ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

. ;3.6':-gt; i-v-a; ■ ■'quot;Ïquot;: \.;':':;'r .,.;#■ iS

... •gt;, ■;■■lt;! li-.. ■', ..r v . .^.v,..-, .v V,.v. 'i

Ü: gt;...' .•rf.-i'l'1 ^.z- •.••Vs-

OTP

-^V; ;■ lt; ■^W¥/'' * i

s. ' ■ •■ '■ - «,0 A' t'- ' 'i' . ;' quot;5 .- .' J--^- /./ - / quot; \ gt; r •--!' • ^ • 'quot;A l;

,••-- .^,.' . ,„ jé:- ;--v /;.!

ii

lW

Pr'

^v;, '.'-■Vï

^V:ï^v''r' /:.■■■■

'i' '•' ',' O 4 lt;'* . •gt; - - ' 1,1 ' 'v

lt; ,■/ • • • . ■ .••■gt;•gt;-, v- ■ r ^ '- /--. - ..,?i. •- -.', ;.lt;\ quot; -'' ■quot; •'/ '. —:■■gt; ■• • V- ... -.-y.' .:

|

1

[ • ■;'

^ V - éi/A

■A^ '' '■■

■ •■' ^CNt ■

n--

i

: '

in?-

1

^

ocr page 4
ocr page 5

INLEIDING

TOT DE

N BDERLANDSCHE DICHTKUNST.

OAr

ocr page 6

\J

4

iÉ;

i

S !

|! r

ocr page 7

Y/r

INLEIDING

'li ' / '/ 1 • [/

NEDEIiLAN DSCHE DICHTKUNST

TOT DE

U

»t

aü ÈI t (j n iamp; -

p. H. VAN MOERKERKEN,

Leeraar aan de Rijks lioogere burgerschooi te Utrecht.

VQfde drnk.

bïbuotheek der rijksuniversiteit UTRECHT OOLL. thomaasse

E LBUR G. J. C. amp; W. ALTORFFER.

1891.

..i?

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2201 5279

ocr page 8

Stoomsnelpersdruk

van j. C. amp; W. Altorffer, t c Middelburg.

ocr page 9

VOORRE D E.

Met de uitgave van dit eenvoudige boekje geloof ik mijnen medeleeraren in de Nederlandsche letterkunde geen ondienst te doen. De wijze, waarop de letterkunde liet doeltreffendst met het oog op den geringen beschikbaren tijd en den ontwikkelingsgraad der leerlingen behoort onderwezen te worden, is eene zaak. waarbij het //adliue sub judice lis estquot; nog steeds van toepassing blijft. Ik voor mij schaar mij volgaarne aan de zijde van hen, die het lezen en bespreken van eenig hoofdwerk van enkele corypheeën, gevoegd bij een zeer beknopt overzicht van de geschiedenis der letterkunde, verkiezen boven het zoogenoemd geven van een geregelden cursus dezer laatste. Doch, hoe men over deze zaak ook denke, — en gewis, hier is het de plaats niet, daarover verder uit te weiden — ieder zal het wel wenschelijk achten, dat de leerlingen heldere denkbeelden aangaande den aard der letterkundige voortbrengselen verkrijgen. Niet, alsof met een juist antwoord op de vraag; '/Wat is het gelezene? Is het eene romance, eene idylle, enz.? alles ten einde zou zijn, en alsof dus na het vinden van het hokje, waarin het stuk te bergen is, vragen aangaande de verwerking der stof, de ontwikkeling der idee, de opvatting van toestand of karakter en dergelijke meer, gerust achterwege konden blijven. Neen deze vraag is m. i. vooral gewichtig, omdat ze den natuurlijken weg baant 'tot die meer gewichtige, waarvan enkele zoo even terloops vermeld zijn.

Dit boekje nu dient, om den leerlingen liet beantwoorden dier vraag gemakkelijker te maken. Het welbekende werkje

ocr page 10

VI

van Dietlein heeft mij tot richtsnoer gestrekt. Voor het meerendeel heb ik slechts hoofddenkbeelden aangestipt, en de nadere uitwerking en toelichting door meer voorbeelden aan den leeraar overgelaten. V an roman en drama heb ik uit den aard der zaak geene proeven meegedeeld; ik had mij toch tot een fragment moeten bepalen, en dit geeft eene onvolkomen voorstelling.

Menigeen zal wellicht niet overal met de gegeven bepalingen en toelichtingen kunnen instemmen: het onderwerp laat velerlei uiteenloopende beschouwingen toe; menigmaal herdacht ik dan ook bij de bewerking de reeds jaren geleden door Prof. Geel geslaakte verzuchting; quot;O, benijdenswaardig genot der zekere wetenschap, dat geen letteren noch schoone kunsten opleveren!quot; Derhalve ten volle bewust, dat er verschil van opvatting zijn zal, houd ik mij dringend aanbevolen voor welwillende opmerkingen betreffende al wat verkeerd in dit boekje mocht zijn voorgesteld.

Mijn oprechten dank breng ik den uitgevers, die bereidwillig toestemming gaven tot het opnemen van stukken uit de hun in eigendom behoorende werken.

P. H. v. M.

Middelburg, Juli 1877.

Deze druk is vermeerderd met onderscheidene dichtproeven van Zuidnederlandsche dichters.

Utrecht, Juli 1887. P. H. v. M.

Deze vijfde druk is nagenoeg dezelfde als de vierde. Utrecht, Augustus 1891. P. H. v. M.

ocr page 11

INHOUD.

Algemeene Inleiding...............Bladz. XI.

Eerste Afdeeling. Metriek..........................» i

Eerste Hoofdstuk. Rhythmus en Vers...... » i

Vondel, Vertroostinge aen Geeraerd Vossius ... » 3

Tweede Hoofdstuk. Het Rijm..................» g

Iweede Afdeeling. De Dichtsoorten. Inleiding..........» 16

Eerste Hoofdstuk. Lyrische Poëzie................» 17

Staring, De Lente......................» 18

1. Het Geestelijk Lied......................» ig

Staring, Jezus Hemelvaart................» 19

2. De Hymne..............................» 20

Tollens , Lofzang aan God................» 20

3. De Ode................................» 21

Bilderdijk, De Mensch..................» 22

Douwes Dekker, Poëzie..................» 25

Ledeganck, Aan Gent..................» 26

4. Het Wereldlijk Lied......................» 30

Het daghet in den Oosten................» 30

Hooft, Vrijheidslied der Amstellandsche Joffren. » 32

Hooft, Zang..........................» 34

Vondel, Huwelijkstrouw..................» 34

Vondel, Wiltzangh......................» 35

Nanning, Ons Vaderland................» 36

AltorfFer, Onze Driekleur................» 38

Th. van Rijswyck, De Nederlanden..........» 39

Ten Kate, Lief Elsjen..................» 40

Pol de Mont, Scoonslaepsterken............» 41

J. de Gort, Moeder en Kind..............» 44

ocr page 12

VIII

Beets. Vrede.............Bladz. 44

Van Hall, Werkmanslied................». 45

5. De Elegie..............................» 46

Bellamy, Klaagzang....................» 46

Staring, Ada van Holland................» 47

6. Het Sonnet..............................» 49

Hooft, Sonnet........................» 49

Bellamy, Klinkdicht....................» 50

Uc Lannoy, De Onbestendigheid............» 50

Potgieter, Amsterdams Wapen............» 51

l'ol de Mont, Ue Ibis..................» 52

7. Andere Lyrische Dichtsoorten................» 52

Schimmel, Feestcantate bij de Onthulling van

Thorbecke's Standbeeld................» 53

■ Honigh, Mijne Lente..................quot; 56

Ter Gouw, Vondel (Naamvers)............• 57

G. Brandt, Grafschrift op Vondel..........» 57

8. De didactische vormen der Lyrische Poëzie ... » 57

9. Het Leerdicht............................» 58

Cats , Een Schip op een Santbanck..........» 59

Huygens , Kent ü......................» 60

Hooft, Troost in Wederspoet..............» 60

Bilderdijk, Het tooneelstuk van het Mensche-

lijk leven..........................» 62

Tollens , De eerste Stap..................» 64

De Génestet, De beste Vriend............» 66

Prudens van Duyse, De verdiende Ring ... » 67

Smit Kleine, Recht door Zee..............» 68

10. Het beschrijvend Gedicht....................» 69

Bilderdijk, Kerk- en schoolleeraar..........» 69

Da Costa, De barre Rots................gt; 73

Van Kerkhoven, Een godsdienstig Man ... » 75

Heets, Het Maartsch Viooltjen..............» 76

Rosalie Loveiing, De gouden Bruiloft .... » 7^

11. De Satire..............................» So

Vondel, De Roskam....................» 81

Versnaeijen, De groote Maaiers............» 86

12. Het Epigram............................» 87

R. Visscher, Goê Raet..................» 87

ocr page 13

— IX

Huygens, Kelderkoortsen, — Advocaten, — Druk- Bladz.

ker, — Nog een, — Andlies............» SS

Huygens, Wieg, — Raad, — Vloeken, — Les

voor Dichters, — Amsterdam in 1650 . . » 89

J. de Ueckcr, Een Weetniet..............gt; 89

J. Vos , Op het huwelijk van Ds. Geraert Brandt.

Staring, Duisterheid, — Verdraagzaamheid.

Laurillard, Concurrentie................» go

Laurillard, Paardenkracht. Veth, Hulpbetoon enz. De Génestet, Autoriteits-Ongeloof. Vondel,

Op het stockske van Oldenbarneveldt ... » 91 G. Brandt, Prins Maurits, — Michiel de

Ruiter..............................» 92

Vondel, Geerart Vossius, — Op ons Weeshuis.

Hooft, Voor de poort van 't Spinhuis, — Jacob van Heemskerk. Huygens, Raed tegen Quaed.

Brandt, Kortenaer..................» 93

Tweede Hoofdstuk. Epische Poëzie..............» 94,

1. Het Epos..............................»

Fragment uit Vanden Vos Reinaerde .... » 96

2. De Idylle..............................» 102

Bilderdijk, De Visschers..................» 103

Staring, De Verjaardag..................» 104

3. Ballade en Romance......................» 110

Staring, Adolf en Emma................» 110

Staring, Folpert van Arkel................» 114

Tollens, Dirk Willemsz. van Asperen .... » 116

Ter Gouw, De dood van Graaf Floris I . . . » 121

Potgieter, Cornput's Profeetsij..............» 122

4. De Dichterlijke Vertelling....................gt; 126

Staring, De hoofdige Boer................» 126

Van Walré, De Perzer en zijn Paard .... » 129

Van Beers, De arme Grootvader..........» 132

5. Sage en Legende..........................» j^-

Staring, Wichard van Pont................» 1^6

Prudens van Duyse, Genoveva............» 139

6. De Roman..............................» 14^

7. De Novelle..............................» [46

8. De didactische vormen der Epische Poëzie. ... » 146

ocr page 14

g. Ue Fabel..............

Wellekens, De jonge Vorsch......

Wolf en Deken , De Aap.......

Bogaerts , De Ganzen.........

1**9. Ue Pijl en de Musch......

10. De Parabel..............

Douwes Dekker, De japansche Steenhouwer Bogaers, Vergeefsche Moeite.....

11. De Allegorie.............

M. C. van Hall, De gevallen Eik . . • Derde Hoofdstuk. Dramatische Poëzie ....

1. Het Treurspel............

2. Het Blijspel.............

ocr page 15

ALGEMEENE INLEIDING.

(leen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt, Het bloempje wast, waar slechts haar voeten drukken.

(Bi ld er dijk).

1. Ter uitdrukking zijner gedachten bedient de menscli zich van de spraak (de taal). Deze is tweevoudig; bf proza (ongebonden stijl, ondicht); of poëzie (gebonden stijl, dicht).

Het proza is de taal van het gezellige leven en van de wetenschap; het volgt hoofdzakelijk de voorschriften der rede, eu heeft ten doel, waarheden, feiten in de juiste bewoordingen en in juisten taalkundigen vorm mede te deelen.

2. Indien de ongebonden stijl uitmunt door kunstigen zinbouw, door rijkdom van beelden, door vergelijkingen, door ongewone, doch treffende woordschikking en woordenkeus, dan ontstaat het dichterlijk proza.

3. Streeft dus het proza hoofdzakelijk naar onderrichting en wendt het zich derhalve tot het verstand, de poëzie wil werken op liet gemoed en de phantasie (verbeelding). Zij veraanschouwelijkt edele gevoelens en gewaarwordingen in schoonen vorm en in bezielde, beeldrijke taal. Zij is //de uitdrukking in regelmatigen rhythmischen vorm van de waarheden van verbeelding, verstand en gevoeld Het hart wil zij ver-

ocr page 16

XII —

edelen, den geest verfrisschen, het gemoed verheffen. Zij heerscht over al wat waar, schoon en goed is. Zij is volgens 13 a Costa:

»Gevoel, Verbeelding, Heldenmoed,

Tot ééne ondeelbre kracht verbonden.quot;

(De Gaaf der Poëzie).

4. liet proza zoekt den mensch te overtuigente overreden: de poëzie wil liem roeren en meesleepen. Zij wil op quot;s menschen hart ontwikkelend, veredelend werken. Te dien einde moeten niet alleen de uitgesproken gedachten werkelijk schoon en waar zijn, maar ook het uiterlijk gewaad, de taal en de vorm moet den stempel van het schoone dragen. Gedachte en uitdrukking, inhoud en vorm moeten bij elkaar passen en een schoon geheel uitmaken.

5 Over de uitwendige vormen handelt de Leer van de Dichtkunst. Zij wordt onderscheiden in Versleer [Metriek). en in de Leer van de Dichtsoorten. De versleer handelt over Rhythmus, Vers, Strofe en Rijm.

Wie de werken der dichters goed verstaan en genieten wil, dient zich althans met de hoofdregels der dichtkunst bekend te maken.

ocr page 17

EERSTE AFDEELING.

METRIEK.

EERSTE HOOFDSTUK.

Rhythinus en Vers.

1. De regelmatige afwisseling van lange en korte, van beklemde en niet beklemde lettergrepen heet Rhythmus.

2. De beklemde lettergreep noemt men {toon)ver/ieffing (arsis), de niet beklemde (tooii)daling (thesis).

3. De verbinding en regelmatige afwisseling van eene of twee dalingen met eene of twee verheffingen noemt men een' versvoet of ook wel voet. B.v. de volgende regel heeft vier voeten:

,, De gek | ken zijn | der wijz | en plaag.quot;

(Staring, Hans en Louw).

4. Verbindt men verscheidene voeten tot een geheel, dan ontstaat een vers. Het aantal voeten in een vers richt zich gewoonlijk naar de in het vers voorkomende verheffingen. Men onderscheidt een-, twee-, drie-, vier-, vijf-, zes-, tot achtvoetige verzen:

;i/ ;,i. 'MtWl1 e-Cft-V lt;

Eenvoetig:

Nu rust,

Noch sticht Zijn dicht-

Diens lust En vrueght Was dueght, En 't waar, Hoe zwaar 't Ook viel.

Geschryf;

Maar 't lyf Hier bleeft. God heeft De ziel.

(S p i e g h e 1, Grafschrift op D. Vz. Coornhert).

i

Vijfde druk.

ocr page 18

2

Tweevoetig:

Vochtig | Zuyen Dien ik \ gaeren

Schort uw 1 buyen Sonder 1 baeren

Over 1 Muven Stil, en \ klaer, en

Eenen j dagh, Drooge 1 sagh

(Huygens, Muydsche Ken).

't Is Len 1 te! Lente!

Het feestgeschal Van „Len [ te! Lente!quot;

Klinke o | veral!

(Staring, Meizang).

Drievoetig;

„Wilhel 1 mus van | Nassouwequot;

Gij waart der vaadren zang:

Een band van liefde en trouwe Bleeft Gij sinds, eeuwen lang!

(Staring, Wilhelmus).

Viervoetig;

In 't ge 1 druis des | winds ver 1 loren.

Over 't woelig ruim der zee,

Laat zich Ada's harptoon hooren,

Jammert dus haar hulploos wee.

(Staring, Ada va?i Hollanct).

Vijfvoetig;

Geen ster | veling 1 dan ons | en on | zen vrm ! den Is 't recht \ vergund 1 op wijs 1 heid en 1 verstand.

(Bilderdijk, Letterklubs omes tijds).

Zesvoetig;

De groo 1 te aelou ] de stad | , vermaert | in oo I relogen, Soo scheeprijck, en voor wie sich see en stroomen bogen; Den vreemde eu nagebuur, en Rijcken tot ontsagh Gaet plotselijck te gronde en sinckt met eenen slagh

(Vondel, Gyshreght van Aemstel. IV)-

Achtvoetig:

Schuchter 1 kijkt het \ maagdlijk j roosjen 1 uitheur j njpe | b °e®®m nop-Haast ontbloot zij d'open boezem voor den m. den Lchtenddi p,

Maar en Zon en Zefir loeren op heur schoonheid, al te teei. 't Zonnelonkjen schroeit heur blaadjes, /efil^' ^T/Lsjeu).

ocr page 19

3

' i

En zoo | hoeten | dan de | volken | voor dev | over | heden | schuld.

(D. J. van Lennep, De Werken en Dagoi).

5. De verbinding van verscheidene verzen tot een geheel, dat naar inhoud en rliythmus afgesloten is, noemt men strofe. B.v.

VERTROOSTINGE

GEERAERD VOSSITJS

SUN SOON DIONYS.

Wat treurt ghy, hooghgeleerde Vos,

En fronst het voorhoofd van verdriet? Beny uw soon den hemel niet,

De heme] treckt; ay, laet hem los

Ay, staeck dees ydle tranen wat.

En offer, welgetroost en blij, üen ailerbesten vader vrij Het puyk van uwen aerdschen schat.

Men klaeght, indien de kiele strand,

Maer niet, wanneerse, rijck gelaên, Uyt den verbolgen Oceaen,

In een behouden haven land.

Men klaeght, indien de balsem stort. Om 't spiilen van den dieren reuek.

Maar niet, zoo 't glas bekoomt een breuck, Als 't edel nat geborgen word.

Hij schut vergeefs sich selven moe,

Wie schutten wil den stareken vliet, Die van een steyle rotse schiet,

IS'a haren ruymen boesem toe.'

'

■P

rm

ocr page 20

4

Soo draeyt de weereldkloot; het sij De vader 't liefste kind beweent,

Of 't kind op vaders liehaem steent;

De dood slaet huys nocht deur voorbij.

De dood die spaert nocht soete jeughd,

Nocht gemelijcken ouderdom ;

Sy maeekt den mond des reedners stom ,

En siet geleerdheyd aen nocht deugd.

Geluckigh is een vast gemoed,

Dat in geen blijde weelde smilt,

En stuyt, gelijck een taye schild,

Den onvermybren tegenspoed.

(V on del).

Niet zelden, en vooral in langere gedichten, om eento-nigheid en eenvormigheid te vermijden, wisselt de dichter korte en lange verzen, en korte en lange strofen onderling af. B.v. Staring, De Zee; A. des Amorie van der Hoeven, De, Maasstroom: enz.

6. Naargelang de opeenvolgingen der toonverheffingen en dalingen regelmatig of afwisselend in een vers terugkeeren, krijgt het een bij zonderen naam.

Volgt op eene toonverheffing (—) eene daling (^), dan ontstaat de Trochaeus (—-^). Bestaat een vers uit enkel trochaeën, dan heet het trochaeisch; het kan een-, twee-, drie- en meervoetig zijn.

B.v. Twee- en viervoetig.

Wat verschijne,

Wat verdwijne,

't Hangt niet aan een los geval.

In 't voorleden Ligt het heden;

In het nu, wat worden zal.

(B ilderdij k, Afscheid).

ocr page 21

Viervoetig:

Nu den hemel lol geschonken,

Nu eens rustigh omgedroneken,

En met 's lants triomftrompet Eenen hoogen toon gezet Op de neêrlaegh vau dees plaeghe,

Gantsch Europe, uit nieu Karthage, Toeghezworen , in 't bestaen Van den gantschen oceaan,

Waêr zijn zeekasteelen drijven,

Trots een zeewet voor te schrijven ,

Als een zeegodt, wiens gezagh Alle volcken overmagh.

(Vondel, De zeetriomf der vrije Nederlanden).

1. De verbinding van eene toondaling met eene daaropvolgende verheffing heet Jambus (_—). Het jambische vers komt ook van een- tot achtvoetig voov.

Vele tooneel- en hekeldichten der nieuwere tijden zijn in vijfvoetige jamben geschreven.

B.v. Eenvoetig (in de gepaarde rijmen):

KI een wichtjen , Lief pandtjen ,

Die 't lichtjen Die 't zandtjen ,

Pas even genoot. Die 't handtjenvol aard,

Of de oogjens Beneden

Nog droogjens , Uw leden.

Voor 't jammerdal sloot! Nog luttel bezwaan !

(Bilderdijk, Ter gedachtenis van mijn tweede Dochtertje7i).

Viervoetig:

't Geluk is veil voor zweel; noch zorgen ;

't Ontvlugt hem , die naar hooger staat;

Maar toeft, in 't schuilend dal verborgen. Als huisgenoot, bij Middelmaat.

(Staring, Het Geluk).

De verzen, bij welke aan Ivet einde eene lettergreep of een halve voet ontbreekt, noemt men onvolledig. Is bij de jambische maat buiten het bepaalde getal versvoeten nog eene

ocr page 22

6

toonlooze lettergreep aan liet einde van het vers gevoegd, dan noemt men deze overtollig.

8. Worden twee toonverheffingen met elkaar verbonden,

dan ontstaat de spondaeus (--). Deze versvoet wordt

nooit in het vers alleen gebruikt; hij komt slechts in verbinding met andere voeten voor.

De trochaeus heeft een vluggen, luchtigen tred; de jambus een vasten, gestadigen gang; de spondaeus een langzamen, zwaren stap.

13.v.

Breng mij, zachte Eenvoudigheid,

Waar de stulp uw schreden beidt.

Die de wijnstok hall omvangt;

Daar de bloeitak overhangt.

(Staring, Aan de Eenvoudigheid).

Gewis, hem was de ontrefbre borst Met zevendubbeld staal beslagen,

Die 't eerst zijn kiel den golven wagen,

Zich zeil der kiel betrouwen dorst!

(Bilderdijk, De Zeevaart).

9. De Dactylus is een drielettergrepige versvoet, waarin op éene toonverheffing twee toondalingen volgen(—wv_-).

Het dactylische vers komt slechts zelden zuiver voor; gewoonlijk is het met trochaeën verbonden of van een voorslag voorzien.

B.v.

Niet in de | scholen, neen; | heb ik ge | vonden En van geleerden, och , weinig geleerd,

Wat ons de wijzen als waarheid verkonden,

Straks koomt een wijzer, die 't wegredeneert.

(De Génestet, Waar en Hoe).

Ja | reinig en | heilig, o | mensch , uw na | tuur. En , strijdend in hoogere kracht,

ocr page 23

7

Vernieuw u, verwin u, beheersch en bestuur

U zeiven , met wijsheid , met macht,

Maar wee over hem , die , te onzaliger uur Zijn aard en zijn wezen verkracht!

(De Génestet, Verandering).

Geen | nevelig j duister

Bedekt meer het veld ;

Green blinkeiide kluister,

Die 't beekje meer knelt;

Het stormen is over;

De buijen zijn heen ;

Wat ritselt in 'tloover,

Is Zefir alleen

(Staring, Lentezang).

10. Volgt op twee toondalingen eene toonverheffing, dan ontstaat de Anapest —).

Het anapestische vers komt ook zelden zuiver voor; gewoonlijk is het met jamben en een amphibrachys(^— verbonden. Dikwijls ook is de anapest met een voorslag niet te onderscheiden van den dactylus, als:

Niet | in de scho | ien, neen, heb | ik geven | den , enz B.v.:

Kan het zijn, | dat de lier , | die sints lang | niet meer ruisch | te.

Die sints lang tot geen harten in diebtmuziek sprak ,

Weer op eens van verrukking en hemellust bruiste.

En in stroomende galmen het stilzwijgen brak?'

(Da Costa, Vijf en twintig jaren).

Uit de neev | len zal ] de Dag

Eenmaal zeker rijzen ,

Schoon niet ik hem groeten mag —

'k Zal er eeuwig God voor prijzen:

Dat ik op mijn aardscben tocht,

Onder weemoed , scherts of lijden,

Met een hart voor al wie strijden ,

Steeds naar 't hoogste zoeken mocht.

(De Génestet, Een geloovige.

ocr page 24

8

11. De Hexameter is een zesvoetig vers van zes dactylen, de vier eerste kunnen ook door spondaeën vervangen worden; de vijfde moet steeds een dactylus wezen, de zesde is onvolledig. Aldus:

B.v.;

Als het gebladert des wonds, zoo zijn de geslachten der menschen; 't Eene gebladerte schudden de winden ter aard, maar met nieuw loof Prijkt weer het bottende hout, als de tijd van de lente terugkomt. Zoo ook der menschen geslacht; 't eene wast en het andere sterft weg.

12. De Pentameter bestaat uit vijf versvoeten, waarvan vier dactylen zijn en één een spondaeus is. Deze spondaeus staat voor de eene helft na den tweeden, voor de andere helft na den vierden dactylus. Op deze wijze heeft het vers, evenals de hexameter, zes toonverheffingen. Aan het einde van de derde toonheffing moet eene caesuur zijn. In de plaats van de twee eerste dactylen kunnen ook spondaeën staan. Aldus:

Dit vers komt slechts in verbinding met den hexameter voor en men noemt deze verbinding distichon.

B.v.:

Vindt g'in den | mensch en het | leven al | leen ont | aarding en scheefheid. Kijk, is het | glas van uw | geest, || daar gij ze in | spiegelt, ook | hol?

(C. V osm aer).

Vredige stond van den dag wen 't windeke luwt en de avond

Rust van den arbeid brengt; weer van de akkers het volk Keert met beladene kar, of de ossen bevrijdt van het ploegjuk.

Dan zit stil het gezin vóór aan de deur van de hut.

Zwijgt het gekakel der ganzen en 't biggetje poost zijn knordeun.

Samengeschoold op een tak, steken de vogels den kop Onder de vlerken; de adem des winds krimpt weg en er ritselt

Enkel het lossere blad, trillend aan zilveren berk.

Vredige stond, wen al wat des daags zijne krachten naar buiten Wendde, naar binnen zich keert, mensch en natuur zich verdiept.

(Avondweelde, uit Vosmaer's Nanno).

ocr page 25

9

13. Een zesvoetige jambus, die door eene rust (caesuur) ter helft wordt doorsneden, heet Alexandrijn. Gewoonlijk sluit hij met eene zware lettergreep; evenwel vindt men ook niet zelden aan den laatsten voet eene overtallige lettergreep. Door zijne regelmatigheid bij het stipt plaatsen der rust is hij in langere gedichten zeer eentonig (of. Cats); bij afwisseling der rust wordt die eentonigheid verbroken (cf. Vondel, Bilderdijk e. a.). In de nieuwere tijden wordt de Alexandrijn niet vaak meer gebruikt.

De naam stamt van de gedichten over Alexander den Grooten, die in de middeleeuwen door ÏVansche dichters in deze versmaat geschreven werden.

B.v.;

MAAT STAAT.

Al 's mensehen doen is vlug oft vlot, verstuift oft smelt, 'T en zij bescheidenheifc hem eindt en mate stelt.

Hooft.

Men schaamt zich 't spelen niet, maar altijd door te spelen.

(Bilderdijk, in navolging van Horatius).

TWEEDE HOOFDSTUK Het Bijm.

1. Den terugkeer van gelijkluidende beklemde lettergrepen in dichtregels noemt men rijm. Volgen op de beklemde lettergreep nog een of twee toonlooze, dan moeten deze ook gelijk luiden.

Is de eindklinker en de daaropvolgende medeklinker in eene zware lettergreep volkomen gelijk, dan is het rijm

zuiver: zoo ~ , dan heet het onzuiver.

B.v.:

Eens gaf de Vorst een kostbaar feest

Aan heel zijn adeldom;

Waar 'tal van diamant, en goud, En Ridderteekens glom.

ocr page 26

10

De kroes ging schuimende in het rond ,

Met lach en gulle scherts;

Doch de afgunst mengt die gulle vreugd Met heimlijk tandgeiners

(Bilderdijk, Urzijn en Valentijn).

Indien in een vers de toonverlieffingen als slotlettergrepen met elkander rijmen, dan noemt men het rijm mannelijk of' staand (kind — wind; bleek — streek; gegrond — verbond); volgt echter op de toonverheffing nog eene toondaling van gelijken klank, dan heet het rijm vrouwelijk of slepend (buien— kruien; donker — geilonker; opgeluisterd — verduisterd).

Glijdend heet het rijm, waarin drie lettergrepen gelijk klinken (bladeren — naderen; geborenen — verlorenen; verbasteren — kritikasteren).

Het duhbelrijm ontstaat, als in plaats van de lettergrepen geheele woorden rijmen.

B.v.;

En stapt, hoovaardig, of hij heel iets groots verricht had,

Een dwarsstraat in, waardoor hij ras uit mijn gezicht trad.

(J. van Lennep, Dc Groette: Acad. Id.).

2. Het rijm staat gewoonlijk aan het einde van den regel en heet dan eindrijm. Soms komt het ook voor in liet midden en heet dan midden- of binnenrijm.

B.v.;

Zij wiegen en vliegen het baantje ten end',

En zwenken op eeus van het ijs in de tent; Zij klinken en drinken en leggen wat aan,

En waaien en zwaaien opnieuw langs de baan.

(Tollens, De liefde op het ijs). Dien dueghd verhueght,

Genuecht en vrueghd

Is staag zijn lot;

Zijn rust staat vast In lust oi last

Door hulp van God.

(H. Lz. Spiegel).

ocr page 27

11

3. Teu aanzien van de volgorde van het rijm onderscheidt men:

1) het gepaarde rijm. Het ontstaat, als twee onmiddellijk op elkaar volgende regels rijmen: aa, bb, cc. B.v.:

Wie krachtig, vroom wil zijn, en zacht — Die spiegle zich aan 't voorgeslacht;

En zorg' (hetzij dan vrouw of man!)

Dat weer zijn kind zich spieglen kan

(H e y e).

2) het omarmend rijm. Het ontstaat, als een rijmpaar het andere omsluit; ab, ba. B.v.:

Altijd hebt gij 't mondenvol

Van uw plannen en uw plichten;

Maar als 't aankomt op verrichten.....

Veel geschreeuw en weinig wol!

(H e y e).

3) het gekruiste rijm; als de regels om den anderen rijmen: abab. B.v.:

't Is niet genoeg naar Wetenschap te zoeken

In volgedrukte of'volgeschreven blaan;

De wijsheid , die gij leerdet uit de boekeu ,

Moet in uw hart geschreven staan.

(H e y e).

■i) het gebroken rijm; als tnsschen de rijmverzen rijm-looze staan. B.v.:

Een zelfde palmstruik, aan den muur,

Beschaduwt beider graf'.

De steêjeugd eert den grijzen stam.

En plukt geen loovers af

(Staving, Het Vogelschieten). Dit zijn de voornaamste; van de velerlei rijm wisselingen — waaronder gekunstelde — wordt nog het slagrijm genoemd, als in éene strofe alle of vele versregels rijmen. B.v.: Het misdrijf doet Europa beven;

't Verraad alom ten troon verheven Voert de oorlogsdonders brullend aan.

Doet duizend duizendtallen sneven,

ocr page 28

12

En hof en stad in vlammen staan:

De huisman moet zijn erf' begeven,

En op uitheemsehen grond in bittre ellend' vergaan; De krijgsknecht wordt iu 't woên gesteven, De landman, vloekend voortgedreven,

Wordt lachende berooid van 't leven ,

En ziet zijn gade en kroost in ijzeren ketens slaan.

(H e 1 m e r s, Aa7i mijn vaderland). Zie verder Hooft, Sang , bl. 137, uitg. Leendertz. B i 1 de r dij k, Uitvaart.

4. De oud-Duitsche gedichten hadden tot in de 106 eeuw in liet geheel geen rijmen, slechts hier en daar keert bij eenige sterkbeklemde woorden of lettergrepen dezelfde medeklinker als beginletter terug. Men noemt deze rijmsoort Alliteratie, ook wel stafrijm. In nieuwere tijden hebben eenige dichters dezen vorm in hunne gedichten aangewend om bepaalde effecten teweeg te brengen. B.v.;

Waakzaam , werkzaam , wachten wij ,

Dat het raadsel zich ontkaoope,

Wat ons korte leven zij!

(De Génestet, Weemoed en Hope'). In het ondicht hebben vele schrijvers, vooral Hooft en in navolging van hem Potgieter, de alliteratie gebruikt; bij de //spraeckmakende gemeentquot; is de allitereerende uitdrukking zeer geliefd; zij verbindt alleen gelijksoortige rededeelen: lief en leed, last en lust, wel en wee , schade en schande, wikken en wegen, man en muis, wind en weer, vroom en vroed, heil en heul, staf en steun, beter weten dan wanen, man en maag, loven en laken: in rep en roer, weeuw en wees, vuur en vlam, huis en hof, lijf en leden, met hart en hand, met werken en woorden, ruiten en rooven, enz.

Komen in eene strofe dezelfde of eenerlei klinkers zonder overeenstemming der medeklinkers terug, dan ontstaat de assonance.. B.v.:

Nu ruischt en fluit het riet, De wind steekt op — hij huilt door woud en kolken;

ocr page 29

13

De donder rommelt in 't verschiet —

Daar rolt hij door de donkre wolken!

(Feith, Het Onweder).

Als 't doi gebrom van verre donderslagen Op vleugels van den storm de dalen rondgedragen,

En met den hollen galm van kluft en rotsspelonk Al romm'leud voortgerold in dreunend berggeronk ,

Verhief zich 't woest gejuich der Duivlen naar den hoogen.

(B i 1 d e r d ij k, Ondergang cl. e. Wareld, III, 284).

5. Het keerrijm (referein) is de regelmatige herhaling van bepaalde woorden, regels of strofen in een gedicht. In de 16e eeuw was het //refereynquot; als dichtsoort zeer geliefd; vooral die van Anna Bijns zijn bekend. B.v.:

O Vriesland! so vol Deugden, als ik een Landschap weet, Vercierd met duysend Vreugden, u bodem is bekleed Met Korenrijcke Velden, u Steden zijn voorsien Met Wallen en met Helden, die wijslijck u gebiên. O Friesche Aerd ! recht Edel Landt,

Die door het swaerd de vryheyd want

TJ welbeboude landen sijn rijckelijck vercierd Met vruchten veelderhande , en gras voor u ghediert, Het welck den Heer laet groeyen, soo vruchtbaerlijck, dat elck Sou segghen, daer te vloeyen Kaes, Butter, Honigh, Melek. O Friesche Aerd! recht Edel Landt,

Die met het swaerd u vryheyd want. Enz.

(Starter, Nieu-Liedeke tot Lof van Vriesland).

„Een wonder is de Nieuwe Bours!quot;

Geloof het maar, Jan Salie!

Ei, waartoe zulk een zuilenlast,

Wanneer er niets moest opgetast Dan 't geveltje, dat hoog gepast Met gulden cijfers ons verrast?

't Is maar een vraag. Jan Salie?

„Een wonder is de Nieuwe Beurs!quot;

Geloof het maar, Jan Salie!

Zeg, zoudt ge er een vergrijp in zien.

Wanneer zij der verstramde kniên

ocr page 30

14

\an d'ouden dag, of kreuplen liên Een glooiende' opgang aan mogt biênP Het waar' niet heusch, Jan Salie!

(Potgieter, «Een wonder is de Nieuwe Beurs!quot;')

6. 13e strofen verdeelt men gewoonlijk naar het aantal verzen. Eene van twee verzen heet eene tweeregelige, van drie verzen eene drieregelige, enz. B.v.:

Zij prezen mij — en 'k bloos om lof zoo dwaas geschtmken; Zij laakten mij — en moed en lust zijn mij ontzonken.

Een hulde, die 'k mij schaam, een gisping, die mij deert; Werd ze averechts geboón, of vatte ik die verkeerd?

Want lofspraak en verwijt moet ons 't bewustzijn geven. Dat wij gevorderd zijn, maar verder moeten streven.

(Potgieter, Critiek).

Nu de Nederlantsche Leeuwen,

In het strijtperek afgherecht,

Staken dit verwoet ghevecht,

En de goude d'yzere eeuwen Sluiten , past het dat ons Y Deze blijdschap innewy:

Dat men 't Vredejaer eendraghtigh Onder Schaep en Pankras vier'.

En De Graef en Valckenier.

Amsterdam was noit zoo krachtigh Op gewonnen slagh of ste Als op d'inkomst van de vre:

Want men trof, na zooveel slagen,

't Wit van 't uitgetrocken zwaert.

Nu Borgonje u vrij verklaert.

En ghij op den vredewagen

E,oemt op Vrijheit, 't waerdste pandt Van 't verdadight Vaderlant.

Neerlants vrede schrijft nu wetten Allen vorstendommen voor,

Lichtze veur op 't heilzaam spoor

ocr page 31

15

Met lantaarneu en trompetten.

