0839 6875
Johannes Calvijn.
UITLEGSIRG
OP DE
ZENDBRIEVEN VAN PAÃLÃ8
AAN DE
Efeziërs, Filippensen en Colossensen.
Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. D., in de tegenwoordige spelling,
DOOR
A. M. DONNER.
I ^
TE LEIDEN BIJ D. DONNER. 1890.
DE INHOUD
VAN DEN
ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN DE
EFEZIÃRS.
Het is genoeg bekend, dat Efeze een stad in Klein-Azie geweest is, om vele zaken zeer vermaard. Hoe nu de Heere Zich aldaar door Paulus' arbeid een volk verkregen heeft, en hoedanig het begin en de voortgang dier gemeente geweest is: dat verhaalt Lukas in de Handelingen der Apostelen. Ik zal hier alleen die dingen aanroeren, die tot den inhoud des briefs eigenlijk dienen. Paulus had de Efe-ziërs onderwezen in de zuivere leer des Evangelies, en toen hij te Rome gevangen was, en zag dat hun bevestiging en versterking noodig was, zoo heeft hij hierom dezen tegenwoordigen brief geschreven. In de eerste drie hoofdstukken is hij voornamelijk in de aanprijzing der genade Gods bezig. Want terstond in het begin des Eersten hoofdstuks, na de groetenis, handelt hij van de genadige verkiezing Gods, opdat zij bekennen, dat zij nu tot het rijk Gods geroepen zijn, omdat zij tot het leven verordend waren, eer zij geboren waren. Hier schittert de wondervolle barmhartigheid Gods, dat de zaligheid der menschen uit de genadige aanneming, als uit de ware en natuurlijke fontein vloeit. En dewijl der menschen vernuft te plomp is om zulke hooge verborgenheid te vatten, zoo wendt hij zich tot het gebed, opdat God de Efeziërs tot volkomen kennis van Christus verlichte. In het Tweede hoofdstuk brengt hij zich weder in gedachtenis hoe ellendig zij geweest zijn, eer zij tot Christus geroepen waren, om alzoo door vergelijking, de grootheid der genade te verheffen. Want wij gevoelen nimmer genoeg, hoeveel wij Christus schuldig zijn, noch overleggen genoeg, hoe groot zijne weldaden aan ons zijn, tenzij ons daartegen voor oogen gesteld wordt, hoe ongelukkig onze toestand buiten Hem is. De andere verheffing is, dat de heidenen vreemd waren van de beloften des eeuwigen levens, welke God verwaardigd had den Joden alleen te geven. In het Derde hoofdstuk leert hij, dat zijn apostelambt bijzonder den heidenen is verordend, opdat degenen, die lang vreemd geweest waren, nu in het volk Gods ingeplant worden, en dewijl het een ongewone zaak was, en door haar nieuwigheid veler harten beroerde, zoo noemt hij het een verborgenheid, die van eeuwigheid aan is
6
bedekt geweest, doch welker uildeeling bevolen was. Bij het einde des hoofdstuks bidt hij wederom, dat God de Efeziërs met grondig verstand van Christus begave, opdat zij niets anders begeeren te weten. Het einde is, niet alleen dat zij aan zoo vele weldaden gedachtig, zich Gode dankbaar betoonen, en dat betuigen door zich geheel aan God toe te wijden, maar meer om hun allen twijfel over zijn beroeping te ontnemen. Want het is waarschijnlijk, dat Paulus gevreesd heeft, dat de valsche apostelen hun geloof zouden beroeren, alsof zij niet meer dan half onderwezen waren. Want zij waren heidenen geweest, en toen zij het zuiver Christendom aangenomen hadden, hadden zij niet gehoord van de besnijdenis, noch van de ceremoniën. En die de Christenen tot de wet drongen, dezen riepen dat allen onheilig waren, die niet door de besnijdenis Gode waren gewijd. Want dit was hun gemeen liedeken, dat niemand onder het volk Gods moest gerekend worden, anders dan die besneden was. Insgelijks, dat men alle ceremoniën door Mozes geboden, moest houden. Daarom lasterden zij Paulus, dat hij Christus zoowel den heidenen als den Joden gemeen maakte, en riepen dat zijn apostelambt een ontheiliging was der hemelsche leer, omdat hij het verbond der genade aan de onreine menschen zonder onderscheid voorstelde. Opdat nu de Efeziërs met zulke lasteringen bezwaard, niet verflauwden, heeft hij hun willen te hulp komen. Als hij dan zoo naarstig handelt, dat zij daarom tot het Evangelie zijn geroepen geweest, omdat zij uitverkoren waren vóór de schepping der wereld, zoo verbiedt hij daarentegen te denken, dat het Evangelie lichtvaardig door 's menschen wil tot hen gebracht, of bijgeval tot hen gevlogen is, dewijl de verkondiging van Christus bij hen niet anders geweest is, dan een openbaring van het eeuwige voornemen Gods. Als hij den ongelukkigen staat des vorigen levens voor oogen stelt, zoo vermaant hij tevens, dat het een zeldzaam en wonderlijke barmhartigheid Gods geweest is, dat zij uit zulk een diepen kolk zijn behouden geworden. Als hij spreekt van het apostelambt, dat hem onder de heidenen bevolen is, zoo bevestigt hij hen in het geloof, dat zij eenmaal aangenomen hadden, dewijl zij van God tot de gemeenschap der gemeente waren aangenomen. Hoewel, alle uitspraken die men hier leest, zijn evenzoovele vermaningen, waardoor de Efeziërs tot dankbaarheid behoorden verwekt te worden. In het Vierde hoofdstuk beschrijft hij door wat middel de Heere zijn gemeente regeert en beschermt, te weten, door het Evangelie, dat door de menschen verkondigd wordt. Waaruit volgt, dat zij niet anders in haar geheelheid bewaard kan worden, en dat dit het doelwit der ware volmaaktheid is. Zoo dan, het voornemen des apostels is, den dienst, waardoor God onder ons regeert, den Efeziërs te bevelen. Daarna komt hij tot de vruchten der prediking, te weten, tot onschuld en heiligheid, en alle werken der godzaligheid: en gebiedt niet alleen in 't gemeen, hoedanig het leven der Christenen behoort te zijn, maar mengt daaronder ook bijzondere geboden, die aan elks bijzondere roeping hangen.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Paulus, een apostel van Jezus Christus door den wil Gods, allen Eom. i: 7. heiligen, die te Efeze zijn, en den geloovigen in Christus Jezus; 1 Cor' 1'2'
2 Genade zii u en vrede van God onzen Vader, en den Heere 'H1.' 1; 3; . Jezus Christus. IPetr. 1:2
3 Geloofd zii de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, 2 Cor- 1:3-
1 Pötr I'S*
die ons gezegend heeft in alle geestelijke zegening, in hemelsche [goederen in] Christus.
4 Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem vóór de schepping der Jok- is wereld, opdat wij zouden zijn heilig en onbostraffelijk voor Hem Luk. i: 75. ' door de liefde. 2 quot;Tim. 1:9.
5 Die ons tevoren verordend heeft tot de aanneming door Jezus Tit. 2:12. Christus in Ziohzelven, naar het welbehagen van zijnen wil.
6 Tot lof der heerlijkheid zijner genade, door welke Hij ons aangenaam geacht heeft in den Beminde. Matt. 3:17.
UITLEGGING.
1 T-^vaulus, een apostel. Dewijl hij in alle brieven bijna denzelfden, r-'of althans niet veel verscheiden vorm der groeting gebruikt:
zoo ware het tevergeefs hier te herhalen wat elders gezegd is. Hij noemt zich een apostel van Jezus Christus, want allen, wien de 2 Cor. 5:19, dienst der verzoening bevolen is, bedienen voor Hem boodschap en 20' gezantschap. Hoewel, de naam apostel is een bijzondere naam: want niet elk dienaar des Evangelies is terstond ook een apostel, gelijk wij hierna zullen zien, hfdst. 4: 11, maar over deze zaak is meer gesproken tot de Galaten. Hij voegt daarbij: Door den wil Gods;
want niemand moet zich die eer aannemen, maar men moet de roeping Gods verwachten, welke alleen rechte dienaars maakt, en alzoo stelt hij de autoriteit Gods tegen het mompelen der onge-geschikte menschen, en snijdt de oorzaak van lichtvaardig gekijf af.
Heiligen, noemt hij, die hij daarna noemt geloovigen in Christus:
zoo dan, er is niemand geloovig anders dan die ook heilig is: en wederom is niemand heilig, anders dan die geloovig is. Het mee-rendeel der Grieksche handschriften heeft niet het woordje allen,
hetwelk ik nochtans niet heb willen uitwisschen, want anders had men het toch daarbij moeten verstaan.
3 Geloofd zjj de God. Hij verheft grootelijks de genade Gods aan de Efeziërs, om hunne harten tot dankbaarheid te verwekken, ja geheel te ontvlammen, te bezetten en te vervullen met deze gedachten: want zij, die zulke overvloedige goedheid Gods aan hen bewezen, erkennen, zoodat hun niets ontbreekt tot grondige vol-
EFEZE 1: 4, 5.
daartegen, dat de heiligheid des levens verkeerd afgescheiden wordt van de genade der verkiezing; want God roept en rechtvaardigt dezelfden, die Hij verkoren heeft. Voorts, dat voorheen de Katharen, Coelestinen en Donatisten, uit deze woorden besloten, dat wij in dit leven kunnen volmaakt zijn, heeft geen gewicht. Want dit is de eindpaal, waarnaar wij met den ganschen loop onzes levens ons uitstrekken; zoo dan, wij zullen nimmer daartoe komen, dan als wij onzen loop volbracht hebben. Waar zijn zij, die de leer der praedestinatie verfoeien, en vlieden gelijk een doolhof, waar men niet uit kan komen, ja, die ze niet alleen onnut, maar bijna schadelijk achten ? Daar is geen stuk der leer, dat nutter is, mits het behoorlijk en gematigd behandeld wordt, te weten, gelijk het hier door Paulus behandeld wordt, als hij de onmetelijke goedheid Gods, daarin aan te merken, ons voor oogen stelt, en tot dankzegging verwekt. Want dit is de ware fontein, waaruit de kennis der barmhartigheid Gods moet geput worden; want of de menschen in alle andere dingen uitvluchten kunnen vinden, zoo wordt hun de mond gestopt door de verkiezing, zoodat zij niets durven noch kunnen aan zich trekken. Maar wij moeten bedenken, waarom Paulus hier handelt van de praedestinatie, opdat wij niet gevaarlijk dwalen in onze disputatiën, door op andere einden te zien. Voor Hem door de liefde. De heiligheid voor de oogen Gods, is heiligheid der reine conscientie; want Hij wordt met den uitwendigen schijn niet bedrogen, gelijk de menschen, maar Hij ziet het geloof aan, dat is, de waarheid des harten. Indien men het woord liefde op God duidt, zoo zal de zin wezen, dat God alleen door de liefde, die Hij tot het menschelijk geslacht draagt, is bewogen om ons te verkiezen. Doch het behaagt mij 't best, dat men het tot het naaste voege, zoodat daardoor geleerd worde, dat de volkomenheid der geloovigen in de liefde gelegen is; niet dat God alleen liefde eischt, maar omdat zij een bewijs der vreeze Gods, en der gehoorzaamheid der gansche wet is.
5 Die ons tevoren verordend heeft. Wat hier volgt, vermeerdert nog meer den lof der Goddelijke genade. Wij hebben gezegd tot wat einde Paulus zoo naarstig de Efeziërs Christus geleerd heeft, en de genadige aanneming in Hem, en de eeuwige verkiezing die voorgegaan is. Maar dewijl er geen plaats is, waarin de barmhartigheid Gods luider gepredikt wordt, zoo is zij waardig, dat wij haar vooral aanmerken. In deze plaats heeft hij drie oorzaken onzer zaligheid uitgedrukt, en de vierde zal hij weinig hierna stellen. De werkende oorzaak is het welbehagen van den Goddelijken wil, de materiëele oorzaak is Christus, de eindoorzaak is de lof der genade. Laat ons nu zien wat hij van elke oorzaak zegt. Tot de eerste dient dit geheel; God heeft in Zichzelven naar het welbehagen zijns willens ons gepraedestineerd of tevoren verordend tot aanneming, en door zijn genade aangenaam geacht In het woord praedesti-neeren, moet men wederom de orde aanmerken; Wij waren toen nog niet, zoo hadden wij toen dus geen verdienste; zoo is dan de oorzaak onzer zaligheid niet van ons gekomen, maar van God alleen. Nochtans, Paulus hiermede niet tevreden zijnde, voegt er bij; In Zichzelven, waarmede hij beduidt, dat God niet buiten Zichzelven oorzaak gezocht, maar dat Hij ons gepraedestineerd heeft, omdat Hij het alzoo wilde. Maar nog klaarder is wat daar volgt; Naar het
10
EFEZE 1 :5â7.
welbehagen van zijnen wil. De wil was genoeg: want Paulus pleegt dien te stellen tegen alle uitwendige oorzaken, waardoor men gewoonlijk meent, dat God verwekt wordt. Maar opdat er geen twijfeling zoude blijven, zoo heeft hij het welbehagen daartegen gesteld: welk woord duidelijk alle verdiensten uitsluit. Zoo dan, als de Heere ons aanneemt, zoo ziet Hij niet aan hoedanig wij zijn,
noch wordt ons gunstig door eenige waardigheid onzes persoons:
maar het eeuwig welbehagen, waarmede Hij ons gepraedestineerd heeft, is Hem de eenige oorzaak. Hoe schamen de sophisten zich niet, dat zij eenig ander aanzien daaronder mengen, dewijl Paulus zoo naarstig verbiedt, iets anders aan te zien dan het welbehagen Gods alleen? Ten laatste, opdat er niets ontbreke, heeft hij daarbij gevoegd: Hij heeft ons aangenaam geacht in den Beminde,
waarmede hij beduidt, dat God ons aanneemt, en reeds aangenomen acht door genadige en niet door gekochte liefde: gelijk Hij degenen,
die nog niet geboren waren, verkoren heeft, door niets anders dan door Zichzelven verwekt zijnde. Doch Christus, dien hij den Beminde noemt, stelt hij tot een materiëele oorzaak, zoowel der eeuwige verkiezing, als der liefde die nu geopenbaard is, opdat wij weten, dat de liefde Gods door Hem in ons uitgestort wordt. Zoo dan. Hij is de Beminde, opdat Hij ons verzoene. Het hoogste en uiterste einde stelt hij terstond daarbij, te weten, den heerlijken lof zijner zoo groote genade. Zoo wie dan deze eer verduistert,
die zoekt den eeuwigen raad Gods te verduisteren: zoodanig is de leer der sophisten, welke alles onderste boven keert, opdat de gansche eer onzer zaligheid niet ganschelijk den eenigen God toegeschreven worde.
7 In welken wij hebben verlossing door zijn bloed, de vergeving Hand. 20:28. der zonden, naar den rijkdom zijner genade. Hebr. '9:12.
8 Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijs- 1 Petr-1:19-beid en voorzichtigheid:
9 De verborgenheid van zijnen wil ons geopenbaard hebbende, g6:26quot; naar zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelven, Col. 1:26.
10 Tot uitdeeling ter volheid des tijds : om alles wederom bijeen 1te verzamelen in Christus, alzoowel dat in den hemel, als dat 1 Petr. 1:20.
J J â ⢠TT Gen. 49:10.
op de aarde is in Hem. Dan. 9.21.
11 Door welken wij ook tot gemeenschap aangenomen zijn, ge-praedestineerd naar Diens voornemen, die alles volbrengt naar den raad van zijnen wil.
12 Opdat wij zouden zijn tot prijs zijner heerlijkheid, wij die tevoren in Christus gehoopt hebben.
11
1
dat wij daarom verlost zijn, omdat de zonden ons niet toegerekend worden. Want daaruit is de onverdiende rechtvaardigheid, waardoor
EFEZE 1:7â9.
wij Gode aangenaam zijn, door welke wij van de banden des duivels en des doods verlost worden. Zoo moet men dan deze woorden naarstig aanmerken, waardoor de wijze der verlossing ons beschreven wordt: want zoolang wij voor het oordeel Gods schuldig blijven, zoolang zijn wij met ellendige banden gebonden: en daarom is de verlossing van de verdoemenis, een onuitsprekelijke vrijheid. Naar den rijkdom. Wederom komt hij tot de werkende oorzaak, te weten, dat Christus ons daarom tot een verlosser gegeven is, omdat God mild is in het goeddoen. Het woord rijkdom, stelt hij hier tot verheffing, gelijk ook het woord overvloedig zyn. Zoo kwalijk kan hij in het verheffen en prijzen der Goddelijke goedheid, zichzelven genoegdoen, dat hij het gansche hart en gemoed der menschen, in de verwondering daarover verslindt; en och, of der menschen harten ganschelijk waren doortrokken geweest met dezen rijkdom der genade, die hij prijst! want de gedichtselen van de verzoening zouden geen plaats gevonden hebben, noch ook dergelijke beuzelingen, waardoor de wereld geloofd heeft, dat zij zichzelve verloste: alsof het bloed van Christus uitdroogde, wanneer het geen bijkomende hulpmiddelen had.
8 In alle wijsheid. Nu komt hij tot de formeele oorzaak, te weten, tot de verkondiging des Evangelies, door welke de goedheid Gods in ons overvloedig is; want door het geloof worden wij Christus deelachtig, door Wien wij tot God komen, en door Wien wij de weldaad der aanneming genieten. Voorts, het Evangelie versiert hij met sierlijke titels, te weten, der wijsheid en voorzichtigheid, opdat de Efeziërs alle tegenovergestelde leeringen verachten. Want de valsche apostelen gaven zichzelven bedektelijk voor met deze verf, te weten, dat zij iets hoogers voortbrachten dan de eerste beginselen, die Paulus geleerd had. En de duivel zoekt het Evangelie te verkleinen, om alzoo ons geloof te verzwakken. Daarentegen wordt de autoriteit des Evangelies van Paulus bevestigd, opdat de geloovigen gerustelijk daarop steunen. Als hij zegt: Alle wysheid, daarmede beduidt hij volkomene en volmaakte wijsheid. En dewijl sommigen door de nieuwigheid verschrikt waren, zoo wil hij ook deze dwaling intijds voorkomen, als hij ze noemt de verborgenheid van den Goddelijken wil: doch zulk een verborgenheid, als die God nu heeft willen openbaren. En gelijk hij tevoren de oorzaak der verkiezing aan het welbehagen Gods heeft toegeschreven, alzoo stelt hij ook nu dezelfde oorzaak in de roeping, opdat de Efeziërs bekennen, dat Christus hun geopenbaard, en het Evangelie gepredikt is, niet omdat zij zoo iets verdiend hebben, maar omdat het Gode behaagd heeft.
9 Dat Hjj voorgenomen had in Zichzelven. Tot uitdeeling. Hij heeft voorzichtig elk ding naar zijn orde gevoegd. Want wat is er behoorlijker, dan dat Gode alleen zijne raadslagen bekend zijn, welke den menschen verborgen zijn, zoolang Hij ze bij Zich wil bedekt houden? Insgelijks, dat het in zijn goeddunken en macht is een tijd te stellen, wanneer zij den menschen zullen geopenbaard worden? Zoo leert hij dan dit beide, te weten, dat dit voornemen van de aanneming der heidenen duslang in Gods gemoed verborgen is geweest: doch alzoo, dat Hij het bij Zich zou houden tot den tijd der openbaring. Zoo iemand nu klaagt, dat het een nieuw en ongewoon ding is, dat die tot de gemeente aangenomen
12
EFEZE 1:9â11.
worden, die van God vreemd waren, doet die niet onbehoorlijk, die niet toelaat dat God meer weet dan de menschen ? En opdat niemand vrage, waarom Hij het meer nu, dan op een anderen tijd geopenbaard heeft, zoo voorkomt hij deze nieuwsgierigheid als hij het noemt, een tijd van God verordend. Volheid des tyds, dat is, rijpe en bekwame tijd; gelijk aan de Galaten, hfdst. 4:4. Zoo dan, laat de menschelijke stoutheid zichzelven bedwingen, en in het overwegen der verandering der dingen zichzelven der voorzienigheid Gods onderwerpen. Tot ditzelve dient ook het woord uitdeeling: want de behoorlijke toediening aller dingen hangt aan het oordeel Gods.
10 Om alles wederom bijeen te verzamelen. De oude overzetter heeft wederoprichten. Erasmus heeft; In e'én begrip of somma te zamen gebracht worden. Ik heb liever de eigene beteekenis van het Grieksche woord behouden, omdat zij beter in 't verband diende. Want Paulus heeft naar mijn oordeel willen leeren, dat alles buiten Christus verstrooid en verwoest, door Hem wederom terecht gebracht is. En voorwaar, wat kan men buiten Christus in de wereld zien, dan bloote ruïnen? Want dewijl wij door de zonde vervreemd zijn van God, hoe is het mogelijk, dat wij niet ellendig verstrooid en verscheiden zijn. Want de rechte stand der schepselen is, dat zij aan God hangen. De apostel zegt, dat zulk eene verzameling, waardoor wij wederom in welgeschikte orde gesteld worden, door Christus geschied is. Want als wij ons in zijn lichaam vereenigen, zoo worden wij met God, en onderling met elkander vereenigd; eindelijk, zonder Christus is de gansche wereld als een ongeschikt ding en gruwelijke vermenging. Christus alleen verzamelt ons in eene ware eenigheid. Doch waarom stelt hij ook de hemelsche schepselen in dit getal? Want de engelen zijn nooit van God gescheiden geweest, en alzoo ook niet verstrooid. Sommigen leggen het aldus uit, dat de engelen daarom gezegd worden verzameld te zijn, omdat de menschen met hen vereenigd zijn, zoodat zij beiden te zamen met God vereenigd, in deze zalige eenigheid, gemeene zaligheid hebben: gelijk wij plegen te zeggen, dat het geheele huis wederopgericht is, dat in vele stukken gevallen of bouwvallig was, ofschoon nog sommige stukken geheel stonden. Dit is wel waar: nochtans mogen wij wel zeggen, dat ook de engelen wederom verzameld zijn geweest, niet uit de verstrooiing, maar ten eerste opdat zij volmaakt en vast God aanhangen; ten andere, opdat zij een eeuwigen stand behouden. Want wat overeenkomst heeft het schepsel met den Schepper, zoo er geen Middelaar tusschen is? Zooverre zij schepselen zijn, ware het dat zij door de weldaad van Christus niet verlost waren, zoo zouden zij der verandering en afwijking onderworpen, en alzoo niet eeuwig zalig zijn. Wie zal dan ontkennen, dat zoowel de engelen als de menschen, door de genade van Christus tot een vaste orde zijn gebracht? Want de menschen waren verloren, en de engelen waren niet buiten gevaar. Zoo dan, Christus heeft ze beiden in één lichaam verzamelende, met God den Vader vereenigd, opdat er een ware harmonie en overeenstemming zou zijn in den hemel en op de aarde.
11 Door welken wy ook. Nu begint hij een splitsing te maken. Hij heeft tot nu toe gesproken van alle uitverkorenen in 't gemeen, nu spreekt hij van zich en van de Joden, of zoo gij dit liever hebt,
13
EFEZE 1:11, 12.
van allen, die zooveel als eerstelingen des Christendoms waren; daarna komt hij tot de Efeziërs. En dit dient niet weinig tot hun bevestiging, (ik spreek van de Efeziërs) dat hij ze rekent met zich, en met de andere geloovigen, die als eerstgeborenen in de gemeente waren, alsof hij zeide: Gij hebt eenerlei staat met al de godzaligen, want wij, die God in de eerste plaats geroepen heeft, schrijven dat toe aan zijne eeuwige verkiezing. Alzoo leert hij, dat zij allen, van den eerste tot den laatste, (gelijk men spreekt) zaligheid verkregen hebben door enkel genade: want zij zijn uit genade, naar de eeuwige verkiezing aangenomen geweest. Die alles volbrengt. Men moet deze beschrijving aanmerken, waarmede hij God beschrijft alles alzoo door zijn eigen raad doende, dat Hij den mensch niets laat: zoo laat hij dan de menschen geen deel in dezen lof hebben, alsof zij uit zichzelven iets daartoe deden. Want God ziet niets aan buiten Zichzelven, waardoor Hij zou bewogen worden om ons te verkiezen, dewijl alleen het voornemen van zijn eigen wil de oorzaak der verkiezing is, ja de innerlijke oorzaak, (gelijk zij ze noemen) waarmede de dwaling, ja razernij dier menschen wederlegd wordt, die niet ophouden tegen den raad Gods te snateren, tenzij zij de oorzaak en reden in de werken Gods zien. Wederom verhaalt hij het einde: Opdat wü zijn zouden tot prijs. Want de heerlijkheid Gods wordt dan eerst in ons verklaard, als wij niet anders zijn dan vaten zijner barmhartigheid. En het woord heerlijkheid, beduidt bijzonder die heerlijkheid, die in de goedheid Gods haren schijn geeft. Want niets is Hem eigener, waarin Hij wil verheerlijkt en geprezen worden, dan zijne goedheid.
13 In welken gij ook het woord der waarheid, namelijk, het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebbende, [gehoopt hebt:] in welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, verzegeld zijt door den Heiligen Geest der belofte:
14 Die de voorpenning onzer zaligheid is, tot verlossing der ver-kregene bezitting, tot lof zijner heerlijkheid.
Hier stelt hij de Efeziërs als metgezellen bij zich en de anderen, die als eerstelingen waren: want hij zegt, dat zij desgelijks in Christus gehoopt hebben. En het dient hiertoe, opdat hij bewijze, dat zij beiden eenerlei geloof hebben. Daarom moet het woord hopen, hier herhaald worden. Daarna stelt hij, hoe zij tot die hope gebracht zijn, te weten, door de verkondiging des Evangelies. Hij versiert het Evangelie met tweeërlei lof, te weten, dat het is een woord der waarheid, en dat het den Efeziërs een instrument der zaligheid is geweest. Deze twee dingen moet men naarstig aanmerken: want dewijl de duivel niets meer zoekt, dan om verachting des Evangelies of twijfeling in onze harten te brengen, zoo wapent Paulus ons hier met twee schilden, om daarmede beide deze kwellingen te verdrijven. Zoo laat ons dan leeren deze getuigenissen te stellen tegen alle twijfelingen, te weten, dat het Evangelie niet alleen is een zekere waarheid, die niet kan bedriegen, maar dat het ook door uitnemendheid is genoemd het woord der waarheid, alsof daarbuiten eigenlijk geen waarheid ware. Bovendien, opdat wij nimmermeer met eenige verachting noch walging gekweld worden, zoo laat ons bedenken, welke zijne kracht en vrucht is, dat het ons
14
Rom. 8:15. 2 Cor. 1:22; 5:5.
Ef. 4 :30. Ex. 19:5. Deut. 7:6; 14:2; 26:18. 1 Petr. 2 : 9.
EFEZE 1 : 13.
zaligheid aanbrengt; gelijk hij ergens leert, dat het is een kracht Rotn-i:i6. Gods, den geloovigen tot zaligheid. Hoewel, hij drukt hier meer uit: want hij beduidt, dat de Efeziërs dit bevonden hebben, dewijl zij de zaligheid zijn deelachtig geworden. Zoo zijn dan die men-schen ellendig, die door vele omloopingen dwalende, zichzelven vermoeien, gelijk de wereld ten meesten deele het Evangelie verachtende, een behagen heeft in dwalende gedichtselen; want zij zullen lang leerende, nimmermeer tot de kennis der waarheid ko-2ïim-3;7-men, noch het leven vinden. Maar die zijn zalig, die het Evangelie aangenomen hebbende, standvastig daarin blijven, dewijl het de ontwijfelbare waarheid en het leven is.
13 In welken gij ook, nadat gij geloofd hebt. Dit is een bewijs van die vastigheid, die hij aan het Evangelie toegeschreven had. Want door wat bekwamer borg kan het Evangelie bevestigd worden, dan door den Heiligen Geest? Zoo is dan dit zooveel alsof hij gezegd had: Dat ik het Evangelie genoemd heb het woord der waarheid, zal ik u niet bevestigen met menschelijk gezag: want gij hebt den Geest Gods zeiven tot een auteur, die de zekerheid daarvan in uwe harten verzegelt. Het is een schoone gelijkenis, genomen van de zegelen, waardoor de twijfel onder de menschen wordt weggenomen. Want door de zegelen worden de koninklijke brieven en testamenten geloofwaardig gemaakt. Ook was voortijds het zegel het voornaamste merk, waardoor de brieven, die de eene vriend aan den anderen schreef, bekend werden. Eindelijk, het zegel is een merk, waardoor de zekere en echte dingen onderscheiden worden van de vervalschte en bedriegelijke. Dit ambt schrijft hij den Heiligen Geest toe, niet alleen hier, maar ook hierna in het vierde hoofdstuk, gelijk ook 2 Cor. 1 ; 26. Want wij behouden zulke vastigheid in onze harten niet, dat de waarheid Gods tegen alle verzoekingen des duivels, bij ons de overhand hebbe, tenzij de Heilige Geest ons daarin bevestigt. Zoo dan, de ware zekerheid, die de geloovigen hebben van het Woord Gods, van hun zaligheid en van den ganschen godsdienst, is niet uit het gevoelen des vleesches,
noch uit menschelijke of philosophische redenen, maar uit de verzegeling des Geestes, welke hunne conscientiën alzoo verzekert, dat Hij allen twijfel wegneemt. Want het fundament des geloofs zou vergankelijk en onvast zijn, zoo het op menschelijke wijsheid gegrond ware: daarom, gelijk de prediking een fundament des geloofs is,
alzoo maakt de Heilige Geest, dat de prediking krachtig is. Maar het schijnt, dat hij hier de verzegeling des Geestes stelt onder het geloof, hetwelk zoo het waarachtig is, zoo gaat het geloof vóór deze verzegeling. Ik antwoord, dat daar tweeërlei vrucht des Geestes is in het geloof, gelijk het geloof voornamelijk in twee stukken gelegen is; want het verlicht de harten, en bevestigt het gemoed. Het begin des geloofs, is kennis; de volbrenging is een zeker en standvastig gevoelen, dat geenerlei twijfel toelaat. Beide is een werk des Geestes, gelijk ik gezegd heb. Daarom is het geen wonder, dat Paulus zégt, dat de Efeziërs niet alleen de waarheid des Evangelies door het geloof ontvangen hebben, maar dat zij daarin zijn bevestigd door het zegel des Heiligen Geestes. Hierom noemt hij Hem: den Geest der belofte, te weten om de vrucht. Want Hij maakt,
dat de belofte der zaligheid ons niet tevergeefs aangeboden wordt;
want gelijk God door zijn Woord belooft, dat Hij ons een Vader
15
EFEZE 1 ; 13, 14.
zal wezen, alzoo geeft Hij ons door zijnen Geest getuigenis zijner aanneming.
14 Die de voorpenning. Dit woord gebruikt hij ook tweemaal in 2 Cor. 1:22; den Tweeden zendbrief aan de Corinthiërs, in het eersteen vijfde hoofd-B:5, stuk. Dit is een gelijkenis genomen van handelingen, die door het ge
ven van voorpenning alzoo bevestigd worden, dat daar geen tijd meer is om te veranderen. Alzoo als wij den Geest Gods ontvangen hebben, zoo houden wij de beloften Gods voor zeker en vast, en vreezen geen gevaar van herroeping; niet omdat de beloften Gods in zich-zelven zwak zijn, maar omdat wij nimmermeer gerust daarop steunen, dan als wij door het getuigenis des Geestes bevestigd zijn. Zoo is dan de Geest ons een voorpenning onzer erfenis, dat is, des eeuwigen levens, tot verlossing, dat is, totdat de dag der volkomene verlossing komt. Want zoolang wij in de wereld zijn, dewijl wij onder de hope strijden, zoo is ons deze voorpenning noodig, maar als wij de bezitting zelve zullen hebben, zoo zal de noodwendigheid en het gebruik van voorpenning ophouden: want het teeken van den voorpenning geldt zoolang, totdat op beide zijden de handeling volbracht is. Daarom zal hij hierna hfdst. 4: 30 zeggen; Tot den dag der verlossing. Hij spreekt van den dag des oordeels. Want al is het dat wij nu door het bloed van Christus verlost zijn, zoo wordt nochtans de vrucht dezer verlossing nog niet gezien, dewijl het gansche schepsel nog Rom. 8:23. zucht, begeerende van de verdorvenheid verlost te zijn. Wij ook, die de eerstelingen des Geestes ontvangen hebben, wenschen om dezelfde verlossing, dewijl wij die nog niet verkregen hebben, anders dan in hope: maar wij zullen ze inderdaad genieten, als Christus tot het oordeel zal verschijnen. In dezen zin gebruikt Paulus het woord imi. 21:28. verlossing, Rom. 8:23. En Christus ook, als Hij zegt; Heft uwe hoofden op, uwe verlossing is nabij. Het Grieksche woord, dat wij overgezet hebben verkregene bezitting, beduidt niet het rijk der hemelen, of de zalige onsterfelijkheid, maar de gemeente zelve. En } dit is tot hun vertroosting daarbij gesteld, opdat het hun niet zwaar
zij hun verwachting te behouden tot den dag der komst van Christus, opdat zij het niet onredelijk achten, zoo zij de erfenis, die hun beloofd was, nog niet deelachtig zijn, dewijl dit lot aan de gansche gemeente gemeen is. Tot lof zijner heerlijkheid. Het woord lof, wordt hier gelijk een weinig tevoren, genomen voor verkondiging en verklaring. Zijn heerlijkheid kan somtijds bedekt of duister zijn, daarom zegt Paulus, dat God in de Efeziërs bewijzen zijner goedheid verklaard heeft, opdat zijn heerlijkheid geprezen, en openlijk geopenbaard wordt. Waaruit volgt, dat die nijdig en lasteraars der heerlijkheid Gods zijn, die de roeping der Efeziërs lasteren. Dat hij zoo dikmaals de heerlijkheid Gods meldt, moet niet } tevergeefs schijnen. Want van een zaak, die bovenmate is, kan men
niet te veel spreken. Voornamelijk heeft dit plaats in het prijzen der barmhartigheid Gods, welker gevoelen niemand die waarlijk godzalig is, met genoegzame woorden zal kunnen uitdrukken. Daarom zoo moeten alle godzalige tongen vaardig zijn, om zijnen lof te vertellen, en hunne ooren open zijn om zijnen lof gaarne te hooren. Want dit is zulk een stof, dat zoowel de engelen als de menschen, voor hare grootheid moeten uit den weg gaan, al is het dat zij allen hun welsprekendheid daarin gebruiken. Bovendien zullen wij aanmerken, dat er geen krachtiger wederlegging is om der goddeloozen
16
EFEZE 1 : 14â17.
mond te stoppen, dan zoo wij vertoonen, dat de heerlijkheid Gods van ons beschermd, en van hen verduisterd wordt.
15 Daarom, ook ik, van uw geloof in den Heere Jezus, en de Fil. i: 3. liefde tot alle heiligen gehoord hebbende, i Thess3! ⢠2
16 Houde niet op voor u te danken, uwer gedenkende in mijne -* Thess. 1:3. gebeden:
17 Dat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring,
in zijne kennis: (namelijk)
18 Verlichte oogen ivws verstands, opdat gij weet hoedanig de hoop zijner roeping zij, en hoedanig de rijkdom der heerlijkheid zijner erve zij in de heiligen.
19 En hoedanig de uitnemende groote mogendheid zij aan o.ns, die gelooven, naar de krachtige werking der mogendheid zijner Co1- 2:12-sterkte.
15 Daarom. Deze dankzegging is niet alleen een getuigenis dei-liefde jegens de Efeziërs, maar ook van het gevoelen, dat Paulus van hen had: want hij verblijdt zich alzoo voor God over hen, hetwelk hun zeer heerlijk was. Merk op, dat Paulus onder geloof en liefde,
als in e'én somma, de gansche volmaaktheid der Christenen vervat.
Hij zegt: Geloof in Christus, omdat Hij zelve het eigen doel en voorwerp des geloofs is. De liefde moet zich wel tot alle menschen strekken, maar hier worden bijzonder de heiligen gemeld, omdat een welgeschikte liefde vandaar begint, en daarna tot alle anderen strekt. Want zoo onze liefde op God moet zien, zoo moeten wij een iegelijk, hoe nader hij Gode is, zooveel te hooger graad in de liefde geven.
16 Uwer gedenkende. Bij de dankzegging stelt hij naar zijn wijze het gebed, opdat hij ze tot grooteren voortgang verwekke:
want beide was noodig, opdat de Efeziërs mochten verstaan, dat zij in den rechten loop waren, opdat zij ook niet tot eenige nieuwe leer afweken, en dat zij nochtans wisten, dat zij verder moesten gaan:
want er is geen gevaarlijker ding, dan zatheid der geestelijke goederen. Daarom, hoe groote uitnemendheid wij hebben, zoo laat altijd een begeerte om voort te gaan daarbij zijn. Maar wat wenscht Paulus den Efeziërs? te weten, den Geest der wijsheid, en de verlichting der oogen des harten. Maar hadden zij deze dingen niet? Ja, maar hun was ook voortgang en wasdom noodig, opdat zij met rijkeren Geest begaafd, meer en meer verlicht zijnde, vaster en volkomener behielden, wat zij nu hadden. Want de kennis der godzaligen is nimmermeer zoo klaar en volmaakt, dat hunne oogen nog niet als met eenig gebrek bevangen zijn, en door eenige duisterheid verhinderd worden. Maar laat ons elk woord bijzonder overleggen. Hij zegt: De God van onzen Heere Jezus Christus. Want daarom is de Zone Gods zelve mensch geworden, opdat Hij eenzelfde God
met ons zou hebben; gelijk Hij betuigt, zeggende: Ik vare op tot Joii. 20:17. mijnen God en uwen God. En hierom is Hij onze God, omdat Hij Christus' God is, wiens leden wij zijn: toch zullen wij bedenken,
17
dat dit van de menschelijke natuur te verstaan is, zoodat door zulke onderworpenheid zijn eeuwige Godheid niet verkleind wordt. Hij
2
Dl. IV.
EFEZE 1 ; 17â19.
noemt Hem ook: Den Vader der heerlijkheid, welke titel vloeit uit den voorgaanden: want het glorieuse vaderschap Gods geeft daarin zijnen schijn, dat Hij zijnen Zoon onzen staat heeft onder-worpen, opdat Hij door Hem onze God zou wezen. Als hij zegt; Den Vader der heerlijkheid, dat is te zeggen, den heerlijken Vader, naar het gebruik der Hebreeuwsche taal, gelijk bekend is: daarom kunnen deze twee titels niet ongeschikt te zamen gesteld worden, dat Hij is de heerlijke Vader van Christus, zoodat de naam Gods op zichzelf gelezen worde, wat mij niet mishaagt. De Geest der wijsheid en openbaring wordt genomen voor de genade zelve, welke de Heere ons door zijn Geest geeft: want het is een wijze van spreken, metonymia of woordverwisseling. Maar laat ons aanmerken, dat die dingen niet uit de natuur komen, die gaven des Geestes zijn: zoo blind zijn ons de oogen des harten, totdat zij van den Heere geopend worden. Het is dwaasheid en ónwetendheid, al wat wij gevoelen, totdat wij door den Geest onderwezen worden; eindelijk, de kennis der Goddelijke roeping gaat het begrip onzes vernufts te boven, totdat zij ons door de verborgen openbaring des Geestes Gods geopenbaard wordt. Waar wij overgezet hebben: In zijne kennis, daar kon men ook stellen: In zijns zelfs kennis, en beide dient zeer wel. Want wie den Zoon kent, die kent ook den Vader: doch ik heb het liever willen overzetten, gelijk het Grieksche woord eigenlijk beduidt. De oude overzetter heeft gesteld: De oogen uws harten, 'twelk in sommige Grieksche handschriften gelezen wordt: en er is niet veel aan gelegen, dewijl de Hebreen het dik-maals voor een deel der redelijke ziel stellen, hoewel het anders eigenlijk den wil, of een deel der begeerlijke ziel beduidt, dewijl het de zitplaats der bewegingen is: nochtans heb ik liever het meest gebruikelijke gesteld.
18 Hoedanig de rijkdom. Hij prijst de uitnemendheid der zaak, opdat wij door de vergelijking vermaand worden, hoe onbekwaam wij zijn tot zulke hooge kennis: want de kennis Gods is geen kleine zaak. En hij zegt, dat hare grootheid aan de Efeziërs is bewezen, en dat niet eenvoudig, maar overvloedig. Voorts, hij arbeidt altijd hen te vermanen, dat zij hunne roeping waarnemen. Daarom verheft hij de genade Gods aan hen, opdat zij niet door verachting of walging achterwaarts treden. Maar intusschen worden wij door zulke schoone lofwoorden vermaand, dat het geloof niet een klein werk en gave Gods is, en dat het niet genoeg naar waarde kan geprezen worden. Want Paulus wil geen hyperbolische wijzen van spreken uitslaan zonder grond: maar als van het geloof gesproken wordt, zoo heft hij ons op tot verwondering der hemelsche mogendheid, omdat de zaak hooger is dan de wereld.
19 Naar de krachtige werking. Dit voegen sommigen alleen tot het voorgaande woord gelooven, maar ik wil het liever voegen tot de grootte der mogendheid, zoodat het een nieuwe bijstelling en verheffing is: alsof hij zeide, dat in die grootheid der mogendheid geopenbaard is hoe groot de krachtige werking der mogendheid zijner sterkte geweest is: of, zoo iemand dit liever heeft, dat die grootheid der mogendheid is geweest een voorbeeld en bewijs der krachtige werking zijner sterkte. Wij zien, hoe Paulus zichzelven nimmermeer genoeg doet in het prijzen onzer roeping. En voorwaar, de wonderlijke kracht Gods vertoont zich hier, als wij van den
18
EFEZE 1 : 19, 20.
dood gebracht worden tot het leven, en van kinderen der hel gemaakt worden kinderen Gods, en erfgenamen des eeuwigen levens. De dwaze menschen meenen, dat te dezer plaatse een koude hyperbolische wijze van spreken is, maar die in menigerlei strijden der conscientie, waarmede de geloovigen dagelijks bevochten worden, geoefend zijn, bekennen lichtelijk, dat hier niet meer gezegd wordt dan het betaamt. Want dewijl men naar de waardigheid der zaak niet te veel kan zeggen, zoo heeft Paulus eensdeels om ons mistrouwen, en eensdeels om onze ondankbaarheid, zoo hoog daarvan gesproken. Want wij overleggen nimmermeer genoegzaam, hoe groot de schat is, die ons in het Evangelie voorgesteld wordt; of,
zoo wij het waarlijk gevoelen, zoo kunnen wij onszelven niet wijs maken, dat wij dien deelachtg zijn; omdat wij in ons niets zien wat daarmede overeenkomt, maar veelmeer alles daartegen. Zoo dan,
Paulus heeft zoowel daarin gearbeid, om de heerlijkheid van het rijk van Christus bij de Efeziërs te verheffen en te prijzen, als om een ernstig gevoelen der genade Gods in hunne harten te brengen.
En opdat zij niet door het aanzien hunner eigene onwaardigheid den moed verloren zouden geven, zoo roept hij ze terug tot de beschouwing der mogendheid Gods: alsof hij zeide, dat hun wedergeboorte een werk Gods is, en geen klein werk, maar zulk een werk, waarin Hij zijn onuitsprekelijke kracht wonderlijk verklaard heeft. Voorts, onder deze drie woorden, die hij hier gesteld heeft,
is dit onderscheid: Dat sterkte zooveel is als de wortel, en de mogendheid de boom, en de krachtige werking de vrucht: want het is een uitstrekking van den arm Gods, welke tot het werk komt.
20 Dewelke Hij in Christus bewezen heeft, als Hij Hem uit de dooden opgewekt heeft en heeft Hem doen zitten aan zijne Ps'110:1-rechterhand in de hemelsche [plaatsen:] ! cor.is'im'
21 Boven alle vorstendom, en macht, en kracht, en heerschappij, Cggb®:1j en allen naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, 10:12.' maar ook in de toekomende. iPetr. 3:22
22 En heeft alle ding zijnen voeten onderworpen, en heeft Hem 8; 7. gesteld over alle ding tot een Hoofd der gemeente. i^or. 15-27
23 Welke zijn lichaam is, en zijn vervulling, die alles in allen ^
vervult. 1 cor. 12':'27
Ef. 4 : l(i
20 Dewelke Hij in Christus bewezen heeft. Het Grieksche 5:23-woord, overgezet door bewezen, is afgeleid van het woord in het vorige vers, dat wij overgezet hebben, krachtige werking; alsof hij zeide: Naar de krachtige werking, die Hij gewrocht heeft. Maar wat ik overgezet heb, beduidt hetzelfde, en is minder hard. En terecht gebiedt hij ons hier de mogendheid in Christus aan te merken, want in ons is zij nog verborgen: want de kracht Gods wordt in onze zwakheid 2 Cor- 12:9-volbracht. Want waarin gaan wij den kinderen der wereld te boven,
anders dan dat onze staat wat erger schijnt te zijn ? Al is het dat de zonde in ons niet regeert, zoo woont zij nochtans in ons; de dood heeft nog zijn kracht, de zaligheid die in de hoop besloten is, wordt van de wereld niet gezien, de kracht des Geestes is een ding in het vleesch en bloed verborgen, intusschen zijn wij duizend ellendigheden onderworpen, zoodat wij verachtelijker zijn dan anderen.
Zoo is dan Christus alleen een spiegel, waarin wij kunnen aanschou-
19
EFEZE 1 : 20, 21.
wen, wat in ons om de zwakheid des kruises wat duister is. Alzoo als wij ons gemoed in het betrouwen der rechtvaardigheid, zaligheid, en heerlijkheid willen oprichten, zoo laat ons leeren ons gemoed tot Christus te wenden. Want wij liggen nog onder het geweld des doods en Christus, die door hemelsche macht van de dooden is weder opgewekt, heeft de heerschappij des doods. Wij zijn met de dienstbaarheid der zonde beladen, en strijden een zwaren krijg, met ontallijke ellendigheden bevangen zijnde: Christus ter rechterhand des Vaders zittende, heeft de hoogste regeering in den hemel en op aarde, en bedrijft overgrooten triumf, de vijanden overwonnen en onderworpen hebbende. Wij liggen hier veracht en versmaad: Hem is een naam gegeven, die den engelen en menschen eerwaardig, en den duivelen en goddeloozen verschrikkelijk is. Wij worden hier benauwd met gebrek aan alle goed: Christus is een richter en uit-deeler aller dingen gesteld van den Vader. Om dezer oorzaken wil is het nut alle onze zinnen op Christus te wenden, om in Hem, als in een spiegel, de heerlijke schatten der goddelijke genade, en de onuitsprekelijke grootte zijner kracht te aanschouwen: welke dingen in ons nog niet gezien worden. Heeft Hem doen zitten aan zyne rechterhand. Door deze plaats worden wij zoozeer als door eenig andere geleerd, wat de rechterhand Gods beduidt, te weten, niet eenige plaats, maar een macht, welke Christus van den Vader gegeven is, opdat Hij uit zijn naam, de heerschappij des Hand. 7;55. hemels en der aarde bediene. Daarom is het tevergeefs, dat sommigen daarover twisten, dat Stefanus Hem heeft zien staan, en Paulus hier schrijft dat Hij zit: want dat gaat de plaats des lichaams niet aan: maar de hoogste autoriteit om te regeeren, wordt daarmede uitgedrukt, welke Christus heeft. Dit beduiden de woorden van Paulus als hij zegt: Boven alle vorstendom. Want dat is al tot verklaring daarbij gesteld, om de beteekenis van de rechterhand daarmede uit te drukken. Zoo wordt dan God de Vader gezegd Christus verheven te hebben tot zijn rechterhand, omdat Hij Hem zijner heerschappij deelachtig gemaakt heeft, en omdat Hij door Hem al zijn macht bewijst. Het is een gelijkenis van de aardsche vorsten genomen, die hunne stadhouders eershalve bij hen doen zitten. En dewijl de rechterhand Gods hemel en aarde vervult, zoo volgt daaruit, dat het rijk van Christus en ook zijn kracht alom uitgebreid is. Daarom doen die verkeerdelijk, die door het zitten ter rechterhand Gods, zoeken te bewijzen, dat Christus niet anders dan in den hemel is. Het is wel zeer waarachtig, dat de menschelijke natuur van Christus in den hemel is, en niet op de aarde, maar dit bewijs dient niet daartoe. Want wat daar terstond volgt: In de hemelsche, daarmede wil hij niet de rechterhand Gods in den hemel besluiten, maar wil leeren, dat Christus tot zulke hoogheid is verheven, dat Hij in de hemelsche heerlijkheid Gods, in de zalige onsterfelijkheid, en onder de engelen den hoogsten trap heeft.
2i Boven alle vorstendom. Hij heeft zonder twijfel met deze namen de engelen beduid, die daarom zoo genoemd worden, omdat God door hun hand, zijn macht, kracht, en heerschappij bewijst. Want gelijk Hij in wat Hem eigenlijk toekomt, de schepselen mede deelachtig maakt, alzoo pleegt Hij hun ook zijnen naam te geven: naar welke reden zij genoemd worden Goden. Voorts, gelijk wij uit de verscheidenheid der namen verstaan, dat daar verscheiden
20
EFEZE 1 ; 21â23.
orden zijn, alzoo is het niet alleen dwaze nieuwsgierigheid, maar ook goddelooze en gevaarlijke lichtvaardigheid, scherpzinnig daarvan te onderzoeken, een zeker getal te beschrijven, en rangen te stellen. Maar waarom heeft hij niet eenvoudig gezegd, engelen ? Ik antwoord, dat Paulus deze titelen gesteld heeft, om de heerlijkheid van Christus te beter te verheffen, alsof hij zeide: Daar is niets zoo hoog of uitnemend, hoe het ook genoemd wordt, dat niet aan de majesteit van Christus is onderworpen. Want het is een oud bijgeloof geweest, beiden den heidenen en den Joden gemeen, dat zij vele dingen van de engelen gedicht hebben, waardoor de harten van God en van den waarachtigen Middelaar afgetrokken worden. Daarom ziet Paulus alom zoo naarstig toe, opdat zulke verdichte heerlijkheid der engelen de oogen niet der menschen verstrikke, en alzoo de heerlijkheid van Christus verduistere; en nochtans heeft hij met zijn naarstigheid niet kunnen maken, dat des duivels listen in dezen deele geen overhand kregen. Want wij zien, hoe de wereld verkeerdelijk in de engelen bekommerd zijnde, van Christus is afgeweken. Want het moet alzoo geschieden, dat de zuivere kennis van Christus vergaat onder de verdichte meeningen omtrent de engelen. Boven allen naam. Hier wordt het woordje naam gesteld voor grootheid en uitnemendheid, gelijk genoemd worden, voor geprezen en vermaard worden. En hij meldt duidelijk de toekomende wereld, om te beduiden, dat de uitnemendheid van Christus niet tijdelijk,
maar eeuwig is, en dat zij niet vervat wordt in de wereld, maar ook in Gods rijk bloeit. Waarom Jesaja Hem noemt: den Vader Jes. 9 der toekomende wereld. In één woord, alle heerlijkheden der engelen en der menschen vernedert hij, opdat zij der heerlijkheid van Christus plaats geven, en opdat Hij alleen zonder eenige verhindering de hoogste zij.
22 Heeft Hem gesteld over... tot een Hoofd. Dat is, Hij heeft Hem met dat oogmerk tot een Hoofd der gemeente gesteld, opdat Hij de regeering aller dingen hebbe. Hij toont dat het geen naakte eer is, dat Hij tot een Hoofd der gemeente gesteld is, dewijl Hem ook mede volkomen macht en bediening aller dingen bevolen is. De gelijkenis van het Hoofd is hier van de uitnemendheid te verstaan. Over het woord wil ik niet gaarne twisten, maar de pluimstrijkers van den Roomschen afgod, dwingen ons daartoe door hun ongeschiktheid. Want als Christus alleen het Hoofd genoemd wordt, zoo worden voorwaar zoowel alle engelen als alle menschen, gesteld in orde der leden: zoodat hij, die onder de andere de aller-uitnemendste is, nochtans een van de leden is onder het alge-meene Hoofd; en zij schamen zich niet te roepen, dat de gemeente zonder hoofd zou zijn, zoo zij niet een hoofd had op de aarde benevens Christus. Dit is een zeer schandelijke heiligschennis, dat men zoo weinig eer aan Christus toeschrijft, dat de gemeente geacht wordt geschonden of onvolmaakt te zijn, zoo Hij alleen de eere behoudt, die Hem van den Vader gegeven is. Maar laat ons den apostel hooren, die hier zegt, dat de gemeente zijn lichaam is, waarmede hij beduidt, dat die de gemeenschap der gemeente onwaardig zijn, die weigeren zichzelven aan Christus te onderwerpen:
want de eenheid der gemeente hangt aan Hem alleen.
23 Zijn vervulling. Dit is de hoogste eer der gemeente, dat de Zone Gods eenigszins Zichzelven onvolmaakt acht, tenzij Hij met
21
EFEZE 1:23â2 :1.
ons vereenigd is. Wat groote troost is dit, als wij hooren dat Hij dan eerst alleszins wil volmaakt geacht zijn, als Hij ons met Zich heeft. Daarom heeft hij in den Eersten Zendbrief aan de Corinthiërs, als hij van de gelijkenis des menschelijken lichaams handelt, onder den eenigen naam van Christus, de gansche gemeente vervat. Nochtans opdat niemand het alzoo versta, alsof aan Christus iets ontbrak, zoo Hij van ons gescheiden ware: zoo stelt Paulus terstond daarbij: Dat Hij alles in allen vervult. Zoo dan, dat Hij wil vervuld worden, en eenigszins volmaakt zijn in ons, geschiedt niet uit armoede of gebrek, dewijl Hij zelf alles volmaakt, zoowel in ons, als in alle schepselen, en zijn goedheid wordt des te grooter bekend, dat Hij ons uit niet maakt, opdaf Hij ook wederom in ons zij en leve. Hoewel, het zal niet ongeschikt zijn, dat men het woord alles duidt op de omstandigheid der tegenwoordige plaats. Want hoewel Christus alles volbrengt door zijn wil en kracht: nochtans spreekt Paulus hier bijzonder van de geestelijke regeering der gemeente. Wij worden wel door niets verhinderd, dit van de algemeene regeering der wereld te verstaan: maar het is waarschijnlijk, dat het op de tegenwoordige omstandigheid gesproken is.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
Co⢠25 is' 1 En gij, toen gij dood waart door uwe misdaden en zonden,
l Cor.' einl 2 In welke gij eertijds gewandeld hebt naar de eeuw dezer wereld,
gig- naar den overste der macht der lucht, te weten, des geestes,
Ef. 6=12. die in de kinderen der ongehoorzaamheid werkt.
3 Onder dewelke ook wij allen eertijds gewandeld hebben in de hegeerlijkheden onzes vleesohes, doende wat het vleesch en het gemoed behaagde; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.
i T^n gij, toen gij dood waart. Dit is een verklaring en uitleg-M ging der voorgaande dingen: want opdat hij die algemeene Jâ'prijzing der genade Gods te beter op de Efeziërs toepasse, zoo maakt hij ze gedachtig hun voorleden staat. Daar zijn twee deelen dezer toepassing. Gij waart voortijds verloren, maar nu heeft God u door zijn genade van het verderf verlost. Maar dewijl hij in de verheffing van deze beide stukken bekommerd is, zoo breekt hij de reden af met een verwarring der woorden. Doch hoewel de woorden niet wel loopen, zoo is nochtans de zin klaar, zoo ver wij al wat hij zegt, op deze twee stukken duiden. Laat ons nu zien van i het eerste stuk. Hij zegt: Dat zij zijn dood geweest, en de oor
zaak des doods drukt hij ook uit, te weten, de zonden. Hij wil niet alleen zeggen, dat zij in gevaar des doods geweest zijn, maar beduidt een waarachtigen en tegenwoordigen dood, waarvan zij nu overvallen waren; want dewijl de geestelijke dood niet anders is dan een vervreemding der ziel van God, zoo worden wij allen dood geboren, en leven dood, totdat wij des levens van Christus deelachtig gemaakt worden: vandaar in Johannes gezegd wordt: De ure komt, joh. 5:28. dat de dooden de stem des Zoons Gods zullen hooren, en dat die
22
ï 1
gt;
i
EFEZE 2:1, 2.
zullen leven, die ze zullen gehoord hebben. De papisten, die alle naarstigheid doen om de genade Gods eenigszins te verkleinen, zeggen, dat wij buiten Christus half dood zijn, maar het is niet tevergeefs, dat de Heere zelve, en daarna zijn apostel, ons ganschelijk uitsluiten van het leven, zoolang wij in Adam blijven, en het is niet tevergeefs dat zij zeggen, dat de wedergeboorte een nieuw leven der ziel is, waardoor zij uit de dooden wederopstaat. Ik beken voorwaar, dat wij eenig leven behouden, als wij nog vreemd van Christus zijn. Want de ongeloovigheid neemt niet alle gevoel weg, noch wil, noch andere vermogens der ziel. Maar wat dient dit tot het rijk Gods? en tot een zalig leven, waar het al dood is wat wij gevoelen en willen? Zoo laat dan dit blijven, dat de vereeniging onzer ziel met God haar waarachtig en eeuwig leven is, en dat wij daarom buiten Christus ganschelijk dood zijn, omdat de zonde, de oorzaak des doods, in ons regeert.
2 In welke gij eertijds gewandeld hebt. Uit de vruchten bewijst hij, dat de zonde voortijds in hen geregeerd heeft: want de menschen kunnen de kracht der zonde nimmer genoegzaam verstaan, dan als zij tot uitwendige werken uitbreekt. Als hij daarbij stelt, naar de eeuw dezer wereld, zoo beduidt hij daarmede, dat de dood waarvan hij spreekt, zijnen loop heeft in der menschen natuur, zoodat het een algemeen kwaad is: want hij spreekt niet van den loop der wereld, die van God verordend is, noch ook van de elementen, gelijk daar zijn hemel en aarde, en lucht: maar van de verdraaidheid, waarmede wij allen besmet zijn, zoodat het niet is een gebrek, dat eenigen bijzonder toekomt, maar waarmede de gansche wereld bevangen is. Naar den overste. Hij gaat nog verder, bewijzende dat dit de oorzaak onzer verdorvenheid is, te weten, dat de duivel heerschappij over ons heeft, hetwelk het zwaarste is dat men kan zeggen, om het menschelijk geslacht te verdoemen. Want wat wordt ons gelaten van dien, die zegt, dat wij des duivels slaven zijn, en dat wij zijn wil onderworpen zijn, zoolang wij buiten het rijk van Christus leven? Zoo is het dan recht, dat wij over onzen staat verschrikken, hoewel hij velen behaagt, of immers niet mishaagt. Waar is nu de vrije wil, de regeering der rede, en de deugd der zeden, waarvan de papisten zoozeer snateren? Wat zullen zij onder de tirannie des duivels vinden, dat zuiver of recht is ? Maar zij bewaren zichzelven voorzichtiglijk, als zij deze leer van Paulus als de allergrootste ketterij verafschuwen. Maar ik zeg, dat in deze woorden niets duisters is, dat alle menschen onder des duivels rijk krijg voeren, die naar de wereld, dat is, naar den aard huns vleesches leven. Voorts noemt hij den duivel in het enkelvoudig getal, naar de gewone wijze der Schrift, te weten, gelijk de kinderen Gods een Hoofd hebben, alzoo ook de goddeloozen, wijl zij elk een lichaam vormen. Zoo wordt dan de heerschappij van alle kwaad aan één toegeschreven, opdat het één massa van goddeloosheid worde. Dat hij den duivel toeschrijft de macht in de lucht, daarvan zullen wij hierna spreken in hfdst. 6. Wij zullen nu dit alleen aanmerken, dat het een bespottelijke razernij geweest is, dat de Manicheën hebben gepoogd uit deze plaats twee beginselen te stellen, alsof de duivel iets vermocht tegen den wil Gods. Wrant Paulus laat hem niet zulke hooge heerschappij toe, dat hij niet het goeddunken van den eenigen God onderworpen zou zijn, maar laat
23
EFEZE 2 : 2, 3.
hem alleen een tirannie toe, -welke hij door Gods toelating bedrijft. Want wat is de duivel anders dan Gods scherprechter, om der menschen ondankbaarheid te straffen? en dit beduiden de woorden van' Paulus: want hij zegt, dat hij krachtig is, alleen in de onge-loovigen: want alzoo zondert hij de kinderen Gods uit van de macht des duivels. Is het alzoo, zoo volgt dan dat de duivel geen ding doet, dan door diens wil die hooger is dan hij, en dat hij geen volle macht uit zichzelven heeft. Hoewel, wij verstaan ook mede daaruit, dat de goddeloozen geen onschuld hebben, dat zij door des duivels ingeven alle boosheid bedrijven: want hoe komt het, dat zij zijne tirannie onderworpen zijn, dan omdat zij Gode wederspannig zijn. Indien geen anderen den duivel dienen, dan die van God vrij zijn, ja die weigeren onder zijn gehoorzaamheid te staan, zoo mogen zij het zichzelven wijten, dat zij zulk een schadelijken heer hebben. Kinderen der ongehoorzaamheid, heeft hij gesteld voor hardnekkige kinderen, naar de Hebreeuwsche wijze van spreken. En voorwaar, bij de ongeloovigheid is altijd ook ongehoorzaamheid, ja zij is de fontein en moeder aller wederspannigheid.
3 Onder dewelke ook wij. Opdat hij niet schijne den Efeziërs smadelijk te verwijten, hoedanig zij geweest zijn, of door Joodsche hoovaardigheid de heidenen te verachten, zoo stelt hij ook zichzelven en zijns gelijken bij hen, en doet dat niet door geveinsdheid, maar geeft Gode eere door ware belijdenis. Hoewel, het kon wonder schijnen, dat hij bekent, dat hij in de begeerlijkheden des vleesches Fu. 3:6. gewandeld heeft, dewijl hij op een andere plaats roemt, dat hij al iThet,s.2.io. leven onberispelijk is geweest. Ik antwoord, dat dit allen gemeen is, die nog niet door den Geest Gods zijn wedergeboren. Want ofschoon het leven van sommige menschen naar den schijn prijselijk is, omdat de begeerlijkheden voor der menschen oogen niet uitbreken, nochtans is er niets zuivers en onvervalscht buiten de fontein aller zuiverheid. Bovendien moet men de beschrijving aanmerken, wat het is; Wandelen naar de begeerlijkheden des vleesches, te weten, doen wat het vleesch en het gemoed behaagt, dat is, naar den wil van zijn natuur en gemoed leven. Want het woord vleesch beduidt hier de gesteldheid, of de genegenheid der natuur. Hier wordt een Grieksch woord bijgesteld, wat beduidt gedachten, die uit het gemoed komen. En het gemoed vervat de rede, zoodanig als zij van nature in den mensch is: daarom dient het woord begeerlijkheden, niet alleen tot de laagste lusten of tot het zinnelijke deel, gelijk zij dat noemen, maar strekt zich ook uit tot de hoogste. En wij waren van nature kinderen des toorns. Hij zegt, dat alle menschen zonder uitzondering onder de verdoemenis zijn, totdat zij door Christus verlost worden: zoowel de Joden als de heidenen, gelijk aan de Galaten, hfdst. 2, zoodat er geen rechtvaardigheid, geen zaligheid, en eindelijk geen uitnemendheid buiten Christus is. Versta door kinderen des toorns eenvoudig menschen die verdorven, en den eeuwigen dood waardig zijn. Want het woord toorn beduidt het oordeel Gods, waarom kinderen des toorns, zooveel te zeggen is, als voor God verdoemde menschen. En dat de Joden, en allen die in de gemeente uitnemend waren, zoodanig geweest zijn, leert Paulus hier, ja dat zij van nature, dat is, uit den oorsprong en van moeders buik zoo geweest zijn. Het is een schoone plaats tegen de Pelagianen, en allen die de erfzonde
24
EFEZE 2:3, 4.
ontkennen. Want wat natuurlijk in alle menschen is, is voorwaar oorspronkelijk of erfelijk; nu, Paulus leert dat wij allen natuurlijk der verdoemenis onderworpen zijn; zoo hangt dan de zonde in ons,
want God verdoemt de onschuldigen niet. De Pelagianen zeiden,
dat de zonde door Adam in de gansche wereld is verbreid, niet door oorsprong, maar door navolging. Maar Paulus betuigt, dat wij met zonde geboren worden, gelijk de slangen hun venijn medebrengen uit des moeders buik. Anderen strijden ook evenzeer tegen de woorden van Paulus, als zij ontkennen, dat de erfzonde waarlijk zonde is. Want waar verdoeming is, daar moet voorwaar zonde zijn: want God is niet toornig op de onschuldige menschen, maar op de zonde. En het is geen wonder, dat de verdraaidheid, die ons van de ouderen aangeboren is, voor God zonde gerekend wordt,
dewijl Hij dat zaad, dat nog verborgen is, zelve ziet en oordeelt.
Toch komt hier een vraag, waarom Paulus de Joden den toorn en der verdoemenis onderwerpt, gelijk andere menschen, daar zij nochtans dat gezegende zaad waren. Ik antwoord, dat alle menschen een gemeene natuur hebben, en dat de Joden alleenlijk hierin van de heidenen onderscheiden zijn, dat God ze door de genade der belofte van het verderf verlost: maar dit is een remedie boven de natuur. Daar is een andere vraag: Zoo wij van nature verdorven zijn, hoe komt het dan dat God zonder schuld is, dewijl Hij de auteur der natuur is. Ik antwoord, dat er tweeërlei natuur is, de eerste is van God geschapen, en de ander is de verderving der-zelve. Zoo dan, deze verdoeming, die Paulus meldt, komt niet van God, maar van de verdorvene natuur: want wij worden nu niet geboren, zooals Adam in den beginne geschapen was, maar wij zijn een bastaardzaad uit den ontaarden en gebrekkelijken mensch.
4 Maar God, die rijk is iu barmhartigheid, om zijn groote liefde,
waardoor Hij ons liefgehad heeft,
5 Heeft ons ook, toen wij door de zonden dood waren, mede
levend gemaakt met Christus. (Door genade zijt gij zalig ge-Hand. 16: n. maakt.) Tlt' 3'1'
6 En heeft ons mede opgewekt, en doen zitten in de hemelsche [plaatsen] in Christus Jezus.
7 Om in de toekomende eeuwen te bewijzen den overvloedigen rijkdom zijner genade, door de goedheid over ons in Christus Jezus.
25
1
dan dat ons van Christus ingestort wordt: daarom beginnen wij dan te leven, als wij in Hem geplant worden, om een gemeen leven met Hem te genieten. Waaruit wij verstaan wat hij boven gemeend heeft met het woord dood. Want die dood en deze wederopstanding zijn tegenovergestelde dingen. Dit is een onuitsprekelijke weldaad, dat wij het leven van den Zone Gods deelachtig worden, opdat wij mede door éénen zelfden Geest onderhouden worden, en daarom verheft hij in dit deel de barmhartigheid Gods, en prijst haar rijk-
EFEZE 2:4â7.
dom, daarmede beduidende dat zij mild en grootelijks is uitgestort geweest. En hoewel hij met deze woorden onze gansche zaligheid der barmhartigheid Gods toeschrijft, zoo stelt hij nochtans weinig daarna uitdrukkelijker de oorzaak in de onverdiende goedheid, als hij zegt, dat dit geschied is om de groote liefde. Want hij beduidt dat God door deze beschouwing alleen is bewogen geweest, gelijk i Joh. 4:i9. ook Johannes zegt: Niet omdat wij Hem eerst liefgehad hebben, maar Hij heeft zelve eerst ons liefgehad. Het woordje ook, heeft een bijzonderen nadruk, gelijk Rom. 6.
5 Door genade zijt gij zalig gemaakt. Ik weet niet, of dit van eenige anderen hiertusschen gesteld is: doch dewijl het niet vreemd is van den samenhang der woorden, zoo neem ik het gaarne aan als van Paulus geschreven. En wij zien, dat hij nimmermeer zich-zelven genoeg doet in het prijzen der grootheid der genade, en daarom prent hij ditzelve dikmaals in met onderscheiden woorden, te weten, dat in onze zaligheid niets is, dat men niet Gode moet toeschrijven. Voorwaar, zoo wie de ondankbaarheid der menschen behoorlijk zal overleggen, die zal dezen tusschenzin niet verwerpen, alsof zij overbodig ware.
6 En doen zitten in de hemelsche (plaatsen.) Wat hij hier meldt van de hemelsche opstanding en zitting in de hemelen, wordt nog wel niet met oogen gezien: maar even alsof wij nu in tegenwoordige bezitting waren, alzoo leert hij, dat ons deze weldaden gegeven zijn, opdat hij de verandering onzes staats te meer ver-heffe, als wij van Adam gebracht worden tot Christus, te weten, alsof hij zeide, dat wij uit het diepste der hel tot den hemel gebracht worden. En voorwaar, hoewel onze zaligheid nog in hope verborgen is, zooveel ons aangaat, nochtans in Christus bezitten wij de zalige onsterfelijkheid en heerlijkheid. Daarom stelt hij daarbij, in Christus, omdat deze dingen, die hij verhaalt, in de leden nog niet gezien worden, maar alleen in het Hoofd; nochtans, om de verborgen eenigheid, komen zij zeker den leden toe. Anderen zetten het over: Door Christus, maar het rijmt beter: In Christus, om die reden die ik aangeteekend heb. En hieruit moet men zeer over-vloedigen troost vergaderen, dat wij in den persoon van Christus hebben een zeker pand en eerstelingen aller dingen, die ons ontbreken.
7 Om te bewijzen. Wederom verhaalt hij de eindoorzaak, opdat de Efeziërs zichzelven zonder ophouden in het bedenken daarvan oefenen, en alzoo van hun zaligheid zooveel te zekerder zijn, als zij beter bekennen, dat de oorzaak hunner zaligheid rechtvaardig is, te weten, dat God geprezen worde. Hij zegt ook daarbij, dat de Heere de gedachtenis zulker groote goedheid in alle eeuwen heeft willen heiligen, opdat hij die te hatelijker make, die de onverdiende roeping der heidenen bestreden: want zij zochten een ding terstond te onderdrukken, dat in alle eeuwen gedachteniswaardig was. Voorts worden wij hieruit vermaand, dat men de barmhartigheid Gods zonder ophouden moet gedenken, waardoor Hij onze vaders verwaardigd heeft tot zijn volk aan te nemen. Want de roeping der heidenen is een wonderlijk werk der Goddelijke goedheid, hetwelk de ouders hunnen kinderen, en de grootvaders hunnen kleinkinderen, als van hand tot hand moeten overgeven, opdat het nimmermeer door verzwijgen uit der menschen harten uitgewischt worde. Den rijkdom
26
EFEZE 2 : 7â9.
zyner genade door de goedheid. Nu bewijst of bevestigt hij door herhaling, dat die liefde, waarmede God ons liefgehad heeft in Christus, uit de barmhartigheid spruit. Want hij zegt: om den rijkdom zijner genade te openbaren. Hoe? Door de goedheid tot ons,
gelijk een boom uit de vruchten. Zoo bevestigt hij dan niet alleen,
dat de liefde Gods onverdiend geweest is, maar ook dat God in Hem bewezen heeft den rijkdom zijner genade, en geen gemeenen,
maar uitnemenden rijkdom. Men moet ook aanmerken, dat de naam van Christus herhaald wordt: want hij wil geen genade noch liefde van God gehoopt hebben, dan door middel van Christus Jezus.
8 Want uit genade zijt gij zalig gemaakt door het geloof: en dat niet uit u, het is Gods gave.
9 Niet uit de werken, opdat niemand roeme.
10 Want wij zijn zijn werk, geschapen in Christus Jezus tot goede Tit. 2; u werken, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin wan- Ef' 1:4' delen zouden.
8 Uit genade zijt gjj zalig gemaakt. Dit is als een besluit van het voorgaande: want daarom heeft hij van de onverdiende verkiezing en roeping gesproken, om tot deze somma te komen, te weten, dat zij door het geloof alleen zaligheid verkregen hebben. Zoo dan, ten eerste zegt hij dat de zaligheid der Efeziërs, Gods werk alleen is, en een onverdiend werk: en dat zij deze genade door het geloof verkregen hebben. Want men moet op de eene zijde God, en op de andere zijde de menschen aanmerken. Hij zegt, dat God ons niets schuldig is: zoo is het dan enkel genade en geen verdienste noch vergelding, dat God ze zalig maakt. Nu wordt er gevraagd, hoe de menschen de zaligheid deelachtig worden, die hen door Gods hand aangeboden is ? Hij antwoordt: Door het geloof.
Hieruit besluit hij, dat dan hier geen ding ons eigen is. Want zoo het op Gods zijde niet anders is dan enkel genade, en wij niet anders daartoe brengen dan het geloof, hetwelk ons van allen lof berooft, zoo volgt daaruit, dat het niet is uit ons. Moeten dan niet de vrije wil, en de goede meeningen, en de verdichte voorbereidingen, en de verdiensten en de voldoeningen verstommen? Want er is niet een van deze dingen, dat niet zichzelve een deel des lofs in de zaligheid der menschen toeschrijft: alzoo zou de lof niet ganschelijk en geheel der genade toekomen, gelijk Paulus leert. Nu,
als hij alleen aan de zijde des menschen, de wijze om zaligheid te verkrijgen stelt in het geloof, zoo verwerpt hij andere middelen,
waarop de menschen plegen te steunen. Nu, het geloof brengt den mensch ledig tot God, opdat hij met Christus goederen vervuld wordt. En daarom stelt hij daarbij: Niet uit u, opdat zij geen ding zichzelven toeschrijvende, Gode alleen erkennen de auteur hunner zaligheid te zijn. Het is Gods gave. Voor wat hij gezegd had, dat hun zaligheid uit genade is, zegt hij nu, dat het Gods gave is; voor wat hij gezegd had: Het is niet uit u, zegt hij nu: Niet uit de werken. Zoo zien wij dan, dat hij den menschen niets laat in het verkrijgen der zaligheid. Want hier vat hij in drie woorden samen,
wat hij met zulke lange disputatie behandelt in den Zendbrief aan de Romeinen, alsook aan de Galaten: Dat wij uit de barmhartigheid Gods alleen de rechtvaardigheid verkrijgen; dat zij ons aangeboden
27
EFEZE 2 : 9, 10.
wordt in Christus en wel door het Evangelie; dat zij door het geloof alleen, buiten verdiensten der werken verkregen wordt. En uit deze plaats kan men lichtelijk die ijdele beuzeling wederleggen, waarmede de papisten zich zoeken te redden, te weten, dat Paulus spreekt van de ceremoniën, als hij leert, dat wij zonder werken gerechtvaardigd worden. Want het is boven allen twijfel, dat hier niet alleen gehandeld wordt van één soort van werken, maar dat de gansche rechtvaardigheid des menschen, die in de werken gelegen is, verworpen wordt, ja de gansche mensch, en al wat hij van zichzelven heeft. Want men moet aanmerken, hoe God tegen den mensch, en de genade tegen de werken gesteld wordt. Waarom zou God tegen den mensch gesteld worden, zoo de twist alleen ware van ceremoniën. Zoo dan, de papisten worden gedwongen te bekennen, dat Paulus hier de gansche eer onzer zaligheid der genade Gods toeschrijft, maar zij bedenken hier een ander gedichtsel, te weten, dat dit gezegd wordt, omdat God de eerste genade geeft. Maar die zijn veel te ongeschikt, die meenen alzoo te ontkomen, dewijl Paulus den mensch met zijne vermogens uitsluit, niet alleen in het begin om zaligheid te verkrijgen, maar ganschelijk van de zaligheid zelf. En zij zijn meer dan dwaas, die dat besluit niet aanmerken: Opdat niemand roeme. Want de menschelijke eer behoudt altijd plaats, zoolang de verdiensten iets gelden buiten de genade. Zoo kan dan de zin van Paulus niet bestaan, tenzij de gansche lof Gode alleen en zijner barmhartigheid toegeschreven wordt. Voorts, deze plaats wordt gewoonlijk verkeerd uitgelegd, omdat zij het woord gave, verstaan van het geloof alleen, want Paulus herhaalt den voor-gaanden zin met andere woorden. Zoo verstaat hij dan niet, dat het geloof is een gave Gods, maar dat de zaligheid ons van God gegeven wordt, of dat wij ze door Gods gave verkrijgen.
io Want wij zijn zyn werk. Door het benemen van het tegenovergestelde, bewijst hij wat hij gezegd heeft, te weten, dat wij uit genade zijn zalig gemaakt, dewijl wij geene werken hebben, waarmede wij zaligheid kunnen verdienen, dewijl al de goede werken, die wij hebben, vruchten zijn der wedergeboorte. Waaruit volgt, dat de werken zeiven een deel der genade zijn. Dat hij zegt, dat wij Gods werk zijn, moet men niet verstaan van de gemeene schepping, waardoor wij menschen geboren worden, maar hij bevestigt dat wij Gods werk zijn, als zijnde door den Geest van Christus geschapen tot rechtvaardigheid, niet door eigen kracht. Dit komt alleen den ge-loovigen toe, die uit Adam geboren, gebrekkelijk en verdraaid zijnde, geestelijk door de genade van Christus worden wedergeboren, opdat zij beginnen nieuwe menschen te zijn. Daarom al wat in ons goed is, is een bovennatuurlijk werk Gods. En de volgende woorden geven de uitlegging, want hij stelt daarbij, dat wij daarom Gods werk zijn, omdat wij geschapen zijn, niet in Adam, maar in Christus, en dat niet tot allerlei leven, maar tot goede werken. Wat blijft er nu voor den vrijen wil over, zoo al de goede werken, die van ons komen, den Geest Gods toegeschreven worden? De godzalige lezers moeten de woorden van Paulus overleggen: hij zegt niet, dat wij van God geholpen worden; hij zegt niet, dat onze wil voorbereid wordt, opdat hij daarna vanzelf loope; hij zegt niet, dat ons macht gegeven wordt om wel te willen, opdat het daarna in ons zij te verkiezen wat wij willen, gelijk die plegen te snateren, die de genade Gods
28
EFEZE 2 : 10.
29
verkleinen zooveel zij kunnen, maar hij leert, dat wij Gods werk zijn, en dat al wat in ons goed is, zijn schepping is, waarmede hij beduidt, dat de gansche mensch door zijn hand moet gemaakt of geformeerd worden, zou hij goed zijn. Zoo is dan Gods werk niet alleen de macht om goed te willen, of ik weet niet wat voorbereiding of hulp, maar de rechte wil zelf: want anders zou dit argument van Paulus niet deugen. Hij wil bewijzen, dat de mensch geenszins zichzelven zaligheid verkrijgt, maar dat hij ze uit genade van God verwerft: om dit te bewijzen zegt hij, dat de mensch niets is, dan door de genade Gods. Daarom zoo wie den mensch buiten de genade Gods ook het allerminste toeschrijft, die laat hem ook zooveel macht toe om zaligheid te verkrijgen. Geschapen tot goede werken. Die deze plaatsen verdraaien, om de rechtvaardigheid des geloofs te verscheuren, dwalen ver van den zin van Paulus. Dewijl zij zich schamen ganschelijk te loochenen, dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden, en zien dat zij dat tevergeefs doen, zoo nemen zij hun uitvlucht tot dusdanige lagen, te weten, dat zij zeggen, dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden, omdat het begin der rechtvaardigheid is uit het geloof, waardoor wij de genade Gods aannemen, maar dat wij rechtvaardig gemaakt worden door de wedergeboorte, omdat wij door den Geest van Christus vernieuwd zijnde, in goede werken wandelen. Alzoo maken zij het geloof als een deur, waardoor wij tot de rechtvaardigheid inkomen, maar zij dichten, dat wij deze door werken verkrijgen, of immers zij beschrijven de rechtvaardigheid, dat zij is een rechtheid, als de mensch hervormd is om wel te leven. Ik vraag niet, hoe oud deze dwaling is, maar die doen verkeerdelijk, die tot hare bevestiging, een getuigenis nemen uit deze plaats. Men moet de meening van Paulus aanzien, als hij wil bewijzen, dat wij niets tot God gebracht hebben, waardoor Hij ons schuldig is: zoo leert hij, dat ook de goede werken die wij doen, van Hem komen, waaruit volgt, dat wij niets zijn, dan enkel door zijn mildheid. Nu, als dezen hieruit besluiten, dat wij dan door de werken half gerechtvaardigd worden, wat dient dat tot den zin van Paulus? en wat dient het tot de zaak, die hij behandelt? Want te behandelen waarin de rechtvaardigheid gelegen is, is iets anders dan te leeren, dat zij niet is uit ons, en de oorzaak daarbij te stellen: Omdat wij in de goede werken niets hebben wat ons eigen is, maar dat wij door den Geest Gods geformeerd zijn tot alle goed, en dat door de genade van Christus. Want als Paulus de oorzaak der zaligheid beschrijft, zoo behandelt hij voornamelijk dit, dat de conscientiën nimmermeer zullen gerust zijn, tenzij zij op de vergeving der zonden rusten. Hier roert hij zulks niet aan: want hij behandelt hier geen andere zaak, dan dat wij uit Gods genade zijn, al wat wij zijn. Die God tevoren bereid heeft. Dit moet men niet duiden op de leer der wet, gelijk de Pelagianen, alsof Paulus wilde zeggen, dat God gebiedt wat recht is, en dat Hij een rechten regel des levens leert. Want hij dringt veel meer op wat Hij is begonnen te leeren, te weten, dat de zaligheid niet komt van ons. Zoo zegt hij dan, dat de goede werken van God voorbereid zijn, eer wij geboren waren, waarmede hij beduidt, dat wij door onszelven niet bekwaam zijn om wel te leven, maar zoo verre wij door Gods hand gevoegd en gevormd worden. Zoo de genade Gods ons is voorgekomen, zoo heeft zij de plaats van onzen
EFEZE 2 : 10, 11.
roem weggenomen. Daarom moet men naarstig aanmerken het woord voorbereiden: want Paulus bewijst door de orde zelve, dat God om der goede werken wil ons niets schuldig is. Hoezoo? Want zij zijn uit zijnen schat genomen, waarin zij lang tevoren bereid waren; Eom. s;30 want die Hij geroepen heeft, die rechtvaardigt en vernieuwt Hij.
11 Daarom weest gedachtig, dat gij, die voortijds heidenen waart in het vleesch, die gij voorhuid genoemd werdt van die. die genoemd werd besnijdenis, die in het vleesch met handen geschiedt:
12 Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van Of, instru- het burgerschap Israels, vreemdelingen van de tafelen der be-Kom. 9:4, lofte, geen hope hebbende, en zonder God in de wereld.
13 Maar nu in Christus Jezus zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.
ii Daarom weest gedachtig. Hij komt altijd tot de bijzondere stelling, om de zaak als met den vinger aan te wijzen, en stijver te dringen: want hij gebiedt wederom den Efeziërs gedachtig te zijn, hoedanig zij geweest zijn vóór de roeping. Deze overdenking stelde hen voor oogen, hoe zij ganschelijk geen oorzaak hadden om zich-zelven te verhoovaardigen. Daarna bewijst hij de wijze der verzoening, opdat zij met Christus alleen tevreden zijnde, niet meenen, dat hun andere behulpselen noodig zijn. Dit is de inhoud van het eerste deel: Gedenkt, dat gij ten tijde toen gij onbesneden waart, ook vreemd van Christus, van de hope der zaligheid, van de gemeente, en van het rijk Gods zijt geweest, alzoo dat gij geen gemeenschap met God hadt. En de inhoud van het tweede deel is: Maar nu in Christus geplant zijnde, zijt gij ook mede met God verzoend. Wat zulk een gedachtenis zou gelden, en in hunne harten uitwerken, is boven gezegd. Heidenen in het vleesch. Ten eerste verhaalt hij, dat zij zonder de teekenen des volks Gods zijn geweest. Want de besnijdenis was een teeken, waarmede het volk Gods versierd was, om van andere volken onderscheiden te worden: en de voorhuid was een teeken van een onheiligen mensch. Dewijl dan God de sacramenten pleegt te stellen bij zijn genade, zoo besluit hij, dat zij niet der genade zijn deelachtig geweest, dewijl zij van het sacrament beroofd waren. Het is waarachtig, dat dit argument niet altijd goed is; nochtans is het goed, zooverre de ordelijke be-Gen-3:23-schikking Gods aangaat, weshalve dit gezegd wordt: Laat Adam uitgeworpen worden, opdat hij niet mogelijk ete van den boom des levens, en leve. Voorwaar, ofschoon hij den ganschen boom verslonden had, zoo zou hij nochtans uit zulk een eten alleen niet het leven wederom verkregen hebben: maar de Heere heeft door V de wegneming des teekens, hun ook de zaak zelve benomen. Alzoo
stelt Paulus hier ook den Efeziërs de voorhuid voor, als een teeken der onreinheid. Hij beneemt hun het teeken der heiliging, om daarmede ook de beteekenende zaak te benemen. Zoo dwalen dan die meenen, dat al deze dingen tot versmading der uitwendige besnijdenis gezegd worden. Hoewel, ik beken ook mede dat deze woorden: In het vleesch met handen geschiedt, daarbij gesteld zijn, om te kennen te geven, dat daar tweeërlei besnijdenis is, en alzoo den roem der Joden neder te werpen, die tevergeefs op de letter-
30
EFEZE 2:11, 12.
lijke besnijdenis hoovaardig zijn: en om den Efeziërs alle zwarigheid te benemen, dewijl zij bekenden voor zichzelven die besnijdenis te hebben, die de voornaamste was, ja die de gansche waarheid des nitwendigen teekens was. Zoo noemt hij het dan voorhuid in het vleesch, omdat zij in hun lichaam het teeken hunner onreinheid droegen: doch intusschen geeft hij bedektelijk te kennen, dat de voorhuid hun nu niet hinderlijk is, dewijl zij geestelijk van Christus besneden zijn. Deze woorden: In het vleesch, die met handen geschiedt, kan men te zamen lezen, of gescheiden, zoodat hij eerst zegt, dat zij vleeschelijk is, en daarna dat zij door menschenhanden geschied is. Nu, zulk een besnijdenis stelt hij tegen de besnijdenis des Geestes, die in 't hart geschiedt, welke hij bij de Colossensen,
hfdst. 2: 11, noemt de besnijdenis van Christus. Van die, die genoemd werd besnijdenis. Het woord besnijdenis kan hier genomen worden voor de Joden zeiven, of eigenlijk voor de zaak zelve,
en dan zou de zin zijn, dat zij daarom zijn genoemd geweest voorhuid, omdat zij dat heilige teeken niet hadden, te weten, tot een onderscheid; en deze laatste zin wordt bevestigd met het woord dat daarbij staat, maar dit betreft de hoofdzaak niet zeer.
12 Gij waart zonder Christus. Nu verklaart hij, dat de Efeziërs niet alleen van het uitwendige teeken, maar ook van alle dingen zijn beroofd geweest, die tot de zaligheid en gelukkigheid der men-schen noodig was. En dewijl Christus het fundament aller beloften en der hope is, daarom zegt hij ten eerste, dat zij vreemd van Hem zijn geweest. Nu, wie Christus niet heeft, die heeft niet dan verderfenis : want de Israëlietische staat zelve was ook in Hem gefundeerd; want hoe zou het volk anders dan in Christus alleen, tot de eenigheid des heiligen lichaams te zamen gebonden worden ?
Ditzelfde moet men ook van de verbonden der beloften gevoelen.
Want aan deze hoofdplaats hangen alle beloften: In uw zaad zullen Gen- 22::l8-alle heidenen gezegend worden, en zonder deze worden zij allen te niet. Vandaar dat Paulus zegt, dat alle beloften in Christus ja en amen zijn. Nu, wanneer het verbond der zaligheid is weggenomen, 2 dor. i;20. zoo blijft er geen hope meer. Wij hebben overgezet tafelen der belofte, welke in 't gemeen instrumenten genoemd worden. Want naar een solemneel gebruik heeft God zijn verbond met Abraham en zijn nakomelingen gemaakt, dat Hij eeuwiglijk hun God wilde zijn. Van dit verbond zijn tafelen gemaakt door de hand van Mozes,
welke onder het Israëlietische volk zijn bewaard geweest, als een bijzondere schat: maar den heidenen kwamen zij niet toe. En zonder God in de wereld. Voorwaar, noch Efeziërs, noch ooit eenige heidenen, zijn geheel zonder alle religie geweest: waarom worden zij nochtans van Paulus genoemd zonder God te zijn, dewijl die eigenlijk zonder God is, die geen gevoelen van de Godheid heeft,
en allen godsdienst of religie bespot, hoedanig die ook zij? Voorwaar, wij zijn niet gewoon de bijgeloovigen te noemen zonder God te zijn: maar degenen, die met geen religie bekommerd zijn, ja zelfs begeeren dat alle religie onderga. Ik antwoord, dat Paulus terecht alzoo gesproken heeft, omdat hij alle meeningen van de valsche goden voor niet achtte, gelijk voorwaar alle afgoden, dewijl zij niets zijn onder de godzaligen, ook voor niet behooren geacht te worden.
Zoo dan, allen die den waren God niet dienen, zijn zonder God,
al is het dat zij schoon menigerlei godsdiensten, en zichzelven met
31
EFEZE 2 : 12â14.
menigerlei ceremoniën vermoeien: want zij aanbidden wat zij niet zi;
weten. Dit zullen wij naarstig aanmerken, dat Paulus den Efeziërs hi
geen goddeloosheid verwijt, gelijk voortijds Diagoras en zijns ge- m
lijken van zulke schande berucht waren, maar dat van deze misdaad di veroordeeld worden, die zichzelven achtten zeer godvreezend te zijn:
want in de afgoden is geen Godheid, maar een gedichtsel en be- tv
drog. Herhaal nu de voorgaande woorden, en het zal licht zijn te zi
verstaan, dat buiten Christus niet anders dan afgoden zijn. Want G
die hij tevoren van Christus uitgesloten had, dien beneemt hij God; w
2 Joh. o. het is voorwaar gelijk Johannes zegt: Die den Zoon niet heeft, die d
heeft den Vader niet. Daarom zullen wij weten, dat die allen van i;
den waren God afdwalen, die dezen weg niet houden. Iemand zal z
vragen, of God Zich ooit aan iemand uit de heidenen geopenbaard z
heeft. Ik antwoord, dat onder de heidenen geen openbaring Gods e
geweest is zonder Christus, niet meer dan onder de Joden. Want 1:
Joh. i4;6. dit geldt niet één eeuw noch één volk wat Hij zegt; Ik ben de g
Jes. 9:5. Joh. 16:33. Hand. 10: 3G. Rom. 5: 1. Col. 1:20.
weg; maar Hij verkondigt, dat Hij alleen is, waardoor alle men- z
schen tot God komen. z
13 Maar nu in Christus. Men moet hieronder een deelwoord j:
verstaan, zoodat de zin is: Nadat gij in Christus zijt aangenomen; s
of de woorden die hier volgen: Door het bloed van Christus, c
zullen alleen een nadere uitlegging zijn. Wat van beide gij neemt, 1
de zin is, dat de Efeziërs, toen zij verre van God en van de zalig- £
heid waren, alzoo door Christus met God zijn verzoend, dat zij nu (
nabij zijn door zijn bloed: want het bloed van Christus heeft dien :
twist weggenomen, die tusschen hen en God was, en heeft ze van j
vijanden kinderen gemaakt. 1
14 Want Hij is onze vrede, die uit beiden één gemaakt hefift: en heeft den scheidsmuur gebroken |te weten] de vijandschap in zijn vleesch.
15 De wet der geboden, die in inzettingen gelegen was, wegnemende, opdat Hij ze beiden stelde in Zichzelven tot een nieuwen mensch, vrede makende.
16 Opdat Hij ze beiden in één lichaam Gode zou verzoenen door het kruis, de vijandschap daarin teniet makende.
Nu strekt hij de weldaad der verzoening ook tot de Joden, en leert dat zij allen door één Christus met God vereenigd worden.
Waarin hij het valsch betrouwen der Joden wederlegt, die de genade van Christus verachtende, roemden, dat zij het heilige volk Gods, en zijn uitverkorene erve waren. Want zoo Christus onze vrede is, zoo volgt daaruit, dat die allen met God oneens zijn, die buiten Christus zijn. Het is voorwaar een zeer schoone lof, dat Hij de vrede tusschen God en de menschen is: opdat niemand twijfele of God hem genadig is, zoo hij in Christus blijft. Hij zegt bijname:
Dat Hij uit beiden één gemaakt heeft. Deze deeling was noodig.
De Joden meenden, dat de heidenen niet waardig waren, eenige gemeenschap met hen te hebben, om het privilege hun van God gegeven. En om hun zulke hoovaardigheid te benemen, zegt hij dat zoowel de Joden als de heidenen in één lichaam vereenigd zijn.
Verzamel nu dit alles te zamen, en gij zult dusdanig een argument maken; Zoo de Joden vrede met God willen hebben, zoo moeten
32
EFEZE 2 : 14, 15.
zij Christus tot een verzoener hebben. Nu, Christus zal niet anders 1-3 hun vrede zijn, dan zoo Hij uit hen en uit de heidenen e'én lichaam
maakt. Zoo hebben dan de Joden niets met God te doen, tenzij zij d de heidenen tot hun gemeenschap toelaten.
i: 14 Den scheidsmuur. Om deze plaats te verstaan, moeten wij
ï- twee dingen aanmerken, te weten, dat de Joden van de heidenen
e zijn gescheiden geweest tot een zekeren tijd, door de ordening
it Gods, en dat de ceremoniën teekenen dezer verwijdering zijn ge-
; weest, opdat het openlijk zoude betuigd zijn. Want God, de hei-
e denen voorbijgaande, had dat bijzondere volk Hem uitverkoren. Het
'i is een groote scheiding, dat sommigen huisgenooten der gemeente
1 zijn, en sommigen vreemden van de gemeente. Dit is wat Mozes
i zegt in zijn gezang: Toen de Allerhoogste de heidenen verdeelde, neut. 32:8.
s en toen Hij de menschen-kinderen verstrooide: toen zette Hij de
t landpalen der volken naar het getal der kinderen Israëls. Hier ziet
gij, dat God palen gesteld heeft, om één volk van de overigen af te zonderen; hieruit komt die vijandschap, die Paulus hier meldt. Want zij worden van elkander gescheiden, als God de heidenen verwer-l pende, de Joden alleen aanneemt en heiligt, van die gemeene be-
; smetting des menschelijken geslachts verlossende. Daarna zijn de
, ceremoniën daarbij gesteld, waarin als in muren de erfenis Gods
besloten wordt, opdat zij niet voor alle menschen open, of met andere bezittingen vermengd zou zijn, en opdat de heidenen daardoor van het rijk Gods afgehouden zouden worden. Nu zegt de apostel, dat de vijandschap weggenomen, en de scheidsmuur neder-geworpen is. Want Christus, de weldaad der aanneming buiten de grenzen van het Joodsche land uitstrekkende, heeft gemaakt, dat wij nu allen broeders zijn. En alzoo is die profetie vervuld: Jafet Gen. 9:27. zal wonen in de tenten van Sem. Nu zijn de woorden van Paulus klaar. De middelmuur verhinderde, dat Christus niet verzamelde de heidenen met de Joden. Zoo heeft Hij dan dien muur afgebroken.
Daarna wordt uitgedrukt, hoe deze muur is nedergeworpen, te weten,
dat de scheiding is weggenomen door het vleesch van Christus;
want de Zone Gods een natuur aannemende, die allen menschen gemeen was, heeft in zijn lichaam een volmaakte eenheid geheiligd.
15 De wet der geboden in inzettingen. Wat hij bij gelijkenis door het woord muur heeft verstaan, drukt hij jiu klaarder uit, zeggende, dat de ceremoniën door Christus zijn weggenomen, door welke het onderscheid uitkwam. Want de besnijdenis, de offeranden, afwasschingen en de onthouding van zekere spijs, wat waren deze dingen anders dan teekenen der heiliging, waardoor de Joden vermaand werden, dat hun lot van de anderen onderscheiden was; gelijk nu het witte en het roode kruis de Franschen van de Bourgondiërs onderscheidt. Zoo beduidt dan Paulus, dat de heidenen niet alleen zijn aangenomen tot gemeenschap der genade, opdat er geen onderscheid meer ware tusschen hen en de heidenen; maar dat ook het teeken des onderscheids is weggenomen,'dewijl de ceremoniën zijn afgelegd; gelijk wanneer een prins volken, die oneens zijn, onder zijn heerschappij brengt, en niet alleen wil, dat zij van harte eens zijn, maar ook de teekenen der vroegere vijandschap wegneemt;
gelijk het handschrift gescheurd wordt, wanneer de schuld kwijtgescholden wordt; welke gelijkenis Paulus in dezelfde zaak gebruikt heeft. Col. 2 ; 14. Het woordje: In inzettingen, voegen sommigen
Dl. IV. 3
33
34 EFEZE 2: 15, 16.
bij wegnemende; maar zij doen dat verkeerd. Want hij pleegt alzoo van de wet der ceremoniën te spreken: waarin de Heere niet alleen een eenvoudigen regel des levens leerde, maar ook de Joden aan menigerlei inzettingen bond. Waaruit men kan verstaan, dat Panlus hier niet handelt, dan van de wet der ceremoniën: want de wet der zeden is geen scheidsmuur, die ons van de Joden afscheidt, dewijl zij een leer vervat, die evenzeer ons als den Joden gemeen is. Voorts, uit deze plaats kan men ook sommiger menschen dwaling wederleggen, die meenen, dat de besnijdenis en andere oude gebruiken ook heden blijven, zooveel den Joden aangaat, hoewel de heidenen daarvan vrij zijn. Want alzoo zou de middelmuur nog blijven tusschen hen en ons, hetwelk betuigd wordt valsch te zijn. Opdat Hij ze beiden stelde in Zichzelven. Als hij zegt: In Zich-zelven, zoo wendt hij de Efeziërs af van de verscheidenheid der menschen, opdat zij nergens anders dan in Christus eenigheid zoeken. Daarom, ofschoon zij tevoren twee geweest zijn van ongelijken staat, zoo worden zij nochtans in Christus één mensch. En het is niet tevergeefs, dat hij daarbij stelt: In één nieuwen mensch; Gal. 0:15. want hij beduidt (wat hij op een andere plaats duidelijker leert) dat in Christus noch besnijdenis noch voorhuid iets geldt, en dat alle uitwendige dingen van geene waarde zijn: maar dat het nieuwe schepsel de eerste en de laatste plaats houdt. Zoo is het dan de geestelijke wedergeboorte alleen, die ons te zamen vereenigt. Zoo wij allen door Christus vernieuwd worden, zoo moeten de Joden nu niet langer zichzelven behagen in hun voorgaanden staat, maar moeten dragen dat Christus alles is, zoowel in hen als in anderen, gelijk op een andere plaats gezegd is.
i6 Opdat Hij ze beiden zou verzoenen. Hij betuigt, dat er niet alleen vrede is gemaakt tusschen ons, maar dat wij ook met God verzoend zijn, en om te beduiden, dat zoowel den Joden een Middelaar noodig was als den heidenen. Want noch de wet, noch de ceremoniën, noch Abrahams geslacht, noch alle voorrechten, waarmede zij versierd waren, zouden hun anders niet nuttig geweest zijn. Want wij zijn allen zondaars, en de vergeving der zonden wordt niet anders dan door de genade van Christus verkregen. Hij herhaalt wederom; In één lichaam, opdat de Joden weten, dat zij alzoo Code eerst behagen, zoo zij met de heidenen eenigheid behouden. Door het kruis. Hij heeft het kruis hierbij gemeld, om het zoenoffer te beduiden: want dewijl de zonde de oorzaak is van den haat tusschen God en ons, zoo zullen wij nimmermeer Gode aangenaam zijn, tenzij de zonde weggenomen is. Zoo is zij dan weggenomen door den dood van Christus, in welken Hij Zich den ;; Vader geofferd heeft tot een zoenoffer: hoewel, hij meldt ook het
kruis om deze oorzaak, te weten, omdat al de ceremoniën daardoor weggenomen zijn. Vandaar volgt, de vijandschap daarin teniet makende, want dit is zonder twijfel van het kruis te verstaan. Hoewel de zin dezer woorden tweeërlei kan zijn, te weten, dat Christus, door zijn dood ons met den Vader verzoenende, zijn toorn heeft weggenomen, of dat Hij de Joden en de heidenen te zamen verlossende, tot één kudde heeft gebracht. Dit laatste behaagt mij 't best, dewijl het met het voorgaande 't best overeenkomt, waar hij zegt: De vijandschap in zijn vleesch teniet makende.
