\
.quot;H.^SUNiVERSITEiT I itdcsmj*.
1
0839 6883
Johannes Calvijn.
UlTLEGSmG
OP DEN
ZENDBRIEF VAN PATJLTJS
AAN DE
GALATEN.
TE LEIDEN BIJ D. DONNER. 1890.
Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. D., in de tegenwoordige spelling,
DOOR
A. M. DONNER. .
DEN DOORLUCHTIGEN PRINS
EN HEER,
CHRISTOFFEL, HERTOG VAN WURTEMBERG,
GRAAF VAN MONTBÃLIARD, ENZ.
JOHANNES CALVIJN
SALUT.
Dewijl ik een mensch, aan u onbekend, doorluchtigste prins, mij niet ontzie deze mijne uitlegging aan uwen naam op te dragen, zoo moet ik eenige verontschuldiging over deze stoutheid voortbrengen, opdat niet mogelijk sommigen dit van lichtvaardigheid beschuldigen. En gelijk deze verontschuldiging licht en be:eid is, alzoo zal zij ook kort wezen. Want er zijn twee voorname oorzaken, die mij hiertoe gedrongen hebben. Want hoewel gij gewillig en naarstig genoeg zijt om in den rechten loop voort te gaan, zoo heb ik nochtans geacht, dat deze vermaning niet overbodig zal wezen, zoo ik u bijname vermaande,' om naarstig dat te lezen, waaruit gij niet weinig zult bevestigd worden. Want dit hulpmiddel, dat heden vele prinsen niet hebben, is u van God gegeven, dat gij van uwe kindsheid aan in de wetenschap der Latijnsche taal vrijelijk geleerd zijnde, uzelven kunt onledig houden met het lezen van godzalige en nuttige boeken. Zoo daar ooit een tijd geweest is, waarin de vertroostingen uit de godzalige leer noodig waren, wat wordt heden anders ook den edelsten en vroomsten harten gelaten bij den tegen-woordigen rampspoed der kerk, ja ook bij vele meerdere en groo-tere ellendigheden, die nog schijnen aanstaande te zijn? Zoo dan, gelijk een iegelijk begeert tot het uiterste onoverwonnen te staan, alzoo moet hij leeren hiertoe als tot een toevluchtsoord de wijk te nemen. Nu in deze vier zendbrieven, welke door mijn arbeid uitgelegd, ik u aanbied, edele prins, zult gij vele redenen van vertroosting vinden, die voor dezen tijd zeer nut en bekwaam zijn; welke ik nu niet zal verhalen, opdat zij op hare plaats vanzelf en beter zullen openbaar worden, ik kom nu tot de tweede oorzaak, waardoor, gelijk ik gezegd heb, ben bewogen om dit werk u op te dragen: want dewijl gij in deze verwarring van zaken, waardoor sommigen verslagen, en anderen ganschelijk ternedergeworpen worden, bij een wonderlijke gestadigheid en matigheid des harten blijft, en ook mede een bijzondere standvastigheid tegen allerlei onweder behoudt, zoo acht ik dat de gansche gemeente veel daaraan gelegen
is, dat zij in u, als in eenen klaren spiegel, een voorbeeld voor oogen hebbe, dat zij kan navolgen. Want hoewel de Zone Gods deze wet al den zijnen in 't gemeen gebiedt, dat zij liever onder de banier zijns kruises zullen krijgen, dan met de wereld trium-feeren, zoo worden nochtans zeer weinigen gevonden, die tot zulk een krijg bereid zijn. Daarom is het zooveel noodiger, dat zij allen alom door zulke zeldzame voorbeelden, gelijk als in u gezien wordt, opgewekt worden, opdat zij hun luiheid en weekelijkheid leeren beteren. Van mijne uitleggingen zal ik alleen dit zeggen, dat daar mogelijk meer in vervat wordt, dan het mij zou betamen te zeggen; van welke zaak ik liever wil, dat gij bij het lezen zelve oordeelt. Vaarwel, doorluchtige prins. De Heere Jezus beware u voor Zich en voor zijne gemeente lang gezond, en regeere u door zijnen Heiligen Geest.
Te GENÃVE, 1 Februari 1548.
DE INHOUD
VAN DEN
ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN DE
GALATEN.
In wat gewest van Azië de Galaten woonden, en tot waar hunne landpalen strekten, is genoegzaam bekend; maar vanwaar zij hun afkomst hadden, daarin komen de schrijvers niet overeen. Zij komen allen daarin overeen, dat zij Galliërs zijn geweest, waarvan zij ook den naam hadden van Galatiërs. Maar uit wat gewest van Gallië zij gekomen zijn, daarin komen zij niet overeen. Strabo heeft gemeend, dat de Tectosagiërs uit Gallia Narbonensis zijn gekomen, en dat de anderen Celten zijn geweest: en hem zijn bijna alle anderen gevolgd. Maar dewijl Plinius onder de Tectosagiërs ook de Ambianen rekent, en verder naar aller gevoelen, de Tolistobogiërs hunne metgezellen geweest zijn, die aan den Rijn woonden: zoo acht ik het waarschijnlijker, dat zij Belgen zijn geweest, van het laatste gewest van den Rijn naar de Engelsche Zee toe. Want de Tolistobogiërs woonden in het gewest, waar nu die van Cleef en Brabant wonen. Maar deze dwaling is mijns bedunkens hiervan gekomen: dat een bende der Tectosagiërs in Gallia Narbonensis ingevallen is en dat dit hun naam heeft behouden, en ook aan de landstreek, die zij bezet had, denzelfden naam gegeven heeft. En dit duidt Ausonius aan, als hij zegt: Tot de Belgen die oorspronkelijk Teutosagiërs genoemd waren. Want hij noemt ze Belgen, en zegt dat zij in het eerst Teutosagiërs genoemd waren, die daarna Tectosagiërs genoemd zijn. En dat Caesar de Tectosagiërs stelt in het Hercijnsche woud, dat versta ik geschied te zijn door verhuizing, en men kan het ook uit het vervolg der woorden verstaan. Maar van den oorsprong des volks hebben wij wat de tegenwoordige plaats aangaat, meer dan genoeg gezegd. Gelijk de Galaten, die een deel van Azië bewoonden, dat naar hen genoemd was, in drie voorname volken gedeeld waren, te weten, in Tectosagiërs, Tolistobogiërs en Trocmiërs, alzoo schrijft Plinius, dat zij ook drie voorname steden hadden. En zij hadden voorheen zulk een groote macht onder de weerlooze omliggende landen, dat een groot deel van Klein-Azië hun tribuit moest geven. Ten laatste zijn zij van die oude kracht ontaard, en afgeweken, en hebben zich aan wellust en
DE INHOUD VAN DEN ZENDBRIEF
8
overdaad overgegeven. Zoo zijn zij dan zonder groote kracht overwonnen en onderworpen door Cneus Manlius, den Romeinschen consul, en ten tijde van Paulus waren zij onder het rijk der Romeinen. En toen hij hen zuiver en getrouw in het Evangelie onderwezen had, zijn in zijn afwezen valsche apostelen gekomen, die het rechte zaad door valsche en verdorven leeringen vervalschten. Want zij leerden, dat de onderhouding der ceremoniën nog noodig was. Het kon op het eerste aanzien, een zaak van geringe beteekenis schijnen. Maar Paulus strijdt daartegen, als voor een voornaam hoofdstuk des Christelijken geloofs; en dat niet ten onrechte: want het is geen klein kwaad, dat de klaarheid van het Evangelie verstikt, den conscientiën een strik aangeworpen, en het onderscheid van het Oude en Nieuwe Testament opgeheven wordt. Bovendien zag hij, dat bij deze dwalingen ook een goddelooze en verderfelijke meening was om rechtvaardigheid te verdienen. Dit is de oorzaak, waarom hij zoo geweldig daartegen ten strijde trekt. En wij ook vermaand zijnde, hoe zware en ernstige zaak hier behandeld wordt: laat ons des te naarstiger in het lezen toehooren. Indien iemand de zaak wil schatten naar de uitlegging van Origenes en Hieronymus die zal zich verwonderen, dat Paulus zoozeer verstoord is geweest om sommige uitwendige ceremoniën; maar wie den oorsprong en de fontein zelve zal inzien, die zal bekennen, dat de zaken zulk eene scherpe behandeling niet onwaardig waren. En dewijl de Galaten door al te groote lichtgeloovigheid, ja door lichtvaardigheid en dwaasheid zich van den rechten koers hadden laten afleiden, daarom berispt hij ze scherpelijk; want ik val hun niet bij, die vermoeden dat zij om de traagheid huns verstands harder behandeld zijn geweest. De Efeziërs en Colossensen zijn ook verzocht geweest: hadden zij zoo licht aan de bedriegerij plaats gegeven, meenen wij dat hij hen zachter behandeld zou hebben? Zoo heeft hij dan deze vrijheid tot berispen niet genomen uit de natuur des volks, maar de snoodheid der zaak heeft hem meer daartoe gedrongen. Nadat wij nu weten, welke de oorzaak van het schrijven dezes zendbriefs geweest is, zoo laat ons komen tot de orde der behandeling. In de twee eerste hoofdstukken strijdt hij voor de autoriteit zijns apostelambts, uitgenomen dat hij tegen het einde van het tweede hoofdstuk bij gelegenheid komt tot het voornaamste stuk, dat is, tot het handelen over de rechtvaardigmaking des men-schen, waarover hij nochtans eerst in het derde hoofdstuk voornamelijk en eigenlijk handelt. En hoewel hij in deze twee hoofdstukken vele dingen schijnt te behandelen, zoo is nochtans dit het einde, dat hij wil bewijzen, dat hij niet minder is dan de grootste der apostelen, en dat hem geen ding ontbreekt, waarom hij geen apostel zou zijn gelijk als zij, en in denzelfden graad van eere met hen zou gerekend worden. Maar het loont de moeite te weten, waarom hij zoozeer arbeidt voor zijn goeden naam. Want wat is er aan gelegen of hij grooter of minder is dan Petrus, of dat zij allen onder elkander even groot zijn, zoo maar Christus regeert, en de zuiverheid der leer ongedeerd blijft? Indien zij allen minder moeten worden, opdat Christus alleen wasse en toeneme, zoo is de strijd over de waardigheid der menschen onnut. Bovendien kon men ook dit vragen, waarom hij zich met de andere apostelen vergelijkt: want wat had hij tegen Petrus, en Jakobus, en Johannes te
VAN PAULUS AAN DE GALATEN.
9
.
doen? Waartoe diende het dan, dat degenen, die eendrachtig en wel vereenigd waren, tegen elkander gesteld werden? Ik antwoord: de valsche apostelen, die de Galaten bedrogen hadden, om zichzel-ven beter te verheffen, hebben de namen der apostelen voorgewend, alsof zij door hen gezonden waren geworden. Dit was een schoon middel, om plaats en autoriteit bij het volk te verkrijgen, dat zij geacht werden uit naam der apostelen te komen, en als het ware uit hunnen mond te spreken; ondertusschen onttrokken zij Paulus den naam en het recht eens apostels. Want zij zeiden, dat hij niet een was van de twaalven, die de Heere uitverkoren had, dat hij door het collegie der apostelen nooit voor zulk een is bekend geweest, en dat hij zijn leer niet alleen niet van Christus, maar zelfs niet van de apostelen had. Alzoo werd de autoriteit van Paulus niet alleen verminderd, maar hij werd ook als een uit den genieenen hoop, veel minder geacht dan zij. Indien alleen gehandeld werd over de personen, zoo zou het Paulus niet zwaar geweest zijn voor een uit den gemeenen hoop der discipelen geacht te worden: maar toen hij zag, dat zijn leer daardoor verkleind en veracht werd, zoo moest hij niet zwijgen, maar sterk daartegen roepen. Dit is des duivels list, als hij niet openlijk de leer durft bestrijden, zoekt hij door heimelijke lagen haar majesteit terneder te werpen. Zoo zullen wij dan bedenken, dat de waarheid van het Evangelie in den persoon van Paulus bestreden is. Want had hij zich de eer des apostelambts laten ontnemen, zoo was daaruit gevolgd, dat hij tot dusver zich meer aangematigd had dan hem toekwam. Door dezen valschen roem zou men ook in andere dingen kwaad vermoeden van hem gehad hebben. En ook hing de waardeering der leer hieraan, dat zij niet van een apostel van Christus, maar van een gewoon discipel gekomen zijnde, was aangenomen. Hierentegen werd hij overvallen door den glans der groote namen. Want als dezen op den titel van Petrus, en Jakobus, en Johannes roemden, zoo matigden zij zich apostolische autoriteit aan. Had Paulus niet mannelijk dezen roem wederstaan, zoo had hij der leugen plaats gegeven, en de waarheid in zijn persoon laten verdrukken. Zoo strijdt hij dan voor deze beide dingen met ernst, te weten, dat hij door den Heere als apostel is gesteld, en dat hij niet minder is dan de anderen; maar evenveel recht en waardigheid heeft, gelijk hij den naam met hen gemeen heeft. Hij had kunnen zeggen, dat zij door Petrus en zijne medeapostelen niet gezonden waren, noch van hen eenig bevel hadden: maar deze zijn verdediging is veel gewichtiger, dat hij voor geene apostelen wijkt. Want indien hij geweken had, zoo zou men gemeend hebben, dat hij zijn zaak mistrouwd had. Jeruzalem was toen de moeder van alle gemeenten, dat het Evangelie vandaar over de gansche wereld had doen uitgaan, en was als het ware de eerste zetel van het rijk van Christus. Wie van daar kwam tot de andere gemeenten, die werd terecht met eerbiediging ontvangen. Maar velen waren door dwazen, ijdelen roem opgeblazen, dat zij gemeenzaam met de apostelen verkeerd hadden, of immers in hun school onderwezen waren. Daarom behaagde hun niets dan wat zij te Jeruzalem gezien hadden. Alle andere ceremoniën en gewoonten, die daar niet in zwang waren, verwierpen zij niet alleen, maar veroordeelden die ook stout. Zulke eigenzinnigheid is een zeer booze pest, als wij willen, dat de wijze van eene
DE INHOUD VAN DEN ZENDBRIEF
10
gemeente als een algemeene wet geldt. En dit komt uit een verkeerden ijver, als wij jegens eenigen meester, of jegens eenige plaats zoo gezind zijn, dat wij zonder oordeel en verstand alle plaatsen en alle menschen willen dwingen naar den zin van e'énen mensch, of naar de ordeningen van ééne plaats, als naar eene algemeene wet; hoewel er altijd eerzucht mede vermengd is, ja de overgroote eigenzinnigheid is altijd eerzuchtig. Om op die valsche apostelen terug te komen: indien zij alleen door verkeerden ijver het gebruik dier ceremoniën hadden zoeken in te voeren, die zij te Jeruzalem zagen gebruiken, zoo zouden zij daarin niet weinig gezondigd hebben: want het is onbillijk, dat men uit een gewoonte terstond een regel wil maken. Maar meer- kwaad was er in de ongoddelijke en schadelijke leer, dat zij de conscientiën wilden binden, en dat zij de rechtvaardigheid stelden in de onderhouding der ceremoniën. Nu verstaan wij waarom Paulus zoo moedig geweest is in het beschermen van zijn apostelambt, en waarom hij zich stelt tegen de andere apostelen. Dit doet hij tot het einde van het tweede hoofdstuk, waar hij zich een overgang maakt tot de behandeling der zaak, te weten, dat wij uit genade voor God gerechtvaardigd worden, en niet door de werken der wet. Want het steunt op dit bewijs: Indien de ceremoniën geen kracht hebben om rechtvaardig te maken, zoo is het niet noodig die te onderhouden. Hoewel hij handelt niet alleen van de ceremoniën, maar van de werken in het gemeen: want anders zou het bewijs koud zijn. Indien dit iemand te ver schijnt gehaald te zijn, die aanmerke twee dingen. Ten eerste, dat hij de kwestie niet anders kon verwijderen, dan met dit algemeene grondbeginsel aan te nemen: Dat wij gerechtvaardigd worden door de loutere genade Gods, waardoor niet alleen de ceremoniën, maar ook andere werken uitgesloten worden. Ten andere, dat Paulus niet zoo bekommerd geweest is over de ceremoniën, als over de goddelooze meening van zaligheid te verkrijgen door de werken. Laat ons derhalve opmerken, dat Paulus niet ongeschikt van zoo ver begint, maar dat hij noodwendig den oorsprong en fontein zelve aanwijst: opdat de lezers weten dat hier niet getwist wordt over een nietige, maar over de allergrootste zaak, te weten, hoe wij zalig worden. Zoo falen dan, die meenen, dat de apostel alleen over een bijzondere zaak handelt, te weten, over de ceremoniën, want die kon niet op zichzelve opgelost worden. Zulk een voorbeeld hebben wij ook Hand. 15:2. Daar was een twist en strijd over de ceremoniën, of het noodig was die te onderhouden. In dit te onderzoeken, handelen de apostelen over het ondragelijke juk der wet, en over de genadige vergeving der zonden. Waartoe dit? Want het afdwalen van het punt in kwestie schijnt ongerijmd te zijn, maar het is niet alzoo: want de bijzondere dwaling kan niet anders wederlegd worden, dan door een algemeen beginsel te nemen. Evenals bijvoorbeeld, indien ik over het verboden eten van vleesch moest handelen, zoo zal ik niet alleen van de spijze melding maken, maar mij met de algemeene leer wapenen: wat kracht de menschelijke inzettingen behooren te hebben om de conscientiën te binden; en zal dit aangrijpen. Er is een eenig Wetgever, die macht heeft om te behouden en te verderven. De slotsom is: Paulus redeneert hier negatief van het geslacht tot de soort, hetwelk een gewone en zeer natuurlijke wijze van redeneeren is. Met
VAN PAULUS AAN DE GALATEN.
11
welke gronden en getuigenissen hij deze uitspraak bewijst: Dat wij alleen door de genade van Christus gerechtvaardigd worden, zullen wij te zijner plaatse zien. Dit zet hij voort tot het einde van het derde hoofdstuk. In het begin van het vierde hoofdstuk, handelt hij over het rechte gebruik der ceremoniën en waarom zij zijn ingesteld, waar, hij ook bewijst, dat zij nu afgeschaft zijn. Want hij moest dit ongerijmde voorkomen, wat terstond een iegelijk in den zin gekomen zou zijn: Waartoe dienden dan de ceremoniën? waren zij onnut? hebben de vaders tevergeefs zich daarmede onledig gehouden? Deze beide punten bepaalt hij met korte woorden, te weten, dat zij in haren tijd niet tevergeefs waren, en dat zij nu door de komst van Christus afgeschaft zijn, dewijl Hij de waarheid en het einde derzelve is: daarom leert hij, dat men in Hem moet blijven. Waar hij ook kortelijk aanroert, wat onderscheid er is tusschen den toestand der vaderen en onzen toestand. Waaruit volgt, dat de leer der valsche apostelen verkeerd en schadelijk is, welke de klaarheid des Evangelies door de oude schaduwen verduistert. In de leer mengt hij eenige vermaningen, om de genegenheden te bewegen en te roeren. Bij het einde van het hoofdstuk versiert hij zijne verhandeling met eene schoone allegorie. In het vijfde hoofdstuk vermaant hij om de vrijheid te behouden door het bloed van Christus verkregen, opdat zij hunne conscientiën niet laten verstrikken door menschen goeddunken. Maar intusschen vermaant hij, welke de behoorlijke wijze en mate der vrijheid is. En bij dtze gelegenheid toont hij, welke de ware oefeningen der Christenen zijn, opdat zij zich niet tevergeefs over de ceremoniën bekommeren, en die dingen veronachtzamen, die de voornaamste zijn.
1
HET EERSTE HOOFDSTUK.
Paulus een apostel, niet van menscjien, noch door een mensch, maar door Jezus Christus en God den Vader, die Hem opgewekt heeft uit de dooden:
En al de broeders, die met mij zijn, aan de gemeenten in Galatië: Genade zij u en vrede van God den Vader en onzen Heere Jezus Christus.
Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, om ons uit de tegenwoordige wereld te verlossen, naar den wil van onzen God en Vader.
Denwelken zij eere in eeuwigheid. Amen.
UITLEGGING.
iT^vaulus een apostel. Wij hebben ergens gezegd, dat Paulus in h-'zijne groeten zichzelven den naam apostel pleegt toe te schrijven, om alzoo zijn leer te geloofwaardiger te maken. De autoriteit des persoons hangt niet aan der menschen oordeel of goeddunken, maar aan de roeping Gods alleen. Hij begeert dus gehoord te worden, omdat hij een apostel is. Laat ons dit altijd vasthouden, dat God alleen in de gemeente moet gehoord worden, en Jezus Christus, die door Hem tot een Meester gesteld is. Daarom, zoo wie het leerambt zich wil aanmatigen, moet in den naam Gods of van Christus spreken. Maar dewijl omtrent de roeping van Paulus meest twijfeling was onder de Galaten, daarom heeft hij om haar te bevestigen, wat meer uitgedrukt dan in de andere zendbrieven. Want hij zegt niet alleen, dat hij van God geroepen is, maar ook daarentegen, dat hij noch van menschen, noch door menschen geroepen is. Men moet opmerken, dat hij niet spreekt over het al-gemeene ambt der herders, maar over het apostelambt. De lasteraars durfden hem niet gansch en al van de eer des dienstes te berooven, maar zij benamen hem alleen het ambt en het recht eens apostels. Wij spreken nu van het apostelambt in een eigenlijken zin. Want het woord apostel wordt tweezins genomen. Somtijds beduidt het allerlei verkondigers van het Evangelie: maar hier beduidt het bijzonder de voornaamste orde in de gemeente, zoodat Paulus aan Petrus en aan de andere twaalven gelijk is. Ten eerste, deze zinsnede: Niet geroepen te zijn van menschen, had hij gemeen met alle ware dienaren van Christus. Gelijk niemand zich deze eer moet aannemen, alzoo is het in der menschen macht niet gelegen haar te geven, aan wie zij willen. Want het komt Gode alleen toe zijn gemeente te regeeren. Daarom kan er geen behoorlijke roeping zijn dan door Hem. En hoewel somtijds iemand behoorlijk zal ge-
Tit. 1:3.
2
Eom. 1:7. 3
1 Cor. 1:3.
Ef. 1:2.
1 Petr. 1:2. 4
Matt. 20:28.
Ga). 2:20.
Ef. 5:2.
Tit. 2: U.
Hebr. 9 :14. O
GALATEN 1:1.
roepen zijn, wat de gemeente aangaat, die evenwel uit booze begeerte en niet met een goed geweten daartoe gekomen zal zijn: zoo spreekt Paulus hier nochtans over volkomen bevestiging zijner roeping, waarin niets ontbreekt. Iemand zal hier tegenwerpen, en zeggen: Gebeurt het niet dikwerf, dat ook de valsche apostelen op hetzelfde zich beroemen? Ik beken, dat zij het doen, en wel met grooter trots dan de dienstknechten Gods zouden durven doen:
maar zij hebben de zaak zelve niet, welke Paulus kon toonen. De tweede zinsnede; Niet geroepen te zyn door een mensch, kwam eigenlijk aan de apostelen toe: want dit zou toen niet verkeerd geweest zijn in een herder. Want Paulus zelf heeft met Barnabas in alle steden ouderlingen verkozen met opsteken der handen: dit ^1quot;1,14'â 23 gebiedt hij ook Titus en Timotheus. En dit is de ordinaire wijze 1 .Tim-5:17 om herders te verkiezen. Want men moet niet wachten, totdat GodTlt'1:6' uit den hemel openbare, wie hij verkoren heeft. Waarom werpt Paulus dan van zich, wat niet alleen niet kwaad, maar zelfs prijselijk is? Ik heb reeds gezegd, dat het Paulus niet genoeg was te bewijzen, dat hij een herder of eenig dienaar van het Evangelie was:
want er werd gehandeld over het apostelambt. En de apostelen moesten anders verkoren worden dan de herders, namelijk onmiddellijk van den Heere zeiven. Alzoo heeft Christus zelf de twaalven Matt-10 ^1-geroepen, en toen er een opvolger te verordenen was in de plaats Hana' 1:23 van Judas, zoo durfde de gemeente niet eenen door keurstemmen te verkiezen, maar gebruikte het lot. Het is zeker, dat men het lot niet gebruikt heeft in de verkiezing der herders: waarom is dit geschied in de aanstelling van Matthias? Opdat hij van God verkoren worde: want het apostelambt moest van de andere diensten onderscheiden worden. Zoo dan, Paulus beweert, dat hij zijn roeping onmiddellijk van God heeft, om zich alzoo uit de gemeene orde der dienaren uit te zonderen. Maar hoe ontkent hij, dat hij door menschen geroepen is, dewijl Lukas verhaalt, dat hij en Bar-Hand. 22: n nabas door de gemeente van Antiochië geroepen zijn? Sommigen26' antwoorden, dat hij vóór dien tijd het apostelambt heeft bediend,
en dat daarom die verordening het fundament van zijn apostelambt niet is geweest. Maar hiertegen kan men weder zeggen, dat de apostel toen eerst voor de heidenen werd bestemd, onder welke de Galaten waren. En dus is dit antwoord waarachtiger en klaarder,
dat hij hier niet gansch en al de roeping der gemeente heeft willen uitsluiten, maar alleen toonen, dat zijn apostelambt op een grooter voorrecht steunt: en dit is waar. Want die van Antiochië hebben Paulus de handen niet opgelegd door hun eigen oordeel, maar door een Goddelijk bevel. Dewijl hij dan van Godswege door openbaring geroepen, en daarna door. den Heiligen Geest tot een apostel der heidenen verordend en benoemd was, zoo volgt daaruit,
dat hij niet door menschen is binnengeleid, hoewel de gewone wijze van ordening daarna er bij gekomen is. Indien iemand wil dat hier een stilzwijgende tegenstelling is tusschen Paulus en de valsche apostelen, ik heb er niets tegen: want zij roemden op den naam van menschen. Alzoo zal het dus wezen, alsof hij zeide:
Laten zij roemen, die gezonden zijn van wie zij willen, ik zal nochtans boven hen zijn, dewijl ik mijn mandaat of opdracht heb van God en van Christus. Door Jezus Christus en God den Vader. Hij zegt, dat hij zijn apostelambt van God den Vader en
13
GALATEN 1 : 1, 2.
van Christus heeft. En hij noemt Christus eerst, omdat het Hem toekomt te zenden, en wij bekleeden het ambt van gezant voor Hem. Maar tot verheffing en versterking, stelt hij er ook den Vader bij, alsof hij zeide; Indien de majesteit van Christus iemand niet genoeg is, die wete, dat het ambt mij ook door God den Vader opgelegd is. Die Hem opgewekt heeft. Het is niet zonder oorzaak, dat hij te dezer plaats van de opstanding melding maakt: want zij is het begin des rijks van Christus. En zij verachtten Paulus, dat hij niet op aarde met Christus verkeerd had. Hij geeft daarentegen te kennen, dat Christus, gelijk Hij door de opstanding verheerlijkt is, alzoo eerst waarlijk zijn macht bewezen heeft in de regeering zijner gemeente. Derhalve heeft de roeping van Paulus meer waardigheid, dan of hij geordend was door Christus, toen Hij nog sterfelijk was. En deze omstandigheid is waardig opgemerkt te worden. Want Paulus geeft stilzwijgend te kennen, dat de verwonderlijke mogendheid Gods, die in de opstanding van Christus gebleken is, door zijne lasteraars booselijk bestreden wordt, want dezelfde hemelsche Vader, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, heeft Paulus verordend tot een verkondiger van deze zijne kracht.
2 En de broeders, die met mij zijn. Het schijnt, dat hij in 't gemeen geschreven heeft uit veler naam, opdat, indien zij naar een alleen niet veel vraagden, immers zouden hooren naar meerdere broeders, en de gansche vergadering niet verachten. Want hij pleegt tegen het einde, de groetenis van de broeders te schrijven, liever dan hen tot metgezellen van zijn schrijven in het begin te stellen. Immers heeft hij nergens meer dan twee genoemd, en dat wel bekenden. Maar hier doet hij anders: want hij vat al de broeders te zamen, en ik denk, dat hij dit niet zonder oorzaak gedaan heeft. Het eendrachtig gevoelen van zooveel broeders, behoorde bij de Galaten eenige kracht te hebben, om hen zachtmoediger en leerzamer te maken. Aan de gemeenten. Het was een groot land, daarom had het vele gemeenten hier en daar verstrooid. Maar het is wonder, dat hij den Galaten dezen titel laat, die bijna van Christus afgeweken waren. Want waar een gemeente is, daar is eenigheid des geloofs. Ik antwoord: Dewijl daar een belijdenis van het Christendom was, en de aanroeping van één God, en het gebruik der sacramenten, en eenige bediening, zoo zijn er nog teekenen eener gemeente geweest. Dus bestaat er in de gemeente niet altijd zulke zuiverheid, als er behoort te zijn: de allerzuiverste gemeenten hebben toch nog hare vlekken; andere zijn niet alleen bezoedeld, maar ook schier misvormd. Daarom moeten wij ons niet dermate stooten aan de feilen der leer en der zeden, dat wij terstond den naam gemeente aan eene vergadering ontnemen, waarin alle dingen ons niet behagen. Paulus leert ons hier een heel andere zachtmoedigheid. Intusschen moet men toch de vergaderingen, die met gebreken bevangen zijn, zóó voor gemeenten van Christus erkennen, dat wij desniettemin al het kwaad veroordeelen, dat er in is. Want waar eenige gemeente is, daar is niet dadelijk de volmaaktheid van al die dingen, die in een gemeente behoorden te zijn. Dit zeg ik daarom, omdat de papisten dit woordje aangrijpende, alles willen bevestigd hebben, wat hun behaagt den volke in de hand te steken. Evenwel, het is verre vandaar, dat de stand en vorm der gemeente te Rome, zoodanig is als die in Galatië was. Indien Paulus
14
GALATEN 1 : 2â4.
nu leefde, hij zou daar ellendige bouwvallen eener gemeente, en gruwelijke verwoesting, maar geen gebouw bemerken. Zoo iemand dit liever met korte woorden wil hebben; door een woordverwisse-lende wijze van spreken wordt gemeente genoemd, waar eenig deel eener gemeente is, ofschoon niet alle dingen ganschelijk zijn, zooals zij behooren.
3 Genade zü u en vrede. Van deze formule der groeting hebben wij gesproken in de andere zendbrieven. Ik blijf in de meening, dat Paulus den Galaten wenscht, dat God hun genadig zij, en verder voorspoed in alle dingen: want uit de goedwilligheid Gods vloeit ons eene gelukkige uitkomst aller dingen toe. Beide dingen smeekt hij van den Vader en van Christus te zamen, omdat buiten Christus noch genade, noch eenige goede uitkomst is.
4 Die Zichzelven gegeven. Hier van het begin aan prijst hij de genade van Christus, om de Galaten tot Hem terug te roepen, en in Hem te houden. Want hadden zij deze weldaad der verlossing behoorlijk gewaardeerd, zij zouden nimmermeer tot andere onderhoudingen vervallen zijn. Want wie Christus behoorlijk en recht kent, die grijpt Hem stijf aan, en omvat Hem met beide armen, hij houdt zich geheel met Hem bezig, en begeert niets buiten Hem.
Zoo is dan dit ook ons een zeer goed middel, om onze harten van allerlei dwaling en bijgeloof te zuiveren, te weten, dat wij ons weder te binnen brengen, wat Christus voor ons is, en wat Hij ons aangebracht heeft. En er wordt geen geringe zaak te kennen gegeven met deze woorden: Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden. Want hij wilde de Galaten vermanen, dat de verzoening der zonden, en alzoo ook de volmaakte rechtvaardigheid, niet elders gezocht moet worden dan in Christus, omdat Hij Zich aan den Vader overgegeven heeft tot een offerande: en dat Hij zulk een offerande is, tegen welke men geene andere offerande, welke ook, mag overstellen. Kortom, dat deze verlossing van zóó groote waarde is, dat zij ons geheel tot verwondering moet brengen. Voorts, wat Paulus hier Christus toeschrijft, dat kent de Schrift op een andere plaats God den Vader toe, en dit beiden eigenlijk. Want de Vader heeft in zijn eeuwigen raad ons deze verzoening verordend,
en ons zijn liefde daarin betuigd, dat Hij zelfs zijnen eengeboren Bom. 8:32. Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons gegeven. En Christus heeft Zichzelven tot een offerande geofferd, om ons met God te verzoenen. Waaruit volgt, dat zijn dood de voldoening is voor de zonden. Om ons uit de tegenwoordige. Hij verklaart ook het einde der verlossing: Dat Christus door zijn dood ons Zich tot een eigendom heeft verkregen Dit geschiedt, als wij van de wereld afgezonderd worden; want zoolang wij van de wereld zijn, zoo behooren wij Christus niet toe. Het woord wereld, wordt hier genomen voor het verderf, dat in de wereld is. Gelijk in den zendbrief van Johannes, waar gezegd wordt, dat de gansche wereld in i Joh. 5; 19. het booze ligt, en in vele andere plaatsen. Anders wordt het genomen in het Evangelie, als Christus zegt: Ik bid niet, dat Gij zeJoh. nas. wegneemt uit de wereld, maar dat Gij ze bewaart van den booze.
Want daar beduidt het dit tegenwoordige leven. Wat beduidt dan hier het woord wereld? Menschen, die buiten de genade Gods en het rijk van Christus zijn. Want zoolang de mensch zichzelven leeft,
is hij geheel verdoemd. Zoo zijn dan wereld en wedergeboorte din!
15
GALATEN 1 :4â6.
gen die tegenover elkander staan, gelijk natuur en genade, vleesch en Geest. Zoo dan, die van de wereld zijn, hebben niets anders dan zonde en boosheid, niet uit de schepping, maar uit de verdorvenheid. Dus is Christus gestorven voor onze zonden, opdat Hij ons van de wereld verlossen of afzonderen zou. Boos noemt hij de wereld, om te toonen, dat hij spreekt over de verdorvenheid of verdraaidheid, die uit de zonde is, en niet over het schepsel Gods of over het lichamelijk leven. Maar nochtans werpt hij met dit eene woord, als met een bliksemslag, alle menschelijke hoovaardigheid neder. Want hij betuigt, dat buiten de vernieuwing, die door de genade van Christus geschiedt, niets dan enkel boosheid in ons is. Want wij zijn van de wereld, en de weïeld regeert in ons, en wij leven der wereld, totdat Christus ons daaruit verlost. Zoo dan, hoezeer de menschen zichzelven behagen, zij zijn nochtans met al hun uitnemendheid boos en verdraaid. Het is waar, zij schijnen zich zoodanigen niet toe, maar ons zij het genoeg, dat de Heere door den mond van Paulus alzoo oordeelt. Naar den wil. Hij vertoont de eerste fontein der genade, te weten, het voornemen Gods. Want Joh. 3: ic. alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eengeboren Zoon gegeven heeft. Maar men moet aanmerken, dat Paulus gewoon is het voornemen Gods tegen alle vergeldingen of verdiensten der menschen te stellen. Alzoo beduidt wil hier, wat men in 't gemeen noemt, welbehagen. Dus is dit de zin, dat Christus voor ons geleden heeft, niet omdat wij zulks waardig waren, of omdat wij iets medegebracht hebben, dat Hem daartoe zou bewegen, maar omdat de raad en het voornemen Gods zoo was. Van onzen God en Vader. Dat is zooveel alsof hij gezegd had; God, die onze Vader is.
5 Denwelken zij eere. Hij breekt uit in eene plotselinge dankzegging, om hunne harten te verwekken tot het beschouwen van deze onbegrijpelijke weldaad Gods, opdat zij zich daarna leerzamer mogen betoonen. Hoewel, het is ook eene algemeene vermaning, opdat de barmhartigheid Gods, zoo dikwijls zij in het geheugen wordt teruggeroepen, ons terstond aanspore om Hem te prijzen.
6 Ik verwonder mij, dat gij u zoo haast van Christus, die u tot genade geroepen heeft, laat overbrengen tot een ander Evangelie.
7 Hetwelk niet anders is, dan dat er sommigen zijn, die u beroeren, en het Evangelie van Christus willen omkeeren.
8 Maar of wij, of een engel uit den hemel u anders verkondigden, ') dan wij u verkondigd hehben, die zij vervloekt.
9 Gelijk wij tevoren gezegd hebben, alzoo zeg ik nu wederom; zoo iemand u verkondigt boven hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.
6 Ik verwonder mij. Hij begint met een berisping, welke nochtans wat zachter is dan zij verdiend hadden; maar hij wil liever zijn strengheid keeren tegen de valsche apostelen, gelijk wij zullen zien. Hij berispt hen, dat zij afgeweken zijn, niet alleen van zijn leer, maar ook van Christus. Want zij konden Christus niet anders hebben, dan zoo zij bekenden, dat wij door zijn weldaad vrijgemaakt zijn van de dienstbaarheid der wet. Nu, de noodwendigheid, die de valsche apostelen stelden in de ceremoniën, was ganschelijk tegenstrijdig. Zij lieten zich zoo overbrengen van Christus, niet omdat
16
Hand. 15:1.
2 Cor. 11:4.
1) Of, boven dat.
GALATEN 1 : 6, 7. 17
zij het Christendom ganschelijk verwierpen, maar omdat in zulk eene verderving hun niet anders dan een verdichte Christus gelaten werd. Alzoo heden de papisten, dewijl zij eenen halven en gescheurden Christus willen hebben, zoo hebben zij geenen, en zijn daarom overgebracht van Christus: want zij zijn vol superstitiën, welke ganschelijk strijden tegen de natuur van Christus. Dit moet men naarstig aanmerken, dat wij overgebracht worden van Christus, als wij vervallen tot die dingen, die met het ambt van Christus strijdig zijn. \\ ant het licht kan met de duisternis niet vermengd worden. Het is ook zulk een wijze van spreken, als hij zegt: Een ander Evangelie, dat is, een ander dan het ware. En toch zeiden de valsche apostelen, dat zij het Evangelie van Christus verkondigden. Maar dewijl zij hunne verdichtselen daaronder mengden, waarmede zij de voorname kracht des Evangelies verdierven, zoo hadden zij een valsch, geschonden en verdorven Evangelie. Hij zegt: Gij wordt overgebracht in den tegenwoordigen tijd, alsof zij nog in het vallen waren; even alsof hij zeide: Ik zeg nog niet, dat gij overgebracht zijt, want dan zou het wederkeeren tot den rechten weg moeielijker zijn. Maar nu, dewijl gij nog midden in den loop zijt, zoo keert liever op uwe schreden weder, dan dat gij verder voortgaat. Sommigen lezen aldus; Van Hem, die u geroepen heeft tot de genade van Christus, en verstaan dat van den Vader: maar de lezing, die wij gevolgd hebben, is eenvoudiger. Zegt hij, dat zij van Christus geroepen zijn door genade, het dient om hun hunne ondankbaarheid te verwijten. Van den Zoon Gods af te wijken, is in zichzelf een groote booze daad: maar van Hem af te wijken, als Hij ons uit genade tot zaligheid heeft geroepen, dat is veel schandelijker, want zijn goedlieid jegens ons vermeerdert de grootheid der zonde, zoo wij ondankbaar zijn. Haastelijk. Hij vergroot de schandelijkheid der onstandvastigheid: want er is geen tijd bekwaam om van Christus af te wijken; doch de Galaten waren zooveel te meer te berispen, dat zij zich lieten verleiden, zoo haast als Paulus van hen gescheiden was. Zoo dan, gelijk hij boven hunne ondankbaarheid door vergelijking der genadige roeping heeft vergroot, zoo verzwaart hij nu hunne lichtvaardigheid door de omstandigheid des tijds.
7 Hetwelk niet anders is. Sommigen stellen het aldus: Dewijl er geen ander Evangelie is: alsof het een soort van verbetering ware, opdat niemand zoude denken, dat er meer Evangeliën waren dan een. Maar ik neem het eenvoudiger, wat de uitlegging dei-woorden aangaat: want hij spreekt met verachting over de leer der valsche apostelen, dat zij niet dan eene stof is van beroeringen en verderving. Even alsof hij zeide: Wat brengen die apostelen teweeg? wat reden hebben zij, om de leer te bestrijden, die ik gegeven heb? te weten, zij beroeren u, en verkeeren het Evangelie, anders doen zij niets. Nochtans komt het op denzelfden zin uit: want ik beken dat het door deze wijze van spreken verbeterd wordt, wat gezegd was van een ander Evangelie; hij zegt dan, dat het geen ander Evangelie, maar eene loutere verstoring is. Ik heb alleen willen vermanen, dat het woordeke ander, (naar mijn oordeel) genomen wordt voor een andere zaak, gelijk wij plegen te zeggen: Dit is niets anders, dan dat gij wilt bedriegen. Willen het Evangelie omkeeren. Hij legt hun een andere misdaad ten laste, te weten.
2
Dl. m.
GALATEN 1:7, 8.
dat zij Christus onrecht doen, met zijn Evangelie te willen om- dt
keeren. Het is een zeer gruwelijke misdaad: want omkeeren is ge
meer dan vervalschen. En nochtans legt hij hun deze misdaad niet b;
onverdiend ten laste. Want Christus blijft niet ongeschonden, en de m
leer van het Evangelie valt, wanneer de lof van de rechtvaardig- D
making des menschen aan iets anders toegeschreven, en den con- ai
scientiën een strik aangeworpen wordt. Want men moet altijd zien, tlt;
welke dingen de voornaamste zijn in het Evangelie. Wie deze din- n
gen bestrijdt, is een verderver van het Evangelie. Wordt woord h
van Christus er bijgevoegd, men kan het op tweeërlei wijze uit- ti
leggen, te weten, dat het van Christus gekomen is, of dat het v
Christus zuiver voorstelt. En hij heeft zonder twijfel daarmede o
willen aanduiden, het ware en volle Evangelie, hetwelk eeniglijk n moet geacht worden.
8 Maar of wjj. Hier verheft hij zich met een groot vertrouwen,
om de autoriteit zijner leer te beschermen. En ten eerste zegt hij,
dat de leer, door hem verkondigd, het eenige Evangelie is, hetwelk
men niet mag verzwakken. Want de valsche apostelen hadden kunnen zeggen: Wij willen ook, dat het Evangelie ongerept blijve, en wij hebben daarvan een even heerlijk gevoelen als gij. Gelijk heden ten i
dage de papisten roepen, dat zij het Evangelie zeer heilig achten,
en den naam van het Evangelie bieden zij zeer groote eer: maar ;
als men tot de proef op de som komt, ziet men dat zij de zuivere ,
en eenvoudige leer van het Evangelie uitzinnig pijnigen. Zoo dan,
Paulus met die gemeene betuiging niet tevreden zijnde, beschrijft hoedanig het Evangelie is, en wat het bevat, en betuigt dat zijn leer het waarachtig Evangelie is, opdat men het niet elders zoeke.
Want wat zou het helpen, zich tot het Evangelie te begeven, en ondertusschen niet te weten wat het bevat? Bij de papisten zou dat mogelijk genoeg zijn, waar het ingewikkeld geloof plaats heeft:
maar bij de Christenen is geen geloof, waar geen kennis is. Zoo Tit. i:i. dan, opdat de Galaten, die anders bereid waren om het Evangelie gehoorzaam te zijn, niet her- en derwaarts dwalen, en in twijfeling hangende, niet weten waar zij hunnen voet moeten zetten, zoo beveelt Paulus hun in zijn leer te blijven. En hij wil zoo zekerlijk zijne prediking geloofd hebben, dat hij de vervloeking verkondigt aan allen, die haar durven tegenspreken. Ja wat meer is, hij begint van zichzelven, wat van aanbelang was: want alzoo voorkomt hij de valsche beschuldiging, waarmede de kwaadwilligen hem zouden bezwaard hebben, zeggende: Gij wilt dat men zonder eenig tegenspreken ontvange al wat van u komt, omdat het uwe is. Om dus te toonen, dat hij geenszins acht heeft op zichzelven, zoo beneemt hij zich vooral deze macht, om iets te bestaan tegen deze leer.
Aldus wil hij anderen niet aan zich onderwerpen, maar gelijk het betaamt, alle anderen met hem gelijk stellen, om het Woord Gods onderworpen te zijn. Maar oip de valsche apostelen te geweldiger neder te werpen, klimt hij op tot de engelen toe, en zegt niet eenvoudig, dat men ze niet moet hooren, zoo zij iets anders voortbrengen, maar spreekt uit, dat zij vervloekt moeten zijn. Dit kon sommigen ongerijmd toeschijnen, dat hij de engelen in oneenigheid stelt met zijn leer: maar wie alles behoorlijk zal overwegen, zal wel zien, dat hij dit uit noodzaak gedaan heeft. Het is wel zeker,
dat de hemelsche engelen niets anders kunnen voortbrengen, dan
18
GALATEN 1 ; 8, 9.
de zekere waarheid Gods: maar dewijl het verschil liep over het geloof der leer, die van God tot zaligheid der menschen geopenbaard was, zoo was het hem niet genoeg, die te stellen buiten der menschen goeddunken, maar moest ze ook boven de engelen stellen. Daarom, als hij den engelen de vervloeking verkondigt, zoo zij iets anders leeren, is dit bewijs, hoewel aan het onmogelijke ontleend, toch niet tevergeefs. Want deze vreemde wijze van spreken dient niet weinig, om de trouwheid der prediking van Paulus te verheffen. Hij zag, dat hij en zijn leer bezwaard werden, door hooge titels der menschen. En hij antwoordt, dat ztlfs de engelen niet vermogen haar neder te drukken. En hij doet den engelen geen onrecht: want dewijl zij geschapen zijn om de eere Gods, op alle mogelijke wijzen op te luisteren, zoo verkleint hij, die tot dit einde hunnen naam heiliglijk misbruikt, opdat God daarin geëerd worde, hun waardigheid niet. Hieruit besluiten wij niet alleen, hoe groot de majesteit van het Woord Gods is, maar ons geloof ontvangt ook eene bijzondere bevestiging, dewijl wij betrouwende op GodsWoord, gerustelijk de engelen kunnen bespotten en vervloeken. Als hij zegt: Die zij vervloekt, moet men daaronder verstaan: Van u. Over het woord vervloekt, hebben wij een en ander gezegd, 1 Cor. 12:3.
9 Gelijk ik tevoren gezegd heb. Nu laat hij na te spreken van zichzelven en van de engelen, en verhaalt nog eens in 't gemeen, dat het geen mensch geoorloofd is iets anders te leeren, dan hij den Galaten geleerd had. Merk op het woord: G|j hebt ontvangen; want hij arbeidt altijd, dat zij geen onbekend Evangelie als in de lucht hangen door hun ijdel bedenken, maar dat zij een zekere beschrijving en bepaling daarvan hebben, en vast weten, dat hetgeen hun geleerd is, en zij aangenomen hebben, het waarachtig Evangelie van Christus is. Want het geloof betaamt niets minder dan eene meening. Want wat zal het wezen zoo iemand twijfelt, niet wetende wat en hoedanig het Evangelie is? Zoo gebiedt Paulus dan voor duivelen te houden, die een ander Evangelie hebben durven voortbrengen, dat van het zijne verschilt: en noemt dat een ander, aan hetwelk vreemde verdichtselen als lappen gehecht worden. Want de leer der valsche apostelen was niet ganschelijk tegenstrijdig, of ook verschillend, maar door valsche toevoegselen verdorven. Zoo is dan de uitvlucht der papisten kinderachtig, als zij de woorden van Paulus aldus willen afslaan, zeggende ten eerste, dat men de geheele prediking van Paulus niet heeft, noch ook kan weten wat zij bevat heeft, tenzij de Galaten uit de dooden opgewekt worden als getuigen, die ze gehoord hebben; ten andere, dat hier niet verboden wordt iets toe te doen: maar dat alleen andere Evangeliën veroordeeld worden. Want hoedanig het Evangelie van Paulus geweest is, besluiten wij, zooveel er ons aan gelegen is, niet duister dat te weten uit zijne geschriften. En dat het geheele pausdom een gruwelijke omkeering van dit Evangelie is, is openbaar. Ten laatste blijkt ook uit de omstandigheid, dat alle valsche leer anders is dan de prediking van Paulus; en daarom kunnen hun zulke beuzelingen niets helpen.
10 Want raad ') ik nu ook naar menschen, of naar God? of zoek l) Of,predik, ik menschen te behagen? Want zoo ik nog menschen he- xo4'
haagde, zoo zou ik Christus' dienstknecht niet zijn. Jak. 4:4.
19
GALATEN 1 ; 10.
11 Nu ik laat u weten, broeders, aangaande het Evangelie, dat door mij verkondigd is, dat het niet is naar den mensch.
12 Want ik heb dat niet ontvangen, noch geleerd van een mensch, maar door de openbaring van Jezus Christus.
13 Want gij hebt van mijn wandeling gehoord, die voortijds geweest is in het Jodendom: dat ik bovenmate zeer de gemeente Gods vervolgde, en haar verwoestte:
14 En dat ik voortgang deed in het Jodendom boven velen van mijns gelijken in mijne natie, dewijl ik overijverig was voor de vaderlijke inzettingen.
Dewijl hij zijn prediking zoo stout verheven had, toont hij nu, dat hij dit met recht, en niet door ijdele opgeblazenheid gedaan heeft. En hij gebruikt twee argumenten om dit te bewijzen. Het eerste is uit de genegenheid zijns harten, omdat hij niet uit eerzucht, noch uit pluimstrijkerij zich naar de menschen voegt. Het tweede is veel sterker, dat hij zelf de auteur niet is van zijn Evangelie, maar dat hij het van God ontvangen, en als van hand tot hand getrouw overgegeven heeft.
io Raad ik nu ook naar. Dewijl de samenvoeging der Grieksche woorden twijfelachtig is, zoo wordt deze plaats verschillend uitgelegd. Want sommigen vertalen aldus: Raad ik menschen ofGode? Anderen nemen de woorden. God en menschen, voor goddelijk en menschel|jk: welke zin zeer wel zou passen, indien hij niet wat te ver van de woorden aflag. Zoo heb ik dan liever den zin gevolgd, die minder gedwongen was. Want de Grieken hebben de gewoonte, dat zij het woordje, waarvoor wij stellen naar, niet uitdrukken. Paulus spreekt niet over den inhoud zijner verkondiging, maar over het voornemen zijns harten, dat hij meer op God dan op de menschen ziet, hoewel ook de leer beantwoordt aan de genegenheid des leeraars. Want gelijk uit eerzucht, gierigheid, en uit elke andere booze begeerte, verderving der leer ontstaat, zoo maakt een goede conscientie, dat de zuivere waarheid behouden wordt. Daarom betuigt hij, dat zijn leer zuiver en gezond is, omdat zij zich naar allen niet schikt en voegt. Of zoek ik menschen te behagen. Dit tweede verschilt niet veel van het eerste, nochtans is er eenig onderscheid: want de begeerte om gunst te verkrijgen, is oorzaak waarom wij naar den mensch spreken. Wanneer zulk eene eerzucht in onze harten regeert, dat wij onze woorden begeeren te voegen naar der menschen behagen, dan kunnen wij niet oprechtelijk leeren. Zoo betuigt dan Paulus, dat hij van dit gebrek zuiver en rein is: en om zich te stouter ook van valsche lastering te bevrijden, zoo spreekt hij vragenderwijs. Want de vragende vorm is gewichtiger, daar wij den tegenstanders toelaten tegen te spreken, zoo zij iets hebben. Want dit is een teeken van groote zekerheid en gerustheid, die Paulus had door het getuigenis van eene goede conscientie: omdat hij namelijk wist, dat hij zijn ambt alzoo bediend had, dat hij van zulke schande vrij was. Want zoo ik menschen behaagde. Deze uitspraak is opmerkenswaardig, dat de eergierigen, dat is, die gunst der menschen zoeken, Christus niet kunnen dienen. Doch hij spreekt hier bijzonder van zijn persoon, in dezen zin, dat hij zich eigener beweging van der menschen gunst afgewend heeft, om zich tot gehoorzaamheid van Christus te wijden: en hij vergelijkt den
20
1 Cor. 15 : 1. Ef. 3:3.
Hand. 8:3; 9 : 1; 22 : 4; 26 :9.
