Johannes Calvijn.
UITLEGGING
OP DE
ZENDBRIEVEN.
MET REGISTER,
Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. D., J. F. en J. R., in de tegenwoordige spelling,
DOOR
A. M. DONNER.
ACHTSTE DEEL.
I en II PETRUS, JOHANNES, JAKOBUS en JUDAS.
TE LEIDEN BIJ D. DONNER. 1892.
Johannes Calvijn.
UITLEGGING
OP DE
ALGEMEENE ZENDBRIEVEN.
Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. R., in de tegenwoordige spelling,
DOOR
A. M. DONNER.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1159 1991
âO'Sxfcwâ
TE LEIDEN BIJ D. DONNER. 1892.
.
.
.
DEN DOORLUCHTIGSTEN KONING VAN ENGELAND
EDUARD DEN ZESDEN,
Heer van Ierland enz.,
DEN RECHT CHRIS lELIJKEN VORST,
JOHANNES CALVIJN.
Zie, ik keer weder tot u, voortreffelijkste koning; want hoewel ik gehoopt heb, dat de commentaren op Jesaja, die ik laatstmaal aan uwe Majesteit geschonken heb, haar een aangename gift zijn zullen, daarmede is nochtans mijne begeerte niet genoeggedaan. Hierom heb ik gedacht de Kanonieke brieven (gelijk men die gewoonlijk pleegt te noemen) zooveel als een toeworp daarbij te doen, om de rechte mate te vullen, opdat die beide werken te zamen tot uwe handen zouden komen. Want voorwaar, aangezien dat zij óf den heidenen, die verre gezeten waren, of den Joden, die in verscheidene en verre landschappen hier en daar woonden, geschreven zijn, zoo zal hun niets nieuws geschieden, zoo zij nu over de zee moeten varen, en menigerlei kromme wegen passeeren, om tot uwe Majesteit te geraken. Doch, hoogberoemde koning, alzoo bied ik u in 't bijzonder mijn arbeid aan, dat hij onder uwen naam in het licht mag komen, en allen man profijtelijk zijn. Zoo het ook waarlijk ooit tijd geweest is, dat men de waarheid Gods behoorde dapper en vrij voor te staan, dan is het nu hedendaags wel noodig, gelijk zij allen wel zien. Ik verzwijg die gruwzame wreedheid, die meest overal tegen hare belijders gebruikt wordt. Ik laat ook staan alle manieren van praktijken, als aan de eene zijde heimelijke lagen, aan de andere zijde openbaar geweld van wapenen, waarmede de satan deze waarheid bestrijdt. Men ziet hoe in die plaatsen, waar onlangs de reine leer der godzaligheid gewoond heeft, dat daar nu die trawanten van den Roomschen antichrist de waarheid vervalscht en verdorven hebbende, Christus bespotten even alsof zij Hem een riet voor een schepter in de hand gaven, en een doornenkroon op het hoofd zetten. Alzoo nu deze listige vervalschers hopen, dat door deze listen de zuiverheid des Evangelies allengskens zal uitgebluscht worden, hoe slap zien zij zulke schandelijke beschimpingen van Christus toe, die liever honderdmaal het leven behoorden te wagen, dan met hun trouweloos stilzwijgen hun leven voor ik weet niet hoeveel dagen wat te verlengen. Middelertijd zegt men, dat de paus, opdat hij zijn gruwelijk spel met den Zoon Gods te kruisigen ten einde brenge, zijn vermomd concilie wederom toebereidt. Want hoewel hij om den naam van Christus uit te roeien, en
6
om de kerk te kelen, als een wilde moordenaar is woedende, zoo gebruikt hij nochtans den schijn eens concilies, hoedanig het zij, als een heilig zwaard om naar zijne gemeene wijze zijn slachting te doen. Aldus handelde Paulus de derde paus, als hij al degenen, die liever hun leven lieten, dan dat ze de waarheid niet zouden voorstaan, overgeleverd had om geslacht en vermoord te worden, zoo heeft hij dit ijselijk stuk met een verf, zoo best hij kon, bestreken zijnde, te Trente voorgesteld, opdat hij hiermede als met den laat-sten donderslag het Evangelie zou ternederslaan en vernielen. Maar als die goede vaders met sommige bliksemen hunner zittingen of sessiën waren begonnen de oogen der eenvoudigen te verbloemen, zoo is al dat toestel, door een verborgen aanblaas des heiligen stoels opgeruid zijnde, verstoven, en als rook verdwenen, dan dat er alleen een klein wolkske te Bologna gebleven is, 'twelk daar ligt om een gedurige vrees aan te jagen. Zoo is het dan, dat zijn opvolger Julius, die in 't spel van Trente de eerste personage gespeeld heeft, (alsof dit het laatste middel ware om de leer des Evangelies uit de harten der menschen te verdrijven, dat ze met gruwelijke en schrikkelijke besluiten eens concilies tegen ons donderen) gezegd wordt zich gereed te maken om zulk een praktijk te gaan gebruiken, hoewel er velen zijn, die meenen, dat hij zich maar alzoo aanstelt. Doch is er weinig aan gelegen, dat hij geveinsdelijk of van harte zijn concilie samenroept, de zaak is totnogtoe klaar en zeker, dat sedert Luther het pausdom heeft beginnen af te werpen al degenen, die dat tirannisch slot bezeten hebben, ofschoon zij al wat onderstelling en vastigheid hadden mogen verwachten van een concilie, in wat manier zij het ook gehouden hadden, dat zij nochtans deze wijze van heeling of remedie alzoo geschuwd hebben, als iemand die ziek is en 't lichaam alom vol zweren heeft, zelfs vreest van den allerzachtsten chirurgijn aangeraakt te worden. Zoodat nu de kinderen als een gemeen liedeken zingen, dat het pausdom door een concilie niet anders geholpen kan worden, dan dat men het met een ijzer afbrande of afsnijde: maar ik zie geen oorzaak, waarom de pausen zoozeer voor een concilie mogen vreezen, dan dat zij een kwade conscientie hebben, die altijd een vreeze en beven medebrengt. Want ik bid u, wat is toch die vuile vergadering van Trente (die zij nochtans den naam van een heilig, algemeen, en de wereld overstrekkend concilie gegeven hebben) anders geweest dan een ijdel tooneel of vervaardmaking, waardoor de paus niet meer beroerd is geweest om zijn wellusten na te laten, dan of hij gehoord had de trompetten steken, of de trommen slaan in zijn spel, waarmede hij zich dagelijks verheugt. Indien hij hoorde, dat men van alle kanten een concilie met ernst houden wilde, zoo zou hij mogelijk wat oorzaak hebben te vreezen, dat daar in een grooten hoop een gemor zou oprijzen, en groote beroerte verwekken mocht. Maar wie kon ge-looven, dat de paus door deze gemaakte conciliën, als het Trent-sche geweest is, meer verschrikt is geworden, dan hij zou zijn van belletjes, waardoor hij veelmeer tot een geruster en zoeter slaap geraken mocht. Want aldus gaat het toe, daar worden twee of drie kardinalen naar des pausen goeddunken verkoren, en uit zijn diep-sten schoot gezonden, dezen zullen het bestuur hebben. Dezelfde tiran zal uit den hoop zijner hovelingen een slechten gezel huren voor een weinig dukaten elke maand, die het momaangezicht eens pa-
triarchen aangetrokken hebbende, hetgeen er opgeschreven is, als een vonnis om loon zal afkondigen. Gelijk te Trente was die Robrecht de blinde, welken ik somtijds :e Regensburg gezien heb, waar hij als een gek en kwaad schalk de zaken des pausen bezorgde, die mij ook met zijne smeekingen tot het samenspreken met Contarenus zocht te lokken. Hiertoe zullen uit gansch Italië komen gevlogen bisschoppen van drie mijten, die daar zeer veel te vinden zijn. Daar zullen ook uit Frankrijk en Spanje bijkomen sommige opgeblazenen of zotten, anderen ook die om hun voorgaand leven kwalijk en schandelijk berucht zijn, die daarna thuis keerende, zich zullen beroemen dat zij der Katholieke kerk een goeden en getrouwen dienst gedaan hebben. Verder zal uit alle spelonken der monniken een groote hoop vorschen tot dezen poel voortspringen, die met hun gekwaak alle waarheid verre zouden verdrijven. Maar wat? versier ik hier een nieuwen vorm, of stel ik niet veelmeer onder de oogen die vergadering, die men laatstmaal te Trente gezien heeft? Wat is er dan, dat de paus te vreezen heeft van deze bewaarders zijns rechterstoels, die hij ten eerste zich heeft toegedaan als zijne slaven, en ten andere die toch naar niets anders jagen dan om zijn gunst op eenigerlei wijze te verkrijgen? Inzonderheid zal onze Julius, die in dezen koophandel een oude schalk is, zich een dusdanig concilie zoo dikwijls het hem lust, al spelende samenbrengen, opdat hij intusschen naar zijne wijze kan blijven guichelen. Waarlijk, dat hij in korten tijd zoovele Dominicanen den rooden hoed opgezet heeft, schijnt hiervan een klaar voorspel te zijn. Men zegt wel, dat hij altijd in deze orde grooten lust gehad heeft, maar dusdanige mildheid komt al uit een hoogeren oorsprong, namelijk dat hij genoeg weet dat er niets onbeschaamder is dan zulke bedelaars, gelijk hij dikwijls hun onbetamelijken en snooden dienst naar zijn wil misbruikt heeft. Daarna, als hij ze tot dezen heerlijken staat verheven heeft, zoo weet hij wel, dat waar zij kunnen tegen recht en billijkheid voortvaren, hoe zij daarin van de stoutsten en onbeschaamd-sten zijn. Hierenboven weet hij ook wel, hoe vele hongerige honden met deze lekkere brokken te proeven, zullen uitbreken om met twist staande te houden al wat hij zal willen. Evenwel zeg ik niet, dat ze ganschelijk missen die zeggen dat hij geen concilie begeert: maar nadat hij zijn schouwspel zal toebereid hebben, zoo zal daar van elders een haastige plasregen verwekt worden, die 't gansche spel zal doen verstuiven. Overzulks zal hij zelf in 't begin, zoo het hem wel gelegen is, de gordijnen doen schuiven. Nochtans meent hij dat ook dit schijnbeeld van een concilie hem zal dienen als Hercules' knots om Christus neder te vellen, en de overblijfselen der kerk te vermorzelen. Alzoo nu dan deze prins in goddeloosheid zoo booselijk en schimpelijk opspringt tegen de eere Gods en ons aller zaligheid, zullen wij intusschen stilzwijgend deze heilige zaak verlaten en overleveren? komt ons dit toe? Ja, wij zouden liever honderd dooden sterven, ware het mogelijk, dan dat wij door onze slapheid zulk eene schandelijke, ongehoorde en barbaarsche verdrukking der godzalige leer zouden laten onbekend en verborgen blijven. Maar opdat wij toelaten ('tvvelk nochtans kwalijk te gelooven is) dat de paus met zijn rot in ernst bedacht is een concilie te laten uitroepen, Christus zal wel bij het eerste aanzien zoo gruwelijk niet bespot worden, desniettemin zal daar aldus een conspiratie of samenrotting
8
tegen Hem vergaderd worden. Ja hoe meer dit pauselijk concilie gewicht en heerlijken schijn of naam zal hebben, hoe meer het een schadelijke en vreeselijke pest zijn zal om de kerk te verderven: want het is geenszins te hopen dat die hoop, die door de aanleiding van den antichrist vergaderd wordt, van den Heiligen Geest geregeerd worde, en dat de dienstknechten des satans zouden staan naar eenige matige redelijkheid. Vooreerst zal de paus, die een openbaar en gezworen vijand van Christus is, aldaar den oppersten richtstoel bezetten. En hoezeer hij zich veinzen zal af te vragen het gevoelen der bijzittende vaderen, zoo zullen zij nochtans allen, door zijn aangezicht alleen verschrikt zijnde, volgen hetgeen hem gelust. Maar wat nood zal het zijn te veinzen in eene vergadering, die tot alle goddeloosheid genoeg overeenstemmen zal? Ik handel hier niet van wat elk van de kardinalen is. In het college of de vergadering zelve, die een heiliger kerkeraad zal zijn, daar gaat openbaar om eensdeels een epicureïsche verachting Gods, anderdeels een gruwzame haat der waarheid, en een vijandig woede tegen alle godzaligen. Nopens den stand der bisschoppen, bestaat die niet bijna uit gelijke monsters? Dan, dat er onder dezelven veel trage ezels zijn, die God alzoo openlijk niet verachten, noch zoo vijandelijk de gezonde leer bevechten, toch behagen zij zichzelven alzoo in hun verdorvensten staat, dat zij geen verbetering kunnen lijden. Daarenboven zal bijna de gansche autoriteit staan bij weinigen, namelijk bij die, welke van den ijver der godzaligheid vreemd werden, en die zich de dapperste voorstanders van den roomschen stoel zullen bewijzen; de anderen worden bloot voor een cijfer gehouden. Die nu van hen de strengste rede of vonnis tegen ons zal uitspreken, die zal er 't meest hebben niet alleen van de eenvoudigsten, maar ook van de voornaamsten, die vanzelf en gaarne naar huns harten wensch, of door eergierigheid gedreven, of door vrees gedwongen zijnde, amen daarop zeggen zullen. Nochtans ben ik zoo onbescheiden niet, of ik sta wel toe dat er sommigen onder hen zijn van recht oordeel en verstand, en anderszins niet onpartijdig: maar dezen zullen zooveel hart niet hebben dat zij zouden durven staan tegen de boosheid van het gansche lichaam. Daar zullen mogelijk onder duizend twee of drie kloeke mannen zijn, die zich voor Christus halfvrij zullen durven uitspreken (gelijk te Trente is geweest Petrus Paulus Vergerius) maar het heilig hof der vaderen zal daartegen terstond een raad gereed hebben, opdat dezulken hun niet langer lastig vallen; want of zij zullen in den kerker geworpen worden, opdat zij het haastig herroepen, èf zij zullen met den dood moeten bevestigen wat zij al te vrij gesproken hebben, èf men zal hun bevelen in der eeuwigheid daarvan te zwijgen. En aldus billijk handelt men met ons, dat wij onbewegelijke en hersen-looze en hardnekkige ketters zijn moeten, indien wij niet het richtsnoer van een rechte reformatie uit een heilig concilie halen, en niet zijne besluiten (hoedanig zij ook zijn mogen) terstond onderteekenen. Wij hebben voorwaar hiervoren met klare bewijzen genoeg betuigd, dat wij de autoriteit van een wettig concilie (zoo er een kan gehouden worden) niet schuwen. Maar als die openbare wederpartijen van Christus het opperste oordeel verzoeken, van 'twelk men niet appelleeren kan, en dit hiertoe, opdat ze van de religie niet uit Gods Woord, maar naar hun goeddunken kunnen besluiten, met wat reden kunnen wij ons hiernaar voegen, en gehoorzaam zijn, tenzij
wij Christus wetens en willens verzaken willen? Hier mag ons niemand tegenwerpen, dat wij mistrouwen vóór den tijd. Dat ze ons een concilie aanbieden, waarin wij vrijelijk mogen spreken om de zaak van den godsdienst te beschermen: zoo wij weigeren daar te komen, en van alwat wij gedaan hebben reden te geven, dan zullen zij ons terecht van hardnekkigheid veroordeelen. Dan zoover is het, dat wij die autoriteit van recht te oordeelen en te spreken zouden hebben, dat zij ons zelfs ongetwijfeld van alle behoorlijke verantwoording zullen afhouden. Want die, welke ook de zoete vermaningen als kleine fluisteringen geenszins kunnen lijden, hoe zullen zulke ooren die klaarluidende donderslagen der waarheid kunnen hoorenr En dit geven zij openlijk genoeg te kennen. Zij roepen ons bij, maar is het opdat zij-ons ook in de laagste gestoelten eenige plaats verleenen, zeker niet; want zij achten ongeoorloofd iemand daartoe te laten dan die gezalfd en gemijterd is. Welaan laat die zitten, zoover wij ten minste staande mogen gehoord worden in de waarheid uit te spreken. Zij zullen hierop zeggen, dat zij ons mildelijk beloven te hooren, ja namelijk aldus, dat wij, het onze als een supplicatie overgeven hebbende, terstond worden bevolen heen te gaan, opdat men ons daarna, als men sommige dagen daarover beroerlijk geroepen en getwist heeft, weder binnenroepen om veroordeeld te worden. Ik zeg, dat zij daarover roepen zullen, niet dat in die vergadering eenige tweedracht zijn zal, maar dat zij zullen onbehoorlijk en ondraaglijk achten, dat die heilige ooren der prelaten van ons zoo onwaardig verbolgen zijn. Men weet genoeg hoe roerig en ongematigd zij zijn. Voorwaar, zoover is het dat men van hen te hopen hebbe, dat ze de zaak met rede zullen verhandelen, dat men zelfs nimmermeer van hen krijgen zal, dat zij eenvoudig daarvan kennis nemen zouden. Wij zullen pogen om den godsdienst van ontallijke superstitie, waarmede hij verdorven en overvallen is, gezuiverd, en tot zijn eerste reiniging terug te brengen. Hier zullen die ongoddelijke taallieden anders niet roepen dan op de inzettingen der vaderen, op die oude zeden en ceremoniën. Ãven alsof de kerk, die van de hemelsche leer der profeten en Christus onderwezen is, geen andere wijze van God te dienen kende, dan die het gespuis van Romulus, door de fabelen en razernij van Numa Pompilius betooverd zijnde, met een ongevoelig onverstand gevolgd heeft. Maar waar is die eenvoudige gehoorzaamheid, die de Heere overal zoo hoogelijk vereischt, en zoo scherp drijft? Zou men disputeeren van de boosheid der menschelijke natuur, van haar el-lendigen en verlorenen stand, van de genade en kracht van Christus, en van de onverdiende oorzaak onzer zaligheid, terstond zullen zij vermetelijk voortbrengen die walgelijke hoofdartikelen hunner scholen, die ze houden als uitgeroepen plakkaten, waarbij men zonder eenigen twijfel blijven moet. De Heilige Geest in de Schrift leert ons dat ons vernuft met zulke blindheid geslagen is, dat de genegenheden onzes harten zoo boos en verkeerd zijn, en dat onze natuur zoo gansch geschonden is, dat wij niets kunnen dan zondigen, totdat Hij ze!f eenen nieuwen wil in ons scheppe. Dezelve bedwingt ook ons, die onder de schuld des eeuwigen doods vastgehouden zijn, dat wij, alle betrouwen op onze werken afgelegd hebbende, onze toevlucht zullen nemen tot die vaste burcht der barmhartigheid Gods, en dat wij het gansche fundament onzer ge-
10
rechtigheid daarin stellen. Dezelfde Geest, als Hij ons tot God noodt, getuigt dat wij door geen anderen prijs met Hem verzoend worden, dan door het bloed van Christus; daarbenevens, beveelt Hij ons ook dat wij op de voorspreking van Christus steunende, onverschrikt tot Gods rechterstoel gaan zullen Hierentegen is er met eeuwigdurende decreten vast besloten, dat men hiervan geen gewag zal maken, welke besluiten te breken een groote misdaad is, dan of men God met al zijn engelen geen geloof wilde geven. Zij zullen ook niet toelaten, dat men van de sacramenten een woord anders spreke dan onder hen gebruikelijk is. Maar wat is dit anders, dan den weg stoppen om ook in het allerminst niet gecorrigeerd of verbeterd te worden? Toch is het licht .te bewijzen, hoe verdraaid en verkeerd de sacramenten in het pausdom uitgericht worden, dat er nauwelijks niets gemeens is met den rechten regel van Christus, wat valsche abuizen daarbij gekomen, ja wat leelijke schendingen er ingeslopen zijn. Deze kwestie zou men niet mogen aanroeren. Hierom hebben onze gemaakte doktoren in de godgeleerdheid dit voor een gemeen spreekwoord, hetwelk zij hier en daar in de boeken die zij uitgeven, opwerpen, dat men vooral moet toezien, dat het concilie niet toelaat te twijfelen aan de hoofdstukken, waarover men twist. Daar is ook onlangs een onbesnoeid boek in het Italiaansch van eenen Mutius uitgekomen, die zonder bescheid alleen opwekt tot slachten en verscheuren: waarin de schrijver dit in het lang uitstrijkt en drijft, namelijk dat als die eerwaarde vaders te zamen komen om hun concilie te houden, zij niet anders te zeggen hebben, dan dat hun de zaak vrijelijk genoeg bekend is, en dat ze alleen met bloedige plakkaten ons tot onderschrijving van zulks zouden dwingen. Ik acht het de moeite niet waard dat ongerijmd geklap van dien uil voort te brengen, tenware de paus Julius een korte recommandatie of aanprijzing van dat werk daarbij gehangen had, waaruit de lezers zullen oordeelen, dat wij zulk een concilie te verwachten hebben als Mutius aanprijst, en Julius toestemt. Als wij dan zien, hoe die antichristen met een heillooze halsstarrigheid daartoe loopen, dat ze de gezonde leer uitroeien, dat ze met gelijken hoogmoed gerustelijk opspringen, en uit geen ander oorzaak een verbloemd concilie aanrichten, dan opdat ze het Evangelie verdreven hebbende, hun laatste lied van victorie kunnen zingen, laat ons ook aan onze zijde, de rechte wapenen aangetrokken hebbende, moed grijpen om het vaandel van onzen Hertog te volgen. Zoover die zuivere en eenvoudige leer der Schrift haren behoorlijken glans heeft; en schijnen kan, zoo wie de oogen zal willen opendoen, zal bekennen dat het pausdom een gruwzaam en vervloekt monster is, 'tvvelk uit een ontallijken hoop van dwalingen door satans kunsten te zamen gebracht is. Want wij betoogen met meer dan vaste getuigenissen, dat aldaar de eere Gods door een godlasterlijke verscheuring onder die versierde afgoden bedeeld is, zoodat Hij nauwelijks het honderdste deel van zijn recht is behoudende. Verder, zoo zij eenigen godsdienst laten overblijven, dat er gansch niet een stuk daarvan rein blijft, zoo zeer hebben die super-stitieuse versieringen der menschen alle dingen vervuld. Wij hebben bewezen, dat door diezelve versieringen ook de wet Gods verduisterd is, en van haar waardigheid beroofd; dat de arme zielen onder het juk der menschen veelmeer gehouden, dan door Gods geboden
11
geregeerd worden; dat zij onder den last van zooveel inzettingen zuchten en beladen zijn, ja met wreede tirannie gedrukt worden. Wij getuigen, dat het zoover is, dat zij met die overtredende gehoorzaamheid iets vorderen, dat ze veelmeer in een dieperen doolhof verzonken raken. Alzoo klaarlijk leeren wij uit de Schrift, dat de kracht van Christus bij hen al meest vernietigd wordt, dat zijn genade voor een groot deel ijdel gemaakt wordt, en dat de onzalige zielen van Hem afgetrokken zijnde door het verderfelijk vertrouwen op hun eigen kracht en werken opgeblazen worden. Wij overtuigen ze, dat die aanroeping Gods, gelijk die in zijn woord bevolen is (die toch is de eenige toevlucht onzer zaligheid) gansch bij hen is omgekeerd. Wij betoogen openlijk, dat die sacramenten eensdeels door vreemde verdichtselen vervalscht, en anderdeels tot een vreemd gebruik gebracht zijn, dat de kracht des Geestes god-delooslijk daaraan gebonden wordt, en dat daaraan verkeerdelijk wordt toegeschreven, wat Christus eigenlijk toekomt. Daarbenevens benemen wij hun dat getal van zeven, hetwelk zij lichtvaardiglijk gesmeed hebben. Aangaande de mis, die zij versieren een offerande te zijn, toonen wij aan een schandelijke verzaking van den dood van Christus te zijn, en bewijzen dat ze steekt vol van gruwelijke godslasteringen. Voorwaar, zoo alleen de Schrift haar autoriteit heeft, van al dit is er niets dat de wederzeggers kunnen verantwoorden. En dit bekennen zij openlijk genoeg als zij beweren dat men, om den twijfelachtigen zin der Schrift, alleen naar het oordeel der kerk zal staan. Maar wie ziet toch niet, dat zij met het bezijden stellen van Gods Woord, aldus tot zich trekken het gansche recht van alles te besluiten? Ofschoon zij die besloten boeken der Schrift kussen, alsof zij die aanbaden, dewijl zij die nochtans beschuldigen als duister, verward en twijfelachtig, zoo geven zij zich niet meer autoriteit, dan of daar gansch niet ée'n letter of puntje geschreven stond. Laten ze zichzelven geven zoo schoone titelen en namen als zij immer willen, opdat ze niets anders schijnen voort te brengen dan het ingeven des Geestes, gelijk zij plegen te roemen, dit houden zij nochtans voor een vast slot, dat ze alle redenen terugstellen mogen, opdat hun goeddunken alleen geloofwaardig zij. Opdat dan de geloovigen met allerlei wind des bedrogs niet omgedreven worden, en niet onderworpen zijn aan die listige en doortrokken redenen der goddeloozen, gemerkt zij door de ondervinding des geloofs geleerd zijn, dat er niets vasters is dan de leer der Schrift: laat ze hierop gerustelijk staan en steunen. Maar wij, ziende hoe dezelve door de kwade versieringen der sofisten leelijk mismaakt is, en dat hedendaags de gehuurde klappers des pausen met hun kunst daarop uit zijn, dat zij met hun rook het licht verduisteren, wij moeten te meer ons bevlijtigen, dat ze tot haar eerste zuiverheid gebracht wordt. Ik voorwaar heb geschikt den tijd des levens, die mij nog overblijven zal (zoover ik gelegenheid en vrijheid daartoe krijgen mag) tot dezen arbeid voornamelijk te besteden. Vooreerst zal de kerk de vrucht dezes arbeids ontvangen, alzoo dat zij verder strekken zal. Want hoewel mij van de bediening mijns ambts weinig tijds overschiet, doch hoe weinig hetzelve is, ik heb voorgenomen dusdanige wijze van schrijven te gebruiken. Opdat ik nu tot u, doorluchtigste koning, wederkeere, gij hebt hier tot een middelmatig pand mijne commentarien, waarin ik de kanonieke brieven, in
12
welke anderszins vele duistere en verborgen dingen behelsd zijn, alzoo gepoogd heb uit te leggen, dat den lezer, zoo hij niet gansch onachtzaam is, een gemeene toegang gemaakt is om den rechten zin te verstaan. Maar gelijk de uitleggers der Schrift naar hun macht wapenen verleenen, om den antichrist neder te werpen, alzoo zult gij ook gedenken, dat het uwer majesteit eigenlijk toekomt (opdat de religie in haar geheel en jeugd blijve) de reine en onvervalschte uitlegging der Schrift van alle snoode lasteringen te bevrijden. Niet tevergeefs beveelt God door Mozes, dat de koning zijns volks, zoo haast hij zou bestemd en verkoren zijn, zich zou doen uitschrijven het boek der wet, al had hij zich nu in zijn privaat leven aireede naarstelijk geoefend daarin te lezen. Desniettegenstaande, opdat de koningen weten dat zij alsdan inzonderheid de leer van noode hebben, en dat zij alsdan een bijzonderen last ontvangen van die te beschermen en voor te staan, zoo heeft de Heere gewild, dat zijn wet in hun paleis een heilige woonstede zou hebben. Maar aangezien gij als een held hiertoe heerlijker gemoedigd zijt, dan men van uwe jonkheid kon verwachten, zoo is het onnoodig, dat ik om u hiertoe op te wekken, meer woorden tevergeefs gebruike. Vaarwel, edelste koning! De Heere wille naar zijn trouw uwe Majesteit voortaan bewaren, gelijk Hij begonnen heeft. Hij wille u en uwe raadsheeren met den Geest der voorzichtigheid en dapperheid regeeren, en den stand des ganschen rijks onbeschadigd en onverstoord bewaren!
Te GENÃVE, den 23en Januari 1551.
DE INHOUD
VAN DEN
EERSTEN ZENDBRIEF VAN PETRUS.
In dezen brief heeft Petrus voorgenomen de geloovigen te vermanen, dat zij zichzelven verzaken en de wereld verachten, opdat zij van alle lusten des vleesches vrij, en van alle aardsche verhinderingen los zijnde, met geheel het hart naar dat hemelsche rijk van Christus zouden trachten, opdat zij, door de hope opgehouden, door lijdzaamheid onderschraagd, en met kracht en standvastigheid gewapend, allerlei aanvechtingen zouden overwinnen, dat zij ook hiertoe zouden pogen, en daarop denken al de dagen huns levens. Hierom is het, dat hij terstond in het begin met zoo heerlijke woorden als hij kan, aanprijst de genade Gods ons in Christus geopenbaard. Doch hij voegt daarbij dat dezelve door het geloof ontvangen en in de hope bezeten wordt, opdat de godzaligen hun zinnen en harten boven de wereld zouden opheffen. Daarna vermaant hij tot heiligheid, opdat ze niet onnut maken den prijs, waarmede zij vrijgekocht zijn, en dat ze het onverderfelijke zaad des woords, waardoor zij tot het eeuwige leven wedergeboren zijn, niet laten verderven of versterven. En alzoo hij nu gezegd had, dat zij door het woord Gods wedergeboren waren, zoo vermeldt hij meteen van de geestelijke kindschheid. Maar opdat hun geloof niet zou wankelen en hutsen, doordien zij zagen hoe Christus bijna van heel de wereld veracht of verworpen was, zoo vermaant hij, dat aldus vervuld wordt wat van Hem geschreven staat, dat Hij zou zijn een steen des aanstoots. Dan, daarentegen leert hij, dat Hij is een vast fundament der zaligheid dien, die in Hem gelooven. Hieruit verhaalt hij wederom tot welke eer ze God verheven had, opdat zij, gedenkende hun voorgaanden staat, en gevoelende de tegenwoordige weldaad, gemoedigd zouden worden om met alle naarstigheid god-zaliglijk te leven. Daarna valt hij op bijzondere vermaningen, dat ze zich ootmoedig en gehoorzaam gedragen onder de regeering van hun prinsen of oversten, dat de knechten hun heeren onderdanig zijn, dat de vrouwen hun mannen gehoorzaam zijn, dat ze zich kuischelijk en eerlijk gedragen. En dat desgelijks de mannen met hunne vrouwen beleefdelijk omgaan. Daarna beveelt hij dat ze onderling billijkheid gebruiken, 'twelk opdat zij te liever doen zouden, zoo stelt hij hun voor tot een vrucht een voorspoedig en gerust leven. Maar omdat dit het gemeene lot der Christenen is, dat ze.
14 DE INHOUD VAN DEN EERSTEN ZENDBRIEF, enz.
hoezeer zij vrede zoeken, dikwijls met veel ongelijks gekweld worden, en de wereld zonder schuld tot vijand hebben, zoo vermaant hij, dat ze de vervolgingen met geduldig hart dragen, die zij weten dat tot hun zaligheid gedijen zullen, en hiertoe brengt hij bij het exempel van Christus. Daartegen toont hij wat een onzaligen uitgang de goddeloozen te verwachten hebben, zoo daarentusschen de Heere zijn kerk wonderlijk van den dood door den dood verlost. Verder, zoo strekt hij dit voorbeeld van Christus wijder uit, namelijk tot de dooding des vleesches. Bij deze vermaning voegt hij verscheidene en korte spreuken, maar kort daarna keert hij wederom tot die leer der lijdzaamheid, opdat de geloovigen hun kruis met troost matigen, bedenkende, dat het nut is door de vaderlijke hand Gods gekastijd te worden. In het begin van het S36 hfdst. vermaant hij de ouderlingen van hun plicht, dat ze geen heerschappij aannemen over de gemeente, maar dat ze onder Christus matig regeeren. Den jongelingen beveelt hij ootmoed en leerzaamheid. Ten laatste een korte vermaning daarbij gedaan hebbende, zoo sluit hij den brief met een gebed. Maar nu, uit welke plaats hij schrijft, daarin zijn ze niet allen van één gevoelen. Toch zie ik geen oorzaak, waarom wij zouden twijfelen, dat hij toen te Babylon is geweest, want dat zegt hij uitdrukkelijk en zeker. Maar omdat men in 't gemeen hield, dat hij uit Antiochië vertrokken, en te Rome gestorven was, zijn door deze reden alleen de oude leeraars bewogen geweest te versieren, dat Rome hier overdrachtelijk Babyion genoemd is. Maar dewijl hiervan geen geloofwaardige gissing is, en dat zij zich onbedachtelijk wijs gemaakt hebben al wat zij leeren van dat Roomsche bisschop-dom van Petrus, zoo zullen wij dit gedichtsel en dit overdrachtelijke voor niets achten. Het is voorwaar veelmeer geloofelijk, dat Petrus naar den eisch zijns apostelschaps, die landen doorreisd heeft, waar meest Joden woonden. Nu weten wij, dat er te Babyion en in die landstreken een groote menigte geweest zijn.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Petrus, een apostel van Jezus Christus, den uitverkorenen ') i) o£:Gij die vreemdelingen, die verstrooid zijn in Pontus, Galatië, Cappa-
docië, Azië, en Bithynie.
2 Naar de voorwetenschap ') Gods des Vaders, in s) de heiligmaking 2! 0,f: Vcior' des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van 3) of; Tot Jezus Christus: genade en vrede zij u vermenigvuldigd! Wng'door
gehoorzaam-
UITLEGGING. heid en be-
sprenging.
i-p^vetrus een apostel. Voorzooveel deze groet overeenkomt met r-^dien van Paulas, vereischt die geen nieuwe verklaring. Petrus gebruikt niet alleen deze woorden: Genade en vrede, gelijk Paulus, maar doet daartoe: Zü u vermenigvuldigd, hoewel het in den zin met Paulus overeenkomt: want Paulus wenscht den geloovi-gen niet het begin alleen der genade en des vredes, maar toeneming, totdat God zijn begonnen werk in hen volbrenge. Den uitverkorenen. Men kon vragen, waaruit hij zulks wist, want Gods verkiezing is verborgen, en kan niet bekend worden dan door een bijzondere openbaring des Geestes. En of wel een iegelijk door het getuigenis des Geestes verzekerd wordt van zijne verkiezing, zoo kan hij toch van anderen niets zekers daarvan weten. Ik antwoord: dat het niet noodig is angstig te onderzoeken de verkiezing onzer broederen, maar veelmeer, dat wij die moeten afleiden uit hun roeping, alzoo dat wij voor uitverkorenen houden al degenen, die door het geloof tot de gemeente toegedaan zijn. Want dezen zondert God af van de anderen der wereld, hetwelk een teeken is der verkiezing. Hiertegen is niets, dat velen afwijken, en dat sommigen niet anders hebben dan geveinsdheid: want dit oordeelen wij naar de liefde, en niet naar het geloof, als wij voor uitverkorenen houden allen die, aan welke wij het kenteeken zien, dat ze God aangenomen heeft tot zijne kinderen. Dat ook Petrus deze verkiezing niet neemt uit den verborgen raad Gods, maar dat hij die afleidt uit de vrucht, blijkt uit den tekst, want een weinig daarna, stelt hij de verkiezing: In de heiligmaking des Geestes. Zoo telt hij ze dan onder de uitverkorenen Gods, in zoover als zij zich bewezen door den Geest Gods wedergeboren te zijn, want God maakt niet heilig, dan die Hij eerst uitverkoren heeft. Daarbenevens toont Hij ook meteen den oorsprong der verkiezing, waardoor wij afgezonderd worden tot de zaligheid, opdat wij met de wereld niet verloren gaan. Want hij zegt: Naar de voorwetenschap. Dit is, zeg ik, de oorsprong en de eerste oorzaak, dat God bij Zichzelven, eer de wereld geschapen was, die gekend heeft, die Hij ter zaligheid wilde ver-
1 PETRUS 1:1, 2.
16
kiezen. Maar men moet wijselijk opmerken, hoedanig deze voorwetenschap zij: want de sophisten, opdat ze Gods genade verduisteren, versieren dat God eens iegelijks verdiensten tevoren ziet, en dat alzoo de verworpenen van de verkorenen onderscheiden worden, naardat ieder of de verkiezing, of de verwerping waardig is, maar de Schrift stelt overal tegen onze verdiensten Gods voornemen, waarin onze zaligheid gefundeerd is. Alsnu dan Petrus de uitverkorenen noemt naar de voorwetenschap Gods, verklaart hij daarmede, dat de oorzaak daarvan nergens anders aan hangt, noch te zoeken is dan in God alleen, die uit Zichzelven vrijwillig bewogen is geweest om ons te verkiezen. Hierom dan neemt deze voorwetenschap Gods weg alle aanzien der menschelijke waardigheid, waarvan wij breeder gehandeld hebben, Ãfeze, hfdst. 1, en op andere plaatsen. Dan nog, gelijkerwijs hij in onze verkiezing het voornaamste toeschrijft aan het loutere welbehagen Gods, alzoo wil hij wederom dat deze uit de werkingen van ons bekend worden: want er is niets zoo gevaarlijk en verkeerd, als dat wij (nalatende de roeping) de zekerheid onzer verkiezing willen gaan zoeken in Gods voorwetenschap, die ons verborgen is, en dit is een al te diep doolhof. Daarom Petrus, opdat hij dit gevaar voorkwam, geeft een goed middel en maat, want hoewel hij bij den aanvang wil dat wij aanmerken Gods raad, die de oorzaak alleen in Zichzelven heeft, zoo leidt hij ons nochtans terstond wederom tot de vrucht of werking, waarmede God onze verkiezing verklaart en betuigt. Deze vrucht is de heiligmaking des Geestes, dat is, een krachttge roeping, wanneer wij niet alleen de predikatie des Evangelies uiterlijk hooren, maar ook gelooven, hetwelk in ons door de inwendige beroering des Geestes gewrocht wordt. Den vreemdelingen. Zij dwalen groo-telijks, die meenen, dat de godzaligen door eene figuurlijke wijze van spreken alzoo genaamd zijn, omdat zij vreemdelingen zijn in deze wereld, die naar het hemelsche vaderland zoeken. Welke dwaling genoeg kan wederlegd worden met het woord verstrooiden, dat er dadelijk volgt. Zoodat dit eigenlijk van de Joden gezegd is, niet alleen omdat zij her- en derwaarts verdreven ballingen waren van hun vaderland, maar hierom dat zij verjaagd waren uit dat land, hetwelk hun van den Heere tot een eeuwig erfdeel beloofd was. Het is wel waar, dat Petrus hierna alle geloovigen vreemdelingen zal heeten, omdat ze op de aarde vreemdelingen zijn, maar hier is het een andere reden: want hierom waren zij vreemdelingen, dat een deel in Pontus, een ander in Galatië, en sommigen in Bithynië verstrooid waren. Ook is het geen wonder, dat hij voor de Joden eigenlijk dezen brief bestemt, dewijl hij wist dat hij hun tot een apostel gesteld was, gelijk Paulus leert Gal. 2 : 7. Onder de landschappen die hij optelt, neemt hij de geheele streek van Klein-Azië gelegen van de Zwarte Zee tot Cappadocië. Tot gehoorzaamheid. Aangezien hij deze twee dingen, namelijk, de gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Christus voegt onder de heiligmaking, zoo schijnt hij met dat woord gehoorzaamheid, te verstaan, de nieuwigheid des levens, en met de besprenging des bloeds van Christus te beteekenen de vergeving der zonden. Indien nu dit de deelen zijn of de vruchten der heiligmaking, zoo wordt hier de heiligmaking anders, dat is, breeder genomen, dan dikwijls bij Paulus. Zoo heiligt ons dan God, als Hij ons krachtiglijk roept. Hetwelk
1 PETRUS 1; 2, 3. 17
geschiedt, als wij vernieuwd worden tot gehoorzaamheid zijner ge' rechtigheid, en met het bloed van Christus besprengd zijnde, zuivequot;
ring ontvangen van de zonden. Het schijnt dat hij het oog wa^
heeft op de oude wijze der besprengingen, die men onder de wet gebruikte. Want gelijk het toen niet genoeg was de beesten ten ofler te slachten, en hun bloed te vergieten, zoo het volk daarmede niet besprengd was geweest, alzoo zou het ons ook nu niet baten dat het bloed van Christus vergoten is, zoo onze conscientiën daarmede niet afgewasschen waren. Zoo moet men dan hieronder verstaan een tegenstelling, dat gelijk voormaals onder de wet door de hand des priesters de besprenging des bloeds geschiedde, alszoo nu de Heilige Geest onze zielen besprengt, en van zonden reinigt door het bloed van Christus. Nu willen wij den inhoud dezer stukken kortelijk samenvatten. Deze is, dat onze zaligheid oorspronkelijk komt uit de onverdiende verkiezing Gods, daarbij gevoegd, dat men ze moet aanmerken door de ervaring des geloofs, doordien ons God met zijn Geest heilig maakt. Ten laatste, daar zijn twee effecten of einden onzer roeping, de eene is, dat wij tot de gehoorzaamheid Gods vernieuwd worden, en de andere is, dat wij afgewasschen worden door het bloed van Christus. Daarenboven, dat dit beide een werk des Heiligen Geestes is: waaruit wij besluiten, dat noch de verkiezing van de roeping, noch de geschonken gerechtigheid des geloofs van de nieuwigheid des levens kan gescheiden worden.
3 Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, 1 Cor- 1:3-die ons naar zijn menigvuldige barmhartigheid heeft wedergeboren tot een levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden.
4 Tot een onverderfelijk, onbevlekt, en onverwelkelijk erfdeel,
hetwelk in den hemel bewaard is voor u,
5 Gij die door de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke bereid is ontdekt te worden in den laatsten tijd.
3 Geloofd zij de God. Wij hebben gezegd, dat deze brief voornamelijk hiertoe geschreven is, dat hij ons boven de wereld verhefie,
en dat hij ons bereide en moedig make om den geestelijken strijd vromelijk door te strijden. Hiertoe doet veel de erkentenis van de weldaden Gods, welke als zij bij ons in behoorlijke waarde gehouden worden, zoo worden alle andere dingen niet daarbij geacht. Inzonderheid als wij overleggen hoe kostelijk Christus is met zijne goederen, zoo zal ons alles wat buiten Hem is, als drek wezen. Om deze oorzaak verheft hij hier de groote genade Gods in Christus,
opdat het ons niet zwaar valle onszelven, en de wereld te verzaken,
om te mogen genieten dien hoogwaardigen schat des toekomenden levens; hierenboven ook, opdat wij niet bezwijken door de tegenwoordige ellendigheden, maar dat wij die geduldig dragen, ons vergenoegende met de eeuwige gelukzaligheid. Dan, gemerkt hij God dankt, zoo wekt hij de geloovigen op tot een geestelijke vreugde,
waardoor alle tegenstrijdende bewegingen des vleesches verslonden worden. En Vader van onzen Heere. Verstaat deze woorden aldus,
alsof hij zeide; God, die de Vader van Jezus Christus is. Want gelijk voortijds God, Zich noemende den God Abrahams, daarmede, als Di. vin. o
1 PETRUS 1: 3, 4.
met een merkteeken heeft willen onderscheiden zijn van alle verdichte goden: alzoo nadat Hij Zich heeft geopenbaard in zijnen Zoon, zoo wil Hij niet anders dan in Hem gekend zijn. Daarom zij, die daar in hun verstand Gods bloote majesteit buiten Christus inbeelden, hebben instede van God een afgod, gelijk de Joden en Turken. Daarom, zoo wie den waren God recht wil erkennen, die moet Hem als bekleeden met dezen toenaam, dat Hij is de Vader van Christus. Want indien niet, zoo wanneer ons verstand God zoekt, Christus ons voorkomt, zoo zal ons vernuft in het wilde en woeste dolen, totdat het zich ten laatste geheel begeeft. Hiermede wil Petrus ook aanwijzen, hoe mild en weldadig God tot ons is, want tenzij Christus in het midden gesteld wordt, zoo zullen wij Gods goedheid nimmermeer récht begrijpen. Die ons heeft wedergeboren. Hij geeft te kennen dat het leven een bovennatuurlijke gave is, want indien wij tot de hope des levens geboren waren naar het vleesch, zoo ware het onnoodig van God wedergeboren te worden. Zoo leert dan Petrus dat wij, die van nature tot den eeuwigen dood geëigend waren, weder zijn opgericht tot het leven door de barmhartigheid Gods. En dit is als een tweede schepping, gelijk daar staat, Ef. 1. Een levende hope, wordt hier genomen voor de hope des levens, hoewel er een verborgen tegenstelling schijnt te zijn tusschen de hope, die gevestigd is op het onvergankelijke rijk Gods, en die de menschen hebben op wankelbare en ongestadige dingen. Naar zijne menigvuldige barmhartigheid. Vooreerst stelt hij de werkende oorzaak, daarna wijst hij aan het middel. Dit leert hij, namelijk, hoe God door geen onzer verdiensten opgewekt is geweest, om ons te wederbaren tot een levende hope, maar dit alles schrijft hij toe aan zijne barmhartigheid. En opdat Hij des te beter de verdiensten der werken vernietige, zoo zegt hij; Menigvuldige barmhartigheid. Een ieder bekent wel dat God is de eenige werkmeester onzer zaligheid, maar daarna versieren zij vreemde oorzaken, waarbij zij wederom zooveel zijne barmhartigheid verkorten. Maar Petrus prijst ons alzoo aan Gods eenige barmhartigheid, dat hij van stonde aan daarbij schrijft het middel, te weten, de verrijzenis van Christus: want nergens elders noch op geen andere wijze openbaart God zijne barmhartigheid te onswaart. Hierom stiert ons de Schrift altijd tot dit oogmerk. Wij zullen niet voor zeldzaam of ongeschikt achten, dat de apostel verzwijgende den dood van Christus, alleen zijn verrijzenis vermeldt: want zijn dood is begrepen onder de verrijzenis: want geen ding wordt volmaakt, of het moet eerst begonnen zijn; daarbij hij heeft liever willen vermelden de verrijzenis, omdat hij handelde van een nieuw leven.
4 Tot een erfdeel. De drie bijvoegelijke woorden, die hij dit erfdeel geeft, dienen tot verheerlijking der genade Gods. Want hiertoe benaarstigt zich Petrus (gelijk ik boven gezegd heb) dat hij de uitnemendheid dier genade in onze harten wel en diep indrukke. Deze twee deelen: Tot een onvergankelijk erfdeel, en: tot de zaligheid die bereid is geopenbaard te worden, lees ik alzoo, dat het laatste een verklaring van het eerste is. Want hij verklaart één zaak op twee manieren: elk der woorden die volgen, heeft zijn gewicht. Het erfdeel wordt gezegd in den hemel bewaard te zijn, opdat wij weten, dat het is buiten alle gevaar: want zoo het niet ware in de hand Gods, zoo ware het aan ontallijke gevaren onderwor-
18
1 PETRUS 1 ; 4, 5.
pen. Indien het in deze wereld ware, hoe konden wij gerust zijn onder zoo menigerlei veranderingen? Hierom, opdat hij alle vreesachtigheid van ons wegneme, bevestigt hij dat onze zaligheid wel bewaard is, en buiten het geweld des duivels: maar omdat de zekerheid onzer zaligheid ons weinig zou vertroosten, indien niet een iegelijk van ons wist dat ze hem toebehoort, zoo doet Petrus daarbij: Voor u. Want dan zijn onze conscientiën eerst gerust, als zij hooren dat de Heere uit den hemel roept: Ziet uwe zaligheid is in mijne hand, en zij wordt voor u bewaard. Intusschen, overmits de zaligheid een iegelijk zonder onderscheid niet toekomt, zoo roept hij ons tot het geloof, opdat al degenen, die daarmede begaafd zijn, zich van de anderen onderscheiden, en niet twijfelen of zij zijn rechte en wettige erfgenamen van het rijk Gods: want gelijk het geloof tot de hemelen doordringt, alzoo brengt het ons ook toe de goederen, die in den hemel zijn.
5 Die door de kracht Gods bewaard wordt. Wel is aan te merken deze vergelijking, dat wij in de wereld bewaard worden, gelijk ons erfdeel bewaard wordt in den hemel. Anderszins kon men terstond dit denken, wat helpt het dat onze zaligheid weggelegd is in den hemel, dewijl wij in de wereld als op een onstuimige zee gedreven worden? Wat helpt het dat onze zaligheid wordt gesteld in een stille haven, dewijl wij hier onder duizend schipbreuken heen en weer gedreven worden? Zoo voorkomt dan de apostel zoodanige tegenwerpingen, als hij leert dat wij ook in de wereld in het midden der gevaren door het geloof bewaard worden, en dat wij alzoo den dood nabij zijn, dat wij nochtans onder de bewaring des geloofs zeker zijn. Maar omdat in deze zwakheid des vleesches ons geloof dikwijls wankelt, zoo konden wij over het toekomende beangst wezen, zoo ons God hierin ook niet tegemoet kwam. Wij zien hoe in het pausdom die duivelsche opinie overal aangenomen is geweest, dat men behoort te twijfelen of men wel volharden zal tot het einde toe, omdat wij onzeker zijn of wij morgen zullen staan in dezelfde genade. Maar Petrus laat ons alzoo op het onzekere niet hangen: want daarom verzekert hij ons dat wij staan door de kracht Gods, opdat geen twijfeling onzer conscientie door het gevoelen onzer eigen zwakheid ons zou bekommeren. Hoe zwak wij dan zijn, zoo is nochtans onze zaligheid niet onvast, omdat ze door Gods kracht ondersteund is. Gelijk wij dan door het geloof beschut worden, alzoo heeft het geloof zelf zijne vastigheid in Gods kracht, waardoor wij niet alleen van het tegenwoordige, maar ook van het toekomende zeker kunnen wezen. Tot zaligheid. Omdat wij van nature niet wel uitstel kunnen lijden, en haastelijk van verdriet den moed verloren geven, daarom vermaant hij, dat de zaligheid niet uitgesteld wordt omdat ze nog niet gereed is, maar omdat de bekwame tijd der openbaring nog niet gekomen is. Deze leer dient om onze hope te voeden en te onderhouden. Doch den laatsten tijd, noemt hij den dag des oordeels, want de vernieuwing en verbetering aller dingen is niet eer te verwachten, want de middentijd is nog in den loop. Dat nu elders al de tijd van de komst van Christus af de laatste tijd genoemd wordt, geschiedt in vergelijking der voorgaande eeuwen; maar Petrus heeft gezien op den ganschen loop der wereld.
19
1 PETRUS 1; 6.
Waarin gij u verheugt, gij die nu een weinig tijds, zoo het noodig is, bedroefd wordt door menigerlei verzoekingen;
Opdat uw geloof beproefd zijnde, veel kostelijker bevonden worde dan dat vergankelijke goud, ('twelk nochtans door het vuur beproefd wordt) tot lof, en prijs, en heerlijkheid, als Jezus Christus zal geopenbaard worden;
Denwelken niet gezien hebbende, gij lief hebt; denwelken gij ook nu niet ziende, maar geloovende, zijt verblijd met onuitsprekelijke en verheerlijkte blijdschap ');
Brengende daarvan het einde uws geloofs, namelijk, de zaligheid uwer zielen.
6 Waarin gü u verheugt, gij die hu een weinig. Hoewel men naar den Griekschen vorm evengoed kan overzetten: Verheugt u, nochtans vereischt de zin te lezen: Gjj verheugt u. Het woord waarin, heeft betrekking op al het voorgaande, waar gehandeld is van de weggelegde zaligheid in den hemel die wij hopen. Overigens prijst Petrus ze niet zoozeer, als hij ze vermaant. Zijn voornemen is te leeren, wat vrucht wij ontvangen uit de hope der zaligheid, te weten, een geestelijke vreugd, waardoor niet alleen de bitterheid aller ellendigheden verzoet wordt, maar ook waardoor alle droefheid wordt overwonnen, hoewel het woord verheugen meer inhoudt dan verbljjden. Maar dit schijnt een weinig tegen elkander te strijden, dat hij zegt, hoe de geloovigen van blijdschap opspringen en tegelijk droevig zijn: want dit zijn strijdende bewegingen; maar de geloovigen verstaan veel beter door ondervinding, hoe zij tegelijk bestaan, dan met woorden kan uitgedrukt wezen. Doch opdat deze vraag kortelijk moge ontknoopt worden, zoo moeten wij dit vasthouden, dat de geloovigen niet zijn als stokken en blokken, die alle menschelijk gevoel zoo afgelegd hebben, dat zij geen weedom meer gevoelen, geen gevaren vreezen, geen bekommering beseffen over hun armoede, dat hun de vervolgingen niet zwaar en hard vallen. Ja gewis, zij gevoelen treurigheid genoeg uit hun nooden, doch deze wordt verzoet door 't geloof, alzoo dat ze daarom niet nalaten blijde te zijn. Alzoo verhindert de droefheid hunne blijdschap niet, maar geeft haar plaats. Wederom, hoewel de blijdschap de droefheid te boven gaat, zoo neemt ze deze nochtans niet weg, want zij laat ons nog altijd menschen blijven. Hieruit blijkt, welke is de rechte lijdzaamheid. Het begin, en zooveel als de wortel, is de erkentenis der weldaden Gods, inzonderheid als wij overleggen dat Hij ons uit onverdiende genade verwaardigd heeft tot zijn kinderen aan te nemen. Want al degenen, die hun hart hiertoe opheffen, dien is het licht met zachtmoedigheid alle kwaad te doorkomen. Waaruit komt dat vele harten van de droefheid verzwolgen worden, dan omdat ze de geestelijke goederen niet smaken ? Maar die het daarvoor houden, dat alle ellendigheden nuttige oefeningen zijn ter zaligheid, zullen ze niet alleen te boven komen, maar zullen ze ook keeren tot een oorzaak der blijdschap. Bedroefd. Hoe? Zijn dan ook de verworpenen niet evengoed bedroefd? Want zij zijn van de ongelukken niet vrij. Maar Petrus verstaat, dat de geloovigen hun droefheid gewillig opnemen, daarentegen de goddeloozen hierover grimmen, en God hardnekkig wederstaan. Zoo zijn dan de godzaligen bedroefd, gelijk een getemde os het juk aanneemt, en gelijk een weibereden
20
1) Of, heerlijke blijdschap.
1 PETRUS 1 : 6, 7.
paard zich ook van een kind laat breidelen; maar wanneer God den verworpenen droefheid toezendt, zoo stellen zij zich aan gelijk een wild weerspannig paard, dat men met geweld den toom moet aanleggen: want zij spartelen en staan daartegen, doch tevergeefs. Zoo prijst dan Petrus de geloovigen, dat ze niet uit dwang, maar gaarne onder hun droefheid buigen. Dat hij zegt: Nu een weinig tijds, dient tot troost: want de kortheid des tijds matigt de ellende grootelijks, hoe zwaar die ook is. Zoo is ook de duur dezes tegen-woordigen levens maar een oogenblik. Zoo het noodig is. Dat is zooveel als te zeggen: Dewijl het noodig is; want hij wil bewijzen dat het niet bijgeval geschiedt, dat God de zijnen alzoo oefent. Want zoo God ons zonder eenige oorzaak drukte, dat ware zwaar om te dragen. Zoo neemt dan Petrus oorzaak of reden des troostes uit den raad Gods, niet dat de reden ons altijd blijkt, maar omdat wij dit voor gewis moeten houden, dat het zoo geschieden moet, want het behaagt God. Daar is aan te merken, dat hij niet ée'n verzoeking stelt, maar vele: ook niet alleen e'én wijze van verzoeking, maar verscheidene; doch wij zullen de uitlegging dezer plaats bekwamer halen uit Jakobus, hfdst. 1.
7 Maar kostelijker dan goud. Dit is een bewijs van het mindere tot het meerdere. Want zoo wij het goud, hetwelk een verderfelijk metaal is zoo veel achten, dat wij het met vuur willen beproeven, opdat het bij ons zijn waarde verkrijge: wat wonder is het dat God het geloof alzoo wil beproeven, aangezien de uitnemendheid des geloofs bij Hem zoo groot is? Hoewel de woorden anders luiden, zoo vergelijkt hij nochtans het geloof bij het goud, en maakt het kostelijker dan hetzelve, opdat hij daaruit toone dat het waardig is onderzocht te worden. Het goud wordt op tweëerlei wijze door het vuur beproefd. Eerst als het wordt gezuiverd van het schuim, daarna als men van zijn deugd moet oordeelen. Beide deze wijzen van beproeving dienen wel tot het geloof. Want dewijl vele droefenis der ongeloovigheid in ons blijft steken, wanneer wij door verscheiden verdrukkingen als gekookt en verteerd worden in den oven Gods, zoo wordt het schuim onzes geloofs weggevaagd, dat het geloof zuiver en blinkende is voor God. Daarbenevens wordt daar ook onderzocht; of het oprecht is of geveinsd. Beide deze wijzen van beproeving neem ik gaarne aan. En hiertoe dient wat terstond volgt. Want gelijk het zilver zijn waarde niet heeft voordat het gezuiverd is: alzoo geeft hij te kennen dat ons geloof dan eerst bij God zal verheerlijkt en gekroond worden, als het behoorlijk beproefd wordt. Als Jezus Christus geopenbaard wordt. Dit is er daarom bij gedaan, dat de geloovigen leeren zouden hun harten op te houden tot den laatsten dag: want nu is ons leven in Christus verborgen, en zal verborgen, ja als begraven blijven, totdat Christus uit den hemel verschijne. Alzoo is ook de loop onzes gan-schen levens strekkende tot verderf van den uitwendigen mensch, en alles wat wij lijden, is als een voorbode des doods. Daarom is het van noode dat wij de oogen op Christus slaan, zoo wij in onze verdrukkingen heerlijkheid en prijs willen aanschouwen: want de aanvechtingen in ons aangemerkt, zijn vol smaad en schande, maar in Christus zijn zij heerlijk; maar de heerlijkheid wordt in Christus nog niet volkomelijk gezien, want de dag der vertroosting is nog niet gekomen.
21
1 PETRUS 1; 8, 9.
8 Denwelken gü niet gezien. Hij stelt twee dingen: Dat zij Christus, dien zij niet gezien hebben, beminnen, en in Hem gelooven, dien zij niet zien, maar het eerste volgt uit het andere: want het geloof is de oorzaak der liefde, niet alleen daarom, dat de kennis der weldaden, waarmede Christus ons vergezelt, ons opwekt Hem wederom lief te hebben, maar omdat Hij ons aanbiedende een volmaakte gelukzaligheid, ons tot Zich trekt. Zoo prijst hij dan de Joden, dat zij in Christus gelooven, dien zij niet gezien hebben, opdat zij bedenken dat dit is de natuur des geloofs, dat het vergenoegd is met de goederen, die onze oogen niet zien. Want hiervan hadden zij wat ondervinding, hoewel hij ook al prijzende, nog meer beveelt. En dit deel is het eerste in de orde, dat men het geloof niet zal meten naar het aanzien. Want aangezien het leven der Christenen ellendig is naar den schijn, zoo hun zaligheid niet in de hoop ware gelegen, zij zouden haast vervallen. Het geloof heeft ook wel zijne oogen, maar zoodanige, die tot het onzienlijke rijk Gods doordringen, en met den spiegel des woords tevreden zijn: want het is een bewijs der onzienlijke dingen, gelijk er staat in Hebr. 11. Daarom is het waar wat Paulus zegt, 2 Cor. 5 :6, dat zoolang wij met dit vleesch bekleed zijn, zoo zijn wij vreemdelingen van den Heere, want wij wandelen door geloof, en niet door aanschouwen. Het andere deel is, dat het geloof niet is een koude kennis, maar dat het onze harten ontsteekt tot de liefde van Christus. Want ons geloof grijpt God niet donker en bewimpeld aan, gelijk de sophisten klappen, (want dat is in het wilde loopen, en dwalen waar geen weg is) maar het heeft Christus voor zijn doel en oogmerk. Het neemt ook niet aan den blooten naam van Christus, of zijn bloot wezen, maar overdenkt hoedanig Hij voor ons is, en wat goeds Hij ons aanbrengt: want het is onmogelijk dat des menschen genegenheid niet derwaarts wordt gedreven waar hij zijn zaligheid stelt, naar hetgeen er staat Matt. 6 : 2, waar uw schat is, daar is uw hart. Gij verblijdt u. Hij verhaalt wederom de vrucht des geloofs, waarvan hij vermeld had, en niet zonder reden, want bij geen goed is dit te vergelijken, dat niet alleen onze conscientiën voor God gestild zijn, maar dat zij zich ook door het betrouwen van het eeuwig leven aireede gerustelijk verheugen. Hij noemt deze vreugd onuitsprekelijk: want de vrede Gods gaat alle verstand te boven. Dat hij hier bijvoegt verheerlijkt, kan tweëerlei uitgelegd worden, of dat het beteekent hoogwaardig en heerlijk, of dat het gesteld wordt tegen het ijdele en vergankelijke, waarover zich de menschen terstond schamen. Alzoo zal het woord verheerlijkt, zooveel beduiden als grondig en vast, en buiten gevaar van bedrogen te worden. Die door deze vreugd niet opgeheven worden boven de hemelen, dat zij met Christus alleen tevreden zijnde, de wereld verachten, die roemen tevergeefs dat zij het geloof hebben.
9 Brengende daar. Hij leert werwaarts de geloovigen al hun zinnen moeten stieren, namelijk, tot de eeuwige zaligheid, want de wereld houdt hier onze harten ingewikkeld in hare aanlokselen. Dit leven, en al wat het lichaam aangaat, zijn groote verhinderingen, dat onze harten zich niet kunnen voegen om te bedenken het toekomende en geestelijk leven. Dan ditzelve stelt ons de apostel voor, om met allen ernst te bedenken, en geeft ook bedektelijk te kennen, dat wij het verlies van andere dingen geduldig moeten dragen, zoo-
22
1 PETRUS 1 : 9.
ver de ziel behouden wordt. Als hij zegt; Brengende daarvan, zoo neemt hij allen twijfel weg, opdat zij te lustiger daarnaar trachten, waar zij zeker zijn van de zaligheid te verkrijgen. Daarbenevens leert hij ook dat dit zij het eind des geloofs, dat zij niet beangst zijn, omdat het nog uitgesteld wordt: want nu moet ons genoeg wezen dat wij tot kinderen aangenomen zijn, en het is niet te begeeren dat wij voor den tijd in de bezitting des erfdeels gesteld worden. Men kon ook voor het woord einde, lezen loon, maar het is hetzelfde; want dit kunnen wij besluiten uit de woorden des apostels, dat wij de zaligheid door het geloof verkrijgen. Nu weten wij dat het geloof alleen steunt op de belofte der genadige aanneming tot kinderen Gods; hetwelk indien het zoo is, zoo wordt dan de zaligheid den verdiensten der werken als een schuld niet gegeven, en is daaruit ook niet te verwachten. Maar waarom spreekt hij alleen van de ziel, gemerkt dat ook het lichaam de heerlijkheid der verrijzenis beloofd is? Overmits de ziel onsterfelijk is, zoo wordt haar eigenlijk de zaligheid toegeschreven, gelijk ook Paulus nu en dan placht te spreken, 1 Cor. 5 : 5, dat de geest zalig is in den dag des Heeren. En dit is zooveel alsof daar gezegd ware, een eeuwige zaligheid. Want het is een bedekte vergelijking met het leven des lichaams, dat sterfelijk en bouwvallig is. Intusschen wordt het lichaam van de gemeenschap der heerlijkheid niet uitgesloten, mitsdien het aan de ziel verknocht is.
10 Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die van de toekomende genade ') aan u geprofeteerd hebben;
11 Onderzoekende op welken en 2) hoedanigen tijd, dat het de Geest van Christus, die in hen was, beduidde, die tevoren betuigd had het lijden dat over Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna.
23
1) Of, Ge-nade die u toegelegd is, geprofeteerd hebben.
2) Of: Op welken tijd de profetische Geest van Christus die in hen was, beduidde het lijden, enz.
12 Welken het geopenbaard is, dat zij het niet zichzelven, maar ons zouden bedienen, hetwelk u nu verkondigd is door degenen, die u het Evangelie gepredikt hebben door den Heiligen Geest, van den hemel gezonden, in welke dingen ook de engelen lust hebben om te aanschouwen.
Hij prijst ons de waardigheid dezer zaligheid aan, wijl de profeten met alle naarstigheid daarnaar gestaan hebben. Want het moet wel een groote en bijzonder uitnemende zaak geweest zijn, die alzoo de profeten verwekt heeft om haar te onderzoeken. En hierin ligt nu nog klaarder de goedheid Gods tot ons, dat ons te dezen dage veel meer geopenbaard is, dan voortijds den profeten gegeven is, die het langen tijd en zorgvuldiglijk gezocht hebben. Daarbenevens, bevestigt hij de zekerheid der zaligheid, toonende haar oudheid, als dat ze van den beginne der wereld een geloofwaardig getuigenis gehad heeft van den Heiligen Geest. Deze twee dingen zijn onderscheidenlijk aan te merken: dat hij zekerlijk zegt, dat ons meer gegeven is dan den ouden voorvaderen, opdat hij met deze vergelijking de genade des Evangelies verheerlijke; verder, dat zulks als hetgeen ons wordt gepredikt, niet van eenige nieuwigheid kan verdacht zijn, aangezien de Heilige Geest voortijds door de profeten daar-
24
van getuigd heeft. Hierom, als hij zegt dat de profeten ondervraagd en naarstiglijk onderzocht hebben, dit zal men niet duiden op hunne schriften of leering, maar verstaan van dat bijzonder verlangen, dat elk van hen door grooten ijver gehad heeft. Wat daarna volgt, zal men verstaan van hun openbaren dienst of ambt: maar opdat dit van stuk tot stuk verklaard worde, zoo willen wij deze plaats in zekere stelregels voorstellen, waarvan deze de eerste wordt, dat de profeten, die ons van de genade, die ons Christus met zijne komst zou aanbrengen, geprofeteerd hebben, ernstelijk daarnaar hebben gestaan, dat zij den tijd der volkomene openbaring verstaan mochten. De tweede, dat de Geest van Christus door hen voorzegd heeft den stand des toekomenden rijks van Christus, gelijk die nu ten deele gezien, en eensdeels gehoopt wordt, te weten, dat Christus, en zijn gansche lichaam verordend is de ingang tot de heerlijkheid door velerlei lijden. De derde, dat de profeten ons meer gediend hebben, dan hunne tijdgenooten, en dit was hen van God geopenbaard, want in Christus is eerst de grondige aanbieding dier dingen, waarvan God als toen een donker schaduw en voorbeeld getoond heeft. De vierde, dat in het Evangelie niet alleen begrepen is een klare bevestiging der profetische leer, (want het is een Geest die daar spreekt) maar dat het behelst een klaarder en gemeenzamer verklaring, want de zaligheid die eertijds de profeten van verre toonden, wordt aldaar openlijk als voor de oogen gesteld. De laatste is, dat het hieruit genoeg blijkt hoe wonderbaar en heerlijk de zaligheid is ons door het Evangelie beloofd, dat ook de engelen zelf, hoewel zij in den hemel Gods aanschijn genieten, nochtans met lust ontstoken zijn, om dit te zien. Doch al deze dingen strekken hiertoe, dat de Christenen opgeheven zijnde tot de hoogheid hunner gelukzaligheid, al des werelds verhinderingen mogen overwinnen: want wat is er dat niet gering wordt, als men het legt bij deze onvergelijkelijke weldaad.
io Van welke zaligheid. Hebben wij dan en de vaders niet een gemeene zaligheid? Waarom zegt hij, dan dat zij ze gezocht hebben, alsof zij dat niet verkregen hadden, hetwelk ons nu aangeboden wordt? Het antwoord is licht, dat de zaligheid hier genomen wordt voor een klare openbaring, die ons geschied is met de komst van Christus. Deze woorden van Petrus leeren hetzelfde wat Christus zegt: Vele koningen en profeten hebben begeerd te zien wat gij ziet, en nochtans hebben zij het niet gezien: daarom zijn uwe oogen zalig, Matth. 13: 16. Dewijl dan de profeten maar een kleine smaak hadden der genade, die ons Christus aangebracht heeft, (zooveel aangaat de manier der openbaring) zoo hebben zij met recht meer gewenscht. Als Simeon, nadat hij Christus gezien had, zich stil en met een gerust gemoed overgeeft om te sterven, zoo toont hij dat hij tevoren ongerust en beangst geweest is. Dit is geweest het gevoelen aller godzaligen. Hij wijst ook aan de wijze der onderzoeking, als hij daartoe doet: Op welken of hoedanigen tijd. Want het verschil der wet en des Evangelies is geweest als een kleed of deksel, zoodat zij niet konden van nabij aanschouwen, wat ons voor de oogen klaarlijk ontdekt is. Het was ook niet billijk, dat, zoolang als Christus de zon der gerechtigheid nog niet opgegaan was, het volle licht als op den middag zou schijnen. En hoewel zij zich hebben moeten houden binnen de grenzen hun voorgeschreven, zoo
1 PETRUS 1 : 10, 11.
mochten zij nochtans met goede conscientie zuchten, verlangende om het van nabij te aanschouwen. Want begeerende dat de zaligheid naakte, en dat de verlossing haastelijk geschiedde, die zij zien mochten, heeft de begeerte ze niet verhinderd lijdzamelijk te blijven wachten, zoolang als de Heere beliefde die nog uit te stellen. Voorts in de profeten te zoeken de aanwijzing der tijden, dunkt mij hier onnoodig, want hier wordt niet verhandeld wat de profeten geleerd, maar wat zij gewenscht hebben. Onder andere is dit waardig opgemerkt te worden, dat hij niet zegt hoe de profeten uit hun eigen zin onderzocht hebben, op wat tijd het rijk van Christus komen zou, maar dat zij alleen hun naarstigheid gewend hebben tot de openbaring des Geestes. Alzoo hebben zij ons met hun exempel geleerd maat te houden in de leer en wetenschap, want zij zijn niet verder getreden, dan zij van den Geest geleid waren. En waarlijk der menschen neuswijsheid zal geen maat houden, tenzij de Geest Gods het verstand geleide, of hij zal liever van elders willen leeren, dan van Hem. Ook zoo is het rijk van Christus, als geestelijk zijnde, een veel te hooge zaak, om met menschelijk vernuft nuttig onderzocht te kunnen worden, tenzij de Geest de leidsman zij. Daarom moeten wij ook ons onderwerpen aan dezen toom, en ons matigen.
ii De Geest van Christus, die in hen was. Eerst zegt hij, dat de Geest in hen was, daarna, dat Hij was om getuigenis te geven, met welke woorden hij verklaart, dat de profeten een verstandigen Geest gehad hebben, en Dezen niet op gemeene wijze, maar als degenen, die ons tot meesters en getuigen geweest zijn; doch dat ze niet volkomenlijk genoten hebben van het licht dat ons geopenbaard is. Daarbij is dit een uitnemende lof hunner leer, als zij genoemd wordt het getuigenis des Heiligen Geestes. Want hoewel zij, die het predikten en aandienden, menschen waren; zoo is nochtans de Heilige Geest de ingever of auteur. Het is ook niet zonder reden dat hij zegt, dat de Geest van Christus alstoen geregeerd heeft, en dat hij den Geest van den hemel gezonden, stelt als een regeerder over de leeraars des Evangelies: want alzoo geeft hij te kennen, dat het Evangelie van God gekomen is, en dat de oude profetieën door Christus zijn uitgesproken. Dat toekomende lijden op Christus. Opdat de Christgeloovigen hun lijden des te gewilliger dragen, zoo leert hij dat hetzelve voortijds van den Geest voorzegd is, ja hij wil nog meer zeggen; want hij bewijst dat deze leiding der gemeente van Christus bij God van den beginne geordineerd is, dat het kruis een voorbereiding zou zijn tót den triomf, en de dood een doorgang tot het leven, en dat ditzelve klaarlijk betuigd is. Daarom hebben wij geen oorzaak om door ons lijden al terneergeslagen te zijn, alsof wij daarin zijnde, ellendig waren, aangemerkt de Geest Gods ons voor zalig uitspreekt. Deze orde is op te merken, dat hij eerst het lijden stelt, daarna de volgende heerlijkheid. Want hij verklaart dat deze wijze niet kan veranderd of verkeerd worden, of het lijden gaat altijd vóór de heerlijkheid. Zoo begrijpen dan deze woorden tweeërlei zin: de eerste is dat de Christenen met vele jammeren moeten gedrukt worden, eer zij de heerlijkheid genieten; de ander is, dat zij om hunne verdrukkingen niet ellendig zijn, omdat de heerlijkheid daarbij en vast is toegevoegd. Dewijl God deze twee dingen aldus samengevoegd heeft, staat het
25
1 PETRUS 1:11, 12.
ons niet vrij, het een van het ander te scheuren. En dit is geen kleine troost, dat zulks, als ons overkomt, van God zoovele eeuwen tevoren voorzegd is: want hieruit besluiten wij, dat ons niet tevergeefs een zalige uitgang beloofd is. Ten andere bekennen wij ook, dat wij niet bijgeval, maar door Gods voorzienigheid verdrukt worden. Ten laatste zijn ook de profetieën als een spiegel om ons in onze benauwdheden uit te drukken het beeld der hemelsche heerlijkheid. Het is wel waar, dat Petrus zegt, dat de Heilige Geest getuigd heeft van het toekomende lijden van Christus, maar hij scheidt Christus niet van zijn lichaam: daarom kan dit niet alleen van den persoon van Christus verstaan worden, maar men moet be-gt; ginnen van het hoofd, opdat de leden in hun orde volgen, gelijk Paulus leert, Rom. 8; 2Q, dat wij moeten gelijkvormig gemaakt worden aan Christus, die de Eerstgeborene is onder de broederen. Verder handelt Petrus hier niet van wat Christus eigen is, maar hij handelt van den geheelen stand der gemeente. Dan, dit is nog bekwamer tot versterking onzes geloofs, dat hij ons voorstelt hoe onze verdrukkingen in Christus moeten aangemerkt zijn: want in Hem zien wij beter de verbinding des levens en des doods tusschen Hem en ons. En gewisselijk dit is het recht en het middel dezer heilige eenigheid, dat Hij nog dagelijks lijdt in zijne lidmaten, opdat, wanneer zijn lijden in ons volbracht wordt, dat dan ook desgelijks de heerlijkheid hare vervulling hebbe. Waarvan breeder gesproken wordt Col. 3 en 1 Tim. 4.
12 Welken het geopenbaard is, dat zij het. Sommige dwalende menschen hebben deze plaats kwalijk hiertoe getrokken, dat ze de voorvaders zouden uitsluiten van de hope der eeuwige zaligheid: want Petrus loochent niet platweg dat de profeten de menschen in hun tijd nuttig de zaligheid aangediend, en de gemeente gebouwd hebben, maar hij wil alleen leeren, dat hun dienst ons nuttiger is die in de laatste eeuwen leven. Wij zien hoe hoovaardig zij het rijk van Christus verheffen, hoe zij dat meest altijd versieren, en hoe ernstig zij allen aansporen om hetzelve te zoeken: doch zoo zijn zij door den dood verhinderd geweest hetzelve tegenwoordig zijnde te aanschouwen. Wat is dat anders geweest, dan de tafel dekken, opdat anderen daarna kwamen om de aangerichte spijze te eten ? Zij hebben alleen door het geloof gesmaakt wat ons God door hun hand overgegeven heeft om te genieten. Ja ook, zij zijn Christus deelachtig geworden tot een vaste spijze hunner zielen. Dan, nu wordt daar gesproken van de tegenwoordige aanbieding der zaak. Ook weten wij dat het ambt der profeten binnen deze grenzen als besloten is geweest, dat zij zichzelven en anderen met de hope van den toekomenden Christus gevoed hebben. Zij hebben Hem dan maar bezeten als verborgen en afwezig zijnde. Afwezig zeg ik, niet naar zijn kracht en genade, maar omdat Hij in het vleesch nog niet geopenbaard was, daarom was ook zijn rijk als bewimpeld en verborgen. Eindelijk, op de aarde dalende, zoo heeft Hij ons als 't ware de hemelen geopend, zoodat wij nu van nabij zien kunnen de geestelijke rijkdommen, die tevoren onder de figuren van verre getoond werden. Hierom is deze genieting van den Heere Christus ons geopenbaard, het onderscheid toonende tusschen ons en de profeten: waaruit wij afleiden dat zij meer ons, dan zichzelven gediend hebben. Maar ofschoon de profeten onderwezen waren, dat de genade.
26
1 PETRUS 1:12.
die zij verkondigden, tot een anderen tijd zou uitgesteld worden,
zoo zijn ze nochtans daarom niet te trager geweest in die te verkondigen: zoover is het vandaar dat zij door verdriet bezweken zijn. Is het nu dat hun verdraagzaamheid zoo groot geweest is,
voorwaar wij zijn dubbel ondankbare menschen, zoo de genieting der genade, die hun geweigerd was, ons niet onderhoudt met op-gerichten hoofde in alle kruis, dat wij te dragen hebben. Die verkondigd zijn. Hij wijst wederom aan het onderscheid tusschen de leer des Ouden Testaments en de prediking des Evangelies. Want gelijk de gerechtigheid Gods in het Evangelie geopenbaard wordt,
hebbende getuigenis van de wet en de profeten; alzoo wordt ook nu de hemelsche heerlijkheid van Christus, waarvan de Geest eertijds getuigd heeft, openlijk verkondigd. Hiermede bewijst hij ook de zekerheid des Evangelies, dat het niet inhoudt dan wat voormaals van den Geest betuigd is. Daarna leert hij dat het Evangelie overal bekendgemaakt is door de leiding des Geestes, ja door zijn ingeven, en dat Hij de voorganger is, opdat wij hier niets men-schelijks bedenken. Hetwelk de engelen begeeren. Dit is wel de meeste lof des Evangelies, dat het vervat dien schat der wijsheid,
die den engelen nog toegesloten en verborgen is. Maar iemand zal hierop zeggen, dat het niet waarschijnlijk is, dat ons zou geopend en onverborgen zijn, wat den engelen bedekt is, die toch altijd Gods aanschijn aanschouwen, en die in de regeering der gemeente en in de aandiening aller goederen, zijne dienaars zijn ? Ik antwoord, dat het ons geopenbaard is, zooveel wij hetzelve in den spiegel des Goddelijken woords aanschouwen; want onze kennis wordt hier niet verheven boven de kennis der engelen. Alleen verstaat Petrus dat die dingen ons beloofd zijn, welker vervulling de engelen begeeren te zien. Paulus zegt, Ef. 3 : 10, dat in de roeping der heidenen den engelen bekend geworden is die wonderbare wijsheid Gods; want dit was hun een nieuwe zaak te zien, dat Christus de verloren wereld, en die zoo vele jaren vervreemd was geweest van de hope des levens, verzamelde tot zijn lichaam. Alzoo zien zij ook dagelijks met verwondering de groote daden Gods in de regeering zijner kerk: hoeveel te meer dan zullen zij verwonderd zijn, wanneer God zijn Goddelijke gerechtigheid, goedheid en wijsheid toonen zal in de vervulling des rijks van Christus? Dit is dan de verborgenheid, waarvan zij nog de openbaring verwachten, en waarnaar zij terecht verlangen. Hoewel deze plaats tweeërlei zin kan hebben, de een is, dat ons God in het Evangelie opent dien schat, die ook de engelen trekt dat zij hem begeeren, als hun zijnde de allergenoegelijkste zaak om te aanschouwen; de ander is,
dat zij met grooten lust begeeren te zien het rijk van Christus, welks levend beeld in het Evangelie uitgedrukt is. Deze laatste uitlegging schijnt het best met den zin overeen te komen.