EFEZE 2 : 17. 35
17 En komende, heeft Hij vrede verkondigd, u die verre waart, Jes. 57:19. en vrede dien, die nabij waren. Ef' 3:12'
18 Want door Hem hebben wij beiden toegang door éénen Geest Joh. 10; 9; tot den Vader. _ Kom.'5:2.
19 Zoo dan, gij zijt niet meer gasten en vreemde inwoners, maar Hebr- 10:19. burgers der heiligen, en huisgenooten Gods.
20 Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, welks 1 Cor- 3:9-opperste hoeksteen Christus is. Opcnb.21*14.
28 In welken het gansohe gebouw samengevoegd, wast tot een 1 Petr- 2; i-heiligen tempel in den Heere;
22 Waarop ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods Ef. 4:i6. in den Geest.
Al wat hij van de verzoening door Christus geschied, geleerd heeft, zou niet nuttig wezen, zoo het niet door het Evangelie verkondigd werd. Daarom stelt hij nu daarbij, dat de vrucht van dezen vrede nu aangeboden is zoowel den Joden als den heidenen,
waaruit volgt, dat Christus niet alleen den Joden, maar ook den heidenen tot zaligheid is gekomen. Want de verkondiging des Evangelies, welke in het gemeen den Joden en heidenen verordend is,
is een zeker getuigenis dier zaak. Dezelfde orde houdt hij 2 Cor. 5:21 zeggende: Dien, die geen zonde kende, heeft Hij zonde voor ons gemaakt. Insgelijks vs. 20: En Hij heeft de bediening der verzoening ons te bewaren gegeven, zoo dan, wij bedienen de boodschap uit Christus' naam. Ten eerste wordt de oorzake der zaligheid voorgesteld in den dood van Christus; daarna wordt de wijze beschreven, waardoor Christus ons Zichzelven en de weldaad zijns doods deelachtig maakt. Maar Paulus dringt hier voornamelijk op deze omstandigheid, dat Hij de heidenen met de Joden vereenigt in het rijk Gods, Zoo dan, gelijk hij tevoren hun beiden Christus heeft gemeen gemaakt, alzoo maakt hij ze nu ook metgezellen in het Evangelie, te kennen gevende, dat ook den Joden, hoewel zij de wet hadden, mede het Evangelie noodig was, en dat God dezelfde genade den heidenen gegeven had. Daarom die God door gelijke deelachtigheid der genade tezamen gevoegd heeft, zal geen mensch scheiden. Deze woorden, verre en nabij, zijn niet te verstaan van de verheid der plaats, maar hij stelt de Joden nabij, om des ver-bonds wil, maar de heidenen stelt hij verre, als die uit Gods rijk gebannen waren, zoolang zij geen belofte der zaligheid hadden.
17 En komende, heeft Hij vrede verkondigd. Hij heeft dit niet gedaan met zijn eigen mond, maar door de apostelen. Want Christus moest van den dood wederopstaan, eer Hij de heidenen tot de gemeenschap der genade riep. Waarom Hij ook zegt: Ik ben niet Matt. 15:24. gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels. Ja Hij verbiedt ook den apostelen, als Hij nog in de wereld is, dat zij hun Matt. 10; 6. eerste boodschap niet doen aan de heidenen. Zoo heeft Hij dan door zijne apostelen, gelijk door bazuinen, het Evangelie den Heidenen verkondigd. Zoo dan, wat niet alleen uit zijn naam en bevel, maar ook als in zijn persoon geschied is van de discipelen, wordt terecht Hem alleen toegeschreven. Want wij spreken alzoo, alsof Christus zelve door ons vermaande. En voorwaar, het geloof des Evangelies zou zeer zwak zijn, zoo wij alleen op de menschen zagen, maar al
EFEZE 2 ; 17â20.
de autoriteit komt daaruit, dat wij erkennen, dat de menschen instrumenten Gods zijn, en dat wij Christus door hunnen mond hooren spreken. Merk ook op, dat het Evangelie een boodschap des vredes is, waarmede God betuigt, dat Hij ons genadig is, en zijn vaderlijke liefde ons aanbiedt. Daarom, wanneer het Evangelie is weggenomen, zoo blijft krijg en vijandschap tusschen God en de menschen, gelijk dit wederom de eigen vrucht des Evangelies is, de conscientiën tevreden te stellen en gerust te maken, welke anders door ellendige ongerustheid moeten gekweld worden.
18 Want door Hem hebben wij beiden toegang. Dit is een bewijs uit het gevolg, en ook mede een verklaring des vredes, dewijl wij toegang hebben tot God: want de goddeloozen als zij in zorgeloosheid gerustelijk slapen, zoo bespotten zij zichzelven somtijds door ijdelen waan des vredes, maar zij hebben dan eerst rust, als zij het oordeel Gods vergetende, allermeest van Hem afwijken. Daarom heeft Paulus niet zonder oorzaak deze beschrijving van den Evangelischen vrede daarbij gesteld, opdat wij weten, dat hij niet gelegen is in ongevoeligheid der conscientiën, in valsch betrouwen, in hoovaardige grootheid, in onwetendheid der eigen ellendigheid, maar in vredige rust, die het aanschouwen Gods meer begeert dan vliedt, dewijl het lieflijk is. Nu, Christus is die ons de poorte open doet, ja Hij is de poort zelve. Nu dewijl deze poort twee deuren heeft, en daarom zoowel den joden als den heidenen open is, zoo volgt daaruit, dat God beiden bereid is om vaderlijke liefde te bewijzen. Hij stelt daarbij, door éénen Geest, door welks beweging en leiding wij ook tot Christus komen, en door welken wij roepen:
Rom. 8:is. Abba Vader! want hieruit komt dat betrouwen om tot Hem te gaan. Daar zijn verscheidene middelen geweest bij de Joden om tot God te komen; nu is daar een eenig middel, te weten, door den Geest van Christus geregeerd te worden.
19 Zoo zrjt gij dan niet meer. Hij ziet op wat hij gezegd had, dat de Efeziërs voortijds vreemd zijn geweest van het verbond. Want hij spreekt ze nu alleen aan, alsof hij zeide: Uw staat is veranderd, want God heeft u, uit vreemde inwoners burgers zijner gemeente gemaakt. Maar die eere, die God den Efeziërs verwaardigd had te bewijzen, verheft hij met vele woorden. Burgers der heiligen, noemt hij de heiligen, en daarna huisgenooten Gods: ten laatste noemt hij ze steenen tot den bouw van het huis Gods gevoegd. De eerste titel is genomen van een gelijkenis, die dikmaals in de Schrift gevonden wordt, waar de gemeente vergeleken wordt bij een stad. Het is een groote vereering, dat zij, die tevoren onheilig, en alle gemeenschap der godzaligen onwaardig waren, nu het recht eener zelfde stad of burgerschap hebben met Abraham en al de heiligen, patriarchen, profeten en koningen, ja zelfs met de engelen. Doch de andere titel is niet minder, dat God ze tot
1 Tim. sas. zijn huisgezin aangenomen heeft; want de gemeente is het huis Gods.
20 Gebouwd op het fundament. Dit is de derde vereering, waarin ook uitgedrukt wordt, hoe de Efeziërs huisgenooten Gods en burgers der heiligen geworden zijn, en hoe ook alle anderen zoodanig worden, te weten, zoo zij in de leer der profeten en apostelen gefundeerd zijn, waaruit men ook kan oordeelen, welke de ware en valsche gemeente is, wat voor alles noodig is. Want hoewel men nergens gevaarlijker in dwaalt, zoo komt men nochtans
36
EFEZE 2 : 20.
37
zeer lichtelijk daarin te vallen. Geene menschen roemen bijna stouter van den naam der gemeente, dan die dien naam zich valsche-lijk toekennen, wat men hedendaags kan zien. Nu, opdat wij niet feilen, zoo geeft Paulus ons hier het ware teeken der gemeente te kennen. Het is zonder twijfel, dat het woord fundament, hier genomen wordt voor de leer. Want hij noemt niet de patriarchen of godzalige koningen, maar die alleen, die het leerambt hadden, en die God gesteld had over de opbouwing zijner gemeente. Zoo leert dan Paulus, dat het geloof der gemeente op deze leer moet gefundeerd zijn. Wat zal men dan gevoelen van degenen, die alleen op menschelijke gedichtselen steunen, en intusschen ons van afwijking beschuldigen, omdat wij de zuivere leer Gods aannemen? Maar men moet aanmerken, hoe de gemeente gezegd wordt daarop gefundeerd te zijn: want eigenlijk is Christus het eenige fundament, dewijl Hij alleen de gansche gemeente ophoudt, en alleen de regel en mate des geloofs is: maar de gemeente wordt in Christus gefundeerd door de prediking der leer, waarom de profeten en apostelen genoemd worden bouwmeesters. Zoo is het dan zooveel alsof Paulus zeide, dat der profeten en apostelen voornemen niet anders is geweest, dan de gemeente op Christus te fundeeren. Wij zullen bevinden dat dit waarachtig is, indien wij ook van Mozes aan willen beginnen: want Christus zelve is het einde der wet, dezelfde is ook de inhoud des Evangelies. Zoo moeten wij dan gedachtig zijn, dat wij nergens anders in moeten rusten, zoo wij onder de geloovigen willen gerekend worden, en dat wij alle ding naar Hem moeten regelen, zoo wij behoorlijken voortgang in de Heilige Schrift willen maken. Desgelijks worden wij ook vermaand, waar het Woord Gods te zoeken, te weten, bij de profeten en apostelen. En opdat wij ze met elkander leeren vereenigen, zoo wordt bewezen, dat zij eendrachtig zijn, dat zij eenerlei fundament hebben, en gemeenschappelijk in het opbouwen des tempels Gods arbeiden. Want de leer der profeten is daarom niet overbodig, omdat wij de apostelen tot leeraars hebben: maar zij doen beiden een en hetzelfde. Dit zeg ik daarom, dat gelijk voortijds de Marcionieten de profeten uit deze tegenwoordige plaats hadden uitgewischt, alzoo ook heden sommige onheilige geesten, die den Marcionieten gelijk zijn, zeggen dat de wet en profeten ons niet aangaan, omdat het Evangelie een einde aan hen allen gemaakt heeft. Maar de Heilige Geest betuigt alom, dat Hij alzoo gesproken heeft door den mond der profeten, dat Hij in hunne geschriften wil gehoord zijn. En dit dient niet weinig om de autoriteit onzes geloofs te bevestigen, dat wij zien, dat al de dienstknechten Gods van den beginne aan tot het einde toe, zoo goed met elkander overeenkomen, dat hun eendrachtigheid klaarlijk bewijst, dat het een eenig God is, die in allen spreekt. Zoo moet men dan het begin onzer religie van de schepping der wereld aan nemen, waarom zoowel de papisten als de Turken, en alle andere secten tevergeefs roemen van de oudheid, welke niet anders zijn dan bastaarden der ware en zuivere religie. De opperste hoeksteen. Degenen, die aan Petrus deze eer toeschrijven, waar zij zeggen, dat de gemeente in hem gefundeerd is, zijn zoo onbeschaamd, dat zij ook dit getuigenis misbruiken tot een bedeksel hunner dwaling: want zij zeggen, dat Christus genoemd wordt de voornaamste steen onder de andere, en dat er daarom meer steenen zijn, waarop de gemeente gefundeerd
EFEZE 2 : 20â22.
is. Maar hierop is licht te antwoorden: want de apostelen gebruiken onderscheidene gelijkenissen, naar de omstandigheid der plaatsen, en nochtans in e'énzelfden zin. Dit blijft vast, dat daar geen ander fun-
1 Oor. 3 :ii. dament kan gelegd worden; daarom wil Paulus hier niet zeggen,
dat Christus alleen een hoek, of een stuk des fundaments is: want hij zou tegen zichzelven strijden. Wat wil hij dan? Hij wil de Joden en heidenen in ée'n geestelijk gebouw te zamen voegen. Dezen waren gelijk twee verscheiden muren, daarom stelt hij Christus midden in den hoek, opdat Hij ze beiden aan elkander binde. Dit is de grond dezer gelijkenis Nochtans verklaart hij daarna genoeg, dat hij niet alleen één deel van den bouw op Christus wil stellen, als hij zegt, dat het gansche gebouw in Hem te zamen gevoegd is. Zoo dit waarachtig is, waar is dan Petrus? Ja, ook als hij in den zendbrief aan de Corinthiërs, Christus een fundament noemt, zoo verstaat hij daarbij niet, dat de gemeente in Hem begonnen en in de anderen volmaakt wordt: maar dewijl hij den dienst der anderen met den zijne vergelijkt, (want hij moest toch de gemeente der Corinthiërs fundeeren, en die den bouw laten volbrengen, die na hem kwamen) daarom heeft hij deze verdeeling gesteld. Zooveel deze tegenwoordige plaats aangaat, hij leert, dat allen die in Christus te zamen gevoegd, een tempel Gods zijn. Ten eerste is de samenvoeging noodig, opdat de geloovigen elkander omvangen, en door onderlinge gemeenschap zich tot elkander voegen, anders zou het geen getimmerd huis, maar een verwarde hoop zijn. Maar de voornaamste gelijkmatigheid is in de eenigheid des geloofs: daarna volgt de vrucht of wasdom. Allen, die niet alzoo door geloof en liefde zijn vereenigd, dat zij in Christus voortgang maken, die hebben een onheilig gebouw, dat niets met den tempel Gods gemeen heeft.
21 Wast tot een heiligen tempel. Op een andere plaats wordt
2 Cor. 0:16. elk geloovig mensch geinoemd een tempel: maar hier zegt hij, dat
zij allen te zamen een ttempel Gods zijn. Beide wordt waar en gepast gezegd. Want God woont alzoo in een iegelijk van ons, dat Hij ons allen te zamen met een heilige eenigheid wil omvangen, en alzoo uit velen één maken. Zoo dan, die op zichzelf een tempel is, die wordt tot de anderen verzameld zijnde, een steen des tempels, wat gezegd wordt om de eenigheid te prijzen.
22 Waarop ook gij mede gebouwd wordt. Het Grieksche woord is twijfelachtig, gelijk ook het Latijnsche: want men kan het overzetten: Gij zijt gebouwd, of wordt gebouwd, en het verband der woorden laat beide toe: doch het laatste behaagt mij 't best. Want naar mijn oordeel vermaant hij de Efeziërs, dat zij meer en meer in het geloof opwassen, nadat zij eenmaal daarin gefundeerd zijn, en dat zij alzoo een stuk des nieuwen tempels zijn, die toen alom in de gansche wereld Gode door het Evangelie gebouwd werd. Het woord Geest, herhaalt hij om twee oorzaken; ten eerste om te vermanen, dat alle deugden van geene waarde zijn, zoo de Geest Gods niet werkt; ten andere om de geestelijke wijze der bouwing tegen alle uitwendige en Joodsche middelen te stellen.
38
EFEZE 3-: 1, 2.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 Om dezer zake wil, ik Paulus, een gevangene van Jezus Christus, Hand. 2i:33. bedien de boodschap voor u, heidenen. 2 Tlm' ^1quot;8,
2 Zoo gij ook gehoord hebt van de bediening der genade Gods,
die mij gegeven is aan u. Hand, 13:2.
3 Dat Hij mij de verborgenheid ontdekt heeft door openbaring, Gal. ir'u. gelijk ik weinig tevoren geschreven heb.
3 Hetwelk gij aanmerkende kunt verstaan mijne kennis in de verborgenheid van Christus,
5 Welke in andere eeuwen niet den kinderen der menschen is bekendgemaakt, gelijk zij nu geopenbaard is zijnen heiligen apos- Hand. 10:23. telen en profeten door den Geest.
6 Dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam,
en mede deelachtig zijne belofte in Christus, door het Evangelie,
i m dezer zake wil. Het is zonder twijfel, dat de tegenstan-I Iders de gevangenis van Paulus, welke tot bevestiging zijns â apostelambts behoorde te gelden, tot het tegenovergestelde getrokken hebben. Zoo geeft hij dan nu den Efeziërs te kennen, dat hun roeping door zijn gevangenis bevestigd wordt: want hij was om geen andere oorzaak gevangen, dan omdat hij het Evangelie den heidenen verkondigd had: dewijl hij dan met een sterk en standvastig gemoed staande bleef, zoo hadden de heidenen daaruit geen kleine bevestiging, dat hij zijn ambt oprecht bediend had. Maar opdat hij zich meerder autoriteit make, zoo spreekt hij hoogelijk van zijn gevangenis, als hij zegt, dat hij de boodschap of het gezantschap bedient. Dit was wel een bespottelijke roeming voor de wereld en voor de goddeloozen, maar bij de godzaligen was zij vol gerechtigheid en geloof. Want door de heerlijkheid van Christus wordt niet alleen de schandelijkheid der gevangenis uitgewischt,
maar wat anders schandelijk was, maakt zij voor alles heerlijk.
Had hij enkel gezegd: Ik ben gevangen, dan zou het woord boodschap of gezantschap geen plaats hebben: want deze eer is men der gevangenis niet schuldig, welke meest een teeken der misdaad en der booze stukken is; maar wie een gevangene van Jezus Christus is, diens gevangenis en banden gaan te boven in waardigheid, niet alleen den staat der gezantschappen, maar ook de kronen en schep-ters der koningen, niet dat het in der menschen oogen alzoo schijnt,
maar het betaamt ons de oorzaak te overwegen. En de naam van Christus behoort ons zoo waardig te zijn, dat die dingen, die van de menschen geacht worden de grootste schande, bij ons de hoogste eer zij. Paulus beveelt den Efeziërs aan de vervolging, die hij leed,
als hij zegt, dat hij 't lijdt voor de heidenen. Dit diende grootelijks om hunne harten te bewegen, als zij hoorden, dat hij om hunner zaligheid wil in zwarigheid en gevaar was.
2 Zoo gij ook gehoord hebt. Het is waarschijnlijk, dat Paulus toen hij te Efeze was, van deze dingen gezwegen heeft, dewijl ook geen noodzakelijkheid dit eischte, want er was toen nog geen twist gerezen van de roeping der heidenen: want zoo hij daarvan gesproken had, zoo zou hij hun die woorden indachtig maken, wat
39
EFEZE 3:2, 3.
hij niet doet: maar hij meldt alleen het algemeen gerucht, en zijn zendbrief. En voorwaar, hij heeft niet vanzelf onnutte twisten opgeworpen : maar door der tegenstanders ongeschiktheid gedwongen zijnde, heeft hij zijnen dienst beschermd als het noodig was. Het woord, waarvoor wij gesteld hebben bediening, wordt hier genomen voor een bevel of ordening Gods, of voor een commissie, gelijk men gewoonlijk spreekt.
3 Dat Hü mij de verborgenheid ontdekt. Opdat hij niet schijne lichtvaardig iets in zijn apostelambt begonnen te hebben, en nu om zijn lichtvaardigheid gestraft te worden, daarom zegt hij zoo naarstig, dat God de auteur zijner handelingeii is, en dewijl het om de nieuwigheid der zaak door weinigen goed geacht werd wat hij deed, daarom noemt hij het een verborgenheid. Zoo neemt hij dan daarmede die nijdigheid weg, die daaruit rijzen kon, dat zijn werk den gemeenen man niet behaagde. En in deze zaak zoekt hij niet zoozeer zijn eigen voordeel als der Efeziërs, voor wie daar veel aan gelegen was, dat zij zeker waren, dat zij uit Gods zeker voornemen, door den dienst van Paulus geroepen waren. Alzoo heeft hij het woord verborgenheid, gesteld tegen de verkeerde oordeelen en meeningen der wereld, die toen in 't gemeen de overhand hadden: opdat men niet terstond een kwaad vermoeden hebbe, van wat niet zoo wel bekend is. Voorts zegt hij, dat het hem door openbaring ontdekt is: waarmede hij zichzelven scheidt van de aan inbeelding rijke menschen, die Gode en den Heiligen Geest toeschrijven, al wat zij gedroomd hebben. De valsche profeten roemen ook op openbaringen, maar zij liegen: maar Paulus was zeker van zijn openbaring, en kon ze ook anderen bewijzen: en hij spreekt voorwaar als van een genoegzaam bewezen zaak. Weinig tevoren geschreven heb. Hij brengt nu wederom in gedachtenis, wat hij in het 2de Hfdst. aangeroerd had, of hij spreekt van een anderen zendbrief, wat bijna met aller toestemming aangenomen is. Zoo men de eerste uitlegging aanneemt, zoo rijmt het zeer wel, dat hij 't met weinige woorden geschreven heeft, omdat hij deze zaak, als in het voorbijgaan aangeroerd had. Maar dewijl de laatste (gelijk ik gezegd heb) meer aangenomen is, zoo heb ik die in mijn overzetting gevolgd. Zoo heb ik dan het Grieksclie woord, dat Erasmus overgezet heeft, in 'tkort of met weinige woorden, liever beduid op den tijd. Want alzoo zou er een stilzwijgende vergelijking zijn tusschen dit schrijven en het voorgaande. En het rijmt niet, dat hier kortheid der woorden zou gemeld worden, daar hij de zaak niet met minder woorden heeft kunnen aanroeren dan hij hier doet. Doch met een korten tijd te melden, schijnt hij willens hun memorie, die nog versch was, tot getuige te roepen: hoewel, ik wil om deze zaak niet twisten. Daar is meer zwarigheid in de woorden, die hier volgen, welke Erasmus aldus heeft overgezet: Uit welke gij lezende kunt verstaan. Maar de samenvoeging der Grieksche woorden duldt dat niet naar mijn oordeel Daarom geef ik de lezers aan te merken, of deze zin niet bekwamer is: Hetwelk gij moogt opmerkende [of bekennende] verstaan. Zoo men het aldus overzet: Gij kunt lezende verstaan naar wat ik u geschreven heb, zoo zal de zin nog redelijk goed zijn. Ik heb hier gissingen gesteld, gelijk in een twijfelachtige zaak. Maar zoo wij aannemen wat meest allen goeddunkt, dat de apostel tevoren aan de Efeziërs geschreven heeft, zoo is deze zendbrief de eenige niet.
40
EFEZE 3:3, 4.
die ons is verloren gegaan. Nochtans moeten de goddeloozen niet tegensnateren, dat de leer der Schrift gebroken, of in eenig deel onvolmaakt is. Zoo wij behoorlijk aanmerken Paulus' zorgvuldigheid, wakkerheid, naarstigheid, vurigheid, vriendelijkheid en vaardigheid in de broeders te helpen, zoo zullen wij lichtelijk daaruit verstaan, hoe vele zendbrieven hij geschreven heeft hier en daar heen, zoowel in 't gemeen als bijzonder. Maar de Heere heeft door zijn voorzienigheid die tot eeuwige gedachtenis behouden, die Hij voorzag zijner gemeente noodig te zijn. Zoo zullen wij dan weten, dat het ons genoeg is, wat ons nog gebleven is, en dat het niet bijgeval geschied is, dat daar zoo weinig overgebleven is: maar dat dit lichaam der Schrift, zooals wij het behouden hebben, door de wonderlijken raad Gods alzoo geschikt en passend is.
4 Mijne kennis in de verborgenheid. Uit deze herhaling, die zoo dikmaals geschiedt, kan men verstaan, hoe noodige zaak de zekerheid der roeping is, alzoowel in het volk als in de dienaren: nochtans, Paulus heeft hier meer op anderen dan op zichzelven gezien. Hij wordt wel alom gelasterd, dat hij het Evangelie den Joden en heidenen gemeen maakte: maar hij zorgde niet zoozeer voor zichzelven, als dat hij zag, dat het geloof veler menschen zwak werd, als zij door der boozen lastering beroerd zijnde, aan zijn apostelambt begonnen te twijfelen: daarom roept hij zoo dikmaals de Efeziërs tot zijn kennis en wetenschap terug, die hij van den wil en het bevel Gods had. En wat hij tevoren eenvoudig genoemd had verborgenheid, noemt hij nu verborgenheid van Christus, daarmede te kennen gevende, dat het moest verborgen blijven, totdat het door zijn komst openbaar zou worden, gelijk alle profetieën, die tot het rijk van Christus dienen, genoemd kunnen- worden profetieën van Christus. Ten eerste moet men aanmerken de uitlegging van het woord verborgenheid; daarna zullen wij bezien waarom hij zegt, dat zij allen eeuwen onbekend is geweest. Hij zegt, dat dit is verborgen geweest, dat de heidenen deelgenooten der belofte, en alzoo het leven in Christus moesten deelachtig worden, en dat door het Evangelie. Als deze naam aan het Evangelie gegeven wordt, zoo zijn er andere reden, die te dezer plaatse niet dienen. Zoo dan, de roeping der heidenen was een verborgenheid van Christus, dat is, die onder het rijk van Christus moest volbracht worden. Maar waarom zegt hij, dat zij niet is bekend geweest, daar zij nochtans door zoo vele profetieën verkondigd was? Want de profeten betuigen alom, dat uit de gansche wereld volken zullen komen om God te aanbidden; dat alzoowel in Assyrië als in Egypte een altaar zal opgericht worden, en dat zij allen tegelijk zullen spreken de tale Kanaans: met welke woorden zij te kennen geven, dat de dienst des waren Gods en dezelfde belijdenis des geloofs, alom zal verbreid worden. Het rijk van Christus strekken zij uit van Oost tot West, en alle volken des aardrijks onderwerpen zij aan Hem. Wij zien ook, dat de apostelen in vele plaatsen voor deze zaak getuigenissen voortbrengen; en dat niet alleen uit de laatste profeten, maar ook uit Mozes. Hoe kon dan dit verborgen zijn, wat door de stem van zoovele predikers verkondigd was? Hoe komt het, dat Paulus alle menschen zonder uitzondering van de kennis berooft? Zullen wij zeggen, dat de profeten gesproken hebben van dingen, die hun onbekend waren, en dat zij een geluid zonder verstand
41
EFEZE 3:4â6.
gegeven hebben? Ik antwoord, dat men de woorden van Paulus niet alzoo moet nemen, alsof daar ganschelijk geen kennis van deze dingen geweest ware: want er zijn altijd sommigen onder het volk geweest, die bekenden, dat de genade Gods in de komst van den Messias de gansche wereld door zou geopenbaard worden, en die de wederoprichting des menschelijken geslachts hoopten. En de profeten profeteerden uit zekere openbaring: maar intusschen waren zij onzeker van den tijd en wijze. Zij wisten, dat de genade Gods namaals den heidenen zou gemeen gemaakt worden: maar wanneer, hoe, of door wat middelen, was hun al verborgen.- Van deze onwetendheid is een schoon bewijs geweest in de apostelen: 'zij waren hiervan onderwezen, niet alleen door de profetieën der profeten, maar zij hadden joh. 10:16. ook de klare stem des Meesters gehoord, welke zegt: Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn, deze moeten ook verzameld worden, opdat het worde één schaapskooi en één herder; nochtans werden zij door de nieuwigheid der zaak verhinderd, dat zij het niet ganschelijk verstonden. Ja ook, als zij dit gebod ont-Mark. ie: 16. vangen hadden: Gaat henen, predikt allen creaturen. Zoo ook; Gij Hana. i:s. zult mijne getuigen zijn van Samaria aan tot de uiterste volken toe: zoo hebben zij de roeping der heidenen geschuwd en gevloden als iets ongeschikts: want de wijze was hun onbekend. Zij vatten de «voorden van Christus niet anders dan duister, eer de zaak tegenwoordig geschiedde: want in de ceremoniën was hun iets als een deksel op hunne oogen gelegd. Daarom is het geen wonder, zoo Paulus dit noemt een verborgenheid, en zegt, dat het is bedekt geweest, dewijl men niet wist van de aflegging der ceremoniën, welke een toegang daartoe was.
5 Geljjk het nu geopenbaard is zjjnen heiligen. Opdat het hem niet tot hoovaardigheid gerekend worde, dat hij roemde te weten wat allen patriarchen en profeten, en heiligen koningen onbekend was, vermaant hij allereerst, dat hij deze kennis met anderen gemeen heeft, en stelt zich de voornaamste leeraars der gemeente tot i cor. 12. metgezellen; ten andere, schrijft hij het den Heiligen Geest toe, in wiens macht het is een iegelijk toe te deelen, zooveel als Hij wil. Want er is geen andere mate der wetenschap, dan die Hij ons bepaalt. Hij heeft met drie woorden uitgedrukt, dat de heidenen tot Gods volk zijn aangenomen, om te beter te bewijzen, met welke conditie dat moest geschieden, te weten, als zij zonder onderscheid den Joden gelijk gemaakt worden, om één lichaam te maken. En opdat de nieuwigheid der zaak niemand ergere, zoo zegt hij, dat dit moest geschieden door het Evangelie, welks verkondiging toen voorwaar nieuw en ongehoord was, welke nochtans alle godzaligen beleden uit den hemel te zijn. Wat wonder is het dan, zoo God Ef. i:i9. de wereld vernieuwende, een ongewone wijze houdt?
7 Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is, naar de krachtige werking zijner mogendheid.
8 Mij, die de minste aller heiligen ben, is deze genade gegeven, dat ik onder de heidenen zou verkondigen den ondoorzoeke-lijken rijkdom van Christus,
9 En allen menschen openbaar maken, welke de gemeenschap is der verborgenheid, die van het begin der tijden aan is ver-
42
VJU1. 4 . 14.
1 Cor. 15:9. Hand. 9:15; 13:2; 22:21.
Gal. 1:16;
\ Tim. 2:7.
2 Tim. 1:11. Bom. 16:25.
Col. 1:26. Ef. 1:9. 2 Tim. 1:10.
Tit. 1:2. 1 Petr. 1:20.
EFEZE 3:7, 8.
borgen geweest in God, die alles geschapen heeft door Jezus oen. 1:3.
/-ii ⢠i. a c Ps. 33; 6.
Christus. joll 1:3
10 Opdat de menigerlei verscheiden wijsheid Gods, door de ge- Co1' 1: lc-meente, den vorstendommen en machten in de hemelsche i petr. i: 12. [plaatsen] zou openbaar worden.
11 Naar dat eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus onzen Heere voorgenomen heeft.
12 Door denwelken wij de vrijmoedigheid hebben, en den toegang Joh. 10; 9; met betrouwen door het geloof in Hem. Hon,.' 5.2.
13 Daarom bid ik, dat gij niet bezwijkt in mijne verdrukkingen ^b2: J®- lg
voor u, hetwelk uwe eer is. fü, 1: u,
1 ThesR. 3:3.
7 Waarvan ik een dienaar geworden ben. Dewijl hij geleerd Co1-1:24-had, dat het Evangelie een instrument is, om de heidenen de genade deelachtig te maken, zoo stelt hij nu daarbij, dat dit ambt hem
is bevolen geweest, en voegt het alzoo tot zijn persoon, wat hij van de zaak gezegd had. Nochtans, opdat hij niet schijne zichzelven meer toe te schrijven dan het betaamt, zoo zegt hij ten eerste, dat het een gave der genade Gods is. Daarna prijst hij in deze gave de mogendheid Gods, alsof hij zeide; Wilt niet aanzien wat ik verdiend heb, want de Heere heeft mij dit vanzelfs door zijn mildheid gegeven, dat ik een apostel der heidenen ben, niet door mijn waardigheid, maar door zijn genade. Wilt ook niet aanzien, hoedanig ik geweest ben : want. het komt den Heere toe, de menschen die niets zijn, te verheffen. Dit is de krachtige werking zijner mogendheid, dat Hij uit niet wat groots maakt.
8 My, die de minste aller heiligen ben. Zichzelven en al wat hem toebehoort, verkleint hij zooveel hem mogelijk is, opdat hij de genade Gods te hooger verheffe, en opdat hij ook mede door deze belijdenis, de tegenstanders voorkome in de tegenwerpingen, die tegen gebracht konden worden, als: Wie is toch deze, dat God hem boven alle anderen verheven heeft? Wat gaven had hij boven anderen, dat hij boven alle anderen is verkoren geweest? Zoo dan, als hij bekent zichzelven de allerminste te zijn, zoo neemt hij alle vergelijking der waardigheid en der deugden weg. En hij spreekt niet geveinsd,
als hij zichzelven alzoo vernedert, gelijk velen een geveinsde ootmoedigheid vertoonen, hoewel zij binnen in het hart opgeblazen zijn, en bekennen met den mond, dat zij de minsten zijn, hoewel zij nochtans de hoogsten willen geacht worden, en meenen dat zij de hoogste eer waardig zijn. Paulus bekent van harte zijn kleinheid,
ja hij spreekt op een andere plaats veel verwerpelijker van zichzelven:
Ik ben niet waardig een apostel genaamd te worden, 1 Cor. 15 : 9.
Insgelijks, als hij zichzelven noemt den voornaamste der zondaren, 1 Tim. 1 :5. Maar wij moeten aanmerken, als hij zichzelven den allerverwerpelijkste maakt, dat hij dan rekent, hoedanig hij is uit zichzelven, en afgedacht van de genade Gods, alsof hij zeide, dat zijn kleinheid en onwaardigheid niet verhinderd heeft, dat anderen zijn voorbijgegaan, en hij tot een apostel der heidenen is verordend. Want als hij zegt, dat het hem gegeven is, zoo beduidt hij een bijzondere gave, want hij spreekt bij vergelijking, niet dat hij alleen verkoren is om dit ambt te bedienen, maar omdat hij onder de leeraars der heidenen de eerste plaats had, om welke oorzaak hij op een andere plaats, dezen naam als zijn eigen gebruikt. Door den ondoorzoe-i Tim. 2:7.
43
EFEZE 3:8 -10.
kelyken rijkdom van Christus, verstaat hij de onmetelijke en ongeloofelijke schatten der genade, die God buiten verwachting onvoorziens verwaardigd had den heidenen te geven: waarmede hij vermaant, hoe begeerig de Efeziërs het Evangelie behooren aan te nemen, en in wat waarde zij het behooren te houden, waarvan wij gesproken hebben in den zendbrief aan de Galaten, hfdst. 2 : 15. En voorwaar, gelijk de bediening des apostelambts hem met de anderen gemeen was, alzoo kwam deze eer hem bijzonder toe, dat hij den heidenen een apostel was verordend.
9 Welke de gemeenschap zy der verborgenheid. Gemeenschap noemt hij de verkondiging, te weten, ah God de menschen zijn raad deelachtig maakt, welken Hij tevoren verborgen hield. En hij gebruikt een bekwame gelijkenis als hij zegt: Om alle menschen te verlichten, gelijk de Grieksche woorden luiden, alsof de genade Gods met volle licht scheen in zijn apostelambt. Die van het begin is verborgen geweest in God. Hij vermijdt den haat der nieuwigheid, gelijk hij ook boven gedaan heeft. En hij zegt bijname dat het is verborgen geweest in God, om alzoo der menschen lichtvaardigheid tegen te gaan, die meenen, dat het hun niet betaamt iets niet te weten, alsof het niet in Gods wil stond, zijn raad bij Zich verborgen te houden, totdat Hij Zich den menschen wil openbaren. En wat hoovaardigheid, ja uitzinnigheid is dat, dat wij Gode niet toelaten meer te weten dan wij ? Daarom zullen wij gedenken, dat wij onze stoutigheid moeten tegenhouden, zoo wanneer de hoogheid der wetenschap Gods ons voorgesteld wordt. Hiertoe dient het, dat hij den rijkdom van Christus genoemd heeft ondoorzoekelijk, daarmede beduidende, dat het een zaak is eerbied en verwondering waardig, hoewel zij door ons vernuft niet begrepen wordt. Die alles geschapen heeft door Christus. Het behaagt mij niet zoozeer dit
Gen. i;3. van de eerste schepping uit te leggen, als van de geestelijke weder-
Oji' 1^6 oprichting- Want hoewel dit waarachtig is, dat alles geschapen is
Hebr. i:2. door het Woord Gods, gelijk men in zoovele plaatsen leest, nochtans eischt de omstandigheid der plaats, dat wij het van de vernieuwing verstaan, dewelke vervat wordt in de weldaad der verlossing. Tenzij mogelijk iemand liever een argument wil maken van de schepping op de vernieuwing, in dusdanigen zin: Door Christus, die God is, heeft de Vader alles geschapen, zoo is het dan geen wonder, dat Hij nu al de heidenen door Christus den Middelaar weder-opgericht heeft, welke uitlegging mij niet mishaagt. Zulk een argument gebruikt hij 2 Cor. 4:6: God, die het licht geboden heeft uit de duisternis te schijnen, dezelve is het, die onze harten verlicht heeft. Want uit de schepping der wereld besluit hij, dat het Gods- ambt is, de duisternis te verlichten: maar wat daar zienlijk was, duidt hij op den Geest, wanneer van het rijk van Christus gesproken wordt.
10 Den vorstendommen. Sommigen achten het ongeschikt, dat dit van de engelen gezegd wordt, omdat zij in den glans van het aangezicht Gods meer zien dan dat hun zulke onwetendheid zoude toegeschreven worden. Daarom duiden zij het op de duivelen, doch onvoorzichtig: want wat groots zou de apostel van het Evangelie of van de roeping der heidenen zeggen, zoo hij zeide, dat het nu eerst den duivelen geopenbaard ware? Het is zeker, dat hij arbeidt om de barmhartigheid Gods aan de heidenen, en ook mede de
44
EFEZE 3 : 10â12.
waardigheid des Evangelies zoozeer te verheffen als hem mogelijk is, en om dit te doen, zoo betuigt hij dat in de verkondiging des Evangelies geopenbaard wordt de menigerlei genade Gods, welke zelfs niet altijd den engelen is bekend geweest. Waaruit volgt, dat de wijsheid Gods den menschen meer dan verwonderlijk moet zijn, daarin dat Hij de heidenen bij de Joden gevoegd heeft in de gemeenschap der zaligheid. Daarom noemt hij ze in menigerlei wijze verscheiden, omdat de menschen gewoon zijn haar uit ée'ne gedaante te oordeelen, wijl zij haar noch geheel, noch in hare enkele deelen begrijpen. Bijvoorbeeld: de Joden meenden, dat de wijsheid Gods besloten was in de ordening, die hun bekend en gebruikelijk was, zoodanig als zij onder de wet geweest was. Maar God heeft een ander bewijs en proeve zijner wijsheid voorgesteld, het Evangelie allen menschen zonder onderscheid verkondigende; niet dat het een nieuwe wijsheid geweest is, maar dat zij zoo wijd en menigerlei is, dat zij niet met de mate onzes verstands kan begrepen worden. Zoo moeten wij dan weten, dat die kennis, die wij verkregen hebben, (hoedanig zij ook zij) alleen een klein stukske is. Waar zij dan in de roeping der heidenen, in den hemel van de engelen bekend en eerbiedig aangenomen wordt, hoe onbehoorlijk is het dan, dat zij op aarde van de menschen verworpen en veracht wordt? Maar dat sommigen hieruit besluiten, dat de engelen bij de prediking zijn om te leeren gelijk als wij, dat is een onzekere uitlegging. Men moet altijd aanmerken, voor wie de Heere den dienst zijns Woords verordend heeft. Want zoo de engelen, die het aanschouwen Gods genieten, niet in het geloof wandelen, zoo is hun ook de uitwendige bediening des Woords niet noodig. Zoo moet dan de prediking, die onder de menschen gebruikt is, alleen voor de behoefte der menschen dienen. En de zin der woorden van Paulus, is deze, te weten: Dat de gemeente, uit de Joden en de heidenen verzameld, als een spiegel is, waarin de engelen de wonderlijke wijsheid Gods aanschouwen, welke zij tevoren niet wisten. Want zij zien een werk, dat hun nieuw was, en waarvan de reden in God verborgen was: zoodanig is de voortgang, welken zij maken, en niet dat zij uit der menschen mond iets leeren.
11 Naar het eeuwige voornemen. Wij zien, hoe naarstig hij toeziet, opdat hem niet tegengeworpen worde, dat God veranderlijk is. Daarom verhaalt hij nu ten derden maal, dat het een eeuwig en onwankelbaar voornemen geweest is, doch dat het in Christus moest bevestigd worden, dewijl het in Hem verordend was. Alzoo geeft hij te kennen, dat de rechte tijd om dit voornemen te openbaren, aan het rijk van Christus toekwam. Van woord tot woord is het: Naar het plan, dat Hij gemaakt heeft; maar het woord maken, neem ik voor ordenen. Want het wordt niet alleen gehandeld van de volbrenging des voornemens, maar van de ordineering zelve, welke hoewel zij vóór alle eeuwen en tijden is geweest, zoo is zij nochtans als in Gods schoot bewaard geweest tot de openbaring van Christus.
12 Door denwelken wij den toegang hebben. Hij geeft te kennen, dat men aan Christus deze eer moet geven, dat Hij de gansche wereld met den Vader verzoent. Deze genade prijst hij uit de vrucht, omdat de heidenen daardoor tot Gods aangezicht toegelaten worden, gelijk het geloof hun gemeen is. Nu, zoo wan-
45
EFEZE 3 : 12, 13.
neer Paulus ons met God door Christus en het geloof in Hem vereenigt, zoo wordt stilzwijgend bij tegenstelling uitgedrukt, dat alle andere toegangen gestopt, en alle andere middelen der vereeniging weggenomen zijn. Nochtans hebben wij hier een schoone en zeer nuttige leer: want Paulus drukt zeer bekwamelijk uit, welke de kracht en natuur des geloofs zij, en wat vertrouwen in de ware aanroeping Gods geëischt wordt. Het is geen wonder, dat de papisten veel met ons kijven, van de vrucht en werken des geloofs; want zij verstaan niet wat dit woord geloof, beduidt, hetwelk zij uit deze tegenwoordige plaats konden leeren, zoo zij niet reeds van tevoren met valsche meeningen bevangen waren. Ten- eerste noemt hij het een geloof in Christus, beduidende dat ons in Christus voorgesteld wordt al wat het geloof moet aanmerken, waaruit volgt, dat een bloote en onduidelijke kennis van God niet moet geacht worden het geloof te zijn, maar een kennis, die zich tot Christus strekt, om daar God te zoeken, hetwelk niet kan geschieden, dan als de kracht en het ambt van Christus verstaan wordt. Hij leert, dat uit het geloof verwekt wordt stoutigheid en betrouwen, waarvan het betrouwen eerst is, en de stoutigheid medebrengt. Zoo moet men dan drie graden en trappen maken; want ten eerste gelooven wij de beloften Gods, daarna op deze beloften rustende, krijgen wij een betrouwen, . zoodat wij een goeden en genisten moed hebben; hieruit komt stoutigheid, waardoor wij de vreeze verdrijven, en onbevreesd en standvastig onszelven Gode bevelen. Degenen, die het geloof scheiden van het betrouwen, doen even alsof iemand aan de zon haar hitte en licht benemen wilde. Ik beken wel, dat naar de maat des geloofs, de een meerder, en de ander minder betrouwen heeft: nochtans zal het geloof nergens gevonden worden zonder deze vruchten. Zoo dan, de conscientie door twijfeling vreesachtig en wankelbaar, of de conscientie gerust, standvastig, en onoverwinnelijk tegen de poorten der hel, zal een zeer zeker argument des onge-loofs of geloofs wezen. Dit is een heilig voornemen of presumptie, om zoo te spreken, als wij op Christus den Middelaar betrouwende, zekerlijk gerust zijn in de vaderlijke liefde Gods, ons zeiven het eeuwige leven daarin durven verzekeren, en noch dood en hel vreezen. Men moet ook aanmerken, dat hij zegt: Den toegang met betrouwen. Want hierin zijn de kinderen Gods en de goddeloozen onderscheiden; dat de goddeloozen hun rust stellen in God te vergeten en zijn nimmermeer beter op hun plaats, dan als zij allerverst van God afwijken; maar integendeel, de kinderen Gods hebben vrede met God, en komen blijmoedig en gaarne tot Hem. Bovendien leeren wij uit deze plaats, dat in de ware aanroeping betrouwen noodig is, en dat dit de sleutel is, die ons de deur van het hemel-sche rijk opendoet. Want die door twijfeling her- en derwaarts wan-jak. i: 6. kelen, zullen nimmermeer verhoord worden, gelijk Jakobus zegt. Daarom als de Sophisten der Sorbonne gebieden te twijfelen, zoo weten zij niet, wat het is God aan te roepen.
13 Daarom bid ik, dat gij niet bezwijkt. Nu ziet gij waarom hij tevoren zijn gevangenis gemeld heeft, te weten, opdat hun gemoed niet zou verzwakt worden, als zij van zijn vervolging hoorden. O wat een vroom gemoed, dat zelfs uit gevangenis en dood anderen vertroosting heeft aangebracht, die buiten gevaar waren I Hij meldt, dat hij voor de Efeziërs verdrukkingen lijdt, omdat ze tot
46
EFEZE 3 ; 13â15.
stichting allèr godzaligen dienden. Want wat groote versterking des geloofs heeft het volk daaruit, als de herder zich niet ontziet zijn leer te bevestigen met eigen verlies des levens? Daarom stelt hij ook daarbij, hetwelk uwe eer is. Want zijn prediking werd zoo openbaar, dat al de gemeenten waarin hij geleerd had, terecht roemden, dat zij een geloof hadden, dat met zeer goed pand bevestigd was.
14 Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus,
15 Uit welken alle maagschap in hemel en op aarde genoemd wordt,
16 Dat Hij u geve, naar den rijkdom zijner heerlijkheid versterkt te worden met kracht door zijnen Geest in den inwendigen mensch;
17 Opdat Christus door het geloof in uwe harten wone, opdat gij in de liefde geworteld en gegrond zijt;
18 Opdat gij begrijpen moogt met al de heiligen, wat breedte, en lengte, en diepte, en hoogte daar zij:
19 Bekennen, zeg ik, de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat: opdat gij vervuld zijt tot al de volheid Gods.
14 Om deze oorzaak buig ik. Hij meldt zijn gebed, dat hij voor hen doet, niet alleen om te betuigen, hoe hij jegens hen genegen is, maar ook opdat zij desgelijks bidden. Want tevergeefs wordt alle leer gezaaid, tenzij de Heere ze door zijnen zegen vruchtbaar make. Zoo zullen dan de herders door Paulus' voorbeeld leeren, niet alleen te vermanen, maar ook mede vrucht op hun arbeid van den Heere te bidden, opdat hij niet onvruchtbaar zij. Nochtans moeten zij hieruit geen oorzaak tot luiheid nemen, als zij hooren, dat zij geen voortgang zullen maken door hunnen arbeid en vernuft, dan zooverre hij van den Heere gezegend wordt: maar dat al hun studeeren en naarstigheid, die zij daarom doen, onnut is; maar zij moeten liever naarstig arbeiden in zaaien en besprengen, of natmaken, en intus-schen van den Heere wasdom bidden en verwachten. Aldus wordt de valsche beschuldiging der Pelagianen en papisten wederlegd, als zij zeggen, dat alle leer overbodig zal zijn, zoo slechts de harten door de genade des Heiligen Geestes verlicht, en tot gehoorzaamheid geschikt worden. Want wij worden daarom van den Heiligen Geest verlicht en vernieuwd, opdat de leer bij ons krachtig zij: opdat niet den blinden een licht, en den dooven de waarheid gepredikt worde. Zoo dan, God werkt alzoo alleen in ons, dat Hij nochtans intus-schen door zijn instrumenten werkt. Daarom is der herderen ambt, naarstig te leeren, en wederom des volks ambt is, naarstig naar de leer te hooren: maar opdat zij zichzelven niet met ijdele oefeningen vermoeien, zoo moeten zij beiden tot den Heere vlieden. Als hij zegt, dat hij zijne knieën buigt, zoo bewijst hij de zaak met een teeken, niet dat het gebed altijd kniebuiging eischt, maar omdat dit teeken van eerbied gemeenlijk daartoe gebruikt wordt, voornamelijk wanneer het een aandachtig en ernstig gebed is.
15 Uit welken alle maagschap. Het woord uit welken, kan zoowel op den Vader als op den Zoon geduid worden. Het behaagt
47
EFEZE 3:15, 16.
mij niet, dat Erasmus het alleen op den Vader bijname duidt: want hij behoorde den lezer niet de vrijheid te benemen. Ja, de andere uitlegging is veel dichter bij de waarheid. Want de apostel ziet op die maagschap, die de Joden onder elkander hadden om den ge-meenen vader Abraham, die de oorsprong des geslachts was. Daarentegen, als hij het onderscheid tusschen de Joden en heidenen wil wegnemen, zoo zegt hij, dat niet alleen alle menschen door Christus tot een huisgezin en geslacht zijn gebracht, maar dat zij ook der engelen metgezellen geworden zijn. Zoo iemand het op God duidt, het zal niet zoo goed rijmen. Want men zou terstond kunnen zeggen, dat God, voortijds de heidenen latende,- den Joden Zich tot een bijzonder volk heeft aangenomen: maar als men tot Christus komt, dan geschiedt wat Paulus leert. Want zij verzamelen en vereenigen zich allen in één huisgezin, opdat zij onder den eenigen God den Vader, elkanders broeders zijn. Zoo zullen wij dan verstaan, dat de maagschap tusschen de Joden en heidenen, door Christus is bevestigd en geheiligd: want Hij, met den Vader ons verzoenende, heeft ons allen te zamen één gemaakt. Zoo moeten dan de Joden niet meer roemen op Abrahams afkomst, of op dit of dat geslacht, om de anderen als onheiligen te verwerpen, en de eere eens heiligen volks zichzelven aan te matigen: want men moet één maagschap rekenen, zoowel in den hemel als op de aarde, zoowel onder de engelen als onder de menschen, te weten, zoo wij tot het lichaam van Christus behooren. Want buiten Hem zal niet dan verwoesting gevonden worden, en Hij alleen is de band onzer vereeniging.
16 Dat Hij u geve. Paulus wenscht, dat de Efeziërs gesterkt worden, dien hij tevoren grooten lof der zaligheid toegeschreven heeft; maar de geloovigen zijn nimmermeer zoover gekomen, of zij moeten nog wassen en toenemen. Zoo dan, de hoogste volmaaktheid der godzaligen in dit leven, is de begeerte naar voortgang. Hij betuigt, dat zulke bevestiging een werk des Geestes is, waaruit volgt, dat het niet is uit der menschen eigen macht. Want gelijk het begin van alle goed is uit den Geest Gods, alzoo ook de wasdom. Daarna schrijft hij ze der genade Gods toe, als hij het woord geven, gebruikt: hetwelk de papisten geenszins toelaten, als zij zeggen, dat de tweede genade ons als een vergelding gegeven wordt, naardat een iegelijk verdiend heeft, de eerste genade wel gebruikende. Maar wij zullen met Paulus bekennen, dat het een gave der genade Gods is, niet alleen dat wij begonnen zijn wel te loopen, maar ook dat wij voortgang maken: niet alleen dat wij wedergeboren zijn, maar dat wij allen dag toenemen en opwassen. En om de genade Gods te openlijker te bevestigen, zoo zegt hij; Naar den rijkdom zijner heerlykheid, wat tweeërlei wijze uitgelegd kan worden, te weten: Naar zijnen heerlijken rijkdom, of: Naar zijne rüke en overvloedige heerlijkheid. Alzoo zal het woord heerlijkheid, gesteld zijn voor barmhartigheid, gelijk in hfdst. 1 :6. Deze tweede zin behaagt mij meest. In den inwendigen mensch. Door den inwendigen mensch, verstaat Paulus de ziel, en al wat tot het leven der ziel dient, gelijk door den uitwendigen, het lichaam met zijn aanhangselen, dat is, met de gezondheid des lichaams, eer, rijkdom, jeugd, aangenaamheid, en al wat dies meer is. In den Tweeden brief aan de Corinthiërs, hfdst. 4: 16, zegt hij: Zoo onze uitwendige mensch verdorven wordt, zoo wordt de inwendige vernieuwd van
48
EFEZE 3 : 16, 17.
dag tot dag, dat is: Zoo wij wat de wereld aangaat, minder worden, zoo wordt het geestelijke leven in ons meer en meer krachtig. Zoo verstaat dan Paulus niet, dat de heiligen versterkt worden om in de wereld te bloeien en uitnemend te worden, maar opdat hunne zielen, zooveel het rijk Gods aangaat, in de kracht Gods sterk zouden zijn.
17 Opdat Christus door het geloof wone. Hij verklaart hoedanig de sterkte des inwendigen menschen is: want dewijl de Vader in Christus de volheid aller gaven gesteld heeft: wie Christus in Zich Joii. 1;w. blijvende heeft, dien ontbreekt niets. Daarom dwalen die meenen,
dat zij den Geest Gods anders kunnen verkrijgen, dan als zij Christus verkregen hebben, gelijk wederom dier menschen gedachte dwaas en verkeerd is, die droomen, dat wij Christus kunnen ontvangen zonder den Geest. Wij moeten beide vasthouden, dat wij des Heiligen Geestes deelachtig worden, zoover als wij met Christus gemeenschap hebben: want de Geest zal nergens gevonden worden dan in Christus, op wien Hij daarom gezegd wordt gerust te hebben; enJ®»-01:!-dat Christus niet van zijnen Geest kan gescheiden worden, om gelijk dood en krachteloos te zijn. Zoo zegt dan Paulus wel, dat die de geestelijke kracht des Geestes hebben, in wie Christus woont. Hij stelt ook dat deel, waarin Christus zijn rechtmatige plaats heeft, te weten, het hart: opdat wij weten dat het niet genoeg is, dat Hij op de tong draaie, of in de hersenen zweve. Ook heeft hij de wijze uitgedrukt, waardoor zulk een groot goed behouden wordt: wone,
zegt hij, door het geloof. Dit is een schoone lof des geloofs, dat de Zone Gods daardoor onze wordt, zoodat Hij een woonstede in ons heeft: want wij bekennen niet alleen door het geloof, dat Christus voor ons geleden heeft, en voor ons wederopgewekt is uit den dood,
maar wij ontvangen Hem ook daardoor, gelijk Hij Zich aan ons aanbiedt om te bezitten en te genieten: hetwelk men naarstig moet aanmerken. Velen achten, dat het evenveel beduidt: Christus deelachtig te zijn en Christus te gelooven; maar de gemeenschap, die wij met Christus hebben, is een vrucht des geloofs. De zaak is, dat wij met het geloof Christus niet van verre moeten aanschouwen,
maar in onze ziel ontvangen, opdat Hij in ons wone, en dat wij alzoo met den Geest Gods vervuld worden. Opdat gjj in de liefde. Hij verhaalt de vruchten der woning van Christus in ons, te weten, de liefde, kennis der goddelijke genade en zijner liefde, die in Christus bewezen is. Zoo volgt, dat dit de waarachtige en zekere kracht der ziel is. Daarom, zoo dikwijls hij van de volmaaktheid der heiligen handelt, leert hij, dat zij in deze twee stukken gelegen is. De twee gelijkenissen, die hij daarbij stelt, verklaren hoe zeker en standvastig de liefde in ons behoort te zijn. Want velen zijn weinig met liefde besprengd, doch die lichtelijk verdwijnt of verdreven wordt, dewijl zij zeer ondiepe wortelen heeft. Paulus wil,
dat zij vast in onze harten geplant zij, zoodat zij is als een wel gefundeerd gebouw en een diepe planting. Dit is de eenvoudige en natuurlijke zin: wij behooren alzoo grondig in de liefde geworteld en geplant, en alzoo diep in hare genegenheid gegrond te zijn,
49
dat wij door niets daaruit getrokken mogen worden. Waaruit het openbaar is, dat zij beuzelen, die uit de woorden van Paulus besluiten, dat de liefde het fundament en de wortel onzer zaligheid is. Want Paulus handelt niet, waar onze zaligheid gefundeerd is,
1
Dl. IV.
EFEZE 3 : 17â19.
gelijk ieder kan zien, maar hoe zeker en vast de liefde in ons behoort te zijn.
18 Opdat gij moogt. Dit is de twèede vrucht, opdat de Efeziërs verstaan, hoe groot de liefde van Christus tot de menschen is. Doch zoodanige bevatting of kennis is uit het geloof. Als hij in deze zaak al de heidenen stelt tot metgezellen, zoo geeft hij te kennen, dat het een zeer uitnemend goed is, dat zij in dit tegenwoordige leven kunnen verkrijgen, en dat het de hoogste wijsheid is, waarnaar alle kinderen Gods staan. Voorts, wat hier nu volgt, hoewel het op zichzelve klaar is, zoo is het nochtans duslang door verschillende uitleggingen verduisterd. Augustinus heeft zichzelven zeer behaagd in een scherpzinnigheid, die tot de zaak niet diende. Want hij zoekt hier, ik weet niet wat verborgenheid, in de figuur des kruises: daarna maakt hij van de breedte, liefde; van de hoogte, hope; van de lengte, lijdzaamheid; van de diepte, ootmoedigheid. Deze dingen zijn behagelijk door hun scherpzinnigheid: maar wat dient het tot den zin van Paulus? Voorwaar niet meer, dan dat Ambrosius meent, dat hier een kogelvormig lichaam beduid wordt. Maar ik wil de uitleggingen van anderen laten varen, en zeggen wat ieder zal bekennen eenvoudig en waar te zijn. Want door die afmetingen, verstaat Paulus niet anders dan de liefde van Christus, waarvan hij terstond daarna spreekt, beduidende dat die alleszins wijs is, die ze waarlijk en volkomen kent; alsof hij gezegd had: Waar de menschen zichzelven henen wenden, zoo zullen zij in de leer der zaligheid niets vinden, dat niet hiertoe gebracht moet worden. Want de eenige liefde van Christus vervat alle mate der wijsheid; daarom, opdat de zin te lichter verstaan worde, zoo moeten de woorden aldus opgelost worden: Opdat gij de liefde van Christus moogt vatten, welke is de lengte, breedte, diepte en hoogte onzer wijsheid, dat is, de gansche volmaaktheid. Want hij neemt een gelijkenis van een wiskunstenaar, om het geheel aan te wijzen door de deelen. Want dit is bijna aller menschen gemeene krankheid, dat zij branden met begeerte tot onnutte dingen. Dit is een zeer nuttige vermaning, wat ons goed is te weten, en wat de Heere wil dat wij zullen aanmerken, opwaarts, nederwaarts, ter rechter- en ter linkerzijde, van voren en achter. De liefde van Christus wordt ons voorgesteld, opdat wij ons in hare bedenking oefenen dag en nacht, en om ons daarin als 't ware in te dompelen. Zoo wie deze eenige heeft, die heeft genoeg: buiten haar is niets zekers, niets nuts, niets behoorlijks noch gezonds. Ofschoon gij den hemel en de aarde, en de zee omloopt, zoo zult gij niet hooger klimmen, zonder buiten de wettige palen der wijsheid te treden.
19 Die alle kennis te boven gaat. Alzoo zegt hij op een andere Fii. 4:7. plaats: De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, beware
uwe harten. Want de mensch moet boven zichzelven en boven de wereld verheven worden om tot God te komen. Dit is wat de sophisten verhindert, dat zij niet toelaten, dat wij zeker kunnen zijn van de genade Gods: want zij meten het geloof met het begrip des menschelijken verstands. Maar Paulus stelt hier een wetenschap, die boven alle kennis is, en dat terecht. Want zoo der menschen macht daartoe kon komen, zoo zou Paulus nu zelf tevergeefs be-geeren, dat het van God gegeven werd. Zoo laat ons dan gedenken, dat de zekerheid des geloofs een wetenschap is: maar zulk een
50
EFEZE 3 : 19â21.
wetenschap, als die door den Heiligen Geest, en niet door de scherpzinnigheid onzes verstands geleerd wordt. Zoo de lezers hiervan meer willen, dat mogen zij uit onze «Institutiequot; halen. Opdat gij vervuld zyt. Met e'én woord geeft hij nu te kennen, wat hij door de verscheidene afmetingen verstaan heeft, te weten, dat hij, die Christus heeft, alles heeft wat er geëischt wordt tot onze volmaaktheid: want dit beduiden de woorden, volheid Gods. Anders dichten de menschen, dat zij de vervulling in zichzelven hebben;
maar zij zijn met wind of met nietige dingen opgeblazen. En die razen verkeerd en goddeloos, die door de volheid Gods verstaan hebben de volle Godheid: alsof de menschen Gode gelijk werden.
20 Hem nu, die rijkelijk kan doen boven al wat wij begeeren of Eom. ic: 25. denken, naar de kracht die in ons werkt,
21 Zij lof in de gemeente door Jezus Christus, in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Ten laatste breekt hij uit tot dankzegging, welke nochtans ook mede vervat een vermaning tot goede hope. Nu, de dankzegging dient daartoe, opdat de Efeziërs meer en meer verwekt worden, om de genade Gods naar hare waardigheid te schatten. Hij stelt daarbij;
in de gemeente, waarmede hij te kennen geeft, dat de genade Gods in de roeping der heidenen zoodanige is, dat zij onder alle geloo-vigen, zoo wijd de gemeente strekt, behoort geprezen te worden. De eeuwigheid dient om de grootheid te vermeerderen.
so Die rykelyk kan doen. Dit is te verstaan van den toekomenden tijd, daarom is het een leer van de hope, en voorwaar wij kunnen God niet genoeg van harte danken voor zijn ontvangen weldaden, tenzij wij zeker zijn, dat Hij zijn goedheid eeuwig aan ons zal bewijzen. Als hij zegt, dat God kan, zoo moet men niet verstaan een macht, die ver is van het werk, gelijk zij spreken, maar die zich bewijst, en inderdaad van ons gevoeld wordt. Want de geloovigen moeten haar altijd bij het werk voegen, wanneer van de dingen, die hun beloofd zijn, en van hunne zaligheid gehandeld wordt. Want al wat God vermag, zal Hij zonder twijfel doen, zoo Hij het beloofd heeft. Dit bevestigt hij met voorgaande bevindingen, of met tegenwoordige kracht des Geestes, die zich in hen bewees. Naar hetgeen wij nu in ons gevoelen, zegt hij; want al wat God ons goeds geeft, daarmede bewijst Hij zijn genade, liefde, en kracht tot ons: waarom wij voor het toekomende een beter vertrouwen moeten verkrijgen. Men moet letten op deze woorden: rijkelijk, alsook,
doen boven al wat wü begeeren of denken, opdat wij niet vreezen in het recht geloof te ver te gaan. Want wij zullen nimmermeer zoo groot goed van God verwachten, of Hij zal al onze wenschen en al onze gedachten door zijn ongemeten mildheid te boven gaan.
51
EFEZE 4 ; 1â3.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Zoo bid ik u dan, ik de gevangene in den Heere, dat gij wandelt gelijk het uwe roeping betaamt, tot welke gij geroepen zijt;
Col i: in' 2 Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met verdraagzaam-
lThess.2:i2. heid elkander dragende in de liefde;
3 Zoekende de eenigheid des Geestes te bewaren door den band
Rom. 12:10. , , a
Hebr. 13 : i. des vredes.
i Petr.1:22; 4 Ãén lichaam, en één geest, gelijk gij geroepen zijt tot één hope
uwer roeping:
5 Eén Heere, één geloof, één doop,
6 Eén God en Vader van allen, die is over al, en door al, en in
Deut. 4:39. ,,
Mal. 2:10. u allen.
1 Cor. 12 :11.
Eom.i2:3,e. Deze drie hoofdstukken vervatten alleen leeringen, die de zeden i petr.lVio'. aangaan, en ten eerste vermaant hij ze tot onderlinge eendrachtig-joh. 3:34. heid. Bij welke gelegenheid hij van de regeering der gemeente handelt, dewijl zij alzoo van den Heere samengevoegd is, dat zij een band is om eenigheid onder elkander te houden.
i Ik, de gevangene in den Heere. Hij kent zich te meerder autoriteit toe door de gevangenis, welke hem anders scheen verachtelijk te maken, gelijk op een andere plaats gezegd is. Want de gevangenis was als een zegel dier heerlijker boodschap, welke hem bevolen was. Want al wat Christus toekomt, moeten wij met groote eer aannemen, al is het dat het voor de wereld schandelijk is: zoodat in des apostels gevangenis meer eerwaardigheid is, dan in al de praal en triumf der koningen. Dat gij wandelt, gelyk het. Dit is een algemeene uitspraak, en als een gemeene voorrede, waaruit vloeit al wat daarna volgt. Van hunne roeping heeft hij boven gehandeld; nu vermaant hij, dat hun nog dit noodig is, dat zij zich Gode gehoorzaam bewijzen, opdat zij zulker groote genade niet onwaardig zouden zijn. Als hij komt tot de deelen, zoo geeft hij de eerste plaats aan de ootmoedigheid: de oorzaak is, omdat hij van de eenigheid wilde spreken, en de eerste trap, waardoor men daartoe komt, is ootmoedigheid. Want deze baart zachtmoedigheid, welke ons daarna lijdzaam maakt. Nu, als wij onze broeders dragen, zoo behouden wij eenigheid, welke anders honderdmaal des daags zou gebroken worden. Daarom zullen wij gedachtig zijn, dat het begin om broederlijke goedwilligheid te onderhouden, ootmoedigheid is. Want waaruit komt versmading, grootschheid, en lastering tegen de broeders? Waaruit komt gekijf, bespotting, en schandvlekking, anders dan omdat een iegelijk zichzelven te zeer liefheeft, en te zeer zich-zelven behaagt? Zoo dan, wie de hoovaardigheid heeft afgelegd, en opgehouden heeft zichzelven te behagen, die zal zachtmoedig en vriendelijk wezen. Zoo wie met zulke matigheid begaafd is, die zal den broederen veel vergeven, en veel in hen dragen. Daarom moet men deze orde en dit verband aanmerken: want het ware tevergeefs, dat iemand van de lijdzaamheid leerde, zoo hij niet eerst het hart verzacht, en de wreedheid betert; tevergeefs zal hij van zachtmoedigheid prediken, zoo hij niet van de ootmoedigheid zijn begin neemt. Dat hij zegt, in de liefde, daarmede beduidt hij wat hij op een i cor. i3:4. andere plaats zegt, dat dit de eigen natuur der liefde is, dat zij
52
Gen. 17 :1. 1 Cov. 7:20.
EFEZE 4:3â5.
lijdzaam is: Zoo dan, waar de liefde krachtig zal wezen, daar zullen wij in elkander vele dingen dragen. Voorts is het niet tevergeefs, dat hij de lijdzaamheid prijst, opdat de eenigheid des Geestes blijve. Want daar komen allen dag ontalrijk vele ergernissen, waardoor twist onder ons kon verwekt worden, voornamelijk door zulke groote eigenzinnigheid, waarmede het menschelijk vernuft bevangen is. Eenigheid des Geestes. Sommigen nemen dit voor geestelijke eenigheid, welke de Geest Gods in ons werkt; en voorwaar deze alleen maakt ons eendrachtig, ja één; maar ik versta het eenvoudiger van de eendrachtigheid des harten. Hij leert, dat de eenigheid tezamen gebonden wordt met den band des vredes, daarom dat uit twist en gekijf meest haat en nijd voortkomt. Zoo moeten wij dan vriendelijk leven, opdat de vriendschap onder ons blijve.
4. Ãén lichaam. Hij drukt duidelijker uit, hoe volkomen de eenigheid der Christenen behoort te zijn, te weten, dat zij alleszins zoo krachtig zij, dat wij tot één lichaam en tot één ziel samengroeien, met welke woorden hij den ganschen mensch beduidt, alsof hij zeide: dat wij ganschelijk met lijf en met ziel, en niet alleen ten deele, ver-eenigd moeten zijn. En hij bevestigt dit met een sterke bewijsreden, te weten, omdat wij allen tot één erfenis en tot één leven geroepen zijn. Want daaruit volgt, dat wij niet anders het eeuwige leven kunnen genieten, dan zoo wij onder elkander in eendrachtigheid leven in deze wereld. Want daarom roept God ons allen met ééne stem, opdat wij met eenzelfde eendrachtigheid des geloofs onder ons ver-eenigd zijnde, onderling elkander zoeken te helpen. Och, of die gedachte in onze harten gedrukt ware, dat deze wet ons is voorgesteld, dat de kinderen Gods even moeielijk oneens kunnen zijn, als het rijk der hemelen gedeeld kan worden, hoeveel voorzichtiger zouden wij zijn in de broederlijke liefde te onderhouden! Hoe zeer zouden wij voor alle vijandschap gruwen, zoo wij, gelijk het betaamt, overleiden, dat die allen zichzelven van het rijk Gods vervreemden, die zichzelven van de broederen afscheiden? Maar ik weet niet hoe het komt, dat wij gerustelijk roemen, dat wij kinderen Gods zijn, en de onderlinge broederschap vergeten. Zoo laat ons dan uit Paulus leeren, dat niemand derzelver erfenis deelachtig is, dan die één lichaam en één Geest zijn.
5 Eén Heere. In den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs, hfdst. 12 : 5, heeft hij door dit woord Heere, de heerschappij Gods verstaan, maar hier, dewijl hij weinig hierna spreekt van den Vader bijname, zoo verstaat hij eigenlijk Christus, die ons van den Vader verordend is tot een Heere; en wij kunnen niet onder zijn heerschappij zijn, tenzij wij eendrachtig zijn. Zoo dikmaals als gij hier leest het woordje één, zoo versta, dat het met nadruk gesteld is, alsof hij zeide: Christus kan niet gedeeld worden, het geloof kan niet verscheurd worden; daar zijn geen verscheidene doopen, maar één is allen gemeen. God kan niet in menigerlei stukken verscheurd worden, zoo betaamt het dan, dat wij de heilige eenigheid onder ons onderhouden, welke met zoo vele banden te zamen gebonden is. Want het geloof en de doop, en God de Vader, en Christus, be-hooren ons te vereenigen, alzoo, dat wij allen als tot één mensch samengroeien. Voorts, moet men al deze bewijzen der eenigheid meer overleggen, dan men ze kan verklaren: daarom is het mij genoeg, dat ik met korte woorden den zin des apostels te kennen
53
EFEZE 4:5, 6.
geve: de volkomen behandeling laat ik aan de prediking over. Voorts, de eenigheid des geloofs, die hij meldt, hangt aan de eenige en eeuwige waarheid Gods, waarop zij gefundeerd is. Eén doop. Uit deze plaats besluiten sommigen verkeerdelijk, dat men onder de Christenen niet meer dan eens moet doopen: want de apostel wil dat niet, maar dat allen e'énzelfde doop gemeen is, en dat wij daarom daardoor geheiligd worden tot ee'n ziel en ée'n lichaam. Zoo die reden geldt, zoo zal deze veel krachtiger zijn: dat de Vader, en de Zoon, en de Heilige Geest, één God zijn, dewijl daar één doop is, die in den naam van deze Drie geheiligd wordt. Want wat zullen de Arianen of Sabellianen antwoorden op deze tegenwerping? De doop heeft zulke groote kracht, dat hij ons maakt allen een te zijn, en in den doop wordt de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes aangeroepen. Zullen zij loochenen, dat het een éénige Godheid is, welke een fundament dezer heilige eu verborgene eenigheid is ? Zoo moeten wij dan bekennen, dat uit de inzetting des doops, drie personen in één wezen Gods bewezen worden.
6 Ãén God en Vader. Dit is het voornaamste: want hieruit komen alle andere dingen. Want waaruit komt het geloof? Waaruit komt de doop? Waaruit komt ook de heerschappij van Christus, waardoor wij te zamen vereenigd zijn, anders dan omdat God de Vader Zichzelven in ons uitstortende, ons ook door deze middelen wederom verzamelt? De woorden, over al, en door al, kan men ook vertalen, over allen en door allen, en beide vertalingen passen niet kwalijk. Want hoewel God door zijn goedheid alles onderhoudt, bewaart en voedt, zoo spreekt Paulus nochtans hier niet van die algemeene regeering, maar alleen van de geestelijke, welke de gemeente aangaat. Want God is door den Geest der heiligmaking uitgestort door al de leden der gemeente, en omvat alles met zijn heerschappij, en woont in allen. Nu, God is niet van Zichzelven gescheiden, zoo is het dan noodig, dat Hij ons tot een vereenige: van welke geestelijke eenigheid Christus spreekt. Joh. 17 : 11. Dit is wel in 't gemeen waarachtig, niet alleen van alle menschen, maar Hand. 17:28. ook van alle creaturen, dat wij in Hem zijn, ons bewegen en leven, jcr. ia:ia. Alsook: Ik vervul alles; maar men moet de omstandigheid dezer plaats aanmerken. Want Paulus handelt van de onderlinge ver-eeniging der geloovigen, welke niets gemeen heeft met de godde-loozen, noch met de onredelijke dieren. Derhalve wordt tot die vereeniging beperkt wat hij zegt van de heerschappij en tegenwoordigheid Gods, waarom hij ook den naam des Vaders daarbij gesteld heeft, welke naam niet anders dan den leden van Christus toekomt.
7 Maar een iegelijk van ons is de genade gegeven, naar de mate der gave van Christus.
8 Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, zoo heeft Hij de gevangenis gevangen geleid, en heeft den mensoh.en gaven gegeven.
9 Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook tevoren is nedergedaald tot de nederste deelen der aarde?
10 Die nedergedaald is, Hij is ook dezelfde, die opgevaren is hoven alle hemelen, om alle dingen te vervullen.
54
Ps. s: ia.
Joh.3:13; G:«2.
EFEZE 4:7, 8. 55
7 Maar een iegelijk. Nu beschrijft hij de wijze hoe God de onderlinge vereeniging onder ons bewaart en behoudt, te weten, als Hij niemand met zulke groote volmaaktheid begaaft, dat hij zichzelven genoegzaam is, van de anderen afgezonderd zijnde, of met zichzelven tevreden zijnde: maar Hij deelt een iegelijk een zekere mate, zoodat zij niet anders dan als zij onder elkander gemeenschap houden, genoeg hebben tot onderhouding van hun stand. Van de verscheidenheid der gaven handelt hij ook in den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs, hfdst. 12:4, bijna met ditzelfde einde. Want daar leert hij, dat zulke verscheidenheid aan de eendrachtigheid der geloovi-gen niet alleen niet hinderlijk is, maar veelmeer dient om dezelve te onderhouden en te bevestigen. Zoo is dan de inhoud der tegenwoordige plaats, dat God niemand alles gegeven heeft, maar dat een iegelijk eerder een zekere mate ontvangen heeft, opdat de een den ander van noode hebbe, en de een den ander helpe, tot het gemeen bijbrengende wat ieder gegeven is. Met het woord genade en gave, vermaant hij, dat men niet hoovaardig moet zijn, boe groot ook onze gaven zijn, dewijl wij des te meer aan God verbonden zijn. Voorts stelt hij Christus tot een auteur: want gelijk hij met den Vader begonnen is, alzoo ook wil hij ons en al wat wij hebben, tot Hem terugleiden, gelijk wij hierna zullen zien.
8 Daarom zegt hij. Dewijl Paulus dit getuigenis eenigszins van den rs-natuurlijken zin heeft afgewend, om het tot zijn voornemen te voegen, zoo beschuldigen hem de goddeloozen, alsof hij de Schrift misbruikt had. Ja, ook de Joden verdraaien den natuurlijken zin lasterlijk, opdat zij te meer oorzaak hebben om te schelden; en wat van God gezegd wordt, duiden zij op David, of op het volk, zeggende: David of het volk is in de hoogte opgeklommen, als hij door zoovele overwinningen verheven zijnde, de overhand over zijne vijanden verkregen heeft. Nu, zoo iemand den geheelen samenhang van den psalm wil overleggen, zal vinden, dat dit eigenlijk Gode alleen toegeschreven wordt: de gansche psalm is als een triumfzang, welken David Gode zingt, om de overwinningen van Hem ontvangen; maar uit de dingen, die door zijn hand geschied waren, neemt hij oorzaak om als in het voorbijgaan te verhalen wat God anders grootdadig voor de welvaart des volks gedaan had. Zijn voornemen is, de heerlijke mogendheid en goedheid Gods in de gemeente voor oogen
te stellen. Onder andere dingen zegt hij: Hij is opgeklommen in de hoogte. Want het vleesch meent, dat God ligt en slaapt, tenzij Hij zijne oordeelen in het openbaar bewijst. Daarom, naar der menschen oordeel, is God eenigszins vernederd, wanneer de gemeente verdrukt is: en als Hij zijn wrekende hand bewijst om te verlossen, zoo schijnt Hij Zich op te richten, en op zijn rechterstoel te gaan zitten. Deze wijze van spreken is gemeenzaam en genoeg bekend; eindelijk, de verlossing der gemeente, wordt hier genoemd Gods verheffing. Nu, dewijl Paulus zag, dat David hier een lofzang hield van alle overwinningen Gods, die hij tot welvaart en zaligheid zijner gemeente gemeld had, zoo heeft hij terecht dit vers van de opvaart Gods gepast op den persoon van Christus. Want dit is de voornaamste triumf, dien God ooit gehouden heeft, dat Christus de zonde overwonnen, den dood nedergeworpen, den duivel verdreven hebbende, grootdadig in den hemel opgenomen is, om door zijne heerlijke heerschappij de gemeente te regeeren. Dusver kan niemand
GS; 19.
EFEZE 4 : 8, 9.
Paulus verwijten, dat hij dit getuigenis misbruikt heeft tegen de meening Davids. Want dewijl David in den gedurigen stand der gemeente, de heerlijkheid Gods beschouwt, zoo zal men voorwaar geen triumfvoller noch loffelijker opvaart Gods vinden, dan waardoor Christus verheven is aan de rechterhand des Vaders, om alle vorstendommen en heerschappijen Zichzelven te onderwerpen, en alzoo een eeuwig verlosser en bewaarder zijner gemeente te worden. Gevangen geleid. Het woord gevangenis, staat hier voor gevangen vijanden; zoo beduidt hij dan enkel, dat God de vijanden aan zijne macht heeft onderworpen; wat volkomener in Christus volbracht is, dan op eenig anderen tijd: want Hij heeft niet alleen den duivel, en de zonde, en den dood, en de gansche hel overwonnen, maar uit de wederspannigen maakt Hij Zich dagelijks een gehoorzaam volk, als Hij door zijn Woord de dartelheid onzes vleesches temt; daarentegen zijne vijanden, dat is alle goddeloozen, houdt Hij als met ijzeren ketenen geboeid als Hij hun razernij door zijn kracht bedwingt, opdat zij niet meer vermogen dan Hij hun toelaat. Maar wat daar dadelijk volgt, heeft wat meer zwarigheid: want dewijl in den psalm staat, dat God gaven ontvangen heeft, zoo verhaalt Paulus daarentegen, dat Hij gaven gegeven heeft, en schijnt alzoo eenen tegenovergestelden zin te maken. Maar hierin is ook geen ongeschiktheid: want wanneer Paulus de Schrift voortbrengt, zoo pleegt hij niet de woorden terug te geven, maar het is hem genoeg, dat hij de plaats aangewezen heeft, en meer de zaak zelve volgt. Nu is het zeker, dat God niet voor Zichzelven, maar voor zijn volk die gaven ontvangen heeft, die David meldt. Waarom ook weinig tevoren gezegd was in den psalm, dat de roof gedeeld is onder de geslachten Israels. Zoo dan, dewijl Hij ze ontvangen heeft om te geven, zoo is Paulus van de zaak niet afgeweken, ofschoon hij een woord veranderd heeft. Hoewel, ik wil liever anders gevoelen, te weten, dat Paulus willens dat woord veranderd heeft, en dat hij het niet heeft voortgebracht als uit den psalm genomen, maar meer uit zichzelven, omdat het voor de tegenwoordige handeling passend was. Zoo dan, toen hij weinige woorden van den psalm aangaande de verheffing van Christus voortgebracht had, zoo heeft hij van de zijne daarbij gesteld, dat Hij gaven gegeven heeft, opdat het een vergelijking zij tusschen meerder en minder: waarmede Paulus wil bewijzen, hoeveel uitnemender deze opvaart Gods is in den persoon van Christus, dan zij geweest is in de oude overwin-ningstochten der gemeente, te weten, zooveel uitnemender het is, dat de overwinnaar mildelijk aan allen alles geeft, dan dat hij van de overwonnenen roof verzamelt. Dat anderen het uitleggen, dat Christus van den Vader ontvangen heeft wat Hij ons zou uitdeden, dat is gedwongen, en ganschelijk vreemd van de tegenwoordige handeling. Daar is naar mijn oordeel geen juister antwoord dan dit: dat Paulus de plaats van den psalm met korte woorden aangewezen hebbende, zichzelven vrijelijk toegelaten heeft daarbij te zetten, wat in den psalm niet stond. Nochtans komt het anders ook Christus toe, ja ook zelfs daarin, dat de opvaart van Christus hooger en uitnemender is, dan die oude heldenfeiten, die David verhaalt.
9 Nu dit; Hjj is. Wederom wordt Paulus hier van de lasteraren doorgehaald, dat hij door laffe en kinderachtige scherpzinnigheid tot de werkelijke opvaart van Christus wil trekken, wat van de
56
EFEZE 4:9, 10.
verklaring der Goddelijke heerlijkheid figuurlijk gesproken was. Want wie is er (zeggen zij) die niet weet, dat het woord opklimmen, hier oneigenlijk gebruikt wordt? Zoo is het dan van geene waarde, dat hij daaruit besluit, dat Hij eerst moest nederdalen. Ik antwoord, dat Paulus hier niet als een geleerde redetwister beweert, wat noodwendig uit de woorden van den profeet moet volgen, of kan besloten worden. Hij wist, dat David op overdrachtelijke wijze van de verheffing Gods gesproken heeft: maar dewijl men wederom niet kan ontkennen, dat hij te kennen geeft, dat God eenigszins een tijdlang vernederd is geweest, als hij zegt, dat Hij is verhoogd geworden, zoo heeft Paulus terecht het eerste uit het tweede besloten. Nu, wanneer is God ooit lager gedaald, dan toen Christus Zich-zelven vernietigd heeft? Zoo dan, indien God ooit Zichzelven groo-rn. 2:6ân. telijks heeft verheven, nadat Hij geschenen had nedergeworpen en zonder eer gelaten te zijn, zoo is dit voornamelijk toen geschied, als Christus uit dezen onzen allerlaagsten staat tot de hemelsche heerlijkheid ontvangen is. Eindelijk moet men hier niet angstig de letterlijke uitlegging van den psalm zoeken: dewijl Paulus alleen ziet op de woorden van den profeet, gelijk hij ook de plaats van Mozes tot zijn doel aanwendt, Rom. 10:6. Voorts, behalve dat Paulus niets op den persoon van Christus past, dan wat eigen en gepast is, zoo wordt door het slot van den psalm genoeg bewezen,
dat wat daar gezongen wordt, tot Christus' rijk dient. Want hij omvat een klare profetie van de roeping der heidenen, om van andere dingen te zwijgen. Nederste deelen. Dit draaien sommigen verkeerdelijk tot den voorburcht, of tot de hel, dewijl Paulus alleen van den staat des tegenwoordigen levens spreekt. En het bewijs,
dat zij nemen uit het woord nederste, is veel te zwak: want er wordt niet een deel der aarde vergeleken met het andere, maar de gansche aarde met den hemel: alsof hij zeide, dat Hij uit zulke hooge zitplaats in deze onze diepe laagte is nedergedaald.
io Boven alle hemelen. Dit is alsof hij zeide: Buiten deze geschapen wereld. Want als Christus gezegd wordt in den hemel te zijn, dat moet men niet alzoo nemen, alsof Hij tusschen des hemels sferen zat om de sterren te tellen: maar de hemel beduidt daar een plaats, die boven alle hemelsche sferen is, welke den Zone Gods na de wederopstanding verordend is: niet dat daar eigenlijk eenige plaats is buiten de wereld, maar omdat wij van het rijk Gods niet kunnen spreken dan naar onze wijze. Nu, die hieruit besluiten, dat Christus niet plaatselijk van ons is gescheiden, omdat het evenveel is, de verhevenheid boven alle hemelen en de opklimming in den hemel, bedenken niet, dat Hij boven de hemelen, of in de hemelen gesteld wordt, en dat daarmede uitgesloten wordt, al wat Hebr. 7:26. onder den hemel en de sterren, ja onder het gansche samenstel der zienlijke wereld is. Om alle dingen te vervullen. Dewijl vervullen dikmaals beduidt volmaken, zoo kon men het ook hier alzoo nemen. Want Christus is door zijn heengaan ten hemel, gekomen tot de bezitting der heerschappij, die Hem van den Vader gegeven is, om alles te regeeren en te beteugelen door zijn kracht. Nochtans zal naar mijn gevoelen de zin fijner wezen, zoo er twee dingen, die naar den schijn tegengesteld zijn, te zamen gesteld worden,
welke nochtans in der waarheid met elkander overeenkomen. Want als wij hooren van de opvaart van Christus, zoo komt ons terstond
57
EFEZE 4: 10.
in den zin, dat Hij verre van ons gescheiden is, gelijk het ook voorwaar is, zooveel het lichaam en de menschelijke tegenwoordigheid aangaat. Maar Paulus vermaant, dat Hij naar de lichamelijke tegenwoordigheid alzoo van ons is weggenomen, dat Hij nochtans alles vervult, te weten, door de kracht zijns Geestes. Want zoover de rechterhand Gods strekt, welke den hemel en de aarde omvat, zoo ver is de geestelijke tegenwoordigheid van Christus uitgebreid, en Hij is tegenwoordig door zijn ongemeten kracht; hoewel zijn lichaam in Haud. 3:2i. den hemel moet blijven naar Petrus' leer. Wij zien, dat de zinspeling niet weinig bevalligheid geeft aan de schijnbare tegenstrijdigheid. Hij is opgeklommen, doch om den hemel en de aarde te vervullen. Hij, die tevoren in een kleine' plaats vervat was. Maar, vervulde Hij 't niet tevoren? voorwaar, naar zijn godheid, dat beken ik: maar Hij bewees de kracht zijns Geestes alzoo niet, noch vertoonde zijn tegenwoordigheid daarin niet, als toen Hij tot de bezitting zijns rijks gekomen is. Joh. 7 : 39, De Geest was nog niet gegeven: want Jezus was nog niet verheerlijkt. En Joh. 16:7, Het is u nut dat Ik wegga: want zoo Ik niet heenga, zal de Trooster niet komen. Eindelijk, gelijk Hij toen begonnen is te zitten aan de rechterhand des Vaders, alzoo is Hij ook begonnen alle dingen te vervullen.
11 En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten, sommigen tot herders en leeraars:
12 Tot samenvoeging der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus.
13 Totdat wij allen komen ') tot de eenigheid des geloofs, en der kennis des Zoons Gods, tot een volmaakten man, tot de mate van den volkomen ouderdom van Christus;
14 Opdat wij niet meer kinderen zijn, door allerlei wind der leer bewogen en omgedreven wordende, door de listigheid der mensohen, en door sluwheid, tot het leggen van lagen des bedrogs.
Hij komt wederom tot de uitdeeling der genade, die hij gemeld had, en verklaart breeder hetgeen hij tevoren met korte woorden aangeroerd had, te weten, dat uit deze verscheidenheid eenigheid wordt gemaakt in de gemeente, gelijk verscheidene tonen in de muziek een zoet geluid geven. Nochtans prijst hij ook mede den uitwendi-gen dienst des Woords, om de nuttigheid, die daaruit voortvloeit. De inhoud is, dat het evangelie gepredikt wordt door zekere menschen, die daartoe verordend zijn; dit is een bestelling, waardoor God zijn gemeente wil regeeren, opdat zij ongeschonden blijve in deze wereld, en ten laatste hare vaste volmaaktheid verkrijge. Maar iemand mocht zich verwonderen, waarom Paulus hier, daar van de gave des Heiligen Geestes gesproken wordt, de ambten verhaalt in plaats van de gaven. Ik antwoord: Zoo wanneer de menschen van God geroepen zijn, zoo zijn de gaven noodwendig met de ambten en werken. Want als God apostelen of herders instelt, zoo wordt hun niet alleen zulk een momaangezicht aangedaan, maar Hij geeft hun ook zulke gaven, zonder welke zij het ambt, dat hun bevolen is, niet
58
1 Cor. 12: s
Hom. 12 :5. 1 Cor. 12: 27.
Ef. 1:23; 5:23.
Col. 1:24. 1) Of, elkander ontmoeten.
1 Cor. 14 : 20.
Sir. 5:11. Matt. 11 : 7.
EFEZE 4; 10, 11.
bekwamelijk kunnen bedienen. Daarom zoo wie door goddelijke autoriteit tot een apostel verordend wordt, die is niet met eenen ijdelen en naakten titel, maar ook met bevel en macht begiftigd.
Laat ons nu elk woord bijzonder overleggen.
ii Dezelfde heeft gegeven. Ten eerste, geeft hij te kennen, dat dit geen menschelijke vond, maar eene heilige inzetting van Christus is,
dat de gemeente geregeerd wordt door de verkondiging des Woords.
Want de apostelen hebben niet zichzelven verordend, maar waren van Christus verkoren: en die heden ware herders zijn, die steken Mark- 3:ii3-zichzelven niet lichtvaardig in den dienst door hun eigen goed-Luk'6:13' dunken, maar zij worden van God verwekt. Eindelijk, hij leert dat de regeering der gemeente, die door den dienst des Woords geschiedt,
niet is van menschen gedicht, maar van den Zone Gods gesteld,
en dat men daarop, als op een onvergankelijke ordening Gods, moet rusten, en dat die allen tegen Christus den auteur onrecht doen en wederspannig zijn, die dezen dienst verwerpen of versmaden. Zoo dan, Hij is degene, die ze gegeven heeft: want zoo Hij ze niet verwekt, zoo zullen daar geene wezen. Waaruit wij ook verstaan,
dat daar niemand zal bekwaam of genoegzaam wezen tot zulk een schoon ambt, dan die van Christus gevormd en gemaakt is. Zoo dan, dat wij dienaars des Evangelies hebben, dat is zijn gave,
dat zij uitnemend zijn in noodwendige gaven, dat is zijn gave,
dat zij het ambt, dat hun bevolen is, bedienen, dat is zijn gave. Sommigen tot apostelen. Als hij dezen een naam en ambt, en genen een ander toevoegt, dat wordt altijd van die verscheidenheid der leden verstaan, uit welke nochtans de geheelheid des ganschen lichaams gemaakt wordt, opdat hij beide de nijdigheid en eergierigheid wegneme. Want dit is het, waardoor het rechte gebruik der gaven verdorven wordt, als een iegelijk zichzelven zoekt, als een iegelijk de hoogste wil zijn, als een iegelijk zichzelven behaagt, en als de minderen nijd dragen op de grooteren. Zoo leert hij dan,
dat een iegelijk wat gegeven is, niet opdat een iegelijk het bijzonder voor zichzelven houde, wat hij ontvangen heeft, maar opdat zij het allen in 't gemeen brengen. Van de ambten, die hij hier verhaalt,
is wat gezegd, 1 Cor. 12. Hier wil ik alleen met korte woorden samenvatten, zooveel de uitlegging dezer plaats zal schijnen te eischen. Hij telt vijfderlei ambten op, van welke ik wel weet, dat onderscheiden geoordeeld wordt: want sommigen hebben ook van de twee laatste slechts ée'n gemaakt. Ik wil de meeningen van anderen laten varen, en zeggen wat mij goeddunkt. Het woord apostelen, neem ik niet in 't gemeen naar de beduiding en afkomst des woords, maar in zijn eigen beteekenis, voor de uitverkorenen, die Christus tot de voornaamste eer verheven had, gelijk die twaalven waren, tot welker orde Paulus daarna ook geroepen is. Dezer ambt was, alom de gansche wereld door, de leer des Evangelies te verkondigen, gemeenten te planten, en het rijk van Christus op te richten. Aldus hadden zij zich niet ieder hun eigen gemeente toegevoegd: maar zij hadden allen een gemeen bevel om het Evangelie te verkondigen waar zij kwamen. Naast dezen waren de evangelisten, en hadden bijna een gelijk ambt; alleen in den trap van waardigheid waren zij niet gelijk; onder welke was Timotheus en dergelijken: want als hij hem in de groetingen bij zich stelt, zoo noemt hij hem geen apostel, maar houdt dien naam bijzonder voor
59
EFEZE 4:11.
60
zich. Zoo dan, naast de apostelen, heeft de Heere dezer werk tot hulp gebruikt. Tusschen de apostelen en evangelisten, heeft Paulus de profeten gesteld, waaronder velen die verstaan, die de gave hadden van toekomende dingen te voorzeggen, gelijk daar was Hand, ii:28; Agabus. Maar dewijl hier van de leer gesproken wordt, zoo wil ik het liever nemen gelijk 1 Cor. 14, te weten, dat daarmede beduid worden de uitnemende uitleggers der profetieën, zoodat zij ze door een bijzondere gave der openbaring op het tegenwoordige toepasten; nochtans alzoo, dat ik de gave der voorzegging niet uitsluit, zoover zij aan de leer verbonden was. Door leeraars en herders, meenen sommigen dat éénzelfde ambt beduid wordt, omdat daar geen scheidingswoord tusschengesteld wordt, gelijk' tusschen de voorgaande, waardoor het een van het ander mocht gescheiden worden. Van dit gevoelen is Chrysostomus en Augustinus. Want wat in de uitlegging van Ambrosius gelezen wordt, is veel te kinderachtig en Ambrosius onwaardig. En ik gevoel eensdeels met hen, dat Paulus gesproken heeft van de herders en leeraars zonder onderscheid, alsof het éénzelfde orde ware. Ik ontken ook niet, dat de naam leeraar eenigs-zins allen herders toekomt. Maar deze reden beweegt mij niet om deze twee dingen te vermengen, waartusschen ik onderscheid zie. Want hoewel het allen herders toekomt het volk te leeren, zoo is het nochtans een bijzondere gave, de Schrift uit te leggen, zoodat de stukken der leer ongeschonden behouden worden: en iemand zou een leeraar kunnen zijn, die nochtans niet bekwaam zal zijn om te prediken. Zoo dan, herders zijn naar mijn oordeel, die eene zekere kudde onder hun zorg en bewaring hebben: zoo dezen ook leeraars genoemd worden, mishaagt mij niet, zoover wij intusschen weten, dat daar een ander soort van leeraren is, die zoowel dienen om dé herders te vormen en te onderwijzen, als om de gemeente te leeren. Niet dat degene, die een leeraar is, niet somtijds een herder kan zijn, maar dat het onderscheiden ambten zijn. Bovendien moet men aanmerken, dat onder de ambten, die Paulus hier verhaalt, alleen de twee laatste altijd blijven. Want met de apostelen, evangelisten en profeten, heeft God zijn gemeente alleen een tijdlang versierd: uitgenomen waar de religie vervallen is, daar verwekt Hij evangelisten buiten orde, om de zuivere leer wederom te voorschijn te brengen. Maar zonder herders en leeraars kan geen regeering der gemeente zijn. Voorts, de papisten hebben hier oorzaak om te klagen, dat hun hoogheid, waarvan zij roemen, groote smaadheid aangedaan is. Hier wordt gehandeld van de eenigheid. En Paulus verzamelt niet alleen de oorzaken, waardoor zij onder ons bevestigd wordt, maar ook de teekenen en panden, waarmede zij onderhouden wordt: en ten laatste komt hij tot de regeering der gemeente. Zoo hij eenig primaat van éénen stoel erkende, had hij niet dit moeten voortbrengen, dat er een dienend hoofd over al de leden is gesteld, waardoor wij tot eenigheid verzameld worden? Voorwaar, deze vergetelheid van Paulus kan niet verontschuldigd worden, als hij onvoorzichtig voorbijgegaan is, wat zeer gepast, ja het voornaamste was in de zaak; of men moet bekennen, dat het met de inzetting van Christus niet overeenkomt. Ja dat gedichte primaatschap wordt openlijk van Paulus nedergelegd, als hij den eenigen Christus uitnemendheid toeschrijvende, de apostelen en alle herders Hem alzoo onderwerpt, dat zij allen gelijk zijn. Zoo is er
EFEZE 4:11, 12.
dan geen plaats in de Schrift, waardoor die tirannische hiërarchie, waarin één aardsch hoofd geplaatst is, sterker nedergelegd wordt. En Cyprianus, ⢠ook Paulus volgende, beschrijft met korte woorden en klaarlijk, welke de wettige eenhoofdige regeering der gemeente is. Daar is (zegt hij) één episcopaat, waarvan een iegelijk een volkomen deel heeft. Het episcopaat schrijft hij den eenigen Christus toe, in het bedienen waarvan hij een iegelijk een deel toeschrijft, te weten, een volkomen deel, opdat niemand zich boven de anderen verheffe.
12 Tot samenvoeging. Ik heb in de overzetting Erasmus gevolgd,
niet omdat zijn meening mij ganschelijk behaagt, maar omdat de lezers zouden kunnen nemen wat hun best dunkt, als zij zijne overzetting met de gemeene en met de mijne zullen vergeleken hebben. De oude overzetter heeft volmaking. Het Grieksche woord bij xuTapTitr-Paulus beduidt een samenstelling der dingen, waarin een symmetrie f ó?» en evenredigheid moet zijn, gelijk in het lichaam des menschen een juiste en welgeschikte samenvoeging der leden moet wezen: waarom het ook voor volmaking genomen wordt. Maar dewijl Paulus hier heeft willen te kennen geven een welgeschikten stand der gemeenten, zoo acht ik wederoprichting beter te zijn. Want men zegt, dat een staat, of rijk, of landschap wederopgericht wordt, als uit een verwoesting alles tot een rechten en wettigen stand wedergebracht wordt. Tot het werk der bediening. God zou dit wel door Zich-zelven doen, zoo Hij wilde, maar Hij heeft dit der bediening der menschen overgegeven. Zoo is dan dit als een voorkoming daarbij gesteld, opdat niemand tegenwierp: Kan de gemeente niet opgericht en behoorlijk geordend worden zonder hulp der menschen?
Paulus leert, dat de dienst noodig is, omdat het Gode alzoo belieft.
