons priesterschap tijdelijk is geweest, en een einde moest nemen. Hieruit zien wij dan, waartoe des apostels meening strekt. Het recht des priesterschaps moest Christus toegeschreven zijn, en dat doet hij, toonende dat God daarvan de auteur is. Dit is nog niet genoeg, tenzij blijke, dat het oude priesterschap heeft opgehouden, om Christus' priesterschap plaats te geven. Dit bewijst hij, omdat men moet aanzien de conditie, waardoor Aaron tot een priester verordend was; (want wij kunnen Gods bevel niet verder uitrekken dan zijn ordening toelaat) en hij zal terstond hierna verklaren tot wat tijd toe het Gode beliefd heeft, dat deze eerste ordening duren zou. Jezus Christus is dan een wettige priester, omdat Hij verordend is door de mogendheid.Gods. Wat zullen wij dan van Aaron en zijne navolgers zeggen? Voorwaar zij hebben autoriteit en macht, zooveel als hun God gegeven heeft, en niet zooveel als de menschen naar hun goeddunken hun wel toeschrijven. Verder, omdat dit nu gezegd is door de omstandigheid der tegenwoordige zaak, die hier verhandeld wordt, zoo kan men nochtans hieruit een algemeene leer nemen, te weten, dat men geen regeering in de kerk kan oprichten naar menschen believen, maar men moet het bevel Gods daarin voornemen. En wat meer is, men moet volgen een zekeren regel

68

ocr page 73

69

in de verkiezing, opdat niemand uit eigene vrijheid en wil, zich-zelven daar indringe. Het moet van beide zijden wel aangemerkt zijn: want de apostel spreekt hier niet alleen van de personen, maar ook van het ambt. Hij zegt hier (zeg ik) dat het ambt, dat zonder Gods bevel en uitgedrukte ordening opgericht is, niet heilig noch wettig is: want gelijk het Gode alleen toekomt de kerk te regeeren, zoo behoudt Hij ook voor Zich ganschelijk de beschrijving van de middelen en dienst zijner kerk. Waaruit ik vrijmoedig besluiten kan, dat het pauselijke priesterschap een overspel is, want het is in der menschen winkel te zamen gesmeed. Er is geen plaats, waar God gebiedt, dat men Hem alsnu offerande voor de reiniging der zonden doen zal. Hij gebiedt ook nergens, dat men tot dit einde priesters zal instellen. Nu het dan alzoo is, dat de paus zijn mispapen om te offeren verordent, zoo zegt de apostel, dat men ze voor wettige priesters niet aannemen zal, tenware zij mogelijk eenig nieuw bijzonder recht hadden, om zich boven Christus te verheffen, die de eere voor Zichzelven niet dorst nemen, maar wachtte daarin zijns Vaders stem en roeping. Dit moet ook plaats hebben in de personen, opdat geen gemeen persoon deze eer tot zich trekke, maar dat de gemeene autoriteit altijd voorga. Ik spreek van de ambten, die in elk geval van God verordend zijn. Hoewel het nochtans somtijds geschieden kan, dat men dengene gedoogen moet, die van God niet geroepen is, hoewel hij minder geprezen wordt, zoover zijn ambt heilig is, en Gode behagelijk is. Daar zijn velen, die door eergierigheid en booze middelen zichzelven daarin heimelijk dringen, welke geenszins van hunne roepingen bevestigd zijn: nochtans moet men ze daarom niet verwerpen, en inzonderheid, als hetzelve niet geschieden kan door openbaar oordeel der kerk. Tweehonderd jaar vóór de komst van Christus, waren er zeer schandelijke verderflijkheden, en daar geschiedde ook zeer groot bedrog in het kiezen van den hoogepriester: nochtans zooveel als het ambt op zichzelve belangt, zoo is de autoriteit en macht van den stand altijd door Gods roeping gebleven; aangaande de personen, men heeft ze geduld, omdat de vrijheid der kerk verdrukt werd. Waaruit blijkt, dat het meeste gebrek is in het voornaamste stuk des ambts, als de menschen uit zichzelven een staat in de kerk oprichten, die geenszins van God verordend is. Daarom zal men de pauselijke priesters nog veel minder gedoogen, die alleen met dezen naam pochen, opdat zij voor heilig mogen gehouden zijn: hoewel zij zichzelven nochtans verkoren hebben zonder God raad te vragen. Gij zjjt mijn Zoon. Dit getuigenis kon schijnen zeer wijd gezocht te zijn, want al is Jezus Christus van God den Vader gegenereerd geweest, hierdoor kan men niet zeggen, dat Hij van Hem tot een priester verordend is. Maar bekennen wij tot wat einde Christus den menschen geopenbaard is, zoo wordt lichtelijk bekend, dat deze gestalte noodzakelijk Hem toekomt. Eerst moeten wij nochtans herhalen, wat tevoren in het eerste hfdst. gezegd is, te weten, dat deze geboorte, waarvan de psalm spreekt, een getuigenis is, hetwelk de Vader bij de menschen van Hem gegeven heeft. Daarom, zoo is dit woord hier niet gesteld als een bijzonder verhaal tusschen den Vader en den Zoon, maar het strekt meer tot de menschen, welken Hij geopenbaard is. Nu, hoedanig heeft God ons zijn Zoon geopenbaard? is het zonder eenige eer of macht? O neen, maar opdat

ocr page 74

70 HEBREËN 5 : 5, 6.

Hij een Middelaar zou zijn tusschen God en de menschen, en hierom bevat deze geboorte het priesterschap.

6 Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt. Hier wordt klaar-iijker uitgedrukt, wat de apostel voorheeft om te bewijzen. Dit is een zeer schoone plaats, en wel waardig dat ze onthouden worde, gelijk ook de gansche psalm is, waaruit dit genomen is: want er is nauwelijks een klaarder getuigenis noch profetie, zoowel van het eeuwige priesterschap, als van het rijk van Jezus Christus, en nochtans doen de Joden hun best, om met bedrog aan alle kanten om te gaan, opdat zij de heerlijkheid van Jezus Christus verduisteren zouden. Maar zij winnen daarmede niets, en dat zij hetgeen hier gezegd is op David trekken, alsof hij het ware, die God aan zijne rechterhand heeft doen zitten, dit is een al te plomp misverstand. Wij weten, dat het geenszins den koningen toegelaten was, dat zij zich met het priesterschap bemoeien zouden. Om deze misdaad alleen heeft Uzzia (die zich met een ambt bemoeide, dat hem niet toekwam) zoozeer den toorn Gods over zich gehaald, dat hij met melaatschheid geslagen werd. Daarom is het zeker, dat dit op Davids persoon niet ziet, noch ook op geen van de andere koningen, zijne navolgers. Antwoorden zij hier wederom op, dat de prinsen somtijds Cohenim (priesters) genaamd worden, ik belijd dat, maar loochen dat het tot deze tegenwoordige plaats dient; want de vergelijking laat gansch geen twijfel. Melchizedek is een priester Gods geweest. De psalm getuigt, de koning, dien hij ter rechterhand Gods gesteld heeft, zal wezen Cohen (priester), naar de orde van Melchizedek. Wie is er, die niet ziet, dat dit verstaan moet worden van het priesterambt ? Want omdat het een zeer zeldzaam exempel was, en dat er om zoo te zeggen, maar e'én mensch gevonden is geweest, die beide koning en priester was, en dat het tenminste een nieuwe zaak onder het volk Gods was, stelt hij hun hierdoor Melchizedek tot een exempel van den Messias, alsof hij zeide: De koninklijke waardigheid zal Hem niet beletten het priesterambt mede te bedienen, want de figuur is daarvan in Melchizedek voorgegaan. En voorwaar, sommigen onder de Joden, die niet heel onverstandig zijn, laten toe, dat dit van den Messias gesproken is: en wat meer is, zij twijfelen niet, of deze woorden strekken om zijn priesterambt te prijzen en groot te maken. Waar de Grieken overgezet hebben: Naar de ordening, is bij de Hebreen een woord, hetwelk beduidt: Gelijk, of: Naar de manier. Waardoor bevestigd wordt wat ik tevoren gezegd heb: omdat het geen gebruik was onder het volk, dat ée'n persoon beide koning en priester was, stelt hij dit oude voorbeeld voor, waardoor de Messias wordt afgebeeld. Wat er nog overblijft, zal de apostel zeer diepzinnig behandelen in den navolgenden tekst.

7 Die in de dagen zijns vleesches, als Hij geheden en smeekingen met sterke roepingen en tranen Hem, die machtig was Hem van den dood te behouden, geofferd had, is Hij uit de vreeze verhoord geweest.

8 Hoewel Hij de Zone Gods was, zoo heeft Hij uit hetgeen Hij geleden heeft, gehoorzaamheid geleerd.

9 En Hij geheiligd zijnde, is allen die Hem gehoorzaam zijn, eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden.

Joh. 17 ; 1.

Fil. 1:8.

ocr page 75

HEBREËN 5:7.

10 En is van God genaamd priester, naar de ordening van Mel-ohizedek.

11 Van denwelken ons vele dingen, die zwaar zijn om uit te spreken, waren te zeggen, dewijl gij traag om te hoeren geworden zijt.

7 Die in de dagen zijns vleesches. Omdat zeer dikmaals Christus' gestalte door het kruis afgebeeld wordt, en de irienschen niet aanmerken, tot wat einde Hij zoo verootmoedigd is, zoo leert de apostel wederom hetgeen, waarvan hij onlangs een weinig gesproken had, te weten, dat daarin de wonderlijke goedheid van Christus uitkomt, omdat Hij Zich aan onze krankheden heeft onderworpen, tot ons profijt en zaligheid. Waaruit blijkt, dat ons geloof bevestigd is, en dat zijn eer niets verminderd is, omdat Hij onze boosheden gedragen heeft. Hij teekent hier twee oorzaken aan, waarom Jezus Christus moest lijden, de eerste en de laatste. De eerste is, opdat Hij de gehoorzaamheid leeren zou; de laatste, opdat Hij door dat middel gewijd zou worden tot een priester tot onze zaligheid. Niemand twijfele, of de dagen des vleesches worden hier genomen voor het tegenwoordige leven, waaruit volgt, dat hij door dit woord vleesch, geen substantie beduidt, maar hoedanigheid, gelijk er staat in 1 Cor. 15 ; 50, Vleesch en bloed zullen het rijk Gods niet bezitten. Deze uitzinnige menschen, die versierd hebben, dat Christus alsnu van zijn vleesch ontkleed is, omdat hier gezegd wordt, dat de dagen zijns vleesches voorbij zijn, bedriegen zichzelven zeer: want er is een groot onderscheid tusschen waarachtig mensch te zijn (boewei Hij gekomen is tot de zalige onsterfelijkheid) en menschelijke ellendigheid en krankheid onderworpen te zijn, dewelke Christus geleden heeft, zoolang Hij op aarde is geweest: maar alsnu is Hij daarvan ontlast, zijnde ten hemel geklommen. Laat ons nu de zaak wel aanmerken. Christus, die de Zoon was, die hulpe bij den Vader gezocht heeft, die verhoord is geweest, heeft nochtans den dood geleden, opdat Hij door dat middel onderricht zou worden tot de gehoorzaamheid. Hier is niet e'én woord, of het is gewichtig. Want door de dagen des vleesches, geeft hij te kennen, dat de tijd onzer ellendigheden afgepaald is, wat ons een groote verlichting brengt. En voorwaar, het zou een zware conditie zijn, indien ons niet eenige hoop voorgesteld werd, om van dit lijden verlost te worden. Deze drie navolgende stukken brengen ons ook niet weinig troost. Christus was de Zoon, en door dit middel, zoo zonderde zijne waardigheid Hem af van de gemeene conditie van alle anderen: nochtans heeft Hij Zich om onzentwil vernederd. Wat mensch is er nu, die weigeren zou deze conditie te volgen ? Daar is nog een andere reden: al worden wij gedrukt met tegenspoed, wij zijn daarom niet uitgeroeid uit het getal der kinderen Gods, aangezien wij voor ons zien gaan Hem, die alleen de natuurlijke Zone Gods was. Want dat wij kinderen Gods zijn, is alleen door de weldaad der aanneming: omdat Hij, dien alleen van rechtswege deze eer toekomt, ons in zijn gezelschap aanneemt. Als Hij met sterke roepingen en tranen. Ten tweede zegt hij van Christus, dat Hij hulp gezocht heeft waar het betaamde, opdat Hij van het kwade verlost zou zijn. En hij zegt dit, opdat niemand denke, dat Christus een ijzeren hart gehad heeft, waarin geen gevoel was. Want men moet altijd wel overleggen, waarom elk woord gezegd is. Had

71

ocr page 76

HEBREËN 5:7.

Christus geenerlei droefheid gesmaakt, zoo zou ons ook geen vertroosting uit zijn lijden komen; maar als wij hooren, dat Hij met zeer bitter lijden ook in den geest gekweld is geweest: zoo is ons nu de gelijkenis duidelijk. Christus (zegt de apostel) heeft daarom den dood en andere ellendigheden niet geleden, opdat Hij dezelve versmaden zou, of dat Hij het lijden niet gevoelen zou: want Hij heeft gebeden met sterke roeping en tranen, door welke Hij getuigenis heeft gegeven van de groote benauwdheid zijns harten. De apostel heeft dan door dit roepen en deze tranen willen uitdrukken de grootheid zijns lijdens, gelijk het een gemeen gebruik is een zaak uit zijne teekenen aan te wijzen. En ik twijfel niet, of hij spreekt van de gebeden, die de evangelisten verhalen, te weten: mit. 20:30, Vader! indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij gaan. Matt. 27:4«. Insgelijks van een ander: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Want de apostelen verhalen, dat de tweede uitroep met sterker stem geschiedde. In het eerst is het wel te gelooven, dat zijn oogen niet droog zijn geweest, aangezien de druppelen des bloeds van zijn gansche lichaam vloeiden door zijne groote droefheid. Het is zeker, dat Hij alstoen in de uiterste benauwdheid zijnde, daartoe was gedwongen. Aldus is er niet aan te twijfelen, of Hij is met ware pijn gedrukt geweest, en dat Hij zijnen Vader ernstig gebeden heeft, dat Hij Hem zou willen helpen. Waartoe strekt toch dit? Hiertoe: dat zoo dikmaals als ons eenig lijden drukt, wij gedenken zullen aan den Zone Gods, die desgelijks geleden heeft: zoolang als Hij ons voorgaat, zoo zullen wij den moed niet verloren geven. Daarbenevens zoo worden wij ook vermaand, dat wij tot niemand anders in onzen druk en lijden toevlucht nemen zullen, dan alleen tot God. Want wat beter voorschrift om te bidden konden wij hebben, dan het voorbeeld van Jezus Christus? Hij nam zijn eenige toevlucht tot zijn Vader: waardoor ons de apostel leert, dat wij desgelijks zullen doen, als hij zegt, dat Christus zijn gebeden opgeofferd heeft Dengene, die Hem van den dood verlossen kon. Want hij geeft door deze woorden te kennen, r, dat Christus terecht heeft gebeden, omdat Hij zijn toevlucht nam

: tot den rechten verlosser, die God alleen is. Zijn roepen en zijn

tranen vermanen ons, dat wij vurig en vlijtig in den gebede zullen zijn, want wij zullen God niet flauwelijk aanbidden, maar vuriglijk. Is Hij uit de vreeze verhoord geweest. Sommigen hebben over-gezet: Om zijn eerbieding, maar ik prijs dit geenszins. Want eerstens het woordje zijn, staat in het Grieksch niet, en wat meer is, het woord, dat daar voorgaat, beduidt van, en niet om, of een ander dergelijk woord. Aangezien dan het Grieksche woord, hetwelk hier gesteld is, dikmaals vreeze of zorgvuldigheid beduidt, zoo twijfel ik niet, of de apostel geeft ons hier te kennen, dat Christus verhoord is geweest uit hetgeen Hij vreesde, te weten, zijnde , met allen druk en lijden omsingeld, dat Hij niet zou onderblijven,

noch van den dood verslonden worden. In dezen kamp is de Zone Gods mede geweest: niet dat Hij verzocht is geweest met wantrouwen, waaruit al onze vreeze spruit, maar Hij heeft in het ge-voel van zijn vleesch Gods oordeel gedragen, welke verschrikking niet overwonnen kon worden zonder grooten strijd. Chrysostomus quot; »i legt dit uit: Door Christus' waardigheid, die de Vader vereerd

, * heeft, hetwelk zeer vreemd luidt. Anderen hebben dit overgezet:

72

ocr page 77

HEBREËN 5:7, 8.

Door de goedertierenheid; maar de uitlegging, die ik hier gesteld heb, is veel geschikter, en heeft geen groote bevestiging van noode. Het derde deel heeft hij daarom hierbij gevoegd, opdat wij niet meenen zullen, dat Christus' gebeden verworpen zijn geweest, omdat Hij terstond niet uit alle verdriet verlost werd: want Gods barmhartigheid en hulpe ontbraken Hem nooit. En hieruit moeten wij geleerd zijn, dat wij dikmaals onze gebeden van God verkrijgen, hoewel het ons nochtans voor oogen niet blijkt. Want wij kunnen den Heere geen zekere mate stellen, en het is ook onbehoorlijk, dat Hij onzen begeerlijkheden zou onderdanig zijn, gelijk het ons goeddunkt, ze op de tong of in de gedachte te hebben: nochtans, op wat manier Hij onze zaligheid schikt, zoo toont Hij nochtans, dat Hij onze gebeden verhoord heeft. Want het geschiedt wel, als wij meenen, dat onze gebeden verworpen zijn, zoo verkrijgen wij veelmeer, dan of Hij ons ganschelijk gave, gelijk wij datzelve begeerden. Maar hoe is Jezus Christus verhoord geweest uit hetgeen Hij vreesde, aangezien Hij den dood geleden heeft, waarvoor Hij verschrikte? Ik antwoord, dat men het einde zijner vreeze moet inzien. Want waarom weigerde Hij den dood, dan dat Hij zag dat Gods vervloeking daarin gelegen was, en dat Hij moest strijden tegen de verdoemenis van alle zonden, ja tegen de hel zelve? Hieruit komt dan, dat Hij gebeefd' heeft, en zeer benauwd is geweest, dat Gods oordeel meer dan verschrikkelijk is. En alzoo heeft Hij verworven, wat Hij begeerde, te weten, dat Hij de overwinning mocht houden van de pijn des doods, en onderhouden mocht worden van de zalige hand zijns Vaders: opdat Hij na zeer korten strijd, de overhand hield over den duivel, zonde en hel. Aldus gebeurt het wel dikmaals, dat wij dit of dat begeeren, maar tot een ander einde, en God, die ons niet geeft waarom wij gebeden hadden, vindt middelertijd een ander middel, waardoor Hij ons te bate komt.

8 Hij heeft gehoorzaamheid geleerd. Dit is het allernaaste einde des lijdens van Jezus Christus, dat Hij door dit middel tot de gehoorzaamheid gewend is; niet dat Hij er met geweld toe moest gedrongen worden, of dat Hij zulke oefeningen van noode had, gelijk men de ossen of beesten temt, die stug en wederspannig zijn: want Hij is genoeg goedwillig geweest om God zijn Vader zoo gehoorzaam te zijn, als dat behoorde. Maar dit is geschied om onzentwil, opdat Hij een proeve toonen zou van zijne gehoorzaamheid en vernedering tot den dood. Hoewel men nog met waarheid kan zeggen, dat Christus volkomenlijk geleerd heeft door zijn dood, wat het is, Gode gehoorzaam te zijn, aangezien Hij alstoen voornamelijk gebracht is om Zichzelven te verloochenen. Want zijn eigen wil verzakende, zoo heeft Hij Zich zijn Vader alzoo onderworpen, dat Hij uit vrijen wil den dood (waarvoor Hij bevreesd was) heeft geleden. De zin hiervan is dan, dat Jezus Christus door lijden en beproeving is geleerd, zoover als God wil hebben, dat wij onszelven Hem zullen onderworpen en gehoorzaam zijn. Daarom moeten wij naar zijn voorbeeld geleerd en bereid worden, om Gode gehoorzaam te zijn, door veel druks en lijdens, en ten laatste door den dood; ja, wij veelmeer dan Hij, die daar van wederspannigen en ongetemden geest zijn, tenzij ons de Heere om zijn juk te dragen, met zulke onderrichtingen bedwingt. Deze nuttigheid, die uit het kruis komt, behoort

73

ocr page 78

HEBREËN 3 ; 8—10.

in onzen geest de bitterheid des lijdens te verzoeten: want wat is er wenschelijker, dan dat wij Gode gehoorzaam worden? En dit kan niet geschieden, dan door het.kruis: want in voorspoed, zoo gelijken wij de springende paarden, dien de toom te lang gegeven wordt, en ons vleesch begeeft zich tot alle dartelheid, ganschelijk het juk verwerpende. Maar als wij onzen wil geweld moeten doen, en al te willen wat Gode belieft, alsdan zoo blijkt waarlijk onze gehoorzaamheid. Dit is (zeg ik) een klaar en zonderling getuigenis van volmaakte onderwerping, als de dood (waartoe God ons roept, hoewel hij ons verschrikking en gevaar brengt) van ons verkoren wordt boven het leven, hetwelk wij van nature begeeren.

9 En Hij geheiligd zijnde. Dit is het laatste einde, waarom Christus heeft moeten lijden, te weten, dat- Hij door dit middel ingesteld en gewijd is in zijn priesterambt: alsof de apostel zeide, dat het lijden des kruises en de dood in Christus een bijzondere manier van heiliging geweest is. Door welke woorden hij te kennen geeft, dat al zijn lijden tot onze zaligheid gestrekt heeft. Waaruit volgt, dat hetzelve de hoogheid en waardigheid van Christus niet verkort, maar Hem eer strekt tot grooter heerlijkheid. Want is onze zaligheid ons van groote waarde, in wat waarde en eere behooren wij de oorzaak derzelve te houden? Hij handelt hier niet alleen van het voorbeeld, maar hij ziet hoog, te weten, dat Christus door zijn gehoorzaamheid onze overtredingen uitgewischt heeft. Zoo is Hij dan de oorzaak onzer zaligheid geweest, omdat Hij ons gerechtigheid bij God heeft verworven, als Hij de ongehoorzaamheid van Adam, door een tegenovergesteld middel heeft gedragen. Dit woord, geheiligd, sluit beter op het verband, dan volmaakt, hoewel het waar is, dat het Grieksche woord deze beide beteekenissen heeft; maar omdat hier gesproken is van het priesterambt, zoo is het heiligen daar bekwamer bijgesteld. En Christus zelve spreekt Joh. i7;i9. insgelijks op een andere plaats: Ik heilig Mijzelven voor hen; waaruit blijkt, dat dit eigenlijk moet getrokken zijn tot zijne mensche-lijke natuur, waarin Hij het ambt des priesters bediend heeft, in welke Hij ook heeft geleden. Allen, die Hem gehoorzaam zijn. Willen wij dan, dat ons Christus' gehoorzaamheid te baat kome, laat ons dezelve navolgen: dat is hetgeen de apostel hier wil zeggen, te weten, dat de vruchten daarvan niet komen dan bij de gehoorzamen. Hiermede stelt hij ons ook het geloof voor. Want wij hebben aan Christus noch aan zijn weldaden iets, tenzij wij Hem en dezelve met het geloof aannemen. Dit woord allen, is hier gesteld, omdat hij daarmede te kennen wil geven, dat niemand van de zaligheid wordt verstooten, die zich leerzaam en gehoorzaam onder het Evangelie van Jezus Christus stelt.

ie En is van God genaamd. Omdat het wel noodig was, de vergelijking van Christus en Melchizedek, die hij aangeroerd heeft, breeder te volgen, en dat hij de harten der Joden moest opwekken om vlijtiger te zijn, zoo treedt quot;hij in dezen handel op zulk een manier, dat hij nochtans altijd dit argument behoudt. Hierdoor betuigt hij, dat hij veel van deze zaak te zeggen heeft, maar zij moeten zich daartoe bereiden, en zoo vlijtig in 't hooren zijn, dat zijn rede niet tevergeefs geschiede, en hij geen verloren arbeid doe. Hij waarschuwt hen, dat de rede zwaar zal zijn, niet om hen te verschrikken, maar liever om hun verstand te scherpen: want gelijker-

74

ocr page 79

HEBREËN 5 : 10—12. 75

wijs de lichtheid van wat wij zullen leeren, ons gemeenlijk trager maakt, zoo zijn wij ook vlijtiger in het hooren, als ons eenige zware of duistere zaak wordt voorgesteld. Nochtans de oorzaak der zwarigheid schrijft hij hun toe, en niet de zaak. En voorwaar, God spreekt altijd zoo klaarlijk tot ons, en zonder eenige duisterheid,

dat zijn woord wel terecht genaamd wordt ons licht, maar het schijnsel daarvan wordt verdonkerd door onze duisternis, hetwelk eensdeels komt door onze boosheid, en anderdeels door onze onachtzaamheid. Want omdat wij immers meer dan bot zijn, om de leering Gods te verstaan, zoo is er nog boven dit kwaad, de verkeerdheid onzer genegenheid: want wij gebruiken veel liever onze zinnen tot alle ijdelheid dan tot Gods waarheid, en de wederspannigheid onzer natuur, of zorgvuldigheid dezer wereld, en begeerlijkheid des vleesches zijn als koorden, waardoor wij dikwijls verstrikt worden.

Aangaande deze woorden, van denwelken, deze spreken niet van Christus, maar van Melchizedek, hoewel hij denzelven hier niet voorstelt als een gemeen persoon, maar omdat hij een voorbeeld van Christus geweest is, zoo vertoont hij eenigszins denzelfden persoon.

12 Want gij, die behoordet leeraars te zijn aangezien den tijd, i cor. 3:2.

hebt wederom noodig, dat men u leere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods, en gij zijt geworden degene,

die melk van noode hebt, en niet vaste spijze.

13 Want zoo wie der molk deelachtig is, die is ongeschikt in het woord der gerechtigheid, want hij is een kind.

14 Maar den volmaakten komt de vaste spijze toe, namelijk die door gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding des goeds en des kwaads.

ia Want gij, die behoordet leeraars te zijn. Dit bestraffen brengt wonderlijke prikkelingen met zich, om de Joden op te wekken uit hun traagheid. Hij zegt, dat het een vreemd ding is, en voor hen een groote schande, dat ze nog jonge leerkinderen zijn,

in plaats dat ze wel hooggeleerden behooren te wezen. Gij behoordet (zegt hij) anderen te leeren, maar gij zijt zelf nog geen jongens van een middelbare leer; want gij verstaat nog de eerste beginselen niet van de Christelijke leer. En om hen meer te beschamen, zoo zegt hij: De beginselen, gelijk men zegt, het abc. Het is wel waar, dat wij ons leven lang leeren moeten: want deze is waarlijk wijs, die weet, hoeveel hem nog ontbreekt, eer hij volkomen verstand heeft. Maar wij moeten leerende zooveel toenemen,

dat wij altijd in onze 'eerste beginselen niet blijven. En wij moeten ons wel wachten, dat de woorden van Jesaja in ons niet i vervuld worden: Gebiedt hier, gebiedt daar, gebiedt hier, gebiedt Jes-28:10-daar, hier een weinig, daar een weinig; maar veelmeer onze naarstigheid doen, dat de voortgang onzer leeringen met den tijcl overeenkome. En voorwaar, wij behooren niet alleen de jaren te tellen, maar ook de dagen, den een na den ander, en een iegelijk alzoo zichzelven aan te porren, om meer en meer toe te nemen.

Maar er zijn er zeer weinig, die van zichzelven rekenschap des voorleden tijds eischen, en zorgvuldig zijn aangaande het toekomende.

En daarom worden wij terecht van onze traagheid bestraft, omdat de grootste hoop in de eerste leeringen blijft hangen. En wat meer is,

'i:'( ■ft

f

1 t

lt; i

-»-1

/: «■

ocr page 80

HEBREËN 5:12, 13.

wij worden vermaand, dat ons aller roeping is, hoe meer verstand wij ontvangen hebben, hoe meer wij schuldig zijn anderen mede te dealen, opdat niemand voor zich alleen wijs zij, maar dat een iegelijk zijn wijsheid gebruike tot stichting zijns naasten. En melk van noode hebt. De heilige Paulus gebruikt deze zelfde gelijkenis, in 1 Cor. 3:1, als hij hun dezelfde misdaad verwijt, of ten minste iets, wat daarmede niet zeer ongelijk is: want hij zegt, dat zij geen zware spijze kunnen verdragen, omdat zij nog vleeschelijk zijn. De melk is dan de eerste leering voor degenen, die nog onwetende zijn. iPetr. 2:2. De heilige Petrus neemt dit in een anderen zin, als hij hebben wil, dat wij de onvervalschte melk zullen begeeren. Gelijk daar ook tweëerlei kindsheid is, te weten, in de boosheid en in het verstand, i cor. 14:20. Want de heilige Paulus zegt aldus: Zijt geen kinderen in het verstand, maar in de boosheid. Daarom die zoo teer en lekker zijn, dat zij niet een leer vatten kunnen, die een weinig diepzinnig is, worden tot hunne schande kinderen genaamd. Want het is het rechte gebruik der leer, met ons alzoo om te gaan, dat wij mogen opwassen tot een volkomen man, tot de mate der groote volheid van Christus, opdat wij niet meer kinderen zijn, die bewogen en Ef. 4:13, u. omgevoerd worden met allerlei wind van leer, gelijk het in Efeze 4: 14 staat. Het is wel waar, dat men het hun vergeven moet, die Jezus Christus nog niet gesmaakt hebben, zoo ze de zware spijze nog niet kunnen verdragen: maar degene, die naar zijn tijd, dien hij gehad heeft, behoorde te wassen, en in zijn kindsheid blijft, is niet Jes. 28:9. waardig, dat men hem zal vergeven. Want wij zien, dat Jesaja den verworpenen dit kenteeken geeft, dat zij den kinderen gelijk zijn, die nog onlangs van de borsten genomen zijn. Het is wel waar, dat de leering van Jezus Christus de kinderen zoowel met melk bedient, als de ouden van jaren met vaste spijze. Maar gelijkerwijs het kind opgevoed wordt met zijn voedstersmelk, niet opdat het altijd bij de borst blijven zou, maar opdat het allengskens gewoon worde gemaakt om sterker spijze te nuttigen, alzoo moet men ook in den beginne de melk der Schrift zuigen, opdat wij daarna met hetzelfde brood gevoed en onderhouden worden. Verder, zoo stelt hij hier zulk onderscheid tusschen melk en vaste spijze, dat hij nochtans door beide de gezonde leer verstaat. Maar de ongeleerden beginnen op een andere manier, en die nu geleerd zijn, worden weer anders bevestigd.

13 Want zoo wie der melk deelachtig is. Hierdoor verstaat hij degenen, die door hun zwakheid de vaste leer nog verwerpen. Want degene, die tot zijn ouderdom gekomen is, gruwt niet voor de melk, maar hij bestraft hier de kindsche zinnen, dewelke een oorzaak is, dat God gedwongen is om met ons kinderlijk te spreken. Zulke kinderen ontkent hij dan onbekwaam te zijn om aan te nemen. Het woord der gerechtigheid, verstaande door het woord gerechtigheid, de volmaaktheid, waarvan hij terstond hier in het navolgende zal spreken. Want naar mijn verstand, spreekt de apostel hier niet van de kwestie, hoe wij voor God gerechtvaardigd zijn: maar hij neemt dit woord eenvoudig voor de zuiverheid der kennis, die ons tot de col. i:28. volkomenheid brengt. Welk ambt de heilige Paulus het Evangelie toeschrijft, alsof hij zeide: Degenen, die zichzelven in hun ongeschiktheid pluimstrijken, zijn uitgesloten buiten de zuivere kennis van Christus, en dat daardoor de leer des Evangelies in hen onvrucht-

76

ocr page 81

HEBREËN 5 ; 13, 14.—6 : 1.

baar is, omdat zij nimmermeer tot het rechte einde geraken, noch ook nader komen.

14 Maar den volmaakten komt de vaste spijze toe. Hij noemt de volwassenen volmaakt, en stelt ze tegen de kinderen. Gelijk in 1 Cor. 2:6; 14; 20 en Ef. 1:13 staat. Want mannelijke ouderdom, die ten halve is tusschen kindsheid en ouderdom, is de staat des menschelijken levens. Maar hij noemt ze figuurlijk, mannen in Christus, die geestelijk zijn. Hij wil, dat alle Christenen zulks wezen zullen, dat zij eenige hebbelijkheid uit het gedurig gebruik verworven hebben, om te onderscheiden tusschen het goed en kwaad. Want wij zijn anders in de waarheid niet gesticht gelijk het behoort, tenzij wij door haar.hulp voorzien zijn tegen alle satans-leugenen: want hierom wordt zij een geestelijk zwaard genaamd. En Paulus teekent ons dit gebruik der gezonde leer aan, als hij zegt, opdat gij niet bewogen wordt met allerlei wind van leer. En voorwaar, wat zal het geloof zijn, blijft het hangen tusschen de valschheid en waarheid? Zal het niet ten allen tijde kunnen verzwakt worden ? En de apostel niet tevreden zijnde om met e'e'n woord zijn meening uit te spreken, zet daar den ganschen zin, om te toonen dat wij nimmermeer zullen ophouden, totdat wij aan alle zijden voorzien en gewapend zijn om te vechten met den woorde Gods, opdat de satan geen middel vinde, om in ons door zijn valschheid ingang te hebben. Hieruit blijkt wat Christenheid in het pausdom is, waar niet alleen groote onwetendheid geprezen wordt, onder het deksel van simpelheid, maar den volke ook scherpelijk verboden is, dat zij geen ding gewis noch zeker verstaan kunnen. Het is licht (zeg ik) om te oordeelen, van wat geest zij gedreven worden, die bij groot verlies verbieden aan te roeren, wat de apostel gebiedt, altoos vlijtig daarmede om te gaan; degenen, die daar versieren dat het een prijselijke onachtzaamheid is, welke de apostel hier zoo scherpelijk bestraft; die het woord Gods wegnemen, hetwelk de eenige regel is, om alles wel te onderscheiden: nademaal ons de apostel hier verkondigt, dat het allen Christenen noodig is te onderscheiden. Bij degenen, die de vrijheid hebben, te onderzoeken, zoowel in het hooren als in het lezen, waar de duivelsche verbieding te niet gedaan is, daar is alzoo groote traagheid, alsof hun de leer verboden ware. Aldus ongeoefend zijnde, zijn wij bot en beroofd van oordeel.

HET ZESDE HOOFDSTUK.

1 Daarom, nalatende de leer van het beginsel van Christus, laat ons naar de volmaaktheid voortgaan: niet wederom leggende den grond des berouws van doode werken, en des geloofs in God,

2 Der leer der doopen, oplegging der handen en opstanding der dooden, en des eeuwigen oordeels.

i^l—^vaarom, de leer. Nadat hij de Joden scherpelijk bestraft

Iheeft, zoo vermaant hij ze, dat ze de beginselen nalatende, ^ ' zich benaarstigen zullen om tot het rechte einde te komen.

Want hij noemt de leer van het beginsel de kinderleer, waarmede

77

ocr page 82

HEBREËN 6:1.

78

de ongeoefenden eerst beginnen, als men ze in de kerk aanneemt. Dat hij hun nu deze verbiedt na te laten, geschiedt niet, omdat de geloovigen ze behooren te vergeten, maar omdat men in dezelve niet moet blijven hangen. Hetwelk beter bekend wordt door de gelijkenis van het fundament, dat terstond daarna volgt. Want als men een huis wil bouwen, moet men van het fundament niet wijken; nochtans ware het bespottenswaardig, dat men altijd daarover was werkende. Want hoewel men het fundament legt, om der bouwing wil, degene die zichzelven alleen bezighoudt om dat te leggen, zonder daar voorts op te bouwen, doet deze niet een zotte daad? In één woord, gelijk men van het fundament begint, zoo moet zich ook de werkmeester benaarstigen, dat het huis zijn voortgang hebbe in het opbouwen. Daar is een dergelijke rede in de Christenheid, want wij worden gegrond leerende onzen leerjongens leeringen, maar terstond moet er een volkomener leer navolgen, die de bouwing volmake. Daarom, die in hun eerste beginselen blijven hangen, doen verkeerdelijk, want zij werken naar geen zeker voorgesteld einde: geliikerwiis de timmerman of metse; laar al zijn arbeid aanwendt om het fundament te leggen, en dat hij inmidaels geen zorg draagt om het werk af te maken. Hierdoor \vil hij, dat ons geloof allereerst alzoo gegrond_ zal zijn, dat het om-hoog rijze, opdat het door dagelijksche toenemingjii het einde volwassen worde. Des bérouws van doode werken? Hier heeft hij gezien op het gebruik van de kinderleer, waaruit men een bewijsbaar vermoeden kan nemen, dat deze brief niet terstond geschreven is in den beginne, toen men het Evangelie eerst verkondigde, maar toen daar al eenige bepalingen in de kerken verordend waren. De manier daarvan was deze; Dat degene, die eerst in de religie onderricht was, zijn geloof beleed, eer hij tot den doop aangenomen werd. Er waren zekere artikelen, die de herder den nieuw onderrichte afvraagde, gelijk men uit de getuigenissen van vele oudvaderen zien kan, un deze afvraging geschiedde meest uit de twaalf artikelen onzes geloofs. Dit was de ingang der kerk voor degenen, die tot hun ouderdom gekomen waren, en Christenen wilden zijn, en tevoren vreemd van het geloof van Jezus Christus waren geweest. De apostel spreekt van dit gebruik, omdat men aan al zulke nieuw onderrichten niet veel tijds gaf om onderwezen te worden in de leer der Christelijke religie: maar ge-lijkerwijs een meester zijn jongeren het abc leert, opdat ze terstond daarna hooger mogen geleerd worden. Maar laat ons aanmerken wat de apostel zegt. Hij noemt hier berouw en geloof, waarin de volkomenheid des Evangelies ligt. Want wat beveelt Jezus Christus zijnen jongeren anders, dan dat zij geloof en berouw zullen prediken? Daarom als de heilige Paulus betuigen wil, dat hij zijn ambt getrouwelijk bediend heeft, zoo verhaalt hij, dat hij altijd zorgvuldig is geweest, om gedurig deze twee stukken den hoorders in te drukken. Het schijnt wat vreemds, dat de apostel hier gebiedt, dat zij den grond des berouws en geloofs niet wederom leggen zullen, waarin zij nochtans den ganschen loop huns levens moesten volharden. Maar hij zet daarbij: Van doode werken. Hij toont wel, dat hij van het eerste berouw spreekt, als men pas een Christen begint te worden: want hoewel alle zonde een dood werk is, of omdat het den dood voortbrengt, of omdat het uit den

ocr page 83

HEBREEN 6:1, 2.

geestelijken dood der zielen komt, nochtans de geloovigen, die door den Geest Gods herboren zijn, worden niet eigenlijk gezegd van de doode werken af te staan. Het is wel waar, dat de wedergeboorte in hen niet dan begonnen is, maar hoe weinig zaad van een nieuw leven zij in zich hebben, hetzelve is nochtans oorzaak, dat zij voor God niet meer dood gerekend worden. Daarom vervat hij hier de gemeene boete niet, die men zorgvuldig tot het einde toe moet overdenken: maar hij geeft hier alleen te kennen het begin van de boete, waardoor die onlangs bekeerd zijn tot het geloof, zich schikken om een nieuw leven te leiden. Ook het woord geloof, beduidt hier het korte begrip der ware leer, hetwelk men gemeenlijk de twaalf artikelen des geloofs noemt. Hiertoe dient ook de opstanding der dooden en het eeuwige oordeel. Want deze twee stukken zijn van de grootste verborgenheid der hemelsche wijsheid. Hiertoe strekt het rechte einde van onzen Christelijken godsdienst, waartoe wij ons gedurig moeten bevlijtigen. Maar omdat dezelfde zaak op een andere manier den ongeoefenden voorgehouden wordt, dan dengenen, die nu eenigszins in de leer zijn toegenomen, zoo wijst ons de apostel aan een gemeen gebruik van vragen, te weten: Gelooft gij in de opstanding der dooden? Gelooft gij het eeuwige leven ? Dit geschiedt den kinderen, alleen voor éénmaal. Daarom wederom in hetzelve te treden is niet dan achterwaarts gaan.

2 Der leer der doopen. Sommigen lezen dit afzonderlijk; Der doopen en der leer, maar ik lees het liever samen; Van de leer des doops, hoewel ik het anders uitleg dan anderen, te weten, dat het is een bijstelling, gelijk het de taalkundigen noemen, en verstaan dat aldus; Niet wederom leggende den grond des berouws en des geloofs in God, van de opstanding der dooden; hetwelk een leer is des doops en der oplegging der handen. Want zoo gij deze twee stukken, te weten, leer des doops, en oplegging der handen, tus-schen twee haakjes besluit, zal de tekst veel beter vloeien; en zoo men het niet leest met een bijstelling, zoo zal dit tweemaal verhalen zeer vreemd luiden. Want wat leer is er in den doop, dan die hij hier verhaalt van het geloof, hetwelk men in God moet hebben; van berouw, van het oordeel, en dergelijke? Voorts meent Chrysostomus, dat hij hier stelt doopen in 't meervoud, omdat zij genoeg het eerste doopsel teniet deden, keerende tot de beginselen. Met welke meening de mijne niet overeenkomt: want deze leer is niet veel doopen toegeschikt. Maar hij noemt doopen de gewone ceremoniën van het doopen, of de verordende dagen van het doopen. Hij voegt de oplegging der handen met den doop te zamen, omdat gelijk er tweeërlei inzettingen waren voor die eerst in de leer des geloofs onderricht waren, zoo hebben ze ook tweeërlei ceremoniën gehad. Want de vreemdelingen kwamen tot den doop niet, of zij hadden tevoren belijdenis huns geloofs gedaan. In deze ging dan de onderrichting vooraf. Maar aangaande der geloovigen kinderen, omdat zij aangenomen waren van huns moeders buik aan, en door het recht der belofte aan het lichaam der kerk toebehoorden, dezen werden gedoopt in hunne kindsheid. Uit de kindsheid gegaan zijnde, en als men ze het geloof geleerd had, zoo vertoonden zij zich ook om onderricht te worden. In dezen ging de doop vóór de onderrichting, maar men voegde daar toen een ander teeken bij, te weten, de oplegging der handen. Deze eene plaats

79

ocr page 84

HEBREËN 6:2—4.

bevestigt alleen genoeg, dat de oorsprong dezer ceremonië van de apostelen gekomen is: welke nochtans naderhand verkeerd is in bijgeloof, gelijk de wereld bijna altijd de goede en heilige inzettingen tot verderving keert. Want men versiert, dat het een sacrament is, waardoor de Geest der wedergeboorte werd gegeven. Door welken nieuwen vond zij het doopsel gescheurd hebben: want wat dien eigenlijk toekwam, hebben ze tot de oplegging der handen getrokken. Wij zullen weten, dat deze ceremonie ingesteld is dooide eerste instellers, opdat het een zonderlinge manier van bidden zou zijn, gelijk Augustinus dat noemt. Het is waar, dat zij door dit teeken hebben willen bevestigen de belijdenis des geloofs, die van degenen geschiedde, die eerst uit de kindsheid kwamen: maar zij hebben niets minder bedacht, dan dat zij • de kracht des doops zouden verdeden of verscheuren. Waarom wij thans die zuivere instelling behooren ha te volgen, en de superstitiën te verbeteren. Deze plaats dient ons ook, om den doop der jonge kinderen te bevestigen. Want op wat grond zou deze leer anders den een genaamd worden een leer des doops, en den ander van oplegging der handen ? anders dan dat de laatsten onderricht waren in het geloof, nadat zij den doop ontvangen hadden, zoodat hun niet meer ontbrak, dan de oplegging der handen.

Hand. 12; 22. 3 En dit zullen wij doen, zoo God het toelaat.

1 Jac* t 'is' 4 Want het is onmogelijk dat degenen, die eens verlicht zijn ge-

Matt. 12:15. weest, en de hemelsche gave gesmaakt hebben, en des Heiligen

^Petr.1?: 20.' Geestes deelachtig geweest zijn,

5 En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende wereld,

6 En afvallig worden, dat zij wederom vernieuwd worden tot bekeering: als die den Zone Gods [voor] zichzelven wederom kruisigen, en tot schande maken.

3 En dit zullen wjj doen. Dit is een verschrikkelijke waarschuwing, maar de apostel bliksemt aldus, omdat de Joden zichzelven pluimstrijkende in hun onachtzaamheid, met de genade Gods niet spotten zouden. Alsof hij zeide: Men moet niet vertoeven tot morgen, want men heeft altijd geen bekwaamheid om te vorderen, en het is ook in des mans macht niet, dat hij in den loopbaan van het eene einde tot het andere springe, als het hem belieft; maar het volharden des loops is een zonderlinge gave Gods.

4 Want het is onmogelijk. Deze plaats heeft er velen oorzaak gegeven, om dezen brief te verwerpen, aangezien de Novatianen zich met dezen wapenden, om den zondigen menschen vergeving der zonden te loochenen. Ja zelfs hebben de Westersche kerken liever gezegd, dat men dezen geen geloof geven zou, omdat zij zeer benauwd werden van de secte der Novatianen, en niet geleerd genoeg waren om hunne argumenten neder te leggen. Maar de meening des apostels verstaan hebbende, zoo zullen wij terstond bekennen, dat hierin niets is, dat zulke zotte dwaling eenigszins gunstig is, of tot voordeel strekt. Enkele anderen, die de autoriteit van dezen brief bekennen, houdende dezelve voor heilig, willende die ongeschiktheid wegnemen, scheiden daar niet van dan met looze

80

ocr page 85

HEBREËN 6: 4.

81

uitvluchten. Want daar zijn er, die dit woord onmogelijk, verstaan voor zwaar, of voor iets dat zelden gebeurt, wat verre is van de beteekenis des woords. Daar zijn anderen, en ook de meeste hoop, die het trekken op berouw, waardoor zij, die eerst onderwezen waren, gewoon waren zich te bereiden tot den doop in de oude kerk, alsof de apostelen hun, die gedoopt zouden worden, bevolen hadden te vasten of iets dergelijks. Wat meer is, wat groots zou de apostel zeggen, zoo hij loochende, dat het berouw kan herhaald worden, hetwelk een aanhangsel des doops is ? Hij verkondigt een verschrikkelijke wrake Gods over degenen, die de genade verwerpen, die zij eens ontvangen hebben. Wat aanzien zou deze sententie hebben, en wat zou deze verschrikkelijks in zich hebben, om degenen vervaard te maken, die onbezorgd en onachtzaam zijn, zoo ze ons vermaande, dat er geen plaats meer is voor het eerste berouw? want zulks zou verstaan worden van alle soort van zonden. Wat zullen wij dan zeggen? Wetende dat de Heere hope van zijne barmhartigheid geeft, zonder eenige uitzondering, zoo is het zeer vreemd te zeggen, dat iemand verstooten wordt, hetzij om wat zaak het zij. De knoop van deze kwestie is in dit woord: Zoo zij weder vervallen. Daarom, die de kracht hiervan verstaat, zal lichtelijk van alle zwarigheid ontlast zijn. Men moet onthouden, dat er tweeërlei val is: de een, die sommigen aangaat, en de ander, die allen gemeen is. Die nu in eenig stuk of ook in veel gezondigd heeft, is van den staat eens Christenmenschen afgevallen. Zoo zijn dan al de zonden atvallingen. Maar de apostel disputeert hier niet van diefstal, meineed, moord, dronkenschap, overspel, of van dergelijke boosheid, maar hij spreekt hier van een algemeene afwijking des Evangelies, waarin de zondaar niet alleen ten deele zondigt tegen God, maar ganschelijk Gods genade verzaakt. En opdat dit beter verstaan worde, zoo moeten wij hier een tegenstelling maken tusschen Gods genade, die hij verhaald heeft en dezen val. Want die van Gods woord afwijkt, die het licht des woords uitbluscht, die zichzelven berooft van den smaak der hemelsche gaven, die de mededeelachtigheid des Geestes verlaat, deze valt. Dat is ganschelijk God verzaken. Hier zien wij nu welke degenen zijn, die hij uitsluit van de hope der vergeving, te weten, de aftreders, die daar vervreemden van het Evangelie van. Jezus Christus, hetwelk zij tevoren ontvangen hadden, en van de genade Gods: hetwelk geen mensch geschiedt, of hij zondigt tegen den Heiligen Geest. Want degene, die tegen de tweede tafel der wet zondigt, of die door onwetendheid de eerste overtreedt, heeft nog geen schuld aan zulk een afwijking. En ook berooft God de anderen alzoo van zijn genade niet (uitgezonderd de verworpenen) dat Hij hun geen hope meer laat. Zoo nu iemand vraagt, waarom het geschiedt, dat de apostel hier vermaant van zulke aftreding, aangezien zijn rede tot de geloovigen strekt, van welke zulke booze ongetrouwheid verre was? ik antwoord, dat hij intijds het gevaar aanwijst, opdat zij zich daarvoor wachten zouden: hetwelk wel waardig is te onthouden. Want als wij van den rechten weg dwalen, zoo verontschuldigen wij onze boosheid niet alleen bij anderen, maar wij bedriegen ook onszelven. De duivel komt steelsgewijze, en lokt ons allengskens door zijn verborgen kunsten op zulke wijze, dat wij dwalende, niet weten dat wij dwalen: aldus wijken wij af van trap tot trap, totdat wij onszelven bedriegende, geheel afvallen. Dit Dl. vu. u

ocr page 86

HEBREËN 6:4, 5.

82

kan men in velen dagelijks merken. Daarom is het niet zonder oorzaak, dat de apostel alle jongeren van Christus waarschuwt, dat zij zich bijtijds zullen wachten: want uit slapheid en onachtzaamheid komt gemeenlijk een traagheid, die zeer zorgelijk is: waarop een vervreemding des Geestes volgt. Wijders moet aangemerkt zijn, met wat loffelijke titelen hij de kennis des Evangelies versiert. Hij noemt hetzelve een verlichting: waaruit volgt, dat de men-schen verblind zijn, totdat Christus, die het licht der wereld is, hen verlicht. Hij noemt dat, een smaak der hemelsche gaven, daarmede te kennen gevende, dat de gaven, die ons in Christus geschonken worden, boven de natuur en wereld gaan, en nochtans dat men die smaakt door het geloof. Hij noemt dat: Een mede-deelachtigheid des Heiligen Geestes, omdat Deze een iegelijk uitdeelt alle licht en verstand, naar zijn welgevallen, zonder welke 2 Cor. 12:3. niemand kan zeggen; dat Jezus de Heere is; die ons de oogen van ons verstand opent, en de verborgenheid Gods openbaart. Hij noemt dat: Een smaak van het goede woord Gods, daarmede te kennen gevende, dat ons de wil Gods niet geopenbaard is op één, maar op alzulke wijze, dat Hij ons zeer lieflijk vermaakt. In één woord, hij toont door deze bijstelling, wat onderscheid er is tus-schen de wet en het Evangelie: 'omdat de wet in zich niet heeft dan strengheid en oordeel, en dat het Evangelie een genadig getuigenis is van de liefde Gods jegens ons, en van zijn vaderlijke goedertierenheid. Ten laatste noemt hij het: Smaak der krachten van de toekomende wereld, door welk woord hij te kennen geeft, dat wij door het geloof als aangenomen zijn in het rijk Gods, opdat wij in den geest zouden zien de welgelukkige onsterfelijkheid, die voor onze zinnen verborgen is. Laat ons dan zekerlijk weten, dat het Evangelie anders niet bekend wordt gelijk het behoort, dan door de verlichting des Heiligen Geestes, en op zulke wijze als wij ons van de wereld afscheiden, worden wij verheven in den hemel, en nadat wij de goedheid Gods gesmaakt hebben, rusten wij in zijn woord. Maar hier rijst nu een nieuwe kwestie, hoe het kan geschieden, dat die eens daartoe gekomen is, daarna wederom valt? Want de Heere roept niemand krachtig, dan de uit-Eom. 8: i4. verkorenen, en de heilige Paulus geeft getuigenis, dat het waarlijk zijn kinderen zijn, die van zijn Geest gedreven worden, en leert ook dat dit een zeker teeken is der aanneming, als Jezus Christus iemand van zijn Geest heeft deelachtig gemaakt. Maar nochtans zijn de uitverkorenen uit het gevaar des- doodelijken vals. Want de Vader, die ze in hoede en bescherming van Christus zijn Zoon heeft gegeven, is grooter dan al wat er is. En Jezus Christus belooft, dat Hij voor hen allen zorgvuldig zal zijn, opdat er niemand verloren ga. Ik antwoord waar te zijn, dat God alleen zijn uitverkorenen die eere doet, en hun den Geest der wedergeboorte geeft, en dat zij hierin van de verworpenen onderscheiden zijn, omdat zij zijn beeld gelijkvormig zijn, en den voorpenning des Geestes in hope van eeuwige erve ontvangen, en dat het Evangelie in hunne harten verzegeld is door denzelfden Geest: maar ik zeg dat dit niet verhindert, dat Hij ook de verworpenen besprengt en besproeit met den smaak van zijne genade, en hunne geesten verlicht met eenige vonskens zijns lichts, Hij laat hen ook zijn goedheid smaken, en drukt ook eenigszins zijn woord in hunne harten. Waar zou anders

ocr page 87

HEBREEN 6:5, 6.

dat tijdgeloof zijn, waarvan de heilige Markus leert. Zoo is er dan Mark- ^17-ook eenige kennis in de verworpenen, die naderhand verdwijnt en vergaat, of omdat zij zoo diepe wortelen niet had, gelijk het wel behoorde, of omdat zij vertreden zijnde, niet voorts opkomt. De bevinding en aanmerking van zoodanige dingen is een toom, waardoor ons de Heere in vreeze en ootmoedigheid houdt. En voorwaar, wij zien nog zonder dat, hoezeer de menschelijke natuur genegen is tot onachtzaamheid en dwaas betrouwen, hoewel nochtans onze zorgvuldigheid zoodanig behoort te zijn, dat zij den vrede der consciëntie niet verstore. Want de Heere richt tot eenmaal in ons het geloof op, en temt ook het vleesch; en daarom wil Hij, dat het geloof blijve als in een zekere haven, en zoetelijk ruste: maar Hij oefent het vleesch door verscheidene aanvechtingen, opdat het door ledigheid niet te dartel worde.

6 Dat zij wederom vernieuwd worden tot bekeering. Hoewel dit wat hard schijnt, nochtans die alzoo gestraft wordt vanwege zijn aftreding, heeft geen oorzaak om God van wreedheid te beschuldigen. En dit strijdt niet met andere plaatsen der Schrift, waarin Ezech.iS:27. Gods barmhartigheid den zondaren voorgedragen werd, zoo haast als zij gezucht hebben: want hier wordt een oprecht berouw begeerd, waarvan die eens van het Evangelie afgeweken is, nimmermeer waarlijk wordt aangeroerd. Want zoodanigen, die van Gods Geest beroofd zijn, gelijk zij wel verdiend hebben, zijn gevallen in een verkeerden zin, omdat zij onder des duivels macht zijnde, niet ophouden, totdat zij gevallen zijn in verdoemenis. Hierdoor hoopen zij zonde op zonde, totdat zij ganschelijk onverstandig zijnde, God verachten, of Hem als mistroostige menschen haten. Ziet, dit is het einde van alle aftreders, te weten, dat zij geslagen zijnde met onverstand, niets vreezen; of zij verschrikken voor God, die hun richter is, omdat zij Hem niet ontvlieden kunnen. In één woord, de apostel vermaant ons hierdoor, dat het berouw niet is in den wil des menschen, maar dat het God alleen dengenen geeft, die nog niet gansch en al van het geloof gevallen zijn. Welke vermaning ons bovenmate zeer nut is, opdat wij niet door uitstel van dag tot dag, meer en meer van God vervreemden. Met deze spreuken spotten de goddeloozen, en zeggen, het is genoeg, mits zij zich bekeeren van hun boos leven in de laatste oogenblikken huns levens: maar als het daartoe komt, zoo bewijzen zij wel door de verschrikkelijke pijn, die zij in hun conscientiën lijden, dat eens menschen bekeering geen gemeen werk is, en zoo lichtelijk niet geschiedt, als zij zich-zelven wel hebben wijs gemaakt. Nu het dan alzoo is, dat de Heere geen vergeving belooft dan dengenen, die leedwezen hebben van hunne boosheid, zoo mag men zich niet verwonderen, indien degenen vergaan, die door mistroostigheid of versmading hardnekkig tot hun eigen val loopen. Staat nu iemand wederom op, zoo moet men zeggen, dat hij niet geheel afgeweken is, hoewel hij nochtans anders zwaarlijk gezondigd kan hebben. Omdat zij wederom kruisigen. Dit voegt hij hier ook bij, om de strengheid Gods te beschermen tegen de valsche beschuldigingen der menschen; want het zou niet sluiten, dat God de aftreders vergevende, zijn Zoon tot spot zou laten. Zij zijn dan onwaardig, dat hun God vergeve.

Verder, dit is de reden, waarom hij zegt, dat Christus wederom gekruisigd wordt, omdat wij met Hem sterven, op deze voorwaarde^

83

ocr page 88

HEBREËN 6 : 6—8.

om altijd te gedenken een gedurig nieuw leven. Die dan weder vallen in den dood, behoeven een tweede offerande, gelijk wij zien zullen in hfdst. 10. Zichzelven kruisigende. Dat is, zooveel als in hen is: want dit zou alzoo wezen, en bijwijze van spreken, Jezus Christus zou omgeleid worden in triumf door spot en oneer, zoo de menschen na hun afwijking, als het hun goed dacht, wederom tot Hem konden keeren.

7 Want de aarde, die den regen, die op haar menigmaal komt, indrinkende, profijtelijk kruid voortbrengt dengenen, waardoor zij geoefend wordt, die ontvangt zegen van God;

8 Maar die doornen en distelen voortbrengt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde ' is om te verbranden.

9 Maar wij betrouwen van u, geliefden, wat beter is, en ter zaligheid aankleeft, hoewel wij alzoo spreken.

10 Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou ver-Mark. 9:41. geten, en den arbeid der liefde, die gij aan zijnen naam be-

Spr! 14 :31! wezen hebt, als gij den heiligen gediend hebt, en ook dient.

7 Want de aarde. Dit is een zeer bekwame gelijkenis, om der menschen harten op te wekken, dat zij zich bijtijds bekeeren: want gelijkerwijs de aarde geen goed koren kan voortbrengen in den tijd des oogstes, tenzij het zaad, nadat het in de aarde geworpen is, wel gebloeid heeft, zoo is het ook met ons: willen wij goede vruchten voortbrengen, zoo haast als de Heere zijn woord zaait, zoo moet dat in ons wortelen krijgen, welke terstond hun kracht openbaren zullen. Want wij kunnen niet verwachten, dat het vrucht voortbrengen zal, laten wij het vertreden of bederven. Aldus omdat deze gelijkenis hierop eigenlijk en zeer wel sluit, zoo moeten wij deze wijselijk naar des apostels rede voegen. De aarde, (zegt hij) die den regen indrinkt, terstond nadat ze bezaaid is, brengt van het graan geen ontaard kruid voort, maar brengt door Gods zegening goed rijp koren voort. Alzoo is het ook met degenen, die in hunne harten het zaad des Evangelies ontvangen en van dat zaad voortbrengen oprecht goed kruid; dezen zullen altijd best opwassen, totdat zij rijpe vruchten voortbrengen. Daarentegen de aarde, die nadat ze gebouwd en bedauwd is, niet voortbrengt dan distelen en doornen, geeft geen hope van een goeden oogst, maar wat nog veel erger is, zooveel te meer als het voortwast wat er op staat, zooveel te minder hope is er toe. En daarom, de eenige raad, die hiertoe is, dat is, dat de akkerman in dit veld, hetwelk zoo vol is van schadelijk en onprofijtelijk onkruid, den brand steke. Insgelijks, die door hun luiheid of booze genegenheid het goddelijk zaad des Evangelies verderven, alzoo dat zij in hun geheele leven niet een teeken geven, dat zij eenigszins toenemen, bewijzen dat zij verworpen zijn, alzoo dat van henlieden geen oogst te hopen is. De apostel handelt dan hier alleen niet van de vrucht des Evangelies, maar hij vervolgt zijn vermaning, dat wij het Evangelie zullen omhelzen met een vlijtig en wel gerust gemoed. En dat terstond na het zaaien, het kruid zich openbare. Waar wij gesteld hebben: Profijtelijk kruid, hebben anderen overgezet: Bekwaam kruid, beide is het goed, maar het laatste moet op den tijd, en het andere

84

Matt. 10:42; 25 :40.

ocr page 89

HEBREËN 6 : 8—10.

tot de kwaliteit getrokken zijn. Aangaande de allegorie of den dubbelen zin der woorden, waar de overzetters listig mede omgaan, die laat ik weg, aangezien het de meening des auteurs niet raakt.

9 Maar wü betrouwen. Omdat de voorgaande sententiën als bliksemen geweest zijn, waardoor de lezers konden verslagen en te zeer beroerd worden: zoo was het van noode deze scherpheid een weinig te verzoeten, en daarom zegt hij nu, dat als hij alzoo gesproken heeft, dit niet geschied is, omdat hij een kwaad vermoeden op hen had. En voorwaar die profijt begeert te doen in het prediken, moet alzoo met zijne jongeren handelen, dat hij hun moed liever moet zoeken te vermeerderen, dan denzelven hun te benemen of verminderen. Want er is niets, dat ons mismoediger maakt om de leer te hooren, dan als wij zien, dat men ons acht voor mistroostigen. Om deze redenen betuigt de apostel hier, dat hij de Joden vermaant, omdat hij van hen een goede hope heeft, en wenscht hen tot de zaligheid te brengen. Hieruit leeren wij, dat het van noode is scherp en geweldig te bestraffen, niet alleen de verworpenen, maar ook de uitverkorenen, en die wij achten kinderen Gods te zijn.

10 Want God is niet onrechtvaardig. Deze woorden zijn zooveel te zeggen, alsof hij zeide, dat hij uit een goed begin, goed einde verwacht. Maar hier rijst een zwarigheid uit, te weten, dat God (naar het schijnt) eenigszins aan de menschen zou verplicht zijn,

door hetgeen dat zij Hem konden gedaan hebben. Ik heb betrouwen van uwe zaligheid, zegt hij, omdat God uwe werken niet vergeten kan. Door dit middel schijnt het, dat hij hun zaligheid in de werken stelt, en maakt dat God hun schuldig is. De sophisten, die de verdiensten der werken boven de genade Gods stellen, strijden met dit punt, God is niet onrechtvaardig: want zij nemen hieruit, dat Hij onrechtvaardig zou zijn, zoo Hij den werken het loon der eeuwige zaligheid niet gave. Ik antwoord hierop met korte woorden, dat het hier de meening des apostels niet is, uitdrukkelijk de zaak onzer zaligheid te handelen, en dat men daarom niet oordeelen moet uit deze plaats van de verdiensten der werken, en ook niet besluiten kan, wat God den werken schuldig is. De Schrift toont nergens geen ander oorsprong der zaligheid, dan in de onverdiende barmhartigheid Gods. Aangaande dat God op sommige plaatsen den werken loon belooft, dit hangt aan onverdiende belofte, waardoor Hij ons aanneemt tot zijne kinderen, en ons verzoent met Zichzelven,

ons de zonde niet toerekenende. Loon is dan voor de werken verordend, niet uit eenige verdiensten, maar door de loutere mildheid Gods. Hoewel nog ook deze wedervergelding der werken geen plaats heeft, dan na den tijd, als wij in genade aangenomen zijn, door de weldaad van Christus. Hieruit nemen wij, dat als God dit doet, zoo betaalt Hij niet eenig ding, hetwelk Hij schuldig is,

maar houdt en voldoet de belofte, die Hij ons uit vrijen wil gedaan heeft, en dat Hij het daarom doet, omdat Hij ons en onze werken met vergeving aanziet, of om beter te zeggen. Hij merkt zoozeer niet op onze werken, als op zijn genade in onze werken. Hierdoor ziet gij, hoe Hij onze werken niet vergeet, want Zichzelven en het werk zijns Geestes ziet Hij daarin. Dit is ook de rechtvaardigheid, waarvan de apostel spreekt, te weten, omdat Hij Zichzelven niet kan verloochenen. Aldus is deze plaats overeenkomende met de uitspraak van Paulus, waar hij zegt; Hij, die een goed werk in m. i:c.

85

ocr page 90

HEBREEN 6: 10.

u begonnen heeft, zal dat volbrengen. Want wat zal God in ons vinden, waardoor Hij opgewekt zal worden om ons te beminnen, dan wat Hij ons eerst gegeven heeft? In ée'n woord, de sophisten bedriegen zichzelven, die daar een zonderlinge vergelding versieren, ; • tusschen de rechtvaardigheid Gods en onze werken: aangezien God

meer op Zichzelven en op zijne gaven ziet, opdat Hij ten einde volbrenge wat Hij in ons begonnen heeft uit louteren wil, zonder opgewekt te zijn door eenigen dienst, die van ons kan komen. Dit is (zeg ik) de rechtvaardigheid Gods in de vergelding der werken, te weten, omdat God getrouw en waarachtig is. Hij heeft Zichzelven ons tot een schuldenaar gemaakt, niet omdat Hij eenig ding van ons zou nemen, maar alle ding mild belovende, gelijk Augustus dat zegt. En den arbeid der liefde. Hier geeft hij mede te kennen, dat wij onzen arbeid niet sparen zullen, willen wij onzen schuldigen plicht jegens onzen naaste toonen; want de kwestie is niet alleen, dat wij hun met geld helpen zullen, maar ook met raad, werken en alle manier van goeddoen, naar ons vermogen. Wij moeten dan groote naarstigheid doen om onszelven hierin te kwijten; veel moeite en druk moeten wij over ons laten gaan, en somtijds onszelven in groot gevaar. Daarom, die zichzelven zal willen oefenen in de schuldige plichten der liefde, die moet zichzelven bereiden tot een manier van leven, die vol arbeids is. Hij prijst hunne liefde, omdat zij de heiligen gediend hebben en nog dienen. Waarin wij vermaand worden dat wij onzen broederen niet weigeren zullen eenigen dienst of vriendschap te doen. De heiligen uitdrukkelijk noemende, daarmede geeft hij te kennen, dat wij niemand meer verplicht zijn dan hun: want onze liefde behoort zich uit te breiden over al het men-schelijk geslacht; maar omdat de huisgenooten des geloofs ons vóór alle anderen aangeprezen worden, zoo moeten wij daarvoor inzon-■. i. derheid zorg dragen. Want omdat de liefde, om tot weldaad opge

wekt te zijn, eensdeels op God ziet, en anderdeels op de gemeenschap der natuur, waardoor alle menschen te zamen vereenigd zijn: hoe nader nu iemand bij God komt, hoe waardiger hij is van ons : gt; geholpen te worden. En wat meer is, naardat wij iemand kennen

een kind Gods te zijn, moeten wij hem ook broederlijk liefhebben. Als hij zegt: Die zij gediend hebben, en nog dienen, daarin prijst hij het volharden, hetwelk grootelijks in dit stuk van noode is. Want er is niets, waartoe wij meer genegen zijn, dan lichtelijk in weldaad v', moede te worden. Daarom, hoewel men er velen vindt, die voor een

tijd willig en vlijtig zijn om hun broederen en naasten te helpen: nochtans is deze volharding een deugd, die zoo dun gezaaid is, dat de meesten zeer haast verkouden, en terstond slap daarin worden. Nochtans behoorde ons dit ééne woord gedurig genoeg aan te prikkelen, te weten, dat de apostel betuigt, als men aan de heiligen liefde toont, zoo doet men ze Gode: want hierdoor geeft hij te ver-, staan, dat God zeer aangenaam is alle vriendschap en weldaad, die

Gal. 6:10.

Matt. 25:4o. wij onzen naasten doen, volgens deze waarheid: Al wat gij een van deze mijne minste broederen gedaan hebt, dat hebt gij Mij ge-Spr. ia:it. daan. Desgelijks: Wie zich der armen ontfermt, die woekert den Heere: die zal hem het goede wedervergelden.

■t

11 Maar wij begeeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot een zeer betrouwen der hope, tot het einde toe;

ocr page 91

HEBREËN 6:11. 87

12 Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers dergenon, die door geloof en lijdzaamheid de beloften beërven.

13 Want toen God Abraham beloofde, dewijl Hij geen meerder had om bij te zweren, zwoer Hij bij Zichzelven.

14 Zeggende: Waarlijk Ik zal u met zegening zegenen, en met Gen. 12:3; vermenigvuldiging zal Ik u vermenigvuldigen. pi.1 los fsi.16'

15 En alzoo, als hij lankmoediglijk verwacht had, heeft hij de Luk. 1:73. belofte verkregen.

ii Maar wij begeeren. Gelijk hij lof en vermaning bijeengevoegd heeft, opdat hij hunne harten niet onmatig zou verbitteren, alzoo,

opdat nu deze zoetigheid zonder eenige pluimstrijkerij zij, onderwijst hij hen vrijmoedig wat hun nog ontbreekt. Gij hebt (zegt hij)

getuigenis uwer liefde gegeven met vele bewijzen, doch er ontbreekt nog aan, dat uw geloof met deze liefde niet overeenkomt. Gij hebt gearbeid, en groote naarstigheid gedaan om den menschen dienst en vriendschap te doen door de liefde, maar gij moet ook niet minder vorderen in het geloof, opdat gij daarvan een volkomen en vaste zekerheid voor God hebt. De apostel bewijst door deze woorden, dat er twee stukken in het Christendom zijn, die met de beide tafelen der wet overeenkomen. Daarom die liet een van het ander zal scheiden, zal niets Christelijks hebben, dan wat verdeelt en verscheurt. Hieruit blijkt wat het voor meesters zijn, die het geloof weglaten, en anders niet drijven dan onnoozelheid en goedheid tot de menschen. Het is (zeg ik) een goddelooze philosophie, die hen bedekt onder een schijn van uiterlijke gerechtigheid, zoo zij waardig is gerechtigheid te heeten, aangezien zij zoo kwalijk de betamelijke schuld der menschen uitdeelt, dat zij God zijn recht beneemt,

die de eerste plaats behoorde te houden. Laat ons dan gedachtig zijn, dat wij geen Christelijk leven met al zijn deelen in ons vervuld hebben, tenzij wij ons uiterste best doen om geloof en liefde gelijkelijk te volgen. Tot een zeker betrouwen der hope. Omdat er velen, nadat zij in het Christelijk geloof eerst getreden waren,

getrokken werden door verscheidene meeningen, of nog besmet waren met sommige superstitiën, zoo begeert hij, dat ze zoo vast in de verzekerdheid des geloofs zullen zijn, dat zij niet meer wankelen zullen, niet hangende blijven, noch gedreven wordende met verscheidene winden van twijfel. Nochtans is het een algemeen gebod.