13 Daarom, zoo gordt de lendenen uws gemoeds, zijt nuchteren, Luk. 12:35. en hoopt volkomenlijk op de genade, die u aangeboden wordt') a^'^jezus in de openbaring van Jezus Christus. Christus «e-
14 Als gehoorzame kinderen, u niet schikkende naar de lusten, ^of^Tot-gelijk gij tevoren in uwe onwetendheid gedaan hebt. Christus8
15 Maar gelijk Hij die u geroepen heeft, heilig is, alzoo zijt ook openbaard0 gij heilig in al uwen wandel. worde.
27
1 PETRUS 1:13.
Lev. 11:44; 16 Dewijl er geschreven staat: Zijt heilig, want Ik ben heilig.
19 i 21 20 : 7.
Uit de grootheid en uitnemendheid der genade neemt hij oorzaak, de geloovigen te vermanen, gelijk wij voorwaar behooren des te naarstiger te zijn om Gods genade te ontvangen, als Hij ze milder over ons uitstort. Wij zullen wel aanmerken den tekst. Hij had gezegd, dat de hoogheid van het rijk van Christus zoo groot is (tot welke Hij ons roept door het Evangelie) dat ook de engelen des hemels zich opheffen, om die te aanschouwen. Wat behooren wij dan te doen, die hier in de wereld zijn? Voorwaar, zoolang wij in deze wereld leven is tusschen Christus en ons zulke groote verscheidenheid, dat Hij ons tevergeefs tot Zich noodt. Daarom is het noodig dat wij uittrekken het beeld van Adam, en de geheele wereld, en dat wij van ons wegwerpen alle verhinderingen, opdat wij daarvan los zijnde, opwaarts tot Christus gedreven worden. Hij beveelt dengenen, aan wie hij schrijft, dat zij nuchteren en vaardig zijn om de aangeboden genade te verwachten. Daarna ook, dat zij verzakende de wereld en hun voorgaande leven, zich naar God schikken. Dit is dan het eerste deel der vermaning, dat zij opgegord hebbende de lendenen huns verstands, hun harten leggen aan de hope der genade, die hun aangebracht is. In het andere deel schrijft hij voor het middel, hoe zij hun aard veranderen, en naar het beeld Gods vernieuwd kunnen worden.
13 Gordt uwe lendenen. Dit is een gelijkenis genomen van een oude gewoonte. Want omdat zij lange kleederen droegen, konden zij noch reizen, noch eenig werk bekwamelijk doen, dan opgeschort zijnde. Zoo beveelt hij hun dan alle beletselen weg te nemen, opdat ze ontbonden tot God gaan mogen. Die over dit woord lendenen, spitsvondig philosopheeren, alsof de apostel daarmede beval die begeerten der onkuischheid te bedwingen en te stremmen, die wijken af van den rechten zin des apostels. Want deze woorden hebben geen anderen zin dan die, welke Christus gebruikt, waar Hij zegt: Laat uwe lendenen omgord zijn, en uwe lampen brandende in uwe handen, dan alleen dat Petrus zijne figuurlijke wijze van spreken verdubbelt, als hij het verstand lendenen toeschrijft. Waarmede hij te kennen geeft, dat ons verstand zoo ingewikkeld is in de zorgen en onnutte begeerlijkheden dezer wereld, dat het tot God niet kan strekken. Daarom zoo wie terecht wil hopen, die leere vooreerst zichzelven los te wikkelen, en zijn verstand te dwingen, dat het niet wegvloeie in ijdele begeerlijkheden. Hiertoe dient ook de nuchterheid, die hij daarna bijvoegt: waarmede hij ons niet alleen aanprijst matigheid in spijs en drank, maar ons veelmeer aanprijst die geestelijke nuchterheid, dat wij al onze zinnen alzoo bij ons inhouden, dat ze door de aanlokselen der wereld niet dronken worden. Want zoo ook de minste smaak daarvan ons heimelijk van God afleidt, zoo wie zichzelven daarin al te diep steekt, dezelve als verzopen en verstokt zijnde, moet noodzakelijk God vergeten, en alles wat God aangaat. Hoopt volkomenlijk. Hij geeft daarmede eenigszins te kennen, dat zij, die hun verstand in 't wilde laten loopen tot ijdelheid, niet grondig noch oprecht, gelijk het betaamt, op Gods genade hopen, want hoewel zij eenige hope der genade ontvangen, doch omdat zij wankelen, en op het onzeker gedreven worden in deze wereld, zoo heeft hun hope geen vastig-
28
1 PETRUS 1 : 13, 14.
heid. Verder zegt hij: Op de genade die u wordt aangeboden,
opdat zij te gereeder zijn die te ontvangen. God zou verre te zoeken zijn, maar Hij loopt ons vanzelfs tegemoet. Hoe groot is dan onze ondankbaarheid, zoo wij de genade, ons zoo mild voorgelegd, verzuimen? Zoo is dan deze uitbreiding der genade grootelijks dienende om onze hope te scherpen. Dat hij daartoe doet in de openbaring van Christus, kan op tweeërlei wijze uitgelegd worden. Want de leer des Evangelies openbaart ons Christus: en nochtans, dewijl wij Hem nog maar zien als door een spiegel en in een duistere rede, zoo wordt de volle openbaring uitgesteld tot den laatsten dag. De eerste zin behaagt Erasmus meest, welken ik ook niet verwerp; dan, de tweede dunkt mij 't best te sluiten met het oogmerk: want het voornemen van Petrus is, ons te roepen uit deze wereld. Hiertoe is allerbekwaamst de gedachtenis der toekomst van Christus: want zoo wij daarop de oogen slaan, zoo is ons de wereld gekruist, en wij der wereld. Bovendien heeft ook Petrus hier tevoren het woord openbaring, in deze beteekenis gebruikt, daarom verklaar ik het aldus: Gij hebt (wil hij zeggen) geen langen weg te meten, om tot Gods genade te geraken, want God zelve is ii voorgekomen, als Hij ze tot u brengt. Maar, overmits de genieting niet blijkt totdat Christus uit den hemel verschijne, in welken de zaligheid der godzaligen verborgen is, zoo is er tusschentijds hope van noode, want anderszins ware ons nu tevergeefs de genade van Christus aangeboden, zoo wij niet lijdzamelijk tot zijne komst wachten.
14 Als gehoorzame kinderen. Vooreerst geeft hij te kennen, dat wij tot het recht en de eere der kinderen Gods aangenomen en geroepen worden door het Evangelie. Ten andere, dat wij van den Heere daartoe tot zijne kinderen aangenomen zijn, opdat Hij ons wederom als gehoorzame kinderen had. Want of ook al de gehoorzaamheid geen kinderen maakt, (aangemerkt dat de aanneming tot kinderen een loutere gave is) zoo worden zij nochtans daardoor van de vreemden onderscheiden. Hoever nu voor hen deze gehoorzaamheid strekt, leert Petrus, als hij den kinderen Gods verbiedt zich aan hen gelijkvormig te maken, en te voegen naar de lusten dezer wereld: maar vermaant ze veelmeer, dat ze zich Gode gelijkvormig maken. Al wat God in de wet en in al zijn geboden van ons eischt, strekt hiertoe, dat wij zijn beeld klaarlijk uitdrukken, dat wij niet ontaarde kinderen zijn. Maar dit kan niet geschieden, tenzij wij vernieuwd worden, en het beeld des ouden Adams uittrekken. Hieruit is af te leiden, waarnaar de Christgeloovigen al hun leven trachten moeten, hiernaar namelijk, dat zij met heiligheid en zuiverheid Gode gelijk worden. Maar aangezien de gansche genegenheden onzes vlee-sches Gode wederspannig zijn, en dat ons verstand en al onze gezindheid eene vijandschap tegen Hem is, zoo stelt Petrus het begin in de verzaking der wereld. En waarlijk, zoo menigmaal de Schrift handelt van de wederoprichting van het beeld Gods in ons, zoo begint ze hiervan, dat de oude mensch met zijn begeerlijkheden vernield worde. Die gij tevoren in uwe onwetendheid. Hij noemt den tijd der onwetendheid, dien zij geleefd hebben eer zij tot het geloof in Christus geroepen waren. Waaruit wij leeren, dat ongeloof de oorsprong is van alle kwaad. Hij gebruikt het woord onwetendheid niet, gelijk wij gemeenlijk doen. Want het gevoelen van Plato is valsch, dat men alleen zondigt uit onwetendheid; doch hoe
29
1 PETRUS 1 : 14, 15.
zeer de conscientie de ongeloovigen overtuigt, zoo dwalen zij nochtans als blinden in de duisternis, als die den weg niet weten, en van het ware licht beroofd zijn. Dit is de meening van Paulus, waar hij zegt; Wandelt voortaan niet gelijk de Heidenen doen in ijdelheid huns verstands, hebbende het verstand verduisterd, en vreemd zijnde van dat Goddelijk leven, om de onwetendheid die in hen is. Waar Gods kennis niet krachtig is, daar regeeren duisternis, dwaling, ijdelheid: daar is noch licht, noch leven. Dan, dit belet niet of de goddeloozen hebben een kwade conscientie als zij zondigen, gevoelende een rechter in den hemel, en een folteraar in zichzelven. In één woord, aangezien Gods rijk een rijk des lichts is, al degenen die daarvan vreemd zijn, moeten noodzakelijk blind zijn, en dwalen zonder einde. Intusschen worden wij vermaand, hoe wij daarom met de kennis Gods verlicht zijn, opdat wij niet meer naar onze woeste begeerlijkheden omgedreven worden. Waaruit volgt dat hij, die in de nieuwigheid des levens meest toegenomen is, ook meest vooruitgegaan is in de kennis Gods. Maar hier rijst een vraag: Aangezien Petrus hier de Joden aanspreekt, die altijd in de wet gewandeld hadden, en die in den dienst des eenigen Gods opgevoed waren, waarom veroordeelt hij hen van onwetendheid en blindheid, als onheilige heidensche menschen ? Ik antwoord, dat het hieruit allerbest openbaar is, hoe dwaas alle wetenschap is buiten Christus. Als Paulus wil wederleggen den ijdelen roem dergenen, die zonder Christus wijs wilden zijn, zoo zegt hij terecht met één woord, dat zij het hoofd niet behouden. Zoodanig waren de Joden, die anderszins in ontallijke wijze verdorven zijnde, met dwalingen die zij ingedronken hadden, daarenboven nog een deksel op hunne oogen hadden, dat zij Christus in de wet niet zagen. De leering waarin zij onderwezen waren, was wel een waar licht, maar in het licht waren zij blind, zoolang de zon der gerechtigheid hun verborgen was. Zoo nu Petrus als onheilige menschen tot de duisternis wegzendt de leerjongens, die aan de letter der wet gehangen hebben, zoolang zij Christus, de eenige wijsheid Gods niet gekend hebben, zoo moeten wij des te meer arbeiden, om de kennis van Hem te verkrijgen.
15 Die u geroepen heeft heilig is. Hij neemt zijn bewijsreden van het einde hunner roeping op deze wijze: God zondert ons af tot zijn eigendom, zoo moeten wij dan zuiver zijn van alle bevlekkingen, en verhaalt ook die spreuk, die Mozes dikwijls verhaalt. Want wijl het volk van Israël aan alle kanten van de onheilige heidenen omringd was, waaruit het licht was zeer kwade exempelen en ontallijke besmettingen aan te nemen: zoo is het dat God hen van uit dit volk tot Zich roept, alsof Hij zeide: Gij hebt met mij te doen, gij zijt mijne, en daarom onthoudt u van de besmettingen der heidenen. Wij zijn hiertoe al te zeer genegen, dat wij op de menschen zien, om hun algemeen leven te volgen. Hieruit komt het, dat de een den ander met hoopen trekt tot alle kwaad, totdat er ons God door zijne roeping afscheidt. Dat Hij ons nu beveelt heilig te zijn, gelijk Hij is, is niet te verstaan dat wij met God vergeleken \vorden, alsof wij zijns gelijken waren, maar dat wij, zooveel in ons is, daarnaar staan moeten. En gemerkt ook de volmaaktsten altijd verre zijn van dat doel, zoo moeten wij dagelijks daartoe meer en meer pogen. Laat ons gedenken, dat ons niet alleen voorgesteld
30
1 PETRUS 1: 15, 16.
wordt wat onze schuldige plicht is, maar dat God ook daarbij doet;
Ik ben het, die u heilig. Petrus doet er nog toe: In al uwen wandel, opdat er geen deel onzes levens zij, dat naar deze goede reuk der heiligheid niet rieke. Want wij zien hoe de Heere in kleine zaken, en die bijna niets te beteekenen hebben, zijn volk gewent tot deze bedenking, opdat het zich te zorgvuldiger wachte.
17 En indien gij tot een Vader aanroept Dengene, die zonder aan- Deut. 10:17. zien des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zoo doet
uwe wandeling den tijd uws vreemdelingschaps met vreeze;
18 Wetende dat gij verlost zijt van uwe ijdele wandeling der vaderlijke inzettingen, niet met vergankelijk zilver of goud,
19 Maar met het dierbaar bloed van Christus, als van een onschul- i Kon. 6:20;
7 * 23
dig en onbevlekt lam. Hebr. 9: u.
20 Die wel tevoren verordineerd is geweest vóór de grondlegging Eom. ie: 25. der wereld, maar geopenbaard in de laatste tijden voor u.
21 Gij die door Hem gelooft in God, welke Hem opgewekt heeft van de dooden, en Hem heerlijkheid gegeven, opdat gij geloof en hoop op God hebben moogt.
22 Uwe zielen gereinigd hebbende met de gehoorzaamheid der Keinigende waarheid door den Geest tot ongeveinsde broederlijke liefde, inj enz. zoo hebt elkander vuriglijk lief uit een zuiver hart.
16 En indien gij tot een Vader aanroept Dengene. Die worden hier gezegd God tot een Vader aan te roepen, die zich uitgeven voor zijne kinderen, gelijk Mozes spreekt Gen. 48, dat de naam Jakob zou aangeroepen zijn over Efraïm en Manasse, opdat zij onder zijne kinderen geteld worden. Petrus ziet op wat hij tevoren gezegd had als gehoorzame kinderen, verklarende uit de natuur des Vaders hoedanige gehoorzaamheid men schuldig is te bewijzen. Hü oordeelt, spreekt hij, zonder aanzien des persoons, dat is. Hij wordt niet bewogen door de uiterlijke aanzienlijkheid, gelijk de nienschen doen, maar Hij aanziet het hart, 1 Sam. 16 en zijn oogen zien op het geloof, Jer. 5. Dit wil ook Paulus zeggen Rom. 2, waar hij leert, dat Gods oordeel is naar waarheid. Want daar ziet hij op de hypocrieten, die daar wanen dat ze God met een ijdelen schijn kunnen bespotten. Dit is kortelijk de zin, dat we ons tegen God niet kwijten, zoo wij Hem alleenlijk naar de oogen dienen: want Hij is niet een sterfelijk mensch, die met den uiterlijken schijn tevreden is, dewijl Hij van binnen in ons hart leeft hoedanig wij zijn: Hij heeft ook zijne wetten niet laten voorschrijven voor de handen en voeten, maar Hij vereischt eene geestelijke gerechtigheid.
Naar eens iegelijks werk. Hieruit kan men noch verdienste, noch loon bevestigen. Want hier is geen kwestie van de verdiensten der werken, noch van de oorzaak der zaligheid: maar Petrus vermaant ons alleen dat voor den rechterstoel Gods het aanzien des persoons niet geldt, maar dat er alleen acht genomen wordt op de oprechtheid des harten. In deze plaats wordt het geloof ook begrepen onder den naam werk. Waaruit genoeg verstaan wordt wat een ongeschikt en kinderachtig besluit het is te zeggen, hoedanig een iegelijk van ons is oordeelt God uit de oprechte conscientie,
en niet uit den uitwendigen schijn, derhalve verkrijgen wij de zalig-
31
1 PETRUS 1 : 17, 18.
heid door de werken. Verder, dit woord vreeze, waarvan hij vermeldt, wordt gezegd tegen de gerustigheid die ons pleegt aan te komen, als wij meenen iemand te kunnen bedriegen zonder in straf te vallen: want gemerkt Gods oog zoo klaarlijk alles doorziet, dat zij ook tot in de verborgene plaatsen doordringt, zoo moeten wij zorgvuldig en niet zorgeloos met Hem omgaan. Vreemdelingschap noemt hij dit tegenwoordig leven, niet met die meening gelijk hij tevoren de Joden, aan wie hij schrijft, in het begin des briefs vreemdelingen genoemd heeft: maar omdat alle godzaligen in deze wereld vreemdelingen zijn, Hebr. 11.
18 Wetende dat g:y verlost z|jt. Dit is een andere bewijsreden, genomen van den prijs onzer verlossing, waaraan wij altijd denken moeten als er kwestie is van onze zaligheid. Daarom, die de genade des Evangelies verstoot of veracht, dezelve acht niet alleen gering en snood zijne zaligheid, maar veracht ook dat bloed van Christus, hetwelk God daarvoor tot een prijs ontvangen heeft. Nu weten wij wat een schrikkelijke schending der heilige dingen het is, het bloed van Christus te ontheiligen. Hierom zoo is er niets dat ons meer behoort tot den ijver der heiligheid te prikkelen, dan de gedachtenis van dezen prijs. Om de zaak te klaarlijker voor te stellen, zoo stelt hij tegen dezen prijs goud en zilver, opdat wij weten dat de gansche ^ wereld, en wat de menschen kostelijk achten niets is bij dezen uitnemenden prijs. Hij zegt ook dat wij verlost zijn van de ijdele wandeling, opdat wij weten, dat des ganschen menschen leven een verderfelijk doolhof is van dwalingen, totdat hij tot Christus bekeerd is. Daarna geeft hij ook te kennen, dat het niet geschiedt door onze verdiensten, dat wij op den rechten weg gebracht worden, maar omdat God wil dat de prijs, dien Hij voor onze zaligheid besteed heeft, in ons krachtig zij. Zoo is dan dat bloed van Christus niet alleen het pand onzer zaligheid, maar ook de oorzaak dat wij daartoe geroepen worden. Ook vermaant Petrus dat men toezie, dat onze ongeloovigheid dezen prijs niet ijdel en krachteloos make: maar dewijl Paulus roemt met eene zuivere conscientie God gediend te hebben van zijne voorvaderen af, en dat hij ook Timotheus aanprijst om na te volgen de godvruchtigheid zijner grootmoeder Loïs, en zijner moeder Eunice. Insgelijks, dat ook Christus van de Joden zegt, dat zij wel weten wat God zij aanbidden, zoo kon het schijnen buiten reden dat Petrus zegt, dat de Joden uit de vaderlijke inzettingen niet geleerd hebben dan louter ijdelheid. Ik antwoord, als Christus leert dat de Joden zeker rede en wetenschap hebben van den godsdienst, dien zij houden, zoo ziet hij veel meer op de wet en het gebod Gods, dan op den gemeenen hoop des volks. Want doordien de tempel niet tevergeefs was gebouwd te Jeruzalem, en dat God daar gediend was niet naar het goeddunken der menschen, maar naar het voorschrift der wet, zoo zegt hij daarom, dat de Joden niet dwalen in deze onderhouding der wet. Zooveel aangaat de voorvaders van Paulus, Loïs, Eunice, en dergelijken, het is niet te betwijfelen of God heeft altijd ten minste sommige overblijfselen gehad onder dat volk, onder welke de rechte Godvruchtigheid bleef; daarbij het lichaam des volks zelve was wonderlijk verdorven, en als henenweg gevloeid in alle soorten van dwalingen. Daar regeerden ontallijke superstitiën, de geveinsdheid was er in zwang, het betrouwen der zaligheid stond op ik weet niet wat beu-
32
1 PETRUS 1: 18â20.
zelingen. Zij waren niet alleen doordrenkt met kwade opiniën, maar ook betooverd met grove razernijen. En die nu in verscheidene plaatsen der wereld verstrooid waren, die waren in nog meer verderfelijke dwalingen ingewikkeld. In één woord, dat volk was voor het meerendeel van de ware godsdienstigheid gansch afgeweken, of zeer teruggegaan. Als Petrus dan verwerpt de instelling der vaderen, zoo scheidt hij die af van Christus, die alleen is de ziel en de waarheid der wet. Hieruit besluiten wij, dat zoo haast de menschen van Christus afwijken, zoo dwalen zij tot hun verderf. Tevergeefs wordt hier voorgewend de autoriteit der vaderen, of de oude gewoonte. Want de profeet Ezechiël riep tot de Joden: gij zult in de zeden uwer vaderen niet wandelen. Ditzelve wordt ook hedendaags zoowel tot ons gesproken: want willen wij dat de verlossing van Christus bij ons krachtig en vruchtbaar zij, zoo moeten wij van ons vorig leven afstaan, ofschoon wij het uit der vaderen instelling aangenomen hebben. Hierom zoo zijn die Papisten meer dan dwaas, die daar meenen dat de bloote naam der vaderen hun alzoo genoegzaam is, om alle superstitiën te beschermen, dat ze daarop steunende, vrijelijk verwerpen al wat men uit Gods woord voortbrengt.
19 Als van een lam. Met deze gelijkenis verklaart hij, dat wij in Christus hebben al wat voor de ouden door de offeranden afgescha-duwd is geweest; hoewel hij voornamelijk ziet op het paaschlam. En hieruit is te leeren wat nut het lezen der wet ons brengt in deze zaak. Want hoewel de wijze van offeren afgedaan is, zoo is het nochtans geen klein hulpmiddel voor ons geloof overeen te brengen de waarheid met de voorbeelden, opdat wij daarin zoeken wat de schaduwen aanwezen of inhielden. Mozes beval, dat men het lam van het Pascha zou uitkiezen gansch en zonder smet zijnde: hetzelve wordt ook dikwijls verhaald van de offerande. Lev. 3 en 22, Num. 28, en in andere plaatsen. Als nu Petrus dit op Christus brengt, zoo leert hij, dat dit geweest is eene wettige en Gode aangename offerande, omdat zij gansch en zonder eenige vlek geweest is. Want zoo Hij wat gebrek in Zich gehad had, zoo had Hij niet behoorlijk Gode kunnen geofferd worden, ik zwijg zijne gramschap stillen.
33
20 Die tevoren uit voorzien. Hij verbreedt wederom Gods genade, toonende dat God de menschen van dien tijd eene bijzondere waardigheid aangedaan had, ten aanzien des voorledenen tijds. Want dit is geen eenvoudige of geringe zaak, dat God de openbaring van Christus heeft uitgesteld tot op hun tijd, zoo Hij toch dien in zijn eeuwigen raad tot de zaligheid der wereld verordineerd had. Daar-benevens, vermaant hij ook dat het niet nieuw of onverwacht is ten aanzien van God, dat Christus tot zaligheid verschenen is, 'twelk een zaak is vooral noodig geweten te worden. Want behalve dat de nieuwigheid altijd verdacht is, wat vastigheid zou ons geloof hebben, zoo wij het daarvoor hielden, dat alleen na sommige duizend jaren Gode haastelijk in den zin gekomen is het middel om de menschen te helpen. Ten laatste, wij konden met een gerust betrouwen op Christus niet rusten, zoo wij niet vasthielden dat onze zaligheid in Hem eeuwig is, en altijd geweest is. Daarenboven spreekt Petrus tot de Joden, die nu eertijds gehoord hadden, dat Hij beloofd was. En hoewel zij niet wel klaarlijk en zekerlijk wisten zijn kracht en ambt, zoo bleef nochtans onder hen overig dit vast gevoelen, dat den vaderen een verlosser van God beloofd was. Hier wordt
3
Dl. VIII.
1 PETRUS 1 : 20.
34
nochtans gevraagd: aangezien vóór de schepping der wereld Adam nog niet gevallen was, hoe Christus verordineerd is geweest tot een verlosser? want het geneesmiddel moest zijn naar de ziekte. Ik antwoord, dat dit moet geduid worden op Gods voorwetenschap. Want waarlijk eer God den mensch schiep, heeft Hij wel voorzien, dat hij niet lang zou staan in zijn volkomenheid. Daarom heeft Hij naar zijne wonderlijke wijsheid en goedheid Christus verordineerd tot een verlosser, die het verkoren menschelijk geslacht van het verderf zou bevrijden. Want hierin blinkt te klaarder Gods onmetelijke goedheid, dat Hij onzer ellendigheid voorgekomen is met het middel zijner genade, en dat Hij ons tot het leven opgericht heeft, eer de eerste mensch in den dood gevallen was. Indien de lezer hiervan Wat meer begeert, hij kan dat halen uit oaze »Institutie.quot; Geopenbaard. Ik acht dat onder dit woord begrepen is zoowel de openbaring des Gezalfden, als de uitbreiding des Evangelies. Want met de toekomst van Christus heeft God uitgevoerd wat Hij besloten had, en heeft ons klaarlijk en ten volle geopenbaard, wat Hij den vaderen duisterder getoond had. Hij zegt dat dit geschied is in dezen tijd met dien verstande, dat Paulus ook zegt Gal. 4, in de volheid des tijds. Want dit is de rijpe bekwame tijd, dien God naar zijn besluit tevoren bestemd had. Om u. Hij sluit de vaders niet uit, alsof hun de belofte onnut ware geweest, maar hij wijst aan, dat, dewijl ons God meer voordeel gegeven heeft, zooveel te meer eerbied, ijver en naarstigheid van ons vereischt wordt, als zijne genade te heerlijker is jegens ons. Hij doet er toe: Gij die gelooft. Want de openbaring van Christus komt allen zonder onderscheid niet toe, maar komt toe eigenlijk aan wie zij door het Evangelie verschijnt. Daar is ook aan te merken dat hij aldus spreekt: Gy die door Hem in God gelooft. Want daarmede wordt kortelijk de aard des geloofs uitgedrukt. Want aangezien God onbegrijpelijk is, zoo zal het geloof tot Hem nimmermeer geraken, tenzij het zich recht tot Christus begeve. Ja daar zijn twee redenen, dat er geen geloof kan zijn in God, zoo Christus niet als Middelaar daartusschen komt. Want vooreerst is te overleggen de grootheid der Goddelijke heerlijkheid, en daarbij de kleinheid van ons verstand. Het is voorwaar verre van daar, dat de scherpheid onzes verstands zoo hoog zou kunnen klimmen om God te begrijpen. Hierom al wat men bedenkt van God buiten Christus, is een onmetelijke afgrond, waarin al onze zinnen terstond verslonden worden. Hiervan is een klaar betoog, niet alleen in de Turken en Joden, (die onder den naam van God hunne droo-men aanbidden) maar ook in de papisten; Dit is een algemeen gevoelen en fundament hunner scholen, dat God is het oogmerk des geloofs. Alzoo philosopheeren zij in het breede zeer scherpzinnig van de verborgen majesteit Gods, en gaan Christus voorbij. Maar wat vorderen zij daarmede? zij wikkelen zichzelven in wonderlijke droomerijen, dat der dwalingen geen einde is: want zij meenen dat het geloof niet anders is dan eene ijdele beschouwing. Daarom laat ons gedenken dat Christus niet tevergeefs genoemd wordt het beeld des onzienlijken Gods, maar dat Hem daarom die naam gegeven is, omdat God in niemand dan in Hem wil gekend zijn. De andere reden is, dewijl het geloof ons met God moet vereenigen, dat wij vlieden en een afschuw hebben van tot God te gaan, zoo ons Christus de Middelaar niet ontmoet, die ons van alle vreeze ver-
1 PETRUS 1 : 20â22.
losse, want de zonde, die in ons regeert, maakt dat God ons haat, en wij Hem. En daaruit komt, dat zoo haast van God vermeld wordt, wij terstond noodzakelijk met schrik bevangen worden. En zoo wij tot Hem genaken, zijne gerechtigheid als een vuur is, dat ons gansch verteert. Hieruit blijkt, dat wij niet kunnen God geloo-ven dan door Christus, in welken God Zich als klein maakt, opdat Hij Zich naar ons begrip vernedere. Christus is het ook alleen, die onze conscientien kan gerust stellen, dat zij vertrouwelijk tot God durven gaan.
21 Die Hem opgewekt heeft. Hij doet daartoe, dat Christus is opgewekt van de dooden, opdat ons geloof en hoop een vaste steun-sel hebben om op te steunen. Waarmede wederom wederlegd wordt dat versiersel van dat algemeene en duister geloof in God; want ofschoon daar geen verrijzenis van Christus is, zoo blijft God nochtans in den hemel. Nu zegt Petrus, dat men in God niet gelooven kan, tenzij Christus verrezen is, zoo is het dan openbaar dat het geloof wat anders is, dan het aanschouwen van die bloote majesteit Gods. En met recht spreekt Petrus alzoo: want de eigenschap des geloofs is dat het de hemelen doordringe, om aldaar den Vader te vinden. Hoe zal het zulks kunnen doen, zoo het Christus niet heeft tot een leidsman? Door Hem, spreekt Paulus, hebben wij een vrijen toegang, Efez. 3. Insgelijks Hebr. 4 betrouwende op onzen Hoogepriester, zoo mogen wij met vrijmoedigheid gaan tot den troon der genade. De hoop is het anker onzer zielen, hetwelk ingaat tot het binnenste en verborgenste des heiligdoms: maar hiertoe moet Christus voorgaan, Hebr. 6. Ons geloof is de overwinning der wereld, 1 Joh. 5. Wat doet het geloof overwinnen, dan dat Christus, die een Heer des hemels en der aarde is, ons in zijn trouw en bewaring heeft? Dewijl dan onze zaligheid gelegen is hierin, dat Christus verrezen is, en de hoogste heerschappij heeft, zoo is het dat ons geloof en hoop hierin vinden om zich op te houden. Want tenware Christus door zijn verrijzenis over den dood getriumfeerd had, en nu ook het hoogste gebied had, om ons door zijn kracht te beschermen, hoe zouden wij het maken onder zoo groote macht der vijanden, en onder zoo geweldige bestormingen? Laat ons dan lee-ren naar wat doel wij mikken moeten, om God recht te vertrouwen.
22 Zuiverende uwe zielen. De meening is, dat onze zielen niet bekwaam zijn om Gods genade te ontvangen, totdat ze gezuiverd zijn: waarmede onze onreinigheid aangewezen wordt. Maar opdat Hij ons de kracht van de ziel te zuiveren niet schijne toe te schrijven, zoo doet Hij daartoe tot verbetering, door den Geest. Alsof hij zeide, de zielen moeten gezuiverd worden, maar aangezien gij daartoe niet vermoogt, zoo geeft ze Gode over, dat Hij door'zijnen Geest hare onreinigheid wegneme. Hij noemt alleen de zielen, hoewel wij van de bevlekkingen des vleesches moeten gezuiverd worden, gelijk Paulus beveelt 2 Cor. 7 : 1. Maar overmits de inwendige onzuiverheid de voornaamste is, en de uitwendige noodzakelijk medebrengt, zoo is het Petrus genoeg geweest alleen van de inwendige te spreken, alsof hij gezegd had, dat niet alleen de uitwendige werken verbeterd, maar ook de harten zelve gansch moeten gereformeerd en vernieuwd worden. De wijze, hoe, verklaart hij daarna, want hierin is de zuiverheid onzer ziel gelegen, zoo wij ons onder Gods gehoorzaamheid begeven. De waarheid, neemt hij hier voor
35
36 1 PETRUS 1 : 22, 23.
den regel, dien ons de Heere in het Evangelie voorschrijft. Hier wordt niet alleen van de werken gesproken, maar veelmeer van het geloof, hetwelk het eerste is. Hierom, zegt Paulus, dat het eigenlijk het geloof is, waarmede wij Gode gehoorzaam zijn, Rom. 1 : 16 en Petrus, Hand. 15, geeft het geloof dien lof, dat God daardoor onze harten zuivert. Tot broederlijke liefde. Hij vermaant kortelijk wat God in ons leven voornamelijk begeert, en waartoe wij alle onze naarstigheid wenden moeten. Alzoo Paulus Ef. 1, waar hij predikt van de volmaaktheid der geloovigen, stelt ze in de liefde; dit is hierom des te ernstiger gade te slaan, omdat de wereld hare heiligheid sluit in ik weet niet wat beuzelingen, dit voorname hoofdstuk meest verzuimende. Wij zien hoe die papisten zich in duizend versierde superstitiën zonder mate moede maken, intusschen de liefde, die God meest beveelt, die wordt achteraan gesteld. Dit is dan de oorzaak waarom ons Petrus tot de ernstige oefening daarvan terugroept, handelende hoe men zijn leven recht zal aanstellen. Tevoren heeft hij gesproken van de dooding des vleesches, en van onze gelijkvormigheid met God: maar nu vermaant hij waarin God wil dat wij ons al ons leven oefenen zullen: namelijk, dat wij onderlinge liefde te werk stellen, want daarmede betuigen wij dat wij God liefhebben. En hiermede proeft God wie zij zijn die Hem recht liefhebben. Hij noemt de liefde ongeveinsd, gelijk Paulus doet, 1 Tim. 1. Want daar is niet zwaarders dan zijn hart oprecht aanleggen tot de liefde des naasten. Want onze eigen liefde heeft de overhand, die vol van geveinsdheid is, daarna, zoo iemand zijnen naas-sten wat liefde toont, hij zoekt daarin veel meer zijn eigen voordeel, dan dat hij het doet met een lust van gaarne mede te deelen. Hij stelt daar nog bij vastelijk of sterkelijk: want hoe trager wij van nature zijn, hoe meer zich een iegelijk moet prikkelen tot ijver en naarstigheid, en dit niet alleen voor eens, maar van dag tot dag meer en meer.
23 Wedergeboren zijnde niet uit vergankelijk, maar uit onvergan-i) of, dat ie- kelijk zaad, door ') het woord des levenden Gods, die daar blijft
eeuwTgVoquot; 111 der eeuwigheid.
Tende 24 Aangezien dat alle vleesch is als a-ras, en al zijne heerlijkheid
Woord, enz. i r, â , rr .. â j j â¢â¢ vi
Jes. 40:6. als een bloem des gras. Het gras is verdord, en zijne bloem
is afgevallen ;
25 Maar het woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. En dit is het woord, dat u verkondigd is.
23 Wedergeboren. Dit is een andere reden tot vermaning, dat de geloovigen, dewijl zij nieuwe menschen, en van God wedergeboren zijn, behooren te leven waardig naar God, en gelijk den wedergeborenen naar den Geest betaamt. Het schijnt, dat dit behoort gevoegd te zijn bij de naastvolgende woorden van de redelijke melk te begeeren, opdat de wijze des levens overeenkome met de geboorte: hoewel men het ook breeder kan nemen, als hangende aan het voorgaande: want Petrus verzamelt in het gemeen alle redenen, die ons tot de naarstigheid eens rechten en heiligen levens kunnen opwekken. Dit is dan zijn meening, dat hij wil leeren hoe wij zonder de wedergeboorte geene Christenen zijn. Want het Evangelie
jj
L
1 PETRUS 1 : 23, 24.
[ier wordt niet gepredikt om alleen van ons gehoord te zijn, maar opdat
het het als een zaad des onsterfelijken levens, onze zielen in den grond
lijk vernieuwe en verbetere. Dan, hij stelt dat verderfelijk zaad tegen
en het woord Gods, opdat de geloovigen weten, dat zij van die eerste ^ze gt; natuur een afscheiding moeten maken, en ook opdat het onderscheid
vat tusschen Adams kinderen, die alleen als natuurlijke menschen in de wereld geboren worden, en de kinderen Gods, die tot een hemelsch leven veranderd worden, te klaarder blijke. De Grieksche tekst
dit laat toe dat wij lezen: Het levende woord Gods, of het woord
lre des levenden Gods. Doch dewijl de tweede wijze van spreken
fne best vloeit, zoo houde ik ze voor de beste, hoewel is aan te mer-
in ken, dat deze bijstelling levend Gode worde toegeschreven naar de
en omstandigheid der plaats: want gelijkerwijs de apostel bij de He-
3it breën hfdst. 4 uit hetgeen, dat God alles doorziet en geen ding
ng Hem verborgen is, besluit dat Gods woord doordringt tot het bin-
in. nenste merg, alzoo dat het onderscheidt de gedachten en genegen-
es heden des harten, alzoo Petrus ook hier. Hij noemt Gods woord
â¢in levend en altijd blijvend, hetwelk op dit woord wel kan geduid
^jj worden, waarin als in een levenden spiegel de eeuwigheid Gods
vij is lichtende.
ht 24 Aangezien alle vleesch is als gras. Hij brengt zeer be-
gt kwamelijk bij de plaats van Jesaja, om beide de stukken te be-Jes-40:6-
g. wijzen, dat is, dat men wete hoe ongestadig en ellendig des men-
.r. schen eerste geboorte is, en hoe groot de genade is der weder-
lS. geboorte. Want omdat de profeet daar predikt van de weder-
ir. oprichting der gemeente, opdat hij dezelve plaats make, zoo
n vernietigt hij de menschen, opdat ze zichzelven niet behagen. Ik
^ij # weet dat sommigen deze woorden tot een anderen zin trekken: er want sommigen leggen ze uit van de Assyriërs, alsof de profeet
^ wilde zeggen, dat de Joden niet zoozeer hadden te vreezen voor
vleesch, hetwelk eene afvallende bloem gelijk is. Anderen meenen dat hier berispt wordt dat ijdel betrouwen, hetwelk de Joden stelden in menschelijke behulpselen. Maar de profeet wederlegt beider zin,
als hij zelf daar terstond bij zegt: Waarlijk, het volk is gras. Want met klare woorden oordeelt hij de Joden ijdel te wezen, dien hij nochtans de wederoprichting van den Heere belooft. En dit is het wat ik nu gezegd heb, dat de menschen niet geschikt zijn om Gods 11 genade te ontvangen, totdat hun hunne ijdelheid getoond worde.
In één woord, dusdanig is de tekst des profeten, dewijl den Joden lt hunne ballingschap was als een dood, zoo belooft hij hun wederom
een nieuwen troost, namelijk, dat God nog profeten zal uitzenden met dusdanig bevel; de Heere (spreekt hij) zal nog zeggen: Troost ,t mijn volk. En ook zelfs in de wildernis en woestijn zal deze pro-
ti fetische stem klinken: dat men den Heere den weg bereide. Doch
wijl het noodig is, dat de harten gezuiverd worden van die verkeerde hoovaardij, waardoor zij opgeblazen zijn, opdat God tot hen c komen mag, zoo voegt hij daartoe wat Petrus hier verhaalt van de
verdwijnende heerlijkheid des vleesches. Wat is de mensch? zegt hij, 1 ;⢠gras. Wat is de heerlijkheid des menschen? een bloem des gras. , Want omdat het niet wel geloofelijk was, dat de mensch, in wien
zulk een uitnemendheid schijnt te zijn, het gras zou gelijk zijn, zoo j gebruikt de profeet een wijze van toelating, alsof hij zeide: Laat
; het vleesch wat heerlijkheid hebben, maar opdat dezelve de
37
4»
1 PETRUS 1 : 24, 25.
oogen niet verblinde, zoo weet dat zij is eene verwelkende bloem. kir
Daarna toont hij hoe haastelijk alles verdwijnt, wat den menschen nit
eenige aangenaamheid aanbrengt. Namelijk, door het geblaas van Nv
den Geest des Heeren: waarmede hij te kennen geeft, dat de mensch on svel wat schijnt, eer hij bij God komt, maar dat al zijn schijn voor i vo
God niets is. Eindelijk, dat ook zijn heerlijkheid op deze wereld op
blijft, en geen plaats heeft in het rijk der hemelen. Het gras is Dj
verdord. Velen meenen, dit is maar gezegd van den uitwendigen le(
mensch, maar zij zijn bedrogen; want men moet acht nemen, hoe ge
het woord Gods vergeleken wordt bij den mensch. Want zoo hij al- wt leen meende dit lichaam, en voorzooveel dit tegenwoordige leven aan- ' nc
gaat, hij had voor dat tweede deel moeten zeggen, dat de ziel veel wt
uitnemender is. Nu stelt hij alleen het woord Gods tegen de bloem wlt;
en het gras, waaruit dan volgt, dat in' den mensch niets dan ijdel- va
heid gevonden wordt. Daarom, Jesaja sprekende van het vleesch m
en van zijne heerlijkheid, neemt den ganschen mensch hoedanig en d(
hoe groot hij zijn mag. Want wat hij het woord Gods als eigen di
toeschrijft, wil hij den mensch benemen. In ée'n woord, de profeet handelt hier hetgeen Christus doet. Joh. 3, hoe de mensch gansch vreemd is van het rijk Gods, en dat hij niets heeft dan wat aardsch, bouwvallig en ijdel is, tenzij hij wedergeboren worde.
25 Maar het woord des Heeren. De profeet leert niet hoedanig Gods woord is in zichzelve, maar hoedanig wij het bevinden. Want nadat de mensch in zichzelven vernietigd is, zoo moet hij voort het leven elders zoeken. Zoo geeft dan Petrus, volgens de autoriteit des profeten, het woord Gods deze kracht en werking, dat het ons aanbrengt dat vaste en eeuwige wezen. Want hierop ziet de profeet, dat daar geen gestadig leven is, dan in God, en dat hetzelve leven ons medegedeeld wordt door het woord Gods. Al is het dan, dat des menschen natuur vervalt, nochtans omdat hij door het woord veranderd wordt tot een nieuw creatuur, zoo wordt hij eeuwig gemaakt. Het woord dat u verkondigd wordt. Eerst vermaant hij, dat, wanneer daar van het woord Gods vermeld wordt, wij verkeerdelijk doen, zoo wij ons inbeelden dat het in de lucht of in den hemel is verre van ons verwijderd: want het moet van ons bekend zijn, als van den Heere geopenbaard. Wat is dan het woord des Heeren dat ons levendmaakt ? Dit namelijk, de wet, de profeten en het Evangelie. Al degenen die buiten deze palen loopen, krijgen inplaats van Gods woord, niets dan bedriegingen des satans en hun eigen droomen. Des te naarstiger moeten wij dit aanmerken,
38
omdat die goddelooze en Lucianische menschen listig Gods woord zijn eere alzoo laten, dat zij ons intusschen van de Schrift zoeken af te leiden, Gelijk de vuile hond Agrippa, alzoo hij het eeuwige woord Gods hoogelijk verheft, zoo veracht hij als een hansworst de i profeten en apostelen, en hij bespot bedektelijk het woord Gods. In ée'n woord, gelijk ik nu vermaand heb, dat hier niet gesproken wordt van het woord Gods, dat in Gods boezem besloten en verborgen ligt, maar van dat woord, hetwelk uit zijn mond gesproten, en tot ons gekomen is, alzoo moeten wij wederom dit weten, dat God tot ons heeft willen spreken door de apostelen en profeten, en dat hunne monden zijn geweest de mond van den eenigen God. Daarna, als Petrus zegt; Dat u verkondigd is, daarmede verklaart hij, dat het woord nergens anders te zoeken is, dan in de predi-
*â¢
39
king, die ons aangeboden wordt. Wij kunnen ook waarlijk anders niet smaken de eeuwige kracht daarvan, dan door het geloof. Nu kan daar geen geloof wezen, tenzij wij weten dat het woord tot ons gezonden wordt. Alzoo zullen wij verstaan dat Mozes tot het volk zeide, Deut. 30; En zegt niet in uw harten, wie zal ten hemel opklimmen, enz. Het woord is nabij in uw mond, en in uw hart. Dat die prediking van Mozes overeenkomt met wat Petrus hier leert, toont Paulus, Rom. 10, waar hij zegt, dat het dat woord des geloofs was, hetwelk hij predikte. Daarenboven wordt hier die uitwendige prediking met een schoonen lof versierd, als Petrus ze noemt levendmakend te zijn. Het is wel zoo, dat God ons alleen wederbaart, maar hiertoe gebruikt Hij den dienst der menschen. Uit welke oorzaak Paulus zich roemt, dat hij der Corinthiërs geestelijke vader is. Het is wel waar, dat die planten en natmaken niets zijn, maar zoo wanneer God hun arbeid zegenen wil, zoo maakt Hij door de kracht zijns Geestes, dat hun leering krachtig is, en dat de stem, die in zichzelve dood is, een instrument wordt des eeuwigen levens.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 Hierom dan afleggende alle boosheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;
2 Als nieuwgeborene kinderen begeert de redelijke ') onvervalschte Bom. «:4. melk, dat gij door dezelve opwast; Hebt.112:1.
3 Zoo gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere vriendelijk is. i) Of: Des
4 Tot welken gij gekomen zijt als tot een levenden steen, die of: De reine wel van de menschen verworpen, maar bij God uitverkoren en m®lk des
. wdords.
kostelijk is.
5 En ook gij als levende steenen weest gebouwd tot een geestelijk huis, en tot een heilig priesterdom, om te offeren geestelijke offeranden, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.
Nadat hij geleerd heeft, dat de geloovigen door het woord Gods zijn wedergeboren, zoo vermaant hij ze nu zulk een leven te leiden, dat zoodanige geboorte waardig is. Want zoo wij door den Geest leven, zoo moeten wij ook naar den Geest wandelen, gelijk Paulus zegt, Gal. 5: 25. Zoo is het dan niet genoeg dat wij eens van God vernieuwd zijn, tenzij wij leven gelijk den nieuwen creaturen betaamt. Dit is de inhoud. Zooveel de woorden belangt. Petrus zet zijne manier van spreken voort. Dewijl wij wedergeboren zijn, zoo vereischt hij een leven der kinderen van ons, waarmede hij te kennen geeft, dat wij den ouden mensch met zijne werken moeten uittrekken. Hierom zoo komt deze spreuk overeen met die, welke Christus spreekt, als Hij zegt: Tenzij gij wordt gelijk dit kindeken, gij zult in Gods rijk niet ingaan, Matth. adat hij geleerd heeft, dat de geloovigen door het woord Gods zijn wedergeboren, zoo vermaant hij ze nu zulk een leven te leiden, dat zoodanige geboorte waardig is. Want zoo wij door den Geest leven, zoo moeten wij ook naar den Geest wandelen, gelijk Paulus zegt, Gal. 5: 25. Zoo is het dan niet genoeg dat wij eens van God vernieuwd zijn, tenzij wij leven gelijk den nieuwen creaturen betaamt. Dit is de inhoud. Zooveel de woorden belangt. Petrus zet zijne manier van spreken voort. Dewijl wij wedergeboren zijn, zoo vereischt hij een leven der kinderen van ons, waarmede hij te kennen geeft, dat wij den ouden mensch met zijne werken moeten uittrekken. Hierom zoo komt deze spreuk overeen met die, welke Christus spreekt, als Hij zegt: Tenzij gij wordt gelijk dit kindeken, gij zult in Gods rijk niet ingaan, Matth. 18 : 3. Deze kindsheid wordt van Petrus gesteld tegen die oudheid, die tot verdorvenheid strekt. Met het woord melk, vervat hij al de genegenheden des geestelijken levens. Want ook in dit deel is er eenige tegenstelling tusschen de zonden die hij verhaalt, en de redelijke melk, alsof hij gezegd had, boosheid en geveinsdheid
1 PETRUS 2:2.
behooren dengenen, die door gewoonte in de verdorvenheden der wereld deze gebreken hebben ingedronken. Maar der kindsheid behoort een eenvoudigheid die oprecht en zuiver van alle bedrog is. De menschen met lang te leven worden doordrenkt van nijdigheid, zij leeren elkander lasteren, zij worden onderwezen in kunsten om te schaden. In ee'n woord, zij worden doortrapt in alle soorten van boosheid: maar de nieuwgeboren kinderen vanwege hunne jonkheid weten nog niet van benijden, beschadigen, en dergelijke. Zoo vergelijkt hij dan de gebreken, waarin het oude vleesch geoefend is, bij sterke spijze. En hij noemt melk die wijze van leven, die met de onschuldige natuur en met de eenvoudige kindsheid overeenkomt. Alle bedrog. Dit is geen volkomen verhaal van alle gebreken die wij moeten afleggen, maar zoo wanneer de apostelen van den ouden mensch handelen, stellen zij voor sommige zonden tot een exempel, met welke zij zijn ganschen aard aanwijzen. De werken des vleesches zijn openbaar, spreekt Paulus, Gal. 5: 19, nochtans verhaalt hij ze daar niet alle, maar in die weinige, die daar verhaald staan, kan men als in een spiegel zien dat onmetelijk vuile grondsop, dat uit ons vleesch opwelt. Alzoo ook in andere plaatsen, waar hij het leven des ganschen menschen wil reformeeren of veranderen, verhaalt hij alleen sommige stukken der deugden van den nieuwen mensch, waaruit al de anderen kunnen verstaan worden. Zoo is het dan zooveel alsof hij zeide: Legt af de vruchten des vorigen levens, als daar zijn, boosheid, bedrog, geveinsdheid, nijdigheid, en zoodanige meer, en begeett u tot deugden daartegen overgesteld, namelijk, tot goedheid, oprechtheid en matigheid, oefent u daarin. In e'én woord, hiertoe arbeidt de apostel, dat het nieuwe leven nieuwe zeden voortbrenge. De redelijke melk. Deze plaats wordt gemeenlijk, naar de overzetting van Erasmus, uitgelegd voor melk niet des lichaams, maar der ziele. Maar ik gevoel dat dit woord icor.u:20. overeenkomt met die rede van Paulus, waar hij zegt: Zijt niet kinderen in 't verstand, maar in de boosheid. Want opdat niemand meene dat de onverstandige en zotte kindsheid van hem aan-
i geprezen wordt, zoo komt hij intijds daartegen. Alzoo beveelt hij
ons hier te begeeren de melk, die zonder bedrog, nochtans ook met recht verstand gekruid is. Nu zien wij, waartoe hij deze melk noemt redelijk, en zonder bedrog. Eenvoudigheid en doorzicht zijn wel twee dingen in soort verscheiden, nochtans moeten ze te zamen gemengd worden, dat de eenvoudigheid niet zij zonder verstand, en dat voor het verstand niet insluipe een booze slimheid; dit wordt een goede matiging, volgens de woorden van Christus, Matth. 10; 16: Zijt voorzichtig als de slangen, en oprecht als de duiven. En hiermede wordt beantwoord de vraag, die men anders hier kon tegenwerpen; Paulus verwijt den Corinthiërs, dat zij den kinderen gelijk zijn, en dat ze daarom geene sterke spijze verdragen kunnen, maar met melk te voeden zijn, 1 Cor. 3 : 1. Bijna dezelfde spreuk vinden wij in den brief aan de Hebreen, hfdst. 5:12. Maar in die plaatsen worden bij kinderen vergeleken degenen, die in de leer der godzaligheid altijd nieuwelingen en ongeleerde scholieren zijn, die in de eerste beginselen blijven steken, en nimmer tot eenige hoogere kennis Gods geraken. Maar hier wordt melk genoemd de
' grove en kinderlijke wijze van leeren, die nimmer boven die eerste
beginselen gaat. Derhalve Paulus en de schrijver aan de Hebreën
'' gt;
I I
V
40
1
1 PETRUS 2 : 2â5.
bestraffen terecht. Hier evenwel wordt de melk niet genomen voor het beginsel der leer, zoodat iemand altijd leerende, nimmermeer tot kennis der waarheid komt, maar voor dien vorm des levens, die daar smaakt naar de nieuwe geboorte, als wij ons Gode overgeven om opgevoed te worden. Desgelijks wordt hier de kindsheid gesteld niet tegen den mannelijken en volwassenen ouderdom van Christus, gelijk hem Paulus noemt, Ef. 4: 13, maar tegen de oudheid des vleesches en het voorgaande leven. Gelijk nu de kindsheid des nieuwen levens voortdurend is, alzoo prijst ons Petrus aan het gedurig voedsel der melk: want hij wil dat wij daarmede opgevoed zijnde, groot worden, en tot ouderdom komen.
3 Zoo gij anders gesmaakt hebt. Hij ziet op de plaats in Ps. 34:9; Smaakt en ziet, enz. Hij geeft te kennen, dat deze smaak in Christus ontvangen wordt. Gelijk ook voorwaar onze zielen buiten Christus nimmermeer rust zullen vinden. Hij neemt zijne bewijsreden tot vermaning, van de goedheid Gods, dat zijne zoetigheid, die wij in Christus gevoelen, ons behoort aan te lokken. Dat daar volgt; Tot welken gekomen, is niet eenvondig van God te verstaan, doch duidt Hem aan, gelijk Hij geopenbaard is in den persoon van Christus. Nu is het niet mogelijk of de genade Gods, zoo wanneer wij den rechten smaak daarvan weg hebben, moet ons ganschelijk tot zich trekken, en in hare liefde ontsteken. Zoo Plato dit gesproken heeft van wat hij schoon achtte, waarvan hij alleen eene schaduw en beeld bekent, als van verre gezien te hebben: hoeveel te meer kan dit van God gezegd worden. Dit is dan op te merken, dat Petrus den toegang tot God voegt bij den smaker zijner goedheid: want gelijk het verstand des menschen noodzakelijk voor God gruwt, en Hem schuwt, zoolang als het van Hem gevoelt dat Hij streng en straf is, alzoo wederom, zoo haast als Hij zijne vaderlijke liefde den ge-loovigen openbaart, zoo blijft daar niets, dan dat ze alles bezijden stellende, ja zichzelven vergetende, haastelijk tot Hem loopen. In één woord, die is eerst in het Evangelie toegenomen, die met het hart tot God gaat. Daarbenevens toont hij ook tot wat einde en met wat conditie wij tot Christus behooren te gaan, namelijk, opdat wij in Hem gegrond worden. Want aangezien Hij tot een steen gesteld is, zoo moet Hij bij ons die kracht bewijzen, opdat Hem niets tevergeefs en onnut van den Vader opgelegd zij. Doch opdat hij de ergernis voorkome, zoo bekent hij dat dezelve van de menschen verworpen is. Want dewijl een groot deel der wereld Christus verwerpt, en dat velen van Hem een afschrik hebben, zoo kon Hij hierdoor van ons veracht worden. Gelijk wij zien hoe sommige on-verstandigen van het Evangelie vervreemd worden, omdat het niet alom aangenaam is, noch dengenen die het belijden aangenaam maakt. Maar Petrus verbiedt ons Christus daarom te minder te achten, hoezeer Hij van de wereld veracht wordt, aangemerkt Hij desniettemin voor God zijn prijs en eere is behoudende.
5 Als levende steenen wordt gebouwd. Deze woorden kan men naar het Grieksch overzetten: Wordt gebouwd, dus gebiedend. Maar hoe men het neemt, dit is zeker dat Petrus de geloovigen wil vermanen, dat ze zich als een geestelijken tempel den Heere toeheiligen. Want hij bewijst zeer bekwamelijk, hoe wij ons kwijten moeten, toonende waartoe wij geroepen zijn. Voorts is wel aan te merken, dat hij uit het getal aller geloovigen een huis maakt; want
41
1 PETRUS 2:5.
42
hoewel een iegelijk van ons een tempel Gods is, en gezegd wordt, zoo moeten wij nochtans allen tegelijk vereenigd, en door onderlinge liefde tezamen verbonden zijn, opdat uit allen ée'n tempel worde. Daarom, gelijk het waar is, dat zij elk in 't bijzonder een tempel zijn, in welken God woont door zijn Geest, alzoo moeten zij allen tegelijk onder elkander samengevoegd worden, opdat zij alzoo tot één gebracht, tot één algemeenen tempel gebouwd worden. Dit geschiedt, als ieder met zijne mate tevreden zijnde, zich niet verder uitstrekt, dan hij naar zijn plicht behoort. Doch zoo moeten zij allen tot gemeenen welvaart bijbrengen, wat zij vermogen. Dat hij ons noemt levende steenen, en een geestelijk huis, gelijk hij Christus tevoren genoemd heeft een levenden steen, daarin maakt hij eene bedekte vergelijking met den ouden tempel. En dit dient tot verheerlijking der genade. Tot dit oogmerk dient ook wat hij daarbij voegt van de geestelijke offeranden. Want zooveel de waarheid de figuren te boven gaat, zooveel heerlijker zijn alle dingen onder het rijk van Christus. Want wij hebben dat hemelsche voorbeeld, waaronder het oude heiligdom, en wat bij Mozes in de wet is ingezet, gediend heeft. Heilig priesterdom. Dit is een bijzondere waardigheid, dat ons God niet alleen heiligt tot zijn tempel, waarin Hij wonen en gediend wil zijn, maar dat Hij ons daarbenevens ook priesters maakt. Deze dubbele eere verhaalt Petrus hierom, opdat hij ons tot den dienst Gods te scherper prikkelen zou. Onder de geestelijke offeranden is de voornaamste, die algemeene offering van onszelven, waarvan Paulus spreekt, Rom. 12 ; 1. Want wij kunnen Gode niet offeren, totdat wij eerst onszelven Hem tot een offerande geofferd hebben, 'twelk geschiedt als wij onszelven verloochenen. Daarna volgen de gebeden, dankzeggingen, aalmoezen, en andere oefeningen der godzaligheid. Gode aangenaam. Dit moet ons geen kleine blijmoedigheid geven, als wij weten dat onze dienst, dien wij doen, Gode behaagt, gelijk integendeel daaraan te twijfelen, den mensch noodzakelijk traag maakt. Dit is dan de derde prikkel, waarmede hij ons vermaant, dat hij getuigt dat onze dienst Gode behaagt, opdat de wankeling ons niet traag make. De afgodendienaars worden met grooten ijver gedreven tot hunne versierde godsdiensten: maar dat geschiedt doordien satan hunne harten dronken maakt, dat zij hunne werken nimmermeer bedenken. Maar zoo dikwijls hunne conscientiën recht onderzocht worden, dan beginnen zij te wankelen. Dit is zeker dat niemand zich ernstig en van harte tot God kan begeven, tenzij hij vastelijk wete, dat hij niet tevergeefs arbeidt. Maar de apostel doet daartoe: Door Christus. Want in onze offeranden zal nimmer die zuiverheid gevonden worden, dat ze uit zichzelven Gode behagen. De verloochening van onszelven is nimmer gansch en volkomen. Wij hebben nimmer zulk eene oprechte bewegelijkheid om te bidden, als het betaamde; wij zijn nimmer zoo vurig en dapper overgegeven om wel te doen, of onze werken zijn onvolkomen, en met vele gebreken besmet, maar Christus maakt dat ze aangenaam zijn. Zoo voorkomt dan Petrus dat mistrouwen, dat wij konden hebben van de aangenaamheid onzer werken, als hij zegt, dat ze aangenaam zijn, niet vanwege hunne waardigheid, maar om Christus' wille. En dit moet onze naarstigheid en ijver te meer ontsteken, als wij hooren dat God zoo goedertieren met ons handelt, dat Hij onze werken acht in Christus, welke op zichzelven
1 PETRUS 2:5, 6.
niets verdienen; hoewel deze woorden door Christus, ook bekwa-melijk kunnen gevoegd zijn met het woord offeren. Want zulke wijze van spreken wordt gebruikt, Hebr. 13; 15. Laat ons door Hem Gode offeren dankoffer. Doch het blijft dezelfde zin; want wij offeren door Christus, opdat de offerande Gode behage.
6 Daarom is het ook in de Schrift begrepen: Ziet, Ik leg in Zion P/S- -8:16-een uitverkoren kostelijken hoeksteen; en: Die in Hem gelooft,
zal niet beschaamd worden.
7 U dan, die gelooft, is Hij kostelijk; maar den ongeloovigen is Ps. 118:22. die steen, dien de werklieden verworpen hadden, tot een hoeksteen geworden;
43
8 Tot een steen des aanstoots, en tot een steen der ergernis, die Jes. 8:11. zich stooten aan dat woord, en niet daaraan gelooven, ') waar- i) Of: zyu toe zij ook geordineerd zijn. zaamh00r
6 In de Schrift is begrepen. Petrus wil zeggen, dat hetgeen hij wil leeren, van den Heiligen Geest in de Schrift voortgebracht is. Het was ook wel nut, dat de naastvolgende waarheid bevestigd werd: want wij zien, hoevelen van Christus een afschuw hebben, en zelfs hoe sommigen afwijken, om zoo geringe en bijna geene oorzaken. Maar deze ergernis onder anderen, namelijk, dat Christus niet alleen van den gemeenen man, maar ook van degenen die in eenige hoogheid gesteld zijn, en de voornaamsten schijnen, veracht en verworpen wordt, verhindert en trekt sommigen af, dat zij tot Hem niet komen. Deze dwaling is altijd zeer gemeen geweest in de wereld, en heeft nog al te zeer de overhand, dat velen van Christus gevoelen naar het verkeerd oordeel der wereld. Zoo toch Christus overal van die ondankbare goddelooze wereld veracht wordt, alzoo komt het, dat, als de een op den ander ziet, weinigen Hem zijne behoorlijke eere geven. Daarom waarschuwt Petrus, dat zulks tevoren van Christus gezegd is, opdat wij Hem ziende veracht en verworpen, van het rechte geloof niet zouden wijken. De eerste plaats die hij bijbrengt is genomen uit Jesaja, hfdst. 28 : 16, alwaar de profeet hooglijk bestraft hebbende die overgegevene boosheid zijns volks, eindelijk daarbij zegt; uwe trouweloosheid zal niet kunnen maken, dat God zijne kerk, die nu door u gansch vervallen is, niet weder opricht. De wijze van oprichting beschrijft hij; Ik zal in Zion een steen leggen. Waaruit wij afleiden dat zonder Christus geen kerk kan gebouwd worden; want zij kan nergens dan op Hem gegrond worden, gelijk Paulus getuigt, 1 Cor. 3; 11. En dit is geen wonder, want in Hem zijn te vinden al de deelen onzer zaligheid. Daarom, wie ook in 't minst van Hem afwijkt, zal geen steunsel vinden, maar van boven afvallen. Hierom ook noemt Hem de profeet niet alleen een hoeksteen, waarop het meeste gewicht des gebouws rust, maar ook een steen van beproeving, van voorbeeld, naar welken het gebouw welgeschikt en gevoegd moet worden. Daarna ook een vast fundament, 'twelk het gansche gebouw ophoudt; daarom is Hij alzoo de hoeksteen, dat Hij ook is de regel des gebouws en het eenig fundament. Maar Petrus heeft uit de woorden van den profeet genomen wat tot zijn oogmerk best diende, namelijk, dat Hij is een uitverkoren steen vol eere en uitnemendheid; daarna dat wij op
1 PETRUS 2:6, 7.
Hem moeten gefundeerd worden. De eere dient hiertoe, dat Christus H
hoe verachtelijk Hij ook voor de wereld zij, van ons niet veracht worde, ui
aangezien Hij bij God in de hoogste waarde is. Als hij Christus noemt w
een hoeksteen, verklaart hij daarmede dat die voor hun zaligheid le
geen zorg dragen, welke op Christus niet rusten. Dat sommigen over 1 b
het woord hoek scherpzinnig philosopheeren, alsof Christus daarom ei
zoo genoemd ware, omdat Hij Joden en heidenen als twee wanden w
samenvoegt, dat is niet vast genoeg. Laat ons dan met deze een- v
voudige uitlegging tevreden zijn, dat Hij daarom zoo geheeten is, e
omdat het gansche gebouw op Hem steunt. Bovendien is op te . h
merken, dat de profeten alzoo zijn woorden inbrengen, alsof het God V z
zelf sprak, want de Heere alleen is de werkman en de bouwmeester e
Ps. 48:9. zijner gemeente, gelijk in den psalm staat, dat zijn hand Zion ge- \
fundeerd heeft. Hij gebruikt wel tot dk gebouw de hulp en dienst l
der menschen, maar dat belet niet, of Hij kan vrij met waarheid â v
zeggen, dat het zijn werk alleen is. Zoo is dan Christus het funda- \
ment der zaligheid, ons van den Vader tot dit einde geordineerd. t
Doch hij zegt: In Zion, want aldaar moest de heilige tempel Gods ]
beginnen. Hierom, opdat ons geloof op Christus vaststa, moeten (
wij komen tot de wet en de profeten. Want hoewel deze steen de gansche wereld bezet tot de uiterste einden: zoo heeft Hij nochtans eerst in Zion moeten gelegd worden, waar alstoen de stoel der gemeente was. Want toen wordt Hij gezegd gelegd te zijn geweest,
als de Vader Hem geopenbaard heeft om zijne kerk op te richten. Tot besluit moeten wij dit vasthouden, dat die alleen op Christus staan, die eenigheid met de kerk houden, dewijl deze grondsteen alleen gelegd is in Zion. Dewijl nu de kerk uit Zion gesproten is, welke nu overal uitgebreid wordt, zoo heeft ook ons geloof van daar zijn '' begin. Gelijk daar staat, Jes. 2:3: Uit Zion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord van Jeruzalem. Waarmede overeenstemt die plaats in Psalm 110:2: De Heere zal den schepter uwer kracht zenden uit Zion. Die gelooft. De profeet drukt niet uit in Hem: maar in het gemeen zegt hij: die gelooft zal niet haasten. Maar gemerkt dat God ons daar ongetwijfeld Christus voorstelt tot een oogmerk des geloofs, zoo moet het geloof, waarvan de profeet spreekt, op Hem alleen zien. En waarlijk, niemand kan recht gelooven, tenzij hij zich Christus voorstelle, op welken hij met geheel zijn hart staan blijve. Dan het woord des profeten kan tweeërlei uitgelegd worden, dat het namelijk zij, of een belofte, of een vermaning. Hij gebruikt den toekomenden tijd: Hjj zal niet haasten. Maar dit is bij de Hebreën in hun taal zooveel als, hij haast niet. Aldus zou de zin zijn: Zijt in uwe harten niet beroerd, maar houdt stil uwe begeerte op, en bedwingt uwe genegenheden, totdat de Heere doet wat Hij belooft.
Gelijk hij elders spreekt: In stilzwijgen en rust zal uwe sterkte ⢠wezen, Jes. 30: 15. Maar overmits die eerste overzetting: Hij zal niet haasten, nader komt aan de verklaring van Petrus, zoo houd ik die voor de beste. De zin is ook zeer goed: Die gelooft zal niet wankelen, omdat hij een vast en gestadig steunsel heeft. En dit is een schoone leering, dat wij op Christus staande, buiten gevaar zijn van vallen. Ook zoo is beschaamd worden, zooveel als beven. Daarom ofschoon Petrus de Grieksche overzetting gevolgd heeft, zoo heeft hij nochtans den rechten zin des profeten behouden.
7 U dan, is Hjj kostelijk. Dewijl God van Christus getuigt, dat
44
1 PETRUS 2:7.
45
Hij is een kostelijke uitverkorene steen, zoo besluit de apostel daaruit, dat Hij voor ons zoodanig wezen zal; want waarlijk Christus wordt ons daar beschreven zoodanig, als wij Hem met het gevoelen des geloofs aannemen, en gelijk Hij Zich met ware ondervinding bewijst. Daarom is wel te merken dit besluit: Christus is voor God een uitverkoren steen, derhalve. Hij is zoodanig voor de geloovigen: want het geloof alleen openbaart ons den prijs en uitnemendheid van Christus. Doch wijl des apostels voornemen is te voorkomen de ergernis, welke ons de menigte der goddeloozen geeft, zoo voegt hij terstond daarbij dat ander deel van de ongeloovigen, dat of zij wel Christus verwerpen, nochtans Hem niet kunnen benemen de eer, die Hij van den Vader ontvangen heeft. Hiertoe wordt bijgevoegd uit Ps. 118:22, dat de steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, nochtans geworden is tot een hoofd des hoeks. Waaruit volgt dat Christus, ten spijt zijner vijanden, evenwel blijft in de waardigheid, waarin Hem de Vader gesteld heeft. Doch hier zijn twee zaken op te merken, de eerste is, dat Christus moest verworpen worden van die de regeering der kerk hadden, de ander is, dat hunne aanslagen ijdel zouden zijn, want het moest vervuld worden wat God besloten had, dat Christus als de hoeksteen, het gebouw zou ophouden. Dat nu deze plaats met recht en eigenlijk van Christus moet verstaan wezen, getuigt niet alleen de Heilige Geest, en Christus zelf, die het zoo uitgelegd heeft, Matth. 21:42, maar kan ook hieruit afgenomen worden, dat eer Christus in de wereld kwam, deze plaats alzoo in het gemeen verstaan en genomen was. Daar is geen twijfel, of deze uitlegging was door de voorvaderen van hand tot hand overgeleverd. Zoodat wij ook zien dat dit is geweest zelfs voor de kinderen als een algemeen liedeken van den Messias, Matth. 21 : 15. Daarom wil ik van deze zaak niet langer disputeeren. Laat ons dan dit als een zeker punt stellen, dat David te zijnen tijde alzoo is geweest een verworpen steen, dat hij daarin den persoon van Christus gedragen heeft. Nu, laat ons wederkeeren tot het eerste deel. Christus wordt van de bouwlieden verworpen, dit was in David tevoren afgebeeld. Want die het bestuur hadden, hielden hem voor veroordeeld en verloren, hetzelfde is in Christus vervuld. Want de voorstanders en regeerders der kerk hebben Hem ook verworpen, zooveel in hen was. Dit kon de zwakke zeer voor het hoofd slaan, ziende zoo vele vijanden van Christus, als daar waren, priesters, ouderlingen en leeraren, door welke alleen de kerk een aanzien had. Petrus willende in deze ergenis voorzien, vermaant de geloovigen, hoe door Davids getuigenis voorzegd was zulks als zij toen zagen. Inzonderheid spreekt hij de Joden aan, op wie dit bijzonder van toepassing was, hoewel ons ook hedendaags deze vermaning evenzoo nuttig is. Want die zichzelven voor de hoofden in de kerk uitgeven, zijn de heftigste vijanden van Christus, en vervolgen zijn Evangelie met een duivelsche woede. De paus noemt zich een stadhouder van Christus, maar wij zien, hoe fel hij Hem tegenstaat. De eenvoudigen en onwetenden dit ziende, worden daardoor verslagen. Uit wat oorzaak? omdat ze niet overleggen dat er geschiedt wat David voorzegd heeft. Laat ons dan gedenken, dat door deze profetie niet alleen die gewaarschuwd zijn geweest, welke Christus van de Schriftgeleerden en Parizeen hebben zien verwerpen: maar dat ook wij gewapend wor-
1 PETRUS 2 : 7, 8.
den tegen de dagelijksche ergernissen, die ons geloof anders konden verzwakken. Zoo dikwijls zeg ik, zien wij dat die, welke op den titel van bisschop of hoofd roemen, tegen Christus opstaan. Laat ons dan gedenken, dat de steen van de bouwlieden verworpen wordt, gelijk van David voorzegd is. Gelijk men gemeenlijk, sprekende van de staatkundige of geestelijke regeering, haar vergelijkt bij een gebouw, alzoo noemt David bouwmeesters die, welke de zorg en macht der regeering toevertrouwd is, niet dat zij recht bouwen, maar omdat zij den naam hebben, en met geordende macht begaafd zijn. Waaruit volgt, dat het niet altijd getrouwe en rechte dienaars Gods zijn, die in het ambt gesteld zijn En hierom is het meer dan bespottelijk, dat de paus met de zijnen zich alleen met dien dekmantel, dat zij als aangestelde voorstanders der kerk zijn, die hoogste en ontwijfelbare autoriteit zich aanmatigen. Eerstens is hunne roeping om de kerk te regeeren, niet meer naar recht en wet dan het regeeren van het keizerlijke gebied van Heliogabalus. Maar of wij hun toegeven wat zij onbeschaamd voorwerpen, dat zij wettig geroepen zijn, wij zien hier toch wat David zegt van de geordende voorstanders der kerk, namelijk: dat Christus van hen verworpen werd, zoodat ze veeleer den zwijnen een stal, dan den Heere een tempel zouden bouwen. Volgt het tweede deel, dat alle groote hansen, die op hun macht en waardigheid hoovaardig zijn, niet zullen teweegbrengen, dat Christus niet in zijn staat blijve.
8 Een steen des aanstoots. Nadat hij de geloovigen getroost heeft, dat zij in Christus een vaste fundament zullen hebben dat bestaan zal, niettegenstaande het meerendeel, ja ook de voortref-felijksten zeiven Hem in het gebouw geen plaats verleenen willen, verklaart hij nu de straf, die alle ongeloovigen te verwachten hebben, opdat zij daardoor verschrikt worden, ziende op hun exempel. Tot dit einde brengt hij bij het getuigenis van Jesaja uit het achtste jea. 8 :i4. hfdst. Daar dreigt de profeet dat de Heere den Joden zijn zal een steen des aanstoots en des vals. Dat dit eigenlijk Christus toekomt, kan men uit den tekst afleiden. En Paulus Rom. 9 brengt het op Christus te pas; want de God der heirscharen heeft Zich in zijn persoon volkomen geopenbaard. Zoo wordt hier dan een schrikkelijke wraak Gods aangekondigd allen goddeloozen, dat Christus hun wezen zal tot een ergernis en aanstoot, omdat ze in Hem niet willen gefundeerd zijn. Want gelijk Christus sterk is om op te houden allen, die op Hem steunen, alzoo is Hij ook hard om te breken en te vermorzelen allen, die Hem wederstaan. Daar is geen derde; een van beide: óf wij moeten op Christus gebouwd worden, óf wij moeten door Hem verpletterd worden. Die zich stooten aan het woord. Hij wijst hier aan hoe het toegaat, dat Christus tot een aanstoot wordt, namelijk als zich de menschen tegen Gods woord hardnekkig aanstellen. Dit hebben de Joden gedaan, welke hoewel zij voordeden den Messias te willen omhelzen, nochtans als Hij hen van God aangeboden werd, hebben zij Hem als razende verdreven. Het gaat hedendaags alzoo toe met de papisten, zij aanbidden den blooten naam van Christus, doch kunnen niet verdragen de leer des Evangelies te hooren. Zoo verklaart dan Petrus dat al degenen, die Christus met zijn Evangelie bekleed niet hooren, Gods wederpartijen zijn, en zijn woord tegenstaan. Ten andere, dat Christus niemand tot verderf is dan dengenen, die uit moedwillige blindheid.
46
-
1 PETRUS 2:8, 9.
boozelijk en hardnekkig tegen Gods woord uitvallen. En dit is vooral nuttig aangemerkt te worden, dat de schuld onzer misdaad Christus niet geweten wordt. Want aangezien Hij ons tot een fundament gegeven is, het komt uit een andere oorzaak, dat Hij een steen der ergernis is. In eén woord, zijn eigen werk is, ons tot een bekwamen tempel voor God te maken. Maar het ligt aan de menschen, dat zij zich aan Hem stooten, namelijk; omdat de menschen door hun ongeloof met God strijden. Daarom heeft het Petrus willen uitdrukken,
dat het ongeloovigen zijn die tegen God strijden. Waartoe zij ook geordineerd zyn. Deze plaats kan op tweeërlei wijze uitgelegd worden, dit is zeker, dat Petrus van de Joden spreekt. Men legt dit gemeenlijk uit, dat zij gesteld zijn geweest om te gelooven, overmits hun de belofte der zaligheid toegeschikt was; maar de andere zin is wel zoo bekwaam, namelijk, dat zij verordineerd zijn geweest tot ongeloof. Gelijk van Farao staat, dat hij gesteld was om God te wederstaan. Ex. 9 : 16. En alle verworpenen zijn tot hun einde geordineerd. En tot dezen zin ben ik meest genegen, om het woord ook, dat daarbij staat. Doch zoo de eerste uitlegging best bevalt,
zoo is het een straffe verwijting, want daardoor maakt Petrus te gruwelijker de ongeloovigheid van dat volk, dat van God verkoren was, dat het de zaligheid hun vóór anderen toegeschikt, verworpen heeft. En voorwaar deze omstandigheid maakt ze gansch onverantwoordelijk, dat zij vóór anderen geroepen zijnde, hebben geweigerd Gode te hooren. Dan, dat hij zegt dat ze gesteld zijn om te gelooven, moet van de uitwendige roeping alleen verstaan worden, namelijk, ten aanzien des verbonds, dat God met dit volk zonder onderscheid gemaakt had, hoewel (gelijk gezegd is) der menschen ondankbaarheid genoeg overtuigd is, als zij Gods woord hun voorgehouden, verwerpen.
9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priester- Ex. i»: o. dom, een heilig volk, een eigen verworven volk, opdat gij verkondigt de deugden Desgenen, die u van de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.
10 Gij die voormaals geen volk waart, maar nu Gods volk zijt, Hoz- 2:23-die tevoren geen barmhartigheid verkregen hadt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt.