Voor wat hij gezegd had, samenvoeging der heiligen, zegt hij terstond daarbij, tot opbouwing des lichaams.van Christus: en dat in denzelfden zin: want dit is onze rechtmatige volkomenheid,
zoo wij allen tot één lichaam van Christus samengroeien. Hij heeftl den dienst des Woords niet heerlijker kunnen prijzen, dan als hij' denzelven deze vrucht toeschrijft. Want wat is er kostelijkers, dan,
dat er een gemeente van Christus wederopgericht wordt, opdati zij haar rechte en volmaakte volkomenheid hebbe? Nu zegt de'
apostel hier, dat zulk een schoon goddelijk werk door den uitwen-digen dienst des Woords volbracht wordt. Waaruit het openbaar is, dat die uitzinnig zijn, die dit middel voorbijgaande, hopen, dat zij in Christus zullen volmaakt wezen, gelijk die onheilige geesten, die verborgen openbaringen des Geestes dichten, en die hoovaardigen, die meenen dat het bijzonder lezen der Schrift, hun alzoo genoeg is, dat zij den gemeenen dienst der gemeente niet behoeven. Want zoo de opbouwing der gemeente alleen van Christus is, zoo komt het voorwaar Hem toe te verordenen, wat wijze der opbouwing Hij wil gebruikt hebben. Nu, Paulus betuigt hier openlijk, dat wij naar het voorschrift van Christus, door geen andere wijze samengevoegd en volmaakt worden, dan door de uitwendige prediking, als wij dulden, dat wij door menschen geregeerd en geleerd worden. Dit is een algemeene regel, die zoowel tot de hoogsten als tot de laagsten strekt. En voorwaar, de gemeente is een gemeene moeder aller godzaligen, waardoor zoowel de koningen als gemeene lieden, in den Heere gegenereerd, gevoed en geregeerd worden; hetwelk ge-
61
EFEZE 4: 12, 13.
schiedt door den dienst. Zoo dan, die deze ordening verachten of versmaden, willen wijzer zijn dan Christus; daarom, wee hunne hoovaardigheid! Wij ontkennen niet, dat wij door de kracht van Christus alleen kunnen volmaakt worden, zonder hulpe der menschen: maar wij handelen hier niet hoedanig de mogendheid Gods is, maar wat Gode behaagt, en Christus verordend heeft. En dit is geen klein ding, waarmede God verwaardigt de menschen te begiftigen, dat Hij der menschen arbeid gebruikt om hunne zaligheid te volbrengen. En het is een zeer goede oefening om eenigheid te onderhouden, dat wij tot een gemeene leer, als tot eens veldheers vaandel verzameld worden.
13 Totdat wij allen komen. Wat hij tevoren voortgebracht heeft tot lof van den dienst, strekt hij nu verder uit; want dat hij gezegd had, dat de gemeente geregeerd en geschikt wordt door den dienst der menschen, opdat zij alleszins volmaakt zij: opdat niemand denke dat die noodwendigheid alleen éen dag lang duurt, zoo leert hij dat het tot het einde toe alzoo moet geschieden. Of, opdat ik klaarder spreke, hij vermaant hier, dat het gebruik van den dienst niet is voor een tijdlang, alsof het een kinderopvoeding ware, maar dat het altijd duurt, zoolang als wij in de wereld verkeeren. Want sommige razende menschen droomen, dat de dienst onnut is, zoo haast als wij tot Christus gebracht zijn. De hoovaardigen, die wijzer willen zijn dan het betaamt, versmaden hem als eerste beginselen voor kinderen. Maar Paulus roept daartegen, dat men in dezen loop moet voortgaan, totdat ons niets ontbreekt, dat is, dat wij tot den dood toe, alzoo onder de leer van den eenigen Christus moeten voortgaan, dat wij ons niet schamen discipelen der gemeente te zijn, aan wie Christus dezen last bevolen heeft om ons te onderwijzen. Tot de eenigheid des geloofs. Maar moet de eenigheid des geloofs niet terstond van den beginne aan onder ons regeeren? Ik beken wel, dat zij regeert onder de kinderen Gods, maar nog niet zoo volkomen, dat zij tot elkander komen. Want in zulke groote zwakheid der natuur, is het genoeg, dat wij eiken dag meer en meer tot elkander, en allen te zamen tot Christus komen. Want het woord ontmoeten, beduidt een zeer nauwe samenvoeging, naar welke wij nog staan, en nimmermeer daartoe zullen komen, dan als wij dat vleesch zullen afgelegd hebben, hetwelk altijd met vele overblijfselen der onwetendheid en ongeloovigheid bevangen is. Wat daar volgt: En der kennis des Zoons Gods, meen ik tot verklaring daarbij gesteld te zijn. Want de apostel heeft willen verklaren, wat het waarachtig geloof is, en waarin het gelegen is, te weten, als de Zone Gods bekend wordt; want het geloof moet op Hem alleen zien, aan Hem hangen, in Hem rusten en besloten worden; zoo het verder wil, zoo zal het verdwijnen, en zal niet meer geloof, maar bedrog zijn. Zoo zullen wij dan gedachtig zijn, dat het waarachtig geloof alzoo in Christus vervat is, dat het niet anders weet, noch begeert te weten, dan Hem. Tot een volkomen man. Dat is alsof hij gezegd had; Dewelke de uiterste volmaaktheid der Christenen is. Waarom dat? Omdat in Christus een volkomen ouderdom is. Want de dwaze menschen zoeken hun volmaaktheid niet in Christus, gelijk het betaamde. Maar deze grondwaarheid moet onder ons vastheid hebben, dat buiten Christus niets is, dan wat schadelijk en verderfelijk is. Zoo dan, zoo wie een man is in Christus, die is eerst
62
EFEZE 4: 13, 14.
alleszins volmaakt. Volkomen ouderdom, beduidt hier behoorlijke en rijpe ouderdom. Hier wordt niet gesproken van oudheid en grijze haren, welke in dezen voortgang geen plaats hebben; want met dezen geestelijken ouderdom van Christus wast ook mede de jeugd en sterkte; maar wat oud wordt, staat haast te vergaan.
14 Dat wij niet meer kinderen zijn. Gelijk hij van de rijpheid des mannelijken ouderdoms gehandeld heeft, waarnaar wij met den ganschen loop onzes levens uitgaan, alzoo vermaant hij, dat wij niet den kinderen moeten gelijk zijn, zoolang wij in zulken voortgang zijn. Want hij stelt eenigen midden tijd tusschen de kindsheid en den volkomen ouderdom. Kinderen zijn toch zij, die nog geenen vasten gang hebben in den weg des Heeren, maar wankelen; die nog niet zeker zijn wat weg zij willen houden, maar nu her- en dan derwaarts geneigd zijn, altijd twijfelachtig, altijd ongestadig. Maar die waarlijk gefundeerd zijn in de leer van Christus, hoewel zij nog niet volmaakt zijn, hebben nochtans zulke groote voorzichtigheid en sterkte, dat zij weten te verkiezen wat best is, en dat zij standvastig voortgaan in den rechten loop. Alzoo is het leven der ge-I loovigen, dat met gedurigen voortgang naar de volmaaktheid staat,! den leeftijd der jongelingen gelijk. Zoo dan, wat ik gezegd heb, dat wij in dit leven nimmermeer mannen zijn, daaruit moet men niet verstaan, dat men nimmermeer uit de kindsheid komt. Want nadat wij in Christus geboren zijn, zoo moeten wij opwassen, alzoo dat wij geene kinderen zijn in het verstand. Hieruit kan men zien, hoedanig het christendom onder het pausdom is, waar de herders zoo naarstig als het hun mogelijk is, arbeiden om het volk in de eerste kindsheid te houden. Bewogen en omgedreven wordende. Met twee gelijkenissen heeft hij fijn de ellendige angst en onrust dier menschen uitgedrukt, die niet vast op het woord Gods rusten. Allereerst vergelijkt hij ze met scheepkens, die midden in de zee door velerlei watergolven geslagen wordende, geen vasten koers houden, noch door kunst of raad geregeerd worden, maar door geweld heren derwaarts gedreven worden. Dan vergelijkt hij ze bij stoppelen of andere zwakke dingen, welke her- en derwaarts bewogen worden, en dikwijls naar tegenovergestelde zijden, naardat de wind ze drijft. Alzoo zeg ik, moeten die ongestadigen geroerd worden, die de eeuwige waarheid Gods niet hebben tot een fundament, waarop zij mochten rusten. Dit is een rechtvaardige straf tegen al degenen, die meer op menschen dan op God zien. En daarentegen betuigt Paulus, dat het geloof, dat op Gods Woord steunt, onverwonnen staande blijft tegen alle aanvallen des duivels. Met allerlei wind. Dit is een schoone gelijkenis, als hij alle leeringen der menschen, waardoor wij van de eenvoudigheid des Evangelies afgetrokken worden, winden noemt. Want God heeft zijn woord gegeven, opdat wij daarin wortelen en onbeweeglijk blijven, maar de menschen verleiden ons heren derwaarts door hunne gedichtselen. Als hij daarbij stelt: Door listigheid der menschen, zoo geeft hij te kennen, dat er altijd bedriegers zullen zijn, die naar ons geloof zullen staan, en lagen leggen, maar dat zij geen voortgang zullen maken, zoo wij met de waarheid Gods gewapend zijn, welke beide dingen men naarstig moet aanmerken. Want velen worden beroerd, zoo haast als er sekten of eenige goddelooze leeringen oprijzen. Maar de duivel kan niet rusten van altijd te zoeken de zuivere leer van Christus met
63
EFEZE 4: 14, 15.
zijne leugenen te verduisteren, en God wil door zulke strijden ons geloof bevestigen. Bovendien is het ons een groote troost, als wij hooren, dat dit een zeer goede en krachtige remedie is, om met geene dwalingen bedrogen te worden, dat wij die leer daartegen stellen, die wij van Christus en de apostelen geleerd hebben. Waaruit het openbaar is, hoe groot en gruwelijk de goddeloosheid des paus-doms is, als zij het Woord Gods alle zekerheid benemen, en zeggen, dat daar geen andere zekerheid des geloofs is, dan zoo wie op de autoriteit der menschen staan. Want zij leeren, dat men tever geefs in Gods Woord zoekt, wanneer iemand twijfelt, maar dat men hunne ordeningen voor goed moet houden. Maar wij, die de wet, de profeten, en het evangelie aangenomen hebben, laat ons niet twijfelen, of wij zullen deze vrucht daaruit ontvangen, welke Pau-lus verhaalt, te weten, dat alle bedriegerijen der menschen ons niet hinderlijk zullen kunnen zijn. Zij zullen ons wel aankomen, maar zullen niet overwinnen. Ik beken voorwaar, dat men de gezonde leer van de gemeente moet halen: dewijl God de toediening haar bevolen heeft. Maar dewijl de papisten onder de voorwending der kerk, de leer begraven, zoo geven zij genoeg te kennen, dat zij een duivelsche synagoge hebben. Waar ik gesteld heb listigheid, is in het Grieksch een woord, dat genomen is van de spelers, welke menigerlei kunsten hebben om te bedriegen. Daar wordt ook bijgesteld sluwheid, met welk woord hij beduidt, dat de dienaars des duivels geoefend en ervaren zijn in bedriegerijen. Hiertoe dient dat zij waken om lagen te leggen; welke dingen alle behooren onze naarstigheid te verwekken en te vermeerderen, opdat wij niet te streng om onze traagheid gestraft worden, zoo wij den voortgang in het Woord Gods verlatende, door de vijanden bedrogen worden.
15 Maar dat wij naar de waarheid staande, in de liefde alleszins opwassen in Hem, die het Hoofd is, namelijk Christus;
16 Uit welken het geheele lichaam te zamen gevoegd en te zamen gebonden, door alle voegsels der toediening, naar de krachtige werking in de mate eens iegelijks deels, den wasdom des lichaams bekomt tot zijns zelfs opbouwing in de liefde.
15 Maar dat wy naar de waarheid. Hij heeft nu geleerd, dat wij geene kinderen moeten zijn, zonder rede en zonder oordeel. Om dit te bevestigen gebiedt hij ons op te wassen in de waarheid, en dit is het wat ik boven gezegd heb, te weten, dat wij noch buiten den mannelijken leeftijd zijn, doch alzoo, dat wij nochtans de kindsheid te boven zijn. Want de waarheid Gods moet zoo groote vastigheid in ons hebben, dat wij nimmermeer wijken, hoedanig ook de listen zijn, waarmede de duivel ons aanloopt: en nochtans dewijl wij noch geen volle en behoorlijke sterkte verkregen hebben, zoo moeten wij tot den dood toe aannemen en voortgang maken. Het einde van den voortgang bewijst hij, te weten, dat Christus alleen uitnemend is onder ons, en dat wij niet anders dan in Hem sterk en groot zijn. Hiér ziet gij wederom, dat hij niemand uitzondert, maar ze allen in orde stelt, dat zij zich aan het lichaam onderwerpen. Wat is derhalve het pausdom dan een leelijke bult, waardoor de gansche evenredigheid der gemeente geschonden wordt, dewijl eén mensch zich tegen het Hoofd stellende, onder het getal der
64
Ef. 5; 23. Col. 1:18. Rom. 12 :5. 1 Cor. 12: 27. Ef. 2:21.
EFEZE 4: 15, 16.
leden niet wil gerekend zijn. Dit ontkennen de papisten; want zij dichten dat de paus alleen een bedienend hoofd is. Maar met deze beuzeling kunnen zij niet weg: en de tirannie van hun afgod is geheel tegen de orde, welke Paulus hier prijst. In één woord, Christus moet alleen wassen en toenemen, en alle menschen afnemen en minder worden, opdat de gemeente wel geschikt zij. En wat wasdom wij verkrijgen, die moet met zulke evenredigheid geschikt worden, dat wij in onzen graad blijvende, tot verhooging des hoofds dienen. Als hij ons gebiedt naar de waarheid te staan in de liefde, neemt hij het woord in, naar de Hebreeuwsche wijze voor met. Want hij wil niet, dat een iegelijk zichzelven zoeke, maar dat hij bij de naarstigheid in de waarheid, ook naarstigheid heeft in de onderlinge gemeenschap, opdat zij alzoo liefelijk met elkander voortgang maken. Zoo dan, naar Paulus' leer zal men alzoo acht hebben op de eendrachtigheid, dat intusschen de waarheid niet vergeten worde, of dat de menschen, de waarheid verlatende, niet naar hun goeddunken samenrotten. Waarmede der papisten ongeschiktheid wederlegd wordt, als zij het Woord Gods bezijden stellen, en ons tot hunne voorschriften zoeken te dwingen.
16 Uit welken het geheele lichaam samengevoegd. Hij bevestigt door een zeer goede reden, dat al onze wasdom hiertoe moet strekken, dat de heerlijkheid van Christus te hooger verheven worde: want Hij is degene, van welken wij alles hebben. Dezelfde is het, die ons behoedt en bewaart, zoodat wij niet kunnen zalig zijn dan in Hem. Want gelijk de gansche boom zijn vochtigheid trekt uit den wortel, alzoo leert hij dat alle jeugd en sterkte, die wij hebben, ons van Christus komt. Maar men moet drie dingen aanmerken. Ten eerste, wat ik gezegd heb: dat alle leven en gezondheid, die door de leden verspreid wordt, uit het geloof vloeit, zoodat in de leden niet anders is dan de toediening. Ten andere, dat er zulke uitdeeling is, dat zij met elkander moeten deelachtig zijn, omdat elks mate zekere grootte heeft. Ten derde, dat het lichaam niet kan gezond zijn zonder onderlinge liefde, zoo zegt hij dan, dat van het hoofd door de leden, als door goten toegediend wordt al wat tot de onderhouding des lichaams noodig is. Hij zegt ook, dat het lichaam dan eerst gezond en welgesteld is, zoo het vereenigd en te zamen verknocht is. Bovendien schrijft hij elk lid een zekere mate toe. Ten laatste leert hij, dat de gemeente gesticht wordt door liefde. Tot zijns zelfs opbouwing. Hij geeft te kennen, dat er geen nuttige wasdom is, dan die het gansche lichaam dient. Daarom zoo iemand begeert alleen bij zichzelven te wassen, die dwaalt. Want wat zal het been of den arm nuttig zijn, bovenmate groot of lang te zijn boven de andere leden, dan dat de hinderlijke grootte drukken zal? Alzoo indien wij in het lichaam van Christus willen gerekend zijn, zoo zij niemand iets voor zichzelven, maar een iegelijk zij voor den ander al wat hij is. Dit geschiedt door de liefde: waar deze niet regeert, daar is geen stichting der gemeente, maar enkel verwoesting.
17 Zoo zeg ik dan, en betuig dit in den Heere, dat gij niet meer Rom. i; 9. wandelt gelijk de andere heidenen wandelen: 1 : 18'
18 In ijdclheid huns gemoeds, verblind zijnde in hot vorstand, ' i'otr. 4:3. Dl. rv. o
65
EFEZE 4; 17.
vervreemd van het leven Gods, om de onwetendheid, die in hen is, om de blindheid huns harten.
19 Welke ongevoelig geworden zijnde, zichzelven overgegeven hehben tot oneerlijkheid, om alle onreinigheid te bedrijven gieriglijk.
17 Zoo zeg ik dan. Als hij gehandeld heeft van de regeering, die Christus verordend heeft om zijn gemeente te stichten, zoo vermaant hij nu hoedanige vruchten die leer, die hij gemeld heeft, behoort voort te brengen in het leven der Christenen: of zoo men liever wil, hij begint bij soorten of deelen te verhalen welke de stichtingen zijn, die uit de leer volgen. En ten eerste roept hij ze terug van de ijdelheid der ongeloovigen, voortbrengende een argument, uit tegenovergestelde dingen genomen. Want dat zij, die in de school van Christus geleerd, en met de leer der zaligheid verlicht zijnde, naar ijdelheid staan, en niet beter zijn dan de ongeloovigen en blinden, die nooit met het licht der waarheid zijn verlicht geweest, is veel te ongeschikt. Daarom besluit hij terecht uit het voorgaande, dat zij met hun leven moeten bewijzen, dat zij niet tevergeefs discipelen van Christus zijn geweest; en opdat de vermaning te krachtiger zij, zoo betuigt hij ze bij den naam Gods, opdat zij weten, dat zij namaals rekenschap zullen geven, zoo zij zijne vermaning verachten. Gelijk de andere heidenen. Te weten, die nog niet tot Christus bekeerd waren. Maar intusschen vermaant hij de Efeziërs, hoe noodig hun de betering is, dewijl zij van nature den verdorvenen en veroordeelden menschen gelijk zijn, alsof hij zeide: De staat der andere heidenen, welke ellendig en u gruwelijk is, zou u juist verwekken om uw aard te veranderen. Zoo wil hij dan, dat er onderscheid is tusschen de ongeloovigen en geloovigen: en de oorzaken des onderscheids stelt hij tegen elkander, gelijk wij zullen zien. Zooveel de ongeloovigen aangaat, hij veroordeelt hun gemoed van ijdelheid. Wij zullen gedenken, dat hij in het gemeen spreekt van allen, die door den Geest van Christus niet wedergeboren zijn. Hij zegt, dat hun gemoed ijdel is. Nu, het gemoed is het voornaamste in des menschen leven, en is de zetel der redelijkheid, en gaat den wil voor, en dwingt de onbehoorlijke begeerlijkheden, waarom het ook van de godgeleerden der Sorbonne de koningin wordt genoemd. Maar Paulus schrijft daaraan niets toe dan ijdelheid. En daarenboven nog, alsof hij niet klaarlijk genoeg uitgedrukt had wat hij wilde zeggen, geeft hij geen beteren lof aan de dochter des gemoeds, namelijk, het verstand: want alzoo neem ik het Grieksche woord. Want hoewel het beduidt een gedachte, nochtans dewijl het hier in het enkelvoud gesteld is, zoo is het te verstaan van het denkvermogen zelf. Nu, gelijk Paulus boven gezegd heeft: Dat het gemoed des menschen niets dan ijdelheid is aangaande goddelijke dingen, zoo stelt hij nu daarbij: Dat zij in 't oordeelen en onderscheiden, ja ook voor de hoogste dingen, blind zijn. Laat nu de menschen gaan, en zichzelven op den vrijen wil verhoovaar-digen, dewijl zij hooren dat het gemoed, waardoor de wil geregeerd wordt, met zulke schandelijkheid bevangen is. Maar tegen deze uitspraak schijnt de ervaring of bevinding openlijk te strijden: want de menschen zijn zoo blind niet, of zij zien wat, noch ook zoo ijdel, of zij hebben eenig oordeel. Ik antwoord, dat het licht der
66
EFEZE 4 : 17, 18.
menschelijke rede, zooveel liet rijk Gods en het gansche geestelijk leven aangaat, zoodanig is, dat het weinig van de duisternis verschilt: dewijl het terstond uitgaat, eer het den weg gewezen heeft; en dat de scherpzinnigheid of kracht in het oordeelen, die in den mensch is, ook zoo is, dat zij niet beter is dan blindheid: want zij verdwijnt, eer er eenige vrucht van komt. Want de ware beginselen in den mensch zijn als glinsterende vonken: maar zij worden door de verdorvenheid der natuur verstikt, eer zij tot waar gebruik worden aangewend. Bijvoorbeeld: Dat er een God is, en dat wij Hem moeten dienen, weten alle menschen wel; maar door onze gebrek-kelijkheid en onwetendheid, die in ons de overhand heeft, vallen wij van de verwarde kennis terstond tot een afgod, en dienen dien in Gods plaats. In den dienst Gods wordt ook nog zwaar gefeild, voornamelijk in de eerste tafel der wet. Zooveel de tweede tafel aangaat, ons oordeel komt wel met den regel Gods overeen in de uitwendige daden: maar de fontein alles kwaads, de begeerlijkheid is ons verborgen. Bovendien moet men aanmerken, dat Paulus niet alleen spreekt van de natuurlijke blindheid, die van moeders buik ons aangeboren is, maar dat hij ook mede vervat die verblinding die grover is, waarmede God de voorgaande zonden straft, gelijk wij zien zullen. Eindelijk, de menschen hebben rede en verstand, alleenlijk zoo, dat zij niet voor God te verontschuldigen zijn. Maar zoolang zij niet verhinderd worden naar hunnen aard te leven, zoo kunnen zij niet anders dan dwalen, vallen en struikelen in alle raadslagen en daden. Hieruit is het ook openbaar, hoe groot de gedichte godsdiensten geacht worden, en van wat waarde zij zijn bij God, dewijl zij uit den afgrond der ijdelheid, en uit den doolhof der onwetendheid voortkomen.
18 Vervreemd van het leven Gods. Het leven Gods kan tweeërlei wijze genomen worden, te weten, voor een leven, dat bij God gerekend wordt, gelijk de heerlijkheid Gods, Joh. 12 :43, of voor een leven, waarmede God zijn uitverkorenen begiftigt door den Geest der wedergeboorte. Op wat wijze gij het neemt, zoo zal het nochtans éénzelfde zin zijn, en niet onderscheiden: want dit gemeene leven, waardoor wij menschen zijn, is niet anders dan een ijdele schaduw des levens: niet alleen omdat het haastelijk vergaat, maar ook omdat onze zielen levend dood zijn, als zij God niet aanhangen. Zoo zullen wij dan weten, dat in deze wereld drie trappen des levens zijn. Want daar is een algemeen leven, dat alleen in beweging en gevoelen bestaat, dat ook de beesten deelachtig zijn; het ander is een menschelijk leven, waardoor wij Adams kinderen zijn; het derde is het bovennatuurlijke, dat de geloovigen alleen hebben. En al deze levens zijn van God, daarom kan elk leven, leven Gods genoemd worden. Want van het eerste leven hebben wij Hand. 17 : 28, in de prediking van Paulus, dat wij in Hem zijn, ons bewegen en leven. Insgelijks, Ps. 104: 30, Zendt Gij uwen Geest uit, zij worden geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks. Van het tweede leven, hebben wij Job 10: 12, Gij hebt mij het leven gegeven, en uwe bezoeking heeft mijnen geest bewaard. Maar om de uitnemendheid wordt hier de wedergeboorte genoemd het leven Gods, omdat God dan eigenlijk in ons woont, en wij zijn leven genieten, als Hij ons met zijnen Heiligen Geest regeert. Van dit leven stelt Paulus alle menschen vreemd, die geen nieuwe creaturen
67
EFEZE 4: 18, 19.
in Christus zijn. Hieruit is het openbaar, hoe ellendig onze staat is, zoolang wij in het vleesch, dat is in onszelven blijven. Hieruit kan men ook schatten alle zedelijke deugden, gelijk men die noemt. Want hoedanige werken zal dat leven voortbrengen, 'twelk Paulus ontkent van God te zijn? Zoo dan, opdat uit ons wat goeds beginne te komen, zoo moeten wij vóór alles door de genade van Christus vernieuwd worden. Dit is eerst het beginsel van een waar en levend leven, (om zoo te spreken) en men moet de reden aanmerken, die terstond daarbij gesteld wordt. Om de onwetendheid, zegt hij; want gelijk de kennis Gods een waarachtig leven der ziel is, alzoo is daarentegen de onwetendheid een dood? En opdat men niet zou denken, dat zulke onwetendheid een bijkomstig kwaad is, (gelijk de philosophen oordeelen, dat de dwalingen van elders worden getrokken) zoo leert Paulus, dat de wortel daarvan in de blindheid des harten is: waarmede hij te kennen geeft, dat zij geworteld is in de natuur, zelve. Zoo dan, de eerste blindheid, waarmede de harten der menschen bevangen zijn, is een straf der erfzonde: daarom dat Adam na zijn afwijking van het waarachtige licht is beroofd geworden, buiten hetwelk alle dingen gruwelijke duisternissen zijn.
19 Welke ongevoelig geworden zijnde. Als hij van de natuurlijke gebreken gesproken heeft, zoo komt hij nu tot het uiterste kwaad, 'twelk de menschen door hun eigene booze werken over zich trekken, te weten, als zij ongevoelig geworden zijnde, en de smart der conscientie uitgebluscht hebbende, zichzelven tot alle boosheid begeven. Wij zijn van nature verdorven, en tot kwaad geneigd, ja ganschelijk aan het kwaad overgegeven; die van den Geest van Christus beroofd zijn, geven zichzelven toe, en maken den breidel te lang: alzoo komt het, dat zij den toorn Gods meer en meer met nieuwe zonden tegen zich verwekken. Nochtans prikkelt de Heere ze met prikkelen der conscientie, maar zij worden niet bewogen, maar meer door alle vermaningen verhard: om zulke hardnekkigheid verdienen ze van den Heere ganschelijk verworpen te zijn. Het teeken dezer verwerping is die ongevoeligheid, die hier gemeld wordt, te weten, als hij, die met zondigen God vertoornt, door geen vreeze des oordeels geroerd wordt, maar zorgeloos voortgaat, en onversaagd zijnen lust daarin neemt, zichzelven behaagt en vleit, ja door geen schaamte beroerd wordt, noch naar geen eer vraagt. Die kwelling der booze conscientie, waarmede zij door den schrik des Goddelijken oordeels gekweld wordt, kan bij het voorportaal der hel vergeleken worden: maar zulke zorgeloosheid en slaapzucht is een verderfelijke maalstroom, gelijk Spr. 18:3. ook Salomo zegt: De goddelooze, als hij in de diepte gekomen is, zoo versmaadt hij. Daarom heeft Paulus niet ten onrechte dit als een schrikkelijk voorbeeld der Goddelijke straf voortgebracht, dat de menschen van God verlaten zijnde, na de conscientie in slaap gewiegd en de vreeze des oordeels Gods uitgebluscht hebbende, eindelijk door verlies van alle gevoel als verplet zijnde, beestelijk zichzelven tot alle onreinheid wegwerpen. Het is wel waar, dat dit niet algemeen is, dewijl God velen ook uit de verworpenen door zijn ongemeten goedheid wederhoudt, opdat de wereld niet rnet de hoogste verwarring vermengd worde. Hieruit komt het, dat zulke schandelijke onreinheid, en zulke ongebonden onmatigheid niet in allen gevonden wordt. Maar
68
EFEZE 4: 19â22.
het is genoeg, dat zulk een spiegel in sommigen gezien wordt, opdat wij ook verschrikt zouden worden, opdat ons zulks niet geschiede. Oneerlijkheid, neem ik voor dartelheid, waarmede het vleesch zich onmatig en wulpsch verheugt, door den Geest Gods niet bedwongen zijnde. Onreinigheid, neem ik voor allerlei booze daden. Ten laatste stelt hij daarbij, gieriglijk. Het Grieksche woord, dat hier staat, beduidt somtijds vrekkigheid, en het wordt van sommigen hier alzoo uigelegd, maar niet zeer gepast. Want dewijl de valsche en gebrekkelijke begeerlijkheden onverzadelijk zijn, daarom heeft Paulus haar gierigheid tot een kamenier toegevoegd, welke staat tegenover matigheid.
20 Doch gij hebt Christus niet alzoo geleerd;
21 Zoo gij Hem toch gehoord hebt, en in Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is, te weten,
22 Dat gij aangaande de voorgaande wandeling den ouden mensch CoK^:^ aflegt, die verdorven wordt naar de begeerlijkheden der dwaling; i petr. 2 :i.
23 En vernieuwd wordt in den geest uws gemoeds,
24 En den nieuwen mensch aandoet, die naar God geschapen is,
in rechtvaardigheid en heiligheid der waarheid. i petr. 4 :2.
Nu stelt hij het Christelijke leven daartegen, opdat het daaruit openbaar zij, hoe onwaardig het een godzalig mensch is, zonder onderscheid zich te besmetten met de onreinigheden der heidenen.
Dewijl de heidenen in duisternis wandelen, daarom maken zij geen onderscheid tusschen eerlijk en oneerlijk: maar die met de waarheid Gods verlicht zijn, moeten hun niet gelijk zijn. Die de ijdel-heid hunner zinlijkheid tot een regel des levens hebben, het is geen wonder, zoo zij in schandelijke begeerlijkheden verward zijn; maar de leer van Christus gebiedt ons onze natuur af te leggen. Zoo dan, die in zijn leven niet onderscheiden is van de ongeloovigen,
die heeft niets geleerd van Christus: want de kennis van Christus kan van de dooding des vleesches niet afgescheiden worden. Nu,
om hen tot scherper naarstigheid op te wekken, zegt hij niet alleen,
dat zij Christus gehoord hebben, maar hij klimt op, als bij trappen,
zeggende, dat zij in Hem ook geleerd zijn; alsof hij zeide, dat deze leer niet weinig is, maar wel en genoegzaam onderwezen en verklaard.
21 Geljjk de waarheid. Met dit woord berispt hij de ijdele wetenschap des Evangelies, waarmede velen tevergeefs opgeblazen zijn, dewijl zij niets hebben van de nieuwigheid des levens. Want zij meenen, dat zij zeer wijs zijn; maar de apostel leert, dat zij een leugenachtige en ingebeelde meening hebben. Alzoo stelt hij tweeërlei kennis van Christus, waarvan de eerste waar en natuurlijk, en de ander geveinsd en valsch is; niet dat zij in zichzelven tweeërlei is,
maar omdat velen zich valschelijk wijsmaken, dat zij Christus kennen,
hoewel zij niet dan vleeschelijk zijn. Zoo dan, gelijk hij m den Tweeden zendbrief aan de Corinthiërs zegt: Zoo iemand in Christus 2 cor. 5 -.n. is, die is een nieuw schepsel: alzoo zegt hij ook hier, dat wat men
van Christus weet, niet waar, noch echt is, tenzij de dooding des vleesches daarbij is.
22 Dat gij aangaande de voorgaande wandeling. Hij wil in den Christenmensch hebben bekeering of vernieuwing des levens.
69
EFEZE 4: 22â24.
en deze stelt hij in de verzaking van onszelven, en in de wedergeboorte door den Heiligen Geest. Zoo begint hij dan van het eerste deel, als hij gebiedt den ouden mensch af te leggen. Deze gelijkenis van de kleeding genomen, gebruikt hij dikwijls, en wij hebben ergens de reden aangeroerd. En wat hij door ouden mensch verstaat, hebben wij zoowel Rom. 6, als op andere plaatsen geleerd, te weten, de natuur, die wij uit moeders buik met ons brengen: want in de twee personen, Adam en Christus, beschrijft hij ons zooveel als twee naturen. Want wij worden eerst uit Adam geboren; de verkeerdheid â cler natuur, die wij uit hem hebben, wordt de oude mensch genoemd, en dewijl wij daarna wedergeboren worden in Christus, zoo wordt die bekeering der verdorven natuur, genoemd de nieuwe Ijnensch. In één woord: Die den ouden mensch wil afleggen, moet zijn natuur verloochenen. Die meenen, dat Paulus in deze woorden, oude en nieuwe, gezien heeft op het Oude en Nieuwe Testament, die redekavelen op niet zeer vasten grond. Voorts, opdat hij te beter toone, dat deze vermaning niet tevergeefs is bij de Efeziërs, zoo vernieuwt hij hun de gedachtenis des voorgaanden levens, alsof hij zeide: De oude mensch heeft in u geregeerd, ten tijde toen Christus Zich aan u nog niet geopenbaard had: zoo moet gij dan het voorgaande leven verlaten, zoo gij den ouden mensch wilt afleggen. Die verdorven wordt. Hij wijst den ouden mensch aan uit de vruchten, dat is, uit de booze begeerlijkheden, welke den mensch tot het verderf verlokken. Dat hij zegt, dat hij verdorven wordt, daarin zinspeelt hij op het woord oudheid: want de oudheid is het verderf nabij. Intusschen moet men zich wel wachten met de papisten niet alleen die grove en tastelijke oneerlijkheden te verstaan, en welker schandelijkheid openbaar is onder de menschen: maar onder dit woord moet men ook zulke oneerlijkheden vervatten, die dikmaals meer geprezen dan gelasterd worden, gelijk daar zijn: eergierigheid, sluwheid, en al wat uit eigenliefde of uit mistrouwen voortkomt.
23 Vernieuwd wordt. Dit is het tweede stuk in den regel des godzaligen en heiligen levens, te weten, dat wij liever leven door den Geest van Christus, dan door den onzen. Maar wat beduidt hij met den geest des gemoeds? Ik neem het eenvoudig, alsof hij gezegd had: Dat gij vernieuwd wordt, niet alleen zooveel de laagste lusten en begeerlijkheden aangaat, die duidelijk gebrekkelijk zijn, maar ook zooveel dat deel der ziel aangaat, 'twelk het edelste en voornaamste geacht wordt. Want hij stelt hier wederom die koningin, die van de philosophen bijna aangebeden wordt, en den geest onzes gemoeds stelt hij bedektelijk tegen den Geest Gods, die in ons een ander en nieuw gemoed verwekt. Waaruit men lichtelijk kan verstaan, wat in ons gezond en onverdorven is, dewijl hij gebiedt voornamelijk de rede en het gemoed te beteren, waarin niet anders scheen te zijn, dan deugd en oorzaak van lof.
24 En den nieuwen mensch aandoet. Dit moet men aldus oplossen: Doet aan den nieuwen mensch; wat niet anders is, dan in
rden geest, dat is, inwendig vernieuwd te worden en dat ganschelijk, ! alzoo dat van het gemoed begonnen wordt, hetwelk allermeest van jde verdorvenheid schijnt vrij te zijn. Wat hij hierbij stelt van de schepping, kan zoowel op de eerste schepping des menschen, als op de vernieuwing, die door de genade van Christus geschiedt, zien; en beide uitleggingen zullen waarachtig zijn. Want Adam is
70
EFEZE 4 : 24, 25.
in den beginne geschapen naar het beeld Gods, om de rechtvaardigheid Gods, als in een spiegel te vertegenwoordigen: maar dewijl dit beeld door de zonde is uitgewischt, daarom moet het nu in Christus hersteld worden. En voorwaar, de wedergeboorte der godzaligen is niet anders dan een wederoprichting van het beeld Gods in hen,
gelijk 2 Cor. 3:18 gezegd is. Hoewel, de genade Gods is in deze tweede schepping veel overvloediger en machtiger dan in de eerste:
maar de Schrift ziet alleen hierop, dat die gelijkheid en overeenkomst, die wij met God hebben, onze hoogste volmaaktheid is. Nu, hoewel Adam naar deze gelijkenis geschapen was, zoo verloor hij wat hij ontvangen had. Zoo moet het ons dan door Christus wedergegeven worden. Daarom leert hij, dat de wedergeboorte daartoe dient, opdat wij uit de dwaling gebracht worden tot dat einde,
waartoe wij geschapen zijn. In rechtvaardigheid. Zoo men door de rechtvaardigheid verstaat rechtheid in 't gemeen, zoo zal door het woord heiligheid, wat hoogers beduid worden, te weten, de zuiverheid, waardoor wij Gode geheiligd zijn. Maar het mishaagt mij niet, dat deze woorden alzoo onderscheiden worden, dat de heiligheid diene tot de eerste tafel der wet, en de rechtvaardigheid tot de tweede, gelijk in den lofzang van Zacharias: Dat wij Hem Luk-1:54-dienen in heiligheid en rechtvaardigheid, al de dagen onzes levens. En voorwaar, Plato leert zeer wel, dat heiligheid gelegen is in den dienst Gods, en dat het andere stuk van rechtvaardigheid de men-schen aangaat. Dat daarbij staat: Der waarheid, is zooveel als waarachtig, en dient zoowel tot het woord rechtvaardigheid, als tot heiligheid. Want hij vermaant, dat zij beide oprecht moeten zijn: want de handeling is hier met God, die door geen geveinsdheid bedrogen wordt.
25 Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iegelijk Zilch- 8: 1C-met zijnen naaste: want wij zijn elkanders leden.
26 Wordt toornig en zondigt niet; de zon ga niet onder over 3?s. i ;5. uwe toornigheid.
27 En geeft den duivel geen plaats. Jak- 4 :7-
28 Die gestolen heeft, stele nu niet meer, maar arheide liever, 4! 'fi werkende met de handen wat goed is, opdat hij hehbe om te 2 Thess. 3: s, geven dien, die gebrek heeft. 12quot;
25 Daarom legt af de leugen. Uit dit hoofdstuk der leer, dat is uit de rechtvaardigheid van den nieuwen mensch, vloeien alle godzalige vermaningen, als beken uit een fontein: want ofschoon iemand alle geboden des levens verzamelde, zoo zou het weinig uitrichten zonder dezen oorsprong. De philosophen hebben eene andere wijze van leeren: maar in de leer det godzaligheid is dit het eenige middel om het leven wel te schikken. Nu zullen hier bijzondere vermaningen volgen, welke Paulus zal voortbrengen uit die gemeene leer. En ten eerste, dewijl hij de ware rechtvaardigheid en heiligheid in de waarheid des Evangelies gesteld had, zoo argumenteert hij nu van het gemeene tot het bijzondere, opdat de Efeziërs onder elkander waar zouden zijn. Leugen wordt hier gesteld voor allerlei bedrog, geveinsdheid of sluwheid; waarheid wordt genomen voor eenvoudigheid. Zoo eischt hij dan oprechte gemeenschap onder hen in alle handelingen. Daar wordt ook een andere
71
72 EFEZE 4 : 25â27.
bevestiging daarbij gesteld, te weten, omdat wij onder elkander leden zijn: want het ware een onnatuurlijke ongeschiktheid, zoo de leden onder elkander niet overeenkwamen, ja ook zoo zij bedriege-lijk onder elkander handelden.
26 Wordt toornig. Het is onzeker, of Paulus gezien heeft op Psalm 4:5; want deze woorden staan in de Grieksche overzetting. Hoewel anderen willen liever stellen: beeft. Niettemin, het He-breeuwsche woord beduidt zoowel beroerd zijn met toornigheid, als met vreeze. Zooveel de omstandigheid van den Psalm aangaat, zal deze zin wel passen: Wilt niet den uitzinnigen gelijk zijn, die onverzadigd drijven waar het voorkomt, maar wordt door het overwegen uwer zotte stoutheid ontsteld. Want Gen. 45:24, wordt dit woord gelezen voor twisten of kijven. Zoo wil hij dan, dat zij in hun eigen gemoed disputeerende of twistende, beroerd worden, opdat zij zich van hunne uitzinnige aanslagen afhouden. Maar naar mijn oordeel heeft Paulus aldus alleen gezien op deze plaats in deze wijze; Daar zijn drie feilen, waarmede wij, als wij toornig zijn. God vertoornen. Het eerste is, dat wij lichtvaardig en dikmaals om nietige zaken toornig zijn, of immers beroerd zijnde door onrecht of aanstoot, die onzen persoon bijzonder overkomen is. Het ander is, dat wij eenmaal beroerd zijnde, geen mate houden, en bijzonder van de verbolgenheid gedreven worden. Het derde is, dat wij die toornigheid, die wij behoorden te hebben tegen onszelven en onze zonden, tegen onze broeders keeren. Daarom, als Paulus wilde beschrijven, welke de behoorlijke matiging des toorns is, zoo heeft hij bekwa-melijk deze gemeene sententie gebruikt: Wordt toornig en zondigt niet. Dit zal geschieden, zoo wij de natuur des toorns meer zoeken in onszelven dan in andere, onze verbolgenheid over onze eigene zonden uitstortende. En zooveel de anderen aangaat, dat wij meer toornig zijn op de feilen dan op de personen, en door aanstooten, die wij bijzonder lijden, niet toornig worden, maar meer door vurigheid over de eere Gods met toorn ontstoken worden. Ten laatste, dat de toorn alzoo in ons verwekt worde, dat hij wederom zinke wanneer het noodig is, opdat hij niet vermengd worde met de oproerige bewegingen des vleesches. Laat de zon niet ondergaan. Dewijl het bijna onmogelijk is, somtijds niet tot onrechtvaardige toornigheid uit te breken, dewijl de menschelijke beweging zoozeer tot het kwaad genegen is, zoo komt Paulus tot het tweede remedie. Het beste ware wel, toornig te zijn en niet te zondigen: maar dewijl het in zulke zwakheid der natuur overzwaar is, zoo is dit de naaste en tweede remedie, de toornigheid niet lang in onze harten te broeden, noch haar tijd te geven om zich te versterken. Daarom verbiedt hij, dat de zon daarover niet onderga: waarmede hij beduidt, dat wij arbeiden moeten, om vóór den ondergang der zon gerust en tevreden te zijn, zoo het kwam, dat wij toornig werden.
27 En geeft den duivel geen plaats. Ik weet wel, hoe sommigen dit uitleggen: en als Erasmus voor duivel, stelt valsche beschuldiger, zoo toont hij openlijk, dat hij het verstaat van de kwaadwillige menschen. Nochtans twijfel ik niet, of Paulus vermaant, dat wij moeten toezien, dat de duivel ons niet naar zijn lust drijve, ons gemoed als een slot ingenomen hebbende. Want wij bevinden dagelijks, hoe ongeneeselijke krankheid de lange haat is, of immers
EFEZE 4: 27â29.
hoe moeilijk zij kan geheeld worden; waarom dat, dan omdat wij de bezitting onzes harten den duivel overgegeven hebben, daar wij hem behoorden te wederstaan ? Daarom moet men de toornigheid bijtijds afleggen, eer ons hart met het venijn van den haat doortrokken worde.
28 Die gestolen heeft. Hij spreekt niet alleen van de grofste dieverijen, die door de wetten gestraft worden, maar ook van de bedekte, welke onder het oordeel der menschen niet kunnen vallen,
gelijk daar zijn allerlei rooverijen, waarmede wij eens anders goed tot ons trekken. En hij gebiedt ons niet alleen te onthouden van het onrechtvaardig en onbehoorlijk gebruik der goederen, die eens anders zijn, maar ook dat wij onzen broederen te hulpe komen, zooveel in ons is. Gij die eens anders goed pleegt te rooven, gij behoort door rechtvaardigen en onschadelijken arbeid den nooddruft te winnen, niet alleen voor uzelven, maar ook voor anderen. Ten eerste wordt ons deze regel gegeven, dat niemand zijn voordeel zoeke met zijner broederen schade, maar zijn leven met eerlijken arbeid onderhoude. Bovendien leidt de liefde ons verder, te weten,
dat niet een iegelijk leve bijzonder voor zichzelven, den ander vergetende, maar dat de een des anders nood zoeke te verlichten.
Maar men kon vragen, of Paulus allen menschen oplegt met de handen te arbeiden, want dat ware veel te hard. Ik antwoord, dat de zin der woorden eenvoudig is, zoo iemand het behoorlijk overlegt: want als hij verboden had iemand te bedriegen of ongelijk te doen, omdat velen zichzelven verontschuldigen met hun armoede, zoo voorkomt hij zulke tegenwerping, leerende dat men liever met de handen moet arbeiden, alsof hij zeide: Gij moet niets weigeren,
al is het hard en zwaar, opdat gij niemand onrecht doet, en niet alleen daarom, maar ook om der broederen nood te hulpe te komen. En dit laatste stuk verheft hij niet weinig: want het bevat een bewijs van meerder tot minder. Wat goed is. Dewijl er vele beroepen zijn, die de wellusten dienen, ja ook die niet zeer kuisch zijn, zoo heeft hij ook dit willen bevelen, dat wij zulken arbeid kiezen zullen, die onzen naaste nuttigheid aanbrengt. En dit is geen wonder, want zoo ook zelfs de heidenen (gelijk ook Cicero) zulke het zingenot streelende kunsten schandelijk geacht hebben, die niet anders dan verdorvenheid voortbrengen, zou dan de apostel deze onder de betamelijke beroepen Gods rekenen ?
29 Dat geene onreine woorden uit uwen mond komen: maar zoo Matt. 12; 36. er eenige goede rede is tot stichting der nuttigheid, opdat®'513quot;
zij den toehoorders genade geve.
30 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij Rom. s; ic. verzegeld zijt tot den dag der verlossing. g ^01- 1:22;
31 Alle bitterheid, en verbolgenlieid, en toornigheid, en roeping, Ef. i;i3. en kwaadsprekendheid worde van u weggenomen, met alle boosheid.
29 Dat geene onreine woorden. Ten eerste, verbiedt hij in de woorden der geloovigen alle onkuischheid, waaronder hij vervat al zulke verlokkingen, als in het minnen of vrijen plegen gebruikt te worden, welke gewoonlijk der menschen harten met booze lusten besmetten. Daarna is het hem niet genoeg, dat feil weggenomen
73
EFEZE 4 : 29, 30.
te hebben, maar gebiedt hij, dat zij zich voegen tot stichting, gelijk 6. hij tot de Colossensen zegt: Laat uwe woorden met zout besprengd zijn, enz. Doch hij gebruikt hier eene andere wijze van spreken. Zoo er eenige goede rede is (zegt hij) tot stichting der nuttigheid, wat zooveel is alsof hij gezegd had met e'én woord: Zoo zij nut is. Het is wel waar, dat men deze woorden, stichting der nuttigheid, naar de Hebreeuwsche gewoonte kan nemen voor nuttige stichting. Maar als ik aanmerk, hoe dikmaals Paulus dit woord stichten, gebruikt bij gelijkenis, en hoe ver die gelijkenis strekt, zoo wil ik liever die eerste uitlegging houden; alzoo neem ik stichting der nuttigheid, voor den voortgang of de nuttigheid onzer stichting: want stichten is bevorderen. Nu, hoe dit geschiedt, stelt hij daarbij, te weten, den toehoorders genade gevende. Door liet woord genade, verstaat hij vertroosting en vermaning, en alle middelen der zaligheid.
30 En bedroeft den. Dewijl de Heilige Geest in ons woont, zoo moeten alle deelen, beide van onze ziel en lichaam, Hem geheiligd zijn. Zoo wij onszelven overgeven tot eenige besmetting, zoo werpen wij Hem uit ons, als uit zijne woning. Om dit te gemeenzamer uit te drukken, zoo schrijft hij den Heiligen Geest menschelijke genegenheden toe, te weten, blijdschap en droefheid. Doet, zegt hij, naarstigheid, dat de Heilige Geest naarstig in u wone, als in een blijde en lustige woonplaats, en geeft Hem geen oorzaak tot droefheid. Sommigen leggen het anders uit, te weten, dat wij den Geest Gods bedroeven in anderen, als wij de godzalige broeders, die door den Geest Gods gedreven worden, ergeren met onkuische woorden of anderszins. Want de godzalige ooren verwerpen niet alleen al wat der godzaligheid tegen is, maar als zij zoo iets hooren, zoo worden zij met zware droefheid gewond: maar door wat hier volgt, wordt bewezen, dat de meening van Paulus anders geweest is. Waarmede gij verzegeld zijt, zegt hij. Zoö dan, dewijl God ons met zijn Geest verzegeld heeft, zoo zijn wij Hem moeielijk, als wij zijn leiding niet volgen, maar ons ontreinigen met onheilige genegenheden. Het gewicht dezer waarheid kan niet genoeg verklaard worden: Dat de Heilige Geest blijde en vroolijk in ons is, als wij alleszins Hem gehoorzaam zijn, niet denken noch spreken dan wat zuiver en heilig is: en dat Hij wederom bedroefd wordt, wanneer wij iets doen wat onze roeping niet betaamt. Nu kan een iegelijk bij zichzelven overleggen, wat gruwelijke goddeloosheid het is, den Geest Gods met zulke droefheid te benauwen, dat Hij ten laatste gedwongen wordt van ons te wijken. Bij Jesaja, hfdst. 63 : 10, is ook zulk een wijze van spreken, maar in een anderen zin. Want de profeet zegt eenvoudig: Den Geest Gods verbitteren, gelijk wij plegen te zeggen: Des menschen hart verbitteren. Waarmede gij verzegeld zijt. Want de Geest Gods is als een zegel, waarmede wij van de verworpenen onderscheiden worden, en die in onze harten ingedrukt is, opdat de genade der aanneming ons zeker zij. Hij stelt daarbij, tot den dag der verlossing, dat is, totdat God ons tot de bezitting der beloofde erfenis brengt. Want die dag wordt gewoonlijk de dag der verlossing genoemd, omdat wij dan eerst uit alle ellendigheden zullen verlost worden. Van deze beide wijzen van spreken is reeds elders genoeg gezegd. Van de tweede voornamelijk Rom, 8 : 23, en van de eerste 1 Cor. 1 : 30, uitgeno-
74
EFEZE 4:30â32.
men dat het woord verzegelen, hier anders kan uitgelegd worden,
namelijk, dat God den Geest als zijn merk in ons heeft gedrukt, om onder zijne kinderen te rekenen al degenen, die Hij ziet zoo geteekend te zijn.
31 All 3 bitterheid. Gelijk hij tevoren den toorn veroordeeld heeft,
alzoo herhaalt hij nu dezelfde uitspraak, en stelt tegelijk de bijkomstige dingen daarbij, die bijna altijd met den toorn samengaan, als luide twistingen en schimpwoorden. Tusschen toorn en verbolgenheid is weinig onderscheid, dan dat de verbolgenheid somtijds verstaan wordt van de genegenheid tot gramschap, en toornigheid van de daad: maar hier verschillen zij niet, tenzij wij zeggen willen, dat in den toorn haastiger drijving is. Voorts, is het niet tevergeefs, dat hij boosheid verbiedt, opdat die bovengenoemde feilen gebeterd worden. Door boosheid verstaat hij de verdraaidheid, die het tegendeel der vriendelijkheid en gerechtigheid is.
32 En zijt jegens elkander vriendelijk, barmhartig, vergevende Col. 3:12. elkander, gelijk ook God u in Christus vergeven heeft. Matt286-'u
Mark. li: 25.
32 En zijt jegens elkander. Tegen de bitterheid stelt hij vrien-Co1-3:13-delijkheid over, welke is lieflijkheid, zoowel in zeden als in voorkomen, en in woorden. En dewijl deze deugd nimmermeer onder
ons zal regeeren, tenzij er ook medelijden is, daarom gebiedt hij ons barmhartigheid, welke niet alleen daarin gelegen is, dat wij met onzer broederen ongerief medelijden hebben, gelijk met ons eigen,
maar ook dat wij ware beleefdheid en vriendelijkheid hebbende,
niet anders bewogen worden tot droefheid of blijdschap, wat het ook is, dan of wij zeiven in hunne plaats waren. Het tegenovergestelde hiervan is onbeleefdheid of hardigheid, als de menschen zoo hard en ongeschikt zijn, dat zij er niet naar vragen wat zij anderen zien lijden. Vergevende elkander. Sommigen verstaan dit van de weldadigheid, en daarom heeft Erasmus het overgezet gevende: en de beteekenis van het Grieksche woord is daar niet tegen, maar de omstandigheid der plaats leidt ons meer tot een anderen zin, te weten, dat wij lichtelijk zullen vergeven. Want het is somtijds mogelijk, dat sommige menschen lieflijk zijn en lichtelijk mede lijden: en nochtans niet zoo haastelijk het onrecht vergeven, als het hun grootelijks is aangedaan. Zoo dan, opdat degenen, die anders door goedheid der natuur tot vriendelijkheid genegen zijn, niet door der menschen ondankbaarheid afwijken: zoo vermaant hij dat zij elkander vergeven moeten. En opdat de vermaning te krachtiger zij, zoo stelt hij het exempel Gods voor oogen, welke ons veel meer in Christus vergeven heeft, dan eenig mensch zijne broederen vergeven kan. Zie hiervan Galaten 6 : 2.
75
EFEZE 5:1, 2.
HET VIJFDE HOOFDSTUK.
1 Zijt dan navolgers Gods. als uitverkoren kinderen;
2 En wandelt in de liefde, gelijk ook Christus ons heeft liefgehad, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven, tot een offerande Gode, tot een welriekenden reuk.
TÃt'. V-.iï.1 ryijt dan navolgers Gods. Hij vervolgt diezelfde waarheid, en be-1Hebr38:-13; x vestigt ze daarmede, dat de kinderen den vader behooren gelijk 9:i4. ' zijn: want hij vermaant dat wij kinderen Gods zijn : en dat wij
daarom behooren zooveel in ons is, Hem in goeddadigheid gelijk te zijn. Aldus zien wij, dat de volzinnen, die geheel aan elkander hingen, ten onrechte zijn verscheurd door de verdeeling der hoofdstukken. Wij zullen dit argument behouden: Dat wij Gods navolgers moeten Matt. 5:44. zijn, zoo wij zijne kinderen zijn. Want Christus verkondigt ook, dat wij niet anders Gods kinderen zullen zijn, tenzij wij ook den on-waardigen goeddoen. Als hij God voorgesteld heeft om na te volgen, zoo stelt hij ook Christus voor oogen, want deze is ons waarachtig voorbeeld. Omhelst elkander, zegt hij, met dezelfde liefde, waarmede Christus ons omhelsd heeft: want wat wij in Christus zien, dat is ons een waarachtige regel.
2 En Zichzelven heeft overgegeven. Dit was een bijzonder bewijs der uitnemende liefde, dat Christus Zichzelven als vergeten hebbende, zijn eigen leven niet gespaard heeft, om ons van den dood te verlossen. Zoo wij dezer weldaad willen deelachtig zijn, zoo moeten wij op gelijke wijze tot onzen naaste geneigd zijn; niet dat iemand van ons zulke groote volmaaktheid verkregen heeft, maar wij moeten naar onze zwakheid daarnaar staan en pogen. Wat daarbij gesteld wordt van de welriekende offerande, dient ten eerste om de genade van Christus te prijzen: daarna dient het ook tot de tegenwoordige zaak. De vrucht en kracht des doods van Christus kan niet genoeg met woorden uitgedrukt worden, opdat wij weten, dat die de eenige prijs is, waarmede wij met God verzoend zijn. En deze leer des ge-loofs heeft de eerste plaats. Voorts, hoe meer wij hooren wat Christus ons gedaan heeft, des te meer zijn wij aan Hem verbonden. Bovendien moet men verstaan uit de woorden van Paulus, dat geene onze werken Gode aangenaam zijn, tenzij wij elkander liefhebben. Want zoo de verzoening der menschen, door Christus geschied, een welriekende offerande is geweest, zoo zal deze goede reuk dan eerst tot God komen, zoo deze heilige rook in ons zal uitgebreid wezen: waartoe ook deze woorden van Christus dienen; Matt. 5:24. Laat uwe gave voor het altaar, en gaat heen, en verzoent u eerst met uwen broeder.
Maar hoererij, en alle onreinigheid, of gierigheid worde zelfs niet onder u genoemd, gelijk heiligen betaamt.
Oneerbaarheid, zotte klap, gekkernij, welke niet betamen, maar veeleer genade.
Want dit weet gij, dat alle hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, geen erfenis zal hebben in het rijk van Christus en van God.
76
Joh. 13:34; 15:12.
1 Thess. 4:9. 1 Joh. 3:23; 4:21.
Ef. 4: 29. Col. 3 :5. Matt. 12:33.
1 Cor. 6:10.
Gal. 5:19. Col. 3:5. Openb. 22:15.
EFEZE 5 : 3â5.
6 Dat u niemand bedriege met ijdele woorden: want om dezer Jer. 2«:8. dingen wil komt de toorn Gods over de ongehoorzame ') kinderen. Mark. iV: 5.
7 Zoo zijt dan kunne medegenooten niet. Luk- 21:8-
J amp; Col. 2:4, 18
2Tliess. 2:3
3 Hoererij. Dit hoofdstuk en het derde aan de Colossensen komen i Jot. 4: i. in vele dingen overeen, welke de verstandige lezer zonder mijn hulp loovige01186 met elkander kan vergelijken. Hij verhaalt hier drie dingen, welke hij iThess.5:4 wil, dat zij zoo ver van de Christenen zijn, dat zelfs hun naam niet gehoord wordt: wat gewoonlijk den onbekenden dingen geschiedt.
Door het woord onreinigheid, beduidt hij alle schandelijkheid en onkuische lusten, en dit woord is onderscheiden van het woord hoererij, gelijk het geslacht van het soort. Ten derde stelt hij gierigheid, welke niet anders is dan onmatige begeerte naar bezit te hebben. En hij geeft aan het voorschrift gezag, zeggende: Dat hij niets van hen eischt, dan wat den heiligen betaamt, met welk woord hij alle gierigen en hoereerders, en onkuischen van het getal en de gemeenschap der heiligen verwerpt. Bij deze drie stelt hij nog drie andere. Oneerbaarheid, waarbij ik versta al wat onbetamelijk is,
en met de zedigheid der godzaligen niet wel overeenkomt. Insgelijks zotte klap, waarbij ik versta, ongeschikte, ijdele en onnutte, of ook onheilige, en door ijdelheid schadelijke woorden. Voorts, dewijl de ongeschiktheid der woorden dikmaals met het voorgeven van gek-kernij of kluchtigheid bedekt wordt: daarom heeft hij bijname ook deze kluchtigheid als een deel van zotgeklap veroordeeld, hoewel zij anders behagelijk is, alsof zij een prijselijke deugd ware. Het Griek-sche woord wordt bij de heidensche schrijvers in een goeden zin genomen voor een scherpzinnige en gezouten kluchtigheid, die een vrijgeboren en vernuftigen man niet onwaardig is. Maar dewijl men zeer kwalijk kan spotten zonder ook steekachtig te zijn, en in de aardigheden een strekking is, die met de godzaligheid niet wel overeenkomt: zoo keert Paulus ons terecht daar af. En hij zegt van die alle te zamen, dat zij niet betamen, dat is, dat zij met de roeping der Christenen strijden.
4 Maar veeleer genade. Anderen willen liever stellen, dankzegging; maar de uitlegging van Hieronymus behaagt mij. Want Paulus moest tegenover de bovengenoemde gebreken iets algemeens stellen, wat in onze woorden gezien wordt. Want zoo hij gezegd had: Dewijl zij in ijdele beuzelingen en oneerbaarheid vermaak zoeken, zoo dankt gij God, dat zou te nauw genomen zijn. En het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, kan het wel lijden, dat wij het overzetten genade. De zin zal wezen, dat onze woorden met ware liefelijkheid en aangenaamheid behooren vermengd te zijn: wat geschieden zal, zoo wij het nuttige met het zoete vermengen.
5 Want dit weet gij. Opdat zij niet te onachtzaam zijne vermaningen aannemen, verlokt zijnde door de gebreken, die hij bestraft, zoo verschrikt hij ze met een zware en strenge dreiging, te weten, dat zulke zonden ons den hemel sluiten. Nu, als hij hunne conscientiën tot getuigenis roept, zoo geeft hij te kennen, dat hij spreekt van een zaak, die niet twijfelachtig is. Zoo iemand dit hard,
en tegen de goedheid Gods schijnt te zijn, dat allen, die met hoererij of gierigheid besmet zijn, beroofd worden van de erfenis des hemel-rijks: dien kan men lichtelijk antwoorden, dat de apostel den gevallenen, die zich bekeeren, geen vergeving weigert, maar dat hij
77
EFEZE 5 : 5, 6.
over de zonden op zichzelf vonnis geeft. Want als hij de Corin-thiërs met dezelfde woorden aangesproken had, zoo stelt hij terstond i cor. fi: li. daarbij: En gij zijt wel zoo geweest, maar nu zijt gij gerechtvaardigd, enz. Want waar bekeering is, dewijl daar ook verzoening met God is, zoo houden de menschen op te zijn wat zij waren. Voorts, die hoereerders zijn, of onreinen, of gierigen, zoolang zij zoo zijn, moeten weten dat zij met God niets gemeen hebben, en dat hun alle hoop Matt. 28:18. op zaligheid benomen is. Het rijk van Christus en van God zegt i Oor. 15:27. ^ij, omdat God het zijn Zoon overgegeven heeft, opdat wij het door Hem verkrijgen zouden. Gierigaard, die. een afgodendienaar is. Gal. 5:20. Want gierigheid, gelijk hij ergens gezegd heeft, is afgodendienst, niet die, welke zoo dikmaals in de Schrift veroordeeld wordt: maar een ander, want alle gierigaards moeten God verzaken, en den rijkdom in zijn plaats stellen; zulke blinde razernij is in die ellendige begeerlijkheid. Maar waarom schrijft Paulus dit meer aan de gierigheid toe, dan aan de andere vleeschelijke genegenheden, van welke het niet minder kon gezegd worden? Waarom moet meer de geldgierigheid dezen schandelijken naam hebben dan de eergierigheid, of dat ijdel betrouwen op zichzelven? Ik antwoord: Omdat deze ziekte ver strekt, en met haar besmetting veler menschen harten inneemt, en voor geen ziekte wordt geacht, maar meer door alge-meene opinie geprezen: dat zij daarom te harder van Paulus bestraft wordt, om de valsche opinie uit onze harten uit te roeien.
6 Niemand bedriege u. Er zijn altijd goddelooze honden geweest, die de dreigingen der profeten beschimpten en bespotten: zoodanig zien wij ook heden. Want de duivel rust ten allen tijde zulke toove-naars uit, die als zij Gods oordeel met heiligschennende schimpreden bespotten, zoo brengen zij de conscientiën als met eenige tooverij in slaap, die niet wel in de vreeze des Heeren gefundeerd zijn. Dat is een kleine zonde, zeggen zij. Hoererij is voor God een spel; God is onder de wet der genade zoo wreed niet; Hij heeft ons niet gemaakt om onze beul te zijn; de zwakheid der natuur verontschuldigt ons, en dergelijke. Hiertegen roept Paulus, dat men zulke bedriegerijen moet vlieden, waardoor de conscientiën tot het verderf verstrikt worden. Want om dezer dingen wil. Zoo men naar de Hebreeuwsche wijze den tegenwoordigen tijd wil nemen voor den toekomenden, zoo zal het een dreiging van het laatste oordeel zijn. Maar ik gevoel met die het woord komt nemen voor pleegt te komen: zoodat hij ze vermaant van de gewone oordeelen Gods, welker voorbeelden voor oogen zijn. En voorwaar, zoo wij niet blind en onachtzaam waren, God getuigt dikmaals genoeg met voorbeelden der- straffen, dat Hij een rechtvaardig straffer van zulke zonden is, en dat zoowel ieder mensch straffende, als bewijzende zijn toorn tegen steden en rijken, en volken. En men moet aanmerken, dat hij zegt: Tegen de ongeloovigen of ongehoorzamen; want dewijl hij tot de geloovigen spreekt, zoo wil hij ze niet zoozeer verschrikken door eigen gevaar, als opwekken, dat zij de gruwelijke oordeelen Gods in de verworpenen, als in spiegelen leeren aanmerken. Want God maakt Zich voor zijne kinderen niet vreeselijk, opdat zij Hem zouden vlieden, maar Hij trekt ze tot Zich op vaderlijke wijze zooveel Hij kan. Hieruit besluit hij, dat zij zich niet vermengen in de verderfelijke gemeenschap der goddeloozen, van wie zij zulk een einde zien.
78
EFEZE 5:8-10.
8 Gij waart voortijds duisternis, maar nu zijt gij liclit in den i Tlic-ss. 5:4. Heere; wandelt als kinderen des lichts:
9 (Want de vrucht des lichts is in alle goedheid, en rechtvaar- Gal. 6:22. digheid, en waarheid.)
10 Beproevende wat Gode aangenaam is. Matt. 18:17.
11 En heht geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der J0??q 5:8: duisternis: maar bestraft ze liever. 2 Cor. g : 14.
12 Want wat van hen heimelijk geschiedt, is zelfs schandelijk te â !The9Si3 U-zeggen.
13 En alle dingen worden openbaar, als zij door het licht bestraft Joh. 3:21. worden: want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Sta op, gij die slaapt, en rijs op uit de Rom. 13:11. dooden, en Christus zal u verlichten. iThess. 5:G.
8 Gjj waart voortijds duisternis. Om den geboden gewicht bij te zetten, stelt hij intusschen bevestigingen daarbij, gelijk te dezer plaatse, dewijl hij de ongeloovigen gemeld, en de Efeziërs vermaand bad, dat zij in de boosheid en in het verderf der heidenen geen deelgenooten zouden worden: zoo bevestigt hij nu met een reden daarbij gesteld, hoever zij van hun leven en daden behooren verwijderd te zijn, en brengt hen tegelijk weder in gedachtenis hun verleden leven, opdat zij Gode niet ongehoorzaam zouden zijn. Gij behoort (zegt hij) veel anders te zijn dan voortijds: want God heeft u uit duisternis licht gemaakt. Duisternis noemt hij de gansche natuur des menschen vóór de wedergeboorte, omdat daar niet dan gruwelijke blindheid is, waar de klaarheid Gods niet schijnt. Wederom,
door het woord licht, verstaat hij, die door den Geest Gods verlicht zijn, alsof hij gezegd had, verlichten of klaren. Want terstond daarna stelt hij in denzelfden zin: Kinderen des lichts, als hij besluit, dat zij dan moeten wandelen als in het licht, omdat zij uit de duisternis verlost zijn door de barmhartigheid Gods. Merk op,
dat wij licht genoemd worden in den Heere, omdat buiten Christus alles door den duivel bezeten wordt, die de overste der duisternis is.
9 Want de vrucht des lichts. Dit stelt hij hiertusschen, om den weg te kennen te geven, waarin de kinderen des lichts behooren te wandelen. Hoewel, hij stelt geen volkomen beschrijving, maar roert alleen tot een voorbeeld sommige stukken van een heilig en godzalig leven aan. En als hij het geheel in één hoofdstuk wil vervatten, zoo roept hij ze tot den wil Gods, alsof hij zeide: Zoo wie begeert wel en buiten gevaar der dwaling te leven, die voege zich tot de gehoorzaamheid Gods, en hebbe Gods wil voor een regel:
want dit is eerst de redelijke godsdienst, gelijk hij Rom. 12: 1 leert,
'te leven naar den eenigen regel Gods, achtervolgende dit woord: Gehoorzaamheid is beter dan offerande. Het is wonder, vanwaar in 1 Sam-iigt;:22. vele Grieksche testamenten het woord Geest gekomen is, daar het bekwamer is te lezen: De vrucht des lichts; hoewel de zin van
Paulus niet veranderd wordt. Want dat blijft altijd, dat de geloovi-gen wandelen moeten als in het licht, omdat zij kinderen des lichts zijn: en dat dit geschiedt, als zij niet leven naar hun eigen goeddunken, maar zich geheel tot gehoorzaamheid aan God schikken,
en niets aannemen dan op zijn bevel. Bovendien, dat zulke gehoor-
79
EFEZE 5: 10â12.
zaamheid bewezen wordt door de vruchten, te weten, door goedheid, rechtvaardigheid, waarheid en dergelijke.
11 En hebt geen gemeenschap. Dewijl de kinderen des lichts wandelen tusschen de duisternis, dat is, in het midden van een boos verdraaid geslacht, zoo worden zij niet tevergeefs vermaand, dat zij zich met de booze werken niet vermengen. Zoo is het dan niet genoeg, zoo iemand uit zichzelven geen booze daad begint: maar wij moeten ook toezien, dat wij ons niet voegen om metgezellen of helpers te zijn in het kwade. Eindelijk, wij moeten ons onthouden van alle gemeenschap in bewilliging of raad, of toelating, of eenige andere hulpe, want door al deze dingen hebben wij gemeenschap. Ja ook, opdat niemand meene, dat het genoeg is zulks door de vingeren te zien, zoo gebiedt hij bijname, dat men het zal bestraffen, wat der bedekking contrarie is. Nu, onder hoe velen zal er een gevonden worden, die zich van verdoemenis zou kunnen bevrijden, dewijl er zeer weinigen zijn, die voor hunne oogen ziende dat God vertoornd wordt, zich wachten, dat zij geen schijn van bewilliging geven, en dat bijna een ieder hetzelve bedekken wil? Nochtans zullen eer honderd werelden vergaan, dan de waarheid Gods niet zou vast blijven. Het woord, waarvoor wij gesteld hebben bestraffen, komt met het woord duisternis, in gelijkenis overeen, want het beduidt eigenlijk openbaar te maken, wat tevoren onbekend was. Dewijl dan de goddeloozen zich in hunne gebreken vleien, en willen dat die verborgen zijn, of voor deugden geacht worden, zoo gebiedt Paulus ze te bestraffen. Onvruchtbaar noemt hij ze, niet alleen omdat zij geen nuttigheid medebrengen, maar ook omdat zij op zichzelf schadelijk zijn.
12 Wat van hen heimelijk geschiedt. Hij wil toonen wat grooten voortgang zij zullen maken, de boozen bestraffende. Zij bestaan (zegt hij) alles te doen, ook gruwelijke stukken, zoover het voor der menschen oogen ook kan verborgen blijven. Want gelijk het spreekwoord luidt: De nacht is zonder schaamte; waarom dit, dan omdat de menschen in de duisternis der onwetendheid verborgen zijnde, hun schande zelve niet zien, noch denken niet, dat zij van God en de engelen gezien worden? Maar door het Woord Gods worden hunne oogen geopend, alsof daar een kaars of fakkel gebracht werd. Alzoo beginnen zij zich te schamen, en het begint hun zeiven te verdrieten. Zoo dan, de heiligen verlichten de ongeloovigen door hunne vermaningen, en die met onwetendheid bevangen waren, trekken zij tot het licht. Zoo is het dan zooveel alsof hij zeide: Als de ongeloovigen het huis gesloten hebben, en van der menschen oogen vrij zijn, zoo is het schandelijk zelfs te zeggen, hoe boos en schandelijk zij tot alle ongebondenheid overslaan. Zouden zij alzoo de schaamte afleggen, en zoozeer ongebonden leven, zoo zij door de duisternis niet stout werden, alsof het ongestraft bleef wat iri het verborgen geschiedt? Maar als gij ze bestraft, zoo zult gij zooveel als een licht aanbrengen, opdat zij door hun schandelijkheid beschaamd worden. En zulke schaamte uit de erkentenis hunner eigen schandelijkheid, is de eerste trap tot betering. Dit is het ook wat men leest 1 Cor. 14:24: Zoo in uwe vergadering een onge-loovige komt, die wordt van allen berispt, hij wordt van allen geoordeeld, en het verborgene zijns harten wordt openbaar: alzoo valt hij op zijn aangezicht en aanbidt God; uitgenomen dat hij hier
80
EFEZE 5 : 12â14.
spreekt bij gelijkenis. Erasmus heeft den ganschen zin verdorven, het woord bestraffen veranderende: want Paulus wil dit zeggen, dat het niet zonder vrucht zal zijn, zoo de werken der ongeloovigen bestraft worden.
13 En alle dingen. Dewijl het Grieksche woord dat hier staat, tweezins kan genomen worden, zoo kan men het tweeërlei wijze overzetten, te weten, openbaren, of, geopenbaard worden. De oude overzetter heeft het liever genomen: Geopenbaard worden; zoo men het alzoo wil nemen, zoo zal het woord licht, zooveel zijn als helder of klaar, gelijk boven: en dan zal de zin wezen, dat de booze werken, die verborgen waren, openbaar zullen worden, als zij door het Woord Gods zullen verlicht zijn. Zoo wij het overzetten openbaren, zoo zal de zin nog tweeërlei kunnen zijn. De eerste zal zijn: Al wat openbaart dat is licht; de ander: Dat al of alles openbaart, dat is licht. En wat Erasmus gevreesd heeft, dat het Grieksche artikel dezen zin verhinderde, is niets, want de apostelen plegen niet zoo nauw acht te nemen, om de artikels op hun rechte plaats te stellen, jazelfs bij goede schrijvers zou dit er door kunnen. Ik acht voorwaar, dat Paulus' zin niet anders geweest is:
want ik volg het verband der woorden. Dewijl Paulus de Efeziërs vermaand had, dat zij, de booze werken der ongeloovigen bestraffende, ze uit de duisternis zouden voortbrengen, zoo zegt hij nu daarbij, dat dit het eigen werk des lichts is, wat hij hun gebiedt, namelijk, openbaren. Het licht (zegt hij) openbaart alles. Hieruit volgde, dat zij den naam des lichts niet waardig waren, zoo zij niet in het licht brachten, wat in de duisternis verborgen was.
14 Daarom zegt Hij. De uitleggers geven zich moeite de plaats aan te wijzen, omdat Paulus een getuigenis uit de Schrift schijnt voort te brengen, dat nergens gevonden wordt. Ik zal mijn gevoelen zeggen. Ten eerste voert hij Christus sprekende in, door zijne dienaren: want dit is een betamelijke leer, welke allen dag van de predikers des evangelies behoort gehoord te worden. Want wat is hun voornemen anders, dan dat zij de dooden tot het leven opwekken? volgens hetgeen Christus zegt: De ure zal komen, en is Joh. 5; nu, dat de dooden de stem des Zoons Gods zullen hooren, en die
81
ze zullen gehoord hebben, zullen leven. Laat ons nu de omstandigheid der plaats aanmerken. Paulus had gezegd, dat men de ongeloovigen moest bestraffen, omdat zij tot het licht gebracht zijnde, hun kwaad zouden beginnen te bekennen. Nu, zoo voert hij Christus sprekende in, omdat deze stem altijd weerklinkt in de prediking des Evangelies: Sta op, gij die slaapt. Voorts twijfel ik niet, of hij ziet op de voorzeggingen der profeten, die dit voorzeggen van het rijk van Christus, gelijk Jesaja zegt: Sta op, word verlicht, Jeru-Jes. 00 zalem, want uw licht komt, enz. Dewijl het dan alzoo is, zoo laat ons arbeiden zooveel in ons is, om de slapenden en de dooden op te wekken, opdat wij ze tot het licht van Christus leiden. Want dat hij daarbij stelt; En Christus zal u verlichten, daarmede wordt niet beduid, dat zijn licht ons dan eerst verschijnt, als wij uit den dood wederopgestaan zijn, alsof wij zijn genade voorkwamen: maar Paulus bewijst eenvoudig, dat wij wederopstaan van den dood in het leven, als Christus ons verlicht, en dat om den voorgaanden zin te bevestigen, te weten, dat men de ongeloovigen van de blindheid moet terugroepen, opdat zij zalig worden. Dat sommige handschriften
Dl. IV.
EFEZE 5 ; 14â17.
voor Christus zal over u lichten, hebben: Christus zal over u komen, is kennelijk fout. Daarom verwerp ik die lezing zonder eenige zwarigheid.
Sir. 27:12. 15 Ziet dan toe, hoe gij voorzichtiglijk wandelen moogt: niet als
Col. 4:5. ⢠⢠i ⢠â¢
onwijzen, maar als wijzen:
Eom. 13:11. 16 Den tijd uitkoopende: want de dagen zijn hoos.
Bom'ia-2. 17 Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaande welke de wil
ixhess. 4:3. des Heeren zij.
Sir. 3i: so. 18 En wordt niet dronken van wijn, waarin dartelheid is: maar
wordt vervuld met den Geest.
Col. 3:ic. 19 Bij ii zei ven sprekende met psalmen en lofzangen, en geeste
lijke gezangen, in ulieder harten zingende en spelende den Heere.
Ooi. 3:17. 20 God en den Vader altijd dankende over alle dingen, in den
1 Thess.5:18. â t . ,
naam van onzen Heere Jezus Unnstus.
15 Ziet dan. Zoo de geloovigen door hun licht de duisternis der ongeloovigen behooren te verdrijven, hoeveel te minder behooren zij zeiven blind te zijn in hun eigen wijze van leven ? Want met wat
Mal. 4:2. duisternis zullen die zichzelven bedekken, aan wie Christus, de zon wyakVquot; der gerechtigheid, verschenen is? Zoo moeten zij dan leven, alsof zij in een zeer groot schouwspel waren, dewijl zij voor de oogen Gods en der engelen leven. Deze getuigen, zeg ik, moeten zij vreezen, al mochten zij voor alle mehschen verborgen zijn. Hij verlaat de gelijkenis van duisternis en licht, en gebiedt hun hun leven voorzichtig te schikken. Als wijzen, dat is, als die van den Heere in de school der ware wijsheid onderwezen en geleerd zijn: want dit is ons verstand, dat wij God tot onzen meester en leidsman hebben, die ons van zijn wil leert.
16 Den tjjd uitkoopende. Hij bevestigt zijn vermaning door de gelegenheid van den tijd. Hij zegt, dat de dagen boos zijn, dat is, dat alles vol ergernis en verdorvenheid is, zoodat de godzaligen kwalijk ongekwetst kunnen blijven, dewijl zij onder zoo vele doornen wandelen. Als de wereld zoo verdorven is, zoo schijnt dat de duivel de heerschappij genomen heeft, zoodat de tijd Gode niet kan geheiligd worden, dan eenigszins uitgekocht. Wat zal de prijs der uitkooping zijn? te weten, ontallijk vele verlokkingen te vermijden, die ons lichtelijk mochten verkeeren, en onszelven uit te helpen uit de zorgvuldigheden en wellusten der wereld: eindelijk, alle verhinderingen te laten varen. Zoo laat ons dan in alle manieren arbeiden, om wederom gelegenheid te krijgen. En wat velen tot be-deksel hunner luiheid plegen voor te wenden, te weten, dat er vele ergernissen zijn, en de arbeid te groot is, dit zal meer onze wakkerheid verscherpen.
17 Zijt niet onverstandig. Die zich nacht en dag in de over-ps. 1:2. denking der wet zal oefenen, zal lichtelijk alle zwarigheden overwinnen, die de duivel zal tegenwerpen. Want waaruit komt het, dat sommigen dwalen, sommigen vallen, en sommigen struikelen, sommigen achterwaarts gaan, dan omdat wij ons voor en na van den duivel laten verduisteren, zoodat wij Gods wil laten varen, in welks gedurige overdenking wij onszelven behoorden te oefenen? En laat ons wederom aanmerken, dat Paulus die voorzichtigheid alzoo be-
82
83
schrijft, dat zij er dan is, als wij den wil Gods verstaan. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? En David zegt: Als hij-Pa-dat houdt naar uw woord. Hij spreekt wel van jongelingen, maar dit is ook de voorzichtigheid der ouden.
18 En wordt niet dronken van wijn. Als hij hun verbiedt zich dronken te drinken, zoo verbiedt hij alle overvloedig en onmatig drinken. Zoo is het dan zooveel alsof hij zeide; Weest niet onmatig in drinken. En geeft ook mede te kennen, wat kwaad uit dronkenschap komt, te weten, dartelheid, waardoor ik versta allerlei zotte oneerlijkheid en ongebondenheid: want zoo gij het neemt voor overdadigheid, zoo verkoudt de zin. Zoo geeft hij dan te kennen,
dat de dronkenen dartelijk in alle onmatigheid ongebonden zijn, en door geen schaamte verhinderd worden, maar dat de moedwilligheid heerschappij heeft, waar de wijn regeert: alzoo wie door eenig aanzien der matigheid en eerbaarheid bewogen wordt, die moet dronkenschap vlieden en gruwen. En dewijl de kinderen dezer wereld overvloedig plegen te drinken, om zich tot vroolijkheid op te wekken, zoo heeft Paulus tegen deze vleeschelijke blijdschap, een andere heilige blijdschap gesteld, waarmede de Geest Gods ons verblijdt. En hij verhaalt ook vruchten dezer blijdschap, die tegenover de vruchten der voorgaande blijdschap staan. Wat brengt de dronkenschap voort? Ongebonden moedwilligheid, zoodat de men-schen als hebbende den toom afgeworpen, zich onbetamelijk verheugen. Wat baart de geestelijke blijdschap, als wij daarvan overgoten zijn? Lofzangen, psalmen, dankzeggingen. Dit zijn waarlijk behagelijke en lustige vruchten. Het woord Geest, beduidt hier, blijdschap in den Heiligen Geest. Als hij zegt: Wordt vervuld, zoo zinspeelt hij op den overvloedigen drank, opdat het een bedekte tegenstelling is. Ik heb overgezet: Bij uzelven sprekende,
hoewel in het Grieksch staat: In uzelven, voor: Onder elkander.
\Vant hij gebiedt niet, dat een iegelijk in zichzelven inwendig zinge, â¢
want dat hij daarna stelt: Zingende in ulieder harten, dat is zooveel alsof hij gezegd had: Uit het hart, en niet alleen met de tong,
gelijk de huichelaren doen. Wat onderscheid daar is tusschen lofzangen en psalmen, en wederom tusschen psalmen en gezangen,
kan men niet zeker aangeven. Hoewel, ik zal een weinig daarvan zeggen. Col. 4. Het woord geestelijk, behoort tot den inhoud:
want de gemeene cn gewone gezangen zijn gemeenlijk dingen, die laf en niet zeer kuisch zijn.
20 Altijd dankende. Hij beduidt, dat deze vroolijkheid zoodanig is, dat zij nimmermeer door zatheid eenig verdriet behoort aan te brengen, en dat het een oefening is, die zonder afmatting behoort te zijn. Want God geeft ons dikmaals door ontallijk vele weldaden,
nieuwe oorzaak om blijde te zijn, en God te danken. Intusschen vermaant hij, dat het een ongoddelijke en schandelijke onachtzaam- i) of, God. heid zal wezen, zoo de geloovigen de oefening van den lof Gods Gen, 3: ie. niet hun leven lang onderhouden. Coi013 as.34quot;
Tit. 2:5.
21 Zijt elkander onderdanig in de vreeze van Christus. ') J cor^ii-s
22 Dat de vrouwen haren mannen onderdanig zijn gelijk den Ef. 4:15.
Heere Ooi. ins.
â CLfc:t!re- _ Rom. 12:5.
23 Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Ef- 1:23-
1 Cor 12 ⢠27.
hoofd der gemeente is, welke ook de behouder des lichaams is. col. 1:24.
EFEZE 5:21â23.
24 Voorts, gelijk de gemeente Christus onderworpen is, alzoo ook de vrouwen haren mannen in alle dingen.
25 Gij mannen, heht uwe vrouwen lief: gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven.
26 Opdat Hij haar heiligen zou, reinigende in het had des waters in het woord.
27 Opdat Hij haar Zich een heerlijke gemeente zou stellen, noch vlek. noch rimpel, of iets dergelijks hebbende: maar dat zij zou zijn heilig en onbestraffelijk.
28 Alzoo moeten de mannen hunne vrouwen liefhebben, als hunne eigene lichamen.
21 Zijt elkander onderdanig. Want God heeft ons alzoo aan elkander verbonden, dat niemand zich van de onderworpenheid moet onttrekken: en waar de liefde regeert, daar is onderlinge dienst. Ik wil zelfs noch koningen, noch regeerders uitzonderen: want om te dienen zijn zij over het volk gesteld. Daarom vermaant hij ze niet zonder oorzaak allen tot onderworpenheid. Maar dewijl niets meer tegen de natuur der menschen is, dan zichzelven anderen te onderwerpen, zoo roept hij ons tot de vreeze van Christus, welke alleen onze wreedheid kan temmen, opdat wij het juk niet weigeren, en onze hoovaardigheid dwingen, opdat wij ons niet schamen onzen naaste te dienen. Zooveel den zin van Paulus aangaat, er is niet aan gelegen, hoe men deze woorden: Vreeze van Christus, neemt, te weten, of: Dewijl wij Christus vreezen, zoo laat ons onzen naaste onderworpen zijn; of: Dewijl het gemoed aller godzaligen onder het rijk van Christus met zulke vreeze behoort bevangen te zijn. In andere handschriften staat: Vreeze Gods; en mogelijk heeft iemand het alzoo veranderd, dien de andere wijze van spreken te hard scheen, welke nochtans zeer wel past.
22 Gjj vrouwen. Nu komt hij tot de onderscheidingen. Want boven dien genieenen band der onderworpenheid, zijn sommigen aan anderen nauwer verbonden, naardat eens iegelijks roeping strekt. Voorts, het huisgezin heeft als 't ware drie jukken, waarin onderlinge verbinding is. Het eerste juk is dat des huwelijks tusschen man en vrouw; het andere juk maken de ouders en de kinderen; het derde vervat de heeren en dienstknechten. Alzoo zijn in het huisgezin zes verscheiden personen, en Paulus zal hier een ieder hunner leeren, hoedanig zijn roeping is. Hij begint met de vrouwen, welke hij gebiedt den mannen onderworpen te zijn, niet anders dan aan Christus : niet omdat der mannen gezag zoo groot is als Christus' gezag, maar omdat de vrouwen Christus niet kunnen gehoorzaam zijn, anders dan zich den mannen gehoorzaam te bewijzen. Nu volgt de reden, te weten, omdat Christus tusschen den man en de vrouw dezelfde orde gesteld heeft, die Hij heeft met zijn gemeente. Nu, deze vergelijking behoorde meer te bewegen, dan of hij van de bloote instelling Gods gesproken had. Want hij heeft twee dingen gesteld, te weten, dat God den man over de vrouw gesteld heeft, en dat hiervan een beeld is in Christus, die het hoofd der gemeente is, gelijk de man van de vrouw.
23 Welke ook de behouder is. Sommigen meenen, dat dit van
84
Col. 3:19.
Gal. 1 :4.
Ef. 5:2.
Tit. 3:5. 1 Petr. 3 ; 21.
Col. 1:22.
EFEZE 5:23â26.
Christus gesproken is, anderen van den man, Maar naar mijn oordeel past het 't best op Christus: doch alzoo, dat Paulus het op de tegenwoordige zaak past. Want de gelijkenis moet ook in dit deel bestaan: Gelijk Christus zijn gemeente regeert tot haar zaligheid, dat alzoo ook voor de vrouw niets nutters noch beters is, dan dat zij den man onderdanig is. Zoo zoeken zij dan het verderf, die deze onderwerping weigeren, waaronder zij konden behouden zijn. Hoewel, om dat tegenstellend woord waarmede vs. 24 begint, kon men het ook aldus uitleggen: Dit komt wel bijzonder Christus toe, dat Hij de behouder der gemeente is; desniettemin zullen de vrouwen weten, dat de mannen naar het voorbeeld van Christus, over haar gesteld zijn, al is het dat zij zulke gaven niet hebben als Christus. Nochtans de andere uitlegging is beter, en het tegenstellend woord maar, treft mij zoozeer niet, hetwelk Paulus gebruikt voor voorts.
25 Gij mannen, hebt uwe vrouwen lief. Desgelijks wordt van de mannen liefde geëischt: doch hij geeft te kennen, dat dit niet een lichte of gemeene liefde moet zijn, als hij hun ook het voorbeeld van Christus voorstelt. Want zoo zij in den trap van heerlijkheid zijn beeld dragen, en als met zijn persoon bekleed zijn, zoo moeten zij ook in het ambt Hem uitdrukken. En Zichzelven heeft overgegeven. Dit dient wel om de grootheid der liefde uit te drukken, die de mannen den vrouwen schuldig zijn. Doch terstond neemt hij oorzaak om tot den lof der genade van Christus te komen. Zoo zullen dan de mannen Christus navolgen, daarin dat Hij niet geweigerd heeft voor de gemeente te sterven. Nu, dat Hij door zijn dood de gemeente verlost heeft, is zijne bijzondere kracht en deugd geweest: en het is den menschen niet gegeven dit naar Christus' voorbeeld te doen. Hij stelt daarbij: Opdat Hij ze zou heiligen, dat is, opdat Hij ze zou afzonderen: want alzoo neem ik het woord heiligen. Nu, dit geschiedt door de vergeving der zonden, en wedergeboorte des Geestes.
26 Reinigende in het bad des waters. Bij de inwendige en verborgen heiliging stelt hij ook het uitwendige teeken, omdat hierin een klare bevestiging daarvan is, alsof hij zeide, dat een onderpand dezer heiliging in den doop voorgesteld is. Hoewel, hier is een goede en gezonde uitlegging noodig, opdat de menschen (gelijk het dikmaals geschiedt) niet uit boos bijgeloof zich uit het sacrament een afgod maken. Dat Paulus leert, dat wij door den doop afgewasschen worden, is daarom, dat God daar onze afwas-sching betuigt, en tegelijk ook werkt wat Hij afbeeldt. Want ware de waarheid der zaak niet daarbij, zoo zou dit een oneigenlijke wijze van spreken zijn, namelijk: De doop is een waschbad der ziel. Intusschen moet men toezien, dat men wat Gode alleen toekomt, niet aan het teeken of aan den dienaar toeschrijve, dat is, dat de dienaar niet geacht wordt de auteur der afwassching, en dat het water niet geacht wordt de onreinigheden der ziel te zuiveren: wat alleen het bloed van Christus toekomt. Eindelijk moet men toezien, dat geen deel van ons betrouwen op het teeken of op den mensch sta: want dit is eerst het rechte en ware gebruik des sacraments, dat het ons recht naar Christus als met de hand leidt, en in Hem plaatst. Dat sommigen arbeiden om dezen lof des-doops te verkleinen, opdat men aan het teeken niet te veel toeschrijve, zoo het een waschbad der ziel genoemd wordt, dat doen zij kwalijk. Want
85
86
ten eerste leert de apostel niet dat het teeken reinigt, maar betuigt dat het Gods werk alleen is. Zoo is het dan God die daar reinigt, en het is ook niet geoorloofd deze eere aan het teeken toe te schrijven, of gemeen te maken. Maar het is niet ongeschikt, dat God het teeken als een instrument gebruikt: niet dat de kracht Gods in het teeken besloten is, maar omdat Hij ze om de mate onzer zwakheid met zulk een hulpmiddel uitdeelt. Hiermede zijn sommigen niet wel tevreden, omdat zij meenen dat den Heiligen Geest benomen wordt, wat Hem eigenlijk toekomt, en wat de Schrift Hem alom toeschrijft. Maar zij feilen: want God werkt alzoo door het teeken, dat nochtans de gansche kracht des teekens niettemin in den Geest Gods gelegen is. Alzoo wordt het teeken niet meer toegeschreven, dan dat het een minder instrument, en van zich-zelve onnut is, dan zoover het zijn kracht van elders haalt. Dat zij bovendien vreezen, dat de vrijheid Gods gebonden is, is beuzeling. Want de genade Gods is aan geen teekenen gebonden, dat Hij ze niet zonder de hulp van bet teeken vrijelijk zou kunnen uitdeelen, zoo Hij wilde. Bovendien ontvangen velen het teeken, die nochtans de genade niet deelachtig worden; want het teeken is allen gemeen, den goeden en den boozen zonder onderscheid, maar de Geest wordt alleen den uitverkorenen gegeven. En gelijk ik gezegd heb, het teeken zonder Geest is krachteloos. In het woord. Deze bijvoeging is in 't minst niet overbodig: want wanneer het woord wordt weggenomen, zoo vergaat de gansche kracht van het sacrament: want wat zijn de sacramenten anders dan zegelen des Woords. Deze overweging alleen zal ons alle bijgeloof benemen. Want waaruit komt het, dat de bijgeloovige menschen verstandeloos op de teekenen staan blijven, dan omdat hunne harten niet hooren naar het Woord, hetwelk hen tot God zou wenden? Voorwaar, wanneer wij op iets anders zien dan op het Woord, zoo komt daaruit niets gezonds noch zuivers, maar de eene razernij uit de ander, en eindelijk, die teekenen, die door Gods autoriteit tot der menschen zaligheid geheiligd waren, worden ontheiligd, en ontaarden tot grove afgoderijen. Ja, de sacramenten der godzaligen zijn alleen met het woord onderscheiden van alle gedichtselen der ongeloovigen. Voorts, door het woord, wordt hier de belofte verstaan, waardoor de kracht en het gebruik des teekens verklaard wordt: waaruit het openbaar is, dat onder het pausdom geen behoorlijke onderhouding van het teeken is. Want zij roemen wel, dat zij het woord hebben, maar het is als een betoovering: want zij mompelen het met een onbekende taal, en alzoo, alsof het meer het stomme en doode element, dan den menschen verordend ware. Daar wordt geen verklaring der verborgenheid aan het volk gegeven, welke alleen maakt, dat het doode element een sacrament wordt. In het woord, is zooveel als door het woord.
27 Stellen Zich een heerlijke gemeente. Hij verklaart het einde van den doop en van onze afwassching, te weten, opdat wij Gode heilig en onberispelijk leven. Want Christus reinigt ons niet daarom, dat wij ons terstond wederom in onze onreinigheid zouden wentelen, maar opdat wij die zuiverheid, die wij eenmaal ontvangen hebben, ons leven lang zouden behouden. En deze zuiverheid beschrijft hij ten eerste onder een beeld, dat met het in behandeling zijnde onderwerp overeenkomt: Dat zij vlek noch rimpel hebbe, zegt hij;
EFEZE 5:27, 28.
want gelijk het schoone aangezicht der vrouw een oorzaak der liefde is, alzoo versiert Christus zijn bruid met heiligheid, opdat dit een pand der vriendschap zij. Zoo heeft hij dan in deze vergelijking op het huwelijk gezien: maar daarna drukt hij de zaak zelve uit zonder beeld, zeggende: dat Christus Zich de gemeente verkregen heeft,
welke heilig en onberispelijk is. Zoo is dan dit de ware versiering der gemeente, deze echtelijke kuischheid, namelijk, haar heiligheid en onschuldigheid. In het woord stellen, geeft hij te kennen, dat de gemeente heilig moet zijn in de oogen des Heeren, en niet in der menschen schatting: want hij zegt: Opdat Hij ze Zich zou stellen, en niet: Opdat Hij ze anderen zou vertoonen; hoewel, de vruchten dezer verborgen zuiverheid daarna in de uitwendige werken worden gezien. Dat de Pelagianen zich met deze leer wapenden, om te bewijzen de volmaaktheid der rechtvaardigheid in dit leven: daarin heeft ze Augustinus met wijsheid wederlegd. Want Paulus verhaalt niet wat nu geschied is, maar tot wat einde Christus zijn gemeente gereinigd heeft. Nu, als men zegt, dat iets geschied is, opdat daarna wat anders zou volgen, daaruit zou iemand dwa-zelijk en verkeerdelijk besluiten, dat dit laatste, dat behoort te volgen, nu aireede geschied is. Hoewel, wij ontkennen niet, dat de heiligheid der gemeente nu begonnen is: maar dezen stellen verkeerdelijk volmaaktheid, waar men dagelijkschen voortgang maakt.
28 Die zijn vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief.
29 Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar voedt het,
gelijk ook Christus de gemeente.
30 Want wij zijn leden zijns lichaams van zijn vleesch en van Eom. 12:5. zijne beenen. 1 Cor*12:37-
31 Daarom zal een menscli zijn vader en moeder verlaten, en zijne Gen. 2:24. vrouw aanhangen: en zij twee zullen tot één vleesch wezen. Mark. io^t.
32 Deze verborgenheid is groot, maar ik zeg in Christus en in 1 Cor- 6: 1G-de gemeente.
33 Doch ook gijlieden, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw lief,
en de vrouw vreeze haren man.
28 Die zijn vrouw liefheeft. Nu neemt hij een argument van de natuur zelve, om de mannen te vermanen, dat zij hunne vrouwen liefhebben. Van nature, zegt hij, is ieder eigenliefde aangeboren. Nu, niemand kan zichzelven liefhebben, zonder zijn vrouw lief te hebben. Zoo is dan die onnatuurlijk, die zijn vrouw niet liefheeft. Hij bewijst de mindere stelling daarmede, dat het huwelijk daartoe van den Heere is ingesteld, opdat het uit twee een make.
En opdat deze eenheid te heiliger geacht worde, zoo leert hij wederom,
dat zij in Christus en in de gemeente ons aangeprezen en bevolen is. Dit is de inhoud van wat hij zeggen wil. Het is wel waar, dat dit bewijs eenigszins geldt ten opzichte van de gezamenlijke gemeenschap der menschen. Want Jesaja zegt: Veracht uw eigen vleesch jes. ss:7. niet; waarmede hij toonen wil, wat de eene mensch den ander schuldig is: maar dit is van de algemeene natuur te verstaan. Tus-schen man en vrouw is het heel iets anders: want zij zijn niet alleen door gelijkheid van natuur aan elkander verbonden, maar zijn door den band des huwelijks tot één mensch te zamen vereenigd.
87
EFEZE 5 : 28â31.
Daarom, het is niet mogelijk, dat hij, die de zaak des huwelijks godvreezend aanmerkt, zijn vrouw niet zou liefhebben.
29 Gelijk ook Christus. Hij gaat voort het recht des huwelijks te bevestigen in Christus en de gemeente; want hij had geen krachtiger voorbeeld. En ten eerste leert hij, dat Christus dat gedaan heeft, wat hij van de bijzondere liefde van den man tot de vrouw geboden heeft; daarna betuigt hij, dat een bewijs dier eenheid, die hij in het huwelijk gesteld had, in Christus en de gemeente gezien wordt. En het is een uitnemende plaats van de verborgen gemeenschap, die wij met Christus hebben. Het zegt, dat wij zijn zijne leden, uit zijn vleesch en beenen. Ten eerste is dit geen hyperbolische, maar een eenvoudige wijze van spreken; ten andere beduidt hij niet alleen, dat Christus onze natuur deelachtig is, maar hij heeft wat hoogers en krachtigers willen uitdrukken. Want hij haalt de woorden van Mozes aan. Gen. 2:24. Welke zal dan de zin zijn? Deze Gen. 2:22. namelijk: Gelijk Eva uit de substantie van Adam haren man gemaakt is, opdat zij ware als een deel van hem, wij ook alzoo de substantie van Christus deelachtig zijn, opdat wij zijne ware leden zijn, en dat wij door deze deelachtigheid tot één lichaam samengroeien. Eindelijk, Paulus beschrijft hier die vereeniging van Christus met ons, waarvan ons in het heilige nachtmaal een teeken en pand gegeven wordt. Want dat sommigen klagen, dat deze plaats verkeerd tot het nachtmaal gewend wordt, dewijl hier niet het nachtmaal, maar het huwelijk gemeld wordt, dwalen zeer daarin. Want als zij leeren, dat in het nachtmaal geschiedt een gedachtenis des doods van Christus, en zij zulke deelachtigheid niet toelaten, als wij uit het woord van Christus bevestigen; zoo gebruiken wij dit getuigenis tegen hen. Paulus betuigt, dat wij zijn uit de leden en beenen van Christus. Verwonderen wij ons dan, zoo Hij ons in het nachtmaal zijn lichaam geeft te genieten, opdat het ons zij een voedsel des eeuwigen levens ? Alzoo leeren wij, dat wij geen andere voor oogen stelling leeren in het avondmaal dan deze, waarvan Paulus hier de vrucht en waarheid leert.