Want gelijk de waarheid Gods vast en onveranderlijk is, zoo moet het geloof, hetwelk daarop gegrond is, waarachtig en zeker zijn, en zonder eenigen twijfel. Dit wil het Grieksche woord zeggen, te weten, Tfypopo-een wisse verzekering, als een Christelijk hart in zichzelve voorge- ^ ' nomen en besloten heeft, dat het niet geoorloofd is de dingen in '

twijfel te stellen, welke God, die niet liegen kan, verkondigd heeft.

Hope is hier genomen voor geloof, om de overeenkomst, die tus-schen deze twee woorden is. Nochtans zoo schijnt het, dat de apostel hier hope uitdrukkelijk gesteld heeft, omdat hij sprak van volharding. Men kan ook hieruit opmaken, hoever van het geloof dat algemeene begrip is, dat den boozen en den duivelen ook gemeen is; want zij gelooven mede, dat God rechtvaardig en waarachtig is, nochtans hierdoor bekomen ze geen goede hope: want zij begrijpen zijn vaderlijke goedheid niet in Jezus Christus. Laat ons dan bekennen, dat het ware geloof altijd met hope vereenigd

pix.

ocr page 92

HEBREËN 6: 11—13.

is. Hij zegt: Tot het einde, of tot de volkomenheid, opdat zij weten zullen, dat zij nog niet gekomen zijn in de rechte haven, en dat ze daardoor bedenken zullen, altijd meer en meer te vorderen. Hij gebruikt dit woord naarstigheid, opdat zij verstaan zullen, dat zij niet lui noch onachtzaam moeten zijn, maar welgemoed en vlijtig arbeiden. Want het is geen kleine zaak boven de hemelen te klimmen, bijzonder van ons, die genoeg te doen hebben om ons lichaam hier op de aarde te slepen, want daar komen ontallijke beletselen; en daar is niets zwaarder om te doen, dan altijd onze gedachten opgeheven in den hemel te houden, aangezien al de kracht onzer natuur omlaag wil, en daartoe ganschelijk strekt, en de duivel trekt ons tot aardsche dingen door ontallijke listen. Hierom gebiedt ons die apostel alle onachtzaamheid en traagheid des harten te vlieden.

12 Maar navolgers zijn. Tegen traagheid stelt hij naarstigheid om na te volgen. En dit is zooveel alsof hij zeide, dat zij vrijmoedig en volstandig van hart moesten zijn. Maar dit is nu veel zwaarwich-tiger, als hij vermaant, dat de vaderen de belofte niet verworven hebben, dan met een onverwinnelijke kracht des geloofs. Want de exempelen vertoonen ons de zaak veel levendiger. Zoo men ons de leer eenvoudig voorstelde, zij zou ons zoozeer niet beroeren, dan als wij zien, dat wat van ons begeerd wordt, in den persoon van Abraham vervuld is. Dit exempel van Abraham wordt hier verhaald, niet omdat hij het alleen geweest is: maar omdat hij uitnemend boven alle anderen is geweest: want Abraham heeft dit gemeen gehad met alle geloovigen, en het is ook niet zonder oorzaak geweest, dat hij gesteld is en genaamd wordt de vader van alle geloovigen. Daarom moet men zich niet verwonderen, al is het dat hem de apostel hier bijname stelt vóór alle anderen, als degene, van wien hij wil, dat een iegelijk op hem zal zien, waar men eenen klaren spiegel des geloofs wil hebben. Hij stelt geloof en lijdzaamheid, voor een standvastig geloof, waarmede lijdzaamheid vereenigd is, want het geloof w'ordt eerst begeerd. Maar omdat er velen, die in den beginne een wonderlijk geloof schenen te hebben, terstond slaphartig werden, zoo is lijdzaamheid een ware proeve van geloof, hetwelk niet ijdel is, noch met den tijd verdwijnt. Als hij zegt, dat men de beloften door het geloof verwerft: zoo legt hij de meening der verdiensten ter neder, en nog veel klaarder, zeggende, dat men ze in erve ontvangt; want er is geen ander recht, hetwelk ons erfgenamen maakt, dan het recht der aanneming.

13 Want toen God Abraham beloofde. Hij wil bewijzen, dat Gods genade ons tevergeefs aangeboden wordt, tenzij wij, de belofte aangenomen door het geloof, haar lijdzaamlijk in den schoot onzer harten hebben begraven. Dit bewijst hij hierdoor, dat, toen God Abraham een ontallijk geslacht beloofde, het kon schijnen een ongeloofelijke zaak te zijn. Sara was al de dagen haars levens onvruchtbaar geweest; zij waren beiden tot den hoogsten ouderdom gekomen, zoodat zij het graf nader waren dan het huwelijksbed, en dat er geen kracht in hen was om te telen, en dat de baarmoeder van Sara, die onvruchtbaar geweest was in haar bloeiende jaren, alsnu verstorven was. Wie zou hebben kunnen gelooven, dat uit deze twee een geslacht zou spruiten van zoo groot getal als de sterren des hemels, of het zand der zee? Voorwaar dit was tegen

88

ocr page 93

HEBREÊN 6: 15, 16. 89

alle rede. Nochtans verbeidt Abraham dit, en vreest niet bedrogen te zijn, zoolang als hij op het woord Gods rust. Men moet dan deze omstandigheid des tijds aanzien, opdat wij de redeneering des apostels verstaan. Hier behoort toe, dat hij naderhand daarbij voegt, dat hij dezen zegen verkregen heeft, maar nadat hij verwacht had, hetwelk niemand ooit zou gedacht hebben, dat het kon geschieden. Ziet, aldus moet men God de eer geven, te weten, lijdzamelijk wachtende, wat Hij onzen zinnen nog niet vertoont,

maar verbergt, en dat langen tijd ophoudt, om onze lijdzaamheid te oefenen. Wij zullen hiernamaals zien, waarom God bij Zichzelven zweert. Waar wij overgezet hebben: Waarlijk ik zal u met zegen zegenen, daar staat letterlijk: Is het dat ik u niet zegene, welke manier van zweren wij uitgelegd hebben in het derde hfdst. Want Gods naam is hier niet uitgedrukt, maar moet hierbij verstaan worden, omdat Hij getuigt, dat men Hem niet voor waarachtig houde,

zoover Hij het beloofde niet voldoet.

16 Want de menschen zweren hij die meerder is, en de eed totEx-22:11-versterking gedaan, is hun het einde aller tegenspreking.

17 Waarin, als God wilde den erfgenamen der belofte overvloe-diglijk bewijzen de onveranderlijkheid zijns raads, zoo zet Hij zijn eed daartusschen.

18 Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liegen zou, sterken troost hebben zouden, wij die hier toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden.

19 Dewelke wij hebben als een anker der ziel, dat zeker en vast is, en ingaat tot in hetgeen binnen het voorhangsel is.

20 Daar de voorlooper Jezus voor ons is ingegaan, naar de orde- Hebr. 3:i ning van Melchizedek. hoogepriester geworden in der eeuwigheid. 9; n'

16 Want de menschen. Hij besluit hier van het mindere tot het meerdere. Zoo men een mensch geloof geeft als hij zweert, die van nature een leugenaar is, alleen omdat de bevestiging door den naam Gods geschiedt; hoeveel te meer geloof behoort men dan God zelf te geven, die de eeuwige waarheid is, als Hij bij Zichzelven zweert? Hij versiert deze uitspraak met vele woorden. Ten eerste zegt hij: De menschen zweren by een die meerder is dan zij zijn, daardoor te kennen gevende, omdat zij niet autoriteits genoeg hebben van zichzelven, zoo moeten zij die van een ander ontleenen. Hij voegt daarbij, dat er een zoo groote religie en heiligheid in den eed is, dat die genoegzaam is voor een bevestiging, waartoe die gebruikt wordt, en aan allen twist een einde maakt, als de getuigenissen der menschen en andere bewijsredenen ontbreken. En daarom Degene, dien wij al te zamen aanroepen voor een getuige,

zal Die niet genoegzame getuige zijn voor Zichzelven ? Die door zijn autoriteit allen twijfel tusschen alle andere menschen wegneemt, zal Hij niet doen, dat men aan zijne woorden geloof gever Zoo de naam Gods, uitgesproken door eens menschen tong, zoo uitnemende kracht heeft, hoeveel te meerder is het dan, als God zelf zweert bij zijn naam ? Dit voorzooveel de hoofdzaak aangaat: maar wij moeten hier in 't voorbijgaan twee stukken aanmerken, te vveten, dat men mag zweren

ocr page 94

HEBREËN 6: 16, 17.

bij den naam Gods, als het van noode is om te zweren; daarbene-vens, dat de eed den Christenen toegelaten is, omdat hij een wettig middel is om twistige zaken te beëindigen. God beveelt met uitgedrukte woorden, dat men bij zijn naam zal zweren, en zoo men hier eenigen anderen naam mede ondermengt, zoo betuigt Hij, dat het een ontheiliging des eeds is. Hiervan zijn drie voorname redenen. Want als wij niet voorzien zijn van middelen om de waarheid in het licht te brengen, zoo is het niet geoorloofd ergens elders dezelve te zoeken dan bij God, die de eeuwige waarheid zelve is. Ten tweede, zoo Hij alleen degene is, die alle harten kent, zoo werd Hij van zijn ambt beroofd, zoo wij in donkere zaken, die voor des menschen oordeel verborgen zijn, op het oordeel der menschen ons beriepen. Ten derde, omdat wij zwerende, Hem niet alleen tot getuige roepen, maar ook mede bidden, dat Hij wrake wil doen over de meineedigheid, zoo wij een kwaden eed doen. Hierom moet men zich niet verwonderen, al is het dat Zich God alzoo verstoort op hen, die bij een anderen naam zweren, want men beneemt Hem daardoor zijn eer. Dat de Schrift somtijds een andere manier van zweren gebruikt, strijdt niet tegen deze leer. Want de geloovigen zweren niet bij den hemel, noch bij de aarde, alsof zij dezelve eenige godheid toeschreven, en Gode het kleinste deel: maar door dit openlijk aanroepen van den naam Gods, zien zij op den eenigen God: want er zijn verscheidene manieren van zweren. De eerste en voornaamste is deze, als wij Hem begeeren tot een rechter, en ons rechtstreeks beroepen op zijn rechterstoel. De tweede is, als wij de dingen noemen, die wij zeer beminnen, gelijk ons leven, ons hoofd, of dergelijke. De derde is, als wij creaturen tot getuigenis voor God roepen. In al deze dingen om eigenlijk te spreken, zweert men bij niemand anders dan bij God. Daarom, die voorstaan dat het geoorloofd is, de verstorven heiligen Gode tot medegenoo-ten te voegen, en dat het recht om te straffen hun toegeschreven wordt, ontdekken niet minder hun boosheid, dan hunne beestelijk-heid. En wat meer is, deze plaats (gelijk hier gezegd is) leert ons dat er een wettig zweren is onder de Christenen. Hetwelk wij wel onthouden moeten, omdat liet te pas komt tegen de uitzinnige geesten, die gaarne te niet zouden doen den regel van heiliglijk te zweren, dien God door zijn wet voorgeschreven heeft: want voorwaar de apostel spreekt hier van de manier van zweren, als van een heilige en ingestelde zaak van God. Hierbenevens, zegt hij niet alleen, dat het vanouds een gebruik is geweest, maar alsnog duurt op den huidigen dag. Laat ons dan dit tot een middel • nemen, om de waarheid te beschermen, als ons andere bevestigingen ontbreken.

17 Waarin, als God wilde. Ziet, hoe goedertieren, gelijk het een allerbesten Vader betaamt. God Zich voegt naar onze traagheid. Omdat Hij ziet, dat wij zijn enkele woord niet gelooven, zoo voegt Hij daar den eed bij, opdat Hij zijn woord te levender in onze harten bevestige. En hierdoor zien wij ook, hoe nut en noodzakelijk het ons is, zulke zekerheid te hebben van de liefde, die Hij tot ons draagt, dat wij geen oorzaak meer hebben te wankelen of te beven. Want gelijkerwijs God verbiedt zijn naam in den mond te nemen zonder oorzaak, of om een lichte en nietige zaak, en een straffe wrake allen dengenen verkondigt, dien ze lichtvaardig misbruiken, evenzoo gebiedt Hij, dat men eerbied jegens de majesteit

90

ocr page 95

HEBREËN 6: 17, 18. 91

zijns naams dragen zal, en toont dat Hem zulks tot grooten lof en eere is. Daarom is dan de zekerheid onzes geloofs een zeer noo-dige zaak, om welke te bevestigen. Hij, die ijdellijk zweren verbiedt,

Zich vernedert te zweren. Men kan ook hieruit zien, in wat waarde onze zaligheid bij God is, aanmerkende dat Hij om in zulks te voorzien, niet alleen ons ongeloof vergeeft, maar afstaande van zijn recht, en ons veel meer gevende dan ons toekwam, zoo geneest Hij ons goedertieren. Den erfgenamen der beloften. Het schijnt hier,

dat hij inzonderheid wil spreken van de Joden: want hoewel de erfenis ten laatste ook tot de heidenen gekomen is, nochtans zijn de Joden de eerste en wettige erfgenamen geweest, maar de heidenen zijn alleen de tweede en vreemde erfgenamen geweest, en zijn zulks geworden tegen het recht der natuur. De heilige Petrus noemt de Joden alzoo in zijn eerste predikatie Hand. 2 ; 29, zeggende ; U komt de belofte toe en uwen kinderen, en allen die verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God daartoe roepen zal. Hij gunt den vreemden erfgenamen wel eenige plaats, maar hij zet de Joden in het voorste gelid, gelijk hij ook zegt in hfdst. 3:25, Gij zijt kinderen der profeten en des verbonds, dat God met onze vaderen opgericht heeft. Insgelijks doet de apostel hier. Om de Joden bekwamer te maken in het aannemen des verbonds, zegt hij,

dat het met eede bevestigd is geweest, bijzonder om hen; hoewel deze sententie ons nog op den huidigen dag toekomt, omdat wij in de plaats dergenen getreden zijn, die het door ongeloof hebben verlaten. Hier moet aangemerkt zijn, dat hier de raad Gods genaamd wordt die, waarvan ons getuigenis in het Evangelie is gegeven, opdat niemand aan deze leer zou twijfelen, of zij is uit de diepe gunst Gods gekomen: maar dat de geloovigen liever voor zeker zouden houden, zoo dikmaals en wanneer zij de stem hooren, dat Gods geheime raad, die in Hem verborgen was, hun verkondigd wordt,

en dat hierdoor openbaar wordt, wat Hij verordend heeft tot onze zaligheid, voor het begin der wereld.

18 Opdat wij door twee onveranderlijke dingen. Het woord en de eed zijn twee onveranderlijke dingen in God. Daar ontbreekt veel aan, dat zulks in den mensch is: want hun ijdelheid maakt, dat hun woorden niet zeer standvastig zijn. Maar Gods woord is met deze titelen versierd, louter, zuiver, zevenmaal beproefd goud gelijk. Ps. 12:7. Bileam zelf wordt gedwongen daarvan dit getuigenis te geven, aangenomen zelfs, dat hij van het woord een openbaar vijand was: God is den menschenkinderen niet gelijk, dat Hij liege, of den mensch Num. 23:10. gelijk, dat Hem iets berouwe; zou Hij iets zeggen, en niet doen:

zou Hij iets spreken, en niet houden? Aldus is het woord Gods een zekere waarheid, en geloofwaardig door zijn eigen autoriteit,

en als er de eed bijgevoegd is, zoo is het als een groote hoop, die toegegeven wordt op een volle maat. Hieruit hebben wij dan een bijzondere vertroosting, dat God, die sprekende niet bedriegen kan, niet tevreden zijnde met zijne belofte, nog den eed daarbij voegt. Wij die hier toevlucht genomen hebben. Hier geeft hij door te kennen, dat wij niet waarlijk op God betrouwen, dan als wij van andere hulp verlaten zijnde, onze toevlucht hebben tot zijne beloften alleen, en dat wij daarin een plaats der vrijheid stellen, en nergens elders. Als hier dan gezegd wordt; Wij die onze toevlucht nemen, wordt hiermede onze nood en gebrek uitgedrukt:

ocr page 96

92 HEBREËN 6 ; 18, 19.

want wij nemen onze toevlucht tot God niet, dan als er ons de nood toe dwingt. Als hij daar nu bijvoegt: Om de voorgestelde hope, daarmede geeft hij te kennen, dat wij niet verre behoeven te loopen, om den troost te zoeken; dien wij van noode hebben, nademaal God ons uit vrijen wil te gemoet komt, en ons genoeg , geeft om op Hem te betrouwen. En gelijkerwijs hij den Joden door

deze sententie moed heeft willen geven, om het Evangelie aan te nemen, waarop hun de zaligheid wordt aangeboden, zoo heeft hij ook alle verontschuldiging den ongeloovigen ontnomen, die deze tegenwoordige genade verwerpen, als zij hun aangeboden wordt. En (' voorwaar, dit kan meer naar waarheid gezegd worden, na de open

baring des Evangelies, dan onder de verkondiging der wet, te weten. Bom.'io-:6.2'pij moet niet meer zeogen. wie zal ten hemel opvaren? of wie zal in den afgrond dalen, of wie zal over de zee varen? het woord is nabij u, in uwen mond en in uw hart. Verder in dit woordje hope, is de spreekwijze der overnoeming, waar het gevolg voor de oorzaak genomen wordt. Want ik versta hierdoor de belofte, waarop onze hope rust, en ben niet van de meening dergenen, die hope ' ■ hier verstaan voor de gehoopte zaak. Immers dit moet hier bijge-

voegd zijn, dat de apostel hier niet spreekt van een naakte belofte, of die in de lucht hangt: maar van een belofte, die wij door het geloof ontvangen, of om het met e'e'n woord te zeggen: Hope beduidt hier de belofte, die door het geloof aangevat wordt. Aangaande het woord vasthouden of verwerven, daarmede geeft hij zulke standvastigheid te kennen, gelijk hij door het woordje hope v: hier boven heeft gedaan.

19 Dewelke wij hebben als een anker. Het is een keurige gelijkenis, als hij het geloof rustende op Gods woord, bij een anker vergelijkt: want in der waarheid, zoolang als wij onze pelgrimage in deze wereld doen, zoo zijn wij op geen vaste plaats, maar wij .quot;r worden als in een onstuimige zee her- en derwaarts van de golven

gedreven: want de duivel houdt niet op ontallijke stormen en winden te verheffen, die ons scheepken terstond zouden doen omkeeren r j en verzinken, indien wij ons anker niet diep en gansch in den grond

werpen. Want waar onze oogen zich wenden, wij zien nergens geen haven: maar werwaarts onze zinnen strekken, zien wij overal water. Ja ook de baren verheffen zich dreigende tegen ons. En gelijk men het anker in het midden des waters in een duistere diepe plaats Ir werpt, en daar verborgen liggende, het schip in zijn gestalte houdt,

.y hetwelk van de baren aangevochten wordt, opdat het niet geheel

door het water bedekt worde, alzoo moeten wij ook onze hope vast in God hechten, die onzienlijk is. Hier is alleen een onderscheid, dat het anker wordt omlaag geworpen, opdat hij grond in de aarde vindt, en onze hope wordt omhoog verheven, en die vliegt tot in den hemel, omdat zij in de wereld niets vindt, waarop zij vast staan kan: want zij behoort niet aan het creatuur te hangen, maar alleen aan den levenden God. En gelijk de kabel, waaraan het anker vast is gemaakt, het schip met de aarde verbindt door een groote en on-;f zichtbare wijdte, zoo is de waarheid Gods ook een band om ons

%. met Hem te verbinden, op zulke wijze, dat er zoo groote afstand

niet kan zijn, noch zulke dikke duisternis, die ons beletten kan Hem ,1 aan te kleven. Daarom aldus gebonden zijnde met God, aangenomen

zelfs dat wij dagelijks en gedurig worstelen moeten tegen storm en

ocr page 97

HEBREËN 6: 19.

93

, 'i

1 V

onweder, nochtans zijn wij uit alle gevaar van schipbreuk. En daarom zegt hij, dat dit anker zeker en vast is. Want het kan geschieden door de onstuimigheid der baren, dat het anker niet houdt, of dat de kabel breekt, of het schip door het grond raken in stukken breekt. Dit geschiedt op zee, maar eene andere is de kracht Gods om ons te onderhouden en te bewaren, en eene andere is de kracht der hope en vastigheid van Gods woord. Ingaande tot in wat binnen het voorhangsel is. Gelijk wij gezegd hebben, het geloof zal niets vinden of het is krank en ongestadig, totdat het tot God is gekomen: zoo is het dan noodig, dat het den hemel door-bore. En omdat de apostel hier handelt met de Joden, zoo zinspeelt hij op den ouden tabernakel, en zegt, dat zij niet moeten staan op deze zichtbare dingen, maar dat zij zullen ingaan tot in die heimelijke plaats, die achter het voorhangsel is verborgen, alsof hij zeggen wilde: Wij moeten boven alle oude en uiterlijke figuren klimmen, opdat het geloof vastgehecht sta in den eenigen Heere Jezus Christus. En deze rede moet wel onthouden zijn. Omdat Jezus Christus in den hemel geklommen is, zoo moet ons geloof ook derwaarts opklimmen: want hierdoor worden wij geleerd, dat onze ge-loovige oogen nergens anders op zien zullen, dan op Christus alleen. En in der waarheid, de menschen zouden tevergeefs God in zijne mogendheid zoeken, want zij is te ver van hen; maar Jezus Christus reikt ons de hand, om ons naar den hemel te leiden, en dit is ons in de wet figuurlijk afgebeeld. Want de hoogepriester ging in het heilige der heiligen, niet alleen in zijnen naam, maar ook voor al het volk. Hij droeg op een bijzondere manier de twaalf geslachten op zijn borst en schouderen, ook tot hunne gedachtenis twaalf kostelijke steenen in een gewrocht op het borststuk, en hunne namen waren gesneden in twee onixsteenen, die hij op zijn schouderen droeg, op zulke wijze, dat in den persoon van één mensch zij al te zamen gelijk in het heilige der heiligen gingen. De apostel vermaant ons dan zeer wel, dat onze hoogepriester in den hemel is ingegaan, omdat Hij daar niet alleen voor Zichzelven ingegaan is, maar ook voor ons. En daarom moeten wij niet twijfelen, dat de ingang des hemels gesloten is voor ons geloof, hetwelk nimmermeer van Christus gescheiden is. Omdat wij nu Jezus Christus volgen moeten, die daar voorgaat, zoo is Hij terecht door deze zaak genaamd, onze voorlooper.

HET ZEVENDE HOOFDSTUK.

1 Want deze Melchizedek was koning van Salem, en priester des Gen. 14:18. allerhoogsten Gods, die Abraham te gemoet ging, als hij wederkeerde van het slaan der koningen, en zegende hem;

2 Aan welken ook Abraham tienden van alles deelde; ten eerste is hij overgezet, koning der rechtvaardigheid, en daarna ook, koning van Salem, dat is, koning des vredes.

3 Zonder vader, zonder moeder, zonder geslacht, noch begin der dagen, noch einde des levens hebbende, maar den Zone Gods gelijk geworden zijnde, blijft hij priester in der eeuwigheid.

i.V-

.•I

•V.0

ocr page 98

HEBREEN 7 : 1, 2.

94

i^T quot;T T'ant deze Melchizedek. Tot hiertoe heeft hij de Joden V/V/ door zijn vermaningen opgewekt, om naarstig aan te mer-' ' ken, hoe waardig de vergelijking van Christus met Melchizedek is. In het einde van het voorgaande hfdst. heeft hij wederom de plaats uit den psalm verhaald, opdat hij van de afwijking zijner rede, wederom op zijn oude voorstel zou komen. Aldus vervolgt hij dan nu volkomenlijk, wat boven met weinig woorden aangeroerd was: want hij verhaalt op het kortst, al wat men in Melchizedek moet aanmerken, waarin hij Christus gelijkvormig is. Verder, moet zich niemand verwonderen, dat hij zoolang en zoo zorgvuldiglijk op deze stof staan blijft. Voorwaar, het was geen kleine zaak, om in een gebied vervuld met zooveel superstitiën en verderfelijke boosheden een man te vinden, die den dienst Gods zuiver onderhield. Want aan de eene zijde was hij een nabuur van die van Sodom en Go-morra, aan de andere zijde van de Kananieten. Aldus was hij van alle zijden omsingeld met ongeloovigen. En wat meer is, de gansche wereld was zoo gevallen in alle goddeloosheid, dat het bijna on-geloofelijk was, dat God op andere plaatsen oprechtelijk gediend kon worden, dan in Abrahams huisgezin alleen. Want zijn vader en grootvader, bij wien alstoen wel alle oprechtheid en zuiverheid behoorde te wezen, waren zeiven al over langen tijd ontaard tot alle afgoderij. Zoo was het dan wel waardig om te onthouden, dat er nog een koning was, die niet alleen de ware religie onderhield, maar zelf het priesterdom bediende. En voorwaar, alle dingen moesten wel zeer uitnemend zijn in dengene, die een voorbeeld van Christus was. Dat Christus nu in hem afgebeeld wordt, blijkt uit den psalm. Want David heeft deze woorden niet lichtvaardig gesproken: Gij zijt een priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek: maar aan de kerk is veeleer door deze woorden een zeer hooge en uitnemende verborgenheid aangewezen. Laat ons nu de stukken na elkander bezien, in welke de apostel Christus met Melchizedek vergelijkt. De eerste gelijkenis is in den naam: want dat Hij genaamd wordt, koning der rechtvaardigheid, is niet zonder verborgenheid. Want hoewel deze eer den koningen toegeschreven wordt, die daar heerschen matig naar alle recht en billijkheid, nochtans behoort deze titel waarachtig Jezus Christus toe, die niet alleen zijn heerschappij in gerechtigheid gebruikt, gelijk de anderen, maar ons de gerechtigheid Gods mededeelt: eensdeels, als voor niets door Hem geschied, dat wij rechtvaardig geacht worden door zijn verzoening; anderdeels als Hij ons door zijn Geest vernieuwt, opdat wij getrouw en heilig mochten leven. Hij wordt dan koning der rechtvaardigheid genaamd door de daad, omdat Hij zijne rechtvaardigheid over al de zijnen uitstort: waaruit volgen moet, dat buiten zijn rijk in de menschen niet anders heerscht dan de zonde. En hierom, als Hem de profeet Zacharias in de bezitting zijns rijks stelt, als met een zonderling bevel Gods, zoo versiert hij Hem met dezen titel: Verheug u en wees vroolijk, gij dochter van Zion, want uw rechtvaardige Koning komt tot u daarmede te kennen gevende, dat de rechtvaardigheid, die ons anders ontbreekt, door de toekomst van Christus ons gebracht wordt. De tweede gelijkenis, die de apostel hier stelt, is van het rijk des vredes. Deze vrede is een vrucht der rechtvaardigheid, waarvan hij heeft gesproken. Hieruit volgt, dat aan wat einde het rijk van

ocr page 99

HEBREËN 7 : 2, 3.

Christus is verspreid, daar moet ook vrede zijn: gelijk dat bewezen wordt in het tweede en negende hoofdstuk van Jesaja, en op andere plaatsen. Verder, aangezien het woordje pax, hetwelk vrede is, bij de Hebreën zooveel te zeggen is als voorspoedigheid of een gelukkige staat, zoo kan men dat in deze plaats alzoo ook wel nemen; maar ik versta dat liever van den innerlijken vrede, die de conscientiën gerust en vredig voor God houdt. En voorwaar, men kan de uitnemendheid van dat groote goed niet genoeg achten gelijk het behoort, tenzij men daartegen weder aanmerkt, wat groote ellendigheid het is met een gedurige onrust te zijn gekweld, hetwelk ons allen moet geschieden, totdat wij verzoend zijnde met God door Jezus Christus, vrede hebben in onze conscientie.

3 Zonder vader. Dit wil ik liever zeggen, dan: zonder bekende vader; want de apostel heeft te kennen willen geven een uitdrukkelijker zaak, dan dat Melchizedeks geslacht nederig of onbekend was. En ik stoot mij niet aan de tegenwerping, die van sommigen hier geschiedt, te weten, dat op de manier gelijk ik het uitleg, de waarheid met de figuur niet wel zou overeenkomen, omdat Christus een Vader in den hemel heeft, en een moeder op aarde. Want de apostel drukt zijn meening terstond daarna met ée'n woord uit, als hij daarbij voegt: Zonder geslacht. Hij zondert dan Mel-chizedek uit van de algemeene manier der geboorte: daardoor bewijzende, dat hij eeuwig is geweest, alzoo dat men niet moet gaan zoeken onder de menschen naar zijn nieuwen oorsprong. Het is wel waar, dat hij van vader en moeder is geboren: maar de apostel spreekt hier van hem niet als van een bijzonder persoon, maar hij bekleedt hem liever met den persoon van Christus. En daarom laat hij niet toe iets anders in hem aan te merken, dan wat. de Schrift daarvan leert. Want verhandelende al de dingen, die Christus toekomen, zoo is het van noode, dat zulks met zulke eerbieding geschiede, dat er niets aangeroerd wordt dan wat blijkt uit het woord Gods. En als nu de Heilige Geest een koning bijbrengt, die de voornaamste in zijn tijd is geweest, en geen melding van zijne geboorte maakt, en niet één woord naderhand van zijnen dood zegt, is dat niet zooveel alsof daarmede beduid ware zijn eeuwigheid ? Wat in Melchizedek afgebeeld is, openbaarde zich waarlijk in Christus. Daarom moeten wij met deze middelmatigheid tevreden zijn, te weten, als ons de Schrift Melchizedek voorstelt, gelijk een mensch die nooit geboren werd, en niet gestorven is, zoo vertoont zij ons als in een schilderij, dat er einde noch begin is in Jezus Christus Verder leeren wij hier ook uit, wat eerbied en soberheid van ons geëischt wordt in Gods geestelijke verborgenheden; want de apostel wil niet alleen gewillig niet weten wat men inde gansche Schrift niet leest, maar hij wil ook, dat het ons onbekend zij. En voorwaar, het is niet geoorloofd iets lichtvaardig van Jezus Christus te spreken, noch ook naar ons goeddunken. Aldus wordt Melchizedek hier niet aangezien in de gestalte van een bijzonder persoon, maar als een heilig voorbeeld van Jezus Christus. En men moet ook niet denken, dat dit door verzuim is achterwege gelaten, te weten, dat hem geen maagschap wordt toegeschreven, en dat er niets gezegd wordt van zijn dood: maar de Heilige Geest heeft dit veeleer willens gedaan, opdat Hij ons hem verheffen zou boven de gemeene orde der menschen. Daarom schijnt hun vermoeden niet oprecht noch prijselijk,

95

V.

tv-:

■ • 't

- V?

•;h::

v

r

.h

■V.V.'

ocr page 100

HEBREËN 7 : 3, 4.

die daar zeggen, dat Melchizedek een van de kinderen van Noach is geweest, te weten Sem: want wil men van een zeker en bekend mensch spreken, deze derde vergelijking tusschen Christus en Melchizedek kan dan niet bestaan. Gelijk geworden, te weten, zoover de manier van beteekenis strekt. Want de gelijkmatigheid moet altijd onthouden zijn, die daar is tusschen de waarheid en het teeken: want die daar versieren dat hij van den hemel gekomen is, om hem inderdaad aan de waarheid gelijk te maken, zijn meer dan spotwaardig. Het is genoeg, dat wij in hem zien de grondtrekken van Jezus Christus: gelijk men in een schilderij het aangezicht van een levend mensch kan zien, en nochtans de mensch zeer veel scheelt van zijne afbeelding. Voorts denk ik niet, dat het noodig is te wederleggen, de razernijen van die droomen, dat Christus zich alstoen openbaarde, of de Heilige Geest of eenige engel, tenware iemand mogelijk dacht, dat een wijs man verplicht is met Postellus, of andere dergelijke uitzinnigen te disputeeren: want deze deugniet ondernam niets minder dan zich Melchizedek te laten noemen, gelijk wel eertijds die hersenlooze geesten deden (waarvan Hieronymus spreekt) die zich versierden Christus te zijn.

4 Aanmerkt hoe groot deze geweest is, denwelken ook Abraham de patriarch tienden gegeven heeft van den buit.

5 En die uit de kinderen van Levi zijn, het priesterschap ont-Num. 18:21. vangende, hebben bavel tienden te nemen van het volk naar joz. li:3V de wet, dat is van hunne broederen, hoewel zij uit de lende-2Kron.31;5. neil varll Abraham gekomen zijn:

Gen. 14:20. 6 Maar hij, wiens geslacht niet geteld wordt uit hen, heeft van

Abraham tienden genomen, en heeft hem, die de belofte had, gezegend.

7 Nu is het zonder eenig tegenspreken, dat de mindere van den meerdere gezegend wordt;

8 En hier nemen tiendon de menschen die sterven: maar aldaar nam ze die, van wien getuigd is dat hij leeft.

9 En (om zoo te spreken) ook Levi zelve, die de tienden ontvangt, heeft door Abraham tienden gegeven.

10 Want hij was nog in de lendenen zijns vaders, als hem Melchizedek tegemoet kwam.

4 Aanmerkt hoe groot. Dit is het vierde stuk, dat aangemerkt moet worden in de vergelijking van Christus en Melchizedek, te weten, dat Abraham hem tienden heeft aangeboden. Hoewel nu de tienden verordend zijn geweest om velerhande zaken, nochtans ziet de apostel alleen op die tot de tegenwoordige zaak dient. Een van de oorzaken, waarom den Levieten tienden zijn betaald, was, omdat zij ook kinderen van Abraham waren; wiens zaad het land beloofd was; daarom kwam hun van rechtswege toe een deel des lands. Omdat hun nu dit deel onttrokken werd, zoo werden ze voorzien met tienden. Hierbij was nog deze andere oorzaak, te weten, omdat zij bezig waren in den dienst Gods en der gemeenebest; zoo was het ook redelijk, dat zij onderhouden werden op des gemeenen volks kosten. De andere Israëlieten waren hun dan tienden schuldig, als redelijk verdiend ambtloon. Maar deze redenen dienen niet tot

96

ocr page 101

HEBREËN 7 : 4—6.

de tegenwoordige zaak, en daarom laat de apostel ze achterwege. Alleen is nu dit te onthouden, te weten: Als het volk Gode de tienden opofferde voor een heilige schatting, zoo ontvingen ze de Levieten, waaruit blijkt, dat het den Levieten geen kleine eer was, aangezien God hen eensdeels in zijne plaats stelde. Dat nu Abraham, die een van de voornaamste dienaren en profeten Gods is geweest, den priester Melchizedek tienden heeft aangeboden, daar heeft hij door te kennen gegeven, dat Melchizedek hem in eere te boven ging. Wordt Abraham de patriarch nu boven hem in orde gesteld, zoo moet zijn waardigheid veel uitnemender zijn. Dit bijgevoegde woord patriarch, is hier gesteld tot vermeerdering: want het is een zeer heerlijke titel, dat Abraham een vader genoemd is in de kerk Gods. Het argument is dan aldus: Abraham, die de voornaamste van allen is, is nochtans minder dan Melchizedek. Melchizedek behoudt dan de hoogste eere, en moet boven alle Levieten geacht zijn. Het eerste wordt bewezen hiermede, dat Abraham Melchizedek betaalt, hetwelk hij Gode schuldig was: hij belijdt dan door het betalen der tienden, dat hij minder was dan Melchizedek.

5 En die uit de kinderen van Levi zijn. Dit is bekwamer, dan of het aldus uitgelegd ware: Omdat zij zijn van het getal der

kinderen. Want de apostel stelt ook de zaak alzoo niet voor, alsof de priesters de tienden ontvingen, omdat zij van het getal van Levi's kinderen waren: maar hij vergelijkt dit gansche geslacht met Melchizedek, op deze wijze: Als God den Levieten macht en recht gegeven heeft om de tienden van het volk te eischen, zoo heeft Hij ze hiermede gesteld boven alle andere Israëlieten, hoewel zij allen van één vader gekomen waren. Abraham, die hun aller vader is, heeft een vreemden priester tienden gegeven: zoo volgt er uit, dat al de nakomelingen van Abraham lager zijn dan deze priester. Aldus is den Levieten een stukrecht gegeven boven hunne andere broederen: maar Melchizedek is boven hen allen in de hoogste plaats gesteld, alzoo dat hij ze allen beneden zich houdt. Sommigen meenen, dat de apostel spreekt van de tienden der tienden, die de Levieten den hoogepriesters betaalden. Maar daar is geen reden, waarom men zulk een algemeen voorstel zoo nauw zou mogen bepalen. Wat ik hier bijgebracht heb, is dan prijselijker en beter.

97

6 Heeft hem gezegend. Dit is het vijfde stuk, hetwelk de apostel gebruikt in de vergelijking tusschen Christus en Melchizedek, en neemt hier voor zeker aan, als zijnde een van de erkende waarheden, dat die minder is, van den meerdere gezegend wordt. En voegt daarbij, dat Melchizedek Abraham gezegend heeft: waaruit volgen moet, dat Abraham de minste is. Maar om zijn rede meer uit te breiden, zoo versiert hij Abraham wederom met een bijzonderen titel: want zooveel als Abraham uitnemender is, zooveel te hooger wordt ook Melchizedeks waardigheid verheven. Tot dit einde zegt hij, dat aan Abraham de beloften geschied zijn; waarmede hij te kennen geeft, dat hij die uitnemende persoon en eerste vader van dat heilige geslacht is, met hetwelk God een verbond des eeuwigen levens heeft gemaakt: want het is hem geen kleine eer geweest, dat hij onder alle anderen alleen van God werd uitverkoren, in wiens handen God als in een bewaarplaats stelde het recht der aanneming en het getuigenis zijner liefde. Nochtans, al dit ver-

7

Dl. VII.

ocr page 102

HEBREËN 7:6—8.

haalde belette Hem niet, dat Hij hem met al zijn uitnemendheid onder Melchizedeks priesterschap heeft gesteld. Men kan dan zien, hoe groot deze is, aan wien Abraham zich in tweeërlei opzicht onderworpen heeft, te weten, dat hij duldde van Melchizedek gezegend te zijn, en dat hij hem de tienden heeft aangeboden, als dengene, die den persoon Gods vertoonde.

7 Die minder is, wordt van den meerdere gezegend. Ten eerste moeten wij hier weten wat zegening beduidt. Het is een voortreffelijk gebed, waardoor hij, die in eenig uitnemend en publiek ambt gesteld is, Gode in hoede beveelt de gewone menschen, over wie hij gesteld is om te bedienen. Het is eene andere wijze van zegenen, als wanneer wij de een voor den ander bidden, en deze is allen geloovigen gemeen. Maar deze zegening, waarvan de apostel hier spreekt, is een teeken van grpote autoriteit en kracht.

Gen. 27:27. Aldus heeft Izak zijn zoon Jakob gezegend, en Jakob Efraïm en

Gen. 48:15. Manasse, de kinderen van zijn zoon Jozef. Want het was geen we-derkeerige daad, te weten, die de zoon den vader insgelijks mocht doen; maar als deze zegening wettig en behoorlijk geschiedde, werd de meeste autoriteit geëischt in hem die zegende. Hetwelk klaarlijker

Num. 6:23. te bekennen is uit Numeri 6, waar, nadat den priesters bevel gegeven was, om het volk te zegenen, de belofte terstond daarbij is gevoegd, dat die zij gezegend hebben, zullen gezegend zijn. De zegening (zeg ik) die van de priesters geschiedde, is zoo gegrond, en met zulk een autoriteit ingesteld, dat ze zooveel uit den mensch niet is, als uit God: want gelijkerwijs de priester offerande offerende, den persoon van Christus vertoonde, zoo ook als hij het volk zegende, zoo was hij niet dan een dienaar en legaat van den allerhoogsten God. Op deze wijze moet verstaan zijn wat de heilige Lukas ver-

Luk. 2i: so. haalt, dat Christus zijn apostelen gezegend heeft, zijn handen omhoog heffende. Daar is niet aan te twijfelen, of Hij heeft in dit opheffen der handen, den hoogepriester nagevolgd, opdat Hij bewijzen zou degene te zijn, waardoor ons de Vader zegent. Van deze zegening is ook gesproken in Ps. 116: 17 en 118: 1. Laat ons nu deze uitspraak gebruiken tot wat de apostel behandelt. Aangezien des priesters zegen een werk Gods is, zoo is dat ook een getuigenis van grooter eer. Zoo heeft dan Melchizedek, Abraham zegenende, de hoogste plaats ingenomen. Hij heeft dit ook niet lichtvaardig gedaan, maar het geschiedde door recht en autoriteit des priester-doms: zoo volgt er dan uit, dat hij Abraham te boven gaat. Abraham nu is degene, waarmede God het verbond der zaligheid wilde maken. Aldus, hoewel hij uitnemender is boven alle anderen, nochtans heeft hij nog één boven zich, te weten, Melchizedek.

8 Van wien getuigd is. Gelijk ik gezegd heb, dat er nergens gesproken wordt van zijn dood, neemt hij voor een getuigenis dat Melchizedek leeft. Het is wel waar, dat dit geen plaats in anderen zou hebben, maar het moet met goed recht plaats hebben in Melchizedek, omdat hij een beeld en figuur van Jezus Christus is: want omdat hier gehandeld wordt van het geestelijke rijk van Jezus Christus en zijn priesterschap, zoo moet menschelijk vernuft noch gissing hier gelden, en is het ook niet geoorloofd dieper hierin voort te varen, dan ons de Schrift betuigt. Hieruit kan ook niet verstaan worden, dat deze mensch, die Abraham tegemoet kwam, nog leeft, gelijk sommigen zoo onnoozel zijn te meenen: maar dit

98

ocr page 103

HEBREËN 7:8-10.

moet verstaan worden van den persoon dien hij vertoonde, te weten,

Christus, den Zone Gods. Verder bevlijtigt de apostel zich te bewijzen,

dat de waardigheid van Melchizedeks priesterschap eeuwig is, en het Levietische priesterschap tijdelijk. Want alzoo redeneert hij; Degenen aan wie de wet tienden toeschikt, zijn sterfelijke menschen: waarin getoond is, dat het recht des priesterschaps eens zou eindigen, gelijk ook hun leven eindigde, maar de Schrift spreekt ganschelijk niet van Melchizedeks dood, als zij verhaalt, dat hem de tienden is betaald. Hierdoor stelt ze dan het recht zijns priesterschaps niet eenigen bepaalden tijd, maar toont veelmeer stilzwijgend, dat het eeuwigdurend is. Dit is hierbij gevoegd, opdat niet schijnen zou, dat de volgende wet (gelijk dat wel een gebruik is) eenigszins de eerste zou verminderen. Anders kon men zeggen, het recht dat Melchizedek gebruikt heeft, is nu teniet gedaan, omdat God een andere wet door Mozes heeft gegeven, waardoor zulks den Levieten is overgedragen ; maar de apostel voorziet in deze tegenwerping, als hij zegt, dat den Levieten de tienden voor een tijdlang zijn betaald geweest, omdat zij niet altijd leefden: maar dat Melchizedek, omdat hij onsterfelijk is, tot het einde toe bewaart, hetgeen hem God eens heeft gegeven.

9 En om zoo te spreken. Hij gaat verder, zeggende, dat Levi zelf, die alstoen nog in Abrahams lendenen was, niet uitgezonderd is geweest van deze onderdanigheid, nademaal Abraham de tienden betalende, hem en zijn nakomelingen verbonden heeft, om Melchizedeks priesterschap onderdanig te zijn. Maar men kon hier uit het tegenovergestelde tegenwerpen, dat op denzelfden grond ook Juda, van wiens zaad Christus geboren is, werd vertiend. Maar deze zwarigheid kan men spoedig weerleggen, als men twee dingen aanziet, die onder de Christenen boven allen twijfel behooren te zijn;

want Jezus Christus wordt niet bloot gehouden voor een van Abrahams kinderen, gelijk een van de anderen, maar Hij is uitgezonderd door een bijzonder privilegie van het geméene getal. En dit is wat hij zeide: Is Hij Davids Zoon, hoe noemt Hem dan David Matfc-22:24-Heerer Zoo zien wij dan alsnu, dat het argument van Levi op Jezus Christus niet ontvankelijk is. En wat meer is, aangezien Melchizedek een voorbeeld van Christus is, waarop zou dit toch gelijken, dat Hij (bijwijze van spreken) met denzelven zou strijden ? Dit algemeen spreekwoord moet onthouden zijn: Wat gesubordineerd is, strijdt niet tegen hetgeen, waaraan het ondergeschikt* is.

Nademaal dan de figuur onder hare waarheid is, zoo behoort en kan men geenszins haar daartegen stellen. Want in dingen, die met elkander gelijk staan, heeft zulken strijd plaats. En nu heeft de apostel openlijk bewezen met vijf stukken, wat vergelijking daar is tusschen Christus en Melchizedek. En hierdoor wordt nedergelegd de groote dwaling dergenen, die de zonderlingste gelijkenis zoeken in het offeren van brood en wijn. Wij zien, dat de apostel alle dingen het een na het ander vlijtig en zeer nauw verklaart. De naam des menschen, de stoel des rijks, de eeuwigheid des levens, het recht van de tienden, en de zegen worden allen wel van hem waargenomen. Voorwaar in deze dingen was minder gelegen dan in de offerande. Zullen wij dan zeggen, dat de Geest Gods door vergetelheid gedwaald heeft, zoodat hij op kleine zaken gezien heeft, en het voornaamste achterwege gelaten, wat allermeest tot de zaak

Q9

•.*: .1

■y

V V

V

r.

l':

•jV

Vquot;

. •! „

ocr page 104

HEBREËN 7 : 10.

diende? En nog veelmeer verwonder ik mij, dat zoovele oude geleerden der kerken met dezen waan bekommerd zijn geweest, dat zij zoozeer op de offerande van brood en wijn gestaan hebben. Dit is het wat zij daarvan zeggen: Jezus Christus is priester naar de ordening van Melchizedek; Melchizedek heeft brood en wijn geofferd, zoo volgt hieruit, dat de offerande van brood en wijn Christus' priesterschap toekomt. De apostel zal hierna klaarder spreken van de oude offeranden; maar van deze nieuwe offerande van brood en wijn zal hij niet e'én woord verhalen. Hoe komt dit dan den kerkelijken schrijvers in den zin? Voorwaar, gelijk gewoonlijk dwaling uit dwaling voortkomt. Nadat zij van het nachtmaal van Christus een offerande versierd hadden, zonder eenig bevel Gods, daarbenevens het nachtmaal met hun toedoen bevlekt en geschonden hadden, zoo hebben ze na dien tijd hun best van alle zijden gedaan, en een dekmantel gezocht om hun dwaling te bedekken en te verbloemen. De toevoeging van deze offerande van brood en wijn dacht hun hiertoe eigenlijk te dienen, en zij is ook terstond aangenomen geweest zonder eenig oordeel en diepzinnig inzien. Want wie is er, die toelaten zal, dat deze geleerden het beter ingezien hebben, dan de Heilige Geest Gods? En nochtans, zoo wij aannemen wat zij daarvan leeren, zoo moet de Heilige Geest bestraft worden vanwege zijn onbedachtzaamheid, omdat Hij niet behartigd heeft een zoozeer zwaarwichtige zaak. En inzonderheid, omdat Hij van deze zaak met rijp voornemen handelde. Hierdoor besluit ik, dat de oude vaderen zichzelven een offerande versierd hebben, waaraan Mozes nooit gedacht heeft. Want Mozes zegt niet, dat Melchizedek Gode brood en wijn geofferd heeft, maar Abraham en zijn Gon. i4;i3. gezelschap. Dit zijn Mozes' woorden; Melchizedek, koning van Salem, kwam hem tegemoet, en droeg brood en wijn; deze was een priester Gods des Allerhoogsten, en hij zegende hem. Het eerste, dat hij hier verhaalt, is een koninklijke daad geweest, te weten, dat hij degenen laafde en spijsde, die vermoeid waren van den strijd en langen weg. Aangaande de zegening, die kwam het priesterambt toe. En daarom, zoo deze offerande eenige verborgenheid in zich heeft gehad, zoo wordt ze nochtans niet anders in Christus vervuld, dan als Hij ons vermoeid en hongerig zijnde, voedt. Verder, maken zich de papisten hier dubbel spotwaardig, welke, nadat zij geloochend hebben, dat het brood en wijn blijft na hun wijding, desniettemin nog veel snaps hebben van dit brood en wijn.

Gai. 2:2i. 11 Indien dan de volkomenheid door het Levietische priesterschap

ware: (want het volk heeft onder hetzelve de wet ontvangen) wat nood was daar nog, dat een ander priester zou opstaan, naar de ordening van Melchizedek, en niet naar de ordening van Aaron genaamd te worden?

12 Want het priesterschap veranderd zijnde, is het nood, dat ook verandering der wet geschiede.

13 Want hij, op wien dit gezegd wordt, is van een ander geslacht, van hetwelk niemand het altaar bediend heeft.

jes.^U;!. 14 Want het is openbaar, dat onze Heere uit het geslacht van

Juda gesproten is, op welk geslacht Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.

100

ocr page 105

HEBREËN 7:11, 12.

11 Indien dan de volkomenheid. De apostel besluit uit ditzelfde getuigenis, dat het Oude Testament is teniet gedaan, door de komst van Christus. Hij heeft tot hiertoe gehandeld van den persoon en het ambt des priesters. Maar omdat God het priesterschap ingesteld had, om de wet te bevestigen, zoo volgt er uit, als het priesterschap teniet is gedaan, zoo moet de wet ook ophouden. Opdat dit nu te beter verstaan worde, zoo moeten wij dezen stelregel weten: dat er geen verbond tusschen God en de menschen vast noch van waarde is, tenzij op 't priesterschap gegrond. Hierom zegt de apostel, dat de wet het volk des Ouden Testaments is opgelegd geweest onder het Levietische priesterschap: hierdoor te kennen gevende, dat dit priesterschap niet alleen geregeerd heeft in den tijd der wet, maar ook verordend was om dezelve te bevestigen, gelijk wij gezegd hebben. Hij maakt nu zijn bewijs aldus: Was de dienst der kerk onder de ordening van Aaron volkomen geweest, wat ware het dan van noode geweest een andere ordening te zoeken? Want waar volkomenheid is, daar is geen verandering van noode. Hier volgt dan uit, dat de bediening der wet niet volkomen is geweest, omdat er een nieuwe orde moest opgericht worden, waarvan David spreekt. Want het volk heeft onder hetzelve de wet ontvangen. Deze tusschenzin wordt hierbij gesteld, opdat wij zullen weten, dat de wet en het priesterschap bij elkander gevoegd waren. En de apostel wil bewijzen, dat de wet van Mozes het laatste einde niet was, waarop wij moesten blijven staan. En dit doet hij uit de vernietiging der wet op deze wijze: Was de kracht des priesterschaps in het Oude Testament zoo sterk geweest, dat zij genoegzaam geweest was om de wet volkomen te bevestigen, God zou nimmer in haar plaats ingesteld hebben eenig nieuw priesterschap. Opdat nu iemand zou kunnen twijfelen, of uit het einde des priesterschaps de vernietiging der wet ook volgt, zoo zegt hij, dat de wet niet alleen gegeven is onder het priesterschap, maar ook door datzelve bevestigd is.

12 Want het priesterschap veranderd zijnde, is het nood. Als het nu alzoo is, dat de wet en het priesterschap dingen zijn, die bij elkander behooren, zoo is Jezus Christus niet alleen priester gemaakt, maar ook wetgever, en hierdoor werd niet alleen Aarons recht, maar ook dat van Mozes aan Christus overgedragen. De inhoud der gansche rede is, dat Mozes' ambt zoowel tijdelijk was als dat van Aaron, en dat zij daarom beide door de komst van Christus moesten worden te niet gedaan, omdat het een niet blijven kon zonder het andere. Door dit woord wet verstaan wij wat Mozes eigenlijk toekwam: want de wet vervat een regel om wel te leven, en dat genadige verbond des levens, waarin ook overal zeer schoone uitspraken zijn, waardoor wij onderwezen worden in het geloof en de vreeze Gods. Van deze is niets door Christus te niet gedaan, dan alleen dit deel, waarin het oude priesterschap gewonden lag: want hier wordt Christus met Mozes vergeleken. En daarom wat zij met elkander gemeen hebben, wordt niet geacht, dan alleen die dingen, waarin de een van den ander verscheiden is. Dit is hun beiden gemeen, dat zij ons Gods barmhartigheid voordragen, dat zij den regel geven om wel en heilig te leven, dat zij den rechten godsdienst leeren, dat zij ons vermanen tot het geloof en de lijdzaamheid, en voorts tot alle godvruchtige werken. Maar

101

ocr page 106

HEBREËN 7 : 12—14.

hierin [is Mozes met Christus verscheiden, te weten, dat hij het volk gehouden heeft onder bedekte windsels en een duistere kennis, en dat de klaarheid des Evangelies zich toen nog niet openbaarde; dat hij een smaak van Christus gegeven heeft, onder schaduwen en uiterlijke figuren, toen de waarheid der beloften nog niet ontdekt was. In ée'n woord, dat hij zich schikkende naar het begrip van dit grove volk, geen hooger leeringen hun gegeven heeft, dan een kinderlijk onderricht. Laat ons dan onthouden, dat door dit woord wet, hier dit deel van dezen dienst verstaan wordt, hetwelk Mozes eigenlijk voor zichzelven heeft gehad, van Christus onderscheiden. En gelijk dit aan het oude priesterschap is onderworpen, dit te niet gedaan zijnde, moet ook dit ophouden. En als Christus tot een priester verordend wordt, neemt Hij ook de autoriteit des wetgevers aan, op zulke wijze, dat Hij dienaar is en ook uitlegger van het Nieuwe Testament, hoewel de naam wet oneigenlijk het Evangelie toegeschreven is. Maar zooveel ontbreekt er aan, dat deze oneigenlijke spreekwijze niets ongerijmds heeft, maar geeft veeleer aan de rede bevalligheid, door de tegenstelling daarbij gevoegd, gelijk in het zevende hfdst. aan de Romeinen blijkt. Verder, heeft zich de paus al te onbeschaamd getoond, met het inschrijven van deze artikelen in zijne decretalen, en stelt daar, dat hij alsnu dezelfde macht heeft, die Aaron in voorleden tijden had, omdat hem de wet met het priesterschap overgedragen is. Wij zien, waarhenen de rede des heiligen apostels strekt. Hij beweert, dat de ceremoniën hebben opgehouden, van dien tijd af dat Christus gekomen is, met bevel om een nieuw verbond te verkondigen. Hoe willen wij nu hieruit afleiden, dat den dienaren van Christus iets daarvan is overgedragen ? want de persoon van Jezus Christus alleen is aan Mozes en Aaron tegen gesteld. Met wat titel zal de antichrist dan eenige autoriteit zichzelven toeschrijven? Voorwaar, mijn meening is niet, dat ik in een aldus klare zaak zou blijven hangen, om deze te bewijzen ; maar het was van noode dat den lezers vertoond werd deze groote stoutigheid, vol van alle heiligschennis, opdat zij met oogen zien en met handen tasten mogen, hoe deze goede dienaar der dienaren van Christus, niet veel naar zijns meesters eer vraagt, maar zeer schadelijk de Heilige Schrift trekt en scheurt, om haar zulken val-schen schijn te geven, als een booze tirannie eischende is.

13 Want hij, op wien dit gezegd wordt. Omdat de apostel tot lieden spreekt, die daar belijden dat Jezus, Maria's zoon, de Christus is, zoo toont hij aan, dat het oude priesterschap een einde heeft, omdat deze nieuwe verordende priester van een ander geslacht is dan van Levi. Want naar de wet moest de waardigheid des priester-schaps door een zeker privilegie bij het geslacht op Levi blijven. Verder zegt hij, dat het openbaar is, dat Christus uit het geslacht van Juda gesproten is. Omdat deze zaak alstoen zoozeer bekend was: zoo was nochtans de meeste zekerheid gegrond in de beloften. Daarom, toen zij Hem nu voor Christus bekenden, zoo was het ook noodzakelijk dat zij wisten, dat Hij Davids zoon was, want degene die beloofd was kon uit geen ander geslacht komen.

15 En het is nog openbaarder, zoo er naar de gelijkenis van Melchizedek een ander priester opstaat,

16 Die niet naar de wet des vleeschelijken gebods [priester] ge-

102

ocr page 107

HEBREËN 7:15—17.

maakt is, maar naar de maclit des on vergankelijken levens.

17 Want Hij getuigt aldus: Gij zijt priester in der eeuwigheid, Ps- 10;4 naar de ordening van Melchizedek.

18 Want de afzetting des voorgaanden gehods geschiedt om zijne krankheid en onprofijtelijkheid.

19 Want de wet heeft niet heilig gemaakt, maar daar is bij ge- Hand. 13 komen een betere hope, door welke wij God nabij komen; 3

20 En zooveel beter, dat het niet zonder eedzwering geschied is, Gal- 2: i (maar de anderen zijn zonder eedzwering priesters gemaakt; 7; 7.

21 Maar deze met eedzwering door Dien, die tot Hem gezegd 110: heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.)

22 Zooveel beter is dit verbond, waarvan Jezus borg is geworden.

15 En dit is nog openbaarder. Hij bewijst met een ander argument, dat de wet te niet is gedaan. Hij heeft hiervoren in zijn redeneering den persoon des priesters gebruikt, alsnu brengt hij bij den aard des priesterschaps, en om wat reden het is ingesteld. Het oude priesterschap (zegt hij) is ingesteld geweest met vele uiterlijke ceremoniën, maar in het priesterschap van Christus is niets, of het is geestelijk. Hieruit blijkt dan, dat het oude tijdelijk en vergankelijk is geweest: maar Christus' priesterschap wordt bevonden eeuwig te zijn. Het vleeschelijke gebod wordt hier genomen voor het lichamelijke, te weten, uiterlijke ceremoniën. Wij weten met wat plechtigheden Aaron met zijne kinderen gewijd is. Wat nu in Jezus Christus vervuld wordt, door een verborgen hemelsche kracht des Heiligen Geestes, is in de instelling Aarons afgebeeld geweest, door de olie, onderscheidene kleederen, besprenging van bloed, en andere wereldlijke ceremoniën. Verder, deze instelling der priesteren kwam met den aard des priesterschaps overeen. Waaruit volgt, dat het priesterschap zelve der verandering onderworpen was. Nochtans is het priesterschap zoo vleeschelijk niet geweest, of het was ook geestelijk, gelijk wij in het navolgende zien zullen. Maar de apostel ziet hier alleen aan, wat onderscheid er geweest is tusschen Jezus Christus en Aaron. Daarom al was dan de beduiding der figuren en schaduwen geestelijk, nochtans zijn de schaduwen en figuren terecht aardsch genaamd, omdat zij in de elementen dezer wereld gelegen waren.

16 Maar naar de macht des onvergankelijken levens. Omdat Christus een eeuwig priester is, zoo moest Hij van Aaron onderscheiden zijn, zooveel de manier en ordening der instellingen aanging ; hetwelk geschied is, omdat Hij door Mozes niet geheiligd is, die een sterfelijk mensch was, maar door den Heiligen Geest, en niet met olie noch met bokkenbloed, noch met eenige versiersel van uiterlijke kleeding, maar door een hemelsche kracht, welke de apostel hier tegen de zwakke elementen stelt. Aldus zien wij dan, dat het eeuwige priesterschap alleen op Christus ziet.

17 Gij zijt priester in der eeuwigheid. De apostel blijft hier alleen staan op dit woordje eeuwigheid; want hij bevestigt wat hij gezegd heeft; Naar de macht des onvergankelijken levens. Hij bewijst dan, dat Jezus Christus onderscheiden is van alle Levietische

103

ocr page 108

HEBREËN 7 : 17, 18.

ordening en geslacht, omdat hij priester verordend is in der eeuwigheid. Maar men kan hier een tegenwerping maken, gelijk ook /271^7. van de joden geschiedt, te weten, dat het Hebreeuwsche woord, niet altijd eeuwigheid beduidt, maar veeleer een tijd van een eeuw, of een langen tijd. Daarbij komt nog, dat wanneer Mozes van de oude offeranden handelt, hij zeer dikmaals deze manier van spre-19°!).12:17' ken gebruikt: Dit zult gij houden in der eeuwigheid. Ik antwoord, zoo dikwijls als geleerd wordt van de offeranden der wet, wordt dit woord seculum, te weten, eeuw, getrokken tot den tijd der wet. En men moet niet denken, dat er eenige duisterheid in deze verklaring is: want de wereld is in zeker opzicht door de komst van Christus vernieuwd. Zoo dikwijls dan als Mozes van den staat zijns ambts spreekt, meent hij niet den langdurenden tijd na hem, verder dan tot Christus; hoewel wij daarbenevens ook hier bedenken moeten, dat het eeuwig duren ook den offeranden toegeschreven wordt, niet zoo zeer ten opzichte van de uiterlijke ceremoniën, als om de verborgene beteekenis. Deze reden behoort ons in deze zaak te vergenoegen, te weten, dat Mozes en zijn ambt zijn eeuw gehad heeft, welke door Christus' rijk een einde nam, onder wien de wereld is vernieuwd. Alsnu Christus opstaat, en het eeuwige priesterschap hem gegeven is, vinden wij in zijn eeuw geen einde, zoodat het door een zekeren tijd eenige mate kan gesteld worden. Aldus zal men niets verstaan door dit woord, dan eeuwigheid: want om wel te weten wat het Hebreeuwsche woord beduidt, moet men het verband aanmerken, en daarnaar oor-deelen.

18 Want de afzetting. Omdat de apostel nu tot den voornaamsten grond zijner redeneering raakt, dat de wet met het priesterschap is te niet gedaan, zoo bewijst hij de oorzaak waarom zulks geschiedt, te weten, omdat de wet zwak en onnut was. Dit zegt hij, ziende op de ceremoniën, die in zichzelven niets hadden dat vast was, en van zichzelven ganschelijk niets tot de zaligheid vermochten. Dat nu de belofte der genade daaraan gehecht was, welke Mozes overal betuigt, dat God werd verzoend en de zonden uitgewischt door de offeranden, dit kwam eigenlijk den offeranden niet toe, maar kwam van een andere zijde: want gelijkerwijs al de figuren op Christus zagen, zoo ontleenen ze van Hem hare sterkte en kracht. Ja zij hadden zelf geen kracht, deden ook niets uit zichzelven, maar al de kracht kwam alleen den Heere Jezus Christus toe. Omdat nu de Joden deze ceremoniën valschelijk tegen Christus stelden, hierom de apostel zijn rede voegende naar hunne meening, zoo onderscheidt hij ze ook van Christus. En zoo haast als zij van Christus afgescheiden zijn, zoo blijft bij dezelve niets dan deze zwakheid, waarvan hiervoren gesproken is. In één woord, men zal geen nuttigheid vinden in het gebruik der oude ceremoniën, totdat men tot Jezus Christus komt; zelfs verzekerden deze ceremoniën den Joden zoozeer de genade Gods, dat zij daaraan als genoeg zijnde bleven hangen. Laat ons dan onthouden, dat de wet onnut genaamd wordt, als zij van Christus ledig is. Dit dient ook om de leer te bevestigen, die hij noemt het voorgaande gebod. Want dit is kennelijk, dat de eerste ordinantiën en wetten door de laatste te niet gedaan worden. De wet was lang vóór Davids tijd verkondigd, hij was in de bezitting zijns rijks, als hij deze profetie verkondigde betrekkelijk het kie-

104

ocr page 109

HEBREËN 7 : 18—20.

zen eens nieuwen priesters. Zoo is er dan een nieuwe wet, die de vorige vernietigt.

19 Want de wet. Omdat hij een weinig te hard van de wet gesproken had, zoo verzoet hij nu deze bitterheid, en verbetert ze:

want hij laat haar wel eenige nuttigheid toe, te weten, dat zij den weg getoond heeft, die tot de zaligheid leidt; nochtans is zij zoo geweest, dat er nog veel ontbrak, eer zij tot volmaaktheid kon komen. De apostel redeneert hier dan aldus: De wet heeft anders niets gedaan, dan dat zij begonnen is: zoo was dan noodig, dat er eenig volkomener zaak volgde: want de kinderen Gods moeten niet altijd in hun kinderleerjaren blijven. Door dit woord inleiding,

geeft hij te kennen, dat in de wet eenige bereiding was, gelijk men den jongen schoolkinderen de eerste beginselen geeft, om hen tot hooger geleerdheid te doen komen. Maar omdat het Grieksche voorzetsel door, een vervolg beduidt, waar het een het ander opvolgt, ïti. zoo dacht het mij goed aldus over te zetten; Maar daar is by gekomen. Want naar mijn verstand, stelt hij twee inleidingen: de eerste, in de figuur van Melchizedek, de ander, in de wet die de laatste

is naar den tijd. Door dit woord wet, geeft hij het Levietische priesterschap te kennen, dat na Melchizedeks priesterschap is gekomen. Hij verstaat door beter hope, de gestalte der geloovigen onder het rijk van Christus, maar het ziet op de vaderen, die met hun tegen-woordigen staat niet tevreden waren, maar bevlijtigden zich nog al meer. Vandaar dat Christus sprak: Vele koningen en profeten Lut. 10:24. hebben begeerd te zien wat gijlieden ziet, en hebben het niet gezien. Aldus werden ze dan door de school der wet als met de hand geleid, opdat zij verder zouden komen. Door welke wij God nabjj komen. Hier is eenige tegenstelling tusschen de vaderen en ons:

want wij zijn in deze waardigheid uitnemender dan zij, omdat God alsnu gemeenzamer met ons spreekt, terwijl Hij hun alleen van verre in duisternis geopenbaard is. En dit is een toespeling op de inrichting van den tabernakel of den tempel: want het volk bleef van verre staan in het voorhof, en niemand kwam bij het heiligdom, dan alleen de priesters. En aangaande het heilige der heiligen, daar kwam niemand in dan de hoogepriester. Maar nu, na den tijd dat de tabernakel weggenomen is, zoo laat God ons toe, dat wij Hem nader aanschouwen, hetwelk den vaderen niet geschiedde. Derhalve,

die op de schaduwen der wet nog staat, of die wederom heeft opgericht, verduistert niet alleen de glorie van Jezus Christus, maar hij berooft ons van een zonderling goed, aangezien hij eenen muur stelt tusschen God en ons, om wien te genaken, ons de vrijheid des Evangelies gegeven is. Die nu aan de wet blijft hangen, deze berooft willens en wetens zichzelven van dit groote goed, te weten,

om bij God te komen.

20 Dat het niet zonder eedzwering geschied is. Dit is een andere bewijsreden, waarom de wet voor het Evangelie moet wijken, omdat God het priesterschap van Christus boven Aarons priesterschap gezet heeft, aangezien Hij ter eere daarvan wel heeft willen zweren.

Want toen Hij de oude priesters ordineerde, zoo deed Hij daar gee-nen eed bij, en van Jezus Christus is gezegd: Dat de Heere zwoer,

hetwelk zonder twijfel geschied is tot zijne versiering. Wij zien tot wat einde hij wederom den psalm bijbrengt, namelijk, opdat wij weten zouden, dat, omdat God zweert, daardoor het priesterschap

105

ocr page 110

HEBREËN 7 : 20—25.

van Christus waardiger gehouden wordt dan het andere. Verder moeten wij dit beginsel onthouden, dat de hoogepriester gekozen is, opdat hij een borg des verbonds zou zijn; hieruit besluit de apostel, dat het verbond, hetwelk God met ons gemaakt heeft door de hand van Jezus Christus, veel uitnemender is dan het oude, waarvan Mozes een middelaar of uitlegger is geweest.

23 En genen zijn vele priesters gemaakt, omdat zij door den dood verhinderd waren te blijven.

24 Maar deze, omdat Hij eeuwig blijft, heeft een onvergankelijk priesterschap.

25 Waaruit Hij ze ten volle kan zaligmaken, die door Hem tot iTim^-s e GrQd gaan, dewijl Hij altijd leeft, om voor hen te bidden.

26 Want zoodanig een hoogepriester betaamde ons, heilig, on-noozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hooger dan de hemelen geworden;

Lev. 9:7; 27 Die niet allen dag noodig had, gelijk de hoogepriesters, eerst

Hebr. 5:3. voor zijne eigene zonden, daarna voor de zonden des volks

offeranden te doen: want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven geofferd heeft.

28 Want de wet stelt tot hoogepriesters menschen, die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is, stelt den Zoon, die in der eeuwigheid geheiligd is.

23 En genen zjjn vele priesters gemaakt. Hij had hierboven deze gelijkenis aangeroerd, maar omdat de zaak wel waardig is dat daarop scherp gelet worde, zoo verhaalt hij ze wederom duidelijker, hoewel de zin der rede anders is, dan hij tevoren was. Want hij bracht hierboven bij, dat het oude priesterschap een einde moest nemen, omdat er sterfelijke menschen verordend waren om dat te bedienen, en nu toont hij eenvoudig, waarom Jezus Christus eeuwig priester blijft. Hetwelk hij doet door een bewijs, hetwelk men noemt, een ontkennende tegenstelling. De oorzaak dan waarom bij de ouden vele priesters zijn geweest, is, omdat de dood hun priesterschap deed eindigen: maar er is geen dood, die Christus belet zijn ambt te bedienen, zoo is Hij dan alleen eeuwig. Aldus geeft de verscheidenheid der zaak verscheidene gevolgen.