Ieder volge ons witte vlagh In het krieken van den dagh.

(Vondel, Vredezangh enz.. 1648).

Hij 's vrij, die op zijn oudren erven,

In eigen schuur en hoeve woont.

Wien drift noch weelde kwam bederven,

Die soberheid met kalmte loont;

üe zon komt op, de zon gaat dalen,

Vernoegd in zijner akkren palen,

Ziet hij aannadren d' avondstond.

Die rust en slaap zal hemwaarts trekken,

En elders twist en onrust dekken,

Op 's werelds woelend halve rond.

(O. Z. van Haven. De Vrijheid 13e sir.).

Eene drieregelige strofe, welke bestaat uit vijfvoetige jamben, noemt men terzine, wanneer de rijmen zoo aaneengeschakeld zijn, dat de eerste en derde regel rijmen, en de vierde , derhalve de eerste regel der volgende strofe, het tussclien-gelegen rijm opneemt. De rijmen zijn enkel slepend.

B.v.: lu Dante's Inferno beeft Vergilius aan Dante de poort der hel gewezen, waarboven geschreven staat: //Wie binnentreedt late alle hope varen.quot;

De dichter spreekt:

Toen vatte hij mijn hand, en wel tevreden Zag hij mij aan, en schonk mij nieuwe krachten, Zoo daalden we in den afgrond naar beneden ,

Waar zuchten, luide kreten, jammerklachten , Die duistre sterrelooze lucht doorboorden,

Zoodat ze mij tot droeve tranen brachten.

Vermengde talen, vreeselijke akkoorden,

Geschrei van smart en wanhoop of van woede, Met handgeklap en schelle of doffe woorden Verwekten een geweld, dat, nimmer moede,

In 't rond draait in die eeuwig duistre luchten, Als zand, gedreven door des stormwinds roede.

ocr page 32

TWEEDE A F D E E LI N G.

DE DICHT SOOÜTEJN'.

Inleiding.

Kik gedicht moet een kunstwerk zijn. Gelijk reeds vroeger aangestipt is, beliooren tot zijne vervaardiging tweeërlei zaken, de aan de phantasie ontwelde gedachte en de vorm, die de gedachte smaakvol teruggeeft. De gedachte is derhalve het inwendige, de vorm liet uitwendige. Beide moeten in het kunstwerk volkomen bij elkaar passen. Beide moeten een harmonisch geheel vormen. Eene schoone gedachte in niet passenden vorm en eene alledaagsche. platte gedachte in juisten vorm maken dienvolgens nooit een goed gelukt kunstwerk.

Alle dichterlijke voortbrengselen zou men, wat hun oorsprong en inhoud betreft, in twee groote klassen kunnen deelen. Tot de eene klasse beliooren die gedichten, waarin de dichter zijne eigene innerlijke gedachten, gewaarwordingen, voorstellingen en denkbeelden uitdrukt. Men noemt deze poëzie de subjectieve. Schildert , beschrijft of verhaalt daarentegen de dichter hetgeen de buitenwereld in hem verwekt of hetgeen in deze voorvalt, gebeurtenissen, feiten, dan heet deze poëzie de objectieve.

Streng opgevat, moest men de gezamenlijke diehtvoortbreng-selen tot de volgende vier hoofdsoorten brengen:

A. Bij uitstek subjectieve: lyrische.

B. Bij uitstek objectieve: epische.

C. Deels subjectieve, deels objectieve: dramatische en didactische.

ocr page 33

17

Yermits evenwel de didactische gedichten (leerdicht) óf den aard van den episclien, óf dien van den lyrischen óf ook dien van den dramatischen dichtvorm aannemen, zoo heeft men deze verdeeling in den laatsten tijd laten varen, en slechts de volgende drie hoofdvormen der poëzie aangenomen :

1. Lyrische (gevoel- en gedachten-) poëzie.

2. Epische (verhalende) poëzie.

3. Dramatische poëzie, d. i. de poëzie der handeling.

EEESTE HOOFDSTUK , Lyrische Poëzie.

1 nleiding.

De lyrische (lyra) gedichten staan, gelijk reeds gezegd is, voornamelijk met de gemoedsbewegingen in verband. Hunne benaming is ontleend aan de lier, die oudtijds het gezang begeleidde. Lyrische poëzie is ook poëzie van liet gezang. zij is voorfil, kenbaar voor het gehoor door den zangerigen toon, die haar bijzonder éigen is; bij haar is het duidelijk, hoe nauw muziek en poëzie voorheen vereenigd waren. De dichter schildert zijne eigene gewaarwordingen, of die van een ander, in wiens persoon hij zich verplaatst en geeft aan deze gewaarwordingen door de taal uitdrukking. De uitgedrukte gemoedsaandoeningen moeten evenwel waarheid behelzen, d. i. bij den hoorder moeten door de schildering dergelijke gewaarwordingen verwekt kunnen worden, als die, welke de dichter in zijn gedicht uitstort. Iemand, die in denzelfden toestand komt of zich verplaatst, als die, waarin de dichter zijn lied gezongen heeft, moet, als liet gedicht waarheid behelst, juist zoo kunnen gevoelen. Dit doel, nam. dat te uiten, wat anderen slechts flauw gevoelen, of wat bij andere dergelijke edele aandoeningen verwekt, wordt slechts

Vijfde druk. 2

ocr page 34

18 /

flfin bereikt, als de dichter het gevoel met bezieling en edele opgewondenheid lucht geeft, ids hij het als het volmaakte, als liet ideaal voor oogen stelt en behandelt. Zoo b. v. Staring, als hij het herleven der natuur in de lente bezingt:

Geen nevelig duister Bedekt meer het veld ;

Geen blinkende kluister,

Die 't beekje meer knelt;

Het stormen is over;

De buien zijn heen;

Wat ritselt in 'tloover,

Is Zefir alleen.

Vol bloeisel van boven,

Vol bloemen om laag,

Staan velden, en hoven,

En telgen, en haag!

De Vroolijkheid dartelt,

In klaverrijk gras;

Zij wemelt en spartelt,

In vlieten en plas.

De wouden herhalen Hun feestelijk lied;

Ook zwijgt in de dalen De Leeuwerik niet.

Van Echo vervangen,

Bij 't rijzen der maan ,

Heft gtj nog uw zangen,

O Nachtegaal, aan!

Geen nevelig duister Bedekt meer het veld;

Geen blinkende kluister,

Die 't beekje meer knelt!

Ontvlucht nu de steden ,

Wie vreugde begeert!

Ontvlucht ze nog heden —

De Lente regeert!

ocr page 35

m

Naar vorm, doel en inhoud lieeft men onderscheidene soorten van lyrische gedichten, als 1. Geestelijk lied; 2. Hymme; 3. Ode; 4. Wereldlijk lied; 5. Elegie; fi. Sonnet; 7. Andere lyrische dichtsoorten; 8. De didactische vormen dei-lyrische poëzie; 9. Het leerdicht; 10. Het beschrijvend gedicht; 11. De satire; 13. Het epigram.

1. Een lyrisch gedicht, dat een bepaald gevoel innig en waar met matige bezieling uitdrukt en geregelde verzen en strofen heeft, opdat liet kan gezongen worden, noemt men een lied. De vorm moet eenvoudig, de voorstelling helder en de taal hartelijk en welluidend zijn. Naargelang nu het lied gewaarwordingen schildert, die haar ontstaan danken aan de verhouding tot God of tot de wereld, verdeelt men de liederen in geestelijke en wereldlijke.

Het geestelijk lied heeft tot onderwerp den godsdienst. God en 's menschen betrekking tot God. De hieruit voortvloeiende gewaarwordingen kunnen zijn: die van dank, van lof, van quot;hoop, van vertrouwen, van geloof enz. Worden in het geestelijk lied het dogma en de bijbel in het bijzonder betrokken, dan heet het kerklied, anders noemt men liet godsdienstig lied. B.v.:

Gods paleis ontsluit zijn deuren;

't Voorhof zendt zijn wierookgeuren,

Bij der englen vreugdegroet,

Hem, die stierf' en leeft, te moet.

Talloos vloeit de schaar hem tegen;

Heilig palmloof dekt zijn wegen;

Beurtelings dreunt bazuingeschal —

Trilt de harp in Salems wal.

Ziet, hij nadert! Starend knielen

Serafs, Cherubs, Menschen zielen;

Harpklank en bazuingalm zwijgt.

Daar hij Sions kruin bestijgt!

's Heeren burcht verheft ziju tinnen;

Hij, die stierf' en leeft, gaat binnen;

ocr page 36

•20

Op zijn paden stroomt het licht Van zijns Vaders aangezicht!

(Staring, Jezus hemelvaart'). Zie Evang. Gez., Da Costa's Paasch-^ Pinkster- en Kerstzangen; Vondel, Harpzanghen; Feith, Na een vruchtbaren regen.

2. De Hymne. Het geestelijk lied, dat eene kalme bezieling uitdrukt, wordt hymne of lofzang, indien het zich kenmerkt door gloedvolle taal en verhevene gemoedsstemming. (Vaak heet ook hymne een uit zuivere geestdrift ontstane lofzang op een edel mensch of op eene verpersoonlijkte edele eigenschap eens menschen). B.v.:

LOFZANG AAN GOD.

Oneindig, onbegonnen Wezen,

Voor ons begrip te groot, te hoog,

Zon die niet opgaat voor ons oog,

Maar in ons hart zijt opgerezen!

Almachtige oorsprong van 't heelal,

Wien sferen in onnoembren tal,

Den lof en 't heilig hallel zingen!

Neem God! neem van de handvol stof.

Die wij van Ü ter woon ontvingen ,

Ook onze hulde, ook onzen lot.

Wie waagt Uw wording na te sporen.

Gij, die bestaat van vóór den tijd,

Begin , dat onbegonnen zijt,

Van al 't geschapen', al 't geboren!

Stoof al wat is weer weg tot asch,

Toch bleef Uw almacht wat zij was:

Geen omkeer zou Uw zetel sloepen;

Vergrijst en sterft eens heel natuur —

Schoon eeuwen zich op eeuwen hoopen.

Veroudert Gij geen enkel uur.

Hoe hoog de geest waag' op te varen,

Hoe diep de blik te peilen tracht',

't Zijn wonderwerken Uwer macht —

Gij zijt het, Gij zoo ver wij staren.

ocr page 37

Uw grenzen zijn de oneindigheid, 't Heelal ligt voor U uitgespreid Met al zijn zonnen , al zijn sferen;

De tijdstroom wentelt aan uw voet; Gij wijst hem, wat terug moet keeren, Gij wenkt hem, wat verschijnen moet.

Wie durft er mijinren in zijn droomen,

Dat uit het warlend stof alleen,

Na eeuwenlang gewoel dooreen,

't Heelal in 't eind is voortgekomen?

Wie schreef de wetten aan natuur?

Wie hing de dagtoorts aan 't azuur?

Wie deed het nachtHoers zich ontrollen?

Wie wees die starren elk haar weg? Wie rangschikte al die hemelbollen?

Deed dat een toeval, dwaze! zeg ?

't Is ons behoefte, üw naam te prijzen,

Uw lof te staamlen in ons lied!

Al peilt ons scheemrend oog IJ niet.

Wij zien U in Uw gunstbewijzen;

Al staat hij, die U kennen wil.

Verbijsterd voor Uw almacht stil.

Ons hart toch mag Uw liefde schatten;

En of geen brein, hoe stout het zij,

U mag bereiken noch bevatten,

U loven. God! dat mogen wij.

(Tollens).

Zie Vondel, » Wie is het die zoo hoogh gezeten Nieuw land, Orion ; Da Costa, Voorzienigheid; Bogaers. Mozes ; Loots- Vondel: Lede-g a n c k, Kinderlofzang.

3. De Ode. Deze dichtsoort is, evenals de hymne en liet lied, de uitdrukking- van een gevoel. Ook hier moet de hoogste geestdrift over de verhevenheid van het onderwerp uitblinken. Zij bezingt niet enkel God en goddelijk verhevene dingen, doch over quot;t algemeen elk geïdealiseerd onder-

ocr page 38

22

werp, dat voor de uitdrukking van de krachtigste bezieling en het diepste gevoel vatbaar is De taal is, overeenkomstig met des dichters stemming, beeldrijk en verheven, statig en edel, dikwijls zelfs eenigszins duister door ongewone woordschikking. De ode is voor den denker, het lied is voor het volk; aan de muze van het lied is alle geleerdheid vreemd; aan de ode, zonder de bedoeling evenwel van daarmee te pralen, zal het niet misstaan kunst en wetenschap te verheffen.

B.v.:

DE M E N S C H.

Wie bestijgt die blauwe bergen

Op dat houten waterpaard,

Met een brieschend zweet omstoven,

En ontplooit den krijgsetandaard r 'k Zie hem worstlen met de goJven,

Duiken, rijzen, beurt aan beurt;

't Onweer om zijn hoofd vergaderd;

De afgrond onder hem gescheurd.

Ja, daar splyt zy, spart zich open!

'k Zie het spalken van haar muil!

'k Hoor hare ingewanden rommelen

Met afgrijslijk doodsgehuil!

Hemel! een der sterrelingen

Waagt zich op dat deineud pad.

Waar en lucht- en donderstorting

Mengelt met het stortend nat!

Ja, hy spot met lucht en baren,

Tuimelt op 't gevleugeld ros.

Van de moederkust der aarde Op een andere wereld los.

Vruchtloos heeft Natuur het Westen

Door 't onmeetbre pekelveld Van dit aardrijk afgesneden,

En met stom en nacht omkneld. Hy doorbreekt dat vaste bolwerk,

Holt door 't matelooze ruim ,

Barst door nacht en stormen henen,

Overdekt met zeegrijk schuim!

ocr page 39

28

Dacht gy 't iintner, gy vermetele,

Die u 't eerst by stillen stroom ,

üp de holle schors dorst zetelen

Van een omgeworpen boom;

Daar uw broeders, aan den oever

In de zielsverbazing stom,

U de vlakte zagen klieven

Van de gladde waterkom,

En de roeispaan in uw handen

Klaatrend door het spieglend nat, Van de zonnevonken gloeien ,

Aan de blauwe kil ontspat?

Dacht gy 't, dat na weinige eeuwen,

Voortgerukt in bloed en wee , 't Nakroost zich op 't spoor der meeuwen,

Wagen zou aan volle zee ?

De eiselijke kloof doorwaden Van de grondelooze kolk,

En haar overkant bezoeken

Naar een nieuwgeboren volk?

Daar hun vreemde donders voeren ,

's Hemels tuighuis nagebootst.

En — de dood in de aders drinken,

Waar een andre middag roost?

Neen , gij dacht het niet, onnooz'len ,

Maar het rustloos menschenbroed Boort door allen weerstand henen,

Opgezweept door 't bruisend bloed. Ach! hoe zalig zou het wezen By zijn akker, by zijn disch!

By dien zegen van het leven,

Waar de hemel mild mee is!

Maar, helaas! ontvlamd in de ad'ren

Van een roekelooze zucht.

Grijpt het immer wijd en wijder.

Tart het afgrond, zee, en lucht.

Weinig was het, fiere rossen,

Woeste stieren, fel en wreed,

Onder 't zware jok te prangen,

En te maaien van hun zweet.

ocr page 40

Weinig, 't ademtogend leven

Zich te maken tot zijn prooi;

Aller spieren, tot zijn voedsel;

Aller deksel, tot zijn tooi!

Winden spant men in gareelen,

Dampen dwingt men in zijn band Tot zijn dienaars en gespelen ,

Leidt en ment ze met de hand.

Hoofd- bij hoofdstof moog' zich belgen ;

Dat zij bruise, woele , of kook'! 's Aardrijks rotsen leert men vloeien.

Ja, verdwijnen in den rook.

Vorst der aarde, hoe verheven

Praalt gy in dit lustgenot!

Alles knielt voor uwe wenken;

Alles buigt voor uw gebod! — Wil! — de bosschen worden meiren ;

Zeeën worden dorre grond ;

De afstand krimpt, de starren naderen;

Vuur en water treedt in bond;

Steen krijgt leven door den beitel;

Linnen ademt door 't penseel; Diereningewand leert zingen ;

Bergen rijzen door 't truweel.

Durf! — de boschleeuw slaat zijne oogen,

Duikend, neder voor uw blik;

En uw stem ontzet den arend,

Slaat den boschhyeen met schrik, 't Weerloos pluimdier zoekt bescherming

Aan uw boezem, op uw dak;

En het dankt u in zijn zangen

Van den groenen lindetak.

Spreek! — de Winter strooit u rozen;

Zomer staat met ijs omschorst;

Kn der Lente muskadellen

Daauwen laving voor uw dorst. Woestenijen worden beemden.

Paradijzen, wildernis;

Vlieten waatren dorre heiden,

Steigren op der bergen spits.

ocr page 41

25

't Vuur des bliksems rukt gij neder,

Uit het uondertelend zwerk;

Achterhaalt komeet eu dwaalstar,

En beteekent hem zijn perk.

Waarom, trotschaart zoo vermetel,

Die wat om u is, gebiedt,

Waarom, schrandere aldoordringer,

Kent ge dan u zeiven niet?

Waarom zijt gy prooi van driften ,

Die gy zelf niet onderscheidt?

Waarom, ja, gy God op aarde,

Zijt gy louter nietigheid?

(Bilderdij k).

P O Ë Z 1 li.

Daar is een kracht, uit hooger kracht gesproten, Die 't zinkend hart des menechen schoort; Die 't opvoert naar een hooger oord;

Die 't vastklemt, als de stam z'n loten, Als moederarmen 't schreiend wicht.

Aan de eerste bron van liefde en licht;

Die 't opheft, als het dreigt te zinken In 't slijk, waarin het zich bewoog.

Daar is een kracht, die 't scheemrend oog Omhoog richt, waar 't de ster ziet blinken. Die aan de kim der toekomst rijst,

Op d'adel van onze afkomst wijst,

En vast doet houden aan 't begeeren Om tot die afkomst weer te keeren.

Daar is een gloed die alles kleurt.

En 't laagste hoog maakt; die het leven.

Door winterproza wreed ontgeurd. De lenteschoonheid weer kan geven.

Een adem die verloren frischheid toovert.

Geschonden reinheid rein wascht als weleer.

En op de macht van 't kille heden weer Het eerste waas van 's levens droom herovert.

Daar is een hand die wenkt en noodt Om weer te keeren waar wij waren,

Voor ons deze aard een wijkplaats bood

ocr page 42

26

Voor weinig ras vervlogeu jaren

Daar is een stem die hoorbaar fluistert:

Ginds, ginds, daar waart ge, en keert ge weer, Kas valt de keten die u kluistert,

Dra ziet ge op aarde en stof als korte droomen neer.

Die kracht, die gloed die hand, 'tis poëzie!

Zij leeft in alles, overal! o, zonder haar,

Hoe dor en guur waar 't leven! wie,

Wie derft haar warmte, en noemt zich levend? Waar Ontbreekt haar gloed geheel? zie rond,

En luister, luister naar de klanken

Van 't suizend loof dat weemoed kweekt,

Dat van geloof en hoop en liefde spreekt,

En opwekt om te bidden en te danken.

Zie rond , en staar op 't firmament Dat, stof als wij , maar boven de aard verheven ,

In elke ster een lofdicht schijnt te geven,

In eiken straal een danklied nederzendt.

Zie rond, en hoor hoe de oceaan Zijn stemmen voortstuwt langs de stranden , Nu zacht en lieflijk , als aan banden ,

En dan weer ongetemd zijn krijgslied op doet gaan.

Hoor hoe hij juicht, als waar' het hem bewust, Dat eens Gods geest gerust heeft op z'u watren ;

Hoor hoe hij 't uitgilt in zijn klaatren ,

Dat hem Gods adem heeft; gekust!

Hoor hoe z'n kracht, in stormen sprekend. Met dondrend schuim op rots en klippen brekend ,

Of.....lieflijk murmlend, eeuwenlang,

Zich oplost in één enklen zang.

't Is alles poëzie.

(E. Douwes Dekker).

AAN GEN T.

G ij zijt niet meer ,

Gelijk weleer.

De trotsche wereldstad, die koningen deed beven, Gij zijt niet meer dat leeuwennest,

Dat wijd geducht gemeenebest,

ocr page 43

27

Dat tot de volken sprak , het hoofd fier opgeheven ;

j^iet meer de bakermat van Vlaandrens heldenmoed, Niet meer de zetelplaats van weelde en overvloed.

Uw heerschappij Is lang voorbij ,

Met alles wat de glans van heerschappij verecnigt; Voorbij, met al de wonderkracht Van zelfbestaan en eigen macht,

Die eigen voorspoed schept en onspoed lenigt;

Voorbij, met eigen zede en aard en eigen pracht; Voorbij, gelijk het rijk van een verdelgd geslacht'

't Is lang, sinds hier De Leeuwbanier Ontrold werd voor het oog dier neringen en gilden, Die elk, gelijk een legerschaar Het harnas gespten in 't gevaar,

En wilden wat was recht, en wonnen wat zij wilden! Dit tuige Prankrijks vorst, dit tuig' Eourgonje's Huis, Dit tuige 't veld voor Brugge, en dit de zee voor Sluis!

De tijden vloón,

Sinds u een zoon,

De glorie zijner eeuw, een Keizer, werd geboren. De tijden vloón , sinds hier ter stee,

Na lang en snerpend oorlogswee,

Het heilig Vreêverbond van Neerland werd bezworen O! wie geeft u terug uw telgen van weleer?

Ot ziet het V aderland ooit zulke helden weer r

O neen , de roem Is als een bloem,

Die nimmer wederbloeit, wanneer zij eens ontblaarde. En in zoo menig staatsorkaan,

Als over u is opgegaan ,

Is de uwe neergestormd, en ligt verwelkt ter aarde. Al wat gij nsg behoudt van uwe aloude faam, En ongeschonden draagt, is uw aloude naam.

ocr page 44

28

En toch , nog nu Bemin ik u,

O Gent! gelijk een spruit van adellijken bloede;

Gelijk de rijkste diamant In de eerekroon van 't Vaderland;

Gelijk de schoonste telg, die 't schoone Vlaandren voedde. Ik min u als 't gebloemt dat in uw tuinen bloost, En 'k juich dat gij de wieg zijt van mijn dierbaar kroost!

Want gij bevat Nog menig' schat Van oude Vlaamsche deugd en oude Vlaamsche zeden. Want gij vergat die taal nog niet Die donderde in uw zegelied,

Of klonk in uw geboón, of smolt in uw gebeden;

En uw gevoel voor al wat heilig is en schoon,

Spreidt gij nog in den glans der heerlijkheid ten toon!

De noeste vlijt Is nog altijd

Het kenmerk van uw kroost. Aan wriemelende drommen Verschaft gij 's levens onderhoud.

Het heilig werk, die mijn van goud ,

Die in uw luchtkring smookt uit duidend vuurkolommen! Streefde Albion u voor. Europa's vasteland Erkent dat gij de kroon der nijverheid nog spant!

Steeds onderscheidt Weldadigheid ü boven allen nog in 't liefderijkste plegen.

Gij hebt voor elk gezucht een hart.

En heul en troost voor elke smart,

Voor eiken nood een wijk, voor elke ramp een zegen; En in de feestzaal zelfs, tot zang en dans getooid.

Wordt de aalmoes door uw hand , als bloesem , neergestrooid.

Waar schittert toch De Bouwkunst nog Zoo heerlijk als bij uF Wien vlecht zij rijker krone 'r1

ocr page 45

:29

Uw tempelen van hecht arduin,

Belaan met eeuwen op de kruin,

Zijn hun bestemming waard, waard dat de Heer er wone. Zij wijzen aan het oog de blijken uwer gunst.

Die hen heeft opgesierd met peerlen van de kunst.

De Wetenschap,

Ten hoogsten trap,

Laat ge in een heiligdom van marmeren zuilen pronken, Met pracht omkleed en majesteit;

Terwijl gij der Gerechtigheid Een puikjuweel der kunst, een' tempel hebt geschonken. Waarop de vreemdeling in stomme aanbidding staart. Een zooals Themis nooit er een bezat op aard!

Iets manlijk schoons Ligt in uw zoons.

Dat nog aan 't Viaamsche bloed van vroeger' tijd laat denken, Iets dat getuigt van manlijke eer,

En uwe dochlren, o! wanneer Er sommige, onbewust, mijn oog met wellust drenken, Dan denk ik, daar mijn blik in zooveel schoonheid baadt, „Uw werk, o God van liefde! is godlijk inderdaad!quot;

Eu daarom , nu Nog, min ik u,

O Gent! gelijk een spruit van adellijken bloede;

Gelijk den rijksten diamant In de eerekroon van 't Vaderland;

Gelijk de schoonste telg, die 't schoone Vlaandren voedde; Ik min u, als 'tgebloemt, dat in uw tuinen bloost,

En 'it juich, dat gij de wieg zijt van mijn teeder kroost! —

(K. L. Led eg a nek).

Zie W. van Haren, Het vienschelijk Lcve?i; O. Z. van Haren, De Vrijheid; Feith, De Ruiter; Bilderdijk, Napoleon, Liefde tot het Vaderland; Tollens, Ode aan de Dichtkunst-, Da Costa, De Gaaf der po'ézy; Kink er. Het dichterlijk Vernuft; Vondel, De Rhijnstroom; D. J. van Lennep, Hollandsche Duinzang; Staring, Aan mijne Bennen; J. Vosmaer, Lierzang op de Verhejfi?ig der Nederlanden enz.

ocr page 46

30

4. Het wereldlijke lied. Dit lied openbaart gewaarwordingen, die door toestanden en voorvallen in 's menselien leven zijn teweeggebracht. Alle gemoedsaandoeningen; liefde, vriendschap, smart, geluk enz. maken de stof uit van het wereldlijke lied. Wat den vorm betreft zijn duidelijke taal, zangerige versbouw en vloeiend rhythmus noodzakelijke eigenschappen. Naar gelang van den inhoud heeft men: minne-, krijgs-, vredezangen, enz.

Behalve genoemde onderscheidingen maakt men nog die, welke de gezamenlijke liederen in volks- en kunstliederen verdeelt, gelijk men trouwens de gezamenlijke poëzie in volkspoëzie en kunstpoëzie kan verdeden. De kunstpoëzie is het resultaat van den arbeid eens alleenstaanden dichters, die aan zijn volgens regels bearbeid -werk eene hoogere waarheid of idee ten grondslag legt: de volkspoëzie is de eenvoudige, onopgesmukte voorstelling van de gevoelens of van feiten uit de geschiedenis eens volks. Bij haar is de stof de hoofdzaak. Niet de studeercel zag liet volkslied ontstaan; het vrije veld, een zonnige weide, een bouwval, een kruis aan den weg schiep het. De naam des dichters werd nauwelijks genoemd, of ook wel vergeten: zijn lied echter, als liet ook maar even aangreep, werd verder gedragen, om weldra door het geheele land gezongen te worden. Natuurlijkheid, eenvoud, waarheid, oorspronkelijkheid zijn zijne eigenschappen; voor ieder, die in staat is natuurlijk te gevoelen, bezit liet volkslied hooge aantrekkelijkheid. 15.v.

HET DAGHET IN DEN OOSTEN.

„Het daghet in den Oosten Het lichtefc overal;

Hoe luttel weet mijn lief ken.

Waer dat ic henen sal.

Och warent al mijn vrienden,

Dat mijn vianden sijn,

ocr page 47

■31

Ic voerdi uten lande,

Mijn lief, mijn minnekijn!quot;

„Werwaert soudi mi voeren,

Stout ridder wel gemeit'rquot;' —

„Al onder de linde groene.

Mijn troost, mijn waerde goet.quot;

„Ic iigghe in mijn liefs armen Met groter wnerdicheit,

Ic iigghe in mijn liefs armen, Stout ridder wel gemeit.quot; —

„Lichdi in uw liefs armen?

Bilo! ghi en secht niet waer!

Gaet henen ter linde groene, Versleghen so leit hi daer!quot; —

Tmeiskeu nam haren mantel, Ende si ghinc enen ganc

Al totter linde groene,

Daer sie den doden vant,

„Och lichdi hier verslaghen. Versmoort al in uw bloet!

Dat heeft ghedaen uw roemen Ende uwen hoghen moet!

Och lichdi hier verslaghen.

Die mi te troosten plach!

Wat hebdi mi ghelaten

So menighen droeven dach!quot;

Tmeisken nam haren mantel,

Ende si ghinc enen ganc

Al voor haer vaders poorte Die si ontsloten vant.

„Och, is hier enich here, Oft enich edel man,

ocr page 48

32

Die mi mi minen doden Begraven helpen can?quot; —

Die heren sweghen stille,

8ie en maecfcen gheen gheluut;

Dat meisken keerde haar oinme, Sie ghinc al wenende nut.

Si nam hem in haren armen, Si euste hem voor den mont

In eender corter wilen,

Tot also menegher stont.

Met sinen blanken swaerde Dat sie die aerde opgroef,

Met haer sneewitten armen Ten grave dat si hem droech.

„Nu wil ic mi gaen begheven In een clein cloosterkijn,

Ende draghen swarte wilen Endo worden een nonnekijn.quot;

Met hare claerder stemme Die misse dat si sane,

Met haer sneewitten handen Dat si dat belleken elanc.

VRIJHEIDSLIED DER AMSTELLANDSCHE JOEFEEJN.

Den oopenbaeren Dwinghelandt,

Met moed te bieden wederstandt,

En op de harssenpan te treeden;

Om, met het storten van zijn bloedt, Den vaderlande 't vvaerdste goed.

De gulden vryheyd te bsreeden ;

Dat is , van ouwder hercoomst wijdt, By d'aldertreftelycxt altydt Beloondt met eerenbeelden dancklijck.

ocr page 49

33

Die roem is uytgheblasen, met Gheleertheyts heldere trompet,

In schrift, en dichten onvergancklijck.

De lofkrans groenens nimmer moe, Die comt het hayr der sulcken toe.

Die 't al voor 't alghemeene waeghen : Gelyck den Heer van Aemstel tracht, Hoewel zijns selschaps overmacht,

Hem let zijn voorstel te bejaeghen.

Dan wie met wensch om goede crijt,

Maer allerhande Prinssen lijdt;

En 't geen hem overcomt te dooghen,

Sacht opneemt, dof in hoop en vrees; En 't onghelijck van weeuw en wees, Kan annezien met goedigh' oogen,

Sulck een blijft onvermaert en muyt Niet met het hooft doorluchtich uyt:

Zijn doove faam can hem niet bringhen In 's werelds ooch, en aenghesiclit;

Nocht, uyt de duysterheyt, in 't licht Optrecken, tot aen 't roer der dingen.

Zijn naem heeft clanck by oudt, noch jong. Noch soetheyt op des vollecx tong,

Onêel by burghers en by boeren. Stilswyghend glipt zijn leven deur;

Maer sonder stoot en sonder steur, En sonder trom in 't hart te roeren.

Hem angt, gheduyrende 't beliedt Van zijnen aenslach, d'ontrouw niet. Oft lichtheyt van die 't saemen swoeren: Nocht misluck als het annegaet;

Nocht de vervaerelycken haet,

Des blinden vollecx nae 't uytvoeren.

Vijfde druk. 3

ocr page 50

34

De minste twyfel van geluydt En jaeeht hem 's nachts ten bed niet uyt;

Noch vluchtens noodt van vrouw en vrinden. Het veel bestaen can nauw bestaen:

Ghemackelijk is vaylichst gaen:

En groote rust cleen onderwinden.

(Hooft, Rey uit »Geeraerdt van Fe/zen.quot;)

ZANG.

Klare, wat heeft 'er uw hartje verlept Dat het verdriet in vroolijckheidt schept.

En altijd eeven beneepen verdort,

Gelijck een bloempje, dat dauwetje schort?

Krielt het van vrijers niet om uw deur?

Mooghje niet gaen te kust en te keur?

En doeje niet branden, en blaecken, en braên Al waer 't u op lust een lonckje te slaen?

Anders en speelt het windetje niet.

Op elsetacken en leuterigh riedt.

Als: lustighjes, lustighjes. Lustighjes gaet Het waetertje, daer 't tegen 't walletje slaet.

8iet d' openhartighe bloemetjes staen,

Die u tot alle blijgeestigheidt raên.

Selt 't zonnetje wenscht' u wel beter te moe. En werpt u een lieff'elijck ooghelijn toe.

Maer so se niet, door al hun vermaan,

Steecken met vreughd uw sinnetjes aen,

Soo suit ghij maecken aan 't schrejen de bron, De boomen, de bloemen, de sujvere son.

(Hooft).

H ü W E L IJ K S T E O U W.

Waer werd oprechter trou Dan tusschen man en vrouw Ter weereld oit gevonden?

Twee zielen, gloênde aen een gesmeed Of vast geschakelt en verbonden In lief en leed.

ocr page 51

35

De band, die 'fc harte bind Der moeder aen het kind,

G-ebaert met wee en smarte,

Aan haere borst met melck gevoed,

Zoo langh gedraeghen onder 't harte.

Verbind het bloed,

Nog sterker bind de band Van 't paer, door hand aen hand Verknocht, om niet te scheiden,

Nadatse, jaeren langh gepaert.

Een kuisch en vreedzaam leven leiden,

Gelyek van aerd.

Daer so de liefde viel.

Smolt liefde siel met siel,

En hart met hart te gader,

Die liefde is sterker dan de dood;

Geen liefde koomt Grodts liefde nader,

Noch is zoo groot.

Geen water bluscht dit vuur,

Het edelst, dat natuur Ter weereld heeft ontsteeeken.

Dit is het krachtigste ciment.

Dat harten bind, als muuren breecken Tot puin in 't end.

Door deze liefde treurt De tortelduif, gescheurt \ran haer beminde tortel.

Zij jammert op de dorre ranck Van eenen boom, verdrooght van wortel,

Haer leven lang.

(Vondel, Rey uit »Gysbreght van Amstelquot;)

W I L T Z A N G H.

Wat zongh het vrolijck voghelkijn.

Dat in den boomgaert zat?

„Hoe heerlijck blinckt de zonneschijn Van rijckdom en van schat,

ocr page 52

36

Hoe ruischt de koelte in 't eiken hout,

En versch gesproten lof?

Hoe straelt de boterbloem als gout!

Wat heeft de wiltzangh stof!

Wat is een dier zijn vrijheit waert!

Wat mist het aen zijn' wensch;

Terwijl de vreck zijn potghelt spaert!

O slaaf, o arme mensch!

Waer groeien eicken t' Amsterdam?

O kommerzieeke Beurs,

Daer noit. genoeghen binnen quam!

Wat mist die plaets al geurs!

Wij voghels vlieghen, warm gedost,

Gerust van tack in tack.

De hemel schaft ons dranck en kost.

De hemel is ons dack.

Wy zaeien noch wy maeien niet;

Wy teeren op den boer.

Als 't koren in zijn airen schiet

Bestelt al 't landt ons voer.

Wij minnen zonder haet en nyt.

En danssen om de bruit.

Ons bruiloft bint zich aen geen tijdt,

Zij duurt ons leven uit.quot;

- Wie nu een voghel worden wil.

Die trecke pluimen aen,

Vermy de stadt, en straetgheschil,

En kieze een ruimer baen.

(Vondel).

ONS VADEELAND.

. Daar is een plekje gronds op aard.

Nauw zichtbaar op de wereldkaart

Eu echter groot in waarde;

Een oord bekend aan 't verste strand,

Voor ons gevoel het beste land. Het schoonste plekje op aarde.

Dat land, dat land Dat is ons vaderland

ocr page 53

37

Ben bodem, aan den Noordervloed Ontwoekerd, door de vlijt en moed

Van onbezweken helden,

Wier staal op 't bloedig oorlogsveld Ten spijt van 't Kastiljaansch geweld Der volken recht deed gelden.

't Is Nederland,

Het is ons vaderland!

Daar zagen wij het levenslicht,

Daar leerden wij voor eer en plicht

Der deugd getrouw, te leven;

Daar leidde een moeder onze jeugd.

Daar bloeide onze eerste levensvreugd Met hemelzoet doorweven.

O Nederland, O dierbaar vaderland!

O vaderland ; geliefde grond!

Tot 's levens allerlaatsten stond Blijft ge aan ons harte heilig;

En zijn we ook klein in tal en kracht,

Geen nood, want eendracht schenkt ons macht, En met haar zijt gij veilig ,

O Nederland,

Ons dierbaar vaderland

En wordt uw vrede ooit weer gestoord.

Moet op uw grens, gezegend oord!

De krijgsklaroen weer klinken;

Dan bij de aloude vaan geschaard,

Zal, als weleer, het helder zwaard Voor uwe rechten blinken

O Nederland!

O heilig vaderland!

Hoe fel dan ook de noodstorm woedt. Wij tarten d' opgezetten vloed Met goed en bloed en leven,

ocr page 54

38

En strijden we u slechts groot en vrij,

Geliefde grond! dan mogen wij Eens kalm den doodsnik geven

Voor Nederland, Ons heilig vaderland.

(F. P. G. Nanning).

ONZE DRIEKLEUfi.