Fil. 3:6. 1 Tim. 1:13.
GALATEN 1 : 10â12. 21
staat van zijn vroeger met dien van zijn tegenwoordig leven. Hij was in zeer groote achting geweest, hij werd alom met groote toejuiching ontvangen: daarom, had hij menschen willen behagen, zoo had hij zijn conditie niet mogen veranderen. Maar hieruit moet men de algemeene leer trekken, waarvan ik gesproken heb. Allen, die Christus getrouw willen dienen, moeten der menschen gunst kloekmoedig verachten. Het woord menschen brengt hier een zonderlinge beduiding mede: want de dienaars van Christus moeten niet willens den menschen zoeken te mishagen, maar er zijn verscheidene soorten van menschen; hun wien Christus behaagt, zullen wij zoeken in Christus te behagen: maar die willen dat de ware leer aan hunne hartstochten onderworpen is, moet men geenszins gehoorzaam zijn. En voorwaar, de godzalige en oprechte herders zullen altijd dezen strijd moeten wagen, dat zij de verbolgenheden dier menschen verachten, die willen dat men hun in alles, en alleszins genoeg doe: want de gemeente zal altijd geveinsde en ongeschikte menschen hebben, die hunnen lust stellen boven het Woord Gods. De goeden worden ook somtijds door den duivel verzocht, dat zij op den herder toornig zijn, die recht en wel vermaant. Hetzij dat zij dit doen uit onwetendheid, of dat zij door eenige zwakheid vooringenomen zijn. Zoo komt het dan ons toe, voor geen verbolgenheid te verschrikken, mits wij de zwakken niet vervreemden van Christus. Velen leggen deze plaats anders uit, te weten, alsof het een toelating ware, en meenen dat dit de zin is: Zoo ik menschen behaagde, zou ik Christus' dienstknecht niet zijn. Dit beken ik, maar wie zal mij dit verwijten? wie ziet niet dat ik der menschen gunst niet zoek? Nochtans bevalt mij die eerste zin 't best, te weten, dat Paulus verhaalt, van hoe groote gunst der menschen hij zich beroofd heeft, om zich tot de gehoorzaamheid van Christus te wijden.
11 Ik laat u weten. Dit is een zeer sterk argument, en het voornaamste stuk der gansche handeling, te weten, dat hij het Evangelie niet van menschen heeft ontvangen, maar dat het hem door God geopenbaard is. En dewijl men hem dit had kunnen ontzeggen, zoo voegt hij een bevestiging daarbij, welke in het verhaal eener geschiedenis bestaat. Maar opdat deze betuiging meer gewicht hebbe, zegt hij tevoren, dat hij niet spreekt van een duistere zaak, maar van eene zaak welke hij bereid is te bevestigen: want zulk een voorrede komt te pas, wanneer men van een gewichtige zaak spreekt. Hij ontkent dat naar den mensch is, wat naar geene menschelijke vonden smaakt, of door geen mensch gesmeed is; en om dit te bevestigen voegt hij terstond daarbij, dat hij niet door eenigen aardschen meester geleerd is.
12 Want ik heb het van geen mensch ontvangen. Wat dan? zal het gezag daarom minder wezen, zoo iemand door der menschen dienst onderwezen, langs dien weg leeraar wordt? Maar men moet altijd aanmerken, met welke looze vonden hem de valsche apostelen besprongen, te weten, zij zeiden, dat hij een verminkt en vervalscht Evangelie ontvangen had, van eenigen meester, die de beste niet was, of althans geenen grooten naam had, en dat hij onbezonnen leerde, wat hij kwalijk verstaan had. Ondertusschen roemden zij, dat zij discipelen der opperste apostelen waren, wier verborgen en heimelijke zinnen hun allen wel bekend waren. Zoo was het dan voor Paulus noodzakelijk, dat hij zijn leer stelde tegen de gansche
GALATEN 1: 12â15.
wereld, hierop steunend, dat zij hem door God geopenbaard, en niet in de school van eenig mensch geleerd was: want anders zou zij nimmermeer bevrijd geweest zijn van de lasteringen der valsche apostelen. Indien iemand hiertegen zegt, dat hij door Ananias on-Hand. 9:io. derwezen is, daarop is licht te antwoorden. Want er is niets tegen, waarom God door Zichzelven Paulus niet met hemelsche openbaringen zoude geleerd hebben, en dat Hij ook tot versiering van den dienst menschenarbeid in hem te leeren zou gebruikt hebben. Gelijk wij boven gezegd hebben, dat hij door God onmiddellijk door hemelsche openbaring is geroepen, en dat hij door de stemmen der men-schen met plechtige bevestiging geordend is: deze dingen strijden niet tegen elkander.
13 Want gij hebt van mijn wandeling gehoord. Dit gansche verhaal is tot bevestiging daarbij gesteld. Want hij verhaalt, dat hij met zijn gansche leven zoo vreemd is geweest van het Evangelie, dat hij een verbolgen vijand van hetzelve, en een verwoester van den Christelijken naam was: waaruit wij verstaan, dat hij door God bekeerd is. En hij neemt hen zeiven tot getuigen, als betreffende een zaak, aan welke geen twijfel was, opdat het onwedersprekelijk zij wat hij zal zeggen. Zijns gelijken, noemt hij, die van zijn leeftijd waren: want met degenen, die ouder waren, zou het een oneigenlijke vergelijking zijn. Door de inzettingen der vaderen, verstaat hij niet die aanhangselen, waarmede de wet des Heeren vervalscht was, maar de wet Gods zelve, waarin hij van kindsbeen aan opgevoed was, en die hij van zijne ouders en grootvaders, als van hand tot hand ontvangen had. Dewijl hij dan zeer gehecht was aan de vaderlijke gewoonten, zoo kon hij niet gemakkelijk daarvan afgebracht worden, indien de Heere hem niet door een mirakel getrokken had.
15 Maar nadat het Gode, die mij van mijner moeders buik afgezonderd, en door zijn genade geroepen heeft, behaagd heeft,
16 Zijnen Zoon mij te openbaren, opdat ik Hem zou verkondigen onder de heidenen, zoo heb ik terstond niet geraadpleegd met vleesch en bloed,
17 Noch ben wederom te Jeruzalem gekomen, tot degenen, die apostelen waren vóór mij: maar ik ben gegaan naar Arabië, en ben wedergekomen naar Damascus.
18 Daarna ben ik na drie jaren weder gekomen te Jeruzalem, om Petrus te zien, en ben bij hem gebleven vijftien dagen.
19 En ik heb van de apostelen geen ander dan Jakobus, den broeder des Heeren, gezien.
20 Nu, wat ik u schrijf, ziet voor God! ik lieg niet.
21 Daarna ben ik gekomen in de landen van Syrië en Cilicië.
22 En ik was van aangezicht onbekend aan de gemeenten, die in Judéa waren in Christus.
23 Maar dit gerucht was alleen bij hen: Degene, die ons eens vervolgde, predikt nu het geloof, dat hij voorheen verwoestte.
24 En zij verheerlijkten God in mij.
15 Nadat het Gode behaagd heeft. Het tweede deel des verbaals is van zijn wonderlijke keering. En men moet deze woorden aldus ontbinden en scheiden, dat hij door Gods genade geroepen is
22
Hand. 9:15; 13:2; 22:21. Gal. 2:8. Ef. 3:3. Matt. 16:17.
Hom. 1:9: 9:1.
2 Cor. 1:23; 11: 31.
1 Thess. 2: 5. 4 Tim. 5:21.
2 Tim. 4:1.
GALATEN 1 ; 15.
geweest, om Christus onder de heidenen te verkondigen, en dat hij terstond als hij geroepen was, zonder met de apostelen te raadslagen, zich zonder eenigen twijfel gevoegd heeft tot het werk, dat hem bevolen was, zeker zijnde van den raad Gods. In de schikking der woorden komt Erasmus niet overeen met den ouden overzetter.
Want hij voegt de woorden aldus: Wanneer het Gode behaagd heeft,
dat ik Christus onder de heidenen zou prediken, welke mij daartoe geroepen heeft, om Zich door mij te openbaren. Maar de oude overzetter heeft het beter naar mijn oordeel. Want eerst is hem de openbaring van Christus geschied, en daarna is hem de verkondiging bevolen. Of, indien men de overzetting van Erasmus wil volgen, die stelt: Door mij te openbaren, zoo zijn toch deze woorden:
Dat ik zou prediken, daarbij gevoegd, om de wijze der openbaring uit te drukken. Voorts, de bewijsvoering van Paulus kon in het eerste aanzien zwak schijnen: want ofschoon tot het Christendom bekeerd, vatte hij terstond zonder met de apostelen te raadplegen, het ambt der prediking van het Evangelie op: maar daar volgt nochtans niet uit, dat hij door de openbaring van Christus daartoe verordend is geweest, maar hij steunt op meer redenen, welke, zoo men ze alle bijeen verzamelt, genoeg zullen zijn tot een rechte bewijsvoering. Ten eerste, dat hij door Gods genade is geroepen geweest; ten andere, dat zijn apostelambt door de andere apostelen bevestigd is geweest, en wat daar meer volgt. Zoo zullen dan de lezers bedenken, dat zij het gansche verhaal vereenigd lezen, en eindelijk uit het geheel, en niet uit de enkele deelen besluiten. Die rnjj afgezonderd heeft. Deze afzondering was Gods raad, waardoor Paulus tot het apostelambt verordend werd, eer hij wist dat hij als mensch geboren was. Daarna is de roeping op haren tijd gekomen, als de Heere zijnen wil aangaande Paulus geopenbaard heeft, en hem geboden tot het werk zich aan te gorden. Het is zonder twijfel, dat God eer de wereld geschapen was, besloten heeft wat Hij ten aanzien van elk onzer zou doen, en dat Hij door verborgen oordeel een iegelijk het zijne toegevoegd heeft. Maar de Schrift pleegt somtijds deze drie graden te stellen, te weten, de eeuwige voorbeschikking Gods, de verordening van moeders buik aan, en de roeping, welke de vrucht en vervulling dier beide is. Jer. 1 spreekt de Heere een weinig anders dan de woorden van Paulus luiden; nochtans komt de zin overeen: Eer Ik u maakte Jelquot;-1:5-in den buik, heb Ik u gekend; eer gij uit den buik kwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u tot een profeet den heidenen gegeven.
Want God had ook Paulus tot het apostelambt geheiligd, eer hij gegenereerd was, gelijk Hij Jeremia gedaan had tot het ambt van profeet. Maar hier wordt Hij gezegd wederom ons van den buik aan af te zonderen, omdat wij tot dit einde geboren worden in de wereld, dat Hij in ons volbrenge, wat Hij verordend heeft. En de roeping wordt tot hare bekwame gelegenheid uitgesteld, als God ons bekwaam heeft gemaakt om het ambt te volbrengen, dat Hij ons gebiedt. Men kan dus de woorden aldus verklaren: Als het Gode behaagd heeft zijnen Zoon door mij te openbaren, die mij geroepen heeft, gelijk Hij mij tevoren had afgezonderd. Want hij heeft willen te kennen geven, dat zijne roeping hangt aan de verborgene verkiezing Gods: en dat hij niet daarom tot apostel verordend is, omdat hij door eigen vernuft zich tot zulk een groot
23
GALATEN 1 ; 15, 16.
ambt bereid heeft, of omdat God hem bekwaam gevonden heeft om hem zulk een ambt op te leggen, maar omdat hij, eer hij geboren werd, door den verborgen raad Gods daartoe verordend was. Want alzoo pleegt hij de oorzaak zijner roeping aan het genadige welbehagen Gods toe te schrijven: hetwelk men naarstig moet aanmerken. Want wij worden daaruit geleerd, dat men der genade Gods moet toeschrijven, niet alleen dat wij uitverkoren en aangenomen zijn tot het eeuwige leven, maar ook dat Hij waardig acht onzen arbeid te gebruiken, daar wij anders ganschelijk onnut zijn, dat Hij ons een behoorlijke roeping geeft, waarin wij ons oefenen. Want wat kon Paulus, nog niet geboren zijnde, hebben dat zulk eene groote eer waardig was? Zoo moet men het dan aldus nemen, dat dit alles Gods gave is en niet door onszelven verkregen, dat wij geroepen zijn om zijn gemeente te regeeren. Dat voorts sommigen scherpzinnig philosopheeren over het woord afzonderen, zij doen dat zonder reden, en ontijdig. Want God wordt niet gezegd ons af te zonderen, omdat Hij ons eenige hebbelijkheid instort, waardoor wij van andere menschen zouden onderscheiden zijn, maar als Hij ons door zijnen raad ergens toe verordend. En hoewel hij zijn roeping nu openlijk genoeg aan de genade Gods toegeschreven had, als hij die vrijwillige afzondering van des moeders buik aan tot een begin en oorsprong daarvan heeft gesteld, zoo drukt hij het toch wederom bijname uit, eensdeels opdat het prijzen der genade Gods hem zuivere van alle vermoeden van ijdelen roem, en anderdeels om zijn dankbaarheid jegens God te bewijzen. Want hij pleegt dat gaarne te doen, ook als hij geen twisting heeft met de valsche apostelen.
16 Zijnen Zoon mij te openbaren. Indien men leest: Door mij te openbaren, zal het einde des apostelambts dit zijn, Christus openbaar te maken. Hoe ? Door Hem te verkondigen onder de heidenen, hetwelk de valsche apostelen hem tot schande rekenden. Maar dewijl in het Grieksch staat: Zijnen Zoon te openbaren in mij, zoo acht ik dat het een Hebreeuwsche wijze van spreken is voor: Mij te openbaren; want bij de Hebreen is de letter, die in beteekent, dikwijls overbodig, wat hun genoeg bekend is, die in die taal ervaren zijn. Zoo zal dan de zin zijn: Dat Christus aan Paulus geopenbaard is, niet opdat hij alleen zijn kennis zou gebruiken, en stilzwijgend Hem in zijnen boezem houden: maar opdat hij Hem hebbende leeren kennen, onder de heidenen zou prediken. Ik heb terstond niet geraadpleegd. Wat de beduiding dezer woorden vleesch en bloed aangaat, hij heeft enkel alle menschelijke raadslagen willen uitsluiten: want hij begrijpt hier alle menschen in 't gemeen, en al hunne voorzichtigheid en beleid, gelijk terstond uit het vervolg zal blijken. Ja, hij beduidt bijname de apostelen, en dat daarom, opdat de onmiddellijke roeping Gods helderder schittere. Zoo heeft hij dan op de autoriteit Gods alleen betrouwende, en daarmede tevreden, zich tot het predikambt aangegord. Noch ben wederom te Jeruzalem gekomen. Dit is een verklaring van de naastvoorgaande uitspraak, en tevens een verheffing, alsof hij zeide: Ik heb niemand der menschen als auteur begeerd, ja zelfs de apostelen niet. Zoo falen dan die meenen, dat de apostelen niet begrepen worden onder de woorden, vleesch en bloed, omdat hij hen nu bijzonder noemt: want hij zegt niets nieuws noch
24
25
iets anders daarbij, maar verklaart alleen duidelijker, wat duister gezegd was. Want hij lastert de apostelen niet, als hij hen aldus noemt; want om te bewijzen, dat hij niet door menschen gedreven geweest is, moest hij om den valschen roem der boeven, ook de apostelen zei ven tegen God overstellen. Waar nu het schepsel met God vergeleken wordt, geschiedt het geen onrecht, hoe verachtelijk en verworpen de namen ook zijn, waarmede het vernederd wordt.
17 Maar ik ben gegaan naar Arable. Deze drie jaren is Lukas in de historie van de Handelingen der Apostelen voorbijgegaan,
gelijk hij ook vele andere dingen niet verhaalt. Daarom is het een'
flauwe beschuldiging dergenen, die hier eenigen schijn van tegenstrijdigheid zoeken. Voorts zullen de godzalige lezers overwegen, hoe zwaar Paulus terstond in het begin van zijn ambt is verzocht geweest. Die daags tevoren eershalve met een schitterend gevolg naar Damascus gezonden was, die wordt nu gedwongen als een balling in een vreemd land te dwalen: en nochtans geelt hij den moed niet verloren.
18 Daarna ben ik na drie jaren. Hij is eerst in het derde jaar,
nadat hij het apostelambt verkregen had, te Jeruzalem gekomen:
zoo is hij dan niet begonnen van der menschen roeping. En evenwel zegt hij, opdat hij niet zou schijnen manieren te hebben, afgezonderd van de anderen, en daarom hunne tegenwoordigheid te vlieden,
dat hij te Jeruzalem gekomen is om Petrus te zien. Ofschoon hij derhalve in het aannemen van zijn ambt, hun autoriteit niet verwacht had, zoo heeft hij toch niet tegen hunnen wil maar met hun bewilliging en goedkeuring, de eer van het apostelambt gehouden:
dit is het wat hij wil zeggen, dat hij nooit vreemd is geweest van de andere apostelen, en dat hij tot dezen tijd toe goed met hen overeenkomt. Hij geeft den korten tijd te kennen, dien hij daar geweest is, om te bewijzen dat hij niet om te leeren daar gekomen was, maar alleen om onderling met elkander te spreken. Op ditzelfde doelt ook wat hij daarbij voegt, dat hij niemand anders gezien heeft, te weten, dewijl hij ergens anders heentrekkende daar alleen doorreisde.
19 Uitgenomen Jakobus. Men moet zien wie deze Jakobus geweest is. De ouden komen meest allen daarin overeen, dat het een uit de discipelen geweest is met den toenaam Oblias en Justus,
welke opziener was van de gemeente te Jeruzalem. Hoewel anderen meenen, dat het een zoon van Jozef geweest is uit een andere vrouw. Nog anderen meenen (wat waarschijnlijker is) dat het een volle neef van Christus uit zijn moeders zuster geweest is. Maar dewijl deze onder de apostelen gerekend wordt, zoo deel ik die meening niet. Want de uitvlucht van Hieronymus is van geene waarde, dat de naam apostel somtijds van de twaalven op anderen overgedragen wordt: want hier wordt van de hoogste waardigheid gesproken; en wij zullen hooren, dat dezelfde weinig hierna onder de voornaamste pilaren gerekend is. Daarom acht ik het verreweg waarschijnlijker, dat het Alpheus' zoon is van wien hij spreekt.
Het is gelooflijk, dat de anderen in verscheidene landen verstrooid waren: want zij zaten niet op e'éne plaats ledig. En hoewel Lukas verhaalt, dat Paulus door Barnabas tot de apostelen geleid was, zoo Hand. 11; 15. moet men dat niet verstaan van de twaalven, maar alleen van deze
twee, die toen alleen te Jeruzalem waren.
GALATEN 1 : 20 -24.
20 Nu wat ik u schrijf. Deze bevestiging strekt zich uit tot het gansche verhaal en bewijst hoe ernstig Paulus over deze zaak gesproken heeft, dat hij een eed daarbij voegt, welken men niet behoort te gebruiken, dan in zwaarwichtige zaken. En het is geen wonder, dat hij zoo sterk daarop staat: want wij hebben boven gezien wat de bedriegers zochten, hem den naam en de eer van apostel te onttrekken. Voorts moeten wij de eedsformulieren aanmerken, die de heiligen gebruiken, opdat wij verstaan, dat door den eed niets anders gezocht wordt, dan dat wij de trouw en waarheid onzer woorden en daden voor het oordeel Gods trekken, welke handeling door de vreeze Gods bestuurd moet zijn.
22 Ik was van aangezicht onbekend. Ik acht, dat dit hier bijgevoegd is, om de kwaadwilligheid en boosheid zijner lasteraren te meer te verheffen. Want indien de joodsche gemeenten door het gehoor alleen bewogen werden om Gode eere te geven, dat Hij zoo wonderlijk in Paulus gewrocht had, hoe onbehoorlijk is het, dat zij die zijne wonderlijke krachten uit de vruchten klaarlijk zien, hetzelfde niet doen? Indien voor degenen, die in Judea waren, het gerucht alleen genoeg was, waarom zijn deze niet tevreden met het aanschouwen der dingen? Hij wordt gezegd het geloof verwoest te hebben, niet omdat het geloof in zichzelf overwinbaar is, maar omdat hij het in de zwakke menschen verwoestte. Bovendien wordt meer op het pogen gezien dan op de uitkomst.
24 Zij verheerlijkten God in mij. Dit was een klaar teeken, dat zijn dienst door al de gemeenten in Judea goedgekeurd werd: en alzoo goedgekeurd, dat zij met verwondering en lof erkenden de uitnemende kracht Gods. Alzoo berispt hij bedektelijk de kwaadwilligen, dat zij door hunne nijdigheid en valsche beschuldigingen slechts dit uitwerken, dat zij de eere Gods verduisteren, welke de apostelen bekend en openlijk beleden hadden in het apostelambt van Paulus te schijnen. Ondertusschen wordt ons hier echter als in 't voorbijgaan de regel voorgeschreven, hoe wij de heiligen des Heeren behooren hoog te achten. Want wij zijn zoo verdraaid of ondankbaar of tot bijgeloof geneigd, dat wij als Goden eeren, die wij met Gods gaven zien versierd, ongedachtig van wien zij het ontvangen hebben. Zoo worden wij te dezer plaatse vermaand, de oogen meer op den Auteur en Gever zeiven te slaan, opdat wij Hem toeschrijven wat Hem toekomt; en tevens worden wij geleerd, dat het een stof geweest is om God te prijzen, dat Paulus van een vijand en wederpartij een dienaar der gemeenten geworden was.
26
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 Daarna ben ik, na veertien jaren, weder opgegaan naar Jeruzalem met Barnabas, en heb ook Titus medegenomen.
2 En ik ben opgegaan volgens eene openbaring, en handelde met hen over het Evangelie, dat ik predik onder de heidenen; en bijzonder met degenen, die in waarde waren, opdat ik niet eenigs-zins tevergeefs zou loopen, of geloopen hebben.
3 Maar zelfs Titus, die met mij was, hoewel hij een Griek was, werd nochtans niet gedwongen besneden te worden.
Hand. 19:21.
Hand. 16: 3. 1 Cor. 9:21.
GALATEN 2:1.
4 Om de valsch.e broeders, die bedektelijk ingekomen waren, om Uand. is: 24. de vrijheid, die wij in Christus Jezus hadden, te bespieden, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid dwingen.
5 Denwelken wij zelfs niet één uur tijds hebben geweken door onderworpenheid, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven.
iquot;V Ta veertien jaren. Nauwelijks zou iemand als zeker kunnen I \ uitmaken, of hij die reis meent, die Lukas vermeldt, Hand.
^ 15 ; 2. Ja het verband der historie brengt ons eer op de tegengestelde zijde. Want daar wordt verhaald, dat Paulus viermaal te Jeruzalem is gekomen; van de eerste komst hebben wij reeds gesproken; de tweede komst was, toen hij aalmoezen in de Grieksche en Aziatische gemeenten verzamelde, met Barnabas heeft overgedragen; gelijk wij hebben in het einde van het twaalfde hoofdstuk; en Hand. 12:25. vele redenen dringen mij, dat ik de tegenwoordige plaats liever van die reis versta: want anders moest een van beide verhalen wat valsch zijn. Bovendien is deze gissing waarschijnlijker, dat Petrus te Anti-ochië berispt is, toen Paulus te Antiochië woonde, en dit was eer hij door de gemeenten te Jeruzalem gezonden was, om den twist te eindigen, die over de ceremoniën gerezen was. Bovendien is het niet waarschijnlijk, dat Petrus zoodanige veinzing zou gebruikt hebben, indien het bekende geschil geëindigd, en het besluit der apostelen publiek gemaakt was geweest. En hier schrijft Paulus, dat hij te Jeruzalem is gekomen, en voegt daarna er bij, dat hij de veinzing van Petrus bestraft heeft, van welke hij zeker zich nimmer zou bediend hebben, dan in twijfelachtige dingen. Bovendien zou hij die reis, die hij met gemeene bewilliging der geloovigen ondernomen had, nauwelijks aangeroerd hebben, zonder de oorzaak te melden, en met verzwijging der uitkomst, die zoo merkwaardig was.
En het staat niet eens genoegzaam vast, in welken tijd de zendbrief geschreven is: maar de Grieken gissen, dat hij uit Rome, en de Latijnen dat hij uit Efeze gezonden is. Doch ik ben van meening,
dat hij niet alleen geschreven is, eer Paulus Rome gezien had, maar eer de raad was gehouden, en de apostelen uitspraak over de ceremoniën gedaan hadden. Want dewijl de tegenpartijders den naam der apostelen valschelijk voorwendden, en hun uiterste best deden, om Paulus te bezwaren, hoe groote onachtzaamheid zou het geweest zijn, het besluit voorbij te gaan, dat alom bij allen verbreid was, en door hetwelk zij wonden ontvingen? Voorwaar dit eene woord had hun den mond gestopt: Gij werpt mij de apostelen tegen, maar een iegelijk weet wat die geoordeeld hebben: daarom houd ik u overtuigd van een onbeschaamden leugen. De noodwendigheid van de wet te onderhouden, legt gij als door der apostelen bevel den heidenen op: maar zij hebben daarover een brief geschreven, waarmede zij de conscientiën daarvan bevrijden.
Hier komt nog bij, dat hij in het begin de Galaten berispte, dat zij zoo haastig afweken van het Evangelie, dat hun geboden was.
Nu kan men lichtelijk verstaan, dat er sedert zij tot het Evangelie gebracht waren, eenige tijd gelegen heeft, eer die strijd over de ceremoniën gerezen was. Voorts, de veertien jaren versta ik niet van de eene reize tot de andere, maar dat de telling altijd begint
27
GALATEN 2:1, 2.
van de bekeering van Paulus aan. Alzoo liggen er elf jaren tusschen de beide reizen.
2 Ik ben opgegaan volgens eene openbaring. Hier bewijst hij nu zijn apostelambt niet alleen met werken, maar ook met eene Goddelijke openbaring. Want dewijl God die reis bestuurde, wier oorzaak was de bevestiging zijner leer, zoo wordt zij nu niet alleen door de overeenstemming der menschen, maar ook door de autoriteit Gods bevestigd: en dit behoorde overvloedig genoeg te zijn, om de halsstarrigheid dier menschen te breken, die Paulus bezwaarden door de namen der apostelen hem tegen te werpen: want hoewel er tevoren eenige reden was om te twisten, toen was, door God daartusschen gesteld de sententie, alle geschil weggenomen. Ik handel met hen. Ten eerste moet men aanmerken het woord handelen: want zij gebieden hem niet wat hij behoort te leeren, maar hij verhaalt wat hij geleerd heeft, opdat zij daarin bewilligen, en die leer bevestigen. En dewijl de tegenstanders hadden kunnen tegenwerpen, dat hij de gunst der apostelen gezocht had, met vele dingen listig door de vingeren te zien, zoo drukt hij met name uit, dat hij met hen gehandeld heeft van het Evangelie, gelijk hij dat onder de heidenen predikte; waarmede hij alle vermoeden van bedrog en zoeking van uitvluchten wegneemt. Wij zullen zien wat eindelijk gevolgd is: want de apostelen rekenden hem niet tot zonde, dat hij zonder hun bevel begonnen was, maar zij hebben zonder twijfelen of beklagen goedgeacht wat hij gedaan had, en dat door het ingeven van denzelfden Geest,quot; door wien Paulus tot hen was gekomen. Hij is dus niet door hen als apostel verkoren, maar als apostel erkend; maar hierover zal naderhand gesproken worden. Opdat ik niet eenigszins. Hoe dan? zal de waarheid Gods vallen, indien zij niet op het getuigenis der menschen steunt? Maar ofschoon de gansche wereld ongeloovig is, zoo blijft toch de waarheid Gods zeker en ongeschonden; en zij doen geen vergeefschen arbeid, die op het bevel Gods het Evangelie leeren, al is het dat zij door hun arbeid geen vrucht voortbrengen; en de woorden van Paulus strekken ook niet hiertoe, maar omdat de dienst des Woords voor de twijfelachtige conscientiën onnut is, wat den menschen aangaat. Tevergeefs loopen, wordt gesteld voor onnuttelijk arbeiden, wanneer er zulke stichting niet volgt als het behoort. Voorts was dit een sterke stormram om de zwakke conscientiën te verslaan, als de bedriegers logen,, dat de leer, die Paulus predikte, met de leer der apostelen strijdig was, zoodat velen verflauwden. De zekerheid des geloofs hangt niet aan de overeenstemming der menschen. Ja, wij moeten veeleer zóó in de bloote waarheid Gods rusten, dat noch menschen noch engelen te gader ons daar af kunnen trekken. Doch den ongeleerden, en die nauwelijks eenigen smaak van de gezonde leer hebben, haar nog niet ganschelijk in hart en merg hebben ingedronken, is deze verzoeking nauwelijks verdragelijk, als zij hooren, dat de voornaamste leeraars onder elkander oneens zijn. Ja, de duivel verslaat somtijds ook de sterken met dit argument, als hij den strijd en twist voorwerpt van hen, die vooral behoorden een en hetzelfde te gevoelen en te spreken. Het is nauwelijks te zeggen, hoe velen van het Evangelie verachterd zijn, en hoe veler geloof geschokt is, door den ongelukkigen strijd over het lichaam van Christus in het nachtmaal, omdat zij de voornaamste mannen
28
29
zoo vijandig zagen strijden over eene zoo groote zaak. Wederom is de eendracht van alle geleerden geen klein hulpmiddel, om het geloof te bevestigen. Zoo dan, dewijl de duivel door zulk een list, den loop des Evangelies zocht te verhinderen, zoo heeft Paulus hem willen tegengaan: want nadat het openbaar werd, dat hij met alle apostelen wel overeenkwam, zoo is de verhindering terstond weggenomen, en de harten der ongeleerden zijn door geen wankeling meer beroerd, wien zij behoorden te volgen. Het is dus dit wat hij zegt: Opdat de arbeid tevoren gedaan, niet verloren zou gaan, en opdat ik voortaan niet zonder vrucht voortging, zoo heb ik die twijfeling weggenomen, welke velen beroerden, te weten, of zij mij dan wel Petrus behoorden te gelooven: want wij hebben beiden eendrachtig omhelsd, wat ik altijd geleerd heb. Indien vele menschen heden ten dage de stichting zoozeer zochten als Paulus deed, zij zouden zorgvuldiger zijn om onderling overeen te stemmen.
3 Maar zelfs Titus. Hij bewijst met een ander argument, dat de apostelen niets anders gevoelen dan hij. Want hij had een onbesneden mensch tot hen gebracht, welken zij niet aarzelden voor hunnen broeder te erkennen. Hij voegt de reden erbij, waarom hij niet besneden is: want dewijl de besnijdenis een middelmatige zaak was, zoo kon men ze gebruiken of nalaten tot stichting. Want men moet altijd dien regel houden: Ofschoon alle dingen ons geoorloofd zijn, zoo moeten wij nochtans zien wat nut is. Daarom heeft hij Timotheus besneden, opdat zijn voorhuid den zwakken geen ergernis zou zijn: want hij handelde toen met de zwakken, welke hij moest sparen. En hij zou gaarne hetzelfde met Titus gedaan hebben, dewijl hij nimmermeer vermoeid was om de zwakken te dragen. Maar de reden was onderscheiden: want sommige valsche broeders zochten aanleiding om zijn leer te lasteren, die dit gerucht dadelijk zouden verbreid hebben: Ziedaar die koene beschermer der vrijheid, als hij onder het oog der apostelen komt, legt hij dien kloeken geest en die fierheid af, waarmede hij onder ongeleerden opgeblazen is. Gelijk wij ons naar de zwakken behooren te voegen, alzoo moeten wij de boozen sterk wederstaan, die willens lagen leggen om onze vrijheid te krenken. Want de werken der liefde moeten het geloof niet schaden: dus zal de liefde de allerbeste regeerster wezen in de middelmatige dingen, indien men maar altijd voornamelijk op het geloof ziet.
4 Om de valsche broeders die. Hier kan tweeërlei zin zijn, te weten, dat hij niet is besneden geweest, hoewel de valsche broeders dat ongeschiktelijk begeerden, en hem daartoe wilden dwingen; of, dat Paulus met opzet Titus niet besneden heeft, omdat hij zag, dat zij dat terstond tot oorzaak van lastering zouden getrokken hebben. Want te dezer oorzaak hadden zij zich in het gezelschap van Paulus gedrongen, opdat zij een van beide zouden doen, te weten, dat zij der Joden haat tegen Paulus verwekten, zoo hij de ceremoniën onbeschroomd verachtte, of dat zij terstond over hem triumfeerden bij de heidenen, alsof hij met schaamte zijn leer herroepen had, zoo hij zich gansch en al van de vrijheid onthouden had. Hij zegt, dat hij niet is gedwongen, opdat de lezers verstaan, dat de besnijdenis op zichzelve niet veroordeeld wordt, alsof het een booze zaak ware, maar dat het geschil was, of men ze noodzakelijk moest onderhouden; alsof hij zeide: Ik zou bereid geweest zijn hem te besnijden, zoo
GALATEN 2:4, 5.
de handeling niet over een groote zaak geweest ware. Want zij wilden ze als een wet opleggen, en zulk een dwang moest hij geen plaats geven.
5 Denwelken wij zelfs niet één uur tijds. Deze standvastigheid was een zegel van Paulus' leer. Want dewijl de valsche broeders hem wilden dringen, die niets anders zochten dan hem te beschuldigen, en hij daartegen onverschrokken stond, zoo nam hij alle twijfeling voor het vervolg weg. Want men kon hem nu niet beschuldigen dat hij de apostelen bedrogen had. Zoo zegt hij dan, dat hij zelfs niet ée'n ure hun geweken heeft met onderwerping; dat is, op de wijze der onderwerping, zoodat dit werk als het ware een bewijs was, dat de vrijheid overwonnen was; anders was hij altijd tot het einde zijns levens bereid, met zachtmoedigheid en verdraagzaamheid hun te wijken. Opdat de waarheid van het Evangelie. Er was geen gevaar, dat Paulus van zijne vrijheid zou beroofd worden, al had hij zich ook aan anderen onderworpen: maar dat voorbeeld zou anderen geschaad hebben. Zoo heeft hij dan wijselijk aangemerkt wat nut was. Aldus zien wij, hoe ver men de ergernis moet mijden, en wat men altijd in middelmatige dingen moet aanzien, te weten, de stichting. De inhoud is, dat wij der broederen dienstknechten zijn, doch tot dit einde, dat wij allen te zamen den Heere dienen, en dat de conscientiën hare vrijheid onverlet behouden; want omdat de valsche broeders de godzaligen tot dienstbaarheid wilden dwingen, moest men hun niet gehoorzaam zijn. De waarheid des Evangelies moet men hier nemen voor zijne aangeboren zuiverheid, of, wat hetzelfde is, voor de zuivere en ongeschonden leer des Evangelies: want de valsche apostelen maakten het Evangelie niet ganschelijk teniet, maar vervalschten het met hunne verdichtselen, alzoo dat het reeds begon een verdicht en geveinsd Evangelie te zijn, gelijk het altijd is, wanneer wij maar een weinig van de eenvoudigheid van Christus afwijken. Met wat aangezicht zullen dan de papisten roemen, dat zij het ware Evangelie hebben, dewijl het niet alleen door vele verdichtselen geschonden, maar ook door vele goddelooze leeringen meer dan vervalscht is ? Laat ons daarom bedenken, dat het niet genoeg is, den naam van Evangelie en eenig hoofdpunt daarvan te hebben, indien ook zijn zuiverheid niet geheel en ongeschonden blijve. Waar zijn ze nu die door schoonschijnende gematigdheden ons met de papisten willen vereenigen ? alsof het geoorloofd ware, van de leer der religie gelijk van geld of landgoed wat af te trekken. Wij zien hoe vreemd Paulus van zulk eene minnelijke schikking geweest is, dewijl hij zegt, dat het Evangelie niet waar is, als het niet zuiver is.
6 Van degenen, die schenen wat te zijn, (hoedanig zij eertijds geweest zijn gaat mij niet aan. God is geen aannemer van den persoon des menschen) want degenen, die schenen in waarde te zijn, hebben mij niets toegebracht.
7 Maar daarentegen, als zij gezien hadden, dat mij het Evangehe der voorhuid toehetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis.
8 (quot;Want die in Petrus krachtig geweest is tot het apostelschap der besnijdenis, die is ook krachtig geweest in mij onder de heidenen;)
30
Deut. 10; 17. 2 Kron. 19:7. Job 34:19. Boek der Wijsh. 6: 8. Eccl. 35:16. Hand. 10:34. Rom. 2:11. Ef. 6:9. Col. 3:25. 1 Petr. 1:17. Hand. 9:15; 13:2; 22:21. Gal. 1:16. Ef. 3:8.
GALATEN 2 :6.
9 En als Jakobus, ea Cél'as, en Johannes, die schenen pilaren te zijn, de genade die mij gegeven was, bekend hadden, zoo gaven zij mij en Barnabas de rechterhand, tot een teeken der gemeenschap, opdat wij onder de heidenen, en zij onder de besnijdenis het apostelschap zouden bedienen.
10 Alleenlijk dat wij den armen zouden gedachtig zijn: waarin ik Hand.ll;30; ook naarstig geweest ben om dat zelf te doen. ⢠Eom7!l5-25
C -KT Jt J' lt; 1 COr* 16 :1*
o Van degenen, die schenen. Paulus is nog niet tevreden, tenzij 2 Cor- 8:15 de Galaten ook weten, dat hij van Petrus en van de apostelen niets 9:1' geleerd heeft. Dit is oorzaak, dat Porphyrins en Julianus den heiligen apostel _ van hoovaardigheid beschuldigen, omdat hij zich zooveel aanmatigt, dat hij niet van de anderen wil leeren: omdat hij roemt dat hij zonder meester of helper leeraar is geworden, en omdat hij zoozeer arbeidt om de minste niet te zijn. Maar een iegelijk, die overwegen zal hoe noodzakelijk deze roem geweest is, zal erkennen, dat hij heilig en zeer loffelijk is geweest. Want indien hij den tegenstanders dit toegegeven had, dat hij iets van de apostelen geleerd had, zoo zou hij hun twee redenen tot lastering gegeven hebben; want zij zouden terstond gezegd hebben, gij hebt eindelijk iets geleerd, om te beteren wat gij tevoren gezondigd hadt,
en uwe voeten van den onbezonnen voortgang terug te trekken.
Alzoo zou vooreerst de geheele leer des voorgaanden tijds verdacht zijn geweest, en de stichting verstoord zijn, daarna zou hij voor het vervolg minder autoriteit gehad hebben: want men zou hem voor een gewonen discipel gehouden hebben Zoo zien wij dan dat hij niet zoozeer om zijns zelfs wil als wel uit nood om de leer te bevestigen, zich tot deze heilige roeming verheft. Hier is geen strijd van eerzucht, want hier wordt niet gehandeld over personen,
maar Paulus wilde niet, dat zijn apostelschap door den luister van eenig mensch verduisterd werd, waaraan tevens de autoriteit der leer hing. En indien het niet genoeg is om die honden te bedwingen, zoo wederlegt hij nochtans overvloedig hun bassen. Hoedanig zij eertijds geweest zijn. Deze woorden moet men op zichzelven lezen: want hij heeft dezen tusschenzin er doen invloeien, opdat de lezers zouden weten, dat hij niet vraagt naar de achting der menschen. Voorts, deze plaats wordt verscheidenlijk uitgelegd. Am-brosius meent, dat Paulus hier in 't voorbijgaan doorhaalt, die om hem te drukken de apostelen tegen hem stelden, alsof hij zeide:
Zou ik hiertegen niet kunnen voortbrengen, dat zij arme ongeleerde menschen geweest zijn, die niets konden dan visschen, en ik ben van kindsaf door mijn meester Gamaliel wel onderwezen en geleerd. Maar ik laat dit varen: want ik weet dat het uiterlijke aanzien bij God niet geldt. Chrysostomus en Hieronymus nemen het harder, alsof hij zijdelings ook de eerste apostelen dreigde in dezen zin: Hoedanig zij zijn, zij zullen het oordeel Gods niet ontvlieden,
zoo zij afwijken van hetgeen zij behooren te doen, zij zullen door de waardigheid van hun ambt, of door de waardigheid der menschen niet bevrijd worden. Maar mij schijnt deze uitlegging eenvoudiger toe en beter overeenkomende met den zin van Paulus, te weten, dat hij wel toegeeft, dat zij in orde van tijd de eersten geweest zijn, maar dat dit hem niet verhindert, ook nu meteen zijn graad te houden. Hij zegt niet, dat hij er niet naar vraagt, hoedanig
31
32
zij tegenwoordig zijn, maar hij spreekt van den voorleden tijd, in welken zij apostelen waren, en hij vreemd van het geloof van Christus. Kortom, hij wil niet dat wij uit den voorleden tijd waardeering maken, noch dat dit spreekwoord zou gelden; Dat meer recht heeft, die naar den tijd eerst is. Van den persoon des men-schen. Behalve de uitleggingen, die ik reeds voortgebracht heb, heeft deze derde ook eenigen schijn, dat de persoon, dat is, uitwendige schijn, plaats heeft in de staatkunde der wereld: maar in het geestelijke rijk van Christus moet die niet zijn. Dit wordt be-hagelijk gezegd; maar van de wereldsche staatkunde is sprake, als Deut.io:i7. de Heere zegt: Gij zult den persoon in het oordeel niet aannemen.
Maar ik wil op deze redeneering niet ingaan, omdat zij met de tegenwoordige plaats niets van doen heeft: want Paulus verstaat eenvoudig dat die graad van eer, waartoe de apostelen gekomen waren, hem niet verhinderd heeft door God geroepen te worden, en uit niet, onverwachts hun gelijk te worden: want hoewel er een groot onderscheid was, dat dit nochtans bij God niet gegolden heeft, die geen aannemer des persoons is, en wiens roeping aan geene vooroordeelen onderhevig is. Maar het kon schijnen, dat hij dit ook zonder reden gezegd had, want ofschoon het waar is, dat men in de zaak des Heeren niet den persoon moet aanzien, (gelijk dit naarstig is te vermijden) wat gaat dit Petrus aan, en de andere apostelen, die niet naar het uiterlijke aanzien alleen eerwaardig waren, maar ook door ware heiligheid en geestelijke gaven? Want de persoon wordt gesteld tegen de vreeze Gods, en de goede consciëntie, Hand. 10:34, 35, en 1 Petr. 1 : 17; en dit is een gewoon gebruik der Schrift. Nu, de apostelen hadden de voornaamste genade en eer vanwege hunne godzaligheid, rechten ijver, heiligheid, en andere dergelijke gaven: en Paulus spreekt hier alzoo met verachting van hen, alsof in hen niets anders geweest was, dan de uitwendige bedriegelijke schijn. Ik antwoord, dat Paulus hier de apostelen niet schat naar hun eigen waarde, maar volgens de ijdele roeming zijner tegenstanders; want om hun ijdelen rook te beter te verkoopen, hebben zij met vollen mond de namen van Petrus, Jakobus en Johannes voorgeworpen, en den eerbied, die hun van de gemeente geschiedde, hebben zij eerzuchtig misbruikt, om Paulus verachtelijk te maken. Zoo handelt dan Paulus hier niet hoedanig de apostelen zijn, noch ook wat gevoelen hij van hen heeft, buiten dezen twist; maar hij wederlegt dien uitwendigen schijn, dien de valsche apostelen tegenwierpen. Zoo dan, gelijk hij later over besnijdenis zal handelen niet overeenkomstig zijn eigen gevoelen, maar volgens de valsche en ongoddelijke meening, welke de bedriegers daaraan gehecht hadden; alzoo verkondigt hij ook nu van de apostelen, dat die uitwendige schijn bij God niet geldt, waarmede zij in de wereld blonken; en dit blijkt uit de woorden: want waarom achtten zij de andere apostelen boven Paulus? omdat zij vóór hem geweest waren; dit was louter schijn. Anders heeft hen Paulus zonder twijfel naar zijn bijzondere bescheidenheid van harte hooggeacht, en de gaven Gods in hen omhelsd, die op een andere plaats van-i Cor. is; 9. zelf bekent, dat hij de minste onder de apostelen is, en dat hij onwaardig is in een zoo voortreffelijke rij der apostelen gerekend te worden. Zjj hebben my niet toegebracht. Men kon het ook aldus stellen; Zij hebben met mij niet gewandeld; want het is hetzelfde
GALATEN 2:6, 7.
woord, dat hij boven tweemaal geplaatst heeft. Doch de zin is zeker,
te weten, dat de apostelen het Evangelie van Paulus gehoord hebbende, het hunne daartegen niet hebben gesteld (gelijk men pleegt te doen, wanneer men wat beters en volmaakters heeft), maar dat zij met zijn verklaring tevreden, eenvoudig en zonder uitstel zijn leer hebben omhelsd. Alzoo is er zelfs niet ée'n woord veranderd,
gelijk in een zaak, waar geen twijfel aan is. Nochtans niet alzoo, dat Paulus, alsof hij uitnemender ware, het voorspreken aangenomen heeft, gelijk degenen, die aan anderen wijze en vorm vóórzeggen:
maar hij heeft zijn geloof verklaard, nopens hetwelk een kwaad gerucht gerezen was, en zij hebben het met hunne instemming goedgekeurd.
7 Maar daarentegen â zij gaven mü de rechterhand. Zoo hebben zij dan aan zijne leer getuigenis gegeven, en dat zonder uitzondering, want zij hebben niets daartegen aangevoerd, gelijk het in betwiste punten pleegt te geschieden, en hebben met hem hetzelfde Evangelie beleden, ja hem voor hunnen metgezel erkend. Bovendien was de conditie van deze gemeenschap, dat zij de ambten onder elkander deelden, zoo waren zij dan gelijk, en in Paulus was geene onderworpenheid. De rechterhand der gemeenschap geven,
beduidt hier: In een gemeenschap verbonden zijn. Toen zy gezien hadden, dat my betrouwd was. Hij ontkent, dat de apostelen hem hierin dienst gedaan hebben, dat hij door hun bewilliging of toelating apostel geworden is: maar hij zegt, dat zij hem de eer des apostelambts gelaten hebben, opdat zij niet wegnamen wat hem God gegeven had. Hij drukt altijd hierop, dat hij door Gods gave en ordening tot apostel gekozen is; maar hier voegt hij er bij, dat hij door de apostelen zeiven daarvoor erkend is; hieruit volgde, dat die boeven zochten te doen, wat de apostelen niet hadden durven doen,
opdat zij de verkiezing Gods niet wederstonden. En hier begint hij zich toe te schrijven, wat hij eigen en bijzonder had boven de anderen, te weten, het apostelschap der voorhuid: want hierin was hij en Barnabas van de andere apostelen onderscheiden, dat zij apostelen waren voor de heidenen verordend. Dit was door Goddelijke openbaring geschied, en dat dit vast stond hebben de apostelen niet alleen geduld, maar ook gewild, omdat het goddeloos was niet gehoorzaam te zijn. Zoo zien wij dan, hoe zij de ambten onder elkander gedeeld hebben volgens de openbaring, te weten, dat Paulus en Barnabas apostelen der heidenen zouden zijn, en de anderen der Joden. Maar dit schijnt te strijden tegen het bevel van Christus, mark. ig; 15. waarin aan de twaalven bevolen wordt, te gaan in de gansche wereld. Ik antwoord, dat hierdoor niet elk hunner daartoe verbonden wordt,
maar dat het einde van hun ambt in 't gemeen beschreven wordt,
te weten, dat de zaligheid aan alle heidenen moet verkondigd worden door de leer des Evangelies. Want het is openbaar, dat de apostelen nooit de wereld hebben doorgereisd; Ja, het is waarschijnlijk, dat nooit iemand uit de twaalven in Europa is gekomen. Want wat zij van Petrus zeggen, ik weet niet of het een fabel is; het is in elk geval zeer onzeker. Indien iemand tegenwerpt, dat toch de dienst van de apostelen zoowel den heidenen als den Joden gemeen is,
ik beken dat, naardat de gelegenheid strekte. Ik beken, zeg ik, dat elk apostel het ambt had om het Evangelie te verbreiden, zoowel onder de heidenen als onder de Joden. En zij hebben niet zóó onder
Di. m. 3
33
GALATEN 2 ; 7â9.
elkander verdeeld, dat zij grenzen daaronder stelden, die men niet mocht overschrijden, gelijk de koninkrijken, vorstendommen en heerschappijen plegen begrensd te worden. Want wij zien, dat Paulus waar hij kwam, gewoon was zijnen dienst eerst den Joden aan te bieden. Gelijk hij onder de heidenen een apostel en leeraar der Joden mocht zijn: alzoo was het den anderen geoorloofd, wie zij maar konden uit de heidenen tot Christus te brengen: gelijk Petrus Hand. io;i. dit recht gebruikt heeft jegens Cornelius en anderen. Maar dewijl de andere apostelen in dier landstreek waren, wier inwoners schier allen Joden waren, en Paulus door Azië, Griekenland, en andere verre landen reisde, hierom is hij bijzonder verordend tot een apos-Hand. 13:2. tel der heidenen. Ja, toen de Heere in deh beginne gebood, dat hij afgezonderd werd, wilde Hij, dat hij Antiochië en Syrië zoude ver-Hand. 22:21. laten, en over de zee in verre landen reizen, om den heidenen nut-^ Gai. i:i6; jjg te zjjn ^oo was dan zijn apostelschap gewoon onder de heide-Ef. 3:8. nen, en buitengewoon onder de Joden. Daarentegen hebben de anderen eigenlijk de Joden gehad, maar onder deze conditie, dat hun dienst, wanneer de gelegenheid zich aanbood, ook voor de heidenen zou openstaan: maar dit laatste was hun als het ware buitengewoon. Voorts, indien het apostelschap van Petrus bijzonder den Joden toekwam, zoo mogen de roomschen zien, met wat recht zij de opvolging van het primaat van Petrus tot zich trekken. Want indien de roomsche paus het primaat daarom zich toeschrijft, omdat hij Petrus' opvolger is, zoo moet hij dien voorrang over de Joden gebruiken. De heilige Paulus wordt hier de voornaamste apostel der heidenen genoemd: zij ontkennen, dat hij bisschop te Rome geweest is. Zoo dan, opdat hij eenig bezit van zijn voorrang geniete, laat hem gemeenten verzamelen uit de Joden: want het betaamt ons, dat wij dien als apostel erkennen, die door de verordening van den Heiligen Geest, en door de toestemming van het gansche apostolisch college ons gesteld is. Zoo wie dit recht op Petrus overdraagt, die vermengt de goddelijke en de menschelijke ordening. De wijze van spreken aangaande de woorden: besnydenis en voorhuid, is genoeg bekend, dat zij Joden en heidenen voorstellen.