31 Daarom zal een mensch. Hij stelt twee dingen te zamen: want hij spreekt alzoo van de geestelijke vereeniging van Christus met de gemeente, dat hij datzelve ook mede tot de gemeene wet des huwelijks strekt. Wat hij hier voortbrengt uit Mozes, dient tot den gemeenen regel des huwelijks; maar hij stelt terstond daarbij, dat het in Christus en de gemeente volbracht is. Want zoo dikwijls hij gelegenheid heeft, is hij gaarne bezig met het prijzen der weldaden van Christus; doch denzelfden lof voegt hij tot de tegenwoordige zaak. Voorts, is het onzeker, of Mozes Adam sprekende voortbrengt, of dat hij uit de geschiedenis der schepping zelve deze leer samenleest. En daar is voorwaar niet veel aan gelegen, hoe men het neemt: want het zal altijd een goddelijke uitspraak zijn, waardoor den mannen geboden wordt wat zij den vrouwen schuldig zijn. Dat hij zegt; De man zal zijn vader en moeder verlaten, en zijne vrouw aanhangen, is zooveel alsof hij gezegd had; hij verlate liever zijn vader, dan dat hij niet zijne vrouw zou aanhangen. Want door den band des huwelijks worden de overige werken der menschelijk-heid niet weggenomen; en de inzettingen Gods komen niet zoo kwalijk met elkander overeen, dat niemand een goed en getrouw man jegens zijn vrouw zou kunnen zijn, dan die zichzelven en zijn schul-
88
EFEZE 5 ; 31, 32.
dige plichten aan zijn vader onttrok: maar hier worden de trappen aangewezen. En Mozes gebruikt een vergelijking, om te beter uit te drukken, hoe nauw en heilig de vereeniging tusschen man en vrouw is. Want dat de zoon aan zijn vader verbonden is, is een onveranderlijk recht der natuur: als dan de verbinding, waarmede de man aan de vrouw verbonden is, nog hooger geacht wordt, zoo wordt haar kracht te beter verstaan gegeven. Zoo dan, die voor zijn vrouw een goed man wil zijn, zal daarom niet nalaten voor zijn vader een goed kind te zijn, maar zal het huwelijk als de allerheiligste verbinding boven alle andere achten. En zjj twee zullen tot één. Dat is, zij zullen e'én mensch wezen; of (gelijk men gemeenlijk spreekt) zij zullen e'én persoon maken, wat voorwaar door geene andere gemeenschap geschiedt. En het is geheel daarin gelegen, dat de vrouw uit het vleesch en de beenen van den man is gemaakt. Zoo is het dan dezelfde wijze van vereeniging tusschen ons en Christus, dewijl Hij Zichzelven eenigszins in ons uitstort. Want wij zijn niet beenen uit zijne beenen, en vleesch uit zijn vleesch, omdat Hij met ons mensch is gelijk wij: maar omdat Hij door de kracht zijns Geestes ons in zijn lichaam plant, opdat wij het leven uit Hem putten.
32 Dit is een groote verborgenheid. Hij besluit het met een verwondering, wat hij van de geestelijke vereeniging van Christus met de gemeente, gezegd had. Want hij roept uit, dat het een groote verborgenheid is: waarmede hij te kennen geeft, dat men ze niet naar waarde met woorden kan verklaren. En voorwaar, de men-schen zullen zich tevergeefs kwellen, zoo zij met vleeschelijk verstand de mate en wijze willen begrijpen; want God bewijst hier de ongemetene mogendheid zijns Geestes. Daarom doen die verkeerd, die in deze zaak niet meer toelaten, dan zij naar de mate huns verstands begrepen hebben. Als zij ontkennen, dat ons in het heilige nachtmaal van Christus vleesch en bloed gegeven wordt, zoo zeggen zij: Verklaart ons de wijze en het middel, of wij kunnen het niet gelooven. Maar ik word door de hoogheid der verborgenheid verschrikt, en ik schaam mij niet, met Paulus mijn onwetendheid door verwondering te bekennen: want dit is toch veel beter, dan dat ik door mijn vleeschelijk gevoelen zou verkleinen, wat Paulus verkondigt een hooge verborgenheid te zijn? En dit leert de rede zelve: want al wat bovennatuurlijk is, gaat voorwaar het begrip onzes verstands te boven. Daarom moeten wij meer arbeiden, dat wij Christus gevoelen in ons levende, dan dat wij de wijze zijner deelachtigheid verstaan. Voorts is het een wonderlijke scherpzinnigheid der papisten, die uit het woord verborgenheid, besluiten dat het huwelijk een van de zeven sacramenten is, alsof zij uit water wijn maakten. Zij tellen zeven sacramenten, waar Christus alleen twee ingesteld heeft: en om te bevestigen, dat het huwelijk een van de zeven is, brengen zij deze plaats voort. Maar onder wat deksel? Omdat de oude overzetter, waar de apostel gesteld had het woord mysterium, 'twelk is: verborgenheid, gesteld heeft: Sacrament, alsof dat bij de Latijnsche schrijvers niet genoeg algemeen ware, het woord sacrament te stellen, als zij mysterie of verborgenheid willen uitdrukken; en alsof Paulus het in dezenzelfden zend-Ef brief niet uitgedrukt had, waar hij van de roeping der heidenen spreekt. Maar nu wordt gevraagd, of het huwelijk een solemneel teeken der genade Gods is, en of het daartoe is ingesteld, opdat
89
EFEZE 5:32, 33â6: 1.
ons daardoor wat geestelijks betuigd en voor oogen gesteld wordt, gelijk de doop en het nachtmaal. Zij hebben geen reden om dit te zeggen, dan omdat zij bedrogen zijn door de twijfelachtige be-teekenis van het woord sacramentum, of meer daardoor, dat zij de Grieksche taal niet verstonden. Want zoo iemand geleerd had, dat de apostel hier het woord mysterium gesteld had, er zou nooit geen dwaling in geweest zijn. Zoo zien wij dan met wat hamer en op wat aanbeeld zij dit sacrament gesmeed hebben. Hoewel, zij hebben ook daarin hun onachtzaamheid te kennen gegeven, dat zij niet aangemerkt hebben die verbetering, die terstond daarbij gesteld is, als hij zegt: Ik zeg in Christus en in de gemeente. Want hij heeft bovenal willen toezien, dat men het niet van het huwelijk verstond. Ja, hij heeft duidelijker gesproken, dan wanneer hij zonder uitzondering deze waarheid uitgesproken had. Het is een groote verborgenheid, dat Christus zijn leven en kracht der gemeente ingeeft. Wie zou hieruit een sacrament smeden? Zoo zien wij dan uit wat groote onwetendheid deze dwaling gekomen is.
33 Ook gijlieden, een iegelijk. Dewijl hij wat van de voorgenomen handeling afgeweken was, hoewel ook die uitloop zelve tot de zaak diende, nochtans (gelijk in korte leeringen pleegt te geschieden) vat hij bij elkander wat hij begeert van hen te verkrijgen, te weten, dat de mannen hunne vrouwen liefhebben, en dat de vrouwen hunne mannen vreezen. Met het woord vreeze, beduidt hij eerbied, waardoor zij gehoorzaam worden. Want daar zal ner-gewillige onderwerping wezen, tenzij de eerbiediging voorga.
Col. 3:20.
Ex. 20:12. Deut. 5:16.
Sir. 3:9. Matt. 15:4. Mark. 7:10. Deut. 6:20.
Ps. 78:4. Spr. 19:18. Sir. 7:25; an ⢠i
gens
HET ZESDE HOOFDSTUK.
1 Gij kinderen! zijt uwen ouders gehoorzaam in den Heere: want dat is behoorlijk.
2 Eert uwen vader en moeder: hetwelk is het eerste gebod met belofte:
3 Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.
4 En gij vaders! verwekt uwe kinderen niet tot toorn: maar voedt hen op in de tucht en vermaning des Heeren.
i /âgt; ij kinderen! zijt gehoorzaam. Het woord eer, gaat verder I -|-dan de gehoorzaamheid. Waarom stelt Paulus dan hier ge-hoorzaamheid? Te weten: Omdat zij is een getuigenis dier eere, welke de kinderen den ouders schuldig zijn, en daarom eischt hij ze voornamelijk. Bovendien is het zwaarder gehoorzaamheid te bewijzen. Want de menschelijke natuur vliedt onderworpenheid, en wil zich niet wel onder eens anders geweld laten dwingen. De ervaring bewijst hoe zeldzaam deze deugd is: want onder hoevelen vindt men e'én die zijnen ouders gehoorzaam is ? Zoo is dan in deze leer van Paulus eene samenvatting: want hij neemt een deel voor het geheel; maar het voornaamste stuk wordt hier genoemd, hetwelk alle andere stukken medebrengt. In den Heere. Boven de wet der natuur, welke onder alle heidenen aangenomen is, leert hij, dat de gehoorzaamheid der kinderen ook door Gods autoriteit bevestigd is. Evenwel volgt
90
EFEZE 6 : 1â4.
hieruit, dat men den ouders zoover gehoorzaam moet zijn, dat de eere en liefde, die men Gode schuldig is, daardoor geen hinder krijge,
welke de eerste plaats houdt. Want zoo de onderdanigheid der kinderen naar de inzetting Gods, als naar haren regel geschikt moet worden: zoo zou het een verkeerd ding zijn, wanneer iemand daardoor van God afgeleid werd. Want dit is behoorlijk. Dit is daarbij gesteld, om die wilde wreedheid te verhinderen, welke (gelijk wij gezegd hebben) bijna allen menschen van nature ingeplant is. Hij bevestigt dat het behoorlijk is, omdat het de Heere alzoo geboden heeft. Want het betaamt niet te twisten of te twijfelen hoedanig het is wat Hij gebiedt, wiens wil de allerzekerste regel der rechtvaardigheid en betamelijkheid is. Voorts, dat hij uit de eer gehoorzaamheid bewijst, is geen wonder: want God vraagt naar de ceremoniën niet. Zoo dan, onder het woord eere, vervat hij alle werken, waarmee de kinderen hun eerbied, liefde en gehoorzaamheid jegens de ouders bewijzen.
2 Hetwelk is het eerste gebod. De beloften, die aan de geboden gehangen zijn, dienen om ons aan te lokken, opdat wij te gewilliger gehoorzaam zijn. Zoo dan, hiermede maakt Paulus als met een saus, de gehoorzaamheid zoet en lieflijk, die hij den kinderen oplegt. En hij verhaalt niet enkel, dat God een loon voorgesteld heeft, zoo iemand zijn vader en moeder gehoorzaam is; maar dat het dit gebod bijzonder toekwam. Ware het dat alle geboden hunne beloften hadden, zoo zou deze belofte, waarvan wij nu spreken, zoo groote kracht niet hebben om het gebod aan te prijzen.
Maar dit is het eerste gebod, zegt Paulus, dat God met bijzondere belofte, als met een zegel heeft willen bevestigen. Hoewel, hier is zwarigheid in : want het tweede gebod heeft ook een belofte, waar
hij zegt: »En doe barmhartigheid aan duizendenquot;, enz. Maar dewijl E*-20:g. deze belofte algemeen is, en voor de gansche wet zonder onderscheid dient, zoo zullen wij niet zeggen, dat zij aan dat gebod hangt. Zoo blijft het dan waar wat Paulus zegt: dat er geen ander gebod met eene belofte versierd wordt, dan dat gebiedt van de gehoorzaamheid, die men den ouders schuldig is. De belofte is van langheid des levens: waaruit wij verstaan, dat dit tegenwoordige leven onder de uitnemende gaven Gods gerekend wordt. Maar dit en meer andere dingen kunnen de lezers leeren uit onze »Institutiequot;. Ik wil hier alleen met korte woorden aanteekenen, dat aan de gehoorzaamheid der kinderen jegens de ouders een loon beloofd wordt, dat daarmede wel overeenstemt: als God belooft dat het hun zal welgaan in dit leven, die zich dankbaar bewijzen aan de ouders, waardoor zij het leven verkregen hebben.
3 Op de aarde. Bij Mozes wordt met name het land Kanaan uitgedrukt: omdat de Joden buiten dat land geen gelukkig noch gewenscht leven konden hebben: maar dewijl dezelfde zegen Gods heden in de gansche wereld is uitgestort, zoo heeft Paulus het noemen van een zekere plaats terecht achterwege gelaten, welke vloeide uit dat onderscheid, dat niet langer dan tot de komst van Christus duurde.
4 En gij vaders! Hij vermaant ook de vaders, dat zij de kinderen niet door onmatige wreedheid verbitteren. Want hieruit komt haat: waaruit zij eindelijk komen tot het afwerpen van het juk.
Daarom wordt in den zendbrief aan de Colossensen daarbij gesteld: col. 3:21.
01
EFEZE 6:4, 5.
Opdat zij den moed niet verliezen. Want een milde en matige behandeling behoudt de kinderen best in de vreeze der ouders, en vermeerdert in hen de begeerte en vaardigheid tot gehoorzaamheid. Daarentegen, de hardheid en wreede strengheid verwekt ze tot hardnekkigheid, en bluscht de goede genegenheden uit. Daarom gebiedt Paulus, dat men ze vriendelijk zal koesteren. Want het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, beduidt zonder twijfel inschikkelijkheid en vriendelijkheid. Doch wederom, opdat deze niet te ongebonden zij, gelijk dikmaals het geval is, zoo houdt hij ze terug als met een toom, als hij zegt: In de tucht en vermaning des Heeren. Want God wil niet, dat de ouders alzoo den kinderen lieflijk zijn, dat zij ze met sparen verderven. Zoo zij dan de vriendelijkheid getemperd, zoodat zij in de tucht des Heeren worden behouden, en ook gestraft worden, als zij feilen. Want die leeftijd behoort men dikmaals te vermanen, en ook in toom te houden en te bedwingen, dat die niet dartel worde.
Col. 3:22. 5 Gij dienstknechten! zijt onderdanig uwen heeren naar het vleesch,
1 Tth 2 ⢠9 met vreeze en beven in eenvoudigheid uws harten, als aan
i Petr. 2:13. Christus;
6 Niet naar oogendienst, als begeerende den mensclien te behagen, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil Gods van harte;
7 Met goedwilligheid dienende den Heere, en niet de menschen.
8 Wetende, dat wat goeds een iegelijk gedaan heeft, hij dat van den Heere zal ontvangen, hij zij dienstbaar of vrije'.
Sir. 7:22; 9 En gij heeren! doet desgelijks aan hen, de dreigingen nalatende.
Col. 4:1. wetende dat hun en uw Heer in de hemelen is, en bij Hem
*s Seen aanneming des persoons.
Job 34: IS)!
wij?he6-8er 5 dienstknechten! In de dienstknechten te vermanen is hij
Sir.*35*: ie. daarom te langer, omdat hun staat moeielijk, en bitter, en zwaar ^Rom ^2 ⢠ii' om te dragen is. En hij leert niet alleen van de uitwendige gedien-Gai. 2:6! stigheden, maar meer van de goedwillige vreeze: want het geschiedt i Petr i ⢠17 zeer z^den, dat iemand zich gaarne onder eens anders heerschappij ' zou onderwerpen. Voorts, hij spreekt niet van de gehuurde dienstknechten, gelijk als ze hedendaags zijn, maar van die oude slaven, die altijd dienstbaar bleven, tenware zij door de weldaad van hun meester vrij gelaten werden: welke de heeren alzoo kochten met geld, dat zij ze tot het verachtelijkste werk gebruikten; ja dat hun door de wetten macht over hun leven en dood toegelaten was. Denzulken gebiedt hij hunnen heeren onderdanig te zijn, opdat zij niet zouden denken, dat hun door het Evangelie vrijheid des vleesches verkregen is. Maar dewijl ook de allerboosten door de vrees voor straf gedwongen worden, zoo onderscheidt hij de Christelijke dienstknechten van de goddelooze, met de gezindheid van vreeze en beven. Met vreeze en beven, zegt hij, dat is, met zorvuldige eerbiediging, welke uit eenvoudigheid des harten zal voortvloeien. Maar dewijl het zwaar is van hen te verkrijgen, dat zij een mensch zooveel toeschrijven, dan omdat een hoogere nood hen verbindt, zoo gebiedt hij hun, dat zij God aanzien. Hieruit volgt, dat het niet genoeg is, dat zij hun onderdanigheid voor der menschen oogen goed maken: want God eischt
92
EFEZE 6: 5â9.
waarheid, en oprechte gezindheid des harten. En hij betuigt, dat zij Gode gehoorzaam zijn, als zij hunne heeren getrouw dienen, alsof hij zeide: Denkt niet, dat gij door des menschen goeddunken tot dienstbaarheid gebracht zijt: God heeft u dezen last opgelegd, die uw arbeid aan de heeren verhuurd heeft. Zoo dan, wie met goede conscientie aan zijn heer zoekt te doen, wat hij hem schuldig is, die doet wat hij behoort, niet alleen jegens de menschen, maar ook jegens God. Goedwilligheid, stelt hij tegen bedekte verbolgenheid, waarmede de harten der dienstknechten opgeblazen zijn; want hoewel zij niet bestaan openlijk te grimmen, noch een teeken van we-derspannigheid te geven; zoo dragen zij nochtans de heerschappij zoo kwalijk, dat zij niet dan zeer ongewillig, en met tegenstrijdig gemoed, hunnen heeren gehoorzaam zijn. Zoo wie gelezen heeft, wat alom bij de oude schrijvers van den aard en zeden der dienstknechten gevonden wordt, die zal licht verstaan, dat onder dat volk zoo vele kwalen geregeerd hebben, die noodig waren gebeterd te worden, als hier vele geboden en voorschriften zijn. Deze leer dient ook voor de dienstboden onzes tijds. Want God draagt altijd zorg voor de huishouding, waarvan Hij zelf de auteur is; ja zij moeten aldus bij zich denken, dat zij, hoe verdragelijker hun staat is, zooveel minder zij te verontschuldigen zullen zijn, tenzij zij alleszins zoeken zich alzoo te gedragen, gelijk Paulus hier gebiedt. Dat hij zegt; heeren naar het vleesch, daarmede verzacht hij wat al te scherp had kunnen zijn in den dienstbaren stand. Want hij geeft te kennen, dat hun desniettemin de geestelijke vrijheid ongeschonden blijft, welke voornamelijk te begeeren is. Naar oogendienst, zegt hij, omdat het vleien bijna allen dienstknechten gemeen is. Maar zoo haast als hun heer zijn rug keert, zoo zijn zij dartel, hem versmadende en bespottende. Zoo gebiedt dan Paulus den godzaligen dienstknechten verre van zulke geveinsdheid te zijn.
8 Een iegelijk wat goeds hy. Dit is een schoone troost; Zoo zij ondankbare en booze heeren hebben, zoo zal God achten Hem gedaan te zijn, al wat zij den menschen (hoewel zij het onwaardig waren) gedaan hebben. Want die gedachte maakt dikwijls de dienstknechten lui en slap, dat zij meenen arbeid tevergeefs te doen, als zij de grootschheid en hoovaardigheid der heeren overdenken. Maar Paulus leert, dat hun voor den dienst, die aan de onbeleefde menschen kwalijk scheen besteed te zijn, bij God loon bewaard is, en dat zij daarom geen oorzaak hebben om zich van den rechten loop te laten afleiden. Hij stelt ook daarbij, dat er geen onderscheid gemaakt wordt tusschen dienstbaar en vrije; omdat hun arbeid in de wereld gewoonlijk minder geacht wordt. Zoo zegt hij dan, dat het alzoo niet is bij God; maar dat hunne plichten daar even dierbaar zijn, als die der koningen. Want een iegelijk zal, den uitwendigen schijn afgelegd hebbende, naar de zuiverheid des harten gewaardeerd worden.
9 En gij heeren! Dewijl de wetten aan hunne heeren groote vrijheid toelieten, zoo verklaarden velen, dat hun geoorloofd was al wat naar het civiele recht gebruikelijk was. Ja sommigen kwamen tot zulke wreedheid, dat de Romeinsche keizers gedwongen werden hunne tirannie te bedwingen. Hoewel, ofschoon geene mandaten der vorsten den dienstknechten te hulp kwamen, zoo laat nochtans God den heeren niet meer toe, dan de regel der liefde duldt. Als
93
EFEZE 6 :9.
94
de philosophen de overgroote strengheid jegens de dienstknechten allerbest matigen, zoo leeren zij, dat men ze niet anders behoort te gebruiken dan als huurlingen: maar zij zien alleen op de nuttigheid, dat is, zij aanmerken wat den huisvader nuttig, en der huishouding geschikt is. Maar Paulus neemt hier een geheel ander beginsel. Want hij leert wat naar de inzetting Gods geoorloofd is, en ook wat zij den dienstknechten schuldig zijn. Ten eerste zegt hij, doet desgelijks, en dat in denzelfden zin, als hij tot de 1- Colossensen gezegd heeft, dat recht en billijk is. Waartoe dat, dan opdat het onderlinge recht, dat is, dat wel overeenkomende recht, dat naar de omstandigheid der personen en dingen wel geregeld en geschikt is, gehouden worde. De heer en de dienstknecht hebben wel niet eenerlei conditie, nochtans is er eenig onderling recht onder hen; hetwelk gelijk het den dienstknecht aan zijn heer verbindt, alzoo ook wederom den heer met goede evenredigheid eenigszins verbindt aan den dienstknecht. Deze evenredigheid wordt van de menschen kwalijk gemeten, omdat zij ze niet meten met de wet der liefde, welke alleen de ware maat is. Dit heeft Paulus beduid met het woord desgelijks: want wij zijn allen genegen om te eischen wat men ons schuldig is: maar als wij wederdienst moeten bewijzen, dan wil zich een iegelijk vrij maken. En voornamelijk regeert deze ongerechtigheid onder hen, die de grootsten zijn in macht en eer. De dreigingen nalatende. Hij vervat met één woord allerlei versmadingen, die uit der heeren hoo-vaardigheid voortkomen: alsof hij verbood wreedelijk te regeeren, zoodat hun aanschijn verschrikkelijk is, alsof zij altijd wat kwaads dreigden, zoo dikmaals als zij hun dienstknechten aanspreken. Want de grond aller wreedheid en dreigingen is deze, dat de heeren hunne dienstknechten, alsof zij alleen om hunnentwil geboren waren, niet meer achten dan beesten. Zoo dan, onder een gestalte van onrecht, verbiedt Paulus de dienstknechten smadelijk en wreedelijk te behandelen. Hun en uw Heer in de hemelen is. Dit is een zeer noodige vermaning: want daarom bestaan wij alles te doen tegen degenen, die ons onderworpen zijn, omdat zij geen macht hebben om tegen te staan, en niets tegen ons kunnen uitrichten; omdat er geen wreker noch beschermer gezien wordt, noch ook iemand die uit medelijden zich verwaardigt de klachten te hooren. Eindelijk heeft hier plaats, wat algemeen gezegd wordt: Vrijheid is de moeder aller ongebondene dartelheid. Maar Paulus vermaant hier, dat de heeren alzoo over de dienstknechten gesteld zijn, dat zij te zamen een gemeenschappelijken Heer in de hemelen hebben, aan wien men rekenschap moet geven. Bij Hem is geen aanneming des persoons. Door den persoon of uiterlijken schijn worden onze oogen verstrikt, zoodat de gerechtigheid geen plaats hebbe: maar Paulus zegt, dat zulks voor God niet geldt. Het woord persoon, beduidt al wat men boven de waarheid der zaak in den mensch aanziet in het oordee-len: als: afkomst, schoonheid, edelheid, rijkdom, vriendschap, en dergelijke dingen, die gunst geven, en de tegenovergestelde dingen, die versmading of ook haat mede brengen. Dewijl in de oordeelen der menschen gemeenlijk deze verkeerde genegenheden, uit het aanzien des persoons voortvloeiende, degenen regeeren, die in waardigheid zijn, vleien dezen zichzelven alzoo, alsof zij door zulke verdorvenheden ook een genadigen God zouden verkrijgen: aldus denkende, wie is toch
EFEZE 6:9â11.
die, dat God op hem acht zou hebben, en hem tegen mij helpen?
Hier tegen zegt Paulus, dat de heeren feilen, zoo zij meenen, dat hunne dienstknechten voor God klein of niets zullen geacht worden,
omdat zij bij de wereld zoo zijn, dewijl God niet vraagt naar den persoon; en de zaak van den allerverachtelijksten mensch niet een haar kwalijker zal staan dan die van den allerhoogsten vorst.
10 Voorts, mijne broeders! weest sterk in den Heere, en in de kracht zijner mogendheid.
11 Doet aan de gansche wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan Co1- 3:12-tegen de lagen des duivels.
12 Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen vorstendommen, tegen machten, tegen oversten der we- Ef. 2:2. reld der duisternis dezer eeuw, tegen geestelijke boosheden in
de hemelsche plaatsen.
13 Daarom doet aan de gansche wapenrusting Gods, opdat gij 2 Co1'- 10:4' kunt wederstaan in den boozen dag, en alles volbracht hebbende, staande blijven.
10 Voorts. Hij komt wederom tot algemeene vermaningen, en allereerst gebiedt hij hun sterk te zijn, of moed en sterkte te verkrijgen: want er zijn altijd vele dingen die ons verzwakken, en wij hebben weinig moed om te weerstaan. Maar dewijl in deze onze zwakheid de vermaning weinig zou doen, zoo de Heere ons niet bijstond, en de hand gave om te helpen; ja, zoo Hij niet de gansche kracht gave, zoo stelt hij daarbij, in den Heere, alsof hij zeide:
Gij moet mij niet antwoorden, dat gij machteloos zijt, ik begeer slechts, dat gij in den Heere sterk zijt. En tot de verklaring stelt hij terstond daarbij, de kracht zjjner mogendheid, wat dient om het vertrouwen te versterken: voornamelijk, dewijl het de hulp verheft, die God gewoonlijk den geloovigen bewijst. Want zoo de Heere met groote mogendheid de zijnen helpt, zoo moeten wij niet twijfelmoedig zijn in den strijd. Maar iemand mocht zeggen: Waartoe dient het, dat hij den Efeziërs gebiedt door de kracht Gods sterk te zijn, wat voorwaar in hen niet was? Ik antwoord, dat men hier twee stukken moet aanmerken: want hij vermaant ze tot sterkheid;
daarna wijl zij in zichzelven bezwijken, zoo vermaant hij, dat zij van den Heere moeten begeeren wat zij niet hebben: en hij belooft ook mede, dat de kracht Gods hun zal bereid zijn, zoo zij ze begeeren.
11 Doet aan de gansche. God is bereid ons niet alleen met eenerlei hulp te voorzien, voorzoover wij niet lui zijn om te nemen wat Hij ons aanbiedt. Maar hierin zondigen wij meest allen, dat wij de genade, die ons aangeboden is, onachtzaam gebruiken, gelijk een krijgsknecht, als hij tegen den vijand moet strijden, zijn helm nam,
en zijn schild vergat. Om deze onachtzaamheid of beter traagheid te beteren, zoo neemt Paulus een gelijkenis van den krijg: en gebiedt ons de gansche wapenrusting Gods aan te doen, waarmede hij te kennen geeft, dat wij van alle zijden moeten gewapend zijn,
opdat ons niets ontbreke. De wapenen om allerlei aanval af te kee-ren, worden ons van den Heere aangeboden: wij moeten ze tot ons gebruik aanwenden, en niet aan den muur laten hangen. En om ons te meer tot waken te bewegen, zoo vermaant hij, dat wij niet
95
EFEZE 6:11, 12
alleen in 't openbaar moeten strijden: maar dat wij met een sluwen en listigen vijand te doen hebben, die ons heimelijk met lagen aan-jjojut;; -want dit beduidt het Grieksche woord, dat hij hier gebruikt.
12 Want wjj hebben den strijd niet. Hier wordt het gevaar nog beter uitgedrukt, als hij de natuur des vijands leert, en bijwijze van vergelijking krachtiger uitdrukt, als hij zegt: Niet tegen vleesch en bloed. Want hij beduidt, dat er veel meer zwarigheid is, dan of men tegen menschen moest strijden: want dan zou men met menschelijke macht tegenstaan, men zou het eene zwaard tegen het ander stellen, de eene mensch zou tegen den ander strijden: het ware kracht tegen kracht, list tegen list. Maar het is hier iets anders: want de vijanden zijn zulke, dat geen menschelijke kracht ze kan wederstaan. Dit is de inhoud. Voorts, door vleesch en bloed, verstaat hij de menschen, en hij noemt ze daarom alzoo, om hen tegenover de geestelijke boosheden te stellen: alsof hij zeide: Wij hebben geen lichamelijken strijd. Deze uitspraak moeten wij gedachtig zijn, zoo wanneer wij door onrecht, dat ons van menschen geschiedt, verwekt zijnde, tot wraak bewogen worden. Want als de natuur ons met alle macht tegen de menschen zeiven drijft, zoo zal deze verkeerde begeerte als met een toom teruggehouden worden, als wij bedenken, dat diezelfde menschen, die ons lastig zijn, niet anders zijn dan pijlen en steenen uit des duivels hand geschoten, en dat wij in die te breken bezig zijnde, allerlei slagen onderworpen zijn. Zoo zullen wij dan zonder voortgang, ja met groote schade tegen vleesch en bloed strijden. Men moet recht staan naar dezen vijand, die uit het verborgen ons aangrijpt en wondt; ja die doodt eer hij gezien wordt. Maar laat ons wederkeeren tot de woorden van Paulus. Hij stelt ons een vreeselijken vijand voor oogen, niet om ons door vreeze te verslaan, maar meer om onze naarstigheid en zorgvuldigheid te vermeeren: want daar moet wat tusschen beide zijn. De verachting des vijands maakt gemeenlijk, dat wij om onze onachtzaamheid overvallen worden: wederom de vreeze beneemt ons alzoo het hart, dat wij overwonnen worden, eer wij nog geraakt zijn. Paulus, van de mogendheid des vijands sprekende, zet ons aan om ons vaardiger en naarstiger te maken. Eerst had hij den duivel genoemd: nu versiert en teekent hij hem met vele woorden, waaruit de lezers kunnen verstaan, dat hij ganschelijk geen verachtelijk vijand is. Vorstendommen en machten, noemt hij om ons vrees aan te brengen, niet om ons den moed te benemen, gelijk ik gezegd heb: maar om ons op te wekken tot voorzichtigheid. Als hij ze genoemd heeft: oversten der wereld, zoo stelt hij tot verklaring daarbij, der duisternis dezer eeuw. Want hij beduidt, dat de duivel daarom regeert in de wereld, omdat zij niet anders is dan duisternis: waaruit volgt, dat de verdorvenheid der wereld aan het rijk des duivels plaats geeft. Want hij zou geen plaats hebben in het zuiver en ongeschonden creatuur Gods, maar dit komt alles uit des menschen verkeerdheid. Dat door de duisternis verstaan wordt ongeloovigheid en onwetendheid van God met hare gevolgen, is genoeg bekend. Dewijl dan de duisternis de gansche wereld bevangt, daarom is de duivel de overste der wereld. Als hij zegt: boosheden, zoo hekelt hij niet alleen den boozen aard des duivels: maar hij vermaant ook, dat wij naarstig moeten waken, opdat wij niet bedrogen worden. Daartoe dient ook het woord geestelijke:
96
1
EFEZE 6 : 12, 13. 97
i want van een onzichtbaren vijand is het meeste gevaar. Bovendien,
het woord heeft nadruk, dat hier volgt: In de hemelsche plaatsen; want dies zijn zij ons lastiger en moeielijker, omdat zij ons van een r hooger plaats aanvallen en bestormen, ja op onzen hals zitten. Dat
ï voortijds de Manicheën dit getuigenis misbruikt hebben, om hun
i razernij van de twee beginselen te bevestigen, wordt lichtelijk weder-
i legd. Zij dichtten, dat er een duivel was als een tegengod, en dat
t de rechtvaardige God grootelijks arbeidde om dezen te overwinnen,
t Maar Paulus schrijft hier den duivelen niet een heerschappij toe,
t die zij tegen Gods wil zouden hebben en gebruiken, maar die God
: door rechtvaardige straffen tegen de goddeloozen toelaat: gelijk de
i Schrift alom leert. Want hij handelt hier niet, wat zij tegen God
, vermogen, maar hoe verschrikkelijk zij ons moeten zijn, opdat wij
i zorgvuldig zijn om toe te zien. Ook worden door deze woorden ook
j die niet geholpen, die daar droomen en zeggen, dat het middelste
deel der lucht van den duivel is geschapen, en bezeten wordt: want i Paulus wijst hun geene zekere grenzen toe, die zij als hun gebied
zouden houden: maar hij geeft alleen te kennen, dat zij in den strijd ook de hoogste plaats houden.
13 Daarom doet aan. Hij besluit niet, dat men de spiesen moet wegwerpen, omdat bij den vijand zulke groote macht is, maar dat men moed behoort te grijpen om te wederstaan. Hoewel, de vermaning vervat ook mede een belofte der overwinning: want als hij zegt: Opdat gij kunt, daarmede geeft hij te kennen, dat wij zeker zullen staan, zoo wij de wapenrusting Gods aangedaan hebbende, blijmoedig zullen strijden, en dat tot het einde; want anders zou de menigte en verscheidenheid der strijden ons gemoed kunnen breken. Daarom zegt hij: In den boezen dag, en alles volbracht hebbende. Met den boozen dag, wekt hij ze niet alleen op uit de slaperigheid en zorgeloosheid, om zich te bereiden tot strijden, die vol moeielijkheid, zwarigheid, en gevaar zijn, maar geeft hun ook moed door hoop op overwinning, omdat wij ook in de allergrootste gevaren overwinnaars zullen blijven. Met de woorden: Alles volbracht hebbende, strekt hij dit betrouwen uit tot den ganschen loop des levens. Zoo zal er dan geen gevaar zoo groot zijn, dat het door de kracht Gods niet overwonnen zal worden: en die daarmede gewapend zijnde, tegen den duivel zullen strijden, die zullen midden in den loop niet bezwijken.
14 Staat dan, de lendenen opgeschort hebbende met de waar- Luk. 12:35. beid, en bekleed zijnde met het borstwapen der rechtvaar- 1 1 digheid; Wijsb. 6:19.
15 En de voeten geschoeid hebbende met de bereidheid des Evangelies des vredes;
16 Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, opdat
gij al de vurige pijlen des boozen kunt uitblusschen. 1 Tliegs 5 8
17 En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, Jes. 69:17. hetwelk is Gods woord. open ^ ⢠ie
18 Met alle bidding en smeeking ten allen tijde biddende in den Luk. 18 :i. Geest, en tot hetzelve wakende, met alle gedurigheid en bid- coâ¢'* ⢠2.: 12' ding voor alle heiligen; iThess.6:i7.
19 En voor mij, opdat mij het woord gegeven worde in de opening 2Tiiess.a: 1!
Dl. IV. 7
EFEZE 6 ; 13â16.
mijns monds met vertrouwen, opdat ik de verborgenheid des Evangelies te kennen geve.
20 Waarvan ik de boodschap doe in een keten: opdat ik daarin vrijmoediglijk bandele, gelijk het mij betaamt te spreken.
14 Staat dan. Nu beschrijft hij welke die wapenen zijn, die hij geboden had aan te doen. Doch men moet niet zeer zorgvuldig de reden van elk woord onderzoeken: want het is hem genoeg geweest, dat hij slechts op de krijgskleeding gezinspeeld heeft. Daarom is de neuswijsheid van hen onnut, die zeer arbeiden om te vinden, waarom de rechtvaardigheid meer het borstwapen dan de gordel is. Want Paulus' voornemen is geweest, dat met kprte woorden aan te roeren, wat voornamelijk in een Christenmensch geëischt wordt, en dat te voegen tot de gelijkenis, die hij eerst voortgebracht had. De waarheid, waardoor hij een oprecht gemoed verstaat, vergelijkt hij bij den gordel. Nu, de gordel was voortijds een van de voornaamste stukken der krijgswapenen. Intusschen ziet hij nochtans op de fontein der oprechtheid, omdat de zuiverheid des Evangelies ons van alle bedreigingen behoort te reinigen, en alle valschheid uit onze harten uit te wisschen. Ten andere, beveelt hij de rechtvaardigheid, en wil, dat zij ons zij tot een borstwapen om het hart te wapenen. Sommigen hebben hier naar mijn oordeel, ontijdig gesproken van de onverdiende rechtvaardigheid, of van de toerekening der rechtvaardigheid, die in de vergeving der zonden gelegen is: want Paulus spreekt van de heiligheid des levens. Zoo wil hij dan, dat wij allereerst met oprechtheid, en daarna met een godzalig en heilig leven versierd zijn.
15 Geschoeid. Ik denk, dat hij hier ziet op de krijgslaarzen: want deze waren ook onder de wapenen gerekend, en tehuis werden zij niet gebruikt. De zin is: Gelijk de krijgsknechten de beenen en voeten bekleeden tegen de koude en ander ongemak, alzoo moeten wij ook met het Evangelie geschoeid zijn, opdat wij zonder hinder door deze wereld gaan. Waarom hij zegt, het Evangelie des vredes, is niet duister, te weten, om zijn vrucht, omdat het is een boodschap onzer verzoening met God, welke alleen onze conscientiën gerust maakt. Maar wat beduidt het woord bereidheid? Sommigen leggen het uit, dat ons daarmede geboden wordt tot het Evangelie bereid te zijn; maar ik leg het uit, dat dit ook een vrucht des Evangelies is, dat wij van alle verhinderingen vrij zijn, beide om te reizen en ook om krijg te voeren. Want wij zijn van nature traag, en niet zeer wakker: daarentegen worden wij door de zwarigheid van den weg, en door vele wederwaardigheden verhinderd, en door een zeer kleine ergernis worden wij verzwakt. Hiertegen stelt Paulus het Evangelie als een zeer goed instrument en middel om de reis aan te vangen en te voleindigen. Daarom heeft Erasmus het niet gepast genoeg overgezet: Opdat gij bereid zijt.
16 Aangenomen hebbende het schild des geloofs. Hoewel het geloof en het woord Gods één ding zijn, zoo heeft nochtans Paulus ze twee ambten toegeschreven. Ik zeg, dat zij één ding zijn, omdat het woord het voorwerp des geloofs is, en niet anders tot ons gebruik kan aangewend worden, dan door het geloof; gelijk wederom het geloof niets is en kan zonder het Woord. Maar Paulus heeft op zulk scherpzinnig onderscheid niet geacht, maar zich veroorloofd
98
EFEZE 6; 16â18.
s vrij van de geestelijke wapenen te spreken. Want 1 Thess. 5 : 8,
heeft hij het borstwapen aan het geloof en aan de liefde in 't gemeen
q toegeschreven. Waaruit blijkt, dat hij niet anders heeft willen zeggen, dan dat die op alle zijden welgewapend is, die deze deugden heeft, die hij noemt. En het is niet zonder oorzaak, dat hij de voor-
ij naamste wapenen om te strijden vergelijkt met het geloof en het
e woord Gods, te weten; Het zwaard en het schild. Want voorwaar,
in dezen geestelijken strijd zijn deze twee dingen de voornaamste,
e te weten: Wijl wij door het geloof wederstaan alle aanvallen des
n duivels, en door het Woord Gods de vijand zelve ganschelijk wordt
t verslagen. Dat is: Zoo het Woord Gods in ons krachtig is door
i, het geloof, zoo zijn wij wel en genoeg gewapend om onzen vijand
e te wederstaan en te verdrijven. Nu, die aan het Christenvolk dat Woord Gods uit de hand nemen, wat doen die anders, dan dat zij
ij ze van de noodzakelijke wapenen berooven, opdat zij zonder strijd
e ondergaan? Want daar is niemand, van wat orde hij zij, die niet
i- behoort een krijgsknecht van Christus te zijn. En hoe zullen wij
n zonder wapen en zwaard kunnen strijden? Opdat gjj alle vurige
e pijlen- Hij spreekt oneigenlijk: want hij had eerder het woord ont-
1, vangen moeten gebruiken of verdrijven, of iets dergelijks. Maar
i. met het woord uitblusschen, heeft hij meer uitgedrukt: want hij
Q heeft gezien op het woord vurig, dat hij reeds gesteld had. De
;- pijlen des duivels zijn niet alleen scherp en doordringend, doch
i- wat nog verderfelijker is, ook vurig. En het geloof zal genoegzaam
ij zijn, niet alleen om de scherpte weg te nemen, maar ook om den
g brand uit te blusschen. Want dit is de overwinning, die de wereld
overwint, gelijk Johannes zegt. ijoh. 5:4.
it 17 En den helm der zaligheid. Bij de Thessalonicensen, in de 1 Thess. 5:8.
ij boven aangehaalde plaats, noemt hij den helm de hope der zalig-
n heid, wat ik aanneem in denzelfden zin gezegd te zijn. Want het
n hoofd is met een zeer goeden helm gewapend, als wij door hope
;r opgericht zijnde, opzien naar den hemel op de zaligheid, die ons
gt;, beloofd is. Zoo is dan de helm ons niet anders zalig, dan in de hope.
i- 18 Met alle bidding. Als hij den Efeziërs de wapenen heeft aan-
n gedaan, zoo leert hij ze met gebeden strijden. En dit is het waar-
1- achtigste middel: want de aanroeping Gods is de voornaamste
:t oefening des geloofs en der hope: dezelve verkrijgt van God alle
n goed. In het bidden prijst hij de volharding, als hij zegt: In alle
1, gedurigheid. Want met dit woord vermaant hij, dat wij blijmoedig
n moeten aanhouden, opdat wij niet vermoeid worden, en dat wij
r onafgebroken in het bidden moeten voortgaan, en niet ophouden,
r- al is het dat wij niet terstond verkrijgen wat wij willen. Zoo iemand
t. liever het woord naarstigheid wil, ik wil daar niet tegen strijden,
it Maar wat wil dat woord: Ten allen tyde? Heeft hij tweemaal het-
ft zelfde gezegd, als hij reeds van gedurig bidden gesproken heeft?
Ik meen van niet: maar als wij door den voorspoed aller dingen
;t gerust en blijde zijn, zoo denken wij gewoonlijk niet om te bidden,
is ja wij vlieden nimmer tot God, dan door tegenspoed gedwongen
it zijnde. Zoo wil dan Paulus, dat wij de gedachtenis om te bidden te geenen tijde nalaten. Alzoo ten allen tijde, is zooveel als: Zoo-
n wel in voorspoed als in tegenspoed. Voor alle heiligen. Daar is
p geen oogenblik, waarin wij niet door onze eigen armoede tot bid-
d den behooren opgewekt te worden; maar er is ook een andere
99
EFEZE 6; 18, 19.
â i
J
100
oorzaak, waarom wij zonder ophouden bidden zullen, te weten, omdat der broederen nooden ons behooren te bewegen. Nu, wat tijd 'm is er, waarin niet eenige leden der gemeente in nooden zijn, en
behoefte aan onze hulpe hebben? Daarom, zoo wanneer wij koud en onachtzamer in 't bidden zijn dan het betaamt, omdat ons geen tegenwoordige nood dringt, zoo laat ons terstond bedenken, hoe velen onder onze broeders zijn, die onder menigerlei en zeer zware ellendigheden vermoeid worden, die met zeer groote benauwdheden des harten verdrukt worden, en die tot het uiterste ongerief gekomen zijn. Wij moeten zeer wreed zijn, zpo ons die ongevoeligheid en slaperigheid niet benomen wordt. Hier mag iemand vragen; Of men alleen voor de geloovigen moet bidden? Ik antwoord, dat Paulus de godzaligen alzoo aan de Efeziërs beveelt, dat hij nochtans anderen niet uitsluit; doch gelijk in de andere werken der liefde, alzoo ook in de gebeden moet zonder twijfel de voornaamste zorg zijn voor de heiligen.
19 En voor mjj. Hij gebiedt den Efeziërs in 't bijzonder hem gedachtig te zijn: waaruit wij verstaan, dat niemand zoo overvloedige gave heeft, dat hem zulke hulpe der broederen niet noodig is, zoolang hij in deze wereld leeft. Want wie zou van dezen nood meer vrij zijn dan Paulus? en nochtans begeert hij der broederen gebed, en dat niet uit geveinsdheid, maar omdat hij ernstig begeerde geholpen te zijn. Laat ons nu hooren wat hij voor zich-zelven wil gebeden hebben, te weten: Dat hem opening des monds 'j'. ' gegeven worde. Hoe dan, was hij stom? Of werd hij door vreeze
verhinderd het Evangelie te belijden? Neen. Maar het was te vreezen, dat hij wel begonnen zijnde, namaals zou verflauwen. Bovendien brandde hij met zulken ijver om het Evangelie te bevestigen, dat hij zichzelven nooit voldeed. En voorwaar, zoo wij willen over-leggen, hoedanig de waardigheid en grootheid der zaak is, zoo zullen wij bekennen, dat wij zeer onbekwaam zijn. Daarom stelt hij daarna: Gelijk het mij betaamt te spreken, daarmede te kennen gevende, dat getuigenis geven aan het Evangelie, gelijk het betaamt, een werk is van een bijzondere deugd. Overweeg elk woord bijzonder. Hij zegt: Met betrouwen, waarmede hij te kennen geeft, dat de vrees onze vrijheid verhindert, alzoo dat wij niet met zoo vollen mond en onverschrokken tong Christus prediken: daarentegen, dat een vrije en ongeveinsde belijdenis den dienaren van Christus betaamt. Want hij wenscht niet, dat hem gegeven worde listig te antwoorden, of ook uitvluchten te zoeken, om de tegenstanders door omhaal te bedriegen. Hij begeert een geopenden mond, die tot een klare en vaste belijdenis uitbreekt. Want met half gesloten mond, worden twijfelachtige en verwarde antwoorden gegeven. Zoo dan, als hij zegt: In de opening mjjns monds, dat is, met zulke groote vrijmoedigheid, waarin geen bevreesdheid geproefd wordt. Maar dit schijnt in Paulus een teeken van ongeloovigheid geweest te zijn, dat hij door het gebed van anderen begeert geholpen te worden, alsof hij aan zijn standvastigheid twijfelde. Maar dat is niet zoo: want hij zoekt geen remedie, die vreemd is van den wil Gods, of met zijn woord kwalijk overeenkomt, gelijk de ongeloovigen doen, maar hij steunt alleen op zulke behulpselen, als Matt, g ; 9. hij zich ziet van den Heere toegelaten, ja beloofd en bevolen te Luk. ii:2. zjjn jQe jjeere gebiedt den geloovigen voor elkander te bidden.
%
EFEZE 6: 19â21.
Hieruit heeft ieder geen kleine vertroosting, hoorende dat de zorg zijner zaligheid anderen bevolen wordt; en zij hebben God tot hun auteur, opdat zij weten dat anderen niet tevergeefs voor hen bidden.
Zouden zij mogen weigeren wat hun van den Heere aangeboden wordt? Dit behoort wel genoeg te zijn, dat een iegelijk uit de be- Matt. g;b. lofte Gods zeker is, dat hij zal verhoord worden zoo dikmaals als hij bidt; maar zoo God tot overmaat zijner mildheid dit ook daarbij heeft willen voegen, dat Hij ook anderen wil verhooren, die voor ons bidden, zal men deze zijn mildheid verwerpen? en zal men ze niet liever begeerig met uitgestrekte armen aannemen? Zoo zullen wij dan bedenken, dat Paulus niet door mistrouwen of twijfeling bewogen is geworden om der broederen gebed te begeeren, maar dat hij het met begeerte gezocht heeft, omdat hij niets wilde verwerpen, wat hem van God gegeven was. Zoo zijn dan de papisten te bespotten, die uit dit voorbeeld van Paulus besluiten, dat men de dooden moet aanroepen. Want Paulus schreef aan de Efeziërs,
met wie hij zulke gemeenschap had, als ik gezegd heb. Wat gemeenschap hebben wij met de dooden? Het is zooveel alsof zij zeiden,
dat wij behooren de engelen tot onze maaltijden en feestdagen te roepen, omdat door zulke dingen de liefde onder de menschen onderhouden wordt.
21 En opdat ook gij moogt weten, wat mij aangaat, wat ik doe, Tychicus, de lieve broeder en getrouwe dienaar in den Heerei zal u alles te kennen geven.
22 Denwelken ik tot u gezonden heb, opdat gij zoudt weten, hoe het met mij staat, en opdat hij uwe harten vertroosten zou.
23 Vrede zij den broederen, en liefde, met geloof, van God den Vader, en den Heere Jezus Christus.
24 De genade zij met al degenen, die onzen Heere Jezus opreoh-telijk liefhebben.
Aan de Efeziërs geschreven van Rome, gezonden door Tychicus
2i En opdat ook gij moogt weten. Door valsche en onzekere geruchten plegen niet alleen de zwakken, maar ook de gestadigen en standvastigen beroerd te worden. Dit gevaar voorkomt Paulus, Tychicus zendende, die den Efeziërs alles zou te kennen geven. Hierin moet men de godzalige zorge van Paulus opmerken, die hij voor de gemeenten had. 'Want hoewel de dood hem doorgaans voor oogen stond, zoo heeft nochtans noch de vreeze des doods, noch de zorg voor zichzelven, hem verhinderd ook die zeer verre waren, te verzorgen. Een ander zou zeggen, dat hij met zichzelven genoeg te doen had: dat zij eerder allen behoorden toe te loopen om hem te helpen, dan eenige verlichting van hem te verwachten.
Alzoo doet Paulus niet, maar zendt alom broeders, die de gemeenten, die van hem gesticht waren, mochten bevestigen. liij prijst Tychicus, opdat zij zijn woorden te beter gelooven. Doch als hij hem noemt; een getrouwen dienaar in den Heere, zoo is het twijfelachtig, of hij spreekt van openlijken dienst der gemeente, of van diensten hem bijzonder bewezen. De twijfel komt daaruit, dat hij deze twee dingen bij elkander stelt: Lieve broeder en getrouwe dienaar. Het eerste betreft Paulus: daarom kon dit ook
101
EFEZE 6: 22â24.
schijnen van het tweede. Nochtans wil ik het liever verstaan van den publieken dienst: want het dunkt mij waarschijnlijk, dat Paulus niet elk mensch zonder onderscheid gezonden heeft, maar een, die eenige waardigheid had, om de Efeziërs door zijn tegenwoordigheid te bewegen.
23 Vrede zü den broederen. Het woord vrede, neem ik hier, gelijk in de groetenissen, voor gelukkigen voortgang. Hoewel, zoo iemand liever wil, dat eendrachtigheid daarmede beduid is, omdat hij terstond de liefde meldt, dat mishaagt mij ook niet, jazelfs schijnt het verband zoo beter te vloeien. Want hij wenscht den Efeziërs, dat zij eendrachtig onder elkander, en vreedzaam zijn, en geeft terstond te kennen, dat zij dit door goedwilligheid en eendrachtigheid des geloofs kunnen hebben; want de liefde maakt, dat de menschen in vrede blijven, en het geloof brengt de liefde, en is de band daarvan. Voorts, uit dit wenschen en bidden, moet men aanmerken dat geloof, liefde en vrede, gaven Gods zijn, die Hij ons door Christus geeft, ja dat Christus met den Vader de auteur daarvan is.
24 De genade zü met u allen. De zin is: God bewijze zijn gunst al dengenen, die Jezus Christus met een zuivere conscientie liefhebben. Het Grieicsche woord, waarvoor ik gesteld heb oprech-telyk, beteekent onverderfelijkheid: wat men moet aanmerken, om de bevalligheid der gelijkenis; want Paulus heeft bedektelijk willen te kennen geven, dat het hart des menschen dan eerst van alle verdorvenheid zal vrij zijn, als het zonder eenige hypocrisie is. Voorts, dit gebed moet ons zijn als een getuigenis, opdat wij weten, dat God ons dan zal genadig wezen, als wij zijn Zoon met een oprecht hart liefhebben, in wien Hij ons een getuigenis en pand zijner liefde jegens ons voorgesteld heeft; alleen dat er geen geveinsdheid is; want het meeste deel dergenen, die het Evangelie belijden, dichten zich een Christus, die zij alleenlijk met versierden dienst mogen eeren. En och, of het heden niet met zoovele voorbeelden getuigd werd, dat Paulus niet zonder oorzaak in de liefde van Christus zuivere oprechtheid eischtl
102
DE ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN DE
FILIPPENSEN.
DE INHOUD
VAN DEN
ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN DE
FILIPPENSEN.
Het is algemeen bekend, dat Filippi een stad was in Macedonië,
op de grenzen van Thracie, in welker vlakte Pompejus door Caesar overwonnen werd, en later Brutus en Cassius door Antonius en Octavius. Alzoo hebben de Romeinsche twisten deze plaats door twee beroemde groote slagen gedenkwaardig gemaakt. Toen Pau-lus in een gezicht naar Macedonië geroepen was, heeft hij het eerst in die stad een gemeente gesticht, gelijk Lukas verhaalt. Hand. is; 12. van welke deze zendbrief getuigt, dat zij niet alleen standvastig in het geloof volhard heeft, maar dat zij ook mettertijd in getal menschen en in voortgang van deugden groot geworden is. Voorts,
is dit de oorzaak geweest, waarom Paulus aan de Filippensen schreef: Toen zij door hunnen herder Epafroditus aan Paulus in de gevangenis gezonden had wat tot onderhoud zijns levens, en andere buitengewone onkosten noodig was, zoo heeft Epafroditus hem zonder twijfel den ganschen toestand der gemeente te kennen gegeven, en ook hem ingegeven in wat zaken zij van hem moesten vermaand worden. Het schijnt, dat de valsche apostelen, die her- en derwaarts liepen, om valsche met gezonde leer te vermengen, ook gezocht hadden de Filippensen te besmetten. Maar dewijl zij standvastig in de waarheid gebleven waren, zoo prijst de heilige Paulus hun standvastigheid.
Doch wetende hoedanig de menschelijke zwakheid is, en ook mogelijk door Epafroditus gewaarschuwd zijnde, dat hun noodig was tijdig bevestigd te worden, opdat zij in 't einde den moed niet verloren: zoo stelt hij zulke vermaningen daarbij, als hij wist hun nut en gepast te zijn. En ten eerste van de goede genegenheid zijns harten jegens hen getuigd hebbende, om geloof bij hen te verkrijgen, zoo handelt hij van zich en van zijne banden, opdat zij den moed niet verliezen,
omdat zij zien, dat hij gevangen en in gevaar zijns levens is. Zoo vertoont hij dan, dat de heerlijkheid des Evangelies daardoor niet alleen niet verminderd wordt, maar dat het meer een teeken tot bevestiging is: en hij wekt ze ook op mede door zijn voorbeeld, tot alles bereid te zijn, en eindelijk besluit hij het eerste hoofdstuk met een korte vermaning tot eenigheid en lijdzaamheid. En dewijl de eergierigheid bijna altijd een moeder der tweedracht is, waaruit het
DE INHOUD VAN DEN ZENDBRIEF ENZ.
106
ook komt, dat zij voor de nieuwe en vreemde leeringen een deur opendoet, zoo bidt hij ze ernstig in het begin van het tweede hoofdstuk, dat zij niets hooger achten dan nederigheid en zedigheid. Hiertoe gebruikt hij vele redenen. En opdat hij hun te meer moed geve, zoo belooft hij hun Timotheus spoedig te zenden. Ja hij geeft hun ook hoop op zijne komst. Daarna verontschuldigt hij Epafro-ditus, dat hij zoolang vertoefd had. In het derde vaart hij uit tegen de valsche apostelen, en wederlegt niet alleen hunne ijdele roemingen, maar ook de leer van de besnijdenis, waarop zij drongen: en tegen al hunne gedichtselen stelt hij den eenigen Christus, en tegen hunne hoovaardigheid stelt hij zijn voorgaand leven, en ook zijn tegenwoordigen wandel, in welken een waar beeld der Christelijke godzaligheid gezien werd. En hij vermaant, dat dit het oogmerk onzer volmaaktheid is, waarnaar wij ons leven lang moeten staan, te weten, gemeenschap des doods en wederopstanding met Christus te hebben, en dit bevestigt hij door zijn voorbeeld. Het vierde hoofdstuk begint met bijzondere vermaningen, doch komt terstond tot algemeene. Hij besluit den zendbrief met een getuigenis zijner dankbaarheid jegens de Filippensen, opdat zij niet denken, dat het kwalijk besteed is wat zij tot verlichting zijner armoede gegeven hadden.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Paulus en Timotheus, dienstknechten van Jezus Christus, al den heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzie-Hand. 16:12 ners ') en diakenen: Hi°{Eigeni.
2 Genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Bissohop-Jezus Christus. Kom. i:7.
3 Ik dank mijnen God, zoo dikmaals als ik uwer gedachtig ben; EfPeir,151:2
4 Allen tijd in al mijn gebeden met blijdschap voor u biddende; Col. 1:3,
5 Over uwe gemeenschap in het Evangelie, van den eersten dag 2 Theas.l1- 3 aan tot nu toe.
6 Vertrouwende ditzelve, dat Hij, die het goede werk in u be-Joh. 6:29. gonnen heeft, het ook zal volbrengen tot het einde, tot op den lrrhes8'1:3
' dag van Jezus Christus.
UITLEGGING.
iT-Naulus. Hoewel Paulus gewoon is in het begin zijner zend-K-'brieven zijn titels te stellen, om zichzelven en zijnen dienst geloofwaardig te maken, zoo was het nochtans niet noodig bij de Filippensen zulks te doen, die hem bevonden hadden een ware apostel van Christus te zijn, en zonder twijfel nog voor zulk een erkenden: want zij waren standvastig en eenvoudig in de roeping Gods voortgegaan. Opzieners (Bisschoppen). Hij noemt de herders afzonderlijk uit eerbied. En men kan hieruit verstaan, dat de naam bisschop, allen dienaren des woords gemeen is, dewijl hij in e'éne gemeente meer bisschoppen stelt dan een. Zoo beduiden dan deze woorden hetzelfde: bisschop en herder. En dit is een van de plaatsen, die Hieronymus voortbrengt, om dit te bewijzen in den zendbrief aan Evagrius, en in de uitlegging van den zendbrief aan Titus. Daarna is het gebruik algemeen geworden, dat die alleen bisschop zou genoemd worden, welken de ouderlingen in elke kerk aan het hoofd van hun vergadering stelden. Doch dit is uit de gewoonte der menschen voortgekomen, en steunt in het minst niet op gezag der Schrift. Ik beken wel, dat de natuur en zeden der menschen zijn, dat er geen orde kan blijven onder de dienaars des Woords, tenzij er een is over de anderen. Ik spreek van het lichaam der enkele gemeente, en niet van geheele landen, veel minder van de gansche wereld. Maar hoewel men niet over de woorden moet strijden, zoo ware het nochtans beter den Heiligen Geest, die de auteur der talen is, in het spreken te volgen, dan de wijzen van spreken, die Hij gesteld heeft, tot erger te veranderen. Want uit de bedorven beteekenis van het woord is dit kwaad gekomen, dat.
X
FILIPPENSEN 1: 1â6.
onder het voorwendsel van dit nieuwe woord, een de heerschappij over de anderen zich heeft toegeëigend, alsof niet alle ouderlingen collega's waren, tot denzelfden dienst geroepen. Diakenen. Dit woord kan tweeërlei genomen worden, te weten, voor dienaars en verzorgers der armen, of voor ouderlingen, die gesteld werden tot regeering der zeden. Maar dewijl Paulus het in den eersten zin gewoonlijker gebruikt, zoo neem ik het liever voor uitdeelers, die gesteld waren om aalmoezen uit te deelen en te ontvangen. Voorts wat er meer is, kan men in de voorgaande uitleggingen zoeken.
3 Ik dank God. Hij begint met een betuiging zijner blijdschap over hun goed, en dat om twee oorzaken, te weten, opdat hij door deze oorzaak zijn liefde jegens de Filippensen bewijze, en opdat hij ze in dat voorgaande prijzende, vermane om ook namaals voort te gaan. Hij stelt ook een ander teeken zijner liefde, te weten, de zorgvuldigheid, die hij in zijne gebeden bewees. Voorts, moeten wij aanmerken, dat hij altijd tot dankzegging uitbreekt, zoo wanneer hij van blijde dingen spreekt: welke gewoonte ons ook behoorde gemeen te zijn. Men moet ook mede aanmerken, over wat zaken hij God dankt, te weten, over de gemeenschap der Filippensen in het Evangelie van Christus. Want hieruit volgt, dat zij ze der genade Gods moeten toeschrijven.
4 Allen tijd in al mijne. Men zal de woorden aldus samenvoegen: Altijd voor u allen biddende in al mijne gebeden. Want gelijk hij eerst gezegd had, dat hun gedachtenis hem een oorzaak der blijdschap was: alzoo zegt hij nu daarbij, dat hij hunner gedachtig wordt, zoo dikmaals als hij bidt. Daarna zegt hij nog, dat hij met blijdschap voor hen bidt. De blijdschap is te duiden op den verleden tijd, en het gebed op den toekomenden. Want hij verblijdt zich over den gelukkigen aanvang, en bad om de volbrenging. Alzoo betaamt het ons altijd over de ontvangen weldaden Gods ons te verblijden, opdat wij gedenken van Hem te bidden, wat ons nog ontbreekt.
5 Over uwe gemeenschap. Nu laat hij dat ander deel staan, en verhaalt hoedanig zijn blijdschap is, te weten, dat zij tot de gemeenschap des Evangelies gekomen zijn, dat is, dat zij het Evangelie deelachtig waren geworden, hetwelk (gelijk duidelijk is) door het geloof geschiedt. Want het Evangelie is voor ons niets in zijn genieten, totdat het door het geloof van ons ontvangen is: hoewel het woord gemeenschap, op 't algemeen gezelschap der heiligen geduid kan worden, alsof hij zeide, dat zij zijn verzameld tot al de kinderen Gods in het geloof des Evangelies. Voorts als hij zegt, van den eersten dag aan, zoo prijst hij hun vaardigheid, dat zij zich terstond leerzaam bewezen hebben, zoo spoedig als de leer hun is voorgesteld. Het woord, tot nu toe, beduidt volharding. Wij weten, hoe zelden die deugd gevonden wordt, dat men God volgt terstond als Hij roept, en standvastig voortgaat tot het einde. Want velen zijn traag en moeielijk tot gehoorzaamheid, en velen wijken af door lichtvaardigheid en ongestadigheid.
6 Vertrouwende ditzelve. Tot de stof der blijdschap behoort ook het vertrouwen betrekkelijk den volgenden tijd des levens. Maar iemand mocht zeggen: Wat kunnen de menschen zichzelven van den toekomenden tijd beloven in zulke groote zwakheid der natuur, onder zoovele verhinderingen, verschrikkingen en zwarigheden? Voorwaar, Paulus haalde dit vertrouwen niet uit de vast-
108
f-
1 /1
I
fi [S-
||
i vv
l.' I
V ï'
ES
4
'é'
jf'
FILIPPENSEN 1 :6.
heid of kracht der menschen, maar alleen daaruit, dat God zijn liefde aan de Filippensen bewezen had. En dit is ganschelijk een waarachtige erkenning der weldaden Gods, als wij daaruit oorzaak nemen, om van den volgenden tijd goede hope te hebben. Want dewijl zij getuigen zijn zijner goedheid en vaderlijke goedwilligheid jegens ons, zoo zou het een groote ondankbaarheid wezen, zoo men geen bevestiging der hope en des goeden moeds daaruit trok. Bovendien is God den menschen niet gelijk, dat Hij door weldoen vermoeid of verarmd zou worden. Daarom zullen de geloovigen zich altijd in de overdenking der weldaden Gods oefenen, om de hope op den volgenden tijd te voeden en te bevestigen, en zij zullen altijd weer deze sluitrede bij zichzelven overleggen: God verlaat het begonnen werk zijner handen niet, gelijk de profeet betuigt: ps. iss :8. wij zijn het werk zijner handen; zoo zal Hij dan volbrengen watJes-64:8-Hij in ons begonnen heeft. Als ik zeg, dat wij het werk zijner handen zijn, zoo versta ik het niet alleen van de schepping, maar van de roeping, waarmede wij aangenomen zijn tot kinderen. Want het
Iis ons een teeken onzer verkiezing, dat de Heere ons krachtig door zijnen Geest tot Zich geroepen heeft. Nochtans wordt hier gevraagd, of iemand van de zaligheid van anderen zeker kan zijn: want Paulus spreekt hier niet van zichzelven, maar van de Filippensen. Ik antwoord, dat een iegelijk heel andere zekerheid heeft van zijn eigen zaligheid, dan van eens anders zaligheid. Want de Geest Gods is mij een getuige mijner roeping, gelijk allen uitverkorenen: maar van de anderen hebben wij geen getuigenis, dan door de uitwendige kracht des Geestes, dat is, zoover de genade Gods zich in hen allen bewijst, dat zij tot onze kennis komt. Zoo is het dan een gr.oot onderscheid: want de zekerheid des geloofs blijft binnen besloten, en strekt zich niet uit tot anderen. Maar zoo wanneer wij die teekenen der Goddelijke verkiezing zien, die van ons kunnen gevat worden, zoo behooren wij terstond tot goede hope opgewekt te worden, niet alleen opdat wij niet kwaadwillig zijn tegen onzen naaste, en hen van een billijk en vriendelijk oordeel der liefde niet berooven, maar ook opdat wij Gode dankbaar zijn. Dit is een al-gemeene regel, zoowel in ons als in anderen, opdat wij, twijfelende aan onze kracht, geheel van God afhangen.is ons een teeken onzer verkiezing, dat de Heere ons krachtig door zijnen Geest tot Zich geroepen heeft. Nochtans wordt hier gevraagd, of iemand van de zaligheid van anderen zeker kan zijn: want Paulus spreekt hier niet van zichzelven, maar van de Filippensen. Ik antwoord, dat een iegelijk heel andere zekerheid heeft van zijn eigen zaligheid, dan van eens anders zaligheid. Want de Geest Gods is mij een getuige mijner roeping, gelijk allen uitverkorenen: maar van de anderen hebben wij geen getuigenis, dan door de uitwendige kracht des Geestes, dat is, zoover de genade Gods zich in hen allen bewijst, dat zij tot onze kennis komt. Zoo is het dan een gr.oot onderscheid: want de zekerheid des geloofs blijft binnen besloten, en strekt zich niet uit tot anderen. Maar zoo wanneer wij die teekenen der Goddelijke verkiezing zien, die van ons kunnen gevat worden, zoo behooren wij terstond tot goede hope opgewekt te worden, niet alleen opdat wij niet kwaadwillig zijn tegen onzen naaste, en hen van een billijk en vriendelijk oordeel der liefde niet berooven, maar ook opdat wij Gode dankbaar zijn. Dit is een al-gemeene regel, zoowel in ons als in anderen, opdat wij, twijfelende aan onze kracht, geheel van God afhangen. Tot op den dag van Jezus Christus. Het algemeenste is, dat men den dag des Heeren versta van het einde van onzen strijd, en de strijd wordt met den dood geëindigd. Maar dewijl de Geest in de Schrift gewoonlijk zoo van de laatste komst van Christus spreekt, is het beter den voortgang der genade Gods te strekken tot de wederopstanding des vleesches. Want hoewel die uit het sterfelijke lichaam verlost zijn,
niet meer strijd hebben tegen de begeerlijkheden des vleesches, en buiten gevaar zijn, zoo zal nochtans niets ongeschikts daarin zijn,
zoo zij gezegd worden in voortgang te zijn, dewijl zij nog niet gekomen zijn waar zij zoeken te komen, en de zaligheid en heerlijkheid, die zij gehoopt hebben, nog niet genieten, en eindelijk die dag nog niet verschenen is, die de schatten zal ontdekken, die in de hope verborgen zijn. Ja, wanneer van de hope gehandeld wordt, zoo moet men altijd de oogen op de wederopstanding, als op het doel en einde slaan.
109
FILIPPENSEN 1:7.
7 Gelijk het mij behoorlijk is, dit van u allen te gevoelen, omdat r ik u in mijn hart heb, dat gij allen mijne genade in mijne o banden, en in de bescherming en bevestiging van het Evan- b gelie deelachtig zijt.
8 Want God is mijn getuige, hoe ik u allen begeer in de inner- a lijke genegenheden van Jezus Christus. z
9 En ik bid dit, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig zij, met kennis en alle verstand;
10 Opdat gij beproeft wat nut is, opdat gij oprecht zijt en zonder ergernis, tot op den dag van Jezus Christus; ^
11 Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus s zijn tot Gods eer en lof.
110
Kom. 1: 9; 9:1.
1 Cor. 1:23; 11: 31.
Gal. 1:20. IThess. 2:5. 1 Tim. 5 : 21. 2 Tim. 4:1. Ef. 1:16. Col. 1 :4.
7 Geljjk het mij behoorlijk is. Want wij zijn booze verklaarders z
der gaven Gods, zoo wij niet die voor kinderen Gods houden, in wie f
ware teekenen der godzaligheid gezien worden: door welke tee- ^
kenen de Geest der aanneming Zich bewijst. Zoo zegt dan Paulus, i dat de betamelijkheid zelve hem dit ingeeft, dat hij van de Filip-
pensen altijd goede hope hebbe, dewijl hij ziet, dat zij met hem de I
genade deelachtig zijn. Ik heb niet zonder oorzaak deze plaats an- e ders uitgelegd dan Erasmus, wat de kundige lezer lichtelijk zal op- , i
merken. Want hij verhaalt welk zijn oordeel is van de Filippensen, lt;
wat oorzaak hij had voor zijne goede hope. Zoo zegt hij dan, dat zij lt; zijne medegenooten zijn in dezelfde genade, in de banden en be
scherming des Evangelies. Omdat ik u in myn hart heb. Dat is zooveel alsof hij zeide; Ik acht u met levende affectie des harten zoodanig te zijn. Want de Filippensen hadden altijd naar hunne macht Paulus bijgestaan, zoodat zij zooveel mogelijk, zich als metgezellen bij Paulus voegden, om de zaak des Evangelies op te houden. Daarom, hoewel zij met het lichaam bij hem niet waren, nochtans bekent hij ze met hem gevangen en gebonden te zijn, om de godzalige genegenheid, die zij betuigd hadden met allerlei dienst, dien zij bewijzen konden. Zoo dan, ik heb u in mijn hart, zegt hij, dat is oprechtelijk en zonder geveinsdheid, zekerlijk, en niet uit lichtvaardige of twijfelachtige meening. Hoedanig? als metgezellen der genade. Waarin ? In de banden, waarmede het Evangelie beschermd wordt. Dewijl hij ze bekende zoodanig te zijn, zoo was het recht, dat hij goede hope van hen had. Mijne genade in mjjne banden. Dit zou bespottelijk zijn voor de wereld, de gevangenis te achten voor een weldaad Gods: doch zoo wij het recht waardeeren, zoo is het geen kleine eer, waarmede God ons verwaardigt, als wij om zijn waarheid vervolgd worden. Want het is niet zonder oorzaak Matt s: ii. gezegd: Zalig zult gij zijn, wanneer zij u allerlei schanden zullen aangedaan en gekweld hebben om mijnen naam. Zoo zullen wij dan gedenken, dat wij ook de gemeenschap des kruises van Christus, als een bijzondere genade Gods met een vaardig en dankbaar hart moeten aannemen. Door de banden, stelt hij de bescherming en bevestiging des Evangelies, om te beter uit te drukken, hoe heerlijken dienst God ons gebiedt, wanneer Hij ons tegen zijne vijanden stelt om het Evangelie getuigenis te geven. Want het is zooveel alsof Hij ons de bescherming des Evangelies gebood. Dewijl de martelaars met die gedachte gewapend waren, zoo hebben zij al de
FILIPPENSEN 1 : 7â9.
razende tirannie der goddeloozen kunnen versmaden, en alle pijn overwinnen. En och, of dit bedacht werd van al degenen, die tot belijdenis des geloofs geroepen worden, te weten, dat zij van Christus verkoren zijn als voorspraken om zijn zaak te beschermen! Want als zij op zulken troost steunden, zouden zij moedig zijn, dat men ze niet lichtelijk tot ontrouwe afwijking zou bewegen. Maar hier kon iemand vragen, of de bevestiging des Evangelies aan de standvastigheid der menschen hangt. Ik antwoord, dat de waarheid Gods zoo zeker en vast is, dat zij niet noodig heeft van elders bevestigd te worden: want ofschoon wij allen leugenachtig zijn, zoo blijft God nochtans waarachtig. Maar het is geen wonder, dat de zwakke con-scientiën door zulke behulpselen daarin bevestigd worden. Zoo dan,
deze bevestiging, die Paulus meldt, heeft betrekking op de menschen: gelijk wij door onze bevinding leeren, dat uit den dood van zoovele martelaren immers deze vrucht gekomen is, dat het Ãvangelie als met zoo menig zegel in onze harten is verzegeld geworden. Vandaar dat Tertullianus zegt: Het bloed der martelaren is het zaad der kerk.
8 Want God is mijn getuige. Nu verklaart hij nog sterker zijn liefde jegens hen, om welke te bevestigen, hij ook een eed daarbij stelt, en dat terecht: want wij weten, hoe lief God de stichting zijner gemeente heeft. Het was vóór alles nuttig, dat Paulus' liefde den Filippensen wel betuigd werd, want dat heeft geen kleine kracht
om de leer geloofwaardig te maken, als het volk zeker is, dat de Jer- quot;⢠leeraar ze liefheeft. Hij roept God tot getuige der waarheid, die alleen de waarheid is, en tot getuige zijner genegenheid, die alleen de onderzoeker der harten is. Begeeren is een teeken der liefde,
want wij begeeren dingen, die ons lief zijn. In de innerlijke genegenheden. De innerlijke genegenheden van Christus stelt hij tegen de vleeschelijke genegenheid, om te kennen te geven, dat zijn liefde heilig en Goddelijk is. Want die naar het vleesch liefheeft, ziet op zijn voordeel, en kan ondertusschen naar gelegenheid der dingen en tijden zijn hart veranderen; intusschen vermaant hij naar wat regel de genegenheden der geloovigen behooren geschikt te worden, te weten, dat zij hun eigen wil verlaten, en Christus laten regeeren. En voorwaar, de ware liefde kan nergens anders uit voortkomen, dan uit de innerlijke bewegingen van Christus. En deze prikkel behoort ons niet weinig te steken, dat Christus zijne innerlijke bewegingen eenigszins opent, om de onderlinge liefde onder ons daarmede te onderhouden.
9 En ik bid dit. Hij komt wederom tot het gebed, 'twelk hij in
't voorbijgaan slechts met een woord aangeroerd had. Zoo verklaart 2 Tim. 2 hij dan den korten inhoud der dingen, die hij van God voor hen begeerde, opdat zij door zijn voorbeeld ook leeren bidden, en naar den voortgang van zulke gaven staan. Dat sommigen door de liefde der Filippensen, de Filippensen zeiven verstaan, gelijk de menschen gewoonlijk spreken: uwe eerwaardigheid, uwe vaderlijkheid, dat is ongeschikt. Want men vindt in Paulus zulk een exempel niet, en zulke beuzelingen werden te dien tijde nog niet gebruikt. Bovendien zou de sententie niet volkomen zijn, en de eenvoudige en natuurlijke zin der woorden past ook zeer wel. Want het is echte wasdom der Christenen, als zij voortgaan in kennis en verstand, en daarna in de liefde. Zoo dan, het woordje in, wordt naar Hebreeuwsche
Ill
FILIPPENSEN 1:9â11.
wijze van spreken hier genomen voor met, gelijk ik het overgezet lo
heb, tenzij iemand liever daarvoor wil stellen door, opdat het een vr
instrument of formeele oorzaak beteekene. Want hoe meer voort- yc
gang wij in de kennis maken, zooveel te meer moet de liefde in wi
ons wassen. Dan zou de zin zijn; Opdat uwe liefde wasse, naar de m
mate des verstands. Alle verstand, zegt hij, voor volkomen en ^
grondig verstand, en niet voor verstand van alle dingen. d(
io Opdat gy beproeft wat nut is. Dit is een beschrijving der (j(
Christelijke wijsheid, te kennen wat bevorderlijk of nut is, en niet re het vernuft verwarren in ijdele scherpzinnigheden en speculatiën:
want de Heere wil zijne geloovigen niet zonder nut bezighouden,
om dingen te leeren, die niet nuttig zijn. Hieruit kan men verstaan wat men van de theologie der Sorbonne zal houden, waarin schoon iemand zijn leven versleet, hij niet meer stichting tot hope des hemelschen levens, noch ook geestelijke vrucht daaruit zal hebben. Een leerling dan uit de bewijsredenen van Euclides. Voorwaar, al ware het, dat tes⢠ie0met zij geen valsche leer leerde, zoo behoorde zij nochtans terecht spitsvondige daarom gruwelijk te zijn, omdat zij is een verderfelijke ontheiliging schermde!611 der geestelijke leer. Want de Schrift is nut, gelijk Paulus zegt, maar i Tim. 3: ic. daar kan men niets vinden dan koude en ijdele scherpzinnigheden.
Opdat gü oprecht zijt. Dit is de nuttigheid, die wij uit de kennis hebben: niet dat een iegelijk listig zijn eigen voordeel zoekt, maar dat wij met een zuivere conscientie voor God leven. Daar volgt: óiTrpó- En zonder ergernis. Het Grieksche woord is twijfelachtig. Chry-uxoiroi. sostomus heeft het actief uitgelegd, dat gelijk hij wilde, dat zij voor God zuiver en oprecht zijn, alzoo wil hij, dat zij voor de men-
schen een eerlijk leven leiden, opdat zij hunne naasten niet hinder- z
lijk zijn door kwade voorbeelden. Dit verwerp ik niet: nochtans \
komt de passieve beteekenis naar mijn oordeel beter met het a
verband overeen. Want hij heeft hun daartoe voorzichtigheid ge- a
wenscht, dat zij met onverhinderden gang mochten voortgaan in c
hun roeping tot den dag van Christus, gelijk het daarentegen door g
onwetendheid geschiedt, dat wij dikmaals vallen, aanstooten en c
dwalen. En hoevele ergernissen de duivel ons dikmaals voorwerpt, \
om onzen loop af te breken of te verhinderen, ondervindt een 1
iegelijk bij zichzelven. e
ii Vervuld met vruchten der gerechtigheid. Dit dient nu tot I
112
het uitwendige leven, want de goede conscientie brengt hare j
vruchten voort in de werken. Zoo begeert hij dan, dat zij in goede werken vruchtbaar zijn, tot Gods eere. Zulke vruchten zijn (zegt hij) door Christus, want zij vloeien uit de genade van Christus. Want dit is bij ons het begin van weldoen, wanneer wij door Matt. 3: ie. zijnen Geest geheiligd worden: want Hij heeft op Hem gerust, Joh l-ll' opdat wij allen uit zijn volheid putten. En dewijl Paulus hier een joh! i ⢠it. gelijkenis neemt van de boomen, zoo zijn wij wilde en onnutte Ooi. 2:1o. olijfboomen, totdat wij in Christus geplant zijn, die door zijn levenden wortel ons vruchtbare boomen maakt, achtervolgende het-joh. 15:i. geen Christus zegt: Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Hij toont ook mede het einde, te weten, opdat wij de heerlijkheid Gods dienen. Want niet een leven heeft zulken goeden schijn, dat niet voor God verdorven en stinkende is, tenzij het naar dit oogwit gericht worde. Voorts, dat Paulus hier zegt: rechtvaardigheid der werken, strijdt niet tegen de onverdiende rechtvaardigheid des ge-
FILIPPENSEN 1:11â13.
loofs: want het volgt niet terstond, dat er rechtvaardigheid is, waar vruchten der rechtvaardigheid zijn: want er is geen rechtvaardigheid voor God, dan de volkomen of grondige gehoorzaamheid der wet:
welke in geen heiligen zal gevonden worden, die nochtans naar hun mate goede en zoete vruchten der rechtvaardigheid voortbrengen,
dewijl namelijk, gelijk God zijn rechtvaardigheid in ons begint door de wedergeboorte des Geestes, alzoo voldoet Hij door vergeving der zonden wat daar ontbreekt, zoodat desniettemin de gansche rechtvaardigheid aan het geloof hangt.
12 En ik wil, dat gij weet, broeders! dat de dingen, die mij geschied zijn, meer tot bevordering des Evangelies gekomen zijn.
13 Zoodat mijne banden in Christus heerlijk geweest zijn in het gansche rechthuis, en in alle andere plaatsen:
14 En velen uit de broederen in den Heere, op mijne banden Ef. s 13. steunende, hebben overvloedig zonder vreeze het woord Gods irhe39-3:3' durven spreken.
15 Sommigen prediken Christus door nijd en twist; sommigen ook door goedwilligheid.
16 Sommigen zeg ik, verkondigen Christus uit twist, onzuiver,
meenende dat zij mijnen banden verdrukking toebrengen.
17 En sommigen uit liefde, wetende dat ik tot bescherming des Evangelies gesteld ben.
12 En ik wil, dat gij weet. Wij bevinden allen in onszelven, hoezeer het vleesch zich pleegt te stooten aan de geringheid des kruises. Wij dulden wel, dat de gekruiste Christus ons gepredikt worde, maar als Hij met zijn kruis verschijnt, zoo vlieden wij, of gruwen er van,
alsof wij door de nieuwheid verslagen waren, en dat niet alleen in onze eigene personen, maar ook in de personen, die ons het Evangelie leeren. Dit kon den Filippensen geschied zijn, dat zij dooide vervolging, die hun apostel leed, wat verslagen waren. En het is waarschijnlijk, dat die booze werklieden, die ook allerlei kleine oorzaken zochten om te schaden, niet afgelaten hebben de ellendigheid van den heiligen man te bespotten, en daaruit zijn Evangelie versmadelijk te maken. En bijaldien zij door dezen weg geen voortgang kregen, zoo konden zij lichtelijk zeggen, dat hij van de gansche wereld gehaat was, en ook mede de Filippensen verschrikken, dat zij niet door ongelukkige gemeenschap, zonder oorzaak grooten nijd op zich haalden bij alle menschen. Want dit zijn de gewone kunsten des duivels. Dit gevaar voorkomt de apostel,
als hij zegt, dat het Evangelie door zijne banden bevorderd is. Zoo is dan het einde van dit verhaal, dat hij den Filippensen moed wil geven, dat zij door zijn vervolging niet afgeschrikt worden.
13 Zoodat mijne banden. In Christus, zegt hij, voor in de zaak van Christus. Want hij geeft te kennen, dat zijn banden heerlijk zijn geweest, om de eere van Christus te bevorderen. Dat het sommigen uitleggen, door Christus, schijnt gedwongen te zijn. En ik heb liever gesteld heerlijk, dan openbaar, als die door hun gerucht het Evangelie hebben ruchtbaar gemaakt, alsof hij zeide: De duivel heeft wel daarnaar gestaan, en de goddeloozen hebben ook gemeend, dat het geschieden zou, dat het Evangelie te niet zou ge-
Dl. iv. s
113
FILIPPENSEN 1 ; 13â16.
maakt worden, maar God heeft des duivels pogen en der boezen h
hoop bedrogen, en dat tweeërlei. Want waar het Evangelie tevoren o
aan velen duister en onbekend was, daar is het bekend geworden, d
en niet alleen dit, maar ook alzoo dat het heerlijk is geworden beide h
in het rechthuis, en voorts in de gansche stad. Door het woord, h waarvoor ik stel rechthuis, versta ik het hof en paleis van den
keizer Nero. d
14 Velen uit de broederen. Door dit voorbeeld worden wij ge- n leerd, dat de kwellingen der heiligen, die zij voor het Evangelie lijden, ons zijn een stof des vertrouwens. Het zou wel een gruwelijk n schouwspel zijn, en eer dienen om ons te doen bezwijken, bijal- n dien wij alleen de wreedheid en razernij der vervolgers zagen. Maar 'V dewijl ook mede de hand des Heeren gezien wordt, die onder de d zwakheid des kruises de zijnen onverwinnelijk maakt en doet tri- 0 umfeeren, zoo moeten wij hierop betrouwende, moediger zijn, het onderpand onzer overwinning nu in den persoon onzer broederen 0 hebbende. De erkenning hiervan moet onze vreeze overwinnen, zoo- d dat wij midden in de gevaren onversaagd overwinnen. v
15 Sommigen prediken. Dit is een andere vrucht der banden van d
Paulus, te weten, dat niet alleen de broederen door zijn voorbeeld tot betrouwen opgewekt werden: sommigen alzoo, dat zij op hunne plaats stonden: sommigen alzoo, dat zij blijmoediger werden om te leeren, maa.r dat ook zij, die hem ongunstig waren, door een andere overweging opgewekt werden om het Evangelie te verkondigen.
16 Sommigen, zeg ik, uit twist. Dit is een verklaring, waardoor hij den voorgaanden zin volkomen uitlegt: want hij verhaalt wederom dat er tweeërlei menschen zijn, die door zijne banden opgewekt worden om Christus te verkondigen. Te weten, dat sommigen gedreven worden door twist, dat is door booze genegenheid: sommigen door godzalige liefde, omdat zij mede begeeren de bescherming des Evangelies op zich te nemen. Hij zegt, dat de eerste Christus onzuiver verkondigen, omdat het geen rechte ijver was.
Want dit betreft niet de leer, wijl het geschieden kan, dat hij, die allerzuiverst leert, nochtans geen oprecht hart hebbe. En dat hij ]
hier spreekt van onzuiverheid des harten, en niet van onzuiverheid, (
die in de leer gezien wordt, kan men uit het verband verstaan. Voorwaar Paulus had niet gaarne gezien, dat het Evangelie vervalscht 1
werd: nochtans zegt hij, dat hij verblijd is om hunne prediking,
die niet eenvoudig noch oprecht was. Maar hier wordt gevraagd, hoe zulke prediking hem hinderlijk kon zijn? Ik antwoord, dat vele oorzaken en gelegenheden ons onbekend zijn, dewijl wij de omstandigheden dier tijden niet weten. Wederom wordt hier gevraagd,
dewijl het Evangelie niet kan verkondigd worden, dan van die het verstaan, door wat oorzaak dezen bewogen zijn geworden om de leer te vervolgen, welke zij goed achtten? Ik antwoord, dat de eergierigheid blind, ja een dol beest is, en dat het daarom geen wonder is, dat valsche broeders uit het Evangelie oorzaak en wapen nemen om de goede en godzalige herders te kwellen. Voorwaar,
Paulus zet hier niets, dat ik zelf niet bevonden heb: want zij leven nog heden, die het Evangelie om geen andere zaak verkondigd hebben, dan opdat zij de godzalige herders vervolgende, der god-deloozen razernij gehoorzaamheid zouden bewijzen. Aangaande de vijanden van Paulus is het nut aan te merken, zoo zij Joden waren.
114
FILIPPENSEN 1 ; 16â19.
hoe uitzinnig hun haat geweest is, zoodat zij ook vergaten om wat oorzaak zij hem haatten. Want als zij zochten hem te verderven, zoo deden zij naarstigheid om het Evangelie te verbreiden, waarom zij hem haatten: doch zij meenden namelijk, dat de zaak van Christus in het hoofd van één mensch stond of viel. En zoo het benijders waren, die door eerzoeking alzoo gedreven werden, zoo moet men de wonderlijke goedheid Gods bekennen, die aan hunne booze genegenheden nochtans zulke uitkomst gegeven heeft.
17 Dat ik tot bescherming. Die Christus waarlijk liefhadden,
meenden dat het hun oneer zou wezen, zoo zij zich niet voegden medegezellen van Paulus te zijn, die Christus' zaak beschermde. Wij behooren alzoo te doen, te weten, den dienaren van Christus die arbeiden, zooveel in ons is, de hand te geven. Merk wederom op deze wijze van spreken, van de bescherming des Evangelies:
want dewijl Christus ons met zulk een eere verwaardigt, wat verontschuldiging zullen wij hebben, zoo wij ons bij zijne tegenstan--ders voegen ? of zoo wij ze door ons zwijgen verraden, wat zullen wij verwachten, anders dan dat hij ook desgelijks onze zaak verlate,
die bij den Vader alleen onze voorspraak of beschermheer is.
18 Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij door oorzaak, hetzij door waarheid, verkondigd, en ik verblijd mij daarin, ja ik zal mij ook verblijden.
19 Want ik weet, dat dit mij tot zaligheid gedijen zal, door uw^Oor. i:ii. gebed en hulp ') des G-eestes van Jezus Christus. J) Grieksch:
20 Naar mijn verwachting en hoop, dat ik in geen ding beschaamd zal worden: maar Christus zal met alle betrouwen gelijk ten allen tijde alzoo ook nu in mijn lichaam grootgemaakt worden, hetzij door leven of door dood.
11 Want Christus is mij gewin, tot sterven en tot leven.
18 Nochtans op allerlei wijze. Dewijl het ongoddelijk gemoed van hen, van wie hij gesproken heeft, de autoriteit der leer kon verminderen: zoo zegt hij dat dit groot te achten is, dat zij nochtans het Evangelie bevorderden, hoedanig ook het gemoed mocht zijn. Want God werkt somtijds een schoon werk door booze en gebrekkelijke instrumenten. Zoo zegt hij dan, dat hij zich over zulke bevordering verblijdt: omdat hij met dit eene tevreden was, zoo hij zag, dat het rijk van Christus toenam; gelijk toen wij hoorden, dat die onreine hond Karei te Avignon en op andere plaatsen, het zaad der reine leer in het hart van vele menschen zaaide, toen dankten wij God,
die dezen zeer boozen en verdorven boef tot zijn eer gebruikte.
En wij verblijden ons heden, dat de loop des Evangelies door velen bevorderd wordt, die nochtans een ander voornemen hebben. En hoewel Paulus zich verblijdde over zulken voortgang des Evangelies,
zoo zou hij nochtans, zoo het in zijn macht geweest ware, nooit zulke dienaars verordend hebben. Zoo moeten wij dan ons verblijden, zoo God door de goddeloozen iets goeds werkt, maar daarom moeten wij ze niet in den dienst stellen, of voor wettige dienaars van Christus achten.
19 Want ik weet, dat. Dewijl sommigen het Evangelie verkondigden Paulus ten spijt, opdat zij de wreedheid der vijanden
115
116 FILIPPENSEN 1: 19, 20.
I' zooveel te meer tegen hem zouden ontsteken, zoo zegt hij met een
i'.- voorkoming, dat hun booze streken hem niet hinderlijk zullen we
zen, maar dat God ze tot een tegenovergesteld einde zal wenden; â lt; alsof hij zeide: Indien die ook mijn verderf zoeken, zoo hoop ik
nochtans, dat al hun arbeid en listen niets anders zullen kunnen uitrichten, dan dat Christus in mij geprezen worde, hetwelk mij zalig is. Want dat hij van de zaligheid des lichaams niet spreekt, 'L is uit de navolgende woorden openbaar. Maar waaruit heeft Paulus
dit betrouwen? te weten, uit wat hij op een andere plaats leert: â Bom. s: 28. dat den waren dienaars van Christus alle dingen ten goede ge
dijen, al is het dat de gansche wereld met den duivel haren overste if eendrachtig hun verderf zoeken. Door uw gebed. Opdat hij ze te
scherper tot bidden opwekke, zoo betuigt hij, dat hij betrouwt, dat de Heere dit door hunne gebeden zal geven; en dit doet hij noch-§'â tans niet geveinsd: want wie zijn hulp stelt in der heiligen gebed,
die steunt op de belofte Gods. Intusschen wordt de onverdiende goedheid Gods niet verkort, waaruit wij het gebed hebben, en wat wij door het gebed verkrijgen. En hulpe. Dat wij niet denken, omdat «â hij deze twee dingen bij elkander stelt, dat zij daarom hetzelfde
zijn, maar de rede moet aldus verklaard worden: Ik weet, dat dit mij tot zaligheid zal gedijen, door de hulp des Geestes, als gij ook met bidden helpt: opdat de hulp des Geestes de werkende oorzaak zij, en het gebed de mindere hulp. Men moet ook de l-:' éirtxopyr eigenaardigheid van het Grieksche woord aanmerken, want het be-
yia. duidt een toediening der dingen, die ons ontbreken, gelijk de Geest â¢ÃC Gods ons alles ingeeft wat ons ontbreekt. En hij zegt: Den Geest
van Jezus Christus, om te kennen te geven, dat Hij ons allen Joh. i: 14. gemeen is, zoo wij Christenen zijn, dewijl Hij met gansche volheid coi. i.i.i, in jjern uitgestort is, om elk lid naar de mate zijner genade uit 3 te deelen, zooveel hun nut is.
20 Naar mijne verwachting. Zoo iemand wil tegenwerpen en vragen: Waarvan hebt gij deze wetenschap? Hij antwoordt uit de hope, want dewijl het zeker is, dat God geenszins onze hope wil bedriegen, zoo moet de hope zelve niet onzeker zijn. Zoo zal dan de godzalige lezer dit woordje naar, naarstig aanmerken, opdat hij aldus bij zichzelven vaststelle: Het is onmogelijk, dat God onze verwachting niet zou voldoen, welke in zijn woord gefundeerd is. Hij heeft beloofd, dat Hij ons nimmer zal verlaten, ook in alle kwellingen, zoo wanneer wij geroepen worden zijnen naam te belijden. Zoo laat dan alle godzaligen hopen naar het voorbeeld van Paulus, en zij zullen niet beschaamd worden. Met alle betrouwen. Wij zien, hoe hij hopende, aan de genegenheden des vleesches niet toegeeft, maar zijn hope aan de belofte Gods onderwerpt. Christus (zegt hij) zal grootgemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door leven of door dood. En als hij bijname het lichaam uitdrukt, zoo geeft hij te kennen, dat hij in den strijd des tegenwoordigen levens niet onzeker is: want hiervan zijn wij van God verzekerd. Daarom, zoo wij ons naar den wil Gods beschikbaar stellen, en wij, datzelfde voornemen, dat Paulus had, ook in ons leven hebbende, gelukkige uitkomst op eenige wijze hopen, zoo moeten wij niet meer vreezen, dat wij eenige tegenspoedige uitkomst zullen hebben. Want zoo wij Hem leven en sterven, zoo zijn wij Zijne, beide in leven en dood, Rom. 14: 8. Hij stelt de wijze, hoe men Christus zal grootmaken.
⢠2
4
V
'p
FILIPPENSEN 1 : 20â23.
te weten, in volkomen vertrouwen: waaruit volgt, dat Hij door onze schuld veranderd en verkleind wordt, zooveel in ons is, als wij door vreeze verflauwen. Schamen zich dan die niet, die de versaagdheid in de belijdenis der waarheid, een kleine zonde achten te zijn? Maar hoe zouden zij zich schamen, dewijl zij zoo onbeschaamd zijn, dat zij ook zelfs de verloochening durven verontschuldigen ? Hij stelt daarbij: Gelijk ten allen tijde, opdat zij door de verleden ervaring der genade Gods, hun geloof bevestigen. Al-zoo zegt hij, Rom. 5; 4: De bevinding werkt hope.
21 Want Christus is mij. Tot nu toe hebben de overzetters naar mijn oordeel deze plaats kwalijk overgezet: want zij onderscheiden ze alzoo, dat het leven en de dood voor Paulus gewin is geweest; maar ik stel de woorden alzoo, dat het Christus is, waarvan gesproken wordt, dat Hij beide in leven en in dood gewin is. Want het is bij de Grieken algemeen, het woord tot, stilzwijgend daarbij te verstaan. En deze zin is niet alleen minder gedwongen, maar komt ook beter overeen met den naasten zin, en vervat vol-komener leer. Hij zegt, dat het hem evenveel en even lief is, dat hij leve of sterve, dewijl hij Christus hebbende, deze beide dingen tot gewin rekent. En het is voorwaar Christus alleen, die ons beide in leven en in sterven gelukkig maakt: anders is de dood ellendig, en het leven ongelukkig, zoodat niet licht is te beslissen, of buiten Christus het sterven nuttiger is dan het leven. Wederom, als wij Christus hebben, zoo zal Hij ons leven en onzen dood zegenen, dat zij beide ons gelukkig en te begeeren zijn.
22 Zoo te leven in het vleesch mij nut is: zoo weet ik nog niet wat ik zal kiezen.
23 Want ik word van deze twee benauwd, begeerende ontbonden te worden, en met Christus te zijn: want dat is mij veel beter.
24 Doch in het vleescli te blijven is noodiger om uwentwil.
25 En hierop betrouwende, weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen volharden, tot uwen voortgang en blijdschap des geloofs.
26 Opdat uw roem van mij in Christus Jezus overvloedig zij, door mijn wederkomst tot u.
22 Zoo te leven. Gelijk wanhopige menschen bedwelmd en verslagen zijn, of zij in ellendigheden het leven zich langer moeten laten, of hunne zwarigheden met den dood eindigen: alzoo zegt Paulus daarentegen, dat hij welgemoed en bereid is, zoowel tot sterven als tot leven, dewijl het beide den geloovigen zalig is, zoodat hij twijfelt wat hij moet kiezen. Zoo het mij nut is, dat is, zoo it grooter vrucht heb van leven dan van sterven, ik zie niet wat ik 't liefst moet verkiezen. Leven in het vleesch. heeft hij bij verachting gesteld, uit vergelijking met een beter leven.
23 Want ik word benauwd. Paulus begeerde om geen ander loon te leven, dan om de heerlijkheid van Christus te dienen, en den broederen bevorderlijk te zijn. Daarom acht hij geen andere nuttigheid in het leven, dan der broederen zaligheid. Maar voor zichzelven bekent hij het beter te zijn spoedig te sterven, want hij zou met Christus zijn. In deze verkiezing bewijst hij, met wat groote liefde hij ontstoken is. Hier wordt niet gesproken van aardsche nuttigheid, maar van geestelijk goed, hetwelk de godzaligen terecht
117
FILIPPENSEN 1 : 23â25.
behooren te begeeren. Nochtans Paulus, alsof hij zichzelven ver- v geten had, houdt zich niet alzoo, dat hij niet meer tot zijn welzijn ti dan tot dat der Filippensen genegen is, maar besluit in 't einde, e dat hun welvaart in zijn hart het overwicht heeft. Dit is waarlijk h Christus leven en sterven, als wij onszelven vergetende, bewogen en \\ gedreven worden waar Christus ons henen roept. Begeerende ontbonden te worden en met Christus te zijn. Deze twee dingen i' moet men te zamen lezen: want de dood op zichzelven zal nimmer i 1: begeerd worden, want zulke begeerte strijdt tegen het gevoel der c natuur, maar wordt begeerd om oorzaak, of om een ander einde. v De vertwijfelde menschen zoeken hem uit verdriet des levens, de e geloovigen loopen gaarne daartoe, omdat hij een verlossing van ï den dienst der zonde is, en een doorgang tot het rijk der hemelen. % Dit is het wat Paulus nu zegt: Ik begeer te sterven, want alzoo c zal ik komen tot de vereeniging met Christus. Intusschen houden lt; de geloovigen niet op voor den dood te vreezen: doch als zij hunne 1
oogen wenden tot dat leven, dat na den dood volgt, zoo overwinnen zij lichtelijk de vreeze door dezen troost. Voorwaar, zoo wie in Christus gelooft, die moet alzoo bemoedigd zijn, dat hij in de vermelding des doods zijn hoofd opheffe, verblijd zijnde om de boodschap zijner verlossing. Waaruit het openbaar is, hoe velen daar zijn, die niet meer Christendom hebben dan den naam: dewijl het meeste deel, als zij het woord dood hooren, niet alleen verschrikken, maar ook bijna bezwijken, alsof zij nog nooit een woord van Christus gehoord hadden. O goede conscientie, hoe groot is uw kracht en vermogen! Nu, het fundament der goede conscientie is het geloof, ja het is de goedheid der conscientie zelve. Ontbonden te worden. Deze wijze van spreken is aan te merken. De onheilige menschen noemen den dood een uitroeiing des menschen, alsof hij geheel verdierf: maar Paulus vermaant ons hier, dat de dood een ontbinding of loslating der ziel is van het lichaam: en dit heeft hij terstond daarna beter uitgedrukt, zeggende tot wat staat de geloovigen na den dood komen, te weten, dat zij met Christus wonen. Wij zijn met Christus ook in dit leven, zoover het rijk Gods binnen Matt. 28:20. ons is, en Christus in ons woont door het geloof, en Hij beloofd heeft bij ons te zijn tot het einde der wereld. Maar deze tegenwoordigheid genieten wij alleen door de hope. Daarom, zooveel ons gevoelen aangaat, worden wij gezegd van Hem uit te wonen, 2 Cor. 5 : 6. Deze plaats dient om de razernij van die menschen te wederleggen, die droomen dat de zielen, van de lichamen gescheiden zijnde, slapen; want Paulus betuigt openlijk, dat wij Christus' tegenwoordigheid genieten, als wij ontbonden worden.
