Johannes Calvijn.
IJITLEGGIKG
OP DE
ZENDBRIEVEN.
MET REGISTER.
Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. D., J. F. en J. R., in de tegenwoordige spelling,
DOOR
A. M. DONNER.
VIJFDE DEEL. - I en II THESSALONICENSEN.
TE LEIDEN BIJ D. DONNER.
VK â¢
Johannes Calvijn.
UITLESGIM
OP DEN
EERSTEN EU TWEEDEN
ZENDBRIEF VAN PAULÃ8
AAN DE
THESSAL0N1CENSEN.
Naar de uitg? ven der Oude Hollandsche overzetting van J. D., in de tegenwoordige spelling.
A. M. DONNER.
THE üTTTN s T. |
] i^ijksuniversitGfï £
1 UTRECHT f
TE LEIDEN BIJ D. DONNER. 1890.
i**/ */ Pt, Jt. s?ytgt;rfic
frHEOl,, i N ? i RijkRuniversn*
UTRECHT 1
1
I
AAN
MATURINUS CORDERIUS,
DEN UITNEMEND GODZALIGEN EN GELEERDEN MAN, HET HOOFD DER LAUSANNER SCHOOL.
Het is recht, dat gij ook deel hebt in onzen arbeid, door wiens leiding ik, in de loopbaan der wetenschappen gekomen, immers zoo ver voortgeschreden ben, dat ik der gemeente Gods eenigszins mag nuttig zijn. Toen ik een kind zijnde, alleen de beginselen der La-tijnsche taal geleerd hebbende, door mijnen vader naar Parijs gezonden was, zoo zijt gij voor een kleinen tijd mij door Goddelijke beschikking tot een onderwijzer gegeven, die mij een ware wijze om te leeren alzoo zou geven, opdat ik daarna wat beteren voortgang kon doen. Want hoewel gij de hoogste klasse met grooten lof geleerd had, nochtans dewijl gij zaagt dat de discipelen die van andere onderwijzers uit eerzucht geleerd waren, alleen enkel boffers waren, en niets grondigs bijbrachten, zoodat gij ze van nieuws aan leeren moest: zoo zijt gij uit verdrietelijkheid van dezen arbeid in datzelfde jaar tot de vierde klas afgedaald. Dit was wel uw besluit, maar het was mij een bijzondere weldaad Gods, dat ik zulk een begin van onderwijzing kreeg. En hoewel ik niet lang dat heb mogen genieten, omdat wij door een dwaas mensch, door wiens goeddunken, of liever begeerlijkheid, onze studiën geregeerd werden, terstond hooger zijn opgeleid geworden: zoo ben ik nochtans daarna alzoo door uwe onderwijzing geholpen geweest, dat ik terecht u mag danken betrekkelijk den voortgang, die daarna gevolgd is, hoedanig die ook zij. En dit heb ik aan de nakomelingen willen getuigen, opdat zij, zoo zij eenige nuttigheid uit mijne geschriften verkrijgen, bekennen mogen, dat die ten deele van u gekomen is.
Te GENÃVE, den 17en Februari 1550.
DE INHOUD
VAN DEN
EERSTEN ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN DE
THESSALONICENSEN.
Het grootste deel van dezen zendbrief is gelegen in vermaningen. Paulus had de Thessalonicensen onderwezen in het rechte geloof. En toen hij hoorde, dat daar vervolging gekomen was, zoo zond hij Timotheus dat hij ze moed gave tot den strijd, opdat zij niet door vreeze bezweken, daar der menschen zwakheid groot is. Daarna van Timotheus vermaand zijnde over hun ganschen stand, maakt hij ze met verscheiden redenen vast tot standvastigheid des geloofs en tot verdraagzaamheid, zoo zij iets moeten lijden om het getuigenis des Evangelies. Dit. doet hij in de eerste drie hoofdstukken. In het begin van het vierde hoofdstuk geeft hij hun gemeene vermaningen tot heiligheid des levens: daarna beveelt hij hun onderlinge goedwilligheid, en de werken, die daaruit vloeien. En in het einde, roert hij aan de zaak der wederopstanding, waar hij verklaart, hoe wij allen van den dood weder opgewekt zullen worden. Waaruit het schijnt dat daar goddelooze of lichtvaardige menschen geweest zijn, die ongeschiktelijk vele beuzelingen voorgevende, hun geloof zochten te verzwakken. Zoo dan, om de oorzaak der dwaze en onnutte disputatiën te benemen, leert hij met korte woorden wat zij behooren te gevoelen. En in het vijfde hoofdstuk verbiedt hij ook streng van de tijden te onderzoeken: maar vermaant dat zij zonder ophouden moeten waken, opdat zij niet van de haastige en onvoorziene komst van Christus overvallen worden. Hieruit komt hij tot verscheiden vermaningen, en besluit alzoo zijnen zendbrief.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Paulus, en Sylvanus, en Timotheus, aan de gemeente der Thes-salonicensen, in God den Vader, en den Heere Jezus Christus:
genade zij u en vrede van God onzen Vader, en onzen Heere i petr. i: Jezus Christus.
UITLEGGING.
De kortheid van dit opschrift geeft te kennen, dat de leer van Paulus waardiglijk van de Thessalonicensen is ontvangen geweest, en dat zij allen zonder twijfel hem eere geboden hebben, gelijk hij het waardig was. Want dat hij in andere zendbrieven van zichzelven schrijft een apostel te zijn, doet hij om zich autoriteit te maken. Zoo dan, dat hij hier eenvoudig zijn bijzonderen naam gebruikt, zonder eenigen anderen heerlijken titel, is een tee-ken, dat zij aan wie hij schrijft, vanzelf bekend hebben hoedanig hij was. De dienaars des duivels hadden wel gearbeid om ook deze gemeente te verstoren, maar het schijnt dat hun arbeid tevergeefsch is geweest. Hij stelt twee anderen bij hem, als met hem gemeene auteurs van dezen zendbrief. Hier is niets meer dat niet op andere plaatsen verklaard is geweest, uitgenomen dat hij zegt:e kortheid van dit opschrift geeft te kennen, dat de leer van Paulus waardiglijk van de Thessalonicensen is ontvangen geweest, en dat zij allen zonder twijfel hem eere geboden hebben, gelijk hij het waardig was. Want dat hij in andere zendbrieven van zichzelven schrijft een apostel te zijn, doet hij om zich autoriteit te maken. Zoo dan, dat hij hier eenvoudig zijn bijzonderen naam gebruikt, zonder eenigen anderen heerlijken titel, is een tee-ken, dat zij aan wie hij schrijft, vanzelf bekend hebben hoedanig hij was. De dienaars des duivels hadden wel gearbeid om ook deze gemeente te verstoren, maar het schijnt dat hun arbeid tevergeefsch is geweest. Hij stelt twee anderen bij hem, als met hem gemeene auteurs van dezen zendbrief. Hier is niets meer dat niet op andere plaatsen verklaard is geweest, uitgenomen dat hij zegt: Aan de gemeente in God den Vader, en Christus: met welke woorden hij zoo ik meen, verklaart, dat bij de Thessalonicensen een ware gemeente Gods geweest is. Zoo is dan dit teeken als een bewijs eener ware en echte gemeente. Toch moet men ook mede daaruit verstaan, dat men nergens een gemeente moet zoeken, dan waar God de overste is, en waar Christus regeert. Eindelijk, dat daar geen ander is, dan die in God gefundeerd is, die onder het vaandel van Christus verzameld, en in zijnen naam vereenigd is.
2 Wij danken God altijd over u allen, uwer gedenkende in onze Ef. 1^16. gebeden. Ooi. 1:3.
3 Zonder ophouden uwer gedachtig zijnde, om het werk des ge-loofs, en den arbeid der liefde, en de lijdzaamheid der hope van onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader;
4 Dewijl wij weten, lieve broeders, dat uwe verkiezing van God is:
5 Want ons Evangelie is aan u niet geweest alleen in woorden, 1 oor. 2 maar ook in mogendheid en in den Heiligen Geest, en in^Petr. i: groote zekerheid: gelijk gij weet hoedanig wij geweest zijn 1 Thees.2 onder u, om uwentwil.
2 Wü danken. Hij prijst hun geloof en andere deugden naar zijn wijze: niet zoozeer om hen te prijzen, maar om tot volharding te
1 THESSALONICENSEN 1:2, 3.
8
vermanen. Want dit is geen kleine prikkeling tot naarstigheid om zij voort te varen, als wij bedenken dat God ons met schoone gaven all versierd heeft, om te volbrengen wat Hij begonnen heeft: en dat liji wij door zijn leiding en beweging in den rechten loop voortgegaan Pi zijn om tot het voorgestelde oogmerk te komen. Want gelijk dat va ijdel betrouwen op de deugden, die de menschen dwazelijk zich- de zeiven toeschrijven, hen met hoovaardigheid opblaast, en voor later kr lui en onachtzaam maakt: alzoo worden alle godzalige harten door m de erkenning der gaven Gods vernederd, en tot zorgvuldigheid ge- oe prikkeld. Daarom stelt hij een dankzegging voor een medeverblij- dr ding, om hen te vermanen, dat het Gods gave is, al wat in hen di prijzenswaardig is. En hij wendt zich terstond tot den toekomenden di tijd, als hij van het gebed spreekt. Alzoo zien wij waartoe hij dat wi voorgaande leven prijst. m 3 Zonder ophouden uwer gedachtig. Hoewel het woord zonder di ophouden, bij het voorgaande gevoegd kon worden, zoo rijmt het gt nochtans beter aldus. De woorden die daar volgen, kon men ook glt; aldus overzetten, te weten: Gedenkende uw werk des geloofs, di en arbeid der liefde, enz. Welke wijze van spreken Paulus dik- g( maals gebruikt. Dit zeg ik daarom, opdat niemand den ouden over- k( zetter van onwetendheid beschuldige, die het alzoo overgezet heeft. \v Doch dewijl daar, zooveel den inhoud der zaak aangaat, weinig aan le gelegen is welk van beide men leest, zoo heb ik Erasmus' overzetting behouden. Voorts, hij zegt de oorzaak waarom hij zoozeer clt; voor hen zorgt, en naarstig voor hen bidt, te weten, omdat hij de 1c gaven Gods in hen aanmerkt, welke behoorden hen tot liefde tot P zichzelven en eerbied op te wekken. En voorwaar, hoe uitnemender vi iemand in godzaligheid en andere deugden is, zooveel te grooter d zorg en acht behooren wij over hem te hebben. Want wat is er tt lieflijker dan God ? Zoo is er dan niets, dat ons meer den menschen li behoort aangenaam en lieflijk te maken, dan als de Heere Zich C door de gaven zijns Geestes in hen openbaart. Dit is de aller- T grootste aanprijzing bij de godzaligen, dit is de allerheiligste band v der vriendschap, waarmede wij allernauwst verknocht worden. Daarom w heb ik gezegd, dat er weinig aan gelegen is, of gij leest: Uws ge- k loofs gedachtig zijnde, of: Uwer gedachtig zjjnde om het ge- zi loof. Het werk des geloofs, neem ik voor de vrucht. Maar de vrucht V kan hier tweeërlei wijze uitgelegd worden, te weten, dat het geloof d zelve een klaar bewijs der kracht en werking des Heiligen Geestes g is geweest, dat hij krachtiglijk gewrocht heeft in het geloof te ver- h wekken, of dat het geloof daarna zijne vruchten openlijk voortge- d bracht heeft. Maar ik stel dit meer in den wortel des geloofs, dan h in de vruchten, alsof hij zeide: Daar heeft een zeldzame kracht des v geloofs zich geweldig in u bewezen. Hij stelt daarbij den arbeid d der liefde: waarmede hij te kennen geeft, dat zij in 't onderhouden 1 der liefde geen zwarigheid noch arbeid geweigerd hebben. En I voorwaar, men weet door bevinding hoe werkzaam de liefde is. En g voornamelijk te dien tijde hadden de geloovigen menigerlei stof tot a arbeid, zoo zij de werken der liefde wilden volbrengen. De gemeente z werd door zeer vele verdrukkingen wonderlijk benauwd. Daar waren v velen van hunne goederen beroofd, velen uit hun woning gedreven, 1 velen zonder raad, velen teeder en zwak: eens iegelijks stand was g bijna verward; zoo menigerlei nooden lieten de liefde niet ledig i
1 THESSALONICENSEN 1 ; 3, 4.
Dm zijn. Aan de hope heeft hij lijdzaamheid toegeschreven, gelijk zij en altijd daaraan hangt: want wat wij hopen, dat verwachten wij door lat lijdzaamheid, Rom. 8 ; 24. De reden moet aldus geduid worden, dat an Paulus gedachtig is hunner lijdzaamheid, waarmede zij de komst lat van Christus verwachtten. Hieruit kan men een korte beschrijving ;h- des waren Christendoms bijeen lezen, dat het geloof ernstig en ;er krachtig is, dat daar geen arbeid gespaard worde, wanneer den or naasten hulpe noodig is; maar dat de godzaligen zichzelven ernstig ;e- oefenen in de werken der liefde, en hun arbeid daaraan hangen, lij- dat zij op de hope der openbaring van Christus ziende, alle andere en dingen verachten, en met lijdzaamheid gewapend zijnde, de veren drietelijkheid van den langen tijd, en ook alle verzoekingen der at wereld overwinnen. Deze woorden, voor onzen God en Vader, mogen tot de gedachtenis van Paulus, of tot deze drie naaste er dingen gevoegd worden. Ik leg ze aldus uit: Dewijl hij van het et gebed gesproken had, zoo zegt hij nu, dat der Thessalonicensen 5k geloof, hope en lijdzaamheid ook in zijn gedachtenis komen, zoo quot;s, dikmaals als hij zijn hart opheft tot het rijk Gods. En dewijl alle k- geveinsdheid en bedrog moet wijken, als men in het aanschijn Gods r- komt, zoo is dit daarbij gesteld, opdat de woorden te gewichtiger ft. waren. Voorts, hij heeft ze met dit getuigenis zijne goedwilligheid tn leerzamer en bereider willen maken.
r- 4 Dewijl wij weten. Dit kan men alzoowel van de Thessaloni-sr censen als van Paulus verstaan; Erasmus duidt het op de Thessa-le lonicensen, maar ik wil liever Chrysostomus navolgen, die het van 3t Paulus en zijne metgezellen verstaat. Want het is naar mijn ge-ïr voelen, een breeder bevestiging der naastvoorgaande uitspraak. Want ;r dit diende niet weinig tot lof en prijs, dat God zelve met zoo vele ïr teekenen bewezen had, dat de Thessalonicensen Hem aangenaam en ;n lief waren. Dat uwe verkiezing van God is. De uitlegging van h Chrysostomus mishaagt mij niet ganschelijk, te weten, dat God de r- Thessalonicensen uitnemend gemaakt, en hun uitnemendheid be-d vestigd heeft; hoewel, Paulus heeft wat meer willen uitdrukken: n want hij meldt hun roeping, dewijl daarin groote teekenen der i- kracht Gods gezien waren, zoo besluit hij daaruit, dat zij bijzonder ï- zijn geroepen geweest met getuigenis hunner zekere verkiezing, it Want daar volgt terstond reden, dat hen niet alleen de naakte pre-)f diking aangebracht is, maar dat zij met krachtige werking des Heiligs gen Geestes is verbonden geweest, opdat zij volkomenlijk geloof bij gt; hen had. Als hij zegt, in mogendheid en in den Heiligen Geest, :- dat is naar mijn oordeel zooveel alsof hij gezegd had, in mogend-n heid des Heiligen Geestes, zoodat het navolgende tot verklaring s van het voorgaande daarbij gezet is. De zekerheid, die hij in de
1 derde plaats stelt, is geweest in de zaak of in de genegenheid der n Thessalonicensen. Ik meen meer dat hier beteekend wordt, dat het ti Evangelie van Paulus met grondige argumenten daar bevestigd is a geweest: alsof God uit den hemel toonde dat hun roeping Hem t aangenaam was. Als Paulus argumenten voortbrengt, waardoor hij
2 zeker was, dat der Thessalonicensen roeping ganschelijk van God i was, prijst hij bij deze gelegenheid ook zijn dienst, opdat zij be-, kennen, dat hij en zijn metgezellen van God verwekt zijn. Sommi-s gen hebben door het woord mogendheid verstaan mirakelen. Maar J ik strek het wijder tot de geestelijke kracht der leer. Want gelijk
9
1 THESSALONICENSEN 1 : 4â6.
wij in den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs gehad hebben, Paulus stelt ze tegen het woord als de levende stem Gods, en die met vrucht vereenigd is, tegen de ijdele en doode welsprekendheid der menschen. Men moet aanmerken, dat de verkiezing Gods die in zichzelve verborgen is, door hare teekenen openbaar wordt, als hij de verloren schapen tot Zich verzamelt, en met zijn kudde ver-eenigt, en den dwalenden en vreemden de handen uitsteekt: zoo moet men dan hieruit de kennis der verkiezing nemen. Voorts, gelijk de verborgen raad Gods dengenen, die zijn roeping verachten, een doolhof is, alzoo doen die verkeerdelijk, die door de voorwending des geloofs en der roeping, die eerste genade verduisteren, uit welke het geloof vloeit. Door het geloof, zeggen zij, verkrijgen wij zaligheid: zoo is er dan geen eeuwige, praedestinatie Gods, die ons van de verworpenen onderscheidt. Even alsof zij zeiden: De zaligheid is uit het geloof: zoo is er dan geen genade Gods, die ons tot het geloof verlicht. Of liever gelijk de onverdiende verkiezing met de roeping gevoegd moet worden, gelijk als met haar vrucht, alzoo moet zij intusschen de hoogste plaats behouden. De woorden van dezen zin staan in 't Grieksch alzoo, dat daar weinig aan gelegen is zooveel den zin aangaat, of men het woord van God voegt bij het woord lieve broeder of bij verkiezing.
5 Gelyk gjj weet. Nu doet Paulus wat ik boven gezegd heb, opdat de Thessalonicensen door diezelfde redenen bewogen zijnde, niet twijfelen dat zij van God uitverkoren zijn. Want dit was Gods voornemen in het versieren van den dienst van Paulus, dat hij hen zijn aanneming openbaar maakte. Daarom, als hij gezegd heeft, dat zij weten hoedanig zij geweest zijn, zoo zegt hij terstond daarbij, dat hij om hunnentwil zoodanig geweest is: waarmede hij te kennen geeft, dat dit geheel hem gegeven is geweest, opdat zij zeker waren dat God ze liefheeft, en dat hun verkiezing vast en zonder twijfel is.
1 Oor. 4:16; 6 En gij zijt onze navolgers geworden, en des lïeeren, als gij het
11:fii 3-17 woord aangenomen hebt in vele verdrukking, met blijdschap
2 Tixess. 3:9., des Heiligen Geestes;
7 Alzoo dat gij geworden zijt tot voorbeelden allen geloovigen in Macedonië en Achaje.
8 Want van u is het woord des Heeren luidbaar geworden: en dat niet alleen in Macedonië en in Achaje, maar ook in alle plaats is uw geloof aan God, uitgegaan; alzoo dat ons niet noodig is [daarvan] iets te spreken.
6 En gij zyt. Opdat hij ze te vaardiger make, zoo prijst hij die onderlinge eendrachtigheid en overeenstemming huns geloofs met zijne prediking. Want tenzij de menschen met God overeenkomen, zoo zal er geen vrucht volgen uit de aangeboden genade: niet dat zij dit uit zichzelven kunnen doen, maar omdat God gelijk Hij onze zaligheid begint ons roepende, alzoo dezelve volmaakt, onze harten
- tot gehoorzaamheid schikkende. Zoo is dan de somma, dat het getuigenis der verkiezing Gods verschenen is, niet alleen in Paulus' dienst, daarmede dat de kracht des Heiligen Geestes daarbij is geweest, maar ook in het geloof der Thessalonicensen, zoodat deze gelijkvormigheid een grondige bevestiging daarvan is. Hij zegt: Gij zyt mijne en Gods navolgers geweest; gelijk daar gezegd wordt,
10
1 THESSALONICENSEN 1; 6â8.
dat het volk God en Mozes zijn dienstknecht heeft geloofd. Niet Exod. u-.is. dat Paulus en Mozes iets anders hadden dan God, maar omdat God door hen als door zijn dienaren en instrumenten, geweldig gewrocht heeft. Als gy het woord aangenomen hebt. De vaardigheid in het Evangelie te ontvangen, wordt navolging Gods genoemd: want gelijk God Zichzelven mildelijk den Thessalonicensen aangeboden had, alzoo zijn zij Hem gewillig tegemoet gekomen.
Hij zegt: Met blydschap des Heiligen Geestes, opdat wij weten dat de menschen niet door het dringen des vleesches of door het ingeven hunner eigene natuur, zullen bereid en vaardig wezen om Gode gehoorzaam te zijn: maar dat dit een werk des Geestes Gods is. Deze omstandigheid, dat zij in groote verdrukking niettemin het Evangelie aangenomen hebben, dient tot verheffing der zaak. Want wij zien er velen, die anders van het Evangelie niet vreemd zijn, en nochtans uit vreeze des kruises versaagd zijnde, daarvan afwijken.
Zoo dan, die onversaagd zich niet ontzien de tegenwoordige verdrukkingen met het Evangelie aan te nemen, die geven daarin een groot bewijs hunner grootmoedigheid. En hieruit ziet men te duidelijker, hoe noodig het is dat de Heilige Geest ons helpt. Want het Evangelie kan niet behoorlijk noch oprechtelijk aangenomen worden,
dan met een blij gemoed. Nu, daar is niets meer tegen onze natuur,
dan in verdrukkingen vroolijk te zijn.
7 Alzoo dat gy geworden zijt. Dit is een andere verheffing, te weten, dat zij door hun exempel ook de geloovigen opgewekt hebben. Want dit is veel, als wij degenen die voor ons in den weg getreden zijn, alzoo voorloopen, dat wij ze ook behulpzaam zijn om hunnen loop te voleindigen. Het Grieksche woord dat Paulus hier gebruikt, beduidt een exempel of patroon. Zoo schrijft hij dat de Thessalonicensen in het ontvangen der verdrukkingen, zoo uitnemend geweest zijn, dat andere geloovigen een regel der standvastigheid daaruit genomen hebben. Ik heb het van woord tot woord willen overzetten exempelen, opdat ik niet zonder oorzaak iets zou veranderen van het Grieksche woord van Paulus. Bovendien, omdat hij alzoo meer uitdrukt, dan of hij gezegd had, dat hun gemeente een exempel geweest was; want de zin is, dat daar zoovele exempelen geweest zijn, als er menschen waren.
8 Want van u is. Dit is een schoone gelijkenis, waarmede hij te kennen geeft, dat hun geloof zoo levend geweest is, dat het als met zijn geluid andere volken opgewekt heeft. Want hij zegt, dat het woord Gods van hen is luidbaar geworden, omdat hun geloof luidbaar is geweest, om aan het Evangelie geloof te maken. Hij zegt, dat dit niet alleen in omliggende plaatsen geschied is, maar dat dit geluid ver is doorgedrongen en gehoord, zoodat het niet noodig is, dat hij veel daarvan zegt.
9 Want zij verkondigen van u, hoedanigen ingang wij gehad hebben tot u: en hoe gij bekeerd zijt geworden van de afgoden tot God, om den levenden en waaraohtigen God te dienen: 10 Verwachtende uit den hemel zijnen Zoon Jezus, welken Hij Hand. i; n. van de dooden opgewekt heeft, die ons verlost van den toe- openb!'i :7! komenden toorn.
Hij zegt, dat het gerucht van hunnen wandel alom groot is geweest.
11
1 THESSALONICENSEN 1 : 9.
Wat hij zegt van zijn ingang tot hen, is van de mogendheid des Geestes te verstaan, door welke God zijn Evangelie verheerlijkt en versierd had. Hij zegt, dat beide deze dingen vanzelf bij andere volken verteld worden, als waardig om te verhalen. In de navolgende verhaling toont hij ten eerste, hoedanig der menschen staat is, eer de Heere ze met de leer zijns Evangelies verlicht. Bovendien, tot wat einde Hij ons wil geleerd hebben, en hoedanig de vrucht des Evangelies is. Want ofschoon alle menschen niet dezelfde afgoden dienen, zoo zijn zij nochtans allen tot afgoderij overgegeven, en in blindheid en uitzinnigheid verzonken. Zoo is het dan Gods weldaad dat wij van des duivels bedriegerij en allerlei superstitie verlost zijn. Hij bekeert sommigen vroeg, sommigen laat: maar dewijl alle menschen in 't gemeen van God afgewend zijn, zoo moeten wij bekeerd worden, eer wij God kunnen dienen. Hieruit verstaat men ook de kracht en natuur des waren geloofs, te weten, dewijl niemand behoorlijk aan God gelooft, dan die de ijdelheid zijns gevoelens verlatende, den zuiveren godsdienst aanneemt en omhelst.
9 Tot den levenden God. Dit is het rechte oogmerk der rechte bekeering; wij zien wel vele menschen van de bijgeloovigheden afvallen, die nochtans zoover gekomen zijnde, niet alleen geen voortgang maken in de godzaligheid, maar ook tot erger vallen. Want zij komen tot goddelooze en beestelijke verachting, alle gevoel van God afleggende. Alzoo zijn voortijds de bijgeloovigheden van het gemeene volk bespot geweest van Epicurus, Diogenes, Cynicus, en dergelijken, doch alzoo, dat zij den dienst Gods vermengden met verdraaide ongeschiktheden. Zoo moet men dan toezien, dat na den val der dwalingen, de stichting des geloofs volge. Voorts, als de apostel God noemt waarachtig en levend te zijn, zoo meldt hij bedektelijk de afgoden, dat zij doode en nietige gedichtselen zijn, en ten onrechte goden genoemd worden. Hij stelt het einde der bekeering, dat ik gezegd heb, te weten, opdat zij God dienden. Zoo dan, de leer des Evangelies strekt hiertoe, dat zij ons tot den dienst en gehoorzaamheid Gods brengt. Want zoolang als wij dienstknechten der zonde zijn, zoo zijn wij vrij van de rechtvaardigheid. Want wij zijn zonder juk dartel en ongestadig. Daarom is niemand waarlijk tot God bekeerd, dan die geleerd heeft zich ganschelijk Gode tot dienstbaarheid over te geven. Maar dewijl het een over-zware zaak is in zoo groote verdorvenheid der natuur, zoo toont hij ook wat ons in de vreeze en gehoorzaamheid Gods zal houden en bevestigen, te weten, de verwachting van Christus. Want zoo wij niet opgeheven zijn tot de hope des eeuwigen levens, zoo zal de wereld ons terstond tot zich trekken. Want gelijk alleen dat betrouwen op de goedheid Gods ons daartoe brengt, dat wij God dienen, alzoo maakt de verwachting der eindelijke verlossing alleen, dat wij niet moede worden. Daarom, zoo wie in den loop des heiligen levens wil volharden, die moet zijn gansche gemoed op de hope der komst van Christus zetten. En dit is waardig aan te merken, dat hij voor de hope der eeuwige zaligheid de verwachting van Christus stelt. Want voorwaar, zonder Christus zijn wij verloren en zonder hope: maar wanneer Christus voortkomt, zoo geven ook het leven en de zaligheid hunnen schijn. Maar wij moeten gedachtig zijn, dat dit alleen den geloovigen gezegd wordt. Want gelijk Hij den goddeloozen zal zijn een Richter, alzoo kunnen zij niet anders
12
1 THESSALONICENSEN 1 :9, 10.
dan verschrikt zijn tegen zijn komst. En dit is het wat hij daarna zegt, dat Christus ons verlost van den toekomenden toorn.
Want dit gevoelt niemand, dan die door het geloof met God verzoend zijnde, nu een geruste conscientie hebben; anders is Zijn naam verschrikkelijk. Voorts, Christus heeft ons wel door zijn dood verlost van den toorn Gods, maar wat kracht deze verlossing heeft,
zal ten uitersten dage openbaar wezen. Deze zin heeft twee deelen. Het eerste is, dat de toorn Gods en het eeuwige verderf over het menschelijk geslacht hangt, omdat zij allen gezondigd hebben, en de heerlijkheid Gods missen. Het andere is, dat er geen ander middel is om te ontkomen dan door de genade van Christus: want het is niet zonder oorzaak, dat Paulus Hem dit toeschrijft. Maar dit is een onuitsprekelijke gave, dat de godzaligen, zoo dikmaals als het oordeel gemeld wordt, weten dat hun een Zaligmaker zal komen. Bovendien zegt hij duidelijk: Den toekomenden toorn, opdat hij de godzalige harten opwaarts heffe, opdat zij niet blijven in het aanschouwen des tegenwoordigen levens. Want dewijl het ge- H61quot;quot;. ii:i. loof een steunsel der dingen is die niet gezien worden, zoo komt niets minder met de rede overeen, dan dat men den toorn Gods acht, naardat een iegelijk in de wereld verdrukt wordt: gelijk er ook niets onredelijkers is, dan uit dit vergankelijke goed dat wij genieten, de genade Gods te achten en te waardeeren. Zoo dan,
als de goddeloozen zorgeloos dartelheid bedrijven, en wij in ellende zijn, zoo zullen wij de wraak en straf Gods leeren vreezen,
die den oogen des vleesches verborgen is, en met de verborgen wellusten des geestelijken levens tevreden zijn.
io Welken Hij opgewekt heeft. Hij meldt hier de wederopstanding van Christus, in welke de hope onzer wederopstanding gegrond is: want van alle zijden omringt ons de dood. Zoo dan, wij zullen elk oogenblik den moed verloren geven, zoo wij niet op Christus leeren zien. Om dezelfde oorzaak vermaant hij, dat wij Christus uit den hemel moeten verwachten: want in de wereld zullen wij niets vinden dat ons zal ophouden, en er zijn ontallijk vele verzoekingen die ons mismoedig maken. Daar is ook een andere omstandigheid aan te merken. Want dewijl Christus tot dit einde is wederopgestaan, opdat Hij ons allen eindelijk dezelfde heerlijkheid deelachtig make, die wij zijne leden zijn; zoo geeft Paulus te kennen,
dat zijn wederopstanding tevergeefsch zou zijn, zoo Hij niet wederom verscheen een Verlosser der zijnen, en de vrucht dier kracht, die Hij in Zichzelven vertoond heeft, tot het gansche lichaam der gemeente uitstrekke.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 Want gij weet zeiven, broeders! dat onze ingang tot u niet i Thess. i: ijdel is geweest; 5' 9'
2 Maar, hoewel wij tevoren vervolging geleden hadden, en ons smaadheid aangedaan was te Filippi, gelijk gij weet, zoo waren Hand. 16:22. wij vrijmoedig in onzen God, om het Evangelie Gods bij u te Hand. 17:2. spreken, met grooten strijd.
13
14 1 THESSALONICENSEN 2 ; 1â3.
3 Want onze vermaning was niet uit bedrog, noch uit onreinig-
heid, noch met bestrijking. ne
4 Maar gelijk wij Gode behaagd hebben, dat ons bet Evangelie als Gal. 1:10. betrouwd zou worden, alzoo spreken wij, niet alsof wij den ge
menscben behaagden, maar Gode, die onze harten beproeft. scl
te
i'T'V Tant gy weet. Nu laat hij het getuigenis van andere ge- hij
\/\/ meenten varen, en brengt den Thessalonicensen in gedach- na
' ' tenis, wat zij zeiven bevonden hadden: en hij verklaart zej
breeder hoe hij zich gedragen heeft bij hen, en desgelijks zijne an- we
dere twee metgezellen: want dit diende grootelijks om hun geloof de
te bevestigen. Want hierom prijst hij zijn oprechtheid, opdat de m:
Thessalonicensen bekennen, dat zij niet van een sterfelijk mensch, ha
maar van God tot het geloof zijn geroepen geweest. Zoo zegt hij de
dan, dat zijn ingang tot hen niet ijdel is geweest, gelijk eergierige de
menschen groote pomperie bedrijven, hoewel zij niets grondigs heb- B(
ben. Want het woord ijdel, stelt hij tegen krachtig. Dit bevestigt be
hij met twee argumenten. Het eerste is: Dat hij te Filippi vervol- gc
ging en smaadheid heeft geleden; het andere is, dat te Thessalo- ds
nica zware strijd bereid was. Wij weten dat der menschen gemoed m
door smaadheid en vervolging verzwakt, ja ganschelijk gebroken ni
wordt. Zoo was het dan een werk Gods, dat Paulus menigerlei be
kwaad en smaadheid geleden hebbende, als ongewond niet getwij- d(
feld heeft die groote en machtige stad aan te gaan, om haar volk m aan Christus te onderwerpen. In dezen ingang wordt niets gezien, dat naar ijdele roeming smaakt. In de andere deelen wordt dezelfde kracht Gods gezien: want hij heeft zijn ambt niet bediend met toejuiching of gunst, maar hij moest hard strijden. Intusschen is hij vast en onverschrokken staande gebleven, waaruit het openbaar is,
dat hij door de hand Gods gesterkt was: want dit geeft hij te kennen, als hij zegt, dat hij vrijmoedig geweest is. En voorwaar, zoo al de omstandigheden wel aangemerkt worden, zoo kan men niet ontkennen, dat God zijn kracht grootelijks daarin getoond heeft.
Zooveel de historie aangaat, die moet men halen uit het 16de en 17ae hfdst. der Handelingen der Apostelen.