8 Die krachtig geweest is. Hij zegt, dat het deel hetwelk hem toegedeeld is, terecht hem toekomt, dewijl de Heere zijn kracht in zijnen dienst bewezen heeft. En zulk eene openbaring der goddelijke kracht is als een zegel, om de zekerheid zijner leer te verzegelen, en zijn leerambt te bevestigen. Voorts is het onzeker, of hij de kracht Gods verstaat van het succes zijner prediking, of van de gaven des Heiligen Geestes, die toen den geloovigen gegeven werden. Ik versta haar niet van het bloote succes, maar van de geestelijke kracht, waarvan hij op andere plaatsen melding maakt. Uit alles volgt, dat het verdrag niet ijdel geweest is, hetwelk de apostelen onder elkander hadden, maar dat het een oordeel was van God verzegeld.
9 En als z|j de genade bekend hadden. Hiermede berispt hij en maakt hatelijk de trotsche opgeblazenheid van hen, die de genade Gods niet achtten, welke door de voornaamste apostelen met verwondering en eerbied aangezien werd: want hunne onachtzaamheid was niet te verdragen, zoo zij voorwendden niet te weten, wat de apostelen van den beginne aan bekend hadden. Hier worden wij vermaand, dat men ook de genade Gods plaats moet geven waar
34
'I-i f
I amp;
.1:
GALATEN 2 ; 9, 10.
zij ook gezien wordt, tenzij wij krijg willen voeren tegen den Heiligen Geest zeiven, die niet wil, dat zijne gaven ijdel zijn. De genade dus, die de apostelen zagen, dat aan Paul us en Barnabas gegeven was, verwekte hen om de gemeenschap in den dienst te bevestigen. Jakobus en Céfas. Ik heb boven reeds gezegd, dat deze de zoon van Alfeus is geweest: want hij kon de broeder van Johannes niet zijn, dien Herodes weinig tevoren gedood had, en Hiina. 12:2. dat het.een uit de discipelen geweest is, die zoo zeer uitstak boven de apostelen, zou naar mijn oordeel zeer ongerijmd zijn. En dat hij voornaam geweest is onder de apostelen, toont Lukas ook, die hem toeschrijft, dat hij de zaak, waarover gehandeld werd, in den raad bescheiden en besloten heeft. Hand. 15:13. En 21:18 verhaalt hij, dat alle ouderlingen der jeruzalemsche gemeente tot hem verzameld zijn geweest. Die schenen pilaren te zijn. Dat zegt hij niet uit verachting, maar hij verhaalt de algemeene meening: want daaruit volgt, dat men niet lichtelijk kan verwerpen wat zij gedaan hebben. Dewijl hier gehandeld wordt over waardigheid, zoo is het wonder, dat Jakobus boven Petrus wordt gesteld. Het is mogelijk geschied, omdat hij over de Jeruzalemsche gemeente gesteld was.
Wat het woord pilaren aangaat, wij weten, dat de natuur der dingen medebrengt, dat degenen, die door vernuft of voorzichtigheid,
of andere gaven uitmunten, ook de meeste autoriteit hebben. In de gemeente Gods gaat het alzoo, dat men iemand meerder eere moet bieden, naarmate hij meer gaven heeft. Want het is ondankbaarheid, ja goddeloosheid, als men den Geest Gods niet eert, waar hij ook in zijne gaven verschijnt. Bovendien, gelijk het volk niet zonder herder kan zijn; alzoo heeft elke vergadering der herders een leider noodig, maar altijd moet dit plaats hebben, dat degene, die de eerste is, als een dienaar zij.
10 Alleen dat wy de armen. Het schijnt, dat de broeders, die in Judea waren, zeer groote armoede hebben geleden, anders zouden zij andere gemeenten niet bezwaard hebben. Dit kon eensdeels gebeuren vanwege menigerlei rampen van het gansche volk, en deels omdat zij dagelijks van hunne goederen beroofd werden, dewijl hun eigen natie en geslacht hen wreedelijk vervolgde. En het was billijk,
dat zij door der heidenen hulp verlicht werden, dewijl zij het Evangelie, hetwelk een onwaardeerlijk goed is, van hen ontvangen hadden. Paulus zegt, dat hij getrouw volbracht heeft wat de apostelen van hem begeerd hadden. Zoo ontrukt hij dan aan de tegenstanders het voorwendsel, dat zij zochten.
11 En toen Petrus te Antiochië gekomen was, heb ik liem openlijk tegengestaan, omdat hij berispenswaanlig ') was. i) Of, be-
12 Want eer sommigen gekomen waren van Jakobus, at hij mede straflelijk-met de heidenen: maar toen die gekomen waren, onttrok liij
zich, en scheidde zich af van hen, vreezeude degenen, die uit de besnijdenis waren.
13 En de andere Joden veinsden ook met hem; alzoo dat ook Barnabas mede tot hunne veinzing gebracht werd.
14 Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid des Evangelies, zoo heb ik tot Petrus gezegd in aller tegenwoordigheid: Indien gij, die,een Jood zijt, naar der hei-Haiiii.i0:28.
35
GALATEN 2:11.
denen wijze leeft, en niet naar der Joden wijze, waarom dwingt gij de heidenen naar der Joden wijze te leven?
15 Wij die van nature uit de Joden, en niet zondaars uit de heidenen zijn;
HmcTil ⢠as' 16 quot;Wetende, dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de
Kom. 8:3! werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zoo
Hebr. 7:18. hebben wij ook in Jezus Christus geloofd, opdat wij uit het
geloof van Christus zouden gerechtvaardigd worden, en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vleesch zal gerechtvaardigd worden.
ii En toen Petrus. Zoo wie alle omstandigheden voorzichtig zal overwegen, zal (gelijk ik hoop) mij toestemmen, dat dit geschied is, eer de apostelen geoordeeld hadden, dat men de heidenen niet met de ceremoniën moest bezwaren. Want Petrus zou niet gevreesd hebben den ondank van Jakobus, of van anderen, die door hem gezonden waren, als het zoo door zijn sententie en oordeel verordend was. Voorts, Paulus gaat nu verder, te weten, dat hij zijn Evangelie beschermd heeft tegen de veinzing van Petrus. Hij heeft ten eerste gezegd, dat de zekerheid van zijn Evangelie niet hangt aan Petrus en de apostelen, dat het naar hun goeddunken zou staan of vallen. Ten andere, heeft hij gezegd, dat het is bevestigd geweest door allen zonder eenige uitzondering of weerspraak, en voornamelijk door hen, die naar aller eendrachtig gevoelen de voor-naamsten waren. En nu (gelijk ik gezegd heb) gaat hij verder, te weten, dat Petrus door hem berispt is, omdat hij tot de tegenovergestelde zijde neigde, en door deze aanleiding komt hij tot de behandeling der zaak zelve. Hieruit is het openbaar, hoe vast en zeker zijn leer geweest is, welke zij niet alleen gewillig toegelaten en bevestigd hebben: maar die hij standvastiglijk tegen Petrus bevestigd heeft, en is in den strijd overwinnaar gebleven. Wat twijfel kan er dan meer zijn, dat men ze niet voor de zekere en onoverwinnelijke waarheid zoude aannemen? Tegelijk is de lastering weggenomen, dat Paulus een gewoon discipel is, en dat hij ver af is van de waardigheid des apostelschaps. Want die berisping is een teeken, dat zij even groot waren. Ik beken wel, dat de hoogsten terecht door de laagsten berispt worden, en daarom volgt niet, dat zij die iemand berispen, terstond gelijk groot zijn: want deze vrijheid der minderen tegen de meerderen wordt door God toegelaten. Maar men moet hier opmerken, hoedanig deze berisping geweest zij. Want Paulus berispte Petrus niet eenvoudig, gelijk de eene christen den ander, maar hij deed dit krachtens zijn ambt, dat is, naar het recht van het apostolisch aanzien, dat hij droeg. En hier wordt het room-sche pausdom met een tweeden bliksem neergeslagen, en voornamelijk wordt die onbeschaamdheid gestraft, dat de roomsche antichrist roemt, dat hij vrij is van rekenschap te geven, en dat hij zich stelt boven het oordeel der gansche gemeente. Hier heeft één mensch niet lichtvaardig, noch door ongeoorloofde stoutheid, maar naar de macht, die hem van God toegelaten was, Petrus voor de gansche gemeente bestraft, en Petrus heeft zich gehoorzaam aan de berisping onderworpen. Ja, de gansche handeling van deze twee hoofdstukken is niet anders geweest dan een openbare omkeering van
36
1
GALATEN 2 : 11â14.
dien tirannischen voorrang, dien de roomsche pausen snateren, door goddelijk recht gefundeerd te zijn. Maar is het, dat zij willen, dat hun oorsprong van God zij, zoo moeten zij een nieuwe Schrift smeden. Indien zij hem niet tot eenen openbaren vijand willen hebben, zoo moeten zij deze twee hoofdstukken uit de Schrift uitschrappen. Omdat hy berispenswaardig was. Daar staat in 't Grieksch woordelijk, omdat hj] berispt was: maar ik twijfel niet dat dit woord berispt, gezet is voor berisping waardig. Want dat Chrysostomus het uitlegt, dat er eerst door anderen een klacht en beschuldiging is gerezen, dat is voorwaar beuzelachtig. En hieruit is licht te besluiten, hoe ongepast dat gedichtsel van Hieronymus en Chrysostomus is, welke meenen, dat de apostelen dit spel verdicht hebben voor het volk. Ook helpt hun het Grieksche woord niet, dat hier staat: hetwelk beduidt, dat Petrus in het aangezicht of tegenwoordig bestraft is, en dat hij niet geantwoord heeft. Wat Chrysostomus meent, dat zij om ergernis te vermijden, wel afzonderlijk met elkander zullen gesproken hebben, zoo zij eenig geschil gehad hadden, dat is een lichtvaardige gissing: want men moest deze zeer schadelijke ergernis achten boven andere, dewijl de gemeente verscheurd werd, de Christelijke vrijheid gevaar liep, en de genade van Christus verduisterd werd: zoo moest dan deze openbare zonde openlijk bestraft worden. Het voornaamste bewijs, waarop Hieronymus steunt, is veel te licht. Waarom (zegt hij) zou Paulus in een ander bestraft hebben, wat hij in zichzelven prijselijk acht? Want hij roemt, dat hij den Joden is een Jood geworden. Ik antwoord, dat Petrus veel anders gedaan heeft. Want Paulus schikte niet anders naar de Joden, dan zoo verre de leer der vrijheid ongerept bleef: daarom heeft hij ook Titus niet laten besnijden, opdat de waarhaid des Evangelies ongeschonden zoude blijven. Maar Petrus schikte zich alzoo naar de Joden, dat hij de heidenen tot dienstbaarheid dwong, en tevens hierdoor als door een vooroordeel de leer van Paulus verkleinde. Hij hield dus geen maat, omdat hij meer zocht te behagen dan te stichten, en heeft meer gezien op hetgeen den Joden aangenaam was, dan op hetgeen voor het gansche lichaam der gemeente nut was. Zoo heeft dan Augustinus beter geoordeeld, die ontkent, dat iets volgens verdrag gedaan is, maar dat Paulus oprecht en met Christelijken ijver zich gesteld heeft tegen de verdraaide en ontijdige veinzing van Petrus, omdat hij achtte, dat zij der gemeente schadelijk was.
12 Want eer sommigen gekomen waren. Hier wordt het voornaamste stuk der handeling beschreven, dat Petrus om der Joden wil van de heidenen afweek, zoodat hij ze van de gemeenschap der gemeente afhield, tenzij zij de vrijheid des Evangelies verlieten, en het juk der wet aannamen. Had Paulus hier gezwegen, zoo was zijn gansche leer vervallen, en de stichting door zijnen dienst verkregen, te niet geworden. Daarom was het noodig, dat hij zich moedig daartegen verhief, en scherp daartegen streed. Hier zien wij, hoe voorzichtig wij die gehoorzaamheid hebben te matigen, die wij den menschen bewijzen, opdat wij niet door onmatige begeerte om te behagen, of door verkeerde vrees voor ergernis, van den rechten weg afwijken. Indien dit met Petrus kon gebeuren, hoeveel lichter zal het ons gebeuren, zoo wij niet naarstig toezien ?
14 Als ik zag, dat zjj niet recht wandelden. Sommigen ver-
37
GALATEN 2 : 14, 15.
staan het van de heidenen, die door het voorbeeld van Petrus beroerd zijnde, reeds verflauwden, maar beter voegt het van Petrus en Barnabas en hunne volgelingen te verstaan. De rechte tred tot de waarheid des Evangelies was de heidenen met de Joden te vereenigen, met behoud van de ware leer: maar de conscientiën der godzaligen te binden, en te belasten met de noodzakelijkheid van de wet te onderhouden, en stilzwijgend de leer der vrijheid te begraven, dit was een ellendig loon der eenheid. De waarheid des Evangelies neemt Paulus hier in denzelfden zin als boven, en stelt daartegen de veinzerij, waarmede Petrus en de anderen het Evangelie mismaakten. En dewijl het alzoo is, zoo moet men geenszins twijfelen, dat het voor Paulus een ernstige strijd geweest is. Over de leer kwamen zij zeer wel overeen: maar dewijl Petrus zonder op de leer te zien, veel te dienstbaar de Joden navolgde, daarom wordt hij over zijn hinken berispt. Sommigen ontschuldigen Petrus door een ander voorwendsel, te weten, omdat hij een apostel der besnijdenis zijnde, meer bezorgd behoorde te zijn voor de zaligheid der Joden, en zij bekennen nochtans tegelijk, dat Paulus ook wel gedaan heeft met de zaak der heidenen aan te nemen. Maar het is dwaasheid te verdedigen, wat de Heilige Geest door den mond van Paulus veroordeeld heeft. Want hier wordt niet der menschen zaak behandeld, maar de zuiverheid des Evangelies was in gevaar gekomen, dat zij door den Joodschen zuurdeesem niet zoude besmet worden. In aller tegenwoordigheid. Door dit voorbeeld worden wij vermaand, dat openlijk moet bestraft worden, die door openbaar kwaad gezondigd hebben, zoover de gemeente daaraan gelegen is. i Tim. 6:20. Want het einde is, dat zulke daad door haar voorbeeld niet schade, irtdien zij ongestraft bleef, en Paulus vermaant ergens, dat men dit bijzonder moet onderhouden in de ouderlingen, te weten, zooverre zij om het aanzien, dat zij dragen, door hun voorbeeld te grooter schade doen, en voornamelijk was het nut, dat een goede zaak, die een iegelijk aanging, voor het volk verdedigd werd, opdat Paulus te beter betuigde, dat hij het licht niet vlood. Indien gy, die een Jood zijt. Deze rede van Paulus tot Petrus, heeft twee deelen. In het eerste berispt hij hem, dat hij den heidenen onrecht doet, dewijl hij ze dwingt tot de onderhouding der wet, van welke hij zelf vrij wil zijn. Want behalve dat een iegelijk de wet, die hij anderen voorschrijft, moet onderhouden: zoo zondigde hij ook hierin zwaarder, dat hij de heidenen tot het Jodendom dwong, en hij een Jood zijnde, daarvan vrij wilde zijn. Want de wet is den Joden, en niet den heidenen gegeven. Zoo gebruikt hij dan een bewijs, waarbij men van het mindere tot het meerdere voortgaat. Nu was deze dwang hard en geweldig, dat hij den heidenen de gemeenschap opzegt, zoo zij het juk der wet niet wilden aannemen, welke conditie onbehoorlijk was. En de gansche kracht der berisping is in dit woord gelegen; hetwelk Chrysostomus en Hieronymus niet opgemerkt hebben: want het gebruik der ceremoniën was vrij tot stichting, mits de geloo-vigen niet beroofd werden van hunne vrijheid, en hun geen noodwendigheid opgelegd werd, van welke zij door het Evangelie bevrijd waren.
I5 Wij die van nature uit de Joden. Ik weet wel, dat sommigen meenen, dat dit een voorkoming is: alsof Paulus in den persoon der tegenpartij voorkwam, wat zij had kunnen tegenwerpen.
38
GALATEN 2:15.
te weten, dat de Joden meer voorrecht hadden, niet dat zij roemden vrij van de wet te zijn (want het zoude meer dan ongerijmd zijn geweest, dat zij op de vrijheid van de wet roemden, wien de wet gegeven was) maar omdat zij door zekere merkteekenen van de heidenen moesten onderscheiden worden. Ik verwerp dit nochtans niet ganschelijk, noch neem het geheel aan, gelijk men terstond zal zien. Sommigen meenen dat dit wel in den persoon van Paulus gezegd is,
doch in dezen zin; Indien gij den Joden den last der wet oplegdet, dat zoude meer redelijk zijn, want zij hebben haar bij erfenis verkregen: maar deze uitlegging past ook niet. Het is dus eerder het tweede deel der rede, dat met een voorkoming begint. Want dewijl tusschen Joden en heidenen dit onderscheid was, dat de heidenen onheilig en onrein, en de Joden heilig waren, inzooverre God hen tot zijn volk aangenomen had, zoo hadden de Joden om dit voordeel kunnen strijden. Maar Paulus dit voorzichtig voorkomende, wendt het tot het tegendeel. Want dewijl de Joden zelfs met hun gan-sche waardigheid gedwongen waren geweest tot het geloof van Christus te vlieden, hoeveel meer moesten de heidenen de zaligheid verkrijgen door het geloof? Zoo is dan de zin van Paulus: wij die boven anderen schijnen uit te munten, die door de weldaad des verbonds altijd Gode nabij waren, vinden nochtans geen ander middel om zaligheid te verkrijgen, dan door het geloof in Christus:
waarom zouden wij dan den heidenen een ander middel voorschrijven? Want zoo de wet noodig ware, of nut ter zaligheid dengenen die ze houden, zoo zouden zij ons voornamelijk voordeelig zijn, aan wie zij gegeven was. Indien wij die verlatende, tot Christus zijn geweken, zoo moet men veel minder de heidenen dringen om haar aan te nemen. Het woord zondaar, beduidt hier gelijk in vele andere plaatsen, een mensch die onheilig, verloren, en vervreemd van God is. Zoodanigen waren de heidenequot;, die geen gemeenschap met God hadden, maar de Joden waren door aanneming kinderen Gods, en daarom tot heiligheid afgezonderd. Als hij zegt van nature, verstaat hij daardoor niet, dat zij natuurlijkerwijze vrij zijn van de verdorvenheid des menschelijken geslachts: want David, die uit Abra- Ps-51 =7-hams geslacht gekomen was, bekent, dat hij uit onrein zaad geboren is, maar over de verdorvenheid der natuur, onder welke zij onderworpen waren, kwam het geneesmiddel der genade, waardoor zij geheiligd werden. En dewijl de belofte den zegen erfelijk maakte,
daarom wordt dat goed natuurlijk genoemd. Alzoo zegt hij tot de Romeinen, dat zij uit eenen heiligen wortel geboren zijn. Zoo dan, Equot;1quot;- 11:1(l-als hij zegt. Wü die van nature Joden zijn, beteekent zooveel alsof hij zeide; wij worden heilig geboren, niet door onze eigen verdienste, maar omdat wij door God tot een volk zijn verkoren.
Wij dan, die van nature Joden waren, wat hebben wij gedaan? Wij hebben in Christus geloofd. Waartoe hebben wij geloofd? Opdat wij door het geloof van Christus zouden gerechtvaardigd worden. Waarom?
Omdat wij overtuigd waren, dat de menschen geene rechtvaardigheid kunnen verkrijgen uit de werken der wet. Zoo bewijst hij dan uit de natuur en vrucht des geloofs, dat de Joden door de wet niet kunnen gerechtvaardigd worden. Want gelijk degenen, die hun eigen rechtvaardigheid willen oprichten, der rechtvaardigheid Gods niet Eom. io:3. onderworpen zijn: alzoo belijden daarentegen zij, die in Christus geloo-ven, dat zij zondaars zijn, en de rechtvaardigheid der werken verzaken.
39
GALATEN 2:15.
40
Hier houdt hij zich reeds bezig met de voornaamste zaak, ja in deze voorstelling alleen is bijna de gansche som der handeling besloten: waarom wij te naarstiger de tegenwoordige plaats moeten aanmerken. Ten eerste is dit op te merken, dat men de rechtvaardigheid moet hebben uit het geloof van Christus, dewijl wij door de werken niet kunnen gerechtvaardigd worden. Nu wordt daar gevraagd, wat hij door de werken der wet verstaat. De papisten, door Origenes en Hieronymus verleid, meenen, ja zeggen vast, dat hier alleen sprake is van de figuren en schaduwen der wet: daarom waar zij werken der wet vinden, duiden zij het op de ceremoniën, alsof Paulus niet handelde over de onverdiende rechtvaardigheid, die ons door Christus gegeven wordt: want zij achten het niet ongerijmd, dat niemand gerechtvaardigd wordt door de werken der wet, en dat wij nochtans door de verdienste der werken bij God rechtvaardig gerekend worden. In e'én woord, zij zeggen, dat hier niet gesproken wordt van de werken der zeden. Maar de samenhang der woorden bewijst klaar, dat ook de wet der zeden in deze woorden vervat wordt. Want bijna alles, wat Paulus hieronder zal stellen, behoort eerder tot de wet der zeden, dan tot de wet der ceremoniën. Bovendien stelt hij de onverdiende aanneming, waarmede God ons verwaardigt, altijd tegen de rechtvaardigheid der wet. Maar de tegenstanders zeggen hiertegen, dat Paulus dan enkel de werken had moeten noemen, en niet de werken der wet, indien hij ze tot een zekere soort der werken wilde betrekken. Ik antwoord, dat de reden dezer wijze van spreken zeer goed is. Want ofschoon iemand in heiligheid de engelen te boven ging, zoo verdienen de werken geen loon, dan alleen omdat dit door God beloofd is. Zoo dan, dat de volbrenging der wet rechtvaardigheid is, en het loon des eeuwigen levens heeft, dat komt uit God, welke Lev. is;5. zegt, dat leven zullen, die ze volbracht hebben; waarvan hierna te ez?2o'u 13! zijner plaats meer zal gesproken worden. Bovendien had Paulus Kom. 10:5. strijd met de Joden over de wet. Hij wilde dus liever door dadelijk Gai'3 :i2'handgemeen te worden hen overwinnen in hun eigen perk, dan verder dolende, den schijn te geven van uitvluchten te zoeken: even alsof hij zijn zaak wantrouwde: zoo blijft hij dan vaststaan in de handeling van de wet. Ten andere werpen zij tegen, dat er alleen over de ceremoniën quaestie gerezen was: hetwelk wij ook bekennen. Waarom zou dan Paulus (zeggen zij) van een bijzondere zaak op een algemeene overspringen ? Dit was alleen de oorzaak der dwaling van Origenes en Hieronymus. Want zij meenden, dat het niet betaamde, dat Paulus, als de valsche apostelen alleen over de ceremoniën twistten, meer zou aangrijpen. Maar zij merken niet, dat dit alleen hem aanleiding gegeven heeft om zoo streng te strijden, omdat deze leer langer staart had dan het bij den eersten opslag scheen. Want dat de ceremoniën onderhouden werden, dat was voor Paulus zoo zwaar niet geweest, als dat het vertrouwen en de eer der zaligheid op de werken gebracht werd: gelijk wij wanneer gehandeld wordt over het verbieden van vleesch op zekere dagen niet zoozeer er op zien, hoe zwaar het is, dat het eten van vleesch verboden wordt, maar wij zijn veelmeer bezorgd om den strik der conscientiën. Zoo dan, Paulus treedt niet buiten de zaak, als hij begint over de gansche wet te handelen, hoewel de valsche apostelen alleen over de ceremoniën twistten: want daarom drongen
GALATEN 2:15, 16.
zij op de ceremoniën, opdat de menschen zaligheid zouden zoeken in de onderhouding der wet, dewijl zij verzonnen, dat het een verdienstelijk werk was; daarom heeft Paulus niet de wet der zeden, maar de genade van Christus alleen tegen hen gesteld. Nochtans wordt deze brief niet geheel in die algemeene verhandeling gesleten: want hij daalt eindelijk in het bijzonder tot de ceremoniën af. Maar dewijl dit de voornaamste knoop was: Of wij de rechtvaardigheid door de werken, dan wel door het geloof verkrijgen, zoo moest die voornamelijk ontward worden. Dewijl de papisten het heden kwalijk nemen, als wij krachtig bewijzen, dat de menschen door het geloof alleen gerechtvaardigd worden, zoo willen zij kwalijk toegeven, dat onder de werken der wet ook de zedelijke begrepen worden. Velen hunner meenen ook, dat zij, de vertaling van Hieronymus tegenwerpende, hunne dingen wel gedaan hebben: maar het vervolg zal bewijzen, dat ook over de wet der zeden gesproken wordt.
16 Maar door het geloof. Hij geeft niet alleen te kennen, dat de ceremoniën of allerlei werken niet genoeg zijn, tenzij de hulpe des geloofs daarbij komt; maar het is even alsof hij zeide: Niet door de werken, maar door het geloof van Christus alleen. Anders zou de reden ongepast en vreemd van de handeling zijn: want de valsche apostelen verwierpen Christus niet, noch het geloof, maar wilden, dat men de ceremoniën daarbij zou stellen. Indien Paulus dusdanige samenvoeging had aangenomen, zoo was er eene vol-komene eendrachtigheid onder hen geweest: Paulus zou dan tevergeefs met zulk een hatelijken strijd de gemeente beroerd hebben. Zoo laat dan dit vast en zeker blijven, dat hier een uitsluitende voorstelling is: Dat wij niet anders gerechtvaardigd worden dan door het geloof; of, dat wij niet dan door het geloof gerechtvaardigd worden; wat evenveel beduidt als dit: Dat wij alleen door het geloof gerechtvaardigd worden. Waaruit het openbaar is, hoe kinderachtig heden de papisten beuzelen, als zij met ons twisten over het woordje alleen, alsof dat ons eigen woord ware. Maar de theologie der papisten was Paulus wel te weten onbekend: zij zeggen, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, doch stellen een deel der rechtvaardigheid in de werken; zulk eene halve rechtvaardigheid kende Paulus niet: want als hij leert, dat wij door het geloof rechtvaardig zijn, omdat wij door de werken niet kunnen gerechtvaardigd worden, zoo neemt hij voor zeker en bekend, wat waarachtig is, dat wij niet anders de rechtvaardigheid van Christus kunnen deelachtig worden, dan als wij geen eigene rechtvaardigheid hebben. Zoo dan, men moet èf niets óf alles aan het geloof of aan de werken toeschrijven. Wat betreft het woord rechtvaardigma-king, en hoe het geloof er de oorzaak van is, dat zullen wij later zien. Zal geen vleesch gerechtvaardigd worden. Hij heeft eerst de conscientie van Petrus en van anderen tot getuige genomen: nu bevestigt hij dat meer, betuigende, dat het zoo is, dat is, dat geen mensch door de werken der wet rechtvaardigheid zal verkrijgen. Dit is het fundament der onverdiende rechtvaardigheid, als wij van eigen rechtvaardigheid ontbloot worden. Wanneer hij nu verder ontkent, dat eenig sterveling gerechtvaardigd wordt, dat is zooveel alsof hij zeide, dat alle menschen van de rechtvaardigheid der wet uitgesloten worden, en dat het niet mogelijk is, dat iemand daartoe zou komen.
41
GALATEN 2:17.
17 Maar indien wij, zoekende in Christus gerechtvaardigd te worden, ook zeiven bevonden worden zondaars te zijn, is dan Christus een dienaar der zonde? Dat zij verre.
18 Want zoo ik, wat ik afgebroken heb, wederom opbouv/, zoo maak ik mijzelven een overtreder.
19 Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leefde: ik ben met Christus gekruist.
20 En ik leef, doch nu niet ik, maar Christus leeft in mij: en wat ik nu leef in bet vleesch, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij heeft liefgehad, en Zichzelven voor mij heeft overgegeven.
21 Ik verwerp de genade Gods niet: want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zoo is Christus tevergeefs gestorven.
17 Indien wy, zoekende. Nu komt hij wederom tot de Galaten, opdat niemand dezen zin voege tot den voorgaanden, alsof het een deel van de rede ware, die hij tot Petrus gesproken had. Want waartoe zouden deze woorden noodig geweest zijn tot Petrus? Hoewel, dit dient niets of zeer weinig tot de zaak: daarom mag een iegelijk nemen wat hij wil. Verder, sommigen lezen het als een bevestiging, onder welke Chrysostomus is, en maken dezen zin: Indien wij, zoekende in Christus gerechtvaardigd te worden, nog niet volkomen rechtvaardig, maar nog onrein zijn, en Christus ons niet genoegzaam is tot rechtvaardigheid, zoo volgt daaruit, dat Christus een dienaar is van eene leer, die de menschen in de zonde laat: alsof Paulus, deze ongerijmdheid voorstellende, hen van lastering beschuldigde, die een deel der rechtvaardigheid aan de wet toeschrijven. Maar dewijl er terstond een woord volgt, dat een verfoeien beduidt, hetwelk Paulus nergens gewoon is te stellen dan achter een vraag, zoo acht ik, dat hij dit meer gezegd heeft om die ongerijmdheid weg te nemen, die scheen te volgen. Zoo voorkomt hij hen dan vragende op zijn wijze als in den persoon der tegensprekers. Indien (zegt hij) de rechtvaardigheid des geloofs dit medebrengt, dat ook wij Joden, die van de baarmoeder als geheiligd zijn, veroordeeld en onrein geacht worden, zullen wij niet zeggen, dat Christus een oorzaak der zonde is, als die de macht der zonde in de zijnen krachtig maakt? Deze twijfeling ontstond daaruit, dat hij gezegd had, dat de Joden geloovende in Christus, de rechtvaardigheid der wet verwerpen. Want zonder Christus schijnen de Joden van de gemeene besmetting der heidenen afgezonderd, eenigs-zins alzoo uit het getal der zondaren uitgenomen te zijn. De genade van Christus maakt hen aan de heidenen gelijk: en het geneesmiddel, dat beiden gemeen is, bewijst dat de ziekte gelijk is. Hiertoe dient het woordje ook. Wij ook zeiven, zegt hij, en spreekt niet van allerlei menschen, maar van de voornaamsten, gelijk de Joden waren. Dat zy verre. Terecht verwerpt hij dat: want Christus, omdat Hij de zonde ontdekt die verborgen was, is daarom geen dienaar der zonde, alsof Hij de rechtvaardigheid teniet makende, voor de zonde een deur opende, noch ook alsof Hij het rijk der zonde bevestigde. De Joden waren daardoor bedrogen, dat zij eenige heiligheid zich toeeigenden buiten Christus, welke geene was. Hieruit kwam de klacht: Is Christus dan gekomen om ons de rechtvaardig-
42
Bom. 7:4. Rom. 14:7. 2 Cor. 5:15. lThe8s.5:10. Hebr. 9:14. 1 Petr. 4 : 2.
Gal. 1:4.
Ef.-5:2. Tit. 2:14. Hebr. 9:14. Hebr. 7:11.
GALATEN 2:17â19.
heid der wet te ontnemen, om uit heiligen onreinen te maken, en om ons der zonde en der verdoemenis te onderwerpen? Paulus zegt, dat het zoo niet is, ja hij werpt deze lastering met verfoeiing terug: want Christus bracht de zonde niet mede, maar ontdekte haar, en Hij nam de rechtvaardigheid niet weg, maar benam den Joden den valschen schijn der rechtvaardigheid.
18 Want zoo ik, wat ik. Het antwoord is tweevoudig. Het eerste is indirect, als hij vermaant, dat dit met zijn gansche leer strijdt:
want hij had het geloof van Christus alzoo gepredikt, dat hij den val en wegneming der zonde daarbij stelde. Want gelijk Johannes
leert, dat Christus niet gekomen is om het rijk der zonde op te i Joh. 3:8. richten, maar om het te verbreken, alzoo betuigt Paulus hier, dat Hij, het Evangelie predikende, de ware rechtvaardigheid wederop-gericht heeft, opdat de zonde teniet zou worden. Zoo kwam het dan niet overeen, dat de zonde door denzelfden persoon zoude verdorven en wederopgericht worden. Zoo verwerpt hij dan de val-sche beschuldiging, de ongerijmdheid tegenwerpende, die daaruit zou volgen.
19 Want ik ben door de wet der wet gestorven. Nu volgt hier een direct antwoord, te weten, dat men Christus niet moet opleggen, wat het eigen werk der wet is, en dat het ook Christus niet noodig is, om de rechtvaardigheid der wet teniet te maken,
dewijl de wet zelve hare discipelen doodt, even alsof hij zeide: Gij bedriegt de ellendige menschen door een valsche inbeelding, alsof zij uit de wet moesten leven: en door dit voorwendsel houdt gij hen in de wet. En ondertusschen verwekt gij nijd tegen het Evangelie, alsof het de rechtvaardigheid teniet maakte, die wij uit de wet hebben. Maar het is de wet zelve, die ons dwingt, dat wij aan haar sterven: want dewijl zij met de verdoemenis dreigende, ons niet anders laat dan vertwijfeling en wanhoop, drijft zij ons op deze wijze af van het vertrouwen op haar. Indien wij een gemakkelijker begrip van deze plaats willen hebben, zoo moeten wij dat halen uit Rom. 7; want daar beschrijft Paulus keurig, dat niemand der wet leeft, dan dien de wet dood is, dat is, ledig, en zonder vrucht;
want zoo haast als de wet in ons begint te leven, geeft zij ons een doodelijke wonde, waaraan wij sterven, en maakt tevens de zonde levend, die tevoren dood was. Zoo dan, die der wet leven, hebben de kracht der wet nooit gevoeld, ja hebben zelfs niet gesmaakt wat de wet is: want de wet waarachtig verstaan, dwingt ons aan haar te sterven; vanhier de zonde, en niet uit Christus. Der wet sterven,
is haar verlaten, en van haar heerschappij vrij worden, alzoo dat wij geen vertrouwen meer in haar hebben, en dat zij ons onder het juk der dienstbaarheid niet gevangen houdt. Om Gode te leven. Hij toont, dat het een gewenschte soort van dood is, waaruit de valsche apostelen eene stof van nijdigheid zochten: want hij geeft te kennen, dat wij niet der wet sterven om der zonde, maar om Gode te leven. Gode leven, is wel somtijds ons leven naar zijnen wil schikken, alzoo dat wij geheel ons leven niet anders zoeken dan Hem te behagen: maar hier is het, een leven Gods leven,
(opdat ik alzoo spreke) waardoor de tegengestelde dingen met elkander overeenkomen: want op dezelfde wijze als gezegd is, dat wij der wet sterven, is ook gezegd, dat wij Gode leven. Kortom,
Paulus vermaant, dat die dood niet doodelijk is, maar eer een oor-
43
GALATEN 2 : 19, 20.
zaak van een beter leven, dat God ons uit de schipbreuk der wet opneemt, en dat wij door zijn genade tot een ander leven weder-opgericht worden. Andere uitleggingen ga ik voorbij: dit dunkt mij de natuurlijke zin van Paulus te zijn. Ik ben met Christus gekruist. Hij drukt de wijze uit, hoe wij der wet gestorven zijnde, Gode leven, te weten, als wij in den dood van Christus ingeplant zijnde, daaruit een verborgen kracht, gelijk de loot uit den wortel, is. trekken. Nu, Christus heeft het handschrift der wet, dat tegen ons was, aan zijn kruis gehecht: dus worden wij, met Hem gekruist zijnde, van alle vervloeking en verdoemenis verlost. Wie deze verlossing teniet zoekt te maken, verijdelt het kruis van Christus. Maar laat ons bedenken, dat wij niet anders van het juk der wet verlost worden, dan als wij één met Christus worden: gelijk een loot niet anders de vrucht uit den wortel trekt, of zij moet in één natuur met den wortel vereenigd zijn.
20 En ik leef. Het menschelijk gevoel haat altijd den naam des doods. Daarom als hij geleerd heeft, dat wij met Christus aan het kruis zijn gehecht, zoo voegt hij daarbij, dat ook dit ons ten leven dient. Tevens verklaart hij, wat hij eerst verstaan heeft onder de woorden, Gode leven, te weten, dat hij nu niet leeft met zijn eigen leven, maar dat hij door de verborgen kracht van Christus zóó levend gemaakt wordt, dat Christus kan gezegd worden in hem te leven en krachtig te zijn. Want gelijk de ziel het lichaam onderhoudt, alzoo geeft Christus het leven in zijne leden. Het is een opmerkelijk gezegde, dat de geloovigen buiten zichzelven leven, dat is, in Christus; hetwelk niet kan geschieden of zij moeten ware en zelfstandige gemeenschap met Hem hebben. Voorts, Christus leeft in ons op tweeërlei wijze: Het eene leven is, als Hij ons door zijnen Geest regeert, en al onze handelingen beweegt. Het ander is, dat Hij ons met deelgenootschap aan zijne rechtvaardigheid begiftigt, zoodat wij in Hem Gode aangenaam zijn, dewijl wij dat in onszelven niet vermogen. Het eerste leven dient tot de wedergeboorte; het ander, tot de genadige aanneming der rechtvaardigheid, waarvan ik deze plaats versta, hoewel zoo iemand het liever van beide wil verstaan, zoo wil ik daar niet tegen strijden. Wat ik nu leef in het vleesch. Hier is bijna niet één uitspraak, die niet door menigerlei uitleggingen verscheurd is. Bijvoorbeeld: sommigen nemen hier het woord vleesch, voor de verdorvenheid der zondige natuur: maar Paulus neemt het eenvoudiger voor het lichamelijke leven. Want anders had men licht een andere tegenwerping kunnen voortbrengen: Gij leeft toch een lichamelijk leven; en waar dit sterflijk lichaam zijn werk doet, en met spijs en drank onderhouden wordt, is dit geen hemelsch leven van Christus. Het is dus eene wonderspreuk en tegen de rede, dat gij ontkent een eigen leven te hebben, daar gij openlijk naar de algemeene wijze der menschen leeft. Paulus antwoordt, dat dit in het geloof is gelegen: waarmede hij te kennen geeft, dat het is een geheimenis voor het menschelijk gevoelen verborgen. Het leven derhalve, dat wij door het geloof hebben, wordt niet met oogen gezien, maar binnen in de conscientie gevoeld door de kracht des Heiligen Geestes; en daarom worden wij door het lichamelijke leven niet verhinderd het hemelsche leven te bezitten door het geloof. Ef. 1: 20 zegt hij: Hij heeft ons mede 19. gezet in den hemel, enz. en wederom: Nu zijt gij medeburgers der
44
GALATEN 2 ; 20, 21.
heiligen, en huisgenooten Gods. En wederom, Filipp. 3 : 20, Onze wandel is in den hemel. In één woord, Paulus is vol van zulke getuigenissen, met welke hij betuigt, dat wij zóó in de wereld leven,
dat wij nochtans ook in den hemel leven: niet alleen omdat ons Hoofd daar is, maar ook omdat wij door het recht der vereeniging het leven met Hem gemeen hebben, gelijk Johannes spreekt hoofdstuk 14: 1. Die mij heeft liefgehad. Dit is hier bijgevoegd om de kracht des geloofs uit te drukken; want terstond zou iemand kunnen denken: waaruit komt zulk eene groote kracht des geloofs, dat zij het leven van Christus in ons overstort? Zoo verklaart hij dan de substantie of het fundament, waarop het geloof steunt, te weten,
de liefde en de dood van Christus. Want daaruit moet men de vrucht des geloofs waardeeren. Hoe komt het dan, dat wij door het geloof van Christus leven? Omdat Hij ons heeft liefgehad, en Zich-zelven voor ons heeft overgegeven. De liefde (zeg ik) waarmede Christus ons omhelsd heeft, heeft gemaakt, dat Hij Zich met ons vereenigd heeft: dit heeft Hij volbracht door zijn dood. Want dewijl Hij Zichzelven voor ons gegeven heeft, zoo heeft Hij niet anders dan in onzen persoon geleden: daarom, al wat het geloof in Christus vindt, daaraan maakt het ons mede deelachtig. En als hij de liefde meldt, zoo beduidt hij hetzelfde wat Johannes leert, te weten: Niet dat wij Hem eerst liefgehad hebben, maar Hij is met1 Joh-^:19-zijn liefde ons voorgekomen. Want had Hij, door eenige verdiensten opgewekt zijnde, ons verlost, zoo zouden deze verdiensten gezegd worden de oorzaak te zijn; maar nu Paulus het geheel aan de liefde toeschrijft, zoo is dan de verlossing onverdiend. Men moet de orde aanmerken. Hij heeft ons liefgehad, en Zichzelven voor ons gegeven ; want het heeft dezelfde kracht alsof hij gezegd had: Hij heeft geen andere reden gehad om te sterven, dan omdat Hij ons liefhad; en dat toen wij nog vijanden waren, gelijk hij Rom. 5: 10 leert. En Zichzelven voor mjj heeft overgegeven. Men kan met geene woorden behoorlijk uitdrukken, hoe groot dit is. Want wie zou eenigszins kunnen uitspreken, hoe groot de uitnemendheid des Zoons Gods zij ? en Deze heeft Zichzelven gesteld tot eenen prijs om ons te verlossen. Onder het woordje overgeven, wordt de gansche vrucht besloten, die wij uit den dood van Christus hebben, te weten, dat Hij is het verzoenoffer, de afwissching, de genoegdoening,
enz. Ook hebben de woorden voor mjj, geen kleine kracht, want het zou niet genoeg zijn geweest, dat Christus voor de zaligheid der wereld gestorven ware, zoo niet een iegelijk de vrucht en de genieting dezer genade voor zichzelven zocht.
2i Ik verwerp niet. In dit woord is ook groote kracht gelegen,
want hoe groote en gruwelijke ondankbaarheid is het, zulk eene onuitsprekelijke genade Gods, en die door zulk een grooten prijs verkregen is, te verachten? Nu, van deze groote heiligschennis beschuldigt hij de valsche apostelen, die met Christus alleen niet tevreden, andere behulpselen der zaligheid stelden. Want de genade Gods wordt verworpen, indien wij alle andere dingen verzakende,
Christus alleen niet aannemen. Nu, wat is er voor den mensch meer over, als hij de genade Gods verwerpende, zich harer onwaardig heeft gemaakt. Want indien de rechtvaardigheid enz., zoo is Christus tevergeefs gestorven. Dat is, er is geen nut in den dood van Christus, of, Christus zou tevergeefs gestorven zijn. Want
45
GALATEN 2:21.
46
dit is de vrucht van Christus' dood, dat Hij door onze zonden uit te wisschen, ons met den Vader verzoend heeft. Hieruit volgt, dat wij door zijn genade gerechtvaardigd worden, en daarom niet door de werken. De papisten verstaan het van de wet der ceremoniën: maar wie ziet niet, dat het op de gansche wet slaat? Want het is even alsof Paulus zeide: Indien wij zeiven de rechtvaardigheid verdienen, heaft Christus tevergeefs geleden: want Hij heeft geleden om ons de rechtvaardigheid te verkrijgen; wat nood was het van elders te verkrijgen, wat wij onszelven konden geven. Voorwaar, indien de dood van Christus onze verlossing is, zoo waren wij gevangenen; indien onze voldoening, zoo waren wij schuldenaars; indien onze verzoening, zoo waren wij aangeklaagden; indien onze afwassching, zoo waren wij onrein. Zoo dan, wie zijn reinheid, zijn afwassching, zijn verzoening, rechtvaardigheid en verlossing aan de werken toeschrijft, die maakt, dat de dood van Christus tevergeefs is. Hier zal mogelijk iemand tegenwerpen, dat dit argument geen kracht heeft tegen degenen, die de genade van Christus met de werken samenvoegen, hetwelk zonder twijfel de valsche apostelen gedaan hebben. Want deze twee dingen kunnen tegelijk waar zijn, te weten, dat uit de wet rechtvaardigheid is, en dat wij door den dood van Christus verlost zijn. Ik beken dit, indien wij toelaten dat een deel der rechtvaardigheid door de werken verkregen wordt en dat het andere deel uit genade komt. Maar dat deze theologie aan Paulus onbekend geweest is kan men licht verstaan. Want hij heeft óf bekwamelijk tegen zijne tegenstanders gedisputeerd, óf dwaselijk en verkeerd. Indien eenig lasteraar hem wil beschuldigen, zoo is deze verdediging krachtig genoeg, dat de rechtvaardigheid, die voor God gerekend wordt, geene rechtvaardigheid is, zooals wij menschen bedenken, maar waarin niets ontbreekt. Maar dewijl wij hier niet voorgenomen hebben Paulus te verdedigen tegen de lasteraars, die tegen den Heiligen Geest durven razen, zoo laat ons tegen de papisten handelen. Zij bespotten ons, als wij met Paulus besluiten, dat Christus tevergeefs gestorven is, zoo de rechtvaardigheid uit de werken is: want zij meenen een schoon antwoord te hebben, als zij uit hunne Sophisten aanvoeren, dat Christus ons de eerste genade verdiend heeft, dat is, de oorzaak tot verdienen; en dat de verdienste zijns doods met de genoegdoeningen der werken samenloopen tot de dagelijksche vergeving der zonden. Zoo mogen zij dan Paulus bespotten, uit wiens mond wij spreken: want zij moeten eerder hem weerleggen dan ons. Wij weten wel, dat hij te doen had met menschen, die de genade van Christus niet ganschelijk uitsloten, maar de helft der zaligheid in de werken stelden; tegen hen redeneert hij aldus: Dat Christus tevergeefs gestorven is, indien de rechtvaardigheid door de wet is; door aldus te handelen, laat hij voorwaar voor de werken geen druppel rechtvaardigheid. Tus-schen hen en de papisten is geen onderscheid; zoo mogen wij dan om hea te wederleggen Paulus' argument wel gebruiken.
GALATEN 3:1.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 O dwaze Galaten, wie heeft u verstrikt, dat gij der waarheid Gal. 5 niet gehoorzaam zijt? denwelken Jezus Christus voor de oogen geschilderd zijnde, onder u gekruist zijnde?
2 Dit wil ik alleen van u weten: Hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?
8 Zijt gij zoo dwaas, dat gij met den Geest begonnen zijnde, nu met het vleesch voleindigt?
4 Hebt gij zoo veel tevergeefs geleden ? indien ook maar tevergeefs!
5 Degene dan, die u den Geest geeft, en in u krachtige daden werkt, doet Hij dat uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?
i S \ dwaze. Nu voegt hij een berisping bij de leer. Indien het f 1 iemand verwondert, waarom hij haar niet uitgesteld heeft tot ^gt;'het einde: zonder twijfel hebben hem de zoo ernstige gedachten, die hij voortgebracht heeft, geprikkeld, dat hij zoo plotseling in vlam raakte. Want als wij hooren, dat de Zoon Gods met al zijne goederen verworpen wordt, en dat zijn dood voor niet wordt geacht, welk vroom gemoed zou niet van verontwaardiging gloeien 1 Zoo noemt hij hen dan: Dwazen of uitzinnigen, omdat zij zich in zulk een groote schennis van het heilige hadden laten inwikkelen: en hij bestraft hen niet alleen, dat zij zich hadden laten verleiden,
maar dat zij zich als door een magische betoovering hadden laten verstrikken, hetwelk veel zwaarder is: want hij geeft te kennen, dat hun val meer uitzinnigheid dan dwaasheid is. Sommigen meenen, dat Paulus op den aard des volks gezien heeft, omdat zij uit de Barbaren gekomen, harder moesten behandeld worden. Maar ik wil het liever op de zaak zelve duiden: want het is verbazend, dat in zulke groote klaarheid des Evangelies de duivel nog plaats heeft. Want niet alleen daarom, zegt hij, dat zij betooverd en uitzinnig zijn, omdat zij der waarheid niet gehoorzaam zijn, maar omdat zij zoo zeker, zoo openlijk, zoo gemeenzaam, en eindelijk zoo krachtig onderwezen zijnde, terstond afwijken. Het Grieksche woord waarvoor wij gezet hebben: Gehoorzaam zyt, daarvoor heeft Erasmus: Gelooft; hetwelk ik wel niet ganschelijk verwerp; nochtans komt met den samenhang beter overeen wat ik gesteld heb: want Paulus beschuldigt hen niet, dat zij in den beginne het Evangelie verworpen hebben, maar hij berispt hen, omdat zij niet hebben volhard in gehoorzaamheid. Denwelken Jezus Christus. Dit dient (gelijk ik reeds gezegd heb) om de schuld te verzwaren; want hoe bekender ons Christus geweest is, des te grooter zonde is de afwijking. Zoo zegt hij dan, dat de klaarheid zijner leer zoo groot is geweest, dat zij niet zoozeer een naakte leer is geweest, als een levend en uitgedrukt beeld van Christus. Zoo hadden zij dan zulke kennis gehad, die met een klaar aanschouwen kon vergeleken worden. De uitlegging van Augustinus is hard, en vreemd aan den zin van Paulus: hij zegt, dat Christus zijn recht en bevel afgenomen was,
alsof Hij uit zijn bezitting verdreven ware. Anderen lezen voorgeschreven, welk woord niet kwalijk zou passen, zoo men het woord
47
48 GALATEN 3:1, 2.
voorschryven neemt in den zin van openlijk bekendgemaakt worden: vandaar dat programmata, dat is, schriftelijke bekendmakingen, genoemd worden bij de Grieken die tafels, waarmede men goederen te koop publiceert: zoodat het een ding is, dat voor aller menschen oogen tentoongesteld wordt. Maar in het woord geschilderd, is minder dubbelzinnigheid, en voegt zeer wel naar mijn oordeel: want om te toonen, hoe krachtig zijn prediking geweest is, vergelijkt Paulus haar eerst met een schilderij, die het beeld van Christus hun naar het leven heeft geteekend; bovendien met deze gelijkenis niet tevreden, voegt hij er bij, dat Christus onder hen gekruist is geweest: waarmede hij te kennen geeft, dat zij door het tegenwoordig aanschouwen van Christus' dood, niet meer zouden bewogen zijn geworden, dan door zijne prediking. Want wat sommigen verstaan, dat de Galaten den Heere wederom gekruist en bespot hebben, toen zij van de zuiverheid des Evangelies afweken; of immers, dat zij den bedriegers gehoor gegeven en geloofd hadden, die Hem kruisigden, dat schijnt mij al te gedwongen. Laat ons dan dezen zin behouden: Dat zij niet anders door de leer van Paulus aangaande Christus onderwezen zijn, alsof Hij hun in een tafereel getoond, ja onder hen gekruist geweest was. Zulk een voor oogen stelling kan door geene welsprekendheid, noch door versieringen van redenaars geschieden, tenzij de kracht des Geestes daarbij zij, over welke gesproken is in de beide zendbrieven aan de Corinthiërs. Zoo dan, die behoorlijk het Evangelie willen bedienen, moeten niet alleen leeren spreken en roepen, maar in de conscien-tiën doordringen, opdat zij Christus in zich gekruist gevoelen, en zijn bloed op hen drupt. Als de gemeente zulke schilders heeft, zijn haar niet meer houten en steenen, dat is, doode beelden noodig, dan eischt zij geenerlei schilderij: en inderdaad, eerst toen zijn de deuren der kerken bij de Christenen voor de beelden en schilderijen opengezet, toen de herders deels stom, en enkel beelden waren geworden, en deels zoo koud en flauw en terloops op den predikstoel spraken, dat de kracht en uitwerking van den dienst ganschelijk uitgebluscht was.