25 Waaruit Hij ze ook ten volle kan zalig maken. Dit is de vrucht des eeuwigen priesterschaps, te weten, onze zaligheid, zoo wij toch deze vrucht door het geloof verstaan, gelijk wij behooren. Want men doet verloren arbeid, als men zaligheid wil zoeken, waar dood of verandering is. Daarom, die op het oude priesterschap staan blijven, zullen nimmer tot de zaligheid komen. Als hij zegt: Die door Hem tot God gaan, teekent hij met deze omschrijving de geloovigen aan, die alleen de zaligheid gebruiken, door Jezus Christus verworven: nochtans toont hij intusschen, wat opzicht het geloof op den Middelaar moet hebben. Dit is het hoogste goed der menschen, met God vereenigd te zijn, hetwelk de oorsprong des levens en van alle goed is; maar er is niet één van ons, of hij is door zijn onwaardigheid van dezen toegang verworpen. Daarom is eigenlijk het ambt des Middelaars, ons hierin te helpen, en de hand lt; te reiken, opdat Hij ons tot in den hemel leide. En hij maakt altijd

een toespeling op de oude schaduwen der wet: want hoewel de

106

ocr page 111

HEBREËN 7 : 25, 26.

hoogepriester op zijn schouders droeg de namen der twaalf geslachten, en daarvan de teekenen op zijn borst had, nochtans ging hij alleen in het heiligdom, als het volk in het voorhof bleef staan. Maar rustende op Jezus Christus, en Hem hebbende tot eenen Middelaar, zoo gaan wij door het geloof ten hemel in, omdat er geen voorhangsel meer is, dat ons belet, maar God openbaart Zich nu openlijk voor ons, en noodigt ons vriendelijk om tot Hem te komen. Altijd leeft om voor hen te bidden. Zullen wij dit pand der liefde ook genoeg kunnen achten, die Jezus Christus tot ons draagt, dat Hij voor ons leeft, en niet voor Zichzelven? Hij is opgenomen geweest in de gelukzalige eeuwigheid, opdat Hij in den hemel regeeren zou, en de apostel zegt, dat zulks om onzentwil geschied is. Derhalve en het leven, en het rijk, en de heerlijkheid van Jezus Christus zijn verordend tot onze zaligheid, als tot het rechte einde, en Christus heeft niets, of wij mogen het trekken tot ons profijt, omdat Hij ons eens van den Vader is gegeven, op zulke conditie, dat al het zijne onze zou zijn. Daarbenevens toont hij door het werk, dat Jezus Christus hierdoor het priesterschap bedient, omdat het eigenlijk een priester toekomt, het volk voor te treden, opdat hij hun genade van God verwerve, en het volk verzoene. En dit doet Jezus Christus altijd, omdat Hij tot dat einde van den dood verwekt is. Hierdoor komt Hem met goed recht de naam van priester toe, omdat zijn ambt een gedurig voorbidden inheeft.

26 Want zulk een hoogepriester. Hij besluit zijn bewijs met de aanhangende redenen. Deze conditiën of hoedanigheden worden noodzakelijk in eén priester begeerd, dat hij rechtvaardig is, onschuldig, en zuiver van alle smet. Deze eer komt niemand anders toe dan Jezus Christus. Daarom ontbrak den priesters der wet, wat er om oprechtelijk het priesterambt te bedienen, geëischt werd. Waaruit volgt, dat er geen volmaaktheid in het Levietische priesterschap was, en dat het van zichzelve niet wettig was, dan zooveel als het Jezus Christus aanging. En voorwaar, de uiterlijke versiering des hoogepriesters vertoonde deze onvolkomenheid. Want waartoe dienden toch die rijke en kostelijke kleederen, waarmede God wilde dat Aaron zou versierd zijn, als hij den goddelijken dienst zou doen, alleen dan dat het teekenen der heiliging zou zijn ? en meer dan menschelijke waardigheid in alle soort van deugden ? Men gebruikte toen deze figuren, aangezien de waarheid nog niet tegenwoordig was. Het is dan openbaar, dat er geen bekwaam priester is, dan Christus Jezus alleen. Dit stuk: Afgescheiden van de zondaren, bevat het andere al te zamen: want er was wel eenige heiligheid, eenige onnoozelheid en zuiverheid in Aaron, maar hetzelve was zeer klein; want al deze dingen waren met vlekken besmet. Maar Jezus Christus, die uit het gemeene getal der menschen uitgezonderd is, is alleen zonder zonde. En daarom is er geen ander, waarin men de ware heiligheid en onnoozelheid kan vinden, want wat hier gezegd is: dat Hjj van ons afgescheiden is, is niet dat Hij ons van zijn gezelschap verstoot: maar omdat deze uitnemendheid in Hem is boven ons, en dat Hij zuiver is van alle vlekken. Hieruit kan men afleiden, dat alle gebeden, die niet rusten op het voorbidden van Christus, verworpen worden. Nochtans zou men hier een vraag kunnen stellen aangaande de engelen, te weten, of zij ook van de zondaars afgescheiden zijn. Is het alzoo, wie kan het beletten, dat zij het ambt

107

ocr page 112

HEBREEN 7 :26—28.

des priesters niet zullen bedienen, en dat zij ons middelaars voor God zullen zijn? Hierop is zeer lichtelijk te antwoorden, want daar is geen wettige middelaar, of hij is van God verordend. En daar blijkt uit niet een plaats in de Schrift, dat God den engelen deze eer doet, daarom zou het een schandelijk gebruik zijn, dat zij ongeroepen zijnde, zich in zulken dienst drongen. Wat meer is (gelijk wij zeer haast zien zullen in het navolgende hfdst.) het moet een mensch zijn, die Middelaar zal wezen tusschen God en de menschen. Hoewel de laatste conditie, die de apostel hier leert, alleen genoegzaam zou wezen, om deze kwestie op te lossen. Want niemand kan ons met God vereenigen, dan die God aangaat, aangezien dit den engelen niet gegeven is; want van hen is niet gezegd, dat zij boven alle hemelen verheven zijn. Daarom komt het verzoenen met God niemand anders toe, dan Jezus Christus, die geklommen is boven alle hemelen. Verder, deze manier van spreken is zooveel, alsof hij zeide, dat Christus is gesteld boven alle ordeningen der creaturen, op zulke wijze, dat Hij uitblinkt boven de engelen.

27 Die niet allen dag noodig had. Hij vervolgt de tegenstelling, tusschen Jezus Christus en de Levietische priesters, waarin hij voornamelijk twee gebreken des ouden priesterschaps aanteekent, waaruit blijkt dat het niet gansch volkomen is geweest. Hij roert hier alleen in het kort den hoofdinhoud aan, maar hierna legt hij al de stukken klaarlijker en breeder uit, en bijzonder dat van de dagelijksche offeranden, aangezien daarover ook de meeste twist was. Hierdoor zal ik ook een iegelijk stuk zeer kort aanroeren. Het eene was het gebrek in het oude priesterschap, dat de hoogepriester offerde offerande voor zijn eigen zonde, hoe zou hij dan God voor de anderen verzoenen, aangezien God ook met goed recht zijn vijand was ? Hierom konden de oude priesters de zonden niet uitwisschen. Het andere gebrek was, dat zij allen dag verscheiden offeranden offerden, waaruit volgt, dat er geen reiniging was die krachtig genoeg bevonden werd: want waar een andere reiniging geëischt wordt, daar blijven de zonden. Dit is verscheiden in Jezus Christus, want hij heeft geen offerande van noode voor zijne zonden, omdat hij niet besmet is met eenige zondvlek. En zijn offerande is zoodanig geweest, dat zijn eene opoffering krachtig genoeg blijft tot het einde der wereld: want Hij heeft Zichzelven opgeofferd.

28 Want de wet stelt tot hoogepriesters. Uit de gebreken der menschen leidt hij hier de zwakheid des priesterschaps af, alsof hij zeide: Omdat de wet geen ware priesters verordent, zoo is het noodig dat dit gebrek van een andere zijde verbeterd wordt. En het werd verbeterd door het eedzweren. Want Jezus Christus is geordineerd, niet als van het gemeene getal der menschen zijnde, maar dat Hij is de Zone Gods, geen zonden onderworpen, maar voorzien en toegerust met de hoogste volmaaktheid. Hij vermaant wederom, dat de eed na de wet is, om te toonen, dat God niet tevreden zijnde met de offerande der wet, wat beters heeft willen verordenen en instellen. Want wat namaals in Gods ordeningen en instellingen komt, stelt het vorige in eenen beteren staat, of het doet te niet, wat niet blijven zou dan voor een tijd.

108

ocr page 113

HEBREËN 8:1.

HET ACHTSTE HOOFDSTUK.

1 De hoofdsom van wat wij zeggen, is dit, namelijk, dat wij zoo- 4Hj])r' g3^' danigen hoogepriester hebben, die gezeten is ter rechterhand 9 - li.

van den troon der majesteit in de hemelen. coi ^ 2i'

2 Een bedienaar van het heilige en van dien waren tabernakel, Hebr. 12:2. welken de Heere heeft opgericht en geen mensch.

3 Want een iegelijk hoogepriester wordt gesteld om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat deze Ef- 5:2-ook wat had, dat Hij offeren zou.

4 Want ware Hij op de aarde, zoo ware Hij geen priester, dewijl er priesters zijn, die naar de wet gaven offeren;

5 Welke dienen het voorbeeld en de schaduw der hemelsche : 17. ^ dingen, gelijk Mozes van God vermaand was, als hij den taber- ex. 25:40! nakel volmaken zou; want ziet (zeide Hij) dat gij het al maakt Hana- 7:^ naar het voorbeeld, dat op den berg getoond is.

6 Maar nu heeft deze onze hoogepriester zooveel beter bediening 2 Cor- 3:0-gekregen, als Hij eens beteren verbonds Middelaar is, dat in

betere beloften bevestigd is.

iquot;l ve hoofdsom van. Opdat de lezers mogen weten, van wat

Izaak hier gehandeld wordt, bewijst hij dat zijn voornemen is, —^te doen blijken dat het priesterschap van Jezus Christus geestelijk is, waardoor het priesterschap der wet te niet wordt gedaan.

Het is wel waar, dat hij bij hetzelfde bewijs blijft, maar omdat het met verscheiden redenen strijdt, zoo heeft hij daar deze vermaning bijgevoegd, opdat hij de lezers vlijtig zou houden tot dit doel. Hij heeft nu bewezen, dat Christus de hoogepriester is, alsnu beweert hij, dat zijn priesterschap hemelsch is. Waaruit volgen moet,

dat door zijn komst het priesterschap te niet is gedaan, hetwelk Mozes onder de wet had ingesteld, aangezien het aardsch was. En omdat Christus geleden heeft in vernedering des vleesches, en dat Hij Zichzelven vernietigd heeft in de wereld, en de gedaante eens dienstknechts aangenomen: zoo wijst ons de apostel op zijn hemelvaart, door welke niet alleen verslonden is geweest de schande des kruises, maar ook deze verworpene en versmadelijke gestalte, welke Hij aangenomen had met ons vleesch; want men moet de waardigheid van Christus' priesterschap achten, naar dezelfde kracht des Geestes, die geopenbaard is in zijn verrijzenis en hemelvaart. Zijn bewijs is dan aldus: Aangezien Christus zit ter rechterhand Gods zijns Vaders, opdat Hij heerlijk in den hemel zou regeeren, zoo is Hij geen dienaar van een aardsch, maar van een hemelsch priesterschap. Aangaande deze woorden: Van het heilige, legt de apostel zelve uit, daarbij voegende: En van dien waren tabernakel. Maar men zou hier kunnen vragen, of de tabernakel van Mozes gebouwd,

valsch is geweest, of lichtvaardig is gebouwd: want daar is een bedekte tegenstelling in deze woorden. Ik antwoord, dat deze waarheid waarvan hij spreekt, niet den leugenen, maar den figuren alleen wordt tegengesteld, gelijk in Joh. 1:17 staat: De wet is door Mozes gegeven, de genade en waarheid is door Jezus Christus geschied. Deze oude tabernakel is dan niet geweest een ijdele of

109

ocr page 114

HEBREEN 8 : 1—3.

lichtvaardige vinding der menschen, maar een voorbeeld des he-melschen tabernakels. Nochtans omdat de schaduw onderscheiden is van het lichaam, en de beteekenis van de zaak zelve, zegt de apostel, dat het geen ware tabernakel is geweest, alsof hij zeide: Het is alleen een tabernakel geweest, die den waren tabernakel heeft afgebeeld.

2 Welken de Heere heeft opgericht. Wat wil de apostel hiermede zeggen, dat hij het priesterschap van Jezus Christus in den hemel plaatst? Want voorwaar Hij heeft op aarde geleden, en heeft onze zonden uitgewischt met aardsch bloed, hetwelk zijn oorsprong genomen had uit het zaad Abrahams; het offer zijns doods is zienlijk geweest; in één woord, opdat Hij Zichzelven den Vader zou opofferen, moest Hij uit den hemel nederdalen op de aarde, is mensch geworden, zijnde onderworpen aan de ellendigheden van dit sterfelijke leven, en in het einde aan den dood. Ik antwoord, wat daar op het eerste aanzien in Christus aardsch schijnt, dat moet aangezien worden met het geestelijk oog des geloofs. Aldus is zijn vleesch, hetwelk Hij aangenomen had uit het zaad Abrahams, nademaal het de tempel Gods was, levendmakende geweest, ja Christus' dood is het leven der gansche wereld geweest: hetwelk gewisselijk de natuur te boven gaat. Daarom ziet de apostel alleen niet aan de eigenschap van de menschelijke natuur, maar meer de verborgene kracht des Heiligen Geestes, die een oorzaak is dat Christus' dood niet aardsch smaakt. Daarom als er van Christus gesproken wordt, zoo laat ons leeren onze zinnen omhoog te heffen, naar het koninkrijk Gods: hierdoor blijft er geen zwarigheid in ons. De heilige Paulus spreekt bijna op dusdanige manier in 2 Cor. 5. Hij noemt God een werkmeester van dezen tabernakel, om te toonen dat dit werk vast en eeuwig zal blijven: gelijk integendeel aller menschen handwerk niet duurzaam is, of tenminste den val onderworpen. De oorzaak, waarom hij dit hier zegt, is, omdat de verlossing door den dood van Christus verworven, een waarachtig Goddelijk werk is geweest, en dat Christus' macht op wonderlijke wijze daarin vertoond is geweest.

3 Want een iegelijk hoogepriester. Des apostels rede strekt hiertoe: hij wil bewijzen dat het priesterschap van Jezus Christus, met het oude Levietische priesterschap niet staan kan. Om dit te bevestigen, zoo toont hij, dat God de priesters verordend heeft, om Hem offerande op te offeren: want zonder offerande zou anders de naam van het priesterschap onnut zijn. Nu heeft Jezus Christus zulke offerande niet, als men gewoon was onder de wet te offeren: hieruit volgt, dat zijn offerande niet aardsch, noch vleeschelijk, maar van uitnemende waardigheid is. Laat ons nu elke uitspraak wel onderzoeken. Deze eerste is wel waardig onthouden te zijn, welke leert, dat er geen priester gesteld is, dan om gaven en offeranden op te offeren: want hieruit blijkt, dat de menschen geen genade van God kunnen verwerven, of daar moet offerande zijn. Waarom onze gebeden op eenige offerande moeten gegrond zijn, eer zij kunnen verhoord worden, alzoo dat er een doodelijke vermetelheid is in hen, die, Christus voorbijgaande en afkeerig zijnde van de gedachtenis zijns doods, met geweld doordringen tot de Majesteit Gods. Daarom, zoo wij met vrucht willen bidden, laat ons leeren altijd den dood van Christus in 't midden te stellen, opdat onze

110

ocr page 115

HEBREËN 8: 3—5.

gebeden daardoor mogen geheiligd worden: want God zal ons nimmermeer verhooren, dan als Hij verzoend is. Aldus moet Hij dan eerst verzoend zijn, omdat onze zonden zijn toorn over ons houden. Daarom is het noodig dat er eenige offerande voorga, opdat onze gebeden vruchtbaar worden. Wij moeten ook hieruit leeren, dat er noch engel, noch mensch is, hoedanig hij zij, die krachtig genoeg is om God te verzoenen. En hierdoor is genoegzaam verworpen de onbeschaamdheid der papisten, die zonder eenig onderscheid de apostelen en martelaars zoowel tot middelaars en voorbidders nemen, als Jezus Christus. Want tevergeefs schrijven zij hun dit ambt toe, tenzij ze hun ook de offeranden voor ons toeschrijven.

4 Want ware Hij op de aarde. Nu is buiten tegenspraak, dat Jezus Christus priester is. En gelijk eens rechters ambt niet zonder wetten en rechten is, alzoo moet ook in Christus het ofterambt vereenigd zijn met den naam van priester. Hij heeft geen aardsche noch zienlijke offerande: zoo kan Hij ook geen aardsch priester zijn. Wij moeten altijd deze onomstootelijke waarheid gedachtig zijn: als de apostel van Jezus Christus' dood handelt, ziet hij niet op het uiterlijke werk, maar op de geestelijke vrucht en nuttigheid. Hij heeft den dood geleden naar de gewone menschelijke manier: maar dat Hij nu de zonden uitwischt, geschiedt door een Goddelijke kracht, als priester. Zijn uitstorting des bloeds was uitwendig, maar de zuivering was innerlijk en geestelijk. In één woord. Hij stierf op de aarde, maar de mogendheid en kracht was dalende uit den hemel. Aangaande wat er volgt, sommigen leggen dat aldus uit: Uit het getal dergenen die gaven offeren naar de wet: maar de woorden des apostels beduiden wat anders, daarom stel ik het liever aldus: Dewijl daar priesters zijn, of: Aangezien zij priesters zijn. Want hij wil een van beide bewijzen, dat Christus geen priester is, zoo het priesterschap der wet nog blijft, aangezien Hij zonder offerande is, of, dat de offeranden der wet een einde hebben genomen, zoo haast als Christus is gekomen. Het eerste is niet redelijk; want het is niet geoorloofd, Christus te berooven van de eere des priesterschaps. Aldus moeten wij dan bekennen, dat de Levietische ordinantie alsnu teniet is.

5 Welke dienen. Dit dienen neem ik hier voor het heilige verrichten, en daarom moet bij den Griekschen tekst gevoegd worden het woordje tot, of iets dergelijks. Voorwaar deze zin is beter, dan gelijk anderen het overzetten, te weten: Zij dienen het voorbeeld en de schaduw der hemelsche dingen; en de Grieksche uitlegging duldt zeer gemakkelijk dezen zin. In één woord, hij wil hier leeren dat de ware godsdienst niet gelegen is in wettige ceremoniën, en dat daarom als de Levietische priesters hun ambt gebruiken, zij alleen een schaduw en klein ontwerp hebben van het oprechte en ware patroon: want dit brengt het Grieksche woordje met zich. En door dit middel voorkomt hij de tegenwerping, die hiertegen kon geschieden: want hij bewijst, dat de dienst Gods in het gebruik der oude offeranden niet ijdel of onnut is geweest, omdat die hooger zag, te weten, op de hemelsche waarheid. Gelijk Mozes van God vermaand was. Deze plaats staat in Exod. 25:40, welke de apostel hier aanhaalt, om te bewijzen, dat al de dienst der wet, niet dan een afbeelding was, om af te malen, wat geestelijk in Jezus Christus was. God beveelt, dat al de stukken des tabernakels zullen overeen-

Ill

ocr page 116

HEBREËN 8:5, 6.

komen met het rechte patroon, dat Mozes op den berg vertoond was. Zoo nu de vorm des tabernakels tot iets anders getrokken wordt, zoo geldt dit ook van de ceremoniën en het gansche priesterschap. Waaruit volgt, dat in al deze dingen gansch geen vastigheid is, maar dat wij moeten aanzien wat daarin afgebeeld is. Dit is dan een uitnemend schoone plaats, welke drie zuivere waarheden bevat, waardig om te onthouden. Want eerst leeren wij hieruit, dat de oude ceremoniën niet lichtvaardig versierd zijn geweest, opdat God zijn volk daarmede bekommeren zou als met een klein-kinderspel, en dat de tabernakel niet tevergeefs is gebouwd om alleen de oogen der beschouwers door zeer grooten uiterlijken schijn te trekken en te houden, want in al deze dingen is een ware en geestelijke beduiding geweest, aangezien het Mozes bevolen was dat hij ze al te zamen volmaken zou naar het eerste patroon, dat hem gegeven was, en hemelsch was. Daarom is het een zeer ongoddelijk voornemen dergenen die daar zeggen, dat de ceremoniën geboden zijn geweest alleen tot een bedwang, om de ongestadige dartelheid des volks te bedwingen, uit zorg dat zij niet elders bij de heidenen vreemde ceremoniën zouden zoeken. Dit is wel wat, maar het is nog niet alles: want zij vergeten wat veel gewichtiger is, dat het oefeningen waren om het volk te houden in het geloof des Middelaars. Nochtans moeten wij hierin ook niet al te neuswijs zijn, zoodat wij eenige diepe verborgenheid zouden willen zoeken in elke splinter, nagel of kleine stukjes, gelijk Hesychius gedaan heeft, en ook een groot deel van de schrijvers, die te scherpzinnig hierop gestaan hebben; want als zij te diepzinnig willen onderzoeken de dingen die hun onbekend zijn, bedriegen zij zichzelven leelijk, en maken zich door deze ongeschiktheid een spot aller menschen. Daarom moet hierin middelmatigheid gebruikt zijn: het-wij doen zullen, als wij niet meer begeeren te weten, dan ons in Christus geopenbaard is. Ten tweede, worden wij hieruit geleerd, dat alle diensten van menschen versierd uit eigen vernuft, en zonder bevel Gods, valsch en ongoddelijk zijn. Want als God ons een voorschrift geeft, waarnaar Hij wil dat het al uitgericht zal zijn, zoo is het niet geoorloofd, eenig ding anders te doen, noch iets nieuws te versieren: want deze twee manieren van spreken zijn van gelijke waarde: Ziet, dat gij het al maakt naar het voorbeeld; Ziet, dat gij niets maakt, anders dan u bevolen is. Daarom sterk be-geerende dat wij den regel houden zullen, dien Hij ons gegeven heeft, zoo verbiedt Hij ons ook daarvan zoo weinig te treden als het mogelijk is. Op dezen grond moeten vallen alle diensten, die de menschen hebben gevonden, ook al die dingen die sacramenten genoemd worden, en nochtans van God niet verordend zijn. Ten derde, moeten wij hieruit leeren, dat er geen ware teekenen noch sacramenten in de Christelijke religie zijn, dan die van Christus bevestigd worden: maar wij moeten wel wachten, als wij onze eigen vindingen met Christus willen vergelijken, dat wij Hem niet veranderen gelijk de papisten doen, alzoo dat Christus Zichzelven niet meer gelijkt. Want het komt ons niet toe al te versieren wat ons belieft, maar het komt alleen God toe te onderwijzen: want hier wordt gezegd: Naar het voorbeeld dat u getoond is,

6 Maar nu heeft Hij verkregen. Gelijk hij hiervoren de uitnemendheid des verbonds uit de waardigheid des priesterschaps be-

112

ocr page 117

HEBREËN 8:6, 7.

vestigt, zoo beweert hij ook alsnu dat het priesterschap van Jezus Christus uitnemender is, omdat Hij een afgezant en Middelaar is van een beter verbond. Beide waren ze noodig, want hij moest de Joden aftrekken van hun superstitieuse onderhouding der ceremoniën, waardoor zij belet werden om recht tot de zuivere ware en eenvoudige leer des Evangelies te gaan. De apostel zegt, dat het billijk is, dat Mozes en Aaron aan Jezus Christus plaats geven, als den voornaamste, aangezien het Evangelie een uitnemender verbond is dan de wet, en de dood van Jezus Christus een veel edeler offerande dan de offeranden der wet. Maar wat hij daarbij voegt is niet al zonder zwarigheid, te weten, dat het verbond des Evangelies in betere beloften bevestigd is: want het is zeker dat dezelfde hoop des eeuwigen levens den oudvaderen, die onder de wet geleefd hebben, voorgesteld is geweest, gelijk de genade der aanneming hun zoowel gemeen is geweest als ons. Zoo moet dan hun geloof gerust hebben op dezelfde beloften. Nochtans is de vergelijking des apostels meer tot den vorm dan tot de zaak zelve te trekken: want hoewel God hun dezelfde zaligheid beloofd heeft, die Hij heden belooft, nochtans de mate of wijze der openbaring is dezelfde niet geweest, noch ook desgelijks. Wil men hiervan wat meer zien, zoo moet men lezen wat wij in onze «Institutiequot; geschreven hebben, en op het vierde en vijfde hfdst. in den brief aan de Galaten.

7 Want was het eerste onberispelijk geweest, zoo zou er geen plaats voor het ander gezocht zijn geweest.

8 Want Hij bestraft ze en zeat tot hen: Ziet, de dagen zullen Jer- si:

. 32 33 34

komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls en Eom, 'u: over het huis van Juda een nieuw verbond maken;

9 Niet naar het verbond, dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hen bij hun hand nam, en hen uit Egypte leidde ;

want zij zijn in mijn verbond niet gebleven, en Ik heb ze veracht, zegt de Heere.

10 Want dit is het verbond, dat Ik den huize Israëls maken zal

na die dagen, spreekt de Heere: Ik zal mijne wetten in hun Jer- 31 verstand geven, en Ik zal hun tot een God wezen, en zij zul- Zach- 1len Mij tot een volk zijn.

11 En zij zullen niet een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leeren, zeggende: Ken den Heere: want zij zullen Mij allen kennen, van den grootste onder hen tot den kleinste onder hen.

12 Want Ik zal hun onrechtvaardigheid genadig wezen, en hunne zonden en hunne ongerechtigheid zal Ik niet meer gedenken. 17:5.

13 Daarin dat Hij zegt: Een nieuw, heeft Hij het eerste oud gemaakt, en dat oud en verouderd is, is nabij de verdwijning.

113

1

omdat het verbond der wet niet vast noch duurzaam was: want was het volkomen geweest, wat nood ware het dan geweest, dat er een ander in zijn plaats werd gesteld? Nu is het immers zoo, dat er een ander is. Hieruit blijkt dan, dat dit oude verbond in alles niet

Dl. VII. s

ocr page 118

HEBREËN 8:7, 8.

volkomen was. Om dit te bewijzen, zoo brengt hij het getuigenis van Jeremia bij, dat wij hierna zullen uitleggen. Maar het schijnt, dat dit niet al te wel sluit, als hij, nadat hij gezegd heeft, dat men geen plaats voor het tweede verbond zou gezocht hebben, (ware het eerste onberispelijk geweest) daarbij voegt, dat het volk is gestraft, en dat om deze oorzaak een hulpmiddel is gegeven door een nieuw verbond. En is het niet een booze daad, is er eenig gebrek in het volk, dat aan Gods verbond de schuld wordt gegeven ? Hieruit schijnt dan, dat dit argument niet al te wel staan kan, want al verdoemde God het volk honderdmaal, het is daarom niet gezegd dat het verbond gebrekkelijk is. Op deze tegenwerping is lichtelijk te antwoorden: want hoewel de misdaad van het breken des verbonds met goed recht het volk kan opgelegd worden, hetwelk door zijn ontrouwigheid van den Heere afgewend was: desniettegenstaande, is nog daarbenevens de zwakheid van dat verbond getoond, omdat het in de harten niet geschreven was. Daarom verkondigt God dat het moet verbeterd zijn, opdat het heilig van waarde zij. Hierom beweert de apostel niet zonder oorzaak, dat men voor het tweede verbond plaats moet zoeken.

8 Ziet de dagen zullen komen. De profeet spreekt van den toekomenden tijd, en straft het volk van hun ontrouwigheid, omdat zij de wet ontvangen hebbende, niet volharden in het geloof. De wet is dit verbond waarover God klaagt, dat van het volk is gebroken. En om in dit kwaad te voorzien, belooft hij een nieuw verbond, en een ander dan het eerste was: welke vervulling der profetie met zich brengt vernietiging van het Oude Testament. Maar het schijnt dat de apostel ten onrechte deze profetie trekt om tot zijn rede te dienen. Want hier is kwestie van de ceremoniën, en de profeet spreekt van de gansche wet. Schrijft God in des menschen harten den regel om heilig en wel te leven, welke gegeven is door de stem der menschen, en in 't schrift gesteld, wat heeft dit gemeens met de ceremoniën ? Ik antwoord, dat het een argument is van het geheel tot een deel. Daar is niet aan te twijfelen, of de profeet begrijpt hieronder het gansche ambt van Mozes, als hij zegt: Ik heb met u een verbond gemaakt, hetwelk gij niet onderhouden hebt. De wet was genoeg met ceremoniën bekleed, het lichaam nu dood zijnde, wat gebruik zullen dan de kleederen hebben ? Het is een zeer gemeen spreekwoord: Hetgeen er bijkomt volgt de natuur van het oorspronkelijke. Zoo moet men zich dan niet verwonderen, als de ceremoniën, die anders niet zijn dan aanhangsels des Ouden Testaments, eindigen met het geheele ambt van Mozes. En dit is een gewoon gebruik bij de apostelen, als er kwestie is van de ceremoniën, zoo nemen ze een algemeene disputatie aan van de gansche wet. Hoewel dan deze profetie van Jeremia verder strekt dan de ceremoniën, nochtans omdat hij ze besluit onder den naam van het Oude Testament, zoo dient ze eigenlijk tot deze tegenwoordige zaak. Verder, moet elk mensch belijden, dat door de dagen, waarvan de profeet spreekt, het rijk van Jezus Christus beduid wordt. Hij noemt het het huis Israëls en het huis van Juda, omdat de nakomelingen van Abraham in twee koninkrijken verdeeld waren. Alzoo is de belofte, dat al de uitverkorenen wederom in één lichaam zullen vergaderd worden, hoezeer zij ook hiervoormaals verstrooid zijn geweest.

114

ocr page 119

HEBREËN 8 : 9, 10.

9 Niet naar het verbond, dat Ik met. Met dit woord drukt hij uit het onderscheid dat er is tusschen het verbond, hetwelk toen plaats hield, en het nieuwe waarvan hij hope geeft; anders zou de profeet alleen gezegd hebben: Ik zal weder het verbond vernieuwen, dat door uw schuld gebroken is. Maar nu zegt Hij klaarlijk, dat het onderscheiden zal zijn. Aangaande hetgeen Hij zegt, dat het verbond op dien dag gemaakt is, toen Hij ze bij de hand nam, en uit het diensthuis van Egypte leidde, hiermede maakte Hij de misdaad hunner afvallingen groot, door het verhalen van zoo groote weldaad, hoewel Hij voor een zekeren tijd hun ondankbaarheid niet alleen veroordeelt, maar aangezien het alzoo is dat dezelfden, die verlost waren, terstond wederom afvielen, en hun nakomelingen daarna, hetzelfde navolgende ook zeer dikwijls zijn gevallen, zoo is het gan-sche geslacht ontrouw geweest, en heeft het verbond gebroken. Als Hij zegt: Dat Hij ze veracht heeft, daarmede geeft hij te kennen, dat het hun niet baten zal, dat zij eens tot Gods volk waren aangenomen, tenzij Hij ze met een nieuw middel te hulp kome, hoewel de profeet een andere manier van spreken in het Hebreeuwsch heeft; maar dit doet tot de tegenwoordige zaak niet af.

10 Want dit is het verbond. Daar zijn twee bijzondere hoofdstukken in dit verbond. Het eerste is van de genadige vergeving der zonden; het tweede van de inwendige vernieuwing des harten; en het derde volgt uit het tweede, te weten, van de verlichting des Geestes in de kennis Gods. Hier zijn veel dingen wel waardig aangemerkt te worden. Het eerste is, dat God ons met geen goed gevolg tot Zich roept, zoolang als Hij niet spreekt dan door men-schenstemmen. Het is wel waar, dat Hij leert en gebiedt wat recht is, maar Hij spreekt tot de dooven. En al laten wij ons dunken dat wij daarvan wat verstaan, het is alleen een uiterlijk geluid, hetwelk ons in de ooren klinkt, maar het hart vervuld zijnde met de verkeerdheid en wederspannigheid, werpt van zich alle nutte en gezonde leer. In ée'n woord, het woord Gods gaat nimmer tot in het binnenste onzer harten, aangezien zij hard gelijk ijzer of steen zijn, totdat ze God vermurwd heeft. Ja, zij hebben zelfs een tegenovergestelde wet in zich gegraveerd: want daar regeeren veel verscheiden booze en verkeerde genegenheden in, die ons opwekken tot wederspannigheid. Tevergeefs verkondigt God zijne wet door menschenstemmen, tenzij Hij ze in onze harten schrijft door zijnen Heiligen Geest, dat is te zeggen, tenzij Hij ons bereide tot onderdanigheid. Waaruit blijkt, wat de vrije wil vermag, en welke de oprechtheid onzer natuur is, eer ons God herboren heeft. Het is wel waar, dat wij willen en verkiezen, en dat vrijwillig, maar onze wil wordt gevoerd door een onzinnigen drang, om God te weder-staan, en kan zich geenszins onderwerpen aan zijne rechtvaardigheid. Door dit middel geschiedt het, dat de wet ons schadelijk en doodelijk is, zoolang als zij geschreven blijft in steenen tafelen, gelijk ook de heilige Paulus leert in 2 Cor. 3:3. In ée'n woord, alsdan nemen wij gehoorzaam aan wat God gebiedt, als Hij verandert en verbetert door zijn Heiligen Geest de natuurlijke verkeerdheid onzer harten: want anders zal Hij in ons niet vinden dan bedorven lusten, en het gansche hart genegen tot het kwade: want deze sententie is zeer klaar, dat er een nieuw verbond moet gemaakt zijn, door hetwelk God zijne wet in onze harten drukt: want anders is het te-

115

ocr page 120

116 HEBREEN 8 :10.

vergeefs. Het tweede hoofdstuk is van de vergeving der zonden uit genade. Al hebben ze gezondigd, zegt de Heere, nochtans zal Ik het hun vergeven. Dit stuk is ook meer dan noodig, want God maakt ons nimmer zoo bekwaam in de gehoorzaamheid van zijne rechtvaardigheid, of er blijven nog vele booze genegenheden des vleesches, ja wat meer is, onze verdorven aard is alleen maar ten deele verbeterd, zoodat men zeer dikmaals daar wederom uit ziet springen booze begeerlijkheden. En hieruit rijst deze strijd waar de Eom. 7:3. heilige Paulus klaagt, dat de geloovigen God niet zoo gehoorzaam zijn gelijk het wel behoort, maar struikelen op verscheidene manieren. Wat begeerte om wel en heilig te willen leven wij ook mogen hebben, zoo zullen wij nochtans voor God zijn, als verdiend hebbende den eeuwigen dood, omdat ons leven altijd verre is van de volkomenheid der wet. Daar zal dan geen vastigheid des ver-bonds zijn, tenzij ons God de zonde om 'niet vergeve. Maar dit is een zonderling voordeel den geloovigen gegeven, die eens het aangeboden verbond in Jezus Christus aangenomen hebben, te weten, dat zij verzekerd zijn, dat God hun genadig is. En dat de zonde, aan welke zij onderworpen zijn hen niet hindert, omdat zij de beloften van vergeving hebben. En daar moet onthouden zijn, dat hun dit niet alleen voor een dag beloofd is, maar tot het einde huns levens, op zulke wijze, dat de kracht hunner verzoening dagelijks duurt: want deze genade verspreidt zich over het gansche rijk van Jezus Christus. Hetwelk de heilige Paulus ook genoeg toont, 2 Cor 5. En voorwaar, dit is de eenige vrijheid van ons geloof, en tenzij wij daarin onze toevlucht hebben, zoo is het niet mogelijk of wij moeten gedurig wanhopen. Want wij worden allen onder de schuld gehouden, en kunnen daarvan niet ontslagen worden, tenzij wij onze toevlucht hebben tot de barmhartigheid Gods, welke ons kan losmaken. En zij zullen Mij tot een volk zijn. Dit is de vrucht des verbonds, te weten, dat God ons aanneemt tot zijn volk, en verzekert ons dat Hij een beschermer onzer zaligheid wil zijn. Want deze manier van spreken: Ik zal hun tot een God zjjn, is te zeggen: Aangezien Hij geen God der dooden is, noch ons onder zijn beschutting neemt, of Hij maakt ons deelachtig gerechtigheid en leven, alzoo dat David terecht roept: Wel het volk wiens God de Heere is. Verder moeten wij geenszins twijfelen, of deze leer komt ons toe. Want hoewel de Israëlieten de eerste plaats hebben, en de rechte en wettige erfgenamen des verbonds zijn, zoo belet ons hun voordeel niet, of wij hebben daarvan ook ons deel. In één woord, zoo wijd en breed als zich het rijk van Christus strekt, zoo ver strekt de kracht van dit heilig verbond. Maar men kon vragen, of er geen zekerheid noch kracht des heiligen verbonds onder de wet is geweest, te weten, of de oudvaders beroofd zijn geweest van de genade des Heiligen Geestes, en of zij geen smaak gehad hebben van Gods vaderlijke zoetigheid in het vergeven der zonden. Voorwaar, integendeel blijkt, dat zij God gediend hebben van reiner harte en zuivere conscientie, en dat zij gewandeld hebben in zijne geboden: hetwelk zij niet konden doen, of Gods Geest moest ze van binnen onderrichten. Daar blijkt ook, zoo dikmaals als zij hun zonden overdachten, werden ze getroost en opgericht door hope en jf, betrouwen, hetwelk zij in de vergeving der zonden hadden uit genade

geschied. Maar iemand zal kunnen zeggen: Het schijnt dat de apostel

j I

■' /

'ö-S'

1

ocr page 121

117

ze van beide deze weldaden berooft, stellende Jeremia's profetie op de toekomst van Jezus Christus. Ik antwoord, dat hij niet eenvoudig ontkent, dat God hiervoormaals zijne wet in de harten van de zijnen heeft geschreven, en hun de zonden heeft vergeven: maar dat het een vergelijking is van het meerdere met het mindere. Omdat ;

nu onze hemelsche Vader overvloediger zijn kracht geopenbaard

heeft onder het koninkrijk van Jezus Christus, en zijn genade en i

barmhartigheid over de menschen heeft uitgestort, deze zoo uitne- .i

mende grootheid der mildheid Gods maakt, dat het kleine deel der 1

genade dat God den vaderen onder de wet bewezen had, niet gerekend wordt. Wij zien ook hoe duister en ingewikkeld de beloften in dien tijd geweest zijn, alzoo dat ze slechts licht gaven gelijk de maan en de sterren, tegen de klaarheid des Evangelies die ons verschijnt. Zoo nu iemand zegt, dat het geloof en de gehoorzaamheid van Abraham zoo uitnemend geweest is, dat men heden ten dage desgelijks in de gansche wereld niet zou kunnen vinden, ik antwoord, dat hier geen kwestie is van personen, maar van het onderhoud en regeering der kerken. En wat meer is, wat de oudvaders van de geestelijke gaven ook gehad hebben, het is geweest als iets bijkomstig in hunnen tijd: want zij moesten noodzakelijk hun gezicht op Christus slaan, opdat zij dien zouden deelachtig worden. Daarom luidt het niet vreemd, dat de apostel het Evangelie met de wet vergelijkende, der wet beneemt wat eigenlijk het Evangelie toekomt. Niettegenstaande nochtans belet dit niet,

dat God den oudvaders de genade des nieuwen verbonds ook heeft uitgereikt. Dit is de rechte oplossing.

ii En zü zullen niet een iegelijk. Wij hebben gezegd, dat dit derde hoofdstuk een deel van het tweede is, waarin gezegd is: Ik zal myne wetten in hun verstand geven. Want het is des Heiligen Geestes werk, ons verstand te verlichten, opdat wij Gods wil zullen weten, en dat Hij ons hart buige tot alle gehoorzaamheid:

want de rechte kennis Gods is een wijsheid, die verre het mensche-lijk vernuft te boven gaat, en daarom kan ze niemand krijgen, dan door heimelijke openbaring des Heiligen Geestes. Daarom, Jesaja sprekende van de wederopbouwing der kerk, zegt aldus: Alle kin- Jos. 64:13.

deren Gods zullen van Hem geleerd worden. Insgelijks ookjeremia,

sprekende in den persoon Gods, zegt aldus: Zij zullen Mij allen Jer. 35;34.

kennen. Want God belooft hier niet iets, hetwelk in onze macht is,

maar wat Hij ons alleen geeft. In e'e'n woord, deze woorden des profeten zijn zooveel, alsof hij gezegd had, dat ons verstand verblind is, en beroofd van rechte wetenschap, totdat het van den Geest Gods verlicht wordt. Aldus is er niemand die God oprechte-lijk kent, dan die Hij het uit bijzondere genade heeft willen openbaren. Als hij zegt: Van den kleinste tot den grootste, daarmede geeft Hij allereerst te kennen, dat Gods genade over alle staten zal worden uitgestort, alzoo dat er geen volk zal uitgezonderd zijn. 1

Daarenboven vermaant hij, dat het grove en onwetende volk van geringe achting niet verworpen wordt van de hemelsche wijsheid,

en dat de machtigen en edelen daartoe 'niet komen door hun diepzinnigheid, noch door eenige hulpe van hun groote geleerdheid.

Aldus voegt [God de kleinen en nederigen van staat bij de grooten,

aldus dat voor de eersten hun grofheid en onwetendheid geen verhindering zijn: en de anderen klimmen zoo hoog niet door hun eigen

v.; M:

*

ocr page 122

118 HEBREËN 8: 11—13.

diepzinnigheid. Maar de Heilige Geest alleen is een meester van allen. Dat hieruit nu sommige uitzinnigen oorzaak nemen, om het uiterlijke prediken teniet te doen, alsof het in het rijk van Christus overtollig ware, hun razernij is lichtelijk neer te leggen. Dit is hun tegenwerping: Na de komst van Christus moet niemand meer zijn naaste leeren, omdat het uiterlijke ambt ophoudt, en de inwendige inblazing Gods plaats wordt gegeven. Maar zij gaan voorbij hetgeen waarop men voornamelijk behoorde te zien. Want de profeet loochent niet ganschelijk dat de een den ander zal leeren, maar zijn woorden zijn: Zij zullen niet leeren, zeggende: Ken den Heere; alsof hij zeide: Onwetendheid zal des menschen hart niet meer bezitten, gelijk zij hiervoormaals heeft gedaan, alzoo dat zij niet weten zullen wie God is. Wij weten al te zamen, dat de leer tweeërlei gebruik heeft. Ten eerste dient ze, opdat zij dengenen die heel onwetend zijn, een goed beginsel geve; daarbenevens, opdat degenen die nu wat begonnen hebben, altijd meer en meer mogen vorderen. Aangezien de Christenen dan altijd behooren toe te nemen zoolang als zij leven, zoo is het zeker dat er niemand zoo wijs is, of hij moet nog geleerd worden: alzoo dat de leerzaamheid, dat is deze nederigheid dat men duldt onderwezen te zijn, het voornaamste deel van onze wijsheid is: welke nu het ware middel is om toe te nemen, zoo wij jongeren van Jezus Christus willen zijn. Dat toont ons de heilige Paulus in den zendbrief aan de Efeziërs, hfdst. 4:11, Hij heeft herders en leeraars verordend, enz. Hieruit blijkt dat de profeet nergens minder op gedacht heeft, dan om de kerk van zulk noodig goed te berooven. Hij heeft alleen willen toonen, dat God zich den kleinen en grooten openbaren zou, gelijk Joel ook voorzegt in hfdst. 2 ; 28. Wij moeten in het voorbijgaan ook aan-teekenen, dat dit licht van gezond verstand, alleen der gemeente beloofd is. Daarom komt deze plaats niemand toe, dan den huisge-nooten des geloofs.

13 Daarin dat hij zegt: Een nieuw. Uit de vaststelling van één tegenovergesteld deel besluit hij de vernietiging van het andere, en neemt zijn bewijs uit den naam des Ouden Testaments, dat hetzelve moest teniet gedaan zijn; want oudheid loopt altijd om in 't einde vernietigd te worden. En wat meer is, omdat er nu een nieuw in de plaats gesteld is, zoo moet noodzakelijk het eerste ophouden: want het tweede is van een andere soort, gelijk boven gezegd is. Zoo het gansche ambt van Mozes een einde neemt, omdat het tegen het ambt van Jezus Christus gezet wordt, zoo zijn de ceremoniën ook teniet.

■t' '

Ir

HET NEGENDE HOOFDSTUK.

1 Zoo had dan het eerste verbond rechtvaardigmaking van den godsdienst en het wereldlijk heiligdom.

Exod. 20;i; 2 Want er was een tabernakel gemaakt, het eerste deel waarin

36Lev. 24:5. was de kandelaar, en de tafel, en de voorstelling der brooden,

dit is genaamd het heilige.

f, 3 Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, ge

naamd het heilige der heiligen:

■1'

ocr page 123

HEBREËN 9:1, 2.

4 Hebbende een gouden wierookvat, en de ark des verbonds, alom ?■; J''-

. 1 \ liXOd. 1b: do.

met goud bedekt, in welke was het gouden vat, waarin het Num. 17:10.

manna was, en de staf van Aaron die gebloeid had, en de ta-

felen des verbonds. |:io,

5 En boven deze ark waren de cherubs der heerlijkheid, die den genadestoel beschaduwden: van welke nu niet te zeggen is van stuk tot stuk.

i r~yoo had dan het eerste verbond. Nadat hij in 't gemeen ge-/ sproken heeft van de vernietiging des Ouden Testaments, zoo brengt hij nu voornamelijk deze rede bij op de ceremoniën.

Zijn meening is, te bewijzen dat er toen niets gebruikt werd, of het heeft einde genomen door de toekomst van Christus. Ten eerste zegt hij, dat er een zekere regel was van den godsdienst in het Oude Testament, en bijzonder met den tijd overeenkwam. Daarna zal men uit vergelijking kennen, hoedanig al de ceremoniën geweest zijn, die in de wet geboden waren. De inhoud van sommige exemplaren is: De eerste tabernakel; maar het komt mij voor dat er gedwaald is in dit woord tabernakel: en ik twijfel niet, of een onwetend lezer, ziende het adjectief eerste zonder substantief,

heeft ten onrechte daarbij gevoegd, tabernakel: in zijn onwetendheid hetgeen van het Testament geschreven is toeschrijvende aan den tabernakel. En ik verwonder mij, dat deze dwaling zoover gekomen is, dat de Grieken hetzelfde met groote instemming alzoo lezen: maar de nood dwingt ons de oude lezing te volgen. Want de apostel (gelijk ik gezegd heb) gesproken hebbende van het Oude Testament, valt nu op de ceremoniën, die als aanhangselen daarvan waren. Hij geeft dan te kennen, dat al de ceremoniën van Mozes' wet een deel zijn van het Oude Testament, en dat zij eenerlei oudheid hebben, alzoo dat zij ook moeten teniet gedaan zijn. Sommigen onderscheiden deze twee woorden: Rechtvaardigmaking en godsdienst, maar ik volg liever die het te zamen voegen, lezende; De rechtvaardigmakingen van den godsdienst, want de ordeningen en ceremoniën, die den godsdienst onder de wet aangingen, werden van de Grieken rechtvaardigmakingen genoemd. De zin hiervan is dan aldus: Dat al deze manieren om God te dienen, die gelegen waren in reinigingen, offeranden en andere figuren, mitsgaders ook het heiligdom, gehecht waren aan het Oude Testament. Hij noemt dat het wereldlijke heiligdom, omdat de hemelsche waarheid nog in deze dingen niet gelegen was: want hoewel het een figuur en beeld was van het voorbeeld, dat Mozes eerstmaal vertoond was, nochtans zoo verschilt het beeld zeer wijd van de waarheid, en bijzonder als zij onder elkander vergeleken worden, als dingen die tegenover elkander staan,

gelijk op deze plaats. Daarom is het heiligdom in zichzelve wel aardsch geweest, en is met goed recht onder wereldsche elementen gesteld, nochtans was het hemelsch, zooveel zijn beduiding aanging.

2 Want er was een tabernakel gemaakt. Omdat de apostel alleen in het voorbijgaan den vorm van den tabernakel lichtelijk aanroert, en dat hij daarop niet langer blijft staan, dan de nood eischt,

zoo zal ik ook opzettelijk daar niet scherpzinnig op staan, om veel breeder uit te leggen. Om deze tegenwoordige plaats genoeg te doen, zoo zullen wij den tabernakel in drie stukken deelen. Het eerste zal zijn het voorhof, waarin het volk was; het tweede, het

119

ocr page 124

HEBREÊN 9:4, 5.

heiligdom, hetwelk gemeenlijk alzoo van het volk genoemd werd; het laatste, het binnenste heiligdom, hetwelk men noemde, het heilige der heiligen. Aangaande het eerste heiligdom, hetwelk bij het voorhof des volks stond, daar (zegt hij) was de kandelaar en de tafel, waarop men de brooden legde. Daarna volgde die heimelijke plaats, hetwelk genoemd werd, het heilige der heiligen, en nu wijder van het volk stond, en ook van de priesters, die in het eerste heiligdom waren om te dienen. Want gelijk door het voorhangsel het eerste heiligdom afgesloten was, zoo werd ook den priesters door een ander voorhangsel belet in het heilige der heiligen te gaan. De apostel zegt, dat daar was het gouden wierookvat, of wat meer is, het altaar des reukwerks; want ik neem liever zoo het Grieksche woord. Daarna, de ark des verbonds met haar deksel, de twee cherubs, het gouden vat waarin het manna was, Aarons staf die gebloeid had, en de twee tafelen der wet. Tot hiertoe vervolgt de apostel de beschrijving des tabernakels. Verder, dat hij zegt dat het vat waarin Mozes het manna gedaan had, en de staf Aarons die gebloeid had, in de ark waren met de twee tafelen, schijnt tegen de : : heilige historie te strijden, welke in 1 Koningen 9 staat, waar ver-

'i. haald wordt, dat in de ark niet was dan de twee tafelen. Maar deze

twee plaatsen zijn lichtelijk te vereenigen. God had bevolen, dat het vat met manna, en Aarons staf voor de getuigenis zouden gesteld worden. Daarom is het waarschijnlijk dat zij in de ark gesloten waren met de tafelen: maar toen de tempel gebouwd werd, werd een iegelijk van die ordentelijk gesteld. En voorwaar, de historie verhaalt dit als wat nieuws, dat er niets in de ark was dan de twee tafelen.

5 Van welke nu niet te zeggen is. Omdat er niets is, dat den

neuswijzen genoeg voldoen kan, zoo snijdt de apostel af alle diep-.,i zinnige oorzaken, die tot deze zaak niet dienen, opdat hij niet te

lang blijve hangen in dezen handel, en door zijne rede hinderlijk i ' zij. Daarom zoo hier iemand te angstig op staat, verwerpende des

apostels vermaning, die doet dat ontijdig. Het kan mogelijk wel op :' een andere plaats van pas zijn, maar het is beter, dat hier op de

zaak gezien worde die hij handelt. Want diepzinnig onderzoeken, gelijk sommigen doen, is niet alleen onnut, maar ook zorgelijk. Daar zijn sommige dingen, die niet duister zijn, en die eigenlijk V dienen tot stichting van ons geloof: maar daar moet onderscheid

■gt; zijn om wel te kiezen, en men moet ook middelen van soberheid

::: gebruiken, opdat wij niet meer begeeren te weten, dan ons God

heeft willen openbaren.

' j Num. 28:3. 6 Dit aldus toebereid zijnde, gingen de priesters, die den dienst

volbrachten ten allen tijd in den eersten tabernakel, j-, M \ 10. 7 Maar in den tweeden tabernakel ging alleen de hoogepriester

V iiebr. 3 '.25'. eenmaal des jaars, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zich

en des volks misdaden.

Joh. 14:6. 8 Waarmede de Heilige Geest beduidde, dat de weg tot het hei-

ligdom nog niet geopend was, dewijl de eerste tabernakel nog ■t', zijnen stand had.

a' 9 Welke tabernakel was een gelijkenis naar den tegemvoordigen

tijd, in denwelken gaven en slachtofferen geofferd werden, die den dienaar niet konden heilig maken naar de conscientie.

120

. ■

1

ocr page 125

HEBREËN 9:6—9.

10 Maar waren alleen in spiizen, en dranken, en verscheiden was- Lev. 11:2.

. • • Num. 19:7.

schingen, en heiligmakingen des vleesches tot den tijd der

verbetering opgelegd.

11 Maar Christus, de Hoogepriester der toekomende goederen, Hebr. 3: i komende, is door een meerderen en volraaakteren tabernakel, 8: i. '

niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,

12 Noch door bokken en kalveren bloed, maar door zijn eigen : s bloed eenmaal ingegaan in het heilige, een eeuwige verzoening Col. i: u. gevonden hebbende. fpetr.1?!]

6 Dit aldus toebereid zijnde. Al het andere weglatende, begint 6 f9.nb'1quot;gt; hij te behandelen hetgeen waarover het grootste verschil was. Hij

zegt, dat de priesters, die den dienst der offeranden doen, voor een gewoonte hebben allen dag in den eersten tabernakel te gaan, maar aangaande de heilige plaatsen, dat de hoogepriester daar eenmaal des jaars ingaat, met plechtige offerande. Hieruit leidt hij af; Zoolang als deze tabernakel der wet stond, zoo was het heiligdom nog gesloten, en ons de weg tot het rijk Gods niet anders geopend of die eerste tabernakel moest om zijn geworpen. Wij zien hoe dat de figuur des ouden tabernakels den Joden zelf vermaand heeft, dat zij wat anders moesten verwachten. Die nu met opzet zichzelven dezen weg benemen, onderhoudende de schaduwen der wet, doen zeer dwaaslijk. Hij heeft den eersten tabernakel hier in een anderen zin genomen dan hij hierboven heeft gedaan: want hiervoren beduidt het gemeene heiligdom, maar hier beduidt het gansche lichaam des tabernakels; want het is gesteld tegen den geestelijken tabernakel van Christus, waarvan hij terstond spreken zal. Hij zegt, dat hij nedergeworpen is tot ons groot profijt, omdat ons door zijn val vrijer toegang tot God is gegeven.

7 Voor zich en des volks misdaden. Hoewel in het Hebreeuwsch,

sagag dwalen beduidt, en hiervan is afgeleid het woord sagaga,

hetwelk eigenlijk dwaling beduidt, nochtans is het geestelijk genomen voor alle soort van zonde. En voorwaar wij zondigen nimmer,

of wij worden door de aanlokselen des duivels bedrogen. Het is wel waar, dat de apostel niet meent eenvoudige onwetendheid (gelijk men ze noemt) maar veelmeer door dit woord vervat de moedwillige zonden; maar (gelijk ik nu gezegd heb) er is geen zonde zonder dwaling of onwetendheid: want hoewel een mensch willens en wetens zondigt, zoo moet hij nochtans verblind zijn door zijn eigen begeerlijkheid, dat hij niet recht oordeelt, ja dat hij zichzelven en God vergeet; want de menschen zouden nimmermeer vallen door eigen opzet, ten ware zij door des duivels listigheid en bedrog belet werden van een recht oordeel.

9 Welke tabernakel was een gelijkenis. Het Grieksche woord beduidt zooveel, naar mijn oordeel, alsof hij gezegd had, een afbeelding. Hij verstaat het alzoo, dat deze tabernakel is geweest een tweede voorbeeld, hetwelk overeenkwam met het eerste. Want eens menschen beeld moet alzoo overeenkomen met den mensch, dat als wij het gezien hebben, onze harten terstond oogen op den mensch.

En wat meer is, hij zegt dat deze afbeelding voor den tijd is geweest die toen was, te weten, zoolang als het uitwendige onderhoud in zwang ging, opdat hij haar gebruik en duurzaamheid ver-binde aan den tijd der wet; want dat zegt zooveel als wat hij

121

ocr page 126

HEBREËN 9: 10, 11.

daar terstond bijvoegt dat alle ceremoniën verordend zijn geweest tot den tijd van verbetering. En het hindert ganschelijk niet, dat hij den tegenwoordigen tijd gebruikt, als hij zegt: In denwelken slachtofferen geofferd worden. Want omdat hij met de Joden te doen heeft, zoo spreekt hij vriendelijk, alsof hij een van het getal ware dergenen, die slachtoffer offeren. Daar is onderscheid tus-schen gaven en slachtoffer, gelijk tusschen het geslacht en soort. Heilig maken naar de conscientie, is te zeggen, die niet doorgaan tot in de zielen, opdat ze ware zaligheid konden brengen. Anderen zeggen, vervullen of volmaken, in plaats dat wij zeggen: heilig maken, hetwelk ik niet verwerp,, nochtans het woord heilig-maken dunkt mij beter tot den tekst te dienen. Opdat nu de lezers des apostels meening te beter verstaan mogen, zoo moet men merken op de tegenstelling, die daar is tusschen vleesch en conscientie. Hij zegt, dat die slachtoffer offerden onder de wet, door hetzelve niet geestelijk konden gereinigd worden, noch ook in hun conscientie. De reden waarom is deze, dat al deze ceremoniën waren van vleesch, of vleeschelijk. Wat laat hij hun dan over? Men verstaat gemeenlijk, dat het alleen een leerschool geweest is, nuttig .V. voor de menschen, dienende tot eerbaarheid, maar degenen, die van

deze meening zijn, wegen de beloften niet, die daarbij gevoegd zijn gelijk dat behoort. En daarom moet deze meening ganschelijk verworpen zijn. Dwaaslijk en plomp worden ze ook uitgelegd, recht-vaardigmakingen des vleesches te zijn, die alleen het lichaam reinigen of heiligmaken, aangezien de apostel door dat woord verstaat, dat het aardsche figuren zijn, die de ziel niet konden helpen: want hoewel dat zulke figuren ware getuigenissen van de volkomen heiligheid waren, nochtans hadden ze die in zich niet, en konden ze den menschen niet geven: want de geloovigen moesten met dusda-: i nige dingen als met de hand geleid zijn, tot Christus worden ge

bracht, opdat zij in zich zouden zoeken wat in de figuren ontbrak. 4 Vraagt nu iemand, waarom de apostel met zoo kleinen eerbied, ja

schier versmadelijk van de sacramenten spreekt, die van God ver-: gt; ordend waren, en alzoo zeer hun kracht vermindert, ik antwoord,

v dat zulks geschiedt, omdat hij die van Christus scheidt. Wij weten,

als zij op zichzelven geschat worden, dat het zijn zwakke aardsche elementen, gelijk ze de heilige Paulus ook noemt, als hij zegt: Tot i den tijd der verbetering. Zoo maakt hij hier een toespeling op de

\v Gal. 4:9. profetie van Jeremia: want het Nieuwe Testament is het Oude ge-

Jer. 31:37. voigd, als tot een verbetering. Hij noemt klaarlijk: De spijzen en dranken, en andere dergelijke, waaraan minder gelegen was, omdat men door deze kleine onderhoudingen te beter zou oordee-•' len, hoe ver de wet was van de volkomenheid des Evangelies.

ii Maar Christus, de hoogepriester. Alsnu brengt hij de waar-v.' heid te voorschijn van de dingen, die onder de wet geweest waren,

• ?, opdat zij hun oogen afwendende van de figuren, op het ware zouden

- zien. Want die hier gelooft, dat al hetgeen dat toen afgebeeld is,

k- waarlijk in Jezus Christus is geopenbaard, die blijft in de schaduwen

niet meer hangen, maar hij zal het lichaam zelve aangrijpen, en de j'' geheele waarheid. Nu moeten wij wel naarstig inzien de stukken,

;i' waarin hij Christus vergelijkt met den ouden hoogepriester. Hij had

'i gezegd, dat er niemand dan de hoogepriester was, die alle jaar eens met

•! het bloed ging in 't heiligdom, voor de reiniging der zonden. Hierin

M

122

■:'S ' I ^

•V'

ocr page 127

HEBREËN 9: 11.

123

is Christus den ouden hoogepriester gelijk, dat hij alleen gesteld is in de waardigheid en het ambt des hoogepriesters. Maar dit onderscheid is er in, dat Christus daarenboven gekomen is, en met Zich gebracht heeft het eeuwige goed, hetwelk zijn priesterschap eeuwig maakt. Ten tweede, de oude hoogepriester en onze hoogepriester Jezus Christus, hebben dit met elkander gelijk, dat ze beiden door het heiligdom in het heilige der heiligen gaan, maar hierin zijn ze verscheiden, dat Christus alleen in den hemel is gegaan, door den tempel zijns lichaams. Dat nu eens des jaars alleen het heilige der heiligen alleen voor den hoogenpriester geopend werd, tot een reiniging van des volks zonden, dit heeft in duisternis afgebeeld de eenige offerande van Jezus Christus. Dat nu gezegd wordt, eens, dat hebben ze met elkander gemeen: maar met den aardschen hoogepriester was dat jaarlijks, en met den hemelschen priester eeuwiglijk tot het einde der wereld. De offerande des bloeds hebben ze ook beiden met elkander gemeen, doch in het bloed is groot onderscheid; want Christus heeft geen beestenbloed geofferd, maar zijn eigen bloed. De reiniging is hun beiden ook gemeen geweest,, maar de reiniging der wet werd alle jaar herhaald, omdat zij niet krachtig genoeg was, maar de reiniging van Jezus Christus zal altijd duren, en is ons een oorzaak van eeuwige zaligheid. Aldus is er niet ée'n woord, of het is gewichtig. Dat anderen nu overgezet hebben, Christus zittende hoogepriester, drukt niet recht den zin des apostels uit, want het beduidt: nadat de Levietische priesters hun bevel volbracht hebben tot den tijd, die hun gezet was, zoo is Jezus Christus in hun plaats gesteld, gelijk wij hiervoor in hfdst. 7 gezien hebben. Der toekomende goederen. Dit wordt genomen voor het eeuwige goed; want gelijk de toekomende tijd tegen den tegen-woordigen is gesteld, zoo is het ook met de toekomende goederen en de tegenwoordige. In één woord, hij wil zeggen, dat wij in het koninkrijk van Christus komen door het priesterschap van Jezus Christus, en zijn op zulke wijze deelachtig gemaakt de geestelijke gerechtigheid en het eeuwige leven, dat het niet geoorloofd is iets beters te begeeren. Christus heeft dan alleen macht genoeg in Zich-zelven, om ons te onderhouden en voor te staan. Door een meerderen. Hoewel men deze plaats op verscheidene wijzen uitlegt, zoo twijfel ik niet, of de apostel meent hier het lichaam van Christus. Want gelijk de Levietische priester wel eertijds door het gemeene heiligdom in het heilige der heiligen gegaan was, zoo is Christus ook in de hemelsche glorie gegaan door zijn lichaam: want als Hij ons vleesch aangenomen heeft, en daarin geleden heeft, zoo heeft Hij dit voordeel verworven, dat Hij alsnu onze Middelaar voor God is. Allereerst dat woord heiligdom, is eigenlijk en bekwamelijk het lichaam van Christus toegevoegd, omdat het de tempel is, waarin de geheele mogendheid Gods gewoond heeft. Daar is gezegd, dat Hij door zijn lichaam den weg bereid heeft, om tot den hemel te klimmen, omdat Hij Zichzelven in hetzelve lichaam Code geheiligd en opgeofferd heeft. Hij is in.hetzelve geheiligd tot ware rechtvaardigheid. Hij heeft Zich in hetzelve bereid, de offerande te volbrengen. In één woord, omdat Hij Zichzelven in hetzelve vernietigd heeft, en den dood des kruises geleden heeft, hierom heeft Hem de Vader verheven, en heeft Hem eenen naam boven fu. 2 allen naam gegeven, waarvoor alle knie buigen moet. En daarom

ocr page 128

HEBREËN 9; 11—13.

is Hij in den hemel door zijn lichaam gegaan. Want om deze oorzaak is Hij nu gezeten ter rechterhand zijns Vaders, en bidt voor ons in den hemel, omdat Hij ons vleesch aangedaan hebbende, hetzelve God zijn Vader voor eenen tempel geheiligd heeft, en heeft Zichzelven in hetzelve geheiligd, opdat Hij ons eeuwige gerechtigheid zou verwerven, de reiniging onzer zonden volbracht hebbende. Het kon iemand nochtans vreemd dunken, waarom Hij zegt, dat het lichaam van Christus van deze schepping niet is geweest: want het is zeker, dat Hij geboren is uit het zaad Abrahams, en dat Hij lijden en den dood onderworpen is. Ik antwoord, dat hier geen kwestie is van het wezen des lichaams, of van de lichamelijke kwaliteit, maar van de geestelijke kracht, die uit zijn lichaam tot ons vloeit. Want omdat het vleesch van Christus levendmakende is, en dat het een hemelsche spijze is om de zielen te voeden, dat ook zijn bloed een geestelijke drank en de afwassching is, zoo kan noch moet men in het een noch het ander iets aardsch of elemen-tisch droomen of zoeken. Daarna laat ons gedachtig zijn, dat dit gezegd is terwille van den ouden tabernakel, die van hout gemaakt was, en van leder, vellen, ook verschillende dekselen van zilver en goud, te weten, van vergankelijke dingen, maar het vleesch van Jezus Christus is geïnspireerd door de kracht Gods, opdat het een levende geestelijke tempel zij.

ia Noch door bokken of kalverenbloed. Al hetgeen hier gezegd is, strekt hiertoe, dat al wat in Christus is, zoo uitnemend is, dat het met goed recht vernietigt al de afbeeldingen der wet. Want van wat waarde zou toch het bloed van Christus zijn, als het gesteld wordt onder het bloed van de onredelijke beesten? Hoedanig zou toch de reiniging zijn, die door zijn dood verworven is, zoo het reinigen der wet nog in zwang gaat? Zoo haast dan als Christus voorgesteld wordt met de kracht van zijn dood, zoo moeten noodzakelijk alle afbeeldingen der wet ophouden.

lev. 16:14. 13 Want indien het Woed der stieren en bokken, en de asch der

jNum. 19:4, k0e, besprengende de bevlekten, hen heiligt tot reinigheid

Hebr. lou. des vleesches ;

i Joh. i:7. 14 Hoeveel te meer zal het bloed van Jezus Christus, die door

0peGai i-4 den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd

Ef. 6:2. heeft, uwe consoientiën reinigen van doods werken, om den

Luk! 1:74. levenden God te dienen?

'öa? 2 • lo 15 En daarom is Hij een Middelaar des Nieuwen Testaments, op-

i Petr. il2. dat, dewijl de dood geschied is tot verzoening der overtre-

Coiquot;1'513 dingen, die onder het eerste testament waren, degenen die ge-

l Petr.3:18. roepen zijn, de belofte der eeuwige erve ontvangen zouden.

16 Want waar een testament is, daar is van noode, dat de dood des testamentmakers inkome.

Gal. 3:i5. 17 Want het testament is in de dooden vast, dewijl het nog niet

krachtig is, als de testamentmaker leeft.

13 Want indien het bloed der stieren. Deze plaats heeft er velen oorzaak van dwaling gegeven, omdat zij niet aanmerkten, dat hier van de sacramenten gehandeld wordt, waarvan de betee-kenis geestelijk is. Zij leggen de reiniging des vleesches uit, voor

124

ocr page 129

HEBREËN 9: 13, 14.

die alleen plaats onder de menschen heeft, gelijk als de gewone menschen hun reiniging plegen te hebben, om de kwade faam van hun boosheid uit te wisschen. Maar deze uitlegging is onbekwaam, want men doet den beloften Gods ongelijk, zoo men haar kracht trekt tot de uitwendige ordening. Men vindt op veel plaatsen in Mozes deze sententie; De boosheid zal gereinigd worden, als de offerande vervuld zal zijn, gelijk dat behoort. Dit is in der waarheid een geestelijke leer des geloofs. En wat meer is, aangezien alle offeranden verordend zijn geweest, o,pdat zij ons tot Christus zouden leiden, omdat de eeuwige zaligheid der zielen in Christus Jezus gelegen is, zoo waren zij ook ware getuigenissen der zaligheid. Wat wil dan de apostel zeggen, als hij woorden maakt van de reiniging des vleesches ? Hij spreekt voorwaar van de figuurlijke of sacramenteele reiniging, en dat in dezen zin: Is het bloed der beesten een waar getuigenis der reiniging geweest, alzoo dat het heiligde en reinigde op sacramenteele wijze: hoeveel te meer zal Jezus Christus zelve, die de waarheid is, niet alleen de reinigingen met het uitwendige gebruik getuigen, maar metterdaad aan de con-scientiën geven? En daarom is dit een besluit van de teekenen tot de beteekenende zaak, omdat de kracht der zaak verre de waarheid der teekenen te boven gaat.

14 Door den eeuwigen Geest. Alsnu toont hij duidelijk, waarnaar de dood van Christus is te achten, te weten, naar de kracht des Geestes, en niet naar het uiterlijke werk. Want Christus heeft wel geleden als mensch, maar het kwam uit de kracht des Heiligen Geestes, dat ons die dood zalig was; want de offerande der eeuwige reiniging is een werk geweest dat meer dan menschelijk was, en hierom spreekt hij van den eeuwigen Geest, opdat wij zouden weten, dat de verzoening door Hem geschied, eeuwig is. Dat hij daarbij zegt; Onstraffelijk, hoewel hij nochtans een toespeling op de offeranden der wet maakt, in welke de opgeofferde beesten zonder eenige vlek en onvolmaaktheid moesten zijn: desniettemin zoo geeft hij te kennen, dat Jezus Christus alleen de wettige offerande is, en eigenlijk dient om God te verzoenen; want op alle andere viel altijd wat te zeggen. Vandaar heeft hij boven gezegd, dat het verbond der wet zoo volkomen niet is geweest, of men zou 't zelve nog volkomener hebben kunnen wenschen. Maar wat in Christus is, heeft niets, of het is volkomen. De doode werken, zijn die den dood baren, of die vruchten des doods zijn. Als dan het leven der ziel gelegen is in de vereeniging, die wij met God hebben, die dan van Hem door de zonde vervreemd zijn, worden terecht gezegd dood te zijn. Nu moeten wij aanmerken het einde dezer reiniging, te weten; Dat w|j den levenden God zullen dienen; want wij zijn van Christus niet gewasschen, om ons wederom in nieuwen vuilen drek te wentelen, maar het is geschied, opdat onze reinheid diene tot Gods eer en glorie. En wat meer is, de apostel leert ons, dat er niets van ons kan komen, hetwelk Gode aangenaam is, of wij moeten eerst gereinigd zijn door het bloed van Jezus Christus. Want omdat wij vóór de verzoening vijanden Gods zijn, zoo haat Hij ook onze werken. Daarom, het begin van den waren en rechten dienst Gods is de verzoening. Daarna, alzoo er geen werk is zoo zuiver of rein van eenige vlek, dat uit zichzelve Gode kan aangenaam zijn, zoo is het van noode, dat de reiniging door het bloed van

125

ocr page 130

126 HEBREËN Q : 14; 15.

Jezus Christus ons te hulp kome, om alle vlekken uit te wisschen. .i Ook moet hier onthouden zijn de schoone tegenstelling die hij hier

stelt tusschen den levenden God en de doode werken.