3 Want onze vermaning. Hij bevestigt de Thessalonicensen door een ander reden in het aangenomen geloof, te weten, dat zij getrouwelijk en zuiver in het woord des Heeren zijn onderwezen d
geweest: want hij zegt dat zijn leer zonder alle bedrog en onreinig- a
heid is geweest. En opdat alle twijfeling van deze zaak weggenomen b
worde, zoo roept hij hun conscientie tot getuigenis. Deze drie g
dingen die hij verhaalt, schijnen aldus onderscheiden te mogen ti
worden. Het bedrog is van de substantie der leer te verstaan; de z
onreinheid van de genegenheid des harten en de bestryking van g
de wijze des doens. Zoo zegt hij dan ten eerste, dat zij niet zijn z
bedrogen, noch met bedriegelijke listen omstrikt geweest, als zij c
die leer aangenomen hebben, die hij geleerd heeft. Daarna houdt p
hij zijn oprechtigheid voor, dat hij door geene onreine begeerte, g
maar alleen met oprechte genegenheid tot hen gekomen is. Ten t
derde, dat hij niets uit boosheid of bestrijking gedaan heeft: maar c
dat hij meer eenvoudigheid bewezen heeft, die een Christendienaar c
betaamt. Dewijl deze dingen den Thessalonicensen bekend waren, 1
zoo was het fundament huns geloofs vast genoeg. c
1 THESSALONICENSEN 2 ; 4-6.
4. Maar gelijk wij Gode. Hij klimt nog hooger op. Want hij neemt God tot een auteur zijns apostelambts. En besluit aldus: God als Hij mij dit ambt bevolen heeft, zoo heeft Hij mij getuigenis gegeven van een getrouwen dienstknecht, zoo moeten dan de men-schen niet twijfelen van mijn getrouwheid, welke zij weten Gode te behagen. Doch roemt Paulus niet dat hij Gode behaagt, alsof hij zulks van zichzelven ware: want hij zegt hier niet wat hij van nature heeft, noch stelt zijn eigen deugd tegen Gods genade, maar zegt alleen, dat het Evangelie hem niet anders dan als een getrouwen en aangenamen dienstknecht bevolen is geweest. Nu, die zijn den Heere aangenaam, die Hij naar zijn goeddunken geschikt gemaakt heeft. Niet alsof wy. Wat het is den menschen te behagen, is gezegd in den zendbrief aan de Galaten, en wordt teoai. i;io. dezer plaats wel getoond. Want Gode te behagen en den menschen,
deze twee stelt Paulus tegen elkander als tegenovergestelde dingen. Bovendien, als hij zegt, Gode die de harten doorzoekt, daarmede beduidt hij, dat die der menschen gunst zoeken, niet wandelen met goede conscientie, noch ook iets doen van harte. Zoo zullen wij dan weten, dat de ware dienaars des Evangelies dit voornemen moeten hebben, dat zij hunnen arbeid Gode doen, en dat van harte,
niet eenig ding der wereld aanziende, maar omdat de conscientie betuigt dat het recht en behoorlijk is. Alzoo zullen zij niet zoeken den menschen te behagen, dat is, zij zullen niets eergierig doen om menschen gunst.
5 Want wij zijn nooit geweest in pluimstrijkende woorden, gelijk
gij weet, noch in gelegenheid van gierigheid, God is getuige! rj Rom- 1:9;
6 Noch hebben geen eer gezocht van menschen, noch van u, noch 2 cór. 1:23; van anderen. _ quot;ai.3!:20.
7 Toen wij in autoriteit mochten zijn als apostelen van Christus, Fill. 1:8.
zijn wij zacht geworden midden onder, u, gelijk als een voedster 2 xSi/ia!
hare kinderen gevoed had. 1 Cor- 9:3-
2 Thess 3*9
8 Alzoo tot u genegen zijnde, hadden wij gaarne u niet alleen het Evangelie willen uitdeelen, maar ook onze eigene ziele^
omdat wij u liefhadden.
5 Want wü zijn nooit. Het is niet zonder oorzaak, dat hij zoo dikmaals verhaalt, dat de Thessalonicensen weten dat het waar is,
al wat hij vertelt. Want daar is geen zekerder getuigenis, dan de bevinding dergenen, waarmede wij spreken. En hun was hier veel aan gelegen: want Paulus verhaalt om geen ander oorzaak hoe oprech-telijk hij gewandeld heeft, dan opdat zijn leer in groote eerwaardigheid zij tot stichting huns geloofs. Het is een bevestiging der naast voorgaande sententie: want wie den menschen zoekt te behagen, die moet zichzelven schandelijk tot vleiing begeven. Maar wie met ernstig en oprecht hart over zijn ambt bekommerd is, die zal verre van alle pluimstrijking zijn. Als hij daarbij zegt: Noch in gelegenheid van gierigheid, waarmede hij te kennen geeft, dat hij geen eigen gewin bij hen gezocht heeft, als hij ze leerde. Het Grieksche woord beduidt beide gelegenheid en voorwending, maar het eerst dient te dezer plaats best, dat het beduidt listen of lagen, gelijk de vogelaars gebruiken, alsof hij zeide: ik heb het Evangelie niet misbruikt om daardoor gelegenheid te hebben tot gewin. En dewijl der men-
15
i
1 THESSALONICENSEN 2 : 6â8.
schen boosheid zooveel kromme schuilplaatsen heeft, dat de gierigheid en eerzoeking dikmaals verborgen zijn, daarom neemt hij God tot getuige. Hij stelt hier twee gebreken, van welke hij zich betuigt vrij geweest te zijn, en vermaant daarmede, dat de dienaars van Christus vrij daarvan behooren te zijn. Zoo dan, zoo wij de rechte dienstknechten van Christus willen onderscheiden van de geveinsden en valschen, zoo moet men ze met dezen regel meten, en zoo wie behoorlijk Christus wil dienen, die moet zijn begeerte en handelingen naar denzelven regel schikken. Want waar gierigheid of eerzoeking regeert, daar volgen ontallijk vele verdorvenheden, en de gansche mensch breekt uit tot ijdelheid: want dit zijn twee fonteinen, uit welke de verderving van den ganschen dienst vloeit.
7 Toen wy in autoriteit mochten zjjn. Sommigen leggen dit uit: toen wij konden lastig zijn, dat is, u met onkosten bezwaren: maar het verband eischt, dat het Grieksche woord genomen wordt voor autoriteit. Want Paulus zegt, dat hij zoover geweest is van ijdele praal, van roeming, van grootschheid, dat hij ook zijn eigen recht is te buiten gegaan, dat dient om autoriteit te nemen. Want dewijl hij een apostel van Christus was, zoo verdiende hij met een eenige groote eerwaardigheid ontvangen te worden. Nu, hij onthield zich van allerlei eer en waardigheid, alsof hij een eenvoudig en gemeen dienaar geweest was. Hieruit is het openbaar, hoever hij geweest is van hoogheid en vermetelheid. Waar wij overgezet hebben zacht, daar heeft de oude overzetter, wij zijn klein geweest: maar het is bij de Grieken gebruikelijker wat ik gesteld heb. Doch wat van beiden men leest, zoo is het zonder twijfel dat hij zijn gewillige onderwerping prijst. Gelijk als een voedster. Met deze gelijkenis vervat hij twee stukken die hij aangeroerd had, te weten, dat hij noch eer noch gewin bij de Thessalonicensen gezocht heeft. Want de moeder in de voeding haars kinds, bewijst geen heerschappij noch waardigheid. Paulus verhaalt dat hij zoo geweest is, dat hij willens zich onthoudende van de eer die men hem schuldig was, lieflijk en zedig zich tot allerlei dienst heeft vernederd. Ten andere, een moeder toont een zeldzame en wonderlijke liefde in het opvoeden harer kinderen; want zij spaart noch arbeid noch moeite, noch vliedt geen zorgvuldigheid, noch wordt door geen gedurigheid vermoeid, ja geeft blijmoedig haar eigen bloed te zuigen. Zoo zegt dan Paulus, dat hij alzoo jegens de Thessalonicensen genegen is geweest, dat hij bereid geweest is zijn eigen leven aan hun welvaart te hangen. Dit was voorwaar geen werk van een vrek of gierige, maar meer van een die liefheeft, degenen, die het niet verdiend hebben. En dit drukt hij uit in deze woorden: Omdat wjj u liefhadden. Intusschen moet men in gedachtenis houden, dat al degenen, die onder de ware herders willen gerekend worden, deze gezindheid van Paulus moeten hebben, dat zij de zaligheid der gemeente meer achten dan hun eigen leven. En dat zij niet door begeerte naar eigen gewin gedreven worden, maar door oprechte liefde die zij hun toedragen aan wie zij weten, dat zij van God gevoegd en verbonden zijn.
9 Want gij zijt gedachtig, broeders! onzen arbeid en moeite: want wij hebben het Evangelie Gods bij u gepredikt, dag en nacht arbeidende, zoodat wij niemand van u lastig waren.
16
Hand. 18:3« 20; 34.
1 Cor. 4:12.
2 Cor. 11:9; 12:13.
2 Thess. 3:8.
1 THESSALONICENSEN 2:9â11.
10 Gij zijt getuigen en God, hoe heilig en rechtvaardig, en zonder klacht wij onder u die gelooft, geweest zijn.
11 Gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijne kinderen, vermaand hebben,
12 En opgewekt en betuigd, dat gij zoudt wandelen gelijk het Gen. 7:1. betamelijk is voor God, die u geroepen heeft tot zijn rijk en jrf.Ci?i7
heerlijkheid. F'i.
â¢' Col. 1:10.
9 Want gy zjjt gedachtig. Dit dient tot bevestiging der voorgaande dingen, dat hij zich niet gespaard heeft, opdat hij hen zou sparen. Voorwaar hij moest een wonderlijken en meer dan mensche-lijken ijver hebben, dewijl hij benevens den arbeid van het leeren, ook handwerk deed om den nooddruft te winnen; en in dezen deele is hij ook zijn recht té buiten gegaan. Want het is Christus' wet,
gelijk dezelve Paulus ergens zegt, dat eene iegelijke gemeente haren i oor. 9:U. dienaren den kost en andere noodige dingen geve. Daarom, als Paulus den Thessalonicensen geen last oplegt, zoo doet hij wat meer, dan men uit kracht van zijn ambt van hem kon eischen. Bovendien spaart hij niet alleen de 'gemeene onkosten, maar is ook niemand bijzonder bezwaarlijk. Hij is zonder twijfel om eenige goede en bijzondere oorzaak tot deze verlating zijns rechts bewogen geweest; want in andere gemeenten heeft hij zijn toegelaten vrijheid gebruikt, gelijk ook de anderen. Van de Corinthiërs heeft hij niet genomen, omdat hij den valschen apostelen niet in dezen deele oorzaak tot lastering zou geven. Intusschen heeft hij zich niet ontzien van andere gemeenten te eischen wat hem noodig was: want hij schrijft, dat hij andere gemeenten die hij niet diende, beroofd heeft, 2cor.n:7.8. dewijl hij de Corinthiërs voor niets diende. Zoo dan, hoewel de oorzaak hier niet uitgedrukt wordt, zoo kan men nochtans gissen, dat Paulus niet zijnen nooddruft van hen heeft willen nemen, opdat die zaak aan het Evangelie geen verhindering aanbracht. Want alle goede herders moeten daarvoor zorgen, dat zij niet alleen in hunnen dienst naarstig loopen, maar ook alle verhindering in den loop wegnemen, zooveel in hen is.
10 Gy zijt getuigen. Wederom gebruikt hij hun eigen en Gods getuigenis om zijn oprechtigheid te bevestigen. En hij neemt God tot getuige zijner conscientie, en hen tot getuigen der dingen, die zij bevonden hebben. Hoe heilig (zegt hij) en rechtvaardig, dat is,
met wat oprechte vreeze Gods, en met wat groote getrouwigheid en onschuldigheid bij de menschen; ten derde, en zonder klacht, waarmede hij te kennen geeft, dat hij geen oorzaak tot klagen of tot lasteren gegeven heeft. Want de dienstknechten van Christus kunnen de valsche lasteringen en booze geruchten niet ontgaan:
want dewijl zij van de wereld gehaat zijn, zoo moeten zij van de boozen gelasterd worden. Daarom spreekt hij alleen van de ge-loovigen, die oprechtelijk en wel oordeelen, en niet kwaadwillig lasteren zonder oorzaak.
11 Een iegelijk van u, als een vader zijne. Hij blijft voornamelijk in dingen, die zijn ambt eigenlijk toekomen. Hij heeft zich vergeleken bij eene voedstervrouw, nu vergelijkt hij zich bij een vader.
17
Hij wil dit zeggen, dat hij niet anders is zorgvuldig geweest over hen, dan gelijk een vader pleegt over zijne kinderen, en dat hij ware vaderlijke zorg voor hen gedragen heeft, in hen te leeren en te
Dl. v.
18 1 THESSALONICENSEN 2:11, 12.
vermanen. En voorwaar nimmermeer zal iemand een goed herder wezen, dan die zich zal bewijzen vader der gemeente te zijn, die hem bevolen is. En hij zegt niet alleen, dat hij voor het gansche lichaam der gemeente zoodanig geweest is, maar ook voor een iegelijk. Want het is niet genoeg, dat een herder in den predikstoel ze allen in het gemeen leert, tenzij hij ook bijzondere leer daarbij voege, naardat de nood eischt, of de gelegenheid medebrengt. Daarom, Hand. 20: 26, betuigt dezelfde Paulus, dat hij rein is van hun aller bloed, dewijl hij niet opgehouden heeft hen allen openlijk in het gemeen, en een iegelijk bijzonder te huis te vermanen. Want de leer, die in het gemeen gegeven wordt, verkondt somtijds, en sommigen kunnen niet gebeterd noch geheeld worden dan door bijzondere medicijn.
12 Vermaand hebben. Hij vertoont hoe naarstig hij gearbeid heeft om hun zaligheid: want hij zegt, dat hij niet eenvoudig gepredikt heeft van de vreeze Gods en christelijke gehoorzaamheid, maar dat hij vermaningen, opwekkingen en betuigingen daartoe gebruikt heeft. Dit is een levende verkondiging des Evangelies, als de lieden niet alleen hooren wat recht is, maar worden ook door vermaningen en opwekkingen geprikkeld en geroepen tot het oordeel Gods, opdat zij niet blijven in hunne zonden slapende. Want dat is eigenlijk met betuiging vermanen. Zoo de godzalige menschen, welker waardigheid Paulus zoozeer prijst, met prikkelen der vermaningen, ja niet betuigingen moesten gedreven worden: wat is ons noodig te doen, in welke de luiheid des vleesches regeert? Intus-schen moet men den verworpenen, welker hardnekkigheid onverbeterlijk is, dat gruwelijke oordeel Gods verkondigen, niet zoozeer door hoop op betering, maar meer opdat zij geen verontschuldiging hebben. Het Grieksche woord, waarvoor wij gezet hebben vermaand, stellen sommigen vertroost. Zoo wij alzoo lezen, zoo geeft hij te kennen, dat hij vertroosting gebruikt heeft bij de bedrukten, die door de genade Gods moeten opgehouden en door smaak der hemelsche goederen vermaakt worden, opdat zij niet den moed verloren geven, of de lijdzaamheid afleggen. Doch de andere beteekenis is in het verband passender, te weten, dat hij ze vermaand heeft. Want het is klaar, dat deze drie woorden, die hij hier gebruikt, van eenzelfde zaak te verstaan zijn. Dat gy zoudt wandelen. Hij vervat met korte woorden den inhoud zijner vermaningen, te weten, dat hij de barmhartigheid Gods prijzende, hen vermaand heeft, dat zij niet hun roeping zouden verlaten. De aanprijzing der genade is in deze woorden gelegen: Die u geroepen heeft tot zjjn ryk. Want dewijl onze zaligheid gelegen is in de onverdiende aanneming Gods, zoo wordt onder deze woorden vervat al wat Christus ons goeds aangebracht heeft. Zoo is het nu noodig dat wij God die ons roept, antwoorden, dat is, dat wij Hem zulke kinderen zijn als Hij ons een Vader is. Want wie anders leeft dan een kind Gods betaamt, die verdient uit Gods huisgezin verworpen te zijn.
13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat gij, toen gij het woord Gods van ons gepredikt aannaamt, dat omhelsd hebt, niet als eens menschen woord, maar als Gods woord, gelijk het waarlijk is, die ook krachtelijk werkt in u, die gij gelooft.
14 Want gij, broeders! zijt navolgers geworden der gemeenten
1 THESSALONICENSEN 2 : 13.
rder Gods, die in Judea zijn in Christus Jezus: want gij hebt ook
hem datzelfde geleden van uw eigen geslacht, gelijk zij van de Joden, quot; ^3'
aam 15 Die den Hecre Jezus gedood hebben, en hun eigene profeten. Matt. 23:37.
''ant en hebben ons vervolgd, en Gode niet behagen, en tegen alle L'uk' 13 â¢34-
menschen zijn.
'⢠16 Die tegenstrijden, opdat wij tot de heidenen niet spreken, dat Hand. 17:13.
⢠zij mochten zalig worden, opdat hunne zonden allen tijd vervuld
' 'J worden: want de toorn Gods is over hen gekomen tot het einde.
en
het 13 Daarom danken wij. Als hij van zijn dienst gesproken heeft,
niet zoo wendt hij zich wederom tot de Thessalonicensen, om altijd die onderlinge overeenstemming die hij gemeld heeft, aan te prijzen.
Deid Zoo zegt hij dan, dat hij God dankt dat zij het woord uit zijn mond ge- gehoord, aangenomen hebben als Gods Woord, gelijk het waarlijk eid, was. Met deze woorden geeft hij te kennen, dat hij eerwaar-rtoe diglijk, en met zulke gehoorzaamheid als het betaamde, door hen als ontvangen is. Want zoo haast als deze overtuiging of meening in onze ver- harten ingedrukt is, zoo is het onmogelijk dat deze begeerte van heilige leel gehoorzaamheid niet terstond zou volgen. Want wie zou niet vreedat zen God te wederstaan? Wie zou ook de verachting Gods niet nen, gruwelijk achten? Zoo dan, dat het Woord Gods zoozeer bij vele ver- menschen veracht wordt, dat het bijna in geene waarde is, en dat ons velen geen vreeze hebben, komt daaruit, dat zij niet overleggen dat tus- zij met God te doen hebben. Zoo leeren wij dan uit deze plaats, ter- wat geloof men het Evangelie behoort te geven, te weten, hetwelk oor niet hangt aan menschen autoriteit, maar op de zekere en bekende jen. waarheid Gods steunende, zichzelve bovenmate verheft: eindelijk, dat ;tel- het zooverre van ijdele meening verwijderd is, als de hemel van de :en- aarde. Ten andere, hetwelk eerbied, vreeze, en gehoorzaamheid veroor wekt: want de menschen door het gevoelen der majesteit Gods aan-;che gedaan zijnde, zullen zich nimmermeer toelaten daarmede te spotten, ge- Desgelijks worden de leeraars vermaand, dat zij niet bestaan iets ; in voort te brengen, dan het zuivere Woord Gods. Want zoo dit aan ant Paulas niet geoorloofd was, zoo zal het heden niemand geoorloofd ;en- wezen. Hij bewijst het uit de vrucht, dat het Gods Woord geweest â¢vat is, dat hij hun geleerd heeft: want het had die vrucht der hemelsche dat leer voortgebracht, die van de profeten geprezen wordt, in de verzij nieuwing huns levens. Want der menschen leer kon zulks niet doen. ; in Het Grieksche woord, waarvoor wij gezet hebben die, kon men ook ant overzetten dat: want het kan alzoowel van het woord Gods, als )ds, van God zeiven verstaan worden: doch wat men zet van beide, eds de zin blijft dezelfde; want toen de Thessalonicensen de kracht ^pt, Gods in zich gevoelden, die uit het geloof vloeide, zoo konden zij ons oordeelen dat het geen ijdel geluid der menschelijke stem was, dat mt, zij ontvangen hadden, maar de levende en krachtige leer Gods. Zooveel de woorden aangaat, het woord der prediking Gods is niet anders dan het woord Gods gepredikt van een mensch, gelijk ik oen het overgezet heb. Want Paulus heeft bijname willen uitdrukken,
ilsd dat de leer niet is verachtelijk bij hen geweest, hoewel zij uit eens
wd, menschen mond kwam, dewijl zij bekenden dat God de auteur was.
gij Zoo prijst hij dan de Thessalonicensen, dat zij niet zijn blijven staan in het aanzien des dienaars, maar hebben de oogen tot God
ten opgeheven, om zijn woord aan te nemen. Daarom heb ik niet ge-
-
*
IQ
i
1 THESSALONICENSEN 2 : 14, 15.
twijfeld het woord als, in den tekst te zetten, hetwelk diende om den zin te verklaren. Erasmus heeft het kwalijk overgezet, aldus; Het woord des goddelijken gehoors: want hij heeft niet aangemerkt, dat het een Hebreeuwsche wijze van spreken was.
14 Want gij, broeders! zyt navolgers geworden. Zoo men dit alleen wil duiden op de naastvolgande woorden, zoo zal dit de zin wezen, dat de kracht Gods of zijns woords, zich bewijst in hun verdraagzaamheid, dewijl zij met sterken en ongebrokenen moed vervolging verdragen. Maar ik wil het nochtans liever tot den gan-schen voorgaanden zin uitstrekken; want hij bevestigt wat hij gezegd heeft, te weten, dat de Thessalonicensen ernstig dat Evangelie als van God hun gegeven, hebben aangenomen; dewijl zij den tegenstand des duivels sterkelijk dragen, en niet weigeren alles te lijden, liever dan zij van zijn gehoorzaamheid zouden afwijken. En voorwaar dit is geen kleine beproeving des geloofs, als de duivel alle listen zoekende, niets uitricht om ons van de vreeze Gods af te wenden. Intusschen voorkomt hij voorzichtig een zorgelijke verzoeking, waardoor zij hadden kunnen verschrikt of beroerd worden; want zij leden groote zwarigheden van dat volk, dat alleen in de wereld van Gods naam roemde. Zij hadden, zeg ik, kunnen beginnen aldus te denken ; zoo dit de waarachtige religie is, waarom wordt zij dan zoo vijandig van de Joden bestreden, die het heilige volk Gods zijn r Om deze ergernis weg te nemen, zoo vermaant hij ten eerste, dat zij dit gemeen hebben met de eerste gemeenten die in Judea waren; daarna zegt hij, dat de Joden hardnekkige vijanden zijn van God, en van alle gezonde leer. Want hoewel het voorwaar niet op de Joden alleen moet geduid worden, dewijl hij zegt dat zij van hun geslacht geleden hebben; nochtans dewijl hij lang blijft in het beschrijven hunner hardnekkigheid en goddeloosheid, zoo is het klaar dat hij ze terstond van den beginne aan bedoelt. Het is ge-loofelijk, dat eenigen uit het volk te Thessalonica tot Christus zijn bekeerd geweest. En uit de historie der Handelingen der Apostelen is het duidelijk, dat de Joden zoowel daar als in Judea, vervolgers des Evangelies zijn geweest. Zoo acht ik dan dit in het gemeen zoowel van de Joden als van de heidenen gezegd te zijn; want zij beiden ondergingen van hun geslacht grooten strijd en zware aan-loopen.
15 Die den Heere Jezus gedood. Dewijl dit volk met zoo vele weldaden Gods begiftigd was, zoo is deszei ven naam bij velen in groote autoriteit geweest, om de oude eer der vaderen. Daarom opdat niemands oogen door dezen schijn verstrikt worden, zoo berooft hij den Joden alzoo van alle eer, dat hij hun niet anders laat dan haat en de uiterste schande. Dit zijn (zegt hij) de deugden, waarmede zij lof bij de goeden en godvreezenden verdienen. Zij hebben hunne profeten, en ten laatste den Zoon Gods gedood. Zij hebben mij zijnen dienstknecht vervolgd, zij voeren krijg tegen God. Zij zijn der gansche wereld hatelijk. Zij zijn vijanden der zaligheid der heidenen; eindelijk, zij zijn tot het eeuwige verderf overgegeven. Zoo iemand vraagt, waarom hij zegt, dat zij Christus en de profeten gedood hebben; ik antwoord, dat het van het gansche lichaam des Joodschen geslachts gezegd is. Want Paulus geeft te kennen, dat het niet nieuw noch vreemd is dat zij tegen God strijden: maar dat zij alzoo de mate der vaderen vervullen, gelijk Christus spreekt.
20
21
16 Die tegenstrijden, opdat wij tot den. Het is niet zonder oorzaak, gelijk nu gezegd is, dat Paulus met zoo vele woorden der Joden boosheid verheft. Want dewijl zij alom uitzinnig zich tegen het Evangelie zetten, zoo rees daaruit groote ergernis; voornamelijk,
dewijl zij riepen, dat het Evangelie van Paulus ontheiligd werd, dewijl hij het den heidenen openbaarde. Door deze valsche beschuldiging scheurden zij de gemeenten, benamen den heidenen de hoop dei-zaligheid, en sloten voor het Evangelie den weg. Zoo bezwaart ze dan Paulus met deze schuld, dat zij den heidenen het Evangelie benijden: maar hij zegt daarbij, dat dit geschiedt opdat hunne zonden vervuld worden; opdat hij hun allen waan der godvreezendheid beneme. Gelijk waar hij even tevoren zegt, dat zij God niet behagen, wil hij te kennen geven, dat ze niet waardig zijn, dat de god-vreezenden ze in eenige achting hebben. Doch de wijze van spreken is aan te merken, dat zij die in het kwaad voortgaan, alzoo de maat huns oordeels en verdoemenis vervullen, totdat zij dat opeen gehoopt hebben. Dit is de oorzaak, waarom de straf der goddeloozen dikmaals uitgesteld wordt, te weten, omdat hun goddeloosheden nog niet rijp zijn, opdat ik alzoo spreke. Hieruit worden wij vermaand, dat wij naarstig moeten toezien, dat de hoop onzer zonden niet eindelijk tot den hemel reike, zoo wij, gelijk het alom pleegt te geschieden, dikmaals de eene zonde boven de ander doen. Want de toorn Gods is over. Hij geeft te kennen, dat daar ganschelijk geen hoop meer van is, daar zij vaten der toornigheid Gods zijn.
Want dit is zooveel alsof hij zeide, de rechtvaardige straf Gods dringt ze en vervolgt ze, en zal niet ophouden, totdat zij vergaan:
hetwelk van alle verworpenen gezegd is, die blindelings drijven tot den dood, waartoe zij verordend zijn. Doch zegt Paulus dit alzoo van het gansche lichaam dezes volks, dat hij nochtans den uitverkorenen de hoop niet beneemt. Want dewijl de grootste menigte stond tegen het Evangelie, zoo spreekt hij wel in het gemeen van het gansche volk. Maar men moet die uitzondering vasthouden, die hij stelt Rom. 11 ; 5, dat de Heere altijd eenig overblijvend zaad zal hebben. Men moet den raad en het voornemen van Paulus weten:
namelijk, dat men naarstiglijk dier menschen gezelschap moet vlieden, die van de rechtvaardige wraak Gods vervolgd worden, totdat zij in hun blinde hardnekkigheid vergaan. Het woord toorn, wanneer niet meer daarbij gezet wordt, beduidt het oordeel Gods, gelijk Rom. 4:15, de wet werkt toorn. Insgelijks hfdst. 12:29, Geeft den toorn plaats.
17 Wij dan, broeders! een uur tijds van u beroofd zijnde, naar het aangezicht, maar niet naar het hart, hebben overvloediger gearbeid om uw aangezicht te zien met groote begeerte.
18 Daarom hebben wij dan tot u willen komen, immers ik Paulus eenmaal, ja tweemaal, en de duivel heeft het ons verhinderd.
19 Want welke is onze hoop, of vreugde, of kroon des roems? Zijt 2 CoJ- 1; W-gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in zijn toekomst ?
20 Want gij zijt onze roem en blijdschap.
17 Wü dan, broeders! Deze verontschuldiging is bekwamelijk hierbij gesteld, opdat de Thessalonicensen niet meenden, dat zij van
1 THESSALONICENSEN.2; 17, 18.
Paulus verlaten waren, dewijl zijn tegenwoordigheid hun zoo noodig was. Hij heeft gesproken van de vervolgingen, die zij leden van de hunnen: intusschen was hij bij hen niet, die behoorde boven alle anderen te helpen. Hij heeft zichzelven boven genoemd een vader; nu het betaamt een vader niet, zijne kinderen in zulke groote benauwdheden te verlaten. Zoo voorkomt hij dan dat vermoeden van verachting en vergeting, zeggende, dat de wil en het hart hem niet ontbroken heeft, maar dat hij het niet heeft kunnen doen En spreekt niet eenvoudig zoo, ik wil tot u komen, en ik ben verhinderd geweest, maar zijn groote genegenheid drukt hij met bijzondere woorden uit: Toen ik (zegt hij) van u beroofd was. Met het woord beroofd, betuigt hij hoe droevig en zwaar het hem geweest is van hen verwijderd te zijn. Daarna verheft hij zijn begeerte, zeggende, dat hij hun afwezen kwalijk een kleinen tijd heeft kunnen verdragen. Het is geen wonder dat de langheid van tijd verdriet, of droefheid aanbrengt, en wij moeten zeer bewogen zijn, als wij niet een uur tijds lijdzaamheid kunnen hebben. Een uur tyds, heeft hij gesteld voor een zeer kleinen tijd. Nu volgt daar een verbetering, als hij zegt dat hij niet naar het hart, maar naar het aangezicht van hen afwezig is geweest, opdat zij weten dat door den wijden afstand van plaats, zijn hart en gemoed niet van hen verwijderd is. Hoewel, men dit ook alzoowel van de Thessalonicensen kan verstaan, dat desgelijks hun hart en gemoed met Paulus is geweest, hoewel zij naar het lichaam verwijderd waren. Want er was niet weinig aan gelegen, dat hij uitdrukte, wat groot vermoeden hij had van de liefde, die zij desgelijks tot hem hadden. Zijn genegenheid drukt hij beter uit, als hij zegt, dat hij overvloedig gearbeid heeft: want hij geeft te kennen, dat zijn liefde niet alleen niet door het afwezen is verminderd, maar meer vermeerderd. Als hij zegt, dat hij eenmaal, ja tweemaal gewild heeft, daarmede geeft hij te kennen, dat het niet een haastige ijver is geweest, die terstond wederom verkoud is (gelijk men dikmaals ziet geschieden) maar dat hij bij dit voornemen gebleven is, dewijl hij verscheidene gelegenheden gezocht heeft.
18 De duivel heeft ons verhinderd. Lukas verhaalt dat Paulus Hand. 20:3. eenmaal is verhinderd geweest, dewijl de Joden hem lagen legden in den weg: ditzelfde of zoo iets anders heeft meer kunnen geschieden. En dit alles heeft hij niet ten onrechte den duivel toe-Efez. 6;i2. geschreven: want gelijk hij op een andere plaats leert: Wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de oversten der lucht, en geestelijke boosheden, enz. Want zoo wanneer de godde-loozen ons moeilijk zijn, zoo strijden zij onder des duivels vaandel, en zijn zijne instrumenten om ons te kwellen, voornamelijk, als onze arbeid strekt tot het werk des Heeren, zoo komt het zekerlijk van den duivel al wat ons verhindert. En och, of deze waarheid gansche-lijk in aller godzaligen hart gedrukt ware, dat de duivel zonder ophouden alleszins arbeidt om de stichting der gemeente te verhinderen of te verstoren: wij zouden voorwaar naarstiger zijn om te wederstaan; wij zouden zorgvuldiger arbeiden om de oprechte leer te bewaren, waarvan ons de vijand zoo met ijver zoekt te berooven. Wij zouden ook weten vanwaar de verhindering komt, zoo wanneer Rom. i:i3. de loop des Evangelies verhinderd wordt. Hij zegt op een andere plaats, dat God hem dat niet toegelaten heeft, en beide is waar.
22
1 THESSALONICENSEN 2 ; 18. 19-3 : 1. 23
Want hoewel de duivel zijn werk doet, zoo behoudt God nochtans het hoogste recht, zoodat Hij, zoo wanneer het Hem gelieft, ons tegen des duivels wil en dank den weg opent. Zoo zegt Paulus dan met waarheid, dat God het niet toelaat, hoewel de verhindering van den duivel komt.
19 Want welke is onze hope. Die ijver zijner begeerte, dien hij gemeld heeft, bevestigt hij daarmede, dat hij in hen eenigszins zijn gelukkigheid stelt. Want deze zin is zooveel alsof hij gezegd had: Ik moet u begeeren, tenzij ik mijzelven vergete: want gij zijt onze roem en blijdschap. Dat hij ze noemt: zjjn hope en de kroon zjjns roems, is niet alzoo te verstaan, alsof hij anders dan in God roemde, maar omdat men in alle weldaden mag roemen naar hare mate, alzoo dat God altijd het einde is, waarop men ziet; gelijk ik dat breeder uitgelegd heb in den Eersten zendbrief aan de Corin-thiërs. Hieruit moet men verstaan, dat de dienaars va,n Christus, naardat een iegelijk het rijk van Christus verbreid heeft, ten uitersten dage de heerlijkheid en triumf deelachtig zullen zijn Daarom zullen zij ook nu leeren nergens in te roemen en te verblijden, dan in den gelukkigen voortgang huns arbeids, als zij zien dat de eer van Christus door hunnen arbeid bevorderd wordt. Alzoo zullen zij komen tot zulke genegenheid der liefde als zij tot de gemeente be-hooren te hebben. Het woordje ook, beduidt dat Paulus niet alleen in de Thessalonicensen triumfeert, maar dat zij mede zijn onder velen. Het woordje want, dat weinig hierna volgt, is gesteld voor zeker of voorwaar, alzoo: voorwaar, gij zjjt onze roem en blijdschap.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 Daarom, dewijl wij het niet langer konden verdragen, heelt het ons goedgedacht, dat wij alleen te Athene zouden blijven.
2 En hebben Timotheus onzen broeder en dienaar Gods, en mede- Haud. ib helper in het Evangelie van Christus, gezonden, dat hij u be-vestige, en vertrooste uit ons geloof.
3 Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen: want Ef. 3:13. gij weet zeiven wel, dat wij hiertoe verordend zijn. Hana.U;
4 Want toen wij bij u waren, hebben wij u voorzegd, dat wij - Tim. 3: zouden verdrukkingen lijden, gelijk ook geschied is, en gij
weet het.