Rood, wit en blauw! ja, met roem moogt gij wapperen,

Wappren op veld en op vloeden, als leus.

Als het symbool van die keur onzer dapperen.

Strijders voor vrijheid, met d' eernaam van „Geus!quot; ■ 't Rood, wit en blauw kau van de Evertsens tuigen,

Tuigen van Claessens' onsterflijken moed;

't Zag op den Theems 't moedig Albion buigen:

't Heeft met De Ruyter eens Cliattam begroet! — 't Waaide met Willem, dien moedigen strijder,

Vlaandren en Brabant! uw beemden iu 'trond; Waar het 's lands redder en Englands bevrijder Kloek in 't geweer tegen Lodewijk vond. —

't Rood, wit en blauw bleef bij staatswisselingen

Immer do vlag aan ons Nederland dier;

En zag 't zich eens van den standaard verdringen,

üesima hief' steeds de driekleur banier. —

't Werd in 'tjaar Dertien het doel van vereenen;

Waterloo zag 't in zijn bloedigen strijd Glansrijk door 't zonlicht der glorie beschenen

En weêr door 't bloed van Oranje gewijd. —

't Voer als een lijkwa, o Schelde! op uw baren

Eens met Van Speyk in den kruitdamp omhoog; 't Bleef' op den Vijfhoek zijn adel bewaren.

Toen 't voor den Gauler met krijgsmanseer boog. 't Woei nog voor korts, o Japan! op uw wateren,

Toen gij zoo schendig die vaan hadt begroet,

Maar wéér 't kartouw, in zijn donderend klateren.

Tuigde van d' ouden echt Hollandschen moed! — 'tRood, wit en blauw, door historie ons heilig,

Blijv' steeds de leus die ons samenverbindt!

Blijve in zijn schaduw ons Vorstenhuis heilig,

Veilig ons volk, dat zijn driekleur bemint!

(J. C. Altorffer).

ocr page 55

39

DE NEDEELANDEN.

Wie is 't die van ons wil weten Waar de Nederlanden zijn?

Aan de Lei of aan de Nethen,

Aan de Maas of' aan den Rijn ?

Daar, waar men in Zuid en Noord 't Oude Neerduitsch spreken hoort.

Vroom en deugdzaam als de vaderen Is het Nederlandsch geslacht;

't Bloed dat omvloeit door zijn aderen , Houdt geen dwinglandij in pacht; En der oudren eigen trant Heerscht door heel het Nederland.

Met geen rijksgrens af te snijden,

Door geen spraaktoon uitgevaagd, Heerscht tot aan het graf der tijden , Neerlands ongeschonden maagd In heur uitgebreid gebied,

Dat van eeuwen Neerland hiet.

Ach! wat al herinneringen Hechten ons niet aan elkaar!

Tegen Spanjes hurelingen Vochten wij eens tachtig jaar;

Zoekt of gij nog volkren vindt.

Waar m' als hier de vrijheid mint.

Vrijheid ! was de spreuk der ouden, En nog wil 't de naneef zoo ;

Allen hadden 't ook onthouden Tot op 't veld van Waterloo !

Daar, bij der kanonnen gloed. Stroomde 't Nederlandsche bloed!

ocr page 56

40

Schoon door 't lot vaneen gesneden,

Deelde zich de volksaard niet;

Hier en ginds wordt God aanbeden In het roerend Neerduitsch lied.

Hier en aan den overkant,

Daar en hier is Nederland.

Broeders, gij moet allen weten ,

Waar de Nederlanden zijn:

Aan de Lei en aan de Nethen Aan de Maas en aan den Rijn,

En zoo ver men onverbleekt,

Onverbasterd Neerduitsch spreekt.

(J. Th. van Rijswyck).

LIEF ELSJEN.

Elsjen , lief Elsjen , wat is er gebeurd ,

Dat ge u zoo vroeg uit de vedertjes scheurt?

Dat ge zoo vroeg in den dauw, die er druppelt, Springend en zingend de velden doorhuppelt!

Komt dy wat dertien in 't geurige mos ?

Komt dy de vogels verschalken in 't bosch ? 't Roosjen beschamen door 't rood van uw wangen, En met uw oogjes de starren vervangen ?

Zie nog geen vlindertjen speelt door de blaên; Vakerig zien u de bloemekens aan;

Sluimerlog gluurt, met een schemerig schijntjen, 't Morgentje heen door het blauwe gordijntjen.

. „Laat me toch slapen! Ik ben nog zoo moêlquot;

Fluistert elk knopjen u knikkende toe.....

Elsjen! wie zal zich den zalige noemen,

Wien gij uw hartjen beschenkt in de bloemen!

„Zoetjens wat! zoetjens wat! 't Is nog zoo vroeg! Is dan de morgen niet lange genoeg Pquot;

„Zoetjens wat, zoetjens wat!quot; wisplen de winden, Murmelt het beekjen en lisplen de linden.

ocr page 57

4,1

Elsjen, lief' Elsjen! 'k geloof, dat ik gis

Watter het doel van uw wandeling is.....

Zeg, heeft u gisteren, voor 'teerst van uw leven Lycas de Herder geen kusjen gegeven?

't Zonnetjen keek door de bladertjes heen; 't Zonnetjen klapte, en uw vader verscheen, Eer hem uw mondjen zijn kusjen teruggaf ... Toen was het zonnetjen Liefde te vlug af.

't Kusjen intusschen en wildet gij niet:

Vader 't ontvangen vau kusjens verbiedt — 't Moest dus terug, eer het onrust en rouw gaf . Zonnetjen! heden is Liefde u te gauw af! —

(J. J. L. ten K

SCOONSLAEPS TERKEN.

„Seoonslaepsterken! Scoonslaepsterken,

betoovert hondert jaer,

waec op , waec op , Scoonslaepsterken , die scone prince es daer!

„Die lente blinckt, dat lover spruut,

die bloeme gheurt ende lacht!

Waec op, waec op, Scoonslaepsterken:

ghi hebbet ghenoegh ghewacht!quot;

#

# #

Die brugghe viel van selver neer

doe sprincen horen clonc,

ende open wipte dat dicht gheboomt; lancx waer die prince gone.

Ende boven, deur die tacken spronc

een eeckhooru, haerentaer.....

Ende op der tinnen die weerhaen sonc: „Scoonslaepsterken! Scoonslaepsterken,

die scone prince es daer! . . . .

*

ocr page 58

42

Daer sliepet al in der oude borcht:

die wachters op den wal, die rinderen op dat gersenplein, die scalcken in den stal;

die rudders ende joncvers aen

den feesteliken disch;

duven op haer voghelbert,

ende swanen tusschent lisch.

Die prince gone dan sinen ganc,

door salen ende kamijn,

ende trap bi trappen clom hi op,

ende socht dat maeghdelijn.

Ende elcken toren steech hi op, met bloemkens in sine hant,

totti dat scone slaepsterken

in soeten slumer vant!

*

* *

„Scoonslaepsterken! Seoonslaepsterken

wat slaept ghi doch so lane! Wel op, wel op, mijn lieveken,

wilt hooren mijn ghesanc!

„Sc soet ist weer, so scoon die lent,

soo vro dat sonneken lacht!

So hel die airen al gulden staen — Ic hebber dij meegebracht!

„Wel op, wel op! En siaep nie meer!

wel op, ende sijt nu bli! Den prince, die dij wecken moet, ben ik! O comt met mi!

„Wel op, wel op! neemt aan dat hert,

dat minnent herte mijn! Verganghen is dijn banghe slaep,

wils du mine vrouwe sijn! ....

ocr page 59

43

Bi dat eerste woort: „ Scoonslaepsterken

Si rilde al op heur Bpont;

bi dat tweede woort, dat oogh ontsluut ende lievent blicket rond.

Bijt derde woort, si stont bi hem

ende custe so teder hem „danc,quot; ende plots, daar cloncket door het slot vant lustich feestghesanc !

Twas al ontwaect, en duve en swaen

scale ende knechtenscfaaer.....

Ende rudder , joncver, alles sonc; „Die scone prince es daer!quot;

Op moeders knieën hoorde ik vaak

het roerend oude lied,

maar — wat het wel bedieden mocht, verstond ik, kind, nog niet!

Sinds kwam de jonkheid, en gelijk

de bloemen uit den grond,

ontsproot „ verlangenquot; in mijn ziel .... — 'k Doorgrondde 't, en verstond.....

„ Scoonslaepsterken, scoonslaepsterken,

betoovert in dat wout.....quot; —

Gij, liefste, waart dat slaepsterken,

en ik.....die ridder stout.

De liefde sluimerde in uw hert,

gelijk het zaad in grond. —

Mijn herte kloeg van minnedorst:

ik zocht naar u.....en vond!

De lente blonk! Het loover schoot,

de bloemen geurden zacht!

Ik zong: „Waec op, scoonslaepsterken ghi hebbet ghenoegh ghewacht!.....'

ocr page 60

44

Gij zaagt mij aan en hoordet mij,

werdt rood — en hadt verstaan.....

Schoonslaapsterken , schoonslaapsterken ,

wil nooit meer slapen gaan!

(K. M. Pol de Mout).

MOEDER EN KIND.

Wanneer ik weeldedronken Mijn rozig kind beschouw En die 't mij heeft geschonken ,

Mijn aangebeden vrouw,

Zoo vraag niet wie van beiden

Mijn hart het meest bemint.....

Mijn hart en kan niet scheiden De moeder van het kind.

Ik doe mijne armen open

En sluit ze er in bijeen ,

En vreugdetranen loopen

Mij langs de wangen heen.

Ach, wist gij spreek ik stille:

Hoezeer gij wordt bemind,

Gij, kind om moeders wille.

Gij , moeder om uw kind.

(Frans J. de Cort).

VREDE.

In onze dagen zij het vrede ,

Volmaakte vrede en stille rust!

Het laatste twistvuur zij gebluscht; Het oorlogszwaard blijve in de scheede!

Ontzweef ons niet, begeef ons niet.

Gij Engel, die den vreê gebiedt;

De Herder weide zijne schapen Langs batterijen zonder nut;

In schaduw van 't verroest geschut,

Legg' zich 't verzadigd ooi te slapen ; 't Nieuwsgierig lam zie vroolijk op.

En steke in d'ijzeren mond den kop.

ocr page 61

45

Het land zij vol van gouden halmen,

Van witte zeilen 't golfgebruis,

Van blijde liedren ieder huis,

Het heiligdom van dankbre psalmen;

De burger, die het minst bezit,

Steke ook zijn stukjen vleesch aan 't spit!

(N. Beets).

WERKMANSLIED.

„De handen uit de mouwen!quot;

Zij, makkers! onze leus:

Wie op zich zelf vertrouwen Doen wis de beste keus.

Bij vred' of oorlog, warmt' of kou Klink' 't luide: handen uit de mouw!

De handen uit de mouwen,

Of d'elboog komt erdoor,

En met jou huis te hou'en,

Daar dankt een ieder voor.

Dus zoek j'een knappe flinke vrouw,

Pas op, de handen uit de monw!

De handen uit de mouwen!

Zie 't vogeltj' in zijn nest:

Wie zelf zijn huis wil bouwen.

Die bouwt het zeker 'tbest;

En 't knappend vuurtj' in eigen schouw Vertelt van „handen uit de mouw.quot;

G-een „handen uit de mouwenquot;

Geeft.. ..handen in het haar.

En 't kwaad zich zelf gebrouwen Drukt, weetge, dubbel zwaar.

Wij passen voor te laat berouw,

Dus, makkers! handen uit de mouw!

(J. N. van Hall).

Zie verder: Van twee conincskinderen; en behalve gedichten van reeds genoemde dichters die van Starter; Huygens; Luijken; Bellamy;

ocr page 62

46

B. K1 ij n (Opwekking tot vreugde); L. Rietberg (Gezelschapslied); Staring {Een Geldersch lied, Wafenroep, Krijgslied enz.'\; J. v. Len-nep, De Genestet enz. enz.

5. De Elegie. De elegie behandelt gewaarwordingen van smachtend verlangen en klacht, deels van kahnen en zachten , deels van levendigen aard. Smart over iets, dat verloren of verdwenen is, vormt den inhoud der elegie. De versmaat der hedendaagsche elegie is niet bepaald voorgeschreven.

K L A A G Z A N G.

Ik gaa bedroeft geheels dagen In 't somber bosch mijn noodlot klagen,

Maar 'k zoek vergeefs een stille rust.

't Is alles aaklig voor mijn oogen,

Een sterk en heimelijk vermogen Heeft al mijn vreugde uitgebluscht.

Ach! zullen dus mijn lentejaren In zwarte droefheid heenenvaren?

Zal ik de vreugde niet meer zien?

Zal ik geen ruste meer erlangen?

Niet meer in vrolijke gezangen

Der gouden dagtoorts hulde biên? —

O waardsten! wist gij eens mijn lijden!

Wist gij, wat rampen mij bestrijden,

Hoe mij het wreede noodlot drukt,

Hoe ik voor zooveel tegenspoeden,

Als zooveel strenge geesselroeden,

Schier kragtloos ligge neergebukt!

Ach! wist gij.....maar wat zou 't mij baten,

Gij zoudt mij ligt te meerder haten! —

Om u is 't, dat ik alles lij!

Om u loos ik in stille nagten De allerdroefste jammerklachten;

Aan u is 't, dat 'k mijn liefde wij'!

ocr page 63

47

Maar 't belg' u niet , — in korte tijden Zie ik het einde van mijn lijden,

Mijn zon snelt vast ten avond heen. O. Dood! een ieder moge u vreezen, Gij zult mij hoogst beininlijk wezen; Gij eindigt al mijn ramp en weên !

Mijn vrienden , die mij in mijn leven Zoo dikwerf poogdet troost te geven,

Schrijft dan nog op mijn eenzaam graf: „ Hier rust hij , wien een teedre liefde, „Met schigt op schigt het hart doorgriefde, „ Tot hij in 't eind den doodsnik gaf!quot;

(Bella m

ADA VAN HOLLAND, ALS GEVANGENE OP TEXEL JN 1223.

In 't gedruisch des winds verloren;

Over 't woelig ruim der zee,

Laat zich Ada's harptooii hooren ; Jammert dus haar hulploos wee.

Feestlicht aan de toorts ontstoken ,

Die mijns vaders Lijk bescheen ,

Echt van morrend Volk weersproken. Van verbitterd Bloed bestreen,

'k Draag uw schuld! In moederhanden

Blonk de Bruidstooi, mij ten val: 'k Sleep een Boei, aan Texels stranden . . 'k Was Gravinne, in Dordrechts wal!

Ach, dit hart (aan Hem ontreten —

Mijn genoot in 't kort gezag —

Nu op 's waerelds vloên versmeten.

Waar mijn trouw niet volgen mag!)

ocr page 64

48

Ada's hart, doorboord van wonden ,

Kweekt geen aardschc wenschen meer.

't Voelt zijn laatste kracht verslonden, En geen balsem heelt het meer.

Zwaait niet langer, Krijgsbanieren ,

Voor de Gaa van Lodewijk ;

Willems vaan blijv' zegevieren !

Dat ze op Leydens Burgtin prijk'!

Vloei', neen! vloei' geen bloedstroom weder, Om mijn recht, op Hollands grond.

'k ],eg den Staf gewillig neder,

Die me op zooveel tranen stond.

Groent voor andren, Eikenkruinen;

Hagen, bij dat Graaflijk slot,

Waar, in 't luw der witte duinen,

't Roosje met den winter spot.

Lustoord van mijn kindsche dagen!

Heuvel, aan den Vijverkant;

Zwanen, op den plas gedragen , En gespijzigd uit mijn hand ;

Duifjes, die mij placht te omzweven,

Daar ik in mijn Bloemhof zat,

Of in schaaüw der hooge dreven ,

Zingend langs den oever trad ;

Uurtjes , als de maan kwam lonken Op de stille Maagdencel;

Viertijd aan de Vlijt geschonken,

Bij gejok en snarenspel;

Andren moog' de vreugd verzaden,

Die gij eens mijn jonkheid boodt! •

Andren zij, op 's levenspaden ,

Zoete hoop ten tochtgenoot!

ocr page 65

49

Vreugde, Hoop is mij ontvaren,

UitgeBpeeld de droeve rol.

Maak, o Dood, mijn achttien jaren Met het uur der slaking vol!

(S t a r i n g).

Zie verder J. de Decker, Aan mijn? broeder; Bilderdijk, Klaagzang;

Aan een onbekenden vriend; Borger, Aan mijn kind; Aan den Rijn;

Ledeganck, Het graf mijner moeder; enz.

6. Het Sonnet of 'Klinkdicht. Deze kleine lyrische dichtsoort is aan de zuidelijke poëzie ontleend en werd in weerwil van hare moeilijkheid, vooral door onze vroegere dichters, vaak beoefend. Het sonnet is aan bepaalde voorschriften gebonden. De voornaamste zijn :

1quot;. Het geheele sonnet hebbe slechts eéne hoofdgedachte, bestaande uit twee deelen

2°. Het eerste deel, van acht regels, sta tot het tweede deel, van zes regels, óf als hoofdzin tot tegenzin, óf als voorzin tot nazin. De voorzin besta, streng genomen, uit twee vierregelige zinnen, die weer elk een klein geheel moeten vormen; evenzoo bij den zesregeligen nazin.

3quot;. De 14 regels hebben gewoonlijk de jambische versmaat.

4°. De eerste 8 regels rijmen dus met elkaar, dat elk rijm viermaal terugkeert, dus abha, abha, of abah, nhab.

5°. De 6 laatste regels worden gesplitst in twee strofen van 3 verzen, die óf tweemaal, óf ook driemaal kunnen rijmen, b.v. aba. chc, of ahb, acc, enz.

B.v.

SONNET.

Zoo 't ujterlijke schoon mijn zinnen annerandt Met flonkering van blos op leelywitte wangen ,

'T en zengt mij maer de borst: 't is vatten en geen vangen;

Mijn' vrijheid worstelt flux den Mingod ujt der hand.

Zoo 't innerlijke schoon de deughd in mijn verstandt Verschijnt, met veel sieraets van lot' en eer omhangen,

Vijfde druk. 4

ocr page 66

50

In open' armen wordt het van mijn' geest ontvangen,

En stooft mij zachtelijk , doch sticht mij geenen brandt. Maer mijn' liefzieke ziel zich zelve slaet in boeijen , Kn wenscht met all' haer' wil tot smeltens toe te gloeijen,

In 't levend vier, dat haer geweldelijk ontfonkt , Als minnelijk gelaet tot borgh van goede zeden Een welgeschapen beeldt bevloejt met voeghlijkheden , En d' eerentfeste deugd ujt twee schoon' ooghen lonkt

(H o o ft).

KLINKDICHT.

Wanneer mijn ziel bedroefd, zelfs bij heur waardste vrinden , Vergeefs naar vreugde zoekt, die 't hartenleed verzacht. En geen vermaak gevoelt, al schoon de vriendschap lacht, Kn 't minzaam onderhoud door scherts poogt aan te binden;

Wanneer in zulk een' tijd de zorgen haar verslinden ,

En zij heur grootste vreugd, de Dichtkunst, zelfs veracht; Met angst den nacht verbeidt, — den morgen weer verwacht; Het blyde daglicht ziet, maar geene rust kan vinden:

Wanneer in zulk een vlaag van nare angstvalligheid Mijn treurig oog een' vloed van zilte tranen schreit,

En ik mij van rondom met droefheid zie omgeven:

Wanneer in zulk een' stond van kwelling en verdriet Mijn ziel geen scheemring zelfs van troost of blijdschap ziet. Dan doet ge, o Pillis! mij met éénen lonk herleven.

(Bellamy).

DE ONBESTENDIGHEID.

Moest eind'iijk Babijlon in puin en asch verkeeren , Die stad, die 't gansch Heelal verwondring heeft gebaard! En gij, o Ninivé! dat zoo voortreflijk waart.

Kon niets den ondergang van uw Paleizen weren?

Moest Titus' Zegeboog zijn luister ook ontberen;

Is Piza's heerlijk Beeld door de eeuwen niet gespaard! Ja, zag men 't woedend vuur dien tempel zoo vermaard, Epheze's wonderstuk, in eenen nacht verteren!

ocr page 67

51

O Pharos! wierp de tijd uw trotsche vuurbaak neer' Mauzool, is van uw Graf het minst bewijs niet meer! In 'tkort, kan niets op aard zijn eersten glans bewaren?

Wat reden heb ik dan om zoo verbaasd te staan,

Dat na den trouwen dienst van acht of negen jaren, Van mijn baleinenrok de haak is afgegaan?

(J. C. de Lannoy).

AANSTAANDE VERANDERING

VAN

AMSÏERD A.MS WAPEN.

De stad spreekt.

I.

Vraagt iemand, waarom ik drie kruisen voere in 't schild, 'k Eep niet van 't koggeschip, dat ze eertijds placht te dragen, Noch breng de charters bij, die van Persijn gewagen. De aloudheid schuilt in mist, — 't wa;'.r' moeite en tijd verspild.

'k Geef reden van die leus; in mijn hervormde dagen Drie teekeus van geduld, van smachten als ge wilt; Of bleef drie eeuwen lang mijn dorst niet ongestild. Al hoorde dag aan dag mij luide om water vragen?

Om water, dat mij faalt, trots al mijn overvloed.

Al storten Noord en Zuid en Oost en West hun weelde. Gebogen op de kniên, om strijd weer aan mijn voet!

Om water, als weleer mijn stroomgod mij bedeelde.

Toen menig zwanendrift op 't onverzilte zoet De hengelroede ontweek, die uit het rietbosch speelde.

II.

Vergeefs smeekte ik het af, — beklaaglijk tijdverlies! Van Vijfden Kareis komst tot Tweeden W illems hulde! 't Was of mijn rijkdom nooit zoo nut-eene uitgaaf' duldde; 't Was of een booze geest in al de ontwerpen blies!

ocr page 68

52

't Bleef uit, schoon 't Voorgeslacht in d' ouden Doelen smulde; 't Bleef uit, schoon 't honderdmaal gediend werd van advies; Ofschoon de geest des tijds van koen verkeerde in kiesch; Ofschoon Napoleon mijn' wensch bijna vervulde.

'k Hoop in mijn wanhoop nog: de Raad beraadslaagt weer! Een wedstrijd van vernuft stemt in'met mijn verlangen; 'k Belove aan wie 't mij brengt eene onverganklijke eer:

Drie waterleidingen, — drie onderaardsche gangen, —

Drie putten, wat men kieze, — ach! wist ik al wanneer! — Zij zullen in mijn schild de kruisentrits vervangen!

(Potgieter).

DE IBIS.

De kalme Wijl weerkaatst den blauwen hemeltrans In 't wiegewagend riet is de Ibis stil aan 't droomen,

baadt de oogen wellustvol in 't zilv'ren maangeglans, en ziet, hoe een voor een de sterren glinstren komen.

Ginds, in de verte, blankt met koepel, tinne en schans en tempels, rond wier voet gewijde bronnen stroomen, der Pharao's paleis, waar rond, in bouten krans,

een leger sphinxen rust in schauw van cederboomen

Langs 't blauwe water treedt een kleine groep voorbij. — „De nacht is kalm en stil, Maria! Langs de baren wiegt wonderlik geruisch van lange palmenblaren.....

Kom . . . vlij di neer ter rust ... en reik het wicht aan mij.quot; En streelend gleed zijn hand door 's kindjes gouden haren. — — Schrei, rozige Ibis, vlucht . . . lavehs dag zal klaren!

(K. M. Pol de Ment).

Zie verder Hooft, Vondel, de dichters der I7e en i8e eeuw; v. L e n n e p, Bemoediging ; Jacques Perk enz.

7. Behalve opgenoemde lyrische dichtsoorten kent men nog onderscheidene andere; als; de Cantate (een uitsluitend voor den zang geschreven gedicht, bestaande uit recitatieven,

ocr page 69

53

aria's en koren, zie Van Alphens Sterrenhemel, Staring en het programma van nagenoeg elk feest ter herdenking, onthulling enz.); de Dithyrambe (een lofzang meestal op den wijn of de liefde, vol gloeiende geestdrift en woeste, hartstochtelijke verheffing); de lleroïde (een elegisch gedicht. waarin de dichter een ander, meestal een overleden persoon sprekende invoert); het Triolet (een gedichtje van 12 regels; de eerste regels, de hoofdgedachte bevattend, keert als vierde en zevende regel, en de tweede als achtste regel nogmaals weder); het Madrigal; het Ahrostichon of Naamvers; het Chronogram of Tijddicht; het Rondeau; de Ghazele enz.; van deze laatste kunstliederen, die vaak in gekunsteldheid ontaarden, een paar voorbeelden, en wel van de Ghazele, het Akrostichon en het Chronogram, en als voorbeeld van de Cantates;

FEESTCANTATE

BIJ DE ONTHULLING VAN l'HOKBKCKE's STANDBEELD, I 8 MEI 1876.

1.

't Lauwe koeltje kust de stranden;

Zwoele damp omhult de wei,

Dekt als lijkwa bosch en hei Van de aloude Nederlanden. —

Sluimerlauw en levensmoe Look een volk zijn oogleên toe.

2.

Volk der verdrukking,

Dat strijdende leed;

Volk van den Zwijger,

Dat biddende streed;

Dat op de zeeën Het rood, wit en blauw Dooptet tot zinbeèld Van moed eu van trouw;

ocr page 70

54

Soms met te rijke, Te bruisende kracht,

Grenzen en breidels Te minachten placht;

Volk van volharding En ijzre' energie.

Knikt ge den schedel Buigt ge de knie?

3.

'k Heb lang geworsteld en gestreden.

De vreemdling had mijn vlag vertreden, Toch wappert ze uit gelijk weleer.

Tk heb den krijgsklaroen gestoken

En me op den Zuiderbuur gewroken. Maar vlij me nu een pooze neer. Het kloek verleden Vergeet ik niet;

Maar nooit wordt heden

Wat is geschied. De vaadren bouwden —

Als wij 't behouden,

Is dat reeds groot!

4.

Stilte en stilstand allerwegen. En de stilstand is de dood!

5.

Er sluimren nog krachten Die niet zijn verteerd,

Reeds schoon is het trachten Zij 't tij ook verkeerd. De vaderen zwoegden En weefden en werkten Van verre en nabij: Verstaalden in d' arbeid, Hoe menigmaal ijdel,

Opnieuw steeds begonnen.....

Doe als zij!

ocr page 71

55

6.

Pygmeeën dwarlen aan mijn spits;

Geef mij een man tot gids!

7.

Daar klonk een stem van Neerlands troon,

En weg woei de onweerswolk,

De stem des helds, ze ruischte schoon:

„Geen band knelle ooit mijn volk.quot;

De band viel af, en aan de spits Trad hij , de denker, staatsman , gids ,

Als van het Gister bode en van de Toekomst tolk.

8

Geen reeks van geslachten plaveiden zijn pad;

Hij steunde op 't geloof van geen Kerk ;

't Was zelf zich verworven al wat hij bezat. Hij , vader en zoon van zijn werk.

Beminlijk niet, en toch vurig bemind;

Stug dikwijls, maar 't stugst in zijn buiging;

Verbitterend vaak, toch vergevingsgezind,

quot;Waar 'tniet gold zijn heiige overtuiging;

Een ijskorst, verbergend 't weldadigste vuur; Verdraagzaam, toch 't hoofd van zeloten;

Der Kroon, en den Volke een onwrikbare muur.. . . Een hoekige, magere en steile figuur,

Ben man, als uit ijzer gegoten!

9.

Nieuwe tijden, nieuwe vormen!

De oude hadden uitgeleefd.

Voorspoedszon na onspoedsstormen Wacht een volk dat wil en streeft.

10.

Dat Ge op den stroom der moderne gedachten

Meê wordt gevoerd naar de klaarheid en 't licht; De erfenis raapt der verstorven geslachten ,

't Oog op de ontwikkeling van allen gericht.

ocr page 72

ófi

Dat Gij uw eigene kracht leerdet kennen,

Meren verkeerend in zeeën van goud; 't Stoomkaros over uw vlakten doet rennen ;

Niet slechts den schuldbrief uw rijkdom vertrouwt; Dat van uw steden de gordelen bersten ,

Handels- en raadzaal weerklinkt van uw stem, — Wat ook de laster of de ijverzucht knersten —

Dankt het aan hem.

11.

Zijn beeld verrees, liet doe ons weten:

Al wat hij menschlijks had, vergeten

Voor 't geen de staatsman bood!

Zijn beeld verrees Het moge ons leeren: De volken , die hun groote mannen eeren ,

Zijn zei ven groot!

12.

Zijn beeld verrees! Daar ruischt een bede

Tot hem die van den arbeid rust:

„Uw kracht blijve in ons; hoogre vrede

Wachte u aan gindsche verre kust!quot;

Maar bij die beê een juichkreet mede,

Een diepe hulde, een warme toon:

Een lied van dank, een lied van eere Voor Neerlands grooten zoon.

(H. J. Schimmel).

M IJ NE LENT E.

Mij drijft een straffe roede ,

Heer , geef mij rust!

Ik ben zoo mat en moede,

Heer, geef'mij rust!

Waar zich mijn blik ook spoede,

't licht is gebluscht. Ik worst'le tot den bloede,

Heer, geef mij rust!

Mij jaagt der stormen woede,

door niets gesust.

ocr page 73

57

't Is mij zoo bang te moede :

Heer, geef mij rust!

Wat laatste hoop ik voede,

is U bewust,

Verhoor mijn bede, Algoede,

Heer, geef mij rust!

Voer me uit der stormen woede,

naar veil'ge kust.

'k Geef me over aan Uw hoede,

Heer, geef' mij rust!

(C. Honigh).

-Verheven Geest! Wie zal uw lof bezingen

Op tonen , uwer grootheid waard ?

t^een, 't is vergeefsch, Apollo's keurelingen!

öat gij de gouden lier besnaart:

Wert met geen woordenpraal den grooten Agrippijn ,

t-'aat hem zijn naam alleen tot krans en eerkroon zijn.

(J. ter Gouw).

GRAFSCHRIFT OP VONDEL (f 1679).

hier rüst Van VonDeL hoog beJaarD apoLLo en zlln zangberg VVaarD.

(G. Brandt).

8. De didactische vormen der lyrische poëzie. Ofschoon alle voortbrengselen der poëzie slechts uit de verbeelding en het gevoel voortspruiten, zijn er toch ook, die daarbij min of meer de uitdrukking van het verstand, van het nadenken zijn. //De natuur heeft in hare gewrochten de verschillende soorten niet ruw tegen elkander doen botsen, maar een zach-ten overgang, een verbinding gemaakt, geen smalle, scherp geteekende grens, maar een breede, zwak gekleurde scheiding, waarin men niet recht weet aan te wijzen, waar het gebied der eene en waar dat der andere soort een aanvang neemt. Zulk een breede scheiding is er ook tusschen den proza-mensch en den dichter, en zij wordt ingenomen door de leer-

ocr page 74

58

dichters. Gedachten, zooals men die van den leerstoel pleegt te hooren, wijsheid, redeneering, bespiegeling, eenvoudig proza, maar omhangen met den vorm der poëzie, en soms door dat kleed, evenals de tooneelspeler door zijn costnnm, tot wat meer verheffing, wat meer pathos gebracht, zoodat er kleine dichterlijke episoden ontstaan, elektrieke vonken in het wetenschappelijk laboratorium, ziet daar het karakter van het leerdicht.1' (Op zoom er).

Het ligt in den aard der zaak, dat de didactische poëzie, in zooverre de hoofddenkbeelden begeleid zijn van gewaarwordingen , die uit 's dichters ziel voortvloeien, subjectief is. Vermits nochtans de dichter vaak genoopt wordt de den hoorder bloot te leggen waarheden door het verhaal en de beschrijving van feiten en gebeurtenissen te veraanschouwelijken , zoo wordt de didactische poëzie dikwijls objectief.

Thans zullen we die didactische vormen bespreken, welke van subjectieven aard zijn en bij uitstek een lyrisch karakter dragen; de bij uitstek objectieve, dus episch-didactische gedichten zullen in het tweede hoofdstuk behandeld worden.

Al is nu het hoofddoel der didactische poëzie onderrichting, dan behoeft toch niet die onderrichting in bijzonderheden af te dalen, noch minder behoeft dat doel om te willen leeren uitgesproken of ook slechts aangeduid te worden. In menig goed didactisch gedicht is zelfs van rechtstreeksche onderrichting niets te bespeuren. Voor het overige is een gedicht, dat eene of enkele lessen bevat, daarom nog geen leerdicht; elk goed lyrisch en episch dichtstuk, waaraan eene strekking als hoofdgedachte ten grondslag ligt, zou dan tot het leerdicht moeten behooren; immers in bijna elk voortbrengsel der kunst-poëzie is eene gedachte, waarin eene les opgesloten ligt, ook te vinden.

De volgende soorten der didactisch-lyrische poëzie komen hier in beschouwing; Het Leerdicht; het Beschrijvend Gedicht; de Satire of het Hekeldicht en het Epigram.

9. Het Leerdicht. Het leerdicht geeft eene samenhan-

ocr page 75

59

gende reeks gedachten over een onderwerp, ontleend aan den godsdienst , de wijsbegeerte, de kunst of het leven, doch derwijze, dat door het betoogend verstand het gevoel en de verbeelding niet teruggedrongen worden. Hoe meer de dichter deze in het leerdicht weet op te wekken en werkzaam te houden, des te voortreffelijker zal zijn arbeid zijn. De dichter wende derhalve naast en bij zijne redeneering goed gekozen beelden, schoone beschrijvingen , treffende voorbeelden aan, om de belangstelling levendig te houden.

In de Nederlandsche poëzie is het leerdicht ruim vertegenwoordigd; behalve grootere leerdichten, als Spieghel's Hertspieghel, Vondels's Altaergeheimenissen, Bilderdijk's Ziekte der Geleerden, L. W. van Merken's Nut der Tegenspoeden , hebben wij tal van kleinere.

B.v.:

EEN SCHIP OP EEN SANTBANCK.

Te loever, mau te roer! te loever, lieve maet!

Kijck hoe, het met het schip van onzen buyrman staet: Het sit daer op een sant, gegeesselt van de stroomen, En daer en is geen hulp , hoezeer de gasten boomen ; Des soo'er nu een wint komt dringen naer de wal, 't Is seker dat de kiel in stucken bersten sal.

G-y , siet dan naerstig toe en let op uwe saken ,

Een schip, op 't droogh geseylt, dat is een zeker baken : En 't is, naer mijn begrip, geen onvoorzichtig man Die op eens anders feyl de sijne toornen kan :

Veel mensehen, lieve vrient, ontgingen harde slagen. Indien sy met verstant op d'een en d'ander sagen: Men segge wat men wil, exempels hebben kracht, Wanneer men met bescheyt op hunne gronden acht: Daer is geen beter school de kinders aen te wijsen,

Daer is geen sachter tucht de mannen aen te prijsen , Dan dat men staegh bedenckt en vlijtig gadeslaet, W at dat een ander doet, en wat 'er uyt ontstaet.

(Cats).

ocr page 76

cy/ C f i ^ c t C- 't c-OC. c^» c st^/c ^c C / C^ t^y

60

KENT ü.

lt;;

Hoe klein is Mier en Zier, sien iekse neffens my!

Sien ick my tegens haer, hoe groot schijn ick 'er by! Wat: ben ick voor een Popp , sien ick een' Walvisch drijven! Hoe veel 'en gaen der niet in sijn Lijfquot; van mijn Lijven ? Wat is hy by sijn' zee? een gruys van Grondelingh. Wat syn die Zee en Land te samen voor een dingh ? Wat syn de Bergen, die tot in de Woleken steecken, Als dun stoff op den grond niet waerd om af te spreecken ! Wat is de heele kloot van all dat natt en droogh ? Ben schier onsienliek punt by 's Werelds heider Oogh. Wat is dat Oogh by 't Rond, daer 't vier en twintigh stonden Ter loops in besich is? wat 's dat Kond bij de Konden Die 't sluyten als een Nest van Doosen sender end ? Die sijn' gedachten aen sulck steigeren gewent,

Hoe kan hy minder doen , als met verlegen schaemte De nietigheden van het ydele geraemte,

Daerin zijn' Ziele woont, ootmoedigh overslaen ,

En uit het kleinste tot het grootste Wezen gaen,

(xods onbegrijplickheit ? Ick weet geen stereker reden , Om opgeblazen waen te pletteren te treden.

(H uygens).

TROOST IN WEDBRSPOET.

Aen eenen viiendt.

Wegh met dat nutteloos geween.

Geen mannenvoer ; de treurigheên Ten borst ujtstorm ; rek ujt de vouwen , Die 't voorhooft, vrundt, betraelijt houwen; Wanneer de zon niet jujst haer' lach Zoo hartlijk afgaet als ze plagh;

Wanneer 't geluk te zoet op sollen Den tejrling u doet tegen rollen.

De zee , die nu gegeesselt rookt Van ncorde winden, wort gestrookt Op morgen van een labber koelen.