2 Dit alleen wil ik van u. Nu bevestigt hij zijn zaak opnieuw met redenen. De eerste is uit hun eigene bevinding: want hij brengt hun weder in gedachtenis, hoedanig de beginselen van het Evangelie bij hen geweest zijn: zij hadden den Geest ontvangen bij het hooren van het Evangelie, derhalve moesten zij deze gave aan het geloof, en niet aan de wet toeschrijven. Ditzelfde argument gebruikt Hand. 15:2,7. Petrus, als hij zich bij de broeders verontschuldigt, dat hij onbe-snedenen gedoopt heeft. Evenzoo Paulus zelf en Barnabas, in de handeling, die zij te Jeruzalem over deze zaak hadden. Zoo staat het dan vast, dat die ondankbaar zijn, die niet tevreden zijn met de leer, door welke zij den Heiligen Geest ontvangen hadden. Dat hij van hen antwoord begeert, is geen teeken van twijfeling, maar van meerder vertrouwen: want zij moesten bekennen, dat het waar was, overtuigd door hun eigen bevinding. Onder geloof verstaat hij hier Kom. 3:27. Evangelie, hetwelk hij op een andere plaats noemt de wet des geloofs: want daarin wordt ons de vrije genade Gods in Christus voorgesteld, zonder verdiensten der werken. Onder Geest versta ik hier de genade der wedergeboorte, welke allen geloovigen gemeen is. Hoewel, zoo iemand het liever wil nemen voor de bijzondere
GALATEN 3:2â5.
gaven, waarmede de Heere toen de verkondiging des Evangelies versierde, ik laat het vrij. Zoo iemand tegenwerpt, dat op deze wijze de Geest aan een iegelijk niet is gegeven, ik antwoord, dat het voor het doel van Paulus genoeg is, dat de Galaten wisten, dat in hun gemeente de kracht des Heiligen Geestes met de leer van Paulus verschenen is, en dat de geloovigen tot gemeenschappelijke stichting met de gaven des Heiligen Geestes verschillend begiftigd zijn geweest. Indien wederom hier tegengeworpen wordt, dat die gaven niet waren zekere teekenen der aanneming, en daarom niets dienden tot de tegenwoordige handeling, ik antwoord, dat het genoeg is, dat de Heere de leer van Paulus met zichtbare gaven zijns Geestes bevestigd had. Maar dat andere is eenvoudiger, te weten, dat zij met de algemeene weldaad der aanneming bevestigd waren, eer deze bedriegers hunne aanhangselen indroegen. Alzoo spreekt hij ook, Ef. 1 : 13, Nadat gij het waarachtige Evangelie Gods gehoord hebt, zijt gij met den Heiligen Geest verzegeld geweest, enz.
3 Zyt gü zoo dwaas. Hier is het ook twijfelachtig wat hij verstaat door den Geest en wat door het vleesch. De uitleggers komen met elkander niet overeen. Mij komt het voor, dat Paulus gezinspeeld heeft op wat hij gezegd had van den Geest, even alsof hij zeide: Dewijl de leer des Evangelies u den Heiligen Geest heeft aangebracht, is dus uw begin geestelijk geweest: maar nu zijt gij vervallen tot erger, gelijk zij, die van den Geest vallen tot het vleesch. Zoo heeft hij dan het vleesch gesteld óf voor uitwendige en vergankelijke dingen, gelijk daar zijn de ceremoniën, voornamelijk wanneer zij van Christus afgescheiden worden, èf voor een doode en vergankelijke leer. Het is ongerijmd, als de voortgang niet is naar de schoone beginselen.
4 Hebt gij zoo veel tevergeefs geleden? Dit is een ander argument ; dewijl zij zooveel geleden hebben om des Evangelies wil, dat zij het nu niet geheel in een oogenblik verliezen. Ja, hij vraagt hun bijwijze van een verwijt, of zij willen, dat zoovele strijden verloren zijn, die zij voor het geloof geleden hadden. Want had Paulus hun niet het rechte geloof geleerd, zoo was het een lichtvaardigheid iets te lijden tot verdediging eener booze zaak. Maar nu hadden zij bevonden, dat God in de vervolgingen met hen was. Zoo dan, hij bezwaart de valsche apostelen met nijd, die de Galaten van zulke kostelijke versieringen beroofden. Voorts heeft hij tot verzachting der bitterheid, deze verbetering daarbij gevoegd, indien ook maar tevergeefs! waarmede hij hunne harten opheft, opdat zij op beter hopende, naar betering staan. Want dit is het einde aller kastijdingen, te weten, niet de menschen tot wanhoop te dringen, maar moed te geven tot beter.
49
5 Degene dan, die u. Hier spreekt hij niet van de gave der wedergeboorte, maar van andere gaven des Geestes: want dat het een ander argument is dan boven, bewijst de orde zelve, dewijl hij een ander argument daartusschen heeft gesteld. Zoo vermaant hij dan, dat alle gaven des Heiligen Geestes, waarmede zij versierd waren, vruchten zijn van het Evangelie, dat hij hun met zijnen mond verkondigd had. Zoo beroofden zij dan zichzelven van zulke gaven, als zij met verlating van het Evangelie, zich tot een andere leer begaven. Wederom, gelijk zij die gaven groot achtten, alzoo moesten zij ook zoeken het Evangelie als met de
4
Di. m.
GALATEN 3:6.
tanden vast te houden: met dusdanige gaven verbindt hij krachten, dat is, wonderen.
Gen. 15:6. 6 Gelijk Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot recht-
JaT'al 23! vaardigheid gerekend.
7 Zoo weet dan, dat degenen, die uit het geloof zijn. Abrahams kinderen zijn.
8 En de Schrift tevoren ziende, dat God de heidenen uit het geloof rechtvaardigen zou, heeft tevoren aan Abraham verkondigd,
1 Gen. 12 ^3; zeggende; In u zullen alle heidenen gezegend worden.
264;*4910- 9 Alzoo, die uit het geloof zijn, worden met den geloovigen
Hand. 43! 2°; Abraham gezegend.
Nadat hij hen met de dingen zeiven en met de bevinding overtuigd heeft, komt hij nu tot de getuigenissen der Schrift. Ten eerste brengt hij Abrahams voorbeeld bij. En hoewel de argumenten uit voorbeelden genomen, niet altijd vast zijn, zoo is nochtans dit zeer % krachtig; want er is geen onderscheid, noch in de zaak, noch in
den persoon, want er zijn niet meer toegangen tot de rechtvaardigheid dan een, en Abraham wordt daarom genoemd een vader aller geloovigen, omdat hij een algemeen voorbeeld aller geloovigen is; ja, in zijn persoon is ons voorgesteld een algemeene regel om rechtvaardigheid te verkrijgen.
6 Geiyk. Men moet hieronder verstaan een tegenstellend voegwoord: Ja liever. Want als hij de vraag voorgesteld had, wdde hij haastelijk de oorzaak voor de twijfeling wegnemen, of zeker wordt het woord gelyk, tot het naastvoorgaande stuk betrokken, te weten, dat zij uit het gehoor des geloofs de toediening des Geestes en der krachten hadden: even alsof hij zeide, dat in de genade, die hun gegeven is, gelijkheid met Abraham gezien wordt. Heeft Gode geloofd. Met dit getuigenis bevestigt hij, zoowel hier als in het vierde hoofdstuk van den brief aan de Romeinen, dat de menschen door het geloof gerechtvaardigd worden, omdat het geloof Abraham tot rechtvaardigheid gerekend is. Ten eerste moeten wij met korte woorden leeren, wat het woord geloof, hier bij Paulus beduidt; daarna, wat het woord rechtvaardigheid beduidt; en ten derde, waarom het geloof gerekend wordt de oorzaak der rechtvaardigheid te zijn. Het woord geloof, wordt niet genomen voor elke overtuiging of meening, welke de menschen konden hebben van de waar-Gen. 4:12. heid Gods: Want of Kaïn honderdmaal Gode geloofd had, dat Hij !â hem straf verkondigde, zoo kon hem dat niet helpen om zaligheid
te verkrijgen. Abraham is daarom door het geloof gerechtvaardigd, omdat hij, daar hij van God de belofte der vaderlijke gunst had, haar zekerlijk aangenomen en omhelsd heeft. Zoo dan, het geloof ziet hier op zulk een Woord Gods, waarop de menschen betrouwende in hetzelve kunnen rusten. Wat het woord rechtvaardigheid aangaat, moet men Mozes' wijze van spreken aanmerken: want als hij zegt, dat het Abraham tot rechtvaardigheid gerekend is wat hij geloofd heeft, zoo geeft hij daarmede te kennen, dat die rechtvaardig is, die zoodanig bij God gerekend wordt. En dewijl de menschen geen rechtvaardigheid in zichzelven hebben, zoo verkrijgen zij deze door toerekening: omdat God hun het geloof tot rechtvaardigheid rekent. Zoo worden wij dan gezegd door het geloof gerechtvaardigd
50
I
GALATEN 3 :6.
ïn, te worden, niet omdat het geloof een habitus of kwaliteit in ons
stort, maar omdat wij Gode aangenaam zijn. Maar waarom wordt aan het geloof zulk eene groote eer toegeschreven, dat het genoemd wordt de oorzaak onzer rechtvaardigheid? Ten eerste moet men weten, dat het alleen een instrumenteele oorzaak is. Want om ns eigenlijk te spreken, onze rechtvaardigheid is niets anders dan eene
genadige aanneming, waarin onze zaligheid gefundeerd is. Maar ;e- dewijl de Heere ons door middel van het Evangelie getuigenis
;d, zijner liefde en genade gevende, die rechtvaardigheid, waarvan ik
spreek, deelachtig maakt, daarom worden wij gezegd dezelve door en het geloof te ontvangen. Zoo dan, als wij de rechtvaardigheid des
menschen aan het geloof toeschrijven, zoo handelen wij niet over de principeele oorzaak, maar wij beduiden alleen de wijze, waarop ;r- de menschen tot de ware rechtvaardigheid komen. Want deze recht
te vaardigheid is een loutere gave Gods, en niet een kwaliteit of hoe-
lit danigheid, die in de menschen vastgehecht is, maar wordt alleen
er door het geloof bezeten: en dat niet door de verdienste des geloofs,
in dat zij als het ware zou zijn een schuldig loon, maar omdat wij door
g- het geloof ontvangen wat God vrijwillig geeft. Zoo gelden dan al
sr deze wijzen van spreken evenveel: Dat wij door de genade Gods
s; gerechtvaardigd worden; dat Christus onze rechtvaardigheid is; dat
m de barmhartigheid Gods de oorzaak onzer rechtvaardigheid is; dat
de rechtvaardigheid door den dood en wederopstanding van Christus %- ons is verworven; dat ons de rechtvaardigheid gegeven wordt door
lij het Evangelie, en dat wij door het geloof rechtvaardigheid verkrij-
It gen. Waaruit men zien kan, hoe kinderachtig zij dwalen, die deze
i, uitspraken willen vereenigen, te weten, dat wij door het geloof en
;r door de werken te zamen gerechtvaardigd worden: want wie door
n het geloof rechtvaardig is, die is arm en ontbloot van eigene recht-
vaardigheid, en rust op de genade Gods alleen. En dit is de oor-;t zaak, waarom Paulus, Rom. 4: 2, besluit, dat Abraham geen roem
n heeft bij God, omdat hij de rechtvaardigheid verkregen heeft door
n het geloof. Want in dien tekst wordt niet gezegd, dat het geloof
e hem tot een deel der rechtvaardigheid gerekend is, maar eenvoudig
; tot rechtvaardigheid: zoo is dan het geloof hem geheellijk tot recht-
;, vaardigheid geweest. Nu, het geloof ziet op niets, dan op de barm-
i hartigheid Gods, en op den gestorven en wederopgewekten Chris
tus. Zoo wordt dan alle verdienste der werken, van de oorzaak der rechtvaardigmaking uitgesloten, dewijl zij geheel aan het geloof j toegeschreven wordt. Want het geloof, zoover het de onverdiende
1 goedheid Gods, Christus met al zijne goederen, en het getuigenis
, onzer zaligheid, dat in het Evangelie gegeven wordt, in zich bevat,
, wordt in 't gemeen gesteld tegen de wet, tegen de verdiensten der
f werken, en tegen de waardigheid der menschen. Want wat de So-
51
phisten meenen, dat zij alleen tegen de ceremoniën gesteld wordt, [ dat zal het vervolg der handeling terstond zonder eenige moeite
wederleggen. Laat ons dus gedachtig zijn, dat degenen, die door het geloof rechtvaardig zijn, rechtvaardig zijn buiten zichzelven, te weten, in Christus. Hierdoor wordt ook de dwaze beuzeling van eenigen wederlegd, die Paulus bespotten, omdat Mozes de rechtvaardigheid een geschiktheid noemt, en dat hij niets anders wil zeggen, dan dat Abraham voor een geschikt man is gehouden, omdat hij Gode geloofd heeft. Zulke verdraaide geesten verwekt heden
GALATEN 3:6, 7.
de satan, om als met bedekte lagen de zekerheid der Schrift teniet te maken. Maar Paulus, wetende dat Mozes daar den kinderen geen spraakkunst geleerd, maar over Gods oordeel gesproken heeft, heeft wel terecht het woord rechtvaardigheid genomen, zooals het in de theologie gebruikt wordt: want wij worden niet voor God rechtvaardig geacht, op zulke wijze als wij bij de menschen den lof der geschiktheid hebben, maar als wij de volkomene gehoorzaamheid der wet medebrengen. Want de rechtvaardigheid staat tegen de overtreding der wet, ook in den kleinsten tittel: en dewijl wij uit onszelven deze niet hebben, zoo geeft haar God ons uit genade. Maar hier berispen de Joden Paulus, dat hij de woorden van Mozes verkeerd tot zijn voordeel heeft gedraaid. Want Mozes (zeggen zij) handelt daar niet van Christus of van het eeuwige leven, maar spreekt alleen van een aardsche belofte. Met de Joden komen de papisten bijna overeen: want ofschoon zij Paulus niet durven bestraffen, zoo verdraaien zij nochtans gansch en al zijn meening. Ik antwoord, dat Paulus hier het stuk der leer, dat bij de Christenen ontwijfelbaar is, voor zeker en bekend neemt, te weten, dat al de Gen. 17; i-beloften, die God Abraham gegeven heeft, aanhangsels zijn geweest Gen. is:i. dier eerste belofte, te weten; Ik ben uw God, uw loon zeer groot; ^Gen. 22:17, en ⢠jn uw zaaci zullen alle heidenen gezegend worden. Zoo dan, als tot Abraham gezegd werd: Uw zaad zal wezen als het zand der zee enz., zoo is hij op dat woord niet blijven staan, maar heeft het eerder in de gave der aanneming besloten, als een deel in het geheel; ja wat belofte hem ook gegeven was, hij ontving ze niet anders dan als een getuigenis der Vaderlijke genade Gods, om daaruit het vertrouwen der zaligheid te nemen. Want hierin zijn ook de kinderen Gods verscheiden van de ongeloovigen, te weten, dat de ongeloo-vigen de weldaden Gods in het gemeen met de geloovigen genieten, maar nochtans als beesten ze opzwelgen, zonder hooger op te zien: maar de geloovigen, dewijl zij weten, dat alle weldaden door de beloften geheiligd zijn, erkennen God daarin als hun Vader. Alzoo komt het, dat zij altijd bewogen worden tot de hope des eeuwigen levens, omdat zij beginnen van het fundament, dat is, van het geloof hunner aanneming. Zoo is dan Abraham niet gerechtvaardigd, omdat hij alleen aangaande de vermenigvuldiging des zaads Gode geloofd heeft, maar omdat hij de genade Gods omhelsd heeft, op den beloofden Middelaar betrouwende, in wien alle beloften Gods 2 cor. i: 17. ja en amen zijn, gelijk Paulus ergens leert.
7 Zoo weet dan, of: Gij weet dan. Want het Grieksche woord kan op beide wijze genomen worden: maar dewijl de zin blijft, zoo is er weinig aan gelegen, welke men neemt: of het moest zijn dat de oude overzetting, welke ik gevolgd heb, meer kracht heeft. Voorts zegt hij, dat zij uit het geloof zijn, die het betrouwen der werken verwerpende, op de beloften Gods alleen rusten. Vraagt iemand wie mij dat alzoo doet uitleggen. Ik antwoord: Paulus zelf; want Eom. 4:4. aan de Romeinen schrijft hij aldus: Dengene, die werkt, wordt niets om niet, maar als loon gegeven: maar dengene, die geene werken heeft, dewijl men hém niets schuldig is, wordt het geloof tot recht-vaardigdheid gerekend. Zoo dan, uit het geloof te zyn, is zijn rechtvaardigheid en betrouwen der zaligheid in de barmhartigheid Gods te stellen. Dat dezulken Abrahams kinderen zijn, besluit hij uit de voorgaande uitspraak: want indien Abraham uit het geloof
52
GALATEN 3:7â10.
gerechtvaardigd is, zoo moeten al degenen, die zijne kinderen zijn,
mede in het geloof staan. Hij heeft achtergelaten, wat men lichtelijk daarbij kon stellen, te weten, dat voor niemand plaats is in de gemeente, dan die Abrahams kind is.
8 En de Schrift tevoren ziende. Wat hij onbepaald gezegd had, dat strekt hij nu bijname tot de heidenen uit. Want de roeping der heidenen was een nieuwe en ongehoorde zaak. Daarom werd getwijfeld aangaande de wijze, hoe zij zouden geroepen worden. Het scheen, dat de besnijdenis en onderhouding der wet vereischt werd,
of dat zij anders van het deelgenootschap aan het verbond uitgesloten waren. Maar Paulus bewijst het tegendeel, te weten, dat zij door het geloof komen tot de zegening, en dat zij door het geloof in Abrahams huisgezin geplant zouden worden. Waarmede bewijst hij dat? omdat er gezegd is: In u zullen gezegend worden. Deze woorden beduiden zonder twijfel, dat allen gelijk Abraham moeten gezegend worden: want hij is een algemeen voorbeeld, ja zelfs een regel: zelf heeft hij de zegening door het geloof verkregen; zoo is dan eenerlei wijze in allen. Groote nadruk ligt in het woord ge-loovig, want het heeft dezelfde kracht alsof hij zeide: Niet met den besneden Abraham, of de werken der wet hebbende, of een He-breër zijnde, of op zijn eigen waardigheid steunende, maar met Abraham, die door het geloof alleen zaligheid verkregen heeft. Want hier wordt geene hoedanigheid des persoons aangezien, maar het geloof alleen. Het woord zegening wordt verschillend genomen in de Schrift, maar hier wordt het genomen voor de aanneming tot de erfenis van het eeuwige leven.
10 Want allen, die uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vervloeking; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, Deut. 27 die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der wet,
om dat te doen.
11 En dat door de wet niemand gerechtvaardigd wordt bij God, dat Rom- 3: is openbaar: Want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Hat. 2:
12 De wet nu is niet uit het geloof: maar de mensch, die dit doet, Eom- 1:
, . , , ai gt; i Hebr 10
zal daardoor leven. joh. 3:3
13 Christus heeft ons verlost van de vervloeking der wet, voor ^®v2fJS: ons de vervloeking geworden zijnde, want er is geschreven: Eom. 10 Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. 2 Cor.86
14 Opdat de zegening Abrahams tot de heidenen komen zou door :Deut' 21 Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen
door het geloof.
ie Want allen, die uit de werken. Dit is een argument van tegenstrijdige dingen: want uit dezelfde fontein komt niet heet en koud. De wet besluit alle menschen onder de vervloeking: zoo wordt dan tevergeefs de zegening daarin gezocht. Uit de werken der wet, noemt hij hen, die het betrouwen der zaligheid daarin stellen: want deze wijzen van spreken moet men altijd op den staat der handeling duiden. Wij weten, dat hier gehandeld wordt over de oorzaak der rechtvaardigheid. Hij verkondigt dus, dat allen aan de vervloeking onderworpen zijn, die uit de werken der wet willen gerechtvaardigd worden: maar waaruit bewijst hij dat ? Het vonnis
53
GALATEN 3 : 10, 11.
der wet is: Dat allen, die eenig deel der wet overtreden hebben, vervloekt zijn. Laat ons nu zien, of er eenig mensch ter wereld is, die de wet voldoet. Het is openbaar, dat er nooit iemand gevonden is, noch kan gevonden worden. Zoo worden dan hier allen tot één toe veroordeeld. Hier ontbreekt de minderterm, en het besluit; want de geheele sluitrede zou aldus zijn; Zoo wie in eenig deel der wet gebrekkig is, die is vervloekt; alle menschen zijn daarin gebrekkig; zoo zijn dan allen vervloekt. Nu, deze bewijsvoering van Pauius zou geen steek houden, zoo wij bij machte waren om de wet te volbrengen: want men zou terstond een uitzondering maken op den minderterm. Zoo dan, Pauius heeft of dwaas geredeneerd, ot het is den menschen onmogelijk de wet te volbrengen. Want de tegenspreker zou terstond deze uitvlucht maken: Ik beken, dat a]le overtreders vervloekt zijn. Wat dan? Sommigen onderhouden de sir. 15:14, wet: want de menschen hebben vrije verkiezing tusschen goed en is, enz. kwaad. Maar Pauius stelt hier buiten alle geschil, wat de papisten thans voor een vervloekte leer achten, te weten, dat de menschen geene macht hebben om de wet te onderhouden. Aldus besluit hij stoutelijk, dat allen vervloekt zijn, omdat het allen geboden is de wet ganschelijk te onderhouden, te weten, omdat hun in deze verdorvenheid der natuur de macht ontbreekt. Hieruit besluiten wij, dat het wel iets bijkomstigs is, dat de wet vervloekt, doch dat het een eeuwig en onafscheidelijk toeval is. Want de verdorvenheid onzer natuur houdt ons af van de zegening, die de wet ons voorstelt. Zoo blijft dan niets anders dan vervloeking over.
ii Dat door de wet niemand gerechtvaardigd wordt. Wederom redeneert hij door vergelijking der strijdige dingen, op deze wijze: Indien wij door het geloof rechtvaardig zijn, zoo zijn wij niet rechtvaardig uit de wet, maar wij zijn rechtvaardig door het geloof, zoo zijn wij dan niet rechtvaardig uit de wet. De minderterm be-Hab. 2:4. wijst hij met het getuigenis van Habakuk, hetwelk hij ook voortbrengt, Rom. 1 : 17. En de meerderterm bevestigt hij met de verscheiden wijze der rechtvaardigmaking. Want de wet rechtvaardigt dan eerst, indien men vervult al wat zij gebiedt. Maar het geloof rechtvaardigt allen, die geene verdiensten der werken hebbende, op Christus alleen steunen. Deze twee dingen kunnen niet te zamen gaan, door eigen verdienste, en door eens anders genade gerechtvaardigd worden: daarom wordt het een door het ander omvergeworpen. Dit is de hoofdzaak, zoo laat ons nu een elk stuk bijzonder verklaren. De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Dewijl wij deze plaats Eom. i:i7. uitgelegd hebben in den brief aan de Romeinen, zoo zal het nu niet noodig zijn te herhalen, al wat tot hare uitlegging dient. Dit is zeker, de profeet stelt daar het hoovaardig betrouwen des vlee-sches tegen het ware geloof over. Hij zegt, dat de rechtvaardigen hierdoor leven zullen: waarmede hij te kennen geeft, dat zij niet maar voor een tijd onderhouden worden, zoodat zij vallen, wanneer er eenig onweder komt, maar dat zij eeuwig staan, zoodat zij zelfs midden in den dood niet aflaten te leven. Zoo vorderen de spotters niets met hunne lasteringen, als zij aanvoeren, dat de profeet het woord geloof, daar breeder neemt, dan Pauius te dezer plaats: want hij noemt het geloof eenvoudig een geruste zekerheid der conscientie, welke op God alleen steunt; zoo heeft dan Pauius dit getuigenis bekwamelijk gebruikt.
54
GALATEN 3 : 12, 13.
ia De wet nu is niet uit het geloof. Het is zeker, dat de wet niet strijdt met het geloof: want anders zou God Zichzelven ongelijk zijn; maar men moet altijd hierop komen, dat Paulus spreekt, gelijk de omstandigheid der tegenwoordige zaak eischte. Zoo dan, de strijdigheid, die tusschen de wet en het geloof is, ligt in de zaak der rechtvaardigmaking: want eerder zou men water en vuur vereenigen, dan deze twee dingen met elkander verzoenen, te weten, dat de menschen gerechtvaardigd zijn door het geloof, en door de wet. Zoo is dan de wet niet uit het geloof, dat is, haar wijze om den mensch te rechtvaardigen is geheel vreemd van het geloof. Maar de mensch, die dit doet. De verscheidenheid is hierin gelegen, dat de mensch door de wet te volbrengen, rechtvaardig geacht wordt door de rechtvaardigheid der wet: hetwelk hij met Mozes' getuigenis bewijst. Maar welke zal de rechtvaardigheid des geloofs zijn? Deze beschrijft hij, Rom. 10:9, Indien wij gelooven, dat Christus is gestorven voor onze zonden, enz. Nochtans volgt hier niet uit, dal het geloof ledig is, of dat de geloovigen geene goede werken moeten doen. Want hier wordt niet gevraagd, of de geloovigen de wet moeten houden naar hun vermogen (hetwelk buiten twijfel is) maar of zij uit de werken rechtvaardigheid kunnen verkrijgen, hetwelk onmogelijk is. Indien nu iemand tegenwerpt: Dewijl God hun, die de wet houden, het leven belooft, waarom zegt Paulus, dat die niet rechtvaardig zijn ? Hierop is licht te antwoorden, te weten, dat daarom niemand rechtvaardig is door de werken der wet, omdat er niemand is, die ze doet. Want wij bekennen dat zalig zijn, die de wet doen, zoo er eenigen waren. Maar dewijl er een voorwaarde in het verbond is, zoo worden zij daarom allen van het leven uitgesloten, omdat niemand de rechtvaardigheid doet, die hij schuldig is. Men moet zich herinneren wat ik boven vermaand heb, dat niet zij de wet doen, die haar ten deele gehoorzaam zijn, maar die de rechtvaardigheid in alle stukken volbrengen: van welke volmaaktheid alle menschen zeer ver verwijderd zijn.
13 Christus heeft ons verlost. Hij had alle menschen, die onder de wet zijn, der vervloeking onderworpen. Hieruit ontstond de groote zwarigheid, dat de Joden zich van de vervloeking der wet niet konden verlossen. Zoo lost hij dan deze zwarigheid op, door het middel voor te stellen, leerende dat wij door Christus verlost zijn: waardoor hij zijn meening ook meer bevestigt. Want indien wij daarom zalig zijn, omdat wij van de vervloeking der wet verlost zijn, is dus de rechtvaardigheid uit de wet niet. Daarna voegt hij de wijze der verlossing er bij: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. Christus is opgehangen geweest: zoo heeft Hij dan die vervloeking ondergaan. Nu is het zeker, dat Hij niet om Zichzelfswil deze straf gedragen heeft. Zoo volgt dus, dat Hij óf tevergeefs gekruist is, óf dat onze vervloeking op Hem gelegd is, opdat wij daarvan zouden verlost worden. Hij zegt niet, dat Christus vervloekt geweest is, maar dat Hij eene vervloeking is geworden, hetwelk meer is; want hij geeft te kennen, dat aller menschen vervloeking in Hem besloten is geweest. Indien dit iemand hard toeschijnt, die schame zich ook voor het kruis van Christus, in welks belijdenis wij roemen: want het was Gode niet onbekend, hoedanig de dood zijns Zoons zou zijn, als Hij dit uitsprak: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. Maar iemand zal
55
GALATEN 3 : 13â15.
tegenwerpen: Hoe komt het, dat de Zoon, dien de Vader zeer lief heeft, vervloekt wordt? Ik antwoord: dat hier twee dingen zijn aan te merken, niet alleen in den persoon van Christus, maar ook in Jes. 63:7. zijne menschheid. Het een is, dat Hij was het onbesmette Lam Gods, 29J;036.1:W: V01 zegening en genade; het ander is, dat Hij onzen persoon had Hand. 8:31. aangenomen, en was daarom een zondaar, en der vervloeking onderworpen, wel niet zoozeer in Zichzelven als in ons: doch evenwel zoo, dat het Hem noodig was in onze plaats te staan. Zoo dan, Hij heeft niet buiten de genade Gods kunnen zijn, en nochtans heeft Hij zijnen toorn gedragen. Want hoe had Hij ons kunnen verzoenen met den Vader, die op Hem toornig was, en Hem haatte? Zoo heeft dan de wil des Vaders altijd op Hem gerust. Wederom, hoe zou Hij ons van den toorn Gods verlost hebben, indien Hij dien jes. 63:5. niet van ons op Zich had genomen? Daarom is Hij om onze zonden Hebr.V:?! geslageni en heeft God bevonden als een vertoornd Richter. Dit icor. i;i8. is de dwaasheid des kruises, welke ook de engelen bewonderen, en welke alle wijsheid der wereld niet alleen te boven gaat, maar ook verslindt.
14 Opdat de zegening. Nu past hij, wat hij gezegd heeft, nader op zijn voornemen: dat wij door Christus verlost zijn van de vervloeking der wet, te weten, dat de zegening, die Abraham beloofd was, daarop gefundeerd is, en dat zij daarom tot de heidenen komt. Want indien de Joden van de wet moeten verlost worden, opdat zij Abrahams erfgenamen worden, wat zal de heidenen verhinderen datzelfde goed te genieten? Bovendien, indien deze zegening in Christus alleen is, zoo worden wij niet anders dan door het geloof in Christus alleen daaraan deelachtig. Opdat wü de belofte des Gees-tes. Belofte des Geestes neem ik voor geestelijke belofte, naar de Hebreeuwsche wijze van spreken; want hoewel deze belofte tot het
jes. H:3. Nieuwe Testament behoort: Ik zal van mijnen Geest uitstorten over alle vleesch, zoo heeft Paulus nochtans te dezer plaats op iets anders het oog. Want het komt mij voor, dat hij den Geest stelt tegen alle uitwendige dingen, niet alleen tegen de ceremoniën, maar ook tegen de vleeschelijke voortbrenging, zoodat de personen hier geen plaats hebben. Zoo bewijst hij dan uit de natuur der belofte, dat tusschen de Joden en heidenen geen onderscheid is: want indien zij geestelijk is, zoo wordt zij door het geloof alleen ontvangen.
15 Broeders! ik spreek naar den mensch: zelfs eens menschen verbond, dat bevestigd is, verwerpt niemand, noch zegt er iets toe.
16 Nu zijn de beloften tot Abraham gesproken en zijn zaad: Hij zegt niet: En den zaden, als van velen, maar als van eenen: En uwen zade, hetwelk is Christus.
17 Ik zeg dit: Het verbond, dat tevoren van God is bevestigd geweest op Christus, wordt door de wet, die vierhonderd en dertig jaren daarna gekomen is, niet teniet gemaakt om de belofte weg te nomen.
18 Want zoo de erfenis komt uit een wet, zoo is zij niet meer uit de belofte; maar God heeft ze Abraham door de belofte gegeven.
15 Naar den mensch. Hij heeft hen willen beschamen met dit woord: want het is veel te schandelijk, dat God minder autoriteit
56
Hebr. 9:17. Gal. 3:8.
Gen. 15:13. Exod. 12; 40. Hand. 7:6.
Bom. 4:14.
GALATEN 3; 15, 16. 57
ef bij ons hebben zoude dan een sterfelijk mensch. Zoo dan wat hij
in begeert, dat zij aan het heilig verbond Gods geen minder autoriteit
in toeschrijven, dan men aan de gemeene verbonden der menschen
Is, pleegt te doen, daarin maakt hij God en de menschen niet even
id gelijk: want hij geeft middelerwijl te bedenken, hoe groot onder-
n- scheid er is tusschen God en de menschen. Zelfs eens menschen
el verbond. Dit is een bewijsvoering, waarbij men van het mindere tot
lij het meerdere voortgaat: Der menschen verbonden worden zonder
;ft twijfel geacht vast te zijn; hoeveel te meer wat God verordend en
ïn besloten heeft. Het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, be-
)o duidt meestal een testament, en somtijds ook allerlei verbond. En
)e wat de tegenwoordige plaats aangaat, er is weinig aan gelegen, of
;n men het hier neemt voor een testament, of voor een verbond.
:n Het is een ander ding in den brief aan de Hebreen, waar de apostel Hebr- 7:22-
it zonder twijfel op de testamenten ziet. Hier zou ik het liever een-
m voudig nemen voor een verbond, dat God gemaakt heeft: want de
ik gelijkenis, waarop Paulus hier steunt, zou niet zoo eigenlijk op een testament passen, als wel op een verbond. Zoo laat ons dan deze
;r uitlegging volgen, te weten, dat de apostel hier besluit van de ver-
i- bonden der menschen tot het plechtig verbond, dat God met Abra-
s, ham gemaakt heeft. Want indien der menschen verbonden zulk eene
t. vastigheid hebben, dat men zelfs niets daartoe mag doen, hoeveel
ij te meer moet Gods verbond ongeschonden blijven.
t- 16 Nu zijn de beloften tot Abraham gesproken. Eer hij met
j- zijn bewijsvoering voortgaat, lascht hij iets in over de substantie des
q verbonds, te weten, dat het op Christus alleen gefundeerd is. Indien
i- Christus het fundament des verbonds is, zoo volgt daaruit, dat het j
e onverdiend en uit genade is: en dat beduidt hij ook met het woord
t beloften. Want gelijk de wet ziet op de menschen en op hunne
r werken, alzoo ziet de belofte op de genade en op het geloof. Hy
s zegt niet: En den zaden. Om te bewijzen, dat God daar van Christus
ï spreekt, herinnert hij, dat in het enkelvoudig getal een zeker zaad
i beteekend is. Ik heb mij dikwijls verwonderd, dat de Christenen,
3 ziende dat deze plaats zoo hardnekkig door de Joden gedreven werd,
i hen niet naarstiger wederstaan hebben: want zij gaan haar allen
lichtelijk voorbij, alsof zij door een vreedzaam land gingen. Maar hunne tegenwerping heeft grooten schijn, want dewijl dit woord zaad, niet één, maar velen bevat, zoo schijnt Paulus ongeschikt te doen, als hij zegt, dat door dit woord één mensch beduid wordt, waaronder alle Abrahams nakomelingen saamgevat worden in de boven aangehaalde plaats: Uw zaad zal wezen gelijk het zand der zee, en de sterren des hemels. Daarom, alsof zij Paulus van valsch-heid overtuigd hadden, bespotten zij ons hoovaardig; daarom verwonder ik mij te meer, dat de onzen hier gezwegen hebben, dewijl daar vaste verdediging is, om hun laster te wederleggen: want zulke onderscheiding en deeling is in Abrahams kinderen zeiven begonnen,
zoodat een van de zonen van zijn huisgezin is afgesneden. In Izak zal u het zaad genoemd worden: zoo wordt dan Ismaël niet ge- Gen- 21 =12-rekend Laat ons komen tot den tweeden graad. Zullen de Joden toelaten, dat Ezau's nakomelingen het beloofde zaad zijn? Ja zij zullen beweren, dat hun vader is uitgeroeid, hoewel hij de eerstgeborene was; en hoevele volken zijn er uit Abrahams geslacht gekomen, die in deze roeping geene plaats hebben? Ten laatste zijn
GALATEN 3 : 16, 17.
de twaalf patriarchen, even zoovele hoofden geweest, niet omdat zij uit Abrahams geslacht kwamen, maar omdat zij door bijzondere verkiezing Gods verordend waren. Want sedert de tien geslachten zijn weggevoerd, hoe vele duizenden zijn zóó ontaard en afgeweken, dat zij onder Abrahams zaad geen naam behouden? Ten laatste is ook de stam van Juda in gevaar gekomen, zoodat de ware opvolging der zegening, in weinig volk is gebleven. En het was alzoo voor-Jes. i0:2i. zegd door Jesaja: Het overblijfsel zal alleen zalig worden. Dusver heb ik niets' gezegd, wat de Joden niet bekennen. Laten zij mij dan antwoorden hoe het komt, dat de dertien geslachten, die uit de twaalf patriarchen gesproten waren, eerder Abrahams zaad zijn geweest dan de Ismaëlieten of Edomieten ? waarom zij alleen op dezen naam roemen, en de andere als bastaarden verwerpen ? Zij zullen wel roemen, dat zij dit door hun verdiensten verkregen hebben, maar de Schrift roept daartegen, dat alles hangt aan de roeping Gods: want men moet altijd op dit voorrecht vallen: In Izak zal u het zaad genoemd worden. De doorgaande lijst van dit voorrecht moest plaats hebben tot Christus toe, want de Heere heeft de be-i^ifT-iVii' l0ftegt; die Abraham gegeven is, daarna in David vernieuwd. Zoo dan, 132:11. ' ' Paulus steunt niet op het enkelvoudig getal, om te bewijzen dat dit van één eenig mensch gezegd is, maar alleen om te toonen, dat de naam zaad, rust op iemand, die niet alleen uit Abraham geboren is naar het vleesch, maar die ook door Gods roeping daartoe is verordend. Indien de Joden dit verzaken, doen zij niets anders dan zichzelven door hun hardnekkigheid bespottelijk maken. Voorts, dewijl Paulus uit dezelfde woorden ook besluit, dat het verbond in Christus of op Christus gemaakt is, zoo laat ons onderzoeken wat deze wijze van spreken inhoudt: In uw zaad zullen alle heidenen gezegend worden. De Joden beuzelen, dat er een vergelijking beduid wordt, alsof het zaad van Abraham een voorbeeld zoude wezen, als men iemand goed wilde wenschen: gelijk daarentegen in Sodom of Israël vervloeken, beduidt in de formulieren van vervloeking den naam Sodom of Israël gebruiken. Ik beken, dat dit somtijds waar is, maar niet altijd: want zichzelven in God zegenen, beduidt wat anders ook volgens het toegeven der Joden. Dewijl dus de wijze van spreken twijfelachtig is, en nu eens een oorzaak, dan eens een vergelijking beduidt, zoo moet men haar naar de omstandigheid der plaats uitleggen waar men ze vindt. Nu staat het vast, dat wij allen van nature vervloekt zijn: de zegening is aan alle volken beloofd in Abrahams hand. Komen zij dan allen zonder onderscheid daartoe? Neen voorwaar, maar alleen die, die tot den Messias vergaderd worden: want alsdan worden zij één volk, wanneer zij door de leiding en door de regeering van den Messias tot één lichaam verzameld worden. Zoo dan, wie zonder twistgierigheid de waarheid zal onderzoeken, zal lichtelijk bekennen, dat hier geen bloote vergelijking, maar een oorzaak beduid wordt: waaruit volgt, dat Paulus niet ten onrechte zegt, dat het verbond in Christus of op Christus gemaakt is.
17 De wet, die vierhonderd en dertig jaren daarna. Indien wij Origenes, en Hieronymus, en alle papisten hooren, zoo zal deze rede zonder moeite wederlegd worden. Want Paulus redekavelt aldus: De belofte is Abraham gegeven, vierhonderd en dertig jaren eer de wet gegeven werd: zoo heeft dan de wet, die daarna gekomen is, de belofte niet kunnen wegnemen, en hieruit besluit hij
58
GALATEN 3 : 17, 18.
dat de ceremoniën niet noodzakelijk zijn. Maar als iemand hiertegen zeide, dat het sacramenten zijn, tot onderhouding des geloofs gegeven, waarom zou Paulus dezelve van de belofte afzonderen? Nu, hij zondert haar zoo af, dat hij ze daartegen doet strijden. Zoo dan, hij beschouwt iets hoogers in de ceremoniën, te weten, het werk der rechtvaardigmaking, hetwelk de valsche apostelen aan dezelve toeschreven, en de verbinding der ceremoniën; ja, ter oorzake der ceremoniën handelt hij in 't geheel van het geloof en de werken. Want zoo daar niet gehandeld werd van de verkrijging der rechtvaardigheid, van de verdienste der werken, en van de verstrikking der conscientiën, zoo zouden de ceremoniën wel staan met de belofte. Wat wil Paulus dan met deze wegneming der belofte, waartegen hij strijdt? Te weten, omdat de bedriegers ontkenden, dat de zaligheid den menschen uit genade beloofd is, en door het geloof verkregen wordt: maar drongen op de ceremoniën, alsof zij noodig waren om de zaligheid te verdienen, gelijk men terstond hierna zal zien. Nu kom ik wederom tot de woorden van Paulus. De wet (zegt hij) is na de belofte gekomen, zoo neemt zij dan de belofte niet weg, want het verbond, dat eenmaal gemaakt is, moet ongeschonden blijven. Ik zeg wederom, zoo men niet verstaat, dat de belofte uit genade en onverdiend is, zoo zal deze uitspraak tevergeefs zijn: want de wet en de belofte strijden niet tegen elkander, of het moet zijn in de zaak der rechtvaardigmaking, omdat de wet rechtvaardig maakt door der menschen verdienste, en de belofte uit genade de rechtvaardigheid geeft. En hij legt zich ook klaar uit, als hij ze noemt: Een verbond in Christus gefundeerd. Maar hier zullen de papisten oprijzen, want zij zullen lichtelijk dit bewijs bespotten; zij zullen zeggen: Wij eischen niet meer die oude ceremoniën, laat ze varen; nochtans wordt de mensch gerechtvaardigd door de wet der zeden: want deze wet is geweest vóór het verbond Gods met Abraham gemaakt, dewijl zij met den mensch geschapen is; alzoo zal de bewijsvoering van Paulus óf flauw wezen, óf alleen tegen de ceremoniën gelden. Ik antwoord, dat Paulus aangemerkt heeft wat waar was, dat den werken geen loon toekwam, dan uit kracht van het verbond Gods: alzoo, ook al bekennen wij dat de wet rechtvaardig maakt, zoo hebben nochtans de menschen vóór de wet de zaligheid niet kunnen verdienen door de werken, omdat er geen verbond was. Ik zeg niets wat de Scholastieken niet toestemmen: want zij leeren niet, dat de werken door hun innerlijke waardigheid de zaligheid verdienen, maar door de aanneming Gods, (gelijk zij spreken) en om des verbonds wille. Zoo dan, waar geen verbond Gods, en geen getuigenis der aanneming is, daar zullen ook geene werken genoegzaam tot rechtvaardigheid zijn: daarom snijdt Paulus' redeneering wel hout. Daar is (zegt hij) tweeërlei verbond Gods met de menschen geweest; het eerste was geslagen in Abrahams hand, het ander in Mozes' hand. Het eerste is in Christus gefundeerd, en daarom uit genade en onverdiend: zoo heeft dan de wet, die daarna gekomen is, niet kunnen uitwerken, dat de menschen buiten de genade zaligheid zouden hebben: want alzoo zou de belofte tevergeefs zijn. Dat dit de zin is, wordt bewezen door hetgeen naast volgt.
18 Indien de erfenis komt uit de wet. Opdat de tegenstanders niet mochten zeggen, dat wat zij leerden, niet diende om het verbond Gods te breken of te niet te maken, zoo voorkomt hij alle
59
GALATEN 3: 18.
uitvluchten, zeggende dat deze dingen tegen elkander strijden, te weten, dat wij zaligheid verkrijgen door de wet en door de belofte. Wie zoude dit van de ceremoniën alleen durven uitleggen, daar Paulus in het gemeen begrijpt, al wat tegen de onverdiende belofte strijdt? Zoo is het dan geenszins twijfelachtig, of hij sluit alle werken uit. Alzoo Rom. 4; 14; Indien de erfenis uit de wet is, zoo is het geloof te niet gemaakt, en de belofte verijdeld. Waarom? omdat de zaligheid zoude hangen aan deze conditie; Zoo gij de wet volbrengt. Daarom besluit hij terstond, dat zij uit het geloof is, opdat de belofte zeker zij. Laat ons dus naarstig vasthouden, waarom bij vergelijking der wet met de belofte, de eene moet vallen als de ander staat, te weten, omdat de belofte op het geloof, en de wet op de werken ziet. Het geloof ontvangt wat uit genade en onverdiend gegeven wordt, maar den werken wordt loon gegeven, en dit is het wat hij er dadelijk bijvoegt: Dat God Abraham gegeven heeft, niet wederom eenige vergelding eischende, maar uit eigen beweging belovende. Want indien wij het verstaan van een conditioneele belofte, zoo zal dit woord geven, geenszins passen.
19 Wat wil dan de wet? Zij is om der overtreding wil daarbij gesteld, totdat het zaad kwam, welken het beloofd was; zij is besteld door de engelen in de hand des Middelaars.
20 Nu een Middelaar is niet van eenen, maar God is een.
21 Is dan de wet tegen de beloften Gods? dat zij verre: want indien er een wet gegeven ware, die konde levend maken, zoo zou de rechtvaardigheid waarlijk uit de wet zijn.
22 Maar de Schrift heeft liet alles besloten onder de zonde, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de ge-loovigen gegeven zou worden.
Als wij hooren dat de wet niet dient om rechtvaardigheid te geven, zoo komen terstond verschillende gedachten in den zin, te weten, dat dan de wet onnut, of met het verbond Gods strijdig is, of iets desgelijks. Ja dit zou ons in den zin kunnen komen: Waarom jer. 3i;3i. zouden wij niet van de wet zeggen, wat Jeremia zegt van het Nieuwe Testament, te weten, dat het ter tweede plaats gegeven is, om de zwakheid der voorgaande leer te verbeteren. Zulke tegenwerpingen moest Paulus wederleggen, zoo hij de Galaten wilde voldoen. Zoo dan, hij vraagt ten eerste, wat het gebruik der wet is: want dewijl zij na de belofte gekomen is, zoo schijnt het dat zij behoorde aan te vullen, wat in de belofte ontbrak, en waarlijk hieraan werd getwijfeld, of de belofte in zichzelve krachteloos was, zoo zij niet door de wet werd geholpen. Maar men moet opmerken, dat Paulus niet alleen van de wet der zeden spreekt, maar van den ganschen dienst van Mozes, welke Mozes eigenlijk toekwam: Deze dienst was, eenen regel des levens voor te schrijven en ceremoniën, waarmede zij zich in den godsdienst zouden oefenen: vervolgens ook beloften en dreigingen daarbij te voegen. Dat vele beloften rakende de onverdiende barmhartigheid Gods en Christus, die tot het geloof behooren, daarin besloten zijn, dat is: als het ware toevallig, en van elders, zoo verre de wet met de leer der genade vergeleken wordt. Zoo moet men dan gedachtig zijn, dat de hoofdzaak der handeling deze is: Waarom is Mozes eerst, nadat de belofte gege-
60
Joh. 15; 22. Bom. 4:15; 5:20; 7:8. Hand. 7 :38.
Deut. 5:5. 1 Tim. 2 :5. Hebr. 9:15.
Bom. 3:9.
GALATEN 3 : 19.
ven was, gekomen met deze nieuwe verbinding: Wie deze dingen neut. 4;i. zal doen, die zal daarin leven: En vervloekt is die het niet al vol-Deut. 27;26. brengt: Is het om wat beters of volmaakters aan te brengen ?
19 Om der overtreding wil. Het gebruik der wet is menigvuldig,
maar Paulus heeft alleen aangeroerd wat ter tegenwoordige zake diende. Want zijn doel was niet, te handelen op hoevele wijzen de wet den menschen nuttig is: waarvan de lezers moeten vermaand zijn. Want ik zie, dat velen daarin feilen, dat zij geene andere nuttigheid der wet erkennen, dan die hier aangeteekend wordt. Maar Paulus voegt ergens zelf de geboden der wet tot de leer en ver- 2Tim. 3;io. maning: zoo is dan de beschrijving van het gebruik der wet niet volledig, en verkeerd doen zij, die in de wet niets anders erkennen.
Maar wat beduidt dit: Om der overtreding wil? De wijsgeeren spreken ook wel alzoo, dat de wet gegeven is om booze daden te verhinderen, en het oude spreekwoord luidt: uit booze zeden zijn goede wetten gesproten. Maar de zin van Paulus is hooger, dan de woorden uitgeven. Want hij geeft er mede te kennen, dat de wet gegeven is om de overtreding openbaar te maken, en alzoo de menschen te dwingen tot de erkenning van hunne schuld. Want gelijk zij van nature lichtelijk zichzelven vergeven, hebben zij slapende conscientiën, tenzij zij door de wet gedrongen worden. Hieruit is het dat Paulus zegt: Hoewel de zonde voor de wet in de wereld Roin- 6:9-was, zoo werd zij nochtans niet toegerekend. Zoo is dan de wet gekomen, en heeft de slapenden wakker gemaakt: want dit is een ware voorbereiding tot Christus. Door de wet, zegt hij Rom. 3 : 20,
is de kennis der zonde. Waarom? opdat de zonde zou worden bovenmate zondigende, want aldus zegt hij hfdst. 7 : 13: Zoo is dan de wet gesteld om der overtredingen wil, opdat zij die zou ontdekken of, (gelijk hij spreekt Rom. 5: 20) maken overvloedig te zijn.