25 En hierop betrouwende. Dewijl het ongerijmd zou schijnen, dat men zou zeggen, dat de apostel zijn verwachting niet verkregen had, zoo meenen sommigen, dat hij daarna uit de gevangenis is verlost geweest, en vele landen doorkruist heeft: maar zij vreezen dit tevergeefs. Want de heiligen plegen hun hope uit het woord Gods te matigen, zoodat zij niet meer in hun gemoed voornemen dan God beloofd heeft. Alzoo, waar zij een zeker getuigenis van den wil Gods hebben, daar steunen zij ook op een vaste overtuiging, die geen twijfeling toelaat: gelijk van gedurige vergeving der zonden, van de hulp des Geestes tot de genade der eindelijke volharding (gelijk men die noemt), van de wederopstanding des
118
FILIPPENSEN 1 : 25â27.
vleesches. Zoo was ook de zekerheid der profeten van hun profetieën. In andere dingen hopen zij niet anders dan met voorwaarden, en daarom onderwerpen zij al hunne uitkomsten aan de voorzienigheid Gods, aan Wien zij toekennen scherper te zien dan zij. Het woord blijven, beduidt hier eenigen tijd, en volharden, langen tijd.
26 Opdat uw roem. Dat sommigen zeggen: Door Christus, prijs
ik niet, want in Christus is gesteld voor naar Christus of Christe- Jer. 9:23. lijk, om een heilige wijze des roenis aan te duiden. Want anders wordt j^eg1^!;17' ons geboden in God alleen te roemen. Daarom hadden de kwaadwilligen Paulus kunnen tegenwerpen: Hoe is het den Filippensen geoorloofd van u te roemen? Deze beschuldiging voorkomt hij, als hij zegt, dat zij zulks zullen doen naar Christus, te weten, roemende van den dienstknecht van Christus tot Gods eer: en dat meer ziende op de leer van den mensch, en dat tegen de valsche apostelen,
gelijk David van zijne rechtvaardigheden roemt, zich met de huichelaars vergelijkende.
27 Alleenlijk wandelt, gelijk het 't Evangelie betaamt: opdat ik,
hetzij dat ik komende u zie, of afwezende, van u hoor, dat gij staat in éénen geest, één ziel, medestrijdende door het geloof des Evangelies;
28 En weest in geen ding verschrikt van de tegenstanders: hetwelk hun een bewijs des verderfs is, maar u der zaligheid,
en dat van God.
29 Want u is het gegeven voor Christus niet alleen in Hem te gelooven, maar ook voor Hem te lijden.
30 Denzelfden strijd hebbende, dien gij gezien hebt in mij, en nu van mij hoort.
27 Alleenlijk wandelt. Deze wijze van spreken gebruiken wij, wanneer wij een nieuwe rede willen beginnen: alzoo is het hier zooveel alsof hij gezegd had: Aangaande mij doe de Heere zijn wil,
maar gij wandelt, enz. Het ga met mij alzoo het wil, maar gaat gij desniettemin voort in den rechten loop. Als hij zegt, dat een zuivere en eerlijke wandel aan het Evangelie betaamt, zoo geeft hij daarentegen te kennen, dat die het Evangelie onrecht doen, die anders leven. Opdat ik, hetzij. Dit is de zin: Hetzij dat ik kome en u zie, of afwezende van uwen stand hoorende, dat ik beiderlei wijze zoowel door tegenwoordig aanschouwen, als door boden, kan verstaan, dat gij staat in één geest. Maar men moet niet zeer arbeiden in de woorden, wanneer men zeker is van den zin. Dat gij staat in één geest. Dit is een van de voornaamste deugden der gemeente, en daarom is dit het eenige middel om de welvaart te onderhouden, dewijl zij door tweedracht vervalt. En hoewel Paulus door deze remedie de nieuwe en vreemde leeringen heeft willen wederstaan, zoo eischt hij nochtans tweeërlei eenigheid, te weten, des geestes en der ziel: gelijk het voornaamste is, dat wij onder ons eenerlei gevoelen hebben, daarna ook dat wij eendrachtig zijn.
Want als deze twee woorden bij elkander gesteld worden, zoo beduidt de geest het verstand, eii de ziel den wil. Nu, de eendrachtigheid des verstands is eerst, daarna vloeit daaruit de vereeniging der willen. Medestrijdende door het geloof. Dit is een zeer sterke band der eendrachtigheid, als wij te zamen onder hetzelfde vaandel
119
i 120 FILIPPENSEN 1 ; 27, 28.
j- moeten strijden; want deze gelegenheid heeft dikwijls ook de zeer
groote vijanden vereenigd. Daarom, opdat hij de eenigheid onder â 'de Filippensen te beter bevestige, zoo vermaant hij ze, dat zij zijn krijgsgezellen, die een gemeen vijand en een gemeen krijg hebbende, hunne harten tot een heilige samenbinding behooren te vereenigen, 'ij De Grieksche wijze van spreken, die Paulus gebruikt heeft, is twij
felachtig; daarom heeft het de oude overzetter overgezet: Mede arbeidende met het geloof.. En Erasmus: Het geloof helpende, .f.; alsof zij naar hun vermogen het geloof hulp deden. Maar ik twijfel
amp; niet, dat de zin des apostels zoo is; Het geloof des Evangelies
{f. vereenige u voornamelijk, dewijl het u een gemeen wapen is tegen
denzelfden vijand. Ten eerste weet een iegelijk hoe krachtig een opwekking dit is tot eenigheid, als men te zamen moet strijden; p ten andere weten wij, dat wij in den geestelijken krijg met dit
Sr schild des geloofs gewapend worden, om den vijand te wederstaan.
i Joh. 5;i. Ja, het geloof is onze volkomene wapening en onze overwinning.
Hij heeft ook dit stuk daarom daarbij gesteld, om het einde der godzalige wandeling te kennen te geven. De goddeloozen rotten ook te zamen tot kwaad, maar hun eendrachtigheid is vervloekt: zoo laat ons dan eendrachtig strijden onder het vaandel des geloofs.
28 En weest in geen ding verschrikt. Het tweede, dat hij den Filippensen beveelt, is sterkte des gemoeds, opdat zij niet verstoord ' worden door de razernij der tegenstanders. Daar waren toen bijna
alom zeer wreede vervolgingen, want de duivel gebruikte al zijn macht, om de beginselen des Evangelies te verhinderen, en hoe ;|- krachtiger Christus de genade zijns Geestes bewees, zooveel te
1 sterker raasde de duivel. Zoo gebiedt hij dan den Filippensen, dat
zij onversaagd staan, en niet verstoord worden. Hetwelk hun een bewijs is. Dit is de eigen beteekenis van het Grieksche woord, en die dat overgezet heeft door oorzaak, die zijn door niets daartoe gedwongen geweest. Want als de goddeloozen tegen den Heere strijden, zoo vertoonen zij nu zooveel als een voorspel van hun verderf; en hoe wreeder zij de godzaligen overvallen, zooveel te meer bereiden zij zich tot verderf. Voorwaar, de Schrift leert nergens, dat de verdrukkingen, die de heiligen van de goddeloozen lijden, oorzaak zijn hunner zaligheid. Maar een bewijs of argument wordt het ergens van Paulus genoemd, 2 Thess. 1 :5. Zoo is dan dit een bijzondere vertroosting, dat wij, als wij van de tegenstanders gezocht en gekweld worden, een bewijs hebben onzer zaligheid. Want de vervolgingen zijn den kinderen Gods als zegelen der aanneming tot kinderen, zoo wij ze sterk en met goeden moed dragen: en de .;i goddeloozen geven een bewijs hunner verdoemenis, omdat zij zich
1 Petr. 2:s. stooten aan den steen, door welken zij vermorzeld worden. En dat van God. Dit wordt verstaan van het laatste stuk, opdat de bitterheid des kruises door den smaak der genade Gods verzoet worde, ï' Natuurlijk zal niemand in het kruis een teeken of bewijs zijner
zaligheid vatten: want het zijn dingen naar den schijn tegengesteld. Daarom roept Paulus de Filippensen op tot een andere overweging, te weten, dat God door zijn zegen dat wendt tot oorzaak der zaligheid, waardoor wij anders schijnen ellendig te zijn. Dit bewijst hij, omdat de verdraagzaamheid des kruises een gave Gods is. Nu is het zeker, dat al de gaven Gods ons zalig zijn. U, zegt hij, is het gegeven, niet alleen in Christus te gelooven, maar ook voor
M'
lt;
FILIPPENSEN 1 : 28â30.
Hem te lijden. Zoo dan, het lijden zelf is u een getuigenis der genade Gods: en dewijl het alzoo is, zoo hebt gij hieruit een bewijs der zaligheid. Och, of deze zekerheid ganschelijk in onze harten geworteld ware, dat men de vervolgingen onder de weldaden Gods moest rekenen, hoe grooten voortgang zouden wij in de godzaligheid gemaakt hebben! En wat kan daar nochtans zekerder zijn, dan dat het een uitnemende verwaardiging der goddelijke genade is, dat wij voor zijn naam versmaadheid, of gevangenissen, of zwarigheden, of pijnen, of eindelijk den dood lijden. Want dan versiert Hij ons met zijne teekenen. Maar men zal er meer vinden, die tevreden zijn, dat God met zulke gaven henenga, dan die het kruis met dankbaar gemoed zullen ontvangen. Daarom, wee onze onverstandigheid !
29 Opdat gjj gelooft. Hij heeft wijselijk het geloof met een on-afscheidelijken band aan het kruis gebonden, opdat de Filippensen weten, dat zij met deze voorwaarde tot het geloof van Christus zijn geroepen, dat zij om zijnen naam vervolging zullen lijden; alsof hij zeide, dat hun aanneming niet meer kan gescheiden worden van het kruis, dan Christus van Zichzelven kan afgescheurd worden. Hier betuigt Paulus klaarlijk, dat beide het geloof en de standvastigheid in het verdragen der vervolgingen een onverdiende gave Gods is. En voorwaar de kennis Gods is een hooger wijsheid, dan dat wij door eigen scherpzinnigheid daartoe zouden kunnen komen; en onze zwakheid vertoont zich in dagelijksche bevindingen, als God een weinig zijn hand aftrekt. Nochtans, opdat hij te beter uitdrukke, dat het beide onverdiende gaven zijn, zoo zegt hij bij name, dat het om Christus' wil gegeven is: waarmede hij alle aanzien der verdienste uitsluit. Deze plaats strijdt ook tegen de leer der Scholastieken, dat de laatste genaden loonen onzer verdienste zijn, omdat wij de eerste wel gebruikt hebben. Ik ontken niet, dat God het rechte gebruik zijner gaven in ons vergeldt met meerdere gaven, zooverre men geen verdienste stelt tegen zijn onverdiende mildheid, en tegen de verdienste van Christus, gelijk zij doen.
30 Denzelfden strijd hebbende. Hij bevestigt ook door zijn voorbeeld wat hij gezegd heeft; hetwelk geen kleine autoriteit geeft aan de leer; en vermaant ook daarmede, dat zij geen oorzaak hebben om door zijn banden verstoord te worden, het einde des strijds aanziende.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 Zoo dan, indien er eenige ') vertroosting is in Christus, zoo er of, verma-eenige troost der liefde, zoo er eenige gemeenschap des Geestes, nmgquot;
zoo er eenige bewegingen en ontfermingen zijn:
2 Vervult mijne blijdschap, dat gij eenerlei gezind zijt, dezelfde Rom. 12:16; liefde hebbende, eenvoudig, eenerlei gevoelende. i5cor i-io
3 Doet geen ding door twist of ijdele eer, maar door ootmoedig- 3; i6: heid achte de een den ander hooger dan zichzelven. Kom. 12:10!
4 Een iegelijk aanmerke niet wat zijne is, maar een iegelijk wat } âI'etr- 5 :5-eens anders is. ' ïaTs :
121
FÃLIPPENSEN 2 : 1, 2.
i r~Foo dan, indien er. Deze vermaning is vol krachtige bewe-
/ gingen, in welke hij alleszins den Filippensen bidt, dat zij on-'derlinge eendrachtigheid met elkander houden, opdat zij niet in de bedriegerij der valsche apostelen vallen, zoo zij door onderlinge twisting verscheurd worden. Want in tweedrachtigheid is altijd den duivel een deur geopend om goddelooze leer te zaaien, om welke te wederstaan, de eendracht een zeer goed wapen is. Dewijl het Grieksche woord, dat wij overgezet hebben vertroosting, ook dikmaals genomen wordt voor vermaning, zoo kan dit eerste aldus overgezet worden: Zoo de vermaning eenige kracht bij u heeft, die uit naam en op bevel van Christus geschiedt. Nochtans past de andere gin beter in het verband: Zoo er eenige vertroosting van Christus bij u is, waardoor gij mijne droefheden moogt verzoeten, en zoo gij eenigen troost en verlichting wilt doen, hetwelk gij voorwaar schuldig zijt uit de liefde, zoo gij denkt op dc gemeenschap des Geestes, welke ons allen één moet maken: zoo daar eenig gevoelen der barmhartigheid en beleefdheid in u is, waardoor gij moogt bewogen worden om mijne ellendigheden te verlichten, zoo vervult mijn blijdschap, enz. Hieruit verstaan wij wat groot goed in de gemeente de eenigheid is, en met wat groote naarstigheid de herders dezelve behooren te bezorgen. En men moet ook mede aanmerken, hoe hij zich vernedert, ootmoedig hun barmhartigheid be-geerende, die nochtans van hen als van zijne kinderen eerbied had kunnen eischen. Hij weet wel te gebieden, wanneer het noodig is. Nu wil hij liever bidden, omdat hij wist, dat het bidden bekwamer was, om de genegenheden te doordringen, en dewijl hij wist, dat hij handelde met die leerzaam en gehoorzaam waren. Alzoo moet een herder niet weigeren, allerlei gestalte aan te nemen om der gemeente wil.
2 Vervult myne blijdschap. Hier kan men ook zien, hoe weinig hij voor zichzelven zorgde, zoo het maar welging met de gemeente van Christus. Hij was in gevangenis besloten, en met ketenen gebonden, ter dood veroordeeld, alle pijnigingen waren voor oogen, de scherprechter was voorhanden: nochtans werd hij door al deze dingen niet verhinderd volkomen blijdschap te hebben, zoo hij ziet, dat het met de gemeenten welgaat. En in den gelukkigen stand der gemeente acht hij dit het voornaamste, zoo er broederlijke een-Ps. 137; c. drachtigheid en eenerlei gevoelen regeert. Alzoo leert ook de psalm, dat de gedachtenis aan Jeruzalem het hoogste onzer blijdschap is. Zoo dit Paulus een vervulling der blijdschap was, zoo zouden de Filippensen zeer wreed zijn, zoo zij onder elkander twistende, het hart van den heiligen man met dubbele droefheid kwelden. Dat gij eenerlei gezind zijt. Hij wil zeggen in één woord, dat zij te zamen in zin en wil vereenigd zouden zijn. Want hij stelt eenerlei gevoelen in de leer en onderlinge liefde, daarna datzelve herhalende (naar mijn oordeel) gebiedt hij ze eendrachtig te zijn, en eenerlei gevoelen te hebben. Het woordje eenerlei, beduidt, dat zij zich tot elkander moesten voegen. Zoo dan, het begin der liefde is, dat zij eenerlei gevoelen hebben: maar dit is niet genoeg, tenzij de harten zich samen tot onderlinge liefde vereenigen. Hoewel, het zou niet ongeschikt zijn, dat men het aldus overzette; Opdat gij van eenerlei gedachte zijt, onderlinge liefde te hebben, eenvoudig te zijn, en van eenerlei gevoelen te zijn. Want de deelwoorden worden dikmaals
122
FILIPPENSEN 2:2â4.
gesteld voor onbepaalde wijzen. Nochtans heb ik gevolgd, wat scheen minst gedwongen te zijn.
3 Doet geen ding door twist. Deze twee dingen zijn zeer schadelijk, om den vrede der gemeente te verstoren. Daar wordt twist verwekt, wanneer een iegelijk hardnekkiglijk zijn gevoelen wil beschermen : en wanneer de twist eenmaal is ontstoken, zoo vaart hij haastig voort zonder wederhouden in den weg, waarin hij gekomen is. En de ijdele eer kittelt de harten, dat aan een iegelijk zijne eigene vonden behagen. Zoo is dan dit het eenige middel om tweedracht te verhinderen, zoo wij liefelijk raadslagen en handelende,
twist vlieden, voornamelijk zoo wij niet gedreven worden door eer-zoeking: want eerzoeking is een blaasbalk, die alle twistingen ontsteekt. IJdele eer, beduidt allerlei roem des vleesches. Want wat hebben de menschen, waarover zij bij zich kunnen roemen, dan ijdelheid? Maar door ootmoedigheid. Tegen beide krankheden stelt hij een remedie, te weten, ootmoedigheid: en terecht, want zij is een moeder der zedigheid, waardoor het geschiedt, dat wij ons recht verlaten, en anderen toegeven, en niet lichtelijk beroerte maken. Voorts beschrijft hij, welke de waarachtige ootmoedigheid is, te weten, als de een den ander boven zich stelt. En zoo in het gansche leven iets zwaar is om te doen, zoo is het dit voornamelijk.
Zoo is het dan geen wonder, dat deze deugd ootmoedigheid zoo zelden gevonden wordt. Want gelijk daar een zegt: Een iegelijk heeft in zich eens konings gemoed, alles zichzelven toeschrijvende.
Zie hier hoovaardigheid. Daarna uit dwaze verheffing van onszelven,
komt verachting der broederen. En wij zijn zoover van wat Paulus hier gebiedt, dat nauwelijks iemand wil dulden, dat een ander hem gelijk is. Want een iegelijk begeert de hoogste te zijn. Maar hier wordt gevraagd, hoe het kan geschieden, dat die in der waarheid uitsteekt boven anderen, zou achten, dat die uitsteken boven hem,
die hij ziet verre onder hem te zijn. Ik antwoord, dat dit geheel gelegen is in de waardeering der gaven Gods, en onzer zwakheden.
Want hoe uitnemende gaven iemand mag hebben, zoo moet hij nochtans bedenken, dat zij hem niet daartoe gegeven zijn, opdat hij zichzelven behage, zich verheffe of ook in waarde houde. Wederom moet hij zichzelven oefenen in het onderzoeken en bekennen zijner gebreken, en zal alzoo groote oorzaak tot ootmoedigheid hebben. Wederom zal hij alle deugden eeren, die in anderen zijn;
de feilen en gebreken zal hij door de liefde begraven. Zoo wie dezen regel zal houden, die zal zonder zwarigheid anderen boven zichzelven stellen. En dit heeft Paulus ook willen zeggen, als hij daarbij gesteld heeft, dat een iegelijk geen zorg moet dragen voor zichzelven, maar voor zijn naaste: of dat niemand aan zichzelven is overgegeven. Zoo kan het dan geschieden, dat een godzalig mensch,
al is het dat hij zichzelven weet uitnemender te zijn, nochtans anderen meer zal achten.
5 Dat dit gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was: 1 Petr. 2:21.
6 Die, toen Hij in de gestalte Gods was, het geen roof geaclit
had Gode gelijk te zijn: Hebr. i: 3.
7 Maar heeft Zichzelven verijdeld, de gestaltenis eens dienst-
knechts aannemende, in gelijkheid der menschen geworden, joh. w: u!'
en in de gedaante gevonden als een mensch,
123
FILIPPENSEN 2:5, 6.
Hebr. 2:9; 8 Hij heeft, zeg ik, Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden
12:2.
tot den dood, ja tot den dood des kruises.
Hand. 2:33. 9 Daarom heeft God Hem ook hoogelijk verheven, en Hem een
Hebr. 1:3.
naam gegeven, die boven allen naam is:
Jes. 46:23. 10 Opdat in den naam van Jezus alle knie zich huige dergenen,
Rom. 14:11.
die in den hemel, op de aarde, en in de hel zijn.
Joh. I3:is. 11 En dat alle tong belijde, dat Jezus is de Heere, tot heerlijk-
i2-30r 8:6; heid Gods des Vaders.
5 Dat dit gevoelen. Die ootmoedigheid, waartoe hij ze met woorden vermaand had, prijst hij nu door het voorbeeld van Christus. En daar zijn twee stukken; in het eerste verwekt hij ons om Christus na te volgen, opdat Hij een regel des levens is; in het tweede lokt hij ons, omdat dit de weg is, waardoor men tot de waarachtige heerlijkheid komt. Zoo gebiedt hij dan een iegelijk diezelfde genegenheid te hebben, die in Christus was. Daarna verklaart hij hoedanig een voorbeeld der ootmoedigheid ons in Christus voorgesteld is.
6 Die, toen Hij in de gestaltenis Gods. Dit is geen vergelijking van gelijke dingen, maar van meerdere met mindere. De ootmoedigheid van Christus was Zichzelven uit de hoogste heerlijkheid neder-werpen tot de allergrootste versmaadheid: maar onze ootmoedigheid is, onszelven door geen valschen waan verheffen. Christus is van zijn recht afgeweken: van ons wordt alleen begeerd, dat wij niet meer onszelven toeschrijven dan het betaamt. Zoo begint hij dan hiervan, dat Christus, toen Hij in de gestalte Gods was, Zich niet ongeoorloofd geacht heeft, in dezelfde gestalte zich te dragen, maar Hij heeft Zichzelven verijdeld. Dewijl dan de Zoon Gods uit zulke groote hoogheid is gedaald, wat groote ongeschiktheid is het, dat wij die niets zijn, door hoovaardigheid zouden verheven worden? Gestalte Gods, beduidt hier majesteit. Want gelijk de mensch bekend wordt uit het aanzien zijner gestalte, alzoo ook de majesteit, die in God haren schijn geeft, is zijn gedaante. Of zoo gij een bekwamer gelijkenis begeert: De gestalte des konings is zijn pracht en sierlijkheid, die den koning beduidt, gelijk de schepter, de kroon, de koninklijke mantel, de hellebaardiers, de rechtstoel, en andere heerlijke teekenen des rijks. De gestalte van een raadsheer te Rome was de toga, het opperkleed, het kleed pretexta genoemd, de ivoren stoel, de scherprechters met de roeden en bijlen. Zoo was dan Christus vóór de schepping der wereld in de gestalte Gods: want Hij had zijn heerlijkheid bij den Vader van den beginne aan, gelijk Johannes zegt, hfdst. 17 : 5. Want in de wijsheid Gods, eer Hij ons vleesch aannam, was niets nederigs noch verwerpelijks, maar zulke grootheid als Code waardig is. Dewijl Hij zoodanig was, zoo kon Hij zonder onrecht Zich betoonen gelijk God: doch Hij openbaarde niet wat Hij was, en heeft niet openlijk voor der menschen oogen aangenomen, dat naar recht zijne was. Had het geen roof geacht. Het was geen onrecht geweest, zoo Hij evenals God verschenen was; want wat hij zegt: Hij had het niet geacht, dat is zooveel alsof hij gezegd had; Hij wist wel, dat het Hem vrij en geoorloofd was, opdat wij weten, dat het een gewillige vernedering geweest is, en niet gedwongen. Men heeft het steeds overgezet: Hij heeft het geen roof geacht, doch het verband eischt, dat
124
FILIPPENSEN 1 : 6, 7.
wij het aldus overzetten: Hij had het niet geacht. En het is bij Paulus gebruikelijk genoeg den eenen vorm van het werkwoord voor den anderen te stellen, bijv. Rom. Q: 3: Ik begeerde,
voor: Ik zou begeeren, en 1 Cor. 2:8: Want hadden zij Hem gekend, voor: Want zouden zij Hem gekend hebben, enz. Ieder ziet wel, dat Paulus dusver van de heerlijkheid van Christus handelt,
welke dient om zijn vernedering te verheffen: zoo verhaalt hij dan niet wat Christus gedaan heeft, maar wat Hem geoorloofd was te doen. Voorts, zoo wie niet ziet, dat in deze woorden de eeuwige Godheid van Christus klaarlijk bevestigd wordt, die is geheel blind.
Erasmus heeft ook niet eerlijk genoeg gehandeld, die deze plaats en andere dergelijke gezocht heeft door zijne beuzelingen te wederleggen. Hij bekent wel alom, dat Christus God is, maar wat helpt mij zijn rechtzinnige belijdenis, zoo mijn geloof op geen gezag der Schrift steunt. Ik beken wel, dat Paulus het Goddelijke wezen van Christus niet meldt, maar daaruit volgt niet, dat deze plaats niet genoegzaam is, om der Arianen goddeloosheid te wederleggen, die dichtten, dat Christus een geschapen God, en minder dan de Vader was, en loochenden, dat Hij van dezelfde substantie was. Want waar is gelijkheid met God zonder roof, dan in het eenige wezen Gods?
Wrant dezelfde God blijft altijd, die door Jesaja roept: Ik leef en Jes. 48:ii. zal mijn heerlijkheid geen ander geven. Het woord gestalte, beduidt een gedaante of een schijn, gelijk men gemeenlijk zegt. Ik beken dat ook, maar zal ook buiten God zulke gestalte gevonden worden, die niet kan bedriegen noch liegen ? Daarom, gelijk God uit zijne deugden bekend wordt, en zijn werken getuigenissen zijn zijner eeuwige godheid, Rom. 1 :20, alzoo wordt het Goddelijke wezen van Christus behoorlijk bewezen uit de majesteit van Christus,
welke Hij even gelijk met den Vader had, eer Hij Zich vernederde. Voorwaar, mij zullen zelfs al de duivelen deze plaats niet ontnemen,
want in God is een zeer vaste sluitrede, van de heerlijkheid tot het wezen: welke twee dingen onafscheidenlijk zijn.
7 Heeft Zichzelven verijdeld. Deze verijdeling of ledigmaking is dezelfde met vernedering, waarvan wij straks zullen spreken.
Maar deze wijze van spreken is krachtiger gezegd voor: Teniet gemaakt worden. Christus heeft wel zijn Godheid niet kunnen afleggen, maar heeft ze voor een tijd verborgen gehouden, dat zij onder de zwakheid des vleesches niet verscheen. Zoo dan. Hij heeft zijn heerlijkheid voor der menschen oogen afgelegd, dezelve niet verminderende, maar verbergende. Er wordt gevraagd, of Hij dat gedaan heeft, zooverre Hij een mensch was? Erasmus zegt; Ja.
Maar waar was de gestalte Gods, eer Hij mensch was? Zoo moet men dan verstaan, dat Paulus van den ganschen Christus spreekt,
gelijk Hij God is in het vleesch geopenbaard, en dat nochtans deze iTim. 3:16. verijdeling alleen de menschheid toekomt, gelijk wanneer ik aldus van den mensch sprak: Dewijl de mensch sterfelijk is, zoo is die al te plomp, die niets bedenkt dan de wereld: ik versta dan wel den ganschen mensch, nochtans wil ik daarmede de sterfelijkheid alleen aan het eene deel des menschen toeschrijven, dat is aan zijn lichaam. Dewijl dan de persoon van Christus e'én is uit twee naturen, zoo zegt Paulus terecht, dat Hij die Gods Zoon was, inderdaad Gode gelijk, Zich nochtans van zijn heerlijkheid heeft onthouden, toen Hij in het vleesch de gestalte eens dienstknechts
125
I
126 FILIPPENSEN 2 : 7, 8.
droeg. Daar wordt ook ten tweede gevraagd, hoe Hij gezegd wordt verijdeld te zijn, dewijl Hij nochtans altijd door wonderen en krachten Zichzelven bewezen heeft Gods Zoon te zijn, en van welken joh. 1:14. Johannes getuigt, dat altijd een heerlijkheid, die den Zone Gods waardig was, in Hem gezien geweest is. Ik antwoord, dat de ge-Matt. 17:8. ringheid des vleesches desniettemin als een deksel is geweest, waarmede de Goddelijke majesteit gedekt werd. Daarom heeft Hij zijn transfiguratie niet willen laten openbaren, eer Hij wederopgestaan was, en toen Hij gevoelde, dat de ure des doods nabij was, zeide joh. i7:i. Hij: Vader, verheerlijk uwen Zoon! Daarom zegt Paulus ergens, dat gï Rom' 1:é' Hij is verklaard geweest de Zoon Gods door zijn wederopstanding.
2 cor. 13:4. Insgelijks op een andere plaats, dat Hij geleden heeft uit zwakheid P des vleesches. Eindelijk, het beeld Gods is alzoo in Christus ver
schenen, dat Hij nochtans naar het uitwendige aanzien verwerpelijk, en naar der menschen meening teniet gemaakt was; want Hij droeg de gestalte eens dienstknechts, en heeft onze natuur op zulke conditie aangenomen, dat Hij daarin een dienstknecht des Vaders, ja Rom. 15:8. ook der menschen zou zijn. Want Paulus noemt Hem een dienaar Matt. 20:28. der besnijdenis; en Hij betuigt zelve van Zich, dat Hij is gekomen Jes. 42;i. om te dienen. En lang tevoren was ditzelfde van Jesaja voorzegd: Ziet mijn knecht, enz. In gelijkheid der menschen. Paulus beduidt, dat Hij is gesteld geworden gelijk andere menschen, zoodat Hij ook ' :;è zelfs naar den schijn of gedaante niet verschilde van den gemeenen
staat der menschen. De Marcionieten hebben deze getuigenissen misbruikt, om hun gedichtsel, dat zij gedroomd hadden te bevesti-k'I;- gen: maar zij kunnen lichtelijk wederlegd worden, want Paulus
handelt hier niet anders., dan hoe Christus Zich gedragen heeft, of in wat staat Hij in de wereld verkeerd heeft. Zoo daar een waar mensch ware, en zich openbaarde, alsof hij van andere menschen onderscheiden was, die zal niet geacht worden den anderen gelijk te zijn. Paulus zegt, dat dit niet in Christus is gevonden geweest, maar dat Hij Zich alzoo gedragen heeft, dat Hij een mensch gelijk anderen bevonden werd, en nochtans was Hij veelmeer dan een .â¢/; mensch, hoewel Hij een waarachtig mensch was. Zoo handelen dan
^ de Marcionieten veel te kinderachtig, die uit de gelijkheid van den
staat een bewijs maakten, om de waarheid der natuur te loochenen. Het woord gevonden, beduidt hier bekend of gezien. Want hij spreekt van de achting of waardeering, gelijk gezegd is. Dat is, gelijk Hij tevoren gezegd heeft, dat Hij in der waarheid God was, den Vader gelijk, alzoo verhaalt hij hier, dat Hij is geacht geworden gelijk een gewoon en verworpen mensch. Doch men moet altijd herhalen, wat wij boven gezegd hebben, te weten, dat het een gewillige onderwerping is geweest.
8 Gehoorzaam geworden. Dit was nu een groote vernedering, dat de Heere Zich tot een dienstknecht maakte: maar hij zegt, dat Hij ook verder gekomen is, te weten, dat Hij, toen Hij niet alleen onsterfelijk, maar ook een Heere des levens en des doods was, nochtans den Vader gehoorzaam is geweest tot den dood toe. Dit was een uiterste vernedering, voornamelijk als men de wijze van dood aanmerkt, die hij terstond daarbij stelt tot verheffing. Want op zulke wijze stervende, is Hij niet alleen schandelijk geweest voor de menschen, maar ook een vervloeking voor God. Het is voorwaar zulk een voorbeeld der vernedering, dat het aller men-
amp;
FILIPPENSEN 1 ; 8, 9.
schen verstand behoorde te verslinden, zoover is het, dat het naar waarde met woorden zou kunnen uitgedrukt worden.
9 Daarom heeft God Hem ook hoogelijk verheven. Door deze vertroosting, die hij hierbij stelt, leert hij dat deze verwerping, die het menschelijk vernuft vliedt, zeer te begeeren is. Een iegelijk zal bekennen, dat geen onrecht van ons begeerd wordt, als men ons gebiedt Christus na te volgen. Maar deze reden beweegt ons, dat wij Hem te liever volgen, als wij hooren dat ons niets beters is, dan naar zijn beeld veranderd te worden. En dat die zalig zijn, die gewillig vernederd zijn met Christus, dat bewijst hij door het voorbeeld van Christus: want Hij is uit den allerverachtelijksten staat tot de hoogste hoogheid verheven. Daarom, zoo wie zichzelven Job 22:29. vernedert, die zal alzoo verhoogd worden. Wie zou nu de verne- Mat't.223ai. dering weigeren, waardoor men tot de heerlijkheid des hemelschen Luk. U;ii; rijks komt? Deze plaats heeft den sophisten oorzaak gegeven, of Jak.1!': e, 10 liever zij hebben oorzaak daaruit genomen, om te zeggen, dat Chris- i Petr. 6:5. tus allereerst voor Zichzelven heeft verdiend, daarna voor anderen. Ten eerste, indien zij niets zeiden dat valsch ware, zoo moet men nochtans die onheilige gedachten vlieden, die de genade van Christus verduisteren, als wij bedenken, dat Hij om een andere oorzaak dan om onze zaligheid gekomen is. Wie is er, die niet ziet, dat dit van den duivel ingegeven wordt, dat Christus aan het kruis geleden heeft,
om voor Zichzelven door de verdienste zijns werks te verkrijgen,
wat Hij niet had? Want de Heilige Geest wil niet, dat wij iets anders in den dood van Christus zien, smaken, achten, gevoelen noch bekennen, dan enkel goedheid Gods, en de liefde van Christus jegens ons zoo groot en zoo onbedenkelijk, dat Hij Zichzelven vergetende, Zichzelven en zijn leven ons heeft uitgedeeld. Zoo wanneer de Schrift van den dood van Christus spreekt, zoo stelt zij zijn vrucht en waarde in ons, dat wij daardoor verlost, met God verzoend, tot rechtvaardigheid wederopgericht, en van onze onreinig-heden gezuiverd zijn: dat het leven verkregen, en de deur des levens geopend is. Wie zal dan ontkennen, dat deze door des duivels ingeven hiertegen roepen, dat de voornaamste vrucht in Christus zeiven is, dat Hij eerder Zichzelven bezorgd heeft dan ons, en dat Hij eerst heerlijkheid voor Zichzelven, daarna zaligheid voor ons verdiend heeft? Bovendien zeg ik, dat het valsch is wat zij zeggen,
en dat zij de woorden van Paulus goddeloos verdraaien tot bevestiging hunner leugen. Want dat het woordje daarom, meer beduidt het gevolg dan de oorzaak, is hieruit openbaar, dat anders zou volgen, dat de mensch Goddelijke eer zou kunnen verdienen, en zelfs den troon Gods verkrijgen, hetwelk niet alleen ongerijmd,
maar ook gruwelijk is te zeggen. Want wat verheffing van Christus wordt hier van Paulus gepredikt, dan dat in Hem vervuld is al wat de eenige God bij Jesaja Zichzelven toeschrijft. Zoo zal dan de heerlijkheid Gods, en de majesteit, die alzoo Hem alleen toe- ' komt, dat men ze geen anderen kan geven, een loon van menschelijk werk zijn. Bovendien, zoo zij op het woord dringen, zonder op de ongeschiktheid eenig acht te slaan, zoo kan men lichtelijk antwoorden, dat Hij ons alzoo van den Vader is gegeven, dat zijn gansche leven ons tot een spiegel is verordend. Zoo dan, gelijk een spiegel, hoewel hij klaarheid heeft, die nochtans niets heeft voor zich, maar opdat anderen het gebruik en nut daarvan hebben:
127
FILIPPENSEN 2 : 9, 10.
alzoo heeft Christus niets voor Zichzelven gezocht noch verkregen, maar alles voor ons. Want ik bid u, wat behoefde Hij nieuwe joh. 10:30; verheffing, die den Vader gelijk was? Daarom zullen de godzalige 14:9; 17.6. |ezers ieeren) de sophisten der Sorbonne met hunne verdraaide spe-culatiën te verfoeien. Heeft Hem een naam gegeven. Het woord naam, wordt hier genomen voor waardigheid: wat in alle talen genoeg gebruikelijk is, en voornamelijk in de Schrift. Zoo wordt dan hiermede beduid, dat Christus de allergrootste macht gegeven, en dat Hij in den hoogsten graad van eer gesteld is, zoodat er zulk een waardigheid niet gevonden wordt noch in den hemel noch op de aarde: waaruit volgt, dat het een goddelijke naam en eer is. En ditzelve verklaart hij ook, voortbrengende de woorden van Jesaja, waar de profeet van den dienst Gods, die over de gansche wereld zou verbreid worden, sprekende zegt, dat God aldus spreekt; Jes. 45:23. ik ieef; Mij zai aiie knie buigen, en alle tong zal Mij zweren, enz.
Het is zeker, dat hij daar spreekt van de aanbidding, die Gode alleen bijzonder toekomt. Ik weet, dat sommigen scherpzinnig phi-losopheeren ten opzichte van den naam Jezus, alsof hij van den on-uitsprekelijken naam Jehova genomen ware. Maar in de redenen, die zij voortbrengen, vind ik niets grondigs en ik heb geen behagen in ijdele scherpzinnigheden, en het is gevaarlijk in zulk een groote zaak te spelen. Bovendien, wie is er die niet ziet, dat het een gedwongen en geenszins een natuurlijke uitlegging is in de plaats waar Paulus spreekt van de gansche majesteit van Christus, dat men zijn zin op twee lettergrepen besluit: alsof iemand de letters in het woord Alexander onderzocht, om te vinden de grootheid van den naam, welken Alexander verkregen heeft. Zoo dan, hunne scherpzinnigheid heeft geen vastigheid, en hun gedichtsel is vreemd van den zin van Paulus. Maar de sophisten der Sorbonne zijn meer dan bespottelijk, die uit de tegenwoordige plaats verstaan, dat men de knie moet buigen zoo dikmaals als de naam van Jezus uitgesproken wordt: alsof het een magisch woord ware, en de gansche kracht in het geluid besloten was. Maar Paulus spreekt van de eer, die den Zoon Gods, en niet den lettergrepen moet bewezen worden.
io Alle knie zich buige. Hoewel de menschen ook op deze wijze aangebeden worden, zoo is het nochtans zonder twijfel, dat hier een aanbidding beduid wordt, die Gode eigenlijk toekomt, waarvan de kniebuiging een teeken is. Waarin men moet aanmerken, dat men niet alleen met de inwendige genegenheid des harten, maar ook met de uitwendige belijdenis God moet dienen, zoo wij Hem willen geven wat Hem toekomt. Alzoo daarentegen, wanneer Hij zijne op-2Kon. 19:18. rechte dienaars wil aanwijzen, zegt Hij, dat zij de knie niet gebogen hebben voor het beeld van Baal. Maar hier rijst een vraag: Of dit betrekking heeft op de Godheid van Christus, of op zijn mensch-heid; want noch het een noch het ander is niet ongerijmd. Want aan de Godheid kon men niets nieuws geven, en aan de mensch-heid op zichzelve en afzonderlijk komt zulke groote verheffing niet toe, dat zij als God zou aangebeden worden. Ik antwoord, dat dit van den ganschen persoon van Christus gezegd wordt, gelijk vele andere dingen, zoover Hij God geopenbaard is in het vleesch. Want Hij heeft Zichzelven niet vernederd alleen naar de menschheid, of alleen naar de Godheid: maar omdat Hij met ons vleesch bekleed zijnde, onder de zwakheid geschuild heeft. Alzoo heeft God wederom
128
FILIPPENSEN 2 : 10, 11.
zijnen Zoon in het vleesch, waarin Hij verworpen en verachtelijk geleefd had, tot de hoogste heerlijkheid verheven, dat Hij aan zijne rechterhand zit. Maar het schijnt, dat Paulus niet wel met zichzel-ven overeenstemt, dewijl hij hetzelfde getuigenis voortbrengt Rom. 14: 11, als hij bewijzen wil, dat Christus eenmaal een rechter der levenden en der dooden zal zijn. Maar het zou niet dienen tot die zaak, zoo het nu vervuld ware, gelijk hij hier betuigt. Ik antwoord,
dp,t het rijk van Christus alzoo gesteld is, dat het dagelijks wast, en tot beter voortgaat, en dat de volmaaktheid nog niet is, en zijn zal voor den laatsten dag des oordeels. Alzoo is het beide waar,
te weten, dat alles nu aan Christus onderworpen is, en dat nochtans deze onderworpenheid niet volkomen zal zijn vóór den dag der wederopstanding: want het zal dan volmaakt worden, wat nu alleen begonnen is. Zoo wordt dan deze profetie niet zonder oorzaak op verscheiden tijden toegepast, gelijk ook alle andere profetieën van het rijk van Christus, die niet op een deel des tijds zien,
maar op zijn ganschen loop betrekking hebben. Voorts, verstaan wij hieruit, dat Christus die eeuwige God is, die door Jesaja gesproken heeft. Die in den hemel, op de aarde, en in de hel zyn.
Dewijl Paulus alles aan Christus onderwerpt, van den hemel aan tot de hel toe, zoo beuzelen de papisten kinderachtig, als zij uit zijne woorden het vagevuur willen smeden. Want hun bewijs is dusdanig: De duivelen zijn zoo ver van Christus de knie te buigen, dat zij alleszins wederspannig tegen Hem zijn, en ook anderen een oorzaak zijn der wederspannigheid. Maar is daar ook niet geschreven, dat zij ook Jak. 2:19. zelfs voor de enkele vermelding Gods beven? Wat zullen zij dan doen, zoo zij openlijk voor den rechterstoel van Christus komen.
Ik beken voorwaar, dat zij niet willens zijn onderworpen, en ook nimmermeer met gewillige gehoorzaamheid zullen onderworpen zijn.
Maar Paulus spreekt hier ook van geen gewillige onderdanigheid.
En wij zullen beter zoodanig bewijs wederom tegen hen keeren: Het vagevuur is naar hun meening tijdelijk, en zal ten dage des oordeels weggenomen worden. Zoo kan dan deze plaats van het vagevuur niet verstaan worden: want Paulus zegt ergens, dat deze pro- Bom. 14;n. fetie niet zal volbracht worden, totdat Christus tot het oordeel verschijnt. Wie is er, die niet ziet, dat zij in zulke onnutte beuzelingen meer dan kinderachtig zijn?
ii Tot heerlijkheid Gods des Vaders. Men kon het ook lezen,
in de heerlykheid: want het Grieksche woord beduidt dikmaals in.
Maar ik wil liever de eigen beteekenis behouden in dezen zin, dat de majesteit Gods, gelijk zij door Christus den menschen is geopenbaard, alzoo ook in Christus zijnen schijn geeft, en dat de Vader verheerlijkt wordt in den Zoon. Ziet Joh. 5 en 17 en gij zult de verklaring dezer plaats hebben.
12 Zoo dan, mijne vrienden! gelijk gij altijd gehoorzaam geweest zijt, niet in mijne tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven:
13 Want het is God, die in u werkt en het willen en het vol- Deut. sas. brengen, naar zijnen goeden wil. 2 Cor' 3 '5'
14 Doet alle dingen zonder murmureeringen en twistingen; Eom. 12-.n.
129
15 Opdat gij zoodanigen zijt, over wie niemand kan klagen en } quot;p'etr^i oprechte kinderen Gods, onstraffelijk midden onder een ver-
9
Dl. IV.
FILIPPENSEN 2 : 12, 13.
Spr. -t: 18. keerd en verdraaid geslacht, onder hetwelk licht als lichten in
Mdtt. o. 14. de wereld.
2 Cor. l:U. 16 Ophoudende het woord des levens tot mijn eer, tot den dag
van Christus, dat ik niet tevergeefs geloopen noch gearbeid heh.
12 Zoo dan, mijne vrienden! De geheele naastvoorgaande vermaning besluit hij met een gemeene uitspraak, opdat zij zichzelven onder de hand des Heeren vernederen. Want daardoor zullen pj lichtelijk alle wreedheid afleggen, en vriendelijk en zachtmoedig onder elkander zijn. Deze reden is alleen bekwaam om der men-schen natuur te temmen, als hij met vergelijking van God tot zichzelven keert, die bij zichzelven alleen in bedektheid zichzelven behaagt. Gelijk gij altjjd zijt gehoorzaam geweest. Hij prijst hun vroegere gehoorzaamheid, opdat hij hun te meer moed geve om voort te gaan. En dewijl het den geveinsden toekomt, zich in de oogen schoon te vertoonen, en als men uit het oog is, vrijelijk zichzelven toe te geven, alsof de oorzaak van eerbied en vrees weggenomen ware: zoo vermaant hij ze, dat zij niet alleen voor de oogen zichzelven gehoorzaam bewijzen, maar dat zij hem ook in zijn afwezen gehoorzaam zijn, en dat veel meer: want zoo hij tegenwoordig ware, zoo kon hij ze altijd met vermaningen voortdrijven; dewijl dan de vermaner verre is, zoo is het noodig, dat zij zichzelven voortdrijven. Met vreeze en beven. Hij wil, dat de Filip-pensen hun gehoorzaamheid hierin betuigen en bewijzen, dat zij ootmoedig en nederig zijn. En de fontein der ootmoedigheid is, te bekennen hoe ellendig en arm van alle goed wij zijn: hiertoe roept hij ze met deze waarheid. Want waaruit komt hoovaardigheid, dan uit zorgeloosheid, welke komt uit een blind betrouwen, als wij onszelven behagen, eerder door het betrouwen onzer deugd opgeblazen zijn, dan wij op de genade Gods rusten en steunen? Tegenovergesteld aan dii gebrek is de vreeze, waartoe hij ze vermaant. En hoewel hier in het verband de vermaning eerder is dan de leer, zoo is nochtans naar de orde de leer eerst, want de vermaning wordt daaruit afgeleid. Daarom zal ik van de leer beginnen.
13 Want het is God. Dit is het rechte stuk om alle hoogheid neder te werpen, dit is het zwaard om alle hoovaardigheid te dooden, als wij hooren-, dat wij ganschelijk niets zijn, en niets vermogen, dan door de genade Gods alleen. Ik spreek van bovennatuurlijke genade, die uit den Geest der wedergeboorte komt. Want zoover wij menschen zijn, zoo zijn, leven en bewegen wij ons
Hand. 17:28. nu in God: maar Paulus handelt hier van een andere beweging, dan van een algemeene. Laat ons nu zien, hoe veel hij God toeschrijft, en wat hij ons laat. Daar zijn twee voorname stukken in het doen, te 'weten, de wil en de macht om te volbrengen. Deze beide schrijft hij ganschelijk Gode toe: wat blijft ons dan meer waarin wij mogen roemen? Deze deeling is zonder twijfel zoo veel, alsof Paulus met één woord het geheel gezegd had. Want de wil is het fundament, en de volbrenging is de volkomen volmaaktheid des gebouws. En hij heeft veel meer uitgedrukt dan zoo hij gezegd had, dat God de auteur van het begin en het einde is. Want dan zouden de sophisten zeggen, dat daar midden in iets den menschen gelaten ware: maar wat kunnen zij nu vinden, dat onze is ? Zij arbeiden zeer in de scholen, om het vrije goeddunken of den vrijen
130
FILIPPENSEN 2 : 13.
131
wil met de genade Gods te vereenigen. Ik spreek van zulk een vrijen wil, als zij dichten, dat die door zijn eigen beweging kan gebogen worden, en een eigen en afgezonderde macht heeft om mede te werken met de genade Gods. Ik wil niet strijden om den naam, maar om de zaak zelve. Zoo dan, opdat de vrije wil met de genade overeenkome, zoo maken zij al zulke deeling, dat God wel de vrije verkiezing in ons vernieuwt, waardoor wij kunnen goed willen; alzoo bekennen zij wel, dat het vermogen om goed te willen van God komt, maar stellen den goeden wil in den mensch. Maar Paulus zegt zonder uitzondering, dat deze Gods werk is. Want hij zegt niet, dat onze harten niet alleen gebogen of opgewekt worden, of dat de vastigheid van den goeden wil geholpen wordt: maar dat de goede wil ganschelijk van God gemaakt wordt. Dat zij zeggen, dat wij de menschen den steenen gelijk maken, als wij leeren, dat zij niets goeds doen, dan uit enkel genade, doen zij onbeschaamd. Want wij bekennen, dat wij een wil hebben van nature, maar dewijl hij door de verderving der zonde boos is, zoo begint hij dan eerst goed te zijn, als hij van God vernieuwd is. Wij zeggen ook niet, dat de mensch iets goeds doet, anders dan met wil: maar dat hij dan goed doet, als zijn wil geregeerd wordt door den Geest Gods. Daarom, zooveel dit deel aangaat, wij zien dat de gansche lof Gode gegeven wordt, en dat het beuzeling is wat de sophisten leeren, dat de genade ons aangeboden en voorgesteld wordt, opdat wij ze aannemen, zoo wij willen. Want zoo God niet krachtig in ons wrocht, zoo zou Hij niet gezegd worden den goeden wil te werken. Van het andere deel, moet men aldus gevoelen: Het is God (zegt hij) die in ons het werk doet. Zoo dan, de goddelijke genegenheden, die Hij ons heeft ingegeven, die volbrengt Hij tot het einde, dat zij niet tevergeefs zijn, gelijk Hij door Ezechiël, hfdst. 11 : 20, belooft, zeggende: Ik zal maken, dat zij in mijne inzettingen zullen wandelen. Waaruit wij verstaan, dat de volharding ook enkel zijn gave is. Naar zijn goeden wil. Anderen zetten: Het goede voornemen des harten. Ik duid het liever op God, en versta daarbij zijn goedwillige genegenheid, die in 't gemeen zijn welbehagen genoemd wordt. Want het Grieksche woord wordt ook gemeenlijker in deze beduiding gebruikt, en het verband eischt het. Want Paulus staat hiernaar, dat hij alles Gode toeschrijve, en ons beneme. Zoo dan, het is hem niet genoeg dat hij het gevolg van den goeden wil en werk, Gode heeft toegeschreven, maar zegt ook, dat dit beide komt uit zijn onverdiende barmhartigheid: waarmede hij dat gedichtsel der sophisten van de navolgende genade uitsluit, welke zij meenen een loon naar verdienste te zijn. Zoo leert hij dan, dat de gansche loop onzes levens, zooverre wij wel leven, bewogen wordt van God, en dat door zijn onverdiende goedheid. Met vreeze en beven. Hieruit trekt Paulus de vermaning, dat zij met vreeze hun zaligheid volbrengen. Vreeze en beven, stelt hij te zamen tot verheffing, naar zijn gewoonte, voor ernstige en zorgvuldige vreeze. Zoo beneemt hij hun dan zoowel de slaperigheid, als het valsch betrouwen. Door het woord werken, bestraft hij de luiheid, welke altijd vernuftig is om haar voordeel te zoeken. En zij schijnt een zoet voedsel te hebben in de genade Gods. Want zoo God in ons werkt, waarom zouden wij niet gerust en zonder zorg leven ? De Heilige Geest vermaant, dat Hij in levende instrumenten wil wer-
FILIPPENSEN 2 : 13.
132
ken: maar Hij dwingt terstond de hoovaardigheid, vreeze en beven bevelende. En men moet naarstiglijk dit besluit aanmerken: Gij hebt (zegt hij) alles van God, zoo weest dan zorgvuldig en ootmoedig. Want niets moet ons meer tot matigheid en vreeze onderwijzen, dan als wij hooren, dat wij door zijn genade alleen staan, en zullen terstond vallen, zoo Hij zijn hand een weinig aftrekt. Op zichzelven betrouwen, maakt zorgeloosheid en wreedheid. Dit bevinden wij, dat allen die op hun eigen macht betrouwen, door vermetelheid opgeblazen worden, en ook mede zorgeloos slapen. Zoo is dan tegen dit beiderlei kwaad dit een remedie; Dat wij onszelven mistrouwende, geheel op God alleen staan. En voorwaar, die heeft rechten voortgang gemaakt, zoowel in de kennis der genade Gods, als in de kennis zijner zwakheid, die van de zorgeloosheid opgewekt zijnde, naarstig Gods hulpe zoekt: maar die op het betrouwen hunner werken opgeblazen zijn, die moeten ook mede van zorgeloosheid dronken zijn. Daarom is het een onbeschaamde valsche beschuldiging, waarmede de papisten ons bezwaren, te weten, dat wij de genade Gods verheffende, en den vrijen wil verkleinende, de menschen onachtzaam maken, van de vreeze Gods aftrekken, en de zorgvuldigheid wegnemen. Maar de lezers zien, dat Paulus hier niet uit de leer der papisten, maar uit onze leer aanleiding neemt om te vermanen. God (zegt hij) werkt alles in u: zoo moet gij u dan met vreeze Gode onderwerpen. Ik ontken niet, dat velen, hoorende dat in ons niets goeds is, zichzelven te vrijer aan hunne zonden overgeven. Maar ik zeg, dat de schuld niet is in de leer, welke ontvangen zijnde gelijk het behoort, zorgvuldigheid in onze harten baart. Maar de papisten misbruiken deze plaats, om de zekerheid des geloofs te verzwakken: want wie beeft, die is onvast. Zoo nemen zij dan de woorden van Paulus alzoo, alsof wij in geheel ons leven in het betrouwen onzer zaligheid wankelbaar moesten zijn. Maar als wij Paulus niet tegen zichzelven willen laten strijden, zoo vermaant hij hier geenszins tot twijfel: want hij prijst alom het betrouwen en de vaste zekerheid aan. Maar het is licht te antwoorden, zoo iemand den waren zin zoekt zonder twistgierigheid. Daar is tweeërlei vreeze: daar is een vreeze, die zorg met ootmoedigheid baart: daar is een ander, die twijfel in het geloof baart. Bovendien moet men aanmerken, dat de geloovigen, gelijk zij in de genade Gods zekerlijk rusten, alzoo ook wanneer zij hunne oogen op hun zwakheid slaan, geenszins gerus-telijk slapen, maar door vreeze voor gevaar tot bidden opgewekt worden. Maar door deze vreeze wordt de geruste stand der consciëntie niet alleen niet verstoord, noch ook het betrouwen verzwakt, maar veelmeer bevestigd. Want als wij onszelven mistrouwen, zoo komen wij daardoor te sterker op de barmhartigheid Gods te steunen. En dit willen de woorden van Paulus: want hij eischt niets van de Filippensen, dan dat zij zichzelven waarlijk verloochenen, en Gode onderwerpen. Werkt uwe zaligheid. Gelijk voortijds de Pelagianen op deze plaats hoovaardig roemden, om de macht des menschen te verheffen, alzoo doen ook heden de papisten. Ja ook, wanneer deze voorgaande zin hun tegengeworpen wordt: Het is God, die alles in allen werkt, enz., zoo keeren zij dien terstond hiermede af als met een schild, werkt uwe zaligheid. Dewijl dan het werk Gode en den menschen in het gemeen toegeschreven wordt, zoo geven zij Gode de helft, en den menschen de andere helft. In
FILIPPENSEN 2 : 13â15.
één woord, uit het woord werken, smeden zij het vrije goeddunken of den vrijen wil, en uit het woord zaligheid, besluiten zij de verdiensten van het eeuwigen leven. Ik antwoord, dat het woord zaligheid, genomen wordt voor den ganschen loop onzer roeping,
en dat daaronder vervat worden alle dingen, waarmede God die volmaaktheid volbrengt, waartoe Hij ons door zijn onverdiende verkiezing verordend heeft. Dit zal niemand verloochenen, hij zij hardnekkig en onbeschaamd. Wij worden gezegd deze te volbrengen,
als wij door den Geest Gods geregeerd zijnde, naar het zalige leven staan. Het is God die roept, en die de zaligheid aanbiedt. Het komt ons toe door het geloof aan te nemen wat Hij geeft, en met gehoorzaamheid zijn roeping te volgen, maar wij hebben geen van beide uit onszelven. Zoo doen wij het dan, als Hij ons daartoe bereid heeft. Het woord, dat hij gebruikt, beduidt voleindigen, maar wij moeten gedachtig zijn wat ik gezegd heb, te weten, dat Paulus niet handelt hoe ver onze macht kan strekken, maar dat hij enkel leert, dat God alzoo in ons werkt, dat Hij ons nochtans niet lui laat worden, maar dat Hij ons, die door verborgen ingeving gedreven zijn, naarstig oefent.
14 Zonder murmureeringen. Dit zijn de vruchten der ootmoedigheid, waartoe hij ze vermaand had. Want zoo wie zich niets toeschrijft, die heeft geleerd zich zorgvuldiglijk Gode te onderwerpen, en zal zich ook lieflijk gedragen onder de menschen. Waar een iegelijk zichzelven behaagt, daar regeeren twee gebreken, te weten, dat de een van den ander kwaad zegt, en dat zij tegen elkander twisten. Zoo verbiedt hij dan ten eerste de kwaadwilligheid en heimelijken haat, ten andere, de openbare twistingen, en het derde stelt hij daarbij, dat zij den anderen geen oorzaak geven om te klagen, hetwelk pleegt uit te groote eigenzinnigheid te komen. Men moet niet altijd haat vreezen, maar wij moeten toezien, dat wij door onze schuld
geen haat op ons laden, opdat het woord van den psalm in ons P8-35:1!)-plaats hebbe: zij hebben mij zonder oorzaak gehaat. Hoewel, zoo het iemand breeder wil nemen, ik strijd daar niet tegen. Want de murmureeringen en twistingen komen daaruit, dat een iegelijk bovenmate zichzelven zoekende, anderen oorzaak geeft om te klagen. Ja dit woord kan actief genomen worden, alsof Paulus gezegd had:
Weest niet moeielijk noch klaagachtig. En deze beteekenis zal niet kwalijk met het verband overeenkomen: want de klaagachtigheid is bijna een zaad van alle gekijf. Hij stelt daarbij ook oprecht:
want zulke onreinigheid zal nimmermeer uit reine harten komen.
15 Kinderen Gods onstraffelijk. Dit moet men aldus verklaren: onstraffelijk, omdat gij kinderen Gods zijt. Want de aanneming Gods moet oorzaak van een onstraffelijk leven zijn, opdat wij onzen Vader met eenige gelijkheid uitdrukken. En hoewel nooit zulke volmaaktheid in de wereld geweest is, die niets strafïenswaardig zou gevonden worden: zoo worden nochtans die onstraffelijk genoemd, die met alle naarstigheid daarnaar staan, gelijk op andere plaats gezegd is.
Midden onder een verkeerd. Op de aarde leven wel de geloovi-gen met de goddeloozen vermengd, zij genieten te zamen een ge-meene lucht, en een gemeene zon, en te dien tijde waren zij ook zeer verstrooid: want men zou nauw een huis gevonden hebben, dat niet van alle zijden met ongeloovigen omringd was. Daarom vermaant Paulus de Filippensen te naarstiger, dat zij zichzelven zorg-
133
FILIPPENSEN 2 : 15, 16.
vuldiglijk hoeden voor alle verdervingen. Zoo is dan de zin: Gij hei
zijt wel onder de boozen besloten, maar intusschen moet gij ge- kei
dachtig zijn, dat gij door Gods aanneming van hen afgezonderd ma
zijt: zoo dan, laat daar zichtbare teekenen zijn in het leven, die u me
onderscheiden mogen. Ja gij behoort hierdoor ook te meer ver- hij
wekt te worden tot een godzalig en heilig leven, opdat gij niet door vai hun besmetting verstrikt zijnde, ook mede een deel van het ver- j he
draaide geslacht zijt. Dat hij de ongeloovigen noemt: Een verkeerd zej
en verdraaid geslacht, dient tot de gelegenheid der plaats. Want oo
hij vermaant, dat men des te naarstiger moet toezien, omdat de on- do
geloovigen vele ergernissen voorwerpen, waardoor hun rechte loop ab
kan verstoord worden, en omdat het-gansche leven der ongeloovigen pl:
gelijk een doolhof is met menigerlei kromme wegen, die ons van ze
den weg afleiden. Voorts, deze woorden dienen niettemin voor de da
ongeloovigen ten allen tijde en plaats. Want zoo het hart des men- ie:
schen verdraaid en ondoorzoekelijk is, hoedanig zullen de vruchten ee
dezes wortels zijn? Zoo worden wij dan met deze woorden geleerd, kc
dat in des menschen leven geen zuiverheid noch gerechtigheid is, bt
totdat hij van den Geest Gods vernieuwd is. Onder hetwelk licht. g(
De Grieksche uitgang is twijfelachtig: want men kon ook lezen: G
Gij licht; maar de gebiedende wijs: Licht, past beter om te verma- a:
nen. Hij wil dat de geloovigen zijn gelijk lampen of fakkels, die in zi
de duisternis der wereld lichten, alsof hij zeide: De ongeloovigen st
zijn kinderen van den nacht, en in de wereld is niet anders dan t« duisternis. Maar God heeft u tot dit einde verlicht, opdat de zuiverheid uws levens in deze duisternis schijne, opdat zijn genade te
Jes. co;2. beter verklaard worde. Alzoo leest men ook bij den profeet: De Heere zal over u opgaan, en zijn heerlijkheid zal in u gezien worden. En terstond volgt daarna: De heidenen zullen in uw licht wandelen, en de koningen in de klaarheid uws aanschijns. Hoewel Jesaja daar meer van de leer predikt, en Paulus hier van het voor-Matt. 5;i4. beeld des levens. En om de leer heeft Christus ook ergens de apostelen bijzonder het licht der wereld genoemd.
16 Ophoudende het woord des levens. Dit is de reden waarom zij lichten moeten zijn, te weten, omdat zij het woord des levens dragen, waardoor zij verlicht worden, zoodat zij ook anderen voorlichten. Hij ziet op de luchters en lantaarnen, waarin brandende lichten gesteld worden, en hij vergelijkt ons bij zulke luchters en lantaarnen. Het woord Gods vergelijkt hij bij een kaars, die licht geeft. Zoo iemand een andere gelijkenis liever heeft: Wij zijn kandelaren, de leer des Evangelies is een kaars, welke op ons gesteld zijnde, naar alle zijden haar licht werkt. Hij geeft te kennen, dat wij het woord Gods onrecht doen, tenzij het door zuiverheid des levens in ons zijn schijn geve. Hiertoe dient het woord van Matt. 5;i5. Christus: Niemand ontsteekt een kaars, en zet die onder een korenmaat. Wij worden alzoo gezegd het woord des levens te dragen, dat wij intusschen daardoor gedragen worden: want wij zijn daarop gefundeerd. Maar de wijze van dragen, waarvan Paulus handelt, is hier, dat God zijn leer op deze conditie bij ons gesteld heeft, opdat wij haar licht anderen zouden toebrengen, en niet opdat wij het zouden onderdrukken en werkeloos houden. De inhoud is: Allen die verlicht zijn door de hemelsche leer, dragen een licht om, waardoor hun schandelijkheid geopenbaard en ontdekt wordt, tenzij zij
134
FILIPPENSEN 2 : 16, 17.
heilig en kuisch leven: maar dat dit licht daarom van ons ontstoken is, opdat niet alleen zij in den rechten weg bewogen worden,
maar dat zij dien ook anderen wijzen. Tot myn eer. Om hun te meer moed te geven, betuigt hij dat hun dit heerlijk wezen zal, zoo hij niet tevergeefs onder hen zal gearbeid hebben. Niet dat de arbeid van die tevergeefs is, die getrouw, hoewel zonder vrucht, gearbeid hebben. Maar dewijl de voorspoed van onzen dienst een bijzondere zegen Gods is, zoo zullen wij ons niet verwonderen, dat God die ook onder zijne andere gaven kroont. Gelijk dan zooveel gemeenten,
door Paulus voor Christus verkregen, zijn apostelambt heerlijk maken,
alzoo zullen ook zonder twijfel, deze teekenen der overwinning plaats hebben, in het rijk van Christus: gelijk hij weinig hierna zal zeggen; Gij zijt mijn kroon. En hoe grooter de zaken zijn, die daar gedaan zijn, zooveel te grooter zal zonder twijfel de triumf zijn. Zoo iemand vraagt, hoe Paulus nu roemt in zijnen arbeid, dewijl hij op een andere plaats verbiedt, niet dan in den Heere te roemen, zoo 2Cor. ii;ii. kan men lichtelijk antwoorden; Als wij onszelven, en al wat wij hebben, voor God nedergeworpen, en al onzen roem in Christus gesteld hebben, dan mogen wij ook door Christus in de weldaden Gods roemen, gelijk wij gezien hebben in den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs. Deze woorden: Tot den dag van Christus,
zijn den Filippensen een prikkel der volharding, als hun de rechterstoel van Christus voorgesteld wordt, waarvan het loon des geloofs te verwachten is.
17 Ja, ofschoon ik geofferd worde over het offer en de offering
uws geloofs, zoo ben ik blijde en verblijd mij met u allen. 2 Cov. 7:4.
18 En om datzelfde weest gij ook blijde, en verblijdt u met mij.
19 Ik hoop in den Heere, dat ik Timotheus haast tot u zenden Hand. ic: i. zal, opdat ik ook gerust van harte zij, als ik uwen stand zal fThéss^2:)' verstaan hebben.
20 Want ik heb niemand, die alzoo gezind is, die eenvoudig uwe icor. 10:24; zaken zou bezorgen.
21 Want zij zoeken allen het hunne, en niet wat van Jezus Christus is.
22 Gij weet zijne beproeving, dat hij met mij gediend heeft in het Evangelie, als een kind met zijnen vader.
23 Zoo hoop ik dan dezen te zenden, zoo haast als ik mijne zaken zal voorzien hebben.
24 En ik vertrouw in den Heere, dat ik ook zelve haast zal komen.
17 Ofschoon ik geofferd worde. Mij dunkt, dat hij zinspeelt op de beesten, door welke offering men oudtijds gewoon was, de contracten en verbonden te bevestigen. Want het woord, waarvan of- TTrovdis. feren is afgeleid, beteekent eigenlijk in het Grieksch een offering die geschiedt om contracten of verbonden te bevestigen, waarop Paulus ziende, zijn dood hun bevestiging noemt, gelijk hij voorwaar zou zijn. Maar opdat de gansche plaats te klaarder zij, zoo zegt hij,
dat hij Code offerande gedaan heeft, als hij ze door het Evangelie heiligde. Gelijke wijze van spreken is bij de Romeinen, hfdst. 15 : 16,
want daar stelt hij zichzelven voor als een priester, die de heidenen
135
FILIPPENSEN 2 : 17â20.
aan God oftert door het Evangelie. En gelijk het Evangelie een anc
geestelijk zwaard is, om de offerbeesten daarmede te dooden, alzoo ma
is het geloof gelijk de offerande zelve; want daar is geen geloof mij
zonder dobding, waardoor wij Gode geheiligd worden. Hij stelt me
offer en offering: waarvan het eerste ziet op de Filippensen, die in
Gode zijn geofferd; het ander, de bediening, welke Paulus toe- ;
komt: want het is de handeling zelf der offering. Het Grieksche gei
woord is zooveel als bediening, en vervat alzoo allerlei diensten de
en ambten: maar hier ziet het bijzonder op den godsdienst. Nu ge:
zegt Paulus, dat hij blijde zal wezen, zoo hij over zulke offering dii
geofferd wordt, te weten, opdat zij te zekerder en vaster zij. Dit is wa
het Evangelie van harte leeren, als wij bereid zijn met ons eigen dii
bloed te bevestigen wat wij leeren. Voorts moet men hieruit ver- va
staan de nuttige leer van de natuur des geloofs, te weten, dat het m:
niet een ijdel ding is, maar dat het den mensch Gode heiligt. Ook di
hebben mede de dienaars des Evangelies hier uitnemenden troost, m
die geprezen worden als priesters Gods, om Hem offerande te doen. zi'
Want met wat grooten ijver moet hij naarstigheid doen in het al
prediken, die weet dat het Gode een aangename offerande is? Van zc
dusdanige offerande houden de ellendige papisten niet, en dichten hlt;
een andere, die de grootste heiligschennis is. Ik verblijd mij met gi
u, zegt hij, opdat zij mochten weten, zoo hij kwam te sterven, dat re
het tot hun voordeel geschiedde, en dat zij uit zijn dood vrucht Q
hadden. zlt;
18 Weest gj) ook blijde. Met deze zijne blijmoedigheid geeft hij o
den Filippensen moed, en ontvlamt ze om den dood moedig tegen n
te gaan, waarin den geloovigen niets kwaads overkomt. Want te- d
voren had hij geleerd, dat de dood hem gewin zou zijn: doch hier v
ziet hij voornamelijk toe, dat de Filippensen niet beroerd worden v
door zijn dood. Zoo zegt hij dan, dat hij geen oorzaak der droef- e
held is, maar dat zij zich meer behooren daarover te verblijden, u
omdat zij hem zullen bevinden vruchtbaar te zijn. Want hoewel het c
op zichzelve een groot verlies was, van zulk een leeraar beroofd te t
worden, zoo was nochtans dit gewin niet minder, dat het Evangelie z
door zijn bloed bevestigd werd. Intusschen vermaant hij, dat het :
hem bijzonder een blijde dood zal zijn. Dat Erasmus het in den te- 1
genwoordigen tijd gesteld heeft: Gij verblijdt u, is geheel vreemd.
ig Ik hoop. Hij belooft hun de komst van Timotheus, opdat zij zich door zijn verwachting te manlijker staande houden, en den bedriegers geen plaats geven. Want gelijk de krijgsknechten in den krijg, door hope op hulp moed behouden, alzoo konden ook de Filippensen door die gedachte grooten moed verkrijgen: Daar zal spoedig een komen, die zich tegen de listen onzer vijanden zal stellen. Zoo de verwachting alleen zooveel vermocht, zoo zou de tegenwoordigheid zooveel te krachtiger zijn. Men moet op de voorwaarde letten, waarmede hij zich der voorzienigheid Gods onderwerpt, dewijl hij niets raadslaagt, dan als zij voorgaat: gelijk men voorwaar niets voor de toekomst moet voornemen, dan onder de hand des Heeren, om zoo te spreken. Als hij daarbij stelt: Opdat ik gerust van harte zjj, zoo verklaart hij zijn liefde tot hen, als die zoo benauwd was voor hun gevaar, dat het niet goed met hem kon zijn, eer hij van hunnen gelukkigen stand zeker was.
20 Ik heb niemand, die alzoo gezind is. Hoewel sommigen een
136
FILIPPENSEN 2:20, 21. 137
anderen zin hieruit nemen, zoo leg ik het alzoo uit: Ik heb niemand, die alzoo gesteld is om uwe zaken te bezorgen. Want naar mijn oordeel, vergelijkt Paulus Timotheus meer met anderen dan met zichzelven, en hij geeft hem daarom bijzonderen lof, opdat hij in zooveel te grooter waarde zij.
2i Want zy zoeken allen het hunne. Hij spreekt niet van degenen, die de begeerte der godzaligheid ganschelijk verworpen hadden, maar van die, die hij voor broederen hield, ja die hij in zijn gezelschap droeg: nochtans zegt hij, dat zij zoo heet waren in hunne dingen te bezorgen, dat zij tot het werk des Heeren te kouder waren. Dit schijnt in het aanzien geen groot feil te zijn, zyn eigen dingen te zoeken. Maar hoe onverdragelijk dit in de dienstknechten van Christus is, is daaruit openbaar, dat het die geheel onbekwaam maakt, die daarmede bevangen worden. Want wie zichzelven zoekt, die kan zichzelven niet aan de gemeente ten koste leggen. Iemand mocht zeggen: Heeft dan Paulus onnutte en nietige menschen bij zich gehouden ? Ik antwoord, dat men het niet alzoo moet nemen, alsof zij alleen hun eigen voordeel zochten, en ganschelijk geen zorg voor de gemeente droegen, maar dat zij tot hun eigen nuttigheid verward zijnde, te onachtzaam waren in 't bevorderen van het goed der gemeente. Want een van beide genegenheden moet in ons regeeren, dat wij onszelven achterstellende, gedreven worden tot Christus, en wat Christus aangaat; of, dat wij tot ons voordeel te zeer genegen zijnde, onachtzaam Christus dienen. Hieruit is het openbaar, wat groote verhindering het is in de dienaren der gemeente, dat zij het hunne zoeken. En deze verontschuldigingen deugen niet: Ik doe niemand ongelijk, ik moet ook zorg dragen voor mijzelven, ik ben zoo hard niet, dat ik niet zou bewogen worden ook mijn eigen voordeel aan te zien. Want gij moet uw eigen recht te buiten gaan, om uw ambt te bedienen De zorg voor uzelven is bij de eer van Christus niet te vergelijken, veel minder daarboven te stellen. Waar Christus u henenroept, daar moet gij terstond gaan, en alle andere dingen laten varen: gij moet alzoo zien op uwe roeping, dat gij al uwe zinnen van alle aftrekkingen afwendt. Gij zult zeggen: Ik kon elders rijker leven, maar God heeft u aan de gemeente gebonden, waar gij sober onderhouden wordt. Ik kon elders in grooter eer zijn, maar God heeft u deze plaats gegeven, dat gij daarin nederig zoudt leven. Het is elders gezonder lucht, en schooner land: maar uwe plaats is hier verordend. Gij zoudt wel begeeren met vriendelijker volk te doen te hebben, gij stoot u aan de ondankbaarheid, of wreedheid, of hoo-vaardigheid: eindelijk, gij stemt niet wel overeen met den aard en de zeden des volks: maar gij moet tegen uzelven strijden, en tegen de daaraan tegengestelde genegenheden eenigszins geweld doen, opdat gij die plaats bedient en versiert, waarin gij gesteld zijt: want gij zijt niet vrij noch uws zelfs. Eindelijk, gij moet uzelven vergeten, zoo gij God wilt dienen. Zoo Paulus die zoo streng berispt, die meer zorg droegen voor zichzelven, dan voor de gemeente, wat oordeel zullen die verwachten, die in hunne eigene zaken geheel verward zijnde, de stichting der gemeente voor niets achten? Zoo zij zich nu vleien. God zal ze nochtans niet sparen. Men moet den dienaren der gemeente toelaten zooverre het hunne te zoeken, dat zij niet verhinderd worden het rijk van Christus te zoeken; doch aldus
FILIPPENSEN. 2 ; 21â24.
zullen zij niet gezegd worden het hunne te zoeken: want het leven des menschen, wordt naar het voornaamste einde geschat. Als hij zegt allen, moet men dat niet alzoo nemen, alsof daar niemand kon uitgezonderd worden; want daar waren ook anderen, gelijk Epafroditus, doch weinigen. Wat in velen was, zegt hij in allen te zijn. Als wij Paulus hooren klagen, dat in die gulden eeuw, toen de deugden alom bloeiden, zoo weinigen waarlijk wijs en oprecht van harte waren, zoo zullen wij den moed niet verloren geven, zoo wij in dezen tijd datzelfde zien. Alleenlijk, een iegelijk zie toe, dat hij niet naar recht onder dezulken gerekend worde. Toch wilde ik wel, dat mij de papisten antwoordden, waar Petrus toen was, welke te Rome moest zijn, zoo het waar is wat zij vertellen. O welk een schandelijken en droevigen lof zou Paulus hem hier geven! Zoo dan, zij rellen, als zij dichten, dat Petrus te dien tijde de gemeente van Rome gediend heeft. Merk op, dat hij door wat van Christus is, verstaat de stichting der gemeente: want dan doen wij waarlijk zijn zaak, als wij bezig zijn in de zorgvuldige bewerking van zijn wijngaard.
22 Gij weet zijne beproeving. Letterlijk staat er: Zijn beproeving weet gjj, tenzij iemand liever de gebiedende wijs heeft: Weet zijne beproeving; â want hij was vroeger zoo kort bij hen geweest, dat zij in dien korten tijd niet hadden kunnen weten wat hij was; â doch daaraan is weinig gelegen. Dit moet men voornamelijk aanmerken, dat hij Timotheus getuigenis geeft van geloof en zedigheid. Het getuigenis des geloofs is, dat Paulus zegt, dat hij met hem in het Evangelie gediend heeft: want zulke eenigheid was een teeken van ware oprechtheid. Het getuigenis van zedigheid is, dat hij zich aan Paulus als aan zijn vader heeft onderworpen. Dat deze deugd bijname van Paulus geprezen wordt, is geen wonder: want zij is ten allen tijde weinig gevonden. Hoevele jongelingen zal men heden vinden, die den ouderlingen ook maar een haarbreed zullen toegeven? zoo groote hoogmoed wordt in de jeugd gezien. Bij deze plaats, gelijk bij vele andere, merken wij, hoe naarstig Paulus de godzalige dienaars zoekt te versieren, en dat niet zoozeer om hunnentwil, als omdat het de gansche gemeente van belang is, dat dezulken geliefd en geëerd worden, en groote autoriteit hebben,
24 Ik betrouw. Dit heeft hij ook daarbij gesteld, opdat zij niet zouden denken, dat daar iets geschied ware, waardoor hij het plan van de reis, dat hij boven gemeld had, mocht veranderd hebben. Doch hij spreekt altijd met voorwaarde: Zoo het den Heere belieft. Want hoewel hij bevrijding van den Heere hoopte, zoo hebben wij nochtans gezegd, dewijl daar geen zekere belofte was, dat deze geen vaste hope was, maar dat het hing aan den verborgen raad Gods.
25 Maar ik heb het noodig geacht, tot u te zenden den broeder Epafroditus, mijn medehelper en medestrijder en uwen apostel, en dienaar mijner nooddruft.
26 Want hij hegeerde u allen, en was zorgvuldig, omdat gij gehoord hebt, dat hij krank geweest is.
27 En voorwaar hij is krank geweest, zoodat hij den dood nabij was: maar God is hem genadig geweest, en niet alleen hem, maar ook mij, opdat ik niet droefheid op droefheid had.
28 Zoo heb ik hem dan te spoediger gezonden, opdat gij hem
138
FILIPPENSEN 2 : 25â27. 139
gezien hebbende, u wederom zoudt verblijden, en ik te minder droefheid hebben.
29 Zoo ontvangt hem dan in den Heere met alle blijdschap, en
houdt dezulken in waarde. 1 Cor- 9:l4-
lThess.5-12
30 Want om het werk van Christus is hij tot nabij den dood i Tim. 5-it! gekomen, zijn leven ') in gevaar stellende, opdat hij zou vol- ^ ?3z:tquot;' doen wat in uwen dienst 2) jegens mij ontbrak. 2) Of; Ambt!
25 Maar ik heb het noodig geacht Epafroditus. Als hij ze nu
vertroost heeft door de belofte van zijne komst en die van Ti-motheus, zoo sterkt hij ze ook voor het tegenwoordige, Epafroditus vooruitzendende, opdat zij niet zonder herder zouden zijn, die den welgeordenden stand mocht bewaren, dewijl hij naar zijne zaken vernam: want dit was de oorzaak der vertoeving. Hij prijst Epafroditus veelszins, te weten, dat hij is een broeder en medehelper in de zaak des Evangelies, en dat hij zijn medestrijder is: met welk woord hij uitdrukt, hoedanig de staat der dienaren des Evangelies is, te weten,
dat zij in een gedurigen strijd verkeeren: want de duivel zal ze niet toelaten het Evangelie zonder strijd te bevorderen. Zoo zullen wij dan weten, dat hun strijd aangezegd en bereid is, die zich tot de stichting der gemeente bereiden. Dit is wel allen Christenen gemeen,
dat zij in het lichaam van Christus strijden: want de duivel is hun aller vijand. Maar bijzonder komt het den dienaren des Woords toe, die de gelederen aanvoeren, en de banier vooruitdragen. Toch heeft Paulus bijzonder wel van zijn krijgshandeling mogen roemen,
die in allerlei krijg wonderlijk is geoefend geweest. Zoo prijst hij dan Epafroditus, dat hij een metgezel zijner strijden is geweest. Het woord apostel, wordt hier (gelijk op vele andere plaatsen) in het breede genomen voor allerlei evangelisten, tenzij hier iemand daardoor liever wil verstaan een bode van de Filippensen gezonden,
zoodat men deze twee dingen te zamen leze: Gezonden bode om Paulus' dienst te doen. Maar de eerste zin dient 't best naar mijn oordeel. Hij stelt ook onder zijn lof,, dat hij hem in de gevangenis gediend heeft: van welke zaak terstond breeder gesproken zal worden.
26 Hij begeerde u. Dit is een teeken van een waren herder,
dat hij, hoewel hij verre was, en door een godzalig werk verhinderd werd, nochtans met zorg en begeerte bewogen was over zijn kudde; en als hij verstond, dat zijne schapen droevig waren om zijnentwil, zoo was hij door hun droefheid benauwd. Desgelijks wordt de godzalige zorge der Filippensen voor hunnen herder te kennen gegeven.
27 Maar God is hem genadig geweest. Hij had de zwaarheid der ziekte uitgedrukt, te weten, dat Epafroditus zoo krank geweest was, dat op het leven geen hoop meer was, opdat de goedheid Gods te klaarder zou schijnen in het wedergeven der gezondheid. Maar het is wonder, dat de apostel dat voor een genade en barmhartigheid Gods rekent, dat de tijd des levens van Epafroditus verlengd was, daar hij tevoren betuigd heeft, dat hij liever wilde sterven dan leven. En wat kan ons beter zijn, dan uit zoo vele ellendigheden dezer wereld, naar het rijk Gods heen te gaan. En voornamelijk,
dat wij uit de dienstbaarheid der zonde (waarin Paulus elders zich- Eom. 7:24. zeiven beklaagd ellendig te zijn) verlost zijnde, volkomen de vrijheid des Geestes genieten, waardoor wij den Zoon Gods aanhangen.
,
FILIPPENSEN 2:27.
140
Het ware lang alle dingen op te noemen, die zouden kunnen dienen om aan te toonen, dat de dood meer te wenschen is voor de geloovigen dan het leven. Hoedanig is dan deze barmhartigheid Gods, als Hij niet anders dan onze ellendigheden verlengt? Ik antwoord, dat niettegenstaande al deze dingen, dit leven op zichzelf genomen, een uitnemende weldaad Gods is. Voornamelijk degenen, die in Christus leven, worden hier voorspoedig in de hope der hemel-sche heerlijkheid geoefend, en daarom hebben wij een weinig boven gezien, dat hem het leven gewin is. Bovendien moet men ook wat anders aanmerken, te weten, dat het geen kleine eer is, die God den zijnen doet, als Hij maakt, dat Hij door ons verheerlijkt wordt. Want men moet niet zoozeer het leveli zelve aanzien, als het oogmerk des levens. Maar ook mij, opdat ik niet. Paulus bekent, dat de dood van Epafroditus hem bitter geweest zou zijn, en bekent dat God hem daarin gespaard heeft, dat hij wederom gezond geworden is. Zoo roemt hij dan niet van een Stoïcijnsche ongevoeligheid, alsof hij van ijzer en zonder menschelijke aandoeningen ware. Iemand mocht zeggen. Wat dan? Waar is de onoverwinnelijke grootmoedigheid? Waar is die onvermoeide standvastigheid? Ik antwoord, dat de Christelijke lijdzaamheid verre is van philosophische hardnekkigheid, en veel verder van de hardnekkige en onmenschelijke wreedheid der Stoïcijnen. Want wat deugd zou het zijn, het kruis lijdzaam te dragen, zoo daarin geen gevoel van smart en bitterheid ware? Maar als Gods vertroosting dit gevoel overwint, zoodat wij niet tegenstrijden, maar liever willens den rug onder de roede stellen: alsdan offeren wij Code een aangename offerande. Zoo bekent dan Paulus, dat hij eenige moeielijkheid en droefheid gevoelt uit de gevangenis en banden: maar dezelfde gevangenis en banden gedroeg hij desniettemin lieflijk om Christus' wil. Hij bekent wel, dat de dood van Epafroditus hem zwaar zou geweest zijn : maar hij zou in het einde zijn genegenheid naar Gods wil geschikt hebben. Hoewel, de zwarigheid is nog niet geheel weggenomen : want wij bewijzen ook dan veel meer onze gehoorzaamheid, als wij onze gebrekkelijke genegenheden dwingen, en de zwakheid des vleesches geen plaats geven. Zoo moet men dan twee dingen aanmerken, ten eerste, dat de genegenheden, die God in het begin in onze natuur gegeven heeft, op zichzelven niet boos zijn, want zij komen niet uit het gebrek der verdorven natuur, maar vloeien uit God den auteur. Zoodanig is de droefheid, die men over den dood van vrienden heeft. Ten andere, dat Paulus vele andere oorzaken had, waarom hij Epafroditus' dood beweend zou hebben: welke oorzaken niet alleen onschuldig, maar ook geheel noodig waren. Ten eerste, hebben de geloovigen altijd dit, dat zij in ieders dood vermaand worden aangaande den toorn Gods tegen de zonde, maar Paulus werd meer beroerd door het verlies der gemeente, die hij zag van een zeer goeden herder beroofd te worden, daar zoo weinigen zoodanig te vinden waren. Die zulke genegenheden geheel weggenomen en uitgebluscht willen hebben, dichten niet alleen steenen, maar wreede en gruwzame menschen. Voorts in deze gebrekkelijkheid der natuur, zijn alle dingen zoozeer in ons verdorven, dat onze harten in geene bewegingen maat houden. Hieruit komt het, dat alle dingen, hoe rein en recht zij op zichzelven ook zijn, nochtans altijd eenige smet hebben. Tk ontken niet, dat Paulus gelijk hij een mensch was, alzoo
FILIPPENSEN 2 : 27â30.
ook wat menschelijks gehad heeft: want hij was met zwakheid bevangen, en moest met verzoekingen gekweld worden, omdat hij met strijden en wederstaan oorzaak zou hebben om te overwinnen.
28 Zoo heb ik hem dan te spoediger gezonden. De tegenwoordigheid van Epafroditus was hem geen kleine troost, nochtans heeft hij de zaligheid der Filippensen zoozeer geacht boven zijn voordeel, dat hij zegt, dat hij blijde is om diens wegreizen: want was hij droevig, dat hij om zijnentwil werd afgehouden van de kudde, die hem bevolen was, en hoewel zijn dienst hem behagelijk en aangenaam was, zoo gebruikte hij dien nochtans ongaarne tot hun schade, daarom zegt hij, dat hij door der Filippensen blijdschap te blijder zal wezen.
29 Zoo ontvangt hem met alle blijdschap. Het woord alle, stelt hij voor oprecht en overvloedig. En hij beveelt hem wederom den Filippensen aan, zoozeer arbeidt hij ganschelijk, opdat allen, die zich goede en getrouwe herders bewijzen, hooger geacht worden: want hij spreekt niet alleen van een, maar gebiedt alzulken in waarde te houden, want zij zijn kostelijke steenen uit Gods schat genomen, en hoe moeilijker zij te vinden zijn, zooveel te grooter prijs zijn ze waardig. En het is zonder twijfel, dat God onze ondankbaarheid en hoovaardigheid dikmaals straft, ons van goede herders beroovende, dewijl Hij ziet, dat meestal de beste, die Hij geeft, voor het meerendeel versmaad worden. Daarom zoo wie begeert, dat de gemeente tegen de listen en aanloopen der wolven bewaard worde, die moet naar Paulus voorbeeld zorgen, dat het gezag der goede herders bevestigd worde: gelijk daarentegen des duivels instrumenten niet sterker zoeken, dan dezen op wat wijze zij best kunnen, onder de voeten te treden.
30 Want om het werk van Christus. Dit versta ik van die krankheid, die hij door aanhoudende werkzaamheid gekregen had. Zoo rekent hij dan Epafroditus' sterkte onder zijne deugden, gelijk het voorwaar een klaar bewijs van grooten ijver was. Ziek zijn, is wel geen deugd; maar dat men om Christus te dienen, zichzelven niet spaart, dat is deugd. Epafroditus gevoelde, dat zijn gezondheid in gevaar kwam, zoo hij zich te zeer vermoeide: nochtans wilde hij liever zijn gezondheid verachten, dan in zijn ambt gebrekkelijk zijn. En om deze daad van Epafroditus te meer van de Filippensen te prijzen, zoo zegt hij, het is een aanvulling van hun gebrek geweest, omdat zij zoo ver af zijnde, Paulus te Rome niet konden dienen. Zoo dan, Epafroditus hierom gezonden zijnde, heeft in hun plaats gedaan wat zij behoorden te doen. Den dienst, die hem geschied was, noemt hij het werk des Heeren, gelijk daar voorwaar niets is, waarin wij beter God kunnen dienen, dan als wij zijne dienstknechten helpen, die voor de waarheid des Evangelies arbeiden.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 Voorts, mijne broeders! verblijdt u in den Heere. Hetzelfde u
te schrijven, verdriet mij niet, en het is u zeker. jeg 66.10
2 Ziet op de honden, ziet op de booze arbeiders, ziet op de snijding. Kom. 2:29. 8 Want wij zijn de besnijding, wij die God door den Geest die- Deutiotie;
nen, en roemen in Christus Jezus, en niet betrouwen in het 30:6-
, ' ' Jer. 4 :4.
vleesch. joh. i-.n.
141
FILIPPENSEN 3:1,2.
4 Hoewel ik ook in het vleesch betrouwen heb, indien iemand 2Cor. 11:22. anders meent te betrouwen in het vleesch, ik veel meer:
Gen. 49:27. 5 Besneden zijnde ten achtsten dage, uit het geslacht Israels, uit
Hand. 23:6. den stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de
wet een farizeër.
Hand. 8:3. 6 Naar den ijver de gemeente vervolgende; naar de rechtvaardig-
1 Gah las. heid, die in de wet is, onbestraffelijk.
T'erblydt u in den Heere. Dit is een besluit van het voor-V/ gaande. Want dewijl de duivel niet afliet hen dagelijks met ^ geruchten te benauwen, zoo gebiedt hij hun gerust en goedsmoeds te zijn: aldus vermaant hij ze 'tot standvastigheid, dat zij niet afwijken van de leer eenmaal aangenomen. En het woord voorts, beduidt een aanhoudend vervolg, opdat zij niet door vele verhinderingen nalaten hun blijdschap te behouden. Wanneer de duivel ons door de zwarigheid des kruises zoekt te verbitteren, opdat de naam Gods ons onzoet zij, dat men dan alleen in den smaak der genade Gods stil en tevreden is, zoodat alle moeielijkheden, smarten, zorgvuldigheden en droefheden zoet worden. Hetzelfde u te schrü* ven. Hier begint hij te handelen van de valsche apostelen, tegen wie hij nochtans niet komt te strijden hand tegen hand, gelijk in den zendbrief aan de Galaten, maar hij wederlegt ze krachtig met weinige woorden, zooveel genoeg is. Want dewijl zij de Filippen-sen alleen verzocht, en niet overwonnen hadden, zoo was daar een volkomen behandeling niet noodig om die dwalingen te wederleggen, naar welke zij nooit gehoord hadden. Zoo vermaant hij ze dan eenvoudig, dat zij naarstig toezien in de verleiders te onderscheiden en te vlieden. Ten eerste noemt hij ze honden, een gelijkenis daarvan nemende, wijl zij om den buik te vullen, de ware leer met valsche bassing bestreden. Zoo is het dan zooveel alsof hij ze noemde, on-reinen en onheiligen. Want ik gevoel niet met die meenen, dat zij alzoo genoemd werden, omdat zij anderen benijdden of beten. Ten andere noemt hij ze, booze arbeiders, te kennen gevende, dat zij onder het voorwendsel van stichting der gemeente, niet anders dan alles verdierven. Want velen kwellen en bekommeren zich, dien het beter was, dat zij kalm bleven zitten. Gelijk die uitroeper, wijl hij ledig zat, van Gracchus gevraagd zijnde wat hij deed, een gereed antwoord had, zeggende: Ja, wat doet gij? Want hij was de hoofdleider van een verderfelijk oproer. Zoo wil dan Paulus, dat men onderscheid make tusschen de arbeiders, opdat de geloovigen zich wachten voor de booze arbeiders. In het derde woord is een benaming, die gepast en geestig is: want de Joden roemden, dat zij de besnijding waren. Dezen roem beneemt hij hun, als hij ze noemt snijding: als die de eenigheid der gemeente verscheurden. Waarin wij een voorbeeld hebben, dat de Heilige Geest in zijne vaten en instrumenten niet altijd geestigheid en kluchtigheid van woorden geschuwd heeft, doch waarin geen platheid was, die zijne majesteit niet betaamde. Daar zijn ontallijk vele exempelen in de profeten, en voornamelijk in Jesaja, zoodat daar geen heidensche schrijver is, die in geestige vergelijkingen en figuren overvloediger is. Maar men moet veel meer aanmerken de hevigheid der woorden, waarmede Paulus zich stelt tegen de valsche apostelen: welke voorwaar uitbreekt, waar een godzalige ijver zal wezen. Maar intusschen moet men toezien,
142
1 Tim. 1 ; 13.
FILIPPENSEN 3 : 2, 3.
dat er geen onmatigheid of te overgroote bitterheid onder het deksel van ijver gebruikt worde. Voorts, als hij zegt, dat het hem niet moeielijk is, zoo schijnt hij te kennen te geven, dat hij op een anderen tijd aan de Filippensen geschreven heeft. Maar het zal niet ongerijmd zijn,
dat men het aldus neemt, dat de Filippensen nu met den brief vermaand worden van die dingen, die hij hun dikmaals tegenwoordig zijnde gezegd had. Want bet lijdt geen twijfel, dat hij dikmaals bij hen met den mond gehandeld heeft, hoezeer men deze pesten en verdervingen moet vlieden. Nochtans verdriet het hem niet te herhalen, dewijl den Filippensen uit zijn zwijgen gevaar stond te komen.
En het betaamt voorwaar een goed herder, niet alleen de kudde voeder te geven, en door zijn leiding de schapen te regeeren, maar ook de wolven te verdrijven, die in den schaapsstal zoeken te breken: en dat niet alleen eenmaal, maar altijd op de wacht te staan, en nimmer vermoeid te worden. Want dewijl de dieven en moordenaars zonder ophouden waken tot verderving der gemeente, wat verontschuldiging zal een herder hebben, zoo hij, ze dikmaals sterk verdreven hebbende, bij den negenden of tienden aanloop terugwijkt?
En hij verhaalt, dat zulk een herhaling den Filippensen nut is, opdat zij niet (gelijk het pleegt te geschieden) te opgeblazen zijn, en zulks verachten, alsof het overbodig ware. Want velen zijn zoo eigenzinnig, dat zij niet lijden, dat een ding tweemaal gezegd wordt: en overleggen intusschen niet, dat zij wat hun allen dag ingeprent wordt,
zich nauw na tien jaren kunnen herinneren. Zoo het den Filippensen nut was deze vermaning van Paulus te hooren, dat zij de wolven zouden onderscheiden, wat meenen de papisten, als zij geenszins hun leer willen laten oordeelen? Want ik bid u, wien sprak Paulus aan, toen hij zeide: Ziet. Sprak hij niet tot degenen, dien de papisten geen recht van onderscheiding toelaten? En van dezelven spreekt Christus ook desgelijks, zeggende: Mijne schapen hooren Joh. 10;5,27. mijne stem, en volgen Mij; een vreemde vlieden zij, en hooren zijn stem niet.