15 En daarom is Hij een Middelaar. Hij besluit, dat wij nu

geen anderen priester meer behoeven, omdat Jezus Christus dit ambt volkomen in 't Nieuwe Testament zelve volbrengt: want hij schrijft deze eer van middelaar aan Christus niet toe, opdat er andere middelaars nevens Hem zouden blijven, maar hij beweert en toont, dat alle anderen zijn afgedaan, als het ambt aan Jezus Christus gegeven is. En om dit volkomener te bevestigen, zoo verhaalt hij ook, hoe Hij het middelaarsambt gebruikt heeft, te weten: Door den dood die daar geschied is. Is nu dit alleen in Jezus •' Christus bevonden, en dat het allen anderen ontbreekt, zoo volgt

hieruit, dat Hij alleen de ware Middelaar is. Hij is ook de kracht van zijnen dood gedachtig, als hij zegt, dat de prijs voor de zonden betaald is, die onder het eerste Testament door het beestenbloed niet konden worden uitgewischt. Door welke woorden hij de Joden van de wet tot Christus wilde brengen. Want is de zwakheid der y; wet zoo groot, dat al de hulpmiddelen, die zij geeft om de zonden

'X te reinigen, niet vervullen wat zij afbeelden, wie is er dan, die op

haar zou willen rusten, als in een vaste haven? Dit eenige stuk (zeg ik) behoorde hun een genoegzame prikkel te zijn, om te wenschen

tdat de wet mocht verbeterd worden; want op deze staande, moesten zij in eeuwige benauwdheid blijven. En integendeel, als wij tot Jezus Christus gekomen zijn, zoo is er niets meer dat ons kan kwellen, omdat wij in Hem volkomen verlossing hebben. Aldus bewijst hij door deze woorden de krankheid der wet, opdat de Joden op deze niet meer zouden rusten: en hij leert hun vast op Christus te staan, omdat men in Hem vindt al hetgeen de conscientiën kan tevreden stellen. Zoo nu iemand vraagt, of de zonden den oudvaders niet vergeven werden, en dat ook onder de wet, zoo moet het antwoord onthouden zijn, dat ik hierboven gegeven heb, te weten, dat zij zijn vergeven geweest: maar het is geschied door middel van Jezus Christus. Zoo volgt hieruit, zooveel als de uiterlijke reiniging belangt, waren ze nochtans altijd gehouden onder het handschrift der verdoemenis. Hierom zegt de heilige Paulus, dat de wet dat de wet mocht verbeterd worden; want op deze staande, moesten zij in eeuwige benauwdheid blijven. En integendeel, als wij tot Jezus Christus gekomen zijn, zoo is er niets meer dat ons kan kwellen, omdat wij in Hem volkomen verlossing hebben. Aldus bewijst hij door deze woorden de krankheid der wet, opdat de Joden op deze niet meer zouden rusten: en hij leert hun vast op Christus te staan, omdat men in Hem vindt al hetgeen de conscientiën kan tevreden stellen. Zoo nu iemand vraagt, of de zonden den oudvaders niet vergeven werden, en dat ook onder de wet, zoo moet het antwoord onthouden zijn, dat ik hierboven gegeven heb, te weten, dat zij zijn vergeven geweest: maar het is geschied door middel van Jezus Christus. Zoo volgt hieruit, zooveel als de uiterlijke reiniging belangt, waren ze nochtans altijd gehouden onder het handschrift der verdoemenis. Hierom zegt de heilige Paulus, dat de wet Col. 2:U. een handschrift was, dat tegen ons was. Want als zich de zondaar vertoonde, en openlijk beleed schuldig te zijn voor God, en offerende een onschuldig beest, bekende den eeuwigen dood waardig te zijn, wat won hij toch door zijn offerande, dan dat hij bij manier van spreken zijn dood door dit handschrift onderteekende ? In één woord, daar was geen ander middel om verzekerd te zijn van de vergeving der zonden, dan op Jezus Christus te zien. Wischt nu het zien op Christus alleen de zonden uit, zoo zouden dezen nimmer verlost zijn geweest, waren ze op de wet blijven staan. Het is wel Ps. 3i:i. waar wat David zegt, dat de man zalig is, dien zijn zonden niet toegerekend zijn: maar om deze zaligheid te genieten, zoo is hem van noode dat hij zijn oogen van de wet keere, en op Jezus Christus zie: want anders wordt hij nimmer verlost van de verdoemenis, zoo hij op de wet blijft staan. Degenen, die geroepen zijn. Het ver-

|i' bond, dat God met ons gemaakt heeft, strekt hiertoe, dat wij aan

genomen zijnde tot kinderen, eindelijk erfgenamen zouden zijn des eeuwigen levens. De apostel bewijst, dat wij zulk groot goed ver-

ff

•f. ' '

v';quot; •

' A .

ocr page 131

HEBREEN 9:15, 16.

werven door de weldaad van Christus: waaruit blijkt, dat de vervulling van dit verbond in Christus is. De belofte der eeuwige erve, wordt genomen voor de beloofde erve, alsof hij gezegd had: De belofte des eeuwigen levens komt anders niet toe om te genieten, dan door den dood van Jezus Christus. Het is wel waar, dat den oudvaders hiervoormaals het leven beloofd is, en de erve der kinderen Gods is van den beginne even gelijk geweest: maar wij komen niet in bezitting, of Christus' bloed moet voorgaan. Hij vermaant namelijk van degenen, die geroepen zijn, en dat om de Joden meer te trekken, die deze roeping deelachtig waren. Want het is een bijzondere genade, als ons de kennis van Jezus Christus gegeven is: en daarom moeten wij zooveel te zorgvuldiger ons wachten, dat wij versmadende zulk een onwaardeerbaren schat, onze harten niet elders dwalen. Sommigen nemen hier dit woord geroepen, voor verkoren: maar naar mijn oordeel geschiedt zulks ten onrechte. Want de apostel leert hier hetzelfde, wat de heilige Paulus in Rom; 3 : 25 leert, te weten: Dat gerechtigheid en zaligheid ons verworven zijn door het bloed van Jezus Christus, maar wij ontvangen ze door het geloof.

16 Want waar een testament is, daar. Al ware slechts deze eene plaats daar, zoo is zij genoegzaam om te bewijzen, dat deze brief niet in het Hebreeuwsch geschreven is: want berith in het He-breeuwsch, beteekent verbond, en niet testament. Maar omdat het Grieksche woord diatheke deze twee beteekenissen heeft, te weten, verbond en testament: de apostel, makende een toespeling op de tweede beteekenis, beweert dat de beloften anders niet vast noch sterk genoeg konden zijn, of zij moesten verzegeld zijn door den dood van Jezus Christus. En hij bevestigt zulks, door het ge-meene recht der testamenten, waarvan de kracht onvolbracht blijft, tot na den dood des testamentmakers. Hoewel het schijnt dat de apostel hier zijn rede op een zwakken grond legt, alzoo dat hetgeen hij zegt, lichtelijk kan nedergelegd worden. Want God heeft geen testament gemaakt onder de wet, maar maakte met het oude volk een verbond. Aldus heeft de apostel hier niets uit de zaak of uit den naam kunnen afleiden voor de noodzakelijkheid van den dood van Jezus Christus: want wil hij bijbrengen uit de zaak, dat Christus moest sterven, omdat het testament niet vastgemaakt is, tenzij de testamentmaker gestorven is, zoo kan men terstond daarop antwoorden, dat Berith (welk woord Mozes hier en daar in zijn rede gebruikt) een verbond is hetwelk tusschen de levenden gemaakt is, en men moet ook van de zaak anders niet gevoelen. Van den naam maakt hij slechts een toespeling (gelijk ik gezegd heb) op de dubbele beteekenis van het Grieksche woord, en daarom blijft hij voornamelijk staan op de zaak. En dit hindert niet, dat men zou kunnen zeggen: Het was een verbond, hetwelk God met zijn volk gemaakt had: want dit verbond was gelijk een testament, omdat het ingesteld en bevestigd was met bloed. Dit moet voornamelijk onthouden zijn, dat God nooit teekenen lichtvaardig noch zonder oorzaak gebruikt heeft. Nu is het alzoo dat God bevestigende het verbond der wet, daarin bloed gesteld heeft. Hieruit volgt dan, dat het niet een contract tusschen de levenden is geweest (gelijk men zegt) maar wat den dood eischte. Een testament heeft eigenlijk deze conditie, dat zijn kracht begint na den

127

ocr page 132

128 HEBREËN 9: 17, 18.

dood. Zoo wij dan aanmerken, dat de apostel dit beweert uit de zaak, en niet uit het woord, ja wat meer is, zoo wij het alzoo wegen dat hij het voor goed bekent, hetwelk ik gezegd heb, te weten, dat God niets tevergeefs heeft verordend, zoo valt er geen groote zwarigheid. Zoo men hier tegenwerpt, dat de heidenen als zij hun verbonden maakten, hun offeranden in een anderen zin gebruikten, ik antwoord, dat zulks wel waar is: maar God heeft het gebruik der offeranden van de heidenen niet ontleend, maar veelmeer al de offeranden der heidenen zijn ontaarde verbasteringen geweest, die nochtans haar beginselen genomen hadden uit Gods ordening. Daarom moeten wij altijd weder hiertoe keeren, dat Gods verbond, hetwelk met bloed bevestigd is geweest, eigenlijk bij een testament vergeleken is, omdat het van denzelfden aard en conditie is.

18 Daarom werd ook het eerste niet zonder bloed ingezet:

19 quot;Want als Mozes de geboden naar de wet. tot al het volk gesproken had, nam hij het bloed der kalveren en bokken met water, en purperen wol, en hyzop, en besprengende ook het hoek, en al het volk.

Ex. 24:8. 20 Zeggende: Dit is het bloed des testaments, dat u God geboden

iatt. 20:8. kegft

21 En hij besprengde ook met het bloed desgelijks den tabernakel, en al de vaten van den dienst.

22 En alle dingen werden bijna met bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.

i)Of, flgu- 23 Zoo was het dan noodig, dat de exempelen ') der dingen die in

de hemelen zijn, met deze dingen gereinigd werden: maar de hemelsche dingen door betere offeranden dan deze waren.

iS Daarom werd ook het eerste. Hieruit blijkt, dat hij op de

zaak staat, zonder zijn grond eenvoudig op het woord te stellen: hoewel de apostel het woord tot zijn voordeel genomen heeft, omdat hem de taal waarin hij zulks schreef, zulks aanbood: even alsof iemand ook sprekende ware van het verbond Gods (hetwelk de Grieken martyr ia, getuigenis, noemen) om hetzelve te prijzen en groot te maken, onder anderen deze titelen gebruikte, zeggende: Voorwaar dit verbond is waarlijk wel een getuigenis, waarvan de engelen des hemels boven getuigenis geven, waarvan hier beneden op de aarde zooveel goede geloofwaardige getuigen geweest zijn, te weten, al de heilige profeten, apostelen, en een ontallijk gezelschap van martelaren, ja waar de eigen Zoon Gods zelve in persoon borg voor is geworden. Men zal niet zeggen, dat er eenige ongeschiktheid is in zulke wijze van spreken. En nochtans de eigenschap van het Hebreeuwschc woord theuda, toont dit niet volkomen : maar omdat hierin niets gezegd wordt, of het komt wel in de rede te pas, zoo zal men zich zoo lichtelijk aan het woord niet stooten. Zoo zegt dan de apostel, dat het Oude Testament met j' ■ bloed is ingezet. Waaruit hij neemt, dat de menschen toen vermaand

•ij j': zijn geweest, dat het anders niet vast noch krachtig kon zijn, of er

't, moest eenige dood geschieden. Dat het beestenbloed toen vergoten

reo.

ii is geweest, ontkent hij sterk genoeg geweest te zijn tot een eeuwig

ï V..

ocr page 133

HEBREEN 9 : 18—20. 129

verbond. En opdat dit te beter verstaan kan worden, zoo moet de manier van besprenging hier onthouden zijn, welke hij hier van Mozes verhaalt. Allereerst leert hij, dat dit verbond is ingesteld geweest, niet dat het iets onheiligs in zichzelve had, maar omdat er geen ding zoo heilig is, of de menschen ontheiligen het met hun onreinheid, tenzij God zelve met hulpmiddelen daarin te baat komt,

en dat Hij het al vernieuwe. Daarom geschiedt deze heiliging om des menschen wil, die deze alleen van noode hebben. Hij voegt er daarna nog bij; Den tabernakel met al de vaten van den ■)

dienst, dat deze ook zijn besprengd geweest. Desgelijks het wetboek,

door welke ceremonie het volk toen ter tijd reeds gewaarschuwd was, dat het onmogelijk was God te zoeken of aan te zien ter zaligheid, of Hem te dienen als het behoort, of het geloof moest altijd zien op het bloed, hetwelk daar tusschenbeide gezet is. Want ten eerste zoo is het billijk, dat ons Gods majesteit verschrikkelijk is, en de weg tot deze is anders niet dan een verderfelijk doolhof,

totdat wij weten, dat God jegens ons verzoend is, door het bloed van Jezus Christus, en dat wij door datzelfde bloed lichtelijk tot Hem kunnen komen. Ook zijn alle diensten gebrekkelijk en onrein,

tenzij Jezus Christus die zuivere door de besprenging zijns bloeds:

want de tabernakel is geweest als een zienlijk beeld Gods. Zooveel de dienstvaten belangt, alzoo zij verordend waren tot den dienst Gods, zoo waren zij ook afbeeldingen van den waren godsdienst. Was daar nu van al dit voorzegde niets, hetwelk het volk tot zaligheld diende, of daarin moest besprenging van bloed gemengd zijn, zoo kunnen wij hieruit lichtelijk zien, waar Zich Christus met zijn bloed voor ons niet vertoont, daar hebben wij geen verzoening met God. Desgelijks zal ook de leer zelve, hoewel het de waarheid is van den onveranderlijken God, bij ons geen kracht hebben noch tot ons profijt zijn, tenzij zij ingezet zij met bloed,

gelijk het beter uitgedrukt wordt door dit woord. Ik weet, dat anderen het anders uitleggen: want naar hunlieder schrijven, zoo is de tabernakel het lichaam der gemeente; de vaten zijn alle ge-loovigen, wier diensten God gebruikt. Maar wat ik gezegd heb, is veel bekwamer: want zoo dikmaals als zij God wilden aanroepen,

zoo keerden zij zich naar het heiligdom: en dit is eene gemeene manier van spreken in de Schrift, zich te vertoonen voor het aangezicht des Heeren, als zij in den tempel kwamen.

2o Dit is het bloed des testaments. Is dat het bloed des testaments, zoo is het testament zonder bloed van geene waarde, en het bloed is niet genoegzaam tot reiniging, zonder het testament; daarom is het noodzakelijk, dat zij beide bijeen gevoegd worden. En wij zien ook, dat de figuur en het uiterlijke teeken niet gegeven is, dan nadat ,V

de wet is uitgelegd. Want wat sacrament zou het zijn, indien niet het woord voorging? Daarom is het teeken een bijvoegsel bij het

woord. En er moet wel onthouden zijn, dat dit woord binnensmonds i.

niet gemompeld is om te dienen tot eenige bezwering of toovenaars- V;

kunst, maar is verkondigd met klare en luide stem, gelijk het den i

volke voorgehouden wordt, en ook de woorden des verbonds zelve

uitwijzen; Dat u God geboden heeft. Daarom gaat men verkeer- ■. a

delijk en bedriegelijk met het sacrament om, en verkort het, ja be-derft het schelmachtig, als er geen uitlegging des bevels bij is, hetwelk bijwijze van spreken de ziel des sacraments is. Waardoor de

Di. vn. a ■

■ ).■

V, . j v ■

■ 'f

ocr page 134

HEBREËN 9: 20—22.

papisten, die van de teekenen het ware begrip der beteekende zaak wegnemen, anders niet dan de doode krachtelooze elementen behouden. Deze plaats vermaant ons, dat alle beloften Gods ons alsdan eerst nut zijn als de bevestiging door het bloed van Jezus Christus daarbij komt. Want wat de heilige Paulus betuigt, dat alle Gods beloften zijn, ja en amen in Christus, zulks geschiedt, als zijn bloed als een zegel in onze harten gedrukt is, of ook als wij niet alleen God hooren spreken, maar ook Christus zien, Zichzelven aanbiedende tot een pand der dingen, die in de Schrift gezegd zijn. Kwam ons deze eene gedachte in den zin, dat al hetgeen wij lezen niet zoozeer met inkt geschreven is, als met het bloed des Zoons Gods, en dat als het Evangelie wordt gepredikt, het heilige bloed met de stem afdrupt, wij zouden voorwaar veel vlijtiger zijn, en jegens de woorden Gods meer eerbied toonen. Deze besprenging, waarvan Mozes hier spreekt, is eertijds een afbeelding hiervan geweest. Hoewel hier meer staat dan de woorden van Mozes uitdrukken: want Mozes zegt niet, dat het boek besprengd is geweest, maar het volk; hij spreekt ook niet van de boeken, purperen wol, noch hysop. Aangaande het boek, hoewel men niet openlijk bewijzen kan dat het besprengd is geweest, nochtans door een waarschijnlijke gissing wordt hieruit getrokken, dat het zoo is, door wat er gezegd wordt, dat Mozes het voor al het volk nam, nadat hij offerande gedaan had en dat om het volk Gode gehoorzaam te maken, door het verkondigen van een plechtige toezegging. Zooveel het andere belangt, dunkt mij, dat de apostel zekere reinigingen daaronder vermengd heeft, waartoe hij dezelfde reden had. En voorwaar hier is niet vreemds in, aangezien hij een algemeen stuk der reiniging des ouden Testaments behandelt, hetwelk door bloed geschied was. Dat men nu van hysop een wijkwast maakte, en van de purperkleurige wol, daar is niet aan te twijfelen, of dat vertoont de verborgen besprenging, die door den Heiligen Geest geschiedt. Wij weten, dat de hysop een bijzondere kracht heeft om te reinigen en te versieren. Alzoo gebruikt Christus zijnen Heiligen Geest gelijk een wijkwast, om ons met zijn bloed te besprengen, als Hij ons een hartelijk gevoel van berouw geeft, als Hij de verkeerde genegenheden onzes vleesches verslindt, als Hij ons schildert met de zeer rijke en edele kleur van zijne gerechtigheid: want men moet niet denken, dat God dit tevergeefs verordend heeft. David maakt ook een toespeling hierop in Ps. 51 :Q, waar hij zegt: Heere, Gij zult mij besprengen met hysop, en ik zal zuiver worden. Die nu matig willen phi-losopheeren, zullen zich laten genoegen en tevreden zijn met wat wij van deze plaats aangeroerd hebben.

22 En alle dingen werden bijna. Als hij zeide: Bijna, zoo schijnt dat hij toonen wil, dat er eenige andere dingen zijn, die op een andere wijze zijn gereinigd geweest. En voorwaar zij gebruikten zeer dikmaals waterwasschingen, om hunne andere onreinigheden te zuiveren. Nochtans had dit water zijn kracht om af te wasschen uit de offeranden: zoodat de apostel terecht zegt, als hij eindelijk tot besluit stelt, dat zonder bloedstorting geen vergeving geschiedt. Daarom worden ze zoolang nog onrein geacht, totdat zij door offerande gereinigd waren. En gelijk buiten Jezus Christus geen zuiverheid noch zaligheid is: zoo kon ook zonder bloed niets zuiver noch zalig zijn: want men moet Jezus Christus nimmer af-

130

ocr page 135

HEBREËN 9 ; 22, 23.

scheiden van de offerande van zijn dood. Maar de apostel heeft eenvoudig willen zeggen, dat er dit teeken bijna altijd is bijgevoegd geweest. En of het somtijds geschiedt, dat de reiniging alzoo niet gedaan werd, zoo was zij nochtans in bloed gelegen: aangezien alle ceremoniën (bijwijze van spreken) haar kracht ontleenden van deze algemeene reiniging. Daar zijn ook niet dan sommigen uit het volk besprengd geworden: (en hoe heeft dit luttel bloeds kunnen genoeg doen voor een zoo groote menigte?) nochtans kwam de reiniging over allen. Dit woord bijna is dan zooveel alsof hij gezegd had,

dat het gebruik van deze ceremoniën zeer dikmaals geschiedde, alzoo dat zij zelden ophielden van het reinigen. Dat Chrysostomus meent, dat door dit woord een oneigenlijkheid alzoo wordt aangewezen, omdat aldaar niet dan figuren waren, is vreemd van des apostels meening. Geschiedt geen vergeving. Hierdoor worden de menschen van Gods aangezicht verworpen: want omdat Hij met goed recht op hen verstoord is, zoo behoeven zij niet te denken eenige genade bij Hem te vinden, of Hij zij eerst verzoend. Daar is maar één middel om Hem te verzoenen, te weten, door de verzoening, die daar geschiedt in het bloed. Daarom moeten wij niet hopen eenige vergeving der zonden te hebben, tenzij wij bloed met ons brengen,

hetwelk geschiedt, als wij door het geloof onze toevlucht hebben tot den dood van Jezus Christus.

23 Dat de exempelen. Opdat men den apostel niet tegenwerpen zou, dat het bloed, waarmede het Oude Testament ingesteld was, het Testamentmakers bloed niet was, zoo voorziet hij hierin, en zegt dat wij ons niet zullen verwonderen, al is het dat de tabernakel, dewelke aardsch was, geheiligd is geweest met offerande van beesten; maar het geschiedde opdat er een overeenkomst en gelijkheid zou zijn tusschen de reiniging en de gereinigde dingen, en dat dit exempel of hemelsche voorbeeld moest geheiligd worden, op verscheiden manier ver verschillende van het andere, en dat in dit stuk bokken noch kalveren gansch niet helpen: waaruit volgt,

dat de dood des testamenteurs zelve daarin het middel moet zijn.

De zin is dan aldus: aangezien in de wet niet dan aardsche afbeeldingen waren van geestelijke zaken, zoo was ook de manier van reinigen alleen maar vleeschelijk, en niet dan een af beelding. Maar aangezien het hemelsche exempel niets aanneemt dat aardsch is, zoo eischt het een ander bloed dan beesten bloed, hetwelk overeenkomt met zijne uitnemendheid. Aldus wordt daarin des Testamentmakers dood begeerd, opdat er een ware bevestiging des testaments geschiede. De hemelsche dingen noemt hij het rijk van Jezus Christus, hetwelk geestelijk is, en ook een volkomen openbaring der waarheid heeft. Betere offeranden neemt hij voor beter offerande: want er is er niet dan ééne, maar om de tegenstelling te beter te hebben, zoo heeft hij liet liever in het meervoud gesteld.

24 Want Christus is niet ingegaan in het heilige, dat met handen gemaakt is, dat een tegenbeeld was van het ware, maar in den hemel zeiven, om nu te verschijnen voor het aanschijn van God voor ons.

25 Noch ook om Zichzelven dikmaals te offeren, gelijk de hooge- Exod. 30: priester alle jaar in het heiligdom gaat met ander bloed: eT' 16

26 (Anders had Hij dikmaals moeten geleden hebben van den he-Hebr. 9:

131

ocr page 136

HEBREËN 9 : 24, 25.

ginne der wereld) maar nu is Hij eens in de voleinding dei-tijden tot aflegging der zonden verschenen, door zijns zelfs offerande.

27 En gelijk het den menschen gezet is eens te sterven, en daarna het oordeel,

Eom. 5: g. 8. 28 Alzoo ook Christus, eenmaal geofferd om veler zonden weg te

nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.

24 Want Christus is niet ingegaan. Dit is een bevestiging van de voorgaande sententie. Hij had gesproken van het ware heiligdom, te weten, het hemelsche, alsnu voegt hij daarbij, dat Christus daarin is gegaan; waaruit volgt, dat hier een bevestiging geëischt wordt, die hiertoe wel diene. Het heilige stelt hij hier voor het heiligdom. Hij zegt: Dat het niet met handen gemaakt is, omdat het niet onder het getal van het geschapene behoort gesteld te zijn, dat der vergankelijkheid onderworpen is. Want hij meent hier den hemel niet mede, dien wij met onze oogen zien, waaraan de sterren lichtende zijn, maar de heerlijkheid van het koninkrijk Gods, die boven alle hemelen is. Hij noemt het oude heiligdom een tegenbeeld des waren, dat is, des geestelijken, omdat alle uiterlijke afbeeldingen als in een spiegel vertoonen, wat de lichamelijke zinnen anders niet kunnen begrijpen. De Grieksche auteurs gebruiken ook somtijds ditzelfde woord, als zij van de sacramenten der Christelijke kerk handelen, en dat zeer wel en bekwamelijk, omdat elk sacrament een zienlijk beeld is van onzienlijke dingen. Om nu te verschijnen. Aldus placht voormaals de Levitische priester zich-zelven in des volks naam voor Gods aangezicht te vertoonen: maar het was alleen figuurlijk, en de gansche waarheid en volkomen zaak der figuren was in Christus. De ark was de afbeelding der tegenwoordigheid Gods: maar Christus vertoont en verschijnt in der waarheid voor Gods aangezicht, om ons genade te verwerven: alzoo dat wij niet meer behoeven te vreezen, om voor den rechterstoel Gods te komen, daar wij een goeden advokaat hebben, onder wiens hoede en bescherming wij wel bewaard en verzekerd zijn. Het is wel waar, dat Christus als toen onze advokaat was, toen Hij op de aarde verkeerde: maar Hij is nog door het aanzien van onze krankheid ten hemel opgevaren, om den last voor ons aan te nemen, en onze zaken voor te staan. Daarom zoo dikwijls als er vermaand wordt, dat Hij in den hemel is gevaren, zoo moeten wij de groote nuttigheid en het goed gedachtig zijn, hetwelk ons daaruit komt, te weten, dat Hij daar voor God verschijnt, om. onze zaak voor te staan. Zoo is het dan een dwaze en ongeschikte kwestie die sommigen stellen, te weten, of Christus daar niet altijd tegenwoordig is geweest: want de apostel handelt hier alleen van de voorbidding, waarom Hij in het hemelsche heiligdom gegaan is.

25 Noch ook om Zichzelven dikmaals te offeren. Hoe is Hij dan (kan iemand zeggen) priester, zoo Hij geen offerande doet? Ik antwoord, dat van den persoon noch van het ambt des priesters geëischt wordt, altijd in een gedurig offerend werk te zijn: want in de wet zelve waren jaarlijks zekere dagen verordend voor de voornaamste offeranden, en de gewone offeranden, die zij dagelijks deden, hadden zekere uren des morgens en des avonds. En nu de eenige

132

1 Petr. 3 :18.

gt;V.;

ocr page 137

HEBREËN 9 ; 25, 26.

offerande, die Christus eens opgeofferd heeft, altijd durende blijft, ja in kracht eeuwig is, zoo moet men zich niet verwonderen, dat door zijn kracht die nimmer vergaat, Christus' priesterschap in eeuwigheid blijft. Wederom zoo toont hij ook hier, wat onderscheid er is en ook waarin, tusschen Christus en den Levitischen priester. Aangaande het heiligdom, daarvan is hierboven gesproken: maar hij teekent een onderscheid aan in het soort van offeranden, omdat Christus Zichzelven opgeofferd heeft, en niet een onredelijk beest. Daarna teekent hij nog een ander onderscheid aan, te weten, dat deze offerande niet wederom herhaald wordt, gelijk het dik-maals in de wet met de offeranden geschiedde, en bijna gedurig.

26 Anders had Hij moeten. Hij toont wat groote ongerijmdheid daaruit rijst, zoo wij ons met de eenige offerande van Jezus Christus niet vergenoegen: want hij besluit hieruit, dat Christus anders dikmaals zou moeten gestorven zijn, omdat de dood altijd bij de offerande gevoegd is. Het ware immers geen rede, dat men dit laatste zou toelaten: zoo volgt hieruit, dat de kracht van deze eenige offerande eeuwig is, en voor alle tijden duurt Hij zegt, van den beginne der wereld, omdat er ten allen tijde van den beginne aan zonden geweest zijn, die reiniging behoefden. Had dan Christus' offerande toen aireede geen macht gehad, niemand van de vaderen had zaligheid verworven. Want omdat zij van zichzelven den toorn Gods onderworpen waren, zoo zou hun het middel der verlossing ontbreken, tenware Christus, eens den dood lijdende, niet geleden had van den beginne der wereld aan tot het einde toe, zooveel het verzoenen van de genade Gods belangt voorde menschen. Daarom, laat ons met de eenige offerande tevreden zijn, tenzij wij van Christus meer sterven verwachten. Hierdoor wordt openbaar, hoe beuzelachtig de onderscheiding is, in welker spitsvondigheid de papisten zichzelven zoozeer behagen, als zij zeggen, dat de offerande van Christus aan het kruis bloedig is geweest, maar dat het offer der mis, dat zij versieren, dat alle dagen Gode opgeofferd wordt, zonder bloed is. Want is deze spitsvondige uitvlucht goed, zoo moet de Heilige Geest bestraft worden van onbedachtzaamheid, omdat Hij hierop niet gedacht heeft. Want de apostel neemt dit voor zeker, dat er geen offerande zonder dood is. Mij ligt daar niets aan, dat de oude leeraars alzoo schrijven: want het is in der menschen macht niet, zulke offeranden te versieren, als het hun belieft. Deze stelregel des Heiligen Geestes blijft altijd vast, dat de zonden niet gezuiverd worden door offeranden, of er moet bloedvergieting geschieden. Daarom is het een duivel-sche vond, dat Christus dikmaals zou worden opgeofferd. Maar nu is Hjj eens in de voleinding der tijden. Hij noemt voleinding der tijden, wat Paulus de volheid des tijds noemt. Gal. 4: 4, want het is geweest als een rijpheid des tijds, welke de Heere verordend had door zijn eeuwig besluit. En hierdoor wordt den neuswijzen menschen den weg benomen, opdat zij niet onderzoeken zouden waarom zulks niet eerder geschied is, en waarom zulks meer op dien tijd, dan op een anderen geschied is: want wij moeten tevreden zijn met den verborgen raad Gods, waarvan Hem de oorzaak en reden bekend zijn, hoewel het voor onze oogen verborgen is. In één woord, de apostel geeft hier te kennen, dat de dood van Christus ter rechter tijd gekomen is, als Hem zijn Vader om deze

133

ocr page 138

HEBREËN 9 : 26, 27.

zaak in de wereld gezonden heeft: welke, alzoo Hij bij Zichzelven het rechte regeeren van alle dingen heeft, zoo heeft Hij dat ook van de tijden, aangezien Hij hunne ordening door een wonderlijke wijsheid regeert, hoewel het ons dikmaals is verborgen. En wat meer is, deze vervulling des verleden tijds wordt tegen de onvolkomenheid gesteld: want God heeft het volk des Ouden Testaments zoolang in verlangen gehouden, dat men lichtelijk kan oordeelen, dat zij nog tot geen zekeren en vasten stand gekomen waren. Daarom leert de heilige Paulus in 1 Cor. 10: 11, dat de einden der wereld op ons gekomen zijn, daardoor te kennen gevende, dat het rijk van Jezus Christus een vervulling aller dingen heeft gebracht. Is het de volheid des tijds geweest, als Christus verschenen is om de zonden te reinigen, wat geweld doen Hem dan degenen aan, die daar willen hebben dat zijn offerande worde vernieuwd, alsof alle dingen niet vervuld waren door zijn dood. Hij is dan eens geopenbaard; want openbaarde Hij Zich nog voor de tweede of derde reize, zoo ware er onvolkomenheid in de eerste offerande, hetwelk tegen de volheid zou strijden. Tot aflegging der zonden. Dit komt overeen met de Dan. 9:24. profetie van Daniël, door welke den offeranden een einde wordt verkondigd, nadat de belofte geschied is van de verzegeling en wegneming der zonden. Want waartoe zouden de zuiveringen dienen, als de zonden vernield zijn. Deze vernieling is hierin gelegen, dat dengenen hunne zonden niet meer toegerekend worden, die hun toevlucht hebben tot de offerande van Jezus Christus. Want hoewel men allen dag om vergeving moet bidden, omdat wij dagelijks den toorn Gods over ons halen: omdat wij nochtans nergens anders mede verzoend worden, dan door dat allerkostelijkste pand, te weten, den dood van Jezus Christus, zoo wordt met goed recht gezegd, dat de zonde weggenomen en vernield is door dezen.

27 En geljjk het den menschen gezet is. De zin hiervan is aldus: Gelijk wij lijdzamelijk verwachten den dag des oordeels na des ^V- menschen dood, omdat het een algemeene wet der natuur is, welke

men niet kan wederstaan, waarom zou daar minder lijdzaamheid zijn in de tweede toekomst van Christus? Want zoo de langheid des tijds de hope der gelukzalige opstanding der menschen niet verhindert, zoo ware het immers vreemd, Jezus Christus minder eer * te geven ? Wij verkorten zijn eer, zoo wij zijn tweeden dood begeeren,

omdat Hij eens gestorven is, welke dood in eeuwigheid voor ons duurt. Maakt nu iemand deze tegenwerping, dat er sommigen twee-. maal gestorven zijn, gelijk Lazarus, en andere dergelijken, dit is

... lt; : licht te beantwoorden. De apostel spreekt hier van den gewonen

staat der menschen, omdat ook van dit getal uitgezonderd zijn, die de haastelijke verandering van deze verderfelijkheid ontkleeden zal: want hij begrijpt hieronder anders geen, dan degenen die langen . y ■ - tijd in het stof liggende, de verlossing huns lichaams verwachten.

Zal ten anderen male zonder zonde gezien worden. De apostel vi-'.'i drijft alleen dit eenige stuk: Dat wij onszelven niet kwellen zullen

'vi met ijdele en verkeerde begeerten van nieuwe reinigingen, omdat

de eenige dood van Jezus Christus ons genoegzaam is tot voldoe-.j'»ƒ ning. En daarom zegt hij, dat Hij eenmaal verschenen is met offer-

,j»'gt; ande, om de zonden uit te wisschen, en door zijn tweede toekomst

'ff. zal Hij openbaar laten blijken wat kracht zijn dood heeft gehad:

V'v alzoo dat de zonde geen macht meer zal hebben om te schaden.

134

TC»/

mi r

:2. 4 .

ocr page 139

HEBREËN 9 ; 27, 28.

Om de zonden weg te nemen. Dat is door zijn voldoening hen van schuld te ontlasten, die gezondigd hebben. Hij zegt, veler, voor allen, gelijk in Romeinen 5 : 15 staat. Het is wel waar, dat uit den dood van Christus alle menschen geen vrucht zullen hebben: maar dit geschiedt door hun ongeloof, hetwelk zulks belet. Hoewel van deze kwestie hier tevergeefs zou gesproken worden, aangezien de apostel hier niet disputeert, of de dood van Christus weinigen of velen ten goede komt: maar hij verstaat dat eenvoudig, dat Hij voor anderen gestorven is, en niet voor Zichzelven. Daarom stelt hij daar velen tegen één. Maar wat wil hij zeggen, als hij zegt dat Christus zonder zonde verschijnen zal? Sommigen verstaan dit, dat Hij de reiniging of offerande is, die de zonde reinigt, gelijk in Rom. 8:3 en 2 Cor. 5:21 staat, en ook op andere plaatsen bij Mozes; maar naar mijn oordeel, wil hij daar wat bijzonders mede zeggen, te weten, dat Christus zal openbaren, als Hij komen zal hoezeer het waarachtig is, dat Hij de zonde weggenomen en vernield heeft: alzoo dat er geen offerande meer van noode zal zijn om God te verzoenen. Alsof hij zeide: Als men voor den rechterstoel van Jezus Christus zal staan, zoo zal men bevinden, dat er niets aan zijn dood ontbroken heeft. Waartoe ook dient wat hij terstond daarbij voegt: Tot zaligheid dergenen die Hem verwachten. Anderen zetten dit anders over, en wel: Dengenen die Hem verwachten om zaligheid te verkrijgen, maar de zin hierboven gesteld dunkt mij passender: want hij geeft te kennen dat zij volkomen zaligheid van den dood van Christus zullen bevinden, die met een vreedzaam hart en gerust gemoed daarop vast hebben gesteund. Want deze verwachting komt overeen met de omstandigheden der tegenwoordige zaak. Het is wel waar, dat de Schrift dit op andere plaatsen in 't gemeen allen geloovigen toeschrijft, die de toekomst van onzen Heere Jezus Christus verwachten, om hen te onderscheiden van de ongeloovigen, denwelken de vermaning van deze toekomst verschrikkelijk in de ooren klinkt: maar omdat de apostel nu beweert, dat wij vast moeten rusten op de eenige offerande van Jezus Christus, zoo noemt hij de verwachting van Christus, als wij tevreden zijn met deze eenige verlossing, en geen andere nieuwe middelen noch bijstand begeeren.

HET TIENDE HOOFDSTUK.

1 Want de wet, hebbende de schaduw der toekomende goederen, Deut u. en niet het beeld der zaken zelve, kan met dezelfde offeran- Hebr. 8: h. den, die zij alle jaar zonder ophouden offeren, nimmermeer heilig- ^e°f*Tolma' maken l) degenen die daar toegaan.

2 Anders zouden zij niet opgehouden hebben geofferd te worden,

omdat degenen, die dienen geen conscientie der zonden meer hebben zouden, eenmaal gereinigd zijnde.

3 Maar in dezelve geschiedt alle jaar gedachtenis der zonden.

4 Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken Wj u. de zonde zou wegnemen. Hebr. 9: is.

135

ocr page 140

HEBREËN 10: 1, 2.

7quot;ant de wet, hebbende. Deze gelijkenis heeft hij aan de \/\/ schilderkunst ontleend: want hij neemt hier dit woord ' ' schaduw, anders dan het in Col. 2:17 genomen is, waar de heilige Paulus de oude ceremoniën schaduwen noemt, omdat zij van binnen het vaste wezen der dingen niet hadden, hetwelk zij afbeeldden. Maar de apostel zegt, dat ze de ruwe trekken zijn gelijk geweest, die als een schaduw zijn van de levende schilderij. Want de schilders trekken gewoonlijk eerst met houtskool, wat zij voornemen af te beelden, eer zij met het penseel de levende kleuren leggen. De apostel stelt dan dit onderscheid tusschen de wet en het Evangelie, te weten, dat wat hedendaags naar het leven is getrokken, en met levende kleuren is geschilderd, alleen is afgebeeld geweest onder de wet, en in het ruwe ontworpen. Hierdoor bevestigt hij wederom, wat hij hierboven gezegd heeft, te weten, dat de wet niet ledig is geweest, noch ook hare ceremoniën onnut: want al is daar geen beeld der hemelsche zaken geweest, hetwelk ganschelijk zoo volmaakt was, gelijk hetgeen waaraan men de laatste hand legt: nochtans dit onderwijs, hoedanig het geweest is, heeft den oudvaders grootelijks gebaat, hoewel onze staat beter is. En daar moet aangemerkt zijn, dat dezelfde zaken, die ons nu voor oogen gesteld worden, hun van verre zijn getoond. En daarom hebben zij en wij denzelfden Jezus Christus, dezelfde gerechtigheid, dezelfde heiligmaking, en dezelfde zaligheid: er is geen onderscheid, dan in de manier van het schilderen. De toekomende goederen, meen ik gezegd te zijn voor eeuwige. Ik belijd wel, dat het toekomende rijk van Jezus Christus, hetwelk ons tegenwoordig is, hier-voormaals verkondigd is geweest: maar des apostels woorden geven te kennen, dat wij de levende afbeelding der toekomende goederen hebben. Zoo meent hij dan dat geestelijke voorbeeld, wiens volle genieting opgehouden wordt tot in de opstanding en de toekomende eeuw. Hoewel ik wederom beken, dat deze goederen zich begonnen 4.'., te openbaren van den beginne des koninkrijks van Jezus Christus:

maar hier is de kwestie, of zij alleen genaamd worden ten opzichte van het Oude Testament de toekomend^ goederen te zijn, maar ook omdat wij ze nog verwachten. Die zij alle jaar opofferden. Hij spreekt hier voornamelijk van de jaarlijksche offerande, waarvan melding wordt gemaakt Leviticus 17: hoewel alle offeranden onder één soort vervat worden. Hij argumenteert aldus: Waar geen consciëntie noch knaging der zonden meer is, daar gebruikt men ook geen offerande meer: nu is het alzoo, dat onder de wet de brenging van hetzelfde offer dikwijls herhaald werd. Daarom werd noch Gode voldaan, noch de verdoemenis werd uitgewischt: de conscientiën .•■j1 , waren niet gerust, anders zou men opgehouden hebben van offerande

Vigt;, op te offeren. Verder moet vlijtiglijk aangemerkt zijn, dat hij de

136

\

.5. V.

offeranden zegt dezelfde te zijn, die den anderen gelijk waren: want zij waren veeleer geacht, te zijn van de ordening Gods, dan van verscheiden beesten. Wat alleen genoegzaam is, oin de schalkheid der papisten terneder te leggen, waardoor zij zich laten dunken, dat zij wel schalkelijk de ongeschiktheid ontvlieden in het verontschuldigen van de offerande der mis. Want als men hun voor-stelt dat het een overvloedige daad is, wederom offerande te doen, aangezien de offerande, die Christus eens gedaan heeft, haar kracht in eeuwigheid behoudt: zoo werpen zij dit terstond wederom voor,

■ ■ *.»,

ocr page 141

HEBREËN 10:2—4.

dat het geen andere offerande is die in de mis geofferd wordt, maar dezelfde. Dit is hun besluit. Maar wat zegt de apostel hiertegen?

Dat de offerande, die herhaaldelijk gebracht wordt, hoewel zij dezelfde is, nochtans geen kracht heeft; ja hij loochent dat ze eenigs-zins kan dienen tot reiniging der zonden. Laat de papisten nu duizendmaal roepen, zoo zij willen dat de offerande, die zij alle dagen opofferen, dezelfde offerande is, die Christus aan het hout des kruises eens volbracht heeft, en geen andere: ik zal hun altijd weder bestrijden met den mond des apostels, zoo de offerande van Christus die kracht gehad heeft om God te verzoenen, zoo heeft zij niet alleen een einde gemaakt aan de andere offeranden, maar is het ook niet geoorloofd, dezelve te herhalen. Waaruit blijkt dat Christus in de mis op te offeren, een vervloekte Godslastering is.

3 Maar in dezelve geschiedt alle jaar gedachtenis. Aangezien het Evangelie de blijde boodschap is van onze verzoening met God,

zoo is het ook nu noodig, dat er onder ons dagelijks gedachtenis geschiede van onze zonden en misdaden: maar de apostel geeft te kennen, dat hun de zonden worden voorgesteld, opdat door het middel der tegenwoordige offerande, hun misdaad worde weggenomen. Hij teekent hier niet alle manier van gedachtenis aan: maar die met zich voor God brengt zulke belijdenis van schuld, dat het tegenwoordige middel der offerande noodig is tot wegneming der zonde. Dusdanig is de offerande der papisten. Zij versieren dat de genade van den dood van Jezus Christus, in de mis ons toegeëigend wordt, opdat onze zonden zouden worden uitgewischt. Leidt nu de apostel met kennis van zaken hieruit af, dat de offeranden der wet zwak en krank zijn geweest, omdat men ze jaarlijks moest herhalen tot vergeving der zonden: voorwaar evenzoo kan hij zeggen op denzelfden grond, dat de offerande van den dood van Jezus Christus te zwak is geweest, zoo zij dagelijks herhaald moet zijn, opdat haar kracht tot ons voordeel kome. Laat ze dan hun mis blanket-ten met wat kleur zij willen, nooit kunnen zij deze zonde ontvlieden, dat zij van Jezus Christus bovenmate lasteren.

4 Want het is onmogelijk. Hij bevestigt deze voorgaande uitspraak op denzelfden grond, dien hij hierboven bijgebracht had, te weten, dat beestenbloed de zielen niet gereinigd heeft. Het is wel waar, dat de Joden daarvan wel een teeken of een pand hadden van ware reiniging, maar dat had een ander aanzien, te weten,

omdat het bloed der kalveren Christus' bloed afbeeldde. Maar de apostel beredeneert hier, hoe krachtig het beestenbloed in zich-zelve was; daarom beneemt hij hetzelve terecht de kracht om te

■ reinigen. Hier moet een tegenstelling verstaan worden, die hier niet uitgedrukt wordt, alsof hij gezegd had: men moet zich niet verwonderen, al zijn de oude offeranden zwak en krank geweest, zoodat men ze zonder ophouden heeft moeten opofferen: want in dezelve was niet dan beestenbloed, hetwelk niet doordringt tot de zielen: maar de kracht van Jezus Christus' bloed is heel anders. De offerande, die dan door Hem geschied is, is geenszins te wegen tegen de andere voorgaande offeranden van beesten.

5 Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en gaven ps. 40:7. hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam bereid, j®*- j.;

6 Brandoffer en offer voor de zonde hebben u niet behaagd; Amos 5:21

137

ocr page 142

m ' ■

«è? - ■■

1 ■

t 138 HEBREËN 10:5.

■ 'w(

7 Toen zeide Ik: Zie, Ik kom, in het begin des boeks is van Mij geaclireven, om uwen wil te doen, o God!

8 Als Hij tevoren gezegd had: Slachtoffer, en gaven, en brandoffer, en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden);

9 Toen zeide Hij: Zie, Ik kom, om uwen wil te doen, o God!Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.

Hebr.«: 12. 10 In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams

van Jezus Christus eenmaal gedaan.

5 Daarom, zegt Hij, komende in de wereld. Dit komen in de wereld is geweest de openbaring van Jezus Christus in het vleesch. Want als Hij des menschen natuur aangenomen heeft, opdat Hij Zich joh. 6:41. betoonen zou een verlosser der wereld te zijn, en als Hij den menschen verschenen is, dan wordt gezegd dat Hij in de wereld gekomen is, gelijk op een andere plaats gezegd wordt, dat Hij van den hemel gedaald is. Nochtans Psalm 40, dien de apostel hier ten deele aanhaalt, schijnt met geweld op Jezus Christus getrokken te zijn: want wat daar verhaald wordt, sluit ganschelijk op den persoon van Christus niet, te weten: Mijn zonden hebben mij aangegrepen; maar dat Christus uit eigen wil op Zich de zonde zijner lidmaten neemt. Voorwaar, de gansche zaak komt eigenlijk aan David toe, maar omdat het kennelijk is, dat David een voorbeeld van Christus is geweest, zoo valt er geen zwarigheid, dat men op Christus trekt, hetwelk van David gezegd is, en voornamelijk, waar vermaning ge-■: schiedt van vernietiging der offeranden naar de wet, gelijk op deze

'■fe plaats. Evenwel alle menschen laten niet toe, dat zulk een zin uit

deze woorden genomen wordt: want zij meenen, dat de offeranden hier niet geheel verworpen worden, maar dat de bijgeloovige meening, die onder het volk zeer toenam, hiermede wordt nedergelegd, omdat men gemeenlijk daarin den ganschen godsdienst stelde. Ware het alzoo, deze plaats zou tot de tegenwoordige zaak niet veel dienen. Hierom is het noodzakelijk, dat wij op het allerscherpste deze stof uitleggen, opdat men kan verstaan, of ze de apostel hier wel te pas brengt. Deze sententiën worden in de profetenboeken dikmaals verhaald, dat de offeranden Gode niet aangenaam zijn, dat Hij ze i niet begeert, dat ze van geener waarde zijn, ja, dat ze voor Hem

afgrijselijk zijn: maar daar wordt het gebrek getoond, dat bij toeval .V. in de offeranden is, en niet eenig gebrek dat van nature in haar is:

want de geveinsden moesten op deze manier gestraft worden, aan-'.. gezien zij hardnekkig in hun goddeloosheid blijvende. God door

offeranden wilden verzoenen. En daarom verwierpen de profeten de offeranden, niet voorzoover zij van God ingesteld waren, doch gelijk zij door de boozen bedorven werden, en ontheiligd door hun onzuivere harten. Hier is nu een onderscheiden oorzaak: want hij veroordeelt de offeranden niet door geveinsdheid geschied, of die ...u anders geschied zijn dan het behoorde, en dat door de verkeerd

heid en boosheid der menschen : maar hij loochent dat ze geëischt .-'.v' worden van geloovige en ware dienaars Gods: want hij spreekt

.i'/; van zichzelven. Ja dat hij zelf offerde met een rein hart en han-

den, en nochtans zegt hij dat ze Gode niet aangenaam zijn. Zoo men nu dit weder tegenwerpt, dat zij op zichzelven niet aan-, , genaam zijn, noch vanwege hare eigen waardigheid, maar vanwege

ocr page 143

HEBREËN 10 : 5, 6.

139

een ander einde: zoo zeg ik wederom, dat dit antwoord hier niet past: want alsdan worden de menschen wederom teruggeroepen tot den geestelijken dienst, wanneer zij al te veel op de uiterlijke ceremoniën staan. Dan verkondigt hun de Heilige Geest, dat de ceremoniën voor God niets zijn, als zij door de dwalingen der menschen boven de mate worden verheven. David voorwaar behoorde de gewoonte van het offeren niet te versmaden, aangezien hij der wet onderworpen was. Ik belijd wel, dat hij Gode behoorde te dienen met innerlijke bewegingen, en uit oprechten ijver des harten: nochtans was het hem niet geoorloofd te laten wat God hem bevolen had. Want hij heeft het gebod om te offeren met alle anderen gemeen gehad. Dus leiden wij hieruit af, dat hij verder gezien heeft, dan op zijn tegenwoordigen tijd, als hij zeide: slachtoffer hebt Gij niet gewild. Dit is wel ten deele waar geweest in Davids tijden, dat God de offeranden niet acht, maar wijl ze nog allen onder het juk des tuchtmeesters verbonden waren, zoo kan David Gode geen oprechten dienst doen, of het moest (om zoo te spreken) op zulke wijze geschieden. Zoo is het dan noódig dat wij komen tot het koninkrijk van Christus, opdat dit ganschelijk waarachtig is, dat God geen slachtoffer wil. Een gelijke plaats is Ps. 16 : 10, Gij zult niet toelaten, dat uw heilige de verrotting zie. Want hoewel God David ten deele verlost heeft uit de verderving, nochtans is dit in niemand waarlijk vervuld geweest, dan in Jezus Christus. Dit is van veel gewicht, dat, nademaal hij belooft dat hij den wil Gods zal doen hij aan de offeranden geen plaats toekent: want wij leiden daaruit af, dat men Gode niet nalaat volkomen gehoorzaam te zijn, al is het dat men geen offeranden gebruikt, hetwelk niet waar is geweest, dan na de vernietiging der wet. Ik loochen nochtans niet, dat David zoowel hier als in Ps. 51 ; 18, de uiterlijke ceremoniën alzoo verkleind heeft, dat hij het voornaamste vooraan heeft gesteld. Maar er is niet aan te twijfelen, of hij ziet in beide plaatsen op het koninkrijk van Jezus Christus. En voorwaar de apostel geeft getuigenis, dat Jezus Christus met recht in dezen psalm sprekende wordt ingevoerd, waar onder Gods geboden den offeranden de allerminste plaats niet toegelaten wordt, dewelke God zoo scherpelijk onder de wet eischte. Maar Gij hebt Mij het lichaam bereid. Davids woorden beduiden wat anders, want daar staat; Gij hebt mij het oor doorboord. Welke manier van spreken sommigen meenen genomen te zijn van het oude gebruik der wet, als er iemand was die in het vijftigste jaar (hetwelk het jubeljaar was) niet vrij wilde worden, maar zich aan de eeuwige slavernij wilde onderwerpen, zoo werd hem het oor met een priem doorboord. De zin daarvan, naar hunne meening, is; Heere! Gij hebt Mij voor een dienaar, om u eeuwiglijk dienst te doen. Nochtans neem ik het anders, te weten, voor leerzaam en gehoorzaam te worden: want wij zijn al te zamen doof, zoolang ons God de ooren niet opent, dat is te zeggen, totdat Hij verbetert de hardnekkigheid en wederspan-nigheid die ons ingeworteld is. Hoewel hier een verzwegen tegenstelling is, tusschen het gewone volk (voor wie de offeranden alleen uitwendige schouwspelen waren zonder kracht) en David, aan wien God het wettige en geestelijke gebruik dieper getoond had. De apostel hierin de Grieken navolgende, heeft gezegd: Gij hebt Mij het lichaam bereid; want de apostelen namen het niet al te nauw in het stellen

ocr page 144

140 HEBREEN 10:6—10.

der woorden, zoo zij zich slechts wachtten, dat zij de Schrift niet valschelijk gebruikten tot hun voordeel. Daar moet altijd aangemerkt zijn, waartoe zij de getuigenissen der Schrift aanhalen: want aanroerende den rechten zin der Schrift-plaatsen, zullen zij zich wel wachten de Schrift geweldig op een anderen zin te trekken. Maar aangaande de woorden en andere dingen, die de zaak niet aangaan die zij behandelen, handelen zij vrijer.

7 In het begin des boeks. Het Hebreeuwsche woord beduidt eigenlijk een omslag of rol. Want wij weten, dat de boeken vanouds op de wijze van een rol waren. Door het woord boek, verstaan wij de wet, welke allen kinderen Gods een regel stelt om heiliglijk te leven, hoewel mij dunkt d'eze uitlegging natuurlijker te zijn, dat hij zegt: In het getal dergenen zijn, die Gode gehoorzaam zgn. Het is wel waar, dat de wet ons allen Gode gebiedt gehoorzaam te zijn, maar David verstaat dat alzoo, dat hij onder degenen geteld is, die geroepen zijn, opdat ze Gode zouden gehoorzaam zijn. Daarna betuigt hij, dat hij der roeping gehoorzaam is, als hij zegt: Ik wilde, hetwelk voornamelijk Jezus Christus toekomt : want hoewel alle heiligen hun uiterste best doen, en zeer staan naar de gerechtigheid Gods, nochtans is er niemand dan Jezus Christus alleen, die geheel bekwaam is om den wil des Vaders te voldoen. Aldus zal ons deze plaats al te zamen bewegen tot bekwame gehoorzaamheid Gods. Want daarom is Christus een volkomen voorbeeld der gehoorzaamheid, opdat allen, die Zijne zijn, al strijdende hun uiterste best zouden doen om Hem na te volgen, en dat zij al te zamen overeenkomen met de roeping Gods, gelijk het op een andere plaats gezegd is: Dat het einde onzer verkiezing is, dat wij heilig en onstraffelijk voor zijn aangezicht zouden zijn.

9 Hij neemt het eerste weg. Hier ziet men waarom en waartoe deze plaats hier gebruikt wordt, te weten, opdat wij zouden weten, dat de volle en volkomen gerechtigheid, die onder het rijk van

;• (/ Christus is, geen offeranden der wet van noode heeft. Want Gods

wil, zooveel als de regel der volkomenheid aangaat, wordt beves-: f', y tigd, als dezelve weggenomen zijn. Zoo volgt hier dan uit, dat naar-

\ dien de offerande van Jezus Christus gekomen is, zoo moeten de

slachtofferen der beesten weggenomen zijn, aangezien zij niets ge-j meens daarmede hebben. Want gelijk wij gezegd hebben, David had

geen oorzaak de offeranden te verwerpen, om eenig toevallig gebrek, aangezien hij met de geveinsden hier niet te doen heeft, noch ook eenig bijgeloof bestraft van eenig verkeerden dienst: maar hij ontkent, dat de offeranden die men placht te gebruiken, geëischt worden van den geloovige, die wel onderwezen is, en betuigt, dat men Gode volkomen kan gehoorzaam zijn, zonder deze.

10 In welken wil. Nadat hij het getuigenis Davids bij zijn rede wel gevoegd heeft, zoo wendt hij nu in 't voorbijgaan zekere woorden tot zijn voordeel, en dat meer om de zaak te versieren, dan om uit te leggen. David spreekt niet zoozeer in zijn eigen persoon, als in den persoon van Jezus Christus; want de leer van Paulus is

iTiiess.4:3. algemeen, waar hij zegt: Dit is de wil van Christus, uw heiligma-•j'v/ king, opdat gij u onthoudt van onreinheid. Maar omdat in Christus

,5'quot; dit voorbeeld der onderdanigheid uitnemender geweest is dan in

alle anderen, omdat Hij Zich gegeven heeft tot den dood des kruises, i; en dat Hij voornamelijk om deze oorzaak de gestalte eens knechts

.r

ocr page 145

HEBREËN 10:10, 11.

heeft aangenomen: zoo zegt de apostel, dat Jezus Christus Zich-zelven opofferende, aan het bevel zijns Vaders voldaan heeft, en dat wij door dit middel geheiligd zijn. Als hij daarbij voegt: Door de offerande des lichaams van Jezus Christus, zinspeelt hij op dat deel van den psalm: Gij hebt Mij het lichaam bereid; tenminste naar den inhoud van den Griekschen tekst. Door dit middel geeft hij te kennen, dat Christus in Zichzelven gevonden heeft, waarmede Hij zijn Vader verzoenen zou, alzoo dat Hij niemands hulpbehoefde:

want was het lichaam van den Levitischen priester daartoe bekwaam genoeg geweest, zoo waren de slachtoffers der beesten overtollig geweest. Maar Christus is genoegzaam alleen, en is van Zichzelven bekwaam, om te vervullen al wat God van Hem begeert.

11 En een iegelijk priester stond allen dag dienende, en eenerlei slachtofferen dikmaals opofferende, welke nimmermeer de zonden kunnen wegnemen.

12 Maar Deze, nadat Hij een slachtoffer voor de zonden geofferd 5s- i10 =1-,

. 1 /-lt; 1 Hand. 2:34.

heeft, is in eeuwigheid gezeten ter rechterhand Gods: i cor. 15:25.

13 Voorts verwachtende, totdat zijne vijanden gezet worden tot^1^2®-een voetbank zijner voeten. Hebr. 1:13.

14 Want met een eenige offerande heeft Hij ze eeuwig geheiligd die geheiligd worden.

15 En de Heilige Geest betuigt het ons ook zelf, want nadat Hij voorzegd heeft:

16 Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, Jer. 3i:3i,

32 33 34

zegt de Heere: Ik zal mijne wetten in hunne harten geven, Rom.'11:27. en zal ze inschrijven in hun verstand. Hebr. 8:8.

17 En hun zonden en hun ongerechtigheid zal Ik niet meer gedenken.

18 Maar waar deze vergeving is, daar is geen offerande meer voor de zonde.

11 En een iegelijk priester. Dit is het slot der gansche rede,

dat de gewoonte van het dagelijksche offer geheel tegen het priesterschap van Christus strijdt. En dat door de komst van Christus het ambt der Levitische priesters, en hun oude gewoonte van het dagelijksche offer, een einde heeft genomen: want de aard der dingen,

die tegen elkander strijden is zulks, dat als het een opgericht is, het ander moet vallen. Tot hiertoe heeft hij meer dan genoeg beweerd het priesterschap van Christus, zoo ontbreekt er niet meer aan, dan dat het oude priesterschap ophoude, hetwelk niet overeenkomt met het priesterschap van Jezus Christus: want in de eenige offerande van Jezus Christus, hebben alle geloovigen volkomen heiligheid. Hoewel men het Grieksche woord zou kunnen uitleggen:

Hij heeft vervuld, nochtans zeg ik liever: Hy heeft ze geheiligd,

omdat hier gehandeld wordt van dingen, die den dienst Gods aangaan. Waar hij nu zegt: Degenen die geheiligd worden, begrijpt hij onder deze woorden al de kinderen Gods, en vermaant ons dat wij verloren moeite zullen doen, elders de genade der heiligmaking te zoeken. Maar opdat de menschen niet meenen, dat Christus alsnu ledig in den hemel is, zoo zegt hij wederom: Dat Hij zit ter rechterhand des Vaders, door welke manier van spreken (gelijk op andere

141

ocr page 146

HEBREËN 10: 11-15.

plaatsen gezien is) te kennen wordt gegeven, heerschappij en macht Daarom behoeft men niet te vreezen, dat Hij gedoogen zal, dat de kracht van zijn dood wordt teniet gedaan, of blijft begraven. Hij (zeg ik) die hierom leeft, opdat Hij den hemel en de aarde met zijne kracht vervulle. En wat meer is, hij vermaant ons door de woorden van den psalm, hoelang deze staat of conditie duren zal, te weten, totdat Jezus Christus ganschelijk al zijn vijanden zal hebben neder-gelegd. Daarom is het zaak, dat ons geloof Jezus Christus zoekt, zittende aan de rechterhand Gods, en daar ganschelijk op rust, omdat Hij daar gezeten is; zoo zullen wij in het einde gebruiken de vrucht van deze overwinning; wij zullen (zeg ik) met ons Hoofd ons verblijden, zijnde ontkleed van dit vergankelijke vleesch, nadat onze vijanden, duivel, zonde, dood, en de gansche wereld verslagen en verwonnen zijn.

15 En de Heilige Geest. Het is niet zonder oorzaak, noch ook overtollig, dat hij hier voor de tweede maal de plaats van Jeremia bijbrengt. Hierboven gebruikt hij ze tot een ander einde, te weten, om te betoonen dat het Oude Testament moest teniet gedaan zijn, omdat een ander Nieuw Testament beloofd was: en dat om de zwakheid des ouden te verbeteren. Maar nu ziet hij op wat anders, want hij strijdt alleen met dit eene woord: Ik zal hun boosheid niet meer gedenken, en neemt hieruit, dat er geen gebruik der offeranden meer is, aangezien de zonden uitgewischt zijn. Het kon wel schijnen dat deze invoering niet al te krachtig ware. Want hoewel hiervoormaals in de wet en profeten ontallijke beloften van vergeving der zonden waren, nochtans zoo hield de kerk niet op voor dezelve offerande te doen: daarom sluit de vergeving der zonden de offeranden niet buiten. Maar zoo wij elk punt wat dieper inzien en onderzoeken, de oude vaders hadden onder de wet dezelfde beloften van de vergeving der zonden, die wij hedendaags nog hebben: en op dezelve rustende, riepen zij God aan, en roemden dat zij vergeving hadden verkregen. De profeet, nochtans als bijbrengende een nieuwe en ongehoorde rede, belooft dat onder het nieuwe verbond geen gedachtenis der misdaden en boosheden meer voor God zal wezen. Hieruit is te verstaan, dat de zonden alsnu vergeven worden op eene andere manier dan hiervoormaals placht te geschieden. Deze verscheidenheid is niet gelegen in het woord noch in het geloof: maar in de eigenlijke verdienste der vergeving. Alsnu gedenkt God de zonden en boosheden niet meer, omdat er van allen eens reini-ging geschied is. Anders had de profeet tevergeefs gezegd, dat dit de genade en weldaad des Nieuwen Testaments zou zijn, te weten, dat God de zonden niet meer gedenken zal. Verder, nu wij gekomen zijn aan het einde der redeneering, die hier behandeld is, aangaande het priesterschap van Jezus Christus, moeten de lezers met korte woorden vermaand zijn, dat hier de eigenvinding der papisten van het offer der mis niet minder nedergelegd wordt dan de offeranden der wet hier worden teniet gedaan. Zij zullen zeggen, dat hun mis een offerande is om de zonde uit te wisschen, zoowel van dooden als van levenden. Hiertegen zegt de apostel, dat de offerande geen plaats meer heeft, nadat de profetie van Jeremia vervuld is. Zij brengen bedriegelijk bij, dat het geen nieuwe offerande is, noch ook een andere dan Christus' offerande, ja dezelfde. En de apostel strijdt hiertegen, zeggende dat deze zelfde offerande niet opnieuw

142

ocr page 147

HEBREEN 10:15—19.

herhaald behoort te worden, en hij zegt niet alleen dat Christus'

offerande een eenige offerande is, maar dat Hij ook maar eens opgeofferd is geweest. Daarbij gevoegd, dat hij zeer dikmaals aan Jezus Christus de eer des priesterschaps alleen toeschrijft, zoodat er niemand genoegzaam daartoe bekwaam is, dan alleen Jezus Christus zelve. Zij hebben nog een andere uitvlucht, als zij het noemen offer zonder bloed: maar de apostel besluit zonder eenige uitzondering,

dat om offerande te doen, de dood geëischt wordt. Ook zoeken de papisten uitvluchten, als zij hier wederom op antwoorden, dat de mis een toeëigening is van het eenige offer, dat Christus eenmaal volkomenlijk volbracht heeft. Want de apostel leert het tegendeel, dat daarom door den dood van Christus de offeranden der wet zijn teniet gedaan, omdat in dezelve gedachtenis der zonden geschiedde.

Waaruit dan blijkt, dat deze manier van toeëigening opgehouden heeft. In één woord, de papisten mogen het werpen waar zij willen,

en hun uitvluchten aan alle plaatsen zoeken, nochtans zullen zij het niet kunnen ontvlieden, dat de tegenwoordige redeneering, die de apostel hier drijft, openlijk zal ontdekken, dat hun mis van vele schandelijke lasteringen van Christus vol is: want ten eerste betuigt de apostel, dat er niemand bekwaam is geweest om deze offerande te doen, dan Christus zelve alleen, en in de mis wordt Hij door eens anders handen opgeofferd. Ten tweede, drijft de apostel niet alleen dat Christus' offerande een eenige offerande is, doch dat ze ook maar eens geschied is, zoodat het een gruwel is, dat ze wederom in de mis herhaald wordt. Alhoewel zij snateren dat het één offerande, is, nochtans zoo blijkt het, dat ze dagelijks gedaan wordt, en zelf belijden ze zulks. De apostel kent geen offerande zonder bloed of dood: dit volk snapt dan tevergeefs, dat de offerande, die zij opofferen, zonder bloed is. Als er nu vergeving onzer zonden moet verworven worden, beveelt de apostel dat wij onze eenige toevlucht zullen hebben tot de eenige offerande, die Christus eenmaal aan het hout des kruises opgeofferd heeft: en onderscheidt ons met de vaderen door dit teeken, dat de manier des dagelijkschen offers teniet gedaan is door de toekomst van Christus. De papisten, opdat ons de dood van Christus vruchtbaar en profijtelijk zij, begeeren toevoegingen, die dagelijks door offerande mogen geschieden, zoodat de Christenen gansch niet verschillen met de Joden, anders dan met het uiterlijke teeken.

19 Dewijl wij dan, broeders! vrijheid hebben tot den ingang des Joh. 10 9; heiligdoms door het bloed van Jezus, Kom.'5; 2.

20 Door den nieuwen en levenden weg, dien Hij ons bereid heeft, ^ Ef. 2:10 door het voorhangsel, dat is, door zijn vleesch.

21 En [dewijl wij hebben] een grooten priester over het huis des Heeren;

22 Laat ons toegaan met een waarachtig hart en zekerheid des geloofs met een gereinigd hart van de kwade conscientie, en

het lichaam gewasschen met rein water. Ez- 36:25.

23 Laat ons een onbeweeglijke belijdenis der hope houden, want Hij, die het beloofd heeft, is getrouw.

19 Dewyl wij dan, broeders! Hij maakt hier een slotrede of korten inhoud van de voorgaande leer, waarbij hij een zeer gewichtige

143

ocr page 148

HEBREËN 10: 19, 20.

vermaning stelt, daartoe zeer wel dienende, en dreigt strengelijk hen, die de genade van Christus verworpen hebben. De inhoud is deze: Dat al de ceremoniën, waardoor men een toegang had onder de wet tot het heiligdom Gods, haar vaste waarheid hebben in Jezus Christus; alzoo dat het gebruik daarvan overtollig en onnut is, nu wij Christus hebben. Opdat hij dit nu te beter uitdrukt, zoo beschrijft hij beeldsprakig den toegang, dien wij door Christus hebben, want hij vergelijkt den hemel met het oude heiligdom, en hetgeen in Christus geestelijk vervuld is, stelt hij onder figuurlijke redenen voor. Het is wel waar, dat de allegoriën somtijds een zaak meer verduisteren dan verlichten, maar deze heeft niet weinig bekwaamheid, en brengt veel licht met zich, als de apostel de oude afbeeldingen der wet op Jezus Christus trekt: opdat wij bekennen zouden dat al hetgeen in de wet afgebeeld is geweest, alsnu in der waarheid in Christus geopenbaard is. En zoo hier bijna niet een woord is, of het is zwaarwichtig, zoo laat ons ook bedenken, dat hier een verborgen tegenstelling in is, die ons bewijst, dat de waarheid, die in Christus gezien wordt, de oude figuur en afbeeldingen teniet doet. Ten eerste zegt hij. dat wij vrijheid hebben tot den ingang des heiligdoms. Deze macht is den vaderen onder de wet nooit gegeven geweest: want het was het volk verboden in het zichtbare heiligdom te gaan, maar de hoogepriester droeg de namen van de twaalf geslachten op zijn schouder, en twaalf kostelijke gesteenten op zijn borst, ter gedachtenis van al het volk. Maar nu is het geheel wat anders: want wij hebben niet alleen door afbeelding een ingang tot den hemel, maar werkelijk door het middel van Jezus Christus, want Hij heeft ons tot een koninklijk priesterdom gemaakt. Hij zegt: Door het bloed van Jezus, en dat hierom : als de hoogepriester jaarlijks in het heiligdom ging, zoo werd de deur des heiligdoms niet geopend, of er moest bloed bij zijn. Maar hij toont naderhand wat onderscheid er is tusschen het bloed van Jezus Christus en het bloed der beesten: want omdat het beestenbloed terstond verdroogde, zoo kon het zijn kracht niet lang behouden: maar het bloed van Jezus Christus hetwelk niet bederven kan door eenige vervuiling, maar altijd vloeiende is, behoudt zijn levende kleur, dat ons genoegzaam zal zijn tot het einde der wereld. Men behoeft zich niet te verwonderen, al is het dat de offeranden der geslachte beesten geen macht hadden om levend te maken, aangezien het doode dingen waren: maar Jezus Christus verrezen zijnde van den dood, om ons het leven te brengen, laat het zijne op ons vloeien, om ons hetzelve deelachtig te maken. En dit is de eeuwige inwijding van den weg, dat het bloed van Jezus Christus voor het aangezicht des Vaders altijd vloeiende is, om hemel en aarde te besprengen.