Deze wijze van spreken kwelt Origenes, maar tevergeefs: want wat ongerijmdheid is er in, indien de Heere de conscientiën voor zijnen rechterstoel roept, opdat zij door hare schuld vernederd worden,
welke anders zichzelven in haar kwaad zouden behagen? Indien Hij die slaperigheid uitdrijft, waardoor alle gevoel des oordeels gesmoord werd? En indien Hij de zonde, welke als een dief in de spelonk der geveinsdheid verborgen was, in het licht stelt? Indien iemand hiertegen mocht zeggen: dewijl de wet een regel is om godzalig en wel te leven, waarom wordt zij eerder gezegd om der overtredingen dan om der gehoorzaamheidswille gesteld te zijn? Ik antwoord: Hoewel zij de ware rechtvaardigheid toont, worden nochtans in deze verdorvenheid der natuur door de leer der wet de overtredingen slechts vermeerderd, totdat de Geest der wedergeboorte komt, die haar in de harten schrijft: deze wordt niet gegeven door de wet, maar wordt ontvangen door het geloof. Laten dus de lezers gedachtig zijn, dat dit woord van Paulus geen philo-sophisch of politisch woord is: maar dat een einde der wet daarmede beteekend wordt, hetwelk altijd der wereld onbekend geweest is. Totdat het zaad kwam. Indien zij ziet op het zaad,
waarin de zegening gefundeerd was, dan verkort zij de belofte geenszins; want dit woordje tot, heeft dezelfde kracht alsof hij gezegd had: Ondertusschen dewijl het zaad verwacht wordt. Waaruit volgt,
dat zij moest dienen, en niet de heerschappij hebben: want zij was tot zoolang gesteld, om de menschen op te heffen tot de verwach-
61
GALATEN 3 ; 19, 20.
ting van Christus. Maar daar wordt gevraagd, of zij niet langer moest duren, dan tot de komst van Christus: want indien het zoo is, zoo volgt daaruit dat zij nu afgeschaft is. Ik antwoord; deze gansche bediening is tijdelijk geweest, want zij was tot dat einde gesteld, dat zij het Israëlietische volk in het geloof van Christus zou behouden: nochtans laat ik niet toe dat de gansche wet door de komst van Christus afgeschaft is. En de apostel heeft dit ook niet gewild: maar alleen dat die aard der regeering, die tusschen beide gesteld was, een einde moest nemen in Christus, welke de vervulling der belofte is. Maar van deze zaak zulleji wij terstond meer moeten zeggen. Besteld door de engelen. Dit dient tot lof der wet, dat zij door de engelen gegeven is. Hetzelfde zegt ook Stefanus, Hand. 7 : 39. Want dat sommigen door de engelen Mozes en Aaron, en de priesters verstaan, dit is meer scherpzinnig dan vast. Het is geen wonder, dat aan de engelen, door welke God ook de minste weldaden ons uitdeelt, ook dit bevolen is, dat zij bij de afkondiging der wet als getuigen zouden zijn. In de hand des Middelaars. Gebruikelijk is, dat het woord hand gesteld wordt voor bediening: maar dewijl Hij de engelen gesteld heeft tot dienaars in de afkondiging der wet, zoo neem ik de hand des Middelaars voor de eerste of hoogste plaats in den dienst: omdat deze de voornaamste was van het gezantschap der bediening, wien de engelen tot helpers toegevoegd waren. Sommigen achten dit van Mozes gezegd, zoodat hier Mozes met Christus vergeleken wordt: maar ik sta hier de ouden bij, die het uitleggen van Christus: want dat deze zin beter overeenkomt met het vervolg der woorden, dat zal terstond openbaar worden: hoewel ik ook met de ouden niet overeenkom in de beduiding des woords Middelaar. Want het beduidt hier niet een verzoener, wat zij meenen, zooals in den eersten brief aan Timo-i Tim. 2; 5. theus: maar een Middelaar bij de afkondiging der wet. Men moet dit weten, dat van den beginne der wereld aan. God geene gemeenschap gehad heeft met de menschen, dan door tusschenkomst i Petr.i:ii. van zijn eeuwige Wijsheid of Zoon: waarom Petrus ook leert, dat facodr lo 2t de heilige profeten door den Geest van Christus gesproken hebben: Exod! wis', en Paulus zegt, dat Hij de Leidsman des volks was in de woestijn.
En voorwaar, de Engel, die aan Mozes verscheen, kan niemand anders geweest zijn, dewijl Hij den eigen en wezenlijken Naam Gods aanneemt, welke nooit op de creaturen overgedragen wordt. Zoo dan, gelijk Hij Middelaar van verzoening is, door welken wij Gode aangenaam zijn, en Middelaar van voorspraak, door welken ons de toegang open is, om den Vader aan te roepen: alzoo is Hij ook altijd geweest de Middelaar van alle leer, dewijl God door Dezen Zich altijd aan de menschen geopenbaard heeft. En Hij heeft dit bijname willen uitdrukken, opdat de Galaten zouden leeren, dat diezelfde die het fundament des genade.verbonds is, ook de eerste geweest is in de wetgeving.
2o Nu een Middelaar is niet van éénen. Hoewel sommigen hiervan twee naturen van Christus philosopheeren, alsof Paulus had willen zeggen, dat hij niet is van ééne substantie: nochtans niemand van gezond oordeel twijfelt of Paulus spreekt van hen tusschen welke het verbond gemaakt wordt: en alzoo wordt het in het gemeen uitgelegd, te weten, dat er voor een Middelaar geen plaats is, dan als de eene partij met de andere handelt: maar waarom
62
GALATEN 3:20, 21.
Paulus deze uitspraak hier gesteld heeft, laten zij meest allen in twijfel: ofschoon de plaats bijzondere opmerking waardig is. Het kan een vóórkoming zijn, waarmede Paulus eene booze gedachte nopens de verandering des Goddelijken raads afsnijdt. Want iemand zou bij zichzelven zeggen: gelijk de menschen hunne verbonden plegen te wederroepen, die hen berouwen: alzoo is het ook geschied met de verbonden Gods. Als men den zin volgt, welken ik gezegd heb, dan zou Paulus in het eerste deel bekennen, dat wel de menschen die veranderlijk en ongestadig zijn, in dit verbond één hoofd zijn, maar dat nochtans niettemin God één blijft, dat is Zichzelven gelijk, en Zich niet verandert naar de ongestadigheid der menschen.
Maar als ik alles nader aanmerk, oordeel ik eerder, dat hier aangewezen wordt de verscheidenheid tusschen Joden en heidenen. Zoo is dan Christus niet een Middelaar van eenen, want de conditie dergenen, met welke God in Christus het verbond maakt, is verscheiden, wat het uitwendig aanzien aangaat. Maar Paulus zegt, dat men het verbond Gods niet daaruit moet achten, alsof het tegen zichzelf streed, of veranderlijk is, naar de verscheidenheid der menschen. Nu zijn de woorden klaar: gelijk Christus voorheen, God met de Joden vereenigd in het verbond te maken; alzoo is Hij nu een Middelaar der heidenen. Er is groot onderscheid tusschen Joden en heidenen: want door de besnijdenis en de ceremoniën is er een middelmuur tusschen gesteld. De Joden waren nabij God geweest,
terwijl de heidenen verre waren: nochtans houdt God daarom niet op Zichzelven gelijk te zijn. Dit geschiedt als Christus, hen die te voren onder elkander oneenig waren, tot denzelfden God brengt,
en ook maakt dat zij één lichaam worden. Zoo is het dan één Job. 17:21. eenig God, omdat Hij altijd Zichzelven gelijk blijft, en met eeuwige eenvoudigheid vast en staande houdt, wat Hij eonmaal verordend heeft.
2i Is dan de wet. Hoewel men, wanneer de zekerheid en standvastigheid van het Goddelijk voornemen bekend is, tegelijk moet stellen dat de dingen die van Hem komen, niet tegenstrijdig zijn,
nochtans moest deze knoop ontbonden worden, om den schijn van tegenstrijdigheid, die tusschen de wet en het verbond der genade zich vertoont. Het kan ook een exclamatie of uitroep zijn, waarmede Paulus, nadat de schijnstrijdigheid weggenomen is, alsof de zaak gewonnen ware, uitroept, uit het voorgaande als ontwijfelbaar besluitende: Wie durft nu verschil tusschen de wet en de beloften verzinnen? Nochtans wordt Paulus hierdoor niet verhinderd, om de zwarigheden, die nog mochten voorkomen, hier voortaan uit den weg te ruimen. Doch eer hij op de vraag antwoordt, werpt hij op zijne wijze zulke ongerijmdheid ver weg, om te vermanen hoezeer godzalige ooren behooren te verfoeien, al wat godslasterlijk is. Maar hieronder is eene andere listige trek verborgen, welke men moet opmerken: want hij beschuldigt de tegenstanders daarvan, dat zij God met Zichzelven in tegenspraak brengen. Want het is openbaar,
dat de wet en de beloften van Hem gekomen zijn. Wie dus eenige tegenstrijdigheid daaronder voortbrengt, is lasterlijk tegen God. Nu, zij strijden tegen elkander, indien de wet rechtvaardig maakt. Alzoo keert Paulus zeer bekwamelijk de beschuldigingen der tegenstanders tegen hen zeiven, die zij valsch en lasterlijk tegen hem inbrachten.
Want indien er een wet gegeven ware. Dit antwoord is niet
63
GALATEN 3 : 21, 22.
rechtuit, en verklaart nog niet tenvolle de eendrachtigheid der wet en der beloften, nochtans bevat zij zooveel als genoeg is, om de tegenstrijdigheid weg te nemen. Men zou bij het eerste aanzien zeggen, dat deze uitspraak met het vervolg der woorden niet overeenkwam, en ook niet diende tot de oplossing der kwestie. Maar het is niet tilzoo: want dan zou de wet strijden tegen de beloften, zoo zij macht had om te rechtvaardigen, want er zouden twee tegenstrijdige wijzen om den mensch te rechtvaardigen, en als het ware twee verschillende wegen om rechtvaardigheid te verkrijgen zijn. Maar Paulus beneemt dit der wet: zoo is dan de tegenstrijdigheid weggenomen. Ik zou, zegt hij, toegeven dat rechtvaardigheid uit de wet verkregen wordt, indien daar zaligheid gevonden werd. Maar wat?
22 De Schrift heeft het alles besloten. Door het woord Schrift, verstaat hij voornamelijk de wet zelve; deze besluit alle menschen onder de verdoemenis: zoo berooft zij hun dan van de rechtvaardigheid, eerder dan zij hun die geeft. Dit is een zeer sterke reden; G zoekt rechtvaardigheid in de wet. De wet zelve nu met de gan-sche Schrift, laat den menschen niets anders dan de verdoemenis: want zij veroordeelt alle menschen met hunne werken wegens onrechtvaardigheid; wie zal dan- uit de wet leven? Hij zinspeelt op Deut. 4:2. uitspraak; De mensch, die dit doet, zal daarin leven. Wanneer wij (zeg ik) door de verdoemenis van dit leven uitgesloten zijn, zoo zouden wij tevergeefs zaligheid in de wet zoeken. Als hij zegt; Alles, drukt hij meer uit dan wanneer hij gezegd had; Alle menschen. Want hij heeft daaronder niet alleen de menschen vervat, maar ook al wat zij hebben of bijbrengen kunnen. Opdat de belofte uit het geloof. Want er is geen ander middel, dan dat wij van de rechtvaardigheid der werken beroofd, tot het geloof van Christus vlieden. Zoo is dan de gevolgtrekking zeker; Indien de werken in het oordeel komen, zijn wij allen veroordeeld; zoo verkrijgen wij dan door het geloof van Christus eene onverdiende rechtvaardigheid. Voorts is deze uitspraak vol uitnemenden troost, want wij worden vermaand dat ons, zoo dikwijls wij ons in de Schrift hooren verdoemen, hulpe in Christus bereid is, mits wij tot Hem vlieden. Wij zijn verloren, ook indien God zweeg; waarom verkondigt Hij dan zoo vaak dat wij verloren zijn? Opdat wij niet vergaan in het eeuwige verderf, maar door zoo vreeselijk vonnis verslagen zijnde, door het geloof Christus zoeken, door wien wij van joh. 6:24. cien dood overgaan tot het leven. In het woord belofte is een wijze van spreken, metonymia genoemd, waarbij het bevatten gesteld wordt voor den inhoud, te weten, de belofte voor de erfenis die daarin vervat is.
23 Eer het geloof kwam, werden wij onder de wet bewaard en zijn besloten onder het geloof, dat geopenbaard zou worden.
24 Zoo dan, de wet is onze onderwijzer geweest tot Christus, opdat wij door het geloof zouden gerechtvaardigd worden.
25 Maar als het geloof gekomen is, zoo zijn wij niet meer onder den onderwijzer.
26 Want gij zijt allen kinderen Gods, door het geloof in Christus Jezus.
64
Matt. 5:17. Hand. 13:38. Rom. 10 :4.
Jes. 56:5. Joh. 1:12. Rom. 8:15. Gal. 4:5.
GALATEN 3:23.
27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt Christus aan- Eom. C:3 gedaan.
28 Daar is noch Jood noch Griek, daar is noch dienstbare noch
vrije, daar is noch man noch vrouw: want gij allen zijt één Joh. 17:2 in Christus Jezus.
29 En indien gij van Christus zijt, zoo zijt gij Abrahams zaad, gen. 21 -.1 en naar de belofte erfgenamen. Hebr. li:
23 Eer het geloof kwam. Hier is een volkomener beschrijving van de voorgenomene stof van behandeling. Want hij verklaart duidelijk, niet alleen welk het gebruik der wet is, maar ook waarom zij tijdelijk moest zijn: want anders scheen het altijd ongerijmd, dat de wet den Joden gegeven was, van welke de heidenen vrij waren.
Want indien uit Joden en heidenen ééne gemeente is, waarom is de regeering onderscheiden? vanwaar of met wat recht komt deze nieuwe vrijheid, dewijl de vaders onder de onderdanigheid der wet zijn ? Zoo leert hij dan, dat het onderscheid van dien aard is, dat het de eenigheid en eendrachtigheid der gemeente niet verhindert. Wederom moeten de lezers vermaand worden, dat Paulus niet alleen van de ceremoniën, noch bijzonder van de wet der zeden spreekt,
maar dat hij de gansche huishouding bevat, waarmede de Heere onder het Oude Testament zijn volk geregeerd heeft. Want hierover werd getwist, of de vorm der regeering, door Mozes ingesteld,
diende om rechtvaardigheid te verkrijgen. Deze wet vergelijkt Paulus eerst bij een gevangenis of bewaring, daarna bij eenen kinderopvoeder of onderwijzer; en met beide gelijkenissen maakt hij openbaar, dat de natuur der wet zoodanig was, dat zij niet dan voor een zekeren tijd in zwang moest zijn. Het woord geloof, beduidt volkomen openbaring dier dingen, die toen verborgen waren onder de duisterheid van de schaduwen der wet; want aan de vaderen, die onder de wet geleefd hebben, ontneemt hij het geloof niet. Van Abrahams geloof is boven gesproken, en het voorbeeld der andere vaderen verhaalt de auteur van den brief aan de He- Hcbl- 11-breën; bovendien, de leer des geloofs heeft getuigenis van Mozes en al de profeten: maar dewijl de klaarheid des geloofs toen niet zoo openbaar was, daarom noemt hij den tijd des Nieuwen Testaments den tijd des geloofs, niet eenvoudig, maar bij vergelijking.
En dat dit zijn gevoelen geweest is, bewijst hij terstond, als hij zegt: Dat zij zijn besloten geweest tot op het geloof, dat zou geopenbaard worden: want hij betuigt met deze woorden, dat degenen, die onder de bewaring der wet waren, hetzelfde geloof zijn deelachtig geweest. Want de wet hield hen niet af van het geloof,
65
maar wederhield hen, opdat zij niet buiten de palen des geloofs zouden treden. En het rijmt zeer wel met wat hij tevoren gesteld had, dat de Schrift alles onder de zonde besluit. Zoo dan, gelijk zij van alle zijden bezet werden gehouden van de vervloeking, zoo hadden zij tegen deze bezetting een' bewaring, die hen tegen deze vervloeking beschermde. Zoo geeft hij dan te kennen, dat de bewaring der wet, door den Geest waarlijk vrij is geweest. Het geloof was toen nog niet geopenbaard, niet omdat de vaders alle licht ontbeerden, maar omdat zij minder licht hadden dan wij: want dewijl de ceremoniën aldaar Christus afschaduwden, als niet tegenwoordig, zoo wordt Hij ons heden als tegenwoordig voor oogen
6
Dl. III.
66 GALATEN 3 : 23, 24.
gesteld. Alzoo, waar zij een spiegel hadden, daar hebben wij nu het zij,
wezen. Hoedanig dus de duisterheid in de wet geweest zij, noch- wei
tans hebben de vaders wel geweten, wat weg zij moesten bewandelen. ma;
Want hoewel tegen den dageraad niet zulke groote klaarheid is als ot
omtrent den middag, zoo wachten nochtans de reizigers niet, totdat die
de zon volkomen op is: want het is hun genoeg, dat zij den weg loc
weten. Alzoo is hun hun portie licht als een dageraad geweest, die
waardoor zij van alle gevaar voor dwaling vrij, tot de eeuwige var
zaligheid konden geleid worden. me
24 Zoo dan, de wet is. Dit is de tweede gelijkenis, welke de s
meening van Paulus nog klaarder' uitdrukt: want een onderwijzer is,
of kinderopvoeder wordt niet gesteld voor het gansche leven, maar dei
alleen voor de kindsheid verordend; bovendien houdt hij dit bij is:
het onderwijzen des kinds in het oog, dat hij het door kinderlijke Zo
onderwijzingen tot grooter dingen voorbereidt. Deze beide dingen kir
betamen der wet: want zij had eenen zekeren bepaalden tijd, dat en
zij regeerde, en zij moest hare discipelen alleen bevorderen tot tot
eenige graden, opdat zij hunne beginselen doorgekomen zijnde, vor- twi
deringen maken zouden, die den mannelijken ouderdom betaamde. op
Daarom zegt hij: Tot op Christus; want gelijk een taalleeraar het vr;
kind, dat hij door zijn arbeid en zorg onderwezen heeft, overgeeft an
in de hand desgenen, die het in hooge wetenschappen onderricht, en
zoo is de wet geweest als een spraakkunst, welke de discipelen, die ee:
zij begon te leeren en voor het geloof moest klaarmaken, als aan wc
de godgeleerdheid zou afstaan. Aldus vergelijkt Paulus de Joden eii
bij kinderen, en ons bij jongelingen. Maar er wordt gevraagd, hoe- op
danig de leer of tucht dezer onderwijzing geweest is? Ten eerste is
overtuigde zij, door de rechtvaardigheid Gods te openbaren, de aa
menschen van hun eigen onrechtvaardigheid; want zij konden in ho
de geboden Gods als in een spiegel zien, hoever zij af waren van da
de ware rechtvaardigheid: en alzoo werden zij vermaand, dat de tn
rechtvaardigheid elders is te zoeken. Dezen zelfden dienst hadden en
ook de beloften der wet; want zij moesten aldus denken: Indien ve
gij niet anders door de werken het leven kunt verkrijgen, dan door Cl
de wet te volbrengen, zoo moet gij een ander nieuw middel zoe- de
ken: want gij zult door uwe zwakheid nooit zoo hoog komen; al lei
begeert en poogt gij ook nog zoo sterk, gij zult nochtans altijd d(
zeer ver af zijn van het doel. Anderzijds werden zij gedrongen door sc de bedreigingen, en bewogen om ontkoming te zoeken van den
toorn en vervloeking Gods; ja, zij lieten hen niet rusten, zoolang ar
zij hen niet geprikkeld hadden om de genade van Christus te be- gt
geeren. Tot ditzelfde einde strekten ook alle ceremoniën. Want d;
waartoe dienden de offeranden en wasschingen, anders dan dat zij W
in gedurige overdenking der zonde en der verdoemenis zouden ge- zi
oefend worden. Nu, die zijn eigen onreinigheid voor oogen ziet, hi
en dien een beeld zijns doods in een onzondig dier voorgesteld ki wordt, hoe zal die gerust slapen? Hoe zal hij niet bewogen worden
om remedie te zoeken? En voorwaar, de ceremoniën dienden niet d
alleen om de conscientiën te verschrikken en te vernederen, maar e:
ook om ze op het geloof des toekomenden Verlossers te richten. w
Al wat in de gansche praal der ceremoniën voor oogen gesteld d
werd, had als het ware een ingedrukt merk van Christus. Kortom, o
de gansche wet was niet anders dan menigerlei oefening, waardoor a
GALATEN 3 : 24â27.
i het zij, die zich daarin oefenden, als met de hand tot Christus geleid
loch- werden. Opdat wy zouden. Reeds heeft hij aan de wet de vol-
.elen. maaktheid benomen, daar hij gezegd heeft, dat .zij een kindermeester
is als ot onderwijzer gelijk is: zij zou de menschen volmaakt maken, in-
Dtdat dien zij hun rechtvaardigheid gaf. Wat zal dan anders, dan het ge-
weg loof in hare plaats komen ? en het komt in hare plaats, als het ons,
eest, die aan eigen rechtvaardigheid arm zijn, met de rechtvaardigheid
wige van Christus bekleedt. Alzoo wordt dat vervuld: Dat de hongerigen Matt. 5:c.
met goederen verzadigd worden. lAik. i:53.
e de 25 Maar als het geloof gekomen is. AVat de komst des geloofs
'ijzer is, hebben wij aireede gezien, te weten, een helderder openbaring
naar der genade, nadat het voorhangsel des tempels in twee gescheurd Matt. 27:51.
t bij is; hetwelk wij weten, dat geschied is door de komst van Christus.
lijke Zoo zegt hij dan, dat onder het rijk van Christus niet meer die
1gen kindsheid is, die door een kindermeester moet geregeerd worden,
dat en dat daarom de wet haar ambt vervuld heeft, hetwelk de andere
tot toepassing der gelijkenis is. Want hij had zich voorgenomen deze
vor- twee dingen te bewijzen, te weten, dat de wet een voorbereiding is
nde. op Christus, en dat zij tijdelijk is. Maar hier wordt wederom ge-
het vraagd, of de wet zóó afgeschaft is, dat zij ons niets aangaat. Ik
;eeft antwoord: Dat de wet thans even krachtig is, als zij voorheen was,
icht, en onverkort blijft, zooverre zij een regel is om wel te leven, en
die een breidel, waardoor wij in de vreeze des Heeren wederhouden
aan worden, en een prikkel om de luiheid onzes vleesches te beteren;
'den eindelijk, zoover zij nut is om te leeren, te verbeteren en te straffen,
10e- opdat de geloovigen tot alle goed werk onderwezen worden. Hoe
rste is zij dan afgeschaft? Wij hebben reeds gezegd, dat Paulus de wet
de aanmerkt, zooals zij met hare hoedanigheden bekleed is; en hare
1 in hoedanigheden zijn deze; Dat zij voor de werken loon en straf stelt,
van dat is, dat zij haren onderhouders het leven belooft, en alle over-
: de treders vervloekt: ondertusschen eischt zij de opperste volmaaktheid,
den en volkomen gehoorzaamheid van den mensch; zij laat niets los, zij
lien vergeeft niets, maar brengt in rekening ook de allerminste feilen;
00r Christus en zijn genade toont zij niet openlijk, maar van verre, en
'oe- dat onder de ceremoniën, als onder bedekselen besloten. Paulus
; al leert, dat dusdanige hoedanigheden der wet afgeschaft zijn, zoodat
â tijd de dienst van Mozes nu ophoudt, zooverre hij naar den uitwendigen
oor schijn onderscheiden is van het genadeverbond.
den 26 Want gij zyt allen kinderen Gods. Hij bewijst met een
ang andere reden, dat het onrecht en onbetamelijk is, dat de wet de
be- geloovigen in eeuwige dienstbaarheid zou verbinden, te weten, om-
ant dat zij kinderen Gods zijn. Hoe ? Door het geloof in Christus.
Z1j Want allen, die in Hem gelooven, wordt dit voorrecht gegeven, dat
gequot; zij kinderen Gods zijn. Tevens wordt hieruit besloten, dat wij door
:iet, het geloof verlost zijn, dewijl wij daardoor tot de aanneming tot
:eld kinderen komen.
den 27 Allen, die gedoopt zijt. Hoe grooter en hooger de zaak is,
net dat wij kinderen Gods zijn, des te verder is het van ons gevoelen,
aar en wordt des te moeielijker geloofd. Zoo vermaant hij dan met korte
en woorden, hoedanig onze vereeniging of liever onze eenheid met
eld den Zoon Gods is: opdat wij niet twijfelen, dat wat Hij eigens heeft, ons medegedeeld wordt. Hij gebruikt de gelijkenis van een kleed,
sor als hij zegt, dat de Galaten Christus aangedaan hebben: maar hij
67
GALATEN 3 ; 27, 28.
wil zeggen, dat zij in Christus zóó geplant zijn, dat zij voor God den naam en persoon van Christus dragen, en meer in Hem, dan in zichzelven gerekend worden. Bekend is deze, hetzij leenspreuk, hetzij gelijkenis van de kleederen genomen, en daarover is elders gesproken. Voorts, schijnt dit een zwakke reden: Dat zij Christus aangedaan hebben, omdat zij in Christus gedoopt zijn: want hoe ver is het er van af, dat de doop in allen krachtig is? Ook is dit ongerijmd, dat de genade des Heiligen Geestes alzoo aan het uitwendige teeken zou gebonden zijn. Zoo schijnt het, dat dit woord zoowel door de doorgaande leer der Schrift, als door de bevinding kan wederlegd worden. Ik antwoord: Paulus pleegt op tweeërlei wijze van de sacramenten te spreken. Als hij handelt tegen de hypocrieten, die zich op de naakte teekenen verhoovaardigen, dan predikt hij hoe ijdel en onnut een ding het uitwendige teeken zij, en hij vaart hevig uit op het verkeerd betrouwen. Waarom? Hij heeft niet op de inzetting Gods, maar op der goddeloozen verdorvenheid het oog. Maar als hij spreekt tot de geloovigen, die de teekenen behoorlijk gebruiken, dan verbindt hij die met hunne waarheid, welke zij afbeelden? Waarom? Want God verheft en vertoont niet een ijdele praal in de sacramenten, maar wat door de uitwendige ceremoniën afgebeeld wordt, dat stelt hij ons in der daad en der waarheid voor. Hiervan komt het, dat de waarheid, naar de inzetting Gods, verbonden is met de teekenen. Indien iemand hier vraagt: Kan het dan door der menschen gebrek geschieden, dat een sacrament niet dat is, wat het afbeeldt. Hierop is licht te antwoorden, dat de sacramenten niet verkort worden door de goddeloozen, zoodat zij haar natuur en kracht niet zouden behouden, ofschoon zij zeiven geen vrucht gevoelen. Want de sacramenten stellen den goeden evengoed als den boozen de genade Gods voor, en zij be-looven niet bedriegelijk de genade des Heiligen Geestes: de geloovigen ontvangen hetgeen aangeboden is, de goddeloozen maken door hun verwerpen, dat wat hun aangeboden was, hun niet voor-deelig is, maar zij kunnen niet maken, dat God niet getrouw, en de beduiding des sacraments niet waarachtig is. Zoo zegt dan Paulus niet ten onrechte, als hij de geloovigen aanspreekt, dat zij in den doop Christus aangedaan hebben, gelijk hij Rom. 6: 5 zegt, dat wij in zijn dood geplant zijn, opdat wij aan zijne opstanding ook deelachtig zijn. Aldus wordt op het teeken niet overgebracht, wat eigenlijk Gode toekomt, en nochtans hebben de sacramenten hun kracht, zoodat zij niet voor ijdele en koude vertooningen geacht worden, en wij worden vermaand, hoe boos de ondankbaarheid der menschen is, dewijl zij de heilzame inzettingen Gods, door hun misbruik niet alleen zich onnut maken, maar ook tot hun verderf verkeeren.
28 Daar is noch Jood noch Griek. De zin is, dat het uitwendig aanzien hier niets geldt; en er daarom niets aan gelegen is, van wat volk of conditie een iegelijk is: en dat de besnijdenis niet meer is dan een sekse of burgerlijke staat. Waarom? Christus maakt hen ^ allen een. Zoo dan, ofschoon alle andere dingen verscheiden zijn,
zoo is de eene Christus genoeg om alle menschen te vereenigen. Daarom zegt hij: Gij zjjt een, waarmede hij aanduidt, dat het onderscheid is weggenomen. De woorden willen dit: Dat noch de genade der aanneming, noch de hoop der zaligheid hangt aan de
68
GALATEN 3 : 28, 29â4 : 1.
wet, maar in Christus alleen vervat wordt. Zoo dan, de eene Christus is het al. Dat de Grieken genomen worden voor de heidenen, en het soort gesteld wordt voor het geslacht, is gewoonlijk.
20 Zoo zijt g|j Abrahams zaad. Dit voegt hij niet daarom er bij, alsof het meer ware, Abrahams zoon te zijn dan een lid van Christus, maar om der Joden hoovaardigheid te bedwingen, die op hun voorrecht roemden, alsof zij alleen Gods volk waren. Zij achtten geen ding voortreffelijker dan Abrahams geslacht. Daarom maakt hij deze zelfde voortreffelijkheid allen gemeen, die in Christus ge-looven. De gevolgtrekking steunt op deze reden, dat Christus het gezegende Zaad is, in wien alle Abrahams kinderen vereenigd worden, gelijk gezegd is, en dit bevestigt hij daarmede, dat de erfenis allen in het gemeen wordt gegeven: waaruit volgt, dat zij door de belofte onder de kinderen worden gerekend. Merk op, dat het geloof altijd bij de belofte staat, als die aan elkander hangen.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Ik zeg, zoolang de erfgenaam een kind is, zoo is tusschen hem en den dienstknecht geen onderscheid, hoewel hij nochtans heer is van alles.
2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader verordend.
3 Alzoo ook wij, toen wij kinderen waren, zoo waren wij onder de beginselen der wereld in dienstbaarheid.
4 Maar toen de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Gen. 49 :10. Zoon gezonden, geworden ') uit een vrouw, gesteld onder de wet. of: 2ge.
5 Om die te verlossen, die onder de wet waren, totdat wij de maakt, aanneming tot kinderen zouden ontvangen. joh. i: 12.
Gal! 3 :26.
iTk zeg. Wie ook de hoofdstukken gedeeld en gescheiden heeft,
I deze uitspraak heeft hij ten onrechte van de voorgaande woorden afgezonderd, dewijl zij niets anders is dan een verheffing waarmede Paulus het onderscheid dat tusschen ons en het Israëlietische volk is, uitlegt en verklaart. En dit doet hij met de derde gelijkenis,
welke hij genomen heeft van een weeskind en voogd. Een wees,
hoewel hij vrij, ja heer des vaderlijken huisgezins is, is nochtans gelijk aan een dienstknecht: want hij wordt door den voogd geregeerd. En de onderdanigheid onder de voogdij duurt tot den tijd,
welken de vader verordend heeft, daarna geniet hij zijn vrijheid.
Op deze wijze zijn de vaders in het Oude Testament vrij geweest,
dewijl zij kinderen Gods waren; maar zij waren in het bezit der vrijheid niet, dewijl de wet hun als een voogd was, welke hen onder het juk hield. Deze dienstbaarheid der wet heeft geduurd, zoolang als het Code beliefd heeft, die door de komst van Christus een einde daaraan gemaakt heeft. Dat Paulus de voogdijschap eindigt,
alleen door des vaders verordening, daar de wetgeleerden en juristen meer wijzen optellen, waardoor de voogdijschap geëindigd wordt, heeft hij gedaan, omdat deze wijze alleen tot de gelijkenis diende. Laat ons nu elk stuk onderzoeken. Sommigen passen
69
God , dan reuk, ilders ristus : hoe s dit t uit-oord iding :ërlei - hy-pre-j, en heeft iheid enen heid, niet dige der azet-Lagt: icra-den, zoo-n zij den be-;Ioo-iken oor-, en Pau-ij in dat ook wat hun acht dei-hun derf
idig van leer hen zijn, jen. het de de
70 GALATEN 4:1.
I
deze gelijkenis anders toe, te weten, op een iegelijk mensch, daar vol
nochtans Paulus van twee volken spreekt. Ik beken wel, dat waar Wa
is wat zij zeggen, maar het dient niet tot de tegenwoordige plaats. om
De uitverkorenen (zeggen zij) hoewel zij van moeders buik aan kin- in
deren Gods zijn, blijven nochtans onder de wet als dienstknechten, wij
totdat zij door het geloof tot de bezitting der vrijheid komen: maar hei
als zij Christus hebben leeren kennen is hun zulke voogdijschap niet hij
meer noodig. Ofschoon ik dit geheel toegeef, ontken ik toch, dat tot
Paulus hier van alle menschen, en van elk bijzonder handelt: ik Ga
ontken ook, dat hij onderscheid maakt tusschen den tijd der onge- del
loovigheid en der roeping tot het geloof; maar hij handelt hiervan: hie
Dewijl er een eenige gemeente Gods is, hoe komt het dat onze te
toestand onderscheiden is van dien der Israëlieten ? Dewijl wij door ter
het geloof vrij zijn, hoe komt het dat degenen, die eenzelfde geloof ge'
gehad â hebben, dezelfde vrijheid met ons niet zijn deelachtig ge- ge'
weest ? Dewijl wij allen gelijkelijk kinderen Gods zijn, hoe komt het zijl
dat wij heden van het juk vrij zijn, dat zij gedwongen geweest zijn kii
te dragen? Want over deze dingen liep de twist en de strijd, en lat
niet hoe de wet over een iegelijk van ons heerschappij heeft, eer M:
wij door het geloof van hare dienstbaarheid verlost worden. Zoo en
zij dan dit voor alle dingen zeker, dat Paulus hier de Israëlietische hi(
gemeente, die onder het Oude Testament was, vergelijkt met de mi
gemeente der Christenen, opdat daaruit blijke, waarin wij overeenko- ofs
men en waarin wij van elkander verschillen. Deze vergelijking vervat zij
een zeer rijke en zonderling nuttige leer. Ten eerste besluiten wij in
hieruit, dat de vaders onder het Oude Testament de hoop derzelfde de
erfenis hadden, die wij nu hebben: want zij zijn dezelfde aanneming zij
deelachtig geweest. Want Paulus leert niet (gelijk sommige geest- da
drijvers, en onder anderen Servetus droomen) dat zij alleen daarom oc
door God zijn verkoren, opdat zij ons eenig volk Gods afbeelden ui
zouden: maar opdat zij met ons kinderen Gods zouden zijn, en hij ha
betuigt bijname, dat de geestelijke zegening, die Abraham beloofd di
was, niet minder hun toekwam dan ons. Ten andere besluiten wij, lij
dat in die uitwendige dienstbaarheid desniettemin hunne conscien- he
tiën vrij zijn geweest. Want Mozes, Daniël, en alle godzalige ko- N
ningen, priesters en profeten, en de gansche hoop der geloovigen, m
worden door de verbinding tot de onderhouding der wet niet ver- to
hinderd, naar den Geest vrij te zijn. Zij droegen dus het juk der lij
wet zoo op hunne schouders, dat zij inmiddels met vrijen geest pi
God dienden, en voornamelijk dat zij, nopens de genadige verge- ri
ving der zonden onderwezen, hunne conscientiën vrij hadden van di
de tirannie der zonde en des doods. Hieruit moet men besluiten, in
dat de leer altijd dezelfde geweest is, en dat zij met ware eenigheid m des geloofs met ons vereenigd zijn geweest, en met ons steunende
op het vertrouwen van den éénen Middelaar, God aangeroepen p
hebben, en door denzelfden Geest zijn geregeerd geweest. Met alle d
dezen is het waarschijnlijk, dat het onderscheid tusschen ons en de g
oude vaders, niet is in het wezen, maar in de toevallige dingen. zi
Want wij komen overeen in de voornaamste dingen van het Tes- li
tament of Verbond: de ceremoniën en de gansche huishouding zi
waarin wij verschillen, zijn als 't ware toevallige dingen. Bovendien v,
moet men aanmerken, dat die tijd de kindsheid der gemeente is n
geweest, en dat nu van de komst van Christus aan, de gemeente o
GALATEN 4:1, 2.
volwassen is geworden, zoodat zij is als in mannelijken ouderdom.
Want de woorden van Paulus zijn klaar: maar hier rijst zwarigheid,
omdat hij schijnt niet wel met zichzelven overeen te komen. Want in Ef. 4: 13, vermaant hij ons tot dagelijksche vorderingen, totdat wij komen tot volkomen ouderdom, en tot de mate der volkomenheid. En in den Eersten brief aan de Corinthiërs verhaalt hij, dat hij hun als de kinderen melk heeft te drinken gegeven, omdat zij tot vaste spijze niet bekwaam waren, en weinig hierna zal hij de Galaten verge1 :iken met de kinderen. Ik antwoord, dat daar gehandeld wordt over elk mensch, en over elks bijzonder geloof, maar hier wordt in 't gemeen gesproken van twee lichamen, zonder acht te slaan op de personen. Dit antwoord zal ook dienen om veel groo-ter zwarigheid op te lossen. Want wij zien hoe onuitsprekelijk Abrahams geloof geweest is: hoe groot licht des verstands de heilige profeten gehad hebben, met wat gelaat zullen wij dan roemen, dat wij mannen zijn boven hen? Zijn niet zij veel eerder uitnemende mannen, en wij kinderen? Maar om van onszelven te zwijgen: wie zou onder de Galaten gevonden geweest zijn, die bij een van dezen te vergelijken ware ?
Maar gelijk ik reeds gezegd heb, hier wordt niet gehandeld van enkele personen, maar de algemeene toestand der beide volken wordt hier beschreven. Sommigen waren toen met grootere gaven toegerust,
maar het waren weinigen, en niet het gansche lichaam. Bovendien,
ofschoon er velen waren, zoo moet men niet aanmerken hoedanig zij inwendig waren, maar hoedanig de huishouding Gods geweest is in hen te regeeren; nu is het openbaar, dat het een kinderlijke onderwijzing geweest is. Maar wat is het in dezen tijd? Die banden zijn gebroken, en God regeert zijne gemeente nu vrijer, en zonder dat Hij hen houdt onder zulk eene nauwe bewaring. Hoewel men ook als in het voorbijgaan moet opmerken, dat zij, ofschoon met uitnemend verstand begaafd, nochtans de natuur van dien tijd gehad hebben, zoodat in de openbaring, die zij hadden, altijd wat duisters was gelijk een wolk. Vandaar het woord van Christus: Zalig zijn de oogen, die zien wat gij ziet: vele koningen en profeten Luk- i0:23, hebben begeerd datzelve te zien, en hebben het niet gezien, enz. Nu verstaan wij, hoe wij boven hen gesteld worden, die veel uitne-mender geweest zijn dan wij: want dit wordt niet aan de personen toegeschreven, maar hangt geheel aan de huishouding der Goddelijke regeering. Deze plaats is een zeer geduchte stormram om alle praalvertoon der ceremoniën af te werpen, welke de eenige versiering des pausdoms zijn. Want wat anders verstrikt heden de oogen der eenvoudigen, zoodat zij het rijk van den paus groot achten, of immers in eenige eere houden, dan die groote toerusting van ceremoniën, gebruiken, gebaren en allerlei diensten, die alleen geschieden, om de ongeleerden tot verwondering te brengen ? En uit deze plaats is het openbaar, dat het schandelijke opsmuk is, waardoor de gemeente misvormd werd. Ik spreek nu niet van de grootste en gruwelijkste gebreken: gelijk zij verzinnen dat het vereeringen Gods zijn; insgelijks, dat zij zich verbeelden, dat zij krachtig zijn om zaligheid te verdienen; insgelijks, dat de onderhouding van zulke beuzeling strenger geëischt wordt, dan de onderhouding der gansche wet Gods. ik laak alleen die verontschuldiging, waarmede heden nieuwe kunstenaars, als met een schoon vernis zoovele gruwelen overdekken. Zij mogen tegenwerpen alzoo zij willen, dat heden veel
71
GALATEN 4:1.
70
deze gelijkenis anders toe, te weten, op een iegelijk mensch, daar nochtans Paulus van twee volken spreekt. Ik beken wel, dat waar is wat zij zeggen, maar het dient niet tot de tegenwoordige plaats. De uitverkorenen (zeggen zij) hoewel zij van moeders buik aan kinderen Gods zijn, blijven nochtans onder de wet als dienstknechten, totdat zij door het geloof tot de bezitting der vrijheid komen: maar als zij Christus hebben leeren kennen is hun zulke voogdijschap niet meer noodig. Ofschoon ik dit geheel toegeef, ontken ik toch, dat Paulus hier van alle menschen, en van elk bijzonder handelt: ik ontken ook, dat hij onderscheid maakt tusschen den tijd der onge-loovigheid en der roeping tot het geloof-; maar hij handelt hiervan: Dewijl er een eenige gemeente Gods is, hoe komt het dat onze toestand onderscheiden is van dien der Israëlieten? Dewijl wij door het geloof vrij zijn, hoe komt het dat degenen, die eenzelfde geloof gehad hebben, dezelfde vrijheid met ons niet zijn deelachtig geweest ? Dewijl wij allen gelijkelijk kinderen Gods zijn, hoe komt het dat wij heden van het juk vrij zijn, dat zij gedwongen geweest zijn te dragen? Want over deze dingen liep de twist en de strijd, en niet hoe de wet over een iegelijk van ons heerschappij heeft, eer wij door het geloof van hare dienstbaarheid verlost worden. Zoo zij dan dit voor alle dingen zeker, dat Paulus hier de Israëlietische gemeente, die onder het Oude Testament was, vergelijkt met de gemeente der Christenen, opdat daaruit blijke, waarin wij overeenkomen en waarin wij van elkander verschillen. Deze vergelijking, vervat een zeer rijke en zonderling nuttige leer. Ten eerste besluiten wij hieruit, dat de vaders onder het Oude Testament de hoop derzelfde erfenis hadden, die wij nu hebben: want zij zijn dezelfde aanneming deelachtig geweest. Want Paulus leert niet (gelijk sommige geestdrijvers, en onder anderen Servetus droomen) dat zij alleen daarom door God zijn verkoren, opdat zij ons eenig volk Gods afbeelden zouden: maar opdat zij met ons kinderen Gods zouden zijn, en hij betuigt bijname, dat de geestelijke zegening, die Abraham beloofd was, niet minder hun toekwam dan ons. Ten andere besluiten wij, dat in die uitwendige dienstbaarheid desniettemin hunne conscien-tiën vrij zijn geweest. Want Mozes, Daniël, en alle godzalige koningen, priesters en profeten, en de gansche hoop der geloovigen, worden door de verbinding tot de onderhouding der wet niet verhinderd, naar den Geest vrij te zijn. Zij droegen dus het juk der wet zoo op hunne schouders, dat zij inmiddels met vrijen geest God dienden, en voornamelijk dat zij, nopens de genadige vergeving der zonden onderwezen, hunne conscientiën vrij hadden van de tirannie der zonde en des doods. Hieruit moet men besluiten, dat de leer altijd dezelfde geweest is, en dat zij met ware eenigheid des geloofs met ons vereenigd zijn geweest, en met ons steunende op het vertrouwen van den éënen Middelaar, God aangeroepen hebben, en door denzelfden Geest zijn geregeerd geweest. Met alle dezen is liet waarschijnlijk, dat het onderscheid tusschen ons en de oude vaders, niet is in het wezen, maar in de toevallige dingen. Want wij komen overeen in de voornaamste dingen van het Testament of Verbond: de ceremoniën en de gansche huishouding waarin wij verschillen, zijn als 't ware toevallige dingen. Bovendien moet men aanmerken, dat die tijd de kindsheid der gemeente is geweest, en dat nu van de komst van Christus aan, de gemeente
GALATEN 4:1, 2.
volwassen is geworden, zoodat zij is als in mannelijken ouderdom.
Want de woorden van Paulus zijn klaar: maar hier rijst zwarigheid,
omdat hij schijnt niet wel met zichzelven overeen te komen. Want in Ef. 4 : 13, vermaant hij ons tot dagelijksche vorderingen, totdat wij komen tot volkomen ouderdom, en tot de mate der volkomenheid. En in den Eersten brief aan de Corinthiërs verhaalt hij, dat hij hun als de kinderen melk heeft te drinken gegeven, omdat zij tot vaste spijze niet bekwaam waren, en weinig hierna zal hij de Galaten vergelijken met de kinderen. Ik antwoord, dat daar gehandeld wordt over elk mensch, en over elks bijzonder geloof, maar hier wordt in 't gemeen gesproken van twee lichamen, zonder acht te slaan op de personen. Dit antwoord zal ook dienen om veel groo-ter zwarigheid op te lossen. Want wij zien hoe onuitsprekelijk Abrahams geloof geweest is: hoe groot licht des verstands de heilige profeten gehad hebben, met wat gelaat zullen wij dan roemen, dat wij mannen zijn boven hen? Zijn niet zij veel eerder uitnemende mannen, en wij kinderen? Maar om van onszelven te zwijgen: wie zou onder de Galaten gevonden geweest zijn, die bij een van dezen te vergelijken ware ?
Maar gelijk ik reeds gezegd heb, hier wordt niet gehandeld van enkele personen, maar de algemeene toestand der beide volken wordt hier beschreven. Sommigen waren toen met grootere gaven toegerust,
maar het waren weinigen, en niet het gansche lichaam. Bovendien,
ofschoon er velen waren, zoo moet men niet aanmerken hoedanig zij inwendig waren, maar hoedanig de huishouding Gods geweest is in hen te regeeren; nu is het openbaar, dat het een kinderlijke onderwijzing geweest is. Maar wat is het in dezen tijd? Die banden zijn gebroken, en God regeert zijne gemeente nu vrijer, en zonder dat Hij hen houdt onder zulk eene nauwe bewaring. Hoewel men ook als in het voorbijgaan moet opmerken, dat zij, ofschoon met uitnemend verstand begaafd, nochtans de natuur van dien tijd gehad hebben, zoodat in de openbaring, die zij hadden, altijd wat duisters was gelijk een wolk. Vandaar het woord van Christus: Zalig zijn de oogen, die zien wat gij ziet: vele koningen en profeten io = 23, hebben begeerd datzelve te zien, en hebben het niet gezien, enz. 2i' Nu verstaan wij, hoe wij boven hen gesteld worden, die veel uitne-mender geweest zijn dan wij: want dit wordt niet aan de personen toegeschreven, maar hangt geheel aan de huishouding der Goddelijke regeering. Deze plaats is een zeer geduchte stormram om alle praalvertoon der ceremoniën af te werpen, welke de eenige versiering des pausdoms zijn. Want wat anders verstrikt heden de oogen der eenvoudigen, zoodat zij het rijk van den paus groot achten, of immers in eenige eere houden, dan die groote toerusting van ceremoniën, gebruiken, gebaren en allerlei diensten, die alleen geschieden, om de ongeleerden tot verwondering te brengen ? En uit deze plaats is het openbaar, dat het schandelijke opsmuk is, waardoor de gemeente misvormd werd. Ik spreek nu niet van de grootste en gruwelijkste gebreken: gelijk zij verzinnen dat het vereeringen Gods zijn; insgelijks, dat zij zich verbeelden, dat zij krachtig zijn om zaligheid te verdienen; insgelijks, dat de onderhouding van zulke beuzeling strenger geëischt wordt, dan de onderhouding der gansche wet Gods: ik laak alleen die verontschuldiging, waarmede heden nieuwe kunstenaars, als met een schoon vernis zoovele gruwelen overdekken. Zij mogen tegenwerpen alzoo zij willen, dat heden veel
71
GALATEN 4: 2â4.
meer onverstand en onwetendheid is in velen, dan voorheen geweest is in de Israëlieten, en dat hun daarom meer behulpselen noodig zijn; want zij zullen nimmermeer daaruit kunnen besluiten, dat zij met zulke kinderlijke leiding moeten geregeerd worden, als die voorheen in het Israëlietische volk plaats had; want ik zal altijd daartegen stellen, dat de ordening Gods anders is. Indien zij zeggen dat het nut is, zal ik ontkennen, dat zij beter zien wat nuttig is dan God zelf. Wij zullen liever voor zeker houden, dat wat God verordend heeft niet alleen het allerbeste, maar ook het allernuttigste is. En daarom moet men voor de ongeleerden hulpmiddelen zoeken, niet die der menschen lust heeft willen verzinnen, maar die God zelf verordend heeft, welke zonder twijfel niets heeft nagelaten, wat om de zwakheid der zijnen te verlichten nuttig is. Dit eene schild is genoeg, om allerlei tegenwerpingen te wederleggen. Het heeft den Heere anders behaagd, wiens raad ons voor alle redenen genoegzaam is; of het moest zijn dat de menschen betere hulpmiddelen bedenken, dan die God zelf verschaft heeft; welke hij daarna als onnut heeft afgeschaft. En merk naarstig op, dat Paulus hier niet alleen leert, dat het juk, hetwelk den Joden opgelegd was, nu van ons weggenomen is, zoodat het gebruik der ceremoniën ons nu vrij is, maar dat hij bijname een onderscheid der regeering stelt, dat God wilde onderhouden hebben. Ik beken wel, dat alle uitwendige dingen ons nu vrij zijn, doch alzoo, dat de gemeente niet met eene menigte ceremoniën bezwaard worde, tenzij wij het Christendom met het Jodendom willen vermengen. Wij willen hierna te zijner plaats de reden zeggen.
3 Onder de beginselen der wereld. Het Grieksche woord beduidt eigenlijk elementen, of uitwendige en lichamelijke dingen, of overdrachtelijk eerste beginselen; dit tweede wil ik liefst. Maar waarom noemt hij ze eerste beginselen der wereld, die een geestelijke beduiding hadden? Het is zooveel alsof hij zeide; Wij hadden geen naakte waarheid, maar ingewikkeld in aardsche zinnebeelden; derhalve leert hij van de wereld te zijn wat uitwendig was, hoewel een hemelsch mysterie daaronder verborgen was.