3 Want wij zijn de besnijding. Dat is: Wij zijn het ware zaad van Abraham, en erfgenamen des verbonds, hetwelk met het teeken der besnijding bevestigd was. Want de ware besnijding is des Gees- Eom. 2:29. tes, en niet der letter: zij is inwendig en in het hart gelegen, en niet naar het vleesch zichtbaar. Door den geestelijken dienst, verstaat hij dien dienst, die ons in het Evangelie bevolen wordt, en is gelegen in het betrouwen en in de aanroeping Gods, in de verloochening van onszelven en reine conscientie. En men moet hieronder verstaan de tegenstelling: want hij bestraft uit het tegengestelde den dienst der wet, waarop alleen de valsche apostelen drongen, alsof hij zeide: Zij gebieden God te dienen met die uitwendige onderhoudingen, en roemen valschelijk, dat zij Gods volk zijn, omdat zij de ceremoniën der wet onderhouden, maar wij zijn waarlijk besneden, wij die God dienen in Geest en waarheid. Maar hier mocht iemand vragen, of de sacramenten uitgesloten worden door de waarheid: want men kon datzelfde zeggen van den doop en het nachtmaal. Ik antwoord, dat men altijd het grondbeginsel moet aanmerken, te weten, dat de figuren door de komst van Christus zijn afgeschaft: en dat de besnijdenis in den doop is veranderd. Uit dat beginsel volgt, dat de zuivere en wettige godsdienst vrij is van de ceremoniën der wet, en dat de geloovigen de ware besnijdenis
143
144 FILIPPENSEN 3:3â5.
hebben. En wy roemen in Christus. Men moet de tegenstelling | ste
vasthouden: Wij staan op de zaak zelve, zij op de teekenen; wij | oiu
blijven op het lichaam, waar zij op de schaduwen zien. En het lid, ï inlquot;
dat hij terstond daartegen stelt, rijmt niet kwalijk, te weten, wij be- | Jal
trouwen niet op het vleesch. Want door het woord vleesch, ver- | va(
staat hij al wat uitwendig is in den mensch, waaruit roem gezocht ; adi
wordt, gelijk men uit het verband kan zien. Of, opdat ik het met ga'
korter woorden zeg, hij noemt vleesch al wat buiten Christus is, ge:
waarmede hij die niet weinig doorhaalt, die verkeerd ijveren over ; ni£
de wet, dewijl zij met Christus niet tevreden zijnde, zich elders | ze,
heenwenden, en anderen roem zoeken. Met roemen en betrouwen | pa
hebben, heeft hij hetzelfde uitgedrukt. Want het betrouwen verheft | va
den mensch, zoodat hij ook durft te roemen. Zoo zijn het dan din- | \v£
gen, die aan elkander hangen. 1 we
4 Hoewel ik ook in het vleesch. Hij spreekt niet van de ge- ga negenheid die hij had, maar geeft te kennen, dat hij ook oorzaak wlt; heeft om te roemen, zoo hij de dwaasheid van andere menschen ; le wilde navolgen. Zoo is dan de zin; Mijn roem is wel in Christus dj gelegen, maar zoo men in het vleesch moet roemen, zoo heb ik dt oorzaak en stof genoeg. En hier leeren wij, hoe men de hoovaardig- oi heid dier menschen zal wederleggen, die buiten Christus hoovaardig de zijn. Zoo wij ook diezelfde dingen hebben waarop zij roemen, zoo g( moeten wij ze niet toelaten met ongeschikte hoovaardigheid tegen tc Christus te roemen, zonder onze roemingen ook daartegen te stellen, hi opdat zij verstaan, dat wij het niet doen uit nijdigheid, dat wij die | vi dingen als niets achten, ja willens verwerpen, die zij zeer groot t w achten. Toch zal dit altijd het besluit wezen, dat alle betrouwen B des vleesches altijd ijdel en bespottelijk is. Indien iemand betrou- J( wen heeft in het vleesch, ik veel meer. Het is hem niet genoeg, li dat hij zich aan een iegelijk hunner gelijkmaakt, maar stelt zich ' v ook hooger. Daarom kan men in deze zaak geen kwaad vermoeden d van hem hebben, alsof hij hun uitnemendheid benijdde, en Christus n verhief, om te verkleinen wat hij niet had. Zoo zegt hij dan; zoo I men daarom wil strijden, zoo zal hij de anderen te boven gaan. 1: Want (gelijk wij terstond zullen zien) zij hadden niets, dat hij niet c desgelijks met hen gemeen had: en in sommige dingen was hij verre 5 e boven hen. Hij heeft oneigenlijk gesproken, als hij zegt, dat hij be- ; c trouwen heeft, dewijl hij geen betrouwen had op vleeschelijken roem,
waarop de anderen roemden. t
5 Besneden ten achtsten dage. Daar staat letterlijk: Besny- lt; ding des achtsten dags, maar daar is niet veel aan gelegen, zoo- lt;
veel den zin aangaat Want hij wil zeggen, dat hij met de gebruikelijke ceremoniën, en naar het voorschrift der wet is besneden geweest. Die gewone besnijdenis werd hooger geacht; bovendien was het een teeken des geslachts, waarvan hij terstond hierna spreekt. Want in de vreemdelingen ging het wat anders toe: want nadat zij proselieten geweest waren, werden zij als jongelingen of mannen, en somtijds ook oud besneden. Zoo zegt hij dan, dat hij een geboren Israëliet is, en geeft ook dat geslacht te kennen: niet (naar mijn oordeel) omdat het geslacht van Benjamin uitnemender was dan de andere geslachten, maar om te beter te bevestigen, dat hij een Israëliet was, gelijk het een gewoonte was, dat een iegelijk in zijn geslacht gerekend werd. Hiertoe dient het, dat hij wederom daarbij
â â '
I*
145
stelt, dat hij is een Hebreër uit de Hebreen. Want dit was een zeer oude naam, welken Mozes ook aan Abraham geeft. Zoo is dan de Gen. 14:13. inhoud, dat Paulus van den eersten oorsprong aan uit het zaad Jakobs is gegenereerd, zoodat hij daarin zijne grootvaders en voorvaders kan aanhalen. Naar de wet een Farizeër. Als hij van den adel des geslachts gehandeld heeft, zoo komt hij nu op de bijzondere gaven des persoons, gelijk men die noemt. Het is in 't algemeen genoeg bekend, dat de secte der Farizeën boven andere was vermaard vanwege een waan der heiligheid en leer: van deze secte zegt hij, dat hij geweest is. Het is een algemeene meening, dat de Farizeën alzoo zijn genoemd geweest, omdat zij als heilige lieden van de andere menschen waren afgezonderd; maar ik acht het beter,
wat ik eenmaal geleerd heb van Capito (heiliger gedachtenis), te weten, dat zij alzoo genoemd waren, omdat zij roemden, dat zij de gave der uitlegging der Schrift hadden. Want het Hebreeuwsche woord per use h, beteekent uitlegging. Waar anderen zeiden geleerd te zijn, daar wdden dezen liever Farizeën geacht zijn, dat is,
dat zij de uitleggingen der ouden op hunne vingers wisten. En in der waarheid, het is bevonden dat zij onder het voorwendsel der oude leer en uitlegging, de gansche Schrift vervalscht hebben door hunne gedichtselen; nochtans, dewijl zij ook mede sommige gezonde uitleggingen behielden, die zij van de ouden, als van hand tot hand ontvangen hadden, zoo werden zij in groote eere gehouden. Maar wat meent hij met de woorden: Naar de wet. Want voorwaar, er is niets meer tegen de wet, dan de secten. Want in de wet wordt ée'n waarheid geleerd, welke is een band der eenigheid. Bovendien getuigt Jozefus, dat alle secten onder den priester vorst Boek der Jonathan opgekomen zijn. Paulus gebruikt het woord wet oneigen-0uai1'13' lijk voor de leer van den godsdienst, hoewel zij te dien tijde zeer verdorven was, gelijk heden het Christendom onder den paus. Maar dewijl velen onder de leeraars ongeoefend en onervaren waren, zoo meldt Paulus ook zijn ijver. Het was wel een zeer groote zonde in Paulus, dat hij de gemeente vervolgde, maar dewijl hij te strijden had tegen boeven, die Christus met de wet vermengden, en een ijver over de wet voorwendden, zoo verhaalt hij daarentegen, dat hij zulk een strengen ijver gehad heeft over de wet, dat hij om die oorzaak de gemeente vervolgde.
6 Naar de rechtvaardigheid, die in de wet is. Het is zonder twijfel, dat hij hierdoor de gansche rechtvaardigheid der wet verstaat. Want het ware veel te blauw, dat men het alleen van de ceremoniën verstond. Zoo strekt dan de zin breeder, te weten, dat hij naar zulke zuiverheid des levens gestaan heeft, als men van een naarstigen beoefenaar der wet had mogen eischen. Wederom wordt hier tegengeworpen, dat de rechtvaardigheid der wet volmaakt is voor God. Want haar inhoud is, dat de menschen volkomen God zullen aanhangen, â en wat kan men meer tot de volmaaktheid eischen? Ik antwoord, dat Paulus hier spreekt van de rechtvaardigheid, die naar de gewone schatting der menschen genoegzaam was.
Want hij zondert de wet af van Christus. Nu, wat is de wet zonder Christus, dan een doode letter? Opdat de zaak nog duidelijker zij,
zoo zeg ik, dat er tweeërlei rechtvaardigheid der wet is. De een is geestelijk, te weten, de volmaakte liefde tot God en den naaste:
deze wordt in de leer vervat, en is nooit in het leven van eenig
Dl. IV. 10
FILIPPENSEN 3:6â8.
mensch geweest. De ander is letterlijk, die voor der menschen oogen schijnt, hoewel intusschen geveinsdheid in het hart regeert, en voor God niets anders is dan ongerechtigheid. Alzoo heeft de wet tweeërlei aanzien: een aan de zijde Gods, en een ander aan de zijde der menschen. Zoo was dan Paulus heilig naar der menschen oordeel, en vrij van alle berisping. Dit is voorwaar een zeldzame en bijzondere lof. Doch laat ons zien, hoe groot hij dien geacht heeft.
Matt. 13:«. 7 Maar hetgeen mij gewin was, heb ik om Christus' wil schade
geacht.
8 Ja, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemend-Jes. 53:11. heid der kennis van Christus Jezus mijnen Heere: om wiens Joh. 17 fa! 'wil ik alle dingen schade geacht heb, en houd die als ver-
Co1- 2:2- werpsel, opdat ik Christus gewinne,
9 En opdat ik ze vinde in Hem, niet mijne rechtvaardigheid hebbende die uit de wet is, maar die door het geloof van
Rom. i:i7; Christus is, te weten, de rechtvaardigheid in het geloof, die
3:21' uit God is.
10 Opdat ik Hem kenne, en de mogendheid zijner wederopstan-Kom. (1:4. ding, en de gemeenschap zijns lijdens, zijnen dood gelijkvormig wordende;
11 Of ik eenigszins geraken moge tot de wederopstanding der dooden.
7 Maar hetgeen mij gewin was. Hij zegt, dat het hem gewin is geweest, eer hij Christus kende. Want wij worden met ijdel betrouwen opgeblazen, alleen daardoor, dat wij Christus niet kennen. Daarom, waar wij een valschen waan van eigen deugd zien, waar wij hoovaardigheid zien, waar wij grootschheid zien, wij zullen weten dat daar Christus niet gekend is. Daarentegen, zoo haast als Christus zijn schijn geeft, zoo verdwijnt terstond of wordt immers verachtelijk, al wat tevoren onze oogen met valschen schijn verstrikte. Zoo dan, die dingen, die Paulus toen hij nog blind was, gewin waren, of liever, die hem door een schijn van gewin bedrogen, die heeft hij verlicht zijnde, bekend schade en verlies te zijn. Waarom schade ? te weten: Omdat zij hem verhinderden tot Christus te komen. Nu, wat is er schadelijker, dan wat ons verhindert tot Christus te komen? Hij spreekt vooral van zijn eigen rechtvaardigheid: want wij worden tot Christus niet toegelaten, dan zoo wij van eigen rechtvaardigheid ledig en ontbloot zijn. Zoo heeft dan Paulus bekend, dat hem niets schadelijker was dan zijn eigen rechtvaardigheid, als waardoor hij van Christus uitgesloten was.
8 Ja, ik acht. Hij geeft te kennen, dat hij blijft in dat gevoelen: want het geschiedt dikmaals, dat wij door de behagelijkheid der nieuwe dingen vervoerd zijnde, alle andere dingen vergeten, en dat het ons daarna berouwt. Daarom, als Paulus gezegd heeft, dat hij alle verhinderingen verworpen heeft, opdat hij Christus bezitte, zoo zegt hij nu daarbij, dat hij bij dit gevoelen blijft. Om de uitnemendheid der kennis. Hij verheft het Evangelie tegen alle andere meeningen, die ons bedriegen. Want vele dingen schijnen zeer hoog te zijn: maar de kennis van Christus gaat door haar hoogheid zoozeer alle dingen te boven, dat zij alle daarbij vergeleken, verachte-
146
147
lijk zijn. Zoo laat ons dan hieruit leeren, hoe groot de kennis van den eenigen Christus te achten is. Dat hij Christus noemt zijn Heer, dat doet hij om de kracht zijner genegenheid uit te drukken. Om wiens wil ik alle dingen schade geacht heb. Hij zegt hier meer dan hij tevoren gedaan had, of hij spreekt voor het minst duidelijker.
Het is een gelijkenis genomen van de schepelingen, die wanneer zij in vreeze van schipbreuk zijn, alles uitwerpen, opdat zij met het ledige schip behouden in de haven mogen komen. Zoo wilde dan Paulus liever beroofd worden van alles wat hij had, dan den eenigen Christus verliezen. Maar hier wordt gevraagd, of het noodig is dat wij goed, eer, adel van geslacht, en ook onze uitwendige rechtvaardigheid verlaten, om Christus deelachtig te worden: want dit zijn alle gaven Gods, die op zichzelven niet te verachten zijn. Ik antwoord, dat de apostel hier niet zoozeer spreekt van de dingen zeiven, als van hunne hoedanigheid. Het is wel waar, dat het rijk der hemelen een kostelijke parel gelijk is, om welke te ver- Matt. 13:4C. krijgen, niemand zich moet ontzien te verkoopen al wat hij heeft.
Maar daar is onderscheid tusschen de substantie en hoedanigheid der dingen. Het was Paulus niet noodig, zichzelven van zijn geslacht en van het zaad Abrahams af te scheiden, en een vreemdeling te worden, opdat hij een Christen ware: maar dat betrouwen op zijn geslacht moest hij wegwerpen. Hij moest niet van kuisch onkuisch, van sober onmatig, en van eerlijk ongebonden worden,
maar hij moest dien valschen waan der eigengerechtigheid verlaten,
en dien verafschuwen. Wij spreken ook niet tegen de substantie der werken, als wij handelen van de rechtvaardigheid des geloofs, maar wij spreken tegen de hoedanigheid, die de sophisten daaraan toekennen, te weten, dat zij zeggen, dat de menschen daardoor gerechtvaardigd worden. Zoo heeft dan Paulus zichzelven beroofd,
niet van de werken, maar van dat verkeerd betrouwen op de werken, waarmede hij opgeblazen was. Zooveel goed en eere aangaat,
wanneer wij de genegenheid zullen afgelegd hebben, zoo zullen wij ook bereid zijn de dingen zeiven te verlaten, zoo wanneer het de Heere eischt, en het alzoo moet geschieden. Het is niet alleen noodig, dat gij arm wordt om een Christen te zijn, maar zoo het den Heere alzoo behaagt, zoo moet gij bereid zijn om armoede aan te nemen. Eindelijk, het is den Christenen niet geoorloofd iets te hebben buiten Christus. Ik zeg, dat datgene buiten Christus is,
wat ons verhindert, dat Christus niet alleen onze glorie is, en geheel in ons regeere. En houd die als verwerpsel. Hier verheft hij zeer, niet alleen met woorden, maar ook met de zaak zelve, wat hij tevoren gezegd had. Want die de koopwaar en andere dingen in zee werpen, opdat zij behouden ontkomen, die versmaden nochtans daarom het goed niet; maar omdat zij liever ellendig en arm willen leven, dan met hun goed verdrinken, zoo werpen zij het weg,
doch onwillig en met zuchten, en als zij ontkomen zijn, zoo be-weenen zij dat verlies. Maar Paulus geeft te kennen, dat hij al wat hij tevoren kostelijks had, niet alleen verlaten heeft, maar dat het hem als drek stinkt of verachtelijk is, gelijk dingen die verachtelijk weggeworpen worden. Chrysostomus heeft het Grieksche woord uitgelegd kaf, maar de taalkundigen zeggen, dat het beduidt wat voor de honden geworpen wordt. En het behoort ons voorwaar naar recht te stinken, al wat vreemd van Christus is, dewijl het voor
148
God een gruwel is. Het moet ook naar recht verachtelijk zijn, dewijl het niet anders is dan een valsche meening. Opdat ik Christus gewinne. Met dit woord geeft hij te kennen, dat Christus niet anders kan gewonnen worden, dan zoo wij al wat onze is, verliezen. Want Hij wil, dat wij door zijn eenige genade rijk zijn, Hij wil alleen ons volkomen geluk en zaligheid zijn. Hoe dit verlies te verstaan is, is boven gezegd, te weten, dat niets ons van dat eenige betrouwen op Christus afleide. Zoo Paulus, die zulk een onschuldig en zuiver leven leidde, niet getwijfeld heeft zijn rechtvaardigheid als drek te achten, wat willen onze huidige Parizeen zeggen, die met allerlei boosheid bekleed zijn, en nochtans zich niet schamen hunne verdiensten tegen Christus te verheffen.
9 En opdat ik vinde. Alle anderen lezen het aldus: Dat ik gevonden worde, maar aldus moest men een tegenstelling daaronder verstaan, te weten, dat Paulus verloren was, eer hij in Christus gevonden werd: gelijk een rijk koopman, zooveel als een verlorene is, zoolang hij het schip vol goed heeft, en wordt na het uitwerpen van het goed gevonden. Want hier heeft dat spreekwoord groote plaats: Ik ware vergaan, ware ik niet vergaan. Maar dewijl het Grieksche werkwoord in het passief ook beduidt vinden, wat iemand willens verlaten heeft, gelijk Budeus dat met vele voorbeelden bewijst, zoo heb ik mij niet ontzien van de meening van anderen af te wijken. Want de zin zal alzoo volkomener, en de leer overvloediger zijn, te weten, dat Paulus verworpen heeft alles wat hij had, om in Christus terug te krijgen. En dit komt beter overeen met het woord gewinnen, want daarmede wordt beduid, dat het geen klein noch gemeen gewin is, dewijl Christus alles in Zich vervat. En voorwaar wij verliezen niet, wanneer wij naakt en ledig tot Christus komen: want die dingen, die wij tevoren valschelijk meenden te hebben, die beginnen wij dan eerst waarlijk te bekennen. Zoo wordt dan beter daardoor verklaard, hoe groot de rijkdom van Christus is, dewijl wij in Hem alles verkrijgen en vinden. Niet mijn eigen rechtvaardigheid hebbende. Dit is een zeer schoone plaats, zoo iemand begeert een bepaalde beschrijving der rechtvaardigheid des geloofs te hebben, en haar ware natuur te weten. Want Paulus vergelijkt hier twee rechtvaardigheden met elkander. Hij zegt, dat de eene is de rechtvaardigheid der menschen, welke hij ook noemt de rechtvaardigheid der wet; de andere, zegt hij, dat zij uit God is, en dat zij door het geloof verkregen wordt, en dat zij in het geloof van Christus gelegen is. Deze twee stelt hij alzoo tegen elkander, dat zij niet te zamen kunnen staan. Zoo zijn dan hier twee dingen aan te merken, te weten, dat men de rechtvaardigheid der wet moet laten varen, en overgeven, opdat men door het geloof rechtvaardig worde; ten andere, dat de rechtvaardigheid des geloofs uit God komt, en niet des menschen bezit is. Over deze beide hebben wij heden grooten twist tegen de papisten. Want zij laten niet toe, dat de rechtvaardigheid des geloofs geheel uit God is, maar schrijven een deel daarvan den menschen toe: en vermengen ze alzoo beide te zamen, alsof de een de ander niet ophief. Zoo betaamt het dan, dat men de woorden van Paulus elk bijzonder naarstig overlegge, dewijl zij alle zeer gewichtig zijn. Hij loochent, dat de geloovigen een eigen rechtvaardigheid hebben. Nu kan men niet ontkennen, dat de rechtvaardigheid der werken, zoo er eene ware, terecht zou geacht
FILIPPENSEN 3:9â11.
worden onze te zijn. Zoo laat hij dan aan de rechtvaardigheid der werken ganschelijk geen plaats. Nu, waarom hij ze noemt rechtvaardigheid der wet, leert hij Rom. 10: 5, te weten, omdat dit het bevel der wet is: wie dit doet, die zal daardoor leven. Zoo verkondigt Lev. is dan de wet den mensch rechtvaardig te zijn uit de werken. De pa- Ez' 20: pisten moeten hier niet deze beuzeling voortbrengen, te weten, dat dit geheel te verstaan is van de ceremoniën alleen. Want ten eerste is het een koude beuzeling, dat Paulus alleen door de ceremoniën rechtvaardig is geweest. Ten andere, stelt hij deze twee rechtvaardigheden alzoo tegen elkander, dat de een des menschen is, de andere uit God. Zoo geeft hij dan te kennen, dat de eene is een loon der werken, en dat de ander is een onverdiende gave Gods.
Alzoo heeft hij in het gemeen de verdienste des menschen gesteld tegen de genade van Christus. Want waar de wet werken voortbrengt, daar stelt het geloof den naakten mensch voor God, opdat hij met rechtvaardigheid van Christus bekleed worde. Zoo dan, dat hij zegt, dat de rechtvaardigheid des geloofs alleen uit God is, dat is niet alleen daarom, dat het geloof is een gave Gods, maar omdat God ons rechtvaardigt door zijn goedheid, of omdat wij de rechtvaardigheid, die Hij ons geeft, met het geloof ontvangen.
io Opdat ik Hem kenne. Hij beschrijft de kracht en natuur des geloofs, te weten, dat zij is een kennis van Christus, en niet een naakte of verwarde kennis der rede, maar waardoor de kracht zijner wederopstanding gevat wordt. Het woord wederopstanding, heeft hij gesteld voor de vervulling der verlossing, zoodat ook zijn dood daaronder vervat is. Maar dewijl het niet veel is, dat men weet, dat Christus gekruist en wederopgewekt is uit de dooden, tenzij men ook de vrucht vat, zoo spreekt hij bijname van de kracht. Zoo dan, Christus wordt dan terecht gekend, als wij gevoelen wat zijn dood en wederopstanding vermag, en hoe zij in ons krachtig is. Alle dingen zijn ons daarin voorgesteld, de verzoening, de afwassching der zonden, de verlossing van schuld en verdoemenis, de voldoening, de overwinning des doods, de verkrijging der rechtvaardigheid, de hope der zalige onsterfelijkheid. En de gemeenschap zijns lijdens. Als hij van de onverdiende rechtvaardigheid gesproken heeft, welke wij door de wederopstanding van Christus verkrijgen en door het geloof bezitten, zoo spreekt hij daarna van de oefeningen der godzaligen: en dat opdat hij niet schijne een ledig geloof voor te stellen, dat geen vruchten zou voortbrengen in het leven. En hij geeft ook mede te kennen, dat dit de oefeningen zijn, waarmede de Heere de zijnen wil geoefend hebben: daar de valsche apostelen de koude letter-leeringen der ceremoniën in de hand staken. Zoo dan, wie door het geloof alle goederen van Christus is deelachtig geworden, die moet dat bekennen, dat hem deze roeping is voorgesteld, dat hij zijn gansche leven lang den dood van Christus gelijkvormig worde. Voorts is er tweeërlei gemeenschap en deelachtigheid aan den dood van Christus. De eene is inwendig,
welke de Schrift pleegt te noemen, de dooding des vleesches, of kruisiging van den ouden mensch: waarvan Paulus handelt, Rom.
hfdst. 6. De andere is uitwendig, welke genoemd wordt; De dooding van den uitwendigen mensch; deze is de verdraagzaamheid des kruises, waarvan hij handelt in het achtste hoofdstuk van denzelfden brief, en ook hier, gelijk ik meen. Want na gevat te hebben de
149
FILIPPENSEN 3:11, 12.
kracht der wederopstanding, wordt ons de gekruiste Christus voor- is, gesteld, opdat wij door verdrukkingen en ellendigheden Hem na- i hie:
volgen; daarom wordt de wederopstanding der dooden duidelijk doe
uitgedrukt, opdat wij weten, dat wij moeten sterven, eer wij mogen bei
leven. Dit is een gedurige bedenking der geloovigen, zoolang zij ger
op de aarde vreemdelingen zijn. Dit is een zeer uitnemende troost, dat
dat wij in alle ellendigheden metgezellen des kruises van Christus lijd
zijn, zoo wij zijne leden zijn: opdat door verdrukkingen ons de weg dei
open is tot de eeuwige zaligheid, gelijk op een andere plaats ge- scl
schreven staat: Zoo wij mede sterven, zoo zullen wij mede leven; voi
2 Tim. 2; ii. zoo wij mede lijden, zoo zullen wij mede regeeren. Zoo moeten wij is, dan allen hiertoe gezind zijn, dat. ons gansche leven niet anders , zijl
uitgeve dan een beeld des doods, totdat het den dood zeiven bare: nit
gelijk het leven van Christus niet anders is geweest dan een voor- be
spel des doods. Maar intusschen génieten wij dezen troost, dat het op
einde de eeuwige zaligheid is. Want de dood van Christus is niet de
zonder wederopstanding. Daarom zegt Paulus, dat hij zijnen dood ee
gelijkvormig wordt, opdat hij tot de heerlijkheid der wederopstan- G1
ding kome Het woord: Of ik eenigszins, beduidt niet een twijfeling, g£
maar een zwarigheid, om onze naarstigheid op te wekken. Want di
het is geen lichte strijd, als wij tegen zoo vele en zoo groote ver- ki
hinderingen strijden. ei
w
Eom. 12:1G; 15:5.
1 Cor. 1:10.
Fil. 2:2. 1 Petr. 3:8. 1 Cor. 4:16; 11:1.
12 Niet dat ik het aireede gekregen heb. of dat ik nu volmaakt ben; maar ik jaag er naar, opdat ik het ook krijge, gelijk ik 1ook van Jezus Christus gekregen ben. ^
13 Broeders! ik acht niet, dat ik zelf het verkregen heb: maar één ding doe ik, vergetende wat achter is, en strekkende mij naar de dingen die voor zijn, a
14 Jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping van boven, j( in Christus Jezus. ^
15 Laten wij allen, die volmaakt zijn, dit gevoelen; en indien gij j iets anders gevoelt, zoo zal God u dat ook openbaren. j-
16 Voorts, daar wij toe gekomen zijn, dat is, dat wij eenerlei ge- t voelen: laat ons naar denzelfden regel voortvaren. ]
17 Weest mede mijne navolgers, broeders! en hebt acht op de- 1 genen, die alzoo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. (
150
1
Ef. 2:6. wij in het rijk Gods ingegaan, en gelijk bij de Efeziërs staat: Wij zitten nu door de hope in de hemelen. Ik antwoord, dat intusschen onze zaligheid in de hope is gelegen: zoodat de erfenis wel zeker
FILIPPENSEN 3 ; 12, 13.
is, doch dat wij haar bezit nog niet genieten. Hoewel, Paulus ziet hier op iets anders, te weten, op den voortgang des geloofs en der dooding, die hij tevoren gemeld had. Hij had gezegd, dat hij arbeidde en poogde naar de wederopstanding der dooden door de gemeenschap des kruises van Christus; nu zegt hij daarbij, dat hij dat nog niet verkregen heeft. Wat? te weten, dat hij geheel het lijden van Christus deelachtig zou zijn, dat hij een volkomen smaak der kracht der wederopstanding zou hebben, en dat hij Hem gan-schelijk zou kennen. Zoo vermaant hij, dat men naar zijn voorbeeld voortgang moet doen, en dat de kennis van Christus zoo zware zaak is, dat die daarin alleen arbeiden, nochtans nimmermeer volmaakt zijn, zoolang zij leven. Voorts wordt de leer van Paulus hierdoor niet verkleind, want hij had zooveel gevat als genoeg was om zijn bevolen ambt te bedienen. Intusschen moest hij voortgang doen, opdat de goddelijke leeraar aller menschen, tot ootmoedigheid onderwezen worde. Gelijk ik ook gekregen ben. Dit heeft hij als een verbetering daarbij gesteld, om al zijn pogen aan de genade Gods toe te schrijven. Daar is niet veel aan gelegen, of men leest gelijk, of zooverre. Want de zin blijft altijd dezelfde, te weten, dat Paulus van Christus gekregen is, opdat hij Christus zou verkrijgen; dat is, dat hij niets gedaan heeft, dan door de ingeving en beweging van Christus. Doch ik heb gesteld wat 't duidelijkst was, dewijl het vrij was.
13 Ik acht niet, dat ik zelf het verkregen heb. Hij wil hier niet het geloof zijner zaligheid in twijfel trekken, alsof hij nog onzeker daarvan ware, maar hij verhaalt wederom wat hij gezegd had, dat hij zocht door voortgang nog verder te komen, dewijl hij nog niet gekomen was tot het einde zijner roeping. En ditzelve verklaart hij terstond daarna, zeggende, dat hij alle andere dingen achterlatende, naar dit eene staat. Hij vergelijkt ons leven bij een loopbaan, welker lengte om te loopen, ons God afgemeten heeft. Want gelijk het den looper niets nuttig is, dat hij is beginnen te loopen, tenzij hij tot het einde en voorgestelde oogwit kome, alzoo moeten wij ook den loop onzer roeping voleindigen tot den dood toe, en niet ophouden, eer wij verkregen hebben wat wij begeeren. Bovendien, gelijk den looper een weg verordend is, opdat hij niet her- en derwaarts afwijkende, zich tevergeefs vermoeie, niet naderende tot het voorgestelde doel, alzoo is ons ook een doelwit voorgesteld, waar wij recht henen moeten loopen, en God duldt niet, dat wij lichtvaardiglijk afdwalen. Ten derde, gelijk de looper vaardig moet zijn, en door geen verhinderingen zijnen loop ophouden, maar alles doorkomen, en in den loop blijven, alzoo moeten wij toezien, dat wij ons hart en gemoed geenszins laten aftrekken, maar moeten meer arbeiden om van alle aftrekking vrij te zijn, en al onze naarstigheid tot de eenige roeping Gods te voegen. Deze drie dingen vervat Paulus in één gelijkenis. Als hij zegt, dat hij naar dit alleen staat, en alle voorgaande dingen vergeet, zoo beduidt hij een strenge naarstigheid, en sluit alle aftrekkingen uit. Als hij zegt, dat hij dat voorgestelde oogwit vervolgt, zoo geeft hij te kennen, dat hij niet buiten den weg dwaalt. Vergetende wat achter is. Hij ziet op de loopers, die hunne oogen nergens op wenden, opdat zij in de snelheid huns loops niet verachteren: bovenal zien zij niet achterwaarts hoe veel zij afgeloopen hebben, maar haasten zich
151
152 FILIPPENSEN 3 : 13- 15.
. â
recht naar het einde. Alzoo leert Paulus, dat hij niet aanmerkt hoedanig hij geweest is, noch wat hij gedaan heeft, maar dat hij alleen arbeidt naar dat voorgestelde einde, en dat met zulk een groeten ijver, dat hij als met uitgestrekte armen daarhenen vliegt. Want zulk een gelijkenis is begrepen onder het woord, dat hij gebruikt. Zoo iemand wil tegenwerpen, dat de overdenking des voorgaanden levens nut is om ons op te wekken, eensdeels wijl de genade en i gaven, die ons gegeven zijn, ons moedig maken om te hopen, en i anderdeels, wijl wij door onze zonden vermaand worden, dat wij ons leven moeten beteren: ik antwoord, dat de oogen door zulke overdenkingen niet achterwaarts worden gekeerd, maar dat hun scherpte van gezicht te meer daardoor geholpen wordt, om dat voorgestelde einde te beter te zien. Paulus bestraft hier dat omzien, waardoor de blijmoedige vaardigheid gebroken of verminderd wordt. Gelijk wanneer iemand zich wijsmaakte, dat hij genoeg grooten voortgang gedaan had, omdat hij meent genoeg en voldaan te hebben, en nu lui werd, en den arbeid en naarstigheid een ander wilde overgeven. Of wanneer iemand gekweld wordt met begeerte naar zijn verlaten staat, die kan al zijn aandacht niet voegen tot wat hij doet. Dusdanig waren de gedachten, waarvan Paulus' hart moest afgewend zijn, zoo hij de roeping van Christus ernstig wilde volgen. En dewijl hier van poging, naarstigheid, loopen en volharding gemeld was, opdat niemand zou meenen, dat daarin zaligheid gelegen was, of ook dat men aan den arbeid en het vernuft der menschen zou toeschrijven, wat van elders komt, zoo stelt hij daarbij: In Christus Jezus, willende daarmede de oorxaak aller dingen te kennen geven.
ïS Wij allen, die volmaakt zyn. Opdat niemand dit gezegde zou verstaan van de groote massa gezegd te zijn, alsof hij allen, die kinderen in Christus zijn, de eerste beginselen voorschreef, zoo betuigt hij dat het een regel is, welke alle volmaakten moeten houden. De regel is deze: Dat wij het betrouwen aller dingen moeten verlaten, opdat wij alleen in de rechtvaardigheid van Christus roemen, en alles verlatende, staan naar de gemeenschap zijns lijdens, opdat wij daardoor tot de zalige wederopstanding geleid worden. Waar zal nu de staat der volmaaktheid wezen, welken de monniken dichten? Waar zal die verwarde samenflansing van zoo vele vindingen zijn? Eindelijk, waar zal het gansche pausdom wezen, hetwelk niet anders is dan een gedichte volmaaktheid, die niets gemeens heeft met dezen regel van Paulus? Voorwaar, zoo wie dit eene woord verstaat, die zal klaarlijk bekennen, dat het stinkende drek is, al wat van de rechtvaardigheid en zaligheid te verkrijgen, geleerd wordt in het pausdom. Zoo gij iets anders. Hij vernedert ze en richt ze op tot goede hope door éénzelfde middel: want hij vermaant ze, dat zij zich op hun onwetendheid niet verhoovaardigen, en gebiedt ze nochtans goedsmoeds te zijn, als hij zegt, dat men de openbaring Gods moet verwachten. Want wij weten, hoe groote verhindering voor de waarheid de hardnekkigheid is. Zoo is dan dit een zeer goede voorbereiding tot leerzaamheid, zoo wij onszelven niet behagen in onze dwaling. Daarom geeft Paulus bedektelijk te kennen, dat wij aan de openbaring Gods plaats moeten geven, zoo wij nog niet verkregen hebben wat wij zoeken. En als hij leert, dat men als bij trappen voortgang moet doen, zoo geeft hij hun moed, opdat zij midden in den loop niet bezwijken. Hoewel, hij stelt ook mede
FILIPPENSEN 3 : 15â17.
buiten twijfel, wat hij geleerd had, als hij zegt, dat aan degenen die anders gevoelen, zal geopenbaard worden wat zij nog niet weten. Want dit is zooveel alsof hij gezegd had: De Heere zal u te eenigen tijde toonen, dat wat ik gezegd heb, een volmaakte regel is om recht te gevoelen en wel te leven. Niemand zou terecht alzoo kunnen spreken, dan die zekep is van de wijze en waarheid zijner leer. Intusschen zullen wij ook uit deze plaats leeren, dat men een tijdlang de onwetendheid der zwakke broederen moet dragen, en dat men het hun niet kwalijk moet afnemen, waar het hun niet terstond gegeven is, dat zij ganschelijk met ons gevoelen. Paulus was zeker van zijn leer, en nochtans dengenen, die ze nog niet konden vatten, geeft hij tijd om voort te leeren, en houdt ze daarom niet op voor zijne broeders te houden. Hij ziet alleen toe, dat zij zichzelven niet behagen in hunne dwaling. Dat in de Latijnsche handschriften staat: God heeft u dat geopenbaard, verwerp ik zonder zwarigheid, als ongeschikt en ongepast.
16 Voorts, daar wij toe gekomen zijn. In het afdeelen der woorden komen ook zelfs de Grieksche handschriften niet overeen. Want in sommige zijn het twee volkomen zinnen, en zoo men ze liever wil scheiden, zoo zal het de zin wezen, dien Erasmus gesteld heeft. Maar ik wil het liever anders lezen, te weten, dat Paulus ze vermaant om hem na te volgen, opdat zij eindelijk tot dat voorgestelde oogmerk komen, te weten, dat zij eenerlei gevoelen, en naar eenerlei regel voortgaan. Want waar oprechte genegenheid is, gelijk als in Paulus regeerde, daar komt men lichtelijk tot een heilige en godzalige eendrachtigheid. Dewijl zij dan nog niet verstaan hadden, welke de ware volmaaktheid was, opdat zij daartoe mochten komen, zoo wil hij, dat zij zijne navolgers zijn, dat is, dat zij met zuiverder conscientie God zoeken, zich op niets verhoovaardigen, en hun gevoelen liefelijk aan Christus onderwerpen. Want in de navolging van Paulus worden al deze deugden vervat, de oprechte ijver, de vreeze des Heeren, zedigheid, verloochening van zichzelven, leerzaamheid, liefde, en begeerte tot eendrachtigheid. Hij gebiedt hen te zamen zijne navolgers te zijn, dat is te zeggen, allen met eenerlei gevoelen en e'én geest. Merk op, dat het oogmerk der volmaaktheid, waartoe hij de Filippensen door zijn voorbeeld vermaant, is, dat zij eenerlei gevoelen hebben, en naar eenerlei regel voortgaan. Maar hij heeft tevoren de leer gesteld, waarin zij eendrachtig moesten zijn, en den regel, waarnaar zij zich moesten schikken.
17 Hebt acht op degenen. Met deze woorden geeft hij te kennen, dat het hem evenveel is, wien zij verkiezen om na te volgen, zooverre zij zich schikken naar de zuiverheid, waarvan hij een voorbeeld was. Hiermede wordt alle vermoeden der eergierigheid weggenomen: want wie eergierig is, die weigert zijns gelijken tot metgezellen te hebben. En hij vermaant ook mede, dat men niet ieder zonder onderscheid moet navolgen, gelijk hij duidelijker hierna zegt.
18 Want velen wandelen (van welke ik u dikmaals gezegd heb, Rom. ig:17. en zeg het nu weenende, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn;
19 Welker einde is het verderf, welker God is de buik, en hun eer is in hun schande) aardsche dingen bedenkende.
153
154 FILIPPENSEN 3 : 18.
Hebr. 13:14. 20 Maar onze wandeling is in den hemel, waaruit wij ook den
Tit.*2:is! Zaligmaker verwachten, onzen Heere Jezus Christus;
l Cor. 15:51. 21 Die ons nederig lichaam veranderen zal, dat het zijn heerlijk
l Joh! 3:2! lichaam gelijkvormig zij, naar de kracht, waardoor Hij ook
alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
4 i
18 Want velen. Naar mijn gevoelen is dit de eenvoudige zin dezer plaats: Velen wandelen, aardsche dingen bedenkende:
waarmede hij te kennen geeft, dat er velen zijn, die op de aarde kruipen, en de kracht des rijks Gods niet gevoelen. Maar tusschen deze woorden stelt hij sommige teekenen, waardoor men dezulken kan onderkennen, welke wij op hun. plaats zullen overwegen. Sommigen hebben door de aardsche dingen verstaan, de ceremoniën en uitwendige ordeningen der wereld, waardoor de ware godzaligheid vergeten wordt. Maar ik wil het liever van de vleeschelijke genegenheid verstaan, te weten, dat zij door den Geest Gods niet wedergeboren zijnde, niet dan een wereldsch gevoelen hebben: hetwelk in de navolgende woorden klaarlijker zal gezien worden. Want hij maakt ze hierom hatelijk, dat zij alleen hun eer, rust en gewin zoekende, geen acht hadden op de stichting der gemeente. Van welke ik u dikmaals gezegd heb. Hij toont, hoe hij niet zonder oorzaak dikmaals de Filippensen vermaand heeft, dewijl hij nu gedwongen wordt, hun ditzelve door dezen zendbrief in gedachtenis te brengen, wat hij tevoren tegenwoordig zijnde gezegd had. En de tranen zijn een bewijs, dat hij daartoe niet gedwongen wordt door haat of nijd der menschen, noch door begeerte om kwaad te spreken, noch door dartelheid, maar door godzaligen ijver, omdat hij zag, dat de gemeente door zulke verderfelijke menschen ellendig verdorven werd. Alzoo behooren wij gezind te zijn, dat wij zuchten, en tenminste met tranen betuigen, dat wij medelijden hebben met de ellendigheid der gemeente, als wij zien, dat de plaats der herders wordt ingenomen door menschen, die ongeschikt en van geene waarde zijn. Het is ook waardig, dat men aanmerkt van welke Paulus spreekt, te weten, niet van de openbare vijanden, die willens de leer zoeken te verderven, maar van de onnutte boeven, y die uit eergierigheid of om des buiks wil, de kracht des Evangelies
teniet maakten. Voorwaar, dezulken die zichzelven zoekende, de kracht van den dienst teniet maken, die doen voorwaar somtijds meer schade dan of zij openlijk Christus wederstonden. Daarom moet men ze niet sparen, dat men ze niet, zoo wanneer het nut is, met den vinger zou aanwijzen. Zij mogen daarna over onze eigenzinnigheid klagen, gelijk zij willen, zoo zij ons maar niets kunnen tegenwerpen, dat wij niet met Paulus' voorbeeld kunnen beschermen. Dat zij vijanden zijn des kruises. Sommigen hebben door het kruis de gansche verborgenheid der verlossing verstaan, en leggen het uit: Dat zij de wet predikende, de weldaad des doods van Christus verijdelden. Sommigen verstaan daardoor, dat zij het kruis vloden, en zich om Christus' wil niet in gevaar wilden stellen. Ik neem het breeder, te weten, dat zij veinsden vrienden te zijn, en schandelijke vijanden des Evangelies waren. Want met het woord kruis, pleegt Paulus dikmaals de geheele verkondiging des Evan-2 Cor. 5; 17. gelies te beduiden. Want gelijk hij op een andere plaats zegt: Zoo iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel.
tJ:
FILIPPENSEN 3 ; 19, 20.
ig Welker einde is het verderf. Dit zet hij daarbij, opdat de Filippensen door zulke vreeselijkheid verschrikt zijnde, te naarstiger toezien, en zich niet vermengen in hun verderf. En dewijl zulke boeven dikmaals door schoon aanschijn en menigerlei kunsten, de oogen der eenvoudigen alzoo een tijdlang verstrikken, dat zij ook boven de allerbeste dienaren van Christus geacht worden, zoo zegt de apostel met groot betrouwen, dat die eer, waarmede zij opgeblazen zijn, tot schande zal veranderd worden. Welker God is de buik. Dat zij dringen op de besnijdenis en ceremoniën, dat doen zij niet (zegt hij) door een ijver over de wet, maar om de men-schen te behagen, opdat zij gerustelijk zouden leven en zonder moeite. Want zij zagen,-dat de Joden wonder hittig raasden tegen Paulus en zijns gelijken, en dat Christus niet rein van hen verkondigd kan worden, zonder diezelfde razernij tegen zich te verwekken. Zoo hebben zij dan om hun rust en gemak, die verderving in de leer vermengd, waardoor de brand van zulken gebluscht werd.
20 Maar onze wandeling is in den hemel. Door dezen zin wordt alle ijdele praal nedergeworpen, waardoor de geveinsde dienaars des Evangelies zich plegen te verheffen, en gispt hij hatelijk al hun meening en wijze van doen, te weten, dat zij op de aarde zwevende, niet naar den hemel staan. Want hij leert, dat alle dingen niet zijn te achten, uitgenomen dat geestelijk rijk Gods: want de geloovigen moeten een hemelsch leven in deze wereld leven,
alsof hij zeide; Zij denken op aardsche dingen, zoo betaamt het ons dan, dat wij, die onzen wandel in den hemel hebben, ons van hen vervreemden. Wij zijn wel hier met de ongeloovigen en geveinsden vermengd: ja in den dorschvloer des Heeren is het kaf boven het koren. Bovendien zijn wij den gemeenen ellendigheden des aardschen levens onderworpen. Insgelijks spijze en drank en andere nooddruft is ons noodig: nochtans moeten wij met het gemoed en met de genegenheid in den hemel wandelen. Want wij moeten als doorloopende dit leven doorgaan, en wij moeten voor de wereld dood zijn, opdat Christus in ons leve, en opdat wij wederom Hem leven. Deze plaats is een zeer overvloedige fontein veler vermaningen, die een iegelijk lichtelijk daaruit kan trekken. Waaruit wij ook. Uit de vereeniging, die wij met Christus hebben, bewijst hij, dat onze wandel in den hemel is: want het betaamt niet dat onze leden van het hoofd gescheiden zijn. Zoo dan, dewijl Christus in den hemel is, zoo moeten wij met het gemoed buiten de wereld wonen, opdat wij Hem aanhangen. Bovendien waar onze Matt, c; 22. schat is, daar is ook ons hart. Christus onze zaligheid en glorie is in den hemel. Zoo moeten dan onze zielen met Hem daar boven wonen. Daarom noemt hij Hem bij name Zaligmaker. Vanwaar zal ons de zaligheid komen? te weten, Christus de Zaligmaker zal voor ons uit den hemel komen, zoo ware het dan ongeschikt, dat wij in de aarde bekommerd waren. Het woord Zaligmaker, dient tot de omstandigheid der plaats. Want wij worden daarom gezegd met het gemoed in den hemel te zijn, omdat wij alleen van daar de hope der zaligheid hebben. De komst van Christus, daar zij den godde-loozen verschrikkelijk zal wezen, zoo worden hunne harten daardoor meer afgewend van den hemel, dan daartoe verwekt. Want zij weten, dat hun een Richter zal komen, en vlieden Hem zooveel in hen is. Uit deze woorden van Paulus verzamelen de godzalige zie-
155
FILIPPENSEN 3:20, 21.
len zeer zoeten troost, dewijl zij hooren, dat hun de komst van Christus is te begeeren, omdat zij hun zalig zal wezen. Daarentegen is het een zeker teeken der ongeloovigheid, wanneer iemand door allerlei melding der komst van Christus verschrikt wordt. Zie het achtste hoofdstuk aan de Romeinen. Voorts, waar anderen met menigerlei begeerten omgedreven worden, daar wil Paulus, dat de ge-loovigen met den eenigen Christus zullen tevreden zijn. Bovendien leeren wij uit deze plaats, dat men niet nederig noch aardsch van Christus moet denken, dewijl ons Paulus gebiedt op te zien naar den hemel, om Hem te zoeken. Degenen, die scherpzinnig disputeeren, dat Christus niet in eenigen hoek des hemels is besloten of weggestoken, opdat zij daaruit bewijzen, dat zijn lichaam alom is, den hemel en de aarde vervullende, die zeggen wel wat, maar niet alles. Want gelijk het lichtvaardigheid en dwaasheid ware, boven de hemelen te klimmen, en in dit of dat gewest Christus een stoel of een wandel toe te schrijven, alzoo is het ook een dwaze en schadelijke razernij, dat men door eenige vleeschelijke gedachte Christus uit den hemel wil trekken, opdat wij Hem op de aarde zoeken. Zoo dan, laat ons de harten opwaarts heffen, opdat zij met den Heere zijn.
2i Die ons nederig lichaam veranderen zal. Met deze bewijsreden wekt hij de Fliippensen nog meer op, dat zij hunne harten ganschelijk opheffen naar den hemel, en Christus ganschelijk aanhangen, te weten, dewijl dit lichaam, dat wij dragen, geen gedurige woonstede is, maar een vergankelijke hut is, welke in korten tijd te niet zal gemaakt worden. Bovendien is het aan zoo vele ellendigheden onderhevig, en aan zoo vele schandelijke zwakheden onderworpen, dat het terecht mag gezegd worden verwerpelijk en vol schanden te zijn. Maar vanwaar zal men zijn wederoprichting verwachten ? te weten, uit den hemel in de komst van Christus. Zoo dan, wij hebben in ons geen deel, dat niet met gansche begeerte naar den hemel behoort te staan. De zekere groote nederheid onzer lichamen, merken wij niet alleen in het leven op, maar ook voornamelijk in den dood, en de heerlijkheid, die zij zullen hebben, aan het lichaam van Christus gelijkvormig, is onbegrijpelijk. Want zoo de discipelen niet dien kleinen smaak hebben kunnen dragen, dien Matt. i7:i. zij hadden in de verandering van Christus op den berg: wie van ons zou die volheid kunnen vatten? Laat ons nu tevreden zijn met het getuigenis onzer aanneming, den rijkdom onzer erfenis zullen wij weten, als wij Hem zullen genieten. Naar de kracht. Dewijl niets ongeloofelijker is noch kwalijker met het gevoelen des vlee-sches overeenkomt, dan de wederopstanding, stelt Paulus ons de ongemeten mogendheid Gods voor oogen, waardoor alle twijfel verslonden wordt. Want waaruit komt dat mistrouwen, anders dan omdat wij de zaak meten met de kleinheid onzes vernufts. En hij meldt niet alleen de mogendheid, maar de kracht, of krachtige werking, welke de vrucht daarvan is, of een mogendheid zich in het werk bewijzende, opdat ik alzoo spreke. Als wij dan indachtig worden openb.20:13. dat God, die alles uit niet geschapen heeft, de aarde en de zee kan gebieden, en ook de andere elementen, dat zij wedergeven wat zij als om te bewaren ontvangen hebben, zoo worden onze harten terstond tot een vaste hope, ja tot een geestelijk aanschouwen der wederopstanding opgericht. Maar men moet ook aanmerken, dat het joh. 5:2i recht en de macht om de dooden op te wekken, ja om alles naar
156
FILIPPENSEN 3:21â4: 1â3.
zijn goeddunken te doen, den persoon van Christus toegeschreven wordt, waarmede zijn Goddelijke majesteit klaarlijk versierd wordt.
Ja wij verstaan ook hieruit, dat de wereld door Hem geschapen is: Gen. i:i. want alles Zich te onderwerpen, komt alleen den Schepper toe. joh3!-»
Ei'. 3 : 9. '
----Col. 1: 0.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Zoo dan, mijne geliefde en gewenschte broeders, mijn vreugde en kroon, staat alzoo in den Heere, geliefden!
2 Ik vermaan Euodia, en ik vermaan Syntyclie, dat zij eenerlei gevoelen in den Heere.
3 Ik Lid u ook, mijn oprechte metgezel! help die vrouwen, die in het.Evangelie denzelfden strijd met mij gedragen hebben, ook met Clemens, en mijne andere medehelpers, welker namen zijn
in het boek des levens. Ex. 32:32.
Ps. 69:2!).
Openb. 3:5;
i r-700 dan, mijne geliefden! Naar zijn gewoonte besluit hij de 20;i2;2i;27.
/ leer met strenge vermaningen, opdat hij ze te beter in der 'menschen hart indrukke. En hij zoekt hunne harten te raken door liefelijke woorden, welke toch niet komen uit vleierij, maar uit liefde. Hij noemt ze, zijn vreugde en kroon, omdat hij blijde was, dat zij door zijnen dienst verkregen zijnde, in het geloof volstandig bleven, en dien triumf hoopte, waarvan wij gezegd hebben,
te weten, als de Heere die dingen kronen zal, die door zijn leiding gedaan zijn. Als hij hun gebiedt, alzoo te staan in den Heere, zoo geeft hij te kennen, dat hun stand Hem wel behaagt. Hoewel het woord alzoo, kan verstaan worden van de voorgaande leer:
maar dit is gepaster, dat hij ze tot volharding vermaant, hun tegen-woordigen stand prijzende. Zij hadden nu wel eenig bewijs hunner standvastigheid gegeven: nochtans achtte Paulus, dat hun voor de toekomst bevestiging noodig was, dewijl hij de menschelijke zwakheid wel kende.
2 Ik vermaan Euodia en Syntyche. Het is bijna een alge-meene meening, dat Paulus ik weet niet wat twist heeft willen wegnemen tusschen deze twee vrouwen. Hoewel ik hierover niet wil strijden, zoo is nochtans in de woorden van Paulus zoo kleine gissing, dat ik niet kan gelooven dat het alzoo is. Uit het getuigenis, dat hij van haar geeft, schijnt het, dat het zeer verstandige vrouwen waren. Want hij schrijft haar zooveel toe, dat hij ze noemt zijne medestrijders in het Evangelie. Daarom, dewijl in hare eendrachtigheid veel gelegen was, en in hare oneenigheid groot gevaar was, zoo vermaant hij ze bijzonder tot eendrachtigheid. Men moet aanmerken dat hij, zoo wanneer hij van eendrachtigheid spreekt, ook daarbij stelt, in den Heere. Want buiten den Heere zal altijd alle samenbinding vervloekt wezen: en daar is niets zoozeer gescheiden, dat niet in Christus behoort vereenigd te worden.
3 Ik bid u ook, mijn oprechte metgezel! Ik wil hier niet twisten,
of hij een man of een vrouw aanspreekt, maar laat dit tusschen-beide. Hoewel de reden van Erasmus veel te zwak is, die besluit dat het een vrouw geweest is, omdat hier vrouwen vermeld worden:
157
FILIPPENSEN 4: 3.
158
want hij stelt ook terstond Clemens in dezelfde zaak. Maar ik laat deze twisting varen, en ontken alleen dat Paulus' vrouw hiermede beduid wordt. Die het staande willen houden, die brengen voort Clemens en Ignatius. Ware het, dat zij ze terecht voortbrachten, zoo zou ik voorwaar zulke groote mannen niet versmaden. Maar dewijl Eusebius valsche geschriften voortbrengt, die van ongeleerde monniken ondergestoken zijn, zoo moeten de verstandige lezers hun geen groot geloof geven. Zoo dan, laat ons zonder vooroordeel i cor. 7:8. der menschen, de zaak zelve onderzoeken. Toen Paulus den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs schreef, verhaalde hij, dat hij ongehuwd was. Den ongehuwden en den weduwen (zegt hij) zeg ik, het is goed, zoo zij blijven gelijk ik ben. Dien zendbrief schreef hij te Efeze, toen hij zich gereed maakte om te vertrekken. Weinig tijd daarna is hij naar Jeruzalem gereisd, waar hij werd gèvangen en gebonden, en naar Rome geleid. Ieder ziet wel, hoe ongeschikt deze tijd was om een vrouw te trouwen, welken hij deels in de reis, deels in de banden doorbracht. Hiertoe dient ook, dat hij van dien tijd aan bereid was om in gevangenis en vervolging te komen. Hand. 2i; 13. gelijk hij bij Lukas betuigt. Nochtans is het mij niet verborgen, wat men hiertegen pleegt voort te brengen, te weten, dat Paulus hoewel hij gehuwd was, zich nochtans onthouden heeft van de gemeenschap der vrouw. Maar de woorden luiden anders: want hij wenscht, dat de ongehuwden mochten blijven in hun staat, en wat was deze staat anders dan de ongehuwde staat? Dat zij daarbij voegen: icor. 9:6. is het mij niet geoorloofd een vrouw om te leiden, is zoo flauw om daarmede te bewijzen, dat hij een vrouw had, dat daarvan geen wederlegging noodig is. En ofschoon wij toelieten, dat Paulus een vrouw had, waarvan zou hij ze te Filippi hebben? dewijl wij niet lezen, dat hij meer dan tweemaal in die stad geweest is, daar het geloofelijk is, dat hij nooit twee geheele maanden daar gebleven is. Eindelijk, niets rijmt kwalijker, dan dat hij hier van zijn vrouw zou spreken, ja het is mij niet waarschijnlijk, dat hij van eene vrouw spreekt: doch ik laat de lezers oordeelen. Het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, waarvoor wij gesteld hebben help, beduidt uit oorzaak om te helpen eenzelfde zaak aangrijpen en aannemen. Welker namen zijn in het boek des levens. Het boek des levens is dat rekenboek, waarin de rechtvaardigen geschreven zijn, die tot het leven verordend zijn: gelijk bij Mozes staat, Exod. 32 : 32. Dit rekenboek heeft God bij Zich liggende. Zoo dan, dit boek is niet anders dan de eenige raad in zijn hart besloten. Dit noemt Ezechiel het geschrift van het huis Israël, hfdst. 13:9. Alzoo staat Ps. 69:29: Laat ze uitgeroeid worden uit het boek des levenden, en laat ze met de rechtvaardigen niet geschreven worden ; dat is: Laat ze niet gerekend worden onder de uitverkorenen Gods, die Hij binnen de palen zijner gemeente en zijns rijks aanneemt. Zoo iemand wil tegenwerpen, dat Paulus lichtvaardig doet als hij onderneemt over de verborgen dingen Gods een oordeel te spreken: ik antwoord, dat wij eenigszins uit de teekenen mogen oordeelen, waardoor God zijn verkiezing openbaart: doch zoover ons verstand strekt. Zoo dan, in wie wij de teekenen der aanneming Gods zien schijnen, die zullen wij houden voor kinderen Gods, totdat die boeken geopend worden, die alles grondig verklaren. Het komt nu wel Gode alleen toe, de zijnen te kennen, en in 't einde
FILIPPENSEN 4: 3â5,
de schapen van de bokken te scheiden: doch het komt ons toe, Matt. 25:32. uit liefde die allen voor schapen te houden, die zich gehoorzaam aan den herder Christus onderwerpen, die zich in zijn schaapsstal mede verzamelen, en standvastig daarin blijven. Het komt ons toe de gaven des Heiligen Geestes zoo groot te achten, die hij bijzonder zijnen uitverkorenen geeft, dat zij ons zijn als zegelen der verborgen verkiezing.
4 Verblijdt u in den Heere ten allen tijd, ik zeg wederom: ver- iThess.5;ic. blijdt u!
5 Uwe besolieidenheid zij allen menschen bekend. De Heere is nabij.
6 Weest over geen ding bezorgd: maar dat in alle dingen uwe iJa. a5;23. begeerten bij God bekend worden door bidden, smeeken en i dankzegging. 1 Petr- 5:7-
7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uwe Joh. u: 27. harten en gedachten bewaren in Christus Jezus. Ef. 2';i3.'
8 Voorts, broeders! al wat waarachtig is, al wat statig is, al wat rechtvaardig is, al wat zuiver is, al wat liefelijk is, al wat heerlijk is: zoo er eenige deugd is, en zoo er eenige lof is,
bedenkt ditzelve.
9 Wat gij geleerd, en ontvangen, en gehoord en gezien hebt in
mij, doet dat; en de God des vredes zal met u zijn. Jes. 9:0.
4 Verblijdt u in den Heere ten allen tijd. Deze vermaning is naar den tijd gevoegd. Want dewijl de stand der godzaligen zeer beroerd was, en van alle zijden gevaar aanstond, zoo hadden zij door droefheid of onlijdzaamheid kunnen overwonnen worden en bezwijken. Zoo gebiedt hij hun dan, hoewel alle dingen tegenspoedig en beroerd svaren, dat zij nochtans desniettemin zich in den Heere verblijden: gelijk voorwaar de geestelijke vertroostingen, waarmede God ons vermaakt en verblijdt, dan hun kracht behooren te hebben,
als de gansche wereld ons tot vertwijfeling en wanhoop trekt. Men moet uit de omstandigheid des tijds overleggen, hoe krachtig dit woord uit den mond van Paulus was gesproken, die de voornaamste oorzaak der droefheid had kunnen zijn. Want zoo zij van vervolgingen, of verbanningen, of gevangenissen, of dood verschrikt waren, zoo komt hier de apostel voort, die in banden en gevangenis,
midden in de hitte der vervolgingen, eindelijk, in de vreeze des doods niet alleen vroolijk is, maar ook anderen vervroolijkt. Zoo is dan de inhoud, dat de geloovigen wat hun overkomt, nochtans oorzaak genoeg hebben om vroolijk te zijn, dewijl zij den Heere hebben op hunne zijde staande. Dat hij het woord verblijdt u herhaalt, dient tot grooter verheffing, alsof hij zeide: Dit zij bij u zeker en gestadig, dat gij u verblijdt in den Heere, en dat niet alleen een oogenblik tijds, maar dat uwe blijdschap in Hem gedurig zij.
Want voorwaar, daarin is deze blijdschap verscheiden van de blijdschap der wereld, welke wij bevinden bedriegelijk, vergankelijk, en
ijdel te zijn. En Christus betuigt ook, dat zij vervloekt is. Zoo dan. Luk. G;25. dat is eerst een vaste blijdschap in God, die ons nimmermeer benomen wordt.
5 Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend. Dit kan tweeërlei wijze uitgelegd worden, te weten, dat hij ze gebiedt van hun recht
159
160 FILIPPENSEN 4 : 5.
af te breken, liever dan dat iemand over hun bitterheid en streng- 1 loo: heid iets zou klagen; alsof hij zeide: Alle menschen, die iets met u dat te doen hebben, laat die uwe redelijkheid en vriendelijkheid onder- om vinden, zoodat het woord bekend, zooveel is als bevonden. Of dat ⬠hij ze vermaant, om alle dingen goedsmoeds te dragen. Deze laatste Fil zin behaagt mij 't best. Want het Grieksche woord beduidt ook zij matigheid des gemoeds, als wij niet lichtelijk bewogen worden door ; get ongelijk, en als wij niet beroerd worden door tegenspoed, maar in i roe eenvoudige standvastigheid blijven. Hij eischt hier van de Filip- alL pensen zulke matigheid, als die een moeder der lijdzaamheid is, en He die allen menschen openbaar zij, te weten, naardat de nood het zal | wa eischen, hare vruchten bewijzende. Paulus gebiedt hiermede, dat zij 1 on zich in alle dingen liefelijk gedragen, en zich matigen ook in on- ^ vli gelijk of tegenspoed te dragen. De Heere is nabij. Dit is een wi voorkoming, waarmede hij een tegenwerping voorkomt. Want het do gevoelen des vleesches strijdt tegen die voorgaande uitspraak. Want uil dewijl de booze menschen door onze bescheidenheid en verdraag- ' be zaamheid moedwilliger en darteier worden; en hoe meer zij ons bereid tn zien onrecht te lijden, zooveel te stouter zijn zij om ons onrecht da en ongelijk te doen; zoo kunnen wij kwalijk daartoe gebracht wor- sti Luk. 2i; 19. den, dat wij onze zielen in onze lijdzaamheid zouden bezitten. m Hieruit komen die spreekwoorden: Onder de wolven moet men oi huilen. Wie zich wil houden als een schaap, zal terstond van de ni wolven verslonden worden. Waardoor wij besluiten, dat men de d: wreedheid der booze menschen met gelijk geweld moet verhinderen, oi opdat zij ons niet te vrijelijk overvallen en bespotten. Tegen dus- ta danige gedachten stelt Paulus hier het betrouwen op de voorzienig- a] heid Gods. Hij antwoordt, zeg ik, dat de Heere nabij is, wiens d kracht boven hun stoutheid is, en zijn goedheid boven hun boosheid. Hij belooft, dat Deze ons zal bijstaan, zoo wij zijn gebod ge- a hoorzaam zijn. Nu, wie is er, die niet liever wilde door de hand b Gods alleen beschermd te zijn, dan alle hulp der wereld voor zich d bereid te hebben. Dit is een zeer schoone uitspraak, waaruit wij C ten eerste leeren, dat de oorzaak aller onlijdzaamheid daaruit komt, n dat men niets weet van de voorzienigheid Gods: dat het hieruit ; t komt dat wij zoo lichtelijk en om kleine oorzaken verstoord zijn, 1; en ook dikmaals kleinmoedig zijn, te weten, omdat wij niet bekennen, c dat de Heere zorg voor ons draagt. Dat hiertegen om ons gemoed c tevreden te stellen, dit de eenige remedie is, zoo wij wetende, dat wij l noch aan de roekeloosheid van de fortuin, noch aan de moedwillig- 1 heid der boozen onderworpen zijn, maar dat wij door de vaderlijke t
bezorging Gods geregeerd worden, en geheel op zijn voorzienigheid rusten. Eindelijk, wie dit voor waarachtig houdt, dat God hem bijstaat, die heeft waarop hij gerustelijk kan steunen. Voorts, wordt de Heere tweeërlei wijze gezegd nabij te zijn, te weten, omdat zijn oordeel nabij is, of omdat Hij bereid is om den zijnen hulpe te doen, In deze laatste beteekenis wordt het te dezer plaatse geno-Ps. 145:18. men, gelijk ook in den psalm, waar David zegt; De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen. Zoo is dan de zin: De staat der godzaligen zou ellendig zijn, zoo de Heere verre van hen ware. Maar dewijl Hij ze in zijn trouw en bescherming heeft aangenomen, en ze beschut met zijn hand, welke alomtegenwoordig is, zoo zullen zij zich met dusdanige gedachten versterken, opdat zij van der godde-
FILIPPENSEN 4 : 5â8. 161
loozen razernij niet verschrikt worden. Het is algemeen en bekend, dat zorgvuldigheid genomen wordt voor benauwdheid, welke komt omdat wij op de mogendheid of hulpe Gods niet betrouwen.
6 Maar dat in alle dingen. Met deze woorden vermaant hij de Filippensen, gelijk David en Petrus alle godzaligen vermanen, dat ps. 55:23. zij hunne zorgvuldigheden op den Heere werpen. Want wij zijn 1 Pet1'- 5:7' geen ijzeren menschen, dat wij niet door verzoeking zouden beroerd worden. Maar dit is de verlichting en ontlading, dat wij
alles wat ons benauwt, leggen of ontladen in den schoot des Heeren. Het betrouwen brengt wel ons gemoed tot rust en vrede, doch alzoo,
wanneer wij onszelven in gebeden oefenen. Zoo dan, zoo wanneer ons eenige verzoeking aankomt, zoo laat ons terstond onze toevlucht nemen tot het gebed, gelijk als tot een heilige vrijstad. Hij wil, dat onze begeerten en vvenschen den Heere openbaar worden door bidden en smeeken: gelijk wanneer de geloovigen hunne harten uitstorten voor den Heere, als zij zichzelven en al hunne zaken Hem bevelen. Degenen, die her- en derwaarts omzien naar ijdele vertroosting der wereld, schijnen wel wat verlichting te verkrijgen: doch daar is maar ee'n zekere haven, te weten, dat men op den Heere steunt. Met dankzegging. Dewijl velen God verkeerdelijk bidden met klachten of murmureeringen, alsof zij goede oorzaak hadden om Hem te beschuldigen, en anderen niet kunnen lijden, dat zij niet terstond verkrijgen wat zij bidden, daarom stelt Paulus de dankzegging bij het gebed, alsof hij zeide: Dat wij die dingen, die ons noodig zijn, alzoo van den Heere moeten bidden, dat wij nochtans onze genegenheden aan zijn wil onderwerpen, en Hem danken als wij bidden. En voorwaar, de dankbaarheid zal in ons maken,
dat de wil Gods de voornaamste inhoud onzer begeerte zal zijn.
7 En de vrede Gods zal bewaren. Sommigen zetten, beware,
alsof Paulus dat bad, maar dat doen zij kwalijk. Want het is een belofte, waarin hij toont de vrucht van het vaste betrouwen en van de aanroeping Gods. Zoo gij dit doet (zegt hij) zoo zal de vrede Gods uw gemoed en hart bewaren. De Schrift pleegt de ziel des menschen, zooveel hare vermogens aangaat, in twee deelen te deelen,
te weten, in gemoed en hart. Door het gemoed wordt het verstand beduid, en door het hart alle genegenheden of willen. Zoo dan,
onder deze twee woorden wordt de gansche ziel vervat in dus-danigen zin: De vrede Gods zal u bewaren, opdat gij door geen booze gedachten of begeerlijkheden afwijkt van God. En hij noemt het terecht Gods vrede, die niet hangt aan het aanschouwen der tegenwoordige dingen, noch wankelbaar is naar de menigerlei veranderingen der wereld, maar in het standvastige en onveranderlijke Woord Gods gefundeerd is. Hij zegt ook terecht, dat zij alle verstand en gevoelen te boven gaat: want daar is niets het menschelijk vernuft meer tegen, dan te hopen waar geen hope is, en rijkdom te zien waar groote armoede en benauwdheid is, en in groote zwakheid niet overwonnen worden; eindelijk, te beloven dat wij aan niets zullen gebrek hebben, als wij van allen verlaten zijn. En dit alles is de genade Gods alleen, welke ook zelve niet bekend wordt dan door het Woord en het inwendige pand des Geestes.
8 Voorts, broeders! Nu volgen er algemeene vermaningen, die tot het gansche leven strekken. In de eerste plaats beveelt hij hun de waarheid, welke niet anders is dan de zuiverheid eener goede
Dl. IV. 11
FILIPPENSEN 4 : 8, 9.
conscientie met hare vruchten. Ten andere statigheid of heilig-rb (jüixvóv. heid; want het Gtieksche woord beduidt beide; welke deugd daarin Fi gelegen is, dat wij wandelen gelijk het onze roeping betaamt, verre ni
van alle onheilige onreinheid. Ten derde, rechtvaardigheid, welke ot
tot de onderlinge gemeenschap der menschen dient, dat wij niemand dc
hinderlijk zijn, en dat wij niemand bedriegen. Ten vierde, reinheid, dlt;
waarmede beduid wordt kuischheid in alle deelen des levens. Nog ni
zijn Paulus al deze dingen niet genoeg, tenzij wij zoeken onszelven e(
vriendelijk te bewijzen jegens ieder, zooverre het ons in den Heere ir
geoorloofd is, en dat wij ook acht hebben op een goed gerucht. m
Tpoamp;Qihij Want alzoo verklaar ik de Grieksche woorden. â Zoo er eenige lof. o
â axi Dat is, zoo daar iets loffelijks is: want waar de zeden zoozeer ver- 1«
svCpy/jj-x. dorven zijn, daar is zulke groote verscheidenheid der oordeelen, h
dat dikmaals wat gebrekkelijk is geprezen wordt, en de Christenen i h mogen zelfs niet den waarachtigen lof bij de menschen begeeren, ; d dewijl het hun verboden wordt te roemen dan in God alleen. Zoo .Ier. 9:23. gebiedt dan Paulus niet, dat wij uit goede werken lof en prijs zullen i b i Oor. i:3i. zoeicen) noch ook dat wij ons leven zullen schikken naar des volks n
oordeel, maar alleen dat wij staan zullen naar goede werken, welke 3
lof verdienen: opdat de goddeloozen en vijanden des Evangelies,
als zij de Christenen bespotten en lasteren, nochtans gedwongen ï
worden hun leven te prijzen. c
9 Wat gij geleerd en ontvangen en gehoord. Met deze ver- 1
dubbeling der woorden beduidt hij, dat hij zonder ophouden dit \
geleerd en gepredikt heeft; alsof hij wilde zeggen: Dit is mijn leer, i i overlevering en woord bij u geweest. De huichelaars daarentegen 1
dreven niets dan de ceremoniën. Nu was het schandelijk, die heilige onderwijzing, waarvan zij ganschelijk doordrongen waren, te verlaten. 1
En gezien hebt in mij. Dit is het voornaamste in een prediker,
dat hij niet alleen met den mond spreke, maar ook met het leven,
en dat hij door rechtschapenheid des levens zijn leer geloofwaardig make. Zoo dan, Paulus zoekt terecht daaruit zijne leer autoriteit te maken, dat hij zoowel met het leven als met den mond, een leeraar en voorganger der deugden geweest is. En de God des vredes zal met u zijn. Hij had gesproken van den vrede Gods, nu bevestigt hij datzelve duidelijker, als hij belooft dat God, die zelve de auteur des vredes is, met hen zal wezen. Want de tegenwoordigheid en bijstand Gods brengt ons alle goed aan: alsof hij wilde zeggen, dat zij zullen gevoelen, dat God hun bijstaat, die alles tot goed en geluk zal wenden, alleen dat zij naar godzalige en heilige werken staan.
10 Ik ben zeer verblijd in den Heere, dat gij eindelijk wederom zijt begonnen sterkelijk aan mij te gedenken: waaraan gij ook gedacht hebt, maar er was geen gelegenheid.
1 Tim. c: g. 11 Niet dat ik spreek naar het gebrek, want ik heb geleerd te
vreden te zijn met hetgeen ik heb.
12 En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben: ik ben alom en in alles geleerd, beide verzadigd te zijn en te hongeren, overvloed te hebben en gebrek te lijden.
13 Ik vermag alle dingen door Christus, die mij sterkt.
14 Doch gij hebt wel gedaan, dat gij mijne verdrukkingen zijt deelachtig geworden.
162
FILIPPENSEN 4: 10â13.
10 Ik ben zeer verblyd in den Heere. Nu verklaart hij den Filippensen de dankbaarheid zijns gemoeds, opdat de weldaad hun niet berouwe; gelijk het pleegt te geschieden, als wij meenen, dat onze deugd versmaad of zeer klein geacht wordt. Zij hadden hem door Epafroditus hulp gezonden tot zijn behoefte: hij betuigt, dat deze gave hem aangenaam is, en zegt, dat hij zich verblijdt, dat zij nieuwe kracht gebruikt hebben om voor hem te zorgen, en neemt een gelijkenis van de boomen, welker jeugd en kracht des winters inwendig besloten is, en in de lente begint uit te botten. Maar hij matigt terstond zijne woorden, eene verbetering daarbij zettende,
opdat hij ze niet schijne te bestraffen van onachtzaamheid in voorleden tijd. Zoo zegt hij dan, dat zij ook tevoren zorgvuldig voor hem zijn geweest, maar dat zij geen gelegenheid des tijds gehad hebben, om hem eerder met hun mildheid te helpen: alzoo legt hij de schuld op den tijd.
11 Niet dat ik spreek naar het gebrek. Dit is een andere verbetering, waarmede hij hun verhindert te vermoeden, dat hij kleinmoedig en door tegenspoed kleinhartig ware. Want daar was veel aan gelegen, dat zijn standvastigheid en matigheid den Filippensen bekend ware, welken hij een voorbeeld des levens was. Zoo zegt hij dan, dat hij door hun mildheid is verblijd geweest, doch alzoo,
dat hij het gebrek lijdzaamlijk zou gedragen hebben. Gebrek, is hier te verstaan van de verzoeking: want naar het gemoed is die nimmer arm, die tevreden is met wat de Heere hem geeft. Hetgeen ik heb, zegt hij, dat is, hoedanig mijn toestand ook zij, zoo is die mij genoegzaam. Waarom? want de heiligen weten, dat het alzoo Gode behaagt. Zoo dan, de genoegzaamheid achten zij niet uit den overvloed der dingen, maar uit den wil Gods, welken zij uit de zaak zelve opmerken: want zij zijn zeker, dat hunne zaken geregeerd worden door de voorzienigheid en den wil van God.
12 En ik weet vernederd. Dit is eene onderscheiding, waarmede hij bewijst, dat hij een gemoed heeft, dat beide voorspoed en tegenspoed wel kan gebruiken. De harten plegen door voorspoed bovenmate zeer opgeblazen, en door tegenspoed gebroken te worden. Hij betuigt, dat hij van deze beide gebreken vrij is. Ik kan (zegt hij) nederig zijn, dat is, de nederigheid lijdzaam dragen. Het Griek-
sche woord, waarvoor ik gesteld heb, uitnemend zijn, is weinig Trspur-hierna gesteld voor overvloedig zijn, opdat het tegen zijn tegen- asósiy. overgesteld woord sta. Die den tegenwoordigen overvloed der dingen sober en matig weet te gebruiken met dankzegging, bereid zijnde om alles te verlaten, zoo wanneer het den Heere belieft, en ook den broederen mededeelt naar zijn vermogen, en ook niet opgeblazen wordt: die heeft geleerd uitnemend te zijn, en verzaad te zijn. Dit is een uitnemende en zeldzame deugd, en veel grooter dan de verdraagzaamheid der armoede. Om deze wetenschap van Pau-lus te leeren, zullen die allen zich oefenen, die Christus' discipelen willen zijn: maar dat zij zich intusschen alzoo gewennen armoede te verdragen, dat zij hun niet zwaar noch moeielijk zij, wanneer het gebeurt, dat zij van hunnen rijkdom beroofd worden.
13 Ik vermag alle ding door Christus. Dewijl hij van zeer groote dingen geroemd had, opdat dit hem niet tot hoovaardigheid gerekend worde, of opdat hij anderen niet oorzaak van dwazen roem geve, zoo stelt hij daarbij, dat deze sterkte van Christus ge-
163
FILIPPENSEN 4: 13â15.
geven wordt. Ik vermag (zegt hij) alle ding, niet door mijn eigen he
kracht: want Christus is het, dié mij sterkte geeft. Waaruit wij be- er
sluiten, dat Christus ook ons een sterke en onverwinnelijke hulp zal | de
wezen, zoo wij onze zwakheid bekennen, en op zijn kracht steunen. j d(
Als hij zegt: Alle ding, zoo spreekt hij alleen van dingen zijner | ee
roeping. | h(
14 Doch gij hebt wel gedaan. Wij zien hoe wijs en voorzichtig 3 gf
hij handelt, op beide zijden toeziende, dat hij niet te zeer her- of ai
derwaarts geneigd zij. Als hij zijn standvastigheid hoogelijk meldt, h(
daarmede heeft hij willen toezien, dat de Filippensen niet meenen d:
zouden, dat de armoede hem overwonnen had. Nu ziet hij toe, dat k
hij door zijn sterk spreken niet schijne hun weldaad versmaad te 1 h
hebben: hetwelk niet alleen hoovaardig, maar ook onredelijk zou o
zijn. En hij komt hun ook mede te gemoet, opdat zij niet traag zijn * zi
om te helpen, zoo eenig ander dienstknecht van Christus aan hun d
hulp behoefte heeft. j g
n
2 Cor. ii:9. 15 En ook gij, Filippensen! weet, dat in het begin des Evangelies, n
toen ik uit Macedonië ging, geen gemeente mij medegedeeld à z heeft, tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen. 5 v
16 Want gij hebt mij ook tweemaal te Thessalonica gezonden wat mij noodig was.
17 Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht, die tot uwe rekening overvloedig is.
18 Ik heb het alles ontvangen, en heb overvloedig; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, wat van
Hebr. 13: ie. u gezonden was tot een welriekenden reuk, een offerande Gode
aangenaam. ,
19 Doch mijn God zal vervullen naar zijnen rijkdom al wat u
noodig is, in heerlijkheid door Christus Jezus. (
20 Voorts, onzen God en Vader zij eere in eeuwigheid, Amen. (
21 Groet alle heiligen in Christus Jezus. De broeders, die met i mij zijn, groeten u.
22 Al de heiligen groeten u; voornamelijk die van het huis des keizers zijn.
23 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen.
Amen.
Aan de Filippensen, geschreven uit Rome, gezonden door Epafroditus.
15 En ook gij weet. Ik acht naar mijn verstand, dat hij dit daarbij zet om zich te verontschuldigen, omdat hij dikmaals van hen ontvangt: want hadden de andere gemeenten gedaan wat zij schuldig waren, zoo had hij kunnen schijnen te veel te nemen. Zoo dan,
als hij zich alzoo verontschuldigt, zoo prijst hij ze, en als hij ze prijst, zoo spaart hij matig de anderen. Wij moeten ook toezien naar Paulus' voorbeeld, dat de godzaligen niet terecht oordeelen, dat wij onverzadelijk zijn, als zij zien, dat wij te zeer genegen zijn om te ontvangen. Gij weet ook (zegt hij), alsof hij zeide: Het is niet noodig dat ik andere getuigen voortbrenge, want gij weet het ook zelve:
want het geschiedt dikmaals dat hij, die denkt, dat de anderen nalaten te doen wat zij schuldig zijn, des te milder helpt. Alzoo is de mild-
164
FILIPPENSEN 4:15 â 18.
heid des eenen den ander onbekend. Tot rekening van uitgaaf
en ontvangst. Hij zinspeelt op de handelsboeken, welke twee zijden hebben, een van ontvangst en een van uitgaaf. Deze moeten door onderlinge vergelijking tot gelijkheid gebracht worden. Zulk een rekening was tusschen Paulus en de gemeenten: dewijl hij hun het Evangelie toediende, zoo waren zij wederom verbonden hem te geven, wat tot den nooddruft des levens diende, gelijk hij op een andere plaats zegt: Zoo wij u geestelijke dingen gezaaid hebben, is i Cor. 9:ii. het wat groots, dat wij uwe vleeschelijke dingen zullen maaien. Zoo dan waren de andere gemeenten den nood van Paulus te hulp gekomen, zij zouden niet uit gunst gegeven, maar hun schuld betaald hebben: want zij moesten bekennen, dat zij het Evangelie van hem ontvangen hadden. Doch hij zegt, dat dit niet geschied is, dewijl zij niets voor hem uitgegeven hebben. Hoe groote en schandelijke ondankbaarheid was het zulk een grooten apostel te vergeten, aan wien zij zich wisten verbonden te zijn, meer dan zij vermogen hadden om te betalen? En hoe groot was wederom de matigheid van den heiligen man, dat hij hunne onbeleefdheid met zulken zachten zin verdroeg, dat hij ze zelfs niet met een bitter woord beschuldigt.
17 Niet dat ik de gave zoek. Wederom bevrijdt hij zich van het vermoeden, dat hij te veel zou begeeren: opdat zij niet denken, dat hij hun hiermede bedektelijk wilde te kennen geven, dat zij alleen voor al de anderen moesten betalen, en dat hij van hun goedheid misbruik wilde maken. Zoo betuigt hij dan, dat hij meer hun eigen voordeel zoekt dan het zijne. Wanneer ik (zegt hij) van u ontvang, zoo wordt gij zooveel te rijker, want zooveel moogt gij op rekening brengen in de rekening des uitgaafs. De zin van dit woord hangt aan de gelijkenis van het omzetten of vergelijken in geldzaken.
18 Ik heb alles ontvangen, en heb overvloedig. Hij zegt nog duidelijker, dat hij genoeg heeft, en hij versiert hun mildheid met een schoon getuigenis, als hij zegt, dat hij vervuld is. Het was zonder twijfel een matige som, die zij hem zonden, maar hij zegt, dat hij door deze matigheid overvloedig heeft tot verzadiging. Maar het is nog een grooter lof op de gave, als hij ze noemt een offerande, die Gode wel behaagt, en tot een welriekenden reuk geofferd is.
Want wat kan men beters wenschen, dan dat de gaven en weldaden heilige offeranden zijn, die God uit onze handen ontvangt, en welker reuk Hem wel behaagt. Naar deze zelve wijze zegt Christus: Al Matt. 25;4o. wat gij een van deze minsten gedaan hebt in mijnen naam, dat hebt
gij Mij gedaan. Maar deze gelijkenis van de offeranden genomen,
geeft aan de rede groot gewicht: waardoor wij geleerd worden,
dat het werk der liefde dat God gebiedt, niet alleen den menschen gedaan wordt, maar dat ook daardoor Gode een geestelijke en heilige dienst geschiedt, gelijk wij in den zendbrief aan de Hebreen Hebr. 13:16. hebben, dat men met zulke offeranden Gode behagelijk is. Wee dan onzer onachtzaamheid, dat wij, waar God ons zoo mildelijk tot de eer des priesterschaps roept, en ook de offerande in de hand geeft,
nochtans Hem niet offeren; en wat tot heilige offeranden verordend was, niet alleen doorbrengen in onheilige gebruiken, maar ook schandelijk en boos verslinden in schandelijke en gruwelijke dingen.
Want de altaren, waarop de offeranden van onze goederen behoorden gelegd te worden, zijn de armen en dienstknechten van Christus.
165
FILIPPENSEN 4: 18â23.
Dezen worden vergeten, en sommigen verkwisten hun goed in allerlei overdaad, sommigen in gulzigheid, sommigen in onbetamelijke wellusten, anderen in groote huizen te bouwen.
19 Myn God zal vervuilen. Anderen lezen, vervult het; hoewel ik dit niet verwerp, zoo wil ik nochtans het andere liefst. Hij zegt bij name, mijn God, omdat God rekent en bekent Hem geschied te zijn, al wat zijn dienstknechten geschied is. Zoo hadden zij dan waarlijk in des Heeren akker gezaaid, waaruit zekere en groote vrucht te verwachten was. En hij belooft hun niet alleen loon in het toekomende leven, maar ook zooveel de nooddruft des tegenwoordigen levens aangaat, alsof hij zeide: Denkt niet dat uw goed verminderd is. God, dien ik dien, zal het overvloedig geven, al wat u zal noodig wezen. Het woord, in heerlijkheid, beduidt heerlijk of rijkelijk. Maar hij stelt daarbij door Christus, in wiens naam Gode aangenaam is al wat wij doen
20 Voorts, onze God en Vader. Dit kan een gemeene dankzegging zijn, waarmede hij den zendbrief sluit, of kan bijzonder van de mildheid aan Paulus bewezen, verstaan worden. Want dat de Filip-pensen hem te hulp kwamen, dat moest hij alzoo hun toeschrijven, dat hij bekende, dat hem door Gods barmhartigheid hulp gedaan was.
21 Groet alle heiligen. (22) Al de heiligen groeten u. In de groetenissen noemt hij ten eerste zijne bijwoners, daarna alle heiligen in het gemeen, dat is, de gansche gemeente te Rome, maar voornamelijk de huisgenooten van Nero. Hetwelk is wel aan te merken: want het is geen klein bewijs der Goddelijke weldadigheid, dat het Evangelie tot dien afgrond aller boosheid en ondeugden was doorgedrongen, en was ook des te wonderlijker, omdat zoo zelden in de groote hoven godzaligheid regeert. Dat sommigen gissen, dat hier onder anderen ook Seneca bedoeld wordt, heeft geen schijn. Want hij heeft nooit zelfs niet met het allerminste teeken bewezen, dat hij een Christen was. Hij was ook niet uit des keizers huis, maar uit de raadsheeren der stad.
166
DE ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN ÃE
COLOSSENSER
DE INHOUD
VAN DEN
ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN DE
COLOSSENSEN.
Er lagen drie steden bij elkander in Frygië, welke Paulus in dezen zendbrief meldt, te weten, Laodicea, Hierapolis en Colosse, van welke Orosius getuigt, dat zij onder het keizerschap van Nero door aardbeving zijn vergaan. Zoo dan, niet lang nadat deze zendbrief geschreven was, zijn deze drie vermaarde gemeenten door een vree-selijk geval vergaan. Hetwelk een uitnemende spiegel van het Goddelijk oordeel is, zoo ons geen oogen ontbreken. De Colossensen waren niet van Paulus, doch getrouwelijk en zuiverlijk van Epafras en andere dienaren in het Evangelie onderwezen. Maar de duivel is terstond met zijn onkruid daarbij geweest, naar zijn eeuwige gewone wijze, om het rechte geloof aldaar te verderven. Sommigen meenen, dat daar twee soorten van menschen geweest zijn, die de Colossensen van de zuiverheid des Evangelies zochten af te trekken: op de eene zijde de Philosophen disputeerende van de sterren, van het noodlot, en van andere beuzelingen, en op de andere zijde de Joden, die hunne ceremoniën drijvende, Christus zeer verduisterden. Maar degenen, die alzoo gevoelen, zijn door een al te lichte gissing bewogen, te weten, omdat Paulus meldt van tronen en machten, en hemelsche creaturen. Want aangaande het woord element, waarop zij hun meening gronden, dat is meer dan bespottelijk. Maar dewijl mijn voornemen niet is, de meeningen van anderen te wederleggen, zoo wil ik alleen zeggen wat mij dunkt, en wat men uit zekere vaste redenen kan verstaan. Ten eerste is het uit Paulus' woorden genoeg openbaar, dat die boeven gearbeid hebben om Mozes met Christus te vermengen, en de schaduwen der wet met het Evangelie te behouden: waaruit het waarschijnlijk is, dat het Joden waren. En dewijl zij hunne bedriegerijen met schoone verven versierden, daarom noemt het Paulus ijdele philosophic. Hoewel, hij heeft (naar mijn oordeel) in ditzelfde woord ook mede gezien op hunne listige scherpzinnigheden, die toch onnut en onheilig waren. Want zij dichtten, dat men door de engelen toegang had tot God, en brachten vele dergelijke speculatiën voort, zoodanige als in de boeken van Dionysius over de hemelsche hierarchic staan, cn uit Plato's school gehaald zijn. Zoo is dan dit het voornaamste oogmerk, dat Paulus bedoelt, te weten, dat hij lecre, dat in Christus alle ding is, en dat daarom Hij alleen den Colossensen overvloedig genoeg behoort te zijn. En hij gebruikt dusdanige orde. Naar zijn gewone opschrift prijst hij ze, opdat hij ze alzoo te naarstiger make om hem te hoo-ren. Daarna om alle nieuwe en vreemde gedichtselen den mond te sluiten, zoo geeft hij getuigenis van de leer, die zij tevoren van
DE INHOUD VAN DEN ZENDBRIEF ENZ.
170
Epafras geleerd hadden. Daarna als hij hun wenscht vermeerdering des geloofs van den Heere, zoo geeft hij te kennen, dat hun nog wat ontbreekt, opdat hij zich een weg make tot vaster onderwijzing. Daarentegen prijst hij de genade Gods aan hen met haren betame-lijken lof, opdat zij die niet klein achten. Daarna volgt de onderwijzing, waarin hij leert, dat al de stukken onzer zaligheid in Christus alleen gelegen zijn, opdat zij geen ding elders zoeken, en verhaalt dat zij alle goed in Christus verkregen hebben, opdat zij te naar-stiger arbeiden om dat tot het einde te bewaren. En voorwaar dit eene hoofdstuk is overvloedig genoeg, om dezen zendbrief, hoewel hij kort is, voor een onwaardeerbaren schat te houden. Want wat is er grooters in de gansche hemelsche leer, dan Christus alzoo levendig beschreven te hebben, dat' wij zijn kracht, zijn ambt, en al de vruchten, die wij van Hem hebben, kunnen bekennen. Want wij zijn ook in dit eene 't meest van de papisten verwijderd, dat waar wij beiden Christenen genoemd worden, en belijden, dat wij in Christus gelooven, zij een verminkten misvormden Christus dichten, die van zijn ambt en kracht beroofd is: eindelijk, zij dichten zulk een Christus, dat het eer een ijdel gezicht, dan Christus zelve is. Maar wij nemen Hem alzoo, gelijk Hij hier van Paulus beschreven wordt, te weten, levend en krachtig. Zoo dan, opdat ik het met één woord zegge: Deze zendbrief onderscheidt den waren Christus van den verdichten, welke het kostelijkste en uitnemendste ding is, dat men zou kunnen begeeren. Omtrent het einde van het Eerste hoofdstuk, maakt hij zich wederom autoriteit, vertoonende wat persoon, en ambt hem opgelegd is, en hij prijst grootelijks de waardigheid des Evangelies. In het Tweede hfdst. opent hij duidelijker wat oorzaak hij had om te schrijven, te weten, opdat hij dat gevaar zou verhinderen, dat hij hun zag overkomen, waar hij ook als voorbijgaande, spreekt van zijn liefde tot hen: opdat zij bekennen, dat hij zorg draagt voor hunne zaligheid. Daarna komt hij tot vermaningen, waarmede hij de voorgaande leer als aan het tegenwoordig gebruik toevoegt: want hij gebiedt hun in den eenigen Christus te rusten, en al wat buiten Christus is, zegt hij ijdel te zijn. Hij spreekt bij name van de besnijdenis, van de onthouding der spijzen, en van andere uitwendige oefeningen, waaraan zij verkeerdelijk den dienst Gods bonden. Insgelijks, van den verkeerden dienst der engelen, die zij in Christus plaats stelden. En uit de besnijdenis oorzaak nemende, verhaalt hij ook met korte woorden, hoedanig het werk en de natuur der ceremoniën geweest is, waaruit besloten wordt, dat zij door Christus' afgelegd zijn. Dit behandelt hij tot het einde van het tweede hfdst. In het Derde hfdst. heeft hij tegen die ijdele geboden, tot welker onderhouding de val-sche apostelen de geloovigen wilden dwingen, de ware oefening der godzaligheid gesteld, waarin God ons wil bezig hebben. En hij neemt zijn begin van de fontein zelve, dat is, van de dooding des vleesches en nieuwheid des levens: waaruit hij beken afleidt, dat is, bijzondere vermaningen, sommige die alle Christenen tegelijk aangaan, sommige die bijzonder zekere menschen dienen, naar de wijze hunner roeping. In het begin van het Vierde hfdst. vervolgt hij dezelfde stof. Daarna, als hij zich in hunne gebeden aanbevolen heeft, zoo verklaart hij met vele teekenen, hoe lief hij ze heeft, en hoezeer hij begeert hun zaligheid te helpen en te bevorderen.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God,
en de broeder Timotheus ;
2 Den heiligen, die te Colosse zijn, en den geloovigen broederen
in Christus: genade zij u en vrede van God onzen Vader, en Kom. 1:7. van den Heere Jezus Christus. Ef. 1:2.
3 Wij danken God en den Vader van onzen Heere Jezus Christus, 2-allen tijd voor u biddende; rii. i:3.'
4 Nadat wij gehoord hebben van uw geloof, dat in Christus Jezus 2 Thesa 1 â 3' is, en van uwe liefde tot alle heiligen:
5 Om de hope, die u bewaard is in den hemel, waarvan gij tevoren 1 i'etr. 1: i. gehoord hebt door het woord der waarheid, namelijk, des Evangelies ;
6 Hetwelk tot u gekomen is, gelijk het ook in de gansohe wereld vruchtbaar is en verbreid wordt, gelijk ook onder u, van dien Mark. 1:8. dag aan, dat gij het gehoord hebt, en de genade Gods in der Joh' 15 :1''' waarheid bekend hebt.
7 Gelijk gij ook geleerd hebt van Epafras, onzen geliefden mede- Col. 4:12. dienstknecht, die een getrouw dienaar van Christus is voor u;
8 Die ons ook geopenbaard heeft uwe liefde in den Geest.
UITLEGGING.
1 T^aulus, een apostel. Wij hebben nu dikmaals gezegd, waartoe r-^deze opschriften dienen. Dewijl de Colossensen hem nooit ge-
zien hadden, zoo was zijn autoriteit bij hen nog zoo groot niet, dat zijn naam alleen genoeg zou geweest zijn. Zoo zegt hij dan, dat hij door Gods wil tot een apostel van Christus is verordend.
Waaruit volgde, dat hij niet lichtvaardiglijk deed, dat hij aan de onbekenden schreef, dewijl hij het gezantschap, dat hem van God bevolen was, volbracht. Want hij was niet aan één gemeente verbonden, maar zijn apostelambt strekte tot alle gemeenten. De naam heiligen, welken hij hun geeft, is heerlijker, maar als hij ze geloo-vige broeders noemt, zoo wekt hij ze lieflijker op om hem te hoo-ren. Wat hier meer is, kan men uit de andere zendbrieven halen.
3 Wy danken God. Hij prijst het geloof en de liefde der Colossensen, opdat hij ze te beter bevestige tot blijmoedigen voortgang en standvastigheid. Bovendien, als hij toont, dat hij zulk een gevoelen van hen heeft, zoo zoekt hij hunne harten te trekken, opdat zij te beter genegen en leerzaam zijn om zijn leer te ontvangen. Men moet altijd aanmerken, dat hij voor verblijding dankzegging gebruikt;
waarmede hij leert, dat wij in alle blijdschap terstond de goedheid Gods
COLOSSENSEN 1 : 3-5.
moeten gedachtig zijn: want wat blijdschap en geluk ons toekomt, is j vol
zijn weldaad. Bovendien vermaant hij ons door zijn voorbeeld, dat wij dec
God danken, niet alleen voor wat God ons geeft, maar ook voor wat deA
Hij anderen geeft. Maar om wat dingen dankt hij den Heere? Om Go
het geloof en de liefde der Colossensen. Zoo bekent hij dan, dat beide Vo
deze dingen van God gegeven worden: want anders ware het een de
geveinsde dankzegging. En wat is er, dat wij hebben, dan uit zijne hei mildheid? Zoo ook de allerminste dingen daaruit komen, hoeveel - wo
te meer moet men dat bekennen van deze twee gaven, waarin de zei
gansche inhoud onzer uitnemendheid gelegen is. God en den Vader. scl
Dit moet men aldus uitleggen: God, die de Vader van Christus is. va Want wij mogen geen ander God bekennen, dan die Zichzelven | za;
ons in zijn Zoon voorgesteld heeft; En dit is de sleutel, die ons he alleen de deur opent, zoo wij tot den waren God willen komen , en
Want Hij is ons ook daarom een Vader, omdat Hij ons in zijnen ze
eengeboren Zoon aangenomen heeft, en in denzelven zijn vaderlijke ha
liefde ons te aanschouwen voorstelt. Allen tijd voor u. Anderen de
leggen het aldus uit: Wij danken God allen tijd voor u, dat vo
is, zonder ophouden. Anderen aldus: Allen tijd voor u biddende. va Men kan het ook aldus uitleggen: zoo dikmaals als wij voor u i ni' bidden, zoo danken wij ook mede God. En dit is de eenvoudigste j zij zin: Wij danken God, en bidden ook mede. Waarmede hij te
kennen geeft, dat de stand der geloovigen nooit zoo volmaakt is di
in deze wereld, dat hun niet allen tijd wat ontbreekt Want ook de- d: gene, die zeer wel begonnen is, kan allen dag honderdmaal vallen, , v( en wij moeten zonder ophouden voortgaan, als wij nog in den weg J h; zijn. Zoo zullen wij dan gedenken, dat wij over de gaven, die wij nu ⢠oi
ontvangen hebben, ons alzoo moeten verblijden, en God danken, d^
dat wij nochtans volstandigheid en ook mede wasdom van Hem n
begeeren. te
4 Nadat wij gehoord hebben van uw geloof. Dit was een e; verwekking tot liefde jegens hen, en tot zorgvuldigheid voor hunne w zaligheid, als hij gehoord had, dat zij in het geloof en de liefde n uitnemend waren. En voorwaar, zulke uitnemende gaven Gods be- ti hooren zulke kracht bij ons te hebben, dat zij ons trekken om hen v lief te hebben, waar wij ze zien. Hij zegt: Uw geloof, dat in C Christus Jezus is, opdat wij altijd gedachtig zijn, dat Christus is li dat eigen oogmerk des geloofs. Liefde, zegt hij, tot alle heiligen, t niet om andere menschen uit te sluiten, maar omdat wij ieder c met bijzonderder liefde te liever moeten hebben, hoe meer hij in 1 God met ons vereenigd is. Zoo dan, de ware liefde strekt zich tot 1 alle menschen: want zij zijn allen ons vleesch, en zijn naar het beeld c Gods geschapen, maar zooveel de trappen aangaat, zoo zal zij be- 1 ginnen van de huisgenooten des geloofs. a
172
5 Om de hope, die u bewaard is in de hemelen. Want de s hope des eeuwigen levens zal nimmermeer ledig in ons wezen, zon- i der de liefde in ons te baren. Want wie zeker is, dat hem een schat i
des levens in den hemel bewaard wordt, die moet noodwendig de wereld vergeten, en daarnaar staan. En de bedenking des hemel-schen levens trekt onze genegenheden zoowel tot den dienst Gods, als tot de werken der liefde. De Sophisten gebruiken dit getuigenis, om de verdiensten der werken te verheffen, alsof de hope der zaligheid aan de werken hing: maar dit houdt geen steek. Want dat
COLOSSENSEN 1 : 5, 6.
volgt niet, 'dat daarom de hope der zaligheid in de werken gefundeerd is, omdat zij ons verwekt tot naarstigheid om wel te leven,
dewijl niets krachtiger daartoe is, dan de onverdiende goedheid Gods, waardoor alle betrouwen der werken teniet gemaakt wordt.
Voorts, de hope wordt hier gesteld voor wat gehoopt wordt. Want de hope in onze harten is de heerlijkheid, die wij hopen in den hemel. Nochtans als hij zegt, dat onze hope in den hemel bewaard wordt, zoo beduidt hij daarmede, dat de geloovigen alzoo behooren zeker te zijn van de belofte der eeuwige zaligheid, alsof zij een schat hadden, op een zekere plaats verborgen en bewaard. Waarvan gjj tevoren gehoord hebt. Dewijl de eeuwige zaligheid een zaak is boven onze bevatting, daarom zegt hij daarbij, dat de zekerheid daarvan den Colossensen is aangebracht door het Evangelie:
en zegt ook mede, dat hij niets nieuws zal bijbrengen, maar dat hij ze alleen wil bevestigen in de leer, die zij tevoren aangenomen hadden. Erasmus heeft het aldus overgezet: Het waarachtig woord des evangelies. En het is mij niet verborgen, dat zulke woordvoeging bij de Hebreen dikmaals genomen wordt: maar de woorden van Paulus hebben hier grooter kracht. Want hij noemt bij uitnemendheid het Evangelie het woord der waarheid, eershalve: opdat zij grondiger en vaster steunen op de openbaring daaruit ontvangen.