5 Daarom, dewijl ik het ook niet langer kon verdragen, heb ik gezonden om uw geloof' te weten, opdat niet mogelijk de verzoeker u verzocht had, en onze arbeid teniet ware.
i aarom. dewyl. Met dit navolgende verhaal, bevestigt hij zijn
1 begeerte, die hij gemeld heeft. Want had hij ergens verhin-Jâ^derd zijnde, niemand anders in zijn plaats te Thessalonica gezonden, zoo had hij kunnen schijnen niet zoo groote zorg voor hen te dragen: maar dewijl hij Timotheus in zijn plaats zendt, zoo neemt hij dat vermoeden weg, voornamelijk, dewijl hij meer voor
1 THESSALONICENSEN 3 : 1â3.
hen zorgt dan voor zichzelven. En dat hij meer acht gehad had op hen dan op zichzelven, bewijst hij daarmede, dat hij liever alleen wilde blijven, dan hen te verlaten. Want deze woorden zijn gewichtig: Het heeft mij behaagd alleen te blyven. Timotheus was hem een zeer getrouw metgezel, en hij had toen niemand anders bij hem: zoo was het dan zwaar en moeilijk hem te missen. Zoo is het dan een teeken van groote liefde en zorgvuldige begeerte, dat hij niet weigert van zijnen troost beroofd te zijn, om den Thessalonicensen te hulp te komen. Tot ditzelve dient het woord: Het heeft ons goedgedacht; waarmede een vaardige genegenheid des harten beduid wordt.
2 Onzen broeder. Dezen lof geeft hij Timotheus, daarom dat hij te beter zou toonen, hoe goed hij ze begeert te helpen. Want had hij hun een gewonen man quot;gezonden, zoo had hij ze niet zeer kunnen helpen: en dewijl Paulus dit zonder zijn ongerief zou gedaan hebben, zoo zou hij geen bijzonder teeken zijner vaderlijke zorg gegeven hebben. Nu is dit veel, dat hij hun zijn broeder en
Fii. 2:20. medehelper zendt, en dien, welken hij niemand gelijk maakt, gelijk hij elders betuigt, dewijl zij allen hun eigen voordeel zochten. In-tusschen geeft hij de leer autoriteit, die zij van Timotheus ontvangen hadden, opdat zij die beter in gedachtenis houden. Hij zegt terecht, dat hij daarom Timotheus gezonden heeft, omdat zij van zijn voorbeeld bevestiging des geloofs zouden nemen. Zij hadden kunnen verschrikt worden door de droevige geruchten der vervolgingen, maar de onversaagde standvastigheid van Paulus behoorde ze meer moed te geven, opdat zij niet bezweken. En voorwaar, hiertoe strekt ook de gemeenschap, die onder de heiligen en leden, van Christus moet zijn, zoodat het geloof des eenen der anderen vertroosting zij. Alzoo toen de Thessalonicensen zagen, dat Paulus met onvermoeide naarstigheid voortging, en door de sterkte des geloofs alle gevaar en alle zwarigheid overwon, en dat zijn geloof alom tegen den duivel en de wereld onverwonnen stond: dit bracht hun geen kleine vertroosting aan. Voornamelijk worden wij bewogen, of behooren immers bewogen te worden door dier menschen voorbeeld, van welke wij in het geloof onderwezen zijn, gelijk in het Hebr. 13:7. einde des zendbriefs aan de Hebreen gezegd wordt. Zoo wil dan Paulus zeggen, dat zij behoorden door zijn voorbeeld opgehouden te worden, dat zij niet bezweken in vervolgingen. En dewijl zij hadden kunnen verbolgen worden, zoo Paulus gevreesd had, dat zij allen door vervolging overwonnen zouden worden, (te weten omdat dit te groot wantrouwen zou wezen) zoo matigt hij deze scherpheid, als hij zegt, dat niemand, of dat niet iemand. Dit was terecht te vreezen, dewijl altijd in elke vergadering eenigen zwak zijn.
3 Want gij weet. Dewijl een iegelijk gaarne zichzelven zou onttrekken van den nood des kruises, zoo vermaant Paulus, dat de ge-loovigen de vervolgingen niet hebben te vreezen, gelijk een nieuwe en ongewone zaak: want dit is onze staat, die de Heere ons opgelegd heeft. Want deze wijze van spreken: Wij zyn daartoe verordend, beduidt zooveel alsof hij gezegd had, dat wij met deze voorwaarde Christenen zijn. Hij zegt, dat zij het weten: want het betaamde hun te sterker te strijden, dewijl zij intijds tevoren vermaand waren. Bovendien hadden de gedurige verdrukkingen Paulus verachtelijk gemaakt bij de ongeleerden en onwetenden: daarom ver-
24
1 THESSALONICENSEN 3:4â8.
haalt hij dat hem niets toegekomen is, dan wat hij als een profeet lang tevoren voorzegd had.
5 Opdat niet mogelijk. Met deze woorden leert hij, dat men altijd verzoeking moet vreezen, dewijl des duivels eigen ambt is verzoeken. En gelijk hij niet aflaat ons van alle zijden lagen te Luk. 22:32. leggen, en rondom strikken te zetten, alzoo moeten wij in het waken 1 Petr' 5'8quot; naarstig zijn om te ontgaan. En hij zegt zoo duidelijk wat hij in
het eerst vermeed, alsof het te hard geweest ware, te weten, dat hij zorgvuldig was, dat zijn arbeid niet eenigszins verloren was,
zoo de duivel mogelijk de overhand had. En dit doet hij, opdat zij naarstig waken, en zichzelven scherper vermanen om te wederstaan.
6 Als Timotheus onlangs geleden van u tot ons kwam, en ons uw geloof en liefde verkondigd had, en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt. begeevende ons te zier, gelijk wij u:
7 Hieruit hebben wij, broeders! vertroosting ontvangen van u,
in al onze verdrukking en nood door uw geloof.
8 Want nu leven wij, zoo gij staat in den Heere.
9 Want wat dankzegging kunnen wij Gode wedergeven van u in alle blijdschap, waarmede wij verblijd zijn om u voor onzen God?
10 Nacht en dag bovenmate biddende om uw aangezicht te zien, Rom. l:ii; en te vervullen wat aan uw geloof ontbreekt. 1:4.
Hier bewijst hij met een ander argument, met wat bijzondere liefde hij tot hen genegen is, te weten, dat hij door de blijde boodschap van hunnen gelukkigen stand, als buiten zichzelven geweest is. Want men moet die omstandigheden aanmerken die hij verhaalt.
Hij was in verdrukking en nood, zoo scheen dan daar geen plaats tot blijmoedigheid te zijn. Maar als hij van de Thessalonicensen hoort wat hij begeerde, zoo breekt hij uit tot vreugde en mede-verblijding, alsof het gevoel des kwaads uitgebluscht ware: hoewel,
hij gaat bij trappen voort om deze grootheid der blijdschap uit te drukken. Want ten eerste zegt hij: Wij hebben vertroosting ontvangen; daarna beschrijft hij een blijdschap overvloedig vermeerderd. Voorts, deze medeverblijding heeft de kracht eener vermaning:
en dit was Paulus' voornemen, dat hij de Thessalonicensen wilde opwekken om voort te gaan. En voorwaar, dit moest een zeer scherpe prikkel zijn, toen zij verstonden dat de heilige apostel zoo groote vertroosting en blijdschap had uit den voortgang hunner godvreezendheid.
6 Geloof en liefde. Hoe meer deze wijze van spreken bij Paulus gevonden wordt, zooveel te naarstiger moet men ze aanmerken:
want met deze twee woorden beduidt hij op het kortst den ganschen inhoud der godzaligheid. Daarom, zoo wie naar dit dubbel oogmerk zien, die zijn in hun gansche leven buiten gevaar van dwaling. Alle anderen dwalen ellendig, hoezeer zij zichzelven kwellen. Het derde,
wat hij van de goede gedachtenis aan hem daarbij gesteld heeft, is te verstaan van den eerbied, dien zij het Evangelie toedroegen. Want zij hadden om geen andere oorzaak Paulus zoo lief en in zoo groote waarde.
8 Want nu leven. Hieruit is het nog duidelijker, hoe hij zich bijna vergeten heeft om der Thessalonicensen wil, of immers zich-
25
1 THESSALONICENSEN 3:8-10.
zeiven vergetende, zijn eerste en meeste gedachte op hen gericht heeft. Hoewel, hij heeft dit niet zoozeer om der menschen wil als om de eere des Heeren gedaan. Want de ijver tot God en tot Christus brandde zoo in dat heilige hart, dat deze bijna alle andere zorgvuldigheden verteerde. Wjj leven, zegt hij, dat is, wy varen wel, zoo gij in den Heere volstandig zijt. En onder het woordje nu, herhaalt hij wat hij tevoren gezegd had, te weten, dat hij door verdrukking en nood zwaarlijk was overvallen geweest, en zegt nochtans, dat al het kwaad, dat hij lijdt in zijn persoon, zijn blijdschap niet verhindert, alsof hij zeide: Hoewel ik in mijzelven dood ben, zoo leef ik nochtans in uwe zaligheid. Hieruit worden alle leeraars vermaand, hoedanige vereeniging tusschen hen en de gemeente behoort te zijn, te weten, dat zij zich moeten gelukkig achten, als het der gemeente welgaat, al is het dat zij anders met vele ellendigheden omvangen zijn. Daarentegen, hoewel alles anders voorspoedig en gelukkig is, zoo moeten zij door droefheid en rouw vergaan, zoo zij de stichting, die zij gedaan hebben, zien vallen.
9 Want wat dankzegging. Het is hem niet genoeg, dat hij eenvoudig zijn blijdschap betuigd heeft, maar drukt ook uit hoe overgroot zijn blijdschap geweest is, als hij zichzelven vraagt hoe hij God genoegzaam zal kunnen danken. Want als hij alzoo spreekt, zoo betuigt hij, dat hij geen dankzegging vindt, die voor zulke blijdschap kan genoeg zijn. Hij zegt, dat hij voor God blijde is, dat is, waarlijk, en zonder eenige veinzing.
10 Bovenmate biddende om. Hij keert wederom tot zijn begeerte. Want de menschen kunnen nimmermeer zóó volkomen blijdschap hebben, zoolang zij in de wereld leven, dat zij niet altijd wat beters begeeren. Want zij zijn nog in den weg: zij kunnen vallen of dwalen, of ook terruggaan. Zoo dan, Paulus wenscht dat hem gegeven worde dat gebrek des geloofs der Thessalonicensen te mogen oprichten, of (wat evenveel is) hun geloof, 'twelk nog onvolmaakt is, te mogen vervullen. Maar hij heeft hun geloof tevoren wonderlijk geprezen. Doch hieruit verstaan wij, dat degenen die anderen verre voorloopen, nochtans nog ver van het voorgestelde doel zijn. Daarom, ofschoon wij goeden voortgang gedaan hebben, zoo zullen wij nochtans ons gebrek gedachtig zijn, opdat het ons niet verdriete te arbeiden om verder te gaan. Zoo is het dan hieruit openbaar, hoe noodig ons is, aan te houden in de leer: want de leeraars zijn niet alleen daartoe verordend, dat zij de menschen in een dag of maand tot het geloof van Christus brengen, maar ook het begonnen geloof volmaken. Voorts, dat Paulus zichzelven toe-
16 schrijft wat hij elders betuigt des Heiligen Geestes eigen te zijn, moet men op den dienst duiden. En dewijl des menschen dienst minder is dan de werking des Geestes, en haar ondergeschikt en afhankelijk is, gelijk zij gemeenlijk spreken, zoo vermindert hij daar niet van. Als hij zegt, dat hij dag en nacht bovenmate gebeden heeft, kan men uit deze woorden verstaan, hoe naarstig hij geweest is in God te bidden, en hoe ijverig en ernstig hij dat gedaan heeft.
11 Nu, onze God en Vader, en onze Heere Jezus Christus richte onzen weg tot u.
12 En de Heere vervulle u, en make de onderlinge liefde over-
26
1 THESSALONICENSEN 3: 11â13. 27
vloedig jegens u en jegens allen; gelijk wij ook genegen zijn jegens u.
13 Opdat Hij uwe harten bevestige onberispelijk in heiligheid i^: 8^ voor onzen God en Vader, in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, met al zijne heiligen.
11 Nu, onze God. Nu bidt hij dat de Heere des duivels verhinderingen vvegneme, en hem den weg opene, en eenigszins een leider en regeerder zij zijner reis naar de Thessalonicensen; waarmede hij te kennen geeft, dat wij nergens onzen voet kunnen zetten tot voortgang, dan door Gods leiding. En dat nochtans de duivel tevergeefs alle lagen legt om onzen loop te verhinderen, wanneer God de hand reikt. Men moet aanmerken, dat hij eenzelfde ding Gode en Christus toeschrijft: gelijk voorwaar de Vader ons niets goeds doet dan door de hand van Christus. Maar als hij alzoo tegelijk van beiden spreekt, zoo leert hij dat Christus gemeene godheid en macht heeft met God den Vader.
12 En de Heere vervulle u. Dit is een ander gebed, dat de Heere intusschen, dewijl aan Paulus de weg versperd is, de Thessalonicensen bevestige in heiligheid, en met liefde vervulle. Hieruit leeren wij wederom, waarin de Christelijke volmaaktheid gelegen is,
te weten, in liefde en zuivere heiligheid des harten, die uit het geloof vloeit. Ten eerste, beveelt hij hun onderlinge liefde tot elkander, daarna tot alle menschen. Want gelijk wij moeten beginnen van de huisgenooten des geloofs, alzoo moet ons hart zich strekken tot het gansche menschelijke geslacht. Bovendien, gelijk wij de eenigheid moeten onderhouden met degenen, die ons naast zijn,
alzoo moeten wij die niet voorbijgaan die verre van ons zijn, maar die ook in hun orde gedenken. Hij wil, dat de Thessalonicensen van liefde overvloeien en vol worden: want hoe meer voortgang wij doen in de kennisse Gods, zooveel meer moet ook de liefde der broederen in ons toenemen, totdat zij het gansche hart bezitte, de verkeerde liefde jegens onszelven verdreven hebbende. Hij wenscht den Thessalonicensen van God volmaakte liefde, te kennen gevende, dat zoowel hun wasdom als hun begin van God is: waaruit het openbaar is, hoe verkeerdelijk die menschen doen, die onze macht
met de gebodèn der wet Gods meten. Paulus zegt: Het einde der i Tim. i:s. wet is de liefde. Toch zegt dezelfde, dat zij een werk Gods is. Zoo dan, als God ons in de wet een regel des levens voorschrijft, zoo aanziet Hij niet wat wij vermogen, maar eischt van ons wat boven onze macht is, opdat wij de macht om te volbrengen, van Hem leeren bidden. Als hij zegt: Gelijk ook wij jegens u, zoo wekt hij ze op door zijn voorbeeld.
13 Opdat Hy uwe harten bevestige. Hij heeft hier het hart gezet inplaats van de conscientie, of voor het innerlijkste deel der ziel: want hij geeft te kennen, dat de menschen dan eerst Gode behagen, zoo zij heiligheid des harten, dat is, niet uitwendige, maar inwendige heiligheid medebrengen. Maar men kon vragen, of wij met heiligheid bestaan voor den rechterstoel Gods? Want zoo het alzoo is, waartoe dient de vergeving der zonden? De woorden van Paulus schijnen dit uit te geven, als hij zegt: Opdat zij onberispelijk zyn in heiligheid. Ik antwoord, dat Paulus de vergeving der zonden niet uitsluit, waardoor onze heiligheid, welke anders met
2é 1 THESSALONICENSEN 3: 13â4; 1, 2.
vele besmettingen besprengd is, voor het oordeel Gods bestaat: want het geloof, waardoor God verzoend wordt, zoodat Hij onze gebreken vergeeft, gaat altijd vóór alle andere ding, gelijk een fundament eerder is dan het gebouw daarop. Voorts leert Paulus niet, hoedanig of hoe groot de heiligheid der geloovigen in deze wereld is, maar begeert dat zij vermeerderd worde, totdat zij tot hare volmaaktheid komt. Daarom zegt hij: In de toekomst des Heeren, daarmede beduidende, dat de vervulling der dingen, die de Heere nu in ons begint, zoolang uitgesteld wordt. Met al zyne heiligen. Deze woorden kunnen op twee wijzen uitgelegd worden, te weten, dat de Thessalonicensen zuivere harten hebben met alle heiligen, in de komst van Christus, of dat Christus zal komen met zijne heiligen. Hoewel ik dit .tweede aanneem, zooveel de samenvoeging der woorden aangaat, zoo twijfel ik nochtans niet, of Paulus heeft daarom de heiligen genoemd, opdat hij ons zou vermanen, dat wij tot dat einde van Christus geroepen worden, opdat wij met al de heiligen verzameld worden. Want die gedachte moet de begeerte en oefening der heiligheid in ons vermeerderen.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Voorts dan, broeders! wij bidden en smeeken u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe gij behoort te wandelen en Gode te behagen, dat gij [daarin] meer en meer overvloedig zijt.
2 Want gij weet, wat geboden ik u gegeven heb door den Heere Jezus.
3 Want dit is de wil Gods, uwe heiligmaking, dat gij u onthoudt van alle hoererij:
4 En dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eere;
5 Niet in genegenheid der begeerlijkheid, gelijk ook de heidenen, die God niet kennen.
Toorts dan, broeders! Dit hoofdstuk bevat verscheidene ge-\ / boden, met welke hij de Thessalonicensen tot een heilig leven ' onderwijst, of in derzelve oefening bevestigt. Zij hadden tevoren geleerd, welke de regel en wijze was om godzaliglijk te leven: dit brengt hij hun weder in gedachtenis: Gelijk gij (zegt hij) geleerd zijt. Voorts, opdat hij niet schijne hen te ontnemen, wat hij gegeven had, zoo vermaant hij niet slechts dat zij alzoo wandelen, maar dat zij meer overvloedig zijn. Zoo dan, als hij ze vermaant voort te gaan, zoo geeft hij te kennen, dat zij nu in den weg zijn. De inhoud is, dat zij voornamelijk moeten arbeiden om in de aangenomen leer voortgang te doen, welke Paulus schijnt tegen de ijdele en onnutte oefeningen te stellen, in welke men het meeste deel der wereld ziet zoozeer bevangen te zijn, dat de heilige overdenking van het leven wel te schikken nauwelijks de laatste plaats, heeft. Zoo vermaant dan Paulus, hoe zij zijn onderwezen geweest
1 TheöS.2:12. Fil. 1; 27.
Kom. 12:2. Ef. 5:27. Hand. 15:20.
1 THESSALONICENSEN 4:2â6.
en gebiedt hun alle naarstigheid daartoe te doen. Voorts wordt ons hier een wet gegeven, opdat wij vergetende wat achter is, altijd arbeiden tot meerderen voortgang, en hiernaar moeten ook mede de herders staan. Dat hij bidt, waar hij met recht kon gebieden, is uit vriendelijkheid en zedigheid, welke de herders moeten navolgen, opdat zij zoo het mogelijk is, het volk liever vriendelijk aanlokken, dan met geweld dwingen.
3 Want dit is de wil Gods. Dit is een gemeene leer, waaruit als uit een fontein, hij terstond bijzondere vermaningen afleidt. Als hij zegt, dat dit de wil Gods is, zoo geeft hij te kennen, dat wij daarom van God geroepen zijn, alsof hij zeide: Hiertoe zijt gij Christenen, hierhenen strekt het Evangelie, opdat gij uzelven Gode heiligt. Wat het woord heiligmaking beduidt, hebben wij elders dikmaals gezegd, te weten, dat wij de wereld verlatende, en de besmetting des vleesches afleggende, onszelven als tot een offerande Gode opofferen. Want Hem moet geen ding geofferd worden, dan wat zuiver en heilig is. Dat gij u onthoudt. Dit is een gebod, dat hij uit de naastvoorgaande fontein afleidt. Want daar is niets meer tegen de heiligmaking dan de onreinigheid der hoererij, welke den ganschen mensch besmet; daarom voegt hij de genegenheid der begeerlijkheid den heidenen toe, die God niet kennen; alsof hij zeide, dat de begeerlijkheden moeten getemd worden, waar de kennis Gods regeert. Door de genegenheid der begeerlijkheid,
verstaat hij alle schandelijke wellusten des vleesches. Toch lastert hij aldus alle begeerten, die ons tot wellust en vleeschelijke behagelijkheid opwekken, gelijk hij Rom. 13 : 14 verbiedt het vleesch te bezorgen tot begeerlijkheid. Want wanneer de menschen zich-zelven toelaten te begeeren, zoo is der dartelheid geen mate. Daarom is dit de eenige wijze tot matigheid, alle begeerlijkheden te bedwingen. Deze woorden: En dat een iegelijk wete zjjn vat te bezitten, leggen sommigen uit van de vrouw, alsof hij zeide: Dat de mannen kuischelijk bij hunne vrouwen wonen. Maar dewijl hij in 't gemeen beiden tot mannen en vrouwen spreekt, zoo is zonder twijfel het woord vat, genomen voor lichaam: want voor een iegelijk is zijn lichaam als een huis, waarin hij woont. Zoo wil hij dan dat wij ons lichaam zuiver van alle onreinigheid bewaren. En eere,
dat is eerlijk: want wie zijn lichaam geeft tot hoererij, besprengt het met oneer en smet.
6 Dat niemand zijn broeder overvalle of bedriege in eenig ding:
want de Heere zal over alle deze dingen een richter wezen,
gelijk wij u voorzegd en betuigd hebben.
7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot Joh. 17:19. â v. m* i * Cor. 112. neiligmaking.
8 Zoo dan, die dit verwerpt, die verwerpt niet een mensch, maar Luk. I0:ie. God, die ook zijn Heiligen Geest in ons heeft gegeven. i Cor. 7:40.
6 Dat niemand zijn broeder. Dit is een andere vermaning,
welke als een beek uit de leer der heiligmaking afgeleid wordt.
God wil (zegt hij) ons heilig maken, dat dan niemand zijnen broeder vTrspffoci-onrecht doe. Want dat Chrysostomus dezen zin aan den voorgaan- vsiv xai den gelijk maakt, en de Grieksche woorden, waarvoor wij gezet ir'Ks.ovsy.-hebben: overvallen en bedriegen, uitlegt: Naar andere vrouwen rstv.
29
30 1 THESSALONICENSEN 4:6â8.
staan en die begeeren, is te zeer gedwongen. Zoo dan, als Paulus een voorbeeld der onreinigheid in onkuischheid en wellusten aangeroerd heeft, zoo leert hij, dat dit ook een deel der heiligheid is, dat wij rechtvaardig en heilig handelen met onze naasten. Het eerste woord is van geweldige verdrukkingen te verstaan: wanneer degene, die de machtigste is, stout wordt om hinder te doen. Het ander vervat alle onmatige en onrechtvaardige begeerten. En dewijl de menschen meestendeels zichzelven in onkuischheid en gierigheid toegeven, zoo brengt hij hun wederom in gedachtenis wat hij boven geleerd had, te weten, dat God deze dingen zal wreken. Men moet aanmerken dat hij zegt, wy hebben u betuigd; want de traagheid der menschen is zoo groot, dat zij geen gevoelen van het oordeel Gods krijgen, tenzij zij scherpelijk verslagen worden.
7 Want God heeft ons niet. Deze uitspraak schijnt hetzelfde te beduiden als het voorgaande, te weten, dat de wil Gods onze heiligmaking is: doch daar is wat onderscheid. Want als hij van de gebreken des vleesches te beteren gesproken heeft, zoo bewijst hij uit het einde der roeping, dat God dat wil: want Hij zondert ons af als tot zijn erve. Wederom, dat God ons roept tot heiligheid, bewijst hij uit tegenovergestelde dingen, want Hij verlost en roept ons terug van onreinigheid: waaruit hij besluit, dat allen die deze leer verwerpen, niet verwerpen de menschen, maar God, te weten, den auteur der roeping, welke geheel teniet wordt, wanneer het beginsel van de nieuwheid des levens weggenomen wordt. En hij heft zich zoo streng op, omdat er altijd hardnekkige menschen zijn, welke dewijl zij zonder zorg God versmaden, zoo beschimpen zij ook al de bedreigingen zijns oordeels, en bespotten ook mede alle geboden van een heilig en godzalig leven. Zulken zijn niet te leeren, maar door strenge beschelding, als met een hamerslag te treffen.
8 Die ook zijn Heiligen Geest. Opdat hij de Thessalonicensen te beter van zulke verachting en hardnekkigheid afroepe, zoo vermaant hij, dat zij met den Geest Gods begaafd zijn, waardoor zij ten eerste kunnen onderscheiden wat van God is, en ten andere tus-schen heiligheid en onreinigheid zulk een onderscheid maken als het betaamt, en ten derde door goddelijke autoriteit oordeel vellen over allerlei onreinigheid, welke op hun eigen hoofden zal vallen, zoo zij niet van alle besmetting vrij zijn. Zoo dan, ofschoon de god-deloozen bespotten al wat men hun leert van een heilig leven, en van de vreeze Gods, hebben die met den Geest Gods begaafd zijn, een veel ander getuigenis in hunne harten verzegeld. Zoo moeten zij dan toezien, dat zij dat niet uitblusschen, noch uitwisschen. Hoewel men dit op Paulus en andere leeraars kon duiden, alsof hij gezegd had, dat zij de onreinigheid niet uit menschelijk gevoelen ver-oordeelen, maar dat zij uit Gods autoriteit verkondigen, wat van zijnen Geest geleerd is: zoo wil ik het nochtans gaarne van beiden verstaan. Sommige handschriften hebben in u, waarmede de gave des Heiligen Geestes aan de Thessalonicensen toegekend wordt.
Matt 22-39 ^ Voorts, van de broederlijke liefde is u niet noodig, dat ik u
joh. 13:34; schrijve: want gij zijt zeiven van God geleerd elkander lief
15 Ef. 5:2. te hebben.
i 10 Want dit doet gij aan alle broeders, die in geheel Macedonië
4:2i.' zijn: doch wij vermanen u, broeders! dat gij overvloediger wordt,
It
1 THESSALONICENSENT 4:9â11. ⢠31
11 En sterker arbeidt dat gij staat naar rust, en uwe eigene din- 3.821Jhefls' gen te doen, en te arbeiden met uwe eigene banden, gelijk wij Hand. 20-. 35.
1u geboden hebben. u geboden hebben. Ef' Vlhess.
12 Opdat gij behoorlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en 3:8, 12. geens dings gebrek hebt.
9 Van de broederlijke liefde. Dewijl hij tevoren hun liefde groo-telijks geprezen heeft, zoo gebruikt hij nu een voorkoming, zeggende:
Het is u niet noodig, dat ik u daarvan schrijf. Hij zegt de oorzaak,
want zij zijn van God geleerd. Waarmede hij beduidt, dat de liefde van God in hunne harten is gedrukt, alzoo dat de letteren op dat papier geschreven, overbodig zijn. Want hij wil niet alleen zeggen, wat Johannes zegt in zijn Eersten zendbrief: De zalving zal u leeren;
maar dat ook hunne harten gemaakt en geschikt zijn tot liefde: zoodat men ziet dat de Heilige Geest met kracht binnen leert wat men moet doen, zoodat het niet noodig is met brieven te gebieden.
Daarna stelt hij een bewijs van meerder tot minder, want dewijl hunne liefde zich over geheel Macedonië uitbreidt, zoo besluit hij daaruit, dat het zonder twijfel is, dat zij elkander onderling liefhebben. Daarom het woord want, is zooveel als zelfs: want hij heeft het tot nadruk daarbij gezet, gelijk ik gezegd heb.
10 Doch wy vermanen. Hoewel hij betuigt, dat zij gewillig genoeg zijn tot alle werken der liefde, zoo laat hij nochtans niet af te vermanen, dat zij voortgang doen: want daar is geen ding volmaakt in de meiischen. En voorwaar het is te wenschen, dat wat het allerbeste in ons schijnt te zijn, beter worde. Het woord, waarvoor wij gezet hebben sterker arbeidt, voegen sommigen tot het volgende,
alsof hij hun gebood te arbeiden om vrede te houden; maar het wordt bekwamer bij het voorgaande gevoegd. Want als hij ze vermaand heeft te wassen in de liefde, zoo beveelt hij hun een heiligen strijd, dat zij zoeken eikanderen in liefde te boven te gaan: of gebiedt immers dat een iegelijk arbeide om zichzelven te overwinnen:
en dit laatste behaagt mij best. Zoo dan, opdat hun liefde volmaakt zij, zoo eischt hij een strijd in hen, zoodanig als pleegt in dien te zijn, die ernstig zoeken te overwinnen. Dit is een zeer goede strijd,
wanneer een iegelijk zoekt met weldoen zichzelven te overwinnen.
Waarom ik niet gevoel met degenen, die het aldus duiden, dat gij arbeidt om vrede te houden, dunkt mij deze reden sterk genoeg te zijn, dat Paulus in een zaak, die minder zwaar is, niet zulk een zwaren strijd zou gesteld hebben, welke op den voortgang in de liefde zeer wel rijmt, waarin zooveel verhinderingen komen. Het Grieksche woord heeft nog een andere bedniding, welke mij ook niet mishaagt te dezer plaats, en de zin zal wezen, dat zij tegen elkander mild zijn.
11 Dat gij staat naar rust. Ik heb nu gezegd, dat men deze woorden moet afscheiden van de voorgaande: want dit is een nieuwe zin. Het woord rust beduidt hier stil en zonder beroerte leven.
In één woord, hij gebiedt hun vreedzaam en gerust te zijn. Hiertoe dient wat hij terstond hierbij zegt: En doet uwe eigene dingen.
Want men ziet, dat degenen, die zich onbehoorlijk in eens anders zaken steken, zeer beroerlijk zijn, en zichzelven en anderen moeie-lijk zijn. Zoo is dan dit een zeer goed middel tot een gerust leven,
als een iegelijk met de werken zijner roeping bekommerd zijnde,
1 Joh. 2:17.
32 1 THESSALONICENSEN 4:11 â 13.
doet wat hem van God bevolen is, en zichzelven daarin bezig maakt: als de landman zich in een landwerk oefent, als de ambachtsman zijn ambacht hanteert, en alzoo een iegelijk zich binnen zijne palen houdt. Zoo haast als de menschen hiervan afwijken, zoo zijn alle dingen ongeschikt en vol beroerte. Toch wil hij niet, dat een iegelijk alzoo zijne eigene dingen doe, dat zij voor zichzelven alleen leven, en voor anderen niet zorgen: maar hij wil alleen die ijdele nieuwsgierigheid beteren, waardoor de menschen in het openbaar druk worden, die te huis een stil leven behoorden te leiden. Te arbeiden met uwe eigene handen. Den arbeid der handen prijst hij om twee oorzaken, te weten, opdat zij voor zichzelven genoeg hebben om bij te leven, en zichzelven eerlijk gedragen ook voor de ongeloovigen. Want daar is niets schandelijkers dan een ondeugende man, die noch zichzelven noch anderen nuttig zijnde, alleen om te eten en te drinken schijnt geboren te zijn. Voorts, deze arbeid of wijze des werkens strekt wijd: want als hij van den arbeid der handen spreekt, zoo stelt hij één werk voor allerlei werk: want hij vervat zonder twijfel allerlei werk, wat het leven der menschen nuttig is.
Sir. 22:10; 13 Doch ik wil niet, dat gij onwetende zijt, broeders! van dege-
Boek der nen die ontslapen zijn. opdat gij u niet bedroeft, gelijk de
Wjjsh. 2:22. anderen, die geen hope hebben.
14 Want zoo wij gelooven, dat Jezus gestorven is en wederop-gestaan, desgelijks zal God ook degenen, die in Christus slapen, met Hem verzamelen.
13 Doch ik wil niet. Het is niet waarschijnlijk, dat de hoop der wederopstanding bij de Thessalonicensen was omgestooten van de onheilige menschen, gelijk het te Corinthe geschied was. Want wij zien hoe strengelijk hij de Corinthiërs berispt: maar hier spreekt hij als van een zaak, waaraan geen twijfel is. Doch het kan wezen, dat dit geloof niet genoeg in hunne harten gedrukt is, en dat zij daarom in de dooden te beweenen, wat van het oude bijgeloof behouden hebben. Want dit is de inhoud, dat men de dooden niet bovenmate moet beweenen, dewijl wij allen wederopgewekt zullen worden. Want waaruit komt het, dat de ongeloovigen geen einde noch mate houden in het beweenen, dan omdat zij geen hoop der wederopstanding hebben. Zoo dan, wij die van de wederopstanding onderwezen zijn, betaamt het niet dan matigen rouw te dragen. Daarna zal hij van de wijze der wederopstanding handelen, en zal bovendien wat van de tijden spreken. Maar te dezer plaats heeft hij de onmatige droefheid willen verbieden, welke nimmermeer alzoo bij hen zou geregeerd hebben, zoo zij de wederopstanding ernstig in gedachtenis gehouden en bedacht hadden. Hij verbiedt niet ganschelijk droevig te zijn, maar eischt matigheid in de droefheid; want hij zegt: Opdat gij u niet bedroeft geljjk de anderen, die geen hope hebben. Hij verbiedt ze droevig te zijn gelijk de heidenen, die onmatige droefheid bedrijven: want zij houden den dood voor het uiterste verderf, en meenen dat het vergaat al wat uit deze wereld weggenomen wordt. En dewijl de geloovigen weten, dat zij uit deze wereld verhuizen, opdat zij eindelijk in het rijk Gods verzameld worden, zoo hebben zij zulke oorzaak niet om
1 THESSALONICENSEN 4:13, 14.
droevig te zijn; daarom moet de kennis der wederopstanding een matiging der droefheid zijn. De dooden zegt hij te slapen, naar de gemeene wijze der Schrift, met welk woord de bitterheid des doods verzacht wordt. Want het slapen heeft groot onderscheid met het verderf. .Voorts, het slapen wordt gezegd niet van de ziel, maar van het lichaam: want het doode lichaam ligt in het graf, gelijk in een bed, totdat God den mensch opwekt. Daarom zijn die onwijs, die hieruit besluiten, dat de zielen slapen. Nu hebben wij den zin van Paulus, te weten, dat hij de harten der geloovigen opheft, om op de wederopstanding te zien, opdat zij in den dood der hunnen niet te groote droefheid maken; dewijl het ongeschikt ware, dat zij zouden den ongeloovigen gelijk zijn, die geen maat houden, noch einde maken van droefheid, omdat zij in den dood niet dan het verderf bekennen. Degenen, die dit getuigenis misbruiken, om de Stoïsche ongevoeligheid, dat is een ijzeren hardigheid in de Christenen op te brengen, zullen zoo iets in de woorden van Paulus niet vinden.