9 Gij zijt een uitverkoren geslacht. Wederom zondert hij ze van
de ongeloovigen af, opdat zij door hun voorbeeld niet weggevoerd zijnde, gelijk gemeenlijk pleegt te geschieden, van het rechte geloof niet wijken. Daarom, aangezien het ongeschikt is dat die, welke God van de wereld afzondert, zich met de goddeloozen vergezelschappen, zoo geeft Petrus hier den geloovigen aan tot wat eer zij verheven zijn, daarna, waartoe zij geroepen zijn. Voorts versiert hij ze met dezelfde sieradiën of namen, waarmede Mozes het oude volk versierd heeft. Maar hij wil hun leeren, dat zij door Christus' weldaad weder verkregen hebben zoo groote waardigheid, van welke zij vervallen waren. Hoewel het ook daarbenevens waar is, dat God den voorvaderen alleen een aardschen smaak dezer goederen gegeven heeft,
en dat de gansche genieting in Christus bestaat: zoo is dan deze spreuk zooveel, alsof hij gezegd had: Mozes heeft voortijds uwe vaders genoemd een heilig volk en priesterlijk koninkrijk, en Gods
47
I PETRUS 2:9.
48
eigendom, nu komen u al deze titelen toe met meerder recht. Daarom ziet toe, dat uwe ongeloovigheid u daarvan niet beroove. Dan nog, omdat het meerendeel dezes volks ongeloovig was, zoo stelt de apostel bedektelijk de geloovige Joden tegen al die anderen, die wel in getal te boven gingen, alsof hij zeide: dat zijn alleen rechte kinderen van Abraham, die in Christus gelooven, en die hebben alleen de bezitting aller goederen, die God door een bijzonder voorrecht dit gansche volk opgedragen had. Een uitverkoren geslacht noemt hij, wat God Zich, anderen voorbijgaande, als wat uitnemends aangenomen had tot zijne kinderen. Een heilig volk, wat God Zich toegeëigend en verordineerd heeft tot zuiverheid en heiligheid des levens. Een eigen verworven volk, dat het Hem zij als een eigendom en erfdeel. Want alzoo neem ik het eenvoudig, dat God ons geroepen heeft, opdat Hij ons als de zijnen, Hem toegedaan, bezit. Welke meening bevestigd wordt met de woorden van Mozes, waar de Heere spreekt; Zoo gij mijn verbond onderhoudt, gij zult Mij zijn tot een bijzonderen schat boven alle volken. Ex. 19:5. In deze woorden; koninklijk priesterdom, is eene fijne omzetting der woorden van Mozes, welke zegt een priesterlijk rijk, hetwelk hetzelfde beduidt. Dit wil dan Petrus zeggen; Mozes heeft uwe vaders genoemd een priesterlijk rijk, omdat het gansche volk als met een koninklijke vrijheid begaafd was, en dat uit het lichaam van dat volk priesters verkoren werden, en alzoo waren beide die waardigheden te zamen gemengd. Nu zijt gij koninklijke priesters, en dit op eene treffelijke wijze, want elk van u is in Christus geheiligd, opdat gij zoowel des koninkrijks als des priesterdoms deelachtig zijt; hoewel dan uwe vaders wel wat desgelijks met u gehad hebben, zoo gaat gij hen nochtans verre te boven. Maar verder, naardien nu Christus den muur afgebroken heeft, van wat geslacht wij zijn, zoo versiert ons God met al deze namen, als Hij ons rekent onder zijn volk, Ef. 2 ; 14. Hierenboven is in al deze weldaden wel te merken het verschil tusschen ons en alle andere menschen. Waaruit te beter blijkt die oneindige goedheid Gods jegens ons, die ons heiligt, welke van nature onrein zijn; Hij heeft ons verkoren, zoo Hij toch in ons niets gevonden heeft, dan wat leelijk en verwerpelijk was. Ons die niet dan vuiligheid waren, maakt Hij zijn eigendom; den onheiligen geeft Hij de eere des priesterdoms; de slaven des duivels, der zonde, en des doods, verheft Hij tot koninklijke vrijheid. Opdat gü verkondigt de deugden. Hij drukt ernstelijk in, waartoe zij geroepen zijn, opdat hij ze spore om Gode die eere te geven. De inhoud is, dat ons God tot onmetelijke weldaden verwaardigd heeft, en die nog dagelijks voortzet, opdat door ons zijn heerlijkheid verklaard worde. Door het woord deugden, verstaat hij die wijsheid, goedheid, mogendheid, gerechtigheid, en alzulks waarin Gods heerlijkheid ligt. Deze deugden moeten wij niet alleen met de tong, maar met het gansche leven verkondigen. Deze leer moet dagelijks bedacht worden, en ons allen tijd in gedachtenis komen, namelijk, dat alle weldaden, die ons God doet, daartoe strekken, opdat door ons zijne heerlijkheid verkondigd worde. Ook is wel te merken, dat hij zegt hoe wij geroepen zijn uit de duisternis tot het wonderlijke licht Gods. Want met deze woorden maakt hij de genade groot en heerlijk. Zoo ons de Heere in den weg, als wij het licht zoeken, tegemoet kwame, het ware eene tamelijke weldaad.
1 PETRUS 2:9â11.
maar deze is veel uitnemender, dat Hij ons uit den doolhof der blindheid, en uit den afgrond der duisternis trekt: waaruit te leeren is, hoedanig der menschen staat is, eer zij in het rijk Gods overgezet worden. En dit is het dat Jesaja zegt, hfdst. 60: 2: Duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken, maar over u zal de Heere verschijnen, en zijne heerlijkheid zal over u lichten. En waarlijk het is niet mogelijk, of wij moeten wel in diepe duisternis versmoord liggen, nadat wij van God, die ons licht is, afgeweken zijn. Waarvan breeder verhaald is Ef. 2.
io Die voormaals geen volk. Tot bevestiging brengt hij bij de plaats Hoz. 2 : 23, en voegt ze zeer wel tot zijn oogmerk. Want nadat Hozea in den naam Gods den Joden aangekondigd heeft de echtscheiding, zoo geeft hij ze wederom hoop van toekomende verzoening. Petrus verklaart dat dit te zijnen tijde vervuld is, want de Joden waren her- en derwaarts verstrooid, als leden eens verscheurden lichaams, ja zij schenen afgesneden te zijn van het volk Gods.
Bij hen was geen godsdienst overgebleven, zij waren in de verdorvenheden der heidenen ingewikkeld. Zoo kon dan van hen niet anders gezegd worden, dan dat zij van God verstooten waren. Als zij nu dan in Christus verzameld worden, zoo worden zij in der waarheid uit geen volk Gods volk. Paulus, Rom. 9: 26, trekt ook deze profetie op de heidenen, en niet zonder reden: want naardien de Joden des Heeren verbond, door hetwelk alleen zij voordeel hadden, gebroken hebben, zoo zijn zij den heidenen gelijk geworden.
Daaruit volgt dat die belofte Gods, van uit geen volk een volk te maken, beiden Joden en heidenen gelijkelijk toekomt. Die geen barmhartigheid verkregen. Dit is daarom van den profeet daartoe gedaan, opdat hij te beter uitdrukte, dat het verbond, door hetwelk ons God tot zijn volk aanneemt, een genadeverbond is. Alsof hij gezegd had; daar is geen andere oorzaak, waarom ons God onder de zijnen rekent, dan dat Hij onzer erbarmende, om niet tot zijne kinderen aanneemt. Zoo is het dan die loutere goedheid Gods, dat Hij ons uit geen volk tot zijn volk maakt, of die vreemd waren, met Zich vereenigt.
11 Lieve broeders! ik vermaan u als vreemdelingen en pelgrims,
onthoudt u van de vleeschelijke lusten, die tegen de ziel strijden.
12 En leidt een goeden wandel onder de heidenen, opdat waarin zij u lasteren als kwaaddoeners, zij uwe goede werken aanschouwende, ') God prijzen in den dag der bezoeking. ij of: zij
Als vreemdelingen. Deze vermaning heeft twee deelen. De eerste vaardig achquot; is, dat de harten van binnen van de verkeerde en slechte begeer- teude, enz. ten los en zuiver zijn. De andere is, dat zij eerlijk wandelen onder de menschen, Matth. 5 : 16, en dat zij met het exempel van een goed leven niet alleen de godzaligen versterken, maar ook de onge-loovigen winnen. Vooreerst, opdat hij ze van de begeerten des vlee-sches aftrekke, zoo gebruikt hij deze bewijsreden, dat zij vreemdelingen en pelgrims zijn. Aldus noemt hij ze, niet omdat zij uit hun vaderland verdreven waren, en verstrooid in onderscheidene landschappen, maar omdat de kinderen Gods, waar zij ook wonen, vreemdelingen zijn in deze wereld. In den eersten zin heeft hij ze evenwel zoo genoemd aan 't begin van dezen brief, gelijk het verband dier plaats uitwijst, maar wat hij hier zegt, dat is allen ge-dl. viii. 4
49
1 PETRUS 2:11, 12.
meen: want daarom zijn wij gewikkeld in de begeerten des vleesches, omdat wij met het hart in de wereld blijven steken, en niet denken dat de hemel ons vaderland is; maar die als vreemdelingen dit leven doorgaan, zullen zich aan het vleesch nimmer overgeven. Door de begeerlijkheden des vleesches verstaat hij niet alleen die grove en beestelijke lusten, gelijk de sophisten uitleggen, maar al
de genegenheden of bewegelijkheden onzer ziel, tot welke wij van he
nature geleid en gedreven worden. Want dit is zeker dat alle ge- b(
dachten des vleesches, dat is, der onwedergeboren natuur, vijandschap m
tegen God is, Rom. 8 ; 6. Die tegen de ziel strijden. Dit is een gi
andere bewijsreden, dat zij de lusten des vleesches niet kunnen na- m
volgen, dan tot hun verderf. Hij teekent hier niet aan den strijd, h
dien Paulus beschrijft, Rom. 7, Gal. 5, waar hij de ziel stelt als een ir
tegenpartij van het vleesch: maar dit zegt hij, dat de begeerten des v
vleesches, in wat manier de ziel daarin toestemt, tot haar verderf w
strekt. Hierin toont hij onze zorgeloosheid, dat wij wel bekommerd b
zijn om te schuwen de vijanden, van welke wij eenig gevaar des o
lichaams verwachten, en daarentusschen wetens en willens toelaten v
de schadelijke vijanden der zielen, die ons ombrengen, ja dat wij l
hun de keel bieden. Uw wandel. Dit is het andere deel der ver- c
maning, dat ze zich eerlijk gedragen bij de menschen. Dit moet wel I
in orde voorgaan, dat de zielen voor God gezuiverd zijn, maar 1
daarna moet men ook acht hebben op de menschen, dat wij ze niet i
ergeren. Hij zegt, namelijk: Onder de heidenen, die u lasteren. i Want de Joden waren overal niet alleen in den haat, maar als een gruwel geacht. Daarom moesten zij dan te meer naarstigheid doen,
1) Of; Ge-meene regeering.
dat zij met een heilig leven, en met wel geschikte zeden, den haat i
en het kwaad gerucht van hun naam zouden uitwisschen: want deze vermaning van Paulus is wel te onthouden, namelijk, dat men geen oorzaak geve dien, die haar zoeken,. 2 Cor. 11: 12. Daarom moet men ons de achterklappingen en verkeerde reden der goddeloo-zen prikkelen zijn om recht te leven: want het is geen tijd gerust te zijn en slaperig, als onze wedersprekers wel wakker zijn om te bespieden, waarin wij ons misgrijpen. Dat zij God pryzen. Hij verklaart, dat wij niet om onzentwil daarnaar moeten staan, dat de menschen van ons wel gevoelen en spreken, maar dat Gods eer moet gezocht zijn, gelijk ook Christus leert, Matth. 4: 10. Petrus toont op wat wijze, te weten, dat de ongeloovigen door onze goede werken bewogen zijnde, zich Gode zullen onderwerpen, en alzoo door zulke bekeering God den prijs geven: want dit is aangewezen met den dag der bezoeking. Ik weet, dat sommigen dit duiden op de laatste toekomst van Christus, maar ik versta het anders, namelijk, dat God hun heilig en eerlijk leven zal gebruiken als een voorbereiding om de dwalenden op den rechten weg te brengen. Want dit is het begin i onzer bekeering, als God ons met een vaderlijk oog verwaardigt te aanschouwen; maar zoo zijn aangezicht van ons gekeerd wordt, wij vergaan. Daarom, als God ons tot Zich roept, dat mogen wij met recht den dag der bezoeking heeten.
. i
13 Weest dan onderdanig alle menschelijke quot;) ordening om des Heeren wil, hetzij den koning als den overste,
14 Of hunnen stadhouders, als die van hem gezonden zijn tot wraak den kwaaddoeneren, en tot lof dergenen, die goed doen.
50
I PETRUS 2 : 13.
15 quot;Want dit is de wil Gods, dat gij met weldoen ') zult stoppen D of: stopt de onwetendheid der dwaze mensclien.
16 Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende tot een deksel der Jjea1Jd?1seilt;^oet boosheid, maar als dienaars Gods. zwijgen, enz.
Nu komt hij tot bijzondere vermaningen. En wijl de gehoorzaamheid tot de overheid een deel is van den eerlijken wandel, daaruit besluit hij: Zijt dan onderdanig. Want met het juk der wereldlijke macht te weigeren, hadden zij den heidenen geen kleine oorzaak gegeven van opspraak. En waarlijk om deze oorzaak waren zij, de Joden,
meest gehaat, en kwalijk berucht, wijl zij om hunne wederspannig-heid als ongetemd gehouden werden. En wijl de beroerten, die zij in de landschappen, waar zij woonden, aanrichtten, oorzaak waren van groote jammeren, zoo had elk die van stillen en gerusten geest was, van hen een gruwel als van de pest. Deze reden heeft Petrus bewogen, zoo ernstig de onderdanigheid te bevelen. Hiertoe kwam ook, dat velen meenden, het Evangelie was zulk een uitroeping der vrijheid, dat elk zich van zijn dienst kon ontslaan. Het scheen onbetamelijk, dat Gods kinderen zouden dienen, en dat de erfgenamen der wereld zelfs geene vrijheid over hunne lichamen zouden hebben.
Hiertoe kwam nog een andere aanhitsing, dat namelijk alle overheden Christus' vijanden waren, en hunne heerschappij misbruikten.
Alzoo dat in hen niet uitkwam eenig beeld Gods, hetwelk hun voornamelijk eerbiediging toebrengt. Nu verstaan wij de meening van Petrus, te weten, dat hij om noodige oorzaken de Joden vermaand heeft in eere te houden de orde der burgerlijke huishouding. Alle menschelyke ordening. Anderen zetten over, creatuur: maar die het zoo overzetten, kwellen zichzelven zeer om uit een duister en twijfelachtige wijze van spreken eenigen zin te trekken. Dan, ik twijfel niet, of Petrus heeft willen aanwijzen de verscheidene wijze, waardoor God het menschelijk geslacht regeert: gelijk het Grieksche woord ook somtijds beduidt ordineeren of een gebouw optrekken. Zoo dient dan zeer wel het woord ordening, waarmede Petrus vermaant dat God, de maker der wereld, het menschelijk geslacht niet heeft ongeordineerd gelaten, dat zij leefden als het vee, maar dat Hij alle deelen wel geschikt heeft elk in zijn plaats, gelijk in een gebouw dat wel geordineerd is. Het wordt genoemd een mensche-Ijjke ordening, niet dat ze van de menschen gevonden is, maar dat den menschen eigenlijk betaamt een wijze om geschikt en ordelijk te leven. Hetzij den koning. Aldus noemt hij naar mijn gevoelen den keizer, wiens heerschappij strekt over al die landschappen,
die in het begin van dezen brief vermeld staan. Want hoewel deze naam koning bij de Romeinen hatelijk was, zoo was hij nochtans bij de Grieken gebruikelijk. Dat hij nu die reden geeft, dat men hem daarom moet gehoorzaam zijn, omdat hij de hoogste of uit-nemendste is, dat is geen vergelijking des keizers met de andere overheden. Het is waar, hij had het hoogste gebied, maar deze hoogheid, die Petrus hier aanprijst, hebben gemeen al degenen, die publieke macht gebruiken. Daarom strekt ook Paulus, Rom. 13:1,
dit uit op alle overheden. De meening is, dat men allen, die boven ons gesteld zijn, gehoorzaamheid schuldig is, omdat zij niet bij geluk, maar door Gods voorzienigheid tot zulke eer verheven zijn. Want velen plegen al te neuswijs te onderzoeken met wat recht
51
1 PETRUS 2: 13, 14.
elk tot het bestuur is gekomen: maar hiermede moeten wij tevreden zijn, dat wij zien, dat ze boven ons zijn. Hierom beneemt Paulus de oorzaken van alle onnutte tegenwerpingen, als hij klaar uitspreekt: daar is geen macht dan van God, Rom. 13:1. En uit deze oorzaak verhaalt de Schrift menigmaal, dat het God is, die de koningen den krijgsriem aangordt, en die ze verheft in het hooge, die ook de rijken verzet waar Hij wil. Inzonderheid was het noodig, dat Petrus deze vermaning daarbij deed, dewijl hij handelde van den Romeinschen keizer. Want dit is zeker, dat de Romeinen in Azië gekomen zijn, en die landen onder zich gebracht hebben, meer door kwade praktijken, dan met eene wettige reden. Daarna hadden de keizers, die de hoogste macht hadden, de monarchie met tirannie en geweld tot zich getrokken. Zoo wil dan Petrus niet, dat men hiervan disputeere, of dit alles in twijfel stelle, overmits de onderdanen hun overheden zonder twistmaking moeten gehoorzaam zijn, want zij zijn in geen hoogheid, dan door Gods hand daartoe verheven zijnde.
14 Hetzjj den stadhouderen. Hiermede beteekent hij allerlei overheden, alsof hij zeide, dat er geen deel der overheid is, waaraan zij zich niet moeten onderwerpen. Dit bevestigt hij mitsdien zij Gods dienaars zijn. Dit is dan een gemeene reden om aan te prijzen de autoriteit aller overheden, dat zij naar het bevel Gods overheden zijn, en van Hem gezonden worden, waaruit volgt, (gelijk ook Paulus leert) dat zij Gode wederstaan allen, die zich der macht van Hem geordineerd, niet onderwerpen, Rom. 13; 2. Tot wraak. Dit is de tweede reden, waarom men behoort de politieke ordening met eerbied te omhelzen en te onderhouden, omdat die van den Heere gesteld is tot gemeene welvaart des menschelijken geslachts. Wij zijn gewis al te wild en beestelijk, zoo ons het gemeen profijt niet ter harte gaat. Dit is het dan wat Petrus hoofdzakelijk wil: aangezien God door den dienst der overheden de wereld onderhoudt, zoo wie derzelver regeering wederspannig is, hij is een vijand des menschelijken geslachts. Hij neemt die twee stukken, waarin ook Plato leert, dat de goede stand der republiek gelegen is, namelijk, dat de goeden prijs hebben, en de kwaden gestraft worden: want voortijds heeft men niet alleen straffen gesteld voor de kwaden, maar ook prijzen voor de goeden. Maar of nu dik-maals gebeurt, dat de prijs niet wel uitgedeeld wordt dien hij toekomt, en dat de weldaden niet wel vergolden worden, zoo is nochtans dit geen kleine eer, dat de goeden ten minste onder de trouw en beschutting der overheid leven mogen, dat zij niet staan onder het geweld en onrecht der boozen, dat zij ook onder de wetten en gerichten veel geruster leven, en hun goeden naam en faam beter behouden, dan of een ieder zonder toom naar zijn moedwil leefde. In ée'n woord, een bijzondere zegening Gods, dat den boozen niet alles toegelaten is wat hun lust. Men kon hier nochtans tegenwerpen, dat de koningen en andere overheden dikmaals hun macht misbruiken, en dat ze meer eene tirannische wreedheid, dan een wettelijk bestuur te werk stellen. Zoo toch waren toen meest de overheden, toen deze brief geschreven werd. Ik antwoord, de tirannen en der-gelijken kunnen met hun misbruik niet maken, dat Gods ordinantie niet vast zij, gelijkerwijs ofschoon de vrouw of man zich anders gedragen dan het behoort, daarom wordt die vaste gedurige inzetting
52
1 PETRUS 2 : 14â16.
des huwelijks niet omgekeerd. Daarom, of wel de menschen feilen, zoo blijft nochtans hetgeen God als een vast doel gesteld heeft onbewegelijk. Zoo hier iemand wederom uit afleidt, dat men dien prinsen niet moet gehoorzaam zijn, die Gods heilige ordening zooveel in hen is verkeeren, en alzoo zijn als onmenschelijke beesten, daar toch de overheid behoort Gods beeld uit te drukken, ik antwoord, dat de orde van God gesteld, van ons zoo groot geacht moet zijn, dat men ook de tirannen, die de heerschappij hebben, eeren moet. Hoewel hierop nog een klaarder antwoord is, te weten, dat er nooit is geweest, noch kan bedacht worden een zoo gruwzame en ongebreidelde tirannie, in welke niet uitkomt eenige gedaante der billijkheid. Want God laat die orde door der menschen boosheid nimmer zoo uitgedempt wórden, of daar blijven altijd eenige strepen of teekenen gezien. Ook ten andere, daar is geenerhande regeering zoo ongedaan en verdorven, of zij is beter en nutter dan geen regeering.
15 Want dit is de wil Gods. Hij keert wederom tot die voorgaande leer, dat men den ongeloovigen geene oorzaak geve van kwaadspreken, hoewel hij het niet zoo uitdrukt, als hij tevoren gezegd had. Hij zegt alleen, men moet den dwazen den mond stoppen. Kortelijk is de meening deze, dat men zoo leve, dat die ongeloovigen, die ons willen tegenspreken, stom moeten zijn. Hoewel deze wijze van spreken, de onwetendheid stoppen, wat hard en ongebruikelijk is, nochtans verduistert zij den zin niet. Want behalve dat hij die ongeloovigen dwazen noemt, zoo wil hij ook aanwijzen wat oorzaak zij hebben om tegen te spreken, namelijk, omdat zij God niet kennen. Verder, dewijl hij zegt de ongeloovigen zonder verstand en rede te zijn, daaruit besluiten wij, dat het rechte verstand alleen in de kennis Gods gelegen is. Hoewel dan de ongeloovigen zichzelven behagen in hun scherpzinnigheid, en boven anderen wijs schijnen, zoo oordeelt nochtans de Heilige Geest dat zij zotten zijn, opdat wij leeren alleen in God wijs te zijn, gelijk ook buiten Hem niets zekers is. Hij schrijft ons voor de wijze, hoe wij het kwaadspreken zullen bedwingen, namelijk, met weldoen. Daarmede begrijpt hij al die vriendelijke beleefdheden, waarmede wij ons jegens onze naasten kwijten moeten. Hieronder is vervat de gehoorzaamheid aan de overheden, waar zonder de eenigheid onder de menschen niets kan onderhouden worden. Zoo iemand hier tegenwerpt, dat de geloovigen nimmermeer zoo naarstig zullen zijn om wel te doen, of zij zullen van de ongeloovigen kwalijk berucht zijn, het antwoord is gereed, te weten, dat de apostel den geloovigen geen vrijheid toezegt van smaad en lastering, maar hij verstaat, dat de ongeloovigen om tegen te spreken geen stof zullen hebben, hoezeer zij ze begeeren. Doch, opdat niemand hieruit afleide, dat de ongeloovigen niet waardig zijn, dat de kinderen Gods naar hunne begeerte hun leven aanstellen, zoo vermaant Petrus uitdrukkelijk, dat wij vanwege het gebod Gods verbonden zijn hun den mond te stoppen.
16 Als vryen. Dit is een voorkoming tegen sommigen, die de vrijheid der kinderen Gods voorwierpen. Want, gelijk de menschen van nature scherpzinnig zijn om te begrijpen wat hun goed is, waren er velen, toen het Evangelie eerst begon, die zichzelven vrij achtten, opdat zij voor zichzelven alleen leefden. Deze grove dwaling berispt Petrus hier, kortelijk toonende hoever die Christelijke vrijheid verwijderd is van een ongebonden toelating om naar zijn lust
53
1 PETRUS 2 : 16, 17.
te leven. En vooreerst zegt hij, dat deze vrijheid geen deksel of mantel kan zijn der boosheid, waarmede hij verklaart, dat ze daarom niet gegeven is, dat wij onze naasten beschadigen, of eenig ongerief aandoen. Dit is dan de rechte vrijheid, die niemand beschadigt, noch verbelgt. Om dit te bevestigen zoo spreekt hij die vrij, die God dienen. Waaruit licht is af te leiden, dat wij tot dit einde vrij gemaakt zijn, dat wij te gereeder en vaardiger zijn mogen tot den dienst Gods : want deze vrijheid is niets anders dan een vrijlating van de zonde. Nu wordt der zonde haar heerschappij benomen, opdat zich de menschen der gerechtigheid onderwerpen. In één woord, daar is een vrije dienstbaarheid en een dienstbare vrijheid, want gelijk wij Gods dienaars moeten zijn om dit goed te genieten, alzoo is er matigheid van noode om dat te gebruiken. Aldus zijn wel onze conscientiën vrij, maar dat verhindert ons niet God te dienen, die ons ook den menschen onderworpen heeft.
17 Zijt eerbiedig jegens een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God, eert den koning.
Dit is een kort besluit van het voorgaande, want hij geeft te kennen, dat noch God gevreesd, noch den menschen het hunne gegeven wordt, tenzij de burgelijke ordening onder ons in zwang ga, en dat de overheid haar recht en heerschappij behoude. Dat hij gebiedt een iegelijk te eeren, leg ik alzoo uit, dat men niemand moet voorbijgaan; want het is een algemeen gebod, hetwelk tot onderhouding der gemeenzaamheid onder de menschen dient. Het woord eer, strekt bij de Hebreen zeer wijd, en wij weten dat de apostelen, ofschoon zij in het Grieksch schreven, nochtans de He-breeuwsche wijze van spreken gevolgd hebben. Daarom acht ik dat deze spreuk niet anders beduidt, dan dat wij op allen moeten acht hebben, dewijl wij met alle menschen, zooveel in ons is, vrede en vriendschap moeten houden. Nu is aan de eenigheid niets zoo tegen dan de verachting. Wat hij daarbij voegt van de broederlijke liefde, is een bijzonder gebod, ten aanzien van het voorgaande, want hij spreekt van een bijzondere liefde, waarmede ons geboden is de huisgenooten des geloofs lief te hebben, omdat wij aan hen met een vasteren band zijn verbonden. Deze trappen dan heeft Petrus niet achterwege willen laten, doch hij vermaant, dat, hoewel de broederen den voorrang moeten hebben, desniettegenstaande onze liefde zich tot het gansche menschelijke geslacht moet uitstrekken. Vreest God. Ik heb nu gezegd, dat al deze spreuken van Petrus tot de tegenwoordige zaak geschikt bijgebracht worden, want hij verklaart dat de eere, die den koningen bewezen wordt, uit vreeze Gods en liefde tot de menschen is spruitende, en dienvolgens te zamen gevoegd is. Alsof hij gezegd had; Zoo wie God vreest, zijne broederen bemint, en omhelst het gansche menschelijk geslacht met zulke vriendelijke genegenheid als het betaamt, die zelve zal ook de koningen in eere houden. Intusschen noemt hij den keizer, overmits die regeering zeer in haat was, en daaronder de andere regeeringen begrepen waren.
54
11
H
i?.
18 Gij huisknechten, weest met alle vreeze onderdanig den heeren, niet alleen den goeden en bescheiden, maar ook den ') onbescheiden.
Ef. 6: 5.
Col. 3: 22. 1) Of: Den harden of stuurschen.
1 PETRUS 2 : 18, IQ.
19 Want dit is genade, zoo iemand om der conscientie wil tot God, droefheid verdraagt, en lijdt ten onrechte.
20 Want wat eer is het, zoo gij om der misdaads wil slagen lijdt? Maar als gij om des weldoens wil lijdt en verdraagt, dat is genade bij God.
Hoewel dit een afzonderlijke vermaning is, zoo hangt ze nochtans aan de voorgaande, gelijk ook de navolgende. Want dat den knechten geboden wordt hunnen heeren gehoorzaam te zijn, en den vrouwen haren mannen, dat zijn deelen der burgerlijke onderdanigheid. Ten eerste, wil hij dat de knechten gehoorzaam zijn met alle vreeze, met welk woord hij aanwijst een zuiver en gewillige genegenheid der eerbieding, als bekennende dat zij zulks vanwege hun ambt schuldig zijn. Zoo stelt hij dan de vreeze zoowel tegen de veinzing, als tegen den geweldigen dwang: want de oogendienst alleen, waarvan Paulus spreekt. Col. 3 : 22, is aan deze vreeze tegenovergesteld, Ten andere, zoo de knechten tegen hun noodzakelijken dienst grimmen, gereed zijn (zoo zij konden) het juk af te werpen, kan men eigenlijk niet zeggen, dat ze vreezen. In één woord, deze vreeze komt uit bekentenis van zijn plicht. Maar hoewel in deze plaats geen uitzondering daarbij gesteld is, zoo moeten wij die nochtans uit andere plaatsen daarbij verstaan, want de onderdanigheid, die men den menschen schuldig is, strekt zich zoover niet dat ze Gods gebod zou verminderen. Zoo zullen dan de knechten hun heeren onderworpen zijn, maar in den Heere, en tot aan de zaak van den godsdienst. Dit woord knechten, in de Grieksche taal, beduidt zoowel de vrijgelatenen als de slaven, hoewel hier weinig aan gelegen is. Niet alleen den goeden. Hoewel de dienstknechten hun heeren zooverre moeten gehoorzaam zijn, dat ze niets doen tegen de conscientie, zoo nochtans, wanneer zij in hunne personen kwalijk gehandeld worden, mogen zij het bevel hunner heeren niet afslaan. Hoedanig dan de heeren zijn, de knechten hebben geen verontschuldiging, dat zij ze niet getrouw zouden dienen. Want zoo de overste zijn macht misbruikt, zoo zal hij wel hiernamaals Gode rekenschap daarvan geven, doch hij verliest daarom alsnu zijn recht niet. Want deze conditie is den knechten opgelegd, dat zij hun heeren dienen, schoon zij ook dit onwaardig zijn. De onbeschei-denen stelt hij tegen de redelijken en beleefden. Met dit woord be-teekent hij de wreeden en korzelen, die geen beleefdheid noch vriendelijkheid hebben. De Sorbonisten hebben dit woord overgezet, ongebondenen, of ongeregelden, waarvan ik zwijgen zou, tenware zij uit zulke ongeschikte overzetting ons een artikel des geloofs wilden maken, namelijk, dat zij den paus en zijn gehoornden beesten moeten gehoorzaam zijn, hoe zware en ondragelijke tirannie zij gebruiken. Deze plaats dan bewijst genoeg, hoe gerust zij met Gods woord gespot hebben.
19 Want dit is genade. Het woord genade beduidt zooveel als prijs: want hij verstaat daardoor, dat wij ons geen genade of prijs bij God verwerven, zoo wij de straf lijden, die wij met onze misdaden verdiend hebben, maar dat die geduldig onrecht verdragen prijzenswaardig zijn, en Gode een aangenaam werk doen. Dat hij getuigt, hoe dit Gode aangenaam is, als iemand om de Goddelijke conscientie in zijn plicht gehouden wordt, ofschoon de menschen
55
1 PETRUS 2: 19â21.
onrechtvaardig en onwaardig met hem omgaan; dit was zeer noodig te dien tijde, want de knechten waren in een ellendigen staat, zij werden smadelijk mishandeld evenals de beesten; dusdanige onwaardige mishandeling had ze tot wanhoop kunnen drijven; zoo was daar dan niet anders over, dan dat ze op God zouden zien. Want deze rede: Conscientie Gods, wil zooveel zeggen, dat iemand zijn schuldigen plicht doet, niet om der menschen, maar om Godswil. Want zoo de vrouw den man navolgt en gehoorzaam is, om hem te gevallen, zij heeft haar loon in deze wereld ontvangen, gelijk Christus spreekt van die eergierigen, die der menschen gunst najagen, Matth. 6; 2. Hetzelfde is te .oordeelen van alle anderen. Zoo een zoon zijn vader gehoorzaam is, om zijn goeden wil en gunst te verkrijgen, die zal zijn loon van zijn vader, en niet van God hebben. Kortelijk, dit is een algemeene leer, dat ons doen en laten Gode behaagt, zoo wij voornamelijk hierop zien, dat wij Hem dienen, en niet alleen bewogen worden door het aanzien der menschen. Zoo wie nu dit acht, dat hij met God te doen heeft, die zal noodzakelijk daartoe pogen, dat hij het kwaad met goed overwinne. Want God eischt van ons niet alleen, dat wij ons zoo jegens een ander gedragen, gelijk die zich jegens ons doet, maar Hij wil ook dat wij weldoen den onwaardigen en die ons vervolgen. Dit is nochtans niet zonder zwarigheid, dat hij zegt, dat die lijdzaamheid geen lof heeft, als iemand terecht lijdt; want voorwaar, hoewel God onze zonden straft, zoo is nochtans onze lijdzaamheid een offerande van zoeten reuk, indien wij de straf met een geduldig hart dragen. Hierop antwoord ik, dat Petrus hier niet spreekt dan bij vergelijking, dewijl dit een slechte en geringe lof is, dat men de rechtvaardige straf geduldig drage, bij dat het is, als een onschuldig mensch niet weigert van de menschen onrecht te lijden, alleen omdat hij God vreest, hoewel hij ook bedektelijk de oorzaak waarom aanwijst gelijk het schijnt, te weten, dat die om hunne misdaden straf dragen, die uit vreeze der menschen daartoe gedwongen worden. Doch het antwoord dat ik heb bijgebracht, is voldoende.
21 Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor u geleden heeft, u een voorbeeld nalatende, dat gij zijne voetstappen navolgen zoudt;
Jes. 53:9. 22 Die geen zonde gedaan heeft, in wiens mond ook geen bedrog
gevonden is;
23 Die toen Hij gescholden werd, niet wederschold, toen Hij leed
i) of: Maar niet dreigde, maar gaf Hem de zaak over, die recht oordeelt ').
gaf Zichzel- o o ,
rech^ enz*16 21 Hiertoe zijt gy geroepen. Hoewel hij van de knechten gesproken heeft, zoo moet het zoo nauw van die alleen niet te verstaan zijn wat hij hier leert: want de apostel vermaant alle god-vruchtigen in 't gemeen hoe het hier met de Christenen toegaat, alsof hij zeide: wij zijn daartoe van den Heere geroepen, dat wij lijdzamelijk onrecht verdragen, gelijk hij elders zegt: Dat wij daartoe geordineerd zijn, 1 Thess. 3; 3. Doch, opdat ons dit niet zwaar valle, troost hij ons met het voorbeeld van Christus. Daar is niets dat zoo onwaardig, ja zoo ondragelijk schijnt, als te lijden wat men niet verdiend heeft: maar als wij op den Zoon Gods onze oogen slaan, zoo wordt die bitterheid verzoet. Want wie wilde dien voor-
56
1 PETRUS 2:21â23.
57
ganger weigeren te volgen? Dit stuk is wel aan te merken, dat hij zegt: Ons een voorbeeld nalatende. Want als er gewag is van navolging, zoo moet men onderscheiden wat ons Christus voor een voorbeeld voorgesteld heeft. Hij heeft droogvoets op de zee gewandeld, de melaatschen gereinigd, de dooden opgewekt, de blinden wederom ziende gemaakt, enz. Zoo wij bestaan willen dit ook te doen, het wordt een verkeerde navolging. Als Hij ook deze teekenen zijner mogendheid gedaan heeft, heeft Hij ze ons niet voorgesteld om na te volgen. Hieruit is het gekomen, dat men het vasten van veertig dagen tot een voorbeeld genomen heeft, 'twelk toch tot een heel ander einde geschied is. Daarom moet men bescheidenlijk daarvan oordeelen, gelijk ook Augustinus ergens vermaant, waar hij die plaats uitlegt, namelijk: Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben, Matth. 11 : 29. En dit kan men ook afleiden uit Petrus' woorden, want hij verklaart dat onderscheiding van noode is, als hij uitdrukkelijk zegt, dat de lijdzaamheid van Christus ons tot een voorbeeld, dat wij navolgen zouden, gesteld is. Dit stuk verhandelt Paulus breeder, Rom. 8 : 26, 27, als hij leert dat alle kinderen Gods tevoren verordineerd zijn, om gelijkvormig te worden den beelde van Christus, opdat Hij zij de eerstgeborene onder vele broederen. Opdat wij dan met Hem leven, zoo moeten wij eerst met Hem sterven, 2 Tim. 2:11. Die geen zonde gedaan heeft. Dit dient wel tot deze tegenwoordige zaak: want zoo iemand zijne onschuld wil voorwenden, voorwaar Christus heeft niet de straf geleden als de kwaaddoeners, hoewel hij ook daarbenevens toont, hoeveel wij van Christus verschillen, als hij zegt, dat zelfs geen bedrog in zijn mond gevonden is. Want zoo wie met de tong niet misdoet, die is volmaakt, gelijk Jakobus zegt, hfdst. 3 : 2. Zoo toont hij dan dat in Christus is geweest de hoogste volmaaktheid der onschuld, die niemand van ons zichzelven zou durven aanmatigen. Hieruit blijkt te beter, hoe Hij vóór alle anderen ten onrechte geleden heeft. Daarom zal niemand van ons (volgende zijn voorbeeld) weigeren te lijden. Dewijl toch niemand zoo rein van conscientie is, of hij is met eenig gebrek besmet. Als Hy gescholden werd. Hier geeft Petrus te kennen wat ons betaamt in Christus na te volgen, te weten, dat wij stil verdragen het onrecht, en aan geen wraak denken. Want dit is onze aard, dat, wanneer wij eenig onrecht ontvangen hebben, ons gemoed terstond ontstoken wordt tot begeerte naar wraak: maar Christus heeft Zich van al zulke vergelding onthouden. Zoo moet men dan zijn gemoed bedwingen, dat het geen kwaad begeere met kwaad te vergelden. Maar Hü gaf Hem de zaak over. Het woord zaak, is niet uitgedrukt, doch het wordt daaronder lichtelijk verstaan. Dit doet Petrus daarbij tot vertroosting der godzaligen. Indien zij der goddeloozen smaad en geweld geduldig dragen, zij zullen God hebben tot een wreker: want dit ware zeer hard, dat wij aan den moedwil onderworpen zouden zijn, en dat God op onze ellendigheden geen acht zou nemen. Daarom versiert Petrus God met dezen heerlijken bijnaam dat Hij rechtvaardig oordeelt. Alsof hij zeide, ons komt het toe het kwaad met een geduldig hart te verdragen. Intusschen, God zal zijn tijd niet verzuimen, dat Hij Zich niet toone een rechtvaardig rechter. Hierom, ofschoon de boozen voor een tijd moedwil bedrijven, het zal hun nochtans ongestraft niet vergaan, dat zij nu
1 PETRUS 2:23.
den kinderen Gods lastig vallen. Alzoo hebben ook de godvruchti-gen niet te vreezen, alsof zij nergens geen onderstand hadden. Want aangemerkt het Gods ambt is, dat Hij ze bescherme, en hun zaak aanneme, zoo zullen zij in lijdzaamheid hunne zielen bezitten, Luk. 21 : 19. Maar gelijk deze leer niet weinig troost medebrengt, alzoo is zij ook zeer krachtig om die bewegingen des vleesches te stillen en te temmen. Want niemand kan op Gods getrouwheid en beschutting wel rusten, dan die met zachtmoedigen geest zijn oordeel verwacht, want zoo wie tot wraak uitbreekt, die stelt zich in Gods ambt en plaats, en verhindert God zijn ambt te verrichten. Hierop ziet Paulus, als hij stelt, Rom. 12 : 19: Geeft den toorn plaats; waarmede hij te kennen geeft, dat als wij met wraak komen, dat wij Gode als 't ware den weg afsluiten, dat Hij niet oordeele, en hierom bevestigt hij zijne reden met dat getuigenis van Mozes; Mijne is de wrake, Deut. 32 ; 35. In één woord, dit wil Petrus, dat wij naar het voorbeeld van Christus ons matigen zullen om ongelijk te verdragen, zoo wij Gode zijne eere geven, namelijk, zoo wij Hem stellen tot rechter, dien wij ons recht en onze zaak bevelen. Dan, hier kon men vragen, hoe Christus zijn zaak den Vader bevolen heeft. Want zoo Hij van Hem wraak begeerde, Hijzelf leert dat ons zulks niet toegelaten is: want Hij beveelt ons wel te doen dien, die ons beschadigen, te bidden voor die ons vloeken, Matth. 5 :44. Ik antwoord, dat het uit de Evangelische geschiedenis genoeg blijkt, dat Christus Zich alzoo aan het gericht Gods overgegeven heeft, dat Hij nochtans over zijne vijanden geen wrake begeerde, maar heeft veelmeer voor hen gebeden. Vader, zegt Hij, vergeef het hun. Luk. 23 : 34. En voorwaar, het is verre vandaar dat de begeerten onzes vleesches met het oordeel Gods overeenkomen. Hierom, zal iemand zijne zaak Hem, die recht oordeelt overgeven, het is van noode dat hij zich eerst breidele, dat hij niets vreemds van het gerechtige oordeel Gods begeere, want die zichzelven in de begeerte der wrake toegeven, die late het ambt des rechters Gode niet, maar willen Hem eenigszins tot hun scherprechter maken. Zoo wie dan alzoo gemoed is, dat hij begeert dat, die hem nu tegen zijn, zijn vrienden mogen worden, die poge ze op den rechten weg te brengen, die zal God zijn zaak recht overgeven, alzoo biddende: Gij, Heere, kent mijn hart, hoe ik ze zalig wensch, die mij verderven willen. Zoo zij zich bekeeren, ik zal mij in hun welvaart verblijden; zoo zij verhard blijven in de boosheid, dewijl ik weet dat Gij voor mijne zaligheid waakt, zoo laat ik U mijn zaak uitvoeren. Deze mate heeft Christus gehouden, daarom moeten wij ook dezen regel onderhouden.
jes. 63:5. 24 Die zelf onze zonden gedragen Leeft in zijn lichaam op het
hout, opdat wij van de zonde gescheiden der rechtvaardigheid zouden leven, door wiens striemen gij genezen zijt.
25 Want gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den herder en opziener uwer zielen.
Zoo ons Petrus in den dood van Christus niets anders aangeprezen had dan het voorbeeld, dat ware al te koud geweest. Daarom verkondigt hij hier een veel uitnemender vrucht. Zoo zijn daar dan in dezen tekst drie dingen te bedenken. De eerste is, dat ons Christus
58
1 PETRUS 2 : 23, 24.
met zijn dood een exempel der lijdzaamheid voorgesteld heeft. Het tweede is, dat Hij ons van den dood verlost, en tot het leven weder-gebracht heeft. Waaruit volgt, dat wij zoo aan Hem verbonden zijn, dat wij zijn exempel gaarne moeten navolgen. Het derde is, dat hij wat breeder in 't gemeen verhaalt het einde zijns doods, namelijk dat wij der zonden gestorven zijnde, der gerechtigheid leven. Dit alles bevestigt de naaste vermaning.
24 Die onze zonden gedragen heeft. Deze spreuk is bekwaam om de kracht van Christus' dood uit te drukken. Want gelijk onder de wet de zondaar om van zijn schuld vrij te zijn, een slachtoffer stelde in zijn plaats, alzoo heeft Christus op Zich genomen den vloek, dien onze zonden verdiend hadden, opdat Hij dien voor God zou uitwisschen. Hij doet er ook uitdrukkelijk toe, op het hout, want de verzoening van zulk eene misdaad kon niet volbracht worden dan aan het kruis. Zoo heeft dan Petrus zeer wel uitgedrukt, dat Christus' dood een verzoenoffer onzer zonden geweest is. Want Christus aan het kruis geslagen, en Zichzelven tot een offerande voor ons gevende, heeft op Zich genomen de schuld en straf onzer zonden. Petrus heeft uit Jesaja den hoofdinhoud dezer leer genomen, welke profeet vele wijzen van spreken gebruikt, als, dat Hij van de hand Gods geslagen is om onze groote boosheden, dat Hij gewond is om onze ongerechtigheden, dat Hij nedergeslagen en gemarteld is om onzentwil, dat de straf om onzen vrede te maken. Hem is opgelegd geweest. Doch Petrus heeft met dit woord hetzelfde willen uitdrukken, namelijk, dat wij op deze conditie met God verzoend zijn, omdat Zich Christus voor zijn rechterstoel als een borg en misdadige voor ons gesteld heeft om de straf te dragen, waartoe wij gehouden waren. De Sophisten in hunne scholen verduisteren deze weldaad, zooveel als zij kunnen: want zij praten dat wij door het offer des doods van Christus alleen van de schuld na den doop verlost worden, maar dat de straf moet afgekocht worden met voldoeningen. Maar Petrus zegt, dat Christus onze zonden gedragen heeft, zoo verstaat hij, dat niet alleen de schuld Hem toegerekend is, maar dat Hij ook de straf uitgestaan heeft, opdat Hij alzoo een waar zoenoffer ware, gelijk de profeet zegt; De straf van onzen vrede ligt op Hem. Zoo zij voor een uitvlucht daartegen zeggen, dat dit alleen geldt vóór den doop, zij worden wederlegd door de omstandigheid der plaats, want daar wordt gesproken tot de ge-loovigen. Verder, dit deel, wat er naast volgt: Door wiens striemen gij genezen zijt, kan ook tot de tegenwoordige handeling wel geschikt worden; dat wij namelijk, onze schouderen behooren te onderwerpen, om anderer zonden te dragen, niet om die te verzoenen, maar alleen opdat wij ons opgelegde pak dragen mogen. Der zonden gestorven. Hét andere einde van Christus' dood had hij tevoren aangewezen, namelijk, het voorbeeld der verdraagzaamheid, maar hier (als gezegd is) wordt het wat breeder genomen, namelijk, dat wij heilig en rechtvaardig leven. De Schrift maakt altemet gewag van beide, te weten, dat ons God oefent met druk en tegenspoed, opdat wij den dood van Christus gelijkvormig worden, daarna dat ook in den dood van Christus onze oude mensch gekruist is, opdat wij in een nieuw leven wandelen. Evenwel dit einde verschilt niet veel van het voorgaande. Want in de lijdzaamheid was eenvoudig een exempel; maar als hij zegt, dat Christus geleden
59
1 PETRUS 2:24, 25â3: 1.
heeft, opdat wij der zonden gestorven zijnde, der gerechtigheid leven, zoo verklaart hij dat in den dood van Christus deze kracht is, dat zij ons vleesch doodt, gelijk Paulus breeder handelt, Rom. 6. Want zij heeft ons niet alleen dit goed toegebracht, dat ons God uit genade rechtvaardigt, en de zonden niet toerekent, maar dat wij ook der wereld en het vleesch sterven, om op te staan in een nieuw leven. Niet dat deze dood in e'e'n dag volbracht wordt, maar omdat, zoo waar de dood van Christus krachtig is tot verzoening der zonden, dat zij daar ook werkzaam is tot dooding des vleesches.
25 Want gü waart als dwalende schapen. Dit heeft Petrus ook ontleend aan Jesaja, behalve dat de profeet in 't algemeen spreekt: Wij hebben allen gedwaald gelijk schapen, Jes. 53 :6. In het woord schapen, is geen bijzondere aanmerking, want hij vergelijkt ons met de onvernuftige dieren, maar al de kracht is gelegen in hetgeen de profeet verklarenderwijze daarbij stelt, dat elk in zijn weg gedwaald heeft. Zoo is dan de meening, dat wij allen verdwaald zijn van den weg der zaligheid, en loopen naar ons verderf, totdat ons Christus uit deze verstrooiing verzamelt. En dit blijkt klaarder uit het tegendeel, als hij zegt: Gij zyt bekeerd tot uwen herder. Want hij geeft te kennen dat allen, die van Christus niet geregeerd zijn, als verdoolde schapen in dwaling her- en derwaarts loopen. Alzoo wordt de gansche wijsheid der wereld van dwaling beschuldigd, wanneer zij zich Christus niet onderwerpt om van Hem geregeerd te zijn. Dit zijn ook twee heerlijke namen, die Christus toegeschreven worden, dat Hij is de opziener en herder der zielen. En daarom is niet te vreezen, of Hij zal getrouw waken voor de zaligheid dergenen, die zich in zijn schaapskooi en bewaring houden. En hoewel het Hem toekomt ons ganschelijk te behoeden naar ziel en lichaam, zoo noemt Petrus nochtans maar de zielen, overmits deze hemelsche herder ons door zijne geestelijke beschutting ons bewaart tot het eeuwige leven.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 Desgelijks zullen ook de vrouwen haren eigenen mannen onderdanig zijn, opdat zoo eenigen den woorde niet gelooven, dat die door den wandel der vrouwen zonder het woord mogen gewonnen worden;
i)of:Reinen, 2 Als zij aanzien uwen kuischen ') wandel in vreeze.
of. goeden. g versiering niet zal wezen uitwendig, in haarvlechten,
of omhanging des gouds, of aantrekking der kleederen,
4 Maar de verborgen mensch des harten in de onvergankelijkheid 2) Of: Het- van een zachten, en stillen geest, die voor God kostelijk is 2).
welk een koateliik
ding is voor quot;V Tu vervolgt hij de andere orde der onderdanigheid, als hij den God. vrouwen gebiedt haren mannen onderworpen te zijn. En wijl die,
^ welke met ongeloovige mannen verbonden zijn, meer oorzaak schijnen te hebben om het juk af te schudden, zoo vermaant hij deze voornamelijk van haren plicht, en toont dat er eene bijzondere oorzaak is, waarom zij moeten onderdanig zijn met te meerderen ernst, namelijk.
60
1 PETRUS 3 ; 1â4.
opdat zij met hare deugdelijkheid hare mannen tot het geloof lokken mogen. Zoo nu de vrouwen den ongoddelijken mannen gehoorzaamheid schuldig zijn, hoeveel te bereider moeten zij zijn om na te volgen haren geloovigen mannen, als zij ze hebben. Maar het kon ongeschikt schijnen, dat Petrus leert, dat een man voor den Heere kon gewonnen worden zonder het woord, want waar zal dit blijven: Het geloof is uit het gehoor, Rom. 10:17. Ik antwoord, dat de woorden van Petrus niet zoo te verstaan zijn, alsof de heiligheid des levens alleen den ongeloovigen tot Christus kon brengen, maar omdat hunne harten daardoor verzacht en getemperd worden, dat ze van de godzaligheid niet zoo vreemd zijn: want gelijk de kwade exempelen een verhindering zijn, alzoo helpen de goede exempelen niet weinig. Zoo verklaart dan Petrus, dat de vrouwen met heilig en eerlijk te leven dit kunnen verkrijgen, dat zij ook al zwijgende hare mannen zullen bereiden om het geloof op Christus aan te nemen. Aanmerkende uw zuiveren wandel. Hoezeer de harten van het rechte geloof vervreemd zijn, zij worden nochtans gebroken, ziende de zeden der geloovigen zoo geschikt te zijn: want omdat ze de leer van Christus niet verstaan, oordeelen zij die uit ons leven. Zoo moeten zij dan het Christendom prijzen, hetwelk den mensch tot zuiverheid en vreeze onderwijst. Welker versiering. Dit is het andere deel der vermaning, dat zich de vrouwen matig en zedig zullen versieren. Want wij weten dat zij hierin meer zorgvuldig en begeerig zijn dan het betaamt. Daarom arbeidt Petrus niet tevergeefs, dat hij in haar die ijdelheid verbetere. En hoewel hij in het algemeen het kostelijke sieraad bestraft, zoo wijst hij nochtans aan zeker soorten: dat zij haar haar niet kunstig krullen of rollen (gelijk zij daartoe een krulijzer plegen te gebruiken) of dat zij geen gekruld haar daaruit maken. Daarna, dat zij geen goud om het hoofd leggen, want hierin ziet men voornamelijk den overdaad. Nu kon men hier vragen, of de apostel het gebruik van goud platweg als kwaad verwerpt in de versiering des lichaams. Zoo iemand deze woorden drijft, hij verbiedt alzoo wel de kostelijke kleederen, als het goud, want daarna stelt hij de aantrekking der kleederen. Maar het ware bovenmate straf alle netheid en fraaiheid in de kleederen platweg te verbieden. Zoo de stof te kostelijk gezegd wordt. God heeft ze geschapen, en wij weten ook dat de kunsten van Hem voortgekomen zijn. Zoo heeft dan Petrus allerlei versiering niet willen berispen, maar dat gebrek der ijdelheid, waarmede de vrouwen bevangen zijn. In de kleeding zijn twee dingen aan te zien, het gerief en het wei-staan. Het welstaan bestaat in deze stukken, dat er matigheid en zedigheid zij. Hierom zoo eenige vrouw dartelijk gekapt en opgesmukt daarheen trippelt, hare ijdelheid is niet verantwoordelijk. Die nu hier tegenwerpen, dat het eene onverschillige en vrije zaak is, zich aldus of alzoo te kleeden, dezen kunnen lichtelijk wederlegd worden. Want alle zoodanig sieraad, alle onnutte pronkerij, en kortweg, alle overdadigheid komt uit een verdorven hart. Nu, eergierigheid, hoovaardigheid, wellustigheid, pracht, en dergelijke zijn geen onverschillige zaken. Hierom, wier harten van alle ijdelheid gezuiverd zijn, die zullen alles zoo matigen, dat zij buiten de schreef niet zullen gaan.
4 Maar de inwendige mensch des harten. Deze tegenstelling is wel op te merken. Cato zeide, dat degene die zich met de ver-
61
62 1 PETRUS 3:4â6.
siering des lichaams te zeer bekommeren en bezighouden, vergeten of verzuimen de versiering der ziel. Alzoo geeft Petrus een goed middel om deze begeerte der vrouwen te bedwingen, namelijk, dat ze hare naarstigheid aanwenden om de ziel te versieren en te oefenen. Daar is geen twijfel, of door het woord hart, bedoelt hij de gansche ziel. Daarbenevens toont hij, waarin die geestelijke versiering der vrouwen bestaat, te weten, dat zij onverdorven van geest zijn, zachtmoedig en stil De onverdorvenheid, naar mijn gevoelen, wordt gesteld tegen de onzekere en vergankelijke dingen, die tot des lichaams versiering dienen. In ée'n woord, de zin van Petrus is, dat de versiering der zielen niet is gelijk een verwelkende bloem, dat ze ook niet gelegen is in een verdwijnenden schijn, maar dat zij onverderfelijk is. Als hij zegt, een stillen zachten geest, zoo verklaart hij de eigen deugden der vrouwen. Want daar is niets dat het vrouwelijk geslacht zoo wel betaamt, als een stille en zedige geest: want wij weten wat een wild dier een verwaande en wederspannige vrouw is. Verder, is er niet bekwamers, om de ijdelheid, (waarvan Petrus hier spreekt) te beteren, dan een stille en geruste geest. Dat er volgt, welke kostelijk voor God is, kan men zoowel van de gansche rede, als van het woord geest verstaan, doch de zin blijft onveranderd. Want waaruit komt den vrouwen zulke groote zorg zich te versieren, dan opdat ze van de menschen gezien worden ? Maar Petrus daarentegen gebiedt, dat ze meer zorgvuldig zullen zijn om voor God kostelijk te wezen.
5 Want alzoo hebben zich ook versierd voormaals de heilige vrouwen, die op God hoopten, en haren mannen onderdanig waren. Gen. 18:12. 6 Gelijk Sara Abraham gehoorzaam was, hem noemende heer:
welker dochteren gij geworden zijt, zoo gij weldoet, en niet i) of: En vervaard wordt met eenige vreeze ').
wanneer gij
vreest!quot;quot;1quot;1 Hij stelt haar voor het exempel der godvruchtige vrouwen, die veelmeer naar de geestelijke versiering gestaan hebben, dan dat ze overgegeven zijn geweest tot die aanlokselen der uiterlijke versiering. Vóór anderen noemt hij Sara, die, aangezien zij de moeder is aller geloovigen, bij het vrouwelijke geslacht eer en navolging waardig is. Alzoo keert hij wederom tot de onderdanigheid, die hij bevestigt met het exempel van Sara, welke (als bij Mozes te lezen is) haren man heer noemde. Het is wel waar, dat God naar zulke namen niet vraagt, want het kan geschieden dat een die lichtzinnig en ongehoorzaam is, dezen naam in den mond heeft. Maar Petrus verstaat, dat Sara alzoo pleegt te spreken, als die wel wist dat haar deze wet van God opgelegd was, dat zij onder den man zou wezen. Petrus doet daarbij, dat de vrome vrouwen dochteren van Sara zullen wezen, dat is, dat ze onder de geloovigen zullen geteld worden, die haar vroomheid zullen nagevolgd hebben.
6 En niet vervaard wordt. De weekheid van het vrouwelijk geslacht maakt dat ze te meer achterdochtig en vreesachtig zijn, en â , dienvolgens ook korzeler. Want zij vreezen, zoo zij zich den man
nen onderwerpen, dat zij te smadelijker van die zullen gehandeld worden. Hierop schijnt Petrus te zien, als hij haar verbiedt door geene vrees beroerd te worden. Alsof hij zeide: Onderwerpt u gaarne aan het bevel uwer mannen, en laat u de vrees van de gehoorzaamheid
r
1 PETRUS 3 :6, 7.
niet verhinderen, alsof gij daarom te ellendiger stand hadt, zoo gij lijdzaam zijt. Dit kon ook een algemeene leer zijn, namelijk, dat zij te huis geen beroerte aanrichten: want gelijk zij tot verslagenheid des harten genegen zijn, alzoo zijn ze dikwijls verkeerd om een onnutte zaak, beroerende zichzelve en haar huisgezin. Anderen meenen dat dit in het gemeen gezegd is, om te verbeteren die vreesachtigheid der vrouwen, die het geloof tegen is: alsof ze Petrus vermaande om hare roeping met een vroom en onverschrikt gemoed na te komen. Doch mij behaagt de eerste uitlegging het best,
hoewel zij van deze laatste niet veel verschilt.
63
7 Desgelijks, gij mannen, woont bij haar met verstand, en geeft i Cor. 7; i den vrouwen als het zwakkere vat hare eere, alsook medeërf-genamen ') der genade des levens, opdat uwe gebeden niet verhinderd worden.
1) Of: Als degenen, die ook tegelijk erfgenamen zijn der, enz.
7 De mannen wonen. Van de mannen vereischt hij wijsheid, want hun is geen heerschappij over de vrouwen toegelaten, dan onder dit beding, dat zij ze wijselijk regeeren. Dat dan de mannen gedenken, hoe zij om zich wel te kwijten, wijsheid behoeven: want waarlijk zij moeten vele ongeschiktheden verdragen, veel verdriet opeten, en daarbenevens toezien dat zij ze met hunne toegeving hare dwaasheid niet voeden. Hierom is de vermaning van Petrus niet overbodig, dat de mannen met de vrouwen wijselijk te zamen wonen. Als het zwakkere vat. Hier wijst hij aan een deel der wijsheid, waarvan hij vermeld heeft, dat de mannen hunne vrouwen in eere houden: want er is niets dat de eendracht des levens meer verscheurt dan de verachting. Ook kunnen wij niet recht liefhebben, dan die wij in waarde houden, dat de liefde met eerbied gevoegd zij. Nu gebruikt hij tweeërlei bewijsreden om de mannen wijs te maken, dat zij hunne vrouwen eerlijk en beleefd behandelen. De eerste is, dat zij van zwakker conditie zijn. De ander, dat God die verwaardigt te eeren. Dit schijnt wel wat tegen zichzelve te zijn, dat men de vrouwen eeren moet omdat ze zwak, en wederom omdat ze uitnemend zijn, maar dit komt beide zeer wel overeen, waar liefde omgaat. Dit is openbaar, dat God veracht wordt in zijn gaven, als wij die niet eeren, welken Hij wat uitnemends gegeven heeft: maar als wij overleggen dat wij leden zijn ée'ns lichaams, zoo leeren wij dragen, bedekken, en vergeven elkanders krankheden. Dit is het wat Paulus wil, 1 Cor. 12 : 23, als hij zegt, dat men den zwakkeren leden meer eer aandoet, namelijk, dat wij zorgvuldiger zijn, om hare schaamte te dekken. Zoo is het dan niet ongerijmd, dat Petrus gebiedt op de vrouwen acht te nemen, en dezelve met een beleefde handeling te eeren, daarom dat zij zwak zijn. Verder, gelijk wij lichter den kinderen vergeven wat ze door onwetendheid van jaren misdoen, alzoo moet ons de zwakheid van het vrouwelijke geslacht bewegen, dat wij tegen onze huisvrouwen zoo hard en stuursch niet zijn. Het is genoeg bekend, dat het woord vat, in de Schrift be-teekent allerlei instrument. Medeërfgenamen der genade des levens. Deze tekst wordt op verscheidene wijze gelezen, doch deze lezing komt wel overeen met den zin van Petrus: Dewijl de Heere den mannen en vrouwen tegelijk zijne genade verwaardigt mede te deelen, dat Hij ze daardoor tot onderhouding van gelijkmatigheid van gedrag
64 1 PETRUS 3:7, 8.
verwekt of aanlokt. Wij weten toch dat er velerhande gaven zijn, die de vrouwen zoowel deelachtig zijn als de mannen, waarvan sommigen tot het gebruik dezes levens, en sommigen tot het rijk Gods be-hooren. Daarna zegt hij, dat ze medeërfgenamen des levens zijn, hetwelk het voornaamste is. Hoewel sommigen van de hope der zaligheid vreemd zijn, dewijl die nochtans zoowel hun, als den mannen aangeboden wordt, dat is genoeg tot vereering van het vrouwelijke geslacht. Opdat uwe gebeden. Want God kan niet behoorlijk aangeroepen zijn, dan met een stil en gelaten hart. In twisten en kijven kan men niet bidden. Petrus spreekt den mannen en vrouwen aan, als hij beveelt dat ze eendrachtig zijn om te zamen , met ée'n hart God te bidden, maar hiéruit kan men een algemeene
leering nemen, dat niemand tot God kan komen, dan die met zijn broeders vereenigd is. Gelijk dan deze rede behoort alle beroerten en gekijf in het huis te doen ophouden, opdat God in elk huisgezin aangeroepen worde, alzoo moet ze als een breidel zijn, om in het gemeene leven alle twisten te bedwingen. Want wij zijn meer dan razend, zoo wij ons wetens en willens den weg afsnijden om God aan te roepen, dewelke de eenige toevlucht is onzer behoudenis. Sommigen leggen dit uit, dat men de huisvrouwen zelden en matig moet gebruiken, opdat de veelvuldige samenkomst den ernst des bid-dens niet verhindere, volgens hetgeen Paulus leert 1 Cor. 7 ; 5, Verkort elkander niet, anders dan tot onderlinge bewilliging voor een tijd, om u tot vasten en bidden te begeven. Maar deze leer van Petrus strekt verder. Bovendien zegt Paulus niet, dat door de samenwoning de gebeden afgebroken worden. Hierom zal men behouden de eerste uitlegging die ik bijgebracht heb.
ft 'â¢
8 En eindelijk, zijt al te zamen eensgezind, medelijdend, de broe-l) Of: Oot- derlijke liefde hebbende, barmhartig, vriendelijk ').
vredè8' lief- 9 Vergeldt niet kwaad met kwaad, noch vloeking met vloeking,
hebbende. maar daarentegen spreekt wel, dit wetende, dat gij hiertoe zijt
geroepen, opdat gij de zegening zoudt beërven.
Nu volgen de bijzondere vermaningen, die allen zonder onderscheid aangaan. Toch verhaalt hij kortelijk sommigen, die tot onderhouding der vriendschap en liefde het noodigste zijn. De eerste is, dat wij allen van één gevoelen zijn: want hoewel de vrienden wel een verscheiden gevoelen mogen hebben, zoo is dit nochtans als een wolksken dat de liefde verduistert, Ja, uit dit vonksken ontspringt lichtelijk haat, het medelijden vervat al de zinnen, als er onder ons zulke eendrachtigheid is, dat elk over zijns naasten ongeluk, als over zijn eigen bedroefd is, en wederom verblijd over zijnen voorspoed, en dat een iegelijk niet alleen zichzelven bezorgt, maar ook de anderen omhelst. Dat er naast aan volgt: hebbende onderlinge broederlijke liefde, heeft alleen plaats onder de geloovigen, want waar God voor Vader bekend wordt, daar regeert eerst rechte broederschap. De barmhartigheid die hij daarbij doet, onderwijst | ons niet alleen onze broederen te helpen, en hunne ellendigheid te
verlichten, maar vermaant ons ook hunne zwakheid te dragen. Hetgeen er volgt, kan men naar het Grieksch op tweeërlei wijze lezen, maar de tekst, gelijk ik hem gesteld heb, dunkt mij beter te passen. Want wij weten, dat dit de voornaamste band is om vriendschap
f - gt;â¢
| V
1 PETRUS 3 : 8, 9. 65
te onderhouden, als een ieder van zichzelven een klein en nederig gevoelen heeft. Gelijk daar wederom niets is, dat meer oneenigheid maakt, dan als wij onszelven te zeer behagen. Zoo doet dan Petrus voorzichtelijk, dat hij ons beveelt ootmoedig te zijn, opdat de hoo-vaardigheid en hoogmoedigheid ons niet prikkele om onzen naaste te verachten. Niet vergeldende kwaad met kwaad. Met deze woorden is alle wraak verboden: want het is noodig velen te dragen,
opdat de liefde bewaard blijve, hoewel hier niet geleerd wordt van de onderlinge goedwilligheid, maar hij wil dat wij leeren onrecht lijden,
wanneer ons de goddelooze menschen tergen. Al is het dat men gemeenlijk acht dat zij een kleinen geest en moed hebben, die hun ongelijk niet wreken, zoo is het nochtans de meeste moedigheid voor God geacht, gelijk boven gezegd is. Het is ook niet genoeg zich van wraak te onthouden, maar Petrus vereischt ook dit, dat wij goed wenschen dien, die ons smaden. Alzoo wordt hier het woord zegenen genomen, en gesteld tegen vloeken. Dit geeft dan Petrus voor een algemeene leer, dat men het kwaad met weldaden moet overwinnen. Dit is wel zeer zwaar, doch wij moeten hierin onzen hemelschen Vader navolgen, die ook over de onwaardigen zijn zon laat opgaan. Dat de sophisten dit versieren slechts een raad te zijn, is een ijdele uitvlucht. Want zoo haast Christus gezegd heeft;
hebt uwe vijanden lief, bevestigt Hij zijn leer, zeggende: opdat gij kinderen Gods zijt, Matth. 5 : 45. Wetende, dat gij hiertoe geroepen züt. Hij geeft te kennen dat den geloovigen, als zij van God geroepen zijn, deze wet opgelegd is, dat ze niet alleen zoover zachtmoedigheid bewijzen, dat ze geen onrecht vergelden, maar dat zij ook van de kwaadsprekers goed spreken zullen. Wijl deze wet zwaar en bijna onbillijk schijnen mocht, zoo stelt hij hun voor den prijs,
alsof hij zeide: de geloovigen hebben niet te klagen, want het is tot hun welzijn, dat zij het onrecht vergeven. In één woord, hij toont wat een groot gewin lijdzaamheid is: want zoo wij met een geduldig hart verdragen het onrecht dat men ons doet, zoo zal de Heere met zijn zegen ons achtervolgen. Ja, hij zegt dat wij den zegen be-erven zullen, om uit te drukken een gedurige bezitting. Alsof Petrus zeide: Het zal ons niet alleen welgaan voor een tijd, maar voor altijd, zoo wij ons matigen in het onrecht te lijden. God zegent op een andere wijze dan de menschen. Ons komt toe, dat wij onze wenschen Hem voordragen, maar Hij heeft in zijn macht die te volbrengen. Aan de andere zijde geeft Petrus ook te kennen, dat het dengenen, die hun leed wreken willen, kwalijk vergaan zal wat zij aangrijpen zullen, wijl zij zich daardoor den zegen Gods ontzeggen.
10 Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die Ps. 34;i3. bedwinge zijn tong dat zij niets kwaads, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken.
11 Hij wijke van het kwade, en doe het goede, hij zoeke vrede, .les, i : ifgt;. en sta daarnaar.
12 Want de oogen des Heeren zien op de rechtvaardigen, en zijn ooren op hun gebed. Maar het aangezicht des Heeren ziet op degenen, die kwaad doen.
13 En wie is het, die u zal kwaad doen, indien gij naar het goede staat ?
Dl. vin. rgt;
1 PETRUS 3 : 10â12.
Matt 5;w. 14 Maar zoo gij om de gerechtigheid lijdt,1) zoo zijt gij zalig;
dat gü goed en vreest niet als zij u vrees aandoen, en zijt niet beroerd,
geâlt;Ja^ hebt. maar heiligt den Heere der heirscharen ') in uwe harten.
2) Of; Den -
Heere God.
Hij bevestigt de naastvoorgaande rede met het getuigenis van David. De plaats is genomen uit Psalm 34, waar de Geest getuigt dat het zal welgaan al dengenen, die zich van alle booze daad en schade zullen onthouden. Het gemeene gevoelen geeft wel wat anders in, want de menschen meenen, tenzij zij zich dapper wreken, dat ze bloot zullen staan aan den moedwil hunner vijanden. Maar de Geest Gods belooft geen ander een zalig leven, dan den zacht-moedigen en geduldigen. Want het kan met ons niet anders welgaan, dan als de Heere onze wegen voorspoedig maakt. Nu wil God de goeden en weldadigen bijstaan, niet de gruwzamen en felle menschen. Petrus heeft de Grieksche overzetting gevolgd, doch in den zin is weinig verschil. David heeft aldus van woord tot woord: Die het leven liefheeft, en begeert goede dagen te zien. En dit is te wenschen, dewijl ons God in deze wereld gesteld heeft, dat wij onzen loop in vrede mogen voleindigen. Zoo toont hij dan het middel om dit goed te verkrijgen, zoo wij ons rechtvaardig en onschuldig jegens ieder gedragen. En vooreerst wijst hij aan wat gebreken der tong wij schuwen moeten, te weten, dat wij niet spijtig en schimpig zijn, daarna niet bedriegelijk noch dubbel. Vandaar komt hij tot de werken, dat wij niemand kwetsen of beschadigen, maar dat wij ons benaarstigen jegens alle menschen weldadig te zijn, en met alle vriendelijkheid ons te kwijten.
ii Hy zoeke vrede. Want het is niet genoeg, dat wij den vrede als hij ons aangeboden is, aannemen, maar wij moeten hem najagen, als hij van ons schijnt te vluchten. Het gebeurt ook wel, dat als wij den vrede, zooveel in ons is, zoeken, dat anderen ons dien niet geven. Om deze zwarigheden en verhinderingen, beveelt hij ons denzelven te zoeken, en na te loopen. Want de oogen des Heeren zien op de rechtvaardigen. Dit moet ons een voldoende krachtige vertroosting zijn, om alle kwaad te verzachten, dat ons de Heere aanschouwt, opdat Hij ons bijtijds helpe De inhoud is, dat die bescherming, waarvan hij meldt, aan God hangt. Want zoo de Heere voor de zijnen geen zorg droeg, zij waren als schapen den wolven ten roof. En waarlijk, dat wij zoo lichtelijk beroerd zijn, dat wij zoo haast tot gramschap ontstoken zijn, dat wij branden van wraakgierigheid, komt hieruit, omdat wij niet overdenken, dat God voor ons zorgt, en op zijn hulpe niet rusten. Hierom wordt daar tevergeefs geleerd van lijdzaamheid, zoo de harten niet eerst doortrokken zijn met deze leer, dat God over ons zorg draagt, dat Hij ons ten bekwamen tijde helpt. Integendeel, als wij dit voor zeker houden, dat God de rechtvaardige zaak wil voorstaan en beschermen, zoo zullen wij vooreerst naar rechtvaardigheid staan, daarna, als ons de boozen overlastig en partijdig zijn, wij zullen onze toevlucht nemen tot Gods bescherming: want als hij zegt, dat de ooren des Heeren open zijn tot ons gebed, zoo wekt hij ons op tot een naarstig bidden. Het aangezicht des Heeren over de kwaden. Met dit stuk verklaart hij dat God onze wreker zijn zal: want Hij zal niet altijd dulden, dat de goddeloozen hun moedwil drijven. Daarbenevens verkondigt hij ook wat daarvan komen zal, zoo wij ons leven met
66
1 PETRUS 3 : 12 â 14.
kwaadheid willen behoeden, namelijk, dat wij God zullen hebben tot onze wederpartij. Maar men kon hier tegenwerpen, dat wij het dagelijks veel anders ondervinden, want hoe rechtvaardiger iemand is, en meer naar vrede staat, hoe meer hij van de booswichten gekweld wordt. Ik antwoord: daar is niemand, die zoozeer naar billijkheid en vrede staat, dat hij niet somtijds in eenig deel zondigt:
maar dit is voornamelijk op te merken, dat de beloften dezes levens zich niet verder strekken, dan zoover het ons nut is te ontvangen wat ze inhouden. Zoo wordt dan dikwijls onze vrede met de wereld verstoord, opdat ons vleesch getemd, en onder Gods gehoorzaamheid gebracht worde, en ook om andere oorzaken, zoodat wij geen schade lijden.
13 En wie zal u kwaad doen. Wederom bevestigt hij zijne voorgaande rede met een argument genomen van de gemeene ervaring : want dit geschiedt allermeest, dat ons de goddeloozen moeilijk vallen, als zij van ons getergd zijn, of omdat wij zulke naarstigheid als het betaamde, niet gedaan hebben, om hen te vriend te hebben, want die naar weldadigheid trachten, die vermurwen ook
de ijzeren harten. Deze zelfde rede brengt ook Plato bij, zeggende K''p- uh. 7. aldus; Ongerechtigheid wekt oproer, haat en gevecht: maar gerechtigheid wekt eendrachtigheid en vriendschap. Dit geschiedt wel gemeenlijk, doch niet altijd. Want hoezeer de kinderen Gods arbeiden om die boosachtigen met weldaden te stillen, ja hun weldaden aan alle rnenschen bewijzen, nochtans worden zij dikwijls van velen ten onrechte besprongen. Daarom doet Petrus daartoe: Zoo gij Ijjdt om de gerechtigheid, enz. Hierop komt het uit, dat om een gerusten stand des levens te krijgen, de geloovigen meer zullen vorderen met weldaden, dan met geweld, en haast om te wreken. Maar wanneer zij niets dat tot vrede dient hebben nagelaten, en dan nog komen te lijden, zoo zijn zij gelukzalig, als lijdende om de gerechtigheid. Dit laatste stuk verschilt veel van het gevoelen onzes vleesches: maar Christus heeft alzoo niet zonder reden gesproken, Matth. 5 : 10. En Petrus herhaalt het ook niet tevergeefs uit den mond zijns meesters. Want God, de Verlosser, zal daar in het einde komen, en dan zal openbaar zijn wat nu ongeloofe-lijk schijnt, als dat de ellendigheden der godzaligen, die zij geduldig gedragen hebben, gelukkig geweest zijn. Lyden om de gerechtigheid, beteekent niet alleen in wat schade of ongerief zich steken,
om een goede zaak voor te staan, maar ook ten onrechte lijden,
waar iemand onschuldig in de vreeze Gods verkeerd heeft onder de menschen.
14 En vreest niet, als zij u vrees aandoen. Hij toont wederom de bron en oorzaak der onlijdzaamheid, namelijk, dat wij buiten mate verstoord zijn, wanneer de goddeloozen tegen ons opstaan. Zoodanige verslagenheid maakt ons moedeloos, of werpt ons terneder, of ontsteekt in ons eene begeerte der wraak, daarentusschen berusten wij niet in Gods bescherming. Zoo is dan dit de beste remedie om de beroerlijke bewegingen des gemoeds te bedwingen, zoo wij op de Goddelijke hulpe betrouwende, de onmatige verschrikkingen overwinnen. Het lijdt geen twijfel, of Petrus heeft willen zinspelen op de plaats in Jes. 8 : 12. Want als de Joden tegen Gods verbod begeerden met ongoddelijke wereldsche macht zich te sterken, zoo vermaant God zijn profeet, dat hij door hun exempel niet verschrikke,
67
I
68 1 PETRUS 3: 14, 15.
hoewel Petrus het woord vrees in een anderen zin schijnt te nemen. De profeet neemt het, voor wat gevreesd wordt: want hij beschuldigt het volk van ongeloovigheid, dat, waar het behoorde op God te betrouwen, en de gevaren vromelijk te verachten, nochtans alzoo door de vrees nedergeslagen en moedeloos was, dat het van alle zijden ongeoorloofde hulpe haalde. Maar Petrus neemt het woord vrees anders, namelijk voor dat geweld en die gruwzame dreigementen, waarmede ons de goddeloozen plegen vrees aan te doen. Zoo wijkt hij dan van den zin des profeten: maar hierin is niets ongeschikts, want zijn meening is niet geweest de plaats des profeten uit te leggen. Alleen heeft hij willen aanwijzen, dat er tot lijdzaamheid niets bekwamers is dan wat Jesaja voorschrijft, namelijk dat wij Gode zijn eere geven, mits in gansch betrouwen des harten op zijn mogendheid te rusten. Zoo nochtans iemand deze woorden van Petrus: Vreest hunne vrees niet, wil uitleggen, alsof hij gezegd had, vreest niet, gelijk de ongeloovigen of kinderen dezer wereld plegen te vreezen (als die van Gods voorzienigheid niet houden) ik ben daar niet zeer tegen, dan dat het naar mijn bedenken een gedwongen uitlegging zijn zou. Doch hierover is het niet noodig zich te bekommeren, gemerkt Petrus alle woorden des profeten in het bijzonder niet heeft willen verklaren, maar alleen hierop dringen, dat de geloovigen onbevreesd zullen staan, en dat ze door geen beroerte noch vrees nimmer van den rechten regel van hun plicht zullen kunnen afgewend worden, zoo zij den Heere der heirscharen heiligen. Maar deze heiligmaking moet niet breeder genomen zijn, dan naar de omstandigheid dezer plaats, of zaak. Waaruit komt het toch, dat als eenig gevaar aanstaat, wij met vrees overvallen worden, en meenen verloren te zijn? Dan, dat wij de sterfelijke menschen achten machtiger te wezen om te schaden, dan God om te behoeden ? God belooft, Hij wil onze zaligheid gadeslaan, de goddeloozen daarentegen pogen die te beletten. Zoo ons nu Gods belofte niet vast onderhoudt, doen wij Hem niet te kort, en ontheiligen wij Hem niet eenigerlei wijs? Zoo leert dan de profeet dat men van den Heere der heirscharen hoogwaardig gevoelen zal, in zulke wijze dat, of wel de goddeloozen alles aanleggen om ons te verderven, en dat zij ook daartoe met groote kracht voorzien zijn, dat desniettegenstaande God alleen meer dan machtig genoeg is om ons te-behoeden. Daarom doet Petrus daarbij: In uwe harten. Want is het dat wij ganschelijk in onze harten verzekerd zijn, dat de hulpe ons van den Heere beloofd, genoegzaam is, zoo zullen wij allerbest gewapend zijn om alle vrees en ongeloovigheid te verdrijven.