De vorst des lichts zal af' gaen tpoeien

/

/

ocr page 77

61

Te nacht zijn rouw, in 't klaere nat;

En met een aenzicht fris en gladt, Van nieuwe jeughd, te voorschijn stijghen; 't Geschrey weer voor de lach moet swijghen. Elk staet zijn' pooz' te roer, niet lang. Zij zingen, beurt om beurt, hun zang. De drooghe jok, en vochte traenen Ons, beurtwijz', om hun ujre maenen.

Als droef heit zich op 't hooghst verslaet, Weet, dat zij dan in arbejdt gaet,

Om de gelaede vreughd te baeren.

Dit 's noodlots mik. De vlucht der jaeren Waejt heel doorspekt met quaedt en goedt. Die heden achter ploegh gaen moet.

Oft met de graef den akker spitten , Op morghen zal ter vierschaer zitten Als rechter over 't Eoomsche rijk , En kennen niemandt zijns gelijk. Het afgement gespan der ossen Zal hij van 't kneuzend juk verlossen ,

Opdat het nu de nekken dwing'

Van volk verovert door zijn' kling.

Dien d' avondt om de kost zagh wroeten De morgheustar ziet kooning groeten,

Indien Fortujn maer krijght een gril En ernst met spel doorvlechten wil; De boer, voor wien men 'tal zagh stujpen Zal weer in 't kot van gister knijpen , En leveren staetelijke stof Aen 't graeuw, en liên van 't nederhof, Tot spot en lach. Thans bij de schooven Hij in de schujr zijn hout gaet klooven : Waerin de bijl, met lauwerblaên Vertujdt! hem zal ten dienste staen. Ontbreekt het hem aen wilghetakken ,

Hij zal in 't vujr de roeden smakken ,

Die de trauwiint thans voor hem droegh , Als hij der wereldt anxt aen joegh.

(Ho o

ocr page 78

62

HET TOONEELSTUK VAN HET MENSCHELIJK LEVEN.

„De Wereld is een Bpeeltooneel,quot;

Sprak Vondel, de oude Vader:

„Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deelquot;

Dit weten we al te gader.

Maar zoo men 't leven recht betracht,

En naarstig op zijn afloop acht,

Bevestigt zich die waarheid nader.

De Jonglingschap is 't eerst bedrijf Van 't menschelijke Leven.

Men weet, die Akten gaan tot vijf:

Zy enden met ons sneven.

Dit eerste toont den sehrandren man,

Wat van het Drama worden kan,

Zoo 't naar de kunst wordt afgeweven.

Het tweede zien we in 't naaste perk Der mannelijke krachten.

Nu eerst begint het ware werk,

Waarvan wy iets verwachten.

Hier vangt het stuk zijn handling aan ,

En brengt de hoofddaad op de baan;

Dit mag men 't meest belangrijk achten.

Een meer geklommen ouderdom Is 't derde der Bedrijven.

Nu wendt zich 't gansch Tooneelstuk om. Om 't groot ontwerp te stijven.

Daar komt verwarring in den draad,

Maar, zoo het naar den regel gaat.

Het plan zal onverwrikbaar blijven

De Grijsheid nadert op haar kruk,

En maakt de volgende Akte.

Nu schijnt het, of het gansche stuk Geheel in duigen zakte.

Men ziet eene uitkomst in 't verschiet,

Maar echter is 't de ware niet.

En siddert voor des Dichters zwakte.

ocr page 79

fi.S

Maar 'fc vijfde is daar, en 't eind naby,

Dat alles zal ontknoopen.

Verlangend zit men rij aan rij,

Te vreezen en te hopen.

En zie! een enkel oogenblik Ontbindt den saamgetrokken strik,

En 't stuk is ijlings afgeloopen.

Doch gy, die zoo'n Tooneelstuk speelt,

En u het hart voelt zwellen ,

Naarmate uw spel de schouwplaats streelt.

Ik moet u iets vertellen 1 „Hoe hooger gy 't verwarren voert,

„Hoe meer gy by de ontknooping roert,quot; Dit moogt gy tot een grondles stellen

„En daarom, speelt gy voor 't gemeen ,

„Vlecht Epizoden samen;

„Brengt alles , wat gy kunt, bijeen ,

„Om wondren uit te kramen.

„Laat ieder roepen dag aan dag:

„Wat of daar toch van worden mag ?

„Al zoudt ge u voor u-zelven schamen.

„Maar speelt ge voor uw eigen hart

„Zoo zoek een klein Theater.

„Daar zyn de Drama's min verward,

„Al heeft het min geklater. „Het zelfgenoegen in uw rol „Is beter dan een waschmand vol „Van altijd zinloos Volksgeschater.

„Ten minste zie u-zelven aan!

„Verwarring moet er wezen ;

„(Dat 's op geen Schouwburg ooit te ontgaan)

„Maar niet te hoog gerezen ;

„Denk altijd aan den laatsten stond — „Hetgeen ge niet ontwikklen kondt,

„Wierd vruchtloos van een dwaas geprezen.

ocr page 80

64

„Ja heb , door uw geheeJe stuk ,

„Het laatst Bedrijf' voor oogen , „Dat alle heil en ongeluk

„Het eind bevordreu mogen.

„Laat in uw drama niets geschiên, „Dat op dat einde niet zou zien: „Dit zal uw kracht van ziel betoogen.

„Doch schoot u kunst en kracht tekort,

„Om eens een knoop te ontbinden, „Die licht te zeer verwikkeld wordt „Wat toevlucht zoudt gy vinden?' „Ach! schrikhjk ging het menigeen, „ ndien er niet een God verscheen , „Um t warrig kluwen los te winden!quot;

(B i 1 d e r d ij

de beeste stap

Op den kruisweg van het leven Is zoo licht een valsche tred , Vrienden, in den grond gezet, -Uie er nooit wordt uitgewreven; Is zoo licht een stap gedaan, Die ons nooit terug laat gaan.

o Wat zijt gij hoog te schatten,

Lesjes, die de wijsheid vond, Spreukjes in den vadermond.

Waar ik een van op wil vatten; Spreukje, zoo vol eigenschap; „Wacht u voor den eersten stap.quot;

'k Heb zoo vele struikelaren,

grienden, op mijn tocht ontmoet. Die den eens geglipfcen voet Langer niet meer meester waren;

Wien zoo licht een tweede pas — En zoo zwaar het keeren was.

ocr page 81

65

'k Zag er op de slibbergronden , Die , verzakt in dras en slijk , De armen strekten naar een wijk , Maar den weg niet wedervonden ;

Wien te deerlijk werd beduid, Wat het spreukjen in zich sluit.

Daarom wilde ik 't u herhalen, 't Spreukje, zoo vol geest en zin; Daarom , slaat geen zijpad in .

Dat zoo licht ons aflaat dwalen:

Loop' hij ook door struik en heg, Vrienden, houdt den rechten weg.

Mooglijk staat een roos te kleuren Op den rand van 't open graf:

Gaat niet op haar wasem af;

Doodlijk zijn wellicht de geuren; Mooglijk naar de bloem gebukt Stort gij neder, eer gij plukt.

Somtijds staat een doolhof open, Die zoo lachend lokt en trekt,

Maar zoo loos zijn kronkels dekt. Die door duizend distels loopen: Wie tot éénen stap besluit,

Keert niet dan gescheurd er uit.

Lieflijk kabblen soms de baren,

Waar een draaikolk onder boort: Arme, zet geen voet meer voort Tot bedachtloos spelevaren!

Och, gij bracht uw ranke buis Nimmer zonder schipbreuk thuis!

'k Heb dien doolhof langs gestrompeld ; Ben die kolk van ver genaakt; 'k Vond er in den strik gehaakt, 'k Zag er in den poel gedompeld: Geenen vroeg ik rekenschap,

Of hij noemde d' eersten stap.

ocr page 82

66

Daarom, vrienden! meet uw treden; Zet geen zijpas ooit zoo vlug;

Houdt den eersten stap terug Tot vermijding van den tweeden;

Wie den eenen voet verplaatst,

Zet zoo licht er d'anderen naast.

Daarom , lieve reisgenooten!

Plukt niet ieder lokkend kruid;

Zet dien eersten stap niet uit:

Duizend houdt hij ingesloten;

Als gij d'eersten uit laat gaan;

Volgen d'andren achteraan.

(T oil ens).

DE BESTE VRIEND

Ik heb een vriend met ijzren hand

En koel gebiedend oog;

Met recht gevoel en kloek verstand,

Doch vaak wel norsch en droog

Zijn woord voor mij, zijn wil is wet,

Zijn wenken is gebod;

Wee! zoo mijn ziele zich verzet —

Hij rooft mij elk genot.

Hij stoort mij soms in 't zaligst uur,

Bij lust en feest en lied,

Als in de weelde der natuur .Mijn droomend hart geniet.

Hij jaagt mij van de liefste plek,

Hoe zoet de morgen lacht,

En sluit mij op, in 't eng vertrek,

Daar lastige arbeid wacht.

Hij dwingt mij kalm te zijn en sterk.

Terwijl mij 't harte bloedt;

En als ik ween, dan zegt hij: werk!

Als ik niet kan: gij moet!

ocr page 83

67

Hij baart mij strijd , hij geeft mij rust

In zorg of zweet verdiend ;

Hij is mijn Last, hij is mijn Lust,

Mijn Plaag en toch — mijn Vriend.

Want volg ik hem, dan rondom mij

Schept hij mij vrede en licht,

En stemt mij 't hart zoo ruim, zoo vrij . . .

Hoe is zijn naam r — De Plicht.

(De Génestet).

DE VERDIENDE RING.

Een grijsaard had drie zonen ,

„Wie de edelste daad verricht,

Zal deze ring beloonen Sprak hij met blij gezicht.

De een keerde: „Een vreemde, o vader, Liet, schrifteloos, mij in pand

Ken grooten schat; ik gaf dien Terug met trouwe hand.quot;

— „Mijn zoon , gij hebt alleenig Gehandeld, zoo als 't past;

Strenge eerlijkheid blijft immer Dezelfde plicht en last,quot;

De tweede keerde: „Vader,

Een kind verzonk in 't meer;

Ik gaf, den dood braveerend ,

Het zijne moeder weer.quot;

— „Mijn zoon , uw daad is liefdrijk , Volbrenging van den plicht.

De christen ziet met fierheid Den dood in 't aangezicht.quot;

ocr page 84

68

De derde keerde : „ O vader,

Bij d'afgrond uitgestrekt, Vond ik mijn vijand slapen: Ik heb hem stil gewekt.quot;

Toen sprak de vader plechtig:

„Aan u , mijn zoon , de ring :

Grij waart het beeld des Heeren,

Grij zijt mijn lieveling.quot;

(Prudens van Duyse).

EECHT DOOE ZEE

Jongens! wil je met verstand Door het leven henen zeilen ,

Zijt dan flink en ferm ter hand, Stoort je niet aan buurmanspraat. Komt na 't denken tot de daad.

Dat bracht menigeen al spijt, Dat gedachtloos voorwaarts snellen , En verlies in geld en tijd.

Wil je zeker voorwaarts gaan ,

Kent dan eerst de juiste baan.

Maar dat leer je zoo maar niet In een oogwenk, zonder strijden, Zonder smarten en verdriet.

Maar je weet het; strijd valt licht Onder de oogen van den Plicht.

Is de wind nu juist niet mee , Och wat nood ? Steek uit je handen , Grijpt je roer en recht door zee ! Toont je mannen, kloek, kordaat, Wie geen storm ter neder slaat.

ocr page 85

69

Dat ellendig gelaveer,

Om de woeste golf te ontkomen ,

Dat geslinger heen en weer —

Hij, wien 'tluste, doe er mee,

Jongens! wij gaan recht door zee!

(F. Smit Kleine). Zie verdei' Kamphuyzen, Spcls Mate, Cats enz. enz.

10. Het beschrijvend gedicht. De stof van het beschrijvend gedicht (van de dichterlijke schildering) is of aan de natuur en hare verschijnselen bf aan het gebied der kunst ontleend.

Het onderwerp van het gedicht moet natuurlijk belangwekkend, schoon en grootsch zijn. Geheel bijzondere beteekenis verkrijgen deze beschrijvende gedichten eerst, als zij de betrekking van de stof tot den mensch of tot de Godheid bloot leggen. Komen bij deze dichterlijke schilderingen en tafereelen gevoel en gewaarwording krachtig uit, dan heeft het gedicht een lyrisch karakter; treedt evenwel, gelijk vaak geschiedt, de kalme beschouwing op den voorgrond, en wordt er bij verhaald, dan helt het meer naar de epische poëzie.

Ook aan lange beschrijvende leerdichten is onze dichtkunst rijk, zoo bezit zij hofdichten, als Zorghdiet (het buitenleven) van Oats; Hofwijck van Huygens; Ochenhurg van Wes-terbaen, enz. ; en stroomdichten, als de IJ stroom van Antonides v. d. Goes; de Rottestroom van Smits, enz. en nog vele andere, als van denzelfden bovengenoemden Huygens, Batava Tempe (het Voorhout van's-Gravenhage), de Zeestraat; van Bilderdijk, Het Buitenleven: van Ten Kate, De Schepping.

B.v.:

KEEK- EN SCHOOLLEERAAR.

Ziet gy dit needrig huis, dat,- vrij van prachtvertooning. Een zedige eenvoud aamt? Het is de stille woning,

Door 't Christelijk dorpsgehucht aan de achtbre post gehecht Van die 't vereenigd volk hier voorbidt als Gods knecht.

ocr page 86

70

Hij draagt huu zuchten op aan 's Hemels welbehagen, En troont den zegen af, die weide en akkers vragen ; Hy wijdt het hawlijk in, verlicht den tegenspoed ;

En plant de deugd, de trouw, de Godsvrucht in 't gemoed; Geeft troost waar troost ontbreekt; en reinigt hart en zeden; En vormt voor Kerk en Staat onstraifelijke leden.

Zie daar, óf 't geen hy is, óf 't geen hy wezen most! Voorzeker koze ik nooit, voor dien verheven post,

Dien valschaart, door belang, door schraapzucht aangedreven, Die om een luttel baats zijn schaapskooi op zou geven,

Door voorbeeld of door leer den stoel der waarheid schendt. En lessen of gedrag naar 't heerschend denkbeeld wendt.

Neen, aan zijn dienst getrouw, en dierbaar aan zijn kudde, En d' ouden Olm gelijk, wien wind noch regen schudde, Maar wiens ontzachbre stam, waarop geen tijd vermag. Den grootvaar en zijn kroost ten grave varen zag,

En over 't Kerspelplein reeds meer dan honderd jaren Het erllijk lommer gaf van zijn verjongde blaren,

Is de echte landpastoor, door vaderlijke zucht,

Het altijd wakende oog van 't gansche dorpsgehucht.

Zijn voorzorg, wijsheid, trouw, laat nergens hulploos lijden. Waar schuilt hy , wien in leed zijn weldaan niet verblijdden! God telt ze, en kent ze alleen, die hy gelukkig maakt. Ook zelfs , wen schaamte of trots den eigen nood verzaakt. Vaak zoekt hy de enge kluis, waar rampen, niet te ontloopen. Gebrek, en pijn , en dood, en wanhoop samenhoopen: Hij nadert, en 't gebrek, de wanhoop vlucht daarheen; De pijn verliest heur smart, de dood heur eislijkheên.

Hy, die den nood voorkomt, gaat duizend misdaan tegen. De rijke eerbiedigt hem , en de armoê geeft hem zegen : En dikwijls ziet m'een paar, door bittren haat verteerd, Vereenigd aan zijn disch , en — Vrienden weêrgekeerd.

Daar is een tweede in 't Dorp, die kracht van invloed heeft. De 8choolvoogd, voor wiens plak de boersche Landjeugd beeft. Mijn zangster, zet uw zang voor 't minst een toontjen lager, En schilder 't stijve beeld van dezen scepterdrager.

Straks melde ik , welk een zorg een ampt van dit gewicht, Om 't Landvolk wel te doen , ten besten einde, richt.

ocr page 87

71

Hier zit hy! In zijn stap, zijn uitgestreken wezen, Is 't geen hy op zijn staat zich inbeeldt, klaar te lezen: 't Vertrouwen op zich-zelt, en op de meerderheid,

Waar mede 't geen hy weet zijn kleinen hoogmoed vleit. Ook is hij reedlijk ver in 't lezen, schrijven, rekenen: Hy kent in d'Almanak planeet- en hemelteekenen :

Hy zingt de Kerkgemeent' met ernst en siichting voor; En worstelt, jaar aan jaar, den Catechismus door. Hy disputeert met moed, en zonder los te laten ,

En , schoon hy 't ook verliest, hij weet er door te praten. Let op, wanneer hy spreekt, op wat geleerden trant Hy elke sylbe rekt, en ieder muskei spant!

Wat moeite hy zich geeft, om met het naauwst geweten Om elke letter juist in d'uitspraak toe te meten!

Hy rymt, indien 't hem lust, trots.....en Datheen,

En declineert getrouw door alle casus heen.

Ook weet hy 't noodigst zelfs van Staats- en Kerkhistorie, En kent en Lodestein en Sluiter bij memorie.

't Heelal, het gansche dorp , staat van den man verstomd , En weet niet hoe één hoofd aan zooveel wijsheid komt.

Voor 't overig ziet hy scherp op 't nietigste overtreden, En wordt door zucht of traan bewogen noch verbeden. Verschijnt hij, in zijn blik (den aanblik van een God!)

Leert heel het kindervolk hun onherroeplijk lot.

Hy wilt 't: men gaat uit een; hy wenkt: men zet zich neder; Hy glimlacht: alles juicht; hy fronst: men siddert weder. Hy dreigt, beloont, kastijdt, met d'eigen toon van stem; En , in zijn afzijn zelfs, is ieder bang voor hem.

Hy ziet, hy hoort, hy weet, wal elders werd misdreven: Hy vindt het de arme jeugd voor 't voorhoofd aangeschreven Hy raadt, wie lacht, wie snapt, wie luiert en wie slaapt, Wie andren partjens speelt, of onder 't bidden gaapt. De berk ligt nevens hem, die roê, wier vreeslijk knellen Den moedwil, met één wenk, den teugel weet te stellen: Der traagheid sporen geeft, 't ontzag in werking houdt, En d'eiselijken plak als naasten buur beschouwt.

De Dionys van 't dorp is kenbaar aan dees trekken.

Neem u zijn zorgen aan, opdat gy ze op moogt wekken. Den wijze is niets gering ; de dwaas alleen veracht, Wat heilzame arbeid is voor 't menschelijk geslacht.

ocr page 88

72

Den kleine is in zijn post een glans van aanzien noodig: Den grooten nedrig zijn ; de rest is overbodig !

Bemoedig des den man ! Bedenk, dat in zijn hand 't Toekomstig lot berust van uwen Boerenstand Maak hem en 't meesterschap eerwaardig in zijn oogen, Opdat zy 't in der daad der mensehheid worden mogen.

'fc Gemeen verslaaf zich aan 't vooroordeel! 'fc volgt elkaar, Als 't redelooze vee , op eiken doolweg naar.

Wy weten, elk beroep heelt zijn belachlijkheden ,

Waar 't zulken bloot aan stelt, die 't op den duur bekleeden. De stem, de toon , de taal, de houding neemt iets aan Van 't handwerk , 't ampt, den post, den rang waarin wij staan. Waar staage oplettendheid op duizend kleinigheden ,

Waar strengheid, ernst, geduld, de hoogste plaats bekleeden , Is 't vreemd, indien m'aldaar aan heblijkheên gewent,

In wie men 't haatlijk merk van stroeven smaak herkent? Waar ni'eindloos bezig blijft in 't zelfde voort te teemen, Is :t wonder, zoo 't verstand daar weigert vlucht te nemen?

Wat heerlijk schouwtooneel in al dat kinderwoelen! In 't dartlen , dat zy doen ! in 't door malkaar krioelen! 't Is heerlijk , in den mensch de rijke kracht te zien ,

Gereed, om 't Vaderland heur vruchten aan te biên ;

Maar kan m'in 't hoopvol kind het leven uit zien schieten, Den mensch in bloesem zien, en niets daarby genieten? Dan , dan nog, zijn we ons-zelf. — Geen kunst of veinzerij, Die de eerste neiging hult, natuurlijk, los en vrij!

Dees, buigzaam en gedwee, geeft aanstonds na 't kastijden. Bevredigd met een woord, zich over aan 't verblijden.

Flux wischt hy , met een lach, het laatste traantjen af, Bn denkt niet meer aan 't leed van de uitgestane strat: Éen glimlach geeft u 't hart, hoe fel verbitterd, weder: Een ander slaat het oog met stugge droefheid neder, En houdt zich onverwrikt in liefde beide en haat.

Gebeden, vriendelijkheên, geschenken doen geen baat, Hy wijst het dierbaarst af waarnaar hem 't hart mag hijgen, En pruilt hardnekkig voort in wederspannig zwijgen. Zoo toonde een Cato reeds in kindsche hoofdigheid Die onverzetbre ziel, die Helden onderscheidt.

ocr page 89

73

Maar 't school gaat uit: treed toe, en zie de knaapjes spelen; De ontwikkeling van hun geest moet hier den wijze streelen ; In 'tdartlen, in 't gejuich, in 't nietigste gesprek,

Dat treflijk onderscheid van aangeboren trek!

Dees W agenaar van 't dorp, zit sprookjes op te halen: Die, Eafaël in 't klein, de muren vol te malen:

Die, voert zijn kindertroep in fleren krijgsmarsch aan.

En is een andre Eugeen ot Maurits in zijn waan.

O, sla hun inborst ga in 't kluchtige onderwinden:

Licht zult ge er inderdaad een kleinen Poot bij vinden: Licht komt er met der tijd een tweede Huygens uit. Die nu zijn drijitol werpt, of op zijn rietjen fluit.

Licht ziet ge een stouten gast aan tak en boomstam hangen. Die eens by 't Vaderland zijn Ruiters zal vervangen;

Licht dat ge een Nieuwland vindt, die 't oogenblik verbeidt, Dat hem een schrandre geest hervoort rukt en geleidt. Zoo toeft de teedre roos, in 't knopjen nog verborgen, Eén warmen zonnestraal, één dauwdrop van den morgen Thands, van zijn laatren roem of grootheid niet bewust, Verheugt zich 't kinderhart in kinderlijke lust.

Indien 't zijn steentjens slechts, na duizend oefeningen. Het water schaven ziet, en dan wéér opwaarts springen; Of zoo 't zijn vlieger ment, gedragen door den wind. Die, voor 't verwonderd oog, den weg ten Hemel vindt.

(Bil der dij k).

DE BARRE ROTS.

Met het hoofd in de wolken.

Den voet in de kolken.

Staat by golvengeklots Naakt en eenzaam de rots Te vergeefs op zijn toppen Zijgen morgendaauwdroppen!

Te vergeefs ziet de maan Lieflijk starend hem aan!

En geen zomerluchtzwoelte En geen avondwindkoelte Vermag iets op den aart Van het ijskoud gevaarl,

ocr page 90

74

Waar zich bloemen noch bladen noch mosgroen op toonen ,

En geen plant wordt gezien,

Om der kruidkenners vlijt met een schat te beloonen. Ot den zeemeeuw een nest voor zijn jongen te biên!

Sombre steenrots! de lente keert weder, 't Dorre veld wordt bestrooid.

Wordt bekleed, wordt getooid, —

Maar op u blikt zy vruchteloos neder!

Op uw kruin past, voor krans. Een verhevener glans.

'k Zag een leger van golven den aanval beginnen, Zy liepen u aan ,

Met schelden en slaan, Met schuimende woede! Maar zouden zy 't winnen? Of ook over u heen heel haar menigte gaat, Zy breken, — gy staat.

Zy breken, zy wyken,

Van veerkracht beroofd.

Daar verheft gy het hoofd;

Statig ziet men het prijken Met paarlen van 't zeenat, met edel gesteent' Als van ziltige tranen by 't zonlicht geweend.

Dus ook menig in God vastgeworteld gemoed,

Wen der tegenheên vaak overstelpende vloed

Voor een oogenbiik tijds is geweken,

Zy de bloesem van vroegere weelde vergaan,

Zy 't voor altijd op aarde met vreugde gedaan,

Voel' zich 't hart by herhaling nog breken; —

Toch verheft zich in vrede de geest naar omhoog, By den dauwdrop der smeltende smart in het oog, En men beurt uit ons wereldsch gewemel,

Als die eenzame rots Uit het golvengeklots.

Naakt, maar blinkend de kruin op ten hemel.

(Da Costa).

ocr page 91

75

E N GODSDIENSTIG MAN.

Hij niet, die den langen tijd Biddend in de kerk verslijt,

En aan God daar louter vraagt, Wat zijn wereldsch hart behaagt; Vreugde, heil en overvloed,

Luie rust en wereldsch goed.

En al wat hem streelen kan ,

Hij is geen godsdienstig man

Neen , hij die gevoelloos ziet Nare ramp en zwaar verdriet,

Waar zijn broeder onder bukt; Hij , die 't meêlij onderdrukt,

Die zijn broeders rouw en smart Niet gevoelt in eigen hart,

Eu niet helpt, waar dat hij kan. Hij is geen godsdienstig man.

Hij die vuigen dweepzuchtsgloed In zijn ledig harte voedt,

Haat en nijd en tweedracht sticht; Hij, die vijand is van 't licht, Die beschaving houdt aau band, Calvinist en Protestant Zou vervolgen waar hij kan ;

Hij is geen godsdienstig man

God gebiedt ons enkel min ,

In het aardsche huisgezin ,

Waar wij allen broeders zijn,

In de vreugde en in de pijn, Hij slechts, die die wet verstaat, En ze niet te buiten gaat.

En het goed sticht, waar hij kan, Is een echt godsdienstig man.

Protestantsch of Eooinschgezind, Wie zijn evenmensch bemint.

ocr page 92

76

En hem bijstaat in den nood,

Wie den hongerigen brood En den naakten kleeren schenkt,

Aan geen godsdiensttwisten denkt,

Turk en Jood verdragen kan,

Hij is een godsdienstig man.

Hij die op de wereldbaan Geestbeschaving voort doet gaan ,

En' met vrije ziel en mond,

Vrijheid, heilig recht verkondt,

Broederliefde heerschen doet;

Hij slechts, die, met kracht en moed, 't Kwaad bestrijdt alwaar hij kan ,

Is een echt godsdienstig man.

(Van Kerkhoven).

HET MAAETSCH VIOOLTJES.

Waagt gij 't uit te spruiten Bloem van zacht fluweel quot;r1 Durft gij 't knopj' ontsluiten !

.Rondzien op uw steel ?

't Purpren hoofdjen wagen

Aan de gure lucht,

Voor geen hagelslagen ,

Voor geen storm beducht'r1

Hoor! 't Noordwesten zwatelt

Om den top van 't duin;

't Dor gebladert ratelt

Aan der eiken kruin ;

Dikke doode takken

Breken voor zijn kracht;

Zal 't uw steel niet knakken 'r1 Nog zoo jong en zacht?

Neen, gij vreest zijn woede ,

Telt zijn gramschap niet,

ocr page 93

77

Veilig in de hoede,

Die uw standplaats biedt; Op den top te pralen

Stelt aan 't noodweer bloot In de stille dalen

Is 't gevaar niet groot.

Wie zou u niet minnen, Om uw gullen spoed;

Bloemen Koninginnen Missen uwen moed,

Blijven diep gedoken In haar wintergraf;

Gij , vóór haar ontloken , Wacht ze, bloeiende, at'.

Aan geen gure vlagen ,

Buien vroeg en iaat, Mag het hoofd zich wagen , Baar een kroon op staat; Zacht gebloosde wangen

Zijn te teer en fijn ,

Om van kou bevangen. En verkleumd te zijn.

Om met glans te pralen

Boven al wat bloeit,

Hoeft men zonnestralen

Waar de kreeft van gloeit. Dat is 't lot der Grooten ;

In een minder rang ,

Heeft men zooveel noten Niet op zijnen zang.

Toch weet ge elk te boeien

Door uw zedig schoon, Uw verscholen bloeien

Heeft zijn eigen loon.

Lage staat maakt veilig;

Kedrigheid geeft moed ; Allen braven heilig Is een stil gemoed.

ocr page 94

78

Wel dan , die uw voorbeeld Steeds voor oogen heelt,

Zich gelukkig oordeelt Dat hij nedrig leeft,

Niet wenscht uit te steken ,

Op geen lof belust!

Hem zal nooit ontbreken Liefde, Vrede, Rust.

(Beets).

DE GOUDEN BRUILOFT.

Twee kinders uit één dorpje :

Zij gingen school te gaar;

Nu was 't hun gouden bruiloft;

Zij zaten naast elkaar.

En nicht en neven kwamen In bonten feestdos uit.

Des bruigoms oude zuster.

De broeders van de bruid.

Hij streek zijn zilvren lokken ,

En zegde stil tot haar:

„Zoo zaten we aan ons bruiloft Met wit gepoederd haar. '

En de oude vrouwe lachte ,

En zei aan d'ouden man :

„Dat is zoo lang geleden En weet gij daar nog van ?quot;

Zij zaten aan de tafel,

En zang en kout begon ;

Zij zong bet oude liedje,

Het eenig dat zij kon

Zij zong niet luid, niet heldor:

Zij zong alleen voor hem ;

Was 't ouderdom die beefde Of' hare trage stem r

ocr page 95

79

Een traan zwol in zijne oogen , Hij glimlachte en hij dronk. Hij dacht, aan 't kleine meisje, Dat ze eens in slaap zoo zong 1

Och ! 't was hun eenig kindje , Het groeide in 't scbaatrend spel Dat is zoo lang geleden , En 't heugt hem nog zoo wel

Op zijne knieën zat het, En speelde met zijn ring , Of met de gouden keten , Waaraan zijn uurwerk hing.

Eu vader lachte , en moeder Zei dat hij 't kind bedierf ; De koorts kwam in de woning: Het kleine meisje stierf.

Toen gaarden zij haar kleedjes En 't kinderspeelgoed op ; Een paar versleten schoentjes , Een valhoed en een pop.

Daar lag 't gesloten grafje ,

Daar stond het kleine kruis, En vader zat bij moeder, Kn 'twas zoo stil in huis!

En lange , lange jaren Zijn sedert heengegaan , En aiidre houten kruiskens Op kindergrafjes staan.

Nu was 't hun gouden bruiloft; De gasten waren heen ,

En de oude vrouw zat weder Met d'ouden man alleen.

ocr page 96

80

Alleen na vijftig jaren.

Waaraan dacht d'oude man?

Wat dacht zijn oude huisvrouw?.....

Daar spraken zij niet van.

(Rosalie Love ling).

Zie verder Camphuysen, Maysche Morgenstond; J. d e Mar re, Mooi weer en storm in de Beemster ; H. G. Kronenberg, De Schipbreuk; Rietberg, Een gure Hcrfstdag op het Land; Yntema, Tevredenheid te schatten boven Rijkdom; Heije, De waterval; S. J. v. d. B e rgh , Spoorloos.

11. De Satire of het Hekeldicht. 13e satire heeft haar oorsproug in de tegenstelling, die tusschen een gebrekkig bestaanden en een idealen toestand aanwezig is. Zij wil de menschelijke misslagen en gebreken geeselen, terwijl zij ze belachelijk maakt. Om dit doel te bereiken, bedient zij zich vaak van de ironie, d. i. zij prijst schijnbaar dat, waarover zij spreekt, laat echter den lezer niet in twijfel aangaande de ware bedoeling. Door die gisping van liet bestaande wil de satire tegelijk verbeteren en waarschuwen. Onderwerpen der satire mogen slechts die dwaasheden en verkeerdheden, die misslagen en gebreken zijn, welke de mensch of de maatschappij veranderen kan. Nooit mag ze lichaamsgebreken of ziekten aantasten, evenmin geven grove vergrijpen en misdaden stof voor de satire, deze vallen binnen het bereik dei-strafwet. Zal de satire algemeene belangstelling wekken, dan moet zij zich zooveel mogelijk van persoonlijke aanvallen verwijderd houden, vermits ze anders krenkend wordt. Ingeval de satire niet bedoelt te gispen, straften en verbeteren, docli slechts enkele personen aanvalt en bespottelijk maakt, noemt men ze paskwil.

//Ofschoon ieder hekeldichter met een gevoel van eigenwaarde op de verkeerdheid van zijn1 tijd nederziet, zijn er echter twee verschillende wijzen, waarop dat talent de zaken pleegt te beschouwen. Volgens den eenen trant van zien, zijn de laakbare bedrijven der menschen het gevolg hunner dwaasheid; volgens den anderen dat hunner boosheid. Het

ocr page 97

81

eerste standpunt is onbetwistbaar hooger; want het is inoeie-lijker zich boven vooroordeelen te verheffen, dan te gevoelen wat het geweten kwetst en de zedelijkheid beleedigt. De hekeldichters van de eerste klasse trachten de handelingen hunner eeuw te toetsen aan het noodzakelijke en ware, aan de uitspraak van natuur en rede, de anderen vergelijken hetgeen gebeurt, met hetgeen in vroegere betere dagen plaats had.quot; (Bakhuizen van den Brink).

De satire kan, gelijk vele der genoemde didactische gedichten , als deel van andere dichtsoorten voorkomen. Vooral in de dramatische poëzie treffen wij ze vaak aan; in het bijzonder in het blijspel, dat trouwens steeds meer of min de zwakheden en gebreken der menschen tot onderwerp heeft.

B.v.:

E O S K A M,

AEN DEN HEEK

P. C. HOOFT,

DROST VAN MUIDEN.

/ Hoe komt, doorluehte Drost, dat elek van Godsdienst roemt, En onrecht en gewelt met dezen naem verbloemt,

Als waer die zaeck in schijn en tongheklanck geleghen? Of zou 't geen Godsdienst zijn, rechtvaerdigheit te pleghen, ^ Maer slincks en rechts te staen naer allerhande goet? God voeren in den mond; de valschheit in 't gemoedt? De Waerheit greep wel eer die mensehen by de slippen. En sprack: uw hart is ver': ghy naecktme met de lippen. De waerheit eischt het hart, en niet zoo zeer 't gebaer, /^De laetste zonder 't eerst, dat maeckt een' hnichelaer,

Die by een eierlijck graf zeer aerdigh wort geleecken, Vol rottinghs binnen, en van buiten schoon bestreecken.

Zoo was uw vader niet, die burghervader, neen: Van binnen was hy juist, gelijck hy buiten scheen. /f'k Geloof men had geen' gal in dezen man gevonden,

Indien, na dat de doot zijn leven had verslonden.

Vijfde druk. 6

ocr page 98

82

Zijn lijck waer opghesneên Hoe was hy zoo gelijek

Dien Burghermeestren, die wel eertijds 't Eoomsche rijck

Door hun oprechtigheid opbonden van der aerde

In top, toen d' ackerbouw in achtingh was en waerde;

Toen deeghe deeghlijckheit niet speelde, raep en schraep;

En 's vijants gout min golt dan een gebrade raep.

Hoe heeft hem Amsterdam ervaeren wijs en simpel,

Een hooft vol kreuken, een geweten zonder rimpel

O beste bestevaer! wat waert gy Hollant nut,

Een stijl des Eaets, toen 't lijf van 't stocksken wert gestut:

Op dat ick ga voorby ons Katilinaes tijen;

Toen 't vaderlant in last door twist der burgheryen,

Ghy 't leven waert getroost te heilighen den staet:

En toen, uw hooft gedoemt door 't hooft van eigenbaet,

Ghy geen gedachten had van wijeken of van wancken.

De wees en weduwe, en de ballinghen u dancken:

Hoewel ghe, noit om danck, hebt zonder onderscheit

Bescheenen, met den glans van uw' goetaerdigheit,

Ondanckbre en dankbre, dienghe kont ten oirbaer strecken.

O spieghel van de deught! O voorbeelt zonder vlecken!

Noit zooptghe bloet en mergh der schamele gemeent.

Noch stopte d' ooren voor haer rammelent gebeent.

Wat lietghe uw zoonen na, toen 's levens licht wou neighen ?

Indien 't gemeen u roept, bezorght het als uw eighen.

Zoo was uw uiterste aêm slechts waere klaere deught,

üaer ghy, vermaerde stadt, uw kroon mee eieren meught.

Zoo 't land uw vaders deught zoo wel had erven moghen Als zijn gedachtenis, s' had zwaerder ruim gewoghen Dan duizent tonnen schats, en duizent, en noch bet. En 'k zagh de zwarigheên van onzen staêt gered.

Indien de Spanjaert zagh het land van Hoofden blincken, Hoe zou zijn fiere moet hem in de schoenen zincken: Hoe zou hy vader Ney opwekken door gebeên.

Om met zijn tongh dees scheur te neien hecht aen een.

Geen Duinkerck zou de zee met vloten overheeren;

Maetroos die roovers ras zou aerslingh klimmen leeren, En 't laeghe Waterlant doen kijeken door een koort Hem, die nu blindelingh ons slinghert overhoort,

En vissers vanght en spant, verft zeeluy doots van vreezen; Zoo dat 'er een geschrey van weduwen en weezen

ocr page 99

83

Ten hooghen hemel rijst, uit dorpen , en uit steên.