Dat zij tegenwerpen dat wij niet droevig moeten zijn om den dood der onzen, opdat wij niet tegen God staan, dit zou plaats hebben in alle tegenspoedige dingen. Maar het is een ander ding onze droefheid te bedwingen, opdat zij Gode onderworpen worde, dan alle menschelijk gevoelen afleggen, en als een steen verharden. Zoo zal dan der godzaligen droefheid vermengd wezen met vertroosting,
die ze tot lijdzaamheid zal onderwijzen. Dit zal geschieden door de hope der zalige onsterfelijkheid, welke eene moeder der lijdzaamheid is.
14 Want zoo wij gelooven. Hij neemt deze onloochenbare grondstelling onzes geloofs, te weten, dat Christus daarom opgewekt is van de dooden, opdat wij zijne wederopstanding deelachtig zijn; waaruit hij besluit, dat wij eeuwiglijk met Hem zullen leven.
Nu deze leer (gelijk 1 Cor. 15 ; 13 gezegd is) komt uit een andere grondstelling, te weten, dat Christus niet voor Zichzelven, maar voor ons gestorven en wederopgestaan is. Zoo dan, die aan de wederopstanding twijfelen, die doen Christus groot onrecht, ja zij trekken Hem eenigszins uit den hemel, gelijk Rom. 10 : 6 staat.
Door Christus slapen, is de vereeniging die wij met Christus hebben, in den dood behouden. Want die in Christus geplant zijn, die hebben den dood met Hem gemeen, opdat zij mede des doods deelachtig zijn. Hier kon men vragen, of ook de ongeloovigen niet zullen wederopstaan? Want Paulus bevestigt de wederopstanding niet dan in de leden van Christus. Ik antwoord, dat Paulus hier niet anders aanroert, dan dat der tegenwoordige zaak aangaat.
Want hij moest hier niet de goddeloozen verschrikken, maar der godzaligen onmatige droefheid berispen, en heelen door het medicijn der vertroosting, gelijk hij doet.
15 Want dit zeggen wij u door des Heeren woord, dat wij die 1 Cor. 15:22 levend en overgebleven zullen zijn in de komst des Heeren,
niet zullen voorkomen degenen, die slapen.
16 Want de Heere zelve zal met geroep en stem des archangels, Matt. 24; 31 en met de bazuin Gods nederkomen uit den hemel, en de ^Thessfl-V dooden die in Christus zijn, zullen eerst wederopstaan.
17 Daarna wij, die zullen leven en overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere
Dl. v. 3
33
1 THESSALONICENSEN 4:15, 16.
te gemoet in de lucht, en alzoo zullen wij altijd met den Heere zijn.
18 Zoo dan, vertroost elkander met deze woorden.
15 Want dit zeggen wij. Hij beschrijft nu met korte woorden de wijze hoe de geloovigen uit den dood zullen opgewekt worden. En dewijl hij spreekt van een overgroote zaak, die het menschelijk vernuft ongeloofelijk is, en ook mede belooft wat boven der men-schen wil en macht is; zoo zegt hij tevoren, dat hij niet iets van zich of iets menschelijks voortbrengt, maar dat de Heere de auteur is. Het is geloofelijk, dat hier het Woord des Heeren genoemd wordt, wat uit diens predikingen genomen is. Want hoewel Paulus alle verborgenheden des hemelschen rijks uit openbaring had geleerd, zoo was nochtans dit bekwamer om bij de geloovigen het geloof der wederopstanding te bevestigen, als hij verhaalde wat Christus zelve met zijn mond voortgebracht had, alsof hij zeide; wij zijn niet de eerste getuigen der wederopstanding geweest, maar de Meester heeft ze zelve bevestigd. Wij die levend zullen wezen. Dit is daarom gezegd, dat zij niet zouden denken dat die alleen der wederopstanding zouden deelachtig zijn, die tot de komst van Christus zouden leven, en niet ook die tevoren zouden gestorven zijn. De orde der wederopstanding, zegt hij, zal van hen beginnen, zoo zullen wij dan niet wederopstaan zonder hen. Hieruit is het openbaar, dat het geloof van de laatste wederopstanding klein en duister is, en met menigerlei dwaling verward is geweest bij vele menschen, dewijl zij dichtten dat de dooden daarvan beroofd waren. Want zij meenden dat het eeuwige leven alleen dien toekwam, die Christus in zijn laatste komst nog levende op aarde vond. Om deze dwaling weg te nemen, zegt Paulus, dat de dooden eerst zullen wederopstaan, en daarna die zullen volgen, die dan nog in het leven zullen zijn. Met wat hij zegt: Wü die zullen leven, schijnt hij zichzelven ook te stellen in het getal dergenen, die op dien dag leven zullen, waarmede hij de Thessalonicensen wil opheffen tot verwachting, ja ook allen godzaligen, opdat zij zichzelven geen zekeren tijd beloven. Want ofschoon wij toelaten dat hij uit openbaring wist dat Christus niet zoo haast zou komen, zoo moest nochtans deze algemeene leer gegeven worden, opdat de geloovigen ten allen tijd bereid waren. Intusschen moest ook mede veler menschen nieuwsgierigheid de oorzaak benomen worden, wat hij hierna breeder zal doen. Voorts als hij zegt: Wij die overgebleven zijn, zoo gebruikt hij den tegenwoordigen tijd voor den toekomenden, naar de wijze der Hebreeuwsche taal.
16 Want de Heere zelve. Hij zegt eerst geroep, daarna stelt hij daarbij: De stem des archangels, als een verklaring daarmede beduidende hoedanig dat geroep 'zal wezen, te weten, dat de archangel als een uitroeper, de levenden en de dooden zal dagvaarden voor den rechterstoel van Christus. Want hoewel dit- allen engelen zal gemeen wezen: nochtans gelijk het in alle rangen pleegt te geschieden, zoo stelt hij een voornaamste, die voor de anderen zijn geluid geve. Voorts, van het woord bazuin, laat ik anderen scherpzinnig handelen: want ik heb niets anders dan wat ik in den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs met korte woorden aangeroerd heb. Voorwaar des apostels voornemen was te dezer plaats niet
34
1 THESSALONICENSEN 4:16â18.
anders, dan een smaak der grootdadige en eerwaardige vertooning des richters te geven, totdat wij die volkomenlijk zien. Met dezen smaak moeten wij intusschen tevreden zijn. De dooden die in Christus zyn. Wederom zegt hij, dat de dooden die in Christus zijn, dat is, die in het lichaam van Christus vervat zijn, eerst zullen wederopstaan: opdat wij weten, dat zoowel voor hen als voor degenen die leven, een hope des levens in den hemel is bewaard.
Van de verworpenen zwijgt hij, want dat diende niet tot vertroosting der godzaligen, van welke hij nu spreekt. Hij zegt dat degenen, die overgebleven zijn, met hen te zamen zullen opgenomen worden.
In dezen wordt geen dood gemeld, daarom schijnt hij te kennen te geven, dat zij zonder dood zullen zijn. Hier kwelt Augustinus Aug. De stad zich zeer, omdat Paulus tegen zichzelven schijnt te strijden, dewijl 20°en Aug. hij op een andere plaats zegt, dat een zaad niet weder kan wassen, Responsioad tenzij het sterve. Maar hierop is licht te antwoorden: want die 1 cot'isTsg. haastige verandering zal als een dood wezen. De ordelijke dood is wel een scheiding der ziel van het lichaam; maar desniettemin kan God in een oogenblik tijds deze verderfelijke natuur wegnemen,
om door zijn kracht een nieuwe te maken: want al zoo wordt het vervuld wat dezelfde Paulus leert dat het moet geschieden, te weten, 2 Cor- 5-i-dat de sterfelijkheid van het leven verslonden worde. Dat in onze belijdenis des geloofs staat, dat Christus zal wezen een richter der levenden en dooden, bekent Augustinus waarachtig te zijn, zonder figuur of oneigenlijke wijze van spreken: maar is alleen hierin bekommerd, hoe die zullen wederopstaan die niet dood zijn. Maar gelijk ik gezegd heb, dat is een soort van dood, als dit vleesch teniet wordt, gelijk het nu der verderving onderworpen is. Daar is alleen dit onderscheid, dat degenen die een tijdlang slapen de substantie des lichaams afleggen. Maar degenen die haastig zullen veranderd worden, zullen niet anders dan de kwaliteit of hoedanigheid afleggen.
17 En alzoo zullen wij altijd. Hij belooft het eeuwige leven met Christus dengenen, die eenmaal met Hem vereenigd zijn. Met welke woorden, de razernij van Origenes en der Chiliasten overvloedig wederlegd wordt. Want het leven der geloovigen zal geen ander einde hebben dan het leven van Christus, nadat zij eenmaal met Hem in eenzelfde rijk verzameld zijn. Nu, dat men Christus duizend jaren zou toerekenen, opdat Hij daarna afliet te regeeren,
is meer dan gruwelijk om te zeggen. Nu, die vallen tot deze ongeschiktheid, die het leven der geloovigen met duizend jaren eindigen:
want zij moeten met Christus leven, zoolang als Christus zelve zal wezen. Wij moeten ook aanmerken dat hij zegt: Wij zullen wezen;
want hij geeft te kennen, dat wij dan nuttig het eeuwige leven zullen hopen, als wij hopen dat het ons eigenlijk verordend is.
18 Vertroost elkander. Nu bewijst hij klaarlijker wat ik boven gezegd heb, te weten, dat wij in 't geloof der wederopstanding rechte en behoorlijke stof van troost hebben, zooverre wij Christus'
leden zijn, en met Hem als met ons hoofd, waarachtig vereenigd zijn. Hoewel, de apostel gebiedt niet alleen dat een iegelijk voor zichzelven troost zoeke in de droefheid, maar dat hij dien ook anderen toediene.
35
1 THESSALONICENSEN 5 : 1â3.
HET VIJFDE HOOFDSTUK.
1 Voorts, van de tijden en stonden der tijden, is u niet noodig dat ik u schrijve.
Matt. 24:43. 2 Want gil weet zei ven zeer wel, dat de dag des Heeren zal
2 Petr 3 ⢠10. , ^ 7 0
Opeub. 3:3; komen als een dief in den nacht.
1G:15- 3 Want als zij zullen zeggen; Vrede en rust, dan zal hun dat
haastige verderf overkomen, gelijk de barensnood eener zwangere vrouw, en zij zullen niet ontvlieden.
4 Maar gij, broeders! zijt niet in duisternis, dat die dag u als een dief zou overvallen.
5 Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags: wij zijn niet des nachts noch der duisternis.
Toorts, van de tijden. Nu roept hij ze in de derde plaats \/ terug van de curieuse en onnutte onderzoeking des tijds, en ' intusschen vermaant hij ze altijd bereid te zijn om Christus te ontvangen. Hoewel, hij gebruikt een voorkoming, zeggende dat het niet noodig is hen te schrijven wat curieuse menschen begeeren: want dat is een teeken van te groote ongeloovigheid, dat men niet gelooft wat de Heere voorzegt, tenzij Hij den dag met zekere omstandigheden beduide, en als met den vinger aanwijze. Dewijl dan zij die tusschen twijfelachtige meeningen ongestadig zijn, begeeren dat hun de stonden der tijden beteekend worden, alsof zij wilden uit een geloofwaardig bewijs een gissing maken: daarom zegt hij dat zulke disputatiën de godzaligen overbodig zijn. Daar is ook een andere reden, te weten, dat de geloovigen niet meer begeeren te weten, dan zij in de school Gods geleerd hebben. Nu heeft Christus den dag zijner toekomst ons willen verborgen laten, omdat wij onzeker zijnde, als op wacht zouden staan.
2 Gy weet zeiven zeer wel. Hij stelt een volkomen kennis tegen de benauwde begeerte naar onderzoeking. Wat zegt hij dat de Thessalonicensen wel weten? Te weten, dat de dag des Heeren haastelijk en onvoorziens zal komen, om de ongeloovigen gelijk een dief de slapenden, te overvallen. Dit is tegen eenige zekere teekenen in, waardoor de dag zijner komst als van verre zou getoond worden. Zoo ware het dan dwaasheid, dat men uit gissingen of teekenen een zekeren tijd wilde stellen.
3 Want als zij zullen zeggen. Dit is een verklaring der gelijkenis, in welke hij gezegd heeft, dat de dag des Heeren zal wezen als een dief in den nacht. Waarom dat? Omdat hij onverwacht haastelijk den ongeloovigen zal overkomen, om hen gelijk die slapen, te overvallen. Waaruit komt die slaping? Te weten, uit groote verachting Gods. Deze onbedachtzame onachtzaamheid wordt van de profeten dikmaals den goddeloozen verweten. En voorwaar, zij verwachten niet alleen het laatste oordeel zonder zorg en vrees, maar ook al wat dagelijks en gemeenlijk geschiedt. Hoewel de Heere met het verderf dreigt, zoo twijfelen zij niet zichzelven allen voorspoed te beloven. En zij vallen daarom in deze verderfelijke onachtzaamheid, omdat zij niet terstond zien volbrengen wat de Heere voorzegt dat geschieden zal; want zij achten dat het fabelen zijn
36
Ef. 5:8.
1 THESSALONICENSEN 5:3-7. 37
wat niet terstond met de oogen gezien wordt. Daarom overvalt de Heere ze onvoorziens, om deze zorgeloosheid die vol verachting is, te wreken, en werpt ze neder ter aarde uit hun hoogste gelukkigheid, eer zij het verwachten. Zulke bewijzen zijner onvoorziene komst toont Hij dikmaals: maar dat zal de voornaamste wezen, als Christus zal nederkomen om de wereld te oordeelen. Hetwelk Matt. 24:37. Hij zelf ook betuigt, dien tijd vergelijkende met den tijd vanNoach;
omdat de menschen allen in zeer groote gerustheid dartelheid zullen bedrijven. Gelijk de barensnood. Dit is een zeer bekwame gelijkenis:
wat daar is geen kwaad dat haastiger bevangt, en dat scherper en moeilijker terstond in den eersten aanloop prikkelt. Ja een zwangere vrouw draagt de oorzaak der smart in haren buik zonder gevoel,
totdat zij aan den maaltijd, of vroolijkheid, of midden in den slaap bevangen wordt.
4 Maar gij, broeders! Nu vermaant hij hoedanig het ambt der geloovigen is, te weten, opdat zij dien dag, hoewel hij nog verre is, door hope aanzien. En hiertoe dient de gelijkenis van den dag en het licht. De komst van Christus zal de goddeloozen overvallen,
waar zij gerustelijk in wellusten leven, dewijl zij in duisternis zijnde,
niet zien; want daar is geen dikker duisternis dan de onwetendheid Gods. Maar wij die Christus door het licht des Evangelies verlicht heeft, zijn zeer van hen onderscheiden. Want het woord van Jesaja wordt waarachtiglijk in ons vervuld, te weten: Dat de Heere over Jes. eo:i. ons oprijst, en zijn eer in ons gezien wordt, als de aarde met duisternis bedekt wordt. Zoo vermaant hij dan dat het ongeschikt is, zoo wij als slapende door Christus bevonden worden, of niet ziende, waar ons het volle licht schijnt. Kinderen des lichts, noemt hij naar de wijze der Hebreeuwsche taal, degenen die met licht be gaafd zijn, gelijk de kinderen des daags, die den dag genieten. En dit bevestigt hij wederom, als hij zegt, dat wij niet zijn des nachts noch der duisternis, te weten, omdat de Heere ons daaruit verlost heeft. Want het is alsof hij zeide, dat wij van den Heere niet verlicht zijn om in duisternis te dwalen.
6 Zoo dan, laat ons niet slapen gelijk als de anderen, maar laat Kom. 13:11 ons nuoliteren zijn. 5. ^
7 Want die slapen, die slapen des nachts, en die dronken zijn,
die zijn des nachts dronken.
8 Maar laat ons, wij die des daags zijn, nuchter zijn, bekleed Ef. 6; 17. met het borstwapen des geloofs en der liefde, en met den
helm der hope der zaligheid.
9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus:
10 Die gestorven is voor ons, opdat wij, zoo wij waken of slapen, J0â¢'r 1g'g
te zamen met Hem leven. Gal. 2:20.
1 Petr. i: 2.
6 Zoo dan, laat ons niet slapen. Hij stelt andere gelijkenissen aan de voorgaande gelijk. Want gelijk hij weinig boven getoond heeft, dat het geenszins betaamt in het licht blind te zijn, alzoo vermaant hij nu dat het onbetamelijk en schandelijk is, midden in den dag te slapen of dronken te zijn. En gelijk hij de leer des Evangelies, waardoor Christus de zon der gerechtigheid onsge-Mai. 4.
1 THESSALONICENSEN 5 : 7â9.
openbaard wordt, dag noemt: alzoo als hij van den slaap en de dronkenschap spreekt, zoo meent hij niet den natuurlijken slaap, noch dronkenschap uit den wijn, maar de plompheid des gemoeds, als wij God en onszelven vergeten, en gerustelijk onzen zonden toegeven. Dat wij niet slapen (zegt hij) dat is, dat wij niet ongevoelig worden in de wereld, in onachtzaamheid verzonken zijnde. Gelijk als de anderen, dat is, gelijk de ongeloovigen, aan wie de onwetendheid Gods, gelijk een duistere nacht, het gevoelen en verstand beneemt. Maar Iaat ons waken, dat is, laat ons met ernstig gemoed zien op den Heere. En laat ons nuchter zijn, dat is, laat ons de zorgvuldigheden dezer wereld afleggen, die ons met haar zwaarheid nederdrukken, en laat ons de booze begeerlijkheden afwerpen, en ons vrij en blijmoedig naar den hemel strekken. Want dit is een geestelijke nuchterheid, als wij zoo karig en sober deze wereld gebruiken, opdat wij door hare verlokkingen niet verstrikt worden.
8 Bekleed met het borstwapen des geloofs. Dit stelt hij hierbij, om ons te beter de slaperigheid te verdrijven; want hij roept ons tot de wapenen, om te toonen dat het geen tijd is om te slapen. Hij verzwijgt wel den naam des krijgs: doch als hij ons wapent met het borstwapen en met den helm, zoo vermaant hij dat men moet strijden. Daarom zoo wie vreest van den vijand overwonnen te worden, die moet wakker worden, om zonder ophouden op wacht te zijn. Gelijk hij dan vermaand heeft tot waken, omdat de leer des Evangelies, als een licht des daags is: alzoo wekt hij ons nu op door een ander bewijsreden, te weten, omdat men tegen den vijand moet strijden: waaruit volgt, dat de traagheid veel te schadelijk is. Want wij zien hoe dat de krijgsknechten, al is het dat zij anders onmatig zijn, nochtans wanneer de vijand nabij is, zich uit vreeze van verderf van gulzigheid en alle wellusten onthouden, en ernstig waken om te bewaren. Dewijl dan de duivel ons altijd nagaat, en duizend lagen legt, zoo behooren wij immers niet minder naarstig en wakker te zijn. Voorts, in de namen der wapenen wordt tevergeefs van sommigen scherpzinnige uitlegging gezocht: want Paulus spreekt hier anders, dan hij doet in Ef. 6:17, want daar stelt hij de rechtvaardigheid tot een borstwapen. Zoo zal dan dit genoeg zijn om zijn zin te weten, dat hij wil leeren dat der Christenen leven is als een gedurige krijg: want de duivel houdt niet af hun hinderlijk en toornig te zijn. Zoo wil hij dan, dat wij ernstig bereid en opgericht zijn om te wederstaan: daarna vermaant hij dat ons wapenen noodig zijn, dewijl zij zulken machtigen vijand niet kunnen wederstaan, tenzij zij wel gewapend zijn. Hij verhaalt hier niet allerlei wapen, maar verhaalt alleen twee stukken, het borstwapen en de helm. Intusschen wordt hier niets weggelaten, zooveel de geestelijke wapening aangaat. Want zoo wie met geloof, liefde en hoop gewapend is, zal nergens ongewapend gevonden worden.
9 Want God heeft ons niet gesteld tot toom. Dewijl hij van de hoop der zaligheid gesproken had, zoo vervolgt hij dat stuk, en zegt dat wij van God daartoe verordend zijn, dat wij door Christus zaligheid zouden verkrijgen. Men kon ook deze plaats eenvoudig uitleggen, aldus: dat men den helm der zaligheid moet aandoen, omdat God niet wil dat wij vergaan, maar meer dat wij zalig zijn. En dit is wel Paulus' meening, maar naar mijn oordeel strekt hij
38
1 THESSALONICENSEN 5:9-12.
verder. Want dewijl de dag van Christus ons gemeenlijk vreeselijk is, zoo zegt hij dat wij tot zaligheid gesteld zijn, en wil alzoo een einde van deze handeling maken. Het Grieksche woord waarvoor Tspi wij gesteld hebben verkrijging, beduidt ook genieting. Voorwaar Toiyci?. Paulus' meening is niet, dat wij van God geroepen zijn om onszelven zaligheid te verkrijgen, maar om die te hebben gelijk zij ons door Christus verkregen is. Paulus geeft den geloovigen moed om ernstig te strijden, dat betrouwen der overwinning voorstellende: want wie vreesachtig en twijfelachtig strijdt, die is half overwonnen. Zoo heeft hij dan met deze woorden die vreesachtigheid willen wegnemen, die uit mistrouwen rijst. Nu hebben wij nergens beter hope der zaligheid uit, dan uit het voornemen Gods. Het woord toorn, wordt hier, gelijk op andere plaatsen, genomen voor het oordeel of de wraak Gods tegen de verworpenen.
10 Die gestorven is. Uit het einde des doods van Christus bevestigt hij wat hij gezegd heeft: want zoo hij daarom gestorven is,
om ons zijn leven deelachtig te maken, zoo hebben wij aan onze zaligheid niet te twijfelen. Nochtans is het twijfelachtig, wat hij nu meent bij deze woorden slaap en waking; want hij mocht schijnen den dood en liet leven daarmede te beduiden, en deze zin zou vol-komener zijn. Hoewel men kan het ook niet ongeschikt van den dagelijkschen slaap uitleggen. De inhoud is, dat Christus daartoe gestorven is, om zijn leven hetwelk eeuwig en zonder einde is, ons te geven. Voorts, is het geen wonder, dat hij nu zegt, dat wij nu alreeds met Christus leven: omdat wij door het geloof in het rijk van Christus getreden zijnde, van den dood in het leven doorgaan. Christus in wiens lichaam wij geplant zijn, maakt ons zelve levend door zijn kracht, en de Geest die in ons woont, is het leven om de rechtvaardigheid.
11 Daarom vermaant ') elkander, en sticht een iegelijk den ander V Of: v gelijk gij ook doet. _ _ tr0
12 Wij bidden u, broeders! dat gij die bekent die onder u arbei- Rom. 15 den, en u voorstaan in den Heere, en u vermanen. Gal. 6 :6.
13 Dat eii die houdt in arroote waarde, mot liefde, om huns werks Fil- 2:29
J , , ⢠1 Tim. 6
wil. Hebt vrede met hen. Hebr. 13
14 Wij vermanen u, broeders! vermaant de ongeschikt en, vertroost 17' de kleinmoedigen, neemt aan de zwakken, weest lijdzaam jegens allen.
11 Daarom vermaant. Het is hetzelfde woord, dat wij in het einde van het voorgaande hoofdstuk hadden, hetwelk wij daarover gezet hebben vertroosten, dewijl het verband der woorden dat eischte,
en die beteekenis zou ook te dezer plaats niet kwalijk dienen. Want de dingen, die hij dusver gehandeld heeft, geven stof beide tot vertroosting en tot vermaning. Zoo gebiedt hij dan onder elkander te deelen, wat hun van den Heere gegeven wordt. Hij zegt daarbij,
dat zy elkander stichten, dat is, in de leer bevestigen. Maar opdat hij niet schijne hun onachtzaamheid te berispen, zoo zegt hij ook daarbij, dat zij van zelf doen wat hij gebiedt. Maar onze traagheid is zoo groot tot het goede, dat degenen die allerbest gemoed zijn, nochtans altijd vermaning en prikkelen noodig zijn.
12 Wij bidden. Dit is een zeer noodige vermaning. Want dewijl
39
1 THESSALONICENSEN 5 ; 12, 13.
het rijk Gods klein geacht wordt, of immers niet wordt geacht naar waarde: hieruit volgt ook verachting der godzalige leeraren. En velen van hen door deze ondankbaarheid verbolgen zijnde, niet alleen omdat zij zien dat zij veracht worden, maar meer omdat zij daaruit verstaan, dat men Gode zijn eer niet geeft, worden flauwer. En God straft ook de wereld rechtvaardig, dat hij ze berooft van goede dienaren, tegen welken zij ondankbaar is. Daarom is niet zoozeer den dienaren, als der gansche gemeente, daaraan gelegen, dat degenen die getrouwelijk voorstaan, in waarde gehouden worden. En om dezer oorzake wil recommandeert ze Paulus zoo zorgvuldig. Bekennen, beduidt hier achting hebben. Maar Paulus geeft te kennen, dat den dienaren daarom minder eere geboden wordt dan het betaamt, omdat hun arbeid in het gemeen niet aangemerkt wordt. Maar men moet aanmerken wat hij van de herders zegt. Ten eerste zegt hij dat zij arbeiden, waaruit volgt, dat alle ledige buiken uit het getal der herders uitgesloten worden. Voorts, drukt hij uit wat arbeid zij doen, als hij daarbij zegt: Die u vermanen of onderwijzen. Daarom, allen, die het leerambt niet bedienen, roemen tevergeefs op den naam eens herders. Zulken worden wel lichtelijk van den paus in zijn rol geschreven, maar de Geest Gods roeit ze uit zijn rol. En dewijl zij (gelijk gezegd is) verachtelijk gehouden worden in de wereld, zoo versiert hij ze ook mede met den naam voorstander. Zulken, die arbeiden om te leeren, en niet anders voorstaan dan om de gemeente te dienen, gebiedt Paulus in geen klein eere te houden. Want letterlijk zegt hij: meer dan overvloedig eeren, en dat niet zonder oorzaak. Want men moet de reden aanmerken die hij terstond daarbij stelt, te weten, om huns werks wil. Dit werk is de stichting der gemeente, de eeuwige zaligheid der ziel, de wederoprichting der wereld, eindelijk het rijk Gods en Christus. De uitnemendheid en waardigheid dezes werks is onwaardeerbaar: daarom moeten ons die uitnemend zijn, die God dienaars maakt van zulke groote dingen. Maar uit de woorden van Paulus kan men verstaan, dat het oordeel der gemeente bevolen wordt, de ware dienaars te onderscheiden. Want hij zou tevergeefs die teekenen daarbij schrijven, zoo hij ze niet wilde van de geloovigen aangemerkt hebben. En als hij gebiedt dien eer te bieden, die arbeiden, en die met leeren behoorlijk en getrouwelijk regeeren: zoo acht hij voorwaar de ledigen en ongeschikten geen eer waardig, en toont dat zij niet waardig zijn. Voorstaan in den Heere. Dit schijnt daarbij gesteld te zijn, om de geestelijke regeering te beduiden. Want hoewel ook de koningen en overheden ook door Gods ordening regeeren: nochtans dewijl de Heere wil, dat de regeering der gemeente bijzonder erkend worde zijn regeering te zijn, daarom worden zij bij name gezegd in den Heere te regeeren, die uit Christus' naam en bevel de gemeente regeeren. Voorts, kan men hieruit verstaan, hoe ver die van de orde der herders zijn, die tirannie gebruiken die ganschelijk vreemd van Christus is. Voorwaar, opdat iemand onder de behoorlijke dienaars der gemeente gerekend worde, zoo moet hij toonen dat hij in den Heere regeert, en niets van Hem verscheiden heeft. Wat is dit anders dan door zuivere leer Christus in zijnen stoel zetten, opdat Hij alleen Heere en Meester zij.
13 Met liefde. Anderen zetten het over, door liefde. Want Paulus zegt, in liefde: wat naar de Hebreeuwsche wijze van spreken, zoo-
40
1 THESSALONICENSEN 5 : 13, 14.
veel is als door of met. Doch ik heb het liever alzoo willen uitleggen, dat hij gebiedt hun niet alleen eere te bieden, maar ook lief te hebben. Want gelijk de leer des Evangelies liefelijk is, alzoo betaamt het ook haren dienaars lief te hebben. Het ware te hard te zeggen, door de liefde in waarde houden, dewijl de liefde met de eer bekwamelijk te zamen gesteld wordt. Hebt vrede. Hoewel ,
deze plaats verscheiden gelezen wordt ook bij de Grieken, zoo behaagt het mij nochtans beter wat de oude overzetter gezet, en Erasmus gevolgd heeft, te weten, hebt vrede, of houdt vrede met hen. Want Paulus heeft naar mijn gevoelen des duivels listen willen tegengaan, welke niet ophoudt alleszins te arbeiden, om gekijf, geschil of haat te bewerken tusschen het volk en den herder. Daarom zien wij dagelijks, om wat kleine of nietige zaak de gemeente tegen hare herders verbolgen zijn, te weten, omdat deze naarstigheid in vrede te houden, niet zoo groot is, welke Paulus zoozeer beveelt.
14 Vermaant de ongeschikten. Dit is een gemeene leer, dat wij zullen zorg dragen voor der broederen zaligheid, hetwelk geschiedt door vermanen, berispen, oprichten: maar dewijl der menschen natuur onderscheiden is, zoo gebiedt de apostel niet tevergeefs, dat de geloovigen zichzelven naar deze verscheidenheid voegen. Zoo gebiedt hij dan de ongeschikten te vermanen, dat is, degenen die ongebonden leven. En de vermaning wordt genomen voor bestraffing, door welke zij terecht gebracht worden; want zij zijn grooter strengheid waardig, en kunnen door geen ander remedie tot betering gebracht worden. Bij de kleinmoedigen moet men andere matigheid gebruiken: want hun is vertroosting noodig. De zwakken moet men ook oprichten. Kleinmoedigen, noemt hij degenen, die een gebroken en bedroefd gemoed hebben. Dezen en den zwakken geeft hij alzoo toe, dat hij de ongeschikten harder wil gedwongen hebben.
Wederom gebiedt hij de ongeschikten alzoo scherpelijk te vermanen,
dat men de zwakken vriendelijk en beleefdelijk behandele, dat de kleinmoedigen vertroosting ontvangen. Zoo is het dan tevergeefs, dat degenen die hardnekkig en ongetemd zijn, liefelijk begeeren gesmeekt te worden: want men moet de remediën stellen naar de krankheden. Nochtans beveelt hij lijdzaamheid aan alle menschen:
want de strengheid tegen de ongeschikten moet ook met eenige zachtheid gematigd zijn. Hoewel deze lijdzaamheid eigenlijk wordt gesteld tegen de verdrietelijkheid: want wij vallen tot geen ding lichter dan tot vermoeidheid, wanneer wij onzer broederen krankheid zullen genezen. Wie eens of tweemaal de kleinmoedigen vertroost heeft, zoo hij de derde maal dat doen moet, zoo zal hij ik weet niet wat moeielijkheid, ja verontwaardiging gevoelen, dewelke hem niet toelaat in zulk werk voort te gaan. Alzoo zoo wij door vermanen of schelden niet terstond zooveel uitrichten als wel te wenschen ware, Lev lg, 18 zoo werpen wij de hope weg van meer voortgang te doen. Dusda-spr.'20: 22;quot; nige onlijdzaamheid wil Paulus bedwingen, als hij matigheid jegens Mate's ⢠39
alle menschen beveelt. Kom. 12:17.
1 Cor. 6: 7.
15 Ziet toe, dat niemand iemand kwaad voor kwaad vergelde: 53 jg' maar staat altijd naar vriendelijkheid jegens elkander en jegens Luk. 10:20. allen. 4. ^
16 Weest altijd vroolijk. KQm. 12^ 12.
17 Bidt zonder ophouden.
41
1 THESSALONICENSEN 5 : 15, 16.
18 Dankt in alle dingen: want dit is de wil Gods in Christus Jezus aan ons.
19 Bluscht den Geest niet uit.
20 Veracht de profetieën niet.
21 Proeft alle ding, houdt dat goed is.
22 Onthoudt u van allen boozen schijn.
15 Ziet toe, dat niemand. Omdat de onderhouding dezes gebods zeer zwaar is in zulke groote genegenheid van onze natuur tot wraak, daarom gebiedt hij naarstig te zijn om ons te wachten. Want het woord ziet toe, eischt ernstige- begeerte. En hoewel hij enkel verbiedt dat zij elkander geen onrecht doen, zoo straft hij nochtans ook zonder twijfel alle schadelijke genegenheden. Want zoo het niet geoorloofd is, kwaad voor kwaad te vergelden, zoo is alle begeerte tot hinderen, zondig. Deze leer komt eigenlijk den Christenen toe, geen kwaad met kwaad te vergelden, maar goedsmoeds te verdragen. En omdat de Thessalonicensen niet zouden denken, dat alleen de wraak tegen de broeders verboden wordt, zoo zegt hij bij name: Dat zij niemand kwaad doen. Want men pleegt somtijds sierlijke verontschuldigingen voor te wenden. Wat? waarom zou ik mij niet mogen wreken tegen zulke booze wreede boeven? Maar dewijl het wreken ons verboden wordt zonder eenige uitzondering, zoo moeten wij ons onthouden van kwaad te doen, wie hij ook zij die ons schade gedaan heeft. Maar staat altijd naar vriendelijkheid. Met deze woorden leert hij niet alleen, dat wij ons moeten onthouden van wraak, zoo iemand ons hinder doet, maar dat men allen menschen weldadigheid moet bewijzen. Want hoewel hij wil ten eerste, dat daar onderlinge weldadigheid onder de ge-loovigen zij, zoo strekt hij ze nochtans daarna uit tot alle menschen,
Bom. 12:21. hoewel zij onwaardig zijn: opdat wij zoeken het kwaad met goed te overwinnen, gelijk hij op een andere plaats leert. Zoo dan, de eerste trap tot lijdzaamheid is het onrecht niet wreken; de andere is den vijanden weldoen.