15 Weest altijd bereid antwoord te geven aan een iegelijk, die van u eischt rekenschap van de hope die in u is, met zaoht-
i) Of: Eer- moedigheid en vreeze ').
16 Hebbende eene goede conscientie, opdat degenen, die van u kwaadspreken als van kwaaddoeners, en die uwe goede wandeling in Christus gesmaad hebben, beschaamd mogen worden.
Hoewel dit een nieuw voorschrift is, zoo hangt het nochtans aan het voorgaande, want hij eischt van de geloovigen zoodanige standvastigheid, dat zij de wederpartijen van hun geloof onverschrokken antwoorden mogen. En dit is een deel der heiligmaking, waarvan
f.'
11
biedin]
â ' -
I
lit.1 I
1 PETRUS 3 : 15.
69
hij wat tevoren vermeld heeft. Want alsdan geven wij Gode naar recht zijn eere, als noch vrees, noch schaamte ons verhindert van de rechte belijdenis des geloofs. Toch gebiedt Petrus zoo strengelijk niet, dat wij alom, altijd, en bij allen man zonder onderscheid zouden uitspreken en openbaren al wat ons van God gegeven is: want God onderwijst de zijnen met den Geest des onderscheids tot dat einde, dat zij oordeelen mogen, wanneer, hoever, en bij wien het nut is te spreken. Alleen beveelt hij hun gereed te zijn tot verantwoording, opdat zij door zorgeloosheid en door een trage vrees des vleesches, de leering van Christus met hun zwijgen bij de goddeloozen niet ten spot maken. Dit is het oogmerk dan, dat wij altijd de belijdenis onzes geloofs moeten gereed hebben, om die te weten, zoo dikwijls als het noodig is, opdat de ongeloovigen door ons zwijgen, de religie, die wij volgen, niet veroordeelen. Verder is op te merken, dat Petrus hier niet beveelt, dat wij moeten gereed zijn om allerlei vragen, die van eenige zaak voortgebracht worden, op te lossen of te beantwoorden. Want het is eens iegelijks doen niet van alle onderwerpen te handelen, dan dit is een algemeene leer, die ook den eenvoudigen en ongeleerden aangaat. Zoo wil dan Petrus niets anders, dan dat de Christenen den ongeloovigen bekendmaken, dat zij God zuiver dienen, hebbende een heilige en rechte religie. En hierin is geen zwarigheid, want het ware al te ongeschikt, wanneer iemand naar ons geloof vraagt, niets bij te brengen om hetzelve te verantwoorden: men moet altijd naarstigheid doen, dat een ieder bekennen kan dat wij God vreezen, en dat wij van den rechten godsdienst een godvruchtig en eerbiedig gevoelen hebben. Dat was ook bijzonder van noode te dien tijde, want de naam van Christenen was zeer gehaat, en kwaad berucht; velen meenden dat het een gruwelijke en godslasterlijke secte was. Daarom ware het geweest de hoogste ontrouwheid jegens God, zoo de Christenen gevraagd zijnde, verzuimd hadden van hun vroomheid getuigenis te geven. En dusdanige verantwoording geeft ook Petrus mijns achtens te kennen met het woord, dat hij gebruikt, te weten, dat de Christenen voor de wereld zouden getuigen, dat zij verre zijn van alle goddeloosheid, en van alle vervalsching van den waren godsdienst, om welker oorzaak zij bij de onverstandigen verdacht waren. De hope wordt hier genomen voor het geloof. Nochtans eischt Petrus niet, gelijk gezegd is, dat de geloovigen van alle artikelen des- geloofs zouden kunnen onderscheiden en scherpzinnig disputeeren, maar alleen dat zij be-toonen, dat het geloof in Christus met de ware vroomheid wel overeenkomt. Hieruit verstaan wij wel hoe verkeerd die den naam van Christenen misbruiken, die niets zekers verstaan, noch iets hebben, dat zij van hun geloof zouden kunnen antwoorden. Maar wederom is ernstig te overwegen dat hij zegt: Van de hope, die in u is. Want daarmede verklaart hij, dat zulke belijdenis Gode behaagt, welke uit het hart spruit. Want tenzij er geloof binnen wone, zoo zal de tong tevergeefs klappen. Laat dan het geloof in ons geworteld zijn, opdat het de vrucht der belijdenis voortbrenge. Met zachtmoedigheid. Dit is een noodzakelijke vermaning, want indien niet de zinnen tot matigheid geschikt worden, terstond komen daar twistingen voort, die door de hittigheid uitbarsten. De zachmoedig-heid wordt gesteld, zoowel tegen de hoovaardigheid en opgeblazen verwaandheid, als tegen de onmatige hittigheid. Hierbij voegt hij
70
zeer wel vreeze. Want waar God recht ontzien wordt, daar wordt alle felheid des gemoeds getemd, en hierdoor worden wij voornamelijk geschikt gemaakt, om van Gods verborgenheden zachtzinnig te handelen. Want daaruit komen tvvistige disputatiën, dat velen niet zoo hoogwaardig als het betaamt van de grootheid der hemelsche wijsheid gevoelende, door een onheilige stoutheid uitvaren. Daarom, willen wij de belijdenis onzes geloofs aangenaam maken, laat alle beroeming en twisting verre van ons zijn.
16 Hebbende een goede conscientie. Overmits de woorden weinig gezag hebben zonder het leven, zoo voegt hij de goede conscientie bij de belijdenis des geloofs: want wij zien dat er velen zijn, die genoeg de tong gereed hebben, en vrijelijk uitklappen, maar zonder vrucht, want het leven schikt er zich niet naar. Insgelijks, het is alleen de oprechtheid der conscientie, die ons vrijmoedigheid geeft te spreken, gelijk het betaamt. Want die veel klappen van het Evangelie, en nochtans door hun ongebonden leven als goddeloozen kunnen bestraft worden, dezelven maken zich niet alleen belachelijk, maar zij leveren ook de leer zelve den goddeloozen over om gelasterd te worden. Want, waarom heeft hij ons hier een weinig tevoren bevolen om gereed te zijn om (hiervan verzocht zijnde) ons geloof te verantwoorden, dan dat wij schuldig zijn de leer Gods te bevrijden van alle verkeerde verdachtmakingen en argwaan, waarmede ze de onverstandigen belasten? Nu zal hier het voorstaan met de tong weinig gelden, zoo het leven ook niet mede verantwoordt. Daarom zegt hij, dat ze beschaamd worden, die uwen goeden wandel in Christus lasteren, en van u als van kwaaddoeners kwalijk spreken. Alsof hij zeide: Zoo uwe wederpartijen niet anders vinden dat zij in u berispen, dan dat gij Christus volgt, zij zullen zich ten laatste over hun boosheid schamen, of tenminste uw onschuld zal genoegzaam zijn om hen le wederleggen.
17 Want het is beter, dat gij weldoende lijdt, indien het de wil Gods is, dan kwaaddoende.
18 Want Christus heeft ook eenmaal voor de zonden geleden, de rechtvaardige voor de onreohtvaardigen, opdat Hij ons tot God brengen zou, gedood naar het vleesch, maar levendgemaakt naar den Geest.
17 Want het is beter. Dit behoort niet alleen tot de naastvoorgaande rede, maar tot het gansche voorstel. Hij heeft gesproken van de belijdenis des geloofs, welke te dien tijde gevaarlijk was. Nu zegt hij, dat het veel beter is, zoo zij wat ongeriefs lijden om een goede zaak voor te staan, alzoo te lijden ten onrechte, dan of zij om hunne kwade daden gestraft waren. Deze troost wordt veeleer door eene godvruchtige overdenking, dan door een langen omhaal van woorden ontvangen. Dit is ook wel overal bij de heidensche schrijvers te vinden, namelijk, dat een goede conscientie sterkte genoeg geeft, wat kwaads iemand overkomt, en wat daar te verdragen is. Zij hebben wel duidelijk gesproken, maar eerst dan zal het gemoed vroom zijn, als het op God ziet. Daarom heeft Petrus dit beding daarbij gedaan: Indien het de wil Gods is. Want met deze woorden leert hij; zoo wij iets ten onrechte lijden, dat dit niet geschiedt bijgeval, maar veelmeer naar den vasten raad of wil Gods. Nu
71
houdt hij voor gewis, dat God niets wil of besluit, zonder zeer goede oorzaak. Daarom zoo hebben de geloovigen in hunne ellendigheden altijd dezen troost, dat zij weten, hoe zij God tot een getuige hebben. Daarna, dat ze bekennen, hoe zij van Hem tot dat strijdperk geleid worden, opdat zij onder zijn geleide hun geloof doen blijken.
18 Want ook Christus heeft eenmaal. Dit is eene andere vertroosting. Zoo wij in onze verdrukkingen een goede conscientie hebben, wij lijden naar het voorbeeld van Christus, waaruit volgt dat wij gelukzalig zijn. Daarbenevens toont hij ook, dewijl Christus ten onrechte gedood is, dat het Hem niet schikt dat wij zouden gestraft zijn om onze kwade daden. Want hij leert dat Christus geleden heeft, om ons tot God te brengen. Wat wil dit anders zijn,
dan dat wij door Christus' dood alzoo God toegeheiligd zijn geweest, dat wij Hem zouden leven en sterven? Zoo heeft dan deze rede twee deelen. De eerste is, dat wij de vervolgingen geduldig zullen dragen, omdat ons de Zoon Gods den weg wijst. De ander is, dewijl wij door den dood van Christus tot Gods gehoorzaamheid toegeëigend zijn, dat het niet betaamt, dat wij om onze misdaden lijden, maar om de gerechtigheid. Maar hier kon iemand vragen,
of God de geloovigen niet kastijdt, zoo dikwijls Hij ze van elders laat verdrukken. Ik antwoord, dat het wel dikwijls geschiedt, dat God hun de straf toezendt, die zij verdiend hebben. Dit loochent ook Petrus niet, maar hij leert, wat groote troost het is een ge-meene zaak met God te hebben. Maar hoe nu God de zonden niet straft in die welke om de gerechtigheid vervolging lijden, en in wat â¢
zin zij onschuldig genoemd worden, zullen wij zien in 't navolgende hoofdstuk. Die gedood is. Dit was aireede een groote zaak, den Zone Gods gelijkvormig te zijn, als wij zonder schuld lijden, maar hier komt nog een andere troostrede bij, dat de uitgang van den dood van Christus gelukkig is geweest. Want hoewel Hij geleden heeft door de zwakheid des vleesches. Hij is nochtans verrezen door de kracht des Geestes. Zoo heeft dan het kruis, noch de dood,
Christus niet verhinderd, gemerkt het leven de overhand behouden heeft. Dit is hierom gezegd, opdat wij weten, gelijk Paulus ook vermaant, dat wij de dooding van Christus in ons lichaam dragen,
opdat zijn leven in ons geopenbaard worde, 2 Cor. 10. Het vleesch wordt hier genomen voor den uitwendigen mensch, de Geest voor die Goddelijke kracht, door welke Christus, een overwinnaar van den dood, is opgerezen.
19 In denwelken Hij ook is henengegaan, en heeft gepredikt den geesten op de wacht: ') l) of: Die in
20 Die voortijds ongeloovig waren, a) toen de lijdzaamheid Gods ^ ^fj^aneequot; eenmaal verwacht werd in de tijden van Noach, toen de ark A]2)dA°d®r®: bereid werd, in welke weinigen, dat is acht zielen, behouden tjjas onge-werden door het water. hQ01'^aan'
waren, enz.
21 Hetwelk ook als een tegenbeeld ons nu zalig maakt, te weten, of: Die voor-de doop, niet het afleggen der onreinheid des vleesches, maar ^oSrz°°^' de bevraging eener goede conscientie bij God, door de op- zijn geweest, standing van Jezus Christus. zaamheid
22 Die daar is ter rechterhand Gods, in den hemel gevaren, dien eenmaalver-
toefde.
de engelen, macnten, en krachten onderdanig zijn.
1 PETRUS 3 : 19, 20.
72
19 In denwelken. Dit heeft Petrus daarbij gedaan, opdat wij weten, dat die levendmakende kracht des Geestes, waarvan hij gesproken heeft, niet alleen zich getoond heeft in den persoon van Christus, maar dat zij ook in ons gestort wordt, gelijk Paulus leert, Rom. 8:11. Zoo zegt hij dan dat Christus niet alleen voor Zich-zelven verrezen is, maar opdat Hij dezelfde kracht des Geestes anderen zou openbaren, ja dat ook dezelve tot de dooden doorgedrongen is. Waaruit volgt, dat wij die ook niet minder gevoelen zullen, opdat zij wat in ons sterfelijk is, doode. Maar overmits de duisterheid dezer plaats ons verscheiden uitleggingen (gelijk het pleegt te geschieden) voortgebracht heeft, zoo wil ik vooreerst wederleggen wat anderen bijbrengen, daarna zullen wij den eigen en rechten zin onderzoeken. Het is geweest een gebruikelijke en algemeene opinie, dat hier verhaald wordt het nederdalen van Christus ter hel, maar de woorden luiden anders, want hier wordt niet vermeld van de ziel van Christus, maar alleen dat Hij in den Geest gekomen is. Dit zijn nu verscheidene dingen, dat de ziel van Christus gekomen is, en dat Christus gepredikt heeft door de kracht zijns Geestes. Daarom noemt Petrus uitdrukkelijk den Geest, om weg te nemen die inbeelding der wezenlijke tegenwoordigheid, zoo men die noemt. Anderen leggen dit uit van de apostelen, namelijk, dat Christus door hunnen dienst den dooden, dat is, den ongeloo-vigen verschenen is. Ik beken wel dat Christus door zijn apostelen in zijnen Geest gekomen is tot degenen, die in het vleesch gehouden waren; dan, deze uitlegging wordt uit vele redenen bewezen valsch te zijn. Ten eerste zegt Petrus, dat Christus tot de geesten gekomen is, waarmede hij beteekent de zielen van de lichamen gescheiden: want dat de levende menschen geesten genoemd zijn, wordt nergens gelezen. Ten andere, wat Petrus in het vierde hfdst. tot gelijke meening verhalen zal laat niet toe eenige allegorie, of verborgen zin. Zoo moeten dan de woorden van de dooden eigenlijk verstaan worden. Ten derde, zoo ware dit zeer ongeschikt, dat Petrus sprekende van de apostelen, terstond als zichzelven vergeten hebbende, zou overspringen tot de tijden van Noach. Voorwaar, de rede zou aldus veel te ontijdig afgebroken zijn. Zoo is dan dit gedichtsel valsch. Verder is het onnoodig in het breede te wederleggen de razernij dergenen, die meenen, dat de ongeloovigen met de toekomst van Christus na zijn dood van hunne schuld of straf verlost zijn. Want deze leer der Schrift is zeker, dat wij in Christus geen zaligheid krijgen dan door het geloof: die dan tot den dood hardnekkig zijn gebleven, hun is geen hope nagelaten. Die komen wat dichter bij de waarheid, die daar zeggen dat de verlossing van Christus verworven, den dooden nut geweest is, die ten tijde van Noach langen tijd ongeloovig geweest waren, nochtans een weinig tevoren, eer zij in den zondvloed verdronken, zich bekeerd hadden. Alzoo verstaan zij, dat dezen de straf hunner hardnekkigheid geleden hebben in het vleesch, dat zij nochtans door de weldaad van Christus behouden zijn, opdat ze niet eeuwig zouden vergaan. Maar deze gissing heeft weinig vastigheid; zij strijdt ook tegen het redebeleid, want Petrus schrijft alleen het huisgezin van Noach zaligheid toe, en verklaart dat allen, die buiten de ark waren, verloren zijn gegaan. Zoo twijfel ik dan niet, of Petrus zegt het in 't algemeen, dat die openbaring der genade van
1 PETRUS 3 : 20.
73
Christus tot de godvruchtige geesten gekomen is, en dat zij alzoo met de levende kracht des Geestes overgoten zijn; daarom is niet te vreezen, of zij zal ook tot ons vloeien. Maar men kon vragen, waarom hij de zielen der godvruchtigen, eer zij uit de lichamen verhuisd zijn, in den kerker stelt ? Mijns inziens beteekent het woord, dat Petrus gebruikt, een wachtplaats of een waking: want alzoo wordt het dikwijls bij de Grieken genomen. Aldus zal ook de zin best vloeien, als dat de godvruchtige zielen wakker geweest zijn op de hope der beloofde zaligheid, als die zij van verre aanschouwden. En ik twijfel niet, of de heilige vaders hebben hierop hun oog gehad, en zulks bedacht zoowel in hun leven, als na den dood. Doch zoo het iemand bevalt het woord kerker te behouden, het past hierbij niet kwalijk: want gelijk, zoolang zij leefden, de wet hun geweest is, naar het getuigenis van Paulus, Gal. 3 : 23 een enge bewaring, alzoo moesten zij na den dood met een zorgvuldig verlangen naar Christus gebonden wezen: want de Geest der vrijheid was nog niet volkomen gegeven, zoo was hun dan de angst der verwachting als een gevangenis. Dusver komen de woorden des apostels met de zaak zelve, en met den gang zijner rede wel overeen. Maar wat er volgt heeft wat zwarigheid, want hij maakt hier geen gewag van de geloovigen, maar alleen van de ongeloovigen: waardoor die gansche voorgaande uitlegging schijnt omvergeworpen. Hierdoor bewogen zijnde, hebben sommigen gemeend, dat hier niets anders gezegd wordt, dan dat de ongeloovigen, die voortijds den godzaligen lastig en partijdig geweest waren, bevonden hebben, dat de Geest van Christus hun rechter is geweest. Alsof Petrus met deze bewijsreden de geloovigen vertroost, dat ook de gestorven Christus hen gestraft heeft. Maar van deze dwaling wordt men overtuigd met wat wij in het volgende hfdst. zien zullen, dat het Evangelie den dooden verkondigd is, opdat zij in den geest naar God leven, hfdst. 4: 6, 'twelk bijzonder van de geloovigen gezegd is. Nu is het zeker, dat Petrus aldaar zulks verhaalt als hij hier zegt. Daarna, zij merken niet op, dat Petrus dit voornamelijk wil, namelijk, gelijkerwijs de kracht des Geestes Christi zich in Hem levendmakende getoond heeft, dat zij ook zoodanig te onswaarts zijn zal. Nochtans is te bezien tot wat oogmerk hij alleen de ongeloovigen noemt, want hij schijnt te zeggen, dat Christus in den Geest geopenbaard is dengenen, die voortijds onge-loovig geweest waren. Maar ik beschouw het anders, dat ook toen de reine dienaars Gods met de ongeloovigen vermengd waren, ja door de menigte derzelve bijna overdekt zijn geweest. Ik beken dat dit niet wel klinkt naar de orde der woorden in de Grieksche taal: dan, wij weten dat de apostelen niet zoo nauw geweest zijn om hun woorden in orde te stellen. Wij zien ook hoe Petrus hier vele dingen zonder orde opeenhoopt: men kan ook anders geen bekwamen zin daaruit trekken. En daarom heb ik geen zwarigheid gemaakt zijne duistere rede op deze wijze te verklaren, opdat de lezers verstaan mogen, dat het anderen zijn die ongeloovigen genoemd worden dan die, welke hij gezegd heeft dat het Evangelie verkondigd is geweest. Nadat hij dan gezegd heeft, dat Christus Zich den dooden geopenbaard heeft, zoo doet hij terstond daarbij, dat ze eertijds ongeioovig geweest waren, waarmede hij te kennen geeft, dat het den vaderen niet geschaad heeft van de menigte der goddeloozen bijna overvallen geweest te zijn ; want, naar
1 PETRUS 3 : 20, 21.
mijn gevoelen voorkomt hij de twijfeling, die de geloovigen van dien tijd moest beangsten. Zij zagen dat bijna de geheele wereld van de ongeloovigen ingenomen was, dat die de overhand hadden, en dat bij hen het leven was. Deze aanvechting kon hun alle vertrouwen ontnemen, die als onder den dood besloten waren. Daarom houdt Petrus hun voor, dat de vaderen geen beter lot gehad hebben, en dat nochtans, hoewel de menigte der goddeloozen de gansche aarde bedekte, hun leven door Gods kracht behoed is geweest. Op deze wijze troost hij de godvruchtigen, dat ze om hun klein getal den moed niet verliezen, of laten vallen. Hiertoe verkiest hij onder andere oude exempelen ée'n, wat heerlijk is, van de wereld die toen door den zondvloed vergaan is: want toen, in 't algemeen verderf des menschelijken geslachts is alleen het huisgezin van Noach ontkomen. En hij verklaart de wijze, zeggende, dat het een gedaante des doops geweest is, daarom is ook in dit deel niets dat kwalijk rijmt. De inhoud is, dat de wereld altijd vol ongeloovigen is, en dat daarom nochtans de godvruchtigen zich over den grooten hoop niet moeten verschrikken. Gelijk Noach, hoewel hij van alle zijden met de goddeloozen omzet was, en dat er zoo weinigen aan zijn zijde waren, nochtans niet is weggedreven van den rechten loop zijns geloofs. Toen eenmaal verwacht werd. Dit moet op de goddeloozen geduid worden, die door Gods lankmoedigheid slapper worden. Want indien God de wraak uitstelt, en niet terstond te werk stelt, verachten de goddeloozen gerustelijk alle dreigementen. Maar daarentegen, Noach door het Goddelijke antwoord vermaand zijnde, had den zondvloed lang tevoren voor oogen. Hieruit kwam de naarstigheid om de ark te bouwen, dat hij door Gods oordeel verbaasd zijnde, alle traagheid aflegde.
ai Welks voorbeeld. Hoewel in de woorden wat donkerheid is, zoo is er nochtans geen twijfelachtigheid in den zin, namelijk, dat Noach door het water behouden, een zekere gedaante des doops gehad heeft. En dit verhaalt de apostel, opdat des te beter besta de gelijkheid tusschen hem en ons. Wij hebben nu gezegd dat dit deel hiertoe strekt, dat wij, door de kwade exempelen van de vreeze Gods en van den rechten weg der zaligheid afgevoerd zijnde, ons met de wereld niet vermengen. Dit blijkt klaarlijk in den doop, waar wij met Christus begraven worden, opdat wij der wereld en het vleesch gestorven zijnde, Gode zouden leven, Rom. 6: 2. Op deze wijze zegt hij, dat onze doop is een tegenbeeld des doops van Noach. Niet dat de doop van Noach als het eerste patroon is, en dat de onze een nabootsing is, gelijk de apostel in den brief aan de Hebreën, hfdst. 9 : 24, dat woord gebruikt, als hij de ceremoniën der wet tegenbeelden noemt der hemelsche dingen. Desgelijks spreken ook de Grieksche schrijvers van de sacramenten, als wanneer zij zeggen dat het brood des heiligen avondmaals is een tegenbeeld of figuur des lichaams van Christus. Maar hier wordt geen vergelijking gemaakt van meerder of minder; alleen verklaart de apostel dat er een onderlinge vergelijking en overeenkomst is van het een met het ander. Hierom, gelijk Noach het leven verkregen heeft door den dood, als hij in de ark evenals in een graf gesloten is geweest, en behouden werd met een klein huisgezin, toen de gansche wereld verging, alzoo nu, de dooding, in den doop beteekend, is ons een ingang tot het leven, en er is geen zaligheid te hopen, tenzij wij
74
1 PETRUS 3:21.
van de wereld gescheiden zijn. Niet de aflegging der onreinheden.
Dit is hierom daarbij gedaan, want het kan somtijds geschieden, dat het meerendeel der menschen den naam van Christus belijdt, en bijna allen zijn met ons door denzelfden doop tot het gezelschap der kerk ingelijfd. Aldus zou niet rijmem, dat hij tevoren gezegd heeft, dat er hedendaags weinigen door den doop behouden worden, gelijk God alleen acht zielen door de ark verlost heeft. Petrus voorkomt deze tegenwerping als hij getuigt, dat hij niet spreekt van het bloote teeken, maar dat hij de dadelijke vrucht daarbij voegt. Alsof hij zeide; Het zal altijd gebeuren wat er gebeurd is ten tijde van Noach, dat het menschelijk geslacht zich in zijn verderf werpen zal, maar dat God een klein kuddeken wonderlijk zal verlossen. Nu zien wij waartoe deze verbetering der woorden dient; want iemand kon opwerpen dat onze doop zeer ongelijk is aan den doop van Noach, want hedendaags geschiedt het dat meest allen gedoopt worden. Hierop antwoordt hij, dat het uiterlijk teeken niet genoeg is, tenzij zij waarlijk en krachtig den doop ontvangen. Nu zal de waarheid deszelven in weinigen gevonden worden. Daaruit volgt, dat wij niet zullen bezien wat de gemeene hoop doet, om aan die exempelen te hangen, en dat wij ook niet moeten vreezen, zoo wij weinigen zijn in getal. Die verdwaalde menschen, als Schwenkfeld, verdraaien zeer boos dit getuigenis, als zij den sacramenten alle kracht en werking willen benemen. Want Petrus heeft hier niet willen leeren dat die instelling van Christus ijdel en krachteloos is, maar heeft alleen de hypocrieten van de hope der zaligheid willen uitsluiten, die den doop, zooveel in hen is, verkeeren en verderven. Dan, als er van de sacramenten gehandeld wordt, moet men acht nemen op twee dingen, op het teeken en de zaak zelve, gelijk in den doop het water is het teeken, maar de beteekende zaak is de afwassching der ziel door het bloed van Christus, en de dooding des vleesches. Dit beide begrijpt in zich de instelling van Christus. Dat nu het teeken dikwijls krachteloos en vruchteloos schijnt, dit komt door der menschen misbruik, 'twelk de eigenschap des sacraments niet wegneemt. Laat ons dan leeren de beteekende zaak van het teeken niet te scheiden. Hoewel men daarbenevens zich moet wachten van over de andere zijde niet te feilen, gelijk het onder de papisten gemeen is, die, omdat ze de beteekende zaak van het teeken niet behoorlijk onderscheiden, blijven steken in het uiterlijk element of teeken, en daarin stellen ze het betrouwen hunner zaligheid: zoodat het aanschouwen des waters hunne zinnen aftrekt van het bloed van Christus en van de genade des Geestes. Zij bedenken niet, dat Christus is de eenige oorsprong en gever aller goederen, die ons daar aangeboden worden. De eer zijns doods schrijven zij het water toe, en de verborgen kracht des Geestes binden zij aan het zienlijk teeken. Wat zal men dan doen? Laat ons de dingen, die God samengevoegd heeft, niet scheiden. Wij moeten in den doop bekennen een geestelijk bad, wij moeten daar aangrijpen het getuigenis van de vergeving der zonden, en het pand onzer vernieuwing. Evenwel moeten wij Christus en den Heiligen Geest zijn eere laten, alzoo dat geen deel der zaligheid aan het teeken toegekend worde. Voorwaar, als Petrus van den doop vermeld hebbende, terstond uitzondert dat die niet is de aflegging van de onreinheden des vleesches, betoogt hij genoeg, dat de doop sommigen
75
i
76 1 PETRUS 3:21, 22.
maar wordt toegediend naar de letter of ceremonie, en derhalve dat het uiterlijk teeken op zichzelf niet geldt. Maar de bevraging eener goede conscientie. Vooreerst het woord bevraging wordt hier genomen voor antwoord of getuigenis. Petrus beschrijft kortelijk de kracht en het gebruik des doops, als die ons roept tot de conscientie, en uitdrukkelijk een betrouwen vereischt, hetwelk Gods aangezicht verdragen, en voor zijn rechterstoel bestaan kan. Want met deze woorden leert hij, dat de doop in zijn voornaamste deel geestelijk is. Daarna, dat hij in zich vervat de vergeving der zonden, en verandering van den ouden mensch. Want hoe zal de conscientie goed en rein zijn, zoolang onze oude mensch niet verbeterd is, en dat wij tot Gods gerechtigheid gebracht worden? En hoe zullen wij ons voor God verantwoorden, tenzij wij op de genadige vergeving der zonden staan en steunen? In ée'n woord, Petrus heeft de werking des doops willen aanwijzen, opdat niemand op het bloote en doode teeken zich beroeme, gelijk de hypocrieten plegen. Maar het is wel aan te merken, dat hij gezegd heeft door de verrijzenis van Christus, met welke woorden hij leert, dat men niet moet kleven aan het element des waters, maar aan wat van Christus vloeit, en begeerd moet worden al wat daar beteekend wordt. Als hij nu de verrijzenis noemt, zoo ziet hij op wat hij daar tevoren geleerd heeft, dat Christus in den Geest is levendgemaakt: want de verrijzenis is geweest de overwinning des doods en de vervulling onzer zaligheid. Waaruit wij afleiden, dat de dood van Christus niet buitengesloten is, maar veeleer begrepen wordt onder de verrijzenis. Daarom hebben wij in den doop anders geen nut, dan als al onze zinnen in den dood en de verrijzenis van Christus vaststaan.
22 Die daar is ter rechterhand. Hij prijst ons aan het opvaren van Christus ten hemel, opdat onze oogen Hem in de wereld niet zoeken. Hij prijst ons ook aan het zitten ter rechterhand des Vaders, opdat wij niet twijfelen, ot Hij heeft macht en middel genoeg om ons zalig te maken. Dan, wat deze wijze van spreken, ter rechterhand des Vaders zitten, medebrengt, hebben wij elders verklaard, namelijk, dat Christus, als de afgezant Gods, over alles gebruikt de hoogste heerschappij, tot welks verklaring dient wat er terstond volgt: De engelen Hem onderdanig zijnde, enz. Dat hij daarbij doet: Machten en krachten, dient alleen tot breeder verklaring. Want het is gebruikelijk, dat de engelen met dusdanige namen beteekend worden. Zoo heeft dan Petrus met deze loflijke namen de groote heerschappij, die Christus ingenomen heeft en bezit, willen versieren.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Dewijl dan Christus voor ons in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met denzelfden zin. Want die in het vleesch
H lijdt, houdt op van de zonde;
2 Dat hij voortaan den tijd, die nog overblijft in het vleesch, niet naar der menschen begeerlijkheden, maar naar den wil Gods leve.
Ef. 4:17. 3 Want het is ons genoeg, dat wij den voorleden tijd des levens
den wil der heidenen gedaan hebben, als wij wandelden in
1 PETRUS 4:1.
dartelheden, wellusten, dronkenschap pen, brasserijen, zuiperijen, en onbehoorlijke afgoderijen.
4 En het schijnt hun vreemd, dat gij met hen niet loopt tot dezelfde wulpsche ongebondenheid, en zij lasteren u;
5 Dewelke rekenschap zullen geven Hem die bereid is te oor-deelen de levenden en de dooden.
Toen hij laatstmaal Christus voorstelde, sprak hij alleen van het dragen des kruises, want het kruis wordt somtijds dooding genoemd, want door de oefeningen der verdrukkingen wordt de uitwendige mensch gebroken, en ons vleesch getemd. Maar nu klimt hij hooger, want hij handelt van de vernieuwing van den ganschen mensch. De Schrift prijst ons aan deze tweevoudige gelijkheid van Christus' dood, namelijk, dat wij Hem gelijkvormig worden in smaad en verdrukkingen, daarna, dat wij onszelven gestorven, en de oude mensch vernield zijnde, vernieuwd worden tot een geestelijk leven. Hoewel wij Christus niet bloot moeten aanmerken als een exempel, als er van de dooding des vleesches wordt gehandeld, maar door zijnen Geest worden wij waarlijk in zijn dood geplant, opdat dezelve in ons krachtig zij om ons vleesch te kruisigen. In één woord, gelijk Petrus in het einde des naastvoorgaanden hoofdstuks ons met het exempel van Christus vermaand heeft tot lijdzaamheid, omdat Hem de dood een doorgang tot het leven geweest is, alzoo trekt hij nu uit dienzelfden dood een hooger leering, dat wij namelijk het vleesch en der wereld behooren te sterven, gelijk daar staat Rom. 6, waar Paulus deze zaak breeder behandelt. Daarom zegt hij:oen hij laatstmaal Christus voorstelde, sprak hij alleen van het dragen des kruises, want het kruis wordt somtijds dooding genoemd, want door de oefeningen der verdrukkingen wordt de uitwendige mensch gebroken, en ons vleesch getemd. Maar nu klimt hij hooger, want hij handelt van de vernieuwing van den ganschen mensch. De Schrift prijst ons aan deze tweevoudige gelijkheid van Christus' dood, namelijk, dat wij Hem gelijkvormig worden in smaad en verdrukkingen, daarna, dat wij onszelven gestorven, en de oude mensch vernield zijnde, vernieuwd worden tot een geestelijk leven. Hoewel wij Christus niet bloot moeten aanmerken als een exempel, als er van de dooding des vleesches wordt gehandeld, maar door zijnen Geest worden wij waarlijk in zijn dood geplant, opdat dezelve in ons krachtig zij om ons vleesch te kruisigen. In één woord, gelijk Petrus in het einde des naastvoorgaanden hoofdstuks ons met het exempel van Christus vermaand heeft tot lijdzaamheid, omdat Hem de dood een doorgang tot het leven geweest is, alzoo trekt hij nu uit dienzelfden dood een hooger leering, dat wij namelijk het vleesch en der wereld behooren te sterven, gelijk daar staat Rom. 6, waar Paulus deze zaak breeder behandelt. Daarom zegt hij: wordt gewapend, beteekenende dat, zoo wij de kracht des doods van Christus ontvangen gelijk het betaamt, wij waarlijk en krachtig met onverwinnelijke wapenen gestoffeerd worden, om het vleesch ten onder te brengen. Dat namelijk die Ijjdt. Petrus verklaart hoedanig die gezindheid is, waardoor de dood van Christus ons wapent, namelijk, dat het rijk der zonde in ons moet afgebroken zijn. Deze rede gaat in het gemeen allen godvruchtigen aan. En deze woorden hebben dezelfde meening van wat Paulus leert Rom. 6 : 7, Die gestorven is, die is gerechtvaardigd of vrijgesproken van de zonde. Want beide de apostelen geven te kennen, dat, naardien wij in het vleesch gestorven zijn, wij niet meer met de zonde te doen hebben, dat ze zich in ons zou roeren, en hare kracht in ons leven te werk stellen. Nochtans kon hier tegengeworpen worden, dat Petrus hier oneigenlijk spreekt, als hij ons hierin Christus gelijkvormig maakt, dat wij in het vleesch lijden. Want het is zeker, dat in Christus niets gebrekkelijks geweest is, dat verbeterd behoefde te worden. Maar het antwoord is licht, namelijk, dat het niet noodig is, dat de gelijkenis in alles overeenkome. Zoo is het dan genoeg, dat wij in één deel den dood van Christus gelijk worden. In welken zin ook niet ongeschikt uitgelegd wordt, waar Paulus zegt, dat wij tot gelijkheid zijns doods ingelijfd zijn, Rom. 6 : 5, wijl het gansch niet eene gelijke zaak is, dan omdat zijn dood alleen een beeld en exempel is onzer dooding. Hierom is aan te merken, dat het woord vleesch hier tweemaal in onderscheiden zin gesteld is. Want als hij zegt, dat Christus in het vleesch geleden heeft, zoo leert hij dat de menschelijke natuur, die Christus van ons aangenomen heeft, den dood onderworpen is geweest, dat is, dat Christus,
77
1 PETRUS 4 : 1â3.
zooveel Hij mensch was, natuurlijk gestorven is. Maar in het andere deel, waar van ons gesproken wordt, beteekent het vleesch de verdorvenheid en gebrekkelijkheid onzer natuur, alzoo, de lijding in het vleesch beduidt de verloochening van ons zelf. Nu zien wij wat er gelijk en ongelijk is tusschen Christus en ons, te weten, dat, gelijk Hij in het vleesch van ons aangenomen, geleden heeft, wij alzoo ons gansche vleesch kruisigen moeten.
2 Dat hij voortaan niet meer. Hier verklaart hij de wijze van zonden af te staan, namelijk, dat wij verloochenende de begeerlijkheden der menschen, arbeiden om ons leven naar den wil Gods te schikken. Alzoo begrijpt hij hier de twee deelen onzer vernieuwing, de overgave des vleesches en de levendmaking des Geestes: vandaar moet men dan beginnen den loop van wel te leven, en hiertoe moeten wij voortgaan. Ook beschrijft hier Petrus den regel van wel te leven, namelijk, als de mensch hangt aan den wil Gods. Waaruit volgt, dat zoo haast ons leven daarvan afdwaalt, dat daar niets rechts noch geschikts in te vinden is. Daarenboven is op te merken de tegenstelling tusschen den wil Gods en de begeerlijkheden der menschen. Waaruit wij verstaan hoe verkeerd wij zijn, en hoe zwaar wij moeten strijden, opdat wij Gode gehoorzaam gemaakt worden. Als hij zegt, den overgebleven tijd in het vleesch, wordt het vleesch genomen voor dit tegenwoordig leven, gelijk aan de Hebreen in hfdst. 5.
3 Want het is ons genoeg. Petrus bedoelt niet, dat wij verdrietig moeten worden van de wellusten, gelijk degenen plegen, die daarvan vol en verzadigd zijn, maar veelmeer door de gedachtenis des voorgaanden levens prikkelt hij ze tot boetvaardigheid. En voorwaar, dit moet ons de scherpste prikkel zijn om wel te loopen, als wij overleggen, dat wij het meeste deel des levens uit den weg gedwaald hebben. Ook vermaant Petrus dat het tegen rede zou zijn, dat wij van Christus verlicht, ons leven niet zouden veranderen en beteren. Want hij onderscheidt hier de tijden der onwetendheid en des geloofs, alsof hij zeide, dat het billijk is, dat zij zich als nieuwe en andere menschen aanstellen, nadat zij van Christus geroepen zijn. Dan, waar hij tevoren gezegd heeft de begeerlijkheden der menschen, daar stelt hij nu den wil der heidenen. Waarmede hij den Joden verwijt, dat, toen zij zich van den Heere afscheidden, zij in allerhande bevlekking der heidenen vermengd waren. Maar hierna leert hij, dat men die gebreken moet afleggen, die de menschen overtuigen van blindheid en onwetendheid Gods. Deze woorden, de tjjd des levens die nog overig is, hebben ook hun gewicht, want hij verklaart dat wij ten einde toe moeten volharden, evenals Paulus zegt, dat Christus van de dooden verwekt zijnde, niet meer sterft, Rom, 6 : Q. Want daartoe zijn wij verlost van den Heere, dat wij Hem dienen al de dagen onzes levens. Luk. 1 : 75. In dartelheden. Hij noemt niet ganschelijk alle zonden, maar roert alleen aan sommige soorten, waaruit men lichtelijk afleiden kan wat de menschen, die door Gods Geest niet wedergeboren zijn, begeeren, en waartoe zij genegen zijn. Doch hij verhaalt de grootste zonden, gelijk men in 't aanhalen van voorbeelden pleegt te doen. Ik zal niet lang blijven in de uitlegging der woorden, die licht zijn te verstaan. Maar hier rijst een vraag, want Petrus schijnt velen onrecht te doen, als hij ze allen beschuldigt van dartelheid, wulpschheid, kwade lusten, dronkenschap en brasserijen.
78
1 PETRUS 4 ; 3â5. 79
Want het is zeker, dat zij niet allen met deze gebreken zijn behangen geweest, ja wij weten dat onder de heidenen sommigen eerlijk, en met goeden naam en faam geleefd hebben. Ik antwoord, dat Petrus den heidenen deze gebreken niet alzoo oplegt, alsof hij elkeen van hen beschuldigde of verdoemde: maar dat wij allen van nature tot het kwade genegen zijn. En niet alleen dit, maar dat wij zoo der boosheid overgegeven zijn, dat deze vruchten die hij verhaalt,
uit den kwaden wortel noodzakelijk spruiten. Daar is niemand, in welken niet besloten ligt het zaad aller gebreken; doch alle komen en spruiten uit elk bijzonder niet voort. Nochtans is de besmetting zoo verbreid en doorgedrongen door het gansche menschelijke geslacht, dat men ziet hoe het geheele lichaam met ontallijke ellendigheden vervuld is, en dat niet één lid van de gemeene verdorvenheid vrij en zuiver is. Het laatste woord kan ook een vraag voortbrengen.
Want Petrus spreekt de Joden aan, en nochtans zegt hij, dat ze in onbehoorlijke afgoderij verkeerd hebben, daar toch de Joden, in wat land zij woonden, zich zorgvuldig van de afgoden wachtten.
Hierop kan men tweeërlei antwoorden. Of dat Petrus, naar zekere manier van spreken, van allen in 't gemeen zegt, wat alleen weinigen toekwam, ('t lijdt ook geen twijfel of de kerken aan welke hij schreef,
waren verzameld uit Joden en heidenen) óf dat hij hunne superstitiën, waarvan de Joden vol waren, afgoderijen noemt. Want hoewel zij voorgaven, dat ze den God Israëls dienden, toch weten wij dat bij hen geen stuk van den godsdienst rein geweest is. Wat groote verwoesting kon er zijn onder de barbaarsche landen, en onder verstrooide hoopen, dewijl Jeruzalem zelve, uit wiens stralen zij hun licht ontleenden, tot de uiterste goddeloosheid vervallen was? Want wij weten hoe aldaar allerlei vreemde gedichtselen vrij in zwang gingen,
zoodat ook de sadduceën het hoogste priesterschap hadden, en de voornaamste regeering der kerk. Hetwelk hun vreemd dunkt, dat gà niet mede loopt tot gelijke wulpsche ongebondenheid, lasterende, dat is, dat zij zich hierover verwonderen. Met welke woorden hij de geloovigen versterkt, dat ze zich niet laten beroeren, of verderven door de verkeerde oordeelen of redeneeringen der godde-loozen: want dit is geen geringe aanvechting, als die, onder welke wij verkeeren, ons leven beschuldigen als vreemd zijnde van allen gemeenen omgang. Men kon, zeggen zij, voor deze lieden wel een nieuwe wereld maken, zoo verschillen zij van alle menschen. Alzoo beschuldigen zij de kinderen Gods, als die een scheiding van de wereld maken willen. Dit voorkomt de apostel dan, en wil niet dat de geloovigen door zulke smaad- en lasterredenen den moed verliezen. Hij geeft hun voor een ondersteunsel Gods gericht: want dit is het wat ons tegen alle bestormingen ophoudt, als wij lijd-zamelijk dien dag verwachten, in welken Christus wrake doen zal over allen, die ons nu lichtvaardig verdoemen, en Hij zal toonen dat Hij onze zaak voor goed houdt. Hij zegt uitdrukkelijk levenden en dooden, opdat wij niet meenen wat schade te lijden, zoo wij sterven, en onze beschuldigers overblijven: want daarom zullen zij Gods hand niet ontvlieden. Verder, met wat meening hij zegt levenden en dooden, kan men leeren uit 1 Cor. 15.
1) Anders: Is ook den dooden het
6 Want daartoe is Hij ook den dooden geëvangeliseerd,1) opdat ^Jpredikt.
1 PETRUS 4:6.
doemd wor zij geoordeeld ') worden naar de menschen in het vleesch, maar
den, enz., en dat zij leven naar God in den Geest.
lt;latden naar ^ ÃBt einde aller dingen is zeer nabij gekomen. Daarom zijt
enz. nuchteren, en waakt in de gebeden.
8 Vóór alle dingen hebt tot elkander sterke liefde: want de liefde bedekt de menigvuldigheid der zonden.
9 Weest gastvrij onder elkander zonder murmureeren.
10 Een iegelijk, naardat hij de gave ontvangen heeft, bedient dezelve aan de anderen, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods.
11 Zoo iemand spreekt, dat hij spreke als Gods woorden. Zoo iemand dient, dat hij zulks doe als uit de kracht die God geeft: opdat God in alles geprezen worde door Jezus Christus, denwelken zij eere en kracht van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
6 Den dooden geëvangeliseerd. Wij zien in wat zin hij de voorgaande spreuk bedoelt, die wij in 't derde hfdst. gehad hebben, namelijk, dat de dood niet verhindert, dat Christus niet altijd onze wreker of verlosser is. Dit is dan een schoone troost der godzaligen, dat hun zaligheid door den dood geen schade lijdt. Hierom, of wel Christus in dit leven geen Verlosser schijnt, zoo is nochtans zijn verlossing niet ijdel of vergeefs, want zijn kracht strekt ook tot de dooden toe. Maar hoewel men, volgende de Grieksche woorden, aldus kan lezen; Christus is den dooden geëvangeliseerd, of, het Evangelie is den dooden verkondigd, zoo komt het toch bijna op één zin uit, te weten, dat Christus den dooden een Verlosser geopenbaard is, of dat hun de zaligheid is kond gedaan door het Evangelie. Zoo nu de genade van Christus eenmaal tot de dooden doorgedrongen is, is het ongetwijfeld dat wij die ook na den dood gevoelen zullen. Daarom stellen wij haar al te enge palen, als wij ze binden aan dit tegenwoordige leven. Opdat ze geoordeeld worden. Ik laat achterwege de uitleggingen van anderen, omdat ze mij al te ver dunken te zijn van de meening des apostels. Want naar mijn gevoelen, zijn deze woorden als een voorkoming, dewijl men had kunnen tegenwerpen, daar blijft geen vrucht des Evangelies over voor de dooden, die geenszins daardoor in het leven wederkeeren. Dit deel der tegenwerping laat Petrus toe, alzoo nochtans, dat zij van de zaligheid door Christus verworven, niet beroofd worden. Zoo dan, in het eerste deel als hij zegt: opdat ze geoordeeld worden naar de menschen in het vleesch, dat is een toelating, en het woord geoordeeld wordt hier genomen, gelijk op meer andere plaatsen, voor verdoemd worden. Desgelijks het woord vleesch wordt hier genomen voor den uiterlijken mensch, opdat de zin deze zij: Hoewel naar het oordeel der wereld, de dooden in het vleesch den ondergang lijden, en als verdoemden naar den uiterlijken mensch gehouden worden, nochtans houden zij niet op bij God te leven, en dit naar den geest, omdat ze Christus door zijn Geest levend maakt. Hier moet men nu bijdoen, wat Paulus leert, Rom. 8: 10, dat de Geest het leven is, en dat Hij derhalve eenmaal verslinden zal de overblijfselen des doods, die nog aan ons kleven. Dit is de hoofdinhoud, niettegenstaande de staat der
80
1 PETRUS 4 : 6â8.
dooden naar der menschen oordeel slechter is, in het vleesch, dat dit nochtans genoeg is, dat Christus' Geest hen levendmaakt, die ze eenmaal tot een volkomen leven zal brengen.
7 Maar het einde aller dingen. Hoewel de geloovigen hooren, dat hunne gelukzaligheid ergens anders is dan in de wereld, nochtans, wijl zij gieenen lang te leven, maakt deze verkeerde inbeelding ze traag, ja zorgeloos, dat ze hun vlijt niet aanleggen tot het rijk Gods. Hierom is het, dat de apostel ze willende opwekken van de gerustheid des vleesches, vermaant dat het einde aller dingen nabij is: waarmede hij te kennen geeft, dat men zich niet zal vastmaken in deze wereld, waaruit men spoedig verhuizen moet, hoewel hij niet spreekt van elks bijzonder einde, maar van de gansche vernieuwing der wereld. Alsof hij zeide: Christus zal haast komen, die aan alle dingen een einde zal maken. Zoo is het dan geen wonder, dat de wereldsche zorgen ons overvallen en vervaard houden, dat ook het aanschouwen der tegenwoordige dingen de oogen verblindt, dewijl wij meest allen ons laten voorstaan eeuwig in deze wereld te blijven: ten minste wij gedenken nimmermeer aan het einde. Indien nu de bazuin van Christus in onze ooren klonk, zij zou al onze zinnen dap-perlijk bewegen, en alzoo niet toelaten gevoelloos te zijn. Maar men kon hiertegen opwerpen, dat er menige eeuw nu gepasseerd is, sedert Petrus dit geschreven heeft, en dat nochtans het einde niet gezien wordt. Ik antwoord, dat ons de tijd daarom lang dunkt, omdat wij de langheid meten naar den loop dezes vergankelijken levens. Doch konden wij zien op de eeuwigheid des toekomenden levens, vele eeuwen waren ons maar als een oogenblik, gelijk hij ook in den navolgenden brief zal zeggen. Verder moet men ook dit fundament houden, dat naardien Christus eens verschenen is, dat den geloovigen niets overig is, dan met verlangend gemoed altijd aandachtig te verbeiden zijn tweede komst. De waakzaamheid en nuchterheid, waartoe hij ze vermaant, zijn, mijns inziens, meer van den geest dan van het lichaam te verstaan; want deze woorden stemmen overeen met wat Christus zegt: Waakt, want gij weet dag noch ure. Want gelijk het lichaam bezwaard wordt met brasserij en te veel slapens, alzoo dat het kwalijk vaardig is om zijn zaken uit te richten, alzoo maken ook de ijdele zorgen en wellusten dezer wereld het verstand dronken en slaperig. Als hij daarbij doet, tot bidden, zoo wijst hij aan die allernoodzakelijkste oefening, waarmede de geloovigen voornamelijk moeten bezig wezen, dewijl al hun sterkte aan den Heere hangt. Alsof hij zeide: Wanneer gij uit uzelven al te zwak zijt, bidt dan den Heere, dat Hij u versterke. Intusschen vermaant hij ook aan de andere zijde, dat men ernstig en niet als in 't voorbijgaan, bidden moet.
81
8 Vóór alle dingen. Allermeest beveelt hij hun de liefde, omdat zij is de band der volkomenheid. Col. 3 : 14, en wil dat ze stijf en sterk zij; want een iegelijk al te zeer hittig zijnde met zichzelf lief te hebben, bemint anderen koud. Hij prijst ons de liefde aan vanwege hare vrucht, omdat ze ontallijke zonden begraaft, hetwelk boven alles wenschelijk is. Deze spreuk is genomen uit Salomo, wiens woorden aldus luiden, Spr. 10: 12: Haat ontdekt verwijtingen, maar de liefde bedekt de menigte der zonden. Wat Salomo zeggen wil, is klaar genoeg, want de tegengestelde stukken passen op elkander. Als hij dan in het eerste deel zegt, dat de haat oorzaak is, dat de
o
Dl. VIII.
82 1 PETRUS 4 : 8â10.
menschen elkander doorhalen, de eer rooven, en alle smaad en schande voortbrengen, zoo volgt dat aan de liefde het tegenovergestelde werk toegeschreven wordt, namelijk, dat als de menschen elkander liefhebben, dat zij elkander goed en vriendelijk vele dingen vergeven, waaruit geschiedt, dat de gebreken over beide zijden begraven zijnde, de een des anders eere begeert ongeschonden te bewaren. Met deze reden bevestigt Petrus zijne vermaning, dat hun niets nuttiger is dan onderlinge liefde te voeden; wie is er toch niet met vele gebreken behangen ? Zoo hebben zij dan alle vergeving van noode, en daar is niemand, die niet begeert gespaard te zijn. Dit zonderling goed brengt de liefde mede, als zij onder ons regeert, dat ontallijk kwaad daardoor vergeten en bedekt wordt. Integendeel, waar men den haat toegeeft, daar moeten noodzakelijk de menschen, met elkander te bijten en te verscheuren, elkander verteren, zoo Paulus zegt. Gal. 5:15. Daar is op te merken, dat Salomo niet zegt dat er alleen weinige zonden bedekt worden, maar een menigte, volgens het woord van Christus, waar Hij beveelt te vergeven zeventigmaal zevenmaal, Matth. 18 : 22. Hoe meer nu de liefde zonden geneest, hoe meer haar nuttigheid zich uitstrekt tot onderhouding des men-schelijken geslachts. Dit is de eenvoudige zin, waaruit blijkt hoe gek de papisten zijn, die hunne voldoeningen hieruit willen trekken, alsof de aalmoezen en andere werken der liefde voor God inplaats van vergelding waren, om de zonden uit te wisschen. Het zij genoeg hunne grove onwetendheid in 't voorbijgaan aangemerkt te hebben, want het is onnoodig in een klare zaak veel te disputeeren.
9 Gastvrj) onder elkander. Naardien hij in 't algemeen tot liefde vermaand heeft, zoo verhaalt hij hier een bijzonder werk daarvan. Te dien tijde was de gastvrijheid in gemeen gebruik, en werd eenigs-zins gehouden voor een heilig bewijs van beleefdheid, gelijk wij elders gezegd hebben. Zoo wil hij dan dat ze die onderling oefenen, opdat niemand van een ander meer vereische, dan hij zelf gereed is te doen. Hij doet daarbij: Zonder murmureeringen. Want het is een zeldzaam voorbeeld, dat iemand zichzelven en het zijne voor zijn naaste daarhenen geeft, dat hij niet afgunstig daartegen knort. Zoo wil dan de apostel, dat wij mildelijk en met een verblijd hart weldadigheid oefenen.
10 Geljjk een iegelijk ontvangen heeft. Hij vermaant wat wij zullen bedenken, als wij onzen naaste weldoen. Want daar is niets bekwamer om de murmureeringen te beteren, dan als wij overleggen dat wij niet geven van ons eigen, maar dat wij alleen uitdeelen wat ons van den Heere toebetrouwd is. Als hij dan zegt: Bedienende de gave, die elk ontvangen heeft, zoo verklaart hij dat elkeen uitgedeeld is wat hij vermag, op deze conditie, dat hij een bediener zij aan zijne broederen, om die te helpen. Alzoo is het tweede deel eene verklaring van het eerste: want instede van bediening, stelt hij uitdeeling, en instede waar hij gezegd had, naardat elk de gave ontvangen heeft, noemt hij menigerlei genaden, die ons God verscheidenlijk uitdeelt, opdat elk zijn deel in 't gemeen bij-brenge. Daarom, zoo wij boven anderen eenige macht hebben, laat ons gedenken, dat wij hierin uitdeelers Gods zijn, dat wij gemeen-zamelijk onzen naasten mededeelen, naardat hun nood of nut ver-eischt. Zoo zal het geschieden, dat wij tot mededeeling genegen en gereed worden. Maar deze bedenking heeft ook groot gewicht.
1 PETRUS 4; 10, 11.
dat God alzoo zijne menigerlei gaven onder de menschen uitdeelt, opdat niemand met zichzelven en met zijn vermogen zich late vergenoegen, maar dat elk zijns broeders hulpe en bijstand van noode hebbe. Deze band der gemeenzaamheid, zeg ik, heeft God onder de menschen gesteld, dat zij zonder elkanders hulpe niet kunnen leven. Alzoo geschiedt het, dat degene, die in vele dingen om zijner broederen hulpe bidden moet, denzelven te gewilliger mededeelt wat hij ontvangen heeft. De wereldsche menschen zeiven hebben svel gemerkt dat deze band van eenigheid moet onderhouden worden: maar Petrus leert hier, dat God zulks met voorbedachten raad gedaan heeft, om den een met den ander te verbinden.
ii Zoo iemand spreekt. Omdat hij van het rechte en zuivere gebruik der gaven gesproken had, zoo verhaalt hij tot voorbeeld twee soorten, kiezende die uit, in welke meer uitnemendheid is, of die vóór anderen de heerlijkste zijn. Het predikambt in de gemeente is eene uitnemende uitgedeelde gave Gods. Zoo gebiedt hij dan uitdrukkelijk, dat die daartoe geroepen zijn, zich getrouwelijk gedragen. Hoewel hij hier niet alleen leert wat wij den menschen, maar ook wat wij Gode schuldig zijn, opdat wij Hem zijne eere niet berooven. Die dan spreekt, die met gemeene autoriteit of macht wettig verordineerd is, die spreke als Gods woorden, dat is, hij arbeide met eerbieding in de vreeze Gods, en met een oprechte meening zich te kwijten van den last zijner zorg bevolen, overdenkende dat hij met de zaken Gods omgaat, en dat het woord, 'twelk hij aandient, niet zijne, maar Godes is. Want hij houdt nog vast, hetgeen hij geleerd heeft, dat als wij den broederen iets mededeelen, dat wij naar het bevel Gods hun bedienen, wat God tot dat einde ons vertrouwd heeft. Voorwaar, indien dit alleen degenen wel overlegden, die zich voor leeraars der kerk uitgeven, zij zouden meer trouw en conscientie gebruiken. Wat een groote zaak is dit, dat zij in het verhandelen van de woorden Gods den persoon van Christus aantrekken ? Hieruit dan worden velen zoo gerust en ruim, want weinigen bedenken de heilige majesteit des Goddelijken woords. Hierom geven zij zichzelven veel toe, als ware het een gemeene pachting. Intusschen besluiten wij uit de woorden van Petrus, dat dengenen die tot leeraars gesteld zijn, niet toegelaten is anders, dan getrouwelijk als met de hand over te leveren de leer, die zij van God ontvangen hebben. Want hij wil niet dat iemand zich bij het volk verhooge, dan die, met Gods woord bekleed zijnde, dat-zelve als uit den mond des Heeren recht spreke. Alzoo laat hij niet toe met eenige menschelijke gedichtselen voor den dag te komen, want hij beschrijft kortelijk hoedanige leer men der gemeente overleveren zal. Dit woordje, als, is er niet bijgedaan om de zaak te verminderen, alsof het genoeg ware voor Gods woord uit te geven wat men leert. Want dit was voortijds zeer gebruikelijk bij de valsche profeten, en wij zien hoe vermetel hedendaags de paus met de zijnen onder dezen mantel al zijne goddelooze leeringen invoert. Maar Petrus heeft de herders niet willen onderwijzen tot geveinsdheid, dat zij allerlei leering, die hun lust, zouden voortbrengen, en alleen voorwenden, dat zij die van God hebben. Maar hij neemt zijn bewijsreden uit de zaak zelve, opdat hij ze vermane tot een bedachtzame bescheidenheid, tot de vreeze Gods, en tot eene gedurige naarstigheid in hun werk. Die dient. Deze tweede soort der gaven strekt verder,
83
1 PETRUS 4: 11, 12.
ja begrijpt in zich het ambt van leeren. Maar omdat het te lang geweest was alle diensten in 't bijzonder te verhalen, zoo wilde hij liever van allen tegelijk spreken. Alsof hij gezegd had: Wat deel van den last gij in de kerk draagt, weet dat gij niets vermoogt, dan zooveel u van den Heere gegeven is, en dat gij niet anders zijt dan een instrument Gods. Wacht u dan, dat gij de genade Gods om u te verheffen niet misbruikt; ziet toe dat gij die kracht Gods niet ten onder houdt, die daar uitbreekt, en zich vertoont in uw dienst, tot zaligheid der broederen. Dat hij dan diene als uit de kracht Gods, dat is, zich niets toeëigenende, maar Gode en zijne kerk ootmoedig zijn dienst bestedende. Opdat God in alles grootgemaakt worde. Of in allen, dat is, van alle menschen, of door al zijne gaven, dit beide komt wel overeen. De meening is, dat ons God daarom met zijne gaven niet versiert, dat Hij Zichzelven be-roove, en zich als een ledigen afgod make, om ons zijne eer over te geven, maar veelmeer opdat zijne heerlijkheid alom lichte. Derhalve is het eene schandelijke bevlekking der gaven Gods, als de menschen iets anders zich voorstellen dan God groot te maken. Hij zegt: Door Christus, want wat goeds wij hebben om aan te dienen, geeft Hij ons alleen, want Hij is het hoofd, uit 'twelk het gansche lichaam, door samenvoegingen en verknochtingen ineengebonden, wast in den Heere, naardat Hij elk lid de kracht ingeeft, Ef. 4: 16. Welken zij eere. Sommigen duiden dit op Christus, maar de omstandigheid der plaats vereischt veelmeer dat men het op God duidt, want hij bevestigt de voorgaande vermaning, dat God naar zijn recht Zich alle eere toeëigent, en dat daarom de menschen wanneer zij die in eenige zaak, of in eenig deel verduisteren, Hem schandelijk ontnemen wat Hem toebehoort.
12 Geliefden! verwondert u niet, als gij door het vuur doorzocht wordt tot uwe beproeving, alsof u wat vreemds geschiede.
13 Maar alzoo gij het lijden van Christus deelachtig zijt, verblijdt u, opdat gij ook in de openbaring zijner heerlijkheid u verblijden moogt met verheuging.
14 Zoo gij versmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gij zalig: want de Geest der heerlijkheid en Gods rust op u, die wel bij hen gelasterd, maar bij n geprezen wordt.
15 Niemand onder u lijde als een doodslager, of een dief, of als een kwaaddoener, of als een die naar anderer lieden goed staat. ')
16 Maar zoo iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar prijze God in dezen deele.
17 Want het is tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods.
In dezen brief wordt dikwijls vermeld van verdrukkingen, de oorzaak hebben wij elders verklaard. Dan, dit onderscheid is aan te merken, dat somtijds waar hij de geloovigen tot lijdzaamheid wil vermanen, hij in 't algemeen spreekt van de ellendigheden des men-schelijken levens: maar in deze plaats spreekt hij van den overlast, dien de geloovigen lijden om den naam van Christus. En vooreerst vermaant hij ze, zij zullen zich daarover, als over een haastige onverwachte zaak, niet verwonderen. -Waarmede hij te kennen geeft, dat zij door lang bedenken tevoren tot het kruis moeten bereid
84
1) Anders: Of als een die eens anders zaken scherpelijk onderzoekt. Jer. 25:29.
1 PETRUS 4:12â14.
zijn. Want zoo wie zich dit heeft voorgesteld, dat hij onder Christus moet strijden, die zal niet verslagen worden, wanneer hem eenige vervolging overkomt: maar als daartoe gewend zijnde, zal ze geduldig dragen. Hierom, opdat wij met kloeken moed de baren der vervolging ontvangen mogen, moeten wij ons allengskens gewennen tot eene gedurige overdenking des kruises. Nu bewijst hij met twee reden, dat ons de oefening des kruises nut is: de eerste is, dat God daardoor ons geloof beproeft; de ander is, dat wij daardoor met Christus vergezelschapt worden. Vooreerst dan zullen wij gedenken dat deze onderzoeking en beproeving onzes geloofs ons meer dan noodig is, en dat wij overzulks gaarne Gode moeten gehoorzaam zijn, dewijl Hij onze zaligheid bevordert. Toch moet de voornaamste troost hieruit genomen worden, dat wij door 't lijden Christus' medegenooten zijn. Hierom Petrus, als hij ons die voorstelt, verbiedt ons niet alleen ons te verwonderen, maar gebiedt ons ook ons daarin te verheugen. Dit is ook wel een oorzaak van blijdschap, dat ons God met vervolgingen oefent tot beproeving onzes geloofs, maar deze soort van vreugd, dat ons Gods Zoon in zijne orde stelt, gaat veel hooger, opdat Hij ons brenge tot de zalige gemeenschap met Hem in de hemelsche heerlijkheid. Want wij moeten dezen regel houden, dat wij de dooding van Christus in ons vleesch dragen, opdat zijn leven in ons geopenbaard worde, 2 Cor. 4: 10. De verworpenen lijden ook wel vele verdrukkingen, maar omdat zij van Christus gescheiden zijn, ontvangen zij niets dan toorn en vervloeking. Alzoo geschiedt het, dat zij van de droefheid en schrik gansch verslonden worden. Hieruit dan komt al de troost der godzaligen, dat zij met Christus gemeenschap hebben, en dit tot dat einde, opdat zij eenmaal zijner heerlijkheid deelachtig worden. Want altijd moet men bedenken dien doorgang van het kruis tot de verrijzenis. Maar aangezien deze wereld als een doolhof is, in welke geen verlossing van de ellendigheden verschijnt, zoo verhaalt Petrus de toekomende heerlijkheid van Christus, die aan ons zal geopenbaard worden, alsof hij zeide, men zal ze niet verachten, omdat ze nu verborgen is, maar men zal verwachten den dag der openbaring. En hij stelt tweeërlei blijdschap, de een die wij nu genieten in de hope, de ander, die wij volkomenlijk zullen genieten in de komst van Christus. Dewijl de eerste is gemengd met smart en droefheid, zoo zegt hij daarbij, dat de tweede met verheuging zijn zal. Want wij behooren geen zulke blijdschap ons in te beelden in 't midden der verdrukkingen, dat wij van alle zwarigheid zouden ontslagen zijn. Maar de vertroostingen Gods matigen het gevoelen der droefheid zoo, dat wij ook ons meteen verblijden.
14 Zoo gjj gesmaad wordt. Hij meldt van de smaadheden, omdat ze dikwijls bitterder zijn, dan verlies van goed, of ook tormenten, of pijnigingen des lichaams, zoodat er niets is dat de vrije en eerlijke harten meer drukt. Want wij zien er velen, die vromelijk armoede lijden, die in de tormenten goeden moed hebben, ja ook om in den dood te gaan, onverbaasd zijn, nochtans als dezen gesmaad worden, dat ze dan bezwijken. Opdat Petrus tegen dit gebrek raad geve, zoo zegt hij, naar het woord van Christus, dat ze zalig zijn, die om des Evangelies wil gesmaad worden, Matth. 5 : 35, 'twelk gansch tegen het gemeen gevoelen is: maar hij geeft de reden op, namelijk, dat de Geest Gods, die ook de Geest der heerlijkheid is.
85
1 PETRUS 4: 14, 15.
op hem rust. Zoo toont dan Petrus, dat dit niet verhindert de gelukzaligheid der godvruchtigen, zoo zij wat smaads lijden om den naam van Christus, dewijl zij desniettemin voor God behouden de gansche bezitting der heerlijkheid; aangezien in hen woont de Geest, bij welken de heerlijkheid altijd gevoegd is. Alzoo dan wat het vleesch tegen de rede dunkt, dat bewijst de Geest Gods met een zeker gevoelen in der geloovigen harten waar te wezen. Die wel by hen gelasterd. Dit is een bevestiging der naastvoorgaande rede, want hij verklaart hoe dit den godzaligen moet genoeg zijn, dat Gods Geest hen getuigt, dat niettegenstaande de verworpenen wat anders willen uitrichten, de versmaadheden, die zij om des Evangelies wil lijden, zalig en vol heerlijkheid zijn. Alsof hij zeide; gij moogt vrijelijk verachten den moedwil der goddeloozen, want binnen bij u blijft vast het getuigenis der heerlijkheid, dat u de Geest Gods geeft. Hij zegt hoe Gods Geest wordt gesmaad, omdat de on-geloovigen alles bespotten wat Hij ons ingeeft en inspreekt tot onze vertroosting. Maar hoewel de wereld naar hare blindheid in Christus niet ziet dan wat smadelijk is, zoo wil nochtans Petrus niet dat de oogen der godzaligen met deze valsche opinie verduisterd worden, maar veelmeer dat ze op God zien moeten. Zoo verbergt hij dan niet wat de menschen gemeenlijk van Christus gevoelen, maar het verborgen gevoelen des geloofs, waarmede de kinderen Gods in hunne conscientiën begaafd zijn, stelt hij tegen derzelver vermeten lichtvaardigheid. In dezer voege roemt Paulus, Gal. 6:17, dat hij de litteekenen van Christus draagt, verheugt zich in zijne banden, ofschoon hij wel wist wat de wereld daarvan oordeelde. Intusschen geeft hij ook bedektelijk te kennen, dat ze verkeerdelijk gevoelen, en met de wereld verblind zijn, welken de versmaadheid des vleesches niet heerlijk is.
15 Dat niemand van u. Hier voorkomt hij ook een tegenwerping, hij had de geloovigen vermaand tot verdraagzaamheid, zoo het geschiedde dat zij om de zaak van Christus te lijden hadden. Nu doet hij erbij, waarom hij alleen van dat soort van lijden gesproken heeft, namelijk omdat ze zich van alle misdaad moeten onthouden. Alzoo is nu hieronder vervat de andere vermaning, hoe zij zullen toezien dat zij niet schijnen rechtvaardig te lijden. Hierom gebruikt de apostel in zijn rede niet tevergeefs het woord, want, gemerkt hij daardoor de oorzaak wil verklaren, waarom hij de geloovigen alleen tot de gemeenschap des lijdens van Christus vermaand heeft, en hen hierom ook wil vermanen, dat ze rechtvaardig en heilig leven, opdat ze door hun eigen schuld geen gerechtig verdiende straf op zich laden. Alsof hij zeide: het komt den Christenen toe, allen menschen wel te doen, en nochtans van de wereld kwalijk en on-menschelijk gehandeld te worden. Zoo iemand hier tegenwerpt, dat daar niemand zoo heilig kan gevonden worden, die om vele misdaden voor God niet der slagen waardig is, ik antwoord, dat Petrus hier spreekt van booze stukken, die ganschelijk ver van ons moeten zijn, als daar zijn, diefstal, doodslag, enz. Ten andere, antwoord ik, dat de apostel hier leert hoedanig de Christenen behooren te wezen. Zoo is het dan geen wonder dat hij een onderscheid maakt tus-schen hen en de kinderen dezer wereld, die ledig zijnde van den Geest Gods, zich overgeven tot allerlei boosheid. Hij wil niet, dat de kinderen Gods eene gelijke zaak hebben, dat zij door hun on-
86
1 PETRUS 4: 15â17.
rechtvaardig leven, de rechtvaardige straffen der wetten over zich zouden brengen. Doch wij hebben elders gezegd, dat ofschoon in de uitverkorenen vele zonden zijn, die God met recht kon straffen, Hij nochtans naar zijne vaderlijke geduldigheid zijne kinderen spaart, en de straf, die zij verdiend hebben, niet eischt, maar daarbenevens hen die eere doet, dat Hij ze met zijne en zijns Gezalfden eereteekens versiert, als zij om het getuigenis des Evangelies verdrukt worden.
16 Maar zoo iemand Ijjdt als een Christen. Nadat hij de Christenen van alle beschadiging en verongelijking afgetrokken heeft, opdat ze niet te zamen met de ongeloovigen om hunne misdaden van de wereld gehaat worden, beveelt hij hun, dat ze God danken, als zij om den naam van Christus vervolgingen lijden. En waarlijk, dit is geen kleine weldaad Gods, dat Hij ons van de gemeene straffen der zonden los- en vrijgemaakt hebbende, tot een hoog-waardigen strijd roept, dat wij om het getuigenis zijns Evangelies verbanningen of gevangenissen, of smaad, of den dood zeiven lijden mogen. Zoo geeft hij dan te kennen, dat ze Gode ondankbaar zijn, die in de vervolgingen grimmen of murmureeren als onwaardig behandeld zijnde, zoo zij toch veelmeer dit een gewin zouden achten, en Gods genade bekennen. Maar wanneer hij zegt als een Christen, ziet hij meer op de zaak dan op den naam. Dit is gewis, dat de vijanden van Christus niet nalaten om het Evangelie in een kwaden naam te brengen. Hierom, wat smaadwoorden zij versieren, het zal den geloovigen genoeg zijn dat ze niet komen in nood, dan om de verantwoording des Evangelies. In dezen deele. Want nademaal alle ellendigheden uit de zonde haren oorsprong hebben, deze gedachten moeten den geloovigen voorkomen; Ik was wel waardig, dat mij God deze straf en nog zwaarder oplegde vanwege mijne zonden, nochtans wil Hij nu, dat ik lijd om de gerechtigheid, als ware ik onschuldig: want niettegenstaande dat de heiligen hun schuld bekennen, nochtans bedenkende dat zij om een andere oorzaak vervolgd worden, die God hun voorstelt, zoo gevoelen zij dat hunne schuld voor God uitgeroeid en weggenomen is, en in dezen deele hebben zij oorzaak God heerlijk te maken.
17 Want het is ook tijd. Hij maakt dezen troost heerlijker, die ons aanbrengt de goede zaak voor welke wij lijden, als wij verdrukt worden om den naam van Christus. Want (spreekt hij) dit moet noodzakelijk komen over de gansche kerke Gods, dat ze niet alleen den gemeenen ellendigheden der menschen onderworpen is, maar dat ze ook bijzonder en voornamelijk van Gods hand gekastijd wordt. Zoo moet men dan met des te geduldiger hart om Christus' wil vervolgingen lijden. Want tenzij wij uit het getal der kinderen Gods willen uitgeschrapt worden, zoo moeten wij den rug tot de roeden Gods gereedmaken. Dit is toch wel een zoete saus, dat ons God naar zijne gerechtigheid niet straft, gelijk Hij doorgaans anderen doet, maar dat Hij ons aantrekt den persoon zijns Zoons, zoodat wij alleen om zijn zaak en om zijnen naam beangst zijn. Petrus heeft deze waarheid genomen uit de Schrift, die zulks overal meest en altijd leert, en dit dunkt mij meer waarschijnlijk, dan dat anderen meenen, dat hier een zekere plaats aangewezen wordt. Dat de Heere van oude tijden zulks pleegt te doen, dat Hij eerst zijn volk tot exempel van anderen gekastijd heeft, getuigen alle profeten, gelijk een huisvader de zijnen eerder straft dan vreemden. Want hoewel
87
1 PETRUS 4; 17.
God een rechter is der gansche wereld, zoo wil Hij nochtans dat voornamelijk in de regeering zijner gemeente, zijne voorzienigheid en regeering bekend worde. Derhalve waar Hij uitspreekt dat Hij de gansche wereld wil oordeelen, verklaart Hij daarbij dat zulks geschieden zal, als Hij zijn werk op den berg Zion zal voldaan hebben, Jes. 10; 12. Hij strekt wel zijn hand uit over de zijnen, en over de vreemden zonder onderscheid, want wij zien hoe zij beiden in 't gemeen den tegenspoed onderworpen zijn: maar wil men de een bij den ander vergelijken, het schijnt dat God eenigszins de verworpenen spaart, bij dat Hij straf is over de uitverkorenen. Hieruit komen de klachten der godzaligen, dat de verworpenen in gedurigen wellust hun leven doorbrengen, dat ze bij wijn en harpen vreugd bedrijven, en ten laatste in een oogenblik zonder pijn ter helle nedervaren. Job 21 : 12, dat de vettigheid hun oogen bedekt, dat ze vrij van zwarigheden, gerustelijk en zoetelijk, anderen verachtende, een gelukkig leven genieten, zoodat zij ook hun mond hoogmoedig ten hemel durven verheffen, Ps. 73 : 3. Eindelijk, God matigt zijn oordeelen alzoo in deze wereld, dat hij de godde-loozen vet maakt tot den dag der slachting, zoodat Hij nu vele hunner boosheden voorbijgaat, alsof Hij ze niet zag. Intusschen, zoo haast als zijne kinderen gevallen zijn, over welke Hij zorg draagt, die brengt Hij weder op den rechten weg met zijne kastijdingen. Op deze manier zegt Petrus, dat het oordeel begint van het huis Gods: want met het woord oordeel begrijpt hij alle straften, die God zendt over de zonden der menschen, en alles wat tot verbetering der wereld dient. Maar waarom zegt hij dat het nu tijd is ? Hij geeft te kennen (naar mijn gevoelen) dat, wat de profeten van hun tijd zeggen, meest toekomt het rijk van Christus, dat namelijk het begin der kastijding met de kerk begint. Daarom zegt Paulus, 1 Cor. 15 : 19, dat, indien er geen opstanding te gelooven is, de Christenen de allerellendigsten zullen zijn onder de menschen, en dat met grond, want terwijl anderen zonder vrees zich gerustelijk liefkozen, doen de geloovigen niets dan gedurig zuchten, terwijl ook God anderer zonden door de vingeren ziet, en laat rusten, zoo oefent Hij de zijnen veel strenger onder de kastijding en tuchtiging des kruises.
Zoo het nu eerst van ons begint, wat einde zal het dan worden met die het Evangelie Gods niet gelooven?