Wat 's d' oirsaeek ? vraeght men, wat? De gierigheit alleen , Die 't alghemeen verzuimt, en vordert slechts haer eighen: En sprack ick klaerder spraeek, ick zorgh zy zoume dreighen, Met breuck en boeten, of te levren aen den beul.

- Want waerheit (dat 's al out) vint nerghens heil noch heul; Dies achtmen hem voor wijs , die vingher op den mont leit.

0 kon ick oock die kunst: maer wat op 's harten gront leit, Dat weltme naer de keel: ick word te stijf geperst,

En 't werckt als nieuwe wijn , die tot de spon uitberst.

Zoo 't onvolmaecktheid is , 't magh tot volmaeckheit dyen Van dees' rampzalighe en beroerelijcke tijen,

Waer in elck grabbelt, tot zijn naestens achterdeel,

Schrijft andren toe, en schuilt op hem de schuit van 't scheel. Waer Kato levend, die gestrenghe Kato, trouwen, Hoe doncker zou hy met een doncker paer winckbrouwen Begrimmen overzijdts de feilen onzer eeu,

En ringhelooren den geringheloorden Leeu ,

.Die zich zoo schendigh nu van rekels laet verbafien !

Hoe zon hy graeuwen: flucks en past dit af te schaften : Dat weder inghezet. Hier stuurman, waer het roer,

En let op 't out kompas. Voort voort met dezen loer, Die noit te water gingh ; hy zal ons 't spel verbrodden. En ghy, hou oogh in 't zeil. Waer heen met deze vodden, Grhy lompe plompe dief, die 't scheepvolck streckt tot last? t'Hans grijp ik u by 't oor, en spijcker 't aen den mast. Waer Kato levend, wis daer zou geen hair aen feilen ,

01 't gingh als 't plagh te gaen. Wat zou men lants bezeilen ; Daer nu de norsse nijt ons slapend zeilt voorby,

De loef afsteeckt, terwijlwe legghen in de ly ,

In vaer van schipbreuck, schier aen laegher wal vervallen.

Het roer den meester mist, en daerom is 't aen 't mallen:

En wilme' op dreighement niet letten van den noodt;

Zoo bergh aan 't naeste lant uw leven in de boot.

Doch 'k hoop een beter, van die gaerne 't beste zaeghen ,

En zucht tot 't vaderlant in vromen boezem draeghen.

De zulcke vint men noch als paerrelen aen strant.

De schaersheit maeektze dier. Indien maer 't onverstant

Zoo weinighe als er zijn , erkende in hun' waerdye,

En wijzer Heeren liet begaen met heerschappye ,

ocr page 100

84

Men vont 'er noch genoegh , die niet zoo bijster staen Na heerschen , danze met 's lants welstant zijn belaên , En wenschen tijdt en zorgh en moeit' hier in te schieten, En niet een' penningh voor hun diensten te genieten: Dat zijn niet zulcken , daer ick eerst van hebb' gezeit,

Wiens Godsdienst op de tongh en op de lippen leit,

Maer in een vroom gemoedt, waer uit die deughden groeien, Die Hollants welvaert eer zoo heerlijck deden bloeien , In spijt des dwinghelants. Wel wilmer noch niet aenr Of rijm ick, dat een boer dit Duitsch niet kan verstaen? Neen zeker, 't is dat niet, 't Zijn kostelijcke tijen.

Het paert vreet nacht en dagh. In een' karros te ryen : Een juffer met haer' sleep : de kinders worden groot: Zy worden op bancket en bruiloften genoot Een nieuwe snof komt op met elcke nieuwe maene. De sluiers waeien weits , gelijck een kermis vaene ; En eischtmen meer bescheits, men vraegh het Huygens zoon , In 't Kostelijcke Ma! ; die weet van top tot toon De pracht en zotte prael tot op een hair 't ontleden.

Hier schort het. Overdaet stopt d'ooren voor de reden , En kromt des vromen recht, deelt ampten uit om loon , En stiert den vj^ant 't geen op halsstraf is verboón ,

Luickt 't oogh voor sluickerye, en onderkruipt de pachten, Besteelt het lant aen waere, aen scheepstuigh, en aen vrachten. Neemt giften voor octroy: of maekt den geltzack t' zoeck ; En eischt men rekeningh , men mist den zack en 't boeck ; Hoewel het menschlijck is dat zulcke zaecken beuren ! 't Heeft dickmael oock zijn reên. Dick raeckt' er meê te veuren , Die verr' ten achtren was. Kort om , dit 's onze plaegh. 't Is, drijft den ezel voort : gemeentenezel draegh :

Het lant heeft meel gebreck; dus breugh den zack te molen. Het drijven is ons ampt: het pack is u bevolen.

Vernoeght u datghe zijt een vryghevochten beest :

Is 't naer het lichaem niet, zoo is het naer den geest.

Tot 's lichaems lasten heeft de hemel u beschoren.

Dit past u bet dan ons. Ghy zijt een slaaf geboren Best doet ghy 't willighlijck van zellef dan door dwangh. Dus raeckt het slaefsche dier, al hijghende, op den gangh, En zweet, en zucht, en kucht De beenen hem begeven , Hy valt op beide knien , als bat hy : laetme leven ;

ocr page 101

85

En gigaeght heesch en schor, de drijvers stock is doof, En tout des ezels huit, en zwetst vast van 't geloof.

Hoe kan een Kristen hart dees tiranny verkroppen!

Ick raes van onghedult. En zijn 'er dan geen stroppen Voor geit te krijghen, dat men 't quaet niet af en schaft!'1 En dat lantsdievery tot noch blijff ongestraft?

Of is 'er niet een beul in 't gansche lant te vinden?

Men vond 'er eer wel drie, toen bittre beulsghezinden.....

En vraeght men wat ick zegh ? Dat zegh ick, en 't is waer; Zijn twee noch niet genoegh, zoo neem 'er twalef paer. Dus klaeght de galghe, die langh ledigh heeft staen prijeken ; Die langh geen kraeien 't oogh van groote dievelijcken Uitpicken zagh, en fel van raven werd begraeut,

Die heen en weêr om aes uitvloghen heel benaeut.

Of nu een snoo Harpy dit averechts wou duien, Dat teghens d' Overheen ick 't volleck op wil ruien.

Om tol en schot en lot te weighren aen den Heer; Zoo lochen ick 't plat uit. Neen zeker, dat zy veer. Q-ehoorzaemheit die past een' oprecht inghezeten;

Den heer, t' ontfangen weer rechtvaerdigh uit te meeten. Gelijck die Haegsche Bie vereert is met dien lof,

Dat zy noit honingh zoogh uit ander lieden hof;

Maer naer haer' eighen beemt, op onbesproke bloemen. Om necktar vloogh, wiens geur oprechte tonghen roemen. Waer ieder zoo van aert, wat zou men met der tijdt Het arrem ezelkijn al lasten maecken quijt?

Hoe zou 't aenwassend juck ontwassen met de jaeren? Wat wort 'er nu gespilt? Wat zou men dan bespaeren? Men had, in tijdt van noodt, een schatkist zonder tal.

Maer nu is 't muizevreught; de kat zit in de val.

'kHeb, o doorluchtigh Hooft der Hollantsche poëten, Een kneppel onder een hoop hoenderen gesmeten:

'k Heb wetens niemant in 't byzonder aengherant;

Misschien wie 'k trof, tot nut van ons beleghert lant:

'k Heb aen uw vaders krans al mede een bladt gevlochten. En noch een ziel geroemt, wiens deughden elck verknochten. Dit nam zijn' oirsprongh niet uit vleilusts ydelheên. Der dichtren erfghebreck, maer uit een rijpe reen. Ick wenschte mijn kopy niet scheelde van het leven:

Zoo zou als 't aenschijn u de schilder beeft gegheven,

ocr page 102

86

's Mans deughdighe ommetreck hier zweven in de ziel, Die stant hiel onghebuckfc, toen 't dor gebeente viel.

1630. (Vondel).

DE GEOOTE MAAIEKS.

'k Een blij van geest: ik slaafde langen tijd,

Om aan 't gezin een stil bestaan te schenken.

Nu krijg ik 't loon van burgerdeugd en vlijt,

En 'k mag gerust aan zoete welvaart denken.

J a! veel belooft mij de oogst; geelrijp is 't graan ....

Welaan, gemaaid' het kan geen dag meer blijven.....

Maar hoort! daar roept een stem: „laat alles staan!quot; De groote maaiers zijn aan 't kijven!

Laat alles staan, — maar 'k ben voor arbeid klaar;

En niemand nu kan me op het veld vervangen.....

„De trommel slaat; het land is in gevaar.

Reeds dreunt de lucht bij schelle krijgsgezangenquot;.....

Zeer wei, maar 'k ben de steun van vrouw en kind;

't Is hun verderf, als ik hen moet verlaten.....

„Zwijg, vader, zwijg: gehoorzaam.....en gezwind!

De groote maaiers tromlen om soldaten.quot;

Eu mee wordt hij gesleurd. De reuk van 't kruit Bedwelmt hem ras! 't Gevecht doet ook zijn harte branden; De stem des bloeds sterft weg in 't krijgsgeluid;

Hij rukt een vaan uit 's vijands kloeke handen,

En plant ze roemvol op de vesting neer.

ï'huis sterft zijn vrouw, 't graan ligt vertreden.

Maar op zijn vaderborst blinkt 't kruis van eer —

De groote maaiers zijn tevreden!

De krijger keert naar huis. Zijn erf' en goed.

Zijn vrouw en kind, eilaas! 't is al verslonden!

Langs alle wegen drijft er menschenbloed,

En de aarde drinkt dit vloeisel van de wonden. Een doodsche stilte volgt den naren strijd:

't Is wee in 'tland; 't is rouw in veel gezinnen!

Nu wordt de grond verdeeld — bij vredestijd;

Des grooten maaiers oogst is binnen!

(K. Versnaeije n).

ocr page 103

87

Dikwijls neemt de satire den vorm van een Dichterlijken brief aan, gelijk boven in den «Roskam.quot;

Zie verder: Vondel, Rommelpot in het Hanekot; Otter in het Bolwerck, enz.; Huygens, Kostelick Mal; De L a n n o y , Aan mijn geest; Aan Avitus; De Genestet, De Sint-Nikolaasavond, enz.

12. Epigram. Onder dezen naam kan men in onze dichtkunst samenvatten; puntdichten, sneldichten (quicken), bijschriften, opschriften, grafschriften. Het woord zelf trouwens beteekent louter bijschrift en was oorspronkelijk de naam van het in distichon-vorm vervatte opschrift van een tempelgift of een grafteek en, later van een kort gedicht van erotischen en schertsenden inhoud. Uit men, gedachtig aan Huygensquot; gezegde,

« Een kleinen Hamer , snel gedreven , heeft meer macht Dan een zwaer Ijzer, dat maer op den bout geleght wordt,quot;

in dichterlijke taal eene gedachte, een zinrijken inval, een oordeel, eene gewaarwording zoo kort en puntig mogelijk, dan ontstaat het epigram.

//Het epigram is de kortst mogelijke, maar te gelijk meest poëtische voorstelling van eene dichterlijke gedachte, eene dichterlijke beschouwing, een ilicli terlij ken toestand. Het is beurtelings geheel aan scherts of geheel aan schimp gewijd, lachen of hekelen is de toon, die er in heerscht. Nu eens behoort het, eene situatie schetsend, tot de beschrijvende, dan weder in den vorm eener spreuk gekleed, tot de didak-tische poëzie; zelfs verhevene en lyrische gedachten zijn dier dichtsoort geenszins vreemd.quot; (Bakhuizen van den Brink). B.v :

G O Ê E A E T.

Meisje, eer ghy u begeeft in d' echt,

Leert spellen 't woordeke tromoe recht;

Want vergeetdy d' eerste letter te schrijven ,

So en koud' u niet dan rouwe blijven.

(R. Vis schei).

ocr page 104

88

KELDEEKOOETSEN.

Is 't yemandt onbekenfc, ik weet, wat dat gezinn schort, En waerom dat het nooit ter deegh genezen kan.

Al wat de doctor heelt, ontheelen glas en kan;

Men stort er staegh weer in, omdat m' er staegh weer instort.

(H uygens).

ADVOCATEN.

Een huyetnan iii den Haag, gereden by der straeten: Riep: soeten lieven Heer! zijn dit all' advocaten Met deze tabbaerds aen?

Hoe moet het hier dan gaen ?

Wy hebben er maer één by ons in 't dorp gekregen, Sints ister voll krackeels en nimmermeer ter degen.

(H uygens).

D R U K K E E.

Van 't keiserlicke hof tot in de schaeperskluis Tracht yeder vrede en vreugd en vrijheit te gewinnen: lek ben de man alleen van averechte zinnen,

Die staegh om persing en om druk wensch in mijn huis.

(Huygens).

K O G EEN.

Mijn drucker leeft in droeven druk ,

Want 't drueken druckt hem weinigh druck:

't Waer geen bedruckte drucker.

Viel 't drueken maer wat drucker.

(Huygens).

A N D R I E S.

Hoe textvast is Andries! — Hij sagh laest mann en wijf Den andren hekelen in handsgemeen gekijf,

Rn riep: goê christenen, gaet daer niet tusschen beiden. Wat God gevoeght heeft, staet geen menschen toe te scheiden!

(Huygens).

ocr page 105

89

WIEG.

Wy woelen sonder end voor kinderen en erven,

En 't gaet ons in 't gewoel gelijck 't gewieghde kind; Wy woelen ons in slaep door allerlei bewind,

En woelen moe daer heen met d' oogen toe en — sterven!

(H u y g e n s).

E A A D.

Gaet wat voorsichtig aen, die u te seer verheught! De rouw sitt veeltijds op de slippen van de vreught.

(Huygens).

VLOEKEN.

Dien uyl, die stadigh vloeckt by hemel of by hel, Geloof ik niet te wel,

Hy schijnt het oock te mereken,

En daerom alle dingh by eede te verstercken.

(Huygens).

LES VOOR DICHTEES.

Haest werden, haest vergaen zijn twee verwante saken, Die d' eene d' andere soo volgen, dat sy raken.

Denekt, dichters! die u haest, welck best in 't duren houdt. Dat langhsaem wast, als Eyck; of ras, als Vurenhout!

(Huygens).

AMSTEEDAM IN 1650

Hoe quam't, dat Amsterdam soo gramm was. En waerom was 't niet voor den prins?

In seven woorden gaet vee) sins,

Om dat de prins voor Amsterdam was.

(Huygens).

EEN WEETNIET.

Een dubbel onverstandt heeft over u gebiedt;

Een weetniet sijt ghy, vriend! en ghy en weet het niet.

(J. de Decker).

ocr page 106

90

OP HET HUWELIJK VAN Ds. GBRAEKT BRANDT.

De liefde maekte van Quintijn de smit een schilder;

Maer hier aen d' Arnstel toont de Min zijn kracht noch milder

Van een tooneelpoëet maekt hij een Predikant.

Zoo raakt Zusann', hoe kuis en koadt van hart, aan Brandt

(J. Vos).

DUISTERHEID.

Krijn las, en zei', zoo tusscheu waken En dutten in: „dat — kon — wel — klaarder zijn!quot;

Voor die half slapen, lieve Krijn,

Kan 't een, die droomt, slechts duidlijk maken.

(S t a r i n g).

VERDRAAGZAAMHEID.

Van 's Heeren woord, in menschentaal geschreven, Is 't recht verstand den mensch verbleven.

Wie aan dat woord den besten uitleg gaf.

Onthult eens de andere zij van 't graf;

jVlaar die zich grondde op 't Woord eu Broeders van zich stiet Gewislijk, die begreep het niet.

(Staring).

CONCURRENTIE.

Alles, alles concurrentie:

Wie de rijkste meub'len heeft,

Wie in 't fraaiste rijtuig rondrijdt,

Wie de mooiste feesten geeft;

Wie de verste reizen doen kan.

Wie de meeste hazen schiet;

Wie de beste mensch zal wezen ......

Neen, — abuis! op dat gebied Zie 'k de concurrentie niet,

(L a u r i 11 a r d).

ocr page 107

91

PAARDEN KRACHT.

„ Hij legde rijtuig aan, toch staan zijn zaken slecht; 't Was wijzer dus, als hij maar loopend was gebleven,quot; — „Maar, man! gij weet niet wat ge zegt;

Hij houdt nog zijn krediet met paardenkracht in 't leven.quot;

(Laurillard).

HULPBETOON AAN EERLIJKE EN VLIJTIGE ARMOEDE.

Uw duizendjarig rijk, Oeconomie,

Is ver nog — waar het hart, van mensehenliefde warm. Als zinspreuk , — onbewust de bitterste ironie — Nog saam moet binden: eerlijk — vlijtig — arm!

(P. J. Veth).

ATJTORITEITS-ON GELOOF.

Gelooven op gezag Dat mag Niet meer in onze dagen!

Maar ach ,

't Schijnt, niet-gelooven op gezag Koomt nu aan de orde van den dag,

Bij zeker slag ;

Is 't beter? — wou ik vragen.

(De Génestet).

OP HET STOCKSKE VAN JOAN VAN OLDENBARNEVELDT,

VADEH DES VADEliLAMJS.

Mijn wensch behoede u onverrot,

O Stock en stut, die geen' verrader ,

Maer 's vrijdoms stut en Hollants vader ,

Gestut hebt op dat wreet schavot;

Toen hy voor 't bloedigh zwaert most knielen,

ocr page 108

92

Veroordeelt, als een Seneka,

Door Neroos haet en ongena,

Tot droefenis der braetste zielen.

Ghy zult noch , jaren achtereen ,

Hen uitgangh van dien Helt getuigen :

En hoe Grewelt het Recht dorst buigen ,

Tot smaet der onderdrukte steen.

Hoe dickwijl strecktet ghy in 't stappen,

Naer 't hof der staeten stadigh aan Hem voor een derden voet in 't gaen, En klimmen op de hoogste trappen,

Als hy belast van ouderdom ,

Papier en schriften, overleende ,

Eu onder 't lastigh lantspack steende,

Wie ging, zoo krom gebukt, noit krom! Ghy ruste van uw trouwe plichten Na 't rusten van dien ouden stock,

Geknot door 's bloetraets biltren wrock,

Nu stut en stijft ghy noch mijn dichten,

(V o n delj.

PEINS M A ü E 1 ï S.

Gy hebt in 't harnas nooit voor vijanden gezwicht, 't Gebou der vrijheic , door uw vaders hant gesticht,

Doch in den opgang met zijn dierbaar bloet begoten , Voltooit; gy hebt den tuin met vestingen gesloten Maer, och! de kerk en staat is in uw tijdt gescheurt. Daar Spanje om heeft gejuicht, dat Hollant noch betreurt.

(G. Brandt).

MICHIEL DE RÜITEE

Aanschouw den Heldt, der staten rechterbant. Den redder van 't vervallen vaderland !

Die, in een jaar, twee grote koningrijken, Tot driemaal toe , de trotse vlag deê strijken : Het roer der vloot: den arm daar Godt door streê; Door hem herleeft de vrijheid en de vree.

(Brandt).

ocr page 109

93

GEEEAET VOSSIUS.

Liiet zestigh winters vrij dat Vossenhooft besneeuwen,

Noch grijzer is het brein clan 't gryze hair op 't hooft. Dat brein heeft heughenis vau meer dan vijftigli eeuwen,

Eu al haer wetenschap, in boeken afgheslooft.

Sandrart, beschaus hem niet met boeken, en met blaeren, Al wat in boeeken steeckt is in dat hooft ghevaren.

(Vondel).

VOOR DE POOEÏ VAN 'T SPINHUIS.

Sehrick niet: ick wreeck geen quaet, maer dwing tot goedt: Straf is mijn hand, maar lieflijk mijn gemoedt.

(Hooft).

OP ONS WEESHUIS.

Hier treurt het weeskind met geduld,

Dat arm is zonder zijne schuit.

En in zijn armoê moet vergaen,

Indien ghy 't weigert by te staan.

Zoo ghy gezegent zijt van Godt,

Vertroost ons uit uw overschot.

(Vondel).

JACOB VAN HEEMSKEECK.

Heemskerk die dwars door 't ijs, en 't ijser dorste streven, Liet d' Eer aen 't Laml, hier 't lijf, voor Gibraltar het leven

(H o o ft).

RAED TEGEN QUAED.

Spreeckt yemand quaed van u; ghy kont hem licht bedriegen. Stelt u maer soo wel aen. dat hy 't sal moeten liegen.

(H u y g e n s).

KORTENAER.

De helt der Maes, verminkt aan oog en rechterhand. En echter 't oog van 't roer, de vuist van 't vaderland, De grote Kortenaer, de schrik van 's vijands vloten. De ontsluiter van de Zondt ligt in dit graf besloten.

(Brand t).

ocr page 110

94

TWEEDE HOOEDSTUK.

Epische (verhalende) Poëzie.

Inleiding.

Dc lyrische poëzie is, gelijk we reeds opmerkten, bij uitstek subjectief van aard, de epische daarentegen objectief.

Deze dichtsoort ontleent haar naam aan het Gvieksche woord apus d. i. vertelling, sage; daarin worden dus gebeurtenissen, feiten, voorvallen behandeld. Deze kunnen of werkelijk geschied, of verdicht zijn; doch ze moeten innerlijke waarheid behelzen. Het onderwerp van het gedicht moet gewichtig genoeg zijn, om de belangstelling gaande te maken en te houden. De ontwikkeling en de gang der handeling moeten natuurlijk wezen, d. i. de veranderingen moeten uit de gegeven toestanden en karakters, als de gevolgen eener innerlijke noodzakelijkheid, voortspruiten. Elke verandering moet voldoende gemotiveerd zijn. Alsdan krijgt het gedicht innerlijke waarheid.

De epische gedichten zij u grooter of kleiuer, naar gelang ze een enkel voorval of de ontwikkeling (oorzaak, voortgang, gevolg) eener gebeurtenis voorstellen. Voorts kan de dichter geheel objectief te werk gaan, d. i. hier, liet gebeurde louter verhalen , of hij kan eigene gewaarwordingen en beschouwingen in zijn gedicht lasschen. In het laatste geval helt het over naar de lyrische en didactische poëzie.

De voornaamste epische dichtsoorten zijn de volgende:

1. Het Epos; 2. De Idylle; 3. De Ballade en de Romance; 4. De dichterlijke Vertelling; 5. Sage en Legende; 6. De Roman; 7. De Novelle; 8. De didactische vormen der epische poëzie; 9. De Fabel; 10. De Parabel; 11. De Allegorie.

1. Het jÉJpos (heldendicht). Deze dichtsoort is grootscher dan eenig andere van deze afdeeling. Het epos schildert den strijd der mensc]lelijke kracht, deugd en zielegrootheid met het noodlot. Deze strijd is steeds aan een of verscheidene

ocr page 111

95

uitstekende en uitnemende personen, helden of heldinnen vastgeknoopt. Al treden enkele personen en handelingen als hoofdpersonen en hoofdhandelingen in het gedicht op den voorgrond, toch zijn niet zelden ook tusschen- en bijhandelingen, episoden, in het gedicht gevlochten; doch deze moeten aan de hoofdhandeling ondergeschikt blijven. Zij dienen tot nadere toelichting der hoofdhandeling, of tot verwijzing op de vroegere levenservaring van den held, of door tegenstelling met de hoofdhandeling tot versterking van den indruk van liet gedicht als kunstwerk.

üe heldendichten hebben over het geheel iets overweldigend indrukwekkends; het lot van den held staat in onmiddellijk verband met een grootschen geschiedkundig gestaafden strijd; een strijd, waarbij het voortbestaan of de ondergang van een volk of volkereu betrokken is. Zoo vormt b. v. de sage van de belegering van Troje den grondslag tot het epos van Homerus '/de Ilias,quot; al maken ook Achilles' toorn en wrok en Hector's strijd en dood de hoofdhandeling uit.

In den vorm is veel vrijheid. J)e Grieksche en Romeinsche heldendichten zijn in hexameters geschreven; de Fransche en Nederlandsche zoogenaamde heldendichten in Alexandrijnen; Milton gebruikte de rijmlooze vijfvoetige versmaat, enz.

Onze letterkunde kan niet bogen op een heldendicht; de onder dezen naam bekende gedichten in onze taal zijn óf te stroef en te droog didactisch als ncle Gevallen van Fr?so van W. van Haren; óf te lyrisch en tc gebrekkig wat de eenheid betreft, als quot;de Geuzenquot; van Willems broeder On no Zwier; óf zijn niet anders dan dichterlijke levens-beschrijvingen, als Abraham de Aartsvader, van Arnold Hoogvliet; David en Germanic as, van IW. van Merken; — en Bilderdijk's Ondergang der eerste wareld bleef midden in een regel van den 5den zang steken.

Daarentegen bezit onze Middelnederlandsche letterkunde een eigenaardig epos, dat betreffende eenheid en motiveering van handeling , en fijne aanduiding en teekening vau karaktertrek-

ocr page 112

9fi

ken weinig of niets te wensclien overlaat. Dit gedicht is het satirischo dieren-epos Van den Vos Reinaerde; van den naam des schrijvers is niets bekend, dan dat hij Willem heette en ook een gedicht, Madoc, geschreven heeft: de tijd van vervaardiging is naar gissing omstreeks het jaar 1350.

Op een pinksterdag

Dat beide bosch ende haghe

Met groenen leveren waren bevaen, ')

houdt koning Nobel hof; alle dieren verschijnen, met uitzondering van den vos, Reinaert:

Die hem besehuldigh kent, ontsiet.

Weldra beginnen de aanklachten; eerst van Isengrijn, den Wolf, daarop van een vHondekijnCortois. Reinaerts verdediging door Tibert, den Kater, wordt ontzenuwd door eene nieuwe beschuldiging van Paneer, den Bever, die verhaalt, hoe Cuwaert, de Haas, door den loozen Vos belaagd was. Ook het pleidooi van Grimbaert. den Das, die een beroep doet op het oude spreekwoord

Viants mont seit selden wel,

en herinnert aan de vergrijpen van de beschuldigers zeiven

Om recht wert men qualic quite Dat men heett qnaiic ghewonnen ,

ook diens pleidooi baat Reinaert niet, doordien een versch slachtoffer van dezen, de doode hen Coppe, wordt aangedragen door Cantecleer, den haan. Er wordt besloten Reinaert voor 's konings stoel te dagen,

Ende men Brunen van dien dinghe Die bodscap soude laden.

Dies was hi [de koning] sciere beraden,

Dat hi dus sprac te Bruun den bere :

„Here Bruun, dit segghie vor dit here,

') Ieder Dietsch vers heeft, op zeer geringe uitzonderingen na, vier of drie heffingen. Elke dezer kan door ee/i of door iwee dalingen gevolgd worden, en aan de eerste heffing kunnen een of twee dalingen voorafgaan.

ocr page 113

97

Dat ghi deze bodscap doet:

Ooc biddic u, dat ghi sijt vroet,

Dat ghi u wacht van baraet;

Reinaert es fel ende quaet:

Hi sal u smeken ende lieghen ,

Mach hi, hi sal u bedrieghen Met valscen worden ende met sconen ;

Mach hi, bi Gode, hi sal u honen.quot;

„Here, seit hi, laet u castien!

So moete mi God vermaledien ,

Oft mi Keinaert so sal honen ,

Inne salt hem wederlonen ,

Dat hys an den dulsten si;

N u ne sorghet niet om mi!quot;

Daarop neemt Brune oorlof' en komt weldra aan Reinaerts kasteel Mauperluus;

Doe hi de porte hevet vernomen ,

Daer Reinaert ute plach te gane,

Doe ghinc hi vor die barbecane

Sitten over sinen staert,

Ende sprac: „ Sidi in huus, Reinaert r

1c bem Brune, des coninx bode,

Die hevet ghesworen bi siuen goden ,

Ne comdi niet ten ghedinghe,

Ende ic u niet vor mi bnnghe,

Recht te nemene ende te ghevene ,

Ende in vrede vort te levene,

Hi doet u breken ende raden.

Reinaert, doet dat ic u rade,

Ende gaet met mi te hovewaert quot;

Dit verhorde al nu Reinaert,

Die vor sine porte lach,

Daer lii vele te ligghene plach

Dor warmhede vander sonnen.

Bi der tale , die Brune heeft begonnen ,

Bekenden altehant Reinaert,

Ende tart bet te dalewaert.

In sine donkerste haghedochte:

Menichfout was sijn ghedochte ,

Hoe hi vonde sulken raet,

Vijfde druk. 7

ocr page 114

98

Diier hi Brune , den lellen vraefc, Te scerne mede moehte driven ,

Ende selve bi siere ere bliven.

Doe sprac Eeinaert over lanc; „Uus goets raets hebbet danc,

Here Bruun , wel soete vrient; Hi hevet u qualike ghedient,

Die u beriel desen ganc,

Ende u desen bereh lanc Over te lopene dede bestaen ; Ic sonde te hove sijn ghegaen , A.1 haddet ghi mi niet gheradeu ; Maer mi es die buuc so gheladen In so utermaten wise ,

Met ere vreemder nieuwer spise , Ic vruchte, in sal niet moghen gaen , Inue mach sitten no ghestaen, Ic betn so utermaten sat.quot;

„lieinaert, wat aetstu ? wat?quot;

„Here Brune, ic at cranke have, Arem man dannes geen grave : Dat moghedi bi mi wel weten. Wi arme liede , wi moeten eten, Hadden wijs raet, dat wi node aten ; Goeder versscer honicbraten Hebic coever harde groot:

Die moetic eten, dor deu noot, Als ic el niet mach ghevvinnen. A'ochtan als icse hebbe binnen Hebbicker af' pine ende onghemac.quot;

Dit horde Brune, ende sprac: „ Helpe , lieve vos Eeinaert,

Hebdi honich dus onwaert?

Honich es ene soete spise.

Die ic vore alien gherechten prise, Knde vore allen gherechten minne, lieinaert, helpt mi, dat ics ghewinne Edele lieinaert, soete neve,

Also langhe als ic sal leven Willie u daer omme minnen ;

ocr page 115

99

Heinaert, helpt mi, dat ics shewinne'quot; „Ghewinnen, Bruun? ghi hout u spot!quot; „In doe, Reinaert; so waric sot,

Hildie spot; neen ic niet.quot;

Eeinaert sprac: „Bruun , mochtijs ietf Oft ghi honich moghet eten,

Bi uwer trouwe, laet mi weten;

Mochtijs iet, ic souts u saden.

Ic sals u also vele beraden,

Ghine atet niet met u tiene,

Waendic u hulde daer met verdienen.quot; „Met mi tiene? hoe mach dat wesen P Keinaert, hout uwen mont van desen; Ende sijts seker ende ghewes,

Haddic al thonich, dat nu es ïusscen hier ende Portegale,

Ic aet al up, tenen male.quot;

Eeinaert sprac; „Wat secluli r Een dorper, heet Lamt'roit, woont hier hl, Hevet honich so vele, te waren,

Gliine atet niet in VII jaren.

Dat soudic gheven in u ghewout,

Here Bruun, wildi mi wesen hout,

Ende vor mi dinghen te hove.quot;

Doe quam Brune, ende ghinc gheloven Ende selterde Reinaerde dat,

Wildine honichs maken sat,

(Des hi cume ombiten sal)

Hi wilde hem wesen over al Ghestade vrient ende goet gheselle.

Hier omme loech Eeinaert, die felle,

Ende sprac: „Bruun, helet mare,

Vergave God, dat mi nu ware Also bereit een goet gheval,

Alse u dit houich wesen sal,

Al wildijs hebben VII amen !quot;

Dese wort sijn hem bequame,

Bruun, ende daden hem so sochte! Hi loech, dat hi nemmee nc mochte. Doe peinsde Eeinaert, daer hi stoet:

ocr page 116

100

„Rruun, es mi davonture goet,

Ic wane u daer noch heden laten,

Daer-ghi lachen suit te maten.quot;

Ka dit peinsen ghinc hi uut,

Ende sprac al overluut:

„Oom Bruun, gheselle, willecome!

Het staet so, suldi hebben vrome.

Hier ne mach siju gheen langher staen.

Volghet mi, ic sal vore gaen:

VVi houden desen crommen pat.

Ghi suit noch heden werden sat:

Salt na minen wille gaen,

Ghi suit noch hebben, sonder waen,

Also vele alse ghi moghet ghedraghen.quot;

Keinaert meende van grote slaghen:

Dit was dat hi hem beriet

Die keitijf ne wiste niet

Waer hem Reinaerts tale keerde,

Die hem honich stelen leerde,

Dat hi wel sere sal becopen.

Al sprekende quam dus ghelopen

Keiuaert met sinen gheselle Brunen,

Tote Lamfroits, bi den tune.

Wildi horen van Lamfreider Dat was, eist waer so men mi seide, Een temmerman van goede love,

Ende hadde bi sinen hove Ene eke brocht uteu woude,

Die hl ontwee dieven soude,

Knde hadde twee wegghen daer in ghesleghen Also temmermans nocli pleghen.

Die eke was ontaen wel wide.

Dies was Keinaert harde blide.

Te Brunen sprac hi, ende loech:

„Siet hier u grote gevoech,

Brune, ende nemt wel goom!

Hier in desen selven boom Es honichs utermaten vele;

Proeft, oft ghijs in uwe kale Ende in uwen buuc moghet bringhen.

ocr page 117

101

Nochtan suldi u selven dwingen,

Al dinket u goet die honichrate;

Etefc te seden, ende te maten,

Dat ghi u selven niene verdervet:

Ic ware onteert ende ontervet,

Wel soete oom, mesquame u ietquot;

Bruun sprae: „Keinaert, ne sorghet niet.

Waendi dat ic bem onvroet?

Mate es tallen spelen goet.quot;

„Ghi aecht waer, sprac lieinaert ,

Waer omme bem ik ook vervaert ?

Gaet toe, ende cruupter in!quot;

Bruun peinsde om sijn ghewin,

Ende liet hem so verdoren,

Dat hire thooft over die oren Ende die vordere voete in stac.

Reinaert poghede, dat hi brac Die wegghen beide uter eken.

Dien hi te voren ghinc so smeken ,

^ Hi bleef gevanghen in den boom.

Nu hevet die neve sinen oom Met looshede brocht in suiker achte,

Dat hi met liste , no met crachte,

In ghere wijs ne can ontgaen,

Ende bi den hoofde staet ghevaen.

De beer wordt door Lamfroit en vele anderen (Int dorp ne bleef man no wijf:

Den bere te nemene zijn lijf Liept al dat lopen mochte;)

deerlijk gehavend en komt niet dan met de grootste inspanning vrij , en bloedend bij deu koning terug.

Tibert, de Kater , wordt nu als bode gezonden ; de koning sprak :

„ Here Tibeert!

Ghi sijt wijs, ende wel gheleert;

Al sidi niet groot, wattan ?

Hets menich , die, met liste eau Dat werken, ende met goeden rade.

Dat hi met crat-hte niet ne dade.quot;

ocr page 118

10^

Dock ook de wijze en geleerde Tibert wordt door Reiaaert beetgenomen en treedt met een oog minder 's konings hof weer binnen. Grimbert, de Das, weet nu den koning over te halen, Reinaert volgens oud rechtsgebruik ten derden male in te dagen en neemt zelf die zending op zich. Het gelukt hem werkelijk den vos ten hove te brengen, die daarop ter galg verwezen wordt. Door een verdicht verhaal van eene samenzwering en een schat weet hij evenwel den koning nog te belezen, hem vergiffenis te schenken, en Isegrijn en Bruun in ongenade te doen vallen. Hij zelf zal eene bedevaart naar Home doen tot boete voor zijne zonden; Cuwaert, de Haas, en Belijn , de Earn, zullen hem tot Maupertuus vergezellen. Daar wordt de eerste door den '/feilen met den roden baerdequot; overgehaald, mede naar binnen te gaan, en door hem en zijn gezin opgepeuzeld. Belijn, die buiten was blijven staan en een gil had meenen te hooren, wordt gerust gesteld, en belast met een pak voor den koning en een' brief, dien hij zelf zou //gedichtquot;1 hebben. De onnoozele is zeer verheugd over dien last; hij kan wel niet quot;dichten ^ maar

Men seit, heks dicke menich man Grote ere ghesciet, dat God hem onste, Vau dinghen , die hi lettel conste

Ten hove aangekomen , pocht Belijn op den inhoud van den brief en geeft den zak over, zeggende, dat hij tot alles zijn raad heeft gegeven. In den zak vindt men het hoofd van den vermoorden Cuwaert. De koning ziet, dat hij om den tuin geleid is, en laat het ijselijkste gebrul hooren, dat ooit door dieren gehoord werd. Bruun en Isegrijn worden in eere hersteld, en Belijn en zijne magen //van nu toten doemsdaghequot; in hunne macht gegeven.

2. De Idylle. De Idylle is oorspronkelijk een verhaal ontleend aan het alledaagsche leven van eenvoudige landbewoners, die iu en met de natuur leven. Ze schildert dus

ocr page 119

103

in het bijzonder cle onschuld , de reinheid der zeden en de natuurlijkheid van gelukkige menschen.