4 Toen de volheid des tijds gekomen is. Hij gaat voort in de aangevoerde gelijkenis, en den tijd door den Vader verordend, past hij toe op zijn voorgenomen handeling, doch bewijst tevens, dat die tijd, die door Gods voorzienigheid verordend was, de rechte en bekwame tijd is geweest. Derhalve is dit eerst de behoorlijke gelegenheid en rechte vrijheid om te handelen, die door de voorzienigheid Gods geregeerd wordt. Alzoo kwam het Gode alleen toe, te oordeelen en te verordenen, wanneer het nut was den Zoon aan de wereld te openbaren; waarmede alle ijdele nieuwsgierigheid bedwongen wordt, opdat niemand met den verborgen raad Gods niet tevreden zijnde, durve te twisten, waarom Christus niet eer verschenen is. Zoo de lezers meer hiervan willen, laten zij zoeken op het einde van den brief aan de Romeinen. Heeft God zijnen Zoon gezonden. Hier heeft hij in weinige woorden veel samengevat. Want de Zoon, die gezonden is, moet tevoren geweest zijn; waaruit zijn eeuwige Godheid bewezen wordt. Zoo is dan Christus de Zoon Gods, uit den hemel gezonden. Hij zegt, dat deze geworden is uit eene vrouw, omdat Hij onze natuur heeft aangenomen; alzoo geeft hij te kennen, dat in Christus twee naturen zijn. Sommigen hand-
72
GALATEN 4:4â6.
schriften hebben; Geboren uit eene vrouw; maar het ander is meer algemeen aangenomen en naar mijn oordeel bekwamer. Want hij heeft bijname Christus willen onderscheiden van de andere men-schen: dat Hij is geschapen uit het zaad der moeder, niet door de vleeschelijke vermenging van man en vrouw. Anders zou dit tevergeefs gesteld zijn. Het woord vrouw, wordt hier in het gemeen verstaan van het geslacht der vrouwen. Gesteld onder de wet. Woordelijk: Gemaakt onder de wet; maar ik heb den zin meer gebruikelijk willen uitdrukken. Zoo dan, Christus de Zone Gods, die met recht van alle onderwerping vrij zou geweest zijn, is der wet onderworpen geweest. Waarom? Om onzentwille, opdat Hij ons vrijheid zou verwerven. Want gelijk hij, die vrij was, de gevangenen verlost, door zichzelven tot borg te stellen, en door de boeien zichzelven aan te doen een ander daarvan vrijmaakt, alzoo heeft Christus aan de onderhouding der wet willen onderworpen zijn, om ons vrijheid te verwerven: anders zou Hij tevergeefs het juk der wet aangenomen hebben; want Hij heeft het voorwaar om Zichzelven niet gedaan. Voorts zijn wij door de weldaad van Christus niet zóó van de wet verlost, dat wij aan de leer der wet geene gehoorzaamheid meer schuldig zijn, en ons geoorloofd is wat ons lust,
want zij is een eeuwige regel om wel en heilig te leven. Maar Paulus spreekt van de wet met hare aanhangselen. Van die onderwerping der wet zijn wij verlost, omdat zij niet meer is wat zij was.
Want het voorhangsel gescheurd zijnde, is de vrijheid openlijk verschenen : en dit is het wat hij terstond hierbij voegt.
5 Opdat wij de aanneming zouden ontvangen. Want de vaders onder het Oude Testament waren ook zeker van hunne aanneming,
maar zij waren nog niet zoo volkomen in het genot van hun recht. Zoo wordt dan de aanneming hier genomen gelijk Rom. 8; 23, de verlossing, voor de bezitting zelve. Want gelijk wij ten laatsten dage de vrucht onzer verlossing zullen ontvangen: alzoo ontvangen wij nu de vrucht der aanneming, welke de heilige vaders vóór de komst van Christus niet zijn deelachtig geweest. Wie dus nu de gemeente met onmatige ceremoniën bezwaren, die berooven haar onbehoorlijk van het behoorlijk recht der aanneming.
6 En dewijl gij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest zijns Zoons in uwe harten gezonden, welke roept: Abba, Vader!
7 Zoo zijt gij dan niet meer een dienstknecht, maar een zoon; Rom. 8; 16 indien gij een zoon zijt, zoo zijt gij ook een erfgenaam Gods
door Christus.
8 Toen gij God nog niet kendet, zoo diendet gij degenen, die van nature geene Goden zijn. 1 Cor- 8:4
9 Maar nu als gij God gekend hebt, of veeleer door Hem zijt gekend geweest, hoe wendt gij u wederom tot de zwakke en Col. 2:20. gebrekkige beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen ?
10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Kom. u
11 Ik vrees voor u, dat ik mogelijk tevergeefs aan u gearbeid heb. Co1- 2: lc-
6 Dewijl gij kinderen zijt. Dat de aanneming, die hij vermeld eeft, den Galaten toekomt, staaft hij met een bewijs, genomen uit
73
GALATEN 4:6, 7.
74
hetgeen daaruit volgt. Want van God aangenomen te zijn, is eerder dan het getuigenis der aanneming van den Geest Gods te hebben: want de vrucht is een teeken der oorzaak. De Geest van Christus (zegt hij) is u een Auteur en Vermaner, dat gij God uwen Vader durft noemen, zoo is het dan zeker, dat gij kinderen Gods zijt. Hij geeft te kennen wat hij op een andere plaats leert, te weten, dat 5.g0r'2:22i de Geest ons een onderpand en waarborg onzer aanneming is, opdat wij zeker zijn van de vaderlijke genegenheid Gods jegens ons. Maar iemand zal hier tegenwerpen: Komen niet ook de goddeloo-zen tot zulk eene lichtvaardigheid, dat zij roemen, dat God hun Vader is? Ja zij roemen dikwijls stouter op God. Ik antwoord: Paulus spreekt hier niet van ijdele roeming, noch van hetgeen een ieder door zijn eigen geest zich aanmatigt, maar van het getuigenis der godzalige conscientie, hetwelk op de nieuwe geboorte volgt. Daarom kan dit bewijs niet gelden dan onder de geloovigen: want de verworpenen hebben geenerlei smaak van deze zekerheid; gelijk joh. i4:i7. 00]. (jg jjeere zelf betuigt, zeggende: De Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want zij kent Hem niet. En dit beduiden de woorden van Paulus, als hij zegt: God heeft zijnen Geest in uwe harten gezonden. Want hij heeft niet willen leeren wat zij door het gevoel des vleesches dwaselijk bestaan, maar wat God hun inwendig in het hart door zijnen Geest betuigt. En dat hij zegt, den Geest zijns Zoons, dat komt ook met de omstandigheid der plaats beter overeen, dan indien hij Hem eenigszins anders genoemd had. Want daarom zijn wij kinderen, omdat wij met denzelfden Geest, dien de eenige Zoon heeft, begaafd zijn. En merk op, dat Paulus dit in het gemeen aan alle Christenen toeschrijft, gelijk in der waarheid daar geen geloof is, waar dit pand der liefde Gods jegens ons niet is. Hieruit is het openbaar, hoedanig het Christendom onder het pausdom is, waar men iemand van godde-looze hoovaardigheid beschuldigt, die zegt, dat hij den Geest Gods heeft. Want zij bedenken een geloof zonder den Geest Gods, en zonder zekerheid. Dit eene dogma is een klaar bewijs, dat de duivel, de vader aller ongeloovigheid, in alle papistische scholen heerschappij voert. Ik beken wel, dat de scholastieken, als zij den con-scientiën gebieden eeuwig te twijfelen, niet anders leeren, dan wat het gevoel der natuur uitgeeft: waarom wij deze leer van Paulus naarstiger in onze harten moeten drukken, te weten, dat niemand een Christen is, dan die, door den Heiligen Geest geleerd, God als zijn Vader aanroept. Die roept. Ik acht, dat hij om grooter vertrouwen uit te drukken, dit deelwoord gebruikt heeft. Want de twijfeling laat ons niet onversaagd spreken, maar doet ons den mond zoo stijf toehouden, dat er nauwelijks half gebroken woorden met bevende tong uitkomen. Daarentegen is het roepen een teeken der gerustheid, en van een onwankelbaar betrouwen. Want wij hebben niet wederom ontvangen den Geest der dienstbaarheid tot vreeze, (gelijk Paulus zegt Rom. 8: 15) maar der vrijheid, tot volkomen betrouwen. Abba, Vader! Ik twijfel niet, of hij geeft te kennen, dat de aanroeping Gods aan alle talen gemeen is: want dit komt eigenlijk met het tegenwoordig bewijs overeen, dat God bij de Hebreen en Grieken in 't gemeen een Vader genoemd wordt, jes. 43:23. gelijk door Jesaja voorzegd was: Alle tong zal mijnen Naam belijden. Zoo dan, dewijl de heidenen gerekend worden onder de
GALATEN 4:6â9.
kinderen Gods, zoo is het openbaar, dat de aanneming komt niet uit de verdienste der wet, maar uit de genade des geloofs.
7 Zoo dan, gü zyt niet meer een dienstknecht. Dat is: in de
Christelijke gemeente is geen dienstbaarheid meer, maar de vrije staat der kinderen. En hoe de vaders onder het Oude Testament dienstbaar geweest zijn, is aireede gezegd, te weten, omdat hunne vrijheid nog niet geopenbaard was, maar besloten onder de hulsels en het juk der wet. Zoo spreekt hij dan wederom van het onderscheid des Ouden en Nieuwen Testaments. De ouden zijn ook kinderen Gods geweest, en erfgenamen door Christus: maar wij anders; want wij hebben Christus tegenwoordig, en daarom genieten wij zijn goed. Aan de Romeinen verklaart hij dit alles duidelijker:
daar mag men het zoeken wat ik hier voorbijga, dewijl ik het daar gezegd heb.
8 Toen gij God nog niet kendet. Dit is meer een berisping dan een leer: en hij heeft voorwaar nu overvloedig genoeg bewezen wat hij wilde, zoodat de berispingen niet kunnen misprezen worden,
alsof het een twijfelachtige zaak ware. Hij streeft er naar, om door de vergelijking van den voorleden tijd, hunnen tegenwoordigen val zwaarder te maken. Dat gij (zegt hij) voorheen als goden diendet, die geene goden waren, dat is zoo een groot wonder niet: want waar onwetendheid Gods is, daar is gruwelijke verblindheid; gij hebt dus toen in duisternis gedwaald. Maar hoe onwaardig is het nu, in het klare licht zoo schandelijk te dwalen? Zoo volgt dan hieruit, dat de Galaten in de vervalsching van het Evangelie minder onschuldig zijn, dan zij voorheen waren in de afgoderij. Dit is de hoofdzaak. Maar hier moet men opmerken, dat wij altijd de afgoden dienen, eer wij in de waarachtige kennis van den eenigen God verlicht zijn, hoedanig ook de kleur zij, waarmede wij de val-sche religie bedekken. Daarom is het noodig, dat aan den rechten godsdienst, zekere kennis voorafgaat. Van nature, heeft hij gesteld voor in der waarheid of voor het wezen. Want al wat de menschen van God bedenken, dat is een gedichtsel en niets: zoo dan alle afgoden zijn naar meening goden, maar in der waarheid zijn ze het niet.
9 Maar nu, als gij God gekend hebt. Men kan niet genoeg met woorden uitdrukken, hoe schandelijk de ondankbaarheid is, als men God eenmaal gekend heeft, en daarna van Hem afwijkt. Want wat is het, vanzelf het Licht, het Leven, kortom de Fontein alles goeds te verlaten? gelijk Hij zelf door Jeremia klaagt. Nochtans Jer. 2: vergroot hij de schuld nog meer, een verbetering er bij stellende,
als hij zegt: Of veelmeer gekend zijt. Want hoe grooter de genade Gods jegens ons is, des te zwaarder is onze schuld, zoo wij ze versmaden. Zoo herinnert dan Paulus den Galaten, vanwaar zij de kennis Gods hebben. Hij zegt, dat zij die niet verkregen hebben door hun eigen vernuft of scherpzinnigheid, maar omdat God hen door zijn barmhartigheid voorkomen heeft, toen zij over niets minder dan over Hem dachten. Voorts, wat van de Galaten gezegd wordt, strekt zich evenzoo tot allen uit. Want het woord van Jesaja wordt in allen vervuld: Ik ben gevonden van degenen, die Jes. cs Mij niet zochten; Ik ben openlijk verschenen dengenen, die naar mij niet vraagden. Zoo dan, het begin onzer roeping is de genadige verkiezing Gods, waardoor Hij ons tevoren verordineert tot het leven, eer wij geboren worden. Hieraan hangt de roeping, het ge-
75
GALATEN 4:9â11.
loof, en de voltooiing der zaligheid. Hoe wendt gij u wederom? Zij konden zich niet wederom wenden tot die ceremoniën, waaraan zij tevoren nooit gewend waren; dus heeft hij dit woord oneigenlijk gebruikt, alleen beduidende dat het al te ongerijmd is, wederom tot booze superstitiën te vervallen, alsof zij nooit de waarheid Gods geweten hadden. Voorts, dat hij de ceremoniën noemt, zwakke beginselen, doet hij daarom, aangezien hij ze aanmerkt buiten Christus, ja tegen Christus. Want zij waren den vaderen niet alleen zalige oefeningen en behulpselen der godzaligheid, maar ook krachtige instrumenten der genade: maar de gansche kracht was in Christus, en in de inzetting Gods; maar de valsche apostelen wilden ze tegen Christus stellen, de beloften verachtende, alsof Christus alleen niet genoegzaam ware. Zoo is het dan geen wonder, dat Paulus ze acht voor beuzelingen en nietige dingen: van welke zaak ik boven iets aangeroerd heb. Met het woord dienen, berispt hij de noodwendigheid.
io Gij onderhoudt dagen. Hij vermeldt ééne soort van de beginselen, te weten, de onderhouding der dagen. Men moet opmerken, dat de burgerlijke onderhouding der tijden hier niet veroordeeld wordt, die met de orde der natuur overeenkomt. Nu, de orde der natuur is vast en zeker. Want vanwaar komt de telling der maanden en jaren, dan uit den omloop der zon en der maan? Wat is het, waardoor de winter van den zomer, en de lente van den herfst onderscheiden wordt, anders dan de ordening Gods? En Hij heeft beloofd, dat deze ordening tot het einde der wereld duren zou. Genesis 9: 13. Nu, de burgerlijke onderhouding dient zoowel den landbouw, als de politie en huishoudirïg, en strekt ook tot de regeering der gemeente uit. Hoedanig is dan deze onderhouding geweest, die Paulus afkeurt? Te weten, die de conscientiën daarmede bezwaarde, alsof zij tot godsdienst noodig ware, en die den eenen dag van den ander onderscheidde, gelijk hij spreekt Rom. 14. Wanneer dus aan de dagen op zichzelven eigen heiligheid wordt toegeschreven, wanneer de eene dag van den anderen onderscheiden wordt om den godsdienst, en wanneer de vierdagen gerekend worden een stuk van den Goddelijken eeredienst te zijn, dan worden de dagen verkeerd onderhouden. Zoo dan, de valsche apostelen drongen op den sabbath en op de nieuwe maanden, en andere feestdagen, omdat het wettelijke onderhoudingen waren. Als wij heden onderscheid der dagen hebben, zoo werpen wij geen strik van noodwendigheid over de conscientiën: wij maken ook geen onderscheid tusschen de dagen, alsof de een heiliger ware dan de ander, en wij stellen daarin geen godsdienst, maar wij bevorderen alleen de orde en eendrachtigheid. Zoo is dan de onderhouding bij ons vrij en zuiver van alle bijgeloovigheid.
n Ik vrees, dat ik mogelijk. Dit is een hard woord, en dat de Galaten grootelijks moest verschrikken. Want wat hope behielden zij, zoo de arbeid van Paulus tevergeefs geweest ware ? Maar sommigen verwonderen zich, dat de onderhouding der dagen Paulus zoozeer beroerd heeft, dat hij haar de verderving noemt van bijna het geheele Evangelie. Maar indien wij alles behoorlijk overwegen, zoo zullen wij zien, dat hij groote oorzaak had. De valsche apostelen zochten niet alleen de Joodsche dienstbaarheid op den nek der gemeente te leggen, maar zij leerden ook goddelooze superstitiën. Nu,
76
GALATEN 4: 11, 12.
dit was geen klein kwaad, dat de Christenen tot het Jodendom gedrongen werden: doch deze pest was nog veel schadelijker, dat zij de feestdagen als verdienstelijke werken oprichtten tegen de genade van Christus, en dat zij dichtten, dat God daarmede gediend en verzoend werd. Als deze dingen aangenomen zijn, is de dienst Gods vervalscht, de genade van Christus vernietigd, en de vrijheid der conscientiën onderdrukt. Verwonderen wij ons, zoo Paulus vreest,
dat hij tevergeefs zal gearbeid hebben? Want waartoe zou het Evangelie meer nut zijn? Nu, dewijl dusdanige goddeloosheid in het pausdom heerscht, hoedanige Christus en hoedanig Evangelie blijft daar? Zij zijn in het eischen van de onderhouding der dagen, wat het binden der conscientiën aangaat, even streng als Mozes. Zij stellen den godsdienst in de feestdagen, niet minder dan de val-sche apostelen: zij verzinnen ook een duivelsche meening van verdienste daarbij. Zoo is dan der papisten zaak dezelfde als die der valsche apostelen, ja boozer, daarom dat de valsche apostelen de dagen wilden onderhouden hebben, die door de wet Gods ingesteld waren; maar dezen willen, dat die dagen heilig zijn, die zij lichtvaardig door hun eigen oordeel en goeddunken ingesteld hebben.
12 Broeders, weest gelijk ik: want ik ben ook gelijk gij. Ik bid u: Gij hebt mij geen onrecht gedaan.
13 Gij weet, dat ik door zwakheid des vleesches u tevoren het Evangelie verkondigd heb.
14 En mijn beproeving, die in mijn vleesch was, hebt gij niet versmaad noch verworpen, maar hebt mij ontvangen als een Mal. 2:7. engel Gods, ja als Christus Jezus. Luk* 10°:
15 quot;Waar is dan uwe zaligheid? Want ik gééf u getuigenis, dat Joh- 13:2 gij zoo het mogelijk geweest ware, ook uwe oogen zoudt uitgestoken en mij gegeven hebben.
16 Ben ik dan de waarheid sprekende, uw vijand geworden?
17 Zij ijveren over u niet recht: ja zij willen u uitsluiten, opdat Kom. 10; gij over hen zoudt ijveren.
18 Het is goed altijd in het goede te ijveren, en niet alleen als ik tegenwoordig bij u ben.
19 Mijne kinderkens, die ik wederom arbeid te baren, totdat 1 Cor. 4: Christus een gedaante in u krijge.
20 Ik wilde nu tegenwoordig bij u wezen, en mijn stem veranderen, want ik ben bekommerd over u.
12 Weest gelijk ik. Hij spreekt hen nu liefelijker aan, en verzacht de scherpheid, die hij gebruikt had. Want hoewel hij tegen hen wegens de schandelijkheid der zaak zelfs niet hard genoeg uitgevaren had, nochtans dewijl hij wilde voordeelig zijn, matigt hij zijne woorden om de harten te winnen. Het betaamt een voorzich-tigen herder, dat hij niet aanmerkt wat zij verdienen die gedwaald hebben, maar wat dienstig is om hen wederom op den rechten weg te brengen. Zoo moet hij dan bestraffen tijdig en ontijdig, maar met alle zachtmoedigheid en lijdzaamheid; gelijk dezelfde Paulus op 2 Tim. i-, een andere plaats gebiedt. Hierom komt hij van berispen tot bidden. Broeders, (zegt hij) ik bid u. Hij noemt hen broeders, opdat zij weten, dat hij hen niets uit bitsheid verweten heeft. Maar wat be-
77
GALATEN 4: 12â14.
duidt dit: Weest gel|jk ik? Het is te verstaan van de genegenheid. Want dewijl hij zich naar hen zoekt te schikken, zoo wil hij, dat zij dat ook met hem doen. quot;Want ik ben gelijk gij, dat is: want ik zoek niet anders dan mijzelven u nuttig te maken: alzoo betaamt het ook, dat gij u tot gematigdheid schikt, en dat gij u wederkeerig leerzaam en gehoorzaam bewijst. En hier worden de herders wederom van hun ambt vermaand, dat zij zich naar hun vermogen tot het volk wenden, en voegen naar den aard dergenen, waarmede zij handelen, zoo zij hen gehoorzaam willen maken. Want dit spreekwoord heeft altijd plaats: Wilt gij bemind worden, zoo weest zeiven beminnelijk. Gij hebt mij geen onrecht gedaan. Hij neemt het vermoeden weg, waardoor de voorgaande berisping hatelijk had kunnen zijn: want wanneer wij meenen, dat iemand het ongelijk dat hem geschiedt, of zijn eigen droefheid wreekt, zoo wordt ons gemoed ganschelijk van hem afgewend, zoodat al wat hij zegt, verkeerd genomen wordt. Paulus voorkomt dus den Galaten met deze reden, zeggende: Wat mij bijzonder aangaat, ik heb mij over u niet te beklagen. Zoo ben ik dan om mijnentwil niet verbolgen, noch ook omdat ik u haat. Daarom, zoo ik streng ben, dat geschiedt uit nood, en niet uit haat of toornigheid.
13 Gij weet, dat ik door zwakheid. Hij brengt hun in gedachtenis, op wat wijze, dat is, hoe vriendelijk en eervol hij door hen is ontvangen, en dat om twee redenen. Ten eerste, 'opdat zij verstaan, dat hij hen liefheeft, en alzoo goedwillig de ooren leenen, aan al wat hij zegt. Ten andere, opdat zij in den welbegonnen loop voortgaan. Zoo dan, deze vermelding, is ten eerste een getuigenis der goedwilligheid: bovendien is zij inplaats van eene vermaning gesteld, om hen te vermanen, dat zij maken, dat hun laatste overeenkomt met hun eerste. Door de zwakheid des vleesches, verstaat hij hier gelijk ook elders, al wat hem laag en verachtelijk kon maken. Want het vleesch, beduidt het uitwendig aanzien, en de zwakheid, beduidt geringheid. Zoodanig was Paulus' komst geweest, zonder praal, zonder grootsche vertooning, zonder wereldlijke eer en waardigheid: maar verwerpelijk en van geene waarde in der menschen oogen. Nochtans hadden de Galaten om dit al niet nagelaten Paulus zeer eervol te ontvangen. Deze omstandigheid dient zeer veel tot de zaak. Want wat was in Paulus, dat de Galaten groot mochten achten of eeren, anders dan de ééne kracht des Heiligen Geestes ? En onder wat voorwendsel zullen zij dan beginnen die te versmaden ? Bovendien zullen zij zichzelven ook door onstandvastigheid bestrafifelijk maken, dewijl Paulus niets nieuws geschied was, waarom zij hem minder moesten achten. Maar dit geeft hij hun in overweging, en verschaft hun alleen zijdelings de aanleiding om te overwegen.
14 Mijn beproeving. Dat is, hoewel gij een mensch zaagt, die naar de wereld verachtelijk was, zoo hebt gij hem nochtans niet verworpen. Hij noemt bet een bevinding of beproeving, omdat het geen onbekende noch duistere zaak was: en hij bedekt het niet, gelijk de eerzuchtige menschen plegen te doen, die zich schamen over hunne kleinheid. Want het gebeurt dikmaals, dat de onwaar-digen geprezen worden, eer hun naaktheid ontdekt is, en dat zij in drie dagen later, schandelijk en met spot verworpen worden. Maar met Paulus was het een gansch andere zaak, die de Galaten met
78
GALATEN 4; 14â16.
geenerlei schoonen schijn bedrogen had, maar vrijelijk beleden hoedanig hij was. Gelijk een engel Gods. Te weten, gelijk elk ware dienaar van Christus behoort geacht te worden. Want gelijk God ons zijne gaven uitdeelt door den dienst der engelen: alzoo worden de godzalige leeraars ook door God verwekt, om ons het aller uitnemendste goed toe te dienen, te weten, de leer der eeuwige ,
zaligheid. Zij worden dus niet ten onrechte met de engelen verge-Mal. 2:7.
leken, door wier hand God ons zulken schat uitdeelt. Bovendien zijn zij waarlijk dienstknechten Gods, door wier mond God met ons spreekt. Deze reden des naams, hebben wij Mal. 2 : 7. Hij klimt nog hooger, als hij er bijvoegt: Gelijk Christus Jezus; want de Heere zelf gebiedt, dat men zijn dienaars niet anders zal achten dan Hem-zelven: Wie u hoort, die hoort Mij, wie u versmaadt, die versmaadt Luk. io:ic.
Mij. En het is geen wonder, want zij doen zijn boodschap. Zoo ver-toonen zij dan diens persoon van hem, wiens plaats zij bewaren.
Met dusdanige lofspraken wordt ons de majesteit des Evangelies aangeprezen, en de bediening er van versierd. Indien de dienaars naar het bevel van Christus alzoo moeten geëerd worden, zoo is het zeker, dat hunne verachting is uit des duivels ingeving; en voorwaar zij kunnen niet versmaad worden, zoolang het Woord in waarde gehouden wordt. Voorts, de papisten zijn tevergeefs hoovaardig onder dezen dekmantel: want dewijl zij openbare vijanden van Christus zijn, hoe belachelijk is het, dat zij de pluimen der dienstknechten van Christus aannemen, waarmede zij zichzelven verheffen.
Wie dus als engelen geëerd willen worden, die moeten het ambt der engelen doen: en wie als Christus willen gehoord worden, moeten zijn zuiver Woord getrouw overbrengen.
15 Waar is dan uwe zaligheid? Hij geeft toe, dat zij toen zalig waren, toen zij het instrument hunner zaligheid met zoo godzalige genegenheid omhelsden: en dat zij nu ellendig zijn, dewijl zij zich laten berooven van den dienst desgenen, door wien zij ontvangen hadden al wat zij van Christus hadden. Want hij wil hen door deze vermaning nijpen. Hoe? Zal dit alles verloren zijn? Zal het u niets baten, dat gij Christus, die door mij sprak, eenmaal bekend hebt?
zijt gij tevergeefs door mij in het geloof gefundeerd? Zal nu de
roem uwer gehoorzaamheid voor God door de afwijking uitgewischt i(
worden? De hoofdzaak is: Dat zij door verachting der zuivere leer,
welke zij aangenomen hadden, vrijwillig de zaligheid wegwerpen, die zij verkregen hadden, en het verderf over zich halen, waardoor zij jammerlijk omkomen. Want ik geef u getuigenis. Het is niet genoeg, dat men de herders eert, tenzij men hen ook liefheeft: want deze twee dingen zijn noodig, wijl anders de smaak der leer niet zoet zal wezen: en hij betuigt, dat deze beide dingen bij de Galaten ;
geweest zijn. Van de eer, heeft hij boven gesproken: nu spreekt hij v..
van de liefde. Want het is een teeken van zeldzame liefde, zijn oogen uit te graven zoo het noodig is: want het is meer dan te sterven.
16 Ben ik dan de waarheid sprekende. Nu komt hij weder tot zichzelven, en zegt, dat het zijn schuld niet is, dat zij hunne harten veranderd hebben. Want hoewel het gewoonlijk geschiedt, dat door de waarheid haat komt, zoo is zij nochtans niet hatelijk, tenzij door de boosheid en verdraaidheid van die haar niet kunnen hooren. Hij zuivert zich dus zoo van de schuld hunner vervreemding, dat hij van
79
GALATEN 4: 16â19.
terzijde hunne ondankbaarheid gispt. Nochtans is het tevens een vriendelijke vermaning, om niet lichtvaardig en zonder reden zijn apostelschap te verwerpen, hetwelk zij te voren zonderling liefhadden; omdat zij het als lievenswaardig hadden leeren kennen. Want wat is schandelijker, dan uit haat tegen de waarheid van vrienden vijanden te worden? Zoo dan, hij heeft dit niet zoozeer gezegd om te verwijten, als wel om te vermanen, opdat zij zich bekeeren.
17 Zij ijveren over u niet recht. Eindelijk komt hij tot de val-sche apostele'n, welke hij met hunne namen te verzwijgen, hatelijker teekent dan of hij ze uitgedrukt had: want wij plegen met verzwijging van den naam te spreken van hen, die wij niet willen noemen. Hij vermaant de Galaten over hun verkeerde eerzucht; omdat zij door eenen schijn van ijver konden bedrogen worden. En hij neemt een gelijkenis van de boeleerders, die niet kuisch de jonkvrouwen begeeren, noch met eerlijke liefde, maar om ze naar hunnen lust te misbruiken. Daarom zoo zij u zoeken of begeeren, laat u daardoor niet bedriegen: want zij doen het niet uit rechten ijver, maar uit verdraaide begeerte om eenen naam te verkrijgen. Deze verkeerde ijver wordt tegen een heilige jaloerschheid gesteld, waarvan hij meldt 2 Cor. 11:2. Ja zij willen u uitsluiten. Hij vermeerdert en verzwaart noch hunne verdraaide lagen, terwijl hij een verbetering daarbij voegt. Zij zoeken u niet alleen, (zegt hij) maar dewijl zij u niet anders kunnen meester worden, zoo zoeken zij twist onder ons te maken, opdat gij als veriatenen u tot hen begeeft: want zij zien dat zij geen plaats zullen hebben, zoo lang onder ons een godzalige eendracht is. Deze kunstgreep is allen dienaren des duivels gemeen, het volk van zijn herder te vervreemden, om het daarna tot zich te trekken, en in een gerust bezit te komen na uit den weg ruimen van den mededinger. Iemand die naarstig en verstandig acht geeft, zal zien dat zij altijd vandaar beginnen.
18 Het is goed altyd in het goede. Het is onzeker, of hij van zichzelven spreekt, of van de Galaten. Want de goede dienaars be-hooren van heilige jaloerschheid te branden, opdat zij de gemeenten in een kuische vereeniging met haren Bruidegom houden. Indien wij het van Paulus verstaan, zoo zal dit de zin zijn: Ik beken wel, dat ik ook ijverig over u ben, maar tot een ander einde, en met eene andere genegenheid en ik doe dat zoowel in mijn afwezen als in mijn tegenwoordigheid: want ik zoek mij geen eigene vrucht. Doch het behaagt mij beter, dat het op de Galaten geduid wordt, en zelfs zoo zal niet eenerlei zin zijn. Want men kan het aldus uit-uitleggen: Dezen zoeken u wel van mij te vervreemden, opdat gij verlaten zijnde, u tot hen begeeft, maar gij die mij tegenwoordig zijnde liefhadt, gaat voort, mij nu ik afwezig ben ook alzoo lief te hebben. Het is waarschijnlijker, dat Paulus het Grieksche woord, dat twijfelachtig is, in tweeërlei zin gebruikt heeft. Want dewijl hij het woord ijveren, boven gesteld heeft voor begeeren en zoeken, zoo neemt hij het nu voor de deugd van een ander navolgen: want door den verkeerden ijver te veroordeelen, vermaant hij de Galaten om zich in een ander soort van ijveren te oefenen, en dat ook, als hij niet tegenwoordig is.
19 Mijne kinderkens. Hier gebruikt hij ook een zachter en liefelijker naam. Want een kind te zijn, is meer dan een broeder te wezen: En hij zegt kinderkens, niet uit verachting, maar om te
80
GALATEN 4: 19, 20.
81
streelen; hoewel hij ondertusschen de teerheid te kennen geeft van hen, die reeds groot en sterk behoorden geworden te zijn. Het is een afgebroken rede, gelijk die plegen te zijn, waarin allermeest beweging is. Want de geweldige genegenheden breken al de woorden half af, als wij niet vinden wat het gevoel des gemoeds genoegzaam uitdrukt, en het gemoed al ziedende, de keel als het ware toesluit. Die ik wederom arbeid te baren. Dit dient ook om de grootheid der liefde te verklaren, dat hij om hunnentwil, moederlijke smart en arbeid heeft. In eenen adem echter verklaart hij zijn angst: want een vrouw die gebaard heeft is blijde, maar in het baren lijdt zij zeer bittere smart. Zij waren tevoren eenmaal ontvangen en gebaard, nu moesten zij na de afwijking andermaal gebaard worden. Nochtans zegt hij om nijd te vlieden; Totdat Christus. Want hij maakt het eerste baren niet te niet, maar vermaant hen dat zij wederom in de baarmoeder gekoesterd moeten worden, als onrijpe en onvolmaakte vruchten. Voorts, dat Christus een gedaante in ons krijgt, en wij in Christus, dat beduidt hetzelfde. Want wij worden geboren om nieuwe schepselen in Hem te worden, en Hij wordt op zijn beurt in ons geboren, opdat wij zijn leven leven. Dewijl dan het waarachtig beeld van Christus door de superstitiën, die de val-sche apostelen ingebracht hadden, misvormd was, zoo arbeidt Pau-lus om dat te polijsten, opdat het zuiver zonder eenige belemmeringen glinstere. Dit doen ook de dienaren des Evangelies, als zij melk geven, als zij met vaste spijzen voeden: kortom, zij moeten in het geheele beloop hunner prediking daarin bezig zijn. Maar Paulus vergelijkt zichzelven hier met een vrouw die baart, omdat de Galaten nog niet volkomen geboren waren. En dit is een schoone plaats van de kracht der bediening. Het is wel eigenlijk Gods werk, geestelijk te genereeren en te baren: maar dewijl Hij instrumenten daartoe gebruikt, te weten, den dienaar, en de prediking, zoo schrijft Hij hun toe wat zijn werk is, omdat Hij de kracht zijns Geestes paart met den arbeid des menschen. Laat ons altijd dit onderscheid behouden, dat de dienaar, wanneer hij tegen God gesteld wordt, niets is, en niets vermag, maar een onnut instrument is. Maar dewijl de Heilige Geest krachtig door hem werkt, zoo wordt de lof des werks hem toegeschreven. Maar dan wordt niet gehandeld wat hij door zichzelven en zonder God vermag: maar wat God door hem werkt Indien dus de dienaars iets willen zijn, zoo moeten zij zoeken Christus te formeeren, en niet zichzelven. Midden in de behandeling zijner plaats, blijft Paulus hier als het ware verslagen van droefheid.
20 Ik wilde nu tegenwoordig. Dit is een zeer zware beschuldiging, als de vader klaagt, dat hij door der kinderen schuld dermate benauwd is, dat hij geen raad meer weet, noch weet waar hij zich moet wenden. Hij begeert, dat hij hen mag spreken; omdat wij de zaak tegenwoordig aanziende, beter ordineeren wat nut is. VVant naardat de hoorder geneigd is, of naardat hij zich handelbaar toont, of hardnekkig tegenstaat, voegen wij ook onze woorden. Hoewel, hij heeft wat meer willen uitdrukken door de verandering zijner stem, te weten, dat hij gaarne zou bereid zijn om zijn gelaat veelszins te veranderen, zelfs om een nieuwe wijze van spreken te verzinnen, mits hij oorzaak en reden had. Hetwelk de herders naarstig moeten aanmerken, opdat zij niet staan op zichzelven, noch op hun eigen vernuft: maar naar het verstand en begrip des volks.
6
Dl. m.
82 GALATEN 4:20â22.
zooveel de zaak eischt, alleen dat zij niet doen wat tegen de eer Gods, of tegen hun conscientie zij, opdat zij niet van den rechten weg afwijken, om den menschen te behagen.
21 Zeg*- mij, gij die onder de wet wilt zijn! hoort gij de wet niet? Gen. 16:15. 22 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had: eenen
Hand 27 ⢠8 uit de dienstmaagd en eenen uit de vrije.
Hebr. ii:ii. 23 Maar die uit de dienstmaagd was, was naar het vleesch ge-
Rom.8;)f?.' boren: maar die uit de vrije was, door de belofte.
24 Welke dingen door allegorie zijn gesproken: want daar zijn twee verbonden, het eene van den berg Sina, dat tot dienstbaarheid baart, hetwelk is Agar.
25 (Want Agar is de berg Sina in' Arabië, en komt overeen wat nu Jeruzalem is: want zij dient met hare kinderen,)
Openb. 21:2. 26 Maar Jeruzalem dat boven is, is vrij, hetwelk is onzer aller
moeder.
21 Zegt mij. Als hij vermaningen gesteld heeft om te bewegen, voegt hij eene schoone versiering aan de voorgaande leer toe. Het zou wel geen genoegzaam bewijs zijn in zichzelf; maar als hij genoeg gestreden heeft met bewijzen, zoo is deze bevestiging niet te verwerpen. Onder de wet zjjn, beduidt te dezer plaatse, het juk der wet aannemen onder deze voorwaarde, dat God met u handelt naar het verbond der wet, en dat gij uzelven verbindt om de wet te onderhouden; want anders zijn alle geloovigen onder de wet: maar' hier handelt hij van de wet met hare aanhangselen, gelijk gezegd is.
22 Er is geschreven, dat Abraham. Daar is niemand zoo uitzinnig, dat hij de vrijheid veracht, en de dienstbaarheid daarvoor begeert, wanneer hem keur gegeven is. En de apostel leert hier dat allen dienstknechten zijn, die onder de wet zijn: zoo zijn zij dan ellendig, die dezen toestand uit eigen beweging begeeren, wanneer God hen daarvan wil verlossen. Van deze zaak stelt hij een beeld voor oogen in de twee zonen van Abraham: van welke de een uit de dienstmaagd geboren, moeders staat behouden heeft: de ander uit de vrije geboren, heeft vrij zijnde de erfenis verkregen. Daarna past hij de gansche historie op zijn oogwit toe, en verklaart ze fijn. Ten eerste, aangezien de tegenpartij zich met de autoriteit der wet wapende, zoo stelt hij de wet daartegen. En het is gewoonlijk, dat onder den naam van wet, de vijf boeken van Mozes aangeduid worden. Bovendien, dewijl de historie die hij aanhaalt, niets tot de zaak schijnt te dienen, zoo brengt hij haar tot een allegorische uitlegging. Voorts, dewijl hij schrijft, dat deze dingen allegorisch of zinnebeeldig zijn, heeft Origenes daaruit aanleiding genomen, en meer anderen om de Schrift van haren rechten zin her- en derwaarts te draaien; want zij besloten als volgt: De letterlijke zin is al te arm en veracht, derhalve zijn onder de schors of bast der letter, hoogere mysteriën verborgen, welke niet anders konden te voorschijn gebracht worden, dan met allegoriën te maken. En dit heeft hij lichtelijk behouden, want bespiegelingen, die een schijn van scherpzinnigheid hebben, heeft de wereld altijd geacht, en zal ze achten boven de grondige leer. Aldus is de teugellooze vrijheid
GALATEN 4; 22-24.
der allegoriën meer en meer toegenomen, zoodat men niet alleen straffeloos heeft toegelaten in de behandeling der Schrift te spelen, maar men heeft het zelfs grootelijks geprezen. Want men heeft vele eeuwen lang niemand geacht vernuftig te zijn, dan wie scherpzinnig het heilige Woord Gods wist en durfde te veranderen. Dit is zonder twijfel éen vond van den duivel geweest, om de autoriteit der Schrift te krenken, en om het ware nut uit het lezen derzelve weg te nemen : welke ontheiliging God met een rechtvaardig oordeel gestraft heeft, als Hij het zuivere begrip door valsche uitleggingen heeft laten begraven. De Schrift (zeggen zij) is vruchtbaar, en daarom baart zij menigerlei zin. Ik beken wel, dat de Schrift een zeer overvloedige en onuitputtelijke fontein van alle wijsheid is, maar ik ontken dat hare vruchtbaarheid gelegen is in menigerlei zinnen, die ieder naar hartelust verdicht. Zoo zullen wij dan weten, dat de ware zin der Schrift deze is, die natuurlijk en eenvoudig is: en laat ons dien aannemen en vasthouden. Laat ons de verdichte uitleggingen, die van den letterlijken zin afleiden, niet alleen als twijfelachtig verachten, maar als verderfelijke vervalschingen manhaftig verwerpen. Maar wat zullen wij op de woorden van Paulus antwoorden ? Zeker wil hij niet zeggen, dat Mozes geschreven heeft met het doel om de historie in eenen allegorischen zin te veranderen, maar hij vermaant hoe de historie op de tegenwoordige handeling slaat, te weten, zoo wij aanmerken, dat het beeld der gemeente ons daar figuurlijk geteekend is. En zulk een anagüge of hoogere zin is niet vreemd van den rechten zin der letter, als van Abrahams huisgezin een gelijkenis genomen wordt op de gemeente. Want gelijk Abrahams huis toen een ware gemeente was, zoo zijn zonder twijfel de voornaamste en boven andere vermeldenswaardige gebeurtenissen die daarin geschied zijn, ons even zoovele voorbeelden; gelijk dus in de besnijdenis, in de offeranden en in het gansche Levietische priesterschap een allegorie was, en heden in onze sacramenten is, alzoo zeg ik, dat zij ook in Abrahams huisgezin geweest is: maar dit doet niet van den letterlijken zin afwijken. In een woord, het is alsof Paulus zeide, dat de figuur der twee Testamenten in Abrahams twee huisvrouwen, en van het tweeërlei volk in de twee zonen, ons als op een schilderij afgebeeld is. En voorwaar, Chrysostomus bekent, dat het woord allegorie hier oneigenlijk gebruikt is: hetwelk zeer waarachtig is.
23 Die uit de dienstmaagd was. Zij waren beiden naar het vleesch uit Abraham geboren: maar in Izak was een bijzondere reden, omdat hij de belofte der genade had. Derhalve, in Ismaël was niet anders dan de natuur, maar in Izak was de verkiezing Gods: en dit was in de geboorte zelve afgebeeld, want hij was door een wonder, en niet op gewone wijze gegenereerd. Nochtans geeft hij zijdelings de roeping der heidenen, en de verwerping der Joden te kennen: want de Joden roemen op natuurlijke afkomst, en de heidenen worden, tegen menschelijke macht in, het geslacht van den geestelijken Abraham.
24 Want daar zyn twee verbonden. Ik heb het liever aldus oveigezet, opdat de bekoorlijkheid der gelijkenis niet zou verloren gaan. Want Paulus vergelijkt de twee verbonden met de twee moeders. En het is een harde wijze van spreken, zoo men een verbond of testament een moeder noemt. Het woord verbond, is dus ge-
83
GALATEN 4; 24.
84
paster: en ik heb niet zoozeer de sierlijkheid gezocht als de klaarheid. Nu stelt hij de zaak zelve voor oogen, te weten, dat gelijk in Abrahams huis twee moeders zijn, alzoo ook in de gemeente Gods. Want de leer is een moeder, waaruit ons God genereert. Deze is tweeërlei, te weten, een wettische en evangelische moeder. De leer der wet genereert tot dienstbaarheid: zoo is zij dan Agar gelijk. Maar Sara vertegenwoordigt de andere, die tot vrijheid genereert. Hoewel Paulus hooger opklimt, makende de eerste moeder Sina, en de andere Jeruzalem. Daarom, zoo iemand alles scherpzinniger wil onderzoeken, die zal van de wet een zaad maken, waaruit de kinderen van Sina gegenereerd worden, en het Evangelie, een zaad waaruit de kinderen Jeruzalems gegenereerd worden. Maar dit doet niets tot de hoofdzaak van het bewijs. Kft is genoeg, indien wij weten, dat die twee verbonden aan twee moeders gelijk zijn, uit welke ongelijke kinderen geboren worden: want het verbond der wet maakt dienstknechten, en het verbond des Evangelies maakt vrijen. Maar dit alles kon bij het eerste aanzien ongerijmd schijnen: want dewijl Gode geene kinderen geboren worden dan tot vrijheid, zoo past de gelijkenis niet. Ik antwoord, dat wat Paulus zegt, op tweeërlei wijze waar is. Want de wet heeft voorheen hare discipelen tot dienstbaarheid gegenereerd, te weten, de heilige profeten en andere geloovigen, niet opdat zij dienstbaar zouden blijven, maar omdat God voor een tijd hen onder die leiding en onderwijzing hield. Want hun vrijheid was toen verborgen onder het deksel der ceremoniën, en der gansche huishouding, waarmede zij toen geregeerd werden: op het uitwendig oog werd niet anders dan dienstbaarheid gezien. Daarom zegt dezelfde Paulus, Rom. 8 : 15, Gij hebt niet wederom ontvangen den Geest der dienstbaarheid tot vreeze, enz. Zoo dan, hoewel die heilige vaders inwendig vrij waren voor God, was nochtans naar het uitwendig aanzien, tusschen hen en dienstbaren geen onderscheid: en alzoo droegen zij den aard der moeder. Maar de leer des Evangelies geeft haren kinderen in het baren volkomen vrijheid, en voedt hen vrij op. Nochtans beken ik, dat Paulus van zulke kindeien hier niet spreekt, gelijk uit het verband zal blijken: want hij zal verklaren, dat hij door de kinderen van Sina, de geveinsden of hypocrieten heeft gemeend, die eindelijk uit de gemeente Gods uitgeworpen, en van de erfenis verslooten worden. Wat genereering tot dienstbaarheid is het dan, waarvan hij nu handelt? te weten, dergenen die de wet verkeerd gebruiken, zoodat zij uit haar niets anders ontvangen dan wat dienstbaar is, Alzoo hebben de godzalige vaders niet gedaan, die onder het Oude Testament leefden. Want door de dienstbare genereering der wet, waren zij niet verhinderd in den geest Jeruzalem tot een moeder te hebben. Maar die aan de naakte wet hangen, en niet bekennen dat zij een leiding en opvoeding is, waajdoor men tot Christus geleid wordt, maar eerder eene verhindering daaruit maken, opdat zij tot Christus niet komen, die zijn Ismaëlieten, tot dienstbaarheid gegenereerd. Nochtans zal wederom iemand hier vragen, waarom de apostel zegt, dat dezulken uit Gods verbond geboren, en in de gemeente gerekend worden? Ik antwoord: Zij zijn een bastaardzaad van een verdorven zaad, en worden eigenlijk niet gegenereerd van God, maar zijn meer veraard, en als 't ware bastaarden, die God val-schelijk hunnen Vader noemen, door Wien zij verworpen worden:
GALATEN 4: 24â26.
en zij worden ook aldus gerekend tot de gemeente, niet dat zij ware leden van haar zijn, maar omdat zij een tijdlang de plaats houden, en als met een momaangezicht bedriegen. Want de apostel beschouwt hier de gemeente, gelijk zij in deze wereld gezien wordt: van welke zaak kort hierna zal gesproken worden.
25 Agar is de berg Sina. Ik wil mij niet langer ophouden met andere uitleggingen te wederleggen: quot;want de gissing van Hierony-mus is onbeduidend, dat de berg Sina twee namen heeft gehad: en het gedichtsel van Chrysostomus is even kinderachtig, die over de overeenkomst der namen philosopheert. Want Agar wordt gezegd de
berg Sina te zijn, omdat zij een voorbeeld of figuur daarvan is, icor. 5;G. gelijk het Pascha Christus was: hij geeft ook met verachting te kennen waar de berg gelegen is: In Arabic (zegt hij) dat is buiten de palen des heiligen lands, hetwelk het symbool is der eeuwige erfenis. Het is wonder, dat men in zulk eene gemeenzame toevoeging, zoozeer gedwaald heeft. En komt overeen, waarvoor de oude overzetter en Erasmus gesteld hebben: Aanliggende of bijliggende: maar ik heb het aldus overgezet om duisterheid te vermijden. Want het is zeker, dat de apostel niet heeft willen spreken van de nabijheid of ligging der plaatsen, maar van de gelijkenis in de figuur, die hij behandelt. Maar waarom vergelijkt hij het tegenwoordig Jeruzalem met den berg Sina? Hoewel ik eens van eene tegengestelde meening geweest ben, zoo deel ik nochtans het gevoelen van Chrysostomus en Ambrosius, die het van het aardsche Jeruzalem uitleggen, en wel, gelijk het te dien tijde tot de dienstbare leer en godsdienst afgeweken was; daarom zegt hij: Die nu is.
Want het moest een levend beeld zijn van het hemelsch Jeruzalem, en deszelfs aard uitdrukken. Maar gelijk het nu is, (zegt hij) heeft het betrekking tot den berg Sina: hoewel zij verre van elkander liggen, zijn zij nochtans volkomen gelijk, en hebben onder elkander een volmaakte overeenkomst. Het is een zwaar verwijt tegen de Joden, die van de genade afgevallen waren, en niet Sara maar het overspelige Jeruzalem, de tweelingzuster Agar tot een moeder hadden: en waren daarom dienstbaar uit een dienstbare geboren, hoewel zij hoovaardig roemden, dat zij Abrahams kinderen waren.
26 Maar Jeruzalem, dat boven is. Hij noemt het een hemelsch Jeruzalem, niet dat het in den hemel besloten, noch buiten de wereld te zoeken is: want de gemeente is door de gansche wereld verstrooid, en vreemdelinge op aarde. Waarom wordt het dan gezegd uit den hemel te zijn? Omdat het zijnen oorsprong van de hemelsche genade heeft: want de kinderen Gods worden niet uit vleesch en bloed geboren, maar uit de kracht des Heiligen Geestes. Zoo dan, het hemelsche Jeruzalem, dat zijn begin uit den hemel heeft, en door het geloof boven woont, is de moeder der geloovi-gen: want zij heeft het zaad des onverderfelijken levens, haar in bewaring gegeven, waarmede zij ons maakt, in haren schoot koestert en baart: dezelfde heeft melk en spijs, waarmede zij degenen, die zij gebaard heeft, voortdurend voedt. Ziedaar, waarom de gemeente genoemd wordt de moeder der geloovigen: en voorwaar, die weigert een kind der gemeente te zijn, begeert tevergeefs God tot eenen Vader te hebben. Want God verwekt Zich kinderen, en brengt hen op, totdat zij groot worden, en tot mannelijken leeftijd komen, doch niet anders dan door den dienst der gemeente. Dit is voorwaar
85
GALATEN 4: 26â29.
een schoone en vooral eervolle lof der gemeente. Maar de papisten zijn ongeschikt, en meer dan kinderen, die dit voorwenden om ons te bezwaren; want dewijl zij een overspelige moeder hebben, welke den duivel kinderen genereert ter dood, hoe ongerijmd is het, te begeeren, dat de kinderen Gods zich aan haar overgeven, om wree-delijk vermoord te worden. De Jeruzalemsche gemeente had toen met veel eerlijker voorwendsel hoovaardig kunnen zijn, dan heden de roomschen: en nochtans zien wij, dat Paulus haar van alle versiering berooft, en bij Agar stelt.
jes. 5i:i. 27 Want er is geschreven; Verheug u gij onvruchtbare, die niet
haart! breek uit, en roep, gij die niet in barensnood zijt! want de verlatene zal meer kinderen hebben, dan die eenen man heeft.
Eom. 9:8. 28 Maar wij, broeders! zijn gelijk Izak kinderen der belofte.
Gen. 21:9. 29 Maar gelijk toen degene, die naar het vleesch geboren was,
vervolgde die naar den Geest geboren was, alzoo ook nu.
Gen. 2i:io. 30 Maar wat zegt de Schrift: Werp de dienstmaagd uit en haren
zoon: want de zoon der dienstmaagd zal geen erfenis hebben met den zoon der vrije.