18 En indien de rechtvaardige nauwelijks behouden wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen?
19 Zoo dan allen die daar lijden naar den wille Gods, die bevelen
l) Of: Als hunne zielen den getrouwen Schepper met weldadigheid. ')
den getrou-
88
pe^metwei- Als de geloovigen zien, dat het den kwaden welgaat, zoo is het doen. niet mogelijk, dat zij niet door jaloerschheid bewogen worden. En dit is eene zeer gevaarlijke aanvechting. Want elk een bemint het tegenwoordig geluk. Hierom is het, dat de Geest Gods zoowel in vele plaatsen, als bijzonder in Psalm 37, daarop uit is, dat Hij de geloovigen vermane, dat ze der goddeloozen voorspoed in deze wereld niet benijden. Dit behandelt nu Petrus hier: want hij leert dat de kinderen Gods de verdrukkingen matig zullen dragen, indien zij hunnen staat met de anderen overleggen. En dit neemt hij voor een
\
1 PETRUS 4: 17â19.
vast punt, dat God is de rechter der wereld, en dat niemand ongestraft zijn hand kan ontvlieden. Hieruit besluit hij, dat er een schrikkelijke wrake nakende is over die, welker deel nu het beste schijnt te wezen. Kortelijk is de meening deze (gelijk ik gezegd heb) dat de kinderen Gods door de tegenwoordige ongelukken verbitterd en verbolgen, niet bezwijken, maar dat ze liever de verdrukkingen voor een tijd stil dragen, welker uitkomst zalig is, waar integendeel de goddeloozen hun ongestadigen en vergankelijken voorspoed met het eeuwig verderf zullen bekoopen. Dit is een bewijs van minder tot meerder. Want zoo God zijne kinderen niet spaart, die Hij liefheeft, en die Hem onderdanig zijn, zoo zal dan veel meer zijne strengheid vree-selijk zijn tegen de vijanden en wederspannigen. Zoo is er dan niets beter dan het Evangelie gehoorzaam zijn, opdat ons God met zijne vaderlijke hand genadig tot zaligheid kastijde en verbetere.
iS En indien de rechtvaardige. Men heeft gemeend deze uitspraak ware genomen uit Spr. 11:31. En alzoo hebben de Grieken overgezet wat Salomo zegt; Zoo de rechtvaardige op de aarde gestraft wordt, hoe veel meer de goddeloozer Maar hetzij dat Petrus deze plaats heeft willen bijbrengen, of dat hij (wat mij beter bevalt) een gemeen spreekwoord heeft willen verhalen, de zin is, dat Gods oordeel vreeselijk wordt tegen de goddeloozen, dewijl de weg der zaligheid zoo zwaar, en zoo vol doornen is voor de uitverkorenen. En dit is hierom gezegd, opdat wij niet gerust in wellusten leven, maar zorgvuldig zijn om onzen loop te voleindigen. Daarna, opdat wij niet begeeren een zachten en gemakkelijken weg, welks einde een schrikkelijk haastige nederval wordt. Dan, als hij zegt, dat de rechtvaardige nauwelijks behouden wordt, dat moet geduid worden op de zwarigheden des tegenwoordigen levens. Want onze loop in deze wereld is als een gevaarvolle scheepvaart tusschen vele klippen, waar vele ongerieven en stormen ons overvallen. Zoodat niemand in de haven komt, dan die uit duizend dooden ontkomen is. Intusschen is het zeker, dat wij door Gods hand geregeerd worden, en dat wij geen gevaar hebben van schipbreuk, zoolang wij Hem tot een stuurman hebben. Hierom zijn het geweest ongeschikte uitleggers, die gemeend hebben, dat wij nauwelijks en zwaarlijk zullen zalig worden, als het zal komen voor het gerichte Gods. Want Petrus wijst aan niet den toekomenden, maar den tegenwoordigen tijd. Hij predikt ook niet van Gods strengheid, maar hij leert, hoe vele en zware gevaren een christenmensch moet doorkomen, eer hij tot het einddoel geraakt. De zondaar wordt hier genomen voor een booswicht, gelijk Petrus gerechtigen noemt, niet die gansch volmaakt zijn in gerechtigheid, maar die arbeiden om wel te leven.
19 Zoo dan, die lijden. Hij besluit, dat men de vervolgingen met een geduldig hart dragen moet: want daarin is de stand der godzaligen veel lichter, dan der ongeloovigen als zij voorspoed hebben naar hunnen wensch: doch hij verfrischt wederom het geheugen met dat wij niet lijden dan onder Gods toelating, hetwelk tot onzen troost zeer krachtig is. Als hij zegt, dat ze hunne zielen Gode bevelen, dat is zooveel, alsof hij gezegd had: dat ze zichzelven en hun leven in Gods getrouwe bewaring zouden overgeven. Verder, noemt hij Hem een getrouwen bezitter, omdat Hij getrouwelijk bewaart en beschermt al wat Hij in zijne bewaring of heerschappij ontvangt.
89
1 PETRUS 4; 19.
Sommigen zetten het over schepper: want dit woord heeft bij de Grieken deze beide beteekenissen. Maar de eerste zin behaagt mij beter: want als hij beveelt, dat wij ons leven bij God te bewaren stellen, zoo stelt hij God als een bewaarder onzes levens. Hij doet er toe: in weldoen, opdat de geloovigen het onrecht, dat men hun doet, niet zouden vergelden, maar veelmeer zoeken die ongerech-tige, van welke zij beschadigd worden, met weldadigheid te overwinnen.
HET VIJFDE HOOFDSTUK.
1 De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, ik die mede een ouderling ben, en een getuige des lijdens van Christus, en ook mede deelachtig der heerlijkheid, die geopenbaard zal worden,
1) Anders: 2 quot;Weidt, zooveel in u is, ') de kudde Gods, 2) op dezelve acht kudde^Gods! nemende 3) niet uit bedwang, maar gewillig, niet om vuil gewins-die bij u is, wil, maar uit een geneigd gemoed.
bevolen is, 3 Niet als heerschappij drijvende over de erfenis, ') maar zijnde
el^quot; ,, een voorbeeld der kudde.
2) Of: Van j -n
Christus, of: 4 En wanueer de opperste herder verschijnen zal, dan zult gij
d3) Anders: ontvangen de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid.
Over die wa-
^Tinders⢠A Izoo hij de herders van hun ambt wil vermanen, zoo wijst hij over het /A inzonderheid aan drie gebreken, die meest plegen te hinde-THeteGriek- -^-ren, te weten, traagheid, begeerte van gewin te zoeken, en sche woord te mogen heerschen. Tegen het eerste gebrek stelt hij blijmoedig-dnidTde er- ^cid of een gewillige naarstigheid; tegen het tweede stelt hij een fenis Gods, vrije genegenheid des harten; tegen het derde stelt hij matigheid daardoor^e en nelt;ierigheid, waardoor zij zich binnen hunne palen houden. Zoo gemeente, zegt hij dan, dat de herders niet over des Heeren kudde zorgvuldig moeten wezen, alleen voorzooveel de nood hen dwingt: want die niet meer pogen te doen, dan noodig is, die schikken zich tot het werk nalatig en onachtzaam. Daarom wil hij dat zij vrijwillig doen, wat zij doen, en met hun ambt naarstig bezig zijn. Opdat hij de gierigheid betere, gebiedt hij, dat ze hun ambt doen met een genegen gemoed. Zoo wie zich dit als een oogmerk niet voorstelt, dat hij zich-zelven en zijnen arbeid vrijelijk en gaarne aan de gemeente bestede, wordt geen dienaar van Christus, maar een dienstknecht zijns buiks of zijner beurs. Het derde gebrek dat hij straft, is lust tot heerschappij. Dan, hier wordt gevraagd, wat, of hoedanige heerschappij hij verstaat. Maar mij dunkt, dat men dit kan afleiden uit het tegendeel, daar hij beveelt: zij zullen een voorbeeld of exempel der kudde wezen: want dit is alsof hij zeide, dat zij tot dit einde aangesteld zijn, en in hoogheid verheven, opdat ze in heiligheid voorlichten, hetwelk niet geschieden kan, tenzij ze zichzelven en hun leven den gemee-nen regel ootmoedig onderwerpen. Tegen deze deugd wordt gesteld die tirannische hoovaardigheid, als een herder vrij wil zijn van alle onderdanigheid, en de gemeente met dienstbaarheid verdrukt. Dit verwijt Ezechiël, hfdst. 34 : 4, den valschen profeten, dat zij als stoere gebieders over het volk regeerden. Ook verwijt Christus den
90
1 PETRUS 5:1, 2.
Farizeën, Matth. 23 :4, dat ze ondragelijke lasten op de schouderen des volks leggen, die zij met den vinger niet wilden aanroeren. Hierom kan dit strenge regeeren, dat de kwade herders over de gemeente gebruiken, niet anders gebeterd worden, dan als hun autoriteit of macht hiertoe gebracht en verplicht wordt, dat ze met een eerlijk exempel des levens moeten voorgaan.
1 De ouderlingen. Aldus noemt hij de herders, en allen die tot regeering der kerken gesteld waren. Men heet ze ouderlingen om des eerbieds wil, niet dat ze allen oud van jaren waren, maar omdat ze uit de ouden meest gekozen werden. Want de ouderdom heeft doorgaans meer voorzichtigheid, meer ontzag of aanzien, en meer ervaring. Maar aangezien, naar het Grieksche spreekwoord, de grijze haren somtijds geen wijsheid geven, en dat er bekwamer jon-gers gevonden worden, gelijk Timotheus geweest is, zoo is het gebruikelijk dat ook die, wanneer zij in het ambt gesteld zijn, ouderlingen genoemd werden. Als Petrus zich desgelijks een ouderling noemt, blijkt hieruit, dat het een gemeene naam geweest is, hetwelk ook uit veel meer plaatsen duidelijker blijkt. En met dezen titel of naam verwerft hij zich autoriteit, alsof hij zeide, dat hij volgens zijn recht, de herders vermaant, dewijl hij een van hen is. Want deze vrijheid moeten de mededienaars onderling hebben. Indien hij het recht van het primaat onder hen gehad had, hij had het kunnen voorwenden, en dit had tot de tegenwoordige zaak bekwamer geweest: maar ofschoon hij een apostel was, zoo wist hij nochtans, dat hem geen heerschappij over zijne mededienaren was gegeven; maar veelmeer dat hij met de anderen in het ambt gezamenlijk verbonden was. Een getuige des lydens. Dit kan van de leer uitgelegd worden, doch ik wil het liever duiden op het leven, hoewel het beide aannemelijk is. Maar dit laatste neem ik daarom te meer aan, omdat deze twee deelen beter bij elkander passen: dat Petrus in zijn vleesch dat lijden van Christus afbeeldt, en dat hij ook de heerlijkheid zal deelachtig wezen. Want deze rede komt overeen met die Paulus gebruikt, 2 Tim. 2 : 12, Zoo wij met Hem lijden, wij zullen met Hem regeeren. Bovendien is dit geen kleine zaak om zijne woorden geloofwaardig te maken, dat hij door de verdraagzaamheid des kruises een bewijs van zijn geloof getoond heeft; want hieruit is openbaar, dat hij met ernst'spreekt. En als God de zijnen op deze wijze proeft, zoo bezegelt Hij genoeg hun dienst, opdat die temeer waardigheid en eerbied hebbe bij de men-schen. Want dit is hier de meening en het oogmerk van Petrus, dat hij als een getrouw dienaar van Christus gehoord worde. Waarvan hij een bewijs voorstelt in de vervolgingen, die hij geleden had, en in de hope des toekomenden levens. Ook is op te merken, dat Petrus zich vrijelijk en onverbaasd zegt te wezen een medegenoot der heerlijkheid, die nog niet geopenbaard is; want dit is de natuur des geloofs, dat het zich vergenoegt met de verborgen goederen.
2 Weidt zooveel in u is. Hieruit verstaan wij, wat het woord ouderling medebrengt, dat het bevat het ambt van weiden. De paus maakt zijne priesters tot een geheel ander einde, namelijk, opdat ze Christus dagelijks zouden opofferen. Als men ze ordent, men spreekt van geen weiden; daarom zullen wij gedenken, dat de ordening van Christus van de wanorde des pauzen verschilt, als het licht van de duisternis. Ook is wel te behouden dit woord weiden;
91
1 PETRUS 5 : 2â4.
want de kudde van Christus kan niet geweid worden, dan met de zuivere leer, die alleen het geestelijk voedsel is. Zoo zijn dan de herders geen stomme momaangezichten, en strooien hun versierselen niet als een doodelijk venijn, om de zielen te moorden. Deze woorden, zooveel in u is, zijn zooveel, alsof hij gezegd had, gebruikt hiertoe alle naarstigheid, ligt hieraan te werken naar uw vermogen, al wat u God gegeven heeft. Sommigen hebben overgezet; Weidt de kudde, die onder u is, waar ik niet tegen heb; toch dunkt mij die eerste overzetting juister te zijn. Er is ook weder niets aan gelegen, dat gij leest de kudde des Heeren, of van Christus, of Gods, want deze drie dingen worden in verscheidene handschriften gelezen. Acht nemende op dezelve, dat is, bedienende eens opzieners ambt, zorg daarover dragende. Hieruit kan men afleiden, alsook uit andere plaatsen der Schrift, dat het woord bisschop en ouderling hetzelfde beteekent. Zoo toont hij dan, hoe zij het ambt eens herders recht bedienen zullen, opzicht daarover nemen, niet uit nood of dwang, want wat wij uit dwang doen, daar gaan wij flauw en koud mede te werk.
3 Heerschappü drijvende. Hier straft Petrus die verkeerde heerschappij, als dergenen is, die, niet overdenkende dat ze zijn dienaars van Christus en der kerk, nog wat meer begeeren. De erfenissen, noemt hij de plaatselijke kerken: want aangezien het gansche lichaam der kerk des Heeren erfgoed is, zoovele gemeenten als er in de steden en dorpen verstrooid zijn, zoovele zijn ook als akkers, welker bebouwing hij allen ouderlingen ieder in 't bijzonder aanwijst. Sommigen, al te onverstandig, meenen dit gesproken te zijn van de clerici of geestelijken, gelijk men ze noemt. Dit is wel geweest een oude manier van spreken, dat men de gansche orde der kerkendienaren het erfdeel of clerus noemde. Doch, och of den vaderen nooit te binnen gekomen ware alzoo te spreken! Want het is niet goed geweest op sommige weinigen alleen te duiden, wat de Schrift in 't gemeen der gansche gemeente toeschrijft. Deze wijze van spreken is dan ook valsch geweest, of tenminste van het rechte apostolische gebruik afwijkende. Ook heeft Petrus de gemeenten met dezen titel uitdrukkelijk versierd, opdat wij weten, dat alles wat de men-schen tot zich trekken, dat zij het Gode onttrekken, gelijk Hij in vele plaatsen de gemeente noemt zijn eigendom, en de roede zijner erve, wanneer Hij Zich de gansche heerschappij daarover toeeigent, Exod. 19:5; Jer. 10: 16.. Want God levert aan de herders zijn rijk niet over, maar belast hen alleen met de zorg, zoodat Hij intusschen ganschelijk in zijn recht blijft.
4 Als verschynen zal. Tenzij de herders op dit einde ernstig zien, zoo kunnen zij geenszins in den loop hunner roeping dapper voortvaren, of zij zullen onderwijl bezwijken: want daar zijn on-tallijke hindernissen, die ook de kloeksten moedeloos konden maken. Zij hebben dikwijls te doen met ondankbare lieden, die de weldaad kwalijk vergelden. Hun langdurige en onmetelijke arbeid is dikwijls tevergeefs. De satan met zijne verkeerde aanslagen heeft somtijds de overhand. Opdat dan een godzalig dienaar van Christus niet den moed verlieze, heeft hij alleen deze remedie, dat hij de oogen sla op de komst van Christus. Aldus zal het geschieden, dat elk dapper uitvoere zijn arbeid, die bij de menschen vruchteloos schijnt te wezen, wetende dat hem zulk groot loon bij den Heere wegge-
92
1 PETRUS 5:4. 5.
legd is. Maar opdat het lange wachten hen niet doe verflauwen, zoo verheft hij de heerlijkheid van het loon, die wel waard is dat men daarop wat wacht. Hij zegt: Gij zult ontvangen de kroon der onverwelkelüke heerlijkheid. Ook is op te merken, dat hij Christus noemt den opperherder: want wij regeeren de gemeente niet dan onder Hem, en in zijnen naam, zoodat Hij niettemin over het geheel de eenige herder blijft. Alzoo dan het woord opperste, be-teekent hier niet alleen den voornaamste, maar dien, onder wiens macht alle anderen staan moeten, gelijk zij alleen door zijn bevel,
en in zijn naam voor herders aangezien en geëerd worden.
5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; alzoo ook allen
weest elkander onderdanig; trekt aan de ootmoedigheid: want Jak. 4: g.
God wederstaat de hoovaardigen, maar den ootmoedigen geeft
Hij genade.
6 Verootmoedigt u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij Jfk. 4:18.
u verheffe te zijnen tijd. ') 1) Anders:
.. Als het be-
7 quot;Werpt al uwe zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u. kwaam zijn
zal. Of: lu
5 Jongen. Hij neemt hier het woord ouden in een andere be- bezoekfnB^ teekenis dan boven. Want dewijl hij hier de jongen tegen de ouden pa. 55:23. stelt, zoo moeten deze twee deelen overeenkomen. Zoo dan, boven gesproken hebbende van ouderlingen in 't ambt, zoo spreekt hij hier van ouden in jaren. En komt nu van een bijzondere tot een algemeene leer, waarvan de inhoud is, dat hij beveelt een iegelijk te volgen den raad, en zich leerzaam en ootmoedig te gedragen onder die hem in jaren te boven gaan. Want de tijd der jonkheid is meest glibberig, en moet gebreideld zijn. Ten andere zullen ook de herders hun ambt niet kunnen doen, tenzij deze eerbied vast zij, en onderhouden worde, dat de jongen zich laten regeeren. Want zoo er geen onderdanigheid is, zoo is de orde omgekeerd. Zoo waar zij, welke van rechtswege of van nature moeten regeeren, geen autoriteit of ontzag hebben, terstond wordt een iegelijk dartel of moedwillig. Opdat allen. Hij toont tot wat einde de jongen den ouden moeten gehoorzaam zijn, namelijk, opdat er een gelijkvormigheid en ordelijke geschiktheid onder allen besta.
Want ook als den ouden autoriteit gegeven wordt, zij ontvangen daarom geen recht en macht om vrijelijk al te doen wat hun lust,
maar zij moeten ook binnen hun palen blijven, opdat er alzoo zij eene onderlinge onderwerping. Alzóó is de man het hoofd der vrouw, dat hij ze ook wederom in eenig deel onderworpen is. Alzóó heeft een vader gezag over zijne kinderen, dat hij nochtans van alle onderwerping niet vrij is, of hij zij aan dezelve wat schuldig.
Aldus moet men gevoelen van het andere. Kortaf, alle graden of trappen in de burgerlijke regeering dienen om te onderhouden den stand des ganschen lichaams, 'twelk niet geschieden kan, zoo al de leden onderling met den band der onderdanigheid onder elkander niet verknocht zijn. Trekt aan de ootmoedigheid des harten. Daar is niets meer tegen der menschen gezindheid als onderdanigheid:
want dit is een oud waar spreekwoord: Elk draagt van binnen eens konings hart. Zoolang dan als die hoogmoedige geest, waardoor des menschen natuur opgeblazen wordt, niet vernederd wordt, zal de een voor den ander niet willen wijken, maar elk zal een ander
93
94
verachten, en zichzelven alles vermetelijk toeschrijven. Hierom doet de apostel wijselijk, die, opdat wij der ootmoedigheid onder ons plaats verleenen, de grootschheid en hoovaardigheid wil gebeterd hebben. Hij gebruikt een schoone wijze van spreken, alsof hij zeide: trekt aan van alle zijden de ootmoedigheid als een kleed, dat het gansche lichaam bedekt; intusschen geeft hij te kennen, dat er geen schooner noch passender versiering is, dan als wij ons onderwerpen. Want. Dit is een zeer zware bedreiging, dat die zich zullen willen verheffen, God tot een vijand hebben zullen, die hen zal nederwerpen: maar integendeel de ootmoedigen zullen Hem hebben goedertieren en gunstig. Wij moeten onszelven vootstellen twee handen Gods, de eene die als een hamer van boven afwerpt en verplettert, die zich verheffen; de andere, die de ootmoedigen, die zich gaarne vernederen, opneemt, als een vast steunsel om die op te houden. Zoo ons dit terecht wijs gemaakt, en in onze harten gedrukt ware, wie zou hoovaardig durven zijn, om tegen God te oorlogen? Nu, omdat wij hopen ongestraft te blijven, maakt dat wij niet vreezen onzen hoorn tot den hemel te verheffen. Laat dan deze rede van Petrus zijn als een bliksem van den hemel, om de menschen te verootmoedigen. Hij noemt ootmoedigen, die vernietigd zijnde, niet betrouwen op hun eigen deugd, wijsheid en gerechtigheid, maar wat er goeds is, alleen in God zoeken. Zoo men door geen weg dan door dezen tot God kan komen: wie behoort niet te vergeten zijn eigen eere, en zich gaarne te onderwerpen ?
6 Verootmoedigt u dan. Men moet altijd vasthouden, tot wat einde hij ons beveelt voor God ootmoedig te zijn, namelijk, opdat wij gewillig en vriendelijk zijn jegens onze broederen, en ons niet weigeren te onderwerpen, zooveel als het de liefde vereischt. Hierom, die opgeblazen en halstarrig zijn tegen de menschen, dezen, zegt hij, zijn ook moedwillig tegen God. Daarom vermaant hij allen god-vruchtigen, dat zij zich der macht Gods onderwerpen. Hij noemt ook die hand Gods krachtig, om te meer vrees aan te jagen. Want hoewel Gods hand altijd zoo genoemd wordt, nochtans wordt ze hier alzoo bekwamelijk genoemd voor deze tegenwoordige zaak. Maar, omdat wij gemeenlijk plegen te vreezen, dat ons onze ootmoedigheid schadelijk zijn mocht, en dat anderen door deze oorzaak te stouter mochten worden, zoo voorkomt Petrus dit, en belooft verheffing aHen, die^ zich zullen vernederd hebben. Dan, hij doet daarbij te zjjnen tjjd, om tegemoet te komen, die al te groote haast hebben. Zoo geeft hij dan te kennen, hoe noodig het is, dat wij voor een tijd ootmoedigheid leeren: maar dat de Heere wel genoeg weet, wanneer het ons nut is verheven te worden. Alzoo betaamt het, dat wij ons zijn raad overgeven.
7 Werpt al uwe zorg. Hij prijst ons nog uitdrukkelijker aan Gods voorzienigheid. Want vanwaar komen deze spreekwoorden: Men zal huilen met de wolven. Evenzoo: Het zijn zotten, die zich als schapen gedragen, want zij zullen zich den wolven overleveren om verslonden te worden. Waaruit (zeg ik) spreken wij aldus, dan daaruit, dat wij meenen dat de goddeloozen door onze ootmoedigheid den breidel geslaakt, en stoutheid gegeven wordt, om des te overmoediger ons te bespringen? Maar daarentegen zoo haast dit bij ons vastgehouden wordt, dat God voor ons zorgt, zoo zullen onze harten tot lijdzaamheid en zachtmoedigheid lichtelijk gebracht
1 PETRUS 5:7, 8.
worden. Hierom, opdat der menschen boosheid ons niet aanhitse tot verwildering, zoo schrijft ons de apostel voor dezen raad, gelijk ook David doet, Ps. 37 : 5: Dat wij onze zorg op God geworpen hebbende, intusschen ons zouden toerusten. Want die op Gods voorzienigheid niet rusten, 't is niet mogelijk of dezelve moeten allen dagelijks in zichzelven beroerd zijn, en met een geweldig ge-druisch op anderen vallen. Daarom behooren wij te meer te pogen daarop te denken, dat God zorg voor ons draagt, vooreerst opdat wij van binnen vrede hebben, daarna, opdat wij jegens de menschen nederig en zachtmoedig zijn. Doch, ons is alzoo niet bevolen alle zorg op den Heere te werpen, alsof God wilde dat wij steenen harten hadden, en van alle gevoelen beroofd waren, maar dat het beven en de onmatige angst ons tot ongeduld niet drijve. Desgelijks verlost ook de kennis der Goddelijke voorzienigheid de menschen alzoo niet van alle zorg, dat ze zichzelven gerustelijk elk ding toegeven. Want dit moet ons geen slapheid des vleesches, maar gerustheid des geloofs aanbrengen.
8 Zijt nuchteren, en waakt; want uwe wederpartij, de duivel, gaat rondom als een brieschende leeuw, zoekende wien hij verslinden mag.
9 Dien wederstaat vast in 't geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uwe broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.
10 Maar de God aller genade, die ons tot zijn eeuwige heerlijkheid geroepen heeft in Christus Jezus, wil u, gij die een weinig tijds geleden hebt, volmaken, sterken, bekrachtigen, en bevestigen.
11 Hem zij de heerlijkheid, en macht, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
8 Zijt nuchteren. Deze vermaning strekt verder, te weten, dewijl zij den oorlog hebben tegen den strengsten en machtigsten vijand, dat ze toezien om hem te wederstaan. Daartoe bedient Petrus zich van twee figuurlijke uitdrukkingen, namelijk, dat ze nuchteren zijn en waken. Brasserij maakt traagheid en slaperigheid: alzoo ook die zich verdrinken in de zorg en wellusten, die als overzopen zijn van hunne geestelijke dronkenschap, die hebben geen nadenken. Nu verstaan wij de meening des apostels; hij zegt dat wij in deze wereld krijg moeten voeren, en waarschuwt dat wij niet te doen hebben met een geringen vijand, maar die als een leeuw her- en derwaarts loopt, gereed zijnde om te verslinden. Hieruit besluit hij dat wij naarstig waken moeten. Met dezelfde reden wekt ons Paulus ook op tot naarstigheid, Ef. 6:12, als hij zegt, dat wij geen strijd hebben met vleesch en bloed, maar met de geestelijke boosheden, enz. Want wij misbruiken den vrede meest altijd tot ledigheid, en hieruit komt het, dat ons de vijand somtijds bedriegt en overvalt, omdat wij als buiten alle gevaar zijnde, ons der begeerlijkheid en wellust des vleesches overgeven. Hij vergelijkt den duivel bij een leeuw, alsof hij hem noemde een gruwzaam beest Hij zegt, dat hij rondom gaat om te verslinden, opdat hij ons opwekke, dat wij ons wachten. Hij noemt hem de wederpartij der godzaligen, opdat zij weten zouden op welke conditie zij God dienen, en 't geloof in Christus belijden, dat ze met den duivel een gedurigen oorlog hebben: want die tegen het Hoofd vecht, zal de leden niet sparen.
95
96 1 PETRUS 5:9, 10.
9 Dien wederstaat. Gelijk de macht onzes vijands ons te meer scherpen, en te zorgvuldiger maken moet, alzoo kon het ook gevaarlijk wezen, dat wij met al te groote vreeze bevangen zijnde, den moed gansch zouden verliezen, tenware ons hope van overwinning getoond werde. Dit doet dan nu de apostel, opdat wij weten, dat zoo verre wij strijden onder de banier van Christus, onze oorlog eenen gelukkigen uitkomst zal hebben: want zoo wie met het geloof gewapend ten strijde komt, dien zegt Hij zekerlijk toe, dat hij een overwinnaar zal wezen. Wederstaat, zegt hij. Zoo iemand vraagt, hoe? Hij antwoordt, dat in het geloof vromigheid genoeg is. Pau-lus in de plaats zoo even aangehaald,'telt de afzonderlijke deelen der wapenrusting op. Doch het is dezelfde zin, want naar het getuigenis van Johannes (1 Joh. 5:4), is alleen ons geloof de overwinning der wereld. Wetende dat hetzelfde lijden. Dit is de andere vertroosting, dat wij met alle kinderen Gods een gemeenen strijd hebben: want satan verzoekt ons gevaarlijk, als hij ons van het lichaam van Christus scheidt. Wij hooren, hoe hij het hart van Job gepoogd heeft te doorsteken, als hij zeide: Ziet op de heiligen, of daar iemand van hen zulks geleden heeft. Hiertegen vermaant ons de apostel, dat ons niets overkomt, dan wat wij zien in de andere leden der gemeente. Nu behooren wij geenszins te weigeren de gemeenschap en de gelijke wedervaring, die alle heiligen met ons hebben. Als hij zegt, dat hetzelfde lijden vervuld wordt, geeft hij te kennen, wat Paulus zegt Col. 1 : 24, dat in de geloovigen dagelijks vervuld worden wat aan het lijden van Christus ontbreekt. Deze woorden, die in de wereld is. kan men tweeërlei uitleggen. Eerst, dat God alom zonder onderscheid zijne geloovigen oefent, of anders, dat wij noodzakelijk moeten kampen, zoolang wij in de wereld zijn. Ook is op te merken, dat waar hij tevoren gezegd had, dat wij van den satan bevochten worden, terstond daarna allerlei lijden samenvat. Waaruit wij verstaan, dat wij altijd met den geestelijken vijand te doen hebben, vanwaar ook de tegenspoed komt, hetzij wij met ziekten benauwd worden, of dat de onvruchtbaarheid der aarde ons eenen hongersnood dreigt, of dat ons de menschen lastig vallen.
10 Maar de God aller genade. Nadat hij genoeg gearbeid heeft om te vermanen, zoo keert hij zich nu tot het gebed: want de leering werd tevergeefs in de lucht uitgestort, tenzij God door zijnen Geest werkt. En dit voorbeeld moeten alle dienaars Gods navolgen, dat God hun arbeid zegenen wil, dewijl zij anderszins met planten en nat maken niet vorderen. Sommige handschriften hebben aldus: God zal u volmaken, alsof het een belofte ware, maar de tekst wordt meest gelezen, gelijk wij dien hier gesteld hebben, hoewel de apostel God biddende, tegelijk ook versterkt die, aan wie hij schrijft. Want als hij God noemt den auteur of aandiener aller genade, en hen indachtig maakt, dat ze tot de eeuwige heerlijkheid geroepen zijn, is dit ontwijfelbaar zijn voornemen, dat ze niet zouden twijfelen, of het werk hunner zaligheid zal van Hem, die het begonnen heeft, volbracht worden. Hij wordt genoemd God aller genade, naar de Hebreeuwsche wijze, omdat alle genade van Hem gewrocht wordt. Hij zegt ook uitdrukkelijk, aller genade, ten eerste, opdat ze zouden leeren Gode op te dragen, al wat daar goeds is, ten andere, dat ze de eene dankzegging bij de andere zouden voegen, opdat zij
97
voor het toekomende mochten verwachten toeneming van die genaden of gaven, als hun nog ontbreken. Die ons geroepen heeft. Dit dient (gelijk ik gezegd heb) tot vermeerdering der vrijmoedigheid. Want God wordt niet alleen door zijne goedheid, maar ook door zijne weldaden opgewekt om ons meer en meer te helpen. En niet alleen vermeldt hij dat ze geroepen zijn, maar leert ook waartoe, namelijk, tot de eeuwige heerlijkheid. Daarenboven stelt hij het fundament der roeping in Christus. Beide is krachtig om een gedurig betrouwen te geven. Want zoo onze roeping in Christus gegrond is, en zich uitstrekt tot het hemelsche rijk Gods en tot de zalige onsterfelijkheid, volgt hieruit, dat ze wankelachtig, noch bouwvallig is. Wij zullen ook in 't voorbijgaan opmerken, als hij zegt, dat wij in Christus geroepen zijn, dat vooreerst onze roeping vast gemaakt wordt, omdat ze wel gegrond is. Daarna, dat alle aanzien onzer waardigheid en verdiensten uitgesloten wordt: want dat ons God tot Zich noodt door de predikatie des Evangelies, dat is aireede onverdiend, en nog een meerder genade is het, dat Hij onze harten krachtig roert, alzoo dat wij zijner stem gehoorzaam zijn. Petrus spreekt inzonderheid de geloovigen aan, daarom voegt hij de kracht des Geestes bij de uitwendige leering. Maar dat hij verder zoo veel woorden gebruikt om ée'n zaak, te weten, de bevestiging der geloovigen uit te drukken, doet hij hierom, opdat wij weten, dat wij zelden en zwaarlijk onzen loop vervolgen, en wij overzulks een bijzondere genade Gods behoeven. Deze woorden: een weinig tyds geleden hebbende, beteekenen, dat de tijd des lijdens kort is. En dit is ook geen geringe oorzaak van vertroosting.
ii Hem zj] de heerlijkheid. Opdat hij den godzaligen te meer vrijmoedigheid geve, zoo breekt hij terstond uit in dankzegging, hoewel de woorden even goed luiden, dat Gode de heerlijkheid toekomt, als dat Hem de heerlijkheid gegeven wordt, wenschender wijze; doch beide komt op één zin uit.
12 Door Sylvanus, uwen getrouwen broeder, zoo ik meen, heb ik n een weinig geschreven, vermanende en getuigende, dat dit de rechte genade is, in welke hij staat.
13 U groet de medeuitverkorene gemeente, die in Babylon is, en mijn zoon Markus.
14 Groet elkander met een kus der liefde. Genade zij met u allen, die in Christus Jezus zijt. Amen.
ia Door Sylvanus. Met dit slot van den brief vermaant hij ze tot standvastigheid. Ja hij verklaart dat dit zijn voornemen is geweest in het schrijven, opdat hij ze behield in de gehoorzaamheid der leer, die zij aangenomen hadden. Maar vooreerst prijst hij hun aan den brief vanwege de kortheid, opdat hun het lezen niet moeilijk zij. Daarna beveelt hij hun kortelijk den overbrenger daarvan, opdat ook de levende stem bij het schrijven gevoegd wordt, want hiertoe dient het getuigenis, dat hij geeft van Sylvanus' getrouwheid. Dan deze uitzondering, zoo ik meen, is er bijgedaan, óf vanwege beleefdheid, óf opdat zij weten, dat hij spreekt uit het gevoel zijns harten. Want het ware ongerijmd, dat zij het gevoelen van zulk een apostel niet zouden onderschrijven. Vermanende en betnigende. Hoe zwaar het is in het aangenomen geloof te volhar-
Dl. VIII. 7
1 PETRUS 5 : 12â14.
den, dat getuigen de dagelijksche afwijkingen van velen. Dit is ook geen wonder, gemerkt de menschen zoo zeer lichtvaardig en ongestadig zijn, daarna ook zoo genegen tot de ijdelheid. Maar aangezien geene leer vaste en gedurige wortelen kan krijgen in der menschen harten, zoo zij met eenige twijfelachtigheid bewimpeld wordt, zoo betuigt hij, dat het de zekere waarheid Gods is, waarin zij onderwezen zijn. En voorwaar, tenzij wij in onze harten daarvan ten volle verzekerd zijn, wij zullen noodzakelijk onderwijl wankelen, en gedreven worden met allen wind van nieuwe leer. Door de genade Gods verstaat hij het geloof met zijn werkingen en vruchten.
13 Die in Babylon is. Velen van de oude schrijvers hebben gemeend, dat Rome hiermede bedektelijk wordt aangewezen. De papisten nemen deze versiering gaarne aan, opdat Petrus kan schijnen een hoofd van de Roomsche kerk geweest te zijn. VVant hoewel het woord een kwaden naam heeft, daardoor zijn zij niet vervaard, zoo zij slechts den naam van den apostolischen stoel kunnen voorwenden, en vragen niet veel naar Christus, zoo Petrus alleen hun gelaten wordt. Ja, wanneer zij slechts den naam stoel van Petrus kunnen behouden, zij zullen tevreden zijn, dat men Rome in het diepste der hel plant. Doch deze oude versiering heeft geen schijn van waarheid Ik zie ook niet waarom zij aan Eusebius en anderen behaagd heeft, dan dat zij aireede met die dwaling bevangen waren, dat Petrus te Rome geweest is. Daarenboven zij strijden tegen zichzelven: want zij verhalen dat Markus in het achtste jaar van Nero te Alexandrië is gestorven, en versieren dat Petrus zes jaren daarna van Nero te Rome gedood is. Zoo Markus de kerk van Alexandrië (gelijk zij willen) geplant heeft, en daar langen tijd bisschop is geweest, zoo heeft hij nooit met Petrus te Rome kunnen zijn. Dat nu Eusebius en Hiero-nymus schrijven, dat Petrus te Rome gezeteld heeft vijf en twintig jaar, wordt lichtelijk wederlegd uit het eerste en tweede hfdst. aan de Galaten. Dewijl nu Petrus, als hij dit schreef. Markus tot een metgezel had, is het geloofelijk, dat hij te Babylon was, en dit kwam ook met zijne roeping overeen, want wij weten dat hij bijzonder den Joden tot een apostel gegeven was, daarom doorreisde hij voornamelijk die landen, in welke zijn volk meest woonde. Dat hij zegt, dat daar eene gemeente is derzelfder verkiezing deelachtig, dient hiertoe, dat de anderen des te meer in het geloof gesterkt worden. Want dit was een groote zaak, dat de Joden uit zoo verre hoeken der wereld tot een gemeente verzameld werden. Mijn zoon. Alzoo noemt hij Markus om hem te eeren, doch de reden is, dat hij hem in het geloof, gelijk Paulus Timotheus, geteeld had. Van de kus is elders gesproken. Dan, hij wil dat dit zij een kus der liefde, opdat de oprechtheid des harten met de uitwendige ceremonie overeenkome.
98
DE TWEEDE ZENDBRIEF
VAN
PETRUS.
DE INHOUD
VAN DEN
TWEEDEN ZENDBRIEF VAN PETRUS.
Wij moeten niet afgekeerd worden van dezen brief te lezen, omdat Eusebius verhaalt, dat men voortijds daaraan getwijfeld heeft. Want zoo men wil staan op de bloote autoriteit der menschen, gemerkt hij verzwijgt wie zij geweest zijn, die deze kwestie aangeroerd hebben, zoo behoeft men hun niet meer toe te schrijven, dan onbekenden menschen. En later zegt hij, dat hij overal zonder zwarigheid is ontvangen geweest. Ik ben wat meer bewogen door wat Hieronymus schrijft, dat sommigen door den stijl of verschillende wijze van schrijven zijn bewogen geweest te gevoelen, dat Petrus de auteur of schrijver niet is. Want hoewel er eenige gelijkheid kan getoond worden, zoo beken ik nochtans, dat er zulk een openbaar verschil is, dat het blijkt, dat het verschillende schrijvers geweest zijn. Daar zijn nog andere geloofelijke gissingen, waaruit men kan afleiden, dat hij eer van een ander, dan van Petrus geschreven is. Intusschen, hierin komen zij allen overeen, dat het zoover van daar is, dat daar iets in zij, dat Petrus niet betaamt, dat hij integendeel overal uitwijst de kracht en genade eens apostolischen Geestes. Indien hij voor kanoniek ontvangen wordt, zoo moet men Petrus voor den auteur bekennen, dewijl hij niet alleen in het opschrift zijn naam heeft, maar dat de schrijver zelf getuigt, dat hij met Christus geleefd heeft. Nu zou dusdanige veinzing van een ander persoon voor te wenden, een dienaar van Christus niet betamen. Dit houd ik dan vast, dat, zoo deze brief geloofwaardig gehouden wordt, hij van Petrus gekomen is. Niet dat hij dien zelf geschreven heeft, maar dat iemand van zijne discipelen, door zijn bevel, in schrift vervat heeft wat de tijd noodzakelijk vereischte, want het is waarschijnlijk, dat hij juist op zeer hoogen leeftijd gekomen was: want hij zegt, dat zijn dood nakende is. En het kan zijn, dat hij naar de begeerte der godzaligen dit getuigenis zijns gevoelens omtrent zijn overlijden heeft laten opteekenen, hetwelk na zijn dood de goeden versterken, en de goddeloozen wat terughouden kon. Waarlijk, aangezien in alle deelen des briefs de majesteit van den Geest van Christus bespeurd wordt, ik zou conscientie maken dezen gansch te verwerpen, hoewel ik daarin de eigen wijze van spreken van Petrus niet beken. Dewijl nu van den auteur geen zekerheid is, zoo zal men mij toelaten nu eens den naam van Petrus,
102 DE INHOUD VAN DEN TWEEDEN ZENDBRIEF.
dan weer dien van apostel zonder onderscheid te gebruiken. Nu kom ik tot den inhoud, hetwelk mij genoeg is alleen kortelijk aan te wijzen. Zijn voornemen komt hierop uit, dat die het geloof in Christus eenmaal beleden hebben, tot den einde toe in hun roeping zichzelven gelijk blijven. Nadat hij dan de genade Gods hoogelijk verheven heeft, zoo prijst hij hun aan de heiligheid des levens, overmits God gemeenlijk pleegt met een schrikkelijke verblinding in de huichelaren te straffen de valsche voorwending zijns naams. Daarentegen vermeerdert Hij zijne gaven in degenen, die de leer der godzaligheid ongeveinsd en van harte omhelsd hebben. Zoo vermaant hij ze dan, dat zij hun roeping met een godzalig leven bewijzen. En opdat deze vermaning te gewichtiger zij, zoo verklaart hij dat zijn dood is nakende. Tegelijk verontschuldigt hij zich, dat hij één ding dikwijls verhaalt, opdat zij, die na zijn dood op de aarde zullen overblijven, te dieper indrukken wat hij in zijn leven geschreven heeft. Doch wijl de waarheid des Evangelies het fundament der godzaligheid is, zoo bewijst hij hoe ontwijfelbaar de waarheid daarvan is, ten eerste hieruit, dat hij getuige is, die met zijne oogen gezien heeft alles wat daarin verhaald staat, en voornamelijk dat hij gehoord heeft, hoe Christus uit den hemel Gods Zoon verklaard is. Ten andere, dat God gewild heeft, dat de waarheid des Evangelies zou betuigd en geloofwaardig gemaakt worden door de profetieën der profeten. Ook voorzegt hij het gevaar, dat zoowel van de valsche leeraars, die hun goddelooze gedichtselen strooien zouden, als van de verachters Gods (die alle religie zouden bespotten) aanstaande was, opdat de geloovigen voorzien en bevestigd zijn mogen om zich te wachten. Dit schijnt hij opzettelijk daarom te zeggen, opdat ze zich niet laten voorstaan, dat onder het rijk van Christus de leer haar stillen en effenen loop zal hebben zonder eenigen strijd. Daarna beschrijft hij als in een tafereel den aard en de manieren dergenen, die met hunne verdorvenheden het christendom zouden bevlekken. Doch de beschrijving, die hij vervolgens doet, past 't meest op onzen tijd, als uit de vergelijking beter blijken zal. Want zijn manier van schrijven hekelt meest de Lucianische menschen, die tot alle snoodheid overgegeven zijnde, een ongoddelijke vrijheid en verachting Gods invoeren, ja met de hope des levens ganschelijk spotten, van welk gespuis wij nu geheel de wereld vol zien. Verder vermaant hij de geloovigen, dat ze niet alleen met opgeheven en verlangende harten de toekomst van Christus altijd verwachten, maar ook dat ze zich dien dag als tegenwoordig voor oogen stellen, en intusschen zichzelven den Heere onbevlekt bewaren. In welke leer hij zich Paulus als een metgezel en instemmer bijvoegt. En opdat hij zijne schriften van der goddeloozen lasteringen bevrijde, zoo veroordeelt hij strengelijk al degenen, die deze in een anderen zin verdraaien.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Simon Petrus, een knecht en apostel van Jezus Christus aan degenen, die met ons een even dierbaar geloof verkregen hebben, door de gerechtigheid onzes Gods en zaligmakers Jezus Christus.
2 Genade en vrede zii u vermenigvuldigd door de kennis ') van i) Of: in _ , â ' T . de kennis, of God, en van onzen Heere Jezus (Jhristus. met lt;ie ken-
3 Gelijk ons zijne Goddelijke kracht, alles wat dient tot het nis' enz-leven en de godzaligheid gegeven heeft, door de kennis Desgenen
die ons geroepen heeft ') door zijne heerlijkheid en kracht, he Rijkheid0
4 Waardoor 3) ons de meeste en kostelijke beloften gegeven zijn, en deugd, opdat gij door dezelve deelacntig wordt der Goddelijke natuur, '^^e^atons nadat gij ontvloden zijt de verdorvenheid, die in de wereld is de, euz. of:
j j t i ⢠quot;i i_ ' j Daarom dat
door de begeerlijkaeid. enz
UITLEGGING.
In deze inleiding staat eerst het gebed of de toebidding, daarna volgt de dankzegging, waardoor hij de Joden opwekt tot dankbaarheid, dat zij niet vergeten, welke en hoe groote weldaden zij van de hand Gods ontvangen hebben. Waarom hij zich een knecht en apostel noemt, hebben wij elders gezegd, namelijk, omdat niemand in de gemeente zal gehoord worden, tenzij hij als uit den mond van Christus spreke. Verder, het woordn deze inleiding staat eerst het gebed of de toebidding, daarna volgt de dankzegging, waardoor hij de Joden opwekt tot dankbaarheid, dat zij niet vergeten, welke en hoe groote weldaden zij van de hand Gods ontvangen hebben. Waarom hij zich een knecht en apostel noemt, hebben wij elders gezegd, namelijk, omdat niemand in de gemeente zal gehoord worden, tenzij hij als uit den mond van Christus spreke. Verder, het woord knecht, is meer algemeen, wijl het bevat alle dienaars van Christus, die eenigen openbaren dienst in de kerk hebben. In het apostelschap is een hoogere trap van eer. Zoo geeft hij dan te kennen, dat hij geen gewoon dienaar van Christus is uit den gemeenen hoop, maar dat hij van den Heere in de orde der apostelen gesteld is, die onder andere orde de uitnemendste was. Dengenen, die even dierbaar geloof. Dit dient tot lof der genade, welke God al zijne uitverkorenen waardig achtte. En dit was geen geringe gave, dat zij allen tot een en gelijk geloof geroepen waren, aangezien het geloof het voornaamste en hoogste goed des menschen is. Hij noemt het even dierbaar, niet dat het in allen even gelijk zij, maar omdat zij allen door het geloof denzelfden Christus met zijne gerechtigheid en dezelfde zaligheid bezitten. Hoewel de mate des geloofs ongelijk is, hindert dat niet, dat zij de kennis Gods met de vrucht, die daaruit komt, gemeen hebben. Alzoo hebben wij met Petrus en de apostelen een rechte gemeenschap des geloofs. Hij doet daarbij in de gerechtigheid Gods, opdat zij weten, hoe zij het geloof niet door hun kloekzinnigheid of eigen kracht verkregen, maar als een lou-
2 PETRUS 1: 1â3.
tere gave Gods ontvangen hebben. Want de gerechtigheid Gods (gelijk die hier verstaan en genomen wordt) en des menschen verdienste, zijn zaken tegen elkander staande: want de gerechtigheid Gods wordt hierom genoemd de werkende oorzaak des geloofs, overmits niemand bekwaam is het zichzelven toe te brengen. Alzoo moet de gerechtigheid verstaan worden, niet als die in God besloten blijft, maar die in de menschen uitgestort wordt, als Rom. 3: 22. Bovendien schrijft hij deze gerechtigheid in het gemeen God toe, en Christus, omdat ze uit God spruit, en door Christus tot ons vloeit.
2 Genade en vrede zy u. Het is gewis, dat door het woord genade, aangewezen wordt de vaderlijke gunst v.an God te onswaart. Het is waar, wij zijn eenmaal verzoend met God door den dood van Christus, en door het geloof komen wij in de bezitting van zulk een groot goed. Maar omdat wij Gods genade ontvangen naar de mate van ons geloof, zoo wordt zij gezegd te wassen, naar ons gevoelen, als zij ons gemeenzamer bekend wordt. Daar wordt bijgedaan, vrede, want gelijk dit het begin is onzer gelukzaligheid, dat ons God in genade opneemt, alzoo ook, hoe meer Hij zijn liefde in onze harten bevestigt, hoe overvloediger Hij zijn zegening te ons-waart voortzet, opdat alle dingen ons wel en voorspoedig gaan. Met kennis. Letterlijk staat er, in kennis, of door kennis: doch het eerste behaagt mij best. Want hoe meer iemand in de kennis Gods toeneemt, hoe meer in hem tegelijk met het gevoelen der Goddelijke liefde, allerlei goed toeneemt. Zoo wie dan verlangt naar de volkomen genieting des zaligen levens, die gedenke te houden dezen weg, dien Petrus hier voorschrijft. Hij voegt de kennis Gods en van Christus te zamen, want God kan niet recht dan in Christus gekend zijn, volgens Matth. 11 :27, Niemand kent den Vader dan de Zoon, en dien Hij het wil openbaren.
3 Gelijk de Goddelijke kracht. Hij herinnert de onmetelijke goedheid Gods, die zij nu ondervonden hadden. Want dit is Gods doen altijd, dat Hij tot het einde toe vervolgt den loop zijner weldadigheid, tenzij wij zelf door onze ongeloovigheid dien afbreken: want Hij heeft een onuitputtelijke macht, en tegelijk den wil van wel te doen. Hierom geeft de apostel met recht den geloovigen moed om wel te hopen uit de voorgaande weldaden Gods. Hiertoe gebruikt hij zoo vele en heerlijke woorden: want hij kon eenvoudig zeggen: Alzoo Hjj ons alle dingen gegeven heeft. Maar uitdrukkende den naam der Goddelijke mogendheid, klimt hij hooger, namelijk, dat God die onmetelijke rijkdommen zijner macht overvloedig voortgebracht heeft. Doch dit laatste stuk kan zoowel op Christus als op den Vader geduid worden, beide schikt zich wel. Nochtans past het bekwamelijker op Christus, alsof hij gezegd had, dat de genade, die van Hem in ons gestort wordt, een gedaante is der Godheid, want dit kon naar menschelijke wijze niet geschieden. Alles wat dient tot het leven en de godzaligheid. Sommigen meenen, dat hier verstaan wordt dit tegenwoordig leven, alzoo dat de godzaligheid, als een uitnemende gave, volgt. Alsof Petrus met die twee getuigenissen wilde bewijzen, hoe weldadig en mild God is jegens de geloovigen, dat Hij ze in het licht der wereld gebracht heeft, en hun overvloedig verleent alles wat tot onderhoud des aardschen levens behoort; daarna, dat Hij ze heeft wederbaard tot
104
2 PETRUS 1 : 3, 4.
een geestelijk leven, als Hij ze met de godvruchtigheid versierd heeft. Maar dit onderscheid heeft Petrus niet in den zin gehad. Want zoo haast hij van het leven gemeld heeft, voegt hij terstond daarbij de godvruchtigheid, welke als de ziel is van dat leven. Want dan maakt ons God terecht levend, als Hij ons herschept, dat wij zijne gerechtigheid mogen gehoorzaam zijn. Alzoo spreekt hier Petrus niet van de natuurlijke gave Gods, maar van die alleen, die God zijnen uitverkorenen in het bijzonder, boven de gemeene orde mededeelt. Dit is wel alles uit God, dat wij menschen geboren zijn, dat wij met zinnen en verstand begaafd zijn, dat ons leven door noodzakelijke hulpmiddelen opgehouden wordt, hoewel nochtans de menschen, daar zij nijdig en ondankbaar zijn, deze algemeene gaven der natuur (gelijk men die noemt) onder de weldaden Gods niet rekenen. Hierom wordt hier de gemeene conditie of staat des menschelijken levens niet aangeroerd, maar Petrus kiest uit de eigenlijke gaven des nieuwen en geestelijken levens, die uit het rijk van Christus haren oorsprong hebben. Indien nu alles wat tot de godvruchtigheid en zaligheid dient, onder de bovennatuurlijke gaven Gods geteld wordt, laten de menschen leeren, zichzelven niets toe te meten, maar van God ootmoedig begeeren, al wat zij zien dat hun van noode is, en wederom wat zij goeds hebben. Hem opdragen. Want aangezien Petrus hier aan de Goddelijke kracht van Christus toeëigent het gansche stuk der godzaligheid, en alle behulpselen tot de zaligheid dienende, zoo ontneemt hij het der gemeene natuur des menschen, alzoo, dat hij haar niet het minste druppeltje van eenige deugd laat. Door de kennis Desgenen. Nu beschrijft hij door wat middel ons God zulke groote goederen deelachtig maakt, namelijk, als Hij Zich ons openbaart door het Evangelie. Want de kennis Gods is het beginsel des levens, en de eerste ingang tot de godzaligheid. In één woord, daar kan geen gebruik der geestelijke gaven tot zaligheid zijn, totdat wij door de leer des Evangelies verlicht zijnde, God kennen. Nu stelt hij God als een auteur dezer kennis, want wij gaan nimmermeer tot Hem dan geroepen zijnde. Zoo is dan onze scherpzinnigheid de werkende oorzaak des geloofs niet, maar Gods roeping. Doch hij spreekt niet alleen van de uitwendige roeping, die op zichzelve geen kracht heeft, maar van de inwendige, welke bestaat met de verborgen kracht des Geestes, wanneer God niet alleen door de stem des menschen in het oor klinkt, maar inwendig door zijn Geest de harten tot Zich trekt. Door zjjn eigen heerlijkheid en deugd. Het voornemen van Petrus is, Gode gan-schelijk toe te schrijven den lof onzer zaligheid, opdat wij weten, dat wij het Hem al schuldig zijn. En dit wordt nog klaarder uitgedrukt met deze woorden, dat Hij ons geroepen heeft door zijn eigen heerlijkheid en deugd: want Hij leert, dat wij vol schande en gebreken zijn, totdat ons God met heerlijkheid bekleedt, en met deugd versiert. Verder, toont hij dat de roeping in de geloovigen dit teweeg brengt, dat het heerlijke beeld Gods in hen wederopgericht wordt, en dat zij vernieuwd worden tot heiligheid en gerechtigheid.
4 Waardoor ons de meeste. Men kon twijfelen, of hij dit alleen verstaat van de heerlijkheid en deugd, of van het voorgaande. Al de zwarigheid komt hieruit, dat dit niet wel past op de heerlijkheid en deugd, die ons God geeft. Indien wij lezen, eigen heerlijkheid en deugd, zoo is er niets twijfelachtigs noch verwards; want
105
2 PETRUS 1 : 4.
al wat ons van God beloofd is, moet eigenlijk en billijk geacht worden de vrucht en werking zijner deugd en heerlijkheid te zijn. Hetzij men leze, door wien, zoodat het op Christus ziet of door welke, de zin blijft altijd deze: ten eerste, dat Gods beloften hoogelijk te achten zijn; daarna, dat ze ons om niet als een gave aangeboden worden. Ook bewijst hij hoe uitnemend die beloften zijn, hieruit, dat zij ons eindelijk der Goddelijke natuur deelachtig maken, wat de uitnemendste zaak is, die men kan bedenken. Want men moet bedenken, waaruit ons God tot zulke hoogheid en eere verheft. Wij weten onzen verachtelijken staat van nature. Hierom, dat God Zich-zelven alzoo onze maakt, dat al wat Hij heeft eenigszins onze is, zoo kunnen wij de heerlijkheid dezer genade met dankbaar hart niet genoeg ontvangen. Zoodat deze overdenking alleen ons genoegzaam bewegen moet, om met verzaking der wereld, gansch in den hemel opgenomen te worden. Laat ons dan merken, dat het Evangelie ons tot dit einde dient, dat wij eens Gode mogen gelijkvormig gemaakt worden. En dit is zooveel als vergoddelijkt worden, om zoo te spreken. Dan, het woord natuur beteekent hier geen substantie of wezen, maar een hoedanigheid of gedaante. De Manicheën hebben voortijds gedroomd, dat wij uit God gesproten zijn, en dat wij eenmaal den loop onzes levens voleind hebbende, wederom tot onzen oorsprong keeren. Daar zijn ook hedendaags uitzinnige menschen, die zich inbeelden, dat wij alzoo in de natuur Gods overgezet worden, dat onze natuur door dezelve verslonden wordt. Alzoo leggen zij uit wat Paulus zegt, 1 Cor. 15:28: Dat God alles in allen zal zijn. Hiertoe trekken zij ook deze plaats: maar dusdanige razernij kwam den heiligen apostelen nooit in den zin. Zij hebben alleen willen zeggen, dat wij alle gebreken des vleesches afgelegd hebbende, alzoo der Goddelijke onsterfelijkheid en zalige heerlijkheid zullen deelachtig zijn, dat wij als één met God zullen wezen, zooveel onze kleine mate verdragen zal. Deze leer is den wijsgeer Plato niet gansch onbekend geweest, die alom hier en daar beschrijft het hoogste goed des menschen te zijn, dat hij Gode gansch gelijkvormig mag zijn. Maar, alzoo hij met vele dwalingen als met een dikke wolk overtrokken was, zoo vervalt hij daarna tot zijne versieringen. Maar wij, achterwege latende de onnoodige beschouwingen, laat ons hiermede alleen tevreden zijn, dat Gods beeld tot heiligheid en gerechtigheid alzoo in ons wederopgericht wordt, dat wij ten laatste het eeuwige leven en de heerlijkheid, zooveel als tot genoegzame zaligheid noodig is, deelachtig worden. Nadat gy ontvloden zjjt. Wij hebben aireede verklaard, dat dit is het voornemen des apostels, dat hij ons voorgesteld hebbende de waardigheid der hemelsche heerlijkheid, waartoe ons God noodt, aftrekke van de ijdelheid dezer wereld. Verder, hij stelt de verdorvenheid der wereld tegen de Goddelijke natuur: maar hij toont dat die verdorvenheid niet is gelegen in de elementen, die rondom ons zijn, maar in ons hart, want daar regeeren gebrekkelijke en kwade bewegingen, welker oorsprong en wortel hij aanwijst met het woord begeerlijkheid. Zoo wordt dan de verdorvenheid alzoo in de wereld gesteld, dat wij zullen weten, dat de wereld in ons is.
5 En hiertoe doet alle naarstigheid, dat gij in uw geloof deugd bewijst, en in de deugd kennis,
106
2 PETRUS 1:5-8.
6 In de kennis matigheid, in de matigheid lijdzaamheid, in de lijdzaamheid godzaligheid,
7 In de godzaligheid broederlijke liefde, in de broederlijke liefde minzaamheid.
8 Zoo deze dingen bij u zijn, en overvloeien, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus.
9 Maar die deze dingen bij zich niet heeft, die is blind en tast met de hand, vergeten hebbende de reiniging zijner vorige zonden.
Wijl het een zeer zwaar en bovenmate lastig werk is, de verdorvenheid die in ons is, af te leggen, zoo wil hij, dat wij hiertoe pogen en arbeiden. Waarmede hij verklaart, dat men in deze zaak niet slap mag zijn, noch traag of flauw, om God die ons roept, gehoorzaam te zijn, maar dat hiertoe een wakkere naarstigheid van noode is, alsof hij zeide; betoont en brengt voort al uw pogen. Bewijst in het geloof. Hij toont, waarnaar de geloovigen behooren te trachten, namelijk, dat zij een geloof hebben, hetwelk met eerlijke zeden, voorzichtigheid, verdraagzaamheid, en liefde versierd is. Hij geeft dan te kennen, dat het geloof niet moet naakt en ledig zijn, maar dat het altijd met deze deugden vergezelschapt is. Bewijzen in het geloof, is bij het geloof voegen. Toch is hier de meening van Petrus niet, te gebruiken een opklimming, om van de eene deugd tot de andere hooger op te klimmen, hoewel de woorden dit eenigszins schijnen uit te wijzen. Want de liefde volgt niet naar orde na verdraagzaamheid, en spruit daaruit niet. Daarom kan de rede aldus opgelost worden: Doet naarstigheid dat uw geloof vergezelschapt is met deugd, voorzichtigheid, matigheid enz. De deugd neem ik voor een eerlijk welgeschikt leven. Wetenschap, voor een wijze om voorzichtig te handelen, want nadat hij een algemeen woord gesteld heeft, zoo telt hij sommige van de uitnemendste gaven van een Christenmensch op. Broederlijke liefde, die eigenlijk onder de kinderen Gods plaats heeft. De gemeene liefde strekt verder, als begrijpende het gansche menschelijke geslacht. Hier kan nochtans gevraagd worden: dewijl Petrus ons toeschrijft deze stukken van de deugd te bewijzen, of hij daardoor wil verheffen de kracht en het vermogen van den vrijen wil? Die den vrijen wil in de menschen staande willen houden, die geven God wel toe de eerste plaats, dat Hij in ons begint te werken, maar zij versieren dat wij medewerken, en dat het alzoo ons doen is, dat Gods bewegingen niet ijdel en krachteloos zijn. Maar de leer der Schrift is overal roepende tegen zulke dwaling, want zij getuigt openlijk, dat de goede genegenheden in ons van God geschapen, en in het werk gesteld worden. Zij getuigt ook, dat al ons toenemen, en volstandigheid alleen van God is. Daarenboven zegt hij openlijk, dat wijsheid, liefde, geduld, enz. uitdrukkelijk zijn gaven Gods en des Geestes. Daarom, als de apostel dit vereischt, hij bevestigt geenszins, dat wij het doen kunnen, dan alleen betoogt hij wat wij doen moeten, en wat daar behoort te geschieden. Maar wanneer de godvruchtige menschen, bevindende hun eigen zwakheid, zien dat ze zich niet kwijten, zoo hebben zij anders geen toevlucht dan dat ze tot God om hulpe vlieden.
8 Want zoo deze dingen by u zijn: dan, spreekt hij, zult gij
107
2 PETRUS 1: 8, Q.
eerst betoonen, dat gij Christus recht gekend hebt, zoo gij met deugd, matigheid en andere gaven aangedaan wordt: want de kennis van Christus is een krachtige zaak en levende wortel, die met vruchten voortkomt. Want als hij zegt, deze dingen zullen u niet onvruchtbaar laten noch jjdel, zoo geeft hij te kennen, dat hij een valschen en ijdelen roem draagt van de kennis van Christus, zoo wie daarop pocht zonder liefde, lijdzaamheid en gelijke gaven. Gelijk ook Paulus zegt, Ef. 4:20: Gij hebt Christus zoo niet geleerd, zoo gij Hem gehoord hebt, en in Hem onderwezen zijt, gelijk de waarheid is in Christus, af te leggen den ouden mensch, die verdorven wordt, enz. Want hij bewijst, dat die, welke Christus belijden zonder nieuwigheid des levens, nooit recht in zijn leering onderwezen zijn. En niet alleen wil hij, dat de geloovigen voorzien zijn met lijdzaamheid, godvruchtigheid, matigheid en liefde, maar hij vereischt, dat ze gedurig in deze gaven toenemen, en wassen, en dit doet hij met reden, want wij zijn nog verre van het doelwit: daarom moeten wij altijd voorwaarts gaan, opdat Gods gaven in ons groeien.
9 Want die deze dingen niet heeft. Nu drukt hij klaarder uit, hoe zij gansch vreemd zijn van het rechte verstand, welke een bloot geloof voorwenden. Zoo zegt hij dan, dat zij als blinden in de duisternis dwalen, omdat ze den weg niet weten, die ons in het licht des Evangelies getoond wordt. Dit bevestigt hij ook met een reden, die hij daarbij doet, namelijk, dat dezulken vergeten hebben dat zij door de weldaad van Christus van de zonden gezuiverd zijn. Hetwelk toch is het hoofdstuk onzes Christendoms. Daaruit volgt dat degenen, die niet staan naar een zuiver heilig leven, nog niet verstaan de eerste beginselen des geloofs. Want Petrus houdt dit voor een zekere zaak, dat die, welke zich nog in de vuilheid des vlee-sches wentelen, geen gedachtenis hebben hunner reiniging. Want het bloed van Christus is ons hiertoe geen waschbad geworden, dat het met onze vuiligheden zou bevlekt worden. Hij noemt de oude zonden, hierom, dat hij verstaat hoe wij ons leven anders moeten aanstellen, nadat wij van de zonden gereinigd zijn. Niet dat iemand rein kan zijn van alle gebrek, zoolang hij in de wereld leeft, of dat de reinigheid, die wij door Christus verkrijgen, alleen in een vergeving bestaat, maar dat tusschen ons en de ongeloovigen een onderscheid moet zijn, nadat ons God voor Zich afgezonderd heeft. Hoewel wij dan dagelijks zondigen, en dat ons God dagelijks vergeeft, en dat het bloed van Christus ons van zonden zuivert, zoo moet nochtans de zonde in ons niet regeeren, of de heiligmaking des Geestes hebbe de overhand: want zoo leert Paulus, 1 Cor. 6:11: En gij zijt wel dusdanigen geweest, maar gij zijt afgewasschen, enz.
10 Daarom, broeders! doet des te meer naarstigheid om uwe roeping en verkiezing vast te maken: want dit doende zult gij nimmermeer vallen.
11 Want alzoo zal u rijkelijk toegediend worden de ingang tot het eeuwig rijk van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus.
12 Daarom zal ik niet verzuimen, u altijd hiervan te vermanen, hoewel gij dat weet, en gesterkt zijt in de tegenwoordige waarheid.
108
2 PETRUS 1 : 10. 109
13 Want ik acht het billijk, zoolang ik in deze hut ben, u op te wekken tot vernaaning.
14 Dewijl ik weet, dat ik mijne hut haast zal afleggen, gelijk mij Joh. 21:9. dat ook de Heere Jezus geopenbaard heeft: maar ik wil naarstigheid doen, dat gij altijd na mijn afscheid zulks gedenken moogt.
10 Daarom, broeders! doet des te meer naarstigheid. Hij besluit, dat dit is het eenige middel, waarmede wij bewijzen kunnen,
dat wij van den Heere waarlijk verkoren, en niet tevergeefs geroepen zijn, indien de goede conscientie en vroomheid des levens met de belijdenis des geloofs overeenkomen. Hij besluit ook dat men te meer vlijt en naarstigheid doen moet, omdat hij tevoren gezegd had, dat het geloof niet onvruchtbaar kan zijn. De roeping stelt hij in de eerste plaats, welke nochtans naar orde zou achteraan staan. Dan, de reden is, omdat de verkiezing meer gewicht heeft. En aldus is een rede welgeordend, als het gewichtigste achteraan komt. Zoo is dan de zin: Staat daarnaar, dat het met de daad blijke,
dat gij niet tevergeefs geroepen, ja uitverkoren zijt: hoewel hij hier van de roeping spreekt, in zooverre zij een vrucht en getuigenis der verkiezing is. Zoo iemand die voor de verkiezing zelve wil nemen, ik heb daar niet tegen, want de Schrift maakt somtijds geen onderscheid tusschen deze beide woorden, maar gebruikt het een voor het ander; doch ik heb bijgebracht, wat mij het waarschijnlijkst dacht. Nu rijst hier een vraag, of de vastigheid onzer roeping en verkiezing op de goede werken steunt? Want zoo het alzoo is,
het zal volgen, dat zij aan ons hangt. Maar de gansche Schrift leert eerst, dat onze verkiezing gegrond is op Gods eeuwig voornemen,
daarna dat onze roeping begonnen, en voleindigd wordt uit zijn loutere goedheid. De sophisten, opdat ze ons toeschrijven, wat der genade Gods eigenlijk toekomt, plegen dit getuigenis te misbruiken,
maar hun spitsvondigheid wordt lichtelijk wederlegd. Want zoo men verstaat, dat de roeping vast wordt gemaakt door den mensch, daarin is niets dat kwalijk rijmt. Doch men mag het wijder uitstrekken,
dat een iegelijk met godvruchtig te leven, zichzelven in zijne roeping bevestigt. Maar ik zeg, dat hieruit kwalijk besloten wordt wat de sophisten drijven, want dit bewijs is niet uit de oorzaak genomen,
maar veelmeer uit het teeken of de vrucht. Zoodat dit niet verhindert, of de verkiezing is uit genade, en maakt ook niet, dat het in onze macht of wil sta de verkiezing vast te maken. Want aldus staat de zaak; God roept krachtig degenen, die Hij vóór de schepping der wereld naar zijn verborgen raad tevoren verordend heeft tot het leven, en Hij zelve achtervolgt altijd uit loutere genade den gang der roeping. Doch wijl Hij ons tot dit einde verkiest en roept,
dat wij rein en onbevlekt zouden wezen voor zijne oogen, zoo wordt de zuiverheid des levens terecht genoemd een bewijs en betoog, waardoor de geloovigen niet alleen anderen getuigen dat zij kinderen Gods zijn, maar ook zichzelven in dit geloof bevestigen, zoo nochtans dat zij elders hun vast fundament stellen, hoewel de vastigheid, waarvan Petrus meldt, naar mijn gevoelen niet op de conscientie ziet, alsof de geloovigen zich voor God uitverkoren en geroepen bekenden te zijn. Maar ik versta het eenvoudig van de zaak zelve,
dat de roeping blijkt vast te zijn uit de heiligheid des levens. Men
2 PETRUS 1 : 10â13.
kon ook den tekst aldus lezen: Doet naarstigheid, dat uwe roeping vast worde. Doch hoe men het leest, de zin verschilt niet veel. De inhoud is, dat de kinderen Gods van de verworpenen onderscheiden worden met dit teeken, als zij godzalig en heilig leven, want dit is het eind der Goddelijke roeping. Waaruit blijkt hoe onwaardig sommige onzuivere honden tegen God bassen, als zij zijn genadige verkiezing maken een dekmantel aller losbandigheid, alsof men daarom ongestraft kon zondigen, omdat wij verordineerd zijn tot gerechtigheid en heiligheid. Want zoo gü deze dingen doet. Het schijnt, dat Petrus wederom aan de verdiensten der werken toeschrijft, dat God den loop onzer zaligheid bevordert, en ook dat wij volstandig blijven in zijn genade. Maar het antwoord is licht; want hij heeft alleen willen leeren, dat in de huichelaars niets vast is, maar daarentegen dat die, welke met goede werken bewijzen hunne roeping vast te zijn, buiten gevaar zijn van vallen, dewijl Gods genade, die ze ophoudt, vaststaat. Aldus wordt de vastigheid onzer zaligheid geenszins in ons gesteld, gelijk ook waarlijk de oorzaak daarvan buiten ons is. Dan, Petrus wil dat die, welke de kracht des Geestes in zich gevoelen, voortaan goeden moed hebben, omdat de Heere een vast fundament eener ware en zekere roeping gelegd heeft. Hij verklaart de wijze van volharding, als hij zegt: U wordt aangediend de ingang, van welk woord dit de zin is: God zal u onderwijl nieuwe genade geven, en alzoo tot zijn rijk leiden. Dit is er daarom bijgedaan, dat hoewel wij van den dood tot het leven doorgegaan zijn, dat nochtans deze doorgang in hope bestaat: doch zooveel belangt de genieting des levens, wij hebben nog een lange reis te doen, en intusschen ontbreken ons vele noodige behulpselen. Hier komt Petrus deze twijfeling tegemoet, met deze woorden: God zal uwe behoeftigheid meer dan genoeg te hulpe komen, totdat gij in zijn eeuwig rijk zult gekomen zijn. Hij noemt het het rijk van Christus, overmits wij ten hemel niet kunnen geraken, of Hij moet onze leidsman en voorganger zijn.
12 Daarom zal ik niet verzuimen. Wijl wij schijnen in twijfel te trekken de memorie en naarstigheid dergenen, die wij dikwijls van eenige zaak vermanen, zoo verontschuldigt zich de apostel beleefdelijk, van dat hij de geloovigen niet ophoudt in te drukken een zaak, die hun wel bekend, en in hunne harten vast was, zeggende, dat hij zulks doet, omdat het gewicht en de hoogheid der zaak het vereischt. 't Is waar, zegt hij, gij weet wel hoe waarachtig het Evangelie is, en ik versterk u niet alsof gij wankeldet: maar in zoodanige groote zaak zijn de vermaningen nimmer overbodig, en daarom moeten zij nimmer lastig vallen. Eene zoodanige verontschuldiging gebruikt ook Paulus, Rom. 15 : 14. Broeders, spreekt hij, ik ben van u ten volle verzekerd, dat gij met verstand vervuld zijt, zoodat gij machtig zijt elkander te vermanen, maar ik heb te stouter geschreven, als hetzelve u in gedachtenis brengende. Hij noemt de tegenwoordige waarheid, in welker bezitting zij nu door een zeker geloof gekomen waren. Zoo prijst hij dan hun geloof, opdat zij te standvastiger daarin vastblijven.
13 Ik acht het billijk. Hier drukt hij klaarder uit hoe nut, ja hoe noodig het gebruik der vermaning is: de geloovigen dienen opgewekt te zijn, want anderszins wordt het vleesch traag. Ofschoon zij dan wel geen leering behoeven, zoo is het hun nochtans nut (zegt
no
2 PETRUS 1 :13â15.
hij) dat ze met vermaningen geprikkeld worden, opdat de gerustheid en gemakkelijkheid (als het geschiedt) niet terneer sla, en ten laatste uitblussche wat zij recht geleerd hebben. Hij voegt daarbij de andere oorzaak waarom hij te naarstiger hiertoe is, omdat hij weet, dat hem nog een korte tijd overschiet. Ik moet dapperlijk, spreekt hij, den tijd waarnemen. Want de Heere heeft mij geopenbaard, dat mijn leven in deze wereld niet lang meer is. Hieruit verstaan wij, dat men de vermaningen zoo moet matigen, dat het volk, 'twelk wij bevorderlijk zijn willen, niet meene, dat het ongelijk geschiedt. Wederom, dat men het alzoo moet mijden te verbelgen, dat nochtans de leering haren vrijen loop hebbe, en dat de vermaningen niet ophouden. Deze bescheidenheid moet men bij degenen gebruiken, welken een scherpe berisping niet toekomt, maar die men veelmeer zoetelijk moet ophelpen, aangezien zij om zich te kwijten uit zich-zelven genegen zijn. Wij worden door dit exempel van Petrus vermaand, dat hoe korter tijd wij nog te leven hebben, hoe naarstiger wij zijn zullen om ons ambt uit te richten, 't Is wel zoo, dat het ons gemeenlijk niet gegeven is ons eind tevoren te weten, maar die óf zeer oud, óf van zwak gestel zijn, zullen door zulke teekenen van de kortheid des levens vermaand zijnde, te naarstiger aanhouden om bijtijds te volbrengen, wat hun de Heere opgelegd heeft. Ja ook die van de sterksten zijn, en in de beste jeugd huns levens, omdat ze Gode niet zoo langdurigen dienst doen kunnen, als het wel te wenschen ware, zullen zichzelven met de bedenking van den aanstaanden dood tot gelijke zorgvuldigheid scherpen, opdat de oorzaak van wel te doen, door ledigheid en slapheid van aan het werk te vallen, niet voorbijga. Intusschen, ik twijfel niet, of Petrus heeft zijn leering des te aanzienlijker en gewichtiger willen maken, als hij zegt, dat hij zorgen wil, dat zij deze dingen na zijn dood, die toen nakende was, mogen gedenken. Want zoo ons iemand aanspreekt, die haast uit dit leven scheiden moet, zijne woorden hebben eenigszins de kracht eens testaments, en plegen van ons met te meerder eerbied ontvangen te worden.
14 Dat ik deze hut. Met deze spreuk en wat hij hierna zegt van een afscheid, geeft hij te kennen zijn dood, hetwelk waardig is aangemerkt te zijn. Want hieruit worden wij geleerd, wat groot verschil daar is tusschen den dood en 't verderf of den ondergang. Hieruit komt het, dat ons de schrik des doods te zeer verslaat, omdat wij niet genoeg bedenken hoe doorvloeiend en haast verzwindend dit leven is, en dat wij ons niet voor oogen stellen den gedurigen stand des toekomenden levens. Maar wat zegt Petrus? Hij verklaart, dat de dood een uitgang uit deze wereld is, opdat wij naar elders, namelijk, naar den Heere verhuizen. Zoo behoort de dood dan van ons alzoo niet gevreesd te zijn, alsof wij moesten vergaan, als wij sterven. Hij zegt dat het is de aflegging der hut, met welke wij alleen overdekt worden voor een korten tijd. Zoo behoorden wij dan niet kwalijk te nemen, dat wij daaruit geleid worden In deze woorden is een bedekte tegenstelling tusschen de hut en de eeuwige woonstede, die Paulus uitlegt, 2 Cor. 5:1. Wat Petrus zegt, dat het hem van Christus geopenbaard is, dit heeft hij niet gesproken van de wijze des doods, maar van den tijd. Maar zoo hij nu te Babyion deze Goddelijke openbaring van zijn aanstaanden dood ontvangen heeft, hoe is hij te Rome gekruist? Voorwaar, zoo hij niet in een korten
Ill
112 2 PÃTRUS 1:15, 16.
stond de zeeën en landen overgevlogen is, is het openbaar, dat hij verre van Italië gestorven is. Want dat de papisten, om zich het doode lichaam van Petrus toe te eigenen, zeggen, dat ze Babyloniërs zijn, en dat Rome door Petrus Babyion genoemd is, dat zal te zijner plaatse wederlegd worden. Dat hij zegt, dat men na zijn dood deze dingen zou gedenken, dient hiertoe, dat de nakomelingen ook van de dooden zouden leeren, want de apostelen hebben niet alleen gezorgd voor hun tijd, maar hebben ook ons nuttig willen zijn. Hierom, ofschoon zij dood zijn, zoo is nochtans hun leer levend en krachtig. En ons past het uit hunne schriften te leeren, even alsof zij zelf voor onze oogen tegenwoordig waren.
16 Want wij zijn geen scherpzinnig versierde ') fabelen nagevolgd, als wij u verkondigd hebben de kracht en tegenwoordigheid van onzen Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest zijner majesteit.
17 Toen Hij van God den Vader ontving eere en heerlijkheid, als van de grootdadige heerlijkheid dusdanige stem over Hem gebracht werd: Deze is mijn Zoon, de beminde, in welken Ik een welbehagen heb.
18 En deze stem hebben wij gehoord, uit den hemel gebracht, toen wij met Hem waren op den heiligen berg.
16 Want geen fabelen. Dit doet ons zeer goeden moed hebben, als wij weten, dat wij op iets zekers onzen arbeid doen. Hierom, opdat de geloovigen niet denken, dat hun arbeid niets anders is dan in den wind slaan, zoo begint hij nu te prijzen de zekerheid des Evangelies, en zegt dat hij niets voortgebracht heeft dan wat hij wel bevonden had, en buiten allen twijfel was. Hieruit krijgen zij ook moed tot standvastigheid, als zij verzekerd worden van den gelukkigen voortgang hunner roeping. En vooreerst zegt Petrus, dat hij een getuige is, die het gezien heeft, want hij heeft met zijn eigen oogen de heerlijkheid van Christus, die hij verkondigt, gezien. Deze kennis stelt hij tegen de listige fabelen, die de listige men-schen plegen te versieren, om de harten der eenvoudigen te verstrikken. Ik versta door deze listige fabelen, de scherpzinnige kunst van te bedriegen, gelijk het Grieksche woord ook beteekent. Wij weten wat naarstigheid de menschen doen tot die onnutte scherpzinnigheden, alleen omdat ze wat genot medebrengen. Daarom moet men des te meer zijn zinnen binden aan die onbedriegelijke waarheid, en aan die leering, die niet beuzelachtig is, maar die de heerlijkheid van den Zone Gods tegelijk met onze zaligheid openbaart. De macht en toekomst van Christus. Het lijdt geen twijfel, of hij heeft met deze woorden willen uitdrukken den ganschen inhoud des Evangelies, gelijk in der waarheid hetzelve niets bevat dan Christus, in wien alle schatten der wijsheid verborgen zijn. Doch hij stelt twee verscheiden deelen, namelijk, dat Christus in het vleesch verschenen is: daarna hoedanig zijn kracht en werking is. Want alzob hebben wij het gansche Evangelie, als wij weten, dat Hij, die eertijds tot een verlosser beloofd was, uit den hemel gekomen is, ons vleesch aangenomen, in de wereld verkeerd, den dood geleden heeft, en ten laatste opgestaan is. Ten tweede, als wij tot dat einde geraken, en de vrucht van dit alles ontvangen, te weten, dat God met
1) Of: Kun-stelyk verdichte, enz. Of: Sophis-tische, euz.