6 Gelijk het ook in de gansche wereld vruchtbaar is. Dit dient zoowel tot vertroosting als tot versterking der godzaligen,
dat men wijd en breed de vrucht des Evangelies ziet, waardoor velen tot Christus verzameld worden. Het geloof des Evangelies hangt wel niet aan de uitkomst, dat wij daarom zouden gelooven,
omdat velen gelooven. Ofschoon de gansche wereld afweek, ofschoon de hemel viel, zoo moet de conscientie van een godzaligen mensch niet wankelen: want God, op wien zij gefundeerd is, blijft desniettemin waarachtig. Maar dit verhindert niet, dat ons geloof gesterkt en geholpen zou worden, zoo wanneer het de kracht Gods aanziet:
welke voorwaar zich zooveel te krachtiger bewijst, hoe meer daar menschen voor Christus gewonnen worden. Hiertoe dient ook, dat te dien tijd in de groote menigte der geloovigen gezien werd de vervulling zoo veler profetieën, die het rijk van Christus van het Oosten tot het Westen uitbreiden. Is dit een klein behulpsel voor het geloof, dat men met oogen aanschouwt wat de profeten lang tevoren voorzegd hebben van het rijk van Christus, dat in alle landen der wereld zou verbreid worden? Wat ik zeg, gevoelt een iegelijk geloovig mensch bij zichzelven. Zoo heeft dan Paulus den Colossensen door deze uitspraak meer moed willen geven, dat zij alom de vrucht en den wasdom des Evangelies aanziende, dat met te blijmoediger ijver mochten aannemen. Het Grieksche woord, waar- Au^olvó-voor ik gesteld heb verbreid worden, wordt in sommige hand- psvov. schriften niet gevonden; nochtans heb ik het niet willen weglaten,
omdat het tot het verband 't best diende. En het schijnt ook uit de uitlegging der ouden, dat men het steeds zoo gewoonlijk gelezen heeft. Van dien dag aan, dat gij het gehoord hebt, en de genade Gods. Hier prijst hij hun leerzaamheid, dat zij terstond de gezonde leer hebben aangenomen, en hij prijst hun standvastigheid,
dat zij daarin zijn gebleven. En het geloof des Evangelies, is eigenlijk genoemd de kennis der genade Gods: want niemand heeft ooit het Evangelie gesmaakt, dan die weet, dat hij met God verzoend
173
COLOSSENSEN 1 : 6-9.
is, en de genade in Christus aangeboden, aangegrepen heeft. In der waarheid. Dat is, waarlijk en zonder geveinsdheid: want gelijk hij tevoren betuigd heeft, dat het Evangelie een ontwijfelbare waarheid is, alzoo zegt hij nu daarbij, dat het hun oprecht is geleerd, en dat van Epafras. Want dewijl een iegelijk van het Evangelie roemt, en daar vele booze arbeiders zijn, door wier onwetendheid, of eer-zoeking, of gierigheid, zijn zuiverheid vervalscht wordt, zoo is daar veel aan gelegen, dat de getrouwe dienaren onderscheiden worden van die niet zeer goed zijn. Het is ook niet genoeg, het woord des Evangelies te verstaan, tenzij wij weten, dat dit het waarachtige Evangelie is, dat van Paulus en Epafras gepredikt is. Daarom bevestigt Paulus de leer van Epafras, o'pdat hij de Colossensen daarin behoude, en dat hij ze ook mede afroepe van de boeven, die vreemde leer zochten in te brengen. En hij versiert ook mede Epafras zeiven met een schoonen titel, opdat hij te grooter autoriteit bij hen hebbe. En ten laatste bevestigt hij der Colossensen liefde jegens hem, als hij zegt, dat hij getuigenis heeft gegeven van hun liefde. Paulus arbeidt alom, opdat hij dengenen, dien hij weet Christus getrouw te dienen, de gemeenten zeer lieftallig make door zijn aanprijzing: gelijk daarentegen de dienaars des duivels geheel daarnaar staan, dat zij de harten der eenvoudigen mogen vervreemden van de getrouwe herders, door leugenachtige woorden. Liefde in den Geest. Dit neem ik hier voor: Geestelijke liefde, gelijk ook Chrysostomus doet, met wien ik niet gevoel in het voorgaande. Voorts, geestelijke liefde is, die niet de wereld aanziet, maar tot alle godzaligheid overgegeven is, en zooveel als een inwendigen wortel heeft, terwijl de vleeschelijke vriendschappen aan uitwendige vriendschappen hangen.
9 Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet afgelaten hebben te bidden voor u, en te begeeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van zijnen wil, in alle geestelijke wijsheid en voorzichtigheid;
10 Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle gehoorzaamheid, vruchtdragende in alle goede werken, en wassende in de kennis Gods:
11 Met alle kracht versterkt zijnde, naar de sterkte zijner heerlijkheid, tot alle verdraagzaamheid en lijdzaamheid, met vreugde.
9 Waarom ook wjj. Gelijk hij tevoren zijn liefde tot hen bewezen heeft, daarmede dat hij blijde was over hen, alzoo bewijst hij nu zijn liefde door de naarstigheid in 't gebed. En voorwaar, hoe meer wij de genade Gods zien glinsteren in eenig mensch, zooveel te meer behooren wij ze bijzonder te omhelzen en lief te hebben, en voor hun zaligheid zorgvuldig te zijn. Maar wat wenscht hij hun? Dat zij volkomener God mochten kennen: waarmede hij be-dektelijk te kennen geeft, dat hun nog wat ontbreekt, opdat hij alzoo zichzelven een weg make om hen te leeren, en dat hij ze opwekke om breeder leer te ontvangen. Want degenen, die meenen dat zij geleerd hebben al wat nuttig is te weten, die verachten en verwerpen al wat hun meer aangebracht wordt. Zoo beneemt hij dan den Colossensen dezen waan, opdat dezelve hun niet verhindere, gaarne te leeren, en te laten volmaken wat in hen begonnen is.
174
Ef. 1:15. 1 Cor. 1 : 5.
Gen. 17:1. 1 Cor. T : 20. Ef. 4:1. Pil. 1 : 27. IThess. 2:12. Joh. 15:16.
COLOSSENSENt 1 ; 9â11.
Maar wat kennis wenscht hij hun? Te weten, die van den Godde-lijken wil. waarmede hij verwerpt allerlei gedichtselen der menschen, en allerlei speculatien, die van het Woord Gods vreemd zijn: want zijn wil is nergens te zoeken, dan in zijn Woord. Hij stelt daarbij,
in alle wjjsheid, waarmede hij te kennen geeft, dat de wil Gods welken hij gemeld had, de eenige regel is om rechte wijsheid te hebben. Want zoo wie eenvoudig begeert te weten wat Gode behaagd heeft te openbaren, die weet eerst wat het is rechte wijsheid te hebben. Zoo wij iets meer begeeren, dat zal niet anders wezen, dan onwijs zijn in geen mate te houden. Door het Grieksche woord,
dat ik overgezet heb voorzichtigheid, versta ik onderscheiding, die uit het verstand komt. Paulus noemt ze beide geestelijk, omdat men niet anders daartoe komt, dan door de beweging des Geestes. Want i Cor. 2:1«. een vleeschelijk mensch verstaat niet wat God aangaat. Zoolang de menschen geregeerd worden door het gevoelen huns vleesches, zoo hebben zij ook hun wijsheid, maar die enkel ijdelheid is, hoewel zij zich zeer daarin behagen. Wij zien hoedanig een theologie daar is onder het pausdom, wat in de boeken der philosophen beschreven is, en wat wijsheid de wereldsche menschen in waarde houden.
Maar wij zullen gedachtig wezen, dat die wijsheid, die alleen van Paulus aangeprezen wordt, in den wil Gods besloten is.
10 Dat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere. Ten eerste .
leert hij welke het einde is van het geestelijk verstand, en waartoe men voortgang moet doen in de schole Gods, te weten, opdat wij leven gelijk het Gode betaamt, dat is, opdat het in ons leven gezien worde, dat wij niet tevergeefs van God geleerd zijn. Allen, die hun arbeid hiertoe niet voegen, mogen wel veel arbeiden en zwee-ten, maar zij doen niets dan dwalen in omwegen, zonder eenige vrucht of voortgang. Bovendien vermaant hij ons, dat wij, zoo wij willen wandelen gelijk het Gode betaamt, den ganschen loop onzes levens naar den wil Gods moeten schikken, ons eigen gevoelen verlaten, en alle gezindheden onzes vleesches laten varen. Hetwelk hij ook wederom bevestigt, als hij daarbij zegt: Tot alle gehoorzaamheid of welbehagen. Zoo dan, zoo men vraagt, welke het leven is dat Gode betaamt, zoo zal men altijd deze beschrijving van Paulus houden, te weten, dat het zulk een leven is, dat mensche-lijke inzettingen en de natuur van het gansche vleesch verlatende,
tot de gehoorzaamheid van den eenigen God gevoegd wordt. Hieruit volgen goede werken, welke vruchten God van ons eischt. Wederom verhaalt hij, dat zij tot alzulke volmaaktheid niet gekomen zijn, of zij hebben nieuwen wasdom en toeneming van noode: door welke vermaning hij hun bereidt, en (bij manier van spreken) bij de hand leidt tot meerdere vlijtigheid om toe te nemen, en voortgang te doen, waardoor zij zich gewillig tot hooren en tot leeren overgeven.
Wat hier den Colossensen gezegd wordt, moeten alle geloovigen erkennen tot hen gezegd te zijn: opdat zij hieruit nemen, dat men in die gemeene vermaning der ware leer tot den dood toe toenemen en wassen moet.
11 Met alle kracht versterkt zijnde. Gelijk hij hun tevoren ge-wenscht heeft recht verstand, en een recht gebruik daarvan, alzoo wenscht hij hun nu ook moed en standvastigheid. En aldus vermaant hij ze van hun zwakheid; want hij zegt, dat zij niet sterk zullen zijn, dan door de hulpe des Heeren. En niet alleen dit, maar
175
176
opdat hij deze genade te meer verheffe, zoo zegt hij daarbij; Naar zijn heerlyke sterkte: alsof hij zeide, dat niet alleen niemand kan staan betrouwende op zijn eigen kracht, maar dat ook de kracht Gods zich grootelijks bewijst, onze z\vakheid te hulp komende. Ten laatste leert hij, waarin de sterkte der geloovigen zich behoort te verklaren, te weten: In alle lijdzaamheid en verdraagzaamheid. Want zij worden zonder ophouden met het kruis geoefend in deze wereld, en daar komen allen dag duizend verzoekingen bij om hen te overvallen, en zij zien niets van wat God beloofd heeft. Zoo moeten zij dan zich met wondere lijdzaamheid wapenen, opdat het jes. 30;i5. woord van Jesaja vervuld worde: In hope en stilheid zal uwe sterkte wezen. Het woord met vreugde, is' 't best gevoegd bij dezen zin. Want hoewel de Latijnen gemeenlijk anders lezen, zoo komen nochtans de Grieksche handschriften beter overeen met dezen zin; en voorwaar, de lijdzaamheid wordt niet behouden, dan door blijmoedigheid: daar zal ook niemand met een sterk gemoed staan, dan aan wien zijn stand zoet is.
12 Dankende God en den Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft tot de deelachtiglieid der erfenis der heiligen in het licht;
13 Die ons verlost heeft uit de macht der duisternis, en ons overgebracht heeft tot het rijk zijns lieven Zoons:
14 In denwelken wij de verlossing hebben door zijn bloed, namelijk, de vergeving der zonden:
15 Die het beeld is des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creature:
16 Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in den hemel zijn, en die op de aarde zijn: zienlijke en onzienlijke: hetzij tronen of heerschappijen, of vorstendommen, of machten.
17 Alle dingen zijn geschapen door Hem en tot Hem, en Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan in Hem.
Dankende God. Hij komt weder tot dankzegging, opdat hij door die gelegenheid verhale, met wat weldaden zij begiftigd zijn door Christus; en alzoo komt hij tot een volkomen beschrijving van Christus. Want dit was den Colossensen een eenig middel tegen alle listen, waarmede de valsche apostelen hen verzochten, namelijk, wel te weten wat Christus was. Want waaruit komt het, dat wij met zoo menigerlei leer omgevoerd worden, dan omdat de kracht van Christus ons niet bekend is. Want Christus maakt alleen, dat alle andere dingen terstond verdwijnen. Daarom zoekt de duivel niets zoozeer, als wolken en duisternissen te maken om Christus te verduisteren; want hij weet, dat alzoo aan alle leugenen een deur geopend wordt. Zoo is dan dit de eenige wijze om de zuivere leer te houden, en weder op te richten, te weten, dat men Christus voor oogen stelle, hoedanig Hij is met al zijne goederen, opdat zijn kracht waarlijk gevoeld worde. Hier wordt met gehandeld van den naam. De papisten belijden in 't gemeen één Christus met ons: intusschen wat groot onderscheid is er tusschen ons en hen? te weten, omdat zij, als zij beleden hebben dat Christus is de Zone Gods, zijn kracht aan anderen toeschrijven, en her- en derwaarts uitdeelen, zoodat zij Hem bijna ledig laten: tenminste zij berooven Hem van een
Matt. 3:17; 17:5.
2 Petr. 1:17. Hand. 20: 28. Ef. 1: 7. Hebr. 9;U. 1 Petr. 1:19. 2 Cor. 4 : 4.
Fil. 2:6. Hebr. 1:3. Openb. 3 rlé. Gen. 1:3. Ps. 33:6. Job. 1 :3. Ef. 3:9. Hebr. 1 :2.
12 .1
COLOSSENSEN 1 : 12, 13.
groot deel zijner heerlijkheid, zoodat Hij Gods Zoon genoemd wordt, en nochtans niet zoodanig is als de Vader wil, dat Hij jegens ons zij. Ware het dat de papisten van harte aannamen wat in dit hoofdstuk staat, zoo zouden wij terstond eens zijn, maar het gansche pausdom zou vallen: want het staat niet anders dan daardoor dat men Christus niet kent. Dat zal zonder twijfel een iegelijk bekennen,
die het voornaamste stuk van dit hoofdstuk aanmerkt. Want hier wordt niet anders gehandeld, dan opdat wij weten dat Christus is het begin, het midden en het einde; dat men alles van Hem moet hebben, en dat buiten Hem niets is, noch kan gevonden worden.
Dat dan de lezers nu naarstig en scherp aanmerken, met hoedanige kleuren Paulus ons Christus schildert. Die ons bekwaam gemaakt heeft. Hij spreekt nog van den Vader: want Hij is het begin en de werkende oorzaak onzer zaligheid. Gelijk het woord God, zijn majesteit klaarlijker uitdrukt, alzoo wordt door het woord Vader,
zijn goedertierenheid en vriendelijke genegenheid aangewezen. Beide deze dingen moeten wij in God aanschouwen, opdat zijn majesteit ons vrees en eerbied aanbrenge, en dat zijn Vaderlijke liefde ons geve te betro'uwen. Zoo heeft dan Paulus niet tevergeefs deze twee namen te zamen gevoegd: zoover tenminste die lezing ons behaagt,
welke de oude overzetter gevolgd heeft, waarmede ook sommige zeer oude handschriften overeenstemmen. Hoewel, er zal geen ongeschiktheid in wezen, zoo wij zeggen dat het Paulus genoeg is,
enkel den naam Vader te zetten. Bovendien, gelijk door den naam Vader, zijn onbegrijpelijke genade moet uitgedrukt worden, alzoo is het ook noodig, dat wij door den naam God, getrokken worden tot verwondering van zulke groote goedheid, dat Hij, die God is,
Zich zoover vernederd heeft. Maar voor wat weldaad dankt hij God? te weten, dat Hij hem en anderen heeft bekwaam gemaakt om de erve der heiligen deelachtig te zijn. Want wij worden geboren kinderen des toorns, ballingen van het rijk Gods. De aanneming Ef. 2:3. Gods alleen maakt ons bekwaam. Nu, de aanneming hangt aan de onverdiende verkiezing. De Geest der wedergeboorte is het zegel der aanneming. Hij zegt daarbij: In het licht, opdat het een tegen-woord zij, dat tegen de duisternis van het rijk des duivels gesteld wordt.
13 Die ons verlost heeft. Ziet, dit is het begin onzer zaligheid, te weten, als God ons verlost en uittrekt uit de diepte des verderfs,
waarin wij verzonken zijn. Want waar zijn genade niet is, daar is duisternis, gelijk daar staat bij Jesaja: Ziet, duisternis zal de aarde Jes. eo: 2. bedekken, en donkerheid de volken: maar over u zal de Heere opgaan, en zijn heerlijkheid zal in u gezien worden. Ten eerste worden wij zeiven duisternis genoemd, daarna de gansche wereld.
En de duivel is de overste der duisternis, onder wiens tirannie wij gevangen gehouden worden, totdat wij door de hand van Christus verlost worden. Hieruit kan men verstaan, dat de gansche wereld met haar geveinsde wijsheid en rechtvaardigheid voor God niet anders gerekend wordt dan duisternis: want buiten het rijk van Christus is geen licht. Ons overgebracht heeft tot het rijk van Christus. Dit zijn nu de beginselen onzer zaligheid, als wij overgebracht worden tot het rijk van Christus: want wij gaan over van Joh. 5:24. den dood tot het leven. Dit heeft Paulus ook aan de genade Gods toegeschreven: opdat niemand meene, dat hij door zijn eigen loopen zulk een groot goed verkrijgt. Gelijk dan onze verlossing van de Dl. iv. 12
177
COLOSSENSEN 1 : 13â15.
zonde en dienstbaarheid des doods een werk Gods is: alzoo ook de overgang tot het rijk van Christus. Christus noemt hij den Zoon der liefde, of dien de Vader liefheeft, omdat Hij alleen is, in wien zijn ziel tevreden is, gelijk daar staat Matth. 17 ; 5, en door wien alle anderen verkoren worden. Want men moet aldus gevoelen, dat wij niet anders Gode aangenaam zijn, dan door Christus. En het is zonder twijfel, dat Paulus dien twist heeft willen doorhalen, die tusschen de menschen en God is, totdat de liefde in den Middelaar haren schijn geeft.
14 In denwelken wij hebben de verlossing. Nu vervolgt hij in orde dat al de deelen onzer zaligheid in Christus vervat zijn, en dat Hij alleen, gelijk Hij het begin en einde aller dingen is, moet uitblinken, en klaarlijk aanschouwd worden boven alle creaturen. Ten eerste, zegt hij, dat wij in Hem hebben de verlossing, en legt die terstond uit, dat zij is vergeving der zonden. Want deze twee dingen zijn onafscheidelijk van elkander. Want voorwaar als God ons de zonden vergeeft, zoo verlost Hij ons van de schuld van
gt; den eeuwigen dood. Dit is onze vrijheid, dit is onze roem tegen
den dood, te weten, dat de zonden ons niet toegerekend worden. Hij zegt, dat deze verlossing is verkregen door het bloed van Christus : want door de offerande zijns doods zijn al de zonden der wereld verzoend. Zoo zullen wij dan gedenken, dat dit de eenige prijs der verzoening is, en dat het daarom lastering is al wat de papisten beuzelen van de voldoeningen.
15 Die het beeld is des onzienlijken Gods. Hij klimt hooger op, handelende van de heerlijkheid van Christus. Hij noemt Hem het beeld des onzienlijken Gods: waarmede hij te kennen geeft, dat door Hem alleen, God die anders onzienlijk is, ons geopenbaard wordt, volgens hetgeen Johannes zegt: Niemand heeft ooit God ge-
juli. 1 = is. zien: de eengeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard. Ik weet wel, hoe het de ouden .plegen uit J,v te leggen. Want dewijl zij strijd hadden tegen de Arianen: zoo
if drijven zij de gelijkheid des Zoons met den Vader en de eenerlei
substantie: maar intusschen verzwijgen zij wat het voornaamste is, te weten, hoe de Vader Zichzelven ons vertoont in den Zoon, opdat wij Hem daarin kennen. Dat Chrysostomus al zijn sterkte stelt in het woord beeld, als hij wil bevestigen, dat het schepsel niet kan genoemd worden des Scheppers beeld, is veel te zwak: ja wordt van Paulus zeiven wederlegd, waar hij zegt: De man is het beeld en 1 cor. 11: it. de heerlijkheid Gods. Daarom, opdat wij niet hebben dan wat grondig is, zoo moeten wij aanmerken, dat het woord beeld, niet gezegd wordt van het wezen Gods, maar dat het opzicht heeft op ons. Want Christus wordt daarom gezegd het beeld Gods, omdat Hij maakt, dat wij God eenigszins kunnen zien. Hoewel, de gelijkheid der substantie wordt ook hieruit verstaan: Want Christus zou God niet waarlijk uitdrukken, ware Hij niet het wezenlijke Woord Gods: want hier wordt niet gehandeld van dingen, die door gemeenmaking ook den creaturen toekomen, maar hier wordt gehandeld van de jï, ' volmaakte wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid en mogendheid Gods;
om welke dingen af te beelden en voor te stellen, geen creatuur genoegzaam zou zijn. Zoo zullen wij dan in dit woord een gewel-M dig wapen hebben tegen de Arianen, doch moeten wij nochtans
f beginnen van dat opzicht op ons, waarvan ik gesproken heb, en
17
Ky
Er'l
lVv 'j 'Ãl't
4
IK
â V
17Q
niet blijven staan op het wezen alleen. De inhoud is, dat God in Zichzelven, dat is, in zijn naakte majesteit, onzienlijk is, niet alleen voor de lichamelijke oogen, maar ook voor het menschelijk verstand, en dat Hij ons in Christus alleen geopenbaard wordt, opdat wij Hem daarin als in een spiegel aanschouwen. Want in Christus heeft Hij zijn rechtvaardigheid, goedheid, wijsheid, kracht en eindelijk Zichzelven geheel ons voorgesteld. Zoo moeten wij dan toezien, dat wij Hem niet elders zoeken: want al wat buiten Christus zich wil uitgeven met Gods naam, is een afgod. De eerstgeborene aller creaturen. De reden, waarom Hij alzoo genoemd wordt, volgt terstond hierna: Want door Hem zijn alle dingen geschapen; gelijk Hij op dezelfde wijze in het derde vers hierna, gezegd wordt de eerstgeborene Vs-uit de dooden, omdat wij allen door Hem wederopstaan. Zoo is Hij dan niet alleen daarom de eerstgeborene, omdat Hij zooveel den tijd aangaat, vóór alle creaturen is geweest: maar omdat Hij van den Vader daartoe gegenereerd is, dat alle creaturen door Hem zouden geschapen worden, en dat Hij als de substantie of fundament aller creaturen is. De Arianen deden dwaselijk, die hieruit besloten, dat Hij een schepsel was. Want hier wordt niet gehandeld wat Hij in Zichzelven is, maar wat Hij in anderen maakt.
16 Zienlijke en onzienlijke. In de voorgaande onderscheiding, waar hij zegt: hemelsche en aardsche, worden beide deze soorten vervat. Maar dewijl Paulus dit voornamelijk wilde zeggen van de engelen, zoo meldt hij nu de onzienlijke creaturen. Zoo zijn dan niet alleen die hemelsche creaturen, die met oogen kunnen gezien worden, maar ook de geestelijke door den Zone Gods geschapen. Wat daar terstond volgt: Hetzij tronen, is zooveel alsof hij zeide, met wat naam zij ook genoemd worden. Door het woord tronen, verstaan sommigen, engelen. Maar ik acht meer, dat daarmede het hemelsche paleis der majesteit Gods beduid wordt: hetwelk men niet zoo moet droomen, als ons verstand kan vatten, maar zooals God zelf betaamt. Wij zien de zon en de maan en de gansche versiering des hemels, maar de heerlijkheid van het rijk Gods is voor onze zinnen verborgen, omdat zij geestelijk is, en hooger dan alle hemelen. Eindelijk, door het woord tronen, zullen wij verstaan die woonplaats der eeuwige onsterfelijkheid, die van alle veranderlijkheid vrij is. Met de andere namen beduidt hij zonder twijfel engelen. Hij noemt ze machten, vorstendommen, heerschappijen, niet omdat zij een eigen rijk hebban, of met eigene kracht begaafd zijn, maar omdat zij zijn dienaars der Goddelijke mogendheid en heerschappij. En het is gewoon, dat de namen Gods den creaturen gegeven worden, zoo verre God zijn kracht daarin bewijst. Alzoo is Hij alleen Heere en Vader. Maar het zijn ook vaders en heeren, dien Hij verwaardigt deze eer te geven. Hieruit komt het, dat engelen en rechters Goden worden genoemd. Daarom worden de engelen ook te dezer plaatse versierd met schoone namen, door welke verklaard wordt, niet wat zij door zichzelven en van God alzoo gescheiden vermogen, maar wat God door hen doet, en wat ambten Hij hun bevolen heeft. Hetwelk men alzoo moet nemen, dat de heerlijkheid des eenigen Gods geenszins verminderd wordt: want God deelt zijn kracht niet alzoo den engelen, dat Hij Zichzelven vermindert; Hij werkt niet alzoo door hen, dat Hij zijn mogendheid hun overgeeft, en Hij wil niet, dat zijn heerlijkheid alzoo
COLOSSENSEN 1 ; 16â18.
in hen schijn geve, dat zij in Hem te duisterder worde. Paulus verheft willens de waardigheid der engelen zoo eerbiedig, opdat niemand denke, dat Christus desniettemin alleen boven hen zou uitnemend zijn. Zoo dan, hij gebruikt deze namen, als bijwijze van toelating, alsof hij zeide, dat Christus niet verkleind wordt door al hun uitnemendheid, zij mogen met zoo schoone titels versierd wezen als men wil. Degenen, die in deze woorden scherpzinniger philosopheeren, om hieruit rangorden der engelen te bewijzen, die laat ik deze hare lekkernij genieten: maar zij wijken voorwaar ver af van den zin van Paulus.
17 Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen. Hij stelt de engelen onder Christus met vier redenen. Ten eerste, dat zij zijn heerlijkheid niet verminderen, want zij zijn van Hem geschapen. Ten andere, omdat hun schepping is tot Hem als tot het behoorlijke einde. Ten derde, dat Hij altijd geweest is eer zij geschapen werden. Ten vierde, dat Hij ze onderhoudt, en in hun stand bewaart door zijn kracht. Hoewel, hij zegt dit niet van de engelen alleen, maar ook van de gansche wereld. Alzoo stelt hij den Zone Gods in een zeer hoogen stoel der eere, opdat Hij zij alzoowel over de engelen als over de menschen, en onder zich hebbe alle creaturen in den hemel en op de aarde.
18 En Hij is het hoofd des lichaams der gemeente, Hij is het begin, de eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in allen de eerste zou zijn.
19 Want het heelt [Gode] behaagd, dat in Hem al de volheid zou wonen;
20 En door Hem alle dingen Ziohzelven te verzoenen, tot vrede brengende door het bloed zijns kruises, door Hem, beide wat op de aarde en in de hemelen is.
18 Het hoofd des lichaams. Als hij nu in het gemeen van de uitnemendheid van Christus gesproken heeft, en van zijne opperste heerschappij over alle creaturen, zoo komt hij wederom tot die dingen, die bijzonder de gemeente aangaan. In het woord hoofd, aanmerken sommigen meer dingen. En hij zal voorwaar weinig hierna deze zelfde gelijkenis gebruiken in dusdanige beduiding; dat gelijk het hoofd in des menschen lichaam is als een wortel, waaruit de levende macht iij alle leden uitgestort wordt, dat alzoo ook het leven der gemeente uit Christus vloeit. Hier spreekt hij naar mijn oordeel, voornamelijk van de regeering. Zoo leert hij dan, dat Christus alleen die is, die macht heeft om de gemeente te regeeren, op wien alleen de geloovigen moeten zien, aan wien de eenheid van het lichaam hangt. Als de papisten de tirannie van hunnen afgod willen bevestigen, zoo klagen zij, dat de gemeente zonder hoofd zal zijn, tenzij de paus gelijk een hoofd, heerschappij daarin hebbe. Paulus wil deze eer zelfs den engelen niet toelaten, en berooft nochtans de gemeente niet van haar hoofd: want gelijk Christus dezen naam Zichzelven aanneemt, alzoo verricht Hij ook waarlijk het ambt van een hoofd. Ook mij is die beuzeling niet verborgen, waarmede zij zoeken te ontvlieden, te weten, zij zeggen dat de paus is een dienstelijk hoofd. Maar de naam van hoofd is hoo-ger, dan dat hij aan eenig sterfelijk mensch met eenigerlei verf kan
180
Ef. 1 :22; 4 :15 ; 5 : 23. ICor. 15:20. Openb. 1: 5. Joh. 1:U. Col. 2:9. 2 Cor. 5:18. 1 Joh. 4:10.
Jes. 9:6. Joh. 16:33. Hand. 10:36 Rom. 5:1. Ef. 2:14.
COLOSSENSEN 1 : 18â20.
toegeschreven worden, voornamelijk zonder Christus' bevel. Grego-rius schrijft matiger, daar hij zegt, dat Petrus wel een voornaam lid der gemeente is, doch dat hij en de andere apostelen leden zijn onder één hoofd, Epist. 92. Lib. 4. Hjj is het begin. Dewijl het Grieksche woord, dat hier staat, somtijds ook beduidt het einde waartoe alle dingen geschikt worden, zoo zouden wij het ook kunnen nemen, dat Christus alzoo het einde ware.' Maar ik wil liever de woorden van Paulus alzoo uitleggen, dat Hij het begin is, omdat Hij de eerstgeborene uit de dooden is: want in de wederopstanding,
is een wederoprichting aller dingen, en alzoo een begin der tweede en nieuwe schepping, wijl de eerste vervallen was in den val van den eersten mensch. Dewijl dan Christus wederopstaande, dat rijk Gods begonnen heeft, zoo wordt Hij terecht genoemd het begin;
want dan beginnen wij waarlijk voor God te zijn, als wij vernieuwd worden, opdat wij nieuwe schepselen zijn. De eerstgeborene uit de dooden. Hij wordt alzoo genoemd, niet alleen omdat Hij eerst is wederopgestaan, maar omdat Hij ook anderen dat leven wedergeeft:
gelijk Hij op een andere plaats genoemd wordt: De eersteling der- 1Cor-15 genen, die wederopstaan. Opdat Hjj in allen. Hij besluit daaruit, dat Hem de uitnemendheid in alle dingen toekomt. Want zoo Hij aller oorsprong en wederoprichter is, zoo is het openbaar dat Hem deze eere terecht behoort. Hoewel, deze woorden in allen, worden op tweeërlei wijze verstaan, te weten, in alle creaturen, of in alle dingen. Maar daar is niet veel aan gelegen: wijl alle dingen enkel onder zijn heerschappij worden gesteld.
19 Want het heeft [Gode] behaagd, dat in Hem. Opdat het te vaster zij wat hij van Christus verkondigd heeft, zoo zegt hij ook nu daarbij, dat het alzoo vast in de voorzienigheid Gods besloten is. En voorwaar, opdat wij deze verborgenheid met eerbied aanbidden, zoo is het noodig, dat wij tot deze fontein teruggeroepen worden. Dit is (zegt hij) door Gods raad geschied, dat alle volheid in Hem wonen zou. Hij meent alle volheid der rechtvaardigheid, wijsheid, kracht, en aller goeden. Want al wat God heeft, heeft Hij den Zoon gegeven, opdat Hij in Hem verheerlijkt worde: gelijk daar staat Joh. 5 : 20. Hij vermaant ook mede, dat wij uit de volheid van Christus moeten putten, al wat goeds wij begeeren tot onze zaligheid: want het is alzoo van God verordend, dat Hij Zich en zijn gaven den menschen niet anders wil mededeelen, dan door den Zoon. Zoo is het dan zooveel, alsof hij zeide, dat Christus ons alles is, en dat wij buiten Hem niets hebben. Waaruit volgt, dat allen die Christus verkleinen, of zijn kracht verminderen, of van zijne ambten berooven, of eindelijk, een druppel van deze volheid nemen, dat zij zooveel in hen is, den eeuwigen raad Gods losmaken.
20 En door Hem alle ding Zichzelven te verzoenen. Dit is ook een groote lof van Christus, dat wij niet anders met God kunnen vereemgd zijn, dan door Hem. Laat ons ten eerste aanmerken, dat onze zaligheid daarin gelegen is, dat wij God aanhangen. Wederom, dat daar niets ellendigers is, dan van Hem vervreemd te zijn. Zoo zegt hij dan, dat wij door Christus alleen zalig zijn; want Hij is de band onzer vereeniging met God. Wederom, dat wij buiten Hem zeer ellendig zijn, daar wij van God zijn uitgesloten. Nu, wat hij Christus toeschrijft, zullen wij gedenken Hem geheel toe te komen, opdat geen deel van dezen lof iemand anders toegeschre-
181
COLOSSENSEN 1 :20.
182
ven worde. Daarom moet men die tegenstellingen daaronder verstaan, te weten, zoo dit een voorrecht van Christus is, zoo komt het geen anderen toe. Want hij handelt met voornemen tegen degenen, die dichtten dat de engelen vredemakers waren, door welke wij toegang hadden tot God. Tot vrede brengende door het bloed zijns kruises. Hij spreekt van den Vader, dat Hij zijne creaturen verzoend heeft door Christus' bloed. Hij noemt het bloed zijns kruises, omdat het bloed van Christus daarom het pand en de prijs onzer verzoening met God is geweest, omdat het aan het kruis is uitgestort. Want de Zoon Gods moest het verzoenoffer worden, en de schuld 2 Oor. 5:21. (jgj- zonden dragen, opdat wij in Hem rechtvaardigheid Gods zouden zijn. Zoo dan, het bloed des kruises is zooveel als het bloed der offerande, die aan het kruis is geofferd om den toorn Gods te stillen. Als hij daarbij stelt: door Hem, zoo heeft hij niets nieuws willen zeggen, maar wat hij nu gezegd had, heeft hij duidelijker willen uitdrukken, en ook dieper in onze harten prenten, te weten, dat Christus alzoo de eenige auteur der verzoening is, dat alle andere middelen uitgesloten worden. Want daar is niemand anders voor ons gekruist. Zoo is Hij dan alleen degene, door wien en door wiens genade God ons genadig is. Beide wat op aarde en in de hemelen is. Zoo wij dit willen verstaan van de redelijke creaturen alleen, zoo is het te verstaan van de menschen en de engelen. Hoewel, daar zal niets ongeschikts in zijn, zoo men het verstaat van alle creaturen zonder uitzondering; maar opdat het niet noodig is scherpzinnig te disputeeren, zoo behaagt het mij, dat het van de engelen en menschen gezegd is. En betrekkelijk dezen is er geen zwarigheid, dat hun een vredemaker bij God noodig is. Toch is het niet licht van de engelen te verstaan. Want waartoe dient daar verzoening, waar geen tweedracht of vijandschap geweest is? Velen door deze reden bewogen zijnde, hebben deze tegenwoordige plaats aldus uitgelegd, dat de engelen met de menschen tot eendrachtigheid zijn gebracht. Maar de woorden van Paulus luiden anders, als hij zegt, dat ze God Zichzelven verzoend heeft. Zoo is dan dat een gedwongen sluitrede. Nu moeten wij zien, hoedanig de verzoening der engelen en der menschen zij. Ik zeg, dat de menschen met God verzoend zijn, omdat zij tevoren van Hem vervreemd waren door de zonde, omdat zij den rechter zouden gevoeld hebben tot hun verderf, zoo de genade des Middelaars daar niet tusschen gekomen ware om zijn toorn te stillen. Zoo is dan dit de aard en wijze der verzoening tusschen God en de menschen, dat de vijandschap door Christus is weggenomen. Zoo dan. God is van een rechter een vader geworden. Tusschen God en de engelen is het iets heel anders: want er is geen afvalling, geen zonde, en daarom is er geen scheiding. Doch de engelen moesten om twee oorzaken met God verzoend worden. Want dewijl zij creaturen zijn, zoo waren zij niet buiten de mogelijkheid van vallen, waren zij niet door de genade van Christus bevestigd geweest. Dit is geen kleine zaak tot doorgaanden vrede met God, dat zij vasten stand hebben in de rechtvaardigheid, zoodat zij noch val noch afwijking meer vreezen. Bovendien is in de gehoorzaamheid zelve, die zij Gode bewijzen, niet zulke uitnemende volmaaktheid, dat zij alleszins zonder vergeving voor God genoeg is. Hierop doelt zonder twijfel die uitspraak in het boek Job: Ook in zijne engelen zal Hij ongerechtigheid vinden: want zoo
COLOSSENSEN 1:20, 21.
het op den duivel geduid wordt, wat bijzonders zal dat wezen? De Jut) -i;!8-Geest zegt daar, dat de hoogste zuiverheid onrein is, zoo men ze bij de rechtvaardigheid Gods weegt. Zoo moet men dan besluiten,
dat in de engelen niet zoo groote rechtvaardigheid is, dat zij tot volle vereeniging met God genoeg is. Zoo is hun dan een vrede-maker noodig, door wiens genade zij geheel aan God mochten hangen.
Daarom doet Paulus recht, dat hij de genade van Christus niet alleen stelt in de menschen, maar ze ook den engelen gemeen maakt. Ook geschiedt den engelen geen onrecht, als zij tot den Middelaar gewezen worden, om door zijn weldaad grondigen en vasten vrede met God te hebben. Zoo iemand hier een vraag wil opwerpen, of Christus ook der duivelen vredemaker is, dewijl hier staat: Al wat in den hemel en op de aarde is? ik antwoord, dat Hij zelfs niet der goddeloozen vredemaker is. Hoewel ik beken wel, dat daar een onderscheid is; want den goddeloozen wordt de weldaad der verlossing aangeboden, maar den duivelen niet. Maar dit gaat de woorden van Paulus niet aan: welke niets anders vervatten, dan dat het Christus alleen is, door wien alle creaturen aan God hangen, die eenige vereeniging met Hem hebben.
21 En u, toen gij eertijds vervreemd waart, en vijanden door do gedachten in booze werken,
22 Heeft Hij nu verzoend in het lichaam zijns vloesches door don
dood: opdat Hij u zou stellen heilig en onberispelijk voor zijn Luk. i:7ö. aanschijn: 5. o^1' 1'4
23 Zoo gij toch blijft in het geloof gefundeerd en vast, en niet 2 Tim. : 9 omgedreven wordt van de hope des Evangelies, dat gij ge-joii. quot;is; 6. hoord hebt, hetwelk gepredikt is onder alle creatuur, die onder
den hemel is; waarvan ik Paulus een dienaar geworden ben.
21 En u, toen gij. Nu voegt hij hun een gemeene leer toe, opdat zij zichzelven in zooveel te grooter ondankbaarheid schuldig gevoelen: zoo zij zich laten afleiden van Christus tot nieuwe gedichtselen.
En men moet hier naarstig de orde aanmerken: want de bijzondere toepassing der leer treft meer, om zoo te spreken. Daarna roept hij ze terug tot de bevinding, opdat zij de weldaad der verlossing,
die hij gemeld heeft, in zich bekennen. Gelijk of hij zeide: Gij zijt zelve een bewijs dier genade, die ik verkondig door Christus aan de menschen bewezen te zijn. Want gij waart vervreemd, te weten, van God; gij waart vijanden, nu zijt gij tot liefde aangenomen.
Waaruit is dat gekomen ? te weten, omdat God door den dood van Christus tevreden gesteld zijnde, met u verzoend is. Hoewel, in deze uitspraak is een verandering van persoon: want wat hij duslang geleerd heeft van den Vader, dat leert hij nu van Christus; want men moet het alzoo uitleggen: want hij zegt, in het lichaam zijns vlee-sches. Het woord gedachten, acht ik gezegd te zijn tot nadruk, alsof hij zeide, dat zij ganschelijk en met alle gevoelen des gemoeds van God zijn vervreemd geweest, opdat niemand naar philosophische wijze dichte,
dat de vervreemding in e'én deel is geweest, gelijk het de pauselijke theologen alleen op de laagste begeerlijkheden duiden, ja wat meer is, Paulus zegt wat u voor God hatelijk maakte, dat had het gansche gemoed aangenomen. Eindelijk, hij heeft willen uitdrukken,
dat de mensch zoo groot als hij is, ganschelijk met God twistig is,
183
COLOSSENSEN 1 : 21, 22.
en zijn vijand is. De oude overzetter heeft overgezet, zinnen; Erasmus, gemoed; en ik heb het woord gedachten gebruikt. Want het Grieksche woord heeft zulke beduiding, en de zin van Paulus eischt dit. Voorts, dewijl het woord vijanden, beide passief en actief beduidt, zoo wordt beiderlei wijze terecht van ons gezegd, zoolang wij buiten Christus zijn: want wij worden geboren kinderen des toorns, en alle gedachten des vleesches is vijandschap tegen God. In booze werken. Uit de vruchten bewijst hij den inwendigen haat, die in liet hart verborgen is. Want dewijl de menschen zichzelven van alle schuld willen bevrijden, totdat zij openlijk overwonnen worden, zoo toont God hun goddeloosheid door de uitwendige werken: gelijk breeder gehandeld wordt Rom.- 1 : 19. Voorts, wat wij hier hooren van de Colossensen, gaat ook ons aan: want naar de natuur hebben wij geen onderscheid. Alleen is deze verscheidenheid, dat sommigen geroepen worden terstond van des moeders buik aan, wier boosheid God voorkomt, zoodat zij niet uitbreken tot openbare vruchten; anderen worden tot den schaapstal van Christus teruggeleid, nadat zij nu een goed deel des levens gedwaald hebben. Doch wij allen hebben Christus noodig tot een vredemaker, want wij zijn knechten der zonde, en waar zonde is, daar is vijandschap tusschen God en de menschen.
22 In het lichaam zijns vleesches. Dit schijnt een ongeschikte wijze van spreken: maar het lichaam des vleesches is, zooveel als het menschelijke lichaam, dat de Zone Gods met ons gemeen had. Zoo heeft hij dan willen uitdrukken, dat de Zone Gods met ons dezelfde natuur heeft aangenomen, dat Hij (zeg ik) dit aardsche lichaam, en dat velen zwakheden onderworpen is, heeft gedragen, om onze Middelaar te zijn. Als hij daarbij zegt: Door den dood, zoo roept hij ons wederom tot de offerande. Want de Zone Gods moest mensch worden, en ons vleesch deelachtig zijn, opdat Hij onze broeder ware: Hij moest stervende een offerande worden, opdat Hij ons den Vader verzoenen zou. Opdat Hij u zou stellen heilig. Dit is het tweede voorname deel onzer zaligheid, de nieuwigheid des levens. Want voornamelijk in deze twee stukken, is de gansche weldaad der verlossing gelegen, te weten, in de vergeving der zonden, en in de geestelijke wedergeboorte, Jer. 31:33. Wat hij nu gezegd had, was groot, te weten, dat wij door den dood van Christus rechtvaardigheid hebben verkregen, opdat wij Gode dankbaar zijn, dewijl onze zonden nu uitgewischt zijn. Maar hij leert, dat er nu iets anders van gelijke schoonheid bijkomt, te weten, de gave des Heiligen Geestes, waardoor wij vernieuwd worden naar het beeld Gods. Deze plaats is aanmerkingswaardig, dat ons de onverdiende rechtvaardigheid in Christus niet gegeven wordt, zonder ook mede wedergeboren te worden tot gehoorzaamheid der rechtvaardigheid: gelijk hij op een andere plaats leert, dat Christus ons geworden is rechtvaardigheid en heiligmaking. Het eerste verkrijgen wij door onverdiende aanneming, en het ander, door de gave des Heiligen Geestes, als wij nieuwe menschen worden. Deze beide genaden zijn onafscheidelijk aan elkander verbonden. Voorts zullen wij aanmerken, dat deze heiligheid alleen begonnen is in ons, en dagelijkschen wasdom heeft: en dat zij niet zal volmaakt wezen, totdat Christus zal verschijnen tot wederoprichting aller dingen. Want voortijds hebben de Coelestinen en Pelagianen deze plaats
184
COLOSSENSEN 1 ; 22, 23.
misbruikt, om de genade der vergeving der zonden uit te sluiten. Want zij dichtten een volmaaktheid in deze wereld, die voor het oordeel Gods genoeg ware, zoodat de barmhartigheid overbodig was. Maar Paulus leert hier geenszins wat in deze wereld vervuld wordt, maar welke het einde onzer roeping is, en wat goed ons van Christus aangebracht wordt.
23 Zoo gij toch blijft. Dit is een vermaning tot volharding, waarmede hij vermaant, dat al de genade, die hun tot nu toe gegeven was, tevergeefsch zal wezen, zoo zij niet blijven in de oprechtheid des Evangelies En alzoo beduidt hij, dat zij nog zijn in den voortgang, en nog niet tot het voorgestelde oogmerk gekomen zijn. Want de standvastigheid des geloofs stond te dien tijde bij hen in vreeze, door de listen der valsche apostelen. Hij beschrijft de vastigheid des geloofs levendig, als hij den Colossensen gebiedt daarin gefundeerd en standvastig te zijn. Want het geloof is niet aan een meening gelijk, die met menigerlei beweging geslagen wordt: maar het heeft een vaste standvastigheid, die alle helsche listen wederstaat. Zoo dan, de gansche pauselijke theologie zal nimmermeer zelfs een kleinen smaak des waren geloofs geven, dewijl zij voor een vaste leer houdt, dat men altijd moet twijfelen, zoowel aangaande den tegenwoordigen stand der genade, als betreffende de eindelijke volharding. Daarna wijst hij ook aan de overeenkoming, die het geloof heeft met het Evangelie, als hij zegt dat de Colossensen dan standvastig zullen wezen in het geloof, zoo de hope des Evangelies, dat is, de hope die zij door het Evangelie hebben, in hen niet verzwakt wordt. Want waar het Evangelie is, daar is hope op eeuwige zaligheid. Maar wij moeten bedenken, dat de inhoud aller dingen in Christus vervat wordt: en daarom gebiedt hij hier alle leeringen te vlieden, die van Christus afleiden, zoodat der menschen gemoed ergens elders in bekommerd wordt. Dat gij gehoord hebt. Dewijl de valsche apostelen, die Christus verscheuren, ook plegen hoovaardig op den naam des Evangelies te roemen, en des duivels gewoonlijke kunst is, de conscientiën verkeerdelijk door de voorwending des Evangelies te beroeren, opdat de waarheid des Evangelies verward zij, daarom zegt Paulus bijname, dat dit het oprechte en ontwijfelbare Evangelie is, dat de Colossensen gehoord hadden, te weten, van Epafras, opdat zij hunne ooren niet zouden wenden tot tegenovergestelde leeringen. Bovendien stelt hij een bevestiging daarbij, te weten, dat het hetzelfde Evangelie is, dat de gansche wereld over gepredikt is. Dit is, zeg ik, geen kleine bevestiging, als zij hoorden, dat zij de algemeene kerk met hen hebben medegevoelende, en dat zij geen andere leer volgen, dan die de apostelen gelijkelijk geleerd hebben, en die alom aangenomen is. Der papisten roeming is bespottelijk, dat zij onze leer met dit argument bestrijden: omdat het niet alom gepredikt wordt met aangenaamheid en toejuiching, omdat er niet velen zijn, die met ons gevoelen. Want ofschoon zij barsten, zoo zullen zij ons dit niet benemen, dat wij heden niet anders leeren dan voortijds geleerd is van de profeten en apostelen, en dat van de gansche rij der heiligen gehoorzaam aangenomen is. Want Paulus heeft niet gewild, dat het Evangelie met een eendrachtigheid aller eeuwen zou goed geacht worden, zoodat zijn autoriteit wankelbaar zou zijn, zoo het verworpen werd. Maar hij heeft meer gezien op het bevel van Christus, Mark. 16:15,
185
COLOSSENSEN 1 : 23.
Gaat heen, predikt het Evangelie allen creaturen. Hetwelk hangt aan zoo vele voorzeggingen der profeten, welke verkondigden, dat het rijk van Christus in de gansche wereld zou verkondigd worden. Wat wil dan Paulus met deze woorden anders zeggen, dan dat de Colossensen ook met die levende wateren zijn besprengd geweest, die uit Jeruzalem vloeiende, de gansche wereld zouden overvloeien. Wij roemen ook niet tevergeefs en zonder uitnemende vrucht en troost, dat wij hetzelfde Evangelie hebben, dat op des Heeren bevel gepredikt is onder alle volken, en dat van alle gemeenten is aangenomen, in welks belijdenis alle godzaligen geleefd hebben en gestorven zijn. En dat eendrachtig gevoelen der algemeene gemeente, wat voorwaar zulken grooten lof waardig is, is ons geen kleine hulpe, om ons tegen zoovele aanvallen te wapenen. En wij gevoelen gaarne met Augustinus, die de Donatisten wederlegt, voornamelijk, met dit argument: Dat zij een Evangelie voortbrengen, dat allen gemeenten ongehoord en onbekend is. En dat voorwaar terecht. Want indien dat het ware Evangelie is, dat door geen aanneming der gemeente verzegeld, voorgesteld wordt, zoo volgt daaruit, dat zoovele beloften ijdel en valsch zijn, door welke voorzegd wordt, dat de verkondiging des Evangelies de gansche wereld zou overgedragen worden, en die bevestigen, dat uit alle volken en landen, kinderen Gods verzameld zouden worden, enz. Maar wat doen de papisten? Zij laten de profeten en apostelen varen, en gaan de oude gemeente voorbij, en willen hun afwijking van het Evangelie, voor een eendrachtig gevoelen der algemeene gemeente gehouden hebben. Wat gelijkenis is hierin? Daarom, als van het eendrachtig gevoelen der gemeente gehandeld wordt, zoo laat ons tot de apostelen en hun prediking terugkeeren, gelijk Paulus hier doet. Voorts, opdat niemand het woord alle, bijgeloovig neme, Paulus beduidt niet anders, dan dat het alom wijd en breed gepredikt was. Waarvan ik Paulus. Hij spreekt ook van zijn persoon, dat nuttig was. Want wij moeten altijd toezien, dat wij ons niet lichtvaardig insteken in het leerambt. Zoo betuigt hij dan, dat dit ambt hem opgelegd was, opdat hij zichzelven autoriteit geve. En hij stelt alzoo zijn apostelambt bij hun geloof, dat zij zijn leer niet kunnen verwerpen, zonder het Evangelie te verwerpen, dat zij aangenomen hadden.
24 Nu verblijd ik mij in het lijden voor u, en vervul in mijn vleesch, wat het lijden van Christus ontbreekt, voor zijn lichaam, hetwelk is de gemeente;
25 Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de bedeeling Gods, die mij gegeven is aan u, om het woord Gods te vervullen;
26 [Namelijk,] de verborgenheid, die vóór de eeuwen en geslachten was verborgen, welke nu geopenbaard is aan zijne heiligen:
27 Aan wie God heeft willen openbaren, welke zij de rijkdom der heerlijkheid der verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de hope der heerlijkheid;
28 Denwelken wij prediken, vermanende ieder mensch, en leerende ieder mensch in alle wijsheid, opdat wij ieder mensch volmaakt zouden stellen in Christus Jezus.
29 Waartoe ik arbeide, strijdende naar zijne macht, die krachtig in mij werkt.
186
2 Cor. 7:4. Ef. 3:13. FlI. 2:17. 2 Tim. 2 :10. Bom. 12:5.
1 Cor. 12 : 27. Ef. 4 ; 12:
6:23.
Eom. 1G : 25.
Ef. 1:9; 3:9.
2 Tim. 1 :10. Tit. 1:3.
1 Petr. 1:20. Matt. 13:11.
2 Cor. 2 :14. 1 Tim. 1; 1.
i
y 'V
COLOSSENSEN 1:24.
24 Nu verblijd ik mij. Ten eerste heeft hij zichzelven autoriteit gemaakt uit zijn roeping, en nu voorkomt hij, dat zijne banden, gevangenis en vervolgingen, die hij voor het Evangelie leed, niet de eere zijns apostelschaps verminderen. Want de duivel misbruikt ook zulke gelegenheden, om de dienstknechten Gods verachtelijker te maken. Bovendien geeft hij hun moed door zijn exempel, opdat zij niet door vervolgingen verschrikt worden; en hij prijst zijn ijver,
opdat die meer gewicht hebbe. Ja, hij betuigt ook zijn liefde tot hen met geen klein pand, als hij zegt, dat hij de verdrukkingen die hij lijdt, gaarne draagt om hunnentwil. Waaruit komt deze blijdschap, mocht iemand zeggen? Te weten: Omdat hij de vrucht zag, die daaruit voortvloeide; alsof hij zeide; De verdrukking, die ik voor u draag, is mij zoet, omdat ik ze niet tevergeefs lijd. Gelijk hij in den Eersten zendbrief aan de Thessalonicensen zegt, dat hij iTiiess.3;7. zich verblijdt in allen nood en verdrukking, omdat hij van hun geloof gehoord had. En vervul in mijn vleesch. Het woordje en,
neem ik voor want. Want hij zegt de oorzaak, waarom hij zich verblijdt in zijn lijden, te weten, omdat hij in die zaak een metgezel van Christus is; en wat kan men zaligers wenschen dan dit gezelschap? En hij stelt ook allen godzaligen gemeenen troost voor,
te weten, dat zij in alle ellendigheden, voornamelijk, zoo zij voor het Evangelie iets lijden, deelachtig zijn het kruis van Christus,
opdat zij de gemeenschap der zalige wederopstanding genieten. Ja,
hij zegt, dat alzoo vervuld wordt wat het lijden van Christus ontbreekt. Want gelijk hij spreekt aan de Romeinen, hfdst. 8 : 29: Die God uitverkoren heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd, het beeld van Christus gelijkvormig te zijn, opdat Hij zij de eerstgeborene onder de broeders. Voorts weten wij, dat tusschen het hoofd en de leden zulke groote eenigheid is, dat de naam van Christus somtijds het gansche lichaam vervat, gelijk 2 Cor. 12 : 12; want als hij daar van de gemeente spreekt, zoo besluit hij in 't einde, dat het in Christus is, als in een menschelijk lichaam. Gelijk dan Christus eenmaal geleden heeft in Zichzelven, alzoo lijdt Hij alle dagen in zijn leden: en alzoo wordt dat lijden vervuld, dat de Vader voor datzelfde lichaam door zijn voornemen verordend heeft. Die andere gedachte, waardoor onze harten behooren in verdrukkingen opgehouden en vertroost te worden, is, dat het door de voorzienigheid Gods alzoo bevestigd en verordend is, dat wij Christus gelijkvormig worden in de verdraagzaamheid des kruises, en dat de gemeenschap,
die wij met Hem hebben, ook hiertoe strekt. Hij stelt ook de derde reden daarbij, te weten: Omdat zijn lijden vruchtbaar is, en dat niet alleen weinigen, maar der gansche gemeente. Tevoren had hij gezegd,
dat hij voor de Colossensen lijdt; nu zegt hij meer, te weten, dat de vrucht van zijn lijden der gansche gemeente toekomt, van welke vrucht gesproken is bij de Filippensen, hfdst. 1 ; 12. Hoe kan men klaarder en minder gedwongen, en eenvoudiger uitlegging hebben,
te weten, dat Paulus daarom blijde is in de vervolging, omdat hij acht wat hij op een andere plaats schrijft, te weten, dat wij de dooding van Christus moeten omdragen in ons lichaam, opdat zijn leven in ons geopenbaard worde. Insgelijks aan Timotheus: Zoo 2 cor-4:10-wij mede lijden, zoo zullen wij ook mede regeeren; zoo wij mede 2 Tlm-2: n-sterven, zoo zullen wij ook mede leven; zoo zal dan de uitkoms't gelukkig en heerlijk wezen. Bovendien, dat wij dien stand niet moeten
187
COLOSSENSEN 1 : 24.
188
weigeren, die God zijne gemeente verordend heeft, dat de leden van Christus een betamelijke gelijkvormigheid hebben met hun hoofd. Ten derde: Dat men de verdrukkingen gaarne moet verdragen, die allen godzaligen nut zijn, en de zaligheid der gansche gemeente bevorderen, daarmede, dat zij de leer des Evangelies verklaren. Maar al deze dingen worden van de papisten vergeten en bij zijde gesteld, om een nieuw gedichtsel te smeden, opdat zij hunne aflaten mochten bevestigen. Aflaten noemen zij vergeving der straffingen en pijnen, die wij verkrijgen door de verdiensten der martelaren. Want dewijl zij de onverdiende vergeving der zonden loochenen en dichten, dat de zonden afgelost worden door werken der voldoening: waar de voldoeningen niet genoeg zijn, daar roepen zij der martelaren bloed te hulpe, opdat het met het bloed van Christus krachtig is voor het oordeel Gods. En dit mengsel noemen zij den schat der gemeente; en de sleutelen daarvan bevelen zij wien zij willen. En zij schamen zich niet deze plaats te trekken tot bevestiging van zulke gruwelijke lastering, alsof Paulus hier zeide, dat zijn lijden diende om der menschen zonden te verzoenen. Zij dringen op het woord gebrek, alsof Paulus ontkende, dat hetgeen Christus geleden heeft, genoegzaam is tot verlossing der menschen. Maar een iegelijk ziet wel, dat Paulus alzoo spreekt, omdat het lichaam der gemeente door de verdrukkingen der godzaligen, gebracht moet worden tot zijn volmaaktheid, dewijl de leden aan het hoofd gelijkvormig worden. En in 't verhalen van zulke ongeschikte dingen, zou ik vreezen dat men mocht vermoeden, dat ik ze ten onrechte beschuldigde, waren hunne boeken niet getuigen, dat ik hun niets valsch toedicht. Zij dringen ook daarop, dat Paulus zegt, dat hij lijdt voor de gemeente. Het is wonder, dat dit scherpzinnig gevoelen aan niemand der oude leeraars in den zin is gekomen. Want zij leggen het allen uit met ons, dat de heiligen voor de gemeente lijden, opdat zij het geloof der gemeente bevestigen. Maar de papisten besluiten daaruit, dat de heiligen verlossers zijn, omdat zij hun bloed uitstorten om de zonden te verzoenen. Maar opdat hun onbeschaamdheid te klaarder gezien worde van den lezer, zoo beken ik, dat de martelaars zoowel geleden hebben voor de gemeente als Christus, maar op onderscheiden wijze, wat ik liever met Augustinus' woorden, dan met mijne eigene wil uitdrukken. Want aldus schrijft hij. Tract, in Johann. 8, 4; Al is het dat wij broeders voor de broederen sterven, zoo wordt nochtans geen martelaarsbloed uitgestort tot vergeving der zonde, wat Christus voor ons gedaan heeft: en hierin heeft Hij voor ons niets gedaan, dat wij zouden navolgen, maar waarover wij ons te zamen zouden verblijden. Insgelijks in het 4e boek ad Bonifacium: Gelijk de Zoon Gods alleen is geworden des menschen Zoon, opdat Hij ons kinderen Gods zou maken, al-zoo heeft Hij ook alleen zonder schuld de straf aangenomen, opdat wij zonder verdienste door Hem verkrijgen de genade, die ons niet toekwam. Desgelijks is ook wat Leo, Roomsch bisschop, zegt: De rechtvaardigen hebben kronen ontvangen, zij hebben geene gegeven: en uit de sterkheid der geloovigen zijn voorbeelden der lijdzaamheid, en niet gaven der rechtvaardigheid gekomen. Want zij zijn een iegelijk voor zichzelven gestorven, en niemand heeft door zijn einde de schuld des anderen betaald. Dat dit de zin der woorden van Paulus is, kan men lichtelijk zien uit het verband: want hij
COLOSSENSEN 1 : 24-26.
zegt daarbij, dat hij lijdt naar de beschikking Gods, die hem bevolen is. Nu weten wij wel, dat hem is bevolen de dienst om de gemeente te stichten en te bouwen, en niet om de gemeente te verlossen : en hij belijdt datzelve hierna terstond klaarlijk. Dit is het,
dat hij ook schrijft aan Timotheus, dat hij alles lijdt om de uit-i Tim. 2:10. verkorenen, opdat zij de zaligheid verkrijgen zouden, die in Christus Jezus is. En 2 Cor. 1 : 4 zegt hij, dat hij alles gaarne verdraagt tot hun vertroosting en zaligheid. Dat dan de godzalige lezers leeren deze onheilige sophisten te haten en verfoeien, die alzoo met voornemen de Schrift vervalschen, om hunne gedichtselen te bevestigen.
25 Waarvan ik een dienaar geworden ben. Ziet, waarom hij lijdt voor de gemeente, te weten, omdat hij een dienaar is, niet om den prijs en het rantsoen der verlossing te geven, (gelijk Augus-tinus met kennis van zaken en godzalig spreekt) maar om te prediken. Voorts noemt hij zichzelven hier op een andere wijze een dienaar der gemeente, dan hij elders zich noemt een dienaar Gods, 2 Cor. i-.i. en weinig tevoren, een dienaar des Evangelies. Want de apostelen dienen God en Christus, om beider eere te bevorderen, zij dienen
de gemeente tot zaligheid, en bedienen het Evangelie zelve. Zoo wordt dan in deze spreekwijzen, het woord dienst verschillend genomen, toch kan het eene niet bestaan zonder het ander. Hij zegt aan u. opdat zij weten dat zijn ambt ook hun aangaat. Om het woord te vervullen. Hij zegt tot wat einde zijn dienst strekt, te weten, opdat het woord Gods krachtig zij, hetwelk geschiedt, als het gehoorzaam aangenomen wordt. Want dit is de kracht dësEom. Evangelies, dat het de mogendheid Gods is allen die gelooven tot zaligheid. Zoo geeft dan God zijn woord kracht en vrucht door de apostelen. Want hoewel de prediking zelve is een vervulling des Woords, hoedanig ook de uitkomst is, zoo bewijst nochtans eerst de vrucht, dat het zaad niet tevergeefs is gezaaid.
26 De verborgenheid die verborgen was. Dit is een lof van het Evangelie, dat het is een wonderbare verborgenheid Gods. Het is niet zonder oorzaak, dat Paulus zoo dikmaals het Evangelie verheft met zoo grooten lof als hij kan: want hij zag dat het den Joden 1 cor. i:23. was een ergernis, en den Grieken een dwaasheid. En wij zien ook
heden, hoezeer het van de huichelaars gehaat, en hoe hoovaardig het van de wereld versmaad wordt. Zoo dan, om zulk onbehoorlijk en verkeerd oordeel te wederleggen, prijst Paulus grootelijks de waardigheid des Evangelies, zoo dikwijls hij gelegenheid heeft, en gebruikt daartoe menigerlei argumenten, naar de omstandigheid der plaats. Hier noemt hij het een hooge verborgenheid, die verborgen was aan de eeuwen en de geslachten, dat is, van den beginne der wereld aan, zoovele eeuwen en jaren lang. Dat hij van het Evangelie spreekt, is openbaar uit het 16e hfdst. aan de Romeinen, en Eom. iG;25. uit het derde aan de Efeziërs en uit dergelijke. Maar men kon Ef. 3:9. vragen, waarom hij het alzoo noemt. Dewijl Paulus bijname de roeping der heidenen aanroert, zoo meenen sommigen, dat dit alleen de oorzaak is waarom hij het alzoo noemt, te weten, omdat God zijn genade als onvoorziens in de heidenen heeft uitgestort, welke Hij scheen voor eeuwig van de gemeenschap des eeuwigen levens beroofd te hebben. Maar zoo men alles nader aanziet, zoo zal het openbaar wezen dat dit de derde reden is, en niet de eenige, zooveel deze tegenwoordige plaats aangaat, en die aan de Romeinen,
189
COLOSSENSEN 1 ; 26,: 27.
die ik aangehaald heb. Want de eerste reden is, dat God, daar Hij vóór de komst van Christus zijn gemeente onder duistere bewimpelingen der woorden en ceremoniën geregeerd had, onvoorziens verschenen is met het volle licht door de leer des Evangelies. De andere is, dat in de plaats daar tevoren niet anders gezien werd dan de uitwendige figuur, Christus verschenen is, de volle waarheid met Zich brengende, waarin Hij verborgen was. De derde reden is die ik gezegd heb, dat de gansche wereld, die duslang gelijk vreemd van God geweest was, tot de hope der zaligheid wordt geroepen, en dat allen dezelfde erfenis des eeuwigen levens aangeboden wordt. De naarstige aanmerking hiervan zal ons dwingen deze verborgenheid, die Paulus verkondigt, groot te axhten en te aanbidden, al is het dat zij van de wereld veracht, of ook bespot wordt. Welke nu geopenbaard is. Opdat niemand den naam verborgenheid elders heen zou trekken, alsof hij sprak van een zaak, die nog verborgen en onbekend ware, zoo stelt hij daarbij, dat zij nu ten laatste is geopenbaard, opdat zij den menschen bekend worde. Zoo dan, wat uit zijn eigen natuur verborgen was, is door Gods wil geopenbaard geworden; zoo moeten wij dan na de openbaring Gods niet afgeschrikt worden door de duisterheid. Toch stelt hij daarbij, den jes. 63:i. heiligen: want de arm Gods wordt niet allen menschen geopenbaard, zoodat zij zijnen raad verstaan. I 27 Aan wie God heeft willen. Hier bedwingt hij als met een
toom der menschen stoutheid, opdat zij zichzelven niet toelaten wijzer te zijn of te onderzoeken dan het betaamt: maar leeren met dit alleen tevreden zijn, dat het Gode alzoo behaagd heeft. Want I â de wil Gods moet ons overvloedig genoeg zijn tot een oorzaak.
Doch dit is vooral gezegd tot prijs der genade; want Paulus geeft te kennen, dat de menschen Gode geenszins oorzaak gegeven hebben, dat Hij ze deze verborgenheid zou deelachtig maken, als hij leert dat Hij uit eigen beweging hiertoe gekomen is. Want het is gemeen bij Paulus, dat hij het welbehagen Gods stelt tegen alle menschelijke verdiensten en uitwendige oorzaken. Welke zjj de rykdom. Men moet altijd aanmerken, hoe grootsprekende hij is in het verheffen der waardigheid des Evangelies. Want hij wist dat de ondankbaarheid der menschen zoo groot was, dat zij dezen onwaardeerbaren schat en de genade Gods, hoewel hij uitnemend was, nochtans desniettemin versmaden, tenminste klein achten. Zoo is hij dan niet tevreden met het woord verborgenheid, maar zet ook
lï,
â *
: i
I
If-quot;1
daarbij heerlijkheid, en geen kleine of gemeene heerlijkheid; want
met het woord rykdom beduidt Paulus grootheid, gelijk duidelijk is. Hij leert bijname, dat deze rijkdom verschenen is onder de heidenen; want wat is er wonderbaarder, dan dat de heidenen, die zoo menige honderden van jaren in den dood waren verzonken geweest, zoodat daar geen hope meer omtrent hen scheen te zijn, terstond onder de kinderen Gods werden gerekend, en de erfenis der zaligheid ontvingen. Welke is Christus onder u. Wat hij gezegd had van de heidenen in 't gemeen, datzelve past hij nu op de Colos-sensen toe, opdat zij krachtiger in zich bekennen de genade Gods, en met meerder eerbiediging omhelzen. Zoo zegt hij dan; Dewelke is Christus: waarmede hij beduidt, dat de gansche verborgenheid in Christus vervat wordt, en dat men den ganschen rijkdom der hemelsche wijsheid bezit, als men Christus heeft, gelijk hij weinig
li''
190
COLOSSENSEN 1 : 27â29. 191
hierna duidelijker beschrijft. Hij zegt daarbij, in u, omdat zij nu Christus bezitten, van wien zij weinig tevoren bovenmate vreemd waren. Ten laatste noemt hij Christus de hope der heerlijkheid, opdat zij weten, dat hun de volkomen zaligheid niet ontbreekt, naardien zij Christus verkregen hebben. Dit is een wonderbaar werk Gods, dat de hope der hemelsche heerlijkheid in aarden en broze vaatkens is.
28 Denwelken wij prediken. Hier brengt hij het over op zijn prediking al wat hij tevoren van de wonderbare en heilige verborgenheid Gods gezegd heeft, en legt het alzoo uit, wat hij nu aangeroerd had van de bediening, die hem bevolen was. Want hij staat daarnaar, dat hij zijn apostelambt versiere, en zijne leer autoriteit geve. Want als hij het Evangelie hoog verheven heeft, zoo zegt hij nu daarbij, dat dit de Goddelijke verborgenheid is, die hij verkondigt. Maar hij heeft niet tevergeefs weinig boven daarbij gezet, dat Christus is de inhoud dezer verborgenheid, opdat zij zouden leeren, dat men niets volmaakters kon leeren dan Christus. De woorden, die hier volgen, zijn ook zeer gewichtig. Hij maakt zichzelven een leeraar aller menschen, waarmede hij te kennen geeft, dat daar niemand zoo wijs is, dat hij behoore te weigeren van hem geleerd te worden, alsof hij zeide: God heeft mij in een hooge plaats gesteld, tot eenen openbaren verkondiger zijner verborgenheid, opdat de gansche wereld zonder uitzondering uit mij leere. In alle wijsheid. Dat is zooveel alsof hij zeide, dat zijn leer zoodanig is, dat zij den mensch brengt tot zulke volkomen wijsheid, waaraan niets ontbreekt. En dit is het wat hij terstond daarbij zegt, dat die allen volmaakt worden, die zich bewijzen volmaakte discipelen te zijn. Zie het Tweede hfdst. van den Eersten zendbrief aan de Corinthiërs. Wat kan men beters begeeren, dan dat Hij ons de hoogste volmaaktheid aanbrengt? Hij zegt wederom in Christus, opdat zij niets begeeren te weten, dan den eenigen Christus. Uit deze plaats kan men ook verstaan, de beschrijving der ware wijsheid, te weten, door welke wij volmaakt gesteld worden voor God, en dat in Christus, en niet anders.
29 Waartoe ik. Hij vermeerdert de eer van zijn apostelambt door twee omstandigheden. Ten eerste meldt hij zijnen arbeid: hetwelk een bewijs der zwarigheid is. Want de allerzwaarste dingen zijn gemeenlijk de uitnemendste. Het ander is sterker, te weten, dat hij verhaalt dat de mogendheid Gods haren schijn in zijnen dienst geeft. Hij spreekt niet alleen van de uitkomst en voortgang zijner prediking, (hoewel de zegen Gods daarin ook gezien wordt) maar van de kracht des Geestes, in welke God Zich krachtig vertoonde. Want dewijl zijn arbeid boven der menschen mate en macht was, zoo heeft hij dezen terecht aan de mogendheid Gods toegeschreven, welker krachtige werking hij zegt, dat zij in dezen deele gezien wordt.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 Ik wil, dat gij weet, broeders! hoe grooten strijd ik heb voor u, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en voor allen, die mijn aangezicht in het vleesch niet gezien hebben.
COLOSSENSEN 2:1, 2.
2 Opdat hunne harten vertroosting ontvangen, als zij saamver-bonden zullen zijn in de liefde, en tot allen rijkdom der zeker-Jjer 59 â 23 heid des verstands, in de kennis der verborgenheid van God,
Joh. 17:3. en van den Vader en van Christus;
Fil. 3:8. 3 In denwelken al de schatten der wijsheid en des verstands
1 C0Ef.16:26; verborgen zijn.
Col. 2:18. 4 Dit zeg ik, opdat u niemand bedriege door behagelijke woorden,
i Cor. 5:3. 5 Want hoewel ik naar het vleesch van u ben, zoo hen ik toch
naar den geest met u, verblijdende en ziende uwe ordeningi en de standvastigheid uws geloofs in Christus.
iTk wil, dat gij weet. Hij betuigt zijn liefde jegens hen, opdat
1 hij te meer geloof en autoriteit hebbe. Want wij gelooven gaarne -'-die, die wij weten dat zij onze zaligheid zoeken. Het is ook
geen teeken van kleine liefde, dat hij voor hen zorgvuldig was midden in den dood, dat is, toen hij nu in gevaar des levens was. En opdat hij zijn groote naarstigheid en zorg te beter uitdrukke, zoo noemt hij ze een strijd. Ik straf het niet, dat Erasmus overgezet heeft zorgvuldigheid: nochtans moet men de kracht van het Grieksche woord aanmerken, want het wordt gebruikt als men van strijd spreekt. Met ditzelfde argument bevestigt hij, dat zijn dienst hun toekomt: want vanwaar komt zulk zorgvuldig denken op hun zaligheid, dan omdat de apostel der heidenen ook de onbekenden moest liefhebben, en voor hen zorgen. En dewijl in 't gemeen geen liefde is onder de onbekenden, zoo verkleint hij de kennis, die uit het aanschouwen verkregen wordt, als hij zegt: Allen, die m|jn aangezicht niet gezien hebben in het vleesch. Want onder de dienstknechten Gods is een ander aanzien dan des vleesches, waardoor de liefde komt. Dewijl het bijna met gemeene toestemming aangenomen is, dat de Eerste zendbrief aan Timotheus uit Laodicea is geschreven: daarom meenen sommigen, dat dit Laodicea, dat Paulus hier meldt, in Galatie is, daar het andere de hoofdstad in Phrygia Pacatiana geweest is. Maar ik acht het waarschijnlijker, dat in dit opschrift een fout is, gelijk te zijner plaats zal gezegd worden.
2 Opdat hunne harten vertroosting. Nu geeft hij te kennen wat hij wenscht, en bewijst dat hij een ware apostolische genegenheid heeft. Want hij zegt dat hem niet anders ter harte gaat, dan dat zij saamverbonden zijn in geloof en liefde Zoo bewijst hij dan, dat hij niet (gelijk het sommigen geschiedt) door verkeerde begeerte gedreven is geweest, om zulke groote zorg over de Colossensen en anderen aan te nemen, maar omdat zijn ambt zulks eischte. Het woord vertroosting wordt hier genomen voor ware gerustheid, waarin zij tevreden zijn: en zegt, dat zij die dan eerst zullen hebben, als zij in de liefde en geloof zullen saamverbonden wezen. Hieruit is het openbaar, waarin het hoogste goed gelegen is, te weten, als wij in e'e'nzelfde geloof eendrachtig zijnde, ook door onderlinge liefde vereenigd zijn: dit is (zeg ik) een grondige blijdschap van een godzalig hart, dit is een zalig leven. En gelijk de liefde hier geprezen wordt om de genegenheid, omdat zij het hart der godzaligen met ware blijdschap besprengt: alzoo wordt ook wederom de oorzaak daarvan getoond, als hij zegt, in alle volheid des verstands: want de waarheid Gods, is een band der heilige
192
COLOSSENSEN 2 : 2, 3.
eenigheid, als wij ze eendrachtelijk aannemen. Want de vrede en eendrachtigheid met de menschen komen uit die fontein. Rijkdom der zekerheid des verstands. Dewijl velen, met een kleinen smaak tevreden zijnde, niets hebben dan een ijdele en verwarde kennis, zoo zegt hij bijname, rijkdom des verstands. Met welk woord hij beduidt een volkomen en klare bevatting, en vermaant ook mede,
dat men naar de maat des verstands in de liefde voortgang moet doen. Met het woord zekerheid, onderscheidt hij het geloof van waan of opinie. Want die kent eerst God waarlijk, die niet wankelbaar noch ongestadig is door twijfeling, maar in vaste en gestadige verzekering staat. Deze standvastigheid en gestadigheid noemt Paulus dikmaals Plerophorian; welk woord hij hier ook gebruikt, en stelt ze altijd rhypotyo-bij het geloof, gelijk zij voorwaar evenmin daarvan kan gescheiden P'av-worden, als de hitte of het licht van de zon. Zoo is dan de leer der Scholastieken een duivelsch ding, waardoor de zekerheid des geloofs wordt weggenomen, en de zedelijke gissing (gelijk zij spre- conjectara ken) in hare plaats gesteld. In de kennis der verborgenheid. Dit m01'al18-is een bijstelling; want hij verklaart wat de wetenschap is, waarvan hij gesproken heeft, te weten, dat zij niet anders is dan de kennis des Evangelies. Want de valsche apostelen verkoopen ook hunne bedriegerijen onder den naam van wijsheid: maar Paulus behoudt de kinderen Gods bij het Evangelie, opdat zij niets anders begeeren te weten. Waarom hij voor Evangelie het woord verborgenheid stelt, is boven gezegd. Maar hieruit zullen wij leeren, dat het Evangelie alleen door het geloof, en niet door de rede, noch door de scherpzinnigheid van het menschelijk verstand kan verstaan worden, dewijl het een ding is, dat anders voor ons verborgen is. Het woord verborgenheid Gods, neem ik passief: waarin God geopenbaard wordt. Want hij stelt terstond daarbij, en van den Vader, en van Christus; waarmede hij beduidt, dat God niet bekend kan worden, dan in Christus. Gelijk wederom de Vader moet bekend worden, waar Christus bekend is. WTant [ohannes bevestigt1 Jo11-2: is. dit beide, daar hij zegt, die den Zoon heeft, die heeft ook den Vader; die den Zoon niet heeft, die heeft ook den Vader niet. Zoo dan, degenen, die meenen iets van God te weten buiten Christus, die stellen zich een afgod in Gods plaats: gelijk ook daarentegen die Christus niet kent, en die door Hem niet tot den Vader wordt geleid, ja God geheel in Hem omhelst. Intusschen is dit eene schoone plaats, om de Godheid van Christus en zijn eenswezenheid met den Vader te bewijzen. Want als hij van de kennis Gods gesproken heeft,
zoo voegt hij haar terstond zoowel tot den Zoon als tot den Vader:
waaruit volgt, dat de Zoon met den Vader e'énzelfde God is.
3 In denwelken al de schatten. Deze woorden, in denwelken.
zien op alles wat gezegd is van de kennis der verborgenheid, of slaan alleen op het naaste woord, te weten, Christus. En hoewel tusschen deze beide weinig onderscheid is, zoo behaagt mij nochtans het laatste best, en is het meest aangenomen. Zoo is dan de zin: Dat alle schatten der wijsheid en wetenschap in Christus verborgen zijn:
waarmede hij te kennen geeft, dat wij volkomen wijsheid hebben,
wanneer wij Christus waarlijk kennen: zoodat het uitzinnigheid is,
193
wanneer men iets anders wil weten dan Hem. Want dewijl de Vader Zichzelven geheel in Hem geopenbaard heeft: zoo wil die buiten God wijs zijn, die met Christus alleen niet tevreden is. Zoo men het
13
Dl. IV.
COLOSSENSEN 2 ; 3â5.
van de verborgenheid wil verstaan, zal de zin wezen, dat de gan-sche wijsheid der godzaligen in het Evangelie besloten is, waarin God ons in zijnen Zoon geopenbaard wordt. Hij zegt, dat de schatten in Hem verborgen zijn, omdat zij niet door groote sierlijkheid uitblinken en zichtbaar zijn: maar zijn meer schuilende onder de verachtelijke nederheid en eenvoudigheid des kruises. Want de ver-i Cor. i :12. i^ornjiging (jes kruises is voor de wereld dwaasheid, gelijk aan de Corinthiërs gezegd is. In deze woorden wijsheid en verstand, maak ik geen groot onderscheid te dezer plaats, want de verdubbeling der woorden dient alleen tot meerder nadruk, alsof hij gezegd had, dat men nergens anders eenige wijsheid, geleerdheid, leer en wetenschap vinden kan.
4 Dit zeg ik, opdat u niemand. Dewijl der menschen gedicht-selen (gelijk wij hierna zullen zien) een schijn van wijsheid hebben, zoo moet het hart der godzaligen tevoren met deze verzekerdheid bevangen worden, dat de eenige kennis van Christus overvloedig genoeg is. En dit is voorwaar de sleutel, waarmede aan alle booze dwalingen de deur kan toegesloten worden. Want wat is de oorzaak geweest, waarom de menschen zich in zoo vele dwaze speculatiën verward hebben, dan dat zij de eenvoudigheid des Evangelies verachtende, bestaan hebben naar hooger dingen te staan. Zoo dan, alle dwalingen die in het pausdom zijn, moet men aan deze ondankbaarheid toeschrijven, dat zij niet met Christus alleen tevreden zijn geweest, en zich tot vreemde leeringen begeven. Daarom als de apostel in den Hebreërbrief de geloovigen wil vermanen, dat zij zich niet door vreemde of nieuwe leeringen lieten verleiden, zoo heeft hij
Hebv. 13 :8. terecht dit argument gebruikt: Christus is heden en gisteren, en in eeuwigheid dezelfde: waarmede hij beduidt dat die buiten gevaar zijn, die in Christus blijven: en dat die aan alle bedriegerijen en verleidingen onderworpen zijn, dien Christus niet genoeg is. Alzoo wil Paulus hier, dat een iegelijk, die niet wil bedrogen worden, met deze grondstelling gewapend zij, te weten, dat het een christen-mensch niet geoorloofd is, iets te weten dan Christus. Al heeft het ook zeer schoone gedaante, al wat daarna voortgebracht wordt, zoo zal men het nochtans niets achten. Eindelijk, die hun gemoed aan Christus overgegeven hebben, hun hart zal door geene geloofelijke woorden zelfs een haar breed bewogen worden. Deze plaats is voorwaar zeer te prijzen: want gelijk hij alle goddelooze leeringen tegengegaan heeft, die de menschen geleerd heeft niets te weten dan Christus; alzoo is dit ook hetzelfde middel, waarmede wij heden het gansche pausdom mogen te niet maken, dat voorwaar uit de onwetendheid aangaande Christus te zamen gesmeed is.
5 Want hoewel ik naar het vleesch van u ben. Opdat niemand mocht tegenwerpen, dat de vermaning uit zoo verren lande niet aangenaam was: zoo zegt hij dat zijn liefde tot hen maakt, dat hij naar den geest bij hen is, en als tegenwoordig zijnde oordeelt wat hun nut is. En als hij hunnen tegenwoordigen stand prijst, zoo vermaant hij ze daarvan niet af te vallen noch te wijken. Hij zegt, verblijdende en ziende, dat is, omdat ik zie: want het woord en beduidt zooveel als om, hetwelk bij de Grieken en Latijnen gebruikelijk is. Het is zooveel alsof hij zeide: Gaat voort, gelijk gij begonnen hebt: want ik weet, dat gij tot nu toe den rechten weg geloopen hebt: want de verre afstand verhindert mij niet u met de oogen des
194
COLOSSENSEN 2 : 5, 6.
gemoeds te aanschouwen. Ordening en standvastigheid. Hij stelt twee dingen, waarin de volmaaktheid der gemeente gelegen is, te weten, de orde onder hen en het geloof in Jezus Christus. Door de orde, verstaat hij de eendrachtigheid en welgeschikte zeden en de gansche tucht. Hij prijst hun geloof om de standvastigheid en gestadigheid, en geeft daarmede te kennen, dat het een ijdele schaduw des geloofs is, als het hart tusschen verscheidene meeningen twijfelachtig hangt.
6 Zoo dan, gelijk gij Christus Jezus den Heere hebt aangenomen, Ps. 65 :23.
alzoo wandelt in Hem;
7 Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof,
gelijk gij geleerd zijt, overvloedig daarin zijnde, met dankzegging, i Cor. i:5.
6 Gelijk gij Christus. Bij den lof stelt hij de vermaning, waarmede hij leert, dat het hun niet zal bevorderlijk wezen, dat zij Christus eenmaal aangenomen hebben, tenzij zij in Hem blijven. Voorts, dewijl de valsche aposte'en den naam van Christus voorwenden om te bedriegen: zoo gaat hij tweemaal dit gevaar tegen als hij ze gebiedt voort te gaan gelijk zij geleerd waren, en gelijk zij Christus aangenomen hadden. Want met deze woorden vermaant hij ze, dat zij zoo standvastig de leer moeten aanhangen, die zij van Epafras ontvangen en aangenomen hadden, dat zij alle andere leer en geloof vlieden. Gelijk Jesaja zeide: Dit is de weg, wandelt daarin. En Jea. 30:21. men moet voorwaar alzoo doen, opdat de waarheid des Evangelies,
wanneer zij ons geopenbaard is, ons zij als een ijzeren muur, om alle bedriegerijen te wederstaan. Hij heeft met drie gelijkenissen uitgedrukt, hoedanige standvastigheid des geloofs hij in hen begeert. De eerste met het woord wandelen. Want de zuivere leer des Evangelies, gelijk zij die geleerd hadden, vergelijkt hij bij een zekeren weg, welken zoo wie dien houdt en daarin blijft, die zal buiten gevaar wezen. Zoo vermaant hij ze dan, dat zij niet afwijken van den loop, welken zij begonnen hebben, zoo zij niet willen dwalen. De tweede is genomen van de boomen. Want gelijk een boom, wanneer hij diep geworteld is, steunsels genoeg heeft om alle geweld van wind en onweder te verdragen; alzoo zal iemand, die gansche-lijk en diep in Christus steekt, gelijk in een vasten wortel, door geen listen noch lagen des duivels van den rechten stand kunnen afgeworpen worden. Daarentegen zoo iemand in Christus niet geworteld is, die zal lichtelijk door allerlei wind van leer omgedreven worden, niet anders dan gelijk een boom, die geene wortelen heeft,
met den eersten wind nedergedreven wordt. De derde gelijkenis is van een fundament genomen. Want een huis, dat op geen fundament steunt, valt terstond. Datzelve geschiedt ook dien, die op andere steunsels dan op Christus rusten: of immers die niet grondig op Hem gefundeerd zijn, maar hebben zooveel als een hangend gebouw huns geloofs, om hun zwakheid en lichtvaardigheid. Deze twee dingen moet men aanmerken in de woorden van Paulus, te weten, dat de vastigheid dergenen die op Christus rusten, onbeweeglijk is, en dat hun loop niet onzeker of der dwaling onderworpen is. En dit is een uitnemende lof des geloofs uit de vruchten. Ten andere,
dat wij in Christus zoolang voortgang moeten doen, totdat wij diep
195
COLOSSENSEN 2:6â8.
in Hem geworteld zijn. Waaruit men lichtelijk kan verstaan, dat die niet anders dan in ongebaande streken dwalen, die Christus niet kennen.
7 En bevestigd in het geloof. Nu zegt hij zonder beeldspraak, wat hij overdrachtelijk gezegd had, te weten, dat het voortgaan in den weg, het steunsel des wortels of fundaments, zekerheid of standvastigheid des geloofs is. En merk op, dat dit argument hun wordt voorgesteld, dewijl zij wel onderwezen waren, opdat zij gerustelijk en zonder vrees zouden staan in het geloof dat zij bekend hadden. Overvloedig daarin zijnde. Hij wil niet alleen, dat zij onbeweeglijk zullen staan, maar ook, dat zij van dag tot dag meer en meer toenemen. Als hij daarbij stelt, met dankzegging, wil hij dat zij altijd zullen indachtig wezen, vanwaar het geloof komt, opdat zij niet door hoovaardij opgeblazen worden, maar meer in de vreeze Gods rusten op de gave Gods. En voorwaar de ondankbaarheid is dik-maals oorzaak, waarom wij van het licht des Evangelies en andere gaven beroofd worden,
Kom. 16:17. g Ziet toe, dat u niemand roove door de philosophie en ijdele
bedriegerij, naar de overlevering der menschen, naar de beginselen der wereld, en niet naar Christus;
Joh. i: ié. 9 Want in Hem woont de gansche volheid der Godheid licha-
Goi. 1:19. meliik-
2Cor. 6:19. meiIJK,
Joh. 1:16. 10 En gij zijt in Hem volmaakt, die het Hoofd is aller vorsten
dommen en machten ;
Eoâ¢i2g:2®- 11 In welken gij ook besneden zijt mot een besnijdenis, zonder
Deut. 10:16: handen geschied, het lichaam der zonden des vleesches uit-
doende, te weten, door de besnijdenis van Christus.
iiom.^o :i. 12 Begraven zijnde met Hem door den doop: in welken gij ook
196
Gal. 3 : 27.
mede wederopgestaan zijt door het geloof der mogendheid Gods, die Hem weder opgewekt heeft uit de dooden.
8 Ziet toe, dat u niemand. Wederom vermaant hij tegen wat vergift men dit geneesmiddel moet gebruiken, dat hij gegeven heeft. Want hoewel het, gelijk wij gezegd hebben, gemeen is tegen alle bedriegerijen des duivels: zoo had het nochtans toen een bijzonder gebruik bij de Colossensen, waartoe men het behoorde aan te wenden. Zie toe (zegt hij) dat u niemand roove. Hij gebruikt een zeer bekwaam woord: want hij neemt een gelijkenis van de roovers, die de beesten door listen wegdrijven, wanneer zij ze niet door geweld kunnen nemen. Alzoo maakt hij van de gemeente een schaapskooi van Christus, en de schutting dezer schaapskooi is de zuivere leer des Evangelies. Zoo beduidt hij dan, dat wij, die de schapen van Christus zijn, in een onbevreesde plaats wandelen, wanneer wij de eenigheid des geloofs behouden. En de valsche apostelen vergelijkt hij met de roovers, die ons van de schaapskooi afleiden. Wilt gij dan onder de kudde van Christus gerekend worden? Wilt gij in zijn schaapskooi blijven, zoo wijkt niet een stroobreed van de zuiverheid der leer. Want voorwaar, Christus zal het ambt eens goeden herders doen en ons beschermen, zoo wij alleen zijn stem hooren, en de stem van anderen verwerpen. Eindelijk, het lO136 hfdst. van Johannes is een uitlegging dezer plaats. Door philosophie. Dewijl
COLOSSENSEN 2 ; 8, 9.
velen verkeerdelijk gemeend hebben, dat Paulus hier de philosophie veroordeelt, zoo moeten wij verklaren wat hij door het woord philosophie meent. Naar mijn oordeel meent hij daarmede, al wat de menschen uit zichzelven dichten, als zij naar hun eigen gevoelen wijs willen zijn: en dat niet zonder schoone voorwending der rede, zoodat het naar den schijn der waarheid gelijk is. Want het is geen groote zwarigheid om die gedichtselen der menschen te verwerpen, die geen aangenaamheid hebben: maar in die gedichtselen, waardoor de zinnen gevangen worden door bedriegelijken waan der wijsheid, is de meeste zwarigheid gelegen. Of, zoo iemand liever met een woord wil: philosophie is niets anders dan een behagelijke rede, die door schoone en loffelijke woorden doordringt in de harten der menschen. Ik beken wel, dat al de scherpzinnigheden der phi-losophen zoodanig zijn, zoo zij iets van het hunne willen toedoen aan het zuivere Woord Gods. Daarom zoo zal philosophie niets anders wezen dan een verderving der geestelijke leer, zoo zij met Christus vermengd wordt. Maar wij moeten gedenken, dat Paulus onder het woord philosophie, alleen alle valsche leeringen veroordeeld heeft, die uit het menschelijk hoofd spruiten, welken schijn van grond zij ook mogen hebben. Wat hierna volgt, ijdele bedriegery, leg ik alzoo uit: Hoedt u voor de philosophie, die niets anders is dan ijdele bedriegerij. Naar de overlevering der menschen. Hij toont nader aan, wat philosophie hij misprijst, en bestraft ze ook mede van ijdelheid, om twee oorzaken, te weten, omdat zij is niet naar Christus, maar naar der menschen goeddunken, en is gelegen in de beginselen der wereld. Merk op, dat hij Christus niet alleen stelt tegen de inzettingen der menschen, maar ook tegen de beginselen der wereld: waarmede hij te kennen geeft, dat al wat in der menschen hersenen gesmeed is, niet overeenkomt met Christus, die alleen ons van den Vader tot een leeraar verordend is, dat Hij ons in de eenvoudigheid des Evangelies behoudt: welke door weinig zuurdeesem van menschelijke inzettingen verdorven wordt. Hij beduidt ook, dat alle leeringen vreemd zijn van Christus, die in de elementen of beginselen der wereld een godsdienst stellen, welken wij uit den regel van Christus weten dat hij geestelijk is. Insgelijks dat die der menschen zinnen door zulke beuzelingen verhinderen, waar ons Christus rechtstreeks tot Zich roept. Maar wat noemt hij elementen of beginselen der wereld? Zonder twijfel, de ceremoniën. Want terstond daarna stelt hij tot voorbeeld één stuk der ceremoniën, te weten, de besnijdenis. Waarom hij ze alzoo noemt, daarvoor kan men tweeërlei reden bij brengen. Sommigen meenen, dat hij spreekt bij gelijkenis: zoodat de elementen of beginselen zijn de eerste kinderlijke onderwijzingen, waardoor men niet geleid wordt tot de volkomen leer. Sommigen nemen het woord elementen, waarvoor wij stellen beginselen, in zijn eigen beteekenis, voor dingen die uitwendig en der verdorvenheid onderworpen zijn, die niets toedoen tot het rijk Gods. De eerste uitlegging behaagt mij best, gelijk ook aan de Galaten, hfdst. 4 : 3.
9 Want in Hem woont. Hij geeft reden waarom de beginselen der wereld, die van de menschen overgeleverd worden, met Christus niet overeenkomen: want zij worden daarbij gedaan om het gebrek te vervullen, gelijk zij spreken. Maar in Christus is zulke volmaaktheid, waaraan niets kan worden toegedaan. Zoo dan, al wat
197
in:
COLOSSENSEN 2:9â11.
de menschen uit zichzelven daartoe vermengen, strijdt tegen de natuur van Christus, want het veroordeelt Hem van onvolmaaktheid. Dit eenige argument zal genoeg zijn, om al de gedichtselen der papisten te wederleggen. Want waartoe dienen zij anders, dan om te volmaken wat van Christus begonnen is? Maar deze lastering van Christus is onverdragelijk. Zij zeggen wel, dat zij Christus niets toedoen, dewijl wat zij aan het Evangelie lappen, zooveel als een deel des Christendoms is. Maar zij kunnen met zulke beuzeling niet ontkomen. Want Paulus spreekt niet van eenen gedichten Christus, maar van den gepredikten Christus, die Zichzelven door zekere leer geopenbaard heeft. Voorts, als hij zegt, dat de volheid der Godheid in Christus woont, daarmede wil hij niets anders, dan dat God geheel in Hem gevonden wordt, zoodat zij, die wat beters en uitnemenders dan God zoeken, met Christus alleen niet tevreden zijn. De inhoud is, dat God Zichzelven in Christus ons volkomenlijk en ganschelijk heeft voorgesteld. Het woord lichamelijk, wordt van de uitleggers verschillend uitgelegd. Ik twijfel niet, dat het oneigenlijk gesteld is, voor wezenlijk of waarlijk: want deze openbaring Gods, die wij in Christus hebben, stelt hij tegen alle andere openbaringen die ooit geweest zijn. Want God heeft Zich dikmaals den mensch voorgesteld, doch ten deele. Maar in Christus heeft Hij ons Zich geheel Hebr. i: i. uitgedeeld. Hij heeft Zich ook op andere tijden geopenbaard, doch in figuren, of kracht en genade. Maar in Christus is Hij ons wezenlijk verschenen; alzoo wordt vervuld wat Johannes zegt: Die den i Joh. 2:23. 2oon heeft, die heeft ook den Vader. Want zij die Christus bezitten, hebben God waarlijk tegenwoordig, en genieten Hem ganschelijk.
10 En gij zijt in Hem volmaakt. Hij stelt daarbij, dat dit wezen der Godheid dat in Christus is, ons daartoe bevorderlijk is, opdat wij ook in Hem volmaakt zijn, alsof hij zeide; Dat God geheel in Christus woont, dat is, opdat wij Christus verkregen hebbende, volkomen volmaaktheid in Hem bezitten. Daarom die met Christus alleen niet tevreden zijn, doen God dubbel onrecht aan: want zij verkleinen de eere Gods, dewijl zij iets boven zijn volmaaktheid begeeren, en zij zijn daarenboven ook ondankbaar, dewijl zij elders zoeken dat zij nu in Christus hebben. Nochtans verstaat Paulus niet, dat de volmaaktheid van Christus in ons uitgestort wordt, maar dat hetgeen waardoor wij volmaakt worden, in Hem is, zoodat ons niets meer ontbreekt. Die het Hoofd is. Dit heeft hij wederom daarbij gesteld om der engelen wil, te kennen gevende, dat ook de engelen onze zullen wezen, zoo wij Christus hebben. Maar hiervan zullen wij later spreken. Maar intusschen moeten wij weten, dat wij op alle zijden met traliën omringd worden, opdat ons geloof niet een haarbreed van Christus afwijke.
11 In welken gij ook besneden zijt. Hieruit is het openbaar, dat hij strijd had tegen de valsche apostelen, die het Evangelie met de wet vermengden, en op die wijze zooveel als een tweeërlei Christus dichtten. Hij noemt éën zaak tot voorbeeld. Hij bewijst dat de besnijdenis van Mozes niet alleen overbodig, maar ook vreemd van Christus is, omdat zij de geestelijke besnijdenis van Christus te niet maakt. Want de besnijdenis was den vaderen gegeven, opdat zij zou wezen een figuur van een afwezende zaak. Daarom degenen, die na de komst van Christus die figuur behouden, verloochenen dat vervuld te zijn wat zij afbeeldt. Zoo zullen wij dan gedachtig zijn, dat
198
I
H
I . v â â
k? f,
f: Ã;
COLOSSENSEN 2:11, 12.
de uitwendige besnijdenis hier met de geestelijke besnijdenis vergeleken wordt, gelijk een figuur met de waarheid. Een figuur is altijd van een afwezende zaak, zoo neemt zij dan de tegenwoordigheid der zaak zelve weg. Dit is het wat Paulus wil zeggen, dat er nu geen vrucht noch gebruik is der besnijdenis die met handen geschiedt, dewijl het in Christus vervuld is wat daardoor afgebeeld was. Daarom zegt hij, dat het de besnijdenis van Christus is die in het hart geschiedt, en dat daarom die uitwendige geenszins noodig is. Want waar de zaak zelve is, daar verdwijnt het figuurlijke teeken, dat geen plaats heeft dan als de zaak afwezig is. Het lichaam der zonde des vleesches. Lichaam noemt hij de massa of hoop uit allerlei zonde te zamen gesmeed en dat door een schoone gelijkenis. Want gelijk wij met onze lichamen bekleed zijn, alzoo zijn wij ook van alle zijden met vele zonden behangen. En gelijk het lichaam is uit menigerlei leden tezamen gezet, waarvan elk zijn eigen werk en dienst heeft; alzoo vertoonen zich uit die gebrekkelijkheid allerlei zonden, als leden van het geheele lichaam. Zulk een wijze van spreken is ook Rom. 6; 13. Door het woord vleesch verstaat hij naar zijn spreekwijze de verdorven natuur. Zoo dan, het lichaam der zonde des vleesches is de oude mensch met zijne werken.. Daar is alleen in de wijze van spreken verscheidenheid: want hier heeft hij eigenlijk uitgedrukt den hoop der zonden, die uit de verdorven natuur komen. Hij zegt, dat wij dit verkrijgen door Christus, gelijk voorwaar de gansche wedergeboorte zijn weldaad is. Hij is degene, die de voorhuid onzes harten besnijdt, dat is, die alle begeerlijkheden des vleesches doodt, niet met de hand maar met zijnen Geest. Zoo heeft men dan in Hem wat de figuur beduidde.