16 Weest altijd vrooljjk. Dit versta ik van de matiging des gemoeds, als zij in tegenspoed zich bedwingen, en der droefheid niet te veel toegeven. Daarom stel ik deze drie dingen te zamen: Altijd vroolijk wezen, altijd bidden, en God in alle dingen danken. Want als hij beveelt zonder ophouden te bidden, zoo toont hij hoe men altijd zal vroolijk zijn: omdat wij in al ons leed verlichting van God begeeren. Alzoo Fil. 4 : 4, daar hij zegt: verblijdt u in den Heere; wederom zeg ik, verblijdt u: uwe bescheidenheid of matigheid zij allen bekend. Weest niet zorgvuldig: de Heere is nabij: daarna toont hij het middel of de wijze, als hij zegt: Maar laten uwe begeerten Gode bekend worden in alle gebeden met dankzegging. Wij zien, dat hij daar de oorzaak der vroolijkheid stelt in een vreedzaam en gerust gemoed, dewelke niet bovenmate beroerd wordt door onrecht of tegenspoed. Voorts, opdat de smart, droefheid, benauwdheid en vreeze ons niet overvalle, zoo gebiedt hij ons op de voorzienigheid Gods te steunen. En dewijl dikmaals ons twijfelingen overkomen, of God zorg draagt voor ons, zoo geeft hij ook remedie, te weten, dat wij met bidden, onze zorgvuldigheden gelijk
1 Petr. 6:7. in zijn schoot, zullen uitstorten en afleggen, gelijk David Ps. 37 : 5, 55 : 23, gebiedt, en naar zijn exempel ook Petrus. En dewijl wij in
42
Ef. 6 : 20.
1 Cor. 14 :30.
2 Mak. 6 : 24.
1 THESSALONICENSEN 5 : 16â19.
onze begeerten veel te haastig zijn, zoo stelt hij een matiging daarbij, dat wij begeerende wat ons ontbreekt, nochtans niet aflaten te danken. Hier heeft hij bijna dezelfde orde, hoewel met kortere woorden. Want in de eerste plaats wil hij, dat de weldaden Gods zoo groot van ons geacht worden, dat derzelver bekenning en bedenking alle droefheid overwinne. En voorwaar, zoo wij overleggen wat Christus ons gedaan heeft, zoo zal geen smart der droefheid zoo groot wezen, die niet zal verzachten, en der geestelijke blijdschap plaats geven. Want tenzij deze blijdschap in ons regeert, zoo is ook het rijk Gods verre van ons, of wij van Hem. En die is Gode zeer ondankbaar, die de rechtvaardigheid van Christus en de hoop des eeuwigen levens niet zoo groot acht, dat hij zich midden in droefheid verblijdt. Maar dewijl onze harten lichtelijk verflauwen, zoodat zij door onlijdzaamheid overwonnen worden: zoo moet men de remedie aanmerken die terstond volgt. Want als wij liggen en nedergeslagen zijn, zoo worden wij wederom opgericht door gebeden : want wij werpen op God, wat ons bezwaarde. En dewijl allen dag, ja alle oogenblik vele dingen onzen vrede onrustig mochten maken, en onze blijdschap benemen: daarom gebiedt hij ons zonder ophouden te bidden. Van deze gedurigheid in het bidden, hebben wij elders gezegd. De dankzegging wordt (gelijk wij gezegd hebben) als een matiging daarbij gesteld. Want vele menschen bidden alzoo, dat zij nochtans tegen God murmureeren en verbolgen zijn, zoo Hij niet terstond hunne begeerten doet. Wij moeten onze begeerten alzoo dwingen, dat wij tevreden zijnde met wat gegeven wordt, onze gebeden altijd met dankzegging vermengen. Het is wel geoorloofd te begeeren, ja ook te zuchten en klagen, doch alzoo, dat de wil Gods ons meer behage dan de onze.
18 Want dit is de wil Gods. Te weten, dat wij God danken, naar Chrysostomus gevoelen. Maar ik meen dat onder deze woorden een volkomener zin vervat wordt, te weten, dat de genegenheid Gods in Christus tot ons zoodanig is, dat wij ook in verdrukkingen groote oorzaak hebben tot dankzegging. Want wat is beter of bekwamer om ons tevreden te stellen, dan als wij hooren dat God ons alzoo in Christus omhelst, dat Hij tot ons goed en zaligheid wendt al wat ons toekomt? Zoo zullen wij dan gedenken, dat dit een bijzonder remedie is om de onlijdzaamheid te beteren, als wij onze oogen van het aanschouwen des tegenwoordigen onge-riefs dat ons kwelt, afwenden tot een tegenovergestelde aanmerking, te weten, hoe God jegens ons gezind is in Christus.
19 Bluscht den Geest niet uit. Deze gelijkenis is genomen van de kracht en de natuur des Geestes: Want dewijl des Geestes eigen ambt is, het verstand te verlichten, zoodat Hij daarom genoemd wordt ons licht: zoo worden wij eigenlijk gezegd Hem uit te blus-schen, als wij zijn genade vernietigen. Sommigen meenen, dat in deze en de navolgende woorden, eenzelfde ding gezegd wordt. Zoo dan, naar hun meening is den Geest uitblusschen, niet anders dan de profetieën versmaden. Maar dewijl de Geest verscheidenlijk uit-gebluscht wordt, zoo onderscheid ik deze twee alzoo, dat het een gemeen is, en het ander bijzonder. Want hoewel de verachting der profetie een uitblussching des Geestes is, zoo blusschen nochtans ook die den Geest uit, die, hoewel zij de vonken of spranken, die van God ontstoken zijn, behoorden met dagelijkschen voortgang
43
1 THESSALONICENCEN 5:19â21.
meer en meer op te wekken, nochtans de gaven Gods door hun traagheid te niet maken. Zoo dan, deze vermaning van den Geest niet uit te blusschen strekt verder dan de navolgende van de profetieën niet te versmaden. De zin der eerste is; gij zijt door den Geest Gods verlicht, ziet toe, dat u dit licht niet verloren ga door uwe ondankbaarheid. Dit is een zeer nutte vermaning: want wij zien dat die eenmaal zijn verlicht geweest, en daarna zulke dierbare gave Gods verwerpen, of zichzelven met gesloten oogen tot de ijdelheid der wereld laten trekken, met gruwzame blindheid geslagen worden, opdat zij anderen zijn tot voorbeeld. Zoo moeten wij dan ons hoeden voor die onachtzaamheid, waardoor dat licht Gods in ons uitgebluscht wordt. Voorts, die hieruit besluiten, dat het in des menschen macht is, dat aangeboden licht uit te blusschen, of te vermeerderen, en alzoo de kracht der genade willen verkleinen, en de macht van den vrijen wil verheffen, die redeneeren kwalijk, Want hoewel God in zijne uitverkorenen krachtig werkt, en niet alleen hun het licht voorstelt, maar maakt dat zij zien, hun opent de oogen des harten, en ze open houdt, nochtans dewijl het vleesch altijd tot traagheid genegen is, zoo zijn hem de prikkelen der vermaning noodig. Maar wat God door Paulus' stem gebiedt, werkt Hij zelve in den mensch. Intusschen komt het ons toe den Heere te bidden, dat Hij in de ontstoken lamp olie geve, de lampepit zuiver beware, en ook ophale.
zo Veracht de profetieën niet. Deze zin wordt bekwamelijk bij den voorgaanden gesteld: want dewijl de Geest Gods meest door de leer verlicht, zoo blusschen die den Geest uit zooveel in hen is, die der leer geen plaats toelaten. Want men moet altijd aanmerken, hoe, of met wat middelen God Zich ons wil gemeen maken. Zoo dan, zoo wie onder het meesterschap des Heiligen Geestes voortgang wil doen, die moet zich door den dienst der profeten laten leeren. Voorts, door het woord profetie, versta ik niet de gave van voorzeggen, maar de wetenschap om de Schrift uit te leggen, gelijk 1 Cor. 14: 3, zoodat een profeet is een uitlegger van den Goddelijken wil. Want te dier plaats die ik voortgebracht heb, heeft Paulus de leer tot stichting, vermaning en vertroosting, den profeten toegeschreven, en verhaalt deze dingen als deelen daarvan. Zoo dan, de profetie te dezer plaats, is de uitlegging der Schrift, tot het tegenwoordige gebruik gevoegd. Deze verbiedt Paulus te verachten, tenzij wij willens in duisternis willen dwalen. Het is een schoone waarheid tot aanprijzing der uitwendige prediking. De onheilige menschen droomen, dat het kinderen zijn die in het lezen en hooren der Schrift gehouden worden, alsof daar niemand geestelijk ware, dan die de leer veracht. Zoo dan, zij verachten hoo-vaardig den dienst der menschen, ja ook de Schrift zelve, opdat zij den Geest verkrijgen. Bovendien houden zij hoovaardig voor verborgen openbaringen des Geestes alle razernijen, zooveel als er hun de duivel ingeeft. Zoodanig zijn de Libertijnen en dergelijke razende menschen. En hoe ongeleerder een iegelijk is, zooveel te hoovaar-diger en opgeblazener is hij. Maar wij zullen naar Paulus' exempel leeren den Geest bij der menschen stem te voegen, welke niet anders is dan zijn instrument.
2i Proeft alle ding. Dewijl de lichtvaardige menschen en misbruikers des Geestes hunne beuzelingen bekleeden met den naam
44
1 THESSALONICENSEN 5:21.
der profetie, zoo zou de profetie aldus in kwaad vermoeden mogen komen, of gehaat worden: gelijk heden velen bijna de walg hebben,
wanneer slechts de prediking genoemd wordt, omdat daar zooveel ongeleerde en ongeschikte menschen zijn, die hunne ondeugende gedichtselen op den predikstoel uitstorten, en ook andere godde-loozen hunne gruwelijke lastering uitblaten. Dewijl dan door zulke menschenfeil de profetie walgelijk kon worden, ja nauwelijks plaats hebben: zoo gebiedt Paulus de Thessalonicensen alles te proeven: daarmede beduidende, of zij schoon niet allen spreken juist naar den volkomen regel, dat men nochtans eerst moet oordeelen, dan eenige leer veroordeelen of verwerpen. Men pleegt hier tweëerlei wijze te zondigen. Want sommigen verwerpen allerlei leer, omdat zij door valsche voorwending van den naam Gods bedrogen zijn, of weten dat gemeenlijk velen bedrogen worden: anderen nemen zonder onderscheid aan door een dwaas en lichtvaardig geloof, al wat onder Gods naam voorgesteld wordt. Beide is gebrekkelijk: want de eersten, met dat grootsche vooroordeel doordrongen zijnde, sluiten zichzelven den weg om voortgang te doen; de anderen onderwerpen zich lichtvaardig aan alle winden van dwalingen. Van deze twee onmatigheden roept Paulus de Thessalonicensen terug tot de rechte matigheid, als hij hun verbiedt eenig ding te veroordeelen,
dat zij niet eerst onderzocht hebben, en vermaant wederom, dat zij oordeel moeten gebruiken, eer zij dat, wat voortgebracht wordt, voor ontwijfelbaar aannemen. En men is voorwaar deze eerbied den naam Gods schuldig, dat men de profetie niet verwerpe, die gezegd wordt van Hem gekomen te zijn. Maar gelijk de onderzoeking of onderscheiding moet gaan vóór de verwerping, alzoo ook vóór de aanneming der ware en gezonde leer. Want het betaamt den godzaligen niet zoo lichtvaardig te zijn, dat zij zonder onderscheid zoowel het valsche als het ware zouden aannemen. Hieruit verstaan wij, dat God den geloovigen den Geest des oordeels geeft, opdat zij onderscheiden, en door der menschen bedrog niet verleid worden. Want zoo zij niet met onderscheid begaafd waren, Paulus zou tevergeefs zeggen: Proeft alle ding, en houdt wat goed is. Zoo wij gevoelen dat wij de gave niet hebben om wel te beproeven, zoo moet men ze begeeren van denzelfden Geest, die door zijne profeten spreekt. Nu zegt de Heere te dezer plaats door den mond van Paulus, dat de loop der leer niet door eenige gebreken der menschen, noch door eenige lichtvaardigheid of onwetendheid, noch eindelijk door geen misbruik moet verhinderd worden allen tijd in de gemeente haar kracht en plaats te hebben. Want dewijl de wegneming der profetie der gemeente verderf is: zoo zullen wij eer den hemel met de aarde vermengen, dan dat de profetie zou ophouden. Maar Paulus schijnt hier veel te breed vrijheid in het leeren toe te laten,
als hij wil dat men alle ding proeve: want men moet het toch eerst hooren om te proeven: nu aldus zou den bedriegers een deur geopend wezen om hunne leugenen te zaaien. Ik antwoord, dat hij niet begeert, dat men den valschen leeraren gehoor geve, welker mond Tit. i:9. hij elders gebiedt te stoppen: en die hij zoo streng uitsluit, en dat hij ook niet wegneemt de orde in 't verkiezen der leeraren, welke hij zoozeer elders beveelt. Maar dewijl nimmermeer zoo groote iTim. 3: naarstigheid kan gedaan worden, of daar profeteeren wel somtijds die niet zoo wel geleerd zijn als het betaamt, en daar zijn wel goede
1 THESSALONICENSEN 5:21â23.
en godzalige leeraars, die het merk missen, zoo eischt hij deze matigheid van de geloovigen, dat zij nochtans niet weigeren te hoo-ren. Want daar is niets zorgelijkers, dan die eigenzinnigheid, waardoor ons geen leer smaakt, als wij niet willen proeven wat goed is.
22 Van allen boozen schijn. Sommigen meenen dat dit een al-gemeene waarheid is, alsof hij gebood zich te onthouden van alle dingen die eenen schijn des kwaads hebben. Alzoo zou de zin wezen, dat het inwendige getuigenis der conscientie niet genoegzaam is, tenzij men ook acht heeft op de broeders, opdat de ergernissen kunnen tegengegaan worden, met te vlieden al wat kan schijnen kwaad te zijn. Die hier het Grieksche woord, waarvoor wij gesteld hebben schün, nemen voor soort, die dwalen veel te grovelijk. Want Paulus neemt het hier gelijk als wij het overgezet hebben, voor een schjjn: en men kan het overzetten boozen sch|jn, of schijn van het booze: toch blijft dezelfde zin. Ik volg liever Chrysostomus en Ambrosius, die het bij den naasten zin voegen, hoewel zij geen van beiden den zin van Paulus uitdrukken, en hebben mogelijk niet genoeg verstaan wat hij meent. Ik zal mijn gevoelen zeggen met korte woorden. Ten eerste, door boozen schijn of schijn van het booze, versta ik als de valschheid eener leer nog niet alzoo bevonden is, dat men ze terecht kan verwerpen, en nochtans eenig kwaad vermoeden daarvan is, en gevreesd wordt dat daar iets venijns onder verborgen is. Zoo dan, Paulus gebiedt van zulke leer zich te onthouden, die boos schijnt, hoewel zij niet boos is. Niet dat hij ze ganschelijk laat verwerpen, maar omdat zij niet moet ontvangen worden, of geloof hebben. Want waarom heeft hij eerst geboden te houden wat goed is, en wil nu dat men niet alleen af-houde van het booze, maar ook van den schijn van het booze, te weten, omdat het betaamt dat men ze dan eerst gelooft, als de waarheid door goede onderzoeking en oordeel in 't licht gebracht is. Maar waar vreeze der valschheid is, of waar het verstand met twijfel verward is, daar betaamt het den voet terug te trekken, of den loop op te houden, (gelijk men spreekt) opdat wij niets aannemen met twijfelachtige en verwarde conscientie. In ée'n woord, hij leert hoe de profetie ons zal nuttig wezen zonder gevaar, te weten, zoo wij naarstig zullen wezen om alles te beproeven, en zoo wij lichtvaardigheid en haastigheid vlieden.
i Cor. 1:9. 23 De God des vredes heilige u geheel; en uw geest en ziel, en
lichaam worde geheel zonder beschuldiging bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus.
1 Cor. 1:9; 24 Hij is getrouw die u geroepen heeft, die het ook doen zal.
10 '13' 25 Broeders! bidt voor ons.
2 Cor. 13:12. 26 Groet alle broeders met den heiligen kus.
Rommel ie 27 Ik bezweer u bij den Heere, dat deze zendbrief allen heiligen
l Cor. 16: 20. broeders gelezen worde.
28 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u. Amen.
46
Deze Eerste zendbrief aan de Thessalonicensen is geschreven van Athene.
23 De God. Als hij menigerlei geboden gegeven heeft, zoo komt hij ten laatste tot bidden; en voorwaar, de leer wordt tevergeefs
1 THESSSALONICENSEN 5 : 23.
47
gezaaid, tenzij de Heere ze in onze harten zaaie. Waaruit het openbaar is hoe verkeerdelijk die doen, die uit de geboden Gods de kracht der menschen meten. Dewijl dan Paulus wist dat alle leer onnut was, totdat God ze als met zijn vinger in onze harten schrijft, zoo bidt hij God, dat Hij de Thessalonicensen heilige. Waarom hij hier zegt: De God des vredes, dat is mij niet genoeg bekend, tenzij wij het tot het voorgaande willen voegen, waar hij van de broederlijke eendrachtigheid, en lijdzaamheid, en gerustheid des ge-moeds spreekt. Wij weten dat onder het woord heiligen, vervat wordt de gansche vernieuwing des menschen. De Thessalonicensen waren nu wel eensdeels vernieuwd, maar Paulus wenscht dat God volbrenge wat daar nog ontbreekt; waaruit wij verstaan, dat men het gansche leven lang moet voortgaan in de oefening der heiligheid. Voorts, zoo het Gods ambt is den ganschen mensch te vernieuwen, zoo blijft daar niets voor den vrijen wil. Want zoo wij Gods medewerkers moesten zijn, zoo zou Paulus aldus gesproken hebben: God helpe en bevordere uwe heiligmaking. Nu, als hij zegt: Hij heilige u geheel, zoo maakt hij Hem alleen den auteur van het gansche werk. En uw geest. Dit wordt tot verklaring daarbij gesteld, opdat wij weten hoedanig de heiligmaking van den ganschen mensch is, te weten, als hij in geest, ziel en lichaam, geheel of zuiver, en onbesmet bewaard wordt tot den dag van Christus. En dewijl in dit leven nimmermeer zulke geheelheid is, zoo moet allen dag de zuiverheid wat vermeerderd, en de onreinigheden wat verminderd worden, zoolang wij in de wereld leven. Voorts moet men deze deeling van den mensch aanmerken: want somtijds wordt de mensch enkel gezegd in lichaam en ziel gedeeld te zijn: en dan wordt door de ziel de onsterfelijke geest des menschen verstaan, welke in het lichaam als in een huis woont. En dewijl de ziel twee voorname deelen heeft, te weten, het verstand en den wil, zoo pleegt de Schrift somtijds deze twee onderscheiden te stellen, als zij de natuur en kracht der ziel wil uitdrukken: maar alsdan wordt het woord ziel, genomen voor de zetel der genegenheden, zoodat het is een tegendeel des geestes. Daarom, als wij hooren dit woord geest, zoo zullen wij weten, dat de rede en het verstand daarmede beduid wordt: gelijk door het woord ziel, de wil en alle genegenheden beduid worden. Ik weet wel, dat de woorden van Paulus door velen anders uitgelegd worden: want zij meenen dat de ziel genoemd wordt de levende geest, en de geest, dat deel des menschen dat vernieuwd is: maar dan zou Paulus' gebed ongeschikt zijn. Bovendien is het gebruik der Schrift anders, gelijk ik gezegd heb. Als Jesaja zegt, hfdst. 26:9: Mijn ziel heeft U des nachts begeerd, mijn geest heeft op U gedacht: zoo twijfelt niemand, dat hij van zijn verstand en genegenheid spreekt, en alzoo twee deelen der ziel verhaalt. In denzelfden zin worden deze twee woorden te zamen gesteld in de psalmen. En dit komt met de uitspraak van Paulus best overeen. Want hoe is de gansche mensch geheel, dan als de gedachten zuiver en heilig zijn, als alle genegenheden recht en wel geschikt zijn, en eindelijk als het lichaam zijn dienst en arbeid niet anders dan tot goede werken voegt? Want het verstand wordt van de philosophen als de overste gesteld, en de genegenheden in het midden om te gebieden, en het lichaam bewijst gehoorzaamheid. Nu zien wij hoe goed alle ding rijmt. Want dan is de mensch zuiver
1 THESSALONICENSEN 5:23â27.
en geheel, zoo hij met het verstand niets bedenkt, noch met het hart begeert, noch met het lichaam volbrengt, dan wat God behaagt. Nu, dat Paulus de bewaring van den ganschen mensch, en van al zijne deelen, alzoo Gode beveelt, daaruit moet men verstaan, dat wij aan ontallijk vele gevaren onderworpen zijn, zoo wij door zijn bescherming niet bewaard worden.
24 Hij is getrouw, die u geroepen heeft. Gelijk hij door het bidden betuigd heeft, hoe groote zorg hij droeg voor de zaligheid der Thessalonicensen, alzoo bevestigt hij ze nu in het betrouwen der Goddelijke genade. Merk op, op welken grond hij hun de eeuwige hulpe Gods belooft, te weten, omdat God ze geroepen heeft: met welke woorden hij te kennen geeft, dat men moet hopen dat de genade zal duren en blijven, van dat de Heere ons eenmaal Zich tot kinderen aangenomen heeft. Want Hij belooft niet, dat Hij één dag onze Vader zal zijn, maar Hij neemt ons aan met conditie, dat Hij ons altijd zal onderhouden. Zoo dan, de roeping moet ons een getuigenis der eeuwige genade zijn: want Hij wil het werk zijner handen niet onvolmaakt laten. Voorts, Paulus spreekt tot de geloovigen, die niet alleen door de uiterlijke prediking geroepen waren, maar ook krachtig van Christus tot den Vader waren geleid, om in het getal der kinderen te zijn. Van den kus, hoe die een teeken der groetenis is geweest, daarvan hebben wij elders gezegd. Met deze woorden verklaart hij zijn liefde tot de heiligen.
27 Ik bezweer u bij den Heere. Het is onzeker of Paulus gevreesd heeft, dat booze en nijdige menschen, (gelijk het dikmaals geschiedt) den zendbrief zouden verbergen, of dat hij eenig ander perijkel heeft willen mijden, dat niet uit verkeerde voorzichtigheid en zorg van eenigen de zendbrief onder weinigen zou gehouden worden. Want men vindt altijd menschen, die zeggen, dat het niet nut is dingen te openbaren, die zij anders bekennen zeer goed te zijn. Voorwaar wat listen of voorwendingen het ook zijn, die de duivel toen gebruikt heeft, opdat de zendbrief niet bij alle menschen bekend worde, men kan uit Paulus' woorden verstaan hoe ernstig en streng hij zich daartegen stelt. Want de bezwering bij den naam Gods is geen kleine noch lichte zaak. Zoo hebben wij dan, dat de Geest Gods heeft gewild, dat wat hij door Paulus' dienst in dezen zendbrief geleerd heeft, der gansche gemeente geopenbaard worde. Waaruit het openbaar is, dat die hardnekkiger zijn dan de duivelen zeiven, die heden het volk Gods verbieden Paulus'brieven te lezen: dewijl zij door zulke strenge bezwering niet bewogen worden.
48
THESSALOSICENSEN.
AAN
DEN UITNEMENDEN MAN
BENEDICTUS TEXTOR,
Medieunmeester.
Dewijl die oordeelen, dat gij in de wetenschap uwer kunst uitnemend zijt, die in die zake bekwame rechters zijn, zoo heb ik die nauwkeurige trouw en naarstigheid, die gij in het bezorgen der kranken en in het geven van antwoorden pleegt te gebruiken, altijd voor een zeer groote deugd geacht. Maar bijzonder in mijn gezondheid weder op te richten of te beschermen, heb ik gezien dat gij zoozeer naarstig waart, dat men lichtelijk zag, dat gij niet zoozeer acht had op een mensch, maar meer acht hadt op het gemeen goed der gemeente. Mogelijk zou iemand denken dat deze weldaad te minder is, omdat zij niet hem alleen gedaan ware. Maar ik gevoel eerder, dat ik dubbel aan u verbonden ben, dat gij, toen gij gan-schelijk niets naliet dat de vriendschap was eischende, ook niet minder zorgvuldig zijt geweest voor mijnen dienst, welken ik liever heb dan mijn eigen leven. Bovendien, word ik door de gedachtenis mijner gestorven huisvrouw eiken dag vermaand, hoeveel ik u schuldig ben, niet alleen omdat zij door uwe hulp is verlicht, en eenmaal uit een zware en zorgelijke krankheid genezen is, maar ook omdat gij in de laatste krankheid, waardoor zij ons ontnomen is, geen voorzichtigheid, arbeid en naarstigheid hebt nagelaten om haar te helpen. Nu, dewijl gij mij niet toelaat anders te betalen, zoo heb ik uwen naam in deze uitlegging willen stellen, opdat daar eenig teeken mijner liefde tot u ware.
Te GENÃVE, den Isten Juli 1550.
DE INHOUD
VAN DEN
TWEEDEN ZENDBRIEF VAN PAUEUS
AAN DE
THESSALONICENSEN.
Het komt mij niet waarschijnlijk voor, dat deze zendbrief van Rome is gezonden, gelijk de Grieksche testamenten in het gemeen hebben: want Paulus zou wat van zijn gevangenis aangeroerd hebben, gelijk hij in andere zendbrieven gewoonlijk doet. Bovendien zegt hij bij het begin van het derde hfdst., dat hem gevaar naakt van ongeschikte menschen. Waaruit men kan gissen, dat hij op weg geschreven is, toen hij naar Jeruzalem reisde. En het is voortijds alom bij de Latijnen aangenomen geweest, dat hij te Athene geschreven was. De oorzaak van zijn schrijven is deze geweest, te weten, opdat de Thessalonicensen niet zouden denken, dat zij vergeten waren, dewijl Paulus zich naar elders haastende, niet tot hen gekomen was. In het eerste hfdst. vermaant hij ze tot lijdzaamheid. In het Iweede hfdst. wordt de ijdele en fabelachtige meening van de aanstaande komst van Christus, die gezaaid en gedreven werd, weder-legd met dit argument, te weten, dat daar eerst afwijking moet geschieden in de gemeente, en dat het meeste deel der wereld eerst van God moet afwijken. Ja dat de antichrist moet regeeren in den tempel Gods. In het derde hfdst. als hij zichzelven in hunne gebeden aanbevolen, en hen met korte woorden vermaand heeft tot standvastigheid, zoo gebiedt hij strengelijk die te straffen die ledig zijn, en van andere lieden leven, en leert dat men ze moet uitbannen, zoo zij aan de vermaningen niet gehoorzaam zijn.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de gemeente der Thes-salonicensen in God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
2 Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere J Theae1!^! Jezus Christus. iPetr. 1:2.
3 Wij moeten God danken allen tijd over u, broeders! gelijk het betaamt, omdat uw geloof zeer toeneemt, en de onderlinge liefde Coioss. 1:3 van een iegelijk van u overvloedig is.
4 Zoodat wij zeiven in de gemeenten Gods van u roemen, van uwe verdraagzaamheid en geloof in al uwe vervolgingen en verdrukkingen die gij lijdt.
5 Dewelke zijn een bewijs des rechtvaardigen oordeels Gods, op- Jua- 6-dat gij waardig geacht wordt het rijk Gods, voor hetwelk gij lijdt.
6 Want het is recht bij God, dien die u verdrukken, verdrukking Zach. 2:8. te vergelden;
7 En u die gij verdrukt wordt, verlichting met ons.
ÃITLEGGING.
i A an de gemeente in God, Het ware overbodig woorden te /\ maken van den vorm der groetenis. Dit is alleen waardig dat men aanmerke, dat de gemeente in God en Christus gezegd wordt, die niet alleen onder het vaandel des geloofs verzameld is, zoodat zij den eenigen God den Vader dient, en op Christus betrouwt, maar die een werk en gebouw is des Vaders en van Christus: want als God ons aanneemt en vernieuwt, zoo beginnen wij uit Hem te zijn in Christus, 1 Cor. 1 : 30.
3 Danken. Hij begint van lof, om alzoo zichzelven een weg te maken tot vermaning: want alzoo doen wij meer vrucht bij degenen die nu in den loop zijn, als wij hunnen voortgang niet verzwijgen, en vermanen hoever zij nog van het voorgestelde doel zijn, en prikkelen ze om voort te jagen. En dewijl hij in den Eersten zendbrief hun geloof en liefde geprezen had, zoo prijst hij nu den wasdom van beide. En voorwaar deze wijze moeten alle godzaligen hebben, dat zij zich allen dag onderzoeken, en zien hoever zij gekomen zijn. Dit is dan de waarachtige lof der geloovigen, zoo zij allen dag wassen in geloof en liefde. Als hij zegt altijd, daarmede geeft hij te kennen, dat hem zonder ophouden nieuwe stof gegeven wordt. Hij had tevoren God gedankt over hen: nu zegt hij dat hij oorzaak heeft om wederom te danken, te weten, om den dagelijk-schen voortgang. En als hij God daarover dankt, daarmede betuigt hij, dat zoowel de wasdom als het begin des geloofs en der liefde
2 THESSALONICENSEN 1 : 3â5.
van God komt. Want ware zulks uit der menschen kracht of deugd, zoo ware het een verzonnen dankzegging, of immers van geen waarde. Bovendien vertoont hij, dat hun voortgang niet klein, noch ook alleen middelmatig, maar zeer groot is, daarom is onze traagheid veel te schandelijker, als wij in langen tijd nauwelijks een voet vooruitgaan. Gelijk het betaamt. Met dit woord vertoont Paulus dat wij verbonden zijn om God te danken, niet alleen als Hij ons goed doet, maar ook als wij de weldaden overwegen, die Hij onzen broederen gedaan heeft. Want zoo ergens de goedheid Gods gezien wordt, daar behoort men ze te danken. Bovendien moet der broederen zaligheid ons zoo lief zijn, dat wij al wat hun gegeven is, behooren onder ons goed te rekenen. Ja ook, zoo wij overwegen hoedanig en hoe heilig de eenigheid des lichaams van Christus is, zoo zal deze onderlinge gemeenschap onder ons zijn, dat wij het goed van elk lid onder het gewin der gansche gemeente zullen rekenen. Zoo dan, in het prijzen der weldaden Gods moet men altijd de gansche gemeenheid der gemeente aanzien.
4 Zoodat wij zeiven van u. Hij heeft hun geen grooter lof kunnen toeschrijven, dan als hij zegt dat hij ze anderen gemeenten voorstelt tot een voorbeeld: want dit beduiden deze woorden, wij roemen van u bij de andere gemeenten: want Paulus roemde niet eergierig van der Thessalonicensen geloof, maar zoover der-zelver lof een prikkel kon zijn tot naarstige navolging. Voorts, zegt hij niet dat hij roemt van hun geloof en liefde, maar van hun lijdzaamheid en geloof; waaruit volgt dat de lijdzaamheid een vrucht en getuigenis des geloofs is. Daarom moet men deze rede aldus verklaren: wij roemen van de lijdzaamheid die uit het geloof komt, en die getuigenis geeft dat het geloof uitnemend in u is, anders zou het vervolg der woorden niet sluiten. En voorwaar daar is geen ding dat ons in verdrukkingen ophoudt, dan het geloof. Hetwelk daaruit klaar genoeg is, dat wij geheel vervallen, zoo haast als de beloften Gods ons verborgen zijn. Daarom hoe meer iemand voortgang gedaan heeft in het geloof, zooveel te grooter lijdzaamheid zal hij hebben, om alles sterkelijker te dragen. Gelijk wederom de weekheid en onlijdzaamheid in tegenspoed onze ongeloo-vigheid bewijst. En voornamelijk als men verdrukking moet lijden om het Evangelie, dan toont zich de kracht des geloofs.
5 Een bewijs des rechtvaardigen oordeels Gods. Andere uitleggingen laat ik varen, en meen dat dit de rechte zin is, dat het onrecht en de verdrukkingen, welke de onschuldigen en godzaligen van de boozen verdragen, gelijk als in een spiegel bewijzen, dat God eenmaal de Richter der wereld zal zijn. En deze zin is geheel tegen de onheilige meening, welke wij plegen te krijgen, zoo wanneer het den goeden kwalijk, en den boozen wel gaat. Want wij meenen dat de wereld bij geval of fortuin loopt, en laat God geen regeering toe. Hieruit komt het, dat de harten der menschen met goddeloosheid en verachting bevangen worden, gelijk Salomo zegt. Want degenen die buiten hun verdienste te lijden hebben, die beschuldigen God, of meenen niet dat God acht heeft op der menschen zaken. Wij hooren wat Ovidius zegt: ik word ontroerd te
Ps. 37:12. denken dat er geen goden zijn. Ja David bekent, dat zijn voet geleid in een gladde plaats, bijna uitgegleden was, omdat hij alle dingen zoo verward zag in de wereld- En de goddeloozen daarentegen
54
55
worden door den voorspoed meer en meer hoovaardig, gelijk of hun geen straf hunner boosheid overkomen zou, gelijk Dionysius in zijn voorspoedige vaart zeide: dat de Goden waren de vrienden der heiligschenners. Eindelijk, als wij zien dat de wreedheid der goddeloozen tegen de onschuldigen ongestraft regeert, zoo denkt het vleesch, dat er niets is van het oordeel Gods, dat er geen straf is voor de boosheid, en geen loon voor de rechtvaardigheid. Maar Paulus zegt daartegen, dat het toekomende oordeel Gods ons gelijk in een spiegel getoond wordt, als God alzoo voor een tijd de goddeloozen spaart, en dat onrecht dat zijn volk lijdt, door de vingers ziet. Want dit stelt hij voor bekend en beleden, dat het niet mogelijk is dat God niet als een rechtvaardig rechter den ellendigen, die hier onrechtvaardig gekweld worden, hiernamaals rust zou geven, en den verdrukkers der godzaligen het loon vergelden, dat zij verdiend hebben. Zoo dan is het, dat wij deze grondwaarheid des geloofs weten, dat God is de rechtvaardige rechter der wereld, en dat zijn ambt is, een iegelijk loon te geven naar zijne werken: zoo zal zonder twijfel dit ander daaruit volgen, te weten, dat deze tegenwoordige ongeregeldheid een bewijs des oordeels is, dat nog niet gezien wordt. Want zoo God een rechtvaardig rechter is, zoo moeten die dingen terecht gebracht worden, die nu verward en verkeerd zijn. Nu is niets onordentelijker, dan dat de goddeloozen ongestraft den goeden lastig zouden zijn, en met ongebonden geweld regeeren, en dat de goeden zonder eenige schuld hunnerzijds, wreedelijk zouden gekweld worden. Hieruit is het lichtelijk te verstaan, dat God namaals op den rechterstoel zal treden, om den stand dezer wereld te beteren. Zoo dan, deze zin, dien hij hierbij stelt, te weten, dat het recht is bij God verdrukking te geven, enz. is het fundament dezer leer, te weten, dat God teekenen des toekomenden oordeels toont, als Hij Zich van des rechterambt terughoudt. En voorwaar, ware het dat alle dingen nu in een verdragelijken stand waren, zoodat men kon verstaan dat het oordeel Gods volbracht ware: zoo zou zulke matigheid ons op de aarde houden. Zoo dan, God oordeelt nu de wereld alleen ten deele, om ons tot hope des toekomenden oordeels op te wekken. Hij toont wel vele bewijzen zijns oordeels, doch alzoo dat hij ons dwingt onze hoop verder uit te strekken. Het is voorwaar een uitnemende plaats: want zij leert hoe wij onze harten zullen opheffen van alle verhinderingen dezer wereld, zoo wanneer wij eenigen tegenspoed lijden, te weten, dat ons het rechtvaardige oordeel Gods in gedachtenis kome, hetwelk ons uit deze wereld zal wegnemen. Alzoo de dood zal ons een beeld des levens zijn. Opdat gij waardig geacht wordt. Daar zijn geene vervolgingen zoo gewichtig, dat zij ons het rijk Gods zouden waardig maken. En ook spreekt Paulus hier niet van de oorzaak der waardigheid, maar hij neemt alleen de gemeene leer der Schrift, te weten, dat God in ons wegneemt wat der wereld is, om een beter leven in ons op te richten. Bovendien, dat hij ons door de verdrukkingen den prijs en de waarde des eeuwigen levens toont. Eindelijk, hij beduidt enkel de wijze hoe de geloovigen gevoegd, en als gepolijst worden op Gods aanbeeld: want door de verdrukkingen worden zij geleerd de wereld te verlaten, en naar het hemelsche rijk Gods te staan. En zij worden in de hope des eeuwigen levens bevestigd, dewijl zij daarvoor strijden Want dit
2 THESSALONICENSEN 1:6, 7.
Luk. fl:23. is de aanvang, waarvan Christus zijnen discipelen gepredikt heeft.