31 Zoo dan, broeders! wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.
27 Want er is geschreven. Hij bevestigt met het getuigenis van Jesaja, dat uit de gemeente de rechte kinderen geboren worden naar de belofte. De plaats staat in hfdst. 54: 1, waar de profeet handelt over het rijk van Christus en over de roeping der heidenen, en belooft aan de onvruchtbare en aan de verstootene een talrijk nakroost. Want dit is de oorzaak der blijdschap en verheuging, waartoe hij de gemeente vermaant. Men moet opmerken, dat Paulus' doel daartoe strekt, om dat geestelijke Jeruzalem, waarvan Jesaja profeteert, den Joden te ontnemen, overmits de profeet haar verkondigt, dat haar uit alle volken kinderen zullen verzameld worden: en dat niet door eenige voorbereiding harerzijds, maar door de onverdiende zegening Gods. Zoo dan, hij besluit terstond, dat wij door de belofte kinderen Gods worden, naar het voorbeeld van Izak, en dat wij op geene andere wijze deze eer verkrijgen. Deze sluitrede schijnt den ongeleerden, en minder in de Schrift geoefen-den, zwak te zijn, omdat zij de grondreden niet verstaan, welke nochtans zeer zeker is, te weten, dat alle beloften in den Messias gefundeerd, onverdiend en uit genade zijn. Dewijl de apostel dit voor beleden stelde, zoo heeft hij daarom zoo gerust de beloften tegen de wet gesteld.
29 Geljjk toen die naar het vleesch geboren was. Hier weder-legt hij de wreedheid der valsche apostelen, die onbeschaamdelijk de godzaligen bespotten, die alles in Christus stelden. Want dezen waren door zulke wreedheid verstoord, en daarom was hun vertroosting noodig, gelijk het nut was, dat die anderen streng weder-houden werden. Zoo vermaant hij dan, dat het geen wonder is, zoo de kinderen der wet thans doen, wat hun vader Ismaël in den beginne gedaan heeft, als hij Izak den waren erfgenaam kwelde, op zijn eerstgeboorte betrouwende, en dat de nakomelingen nu met dezelfde hoovaardigheid zich verheffen tegen de oprechte kinderen
86
GALATEN 4: 29, 30.
Gods, en hun moeite aandoen om de uitwendige ceremoniën, de besnijdenis, en den ganschen toestel der wet. Den Geest stelt hij wederom tegen het vleesch: dat is, de roeping Gods tegen den menschelijken uitwendigen schijn. Hun dus, die op wet en werken staan, laat hij eenen valschen schijn toe, maar de zaak zelve geeft hij hun, die op de roeping Gods alleen steunen, en op zijn genade staan. Vervolgde. Daar wordt nergens van vervolging melding ge-Gen-21:9. maakt. Mozes zegt alleen, dat Ismaël zijnen broeder Izak bespot heeft. Want dat sommige Joden dit uitleggen van enkel lachen, is geenszins waarschijnlijk, want wat groote wreedheid zou het geweest zijn, een onschuldig lachen zoo gruwelijk te straffen? Zoo is het dan zonder twijfel, dat Ismaël zijn broeder met smadelijke woorden gekweld heeft. Maar hoe verre is dat van vervolging? Nochtans vergroot de apostel dit niet lichtvaardig noch tevergeefs. Want geen vervolging moet ons zoo moeielijk zijn, als wanneer wij zien, dat onze roeping door der goddeloozen bespotting verzwakt wordt.
Noch vuistslag, noch geeseling, noch nagelen, noch doornen, hebben Christus zooveel leed en verdriet aangedaan, als deze lastering: ps. 22:9. Hij betrouwt op God, wat helpt Hem dat, dewijl Hij van alle hulp Matt-27:43-verlaten is? Want hierin is meer venijn dan in alle vervolgingen.
Want het is veel meer, dat de genade der Goddelijke aanneming ijdel en onnut wordt, dan dat het vergankelijke leven ons ontnomen wordt. Zoo dan, Ismaël heeft zijnen broeder niet vervolgd met het zwaard: maar wat boozer is, hij verhief zich hoovaardig tegen zijnen broeder, de beloften Gods met voeten vertredende. Dit is ook de fontein van alle vervolgingen, te weten, dat de goddeloozen de genade Gods in de uitverkorenen versmaden en haten, waarvan wij een klaar bewijs hebben in de historie van Kain en Abel. Wij Gen- i-worden ook vermaand, dat niet alleen de uitwendige vervolgingen tot schrik moeten zijn, als de vijanden der godzaligheid ons met zwaard en vuur vermoorden, en als zij ons met gevangenissen, met pijnbanken of geeselen lastig zijn, maar als zij door hunne lasteringen ons betrouwen zoeken te niet te maken, dat op de belofte Gods steunt, als zij onze zaligheid bespotten, en als zij het gansche Evangelie laatdunkend beschimpen. Want daar is niets, dat onze harten zoo wee behoort te doen, als de verachting Gods, en de bespottingen tegen zijne genade, daar is geen verderfelijker vervolging, dan als men de zaligheid der zielen zoekt te krenken. Het zwaard der goddeloozen komt niet heden tot ons, die uit de tirannie van den paus verlost zijn, maar hoe stompzinnig zijn wij, zoo wij door die geestelijke vervolging niet bewogen worden, als zij de leer, uit welke wij het leven hebben, op alle wijzen zoeken teniet te maken, en als zij door hunne lasteringen ons geloof bestrijden, en het geloof van velen, die niet ver gekomen zijn, wankelbaar maken. Voorwaar, de razernij der Epicureërs maakt mij meer droefheid dan die der papisten. Zij vervolgen niet met de hand en met geweld. Maar zooveel de naam Gods mij dierbaarder is dan mijn eigen leven; alzoo is het niet mogelijk, of ik moet heviger benauwd worden, als ik een duivelsche samenzwering zie, om alle vreeze en dienst Gods uit te roeien, om de gedachtenis van Christus te niet te maken, of de bespottingen van alle goddeloozen mij over te geven, dan of een geheel landschap in éénen brand stond.
30 Maar wat zegt de Schrift? Dit was reeds eenige vertroos-
87
GALATEN 4:30, 31.
ting, dat hij het voorbeeld van Izak onzen vader voorgesteld had:
maar deze troost is nog wat krachtiger, als hij er bijvoegt, dat de geveinsden met hunne hoovaardigheid niets zullen uitrichten, dan dat zij zullen uitgeworpen worden uit het geestelijk huisgezin van Abraham, en dat wij desniettemin de erfenis ongeschonden zullen behouden, al is het dat zij ons een tijd lang ongewoon hevig kwellen. Met deze vertroosting houden de geloovigen zichzelven staande, te weten, dat de tirannie der Ismaëlieten niet eeuwig zal duren. Het schijnt wel, dat zij de overhand verkregen hebben, en daarom verwerpen zij ons als ontijdig geborenen, met hun eerstgeboorte op- i
geblazen zijnde: maar zij zullen eindelijk voor Agarenen verklaard worden uit een dienstmaagd geboren, en der erfenis onwaardig.
Dit is een zeer schoone plaats, opdat wij door der hypocrieten w
opgeblazenheid niet beroerd worden, ⢠noch hun lot benijden, als tlt;
zij een tijd lang met waardigheid in de gemeente blijven: maar lijd- e
zaam het einde verwachten, dat hun nabij is. Want vele bastaarden t]
of vreemden nemen plaats in de gemeente, maar zij hebben geen s
geloof, dat altijd vast blijft, gelijk Ismaël als een vreemde met zijne d
nakomelingen is uitgeworpen geweest, welke nochtans met zijn eerst- C
geboorte opgeblazen zijnde, in den beginne regeerde. Sommigen v
bitse menschen bespotten hier de eenvoudigheid van Paulus, dat g
hij de verbolgenheid eener vrouw, die uit een lichtvaardig gekijf J
ontstaan was, vergelijkt met het oordeel Gods: maar zij merken niet \
op, dat de verordening Gods er bij was, waardoor het zou open- \
baar worden, dat dit geheel door de hemelsche voorzienigheid ge- c
regeerd werd. Want dat Abraham geboden werd zijne huisvrouw e
ganschelijk gehoorzaam te zijn, dat is voorwaar buiten orde, waar- z
uit wij verstaan, dat God den dienst van Sara heeft gebruikt, om (
zijne belofte te bevestigen. Eindelijk, Ismaëls uitwerping is niets t
Gen. 21; 12. anders geweest, dan uitvoering en vrucht dier openbaring Gods : In (
Izak zal u het zaad genoemd worden, en niet in Ismaël. Hoewel :
het dus een straf van vrouwelijk gekijf was, zoo heeft nochtans God ;
door den mond zijner gemeente, in een voorbeeld zijn oordeel ver- '
kondigd. 1
31 Zoo dan, broeders! Nu vermaant hij de Galaten, dat zij lie- (
ver kinderen zullen zijn van Sara, dan van Hagar. Ja hij vermeldt,
dat zij reeds tot vrijheid geboren zijn door de genade van Christus,
opdat zij in hun toestand blijven. Indien wij heden de papisten Ismaëlieten en Agarenen noemen, en roemen, dat wij oprechte kinderen zijn, zullen zij er mede spotten. Nochtans indien men de eene zaak met de ander vergelijkt, zoo zal niemand zoo ongeoefend wezen,
die het niet licht kan oordeelen.
Joh. 8: 32. Rom. 6 :18. 1 Petr. 2 :16. Jes. 9:3.
Hand. 15:1.
HET VIJFDE HOOFDSTUK.
1 Zoo dan, staat in de vrijheid, waarmede Christus ons vrij gemaakt heeft, en wordt niet wederom in het juk der dienstbaarheid verward.
2 Ziet, ik Paulus verkondig u, dat indien gij u besnijden laat, Christus u niet nut zal wezen.
88
J -
r
r
89
3 Want ik betuig wederom een iegelijk mensoh, die zich besnijden laat, dat hij schuldig is de gansche wet te houden.
4 Gij zijt verijdeld van Christus, allen die door de wet wilt gerechtvaardigd worden, gij zijt van de genade afgevallen.
5 Want wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop Matt. 12:50. der rechtvaardigheid. 20Cor.55 f17.
6 Want in Christus Jezus geldt noch besnijdenis noch voorhuid Gal-6'â¢15-iets, maar het geloof door de liefde werkende.
1 ryoo dan, staat. Nadat hij gezegd heeft, dat zij kinderen der / vrije zijn, vermaant hij nu, hoe dierbaar deze vrijheid is, opdat 'zij die niet versmaden als een nietige zaak. En het is voorwaar een onschatbaar goed, voor hetwelk wij behooren tot den dood toe te strijden: want hier wordt niet alleen gehandeld van eigene en bijzondere, maar ook van heilige en goddelijke dingen. Dewijl thans velen dit niet aanmerken, zoo veroordeelen zij ons van ongeschiktheid, als zij zien, dat wij de vrijheid des geloofs in uitwendige dingen zoo streng beschermen tegen de tirannie van den paus. Ook verwekken de tegenstanders nijd tegen ons door deze voorwending bij de onontwikkelden, alsof wij niets anders dan een on-gebondene vrijheid zochten, waardoor alle discipline te niet werd.
Maar die verstandig en geoefend zijn, weten dat dit een van de voornaamste hoofdstukken is in de leer der zaligheid. Want hier wordt niet gehandeld, of men deze of die spijze moet eten, of dezen dag houden, en dien niet houden: (gelijk velen dwaselijk meenen, en sommigen lasteren) maar wat u voor God geoorloofd is, wat ter zaligheid noodig is, wat men niet mag nalaten. Eindelijk, de handeling is van de gelegenheid der conscientie, als men tot den rechterstoel Gods komt. Voorts, Paulus spreekt hier van de vrijheid van de ceremoniën der wet, welker onderhouding de valsche apostelen als noodig eischten. Maar de lezers zullen tevens bedenken, dat zulk eene vrijheid alleen een stuk dier vrijheid is, die Christus ons verworven heeft: Want hoe luttel zou dat zijn, zoo Hij ons alleen van de ceremoniën verlost had. Zoo dan, deze beek vloeit uit een dieper fontein, te weten, omdat Hij een vloek is geworden, om ons van den vloek der wet te verlossen, omdat Hij de kracht der wet heeft weggenomen, zoover zij ons aan het oordeel Gods hield onderworpen, onder de schuld van den eeuwigen dood: eindelijk, omdat Hij ons van de tirannie der zonde, des duivels, en des doods bevrijd heeft. AIzoo wordt onder eene soort het gansche genus of geslacht vervat, over welke zaak wij zullen spreken in den brief aan de Colossensen. Voorts, Christus heeft ons op het kruis vrijheid verworven, en de vrucht en het bezit daarvan geeft Hij ons door het Evangelie. Zoo dan, Paulus vermaant de Galaten terecht, dat zij niet wederom in het juk der dienstbaarheid verward worden, dat is, dat zij over hunne conscientiën een strik laten werpen. Want indien de menschen een onbehoorlijken last op onze schouders willen leggen, zoo kan men dat lijden: maar zoo zij de conscientiën tot dienstbaarheid willen brengen, zoo moet men sterk tot den dood wederstaan. Want wij zullen van een onschatbare weldaad beroofd worden, zoo het den menschen geoorloofd zal zijn onze conscientiën te binden. En tevens zal Christus, den auteur der vrijheid, onrecht gedaan worden. Maar wat wil het woord wederom? Want de Ga-
GALATEN 5:1-3.
laten hadden nooit onder de wet geleefd. Het wordt eenvoudig genomen, even alsof zij door de genade var Christus niet verlost waren. Want hoewel de wet niet den heidenen, maar den Joden gegeven was: nochtans hebben noch Joden, aoch heidenen buiten Christus eenige vrijheid, maar enkel dienstbaarheid.
2 Ziet, ik Paulus. Hij heeft hun niets zwr.arders kunnen verkondigen, dan dat hij hen van de genade van Chrstus ganschelijk uitsloot; Maar wat is dat, dat Christus voor geen besnedene nut zal wezen? Is Hij Abraham niet nut geweest? Ja hij heeft de besnijdenis aangenomen, opdat Christus hem nut zou zijn. Indien wij willen zeggen, dat dit plaats had voor de komst van Christus, wat zullen wij antwoorden betreffende Timotheus? Men moet aanmerken, dat Paulus hier niet spreekt van de uitwendige besnijdenis alleen, of van de ceremonie, maar dat hij meer twist tegen de goddelooze leer der valsche apostelen, die dichtten, dat zij een noodwendige godsdienst was, en leerden tevens een betrouwen daarop, als op een verdienstelijk werk. Deze duivelsche gedichtselen maakten Christus onnut, niet dat de valsche apostelen Christus verzaakten, of wilden dat Hij ganschelijk weggenomen ware. Maar tusschen zijn genade en de werken der wet, maakten zij zulk een verdeeling, dat slechts de helft der zaligheid van Hem kwam. Hierentegen roept Paulus, dat men het zoo niet kan deelen, en dat Christus niet anders nut is, dan zoo wij Hem geheel aannemen. En wat doen de papisten heden anders, dan dat zij voor de besnijdenis beuzelingen in de hand steken, die zij verzonnen hebben? Voorwaar, geheel hun leer strekt hiertoe, dat de genade van Christus met de verdiensten der werken vermengd wordt, hetwelk onmogelijk is: want wie Christus half wil hebben, verliest Hem geheel, en nochtans de papisten schijnen zich zeer scherpzinnig te zijn, als zij zeggen, dat zij aan de werken niets toeschrijven anders dan door de genade van Christus, alsof de dwaling der Galaten eene andere geweest zij. Want zij geloofden niet, dat zij van Christus afweken, of zijn genade verwierpen, maar evenwel verloren zij Christus, als de leer van het Evangelie vervalscht was in dat voornaamste hoofdstuk. Deze wijze van spreken, ziet ik Paulus, heeft geen kleinen nadruk: want hij stelt zich-zelven in 't bijwezen tegen, en noemt zichzelven, opdat hij niet schijne een twijfelachtige zaak te hebben. En hoewel zijn autoriteit hij de Galaten verachtelijk begon te worden: verzekert hij nochtans, dat zij genoeg is om alle tegenstanders te wederleggen.
3 Want ik betuig wederom. Dit is een bevestiging der voorgaande zinsnede, genomen uit strijdige dingen. Want die schuldig is de gansche wet te houden, zal nimmermeer den dood ontvlieden, vermits hij altijd onder de verdoemenis zal blijven: want men zal nimmermeer iemand vinden, die aan de wet kan voldoen; zoo dan, zulke verbintenis is een zekere veroordeeling des menschen: alzoo komt het, dat Christus hem niets helpt. Zoo zien wij dan, hoe deze twee dingen tegen elkander strijden, te weten, dat wij de genade van Christus deelachtig zijn, en wederom, dat wij verbonden zijn om de gansche wet te volbrengen. Maar hieruit zal volgen, dat niemand uit de vaderen zalig is, ja dat Timotheus door Paulus bedorven is, toen hij besneden werd. Want wee ons, totdat wij van de wet verlost, en van haar dienstbaarheid ontslagen zijn; nu, waar de besnijdenis is, daar is de onderwerping. Men moet aanmerken.
90
GALATEN 5:3, 4.
dat Paulus op tweeërlei wijze over de besnijdenis gewoon is te spreken, en dit zal een iegelijk, die in het lezen van Paulus matig geoefend is, lichtelijk aanmerken. Want Rom. 4:11 noemt hij de besnijdenis een zegel der rechtvaardigheid des geloofs: alzoo besluit hij Christus en de onverdiende belofte der zaligheid onder de besnijdenis. Maar nu stelt hij ze tegen Christus, tegen het geloof, tegen het Evangelie, en tegen de genade, zoodat zij een louter wettelijk verbond is, op de verdiensten der werken gefundeerd. Hieruit is openbaar wat ik reeds gezegd heb, dat hij niet altijd op dezelfde wijze van de besnijdenis spreekt: maar men moet acht hebben op de verscheidenheid. Ik zeg, dat Paulus, als hij de besnijdenis aanmerkt in haar natuur, terecht een teeken der genade daarvan maakt, omdat de inzetting Gods zoodanig was: maar waar hij handelt met de valsche apostelen, die de besnijdenis misbruikten om het Evangelie teniet te maken, daar aanschouwt hij niet, waartoe zij van den Heere ingesteld is, maar hij strijdt tegen de vervalsching, die van de men-schen gekomen is. Wij hebben een zeer schoon voorbeeld te dezer plaats. Toen de belofte betreffende Christus, de onverdiende rechtvaardigheid en de eeuwige zaligheid. Abraham gegeven was, zoo was tevens de besnijdenis daarbij gevoegd, tot bevestiging van haar. Zoo was zij dan volgens Gods ordening een sacrament, dat het geloof diende. De valsche apostelen komen, die verzinnen dat het een verdienstelijk werk is, en bevelen de onderhouding der wet alzoo, dat de besnijdenis aanvang zulker profetie is. De inzetting Gods roert Paulus hier niet aan, maar handelt tegen het gedichtsel der valsche apostelen. Iemand mocht hiertegen zeggen; Hoedanig het misbruik der goddeloozen ook is, zoo wordt nochtans de heilige inzetting Gods daardoor niet verkleind. Ik antwoord, dat de besnijdenis niet anders dan voor een tijd door God geboden is: zoo dan, na de komst van Christus, heeft die Goddelijke inzetting opgehouden een sacrament te zijn, dewijl de doop in haar plaats is gekomen. Waartoe is dan Timotheus besneden geworden? Voorwaar niet om zijnentwil, maar alleen om der broederen wil, aan wier zwakheid dit werd toegegeven. En opdat te beter blijke, hoe goed de leer der papisten overeenkomt met deze leer, die Paulus bestrijdt, zoo moet men aanmerken, dat de sacramenten, wanneer zij oprecht ontvangen worden, eigenlijk niet zijn werken der men-schen, maar Gods. Want in den doop en in het heilig nachtmaal doen wij niets, maar offeren onszelven Gode om zijn genade te ontvangen. Zoo dan, de doop is wat ons aangaat, een werk waarbij wij lijdelijk zijn: want wij brengen niets aan, dan het geloof, hetwelk alles heeft in Christus bewaard. Maar wat doen de papisten: Zij verzinnen een gewrocht werk, waardoor de menschen de genade Gods verdienen. Zoo dan, wat doen zij anders, dan dat zij de waarheid der sacramenten eenvoudig teniet maken? Nochtans behouden wij den doop en het nachtmaal, omdat Christus wil, dat beider gebruik bestendig zij: maar van de goddelooze razernijen gruwen wij streng, gelijk recht is.
4 Gij zijt verjjdeld van Christus, allen die door de wet wilt gerechtvaardigd. De zin is: Indien gij eenig deel der rechtvaardigheid zoekt in de werken der wet, komt'Christus u niet toe, gij zijt van de genade vervreemd. Want hunne meening was niet zoo grof, dat zij geloofden, dat zij door de onderhouding der wet alleen ge-
91
GALATEN 5 : 4â6.
rechtvaardigd werden, maar zij vermengden Christus met de wet: anders zou hen Paulus tevergeefs met deze dreigingen verschrikken, als hij zegt: Wat doet gij? Gij maakt Christus u onnut, gij maakt zijn genade teniet. Zoo zien wij dan, dat zelfs niet het allerminste deel der rechtvaardigheid in de wet gesteld kan worden, zonder Christus en zijn genade te verwerpen.
5 Want wij verwachten door den Geest uit het geloof. Dit is een voorkoming, waarmede hij de tegenwerping voorkomt: want dadelijk had een iegelijk aldus kunnen denken: Zal dan in de besnijdenis geen nuttigheid zijn? Hij antwoordt, dat zij in Christus geene kracht heeft, en dat daarom de rechtvaardigheid in het geloof gelegen is, en dat deze rechtvaardigheid verkregen wordt in den Geest zonder ceremoniën. De hope der zaligheid verwachten, is zijn vertrouwen op deze of die zaak stellen, of besluiten, vanwaar men de rechtvaardigheid moet hopen. Hoewel, het is waarschijnlijk, dat met deze woorden tevens de volharding beduid wordt, alsof hij gezegd had: Wij volharden standvastig in het betrouwen der rechtvaardigheid, welke wij door het geloof verkrijgen. Dat hij zegt, dat wij de rechtvaardigheid hebben door het geloof, dat hebben wij met de vaderen gemeen: want zij hebben allen door het geloof
Hebr. li. Gode behaagd, gelijk de Schrift betuigt; maar hun geloof was met het deksel der ceremoniën bewimpeld: daarom onderscheidt hij ons van hen door het woord des Geestes, hetwelk tegen de uitwendige schaduwen gesteld wordt. Zoo verstaat hij dan, dat het geloof nu naakt is, hetwelk genoegzaam is om zaligheid te verkrijgen, en niet versierd wordt met den praal der ceremoniën, maar met den geestelijken godsdienst tevreden is.
6 Want in Christus Jezus. Dit is de reden, waarom zij nu de rechtvaardigheid in den Geest hopen, te weten, omdat in Christus, dat is, in Christus' rijk, of in de Christengemeente, de besnijdenis weggenomen is met hare aanhangselen: want met het woord besnijdenis, duidt hij de ceremoniën aan naar een samenvattende wijze van spreken. Alzoo vermaant hij, dat zij nu niet meer plaats hebben; en laat nochtans niet toe, dat zij altijd onnut zijn geweest: want hij leert niet, dat zij afgeschaft zijn, dan na de verschijning van Christus. Alzoo is nu tevens deze vraag opgelost: Waarom hij hier zoo verachtelijk spreekt van de besnijdenis, alsof zij niet nut geweest was: want hier wordt niet gemeld van de besnijdenis, gelijk zij voorheen een sacrament was. Hier wordt niet gehandeld wat zij ten tijde gold, toen zij nog niet in onbruik was gekomen, maar hij zegt, dat zij in het rijk van Christus niet meer is dan de voorhuid, te weten, omdat de komst van Christus aan de ceremoniën der wet een einde heeft gemaakt. Maar het geloof door de liefde werkende. Tegen de ceremoniën stelt hij een andere oefening over, te weten, de liefde, opdat de Joden niet te zeer zichzelven behagen, alsof zij in eenige voortreffelijkheid uitstaken: want op het einde van dezen zendbrief zal hij hiervoor stellen: Een nieuw schepsel. Zoo is het dan zooveel alsof hij gezegd had, dat God niet wil, dat wij heden in de ceremoniën bezig zijn: maar dat het genoeg is, zoo wij ons in de liefde oefenen. Nochtans wil hij ondertusschen onze sacramenten niet uitsluiten, die hulpmiddelen des geloofs zijn, maar hij bevestigt met korte woorden wat hij aangeroerd had van den geestelijken dienst Gods. Deze plaats heeft geen zwarigheid, ware
92
GALATEN 5:6â8.
het niet, dat de papisten haar lasterlijk verdraaiden, om de rechtvaardigheid der werken te bevestigen: want als zij willen wederleggen dat wij zeggen, dat wij alleen door het geloof gerechtvaardigd worden, zoo grijpen zij dit argument aan: Indien alleen dat geloof rechtvaardigt, dat door de liefde werkt, dan rechtvaardigt het geloof niet alleen. Ik antwoord, dat zij niet verstaan wat zij snateren, veel minder wat wij leeren. Want wij leeren niet, dat het geloof dat rechtvaardig maakt, alleen is, maar zeggen dat altijd goede werken daarbij zijn: maar wij houden alleen staande, dat dit alleen kracht heeft om rechtvaardig te maken. De papisten verscheuren zeiven het geloof ellendig als scherprechters, wanneer zij zeggen, dat het somtijds ongevormd is en ledig van liefde, en somtijds gevormd. Maar wij zeggen, dat het waar geloof niet van den Geest der wedergeboorte kan afgescheiden worden; maar wanneer over de zaak der rechtvaardigmaking gehandeld wordt, dan sluiten wij alle werken uit. Zooveel de tegenwoordige plaats aangaat, Pau-lus redekavelt geenszins, of de liefde het geloof helpt om rechtvaardig te maken, maar hij geeft alleen te kennen, welke nu de ware oefeningen der geloovigen zijn: opdat hij niet schijne de Christenen ledig en als blokken te maken. Daarom, wanneer gij in het stuk der rechtvaardigmaking bezig zijt, zoo ziet toe, dat gij geen vermelding der werken of der liefde toelaat: maar houd sterk vast het uitsluitende woordje alleen. En dat Paulus hier niet handelt van de rechtvaardigmaking, noch ook haren lof ten deele aan de liefde toeschrijft, kan men lichtelijk daaruit bewijzen, dat uit hetzelfde argument zou volgen, dat de ceremoniën en de besnijdenis voorheen rechtvaardig gemaakt hebben. Want gelijk hij in Christus Jezus het geloof met de liefde aanbeveelt, alzoo werden ook vóór de komst van Christus de ceremoniën geëischt. Maar dit dient geenszins om rechtvaardigheid te verdienen, gelijk de papisten ook zeiven toegeven: zoo moet men dan dit ook niet van de liefde gevoelen.
7 Gij liept wel; wie heeft u verhinderd der waarheid niet gehoor- Gal. 3 : i. zaam te zijn?
8 De beweging is niet uit. Dien, die u geroepen heeft.
9 Een weinig zuurdeesem verzuurt het gansche deeg. i oor. 5 ; b.
10 Ik betrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen; en die u ontroert, zal zijn oordeel dragen, wie hij ook zij.
11 Maar ik, broeders! zoo ik nog de besnijdenis predik, wat lijd ik nog vervolging? zoo is dan de ergernis des kruises weggenomen.
12 Och, of zij ook afgesneden wierden, die u beroeren!
7 Gij liept wel. Het verwijt der tegenwoordige afwijking vermengt hij voorzichtig met den lof van den voorgaanden loop, opdat zij beschaamd zijnde, te vaardiger wederkeeren tot den rechten weg.
Het is een verwondering, als hij vraagt, wie hen van den rechten weg afgeleid heeft, opdat hij ze te meer beschaamd make. Het Grieksche woord heb ik weder overgezet, gehoorzaam zijn, liever dan, gelooven: want zij, die de zuiverheid des Evangelies nu eenmaal aangenomen hadden, waren van de gehoorzaamheid afgevallen.
8 De beweging is niet uit Dien. Boven heeft hij met redenen gestreden, nu ten laatste handelt hij met autoriteit, als hij uitroept, dat de
93
GALATEN 5:8â11.
aanrading of beweging van elders gekomen is dan van God; want deze vermaning zou niet zooveel gewicht hebben, indien zij niet op de autoriteit des persoons steunde. Maar Paulus kon met recht zoo stout tot de Galaten spreken, dewijl hij een verkondiger der Goddelijke roeping was, daarom noemt hij God niet, maar duidt Hem door omschrijving aan: alsof hij zeide: Gocl strijdt geenszins tegen Zichzelven, Deze is het, die u door mijn prediking tot zaligheid heeft geroepen. Zoo is dan deze nieuwe beweging van elders gekomen; daarom indien gij wilt, dat zijn roeping vast en zeker is, zoo zie toe, dat gij niet hoort naar degenen, die u nieuwe gedichtselen aanbrengen.
9 Een weinig zuurdeesem. Ik ve.rsta het van de leer en niet van de menschen; want hij vermaant hoe schadelijk de vervalsching der leer is, opdat zij ze niet klein achten, gelijk het pleegt te geschieden. Want met deze bedekte listigheid sluipt de duivel in, dat hij de gansche leer niet openlijk krenkt, maar haar zuiverheid ver-valscht met valsche en onrechte meeningen; velen, omdat zij de grootheid des kwaads niet merken, zijn niet streng genoeg in het wederstaan. Zoo dan, de apostel roept hiertegen, dat er nu niets geheels blijft, als de waarheid Gods vervalscht is: en hij gebruikt een gelijkenis van eenen zuurdeesem, welke, hoewel hij klein is, nochtans zijn zuurheid in het geheele deeg uitbreidt. Zoo moeten wij dan zorgvuldig toezien, dat wij niets laten toedichten tot de zuivere leer des Evangelies.
10 Ik vertrouw van u. Wederom wendt hij alle scherpheid op de valsche apostelen. Hij zegt, dat zij oorzaak des kwaads zijn, hij dreigt ze met straf; hij zegt, dat hij goede hope van de Galaten heeft, dat zij haastig en lichtelijk zullen wederkeeren tot ware eendracht. Want dat geeft ons moed, als wij hooren, dat men goede hope van ons heeft: want wij achten het schandelijk, de meening bedriegen van hen, die een goed en vriendelijk gevoelen van ons hebben. En dewijl het Gods werk was, de Galaten weder te brengen tot de zuivere leer des geloofs, van welke zij afgevallen waren, zoo zegt hij, dat hij in den Heere hoopt: waarmede hij vermaant, dat de bekeering een hemelsche gave is, opdat zij ook zeiven haar van God begeeren. En die u ontroert. Het is een bevestiging der voorgaande zinsnede, dewijl hij zijdelings het meeste deel der schuld legt op die bedriegers, van welke de Galaten bedrogen waren: want van die straf, die hij hun verkondigt, zondert hij de Galaten meest uit. Voorts, laat hiernaar hooren allen die aan de gemeenten oorzaak tot beroering geven, die de eenigheid des geloofs breken, die de eendracht verzwakken: en indien zij eenig goed gevoelen hebben, laat hen bij dit woord verschrikken. Want God verkondigt door den mond van Paulus, dat geene veroorzakers van zulke ergernis, ongestraft zullen wezen. Het woordje: Wie hy ook zy, heeft nadruk: want dewijl de valsche apostelen door hun grootspreken het ongeleerde volk verschrikten, zoo moest Paulus zijn leer zóó hoog verheffen, dat hij niemand spaarde, die daartegen durfde kikken, met wat titel of naam hij ook mocht versierd zijn.
11 Maar ik, broeders! Dit is een argument van een eindoorzaak genomen: Ik mocht wel (zegt hij) der menschen haat, gevaren en vervolgingen vlieden, zoo ik slechts de ceremoniën met Christus wilde vermengen; zoo dan, dat ik tegen deze zaak zoozeer strijd, dat doe ik niet om mijnentwil, noch tot mijn voordeel. Maar volgt
94
GALATEN 5:11, 12.
deswege hieruit, dat het waarachtig is wat hij leert? Ik antwoord, dat de rechte gezindheid en de zuivere conscientie des leeraars niet weinig dient tot bevestiging. Bovendien is het niet geloofelijk, dat eenig mensch zoo uitzinnig is, dat hij willens kwaad over zich hale. Ten laatste geeft hij een kwaad vermoeden van de tegenstanders, dat zij de besnijdenis predikende, meer hun eigen rust zoeken, dan zij getrouwelijk Christus dienen. De hoofdsom is, dat Paulus van alle eerzucht, van gierigheid, kortom van zichzelven aan te zien vreemd geweest is, dewijl hij gunst en lof versmaadde, en zich aan de vervolgingen en aan de razernij van vele menschen onderwierp, liever dan dat hij een stroobreed van de zuiverheid des Evangelies zou afwijken. De ergernis des kruises is weggenomen. Paulus noemt het Evangelie gaarne een kruis, of een woord des kruises, als hij deszelfs verwerpelijke eenvoudigheid wil stellen tegen de opgeblazen wijsheid of rechtvaardigheid der menschen Want de Joden door verkeerd betrouwen der rechtvaardigheid, en de Grieken door dwazen wijsheidswaan opgeblazen zijnde, verachtten de nederheid des Evangelies. Daarom, als hij zegt, dat er nu geen aanstoot des kruises meer zal wezen, zoo hij de prediking der besnijdenis aanneemt, zoo verstaat hij, dat de Joden hem geen moeite zullen aandoen, maar dat hij met hunnen dank het leerambt zou bedienen: want dat opgesmukte en vervalschte Evangelie uit Mozes en Christus saamgesteld, zal hen niet ergeren, maar zulke vermenging zal hen verdragelijk wezen, omdat zij in het bezit hunner oude waardigheid zullen blijven.
12 Och, of zij ook afgesneden wierden. Hij vaart voort door verbolgenheid: want hij wenscht het verderf voor die bedriegers, door welke de Galaten waren bedrogen geweest. Het schijnt, dat hij zinspeelt op de besnijdenis, waarop zij drongen, als hij zegt: afgesneden wierden. Tot welk gevoelen Chrysostomus ook neigt, alsof hij zeide: Zij verscheuren de gemeente ter oorzaak der besnijdenis, ik wilde dat zij ganschelijk afgesneden waren. Maar zulk een vvensch schijnt niet wel overeen te komen met de apostolische zachtmoedigheid: want men moet wenschen, dat zij allen zalig worden, en niet dat iemand omkome. Ik antwoord, dat dit waar is, als wij de menschen aanzien : want de zaligheid aller menschen zonder uitzondering wordt ons van God bevolen, gelijk Christus voor de zonden der gansche wereld geleden heeft: maar godzalige harten worden somtijds vervoerd buiten aanmerking der menschen, te weten, als zij de eere Gods, en het rijk van Christus aanzien. Want zoo veel de eere Gods uitnemender is dan de zaligheid der menschen, zooveel te sterker behoort zij ons te trekken tot haars zelfs liefde en begeerte : en zoo komt het, dat de geloovigen over de bevordering der eere Gods bekommerd zijnde, de wereld en de menschen vergeten, en hadden daarom liever, dat de gansche wereld verging, dan dat de eere Gods iets verkort wierd. Maar wij zullen bedenken, dat deze wensch daaruit vloeit, dat zij van het bedenken der menschen afgewend zijnde, alleen op God zien. Aldus kan Paulus niet van wreedheid beticht worden, alsof hij tegen de liefde streed; bovendien, indien wij de gemeente vergelijken bij een mensch of bij weinigen, hoeveel gewichtiger en uitnemender zal zij wezen? Want dat is een wreede barmhartigheid, die één mensch acht boven de gansche gemeente. Ik zie op de ééne zijde de kudde des Heeren
95
GALATEN 5 : 12, 13.
die in gevaar is, ik zie daarentegen een wolf, die door des duivels ingeven drijft óm te verslinden: behoort de zorgvuldigheid voor de gemeente niet al mijne gedachten zóó tot zich te trekken, dat ik haar welvaart met des wolfs verderf zou begeeren te koopen? Nochtans is op deze wijze mijn begeerte niet, dat iemand verderve: maar de liefde en zorgvuldigheid der gemeente trekt mij als 't ware tot een verrukking der zinnen, zoodat ik voor niets anders zorg. Zoo zal dan niemand een waar herder der gemeente wezen, die van dergelijken ijver niet brandt. Waar ik overgezet heb: Die u beroeren, daar beduidt het Grieksche woord; Iemand van zijnen staat of graad afwerpen, en het woordje ook, heeft hij tot verheffing daarbij gesteld, begeerende dat zij niet alleen uit hun plaats geworpen, maar ook ganschelijk afgesneden en uitgeroeid worden.
i Cor. 8:9. 13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders! alleenlijk dat
gij de vrijheid niet geeft het vleesch tot oorzaak: maar dient elkander door de liefde.
Bom. 13:8. 14 Want de gansche wet wordt in één woord vervuld, te weten
Lev. 19:18. jn Q-j; zu]t uwen naaste liefhebben als uzelven.
Matt. 22:39. .. ⢠â¢
Mark. 12:31! 15 Indien gij elkander onderling bijt en verslindt, zoo ziet toe,
KOjak 12 â 8 dat gij niet onderling van elkander verteerd wordt.
2 Cor. 12:20. 16 Maar ik zeg: wandelt naar den Geest, en gij zult de begeer-
i'Petr.12 â ii. lijkheid des vleesches niet volbrengen.
Bom. 7:23. 17 Want het vleesch begeert tegen den Geest, en de Geest tegen
Bom. 7:16. het vleesch: deze strijden onderling tegen elkander, zoodat
gij niet doet al wat gij wilt.
18 Indien gij door den Geest geleid wordt, zoo zijt gij niet onder de wet.
13 Gjj zijt tot vrjjheid geroepen. Nu vermaant hij, hoe men da
vrijheid behoort te gebruiken. Wij hebben in den Eersten brief aan de Corinthiërs geleerd, dat de vrijheid en het gebruik der vrijheid, twee dingen zijn. Want de vrijheid is in de conscientie, en ziet op God: maar het gebruik is in uitwendige dingen, en heeft te doen met de menschen, en niet met God alleen. Zoo dan, als hij nu de Galaten vermaand heeft, dat zij zich niets van hun vrijheid zouden laten ontnemen, zoo gebiedt hij hun nu in het gebruik matig te zijn. En hij geeft een regel voor het behoorlijk gebruik, dat zij niet verkeere tot voorwending of oorzaak der ongebonden dartelheid. Want de vrijheid is niet gegeven aan het vleesch, dat meer behoort onder het juk gevangen gehouden te worden; maar het is een geestelijk goed, waarvoor alleen de godzalige harten vatbaar zijn. Maar dient elkander door de liefde. Hij verklaart een wijze om de vrijheid te matigen, opdat zij niet tot vaag en dartel misbruik uitbreke, te weten, zoo zij door de liefde geregeerd wordt. Wij zullen altijd gedachtig zijn, dat hij nu handelt niet hoe wij voor God vrij zijn, maar hoe wij onze vrijheid mogen gebruiken over de menschen. Want een rechte conscientie laat geen dienstbaarheid toe: maar in het gebruik der uitwendige dienstbaarheid, of in het onthouden is geen gevaar. Alles komt dus hierop neer: Indien wij elkander door de liefde dienen, zoo zullen wij altijd acht hebben op de stichting: alzoo zullen wij niet ongebonden noch dartel zijn,
96
97
maar zullen de genade Gods gebruiken, tot zijne eer en onzes naasten zaligheid.
14 Want de gansche wet. Hieronder moet men een heimelijke tegenstelling verstaan tusschen deze vermaning van Paulus en de leer der valsche apostelen: want dewijl dezen op de ceremoniën alleen drongen, zoo berispt Paulus hier als in 't voorbijgaan, welke de ware ambten en oefeningen der Christenen zijn. Zoo dan, de tegenwoordige aanbeveling der liefde dient hiertoe, dat de Galaten verstaan, dat het voornaamste hoofdstuk der Christelijke volmaaktheid daarin gelegen is. Maar men moet zien, waarom de apostel alle geboden der wet onder de liefde besluit; want dewijl de wet in twee tafelen bestaat, waarvan de eerste leert van den dienst Gods, en van de werken der Godzaligheid, en de tweede van de liefde, zoo is het ongerijmd, dat men een deel neemt voor het geheel. Sommigen ontgaan aldus: Dat ook in de eerste tafel niet anders geleerd wordt, dan dat wij God liefhebben van ganscher harte. Maar Paulus meldt duidelijk de liefde tot den naaste: men moet dus een andere meer hechte oplossing zoeken. Ik beken, dat de Godzaligheid, dat is de vreeze en de dienst Gods, boven de liefde tot de broeders gaat, en dat daarom de onderhouding van de eerste tafel meer geacht wordt voor God dan van de tweede. Maar de Godzaligheid is een zaak, die voor der menschen gevoel verborgen is, gelijk God zelf onzienlijk is: en hoewel de ceremoniën Jou. 1:18; ingesteld zijn om haar te betuigen, zoo zijn zij nochtans geen zekere co?.8'i:i5. argumenten. Want het geschiedt vaak, dat er geen naarstiger eniTim.iri?; geduriger beoefenaars der ceremoniën zijn dan de hypocrieten. Zoo 1 4; 12. wil dan God een proef onzer genegenheid jegens Zich nemen, uit de broederlijke liefde die Hij ons onderling beveelt. Dit is de oorzaak waarom de liefde genoemd wordt de volbrenging der wet,
niet alleen hier, maar ook Rom. 13 : 8, niet dat zij den dienst Gods te boven gaat, maar omdat zij een bewijs en bevestiging daarvan is. Ik heb reeds gezegd, dat God onzienlijk is, doch Hij stelt Zich ons voor in de broeders, en eischt in hun persoon wat men Hem schuldig is. Zoo dan, de liefde tot de menschen komt niet anders dan uit de vreeze en liefde Gods: daarom is het geen wonder, zoo de genegenheid ook de oorzaak, waarvan zij een teeken is, onder zich vervat. Zoo iemand de liefde Gods scheiden wil van de liefde der menschen, die zal verkeerd doen. Gij zult uwen naaste liefhebben, Want wie liefheeft geeft een iegelijk het zijne, hij doet niemand onrecht noch hinder, maar doet allen menschen goed zoolang hij kan. Nu, wat anders wordt in de tweede tafel behandeld ?
en deze reden voert Paulus ook aan bij de Romeinen. Voorts, onder Rom- inliet woord naaste, worden alle menschen begrepen: want de natuur, die wij allen gemeen hebben, vereenigt ons, gelijk Jesaja vermaant, zeggende: Versmaadt uw vleesch niet. En voornamelijk moet Jes- 58:7-het beeld Gods een heilige band der eenigheid wezen: zoo dan,
hier is geen onderscheid tusschen vriend en vijand, want de goddeloosheid der menschen kan het recht der natuur niet wegnemen. Het woordje: Als uzelven, beduidt dit: Gelijk een iegelijk naar vleeschelijke beweging genegen is zichzelven lief te hebben,
alzoo wordt ons door God de liefde jegens onzen naaste bevolen.
Want zij, die hieruit besluiten (gelijk de Sorbonne) dat de liefde tot onszelven altijd in orde voorgaat, omdat de regel is boven
Dl. III. 7
98
hetgeen geregeld wordt, die maken de woorden des Heeren teniet, en leggen ze niet uit: zij zijn ezels, die geen greintje liefde hebben, want zoo de liefde tot onszelven de regel ware, zou daaruit volgen, dat zij oprecht en heilig is, en voor God goed geacht. Nu, wij lieven onzen naaste nimmer oprecht en naar des Heeren wil, totdat wij de liefde tot onszelven gebeterd en gereinigd hebben. Want het zijn contrarie en tegen elkander strijdende genegenheden, dewijl de liefde tot onszelven maakt, dat wij andere menschen verachten en versmaden, maakt dat wij wreed zijn, en is een bron van gierigheid, roof en bedrog, en van alle dergelijke pesten: zij drijft ons tot onlijdzaamheid, zij wapent ons met begeerte tot wraak. Zoo eischt dan de Heere van ons, .dat deze eigenliefde veranderd wordt in oprechte liefde.
15 Indien gü elkander onderling bjjt. Men mag uit de zaak zelve en ook uit de woorden verstaan, dat de Galaten twistgierig zijn geweest, dewijl zij in de leer oneens waren: en hij bewijst nu uit de vrucht en uitkomst, hoe verderfelijk dit kwaad is in de gemeente. Bovendien is het waarschijnlijk, dat de Heere der Galaten eergierigheid, grootschheid, en andere gebreken door valsche leeringen gewroken heeft, gelijk Hij pleegt, en ook betuigt door Mozes, Deut. 13 : 3. Door het byten en verslinden, verstaat hij naar mijn oordeel, zoowel vijandelijke beschuldigingen, lasteringen, schimpwoorden, en andere woordenstrijden, als onrecht dat door bedrog of geweld gepleegd wordt. Wat zal toch het einde wezen? Vertering, zegt hij. Nu komt het der liefde eigenlijk toe, dat wij elkander beschermen en helpen. Och, of dit ons altijd in den zin kwame, wanneer de duivel ons tot twist beweegt, te weten, dat uit de inwendige twisten der leden onder elkander, niet anders kan komen dan verderf en vertering des ganschen lichaams. Nu, hoe ellendig en uitzinnig is het, dat wij, die leden eenszelfden lichaams zijn, naar elkanders verderf staan ?
16 Ik zeg: wandelt naar den Geest. Nu stelt hij een remedie. De verwoesting der gemeente is geen klein kwaad, daarom moet men naarstig daartegen zijn als zulks voorhanden is. Maar door wat middel? te weten, zoo het vleesch geen heerschappij in ons heeft, maar wij onszelven door den Geest Gods laten regeeren. Hij geeft bedektelijk te kennen, dat de Galaten vleeschelijk zijn, en ledig van den Geest Gods, daar zij een leven leiden, dat den Christenen niet betaamt. Want waaruit kwam het, dat zij elkander verteerden, anders dan omdat zij naar den lust des vleesches gedreven werden? Zoo zegt hij dan, dat dit een teeken is, dat zij niet naar den Geest wandelen. Men moet het woordje volbrengen, aanmerken, waarmede hij te kennen geeft, dat de kinderen Gods, hoewel zij nog aan gebreken onderhevig zijn, zoolang zij met hol pak des vleesches beladen zijn, niet ganschelijk aan dezelve zijn overgegeven, maar arbeiden om ze te wederstaan: want de geestelijke mensch is niet vrij van vleeschelijke begeerlijkheden, maar wordt dikmaals daardoor geprikkeld; doch hij wordt niet overwonnen, zoodat hij ze laat regeeren, hetwelk is, dezelve volbrengen. Zie het Achtste hoofdstuk aan de Romeinen.
17 Het vleesch begeert tegen den Geest. Hij vermaant ze van zwarigheid, opdat zij weten, dat zij niet zonder strijd geestelijk zullen leven: de zwarigheid komt daarvan, dat onze aard strijdt
99
tegen den Geest Want wij hebben in den brief aan de Romeinen gezegd, dat door het woord vleesch, de natuur des menschen aangeduid wordt. Want dat de sophisten het beperken tot de lagere zinnen (gelijk zij die noemen) dat wordt uit vele plaatsen weder-legd: en het woord, dat daartegen gesteld wordt, neemt alle twijfeling weg. Want het woord Geest beduidt de vernieuwde natuur,
of de genade der wedergeboorte. Wat beduidt dan het vleesch anders dan den ouden mensch? Dewijl dan de gansche natuur des menschen wederspannig en hardnekkig is tegen den Geest Gods, zoo moet men arbeiden en ernstig strijden, en zichzelven geweld doen, om den Geest gehoorzaam te zijn: daarom is te beginnen van de verzaking van onszelven. Hier zien wij met wat lof de Heere onzen aard versiert, te weten, dat hij niet beter overeenkomt met wat goed en recht is, dan het water met het vuur. Nu,
waar zal men een druppel goeds in den vrijen wil vinden, tenzij dat mogelijk goed genoemd wordt, wat den Geest Gods contrarie is. Dit is het wat hij zegt, Rom. 8:7, dat alle gedachten des vleesches zijn vijandschap tegen God. Zoodat gij niet doet al wat gà wilt. Dit is zonder twijfel van de wedergeborenen te verstaan.
Want de vleeschelijken hebben geenen strijd tegen de booze begeerlijkheden, noch rechte begeerte om naar de rechtvaardigheid Gods te staan. En Paulus spreekt tot de geloovigen: daarom is dit willen, niet te verstaan van de genegenheid der natuur, maar van de heilige bewegingen, welke God ons door zijn genade ingeeft. Zoo spreekt dan Paulus uit, dat de geloovigen, hoezeer zij ook pogen, nochtans zoolang zij in dit leven zijn, niet zoover doorworstelen, dat zij God volmaaktelijk dienen. Zij willen wel en be-geeren het, maar het geschiedt niet volkomenlijk; welk argument breeder behandeld wordt in Rom. 7 : 15.
18 Indien gjj door den Geest geleid wordt. Dewijl de geloovigen hinkende in den weg des Heeren wandelen, is hun, opdat zij den moed niet verloren geven, omdat zij der wet niet genoeg-doen, zulke vertroosting noodig, gelijk zij hier hooren, als Paulus zegt, dat zij niet zijn onder de wet; welke vertroosting hij ook stelt Rom. 6: 14. Want daaruit volgt, dat wat er nog ontbreekt,
hun niet toegerekend wordt, maar dat hun dienst Gode zoo aangenaam is, alsof hij volkomen en ganschelijk volmaakt ware. Voorts vervolgt hij hier ook de voorgenomen handeling over de vrijheid;
want dit is de Geest, dien hij eerst genoemd heeft den Geest der aanneming, en daar deze de menschen vrijmaakt, verlost hij hen ook van het juk der wet. Het is dus zooveel alsof hij zeide; Wilt gij eenmaal een einde hebben aan die twisten, die u veel te doen maken? wandelt naar den Geest; want dan zult gij van de heerschappij der wet verlost wezen. Want de wet zal alleen een vrije leer wezen, om u te vermanen, maar zal uwe conscientiën niet meer omstrikt houden. Nu, wanneer de vloekschuld der wet is weggenomen, zoo volgt ook de vrijheid van de ceremoniën, welke teekenen zijn van den dienstbaren staat.
19 De werken des vleesches nn zijn openbaar, welke zijn: over- i Cor. 3:3. spel, hoererij, onreinigheid, dartelheid. Jak. 3:U.
20 Afgoderij, venijngeving, vijandschap, twist, spijtigheid, toorn,
kijving, tweedracht, oproer, ketterij,
GALATEN 5 : 19, 20.
100
1 Cor. 6:10 Ef. 5:5 Col. 3:6 Openb. 22:15
21 Nijd, doodslag, dronkenschap, brasserij, en dergelijke: van welke ik u tevoren zeg, gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat degenen, die zulks doen, het rijk Gods niet zullen beërven.