Matt. 17:5.
2 PETRUS 1 : 10, 17.
113
ons zou zijn; dat Hij ons een zeker pand zou geven, dat wij tot zijne kinderen aangenomen zijn; dat Hij ons met de genade zijns Geestes overgieten, en van de besmetting des vleesches zuiveren zou, en tot tempelen Gods heiligen; dat Hij ons uit de hel trekken, en tot den hemel opheffen zou; dat Hij met het offer zijns doods de zonden der wereld boeten, en ons met den Vader verzoenen zou, en ons de aanbrenger wezen zou der gerechtigheid en des levens. Die deze dingen weet, is behoorlijk in het Evangelie toegenomen. Aanschouwers gemaakt. Hieruit verstaan wij, dat die geenszins Christus dienen, of den apostelen gelijk zijn, die lichtvaardig op den predikstoel springen, om van hunne gedichtselen, die ze niet verstaan, te klappen: want dit is eerst een wettig dienaar Gods, welke zeker getuigenis heeft, dat zijn leer, die hij leert, de waarheid is. Niet dat zij allen hebben denzelfden grond van zekerheid. Want dat Petrus zegt tegenwoordig geweest te zijn, als Christus door de Goddelijke stem uit den hemel verklaard werd de Zoon Gods, toen waren daar alleen drie; de anderen zijn desniettemin bekwame getuigen geweest, wijl zij door zoovele mirakelen de heerlijkheid van Christus gezien hadden, en ook in de verrijzenis een schoon bewijs zijner goedheid gehad hadden. Maar wij zijn hiervan gewis (zooveel het nut is) op een andere wijze; want hoewel Christus voor onze oogen niet opgestaan is van de dooden, nochtans weten wij van wie ons zijn verrijzenis als van hand tot hand overgeleverd is. En hiertoe komt ook het inwendig getuigenis der conscientie, namelijk, de verzegeling des Geestes, welke verre te boven gaat alle ondervindingen of bewijzen, die wij door onze zinnen ontvangen mochten. Maar laat ons gedenken, dat het Evangelie in den beginne uit onzekere geruchten niet is samengesmeed, maar dat de apostelen zijn geweest geloofwaardige uitroepers van hetgeen zij gezien hadden.
17 Want Hü heeft. Onder andere exempelen verkiest hij een dat gedenkwaardig is, waar Christus, met hemelsche heerlijkheid versierd, den drie discipelen getoond heeft een klare gedaante der Goddelijke grootwaardigheid. Doch hij verhaalt de geschiedenis niet in haar geheel, maar wijst haar alleen aan met e'én woord, als hij zegt, dat er van de heerlijke majesteit een stem gekomen is. Want dit is de meening, dat daar niets aardsch gezien werd, maar dat die hemelsche majesteit van alle zijden lichtte. Daarom moet men de teekenen dezer majesteit nemen uit hetgeen de Evangelisten verhalen. En alzoo moest het geschieden, opdat de stem die daarvan kwam, te heiliger en te gewichtiger zou wezen. Gelijk wij zien, dat dit nog meer van den Heere geschied is. Want als Hij tot de vaderen gesproken heeft, heeft Hij niet alleen een bloote stem in de lucht willen doen klinken, maar daarbij doende zekere teekenen zijner tegenwoordigheid, heeft Hij betuigd, dat het zijne Goddelijke uitspraken waren. Deze is mijn Zoon. Petrus brengt deze stern bij, alsof zij alleen genoegzaam ware tot volkomen bewijs des Evangelies, en dit met recht: want waar Christus bekend wordt, gelijk Hij ons van den Vader gezonden is, daar is de uiterste grens onzer wijsheid. Deze spreuk heeft twee deelen, want dat er gezegd wordt: Deze is, heeft groote kracht, namelijk, dat deze de Messias is, die zoo dikwijls beloofd was. Al wat er dan in de wet en profeten van den Messias gesproken is, dat bewijst daar de Vader, hoe Hij dit dien persoon
8
Dl. VIII.
1
2 PETRUS 1 ; 17â19.
opdraagt, welken Hij met zulk een schoon getuigenis voorstelt. In het andere deel verklaart hij dat Christus zijn Zoon is, in welken al zijn liefde berust en bestaat. Waaruit volgt, dat wij niet anders bemind worden dan in Hem, en dat wij Gods liefde nergens elders zullen zoeken. Mij is genoeg, dat ik nu deze dingen in het voorbijgaan aanroer.
18 Op den heiligen berg. Hij noemt den berg heilig, gelijk de plaats heilig genoemd wordt, waar God aan Mozes verscheen: want waar God komt (gelijk Hij de oorsprong is aller heiligheid) zoo heiligt Hij alles met den reuk zijner tegenwoordigheid. Door welke manier van spreken wij geleerd worden, niet alleen met eerbied God te ontvangen, waar Hij Zich vertoont, maar ook ons heilig aan te stellen, zoo haast Hij tot ons genaakt, gelijk ook het volk bevolen werd, als de wet zou uitgeroepen worden op den berg Sinaï. En dit is een algemeene leer: Weest heilig, want Ik, die in het midden van u woon, ben heilig.
19 En wij hebben een vaster profetisch woord '), en gij doet wel, die daarop acht neemt, hetwelk als een licht schijnt in een donkere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uwe harten.
20 Dan, dit zult gij vooreerst weten, dat geen profetie der Schrift 2) geschiedt van eigen uitlegging.
21 Want er is eertijds geen profetie voortgebracht door den men-schelijken wil, maar de heilige menscben Gods hebben gesproken, gedreven zijnde van den Heiligen Geest.
Nu leert hij, dat de zekerheid des Evangelies ook op de leer der profeten gegrond is, opdat degenen, die hetzelve aangenomen hebben, zonder achterdocht zich aan Christus overgeven: want het is niet mogelijk of die twijfelen, moeten van hart verflauwen. Dan als hij zegt: wij hebben, kan zoowel op hen en de andere leeraars, als op de discipelen geduid worden. De apostelen hadden de profeten als voorstanders hunner leer, de geloovigen desgelijks haalden daaruit de bevestiging des Evangelies. Ik sta meer aan deze zijde, dat hij spreekt van de gansche gemeente, en zich als een stelt onder de anderen, hoewel hij eigenlijk op de Joden ziet, dien de leer der profeten wel bekend was. En hierom noemt hij ze vaster, naar mijn gevoelen: want die dit woord vaster overzetten alsof daar stond vast, die overdenke niet wel het geheele verband. Wijders is dit ook een gedwongen zin, dat het profetisch woord vaster zij, naardien God metterdaad volbracht heeft wat Hij daarin van zijnen Zoon beloofd had. Want hier wordt eenvoudig de waarheid des Evangelies bewezen met een dubbel getuigenis. De eerste is dat Christus met een klaarblijkelijk getuigenis Gods heerlijk bevestigd is geweest. De andere is, dat alle profetieën der profeten hiertoe strekken. Maar dit schijnt bij het eerste gezicht ongerijmd te zijn, dat het woord der profeten vaster gezegd wordt, dan de stem, die de heilige mond Gods zelve uitgesproken heeft. Ten eerste, is het woord Gods van gelijk gezag, als het van den beginne geweest is. Daarna zoo heeft Christus met zijne komst dit meer versterkt dan het tevoren was, gelijk in den brief aan de Hebreen breeder ge-' zegd is. Maar deze knoop is licht te ontbinden: want de apostel
114
1) And.: Het profetisch
woord, 't welk zeer vast is.
2) Of: Is uit eigener beweging, te weten, der
menschen.
2 PETRUS 1 : 10.
115
ziet hier op zijn volk, dat aan de profeten gewend was, zoodat hunne leer bij hen gansch buiten allen twijfel was. Dewijl dan de Joden voor ongetwijfeld hielden, dat al wat de profeten geleerd hadden, van God gekomen was, is het geen wonder, dat Petrus zegt hun woord vaster te zijn. Daarbij brengt ook de oudheid altijd wat eerbied mede. Bovendien zijn ook andere omstandigheden op te merken, dat over de profetieën, door welke het rijk van Christus zoolang tevoren voorzegd was, geen twijfel kon vallen. Zoo is dan hier geen verschil, of de profeten meer geloofwaardig zijn dan het Evangelie, maar Petrus ziet alleen aan hoeveel de Joden den profeten toeschreven, die zij zonder twijfel hielden voor wettige dienaars Gods, en die in hun school van kindsbeen opgebracht waren. Gij doet wel. Deze plaats heeft wat meer zwarigheid, want men kan vragen welke die dag zij, waarvan Petrus spreekt. Sommigen mee-nen, hij zij de klare kennis van Christus, als de menschen ganschelijk in het Evangelie berusten. Duisternis verklaren zij dan, als zij op het onzekere hangen, en de leer des Evangelies nog niet als uit zich-zelve geloofwaardig ontvangen wordt. Alsof Petrus de Joden prees, dat ze Christus in de wet en de profeten zoeken, en als met deze vooruitgaande lantaarn tot Christus de zon der gerechtigheid gaan willen, gelijk Lukas, Hand. 17 : 11, die prijst, welke de predikatiën van Paulus gehoord hebbende, uit de Schrift onderzochten, of het zoo was. Maar in deze uitlegging past vooreerst dit kwalijk, dat Petrus kon schijnen het gebruik der profetieën aan eenen korten tijd te binden, alsof zij, wanneer het Evangelie klaarlijk schijnt, on-noodig zouden zijn. Zoo iemand hierop antwoordt, dat dit niet noodzakelijk volgt, omdat dit' woord totdat, niet altijd het eind van een zaak beteekent, daarop zeg ik, dat men het in gebiedende voorschriften niet anders nemen mag. Gelijk wanneer men spreekt; wandel, totdat gij uw weg geëindigd hebt; of, strijdt, totdat gij overwonnen hebt. In deze uitspraken zien wij toch wel, dat er een zekere tijd voorgeschreven wordt. En opdat ik toelaat, dat op deze wijze het lezen der profeten niet geheel verworpen wordt, zoo ziet nochtans een iegelijk wel, wat een magere lof dit voor de profetieën is, dat zij ons nuttig zijn, totdat ons Christus geopenbaard is, zoo toch hun leer tot het einde des levens even noodzakelijk is. Ten andere, moet men altijd gedenken, tot wie Petrus spreekt. Want hij onderwijst geen onwetende nieuwelingen, die nog in de eerste beginselen zijn, maar die, van wie hij tevoren getuigd heeft, dat ze een even dierbaar geloof verkregen hebben, en in de tegenwoordige waarheid bevestigd zijn. Nu is een dusdanige tastelijke duisternis der onwetendheid bij dezulken niet. Ik weet wat sommigen daartegen zeggen, dat ze allen gelijk niet evenveel waren toegenomen, en dat daarom hier bijzonder de nieuwelingen, die Christus nog zochten, vermaand worden. Maar dewijl uit den tekst blijkt, dat hij tot dezelfden spreekt, zoo moet deze plaats noodzakelijk toegepast worden op die reeds den naam van Christenen droegen, en het ware licht deelachtig geworden waren. Zoo is het dan, dat ik deze duisternis, waarvan Petrus hier vermeldt, uitstrek door den ganschen loop des levens, en verklaar dat ons de dag eerst dan licht, als wij van aangezicht tot aangezicht zullen zien; dat wij nu alleen aanschouwen door een spiegel, als in eene duistere rede. Christus, de zon der gerechtigheid, licht wel in het Evangelie, maar alzoo dat de duisternissen des doods ons ver-
2 PETRUS 1 : 19.
116
stand altijd ten deele bezitten, totdat wij uit den kerker des vleesches geleid, en naar den hemel overgebracht worden. Dat zal dan de klaarheid van den dag zijn, als geene wolken of nevelen van onwetendheid het klare aanschouwen der zon zullen beletten. En waarlijk, wij zijn zoo verre van den klaren dag, als ons geloof verre is van de volmaaktheid. Daarom is het geen wonder, dat de staat des tegenwoordigen levens duisternis geheeten wordt, dewijl wij tot die kennis niet geraken, waartoe ons het Evangelie noodt. In eén woord. Petrus vermaant, dat, zoolang wij vreemdelingen zijn in deze wereld, wij de leer der profeten, als een voorlichtende lantaarn van noode hebben, welke uitgebluscht zijnde, wij in duisternis moeten dwalen. Want hij scheidt de profetieën van het Evangelie niet, als hij leert dat zij ons lichten om den weg te wijzen. Alleen wil hij leeren, dat de gansche loop onzes levens van Gods Woord moet geregeerd zijn, aangezien wij anders van alle zijden met duisternissen der onwetendheid overdekt zijn, en dat God ons niet anders licht, dan als wij op zijn woord zien, als op een lantaarn. Hij gebruikt ook de gelijkenis van een lantaarn niet om een klein en nauw licht te beteekenen, maar opdat deze twee stukken op elkander wel passen: namelijk, dat wij geen eigen licht hebben, en niet meer den weg kunnen houden, dan die met een duisteren nacht overvallen, dwalende is; doch dat de Heere deze ellende te gemoet komt, als Hij de fakkel aansteekt, die ons in het midden der duisternis voorlicht. Maar nochtans schijnt met deze uitlegging niet wel overeen te komen, wat hij kort daarna bijvoegt van de morgenster. Want de vaste kennis, naar welke wij ons leven lang trachten, kan geen dageraad genoemd worden. Ik antwoord, dat de deelen van den dag bij elkander niet vergeleken worden, maar dat de gansche dag met zijn deelen wordt gesteld tegen die duisternis, welke al onze zinnen ganschelijk zou overvallen, zoo de Heere ons niet te hulp kwam met het licht zijns Woords. Dit is een schoone plaats, waaruit wij leeren hoe ons God regeert. De papisten hebben doorgaans in den mond, de kerk kan niet dwa len, intusschen het Woord voorbijgaande, versieren zij dat zij van den Geest geregeerd wordt. Petrus daarentegen verklaart, dat zij allen in duisternis versmoord liggen, die niet merken op den lantaarn des Woords. Hierom, tenzij gij u moedwillig in een doolhof wilt werpen, zoo moet gij ten zeerste wachten, dat gij van de geleiding des Woords niet het minste wijkt. Ja de kerk kan anders God als een leidsman niet volgen, tenzij ze deze wijze van regeering gadeslaat. Met deze spreuk veroordeelt ook Petrus alle menschelijke wijsheid, opdat wij uit iets anders dan uit ons eigen gevoelen ootmoedig leeren halen den rechten regel des verstands. Want buiten het Woord laat hij den mensch niets overblijven dan duisternis. Bovendien is wel op te merken, dat hij hier uitspreekt de klaarheid dei-Schrift. Deze lof ware valsch, zoo de Schrift niet bekwaam en genoegzaam ware om ons zekerlijk den weg te toonen. Zoo wie dan met gehoorzaamheid des geloofs de oogen zal open doen, die zal metterdaad bevinden en bekennen, dat de Schrift niet tevergeefs den naam van lantaarn draagt. Zij is wel duister den onge-loovigen, maar dat zijn die, welke tot het verderf geëigend, moedwillig blind zijn. Hierom is het een vervloekte godslastering der papisten, die versieren dat door het licht der Schrift de oogen niet dan verbloemd worden, opdat zij alzoo de eenvoudigen van het
2 PETRUS 1 : 19, 20.
lezen daarvan afschrikken. Maar het is geen wonder, dat die hoo-vaardige, en met den wind eener verkeerde verwaandheid opgeblazene menschen dat licht niet zien, hetwelk de Heere den kleinen en oot-moedigen verwaardigt te geven, Matth. 11:25. Met ditzelfde lofwaardig getuigenis prijst David de wet, Ps. 19 en 119.
2o Dit eerst wetende. Hier begint Petrus te leeren, hoe wij geschikt en gemoedigd moeten zijn, zoo wij recht in de Schrift voortgang willen doen. Toch kan tweeërlei zin uit deze woorden genomen worden, zoo men van eigen uitlegging wilde overzetten, van eigen beweging of aandrift. Maar, aangezien ik dat nergens lees, en dat zij het meest allen aldus nemen, dat het beteekent uitlegging, zoo is dit de zin, dat wij ons niet lichtvaardig tot het lezen der Schrift zullen begeven, betrouwende op ons eigen verstand. Men meent, dat de bevestiging dezer spreuk nu volgt, namelijk, dat de Geest, die door de profeten gesproken heeft, Zichzelven alleen uitlegt. Deze uitlegging behelst eene waarachtige, godvruchtige, en overvloedige leering, te weten, dat de profeten dan allereerst met vrucht gelezen worden, als wij ons vleeschelijk verstand afgelegd hebbende, ons van den Heiligen Geest onderdaniglijk laten onderwijzen, en dat wij die goddelooslijk ontheiligen, als wij ons verme-telijk met onze scherpzinnigheid indringen om de Schrift te verstaan, die toch zaken bevat die voor ons vleesch verborgen zijn, en hooge schatten des levens, die de kleine maat onzes verstands verre te boven gaan. En dit is het wat ik gezegd heb, hoe het licht, dat daarin schijnt, alleen den ootmoedigen toebehoort. Maar de papisten zijn meer dan ongeschikt, als zij hieruit rapen, dat geene uitlegging van een privaat of bizonder persoon mag geloofwaardig geacht worden. Want zij misbruiken dit getuigenis van Petrus, opdat zij hun conciliën de hoogste macht van de uitlegging der Schrift toeschrijven: waarin zij zich waarlijk als kinderen gek aanstellen: want Petrus noemt geen bijzondere uitlegging, die elk mensch in het bijzonder bijbrengt, opdat hij alzoo elk mensch alleen in zijn persoon aangezien, zou uitsluiten van de uitlegging der Schrift, maar leert alleen, dat het onheilig is wat de menschen van het hunne daarbij brengen. Hierom ofschoon de gansche wereld samenspant, en aller menschen vernuft te zamen gesmolten werd, wat daaruit nochtans spruiten zal, dat zou zijn hun eigen werk. Want dit woord is gesteld tegen de Goddelijke openbaring, als de geloovigen door den Heiligen Geest verlicht zijnde, den wil Gods in zijn woord bekennen. Nochtans dunkt mij die andere meening eenvoudiger te zijn, dat Petrus zegt, hoe de Schrift niet voortgebracht is van de menschen, of door menschelijk ingeven. Want gij zult nimmermeer wel bereid komen om de Schrift te lezen, tenzij gij eerbied, gehoorzaamheid, en leerzaamheid medebrengt. Nu komt de rechte eerbied hieruit, als wij voor zeker houden, dat geen sterfelijke menschen, maar God met ons spreekt. Vooral daarom beveelt Petrus de profetieën te gelooven, als zijnde ongetwijfelde uitspraken Gods, die niet zijn gevloeid uit eigen beweging der menschen. Hiertoe dient wat hij kort daarna zegt: Hoe de heilige mannen Gods, door het ingeven des Geestes gesproken hebben, en dat ze niet uit zichzelven, of door eigen wil hunne gedichtselen uitgeklapt hebben. In één woord, dit is het begin van het rechte verstand, als wij het geloof, hetwelk wij God schuldig zijn, toeschrijven zijnen heiligen pro-
117
2 PETRUS 1 : 20- 2 : 1.
feten. Hij noemt ze heilige mannen Gods, die hun opgelegd ambt getrouwelijk uitrichtende, in hun dienst den persoon Gods uitgedrukt hebben. Hij zegt, dat ze gedreven zijn geweest, niet dat ze buiten verstand geweest zijn (gelijk de heidenen versierd hebben een Goddelijk enthousiasme in hunne profeten) maar omdat zij uit zichzelven niets gedurfd hebben, hebben zij alleen den Geest hun leidsman gevolgd, die in hun mond, als in zijn heiligdom, regeerde. Versta door de profetie der Schrift die, welke in de heilige schriften vervat wordt.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 En er zijn ook geweest onder het volk valsche profeten, gelijk ook onder u zullen wezen valsche leeraars, die bedektelijk zullen inbrengen verderfelijke sekten, ook den Heere, die ze gekocht heeft, verloochenende, die over zich brengen zullen een haastig verderf.
geschikthe' ^ En velen zullen hun verderf ') navolgen, door welke de weg der
den. waarheid gelasterd zal worden.
3 En door gierigheid met versierde woorden zullen zij met u koophandel doen, over dewelke het oordeel nu van overlang
2) of: ai- niet stil is, en hun verderf sluimert niet. ')
zoo zij door
gierigheid, . . .
enz. gewin vermits de zwakke conscientiën zwaar en gevaarlijk beroerd
ken%nzZOe' \ )en verslagen worden, als daar valsche leeraars opstaan, die de leer des geloofs verderven, of verscheuren, zoo was het den apostel van noode, aangezien hij de geloovigen tot standvastigheid wilde vermanen, zoodanigen aanstoot weg te nemen. Nu troost hij met deze bewijsreden die, aan welke hij schrijft, en bevestigt ze, wijl God altijd zijn kerk met dusdanige aanvechting geoefend heeft, opdat door de nieuwigheid hunne harten niet verslagen worden. Onder het Evangelie, zegt hij, zal het met de kerk niet anders staan, dan het voortijds geweest is onder de wet; de valsche profeten hebben de oude kerk verstoord, hetzelve staat ook ons te wachten. Dit diende aldus uitdrukkelijk getuigd te zijn, omdat velen versierden, dat de kerk onder het rijk van Christus een gerusten stand hebben zou. Want omdat de profeten met zijne toekomst vasten vrede, het hoogste licht der hemelsche wijsheid, en een volle vernieuwing aller dingen beloven, zoo dachten zij niet dat de kerk eenigen strijd meer onderworpen zou zijn. Laat ons dan gedenken, dat de Geest Gods dit eenmaal uitgesproken heeft, dat de kerk van dit inwendig kwaad nimmer zal vrij zijn. En laat ons altijd in gedachtenis houden deze gelijkheid, dat wij met de vaderen een gemeen bewijs des geloofs hebben, wijl het een gelijke zaak is, namelijk, opdat alzoo blijke dat wij God waarlijk liefhebben, gelijk daar, Deut. 13 : 3, geschreven is. Doch het is onnoodig alle exempelen stuk voor stuk te verhalen: laat ons dit in hoofdzaak vasthouden, dat wij met het exempel der voorvaderen tegen de godde-looze leeringen moeten strijden, en dat om de tweedracht en sekten ons geloof geenszins moet vervallen, dewijl in 't midden der stormachtige bewegingen, waarmede de satan menigmaal gepoogd heeft alles om te keeren, desniettemin Gods waarheid vaststaat. Merkt
118
2 PETRUS 2:1, 2.
ook wel, dat Petrus niet een tijd alleen aanwijst, als hij zegt: Daar zullen valsche leeraars zijn, maar dat hij alle eeuwen bijeen neemt. Want hij vergelijkt hier de Christenen met het oude volk. Daarom dient deze leer op onzen tijd gebracht, dat deze aanvechting ons niet moedeloos make, als wij valsche leeraars zien opstaan, om Gods waarheid te bevechten. Doch de Geest Gods waarschuwt ons daarom, opdat wij toezien, en ons wachten. En hiertoe dient de gansche beschrijving die hij kort hierna daarbij doen zal, hoewel hij elke sekte met hare kleur niet zal uitschilderen, maar in het bijzonder spreken van die onheilige menschen, welke een verachting Gods inbrengen. Het is wel een algemeene rede, dat men valsche leeraars mijden zal, maar intusschen heeft hij uitgekozen een soort, van welke het meest gevaar aanstaande was: hetwelk uit de woorden van Judas beter blijken zal, die geheel dezelfde zaak behandelt. Die bedekteiyk zullen inbrengen. Met deze woorden is aangewezen de list des satans en aller goddeloozen, die onder zijn banier strijden, dat zij door zijwegen en door slimme middelen zouden insluipen: waarom, de geloovigen des te meer waken moeten, opdat ze ook hunne heimelijke bedriegerijen ontvlieden: want hoe behendig ze zich indringen, zij zullen nochtans degenen, die naarstig toezien, niet vervoeren. Hij heet ze verderfelijke sekten, opdat een ieder, zoo lief hij zijn zaligheid heeft, deze als de schadelijkste pest, verfoeie. Zooveel aangaat het woord sekten, of ketterij, het is niet zonder oorzaak kwalijk berucht en gehaat geweest onder de kinderen Gods. Want de eenvoudige waarheid Gods is de band der heilige eenig-heid; zoo haast men die verlaat, blijft er niets dan een schrikkelijke verwoesting. Ook den Heere die ze gekocht heeft. Hoewel Christus op verscheidene wijzen verloochend wordt, zoo roert nochtans Petrus, naar mijn oordeel, die aan, die bij Judas uitgedrukt wordt, namelijk, als Gods genade in wulpschheid verkeerd wordt. Want Christus heeft ons verlost, opdat Hij een volk had, dat van alle bevlekkingen der wereld afgescheiden, en tot heiligheid en onnoozelheid overgegeven zou zijn. Degenen dan, die den breidel afgeworpen hebbende, tot alle teugelloosheid zich begeven, worden terecht gezegd Christus te verloochenen, door wien zij verlost zijn. Derhalve, opdat de leer des Evangelies gansch en geheel bij ons blijve, zoo zal dit in onze harten vastblijven, hoe wij van Christus verlost zijn, opdat Hij een Heere onzes levens en doods zij, en dat wij alzoo op dit einde zien zullen, dat wij Hem leven en sterven. Intusschen zegt hij, dat een haastig verderf den valschen leeraren nakende is, opdat anderen met hen niet ingewikkeld worden.
2 En velen zullen volgen. Dit is voorwaar geen geringe ergernis voor de zwakken, als zij zien, dat de valsche leeringen met een ge-meene toestemming worden ontvangen, en dat een ontallijke menigte menschen afvallig wordt, zoodat er weinigen in de zuivere gehoorzaamheid van Christus blijven. Alzoo hedendaags, er is niets dat de godvruchtige harten meer beroert, dan zoodanige afwijking: want van degenen, die Christus met den naam toegedaan zijn, is er nauwelijks een van de tien, die de zuiverheid des geloofs tot het einde vasthoudt. Meest allen worden verdorven en ontaarden, en vallen van die losbandige leeraars bedrogen zijnde, in de wereld. Opdat hierdoor ons geloof niet vervalle, voorkomt het Petrus, en voorzegt intijds, dat geschieden zal, dat de goddelooze leeraars velen
119
120 2 PETRUS 2 :2â4.
in 't verderf trekken, of tot de wulpschheden, gelijk in sommige Grieksche handschriften gelezen wordt, brengen zullen. Door welke de weg der waarheid. Dit leg ik uit, hierom gezegd te zijn, omdat, gelijk de religie versierd wordt, als de menschen onderwezen worden tot de vreeze Gods, tot vroomheid des levens, tot kuische en eerlijke zeden, enz. of dat hierdoor ten minste den onvromen de mond gestopt wordt, dat zij het Evangelie niet lasteren, alzoo daarentegen als men vrijelijk den breidel slaakt tot alle dartelheid, zoo wordt de naam van Christus en zijne leer tot een smaad der goddeloozen gemaakt. Anderen leggen dit uit in een anderen zin, dat namelijk die valsche leeraars, als vuile honden de gezonde leer zouden tegen bassen. Maar de woorden van Petrug beteekenen mij veelmeer dit, dat zij den vijanden oorzaak zouden geven, om met Gods waarheid dartelijk te spotten. Ofschoon zij dan zeiven die Christelijke belijdenis niet beschimpen, zoo zullen zij toch anderen daartoe opwekken.
3 Met geveinsde woorden. Petrus zoekt met alle middelen de geloovigen tegen die verkeerde leeraars verbolgen te maken, opdat zij hen te vromelijker en standvastig afstooten. Daar wordt niets zoo gehaat dan dat wij als snoode slaven zouden verkocht worden. Nu getuigt hij dat dit geschiedt, wanneer ons iemand van de verlossing van Christus aftrekt. Hij noemt versierde woorden, die listiglijk toegemaakt zijn om te bedriegen. Derhalve, indien iemand niet zoo onzinnig is, dat hij moedwillig de zaligheid zijner ziel van de valsche leeraars wil laten verkocht en geleverd worden, dat hij toch hunne verkeerde versierselen geheel geen toegang geve. Hij verhaalt wederom, dat hun verderf niet uitblijft met een voornemen gelijk boven, opdat hij de goeden van hun gezelschap zou afschrikken. Want wijl zij een haastig verderf toegeëigend zijn, zoo moet hij ellendig vergaan, die zich met hen vergezelschapt.
4 Want zoo God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar met ketenen der duisternis ter hel gestooten, en overgegeven heeft, dat zij tot het oordeel zouden gehouden worden ;
5 En zoo Hij de oude wereld niet gespaard heeft, maar Noach de achtste prediker der gerechtigheid bewaard, als Hij over de wereld der goddeloozen den zondvloed gebracht heeft,
6 En heeft de steden van Sodom, en Gomorra tot asch gemaakt, omgekeerd en verdoemd, die gesteld hebbende tot een exempel dergenen, die goddelooslijk zouden leven;
7 En heeft verlost den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van die schandelijke menschen, die in dartelheid verkeerden;
8 (Want de rechtvaardige onder hen wonende, ziende en hoorende hunne ongerechtige werken, heeft dagelijks zijne rechtvaardige ziel gekweld)
dewijl1 quot;hij Wij hebben gezegd hoeveel daaraan gelegen is, dat men wete dat 0nwoonde goddeloozen, die de gemeente met verkeerde leeringen verdorven heeft daae- hebben, Gods wrake niet kunnen ontvlieden. Dit bewijst hij nu met rechtvaar- varl gedenkwaardigste voorbeelden van het Goddelijk oor-dige ziel ge- deel; dat Hij zelfs zijne engelen niet gespaard heeft; dat Hij eens kongeréch-Sansche wereld met den zondvloed weggenomen heeft; dat Hij tige werken. Sodom en de omliggende steden tot asch gemaakt heeft. Petrus
Gen. 7:1.
Gen. 19:24.
1) And. Want deze man rechtvaardig aan oogen
O Tl nrwfan
2 PETRUS 2:4, 5.
houdt voor een bekende zaak, (welke ook bij ons buiten allen twijfel zijn moet) namelijk, dat God is de Rechter der gansche wereld. Waaruit volgt, dat Hij nu de goddeloozen en boosachtigen op gelijke wijze straffen wil, als Hij eertijds gedaan heeft. Want Hij kan Zichzelven niet ongelijk zijn, en ziet geen personen aan, dat Hij den een eenig lasterstuk zou vergeven, hetwelk Hij in een ander gestraft heeft: maar haat altijd even sterk de ongerechtigheid, waar Hij ze ook vindt. Want wij moeten altijd vasthouden dit onderscheid tusschen God en de menschen, dat de menschen wel ongelijk oor-deelen, maar dat God in zijn oordeel altijd effen doorgaat; want dat Hij den uitverkorenen de zonden vergeeft, dat geschiedt, omdat Hij ze door berouw en het geloof uitwischt. Alzoo dat Hij ons met Zich niet anders verzoent, dan als Hij ons rechtvaardigt. Want de oorzaak der tweedracht tusschen ons en Hem blijft zoolang, totdat de zonde weggenomen is. Zooveel den engelen aangaat, het is een bewijsreden van het meerdere tot het mindere. Want ofschoon zij veel voortreffelijker waren, zoo heeft nochtans hun waardigheid hen uit de hand Gods niet verlost. Veel minder dan zullen vrij gaan de sterfelijke menschen, wie zij ook zijn, die hunne goddeloosheid zullen nagevolgd hebben. Maar dewijl Petrus hier kortelijk vermeldt den val der engelen, doch den tijd, de wijze hoe, mitsgaders andere omstandigheden niet verhaalt, zoo betaamt het ons hierover sober te redeneeren. Daar zijn zeer vele neuswijze menschen, die geen einde maken van deze dingen te onderzoeken; maar dewijl God ze alleen spaarzaamlijk, en als in 't voorbijgaan in de Schrift aangeroerd heeft, daarmede heeft Hij ons vermaand, dat wij met de matige kennis tevreden zullen zijn. En waarlijk die dieper onderzoeken, staan naar geene stichting, maar willen met ijdele inbeeldingen hun geest voeden. Wat ons nut was, heeft God geopenbaard, als dat de duivelen in den beginne geschapen zijn, opdat zij Gode gehoorzaam waren, maar dat ze onder Gods bevel niet staan wilden. En dat alzoo de boosheid, die hen aanhangt, toegevallen is, en niet is van nature, dat men ze Gode zou opleggen. Dit zegt Petrus klaarlijk genoeg, als hij de engelen, die uitgevallen zijn, boven de menschen stelt. Judas handelt hiervan nog klaarder, als hij schrijft, dat zij hun oorsprong of heerschappij niet behouden hebben. Die, voor wie deze getuigenissen niet genoeg zijn, dat ze gaan tot de theologie der Sorbonne, die zal ze met de leering van de engelen alzoo verzaden, dat zij hen meteen met den duivel ter hel zal neder-stooten. Met ketenen der duisternis. Met deze wijze van spreken verklaart hij, dat zij in de duisternissen vastliggen tot den jongsten dag. Deze gelijkenis is genomen van de kwaaddoeners, die nadat ze verwezen zijn, door een ijselijken kerker de helft hunner straf dragen, totdat zij eindelijk gericht worden. Hieruit kan men afleiden, niet alleen wat straf de verworpenen lijden na den dood, maar ook in wat staat alsdan de kinderen Gods zijn. Want zij rusten vreedzaam in de hope der zekere gelukzaligheid, hoewel zij haar nog niet genieten, gelijk de bovengenoemden uit de wraak, die hun bereid is, een schrikkelijke pijniging lijden.
5 De oude wereld. De reden, dat Petrus aldus spreekt, is omdat God, nadat het menschelijk geslacht omgekomen was, wederom zooveel als een. nieuwe wereld gemaakt heeft. Dit is ook een bewijsreden van het meerdere tot het mindere: want hoe zouden de boos-
121
2 PETRUS 2 : 5â8.
wichten ontgaan den vloed des toorns Gods, waarmede eenmaal de gansche wereld overdekt is geweest? Want als hij zegt, dat er acht behouden zyn geweest, zoo geeft hij te kennen hoe de menigte niet als een schild voor God zal wezen, om de kwaden te beschutten; maar dat allen, zooveel als er gezondigd zullen hebben, hetzij weinigen of velen, hun straf zullen lijden. Maar hier kon men vragen, waarom hij Noach noemt den prediker der gerechtigheid. Sommigen verstaan de prediking der gerechtigheid Gods, gelijk de Schrift daarin Gods gerechtigheid prijst, dat Hij de zijnen beschermt, en van den dood verlost hebbende, in het leven herstelt. Dan, ik wil liever uitleggen, dat hij daarom een prediker der gerechtigheid genoemd is, omdat hij de verloren wereld gepoogd heeft tot een recht gevoelen te brengen: dit doende niet alleen met leeringen en heilige vermaningen, maar ook mede dat hij honderd en twintig jaren met de ark te bouwen, angstig zich afgesloofd heeft. Dit is dan nu des apostels meening; de gramschap Gods tegen de verworpenen ons alzoo voor oogen te stellen, dat hij ons intusschen tot navolging der heiligen vermane. De steden. Dit is geweest zulk een merkwaardig exempel der Goddelijke wraak, dat de Schrift, zoo menigmaal zij spreekt van het algemeen verderf der goddeloozen, op dit voorbeeld bijna altijd wijst. Daarom zegt Petrus, dat deze steden tot een exempel gesteld zijn. Hetzelfde kon ook met waarheid van andere steden wel gezegd worden; maar Petrus wijst hier wat bijzonders aan, want dit is een voornaam en levend beeld, ja zulk een, waarin God de Heere alle eeuwen heeft willen betuigen zijn gramschap tegen de goddeloozen. Gelijk toen Hij zijn volk uit Egypte verlost heeft. Hij in dat eenig genadewerk heeft willen uitbeelden de altijddurende zaligheid zijner gemeente, hetwelk ook Judas uitgedrukt heeft, dit noemende de straf des eeuwigen vuurs.
8 Want met zijne oogen en ooren. Gemeenlijk legt men dit uit, dat Lot rechtvaardig is geweest van oogen en ooren, omdat al zijn zinnen van de schandelijkheden der Sodomieten een afgrijzen hadden. Doch men kan dit gehoor en gezicht op wat anders duiden, dat de zin is; Dewijl deze rechtvaardige woonde onder de Sodomieten, dat hij door wat hij zag en hoorde, zijn ziel pijnigde: want hij moest vele dingen hooren en zien, die zijn gemoed jammerlijk kwelden. Dit is kortelijk het besluit der zaak, dat, hoewel de heilige man van alle zijden met allerlei ongehoorde zonden overvallen was, nochtans van de rechte baan niet geweken is. Hier drukt Petrus wat meer uit dan tevoren, namelijk, dat de rechtvaardige Lot deze kwelling vrijwillig opgenomen heeft, gelijk het billijk is, dat alle godvruchtigen geen kleine droefheid ontvangen, als zij de wereld zien vallen in allerlei boosheid. Daarom moeten wij te meer over onze eigen zonden zuchten. En dit heeft de apostel uitdrukkelijk gesteld, opdat, wanneer de goddeloosheid in zwang gaat, wij door de aanlokselen der zonden gevangen en dronken zijnde, onszelven met de anderen niet verderven; maar dat wij deze droefheid, die van den Heere gezegend is, liever hebben dan alle wellusten der wereld.
9 üe Heere weet de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, maar de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels om gepijnigd te worden.
122
2 PETRUS 2 : 9, 10.
10 En voornamelijk die, welke naar het vleesoh in den wellust der onzuiverheid wandelen, en die de heerschappij verachten, die stouten, verwaanden zijn, die zich niet ontzien de hoogheden te verachten;
11 Daar de engelen, die sterker en krachtiger zijn, niet verdragen tegen hen het lasterlijk oordeel voor den Heere.
Dit vooreerst geeft den zwakken aanstoot, dat de geloovigen, die angstig zuchten, niet terstond door Gods hulp wat baat of onderstand krijgen; maar dat God ze veelmeer somtijds in langdurig verdriet en moedeloosheid laat verdwijnen. Daarenboven al-zoo de kwaden ongestraft hun moedwil drijven, dat God middeler-tijd zwijgt, alsof Hij hen over hunne boosheden door de vingeren zag. Dezen tweevoudigen aanstoot keert Petrus nu af. Want hij betuigt, dat de Heere weet, wanneer het nut is de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen. Met welke woorden hij vermaant, dat men Hem dit ambt zal laten uitrichten, en dat men alzoo volharden zal in de verzoekingen met lijdzaamheid, en niet bezwijken, zoo God te eenigen tijd zijne wraak tegen de goddeloozen uitstelt. Deze troost is ons zeer noodig, want deze gedachten plegen ons aan te komen: Zoo God de zijnen ongeschonden wil hebben, waarom vergadert Hij die niet allen ergens in een hoek der wereld, opdat ze elkander tot heiligheid opwekken? Waarom vermengt Hij ze onder de kwaden, van wie zij besmet worden? Maar wanneer Zich God dit ambt toekent van de zijnen te helpen en te beschutten, opdat ze in den strijd niet bezwijken, zoo krijgen wij nieuwen moed om dapper te strijden. Dit is het kort begrip van het eerste deel, dat allen godvruchtigen deze wet van den Heere is voorgeschreven, dat ze door verscheidene verzoekingen beproefd worden, doch dat men van den afloop goed zal hopen, dewijl zij van zijne hulp nimmer zullen verlaten worden. Maar de onrechtvaardigen. Met dit deel bewijst hij, hoe God zijne oordeelen alzoo matigt, dat Hij wel voor een tijd de kwaden verdraagt, maar nochtans niet ongewroken laat. Alzoo berispt hij die al te groote haast, die ons pleegt neder te storten, bijzonder als de boosheden, zoo gruwzaam zijnde, ons zwaar wonden: want dan wilden wij wel dat God in een oogenblik donderde; zoo Hij stilstaat, Hij schijnt geen rechter der wereld meer te wezen. Hierom, opdat wij niet beroerd worden doordien de boosheden alzoo voor een tijd ongestraft blijven, zoo brengt ons Petrus in gedachtenis, dat God een dag des oordeels besteld heeft, en dat daarom de verworpenen geenszins de straf ontgaan zullen, hoewel zij die niet terstond ontgelden. Het woord bewaren heeft wat kracht, alsof hij zeide; Zij zijn Gods hand niet ontglipt, maar zijn met heimelijke banden vastgehouden, opdat ze eenmaal tot het gericht getrokken worden, zoodat ze bewaard worden om gestraft te worden; want hij wil, dat wij vast blijven verwachten het laatste oordeel, opdat wij in hope en lijdzaamheid tot het einde des levens strijden mogen.
io En voornamelijk degenen. Hier begint hij de algemeene leer bijzonder te maken, en tot zijn oogmerk te schikken: want hij had te doen met menschen, die onbeschaamde schalken waren. Daarom leert hij, dat hun noodzakelijk een schrikkelijke wraak te wachten staat; want aangezien God ze allen straffen zal, hoe
123
124
zouden die ontgaan, welke als het onredelijke vee, zich aan alle boosheid overgeven. Naar het vleesch wandelen, is tot het vleesch genegen zijn, gelijk de onvernuftige dieren zonder rede en oordeel gedreven worden, alleen volgende hun lust, die zij tot hun leidsman hebben. Door de begeerlijkheid der bevlekking, zult gij verstaan die vuile en ongebreidelde wellusten, als de menschen niet passende op eerbaarheid, maar afgelegd hebbende alle schaamte, tot onreinheden gedreven worden: dit is het eerste kenteeken, waarmede hij ze teekent, dat het onzuivere menschen zijn, der boosheid toegedaan. Daar volgen andere kenteekenen, dat ze de heerschappij verachten, en durven smaden en lasteren, die God verwaardigt in hoog-waardigen staat te stellen. Want beide die spreuken breng ik tot ée'n zin. Want nadat hij gezegd heeft, dat ze de heerschappij verachten, zoo toont hij terstond den oorsprong dezes kwaads, dat ze stout zijn en hardnekkig. Ten laatste, om hun hoovaardigheid te gruwelijker te maken, zegt hij dat ze niet verbaasd zijn, als zij tegen de heerlijkheden smadelijk opstaan. Want dit is eene ongehoorde vermetelheid, voor niets te achten de heerlijkheid, welke in de ordeningen van God gesteld, lichtende is. Het lijdt geen twijfel, of hij wijst met dit woord aan de regeeringen en overheden. Want hoewel alle behoorlijke standen van leven lofwaardig zijn, zoo weten wij nochtans dat de dienst der overheid den anderen te boven gaat, daar zij in de regeering des menschelijken geslachts Gods stadhouders zijn. Zoo is dan deze macht terecht heerlijk, in welke God zelve de overste is. Nu verstaan wij wat de apostel in dit tweede deel wil zeggen, namelijk dat die, van welke hij spreekt, geweest zijn dolle menschen, staande naar beroerte en verwoesting: want zoo wie de wereld stelt zonder bestuur, die stelt ze ook zonder orde: maar dezen spogen onverschrikt alle lasteringen uit tegen de overheden, opdat ze allen eerbied van het wereldlijke recht zouden wegnemen. Hetwelk toch niet anders was dan God openlijk met hun godslasteringen aangrijpen. In onzen tijd zijn ook vele zoodanige beroerlijke menschen opgestaan, die daar uitgeroepen hebben, dat het ongoddelijk en ongeoorloofd was het zwaard te gebruiken, zoekende daarbij als onzinnige lieden alle orde om te keeren. Zulke razernij verwekt satan om den loop des Evangelies te verstoren. Maar de Heere heeft wel met ons gehandeld, die ons niet alleen gewaarschuwd heeft ons voor zulk een verderfelijk vergift te wachten, maar heeft ons ook tegen de ergernis met het voorgaande exempel bevestigd. Hierom doen die papisten al te onvroom, die ons beschuldigen, dat door onze leer den oproerigen menschen het wapen in de hand gegeven wordt. Alsof men eertijds hetzelfde den apostelen niet had kunnen verwijten, die nochtans zeer verre waren van deze schuld.
ii Daar de engelen. Hij bewijst hun lichtvaardige vermetelheid daaruit, dat ze zichzelven meer vrijheid durven toemeten dan de engelen. Maar het is wonder, dat hij zegt, dat de engelen tegen de overheden geen lasterlijk oordeel geven. Want waarom zouden zij wezen tegen die heilige ordening, waarvan zij weten, dat God de insteller is? Waarom zouden zij tegen de machten opstaan, die zij weten in gelijken dienst met hen te zijn? Deze reden heeft sommigen bewogen, te meenen dat het van de duivelen gezegd is. Maar aldus kunnen zij ook de ongerijmdheid niet ontvlieden.
2 PETRUS 2 ; 11-13.
Want hoe zou de satan zoo matig zijn in de menschen te verschoo-nen, die de ingever of opsteller aller godslastering is ? Daarbij deze opinie wordt wederlegd met de woorden van Judas. Zoo heeft hij dan bekwamelijk aldus gesproken van de heilige engelen, zoo wij de omstandigheid des tijds bedenken. Want alstoen waren alle overheden meest goddelooze en bloeddorstige vijanden des Evangelies. Daarom kon het niet geschieden, of zij moesten bij de engelen, die bewaarders der gemeente zijn, in haat wezen. Zoo zegt hij, dat die menschen, welke haat en vervloeking waardig zijn, alzoo van de engelen geoordeeld worden, dat ze nochtans aan de macht,
van God geordineerd, hare eere bieden. Dewijl dan, zegt hij, in de engelen deze matigheid is, zoo zijn dezen stout en onverschrokken, die vrijelijk en ongebreideld tot lastering uitbreken.
12 Maar dezen zijn als onredelijke beesten, die van nature tot i) Anders: vangen en tot het verderf geboren zijn '), lasterende hetgeen natuurlijke6 zij niet weten, welke in hun verderfenis zullen vergaan; bewegingen
13 Ontvangende het loon der ongerechtigheid, voor wellust ach- vangen, enz.
tende de dagelijksche weelde 2), vlekken zijnde en smetten, AI|) Anders:
wellust bedrijvende in hunne dwalingen 3), en met u maaltijden nut nemen-
houdende : daBequot;
lijkacne
14 Hebbende de oogen vol overspel, en niet bedwongen van' de weelde, zonde, aanlokkende de onvaste zielen, hebbende een hart be hunne01 bequot; dreven in gierigheid *), vervloekte kinderen; driegerijen.
15 Die den rechten weg verlaten hebbende, afgedwaald zijn, en In4) begeS-hebben gevolgd den weg van Balaam, den zoon van Bosor, die 'ü^eden, of het loon der ongerechtigheid liefhad; Num!â¢!
16 Maar werd gestraft van zijne overtreding; het lastdragende 'IucL 1L stomme dier. met menschelijke stem sprekende, verhinderde
des profeten dwaasheid.
Hij vervolgt wat hij had begonnen te zeggen van de goddelooze en booze verdervers. Vooreerst bestraft hij hun ongebonden zeden,
en hun vuile snoodheid in geheel hun leven. Daarna zegt hij, dat ze zoo stout en onbeschaamd zijn, dat ze als gekken met hun geklap bij velen zich welgevallig maken. Eerst vergelijkt hij ze bij onredelijke dieren, die daartoe schijnen geboren te zijn, dat ze in de netten verstrikt, en tot hun verderf uit eigen beweging gedreven worden,
alsof hij zeide, dat ze ook met geene aanlokkingen overtrokken zijnde, vrijwillig loopen zij om zich in de strikken des satans en des doods te werpen. Dat hij daartoe doet: Lasterende hetgeen zjj niet verstaan, behoort tot aanwijzing hunner hoovaardigheid,
waarvan hij kort tevoren vermeld heeft. Hierom dan zegt hij, dat ze alle hoogheid verachten, want ze zijn gansch verstokt, en verschillen van het vee niet. En als hij zegt, dat ze zullen vergaan in hun verderfenis, zoo leert hij, hoe schadelijk hun verdorvenheden zijn zullen.
13 Voor wellust achtende. Alsof hij zeide: zij stellen hun gelukzaligheid in de tegenwoordige wellusten. Wij weten, dat de menschen hierin te boven gaan de onredelijke dieren, dat ze een geest hebben, die hen verder omleidt. Zoo is het dan den mensch onbetamelijk, dat hij alleen bevangen is met wat hij tegenwoordig beseft. Waarmede hij vermaant, dat wij onze zinnen van de wellus-
125
2 PETRUS 2 : 13-16.
ten des vleesches moeten ontdoen, willen wij niet onder het vee gerekend worden. Wat er navolgt, heeft dezen zin: dezen besmetten u en uwe vergaderingen met leelijke vlekken. Want met u aanzittende, zijn ze daarbenevens dartel in hunne dwalingen, en drukken uit met de oogen en gebaren hun boerachtige liefde en verdorven onmatigheid. Men kan ook deze woorden aldus overzetten: Met u etende, bespotten zij u darteljjk in hunne dwalingen: doch ik heb het overgezet, naar mij het best dacht. De oogen vol overspel, (of eener overspeelster) noemt hij die vol kwade lusten zijn, en die met een onmatige en onrustige beweging tot de zonde gedreven worden.
14 Aanlokkende de zielen. Dit figuurlijk woord aanlokken of een aas werpen, vermaant de geloovigen zich te wachten, dat ze van zulke verborgene en bedriegelijke netten niet gevangen worden: want hij vergelijkt hunne bedriegerijen bij angels, die de on-voorzichtigen tot het verderf trekken konden. Als hij daarbij doet, de onvaste zielen, zoo wijst hij aan het middel om zich te wachten, te weten, zoo wij in het geloof en de vreeze des Heeren vastge-worteld zijn, en verklaart ook tevens, dat die niet te verontschuldigen zijn, die zich door zulke aanlokselen, als met een aas laten vangen, dewijl zulks aan hun lichtvaardigheid is te wijten. Laat ons dan in het geloof vast staan, en wij worden vrij van der goddeloozen netten. Het hart geoefend in begeerlijkheden. Gelijk hij tevoren de onmatigheid van den wellust in hunne oogen bestraft heeft, alzoo schijnt hij nu aan te wijzen de gebreken, die in het hart verborgen liggen: zoodat dit niet alleen van de gierigheid moet verstaan worden. Dat hij ze noemt kinderen der vervloeking, kan men verstaan, of dat zij, waar ze komen, vervloeking medebrengen, of dat zij der vervloeking waardig zijn. Dan, dewijl hij totnogtoe verhaald heeft, hoe groote schade zij doen met het exempel huns verkeerden en schandelijken levens, zoo verhaalt hij wederom, hoe zij met hun leer een doodelijk venijn uitstrooien, om de eenvoudigen te verdoen. Hij vergelijkt ze met Balaam, den zoon van Bosor, die zijn tong veil had om Gods volk te vloeken. En om te toonen, hoe zij niet waard zijn met vele woorden wederlegd te zijn, zoo zegt hij dat deze berispt is geweest van een ezelin, en dat alzoo zijne onzinnigheid overtuigd is geweest. Doch op denzelfden grond trekt hij de geloovigen af van al hun gezelschap: want dat was een schrikkelijk oordeel Gods, dat de engel zichzelven eerder aan de ezelin, dan aan den profeet vertoonde, wijl de ezelin beseffende dat God verbolgen was, niet durfde voortgaan, maar veelmeer terugging: daarentegen de profeet door zijne gierigheid verblind en gedreven zijnde, wilde zich tegen Gods klare verbod indringen. Want dat hem God eindelijk antwoordt, dat hij gaan zou, dat is meer geweest een teeken van Gods verbolgenheid, dan een toelating. Ten laatste, is, tot zijne hoogste schande, de mond der ezelin geopend, dat hij die tot eene meesteres hebben zou, hij die zich aan het gebod Gods niet had willen onderwerpen. Met zulk eene ongehoorde zeldzame zaak heeft God willen toonen, wat een gruwzaam ding het is de waarheid in leugen te veranderen. Maar hier wordt nu gevraagd, met wat recht Balaam met den naam, van een profeet versierd wordt, van wien het bekend is, hoe hij tot vele kwade superstitiën overgegeven was? Ik antwoord, dat de gave der profetie een bij-
126
2 PETRUS 2 : 16â18.
zondere gave is, alzoo dat er ook mede kan begaafd zijn degene, die anderszins den waren God niet dient, en de zuivere religie niet heeft. Nu heeft God gewild, dat ook in 't midden der afgoderij somtijds de profetie in 't licht komen zou, opdat de menschen te minder verontschuldiging hadden. Zoo nu iemand kortelijk samentrekt wat Petrus gezegd heeft, hij zal bevinden dat deze waarschuwing zoowel past ook op onzen tijd. Want deze pest gaat overal meest in zwang, dat de menschen hun dolle schimperij tegen God en Christus gebruiken, ja, onder het deksel van boertigheid, alle religie bespotten. En hoewel zij als beesten tot hun vleesch genegen zijn, zoo vermengen zij zich nochtans onder de geloovigen, zij klappen wat van het Evangelie, maar intusschen hebben zij de tong gereed om den duivel te dienen, opdat zij de gansche wereld, zooveel in hen is, het eeuwig verderf toeëigenen. Hierin zijn zij erger dan Balaam zelf, dat ze om niet hun vervloekingen uitgieten, daar Balaam niet anders dan door het loon gelokt zijnde, uitgebroken is om te vloeken.
17 Dezen zijn fonteinen zonder water, wolken van een stormwind Jud. 12. gedreven, denwelken bewaard is een donker duisternis tot in
der eeuwigheid.
18 Want zeer hoogmoedige woorden der ijdelheid sprekende,
lokken zij door begeerlijkheid des vleesches met dartelheid degenen, die met de daad ontvloden waren aan die, welke in dwaling wandelen.
19 Belovende , hun vrijheid, daar zij zeiven knechten der verderfenis zijn: want van wien iemand overwonnen is, diens knecht is hij ook geworden.
17 Fonteinen zonder water. Met die twee wijzen van spreken leert hij, dat ze van binnen niets hebben, ofschoon zij groot gebaar maken. Een fontein met haar te aanschouwen, lokt de menschen tot haar, als belovende het gebruik van water, zoowel om te drinken, als om andere geriefelijkheden des levens. Zoo haast de wolken verschijnen, zij geven hope van aanstaanden regen, die de aarde vochtig maakt. Zoo zegt hij dan, dat ze den fonteinen gelijk zijn, omdat ze wel kunnen roemen, toonende in hunne gezegden een scherpzinnigheid, en gebruikende geslepen woorden. Doch, dewijl zij van binnen dor en onvruchtbaar zijn, dat zij maar zijn een bedriegelijk beeld eener fontein. Hij zegt, dat ze wolken zijn, die van den wind gedreven worden zonder regen, of die in een schadelijken stormwind uitbreken. Waarmede hij toont, dat ze geen nuttigheid aanbrengen, maar wel dikwijls zeer schadelijk zijn. Daarna verkondigt hij hen wederom het schrikkelijke oordeel Gods, opdat deze vreeze de geloovigen terughoude. Hoewel, als hij ze noemt een duistere donkerheid, hij zinspeelt op de wolken, die een zaak verduisteren,
alsof hij zeide: dat voor de kortstondige duisternissen, die zij nu uitgieten, hun veel dikkere, ja de eeuwige duisternissen bereid zijn.
18 Want zeer hoogmoedige. Hij verklaart, dat ze met opgeblazen woorden de oogen der eenvoudigen zullen bewimpelen, dat zij het bedrog niet zullen kunnen bemerken. Want het ware niet licht om toen de harten met zulke razernij te vangen, zoo zij
127
2 PETRUS 2 : 18. 19.
niet tevoren door eenige kunst verstompt waren. Zoo zegt hij dan, dat hunne reden wel klinken zullen, en opgeblazen worden, opdat ze de slechte lieden te meer doen verwonderen. Daarna is ook de hoogsprekendheid zeer bekwaam om hun dwaalwegen te bedekken. Valentinus en zijns gelijken hebben voortijds zulke schalkheid gebruikt, gelijk men uit de boeken van Ireneüs kan zien. Want zij hadden vooreerst sommige ongehoorde woorden gesmeed, door welker ijdel geklank zij de ongeleerden zoo verdoofden, dat ze met hunne razernij verstrikt werden. Evenals hedendaags ettelijke her-zenlooze geesten doen, die zichzelven met eenen schoonen naam Libertijnen noemen. Want met vollen mond niets anders roepende dan den Geest en geestelijke dingfen, alsof zij boven de wolken donderden, zoo betooveren zij vele lieden met hun guichelingen, zoodat gij zoudt zeggen, dat de apostel eigenlijk van zulken geprofeteerd heeft. Alle dingen nemen zij op in gek en spot. En hoewel zij gansch ongeschikt zijn, zoo zijn ze nochtans door ik weet niet wat boertigheid bij de hunnen zeer aangenaam, omdat ze tot alle zonden den toom laten. Hun voornemen is, dat men geen onderscheid makende tusschen goed en kwaad, alle ding vrijelijk doe, dat de menschen onder geen gehoorzaamheid noch wetten staande, hun wellust volgen. Hierom is deze brief wel nuttig voor onzen tijd. Zij verstrikken in begeerlijkheden. Hij vergelijkt zeer juist der goddeloozen aanlokselen, die alles ruim toelaten, bij eenen angel. Want alzoo de begeerlijkheden der menschen blind en hongerig zijn, zoo is het, dat zoo haast hun eenige vrijheid aangeboden wordt, zij die aangrijpen met een hittige beweging: maar kort daarna gevoelen zij den angel, die ze van binnen verwurgt. Doch het is de moeite waard, dat men de gansche spreuk des apostels overwege. Hij zegt, dat degenen die metterdaad van het gezelschap der dwa-lenden ontvloden waren, met eene nieuwe wijze der dwaling wederom bedrogen worden, namelijk, als hun de toom tot alle onmatigheid geslaakt wordt, waarmede hij waarschuwt, hoe gevaarlijk zulke lagen zijn. Want dit was aireede een schrikkelijk exempel, dat blindheid en dikke duisternis bijna het gansche menschelijk geslacht overvallen had. Dan, dit was wonder boven wonder, om zoo te spreken, dat die menschen, welke nadat zij het licht Gods ontvangen hadden, en van de gemeene dwaling der wereld verlost waren, wederom gewikkeld werden in een beestelijke ongevoeligheid. Hieruit worden wij vermaand, wat wij meest schuwen moeten, nadat wij eenmaal verlicht zijn, namelijk, dat ons satan onder het deksel van vrijheid niet verlokke, dat wij ons naar den wellust des vleesches niet tot wulpschheid begeven. Maar van dit gevaar worden zij vrij, die ernstig naar heiligheid trachten zullen.
19 Als zij vryheid. Hij bewijst met het tegendeel, dat zij valsche-lijk vrijheid beloven, dewijl zij zichzelven in de snoodste dienstbaarheid der zonde gegeven hebben. Want iemand kan niet een ander geven wat hij zelf niet heeft. Nochtans schijnt deze reden niet sterk genoeg te zijn; want het geschiedt somtijds dat kwade menschen, en die van Christus gansch vreemd zijn, van de weldaden van Christus nuttig prediken. Maar men moet opmerken, dat die kwade leer bestraft wordt, welke met een onrein leven vergezelschapt is. Want des apostels voornemen is tegen te gaan de bedriegelijke aanlokselen, waarmede zij die dwazen vangen. Het woord vrijheid
128
2 PETRUS 2 ; 19, 20.
is zoet, hetwelk zij misbruikten, opdat de toehoorder, van de vreeze der Goddelijke wet ontslagen, zich in eene ongebreidelde ongebondenheid zou werpen. Maar de vrijheid, die ons Christus verworven heeft, en die Hij ons dagelijks door het Evangelie aanbiedt,
is een gansch ander ding, want het bevrijdt ons alzoo van het juk der wet, zoover ons die onder den vloek houdt, dat het ons meteen verlost van de tirannie der zonde, zooveel die ons drukt met hare begeerlijkheden. Daarom, zoo waar de kwade lusten de overhand hebben, en waar het vleesch regeert, daar heeft de vrijheid van Christus geen plaats. Zoo verkondigt dan de apostel allen godvruchtigen, dat ze geen andere vrijheid begeeren, dan die hen losgemaakt hebbende van de zonde, tot vrijen dienst der gerechtigheid brenge. Waaruit wij verstaan, dat er altijd onreine men-schen geweest zijn, die den naam van vrijheid valschelijk hebben voorgewend, en dat dit is geweest het oude bedrog des satans,
opdat wij ons niet verwonderen, dat diezelfde vuile greppel hedendaags van de onzinnige menschen geroerd wordt. Dat nu de papisten deze plaats tegen ons draaien, daarin toonen zij hun bespottelijke onbeschaamdheid. Want vooreerst degenen, die menschen zijn van het schandelijkste leven, zittende in hunne herbergen en bor-deelen, spuwen tegen ons deze verwijting uit, dat wij knechten der verderfenis zijn, in welker leven zij toch geene schandvlek kunnen aanwijzen. Ten andere, dewijl wij van de Christelijke vrijheid niet leeren, dan wat van Christus en zijne apostelen genomen is, en intusschen de dooding des vleesches en de rechte oefeningen, om hetzelve te temmen veel strenger afeischen, dan zij, die ons lasteren, zoo spuwen zij hunne lasteringen niet zoozeer uit tegen ons, als tegen den Zoon Gods, dien wij voor onzen zekeren auteur of voorganger hebben. Want waarvan iemand. Deze spreuk is genomen van het krijgsrecht, doch dit is ook gemeen geweest den heidenschen schrijvers, dat er geen harder noch ellendiger dienstbaarheid is, dan waar de kwade lusten regeeren. Wat zullen wij dan doen, aan wie de Zoon Gods hierom zijnen Geest gegeven heeft, opdat wij niet alleen van de heerschappij der zonden vrij worden, maar ook opdat wij overwinnaars des vleesches en der wereld zouden wezen?
20 Want zoo zij, die door de kennis des Heeren en Zaligma- Matt. 12:45. kers Jezus Christus ontvloden waren de bevlekkingen der wereld, wederom in dezelve gewikkeld, overwonnen worden, zoo
is hun laatste erger geworden dan het eerste.
21 Want het ware hun beter den weg der gerechtigheid niet gekend te hebben, dan nadat zij dien gekend hebben, afgekeerd te worden van het heilig bevel, dat hun gegeven was.
22 Maar hun geschiedt wat een waar spreekwoord zegt: De hond Spr. 26:11. is wedergekeerd tot zijn eigen uitspuwsel, en de gewasschen
zeug tot de wenteling des slijks.
Wederom toont hij, hoe verderfelijk deze sekte is, die de menschen, welke Gode toegeëigend zijn, weder trekt tot de vorige onreinigheid en verdorvenheid der wereld. Met een gelijkenis bewijst hij hoe groot dit kwaad is, want het is geen kleine misdaad
Dl. VIII. 9
129
2 PETRUS 2:20â22.
van Gods heilige instelling af te wijken. Het ware beter, zegt hij, den weg der gerechtigheid nooit gekend te hebben. Want hoewel de onwetendheid geenszins is te verontschuldigen, nochtans, een knecht die wetens en willens het gebod zijns heeren veracht, verdient dubbel straf. Hierbij komt ook de ondankbaarheid, dat zij moedwillig Gods licht uitblusschen, de ontvangen genade verwerpen, het juk afgeschud hebbende, halstarrig tegen God overmoedig zijn, ja zooveel in hen is, het onverbrekelijke verbond Gods, dat met het bloed van Christus bezegeld is, ontheiligen en vernietigen. Daarom zullen wij des te meer toezien, dat wij met eerbied en zorgvuldigheid den loop onzer roeping vervolgen. Nu is het de moeite waard dat wij elk bijzonder stuk overwegen. Waar hij de besmetting der wereld noemt, zoo leert hij dat wij in de vuiligheid wentelen, en dat wij gansch bevlekt zijn, totdat wij de wereld verzaakt hebben. Door de kennis van Christus. Het is niet te betwijfelen of hij verstaat het Evangelie, hetwelk hij getuigt daartoe te dienen, dat het ons van de bevlekking der wereld uittrekt, en verre afleidt. Op gelijke wijze noemt hij het een weinig hierna den weg der gerechtigheid. Zoo is dan die in het Evangelie eerst wel toegenomen, die Christus recht geleerd heeft. Nu heeft hij Christus recht gekend, die in Hem geleerd is den ouden mensch uit te trekken, en den nieuwen aan te doen, gelijk ook Paulus vermaant Efeze 4. Als hij zegt, dat zij verlaten hebbende het bevel dat hun gegeven was, wederom tot hunne bevlekkingen keeren, zoo geeft hij vooreerst bedektelijk te kennen hoe onverantwoordelijk ze zijn. Daarna vermaant hij, dat de leer van godzalig en wel te leven (hoewel zij gemeen is, en zonder onderscheid allen toebehoort) nochtans eigenlijk gegeven wordt dengenen die God verwaardigt met zijn Evangelie te verlichten. En hij verklaart, dat zij van het Evangelie wijken, die zich de bevlekkingen der wereld wederom eigen maken. De geloovigen zondigen ook wel, maar dewijl zij der zonde geen heerschappij toelaten, zoo vallen zij uit de genade Gods niet, noch verlaten niet te belijden de gezonde leer, die ze eens aangenomen hebben. Want zij worden niet geacht overwonnen, aangezien zij dapper tegen het vleesch en zijne begeerlijkheden strijden.
22 Maar hun geschiedt. Omdat dit exempel velen beroert, waar degenen, die zich onder de gehoorzaamheid van Christus begeven hadden, zonder vrees en schaamte, in alle schandelijkheden zich werpen, opdat de apostel deze ergernis voorkome, zoo zegt hij, dat het gebrek uit hen komt, omdat ze zwijnen en honden zijn. Waaruit volgt, dat men geen deel der schuld het Evangelie mag toeschrijven. Tot dit einde brengt hij bij twee oude spreekwoorden, waarvan de eerste staat bij Salomo, Spr. 26:11. Dan, dit wil Petrus kortelijk zeggen, dat het Evangelie een medicijn is, die ons voor een gezonde uitspuwing zuivert, maar dat er vele honden zijn, die tot hun verderf weder opzuipen wat ze uitgespuwd hadden. Verder, dat het Evangelie een waschbad is, dat al onze onreinig-heden afspoelt, maar dat er vele zwijnen zijn, die terstond nadat ze gewasschen zijn, zich weder in 't slijk wentelen. Intusschen worden de godvruchtigen vermaand, dat zij zich van beiden wachten, zoo zij niet onder het getal der honden en zwijnen willen gerekend worden.
130
2 PETRUS 3:1, 2.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 Dezen tweeden brief schrijf ik u nu, geliefden! door welke heide ik met vermaning opwek uwen reinen zin;
2 Dat gij gedenkt aan de woorden, die tevoren van de heilige profeten gezegd zijn, en aan ons gebod, wij die apostelen zijn des Heeren en Zaligmakers:
3 Dit vooreerst wetende, dat in de laatste dagen zullen komen spotters, die naar hunne eigen begeerlijkheden zullen wandelen,
4 En zeggen: Waar is de belofte zijner toekomst? want sedert de vaders ontslapen zijn, zoo blijft alle ding gelijk als van het begin der schepping.
Opdat zij den tweeden brief niet zouden verachten, alsof de eerste genoeg ware, zoo zegt hij, dat ze beide niet tevergeefs geschreven zijn, dewijl de geloovigen dikwijls opgewekt moeten worden. Opdat dit te beter blijke, zoo toont hij, hoe ze niet buiten gevaar zullen zijn, zoo zij niet wel gewapend zijn, want zij zullen te strijden hebben met verdorven menschen, die niet alleen de zuiverheid des geloofs met valsche leeringen zullen vervalschen, maar het gansche geloof (zooveel in hen is) zullen omkeeren. Als hij zegt:pdat zij den tweeden brief niet zouden verachten, alsof de eerste genoeg ware, zoo zegt hij, dat ze beide niet tevergeefs geschreven zijn, dewijl de geloovigen dikwijls opgewekt moeten worden. Opdat dit te beter blijke, zoo toont hij, hoe ze niet buiten gevaar zullen zijn, zoo zij niet wel gewapend zijn, want zij zullen te strijden hebben met verdorven menschen, die niet alleen de zuiverheid des geloofs met valsche leeringen zullen vervalschen, maar het gansche geloof (zooveel in hen is) zullen omkeeren. Als hij zegt: Ik wek op uwen reinen zin, is zooveel alsof hij zeide: Ik wil u opwekken tot zuiverheid des gemoeds. Ik wek uw gemoed op, dat het zuiver en klaar zij: want de zin is, dat der godvruch-tigen verstand verduisterd, en als met roest bedekt wordt, als de vermaningen stilstaan. En hieruit verstaan wij, dat ook de geleerde menschen, tenzij ze met gedurige vermaningen opgewekt worden, als in een slaap liggen. Nu zien wij, hoe nuttig en noodzakelijk de vermaningen moeten aangelegd worden. Want de slapheid des vleesches verstikt, en maakt ledig de eenmaal aangenomen leer, zoo zij niet met de prikkelen der vermaningen geholpen worde. Het is dan niet genoeg, dat de menschen geleerd worden, dat ze weten, hetgeen behoort: maar de godvruchtige leeraars moeten ook naar dit andere stuk trachten, dat ze de leer ganschelijk in het geheugen der toehoorders indrukken. En dewijl de menschen van nature tot nieuwigheid zeer genegen zijn, en daarom ook lichtelijk van de dingen walg krijgen, zoo is het ons nut te bewaren wat Petrus hier zegt: opdat wij ons niet alleen gaarne van anderen laten vermanen, maar dat elk zich oefene met de leering dagelijks in zijn geheugen te herhalen, opdat onze zinnen door een louter en klaar verstand daarvan blinken mogen.
2 Dat gü gedachtig zyt. Met deze woorden geeft hij te kennen, dat wij in de schriften der profeten en in het Evangelie genoeg hebben om opgewekt te worden, zoover wij naarstig zijn om hetzelve te bedenken, gelijk het behoort. Dat dan onze zinnen somtijds verroesten of verduisterd worden, geschiedt door onze slappigheid. Hierom laat ons tot deze betrachting ons begeven, opdat ons God altijd verlichte, en dat ons geloof intusschen ook zich vergenoege met de getuigen, die zoo zeker en bekwaam zijn. Want zoo wij de profeten en apostelen hebben met ons instemmende, ja als aandieners onzes geloofs, en zoo wij God tot onzen auteur heb-
131
2 PETRUS 3:2â4.
ben, en de engelen tot goedkeurders, zoo kan de samenspanning der goddeloozen ons uit onze plaats niet lichten. Het bevel der apostelen, noemt hij de gansche leer, waarmede zij de godvruch-tigen onderricht hadden.
3 Dit vooreerst wetende. Dit is de zin; ik arbeid hierom u op te wekken, omdat ik weet hoedanig en hoe groot gevaar u van de spotters is nakende. Hoewel ik het nog liever aldus uitleg, alsof hij gezegd had; dit zult gij vóór alles weten. Want dit moest hun voorzegd worden, want zij konden verslagen worden, zoo de goddeloozen onvoorziens met zoodanige bespottingen hun aangekomen waren. Zoo wil hij dan, dat ze weten en zeker zijn, opdat ze vaardig worden om te wederstaan. Doch hij stelt de geloovigen wederom voor die leering, die hij in het tweede hfdst. aangeroerd heeft. Want het is genoeg bekend, dat door de laatste dagen het rijk van Christus aangeduid wordt, volgens hetgeen Paulus zegt, dat het einde der wereld op ons gekomen is, 1 Cor. 10:11. Zoodat de zin is, hoe nader God Zich der wereld door het Evangelie aanbiedt, en de menschen tot zijn rijk noodt, hoe daartegen geschieden zal, dat de ongoddelijke menschen hun venijn van goddeloosheid te stouter zullen uitspuwen. Hij noemt spotters, naar de gemeene wijze der Schrift, degenen, die door eene verachting Gods en eene godslasterlijke hoovaardigheid, verstandig schijnen willen. En dit is de hoogste boosheid, als de menschen durven bestaan met de schrikkelijke majesteit Gods te spotten. Alzoo spreekt de eerste psalm van den stoel der spotters. Alzoo klaagt David, Ps. 119:51, dat hij van de hoovaardigen bespot is geweest, omdat hij tot de wet Gods lust had. Alzoo Jcsaja, hfdst. 28, waar hij van hen spreekt, beschrijft levendig hunne zorgelooze gerustheid en verstoktheid. Daarom laat ons gedenken, dat er niets zoozeer te vreezen is als deze strijd met de spotters; waarvan wij wat gesproken hebben tot de Galaten, hfdst. 3. Dan, dewijl de Heilige Geest voorzegd heeft dat ze komen zouden, en ons meteen het schild in de hand gegeven heeft, waarmede wij ze kunnen afschutten, zoo hebben wij geen verontschuldiging of wij behooren vromelijk te staan, wat aanslagen zij tegen ons bedenken mogen.
4 Waar is de belofte. Dit is eene gevaarlijke spotting, als men de laatste verrijzenis in twijfel trekt, welke weggenomen zijnde, zoo is daar geen Evangelie meer, de kracht van Christus is vernietigd, alle religie is vergaan. Zoo grijpt dan satan de gemeente recht bij de keel, als hij het geloof van de toekomst van Christus omstoot. Want waartoe is Christus gestorven en verrezen, dan opdat Hij ons van den dood verlost hebbende, eenmaal met Zich in het eeuwige leven verzamele? Hierom wordt de godzaligheid tegen den grond geworpen, indien niet het geloof der opstanding vast blijft. Daarom is het, dat ons satan in dit stuk zoo dapper bestrijdt. Doch op te merken is de manier hunner beschimping. Zij stellen den gedurigen loop der natuur, gelijk die van den beginne geschenen heeft te gaan, tegen de belofte Gods, als waren dat dingen, die met elkander niet overeenkwamen. Dewijl de vaders hetzelfde geloofd hebben, zeggen zij, zoo is er niets veranderd na hun dood. Nu is het openbaar, dat er vele eeuwen voorbij zijn. Hieruit besluiten zij, dat het maar fabelen zijn wat er van het vergaan der wereld gezegd wordt. Want zij wanen dat ze eeuwig duren zal, omdat ze duslang geduurd heeft.
132
2 PETRUS 3 : 5â7.
5 Maar willens willen zij dit niet weten, dat de hemel voortijds
ook was, en de aarde in en door het water bestaande, ') door D Anders: â¢i . j z^i j En de aarde
net woord U-ods. het Wa-
6 Waardoor de wereld als toen door den watervloed vergins. ter, en in het
water 00-
7 Maar de hemelen en de aarde, die nu zijn, zijn door zijn woord staande, bewaard, behouden tot het vuur in den dag des oordeels, en verderfenis der goddelooze menschen.
8 Maar één zaak zij u niet verborgen, gij beminden, dat één dag
bij den Heere is als duizend jaar, en duizend jaar als één dag. Ps. 90:4.
Slechts met ééne bewijsreden wederlegt hij de beschimping der god-deloozen, namelijk, dat de wereld eens door den watervloed vergaan is,
hoewel zij nochtans door het water bestond. Maar dewijl die historie genoeg bekend en vermaard was, zoo zegt hij dat ze willens dwalen:
dat is, met opzet. Want die daar besluiten dat de wereld eeuwig staan zal, omdat ze lang gestaan heeft, die sluiten kwaadwillig hunne oogen, om het klare oordeel Gods niet te zien. De wereld heeft zeker haren oorsprong uit de wateren: want dat woeste en ledige,
waaruit de aarde voortgebracht is, wordt van Mozes wateren genoemd, Gen. 1 : 2. Verder, was zij ook van de wateren opgehouden. Desniettegenstaande heeft de Heere de wateren gebruikt om de wereld te verderven. Waaruit blijkt, dat het er zoover vandaan is,
dat de kracht der natuur genoegzaam is om de wereld te voeden en te onderhouden, dat daarin veelmeer de stof van verderf besloten is, als het den Heere alzoo belieft. Want dit moet men altijd bedenken, dat de wereld eigenlijk door geene andere kracht bestaat,
dan door de kracht des Goddelijken Woords, en dat overzulks de tweede oorzaken daarvan hare kracht ontleenen, en verscheidene werkingen voortbrengen, naardat ze gedreven worden. Alzoo bestond de wereld door het water; doch het water vermocht niets uit zichzelve, maar als een instrument stond het onder het woord Gods. Hierom zoo haast het Gode beliefd heeft de aarde te verderven, zoo heeft hetzelfde water zijn dienst geleend tot een doo-delijken vloed. Nu zien wij hoe grootelijks zij dwalen, die staan blijven op de bloote elementen, alsof de duurzaamheid daarin gelegen ware, en dat niet veelmeer hunne natuur gebogen wordt naar Gods wil. Met deze weinige woorden wordt overvloedig wederlegd de dartelheid dergenen, die om God te bevechten, met natuurlijke redenen zich wapenen. Want de historie van den zondvloed is een genoegzaam getuige, dat de gansche orde der natuur alleen door Gods bevel geregeerd wordt. Gen. 7:17. Maar dit schijnt ongerijmd te zijn, dat hij zegt, hoe de wereld door den zondvloed vergaan is,
daar hij tevoren van hemel en van aarde vermeld heeft. Ik antwoord,
dat ook toen verdronken is geweest de hemel, dat is, die plaats der lucht, welke ledig gezien wordt tusschen beide de wateren.