6 Verdrukking te vergelden. Wij hebben nu gezegd waarom hij de straf Gods tegen de verworpenen aanroert, te weten, opdat wij leeren steunen op de verwachting des toekomenden oordeels, dewijl God de boozen nog niet straft, welke nochtans om hunne boosheid moeten gestraft worden. Doch verstaan ook mede de ge-loovigen, dat daar geen oorzaak is waarom zij den korten en vergankelijken voorspoed der goddeloozen zouden benijden, welke weinig hierna in een gruwelijk verderf veranderd zal worden. Wat hij daarna stelt van de verlichting der godzaligen, komt overeen met Hami. 3:20. de uitspraak van Petrus, waar hij den dag des laatsten oordeels noemt den dag der verkoeling. Toch heeft hij in deze openbaring van goeden en kwaden, klaarlijker willen uitdrukken, hoe onge-rechtig en verkeerd de regeering der wereld zou zijn, zoo God de loonen en straffen niet uitstelde tot een ander oordeel: want alzoo zou de naam Gods dood zijn. Zoo dan, die berooven Hem van zijn ambt en kracht, die niet zien op deze rechtvaardigheid, waarvan Paulus spreekt. Hij zegt ook met ons, om door het gevoelen zijns geloofs, aan zijne leer autoriteit en geloof te geven. Want hij vertoont dat hij niet philosopheert van onbekende dingen, als hij zich-zelven met hen stelt in dezelfde zaak en orde. Wij weten hoeveel grooter gezag en geloof die verdienen, die door lang gebruik geoefend zijn in de dingen, die zij leeren, en eischen niets van anderen, dan wat zij zeiven bereid zijn te doen. Zoo dan, Paulus houdt zichzelven niet in de schaduw en rust, gebiedende den Thessaloni-censen hoe zij in de hitte der zon moeten strijden: maar hij strijdt zelf streng, en vermaant ze tot denzelfden krijg.
56
In dien dag als de Heere Jezus zal geopenbaard worden uit den hemel, met de engelen zijner mogendheid,
8 In vlammend vuur, hetwelk zal wraak doen tegen degenen, die God niet kennen, en het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.
9 Dewelke zullen straf dragen het eeuwige verderf van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid zijner mogendheid.
10 Als Hij zal komen om geheiligd te worden in zijne heiligen, en wonderlijk te worden in allen die gelooven, (omdat ons getuigenis onder u geloofd is) in dien dag.
Als de Heere Jezus zal geopenbaard worden. Dit is een bevestiging der voorgaande uitspraak. Want dewijl dit een van de hoofdstukken onzes geloofs is, dat Christus uit den hemel zal komen, en dewijl Hij niet zonder oorzaak komen zal, zoo moet het geloof het einde zijner komst zoeken. Nu, het einde is, opdat Hij voor de zijnen kóme tot een Verlosser, ja, opdat Hij de gansche wereld oordeele. De beschrijving die hier volgt, dient hiertoe, te weten, opdat de godzaligen verstaan, hoe het oordeel dat over . hunne vijanden hangt, verschrikkelijk is, en dat God zooveel te grooter acht heeft op hunne verdrukkingen. Want dit is de grootste oorzaak onzer krankheid en droefheid, te weten, dat wij meenen, dat God niet zeer bewogen wordt door ons ongerief. Wij zien tot hoedanige
tv
lThes3.4:16.
2 Petr 3; 7. Rom. 2:8.
Jes. 2 :19. Boek der Wijsh. 5 :2.
Hand. 1 : 11. 1 Thess.1:10. Openb. 1 ; 7.
Si:
2 THESSALONICENSEN 1 ; 7-Q.
klachten David dikmaals uitbreekt, als hij brandt vanwege de hoo-vaardigheid en grootschheid zijner vijanden. Zoo heeft hij dan tot
Ider geloovigen vertroosting dit al gesteld, dat hij den rechterstoel van Christus beschrijft vol verschrikking, opdat zij niet door deder geloovigen vertroosting dit al gesteld, dat hij den rechterstoel van Christus beschrijft vol verschrikking, opdat zij niet door de
1 tegenwoordige vernedering den moed zouden wegwerpen, als zij zien dat zij hoovaardig en smadelijk van de goddeloozen vertreden worden. Hoedanig dat vuur zal wezen en van wat stof,
daarover laat ik die menschen disputeeren, die dwazelijk curieus
â zijn. Het is mij genoeg, dat ik weet wat Paulus voorhad te leeren, te weten, dat Christus een zeer strenge wreker zal wezen van het onrecht, dat de verworpenen ons aandoen. De gelijkenis van vuur en vlam is in de Schrift gewoon genoeg, waar van den toorn Gods gesproken wordt. Engelen zijner mogendheid noemt hij, in wie Hij zijn mogendheid zal toonen. Want Hij zal de engelen met Zich leiden, om de heerlijkheid zijns rijks te verklaren, waarom zij elders genoemd worden de engelen zijner majesteit.
8 Dewelke zal wraak doen. Opdat hij den geloovigen te beter doe gelooven, dat de vervolgingen, die zij lijden, niet ongestraft zullen wezen, zoo leert hij wat ook Gode daaraan gelegen is, de-
: wijl zij, die de godzaligen vervolgen, Gode wederspannig zijn. Zoo moet dan God niet alleen om onzer zaligheid wil, maar ook om zijn heerlijkheid een wreker zijn tegen hen. Voorts, deze woorden zijn van Christus te verstaan: Die zal wraak doen. Want Paulus geeft te kennen, dat dit ambt Hem van God bevolen is. Men kon vragen, of het ons geoorloofd is wraak te begeeren, dewijl Paulus die belooft, alsof zij terecht begeerd wordt. Ik antwoord, dat het niet geoorloofd is van iemand wraak te begeeren: want ons wordt geboden, een iegelijk goed te wenschen. Bovendien, hoewel wij in 't gemeen wraak mogen begeeren tegen de verworpenen, nochtans dewijl wij ze nog niet onderscheiden, zoo moeten wij een iegelijk zaligheid wenschen. Intusschen mag het vrij zijn der goddeloozen verderf met begeerte te hopen, zoover een zuivere en welgeschikte ijver tot God in onze harten regeert, en alle ongeregelde begeerlijkheid van ons is. Die God niet kennen. Met deze twee dingen beduidt hij de ongeloovi'gen, dat zij God niet kennen, en het Evangelie van Christus niet gehoorzaam zijn. Want zoo men door het geloof het Evangelie gehoorzaam is, gelijk hij in het eerste en laatste hoofdstuk aan de Romeinen leert, zoo is de ongeloovigheid de oorzaak der wederspannigheid. Hij bestraft dezelven, dat zij God niet kennen: want uit een levende kennis Gods komt eerbiediging. Zoo dan, de ongeloovigheid is altijd blind: niet dat de ongeloovigen ganschelijk zonder alle licht en verstand zijn, maar omdat hun verstand zoo verblind is, dat zij ziende niet zien. Het is niet zonder oorzaak dat Christus zegt, dat dit het eeuwige leven is, dat men Jot. it;3. den waarachtigen God kent, enz. Zoo dan, uit gebrek aan zaligmakende kennis, volgt de verachting Gods, en in 't einde de dood. Van welke zaak ik meer gehandeld heb in den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs.
9 Het eeuwige verderf van het aangezicht. Hij verklaart hoedanig die straf is, die hij gemeld heeft, te weten, het verderf zonder einde en de onsterfelijke dood. De eeuwigheid des doods wordt daaruit bewezen, dat de heerlijkheid van Christus tegenover haar staat: nu deze is eeuwig, en heeft geen einde: zoo dan, haar kracht
57
58
zal nimmermeer ophouden. Hieruit kan ook de gruwelijkheid der verschrikkelijke straf verstaan worden: want zij zal zoo groot zijn, gelijk de heerlijkheid en majesteit Gods groot is.
10 Als Hij zal komen om geheiligd te worden. Dewijl hij dusver gesproken heeft van de straf der verworpenen, zoo komt hij nu wederom tot de godzaligen, en zegt dat Christus zal komen om in hen verheerlijkt te worden, dat is, opdat Hij ze met zijn heerlijkheid beschijne, opdat zij haar deelachtig zouden zijn: alsof hij zeide, dat Christus niet deze heerlijkheid voor Zichzelven zal hebben, maar dat zij allen heiligen gemeen zal zijn. Dit is een zeer groote en bijzondere vertroosting der godzaligen, dat de Zoon Gods, wanneer Hij in de heerlijkheid zijns rijks zal geopenbaard worden, zijne heiligen tot derzelver gemeenschap met Zich zal nemen. Hieronder is een tegenstelling te verstaan van den tegenwoordigen stand, in welken de geloovigen arbeiden en zuchten, tegen die laatste wederoprichting: want nu zijn zij der versmaadheid der wereld onderworpen, verachtelijk en nergens voor gerekend: maar dan zullen zij dierbaar en vol waardigheid wezen, als Christus zijn heerlijkheid in hen zal uitbreiden. Het einde is, dat de geloovigen gelijk met gesloten oogen, dezen korten weg des aardschen levens voorbijgaan, altijd met de harten ziende op de toekomende openbaring van het rijk van Christus. Want waartoe dient die melding der toekomst van Christus in mogendheid, anders dan opdat zij met de hope doordringen tot die zalige wederopstanding, die nog verborgen is. En men moet aanmerken, dat hij gezegd hebbende heiligen, terstond daarbij stelt geloovigen: waarmede hij te kennen geeft, dat in de menschen geen heiligheid is zonder geloof, maar dat anders alle menschen onheilig zijn. In het einde verhaalt hij wederom: In dien dag; want dat hangt aan dezen zin. En hij verhaalt dat wederom om der geloovigen begeerten te bedwingen, dat zij zich niet bovenmate haasten. Omdat ons getuigenis. Wat hij in 't gemeen gezegd heeft van alle heiligen, voegt hij nu den Thessalonicensen toe, opdat zij daaraan niet twijfelen, of zij zijn onder dat getal. Omdat mijn prediking, zegt hij, bij u geloof heeft gekregen, heeft Christus u nu gesteld in het getal der zijnen, die Hij zijner heerlijkheid zal deelachtig maken. Door het woord getuigenis, verstaat hij de leer; want de apostelen zijn getuigen van Christus. Zoo zullen wij dan leeren, dat de beloften Gods dan zeker en vast bij ons zijn, als zij geloof bij ons vinden.
11 Om welke zaak wij ook altijd voor u bidden: dat onze God u der roeping waardig achte, en vervulle al het welbehagen zijner goedheid, en het werk des gelools met mogendheid.
12 Opdat de naam van onzen Heere Jezus Christus verklaard worde in u, en gij in Hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus.
11 Om welke zaak. Opdat zij weten, dat hun de hulpe Gods zonder ophouden noodig is, zoo betuigt hij dat hij voor hen bidt. Als hij zegt: Om deze zaak, zoo meent hij, opdat zij komen tot het einddoel van hun loop, gelijk het uit het vervolg openbaar is, zeggende: En vervulle al het welbehagen, enz. Toch schijnt wat hij ter eerster plaatse gezet heeft, overbodig te zijn: want God had
59
ze nu verwaardigd te roepen. Maar hij spreekt van het einde, of van de vervulling, dewelke in de volharding gelegen is. Want gelijk wij tot afwijking zeer licht genegen zijn, zoo zou het aan ons niet ontbreken, dat onze roeping niet dikmaals teniet werd, zoo God ze niet staande hield. Daarom wordt Hij gezegd ons waardig te achten, als Hij ons leidt naar het einddoel. En vervulle. Paulus is wonderlijk in het verheffen der genade Gods: want met het woord welbehagen niet tevreden zijnde, zegt hij nog daarenboven dat het uit de goedheid Gods vloeit: tenzij mogelijk iemand liever wil zeggen weldadigheid uit welbehagen, wat evenveel is. Nu, als wij hooien, dat het onverdiende welbehagen Gods de oorzaak onzer zaligheid is, en dat hetzelve in de goedheid Gods gefundeerd is, zijn wij niet nu en dan uitzinnig, zoo wij bestaan zelfs het allerminste aan onze verdiensten toe te schrijven? Want deze woorden hebben geen klein gewicht. Want hij had met één woord kunnen zeggen: Opdat uw geloof vervuld worde. Maar hij noemt het welbehagen; daarna drukt hij het nog klaarder uit, te weten, dat God door niets anders daartoe bewogen is geweest dan door zijn goedheid, want in ons heeft Hij niets gevonden dan ellendigheid. En niet alleen het begin onzer zaligheid wordt van Paulus der genade Gods toegeschreven, maar ook al de deelen onzer zaligheid. Aldus wordt dat gedichtsel der sophisten wederlegd, waarin zij zeggen, dat God ons wel met zijn genade voorkomt, maar dat wij ze met navolgende verdiensten helpen. Paulus bekent in den ganschen loop der zaligheid, niet dan enkel genade Gods. En dewijl het welbehagen Gods nu aireede in hem volmaakt is, zoo spreekt hij dat volgende woord van de vrucht, die in ons gezien wordt, en verklaart alzoo zijnen zin, als hij daarbij stelt: Het werk des geloofs. En hij noemt het wel een werk zooveel God aangaat, die het geloof in ons werkt of maakt, alsof hij zeide: Opdat Hij het gebouw des geloofs, dat Hij begonnen heeft, volbrenge. En hij zegt niet zonder oorzaak: Met lijdzaamheid; want hij geeft te kennen, dat de volmaking des geloofs een zeer zware zaak is, hetwelk wij ook meer dan genoeg bevinden: en de oorzaak is goed, te weten, zoo wij overwegen hoe groot onze zwakheid is, hoe menigerlei verhinderingen ons van alle zijden voorgeworpen worden, en hoe zwaar des duivels aanvallen zijn. Zoo dan, tenzij de kracht Gods ons grootelijks te hulpe kome, zoo zal het geloof nimmermeer tot zijn hoogsten graad komen. Want het is niet lichter het geloof in den mensch te volmaken, dan een toren uit water te maken, die door zijn vastigheid alle baren en geweld des onweders wederstaat, en met zijn hoogheid door de wolken gaat: want wij zijn niet minder onvast dan water, en de hoogheid des geloofs moet door den hemel dringen.
12 Opdat de naam onzes. Hij roept ons terug tot het voornaamste einde onzes ganschen levens, te weten, opdat wij de heerlijkheid des Heeren dienen. En het is voornamelijk waardig, dat men 't aanmerke, dat hij daarbij zegt, dat degenen, die de heerlijkheid van Christus versierd hebben, wederom in Christus zullen verheerlijkt worden. Want daarin wordt de wonderlijke goedheid Gods eerst gezien, dat Hij wil, dat zijn heerlijkheid openbaar zij in ons, die met schande bedekt zijn. Maar dit is een dubbel wonder, dat Hij ons daarna met zijn heerlijkheid verlicht en bekleedt, alsof Hij
2 THESSALONICENSEN 1 ; 12â2 : 1.
ons van zijnentwege dergelijke vergold. Daarom zegt hij: Naar de genade van God en Christus, Want hier is niets wat onze is, zoowel in de werking als in het volbrengen of in de vrucht. Want ons leven wordt door de leiding des Heiligen Geestes alleen tot Gods eer geschikt. En dat zulke groote vrucht daaruit komt, moet men aan de groote barmhartigheid Gods toeschrijven. Intusschen, zoo wij niet meer dan plomp en ongevoelig zijn, zoo betaamt het ons met alle naarstigheid te arbeiden om de heerlijkheid van Christus te bevorderen, waaraan ook de onze hangt. In wat zin hij de heerlijkheid van God en Christus gemeen maakt, laat ik nu na te zeggen, dewijl het elders gezegd is.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
l) Of: Van 1 Ik bid u, broeders! door de toekomst ') van onzen Heere Jezus
Christus, en onze vergadering tot Hem:
Jer. 29:8. 2 Laat u niet lichtelijk afleiden van uw verstand, noch laat u
Ef. sSe! beroeren door geest, of door woord, of door zendbrief als van
60
l 'joh 1i' ons ge3Chreven, alsof de dag van Christus nabij ware.
T
-Lv
'k bid u. Hoewel men ook kon lezen van de toekomst, gelijk op de rand aangeteekend is, zoo rijmt nochtans die bidding -het best, die uit de tegenwoordige zaak genomen is, gelijk hij i cor. is: 3i. in den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs, waar hij van de hope der wederopstanding handelt, een eed gebruikt bij die heerlijkheid, die de geloovigen moeten hopen. En dit is veel krachtiger, als hij de geloovigen bezweert bij de toekomst van Christus, dat zij niet lichtvaardig gelooven, dat de dag van Christus nabij is; want hij vermaant ook mede, dat men niet anders dan godvreezend en sober daarvan moet denken. Want de bezwering pleegt te geschieden door die dingen, die in eerwaardigheid bij ons zijn. Zoo is dan de zin: Gelijk de toekomst van Christus u een dierbaar ding is, waarmede Hij ons te zamen tot Zich zal vergaderen, en metterdaad die eenig-heid des lichaams volmaken, in welke wij alleen eensdeels onderhouden worden door het geloof: alzoo bid ik u door dezelfde toekomst, gelooft niet te lichtvaardig zoo iemand zegt, door wat schijn het zij, dat de dag des Heeren nabij is. Dewijl hij in den voor-gaanden zendbrief wat aangeroerd had van de wederopstanding, zoo is het mogelijk, dat sommige lichtvaardige en onheilige men-schen daaruit oorzaak genomen hadden te zeggen, dat de dag zeker en nabij was. Want het is niet onwaarschijnlijk, dat deze dwaling eerder bij de Thessalonicensen is opgerezen. Want Timotheus van daar gekomen zijnde, had hunnen ganschen stand aan Paulus te kennen gegeven, en had als een voorzichtig en ervaren man, niets achtergelaten wat tot de zaak diende. En Paulus had van zulke groote zaak niet kunnen zwijgen, was hij daarvan in kennis gesteld. Alzoo acht ik, dat curieuse menschen begonnen zijn ongeschikt te philosopheeren van den tijd der toekomst van Christus, nadat de zendbrief van Paulus is gelezen geweest, in welken een levende beschrijving der wederopstanding vervat was. En dit was ganschelijk
2 THESSALONICENSEN 2:1, 2.
een verdervend gedichtsel, gelijk ook andere dergelijke, die daarna niet zonder des duivels listen gezaaid werden. Want wanneer eenige dag gezegd wordt nabij te zijn, zoo hij dan niet terstond komt, zoo verflauwen de menschen, gelijk de natuur der menschen niet goed lang vertoeving lijden kan, en terstond na die verflauwing volgt wanhoop. Zoo is dan dit des duivels list geweest, dewijl hij de hope der wederopstanding niet openlijk kon omstooten, zoo heeft hij die diefelijk en bedektelijk willen verzwakken, belovende dat de dag des Heeren nabij was, en terstond komen zou. En daarna heeft hij ijoh. 4:i. niet opgehouden menigerlei lagen te leggen, om het geloof der wederopstanding mettertijd uit der menschen harten uit te wisschen,
dewijl hij het niet openlijk kon teniet maken. Het is wel een lustig ding, dat de dag onzer verlossing op een bepaalden tijd gesteld wordt, en daarom wordt het van den gemeenen man met toejuiching aangenomen, gelijk wij zien dat men in de razernijen van Lactantius en der Chiliasten voortijds zeer groot behagen gehad heeft: noch-2 cor.ii: u. tans strekten zij tot niets anders, dan om de hope der wederopstanding teniet te maken. Dit was Lactantius' voornemen niet, maar de duivel heeft naar zijn schalkheid, de curieusheid van Lactantius en diergelijken misbruikt, om alles in de religie onzeker te maken:
en hij houdt ook heden niet op tot datzelve te arbeiden. Nu zien wij hoe noodig de vermaning van Paulus was: want anders ware de gansche religie bij de Thessalonicensen door een sierlijke voorwending omgestooten.
2 Laat u niet lichtelijk afleiden van uw verstand, noch laat u beroeren. Door het verstand, meent hij een geschikt geloof, dat op gezonde leer rust. Nu, door dit gedichtsel dal hij verwerpt,
zouden zij als uitzinnig en van zichzelven geraakt zijn. En hij hekelt drieërlei bedrog, waarvoor zij zichzelven moeten hoeden, te weten: Geest, woord, en valschen zendbrief. Door het woord geest,
verstaat hij gedichte profetieën: en het schijnt dat deze wijze van spreken onder de godzaligen gewoon geweest is, dat zij de profetieën noemden geest, uit eerbied. Want opdat de profetieën behoorlijke autoriteit hebben, zoo moet men meer op den Geest Gods,
dan op de menschen zien. Maar gelijk des duivels wijze is, dat hij zich verandert in een engel des lichts, alzoo hebben de bedriegers dezen naam gestolen, om de slechte menschen te bedriegen. En hoewel Paulus dit momaangezicht hun had kunnen aftrekken, nochtans wilde hij liever alzoo als bij toelating spreken, alsof hij zeide:
Hoewel zij den Geest der openbaring voorwenden, zoo wilt ze niet gelooven; gelijk Johannes ook zegt: Beproeft de geesten, of zij ook uit God zijn. Door het woordje woord, verstaat hij naar mijn oordeel, allerlei leer, als de valsche leeraars op redenen of gissingen,
of op eenigen anderen schijn steunen, om hunne gedichtselen te doen gelooven. Dat hij daarbij zegt van den zendbrief, is een tee-ken dat deze onbeschaamdheid van andere namen in hunne brieven te stellen, zeer oud is. Daarom is de barmhartigheid Gods aan ons te wonderlijker, dat Paulus' geschriften geheel tot onze tijden bewaard zijn, hoewel zijn naam alreeds toen hij nog leefde, valschelijk in geveinsde brieven gesteld is geweest. Voorwaar, dit heeft niet bij geval, noch door menschelijk geluk kunnen geschieden, had God niet zelve door zijn kracht den duivel en al zijne dienaren verhindert. Alsof de dag van Christus nabij ware. Dit schijnt te
61
2 THESSALONICENSEN 2:2, 3.
strijden tegen vele plaatsen der Schrift, waar de Geest zegt, dat die dag nabij is. Maar hierop is licht te antwoorden. Want hij is nabij, ps. 90:4. zooveel God aangaat, bij wien duizend jaren zijn als een dag. In-2tusschen wil de Heere alzoo van ons zonder ophouden verwacht Matt. 24:42! zijn, dat wij geen zekeren bepaalden tijd zetten. Waakt, (zegt Hij) want gij weet den dag niet noch de ure. Maar die valsche profeten die Paulus hier wederlegt, daar zij behoorden der menschen harten in onzekerheid te houden, daar hebben zij hun geboden zonder zorg te zijn, dat de komst nabij was, opdat zij door verdrietelijkheid der lange vertoeving niet moede werden.
3 Dat u niemand eenigszins bedriége: want die dag komt niet, Dau. 9:27. tenzij eerst een afval kome, en tenzij geopenbaard worde die
iTi'm*4^i* booze mensch, die verdorven zoon,
i Joh. 2:12. 4 Die tegenstrijder, en die zichzelven verheft tegen al wat God
genaamd wordt, of wat men aanbidt: alzoo dat hij in den tem-Ban. 11:30. pel Gods zit als God, zichzelven vertoonende alsof hij God ware.
3 Dat u niemand. Opdat zij zichzelven niet tevergeefs den vroo-lijken dag der verlossing zoo dichtbij zouden beloven, zoo stelt hij een droevige profetie voor, van de toekomende verwoesting der gemeente. Dit is ganschelijk dezelfde prediking, die Christus ge-Matt. 24:6. bruikt heeft bij zijne discipelen, toen zij van het einde der wereld gevraagd hadden. Want Hij vermaant ze, dat zij zichzelven tot zware strijden bereiden; en als Hij van overgroote en tevoren ongehoorde ellendigheden gesproken heeft, door welke het aardrijk bijna zou verwoest worden, zoo zegt Hij daarbij, dat het einde nog niet is, maar dat dit beginselen der smarten zijn. Desgelijks zegt Paulus, dat de geloovigen lang moeten strijden, eer zij komen te trium-feeren. Dit is een schoone plaats, en bijzonder waardig dat men ze aanmerke. Dit was een zware en zorgelijke verzoeking, waardoor ook de verstandigsten konden verslagen en van hunnen stand afgeworpen worden, dat men die gemeente, die met zulk een grooten arbeid door langen tijd met moeite tot een middelmatigen stand was opgericht, haastelijk zag vallen, alsof zij van een onweder geslagen ware. Zoo heeft dan Paulus niet alleen de harten der Thessalonicensen, maar ook alle godzaligen te voren gewapend, dat zij niet als door een nieuwe en onverwachte zaak zouden verschrikt worden, als het kwam dat de gemeente verwoest werd. Maar dewijl de uitleggers deze plaats naar verscheiden zijden gedraaid hebben, zoo moeten wij vóór alles maken, dat wij den rechten zin van Paulus weten. Hij zegt, dat de dag van Christus niet zal komen, eer de wereld tot afwijking zal gevallen zijn, en het rijk van den antichrist plaats hebbe in de gemeente. Want dat zij deze plaats uitgelegd hebben van den afval van het Romeinsche rijk, is zoo nietig, dat het niet noodig is met vele woorden te wederleggen. En ik verwonder mij dat zoovele schrijvers, die anders geleerd en scherpzinnig waren in zulk een lichte zaak gedwaald hebben, tenzij toen daar e'én in gedwaald had, de anderen zonder oordeel met hoopen gevolgd zijn. Zoo dan, de afval noemt Paulus de meineedige afwijking van God, niet van e'én of van weinige menschen, maar die wijd en breed in de meeste menigte der menschen regeert. Want waar afval genoemd wordt, zonder iets daarbij te zetten, daar
62
2 THESSALONICENSEN 2 : 3.
63
kan zij niet van weinigen verstaan worden. Nu kunnen geen anderen verstaan worden afvallig te zijn, dan die zichzelven eerst tot Christus en het Evangelie begeven hebben. Zoo voorzegt dan Pau-lus een gemeene afwijking der zichtbare gemeente: alsof hij zeide, dat de gemeente eerst tot mismaakten en gruwelijken afval moet komen, eer haar volkomen wederoprichting komt. Hieruit is het licht te verstaan, hoe nuttig deze profetie van Paulus is: want het had kunnen schijnen geen gebouw Gods geweest te zijn, dat zoo haast nedergeworpen was, en zoo lang vervallen gelegen had, had Paulus weinig tevoren vermaand, dat het alzoo geschieden zou. Ja, velen heden ten dage, als zij de langdurige verwoesting der gemeente bij zichzelven overleggen, zoo beginnen zij wankelbaar te zijn, alsof die niet door Gods raad ware geregeerd geweest. De papisten, om de tirannie huns afgods te verontschuldigen, gebruiken deze verf, te weten, dat het niet mogelijk is dat Christus zijn bruid verlaten zou hebben. Maar de zwakken hebben hier, waarmede zij zich kunnen ophouden, als zij hooren dat die mismaaktheid der gemeente die zij zien, over langen tijd is voorzegd. En de onbeschaamdheid der papisten wordt openlijk wederlegd, dewijl Paulus betuigt dat daar afval zal komen, wanneer de wereld onder de regeering van Christus gebracht zal zijn. Nu, waarom de Heere zijn gemeente (die immers scheen zijn gemeente te zijn) op zulke schandelijke wijze heeft laten vervallen, zullen wij weinig hierna zien. Geopenbaard worde. Het was ganschelijk een oudwijfsch ge-dichtsel, betrekkelijk den keizer Nero, dat die uit de wereld weggenomen was, en wederkomen zou om de gemeente met zijn wreede tirannie te kwellen: en nochtans was het verstand der ouden alzoo bekommerd, dat zij meenden dat Nero de antichrist zou zijn. Maar Paulus spreekt niet van een mensch, maar van het rijk dat de duivel zou innemen, om den stoel der gruwelijkheid midden in den tempel Gods op te richten: hetwelk wij zien in het pausdom vervuld te zijn. De afval is wel wijder gestrekt; want Mohammed heeft zijne Turken van Christus vervreemd, gelijk hij een afvallig mensch was. Alle ketters hebben door hunne sekten de eenigheid der gemeente verscheurd Alzoo zijn er zoo vele afwijkingen van God geweest. Maar als Paulus vermaand heeft, dat daar zulke verwoesting zal wezen, dat de meeste menigte van Christus zal afwijken, zoo zegt hij nog wat grooters daarbij, te weten, dat daar zulke groote verwarring zal wezen, dat des duivels stadhouder heerschappij over de gemeente zal innemen, en in Gods plaats daar regeeren. Dit rijk der gruwelijkheid, beschrijft hij onder den naam van één persoon, omdat het één rijk zal wezen, al is het dat de een na den ander volgt. Nu verstaan de lezers, dat alle secten door welke de gemeente verminderd is, beken van afwijking zijn geweest, die begonnen zijn het water van den rechten loop af te leiden: en dat het Mohammedanisme als een geweldige vloed is geweest, die door zijn geweld wel de helft weggenomen heeft. Daarna heeft de antichrist wat overgebleven was met zijn venijn besmet. Alzoo zien wij met onze oogen, dat deze gedenkwaardige profetie van Paulus bevestigd is met wat daarna gevoegd is. In deze uitlegging die ik voortbreng, is niets gedwongen. De geloovigen te dien tijde droomden, dat zij na een zwarigheid van korten tijd in den hemel zouden opgenomen worden. Maar Paulus voorzegt daarentegen, wanneer zij
2 THESSALONICENSEN 2:3, 4.
een tijdlang vreemde vijanden tegen zich zullen gehad hebben, dat dan tehuis meer ongeluks zal oprijzen: dewijl degenen, die Christus trouw beloofd hadden, alom tot schandelijke meineedigheid zullen getrokken worden: want de tempel Gods zelve zal met heilig-schennende tirannie verontreinigd worden, zoodat de opperste vijand van Christus daar zal regeeren. Het woord openbaring, wordt hier genomen voor openlijk gebruik van tirannie: alsof Paulus gezegd had, dat de dag van Christus niet zal komen, totdat deze tiran zichzelven openlijk zal vertoond, en als naar een plan de gansche orde der gemeente omgekeerd hebben.