Tn navolging van den Duitschen dichter Jolian Heinrich Voss heeft men zich in deze dichtsoort niet enkel meer tot de eenvoudigste menschen en hunnen levenskring bepaald, doch ook personen van de beschaafde kringen laten optreden. B.v,:

DE VISSCHERS.

Twee grijzaarts, van de jeugd ter vischvangst opgebracht, Die in 't gevlochten dak by stormende onweersnacht Hun dorre legerkoets van wier en bladen spreidden, En leunende aan den wand den morgenstond verbeidden, Begonnen, half' in slaap, dit droomig bedgesprek.

Rondom hen, op den grond van 't enge slaapvertrek.

Lag al het tuig dooreen , waarmee hun vlijt zich voedde, Als zetkorf, schakelnet, en riet, en angelroede,

Met koord en garen, grom en zeegras, boei en fuik,

En oude vleetschuit, lek en niet meer van gebruik. Hun hoofd rustte op een mat, een party oude huiden En kleeders op het lijf, maar weinig van beduiden.

Dit was hun armoed; dit, geheel hun overdaad.

De kommer lag er t' huis en was hun trouwste maat.

Geen aarden pot of pan was in de kluis te vinden.

Geen ketel, zelfs geen klos om 't garen op te winden;

Slechts enkle:stokken nog, ter drooging van het want. En eene holtsblok voor de traanlamp als zy brandt.

Geen buur was daaromtrent. Van 't zeeschuim overdolven, Stond de arme leemen hut te schudden in de golven. Wie kon er slapen in dit sehriklijk zeegedruisch! —

Hoor makker, zei Eileet, hoe davert heel ons huis! Wat zijn toch zee en wind twee schrikkelijke dingen:

Ons bed (met rots met al) schijnt met ons op te springen. Wat moeten torens doen met zulk een spitsen top! Die steken in de lucht nog vrij wat hooger op Ik weet niet hoe een mensch zich in zoo 'n stad durft wagen.

Batt us.

Och alles went men zich. Die van zijn kindsche dagen Al d'onvoeg van de stad beproefd heeft, jaar aan jaar,

ocr page 120

104

Die denkt, geloof my vrij, niet eemnaal aan gevaar,

En weet niet, hoe gerust wy in ons stulpjen leven.

F i 1 e e t.

Maar, Battus, evenwel, het hart moet iemand beven. Wanneer 't een weinig waait; my dunkt, ik stierf van angst En dan — wat heeft men daar, dan slechts wat palingvangsti'

Battus.

Ja, water is er niet, dan enkle modderkreken.

Ik weet er van, Eileet, ik heb dat werk bekeken.

Neen, 't is een leven, recht ellendig, op mijn woord! En, winning is ér niet. De zee brengt alles voort.

F ileet.

Dat 's zeker. Maar, mijn vriend, hoe wonen daar de menschen? Hoe komt het. dat zy niet naar 't frissche zeestrand wensehen? Ik bleefquot; er tot geen prijs, al wierd ik er gebracht

Battus.

Ja, daarvoor houdt men ook aan alle poorten wacht.

F i 1 e e t.

Wat zegt ge! houdt m' er wacht?

Battus.

Ja, zeker, met soldaten. Die hebben last van 't 11 of', om niemand door te laten, Die in de stad behoort My ook, men hield my aan;

Maar 'k was een Visschereknaap, men moest my laten gaan.

F il e e t.

Nu, dan begrijp ik 't eerst Die arme stedelingen!

Zy liggen daar aan band — Dat heet ik, menschen dwingen! Ja, Battus, 't is gewis, het reizen is wat waard Het leert ons 't voorrecht zien van d' ouderlijken haard Ja, nu bevat ik 't klaar (en 't doet mij groot verblijden) Dat we alien hier op aard geen visschersleven leiden; De Wacht belet het, muar een ieder, stond het vrij,

Wou zoo gelukkig en zoo rijk wel zijn als wy.

(Bilderdij k).

DE VERJAARDAG.

Een telg, vol jonge vrucht, bood Edelard Zijn schaduw, 't Hof vertrek hield achter hem,

Met dubble deur en nederhangend doek,

Het licht nog buiten; dat geen middaggloed

ocr page 121

105

De zeekaart trof, die, aan den effen wand,

Veelvervig pronkte: Wilhelmines zorg!

Haars vaders oogenlust. De Q-rijsaard bad

Met eigen hand de baan daarop gestipt,

Die vaak zijn Houtschip hield. Een zilvren punt

Begon en sloot de lijn. 't Penseel had ook

Naast leerrijk schrift, elk open ruim vervuld:

Het perk der golven lag wijd uitgebreid,

Voor Neêrlands Wapendaden. Zegerijk

Heesch Tromp zijn wimpel op, in Duins. Het bloed

Des achtsten Evertsens — ook 't uwe vloot,

Gij „Held der Maas!quot; in gruwzaam schutgevaart!

Zoo sprak het Diep van Ons. Bes Vreemdlings was

Het Droog. Waar lucht en grond Keerweêr 1) gebiên

Stond heel het Noorden om een klip geschaard:

Mensch, dier, en plant. Daar wees de vinger heen,

Bij 't reisverhaal: wanneer de Dorpsbaiiluw ,

Met Schout en Doctor, onzen Edelard

Het lengend uur des avonds korten hielp.

Nu zat hij peinzend aan den appelboom,

Dien eens zijn Martha plantte, 't Boonenbed

Zond hem zijn geuren uit de verte toe,

Wedijvrig met de rozen; zeisenklank

Liep vroolijk in het naaste hooiveld om ;

En op den voetweg ging de schel des rams ,

Aan 't hoofd zijns harems stappend ; wijd vermaard,

Door Spaanschen afkomst, en beproefden moed.

En droomen van 't verleedne zweefden hem In scheemring voor den geest: zijn blijde jeugd, Zoo snel gewelkt! zijn jonglingschap , al ras.

Bij harde tucht, gerijpt tot manlijkheid 't Gevaar van storm, en rots, en klemmend ijs ,

Door wondren op zijn kiel gestuit. De dag,

Die hem met Martha paarde, 't Loonend zoet. Na zooveel bitters, aan die hand gesmaakt,

Die op zijn levensweg geen distels liet.

't Vaarwel, hier toegeroepen, aan 't gewoel

1

) Een naam op de westkusl van Groenland.

ocr page 122

106

Der steden, als het eerste jaar den hof Zijn tooi had afgeborgd, en weêrgebracht, Eu steeds Tevredenheid hun slaaplied zong.

Maar ook de smart der scheiding; als zij nu, Die hem reeds engel scheen , een engel werd! Het bange Zwijgen om de legerstee,

Waarop haar doodskamp eindde; 't kindsch gevlei, Dat hem uit wauhoops mijmren wakker riep , De naam van vader, die zijn morrend hart Weer danken leerde „Ja! ü dankt mijn ziel!quot; Verzucht de grijsaard, onbewust, dat hij De handen samenvouwt „ ü dank ik God!

Gelijk uw zon, daagt ook de blijdschap weer.

Isa 't ondergaan; en, in den holsten naclit.

Straalt toch de maan der Hoop den stervling toe.quot; Zoo fluistert hij ; en glans van hemelvree Ligt op zijn aangezicht, terwijl hij rijst,

Indachtig aan zijn huiswet, en aan 't uur,

Dat hem ter tafel noodt. Doch eensklaps, zie, De deur naar buiten springt, aan 't hofvertrek, Luidkrakend open. 't-Neergelaten web Stijgt tefiens langs de breede ramen op ;

En van den drempel komt de Dorpsbailluw, In statig ambtsgewaad hem tegentreên : „Het feestlijk maal wordt koud!quot; zoo vangt hij aan „ lin Schout en Doctor; deze voorgelicht Door zijn ervaren Huisbezorgster; die,

Door 't jeugdigst Moedertjen uit onze buurt;

Zien , wachtend , reeds de beste stukken uit. Verlies geen tijd!quot;

Bevreemd ging Edelard Den spotter na, en staarde 't vijftal rond, Met vragende oogen ; tot het hoofdgerecht Zijne aandacht trof: een baksel uit de bloem Van tarw, door Wilhelmines hand gevormd! De ronde boord omgaf' het kroouswijs; vlak Was 't middelperk, dat 's Grijsaards jarental En naam vermeldde. Lachend riep hij toen: „Wee ieder, die op Eva's dochtren bouwt! Der vroomsten zelfs kleeft wat bedrieglijks aan'

ocr page 123

107

Neem dit tot troost, Eailluw, wanneer u 't kruis

Der liuisbestiering drukt; of''t eenzaam dons

Vaak al te koud schijnt, om Driekoningen

'k Hoep heden ochtend, uit mijn schrijfcel: „„Kind!

Is 't niet de zesde?quot;quot; „„'tMoet de vijfde zijn!quot;quot;

Kucht Wifhelmine; mijn geboortedag

Met snel bezin verloochnend. Niet genoeg!

Zij troont mij: om haar gasten en haar taart

Hier heen te sluiken; naar mijn appelboom.

Ben bloemstruik, dien haar Volkert schonk (zoo 'k meen,

Nahusia gedoopt) was juist ter hand,

Tot lokaas! Maar onze Ondeugd faalt hier nog? —

Zij komt!quot; Zij kwam, heurs Volkerts gezellin;

En dartle vreugd gaf nieuwe tooverkracht

Aan haar bevalligheid. Doch, als de maagd

Den Grijsaard nader trad; zijn zeegnend oog —

Het toeven van zijue open armen zag;

Zoo wischte de ernst een korte poos den gloed

Van beide wangen weg; haar mond vergat

Zijn voorbereiden heilwensen; zwijgend zonk

Zij aan haars vaders borst, en hooger taal

8prak daar haar zielsgebed door tranen uit.

Hoe waardig was zij, dat, op !s levens baan,

Die Jongling eens haar leidsman wierd', die nu,

Bij 't kussen van haar hand, het natbeschreid Gelaat van zijn vriendin verborg! Op hem Als vlekloos voorbeeld, wezen vaders hun Gestruikeld kroost. Van Volkert tuigden zij.

Wier grijze ervarenis hem 't heiligdom Van wetenschap en wijsheid opensloot.

Ach! Al te vroeg stond hij, van schuts beroofd,

Aan 't ouderlijke graf! Zijn erfdeel, straks Met valsche list hebzuchtig aangerand,

Werd Themis gouden zorg vertrouwd, en bleef Als kampprijs hangen voor den rechterstoel.

Maar de eedle Wees, door 't lot beproefd! vergeefs Naar 't opgaan hakend van zijn bruiloftsdag.

Zoolang hij niet aan eigen haardstee zat;

Verborg zijn smarten, en vergat ze hier;

ocr page 124

108

Geen vreugdestoorder, in den trouwen kring. Thans sloot de meikers, bij 'fc gevorderd maal, Met de aardbes en den tros van struik geplukt, Hen cirkel om 't bespaarde hoofdgerecht. Het Jonge Vrouwtjen had (bij 't warm gesprek Der mannen, over krijg en peis) verteld: Hoe reeds haar zuigeling op moeders stem Opmerkzaam was, en lachend, uit de wieg Zijns vaders beeltenis had aangestaard, Huishoudelijk bracht haar Vriendin daarna Het tuingewas ter baan; zijn f'risschen groei, Na 't milde droppelen van een enklen nacht, Tevrede schildrend. Wiihelmina vlocht Op 't laatst de bloemen in 't gesprek, en kwam Tot haar Nahusia, wanneer onze Arts Haar plotslijk stoorde! „Rechts gezien, lief Kind! Het geldt uw handenwerk, dat smakelijk Zijn binnenst door getrokken letters toont!

Doch eer 't vernielend mes dit kunstgewrocht Waagt aan te tasten, zij mijn arm gestrekt! Of' leeft het schoone glas niet meer, verguld Aan voet en deksel? En de Bremerwijn?

Is die, te kwistig, ook op minder feest Verbruikt?quot; Hij sprak nog, toen bokaal en wijn. Den Wakkren Schout, als ganimeed, gereikt,

Zijn woord reeds volgden ; en nu klonk weldra Het luide vivat, na een gullen wensch. Den Grijsaard toegebracht. Maar als het glas. Bij 't omgaan, den Bailluw werd aangeboón. Begon hij dus; „Mijn vrienden, naar de maat Van dezen teug, en van al 't goede, dat Op mijn gebed dit huis verhull', dient meer Gesproken dan mijn schorgehoeste keel Verdragen zou. Ik bie' den Gastheer dies Voor ■woonden schbift aan.quot; Hier ontvouwde hij t Gestempeld blad, dat hem, een wijl geleên,

Zijn dienaar bracht. De Grijsaard nam, en las: En zag, met schittrende oogen, nu zijn Vriend, Dan Wilhelmine, dan weêr Volkert aan. In 't einde sprak bij dezen toe: „Geluk,

ocr page 125

109

Gij brave Telg eens vaders, die veellicht

Nu zeegnend uit den hoogen op ons ziet!

Verscheurd is 't weefsel van bedrog; ontmomd

De snoode hebzucht: door zich zelv' verraan,

Erkeude zij haar wanbedrijf, uw recht!

Het lange Pleit heeft uit! geluk, mijn Zoon!

Aanvaard met dankbaarheid uw oudererf;

En klaag niet, dat de dag zoo spaa, verschijnt!

Een Wijze Hand heeft, in beproevings perk,

Uw jeugd gevormd. Met zorg eu leed bekend ,

Zoo nauw! zoo vroeg! zal u eens broeders ramp

Steeds heilig zijn. En. Wilhelmine. gij!

Nu deelgenoote van zijn vreugd, als eens

Van zijn bekommernis ; wat toeft mijn mond

Het woord te spreken! 'k zag dit uur vooruit!

Der waereld hoort gij toe , niet mij alleen.

üw taak reikt verder, dan de kleine kring

Van 't ouderlijke dak. Zou eigenbaat

Mijn hart verkoelen, dat ik treurig zweeg ,

Daar, aan den scheiweg, u een ruim verschiet-

Blij tegenlachtr Gij zijt mij dierbaar. Kind!

Mijn eenige! Mijn alles, sinds de dag

Dier Brave kwam, wier levend beeld gij zijt!

Uw stem was mij de weerklank van dien toon,

Die eens elk oproer in niijn borst bedwong.

En nu! — Doch gaat, mijn Kindren! 'k wil van ver

Mij zonnen , in de stralen van uw heil!

Verheugnis, boven al 't gesmaakte goed,

Zal nog uw liefde voor mijn grijsheid zijn!

Zoo hoor' de Algoedheid, wat een vader smeekt!

Zij geve u, wat de trouwste Gaa, voor mij ,

Ten hoogen afbad; — meerder schenk' zij u,

Dan ons gewerd : vereenden ouderdom!

En slaat gij , muegeleefd , het wenschend oog

Daarhenen , waar de Hoop aanschouwen zal ,

Zij spare u 't best geschenk : in d' eigen stond

Haar oproep!quot; Hier, van beider arm omkneld,

Gedankt door beider staamlen, brak hij af;

En Gods nabijheid drong door aller ziel.

(Staring).

ocr page 126

iin

Zie verder: Staring, Dc vorstin in het dorp; Immer zeel, Hugo van 't woud; Messchert, De gouden bruiloft; enz.

3. Ballade en Romance. Het onderscheid tusschen deze beide dichtsoorten is nog verre van vast; de dichters zeiven gaan met de onderscheiding vrij willekeurig te werk. Trouwens gelijk in het algemeen hij alle dichtsoorten, vloeit hier in liet bijzonder bij hallade en romance de eene dichtsoort licht in de andere over.

De ballade schijnt de dichterlijke voorstelling eener sage of' eener gebeurtenis te wezen, waarin vooral sombere natuurkrachten , die in het volksbijgeloof als elfen, nikkers, kabouters enz. verpersoonlijkt zijn, als hoogere machteu optreden. Deze staan den held bij of werken hem tegen, zoodat deze zij ne zelfstandigheid niet bewaart. Vandaar is het hoofdkenmerk der ballade het wonderbare, liet ontzagwekkende, liet akelige en ijselijke.

De romance is van Romaanschen oorsprong. Zij geeft niet enkel, gelijk de ballade, de dichterlijke voorstelling van een feit, docli wil iu het bijzonder meer breedvoerig de zedelijke idee doen uitkomen. En niet uit de sagen, docli uit de geschiedenis en uit eigen vinding put zij liefst hare stof, omdat aldus de zedelijke waarheid beter in het licht kan worden geplaatst. Bilderdyk zingt van haar :

„Dit vak laat woordenpraal, noch opgeblazen zwelling,

Maar enkle waarheid toe, doch, zoo ze een Dichter ziet! 't Eischt schildring en gevoel by d'eenvoad der vertelling;

Maar schildring, los van trek , en vlak van koloriet.quot;

B.v. Balladen:

ADO L F B N E M M A.

't Was Vrede in 't eind, en Adolf keerde,

Van roem verzaad ,

Waar Linge en quot;Waal zijn erfgrond dekten.

Voor Folperts ') haat.

') Folpert van Arkel, Heer van Haestrecht, en van Leerdam, waarbij zijn slot TerLede gelegen was.

ocr page 127

Ill

Hij ziet zijn burg, die 's Vijands woede Van verre tart:

Maar 't schuilend dak in gindsche abeelen , Trekt meer zijn hart!

Ach, derwaarts vloog, bij 't zwaardgekletter, Zijn wensch vooruit.

Daar bleef de ontroostbare Emma kwijnen , Zijn lieve bruid.

Hoe snelt, van jeugdig minverlangen En trouw gespoord,

Op wegen, door haar voet geheiligd, De Kuiter voort!

Genoegen siert met tooverkleuren Het landtooneel.

Geen schooner werd Milanens velden Van 't lot ten deel.

Milanen , waar, aan 's Keizers ') rechte, Graat'Hendrik vocht;

Waar Adolf tusschen bruiloftsrozen Den lauwer vlocht

Hij naakt, en voelt zich meer b'ewogen , Op eiken schred.

Hier heeft de liefde, aan duizend oorden. Haar merk gezet.

Een kus , in deze beemd geweigerd.

Werd daar beloofd

En, bij dien heuvel, half geschonken , En half geroofcf.

Maar de eedle beuk. den veldweg nader, Is hoogst gewijd!

Zijn stam kan Emma's ja getuigen, En noemt den tijd.

1) Keizer Frederik Barbarossa, welke, in het jaar 1160, bij de belegering van Milanen , vergezeld werd door Hendrik den eersten , Giaaf van Gelder, met zijne Leenmannen , onder welke Adolf gesteld, wordt zich te hebben bevonden.

ocr page 128

112

„Haast zalquot; zoo juicht hij „op zijn schorsen De trouwdag staan!

üe dorpjeugd, onder 't breede lommer Ten reie gaan!quot;

O zoete droom, dien 't bangst ontwaken Te ras verdreef'!

Geen welkom klinkt, daar 's Minnaars harte Bij 't scheiden bleet'!

„Een bode, op Adolf's naam gezonden. Bedroog de wacht.

Zijn bruid is in TerLedes muren!

In Folperts macht!quot;

Zoo dreunt de rampmaar hem in de ooren Hij vraagt niet meer.

Heeds waadt hij door de Lingeplassen , Met snellen keer.

.Reeds is hij 't volgend oog ontrounen, Aan d' andren boord;

Als droeg een stormwind, langs de weiden, Den klepper voort.

De grensdijk ') zwicht, en Arkels vesten Beheerschen 't land.

Hier wringt hij, moedig afgesprongen.

Zijn speer in 't zand.

Geen valbrug weert hem door te dringen; Geen slotgezin.

Hij stapt, de kling ter wraak getogen. Het roofnest in.

Hij zoekt; hij wacht; bij roept; geen leven. Dat autwoord geeft!

't Is weergalm , momplend omgedreven , Wat antwoord geeft.

De bekende Uiefdijk.

ocr page 129

113

't Gekraak van schorre vensterharren: Van deur en poort;

't Gestamp , waarmeê zijn ros van verre De stilte stoort;

Meer hoort hij niet, en snelt de zalen Vast in en uit;

Tot spoor van bloed, bij 't rustloos waren ,

Zijn schreden stuit.

Hij volgfc het, de enge kronkeltrappen Eens kerkers af.

De Dood licht voor, waar 't zonlicht nimmer Zijn schijnsel gat':

Een dwaalvuur stijgt, uit grafspelonken. Met valen gloor.

Het komt, en lekt, voor A dolf henen , Het bloedig spoor.

Het stuurt zijn tred, langs nare wegen, Op hollen grond.

Zijn voetstap bonst de kromme gangen Verdubbeld rond.

Ku drukt een welfsel, ruig van schimmel, 't Verengde pad;

De vlam drijft trager tusschen wanden ,

Door moord bespat!

Zij staat; zij rijst; en lekt niet langer Het purpre slijk.

W at ziet hij , bij haar sombre stralen ? Een Maagdenlijk!

Hij staart het aan, met scheemrende oogen , Herkent zijn Bruid!

En ademt, op haar koude lippen,

Het leven uit.

(S t a r i n

Vijlde druk. 8

ocr page 130

114-

F O L P E E T V A N A E K E L,

SAMENHANGEND MET DE BALLADE

ADOLF EN EMMA.

In Haestrechts wal, voor 't grijze slot,

Nabij den iiudestam,

Die 't burgplein , als de middagzon Den rug der hooge daken won ,

In zijn beschutting nam.

In Haestrechts wal zat Folpert aan ,

Met menig spiesgezel;

En wat daar op den schenkdisch blonk Was goud, dat eens de godsvrucht schonk Aan klooster en kapel.

En 't Maal, den woesten hoop bereid ,

Werd met geen jok gekruid:

Bij 't razen van den bekerstrijd Vaart spot, die 't Heilig driest ontwijdt, Hun ruige lippen uit.

Toch slaakt de tong van Haestrechts heer

Alleen een spaarzaam woord: De stuiptrek om zijn bleeken mond Verraadt welk beeld weêr voor hem stond Welk jammren hij nog hoort.

Maar eindlijk meê door 't vuur ontgloeid,

Waarvan zijn gastrij blaakt,

Herleeft in Arkels ijzren borst De kracht, die lachend bloedschuld torst , En menschlijkheid verzaakt.

„ Hebt dank, Gretrouvven Iquot; heft hij aan,

„ Met wie zoo menig keer Mijn zwaard een vetten krijgsbuit won. Dien Priesters-banvloek redden kon ,

Noch Mannen-tegen weer.

ocr page 131

115

Hebt dank, die willig aan mijn diseh

Als om mijn vaan verscheent!

ïe lang reeds had geen nieuwe tocht — Geens berkenieijers lavend vocht Ons broedertal vereend.

Ik lag van zwoele minnekoorts

Onroemelijk vermand:

Het grillig Wicht, dat Adolf's trouw Op 't Geldersch Vreêfeest ') kronen zou', Was stookster van mijn brand.

Zij bood mij trots, en deze dolk

Had haar dien trots betaald:

Ziet daar, van 't uitheemscl. oorlogsveld. Den Bruidegom terug gesneld,

Waar nu de Bruiloft faalt!

Door wraaklust naar Ter Leê genoopt

Kent hij zijn schaar vooruit: „„De Held — wiens faam de Po verkondt Waagt zich alleen op Arkels grond; Niets roert zich wat hem stuit!

Zijn pluimtop woei van ver te zien:

Ik veinsde schrik en vlucht. En volgde 't schuilend burggezin De donkere kluis eens torens in. Op 't naadrend hoefgerucht.

Lang dreunt zijn zoeken boven ons;

Nu klonk het ons voorbij;

Wij sluipen achter hem aan 't licht, En 't staal houdt eiken uitgang dicht; Maar vruchtloos waakten wij;

Hij zocht, hij vond het kerkerweH, En keerde niet van daar!

In 't jaar 1160: na den veldtocht in Italiün.

ocr page 132

116

De beker schuimt voor hem niet meer!

Vul, tot de kim, den mijnen weêr —

En doe 't nog vijftig jaar!

„Vul aan, nog eens!quot; De schenker draalt.

En Eolpert wendt zich om;

En die des schenkers plaats vervult. Een Onbekende, in zwart gehuld,

Treedt toe, en maakt hem stom.

Zijn kleed is niet ten dienst geschort;

Geen kruik is in zijn hand;

Zijn borstlig haar stijgt woest omhoog;

De norsche wenkbrauw drukt zijn oog.

Dat diep verholen brandt.

Hij komt! het gras welkt voor zijn voet;

Het loof rilt boven hem;

En, als hij nu voor Folpert staat.

Grijnst tijgergrim op zijn gelaat,

Brult hij met holle stem;

„Ik ben 't!quot; — Moorddadig klaauwenscherp

Strekt hij naar Arkel uit:

Verscheurend slaat hij 't in zijn leen;

En door 't ontvlamde luchtruim heen,

Verzwindt hij met zijn buit.

(S t a r i n g).

Romances:

DIEK WILLEMSZ. VAN ASPEEEN.

Daar lag hij in het kerkerkot,

Ontroofd aan zijn geliefd gezin.

En riep den troost, de hulp van God JNog eens voor vrouw en kinders in;

Daar lag hij in den bangsten nood.

Te wachten op den marteldood.

ocr page 133

117

De jammereeuw brak vreeslijk aan ; De gruwlen hadden maat noch grens : De mensch, als rechter opgestaan ,

Deed uitspraak tusschen God en mensch , En predikte aan de siddrende aard De liefdeleer met vuur en zwaard.

Men schoot den banvloek rondom uit, Vervolgde en woedde wreed en fel, En doemde , als G-odgewijden buit, De ketters tot de straf der hei ,

En wierp met hen , tot 's Hemels eer, Ook Willems in den kerker neer.

Daar lag hij , op het stroo gestrekt, Ter dood verwezene als hij was! Met lompen voor de kou gedekt, Die indrong door het tralieglas ;

Daar lag hij, zonder heul of troost, En bad nog eens voor vrouw en kroost.

't Sloeg middernacht: voor hem het laatst De maan scheen op den kerkerwand; De wind, die uit het Oosten blaast,

Floot warlend om den torenrand:

Daar lag hij , afgewaakt en moe ,

Maar deed geen oog van kommer toe.

Hij hief zich op en trad naar 't licht, Dat tintiend aan den hemel blonk , En nog voor 't laatst zijn veeg gezicht Een schouwspel van Gods luister schonk Hij zag de starren en de maan Aan 't hel azuur in 't zilver staan.

Verdiept in 't wonder schouwtooneel: Slaat hij aanbiddend de oogen neer , En ziet opnieuw het grootsch tafreel Gespiegeld in 't gestolde meer ;

Hij ziet hoe de uitgestrekte plas Tot klaar kristal gevroren was.

ocr page 134

118

Wat denkbeeld stroomt hem onverwacht Door ziel en aders voort als vuur! Hij rukt, met ingespannen kracht, Een steen van uit den kranken muur En scheert hem langs het ijsvlak heen , En 't ijs weerstaat en draagt den steen!

Zijn hoop ontvlamt zoo snel als stout; Hij neemt een kort en kloek besluit, En sclmdt een doorgeroesten bout Het eng gemetseld kijkgat uit,

En heft zichzelv' er zijlings voor, En 't ranke lichaam kan er door.

Hij scheurt zijn lompen rad vaneen , En rijt het lijnwaad zich van 't lijf', En woelt het door elkander heen , En knoopt en vlecht het vast en stijf', En schiet het ruw gesponnen koord Door 't venster naar de diepte voort.

Hij vouwt de handen plechtig saam , En spreekt zijn kort en rein gebed, En waagt de kans, in 's Hemels naam , Die 't gunstig lot hem open zet;

Hij grijpt de tralies in zijn hand ,

En tilt zich op den vensterrand.

Hij glipt bezorgd en langzaam neer, En klemt zich nu aan 't hangend touw, En dan in reet en kloof zich weer Van 't oud en uitgekalkt gebouw , En schuift en glijdt, langs muur en reep, Al lager, lager, greep voor greep.

Hij kwetst zich hier en kneust zich daar, En houdt zich op of viert zich bot. En hangt in dreigend doodsgevaar,

Maar wint al grond met ieder schot En zakt al slingrend meer en meer. En staat in eens op d' ijsvloer neer.

ocr page 135

119

Maar voor hij vlucht en verder vaart,

Daar welt een traan hem op in 't oog, Daar buigt hij eerst de knie ter aard, En heft het hart tot God omhoog: Hij dankt Hem met een stillen zucht. En rijst, en kiest zijn weg, en vlucht.

Dit had een vrome wacht ontdekt:

Gezien hoe slinks de ketter vlood. En d'opgeschreven kop onttrekt Aan d'uitgesproken marteldood,

En aan de kerk de wraak ontrooft.

Haar door de wet en 't recht beloofd.

Hij vliegt in vuur bij 't helsch bedrijf, En grijpt zijn wapens grof en zwaar, En ijlt hem na, en waagt het lijf.

En roept en schreeuwt niet woest misbaar: Maar niemand kwam, hoe luid hij riep. Want man en makker lag en sliep.

Alleen de ketter ziet en hoort,

En hoort en ziet den vromen wacht. En ijlt met sneller schreden voort. En d'ijsvloer langs uit al zijn macht; Hij naakt en reikt en komt aan land, En vlucht, gered langs d'overkant.

Maar eensklaps hoor! daar stijgt een gil! Een roep om hulp, een bang gek-rijt! De ketter schrikt, staat ijlings stil.

En ziet den vromen wacht van wijd, Die lag te worstlen in een wak.

Waaruit hij de armen boven stak.

Hij woelt en tobt en grijpt en vat. En beurt zich op, maar plompt en plast En dompelt weer in 't brokkig nat, En grijpt opnieuw de schotsen vast;

Maar 't nijdig ijs breekt telkens at, En 't water is zijn open graf.

ocr page 136

120

Wat doet de ketter? vlucht hij heen, Op eigen lijfsbehoud bedacht?

De ketter vlucht niet verder, neen,

Bij 't krijten van den vromen wacht,

Maar keert terug, gewaagd en stout. En denkt niet aan zijn lijfsbehoud.

Hij keert terug — terug met spoed. En wint al meer en meer het wak, Al buigt het ijs hem voor den voet, Al scheurt het los met krak op krak. Hij kruipt al verder, schuift en woelt, Tot daar hij 't broklig water voelt.

De vrome wachter grijpt zijn hand,

Zijn hand, zoo ver zij kan gestrekt; De ketter buigt zich op den kant Zoo ver hij mag, en tilt en trekt;

Maar 't ijs bezwijkt en knapt als glas En wijd en wijder gaapt de plas.

Hij geeft niet op, hij laat niet los, Al spat hem 't water om den kop,

Al slijt het ijs, zoo dun en bros.

Hij laat niet los, hij geeft niet op;

Hoe 't ijs verdunne en 't wak vergroot', Zijn moed houdt stand, al stijgt de nood.

Al stijgt de nood, zijn moed houdt stand, Zijn kracht groeit aan bij eiken kreet; Hij grijpt nog eens met wisser hand Den wachter diep in 't leder kleed, En slingert forsch, met eenen vat, Hem neer op 't ijs en uit het nat.

Wat doet de wachter? zijgt hij neer Aan 't hart zijns redders nevens God ? De wachter grijpt zijn breed geweer En zet den ketter 't op den strot. En sleept en sleurt hem mee bij 't haar, En schreeuwt met des te meer misbaar.

ocr page 137

12]

Hij sleept hem mee en schreeuwt zich moe , En roept om hulp, die thans genaakt,

Zijn makkers stuiven rondom toe,

Door 't luid rumoer in 't eind ontwaakt, En ijlen aan op 't woest getier,

Met hellebaard en zijrapier.

Zij ijlen aan met riem en koord ,

En drijven hem met piek en zwaard,

Gekneveld , naar zijn rechters voort, Ter vierschaar weer bijeenvergaard, En kondigen het snood bestaan Des Godvergeten ketters aan.

De rechtbank schrikt van 't helsch verraad , Dat aan de kerk was toegedacht,

En doemt des ketters euveldaad ,

En looft en loont den vromen wacht.

En staat zijn trouw het voorrecht af.

Dat hij den ketter sleur, ter straf.

De vrome wacht, in dank ontgloeid ,

Aanvaardt verrukt de zaak van God ,

En sleept zijn redder, streng geboeid.

Naar 't opgeheven moordschavot;

Hij stelt den beul zijn prooi ter hand, En 't ketterhoofd rolt neer in 't zand.

Het vroom gezang doorklonk het zwerk, De wierook steeg tot 's Hemels eer,

Men zong een lied tot lof der kerk ,

Een lied tot lof van God den Heer;

Maar God, met zooveel wee begaan,

Nam de ofters van dien dag niet aan.

(T o 1 len s).

DE DOOD VAN G-RAAF ELOÜIS I.

Wie sluitvert daar, in 't blinkend harrenas.

Daar aan dien boom in schaduw neergedoken, Eu d'ijzren helm geworpen up het gras?

ocr page 138

122

Wat Her gelaat, al is zijn oog geloken,

Al hangt zijn hoofd zwaar op den boezem neer!

Geen vorstenrang blijft ooit onuitgesproken.

Herkent gij hem? zaagt gij dat schild nooit meer,

Dat gouden , met bloedrooden leeuw beladen ? Herkent gij hem? 't Is Hollands Graaf en Heer!

't Is Floris, wijd beroemd door heldendaden, Die Brandenburg en Cuyk en Keulen sloeg,

En 't heir verdreef, dat Holland dacht te schaden:

't Is Floris , die zijn vijanden verjoeg ,

En moe van strijd in 't lomnier neergebogen, In slaap verzonk.....helaas! liij sliep te vroeg! —

Daar heeft zich iets in 't siddrend loof bewogen , Daar blonk een straal, daar klonk een dof gebrom . De heer van Cuyk komt sluipend aangetogen:

Een dief gelijk , zoo ziet hij sluipend om,

Die lafaard , straks het oorlogsperk ontvloden ; — Hij gluipt en gluurt, en schuifelt stil en stom.

Wat ziet hij! och, weerhoud dien snoode! Op, Ridders, op! wekt Hollands Graaf en Heer! De latte Cuyk wil Eloris slapend dooden.....

Ach, 't is te laat — daar ligt hij stervend neer!

(J. Ter Gouw).

COENPUT'S PROFEETS IJ.

4 Febr.—24 Febr. 1581.

Drie hoenders streken uit de lucht

Op 't veege Steenwijk neder.

En gierden, in al lager vlucht,

I angs 't marktplein heen en weder;

Daar greep een jonkske er naar, en zie Hij had de schuwerds een, twee, drie: Hoe bloosden, onder 't vangen.

Zijn bleeke , mag're wangen!

ocr page 139

123

Maar schoon hij aan zijn moeder dacht,

Die 's avonds bitter schreide,

Als zij maar vroeg te bed hem bracht.

Wijl bier noch brood hem beidde. En snikte: „Schaap! de spinde is leeg; „Ik gat' u alles wat ik kreeg!quot;

Toch maakte hij zijn voeten Niet vlug om haar te ontmoeten.

Er school een krijgsman in den knaap:

Hij zag, sinds zeven weken,

Zijn vader voor zich in zijn slaap,

Van Spaansch rapier doorsteken. — En telkens als de nare nacht Het lijk weer tot zijn kribbe bracht, Sprong om zijn onvermogen Hem !t vier des spijts uit de oogen.

„Een duit'brengt kondschap in 't beleg,

„Wat deze?quot; dacht de jongen.

En was al met zijn vangst op weg,

Den wal al opgesprongen;

Hij maakte er fluks den toegang ruim Door 't blijd gewuif met wiek en pluim! Al had zich heel een menigt'

Voor 's hopmans tent vereenigd.

Het was een uitgevaste schaar,

Die 't stedeke op wou geven,

Wier rauwe kreet, wier woest misbaar

Den koenste mot doeu beven,

Toch stoof de knaap naar Cornput voort En deed zoo vroed als vroom zijn woord, En liet de drie patrijzen Den hongerenden wijzen.

Daar klonk de stemme van den held,

lu 't harnas op de wallen;

„Grijpt moed, al leg'ren ginds in 't veld

Des vijands duizendtallen,

„G-rijpt moed, al acht zich Kenuenbergh

ocr page 140

124

„Den Staten en den Prinse te erg, „Dit wonder kwam van boven : „Een teeken die gelooven!

„Toen 't wankelmoedig Israël „In Sin's woestijne doolde,

„Ontstak de Heere gram noch fel,

„Schoon 't last'rend samenschoolde; „De zuil van vier, de wolkkolom, „Zij zwenkten niet ten diensthuis om : „Maar manne en kwakkels daalden, „Zoo ver hun tenten paalden.

„Ons is de honger scherper plaag

„Dan 't zwaard van legerdrommen, „Dan vierig-roode kogelvlaag;

„Ook onze klachten klommen! „Drievuldig weet gij is de Heer: „En ziet, drie hoenders daalden neer, „Drie weken nog van lijden,

„Dan zal ons God bevrijden!

„Ai, schaamt u dies het ongeduld,

..Dat donk're wegen lastert; „Onz' aller beê waar reeds vervuld,

„Was niet ons hart verbasterd: „Maar Hij is in alle eeuwigheid „Dezelfde voor wie Hem verbeidt!quot; Toen zweeg hij en sloeg de oogen Eerbiedig naar den hoogen

De helft der schaar droop langzaam af

Om, onder 't gaan, te momp'len Dat 's vijands heir, zijn waan ter straf.