2o Door het voorhangsel. Gelijk het voorhangsel de verborgenheden des heiligdoms bedekte, en nochtans den ingang opende, om daarin te gaan, alzoo ook, hoewel de Godheid verborgen is geweest in het vleesch van Jezus Christus, nochtans brengt ze ons tot in den hemel, en niemand zal God vinden, dan voor wien Christus de weg en de deur is. Hierom worden wij vermaand, dat de glorie van Christus niet geacht moet worden naar het uiterlijke aanzien des vleesches, en aan de andere zijde, dat wij zijn vleesch ook niet verachten moeten, aangezien het een voorhangsel is, hetwelk bedekt

144

ocr page 149

HEBREËN 10:20—22.

en verborgen houdt de mogendheid Gods, aangezien deze ons geleidt, om al de goederen Gods te gebruiken.

ai En dewijl wij hebben een grooten priester. Hier moet men weder gedenken, al wat hij hierboven gezegd heeft van de vernietiging des ouden priesterdoms: want Jezus Christus kan anders geen priester zijn, of deze eersten moeten van hun ambt afgezet zijn, aangezien het een andere ordening was. Hier geeft hij dan te kennen, dat men al hetgeen Christus met zijne toekomst veranderd heeft, nalaten zal. En hierdoor stelt Hij Zich uitdrukkelijk; over het huis des Heeren, opdat al degenen, die plaats in de gemeente willen hebben, zich aan Christus onderwerpen zullen, en Hem kiezen voor een leidsman en regeerder, en geen ander.

145

22 Laat ons toegaan met een waarachtig hart. Gelijk hij bewezen heeft, dat er niets in Jezus Christus, noch in zijne offerande is, dan wat geestelijk en hemelsch is, zoo wil hij ook, dat wat wij medebrengen daarmede overeenkome. De Joden reinigden zich vanouds met verscheidene besprengingen en wasschingen, om wel bereid te zijn tot godsdienst. Men moet zich niet verwonderen, dat de manier van reinigen vleeschelijk was, aangezien de godsdienst zelf, omwonden met vele schaduwen, nog vleeschelijk smaakte. Want men verkoos een sterfelijk priester uit de zondaren, die den dienst Gods een wijle tijds zou doen. Hij was wel gekleed met een kostelijk kleed, nochtans een kleed van deze wereld; en om zich voor het aangezicht Gods te vertoonen ging hij alleen bij de ark des verbonds; om zijn ingang te heiligen, zoo ontleende hij zijn offerande van een hoop onredelijke beesten; maar in Christus zijn al deze dingen veel uitnemender. Christus is niet alleen zuiver en onschuldig, maar de oorsprong van alle heiligheid en gerechtigheid, en is door een hemelsch bevel verordend hoogepriester, niet voor een korten tijd van dit sterfelijk leven, maar in der eeuwigheid. De eed is hierbij gevoegd tot een bevestiging. Hij komt om zijn ambt uit te richten, zijnde versierd met alle gaven des Heiligen Geestes, hebbende de allervolkomenste volmaaktheid. Hij verzoent God door zijn bloed, en bevredigt Hem met de menschen. Hij klimt boven alle hemelen, opdat Hij voor God verschijne als onze Middelaar en Advokaat. Waarom wij niets van onzentwege bijbrengen mogen, of het kome daarmede overeen, omdat er moet wezen een onderlinge overeenkomst tusschen den priester en het volk. En daarom worden alle uiterlijke wasschingen des vleesches verworpen en ternedergelegd, en al de praal der ceremoniën houdt op; want tegen al deze uiterlijke figuren stelt de apostel een waarachtig hart, en verzekerdheid des geloofs, en reiniging van alle boosheid. Hieruit mogen wij leeren, hoe wij behooren gesteld te zijn, om de weldaden onzes Heeren Jezus Christus te gebruiken en te genieten. Want men komt tot Jezus Christus niet, dan van ganscher en waarachtiger harte, met een zeker geloof, en zuivere conscientie. Hij stelt het waarachtige en oprechte hart tegen een geveinsd en dubbel hart. In dit woord zekerheid, toont hij welke de aard des geloofs is: en daarbenevens vermaant hij ons, dat de genade van Christus niet ontvangen kan worden, dan van die met zich brengt een ontwijfelbare gewisheid, die zeker en vast is. Hij noemt: Reiniging der harten van kwade conscientie, óf als wij voor God zuiver geacht worden, hebbende vergeving onzer zonden verkregen,

ao

Di vir.

ocr page 150

HEBREËN 10:22—24.

óf als het hart, gereinigd van alle booze beweeglijkheden des vlee-sches, niet meer knaagt. Ik neem beide gaarne onder dit woord. Wat daar volgt van het lichaam gewasschen met rein water, velen verstaan dit van den doop: maar het dunkt mij bewijselijker te zijn, dat de apostel een toespeling maakt op de ceremoniën der wet, en dat hij door dit middel, onder het woord water, den Heiligen Geest beduidt: gelijk Ezechiël daar ook van spreekt, zeggende; Ik zal rein water op u gieten, enz. De inhoud is, dat wij Christus deelachtig zijn, zoo wij geheiligd van lijf en ziel, tot Hem komen. Verder, dat deze heiliging een vast geloof is, een zuivere conscientie, zuiverheid des lichaams en der ziel, die daar komt van den Heiligen Geest, en volkomen is door derizelven, en niet een heiliging, die in een uiterlijken praal der ceremoniën gelegen is. Aldus vermaant Paulus ook 2 Cor. 7:1, de geloovigen, dat ze zich zullen reinigen van alle besmettingen des lichaams en des geestes, aangezien God hen aangenomen heeft tot kinderen.

23 Laat ons eene onbeweeglijke belijdenis der hope houden. Omdat hij de Joden hier vermaant tot standvastigheid, zoo stelt hij liever hope dan geloof. Want gelijk hope uit het geloof geboren wordt, zoo voedt het deze en onderhoudt ze ook tot het einde. Daarenboven zoo begeert hij de belijdenis, omdat het geen waar geloof is, dat zich voor de menschen niet openbaart. En het schijnt dat hij van bezijden bestraft de veinzing dergenen, die om de vriendschap hunner natie te behouden, te angstig de ceremoniën der wet onderhielden. Hij wil dan hebben, dat zij niet alleen gelooven van harte, maar dat zij ook inderdaad bewijzen zullen, in wat eer en hoe hoog geacht zij Jezus Christus houden. Verder moet naarstig aangemerkt zijn de reden, die hij daarna stelt, te weten: God, die het beloofd heeft, is getrouw: want ten eerste worden wij hierdoor geleerd, dat ons geloof rustende is op dit fundament, dat God waarachtig is. Deze waarheid is gelegen in de beloften; want opdat wij mogen gelooven, zoo moet Gods stem voorgaan, en een iegelijks stem zal niet bekwaam zijn om het geloof voort te brengen: maar alleen de beloftenis is het, waar het geloof op rust. Hieruit kan ook een onderlinge reden genomen worden van het geloof der menschen en Gods beloften: want ware het dat God niet beloofde, niemand zou gelooven.

24 En laat ons elkander aanmerken, tot ontsteking der liefde en der goede werken.

25 En onze toegadering niet verlaten, gelijk sommigen gewoon zijn, maar laat ons elkander vermanen, en dat des te meer dat gij ziet, dat de dag nadert.

26 Want zoo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, daar is geen offerande meer gebleven voor de zonde,

27 Maar een vreeselijke verwachting des oordeels, en hittigheid des vuurs, die de vijanden verslinden zal.

24 En laat ons elkander aanmerken. Ik twijfel niet, of hij spreekt hier inzonderheid tot de Joden, en dat hij hun voornamelijk deze vermaning toeschrijft. Men weet, hoe groot de eergierigheid van dit volk altijd is geweest, omdat zij van Abrahams afkomst

146

ocr page 151

HEBREEN 10:24.

waren: zij roemden zich, dat zij alleen waren degenen, die aangenomen waren in het verbond des eeuwigen levens, verwerpende alle anderen. En waren zeer opgeblazen door dit voordeel, verachtende ook alle andere geslachten, als hunner niet waardig: zoo wilden ze geacht zijn alleen voor de kerk Gods. En wat meer is, zij schreven zichzelven hoogmoedig toe den titel van kerk, als hun alleen eigen.

Om nu deze eergierigheid te verbeteren, hebben de apostelen groote moeite gedaan. En naar mijn verstand, is dit hetgeen waartoe des apostels rede strekt, dat de Joden niet bedroefd zullen zijn, al is het dat de Heidenen aan hen vergezelschapt zijn, en al is het dat zij met henlieden vereenigd zijn in één lichaam der kerk. Hij zegt eerst: Laat ons den een den ander aanmerken: want alstoen vergaderde God zijn kerk uit Joden en Heidenen, tusschen welke altijd groote twist geweest was. Alzoo dat deze gemeenschap was,

gelijk de bijeenbrenging van water en vuur. En hierdoor aarzelden de Joden, en scheidden zich van de Heidenen, omdat het hun onredelijk dacht, dat de Heidenen bij hen zouden worden vergeleken. De apostel zet tegen dezen verkeerden angel van den haat, die hen prikkelde, een anderen angel, te weten: der liefde. Want het Griek-sche woord, dat hij gebruikt, beteekent aanprikkeling. Opdat nu de Joden met nijd ontstoken, tegen de Heidenen den strijd niet aanvangen, vermaant hij ze tot een heiligen ijver, te weten, dat zij den een den ander verwekken en prikkelen zouden tot liefde. Wat terstond volgt, bevestigt deze uitlegging: Laat ons (zegt hij) niet verlaten onze vergadering. De samenstelling van het Grieksche woord moet aangemerkt zijn, want het beduidt hier niet alleen vergadering, maar Ef. 2:U. een toevergadering, vermeerderd door nieuwen aanwas. De middelmuur alstoen gebroken zijnde, vergaderde God degenen, die voortijds vreemd van de kerk geweest waren, om hen te vereenigen met zijne kinderen. Hierdoor werden de heidenen een nieuwe en ongewone aanwas der kerk. De Joden hebben dit geacht schande te zijn, alzoo dat er velen van hen in de gemeente wederspannig werden, meenende genoegzame oorzaak te hebben om dit te mogen doen, wegens deze vermenging der heidenen: want men kon hen niet licht wijs maken, dat zij van hun recht zouden afstaan. Zij meenden,

dat het recht der aanneming hun inzonderheid en eigenlijk toekwam. De apostel vermaant ze dan, dat ze niet opgewekt zullen worden de kerk te verlaten om deze gelijkheidswilie; en opdat hij ze niet schijne tevergeefs te vermanen, zoo verhaalt hij dat dit gebrek bij veel lieden gemeen is. Wij verstaan alsnu des apostels meening, en wat nood hem gedwongen heeft om deze vermaning te doen. Nochtans moeten wij hieruit een algemeene leer voor ons nemen: want met deze ziekte zijn nu schier alle menschen gekweld, te weten, dat elk zichzelven boven een ander wil zetten, en bijzonder die daar schijnen wat uit-nemender te zijn dan de anderen; dezen willen nauwelijks gedogen, dat die onder hen zijn, bij hen worden vergeleken. En wat meelis, daar is zoo groote stuurschheid bijna in alle menschen, dat een iegelijk schier wel een afzonderlijke gemeente alleen zou willen stellen, ware dat het in hun macht was. Want het valt zwaar, zichzelven naar andere lieden manieren te geven. De rijken zijn elkander benijdend; bijna zal er onder honderd niet e'e'n van hen wezen,

die de moeite zal willen doen, iemand van de schamelen, broeder te noemen. En tenzij de gelijkheid van gewoonten, vleierijen

147

ocr page 152

148 HEBREËN 10:24, 25.

en andere gemakkelijkheden ons aanlokken, zoo zal het zeer zwaar vallen om onder ons een voortdurende eendrachtigheid te houden. Daarom is ons deze vermaning meer dan noodig, opdat wij ook meer verwekt mogen worden tot liefde dan tot haat, en dat wij ons niet afscheiden van degenen, waarmede ons God vereenigd heeft; maar dat wij beminnen uit broederlijke liefde en goedigheid al degenen, die met ons vereenigd zijn in ée'n geloof. En voorwaar, wij behooren zorgvuldig te zijn om eendracht te beminnen: want de duivel waakt naarstig, opdat hij ons van de kerk van Christus afscheure, op wat manier het geschiede; ja hij doet al zijn listen, 't. opdat hij ons booselijk daarvan trekke. Dit zal geschieden, indien nie

mand zichzelven meer behaagt dan hij behoort te doen, en als wij allen naar dit doel streven, te weten, de een den ander tot liefde . j te verwekken, en dat er anders geen begeerte in ons is, dan om

goed te doen. Want voorwaar, versmading der broederen, twist, haat, veel te veel van onszelven te houden, en andere verkeerde • i prikkelen, geven genoegzaam getuigenis, dat er geen liefde in ons

is, of dat ze tenminste zeer verkond is. Nadat hij gezegd heeft: Niet verlatende onze toegadering, zoo voegt hij daarbij: maar liever de een den ander vermanen. Hierdoor te kennen gevende, dat alle geloovigen (op wat wijze zij kunnen) hun best moeten doen om de kerk van Christus te vergaderen: want wij zijn op zulke conditiën van den Heere daartoe geroepen, opdat wij geroepen zijnde anderen daar ook toebrengen zullen, en de verdwaalden wederom op den rechten weg zullen brengen, de hand reiken dengenen die gevallen zijn, en die nog vreemd zijn te winnen. Moeten , wij dan zooveel moeiten doen voor die nog vreemd zijn van het

■ . hoopken van Jezus Christus, hoeveel te meerder naarstigheid wordt

dan van ons geëischt, om onze broeders te vermanen, welke ons God aireede tot gezelschap bijgevoegd heeft? ' 25 Gelijk sommigen gewoon zjjn. Hieruit blijkt, dat de eerste

\lt;lt;' oorsprong van alle tweedracht hieruit gekomen is, dat de hoog-

;J;A moedige menschen de anderen verachtende, zichzelven meer behaagd

hebben dan recht was. Maar als wij nu hooren zeggen, dat er al-:v , reede in der apostelen tijden ontrouwe menschen gevonden werden,

welke de gemeente verlieten, zoo behooren wij te minder verschrikt of verslagen te zijn in de voorbeelden van wederspannigheid of af-V val, die wij in dezen tegenwoordigen tijd zien. Het is wel waar, dat

■V.' het geen kleine ergernis geeft, als die nu eenig teeken der god-

WÈf', vruchtigheid gegeven hadden, en die dezelfde belijdenis onzes ge-

loofs met ons gedaan hadden, wederom afvallen van den levenden God: maar omdat dit niets nieuws is, behooren wij daar te minder om beroerd te zijn, gelijk boven verhaald is. Verder, zoo heeft de apostel dit hierbij gezet, om te betoonen, dat hij alzoo zonder oorzaak niet sprak, maar omdat hij een noodzakelijk remedie bijbrengen zou tot de ziekte, die reeds zoo verspreid was. En dat des te meer. Sommigen meenen dat deze plaats overeenkomt met wat de heilige Bom. i3:ii. paulus zegt: Het is tijd dat wij van den slaap zullen opstaan, want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij geloofden. Maar het komt mij voor, dat hij vermaant van de laatste toekomst van Jezus Christus, welke verwachting ons bovenmate zeer behoort aan te drijven om heilig te leven, als zorgvuldig en ijverig te zijn om de kerk te vergaderen. Want om wat zaak zal Jezus Christus komen,

M

ocr page 153

HEBREËN 10:25, 26.

dan opdat Hij ons allen bijeenvergadere in deze verstrooiing, waarin wij nu menigerlei wijze dwalen? Daarom zooveel te meer als wij zien, dat de dag meer en meer naakt, zooveel te meer behooren wij te arbeiden, dat die afgedwaald en verstrooid zijn, wederom terecht mogen worden gebracht, en dat er maar één kudde en één herder zij. Zoo nu iemand vraagt, waarom het is, dat de apostel zegt, dat die nog zoo verre van de openbaring van Jezus Christus waren, den dag hebben zien komen, en dat hij terstond moest komen, ik antwoord, dat van den beginne des rijks van Jezus Christus de kerk alzoo verordend is geweest, dat de geloovigen zichzelven moesten voorstellen, dat de Richter Christus zeer haastelijk komen zon. En voorwaar, zij zijn niet bedrogen geweest door valsche inbeelding,

als zij bijna bereid zijn geweest elk oogenblik, om Jezus Christus te ontvangen: want in zulke gestalte is de kerk van Jezus Christus geweest, na het verkondigen des Evangelies, zoodat die gansche tijd waarlijk en eigenlijk genoemd wordt de laatste tijd. Daarom, die nu over langen tijd dood zijn, hebben niet minder onder de laatste tijden geleefd dan wij. De spotters en neuswijze menschen bespotten en belachen in dit stuk onze simpelheid, en achten voor fabelen al wat wij gelooven van de verrijzenis des vleesches, en van het laatste oordeel. Maar opdat ze ons geloof niet hinderlijk mogen zijn met hun beuzelen, zoo zegt de apostel door den Heiligen Geest ons vermanende allereerst hiertegen: Dat duizend jaar voor 2 Petr. God als één dag zijn: alzoo dat geen tijd ons lang mag schijnen, zoo menigmaal als wij denken aan de eeuwigheid des hemelrijks. En daarbenevens dat Jezus Christus, nadat Hij alles vervuld had, hetwelk tot onze zaligheid diende, ten hemel is geklommen: zoo is het wel zaak, dat wij gedurig altijd wachten zijn tweede verschijning, en achten dat elke dag de laatste is.

26 Want zoo wij willens zondigen. Hij bewijst hier, wat wreede wrake hun van God nakende is, allen die daar afwijken van de genade van Jezus Christus, alzoo dat zij genoeg zijnde beroofd van hun eeuwige zaligheid, alsnu tot eenen zekeren val verordend zijn. Novatianus met al de zijnen hebben zich wel eertijds met deze plaats gewapend, om zonder onderscheid weg te nemen alle hoop van vergeving al dengenen, die na het doopsel in zonden zouden gevallen zijn. Die nu zijn valsche beschuldiging niet konden wederleggen, hebben liever dezen zendbrief geen geloof gegeven, dan in zulk vreemd gevoelen in te stemmen. Maar de ware uitlegging van deze plaats, al heeft ze ook van elders geen hulp, zal genoegzaam wezen uit zichzelve, om de onwetendheid van Novatianus te wederleggen. De apostel noemt ze hier zondaren, niet die hier- of daarin zondigen, maar die de gemeente verlaten hebbende, zich gan-schelijk vervreemden van Christus: want hij handelt hier niet van eenige zekere soort van zonden alleen, maar hij straft ze namelijk, die zichzelven moedwillig beroofden van de gemeenschap der kerk.

Daar is een groot onderscheid tusschen dagelijksche gemeene zonden, en zulke algemeene afwijking, waardoor het geschiedt, dat wij ons ganschelijk afsnijden van de genade van Jezus Christus. Omdat dit nu niet geschieden kan dan dengenen, die verlicht zijn geweest,

zegt de apostel hierom: Zoo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, alsof hij zeide: zoo wij willens en wetens de genade verwerpen, die wij ontvangen hebben.

149

ocr page 154

HEBREËN 10 ; 26, 27.

Alsnu kan men klaarlijk zien, hoeveel het scheelt, dat deze sententie overeenkomt met de dwaling van Novatianus. Dat nu de apostel hier anders niemand mede meent dan de afgewekene Christenen, blijkt uit het verband: want zijn arbeid strekt hiertoe, dat die eenmaal in de kerk zijn aangenomen, haar niet zouden verlaten, gelijk sommigen aireede gedaan hadden. En zegt dat voor zulken geen offerande meer is, omdat zij willens zondigen, nadat zij de kennis der waarheid hebben gehad. Nu is het alzoo, dat Christus Zichzelven den zondaren dagelijks aanbiedt, die in de een of andere zonde gevallen zijn, alzoo dat zij geen andere offerande behoeven te zoeken om hun zonden uit te doen; zoo zegt hij dan, dat er geen offerande meer is voor die daar afwijken van den dood van Jezus Christus, hetwelk niet geschiedt door een bijzondere zonde, maar als men het geloof ganschelijk verwerpt. Hoewel nu deze strafheid Gods verschrikkelijk is, en dat ze ons wordt voorgesteld, opdat ze ons een vreeze zou aanjagen, nochtans kan men God niet beschuldigen van wreedheid. Want nu het alzoo is, dat de dood van Christus ons eenig hulpmiddel is, waardoor wij verlost zijn van den eeuwigen dood: die nu de kracht en weldaad daarvan vernietigen, zooveel als in hen is, zijn dezen niet wel waardig, dat bij hen niets blijve dan mistroostigheid? God noodigt dagelijks allen die in Christus blijven tot verzoening, zij worden dagelijks besprengd met het bloed van Jezus Christus, hun zonden worden dagelijks uitgewischt door zijn eeuwige offerande. Is het nu alzoo, dat wij buiten Hem geen zaligheid mogen zoeken, laat ons dan niet verwonderd zijn, dat die Hem verlaten moedwillig van Hem wijken, beroofd worden van alle vergeving der zonden. Dat is het wat het woord meer, te kennen geeft: want de offerande van Jezus Christus strekt den geloovigen tot in den dood toe ter zaligheid, hoewel zij zeer dikmaals zondigen. Ja daardoor blijft de kracht dezer offerande altijd durende, omdat wij zonder zonde niet kunnen zijn, zoolang als wij in dit sterfelijk vleesch zullen wezen. De apostel spreekt dan alleen van die goddeloos van Christus wijkende, zichzelven beroovende zijn van de weldaad van Christus. Deze woorden: Nadat wjj de kennis der waarheid ontvangen hebben, zijn daarbij gesteld, om hun ondankbaarheid meer te bezwaren. Want die al willens, en met moedwillige boosheid het licht Gods, dat God in zijn hart ontstoken had, uit-bluscht, wat zal deze voor God toch kunnen voorstellen, om zich zeiven te verontschuldigen ? Daarom zoo laat ons hier leeren, de waarheid, die ons aangeboden is niet alleen aan te nemen met eerbied en bekwame leerzaamheid des geestes, maar om gedurig te volharden in hare kennis, opdat deze straf der verachting op ons niet kome.

27 Maar een vreeselijke verwachting. Hiermede meent hij het gekwel van eene booze conscientie, die de ongeloovigen voelen, welke niet alleen geen smaak hebben van de genade Gods, maar nadat zij den smaak gehad hebben, zoo gevoelen zij eeuwig beroofd te zijn van Gods barmhartigheid door hun eigen schuld. Dezen moeten voorwaar niet alleen van binnen gevoelen eenige knijping of knaging, maar worden ook wonderbaar gepijnigd en doorhouwen. En hieruit komt dat zij hardnekkig tegen God murmureeren, omdat zij zulk een straffen richter niet verdragen kunnen. Zij beproeven wel om hun best te doen, om van hen te stooten het gevoelen, dat

150

ocr page 155

HEBREËN 10: 27, 28.

zij van Gods toorn hebben, maar het baat hun niet: want zoo haast als God hun een weinig bijstand geeft of laat rusten, terstond daarna als Hij ze wederom voor zijn rechterstoel brengt, zoo dringt Hij ze met pijn, die zij vóór alle dingen vlieden. Hij voegt daarbij, hittig-heid des vuurs, te kennen gevende met dit woord hittigheid, een heftige vurigheid en geweldigen brand, naar mijne meening. In dit woord vuur is een beeldspraak, die genoeg gemeen is. Want gelijk de boozen nu branden door de vrees en verschrikking voor Gods toorn, zoo zullen ze volgens dezen tekst ook hiernamaals gebrand worden. Ik weet wel, dat de Sophisten diepzinnig philosopheeren van dit vuur, maar ik acht hun beuzelen en eigenvindingen niet. Aangezien het kennelijk is, dat het dezelfde manier van spreken is, als de Schrift het vuur bij den worm voegt. Niemand twijfele hieraan, ^ed. 7:io. of zij noemt den worm bij gelijkenis alzoo, dat is de vreeselijke es- •

pijn der conscientiën, waarvan de goddeloozen en ongeloovigen geknaagd worden. Die de vijanden verslinden zal. Hij zal ze verslinden op zulke wijze, dat hij ze zal verdelgen en niet verteren:

want hij zal niet kunnen worden uitgebluscht. Door dit middel vermaant hij ons, dat die geweigerd hebben plaats te genieten onder de geloovigen, nadat zij hun gegeven is, in het getal der vijanden van Jezus Christus zijn: want daar is geen middel hiertusschen te vinden, of het moet zoo zijn, dat die de kerk Gods verlaten, ganschelijk den duivel overgegeven zijn.

28 Zoo iemand de wet van Mozes verwerpt, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen. Num. 35:30.

29 Hoeveel zwaarder straf meent gij, dat hij zal waardig geacht fg6quot;1^17'2' worden, die den Zoon Gods vertreden heeft, en het bloed des Matt. 18:16. testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, 2 cor. 13! i. en den Geest der genade versmaad heeft?

80 Want wij kennen Hem, die gezegd heeft: Mijne is de wrake, Dimt- 32 :35. Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom; De Heere sir. 28:i. zal zijn volk richten. Deut- 32:36-

31 Het is vreeselijk te vallen in de handen des levenden Gods.

28 Zoo iemand de wet van Mozes verwerpt. Dit is een bewijs van het mindere tot het meerdere: want is het breken der wet van Mozes een zonde geweest waardig met den dood gestraft te worden, hoeveel te meerder straf zal dan het verwerpen des Evangelies verdienen, welke met zoo vele en wreede heiligschennissen omwonden is? Deze manier van bewijzen diende eigenlijk om de Joden te bewegen: want de wreede straf tegen de afvalligen van de wet, kon hun niet nieuw dunken, noch ook bovenmate streng te zijn. En daarom moeten ze de wraak bekennen oprecht te zijn, onder welke God hedendaags zijn Evangelie opricht, hoe straf zij ook zou mogen zijn. Verder wordt hiermede bevestigd wat ik hierboven gezegd heb. Want de wet zelve strafte niet met den dood alle wijze van overtredingen, maar wel afvalligheid, te weten, als iemand ganschelijk de religie verlaten had. Want de apostel heeft gezien op de uitspraak in Deuteronomium 17:2: Zoo iemand overtreedt het verbond des Heeren uws Gods om vreemde goden te dienen, gij zult hem doen uitgaan buiten de poorten, en zult hem steenigen,

en hij zal sterven. Hoewel nu de wet van God gekomen is, en dat

151

ocr page 156

HEBREËN 10 : 28, 29.

Mozes geen auteur daarvan is, dan alleen een dienaar: nochtans noemt de apostel ze de wet van Mozes, omdat ze door zijne handen gegeven is, en dat daarom, omdat hij te meer de waardigheid des Evangelies zou grooter maken, welke gekomen is van den Zone Gods. Onder twee of drie getuigen. Dit dient niet tot de tegenwoordige plaats, maar het is een stuk van Mozes' ordening, dat er twee of drie getuigen verzocht werden, om iemand te overtuigen van zijn misdaad. Nochtans leiden wij hieruit te zekerder af, wat zonde de apostel hier heeft willen aanteekenen: want was dit hier niet bijgevoegd geweest, de deur was geopend geweest voor vele valsche tegenwerpingen. Maar alsnu is zulks buiten kijf, en spreekt hij hier van afvalligheid. Irïtusschen moeten wij waarnemen de gelijkheid, die alle overheden bijna gevolgd hebben, te weten, dat niemand zal veroordeeld worden, tenzij hij eerst verwonnen is door twee getuigen.

29 Die den Zoon Gods vertreden heeft. Dit is den afvalligen der wet en des Evangelies gemeen, te weten, dat ze beiden te gelijk zonder eenige genade sterven, maar de manier van den dood is verscheiden ; want de apostel verkondigt niet alleen den versmaders of afvallers des Evangelies van Jezus Christus den lichamelijken dood, maar ook de eeuwige verdoemenis. Hierom zegt hij, dat dezen een zwaarder straf verdiend hebben. Hij verklaart met drieëerlei spreekwijze de afwijking der christenheid: want hij zegt, dat hierdoor de Zoon Gods met voeten getreden wordt; dat zijn bloed ontheiligd wordt, en dat de Geest der genade versmaad wordt. Nu is het erger, iets met voeten te vertreden, dan te verwerpen, en de waardigheid van Jezus Christus is ongelijk grooter, dan die men aan Mozes toeschrijven mag. Daarbij gevoegd, dat hij niet alleen het Evangelie tegen de wet stelt: maar de persoon van Christus en van den Heiligen Geest, tegen den persoon van Mozes alleen. En het bloed des testaments. Door de vergelijking der weldaden vermeerdert hij hier de ondankbaarheid. Voorwaar, het is een zeer booze daad, het bloed van Jezus Christus te ontheiligen, hetwelk de oorzaak is van onze heiligmaking. Dezen doen dan zulks, die van het geloof van Jezus Christus afwijken: want ons geloof heeft zijn opzicht niet op eenige leer die naakt is, maar op het bloed, waarop onze zaligheid gebouwd is. En daarom noemt hij het: Het bloed des testaments, omdat alsdan de beloften aan ons bevestigd zijn, als er dit pand bijgevoegd is. Maar hij toont welke het middel is van onze bevestiging, als hij zegt: waardoor wij geheiligd zijn, omdat het uitgestorte bloed ons niet baten zou, zoo wij daarmede niet besprengd worden door den Heiligen Geest. Vandaar komt de reiniging en heiligheid. Nochtans maakt hij daarbenevens een toespeling op de gewoonte van de besprenging des Ouden Testaments, welke ganschelijk niet diende tot de ware heiligmaking, maar alleen een schaduw of afbeelding was van het bloedvergieten van Jezus Christus. Den Geest der genade. Hij noemt Hem den Geest der genade, met het oog op zijn werk, omdat wij door Hem en door zijn kracht de genade genieten, die ons in Jezus Christus is aangeboden : want Hij is het, die ons verstand met geloof verlicht, die de aanneming der kinderen Gods in onze harten verzegelt, die ons herbaart in nieuwigheid des levens, die ons inlijft in het lichaam van Jezus Christus, opdat Hij in ons leve, en wij in Hem. Zoo wordt

152

ocr page 157

HEBREEN 10 : 29, 30.

Hij dan met goed recht de Geest der genade genoemd, door welken Jezus Christus ons deelachtig wordt met al zijn goed. Het is voorwaar bovenmate een zeer groote boosheid en goddeloosheid Hem ongelijk te doen, die ons zooveel goeds doet, ja zoo uitnemend goed. Hieruit kan men afleiden, dat allen die al willens de genade des Heiligen Geestes misbruiken, die haar gegeven was, Hem geweld en onrecht doen. Daarom is het geen wonder, dat God zoo straf zulke schandelijke zonde straft. Men moet zich niet verwonderen, al onteert Hij ze, die het bloed des Middelaars Jezus Christus met voeten hebben getreden, die alleen van den Vader voor ons verwerven kan hetgeen ons van noode is. Men moet zich ook niet verwqnderen, al sluit Hij den weg der zaligheid toe voor die den eenigen Leidsman des levens verwerpen en verstooten hebben, hetwelk is de Heilige Geest.

30 Want wü kennen Hem. Deze twee plaatsen zijn genomen uit Deut. 32 : 35. Aangezien Mozes daar belooft, dat God wrake zal doen over het onrecht, hetwelk zijn volk geschied is, en het schijnt dat wat hier van de wrake gezegd is, met geweld en niet eigenlijk daartoe getrokken is: want waartoe strekt des apostels rede hier nu? Hij zegt, dat de goddeloosheid dergenen, die met God gespot hebben, niet ongestraft zal blijven. En de heilige Paulus in Rom. 12 : 19 gevolgd hebbende het recht verstand dezer plaats van Mozes, brengt ze tot een anderen zin. Want ons willende vermanen tot lijdzaamheid, gebiedt hij dat men God plaats zal geven om wraak te nemen, aangezien het zijn ambt is, en bewijst dat door dit getuigenis van Mozes. Maar daar valt geen zwarigheid, om een bijzondere uitspraak te trekken op een algemeene waarheid. Hoewel dan de meening van Mozes is, om de geloovigen te vertroosten, hen verklarende, dat God het ongelijk wreken zal, hetwelk is geschied, nochtans kan men altijd uit deze woorden nemen, dat het eigenlijke ambt Gods is, de boozen te straffen. En die daar bewijst door dit getuigenis, dat Gods verachting niet ongestraft zal blijven, omdat God een rechtvaardig rechter is, welke het wraakambt aan Zich houdt, deze misbruikt de autoriteit van Mozes niet. Hoewel de apostel hier zijn argument wel zou kunnen maken van het mindere tot het meerdere, op zulke wijze; God belooft dat Hij niet gehen-gen zal, dat het geweld, hetwelk zijn' volk geschied is, ongestraft zal blijven, en betuigt, dat het aan Hem niet ontbreken zal, daarover wraak te nemen. Straft Hij nu het ongelijk, dat den menschen geschied is, zoo is de vraag, of Hij zijn eigen ongelijk, dat Hem geschied is, niet wreken zal? Zal Hij zoo weinig zorgen en opzicht hebben op zijn glorie, dat als men Hem onrecht of smaad aandoet, dat Hij hierin veinzen zal en dit niet achten ? Maar wat ik hierboven gezegd heb, is eenvoudiger en minder gedwongen, te weten, dat alleen door den apostel bewezen is, dat Gods verachting niet ongestraft zal blijven, aangezien zijn ambt is, de boozen te vergelden naar hunne verdiensten. De Heere zal zijn volk richten. Hieruit komt ook een dergelijke of grooter zwarigheid, omdat het schijnt dat de meening van Mozes op de tegenwoordige zaak niet past. Het schijnt, dat de apostel deze plaats alzoo bijbrengt, alsof Mozes dit woord richten, gezet had voor straffen. Maar nu het alzoo is, dat Mozes bijwijze van uitlegging terstond daarna daarbij voegt. Hij zal barmhartig zijn over zijne heiligen, zoo blijkt hieruit, dat dit

153

ocr page 158

154 HEBREËN 10: 30, 31.

woord oordeelen genomen is voor een regeerder te zijn, gelijk daarvan het gebruik zeer dikmaals is in de Hebreeuwsche taal. Aangezien het zoo is, zoo schijnt dat dit niet veel dient tot de tegenwoordige zaak. Maar die dit alles wel indenken en doorzien zal, zal bekennen, dat deze plaats eigenlijk en ook wel van pas bijgebracht is. Want God kan zijn kerk niet regeeren, of Hij moet reinigen en in goede ordening stellen de dingen, die daar verwoest zijn. Daarom behoort met recht dit regeeren verschrikkelijk te zijn voor de huichelaren, die alsdan zullen gestraft worden, als de Vader des huisgezins zelve den last aannemen zal om goede ordening in zijn huis aan te richten, en dat, omdat zij ten onrechte plaats onder de geloovigen genomen hebben, en den heiligen naam Gods ontrou-welijk misbruikt hebben. Met dien verstande is gezegd, dat God opstaat om zijn volk te richten, als Hij de ware geloovigen onderscheidt van de huichelaren in Ps. 50: 1, en in Ps. 125:3, waar de profeet zegt, dat de genoemde behooren uitgebannen te zijn, opdat zij niet wederom zoo stout zouden worden, en zich roemen dat zij van de gemeente zijn, omdat God ze laat doen wat zij willen; zoo verkondigt hij dat Israël vrede zal hebben, nadat dit oordeel vervuld zal zijn. De apostel spreekt dan niet kwalijk, als hij vermaant, dat God in zijn kerk de vorst zal zijn, en niets nalaat, waardoor zij wel en oprechtelijk kan geregeerd worden, opdat zij al te zamen zich zorgvuldig leeren houden onder zijn heerschappij, en gedenken dat zij hunnen Richter rekening moeten doen. Hierdoor besluit hij, dat het vreeselijk is te vallen in de handen des levenden Gods. Want een sterfelijk mensch, hoe tiranniek hij zij, kan nochtans na den dood zijn moedwil niet bedrijven: maar de macht Gods is in zoo enge palen niet gedwongen. En wat meer is, wij bedriegen dikmaals de menschen, maar wij zullen het oordeel Gods niet kunnen ontvlieden. Daarom die daar denken zal, dat hij met God te doen heeft, die moet (tenzij hij zeer onverstandig is) ernstig verschrikken en beven. Ja het moet geschieden, dat zulk een aantasting Gods den mensch verslinden zal, dat geen weedom noch pijn, bij dit gevoel of die aantasting zijn te vergelijken. In één woord, zoo dikmaals als ons vleesch liefkoost en aanlokt, of dat wij onszelven in ons zondigen pluimstrijken, deze eenige vermaning behoort ons genoegzaam te zijn om ons te waarschuwen, te weten, dat het een vreeselijk ding is, te vallen in de handen des levenden Gods: wiens gramschap met zoovele verschrikkelijke kwellingen gewapend is tot de eeuwige verdoemenis. Nochtans schijnt, dat de uitspraak Davids hier-2Sam.24:u. mede strijdt, als hij zegt: dat het beter is te vallen in Gods handen, dan in de handen der menschen. Maar deze kwestie zal kortaf te slechten zijn, zoo wij aanmerken dat David hebbende een zeker betrouwen op de barmhartigheid Gods, Hem liever verkoos tot een richter dan de menschen. Want aangenomen dat hem bekend was, dat God met recht tegen hem verstoord was, nochtans is zijn betrouwen, dat God Zich zal laten verzoeten, omdat hij met een ootmoedig hart ganschelijk steunde op de belofte der genade. En omdat hij zich God alzoo voorstelt, als die te verbidden is, zoo moet zich niemand verwonderen, al is het dat hij minder zijn gramschap vreest, dan der menschen. Maar hier verkondigt de apostel, dat Gods gramschap dengenen verschrikkelijk is, die beroofd zijn van alle hope om vergeving te verwerven, en niet meer hebben te verwach-

ocr page 159

HEBREËN 10:31, 32.

ten, dan de uiterste straf, omdat zij aireede der genade Gods de deur gesloten hebben. Wij weten, dat God ons op verscheiden manieren beschreven wordt, en dat naar den aard en gestalte der men-schen, met welke Hij spreekt. En dat is hetgeen wat David zeggen wil in Ps. 18:27: Bij den vrome zijt Gij vroom, en bij den verkeerde verkeerd.

32 Gedenkt de voorgaande dagen, in welke gijlieden verlicht zijnde, een groeten strijd der verdrukking verdragen hebt.

33 Eensdeels, als gij in versmaadheid en verdrukking een schouwspel geworden zijt, anderdeels, als gij medegenooten geworden zijt dergenen, die alzoo gehandeld werden.

34 quot;Want gijlieden hebt met mijne banden geleden, en de rooving uwer goederen met vreugde toegelaten, als die gijlieden wist, dat gij voor uzelven een beter en blijvend goed in de bemelen hebt.

35 Werpt dan uw vertrouwen niet weg, hetwelk met groot loon

vergolden wordt.

32 Gedenkt de voorgaande dingen. Opdat hij de Joden temeer aanspore, en bekwamer make tot alle standvastigheid, zoo wekt hij hunne zinnen op, verhalende de getuigenissen en goede teekenen der godvruchtigheid, die zij tevoren hadden bewezen. Want het is schande, als men wel begonnen heeft, dat men het werk alsdan ten halve laat staan, en nog veel meerder schande, achterwaarts te deinzen, als men nu in het werk al ver gevorderd is. Hebben wij ons dan vromelijk en getrouw gedragen onder onzen hoofdman Christus, zoo mogen wij met goede manieren en tot ons profijt gedachtig zijn den schuldigen plicht, die van ons in het strijden is geschied, niet dat wij uitvluchten zoeken zullen van flauwheid en vermoeidheid, en rusten alsof wij onszelven in alles wel gekweten hadden: maar integendeel, wij zullen ons bereiden wel gemoed, en alzoo volbrengen, wat aan onzen loop nog ontbreekt. Want Christus heeft ons op deze voorwaarde niet geroepen, dat wij na sommige jaren wederom verlof zullen begeeren, als ruiters die hun tijd uitgediend hebben, maar dat wij volharden zouden in onze bezoldiging tot het einde toe. Verder vermeerdert hij de vermaning, als hij zegt, dat zij aireede prijselijke en treffelijke daden gedaan hadden, en dat in die tijden, toen zij nog eerst aankome-melingen waren, en dat het hun daardoor zooveel te meerder schande zou zijn, zoo zij, (die alsnu lang verzocht zijn) den moed verloren gaven. Want dit deelwoord verlicht, strekt tot dien tijd, in welken zij zich eerstmaal in den dienst van Jezus Christus begonnen te begeven. Alsof hij zeide: Zoo haast als gij het geloof in Christus begon aan te nemen, hebt gij menigen harden strijd wederstaan: daarom, zoo behoort u de groote bezochtheid alsnu meer bevestigd te hebben om welgemoed te zijn. Nochtans vermaant hij ze ook daarbe-nevens, dat wat zij geloofd hebben, door de genade Gods is geschied, en niet door hun eigen vernuft: want zij worden hier genoemd verlicht te zijn, die tevoren in duisternis lagen, en hebben geen oogen om te zien, tenzij hun het licht van boven verschijne. Daarom zoo dikmaals als ons in gedachtenis komen de dingen, die wij gedaan of geleden hebben om Christus, laat die ons prikkelen zijn, die ons aansporen om altijd meer en meer toe te nemen in Christus.

155

ocr page 160

HEBREËN 10:33, 34.

33 Eensdeels als gij in versmaadheid. Wij zien tot wat volk hij spreekt, te weten, welks geloof niet met kleine ervaringen beproefd was, en nochtans houdt hij niet op om hen te vermanen altijd tot grooter dingen. Daarom, niemand bedriege zichzelven door valsche pluimstrijkerij, alsof hij al aan het einde der volkomenheid gekomen ware, of niet van noode had van iemand aangespoord te worden. Hij zegt: Dat zjj een schouwspel geworden zjjn door versmaadheid en verdrukking, alsof ze op schavotten waren gesteld geweest. Waaruit wij afleiden mogen, dat de vervolgingen, die zij geleden hebben, zeer groot zijn geweest. Maar wij moeten vlijtig aanmerken het ander stuk, als hij zegt: Dat zjj medegenooten geworden zijn dergenen, die alzoo gehandeld werden, te weten, der geloovigen, en dat in hunne vervolgingen. Want aangezien de zaak, waar alle geloovigen voor strijden, Christus' zaak is, en onder henlieden gemeen is: al hetgeen een van henlieden lijdt, dat behooren de anderen bijwijze van spreken op zich te trekken, en hetzelve te nemen alsof zij zeiven leden. En voorwaar, wij moeten alzoo doen, zoo wij ons van Christus Jezus niet afzonderen en afscheiden willen.

34 Gijlieden hebt met vreugde toegelaten. Daar is niet aan te twijfelen, of hun verlies van goederen heeft hen bedroefd, gelijk zij in der waarheid menschen waren der beweeglijkheid onderworpen, maar hun droefheid is alzoo geweest, dat zij die blijdschap niet verhinderde, waarvan hier de apostel spreekt. Omdat armoede geacht wordt onder tegenspoed, zoo is goedverlies, als het op zichzelve genomen wordt, wel een oorzaak van droefheid: maar omdat zij hooger zagen, zoo ontvangen ze een oorzaak tot blijdschap, door welke al de pijn en droefheid die zij hadden, verzoet werd. Alzoo behooren onze zinnen afgekeerd te zijn van deze wereld, en te zien op de eeuwige vergelding. En ik zeg anders niet, dan dat de geloovigen zulks bevinden. En voorwaar, wij nemen met blijdschap aan, wat wij ons laten dunken, dat tot de zaligheid dient. Nu is het gewis en zeker, dat de kinderen Gods dat gevoelen hebben in den strijd, dien ze tot de grootmaking van onzen Heere Jezus Christus aannemen. Daarom kan hun de beweeglijkheid des vleesches nimmer alzoo door pijn verdrukken, of zij heffen hunlieder hart op naar den hemel, zoodat zij door dit middel in een geestelijke vreugde komen. En dat geeft deze reden te kennen, die hierna volgt. Wetende (zegt hij) dat gij voor uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen hebt. Zij leden dan met blijdschap de berooving hunner goederen: niet dat zij daar genoegen in hadden, dat zij beroofd werden, maar omdat hun zinnen opgeheven waren tot vergelding, zoo vergaten zij lichtelijk de pijn, die zij ontvingen door het gevoel des tegenwoordigen verdriets. En voorwaar, waar de smaak der eeuwige goederen heerscht, daar heeft de wereld met al haar aanlokkingen zooveel smaaks niet, dat het gevoel van armoede of schande met eenige pijn de zinnen gansch verdrukken kan. Daarom, willen wij lijdzaam en blijde alle dingen om Jezus Christus verdragen, zoo laat ons onszelven gewoon maken dikmaals deze gelukzaligheid te overdenken: bij welke al de goederen dezer wereld niet te achten zijn dan drek en vuiligheid. Hierbenevens zullen wij niet vergeten wat hij zegt: Wetende in uzelven, dat gij een beter goed in de hemelen hebt. Want het is zaak, dat een iegelijk in zichzelven besluit, dat de erve, die God zijnen kinderen beloofd

156

ocr page 161

HEBREËN 10:34—36.

heeft, hem toebehoort, zoo zal hem niet veel baten de algemeene kennis en wetenschap.

35 Werpt dan uw betrouwen niet weg. Hij toont wat het is,

wat ons allermeest in volstandigheid bevestigt, te weten, zoo wij ons betrouwen bewaren: want zoo wij het verwerpen, berooven wij onszelven van het loon, dat ons voorgesteld is. Waaruit blijkt, dat dit betrouwen het fundament is van wel en heilig te leven. Dat hij nu dit woord loon gebruikt, daarmede verkort hij ganschelijk niet de belofte der zaligheid, die uit genade geschiedt; want de geloo-vigen bekennen, dat hun arbeid niet tevergeefs is, nochtans steunende alleen op de barmhartigheid Gods. Hiervan hebben wij op een andere plaats genoeg gesproken, te weten, hoe het woord loon niet strijdt met de genadige toerekening der gerechtigheid.

36 Want verdraagzaamheid is u van noode, opdat gijlieden den Luk- 21:19quot; wil Gods gedaan hebbende, de belofte verkrijgen moogt.

37 Want nog een zeer weinig [tijds, en] Hij die te komen staat, quot; : ^6. zal komen, en zal niet vertoeven. 5:io.

38 Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven: en zoo [iemand]

wijkt, zoo zal mijn ziel in hem geen behagen hebben. Gal. 3;li.

39 Maar wij zijn niet van de afwijking tot verderving, maar van Joli' 3'36' het geloof tot zaligheid der zielen.

HET ELFDE HOOFDSTUK.

1 En het geloof is een verzekerdheid der dingen die men hoopt,

en een bewijs der dingen, die men niet ziet.

Lijdzaam-

_ , , , . a T-r.. , heid is den

36 quot;X y^ant verdraagzaamheid is u van noode. Hij zegt, dat geioovigen \/\/ lijdzaamheid ons van noode is, niet alleen omdat men val1 nooae-» V volharden moet tot het einde, maar omdat de satan on-tallijke middelen heeft om ons te verstoren. Zoo wij niet voorzien waren met een wonderbare lijdzaamheid, wij zouden duizendmaal den moed verloren geven, vóór wij ooit ter halverwege van onzen loop zouden mogen komen. Het is wel waar, dat de erfenis des eeuwigen levens ons aireede verzekerd is: maar omdat dit leven is gelijk een loopbaan, moeten wij altijd ons best doen om tot het rechte einde te komen. Velerhande beletselen en zwarigheden komen ons op den weg tegemoet, welke ook niet alleen daar zijn om ons te doen vertoeven, maar om onzen aanvang ganschelijk te breken,

tenzij wij een wonderbare standvastigheid hebben om te wederstaan,

en ons ganschelijk daartegen stellen. Satan gaat listig om, ons allerlei moeilijkheden voortbrengende, opdat wij den moed zouden verloren geven. In één woord, een Christen zal nimmermeer twee treden voortgaan zonder vermoeid te worden, tenzij hij door lijdzaamheid onderhouden worde. Daarom is dit het eenige middel, hetwelk ons volstandiglijk zal doen volharden. Wij zullen ook anders Gode niet gehoorzaam zijn, noch immer de eeuwige beloofde erfenis genieten,

welke hij hier bij overnoeming belofte noemt.

157

ocr page 162

158 HEBREËN 10:37.

r

l .V

37 Want nog een zeer weinig tjjds. Opdat wij niet vermoeid worden in het lijden, zoo vermaant hij ons, dat de tijd niet lang zal zijn. Daar is niets dat eigenlijker kan dienen om ons moed te geven, zoo hij ons somtijds ontbreekt, dan als ons hope gegeven is, dat zulks in korten tijd geschieden zal. Gelijkerwijs een hoofdman of overste des heirs tot zijne ruiters zeide: Het einde des krijgs is nabij, mits zij het nog een weinig tijds uithouden. Alzoo vermaant ons de apostel, voorzoover onze harten niet afwijken door slapheid, dat de Heere binnen korten tijd komen zal, die ons verlossen zal van allen tegenspoed. Maar opdat de vertroosting te gewichtiger zij, en meer aanziens hebbe, zoo brengt hij het getuigenis van den profeet Habakuk bij, hfdst. 2 :4. Maar omdat hij de Griek-sche overzetting gevolgd heeft, zoo is hij een weinig van des profeten woord afgeweken. Daarom zal ik eerst verhalen wat de profeet zegt; daarna zullen wij verhalen wat de apostel hier zegt. Nadat dan de profeet gesproken had van de vreeselijke krijgsnederlaag zijns volks, verschrikt zijnde van zijne profetieën, weet hij zich geenen raad meer, dan, alsof hij uit de wereld wilde loopen, boven op een wachttoren te vlieden. Nu, onze rechte wachttoren is Gods Woord, waardoor wij verheven worden tot den hemel. Habakuk aldus zijnde op zijn wachttoren, ontving bevel om een nieuwe profetie te schrijven, door welke den geloovigen betrouwen dei-zaligheid zou worden gebracht. Nochtans, omdat de menschen gemeenlijk van nature moedwillig zijn, en zeer haastig in hetgeen waartoe ze genegen zijn, zich laten dunken, dat God te traag is, hoezeer Hij Zich haast: daarom zegt hij, dat de belofte komen zal zonder vertoeven. Hoewel hij daarbij voegt: Zoo zij vertoeft, verwacht daar; hierdoor te kennen gevende, dat wat God belooft, zoo haast niet zal geschieden, of wij zullen ons laten dunken, dat het zeer laat komt, gelijk het Latijnsche spreekwoord medebrengt: Als men iets begeert, zoo is de haastigheid zelve traag. Daar volgt Hub. 2:4. op: Ziet, wie halsstarrig is, die zal geen rust in zijn hart hebben: maar de rechtvaardige zal door het geloof leven. Door welke woorden hij verkondigt, dat de ongeloovigen niet zullen staande blijven, hetzij met wat kracht of hulpe zij voorzien zijn, en waarop zij zich betrouwen: omdat een oprecht gewis leven alleen gelegen is in het geloof. Laten zich de ongeloovigen wapenen zoo sterk als zij willen, zoo zullen zij nochtans in deze gansche wereld anders niets vinden, dan wat vergankelijk is: alzoo dat zij telken reize zullen moeten beven. Maar zooveel de geloovigen aangaat, hun geloof zal hen nimmermeer bedriegen, omdat het op God rust. Dit is des profeten meening. Aangaande wat de profeet zegt van de belofte, dat trekt de apostel op God. Maar omdat God Zichzelven eenigszins openbaart vervullende zijn beloften, is hierdoor geen groot onderscheid, zooveel wat den hoofdinhoud of voornaamste zaak belangt. De Heere (zegt hij) komt zoo dikmaals, als Hij zijn armen uitstrekt om ons te helpen. De apostel, de woorden des profeten verhalende, zegt, dat zulks binnenkort geschieden zal, omdat God zijn hulpe niet langer onttrekt dan het nuttig is: want als Hij den tijd vertrekt of verlengt, geschiedt dit niet, omdat Hij ons wil houden in een ijdele hope, gelijk de menschen gemeenlijk doen, maar Hem is de rechte bekwaamheid des tijds bekend, welken Hij niet laat voorbijgaan, of Hij komt in den nood te hulpe. Hij zegt: Die te komen staat, zal

ocr page 163

HEBREËN 10:37-39.

komen, en niet vertoeven. Welke uitspraak twee deelen in zich heeft. Door het eerste worden wij geleerd, dat God ons bijstaan zal, omdat Hij zulks beloofd heeft. Door het tweede, dat zulks geschieden zal op bekwamen tijd, en niet later dan het nuttig is.

38 De rechtvaardige zal door het geloof leven. Hij geeft te kennen, dat lijdzaamheid en volstandige kracht uit het geloof komen, hetwelk waar is: want wij zullen nimmermeer de aanvechtingen kunnen wederstaan, tenzij wij steunen op het geloof. Gelijk hiertegen de heilige Johannes zeer wel zegt, te weten, dat het geloof Joh. onze victorie is, dat de wereld overwint, 't Is hetgeen waardoor wij omhoog klimmen, alle gevaren dezer wereld ontkomen, en alle ellende en moeite: het is ons een zekere en vaste haven in het midden van grooten storm en onweder. De apostel heeft dan dit willen uitdrukken, dat al degenen, die rechtvaardig voor God gerekend zijn, anders niet leven, dan door het geloof. Dat hij nu breeder spreekt van den toekomenden tijd, zeggende: Hij zal leven,

is om te kennen te geven de eeuwigheid des levens. Breeder kan men hiervan zien Rom. 1 : 7 en Gal. 3:11, waar deze zelfde plaats aangehaald wordt. En zoo iemand wijkt. Dit is gesteld voor waar de profeet zegt, upela, dat is te zeggen: waar verheffing of bevestiging is, zoo zal des menschen ziel niet vast en oprecht in hem blijven. De Grieken hebben dit aldus overgezet, gelijk het de apostel hier verhaalt, hetwelk ten deele overeenkomt met des profeten meening, en ten deele niet: want deze afwijking scheelt niet of zeer weinig van zulke verheffing, waarmede de goddeloozen opgeblazen zijn: want dat zij zich hoogmoedig en stout tegen God verheffen, geschiedt omdat zij in een verkeerd wangeloof verzopen liggende, zich uitzonderen van zijne macht, zichzelven rust belovende, en een leven vrij van allen tegenspoed. Aldus worden ze nu daarom genoemd af te wijken, als zij zichzelven voorstellen dusdanige val-sche en ijdele bevestigingen, om van zich te stooten alle vrees en eerbieding Gods. Aldus is door dit woord uitgedrukt zoowel de kracht des geloofs, als de aard der goddeloosheid: want de oorzaak waarom de goddeloosheid stout is en opgeblazen, is omdat ze Gode de eer niet toeschrijft, die Hem toebehoort, te weten, dat de mensch Gode moet onderworpen zijn. En door deze eergierigheid, stoutmoedigheid en verachting geschiedt het, dat zoolang als het den goddeloozen welgaat, zoo maken zij geen zwarigheid tegen de wolken te razen, gelijk wel eertijds een Latijnsche dichter heeft gezegd, dat is te zeggen: Hun spot met God te houden, en Hem te tergen. Is het geloof dan geen meerdere tegenheid dan het afwijken, zoo is de rechte natuur daarvan, de menschen naar zich te trekken, en alzoo te brengen tot de gehoorzaamheid Gods. Dit deel: Het zal mijn ziel niet behagen, of gelijk ik het volkomenlijker gezet heb: Mijn ziel zal in hem geen behagen hebben, moet genomen zijn, alsof de apostel deze uitspraak in zijn eigen persoon sprak: want zijn meening is niet geweest, des profeten woord aan te halen van woord tot woord, maar alleen de plaats aan te teekenen, om de lezers aan te sporen, dat zij daarnaar breeder zien zouden.

39 Maar wij zijn niet van de afwijking. De apostel heeft zich wel vergenoegd met de Grieksche overzetting, welke zeer wel diende tot de leer, welke hij hierboven handelde, gelijk hij dezelve ook

159

ocr page 164

HEBREËN 10:39—11: 1.

zeer gevoegelijk en op bekwame wijze te pas brengt. Hij had ze tevoren vermaand, dat zij zich wel wachten zouden, zoo zij de gemeente verlieten, dat zij ook ten laatste niet geheel vervreemden van het geloof en van de genade van Jezus Christus. Nu leert hij hen, dat zij alzoo geroepen zijn, dat zij daarvan nimmer behooren af te wijken. En hij maakt wederom een tegenstelling tusschen het geloof en de afwijking, gelijk hij ook doet van de verkrijging der zaligheid, die de ziel door het geloof verkrijgt tegen de verdoemenis. Laat ons nu onthouden, dat deze uitspraak alsnu inzonderheid ook ons toekomt: want wij, aan wie God eens zooveel goeds heeft willen doen, dat Hij ons het licht zijns Evangelies gegeven heeft, nu wij ter zaligheid geroepen zijn, zoo moeten wij bekennen, dat het einde van onze roeping is, dat wij altijd meer en meer zullen toenemen in de gehoorzaamheid Gods, en ons uiterste best allen dag doen, om Hem nader te komen. Dit is der zielen rechte behoudenis: want dit doende ontvlieden wij de eeuwige verdoemenis.

i Het geloof is. Die hier het begin van het elfde hoofdstuk gemaakt heeft, heeft ongeschikt het verband verbroken. Want des apostels meening is, te bewijzen wat hij gezegd had, dat ons lijdzaamheid van noode is. Hij heeft Habakuks getuigenis bijgebracht, die zegt: Dat de rechtvaardige door het geloof zal leven. Nu toont hij aan, wat er nog overbleef, te weten, dat het geloof niet minder kan gescheiden zijn van de lijdzaamheid, dan van zichzelve. Daarom is de orde der rede aldus: Wij zullen nimmer komen tot de zaligheid, tenzij wij voorzien zijn met lijdzaamheid: want de profeet bevestigt: Dat de rechtvaardige door het geloof zal leven. Nu roept ons het geloof tot dingen, die zeer verre van ons zijn, welke wij ook nog niet genieten kunnen, zoo is het dan van noode, dat het lijdzaamheid in zich begrijpe. In deze sluitrede is dan de tweede stelling deze: Het geloof is een verzekerdheid der dingen. Waaruit blijkt, dat zij dwalen die meenen, dat hier een volledige beschrijving des geloofs is: want de apostel handelt hier niet van de geheele natuur des geloofs, maar hij heeft er een deel van uitgezocht, hetwelk tot zijn rede diende, te weten, dat het geloof altijd met de lijdzaamheid te zamen gevoegd is. Laat ons nu de woorden overleggen. Hij noemt het hypostasin, substantie, of zelfstandig wezen der dingen, die men hoopt. Nu weet men, dat men de dingen niet hoopt die men in handen heeft, maar die ons nog verborgen zijn, of daar het gebruik eerst op een anderen tijd van geschieden zal. De apostel leert dan hier hetzelfde, hetwelk de heilige Paulus in Rom. 8 : 24 leert. Want nadat hij gezegd heeft, dat men niet ziet hetgeen men hoopt, daardoor bekent hij, dat men het door lijdzaamheid verbeidt. Aldus vermaant ons onze apostel, dat men het geloof niet stelt in dingen, die tegenwoordig zijn, maar van die, welker verwachten nog voorhanden is. Verder, is de vorm der tegenstelling ook aangenaam. Het geloof (zegt hij) is het steunsel of de vastigheid, waarop wij vast staan, want dit brengt het Grieksche woord hypostasis mede. Maar van wat dingen? van die niet tegenwoordig zijn, welke ons zoo weinig onderworpen zijn, dat zij ook het begrip van ons verstand te boven gaan. In het tweede deel, dat daarna volgt, is bijna dezelfde zin, dat hij het geloof elenchum noemt, dat is, bewijs van dingen, die zich niet openbaren: want bewijs maakt dat de dingen openbaar worden, en strekt zich gemeenlijk niet uit, dan tot de

160

ocr page 165

HEBREËN 11:1, 2.

dingen, die wij gevoelen en gewaarworden. Aldus schijnen deze twee, als men ze eerst aanziet, tegen elkander te strijden, nochtans komen ze zeer wel met elkander overeen, als er kwestie des geloofs is. Want de Geest Gods ontdekt ons de verborgen dingen, van welke geen kennis tot onze zinnen kan komen. Het eeuwige leven is ons beloofd, maar dood zijnde. Ons wordt geleerd van de gelukzalige opstanding, en intusschen zijn wij verrot tot asch. Wij worden rechtvaardig verkondigd, en intusschen woont de zonde in ons. Wij hooren, dat wij zeer gelukkig zijn, intusschen zijn wij bedekt met menigerlei ellenden. Men belooft ons overvloedigheid van alle goederen, en nochtans lijden wij lang grooten honger en dorst. God roept tot ons, dat Hij ons terstond bijstaan zal, maar het schijnt dat zijn ooren voor ons roepen verstopt zijn. Wat zou er geschieden, ten ware wij op hope steunden, en zoo ons verstand in het midden van deze duisternis zich niet verhief boven al hetgeen in deze wereld is, hebbende het Woord Gods en den Geest Gods voor zich tot leidslieden ? Daarom is het geloof terecht genaamd s u b s i s t e n t i a, dat is een zelfstandigheid dier dingen, die nog in hope gelegen zijn, en een kracht der dingen, die niet openbaar zijn. Dat Augustinus somtijds e 1 e n c h u m overgezet heeft overwinning, mishaagt mij niet; want het drukt des apostels zin getrouw uit, maar ik wil liever stellen het woord bewjjs of kracht, omdat het minder gedwongen is.

2 Want om hetzelve zijn de ouden met getuigenis versierd.

3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door Gods Woord p®11^1^1' bereid is, opdat zij gemaakt zou zijn tot een zeker bewijs van jÖL. i -io. onzienlijke dingen. ioi.^fie.

4 Door het geloof offerde Abel Gode een beter offerande dan Kain, Kom. 4:17. door welke hij betuigd is rechtvaardig te zijn, dewijl God over

zijne gaven getuigenis gegeven heeft; en door ditzelve spreekt Matt. 23:^5. hij nog, hoewel hij gestorven is.

2 Want om hetzelve zijn de ouden. Hij zal tot het einde van dit hoofdstuk dit onderwerp behandelen, dat de ouden nergens anders zaligheid door verworven hebben, en dat zij Gode ook anders niet aangenaam zijn geweest, dan door het geloof. Daar was eenige reden, waarom de Joden hunnen voorouders grooten eerbied toedroegen: maar deze ongebondene verwondering der vaderen was zoo diep in hunne harten gedrukt, dat hun hetzelve zeer belette om zich ganschelijk van Christus te laten regeeren: het kan zijn dat eergierigheid of superstitie hun daartoe dreef, of mogelijk beide.

Want hoorende dat het zaad Abrahams gezegend of heilig was, opgeblazen zijnde door dezen titel, zoo zagen ze meer op de menschen dan op God. En wat meer is, zoo was daarbenevens een kwade gewoonte van na te volgen: want zij aanmerkten niet wat voornamelijk best diende nagevolgd te worden in hunne vaderen. En door dit middel bleven ze op de oude ceremoniën der wet staan, alsof de gansche religie en volkomene heiligheid daarin gelegen was. De apostel verwerpt deze dwaling, en leert wat het is hetgeen het voornaamste in hunne vaderen is geweest, opdat de nakomelingen verstaan zouden, in wat manier zij hun waarlijk gelijk mogen worden.

Laat ons dan gedachtig zijn, dat het voornaamste voorstel, hetwelk Dl. VII. 11

161

ocr page 166

162 HEBREÊN 11 : 2, 3.

hij hier behandelt, is, dat al de vaders, die van den beginne der wereld aan van God beproefd zijn geweest, niet anders dan door het geloof met Hem vereenigd zijn, opdat de Joden weten zouden, dat zij door het geloof alleen vergaderd zullen worden met de vaderen in de heilige eenigheid; insgelijks ook, dat zoo zij van het geloof wijken, zij uit de kerk gebannen zijn, en dat zij niet meer wettige kinderen Abrahams zijn, maar bastaarden.

3 Door het geloof verstaan wij. Dit is een zeer goed bewijs van de vorige stelling: want wij verschillen in 't geheel niet van de onredelijke dieren, tenzij wij verstaan, dat de wereld van God geschapen is; want waartoe hebben de menschen zinnen en verstand, dan opdat zij hun Schepper bekénnen zouden? Nu, is het alzoo dat wij door het geloof bekennen, dat God de wereld geschapen heeft, daarom moet men zich niet verwonderen, al is het dat het geloof in de oudvaders uitblinkende is boven alle andere deugden. Maar hier mocht iemand vragen, waarom het is dat de apostel bevestigt, dat men door het geloof verstaat, hetgeen de ongeloovigen zeiven bekennen; want het zien van hemel en aarde dwingt de boozen zeiven te bekennen, dat er een eenige Werkmeester is van dit alles. Eom. i;2i. En voorwaar, hierom beschuldigt ze de heilige Paulus allen van ondankbaarheid, nademaal zij God bekend hebben, dat zij Hem de eere niet gegeven hebben, die Hem toebehoorde. En voorwaar, de , godsdienst zou niet lang heerlijk in het gebruik geweest zijn onder alle geslachten, zoo des menschen zinnen hiervan geen gevoelen hadden gehad en verzadigd waren geweest, te weten, dat God Schepper der wereld is. Het schijnt dat deze kennis, die de apostel besluit in het geloof, plaats kan hebben zonder 't geloof. Ik antwoord, dat er altijd eenige meening geweest is onder de heidenen, dat de wereld van God geschapen was; maar er is geen vastigheid in hetzelve t,fj, geweest: want zoo haast als zij eenigen God versierd hadden, zoo

■ Tï -K v'-V

y.ylï lt;

zijn ze terstond verdwenen in hun gedachten, alzoo dat zij veelmeer gelijk blinden naar eenige schaduw van eenigen onzekeren God tastten, dan zij den waarachtigen God behielden. En wat meer is, omdat het niet dan een lichtvaardige meening was, die hunne zinnen bekommerde, ja niet dan een verdwijnende waan, zoo is dezelve zeer wijd van een waarachtig en oprecht verstand. En daarbenevens schrijven ze het fortuin het regeeren dezer wereld toe; en zooveel de voorzienigheid Gods aangaat, daar achten zij zeer weinig op. De zinnen der menschen zijn dan verblind tegen dit natuurlijke licht, hetwelk lichtende is in alle creaturen, totdat ze doorstraald zijn van den Heiligen Geest Gods met geloof, dan beginnen ze te verstaan, hetwelk zij zonder hetzelve nimmer zouden begrijpen. Waardoor de apostel alzulk verstand terecht het geloof toeschrijft: want de geloovigen hebben niet alleen een lichtvaardige meening, dat God Schepper van hemel en aarde is, maar zij hebben een ingeworteld gevoelen in hunne harten, en bekennen den waren God. En vandaar begrijpen ze de kracht zijns woords: niet het woord, hetwelk zich voor een oogenblik vertoonde in de schepping der wereld, maar wat zich gedurig openbaart in de bewaring en onderhouding derzelve: en ontvangen niet alleen een gevoelen van zijn macht, maar ook van zijn goedheid, wijsheid, en rechtvaardigheid: en hierdoor worden ze verwekt om God te dienen, Hem te beminnen

j.i'v en alle eer te bewijzen. Opdat zij gemaakt zou zijn. Naar mijn

Iï:;

ocr page 167

HEBREËN 11: 3, 4.

verstand hebben alle uitleggers hierin gedwaald. Aldus hebben ze de plaats uitgelegd: Opdat van de onzichtbare dingen gemaakt werden zienlijke dingen. En voorwaar, men zou nauwelijks eenigen goeden zin uit deze woorden kunnen nemen, of tenminste hij zal zeer flauw zijn: en wat meer is, het verband kan zulks niet lijden. Maar wil men dit van woord tot woord overzetten, zoo kan men het anders niet doen dan aldus: Opdat ze gemaakt zou zijn tot een zeker schouwspel of bewijs van onzienlijke dingen. Deze woorden vervatten een zeer goede en nutte leer, te weten, dat wij in deze wereld het beeld Gods kunnen zien. En onze apostel leert hier hetzelfde wat de heilige Paulus in Rom. 1 :20 leert, als hij zegt; Wat in God onzienlijk is, wordt ons geopenbaard door de schepping der wereld, dewijl het door geschapen dingen verstaan wordt: want God geeft een zeer klaar getuigenis van zijne wijsheid, macht en goedheid in het geheele samenstel der wereld; en hoewel Hij in Zichzelven onzienlijk is, nochtans zoo openbaart Hij Zich ons eenigszins in zijn werken. Daarom wordt de wereld terecht genaamd een spiegel der Godheid: niet dat het menschenverstand zoo kloek is, dat het God bekennen kan door het aanzien dezer wereld, maar Hij openbaart Zich den boozen in zulker voege, dat hun onwetendheid hen niet kan verontschuldigen. Maar de geloovigen, welken Hij oogen gegeven heeft, bemerken kleine vonkskens zijner glorie in elk schepsel. De wereld is in der waarheid geschapen geweest, opdat het een theater of tooneel zou zijn van de heerlijkheid Gods.