Want het onderscheid, waarvan Mozes gewag maakt. Gen. 1 : 6, was toen ondereen vermengd. En het woord hemel, wordt in dezen zin dikwijls genomen. Zoo iemand hiervan meer begeert, hij leze Augus-tinus, het twintigste boek van »de stad Gods.quot;
7 Maar de hemelen, die nu zijn. Dit brengt hij niet bij, alsof het daaruit volgde, want zijn voornemen is niet anders geweest dan den spotters te benemen die scherpzinnigheid van den gedurigen stand der natuur. Gelijk wij hedendaags vele zoodanigen zien, die
133
2 PETRUS 3 : 7â9.
een weinig de beginselen der philosophie geproefd hebbende, opdat ze zich voor groote philosophen uitgeven mogen, niet anders dan zulke ongoddelijke bedenkingen najagen. Maar het is nu uit het voorgaande genoeg bewezen, dat hierin niets ongerijmds is, als de Heere zegt, dat hemel en aarde hierna door 't vuur zullen verteerd worden: want het is een gelijke rede van het water en vuur. Want dit is ook den voorvaderen wel bekend geweest, dat uit deze twee voornaamste beginselen alle dingen gesproten zijn. Maar dewijl hij met de goddeloozen te doen had, zoo spreekt hij voornamelijk van hun verderf.
8 Maar één zaak. Nu keert hij zich wederom tot de godvruch-tigen, spreekt ze aan, en vermaant -ze, wanneer van de toekomst van Christus gehandeld wordt, dat ze de oogen opheffen. Want alzoo zal het geschieden, dat zij niet zullen begeeren, dat God den bestemden tijd verandere naar hun verkeerden wensch. Want hierom valt ons het wachten te lang, omdat wij de oogen slaan op de kortheid dezes tegenwoordigen levens. Daarenboven als wij tellen de dagen, uren en minuten, dan verdriet het ons te meer: maar als ons voorkomt de eeuwigheid des rijks Gods, zoo gaan vele eeuwen voorbij als één oogenblik. Zoo roept ons dan de apostel hiertoe, dat wij weten zouden, dat de dag der opstanding niet is te achten uit den loop dezer tegenwoordige tijden, maar dat hij hangt aan den eeuwigen raad Gods. Alsof hij zeide: Hierom willen de menschen God voorkomen, omdat ze den tijd rekenen naar hunne vleeschelijke gezindheid. En zij zijn ook van nature tot ongeduld genegen, alzoo dat ook een zaak die haastelijk geschiedt, hun dunkt langzaam toe te gaan. Daarom, wilt gij met het hart ten hemel opklimmen, zoo zal u geen tijd lang of kort wezen.
9 De Heere vertraagt zijne belofte niet, gelijk sommigen dat vertraging achten, maar is lankmoedig te onswaart, niet willende dat iemand verloren ga, maar dat ze allen tot bekeering ontvangen ').
10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, de elementen door de hitte zullen ontbonden worden, en de aarde met alle werken, die daarin zijn, zal verbrand worden.
11 Dewijl dan dit alles zal ontbonden worden, hoedanig behooren wij dan te wezen in heilige wandelingen en godvruchtigheden!2)
12 Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen door het vuur ontbonden worden en de elementen van hitte versmelten zullen.
13 Maar wij verwachten nieuwe hemelen en nieuwe aarde naar zijne beloftenis, in welke de gerechtigheid woont.
)e Heere vertraagt niet. Met een andere reden bedwingt hij de al te groote en verkeerde haast, namelijk, dat de Heere zijne toekomst daarom uitstelt, opdat Hij het gansche menschelijke geslacht tot bekeering noode. Want onze gemoederen haken altijd, en onderwijl komt ons deze twijfel voor: waarom komt Hij niet eerder. Maar als wij hooren, dat God op onze zaligheid acht neemt, wanneer Hij uitstelt, en dat Hij daarom uitstelt, omdat Hij zorg voor ons draagt, zoo hebben wij geen oorzaak meer over zijn traagheid
134
Ezecli. 18:32.
1) Of: Maar wil dat ze allen wederom vergaderd worden of komen tot de bekeering. Matt. 24:44.
2) Werken der godzaligheid.
Jes. 65:17; 66 : 22.
9 E
2 PETRUS 3:9â11.
te klagen. Want die wordt traag genoemd, welke door zijn ledigheid den gelegenen tijd of het middel laat voorbijgaan. Maar in God is niets dergelijks, die de bekwame tijden zeer wel matigt of schikt naar onze zaligheid. En wij zullen ganschelijk van de gedurigheid der geheele wereld oordeelen, evenals wij doen van het leven. Want als God den tijd ieders levens vertraagt. Hij houdt ze op, totdat ze zich bekeeren. Desgelijks haast Hij Zich niet om aan de wereld een einde te maken hierom, opdat Hij allen tijd geve tot betering. Dit is een zeer nuttige vermaning, opdat wij onzen tijd recht leeren gebruiken, als die anders om onze slapheid terecht zullen gestraft worden. Niet willende, dat eenigen verloren gaan. Dit is een wonderbare liefde tot het menschelijke geslacht, dat Hij ze allen wil zalig hebben, en gereed is ter zaligheid op te nemen, die moedwillig verloren gaan. Doch deze orde is wel op te merken, dat God bereid is allen tot boetvaardigheid te ontvangen, opdat niemand verloren ga: want met deze woorden wordt aangewezen het middel om zaligheid te verkrijgen. Hierom, wie van ons naar zijn zaligheid staat, dat hij leere dezen weg in te gaan. Maar hier kon men vragen: zoo God niet wil dat iemand verloren ga, waarom gaan daar zoo velen verloren? Ik antwoord, dat hier niet gesproken wordt van den verborgen raad Gods, waarbij de verworpenen tot hun verderf geordineerd zijn, maar alleen van den wil, die ons in het Evangelie geopenbaard wordt. Want daar biedt God de hand een iegelijk zonder onderscheid. Doch Hij grijpt alleen die aan, en leidt ze tot Zich, welke Hij vóór de schepping der wereld verkoren heeft. Ook brengt het woord dat Petrus gebruikt zooveel mede, dat God wil dat allen, die tevoren verwoest en verstrooid waren, te zamen tot bekeering komen.
io Maar de dag des Heeren zal komen. Dit is daarbij gedaan, opdat de geloovigen altijd op wacht zouden zijn, en zich op den dag van morgen niet verlaten. Want wij allen zijn behangen met twee gebreken, die zeer onderscheiden zijn: met te groote verhaasting en met slapheid. De ongeduldigheid trekt ons, dat wij nu terstond den dag van Christus verwachten: intusschen werpen wij dien verre van ons met onze zorgeloosheid. Hierom, gelijk de apostel hier tevoren de ontijdige hittigheid verbeterd heeft, alzoo drijft hij ons nu uit de slaperigheid, opdat wij elk uur toezien, om Christus te verwachten, en niet onachtzaam zijn, gelijk het pleegt te geschieden. Want waaruit komt het dat het vleesch zichzelve toegeeft, dan daaruit dat wij nimmermeer gedenken, dat de toekomst van Christus ophanden is. Wat er volgt van de verbranding des hemels en der aarde, behoeft geen lange uitlegging, zoo wij zijn voornemen in 't oog houden. Want hij heeft hier niet spitsvondig willen disputeeren van het vuur, van den stormwind en andere zaken, maar daaruit alleen trekken de vermaning, die hij terstond daarbij voegt, namelijk, dat wij ook pogen naar nieuwigheid des levens. Want aldus besluit hij zijn rede: Hemel en aarde zullen door den brand gezuiverd worden, opdat ülj tot het rijk van Christus geschikt worden; derhalve hebben de menschen veelmeer van noode vernieuwd te worden. Hierom zijn het kwade uitleggers, die zich met scherpzinnige bedenkingen zeer bemoeien, aangezien de apostel deze gansche leering tot godvruchtige vermaningen aanwendt. Hemel en aarde, zegt hij, zullen om onzentwil voorbijgaan: hoe ? betaamt het ons dan in de aarde
135
2 PETRUS 3: 11â14.
versmoord te zijn, en niet veelmeer, dat wij zouden bedenken te staan naar een heilig en godvruchtig leven? Hemel en aarde zullen verdorven, en door het vuur gezuiverd worden, daar het nochtans zuivere creaturen Gods zijn, wat staat ons dan te doen, die zoo vol allerlei bevlekking zijn ? Hij gebruikt godvruchtigheden voor de oefeningen der godvruchtigheid, die velerhande zijn. Aangaande de elementen der wereld, zal ik alleen dit zeggen, dat zij verteerd zullen worden, alleen om een nieuwe gedaante te krijgen: het wezen of de substantie zal blijven, gelijk uit Rom. 8 en uit andere plaatsen lichtelijk kan afgeleid worden.
ia Verwachtende met haast. Wat wij eerst afzonderlijk gehad hebben verzamelt hij hier in e'én zin, dat wij haastelijk moeten rusten. Deze waarheid, hoewel zij tegen zichzelve schijnt te strijden, heeft nochtans groote bevalligheid, gelijk het spreekwoord luidt; Haast u langzaam. Waar hij zeide; Wy verwachten, dat moet geduid worden op de verdraagzaamheid der hope. Hij stelt de haast tegenover de slapheid, wat beide wel voegt: want gelijk zwijgen en stil zijn eigenlijk der hope toekomen, alzoo moet men altijd wachten, dat ons de traagheid des vleesches niet heimelijk bekruipt. Hierom moeten wij in goede werken ernstig arbeiden, en vaardig loopen in de loopbaan onzer roeping. Den dag, dien hij tevoren den dag van Christus genoemd had, gelijk hij ook overal in de Schrift pleegt genoemd te worden, dien noemt hij nu den dag Gods, en dit met recht, want dan zal Christus opstaan, om den Vader het rijk weder te geven, opdat God alles in allen zij, 1 Cor. 15 : 24, 28.
14 Daarom, geliefden! nu gij dan deze dingen verwacht, zoo be-naarstigt u, dat gij voor Hem bevonden wordt onbevlekt en onstraffelijk in vrede.
15 En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid: gelijk ook onze geliefde broeder Paulus u geschreven heeft, naar de wijsheid die hem gegeven is.
16 Alzoo hij ook in alle brieven daarvan spreekt: in welke sommige dingen zwaar zijn te verstaan, die de ongeleerden en on-vasten verwarren, gelijk ook de andere schriften tot hun eigen verderf.
17 Zoo dan, gij geliefden! dit tevoren wetende, wacht u, dat gij door de dwaling der snoode menschen niet mede vervoerd wordt, en uitvalt uit uw eigen vastigheid.
18 Maar wast op in de genade en kennis onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid nu en ten eeuwigen dage. Amen.
Zeer bekwamelijk redeneert hij van de hope tot de vrucht of naarstigheid van een godzalig leven. Want de hope is levend en krachtig: daarom is het niet mogelijk, of zij moet ons tot zich trekken. Hierom, die nieuwe hemelen verwacht, die zal zichzelven beginnen te vernieuwen, en zal hiernaar pogen met alle naarstigheid. Maar die in hunne vuiligheden blijven steken, het is zeker, dat die op het rijk Gods niet kunnen denken, en dat ze niet smaken dan wat de verderfelijke wereld aangaat. Daar is ook wel op te merken dat hij zegt, dat wij moeten in Christus gevonden worden on-straffeljjk. Want met dit woord geeft hij te kennen, dat, terwijl
136
2 PETRUS 3 : 14â16.
anderen bevangen en gehouden worden met de wereld gade te slaan, wij de oogen op den Heere slaan moeten. Daarbenevens toont hij ook welke de ware oprechtheid is, namelijk die, welke bij den rechtvaardigen God, en niet bij de menschen geprezen wordt. Het woord vrede, dunkt mij genomen te zijn voor gerusten stand der conscientie, die op de hope en het geduld gegrond is. Want dat er zoo weinigen acht nemen op het oordeel van Christus, komt hieruit, dat ze door eene ontijdige begeerte onbedacht gedreven zijnde, ook in zichzelven onrustig zijn. Daarom is de vrede een stilheid van een geruste ziel, die in Gods woord is rustende. Maar hier wordt gevraagd, hoe iemand van Christus onstraffelijk kan gevonden worden, dewijl wij allen met zoovele gebreken behangen zijn? Het antwoord is, dat Petrus hier alleen aanwijst het doelwit, waarnaar alle geloovigen behooren te loopen: hoewel zij daartoe niet kunnen geraken, totdat ze van het vleesch ontslagen, Christus ganschelijk aanhangen.
15 De lankmoedigheid onzes Heeren. Hij neemt dit voor een klare zaak, dat Christus daarom uitstelt den dag zijner toekomst, omdat Hij acht heeft op onze zaligheid. Hieruit dan geeft Hij den geloovigen moed, dat zij in het lang vertoeven een teeken hebben hunner zaligheid: alzoo dat hij hetgeen anderen pleegt moedeloos te maken, voorzichtig omkeerende bijbrengt om hun veel meer moed te geven. Gelyk ook onze geliefde. Men kan uit vele plaatsen, en vooral uit den brief aan de Galaten, lichtelijk afleiden, dat die deugnieten, die overal omzweefden om de kerken te verstoren, opdat ze Paulus zijne geloofwaardigheid benamen, dezen dekmantel be-driegelijk voorgewend hebben, als dat hij niet wel overeenkwam met de andere apostelen. Zoo is het dan wel aannemelijk, dat Petrus Paulus vermeld heeft, om te getuigen dat ze beiden wel accordeeren. Want het was meer dan noodig de oorzaak weg te nemen van zoodanige lastering. Doch als ik alles wat nader inzie, dunkt mij waarschijnlijker, dat deze brief uit het gevoelen van Petrus door een ander gemaakt, dan door hem zelf geschreven is. Want Petrus had nooit zoo gesproken. Maar mij is genoeg, dat ik zoowel van zijne leer, als van zijn wil, tot een getuige heb dengene, die niets anders voortbrengt dan hetgeen hij zelf zou gezegd hebben.
16 In welke sommige dingen zyn. Dit kan niet getrokken worden op de brieven, (want dat kan naar den Griekschen tekst niet) maar de zin is: In deze dingen, die ik vermeld heb, is somtijds duisterheid, waaruit de ongeleerden oorzaak nemen van dwaling tot hun verderf. Door welke woorden wij vermaand worden, dat men in deze dingen, die zoo hoog en donker zijn, sober moet philoso-pheeren. Ten andere, worden wij opgeholpen tegen deze soort van ergernis, dat dwaze en ongeschikte inbeeldingen van sommigen ons niet beroeren, hoewel zij daarmede de eenvoudige leer verwarren en verdraaien, die nochtans tot stichting moest dienen. Laat ons ook opmerken, dat wij hier niet afgetrokken worden van het lezen der brieven van Paulus, omdat die sommige dingen behelzen, die hoog en zwaar zijn om te verstaan: maar dat zij ons veelmeer aangeprezen worden, zoo verre wij een stil en leerzaam verstand daartoe brengen. Want Petrus verwerpt die lichtvaardige en vliegende menschen, die wat allen nut is, verkeerdelijk verdraaien tot hun verderf. Ja, hij zegt, dat dit in het gemeen van de gansche Schrift geschiedt, nochtans besluit hij daaruit niet, dat men zich daarvan ont-
137
2 PÃTRUS 3: 16â18,
houden moet, maar alleen leert hij, dat men die gebreken, welke den voortgang beletten, beteren moet. Ja die niet alleen dat doen, maar die ons ook doodelijk maken wat God tot onze zaligheid geordineerd heeft. Hier kon men nochtans vragen: vanwaar komt die duisterheid? Want de Schrift licht ons als een lamp, en stiert zekerlijk onze paden. Ik antwoord, het is geen wonder, dat Petrus aan de verborgenheden van Christus' rijk duisterheid toeschrijft, bovenal als wij bedenken, hoe diep zij verborgen zijn voor het verstand des vlee-sches. Toch zeg ik, dat de vorm van leering, die God gebruikt, zoo gematigd is, dat al degenen, die den Heiligen Geest niet weigeren als een leidsman des levens te volgen, daarin een klaar licht hebben. Intusschen zijn er vele blinden, die zich op den middag stoo-ten. Anderen zijn hoogmoedige lieden, die buiten den weg dolende, en op het hoogste willende vliegen, zichzelven nederwerpen.
17 Zoo dan, gy geliefden! Nadat hij den geloovigen getoond heeft de gevaren, voor welke zij zich wachten zouden, zoo besluit hij nu, dat ze vermaand zijnde, behooren wijs te zijn. Toch leert hij dat zij moeten wakker zijn, opdat zij niet onderdrukt worden. En waarlijk, de listigheid onzes vijands, zoo vele en menigerhande lagen, en de bedriegerijen der goddelooze menschen, laten niet toe gerust te zijn. Zoo moeten wij dan op de wacht zijn, opdat satan en der goddeloozen bedrog ons niet overweldige om te vervoeren. Maar het schijnt, dat hij de zekerheid onzer zaligheid op eenen onvasten grond zet, en als aan een draad hangt, als hij den geloovigen aankondigt dat ze zich wachten, om van hun vastigheid niet te vallen. Maar wat zal ons geworden, zoo wij het gevaar van vallen onderworpen zijn? Ik antwoord, dat deze en dergelijke vermaningen geenszins daartoe strekken, dat zij ons ontnemen zouden die zekerheid des geloofs, 'twelk op God berust, maar opdat daardoor de traagheid onzes vleesches gebeterd worde. Waarvan zoo iemand breeder begeert, die neme het tiende hfdst. van 1 Corinthe. De korte inhoud is, dat, zoolang wij met het vleesch behangen zijn, onze traagheid moet voortgedreven worden, en dat hetzelve bekwamelijk geschiedt, wanneer onze zwakheid, en verscheidene gevaren die rondom ons zijn, ons voor oogen gesteld worden. Doch dat intusschen ons betrouwen niet gekrenkt wordt, 'twelk zich vasthoudt aan Gods beloften. Maar wast op in de genade. Hij vermaant ook tot toeneming. Want dit is het eenige middel om te volharden, zoo wij dagelijks voortgaan, en door onze traagheid niet ter helfte blijven steken. Alsof hij zeide: Die zullen vrij zijn, die dagelijks begee-ren toe te nemen. Het woord genade, neem ik in 't algemeen voor de geestelijke gaven, die wij door Christus verkrijgen. Maar overmits wij naar de mate des geloofs der goederen van Christus deelachtig worden, zoo voegt hij daaronder de kennis, alsof hij gezegd had; nadat het geloof wassen zal, zoo zal ook volgen deze wasdom der gaven. Hem zj) de heerlijkheid van nu. Dit is een heerlijk loffelijk getuigenis tot bewijs der godheid van Christus. Want dit komt niemand dan Gode toe. Het woord nu, dient hiertoe, dat wij, zoolang wij in deze wereld te strijden hebben, Christus niet be rooven van zijne heerlijkheid. Hij doet terstond daarbij: ten eeuwigen dage, opdat wij van alsnu aangrijpen zijn eeuwig rijk, 'twelk ons zijn volkomen heerlijkheid zal openbaren.
138
DE ZENDBRIEF VAN JOHANNES.
DE INHOUD
VAN DEN
ZENDBRIEF VAN JOHANNES.')
Deze zendbrief is geheel waardig geschreven te zijn door den geest van dien discipel, die vóór anderen van Christus bemind is geweest, tot dien einde, dat hij ons dien gemeenzaam zou maken. Hij bevat leering, die met vermaningen gemengd is: want hij spreekt van de eeuwige Godheid van Christus. Daarbenevens ook van de onvergelijkelijke genade, die Hij, Zichzelven der wereld openbarende, met Zich gebracht heeft. Alzoo spreekt hij ook in het gemeen van alle weldaden. En voornamelijk prijst hij ons aan, en verheft de onbegrijpelijke genade, dat ons God tot zijne kinderen aangenomen heeft, waaruit hij oorzaakt neemt tot vermaning. En nu eens vermaant hij in 't algemeen tot een godvruchtig en heilig leven, dan weer beveelt hij ons in het bijzonder de liefde. Doch geen van deze dingen doet hij ordelijk: want hierin verandert hij, dat hij hier en daar leert en vermaant. Maar voornamelijk drijft hij zeer de broederlijke liefde. De andere dingen roert hij ook kortelijk aan, als van de verleiders te mijden, en dergelijke. Dan, deze dingen zullen elk te zijner plaats kunnen aangemerkt worden.
') De Tweede en Derde Zendbrief van Johannes zijn door Calvijn niet uitgelegd.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij met onze oogen gezien hebben, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben van het woord des levens:
2 En dat leven ') is geopenbaard, en wij hebben gezien, en getui- D Of: want gen, en verkondigen n het eeuwige leven, dat bij den Vader was, 611 en ons is geopenbaard.
UITLEGGING.
Allereerst stelt hij voor, hoe ons het leven in Christus aangeboden is, 'twelk niet alleen een goed is, dat alle andere te boven gaat, maar dat ook al onze zinnen met een wonderbare begeerte en liefde daartoe behoort te trekken en te ontsteken.llereerst stelt hij voor, hoe ons het leven in Christus aangeboden is, 'twelk niet alleen een goed is, dat alle andere te boven gaat, maar dat ook al onze zinnen met een wonderbare begeerte en liefde daartoe behoort te trekken en te ontsteken.
Dit wordt wel met weinige en eenvoudige woorden gezegd, dat het leven geopenbaard is: maar zoo wij overleggen hoe ellendig en schrikkelijk het is in den staat des doods te zijn, en wederom wat een groote zaak het rijk Gods en zijne onsterfelijke heerlijkheid is, zoo zullen wij hier wat hoogwaardigers gevoelen, dan met eenige woorden kan uitgesproken worden. Zoo is dan dit het voornemen des apostels, dat hij voorgesteld hebbende het uitnemend groote goed, ja die opperste en eenige zaligheid, onze harten opwaarts wil trekken. Maar, â want de grootheid der zaak vereischte, dat men zou bewijzen die zeker en waarachtig te zijn, zoo doet hij hiertoe groote naarstigheid met vele woorden. Want al deze redenen: hetgeen wü gezien hebben, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wjj aanschouwd hebben, dient om het Evangelie te bevestigen, en geloofwaardig te maken. En hij doet ook voorwaar niet tevergeefs zooveel naarstigheid om hetzelve te verzekeren: want aangezien onze zaligheid in het Evangelie gelegen is, zoo is het meer dan noodig, dat wij daarvan wel gewis zijn. Hoe zwaar wij daarentegen zijn om te gelooven, beseft een iegelijk van ons meer dan genoeg uit hetgeen hij bij zichzelven ondervindt. Ik heet gelooven niet lichtelijk mee-nen, of met toestemming alleen voor goed houden, wat men zegt,
maar datzelve met een vaste en ongetwijfelde zekerheid aannemen,
alzoo dat wij het als een bevonden waarheid durven onderschrijven.
Dit is de oorzaak, dat de apostel hier zoo vele redenen de een op de ander hoopt, om het Evangelie te bevestigen.
i Hetgeen van den beginne was. Dewijl deze rede afgebroken en verward is, opdat de zin klaarder gemaakt worde, zoo moet men de woorden aldus in orde stellen: wij [verkondigen u het woord des levens, dat van den beginne was, en dat ons waarach-
JOHANNES 1:1.
142
tiglijk op allerlei wijze betuigd is geweest, hoe het leven in Hem geopenbaard is geweest. Of zoo gij liever anders wilt: Wat wij u verkondigen van het woord des levens, dat was van den beginne, en is openlijk getoond: want het leven is in datzelve geopenbaard. Doch deze woorden: hetgeen van den beginne was, worden ontwijfelbaar geduid op de Godheid van Christus. Want van den beginne was God in het vleesch niet geopenbaard, maar Hij, die altijd het leven geweest is en het eeuwig Woord des Vaders, is in de volheid des tijds als mensch geopenbaard. Wederom wat daar volgt van het aanschouwen en tasten der handen, ziet meer op de men-schelijke natuur. Maar overmits de twee naturen één persoon maken, en dat daar maar één Christus is, die van den Vader uitgegaan is om ons vleesch aan te nemen, zoo verkondigt de apostel terecht, dat deze altijd onzienlijk geweest is, en daarna gezien is geworden. Waardoor wederlegd wordt die flauwe uitvlucht van Ser-vetus, dat de natuur en het wezen der Godheid een is met het vleesch, en dat overzulks het Woord in vleesch veranderd is geworden, overmits het levendmakende Woord in het vleesch verschenen is. Laat ons dan gedenken, dat deze leer des Evangelies bevestigd wordt, namelijk dat Hij, die Zich in het vleesch waarlijk den Zoon Gods bewezen heeft, en voor den Zoon Gods beleden is, altijd geweest is het onzienlijke Woord Gods. Want hij wijst hier niet aan het begin der wereld, maar hij klimt hooger. Van het Woord des levens. Dit is van het levende Woord, gelijk hij leert in het eerste hfdst. zijns Evangelies: In hem was het leven. Hoewel deze naam op tweëerlei grond den Zoon Gods toekomt. Eensdeels, dat Hij het leven in alle creaturen uitgestort heeft, anderdeels ook, dat Hij in ons wederom het leven opricht, hetwelk door de zonde van Adam uitgebluscht en verloren was. Verder, zoo kan men ook deze naam Woord, op tweeërlei wijze uitleggen, te weten, van Christus, of van de leer des Evangelies, want ons wordt ook door hetzelve de zaligheid aangebracht. Maar dewijl Christus de substantie of het wezen daarvan is, en dat het niet anders behelst, dan hoe Hij, die altijd bij den Vader geweest was, den menschen eindelijk geopenbaard is geweest, zoo dunkt mij de eerste uitlegging de eenvoudigste en passendste te wezen. Dat ook het woord genoemd wordt de wijsheid die in God altijd is, blijkt klaarlijk uit het Evangelie. Hetgeen wü gehoord en gezien hebben. Dit gehoor is niet geweest uit een gerucht, hetwelk men niet veel pleegt te gelooven. Maar Johannes verstaat, dat hij aangaande hetgeen hij leerde, van zijn meester tevoren wel onderwezen is geweest, zoodat hij niets onbedachts voortgebracht heeft. En voorwaar, niemand zal in de gemeente een bekwaam leeraar zijn, die niet eerst een leerjonger is geweest van den Zone Gods, en wel onderwezen is in zijne school, aangezien diens autoriteit alleen moet gelden. Dat hij zegt met het oog gezien te hebben, zijn geen overtollige woorden, maar hij drukt aldus de zaak te beter uit tot breeder verklaring. Ja niet tevreden zijnde met het eenvoudige gezicht, doet hij er toe: wy hebben aanschouwd, en onze handen hebben getast. Met welke woorden hij getuigt, dat hij niet geleerd heeft, dan wat hij grondig doorzien had. Het schijnt nochtans, dat het bewijs uit de zintuigen weinig geldt tot de tegenwoordige zaak, want de kracht van Christus kon noch met oogen, noch met handen begrepen worden. Ik
JOHANNES 1:1, 2.
antwoord, dat hier even hetzelfde gezegd wordt, hetwelk in het eerste hfdst. des Evangelies staat: Wij hebben zijne heerlijkheid gezien, een heerlijkheid den eengeborenen Zoon Gods waardig. Want ook de Zoon Gods is niet bekend geweest, door de uitwendige gedaante des lichaams: maar hierdoor, dat Hij klare bewijzen zijner Goddelijke macht getoond heeft, alzoo dat des Vaders majesteit in Hem, als in een levend uitgedrukt beeld, gelicht heeft. Dewijl deze woorden: Wjj hebben gezien, in 't meervoud staan, en dat de zaak allen apostelen gelijkelijk toekomt, zoo leg ik het gaarne van hen uit, inzonderheid aangezien er gehandeld wordt van de autoriteit der getuigenissen. Dan, de boosheid van Servetus, gelijk ik boven aangeroerd heb, is zoowel ongegrond als schandelijk, die deze woorden drijft, om te bewijzen dat het Woord Gods is geweest zienlijk en tastelijk. Hij vernielt of vermengt goddelooslijk de twee naturen in Christus. Hij versiert op die wijze ik weet niet wat gedichtsel. Hij vergoddelijkt alzoo de menschheid van Christus, dat hij de waarheid der menschelijke natuur gansch wegneemt. In-tusschen zegt hij, dat Christus op geen andere manier de Zoon Gods is, dan dat Hij uit zijne moeder ontvangen is door de kracht des Heiligen Geestes, Hem wegnemende zijn eigen bestaan in God. Waaruit volgt, dat Hij noch God noch mensch is, hoewel hij schijnt uit beide een gemengde klomp te smeden. Maar dewijl de meening des apostels ons buiten allen twijfel is, zoo willen wij dien hond laten varen.
2 En het leven is geopenbaard. Dit is alsof hijzeide: Wij geven getuigenis van het levendmakende woord, hoe dat leven geopenbaard is geworden, hoewel de zin tweeërlei zijn kan, of dat Christus, die het leven en de fontein des levens is, aangeboden is geweest, of dat het leven ons in Christus klaarblijkelijk is gegeven. Dit laatste volgt noodzakelijk uit het eerste, doch zooveel aangaat de beteekenis der woorden, zoo is er onderscheid tusschen deze twee dingen, als tusschen de oorzaak en het gevolg. Als hij ten tweeden male verhaalt: wij verkondigen dat eeuwige leven, twijfel ik niet, of hij spreekt van het gevolg of de vrucht, namelijk dat hij verkondigt, hoe het leven ons verworven is door de weldaad van Christus. Waaruit wij afleiden, dat Christus ons niet kan gepredikt worden, of het rijk der hemelen wordt ons geopend, opdat wij van den dood opgewekt zijnde, een Goddelijk leven zouden leiden. Hetwelk bü den Vader was. Dit is waarachtig, niet alleen van dat de wereld gemaakt is, maar ook van de uiterste eeuwigheid. Want God is altijd geweest de oorsprong des levens. Alzoo is de kracht en mogendheid van levend te maken, geweest bij zijne eeuwige wijsheid, maar Hij heeft die metterdaad niet getoond vóór de schepping der wereld. Dan, nadat God zijn woord is begonnen voort te brengen, zoo is die kracht, welke tevoren verborgen lag, in de creaturen uitgestort. Dit is nu wel geweest eenige openbaring, doch de apostel ziet op wat anders, dat alstoen eerst het leven in Christus geopenbaard is, als Hij met ons vleesch bekleed zijnde, het ambt onzer verlossing volbracht heeft. Want hoewel ook de vaderen onder de wet, aan zijn leven deelachtigheid en gemeenschap gehad hebben, zoo weten wij nochtans, dat zij besloten zijn geweest onder de hope, die nog geopenbaard zou worden. Zij moesten noodzakelijk het leven halen uit den dood en de ver-
143
JOHANNES 1:2, 3.
rijzenis van Christus. Dit was nu een zaak niet alleen ver gelegen lt; om gezien te worden, maar ook voor alle verstand verborgen. Zoo
hingen zij dan aan de hope der openbaring, die op haar tijd ge-. volgd is. Het is wel waar, zij konden het leven niet krijgen, of het
j' moest hun eenigszins geopenbaard wezen, doch tusschen ons en
' y- hen is groot verschil, want Dengene, die zij duister in de beloften
â en voorbeelden zochten, dien hebben wij als in de handen, als ons
nu aangeboden zijnde. Maar het voornemen des apostels is weg te . .. nemen den schijn der nieuwheid, die de waardigheid des Evangelies
kon verminderen. Waarom hij zegt, dat, ofschoon het leven onlangs verschenen is, het nochtans nu niet eerst is begonnen, wijl het altijd is geweest bij den Vader.
3 Hetgeen wij gezien en gehoord hebben verkondigen wij u, opdat gij ook met ons gemeenschap hebt, en onze gemeenschap zij met den Vader, en met zijnen Zoon Jezus Christus.
4 En dit schrijven wij u, opdat uwe vreugd volkomen zij.
i) And. Dit 5 En dit is de belofte '), die wii van Hem gehoord hebben, en u
« is d© verkon- ⢠⢠⢠⢠â¢
diging. verkondigen, dat God een licht is, en in Hem is geen duisternis.
6 Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wandelen in de duisternis, zoo liegen wij, en doen de waarheid niet.
7 Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht vquot;; is, zoo hebben wij gemeenschap onder elkander, en het bloed
van Jezus Christus zijnen Zoon reinigt ons van alle zonde.
3 Hetgeen wj) gezien hebben. Hij verhaalt nu ten derden male, wat zij gezien en gehoord hebben, opdat daar niets ontbreke tot grondige zekerheid zijner leer. En dit is wel aan te merken, dat Christus tot predikers van zijn Evangelie verkoren heeft die, welke ' bekwame en getrouwe getuigen zijn konden, van al hetgeen zij zeg
gen zouden. Daarbenevens getuigt hij ook van de genegenheid zijns harten, zeggende: dat hij uit geen andere oorzaak bewogen is te , schrijven, dan opdat hij die, aan welke hij schrijft, tot de gemeen-
⢠schap van een onmetelijk goed zou nooden. Waaruit blijkt wat groote
zorg hij draagt voor hun zaligheid. Hetwelk geen klein gewicht heeft om geloof te krijgen. Want wij zijn al te ondankbaar, zoo wij weigeren hem te hooren, die ons wenscht zijn medegenooten te wezen in de zaligheid, die hij verkregen heeft. Daarna drukt hij uit de vrucht, die men uit het Evangelie ontvangt, namelijk, opdat wij vereenigd worden met God en met Christus zijnen Zoon, waarin het hoogste goed bestaat. Dit tweede deel moest daarbij gedaan zijn, niet alleen opdat het de leer des Evangelies dierbaar en lieflijk zou maken, maar ook opdat hij betoogde, dat hij ze tot geen ander einde begeerde tot zijne medegenooten te hebben, dan opdat hij ze tot God bracht, en dat zij alzoo allen in Hem één zouden zijn. Want ook de boozen hebben wel onderling eenigheid met elkander, dan het is buiten God, ja opdat ze zich meer en meer van God vervreemden, 'twelk het hoogste kwaad is. Maar gelijk nu gezegd is, dit is onze eenige gelukzaligheid, dat wij van God in genade ontvangen worden, opdat wij waarlijk met Hem door Christus vereenigd zijn mogen, waarvan staat Joh. 17. In één woord, Johannes verklaart.
144
JOHANNES 1: 3â5.
gelijkerwijs de apostelen van Christus aangenomen zijn tot broeders, opdat zij in één lichaam verzameld, Gode te zamen zouden aankleven, dat hij ook alzoo met zijne mededienaren daarnaar staat, dat er velen dezer heilige en zalige eeuwigheid mogen deelachtig worden.
4 Opdat uwe vreugd. Met het woord volle vreugd, drukt hij te beter uit de gansche en volmaakte gelukzaligheid, die wij uit het Evangelie verkrijgen. Daarbenevens vermaant hij de geloovigen, waarop zij al hun gezindheden moeten gevestigd hebben. Het spreekwoord is waarachtig; waar onze schat is, daar is ons hart, Matth. 6:21. Zoo wie dan te recht begrijpt wat die gemeenschap met God medebrengt, die zal alleen daarmede genoegzaam tevreden zijn, en zal met verscheidene begeerten niet meer beangst wezen. De Heere is mijn beker, zegt David, en mijn erfdeel. Het snoer is mij gevallen, dat ik een schoon deel hebbe, Ps. 16 : 5. Op gelijke wijze predikt Paulus, dat hij alle ding als drek geacht heeft, opdat hij Christus alleen mocht gewinnen, Fil. 3; 8. Daarom is hij in het Evangelie dan eerst toegenomen, die zich door de gemeenschap met God zalig acht, en daarin alleen berust, en die dezelve meer acht dan de gansche wereld, alzoo dat hij om harentwil gereed is alles te verlaten.
145
5 En dit is de belofte. Niet minder keur ik goed de oude overzetting: Dit is de verkondiging. Want hoewel het Grieksche woord meermalen beteekent belofte, nochtans, aangezien Johannes hier in 't algemeen spreekt van het getuigenis, waarvan hij een weinig tevoren vermeld heeft, zoo schijnt de tekst te vereischen dien anderen zin. Tenzij gij het misschien alzoo ontknoopen wilt: de belofte, die wij u aanbrengen, brengt dit met zich, of heeft deze voorwaarde bijgevoegd. Op deze wijze zullen wij de opening hebben van de meening des apostels, want hij wil hier niet vervatten de gansche leer des Evangelies, maar hij betoogt hoe van ons, zoo wij Christus en zijne goederen genieten willen, vereischt wordt, dat wij Gode in gerechtigheid en heiligheid gelijkvormig zijn, gelijk ook Paulus zegt, Tit. 2:11, De zaligmakende genade Gods is allen verschenen, opdat wij verloochend hebbende de goddeloosheid en wereldsche lusten, sober, rechtvaardig en heilig leven in deze wereld. Dan, hij gebruikt hier een figuurlijke wijze van spreken, als hij leert dat men in 't licht wandelen moet, omdat God een licht is. Maar als hij alsnu God een licht noemt, en dan zegt dat Hij in het licht is, zal men de woorden niet te zeer dringen. Het is genoeg bekend, waarom satan een vorst der duisternis genoemd is. W anneer nu dan hiertegen God een licht en een Vader des lichts genoemd wordt, laat ons verstaan vooreerst dat in Hem niets is dan wat klaar, zuiver en oprecht is. Ten andere, dat Hij met zijn licht alle ding alzoo verlicht, dat Hij niets gebrekkelijks of verkeerds, geene smet of vuiligheid, geen geveinsdheid of bedrog laat verborgen zijn. Hierom is dit de inhoud: dewijl daar geen overeenkomst is tusschen het licht en de duisternis, zoo zijn wij zoolang wij in de duisternis wandelen, met God oneens, alzoo dat de gemeenschap, waarvan hij vermeld heeft, niet anders bestaan kan, dan dat wij ook zuiver en lichtende zijn. In Hem is geen duisternis. Deze wijze van spreken is Johannes zeer gemeen, dat hij iets bevestigd hebbende, hetzelve met het tegendeel breeder verklaart. Zoo is dan de meening, dat
10
Dl. vin.
JOHANNES 1 : 5â7.
God zulk een licht is, hetwelk geen duisternis kan toelaten, waaruit volgt, dat Hij haat de kwade conscientie, de bevlekte en verkeerde zeden, en alles wat naar de duisternis smaakt.
6 Zoo wü zeggen. Dit is wel een bewijsreden genomen van dingen, die tegen elkander strijden, als hij besluit dat zij vreemd van God zijn die in de duisternis wandelen: doch deze leer vloeit geheel voort uit een dieper fundament, namelijk dat God de zijnen heiligmaakt. Want dit is geen bloot gebod, waarmede hij een heilig leven van ons eischt, maar veelmeer toont hij, dat de genade van Christus ook hiertoe dient, dat ze de duisternis verdreven hebbende, het Goddelijk licht in ons ontsteke. Alsof hij zeide: het is geen ijdel versiersel, dat God Zich jegens ons gemeen maakt, maar het is van noode, dat de kracht en werking dezer gemeenschap in ons leven lichte: anders wordt het een valsche belijdenis des Evangelies. Dat hij daarbij doet: Wij doen de waarheid niet, is zooveel, alsof hij gezegd had: wij handelen niet waarachtig, wij oefenen geen getrouwheid en oprechtheid. En dit is de wijze van spreken, die ik boven aangewezen heb, dat ze Johannes zeer gebruikelijk geweest is.
7 Maar indien wü in het licht wandelen. Nu zegt hij, dat dit is een zeker teeken onzer vereeniging met God, zoo wij Hem gelijkvormig zijn. Niet dat de reinheid des levens, als de eerste oorzaak, ons met God vereenigt, maar des apostels meening is, dat uit de vrucht blijkt hoe wij met God vereenigd zijn, zoo zijn zuiverheid in ons licht. En waarlijk, alzoo gaat het toe waar God komt, dat Hij met zijne heiligheid alle ding alzoo overgiet, dat Hij alle vuiligheden afwischt, zoodat wij buiten Hem niets hebben dan onreinheid en duisternis. Hieruit blijkt, dat niemand wèl leeft dan die Gode aanhangt. Dat hij zegt, hoe wij hebben onderlinge gemeenschap, is niet alleen van de menschen te verstaan, maar hij stelt God aan de eene zijde, en ons aan de andere. Nochtans kon men vragen, wie onder de menschen dat licht Gods in zijn leven alzoo kan uitdrukken, dat die gelijkenis, welke Johannes vereischt, gezien worde. Want aldus ware het vannoode gansch rein en ledig te zijn van alle duisternis. Ik antwoord, dat dusdanige wijzen van spreken moeten geschikt zijn naar het begrip der menschen. Derhalve wordt die gezegd Gode gelijk te zijn, welke naar zijn gelijkheid staat, ofschoon hij van dezelve nog verre is. Men behoeft nergens elders een voorbeeld te halen dan uit deze plaats. Hij wandelt in duisternis, die van de vreeze Gods niet geregeerd wordt, en die met een zuivere conscientie hierop niet ziet, dat hij zich ganschelijk Gode overgeve, en diens eer zoeke te verbreiden. Zoo wie dan daarentegen met een oprechte genegenheid des harten zijn leven in alle deelen schikt naar de vreeze en gehoorzaamheid Gods, en die Hem zuiverlijk dient, of hij al wel in vele dingen faalt, en zucht onder den last des vleesches, die wordt nochtans geacht in het licht te wandelen, omdat hij den rechten weg houdt. Zoo is het dan alleen de oprechtheid der conscientie, die het licht van de duisternis onderscheidt. En het bloed van Jezus Christus. Naardien hij geleerd heeft, welke de band is onzer eenigheid met God, zoo toont hij ook de vrucht daaruit spruitende, namelijk, dat ons alsdan onze zonden om niet genadig vergeven worden. En dit is de zaligheid, die David in den Twee en dertigsten psalm beschrijft.
146
JOHANNES 1 : 7.
147
opdat wij weten, dat wij de allerellendigsten zijn, totdat wij door Gods Geest wedergeboren. Hem met een zuiver hart dienen. Want wat kan daar ellendigers dan de mensch bedacht worden, welken God haat, en in een afgrijzen leeft? over wiens hoofd zoowel Gods toorn als de eeuwige dood is hangende? Dit is een schoone plaats, waaruit wij vooreerst leeren, dat ons alsdan toebehoort de verzoening, die Christus met zijn dood verkregen heeft, als wij met oprechte beweging des harten gerechtigheid te werk leggen: want Christus is geen verlosser dan dengenen, die van de ongerechtigheid bekeerd, een nieuw leven aanstellen. Hierom, zoo wij begeeren te hebben een genadigen God, die de zonden vergeeft, wij moeten onszelven niet toegeven. In één woord, de vergeving der zonden kan van de bekeering niet gescheiden worden, alzoo kunnen ook die conscientiën, waarin de vreeze Gods niet regeert, geen vrede met God hebben. Ten tweede, leert deze plaats dat de genadige vergeving der zonden ons niet alleen eenmaal gegeven wordt, maar dat deze weldaad in de gemeente doorgaande blijft, en den geloo-vigen dagelijks aangeboden wordt. Want de apostel spreekt hier de geloovigen aan, gelijk waarlijk nooit iemand geweest is, noch wezen zal, die God anderszins kan behagen, dewijl zij allen voor God schuldig en verplicht zijn. Want wat naarstigheid er ook in ons zij van wel te doen, wij gaan toch altijd tot God al hinkende. Nu, wat maar ten halve geschiedt, verdient bij God geen lof. Intusschen werpen wij ons uit de genade Gods, zooveel in ons is, met nieuwe zonden, die wij onderwijl doen. Alzoo geschiedt het, dat alle heiligen een dagelijksche vergeving der zonden behoeven, want die alleen behoudt ons in het huisgezin Gods. Als hij zegt van alle zonde, zoo verklaart hij, dat wij met menigerlei schulden aan God verbonden zijn: gelijk er voorwaar niemand is, die niet met menige gebreken behangen is. Doch hij leert, dat geene zonden de godzaligen en godvreezenden beletten, dat zij daarom te minder God zouden behagen. Hij toont ook het middel van vergeving te verwerven en de oorzaak der zuivering, en leert dat alle godvruchtigen ongetwijfeld deze zuivering zullen deelachtig zijn. Dit gansche stuk der leer is goddelooslijk verdorven geweest van de sophisten, want zij versieren, dat ons alleen in den doop vergeving der zonden gegeven wordt, zij bekennen dat alleen daar het bloed van Christus geldt, maar zij leeren, dat wij na den doop met God niet anders kunnen verzoend worden, dan door voldoeningen. Zij laten ook hier wel wat voor het bloed van Christus, maar als zij de werken ook in 't minst toeschrijven den lof en het ambt van de zonden te verzoenen, en God tevreden te stellen, zoo keeren zij gansch om wat Johannes hier zegt. Want deze twee dingen zullen nimmermeer overeenkomen, namelijk, dat wij gezuiverd worden door het bloed van Christus, en dat onze werken de afwasschingen zijn. Want Johannes schrijft hier niet de helft, maar het geheel aan het bloed van Christus toe. Dit alles dan dient hiertoe, dat de geloovigen zeker mogen besluiten, dat ze Gode aangenaam zijn, omdat Hij door de offerande van Christus met hen tevreden is. Nu, zoo begrijpt de offerande in zichzelve zuivering, verzoening en genoegdoening. Hierom komt de kracht en werking van dit alles het bloed van Christus gansche-lijk toe. Waaruit wederlegd wordt die godslasterlijke versiering der papisten van de aflaten. Want alsof het bloed van Christus niet
JOHANNES 1 : 7â9.
genoegzaam ware, zoo roepen zij daarbij te hulpe het bloed en de verdiensten der martelaren. Hoewel deze godslastering bij hen nog verder strekt: want als zij hunne sleutelen (waarin zij de vergeving der zonden besloten houden) zeggen samengesmeed te zijn, eensdeels uit het bloed en de verdiensten der martelaren, anderdeels uit de overtollige werken, waarmede elk zondaar zich vrijkoopt, zoo blijft bij hen geen vergeving der zonden, die niet verkort het bloed van Christus. Want zoo hunne leer plaats heeft, het bloed van Christus zal ons niet zuiveren, maar het zal alleen daarbij komen als een gedeeltelijke hulpe. Aldus zullen ook de conscientiën blijven hangen, die de apostel hier beveelt door een grondig betrouwen vast te staan.
8 Indien wij zeggen, dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet.
9 Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw, en rechtvaardig dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
10 Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken wij Hem tot een leugenaar, en zijn woord is niet in ons.
Nu prijst hij de genade aan vanwege de noodzakelijkheid. Want aangezien niemand vrij is van de zonde, verklaart hij dat wij allen verloren en zonder hope zijn, zoo ons God niet te hulpe komt met het medicijn der vergeving. Dit is de oorzaak, dat hij zoozeer drijft dat er niemand onschuldig is, opdat zij allen te beter weten, dat zij der barmhartigheid behoeven, die ze van de ballingschap ver-losse, en opdat zij aldus te meer verwekt worden om dat noodzakelijk goed te verwerven. Met het woord zonde wordt niet alleen aangewezen die kwade en gebrekkelijke genegenheid, maar de schuld, die ons in der waarheid voor God verbindt. Doch dewijl dit een algemeene spreuk is, zoo volgt dat niemand van alle heiligen, die zijn, geweest zijn, of zijn zullen, van dit getal uitgenomen worden. Hierom heeft Augustinus met dit getuigenis geschikt wederlegd de uitvlucht der Pelagianen, en heeft ook wijselijk overlegd, dat er vereischt wordt bekentenis der schuld, niet om der ootmoedigheid wil, maar opdat wij liegende onszelven niet bedriegen. Als hij daarbij doet, de waarheid is in ons niet. zoo bevestigt hij naar zijn gewoonte de voorgaande reden, met deze herhaling. Hoewel dit niet is een bloote herhaling, als elders, maar hij zegt dat zulken bedrogen zijn, omdat zij zich in de leugen beroemen.
9 Indien wij belijden. Wederom belooft hij den geloovigen, dat zij een genadigen God hebben zullen, zoo zij alleen zich zondaren bekennen. Want hieraan is veel gelegen, dat wij ten volle verzekerd zijn, hoe wij een vaardige en geheel bereide verzoening met God hebben, nadat wij hebben gezondigd, anderszins dragen wij altijd de hel in ons gesloten. Daar zijn wel weinigen die bedenken, wat een ellendig en onzalig ding het is de wankeling der conscientie, maar dit is nochtans alzoo, dat de hel regeert, zoo waar geen vrede met God is. Des te meer behoort men deze belofte van harte aan te nemen, die allen, welke hunne zonden belijden, een zekere vergeving aanbiedt. Hij leert ook breeder, dat deze belofte op Gods trouw en rechtvaardigheid gegrond is, dewijl God het beloofd heeft,
148
JOHANNES 1 : 9, 10.
die waar en oprecht is: want die meenen dat Hij rechtvaardig genoemd wordt, omdat Hij ons uit genade rechtvaardigt, philoso-pheeren al te scherpzinnig naar mijn gevoelen. Want deze rechtvaardigheid hangt aan de getrouwheid, en beide zijn ze gevoegd bij de belofte, want anders kon God rechtvaardig zijn, en naar het uiterste recht met ons handelen: maar dewijl Hij ons door zijn woord te onssvaart verbonden heeft, wil Hij niet rechtvaardig geacht zijn, tenzij Hij vergeve. Dan, deze belijdenis, aangezien zij op God ziet, vereischt een oprechte gezindheid des harten. Nu kan het hart tot God niet spreken zonder nieuwigheid des levens, zoo begrijpt zij dan in zich ware bekeering. God vergeeft wel om niet, doch alzoo dat zijne goede genegenheid tot erbarming niet zij een aanlokking tot zondigen. Reinigt ons. Hij schijnt het woord reinigen anders te nemen dan boven, want hij zeide, dat wij door het bloed van Christus gereinigd worden, omdat ons door zijn weldaad de zonden niet toegerekend worden. Maar nu gesproken hebbende van de vergeving, zoo doet hij ook daarbij, dat ons God zuivert van ongerechtigheid, alzoo dat dit tweede deel onderscheiden is van het eerste. Aldus verklaart hij, dat wij door die belijdenis tweeërlei vrucht ontvangen. De eerste is, dat God door het offer van Christus verzoend zijnde, ons vergeeft. De ander is, dat Hij ons verbetert en herschept. Zoo iemand hier opwerpt, dat zoo lang wij vreemdelingen zijn in deze wereld, wij nimmer van alle ongerechtigheid gezuiverd worden, dit is wel waar, zooveel aangaat de vernieuwing; dan, Johannes leert hier niet wat God nu in ons volmaakt. Hij is getrouw, spreekt hij, dat Hij ons zuivere, hij zegt niet heden, of morgen. Want zoolang wij met het vleesch bekleed zijn, zoo moeten wij gaandeweg toenemen. Maar wat Hij eens begonnen heeft, daarin gaat Hij dagelijks voort, totdat Hij het eenmaal ten einde brenge. Zoo zegt Paulus: Dat wij verkoren zijn, opdat wij onberispelijk voor God verschijnen, Ef. 1:4. En elders, dat de gemeente gereinigd is, dat ze zonder eenige rimpel of vlek is, Ef. 5 : 27. Doch zoo iemand deze plaats liever anders wil uitleggen, alsof Johannes hetzelfde tweemaal zeide, daarin laat ik hem vrij.
io Wjj maken Hem leugenachtig. Hij gaat verder, dat zij ook God lasteren, die zich zuiverheid toekennen. Want wij zien hoe Hij overal het gansche menschelijke geslacht vanwege de zonde verdoemt. Daarom zoo oorloogt hij tegen God, die deze verdoeming wil ontgaan, en hij straft God van leugen, alsof Hij de on-schuldigen verdrukte. Tot bevestiging doet hij daartoe dat het woord Gods in ons niet blijft: alsof hij zeide, dat wij zoo groote leer verwerpen, die ons onder de schuld brengt. Waaruit wij afleiden, dat wij dan eerst recht in het woord des Heeren toegenomen zijn, als wij waarlijk verootmoedigd zijn, opdat wij zuchtende onder den last der zonde, tot Gods barmhartigheid leeren vlieden, en nergens in berusten dan in zijne vaderlijke vergeving.
149
JOHANNES 2 : 1.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 Mijne kinderkens! dit schrijf ik u, opdat gij niet zondigt; maar zoo iemand zondigt, wij hebben een voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den rechtvaardige:
2 En die is de verzoening voor onze zonden, niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gansche wereld.
Dit is niet alleen samenvatting van de bovengestelde leer, maar bijna de inhoud van het gansche Evangelie, dat wij ons onthouden van de zonden, en nochtans dewijl wij altijd onder het gericht Gods verbonden zijn, dat wij ons verzekeren dat Christus met het offer zijns doods als een Middelaar daartusschen komt om den Vader met ons te verzoenen. Toch gebruikt hij een voorkoming, opdat niemand meene, dat hij den toom slaakt tot zondigen, als hij van de barmhartigheid Gods predikt, en leert dat ze voor ieder openstaat. Zoo voegt hij dan de beide deelen des Evangelies te zamen, dewelke als sommige verkeerde menschen ze willen scheiden, zoo scheuren en ontwrichten zij het Evangelie. Verder is de leer der genade altijd onderworpen geweest den lasteringen der godde-loozen. Als men in Christus voorstelt verzoening der zonden, zoo roepen zij, dat men vrijheid geeft te zondigen. Opdat de apostel dat kwaad te keer ga, zoo getuigt hij vooreerst, hoe zijne leer hiertoe strekt, dat de menschen ophouden te zondigen. Want als hij zegt: it is niet alleen samenvatting van de bovengestelde leer, maar bijna de inhoud van het gansche Evangelie, dat wij ons onthouden van de zonden, en nochtans dewijl wij altijd onder het gericht Gods verbonden zijn, dat wij ons verzekeren dat Christus met het offer zijns doods als een Middelaar daartusschen komt om den Vader met ons te verzoenen. Toch gebruikt hij een voorkoming, opdat niemand meene, dat hij den toom slaakt tot zondigen, als hij van de barmhartigheid Gods predikt, en leert dat ze voor ieder openstaat. Zoo voegt hij dan de beide deelen des Evangelies te zamen, dewelke als sommige verkeerde menschen ze willen scheiden, zoo scheuren en ontwrichten zij het Evangelie. Verder is de leer der genade altijd onderworpen geweest den lasteringen der godde-loozen. Als men in Christus voorstelt verzoening der zonden, zoo roepen zij, dat men vrijheid geeft te zondigen. Opdat de apostel dat kwaad te keer ga, zoo getuigt hij vooreerst, hoe zijne leer hiertoe strekt, dat de menschen ophouden te zondigen. Want als hij zegt: Opdat gy niet zondigt, zoo wil hij alleen dit, dat ze naar den stand der menschelijke zwakheid, van zonden zich onthouden. En hiertoe dient wat ik aireede verhandeld heb van de gemeenschap met God, opdat wij Hem gelijkvormig zijn. Intusschen zwijgt hij niet van de genadige vergeving der zonden: want indien ook de hemel moest ineenvallen, en alles moest omgekeerd, zoo kan men dit stuk der leer nimmer weglaten, maar veelmeer moet men klaarlijk en uitdrukkelijk prediken het ambt van Christus. Alzoo betaamt ons hedendaags ook te doen. Omdat het vleesch tot dartelheid is genegen, zoo moet men ook de menschen naarstiglijk vermanen, dat de gerechtigheid en zaligheid door Christus' dood daarom verworven is, opdat wij Gods heilig eigendom zouden wezen. Hoewel het geschiedt, dat velen die barmhartigheid Gods in dartelheid misbruiken, en dat ook vele honden lasterlijk ons hekelen, alsof wij tot zondigen den toom loslieten, zoo moet men nochtans dapper voortgaan met de genade van Christus te bevestigen, waarin de heerlijkheid Gods voornamelijk licht, en de gansche zaligheid der menschen bestaat. Men moet, zeg ik, zoodanig bassen der goddeloozen verachten, waarmede wij zien dat ook de apostelen zijn aangevochten. Hierom voegt hij terstond daarbij het tweede deel, dat wij een voorspraak hebben, waar wij gezondigd hebben. Met welke woorden hij bevestigt wat wij reeds boven gehad hebben: dewijl wij verre zijn van de volmaakte gerechtigheid, ja ons dagelijks in de schuld brengen, dat er tegelijk een remedie al bereid is om God te verzoenen, zoo wij tot Christus vlieden. En dit is het alleen, waarin de conscientiën kunnen rusten, waarin der menschen gerechtigheid bestaat, en waarop de hope der zaligheid gegrond
150
JOHANNES 2:1.
151
is. Deze woorden, zoo iemand, beteekenen hier zooveel als, dewijl, want het is onmogelijk, dat wij niet zouden zondigen. Ten laatste geeft Johannes te kennen, dat wij niet alleen van de zonden afgetrokken worden door het Evangelie, wijl ons God daarin tot Zich noodt, en den Geest der wedergeboorte aanbiedt, maar dat daarin ook den ellendigen zondaren raad gegeven wordt, dat ze altijd een genadigen God hebben, en dat de zonden, waardoor zij vastgehouden worden. Hem niet verhinderen van de gerechtigheid, aangezien zij een Middelaar hebben, die ze met God verzoent. Verder als hij wil bewijzen, hoe wij wederom in Gods genade komen, zoo zegt hij, dat wij Christus tot een voorspreker hebben. Want hiertoe verschijnt Hij voor het aanschijn Gods, opdat Hij te onswaart vertoone de kracht en werking zijner offerande. Opdat dit beter kan verstaan worden, zoo wil ik nog duidelijker spreken. De voorspreking of het middelaarschap van Christus is, dat Hij ons onafgebroken toeëigent of aandient zijnen dood, opdat wij zalig worden. Dat ons dan God de zonden niet toerekent, geschiedt doordien Hij aanziet den voorbidder Christus. De twee namen, dien hij Christus geeft, dienen eigenlijk tot de omstandigheid dezer plaats. Hij noemt Hem rechtvaardig, en een verzoening. Hij moet met beide versierd zijn, zou Hij het ambt en den persoon van voorspraak bedienen. Want wat zondaar zal ons Gods genade verwerven? Dewijl wij allen hierom van den toegang tot God verhinderd worden, omdat niemand rein en vrij van de zonde is, alzoo is er dan geen bekwaam hooge-priester, dan die onnoozel, en van de zondaren afgescheiden is. Gelijk daar ook staat Hebr. 7 : 26. Daar wordt bijgedaan verzoening: want zonder offerande is niemand een bekwame hoogepries-ter. Hierom ging onder de wet de hoogepriester nooit in het heiligdom, dan met voorgaand bloed, en men was gewoon naar Gods instelling in de gebeden een slachtoffer als een plechtig zegel, daartoe te doen, met welk teeken God heeft willen getuigen, dat, zou iemand voor ons genade verkrijgen, hij moet voorzien zijn met een offerande. Want als God verbolgen is, zoo wordt daar vereischt een prijs om Hem tevreden te stellen. Hieruit volgt, dat alle heiligen, die geweest zijn, en zijn zullen, een voorspraak vannoode hebben, en dat niemand genoegzaam is om dit ambt uit te richten, dan Christus alleen. En waarlijk, Johannes heeft aan Christus deze twee namen uitdrukkelijk toegeschreven, opdat hij bewees dat Hij de eenige voorspreker is. Gelijk wij nu hieruit een uitnemenden troost hebben, als wij hooren dat Christus niet alleen eenmaal gestorven is, om den Vader voor ons tevreden te stellen, maar dat Hij nog altijd onze Middelaar blijft, opdat wij door zijnen naam toegang tot God hebben, en dat onze gebeden verhoord worden, alzoo moet men ook op het allerhoogste toezien, dat de eer, die Hem eigen is, aan geen ander gegeven wordt. Nu weten wij dat dit ambt van Christus, in 't pausdom aan de heiligen in 't gemeen is toegekend geweest. Het is nu dertig jaar dat dit heerlijk stuk onzes geloofs, als dat Christus onze voorspraak is, bijna begraven was. Hedendaags bekennen zij wel Christus een voorspraak te zijn onder velen, maar niet alleen. Die onder de papisten wat meer schaamte hebben belijden wel, dat Christus de uitnemendste is, maar daarna voegen zij Hem bij een grooten hoop metgezellen. Dan, de woorden luiden klaarlijk, dat niemand een voorspraak zijn kan, dan
JOHANNES 2:1,2.
Hij die ook de hoogepriester zij. Nu komt het priesterschap niemand toe dan Christus alleen. Toch nemen wij niet weg die onderlinge voorbidding der heiligen, waarmede zij de liefde onder elkander oefenen, maar dit gaat den dooden niet aan, die uit het gezelschap der menschen verhuisd zijn. Dit heeft ook niets gemeens met die patroonschappen of voorbiddingen die zij versieren, om niet te staan onder den voorspreker Christus alleen. Want hoewel de broeders voor de broederen bidden, zoo zien zij nochtans allen zonder uitzondering op den voorspreker Christus. Hierom is het niet twijfelachtig, of de papisten stellen zoo vele afgoden tegen Christus, als zij zichzelven voorspraken versieren. Hier is ook op te merken in 't voorbijgaan, dat die al te grovelijk dwalen, welke Christus voor de knieën des Vaders doen kruipen, opdat Hij voor ons bidde. Zoodanige voorstellingen moet men weren, die de hemelsche heerlijkheid van Christus verminderen, en men zal behouden de eenvoudige leer, dat wij genieten de versche en gedurige vrucht zijns doods, omdat Hij ons door zijn middelaarschap met God verzoent, en dat Hij onze gebeden zoowel door den zoeten reuk zijns offers, als door de goedgunstigheid zijner voorspreking te hulpe komt.
2 Niet alleen voor onze. Dit doet hij daarbij tot nadere verklaring, opdat de geloovigen zich wel verzekeren, dat de verzoening door Christus verworven tot allen strekt, die het Evangelie met het geloof aannemen. Maar hier wordt een vraag opgeworpen, hoe de zonde der gansche wereld verzoend zijn. Ik laat weg de razernij der hersenlooze menschen, die onder dit deksel alle verworpenen, en ook de Satan zelve tot de zaligheid toelaten. Zulke zeldzame leer is onwaardig dat men ze wederlegt. Die deze ongeschikte grofheid willen ontvlieden, hebben gezegd, dat Christus voor de gansche wereld genoegzaam geleden heeft, maar alleen krachtig voor de uitverkorenen. Deze oplossing is in de scholen gemeenlijk overal gebruikt geweest. Mij aangaande, hoewel ik deze stelling waarachtig bekenne, nochtans zeg ik dat ze tot deze plaats niet dient: want de meening van Johannes is niet anders geweest dan dit goed der gansche kerk gemeen te maken. Hierom onder dit woord allen, begrijpt hij de verworpenen niet, maar beteekent alleen degenen, die n.ede zouden gelooven, en die in verscheidene deelen der wereld verstrooid waren. Want alsdan wordt de genade van Christus waarlijk gelijk het betaamt, heerlijk gemaakt, als gepredikt wordt, dat Hij is de eenige zaligheid der wereld.
3 En hieraan weten wij, dat wij Hem gekend hebben, zoo wij zijn geboden onderhouden.
4 Zoo wie zegt: Ik heb Hem gekend, en zijne geboden niet houdt, die is een leugenaar, en de waarheid is in hem niet.
5 Maar die zijn woord houdt, in dien is voorwaar de liefde Gods volkomen; hieraan bekennen wij. dat wij in Hem zijn.
6 Zoo wie zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.
Nadat hij de leer van de genadige vergeving der zonden verhandeld heeft, zoo keert hij wederom tot de vermaningen, die hij daarbij voegt als daaraan verbonden zijnde. En vooreerst vermaant hij
132
JOHANNES 2:3.
153
dat de kennis Gods, die men uit het Evangelie krijgt, niet ijdel is, maar gehoorzaamheid uit zich voortbrengt. Daarna toont hij, wat God meest van ons eischt, wat het voornaamste zij in dit leven, namelijk dat wij God liefhebben. De Schrift verhaalt niet tevergeefs overal wat wij hier lezen van de levende kennis Gods. Want der wereld is niets zoo gemeen, als de leer der godzaligheid tot koude beschouwingen te trekken. Op deze wijze is de theologie door de Sorbonische sophisten vervalscht, zoodat uit al hare wetenschap niet een vonkje der godzaligheid kan lichten. En de neuswijze menschen alom leeren alleen uit Gods woord, opdat ze klappen mogen om te pochen. In één woord, dit kwaad is ten allen tijde al te gemeen geweest, dat men den naam Gods ijdellijk opgeworpen heeft. Zoo neemt dan Johannes dat als een eerste stuk, dat de kennis Gods krachtig is. Waaruit hij besluit, dat zij God niet kennen, die zijn geboden niet onderhouden. Plato, hoewel hij in de duisternis tast, zegt nochtans dat het schoone ding, dat hij zichzelven voorstelt, niet kan gekend worden, of het moet den menschen tot zich trekken dat hij zich verwondere, gelijk hij schrijft in zijn boek Phaedrus, en op andere plaatsen. Hoe is het dan mogelijk dat gij God kent, en gansch niet bewogen wordt? En dit komt ook niet alleen uit de natuur Gods, dat wij Hem kennende, terstond liefhebben, maar dezelfde Geest, die onze harten verlicht, stort ook in ons gemoed een genegenheid, die met de wetenschap overeenkomt, hoewel de kennis Gods dit met zich brengt, dat wij Hem vreezen en liefhebben. Want wij kunnen Hem niet bekennen een Heere en Vader te zijn, gelijk Hij Zich openbaart, of wij moeten ons te gelijk als gehoorzame kinderen en onderdanige knechten jegens Hem aanstellen. In één woord, de leer des Evangelies is een levende spiegel, waarin wij Gods beeld aanschouwende, naar hetzelve veranderd worden, gelijk Paulus leert, 2 Cor. 3 : 18. Daarom zoo waar geen reine conscientie is, daar kan niet anders zijn dan een ijdel gezicht van wetenschap. Deze orde is wel op te merken als hij zegt; Wij weten, dat wij Hem gekend hebben. Want hij geeft te kennen, dat de gehoorzaamheid Gods alzoo gevoegd is met de wetenschap, dat nochtans de wetenschap in orde voorga, gelijk de oorzaak noodzakelijk voorafgaat aan het gevolg. Zoo wy zjjne geboden. Maar daar is niemand, die ze in alle deelen onderhoudt, alzoo zou daar geen kennis Gods in de wereld zijn? Ik antwoord, dat de apostel niet tegen zichzelven strijdt. Dewijl hij dan tevoren alle menschen voor God als misdadig gesteld heeft, zoo verstaat hij niet bij het onderhouden der geboden, dat men der wet gansch genoeg doe, (welk exempel in de wereld nergens te vinden is) maar dat men naar het vermogen der menschelijke zwakheid zijn leven poogt te schikken tot de gehoorzaamheid Gods. Want zoo menigmaal de Schrift spreekt van de gerechtigheid der geloovigen, zoover is het, dat zij de vergeving der zonden uitsluite, dat ze veelmeer daarmede begint. Doch hieruit zal men niet afleiden, dat het geloof op de werken rust. Want hoewel een iegelijk uit zijne werken getuigenis zijns geloofs heeft, zoo volgt nochtans niet, dat het daarop gegrond is, dewijl dit bewijs achteraan als een teeken daarbij komt. Aldus rust de zekerheid des geloofs alleen op de genade van Christus, maar de godvruchtigheid en heiligheid des levens onderscheidt het ware geloof van een gehuichelde en doode ken-
JOHANNES 2:3â6.
nis Gods: wijl deze waarheid is in Christus, gelijk Paulus zegt, dat men den ouden mensch uittrekke.
4 Zoo wie zegt: Ik ken Hem. Waaruit bewijst hij, dat zij liegen, die het geloof roemen zonder godzaligheid? Namelijk, uit het tegendeel, uit wat hij tevoren gezegd heeft, hoe de kennis Gods een krachtige zaak is. Want God wordt niet gekend door een bloote inbeelding, maar dan, als Hij Zichzelven van binnen door zijn Geest in onze harten openbaart. Doch, aangezien vele geveinsden met den naam van geloof ijdellijk opgeblazen zijn, zoo veroordeelt de apostel die van leugen. Want het ware tevergeefs wat hij zegt, zoo daar geen valsche en ijdele belijdenis des Christendoms in veler mond vloog.
5 Maar die z|jn woord houdt. Nu beschrijft hij, welke de rechte onderhouding der wet is, namelijk God liefhebben. Deze plaats wordt (naar mijn gevoelen) kwalijk uitgelegd van degenen die verstaan, dat die Gode recht behagen, welke zijn woord houden. Ontbindt het liever aldus: Met een oprechte genegenheid des harten God liefhebben, is zijn geboden houden. Want gelijk ik reeds gezegd heb, hij heeft kortelijk willen te kennen geven, wat God van ons eischt, en waarin de heiligheid der geloovigen gelegen is. Ditzelfde zeide ook Mozes, waar hij den inhoud der wet samenvatte: Nu Israël, wat begeert de Heere van u, dan dat gij Hem vreest, en liefhebt, en wandelt in zijn geboden, Deut. 10: 12. Insgelijks hfdst. 30: 19, Verkiest het leven, namelijk dat gij liefhebt den Heere uwen God, dat gij Hem dient, en aanhangt, enz. Want de wet, die geestelijk is, gaat niet alleen over uiterlijke werken, maar beveelt ons dit voornamelijk, dat wij God van gansche harte liefhebben. Dat hier geen gewag gemaakt wordt van de menschen, moet men niet vreemd achten, want de broederlijke liefde vloeit terstond uit de liefde Gods, gelijk wij hierna zien zullen. Zoo wie dan zijn leven Gode aangenaam maken wil, die moet dat in alle deelen tot dit einde stieren. Zoo iemand opwerpt, dat er nooit iemand gevonden is, die God alzoo volkomenlijk liefhad, ik antwoord, dat het genoeg is dat elk tracht naar die volkomenheid naar de mate der genade, hem gegeven. Intusschen staat deze beschrijving vast, dat de volkomen liefde Gods de wettelijke onderhouding zijns woords is, in welke als in de kennis, het ons betaamt voort te gaan. Wü weten, dat wy in Hem. Hij keert weder tot de vrucht des Evangelies, waarvan hij vermeld had, namelijk tot de gemeenschap met God en zijnen Zoon. En alzoo bevestigt hij de voorgaande rede met wat er uit volgt. Want zoo het Evangelie tot dat einde dient, dat wij met God gemeenschap hebben, en dat er nu geen gemeenschap zijn kan zonder liefde, zoo is dan niemand in het geloof wel toegenomen, tenzij hij Gode van harte aanhange.
6 Zoo wie zegt, dat hij in Hem blijft. Gelijk hij ons tevoren het licht Gods tot een exempel voorgesteld heeft, zoo roept hij ons nu ook tot Christus, dat wij Hem navolgen. Hoewel hij niet slechts tot navolging van Christus vermaant, maar uit de eenigheid, die wij met Hem hebben, bewijst hij, dat wij Hem moeten gelijk wezen. De gelijkheid des levens en der werken, spreekt hij, zal toonen dat wij in Christus blijven. Met deze woorden maakt hij zich den weg tot het navolgende deel van de broeders lief te hebben, waarvan hij terstond wil gaan spreken.
154
JOHANNES 2:7.
7 Broeders! ik schrijf u geen nieuw gebod, maar het oude gebod,
dat gij van den beginne gehoord bebt. Dit oude gebod is dat gij van den beginne gehoord hebt.
8 Wederom schrijf ik u een nieuw gebod, hetwelk de waarheid
is in Hem, ') en in u, want de duisternis gaat voorbii, a) en het i) Atld- Het-
welk waar-
Ware licnt schijnt nu. achtig is iu
9 Zoo wie zegt, dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die Heâ¢j q^quot;I8 is nog in de duisternis. voorbijge-
10 Die zijn broeder liefheeft, die blijft in het licht, en er is geen gjj°'h 3.11_ ergernis in hem.
11 Maar die zijn broeder haat, die is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en weet niet waar hij gaat, want de duisternis heeft zijne oogen verblind.
Dit is eene verklaring der voorgaande leer, namelijk, dat God liefhebben is zijne geboden onderhouden. En niet zonder oorzaak stelt hij dit met vele woorden. Vooreerst weten wij, hoe de nieuwheid altijd in haat en verachting is. Ten andere, nemen wij niet gaarne aan een ongewoon juk. Daarbij, als wij eenig zeker soort van leering aangenomen hebben, zoo is het ons zeer moeielijk iets daarin te veranderen of te vernieuwen. Om deze oorzaken waarschuwt Johannes, dat hij niets leert van de liefde, dan wat de ge-loovigen van den beginne gehoord hebben, en door het gebruik oud geworden is. Anderen leggen deze oudheid anders uit, namelijk, dat Christus nu in het Evangelie geen anderen regel des levens voorschrijft, dan God voortijds gedaan heeft onder de wet, hetwelk gansch waarachtig is, en ik ben hier niet tegen dat de apostel een weinig hierna, het woord Evangelie in dien zin noemt het oude gebod. Dan, ik acht dat hij nu alleen dit wil, dat deze dingen zijn de eerste leerstukken des Ãvangelies, dat zij van den beginne aldus onderwezen zijn, en dat ze niet als wat zeldzaams zouden beschouwen, waarin zij reeds lang behooren doordrenkt zijn. Zoo noemt hij dan oud, niet wat voor vele eeuwen den vaderen gegeven was, maar waarin zij geleerd waren, terstond toen zij eerst aan de religie kwamen.
En dit dient grootelijks tot versterking des geloofs, want de lezers moeten daaruit besluiten dat dit van denzelfden Christus is voortgekomen, van wien wij het Evangelie hebben. Het oude gebod.
Het is aannemelijk dat het woord oudheid in deze plaats wat verder strekt, want de rede is wat vollediger als hij zegt: Het woord,
dat gy van den beginne gehoord hebt, is het oud gebod. Naar mijn gevoelen, geeft hij te kennen, dat het Evangelie niet moet ontvangen worden, als eene leer onlangs opgekomen, maar die van God gekomen is, als zijnde zijn eeuwige waarheid. Alsof hij zeide: gij moogt de oudheid des Evangelies niet afmeten naar de langheid des tijds, dat het u aangebracht is, want daarin is u geopenbaard de eeuwige wil Gods. Zoo heeft u dan God dezen regel des godzaligen levens niet alleen dan overgeleverd, toen gij zijt geroepen geweest tot het geloof in Christus, maar dezelve is altijd bij Hem vast en aangenaam geweest. En voorwaar, dit is eerst een oudheid te achten, die geloof en eerbiediging waardig is, welke haar oorsprong van God heeft. Want de gedichtselen der menschen, laat ze zoo oud zijn als zij willen,
155
156 JOHANNES 2:1âQ.
zij zullen nimmer zooveel autoriteit hebben, om de waarheid Gods te verduisteren.
8 Wederom een nieuw gebod. Mij dunkt, dat de uitleggers niet hebben gevat des apostels meening: want hij zegt nieuw te zijn, wat God dagelijks ingevende als vernieuwd, opdat zich de geloo-vigen daarin al hun leven lang oefenen, want zij hebben niets uit-nemenders te begeeren. Want de eerste beginselen, die de kinderen leeren, wijken, als wij daarna tot een hooger en grondiger leer , , komen. Daarentegen nu leert Johannes, dat de leer van de broe
derlijke liefde zoo niet is, dat ze mettertijd zou verouden, maar dat ze altijd jeugdig is, alzoo dat ze zoowel is de laatste volmaking, als het eerste beginsel der leer. Het was noodig dit daarbij te doen, ; want gelijk de menschen nieuwsgieriger zijn dan het wel behoort, een
V groot deel begeert altijd wat nieuws. Hieruit komt de walging van
de eenvoudige leer, wat ontallijk zeldzame dwalingen voortbrengt, . â v als een iegelijk ondertusschen haakt naar nieuwe verborgenheden.
Maar wanneer dit vast is, dat de Heere altijd op ée'n voet voortgaat, opdat Hij ons in wat wij geleerd hebben, ons gansche leven behoudt, zoo zijn zoodanige begeerlijkheden gebreideld. Zoo wie dan tot den eindpaal der wijsheid begeert te komen, om zijn leven recht aan te stellen, dat hij in de liefde toeneme. Hetwelk de waarheid is. Hij bewijst met reden wat hij gezegd heeft. Want belangende het wel schikken des levens, zoo bestaat in dit eene gebod der liefde de gansche waarheid van Christus. Wat andere openbaring zal men verder verwachten? Want Christus is toch het einde en de vervulling van alles. Hierom dient het woord waarheid hiertoe, dat ze daarop, als op het einde staan blijven, want zij wordt genomen voor de vervulling, of voor den volmaakten staat. Hij voegt hun Christus bij als het hoofd bij de leden, alsof hij zeide; de gemeente heeft geen andere volmaaktheid, of, alsdan zijn de geloovigen met Christus recht vereenigd, als er een rechte onderlinge liefde jegens elkander geoefend wordt. Anderen leggen het anders uit, als: Wat in Christus waarheid is, dat is ook in u. Maar ik weet niet waar dat henen wil. Want de duisternis is voorbijgegaan, of: gaat voorby. Hij verklaart, dat zoo haast Christus ons verschenen is, wij het volle licht des verstands hebben. Niet dat elk geloovige met den eersten dag zoo wijs is als het behoort (want ook Paulus Fil. 3:11 getuigt, dat hij poogt te grijpen wat hij nog niet verkregen heeft) maar omdat de kennis van Christus alleen genoegzaam is om de duisternissen te verdrijven. Zoo moet men dan dagelijks voortvaren, en een iegelijks geloof heeft zijn dageraad, vóór het komt aan den middag. Maar dewijl God een gelijkmatigen gang van leer houdt, waarin Hij ons beveelt toe te nemen, zoo wordt de kennis des Evangelies terecht geheeten het ware licht, waar Christus de zon der gerechtigheid verschijnt. Alzoo wordt de weg gestopt voor die stoutigheid der menschen, die de zuiverheid des Evange-lies met hunne versieringen zoeken te verderven, en men kan vrijelijk de gansche theologie van den paus verbannen en verdoemen, die dit ware licht ganschelijk verdonkert. |j 9 Zoo wie zegt, dat h|j in het licht. Hij vervolgt zijn figuur
lijke wijze van spreken. Hij heeft gezegd, dat de liefde de eenige regel is, naar welken het leven moet geschikt worden. Hij heeft gezegd, dat deze wet ons in het Evangelie voorgeschreven wordt.
i®
. » v
£4
JOHANNES 2 : 9â12.