12 Begraven zjjnde met Hem door den doop. Hij verklaart nog duidelijker de wijze der geestelijke besnijdenis, te weten, omdat wij met Christus begraven zijnde, zijn dood deelachtig zijn. Hij zegt bijname dat wij dit verkrijgen door den doop, opdat het te klaarder zij dat er geen gebruik der besnijdenis onder het rijk van Christus is. Want anders had iemand kunnen tegenwerpen, en zeggen: Waarom brengt gij de besnijdenis af met deze voorwending, omdat de vruchten en einde daarvan is in Christus? Is niet Abraham ook geestelijk besneden geweest? Desniettemin heeft hij dat teeken daarbij genomen. Zoo is dan de uitwendige besnijdenis niet overbodig, al is het dat de inwendige door Christus gegeven wordt. Dusdanige tegenwerping voorkomt Paulus, den doop meldende. Christus, (zegt hij) volbrengt de geestelijke besnijdenis in u, niet dat oude teeken gebruikende, dat ten tijde van Mozes zijn kracht had, maar den doop. Zoo is dan de doop een teeken der zaak, die tevoren eer hij geschiedde, door de besnijdenis afgebeeld werd. Dit is een argument genomen van de beschikking, die God verordend heeft. Want degenen, die de besnijdenis behouden, dichtten een andere wijze van beschikking dan God ingezet heeft. Dat hij zegt dat wij begraven i worden met Christus, is meer dan met Hem gekruist te worden. Want' door de begrafenis wordt een gedurige voortgang der dooding uitgedrukt. Dat hij leert dat dit geschiedt door den doop, gelijk ook Rom. 6 :4, spreekt hij naar zijn wijze, aan het sacrament kracht toeschrijvende, zoodat het niet tevergeefs beteekent wat niet is. Zoo worden wij dan door den doop begraven met Christus: want de dooding, die Christus daarmede afbeeldt, volbrengt Hij ook mede
199
COLOSSÃNSEN 2 : 12, 13.
krachtig: zoodat de beteekenende zaak is bij het teeken. In welken gij ook mede opgestaan zijt. Hij verheft de genade, die wij in
Christus hebben, welke verre de besnijdenis te boven gaat. Wij worden (zegt hij) niet alleen in den dood van Christus geplant, maar wij staan ook wederom op in nieuwigheid des levens. Des te meer doen die Christus onrecht, die ons zoeken tot de besnijdenis te brengen. En hij zegt daarbij, door het geloof: want voorwaar door het geloof ontvangen wij wat ons in den doop aangeboden wordt. Maar door wat geloof? namelijk, van zijn mogendheid of krachtige werking: waarmede hij te kennen geeft dat het geloof in de kracht Gods gefundeerd is. Maar dewijl het geloof niet her- of derwaarts dwaalt, in een verwarde en onbepaalde beschouwing van de mogendheid Gods, zoo drukt hij uit, wat mogendheid men moet aanmerken, te weten, waardoor Hij Christus heeft van de dooden opgewekt. En hij stelt als bekend en beleden, dat diezelfde kracht Gods die Zich in Christus vertoond heeft, in het gemeen tot hen uitgebreid wordt, dewijl het onmogelijk is, dat de geloovigen van hun Hoofd zouden afgescheurd worden.
Ef. 2:1. 13 En u, toen gij dood waart door de zonde, en in de voorhuid
uws vleesches, heeft Hij mede levend gemaakt door Hem, alle zonden u vergevende;
14 En het handschrift in inzettingen, dat tegen ons was, uitge-wischt hebbende, hetwelk ons tegen was, en heeft het weggenomen en aan het kruis gehecht.
Gen. 3:15. 15 Hij heeft de vorstendommen en machten beroofd, en openlijk
Luk* n â 22 tentoongesteld, daarover triumfeerende door hetzelve. ')
Joh. 12:'31;
i6;ii. 13 En u, toen gij. Hij vermaant de Colossensen, dat zij, wat hij
zichze°veiin in 't gemeen geleerd heeft, in zichzelven moeten bekennen. En dit is een zeer krachtige wijze van leeren. En dewijl zij heidenen waren, toen zij tot Christus bekeerd werden, daaruit vermaant hij ze, hoe ongeschikt het is nu van Christus af te wijken tot de ceremoniën van Mozes. Gij waart (zegt hij) dood in de voorhuid. Doch men kan dit woord nemen eigenlijk of overdrachtelijk. Zoo men het neemt in zijn eigen beteekenis, zoo zal de zin wezen: De voorhuid is een teeken der vervreemding van God. Want waar het verbond der genade niet is, daar is onreinheid, en daaruit de vervloeking en het verderf. Nu, God heeft u uit de voorhuid tot Zich geroepen, zoo heeft Hij u dan uit den dood tot Zich geroepen. Alzoo zou hij de voorhuid niet gezet hebben tot een oorzaak des doods, maar tot een getuigenis dat zij vreemd van God waren. Nu, wij weten dat de menschen niet anders leven, dan zoo zij hunnen God aanhangen, die alleen hun leven is. Waaruit volgt, dat alle goddeloozen geestelijk dood zijn, als zij allermeest meenen te leven en te bloeien. Aldus zou deze plaats overeenkomen met het tweede hfdst. aan de Ef. 2:11. Efeziërs, waar gezegd wordt: Gedenkt dat gij voortijds, toen gij heidenen en voorhuid genoemd waart van die besnijdenis, die met handen geschiedt in het vleesch, dat gij te dien tijde waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de beloften. Doch zoo het overdrachtelijk genomen wordt, zoo zou het een zinspeling zijn op de natuurlijke voorhuid. Doch desniettemin zou Paulus hier spreken van de hardnekkigheid des harten
COLOSSENSEN 2 : 13, 14.
des menschen tegen God en van de natuur, die met booze genegenheden besmet is. De eerste uitlegging behaagt mij 'tbest, omdat zij met het verband 't best overeenkomt. Want Paulus verhaalt, dat de voorhuid hun niet verhinderd heeft het leven van Christus deelachtig te worden, waaruit volgt, dat de genade Gods, die zij nu verkregen hadden, door de besnijdenis beperkt werd. Voorts, dat hij den dood aan de voorhuid toeschrijft, daarmede wil hij niet zeggen, dat de voorhuid de oorzaak des doods is, maar dat zij is als een teeken: gelijk ook in een andere plaats aan de Efeziërs, die wij aangehaald hebben. En het is in de Schrift gewoonlijk, dat de be-rooving van de beteekenende zaak door de berooving van het teeken beduid wordt, gelijk Gen. 3:22: Opdat Adam niet misschien ete van de vrucht des levens en leve. Want die boom gaf het leven niet, maar de berooving des booms was een teeken des doods.
Paulus heeft het beide hier met korte woorden uitgedrukt. Hij zegt dat zij dood waren door de zonde. Dit is de oorzaak: want de zonden vervreemden ons van God. Hij zegt daarbij, in de voorhuid des vleesches: deze was de uitwendige onreinheid, het getuigenis des geestelijken doods. U alle zonden vergevende. God maakt ons niet alleen door de vergeving der zonden levend, maar hij meldt ze hier bijzonder, omdat de onverdiende verzoening met God, waardoor alle rechtvaardigheid der werken teniet wordt, zeer wel dient tot de tegenwoordige zaak, daar van de aflegging der ceremoniën gehandeld wordt, gelijk hij in den zendbrief aan de Galaten breeder gehandeld heeft. Want met dat bevestigen der ceremoniën worden de conscientiën verstrikt door de valsche apostelen met een strik, waarvan hen Christus vrijgemaakt had.
14 En het handschrift in inzettingen, dat tegen ons was. Nu strijdt hij met de valsche apostelen als hand tegen hand. Want de vraag en voornaamste stuk der vraag was, of de onderhouding der ceremoniën noodig was onder het rijk van Christus. Paulus zegt dat de ceremoniën afgelegd waren, en om dit te bewijzen, zoo vergelijkt hij ze bij een handschrift, waarmede God ons als verbonden houdt, zoodat wij de schuld niet kunnen loochenen. Nu zegt hij,
dat wij alzoo van de schuld zijn verlost geworden, dat ook het handschrift uitgewischt is, opdat daarvan geen gedachtenis meer ware. Want wij weten, dat in de schulden de schuldbrief zijn kracht heeft zoolang als het handschrift duurt. Zoo is dan dit een ware theologische reden, om de aflegging der ceremoniën te bewijzen:
want zoo Christus ons volkomenlijk verlost heeft van de schuld, zoo heeft hij ook de gedachtenis der obligatie moeten wegnemen,
opdat de conscientiën gerust en tevreden zijn voor God: want deze twee dingen hangen aan elkander. De uitleggers leggen deze plaats verschillend uit, en er is niemand die mij voldoet. Sommigen meenen, dat Paulus enkel spreekt van de wet der zeden, maar zij meenen dit ten onrechte. Want door het woord inzettingen, pleegt Paulus dat deel der wet te verstaan, dat in de ceremoniën gelegen is, gelijk in den zendbrief aan de Efeziërs, en weinig hierna; toch bewijst Ef. 2:15. de plaats aan de Efeziërs voornamelijk, dat Paulus hier van de ceremoniën spreekt. Zoo doen dan die beter, die het alleen op de ceremoniën duiden: doch dezen dwalen ook daarin, dat zij de reden niet zeggen waarom het een handschrift genoemd wordt, of brengen liever een andere reden voort dan de ware, en voegen niet
201
COLOSSENSEN 2 : 14, 15.
behoorlijk deze gelijkenis tot het verband der woorden. De reden is, dat al de ceremoniën van Mozes eenige belijdenis der schuld medebrachten, waardoor de dienaars daarvan, als door een nauwe band voor Gods oordeel verbonden waren. Om een voorbeeld te geven; Wat waren die wasschingen anders dan een getuigenis der onreinheid? Zoo dikwijls eenig offerdier gedood werd, heeft dan het volk dat daarbij stond, niet een beeld des doods daarin aanschouwd? Want als de menschen een onschuldig beest in hun plaats stelden, zoo beleden zij daarmede dat zij des doods waardig waren. Eindelijk, zoo vele ceremoniën en gebruiken als daar waren, zoo vele aanschouwingen van schuld der menschen en handschriften van schuldbekentenissen. Zoo iemand daartegen zegt, dat zij zijn geweest sacramenten der genade Gods, gelijk ons heden de doop is en het nachtmaal, zoo is het licht daarop te antwoorden. Want in de oude ceremoniën zijn twee dingen aan te merken, te weten, wat dien tijd diende, en wat de menschen leidde tot het rijk van Christus. Al wat toen gehandeld werd, gaf niets anders uit dan schuldbekentenis. De genade was als opgehouden en uitgesteld tot den tijd van Christus: niet dat de vaders daarvan uitgesloten waren, maar zij hadden in hunne ceremoniën geen tegenwoordige vertooning der genade. Want zij zagen in hunne offeranden niets dan het bloed der beesten, en in hunne wasschingen niets dan water. Zoo dan, zooveel dat tegenwoordig aanschouwen aanging, de schuld bleef, ja de ceremoniën zelve verzegelden de schuld. Naar deze wijze spreekt ook de apostel in den ganschen zendbrief aan de Hebreen, want hij stelt Christus tegen de ceremoniën. Maar wat is het nu? De Zoon Gods heeft door zijn dood ons niet alleen van de verdoemenis des doods verlost, maar ook opdat de kwijtschelding te zekerder ware, zoo heeft Hij die ceremonien weggenomen, opdat daar geen teeken van schuld meer ware. Dit is een volle vrijheid, dat Christus met zijn bloed uitgewischt heeft niet alleen onze zonden, maar ook dat gansche handschrift, dat kon betuigen dat wij aan het oordeel Gods verbonden waren. Erasmus heeft in zijn overzetting het verband der woorden van Paulus verward, als hij gezet heeft; Dat ons tegen was door de ordening. Zoo behoudt dan deze lezing, die ik gesteld heb als die waar en echt is. Hij heeft het weggenomen, en aan het kruis gehecht. Hij toont hoe Christus dat handschrift uitgewischt heeft; want gelijk Hij onze vervloeking, onze zonden en ook de straf die wij schuldig waren, aan zijn kruis gehecht heeft, alzoo ook die dienstbaarheid der wet, en al wat dient om de conscientie te binden. Want aan het kruis gehecht zijnde, heeft Hij het al op Zich genomen, en heeft ze gebonden, opdat zij geen recht noch macht meer aan ons hadden.
15 Beroovende de vorstendommen.' Hij'meent zonder twijfel Opeab.i2;io. de duivelen, welken de Schrift toeschrijft, dat zij ons voor God beschuldigen. Nu, Paulus zegt, dat zij van hun wapen beroofd zijn, opdat zij niets tegen ons voortbrengen, dewijl de betuiging onzer schuld weggenomen is. En hij stelt dit bijname daarbij, opdat hij beduide, dat de overwinningquot; van Christus, die Hij voor ons over den duivel verkregen heeft, van de valsche apostelen geschonden wordt, en dat wij van de vrucht daarvan beroofd worden, als zij de oude ceremoniën weder oprichten. Want zoo onze vrijheid een
202
COLOSSENSEN 2 ; 15, 16.
roof is, welken Christus den duivelen ontnomen heeft, wat doen die anderen, die ons wederom tot dienstbaarheid willen brengen, anders dan dat zij den duivel zijnen roof wedergeven, waarvan hij beroofd was? Daarover triumfeerende door hetzelve. De Grieksche taal duldt ook wel dat wij lezen: In Zichzelven, maar de omstandigheid der plaats eischt ganschelijk dat wij anders lezen; want wat koud van Christus zou gezegd zijn, wordt gepast van het kruis gezegd.
Want gelijk hij tevoren het kruis vergeleken had met een schoonen roof, den vijanden ontnomen, of met den triumftocht, waarin Christus zijne vijanden tentoon voerde; alzoo vergelijkt hij het nu ook met den triumfwagen, waarin Hij zichtbaar verschenen is. Want hoewel in het kruis niets anders is dan vervloeking, zoo wordt die nochtans zoo door de kracht van den Zone Gods verzwolgen, dat het eenigszins een nieuwe natuur aanneemt. Want daar is geen richtstoel zoo kostelijk, geen koninklijke stoel zoo schoon, geen triumftocht zoo buitengewoon, en geen wagen zoo hoog verheven als die galg, waaraan Christus den dood en den duivel den overste des doods overwonnen, ja onder zijne voeten vermorzeld heeft.
16 Dat dan niemand u oordeele in spijze en drank, of in een deel Jev' Vv2-
. V , i Kom. 14:2.
des feestdags, of nieuwe maan, of sabbatten; Lev. 23:2.
17 Welke zijn schaduwen der toekomende dingen, maar het lichaam 8:5: is van Christus.
18 Dat niemand u den prijs ontneme, willende in nederheid en dienst der engelen dit doen, zichzelven stekende in dingen Ef. 5; 6. die hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het 2 j^®88^3, verstand zijns vleesches.
19 En het Hoofd niet houdende, waaruit het geheele lichaam door samenvoegingen en samenbindingen voorzien en samengevoegd wast met een wasdom Gods.
16 Dat dan niemand. Wat hij tevoren gezegd heeft van de besnijdenis, strekt hij nu uit tot het onderscheid der spijzen en dagen.
Want de besnijdenis was de eerste intreding in de onderhouding der wet, daarna volgden de andere dingen. Oordeelen, beduidt hier schuldig of bevreesd maken, zoodat wij niet meer vrij zijn. Zoo zegt hij dan, dat het in der menschen macht niet is, ons aan de onderhouding der ceremoniën te onderwerpen, die Christus door zijn dood weggenomen heeft: en hij bevrijdt ons van derzelver juk,
opdat wij ons niet in hunne wetten laten knoopen, die zij gemaakt hebben. En hij stelt Christus tegen alle menschen, opdat niemand zich zoo stout opsteke, dat hij bestaat te ondernemen wat van Hem gegeven is. In een deel des feestdags. Het woord deel, nemen sommigen voor deelachtigheid. Chrysostomus meent dat hij daarom gezegd heeft deel, omdat zij niet alle feestdagen onderhielden, noch ook zoo strikt vierden naar 't gebod der wet, welke meening zeer blauw is. Zie, of het niet kon genomen worden voor afzondering.
Want die onderscheid van dagen maken, doen alsof zij den eenen dag van den ander afdeelden. Zulke afdeeling diende den Joden, opdat zij de gebodsdagen heiliglijk hielden, en van de andere afzonderden. Onder de Christenen heeft zulke onderscheiding opgehouden. Maar (kon iemand zeggen) wij behouden nog
203
COLOSSENSEN 2 ; 16â18.
eenige onderhouding der dagen. Ik antwoord, dat wij geenszins de dagen onderhouden, alsof in de feestdagen eenige religie of heiligheid ware, of alsof het dan niet geoorloofd ware te arbeiden: maar dat men acht heeft op de regeering en orde, en niet op de dagen. En dit is het wat hij terstond hierna zegt.
17 Welke zijn schaduwen der toekomende dingen. Hij bevrijdt de Christenen van de onderhouding daarvan, omdat zij schaduwen geweest zijn ten tijde toen Christus nog als afwezende was. Want hij stelt de schaduwen tegen de openbaring, en het afwezen tegen het tegenwoordig vertoonen. Zoo dan, die zulke schaduwen nog volgen, die doen alsof iemand der menschen gedaante aanmerkte uit de schaduw, daar hij hem tegenwoordig zijnde in 't gezicht heeft. Want Christus is ons nu geopenbaard, en wij genieten Hem als tegenwoordig zijnde. Dat lichaam, zegt hij, is Christus, dat is in Christus. Want de substantie dier dingen, die ons voortijds door de ceremoniën afgebeeld waren, is ons in Christus voor oogen gesteld: want Hij vervat in Zich al wat zij beteekenden toekomende te zijn. Zoo dan, zoo wie de ceremoniën wederom in 't gebruik brengt, die verduistert de openbaring van Christus, of berooft Christus van zijn kracht, en maakt Hem als ledig. Daarom, zoo eenig mensch in dezen deele het ambt eens rechters aanneemt, dien zullen wij niet gehoorzaam zijn, dewijl Christus, de wettige Rechter, ons vrijmaakt. Want als hij zegt, dat u niemand oordeele, zoo spreekt hij niet tot de valsche apostelen, maar hij verbiedt den Colossensen hun hals onder een onbillijk juk te stellen. Het is wel op zichzelve niet schadelijk geen zwijnenvleesch te eten, maar daartoe verplicht te zijn, dat is verderfelijk, want het verijdelt de genade van Christus. Zoo iemand vraagt: Wat moet men dan gevoelen van onze sacramenten? wordt niet ook door die de afwezende Christus afgebeeld? Ik antwoord, dat zij zeer verschillen van de oude ceremoniën, Want gelijk de schilders het beeld niet met den eersten trek met levende kleuren uitdrukken, maar eerst grove en duistere lijnen met houtskool maken: dat alzoo onder de wet een ongepolijste en grove vertooning van Christus geweest is, en dat zij in onze sacramenten naar het leven uitgedrukt en gezien wordt. Hoewel, Paulus heeft verder gezien: want hij stelt het naakte aanschouwen der schaduw tegen de vastigheid des lichaams, en hij vermaant dat het razernij is, dat men naar de ijdele schaduwen grijpt, als men met de handen het vaste lichaam mag betasten. Nu, onze sacramenten beteekenen Christus alzoo afwezende naar het beschouwen en naar de plaats, dat zij betuigen dnt Hij eenmaal is gegeven, en dat zij Hem ook nu aanbieden te genieten. Zoo zijn het dan geen ijdele schaduwen,
2 Oor. 1;20. maar eer teekenen der tegenwoordigheid van Christus: want zij vervatten het ja en amen aller beloften Gods, dat in Christus eenmaal geopenbaard is.
18 Dat niemand u den prijs. Hij neemt een gelijkenis van de loopers of kampvechters, welken de prijs verordend is op zulke voorwaarde, zoo zij niet bezwijken midden in den loop, of nadat zij den kamp begonnen hebben. Zoo vermaant hij dan, dat de valsche apostelen niet anders zoeken, dan hun den prijs te ontnemen, dewijl zij ze afleiden van hunnen rechten loop: waaruit volgt, dat men ze moet schuwen niet minder dan de schadelijkste pest. En deze plaats is wel aan te merken, dat die allen ons den prijs der
204
COLOSSENSEN 2 : 18.
hemelsche roeping verhinderen, die ons van de eenvoudigheid van Christus afleiden. Willende in nederheid. Men moet hier wat onder verstaan. Daarom heb ik in den tekst daarbij gesteld, dat doen.
Want hij toont zoodanig gevaar als zij moesten vlieden: alsof hij zeide: Allen die onder een voorwending van onze nederheid of geringheid, u den dienst der engelen aanprijzen, die willen u van den prijs berooven: want zij maken dat gij dat eenige oogwit verlaat, en buiten Christus dwaalt. Deze woorden, nederheid en dienst der engelen, lees ik te zamen; want na de nederheid komt de dienst der engelen. Gelijk heden de papisten datzelve voorwenden,
als zij van den dienst der heiligen philosopheeren. Want uit de nederheid of geringheid des inenschen besluiten zij, dat men dan middelaars moet zoeken, die ons te hulp komen. Nu, Christus heeft Zich-zeiven vernederd, opdat wij rechtuit tot Hem komen, al is het dat wij zeer ellendige zondaars zijn. Ik weet wel, dat sommigen deze woorden:
dienst der engelen, anders uitleggen, te weten, dat het een dienst is, welken de menschen geleerd hebben van de engelen. Want de duivel heeft altijd zijne bedriegerij onder dezen naam verkocht.
Heden roemt de paus, dat al die beuzelingen, waardoor hij den zuiveren dienst Gods geschonden heeft, openbaringen zijn. Desgelijks hebben voortijds de toovenaars gezegd, dat al de bijgeloovig-heden, die zij dichtten, hun van de engelen als van hand tot hand overgeleverd was. Alzoo meenen zij, dat Paulus hier allen gedichten godsdienst hekelt, die valschelijk door de autoriteit der engelen aangeprezen worden. Maar naar mijn oordeel, hekelt hij meer 't ge-dichtsel van de engelen te dienen. Van den beginne aan hebben bijgeloovige menschen de engelen gediend, om door hun toegang te hebben tot God. Met deze dwaling is ook de gemeente besmet geworden door de Platonici. Want hoewel Augustinus hevig Auguatinus, doorhaalt en zeer veroordeelt al wat zij leeren van de engelen te Go(I®e stad dienen, zoo zien wij nochtans wat daar geschied is. Zoo iemand Boek 10. de geschriften van Plato wil leggen bij de papistische theologie,
die zal bevinden, dat zij het ganschelijk van Plato gehaald hebben wat zij van den dienst der engelen snateren. De inhoud is deze, dat men de engelen moet dienen, die Plato noemt demones, om de gelukkige voorbidding. Deze sententie stelt hij in Epinomides en bevestigt ze in Cratylus, en in vele andere plaatsen. Wat onderscheid is er in 't geheel tusschen hen en de papisten? Hoewel zij ontkennen niet, dat de Zoon Gods de Middelaar is. Zoo doen ook zelfs die niet, tegen wie Paulus strijdt: maar dewijl zij dichtten dat men door der engelen hulpe tot God komt, en dat men ze daarom eenigen dienst behoort te doen, zoo stelden zij alzoo de engelen in Christus' stoel, en versierden ze met het ambt van Christus. Zoo zullen wij dan weten, dat Paulus hier alle gedichte godsdiensten veroordeelt, die den engelen of den dooden gedaan worden, alsof zij na Christus of met Christus middelaars waren tot hulp gesteld.
Want wanneer wij het allerkleinste deel der dingen, die Christus eigen zijn, eenigen anderen toeschrijven, hetzij den engelen of den menschen, zoo wijken wij zooverre van Christus af. Zichzelven stekende in dingen, die hij niet gezien. Het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, heeft verscheidene betcekenissen. Dat na Hie- if-Pxrsv-ronymus, Erasmus het overgezet heeft, hoovaardig gaande, zoude £'i/*
niet kwalijk dienen, zoo bij eenigen bekwamen schrijver eenig voor-
205
COLOSSENSEN 2 ; 18, 19,
beeld dezer beteekenis gevonden wordt. Want wij zien dagelijks, met wat groote stoutigheid en hoovaardigheid de lichtvaardige menschen heden van onbekende dingen spreken. Ja in de tegenwoordige zaak die Paulus handelt, is een schoon bewijs. Want als de theologen der Sorbonne beuzelen van der heiligen of engelen voorbidding: zoo zeggen zij alsof zij uit den Bijbel spraken, dat de dooden onzen nood zien en weten, omdat zij in dat wederschijnende licht Gods alles zien. En wat is er nochtans onzekerder? Ja wat is er meer duister en verward ? Maar dit is hun meesterlijke stoute vrijheid, dat zij onversaagd en stoutelijk betuigen, wat zij niet alleen niet weten, maar ook wat niet van de menschen kan geweten worden. Zoo zou dan de zin wel rijmen, zoo deze beteekenis des woords in gebruik ware; maar bij de Grieken wordt het enkel genomen voor gaan. Het beteekent ook somtijds onderzoeken. Zoo men het te dezer plaats alzoo wil nemen, zoo zal Paulus hier doorhalen die dwaze curieusheid in het onderzoeken van duistere dingen, en die ons verstand verborgen zijn en te boven gaan. Maar ik meen den zin van Paulus te verstaan, en getrouwelijk overgezet te hebben, aldus: Zichzelven stekende in dingen, die hij niet gezien heeft. Want dit is de gemeene beteekenis van het Grieksche woord: de erfenis aanschouwen, of in bezit nemen, of den voet ergens neerzetten. Daarom heeft Budeus deze plaats aldus overgezet: Den voet zettende in de bezitting der dingen, die hij niet gezien heeft: maar ik heb het woord meer eigenlijk genomen. Want zulke lieden breken in der waarheid door, en steken zichzelven in de verborgen dingen, welke God geenszins ons wil laten geopenbaard worden. Men moet acht hebben op deze plaats, om de roekeloosheid van hen te wederleggen, die verder zoeken, dan geoorloofd is. Tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleesches. Het gevoelen des vleesches noemt hij de scherpzinnigheid des menschelijken vernufts, hoe groot die ook zij. Want hij stelt ze tegen die geestelijke wijsheid, die ons van boven geopenbaard wordt: Matt. 16:17. achtervolgende wat Christus zegt: Vleesch en bloed heeft het u niet geopenbaard. Zoo dan, zoo wie op zijn eigen vernuft steunt, dien zegt Paulus opgeblazen te zijn, dewijl de gansche scherpzinnigheid des vleesches in hem bloeit. En het is waarlijk opgeblazenheid al wat de menschen uit zichzelven wijs zijn. Zoo is daar dan niets grondigs, dan in Gods Woord en in de verlichting des Geestes. En merk op, dat die genoemd worden opgeblazen, die zich onder een schijn van nederigheid voorgeven; want (gelijk Augustinus zeer fijn schrijft aan Paulinus): het geschiedt op wonderlijke wijzen in des menschen ziel, dat hij van valsche nederigheid meer opgeblazen wordt, dan of hij openlijk hoovaardigheid bedreef.
ig Het hoofd niet houdende. Met één woord veroordeelt hij al wat Christus niet toegeschreven wordt, en bevestigt zijn uitspraak daarmede, omdat alles van Hem komt, en aan Hem hangt. Daarom zoo iemand ons elders roept dan tot Christus, die is ijdel en opgeblazen, al had hij ook hemel en aarde in zijn lijf: daarom zullen wij ze ook vrijelijk laten varen. Merk op van wien hij spreekt, te weten, van dien die niet openlijk Christus verwierpen of verzaakten, maar die zijn ambt en kracht niet behoorlijk verstaande, en andere behulpselen en middelen der zaligheid (gelijk zij spreken) bedenkende, niet grondig in Hem geworteld waren. Waaruit het ge-
206
COLOSSENSEN 2:19-21.
heele lichaam door samenvoegingen. Hij wil alleen zeggen, dat de gemeente niet anders kan staan, dan, zoo haar alle ding van Christus toegevoegd wordt: en dat daarom al haar welvaart in Hem vervat is. Het lichaam heeft zijne zenuwen, samenvoegingen en samen-bindingen : maar al deze dingen nemen hun sterkte niet anders dan van het hoofd, zoodat de gansche samenbinding daaruit is. Wat moet men dan doen? Het lichaam zal wel gesteld wezen, zoo het hoofd alleen zonder eenige verhindering het hoogste is, hetwelk allen leden geeft al wat zij hebben. Dit noemt Paulus, wasdom Gods: waarmede hij beduidt, dat niet allerlei wasdom God behaagt, maar dien die tot het hoofd gevoegd wordt. Want wij zien, dat het rijk van den paus niet alleen hoog en breed is, maar dat het ook met ongeschikte grootheid opgeblazen is. Maar dewijl daar niet gezien wordt, wat Paulus hier in de gemeente wil hebben: wat zullen wij zeggen, dan dat het een bultig lichaam en ongevormde klomp is,
hetwelk in zichzelf zal vallen?
20 Indien gij dan met Christus gestorven zijt aan de inzettingen
dezer wereld, waarom wordt gij gelijk die in de wereld leven, Gal. 4; 9. met inzettingen bezwaard?
21 Als: Eet niet, smaakt niet, genaakt niet:
22 Welke dingen alle door het misbruik vergaan, ingebracht naar Jes. 29:13. geboden en leeringen der menschen.
23 Dewelke wel een schijn der wijsheid hebben in bijgeloof en i Tim. 4: nederigheid des gemoeds, en verachting des vleesches, en niet
in eenige eere tot vervulling des vleesches.
zo Indien gij dan gestorven zijt. Hij heeft boven gezegd,
dat de inzettingen aan het kruis van Christus zijn gehecht geweest: nu gebruikt hij een andere wijze van spreken: en zegt dat wij den-zelven gestorven zijn, gelijk hij op een andere plaats leert, dat wij der wet gestorven zijn, en dat wederom de wet ons gestorven is. Gal. 2 19. Het woord dood, beduidt een aflegging, maar is duidelijker en krachtiger. Zoo zegt hij dan, dat de Colossensen niet te doen hebben met de inzettingen. Waarom? Te weten, omdat zij den inzettingen gestorven zijn met Christus, dat is, nadat zij door de wedergeboorte met Christus zijn gestorven, zoo zijn zij door zijn weldaad verlost van de inzettingen, zoodat zij hun niet meer aangaan.
Hieruit besluit hij, dat zij niet gebonden zijn aan de inzettingen, die de valsche apostelen hen zochten op te leggen.
ai Als: eet niet, smaakt niet. Tot nu toe is het aldus overgezet: Genaakt niet: maar dewijl daar terstond een ander woord volgt, welke dezelfde beteekenis heeft: zoo kan een iegelijk wel zien,
dat deze herhaling nietszeggend en ongeschikt is. En het Grieksche woord beduidt onder andere dingen, ook eten, gelijk ik het overgezet heb. Plutarchus gebruikt het, waar hij Cesars leven beschrijft,
als hij verhaalt dat zijn krijgsknechten bij gebrek aan alle dingen,
beesten hebben gegeten, die tevoren niet gegeten werden. Dit is de rechte orde, en zeer geschikt tot de omstandigheid dezer plaats.
Want Paulus gebruikt hunne eigene woorden, om uit te drukken hoe ver de eigenzinnigheid van die menschen pleegt te strekken, die de conscientiën verstrikken met hunne wetten. Zij zijn van den beginne
207
208 COLOSSENSEN 2 : 21â23.
aan meer dan stijf, daarom begint hij met een verbod, waarmede verboden wordt, niet alleen te eten, maar ook weinig te nutten. Als zij nu verkregen hebben wat zij willen, zoo komen zij verder dan tot dit verbod, om daarna te zeggen dat het ongeoorloofd is te smaken wat zij niet willen gegeten hebben. Ten laatste maken zij ook zonde van het genaken. Eindelijk, wanneer zij eenmaal aangenomen hebben tirannie te gebruiken over de zielen der menschen, zoo is er geen einde van allen dag nieuwe wetten bij de oude wetten te voegen, en dikmaals nieuwe inzettingen te maken. Van deze zaak hebben wij een zeer klaar voorbeeld in het pausdom. Zoo vermaant Paulus dan fijn, dat de menschelijke inzettingen een doolhof zijn, waarin de conscientien meer en meer verward worden. Ja dat zij zijn strikken, die in den beginne alzoo nijpen, dat zij eindelijk met verloop van tijd worgen.
22 Welke dingen alle door het misbruik vergaan. De inzettingen, die hij gesteld heeft, wederlegt hij met tweeërlei argument, te weten, omdat zij godsdienst stellen in uitwendige en vergankelijke dingen, die het geestelijke rijk Gods niet aangaan; en ten andere, omdat zij zijn uit menschen, en niet uit God. Dat eerste
Eom. u;it. argument gebruikt hij ook in den zendbrief aan de Romeinen. Het rijk Gods (zegt hij) is niet in spijs en drank. Insgelijks aan de Co-
i Cor. 6:13. rinthiërs: De spijze komt den buik toe, en de buik de spijz^, En
Matt. i5:ii. Christus zelf in Mattheus: Al wat ten monde ingaat, besmet den mensch niet: want het komt in den buik, en wordt uitgeworpen. De inhoud is: Dat de dienst Gods, de ware godzaligheid en de heiligheid der Christenen niet gelegen is in spijs en drank, en kleeding, welke dingen vergankelijk en verderving onderworpen zijn, en door het misbruik vergaan. Zoo dan, de ordeningen van die dingen die gemaakt worden om den conscientiën bezwaar te maken, zijn niets en van geener waarde. Nu zal men onder het pausdom nauwelijks andere heiligheid vinden, dan in onderhouding van niet veelzeggende vergankelijke dingen. Nu volgt de andere wederlegging, te weten, dat zij van menschen komen, en niet van God. Met dezen bliksem worden alle inzettingen der menschen te zamen nederge-worpen en verslonden. Waarom toch? Dit is Paulus argument; Degenen, die de conscientiën wederom tot dienstbaarheid brengen, die doen Christus onrecht en vernietigen zijn dood. Want al wat uit der menschen vinding is, bindt de conscientie niet.
23 Welke wel een schijn hebben. Dit is een voorkoming, waarin hij terwijl hij den tegensprekers toelaat wat zij konden voorwenden, dat altemaal als niets acht. Want het is zooveel alsof hij zeide, dat hij daar niet naar vraagt, dat zij een schijn van wijsheid hebben. Tegen den schijn wordt gesteld de waarheid: want de schijn bedriegt door gelijkheid. Merk ook op van wat verven deze schijn is, naar Paulus' leer: Hij noemt er drie, te weten, eigenwilligen godsdienst, nederigheid, en verachting des lichaams. Het Gneksche woord, dat Paulus hier gebruikt, beduidt Superstitie: maar hij heeft op de afleiding van het woord gezien: want om woord met woord te verklaren, zoo beduidt het vrijwilligen godsdienst,-welken de menschen door eigen goeddunken zichzelven verkiezen zonder eenig bevel Gods. Zoo dan, de menschelijke inzettingen behagen ons daarom, dat zij met ons vernuft overeenkomen: want een iegelijk zal de ideeën daarvan in zijn eigen hersenen vinden: dit is de eerste
COLOSSENSEN 2:23.
209
verf. De tweede is nederigheid, omdat zij voorwenden de gehoorzaamheid, die men beiden God en den menschen bewijst, zoodat de menschen zelfs niet onbetamelijke lasten weigeren; en zulke inzettingen hebben meest dit, dat zij schijnen zeer goede oefeningen der vernedering te zijn. Zij zijn ook met de derde verf behagelijk, omdat zij schijnen zeer te dienen tot dooding des vleesches, dewijl het vleesch niet gespaard wordt. Maar Paulus verwerpt zulke bestrijkingen: want ook wat bij de menschen hoog is, dat is dikmaals een gruwel voor God. Bovendien is dit een overtredende gehoorzaamheid en een verkeerde en heiligschennende ootmoedigheid, waardoor de autoriteit Gods den menschen wordt gegeven, en de verachting des lichaams is zoo groot niet te achten, dat men ze voor godsdienst zou moeten houden. Maar iemand kan zich verwonderen, vaarom Paulus niet meer arbeidt om zulke valsche schijnen weg te lemen. Ik antwoord, dat hij terecht met dat ééne woord schijn tevreden is geweest. Want die grondredenen, die hij daartegen genomen f, reeft, zijn onoverwinnelijk, te weten, dat het lichaam is in Christus,
Jen dat daarom dezen niet anders dan de ellendige menschen bespotten, die hun schaduwen aanbieden. Ten andere, dat het gees-itelijke rijk van Christus niet met vergankelijke ordeningen is be-en dat daarom dezen niet anders dan de ellendige menschen bespotten, die hun schaduwen aanbieden. Ten andere, dat het gees-itelijke rijk van Christus niet met vergankelijke ordeningen is be-: zwaard. Ten derde, dat zulke onderhoudingen vergaan zijn door den dood van Christus, opdat zij ons niet aangaan. Ten vierde, dat God is onze eenige wetgever. Al wat men hiertegen kan voortbrengen, al is het dat het wat glimpt, zoo is het nochtans een ijdele schijn. Ten andere, is het hem genoeg geweest de Colossensen te vermanen, opdat zij door het aanbieden der ijdele dingen niet bedrogen worden, en om diezelve te misprijzen, was het niet noodig vele woorden te maken. Want dit behooren alle godzaligen te weten, dat de godsdienst niet is te meten met ons gevoelen, en dat geen godsdienst daarom wettig is, omdat hij ons behaagt. Dit is ook gemeen, | dat wij deze ootmoedigheid Gode schuldig zijn, dat wij eenvoudig i zijnen geboden gehoorzaam zijn, dat wij niet steunen op onze wijsheid, i enz. En dat voor de ootmoedigheid aan de menschen dit de maat | zij, dat een iegelijk zichzelven den anderen door de liefde onder-werpe. Als zij zeggen, dat de dartelheid des vleesches bedwongen wordt door het onthouden van spijzen; daarop is licht te antwoorden : Dat men zich daarom niet moet onthouden van eenige zekere spijze, alsof zij onrein ware: maar dat wij moeten sober en matig eten wat wij eten, opdat de gaven Gods sober gebruikt worden, en opdat wij niet vergeten de dingen die God aangaan, in te veel spijze en drank verward zijnde. Daarom is het niet genoeg te zeggen, dat dit mom-aangezichten of valsche aanschijnen zijn: opdat de Colossensen vermaand zijnde, zichzelven mochten hoeden van valsche voorwending. Alzoo ontbreken heden den papisten geene schoone voorwendingen, waarmede zij hunne wetten, die eensdeels ongoddelijk, eensdeels tirannisch, en eensdeels onnut en beuzelachtig zijn, mogen aanprijzen. Maar als wij hun alles hebben toegelaten, zoo blijft nochtans die wederlegging van Paulus, welke alleen overvloedig genoeg is om hunne rook te verdrijven: om te zwijgen hoe verre zij nog zijn van zulk een heerlijken schijn, welken Paulus hier beschrijft. De meeste heiligheid des pausdoms is heden in de monnikerij: en hoedanig die nu is, ik zou mij schamen, en het zou mij verdrieten hetzelve te verhalen, opdat ik zulken boozen stank
ii
Dl. IV.
210 COLOSSENSEN 2; 23. _
niet roere. Voorts is het nut hier aan te merken, hoezeer des men-schen natuur genegen is, en halsoverkop drijft tot gedichte en versierde godsdiensten. Want de apostel beschrijft hier levendig den stand der oudere monnikerij, welke honderd jaren na Paulus' dood, zoo geweldig is voortgegaan, alsof hij nooit een woord daarvan gesproken had. Zoo is dan deze vurigheid der menschen tot superstitie wonderlijk uitzinnig, dewijl zij door zulke klare sententie Gods niet heeft kunnen verhinderd worden, dat zij niet zoude uitbreken, gelijk de historiën betuigen. Niet in eenige eer. Het woord eer beduidt bezorging, naar het gebruik der Hebreeuwsche taal. Eert de weduwen, dat is, draagt zorg voor haar. Dit bestraft Paulus, dat i Tim. 5:3. zij leeren de bezorging des lichaams weg te werpen. Want gelijk God verbiedt, bovenmate het vleesch- toe te geven, alzoo gebiedt Hij daaraan te geven zooveel noodig is. Daarom heeft Paulus, Rom. 13 ; 14, de bezorging van het vleesch niet enkel bestraft, maar zoover als zij den begeerlijkheden dient. Bezorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden, zegt hij. Wat beduidt Paulus dan verkeerd te zijn in die inzettingen, waarvan hij spreekt? Te weten: Dat zij het lichaam niet eeren tot vervulling des vleesches, dat is, naar de mate der behoefte. Want het woord vervulling beduidt hier matigheid, die niet verder gaat dan tot het eenvoudig gebruik der natuur, en wordt alzoo gesteld tegen onbehoorlijken wellust en alle overvloedige lekkernij; want de natuur is met weinig tevreden. Zoo dan, het vleesch te weigeren wat het eischt tot nooddruft, is niet alleen wreed, maar ook alzoo vreemd van de godzaligheid.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 Indien gij dan met Christus zijt opgestaan, zoo zoekt de dingen, Ef. 1:20. die boven zijn, waar Christus is zittende ter rechterhand Gods.
2 Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
2 Cor. 4:11. 3 â \v'ant gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen
in God.
ril. 3:21. 4 Maar wanneer Christus uw leven zal verschijnen, dan zult gij
1 Joh. 3:2. 00k met Hem verschijnen in heerlijkheid.
Tegen die ijdele oefeningen, waarop de valsche apostelen drongen, alsof de volmaaktheid daarin gelegen ware, stelt hij ware oefeningen, met welke de Christenen zichzelven behooren te bekommeren, hetwelk niet weinig dient tot de zaak. Want als wij aanmerken wat God wil dat wij doen, zoo zullen wij daarna lichtelijk der menschen vonden verachten. En als het openbaar is, dat wat God gebiedt, veel hooger en uitnemender is, dan wat ons de menschen indrukken, zoo wordt de blijmoedige vaardigheid des harten vermeerderd om God na te volgen, en de menschen te verachten. Paulus vermaant de Colossensen hier tot bedenking des hemelschen levens. Maar wat deden de tegenstanders? Zij wilden ze houden in kinderachtige ordeningen. Zoo dan, deze leer maakt dat de ceremoniën meer verachtelijk worden. Waaruit het openbaar is, dat Paulus ze te dezer plaatse alzoo vermaant, opdat hij de voorgaande leer meer bevestige. Want als hij de volkomen god-egen die ijdele oefeningen, waarop de valsche apostelen drongen, alsof de volmaaktheid daarin gelegen ware, stelt hij ware oefeningen, met welke de Christenen zichzelven behooren te bekommeren, hetwelk niet weinig dient tot de zaak. Want als wij aanmerken wat God wil dat wij doen, zoo zullen wij daarna lichtelijk der menschen vonden verachten. En als het openbaar is, dat wat God gebiedt, veel hooger en uitnemender is, dan wat ons de menschen indrukken, zoo wordt de blijmoedige vaardigheid des harten vermeerderd om God na te volgen, en de menschen te verachten. Paulus vermaant de Colossensen hier tot bedenking des hemelschen levens. Maar wat deden de tegenstanders? Zij wilden ze houden in kinderachtige ordeningen. Zoo dan, deze leer maakt dat de ceremoniën meer verachtelijk worden. Waaruit het openbaar is, dat Paulus ze te dezer plaatse alzoo vermaant, opdat hij de voorgaande leer meer bevestige. Want als hij de volkomen god-
COLOSSENSEN 3:1â3.
zaligheid en heiligheid des levens beschrijft, zoo staat hij daarnaar, dat die ijdele schijnen der menschelijke inzettingen verdwijnen. En hij voorkomt ook mede die tegenwerping, waarmede de valsche apostelen hem hadden kunnen bezwaren, en zeggen: Hoe dan ? Hebt gij liever dat dè menschen ledig zijn, dan dat zij zich tot eenige zoodanige oefeningen begeven ? Dewijl hij dan den Christenen gebiedt ^ich met veel betere oefeningen te bekommeren, zoo beneemt hij de oorzaak dezer valsche beschuldiging, ja hij bezwaart ze met geen kleinen nijd, dat zij den rechten loop der godzaligen verhinderen met dingen, die van geene waarde zijn.
1 Indien gij dan met Christus zijt opgestaan. Na de wederopstanding volgt de opklimming. Zoo dan, is het dat wij Christus leden zijn, zoo moeten wij ten hemel opklimmen: dewijl Hij van de dooden opgewekt zijnde, in den hemel is ontvangen, om ons met Hem daar te trekken. Wij zoeken die dingen die boven zijn, als wij waarlijk met onze harten in deze wereld vreemd, en niet gehecht zijn. Het woord bedenken, drukt uit de gedurigheid en vurigheid der oefening en begeerte, alsof hij zeide: Dit zij uwe gansche bedenking; gebruikt hiertoe uw vernuft en hart. Nu, zoo wij niet moeten bedenken dan wat hemelsch is, omdat Christus in den hemel is: hoeveel te minder zal men behooren Christus op de aarde te zoeken? Zoo zullen wij dan gedenken, dat dit een ware en heilige bedenking van Christus is, die ons terstond tot den hemel trekt, opdat wij Hem daar aanbidden, en dat onze harten met Hem wonen. Zooveel de rechterhand Gods aangaat, zij is niet in den hemel besloten, maar vervult de gansche wereld. En Paulus heeft ze hier gemeld om te beduiden dat Christus ons door zijn kracht omvangt, opdat wij niet meenen, dat de verre afstand der plaats oorzaak der scheiding is tusschen ons en Hem; en ook mede dat Hij door zijn Majesteit ons make Hem eere te bieden.
2 Niet die op de aarde zijn. Hij spreekt hier niet van de booze begeerlijkheden, die in de aardsche menschen regeeren, noch ook van rijkdom, of land, of huizen, of eenige andere dingen dezes tegenwoordigen levens, dewelke wij alzoo moeten gebruiken, alsof wij ze niet gebruikten: maar hij gaat nog voort in zijn handeling van de ceremoniën, welke hij aan de verwarringen en verhinderingen gelijk maakt, die ons dwingen op de aarde te kruipen. Christus (zegt hij) roept ons opwaarts tot Hem: maar deze brengen u wederom nederwaarts. Want het is een besluit en verklaring dier dingen, die hij weinig boven aangeroerd had van het vergaan der ceremoniën door den dood van Christus, alsof hij zeide: De ceremoniën zijn u gestorven door den dood van Christus, en gij den ceremoniën, opdat gij met Christus in den hemel opgenomen zijnde, alleen bedenkt wat boven is. Zoo laat dan de aardsche dingen varen. Ik wil niet strijden tegen anderen, die anders gevoelen: maar voorwaar de apostel dunkt mij bij trappen op te gaan, zoodat hij ten eerste de inzettingen van lichtvaardige dingen stelt tegen de bedenking des hemelschen levens: en dat hij daarna verder gaat, gelijk wij zullen zien.
3 Want gij zyt gestorven. Niemand kan met Christus weder-opstaan, dan die eerst met Hem gestorven is. Daarom maakt hij een argument van de wederopstanding tot den dood, als van het navolgende tot het voorgaande, beduidende dat wij der wereld behooren gestorven te zijn, opdat wij Christus leven. Waarom heeft
211
COLOSSENSEN 3 :3â5.
hij geleerd, dat men behoort te zoeken de dingen die boven zijn? Te weten, omdat het leven der godzaligen hierboven is. En nu, waarom leert hij, dat men moet verlaten die dingen, die op de aarde zijn ? Te weten, omdat zij der wereld gestorven zijn, alsof hij zeide: De dood gaat vóór de wederopstanding, waarvan ik gesproken heb. Zoo moeten dan deze beide in u gezien worden. Dit is waardig aangemerkt te worden dat hij zegt; Dat ons leven is verborgen, opdat wij niet zuchten noch klagen, ofschoon ons leven onder de schande des kruises, en onder menigerlei ellendigheden begraven, niet verschilt van den dood, maar dat wij lijdzaam den dag der openbaring verwachten. En opdat de verwachting ons niet zwaar zij, zullen wij deze woorden aanmerken; In God en met Christus; dewelke te kennen geven, dat ons leven buiten gevaar is, hoewel het niet gezien wordt. Want God is getrouw, en daarom zal Hij niet verzaken noch weigeren wat Hij te bewaren heeft; Hij zal ook niet bedriegen in zijn aangenomen bewaring. En de gemeenschap met Christus geeft ook nog meerder zekerheid. Want wat kan men meer begeeren, dan dat ons leven blijft bij de fontein des levens zelve? Daarom moeten wij niet verschrikt worden, al is het dat wij naar alle zijden omziende, nergens het leven zien. Want door hope Kom. 8:24. zijn wij zalig. En de dingen, die nu met oogen gezien worden, worden niet gehoopt. Want hij leert niet alleen dat het leven verborgen is naar de meening der wereld, maar ook zooveel ons gevoelen aangaat; want dit is een ware en noodige beproeving onzer hoop, dat wij als met den dood omvangen zijnde, het leven elders zoeken dan in de wereld.
4 Wanneer Christus uw leven zal verschijnen. Dit is een schoone troost, dat de komst van Christus zal wezen een openbaring onzes levens. En hij vermaant ook mede, hoe verkeerd die begeerte zou wezen, zoo iemand weigerde tot op dien dag te wachten. Want zoo ons leven in Christus besloten is, zoo moet het verborgen zijn totdat Hij verschijnt.
5 Zoo dooilt dan uwe leden die op de aarde zijn: hoererij, onrei-nigheid, onkuisohheid, booze begeerte, en gierigheid, welke is afgodendienst.
6 Om welke dingen de toom Gods komt over de ongehoorzame kinderen.
7 In welke dingen gij ook eertijds wandeldet, toen gij daarin leefdet.
8 Maar nu legt ook gij alle dingen af, toornigheid, verbolgenheid, boosheid, kwaad sprekendheid, vnilsprekendheid uit uwen mond.
5 Zoo doodt dan. Dusver heeft hij van de verachting der wereld gesproken, maar nu gaat hij verder, en treedt in een hooger philo-sophie van de dooding des vleesches. Opdat dit klaarder worde, zoo zullen wij aanmerken dat er tweeërlei dooding is; De eerste, van welke hij duslang gesproken heeft, is in de dingen die omtrent ons zijn. De andere is inwendig, te weten, van het verstand en den wil, en van onze gansche verdorven natuur. Hij verhaalt sommige gebreken, welke hij oneigenlijk noemt leden, doch zeer juist; want hij stelt onze natuur gelijk aan een massa van menigerlei zonden samen
212
Ef. 4 : 22; 5:3.
1 Oor. G : 10. Gal. 5:19. Ef. 5: 5. Openb. 22:15. 1 Cor. 6:11. Ef. 2 : 1. Tit. 3: 3. Ef. 4 : 22. Hebr. 12: 1. 1 P-tr. 2:1. Jak. 1: 21.
COLOSSENSEN 3:5â7.
opgehoopt. Zoo zijn het dan leden, die als in ons geworteld, ons aanhangen. Hij noemt ze ook aardsch, ziende od wat hij gezegd heeft, niet die op de aarde zijn: doch in een anderen zin. Want deze wijze van spreken is zooveel alsof hij gezegd had : Ik heb vermaand de aardsche dingen te verlaten: doch moet gij arbeiden om de gebreken, die u in de aarde behouden, te dooden. Hij geeft te kennen dat wij aardsch zijn, zoolang de gebreken onzes vleesches in ons krachtig zijn, en dat wij hemelsch worden door de vernieu wing des Geestes. Bij de hoerery, stelt hij onreinigheid, waarmede hij alle dartelheid beduidt, waarmede de onkuische menschen zich besmetten. Hierbij stelt hij een woord, dat alle verlokkingen der onkuischheid vervat. Hoewel, dit woord beduidt ook de bewegingen en genegenheden des gemoeds, en de onmatige roeringen die zonder reden zijn. Maar te dezer plaats past het woord onkuischheid niet kwalijk. Waarom gierigheid genoemd wordt afgodendienst, zoekt in den zendbrief aan de Corinthiërs om niet één ding tweemaal te zeggen.
6 Om welke dingen de toorn Gods komt. Ik straf het niet dat Erasmus heeft overgezet, pleegt te komen. Want de tegenwoordige tijd pleegt in de Schrift dikmaals voor den toekomenden tijd gesteld te worden, naar de gewoonte der Hebreeuwsche taal. Maar ik heb het liever alzoo overgezet, dat het tot beide zinnen kan gevoegd worden. Zoo dan, hij vermaant de Colossensen van de gewone oordeelen Gods, welke alle dagen gezien worden, of van de wraak, welke Hij eenmaal den goddeloozen verkondigd heeft, en-die over hunnen hals hangt, en nochtans niet zal geopenbaard worden vóór den laatsten dag. Hoewel, ik neem gaarne dien eersten zin aan, dat God, die een eeuwige richter der wereld is, die booze stukken waarvan gesproken wordt pleegt te straffen. Hij zegt bijname dat de toorn Gods zal komen over de ongeloovigen of ongehoor-zamen, of dat ze pleegt op hen te komen liever dan dat hij de Colossensen met zoo iets zou dreigen. Want God heeft liever dat wij zijnen toorn zien in de verworpenen, dan dien zelf in ons te gevoelen. Wanneer de beloften der genade voortgebracht worden, zoo behoort ze een iegelijk der godzaligen niet anders aan te nemen dan alsof zij eigenlijk hem toegevoegd waren. Maar voor de dreigingen des toorns en des verderfs moeten wij ons alzoo verschrikken, als die den verworpenen toekomen, en ons tot een leering zijn. God wordt wel ook dikmaals gezegd op zijne kinderen toornig te zijn, en straft dikmaals hunne zonden. Maar Paulus spreekt hier van dat eeuwige verderf, welks beeld alleen in de verworpenen gezien wordt. In één woord, zoo wanneer God dreigt, zoo toont Hij ons als bedektelijk de straf, opdat wij die in de verworpenen aanschouwende, van de zonde afgeschrikt worden.
7 In welke dingen gij wandeldet. Erasmus heeft het ten onrechte op de menschen geduid, en overgezet, onder welke. Want Paulus heeft het zonder twijfel van de zonden en gebreken verstaan, in welke hij zegt, dat de Colossensen gewandeld hebben ten tijde toen zij daarin leefden. Want tusschen wandelen en leven is zulk onderscheid, als tusschen de macht en het werk. Het leven gaat voor, het wandelen volgt na. Gal. 5 : 25 zegt hij; Zoo gij naar den Geest leeft, zoo wandelt ook naar den Geest. Met deze woorden geeft hij te kennen, dat het onbetamelijk is, zoo wij meer overge-
213
COLOSSENSEN 3:7â10.
geven zijn en drijven naar de gebreken, waaraan zij door Christus gestorven zijn. Zie ook Romeinen 6.
8 Maar nu legt ook gy. Te weten, nadat gij opgehouden hebt in het vleesch te leven. Want dit is de kracht en natuur der dooding, dat alle verdorven genegenheden in ons uitgebluscht worden, opdat de zonde voortaan niet meer hare gesvone vruchten in ons voortbrenge. Waar ik gesteld heb verbolgenheid, daar is in het
Sxi/noff. Grieksch een woord, dat meer haastige uitbarsting beduidt, dan toorn. Hij stelt hier andere gebreken dan boven, gelijk men lichtelijk kan zien.
9 Liegt niet tegen elkander, dewijl gij den ouden mensch afgelegd hebt met zijne werken,
10 En hebt den nieuwen aangedaan, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het beeld Desgenen, die hem geschapen heeft;
11 Waarin is noch Griek, noch Jood; noch besnijdenis, noch voorhuid; noch barbaar noch Scyth; noch dienstknecht, noch vrije; maar Christus is alles en in allen.
12 Zoo dan, doet aan als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, vriendelijkheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, verdraagzaamheid;
13 Elkander verdragende, en elkander vergevende, zoo iemand tegen den anderen eenigen twist heeft; gelijk Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzoo.
9 Liegt niet. Als hij verbiedt te liegen, zoo bestraft hij allerlei listigheid en alle booze kunsten der bedriegerij. Want ik versta het niet alleen van valsche beschuldigingen, maar ik stel het in het gemeen tegen de oprechtheid. Zoo dan, men zou het met korter woorden kunnen overzetten, en ik weet niet of het beter ware, aldus: Liegt niet de een den anderen. Hij vervolgt zijn argument van de gemeenschap, die de geloovigen hebben met den dood en wederopstanding van Christus: maar hij gebruikt andere wijzen van spreken. 'De oude mensch beduidt al wat wij uit des moeders buik mede ;brengen, en al wat wij van nature zijn. Dezen doen die allen uit, die door Christus vernieuwd worden. Daarentegen is het een nieuw mensch, die door den Geest van Christus vernieuwd is tot gehoorzaamheid der rechtvaardigheid, of die de natuur tot ware oprechtheid 'verandert door denzelfden Geest. De oude mensch is eerder dan
de nieuwe. Want wij zijn eerst geboren uit Adam, en worden daarna ''door Christus wedergeboren. En gelijk wat wij uit Adam hebben, veroudt, en tot bederf is genegen; alzoo wat wij door Christus verkrijgen, blijft eeuwig; het is niet vergankelijk, maar strekt meer tot onsterfelijkheid. Deze plaats is «vel aan te merken, want men kan daaruit verstaan wat wedergeboorte is. Want zij vervat twee deelen, te weten, de aflegging van den ouden mensch en de wederoprichting van den nieuwen; welke deelen Paulus hier meldt. En men moet aanmerken, dat de oude mensch door zijn werken, gelijk ieen boom door de vruchten, onderscheiden wordt. Waaruit volgt, j dat door dit woord oude mensch, verstaan wordt die natuurlijke I boosheid, die ons aangeboren is.
10 Die vernieuwd wordt tot kennis. Ten eerste leert hij, dat
214
Rom. 6; 4. Gen. 1 : 26; 5:1; 9:6. 1 Cor. 11 : 7.
Gal. 5:6; 6 :15.
Ef. 4:32; 6:11.
Sir. 28:2. Matt. 6 : 14. Mark. 11: 25. Ef. 4:32.
COLOSSENSEN 3 : 10â12.
de nieuwigheid des levens is gelegen in de kennis: niet dat de eenvoudige en bloote kennis genoegzaam zij, maar hij spreekt van de verlichting des Heiligen Geestes, welke levend en krachtig is,
zoodat hij niet alleen het gemoed verlicht door het aansteken van het licht der waarheid, maar dat hij ook den mensch verandert.
En dit is het wat hij terstond daarbij zegt: Dat wij veranderd worden naar het beeld Gods. Nu, dat beeld Gods is in de gan- j sche ziel, als niet alleen de rede en het verstand, maar ook de will recht is. Hieruit leeren wij, welke het einde onzer wedergeboorte!
is, dat is, dat wij Gode gelijk worden, en dat zijn heerlijkheid in onsl schijne. Bovendien, welke het beeld Gods is, dat bij Mozes gemeld '
wordt, te weten, de rechtigheid en zuiverheid der gansche ziel, zoo- '0' dat de mensch de wijsheid Gods, zijn rechtvaardigheid en goedheid, als in een spiegel voor oogen stelt. Tot de Ãfeziërs spreekt hij wat anders, maar in denzelfden zin: zie de plaats hfdst. 4:24. Hij vermaant ook mede, dat daar niets kostelijkers is, waarnaar de Colossensen behoorden te staan. Want het beeld Gods te drageni is onze hoogste volmaaktheid en zaligheid,
ii Waarin is noch Jood. Dit heeft hij met opzet hierbij gesteld,
om de Colossensen wederom af te schrikken van de ceremoniën.
Want alzoo luiden de woorden: Dat voor de Christelijke volmaaktheid zulke uitwendige onderhoudingen niet noodig zijn, ja dat die dingen ganschelijk vreemd daarvan zijn. Want onder het onderscheid van de voorhuid en de besnijdenis van den Jood en den Griek, vervat hij alle uiterlijke dingen door een samenvattende wijze van spreken. De woorden die daar volgen: barbaar, Scyth, dienstbaar, vrije, zijn tot verheffing daarbij gesteld. Christus is alles en in allen. Dat is, Christus houdt alleen het begin en einde. Door Christus, verstaat hij de geestelijke rechtvaardigheid van Christus,
door welke de ceremoniën weggenomen worden, gelijk boven gezegd is. Zoo zijn zij dan in de ware volmaaktheid overbodig, ja moeten daar geen plaats hebben: want anders zou Christus onrecht geschieden, alsof het noodig ware deze behulpselen te zoeken, om zijn gebrek te vervullen.
ia Zoo dan, doet aan. Gelijk hij sommige deelen van den ouden mensch verhaald heeft, alzoo verhaalt hij nu ook sommige deelen van den nieuwen. Dan (zegt hij) zal het openbaar wezen, dat gij door Christus vernieuwd zijt, zoo gij barmhartig en vriendelijk, enz.
zijt. Want dit zijn de vruchten en getuigenissen der vernieuwing.
Zoo dan, de vermaning komt uit het tweede deel, en daarom behoudt hij de gelijkenis van het woord aandoen. In de eerste plaats stelt hij de innerlijke leden der barmhartigheid, met welke wijze van spreken hij een ernstige en innerlijke beweging der barmhartigheid beduidt. Ten andere, vriendelijkheid. Want alzoo heb ik het Grieksche woord overgezet, waardoor wij onszelven liefelijk maken. xF'//'7T°' Hierbij stelt hij ootmoedigheid. Want niemand zal vriendelijk zijn, Tyra. tenzij hij de grootschheid en hoogheid des harten aflegge, en zich-zelven tot zedigheid vernedere, geen ding zichzelven toeschrijvende. Het woord zachtmoedigheid dat daar volgt, strekt wijder dan vriendelijkheid: Want vriendelijkheid is voornamelijk gelegen in het uiterlijk en in de woorden: maar de zachtmoedigheid is ook in de inwendige genegenheid. Nu, dewijl het dikmaals komt dat wij met booze en ondankbare menschen te doen hebben, zoo is ons
215
Gen. 1: 26;
COLOSSENSEN 3 : 12â14.
lijdzaamheid noodig, door welke de zachtmoedigheid in ons gesterkt worde. Ten laatste verklaart hij, wat hij door het woord verdraagzaamheid meent, te weten, dat wij met vergeving elkander omhelzen, en ook vergeten wanneer daar iets gezondigd is. Maar dewijl het een harde en zware zaak is, zoo bevestigt hij deze leer met Christus' voorbeeld, en leert dat ditzelve van ons geëischt wordt, dat wij, gelijk wij zoo 'dikmaals en zoo grootelijks schuldig zijnde, niettemin van Christus tot genade aangenomen worden, dezelve beleefdheid onzen naasten bewijzen, vergevende al wat zij tegen ons gezondigd hebben. Daarom zegt hij: Zoo iemand tegen den ander eenigen twist heeft. Waarmede hij beduidt, dat men zelfs niet die wraak moet vervolgen, die naar den mensch rechtvaardig is. Als uitverkorenen Gods. Uitverkorenen neem ik hier voor uitgezonderden; alsof hij zeide: God heeft u met zulke voorwaarde uitverkoren, geheiligd, en in zijne liefde aangenomen, opdat gij barmhartig, enz. zijt. Zoo wie deze deugden niet heeft, die roemt tevergeefs dat hij heilig en van God geliefd is, en tevergeefs rekent hij zichzelven onder het getal der geloovigen.
14 Om al deze dingen doet aan de liefde, dewelke de band der volmaaktheid is.
15 En dat de vrede Gods de overhand behoude in uwe harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam, en dat gij dankbaar zijt.
16 Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid: leerende en vermanende elkander met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen met aangenaamheid, zingende den Heere in Uwe harten.
17 En al wat gij doet in woorden of werken, doet het alles in den naam van den Heere Jezus, dankende God en den Vader door Hem.
14 Om al deze. Dat sommigen overgezet hebben, wat meer is, of vóór al deze dingen, sluit niet wel naar mijn oordeel. Het zou beter rijmen, boven alle deze. Maar ik heb de gewone beduiding van het Grieksche woord verkoren. Want dewijl al de dingen die hij dus verhaald heeft, uit de liefde vloeien: zoo vermaant hij terecht de Colossensen nu, dat zij onder elkander liefde hebben om dezer dingen wil, dat is, dat zij zijn barmhartig, zachtmoedig, gewillig om te vergeven; alsof hij zeide, dat zij dan zoodanig zullen zijn, zoo zij de liefde hebben. Want waar geen liefde is, daar worden al deze dingen tevergeefs geëischt. En opdat hij ze te beter aanprijze, zoo noemt hij ze de band der volkomenheid: waarmede hij beduidt, dat de hoop aller deugden in haar vervat is. Want zij is waarachtig de regel des ganschen levens en aller werken, en al wat daarnaar niet geregeld wordt, is gebrekkelijk, het mag anders zoo sierlijk zijn als het wil. Dit is de oorzaak waarom zij hier genoemd wordt de band der volkomenheid: want in ons leven is geen ding wel geschikt, dat naar de liefde niet geregeld wordt; maar al wat wij aangaan, is enkel verwoesting. Voorts, de papisten zijn bespottelijk, die dit getuigenis misbruiken om de rechtvaardigmaking der werken te bevestigen. Zij is (zeggen zij) de band der volkomenheid, en vol-
216
Joh. 13 ; 34; 15; 12.
Ef. 5 ; 2. 1 ïhess. 4 :9. 1 Joh. 3 : 23; 4 :21.
1 Cor. 13 : 1, 2, 3.
Ef. 5:19.
1 Cor. 10 : 31.
Ef. 5:20. 1 Thess. 6:18.
COLOSSENSEN 3: 14â16.
komenheid is rechtvaardigheid: zoo worden wij dan door de liefde gerechtvaardigd. Hierop is tweeërlei antwoord. Want Paulus handelt hier niet hoe de menschen volmaakt worden voor God: maar hoe zij volmaakt onder elkander leven. Want dit is de natuurlijke uitlegging dezer plaats, te weten, dat alle dingen wel zullen zijn zooveel ons leven aangaat, zoo wij liefde onder elkander hebben. Maar ofschoon men toeliet, dat de liefde rechtvaardigheid is, zoo zullen zij tevergeefs en kinderachtig daaruit besluiten, dat wij door de liefde gerechtvaardigd worden. Want waar zal men volmaakte liefde vinden? Wij zeggen niet daarom, dat de menschen door het geloof alleen gerechtvaardigd worden, omdat de onderhouding dei-wet geen rechtvaardigheid is: maar meer dat wij alle overtreders der wet zijnde, en geen eigen rechtvaardigheid hebbende, gedwongen worden van Christus rechtvaardigheid te halen. Zoo is dan de rechtvaardigheid des geloofs alleen, dewijl nergens volmaakte liefde is.
15 En dat de vrede Gods. De vrede Gods noemt hij, welken God onder ons bevestigd heeft, gelijk het uit het navolgende zal openbaar zijn. Dezen vrede wil hij dat in onze harten regeere. Maar hij gebruikt een zeer bekwame gelijkenis. Want gelijk onder de kampvechters, die den prijs haalt, die al de anderen overwonnen heeft, alzoo wil hij dat de vrede Gods boven alle genegenheden des vleesches is, door welke wij dikmaals tot strijd, twist, gekijf en vijandschap gedreven worden. Zoo verbiedt hij ons tot zulke booze genegenheden de teugels te laten vieren. Maar dewijl het zwaar is diezelve te bedwingen, zoo toont hij ook een remedie: opdat de overwinning bij den vrede Gods is, dewijl daar een breidel moet zijn, waardoor alle genegenheden des vleesches bedwongen worden. Daarom zegt hij, in uwe harten: want daar gevoelen wij zonder ophouden zwaren strijd, dewijl het vleesch begeert tegen den Geest. Deze woorden, tot welken gij geroepen zijt, verklaren hoedanig de vrede is, te weten, de eenheid welke Christus in zijnen naam onder ons geheiligd heeft Want God heeft ons alzoo Zichzelven verzoend in Christus, opdat wij eendrachtig onder elkander leven. En hij zegt daarbij, in één lichaam, waarmede hij te kennen geeft, dat wij niet anders met God overeenkomen, tenzij wij onder elkander eendrachtig zijn, gelijk leden ée'ns lichaams. Als hij ze gebiedt dankbaar te zijn, versta ik niet zoozeer van de gedachtenis der weldadigheid, als van de liefelijkheid der zeden. Daarom opdat de twijfel weggenomen worde, zoo wil ik het liever overzetten, weest lieflijk. Hoewel ik beken, zoo onze zinnen met dankbaarheid bevangen zijn, zoo kan het niet wezen of wij moeten genegen zijn om onderlinge liefde te houden.
16 Het woord van Christus wone. Hij wil, dat de leer des Evangelies hun gemeenzaam zij: waaruit men kan verstaan, met wat geest die heden gedreven worden, die ze den Christenen verbieden, en met geraas roepen, dat geen pest meer te vlieden is, dan het lezen der Schrift voor het gemeene volk. Want voorwaar Paulus spreekt tot alle soort van volk, en wil niet alleen dat zij maar een kleinen smaak van het Goddelijke Woord krijgen, maar gebiedt dat het in hen wone, dat is, dat het een vaste woonplaats hebbe, en dat rijkelijk, opdat zij alle dagen zoeken grooteren voortgang en wasdom te hebben. Maar dewijl velen in het leeren een verkeerden ijver hebben, het woord des Heeren tot hun eergierigheid of tot
217
COLOSSENSEN 3: 16, 17.
ijdele curieusheid misbruikende, ofdatzelve eenigszins vervalschende: daarom stelt hij daarbij, in alle wijsheid, te weten, opdat wij daaruit geleerd zijnde, wijs zijn gelijk het betaamt. Voorts, deze wijsheid beschrijft hij met korte woorden, te weten, dat de Colossensen zich-zelven leeren. De leer wordt hier genomen voor nuttige onderwijzing, die tot stichting dient, gelijk Rom. 12:7. Die leert, in leering. Insgelijks aan Timotheus: Alle Schrift is ons nuttig tot onderwijzing. Dit is het recht gebruik der woorden van Christus. Nu, dewijl de leer somtijds in zichzelve koud is, en (gelijk een latijnsche dichter zegt) wanneer eenvoudig vertoond wordt wat recht is, zoo wordt de deugd geprezen, en zij verkoudt: zoo stelt hij ook mede een vermaning daarbij, welke is als een bevestiging en prikkel der leer. En hij wil niet zeggen, dat het woord van Christus alleen een iegelijk bevorderlijk behoort te zijn, zoodat zij zichzelven leeren, maar hij eischt onderling leer en vermaning. Met psalmen, lofzangen. Hij wil het woord van Christus niet aan deze vormen van gezang binden, maar geeft meer te kennen, dat alle onze woorden zoo zeer tot stichting moeten geschikt worden, dat ook de woorden die tot blijdschap dienen, niets ijdels in hebben, alsof hij zeide: Laat deze onbekwame verheuging den onge-loovigen over, welke zij uit flauwe en beuzelachtige gekkernijen nemen. Maar gij zult niet alleen in uwe ernstige woorden, maar ook in uwe blijde en vroolijke woorden eenige nuttigheid bevatten. Voor hunne platte, of immers niet zeer zedige en gewichtige gezangen, betamen u lofzangen en liedekens, die Gods lot verbreiden. Voorts met deze drie woorden, vervat hij allerlei gezangen, welke in het gemeen aldus onderscheiden worden. Dat een psalm is, in denwelken te zingen een instrument der muziek gebruikt wordt benevens de tong. Dat het gezang een lofzang is met de keel of anders gezongen. Het lied vervat niet alleen lofzangen, maar ook vermaningen, en andere zaken. Hij wil dat de liederen der Christenen geestelijk zijn, en dat zij niet gemaakt zijn uit onnutte en nietige dingen: want dit is te verstaan van den inhoud des gezangs. Het woord met genade, wordt van Chrysostomus verscheiden uitgelegd: maar ik neem het eenvoudig, gelijk hierna hfdst. 4: 6, als hij zegt: uwe woorden zullen met zout vermengd zijn. Met genade, te weten, voor bekwame liefelijkheid, die den toehoorders aangenaam, en door hun nuttigheid behagelijk is, opdat het zij gesteld tegen hansworsterij en andere onnuttigheden. Zingende in uwe harten. Dit is te verstaan van de genegenheid. Want gelijk wij behooren anderen te verwekken, alzoo behooren wij ook van harte te zingen, opdat het niet alleenlijk een uitwendig geluid des monds is. Hoewel, men moet het niet alzoo verstaan, alsof hij een iegelijk gebood, dat hij inwendig voor zichzelven zong: maar hij wil het beide tezamen hebben, zoover het hart de tong voorga.
17 En alles wat gij doet. Dit en het voorgaande hebben wij nu verklaard in den zendbrief aan de Efeziërs, waar bijna van woord tot woord hetzelfde staat. Dewijl hij nu begonnen had te handelen van de stukken des Christelijken levens, en het veel te lang zou geweest zijn alle andere dingen elk bijzonder te verhalen, daarom vat hij het hierin tezamen, dat wij ons leven alzoo moeten voegen, dat al wat wij zeggen of doen door de leiding van Christus geregeerd wordt, en strekke tot zijn eer, als tot het rechte oogmerk. Want wij zullen met deze woorden bekwamelijk deze beide dingen
218
COLOSSENSEN 3: 17â21.
bevatten, te weten, dat al ons doen zijn begin hebbe van de aanroeping van Christus, en dat het diene tot zijn eer. Uit de aanroeping volgt de zegening Gods, door welke wij stof tot dankzegging hebben. En men moet aanmerken, dat hij leert, dat men den Vader moet danken door Christus, gelijk wij door Hem verkrijgen al wat God ons goeds geeft.
18 Gij vrouwen! zijt uwen mannen onderdanig, gelijk het betaamt Gen. 3:10. in'den Heere. ^c°r;
19 Gij mannen! hebt uwe vrouwen lief, en zijt niet bitter tegen haar. Tit. 2: s.
20 Gij kinderen! zijt uwen ouderen gehoorzaam in alle dingen: iff5^25!1 ^ want dit behaagt den Heere. Ef- 6 :1-
21 Gij vaders! tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet kleinmoedig worden.
22 Gij dienstknechten! zijt alleszins gehoorzaam dengenen, die Ef. 6:5.
naar het vleesch heeren zijn, niet dienende naar het oog, als ïit'â¢' 9! die zoeken den menschen te behagen, maar in eenvoudigheid iPetr. 2:18. des harten, als die God vreest.
23 En al wat gij doet, doet dat van harte, als den Heere en niet den menschen:
24 Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen het loon der erfenis: want gij dient den Heere Christus.
25 Maar die onrechtvaardig handelt, die zal het loon zijner ongerechtigheid ontvangen; en er is geen aanneming der personen. Deut. 10 -. 17.
2Kron. 19:7.
Job. 3i: 19.
18 Gij vrouwen! Nu volgen bijzondere werken, die aan eens Boek der ⢠ieders beroeping hangen, in welker behandeling het overbodig ware ^835 vele woorden te maken: dewijl ik reeds in den zendbrief aan de Hand. 10:34. Efeziërs meest gezegd heb zooveel als noodig was. Toch zal ik.®quot;quot;'^11' met korte woorden hierbij stellen, wat eigenlijk tot de uitlegging Ef. quot;e;9. der tegenwoordige plaats dient. Den vrouwen gebiedt hij onder-1 Petr-1: n-danig te zijn. Dit is klaar, maar wat daar volgt, dat is twijfelachtig;
Gelijk het betaamt in den Heere. Want sommigen voegen deze woorden aldus: Zijt onderdanig in den Heere, gelijk het betaamt.
Doch ik heb het liever aldus: Gelijk het betaamt in den Heere,
dat is, naar de inzetting des Heeren, zoodat hij de onderdanigheid der vrouwen bevestige door het gezag Gods. Van de mannen eischt hij liefde, en dat zij niet bitter zijn: want er is gevaar, dat zij hun heerschappij misbruiken tot tirannie.
20 Gij kinderen! weest uwen ouderen gehoorzaam. Den kinderen gebiedt hij zonder uitzondering hunnen ouderen gehoorzaam te zijn. Maar zoo de ouders ze wilden dringen tot eenig ongeoorloofd ding, zullen zij dan ook zonder onderscheid gehoorzaam wezen ?
Dit ware veel te onbetamelijk, dat God zou veracht, en der menschen autoriteit hooger geacht worden. Ik antwoord, dat men hieronder ook moet verstaan hetgeen hij elders uitdrukt, te weten, in den Heere. Maar waarom zegt hij: In alle dingen. Ik antwoorde Ef. 6; 1. wederom, om te verklaren dat zij niet alleen den betamelijken, maar ook den onbillijken bevelen gehoorzaam zijn. Want vele zijn den ouderen gehoorzaam, zoo het hun niet zwaar noch schadelijk is.
Maar de kinderen moeten dit eene bedenken, dat zij hunne ouders hoedanig die ook zijn, verkregen hebben door de voorzienigheid
219
CÃLOSSENSEN 3:21â25; 4:1.
Gods, die door zijn verordening de kinderen den ouders onderwerpt. Zoo dan, hij zegt: In alle dingen, opdat zij niets weigeren, _ hoe hard of zwaar het ook zij, opdat zij in de middelmatige dingen den persoon toegeven, opdat zij in het onderzoeken, twisten, of wederleggen, niet zoo groot gezag nemen als de ouders, doch altijd zonder tegen God te handelen. Den ouders verbiedt hij onmatige scherpheid, opdat de kinderen alzoo niet afgeschrikt worden, dat zij ongeschikt worden voor de vrije kunsten en wetenschappen. Want wij zien in dagelijksche exempelen, wat een milde en nette opvoeding vermag.
22 Gij dienstknechten! Al wat hier van de dienstknechten gelezen wordt, is niet noodig te verklaren: want het is verklaard Ef. 6:1, uitgenomen deze twee dingen: Want gij dient Christus den Heere. Insgelijks: Die onrechtvaardig handelt, die zal het loon zijner ongerechtigheid ontvangen. Met den eersten zin geeft hij te kennen, dat men alzoo de menschen dient, dat Christus nochtans de overhand behoude in de heerschappij, en de voornaamste zij. Dit is voorwaar een uitnemende troost aan alle ondergeschikten, als zij hooren, dat hun dienst, waarmede zij hunne heeren gewillig dienen, Christus alzoo aangenaam is, alsof die Hem geschied ware. Waaruit Paulus ook besluit, dat zij van Hem loon zullen ontvangen, te weten, het loon der erfenis, waarmede hij te kennen geeft dat, wat den menschen vergolden wordt, van God onverdiend wordt gegeven: want de erfenis is uit de aanneming. In den anderen zin troost hij de dienstknechten wederom, zoo zij met onbehoorlijke wreedheid der heeren bezwaard worden, zoo zal God hetzelve wreken, en dat onrecht dat hun gedaan wordt, zal Hij niet vergeten, omdat zij dienstknechten zijn: dewijl bij Hem geen aanzien der personen is. Want zij konden den moed verliezen door deze gedachte, zoo zij meenden, dat zij niet of zeer weinig bij God geacht werden, en dat God geen acht heeft op hunne ellendigheden. Bovendien geschiedt het dikmaals, dat de dienstknechten zelve het eerst de booze en onbeleefde handeling, die men hun doet, wreken. Zoo wil dan Paulus dit kwaad verhinderen, als hij vermaant dat men met lijdzaamheid het oordeel Gods moet verwachten.
Sir. 7 :22; 33 ; 2».
Ef. 6; 9.
Luk. 18 : 1. Rom. 12 :12.
Ef. 6 :18. lTliess.5:17.
Ef. 6:19. 2 Thess. 3 :1.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Gij heeren! bewijst den dienstknechten wat recht is, en onderlinge gelijkmatigheid, wetende dat gij ook een Heere hebt in de hemelen.
2 Houdt aan in het gebed, daarin wakende met dankzegging.
3 En bidt ook mede vooi- ons, dat God ons opene de deur des woords, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gevangen ben;
4 Opdat ik dezelve openbare, gelijk het mij betaamt te spreken.
i ij heeren! Hij stelt in de eerste plaats wat recht is, met
f -|-welke woorden hij beduidt de vriendelijkheid, waarvan hij Ef. 6:8. geboden heeft in den zendbrief aan de Efeziërs. Maar dewijl de staat der dienstknechten veracht wordt van de heeren, zoo-
220
COLOSSENSEN 4: 1â3.
dat zij meenen door geen wet verbonden te zijn, zoo brengt Paulus ze in de orde, zeggende dat zij beiden tegelijk der heerschappij Gods onderworpen zijn. Hieruit komt die gelijkmatigheid, waarvan hij spreekt. En onderlinge gelijkmatigheid. Anderen leggen het anders uit: maar ik twijfel niet dat Paulus dit woord gesteld heeft voor gelijk recht; gelijk hij tot de Efeziërs zegt: Gü. heeren, doetEf-6:9-desgelijks aan hen. Want de dienstknechten zijn niet alzoo den heeren onderworpen, dat de heeren niet wederom hun wat schuldig zouden zijn: gelijk dat gelijkmatig recht onder alle standen der menschen plaatse moet hebben.
2 Houdt aan in het gebed. Hij komt wederom tot de gemeene vermaningen, waarin wij niet eenige juiste orde moeten zoeken:
want anders had hij van het gebed moeten beginnen. Maar Paulus heeft daarnaar niet gestaan. Voorts worden hier in het gebed van Paulus twee dingen aangeprezen: ten eerste, de volharding; ten andere, de vaardigheid of ernstige beweging des harten. Want als hij zegt houdt aan, zoo vermaant hij tot volharding. Het waken stelt hij tegen koudheid en onachtzaamheid. Hij stelt daarbij dankzegging: want wij moeten God alzoo voor den tegenwoordigen nood bidden, dat wij intusschen de ontvangen weldaden niet vergeten. Bovendien moeten wij niet alzoo ongeschikt zijn, dat wij beven en verbolgen zouden zijn, zoo de Heere niet terstond onze begeerten gehoorzaam is, maar moeten goedsmoeds ontvangen al wat Hij geeft. Alzoo is er tweeërlei dankzegging noodig, waarvan ook wat gezegd is Fil. 4:6.
3 Bidt ook mede voor ons. Dit doet hij niet door geveinsdheid, maar omdat hij zijn nood wetende, ernstig begeerde door hunne gebeden geholpen te worden, en zekerlijk geloofde, dat zij hem bevorderlijk zouden wezen. Wie zou dan nu bestaan der broederen voorbidding te versmaden, welke Paulus bekent dat hem noodig was. En voorwaar, de Heere heeft niet tevergeefs deze oefening der liefde onder ons ingesteld, dat de een voor den ander zou bidden. Zoo moet dan een iegelijk niet alleenlijk voor de broeders bidden, maar ook, wanneer de zaak het alzoo eischt, van der broederen gebeden ernstig hulpe begeeren. De redeneering der papisten is kinderachtig, die hieruit besluiten, dat men de dooden moet bidden, dat zij voor ons bidden. Want wat gelijkheid is daarin?
Paulus beveelt zichzelven den gebeden der broederen, met wie hij door Gods bevel onderlinge gemeenschap had. Wie kan ontkennen, dat deze reden geen plaats heeft in de dooden? Zoo willen wij dan zulke ongeschiktheden laten varen en wederkeeren tot Paulus. Gelijk wij een schoon voorbeeld der ootmoedigheid daarin hebben, dat Paulus anderer hulp begeert, alzoo worden wij ook vermaand, dat het een zaak vol zwarigheid is, standvastig in de bescherming des Evangelies te bestaan, voornamelijk wanneer het gevaar aandringt. Want het is niet zonder oorzaak, dat hij hierin der gemeenten hulpe begeert. En merkt ook mede op een groote vurigheid. Hij is niet zorgvuldig voor zijn zaligheid: hij begeert niet dat de gemeenten voor hem bidden, opdat hij van het gevaar des doods verlost worde, maar is met dit eene tevreden, dat hij onverwonnen en onversaagd staande blijft in de belijdenis des Evangelies : zoo gerustelijk stelt hij de eer van Christus en de verbreiding des Evangelies boven zijn leven. Voorts, met de deur des
221
COLOSSENSEN 4:3â5.
Ef. 6:19. woords, drukt hij enkel uit wat hij tot de Efeziërs zegt, opening des monds. Christus zegt: Mond en wijsheid. Want deze en die wijze van spreken verschillen niet van zin. Want hij heeft hier met een aardige gelijkenis uitgedrukt, dat het ons niet lichter is van het Evangelie vrijmoediglijk te spreken, dan door een gesloten en gegrendelde deur heen te breken. Want dat is waarlijk Gods werk, Matt. io;2o. gelijk Christus ook zeide: Gij zijt het niet die daar spreekt, maar de Geest uws Vaders, die in u spreekt. Zoo dan, de zwarigheid voorgesteld hebbende, wekt hij de Colossensen te meer tot bidden op, waarmede hij betuigt, dat hij anders niet recht kan spreken, tenzij zijn tong van God bewogen worde. Ten andere neemt hij een bewijs van de waardigheid der zaak, als hij het Evangelie noemt verborgenheid van Christus. Want men moet niet weinig arbeids doen in zoo groote zaak. Ten derde verhaalt hij ook zijn gevaar.
4 Geiyk het betaamt. Met deze woorden vermeerdert hij de zwarigheid der zaak: want hij geeft te kennen, dat het geen kleine Ef. C:i9. zaak is. Tot de Efeziërs zegt hij daarbij: Met vrijmoedigheid. Waaruit het openbaar is, dat hij een onversaagd betrouwen begeerd heeft, zoodanig als der majesteit des Evangelies betaamt. Voorts, dewijl Paulus hier niet anders doet, dan dat hij begeert dat hem genade gegeven worde om zijn ambt te volbrengen, zoo zullen wij gedenken, dat ons ook desgelijks een regel voorgesteld wordt, om voor de razernij der tegenstanders niet te wijken, maar tot den dood toe te arbeiden om het Evangelie te verkondigen. En dewijl dit boven onze macht is, zoo betaamt het ons in gebeden aan te houden, opdat de Heere ons niet zonder vertrouwen des Geestes late.
222
5 Wandelt met wijsheid bij die daar buiten zijn, den tijd uit-koopende.
6 Dat uwe woorden altijd in aangenaamheid zijn, met zout vermengd, opdat gij weet hoe gij een iegelijk behoort te antwoorden.
7 Al mijne zaken zal u Tychicus, de lieve broeder, en getrouwe dienaar, en medehelper in den Heere, openbaren;
8 Denwelken ik tot u gezonden heb, daarom dat gij zoudt weten mijnen staat, en dat hij uwe harten zou vertroosten,
9 Met Onesimus, den getouwen en lieven broeder, die uit de uwen is. Zij zullen u alle dingen, die hier zijn, bekendmaken.
5 Wandelt met wijsheid. De vreemden of die daar buiten zijn, stelt hij tegen de huisgenooten des geloofs. Want de gemeente is als een stad, welker inwoners alle geloovigen zijn, met onderlinge gemeenschap-aan elkander verbonden: maar de ongeloovigen zijn vreemden. Maar waarom wil Paulus, dat men dezen zal aanzien meer dan de geloovigen? Daar zijn drie oorzaken: Ten eerste, opdat den blinden geen valsteen gelegd worde: want geen ding kan zoo licht geschieden, als dat de ongeloovigen door onze onvoorzichtigheid tot erger gedreven, en hunne harten gewond worden, zoodat zij alle dagen minderen lust tot de religie krijgen. Ten andere, dat hun geen oorzaak gegeven worde om het Evangelie te lasteren, en dat alzoo den naam van Christus niet tot spot worde, en zij grooter vijanden worden, en oproer en vervolging daaruit komen. Ten laatste, opdat wij
Sir. 27 ; 12. Ef. 5:15.
Mark. 9:50.
Hand. 20:4. 2 Tim. 4 :12.
COLOSSENSEN 4:5-9.
met hen verkeerende, in eten en drinken, en in andere handelingen,
niet besmet worden met hunne onreinheden, en mettertijd ontheiligd worden. Hiertoe dient ook wat hier volgt; Den tijd uitkoo-pende; te weten, omdat de wandeling met hen zorgelijk is. Want tot de Efeziërs stelt hij deze reden: Omdat de dagen boos zijn; Ef. 5;i6. alsof hij zeide, dat men in zulke groote verdorvenheid der wereld, gelegenheid tot weldoen moet aangrijpen, en tegen de verhinderingen strijden. Zoo dan, hoe meer ergernissen en hindernissen in onzen weg zijn, zooveel te naarstiger moeten wij toezien, dat onze voeten niet struikelen, of dat wij niet door onachtzaamheid aflaten.
6 Uwe woorden. Hij eischt lieflijkheid der woorden, welke door hun nuttigheid de toehoorders aanlokken. Want hij straft niet alleen de woorden, die kennelijk gemeen en goddeloos zijn, maar ook de onnutte woorden, daarom gebiedt hij ze met zout te vermengen. De heidensche menschen hebben hunne gezouten reden,
maar van dezulken spreekt hij niet; ja, omdat de kluchtige woorden behagelijk zijn, en gemeenlijk gunst maken, daarom leert hij be-dektelijk den geloovigen het gebruik daarvan te laten. Want hij acht allé woorden ongezouten te zijn, die niet stichten. In denzelfden zin wordt het woord aangenaamheid gesteld, opdat het sta tegenover klapachtigheid, schimping en allerlei beuzeling, die smarten of verdwijnen. Opdat gij weet hoe. Wie zich gewend heeft tot voorzichtige woorden, zal niet in vele ongeschiktheden vallen, in welke dikmaals klapachtige en snaterige menschen vallen, maar zal door gedurig gebruik slag krijgen om recht en bekwaam te antwoorden. Gelijk wederom de klapachtige menschen zich bespottelijk moeten voorstellen, zoo wanneer zij van eenige zaak gevraagd worden, in welke zaak zij rechte straf voor hun ongeschikt gesnap dragen. En hij zegt niet alleenlijk, opdat gij weet wat gij behoort te antwoorden, maar ook hoe; en niet alleen hoe men zal antwoorden allen in 't gemeen, maar een iegelijk in 't bijzonder. Want dit is de minste voorzichtigheid niet, dat men acht heeft op een iegelijk.
7 Mijne zaken. Opdat de Colossensen weten, hoe groote zorg hij voor hen draagt, zoo bevestigt hij dat als met een pand.. Want hoewel hij in de gevangenis en in gevaar zijns levens was, zoo vergeet hij nochtans zichzelven, en zorgt voor hen, Tychicus tot hen zendende. Waarin men den zonderlingen ijver en voorzichtigheid des apostels kan zien. Want dit is geen kleine zaak, dat hij gevangen en in het uiterste gevaar zijnde om het Evangelie, nochtans niet aflaat te arbeiden om het Evangelie te bevorderen, en alle gemeenten te bezorgen. Alzoo is wel het lichaam gevangen,
maar de geest strekt zich wijd en breed tot zorgvuldige naarstigheid. Het is voorzichtigheid, dat hij een bekwamen en verstandigen man zendt, opdat hij ze bevestige zooveel noodig was, en de listigheid der valsche apostelen wedersta. Bovendien, dat hij Epafras bij zich houdt, totdat zij vernomen hebben, hoedanige en hoe groote eendrachtigheid daar was in de leer onder alle ware dienaars, en totdat zij zeiven van Tychicus gehoord hebben, wat zij tevoren van Epafras gehoord hadden. Deze exempelen zullen wij naarstig bedenken, opdat zij ons ontsteken om zulke naarstigheid na te volgen. Hij stelt Onesimus daarbij, opdat de zending te gewichtiger zij. Hoewel, het is onzeker wie deze Onesimus geweest is; wamt 't is moei-
223
COLOSSENSEN 4:9-12.
lijk aan te nemen, dat deze de dienstknecht van Filémon geweest zou zijn: want de naam van een dief en weglooper zou aan schande onderworpen geweest zijn. Hij versiert ze beiden met heerlijken lof, opdat zij te meer voordeel doen, en voornamelijk Tychicus, die het leerambt zou bedienen.
10 U groet Aristarohus, mijn medegevangene, en Markus, de neef van Barnabas, van welken gij bevel ontvangen hebt, dat gij hem zoudt ontvangen, zoo hij tot u komt;
11 En Jezus, die genoemd is Justus, welke uit de besnijdenis zijn: deze alleen zijn mijne medehelpers tot het rijk Gods, die mij tot troost geweest zijn.
12 U groet Epafras, die uit de uwen is, een dienstknecht van Christus, altijd voor u strijdende in de gebeden, opdat gij moogt volmaakt en volkomen staan in den wil van God.
13 Want ik geve van hem getuigenis, dat hij zeer zorgvuldig is voor n. en voor degenen, die te Laodicéa en te Hierapolis zijn.
10 Medegevangene. Hieruit is het openbaar, dat ook anderen bij Paulus waren gevangen gezet, nadat hij te Rome gebracht was. En het is geloofelijk, dat de vijanden in den beginne daarnaar gestaan hebben, opdat zij door mede in het gevaar te doen deelen, alle godzaligen zouden afkeeren van hem te helpen, en dat dit een tijd lang geduurd heeft, en daarna sommigen moed gegrepen, en alle vreeze afgelegd hebben. Dat gij hem ontvangt. Sommige handschriften hebben, ontvangt hem: maar ten onrechte. Want bijdrukt uit den aard des bevels, dat de Colossensen ontvangen hadden, te weten, dat het was een aanbeveling van Barnabas of Markus. Dit tweede is 't waarschijnlijkst. Wij zullen aanmerken, dat zij naarstig zijn geweest in getuigenis te geven, om de goede mannen te onderscheiden van de valsche broederen, van de bedriegers en vele dwalenden. Welke zorgvuldigheid te dezen tijde meer dan noodig is: eensdeels omdat de goede leeraars koud ontvangen worden, en anderdeels omdat de dwaze en lichtvaardige menschen zich veel te vrij tot de bedriegers begeven.
11 Deze alleen zijn mijne medehelpers. Te weten, uit de besnijdenis: want hierna noemt hij anderen, maar uit de voorhuid. Zoo geeft hij dan te kennen, dat te Rome niet vele Joden waren, die het Evangelie dienende waren: maar dat meer het gansche geslacht tegen Christus was. Hoewel, bij dat woord arbeiders, verstaat hij alleen die, die noodige gave hadden om het Evangelie te bevorderen. Maar waar was Petrus te dien tijder Voorwaar hij is hier schandelijk vergeten, en niet zonder groot ongelijk, of zij beuzelen, die zeggen dat hij toen te Rome is geweest. Voorts, noemt hij dat Evangelie, het rijk Gods. Want het is de schepter, waarmede God over ons regeert, en wij worden door Hem opgenomen in het eeuwige leven. Maar van deze wijze van spreken wordt elders meer gezegd.
12 Altijd voor u strijdende. Dit is een voorbeeld van een goeden herder, die door den verren afstand der plaats de gemeente niet komt te vergeten, maar de zorgvuldigheid voor haar mede neemt ook over de zee. En men moet de kracht der rede aanmerken, welke uitgedrukt wordt in het woord strijden. Want hoe-
224
Hand. 27:2. Hand. 15: 37. 2 Tim. 4 :11.
Col. 1:7. Fil. vs. 23.
COLOSSENSEN 4: 12â16.
wel hij hier de groote genegenheid heeft willen te kennen geven, zoo vermaant hij nochtans ook mede de Colossensen, dat zij niet denken dat de gebeden van hun herder tevergeefs zullen zijn, maar dat zij meer zullen achten, dat zij daardoor geen kleine hulpe hebben. Ten laatste zullen wij uit de woorden van Paulus verstaan, dat dit de volmaaktheid der Christenen is, als zij volkomen staan in den wil Gods, opdat zij den raad huns levens aan niets anders hangen.
14 ü groet Lukas, de medicijnmeester, de beminde, en Demas. 2 Tim. 4: ll.
15 Groet de broeders, die te Laodicea zijn, en Nymfas, en de 2 rim-4'10-gemeente, die te zijnen huize is.
16 En wanneer de zendbrief bij u gelezen is, zoo maakt dat hij ook in de gemeente der Laodicensen gelezen wordt, en dat gij dien leest, die uit Laodicea is.
17 En zegt aan Archippus: Zie op den dienst, welken gij aangenomen hebt in den Heere, dat gij dien volbrengt.
18 De groetenis met mijne hand van Paulus. Zijt mijner banden 2 The8s 3:,1,?-gedachtig. De genade zij met u, Amen.
Gezonden van Rome, door Tychicus en Onesinms.
14 U groet Lukas. Ik gevoel niet met hen, die dit verstaan van Lukas den evangelist. Want ik acht dat hij beter bekend was, dan dat hij zoo zou zijn moeten aangeduid en hij zou hem grooter lof toegeschreven hebben: hij zou hem voorwaar zijn medehelper, of immers zijnen getrouwen metgezel en deelgenoot van zijn strijd genoemd hebben. Ik gis meer dat hij te dien tijde daar niet geweest is, en dat de ander met den bijnaam, medicijnmeester, van hen onderscheiden wordt. Hoewel, ik wil hiervoor niet strijden als voor een vaste zaak, maar breng alleen gissingen voort. Demas,
welken hij meldt, is zonder twijfel die, van wien hij later klaagt verlaten te zijn, 2 Tim. 4 : 10. Als hij van de gemeente spreekt die in Nymfas' huis was, zoo zullen wij gedachtig zijn, dat hij in een huisgezin voorschrijft, hoedanig alle huisgezinnen der Christenen behooren te zijn, te weten, dat zij allen behooren te zijn kleine gemeenten. Daarom zal een iegelijk weten, dat deze last hem opgelegd is, dat hij zijn huisgezin onderwijze in de vreeze des Heeren,
en onder heiligen dwang boude, en eindelijk een afbeelding der gemeente daarvan make.
16 In de gemeente der Laodicensen. Zoo dan, hoewel deze zendbrief aan de Colossensen geschreven was, zoo moest hij nochtans ook anderen nuttig zijn. Ditzelve moet men ook van al de zendbrieven gevoelen. Zij zijn wel eenmaal aan bepaalde gemeenten geschreven: maar dewijl zij een doorgaande en alle eeuwen ge-meent leer vervatten, zoo is daar niet aan gelegen hoedanigen titel of naam zij hebben. Want de inhoud gaat ons aan. Den anderen zendbrief, welken hij ook meldt, heeft men ten onrechte gemeend dat hij van Paulus geschreven was. En die hebben dubbel gefeild, die gemeend hebben dat Paulus aan de Laodicensen geschreven heeft.
Ik twijfel niet, of die zendbrief is aan Paulus gezonden geweest,
welks lezing den Colossensen nuttig was: gelijk steden die bij elkander liggen, vele dingen onder elkander plegen gemeen te hebben. Maar het is een veel te grof bedrog geweest, dat ik weet niet
225
COLOSSENSEN 4: 16â18.
wat boef onder dit deksel bestaan heeft eenen zendbrief op te stellen, als van Paulus geschreven aan de Laodiceërs, die zoo ongeschikt was, dat men niet kon dichten wat vreemder van Paulus geest was.
17 Zegt aan Archippus. Zooveel men kan gissen, zoo heeft deze Archippus het herdersambt op zich genomen, terwijl Epafras van daar was. Mogelijk was hij zoodanig, dat hij uit zichzelven niet ernstig genoeg was, zoo hij niet gedreven werd. Zoo wil dan Paulus, dat hij door vermaning der gansche gemeente tot beter opgewekt werd. Paulus had hem rechtstreeks kunnen vermanen; maar hij beveelt dit den Colossensen, opdat zij weten dat zij ook zeiven haren herder moeten vermanen, zoo zij hem zoo zien, en dat de herder niet weigere van de gemeente vermaand te worden. Want de dienaars des VVoords hebben uitnemende macht, doch welke hen niet van de wetten ontslaat. Daarom moeten zij zichzelven leerzaam bewijzen, zoo zij anderen willen wel leeren. Dat Paulus wederom zijn banden beveelt, daarmede geeft hij te kennen, dat hij in groote zwarigheid was. Want hij was gedachtig de menschelijke zwakheid, en hij gevoelde zonder twijfel eenige nijpingen daarvan in zich, als hij zoo ernstig begeerde, dat alle godzaligen zijner benauwdheid zouden gedachtig zijn. Voorts, dit is geen teeken van mistrouwen, dat hij de behulpselen, die hem van den Heere verordend zijn, van alle zijden eischt. De onderschrijving zijner hand gelijk elders gezegd is, geeft te kennen dat aireede te dien tijde valsche brieven in de handen gestoken werden onder den naam van dienaren Gods, zoodat het noodig was dit bedrog tegen te gaan.
226
ilversfteft te ihrectrt
..