19 De werken des vleesches nu zijn openbaar. Dewijl hij in somma den Christenen een doel voorgesteld heeft, waarnaar zij be-hooren te staan, te weten, dat zij den Geest gehoorzaam zijn, en het vleesch wederstand doen: zoo schildert hij ons nu een beeld des vleesches en des Geestes. Indien de menschen zichzelven kenden, zoo zou deze verklaring hun niet noodig zijn: want zij zijn niet anders dan vleesch. Maar onze aangeboren geveinsdheid is zóó groot, dat wij onze eigene schandelijkheid niet zien, totdat de boom door de vruchten openbaar wordt. Zoo vermaant dan Paulus nu, tegen wat gebreken wij moeten strijden, opdat wij niet naar het vleesch leven. Hij telt ze niet alle op, hetwelk hij ook op het einde te kennen geeft: maar uit degenen, die hij opnoemt, kan men lichtelijk de andere verstaan. Overspel en hoerery, stelt hij in de eerste plaats: daarna noemt hij onreinigheid, welke allerlei on-kuischheid vervat. Dartelheid, is als een instrument: want het Grieksche woord dat hier staat, komt van een woord, waarmede beduid worden, die zich dartel en ongebonden gedragen. Deze twee dingen worden onder een hoofdstuk der onkuischheid betrokken. Daarna stelt hij afgoderij, welke hier genomen wordt voor grove superstitiën, die voor de oogen der menschen bloot liggen. De zeven gestalten die hierna volgen, hebben maagschap onder elkander, bij welke daarna twee andere komen. Hij noemt ze toornigheid en vijandschap, welke voornamelijk daarin verschillen, dat de toornigheid kort, en de haat lang van duur is. Spijtigheid en nijdigheid, zijn oorzaken van den haat. En Aristo-teles, 2 Rhetoricorum, maakt tusschen de spijtigheid en nijdigheid dusdanig onderscheid, dat spijtig is, die droevig is dat een ander hooger is dan hij zelf: niet omdat het hem moeit, dat die deugdelijk en uitnemend is, maar omdat hij wel wilde de hoogste zijn; maar nijdig is, niet degene die begeert uitnemend te zijn, maar die van spijt brandt bij het zien van anderer uitnemendheid. En leert daarom dat het ondeugende en verachtelijke menschen zijn, die nijdig zijn: maar de spijtigheid schrijft hij aan de hooge en grootmoedige harten toe. Paulus betuigt dat deze beide, gebreken des vleesches zijn: uit toornigheid en haat komt ook twist, strijd, oproer, en ten laatste komt men ook tot doodslag en venijngeving. Door het woord brassenj, beduidt hij ongeregeldheid in spijze, en allerlei gulzigheid. Men moet opmerken, dat hij de ketterij noemt onder de werken des vleesches: want wij verstaan daaruit, dat het woord vleesch, zich breeder uitstrekt dan tot de zinnelijkheid, die de sophisten dichten. Want waardoor komen de ketterijen, anders dan door eergierigheid, welke de voornaamste plaats van het hart inneemt, en niet blijft in de grove zinnelijkheid? Hij zegt, dat deze gebreken openbaar zijn, opdat niemand meene, dat hij met uitvlucht te zoeken iets zal vorderen: want wat helpt het, te loochenen dat het vleesch in ons de overhand heeft, als de boom door de vruchten bekend wordt?
21 Van welke ik u tevoren zeg. Met deze strenge verkondi-
GALATEN 5:21, 22.
ging, wilde hij niet alleen de Galaten verschrikken, maar ook de valsche apostelen bedektelijk doorhalen, die deze leer die veel nutter was, loslieten en over de ceremoniën twistten. Nochtans leert hij meteen door zijn voorbeeld, met zulke vermaningen en bedreigingen aan te houden, volgens het woord van den profeet:
Roep, houd niet in, verkondig mijn volk zijne booze stukken. WatJes. 58: i. kan men gruwelijkers zeggen, dan dat die allen uit het rijk Gods uitgeroeid worden, die naar het vleesch wandelen? Wie durft nu denken, dat deze zonden licht zijn, welke God zoozeer verfoeit?
Maar aldus schijnt hij allen de hope der zaligheid te benemen:
want van hoevele menschen is er een, die niet met een dezer gebreken bevangen is? Ik antwoord: Niet allen, die gezondigd hebben, dreigt hij met de uitroeiing uit het rijk Gods, maar degenen die zoodanig blijven zonder berouw. De geloovigen vallen ook somtijds zwaar, maar zij keeren wederom tot den rechten weg: zij worden dus onder dit getal niet gerekend, want zij geven zich- s^r. 24:16. zeiven niet toe. Eindelijk, alle bedreigingen des Goddelijken oordeels roepen ons tot bekeering, waarvoor altijd vergeving bij God bereid is: maar indien wij hardnekkig blijven, zullen zij ons tot getuigenis gedijen. Het Grieksche woord, waarvoor wij gesteld hebben beërven, beteekent iets door erfelijk recht verkrijgen. Want wij verkrijgen het eeuwige leven niet anders, dan door het recht der aanneming, gelijk elders gezegd is.
22 Maar de vrucht des Geestes, is liefde, blijdschap, vrede, ver- Ef. 5:9. draagzaamheid, vriendelijkheid, liefelijkheid, geloof.
23 Zachtmoedigheid, matigheid: tegen dezulken is de wet niet. 1 Tim- 1;9-
24 Maar die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruist met Rom. 13: u. de genegenheden en begeerlijkheden. iPetr. 2:ii.
25 Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen.
26 Laat ons niet begeerig zijn naar ijdele eer, elkander tergende,
elkander benijdende.
22 Maar de vrucht des Geestes. Gelijk hij boven de gansche natuur des menschen veroordeeld heeft, omdat zij niet anders dan gebrekkige en verwerpelijke vruchten voortbrengt, zoo leert hij nu dat alle deugden en welgeregelde genegenheden van den Geest komen, dat is, van de genade Gods, en van de vernieuwing die wij hebben door Christus. Het is dus even alsof hij gezegd had:
Van den mensch komt niets dan kwaad, en er is niets goeds dan van den Heiligen Geest. Want hoewel vaak in menschen, die niet wedergeboren waren, schoone voorbeelden van zachtmoedigheid,
trouw, matigheid en mildheid geweest zijn, zoo is het toch zeker,
dat het niet anders dan bedriegelijke vertooningen geweest zijn.
Daar is wel eenige schoone deugd zooals matigheid in Curius, in Fabricius en in Cato, vriendelijkheid en mildheid in Scipio, verdraagzaamheid in Fabius: maar alleen in der menschen oogen, en alleen naar burgerlijke waardeering. Maar bij God is niets zuiver dan uit de fontein aller zuiverheid. Het woord blijdschap, neem ik hier niet gelijk Rom. 14:17, maar voor blijmoedigheid, die wij den naaste bewijzen, welke tegen eigenzinnigheid over staat; zoo
101
GALATEN 5:22â25
neem ik ook geloof voor waarheid, opdat het gesteld worde tegen listen, bedriegerijen en leugen. Het woord vrede, stel ik tegen gekijf en twist. Verdraagzaamheid is zachtmoedigheid des harten, waardoor wij alles ten goede nemen, en niet terstond verwekt worden tot gramschap. De andere woorden zijn klaar, want hij beschrijft de vruchten, waaruit openbaar wordt hoedanig elks gemoed is. Iemand mocht zeggen: Wat zal men dan oordeelen van de god-deloozen en afgodendienaren, die met uitnemenden schijn van deugden geschitterd hebben? want naar de werken schijnen zij geestelijk te zijn. Ik antwoord: Gelijk niet alle werken des vleesches in een vleeschelijk mensch gezien worden, maar door dit of dat openbaren, dat zij vleeschelijk zijn, zoo moet men een geestelijk mensch niet schatten naar ééne deugd: want inmiddels zal het uit andere gebreken openbaar worden, dat het vleesch de overhand in hem heeft, hetwelk men lichtelijk kan zien in die alle, die ik genoemd heb.
23 Tegen dezulken. Sommigen verstaan enkel, dat tegen de goede werken geen wet gegeven is, omdat de goede wetten geboren zijn uit booze zeden. Maar Paulus zegt dit in een hoogeren en meer verborgen zin, te weten, waar de Geest regeert, daar heeft de wet geene heerschappij meer. Want als de Heere onze harten vormt en vernieuwt tot zijne rechtvaardigheid, zoo verlost Hij ons van de strengheid der wet, opdat zij met ons niet handele naar haar verbond, noch onze conscientiën onder de verdoemenis houde. Ondertusschen laat de wet niet af haar ambt te doen, door te leeren en te vermanen: maar de Geest der aanneming verlost ons van de onderworpenheid. En aldus bespot hij de valsche apostelen, die door de onderdanigheid der wet te drijven, niet liever haar juk zochten te breken, hetwelk Paulus leert te geschieden, als de Geest Gods de heerschappij houdt: waaruit volgt, dat zij niet vroegen naar geestelijke rechtvaardigheid.
24 Maar die van Christus zjjn. Dit voegt hij hierbij, om te toonen, dat de vrijheid allen Christenen toekomt, dewijl zij het vleesch verzaakt hebben. Voorts vermaant hij de Galaten wat het ware Christendom is, zooveel het leven aangaat; opdat zij niet valschelijk belijden Christenen te zijn. Het woord kruisigen, heeft hij gebruikt om te beduiden, dat de dooding des vleesches een vrucht is des kruises van Christus. Want het is niet een eigen werk des menschen, maar wij worden door Gods genade in de gemeenschap des doods van Christus geplant, opdat wij niet langer ons-zelven leven, Rom. 6:6. Zoo zullen wij dan het voorrecht der kinderen Gods genieten, als wij door waarachtige verzaking van onszelven, en door het ondergaan van den ouden mensch met Christus begraven zijn: niet omdat het vleesch nog gansch vergaan is, maar omdat het geen heerschappij gebruiken moet, maar veeleer den Geest plaats geven. Het vleesch en zijne begeerlijkheden, stelt hij voor den wortel en de vruchten. Want het vleesch is de boosheid der verdorven natuur, waaruit alle kwaad voortkomt; nu is het openbaar, dat den leden van Christus onrecht geschiedt, zoo zij nog der wet onderworpen worden, van welke allen verlost zijn, die door zijnen Geest zijn wedergeboren.
25 Indien wü door den Geest leven. Nu haalt Paulus naar zijne gewoonte, uit de leer eene vermaning. De dood des vleesches is het leven des Geestes. Indien de Geest Gods in ons leeft, zoo
102
GALATEN 5 : 25, 26â6 : 1.
moet Hij alle handelingen besturen. Want altijd zullen er velen wezen die onbeschaamd roemen, dat zij naar den Geest leven: maar Paulus roept hen van de woorden tot het bewijs der zaak. Want gelijk de ziel niet ledig leeft in het lichaam, maar aan alle leden des lichaams roering en kracht geeft, zoo kan ook de Geest Gods in ons niet zijn, zonder zich door uitwendige vruchten te bewijzen. Zoo dan, door het leven wordt hier de innerlijke kracht, en door het wandelen de uitwendige handelingen beduid. Want Paulus wil dit zeggen, dat de werken getuigenissen zijn des geestelijken levens. De gelijkenis in het woord wandelen, is gewoon.
26 Laat ons niet begeerig zijn naar jjdele eer. Dit zijn bijzondere vermaningen, die voor de Galaten, noodig waren, maar niet minder passen zij ook voor onzen tijd. De eerzucht is een moeder van veel kwaad, niet alleen in de gansche maatschappij der men-schen, maar voornamelijk in de gemeente; zoo leert hij dan dat men die moet vlieden. Want door de begeerte naar ijdele eer verstaat hij anders niet dan eergierigheid, als een iegelijk begeert boven anderen uit te steken. Want hoewel de heidensche philoso-phen niet alle eerzucht veroordeelen, wordt nochtans wie onder de Christenen eergierig is, wel terecht van ijdele en verkeerde eergierigheid beschuldigd, omdat hij van de ware eer afwijkt. Want het is ons niet geoorloofd, anders dan in God alleen te roemen: bui-1 cor-i:3i ten God is altijd enkel ijdelheid. Onderlinge tergingen en nijdig- 3 '21' heid, zijn dochteren der eergierigheid. Want wie naar den hoog-sten trap der eer staat, die moet noodzakelijk de anderen benijden:
hieruit komen achterklappingen, bijtingen en stekingen.
HET ZESDE HOOFDSTUK.
1 Broeders! indien ook een mensch. overvallen ware in eenigen Kom. u: 1. val, gijlieden die geestelijk zijt, richt zulk een mensch weder op l Tim. 2:25 met den Geest der zachtmoedigheid, ziende op uzelven, opdat
ook gij niet verzocht wordt.
2 Draagt elkanders lasten en volbrengt alzoo de wet van Christus. Jo11- 13 :U-
3 Want zoo iemand meent dat hij wat is, dewijl hij niets is, zoo bedriegt hij zichzelven.
4 Een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en dan zal hij aan zichzelven alleen eere hebben, en niet aan een ander.
5 Want een iegelijk zal zijn eigen last dragen. ^êr^n'io
32; 19.
i'Tndien ook een mensch. Gelijk de eergierigheid voornamelijk een 267
I schadelijke pest is, alzoo is ook de ontijdigheid en overgroote U:i2. -^strengheid dikwijls hinderlijk, die zich wel met een eerlijken schijn l ^or V-10 van ijver bedekt, maar die vaak uit hoovaardigheid en walg, en haat openb. 2;'23 der broederen geboren wordt. Want velen alsof zij uit de feilen der 22:12-broederen stof gekregen hadden tot bespotting, kwellen hen lasterlijk en gruwelijk: hetwelk daardoor geschiedt, dat zij meer zoeken te verwijten dan te beteren. Degenen, die gezondigd hebben, moeten wel gestraft worden, en dikmaals is er strengheid en scherpheid noodig. Men moet dus vermanen tot ontijdigheid toe, maar men moet
103
104
toch den edik met olie matigen. Zoo leert hij dan hier, dat men in het straffen van de feilen der broederen, matigheid moet gebruiken, en dat die bestraffingen godzalig en Christelijk zijn, die naar zachtmoedigheid smaken. Om dit te lichter te verkrijgen, toont hij welke het einde der godzalige berisping is, te weten, den gevallene weder op te richten, dat is, wederom in zijn geheel herstellen. Dit zal nimmermeer geschieden door geweld, noch door een geest der verklaging, noch door wreedheid van gelaat of van woorden: zoo moeten wij dan medebrengen een lieflijken en zachtmoedigen Geest, indien wij voorgenomen hebben onzen broeder te genezen. En opdat niemand met zijne gebaren alleen zachtmoedigheid laat blijken, zoo eischt hij een zachtmoedigen Geest: waarmede hij beduidt, dat die eerst bekwaam zijn om de broeders te kastijden, die van harte tot zachtmoedigheid geneigd zijn. Met een ander argument prijst hij de zachtmoedigheid in het berispen der broederen aan, als hij zegt: Zoo een mensch overvallen wordt; want hard te zijn tegen hen die door onvoorzichtigheid gevallen, of door list bedrogen zijn, is onbeleefd. Nu, wij weten dat de duivel altijd lagen legt, en dat wij duizendzins door hem bedrogen worden: als wij daarom iemand uit de broederen zien gevallen, laat ons denken dat hij in des duivels strikken gevallen is, en laat ons met barmhartigheid bewogen worden, en des te meer genegen zijn om te vergeven. Voorts lijdt het geen twijfel, dat hij de feilen en misdaden onderscheidt van de groote boosheden, die met voorgenomen en opzettelijke verachting Gods verbonden zijn. Zulke boosheid en snoode samenzwering tegen God, is strenger te straffen; want wat vrucht zou de zachtmoedigheid daar hebben? Het woordje ook, dat daarbij gesteld wordt, is zooveel alsof hij beval te vergeven, niet alleen de zwakken die verzocht zijn geweest, maar ook die voor de verzoeking zijn bezweken. Gijlieden die geestelijk zyt. Hij spreekt niet ironisch, maar ofschoon zij geestelijk zijn, zijn zij nochtans niet ganschelijk vervuld met den Geest: der zoodanigen ambt is, de gevallenen weder op te richten: want waartoe zijn zij uitnemend, dan tot der broederen zaligheid? want voorwaar, hoe meerder gaven een iegelijk heeft, des te meer is hij aan de broeders verbonden, om zich te geven tot hunne stichting: maar dewijl wij zoo verkeerd zijn, dat wij ook in de allerbeste plichten dwalen, daarom vermaant hij niets vlee-schelijks daarin te mengen. Ziende op txzelven. Het is niet tevergeefs, dat hij het getal der personen verandert, want de vermaning is te krachtiger, als hij een iegelijk bijzonder aanspreekt, en gebiedt in zichzelven af te dalen. Gij, (zegt hij) wie gij zijt die anderen bestraft, beschouw ook uzelven: want niets is moeielijker, dan onszelven te brengen tot de kennis en onderzoeking onzer eigene zwakheid. Dewijl wij in anderer gebreken te straffen, meer dan scherp zijn, zoo zien wij wat onze eigen gebreken aangaat, den zak niet die op den rug hangt (gelijk een zegt). Zoo dan, opdat hij te scherper prikkele, gebruikt hij het enkelvoudig getal. En de zin kan tweeërlei zijn: want als wij bekennen, dat wij met zonden bevangen zijn, zoo vergeven wij te liever anderen, dewijl wij zeiven begeeren Jat men ons vergeve. Daarom nemen sommigen de woorden van Paulus aldus: Weest niet hard noch onverbiddelijk, dewijl gij zelf een zondaar zijt, en der broederen barmhartigheid behoeft. Nochtans behaagt mij de andere uitlegging wel zoo goed, te weten,
105
dat Paulus gebiedt toe te zien, dat wij anderen berispende, zeiven niet zondigen. Want het is een gevaar, dat men zeer moet vlieden, en kwalijk kan ontgaan, dewijl niets lichter is dan buiten de mate te treden: hoewel niets er tegen is om de verzoeking te verstaan van de zaak, waarvan tegenwoordig gesproken is, en om haar tot het gansche leven uit te strekken. Zoo zullen wij dan bedenken om van onszelven te beginnen, zoo vaak men de feilen wil straffen: opdat wij onzer zwakheid gedachtig, tegen anderen gematigd zijn.
2 Draagt elkanders lasten. Dit is een zeer bekwame wijze van spreken om tot vriendelijkheid te vermanen, als hij de zwakheden of gebreken, waarmede wij bevangen zijn, lasten noemt. Want de natuur leert, dat men behoort te hulp te komen, die onder den last bezwijken. En hij gebiedt de lasten te dragen, niet om het kwaad, waarmede de broeders bevangen zijn, door toegeving of veinzing te voeden, maar meer om hen daarvan te ontlasten, hetwelk geschiedt met vriendelijke en liefelijke vermaningen. Want er zijn vele overspelers, die Christus gaarne hunnen hoerenwaard, en vele dieven, die Hem gaarne hun heler, eindelijk allerlei booze en ongeschikte menschen, die Hem gaarne tot hun patroon zouden maken. Allen zouden hunne pakken op der geloovigen schouders willen leggen. Maar dewijl hij wil, dat de verdraagzaamheid diene tot de wederoprichting of herstelling, zoo kan een iegelijk wel zien, hoedanig een verdraagzaamheid hij van de geloovigen eischt. En volbrengt alzoo de wet van Christus. Dit woord wet, als het op Christus toegepast wordt, dient tot de omstandigheid van het argument: want daaronder wordt een tegenstelling verstaan, tusschen de wet van Christus en de wet van Mozes, alsof hij zeide: Indien gij begeert de wet te onderhouden, ziet Christus geeft u een wet, welke gij terecht boven alle andere moogt achten, te weten, dat wij onderling tegen elkander vriendelijk en beleefd zijn. Want wie dit niet heeft, die heeft niets. Daarentegen zegt hij, dat de wet van Christus volbracht wordt, als een iegelijk zijnen naaste door barmhartigheid te hulpe komt: waarmede hij beduidt, dat alle dingen tevergeefs zijn, die vreemd zijn van de liefde: want het Grieksche woord beduidt volkomene vervulling. En dewijl niemand in allen deele volbrengt wat Paulus eischt, zijn wij allen verre van de volmaaktheid. Het kon wel geschieden, dat sommigen in vergelijking van anderen, niet verre daarvan zijn, voor God evenwel zijn zij zeer verre daarvan.
3 Want zoo iemand. De samenvoeging der woorden is twijfelachtig, maar de zin van Paulus is zeker. Want deze woorden: Dewyl hü niets is, hebben op het eerste aanzien deze beduiding: Zoo iemand, die anders niets is (gelijk er vele nietige menschen zijn, en nochtans door dwazen eigenwaan opgeblazen) zichzelven iets toeschrijft: maar de uitspraak bevat meer, en moet aldus verklaard worden: Dewijl alle menschen niets zijn, bedriegt ieder die iets wil schijnen, en zichzelven wijsmaakt dat hij wat is, zichzelven. Vooreerst verkondigt hij dus, dat wij niets zijn: waarmede hij te kennen geeft, dat wij niets eigens hebben, waarop wij mogen roemen, maar dat wij ontbloot zijn van alle goed, zoodat al onze eer en roem enkel ijdelheid is. Daaruit besluit hij ten andere, dat zij zichzelven bedriegen, die zichzelven iets toeschrijven. En het is zeer ongerijmd, dat wij willens onszelven bespotten, dewijl wij niets kwalijker dragen.
GALATEN 6 : 3â5.
dan dat wij door anderen bespot worden. Deze gedachte maakt verder, dat wij voor anderen veel vriendelijker zijn. Want waarvan komt de wreede bespotting, en hoovaardige strengheid, anders dan dat een iegelijk door zichzelven te verheffen, anderen hoovaardig veracht. Zoo laat de verwaandheid verre van ons zijn, en wij zullen allen zeer zedig en matig jegens elkander zijn.
4 Een iegelijk beproeve zjjn eigen werk. Paulus slaat nu de menschelijke hoovaardigheid met een zeer zwaren slag : maar dewijl zij meest daaruit ontstaat, dat wij door onszelven met anderen te vergelijken, de waarde van onszelven fundeeren op de kleinachting van anderen: zoo zegt hij dat voor zulke vergelijking hier geen plaats is. Niemand (zegt hij) mete zichzelven met eens anders el, noch behage zichzelven, omdat hem anderen meer mishagen; maar laat af van op een ander te zien, en onderzoeke zijn eigen consciëntie, en beschouwe hoedanig zijn werk is. Dit is dan eerst ware lof, niet dien wij anderen lasterende tot ons trekken, maar dien wij hebben zonder vergelijking. Sommigen meenen, dat het ironie is, alsof Paulus zeide: Gij behaagt uzelven om anderer gebreken wille, maar zoo gij ziet, wie gij zelf zijt, dan zult gij den lof hebben, die u toekomt, dat is ganschelijk geene, want daar is niemand, die een druppel lofs verdient. Daarna wat volgt: Een iegelyk zal zyn last dragen, leggen zij uit: Een iegelijk pleegt zijn last te dragen. Maar het rijmt beter eenvoudig genomen; want de woorden luiden aldus: Als men wil spreken van lof te verkrijgen, gij zult lof hebben in uzelven, en niet daarvan, dat gij u met anderen vergelijkt. Ik weet wel waarom zij willen, dat het een spottende wijze van spreken is, te weten, omdat de apostel in de naastvoorgaande zinsnede, de gansche eere en roem des menschen tot niets heeft herleid. Maar Paulus spreekt hier van den roem der goede consciëntie, dien de Heere den zijnen toelaat, en waarin Paulus zich
Haua. 23:i. ergens verheugt. Deze is niet anders dan een erkenning der genade Gods, welke den mensch niet verheft, maar aanzet om God te prijzen. Zoodanige stof van lof vinden de godzaligen in zichzelven: welke zij niet aan hunne verdiensten, maar aan de goedheid Gods
2 Oor. i:i2. toeschrijven. Dit is onze roem, zegt hij ergens, te weten, het getuigenis van een goede conscientie, dat wij getrouw gewandeld heb-Matt. 6:7. ben, enz. En Christus zegt: Gaat in uwe slaapkamer, doet goed voor uwen Vader in het verborgen, en uw Vader, die in het verborgen is, zal het u vergelden.
106
5 Want een iegelijk zal zijn eigen last. Om ons de onachtzaamheid en opgeblazenheid te ontnemen, zoo stelt hij ons het oordeel Gods voor oogen, waar een iegelijk bijzonder rekenschap zijns levens zal geven, zonder vergelijking met anderen. Want dit is het wat ons bedriegt: Omdat iemand met e'e'n oog onder de blinden zich zeer scherp van gezicht acht te zijn, meent de bruine onder de zwarten, wit te zijn. Hij zegt, dat voor deze gedachten geen plaats zal zijn in het oordeel Gods: want daar zal een iegelijk zijn eigen last dragen, en niemand zal vrijgesproken worden door eens anders zonde. Dit is de rechte zin van Paulus.
Rom. 15:27. 1 Cor. 9:11.
6 Degene, die onderwezen wordt in het Woord, deele mede van alle goederen dengene, die hem leert.
GALATEN 6:6, 7.
7 Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten, want wat demensch Luk: 16:25. zal gezaaid hebben, dat zal hij ook maaien.
8 Want die zijn vleesch zaait, zal uit het vleesch verderving maaien: maar die den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.
9 Laat ons in het goeddoen niet vermoeid worden: want indien 2Thess.3;i3. wij niet bezwijken, zoo zullen wij ten bekwamen tijde maaien.
10 Zoo dan, als wij tijd hebben, laat ons goeddoen aan alle men-
schen, en voornamelijk aan de huisgenooten des geloofs. 1 Tim- 5:8-
6 Degene, die onderwezen wordt. Het is waarschijnlijk, dat de leeraars en dienaars des Woords ook toen reeds vergeten werden;
welke ondankbaarheid nochtans zeer schandelijk is. Want hoe onbillijk en ongeschikt is het, dat men van lichamelijke onderhouding berooft hen, die onze zielen voeden? en dat men niet verwaardigt aardsche vergelding te doen dengenen, van wie wij hemelsche goederen ontvangen? Maar dit is, en is ook voorheen de aard geweest der wereld, dat zij den dienaars des satans overvloedig den gulzi-gen zak vult, maar den godzaligen herders nauwelijks schraaltjes voedsel geeft. En hoewel wij niet al te klaagachtig behooren te zijn,
noch ons recht te stijf te houden, zoo moest Paulus nochtans de Galaten vermanen wat zij behoorden te doen: waarin hij te vrijer geweest is, omdat hij zijn eigen zaak niet dreef, maar het algemeen nut der gemeente zocht, zonder eenigszins met zijn eigen voordeel rekening te houden. Hij zag, dat de dienaren des Woords vergeten werden, omdat het Woord zelf veracht werd: want zoo het Woord in waarde gehouden wordt, kan het niet anders of de dienaars worden ook eerlijk en mild behandeld. Bovendien zijn dit de listen des duivels, de godzalige dienaars van voedsel te berooven, opdat de gemeente van de zoodanigen beroofd worde. Gelijk dus Paulus zorgvuldig was voor de onderhouding van den dienst, beveelt hij de verzorging der goede en getrouwe herders. Door het Woord,
verstaat hij de leer der godzaligheid. Hij vermaant, dat wij moeten voeden hen, door wie wij in het Woord onderwezen worden; uit wat naam worden dan in het pausdom of de buiken van stomme menschen, of razende beesten gevoed, die niets met de leer van Christus gemeen hebben. In alle goederen. Niet omdat hij wil dat men overvloed boven mate verzamele, maar opdat tot de noodzakelijke middelen des levens niets ontbreke. Want de dienaars behooren met matigen kost tevreden te zijn, en men moet altijd het gevaar van overdaad en praal wederstaan. Zooveel dus de nood eischt, zullen de geloovigen bereid zijn aan de godzalige en heilige leeraren mede te deelen van al wat zij hebben; want met wat loon zullen zij dien onuitsprekelijken schat des eeuwigen levens vergelden, welken zij door derzelver prediking verkrijgen?
7 God laat Zich niet bespotten. Dit voegt hij erbij om de verontschuldigingen te wederleggen, waarmede velen uitvluchten plegen te nemen. De een zegt, dat hij zijn huisgezin moet voeden, de ander zegt,_ dat hem niet overschiet om te geven. Zoo komt het dat er \v einigen zijn, die doen wat zij behooren te doen, en dikwerf niet genoeg vermogen, als er zoo velen zijn die de hand gesloten houden. Paulus verkondigt, dat deze uitvluchten ijdel zijn, dewijl men
107
GALATEN .6:7, 8.
met God te doen heeft, hetwelk de wereld niet bedenkt: want hier wordt niet alleen gehandeld van des menschen voedsel, maar hoe hoog Christus en zijn Evangelie door ons geschat wordt. Deze plaats getuigt, dat de gewoonte om de getrouwe herders te bespotten niet nu eerst ontstaan is: maar zulke bespottingen zullen de goddeloozen niet straffeloos gedaan hebben. Want wat de mensch zal gezaaid hebben. Dit is het wat ons van mildheid verhindert, te weten omdat wij meenen, dat het verloren is, al wat wij een ander geven; bovendien, omdat wij altijd in dit leven voor ons-zelven zorgen en vreezen. Daarentegen vergelijkt Paulus dit leven met den zaaitijd, en zegt, dat wij zaaien als wij goeddoen: van h. welke zaak in den Tweeden brief aan de Corinthiërs gesproken is, waar Paulus deze zelfde gelijkenis gebruikt heeft. Och, of wij dit grondig geloofden, hoe blijmoediglijk zouden wij ons en het onze onzen naaste uitdeelen, altijd op de hope des oogstes ziende: gelijk de landlieden niets liever doen dan zaaien. Maar hoewel dezen negen maanden goedsmoeds verwachten, om eenen vergankelijken oogst te verzamelen, zoo bezwijken wij nochtans in de verwachting der zalige onsterfelijkheid.
8 Want die zijn vleesch zaait. Als hij in 't gemeen gesproken heeft, zoo spreekt hij nu van elk stuk bijzonder. Het vleesch zaaien, is de nooddruft des tegenwoordigen levens bezorgen, zonder eenig aanzien des toekomenden levens. Zij, die dit doen, zullen vrucht verzamelen, waardig hun zaaien: want zij zullen opstapelen wat kwalijk vergaan zal. Anderen hebben deze woorden: Het vleesch zaaien, uitgelegd, voor toegeven aan de begeerlijkheden des vleesches, en het woord verderving, leggen zij uit verdoemenis: maar de eerste uitlegging komt beter overeen met het tekstverband. Dat ik het anders overgezet heb dan de oude vertaler en Erasmus, dat heb ik niet zonder reden gedaan. De Grieksche woorden van Paulus staan aldus: Zaaien in het vleesch, en wat is dit anders, dan zich zoo aan het vleesch overgeven, dat men al zijn naarstigheid en zorgvuldigheid tot des vleesches zorg en nuttigheid richt. Maar die den Geest zaait. Door het woord Geest, versta ik geestelijk leven, waarvoor die gezegd worden te zaaien, die meer den hemel dan de aarde aanzien, en alzoo hun leven schikken, dat zij naar het rijk Gods staan. Zoo dan, dezen zullen een onverderfelijke vrucht der geestelijke werken maaien in den hemel. Voorts, geestelijke werken noemt hij ze met het oog op het einde, ofschoon zij anders uitwendig zijn, en het lichaam aangaan: gelijk ditzelve is, waarvan hij nu handelt, te weten, de leeraars en herders voeden. Indien de papisten naar hun gewoonte uit deze woorden de rechtvaardigheid der werken willen bevestigen, wij hebben ergens gezegd, hoe licht het is hunne beuzelingen te wederleggen. Want ofschoon het eeuwige leven een loon is, zoo volgt nochtans daaruit niet, dat wij door de werken gerechtvaardigd worden, of dat door de werken de zaligheid verdiend wordt: want dit zelf is ook onverdiend en uit genade, dat God de werken, die Hij ons uit vrije gunst gegeven heeft, verwaardigt zoozeer te eeren, dat Hij aan dezelve een niet verschuldigd loon belooft. Zoo iemand een beter en volkomener oplossing begeert, zoo zeg ik ten eerste, dat er geen goede werken zijn die God vergeldt, dan die wij uit zijn genade hebben. Ten andere zeg ik, dat de goede werken, die wij door de leiding en beweging des
108
GALATEN 6 : 8â10.
Heiligen Geestes doen, vruchten zijn der onverdiende aanneming. Ten derde zeg ik, dat zij niet alleen niet het allerminste of allergeringste loon waardig zijn, maar dat zij ganschelijk de verdoemenis verdienen: want zij zijn altijd met vele vlekken bezoedeld en besmet; |s-nu, wat zullen de onreinheden voor het aanschijn Gods wezen? Ten pr' 24:1G' vierde zeg ik, ofschoon duizendmaal aan de werken loon beloofd ware, zoo zullen zij nochtans achtervolgende de conditie der belofte,
geen loon hebben, tenzij de gansche wet volbracht is; nu, hoe verre zijn wij allen van deze volmaaktheid. Laat nu de papisten heengaan, en zoeken met de verdiensten der werken door te breken in den hemel: wij bekennen gaarne met Paulus en met de gansche Schrift, dat wat niet anders kan verkregen worden, dan door een loutere gave Gods, toch gezegd wordt als een loon voor onze werken vergolden te worden.
9 Laat ons in het goeddoen niet vermoeid worden. Door het woord goed, verstaat hij hier niet een goed werk, maar vriendelijkheid, die den menschen bewezen is. Hij vermaant dus, dat wij niet vermoeid worden in het helpen van onzen naaste, in het bewijzen van weldaden, en het oefenen van milddadigheid. Dit gebod is voornamelijk noodig: want dewijl wij van nature tot alle werken der liefde zeer traag zijn, zoo komen dikmaals ontelbaar vele ergernissen, waardoor de welgemoeden achtergehouden worden. Wij vinden vele onwaardigen, vele ondankbaren; en de menigte der benoodigdheden overvalt ons, wij worden uitgeput van hier en daar te geven, onze vurigheid wordt door anderer koudheid uit-gebluscht; eindelijk, de gansche wereld is vol verhinderingen, die ons van den rechten loop afkeeren. Zoo doet dan Paulus wel,
die ons bevestigt dat wij niet vermoeid worden, en ophouden. Indien wij niet bezwijken. Dat is: Wij zullen dan eerst die vrucht maaien, die God belooft, zoo wij tot het einde toe volstandig blijven.
Want die niet volharden, die zijn aan de luie landlieden gelijk, die geploegd en gezaaid hebbende, het werk onvolmaakt laten, daar het eggen noodig was, opdat het zaad niet door de vogelen verslonden, of door de zon verbrand, of door de koude verteerd worde: alzoo is het tevergeefs, dat wij beginnen goed te doen,
tenzij wij tot het einde toe voortvaren. Hij vermeldt bekwamen tjjd, opdat niemand begeerende in dit leven tevoren vrucht te plukken, van den geestelijken oogst beroofd worde. Zoo dan, de geloovigen zullen door hope en lijdzaamheid hun verlangen vasthouden en versterken.
10 Als wy tijd hebben. Hij zet de gelijkenis voort: want dewijl niet alle tijd bekwaam is tot ploegen en zaaien, zoo dringen de naarstige en verstandige landslieden zeer op de gelegenheid, en laten die niet ledig voorbijgaan. Dewijl dan God het gansche tegenwoordige leven verordend heeft tot ploegen en zaaien, zoo laat ons den tijd gebruiken, opdat de gelegenheid ons niet benomen worde, zoo wij onachtzaam zijn. Voorts, Paulus van de milddadigheid jegens de dienaren begonnen hebbende breidt zijn leer nu verder uit: want hij gebiedt allen goed te doen, maar voornamelijk beveelt hij de huisgenooten des geloofs aan, dat is, de geloovigen,
dewijl zij met ons van hetzelfde huisgezin zijn. Want daarom heeft hij deze gelijkenis gebruikt, opdat de gemeenschap, die noodwendig tusschen de leden eens huisgezins is, ons te meer prikkele. Zoo dan.
109
GALATEN 6 : 10â13.
de conditie der menschelijke natuur allen gemeen, verbindt ons aan alle menschen, maar de geloovigen zijn nauwer aan elkander verbonden door geestelijke maagschap, welke de Heere onder ons geheiligd heeft.
11 Gij ziet wat brief ik geschreven heb met mijn hand.
12 Allen, die naar het aanschijn willen behagen in het vleesch, dwingen u besneden te worden, alleen opdat zij geen vervolging lijden door het kruis van Christus.
13 Want ook degenen, die de besnijdenis hebben, houden zeiven de wet niet, maar willen dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vleesch roemen.
ii Gjj ziet. Het Grieksche woord is twijfelachtig, want men kon het ook overzetten gebiedender wijs: Ziet, maar daar is weinig aan gelegen, wat den zin aangaat. Paulus verhaalt, dat hij zulk een langen brief met zijn eigen hand geschreven heeft, om zijn zorgvuldigheid te meer te bewijzen, en tevens ook om hen naarstiger te maken om dien te lezen. Want boe meer arbeid hij gedaan had om hunnentwil, zooveel te meer behoorden zij verwekt te worden om den brief te lezen, en dat niet terloops, maar met zeer zorgvuldige begeerte.
ia Allen, die naar het aanschijn behagen willen. Ten eerste, te willen behagen in het vleesch, is eergierig der menschen gunst zoeken, niet tot stichting, en hij gebruikt een woord, hetwelk beduidt, door de bekoringen van een vleiend gelaat en zoete taal aangenaam te zijn. Hij beschuldigt dus de valsche apostelen van eergierigheid, alsof hij zeide: wilt gij niet weten hoedanig die zijn, die u de noodwendigheid der besnijdenis opleggen? Wat zij op het oog hebben, en wat zij jagen? Gij dwaalt, indien gij meent dat zij door eenigen godzaligen ijver gedreven worden, maar zij willen voor dit loon de gunst der menschen verkrijgen of versterken. Want dewijl zij Joden waren, wilden zij op deze wijze de gunst van hun volk behouden, of althans hun haat ontvlieden. Alzoo plegen de eerzuch-tigen meest te doen, te weten, door onderdanig te vleien hen, door wier gunst zij hopen hooger te komen. Zij maken zich bemind bij hen, opdat zij de beteren afgeworpen hebbende, alleen regeeren. Dit booze plan ontdekt hij den Galaten, opdat zij op hunne hoede zijn. Alleen opdat zjj geen vervolging. Door het kruis van Christus, verstaat hij wederom de zuivere prediking van het Evangelie, maar hij zinspeelt op de lekkernij der valsche apostelen, dat zij Christus wilden verkondigen zonder kruis. Want dit was de oorzaak, waarom de Joden zoo uitzinnig tegen Paulus raasden, te weten, dat zij niet konden dragen dat hij van de ceremoniën afweek. Zij vleiden dus de Joden, opdat zij de vervolging zouden ontgaan. Hadden zij zeiven de wet gehouden, zoo ware het dragelijker geweest, maar zij veroverden de gansche gemeente om hun eigen rust. Zij ontzagen zich niet een tirannisch juk op de conscientiën te leggen, opdat zij van lichamelijke zwarigheid vrij waren. Zoo dan uit vrees voor het kruis van Christus, vervalschten zij de ware verkondiging des kruises.
13 quot;Want ook degenen, die de besnijdenis hebben. De oude over-zetter en Erasmus hebben: Die besneden worden. Maar dewijl ik meen, dat Paulus van de leeraren alleen spreekt, en niet in
110
GALATEN 6:13, 14.
't gemeen van allen, zoo heb ik het liever alzoo willen overzetten,
om alle dubbelzinnigheid te vermijden. Zoo is dan de zin deze;
Zij doen dit niet uit ijver voor de wet, dat zij u met het juk der ceremoniën verbinden: want met hun besnijdenis houden zij de wet niet. Zij eischen wel door voorwending der wet, dat gij besneden wordt, maar hoewel zij zeiven besneden zijn, zoo doen zij niet wat zij anderen gebieden. Voorts, als hij zegt, dat zij de wet niet houden, zoo is het twijfelachtig, of hij het verstaat van de gansche wet,
of van de ceremoniën. Want daar zijn sommigen, die het alzoo uitleggen, dat zij zelfs de wet niet voldoen, dewijl zij een ondragelijke last is. Maar hij beschuldigt hen eerder van ontrouwheid, dewijl zij gerust de wet verachten, wanneer zij geenen nijd vreesden, welke pest nu ook alom is. Want men zal er heden meer vinden, die de tirannie van den paus door eerzucht verdedigen, dan door de consciëntie. Ik spreek van de hof-apostelen, en van allen die de goede reuk der keuken volgen. Zij zullen als uit Gods mond verkondigen,
dat men de inzetting der heilige roomsche kerk eerbiedig moet onderhouden. Maar wat doen zij zeiven ondertusschen. Zij achten al de geboden van den paus niet meer dan de stem van een ezel,
maar zij willen in geen gevaar komen. Eindelijk, Paulus had met die bedriegers zulk een strijd, als wij heden hebben met de geveinsde Evangelische leeraren, die Christus met den paus vermengende, ons een onnatuurlijk ding of monster maken. Zoo dan, Paulus rukt dezulken het mom-aangezicht af, als hij leert dat zij niets oprecht doen, maar dat zij de besnijdenis gebieden, om zich den Joden aan te prijzen, omdat zij nieuwelingen of pas bekeerden gewonnen hebben. Want dit is in hun vleesch roemen. Zij willen (zegt hij) over u triumfeeren, en zij misbruiken alzoo uwe lichamen, om gunst te behagen, als zij den verkeerden wetijveraars in uw verminkt vleesch een teeken des vredes en eenigheid getoond hebben.
14 Maar het zij verre van mij te roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door hetwelk de wereld mij gekruist is, en ik der wereld.
15 Want in Christus geldt noch besnijdenis iets, noch voorhuid: Matt. 12;60. maar een nieuw schepsel. 20Cor55-i6
16 En allen, die naar dezen regel wandelen, vrede zij over hen Gal- 5:6-en barmhartigheid, en over het Israël Gods. Ps.' mü'.
17 Voortaan, niemand doe mij moeite aan, want ik draag de tee- 2 Cor- ziekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.
18 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uwen geest,
broeders! Amen.
Aan de Galaten geschreven van Rome.
14 Maar het zij verre. Nu stelt hij de oprechtheid zijns gemoeds tegen den raad der valsche apostelen, alsof hij zeide: Dezen, opdat zij niet gedwongen worden eenig kruis te dragen, verzaken het kruis van Christus, en koopen de gunst der menschen met uw vleesch:
Ja zij triumfeeren over u. Maar mijn triumf en roem is in het kruis des Zoons Gods. Zoo de Galaten niet ganschelijk van alle verstand beroofd waren, behoorden zij degenen niet te vervloeken, die zij alzoo met hun gevaar zagen spelen? Roemen in het kruis van
Ill
112 GALATEN 6 : 14â16.
; /v _________
Christus, is zooveel als in den gekruisten Christus roemen, uitgenomen dat het meer uitdrukt: want het beduidt dien dood, die vol j' . schande en oneer, ja zelfs van God vervloekt was. Zoo zegt hij dan,
r, dat hij roemt in dien dood, waarvoor de menschen huiveren, en
' â waarvoor zij zich schamen, omdat hij volkomen zaligheid daarin
heeft. Want waar het hoogste goed is, daar is roem. Maar waarom is hij ook niet elders? Want ofschoon in het kruis van Christus â , .» ons zaligheid gegeven is, wat zullen wij zeggen van de wederop
standing? Ik antwoord, dat de verlossing en al hare stukken, in het kruis begrepen worden: maar de wederopstanding van Christus leidt ons geenszins af van het kruis. Men moet ook aanmerken, dat hij allen anderen roem verwerpt, niet anders dan een doodelijke schade. God verbiedt deze pest en deze groote ongeschiktheid: want dit wordt alom door Paulus beduid met de woorden: Dat zij verre! â Door hetwelk de wereld. Het Grieksche woord staat twijfelachtig, zoodat men het alzoowel kan verstaan van Christus als van het kruis; doch wordt het naar mijn oordeel gevoegelijker verstaan van het kruis; want daardoor sterven wij der wereld. Maar wat beduidt het woord wereld? Zonder twijfel wordt het gesteld tegen het nieuwe schepsel. Zoo dan, al wat met het geestelijk rijk van Christus strijdt, is wereld, dewijl het tot den ouden mensch behoort: of, om het met één woord te zeggen, de wereld is als het ware het wit en doel van rn. 3:8. den ouden mensch. En hij zegt: Dat de wereld hem gekruist is, gelijk hij op een andere plaats betuigt, dat hij alles als drek geacht heeft. Want de kruisiging der wereld is een verachting en verwerping der wereld. Hij zegt ook erbij: Dat hij der wereld gekruist is: waarmede hij beduidt, dat het hem niet moeit, dat hij niet geacht wordt, en als teniet gemaakt is, dewijl het een doode niet aangaat, of immers, dat hij door de dooding van den ouden mensch, de wereld verzaakt heeft. Want dat sommigen het aldus uitleggen: â - Zoo de wereld mij als vervloekt en afgesneden acht, zoo verdoem en
vervloek ik ze wederkeerig, dat schijnt mij wat te vreemd van den ; zin van Paulus te zijn: doch de lezers mogen oordeelen.
15 Want in Christus geldt noch besnijdenis iets. Dit is de reden waarom hij der wereld, en de wereld hem gekruist is, te weten, omdat in Christus, in wien hij geplant is, alleen een nieuw schepsel geldt. Zoo moeten dan alle andere dingen wijken, ja vergaan. Ik spreek van dingen, die de vernieuwing des Geestes verhinderen:
2 Oor. 5:17. dit is het wat hij zegt ook in den Tweeden brief aan de Corinthiërs: Zoo iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel, dat is, zoo iemand in het rijk van Christus gerekend wil zijn, die moet door den Geest Gods vernieuwd zijn: hij moet niet meer zichzelven, noch der wereld leven, maar moet opgewekt worden tot een nieuw leven. Waarom hij nu daaruit besluit, dat noch besnijdenis noch voorhuid iets geldt, is boven gezegd, te weten,! omdat de waarheid des Evangelies alle figuren der wet verslindt en teniet maakt.
16 Allen, die naar dezen regel. Allen, die dezen regel houden, . zegt hij, moeten welvaren en voorspoedig zijn. Deze gelukwensch
is ook een teeken des lofs. Zoo beduidt hij dan dat men behoort ||lief te hebben, en gunst te bewijzen, die zulke leer medebrengen, en daarentegen dat degenen, die daarvan afwijken, niet waardig zijn, dat men ze hoort. Het woord regel, heeft hij gesteld om een zekere - en gedurige orde te beduiden, waarop alle godzalige dienaars des
i
'H â
â i
m
yr
% i
*
El i â â
V
GALATEN 6: 16 17.
Evangelies moeten vaststaan. Want gelijk de bouwmeesters de huizen die zij timmeren, naar eenen zekeren regel maken, opdat alle deelen met behoorlijke overeenkoming aan elkander hangen, alzoo stelt hij den dienaren des Woords een regel, om daardoor de gemeente behoorlijk en ordelijk op te bouwen. Deze plaats behoort zoowel den getrouwen en oprechten leeraren, als allen die zich naar hunnen regel schikken, groote blijmoedigheid te geven, dewijl zij hooren dat zij door den mond van Paulus van God gezegend worden. Wij hebben de bliksemen van den paus niet zeer te vreezen, als God ons uit den hemel vrede en barmhartigheid belooft. Het woord wandelen, kan zoowel den dienaar als het volk gemeen zijn: hoewel het voornamelijk den dienaren toekomt. Hij heeft het werkwoord in den toekomenden tijd gesteld, om volharding te beduiden. Over het Israel Gods. Hij bespot zijdelings het ijdel roemen der valsche apostelen, die op het vleeschelijke geslacht van Abraham zich verhoovaardig-den. Zoo maakt hij dan tweeërlei Israël: een vermomd, dat voor der menschen oogen schijnt, en het ander, Godes. De besnijdenis was een mombeeld voor de menschen, maar de wedergeboorte was de waarheid voor God. Eindelijk, hij noemt hen nu het Israël Gods, die hij boven genoemd heeft kinderen Abrahams door het geloof: en alzoo omvat hij de geloovigen, die in een gemeente vereenigd waren, zoowel uit de heidenen als uit de Joden. Daarentegen het Israël des vleesches roemt alleen op het geslacht en op den naam: waarvan hij spreekt Rom. 9 : 6.
17 Niemand doe my moeite aan. Hier neemt hij zichzelven autoriteit aan, om de tegenstanders te bedwingen: want hij spreekt dit, als hooge macht hebbende: Dat zij aflaten van mij te hinderen in den loop mijner prediking. Want hij was bereid moeite te hebben voor hen allen, maar hij wil door tegensprekingen niet in de rede gevallen worden. Zoo dan, moeite doen, is zich tegenstellen om den voortgang des werks te verhinderen. Hij zegt aangaande het overige, te weten, uitgenomen het nieuwe schepsel, in dezen zin: Ãén ding is mij genoeg: naar andere dingen vraag ik niet, dewijl zij niet tot de zaak dienen; zoo dan, niemand make mij daarvan kwestie of twist. En hij verheft zich boven alle menschen, niemand toelatende om zijnen dienst te bestrijden. Woordelijk staat er, aangaande de anderen of de rest, hetwelk Erasmus naar mijn verstand, verkeerd overgezet heeft, voegende tot den tijd: Nu voortaan. â Want ik draag de teekenen. Hij toont met welk betrouwen hij deze autoriteit aanneemt, te weten, omdat hij teekenen van Christus draagt in zijn lichaam. Welke zijn die teekenen, te weten, gevangenissen, banden, geeselen, vuistslagen, steenigingen: kortom, allerlei oneer, die hij om het getuigenis des Evangelies geleden had. Want gelijk de aardsche krijgen hun eere hebben, waarmede de hoofdmannen de deugden der krijgsknechten versieren: alzoo Christus onze leidsman, versiert die met zijne teekenen, wier bijzonderen dienst en arbeid hij gebruikt heeft, opdat zij onder anderen zichtbaar uitsteken. Maar deze teekenen zijn wijd verscheiden van die eerste: want zij smaken naar het kruis, en daarom zijn zij schandelijk voor de wereld, hetwelk ook beduid wordt door het Grieksche woord, hetwelk betee-kent litteeken, en die teekenen, die den gevangenen slaven of den deserteurs of boosdoeners ingebrand worden. Zoo heeft dan Paulus wel rechtuit en eigenlijk gesproken, als hij roemt, dat hij met zulke
113
GALATEN 6: 17, 18.
teekenen schittert, waarmede Christus zijne uitnemendste krijgsknechten pleegt te versieren, dat is, die voor de wereld schandelijk zijn, maar voor God en de engelen alle eer der wereld te boven gaan.
18 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uwen geest. Hij bidt hun de genade Gods zoo toe, dat zij niet alleen mild in hen uitgestort worde, maar ook dat zij ze met waar gevoel des harten vatten. Want dan genieten wij ze eerst waarlijk, als zij tot onzen geest toekomt; zoo moet men dan God bidden, dat Hij in onze harten een zetel zijner genade bereide. Amen.
114