4 Tegenstrijder, en die zichzelven verheft. Deze twee dingen, die hij dezen verdorven mensch toeschrijft, drukken uit hoe gruwelijke verwarring daar wezen zal, opdat de harten der zwakken niet verslagen worden door de overgroote ongeschiktheid der zaak. Bovendien worden de godzaligen tot afschrik gebracht, opdat zij niet met de anderen ontaarden. En Paulus beschrijft nu als op een tafel des antichrist gedaante. Want uit deze woorden kan men lichtelijk verstaan hoedanig zijn rijk is, en in wat dingen het gelegen is. Want als hij hem noemt tegenstrijder, als hij zegt, dat hij zichzelven zal aantrekken wat eigenlijk Gode toekomt, zoodat hij als God in den tempel geëerd wordt, zoo stelt hij zijn rijk recht tegen het rijk van Christus. Gelijk dan het rijk van Christus geestelijk is, alzoo moet deze tirannie zijn over de zielen, opdat zij het rijk van Christus tegensta. En hierna zal hij haar toeschrijven kracht, om door ongoddelijke leeringen en gedichte wonderen te bedriegen. Zoo dan, om den antichrist te bekennen, moet men Christus recht tegenover hem stellen. Waar ik overgezet heb; Al wat God genaamd wordt, daar wordt bij de Grieken gewoonlijker gelezen: Alle die God genaamd wordt, doch kan men uit de oude overzetting en uit sommige Grieksche uitleggingen gissen, dat Paulus' woorden zijn vervalscht geweest. En men kon zeer licht in een letter falen, voornamelijk waar de gedaante zeer gelijk was, hoewel aan deze verscheidenheid niets gelegen is, zooveel den zin aangaat. Want dit heeft Paulus zonder twijfel willen zeggen, dat de antichrist zichzelven zal aantrekken wat God toekomt, zoodat hij zichzelven boven alle godheid verheffe, opdat de gansche religie en de gansche dienst Gods onder zijne voeten ligge. Zoo dan, deze woorden: Al wat God genaamd wordt, zijn zooveel alsof hij gezegd had: Al wat Godheid genaamd wordt. En wat men aanbidt, dat is, waarin de eering Gods gelegen is. Hier wordt niet gehandeld van den naam Gods, maar van zijn majesteit en dienst, en ganschelijk van alles wat hij zichzelven toeschrijft, alsof Paulus gezegd had: de ware religie, waarmede de eenige waarachtige God gediend wordt, deze zal die verdorven mensch zichzelven toekennen. Nu, zoo wie uit de Schrift geleerd heeft welke dingen Gode aller-eigenlijkst toekomen, en daarentegen aanziet wat de paus zich toeschrijft, al ware hij een kind van tien jaar, zoo zal hij wel lichtelijk :i2. den antichrist bekennen. De Schrift zegt, dat God de eenige wetgever is, die behouden en verderven kan, de eenige koning, wiens ambt is met zijn Woord de zielen te regeeren. Zij vertoont ook, dat Hij alleen allen goddelijken dienst instelt. Zij leert, dat men iecht-vaardigheid en zaligheid van den eenigen Christus moet halen, en zij toont ook het middel. Daar is niets van dit alles, dat de paus
64
2 THESSALONICENSEN 2:4, 5.
zich niet toeschrijft. Hij roemt dat het hem toekomt de conscientiën te binden met zulke wetten als hij wil, en den eeuwigen straffen te onderwerpen. Hij maakt nieuwe sacramenten naar zijnen lust, of vervalscht en verderft, ja maakt ze ganschelijk te niet, die van Christus ingesteld waren, om zijn heiligschennis, die hij gedicht heeft, in derzei ver plaats te stellen. Hij dicht middelen om zaligheid te verkrijgen, die ganschelijk vreemd zijn van de leer des Evangelies,
eindelijk, hij ontziet zich niet de gansche religie te veranderen naar zijn goeddunken. Ik bid u wat is zichzelven verheffen boven alwat God genaamd wordt, zoo de paus dat niet doet. Als hij God alzoo berooft van zijn eer, zoo laat hij niet anders dan een ijdelen naam Gods, en al de macht Gods neemt hij tol zich. En dit is het wat Paulus weinig hierna zegt, dat de verdorven mensch zichzelven als God zal toonen: want (gelijk nu gezegd is) Paulus steunt niet op het woord God, maar beduidt dat de hoovaafdigheid van den antichrist zoo groot zal wezen, dat hij zichzelven van het getal en van de orde der dienstknechten uitzonderende, en op den rechterstoel Gods klimmende, niet met menschelijke, maar met Goddelijke macht zal regeeren. Want wij weten, dat het een afgod is, al wat in Gods plaats verheven wordt, al is het dat het niet God wordt genaamd.
In den tempel Gods. Met dit eene woord wordt overvloedig genoegzaam dier menschen dwaling, ja onachtzaamheid wederlegd, die meenen dat de paus, hoe hij zich ook gedraagt, daarom Christus' stadhouder is, omdat hij zijnen stoel in de gemeente heeft: want Paulus stelt den antichrist nergens dan in de heilige plaats Gods.
Want hij is geen uiterlijk, maar een innerlijk vijand, die ook zelfs onder den naam van Christus, Christus bestrijdt. Hier kon iemand vragen, hoe een spelonk van zoo vele superstitiën genoemd wordt gemeente, welke behoorde een pilaar der waarheid te zijn? Ik antwoord, dat zij alzoo genoemd wordt, niet omdat zij al de hoedanigheden en qualiteiten der gemeente behoudt, maar omdat zij eenig overblijfsel heeft. Zoo beken ik dan, dat het Gods tempel is waarin de paus regeert, doch met ontallijk veel heiligschennis ontheiligd.
5 Zijt gij niet gedachtig, dat ik u dit leerde toen ik nog bij uwas?
6 En nu weet gij, waaraan het houdt, totdat hij te zijnen tijde i Joh. 12:9. geopenbaard worde.
7 Want hij werkt nu de verborgenheid der ongerechtigheid, alleen nu houdende totdat hij uit het midden weggenomen wordt.
8 En dan zal die ongerechtige geopenbaard worden, denwelken Jes. 11; 4. de Heere zal verderven met den Geest zijns monds, en zal hem
te niet maken met de verschijning zijner toekomst.
5 Zijt gij. Dit geeft aan de leer niet weinig autoriteit, dat zij deze tevoren uit den mond van Paulus gehoord hadden, zoodat zij niet konden denken, dat zij van hem op dit oogenblik gedicht was. En dat hij ze zoo vroeg van het rijk van den antichrist vermaand had,
en van de toekomende verwoesting der gemeente, toen daar nog geen kwestie noch vraag van was, heeft hij zonder twijfel gedaan,
omdat hij zag, dat deze leer der gemeente zeer nut was te weten.
En het is voorwaar alzoo: want deze gemeente tot wie hij spreekt,
stond veel te zien waardoor zij kon beroerd worden, en wat konden de nakomelingen anders dan wankelen, als zij zagen dat het Dl. v. 5
65
2 THESSALONICENSEN 2 ; 5â7.
meeste deel dergenen, die het geloof van Christus beleden hadden, van de godzaligheid afweken, en tot het verderf liepen, alsof zij uitzinnig geweest waren? Maar dit was een sterk wapen, als zij wisten dat het alzoo van God verordend was, omdat der menschen ondankbaarheid zulke straf verdiende. Hier kan men zien, hoe vergefelijk de menschen zijn, als van hun eeuwige zaligheid gehandeld wordt. Men moet ook Paulus' zachtmoedigheid aanmerken, dewijl hij ze alleen zachtelijk straft, daar hij zeer verbolgen had kunnen zijn, want dit is een vaderlijk verwijt, omdat zij zulk een ernstige en nuttige zaak vergeten hadden.
6 En nu weet gij waaraan het houdt. Het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, beduidt eigenlijk te dezer plaats, verhindering, of oorzaak des vertoevens. Chrysostomus meent, dat men 't niet kan uitleggen dan van den Geest, of van het Romeinsche rijk, doch wil het liever van het Romeinsche rijk verstaan. En hij heeft een geloofelijken grond, omdat Paulus niet duisterlijk van den Geest zou gesproken hebben, maar dat hij van het Romeinsche rijk sprekende, haat heeft willen vlieden. En hij zegt ook de oorzaak waarom de openbaring van den antichrist verachterd wordt door den stand des Romeinschen rijks, te weten, omdat gelijk het Babylonische rijk door de Perzen en Meden is verwoest, en de Macedoniërs wederom de Perzen overwonnen, en het rijk ingenomen hebben, en ten laatste de Macedoniërs van de Romeinen overwonnen zijn: alzoo ook de antichrist zal het ledige Romeinsche rijk tot zich trekken. Daar is geen van deze dingen, wat niet daarna met de daad bewezen is geweest: zoo spreekt dan Chrysostomus met waarheid, zooveel de historie aangaat. Maar ik meen, dat Paulus' zin anders geweest is, te weten, dat de leer des Evangelies alom moest verbreid worden, totdat meest de gansche wereld van hardnekkigheid en voorgenomen boosheid overwonnen en overtuigd ware. Want het is zonder twijfel, dat de Thessalonicensen deze verhindering welke zij ook geweest zij, uit Paulus' mond gehoord hebben: want hij maakt ze gedachtig van wat hij hun eerst tegenwoordig zijnde geleerd had. Nu mogen de lezers overwegen wat geloofelijker is, wat Paulus geleerd heeft dat het licht des Evangelies eerst in alle landen moest verbreid worden, eer God den duivel zooveel zou toelaten, of dat hij geleerd heeft, dat de mogendheid des Romeinschen rijks verhinderde den antichrist voort te komen, omdat hij niet anders kon, dan in een ledig bezit inbreken. Voorwaar, mij dunkt dat ik Paulus hoor spreken van de algemeene roeping der heidenen. Dat de genade Gods allen menschen moest aangeboden worden, dat Christus de wereld zou doorlichten met zijn Evangelie, opdat der menschen goddeloosheid te beter betuigd en overwonnen ware. Dit was dan de uitstelling, totdat de loop des Evangelies vervuld ware: want de onverdiende aanbieding der zaligheid zou naar Gods orde voorgaan. Daarom zegt hij daarbij, te zijnen tijde: want als de genade verworpen was, zoo was het tijd te straffen.
7 Verborgenheid der ongerechtigheid. Dit is gesteld tegenover de openbaring: want dewijl de duivel nog zoo groote kracht niet gekregen had, dat de antichrist openlijk de gemeente kan overvallen, zoo zegt hij dat hij diefelijk en heimelijk arbeidt tot wat hij te zijnen tijde openlijk zou doen. Zoo heeft hij dan toen in het verborgen de fundamenten gelegd, waarop hij daarna zou timmeren,
66
2 THESSALONICENSEN 2:1, 8.
gelijk het geschied is. En hieruit wordt het volkomenlijker bevestigd wat ik nu gezegd heb, te weten, dat met den naam antichrist,
niet een mensch beduid wordt, maar een rijk dat zich in vele eeuwen uitbreidt. In denzelfden zin zegt Johannes, dat wel de anti- i Joh. 2:is. christ komen zou: doch dat toen te zijnen tijde vele antichristen geweest zijn. Want hij vermaant degenen, die te dier tijd leefden, dat zij zich zouden hoeden van deze verderfelijke pest, die toen veel uitsproot: want daar rezen secten op, die als een zaad van dit ongelukkige onkruid waren, door hetwelk het gansche koren des Hee-ren bijna verstikt en verdorven werd. Voorts, hoewel Paulus een heimelijke werking te kennen geeft, zoo heeft hij nochtans liever het woord verborgenheid gebruikt, dan eenig ander woord, om dit te vergelijken met de verborgenheid des geloofs, waarvan hij elders spreekt. Want hij geeft naarstig te kennen de tegenstrijdigheid, col. i;26. die daar is tusschen den Zoon Gods en dezen verdorven zoon. Alleenlijk nu houdende. Dewijl hij dit beide zegt van een, dat hij een tijdlang de heerschappij houdt, en dat hij in korten tijd zal weggenomen worden, zoo twijfel ik het niet te verstaan van den antichrist. En dat woord houdende, moet uitgelegd worden; Hij zal houden. Want naar mijn oordeel, heeft hij dit tot vertroosting der geloovigen daarbij gesteld, dat het rijk van den antichrist alleen een tijdlang zal duren, welken God een einde gesteld heeft.
Want de geloovigen hadden kunnen tegenwerpen, waartoe dient het dat het Evangelie gepredikt wordt, zoo de satan nu arbeidt tot zulke tirannie, die hij eeuwig zal behouden. Zoo vermaant hij ze dan tot lijdzaamheid; want God zal alleen een tijdlang zijn gemeente verdrukken, opdat Hij ze eenmaal verlosse; daarentegen moet men de gedurigheid des rijks van Christus aanmerken, opdat de geloovigen daarop steunen en rusten.
8 En dan zal die ongerechtige geopenbaard worden. Te weten,
als deze verhindering zal ophouden; want hij wil niet zeggen dat de tijd der openbaring zal wezen, wanneer die zal weggenomen worden die nu de heerschappij heeft, maar hij ziet op het voorgaande. Want hij had gezegd, dat daar eenige verhindering was,
waarom de antichrist niet openlijk de bezitting des rijks innam.
Daarna heeft hij daarbij gezet, dat hij werkt het heimelijke werk der goddeloosheid. Ten derde, heeft hij een vertroosing daarbij gezet,
namelijk, dat die tirannie een einde zoude hebben. Nu verhaalt hij wederom dat hij te zijnen tijde zou geopenbaard worden, die nog verborgen was. En deze herhaling dient hiertoe, dat de geloovigen met geestelijke wapenen voorzien zijnde, desniettemin onder Christus strijden, en zichzelven niet laten verdrinken, al is het dat de vloed der goddeloosheid overvloeit. Denwelken de Heere. Hij had het ondergaan van het rijk van den antichrist voorzegd. Nu zegt hij, hoe hij zal ondergaan, te weten, dat hij door Gods woord zal te niet gemaakt worden. Het is onzeker, of hij spreekt van de laatste openbaring van Christus, als Hij uit den hemel als een rechter zal verschijnen. De woorden schijnen wel zoo te luiden.
Maar Paulus meening is niet, dat Christus dat in een oogenblik tijds zal doen. Daarom moet men het aldus verstaan, dat de antichrist ganschelijk en geheel te niet zal worden, als die laatste dag der wederoprichting aller dingen zal komen. Nochtans geeft Paulus te kennen, dat Christus door zijne stralen, die Hij vóór zijn toekomst
67
2 THESSALONICENSEN 2 : 8, 9.
zal uitwerpen, de duisternis zal verdrijven, in welke de antichrist zal regeeren, gelijk de zon door hare stralen de duisternis des nachts verdrijft, eer zij ons verschijnt. Zoo zal dan deze overwinning des woords zich in deze wereld vertoonen: want de Geest des monds jes. na. beteekent niet anders dan het woord; gelijk ook Jes. 11 : 4, op welke plaats Paulns hier schijnt te zien. Want daar stelt de profeet den schepter des monds en den Geest der lippen gelijk, en Paulus schrijft ook deze zelfde wapenen aan Christus toe, om zijne vijanden te verdrijven. Dit is een schoone lof der ware en gezonde leer, dat zij gezegd wordt genoegzaam te zijn om alle goddeloosheid te niet te maken, en dat zij alle list des duivels zal overwinnen: gelijk als weinig hierna derzelver prediking, Christus' komst tot ons genoemd wordt. Als hij daarbij zet verklaring zjjner toekomst, beduidt hij dat het licht der aanschouwing van Christus zoo zal wezen, dat de duisternis van den antichrist daardoor zal verslonden worden. Daaren-tusschen geeft hij bedektelijk te kennen, dat den antichrist een tijdlang zal toegelaten worden te regeeren, te weten, als Christus Zich als verstoken zal hebben, gelijk het pleegt te geschieden, zoo wanneer wij Hem den rug keeren, als Hij Zichzelven ons aanbiedt. En voorwaar, dat was een droevig weggaan van Christus, als Hij zijn licht wegnam van de menschen, toen zij het kwalijk en onbehoorlijk handelden, gelijk daar volgt. Daarentusschen leert Paulus, dat al de uitverkorenen Gods door zijn eenige tegenwoordigheid genoeg beschermd zullen wezen tegen al de listen des duivels.
joh. 8:4i. 9 Wiens toekomst is naar de werking l) des duivels, in alle mo-
Deut. 13:3.' gendheid, en teekenen, en leugenachtige mirakelen.
Openb. 13:13. 10 En in alle bedrieging der onrechtvaardigheid in degenen, die
verloren gaan, daarom dat zij de waarheid niet aangenomen hebben, dat zij mochten zalig worden.
Eom. 1:24. 11 Daarom zal God hun zenden werking1) des bedrogs, opdat zij
de leugen gelooven.
12 Opdat zij allen geoordeeld worden, die de -waarheid niet geloofd hebben, maar hun behagen in onrechtvaardigheid hebben gehad.
9 Wiens toekomst is. Met een bewijsreden uit tegengestelde dingen bevestigt hij wat hij gezegd heeft. Want dewijl de antichrist niet bestaat, dan door des duivels bedrog, zoo moet hij verdwijnen zoo haast als Christus zijn licht geeft. Eindelijk, dewijl hij alleen in duisternis regeert, zoo wordt zijn rijk der duisternis door den op-gaanden dag verdreven en uitgebluscht. Nu verstaan wij de meening des apostels: want hij heeft willen leeren, dat het Christus niet zwaar zal wezen de tirannie van den antichrist te niet te maken, dewelke niet anders dan op des duivels hulp steunt. Nochtans daarentusschen beschrijft hij teekenen en merken, waardoor die verloren mensch kan onderscheiden worden. Want als hij van de werking of kracht des duivels gesproken heeft, zoo wijst hij ze bijzonder aan, als hij daar bijzet: In alle mogendheid, en teekenen, en leugenachtige mirakelen. En voorwaar, opdat het tegen het rijk van Christus sta, zoo moet het eensdeels in valsche leering en dwaling, en anderdeels in gedichte mirakelen gelegen zijn. Want het rijk van Christus is gelegen in de leer der waarheid, en in de
68
1) Of, kracht.
2 THESSALONICENSEN 2 ; 9, 10.
kracht des Geestes. Zoo dan, de duivel doet een schijn van Christus aan, opdat hij in den persoon van een plaatsvervanger van Christus, zich stelle tegen Christus. Doch neemt hij ook mede wapenen, waardoor hij rechtstreeks tegen Christus strijdt. Christus verlicht ons verstand tot het eeuwige leven door de leer zijns Evangelies. De antichrist door des duivels meesterschap geleerd zijnde, dwingt de goddeloozen tot het verderf door goddelooze leer. Christus bewijst de mogendheid zijns Geestes om zalig te maken, en verzegelt zijn Evangelie door mirakelen: de tegenstander vervreemdt ons van den Heiligen Geest door de kracht des duivels, en bevestigt de ellendige menschen in dwaling door zijn verstrikkingen Leugenachtige mirakelen, noemt hij niet alleen die valsch en met leugen gedicht worden van listige menschen, om de eenvoudigen te bedriegen, (van welke bedriegerijen het gansche pausdom vol is, want zij zijn een deel dier mogendheid, die hij boven aangeroerd heeft) maar hij stelt ook daarin leugen, dat de satan de werken, die anders waarlijk Godes zijn, trekt tot een verkeerd einde, en misbruikt de mirakelen, om Gods eer te verduisteren. Doch daaren-tusschen is het zonder twijfel, dat hij met verstrikkingen bedriegt, gelijk wij een voorbeeld hebben in de wijzen en toovenaars van Farao.
io In degenen, die verloren gaan. Hij bepaalt de macht des duivels, opdat zij den uitverkorenen Gods niet schadelijk zij; gelijk ze ook Christus van dit gevaar bevrijdt. Waaruit het openbaar is, dat de antichrist niet dan door Gods toelating zooveel vermag. Deze vertroosting was noodig. Want anders moesten al de godzaligen door vreeze vergaan, zoo zij zagen dat die openbare maalstroom den ganschen weg innam, door welken zij moesten gaan. Zoo dan, hoewel Paulus wil dat zij zorgvuldig zijn, opdat zij toezien, dat zij door te groote zorgeloosheid en gerustigheid niet ongebonden en dartel worden, ja zichzelven in het verderf werpen: zoo gebiedt hij nochtans goede hoop te hebben, want des duivels macht is gebreideld, zoodat zij niemand anders dan de verworpenen tot den val kon trekken. Daarom dat zjj de waarheid. Opdat de verworpenen niet klagen, dat zij onschuldig vergaan, en dat zij meer door Gods wreedheid, dan door hun eigen schuld, den dood overgegeven amp;ijn: zoo vertoont Paulus hoe rechtvaardig de strenge straf Gods over hen komen zal, te weten, omdat zij de waarheid, die hun aangeboden was, niet hebben aangenomen met zulke genegenheid als het betaamde, ja omdat zij uit zichzelven de zaligheid geweigerd hebben. En hieruit wordt het klaarder wat ik nu gezegd heb, dat het Evangelie der wereld moest gepredikt worden, eer God den duivel zooveel toeliet: want Hij zou zulke schandelijke ontheiliging zijns tempels niet toelaten, ware Hij niet door de uiterste ondankbaarheid der menschen daartoe verwekt. In ée'n woord, Paulus betuigt dat de antichrist een dienaar der rechtvaardige straf Gods zal wezen tegen degenen, die tot zaligheid geroepen zijnde, het Evangelie verworpen hebben, en hun hart liever begeven hebben tot goddeloosheid en dwalingen. Daarom hebben de papisten nu niet tegen te werpen, dat het der zachtmoedigheid van Christus niet zou betamen, zijn gemeente te verwerpen. Want hoewel de regeering van den antichrist zeer wreed was, zoo is nochtans niemand daardoor vérgaan, dan die het waardig was, ja die uit zichzelven den dood begeerd hebben.
69
2 THESSALONICENSEN 2 : 10â12.
En voorwaar, toen de stem van den Zone Gods alom haar geluid gegeven had, zoo heeft zij der menschen ooren doof, ja hardnekkig bevonden: en hoewel het Christendom in het gemeen aangenomen was, zoo hebben nochtans niet velen zich waarlijk en van harte tot Christus begeven. Zoo is het dan geen wonder, dat op zulke booze verachting terstond straf gevolgd is. Hier kon men vragen, of de straf der verblinding ook niet over anderen komt, dan over degenen die willens het Evangelie ongehoorzaam geweest zijn. Ik antwoord, dat het bijzondere oordeel, waarmede God de openbare verachting gestraft heeft, niet verhindert die met ongevoeligheid, zoo wanneer hij wil, te slaan, die nooit een woord van Christus gehoord hebben: want Paulus handelt niet in het gemeen, om wat oorzaak God van den beginne den duivel met zijn leugenen heeft laten regeeren, maar wat gruwelijker straf daar komt over de grove verachters der nieuwe en ongewone genade. Hij zegt; De liefde der waarheid aannemen, voor zijn hart en zin te geven om die lief te hebben. Waaruit wij leeren, dat bij het geloof altijd is een lieflijke en willige eerbieding Gods; want men gelooft Gods Woord niet, dan als het lieflijk en genoeglijk is.
ii Werking des bedrogs. Hij geeft te kennen, dat niet alleen de dwaling zal plaats hebben, maar ook dat de verworpenen zullen verblind worden, alzoo dat zij zonder oordeel en verstand tot den dood zullen loopen. Want gelijk God door zijnen Geest ons inwendig verlicht, zoodat zijn leer bij ons krachtig is, en onze oogen en hart opent, om daarin door te dringen: alzoo geeft Hij die door zijn rechtvaardig oordeel in eenen verkeerden zin over, die Hij tot het verderf verordend heeft: opdat zij met gesloten oogen, en met ongevoelig verstand, als betooverd zijnde, zichzelven den duivel en zijnen dienaren overgeven, om bedrogen te worden. En voorwaar, van deze zaak hebben wij een schoon schouwspel in het pausdom. Men kan met geen woorden uitdrukken, hoe wonderlijke poel van dwaling daar is, hoe grove en schandelijke ongeschiktheid der superstitiën, en welke razernijen zeer vreemd van het gemeen gevoelen daar zijn. Allen, die een kleinen smaak der gezonde leer hebben, kunnen op deze ongeschikte wonderen niet denken zonder groo-ten afschuw. Hoe komt het dan, dat de gansche wereld zonder gevoelen daarin blijft, anders dan omdat de menschen met blindheid van den Heere geslagen, en als in blokken veranderd zijn?
ia Opdat zij allen geoordeeld worden. Dat is, opdat zij zulke straf dragen, als hun goddeloosheid verdiend heeft. Alzoo hebben degenen die verloren gaan, zich over God niet te beklagen, dewijl zij verkregen hebben wat zij zochten. Want men moet weten, dat Deut. 13:3 staat, te weten, dat der menschen harten onderzocht worden, wanneer valsche leeringen voortkomen: want zij verkrijgen geen overhand, dan bij degenen die God niet liefhebben met een oprecht hart. Zoo dan, wien de onrechtvaardigheid behaagt, die mogen hare vruchten inoogsten. Als hij zegt: allen, zoo geeft hij te kennen, dat de verachting Gods niet verontschuldigd wordt door den grooten hoop en menigte dergenen die weigeren het Evangelie gehoorzaam te zijn: want God is de rechter der gansche wereld, zoodat Hij zoowel honderdduizend als één mensch straft. Als Hij zegt: behagen hebben, daarmede beduidt Hij vrijwillige genegenheid tot kwaad: want alzoo wordt den ondankbaren alle verontschuldi-
70
2 THESSALONICENSEN 2:12, 13.
ging benomen, dewijl zij in de onrechtvaardigheid zoo groeten lust hebben, dat zij ze liever hebben dan de rechtvaardigheid Gods. Want hoe zullen zij kunnen zeggen, dat zij door eenig geweld gedwongen zijn, zichzelven door uitzinnige afwijking te vervreemden van God, tot wien zij door de natuur geleid worden? Het is voorwaar openbaar, dat zij wetens en willens den leugenen gehoor geven.
13 Maar wij moeten God altijd danken over u, broeders van den Heere bemind! omdat God u van den beginne aan tot zaligheid verkoren heeft, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid.
14 Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot bezit-ting der heerlijkheid '), van onzen Heere Jezus Christus. ting.
13 Maar wij moeten. Nu zondert hij de Thessalonicensen openlijk af van de verworpenen, opdat hun geloof niet wankelbaar worde door vreeze der toekomende afwijking. Hoewel, hij heeft het niet alleen om hunnentwil gezegd, maar heeft ook mede de nakomelingen willen voorzien. En hij bevestigt ze niet alleenlijk, opdat zij niet met de wereld tot denzelfden val komen, maar door deze vergelijking prijst hij meer de genade Gods aan hen, dat zij in ge-rusten en vasten stand des levens behouden worden, daar zij zien dat meest de gansche wereld als met een geweldig onweder, te zamen ten doode getrokken worden. Alzoo betaamt het ons de oordeelen Gods over de verworpenen aan te merken, opdat zij ons als spiegels zijn, om de barmhartigheid Gods aan te merken. Want wij moeten dit weten, dat het niet anders dan door bijzondere genade Gods geschiedt, dat wij niet ellendig met hen vergaan. Hierom noemt hij ze; bemind van den Heere, opdat zij te beter bedenken, dat zij om geen andere oorzaak gelijk uit die algemeene ellende getrokken worden, dan omdat ze God onverdiend liefgehad heeft. Alzoo vermaande Mozes de Joden: God heeft u niet daarom zoo grootelijks verheven, omdat gij machtiger of grooter van getal zijt: maar omdat Hij uwe vaders liefhad, Deut. 7 : 8. Want als wij hooren dat woord liefde, zoo moet ons terstond in den zin komen wat Johannes zegt: Niet dat wij Hem eerst liefgehad hebben. In één woord, Paulus doet hier twee dingen: want hij bevestigt het geloof, opdat de geloovigen den moed niet verloren geven, door vrees verslagen zijnde; en hij vermaant ze tot dankbaarheid, opdat zij de barmhartigheid Gods te meer achten. Verkoren heeft. Hij drukt de oorzaak uit, waarom niet alle men-schen met hetzelfde verderf overvallen worden, te weten, omdat tegen al degenen die God uitverkoren heeft, de duivel geen macht heeft, dat zij niet zouden zalig worden, al ware het dat de hemel met de aarde vermengd werd. Van den beginne aan. Deze plaats wordt onderscheiden gelezen. De oude overzetter heeft gezet: De eerstelingen. Zoo iemand het alzoo wil lezen, zoo zal de zin wezen, dat de geloovigen zijn als weggelegd geweest tot een heilige offerande: en het zal wezen een gelijkenis genomen van de oude ceremonie der wet. Nochtans laat ons houden wat het gewoonlijkst is, te weten, dat hij zegt dat de Thessalonicensen van den beginne aan uitverkoren geweest zijn. Sommigen leggen het uit, dat zij zijn onder de eersten geroepen geweest: maar dit is vreemd van den
71
72 2 THESSALONICENSEN 2 : 13, 14.
zin van Paulus, en komt niet overeen met de omstandigheid dezer plaats. Want hij wil niet alleen sommige weinigen, die terstond in den beginne des Evangelies tot Christus gebracht waren, van deze vrees verlossen, maar deze troost komt allen uitverkorenen Gods toe zonder uitzondering. Daarom, als hij zegt: Van den beginne, zoo beduidt hij daarmede dat het niet te vreezen is, dat de verandering der dingen, hoezeer wreed zij ook zij, hun zaligheid zou omstooten, die in de eeuwige verkiezing Gods gefundeerd is, alsof hij zeide: Al is het dat de satan alle ding in de wereld vermengt en verwart, zoo is nochtans uwe zaligheid buiten gevaar gesteld geweest, eer de wereld geschapen was. Zoo is dan dit de rechte haven der gerustigheid, dat God, die ons over langen tijd uitverkoren heeft, ons van alle kwaad zal verlossen, dat ons zou kunnen verhinderen. Want wij zijn uitverkoren ter zaligheid: zoo zullen wij dan van het verderf bevrijd zijn. Maar dewijl het ons niet toekomt in den verborgen raad Gods te dringen, om daar de zekerheid onzer zaligheid te halen, zoo stelt hij teekenen der verkiezing, die ons genoegzaam moeten zijn om die te gelooven. In heiligmaking des Geestes, zegt hij, en geloof der waarheid: hetwelk tweeërlei wijze kan verstaan worden, te weten, met heiligmaking of door heiligmaking. Toch is daar niet veel aan gelegen, welke men neemt van beide, dewijl het zeker is, dat Paulus niet anders wil, dan bij de verkiezing stellen de naaste teekenen, die onafscheidelijk aan haar hangen, en haar openbaren, die in zichzelve onbegrijpelijk is. Zoo dan, opdat wij weten dat wij van God uitverkoren zijn, zoo hebben wij niet te onderzoeken wat God vóór de schepping der wereld heeft voorgenomen, maar zullen in onszelven behoorlijke bevestiging vinden, zoo Hij ons door zijnen Geest geheiligd heeft, en zoo Hij ons door het geloof des Evangelies verlicht heeft. Want het Evangelie is ons een getuigenis onzer aanneming, en de Geest verzegelt Eom. 8;i4. ze: want degenen die door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods, en wie Christus door het geloof bezit, die heeft het eeuwige leven. Deze dingen moet men naarstig aanmerken, opdat wij de openbaring van den Goddelijken wil, waarmede Hij ons gebiedt tevreden te zijn, niet voorbijgaan, en denzelven in zijn verborgen raad willen onderzoeken, welke onderzoeking Hij ons verbiedt, en alzoo onszelven in een diepe doolhof verliezen. Zoo betaamt het ons dan, met het geloof des Evangelies en met de genade des Geestes, waarmede wij wedergeboren zijn, tevreden te zijn. En hiermede wordt dier menschen ongeschiktheid wederlegd, die van de verkiezing Gods maken een deksel en voorwending aller boosheid: dewijl Paulus ze alzoo stelt bij het geloof en de wedergeboorte, dat hij ze niet uit eenige andere dingen wil gewaardeerd hebben.
14 Waartoe Hjj u geroepen. Hij herhaalt dezelfde zaak, hoewel een weinig met andere woorden. Want de kinderen Gods worden niet geroepen, dan tot het geloof der waarheid. Maar hier heeft Paulus willen toonen, hoe bekwaam getuige hij is, om die zaak te bevestigen, waarvan hij een dienaar was. Zoo dan, hij stelt zich-zelven als een borg, opdat de Thessalonicensen niet twijfelen, dat het Evangelie, dat hun geleerd was, de zaligmakende stem Gods is, waardoor zij van den dood opgewekt, en van des duivels tirannie bevrijd worden. Hij noemt het zijn Evangelie, niet dat het bij hem
2 THESSALONICENSEN 2 ; 14, 15.
voortgekomen is, maar omdat de verkondiging hem bevolen was. Dat hij daarbij stelt: Tot verkrijging of bezitting der heerlijkheid van Christus, daardoor kan men verstaan, dat zij geroepen zijn om eenmaal met Christus de heerlijkheid in 't gemeen te bezitten, of dat Christus ze verkregen heeft tot zijn heerlijkheid. En alzoo zal het een andere reden der bevestiging wezen, te weten, dat Hij ze niet anders als zijn eigen erfenis zal beschermen, en dat Hij in het bewaren hunner zaligheid een beschermer zijner heerlijkheid zal wezen. Deze laatste zin rijmt het best naar mijn oordeel.
15 Zoo dan, broeders! staat, en houdt die onderwijzingen, die gij geleerd hebt door woord of door zendbrief van ons.
16 En onze Heere Jezus Christus zelf, en onze God en Vader die ons liefgehad heeft, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting, en goede hope door zijn genade,
17 Die vertrooste uwe harten, en bevestige u in alle goed werk en woord.
Deze vermaning trekt hij terecht uit de voorgaande leer: want onze standvastigheid en kracht om te volharden, steunt op geen ander ding, dan op het betrouwen der genade Gods. Als God als met uitgerekte hand ons tot zaligheid roept, als Christus Zich-zelven door de leer des Evangelies ons geeft te genieten, en als de Geest ons is gegeven tot een zegel en voorpenning des eeuwigen levens: al ware het dat de hemel viel, zoo moet nochtans ons gemoed niet verflauwen. Zoo dan, Paulus gebiedt den Thessalonicensen te staan, niet alleen als anderen staan, maar met sterke vastigheid: zoodat wanneer zij alle menschen van het geloof zien afvallen, en alle dingen ganschelijk verward zijn, desniettemin in hunnen stand blijven. En voorwaar de roeping Gods moet ons alzoo tegen alle ergernis wapenen, dat onze vastigheid zelfs niet door den gemeenen val dequot; gansche wereld verzwakt, en veel minder nedergeworpen wordt.