4 Door het geloof offerde Abel. Hij zal hierna bewijzen, dat al de uitnemende werken, die de geloovigen ooit gedaan hebben, en al wat bijzonder in hen geweest is, geleend is geweest van het geloof. Waaruit volgt, dat de oudvaders God alleen behaagd hebben door het geloof, gelijk hierboven verhaald is. Verder prijst hij hier het geloof om twee zaken; ten eerste door de gehoorzaamheid, omdat het niet begint noch zich onderwindt, dan alleen wat God door zijn Woord bevolen heeft. Ten tweede, omdat het steunende is op de beloften Gods, zoo geeft het den prijs en waardigheid aan de werken, die uit enkel genade Gods geschied zijn. Daarom, zoo dik-maals als in dit hfdst. van het geloof vermaand wordt, zoo laat ons gedachtig zijn, dat des apostels begeerte hiertoe strekt, dat de Joden geen anderen regel des gelools zoeken zouden dan het Woord Gods, waarnaar zij zich alleen op zijn beloften zouden verlaten. Hij zegt allereerst: Dat Abels offer door geen andere reden beter geweest is dan die zijns broeders, dan dat zij alleen geheiligd geweest is door het geloof: want in der waarheid het vel der onredelijke dieren had zoo goeden reuk niet, dat daardoor God kon worden verzoend. En de Schrift toont duidelijk genoeg, waarom de offeranden Gode aangenaam zijn geweest; want aldus luiden de woorden van Mozes: God heeft gezien op Abel en zijn gaven. Uit welke woorden men lichtelijk kan verstaan, dat zijn offeranden Gode behaagd hebben, omdat hij Gode aangenaam was. En waardoor was hij aangenaam? dan alleen omdat zijn hart door het geloof gereinigd was. Dewjjl God over zijn gaven getuigenis gegeven heeft. Hij bevestigt wat ik aireede gezegd heb, te weten, dat uit ons geene werken komen, die Gode aangenaam zijn, totdat wij zeiven in genade aangenomen zijn; of om korter te zeggen, dat geen werken voor

163

ocr page 168

HEBREËN 11:4, 5.

God rechtvaardig gerekend worden, dan de werken van den rechtvaardigen mensch. Want dit is des apostels argument: God heeft getuigenis gegeven over Abels gaven: hierom verwerft hij den lof der gerechtigheid voor God. Deze leer is zeer nut, en daarom waardiger om naarstig aangemerkt te zijn, omdat zij ons niet lichtelijk vast in te planten is. Want als wij eenig schijnsel zien lichten in eenig werk, het zij wat het zij, terstond verwonderen wij ons zeer, en denken niet, dat het met recht van God kan verworpen worden. Want God, die alleen de innerlijke reinheid des harten van binnen aanziet, staat ganschelijk niet op de vermomde uiterlijke werken. Laat ons dan hieruit leeren, dat geen rechtvaardige werken van ons kunnen komen, tenzij wij eerst gerechtvaardigd zijn voor God. Door hetzelve spreekt hij nog, hoewel hij gestorven is. Dit schrijft hij ook het geloof toe, dat God getuigenis gegeven heeft van Abel, dat Hij zorg voor hem droeg na zijn dood, zoowel als in het leven. Want als hij zegt, dat hij nog spreekt hoewel hij gestorven is, daarmede geeft hij te kennen wat Mozes verhaalt, te weten, dat God door zijn wreeden dood beroerd is geweest, om daar wrake over te nemen. Aangaande hetgeen er gezegd is, dat Abel of zijn bloed roepe; beide zijn figuurlijke taal. Dit is een zonderling getuigenis geweest der liefde Gods tot Abel, dat God (toen hij dood was) zorg voor hem gedragen heeft. En hieruit blijkt, dat degenen, wier dood Hij in groote waarde heeft, gerekend zijn onder de heiligen Gods.

Gen. 5; 24. B Door het geloof werd Henoch weggenomen, dat hij den dood

49. ie. ' ' niet zien zou, en werd niet gevonden, daarom dat hem God

wi stik ^)r weggenomen had: want eer hij weggenomen was, had hij ge

tuigenis, dat hij Gode behaagde.

6 Maar zonder het geloof is het onmogelijk Gode te behagen: want wie tot God komt, die moet gelooven, dat God is, en dat Hij dengenen, die Hem zoeken, een vergelder is.

5 Door het geloof werd Henoch. Hij kiest zeer weinig van de oudvaderen uit, opdat hij te spoediger tot Abraham en zijn nako-lingen zou komen. Hij bewijst, dat Henoch door het middel des geloofs weggenomen is. Maar ten eerste moeten wij de oorzaak verstaan, waardoor hem God uit deze wereld op een ongewone wijze getrokken heeft. Dit is een uitnemend getuigenis, waardoor een iegelijk kan bekennen, hoezeer hij van God bemind was. Op dien tijd toen dit geschiedde, ging goddeloosheid en alle verderfelijkheid overal in zwang. Was hij nu gestorven naar de gemeene manier der menschen, niemand zou gedacht hebben, dat hij alzoo bewaard was geweest door de voorzienigheid Gods, dat hij van de aanklevende ziekte niet zou sterven, maar nu hij weggenomen wordt zonder sterven, zoo toont zich Gods hand openlijk van den hemel, opdat ze hem uitrukke als midden uit het vuur. Hierom is het geen klein teeken van eer, die God hem bewezen heeft. De apostel betuigt, dat hij zulks door het geloof verkregen heeft. Het is wel waar, dat Mozes verhaalt, dat hij een rechtvaardig man is geweest, en een Goddelijk leven leidde: maar omdat rechtvaardigheid door het geloof begint, zoo wordt het met recht het geloof toegeschreven, dat hij van God is bemind geweest. Aangaande de scherpzinnige kwestiën,

164

ocr page 169

HEBREËN 11:5, 6.

waarmede zich de neuswijze menschen gemeenlijk kwellen, is het beter ze achterwege te laten. Zij vragen wat Henoch en Elia geschied is. En opdat het schijne, dat ze geen ijdele vraag voorstellen, raden zij daarnaar, en zeggen dat zij bewaard worden tot den laatsten tijd der kerk, om alsdan haastelijk der wereld te verschijnen. Om dit te bewijzen zoo brengen ze wat bij uit de Openbaring van Johannes. Maar laat ons deze vliegende philosophie den licht-vaardigen geesten laten, welke op één plaats niet kunnen blijven staan, en hiermede tevreden zijn, te weten, dat hun wegnemen geweest is als een buitengewone dood: niet twijfelende, of zij zijn ontkleed van hun sterfelijk en vergankelijk vleesch, opdat zij vernieuwd zouden worden in de gelukzalige onsterfelijkheid, met de andere lidmaten van Christus.

6 Maar zonder geloof is het onmogelyk. Deze stelling is al den exempelen gemeen, die de apostel in dit hfdst. verhaalt, maar omdat zij een weinig duister is, zoo is het van noode, dat wij den zin daarvan zoo na komen en verklaren als het ons mogelijk is. Niemand kan ons hiervan een beter uitlegger zijn, dan degene die hier zelf spreekt. Hij zegt waarom er niemand Gode aangenaam is zonder geloof, te weten, omdat er niemand tot God komt, tenzij hij gelooft dat het God is, en tenzij hij verzekerd is, dat God een vergelder is allen dengenen, die Hem zoeken en begeeren. Heeft men nu geen toegang tot God dan door het geloof, zoo volgt er uit, dat zonder hetzelve alle menschen van God gehaat zijn. De apostel vertoont allereerst hierdoor, hoe ons het geloof genade verwerven kan, te weten, omdat het ons leert, hoe wij den waarachtigen God behooren te dienen; daarna dat het ons zeker maakt van den wil Gods, opdat het niet schijne, dat wij Hem tevergeefs zoeken. Wij moeten over deze twee stukken niet licht heengaan, te weten, dat wij gelooven dat Hij God is, en ten tweede, dat wij verzekerd zijn, dat wij Hem niet tevergeefs zoeken. Het schijnt wel, dat de apostel van ons hier geen zware zaak eischt, als hij zegt: dat wij gelooven dat er een God is, maar zoo wij dit wel inzien, zoo zullen wij bevinden, dat hierin een treffelijke en uitnemende leering is, en van een iegelijk niet verstaan. Want hoewel het genoeg bij alle menschen zonder eenig tegenspreken is, dat er een God is, nochtans, zoo de Heere ons niet onderhoudt in zijn rechte kennis, zullen wij dikmaals in verscheiden twijfelingen vallen, welke ons doen verliezen zullen en van ons wegnemen alle gevoelen der Godheid. Voorwaar, des menschen natuur is genegen tot deze ijdelheid, dat zij God zeer lichtelijk vergeet. Hoewel de apostel alleen niet zeggen wil, dat de menschen weten zouden, dat er een God is, maar hij zegt dat van den waarachtigen God. Het is niet genoeg (zeg ik) dat men kan begrijpen dat er een God is, tenzij men onderscheide welke de waarachtige God is, want wat zal het u baten dat gij een afgod versiert, welken gij toeschrijft de eere die Gode toekomt? Aldus verstaan wij nu wat de apostel in dit eerste deel wil zeggen. Hij zegt, dat wij geen toegang tot God hebben, tenzij ganschelijk in onze harten gedrukt is: dat Hij God is, opdat wij niet verleid worden her- en derwaarts, door valsche opiniën. Waaruit blijkt, dat de menschen tevergeefs arbeiden om God te dienen, tenzij zij den rechten weg weten. En dat alle religiën, waarbij de ware kennis Gods niet gevonden wordt, niet alleen ijdel zijn, maar ook schade-

165

ocr page 170

HEBREËN 11:6.

166

lijk, omdat al degenen die God niet onderscheiden van de afgoden, geenen toegang tot Hem kunnen hebben. In ée'n woord, er is geen religie, dan die waarin de waarheid regeert. Is er een ware kennis Gods geworteld in ons verstand, het zal niet feilen, of zij zal met zich brengen een ware vreeze Gods en eerbiediging: want God wordt niet waarlijk bekend, tenzij men zijn mogendheid aanmerkt. En daaruit komt de genegenheid om Hem te dienen, en dat wij ons gansche leven aanstellen, opdat het tot een goed einde kome. Het tweede stuk is, dat wij deze verzekering hebben, dat God tevergeefs niet aangeroepen wordt. Deze verzekering begrijpt in zich hope der zaligheid en des eeuwigen levens: want niemand zal bereid van geest zijn om Hem te zoeken, tenzij hij tevoren eenig gevoelen van de goedheid Gods gehad heeft, alzoo dat hij zaligheid van Hem hoopt: want wij schuwen en verachten God als ons de zaligheid niet blijkt. Laat ons gedenken, dat wij dit moeten ge-looven, en hiervan geen twijfelachtige meening hebben; want hoewel de boozen en ongeloovigen somtijds deze gelijke kennis ook ontvangen, nochtans komen ze daarom tot God niet, omdat zij niet steunen op een vast onwankelbaar geloof. Dit is wel een ander geloof, waardoor wij genade van God verkrijgen, te weten, als wij voor vast en zeker houden, dat onze zaligheid bij God is. Maar sommigen handelen bedriegelijk met dit tweede stuk, als zij hieruit willen trekken de verdiensten der werken, en het betrouwen dat men kan verdienen. Want aldus brengen zij hun redenen bij: Zijn wij Gode aangenaam door het geloof, omdat wij Hem bekennen voor een vergelder, zoo ziet het geloof dan op de verdiensten der werken. Men zal deze dwaling niet beter kunnen wederleggen, dan als wij aanmerken wat het middel is om God te zoeken; want men moet niet meenen dat men God zoekt als men van den rechten weg dwaalt. De Schrift leert ons dit middel om God te zoeken: dat de mensch in zichzelven zijnde verslagen en levend geraakt, bekent dat hij den eeuwigen dood schuldig is, wanhopende aan zichzelven, zijn toevlucht hebbe tot Jezus Christus, als de eenige haven onzer zaligheid. Wij zullen voorwaar in de Schrift op geen plaats vinden, dat wij de verdiensten onzer werken moeten medebrengen, welke ons met God verzoenen kunnen. Daarom, die deze verklaring om God te zoeken wel verstaan zal, die zal hier geen zwarigheid van maken: want de vergelding ziet niet op de waardigheid of prijs der werken, maar op het geloof. Aldus vallen hiermede terneder der sophisten opmerkingen, te weten: Door het geloof zijn wij Gode aangenaam, omdat wij een meening hebben om Hem te behagen. De apostel heeft ons veel hooger willen verheffen, te weten, dat de conscientie in zichzelve verzekerd is, dat zij geen verloren moeite doen zal om God te zoeken: welke verzekering verre het begrip van ons verstand te boven gaat, bijzonder als een iegelijk in zichzelven gaat. Want wij moeten niet alleen deze algemeene waarheid houden, dat God een vergelder is van degenen die Hem zoeken, maar een iegelijk moet bijzonder tot zijn eigen nut en profijt deze leer te pas brengen, en weten, dat God een opzicht op ons heeft, en dat Hij zulke zorg voor onze zaligheid draagt, dat Hij ons nimmer verlaten zal: en dat Hij onze gebeden verhooren zal, en zijn onze eeuwige verlosser. Omdat wij nu van dit alles niets hebben zonder Jezus Christus, is het noodig, dat ons geloof in Hem is, en

ocr page 171

HEBREËN 11 : 6, 7.

dat wij vast op Hem alleen staan. Alsnu kan men uit deze twee stukken zien, hoe en waarom het onmogelijk is, dat de mensch ■

zonder geloof Gode zou behagen: want Hij haat ons al te zamen met goed recht, aangezien wij allen van nature verdoemd zijn, en zooveel de remedie aangaat, die hierin kon dienen, die is in onze macht niet. Daarom is het van noode, dat God ons te hulpe kome door zijn genade: hetwelk Hij doet als wij gelooven dat Hij God is, ;

en ons niet wenden tot eenige andere valsche godsdiensten, maar onszelven de zaligheid in Hem verzekeren. Wil men breeder ver- j

klaring van dit argument hebben, zoo moet men aldus beginnen;

Dat het ons al niet baten zal wat wij beginnen of aangrijpen, tenzij wij op God zien: want er is geen beter manier om wel te leven,

dan zijne heerlijkheid te dienen. En hiertoe zullen wij nimmermeer komen, tenzij de kennis Gods voorga. Nu is dit nog maar de helft des geloofs, en zou niet veel baten, zoo niet het betrouwen daarbij gevoegd ware. Daarom is het geloof eerst dan volkomen, om ons genade van God te verwerven, als wij dit zeker betrouwen hebben,

dat wij Hem niet tevergeefs zoeken, en dat wij onszelven zekere zaligheid van Hem beloven. Wie is nu degene die betrouwen zal, dat God een vergelder zal zijn van zijne verdiensten, tenzij dat hij door hoogmoed verblind is, en betooverd met een verkeerde eigenliefde?

Daarom, deze verzekering of betrouwen, waarvan wij spreken, rust op de eenige genade Gods, en niet op de werken, noch op de eigen waardigheid des menschen. Omdat dan de genade Gods niet gevonden wordt dan in Jezus Christus, zoo is er anders niemand dan Hij, waarop ons geloof behoort te zien.

7 Door het geloof heeft Noach van God vermaand van hetgeen Gen. 6:13.

Sir. 4i:17.

men nog niet zag, vreezende gemaakt de ark tot zijns huisge-zins behoudenis, door welke hij de wereld oordeelde, en is der gerechtigheid, die naar het geloof is, erfgenaam geworden.

7 Door het geloof. Dit is een wonderlijk exempel der deugd geweest, te weten, dat de gansche wereld overgegeven zijnde tot alle wellusten, en zichzelven wijs maakten, dat zij niet gestraft zouden worden, alsof geen oordeel Gods geweest ware, dat Noach alleen zichzelven als toen voor oogen stelde de wraak Gods, hoewel zij nog langen tijd vertraagd zou worden, en wat meer is, dat hij wonderlijk gearbeid heeft den tijd van honderd en twintig jaren om een ark te bouwen, en dat hij standvastig volhard heeft onder zooveel schimp en spot als hij heeft moeten lijden, en dat hij in de gansche vernieling der wereld niet getwijfeld heeft, of hij zou behouden blijven, ja daarenboven zichzelven verzekerde het leven, zijnde in het graf, dat is te zeggen, in dezelfde ark. Ik roer deze zaak in 't voorbijgaan aan, een iegelijk kan bij zichzelven alle omstandigheden beter aanmerken. De apostel schrijft den lof van deze uitnemende deugd het geloof toe. Tot hiertoe heeft hij gehandeld van het geloof der vaderen, die onder de eerste eeuw dezer wereld geleefd hebben. Dit is nu geweest als een tweede geboorte, toen Noach met zijn huisgezin ontkomen is aan den zondvloed. Hieruit volgt dan dat de menschen in wat tijd zij geweest zijn, van God niet anders zijn verzocht en aangenaam geweest, en ook geen lofwaardige feiten hebben gedaan, dan alleen door het geloof. Laat ons

167

ocr page 172

HEBREËN 11:7.

nu inzien wat ons de apostel in Noach voorstelt om aan te mer- 1 we ken, te weten, vermaand zijnde van het toekomende, hetwelk zich ' zei

nog niet openbaarde, zoo vreesde hij; daarna bouwde hij de ark; da

ten derde, oordeelde hij de wereld door zulk bouwen, ten laatste, nu

dat hij een erfgenaam is geworden van de gerechtigheid, die naar va

het geloof is. Hetgeen ik hier voorstel, drukt zeer de kracht des da

geloofs uit: want het brengt ons altijd weder tot dit begin, dat het wi

geloof een bewijs is van dingen, die niet gezien worden. En in der za

waarheid, zijn eigenlijk werk is in het woord Gods te aanschouwen di

de verborgen dingen, of wat ver boven ons verstand is. Toen Noach to

verkondigd was, dat de zondvloed na honderd en twintig jaren zi;

komen zou, allereerst had de langheid des tijds alle vrees van hem bf

kunnen nemen; daarbenevens, was het een ongeloofelijk ding, hij zag zi

middelertijd de boozen zich geven tot alle kwade lusten, zonder h:

eenigszins voor God te vreezen. In één woord, men kon meenen h(

dat deze verschrikkelijke nieuwe tijding des zondvloeds, niets dan o:

een ijdel gerucht was. Maar Noach draagt zulk een eerbied jegens o

Gods woord, dat hij zijn oogen afwendende van wat tegenwoordig d

gezien werd, alzoo inziet den ondergang, waarmede God de wereld h

dreigt, alsof ze aireede tegenwoordig ware. Het geloof dan dat hij o

in Gods woord heeft, maakt hem Gode gehoorzaam, waarvan hij d

daarna een bewijs geeft, in het bouwen der ark. Hier wordt nu een E

vraag voorgesteld, waarom de apostel het geloof een oorzaak maakt v

van de vreeze, aangezien hetzelfde meer ziet op de beloften der ge- v

nade, dan op de dreigingen: om welke zelfde reden de heilige Pau- c

lus het Evangelie noemt (door hetwelk de gerechtigheid Gods ons 1

itom. 10:s. aangeboden is ter zaligheid) het woord des geloofs. Het schijnt v

dan dat dit niet wel gezegd is, dat het geloof Noach tot de vreeze \

Gods gebracht heeft. Ik antwoord, dat het geloof eigenlijk spruit 2

uit de beloften, dat het daarin gegrond is, en daarop ziet, en '

168

hierom zeggen wij, dat Jezus Christus het rechte doelwit des ge- i

loofs is, in wiens persoon de hemelsche Vader ons genadig is, en in welken verzegeld en bevestigd zijn alle beloften der zaligheid. En nochtans belet dit het geloof niet op God te zien, en dat het met alle eerbieding aanneemt, al hetgeen Hij zegt. Of willen wij dit met minder woorden stellen, de eigenschap des geloofs is. God te hooren spreken, en zonder eenigen twijfel aan te nemen al wat uit zijn heiligen mond komt. Aldus is het geloof niet minder onderworpen den geboden en dreigingen, dan den beloften die uit genade geschied zijn. Maar omdat niemand, gelijk het wel behoort, en ook wel van noode ware, zich bevlijtigt om Gods geboden gehoorzaam te zijn, noch ook eens beroerd is van zijn dreigingen, om Hem te bidden dat Hij zijn toorn wil afkeeren, dan alleen degene die moed gegrepen heeft in de beloften der genade, alzoo dat hij alsdan God bekent voor een barmhartigen Vader en oorsprong der zaligheid: hierom zoo wordt het meeste deel des Evangelies genoemd: Het woord des geloofs, en hier is een wederkeerige betrekking tus-schen het geloof en het Evangelie. Nochtans, hoezeer het geloof op de beloften Gods ziet, zoo ziet het nochtans desniettemin op de bedreigingen Gods, omdat het ons van noode is, in de vreeze en gehoorzaamheid Gods onderricht te zijn. Heeft gemaakt de ark. Hij toont hier Noachs gehoorzaamheid, welke uit het geloof kwam, gelijk het water uit de fontein. Het bouwen van de ark was een langdurig

ocr page 173

HEBREËN 11:7.

werk van zeer grooten arbeid; hij kon daarin belet worden, ja duizendmaal verhinderd door het bespotten der booze menschen, en daar is niet aan te twijfelen, of zij hebben dezen goeden ouden man van alle zijden gekweld. Dat hij nu standvastig hun spot en hoo-vaardige aanvechtingen verdragen heeft, daarin heeft hij getoond,

dat hij wonderlijk genegen was om Gode gehoorzaam te zijn. Maar waaruit is toch dit gekomen, dat hij zoo volstandig in de gehoorzaamheid Gods geweest is, dan dat hij tevoren rustte op de belofte,

die hem hope gaf om behouden te zijn, en dat hij in dit betrouwen tot het einde bleef. Want hij zou van zichzelven niet gemoedigd zijn geweest, om zooveel gekwel te lijden, en hij zou ook zooveel beletselen niet hebben kunnen overwinnen, noch ook zoo vast bij

Izijn woorden zijn gebleven, zoo hij niet tevoren een vast betrouwen had gehad. Het geloof is dan de eenige meester der gehoorzaamheid: waaruit men bij tegenstelling afleiden mag, dat het ongeloof ons belet Gode gehoorzaam te zijn. En hedendaags toont zich het ongeloof der wereld in dezen deele zeer verschrikkelijk, namelijk daarin, dat er weinig zijn die Gode gehoorzaam zijn.zijn woorden zijn gebleven, zoo hij niet tevoren een vast betrouwen had gehad. Het geloof is dan de eenige meester der gehoorzaamheid: waaruit men bij tegenstelling afleiden mag, dat het ongeloof ons belet Gode gehoorzaam te zijn. En hedendaags toont zich het ongeloof der wereld in dezen deele zeer verschrikkelijk, namelijk daarin, dat er weinig zijn die Gode gehoorzaam zijn. Door welke hij de wereld veroordeelde. Zegt men, dat Noach de wereld veroordeeld heeft, omdat hij behouden is, alzoo trekkende de woorden:

door welke, op de behoudenis der wereld, dat zou te hard klinken.

Dat men het ook verstaan zou van het geloof, zal de tekst nauwelijks willen lijden, wij moeten hetzelve dan verstaan van de ark. Daar wordt gezegd, dat Noach door de ark de wereld heeft veroordeeld om tweëerlei reden: want dat hij zoo langen tijd bezig geweest is in het bouwen der ark, beneemt den verworpenen alle onschuld, en de uitkomst die daarna gevolgd is, heeft getoond dat het verdelgen der wereld rechtvaardig was. Want waarom is de ark de behoeding der zaligheid geweest voor dit eene huisgezin? dan dat de gramschap Gods een heiligen man spaart, opdat hij met de boozen niet vergaan zou. Daarom, was er niemand overgebleven, het veroordeelen der wereld zou zoo openbaar niet zijn. In hetgeen dan waar Noach Gods bevel gehoorzaam was, veroordeelt hij door zijn exempel de hardnekkigheid der wereld. Dat hij nu zeer wonderbaar in het midden van den dood behouden is, is een teeken dat de gansche wereld van rechtswege ondergegaan is, welke zonder eenigen twijfel God wel behouden zou hebben, was ze waardig geweest om te behouden. En is der gerechtigheid, die naar het geloof is, erfgenaam geworden. Dit is het laatste, dat de apostel vermaant, hetwelk waardig is in den persoon van Noach op te merken. Mozes zegt, dat hij is rechtvaardig geweest, de apostel getuigt, dat het geloof de oorzaak en wortel der rechtvaardigheid is geweest. Hetwelk niet alleen hierom waar is, omdat zich niemand oprechtelijk in Gods gehoorzaamheid geeft, dan die daar steunt op de beloften van zijn vaderlijke goedheid, betrouwen heeft dat zijn leven Hem aangenaam is, maar ook omdat het leven des menschen, hoe heilig het mag zijn, wordt hetzelve naar den regel Gods onderzocht, het Gode niet kan behagen zonder vergeving der zonden. Zoo is het dan van noode, dat de rechtvaardigheid gegrond is in het geloof.

8 Door het geloof was Abraham gehoorzaam, als hij geroepen Gen. 12 :é. was om uit te gaan, tot de plaats, die hij tot erfenis zou ontvangen, en hij ging uit, en wist niet waar hij komen zou.

169

ocr page 174

HEBREËN 11:8.

9 Door het geloof ging hij wonen in het land der belofte als in een vreemd land, en woonde in tabernakelen met Izak en Jakob, die medeërfgenamen waren derzelfde belofte.

10 Want hij verwachtte de stad die fundamenten had, wiens bouwmeester en schepper God is.

Gen' 121^2' 11 Door het geloof heeft ook Sara zelve macht ontvangen, om

Luk. i:36. zaad te geven, en baarde tegen den tijd haars ouderdoms, de

wijl zij Hem getrouw geacht had, die het beloofde.

12 Daarom is ook van éénen, en dien verstorven, zulk een menigte Gen. 16; 5. geboren, als de sterren des hemels, en als het zand aan den

oever der zee, dat ontallijk is.

8 Door het geloof is Abraham. Alsnu begint hij te spreken van Abraham, die op aarde de voornaamste vader is van de gemeente Gods, op welken naam de Joden zich zeer beroemden, alsof zij door dezen titel alleen van het gemeene getal der menschen waren uitgezonderd geweest, omdat zij van het heilige geslacht van Abraham waren. Nu toont hij hun wat zij voornamelijk behooren te hebben, om gerekend te zijn onder de kinderen van Abraham, en door dit middel brengt hij ze tot het geloof, omdat Abraham zelve niets uitnemends in zich heeft gehad, of het kwam uit het geloof. Allereerst leert hij, dat het geloof een oorzaak is geweest, dat hij dadelijk Gode is gehoorzaam geweest, als hem bevolen werd uit zijn land te trekken: daarna, dat hij door hetzelfde geloof volstandig in zijne roeping ten einde toe volhard heeft. Door deze twee getuigenissen is het geloof van Abraham klaarlijk beproefd geweest, te weten, dat hij terstond bereid was en volhard heeft, als hij geroepen was. De oude Latijnsche overzetting en Erasmus trekken dit laatste op den naam Abraham, hetwelk een te flauwe en naakte zin zou zijn. Ik wil het liever uitleggen van het goddelijk bevel Gods, waardoor Abraham bevolen werd uit zijn land te trekken: want hij heeft zich alzoo een vrijwillige ballingschap opgelegd, dat hij nochtans niets gedaan heeft zonder Gods bevel. En voorwaar, dit is een van de beginselen des geloofs, dat wij niet ée'n voet zullen verzetten, of Gods woord ga ons voor om den weg te wijzen, en zij ons als een lamp Ps. 119:50. voorlichtende, gelijk David zegt. Daarom laat ons dit leeren onderhouden al de dagen onzes levens, te weten, dat wij niets beginnen, of het geschiedde door Gods roeping. Om uit te gaan tot de plaats. Bij het bevel was een belofte, dat hem God de aarde tot een erfenis zou geven. Abraham omhelst terstond deze belofte, en haast zich niet anders, dan of hij van stonde aan in het bezit zou worden gesteld. Dit is een zonderling bewijs des geloofs, te verlaten wat wij in handen hebben, om dingen te gaan zoeken, die nog verre van ons zijn, en ons nog onbekend. Want als God hem gebiedt uit te gaan, wijst Hij hem geen zekere plaats, waar Hij hebben wil dat hij zal wonen, maar houdt hem hangende en twijfelachtig in het hart. Ga, zegt Hij, naar de plaats die Ik u wijzen zal. Waarom noemt Gen. i2:i. Hij hem hier geen plaats, dan opdat zijn geloof meer en meer zou worden geoefend? En de liefde tot zijn land zou niet alleen Abrahams bereidheid hebben kunnen beletten, maar zijn hart daar gansch aan gebonden houden, dat hij van zijn huis niet zou wijken. Zijn geloof is dan uitnemend geweest, hetwelk alle beletselen wederstaande

170

J

ocr page 175

HEBREËN 11:8—11.

hem de reis deed aannemen, waarheen hem de Heere wilde hebben.

9 Door het geloof ging hij wonen. Dit is het tweede deel, dat, toen hij gekomen was in het beloofde land, zij hem nauwelijks wilden aannemen als een vreemdeling. Waar is dan deze erfenis, waarop hij hoopte? Voorwaar, hij had terstond kunnen denken, dat God hem bedrogen had, en na dien tijd had hij nog veel meer oorzaak om zulks te denken, hoewel het de apostel hier achterwege laat, te weten, dat hem de dure tijd en honger spoedig van daar joeg; dat hij ook ten tweeden maal gedwongen werd te vlieden in het land Gerar. Maar de apostel is tevreden geweest met e'én woord zijn volstandigheid te prijzen, zeggende, dat hij een vreemdeling in het beloofde land is geweest; want de staat der vreemdelingen was tegen de belofte. Dat nu Abraham deze beproeving standvastig heeft verdragen, is een uitnemende deugd geweest, maar zij is nergens door gekomen dan door het geloof. Met Izak en Jakob. Hij wil niet zeggen, dat zij te zamen gewoond hebben onder ée'n tent, of op denzelfden tijd: maar Hij geeft Abraham tot metgezellen zijn zoon, en zijns zoons zoon, omdat zij reizigers geweest zijn naar het hun beloofde erf, en hebben den moed niet verloren gegeven, al deed hun God wat lang verbeiden. Want zooveel te langer als het verwachten was, zooveel te meer wies de beproeving, zoo zij niet al hun aanvechtingen met het schild des geloofs afkeerden.

10 Want hij verwachtte de stad. Hier zegt hij de reden waarom hij hun standvastigheid aan het geloof toeschrijft, te weten, omdat zij op den hemel zagen, dat was voorwaar dat te zien wat men niet ziet. Hoewel dit nu reeds groot was in hunne harten te begraven de verzekering der belofte, die hun God gedaan had van de bezitting des lands, totdat na zekere eeuwen ditzelve vervuld zou zijn, en in der waarheid zou gegeven worden, nochtans omdat zij hierin niet blijven hangen, maar zien op hemelsche dingen, ja door hun geloof tot in den hemel klimmen, zoo bewijzen zij te klaarder hun geloof. Hij noemt den hemel de stad die fundamenten heeft, die eeuwig-lijk zullen duren, aangezien in de wereld niets is, of het is ongestadig en vergankelijk. Deze manier van spreken kon vreemd schijnen, omdat hij God een schepper des hemels noemt, alsof Hij ook de aarde niet geschapen had. Ik antwoord, omdat in de aardsche bouwing bij de stof menschenhanden moeten zijn, wordt om die reden Gods werk niet onbekwamelijk daartegen gesteld. Al wat van de menschen getimmerd is, daarin hebt gij de vergankelijkheid dergenen, die het gemaakt hebben: gelijkerwijs de eeuwigheid van het hemelsche leven overeenkomt met den aard Desgenen, die het gemaakt heeft, te weten, God. Verder, opdat wij nimmermeer moede zullen worden God na te volgen, zoo leert de apostel, dat wij door deze verwachting des hemelschen levens van alle verdriet ontlast worden.

11 Door het geloof heeft ook Sara. Opdat de vrouwen zouden verstaan, dat deze leer haar zoowel gemeen is als den mannen, verhaalt hij hier het exempel van Sara, welke hij noemt boven alle anderen, omdat zij moeder van alle geloovigen is. Maar het is wonder, dat haar geloof geprezen wordt, aangezien zij in 't openbaar gestraft is geweest vanwege ongeloof, omdat zij met de woorden des engels spotte, alsof die fabelen geweest waren: want haar lachen was niet, alsof het door verwondering gekomen was: want dan zou

171

ocr page 176

172 HEBREËN 11 : 11, 12.

de engel haar zoo hard niet bestraft hebben. Men moet belijden, dat haar geloof met wantrouwen vermengd is geweest, maar omdat zij na de vermaning zich betert in het wantrouwen, zoo wordt zij van God aangenomen, en haar geloof wordt geprezen. Wat zij dan eerst verwerpt als een ongeloofelijk ding, neemt zij aan met alle gehoorzaamheid zoo haast als zij verstaan heeft dat zulks van Gods mond werd gesproken. En hieruit kunnen wij een leer nemen, die ons zeer nut is: aangenomen dat ons geloof somtijds ergens wat hinkt of wankelt, zoo wordt het daarom van God niet geheel veracht, mits wij het wantrouwen den toom niet te lang geven. De inhoud hiervan is, dat het wonderwerk, hetwelk God deed toen Izak geboren werd, de vrucht des geloofs is geweest van Abraham en zijne huisvrouw, waardoor zij de kracht Gods aangegrepen hebben. Dewjjl zij Hem getrouw geacht had. Wij moeten vlijtig de reden aanmerken, welke de kracht en den aard des geloofs uitdrukken. Hoort nu iemand alleen zeggen, dat Sara door het geloof gebaard heeft, zoo zal hij nog niet verstaan wat dat wil zeggen: maar deze uitlegging, die de apostel daarbij heeft gevoegd, neemt alle zwarigheid weg: want hij zegt dat Sara's geloof was, dat zij God getrouw en waarachtig in zijn beloften heeft geacht. Welke uitspraak twee deelen in zich begrijpt; ten eerste zijn wij hierdoor geleerd, dat er geen geloof is, zonder Gods Woord: want zijn waarheid kan ons niet bekend worden gemaakt, totdat Hij met ons gesproken heeft. En dit eene punt is genoegzaam, om der Sophisten vond van het ingewikkeld geloof te wederstaan: want men moet altijd onthouden het onderling verband dat er is tusschen het woord Gods en het geloof. Maar omdat het geloof voornamelijk gegrond is in de goedheid Gods (gelijk hiervoor gezegd is) hierdoor zou elk woord, al ware het ook uit den mond Gods gekomen, niet genoegzaam zijn: maar de belofte wordt daarin geëischt, die getuigenis geeft van de goedheid en genade. Hierdoor wordt gezegd, dat Sara geacht heeft, dat God, die zulks beloofd had, waarachtig is. Dit (zeg ik) is een waarachtig geloof, hetwelk Gods woorden hoort, en steunt op zijn belofte.

ia Daarom is ook van één, en dien verstorven. Alsnu vermaant hij de Joden ook, dat het geloof een oorzaak is, dat zij van Abrahams geslacht zijn: want Abraham was nu als halfdood, en Sara zijne vrouw, die onvruchtbaar geweest was op haren bloeienden leeftijd, was alsnu door ouderdom verstorven, zoodat hierom eerder te verwachten was, dat olie uit steen zou vloeien, dan dat eenig volk uit hen beiden zou kunnen komen. En nochtans is er een ontallijke menigte uit hen gesproten. Verheffen zich nu de Joden op hun afkomst, zoo laat ze aanmerken, welke de oorzaak geweest is van zulke vermenigvuldiging. Voorwaar, al wat zij zijn, moeten ze het geloof van Abraham en van Sara toeschrijven. Waaruit volgt, dat zij niet anders dan door het geloof hunnen staat, dien zij verkregen hebben, kunnen behouden en voorstaan.

13 Deze allen zijn naar het geloof gestorven, als zij de belofte niet ontvangen hadden, maar hadden ze van verre gezien, en geloofd, en gegroet, en beleden dat zij gasten en vreemdelingen waren op de aarde.

14 Want die zulks zeggen, geven te kennen, dat zij hun vaderland zoeken.

Joh. 8: 53.

Gen. 23:4; é7:9.

ocr page 177

HEBREËN 11:13, 14.

15 En waven zij dat vaderland gedachtig geweest, waaruit zij gekomen waren: zij hadden bekwamen tijd om wederom te keeren.

16 Maar nu hebben zij naar een beter lust gehad, dat is, naar het hemelsohe: daarom schaamt Zich God hunner niet, dat Hij

hun God genaamd wordt, want Hij had hun een stad bereid. mIh3 22 • 32

Hand. 7 :32.

13 Deze allen zijn naar het geloof gestorven. Hij maakt der patriarchen geloof grooter door gelijkenis: want al hadden ze van Gods beloften maar een smaak gehad, nochtans als geheel verzadigd zijnde door zulke zoetigheid, hebben zij al te zamen klein geacht de ver-smaadheid der wereld, en vergaten niet in leven noch in sterven den smaak van het beloofde, hoe klein het ook mocht zijn, hoewel nochtans dit woord: naar het geloof, op tweeërlei wijze wordt uitgelegd. Sommigen verstaan dit eenvoudig, dat zij naar het geloof gestorven zijn, omdat zij hier op aarde levende, de beloofde goederen niet hebben bezeten: gelijk nog op dezen tijd ons de zaligheid onder de hope verborgen is. Nochtans stem ik meer overeen met die daar meenen, dat hier een onderscheid aangeroerd wordt tus-schen ons en de oudvaders, en ik leg het aldus uit: Aangezien God den vaderen alleen de genade (die nu overvloediglijk over ons is uitgestort) heeft laten smaken, zoodat Hij hun van verre maar een duister beeld van Christus getoond heeft, die Zich nu als genoeg zichtbaar voor onze oogen toont, toch hebben zij hier vast op gestaan, en zijn niet van het geloof geweken: hoeveel te meer hebben wij dan alsnu oorzaak om in het geloof te volharden? Voorwaar, zoo wij hierin bezwijken, zoo is tweevoudige beschuldiging bij ons. Deze omstandigheid maakt dan deze rede beter, te weten,

dat de oudvaders het geestelijke rijk van Jezus Christus van verre hebben gezien, hetwelk hedendaags onzen oogen zoo nabij is; dat zij van verre de beloften gegroet hebben, die zoozeer gemeen onder ons zijn, en bij ons wonen. Want hebben zij niet opgehouden volstandig te zijn tot den dood, wat slofheid zal het dan van ons in dezen tegenwoordigen tijd zijn, dat wij moede zullen worden in het gelooven, aangezien ons God onderhoudt en zooveel steunselen en behulpzaamheden geeft? Werpt hier nu iemand tegen, dat zij niet hebben kunnen gelooven, tenware zij de beloften ontvangen hadden,

waarin het geloof moet gegrond zijn, ik antwoord, dat dit gesproken is bij gelijkenis, want zij zijn zeer verre geweest van dit getal,

waarin ons God verheven heeft. Daarom, hoewel zij dezelfde belofte der zaligheid gehad hebben die wij hebben, nochtans hadden ze de klaarheid der beloften niet, die wij alsnu genieten onder het rijk van Jezus Christus, maar waren tevreden, dat zij hetzelve van verre zagen. En beleden dat zy gasten en vreemdelingen waren. Dit belijdt Jakob, als hij Farao antwoordt, dat de tijd zijner pelgrimage kort is geweest, te achten bij de tijden der pelgrimage zijner voorvaderen, en vol van alle ellendigheid. Gen. 47 :9. Bekent Jakob zichzelven een vreemdeling te zijn, in het land, hetwelk hem tot een eeuwige erve beloofd was, hieruit blijkt, dat zijn hart op deze vergankelijke wereld niet gestaan heeft, maar dat hij zijn hart opgeheven heeft boven alle hemelen. En daarom zet de apostel hierbij, dat de vaderen alzoo sprekende, openlijk bewezen hebben,

dat zij een beter land verwachtten, te weten, hierboven in den hemel:

173

ocr page 178

HEBREËN 11:14—17.

want zijn ze hier gasten en vreemdelingen, zoo moet er op een andere plaats een ander land en blijvende stad zijn. Zijn nu dezen door de donkere wolken met het hart in het hemelrijk gevlogen, wat zullen wij dan nu heden doen, (wij zeg ik) aan wie Jezus Christus zoo zichtbaar de hand reikt, om ons tot Zich in den hemel te trekken? Heeft hun het land Kanaan niet doen aarzelen, hoeveel te vaardiger behooren wij te zijn, aan wie hier ganschelijk geen blijvende stad in deze wereld vertoond wordt.

15 En waren zy dat vaderland gedachtig geweest. Hij voorkomt de tegenwerping, die men hem hier bij tegenstelling zou kunnen doen, te weten, dat zij vreemdelingen waren, aangezien zij hun land verlaten hadden. De apostel antwoordt hier wederom op, toen zij vreemdelingen genoemd werden, toen dachten ze op Mesopotamië niet, want hadden ze nog eenigen trek tot hun land gehad, het was in hun macht wederom derwaarts te keeren: maar zij banden zichzelven daar al willens uit, en wat meer is, zij verloochenden het, alsof het hun ganschelijk niet toekwam. Zoo meenen zij dan hiermede een ander land, hetwelk buiten deze wereld is.

16 Daarom schaamt Zich God niet. Hij ziet op deze uitspraak:

Exoa. 3:C. ik ben de God Abrahams, de God Izaks en de God Jakobs. Het

is voorwaar geen kleine eere, dat God Zichzelven voorstelt door menschennamen, en dat Hij hierdoor als door een rnerkteeken onderscheiden wil zijn van de afgoden. De apostel bewijst dat dit voordeel ook door het geloof genomen wordt: want omdat de heilige oudvaders naar het hemelsche land haakten, zoo wil ze God ook van zijne zijde houden, van het getal zijner burgeren. Hieruit moeten wij leeren, dat wij geen plaats hebben onder de kinderen Gods, tenzij wij de wereld verzaken: en zullen geen erve in den hemel hebben, tenzij wij vreemdelingen op aarde zijn. Verder, uit deze woorden: Ik ben de God Abrahams, Izaks en Jakobs, besluit de apostel terecht dat zij erfgenamen des hemels zijn: want Hij, die deze woorden spreekt, is geen God der dooden, maar der levenden.

Gen. 22; 10. 17 Door het geloof heeft Abraham als hii verzocht werd, Izak

Sir. * 23 ... . .

geofferd, en hij die de beloften ontvangen had, heeft zijn eenig-

geboren zoon geofferd.

Van welken gezegd was In Izak zal u het zaad genaamd worden.

En achtte dat God machtig was, ook uit de dooden op te wekken: waaruit Hij hem ook bij gelijkenis wedergebracht heeft. Door het geloof van dingen die komen zouden, zegende Izak (zijne zonen) Jakob en Ezau.

Door het geloof zegende Jakob toen hij stierf een iegelijk der zonen van Jozef, en aanbad op het opperste zijner roede. Door het geloof was Jozef gedachtig als hij stierf, van den uitgang der kinderen Israëls, en gebood van zijn gebeente.

17 Door het geloof offerde Abraham. Hij vervolgt wat er van

Abraham overgebleven was om te verhalen: want hij verhaalt hier de offerande zijns zoons. Dit was een zonderling exempel van uitnemende deugd en standvastigheid, zoodat schier onmogelijk is nog een dergelijke te vinden. En daarom voegt hij daarbij bijwijze van

174

Gen. 21:12.

18

Rom. 9: 7.

Gal. 3:29.

19

Gen. 27:28,

20

39.

Gen. 48:15.

21

Gen. 47:31.

Gen. 50:24.

22

ocr page 179

HEBREËN 11:17.

grootmaking: toen hij verzocht werd. Het is wel waar, dat Abraham aireede door sommige exempelen getoond en bewezen had, hoedanig hij was: nochtans wil de apostel dat deze proef boven alle andere geacht worde, gelijk zij ook veel uitnemender is dan alle andere. Dit is dan zooveel alsof hij gezegd had: De grootste deugd, die van Abraham ooit geschied is, is geweest de offerande zijns zoons, want alstoen is hij allermeest van God beproefd geweest. Nu is het alzoo, dat dit werk uit het geloof is gekomen. Zoo heeft Abraham dan niets uitnemenders gehad dan het geloof, hetwelk een zoo zonderlinge vrucht heeft voortgebracht. Dit woord verzocht beduidt anders niet dan beproefd. Wat de heilige Jakob zegt; Dat wij van God niet verzocht worden, heeft een anderen zin, te weten, dat Hij ons tot het kwade niet verwekt: want gelijk hij zeer wel zegt: Een iegelijk wordt verzocht van zijn eigen Jak-1:13-begeerlijkheid, en nochtans loochent hij daarbenevens niet, dat God onze oprechtheid en gehoorzaamheid beproeft, hoewel ons God niet beproeft, alsof voor Hem verborgen ware, wat in het binnenste onzer harten is. Go'd (zeg ik) heeft niet van noode om ons te beproeven, opdat Hij ons zou beginnen te kennen: maar als Hij ons in het licht brengt, opdat wij door werken openlijke getuigenis moeten geven van hetgeen dat tevoren verborgen was, zoo wordt Hij genoemd, dat Hij ons onderzoekt en beproeft. Voorts, wat met de daad openlijk geschiedt, wordt gezegd Gode bekend te worden:

want het is een wijze van spreken, die genoeg in de Schrift gemeen is, te weten, dat God tot Zich trekt wat den menschen toekomt. De offerande van Izak wordt geacht naar de genegenheid des harten van Abraham: want het ontbrak aan hem niet, dat hij niet volbracht wat hem geboden was. Deze wil der gehoorzaamheid is zooveel,

alsof hij zijn zoon opgeofferd had. Heeft zijn eeniggeboren zoon geofferd. Door deze omstandigheden heeft hij willen bewijzen, hoe groot en scherp deze proef van Abraham is geweest, hoewel men uit Mozes' geschiedenis nog andere omstandigheden kan nemen,

die al tot dit einde strekken. Het was aan Abraham bevolen, dat hij zijn zoon zou nemen, ja zijn eenigen zoon, dien hij zeer beminde, te weten, Izak; hem te voeren naar een plaats, die hem daarna zou worden getoond, en hem aldaar met eigen hand te dooden. God geeft hem met opzet vele zoete en gunstige woorden, om het hart van dezen heiligen persoon met meer wonden te kwetsen. En wat meer is, om hem nog meer te kwellen, zoo gebiedt Hij hem een dagreize van drie dagen aan te nemen. Wat bittere kwelling meent gij dat Abraham heeft gehad, die altijd zijn zoon voor oogen zag, die aireede tot den dood beschikt was? Gekomen nu zijnde ter plaatse, waar hij zijn offerande doen zou, daar krijgt hij nog een slag in zijn wonde, waar hem Izak zijn zoon het hart gansch mede doorwondt, als hij hem vraagt: Waar is het offer om op te offeren? Een gemeene dood zijns zoons zou hem niet dan zwaar gevallen zijn; dat hij bloedig vermoord was geworden, zou hem nog meer droefheid aangebracht hebben: maar als hem geboden is, dat hij hem dooden zal met eigen hand, voorwaar dit valt zoo bitter en zwaar, dat het onverdragelijk is voor een vaderhart. Het was voorwaar om duizendmaal den moed verloren te geven, zoo niet het geloof zijn hart verheven had boven al hetgeen dat wereldsch is. Zoo is het dan niet zonder oorzaak, dat de apostel verhaalt dat

175

ocr page 180

176 HEBREËN 11 ; 17—19.

Abraham alstoen verzocht werd. Hier valt nu een vraag van sommigen, waarom Izak een eenige zoon genaamd wordt, aangezien Ismaël vóór hem geboren was, en nog leefde ? Ik antwoord, omdat hij door een Goddelijk bevel verjaagd is uit het huisgezin, zoo is hij als dood gerekend geweest, op zulke wijze, dat hij immers tenminste niet gehouden is geweest als een van de kinderen van Abraham. Van denwelken hij de beloften ontvangen had. Al wat wij tot hiertoe gezegd hebben, hoewel het treffelijke zaken zijn, waardoor Abrahams hart wel gewond is geweest tot den dood, nochtans waren dat maar lichte prikkelingen te achten bij deze proef of verzoeking, te weten, dat hij zelf dezen zoon moest doo-den, waarin hij de beloften ontvangen had; want al de beloften Gen. ai: 12. waren hierin gegrond: In Izak zal u het zaad genoemd worden;

want als dat weggenomen was, zoo was er geen hope op zegen of op genade meer; hier was geen kwestie van eenige aardsche zaak, maar van Abrahams eeuwige zaligheid, ja der gansche wereld. Wat groote benauwdheid meent gij heeft dezen heiligen man in het hart gehad, als hij is beginnen te denken, dat door den dood zijns zoons het gansche menschelijke geslacht teniet en verloren zou zijn: en nochtans door het geloof overkomt en verwint hij vromelijk al deze gedachten, en gaat voort om ten einde te brengen wat hem geboden was. Is het een wonderlijke deugd geweest hierin aldus voort te treden, en altijd welgemoed te zijn in zoo vele en groote zwarigheden, met recht wordt het geloof van Abraham (waarin hij zoo volstandig gebleven is) zeer geprezen. Maar hieruit rijst geen kleine zwarigheid: hoe Abrahams geloof geprezen zal worden als hij van de belofte afwijkt? want gelijk gehoorzaamheid uit het geloof komt, zoo komt ook het geloof uit de beloften. Als nu Abraham beroofd is van de belofte, zoo moet zijn geloof ook vergaan. Izaks dood (gelijk wij hiervóór gezegd hebben) was zooveel als een ondergang van al de beloften, want men moet Izak niet aanzien als een gewoon mensch, maar als die Christus in zich besloten heeft. De apostel beantwoordt deze vraag, welke anders zwaar zou vallen, ! als hij daar terstond bijvoegt, dat Abraham deze eere Gode heeft

gegeven, dat Hij zijn zoon wel van den dood kon opwekken. Daarom verwerpt hij de belofte niet die tot hem gedaan was, maar hij breidt de kracht en waarheid derzelve uit boven het leven zijns zoons, omdat hij Gods macht zoo nauw niet bepaalt, al ware het schoon dat Izak dood ware, dat ze daarom daaraan gebonden zou zijn, en met hem gansch teniet zou zijn. Door dit middel heeft hij de belofte behouden, omdat hij Gods macht niet gebonden heeft aan Izaks leven, maar heeft deze verzekering gehad, dat God zijn kracht zoowel zou kunnen bewijzen aan Izaks assche, als Hij deed toen hij levend was.

19 Waaruit Hij hem. Alsof hij zeggen wilde: Deze hope heeft

,| Abraham niet bedrogen, want dit is geweest een soort van een

verrijzenis, als hij zoo haast uit het midden des doods is verlost geweest. Dit woord parabole wordt verscheiden overgezet. Ik stel het hier voor figuur of gelijkenis: want hoewel Izak inderdaad niet verrezen is, nochtans schijnt het eenigszins dat hij verrijst, als hij zoo haastelijk en wonderbaarlijk door de onverwachte genade

' Gods verlost wordt. Ik verwerp daarom niet, wat sommigen meenen,

dat ons vleesch, hetwelk den dood is onderworpen, afgebeeld wordt

J

I 5

I -

ocr page 181

HEBREËN 11:19—21.

in den ram, die in de plaats van Izak gesteld wordt. Ik belijd ook waar te zijn wat anderen leeren, dat Christus' beeld in deze offerande geschilderd is geweest: maar alsnu spreek ik van wat de apostel wil zeggen, en niet van wat men wel naar waarheid mag zeggen.

Naar mijn verstand is dit de rechte zin hiervan, te weten, dat Abraham zijn zoon niet anders wederom aangenomen heeft, dan of hij hem van den dood in een nieuw leven werd wedergegeven.

20 Door het geloof zegende Izak. Dit is ook een werk des geloofs geweest, een zegen te geven van toekomende dingen: want waarvan nog inderdaad niets blijkt, dan dat er alleen maar het bloote beloofde woord van is, daar moet noodzakelijk het geloof alleen heerschende zijn. Maar hier moet eerst aangemerkt zijn, welke kracht deze zegen heeft, waarvan hij spreekt; want zegenen wordt dikmaals en gemeenlijk genomen voor bidden, dat het ons welga.

Maar Izaks zegen vervat in zich wel een dieper rede: want het was alsof hij de personen in het bezit des lands gesteld had, hetwelk God hem en zijn nakomelingen beloofd had. Nochtans heeft hij in dat land niets anders dan het recht van begrafenis. Deze zeer schoone woorden: Volken moeten u dienen, lieden moeten u te Gen. 27:29. voet vallen, schijnen maar spotwoorden te zijn: want wat heerschappij

zou hij hebben kunnen geven, die zelve nog nauwelijks vrij was?

Hier zien wij dan, dat deze zegen rustende is op het geloof, omdat Izak anders niets heeft om zijnen kinderen te geven dan alleen het woord Gods. Nochtans, men zou kunnen twijfelen, of in Ezau's zegen eenig geloof is geweest, aangezien hij van God verworpen en ver-stooten was. Dit beantwoorden valt licht, omdat zich het geloof voornamelijk hierin getoond heeft, als Izak deze tweelingen, door hem gewonnen, onderscheiden heeft, ja op zulke wijze, dat hij den jongste de eerste plaats gegeven heeft: want zich schikkende naar het bevel Gods, zoo ontnam hij den oudste het verordende natuurlijke recht.

Ziet, hieraan hangt de conditie van dit gansche geslacht, dat Jakob van God verkoren is geweest, en deze verkiezing is bevestigd geweest door des vaders zegen.

21 Jakob stervende, zegende een iegelijk. Des apostels meening is, aan het geloof toe te schrijven al wat het volk Gods geschied was, waardig ter gedachtenis: maar omdat het te lang zou zijn gevallen al de exempelen te verhalen, zoo kiest hij daar sommigen uit, gelijk dit is. Want de stam van Efraïm is den anderen alzoo te boven gegaan, dat de andere geslachten genoeg onder zijn schaduw somtijds verborgen waren. Want de Schrift vervat dikmaals onder den naam Efraïm al de tien stammen. Nochtans was Efraïm van de beide kinderen van Jozef de jongste. In den tijd toen Jakob hem zegende en zijn broeder, zoo waren ze beiden nog zeer klein. Wat zag Jakob in den jongste waarom hij hem vóór den oudste stelde?

En dit doende zoo zijn hem de oogen door ouderdom verduisterd geweest; en dat zijn rechterhand op Efraïms hoofd ligt, geschiedt niet bij geval: want hij legt zijn armen kruiselings, zoodat hij zijn rechterhand aan de linkerzijde brengt; en wat meer is, hij kent hem twee deelen toe, alsof hij aireede heer geweest was van dat land,

waaruit hem de honger verdreven had. Hier is dan niets, dat met de rede overeenkomt, tenzij het geloof hier heerschappij hebbe.

177

Daarom, zoo de Joden iets willen wezen, zoo laten zij nergens elders in roemen dan in het geloof. En aanbad naar het opperste.

Dl. vu.

ocr page 182

HEBREËN 11 ; 21, 22.

Dit is één uit die plaatsen, waaruit men gissen kan, dat de Hebreën hiervoormaals de punten of klinkers in het schrijven niet hebben gehad: want de Grieken konden zoo niet feilen, dat ze roede voor bed zouden hebben overgezet, zoo er zulke manier van schrijven geweest ware, als wij hedendaags hebben. Daar is niet aan te twijfelen, Mozes spreekt van het hoofdpeluw van het bed. Maar de Grieksche over-zetters hebben het overgezet; op het opperste zijner roede, alsof er gestaan had, matteh in plaats van mit-tah. De apostel heeft geen zwarigheid gemaakt, tot zijn doel te gebruiken hetwelk door de gewoonte was aangenomen. Het is wel waar, dat hij aan de Joden schreef, maar het was tot degenen, die verspreid waren in verscheidene landen, en hun moeders taal verwisseld hadden voor de Grieksche taal. Wij weten, dat de heilige apostelen niet zeer beangst zijn geweest, om zichzelven te schikken naar het eenvoudige volk, dat nog melk behoefde: en hier is geen zwarigheid in, mits de lezers altijd gebracht worden tot den rechten aard en grond der Schrift. Verder, aan de zaak op zichzelve ligt ook niet veel: want dat Jakob aanbad, is een teeken der dankzegging geweest: waarom hij door het geloof daartoe gebracht is, dat hij zich zijn zoon onderwerpen zou.

22 Door het geloof was Jozef gedachtig als hy stierf. Dit is

het allerlaatste van al de daden der patriarchen, die Mozes verhaalt, gelijk het in der waarheid wel waardig is beschreven te worden. Want dat de groote rijkdommen, wellust en eere dezen heiligen man de Goddelijke beloften niet doen vergeten, en hem in Egypte niet vasthouden, dat is voorwaar een teeken van uitnemend geloof. Want vanwaar komt hem zoo groot volstandig gemoed, dat hij al wat hoog in deze wereld is, veracht, en dat hij versmaadt, hetwelk hier zeer kostelijk is, anders dan dat hij door het geloof in den hemel klom ? Aangaande het bevel van het medevoeren zijner beenderen, daarin acht hij zichzelven niet, alsof hij een beter begrafenis meende te hebben in het land Kanaan dan in Egypte: maar hij heeft alleenlijk de begeerte van zijn geslacht willen sterken, opdat zij met meerder bewegen hopen zouden op hunne verlossing; hij heeft hiermede ook hun geloof willen bevestigen, opdat zij een zekere hope zouden hebben, dat zij eens daaruit zouden worden verlost.

Hand3V220 23 Door het geloof werd Mozes, als hij geboren was, drie maan

den verborgen van zijne ouders, omdat zij zagen, dat het een schoon kindeken was: en zij vreesden het gebod des ko-nings niet.

24 Door het geloof weigerde Mozes, als hij groot geworden was, een zoon der dochter van Farao genaamd te worden:

Ps. 84;ii. 25 Verkiezende liever met Gods volk kwaad te lijden, dan tijde-

1) Dat is, lijke nuttigheid ') der zonden te gebruiken.

hekJ6 als^hy 26 Achtende de versmaadheid van Christus meerder rijkdom te

zonder zon- zijn, dan de schatten van Egypte: want hij zag op de ver

bruiken kinquot; gelding des loons.

27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vreezende den toorn des konings, want hij bleef volstandig, alsof hij Dengene die onzienlijk is, gezien had.

178

ocr page 183

HEBREËN 11 : 23, 24.

23 Door het geloof werd Mozes. Daar zijn ook anderen geweest, ja ook wereldsche menschen, die hun kinderen bewaarden, zichzelven stellende in groot gevaar, niet omdat zij eenige vreeze Gods hadden, dan alleen door de groote begeerte, om hun geslacht groot te maken. Maar de apostel bewijst, dat Mozes' ouders door andere redenen daartoe bewogen waren om hun kind te behouden, te weten, omdat God hun beloofd had in dien tijd te verlossen, als zij zeer verdrukt zouden worden met dienst. Steunende op dit betrouwen, zoo hebben ze liever hun kind willen behouden dan zichzelven. Maar dit schijnt nu tegen de natuur des geloofs te zijn, dat hij zegt dat zij daartoe genegen zijn geweest, omdat het een schoon kind was. Want wij weten, dat Isaï gestraft is geweest door Samuel, toen hij hem zijn kinderen aanbood, naardat elk groot en schoon was. En voorwaar God wil niet hebben dat wij aan den ui terlijken schijn zullen blijven hangen. Ik antwoord, dat Mozes' ouders niet bewogen zijn geweest door de schoonheid huns kinds, alzoo dat zij daardoor medelijden zouden gehad hebben om hem te behouden, gelijk andere menschen gemeenlijk door zulks bewogen zijn: maar dat in dit kind een teeken was van zijne toekomende uitnemendheid, gedrukt in zijn aangezicht, dat wat bijzonders van hetzelve beloofde. Zoo moet men dan niet twijfelen, dit kind aanziende, zoo zijn ze opgewekt geworden om te hopen op de nakende verlossing, omdat zij ook betrouwden, dat hun kind verordend was om groote zaken uit te richten. Verder, behoorden de Joden dit wel zwaar te wegen, als zij hooren zeggen, dat Mozes een dienaar van hun verlossing, wonderbaarlijk uit den dood getrokken is, door middel des geloofs. Nochtans moet onthouden zijn, dat het geloof, hetwelk hier geprezen wordt, zeer zwak is geweest; want in de plaats dat zij Mozes behoorden op te voeden, bezijden zettende alle vreeze des doods, zoo zetten ze hem van zich. Hieruit blijkt dan, dat hun geloof een weinig tijds niet alleen wankelbaar gestaan heeft, maar ook vervallen is: ten minste doen ze niet gelijk zij schuldig waren te doen, als zij hem werpen aan den oever der rivier. Maar wij moeten zooveel te meer moed grijpen, als wij hooren zeggen, dat hoewel het geloof zwak is, nochtans wordt het alzoo van God gehouden, dat het Mozes het leven behoudt, waaraan de verlossing der gemeente hing.

24 Mozes, als hjj groot geworden was. Mozes' exempel behoorden de Joden te gedenken boven alle andere, omdat zij door zijne hand van den harden dienst zijn bevrijd geweest; het verbond Gods is hun vernieuwd geweest, en de staat der gemeente bevestigd door de verkondiging der wet. Moet dan het geloof voornamelijk in Mozes aangemerkt zijn, zoo ware het kwalijk gedaan als hij ze op iets anders zou wijzen. Waaruit volgt, dat al degenen die van de wet niet keeren tot het geloof, weinig bate van de wet hebben. Nu moeten wij zien, waarin hij het geloof van Mozes prijst. Eerstens stelt de apostel deze deugd: dat hij alsnu groot zijnde, weigerde een aangenomen kind van Farao's dochter te zijn. Hij verhaalt zijn ouderdom. Want had hij datzelfde gedaan nog een kind zijnde, het kon der lichtvaardigheid of onwetendheid worden toegeschreven: want omdat er geen rede noch rijp overleg in de kinderen is, zoo handelen ze onbedachtelijk; de jongelieden worden ook dikmaals her- en derwaarts gedreven door een onvoorzichtigen

179

ocr page 184

HEBREËN 11 : 24—26.

ijver. Opdat wij dan weten zouden, dat Mozes niet onwijs gehandeld heeft, maar zijn voornemen lang te voren wel overdacht had, zoo verhaalt de apostel hier, dat hij toen groot was, hetwelk men ook klaarlijk in de historie zien kan. Daar is gezegd, dat hij de aanneming tot zoon van de dochter van Farao versmaad heeft, omdat, toen hij zijn broeders bezocht, en zijn best deed, om hen te troosten, als hij het ongelijk was wrekende, alle deze dingen daartoe strekten, dat hij liever tot zijn geslacht wilde keeren, dan aan het hof des konings blijven. Zoo is dit dan zooveel, alsof hij zichzelven van de voorzegde aanneming tot zoon met bewustzijn onterfd had. Dit schrijft de apostel het geloof toe; want het ware hem beter geweest in Egypte te blijven, tenzij hem bekendgemaakt ware geweest, dat de stam van Abraham gezegend was, van welken zegen alleen de belofte Gods getuigenis gaf: want dit scheen nog ganschelijk voor oogen niet. Zoo blijkt hier dan uit, dat hij door het geloof ingezien heeft, wat nog verre van zijne lichamelijke oogen was.

26 Achtende de versmaadheid van Christus. Deze manier van spreken moet naarstiglijk aangemerkt zijn, door welke wij geleerd worden, dat wij als vergiftig venijn vlieden zullen al wat men niet verkrijgen kan zonder God daarmede grootelijks te vertoornen. Want hij noemt tijdelijke nuttigheid der zonden, alle aanlokkingen der wereld, die ons aftrekken van God en zijn roeping. Want de nuttigheden des aardschen levens, die men met goede conscientie en toelating Gods gebruiken mag, zijn onder dit getal niet begrepen: daarom, laat ons altijd onthouden te onderscheiden wat God toelaat. Daar zijn toch sommige dingen geoorloofd uit zichzelven, waarvan het gebruik ons verboden is door de omstandigheden des tijds, der plaatsen, of eenige andere zaken. En daarom moet dit altijd aangemerkt zijn in al de nuttige weldaden van dit tegenwoordige leven, dat ze ons dienen zullen tot hulp om God na te volgen, en niet tot beletselen. Hij noemt ze tijdelijke nuttigheden der zonden, omdat zij met dit leven terstond verdwijnen. Tegen deze stelt hij de versmaadheid van Christus, die alle godzaligen williglijk behooren aan te nemen. Want degenen, die God verkoren heeft, die heeft Hij ook verordend, gelijkvormig te zijn den beelde zijns Zoons, niet dat Hij ze al te zamen door gelijke versmaadheid of kruis oefent; maar dat zij al te zamen alzoo bereid moeten zijn, dat zij niet weigeren metgezellen in het dragen des kruises van Jezus Christus te zijn. Een iegelijk denke dan bij zichzelven, hoever hij tot deze gemeenschap is geroepen, opdat hij alle beletselen wederstaat. En wij moeten niet klein achten, dat hij hier bij de versmaadheid van Christus al de schande en versmaadheid stelt, die de geloovigen geleden hebben van den beginne der wereld aan. Want gelijkerwijs zij leden geweest zijn van één lichaam, zoo hadden ze met ons ook niets verscheiden. Het is wel waar, dat alle benauwdheid, druk en lijden, alzoo zij vergelding der zonden zijn, ook vruchten geweest zijn van de vervloeking, die den eersten mensch opgelegd is geweest: maar al het ongelijk dat wij van de boozen lijden om den naam van Jezus Christus, die acht Christus zijne te wezen, en hierom roemt de heilige Paulus hierin, zeggende, dat hij vervult hetwelk aan het lijden van Christus ontbreekt. Konden wij dit inzien gelijk het behoort, het zou ons zoo zwaar, bitter en moeilijk niet vallen, om den naam van Christus

180

ocr page 185

HEBREËN 11 : 26, 27.

te lijden. Hij verklaart ook breeder door dit stuk, wat aangewezen wordt: Door de versmaadheid van Christus, als hij zegt; Verkiezende veel liever met het volk Gods verdrukt te zyn. Mo-

zes kon anders niet openbaren, dat hij mede een van het volk Gods was, tenware hij zich een metgezel maakte van de ellende zijns volks. Daarom, als wij voor ons genomen hebben van de kerk van Christus niet te scheiden, zoo laat ons weten, dat al ons lijden in ons Hoofd geheiligd is. Aldus noemt hij bij tegenstelling de schatten van Egypte, die niemand kan bezitten, tenzij hij de kerk verzake. Want hij zag op de vergelding des loens. Hij bewijst door de beschrijving hier gesteld, dat deze welgemoede volstandigheid een vrucht des geloofs is geweest, omdat Mozes' oogen zonder afwijken vast zagen op de belofte Gods: want hij zou niet gehoopt hebben, dat hij het beter zou gevonden hebben bij het volk van Israël, dan bij de Egyptenaren, tenware hij zijn betrouwen gezet had op de eenige belofte Gods. Verder, of nu iemand hierop zeggen wilde, dat het geloof hier niet rust op de eenige barmhartigheid Gods, omdat het een opzicht heeft op de vergelding des loons; ik antwoord, dat hier geen kwestie is van de gerechtigheid of oorzaak der zaligheid, maar dat de apostel in 't algemeen begrijpt, wat tot het geloof wel dient. Daarom, omdat de gerechtigheid voor God te zoeken is, daarom heeft het geloof geen opzicht op de vergelding, maar op de goedheid Gods, ons uit genade geschied; het ziet ook niet op onze werken, maar alleen op Jezus Christus. Maar omdat het geloof buiten de zaak der recht-vaardigmaking algemeen zich vestigt op Gods Woord, zoo heeft het een opzicht op de beloofde vergelding. Door het geloof (zeg ik) nemen wij willig aan al hetgeen God belooft. Nu, is het alzoo dat Hij den werken loon belooft, zoo is het dan het geloof, dat deze vergelding begrijpt. Maar dit al heeft geen plaats in de zaak der rechtvaardigmaking, die ons voor niets is geschied; want men kan op geen vergelding hopen, tenzij de toerekening van de rechtvaardigheid ons uit genade geschied, eerst voorga.

27 Door het geloof verliet hij Egypte. Dit kan men uitleggen zoowel van den eersten uitgang, als van den tweeden, toen hij het volk met zich leidde; want alstoen verliet hij Egypte eigenlijk, toen hij uit het huis van Farao is gevloden. Hierom is het geschied, dat deze uitgang van den apostel verhaald wordt, vóór het feest van paschen; zoo schijnt dan dat hij van Mozes' vlucht spreekt. En wat daarna volgt: Niet vreezende den toorn des konings, belet dit geenszins: aangezien Mozes zelf vertelt, dat hij door vreeze gedwongen werd om te vlieden: want zien wij het begin wel in, hij vreesde niet toen hij zichzelven verklaarde een beschermer des volks te zijn. Nochtans alles wel aangemerkt hebbende, zoo schrijf ik het liever den tweeden uitgang toe: want toen versmaadde hij zonder eenige verbaasdheid de woede des konings, zijnde met zulke kracht des Geestes Gods gewapend, dat hij zeer dikmaals allereerst dit wreede beest heeft durven uitdagen. Het is voorwaar een wonderlijke kracht des geloofs geweest, dat hij, met zich nemende een groote menigte, die ganschelijk niet geoefend waren tot den oorlog, ook belast met veel beletselen, gehoopt heeft, dat hem door de hand Gods een weg zou worden geopend door ontallijke zwarigheden. Hij zag dezen koning sterk, machtig, hoogmoedig brieschen en

181

ocr page 186

HEBREEN 11 : 27.

razen, en wist ook wel, dat hij niet zou ophouden, totdat hij al gedaan had wat in zijn macht was: desniettemin, omdat hij wist dat ze God de werker was van zijnen uittocht, zoo beveelt hij Hem de uit- V(: komst, en twijfelt niet, of Hij zal al de wederspannigheid der Egyp- ze tenaren op bekwamen tijd wel ten beste doen ophouden. Want hy la bleef volstandig, alsof hjj Dengene, die onzienlijk is, gezien vlt; had. Nu had Mozes immers God in het brandend braambosch ge- bl zien; daarom schijnt dat dit oneigenlijk gezegd is, en niet wel ge- w schikt tot de tegenwoordige stof. Ik belijd wel, dat Mozes bevestigd ei is geweest door dit gezicht, opdat hij deze zeer loffelijke daad aan- W nemen zou, te weten, de verlossing des volks: maar ik loochen dat d dit gezicht Gods zoo is geweest, dat het hem het vleeschelijke ge- V1 voelen benam, en hem trok uit de gevaren van deze wereld. God G toonde hem alstoen alleen een teeken van zijne tegenwoordigheid: 0 maar daar scheelde nog veel aan, dat hij God daar zag, gelijk Hij is. g De apostel verstaat, dat Mozes niet minder bemoedigd is geweest, dan

of hij opgetrokken ware geweest in den hemel, en God daar alleen voor oogen had gehad, alsof hij met de menschen niet te doen had, of hij niet onderworpen ware geweest aan de gevaren van dit

tegenwoordige leven, of hij met Farao niet moest strijden. Nochtans, z

het is zeker dat hem zooveel moeielijkheden overkwamen, dat hij d

wel dikmaals heeft kunnen denken, dat God van hem geweken was, d

of ten minste, dat de hardnekkigheid des konings, voorzien en toe- F gerust met zoo groote macht en hulp om hem te wederstaan, ten

laatste eens de overhand zou houden. In één woord, God had Zich- Ê

zeiven Mozes alzoo laten zien, dat Hij hem nochtans daarbenevens c

Ex. 12 ;21.