Hem dra zou overromp'len;

Doch de aêre helfte boog het hoofd. Als werd door haar zijn woord geloofd, Als was hij bij het teeken In zienergloed ontsteken.

Maar eer hij in zijn tenten ging,

Blonk 't edelste vertrouweu

ocr page 141

125

In 't knaapje , dat het drietal ving

En geen er wou behouen :

„'t Is waar , wij leden honger , heer !

„Maar gij ook, en aan u hangt meer!quot;

Schoon haar de held niet duldde ,

Hoe streelend was die hulde'

„Beware God mij dat ik 't brood

„Van weeuw en wees zou eten !

„D zullen rijkaards trots den nood

„Er schepels koorn voor meten.

„Doch , eer gij huiswaarts u gaat spoên ,

„Ik heb een legerknaap van doen!

„Wilt gij uw moeder vragen ,

„Of gij mijn zwaard moogt dragen?quot;

Een blos van vreugd was 't wederwoord,

De borst kon schier niet spreken :

„Mijn vader .... hebben .... zij vermoord,

„Och, of ik hem mocht wreken!quot;

Weg vloog hij, — maar viel bier en meel.

Voor 't wild, der weeuw ook ruim ten deel. Eer d'avond was gevallen ,

Bracht zij hem op de wallen.

En hij gedacht der profeetsij

In twintig bange dagen, —

De derde week kroop niet voorbij

Eer juichen volgde op klagen:

Bij 't een en twintigst ochtendrood Zag hij , dat 's nachts de vijand vlood ,

En Steen wijk hoorde psalmen Van lof en dank weergalmen !

(E. J. Potgieter).

Zie verder; (balladen) Prudens van Duyse, Ondine; Tollens, Pelgrim van Ter Leedc; Staring, Lenora-, Bogaers, Tcums Ruwhart; Hofdijk, Kennemer Balladen; enz.; (romancen) Bilderdijk, Graaf Flor is IV; Het Wiel van Heusden; Tollens, De Noord-Amerikaamche Jager; De Buil, Willem van Sint Cyr ; Bogaers, De Redding; Otto Clant; De Buil, Katar jne's Keur spreuk ; enz.

In vele andere zijn de eigenaardigheden zoowel van ballade als van

ocr page 142

126

romance te vinden , als in B i 1 d e r d ij k , Urzijn en Vnlentijn ; v a n Le n n ep , De Eiber van Egmont; ook in onderscheidene van H o f d ij k s balladen. De Elins van Bilderdijk is een klein epos.

4, De dichterlijke vertelling. De inhoud van de dicli-terlijke vertelling: is eene aan de werkelijkheid ontleende gebeurtenis, welke eenvoudig. onopgesmukt wordt voorgedragen. Eigenlijk mag dus daarin nocli iets wonderbaarlijks, noch iets verdichts voorkomen. Maar de dichters hebben zich in deze dichtsoort vele vrijheden veroorloofd; zoodat de dichterlijke vertelling vaak niet de ballade en ook met de romance velerlei gemeen heeft. Is de inhoud gewichtig en ernstig, dan gelijkt ze de ballade; behoort de inhoud tot den romantischen tijd . dan gelijkt ze de romance.

B.v.:

DE HOOFDIGE B O E R.

Elk weet, waar 't Almensch Kerkje staat,

En kent de laan , die derwaarts gaat.

Een duiker perst daar, onder 't spoor.

Zijn schuim tot in den Berkel door :

Ai golft rondom de wintervloed.

Men komt ter preek met drogen voet

Eens was het anders hier ter steê,

Wanneer een voord den weg doorsnee,

En 't brugje, naast die voord geleid.

Den smaad droeg van zijn nieuwigheid.

Ik vond een boek , dat meldt daarvan ,

Wat volgen moet, zoo 't rijmen kan.

De voord, dan min dan meerder diep.

Naar sloot en seheigrep stond of liep ,

Was Almens gansche tempelschaar,

Vooral de Meisjes! tot bezwaar;

Met schade aan dure feestkleedij Kwam menig aardig kind niet vrij ,

Men raakte in zweet op 't lange pad ;

ocr page 143

127

Men vatt'e koude in 't modderbad;

En de ijver om ter kerk te gaan ,

Bracht buikpijn en geen stichting aan.

Kortom die voord was elks verdriet, In Almens nedrig dorpsgebied ;

Van toen de Meid per bezemstok, Den schoorsteen uit daar overtrok Tot , na verloop van eeuw en dag, De Tooverkunst begraven lag,

quot;Wanneer een Kerkedienaar kwam Die 't oud gebrek ter harte nam ,

En op een morgen, na 't sermoen .

Zijn woord aldus begoti te doen :

„Mijn Vrienden, in mijn prillen tijd Ten herder van dit oord gewijd ,

Zwom ik met onbezweken trouw ,

Mijn kudde voor, naar 't kerkgebouw , Ook heden nog, hoe grijs van kin,

Schoot ik getroost den slibkuil in;

Maar 't wil niet meer, en blijft het dus , Zoo maakt mij vrij emeritus.

Met drogen hoest en jicht bezocht.

Verlaat mij kracht en ademtocht. Nog tweemaal als van daag doorweekt. Eilaas, dan heb ik uitgepreekt!

Een brug, op 't smalste , naast de voord , Uit planken van 't geringste soort.

Ziet daar mijn wenschl Vergeet toen niet. Wat ge in dien poel al schoenen liet! Denkt aan uw kosthjk zondagsgoed. Bedorven door dien moddervloed !

Licht vindt gij, eer het werk verjaart, Uw voorschot dubbel ingespaard ;

En ik behoef dan baai noch drop ,

En luik weer als een arend op!quot;

Hier zweeg de man Zijn aanspraak had De luitjes bij hun zwak gevat.

ocr page 144

128

Het stuk kwam ernstig op 't tapijt; En wat men hoorde wijd en zijd, Was viermaal dertig dagen lank,

Slechts palen , balken, rib en plank ; En driemaal dertig andermaal,

Slechts planken, ribben , balk en paal! Ja 't scheen, zoo ver de Berkel vloeit, Zou' ieder boord met hout beschoeid ; Of dat een reuzenzoldering Den ganschen stroom verdekken ging Doch, met Aprilmaands lesten dag. Moest blind zijn , die de brug niet zag ! ATog blinder die met Juli kwam,

En niets van 't groen portaal vernam , Ter dankbetoonende offerand.

Door 't maagdengild daarop geplant: t Had reden, want hoe kerksch uien was. De vlierpot bleef nu in de kas :

Kalmink noch sergie liep gevaar ; En schoenloos werd geen wandelaar.

Zoo groeide een wijsgegeveu raad Ten mildeu oogst van zegenzaad I En toch , dat werk , met roem bedekt, Had Scholte Stugginks gal gewekt!

Daar kwam hij! Zonder ba of'boe ; Gelaarsd, tot aan de heupen toe: Een knubbelstok in iedre hand,

Kwam onze paai, en stak van land , Zoo vaak de preekklok werd gehoord , De brug bezijden , in de voord! Het vroegre kerkvolk, droog daarnaast, Was van dit vreemd bedrijf verbaasd. En 't vragen keek uit elk gezicht;

Doch ieder hield zich wijslijk dicht: De troep kwam later op het pad;

Waar Scholte Stuggink praat voor had , Zijn makkers , uit den gulden tijd ,

Dien vlieger, tol en bal verblijdt.

t Waarom en 't hoe bleef dus gespaard.

ocr page 145

129

Tot Wolter, naar den eisch bejaard,

Door gunstig toeval, juist van pas,

Getuige van 't spektakel was.

„In Gods naam, zeg ons, Scholtebuurquot;

Hief Wolter aan „wat raarder kuur !

Hoe plompt gij ons zoo dol voorbij ?

Geloof', de brug draagt u en mij!quot;

„Jaquot; klonk het uit de modderzee ,

„De Scholtebuur en gij zijn twee !

Gelooft hij niet wat gij gelooft:

Zoo menig tnensch , zoo menig hoofd.

Zie daar ! al werd uw brug van steen ,

Toch zal ze Stuggink nooit betreen!

Wie eere geeft krijgt eer weerom :

Onze ouders waren ook niet dom !

Een brug valt licht ineen te slaan;

Onze ouders hebben 't nooit gedaan ;

Zij gingen, waar nu Stuggink gaat.

Eeuw in eeuw uit, de modderstraat.

Al weten wij de reden niet,

't Is vast op goeden grond geschied ;

En hebt gij hier een brug gemaakt.

Zoo hebt ge uw' ouders eer geraakt!

Laat dit genoeg zijn, Wolterbuur;

De klok houdt op ; 't is negen uur.

Bouwt gij een brug om droog te gaan ,

Ik kom er ook, met laarzen aan!quot;

(Starin g).

DE P E E Z E B EN Z IJ N PAARD.

Een Perzisch koning, uit den slag

Gekeerd in zegepraal,

Gaf aan zijn helden eere-goud,

Zijn hof een feest-onthaal;

Geen weidsehen disch , geen praalbanket,

Geen dartlen zang ot' dans,

Vijfde druk.

ocr page 146

130

Maar wedloop op het moedig ros,

Of kamp met zwaard en lans Een jeugdig krijgsman van het heir,

Door moed zijn glorie waard,

Snelt meê het stuivend renperk in ,

Op zijn vlamoogig paard;

Het schuim vliegt, langs het gouden bit,

Uit d'opgestoken bek;

Het purper neusgat briescht en snuift,

Het haar krult langs den nek ; De klepper slaat, ten rit gereed,

De hoeven in den grond Eu rekt het hindevormig lijf.

En zwiert den staart in 't rond ;

Daar klinkt de schelle sein-trompet

Den ruiters in het oor —

De loop vangt aan — een stofwolk rijst —

Des Perzers ros vliegt voor!

Het edel dier, zijn meester trouw,

Behoeft noch spoor noch roê — En , eer zelfs de andren d'emdpaal zien ,

Komt hem de zege toe :

ISiu galmt de juichtoon in het rond,

Die 't handgeklap vervangt,

Terwijl de vorst om 's jonglings hals

De gouden keten hangt.

Dees huppelt op zijn' Arabier,

Des konings stoet voorbij :

De glorie kroont hem van alom,

Zelfs van zijn weerpartij.

Ku springt hij van den zadel af.

Omhelst en dankt zijn paard,

Droogt hem het zweet van hals en borst,

En wascht hem hoef en staart; Het edel ros verheit den nek ,

Het ademt zegepraal,

En antwoordt op zijns meesters dank ,

In hem verstaanbre taal;

De koning, door het schoon bekoord Van 's jonglings strijdgezel ,

ocr page 147

131

Spreekt: „dat men voor dit pronkjuweel, Hem duizend Minen teil'!quot;

De Perzer schudt de fiere kruin:

Hij klemt zich aan zijn ros,

En zijn verheven zelfgevoel

Geeft antwoord met een blos.

„Staat (zegt de Vorst) gij, tot dien prijs, üw' Arabier niet af?

Wat deedt ge, zoo mijn gunst u zelfs Twee duizend Minen gaf?quot;

„Vergeef mij. Koning (zegt de Pers)

Mijn paard is al mijn schat;

Daar is voor mij niet één kleinood,

Geen goed, zoo waard als dat.

Het voert mij, sneller dan de wind, Den vlugsten struis voorbij;

Het rent — maar stapt of struikelt nooit, En waakt en vast met mij.'

„En zoo ik u een rijk gewest,

De macht van Landvoogd gat ?quot;

„Vergeef mij, Koning! (zegt de Pers) Ik sta mijn ros niet af!

Vergeef me — al trof, o machtig A orst! Voor gunst me uw ongena,

Hoe scheide ik van mijn metgezel,

Door wien ik nog besta?

Hij voert mij moedig in den strijd,

Voelt, zonder dwang, mijn wil;

En, in het snelste van zijn vaart.

Staat hij onmerkbaar stil;

Zie nog het teeken in zijn borst Van 's vijands wreed geweer;

Eerst bracht hij trouw mij uit den nood ; En viel toen machtloos neêr;

En toen ik viel door t Grieksche staal. Mijn klepper bleef mij bij,

Eu dekte mij voor nieuwe woud

En schreeuwde om hulp voor mij.quot;

„Dan wTare (sprak der Perzen Vorst) Zoo 'k om uw ros u vroeg,

ocr page 148

132

Misschien mijn gansche Koninkrijk

Voor d'afstand niet genoeg!quot;

„Neen, Heer! voor ireenen prijs, hoe hoog,

Wierd u mijn ros gegund.

Dan — voor een waren vriend — zoo gij Dien voor mij vinden kunt!'

(Van Walré).

DE ARME GROOTVADER.

1.

Daar zit geheel het klein gezin.

Verlicht door 't flikkren van den haard, Rondom de teil met gortebrij,

Die op de tafel rookt, geschaard.

Stom kijkt de man voor zich, 't gelaat Der vrouw staat knorrig en verstoord; De grootvaar kreunt en schuddebolt.

En zelfs de kleine waagt geen woord.

Alleen de houten lepels gaan In ieders hand snel op en neer.

Nu aan de teil, dan aan den mond,

En van den mond ter teile weer.

Doch bij den ouden grijze wil Het eten niet meer zoo gezwind:

Vast in de tachtig is hij reeds,

En doof, och arme! en hallef blind.

Fel siddert hem de stramme hand; En, telkens dat zij van de brij Komt scheppen, zie! hoe 't oog der vrouw Haar donker nablikt van ter zij!

Want telkens dat die stramme hand Hem met een slok ten monde vaart,

Lekt daar al iets van op den disch. En langs zijn grijzen stoppelbaard.

ocr page 149

133

En, met de vuisten in de zij,

Springt plots de vrouwe reeht: „Bijloo!quot; Roept ze uit, „die oude is als een kind! Neen, nooit morste onze kleine zoo!

Mijn ammelaken, dag voor dag,

Beklast hij, dat het roept om wraak! Maar 'k zweer het, 't is de leste maal, Dat ik me daar kwa bloed om maak!quot;

n.

En weder is het klein gezin

Voor 't avondmaal ten disch vergaard;

Maar de oude zit niet langer bij;

Zijn plaats is 't hoeksken van den haard.

De vrouwe deed haar woord gestand: Hij moest van tafel weg; en zie!

Daar zit hij thans in de asch gekromd, Een aarden papteil op de knie!

Droef staart hij, met zijn halfblind oog, Op 't leege plekje aan den disch.

Waar hij als kind en vader zat.

En dat zijn plekje niet meer is.

En, wat hij zwelgt, het eten kropt Bij eiken slok hem meer en meer; En, langs zijn dorre wangen, rolt Een traan in eiken lepel neer.

Steeds fel en feller beeft zijn liand, En klapt zijn tandelooze mond;

En van zijn kniên glipt onverwachts De teil verbrijzeld op den grond.

„Wat!quot; snauwt het helsche wijf hem toe, „Het was dan niet genoeg dat we u Van tafel banden naar dien hoek ?

Mijn huisgerief vernielt ge nu!

ocr page 150

134

„Maar, hoort ge, dwarse knikkebol!

'k Zal zorgen, dat de pap voortaan U opgediecht worde in een trog,

Dien ge niet meer zult stukken slaan!quot;

III.

En wederom is 't klein gezin Voor 't avondmaal ten diseh vergaard; En dieper nog in de aseh gekromd Zat de oude weder bij den haard.

Weer deed de vrouwe 't woord gestand, Dat ze in heur boosheid sprak; want zie!

Geen broze teil meer heett hij, maar Een houten schotel op de knie

Thans ziet hij naar zijn plaats niet meer.

Maar hemelwaarts, als bad hij: „God!

Vergeef hun wat ze mij misdoen,

En gun mij 't einde van mijn lot!quot;

En man en vrouw intusschen eet Maar voort, met gragen slok op slok,

Terwijl hun zoon, naast grootvaars zij. Te kerven zit aan een stuk blok.

Doch eindlijk merkt de vrouw hem op: „Wat ligt ge daar en snippert hout?quot; Zoo vraagt ze, „kom, aan tafel, kind! Kom spoedig, of de pap wordt koud!quot;

En 't knaapje, zonder op te zien:

„Neen, moeder lief, ik heb geen tijd.quot;

— „Geen tijd? weihoe! zoo spraakt ge nooit! 't Moet dan iets raars zijn, wat ge snijdt!'

— „O, niemendal! een trogsken maar!

Iets, dat u wordt met pap geculd,

Wanneer ge later oud en stram,

Lijk grootva nu is, wezen zult!quot;

ocr page 151

135

En man en vrouw staan op dit woord,

Verstomd ; — zij zien elkander aan ,

Als had dit kind voor hunne ziel Een schrikbaar licht plots op doen gaan.

En snikkend storten beiden thans Geknield voor hunnen vader neer,

En leiden ieder met een hand,

Hem naar zijn plaats aan tafel weer,

(Jan van Beers).

Zie verder; Bellamy, Roosje; Staring, Het Vogelschieten; Theo-doorvan Rijswijck, Verbied geeti jonge vrouwen iets ; P r u d e n s v a n D u y s e , De acht Duivels ; A1 b e r d i n g k T h ij m, De twee Portretten ; Immerzeel, Rembrandts voorspoedige Reis ; van W a 1 r é, Het Bijgeloof of St. Antonius van Padua ; Tollens, Sri sauna van Oostdijk ; D e B u 11, Bach te Dresden; Twee zwaarden ; enz.

5. Sage en Legende. Deze dichtsoorten worden ook dikwijls met elkaar verward. Sage is oorspronkelijk Diutsch en be-teekent eenvoudig: wat gezegd of verhaald wordt; zij berust op mondelinge overlevering Legende is oorspronkelijk het Latijnsche Legenda, d. i. wat gelezen moet worden, nam. de dagtekst met toebehooren; zij berust op schriftelijke overlevering. De sage behoort in den schoot van het gezin, de legende in den schoot der kerk te huis. Verhalen van treffende gebeurtenissen, gedenkwaardige feiten, beroemde mannen maken de stof der eerste, — verhalen van heiligen, martelaars, wonderen maken die der tweede uit. Bij beide verwijderden zich langzamerhand deze verhalen van den bodem der geschiedkundig gewaarmerkte feiten en gingen over in het gebied der verdichting; bij beide was de fantazie krachtig werkzaam. Het bovennatuurlijke speelde eene hoofdrol en zoo vloeiden legende en sage vaak ineen. Op Van Lenneps Nederlandsche Legenden b. v. kan, hetgeen hier bepaaldelijk van de legende gezegd is, niet toegepast worden; het zijn eigenlijk sagen, ook wel dichterlijke verbalen. Dikwijls leverde de sage ook stof voor de ballade.

13.v.:

ocr page 152

136

WICHAJiD VAN PONT.

Verschrikking heerschte in Zutphens muur; De bleeke burgerschaar

Lag, weenend bij der priestren zang ,

Voor Walburgs kerkaltaar.

„Ach, Heiligste, zoo vast betrouwd. Met zoo veel danks vereerd!

Wat misdrijf heeft uw werkzaam oog Dus' van uw volk gekeerd?

Waar doolde 't, toen onze eêlste jeugd, Tot 's Nabuurs hulp gesneld,

Een prooi van 't gruwzaamst Monster werd, In Ponthis bloedig veld?

Al strijdt de Drakenmuil met vuur;

Zijn klauw met tijgerkracht;

Uw enkle wil , en 't helsche Dier Was, als een lam geslacht!quot;

Zoo kermt de schaar; zoo jammert zij, O Wichard! die gij mint!

De jeugdige Erv' van 't Zutphensch land, Graaf Hermans dierbaar Kind.

Zij ligt .... neen , zwakke citer, zwijg Hoe zij daar biddend lag!

Neen , zwijg , hoe Margareta's oog Door Englentranen zag!

Door tranen, die haars minnaars ziel Van 't lieflijk aanschijn dronk;

Daar, om hem, volk en heiligdom In schemernacht verzonk.

Nog wanklend, siddrend van den gloed, Die hem in 't harte voer,

Beklom hij 't outer, zag op haar;

En vatt'e 't kruis ; en zwoer :

ocr page 153

137

„ De Hemel wil 't, ik zal 't bestaan!

Geen slaap die mij verkwikk',

Tot Ponthis Vloek mijn arm beproeft; En 't Schrikdier sneeft, of ik!quot;

De brave zwoer 't, en rent van daar,

Wijl 't nuchter veld nog douwt,

En rust niet, tot het volgend licht Den grooten kamp aanschouwt.

„Voor God en Haarquot; is al 't gebed.

Met springt hij stout van 't ros;

't Vizier gaat dicht, het slagzwaard uit, De held op 't monster los.

Hij nadert, door een eik, gedekt,

Waaraan zijn vijand ligt;

Langs beenderstapels nadert hij En stuift hem voor 't gezicht.

Geduchte strijd! Gewaagde kans!

Daar klauw, en tand, en vuur . . .

Daar 't Vloekdier dubble wapens voegt Bij dubble kracht ten stuur.

Vergeefs dat Wiehards ridderkling

De vaart des bliksems tart;

Geen zwaard, of 't stuit van schelpen op In 's afgronds poel gehard!

Geen scheidt er van den kronkelstaart

De giftvlijm, tuk op moord;

Terwijl zij, 't harnas doorgedrild ,

Tot diep in 't leven boort !

„Zwicht Wichard!quot; neen! hij grijpt den dolk,

Zijn ongekenden schat,

Die 't al, waaraan de zege hangt,

Naar 's noodlots eisch, bevat;

Een scherp, dat driemaal negenmaal Vererfde in d'eigen stam,

ocr page 154

138

Dat, nooit het recht ten smaad misbruikt, Van neef' op neven kwam ;

Dat Gelder zwaaide , in Varus Slag ,

En , bij den Lippevliet,

Gestruikeld aan der Bruktren spits,

Het nakroost overliet.

Hij grijpt dat scherp! Het ijzer dringt

Tot 's vijands ingewand!

Daar spert het dier zijn knken op ,

Van felle smart vermand!

Het schreeuwt, terwijl in 's Bidders hart

Eene eerste ontzetting rijst;

Het schreeuwt, en 't is een menschenstem , Die uit zijn gorgel krijscht I

Hoort; „Gelder!quot; schreeuwt het „Gelder!quot; hoort.

De heuvlen galmen 't rond ;

Luid klinkt het uit het zwerk terug;

Hol bromt het door den grond.

Zoo spilt de Plaag haar kracht; zij stort;

Zij knakt den eikenstam ;

En 't Helspook, dat den romp verlaat,

Keert weêr van waar het kwam.

Doch Wichard zingt geen zegezang ;

Zijn palm behoort der min!

Hij slaat het spoor der naaste burg Bescheiden zwijgend in.

Ga, edel Krijger! brandt een gift

Verraadlijk in uw wond ;

De Hemel hoort het smeekgebed,

Uit der verlosten mond!

Gewis, gij leeft, gij bouwt uw Stad,

Van Wije en Niers gedrenkt;

Hier, waar zij 's Monsters lesten kreet, L'ws Stamheers Naam, gedenkt!

ocr page 155

139

Ben Naam, die ook mijn Vaderland

Aan 't vorstlijk voorhoofd blinkt, Een Gelder, dat, na duizend jaar.

Nog over de aarde klinkt!

(S t a r i n

GENOVEVA.

Davrend klonk de jagershoren

Door het eeuwenheugend bosch; Paltsgraaf Siegfried, met zijn ridders.

Ging op hert en ever los.

Siegfried, eens de trouwste minnaar.

Eens de zaligste echtgenoot,

Eens de zegenrijkste vader;

Nu voor zielevreugde dood.

Ach! zijn lieve Genoveva,

Ach! haar zoontjen , beider beeld, Tot een wreede dood verwezen!

Overspeelster! basterdteelt!

Dit woog op den gade en vader

Zielverplettrend, doodend, neêr;

En de jacht, hoe blij en woelig,

Gaf aan de eenzaamheid hem weêr.

Ach! wat baat hem dat de glorie

Grootsch zijn heldenhoofd omstraalt. Na zoo vele zegepralen

Op den Saraceen behaald?

Zelfs de zalige oogenblikken,

Die hij naast zijn gade vond,

Slaan in 't stil herdenkend harte Hem eene ongeneesbre wond.

Toen hij vloog, voor zeven jaren,

Naar het Christenhelden-pleit,

Had hij haar vertrouwd aan Golo, Als zijn schat, zijn zaligheid.

ocr page 156

140

Vruchtloos vlamt de ontaarde ridder,

Om de schoone gemalin Te verleiden, te bezoedlen;

En in haat verkeert zijn min.

Pas biedt zij den moederboezem 't Lachend zuigelingsken aan, Hij beschuldigt haar bij Siegfried

Van 't ontuchtigste bestaan;

En hij zet die helsche logen

Al de kleur der echtheid bij:

Valsche brieven smeedt het monster; En zijn haat wordt razernij.

„Zij — de telg van Brabants hertog!quot;

(Gilt de graaf, woest opgevloon) „Brabants leeuw, zoo diep ontaarden!

„Wraak op haar, en op haar zoon!quot; Golo werd die wraak bevolen;

Zeker is zij streng volbracht.

En de graaf heeft ga noch kind meer. Dat hem ter omarming wacht.

De eenzaamheid en 't jammer spookten

Kondom Siegfrieds legerkoets, En bestormd door eeuwge wroeging,

Dacht hij aan 't bevel des bloeds. Licht was de eedle vrouw onschuldig . . .

En wat schuld woog op haar kroost? Dit vervolgde bang zijn sponde,

Waar 't geluk hem had verpoosd.

Golo, die een beul 't bevel gaf

Van het snood te storten bloed, Zag zijns meesters sombre aandoening

Met een huiverig gemoed, liidderspelen, feestvermaken,

Niets bleef bij hem onbedacht.

Om die droefheid te verzetten;

Nu weêr trok hij hem ter jacht.

ocr page 157

141

Maar de lieve Genoveva,

Maar heur zoontjen, beider beeld, Tot een wreede dood verwezen!

Overspeelster, basterdteelt!

Dit woog op den gade en vader

Zielverplettrend, doodend, neêr;

En de jacht, hoe blij en woelig,

Gaf aan de eenzaamheid hem weêr.

En er springt een vlugge hinde üit het donker kreupelbosch;

Van de forschgespannen boogpees Vliegt de pijl, al snorrend, los.

En de diep getroffen hinde

Vlucht door 't overlooverd oord, Van de brakken, van de jagers Even driftig opgespoord

In het diepe woud verschool zich

Een vervallen hut van riet,

't Gras begroeide 't lage dakjen,

Licht eens kluizenaars gebied;

Daarin was het dier gevlogen Voor het dreigende geweld;

't Nedrig deurtjen was gesloten,

Als de stoet kwam aangesneld.

Siegfried klopt: een aardig wichtjen

Biedt zich ter ontsluiting aan;

Zeven jaren kon het tellen:

Siegfried blijft verwonderd staan, 't Was of 't onvergeetbaar zoontjen,

Dat hij doemde tot den dood.

Voor zijn vader kwam verschijnen, Opgestaan uit 's aardrijke schoot.

't Zweemt naar de onvergeetbre vrouwe.

Die hij neêrstiet in het grat: „Knaapjen, zeg mij of dit hutjen „Schuilplaats aan een hinde gaf.'

ocr page 158

14.2

„— Ja, zij vloog hier sidcirend binueu:

„Bloed . . . het plaste aan alle kant „Uit de wonde, die mijn moeder „Thans verbindt met teedre hand.quot;

Siegfried stapt in 't hutjen: „Hemel!

„Genoveva!quot; (roept hij uit) „— Siegfried (gilt zij), dierbre gade!

Dien ik weer in de armen sluit!quot; En de tranenstroom gutst neder,

Die haar dorre wang bespat;

Golo bleekt bij 't trefiend schouwspel, Rilt en siddert als een blad

Siegfried scheurt zich uit hare armen,

Opdat hij zijn zoontjen prang' Aan den opgetogen boezem, Zoo verpijnigd sedert lang. Onverzadigd deelt zijn liefde,

Tusschen haar en tusschen hem. Die zoo lang gemiste kussen.

En van vreugd bezwijkt zijn stem.

Zij ziet hem-alleen en 't wichtjen.

Dat zij de armen tegenstrekt In bedwelmend zielsverrukken : —

God! wien heeft ze daar ontdekt? „Ked mij, Siegfried, van het monster!quot;

(Gilt ze, en sluit hem dichter vast) En van siddring hijgt heur boezem. Als van folterdroom verrast:

„Ked uw zoontjen, red het, Siegfried,

„Van de helsche waterslang!quot;

(Tevens prest zij aan zijn boezem

Hunnen liev'ling, bleek en bang); „Dit 's de moorder mijner onschuld,

„Dit 's de breker onzer trouw, „Helsch vervolger van een wichtjen, „Helsch verdrukker van een vrouw!

ocr page 159

148

„Golo, eervergeten ridder!

,, Is uw liefdehaat voldaan?

't Oog . waardoor uw vlam ontvonkte ,

„ DooMe thans in traan bij traan.

„ Kommer teerde thans die wangen ,

„Ongerept van wulpsch bedrog.

„ Kent ge uw werk, o zoon des afgronds!

„Kent gij Genoveva nog?

„Zie die hinde, meer meêdoogend

„ Dan 't ontaarde mensehenrot; —

„ Als ik op hun hulp niet hoopte ,

„Als mij niets meer bleef dan God;

„Als mijn weggeslonken boezem

„Voedsel weigerde aan mijn wicht —

„ Bood zij , liefdrijk, lavend voedsel,

„En volbracht den moederplicht,quot;

Min verschriklijk brult de donder.

Dan die taal den booswicht trof.

Staamlend smeekt hij lijfsgenade ,

Schandlijk kruipt hij in het stof.

Siegfried trekt en zwiert den degen ,

In ontembren toorn ontblaakt,

En hergeeft aan d' afgrond 't monster Door den afgrond uitgebraakt.

(Prudens van Uuyse).

Zie verder: Beatrijs; Tollens, Philemon; De Bull, Sint Caecilia ; van Ke rok hoven. De Engel en het Zieltje ; De mystieke Lelie; B o g a e r s, Het Leidscht Wonder; enz.

6. De Roman is een eenigszins groot verhaal m ondicht. Hij geeft ons eene breedvoerige schildering van den ontwikkelingsgang van het karakter en de lotgevallen van enkele menschen, die, evenals in het epos, //helden moeten zijn. Deze helden worden evenzeer als strijdend met het noodlot voorgesteld. Gewoonlijk blijft evenwel de werking van bovennatuurlijke krachten in den roman geheel uitgesloten; daar-

ocr page 160

144

cntegen is de voorstelling der gebeurtenissen en personen niet zoodanig, als het alledaagsche leven in werkelijkheid ze voor oogen voert; de dichter toch geeft ons een dichterlijk geïdealiseerd beeld van het leven, zoodat het gemoed en de fantazie evenzeer worden bezig gehouden, als bij elk ander dichterlijk voortbrengsel; hij schenke ons daarnevens eene studie van het menschelijk hart, eene grondige ontleding van karakters.

Bij deze idealiseering moet altijd de innerlijke waarheid zoowel in de karakters als in de gebeurtenissen behouden blijven.

De. stof tot den roman kan aan elk gebied van het menschelijk leven ontleend worden en behoeft volstrekt niet het geheele leven van den held te omvatten; integendeel de dichter schildert veeleer het belangwekkendste deel, den jeugdigen leeftijd, den tijd der liefde. steeds evenwel een afgesloten levensbeeld.

De eenheid aangaande persoon, handeling en voorval mag nooit uit het oog verloren worden. De belangstelling, die andere personen in den roman gaande maken, mag die voor den hoofdpersoon niet verminderen, alles moet tot dezen in betrekking gebracht worden; hij moet het brandpunt van het geheele levensbeeld zijn; hij moet bepaald het hoofdkarakter blijven.

Behalve de algemeene innerlijke waarheid, die de roman, gelijk elk kunstwerk bevatten moet, heeft hij ook nog vaak eene bijzondere, hem eigen idee of strekking, die de schrijver wil veraanschouwelijken; niet zelden doet deze strekking den roman als kunstwerk mislukken.

Het aantal romans is ontelbaar, doch niet het aantal goede romans; te dikwijls begaan de schrijvers fouten bij de ontwikkeling der karakters of de verwikkeling der voorvallen, of geven zij te veel handeling en te weinig hartstocht, of zijn deze beide niet genoegzaam gemotiveerd, of schijnt het hoofddoel des schrijvers te zijn, den lezer in spanning te brengen en diens verbeelding te prikkelen; enz.

ocr page 161

145

De soort is velerlei; men heeft ridder-, roover-, familieromans, ernstige en humoristische, historische en sociale, sentimenteele en philosophische, realistische en naturalistische, enz. Deze beide laatste soorten, die de eene meer dan de andere eene trouwe afspiegeling geven van het leven om ons, die louter ware toestanden willen schilderen, treden in den laatsten tijd meer en meer op den voorgrond.

De eerste romans ontstonden in de Middeleeuwen uit de in proza verwerkte ridder- en heldengeschiedenissen. — Het woord foïiiou stamt uit het Fransch en beteekent een boek in de Romaansche taal, d. i. in eene der talen, die van de taal der Romeinen of het Latijn afstammen (Spaansch, Fransch, Italiaansch, enz.); later ging deze beteekenis verloren, en thans heeft deze dichtsoort met den naam niets meer gemeen. — Eerst de vorige eeuw heeft den eigenlijken roman geschapen en sedert is zijne literatuur onoverzienbaar geworden.

Schrijvers van romans in onze taal zijn o. a.:

Bet je Wolf en Agatha Deken. Sara Burgerhart: Willem L nee end: Lo osjes, Maurits Lijnslager: Feith, Julia: P. van Limburg Brouwer, Het Leesgezelschap te Diepenbeek: Diovhanes: 011mans. Het Slot Loevesteijn: De Schaapherder: Van hennep, Be Pleegzoon: De Roos van Dekama; Elizabeth Mnsch; Ferdinand Hujck: Klaasje Zevenster: mevr. Bosboom-Toussaint, Het Huis Lauer-nesse: Leicester in Nederland: De vrouwen van het Leices-tersche tijdvak: Gideon Florisz.: De Delftsche Wonderdokter; Majoor Frans: Lindo, Clementine: Busken Huet, Lidewifde: C rem er, Anna Ttooze: Dokter Helmond: Conscience, De Leeuw van f laanderen: de Loteling: de Arme Edelman; Mulder, -Jan Faessen: P. A. S. van Limburg Brouwer, Akbar; Schimmel, Mary Hollis: Mylady Carlisle; De eerste dag eens nieuwen levens; Fen Haagsche Joffer; Sinjeur Semeyns; A. S. G. allis, In dagen van strijd; Vorstengunst; L. (J o u p e rus . Eline Tere;

Vijfde druk. 10

ocr page 162

146

Noodlot: Keller, Tsing, Jan ten Brink, enz. enz.

7. De Novelle is korter dan de roman en bepaalt zich tot liet eenvoudig verhaal van eene gebeurtenis uit het leven van een hoofdpersoon. Hoewel zij het zieleleven van de handelende personen evenzeer met krachtige trekken schildert, zoo schenkt ze ons toch niet, gelijk de roman, de ontwikkeling van het hoofdkarakter, maar toont ons den held als een vastgevormd karakter.

Schrijvers' van novellen in onze taal zijn o. a.

Bakhuizen van den Brink, Potgieter, Van Koetsveld, Beets, Alberdingk Thym, mevr. B o sb o o m-T o u s sai n t, Lindo, Ore m er, Sn ieders, Hase broek, Knep pel hout, Keiler, Hoek, Bru-nings, Ten Brink, Koop mans van Boekeren, Gram, Donker, Bergmann, enz. enz.

8. De didactische vormen der epische poëzie. -Een aantal epische gedichten verhalen iets ten behoeve der leering of wekken in het verhaal onderrichtende overdenkingen; dat zijn de zoogenaamde didactisch-epische gedichten. Daartoe behooren o. a. 1 . dc Fabel; 2°. De Parabel of Gelijkenis; 3 . De Allegorie.

9. De Fabel. Eene vertelling, waarin dieren of onbezielde voorwerpen optreden en als menschen spreken en handelen, noemt men fabel. Ze heeft ten doel, de lezers te onderrichten, hun eenquot; levensregel aanschouwelijk voor te stellen. Het dier of het onbezielde voorwerp is derhalve bet symbool of zinnebeeld van den mensch. De les, die in de fabel vervat is. moet gewoonlijk slechts op eenvoudige zedelijke waarheden betrekking hebben; hoogere godsdienstige waarheden zijn bij haar uitgesloten.

In onze letterkunde is deze dichtsoort overoud, reeds van dc 13e eeuw bezitten wij een bundel fabels, bekend onder

ocr page 163

147

den naam van flsopet; sedert werden door verscheidene diclit-ters fabels geschreven, al kunnen wij ook geen fabeldichter bij uitnemendheid aanwijzen. B.v.:

DE JONGE VORSCH.