15 Houdt die onderwijzingen. Dat sommigen dit verstaan alleen van geboden der uiterlijke regeering, behaagt mij niet; want hij geeft te kennen hoe zij zullen staan. Nu, tot een onbeweeglijke sterkheid onderwezen te worden, dat is een zaak ver boven de uitwendige discipline. Daarom heeft hij naar mijn oordeel de gansche leer met deze woorden vervat: alsof hij zeide, dat zij hadden, waarin zij vast staande konden blijven, zoo zij in de gezonde leer voortgingen, gelijk zij van hem onderwezen waren. Ik ontken niet dat het Grieksche woord dat Paulus hier gebruikt, bekwamelijk beduidt dingen, die tot onderhouding des vredes en der orde van de gemeenten ingezet worden; en ik beken dat het alzoo genomen wordt, wanneer van menschelijke inzettingen gesproken wordt. Matt. 15 ; 6. Maar Paulus zal in het naastvolgende hoofdstuk, het woord inzetting, stellen voor een regel, welken hij hen geleerd heeft: en het woord zelve heeft een gemeene beduiding. Maar het vervolg der woorden (gelijk gezegd is) eischt dat het hier genomen wordt voor de gansche leer, waarin zij onderwezen waren. Want hier wordt van de allergrootste zaak gehandeld, te weten, opdat in zulke gruwelijke verstoring der gemeente hun geloot standvastig mag blijven. De papisten zijn ongeschikt, die hieruit besluiten, dat men hunne in-
73
2 THESSALONICENSEN 2; 15â17.
zettingen moet onderhouden. Zij argumenteeren toch aldus: Zoo het aan Paulus geoorloofd was inzettingen te gebieden, zoo is het ook anderen leeraren geoorloofd: en zoo het Goddelijk was die te onderhouden, zoo moet men ook niettemin deze onderhouden. Maar opdat ik hun toelate dat Paulus spreekt van geboden, die de uitwendige regeering der gemeente aangaan, zoo zeg ik nochtans dat zij niet van hem gesmeed, maar van God aangegeven zijn. Want i cor. 7:35. hij betuigt op een andere plaats, dat hij niet voorgenomen heeft den conscientiën een strik aan te werpen: gelijk het noch hem, noch eenigen apostelen geoorloofd was. Zij zijn ook nog meer bespottelijk, als zij den stinkenden poel hunner superstitiën, onder dezen naam in de hand willen steken, alsof zij Paulus' inzettingen waren. Maar laat varen deze beuzelingen, dewijl wij den rechten zin van Paulus weten. En men kan ook eensdeels uit dezen zendbrief oor-deelen hoedanige inzettingen hij beveelt. Want hij zegt: Hetzg door woord, dat is, prediking: Hetzjj door zendbrief. Nu, wat vervatten de zendbrieven anders dan de zuivere leer, door welke het gansche pausdom, en alle gedichtselen die vreemd zijn van de eenvoudigheid des Evangelies, ganschelijk teniet gemaakt worden.
16 En onze Heere Jezus Christus zelf. Dat hij dit werk, dat bijzonder Gode toekomt, Christus toeschrijft, en Hem onafscheidelijk met den Vader maakt tot den auteur des hoogsten Gods: daarmede wordt klaarlijk zijn Godheid bewezen, en wij worden daardoor vermaand, dat wij niet anders iets van God mogen verkrijgen, tenzij wij het in Christus zeiven zoeken. En als hij gebiedt dat hun van God gegeven worde wat hij geleerd en geboden heeft, daarmede geeft hij genoeg te kennen, hoe weinige kracht de vermaningen hebben, tenzij God de harten roert en beweegt. Voorwaar, daar zal alleen een enkel geluid tot de ooren komen, tenzij de leer kracht hebbe van den Geest Gods. Dat hij daarna daarbij stelt: Die ons liefgehad heeft, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting, dient tot het betrouwen van verkrijgen. Want hij wil, dat de Thes-salonicensen zeker zijn, dat God zal doen wat hij bidt. Maar waaruit bewijst hij dat? Te weten: Omdat Hij eenmaal bewezen heeft dat Hij ze liefhad, toen Hij ze met zoo schoone weldaden begiftigd heeft, en heeft Zichzelven alzoo voor namaals aan hen verbonden. Dit beduidt de eeuwige vertroosting. Ditzelfde beduidt ook het woord hope: opdat zij zekerlijk verwachten, dat God ze zonder ophouden met zijne gaven zal beschenken. Maar wat begeert hij? te weten: Dat God door zijnen troost hunne harten ophoude: want dit komt Hem toe, opdat zij niet door benauwdheid of mistrouwen den moed verloren geven; bovendien, dat Hij hun geve te volharden, niet alleen in gezonde leer, maar ook in den loop eens godzaligen en heiligen levens. Want ik meen meer dat hij hiervan spreekt, dan van gemeen spreken, opdat het met het voorgaande overeenkome.
74
2 THESSALONICENSEN 3:1,2.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 Voorts, broeders! bidt voor ons, opdat het woord des Heeren Matt. 9:38 zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u; Col. 4:3.
2 En dat wij verlost worden van de ongeschikte en booze men- Kom. 15:3 schen: want het geloof is niet eens iegelijks. Joh. «:44.
3 En God is getrouw, die u zal bevestigen, en bewaren van den booze.
4 Want wij betrouwen in den Heere van u, dat gij doet en zult doen wat wij u gebieden.
5 De Heere bewege uwe harten tot gehoorzaamheid Gods, en tot lijdzaamheid van Christus.
i^r^vidt voor ons. Hoewel de Heere hem krachtig bijstond, en pxhij alle anderen te boven ging in vurigheid des gebeds, zoo -â¢â^veracht hij nochtans de gebeden der geloovigen niet, door welke God ons wil geholpen hebben. Wij zullen ook naar zijn exempel deze hulp ernstig begeeren, en de broeders vermanen, dat zij voor ons bidden. Voorts, als hij daarbij stelt; Opdat het woord Gods zynen loop hebbe, daarmede toont hij dat hij niet zoozeer zorg en acht heeft voor zichzelven, als voor de gansche gemeente.
Want waarom begeert hij dat gebed der Thessalonicensen, te weten,
opdat de leer des Evangelies haren loop hebbe. Zoo wil hij dan niet, dat men hem alleen aanzie, maar veelmeer Christus' eer, en de gemeene zaligheid der gemeente. Het woord loop, beduidt verbreiding. Het woord heerlijkheid beduidt wat meer, te weten,
opdat de prediking haar kracht hebbe, om de menschen te veranderen tot beelden Gods. Zoo dan, de heiligheid des levens en de oprechtheid in de Christenen, is een versiering des Evangelies:
gelijk het door die gelasterd wordt die het met den mond belijden, en intusschen schandelijk en boosaardig leven. Hij zegt: Gelyk by u; want dit moet den godzaligen een opwekking zijn, dat zij zien dat alle anderen zijn gelijk zij. Daarom, degenen, die nu in het rijk Gods getreden zijn, worden geboden te bidden dat het kome.
2 Dat wjj verlost worden. Naar mijn oordeel heeft de oude overzetter niet kwalijk overgezet ongeschikte. Met dit en het navolgende woord, beduidt Paulus ongeregelde en meineedige menschen, die onder den naam dat zij Christenen waren in de gemeente schuilden; of hij beduidt de Joden, die in razenden ijver over de wet, het Evangelie uitzinniglijk vervolgden. Hij wist wel wat groot gevaar hem stond van beiden aan te komen. Hoewel, Chrysostomus meent dat alleen die beteekend worden, die met booze harten het Evangelie bestreden met valsche leer en niet met gewapende hand, gelijk Alexander, Hymeneüs, en dergelijken. Maar ik versta het in het gemeen van allerlei gevaren en vijanden. Hij reisde toen naar Jeruzalem, en schreef hun op den weg zijnde. En Hand. 21 :i hij was toen door den profeet van God vermaand, dat hem daar gevangenis en vervolging zou overkomen. Door de verlossing verstaat hij, dat hij overwinne door sterven of leven. Het geloof is niet eens iegeiyks. Men kon het aldus verklaren: Het geloof is niet
75
2 THESSALONICENSEN 3 ; 2, 3.
in een iegelijk, maar deze wijze van spreken zou twijfelachtiger en duisterder wezen. Daarom laat ons de woorden van Paulus behouden, met welke hij te kennen geeft, dat het geloof zoo zeldzaam een gave Gods is, dat het niet bij een iegelijk gevonden wordt. Zoo dan. God roept vele menschen, die niet met geloof tot Hem komen. Velen veinzen dat zij tot Hem komen, die het hart zeer ver van Hem hebben. Hij spreekt niet van allerlei menschen, maar alleen van de huisgenooten. Want de Thessalonicensen zagen dat velen vreemd waren van het geloof. Ja zij zagen hoe klein de hoop der geloovigen was. Daarom was dit tevergeefs gezegd geweest van degenen die buiten zijn. Maar Paulus zegt dat al degenen, die het geloof belijden, niet allen zoodanig zijn in waarheid. Zoo men de Joden allen vervat, zij schenen Christus zeer na te zijn; want zij behoorden Hem uit de wet en de profeten te bekennen. Voorwaar hij roert bijzonder die aan, met wie hij zou te doen hebben. En het is waarschijnlijk, dat het die waren, die den schijn en naam der godzaligheid hadden, en nochtans verre daarvan waren, en hieruit kwam strijd. Zoo dan, om te bewijzen dat hij niet tevergeefs, noch zonder oorzaak vreest voor strijd met de ongeschikte en verkeerde menschen, zoo zegt hij dat het geloof niet allen gemeen is, dewijl altijd de goeden met boozen vermengd zijn, gelijk goed koren met onkruid. En zoo wanneer ongeschikte menschen ons moeite maken, die nochtans onder de christenen willen geteld worden, zoo moeten wij dit gedachtig zijn, dat het geloof niet eens iegelijks is. Ja als wij somtijds hooren dat de gemeenten door booze samenspanningen verstoord worden, zoo zal ons dit een schild wezen tegen zulke ergernissen. Want wij zullen niet alleen dikmaals den godzaligen leeraren onrecht doen, zoo wij aan hun getrouwigheid twijfelen, zoo wanneer de huisgenooten der gemeente hun moeite doen: maar ons geloof zak ook dikmaals wankelbaar wezen, zoo wij niet gedachtig zijn, dat er vele meinee-digen zijn onder degenen, die zich op den christennaam roemen.
3 En God is getrouw. Dewijl hunne harten door boos gerucht kunnen verslagen worden, en alzoo eenigszins beginnen aan Paulus' dienst te twijfelen: als hij vermaand heeft, dat men niet altijd geloof vindt in de menschen, zoo roept hij ze tot God terug, en zegt dat Hij getrouw is, dat Hij ze zal bevestigen tegen alle listen der menschen, waarmede zij ze zullen zoeken te verzwakken, alsof hij zeide: Zij zijn wel meineedig, maar in God is een vast steunsel genoeg, dat gij niet vervallen zult. Hij zegt, dat de Heere getrouw is, als die tot het einde toe Zich gelijk is in de zaligheid der zijnen te beschermen, bijtijds helpt, en nimmermeer in gevaar verlaat. Gelijk iCor. 10:13. hij tot de Corinthiërs zegt: De Heere is getrouw, die u niet zal laten verzocht worden boven wat gij kunt verdragen. Voorts, dat Paulus zorgvuldiger geweest is voor anderen, dan voor zichzelven, bewijzen deze zelfde woorden. Op hem hebben de booze menschen de pijlen hunner ongeschiktheid geschoten, op hem heeft al het verzinnen geweest: en intusschen zorgt hij voor de Thessalonicensen, opdat deze verzoeking hun niet hinderlijk zij. Het woord boos, kan wel geduid worden op de zaak zelve, te weten, op de boosheid, als op de personen der ongeschikte menschen: doch ik duid het gaarne op den duivel, die het hoofd aller boozen is. Want het ware weinig, dat wij van de listigheid en geweld der menschen verlost wer-
76
2 THESSALONICENSEN 3:4, 5.
den, zoo de Heere ons niet beschermde voor alle geestelijke hindering.
4 Wjj betrouwen. Met deze voorrede maakt hij zichzelven een doorgang tot de ondervinding, die hij terstond zal geven. Want dit betrouwen dat hij betuigt van hen te hebben, maakt ze veel bereider om gehoorzaam te zijn, dan of hij als twijfelende of wantrouwende, gehoorzaamheid geëischt had. Hij zegt dat deze hope die hij van hen had, in den Heere, gefundeerd is: want het komt Hem toe de harten te buigen tot gehoorzaamheid, en daarin te behouden. Of hij heeft niet dit woord willen betuigen, dat hij niet voorgenomen heeft eenig ding te gebieden, dan op des Heeren bevel. Zoo dan,
hiermede wordt hem en hun een paal gesteld: hem, opdat hij niet gebiede dan in den Heere, en hun, dat zij niet anders gehoorzaam zijn dan in den Heere. Zoo dan, al die deze matigheid niet houden, die bedekken zich tevergeefs met Paulus voorbeeld, om de gemeente met hunne wetten te binden en te onderwerpen. Mogelijk heeft hij hierop gezien, dat zijn apostelambt bij de Thessalonicensen in eere en ongeschonden bleve, hoewel zeer de ongeschikte menschen zochten zijn eer te niet te maken. Want dat bidden, dat hij terstond daarbij zet, strekt tot dit einde. Want zoover de harten tot Gods eer en Christus lijdzaamheid geschikt blijven, zoo zal alles wel wezen:
en Paulus betuigt, dat hij niet anders begeert. Waaruit het openbaar is, hoe dat hij geenszins zoekt zelve heerschappij te hebben:
want hij is tevreden, zoover zij in de liefde Gods en hope der komst van Christus volharden. Dat hij betrouwt en nochtans bidt, daarmede vermaant hij, dat men de naarstigheid in het bidden niet moet verlaten, omdat men goede hope heeft. En dewijl hij hier kor-telijk uitdrukt, wat hij wist den Christenen allermeest noodig te zijn:
zoo moet een iegelijk zoeken in deze twee dingen alzoo groot profijt te doen, als hij zoekt tot de volmaaktheid voort te gaan. En voorwaar de liefde Gods kan in ons niet regeeren, tenzij de broederlijke liefde ook bloeie. En de verwachting van Christus onderwijst ons tot verachting der wereld, tot dooding des vleesches, en verdraagzaamheid des kruises. Hoewel de lijdzaamheid van Christus kon beduid worden die, welke de leer van Christus in ons voortbrengt: maar ik wil het liever verstaan van de hope der laatste verlossing. Want dit eene houdt ons op in den strijd des tegenwoordi-gen levens, dat wij den Zaligmaker verwachten: en deze verwachting eischt verdraagzaamheid in de gedurige oefeningen des kruises.
77
2 THESSALONICENSEN 3 : 5â8.
Nu gaat hij over om een bijzonder feil te beteren. Dewijl daar sommige menschen traag en ook mede nieuwsgierig en klapachtig waren, die van het eene huis in het ander gingen, om bij anderen te leven, zoo verbiedt hij derzulker ledigheid door toegeven te voeden: en leert dat die heilig leven, die door eerlijken en nutten arbeid hun nooddruft verkrijgen. En ten eerste noemt hij ongeschikte, niet die ongebonden leven, of voor openbare booze stukken berucht zijn, maar luie en nietige menschen, die zichzelven in geen eerlijke en nuttige dingen oefenen. Want dit is waarlijk ongeschiktheid, als wij niet aanzien waartoe wij geschapen zijn, en ons leven naar datzelve einde voegen: dewijl dit eerst een geschikt leven is, als wij leven naar Gods bevel. Buiten deze orde is in des menschen leven niet dan verwarring. En dit is wel aan te merken, opdat niemand zichzelven behage buiten de behoorlijke roeping Gods. Want God heeft der menschen leven alzoo onderscheiden, opdat een iegelijk zichzelven begeve om zijnen naaste te dienen. Zoo dan, wie alleen voor zichzelven leeft, het menschelijk geslacht tot geen ding nut, ja anderen lastig is, niemand helpende, die wordt terecht ongeschikt geacht. Daarom leert Paulus, dat men dezulken moet afkeeren van de gemeenschap der geloovigen, opdat zij der gemeente geen oneer aandoen.
6 Wy bidden u in den naam. Erasmus heeft overgezet: By den naam, alsof het een bezwering of betuiging ware, hetwelk, hoewel ik het niet ganschelijk verwerp, zoo acht ik nochtans meer dat dit de zin is, te weten, dat zij behooren deze vermaning aan te nemen met eerbied, niet als die van een mensch, maar van Christus zeiven komende. En aldus legt het Chrysostomus uit. Nu, deze afhouding waarvan Paulus spreekt, is niet de gemeene uitsluiting der gemeente, maar betreft de bijzondere verkeering. Want hij verbiedt eenvoudig den geloovigen geen gemeenschap te hebben met zulke kwade menschen, die zich in geen eerlijk leven oefenen. En hij zegt bij name, van allen broeder. Want zoo zij zich belijden Christenen te zijn, zoo zijn zij geenszins verdragelijk: want zij zijn een oneer en schandvlekken van den godsdienst. Niet naar de onderwijzing. Te weten, die hij terstond zal stellen, dat men degenen die weigert te arbeiden, geen spijze geve. Maar eer hij hiertoe komt, zoo verhaalt hij hoedanig een exempel hij hun gegeven heeft. Want de leer heeft veel meer gezag en geloof, als wij den anderen niet meer opleggen dan wij zelf doen. Hij verhaalt, dat hij dag en nacht geweest is in het werk zijner handen, opdat hij niemand met onkosten zou bezwaren. Van welke zaak hij ook in den Eersten zendbrief wat aangeroerd heeft, waaruit de lezers breeder verklaring dezer zaak moeten halen. Dat hij zegt, dat hij niemands brood voor niet gegeten heeft, zou hij voorwaar ook niet gedaan hebben, al had hij niet gearbeid met zijne handen. Want men heeft dat niet voor niet, wat men met recht schuldig is: en de waarde des arbeids, welken de leeraars in de gemeente doen, is veel meer dan de kost, welken zij daarvan nemen. Maar Paulus heeft hier acht gehad op de onvoorzichtige menschen. Want in alle menschen is zooveel gerechtigheid en oordeel niet, dat zij zouden bekennen wat loon men den dienaren des Woords schuldig is. Ja sommige menschen zijn eer zoo boos van aard, al is het dat zij niet van het hunne daartoe geven, nochtans hun den kost benijden, alsof het ledige menschen
78
2 THESSALONICENSEN 3 : 8â10.
waren. En hij geeft terstond genoeg te kennen, dat hij van zijn eigen recht heeft toegegeven, als hij geen bezoldiging genomen heeft:
waarmede hij leert, dat men veel minder moet dulden dat die van anderen leven, die niets doen. Als hij zegt, dat zij het weten hoe zij hem behooren na te volgen, zoo wil hij niet enkel, dat zijn exempel als een wet moet geacht worden; maar de zin is dat zij weten wat zij gezien hebben wat waardig was na te volgen. Ja dat ditzelve waarvan nu gesproken wordt, tot navolging voorgesteld is geweest.
g Niet dat wij de macht. Gelijk Paulus met zijn werken een exempel heeft willen geven, dat luie menschen niet voor niet eens anders brood zouden eten; alzoo heeft hij niet gewild dat ditzelve den dienaren des Woords hinderlijk zou zijn, dat de gemeenten de behoorlijke nooddruft hun zouden mogen onthouden. Waarin zijn zonderlijke matigheid en beleefdheid gezien wordt; en hoever hij geweest is van dier menschen eergierigheid, die hunne deugden daartoe misbruiken, dat zij hunner broederen recht verminderen. Het was te vreezen, dat de Thessalonicensen, dewijl zij in het eerst de prediking des Evangelies uit Paulus' mond voor niet hadden, na-maals andere dienaren een wet daarvan zouden maken, gelijk der menschen natuur boos van aard is. Zoo voorkomt ze dan Paulus,
en leert dat hem meer geloorloofd was dan hij gebruikt heeft; opdat de anderen hunne vrijheid ongeschonden behouden. Alzoo heeft hij ook degenen, die niets doen, meer willen beschamen, gelijk ik boven aangeroerd heb. Want het is een argument van meerder tot minder.
io Die niet wil arbeiden. Dewijl daar geschreven is; Gij zijtzalig, den arbeid uwer handen etende. Insgelijks, de zegen des Heeren is pr'
over de handen des menschen die arbeidt; zoo is het zeker dat ledigheid en luiheid van den Heere vervloekt worden Bovendien weten wij,
dat de mensch geschapen is, opdat hij wat doe; hetwelk niet alleen de Schrift ons betuigt, maar de natuur heeft het ook den heidenen geleerd. Zoo is het dan recht, dat die ook van de nooddruft, van het loon des arbeids beroofd worden, die zich van de gewone wet willen uitzonderen. En als de apostel geboden heeft, dat dezulken niet zouden eten, zoo geeft hij niet te kennen, dat hij dezulken een gebod gegeven heeft, maar dat hij den Thessalonicensen verboden heeft hun luiheid te voeden, waarmede zij hun den kost gaven.
Nu moet men aanmerken, dat daar menigerlei wijze van arbeid is.
Want zoo wie het gezelschap der menschen met zijn vernuft of arbeid helpt, hetzij met huisgezin te regeeren, of gemeene of bijzondere zaken bedienende, of met raad geven, of met leeren, of in eenig ander manier, die is onder de lediggangers niet te rekenen.
Want Paulus spreekt van die luie menschen, die van anderer menschen zweet leven, en zelf niets doen, waardoor het menschelijke geslacht geholpen wordt: gelijk als daar zijn onze monniken en priesters, die niets doende rijkelijk gemest worden, uitgenomen dat zij om tijdkorting in de kerk zingen. Plautus, een oude Latijnsche dichter, sprekende van lieden, die op hun gemak leven, zegt dat zij heerlijk leven.
11 Want wij hooren. dat sommigen onder u ongeschikt wandelen,
geen werk doende, maar nieuwsgierig zijn.
12 Denzulken gebieden wij, en bidden door onzen Heere Jezus iTheas.4:ii.
79
2 THESSALONICENSEN 3:11, 12.
Ef. 4; 28. Christus, dat zij gerustelijk arbeidende, hun eigen brood etfin.
GaI' 6'9- 13 Maar gij, broeders! wordt niet moede in goed doen.
11 Want wj] hooren, dat sommigen. Het is waarschijnlijk, dat deze aard der ledige menschen eenig zaad der ledige monnikerij geweest is. Want daar zijn terstond van den beginne aan sommigen geweest, die onder het deksel van godsdienst, aan de tafel van anderen knaagden, of lichtelijk der eenvoudigen goed tot zich trokken. En ten tijde van Augustinus zijn zij zoo geweldig geweest, dat hij is gedwongen geweest eigenlijk een boek te schrijven tegen de ledige monniken: waarin hij terecht klaagt van hun hoovaardigheid, dat zij de vermaning des apostels verachtende, zichzelven niet alleen met zwakheid verontschuldigen, maar willen ook heiliger dan andere menschen geacht zijn, omdat zij geen arbeid doen. Te recht scheldt hij deze ongeschiktheid, dat de handwerkers en de ambachtslieden niet alleen ledig leven, maar ook hun ledigheid voor heiligheid willen geacht hebben, daar toch de raadsheeren en edelen niet zonder arbeid zijn. Dit heeft wel Augustinus geschreven, maar in-tusschen heeft dit kwaad alzoo de overhand genomen, dat bijna het tiende deel der wereld bezeten wordt met ledige buiken, welker eenige religie is, wel vol, en zonder eenigen arbeid of zwarigheid te zijn. En dusdanige wijze van leven, versierden zij met den naam orde of regel van dezen of dien heilige. Maar wat zegt hiertegen de Geest Gods door den mond van Paulus, te weten, Hij betuigt dat zij allen ongeregeld en ongeschikt zijn, wat titel zij ook nemen. Het is niet noodig hier te verhalen, hoezeer het ledig leven der monniken ten allen tijd den verstandigen mishaagd heeft. Het woord
Historiae van een ouden monnik, dat door Socrates verhaald wordt, is waardig Libquot; 8?r'ae te verhalen, te weten, dat een monnik, die met de handen niet arbeidt, een roover gelijk is. Andere dingen verhaal ik niet, en het is niet noodig. Deze zin van Paulus zij ons genoeg, waarmede hij betuigt, dat zij als ongebonden en zonder wet en regel zijn. Geen werk doen. Hij haalt aan dat gebrek, dat gemeenlijk ledige menschen hebben, te weten, dat zij ongeschiktelijk moeite makende, zichzelven en anderen lastig zijn. Want wij zien, dat die niets te doen hebben, veel meer vermoeid worden van niets te doen, dan of zij een zeer ernstig werk deden. Zij loopen heen en weer, waar zij komen, daar brengen zij groote vermoeidheid mede. Zij verzamelen alle geruchten, dezelve zaaien zij beroerlijk. Gij zoudt zeggen, dat zij den last eens koninkrijks op hun schouders dragen. Kan men eenigen klaar-deren spiegel dezer zaak hebben, dan in de monniken? Want wat soort van menschen is er meer ongerust? Waar regeert grooter nieuwsgierigheid ? En dewijl deze ziekte is gelijk een pest in het gemeen, zoo vermaant Paulus, dat men ze niet moet voeden met ledigheid.
12 Denzulken gebieden wy. Hij betert deze twee gebreken, die hij gemeld had, te weten, die beroerlijke ongerustigheid en ledigheid van nuttigen arbeid. Zoo gebiedt hij dan ten eerste, dat zij gerust zijn, dat is, zich stil houden binnen de palen hunner roeping, dat wij in onze taal zeggen, zonder rumoer. Want het is alzoo, die zijn allerstilst, die zichzelven in behoorlijken arbeid oefenen, en die geen werk hebben, die beroeren zichzelven en anderen mede. Daarna stelt hij een ander gebod, te weten, dat zij arbeiden, dat is, dat zij naarstig zijn in hun roeping, en in behoorlijke en eerlijke oefenin-
80
2 THESSALONICENSEN 3 : 12â14.
gen arbeiden, zonder welke des menschen leven ongestadig is.
Waaruit ook dit derde volgt: Dat zy hun eigen brood eten;
waarmede hij te kennen geeft, dat zij met het hunne behooren tevreden te zijn, opdat zij geen anderen lastig zijn. Drinkt water uitSpr-5:15-uwe fonteinen, (zegt Salomo) en laat de beken uitvloeien tot de geburen. Dit is de eerste regel der gerechtigheid, dat niemand tot zich neme wat eens anders is, maar alleen dat gebruike, dat hij met recht het zijne mag noemen. De andere is: dat niet een iegelijk bij zich-zelven als een draaikolk verslinde wat hij heeft: maar dat hij jegens zijn naasten weldadig zij, en hun armoede met zijn overvloed verlichte. Alzoo gebiedt de apostel die te arbeiden, die tevoren ledig geweest waren, niet alleen opdat zij hunne nooddruft verkrijgen,
maar opdat zij ook der broederen nood te hulp komen, gelijk hij Ef. 4:28. ook elders leert.
13 Maar gij, broeders! Ambrosius meent dat dit hierbij gesteld is, omdat de rijken hun hulp den armen niet zouden onttrekken,
omdat hij geboden had, dat een iegelijk zijn eigen brood eten zou.
Eri wij zien voorwaar, hoe vele menschen veel te scherpzinnig zijn,
om een voorwending van beleefdheid te vinden. Chrysostomus legt het aldus uit: Dat men niettemin de luie menschen moet helpen,
zoo zij honger lijden, hoewel zij terecht veroordeeld worden. Ik meen alleen dat Paulus die ergernis heeft willen voorkomen, die uit de luiheid van weinige menschen had kunnen rijzen. Want het pleegt te geschieden, dat degenen die anders zeer bereid en vaardig zijn tot weldoen, verkouden, als zij zien dat de weldaden verloren zijn, omdat zij kwalijk besteed zijn. Zoo vermaant dan Paulus, dat men niet moet aflaten die te helpen, indien onze hulp noodig is,
hoewel velen der weldaad onwaardig zijn, en ook sommigen onze mildheid misbruiken. Deze waarheid is aanmerkenswaardig: hoewel de ondankbaarheid, ongezeggelijkheid, hoovaardigheid en andere onwaardigheden der armen ons mochten vermoeien, of door verdriet breken, dat wij nochtans daartegen moeten strijden, opdat wij de naarstigheid in het weldoen nimmermeer nalaten.
14 Zoo iemand ons woord niet gehoorzaam is, teekent dien door
een zendbrief, en hebt geen gemeenschap met hem, opdat hij Matt. 18:17. beschaamd wordej 2Thes3.3:6.
15 En acht hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder.
16 De God des vredes geve u vrede allen tijd alleszins. De Heere zij met u allen.
17 De groetenis met mijne hand van Paulus: hetwelk is een tee- Col. * is. ken in eiken zendbrief.
18 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.
De Tweede zendbrief aan de Thessa lonicensen geschreven te Athene.
14 Zoo iemand. Hij heeft boven betuigd, dat hij niet gebiedt dan door den Heere. Daarom zoo iemand niet wilde gehoorzaam zijn,
die was niet tegen een mensch, maar tegen God zeiven wederspan-nig geweest: daarom leert hij dat zulken strengelijk te straffen zijn.
En ten eerste wil hij, dat men ze hem overdrage, opdat hij ze door
81
82 2 THESSALONICENSEN 3: 14, 15.
zijn autoriteit dwinge: daarna gebiedt hij, dat men ze uitsluite, opdat zij zich door schaamte bekeeren. Waaruit wij verstaan, dat men niet dier menschen naam moet sparen, die niet anders kunnen gebeterd worden, tenzij hun feilen ontdekt worden: maar wij moeten zien, dat wij de gebreken den medicijnmeester te kennen geven, die ze zoeken te heelen. Hebt geen gemeenschap. Ik twijfel niet, dat hij van den ban en uitsluiting spreekt. Want boven dat die ongeregeldheid strenge straf verdiende, zoo was de hardnekkigheid een onverdra-gelijk gebrek. Hij had eerst gezegd: Houdt u af van hen, omdat zij ongeschikt leven. En nu zegt hij: Hebt geen gemeenschap met hen, omdat zy mjjn vermaning verwerpen. Zoo wil hij dan wat grooters met deze tweede reden uitdrukken, dan met de eerste. Want het is iets anders zichzelven van iemands gemeenschap afhouden, dan hem zijn gemeenschap ganschelijk verbieden. In één woord, degenen die der vermaning niet gehoorzaam zijn, die sluit hij uit van de gemeene vergadering der geloovigen. Waarmede wij vermaand worden, dat men den ban of uitsluiting moet gebruiken tegen alle hardnekkigen, die zich niet anders willen laten regeerén, en dat men hen moet schande aandoen, totdat zij getemd zijnde, leeren gehoorzaam zijn. Opdat hjj beschaamd worde. Daar zijn ook wel andere oorzaken van ban en uitsluiting, te weten, opdat de besmetting niet wijder voortga, en opdat de bijzondere misdaad eens menschen niet gedije tot, gemeen oneer der gemeente, en opdat het exempel der strengheid anderen tot vreeze onderwijze: maar Paulus heeft hier een oorzaak aangeroerd, opdat degenen, die gezondigd hebben, door schaamte gedwongen worden tot betering. Want degenen die zich in zonden behagen, worden meer en meer wederspannig, alzoo wordt de zonde gevoed door toegeving, en daarmede dat men ze door de vingeren ziet. Zoo is dan dit een zeer goede remedie, als de zondaar beschaamd wordt, zoodat hij zichzelven begint te mishagen. Dit zou wel in zichzelve een kleine voortgang zijn, voor de menschen beschaamd te zijn; maar Paulus heeft grooteren voortgang aangezien, te weten, als de zondaar van zijn schandelijkheid beschaamd zijnde, alzoo tot volkomen betering gebracht wordt. Want schaamte is gelijk droefheid en een nutte voorbereiding tot haat der zonde. Daarom moeten zij met dezen toom gedwongen worden, allen die ongebonden en dartel zijn, opdat die stoutigheid niet grooter worde, zoo zij ongestraft blijven.
15 Acht hem niet als een vyand. Hij matigt terstond de streng heid: want gelijk hij elders gebiedt, dat men moet toezien, dat de-2 cor. 2:7. gene die gezondigd heeft, niet door droefheid verslonden worde: hetwelk zou geschieden zoo de strengheid onmatig ware. Zoo zien wij dan, dat het gebruik dezer straf moet zulk zijn, dat dier zaligheid gezocht worde, die van de gemeente gestraft worden. Anders is het niet mogelijk, of de strengheid zou de wonde nog kwader maken als zij bovenmate is: daarom, zoo wij willen bevorderlijk zijn, zoo is zachtmoedigheid noodig, opdat degenen die gestraft worden, niettemin verstaan dat men ze liefheeft. In één woord, de ban of uitsluiting strekt niet daartoe, dat zij de menschen van de kudde des Heeren vervreemden, maar meer dat degenen die afdwalen, daardoor teruggeroepen worden. Maar men moet aanmerken, met wat teeken hij gebiedt de broederlijke liefde te bewijzen, te weten, niet met smeeking of vleiing, maar met vermaningen: want alzoo zullen
li
l »1
2 THESSALONICENSEN 3:15â17.
degenen die niet ongeneeslijk zijn, gevoelen dat men zorg draagt voor hun zaligheid. Intusschen is de ban of uitsluiting onderscheiden van anathema. Want degenen die de gemeente met de strengheid haars oordeels teekent, die gebiedt Paulus niet ganschelijk weg te werpen, alsof zij van de hope der zaligheid uitgesloten waren: maar dat men moet arbeiden, dat zij zich bekeeren.
16 De God des vredes geve u vrede allen tjjd. Deze zin schijnt aan den naasten te hangen, om hun de oefening der eendrachtigheid en zachtmoedigheid te bevelen. Hij had verboden ook de hardnek-kigen vijandelijk te behandelen, totdat zij door broederlijke vermaningen tot betering mochten gebracht worden. Hij had bekwamelijk hierbij kunnen stellen een gebod van vrede te onderhouden; maar dewijl dit een waarlijk Goddelijk werk is, zoo neemt hij zijn toevlucht tot bidden, hetwelk nochtans ook de kracht eens gebods heeft. Hoewel daar kan ook een ander zin zijn, te weten, dat God de ongehoorzamen dwinge, dat zij de rust der gemeente niet verstoren.
17 De groetenis met mjjne hand. Hier vliedt hij wederom dat gevaar, dat hij boven gemeld had, te weten, dat geen zendbrieven der gemeente in de hand gestoken worden, die valschelijk hem toegeschreven waren. Want dit is een oude kunst des duivels geweest, valsche geschriften in de hand te steken, om aan de ware geschriften het geloof te henemen. Bovendien, door gelogen namen der apostelen, goddelooze dwalingen te zaaien, om de gezonde leer te ver-valschen. En het is door Gods bijzondere weldaad geschiedt, dat door Paulus en anderer dienst de bedriegerijen te niet geworden, en de gezonde en ongeschonden leer van Christus tot ons gekomen is. Zijn laatste gebed verklaart, hoe God zijn geloovigen bijstaat, te weten, door de tegenwoordigheid der genade van Christus.
83
â
I