Ex. 14:22. Joz. 6:20.

•Toz. 6 :23, Jak. 6 :25. Joz. 2: 1.

aan het geloof nog plaats liet. Mozes nu omsingeld zijnde met velerhande verschrikkingen, die hem al zeer na gingen, keerde al zijn gedachten en zinnen tot God. Het is wel waar, om dit te doen, zoo heeft hem dit gezicht grootelijks geholpen, maar nochtans heeft hij meer in God gezien, dan dit zichtbare teeken met zich bracht: want hij heeft de kracht van hetzelve omhelsd, die alle vrees en gevaar heeft verslonden. Steunende op Gods beloften, zoo houdt hij voorzeker, dat zijn volk aireede heeren zijn van het beloofde land, hoewel zij zeer van de moorddadigheid der Egyptena-ren verdrukt werden. Hieruit leeren wij, dat de rechte aard des geloofs is, God altijd voor oogen hebben. Ten tweede, dat het geloof hooger en verborgener dingen in God ziet, dan wat onze zinnen kunnen begrijpen. Ten derde, dat alleen het aanschouwen Gods genoegzaam is om onze zwakheid te verbeteren, en maken dat wij harder worden dan steenen tegen alle aanvechtingen des duivels. Waaruit volgt, zooveel te zwakker en minder manhaftig de mensch is, zooveel te weiniger geloof is in hem.

28 Door het geloof hield hij het Pascha en de besprenging des bloeds, omdat de verderver der eerstgeborenen hen niet genaken zou.

29 Door het geloof gingen zij door de Roode Zee als door het droge; hetwelk de Egyptenaars ook verzoekende, zijn verdronken.

30 Door het geloof vielen de maren van Jericho, als zij tot zeven dagen omringd waren geweest.

31 Door het geloof is Eachah, de hoer, de verspieders met vrede ontvangende hebbende, niet vergaan met de ongehoorzamen.

182

ocr page 187

HEBREËN 11 : 28—30.

28 Door het geloof hield hy het Pascha. Dit behoorde den Joden zeer te dienen tot versterking van hun geloof, die dit paaschfeest voor de allergrootste plechtigheid hielden en van hooge waarde. Hij zegt, dat deze plechtigheid door het geloof geschied is: niet omdat het lam een afbeelding van Christus is geweest, maar omdat de vruchten voor oogen nog niet bleken, toen ze de posten huns huizes met dit bloed besprengden. Daarom moesten zij het door het geloof verwachten, aangezien de waarheid zelve voor hen nog verborgen was; en wat meer is, ditzelve kan bespottelijk schijnen, te weten, dat Mozes tot een hulpmiddel gebruikte tegen de wrake Gods weinige druppelen bloeds, en hij, nochtans met het eenige woord Gods tevreden zijnde, heeft niet getwijfeld, maar geloofd, dat door hetzelve Gods volk uitgezonderd zou zijn van de plagen, die de Egyptenaren overkomende was. En daarom is het zonder oorzaak niet, dat Mozes' geloof van den apostel hierin wordt geprezen. Degenen die het nu uitleggen, dat het Pascha door het geloof is gehouden geweest, omdat Mozes op Jezus Christus heeft gezien, die zeggen de waarheid: maar de apostel heeft hier eenvoudig van het geloof onderwezen, omdat het rustende is op het eenige woord Gods, als de zaak zelve nog niet blijkt. En daarom geeft het hier geen plaats diepzinnig te philosopheeren. Dat hij nu eenvoudig zegt van Mozes, dat hij het pascha heeft gehouden, de reden is deze, omdat God het pascha door zijn hand heeft verordend.

29 Door het geloof gingen zjj door de Roode Zee. Het is wel geloofelijk, dat er onder deze groote menigte veel ongeloovigen zijn geweest; maar de Heere heeft door sommiger geloof toegelaten, dat de gansche hoop door de Roode Zee met droge voeten is doorgegaan: want hierin was een groot onderscheid tusschen de Israëlieten en de Egyptenaren, zoodat als de Israëlieten behouden waren doorgegaan, de anderen terstond daarna verdronken. Vanwaar komt dit onderscheid? anders dan dat de Joden het woord Gods ontvangen hebben, waarvan de anderen beroofd waren ? Zoo is dit dan een bewijs genomen van twee dingen, die tegen elkander zijn, als hij zegt, dat de Egyptenaren verdronken zijn. Want deze ongelukkige val is de straf geweest van hun lichtvaardigheid en boosheid, gelijk integendeel de kinderen van Israël behouden zijn, omdat zij rustende op Gods woord, geen zwarigheid gemaakt hebben door het midden der verbolgen golven des waters te gaan.

30 Door het geloof vielen de muren van Jericho. Gelijk hij hierboven geleerd heeft, dat het juk der dienstbaarheid gebroken en afgescheurd is geweest door het geloof, zoo vermaant hij ook alsnu, dat door datzelfde geloof het volk gegaan is in de bezitting der erfenis die hun beloofd was: want aan 't begin des lands vonden zij de stad Jericho, die van alles voorzien en sterk was, ja nagenoeg onoverwinnelijk, om hun te beletten dat zij niet verder zouden trekken, aangezien daar geen middel was om dezelve te winnen. De Heere beveelt, dat het krijgsvolk eens des daags om de stadsmuren zou gaan, en op den zevenden dag zevenmaal. Deze omgang scheen zooveel als een kinderspel, vol van alle bespotting; nochtans zijn ze Gods bevel gehoorzaam, en doen geen verloren moeite: want hun geschiedde gelijk hun beloofd was. Het is zeker, dat de muren van Jericho niet gevallen zijn van het roepen of ge-krijsch der menschen, noch ook door het geluid der trompetten:

183

ocr page 188

HEBREËN 11 :30, 31.

maar omdat het volk hoopte op hetgeen God beloofd had te volbrengen. Dit moeten wij ons ook ten nutte maken; want wij zijn anders niet verlost van de tirannie des duivels, om in de vrijheid geroepen te worden dan door het geloof, en door hetzelve overwinnen wij onze vijanden, en al de sterkten der hel zijn daardoor nedergelegd.

31 Door het geloof is Rachab. Hoewel bij het eerste aanzien dit exempel niet waardig schijnt aangeteekend te zijn, en bijna onwaardig om in dit getal gesteld te zijn, vanwege de onaanzienlijkheid dezer vrouw, nochtans wordt het door den apostel gepast aangehaald. Tot hiertoe heeft hij bewezen, dat de patriarchen, van welke de Joden zeer veel hielden, en dien zij grooté eer deden, niets gedaan hebben dat prijzenswaardig is, dan door het geloof; en dat al de weldaden die zij van God ontvangen hebben, en waardig der gedachtenis zijn, niet dan krachtige daden van dit geloof zijn geweest. Maar alsnu toont hij, dat een vreemde vrouw, en niet alleen van lagen staat onder haar geslacht, maar een hoer geweest zijnde, in het lichaam der gemeente is geplant door het geloof. Waaruit volgt, dat die daar uitnemend zijn, en in groote waardigheid boven anderen, bij God nergens anders door geacht zijn dan door het geloof alleen, en integendeel, dat die nauwelijks tevoren plaats hadden onder de onheilige en verworpene menschen, aangenomen zijn in het gezelschap jak. 2:25. der engelen. Verder, zoo geeft de heilige Jakobus ook getuigenis van het geloof van Rachab. En het is lichtelijk uit de Heilige Schrift te verstaan, dat deze vrouw een waar geloof heeft gehad; want zij betuigt, dat zij voor zeker en vast hield wat God den Israëlieten beloofd had, en begeert dat men haar en hare vrienden in het leven behoude: alsof de Israëlieten aireede victorie hadden verworven, die daarenboven in het land door vreeze niet durfden komen; en hierin ziet ze geen menschen aan, maar God. Het is ook een zonderling getuigenis van haar geloof, dat zij deze verspieders herbergde met gevaar haars levens. Aldus is zij dan door het middel des geloofs aan de algemeene vernieling der stad ontkomen. Dit woord hoer is hier gesteld om de genade Gods grooter te maken. Daar zijn sommigen, die het Hebreeuwsche woord zona, overzetten waardin, alsof zij haar brood gewonnen had met herberg te houden. Maar omdat de Heilige Schrift overal dit woord stelt voor hoer, zoo is er geen reden, waarom wij hetzelve hier anders zouden uitleggen. De rabbijnen hebben een gedwongen afleiding versierd, omdat zij zich lieten dunken dat zulks niet wel sloot, en oneerlijk voor hun geslacht was, zoo men zeide, dat de verspieders in een hoerenhuis waren geherbergd geweest. Maar dit moet men niet achten; want deze bijstelling; hoer, is uitdrukkelijk in de historie van Jozua gesteld, opdat wij weten zouden, dat de verspieders heimelijk in de stad Jericho kwamen, en dat zij daar verborgen waren in het huis van een hoer, hoewel het zeker is, dat dit gezegd wordt van haar leven, dat zij tevoren geleid had; want het geloof geeft getuigenis van hare bekeering.

Richt. 6:11. Richt, 4:6. Richt. 13:24. Richt. 11:1; 12: 7.

1 Sam. 17:45. Sir. 47 : 3, 4. 1 Sam. 12:20.

32 En wat wil ik meer zeggen ? want de tijd zou mij ontbreken zou ik vertellen van Gideon, Barak, Simson en Jeftha, ook David, Samuel en de profeten.

33 Welke door het geloof koninkrijken overwonnen hebben, ge-

184

ocr page 189

HEBREËN 11:32.

rechtigheicl gewrocht, beloften verkregen, der leeuwen muilen iSam.i7:3é,

. , Sir. 47 • 3.

gestopt; Dan. 6 : 23.

34 De kracht des vuurs uitgebluscht, de scherpte des zwaards

zijn ontvloden, uit krankheid sterk geworden, krachtig ge- i Kon. 19:3. worden in den strijd, hebben vreemde heirlegers doen wijken.

32 En wat wil ik meer zeggen? Wijl het te vreezen was, dat hij de andere exempelen des geloofs verhalende, den lof des geloofs te zeer bepaald zou hebben voor sommige menschen, zoo voorziet hij hierin, en zegt dat hij nimmer einde zou hebben, zoo hij ze al te zamen den een na den ander zou noemen, aangezien hetzelfde, hetwelk hij van weinigen verhaald heeft, der gansche gemeente Gods toekomt. Eerstens roert hij den tijd aan, die daar geweest is tusschen Jozua en David, waarin God richters verwekte om het volk te regeeren, gelijk deze vier geweest zijn, waarvan hij hier spreekt:

Gideon, Barak, Simson en Jeftha. Voorwaar, het scheen een spotternij te zijn, dat Gideon alleen met driehonderd man een ontal-lijke heirkracht der vijanden gaat bestrijden; dat zij ook de kruiken in hun handen in stukken braken, was ook op zichzelf zulk een ijdel ding, dat het scheen dat het alleen niets was, dan om kinderen bang te maken. Aangaande Barak, daar ontbrak ook nog veel aan,

dat hij zoo sterk was als zijn vijanden, en daarenboven werd hij alleen geregeerd door den raad van eene vrouw. Simson zijnde een landman, die in geen andere wapenen zich geoefend had, dan die tot zijn handwerk dienden, wat kon hij toch doen tegen zoodanige hoogmoedige overwinnaars, door wier kracht al het volk in slavernij was gebracht? Aangaande Jeftha, wie zou in 't eerst zijn dwazen aanvang niet misprezen hebben, aangezien hij beloofde een volk te beschermen, waar geen raad noch hulpmiddelen meer waren? Maar omdat deze voornoemden God al te zamen volgden als hun Leidsman, steunende op zijn beloften, en aanvingen om te volbrengen hun bevolen bevel, zoo worden ze geprezen door het getuigenis des Heiligen Geestes. Daarom, al hetgeen zij gedaan hebben hetwelk prijzenswaardig is, schrijft de apostel het geloof toe, hoewel er niet ée'n van hen allen is, of hun geloof is eensdeels wankelbaar geweest. Gideon is trager in het aannemen der wapenen dan hij wel behoorde te doen, en durft zich Gode niet bevelen dan met groote zwarigheid. Barak was verbaasd en beefde in den beginne, alzoo bijwijze van spreken, dat hem Debora met spijtige woorden daartoe moest dwingen. Simson verwonnen zijnde door het schoon spreken van zijn bijslaapster, verried onbedachtelijk zijn en zijns volks zaligheid. Jeftha te zeer haastig om een zotte belofte te doen, en zeer hardnekkig in het volbrengen derzelve, onteert door den wreeden dood zijner dochter de groote victorie die hij had verworven. Aldus zal men altijd in de heiligen iets vinden hetwelk strafbaar is, en nochtans hoewel het geloof onvolkomen is, zoo blijft het daarom van God niet ongeprezen. Daarom zullen ons de gebreken, waarmede wij besmet zijn, den moed niet doen verloren geven, of heel slap maken,

zoover wij in den loop onzer roeping in het geloof volharden. En ook David. Onder Davids naam begrijpt hij al de geloovige koningen, bij welken hij stelt Samuel en de profeten. Waardoor hij in een korte som wil bewijzen, dat het koninkrijk van Juda op het geloof gegrond is, en door het geloof ten einde toe gebleven is.

185

ocr page 190

HEBREËN 11 : 32—35.

Meest al de victoriën van David, die hij verworven had over zijn vijanden, waren het gewone volk wel bekend. De vroomheid van Samuel, en zijn groote deugd in het regeeren des volks, was ook wel bekend. De weldaden, die God de heilige koningen en profeten gedaan had, waren openbaar. De apostel besluit, dal er niets van al dit voorverhaalde is, of het moet het geloof toegeschreven worden. Zoo zien wij hier, dat hij van het ontallijke getal der weldaden Gods maar sommige aanroert, opdat de Joden in 't algemeen hieruit nemen zouden, dat gelijkerwijs God zijn gemeente altijd door het geloof onderhouden en bewaard heeft, ook nog hedendaags geen ander middel is, waardoor wij zijn goedertierenheid tegen ons mogen gevoelen. David is zoo menigmaal tehuis gekeerd, hebbende de overhand gehouden over zijn vijanden. Hiskia krank zijnde, is wederom gezond geworden. Daniël is gezond en ongekwetst uit den kuil der leeuwen gekomen, zijn metgezellen hebben vroolijk in den gloeienden oven gewandeld, min of meer alsof zij in een hof met rozen wandelden. Is het geloof een oorzaak van dit alles geweest, zoo moet men besluiten, dat er geen ander middel is dan het geloof, om de goedheid Gods plaats te geven, opdat zij zichzelve ons kan openbaren. Wij moeten bijzonder dit stuk onthouden, waar gezegd is: Dat zij de beloften verkregen hebben door het geloof. Want hoewel God waarachtig blijft, al ware het dat wij al te zamen. ongeloovig waren, nochtans maakt ons ongeloof dat ons de beloften onnut zijn, dat is te zeggen, dat zij ons het beloofde inderdaad niet bewijzen.

34 Uit krankheden sterk geworden. Chrysostomus drijft dit woord anders, te weten, dat de Joden van de ballingschap weer-gebracht zijn, waarin zij waren alsof zij zonder hope waren geweest. Ik houd het voor zeker, dat het van Hiskia verstaan wordt, hoewel men het ook verder kan trekken, te weten, dat God met zijne hand de geloovigen opgeheven heeft, zoo dikmaals als zij terneder zijn geslagen, en dat Hij hun in de krankheid alzoo te hulp is gekomen, dat zij herkleed zijn geweest met volle sterkte.

35 De vrouwen hebben. Zooveel den vrouwen aangaat, wier dooden van den dood verwekt zijn, dit kan men verstaan van de twee weduwen, wier kinderen door Elia en Elisa opgewekt werden.

35 De vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding wederge-kregen. Anderen hebben zich laten uitrekken, de verlossing verachtende, omdat zij tot een beter opstanding komen zouden.

86 Anderen zijn met bespotting en geeselen verzocht geweest, en ook met banden en gevangenis;

37 Zij zijn gesteenigd, doorgesneden, verzocht, met het zwaard gedood. Zij hebben in schaapsvellen en in geitenvellen gewandeld, verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld;

38 Welker de wereld niet waardig was, en hebben in woestijnen gedwaald, en op bergen, en in spelonken, en in holen der aarde.

89 En alle dezen hebben door het geloof getuigenis gehad, en hebben de belofte niet verkregen;

40 Dewijl God wat beters voor ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.

35 Anderen hebben zich laten. Kort te voren heeft hij vermaand

186

ocr page 191

HEBRËEN 11 : 35.

187

de gelukkige voortgangen, waarmede God het geloof der zijnen vergolden heeft, alsnu handelt hij een andere zaak, te weten, dat de heiligen, zijnde in de allermeeste ellenden, vromelijk wederstaan hebben, in het geloof worstelende, alles wat hun overkwam, zoodat zij volhardende, onverwinlijk zijn gebleven tot in den dood. Dit laat zich in het eerst wel aanzien, als groot onderscheid hebbende met het andere, te weten, dat de eersten bovenmate heerlijk zijn, hebbende overwinning over hunne vijanden, dat God ze door verscheiden wonderwerken beschermt, dat zij uit het midden des doods, door nieuwe en ongewone middelen verlost worden, en dezen worden zeer schandelijk gehandeld, zoodat schier de gansche wereld hun in het aangezicht spuwt. Zij zijn benauwd door armoede, zij worden van allen man gehaat, zoodat zij gedwongen worden zich in de holen en spelonken der beesten te verbergen. In e'én woord, zij worden overgeleverd tot zeer wreede en verschrikkelijke pijn; deze laatsten schijnen ganschelijk van Gods hulpe verlaten te zijn, als Hij ze alzoo overlevert aan de verwoede wreedheid der ongeloovigen. Aldus schijnt dan, dat zij zeer wijd van de anderen onderscheiden zijn. Nochtans heerscht het geloof in beiden, en heeft zooveel kracht in den een als in den ander, ja wat meer is, de kracht des geloofs is meer uitblinkende in de tweeden. Want in het versmaden van den dood is de overwinning des geloofs heerlijker, dan of het leven verlengd ware tot in de vijfde eeuw. Het is een uitnemender werk des geloofs, en meer prijzenswaardig, smaad, schande, laster, armoede, en de uiterste benauwdheid lijdzamelijk en volstandiglijk te verdragen, dan gezondheid te verwerven, of eenige andere weldaad van God door een wonderwerk te verkrijgen. De inhoud van dezen is, dat de sterkheid en standvastigheid der heiligen, in wat tijd dat zij zich ook vertoond heeft, een werk des geloofs is geweest, omdat onze zwakheid zoo groot is, dat wij den tegenspoed niet overwinnen kunnen, tenzij ons het geloof onderhoude. En hieruit verstaan wij, dat al degenen, die een waarachtig betrouwen in God hebben, met zulke kracht voorzien zijn als hun van noode is om vromelijk te wederstaan, hetzij ook met wat middelen dat hun de duivel bestormt, en voornamelijk, dat ons geen lijdzaamheid om te lijden ontbreken zal, zoo wij een oprecht geloof hebben; en dat wij door ongeloof overwonnen worden, als wij den moed verloren geven in tijden van druk en lijden. Want de natuur des geloofs is nog heden ten dage, gelijk zij zich wel eertijds in de heilige vaderen heeft vertoond, waarvan de apostel hier vermaant. Daarom zoo wij hun geloof navolgen willen, wij zullen zoo schandelijk niet vallen door onze sloffigheid. Aangaande het Grieksche woord, hetwelk ik overgezet heb voor rekken, daarin heb ik Erasmus nagevolgd, hoewel het anderen uitleggen ontleden: maar naar mijn verstand is de tekst eenvoudiger, te weten, dat zij uitgetrokken zijn geweest, gelijk men een trommelvel uitrekt of spant. Dat hij zegt: verzocht zijn geweest, schijnt daar overtollig te zijn, en ik twijfel niet, omdat in de Grieksche taal, waar deze twee woorden zeer op elkander gelijken, doorgesneden en verzocht, het den een of ander onkundigen lezer oorzaak gegeven heeft, om het tweede op den kant te stellen, en dat het in later tijd alzoo in den tekst is gekomen, gelijk Erasmus zich ook laat dunken. Bij de schaapsvellen en geitenvellen komt het mij voor, dat hij veeleer meent de verachtelijke en harde kleederen

ocr page 192

HEBREËN 11:35—38.

der geloovigen, waarmede zij gekleed waren, toen zij in de wildernis vloden, dan de tentdoeken, die men van vellen maakte. En hoewel men zegt, dat Jeremia gesteenigd is, Jesaja midden door gezaagd, en dat de Heilige Schrift verhaalt dat Elia en Eliza en andere profeten dwalende geweest zijn op bergen en in spelonken, nochtans twijfel ik niet, of hij wil hiermede aanteekenen de wreede en verschrikkelijke eeuwWvriór vervolging van Antiochus Epifanes tegen het volk Gods, en hetgeen Christus. wat daarna geschiedde. De verlossing verachtende. Hij spreekt hier zeer eigenlijk: want zij hadden God moeten verloochenen om een weinig verlenging huns levens te koopen, en dit ware een zeer kwade koop geweest. Aldus hebben zij om eeuwig in den hemel te leven, liever het leven dezer wereld verzaakt, die hun door het verloochenen Gods (gelijk wij gezegd hebben, en ook van hunne roeping) alsdan zeer duur zou staan. Wij weten wat Christus in Matth. 10:39 zegt: Willen wij onze zielen behouden in deze wereld, zoo verliezen wij haar in de eeuwigheid. Daarom zoo er een waarachtige liefde tot de toekomstige opstanding in onze harten regeert, zij zal ons lichtelijk brengen tot versmading van den dood. En voorwaar, wij moeten anders niet leven, dan dat wij Gode leven, en zoo haast als het ons niet toegelaten wordt Gode te leven, zoo behooren wij den dood willig te verdragen. Verder bevestigt de apostel door deze sententie, dat de heiligen alle pijn en lijden door het geloof zijn te bovengekomen; want hadden hunne harten niet gehoopt op de zalige verrijzenis, zoo zouden zij terstond den moed hebben verloren. Hierin is daarenboven nog een zeer nutte vermaning, waardoor wij ons sterk maken kunnen in de tijden des tegen-spoeds. Want wij mogen niet weigeren, dat de Heere ons metgezellen make van zooveel heilige personen, welke wij weten dat verzocht zijn geweest met veel druk en lijden. En voorwaar, wij hooren hier niet verhalen de ellenden van een klein hoopje volk, maar de algemeene vervolging der gansche gemeente, en dat ook niet van een of twee jaren, maar die somtijds geduurd hebben van grootvader af tot kindskinderen toe. Hierom mag het ons niet vreemd wezen, dat het Gods believen is, dat Hij ons geloof nog hedendaags met dezelfde beproevingen onderzoekt, en wij moeten niet denken als deze dingen geschieden, dat Hij ons verlaat, Hij (zeg ik) die wij weten, dat zorg voor de oudvaderen gedragen heeft, die hetzelve vóór ons hebben geleden.

38 quot;Welker de wereld. Toen de heilige profeten aldus dwalende waren onder de wilde beesten, kon het schijnen dat zij niet waardig waren, dat de aarde ze zou dragen: want hoe kwam het toch, dat zij geen plaats konden hebben bij de menschen ? Maar de apostel keert dit juist om, te weten, dat de wereld dezelve niet waardig was: want waar de getrouwe dienaars Gods komen, daar Gen. 39:5. brengen zij Gods zegen mede als een goeden reuk. Aldus werd Gen. is; 3i. Potifars huis gezegend om Jozefs wil, en Sodom zou behouden zijn geweest, waren er tien rechtvaardigen in gevonden. Daarom al verwerpt de wereld Gods dienaars van zich gelijk drek of uitvaagsel, nochtans zoo moet dit gerekend worden onder hare straffen, dat zij dezelve niet lijden mag: want zij zouden altijd met zich brengen eenigen zegen Gods. Zoo dikmaals als dan de rechtvaardigen uit deze wereld genomen worden, zoo laat ons denken, dat het ons waarschuwingen van tegenspoed zijn, omdat wij onwaardig zijn om

188

ocr page 193

HEBREËN 11 ; 38—40.

hen in ons gezelschap te hebben, en dat zij met ons niet zouden vergaan. Daarbenevens, hebben de geloovigen ook overvloedige stof om zich te vertroosten, zoo men ze schuwe als de pest, als zij zien, dat desgelijks den profeten Gods geschied is, die meerder goedigheid en zoetigheid bij de wilde beesten gevonden hebben, dan bij de menschen. De heilige Hilarius vertroostte zichzelven met deze aanmerking, ziende de kerk Gods bekommerd en bezet met wreede tirannen, die alstoen den Romeinschen keizer tot een beul of scherprechter hadden. Deze heilige man (zeg ik) was alstoen gedachtig wat de apostel hier van de profeten verhaalt. De bergen en wildernissen (zeide hij) de diepe putten en gevangenis zijn mij veiliger, dan de groote pracht des tempels: want de profeten hebben in de wildernissen of in gevangenissen geprofeteerd door den Geest Gods. Daarom moeten wij ook alzoo gezind zijn, dat wij de wereld onbeschroomd zullen versmaden, en werpt ze ons uit haar als stinkende drek, zoo laat ons weten, dat wij uit een doodelijken poel gaan, en dat God door dit middel in onze zaligheid voorziet, opdat wij in dezelfde verdoemenis niet vallen zouden.

39 En alle dezen hebben. Dit is een bewijs van minder tot meerder: want zoo zij, die nog zulk een groot licht der genade niet ontvangen hadden, allen tegenspoed met uitnemende volstandigheid hebben gedragen, wat kracht behoort hierbij in ons te hebben de levende kracht des Evangelies? Een klein vonkje der klaarheid heeft hen tot den hemel gebracht, en als nu, aangezien de Zon der gerechtigheid is opgegaan, wat tint zullen wij aanwenden om ons te verontschuldigen, zoo wij nog aan hetgeen aardsch is, blijven hangen? Dit is de rechte meening des apostels. Ik weet wel dat Chrysostomus en sommige anderen het anders uitleggen: maar het redebeleid toont duidelijk, dat hier het onderscheid der genade aangeroerd wordt, welke God den geloovigen onder de wet gedaan heeft, en die Hij ons alsnu nog doet. En nu in ons de genade Gods overvloediger is, zoo ware het een schande dat wij minder geloof zouden hebben. Zoo zegt hij dan, dat de vaderen die een zoo uitnemend geloof hebben gehad, nog zoo volkomen stof niet hadden om te gelooven, gelijk wij doen. Hij voegt de oorzaak terstond daarbij, omdat ons God al te zamen heeft willen vereenigen in één lichaam, en hierom heeft Hij hier een klein deel der genade uitgedeeld, opdat Hij bewaren zou de gansche volkomenheid tot op onze tijden, dat is te zeggen, tot de toekomst van Christus. En dit is een zonderling getuigenis van de groote weldaden Gods aan ons bewezen, dat hoewel Hij Zich mildelijk getoond heeft van het begin der wereld zijnen kinderen, nochtans heeft Hij alzoo zijn genade gemeten en gemiddeld, dat Hij op de zaligheid gezien heeft des ganschen lichaams. Wat kan nu iemand van ons meer wenschen, dan te zeggen, dat God in al de weldaden, die Hij aan Abraham, Mozes, David, aan al de patriarchen, profeten en geloovige koningen gedaan heeft, ook opzicht op hen heeft gehad, opdat Hij met hen zoude vereenigd worden in het lichaam van Jezus Christus? Zoo laat ons dan weten dat wij meer dan ondankbaar zijn tegen God, zoo Hij minder geloof in ons vindt onder het rijk van Jezus Christus, dan de vaders bewezen hebben door zoo vele en zonderlinge exempelen der lijdzaamheid, die zij onder de wet hadden. Dat hij zegt: En hebben de beloften niet verkregen, moet verstaan worden van

189

ocr page 194

HEBREËN 11 : 40—12 : 1.

het laatste deel der belofte, welke ons in Jezus Christus verkondigd is geweest, waarvan wij hierboven een weinig aangeroerd hebben.

HET TWAALFDE HOOFDSTUK.

1 Dewijl wij dan met zoo groote wolk der getuigen omringd zijn, laat ons ook allen last en de zeer aanliggende zonde afleggende, volstandig den strijd loopen, die ons is voorgesteld.

2 Ziende op den Leidsman en-Volmaker des geloofs, Jezus, dewelke door de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en de schande veracht, en is ter rechterhand des troons Gods gezeten.

3 Want overlegt, dat Deze zulk een tegenspreken der zondaren tegen Zich geleden heeft, opdat gij niet flauw wordt, en slap in uw gemoed. ')

i Dewijl wy dan. Dit besluit is zooveel als een slotrede van het voorgaande hoofdstuk, waarmede hij aantoont om wat oorzaak hij dit register der heilige dienaren Gods verhaald heeft, wier geloof zeer uitnemend is geweest onder de wet, te weten, opdat een iegelijk schikke om hen na te volgen. Hij stelt hier door gelijkenis voor een groote menigte, groote wolk, want het opeengepakte wordt hier tegen het dun gezaaide gesteld. Al waren ze van klein getal, toch behoorden zij ons door hun exempel op te wekken; doch nu hoorende dat zij zoo groote menigte zijn geweest, zoo behoort ons dit des te meer te bewegen. Hierbenevens zegt hij: Dat wjj omringd zyn, met deze dikte of menigte, zoodat wij nergens ons oogen kunnen wenden, of wij vinden exempelen des geloofs. Dit woord getuigen, neem ik niet algemeen, alsof hij ze allen martelaren Gods noemde, maar ik breng het tot de voorgaande zaak, alsof hij zeide, dat het geloof genoeg bevestigd is door hun getuigenis, zoodat men daar niet meer aan moet twijfelen; want de deugden der heiligen zijn getuigenissen om ons te bevestigen, opdat wij hen hebbende voor leidslieden of metgezellen, veel vlijtiger en blijmoediger tot God gaan. Allen last afleggende. Omdat hij hier de gelijkenis van een wedloop gebruikt, zoo wil hij dat wij ontlast zullen zijn: want die haastig loopen wil, is niets hinderlijker dan met eenig pak of last beladen te zijn. Nu zijn er verscheidene lasten, die ons beletten, en onzen geestelijken loop vertragen, als: liefde tot dit tegenwoordige leven, wellust dezer wereld, begeerlijkheid des vleesches, aardsche zorg, rijkdom en eere dezer wereld, en alle andere dergelijke. Die dan den loop van Jezus Christus loopen wil, die ontledige allereerst zichzelven van alle beletselen: want wij zijn toch van onszelven niet dan traag en zwaar, al ware het schoon, dat er geen andere beletselen van ergens elders kwamen. Maar wij worden niet geboden, dat wij de rijkdommen terstond zoo maar van ons zullen werpen, of andere nuttigheden dezer wereld, tenzij zij onzen loop beletten, want het zijn verwarringen, waardoor de duivel ons vast in strikken houdt. Verder, de gelijkenis van den loop is in de Schrift genoeg gemeen, doch hij spreekt hier niet van allerlei loop, maar

190

Bom. 6:4. Ef. 4:22. Col. 3 :8. 1 Petr. 2:2; 4:1.

Kom. 12: 12. Fil. 2:8. Hebr. 8 :1.

1) Zielen.

ocr page 195

HEBREËN 12 : I, 2.

van een soort van spel of oefening, waarin zich elk bevlijtigde om best te loopen, hetwelk een zaak is, waarin men met grooter genegenheid en vurigheid handelt, dan of een mensch alleen zijns weegs ging, of alleen liep. De inhoud hiervan is dan, dat wij hier getreden zijn in een loopbaan, ja in een heerlijk en zeer bekend veld, waar aan alle zijden getuigen in grooten getale tegenwoordig zijn, en dat de Zoon Gods daar vooraan zit, ons noodende en vermanende om dezen prijs te winnen; en dat het daarom ons zeer groote schande zal zijn, zoo het aan ons ontbreekt, of dat wij in het midden des wegs moede worden. Hoewel nu de heilige personen, waarvan hij vermaand heeft, niet alleen getuigen zijn, maar ook metgezellen van denzelfden loop, die ons den weg wijzen, nochtans zoo noemt hij dezen liever getuigen, dan strijders in den loop, opdat hij bewijzen zou, dat het geen afgunstigen zijn die ons benijden, en daar niet zijn om ons hinderlijk in onzen prijs te zijn: maar veelmeer dat zij daar zijn als prijzers van onze vlijtigheid, die zeer door onze overwinning zijn verblijd. Gelijk Christus ons ook niet alleen den prijs voorstelt, maar ons daarbenevens de hand reikt, Hij begaaft ons met sterkte en vromigheid. In één woord. Hij is het die ons bereid maakt, en bekwaam om den loop te beginnen, en door zijn kracht doet Hij ons tot het einde komen. En de zonde. Dit is de zwaarste last, die ons meest bel'et. Nu zegt hij, dat wij daarin liggen, opdat wij weten zouden dat er niemand bekwaam is om te loopen, tenzij hij ontward zij van de strikken der zonden. Hij spreekt niet van uiterlijke of dagelijksche zonden, gelijk men ze noemt, maar van den oorsprong, dat is te zeggen, van de begeerlijkheid, welke den mensch zoo ganschelijk bezit, dat hij aan alle zijden voelt in haar strikken verward te zijn. Lijdzamelrjk. Door dit woord worden wij altijd vermaand wat de apostel wil hebben dat wij bijzonder zullen aanmerken in het geloof, te weten, dat wij het rijk Gods in den Geest zullen zoeken, hetwelk voor het vleesch onzienlijk is, en alle zinnen te boven gaat: want die zich geven tot zulke gedachten, versmaden lichtelijk alle aardsche dingen. Aldus kon hij de Joden niet beter doen afkeeren van hunne ceremoniën, dan hun aan te wijzen de ware oefeningen des geloofs, waardoor zij leeren zouden, dat het rijk van Jezus Christus geestelijk was, en verre de elementen dezer wereld te boven gaat.

2 Dewelke door de vreugde, die Hem voorgesteld was. Hij geeft te kennen, hoewel het in de macht van Jezus Christus wel was, Zichzelven uit te zonderen van alle benauwdheid, druk en lijden, en een gelukkig leven te lijden, overvloeiende in alle goed, nochtans heeft Hij willig een bitteren en zeer smadelijken dood geleden. Want het woord door de vreugde, is zooveel alsof hij zeide, in de plaats van vreugd, en het woord vreugd begrijpt alle soorten van gemakkelijkheden. Nu zegt hij, dat zij Hem voorgesteld zijn geweest, omdat Hij het in handen had daarin te doen naar zijn believen. Hoewel iemand kan meenen dat dit woord door het einde der zaken aanwijst, hier ben ik niet tegen, mits de zin blijve: Dat Jezus Christus den dood des kruises niet geweigerd heeft, omdat Hij zag dat zulk een volbrengen zeer goed zou zijn: maar ik blijf nochtans bij den eersten zin. Hij prijst ons de lijdzaamheid van Christus aan, om tweëerlei oorzaak, te weten, dat Hij een zeer bitteren dood geleden heeft, en dat Hij de schande veracht heeft. Daarna verhaalt

191

ocr page 196

192 HEBREEN 12:2—4.

. ■

hij het heerlijke einde van zijn dood, opdat de geloovigen zouden weten, dat hun al het verdriet en kwaad dat zij lijden, ter zalige heerlijkheid zal strekken, mits zij Jezus Christus navolgen. Tot , V Jak. 3:i2. ditzelfde einde zegt ook de heilige Jakobus: Gij hebt Jobs lijdzaam

heid gehoord, en u is het einde bekend. De apostel geeft dan te kennen, dat het einde van onze ellenden zoodanig zal wezen, gelijk het einde der ellenden van Jezus Christus, volgens hetwelk de ''•H' 2 Tim. 2:i2. heilige Paulus zegt: Indien wij met Christus lijden, zoo zullen wij

ook met Hem verheerlijkt worden.

3 Want overlegt. Hij vermeerdert zijne vermaning, vergelijkende Jezus Christus met ons: want zoo de Zoon Gods, dien wij al te zamen moeten aanbidden, met vrijen wil in dusdanigen harden strijd getreden is, wie zal er van ons zijn, die daar zal weigeren met Hem zichzelven te onderwerpen? Want die eene gedachte behoort genoegzaam te zijn om alle bekoringen te overwinnen, als ons gezegd wordt, dat wij metgezellen des Zoons Gods zijn, en dat die zoo hoog boven ons uitblinkende was, wilde nederdalen om onze ge-

j stalte aan te nemen, opdat Hij ons door zijn exempel stoutigheid

. en moed zou geven. Door dit middel grijpen wij moed, die anders

lp mistroostig konden worden.

4 Gij hebt nog niet tot den bloede wederstaan, strijdende tegen , ; • de zonde.

5 En hebt gij de vermaning vergeten, dewelke tot u als tot Spr. 3:ii. kinderen spreekt: Mijn zoon! veracht de kastijding des Heeren

,xp'; ,ob' 5:17' niet, en verflauwt niet als gij gestraft wordt ?

Openb. 3:19. 6 Want de Heere kastijdt dien Hij liefheeft, en geeselt een iege-

lijken zoon dien Hij aanneemt.

7 Indien gij de kastijding verdraagt, God zal u als kinderen aan-l) Of; Tot u gaan ') (want waar is een zoon, dien de vader niet kastijdt?)

tomen. 8 Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig

zijn, zoo zijt gij dan bastaarden, en niet kinderen.

i

4 Gü hebt nog niet tot den bloede. De apostel vaart voort: want hij vermaant ons, dat als de ongeloovigen ons om den naam van Jezus Christus vervolgen, dat wij dan tegen de zonde strijden. Christus heeft in dezen strijd niet kunnen treden, want Hij was zuiver en afgezonderd van zonde: maar wij zijn Hem in dezen deele

: ; niet gelijk, aangezien de zonde altijd in ons woont, waartoe eigen-

lijk dient om haar te temmen en te verjagen alle verdriet en lijden. Allereerst weten wij, dat al het verdriet en kwaad, hetwelk ons vj overkomt in deze wereld, door de zonde komt, en voornamelijk den

dood zelf. Nochtans is het dit niet, dat de apostel alsnu verhandelt:

rlm • maar hij leert alleen dat de vervolgingen, die wij lijden om hetlm • maar hij leert alleen dat de vervolgingen, die wij lijden om het

':v- \ Evangelie, ons om andere redenen zeer nut zijn, te weten, dat het

ons hulpmiddelen zijn om de zonde te dempen: want door dit mid-•, . J1 • del zoo houdt ons God onder het juk zijner kastijding, en onder den

regel zijner geboden, opdat ons vleesch niet te dartel zou worden; ook dwingt Hij ons, als wij ons niet willen laten regeeren; somtijds straft Hij onze misdaden, om ons daardoor gewaarschuwd zijnde, te voorzichtiger op een anderen tijd te maken. Hetzij dan dat Hij voorziet in onze gebreken, of dat Hij ons voorkomt, eer wij zondigen, zoo

m :

l •

i; •

ffy? ■

%

1

?

ocr page 197

HEBREËN 12:4—6.

oefent Hij ons ook in dezen strijd tegen de zonde, waarvan de apostel hier vermaant. Het is wel waar, dat ons de Zoon Gods deze eer doet, dat Hij, wat wij lijden om zijn Evangelie, niet rekent onder de straffen der zonde, nochtans moeten wij bekennen wat de apostel hier zegt, en wij van hem hooren, te weten, dat wij alzoo de zaak van Christus voorstaan en beschermen zullen tegen de ongeloovigen, dat wij nochtans daarbenevens tegen de zonde strijden, die ons een huiselijke vijand is. Aldus is het dubbele genade Gods jegens ons, als Hij die middelen laat dienen om onze gebreken te beteren, welke daar zijn om zijn Evangelie voor te staan. Maar wij moeten ook altijd gedenken wat volk het was, waartegen hij hier spreekt, te weten, die lijdzamelijk het verlies van hun goed hadden verdragen, en groot geweld geleden. En nochtans bestraft hij ze van traagheid, omdat zij moede waren in het midden des strijds, en niet vromelijk tot den dood toe volhardden. Daarom moeten wij van God niet scheiden, hetzij ook wat strijd wij hebben te verdragen: want Christus wil geen krijgslieden hebben, die zich ruste geven en zich afzonderen van den dienst, tenzij zij den dood zeiven overwonnen hebben.

5 En hebt gij de vermaning vergeten? Ik lees dit vragende: want hij vraagt, of zij het vergeten hebben, daarmede te kennen gevende, dat het nog geen tijd was om zulks te vergeten. Hij treedt hier in dit deel der leeringen, dat het ons nut is, dat wij door kruis en lijden gekastijd worden. Om dit te bewijzen, zoo gebruikt hij het getuigenis van Salomo, dat in zich bevat twee deelen. Het eerste is, dat wij de kastijding des Heeren niet van ons moeten werpen. In het tweede stelt hij de oorzaak, omdat de Hcere kastijdt die Hij bemint. Nademaal dan Salomo zijn rede aldus begint: Mijn kind, zoo vermaant ons de apostel dat wij door dezen zoeten en vriendelijken naam alzoo behooren getrokken te worden, dat deze vermaning tot in het binnenste onzes harten zou gaan. Verder, zoo is de bewijsreden van Salomo aldus: Indien de geeselingen Gods een teeken der liefde geven, die God ons toedraagt, zoo ware het zeer kwalijk gedaan, zoo wij hierin verdriet hadden, of dezelve haatten. Want voorwaar, men kan met reden zeggen, dat zij meer dan ondankbaar zijn, die niet gehengen willen, dat God hen tot hun voordeel kastijdt, en het allerkwaadste is, dat zij dit teeken van zijne vaderlijke weldaad verwerpen.

193

6 Want de Heere. Deze reden schijnt niet al te vast te zijn: want God straft onderscheiden, zoowel de verworpenen als de verkorenen, en zijn geeselen verklaren meer zijnen toorn dan zijn liefde. Want de Heilige Schrift spreekt aan de eene zijde aldus, en de ervaring bevestigt het. Maar als Gods woord tot de geloovigen komt, zoo moet men zich niet verwonderen, zoo dan alleen gesproken wordt van dit gebruik, en van deze vrucht der kastijding die zij gevoelen. Want hoewel God Zich een streng richter vertoont te zijn, en gram op de verworpenen, zoo dikmaals als Hij ze straft, nochtans zoo ziet Hij (ziende op zijn uitverkorenen) tot geen ander einde, dan om in hunne zaligheid te voorzien, hetwelk een getuigenis is van zijne vaderlijke liefde. En wat meer is, de verworpenen niet bekennende, dat zij van de hand Gods geregeerd worden, meenen dikwijls, dat het bij geval of fortuin geschiedt dat zij geplaagd worden. Gelijk een wederspannig zoon, verlatende zijns

13

Dl. YII.

ocr page 198

HEBREËN 12:6—8.

vaders huis, verre weg dwaalde en honger, koude, of ander armoede hem overkwam, voorgaar het ware wel een verdiende straf voor zijne dwaasheid, opdat hij alzoo tot zijne schade leeren zou wat het is, zijn vader ongehoorzaam te zijn, nochtans zou hij dit niet bekennen een vaderlijke kastijding te zijn. Aldus is het ook met de ongeloovigen, als zij zichzelven van God en zijn huisgezin vervreemden, zoo verstaan zij niet, dat het de hand Gods is die hen raakt. Laat ons dan gedachtig zijn, dat wij den smaak der liefde Gods jegens ons niet anders kunnen proeven in het midden der geeselingen en kastijdingen, tenzij ons bekend zij, dat het straffingen, verbeteringen en vaderlijké roeden zijn, door welke God onze zonden kastijdt. Op dit bovengenoemde kunnen de verworpenen niet denken, omdat hun zinnen van hen gevloden zijn, dat is te zeggen: zij begeeren niet anders dan altijd te dwalen, en voor God niet te verschijnen. Hierbij zij gevoegd, dat het oordeel Gods van het huis des Heeren moet beginnen. Daarom, hoewel God onderscheidenlijk straft, zoowel de vreemden, als de huisgenooten, zoo opent Hij nochtans zijn armen op zulke wijze over deze laatsten, dat Hij altijd bewijst een bijzondere zorg voor hen te dragen. Het rechte besluit hiervan is dit, degene die daar bekent, dat van God zijn kastijding komt, moet terstond denken, dat hem zulks geschiedt, omdat hij van God bemind is. Want als de geloovigen gevoelen dat God het middel is van de kastijdingen die zij lijden; zoo hebben ze daarin een zeker pand van zijne liefde: want beminde Hij ze niet. Hij zou niet zorgvuldig voor hun zaligheid zijn. Daarom besluit de apostel, dat God Zichzelven aanbiedt voor een vader aan al degenen, die de roede en kastijding des Heeren willig verdragen. Want die daar achteruit slaan, gelijk stugge paarden gemeenlijk doen, of die hardnekkig wederstaan, zijn van dit getal niet. Daarom leert hij eindelijk, dat wij alsdan vaderlijk gekastijd worden, als wij ons aan de kastijdingen met alle gehoorzaamheid onderwerpen.

7 Want waar is een zoon. Hij spreekt hier naar de gemeene manier der menschen, en besluit dat het niet behoort te zijn, dat de kinderen uitgesloten zouden zijn van de kastijding des kruises: want worden er weinig menschen gevonden, die eenige wijsheid of verstand hebben, die niet hunne kinderen kastijden, omdat men ze zonder straf niet brengen kan tot goede geschiktheid: hoeveel te minder zal God dan (die de allerbeste en wijste vader is) zulk een noodig middel verzuimen? Werpt hier iemand tegen: Onder de menschen houdt zulke kastijding op, zoo haast als de jeugd der kinderen voorbij is, ik antwoord, zoolang als wij op deze wereld leven, zoo zijn wij in Gods aanzien meer dan kinderen, en dit is de reden waarom de roede altijd op onzen rug moet gebonden zijn. En daarom stelt hier de apostel zeer wel bij, dat degene die van kruis en lijden begeert uitgesloten te zijn, het recht verzaakt van een kind Gods te zijn, en bijwijze van spreken, zichzelven afsnijdt van hun getal. Waaruit volgt, dat wij de weldaad der aanneming tot kinderen Gods niet achten gelijk dat behoort, en Gods genade verwerpen, als wij willen hebben, dat ons zijn roede en kastijding onttrokken zullen worden. Hetwelk zij al te zamen doen, die Gods kastijdingen niet lijdzamelijk verdragen. Maar waarom noemt hij ze liever bastaarden dan vreemdelingen, die Gods kastijding weigeren? Dat is, omdat hij tot degenen spreekt, die daar plaats in de gemeente

194

ocr page 199

HEBREÊN 12:8, 9.

hadden, en hierom kinderen Gods genaamd waren. Daarom geeft hij te kennen, dat de belijdenis, die zij van Jezus Christus doen, versierd en valsch zal zijn, zoo zij zich willen onttrekken van de tucht en kastijding des vaders, zoodat zij veelmeer bastaardkinderen zullen zijn dan wettige.

9 Voorts, wij hebben toch onze vleesohelijke vaders gehad, die ons kastijdden, en wij vreesden ze; zullen wij niet veelmeer den Vader der Geesten onderdanig wezen, en leven?

10 Want genen hebben ons een weinig tijds naar hun goeddunken gekastijd: maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij zijner heiligh-id z uiden deelar-hiig worden.

11 Alle kastijding, als zij tegenwoordig is, schijnt geen vreugde, maar droefenis te zijn; maar daarna geeft zij vreedzame vrucht der gerechtigheid allen, die daardoor geoefend zijn.

g Wij hebben toch. Deze vergelijking heeft vele deelen. Het eerste is, hebben wij onze vaderen in zoo grooten eerbied gehad, die ons naar het vleesch gebaard hebben, en hun kastijding verdragen : veel grooter eere zijn wij Gode schuldig, die onze geestelijke Vader is. Het tweede is, dat de kastijding, die de vaders gebruiken tegen hunne kinderen, wel nut is voor dit tegenwoordige leven, maar dat God veel verder ziet, te weten, om ons te heiligen tot het eeuwige leven. Het derde is, dat de sterfelijke menschen hunne kinderen kastijden naar hun goeddunkt: maar dat God zijn kastijding door een goed middel en wonderlijke wijsheid matigt, zoodat in dezelve niets is, of het is wel gematigd. Allereerst stelt hij dan dit onderscheid tusschen God en de menschen, dat zij vaders des vleesches zijn, en Hij Vader des Geestes, hetwelk hij groot-maakt, vergelijkende het vleesch met den geest. Men zou kunnen vragen, of God ook niet een Vader van ons vleesch is? Want Jobs geschiedenis stelt niet zonder oorzaak de schepping des menschen onder de grootste wonderwerken Gods; daarom kan men Hem in dit deel ook terecht den naam van Vader toeschrijven. Zeggen wij dat Hij een Vader der geesten genoemd wordt, omdat Hij alleen de zielen schept en herbaart, zonder eenig menschelijk middel, men zal daar wederom tegen kunnen zeggen, dat Paulus niet zonder oorzaak zichzelven roemt, dat hij een geestelijk vader is van die hij in Christus door zijn Evangelie gebaard heeft. Ik antwoord, dat God een Vader is zoowel des lichaams als der zielen, en dat er (om eigenlijk te spreken) geen ander is, en dat de menschen aan dezen naam door de toelating Gods gekomen zijn, hetzij men van de ziel of van het lichaam spreekt. Nochtans, omdat God in het scheppen der zielen geen menschenwerk gebruikt, en dat Hij ze wonderbaarlijk wederom een andere gestalte geeft, door de kracht zijns Heiligen Geestes, hierdoor wordt Hij bijzonder genaamd een Vader der geesten. — Zeggende: En wy vreesden ze, daar roert hij de bewegingen aan, die natuurlijk in onze harten gedrukt zijn, te weten, dat wij onze vaderen in eerbied houden, al ware het schoon dat zij hard met ons handelen. Als hij zegt: Zullen wy niet veelmeer den Vader der geesten onderdanig zijn, geeft hij hiermede te kennen, dat het billijk is, dat wij God het gebieden toelaten om over ons te heer-schen, en dat krachtens het vaderlijk recht, hetwelk Hij over ons heeft,

195

,

ocr page 200

n'; ;

gt; 196 HEBREËN 12:9—11.

i

'V ' 'V j.

pyt' Als hij zegt; En leven, daarmede geeft hij de zaak of het einde te

kennen. Wij worden door dit woord vermaand, dat ons niets schade-lijkers is, dan als wij weigeren om ons te schikken naar de gehoorzaamheid Gods.

■, ie Want genen hebben ons. Dit is de tweede uitbreiding, waar

van ik gesproken heb, te weten, dat de kastijdingen verordend en toe-beschikt werden, om het vleesch te temmen en af te sterven, opdat wij herboren mogen worden tot een hemelsch leven, waarvan het 'fï-li* blijkt dat de vruchten eeuwig zijn, en dat zulks niet te verwachten

is van de menschen, aangezien de kastijding des menschen een deel •' is van de burgerlijke verordening, en daardoor eigenlijk tot het te-

;;'/s genwoordige leven behoort. Hieruit volgt, dat de kastijdingen Gods

veel grooter nuttigheid inbrengen, te weten, zooveel als de geeste-.j- 'i lijke heiligheid Gods grooter en uitnemender is dan de lichamelijke

: ■ nuttigheden. Werpt men hier nu tegen, dat de vaders gehouden

zijn hunne kinderen op te voeden en te onderwijzen in den dienst en J;;' vreeze Gods, en dat daarom hun kastijding niet behoort om voor een

korten tijd in bedwang te zijn, ik antwoord, dat zulks wel waar is, maar de apostel spreekt van de openbare huishouding, of, gelijk onze gewone manier van spreken is, van de burgerlijke regeering. Want aangenomen dat aan de hooge overheid toekomt de religie te beschermen, desniettegenstaande zeggen wij, dat haar ambt besloten is binnen de grenzen van dit tegenwoordige leven, omdat anders het burgerlijke en aardsche regeeren niet zou kunnen onderscheiden worden van het geestelijke rijk van Jezus Christus. Voorts, van hetgeen er gezegd is, dat de kastijdingen Gods nut zijn om zjjner heiligheid deelachtig te worden, dat moet niet alzoo genomen worden, alsof zij ons eigenlijk heiligden, maar omdat het hulpmiddelen zijn om ons voor te bereiden, aangezien God door zulke middelen ons oefent tot afsterving des vleesches.

ii Alle kastijding. Dit voegt hij daarbij, omdat wij de kastijdingen 5'' Gods niet meten zouden naar het gevoelen dat wij daar tegenwoordig

' van hebben: want hij toont dat wij den kinderen gelijk zijn, die de

roede vreezen en haten zooveel in hen is; want zij zijn nog niet oud genoeg om te weten hoe zeer nuttig dat hun zulks is. Deze vermaning strekt dan hiertoe, dat de kastijdingen niet geacht worden gelijk dat behoort, zoo men ze acht naar het tegenwoordige gevoelen onzes vleesches, en dat wij daarom onze oogen op het einde moeten slaan, en door dat middel zullen wij aangrijpen de gewenschte en genadige vrucht der gerechtigheid. De vreeze Gods is een heilig en Christelijk leven, waar het kruis een onderrichter van is, en wordt genaamd de vrucht der gerechtigheid. Hij noemt deze vrucht vreedzame, omdat wij gemeenlijk beven in tegenspoed, en ongerust zijn, want wij worden van ongeduld verzocht, dat altijd oproerig is: maar nadat wij gekastijd zijn, zoo bekennen wij met ziende oogen, wat nut en profijt het ons brengt, hetwelk ons te-'t/iV' . voren zeer bitter en kwalijk was.

Jes. 35:3. 12 Daarom richt weder op trage handen en slappe knieën;

13 En maakt rechte gangen met uwe voeten, opdat het kreupele niet afdwale, maar liever gezond worde.

Kom. 12:18. 14 Staat naar vrede met allen, en naar heiligheid, zonder welke

Matth. s:8. niemand den Heere zien zal.

ocr page 201

HEBREËN 12 : 12, 13.

15 En ziet toe, dat niemand van de genade Gods verachtere, dat 2 Cor. 6: i. daar niet eenige wortel der bitterheid spruitende, beroerte make,

en door dezelve velen ontreinigd worden.

16 Dat daar niemand zij een hoereerder, of onheilige, gelijk Ezau, Gen. 26:33. die om ééne spijze zijn eerstgeboorterecht weggaf.

17 Want gijlieden weet, dat hij ook daarna, als hij de zegening Gen- 17:38. beërven wilde, verworpen werd: want hij vond geene plaats

des berouws, hoewel hij die met tranen zocht.

12 Daarom richt weder op. Geleerd hebbende, dat God in onze zaligheid voorziet, als Hij ons kastijdt, zoo vermaant Hij ons daardoor tot vlijtigheid en moed: want daar is niets dat ons zwakker maakt, en dat ons de moed eerder doet verloren geven, dan als wij met een valschen waan bekommerd zijnde, geen smaak hebben van Gods genade in tijden van tegenspoed. Daarom is er niets dat ons beter op kan richten dan dit teeken, te weten, dat God ons bijstaat,

en zorg voor ons draagt, ja ook als Hij ons lijden toezendt. Voorts,

door deze woorden leert hij ons niet alleen Godes kwellingen volstandig te dragen, maar hij vermaant ons ook, dat wij geen oorzaak hebben om slaperig of traag te zijn om onze roeping te volbrengen : want wij bevinden genoeg, wat beletsel ons de vrees voor kruis en lijden brengt, om God gelijk dat wel behoort te dienen. Sommigen zouden gaarne belijdenis huns geloofs doen, maar omdat zij de vervolging vreezen, zoo hebben ze handen noch voeten om deze genegenheid des harten te volbrengen. Daar zijn ook sommigen die gaarne strijden zouden voor de eere Gods, en aannemen goede en oprechte zaken voor te staan, zoowel in het openbaar als in het heimelijke, om de zaligheid van hun naasten te zoeken: maar omdat er gevaar is in der boozen haat te vallen, en ook zien dat hun daardoor veel moeite aan alle zijden bereid wordt, zoo blijven ze met toegeslagen armen ledig staan. Maar kon eens deze groote vreeze des kruises in ons verbeterd worden, en dat wij tot lijdzaamheid werden gebracht, daar zou in ons niets zijn, of het zou bekwaam zijn om zijn roeping Gode daarin te volbrengen. Dit is dan hetgeen de apostel wil zeggen: Daarom hebt gij trage handen en slappe knieën, omdat u niet bekend is, welke de ware vertroosting is in tegenspoed: daarom zoo zijt gij ook zoo sloffig om uwe roeping te volbrengen. Maar nu vertoond hebbende, hoe nuttig u de kastijding des kruises is, behoort deze leering een nieuwe kracht in al uwe leden te verwekken, zoodat gij bereid, wakker en vlijtig mocht worden van handen en voeten, om deze roeping Gods na te volgen. Het schijnt hier dat hij een toespeling maakt op Jesaja 35 : 3, waar de profeet den getrouwen leeraars beveelt, dat zij in het voorstellen van de hope der genade, de moede handen sterken zouden, de struikelende knieën verkwikken. Daarom wil de apostel,

dat alle geloovigen, elk in zijn beroeping, ook aldus zullen doen;

want dit is de vrucht der vertroosting, die ons God voorstelt: gelijk het eens kerkendienaars ambt is, zijn kerk op te richten en moed te geven, zoo moet een iegelijk, deze leering bijzonder tot zich trekkende, zichzelven oprichten en moed grijpen.

13 En maakt rechte gangen met uwe voeten. Tot hiertoe heeft hij getoond, dat men op Gods vertroosting moet steunen,

omdat wij gesterkt en gemoedigd zouden zijn om goed te doen, en

197

L

ocr page 202

198 HEBREËN 12 ; 13, 14.

dat dit ons steunsel is. Alsnu voegt hij daar een andere zaak bij, te weten, dat wij wijselijk zouden wandelen, en den rechten weg houden, want een onverdachte ijver is zoo schadelijk als traagheid of sloffigheid. Hoewel deze rechte gang, waarvan hij hier spreekt, hieruit voortkomt, als des menschen hart alle vrees overwonnen hebbende, K'y'i anders niet ziet dan op hetgeen van God geprezen wordt: want de

vreeze is meer dan scherpzinnig om uitvluchten te zoeken. Gelijkerwijs als wij dan met een verkeerde vreeze omsingeld zijn, altijd verkeerde en kromme wegen zoeken, zoo ook integendeel, die zich bereid zal hebben om tegenspoed te lijden, zal rechtuit gaan waar hem de Heere roept, en zal noch ter rechter- noch ter linkerhand afwijken. In één woord, hij geeft ons dezen regel om goed te doen, opdat wij onze gangen schikken zouden naar den wil Gods, en dat vreeze noch aanlokselen van deze wereld, noch eenige beletselen ons daar-van zouden keeren. En daarom voegt hij hierbij: Opdat het kreupele niet afdwale, dat is te zeggen, opdat gij hinkende niet verder van den weg wijkt. Hij noemt hier kreupel gaan, als de zinnen der menschen veranderen, nu aldus gezind zijn, en terstond wederom anders, en zich ganschelijk niet zonder eenige geveinsdheid xl': Gode onderwerpen. Aldus sprak Elia tot de dubbelhartigen, die den

■ godsdienst mengden met hun valsche godsdiensten: Hoelang zult

i. 2Kon. 13:2i. gij nog hinken aan beide zijden? Dit is een goede en bekwame

wijze van spreken: want het afdwalen is erger dan het hinken. Die : v;daar beginnen te hinken, keeren in het eerst van den weg niet, .-co! maar allengskens wijken zij daarvan meer en meer, totdat zij

'v'k gansch tot de dwalingen overgegeven zijn, zichzelven omsingeld vin-

'Ult;.v: den in ontallijke duivelsche strikken. De apostel vermaant ons dan,

dat wij intijds in het hinken voorzien zullen: want zoo wij veinzen, en niet denken om daarin te voorzien, zoo wijken wij mettertijd zeer wijd van God. Dit kan ook wel uitgelegd worden op deze manier: Opdat het hinken niet ontaarde of vervreemde, doch de zin blijft gelijk: want de apostel geeft te kennen, dat die den rechten weg niet gaan, maar door onachtzaamheid zichzelven her- en r/ :V j derwaarts buigen, mettertijd gansch van God vervreemden,

y 14 Staat naar vrede. De natuur des menschen is zoo, dat het

schijnt dat een iegelijk den vrede vliedt: want een iegelijk zoekt ' v zichzelven, een ieder wil hebben dat men zijne manieren verdragen

zal, en niemand wil zich tot eens anders manieren geven. Daarom ro; zoo wij ons niet bevlijtigen om naar vrede te staan, wij zullen hem

nimmer behouden: want ons zullen dagelijks velerhande zaken voor-p komen, die ons oorzaken genoeg mede brengen tot twist en oneenig-

Jpijj heid. Hierom beveelt ons de apostel, naar vrede te staan, en denzelven

na te volgen, alsof hij zeide, dat wij den vrede niet alleen behoo-ren te beminnen en te onderhouden, naardat hij ons nuttig is: maar . dat wij met alle kracht ons moeten bevlijtigen, dien geheel en

1 ongeschonden bij ons te houden, 't Welk wij niet zullen kunnen

; ■ KV doen, tenzij wij veel, waarin ons tekort is gedaan, vergeten, en de

■ een den ander in vele zaken vergeve. Nochtans omdat men met

de boozen op geen andere manier vrede kan verkrijgen, tenzij men ' -jV;1 quot; ze pluimstrijke en toegeve in hunne gebreken en boosheden, zoo

voegt de apostel daar terstond bij, dat men met den vrede de heiligheid moet volgen, alsof hij ons den vre.de met deze uitzondering aanprees, dat wij ons nochtans wachten zullen, dat de vriendschap

. '*■

■ ' J.[

W,

:. -v

1

ocr page 203

HEBREËN 12 : 14—16.

der boozen ons niet besmette. Want dit woord heiligheid komt eigenlijk God toe. Daarom, al ware de gansche wereld met oorlog ontstoken, zoo moeten wij nochtans de heiligheid niet verlaten, hetwelk de band der vereeniging is, die wij met God hebben. In e'e'n woord, wij zullen alzoo vrede met de menschen houden, dat nochtans onze conscientie bewaard blijve. Hij zegt: Dat niemand God zal zien zonder heiligheid, omdat wij God met geene andere oogen zullen zien, dan met die vernieuwd zijn naar zijn beeld.

15 En ziet toe, of beschikt zorgvuldig. Hij bewijst door deze woorden, dat de mensch wel lichtelijk van de genade Gods wijkt. Want hij begeert niet zonder oorzaak, dat wij hierin vlijtig zullen zijn. Want zoo haast als de satan ziet, dat wij onachtzaam en slap zijn, zoo omsingelt en omvangt hij ons in een oogenblik. In e'e'n woord, het is van noode dat wij onszelven bekrachtigen en wakker zijn, zoo wij in de genade Gods willen volharden. Met dit woord genade bevat hij onze geheele roeping. Zoo nu iemand hierin zeggen wil, dat de genade Gods dan geen kracht heeft, tenzij wij met onzen arbeid daartoe helpen, dit zal een zeer zwak argument zijn. Wij weten, hoe groot de luiheid onzes vleesches is, en zij da-gelijkschen prikkel behoeft. Maar als ons de Heere met vermaning aanprikkelt, zoo beweegt Hij ook meteen onze harten, opdat de vermaningen in ons niet tevergeefs geschieden, noch van ons zonder werkelijke vrucht scheiden. Daarom kan men uit de bevelen noch uit de vermaningen niet vatten, wat des menschen kracht vermag, of hoe wijd de vrije wil strekt; want de vlijt en zorgvuldigheid, die de apostel hier van ons eischt, is een gave Gods. Dat daar niet eeni-ge wortel der bitterheid. Ik twijfel niet, of hij heeft hier gezien op de plaats van Mozes, Deut. 29. Want nadat Mozes de wet verkondigd had, zoo leert hij het volk, dat zij zich moeten wachten, dat er geen wortel onder hen spruite, die gal en alsem drage. Daarna legt hij uit, wat hij daarmede wil zeggen, te weten, dat niemand zijn ziel in zonden zegenende, en gelijk de dronkaards hunnen dorst plegen te vermeerderen, door de booze begeerte op te wekken, alzoo door het aanloksel als van God niet gestraft te zullen worden, Gods verachting niet zou invoeren. Hiertoe strekt des apostels rede. Want hij voorzegt ons, laten wij zulk een wortel verder opwassen, zij zal er velen bederven en hinderlijk zijn. En hij gebiedt niet alleen een iegelijk, dat zij zulk een pest uit hun harten uitroeien zullen, maar hij verbiedt ook, dat wij ze in ons zullen laten wassen. Het is wel waar, dat het niet geschieden kan, of, daar blijven van deze wortelen in de gemeente Gods, omdat er altijd hypocrieten en booze menschen met de goeden vermengd zullen zijn, maar als zij zich vertoonen, zoo moet men ze afsnijden, opdat zij opkomende, het goede zaad niet vertreden. Hij stelt bitterheid, waar Mozes gal en alsem stelt: maar beiden willen ze hier een venijnigen en doodelijken wortel uitdrukken. Nu, daar dit kwaad zoozeer afgrijselijk is, des te vlijtiger moeten wij dan daarin voorzien, opdat het niet meer wasse, noch zich verspreide.

16 Dat daar niemand zij een hoereerder. Gelijk hij hierboven vermaand heeft tot heiligheid, zoo ook om ons af te trekken van tegenovergestelde besmettingen, wordt hier één soort gesteld, te weten, dat niet iemand een hoereerder zy. Maar terstond daarna zoo spreekt hij wat algemeener, te weten, dat niemand onheilig zjj.

199

ocr page 204

HEBREËN 12 : 16, 17.

Want dit woord is de eigenlijke tegenstelling van heiligheid. Het einde, waartoe God ons roepende is, is opdat Hij ons heilige in zijne gehoorzaamheid. Dit geschiedt als wij de wereld verzaken: maar die zichzelven alzoo behaagt in zim vuiligheid, dat hij daar dikmaals wederom in valt, die ontheiligt zichzelven, hoewel men van de onheiligen dit algemeene besluit zou kunnen stellen, dat het al degenen zijn, die zoozeer de genade Gods niet achten, dat zij de wereld versmadende, ganschelijk daarnaar hakende zijn. Omdat zich nu de menschen op menigerlei wijze verontheiligen, zooveel te vlijtiger moeten wij toezien, dat de satan nergens geen plaats vinde, om ons met zijne verdervingen te besmetten. En alzoo, daar er geen ware religie is zonder heiliging, zoo moet men altijd toenemen in de vreeze Gods, in de afsterving des vleesches en in alle godzalige oefening. Want gelijkerwijs wij onheilig zijn, totdat wij van de wereld zijn gescheiden, desgelijks ook, zoo wij wederom in den drek der wereld vallen, zoo verzaken wij de genade der heiligmaking. Gelijk Ezau. Dit voorbeeld kan ons strekken tot uitlegging, zooveel dat woord onheilig belangt. Want nadat Ezau hooger geacht had e'én schotel spijs dan zijn recht van eerstgeboorte, zoo werd hij van zijn zegen beroofd. Daarom zijn degenen onheilig, waarin de liefde dezer wereld nog zoo heerschappij heeft, dat zij den hemel vergeten, insgelijks die nog met eergierigheid behangen zijn, overgegeven tot schatten en rijkdom, der gulzigheid onderworpen, omwonden in allen lust, het geestelijk rijk van Christus geen plaats geven, of het wel het minste is waarop zij achten. Dit is een zeer eigenlijk exempel: want als God de grootheid zijner liefde wil uitdrukken, die Hij het volk toedraagt, zoo noemt Hij ze zijne eerstgeborenen al degenen die Hij geroepen heeft tot de hope van het eeuwige leven. Voorwaar dit is een onuitsprekelijke groote eer, die Hij ons aandoet. Willen wij hierbij vergelijken de rijkdommen der wereld, alle gemak of nuttigheid, alle eer of lust dezer wereld, en hetgeen de menschen gemeenlijk achten bekwaam te zijn tot een wellustig leven: dit al te zamen zal wezen gelijk een schotel spijze van kleine waarde bij het bovengenoemde. Dat wij nu zoozeer hoog achten de dingen die schier niets zijn, dit geschiedt, omdat kwade begeerte ons de oogen ganschelijk verblindt. Daarom willen wij in het heiligdom des Heeren plaats hebben, laat ons zulke spijze leeren verachten, waar satan de verworpenen gemeenlijk mede verlekkert, en in zijne strikken houdt.

17 Want gij weet. Ezau dacht in 't begin, dat het niet veel te beduiden had, dat hij zijn recht van eerstgeboorte verkocht had, alsof het niet dan een kinderspel ware geweest, maar hij gevoelde toen het te laat was, wat schade dat hij zichzelven had gedaan, toen hij beroofd werd van den zegen, en dat vader Jakob dien zijnen broeder gaf. Desgelijks is het ook met die in des werelds luststrikken gevangen zijn: zij vervreemden zich van God, en ver-koopen hun zaligheid, om den buik met aardsche goederen te vullen, die niet anders dan een keukensop zijn; en dezen denken niet eens dat zij veel verliezen: maar zichzelven alsdan het meest wijs makende, dat zij zeer gelukkig zijn, zoo behagen zij en pluimstrijken zij zichzelven. God doet hun ten laatste de oogen open, opdat zij vermaand zijnde door het aanschouwen des kwaads, ook aangetast worden met een gevoelen van wat zij verloren, en tevoren zeer

200

ocr page 205

HEBREËN 12:17.