Een jonge vorsch, sprong uit zijn plas,

Eu zag, hoe traag de slek kroop tusschen 't gras; Des schempt hij: „O, verachte en loome dieren! Gelukkig mij, die hupplen kan en zwieren Als koning in dit groen!quot; Mits sprong een hart, Dat door den loop der honden was benard,

Hem over 't hootd en over sloot en dijken.

Toen ging hij treurig strijken,

En zei: „Wat heeft mijn hupplen te bedien F Waar zulke springers zijn, word ik niet aangezien.quot;

(J. B. Wellekens).

DE AAP.

Een potsige aap, zoo vol van grillen en van kuren Ais ooit Batavia, of 8uriname ons sturen.

Sprak dus, nadat hij veel grimassen had gemaakt: „Wat zijn mijn leden vlug, hoe fraai ben ik geschapen! „Men noem' mij eens een dier, dat ik niet na kan apen!quot;

Een norsche ruwe beer, door dit gezwets geraakt. Zei, „Noem mij eens een dier, wat naam het ook moog dragen, „Dat om u na te doen, zich immer wil verlagen.quot;

(Wolf en Deken, naar Lessing).

DE GANZEN.

De marktdag riep de buitenliên:

Een boertje, van zijn zweep voorzien,

Dreef vette Ganzen naar de stad.

Hij somde, gaandeweg, al op.

Wat winst hij wel te beuren had;

En, dank zijn vroolijk hartgeklop.

Kreeg menig Gans, die, lui en dik.

Bleef talmen, met de zweep eon tik.

JNu, als het handelswinsteu geldt.

ocr page 164

14.8

Wordt zelfs een mensch niet veel geteld;

En, zoo de boer dus nu en dan

De zweep eens zwaaide door de lucht,

En kop of staart trof in de vlucht,

Ik dui 't niet euvel aan den man;

De Ganzen wél: die laakten 't luid

En scholden in hun taal hem uit,

.luist kwam een Wandiaar langs hun pad,

Die veel van Mezzofanti had,

Arabisch kende, Turksch, Sanskriet,

Chineesch, Maleisch, en wat al nietr

Doch (sterker nog!) ook in den grond

Der ganzen gaggeltaal verstond.

Hij hoorde 't morren en 't misbaar:

„Die schoft!quot; was 't hier, „die stinkerd!quot; daar;

^De schobbejak! hij zweept ons voort,

„Als beesten van 't gemeenste soort

„'t Is of we biggen zijn, zoo hondsch!

„Geen aasje oplettendheid voor ons,

„Voor óns, wien Homes wereldstad

„ïoch haar behoud te danken had,

„Voor ons, beroemd van Pool tot Pool,

„Als redders van het Kapitool!quot;

Zoo schreeuwden ze uit gezwollen krop.

De nekken stijf, de kuiven op;

De Wandlaar hield zich dom, en zei:

„Zoo, Ganzen, deedt gij dat, ei, ei! ^

„Gij Homes redders — en wanneer?quot;

„„Niet wij juist: ons geslacht weleer:

„„Onze eedle Vaadren. Vat ge 't man?quot;

„Maar gij — wat deedt gij zeiven dan?quot;

quot;,„Wat wij! wij niets. Begrijp ons goed:

„„Wij spruiten uit dat edel bloed.

„„Geen vogel, van wat veer hij zij,

„„Die zulk een afkomst staaft als wij . . .

„Genoeg! (dus viel de Wandlaar in)

„Uw voorgeslacht was kloek van zin;

„Eer kwam het toe, wijl 't best zich kweet;

„Maar gij, die niets bijzonders deedt —

„Wat praat ge van oplettendheen,

ocr page 165

149

„Als goldt gij meer dan 't algemeen !

„Staak, uietig volkje, uw driest gekwaak!

„Zelt uit te munten, dat's de zaak!quot;

(Bogaers).

DE P IJ L EN DE M ü S C H.

Een pijl der stijve pees ontsprongen.

Kwam schuifiend door de lucht gedrongen.

En sprak vol trots de vooglen aan:

„Zie, hoe ik, buiten 't zicht verdwenen,

„Me een weg door wind en wolken henen,

„Tot aan den derden hemel baan.quot;

Een musch, die zacht de lucht doorboorde En dit verwaande pochen hoorde ,

Beloeg hem, schimpend, op haar keer.

En sprak hem, toen hij daalde, tegen:

„Gij waart zoo hoog door andrer macht gestegen, „Maar valt door eigen onmacht neer.quot;

Zie verder: de Esopet: Cats; Vondel, Warande der dieren; W o 1 f en Deken; Bilderdijk: Tollens; Van Lennep; Mu 11atuli, rtt Vlinder; Bogaers, enz. enz.

10. De Varabel of Gelijkenis. Deze verzinnelijkt eene hoogere waarheid van de rede of den godsdienst. In zooverre werkt ze ook meer op het hart en het gemoed; de fabel richt zich meer tot het verstand. De stof der parabel is niet ontleend aan de dierenwereld; zij schildert steeds een zielstoestand of eene handelwijze van den mensch. Daar zij eene hoogere, vaak godsdienstige waarheid zinnebeeldig voorstelt, is de taal der parabel, hoewel eenvoudig, toch edel en geknischt. Ze komt evenals de fabel, zoowel in ondicht als in dicht, voor.

ocr page 166

150

De Parabel stamt uit het Oosten en wordt herhaaldelijk in liet Oude, doch vooral in liet Nieuwe Testament gevonden.

B.v.:

DE JAPANSCHE STEENHOUWER.

Er was een man, die steenen hieuw uit de rots. Zijn arbeid was zeer zwaar, en hij arbeidde veel; doch zijn loon was gering en tevreden was hij niet.

Hij zuchtte, omdat zijn arbeid zwaar was, en hij riep: och dat ik rijk ware om te rusteu, op eene baleh-baleh ') met klamboe ■) van roode zijde

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zij gelijk gij gezegd hebt.

En hij was rijk. En hij rustte op eene haleh-haleh en de klamboe was van roode zij do.

En de koning des lands toog voorbij met ruiters voor zijn' wagen; en ook achter den wagen waren ruiters, en men hield den gouden pajong 3) boven het hoofd van den koning.

En als de rijke man dat hoorde, verdroot het hem, dat er geen gouden pajong wTerd gehouden boven zijn hoofd, en tevreden was hij niet.

Hij zuchtte en riep ; ik wenschte koning te zijn.

Er kwam een engel uit den hemel, die zeide; u zij gelijk gij gezegd hebt.

En hij was koning. En voor zijn wagen reden vele ruiters, en ook waren ruiters achter zijn' wagen, en boven zijn hoold hield men den gouden pajong.

En de zon scheen met heete stralen en verbrandde het aardrijk , zoodat de grasscheut dor was.

En de koning klaagde , dat de zon hem schroeide in het gelaat, en macht had boven hem, en tevreden was hij niet.

Hij zuchtte en riep : ik wenschte de zon te zijn.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zij gelijk gij gezegd hebt.

En hij was de zon. En hij zond zijne stralen naar boven ,

') Bamboezen rustbank. 3) Gordijn. 3) Zonnescherm.

ocr page 167

151

en naar beneden ; en naar de rechterzijde en naar de linkerzijde , en alom.

En hij verschroeide de grasscheut op de aarde, en het gelaat der vorsten, die op de aarde waren.

En eene wolk stelde zich tusschen de aarde en hem, en de stralen der zon stuitten daarop terug.

En hij werd toornig, dat zijner macht weêrstaan werd, en hij klaagde, dat die wolk machtig was boven hem , en tevreden was hij niet.

Hij wilde de wolk zijn, die zoo machtig was.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide; u zij gelijk gij gezegd hebt

En hij werd tot eene wolk, en plaatste zich tusschen de zon en de aarde, en ving de stralen op, zoodat het gras groen werd.

En de wolk regende in groote droppen op het aardrijk , en deed de rivieren zwellen, en de banjirs voerden de kudden weg.

En zij verwoestte door veel waters het veld.

En zij viel neêr op eene rots , die niet week En zij klaterde in groote stroomen , maar de rots week niet.

En zij werd toornig, omdat de rots niet wijken wilde; en omdat de sterkte harer stroomen ijdel was. En tevreden was zij niet.

Zij riep: aan die rots is macht gegeven boven mij , ik wenschte die rots te zijn.

En er kwam een engel uit den hemel , die zeide: u zij gelijk gij gezegd hebt.

En zij werd rots, en bewoog niet als de zon scheen en niet als het regende

En daar kwam een man met houweel, en met puntigen beitel, en met zwaren hamer, die steenen uithieuw uit de rots.

En de rots zeide : wat is dit, dat die man macht heeft boven mij , en steenen houwt uit mijnen schoot. En tevreden was zij niet.

Zij riep: ik ben zwakker dan deze; ik wenschte die man te zijn.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zij gelijk gij gezegd hebt.

ocr page 168

152

En hij was steenhouwer. En hij hieuw steenen uit de rots, met zwaren arbeid, en hij arbeidde zeer zwaar, voor weinig loons , en hij was tevreden.

(Multatuli).

VERGEEFSCHE MOEITE.

Een boer , in 't veldwerk vrij ervaren ,

Had op zijn grond een boompje staan,

Waar eerder vrucht van viel te garen;

Maar thans (het droef gevolg der jaren)

Vertoonde 't slechts verdroogde blaan :

Het had zijn tijd gehad. Geen leveji/_

Deê 't sap meer door de cellen zweven:

De takken hingen dor ter neer :

Toch was de boer nog in de weer Met binden , mesten , water geven ;

Maar, wat hij aanbracht, hoe hij goot,

Het hout hergroende niet, 'twas dood.

Wierd hem 't gezegd, dan werd hij rood Van grimmigheid en schold hij vinnig.

Eens sprak ik met zijn buur er van,

„Hij is (zei deze} een goede man,

„Maar op dat ééne punt — krankzinnig.quot;

Zou menig stelsel, kloeke vrinden!

Zijn beeld niet in dat boompje vinden!

(Boogaers).

11. De Allegorie. Oorspronkelijk geeft men met het woord allegorie een1 zin te kennen, waarbij men iets anders op het oog heeft, dan hetgeen men uitdrukt. De allegorie wil derwijze ook iets, dat niet onder de zinnen valt, een gevoel, eene gedachte , eene waarheid door iets zichtbaars aanschouwelijk en begrijpelijk maken; ook aan haar ligt een symbool of zinnebeeld ten grondslag. Niet door een enkel zinnebeeld wordt evenwel bij haar eene zedelijke waarheid voorgesteld; zij geeft eene geheeie reeks van dergelijke zinnebeelden, waarvan

ocr page 169

153

elk eene bijzondere vergelijking toelaat, en die een samenhangend gelieel moeten vormen. Ook wil de allegorie niet gelijk de parabel eene enkele zedelijke waarheid, doch veeleer een bijzonderen toestand verzinnelijken.

B.v.:

DE GEVALLEN EIK.

Mijn Vaderland! gij vielt — uwe Alva's zijn gewroken! Uw kroost kust reeds den dolk, die u den doodsteek gaf:

't Had lang, in dwaze drift, uw speer en schild verbroken, — Ik weeklage op uw graf.

Gij vielt! zoo stort een Eik, beroofd van kroon en blaadren. Nadat hij, eeuwen lang, als de eer des wouds mocht staan:

Het noodlot zag zijn kruin alreê de wolken naadren, En sprak: ,.gij zult vergaan!quot;

Nu hoorde men en raaf en uitgevaste gieren,

Zich nestiend in zijn top, met aaklig woest gekras.

Zijn naderenden val (de wolven huilden!) vieren,

Vergetend wie hij was.

De nachtegaal, die vaak zich in zijn loof deed hooren,

Vlood zijn ontwijde kruin naar Wijder oorden heen.

Het vroolijk vinkjen zweeg en aller vooglen koren, De roerdomp bromde alleen.

Het roofgevogelt' sloeg zijn scherpen bek en klauwen Aan 't heilig eikenblad, voorheen der helden eer;

En wierp het uit de kruin, die m'eens van ver zag blauwen, In 't schreiend woud ter neêr,

Een stroom, van uit een rots, in beken uitgegoten.

Sprak: „Achtbre boom! mijn vocht lave uw verdroogden voet:

„Voor u heeft lot en tijd mijn vruchtbre bron ontsloten, „Herleef in mijnen vloed!quot;

ocr page 170

154

Zijn wortel schijnt verkwikt; maar , ach ! de stroom blijft vloeien,

En dringt, nabij den stam, allengs in 't hart der aard : Men meent, dat uit den stam een nieuwe spruit zal groeien, Des wandlaars eerbied waard.

Nu juicht des planters kroost; maar, ach! de stroom blijft zwellen ,

Ontbindt den wortelgrond, door wien hij rustloos boort: Straks voedt zich deze stroom uit 's afgronds zware wellen , quot;En woedt nu rustloos voort.

De bevende Eik verwrikt, maar blijft nog opgeheven;

Noch hecht een enkle tronk in d'ondoorboorden grond: Één oogenblik, mijn God! ook die zal hem begeven;

Reeds valt wat om hem stond.

üe stroom . door storm geperst, rukt nu zijn kracht te gader.

Doormijnt de laatste plek, die d'Eik nog steunsel gaf;

Maar hij komt ook , in 't eind , den laatsten wortel nader , En scheurt dien, woedend , af'.

Nu slaat en ploft de boom in 't schuimend stroomnat neder:

De vloed beeft nu hij stort, maar juicht ook bij dien val. En snelt, met helsch gedruisch , naar 't volgend offer weder, Dat hij verzwelgen zal.

O Eik! o eer des wouds! ik zie u dan bedolven

In het afzichtlijkst nat, waar 't ongediert in leeft:

Voor eeuwig dan ten spel aan rustelooze golven,

Die de afgrond voedsel geeft!

O Holland! dierbre naam! der volken rol onttogen!

Ach! uwer helden graf versiert uw puinen niet ! Het noodlot van uw kroost staat bloedig voor mijne oogen: De wanhoop smoort mijn lied! lgI0 (M. C. van Hall).

ocr page 171

155

DERDE HOOFDSTUK.

Dramatische Poëzie.

In de epische poëzie draagt de dichter zelf voor, iu de dramatische worden de daden en lotgevallen van de in het gedicht optredende personen werkelijk voorgesteld; ze geschieden als quot;t ware voor ons oog. De voorstelling der gebeurtenissen en handelingen noemen we ook wel kortweg handeling [drama). Tot deze voorstelling bedient men zich in het drama van de samenspraal:, welke tusschen twee of meer personen gevoerd en dialoog genoemd wordt. Spreekt een persoon tot zich zei ven, dan ontstaat de alleenspraak [monoloog)-, daarin drukt iiij zijne gedachten en gewaarwordingen uit, zoodat de hoorder met diens gemoedstoestand en de drijf-veeren of beweegredenen (motieven) van diens handelingen bekend raakt.

Al is het lyrische en het epische element in het drama niet volkomen uitgesloten, al kunnen beide tot verfraaiing en tot beter verstand van liet stuk bijdragen, geen van beide mag de handeling storen, nocli minder geheel vervangen, vooral mag de dichter zich zeiven niet op den voorgrond stellen. Woorden en daden moeten uit het eigenaardige van karakter en toestand voortvloeien. Van den dichter zei ven bespeure men niets; dat verloochenen van zich zeiven, dit als het ware uit zich zeiven treden van den dichter heet zijne objectiviteit.

Elke beweging heeft een begin, een midden en een einde; deze drie stadiën komen ook bij het drama voor, en verwijzen elk lid van de dramatische stof ter bepaalde plaatse.

ocr page 172

156

Dienvolgens splitst deze zich in drie hoofdleden, welke aden of bedrijven heeten.

Het eerste bedrijf — de expositie — bevat het begin. Daarin worden de draden geknoopt, die hoe langer hoe meer verwikkeld en eindelijk ontwikkeld zullen worden. Alzoo heeft dit bedrijf vooreerst tot taak, den aanschouwer in kennis te brengen met de handelende personen, hem als het ware den bodem te toonen, //waar de kiemen der reeds beginnende handeling wortelen.quot; Voorts moet dit bedrijf ook des aanschouwers- belangstelling gaande maken in de handelende personen en in hunne bedoelingen, en hem dus in de //dramatische stemmingquot; brengen.

Het tweede der drie hoofddeelen van het drama leidt in het midden binnen. Het stelt de verwikkeling voor oogen, welke uit de werkingen en wederwerkingen der optredende personen ontstaat. Ter eener zijde worden voornemens gekoesterd en plannen nagejaagd, ter anderer zijde worden aan dit alles allerlei hinderpalen in den weg gelegd. Zoo ontstaat eene botsing van wederzij dsche belangen en bemoeiingen , die de verwikkeling van de handeling ten top voert en dus de eigenaardige spanning van dit gedeelte veroorzaakt.

Het derde der drie hoofddeelen leidt naar het einde van het drama. Zoolang het evenwicht in den strijd duurt, dien het tweede deel ontrolt, is de knoop slechts aan het ontwarren, is hij nog niet ontward. Is evenwel het overwicht naar eene zijde bepaald beslist, dan vangt de ontknooping aan; er volgt een omzwaai ten goede of ten kwade, en de handeling is ten einde.

Tn deze drieledigheid liggen de grondlijnen van den bouw van het drama Evenwel in weerwil van de geldigheid dezer grondtrekken, komen vele afwijkingen voor. Het middenste deel — de verwikkeling — kan wederom in drie bedrijven gesplitst worden, zoodat het geheel dan vijf bedrijven bevat. Alsdan wordt in het tweede bedrijf de knoop van de verwik-

ocr page 173

157

keling strakker aangehaald, in het derde wordt het conflict voor oogen gesteld en het vierde bereidt het slot voor. Zelfs kunnen de drie hoofdleden van het drama ook in een bedrijf worden saamgetrokken.

Is voor den aanleg van het drama eene duidelijke verdeeling een vereischte, geen geringer vereischte voor het verwekken van den gewenschten indruk is de eenheid van het geheel. Men onderscheidt of onderscheidde (de denkbeelden dienaangaande zijn in de latere tijden aanmerkelijk gewijzigd) drie eenheden; de eenheid van handeling, de eenheid van plaats en de eenheid van tijd, of volgens B o i 1 e a u,

«Qu'en un lieu, qu'en un jour, un seul fait accompli »Tienne jusqu'a la fin le théatre rempli.quot;

Het gemakkelijkst is te billijken de eisch aangaande de eenheid van handeling: de dramatisch voor te stellen gebeurtenissen — men noemt ze in haar geheel de fabel van het drama — moeten als eene eenheid worden voorgesteld. Eenheid nu ontstaat, als de deelen van een geheel zulk eenquot; met hun aard overeenkomenden, innigen samenhang hebben, dat de veelheid bij de waarneming verdwijnt. Dit doel wordt bij eene veelheid van handelingen bereikt, als bij hare voorstelling eene dezer — de hoofdhandeling — zoo op den voorgrond treedt, dat zij alle overige aan zich ondergeschikt maakt. De dramatische eenheid eischt derhalve, dat een karakter als hoofdpersoon optrede, en door de kracht van de inwendige roerselen zijns gemoeds het middelpunt der handeling worde, om hetwelk alle andere zich zoodanig groe-peeren, dat zij zich tot een licht overzienbaar geheel verbinden.

Wordt de eenheid der handeling dus opgevat, dan is hare onmisbaarheid niet te loochenen.

Met de eenheid van plaats en die van tijd is dat niet liet geval; letterlijk opgevat eischen zij onveranderlijkheid van de localiteit waar, en beperking tot 24 uren van den tijd.

ocr page 174

158

waarin de handeling geschiedt, n Zoo de Grieken meestal de twee eenheden hebben geëerbiedigd, dit was eenvoudig een gevolg van de omstandigheden, waaronder hunne stukken werden vertoond. De reden, die men voor haar behoud aanvoert, kan niet ernstig gemeend zijn. Of zou de waarschijnlijkheid van het stuk er bij winnen ? Als men zich kan verbeelden, dat in die twee of drie uren, dat de vertoonimr duurt, liet toegestane etmaal, en niet zelden anderhalf etmaal, is verloopen, dan zal men zeker niet liet onmogelijke vereren van zijne verbeelding, om een langer tijdsverloop tusschen de verschillende bedrijven aan te nemen. Ook de eenheid van plaats is aan de handeling niet bevorderlijk, evenmin aL zij waarschijnlijk is. W anneer wij in onze verbeelding ons achtienlionderd jaar terug, naar Alexandrië kunnen verplaatsen, om ons de geschiedenis van Cleopatra voor te stellen als daar op t oogenblik voor ons gebeurende, dan is de tweede schrede zeker niet moeielijk, die ons in hetzelfde stuk van Alexandrië naar Home doet overstappen. En hoe wordt ons dit niet gemakkelijk gemaakt bij de moderne inrichting van ons tooneel met zijn afwisselend decoratief!quot; (Jonckbloet). AVil men deze twee eenheden noquot;' behouden, dan kan men ze slechts opvatten in den zin, dat de eenheid van plaats waarschuwt tegen eene te veelvuldige en te ver grijpende wisseling van localiteit, en de eenheid van tijd tegen eene ongerijmde uitzetting der tijdgrenzen, b. v. zulk eene, waarbij de in liet eerste bedrijf als jongeling optredende held in het laatste bedrijf als grijsaard verschijnt.

Nimmer evenwel vergete de dichter Lessing's woord: «de strengste regelmaligheid kan tegen de geringste fout in de ontwikkeling der karakters niet opwegen.quot; In alles zij leven en beweging, nooit mag dialoog, zelfs niet monoloog de handeling stremmen: steeds moet deze voortschrijden. En aangaande de karakters houde de dichter ook dit gulden woord van Lessing in het oog: «Het theater behoort de school der zedelijke wereld te zijn;quot; en dit van Shakespeare:

ocr page 175

159

stal quot; Het houdt als 't ware de natuur een spiegel voor oogen,

ulio- om de deugd liaar eigen trekken te toonen, de boosheid haar

ken eigen beeld, en den juisten loop en vorm van den tijd zijn

an- beeltenis en afdruk.quot;

ijn- Naar de eigenaardigheid van den inhoud wordt de drama-

!can tische dichtsoort in twee Hoofdvormen verdeeld, het treurspel

ino- {tragedie) en het 'blijspel [comeclie). Tusschen beide in liggen

al evenwel vele overgangsvormen.

ren

[eli 1. Het Treurspel. De Nederlandsche benaming dezer

eid dramatische dichtsoort verwijst naar den indruk, dien liet

1jn gedicht verwekt. En voorzeker het treurspel toont ons een

no, door schuld veroorzaakten en onder lijden doorstanen strijd .

er- welks aanschouwing geschikt is, medelijden en vrees te ver-wekken en derhalve een wel treurigen en weemoedigen, doch

js ook bevredigenden indruk te weeg te brengen. Het treurspel

fje namelijk geeft ons eene persoonlijkheid te aanschouwen ,

71 die niet sleclits on^elukki^ is, maar ongelukkig is door het

lill DC' O C

ne mislukken van een pogen, dat de menschelijke krachten te

Iquot; boven gaat. Als de menseh zijns ondanks, meegesleept door zijne driften , of wel gedreven door den grootsclien aanleg

n zijner natuur, in verzet komt tegen de zedelijke wereldorde, en plannen koestert, die hij niet straffeloos verwezenlijken kan,

m juist omdat hij mensch blijft, omdat eene hoogere maeht,—

v vaak, die der omstandigheden — hem beheerscht en in be-

lo. dwang houdt, dan is hij een tragisch karakter. Het tragisch

£ medelijden wordt dus enkel opgewekt door het lijden

je quot;hetwelk de held inboezemt, voor wien wij sympathie of

je ontzag hebben, maar van wien wij met zekerheid te gemoet

,n zien , dat zijne hartstocht hein zal verlokken tot eene daad,

1 die heinzelven te gronde moet richten, omdat de eeuwige

j Gerechtigheid zicli niet ongestraft laat bespotten. Die schrik

lf| en dat medelijden alleen zijn tragisch, omdat zij tot be-

,1 rusting en kalmte leiden.'1 (Jonckbloet).

Het tragische maakt den grondtrek van het treurspel uit.

ocr page 176

160

Kiest de dichter een geschiedkundig persoon tot held, dan met

ontstaat het historische trmrspel (b. v. Hooft, Geeraert van giSj

Velsen; Vondel, Gijshrecht van Auras tel: Maria Stuart of gesl

Gemartelde Majesteit 1); O. Z. van Haren; Afjon, Sultan dit

van Bantam: Willem de Eerste: Bilde r dijk, Flor is V: tijd

Willem van Holland: Da Co sta, Alfonsus de Eerste: van 2

Walré, Diederih en Willem van Holland; H. F. Klijn, Hel

Montujmj: J. Bosscha, Wolferd van Barss eten: enz.) (coi

Zijn de karakters en feiten aan den Bijbel ontleend, dan (co;

ontstaat het Bijhelsche treurspel (b v. Vondel, Joseph in teg

Both an,: NoCoca: Adam in Ballingschap: enz.) Heeft de Te:

dichter in zijn drama met zijne mythologische of historische laa

karakters en handelingen personen en gebeurtenissen uit zijn ind

eigen tijd op het oog, dan ontstaat het staatkundig-allegorische en

treurspel. //Niet het blijspel waagde zich ten onzent aan bec

het beoordeelen van de hoogere belangen van Staat of Kerk; sps

het stond die rol aan het Treurspel af (b. v. Dr. S. Coster, uit Ifigenia: Vondel, Palamedes of Vermoorde Onnozelheid).

Behalve genoemde dichters hebben nog vele andere hunne _

gaven aan het treurspel gewijd, o. a.: G. Brandt, Jan

Vos, Antonides, Rotgans, L. W. van Merken, 1

J. C. de L annoy, B. Huydecoper, R. Feith, ^

Wiselius, van Halmael, Sifflé, Sloet tot Old- Ha

huis, Schimmel, Marcellus Emants, van Heyst, vat

van Maaldrink, enz. del

gO(

en

2. Het Blijspel is van het treurspel vooral door dit ken- vie

merk onderscheiden, dat het eene handeling voor oogen stelt, ste

waarin liet leven met zijne verschijnselen van eene vroolijke ^

zijde wordt beschouwd. //Het houdt zich bij voorkeur bezig te

in

—---nii

lie

i) «Een titel moet geen spijskaart zijn. Hoe minder hij van den inhoud hc

verraadt, des te beter is hij. Dichter en toeschouwer vinden daarbij hunne is

rekening.quot; Lessing. g(

ocr page 177

161

met hetgeen wij in liet dagelijksche leven zien gebeuren; het gispt al lachende de gebreken en dwaasheden van liet levende geslacht.quot; (Jonckbloet). Gelijk de tragedie, moet dus ook dit dramatisch gedicht de nauwkeurige afspiegeling der tijdszeden zijn. 1)

Zijn grondtrek ligt in hetgeen men het comische noemt. Het oatw'Ykelt zich uit de waarneming van de tegenstelling (contrast) van hetgeen i i het dagelijksche leven als gewoon (conventioneel) en verstandig erkend wordt en van hetgeen tegenover deze opvatting ongewoon onverstandig schijnt. Terw'ijl de waarnemer deze tegenstelling vat en op zich werken laat, ontstaat p'ui tot vroolijkheid, tot lachen prikkelende indruk. Zulke contrasten brengt ons het blijspel voor oogen en hun dankt het de kracht zijner comische werking. De bedoelingen, waarvoor de hoofdkarakters hunne krachten inspannen, spruiten niet uit grootsche zedelijke ideeën , maar uit voorbijgaande neigingen en uit eigenzinnige grillen. De

1

«De comedie wil door lachen verbeteren — niet evenwel juist door uitlachen — niet precies die hebbelijkheden , waarom zij doet lachen , noch minder enkel en alleen hen , bij wie zij die belachelijke hebbelijkheden vinden. Haar waar algemeen nut ligt in het lachen zelf, in de oefening van onze vatbaarheid het belachelijke te bespeuren; het onder alle bemantelingen van den hartstocht en de mode, het in alle vermengingen met nog ergere of met goede eigenschappen, zelfs in de rimpels van den statigen ernst, gemakkelijk en snel te bespeuren. Toegegeven, dat de vrek van Molière nooit een' vrek, dat de speler van Regnard nooit een' speler gebeterd heeft, toegestemd, dat het lachen deze dwazen in het geheel niet beteren kon; des te erger voor hen, maar niet voor de comedie. Haar is het genoeg, als zij geene wanhopige ziekten genezen kan , de gezonden in hunne gezondheid te bevestigen. Ook den milddadige is de vrek leerrijk., ook voor hem, die in het geheel niet speelt, is de speler onderrichtend: de dwaasheden, die zij niet hebben, hebben anderen, met wie zij leven moeten; het is dienstig, hen te kennen met wie men in aanraking kan komen. dienstig, op zijne hoede te zijn tegen alle indrukken van het voorbeeld. Een voorbehoedmiddel is ook eene kostbare artsenij, en de geheele zedenleer heeft geen krachtiger, geen werkzamer, dan het belachelijke.quot; Lessing.

Vijfde druk. li

ocr page 178

162

verwikkeling, die tengevolge dezer inspanningen plaats grijpt,|dend is niet een strijd van hevigen, louterenden hartstocht, maar verl eene reeks van onaangename toestanden en belachelijke ver-jar 1 legenheden. De ontwikkeling wordt gewoonlij.k bewerkt doordacht, list, behendigheid of toegevendheid der elkaar weerstrevendeidldei personen en eindigt ten slotte met eene gelukkige gebeurtenis, 3 hoo terzijdestelling der geschilpunten, of, gelijk meestal geschiedt, 'orstei met een huwelijk, daar toch de met hindernissen worstelende Behi en eindelijk overwinnende liefde liet hoofdonderwerp van de lucht intrige uitmaakt. Teeuu

Tn weerwil van die comische buitenzijde ontbreekt niet aan er Sc het blijspel de ernst; het heeft ook eene diepere beteekenis, i*ocq eene hoogere waarde, dan zij er aan toekennen, die het Pietjt enkel als een middel tot aangename tijdkorting beschouwen. De ^ Het waarnemen van de bekrompenheden en de tegenstellingen, gt;un 6 de belachelijkheden en verkeerdheden bij de bont wisselende, levendige karakters van liet blijspel zal ons vaak die vreugdevolle gemoedstemming schenken, die de erkenning van het goede, ware en schoone vergezelt.

Hebben in het blijspel list en behendigheid den boventoon, dan ontstaat het verwikkelingstuk (comédie et intrigue) b. v. Bredero, Het Moortje; beoogt de dichter fijne karakter-teekening en tegenstelling bij personen en handelingen, dan ontstaat het karakterstuk (comédie de caraetèré), b. v. Bredero, De Spaansche Brabander: wil hij den eigen-aardigen toestand der maatschappij schetsen, dan ontstaat de zedenschildering {comédie de moeurs), b. v. Langen dijk, Spiegel der Vaderlandscle Kooplieden.

Een blijspel, dat met eenvoudige verwikkeling het volksleven trouw en soms ruw aanschouwlijk afschildert, heet eene klucht-, b. v. Hujgens, Trijntje Cornelis.

Enkel drama noemt men gewoonlijk een tooneelstuk, dat • het midden houdt tusschen tragedie en comedie. Het onderscheidt zich van de tragedie, doordien de held niet ondergaat, hetzij door liet verlaten van zijne ten verderve

ocr page 179

163

grijpt,kende richting, zonder daarbij evenwel onze belangstelling , maar verliezen, betzij door bet bereiken van het doel, waar-e ver- jar hij streefde, ten gevolge van zijne grootere zedelijke ;t doorlacht. Vermits het drama vooral den ernst des levens ivendeMildert, zonder het comische uit te sluiten, is het voor stellis,3 hoogste dichterlijke verheffing vatbaar; b. v. Multatuli, hiedt, 'orstenschool.

elende Behalve de reeds vermelde zijn als schrijvers van blijspel, an de lucht, of drama bekend: Hooft, (Warrmar); Coster, Teeuwis de Boer en Mej. van Grevelinekhuijsen; Tiishen van 3t aan er Schilden)-, Starter; Ogier; J an Vos; Bemagie; kenis. locquenbroch, Asselijn; O. Z. van Haren, e het Pietje en Ag nietje). P. Th. Hel vet ins van den Berg, awen. De Neven: De Nichten):, L. Mulder, {De Kiesvereeniging igen, ian Stellendijk)', enz.

snde,

agde-i het

;oon,

b. v.

kter-

dan '

. v.

gen-it de ijk,

ilks-heet

dat ^

Het |

niet ïrve

ocr page 180

162

verwikkeling, die tengevolge dezer inspanningen plaats grijpt, is niet een quot;strijd van hevigen, leuterenden hartstocht, maar eene reeks van onaangename toestanden en belachelijke verlegenheden. De ontwikkeling wordt gewoonlijk bewerkt door list. behendigheid of toegevendheid der elkaar weerstrevende personen en quot;eindigt ten slotte met eene gelukkige gebeurtenis, terzijdestelling der geschilpunten, of, gelijk meestal geschiedt, met quot;een huwelijk, daar toch de met hindernissen worstelende en eindelijk overwinnende liefde het hoofdonderwerp van de

intrige uitmaakt.

Tn weerwil van die comische buitenzijde ontbreekt niet aan het blijspel de ernst; bet heeft ook eene diepere beteekenis, eene hoogere waarde, dan zij er aan toekennen, die liet enkel als een raiddel tot aangename tijdkorting bescliouwen. Het waarnemen van de bekrompenheden en de tegenstellingen, de belachelijkheden en verkeerdheden bij de bont wisselende, levendige karakters van het blijspel zal ons vaak die vreugdevolle gemoedstemming schenken, die de erkenning van het goede, ware en schoone vergezelt.

Hebben in het blijspel list en behendigheid den boventoon, Jan ontstaat het verwikkelingstuk [comédie (Tintrigue) b. v. Bred er o, liet Moortje: beoogt de dichter fijne karakter-teekening en tegenstelling bij personen en handelingen, dan ontstaat het karakterstuk [comédie de caractere), b. v. Breder o, De Spaansohe Brabander; wil hij den eigen-aardigen toestand der maatschappij schetsen, dan ontstaat de zedenschildering [comédie de moeurs), b. v. Langen dijk, Spiegel der Vaderlandse/ie Kooplieden.

Een blijspel, dat met eenvoudige verwikkeling het volksleven trouw en soms ruw aanschouwlijk afschildert, heet eene klucht \ b. v. Huygens, Trijntje Cornelia.

Enkel drama noemt men gewoonlijk een tooneelstuk, dat het midden houdt tusschen tragedie en comedie. Het onderscheidt zich van de tragedie, doordien de held niet ondergaat, hetzij door het verlaten van zijne ten verderve

ocr page 181

163

leidende richting, zonder daarbij evenwel onze belangstelling te verliezen, hetzij door het bereiken van het doel, waarnaar hij streelde, ten gevolge van zijne grootere zedelijke kracht. Vermits het drama vooral den ernst des levens schildert, zonder het comische uit te sluiten, is het voor de hoogste dichterlijke verheffing vatbaar; b. v. Multatuli, Vorstenschool.

Behalve de reeds vermelde zijn als schrijvers van blijspel, klucht, of drama bekend: Hooft, (IF aren ar); Coster, [Teeuwis de Boer en Mej. van Grevelinckhuijsen; Tiisken van ' der Schilden); Starter; Ogier; Jan Vos; Bernagie; Eocquenbroch, Asselijn; O. Z. van Haren, {Pietje en Agnietje); P. Th. Helve tins van den Berg, {De Neven: l)e Nichten). L. Mulder, {Be Kiesvereeniging van Stellendijk)', enz.

ocr page 182

(V I ^ ^ Lf

ocr page 183

tv ■l-'-.!-,' ■,■ %■ ■• ,' ■ ■■ ■ J. •' ) • . , ■— ' ■ - 'C.j

':-'^:K y '.;z1' i ^;-D^ gt;'-4 ^ ■quot;-• quot;-'i

:,'■-3 : ■ fesSiï £ ■■■• ?.:' ;S t ;:■ .v^ïi

: T' #% ' quot;■ • ■■■■ • ;lt; ■ --•gt; .. CvV •;-1 ': ,v, V ■ -! ^ n

zv';'; • ;.v'. gt;gt;■ ■ .gt;:'^gt;'^

i ■ s ^ gt;'-• ^ • / .' ' i quot; ' / gt; -W • ' : S ; ; ■ ■ ■ » '?■: ^'. '\i 7 yt ■ . - . '.'^ ^v-,'

ISè^ '::1- ■ êquot;

gt; - ■Vv;gt; r.';. ^ ' ■■ ■ V

gt;} 'l'■■; ' -:7-quot;'- : ■■ ^C ■' ; ^4gt;;'v;; ^

• ■ • •. •r -' - .r--

■-s-: VV.vA-gt;s^

I /- - 'y 'mê - i,i r- m mm

■ %m 1 quot; * ï fes

■^.y: .■■ ». 'v ï \n!,r^

■ ■ .-rv ■ ■. ï; ^ ■ ■:.'.■ • gt; ' fk'-J r quot;

ocr page 184
ocr page 185
ocr page 186