201

weinig achtten. Zoolang als Ezau hongert, zorgt hij anders niet dan om zijn buik wel te vullen; verzadigd zijnde, zoo bespot hij zijn broeder, en acht hem voor dwaas, omdat hij zoo willig zijne spijze verlaten heeft. Desgelijks (zeg ik) is ook der goddeloozen groote onverstandigheid, zoolang als zij met verkeerde begeerte bezeten zijn, of verzopen liggen in wereldsche vreugd; een wijle tijds daarna beginnen zij te verstaan, hoe hinderlijk hun is wat zij met zoo grooten ijver begeerden. Dat hij zegt: Verworpen werd, is zooveel alsof hij zeide: Verstooten is geweest. — quot;Want hij vond geen plaats des berouws, dat is te zeggen, zijn berouw, hetwelk zoo laat kwam, baatte hem niet, of, hij heeft daardoor niet verworven den zegen, dien hij met tranen, zocht, en door zijn eigen schuld verloren had. Nu kon gevraagd worden, omdat hij aan alle versma-ders der genade Gods hier zulk een gevaar verkondigt, of er na ontvangen genade die zij versmaad hebben, en de wereld voor het rijk Gods verkoren hebben, alsdan voor hen geen hope van vergeving meer is? Ik antwoord, dat de vergeving ganschelijk aan zoodani-gen niet geheel en al onttrokken is, maar zij worden vermaand, dat zij zich wel wachten zullen, opdat hun zulks niet geschiede. En voorwaar, men kan dagelijks exempelen genoeg zien van de strengheid Gods, door dewelke Hij wraak neemt over de spotternijen en verachtingen der onheilige menschen. Want omdat zij zichzelven altijd een morgen beloven om te beteren, zoo neemt ze God zeer dikmaals uit deze wereld door een onverwachte nieuwe wijze van sterven, en omdat zij het al voor beuzelen achten, wat zij van Gods oordeel hoo-ren zeggen, zoo vervolgt ze God op zulke wijze, dat zij gedwongen worden Hem voor een rechter te bekennen, en als zij verschrikte conscientiën hebben, zoo verwonderen zij zich, dat zij zeer vreeselijke pijn gevoelen, hetwelk de straf en wraak is van hunne groote onverstandigheid. Hoewel dit nu aan een iegelijk van hen niet geschiedt, desniettegenstaande, omdat er gevaar is dat zulks kan geschieden, zoo vermaant ze de apostel terecht hier al te zamen, dat zij zich wachten zullen. Hier rijst nu nog een andere vraag, te weten, of de zondaar, hij zij wie hij zij, die berouw heeft, of hem dit niet baat? Want het schijnt, dat de apostel zulks zeggen wil, als hij leert dat het berouw Ezau niet gebaat heeft. Ik antwoord, dat berouw hier niet genomen wordt voor een waarachtige en gansche bekeering tot God, maar alleen voor de verschrikking, door welke de Heere de booze menschen kwetst, nadat zij langen tijd een welbehagen in hunne boosheid hebben gehad. Men moet zich ook niet verwonderen, dat er gezegd is, dat deze verschrikking onnut is, omdat zij zich middelertijd niet beteren, en hunne gebreken niet haten, maar zijn alleen gekweld van het gevoel der pijn, die zij lijden zullen. Hetzelfde kunnen wij van de tranen zeggen: zoo dikmaals als de zondaar zucht, zoo is de Heere bereid om te vergeven, en men zoekt nimmer tevergeefs de genade Gods: want de deur zal voor den kloppende openstaan; maar omdat Ezaus tranen tranen van een mistroostig mensch waren, zoo zijn ze niet opgevoerd geweest tot God. Desgelijks, hoewel de boozen hun ongeluk beschreien, en dat zij klagen en kermen, nochtans kloppen zij aan de deur Gods niet: want zulks kan niet geschieden dan door het geloof: maar integendeel, zooveel te harder als hun de conscientie knaagt, zooveel te meer morren zij tegen God, en verstoren zich op Hem. Het is

ocr page 206

202

wel waar, dat zij wel wilden dat hun een toegang tot God gegeven werd, maar omdat zij niets krijgen dan zijn toorn, zoo vlieden zij zijne tegenwoordigheid. Hierdoor zien wij zeer dikmaals, dat zij, die al spottende en schimpende gemeenlijk zeggen, dat er tijds genoeg zal zijn in de laatste ure zich tot God te bekeeren, daartoe gekomen zijnde, alsdan roepen door zware pijn, die zij inwendig lijden, dat er geen tijd voor hen is om genade te verwerven, en dat daarom (zeggen zij) zij tot de verdoemenis verordend zijn, aangezien zij God te laat gezocht hebben. Het is wel waar, dat zij somtijds wel daartoe komen, dat zij zeggen; Och, had ik dit gedaan! och, ware dit zoo! och, dit beklage ik! of dergelijke, maar mistroostigheid breekt terstond weder hun vóornemen, stopt hun den mond, opdat zij niet verder zouden gaan.

18 Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken' berg, en het brandende vuur, en donkerheid, duisternis en on weder,

19 En tot der trompetten geluid, en stem der woorden, welke die ze hoorden, baden dat men tot hen niet meer zou spreken.

20 (Want zij konden niet dragen, wat daar geboden werd: Zoo eenig dier den berg aantast, het zal gesteenigd worden, of met een pijl doorschoten worden.

21 En dat gezicht was zoo vreeselijk, dat Mozes zeide : Ik ben bevreesd en bevende.)

22 Maar gij zijt gekomen tot den berg Zions, en tot de stad des levenden Gods, tot het hemelsche Jeruzalem, en het gezelschap der ontallijke engelen;

23 En tot de gemeente der eerstgeborenen, die in den hemel geschreven zijn, en tot God een rechter over allen, en tot de geesten der volmaakt heiligen.

24 En tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus Christus, en tot het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan het bloed van Abel.

18 Want gij zijt niet. Hij strijdt nu met een ander argument: want hij verkondigt en prijst de grootheid der genade, die ons door het Evangelie geopenbaard is, opdat wij ze met allen eerbied leeren aannemen. Ten tweede stelt hij ons voor, en maakt zeer groot de lieflijkheid van hetzelve, om ons te trekken dat wij daartoe liefde en begeerte krijgen. Hij weegt ze beide, makende een vergelijking tusschen de wet en het Evangelie: want zoo veel te grooter als het rijk van Christus uitnemender is boven Mozes' bediening, en onze roeping edeler dan de roeping des volks onder het Oude Testament, zooveel te stinkender zal onze ondankbaarheid zijn, en minder om te verontschuldigen, zoo wij met zulken behoorlijken eerbied niet aannemen een zoo zeer groot aangeboden goed, en zoo wij in allen ootmoed niet aanbidden Christus' zeer hooge mogendheid, die hierin blijkt. En wat meer is, aangezien God Zich nu niet verschrikkelijk houdt, gelijk Hij Zich wel eertijds tegen de Joden heeft gehouden, maar ons met groote zoetheid zeer vriendelijk tot Zich roept, zoo verdubbelen wij hierdoor onze ondankbaarheid, zoo wij niet willig, vrijmoedig, en met alle vlijtigheid tot deze noodiging loopen. Laat ons dan allereerst gedenken, dat hier een vergelijking

Ex. 19:10; 20:21.

Ex. 20:19. Deut. 18 :16.

Ex. 19; 13.

Openb. 21:10.

1 Petr. 1:2. Hebr. 11:14. Gen. 4:10.

ocr page 207

HEBREËN 12:18—21.

is tusschen de wet en het Evangelie; daarna dat deze vergelijking twee deelen heeft, te weten, dat de glorie Gods zich klaarder openbaart in het Evangelie dan in de wet, en dat het verkondigen daarvan hedendaags zeer liefelijk is, in plaats dat hiervoormaals bittere en vreeselijke verschrikkingen waren. Tot den tastelyken berg. Deze plaats wordt op verscheidene wijzen uitgelegd. Het komt mij voor, dat hier een tegenstelling is tusschen den aardschen berg en den geestelijken. En hiertoe strekt wat er volgt: En het brandende vuur, en donkerheid, en onweder, en dergelijke: want deze wonderteekenen die God deed, om zijne wet een aanzien en eerbied te verwerven, neemt men ze op zichzelven, zoo zijn ze groot-dadig, heerlijk, en waarlijk hemelsch. Maar komende tot het rijk van Jezus Christus, wat ons daarin wordt voorgesteld, gaat allen hemelen te boven. En hierdoor geschiedt het, dat al de waardigheid der wet genoeg begint aardsch te worden: gelijk de berg Sinaï met handen kan getast worden, maar de berg Sion kan niet aangegrepen worden dan door den Geest. Al hetgeen in Exodus 19 verhaald is, zijn zienlijke afbeeldingen geweest; maar die wij in het rijk van Jezus Christus hebben, zijn voor de vleeschelijke zinnen verborgen. Zoo hier iemand tegenwerpt, dat de beduiding van al deze dingen geestelijk is, en dat ook hedendaags nog uitwendige oefeningen der godzaligheid zijn, door welke wij in den hemel opgetrokken worden, ik antwoord, dat de apostel spreekt bij vergelijking van wat minder is, tegen wat grooter is. Dan, niemand twijfelt, zoo de wet bij het Evangelie wordt gezet, of hetgeen dat geestelijk is, moet het zwaarwichtigste zijn, en dat integendeel in de wet de aard-sche teekenen meer uitblinkende zijn.

19 Welke die ze hoorden. Dit is het tweede deel, waarin hij behandelt, dat de wet aan het Evangelie zeer ongelijk is geweest, aangezien toen zij verkondigd zou worden, zoo was het al vol vreezen en verschrikkingen wat er was: want al hetgeen wij lezen in Exod. 19, strekt hiertoe, dat het volk zou weten, dat God in zijn rechterstoel is geklommen, om Zich aldaar als een strengen rechter te vertoonen. Was het geschied, dat eenig onnoozel beest daar te dichtbij gekomen was, zoo beval Hij dat het met een pijl doorschoten zou worden: hoeveel te grooter straf was dan den zondaars bereid, die zichzelven schuldig kenden, ja die daar bekenden dat zij den eeuwigen dood schuldig waren door de wet? Maar het Evangelie heeft in zich niet dan zoetheid en lieflijkheid, mits men het door het geloof aanneemt. Wil men hier meer van zien, zoo kan men zoeken in 2 Cor. 3. Wat hij nog meer zegt, dat het volk weigerde of zich verontschuldigde, dit moet niet genomen worden alsof het volk Gods woorden niet had willen hooren, maar zij baden gestadig, dat zij niet gedwongen mochten worden om God persoonlijk te hooren spreken. Want de persoon van Mozes, die tusschenbeide was gesteld, verzoette de verschrikkingen niet weinig. Dan, hier is een stuk hetwelk de uitleggers zeer kwelt, en wel dat de apostel aan Mozes deze woorden toeschrijft: Ik ben bevreesd en bevende; hetwelk wij niet lezen dat Mozes gezegd heeft. Dan, daar is geen zwarigheid om dit te beantwoorden, zoo wij aanmerken dat Mozes gesproken heeft in des volks naam, alsof hij een tusschenspreker of tolk ware geweest tusschen God en hen. Zoo is dit dan een gemeene klacht van al het volk geweest, maar Mozes wordt hier gesteld als de gemeene mond van al het volk.

203

ocr page 208

HEBREËN 12:22—24.

22 Tot den berg Zions. Hij ziet op de profetieën, waardoor God langen tijd tevoren beloofd had, dat het Evangelie van Zion komen zou, gelijk men ziet in Jesaja 2, en op andere dergelijke plaatsen. Hij vergelijkt dan den berg Sinai met den berg Zion. Daarna: Het hemelsche Jeruzalem, hetwelk hij uitdrukkelijk hemelsch noemt, opdat de Joden niet zouden blijven hangen aan het aardsche Jeruzalem, hetwelk in hooge achting was onder de wet. Want omdat ze hardnekkig onder de slavernij der wet begeerden te blijven, zoo is zij veranderd in den berg Sinaï, gelijk Paulus aan de Galaten, hfdst. 4, leert. Aldus meent hij dan het hemelsche Jeruzalem, hetwelk gebouwd moest worden over de gansche wereld, gelijk de engel in het boek des profeten bij- Zacharias, zijn richtsnoer van het Oosten naar het Westen uittrekt.

23 En in het gezelschap der. Hij geeft hier te kennen, dat wij vergezelschapt zijn met de engelen, gesteld in het getal der patriarchen, gezet in den hemel onder de gelukzalige geesten, als Jezus ons tot Zich roept door zijn Evangelie. Dit is een onuitsprekelijke eer, die ons de Vader doet, ons te stellen in het gezelschap der engelen, en der heilige vaderen. Wat hij hier zegt: Der ontallijke engelen, hierin heb ik Erasmus gevolgd. Dat anderen stellen: Vele duizenden, is uit Daniël genomen. Door dit woord eerstgeborenen, daaronder vervat hij hier niet al de kinderen Gods, gelijk de Schrift dikmaals doet, maar hij noemt alzoo inzonderheid eershalve de patriarchen en de voornaamsten der oude gemeente. Hij zegt: Dat zy geschreven zjjn in den hemel, omdat er staat, dat God al de uitverkorenen in zijn boek geschreven heeft, of in zijn register, of verborgene rol, gelijk Ezechiël zegt. En tot God, den rechter over allen. Het schijnt dat hij dit gezegd heeft om de menschen te verschrikken, alsof hij zeide: De genade is ons alzoo aangeboden, dat wij nochtans altijd moeten denken, met onzen rechter te doen te hebben, denwelken wij rekenschap zullen geven zoo wij besmet, dwazelijk en onheilig onszelven in zijn heiligdom dringen. Hij voegt hierbij: En tot de geesten der rechtvaardigen, om te bewijzen, dat wij vergezelschapt zijn met de heilige zielen, die ontkleed zijnde van hunne lichamen, alle vergankelijkheden dezer wereld verlaten hebben. Hieruit kan men lichtelijk verstaan, nadat de gelukzalige zielen van hun vleesch ontkleed zijn, zoo laten zij daarom niet na voor God te leven: want anders konden wij hunne metgezellen niet worden. Hij stelt hier ten laatste bij: En tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus Christus, omdat er niemand is dan Hij alleen, waardoor de Vader verzoend is, en die ons een liefelijk en genadig aangezicht toont, opdat wij niet vreezen zouden tot Hem te komen. Nochtans verklaart hij daarbenevens, waardoor Christus onze Middelaar is, te weten, door zijn bloed, hetwelk hij noemt bloed der besprenging, volgende het gemeene gebruik der Hebreën: omdat het eens vergoten is tot reiniging onzer zonden, zoo moeten ook onze zielen alsnu daarmede besprengd worden door het geloof. Daarbenevens maakt de apostel met dit woord een toespeling op de oude wijze der wet, waarvan hierboven verhaald is.

24 Dat betere dingen spreekt. Dit kon uitgelegd worden met één woord: beter; alsof hij zeide, dat het bloed van Jezus Christus met meerder kracht roept, en beter verhoord wordt dan Abels bloed.

204

ocr page 209

HEBREËN 12:24—26.

Ik neem het nochtans liever zonder figuur, en gelijk de woorden eenvoudig luiden. Zoo wil hij dan zeggen, dat dit bloed betere dingen voortbrengt, aangezien het deze kracht met zich brengt, dat het ons vergeving onzer zonden verwerft. Om eigenlijk te spreken.

Abels bloed riep niet, maar de volbrachte moord zijns broeders eischte wraak voor God: maar het bloed van Jezus Christus roept,

omdat de reiniging en voldoening, die daardoor geschied is, dagelijks wordt verhoord.

25 Ziet toe, dat gij Dien die spreekt, niet veracht: want zoo die Hebr. 2:3. Hem niet ontvloden zijn, die dengene verachtten, die op aarde sprak, veelmeer wij, zoo wij Hem weigeren, die van de hemelen is;

26 Wiens stem de aarde toen bewoog: maar nu verkondigt Hij

en zegt: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde. Hag. 2:7. maar ook den hemel.

27 Dat Hij zegt: Nog eenmaal, beduidt de verandering der bewegelijke dingen, als die gemaakt zijn, opdat hetgeen onbewegelijk is, zou blijven.

28 Daarom dewijl wij een onbewegelijk koninkrijk ontvangen,

laat ons de genade houden, door welke wij Gode behagelijk i Petr. 2:4. dienen, met eerwaardigheid en vreeze: want onze God is een Deut. 4:24. verterend vuur.

25 Ziet toe, dat gü Dien die spreekt, niet veracht. Hij gebruikt hier hetzelfde woord als hierboven, toen hij zeide, dat het volk geweigerd had, dat God met hen zou spreken. Nochtans meent hij hier wat anders mede, naar mijn verstand, te weten, dat wij niet verstooten zouden het woord, hetwelk ons toegeschikt is. Verder,

toont hij hier, waarop hij gezien heeft in de vergelijking hierboven verhaald, te weten, dat de versmaders des Evangelies zwaarlijk gestraft zullen worden, omdat ze in het Oude Testament niet ongestraft bleven, toen zij de wet versmaadden, en vervolgt zijn bewijsreden van het mindere tot het meerdere, als hij zegt, dat God tot Mozes hier op aarde toen gesproken heeft, en dat dezelfde God of Jezus Christus van den hemel spreekt: hoewel ik ze liever beide op God trek. Hij zegt, dat God hier op aarde sprak. Laat ons dan altijd gedenken dat hier gehandeld wordt van de uiterlijke bediening der wet: en zoo wij dezelve bij het Evangelie stellen, zoo zal zij bevonden worden wat aardsch te smaken, en dat zij des menschen geest niet verhief boven alle hemelen tot volkomen wijsheid, want aangenomen, dat zij wel een dergelijke leering inhield, nochtans omdat zij alleen een leermeesteres is geweest, zoo is haar de volkomenheid altijd ontnomen geweest.

26 Wiens stem de aarde. Aangezien God de aarde deed beven,

toen Hij de wet verkondigde, zoo bevestigt hij dat God alsnu veel hooger en grootmachtiger dingen spreekt, omdat niet alleen de aarde bewogen is, maar ook de hemel. Hiertoe haalt hij de plaats aan van Haggaï, welke hij nochtans niet van woord tot woord weergeeft, maar omdat de profeet zegt, dat hemel en aarde bewogen zullen worden, zoo neemt de apostel deze woorden, om te bewijzen,

dat de stem des Evangelies niet alleen dondert op de aarde, maar dat zij doordringt boven alle hemelen. En er is geen twijfel aan, of

205

ocr page 210

HEBREËN 12:26—28.

Haggaï spreekt daar van het rijk van Christus: want daar volgt 7. terstond in den tekst: Ik zal alle geslachten bewegen, zoo zal dan komen aller heidenen troost, en Ik zal dat huis vol heerlijkheid maken. Nu is het zeker, dat al de heidenen in één lichaam niet verzameld zijn geweest, dan door het goede geleide van Christus, en dat er geen andere begeerte is waarop wij rusten, dan dezelfde Jezus Christus; en dat Salomo's tempel met geen heerlijkheid te boven is gegaan, dan toen de grootmachtigheid van Christus ovgr de wijde wereld is verspreid geweest. Daarom moet men niet twijfelen, of de profeet wijst den tijd van Christus aan. Hebben dan in den aanvang van Christus' rijk niet alleen de laagste deelen der aarde gebeefd, maar dat zijn kracht ook in den hemel gekomen is, terecht leert dan hier de apostel, dat de leer des Evangelies uit-nemender is, en dat zij klaarder behoort gehoord te zijn van alle creaturen.

27 Dat Hij zegt: Nog eenmaal. Letterlijk zegt de profeet aldus: Nog een weinig tijds. Hij geeft te kennen, dat de ellende des volks niet lang zal duren, of de Heere zal hun bijstaan. Dan, de apostel blijft op dit woord niet staan, maar beweert alleen door de beweging des hemels en der aarde, dat de wereld in Christus' toekomst veranderen zal. Want al hetgeen dat er geschapen is, dat is der verderfelijkheid onderworpen: maar het rijk van Christus is eeuwig, daarom is het van noode dat alle schepselen beter vernieuwd worden. Hierdoor komt hij tot een andere vermaning, te weten, dat wij dit onbeweeglijke rijk zullen sCannetnen, want de reden waarom ons God beweegt, is dat Hij ons waar en eeuwig bij Zich bevestige. Nochtans prijs ik hierin meer den overzetter, die aldus zegt: Aannemende het rijk, zoo hebben wij genade. Zoo wij dit bevestigend lezen, zoo vloeit de zin zeer wel, te weten, als wij het Evangelie aannemen, zoo wordt ons de Geest van Christus gegeven, opdat wij God zouden dienen in vreeze en eerbied. Lezen wij het bijwijze van vermaning, laat ons hebben, dit zal duister en zeer gedwongen zijn. In één woord, de apostel wil hier zeggen, naar mijn verstand: omdat wij door het geloof in Christus' rijk komen, zoo zullen wij vaste genade verwerven, die ons met kracht God zal doen dienen: want gelijk het rijk van Christus boven de wereld is, zoo is ook de gave der wedergeboorte. Als Hij zegt: Laat ons Gode behagelijk dienen met eerbied. Hoewel hij bereidheid en blijdschap eischt in de gehoorzaamheid, die wij God schuldig zijn, nochtans geeft hij daarbenevens te kennen, dat God geenerhanden dienst prijst, tenzij die met ootmoedigheid en zedigheid vereenigd is: hierom verdoemt hij zoowel het verkeerde vleeschelijk betrouwen, als de ingeboren traagheid, die daar gemeenlijk bij is.

28 Want onze God is. Gelijk hij een weinig hiervoren zeer zoetelijk de genade Gods voorgesteld heeft, zoo verkondigt hij ook alsnu de strengheid; en het schijnt dat hij deze uitspraak ontleend heeft uit Deut. 4. Aldus zien wij dat God niet nalaat om ons tot Zich te trekken: omdat Hij met zoetigheid begint, opdat wij te williger tot Hem zouden komen, en vindt Hij geen bate in het zoetelijk trekken, zoo gaat Hij voort met verschrikkingen. En voorwaar, wij bevinden het, dat ons de genade van God niet beloofd wordt of daar zijn dreigingen bij: want zoo wij te zeer genegen zijn om onszelven te pluimstrijken, tenware wij deze prikkelen

206

ocr page 211

HEBREËN 12:28— 13:1, 2.

hadden, de zoete leer zou bij ons zeer koud worden, en zij zou ons niet ter harte gaan. Daarom zoo de Heere over degenen, die Hem vreezen goed en barmhartig is tot in duizend geslachten: zoo is Hi] ook jaloersch en neemt rechtvaardig wraak tot in het derde of vierde geslacht, waar Hij versmaad wordt.

HET DERTIENDE HOOFDSTUK.

1 Dat de broederlijke liefde blijve.

2 Vergeet niet herbergzaam te zijn, want hierdoor hebben som- Kom. 12:10; migen onwetend engelen geherbergd. iPetr. i:22.

3 Gedenkt der gevangenen, alsof gij medegevangen waart; en der 2 i2 l3 verdrukten, alsof gij ook zei ven in het lichaam verdrukt waart, i petr. 4:9!

4 Het huwelijk is bij allen eerlijk en een onbevlekt bed: maar 19®jD' 18:1' de hoereerders en overspelers zal God oordeelen. Matt. 25:36.

B De wandeling zij zonder gierigheid; weest tevreden met het Exod. 23:8.

tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, spr'is^ie.9

en zal u niet verlaten. 1 ^111- 6 :6-

Sir 29 * 30

6 Zoodat wij met vertrouwen zeggen: De Heere is mijn helper, Deut. 31:6. ik zal ook niet vreezen, wat mij een mensch doen mag. 50 ■ 5-

118: c.

iTj vat de broederlijke liefde blyve. Hij leert wellicht daarom

1de broederlijke liefde, omdat de verborgen haat, die uit der Joden hoogmoedigheid sproot, in de gemeenten scheuring en verdeeling kon maken. Intusschen is deze onderrichting overal zeer van noode: want er is niets dat lichter vergaat, dan liefde, bijzonder als elk tot zichzelven meer genegen is dan billijk is, en een ander veracht. Daarenboven komen er ook dagelijks veel ergernissen, om ons van elkander te scheiden. Hij noemt ze broederlijke liefde, niet alleen om ons te toonen, dat wij vereenigd behooren te zijn in onderlinge liefde, maar opdat wij ook gedenken zouden, dat wij anders geen christenen kunnen zijn, dan als broeders vereenigd zijnde: want hij spreekt van de liefde, die de huisgenooten des ge-loofs onder elkander behooren te hebben, gelijk ze de Heere met den gemeenen band der aanneming tot kinderen Gods samenge-strengeld heeft. Daarom zoo is het een zeer nuttig gebruik geweest in de eerste gemeente, dat de christenen elkander broeders noemden: maar alsnu is schier de naam en daad te niet, dan alleen de monniken, die hebben dit gebruik tot zich getrokken dat de anderen verlieten, te kennen gevende door hun tweedracht en twist die zij onder zich hebben, dat de duivel hun vader is, en dat zij van hem gekomen zijn.

2 Vergeet niet herbergzaam te zijn. Dit zeer goedertieren werk is ook schier te niet onder de menschen, aangezien de oude herbergzaamheid, waarvan men in de historiën leest, ons onbekend is, en daarvoor hebben wij hedendaags de herbergen. Verder spreekt hij hier niet alleen van het recht van gastvrije ontvangst,

hetwelk alstoen van de rijken onderhouden werd: maar hij gebiedt veel meer de arme behoeftige menschen te herbergen, omdat er

207

ocr page 212

HEBREËN 13:2—4.

toen zeer veel waren, die om den naam van Jezus Christus uit hunne huizen gebannen waren. En opdat hij hen te beter daartoe ver-wekke, zoo voegt hij daarbij: Dat sommigen engelen in hun huis ontvangen hebben, meenende dat het menschen waren. Ik twijfel niet, of dit moet verstaan worden van Abraham en Loth. Want gelijk zij voor een gewoonte hadden de vreemdelingen te ontvangen, zoo zijn de engelen onwetend bij hen gekomen. Ja ganschelijk daar niet op denkende, is hun huis aldus grootelijks geëerd geweest. En voorwaar de Heere heeft wel getoond, dat Hem hun herberging zeer aangenaam was, als Hij het Abraham en Loth zoo rijkelijk vergolden heeft. En zoo hier nu iemand tegenwerpt, dat dit niet zeer dikmaals geschied is, dit valt 'zeer licht te beantwoorden, dat de engelen niet alleen ontvangen zijn geweest, maar ook Christus zelf, als de arme menschen in zijn naam worden ontvangen. In het Grieksch is een zeer schoone woordspeling, die in onze taal niet kan uitgedrukt worden.

3 Gedenkt der gevangenen. Er is niets, dat ons meer tot barmhartigheid beweegt dan als wij in onszelven overleggen eens anders lijden. En daarom zegt hij, dat wij de gevangenen behooren te gedenken, alsof wij in hun plaats waren. Wat in het tweede lid volgt, wordt verscheiden uitgelegd, te weten, alsof gij mede gevangen waart. Sommigen leggen het gemeenlijk uit, aldus: Gij zijt ook onderworpen aan dergelijken tegenspoed en ongeluk, gelijk het den staat des menschen gemeenlijk overkomt. Anderen stellen het wat nauwer, aldus: alsof gij in hun plaats stondt. Geen van beide behaagt mij: want ik schrijf het het lichaam der gemeente toe, en alzoo zal dit de zin zijn: Aangezien gij lidmaten zijt van ée'n lichaam, zoo moet gij bewogen zijn met des anders kwelling, opdat er onder u geen onderscheid zij.

4 Het huwelyk is bij allen eerlijk. Sommigen meenen, dat dit een vermaning is aan de gehuwde lieden, opdat zij kuischelijk in hun echt zouden leven, en in zulke eerbaarheid gelijk dat behoort, en dat de man met zijne huisvrouw zou wonen in alle reinigheid en zedigheid, en dat hun bed niet veronthéiligd worde met eenige oneerbare dartelheid, en aldus zoo moest hierbij verstaan worden het woord laat, te weten, laat het huwelijk bij allen eerlijk zijn. Nochtans zal het niet kwalijk luiden, als wij zeggen: het huwelijk is eerlijk onder allen. Want als wij hooren zeggen, dat het huwelijk eerlijk is, zoo behooren wij daarbij te gedenken, dat wij ons daarin met allen eerbied in alle eerbaarheid behooren te schikken. Sommigen nemen dit, of het gezegd ware bij toelating, op deze wijze: hoewel de echtelijke staat of het huwelijk eerlijk is, zoo is het nochtans niet geoorloofd te hoereeren. Maar elkeen kan wel voelen, dat deze zin flauw is. Het komt mij veeleer voor, dat de apostel hier het huwelijk tegen hoererij stelt, als een geneesmiddel tegen die ziekte, en het verband brengt klaarlijk mede, dat zulks zijn meening is geweest. Want eer hij de hoerenjagers met het oordeel Gods dreigt, toont hij allereerst, dat het een recht middel is om deze wraak te schuwen, zoo wij eerlijk in den huwelijken staat leven. Dit stuk is ons dan tot waarschuwing, dat hoererij niet ongestraft zal blijven, omdat het God toekomt wrake daarover te doen. En voorwaar, aangezien God de gemeenschap des mans en der vrouw, door Hem verordend, gezegend heeft, zoo volgt er uit, dat elke

208

ocr page 213

HEBREËN 13:4, 5.

209

gemeenschap daarvan verscheiden, van Hem verdoemd en vervloekt is. Hierom verkondigt hij den overspelers niet alleen, dat zij zullen gestraft worden, maar ook allen liederlijken menschen; want beiden wijken ze van de heilige instelling Gods, ja schenden ze en bederven ze, zich zonder onderscheid vermengende, aangezien daar alleen een wettige vereeniging is, die bevestigd wordt in den naam en door de autoriteit Gods. En omdat men zonder het middel des huwelijken staats de ongeregelde lusten niet kan bedwingen: hierom prijst hij dien, en noemt dien eerlijk te zijn. Dat hij daarbij voegt: Een onbevlekt bed, trek ik gaarne hiertoe, dat de gehuwden zullen weten, dat alle dingen hun niet toegelaten zijn, maar zij in de wettige bijslaping ook matigheid moeten gebruiken, opdat zij niet doen hetgeen tegen de kuischheid en eerbaarheid des huwelijken staats is. Dat hij zegt: onder allen, hierdoor versta ik, dat er geen staat is, dien het huwelijk is verboden: want wat God algemeen het men-schelijk geslacht toegelaten heeft, is voor een iegelijk zonder eenige uitzondering. Ik meen al de degenen, die bekwaam daartoe zijn, en zulks van noode hebben. Dit moest klaarlijk ontdekt worden, opdat hij de superstitie voorkomen zou, waarvan mogelijk de duivel zijn zaad in het verborgen begon te zaaien, te weten, dat het huwelijk onheilig was, of zeer wijd van christelijke volmaaktheid: want deze bedriegelijke geesten, waarvan Paulus geprofeteerd had, zijn terstond gekomen, en hebben het huwelijk verboden. Opdat dan niemand bij dezen valschen waan blijven zou, en meenen dat het huwelijk alleen het eenvoudigen volk bevolen ware, en dat die uitnemend in de gemeente waren, zich daarvan moesten onthouden: zoo beneemt hun de apostel hier alle uitvluchten, en leert niet alleen, dat hij zulks toelaat en duldt, gelijk de heilige Hieronymus dat scherpzinnig schrijft: maar hij bevestigt dat het bij allen eerlijk is. Het is een groot wonder, dat die het verbieden van den huwelijken staat in de wereld ingebracht hebben, voor zoodanige uitgedrukte verkondiging niet verschrikt zijn geweest: maar zij moesten hierdoor aan den satan den toom geven, om dergenen ondankbaarheid te straffen, die aan God weigerden gehoor te geven.

5 De wandeling zij zonder gierigheid. Om de gierigheid wel te straffen, zoo beveelt hij ons zeer wel daarbij, dat wij ons zullen vergenoegen met wat tegenwoordig is. Dit is een rechte geldver-stnading, of ten minste, de groothartigheid wordt hierdoor tot een recht gebruik gematigd, als wij tevreden zijn met wat ons de Heere verleend heeft, hetzij veel of weinig. Maar het geschiedt zeer zelden, dat een gierig mensch zich vergenoegt, hoeveel hij ook heeft. En die aan middelmatigen rijkdom niet genoeg hebben, al is het schoon dat zij overvloed van goederen krijgen, zij zullen nog altijd meer begeeren. Dit is de leer die Paulus zegt geleerd te hebben, te weten, overvloed te hebben en gebrek te lijden. Die dan zijn begeerlijkheid aldus gematigd heeft, dat hij zich met het zijne vergenoegt, deze heeft de liefde tot het geld uit zijn hart gebannen. Want Hü heeft gezegd. Hij brengt hier twee getuigenissen der Schrift bij. Men meent, dat het eerste genomen is uit Jozua, hfdst. 1, maar het komt mij veeleer voor, dat deze uitspraak getrokken is uit de gemeene leer der Schrift, alsof hij zeggen wilde; De Heere belooft door de gansche Schrift, dat Hij ons niet zal verlaten. Uit deze belofte verhaalt hij wat in den 118aen Psalm staat, te weten, als wij

Dl VII.

ocr page 214

■■VTV'. gt;

-il

ff? • 210 HEBREËN 13:5—8.

.-v;; -------

van de hulpe Gods verzekerd zijn, zoo hebben wij middelen genoeg :-'ri om niet te vreezen. Hier scheurt hij de gansche ziekte van haren

wortel af, gelijk het ook van noode is, zoo wij de zinnen der menschen ■ ganschelijk van deze ziekte willen gezuiverd hebben. Het is zeker,

- ,, dat de oorsprong van alle gierigheid, wantrouwen is: want die dit

in het hart heeft gedrukt, dat ons God nimmermeer zal verlaten, die zal geen ongematigde zorg hebben; want hij zal op de voorzienigheid Gods staan. De apostel doet dan zeer wijselijk, dat hij ons op Gods beloften wijst, om ons te reinigen van de gierigheid, door welke beloften God betuigt, dat Hij ons zal bijstaan. Daarna zoo neemt hij hieruit, dat wij geen oorzaak hebben om te vreezen, || zoolang als wij zulk een helper hebben: want door dit middel zal

geschieden, dat wij niet bewogen noch bezorgd zullen zijn met kwade begeerlijkheid, omdat er niets anders is dan het geloof, hetwelk de -V , zinnen der menschen tevreden kan stellen, welker onrust overigens

' v meer dan genoeg bekend is.

! ■ :V:V' gt; ;

Hebr. 13:17. 7 Gedenkt uwer voorgangeren, die u het woord Gods gesproken

hebben, en volgt hun geloof na, aanmerkende de uitkomst hunner •'v'r/i- •'»' wandeling.

8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Jer. 29:8. 9 Laat u niet omvoeren met menigerlei en vreemde leeringen:

Eom. 1G: 17.' want het is goed het hart met de genade te versterken, niet

col 2-16 met; sP'izen n*et geholpen hebben dengenen, die daarin ge-

2Thessr2:2! wandeld hebben.

m ■'

' i

W

mi' gt; •; - ■

■ % 1' • v'

V

ify _

'M ÏA ■ ■

U',' ;

1 Joh. i : 1.

iiomh u ■ 'ii 7 Gedenkt uwer voorgangeren. Wat hier volgt, dient zoozeer niet tot het leven als tot de leer. Allereerst stelt hij hier den Joden f/' voor het voorbeeld dergenen, die hen geleerd hadden, en het schijnt

dat hij inzonderheid spreekt van die de leer met hun eigen bloed bezegeld hadden: want hij teekent hier aan wat waardig is om te gedenken, als hij zegt: Aanmerkende de uitkomst hunner wandeling. Nochtans schaadt niet, dat wij dit algemeen verstaan van die in het waarachtige geloof ten einde toe volhard hebben, en die getrouw getuigenis der heilige leer hebben gegeven, zoowel in sterven als in leven. Het is voorwaar van geene kleine kracht, dat hij hun hunne leeraars voorstelt, om die na te volgen: want wij ■. behooren ze te achten als vaders, die ons herbaard hebben in Jezus

r'■ ' Christus. Dezen dan hebbende volstandig gezien, deels in het midden

iv.:-quot;'1 ï' hunner wreede vervolgingen, deels in het midden van hun lijden,

tf . zoo behooren ze te meer bewogen te worden hunner te gedenken,

i , 8 Jezus Christus is gisteren. Dit is het eenige middel, hetwelk

ons in het ware geloof doet volharden, te weten, zoo wij het fun-■8®*« 1 dament behouden, niet achterwaarts wijkende, hoe weinig het ook

zij: want de wetenschap van hem, die Jezus Christus niet kent, is niet dan enkel ijdelheid, ja al kon hij ook hemel en aarde begrijpen, nademaal al de schatten der hemelsche wijsheid in Christus zijn be-■i sloten. Aldus is dit een zeer schoone plaats, waaruit wij leeren, dat

er geen andere regel der rechte wetenschap is, dan al onze zinnen te zetten op Jezus Christus onzen Heere. Voorts, omdat de apostel , rnet de Joden te doen had, zoo toont hij dat Jezus Christus altijd

zoodanige hooge plaats en oppergezag gehouden heeft, gelijk Hij nog hedendaags doet, en dat Hij Zichzelven altijd gelijk zal zijn, tot het

7 •• - ■ - -

ocr page 215

HEBREËN 13 : 8, 9.

einde der wereld. Hy is gisteren geweest, (zegt hij) en heden, ook dezelfde in der eeuwigheid. Hij geeft door deze woorden te kennen, dat dezelfde Jezus Christus, die nu aan de wereld is geopenbaard, geregeerd heeft van den beginne der wereld, en dat het niet geoorloofd is verder te gaan, waar wij tot Hem gekomen zijn. Gisteren, bevat den tijd des Ouden Testaments, en opdat men geen haastige verandering terstond daarna zou verwachten, omdat de verkondiging des Evangelies nog nieuw was, zoo zegt hij dat Jezus Christus wederom alzoo opnieuw geopenbaard is, dat deze kennis eeuwig duurt. Hieruit blijkt, dat de apostel niet disputeert van het eeuwig bestaan van Christus, maar van zijne kennis, welke ten allen tijde plaats gehad heeft onder de geloovigen, en dewelke het eeuwige fundament der gemeente is geweest. Het is wel zeker, dat Jezus Christus geweest is, eer Hij zijn kracht geopenbaard heeft: maar de vraag is nu, wat de apostel hier handelt. Daarom zeg ik, dat deze rede, bijwijze van spreken, op de kwaliteit van Jezus Christus doelt, en niet op het wezen: wijl hier niet wordt gedisputeerd, of Christus eeuwig bij den Vader is geweest, maar hoedanig zijn kennis bij de menschen is geweest. Voorts is de openbaring anders geweest onder de wet, dan zij nu is, zooveel de wijze en het uiterlijke middel aangaat; maar dit hindert niet, of het is wel en eigenlijk van den apostel gezegd, dat het altijd dezelfde Jezus Christus is, waarop de geloovigen zien.

9 Laat u niet omvoeren met menigerlei en vreemde leeringen. Hij leert, dat wij niet weifelen moeten, aangezien Gods waarheid vast en onwankelbaar is, waarop wij ook vast moeten blijven staan. En voorwaar, de verscheidenheid der meeningen, menigerlei superstitiën, alle gruwelijke dwalingen, in e'e'n woord, alle verdervingen van den waren godsdienst, komen hieruit, dat men op Jezus Christus onzen Heere niet vast blijft staan. Want de heilige Paulus heeft ons niet tevergeefs geleerd, dat Hij ons gegeven is tot wijsheid. De inhoud van deze plaats is dan, dat wij op den Heere Jezus Christus vast zullen staande blijven, zoo wij de vaste w-aarheid Gods willen hebben. Waaruit wij verstaan, dat zij, die Christus niet kennen, aan al des duivels bedrog onderworpen zijn: want buiten Christus is geen vastigheid des geloofs, maar ontallijke wankelingen. De papisten hebben zich dan zeer scherpzinnig getoond, als zij een tegenovergesteld middel gevonden hebben om de dwalingen te weder-staan, te weten, dat de kennis van Jezus Christus ganschelijk uitge-bluscht en begraven zou zijn. Maar deze vermaning des Heiligen Geestes zij in onze harten gedrukt, dat wij niet buiten gevaar zijn, tenzij wij Jezus Christus aanhangen. Voorts, noemt hij ze verscheidene leeringen, die ons van Christus Jezus afkeeren: want er is geen andere ware en zuivere leer, dan de kennis van Christus. Hij noemt ze vreemd, omdat God voor het zijne niet bekennen zal al wat buiten Christus is. Hier zijn wij ook vermaand wat weg wij in moeten, zoo wij in de Heilige Schrift willen toenemen gelijk het behoort: want die niet recht op Christus ziet, die verziet zich grootelijks. De apostel geeft ook te kennen, dat de gemeente van Christus altijd zal moeten strijden met vreemde leeringen, en dat er geen ander middel is om zich daarvan te wachten, dan voorzien te zijn met de reine kennis van Jezus Christus. Want het is goed het hart met de genade te versterken. Nu daalt hij van een al-

211

ocr page 216

HEBREËN 13:9, 10.

gemeen beginsel af tot een soort. Het is kennelijk genoeg, dat er onder de Joden een zeer algemeen bijgeloof was van de verscheidenheid der spijzen, welke velen menschen een oorzaak tot twist en ergernis was. Dit was een van de vreemde leeringen, omdat zij kwam uit gebrek aan kennis van Christus. Nadat de apostel dan ons geloof in Jezus Christus gegrond heeft, zoo zegt hij dat het onderhoud van spijze onze zaligheid niet raakt, noch ook dient tot ware heiligheid. De genade stellende tegenover de spijze, twijfel ik niet, of hij meent met dit woord den geestelijken godsdienst der wedergeboorte. Hij stelt versterking des harten, alsof hij zeide: De geestelijke genade Gods zal ons in der waarheid bevestigen, en niet de onderhouding der spijzen. Aangaande wat er volgt: Dat de spijzen niet geholpen hebben dengenen, die daarin gewandeld hebben, het is onzeker wie hij hiermede meent: want in der waarheid is de opvoeding nuttig geweest voor de oudvaders, die onder de wet leefden, waarvan het onderscheid der spijzen een deel was. Het schijnt dan, dat dit wel eerder behoort verstaan te worden van de neuswijze menschen, die na de openbaring des Evangelies, nog in uiterlijke ceremoniën bleven hangen. Hoewel nochtans als men het recht uitlegt van de oudvaders, zoo zal het niet vreemd luiden. Het is wel waar, dat het hun gebaat heeft, dat zij het juk van God opgelegd, gedragen hebben, en dat zij zich onderdanig bewezen hebben in de gemeene tucht der geloovigen en der gansche gemeente: maar de apostel leert, dat het onthouden van spijzen in zichzelve niet nut was. En voorwaar, het is ganschelijk niet te achten, dan dat er geweest is een eerste begin van onderricht, in den tijd toen de kinderen Gods nog den jongen kinderen gelijk waren, zooveel de uiterlijke regeering betreft. Die daarin gewandeld hebben, is genomen om een opzicht op de spijze te hebben, en dat in zulker voege, dat men onderscheid maken zal tusschen wat rein en onrein is. Voorts kan men van de andere ceremoniën der wet verstaan, wat hij hier van de spijze zegt.

10 Wij hebben een altaar, van hetwelk te eten zij geen macht hebben die den tabernakel dienen.

Exod. 29:14. 11 Want de dieren, wier bloed door den hoogepriester in het

6 L30V' iV; 27! heilige ingebracht werd, derzelver lichamen werden buiten

Num. 19:3. het leger verbrand.

Joii.19:17,18. 12 Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden, opdat Hij

het volk door zijn bloed zou heiligen.

13 Laat ons nu tot Hem uitgaan buiten het leger, zijne smaadheid dragende.

ril.. 3:20. 14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken

de toekomende.

15 Laat ons dan door Hem altijd Gode de offerande des lofs Hoz. ié:3. offeren, dat is, de vrucht der lippen, die zijnen naam belijden.

10 Wjj hebben. Dit is een zeer sierlijke overbrenging van de ceremoniën der wet op den tegenwoordigen staat der kerk. Daar was een plechtig soort van offerande, waarvan Leviticus 16 wordt vermaand, waarvan aan de priesters noch de Levieten een deel toekwam. Nu bewijst hij door een zeer schoone toespeling, dat hetzelfde in Christus vervuld is, omdat Hij op zulke conditie geofferd is, dat

212

ocr page 217

HEBREËN 13:10—15.

die den tabernakel dienen, daarvan niet eten zullen. Door degenen die den tabernakel dienen, meent hij al degenen, die nog met ceremoniën behangen zijn. Daarom leert hij ons, zoo wij gemeenschap willen hebben met Christus, zoo moeten wij den tabernakel verzaken: want gelijkerwijs het woord altaar in zich bevat alle geofferde offeranden, zoo bevat ook het woord tabernakel, al de uiterlijke afbeeldingen, die bij den tabernakel gevoegd waren. De zin hiervan is dan, dat men zich niet verwonderen moet, zoo de ceremoniën der wet hedendaags ophouden: want dit is afgebeeld geweest in de offeranden, die de Levieten buiten het leger brachten om te verbranden, te weten, omdat de dienaars des tabernakels hiervan niet aten: alzoo dienen wij ook den tabernakel, dat is te zeggen, zoo wij nog dezelfde ceremoniën onderhouden, zoo zullen wij de offerande niet deelachtig zijn, die Jezus Christus eenmaal voor ons opgeofferd heeft, noch ook de voldoening, die Hij eens door zijn dierbaar bloed heeft vervuld: want Hij heeft zijn bloed in het hemelsche heiligdom opgeofferd, om de zonden der wereld uit te wisschen.

13 Laat ons nu tot Hem uitgaan. Opdat nu de gelijkenis boven verhaald, betreffende de ceremoniën der wet, niet koud schijne te wezen, zoo voegt hij hier een zeer goede oefening bij, die van alle Christenen geëischt wordt. En de heilige Paulus gebruikt ook gemeenlijk deze wijze van leeren, en die is, dat hij den geloovigen toont, waarin God hebben wil dat zij zich oefenen zullen, als hij zijn best doet om hen af te keeren van de ceremoniën, welke alsnu nietige dingen zijn, alsof hij zeide: Dit is wat God van u eischt, en niet hetgeen waarin gij tevergeefs arbeidt. De apostel gaat hier even gelijk te werk: want als hij ons wijst om Christus te volgen, na het verlaten des tabernakels, zoo vermaant hij ons, dat wel wat anders van ons geëischt wordt, dan God nog in de schaduw te dienen, dat is te zeggen, naar ons gemak, zonder moeite, onder den prach-tigen schijn des tempels: omdat wij verder treden moeten, en onze roeping volgen, door vluchten, gebannen te zijn, ongelijk, gekwel, verstooten te zijn, en dergelijke moeilijkheden. Tegen deze schaduwachtige oefeningen, waarop de onderhouders der ceremoniën alleen stonden, stelt hij dan dezen strijd, waarin wij moeten arbeiden tot den bloede.

14 Want wij hebben hier geen. Hij breidt het uitgaan nog verder uit, waarvan hij hier vermaand heeft, te weten, dat wij overdenken zullen, vreemdelingen en rondzwervende menschen te zijn, die geen vastblijvende plaats hebben dan in den hemel. Daarom, zoo dikmaals als wij verjaagd worden van eenige plaats, of dat ons eenige verandering geschiedt, zoo laat ons overleggen, wat de apostel hier leert: Dat wij geen blijvende stad op aarde hebben, aangezien de hemel onze erve is; en meer en meer geoefend zijnde, zoo laat ons altijd zien op het einde: want die te zeer naar hun gemak leven, in alle rust, die maken en zoeken gemeenlijk een nest hier op aarde. Omdat wij dan genegen zijn tot zulke onachtzaamheid, zoo is het ons nut dat wij somtijds her- en derwaarts moeten, opdat wij leeren zullen onze oogen in den hemel te slaan, die zonder hetzelve te zeer omlaag zien.

15 Laat ons dan door Hem. Hij keert weder tot deze algemeene leer, die hij hiervoren aangeroerd heeft, te weten, van de oude

213

ocr page 218

HEBREËN 13:15, 16.

ceremoniën der wet; en hij voorkomt wat men hiertegen kan werpen: want aangezien de ceremoniën onder den tabernakel zijn, als deszelfs aanhangsel, zoo volgt er uit, zoo de tabernakel teniet is, zoo houden de offeranden ook op, en zijn mede teniet. Nu is het alzoo, dat de apostel geleerd heeft, omdat Christus buiten de poort geleden heeft, dat wij daar ook geroepen zijn, en dat daarom die Hem volgen willen, den tabernakel moeten verlaten. Hier kon nu wederom op gevraagd worden, of de Christenen dan geen ceremoniën meer hebben: want dit zou vreemd schijnen, aangezien zij verordend zijn geweest tot getuigenis van den uitwendigen godsdienst. De apostel voorziet hierin intijds, en zegt, dat ons een andere manier om te ofleren nagelaten is, die God niet minder aangenaam is, te weten, Hoz. 14 :S. dat wij Hem de varren onzer lippen zullen offeren, gelijk de profeet Hozea zegt. Verder blijkt ook klaarlijk genoeg uit Psalm 50, dat de offerande des lofs Gode niet alleen aangenaam is, maar ook in meerder achting dan alle uiterlijke offeranden, die men onder de wet gebruikte. Want God al die offeranden als onnut verwerpende, gebiedt dat men Hem de offeranden des lofs zal geven. Zoo zien wij dan, dat de voornaamste dienst, dien wij God kunnen doen, en die met recht gesteld worden vóór alle andere oefeningen, hoedanig zij zijn, deze is, als wij met alle dankbaarheid de goedheid Gods loven en danken. Dit is (zeg ik) de manier van offerande, die ons God hedendaags beveelt. Nochtans moet men niet twijfelen of alle aanroeping des naams Gods wordt hiermede aangewezen onder één deel: want wij kunnen Hem niet dankbaar zijn, tenzij wij eerst van Hem verhoord zijn; bidt men niet, men ontvangt niet. In één woord, hij geeft te kennen, dat wij zonder onredelijke creaturen, wat hebben om Gode op te offeren, en dat Hij door dat middel volkomenlijk van ons geëerd en gediend kan worden, gelijk dat behoort. Voorts, alzoo het voornemen des apostels is, om ons een manier van een wettigen godsdienst in het Nieuwe Testament te leeren, zoo vermaant hij op zijn kortst, dat wij God niet oprech-telijk kunnen aanroepen, en zijnen naam grootmaken, dan door den Middelaar Jezus Christus. Want Hij alleen heiligt onze lippen (die anders besmet zijn) opdat wij Gode lof mogen zingen. Hij is het, die onzen gebeden een ingang geeft, in één woord. Hij is het die het priesterambt bedient, om Zich voor het aangezicht Gods in onzen naam te vertoonen.

16 En vergeet niet de weldadigheid en de mededeelzaamheid: want met zoodanige offeranden behaagt men God.

17 Weest uwen voorgangeren gehoorzaam en onderdanig, want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde zonder zuchten, want dat is u onprofijtelijk.

18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen dat wij een goede consciëntie hebben, zoekende onder allen wel te wandelen.

19 Maar ik bid u te meer, dat gij dat doet, opdat ik te eerder u wedergegeven worde.

16 En vergeet niet. Hij toont ons hier nog een andere manier, om wel en behoorlijk te offeren, te weten, dat alle werken der liefde ook offeranden zijn. Door welke woorden hij te kennen geeft, dat

214

Fil. 4:18.

Fil. 2:S9. 1 Thess.5:12. 1 Tim. 5 :17.

Ez. 3 :18: 33:8.

ocr page 219

HEBREEN 13 : 16, 17.

die daar meenen groot gebrek te hebben, als zij juist geen beesten hebben, om naar de oude manier der wet op te offeren, grootelijks door zulke begeerte dwalen, en niet weten wat zij begeeren, aangezien ons God voorziet met zoo rijke en overvloedige stof der offeranden: want al is het ook, dat Hij van ons geen voordeel kan hebben, nochtans acht Hij de aanroeping zijns naams voor offerande, ja voor een zoo uitnemende offerande, dat die eene voor alle genoegzaam is. En wat meer is, de weldaden, die wij den menschen doen, acht Hij alsof zij Hem geschieden, en Hij geeft ze daarenboven ook den naam van offeranden, opdat men zou bekennen, dat de eerste beginselen der wet niet alleen overtollig, maar ook hinderlijk zijn, omdat zij ons afkeeren van de rechte wijze van offeranden. In één woord, hij wil zeggen, willen wij Gode offeren, wij moeten Hem aanroepen, en zijn goedheid met alle dankbaarheid verkondigen ; daarna moeten wij onzen naasten goed doen; en dat dit de oprechte offeranden zijn, waarin zich een christen behoort te oefenen. Aangaande de andere wijze van offeranden, haar tijd is voorbij, en hebben geen plaats meer. En als hij zegt, dat men God met zoodanige offeranden behaagt, daaronder is een stilzwijgende tegenstelling bedekt, te weten, dat Hij van ons nu niet eischt de oude ceremoniën, welke Hij geboden had, totdat de wet teniet zou worden gedaan. Verder, zoo is daar een vermaning bij deze leer gevoegd, welke ons wonderlijk behoort op te wekken, om weldadigheid aan onze naasten te doen: want het is hier geen kleine eer, dat God voor offerande houdt als aan Hem gedaan, wat den menschen geschiedt, en dat hij de vriendschap en dienst, die wij hun doen, zoo grootelijks versiert en vereert: want wat schier nauw waardig was om uit te spreken, noemt hij heilig te zijn. Daarom als de liefde onder ons verkoud is, zoo bedriegen wij den menschen niet alleen van hun recht, maar ook God zelf, die met een zeer heerlijken titel Zichzelven toegeëigend had al wat Hij ons beveelt onzen naasten te doen. Het woord gemeenschap, of mededeelzaamheid strekt zich nog verder uit dan weldaad: want het begrijpt al de vriendschap en liefdedienst, die de menschen elkander doen. En dit is het waarachtig teeken der liefde, als degenen, die door één Geest Gods bijeengevoegd zijn, onder elkander gemeenschap hebben in het mededeelen.

17 Weest uwen voorgangeren. Ik twijfel niet, of hij spreekt hier van de priesters en andere regeerders der kerk; want toen was daar nog geen christelijke overheid, en wat hij zegt van het waken voor de zielen, komt eigenlijk de geestelijke regeering toe. Hij gebiedt allereerst, dat men hun gehoorzaam zal zijn: daarna, dat men ze in eerbied zal houden: deze twee dingen zijn het volk noodig, dat zij hunne herders gelooven en eeren. Maar daar moet ook onthouden zijn, dat de apostel alleen spreekt van die hun ambt getrouwelijk volbrengen: want die niet dan den naam hebben, en (wat nog kwader is) dien naam misbruiken, om de kerk te verderven, dezen verdienen geen grooten eerbied, en nog veel minder dat men hun geloof zal geven, en op hen vertrouwen. De apostel drukt ook duidelijk genoeg uit, als hij zegt, dat zij voor de zielen waken, hetwelk niet toekomt dan dengenen, die hun ambt doen gelijk dat behoort, en die waarlijk herders zijn, gelijk hun naam medebrengt. De papisten mogen dubbel voor zot geacht worden, dat zij hier-

215

ocr page 220

216 HEBREËN 13 : 17.

mede willen bevestigen de dwingelandij van hun afgoderij. De Heilige Geest beveelt, dat men allergehoorzaamst aannemen zal de leering van de geloovige herders en opzieners, en dat men hun goeden en heiligen raad zal onderdanig zijn. Hij wil ook dat men hun eerbied zal bewijzen. Waarin strekt dit eenigszins tot voordeel voor de vermomde bisschoppen? En aldus zijn niet alleen al de bisschoppen, die onder het pausdom zijn, maar het zijn ook wreede beulen over de zielen, en razende wolven. Maar verzwijgende wat zij zijn, zal ik dit alleen thans zeggen: Als het ons geboden is, dat wij onzen herders zullen onderdanig zijn, zoo moeten wij vlijtig met rijp verstand onderscheiden, welke zij zijn die ware en oprechte herders zijn: want dragen wij deze eer en eerbiediging zonder rrrv1.' onderscheid jegens al degenen die dit ambt bedienen, zoo zal men

allereerst den goeden ongelijk doen; daarenboven de reden, die hier

«.•-3. ;.i V:

'V. V . bijgevoegd is, zal niet deugen, dat zij daarom der eere waardig zijn,

■ ... V ; omdat zij voor de zielen waken. Hierom is het, dat zoo zich de paus

r met al zijn aanhangers wil bedienen van dit getuigenis, zoo moe

ten zij vooral bewijzen, dat zij van het getal dergenen zijn, die voor iv;'.y, onze zaligheid waken. Blijkt ons dit, er zal niets wezen, hetwelk

aan eenige geloovigen beletten zal om hen te eeren. Zij waken voor uwe zielen. Hij geeft te kennen, zooveel te meer last en bevel zij hebben, zooveel te meer eer zijn ze waardig: want zooveel te meer arbeid als iemand om onzentwil aanneemt, en zooveel meer hij dit met gevaar en zwarigheid doet, zooveel te meer zijn wij ook aan hem verschuldigd. Het ambt eens opzieners is zoo-danig, dat het met zich brengt wonderlijk veel moeiten, behalve het groote gevaar. Willen wij dan het goede bekennen dat ons door ^4,:,; hen geschiedt, zoo zullen wij hen nauwelijks kunnen doen, wat hun

wel toekomt; en bijzonder omdat zij voor ons rekenschap zullen geven voor God, zoo ware het wel een sloffigheid, dat wij hen niet hoogachtten. En wat meer is, hij vermaant ons hoe grootelijks ons ! hun arbeid nut is: want houden wij onzer zielen zaligheid in

groote waarde, zoo zullen wij, die daarvoor waken, niet versma-I den. En de reden, waarom hij hebben wil, dat wij leerzaam en wil-

:v\ , lig tot gehoorzaamheid zullen zijn, is, opdat hetgeen de herders

. doen, volgens hunne roeping en de nood vordert, dat zij hetzelve

' met vreugde en gewillige harten kunnen doen: want wordt hun het

(• ■, hart door benauwdheid, druk en leed gedwongen, al zijn ze schoon

wijze, vrome geloovige mannen, nochtans zoo zullen ze trager worden, en hun vlijt en kracht om hun best te doen, zal verslappen. En daarom verkondigt hun de apostel, dat het voor het volk onnut zal zijn, zoo hunne ondankbaarheid den herders eenige droefheid of zuchten geeft: om daardoor te kennen te geven, dat wij ' 'A ; :onzen herders niet hatig of ongehoorzaam mogen wezen, of wij jvfstellen de zaligheid onzer zielen in gevaar. En aangezien er van de ii i tien menschen niet een is, die hierop denkt, zoo blijkt het in wat

.'•V

,1quot; A *

, i

\ -'V

: f;

li * ,v

r,

gt;lt;!

•U;

;Si ^ 1 •

:gt;■

verachting de menschen overal hun zaligheid hebben, en men behoeft zich niet te verwonderen, dat er hedendaags zoo weinig zijn, die naarstig voor de kerk Gods waken. Want behalve dat er zeer weinig zijn, die den heiligen Paulus gelijk zijn, die den mond open hebben, terwijl des volks ooren verstopt zijn, en die hunne harten openen, als het volk ze toesluit, zoo straft God ook de ondankbaarheid, die overal schier regeert. Daarom, zoo dikwijls als de herders in hun ambt

Ki'

ocr page 221

HEBREEN 13 ; 17, 20.

verkouden en slap zijn geworden, of dat zij niet zoo naarstig zijn gelijk zij wel behoorden: zoo laat ons gedenken, dat het een straf is om onze wederspannigheid.

18 Want wy vertrouwen. Nadat hij zichzelven in hunne gebeden bevolen heeft, opdat hij ze tot bidden verwekken zou: zoo zegt hij dat hij een goede conscientie heeft. Want hoewel onze gebeden alle menschen der wereld behooren te omvatten, gelijk de liefde eischt, waaruit zij spruiten, nochtans is het redelijk, dat wij zorgvuldig zijn inzonderheid voor de geloovigen en godzaligen, wier goedheid of andere teekenen der deugden ons bekend zijn. Derhalve herinnert hij tot dat einde de oprechtheid van zijne conscientie, opdat hij ze des te meer bewege, dat zij zorg voor hem zouden dragen.

Als hij zegt: Ik vertrouw, dient dit eensdeels tot de zedigheid, en anderdeels tot vastigheid. Hij voegt daar een ander bewijsreden bij, dat de gebeden, die zij voor hem zullen doen, hem inzonderheid niet zoo nut zullen zijn, als hun in het gemeen. Want het is u aller profijt, dat ik u wedergegeven worde. Men kan hieruit verstaan, dat die dezen brief geschreven heeft, toen met velerhande moeiten omsingeld was, of opgehouden werd door vreeze van vervolging, zoodat hij hen, aan wie hij schrijft, zoo haast niet kon komen bezoeken, als hij wel gaarne wilde.

20 De God des vredes, die van de dooden wedergebraoht heeft

den grooten Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen joü. io:ii. testaments, onzen Heere Jezus Christus: 1 Pet;r- 5:i

21 Die voltnake u in alle eoed werk, om ziinen wil te doen, ma- 2 Cor. 3:5.

Fil 1 '• 23

kende in u wat voor Hem welbehagelijk is door Jezus Christus, denwelken zij de heerlijkheid van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

22 Ik bid u, broeders! verdraagt het woord der vermaning, want ik heb u met korte woorden geschreven.

23 Gij weet dat [onze] broeder Timotheus verlost is, met welken ik u zien zal, zoo hij haast komt.

24 Groet al uwe voorgangeren en al de heiligen. Zij groeten u die van Italië zijn.

25 De genade zij met u allen. Amen.

Aan de Hebreen [geschreven] van Italië, gezonden door Timotheus.

zo De God des vredes. Hij besluit zijn .brief met een gebed,

opdat onderling geschiede, wat hij boven begeert, dat zij voor hem zouden doen. Hij bidt God, dat Hij ze in alle goed werk wil bevestigen, ook daarin bekwaam en volkomen wil maken: want het Grieksche woord, dat hij hier gebruikt, brengt dat mede. Waaruit wij verstaan, dat wij niet eigenlijk bekwaam zijn om goed te doen,

totdat ons God daartoe bereid heeft, en dat wij niet lang in het goede blijven staan, tenzij Hij ons daarin bevestige: want volstandigheid is een eigen gave Gods. Ook is hieraan geen twijfel, aangezien in henlieden aireede bijzondere gaven des Geestes blonken ; gelijk men ziet dat hun de apostel wenscht, niet alleen zulke manier als waar zij mede begonnen, maar een voortgang tot de volkomenheid. Voorts, stelt hij hierbij de verklaring der

217

ocr page 222

HEBREEN 13:20—22.

goede werken, als hij den wil Gods voor een regel stelt: want door dit middel geeft hij te kennen, dat men geen andere werken voor goed kan houden, dan die door den wil Gods volbracht worden, gelijk dat ook de heilige Paulus bewijst Rom. 12 ; 2, en op meer andere plaatsen. Laat ons dan gedenken, dat dit de volkomenheid om wel en heiliglijk te leven is, als ons leven geregeerd wordt naar zijne gehoorzaamheid. Wat daarna volgt, dient tot uitlegging; Makende (zegt hij) in u wat voor Hem behagelyk is. Hij had van den wil Gods gesproken, die in de wet verschenen was: alsnu toont hij dat het tevergeefs is Gode te brengen wat Hij niet geboden heeft, aangezien Hij meer zijne ordeningen acht, dan alle menschenvonden, die daar mogen zijn. Dat hij zegt: Door Jezus Christus, kan tweeërlei uitgelegd worden, te weten: Makende door Jezus Christus, of: Wat Hem aangenaam is door Jezus Christus; beide is goed: want wij weten dat de Geest der wedergeboorte en alle andere gaven der genade, ons door Jezus Christus bevestigd worden. En wat meer is, het is zeker, nademaal uit ons niets komt dat ganschelijk volkomen is, dat Gode ook niets aangenaam kan zijn zonder de vergeving onzer zonden, welke wij door Jezus Christus verwerven. Aldus geschiedt het, dat onze werken, vervuld met den zoeten reuk der genade van Christus, voor God een zeer zoet reukwerk brengen; anders zijn ze stinkende. Daarom laat ik toe, dat dit van de beide deelen kan gezegd worden. Aangaande het slot van het gebed, te weten: Denwelken zij heerlijkheid van eeuwigheid tot eeuwigheid, dat trek ik gaarne op Christus. Dat hij nu Jezus Christus toeschrijft wat Gode alleen toekomt, daardoor geeft hij klaarder getuigenis van zijne Godheid. Zoo iemand liever mocht hebben, dat het van God den Vader wordt uitgelegd, zoo zeg ik l daar ook niets tegen. Maar ik neem het andere liever aan, omdat het beter bij den tekst blijft. Die van de dooden heeft weder- j gebracht. Deze bijstelling is hierbij gevoegd tot bevestiging: want het beduidt, dat God alsdan oprechtelijk van ons wordt aangeroepen, opdat Hij ons tot de volkomenheid brenge, als wij zijn macht bekennen in de opstanding van Jezus Christus, en als wij Christus kennen voor onzen herder. In e'e'n woord, hij wil dat wij op Christus zullen zien, opdat wij een goede hope zouden hebben van de hulpe Gods. Want daarom is Christus van den dood opgewekt, opdat wij door dezelfde kracht Gods vernieuwd worden ten eeuwigen leven. En Hij is de groote herder van allen, opdat Hij de schaapkens bewaren zou, die God Hem bevolen heeft. Waar anderen hebben overgezet: Door zjjn bloed, staat eigenlijk in des apostels tekst: In zjjn bloed. Maar omdat de letter b e t h, in 't Hebreeuwsch betee-kent door, zoo dunkt het mij beter aldus gesteld. Want naar mijn verstand wil de apostel zeggen, dat Christus op zulke wijze van den dood opgewekt is, dat nochtans daarom zijn dood niet vernietigd is, maar eeuwige kracht behoudt. Alsof hij gezegd had: God heeft zijnen Zoon opgewekt, maar het is geschied in zulker voege, dat het bloed, hetwelk Hij eens in zijn dood vergoten heeft, om het eeuwige verbond te bevestigen, zijn kracht niet verliest na zijn opstanding, maar altijd is vloeiende.

22 Ik bid u, broeders! Sommigen nemen dit, alsof hij begeerde dat men hem gehoor zou geven, maar ik versta het anders. Want naar mij voorkomt, zoo wil hij zeggen, dat hij met weinig woorden.

218

ocr page 223

HEBREËN 13:22—25.

of in 't kort alleen geschreven heeft, opdat niet schijne dat hij iets heeft willen verminderen van de gewone wijze van leeren in de gemeente: maar heeft hun alleen op 't kortst vermaand. Laat ons hieruit leeren, dat ons de Heilige Schrift daarom niet gegeven is, opdat de stemmen der herders zouden ophouden, en laat het ons niet moeilijk vallen, als dagelijks de vermaningen voor onze ooren komen. Want de Geest Gods heeft de Schrift alzoo gematigd, die de schriften der profeten en apostelen heeft ingegeven, dat Hij niets heeft willen afdoen van de ordening, die Hij zelf ingesteld heeft. Die ordening is deze, dat gedurige vermaningen in de kerk Gods uit den mond der herders moeten gehoord worden. Mogelijk dat hij ook hierom het vermanen aanprijst, omdat de menschen van nature begeerig om te leeren altijd liever met wat nieuws geleerd worden, dan zij vermaand worden in dingen die hun bekend zijn, en dikmaals gehoord hebben. Het geschiedt ook, als zij zichzelven in hun traagheid pluimstrijken, dat zij alsdan met droefheid en te laat kastijding moeten lijden.

23 Gij weet. Omdat de uitgang in 't Grieksch van tweeërlei be-teekenis is, zoo kan men het overzetten: Gjj weet, of: Weet; en het laatste dunkt mij 't beste, hoewel ik het eerste niet verwerp. Want het is geloofelijk, dat hij den Joden die over zee waren, laat weten wat zij nog niet wisten. Voorts, zoo deze Timotheus de welbekende metgezel van Paulus is, (hetwelk ik gaarne geloof) zoo is het niet onwaarschijnlijk, dat de heilige Lukas, of Clemens, auteur van dezen zendbrief is. Want de heilige Paulus noemt hem gewoonlijk zoon. En wat meer is, hetgeen hij terstond daarbij voegt, zou op den persoon van Paulus niet wel passen: want het blijkt, dat hij, die dezen zendbrief schrijft, vrij en zijns zelfs geweest is; en wat meer is, dat hij veeleer op een andere plaats was dan te Rome, jazelfs is het zeer waarschijnlijk, dat hij in vele steden daaromtrent geweest was, en bereid was om de zee over te steken. Al deze dingen hebben kunnen geschieden aan den heiligen Lukas of Clemens, na den dood van Paulus.

24 Groet allen. Aangezien hij dezen brief in 't gemeen aan al de Hebreen schrijft, zoo is het wonder waarom hij begeert, dat men sommigen met name groeten zal, alsof zij afgezonderd waren van de anderen. Dan, naar mijn verstand, zoo geschiedt zulks uit eer, dal hij deze groete den voornaamsten doet, opdat hij ze hierdoor meer trekken zou, en te williger tot de leer des Evangelies maken. Dat hij daarbij voegt: En al de heiligen, daarmede meent hij óf de geloovigen die heidenen waren, opdat de Joden en heidenen zich onder elkander tot goede eenigheid zouden bevlijtigen; óf het dient hiertoe, dat die dezen brief eerst ontvangen zullen, dien den anderen zullen mededeelen.

219

ocr page 224
ocr page 225

mi ;c

. ■ v;??'v 1 ■$■. ■'amp;amp;/?:■'/amp;.■ R

' iraffll B»BM mÊmÊÊÊÊÊÊm

tW-StiSQr

■ WmmSisSamp;MiSssSi

SSÊMSÊÊÊÊÊmÊM

ocr page 226
ocr page 227
ocr page 228