Ten laatste heeft hij gezegd, dat daarin is een licht als van den middag, hetwelk aanschouwd zijnde, onze oogen op Hem moet vasthouden. Nu besluit hij daarentegen, dat ze allen blind zijn en in duisternis dwalen, die vreemd zijn van de liefde. Dat hij nu eerst de liefde Gods gesteld heeft, en dan de broederlijke liefde, strijdt tegen elkander niet meer dan de oorzaak en het gevolg. Vervolgens, deze twee liefde zijn onder elkander zoo verknocht, dat ze niet kunnen gescheiden worden. Johannes zal hierna in het derde hfdst. zeggen, dat wij valschelijk van de liefde Gods roemen, zoo wij onze naasten niet liefhebben. En dit is de rechte waarheid. Nu neemt hij hier de liefde jegens de naasten tot een getuigenis, waarmede bewezen wordt, dat wij God liefhebben. Om kortelijk te zeggen: aangezien de liefde alzoo God aanziet, dat ze in God de menschen omvat, is daar niets ongeschikts in, dat de apostel handelende van de liefde, dezelve zonder onderscheid duidt nu eens op God, dan weer op de broederen. En dit is in de Schrift zeer gebruikelijk. De gansche volmaaktheid des levens wordt dikwijls gesteld in de liefde Gods. Wederom leert Paulus, Rom. 13 : 8, dat die zijnen naaste liefheeft, de gansche wet vervult. En Christus zegt duidelijk dat deze dingen zijn de voornaamste der wet, gerechtigheid, oordeel, en waarheid, Matth. 23 : 23. Beide is waar, en komt wel overeen: want de liefde Gods onderwijst ons de menschen lief te hebben, en wij toonen metterdaad onze godvruchtigheid jegens God, als wij naar zijn bevel de menschen liefhebben. Hoe het zij, dit moet altijd vast blijven, dat de liefde is het oogmerk om ons leven wel aan te stellen. Dit zal men des te beter opmerken, omdat ze bijna allen liever verkiezen wat het ook wezen mag, dan dit eenig gebod Gods. Hiertoe dient wat er volgt, dat daar geen ergernis is, waar naarstigheid tot de liefde is. Want zoo wie zijn leven alzoo schikt, die zal nimmer struikelen.
12 Kinderkens! ik schrijf u, dat u de zonden vergeven worden om zijnen naam.
13 Ik schrijf u, gij vaders! want gij hebt Hem gekend, die van den beginne is. Ik schrijf u, gij jongelingen! want gij hebt den booze overwonnen.
14 Ik schrijf u, kinderen! want gij hebt den vader gekend. Ik heb u geschreven, vaders! want gij hebt Dien gekend, die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het woord Gods blijft bij u, en gij hebt den booze overwonnen.
12 Kinderkens. Dit is nog altijd een algemeene rede. Want hij spreekt niet alleen aan de teere jonkheid, maar in 't gemeen noemt hij kinderkens de menschen van wat ouderdom zij zijn, gelijk hij doet in het eerste hfdst. en een weinig hierna. Dit zeg ik hierom, dat de uitleggers dit verkeerdelijk alleen verstaan van de kinderen, daar toch Johannes in de Grieksche taal van de kinderen sprekende, een ander woord zal gebruiken dan hier, welk woord als op de jeugd zal passen. Maar hier als een geestelijk vader noemt hij kinderkens, zoowel de ouden als de jongen. Hij zal wel terstond aan el-ken ouderdom bijzondere waarheden toeschikken, dan, zij dwalen die
157
158 JOHANNES 2 ; 12, 13.
met deze plaats willen beginnen. Maar veelmeer voert hij wederom in deze leer van de genadige vergeving der zonden, (die eigenlijk een leer des geloofs is) opdat ze door de voorgaande vermaning niet zou verduisterd worden. Gelijk men waarlijk dit fundament altijd moet vast houden, dat alleen in de genade van Christus onze zaligheid gelegen is. Men zal wel drijven de heiligheid des levens, naarstig bevelen de vreeze Gods, de menschen zal men scherpelijk prikkelen tot boete, men zal hen aanprijzen de nieuwheid des levens, met de vruchten daaraan verbonden, toch zal men altijd toezien, dat de leer des geloofs (die ons Christus stelt als den eenigen aanvanger of aandiener der zaligheid) niet verstikt worde: maar men zal veel meer deze matigheid houden, dat het geloof altijd het voornaamste deel heeft. Johannes schrijft ons deze wet voor, als hij van de goede werken ernstig gepredikt hebbende, opdat hij evenwel denzelven niet meer toegeve, dan het behoort, ons wederom zoo zorgvuldig roept tot de genade van Christus. De zonden worden u vergeven. Zonder dit betrouwen is de schijn der godvruchtigheid niet anders dan een ongestadige bare der zee, en een schaduw, ja zij, die de genadige vergeving der zonden bezijden stellende, andere dingen zeer drijven, bouwen zonder fundament. Intusschen verklaart Johannes, dat er niet bekwamers is om de menschen tot de vreeze Gods op te wekken, dan als zij wel geleerd zijn, wat goeds hun Christus aangebracht heeft. Gelijk Pau-lus Fil. 2 : 1, bidt door de ingewanden der barmhartigheid Gods. Waaruit blijkt wat eene snoode lastering der papisten het is, die voorwenden, dat de naarstigheid van weldoen verkoelt, als men de leer van de vergeving der zonden uit genade verheft, welke toch alleen gehoorzame kinderen Gods maakt. Want hieruit neemt hij stof te vermanen, dewijl wij zulk een goedwilligen God te ons-waart kennen, dat Hij ons de zonden niet toerekent. Om z{jnen naam: de bewegende of verdienende oorzaak wordt daarbij geschreven, opdat wij geene andere middelen zoeken, die ons met God verzoenen mochten. Want het is niet genoeg vast te houden, dat ons God de zonden vergeeft, tenzij wij straks komen tot Christus, en tot dien prijs, dien Hij aan het kruis voor ons betaald heeft. Dit moeten wij te meer acht nemen, omdat wij zien dat door satans list en de booze versierselen der menschen deze weg gestopt is, als de dwaze menschen met verscheiden genoegdoeningen God willen behagen, en ontallijke manieren van verzoeningen verdichten om zich te verlossen. Want zoo vele middelen wij invoeren, om Gods genade of vergeving te verdienen, zoo vele verhinderingen zijn er, die ons van den toegang tot God afhouden. Hierom is Johannes niet tevreden, dat hij eenvoudig geleerd heeft hoe ons God de zonden vergeeft, maar hij doet daar uitdrukkelijk bij, dat Hij ons genadig is om Christus' wil, opdat Hij alle andere middelen uitsluit. Wij ook, opdat wij dezer weldaad genieten, moeten noodzakelijk achterwege laten en vergeten alle andere namen, en alleen den naam van Christus omhelzen.
13 Ik schryf u, vaders! Nu daalt hij af tot de optelling der leeftijden, opdat hij toone hoe het den enkelen past wat hij leert. Want een algemeene rede beweegt somtijds niet genoeg, ja zoodanig is onze boosheid, weinigen zijn daar, die achten hun gezegd te zijn, wat in het gemeen allen gezegd wordt. De ouders onttrekken zich
' I
JOHANNES 2:13, 14.
om 't meest, alsof zij te oud waren te leeren. De kinderen weigeren te lijk hooren, als daartoe nog niet rijp zijnde. Die van middelbaren leefing tijd zijn, dewijl zij met andere bekommeringen bezig zijn, stellen ent het hart hierop niet. Opdat dan niemand zich onttrekke, zoo ize schikt hij het Evangelie tot ieders nut. Doch hij teekent aan drie ns, leeftijden, welke indeeling van het menschelijk leven meest in gelijk bruik is. Waarom ook dat beroemde koor der Lacedemoniërs drie ns, orden had, waarvan de eerste zong: wat gij zijt, zullen wij worden, en, Het laatste zong: wat gij zijt, zijn wij geweest, en het middelste in- zong: wij zijn, wat die geweest zijn, en de anderen zijn zullen. In len deze drie graden of staten verdeelt Johannes den loop des men-or- schelijken levens, en begint van de ouders, zeggende, dat hun het an Evangelie toekomt, wijl zij daaruit kunnen leeren den eeuwigen ;n- Zone Gods. De korselheid der oude lieden is wel bekend, en in-jm zonderheid, dewijl zij hun wijsheid schatten uit de menigte der jaren, en zoo worden zij onleerzaam. Bovendien heeft Horatius in zijn »Poeier tische kunstquot; terecht in de ouderen wel aangemerkt, dat zij prij-ee, zende den tijd hunner kindsheid, verwerpen al wat men doet of )e- zegt. Tegen dit gebrek gebruikt Johannes een wijs medicijn, als hij la- leert, dat in het Evangelie begrepen wordt eene wetenschap die )m oud is, maar die ons ook leidt tot de eeuwigheid Gods zelf, waar-zei uit volgt dat hier niets is wat zij mogen verachten. Dat hij zegt ui- hoe Christus van den beginne geweest is, duid ik zoowel op zijne Js. Goddelijke tegenwoordigheid, waarin hij met den Vader eeuwig is, lie als op de kracht, waarvan de apostel spreekt, Hebr. 13:8, als hij de zegt, dat Hij geweest is gisteren, gelijk Hij heden is. Alsof hij zeidef ch Zoo u de oudheid behaagt, gij hebt Christus die vóór alle oudheid hij is, daarom schaamt u niet zijne leerjongers te zijn, die in zich alle is- eeuwen begrijpt. Intusschen is op te merken welke de rechte oude ;n religie is, namelijk die in Christus gegrond is. Want anderszins zal e- het getal, hoe groot ook, weinig jaren gelden, zoo het zijn oor-nd sprong heeft uit de dwaling. Ik schrijf u, jongelingen! Hoewel at het woord beteekent jongelingkens, zoo is het nochtans zeker dat hij is, spreekt tot allen die in hun jeugd en besten stand des levens zijn. ft. Ook weten wij, dat de jonkheid zoo overgegeven is aan de ijdele as zorgen dezer wereld, dat ze weinig denkt aan het rijk Gods. Want is, de jeugd des verstands en de sterkte des lichaams maken ze eenigs-Q- zins dronken. Hierom leert hen de apostel, waarin de rechte sterkte ;n gelegen is, opdat ze zich naar hun gewoonte niet langer in wat m vleesch is, verheugen. Gij zijt sterk, zegt hij, want gij hebt ;n den booze overwonnen. En waarlijk dit is de sterkte, die men is behoort te begeeren, namelijk de geestelijke. Daarbenevens geeft is hij te kennen, dat men ze van niemand hebben kan dan van Chris-it tus. Want hij verhaalt de goederen, die wij uit het Evangelie ont-;n vangen. Hij zegt hoe zij overwonnen hebben, die nog bezig zijn i- met vechten, of oorlogen. Maar het gaat met ons heel anders dan n met degenen, die onder der menschen banier krijgen. Want zij kampen op het onzekere, en de afloop van den oorlog is onzeker, ;r maar wij, eer wij den vijand toetreden, zijn aireede overwinnaars, t. want Christus ons Hoofd heeft eenmaal voor ons de gansche wereld )- overwonnen.
e 14 Ik schrjjf u, kinderen! De kinderen behoeven door anderen
h geregeerd te worden. Aldus besluit de apostel, dat liet Evangelie
159
i
JOHANNES 2 : 14, 15.
den kinderen zeer wel dient, wijl zij daarin een vader vinden. Nu zien wij hoe des pausen tirannie uit den duivel is, die alle men-schen van wat ouderdom zij zijn, met dreigementen afdrijft van de leer des Evangelies, waartoe dat ze de Heilige Geest nochtans zoo ernstig roept. Dan deze dingen, die de apostel hier bij stukken uitdeelt, zijn algemeene, want wij allen vloeien weg tot de ijdelheid, zoo onze vastigheid niet steunt op Gods eeuwige waarheid, Daar is niet broosers noch bouwvalligers dan wij, tenzij de kracht van Christus in ons woont. Wij zijn allen te zamen weeskens, totdat wij door het Evangelie komen tot de aanneming der kinderen Gods uit genade. Wat hij dan van de jongeren verkondigt, dat is ook den ouderen gemeen. Doch hij heeft op ieder in het bijzonder willen toepassen wat hun meest noodig was, om te toonen dat zij allen zonder uitzondering, de leer des Evangelies van noode hebben. Ik heb u geschreven. Deze herhalingen acht ik overbodig te zijn. En het is waarschijnlijk, dat, toen de ongeoefende lezers ten onrechte meenden, dat hij tweemaal van de kinderen gesproken had, zij de andere twee deelen onbedachtelijk daarbij gesteld hebben. Hoewel het ook zijn kan, dat Johannes zelf de rede van de jongelingen tot meerder versterking ten tweeden male daarin gevoegd heeft, (want hij voegt er bij, dat ze sterk z|jn, hetwelk hij tevoren niet gezegd had) en dat de opschrijvers onbedachtelijk het getal hebben willen aanvullen.
15 Hebt de wereld niet lief, nocli de dingen, die in de wereld zijn: zoo iemand de wereld liefheeft, in hem is de liefde des Vaders niet.
16 Want al wat in de wereld is (namelijk de begeerlijkheid des vleesches, en de lust der oogen, en de pracht des levens) is van den Vader niet, maar van de wereld.
17 En de wereld gaat voorbij, met hare begeerlijkheid, maar die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid.
Hij had tevoren gezegd, dat dit is de eenige regel om godzalig te leven, namelijk God liefhebben. Maar dewijl wij met de ijdele liefde der wereld bevangen zijnde, al onze zinnen tot wat anders keeren, zoo moet die ijdelheid eerst uit ons getrokken zijn, opdat Gods liefde in ons regeere. Zoolang onze zinnen niet gezuiverd zijn, zal het niet baten of ons al wel honderdmaal de voorgaande prediking verhaald werd. Even alsof gij water stort op een ronde bol, gij zult daarvan niet een droppel kunnen vergaderen, want daarop is niets dat hol is om het water te houden. Door het woord wereld, verstaat hij alles wat dit leven aangaat, hetwelk van het rijk Gods en hope des eeuwigen levens afgezonderd is. Alzoo bevat ze in zich allerlei verdorvenheden, en een afgrond van alle kwaad. In de wereld zijn wellusten, brooddronkenschappen, en alle aanlokse-len, waarmede de mensch gevangen wordt, dat hij zich van God onttrekke. De liefde der wereld wordt hier zoo streng veroordeeld: want als wij niets aanzien dan de aarde, zoo moeten wij noodzakelijk God en onszelven vergeten. En waar zulke verkeerde begeerte regeert, en den mensch verstrikt houdt, alzoo, dat hij niet denkt op het hemelsche leven, daar is een beestelijke verstoktheid.
160
JOHANNES 2:16, 17.
Zoo iemand de wereld liefheeft. Hij toont met een bewijs van het tegendeel, hoe noodig het is de liefde der wereld weg te werpen, zoo wij Gode behagen willen. En hetzelve bewijst hij daarna met een reden, genomen van wat daartegen strijdt, wijl wat der wereld eigen is, ganschelijk verschilt van God. Wij moeten vasthouden wat ik aireede gezegd heb, dat hier aangewezen wordt een onheilig opzet des levens, dat niets gemeens heeft met het rijk Gods, wanneer de menschen zoo ontaarden, dat zij tevreden zijnde met dit tegenwoordig leven, niet meer denken aan het onsterflijk leven dan het onvernuftige vee. Zoo wie zich dan alzoo een slaaf maakt der aardsche begeerlijkheden, die kan Gode niet toe-behooren.
16 Namelijk, begeerlijkheid des vleesches. Johannes heeft deze drie dingen gesteld als exempelen, opdat hij kortelijk zou aantoo-nen, hoedanig de begeerten en bedenkingen dergenen zijn, die der wereld leven. Of dit nu een volle en geheele verdeeling is, daaraan is niet veel gelegen, hoewel gij niet ée'n wereldsch mensch zult vinden, in welken deze lusten, of ten minste een derzelve niet regeert. Laat ons nu verder bezien, wat hij door elk verstaat. Het eerste deel pleegt gemeenlijk van alle kwade begeerlijkheden uitgelegd te worden, dewijl het vleesch de gansche verdorven natuur des menschen beteekent. Wat mij aangaat, hoewel ik met niemand twisten wil, zoo wil ik nochtans niet verbergen, dat een andere zin mij behaagt. Als Paulus verbiedt Rom. 13 : 14, dat men het vleesch niet verzorgen zal tot begeerlijkheden, dunkt mij, dat dit de beste uitlegging dezer plaats is. Wat is daar het vleesch ? Namelijk, het lichaam met al wat er bij komt. Wat is dan de begeerte des vleesches, dan wanneer de aardsche menschen, die zachtelijk en gemakkelijk begeeren te leven, alleen naar hun gerief jagen ? Men weet wel uit Cicero en anderen, hoe Epicurus de begeerlijkheden in drieën gedeeld en onderscheiden heeft. Sommige maakt hij natuurlijk en noodzakelijk, andere natuurlijk, doch niet noodzakelijk, de derde noch natuurlijk, noch noodzakelijk. Maar Johannes, die wel geweten heeft hoe ongeordend des menschen hart is, veroordeelt vrijelijk de begeerte des vleesches, omdat ze altijd zoo ongeregeld uitloopt, en geen mate houdt. Daarna komt hij trapsgewijze tot de grover gebreken. De begeerlijkheid der oogen, houdt naar mijn oordeel in zoowel het onkuisch aanschouwen als de ijdelheid, die in de yjracht en ijdelen schijn bedreven wordt. Als het laatste volgt hoogmoed of hoovaardigheid, waarmede gevoegd is eergierigheid, beroeming, verachting van anderen, blinde liefde voor zich zelf, lichtvaardige vermetelheid, enz. Dit is de zaak: zoo haast de wereld zich aanbiedt, dat alle onze begeerten (gelijk ons hart verkeerd is) als ongetemde beesten daarheen gehitst worden, dat alzoo in ons regeeren verscheiden begeerlijkheden, welke alle tegen God zijn.
161
17 Doch de wereld gaat voorby. Dewijl in de wereld niets is, dan wat bouwvallig en kortstondig is, hieruit besluit hij hoe kwalijk en ellendig zij zich voorzien, die hun gelukzaligheid hierbeneden stellen, voornamelijk, aangezien God ons roept tot de zalige heerlijkheid des eeuwigen levens. Alsof hij zeide: de rechte gelukzaligheid, die God zijnen kinderen aanbiedt, is eeuwig. Zoo is het ons dan niet waard in de wereld gewikkeld te zijn, die haast verzwindt met al hare goederen. Begeerlijkheid, leg ik hier uit voor wat begeerd
11
Di. vm.
JOHANNES 2 : 17, 18.
wordt, en de begeerten der menschen tot zich trekt. De zin is: Zoo wat in de wereld het kostelijkste en wenschelijkste geacht wordt, dat is maar een schaduw en schijnsel. Als hij zegt, dat ze eeuwig blijven, die den wil Gods doen, zoo verklaart hij, dat ze eeuwig zalig worden, die naar God staan. Zoo iemand hiertegen werpt dat daar niemand is, die doet wat God gebiedt, het antwoord is gereed, dat hier niet gehandeld wordt van de volmaakte onderhouding der wet, maar van de gehoorzaamheid des geloofs, die, ofschoon zij niet volmaakt is, Gode nochtans wel gevalt. De wil Gods wordt ons vooreerst in de wet getoond, maar dewijl niemand der wet genoeg doet, zoo kan daaruit geen zaligheid gehoopt worden. Maar Christus komt den wanhopenden te gemoet met een nieuw onderstand, die ons niet alleen door. zijn Geest wederbaart, opdat wij Gode gehoorzaam zijn, maar ook maakt, dat ons pogen, hoedanig het zij, den lof der volkomene gerechtigheid verkrijgt.
18 Kinderkens! het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt. dat de antichrist komen zal, alzoo zijn er nu vele antichristen geworden; daaruit weten wij, dat het de laatste ure is.
19 Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren van ons niet; want zoo zij van ons geweest waren, zij waren ook bij ons gebleven: maar opdat zij openbaar werden, dat ze niet allen van ons waren.
iB De laatste ure. Hij versterkt de geloovigen tegen de ergernissen, die hen beroeren konden. Daar waren aireede verscheidene secten opgestaan, die de eenigheid des geloofs verscheurden, en de gemeenten verstrooiden. De apostel bevestigt niet alleen de geloovigen, dat ze niet wankelen, maar keert dit alles tot een tegenovergesteld einde. Want hij vermaant ze, dat nu de laatste tijd voorhanden is, en daarom wekt hij ze op tot meerdere wakkerheid. Alsof hij zeide; Dewijl daar opstaan verscheidene dwalingen, zoo behoort gij meer te ontwaken, dan te vervallen. Want hieruit is te besluiten, dat Christus niet verre is. Laat ons dan daarop zijn, dat wij Hem verwachten, opdat Hij ons onvoorziens niet overvalle. Alzoo moeten wij in dezen tijd ons opmaken, en de aanstaande komst van Christus met het geloof aangrijpen, als nu satan alle ding verwart, om de gemeente te verstoren; want dit zijn de teekenen van den laatsten tijd. Maar aangezien er na den dood van Johannes zoo vele eeuwen voorbij zijn, zoo schijnt deze profetie van Johannes onwaar te wezen. Ik antwoord, dat de apostel naar de gemeene wijze der Schrift den geloovigen aankondigt, dat daar nu niets overig is, dan dat Christus verschijnt tot verlossing der wereld. Dewijl hij evenwel geen zekeren tijd stelt, zoo heeft hij de menschen van zijn tijd met geen ijdele hope gelokt, en heeft ook voor het toekomende niet willen verkorten den loop der gemeente, en het verloop van zoovele jaren, waarin de gemeente totnogtoe in de wereld geleefd heeft. En waarlijk, zoo de eeuwigheid des rijks Gods ons voor oogen is, daar is geen gedurigheid zoo lang, die niet is als een oogenblik. Wij moeten verstaan de meening des apostels, dat hij noemt den laatsten tijd, waarin alles zoo vervuld is, dat er niets overblijft dan de laatste openbaring van Christus. Gij hebt gehoord, dat de antichrist. Hij spreekt als van een bekende zaak, waaruit licht is af te leiden, dat
162
JOHANNES 2 : 18.
163
Zoo de geloovigen van den beginne geleerd en gewaarschuwd zijn ge-rdt, weest van de toekomende verwoesting der gemeente, deels opdat w|o zij zich zouden houden bij het geloof eenmaal aangenomen, deels W1g ook opdat zij de nakomelingen zouden onderrichten, dat ze zich srpt wachtten. Want God heeft gewild, dat zijne kerk alzou zou verzocht i is worden, dat niemand nochtans dan wetens en willens zou vervoerd 'Ou- worden, en dat er geen verontschuldiging ware van onwetendheid, oon Toch zien wij, hoe bijna de gansche wereld bedrogen is geweest, )rdt alsof nooit een woord van den antichrist vermeld ware. Ja ook in ge- het pausdom, daar is niets zoo ruchtbaar en gemeen, als dat de .aar antichrist komen zou: intusschen zijn zij zoo verstompt, dat ze zijn ier- tirannie, die hun op den hals ligt, niet gevoelen. Het gaat even wij met hen, als met de Joden. Want dezen, hebbende de beloften van Lmg den Messias, zijn nochtans verder van Hem, dan wanneer zij nooit zijn naam gehoord hadden, want de Messias, dien zij zich hebben ingebeeld, keert hen geheel af van den Zone Gods. En zoo hun ebt, iemand uit de wet en profeten Christus toonen wil, die zal ver-3ten geefschen arbeid doen De papisten beelden zich in een antichrist, die de kerk drie en een half jaar kwellen zal. Alle teekenen, waar-^ant mede de Geest Gods den antichrist aanwijst, blijken klaarlijk in ge- den paus. Maar de antichrist van drie jaren houdt die dwaze pa-van pisten zoo bezig, dat ze ziende niet zien. Laat ons dan gedenken, dat de antichrist niet alleen van den Geest Gods verklaard is. maar dat hij ook daarbenevens met zulke teekenen beschreven is, dat ?er- men hem lichtelijk kan onderkennen. Ook nu vele. Dit kon schijnen ene als verbetering daarbij gedaan te zijn, alsof zij valschelijk meenden, de dat het eenig rijk zou zijn, maar het is alzoo niet. Het is wel zoo, ;en, dat het een razernij is van degenen die meenen, dat het alleen een teld mensch wezen zou. Maar als Paulus spreekt van den toekomenden is, afval, getuigt hij openlijk, dat het zijn zal een zeker lichaam, of een de: samenspannende hoop volks en een rijk, 2 Thess. 2:3. In het leer begin voorzegt hij den afval, die der gansche gemeente zal doordat dringen, dat het zij als een algemeen kwaad. Daarna stelt hij den /er- tegenpartijder van Christus tot een hoofd des afvals, die in den tempel ;ten Gods zitten zal, zich als God uitgevende, en Goddelijke eer aan-stus trekkende. Zoo wij niet moedwillig willen dwalen, laat ons den anti-de christ leeren kennen uit de beschrijving van Paulus, die ik te sten zijner plaatse uitgelegd heb. Nu is het genoeg dien in 't voorbijgaan wen aan te roeren. Maar hoe zal dit overeenkomen met de woorden sen. van Johannes, die zegt dat er aireede velen zijn? Ik antwoord, dat den Johannes niet anders wil zeggen, dan dat daar nu bijzondere secten 3tus opstaan, die voorboden zijn der toekomende verwoesting. Want ren Cerinthus, Basilides, Marcion, Valentinus, Ebion, Arius en an-ope deren, waren een deel van dat rijk, 'twelk de duivel daarna tegen â ten Christus opgericht heeft. Om eigenlijk te spreken, de antichrist was irm nog niet voorhanden, maar hij broedde heimelijk zijn verborgen zoo goddeloosheid, 2 Thess. 2 : 7. Maar Johannes gebruikt dezen naam, een opdat hij de naarstigheid en zorgvuldigheid der godvruchtigen te ;ten meer scherpe, om dat bedrog te mijden. Is het nu alzoo, dat de tijd, Geest Gods van toen beveelt op de wacht te staan, als zij maar tste alleen van verre zagen de teekenen des toekomenden vijands, zoo Hij is het nu veel minder tijd om te slapen, als hij de gemeente met een dat gruwzame tirannie verdrukt houdt, en openlijk tegen Christus ingaat.
JOHANNES 2 : 19.
19 Zjj zjjn van ons uitgegaan. Hij voorkomt de andere tegenwerping, dat de kerk die pesten scheen voortgebracht te hebben, en een tijdlang in den boezem gevoed te hebben. Want waarlijk dit is veel krachtiger om de zwakken te beroeren, zoo iemand met ons het ware geloof beleden hebbende, afwijkt, dan of duizend van die buiten zijn tegen ons samenspanden. Doch zóó erkent hij, dat ze uit den schoot der kerken gesproten zijn, dat hij nochtans zegt hoe zij nooit van de kerk geweest zijn. De reden dezer tegenwerping wordt aldus belegd, dat de kerk dezer ellende altijd onderhevig is, dat zij vele hypocrieten dragen moet, die in waarheid Christus niet hebben, ofschoon zij wel zijn naam voor een tijd in den mond hebben. Wanneer hij zegt; Zij zijn van ons uitgegaan, geeft hij te kennen, hoe ze tevoren in de- kerk hunne plaats gehad hebben, en onder de godzaligen geteld zijn. Toch zegt hij, dat ze van ons niet geweest zijn, wijl zij valschelijk den naam der geloovigen voorgewend hebben. Gelijk het kaf, hoewel het onder de tarwe op den dorschvloer vermengd is, nochtans onder de tarwe niet gerekend wordt. Waren zij van ons geweest. Hij verklaart openlijk, dat die afwijken nooit lidmaten der gemeente geweest zijn. Evenwel blijft het zegel Gods vast, waaronder Hij de zijnen bewaart, gelijk Paulus zegt, 2 Tim. 2 : 19. Maar hier rijst een zwarigheid. Want het geschiedt dat velen, die Christus schenen aangenomen te hebben, afvallen. Ik antwoord, dat daar drie trappen zijn dergenen, die het Evangelie belijden. Want daar zijn, die de godzaligheid veinzen, daar zij toch van binnen met een kwade conscientie gewroegd worden. Anderen zijn er, welker geveinsdheid bedriegelijker is: die niet alleen hun zaak willen bewimpelen voor de menschen, maar die ook zichzelven de oogen verblinden, zich latende dunken dat zij God recht dienen. De derden hebben een levenden wortel des geloofs, en dragen in het hart een gansch vast getuigenis, dat zij tot kinderen Gods aangenomen zijn. De twee eerste soorten hebben geen vastigheid Johannes spreekt van de laatsten, als hij zegt, dat het onmogelijk is, dat ze van de gemeente vervreemd worden. Want het zegel, dat God in hun hart gedrukt heeft door zijnen Geest, kan niet uitgeschrapt worden. Het onsterfelijke zaad, dat ingeworteld is, kan niet uitgetrokken noch vernield worden. Want hier wordt niet gehandeld van de menschen, maar van Gods standvastigheid, wiens verkiezing vast moet wezen. Daarom zegt hij niet ten onrechte, zoo waar de roeping Gods krachtig is, dat men daar ook zeker volharden zal. In één woord, hij verstaat, dat degenen die afvallen, nooit gansch doortrokken zijn geweest met de kennis van Christus, maar dat zij alleen een kleinen en haast voorbijgaanden smaak daarvan gehad hebben. Opdat zij geopenbaard worden. Hij leert, dat dit is een nuttige en noodige onderzoeking der gemeente, waaruit daarentegen volgt, dat het niet is een billijke oorzaak om beroerd te zijn. Aangezien de kerk is als een dorschvloer, zoo moet het kaf gewand worden, opdat de tarwe zuiver blijve. Dat doet God, als Hij de geveinsden uit de kerk zendt, want dan zuivert Hij haar van het uitvaagsel en de vuiligheden.
20 En gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle ding.
21 Ik heb u niet geschreven, alsof gij de waarheid niet weet, maar omdat gij ze weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is.
164
JOHANNES 2:20, 21.
22 Wie is een leugenaar, dan die looclient dat Jezus de Christus is. Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.
23 Die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet.
De apostel verontschuldigt bescheidenlijk, dat hij ze zoo zorgvuldig vermaant, opdat ze niet meenen van overdwars genepen te worden, als grof en onwetend zijnde van de dingen, die ze wel behoorden te weten. Alzoo kent Paulus den Romeinen wijsheid toe, dat ze ook machtig en bekwaam zijn anderen te vermanen, Rom. 15 : 14. Daar-benevens toont hij, hoe ze niet anders hun opgelegd ambt kunnen uitrichten, dan zoo hij ze vermaant. Nochtans spreken de apostelen aldus niet om te pluimstrijken, maar op deze wijze voorzien zij wijselijk, dat hunne leer van geenerlei geslacht der menschen verworpen wordt, als zij verkondigen dat ze niet alleen den ongeleerden, maar ook den geleerden in de school des Heeren toekomt en nut is. De ervaring zelve leert, hoe weigerachtig der menschen ooren zijn. Zoodanige weigerachtigheid behoort wel verre te wezen van de godvruchtigen. Toch komt het een goeden en voorzichtigen leeraar toe niets na te laten, waarmede hij zich bij allen goed gehoor maakt. Dit is zeker, dat wij met minder aandacht en eerbied aannemen wat er gezegd wordt, zoo wij achten, dat die spreekt, ons niet toegeeft dat verstand, dat wij van God ontvangen hebben. Benevens dit, zoo verwekt ook de apostel met dezen lof de lezers, dewijl die, welke met verstand begaafd zijn, minder verontschuldiging hebben, zoo zij niet meer dan de anderen toenemen. Dit is de sluitrede, dat de apostel ze niet leert als onverstandigen en leerkinderen, maar dat hij hen in gedachtenis brengt wat zij tevoren weten. Ten andere, dat hij ze vermaant, zij zullen die vonkskens des Geestes opwekken, opdat de volle glans in hen lichte. En hij verklaart zichzelven in de naastvolgende woorden, zeggende, dat hij daarom niet geschreven heeft, dat zij de waarheid niet weten, maar dat zij daarin wel geleerd zijn. Want waren zij gansch grof en nieuwelingen geweest, zij hadden deze leering niet kunnen vatten. Dat hij zegt, hoe zij alle ding weten, zal men niet verstaan in 't gemeen van alle zaken, maar men zal het alleen verstaan van wat deze plaats medebrengt. Verder, als hij zegt: Zij hebben de zalving van den Heilige, ik twijfel niet of hij ziet op de oude figuren. Want uit het heiligdom wordt de olie genomen, om de priesters te zalven. En Daniël, hfdst. 7 ; 24, schrijft dat de komst van Christus de eigen tijd is van het heilige der heiligen te zalven. Want daartoe is Hij van den Vader gezalfd, opdat Hij uit zijne volheid daarvan op menigerlei wijs en overvloedig in ons zou uitstorten. Hieruit volgt, dat de menschen niet recht wijs worden door hun eigen scherpzinnig verstand, maar door de verlichting des Geestes. Daarenboven, dat wij des Geestes niet anders deelachtig worden dan door Christus, die het ware heiligdom is en onze eenige priester.
2i En dat geen leugen. Hij geeft hun toe, dat ze oordeelen kunnen om de waarheid van de valschheid te onderscheiden. Want dat de leugen verschilt van de waarheid is geen vraag der dialectica (gelijk men in de scholen algemeene regelen geeft) maar het is een rede dienende tot beoefening en gebruik. Alsof hij zeide, dat zij niet alleen weten wat waar is, maar dat zij ook tegen de listen en bedrog der goddeloozen gewapend zijn, om zich wijselijk
165
JOHANNES 2:21, 22.
te wachten. Maar hij spreekt niet alleen van één of ander soort van leugen, maar wat bedrog satan ook aanricht, en van wat zijde hij ze kan bespringen, zoo zegt hij, dat ze den Geest tot een leidsman hebbende, lichtelijk zullen onderscheiden het licht van de duisternis.
22 Wie is leugenachtig. Hij zegt niet, dat die alleen leugenachtig zijn, die loochenen dat de Zoon Gods in het vleesch verschenen is, (opdat zich niemand te zeer kwelle dezen knoop te ontbinden) maar dat hij allen anderen te boven gaat. Alsof hij zeide: Wordt dat geen leugen geacht, zoo kan daar niets voor leugen gehouden worden. Gelijk wij gemeenlijk plegen te spreken; Zoo de trouweloosheid tegen God en de menschen geen lasterstuk is, wat zullen we dan een lasterstuk heeten. Wat hij nu in het gemeen van de valsche profeten aangeroerd had, brengt hij nu op de gelegenheid zijns tijds. Want hij wijst ze met den vinger aan, die de gemeente verstoorden. Dat de oude schrijvers meenen, dat Cerinthus en Carpocrates aangewezen worden, neem ik lichtelijk aan. Doch de verloochening van Christus strekt ver, want het is niet genoeg met één woord te bekennen dat Jezus de Christus is, hetzij dat men Hem zoo kenne, als Hem de Vader ons in het Evangelie aanbiedt. Die twee, die ik genoemd heb, gaven den Zoon Gods den naam Christus gezalfde, dan, zij versierden dat hij bloot mensch was, evenals daar anderen waren, als Arius, die Hem wel versierden met den naam Gods, en Hem nochtans van zijn eeuwige Godheid beroofden. Marcion droomde dat Hij alleen de gedaante van een mensch had. Sabellius heeft verdicht, dat Hij van den Vader niet verschilde. Die allen hebben den Zoon Gods geloochend, want niemand van hen heeft den geheelen Christus oprechtelijk bekend, maar zijne waarheid (zooveel als in hen was) vervalschende, hebben zij zich in stede van Christus, een afgod gesmeed. Daarna is Pelagius uitgebroken, welke wel geen twist roerde aangaande het wezen van Christus. Hij liet wel toe, dat Hij God en mensch was: maar hij schreef bijna de gansche eer van Christus ons toe. Dit is toch Christus tot niet maken, als zijne genade en kracht vernietigd wordt. Alzoo ook hedendaags de papisten stellende den vrijen wil tegen de genade des Heiligen Geestes, een deel der gerechtigheid en zaligheid stellende in de verdiensten der werken, en inbeeldende ontallijke voorspraken, door welke zij een genadigen God hebben mogen, dezen hebben, ik weet niet wat versierden Christus. Daarentegen met hunne booze versieringen schenden zij dat levend en waarachtig beeld Gods, hetwelk in Christus lichten zou. Zij verzwakken ook zijn kracht, en zij verdonkeren en verkeeren zijn ambt. Nu zien wij, hoe Christus verloochend wordt, zoo dikwijls als Hem wordt afgehaald wat Hem eigen is. Gelijk nu Christus het einde der wet en des Evangelies is, en in Zich besloten heeft alle schatten der wijsheid en des verstands, alzoo is Hij ook het doelwit, waarop alle ketters mikken, om daarop hunne pijlen te schieten. Hierom is het met recht, dat de apostel tot eerste bedriegers verklaart degenen, die Christus bevechten, aangezien de volle waarheid in Hem aangeboden is. Deze is de antichrist. Hij spreekt niet van het hoofd des af-vals, dat den stoel Gods zou innemen. Maar zoo wie pogen Christus te verkeeren, die stelt hij onder dat booze rot. En opdat hij hun lasterstuk te zwaarder make, zoo verklaart hij dat zoowel de Vader als de Zoon van hen geloochend wordt, alsof hij zeide.
166
JOHANNES 2:23.
oort dat ze geene religie meer hebben, wijl zij ganschelijk God verwor-le hij pen hebben, hetwelk hij daarop bevestigt met eene bijgevoegde man reden, namelijk, dat de Vader van den Zoon niet kan gescheiden rnis. wezen. Dit is een heerlijke spreuk, die onder de voornaamste stuk-:htig ken onzer religie moet gehouden worden. Ja, nadat wij beleden n is, hebben, dat daar een God is, moet er dit tweede stuk noodzakelijk naar bijgevoegd worden, dat daar geen ander God is, dan die in Chris-jeen tus gekend wordt. Toch disputeert de apostel hier niet scherpzin-den. nig van de eenigheid des wezens. Dit is wel waar, dat de Zoon als beid eenswezens zijnde, van den Vader niet kan gescheiden worden; dan maar hier wordt nu wat anders verhandeld, namelijk, dat de Vader, sche die anderszins onzienlijk is. Zich in den Zoon alleen geopenbaard ijds. heeft. Vandaar ook Christus des Vaders beeld genoemd wordt, den. omdat Hij ons voorstelt en aandient alles wat ons nut is van den ian- Vader te kennen. Want de bloote majesteit Gods zal altijd met ling haren onmetelijken glans onze oogen verblinden. Daarom moet men 1 te noodzakelijk op Christus zien. Hij is de toegang tot dat licht, dat me, anders met recht ontoegankelijk wordt genoemd. Ik zeg wederom die dat hier niet aangeroerd wordt een scherpzinnige disputatie van fde, het eeuwig wezen van Christus, hetwelk Hij alleen met den Vader ren heeft. Deze plaats is wel meer dan genoeg om dat te bewijzen, en Maar Johannes roept ons hiertoe, dat wij ons geloof te werk leg-nde gen, te weten, aangezien God Zichzelven ganschelijk ons over-^eft gegeven heeft in Christus te genieten, dat Hij elders tevergeefs eb- gezocht wordt. Of, zoo iemand het klaarder begeert: aangezien ien de gansche volheid der Godheid in Christus woont, dat buiten Hem 'eel geen God is. Waaruit volgt, dat Turken, Joden, en dergelijken, ris- in de plaats van God een louteren afgod hebben. Want met wat wel namen zij dien God versieren, welken zij aanbidden, nochtans, de-wel wijl zij dien verwerpen, zonder wien men tot God niet kan geraken, :he en in wien God Zichzelven tot ons geheellijk openbaart, wat heb-als ben zij anders dan hun eigen maaksel of versiersel ? Die buiten igs Christus van Goddelijke zaken philosopheeren, laten zij zichzelven jen pluimstrijken in hun bedenkingen, zoo zij willen, het is nochtans de gewis, dat ze maar dwazen zijn, omdat zij het Hoofd niet behouden, )or gelijk Paulus zegt aan de Colossensen, hfdst. 2 : 19. Waaruit lichtelijk eet is af te leiden, hoe noodig de kennis van Christus is. Vele hand-er- schriften hebben de tegengestelde rede: Die den Zoon bekent, enz. et- Maar wijl ik acht, dat ze van eenigen lezer aangeteekend zijnde, in en den tekst geslopen is, heb ik geen zwarigheid gemaakt die achterwege tus te laten. Doch zoo het behaagt, dat men ze daar invoege, zoo zal 'at de zin zijn: Dat daar geen andere wettige bekentenis Gods is, m- dan als de Vader in den Zoon bekend wordt. Zoo iemand bieren tegen werpt, dat velen der oude vaderen van God recht geoordeeld ;rs hebben, aan wie nochtans Christus onbekend was, ik sta toe, dat iet de kennis van Christus niet altijd zoo klaar is uitgelegd geweest, lie Evenwel houd ik staande, hoe het altijd waarachtig geweest is, geen lijkerwijs het licht der zon tot ons door de stralen uitgespreid wordt, if- dat alzoo de kennis Gods door Christus alleen is medegedeeld geweest. 2n
at 24 Hetgeen gij nu gehoord hebt van den beginne, dat blijve bij
el u. Indien bij u blijft wat gij van den beginne gehoord hebt,
le, zoo zult gij ook bij den Zoon en bij den Vader blijven.
167
JOHANNES 2 : 24, 25.
i) Of: Waar- 25 En dit is de belofte, l) die Hij ons beloofd heeft, namelijk het
mede Hij ons . , ' J
beloofd heeft 66Uwig6 J6V6I1.
26 Dit heb ik u geschreven van degenen, die u verleiden.
27 En de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij behoeft niet dat u iemand leere; maar gelijk u de zalving
2'0okWelke Van a^es 'eer*;i ') z00 het waar en is geen leugen; gelijk
arhtig is.'en zij u geleerd heeft, blijft daarbij.
genachtig1quot; 28 En nu, kinderkens! blijft in Hem; opdat, als Hij geopenbaard
wordt, wij vrijmoedigheid hebben, en voor Hem in zijne tegenwoordigheid niet beschaamd worden.
29 Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig is, zoo weet ook, dat die rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is.
i
Hij voegt een vermaning bij de voorgaande leer, en opdat de i vermaning te krachtiger zij, toont hij de vrucht, die zij uit de ge
hoorzaamheid zullen ontvangen. Zoo vermaant hij ze dan tot standvastigheid des geloofs, opdat zij vast in het hart behouden wat zij geleerd hebben. Maar als hij zegt: van den beginne, is te weten, dat de oudheid alleen geenszins genoegzaam zou zijn om eenige leer te bewijzen. Maar dewijl hij nu getoond heeft, dat ze in het zuivere Evangelie van Christus wel onderwezen zijn geweest, zoo besluit hij terecht, dat ze daarbij behooren te blijven. En deze orde is wel op te merken, want zoo wij niet zouden willen scheiden van de leering, die wij eenmaal aangenomen hebben, hoedanig ze ook zij, dat ware geen standvastigheid, maar een verkeerde hardnekkigheid. Daarom moeten wij een onderscheid hierin maken, opdat de reden onzes geloofs sta op het woord Gods, en laat daar dan volgen eene onbuigzame standvastigheid. De papisten roemen van hun begin, omdat ze hunne superstitiën van kinds af ingedronken hebben. Onder dit deksel geven zij zichzelven toe de openbare waarheid halstarrig te verwerpen. Dusdanige hardnekkigheid leert ons, dat wij altijd zullen beginnen van een leer, die zeker is. Indien in u blijft. Dit is de vrucht der volharding, dat in wie de waarheid Gods blijft, die in God blijven. Waaruit wij afleiden, wat men in , de gansche leer der godzaligheid zoeken zal. Daarom is hij juist
eerst toegenomen, die zoo ver gekomen is, dat hij Gode ganschelijk aanhangt. Maar die, in wien de Vader niet woont door den Zoon, is gansch ledig, en daar steekt niets in, wat wetenschap hij ook hebben mag. Wijders, zoo is dit een uitnemende lof der gezonde leer, dat zij ons met God vereenigt, en dat wij daarin vinden al wat tot de ware genieting Gods behoort. In de laatste plaats geeft hij te kennen, dat dit is de vaste gelukzaligheid, zoo God in ons woont. V,; De wijze van spreken, die hij gebruikt, is twijfelachtig, dat dit de
belofte is, waarmede Hij ons dat eeuwig leven beloofd heeft; of, iquot; dat dit de belofte is, die Hij ons gegeven heeft, namelijk het eeu-
â N wige leven. Maar dewijl, hoe gij het neemt, dezelfde zin blijft, zoo
verkiest wat gij wilt. Hierop komt het uit, dat wij niet anders kun-( . nen leven, dan tot ten einde voedende het zaad des levens, dat in
onze harten ontvangen is. Johannes is zeer overvloedig om dit quot;lyN voorname stuk te leeren, dat in de kennis van Christus niet alleen
het beginsel, maar ook de volmaaktheid des zaligen levens gelegen is. Maar hoe dikwijls dit verhaald wordt, het kan nooit te veel zijn.
- ?
vl
tl
168
â
JOHANNES 2 : 26. 27.
dewijl het openbaar is, hoe dit altijd den menschen is geweest de oorzaak des verderfs, dat ze met Christus niet tevreden zijnde, lust gehad hebben buiten de eenvoudige leer des Evangelies in het wilde te vliegen.
26 Dit heb ik u geschreven. De apostel verontschuldigt zich wederom, dat hij die vermaant, welke met verstand en oordeel anderszins begaafd waren. Maar dit doet hij hierom, opdat zij het oordeels des Geestes daarbij voegen, opdat de vermaning niet onvruchtbaar zij. Alsof hij gezegd had: Ik kwijt mij voor mijn deel, evenwel is het van noode, dat u de Geest Gods in alle dingen leidt: want tevergeefs zal ik met het geluid mijner stem de ooren raken, en veelmeer de lucht slaan, zoo niet Hij van binnen spreke. Als wij hooren, hoe hij van de verleiders geschreven heeft, laat ons altijd opmerken, dat een goed en naarstig herder, niet alleen moet zorg dragen, dat hij de schapen verzamele, maar ook dat hij de wolven verdrijve. Want wat zal het baten, dat men de zuivere stem des Evangelies voortbrenge, zoo wij toch het openbare bedrog des satans door de vingeren zien ? Hierom zal niemand de gemeente getrouwelijk leeren, dan die, welke, zoo hij ziet dat er eenige dwalingen van de verleiders gestrooid worden, daarop toelegt dat hij ze verdrijve. Dat hij zegt: De zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, dat duid ik op Christus.
27 En gij behoeft niet, dat u iemand leere. Johannes ware belachelijk, zoo hij, gelijk ik boven gezegd heb, eene onnutte leering uitstortte. Zoo schrijft hij hun dan zooveel wijsheid niet toe, dat hij ze niet zegt leerjongeren van Christus te wezen. Alleen zegt hij, dat ze niet zoo onwetend zijn, om geleerd te moeten wezen als van onbekende zaken, dat hij hen niet voorhoudt, wat hun de Geest Gods niet van zelfs ingeeft. Alzoo dat de razende menschen dit getuigenis kwalijk grijpen, om daardoor het gebruik van den uiterlijke!! kerkendienst uit te sluiten. Hij zegt, dat de geloovigen geleerd zijnde van den meester, den Heiligen Geest, nu weten wat Hij leert, wat ze niet behoeven als onbekende dingen te leeren. Dit zegt hij om zijne leer in te meerder autoriteit te brengen, als een iegelijk bevindt dat ze met den vinger Gods in zijn hart geschreven is, zoodat hij ze onderschrijven wil of toestaan. Maar aangezien een iegelijk verstand heeft naar de mate des geloofs, en dat het geloof in sommigen klein, in anderen middelbaar, maar in niemand volmaakt is, hieruit volgt, dat niemand zooveel weet, die niet behoeft toe te nemen. Ten tweede is dit de andere nuttigheid der leer: dat wanneer wel de menschen weten wat nut is, wij die nochtans vermanen, en opwekken, opdat ze daardoor te meer bevestigd worden. Want dat Johannes van allen verklaart, dat ze van den Geest geleerd worden, dat moet alzoo in het gemeen niet genomen worden, maar niet wijder kan het verstaan zijn, dan de omstandigheid der tegenwoordige plaats lijdt. In één woord, hij ziet nergens elders op, dan dat hij hun geloof bevestige, als hij ze roept tot de onderzoeking des Geestes, die alleen is de bekwame richter en toestemmer der leer, als Hij ze in onze harten verzegelt, opdat wij zeker zijn mogen dat God spreekt. Want dewijl ons geloof op God zien moet, zoo kan Hij alleen voor Zichzelven getuigen, dat Hij onze harten overrede, dat het van Hem gekomen is, wat onze ooren hooren. En dit is de meening dezer woorden: Gelyk Hjj
169
JOHANNES 2 : 27â29.
u leert, zoo is de waarheid. Namelijk, dat de Geest is als een zegel, waardoor wij van Gods waarheid getuigenis hebben. Als hij daarbij doet, dat het geen leugen is, met dit stukske wijst hij aan het andere werk des Geestes, namelijk dat Hij ons regeert met oordeel en bescheidenheid, opdat wij door de leugen niet bedrogen worden, opdat wij niet twijfelachtig en verward blijven hangen, en opdat wij als in onzekere zaken niet wankelen. Gelijk Hy geleerd heeft, blijft. Hij had gezegd, dat de Geest in hen blijft, nu vermaant hij ze in diens openbaring te blijven, en wijst aan de manier zelve der openbaring. Blijft, zegt hij, in Christus, alzoo u de Geest geleerd heeft. Ik weet dat men gemeenlijk deze woorden anders uitlegt: Blijft in dezelve, die duidende op de zalving. Maar aangezien het verhaal, dat er kort na volgt, alleen Christus toekomt, twijfel ik niet, of hij spreekt hier ook van Christus, 'twelk ook de tekst vereischt. Want de apostel houdt vast aan dit hoofdstuk, dat de geloovigen zouden behouden de zuivere kennis van t Christus, en door geen anderen weg tot God gaan. Intusschen toont hij klaarlijk, dat de kinderen Gods tot geen ander einde van den Geest verlicht worden, dan opdat ze Christus kennen. Indien zij nu daarvan niet wijken, zoo stelt hij voor de vrucht der volharding, namelijk dat ze vrijmoedigheid hebben zullen, om niet beschaamd te worden voor zijn aangezicht. Want het geloof is geen bloote en koude aanneming van Christus, maar een levend en krachtig gevoelen zijner mogendheid, 'twelk een betrouwen voortbrengt. Ook zou het geloof anders niet bestaan, dewijl het dagelijks met zooveel baren overvallen wordt, tenware het zag op de komst van Christus, dat het door diens kracht opgehouden werd, en den conscien-tiën een gerusten staat aanbracht. De aard des betrouwens wordt ook zeer wel uitgedrukt, als hij zegt, dat het onverschrikt dragen kan de tegenwoordigheid van Christus. Want die zich gerustelijk in de zonden toegeven, keeren Gode den rug, en vinden nergens geen vrede in, dan in God te vergeten. Dit is de gerustigheid des vleesches, die de menschen ongevoelig maakt, dat zij van God afgekeerd zijnde, noch van de zonde eenige verschrikking hebben, noch den dood vreezen. Intusschen vlieden zij voor den rechterstoel van Christus. Maar een godvruchtig betrouwen heeft zijne rust alleen in Gods aanschouwen. Waaruit het geschiedt, dat de godzaligen Christus met stil gemoed verwachten, en zijn aanschijn niet vreezen.
29 Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig. Hij keert wederom tot vermaningen, gelijk hij ze door den ganschen brief somwijlen mengt onder de leer, en toont met vele bewijsredenen, dat het geloof noodzakelijk gevoegd is met een heilig en zuiver leven. De eerste is, dat wij geestelijk worden geboren om Christus gelijk te zijn: waaruit volgt dat niemand uit Christus geboren is, dan die rechtvaardig leeft. Hoewel het onzeker is of hij Christus of God meent, als hij zegt, dat ze uit Hem geboren zijn die gerechtigheid doen. Waarlijk, deze wijze van spreken is gebruikelijk in de Schrift, dat wij uit God in Christus geboren zijn. Maar in dien anderen zin is ook niets ongeschikts, dat ze uit Christus geboren zijn, die door zijnen Geest vernieuwd worden.
170
JOHANNES 3:1.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 Ziet, iioedanige liefde de Vader ons gegeven heeft, dat wij i) Auders: kinderen Gods zonden heeten. Daarom kent ons de wereld niet, danige!enz6 omdat zij Hem niet kent.
2 Geliefden! nu zijn wij kindoren Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Doch wij weten, dat, als Hij geopenbaard wordt, wij Hem zullen gelijk zijn: want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.
3 En een iegelijk, die deze hope op Hem heeft, reinigt zichzelven gelijk Hij rein is.
Dit is nu de tweede bewijsreden, genomen van de waardigheid en uitnemendheid onzer roeping. De hemelsche Vader,it is nu de tweede bewijsreden, genomen van de waardigheid en uitnemendheid onzer roeping. De hemelsche Vader,
zegt hij, heeft ons geen kleine eere waardig geacht, als Hij ons tot kinderen aangenomen heeft. Deze zoo groote genade moet in ons ontsteken een lust tot zuiverheid, dat wij Hem mogen gelijkvormig zijn. En het is niet mogelijk, dat degene, die bekent van Gods kinderen te zijn, zich niet zou reinigen. Opdat ook de vermaning des te meer kracht hebbe, zoo verheft hij Gods genade:
want dat hij zegt, dat de liefde gegeven is, daarmede verklaart hij,
hoe dat het louter mildheid is, dat God ons voor zijne kinderen houdt. Want vanwaar komt ons zoodanige waardigheid, dan uit de liefde Gods? Nu wordt hier deze liefde gezegd onverdiend te wezen.
Het is wel oneigenlijk gesproken, maar de apostel heeft liever gewild oneigenlijk te spreken, dan niet uit te spreken wat noodzakelijk moest bekend zijn. In ée'n woord, hij geeft te kennen, dat, hoe overvloediger Gods goedheid over ons uitgestort is, hoe meer wij aan Hem verbonden zijn. Gelijk Paulus, Rom. 12: 1, door Gods barmhartigheid bidt, dat zich de Romeinen Hem offeren tot zuivere offeranden. Intusschen worden wij geleerd, dat alle godzaligen zonder hunne verdiensten en zonder eenig aanzien hunner werken, gelijk ik gezegd heb, tot kinderen aangenomen worden. Want dat de so-phisten zeggen, dat die aangenomen worden, die God tevoren ziet waardig te worden, wordt met deze woorden klaarlijk wederlegd;
want aldus ware het geen onverdiende gave. Dit voorname stuk der leer is inzonderheid waardig onthouden te worden: want aangezien deze aanneming is de eenige oorzaak onzer zaligheid, en dat de apostel getuigt dat ze vloeit uit die loutere en eenige liefde Gods,
zoo blijft hier niets over voor onze waardigheid of verdiensten der werken. Want waarom zijn wij kinderen? namelijk, omdat God ons onverdiend begint lief te hebben, zoo wij toch eerder haat dan liefde waardig zijn. Dewijl nu ook de Geest is het pand onzer aanneming,
volgt hieruit, zoo in ons iets goeds is, dat het zoover er van daan is,
dat men het tegen de genade zou stellen, dat men het haar veeleer zou toekennen. De naam, waarvan hij spreekt, kan geen ijdele titel zijn. Want het is God, die ons met zijn mond kinderen noemt, gelijk Hij Abraham den naam gegeven heeft van de daad zelve. Daarom de wereld. Deze aanvechting bestrijdt zwaar het geloof, dat het zoo verre is, dat wij onder de kinderen Gods gerekend worden, of dat eenig teeken van zoo groote waardigheid in ons gezien worde,
dat ons bijna de gansche wereld voor een spot houdt: zoo kan
171
JOHANNES 3:1,2.
men dan nauwelijks uit den tegenwoordigen staat besluiten, dat God onze Vader is, gelijk de duivel alle lagen legt om deze weldaad te verduisteren. Deze ergernis komt hij tegemoet als hij zegt, dat het nog niet bekend is hoedanig wy nu zijn. omdat de wereld God niet kent: alzoo is het geen wonder, dat ze zijn kinderen veracht: waarvan Izak en Jakob een schoone spiegel geweest zijn. Want al-zoo zij beiden van God verkoren waren, zoo heeft Ismaël Izak bespot en beschimpt. Gen. 21:9, en Ezau heeft Jakob met dreigen en met het zwaard vervolgd, Gen. 27 :41. Hoezeer wij dan in de wereld verdrukt schijnen, zoo staat dan nog onze zaligheid recht en onverzwakt.
2 Nu zijn wij kinderen Gods. Nu komt hij af tot ieders eigen gevoelen. Want schoon ons de goddeloozen niet aanhitsen, dat wij onze hope zouden wegwerpen, zoo is nochtans onze tegenwoordige stand verre van de heerlijkheid der kinderen Gods. Want aangaande het lichaam, wij zijn maar stof en een schaduw, de dood is altijd voor oogen, de ziel is aan ontallijke ellendigheden onderworpen. Alzoo zullen wij in ons altijd een hel vinden. Daarom moeten te noodzakelijker al onze zinnen afgetrokken worden van het aanschouwen der tegenwoordige dingen, opdat de ellendigheden, met welke wij van alle kanten omringd en bijna overvallen zijn, ons niet ontnemen het betrouwen op die gelukzaligheid, die ons nog verborgen is. Want dit is des apostels meening, dat wij kwalijk zouden doen, zoo wij uit den tegenwoordigen stand wilden oor-deelen wat goeds ons God gedaan heeft: maar dat wij met een onwankelbaar geloof moeten houden, wat nog niet verschijnt. Doch wjj weten dat, zoo Hij verschijnt, dat is, wanneer Hij verschijnen zal. Doch dit woord verschijnen wordt hier in een anderen zin genomen dan boven. De apostel zeide even te voren, hoe nog niet geopenbaard is, wat wij zijn zullen, dat de vrucht onzer aanneming tot kinderen verborgen is, wijl onze zaligheid in den hemel is, maar wij zijn verre vandaar vreemdelingen op de aarde, wijl dit ellendig leven, dat dagelijks honderd dooden onderworpen is, zeer verscheiden is van de eeuwige heerlijkheid, die den kinderen Gods betaamt, wijl wij, in dit werkhuis des vleesches op slaafsche wijze gesloten zijnde, verre zijn van de vrije heerschappij des hemels en der aarde, maar nu duidt hij dit stukske, als H|j verschijnen zal, op Christus. Want hij leert juist hetzelfde wat Paulus doet, Col. 3 : 3, waar hij zegt, ons leven is met Christus verborgen, maar wanneer Christus uw leven geopenbaard wordt, dan zult gij ook met Hem verschijnen in heerlijkheid. Ook kan ons geloof anders niet bestaan, dan als het ziet op de toekomst van Christus. Want dit is de oorzaak, waarom God de openbaring onzer heerlijkheid uitstelt, omdat Christus met de kracht zijns rijks nog niet geopenbaard is. Dit is, zeg ik, het eenige middel om ons geloof op te houden, dat wij het beloofde leven lijdzamelijk verwachten. Zoo haast iemand van Christus een weinig afgebogen wordt, die zal noodzakelijk Hem moeten ontbreken. Met het woord weten, wijst hij aan de zekerheid des geloofs, opdat hij het onderscheide van een bloote meening. Ook wordt hier niet aangewezen een gewone of algemeene wetenschap, maar zulk een, die elk in 't bijzonder zich toeëigenen moet, opdat hij zekerlijk besluite, dat hij eenmaal Christus gelijk wordt. Hierom, ofschoon de bediening onzer heerlijkheid tot
172
JOHANNES 3; 2.
173
de komst van Christus opgeschort wordt, zoo is nochtans de kennis daarvan zeer wel gegrond. Gelijk. Hij zegt niet, dat wij zóó zullen gelijk zijn, dat tusschen het hoofd en de leden geen behoorlijk onderscheid zou wezen. Maar wij zullen Hem gelijk zijn, omdat Hij ons vernederd lichaam zijn heerlijk lichaam gelijkvormig zal maken, gelijk Paulus leert, Fil. 3:21. Want de apostel heeft kortelijk willen aantoonen, dat dit het laatste einde is, dat wij tot Gods kinderen aangenomen zijn, namelijk, opdat wat in Christus naar orde voorgegaan is, in ons eindelijk volbracht wordt. Evenwel schijnt het dat de reden, die hij daarbij voegt, zwak is: want zoo het aanschouwen van Christus ons Hem zal gelijkvormig maken, zoo zullen wij niet meer heerlijkheid hebben dan de goddeloozen, die Hem desgelijks ook zien zullen. Ik antwoord, dat dit is een gemeenzaam aanschouwen, hetwelk de goddeloozen zonder verbaasd te zijn niet kunnen verdragen, ja benevens dit, dat zij zullen vlieden en gruwen voor het aangezicht Gods, zijne heerlijkheid zal ze ook de oogen alzoo doorstralen, dat zij beschaamd en verstomd worden. Want wij zien hoe Adam, hebbende een kwade conscientie, Gods tegenwoordigheid vreest, Gen. 3:6. En dat verklaart God bij Mozes in het algemeen van de menschen: niemand zal Mij zien en leven, Exod. 33; 20. Want het kan anders niet geschieden, of Gods majesteit is als een verterend vuur, en moet ons evenals stoppelen verteren. Dit is de weekheid onzes vleesches. Maar zooveel Gods beeld in ons vernieuwd wordt, zoo hebben wij oogen om God te aanschouwen. Nu begint God wel zijn beeld in ons op te richten, maar toch in het hoeveelste deeltje? Zoo kunnen wij dan God van aangezicht tot aangezicht niet zien, dan alle verdorvenheid des vleesches afgelegd hebbende. Hetwelk ook uitgedrukt wordt met dit stukske, geljjk Hij is. Want hij beneemt ons nu niet alle aanschouwen Gods: maar gelijk Paulus zegt, 1 Cor. 13:12: Wij zien nu alleen door een spiegel in een duistere rede. Doch elders onderscheidt hij deze wijze van zien van het aanschouwen der oogen. In één woord, God biedt Zich ons nu aan om gezien te worden, niet gelijk Hij is, maar gelijk onze kleine mate Hem begrijpen kan. Aldus wordt vervuld wat er bij Mozes staat, dat wij Hem alleen zien als van achteren. Ex. 33:23. Want in zijn aanschijn is al te groote glans. Hieren-boven is aan te merken, dat deze reden, die de apostel bijbrengt, genomen is van het gevolg of de vrucht, en niet van de oorzaak. Want hij leert niet, dat wij Hem daarom gelijk worden, omdat wij zijn aanschijn zullen genieten, maar hij toont hoe wij der Goddelijke heerlijkheid deelachtig zullen zijn hieruit, te weten, dat, zoo onze natuur niet geestelijk en met hèmelsche en zalige onsterfelijkheid bekleed ware, dat zij nimmermeer God zoo nabij zou genaken. Toch zal in ons niet zulk eene volmaaktheid der heerlijkheid zijn, dat ons gezicht God gansch zal kunnen begrijpen. Want ook alsdan zal daar zijn een groot verschil in de gelijkmatigheid tusschen Hem en ons. Maar als de apostel zegt: wij zullen Hem zien, gelijk Hij is, wijst hij aan eene nieuwe en onuitsprekelijke wijze van zien, welke wij nu niet deelachtig zijn. Want zoolang wij door het geloof wandelen, zoo zegt Paulus, dat wij vreemdelingen van den Heere zijn, 2 Cor. 5:6. En zoo dikwijls als Hij Zich den vaderen vertoond heeft, zoo is Hij altijd niet in zijn wezen, maar onder uiterlijke teekenen gezien geweest. Zoo zal dan de majesteit Gods in Zich-
174 JOHANNES 3:2 -4.
zelve eerst gezien worden, wanneer het deksel dezer sterfelijke en verderfelijke natuur geweerd zal zijn. Ik onthoud mij van andere scherpzinnige redeneeringen. Want wij zien hoe Augustinus zich hiermede bezighoudt, zoowel in zijn brieven aan Paulina en For-tunatius, als in het tweeëntwintigste boek van s.de Stad Gods,quot; en toch hoe hij er zich niet uitredt. Nochtans is wel opmerkelijk dat hij daar zegt, hoe in deze onderzoeking meer geldt de wijze des levens, dan des sprekens, en dat wij hebben toe te zien, dat, wanneer wij onder elkander twisten, hoe God kan gezien worden, wij niet verliezen den vrede en heiligmaking, zonder welke niemand God zien zal.
3 En die deze hope heeft. Nu besluit hij, hoe de vlijt der heiligheid niet in ons moet verkouden, omdat onze zaligheid nog niet verschijnt, want de hope moet genoeg wezen. Nu weten wij, dat men hoopt dingen die verborgen zijn. Zoo is dan de meening; ofschoon wij nog niet voor oogen hebben tegenwoordig, dat het nochtans niet geschieden kan, zoo wij in Hem hopen, of die hope moet ons verwekken en prikkelen om naar reinheid te staan, want zij drijft ons rechtstreeks tot Christus, dien wij weten een volmaakt exempel der reinheid te zijn.
4 Een iegelijk, die de zonde doet, die doet ook ongerechtigheid; i) Grieksch; en de zonde is ongerechtigheid.
overtreding 5 Maar gij weet, hoe Hij daartoe verschenen is, dat Hij onze
der wet,want zonden zou wegnemen: geen zonde is in Hem.
de zonde is . .. . . ' 0 ,
overtreding o ken iegelijk, die m Hem blijft, die zondigt met; een iegelijk,
der mef'één die zondigt, die heeft Hem niet gezien.
woord, wet-
breiterü, De apostel heeft aireede hierboven getoond, hoe ondankbaar wij tegen God zijn, zoo wij klein achten de eer, dat wij zijne aangenomen kinderen zijn, waarmede Hij ons eigener beweging voorkomt, en zoo wij Hem tenminste niet wederom liefhebben. Daarbenevens heeft hij ook deze vermaning daaronder gevoegd, dat onze goede genegenheid niet moet verminderd worden, omdat de beloofde zaligheid uitgesteld wordt. Dan nu, aangezien de menschen zichzelven meer dan recht is, in 't kwaad plegen toe te geven, zoo berispt hij deze verkeerde toegeving, verklarende dat allen die zondigen, on-gerechtigen zijn en overtreders der wet. Want het is te gelooven, dat er toen geweest zijn, die met zulke liefkozingen hunne gebreken verkleinden, zeggende: Het is geen wonder, dat wij zondigen, wij zijn menschen. Maar daar is groot onderscheid tusschen zonde en ongerechtigheid. De apostel snijdt hun deze ijdele verontschuldiging af, daar hij beschrijft de zonde als overtreding der Goddelijke wet. Want zijn voornemen is een haat en schrik tegen de zonde aan te brengen. Het woord zonde, dunkt sommigen licht, maar ongerechtigheid of overtreding der wet kan zoo haast niet vergeven worden. Toch maakt de apostel alle zonden niet gelijk, als hij van ongerechtigheid veroordeelt allen die zondigen, maar wil eenvoudig leeren, dat de zonde komt uit verachting Gods, en dat door het zondigen de gerechtigheid der wet geschonden wordt. Hierom heeft deze leer van Johannes niets gemeen met de dwaze opiniën der Stoïcijnen, die alle zonden gelijk maakten. Ten andere beteekent zondigen hier niet zich in eenig werk vergrijpen. Alzoo
JOHANNES 3:4, 5.
wordt ook het woord zonde hier niet genomen voor elke feil, maar hij noemt zonde, als de menschen met gansche genegenheid des harten in de boosheid vallen. En geeft te kennen, dat geen anderen zondigen, dan die aan de zonde verbonden zijn. Want de geloovigen, hoewel zij niet zuiver noch vrij zijn van de zonde, maar nog gebrekkelijk zijn door de begeerlijkheden des vleesches, worden geen ongerech-tigen geacht; maar aangezien de zonde in hen niet regeert, zoo zegt Johannes, dat ze niet zondigen, gelijk ik dat terstond breeder zal verklaren. De inhoud van dezen zin is, dat het verkeerd leven dergenen, die zich in de zonde vrijelijk toegeven, van God gehaat is, en niet kan geduld worden, als strijdende tegen zijne wet. Hieruit volgt niet, en kan ook niet besloten worden, dat de geloovigen on-gerechtigen zijn, dewijl zij begeeren onder God te staan, en dat ze zichzelven in hunne gebreken, ja in elk vergrijp, mishagen. Ten andere ook, dat ze hun leven, zooveel in hen is, schikken naar de gehoorzaamheid der wet. Maar wanneer de wil voorgenomen heeft met opzet te zondigen, en dat men daarin voortvaart, zoo is er overtreding der wet.
5 Maar gy weet, dat Hü verschenen is. Met een andere bewijsreden toont hij, hoe grootelijks de zonde en het geloof onder elkander verschillen. Want het ambt van Christus is de zonden weg te nemen, en hiertoe is Hij van den Vader gezonden; nu ontvangen wij de deugd van Christus door het geloof; zoo wie dan in Christus gelooft, die wordt noodzakelijk van de zonde gezuiverd. Doch dewijl elders gezegd wordt, dat Christus de zonden wegneemt, omdat Hij ze met het offer zijns doods verzoend heeft, opdat ons die voor God niet zouden toegerekend worden. Joh. 1 : 2Q, zoo verstaat Johannes in deze plaats, dat Christus de zonden wegneemt waarlijk en metterdaad, gelijk men zegt, want door Hem is onze oude mensch gekruisd, Rom. 6:6 en zijn Geest doodt ons vleesch met zijne kwade begeerlijkheden door de boetvaardigheid. Want de tekst laat niet toe, dat men dit uitlegge van de vergeving der zonden. Want aldus besluit hij, gelijk ik gezegd heb, dat die, die niet ophouden te zondigen, de weldaad van Christus vernietigen, aangemerkt Hij daartoe gekomen is, dat Hij het rijk der zonde vernielde. Dan dit wordt opgedragen aan de heiligmaking des Geestes. In Hem is geen zonde. Hij handelt hier niet van den persoon van Christus, maar van zijn gansche lichaam. Hij zegt, dat de zonde geen plaats meer heeft, overal waar Christus zijn kracht uitstort. Daaruit besluit hij terstond, dat ze niet zondigen, die in Christus blijven, want zoo Hij door het geloof in ons woont, zoo volbrengt Hij dit zijn werk, dat Hij ons van de zonde zuivere, waaruit blijkt, wat zondigen is. Want ook Christus vernieuwt ons niet door zijn Geest volkomenlijk in ée'n dag of uur, maar de vernieuwing ten deele begonnen, die achtervolgt Hij door het gansche leven. Zoo is het dan onmogelijk, dat de geloovigen, zoolang zij in de wereld zijn, niet aan de zonde zouden onderhevig zijn. Dan, zooverre het rijk van Christus in hen krachtig is, zoo is de zonde vernield; intusschen worden zij geschat naar het voornaamste deel, dat is, zij worden gezegd gerechtig te zijn en rechtvaardig te leven, omdat zij met eene oprechte genegenheid des harten naar de gerechtigheid staan. Zij worden gezegd niet te zondigen, omdat, ofschoon zij wel door des vleesches zwakheid vallen, zij nochtans in de zonde niet bewilligen, maar veel-
175
176 JOHANNES 3:5â8.
meer zuchtende, strijden zij daartegen, zoodat zij met Paulus in der waarheid kunnen getuigen, dat zij het kwaad doen, dat ze niet willen, Rom. 7 : 19. Hij zegt, dat de geloovigen in Christus blijven, omdat wij door het geloof Hem ingeplant, en met Hem ée'n gemaakt worden.
6 Een iegelyk, die zondigt, die heeft Hem niet gezien. Hij heeft naar zijn gewoonte het tegendeel daarbij gedaan, opdat wij weten hoe het geloof en de kennis van Christus valschelijk voorgewend wordt zonder nieuwigheid des levens. Want nergens is Christus ledig, waar Hij regeert, maar Hij toont de kracht zijns Geestes. Nu is er gezegd, dat zijn eigen werk is de zonde te verdrijven, evenals de zon met haren glans de duisternis verdrijft. En wederom in deze plaats worden wij geleerd wat een levende en krachtige zaak de kennis van Christus is, namelijk dat ze ons naar zijn beeld kan vernieuwen. Alzoo wordt door de genegenheid en kennis niet anders verstaan dan het geloof.
7 Kinderkens! niemand verleide u; die gerechtigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is.
8 Die zonde doet, is uit den duivel: want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zone Gods geopenbaard, dat Hij de werken des duivels zou breken.
9 Die uit God geboren is, die doet geen zonde, want zijn zaad blijft in hem: en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.
10 Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar.
7 Die gerechtigheid doet. Hier leert de apostel, dat men de nieuwigheid des levens met goede werken moet betuigen, en dat de gelijkheid van Christus met zijne leden, waarvan hij gesproken heeft, niet bestaat, tenzij ze hare vruchten voortbrenge. Alsof hij zeide: aangezien ons betaamt Christus gelijkvormig te zijn, zoo laat de waarheid en het getuigenis dezer zaak in ons leven blijken. Dit is dezelfde vermaning, die Paulus doet, Gal, 5 : 25, Zoo gij in den Geest leeft, zoo wandelt in den Geest. Want velen zouden zichzelven gaarne wijsmaken, dat ze een verborgen rechtvaardigheid in 't hart hebben, terwijl de ongerechtigheid de voeten, handen, tong en oogen openlijk bezit.
8 Die de zonde doet. Ook dit doen, moet tot de uitwendige werken gebracht worden, opdat de meening is, dat zoo waar zich de menschen verkeerdelijk en schandelijk aanstellen, dat daar geen leven Gods en van Christus, is maar dat zulken veelmeer slaven des duivels zijn. Met welke rede hij te beter uitdrukt, hoeverre zij van Christus verschillen. Want gelijk hij tevoren Christus gesteld heeft als een oorsprong aller gerechtigheid, alzoo stelt hij den satan daartegen als een hoofd der zonde. Hij heeft gezegd, dat niemand Christus toekomt, dan die rechtvaardig is, en zich door de werken zoodanig bewijst. Nu zendt hij alle anderen henen tot des duivels gezelschap, en werpt ze onder zijn heerschappij, opdat wij weten, dat er geen middelweg is. De satan neemt aan zijn tirannie, zoo waar de gerechtigheid van Christus de overhand niet heeft. Toch zal men hieruit met de Manicheën geen twee beginselen, die elkander tegen zijn, versieren. Want wij weten, hoe de duivel boos is, niet van
JOHANNES 3 ; 8, 9.
der nature, noch uit den oorsprong der schepping. Ten andere weten Hen, wij, dat hij Gode niet gelijk is, om met Hem, als even groot recht ndat hebbende, te mogen twisten, maar dat hij tegen zijn wil vastgehouden. den wordt, zoodat hij niets vermag zonder de toelating en den wil des leeft Scheppers. Ten laatste, als Johannes zegt, hoe sommigen uit God, eten en sommigen uit den duivel geboren zijn, versiert hij geen afkomst, rend gelijk de Manicheën droomden, maar geeft te kennen hoe dezen dig, door den Geest van Christus geregeerd worden, maar genen van s er den satan weggetrokken, daar God hem zulke macht tegen de on-* de geloovigen toelaat. Want de duivel zondigt van den beginne, ieze Gelijk hij tevoren niet alleen sprak van den persoon van Christus, de als hij Hem rechtvaardig noemde, maar Hem stelde tot den oorkan sprong en oorzaak der gerechtigheid, alzoo nu, als hij zegt dat de niet duivel zondigt, verstaat hij zijn gansche lichaam, dat is, alle verworpenen. Alsof hij zeide: het is den duivel eigen tot zondigen te verwekken. Waaruit volgt, dat ze zijne leden zijn, en van Hem 6 18 geregeerd, allen die zich tot de zonde begeven. Dan, dit begin, waarvan de apostel vermeldt, is niet van eeuwigheid, gelijk waar van hij leert, dat het woord in den beginne geweest is. Want het is een Hij zeer verscheiden zaak in God en in de creaturen. Het begin in God heeft geen tijd. Hierom, dewijl het Woord altijd bij God geweest is, lad zoo zult gij niet vinden een wijle tijds, dat het begonnen is, of rod gij moet noodzakelijk komen tot de eeuwigheid zelve. Dan, hier wil Johannes anders niets, dan dat de duivel terstond, nadat de wereld â els geschapen was, een afvallige geweest is, en dat hij van dien tijd af, geen einde gemaakt heeft van in de menschen zijn venijn te storten. Hiertoe is de Zoon Gods verschenen. Hij verhaalt met andere de woorden hetzelfde, wat hij tevoren gezegd had, hoe Christus gelat komen is om de zonden weg te nemen. Hieruit zijn twee dingen en af te leiden, dat die, in welke de zonde regeert, niet onder de leden hij van Christus kunnen geteld worden, en geenszins tot zijn lichaam tat behooren. Want waar Christus zijn kracht toont, daar verdrijft )it Hij den duivel tegelijk met de zonde, 'twelk ook Johannes terstond en daarbij voegt: want de naastvoorgaande rede, waar hij zegt, dat sn ze niet zondigen, die uit God geboren zijn, is het besluit der voor-rt gaande. De bewijsreden is genomen van tegenstrijdende dingen, gein lijk ik reeds gezegd heb: want het rijk van Christus, 'twelk noodzakelijk gerechtigheid aanbrengt, kan met de zonde niet bestaan, je Verder, ik heb reeds boven aangeroerd wat hier beteekent niet ;h zondigen. Want hij stelt de kinderen Gods niet vrij van alle ge-;n brek, maar hij zegt, dat ze ten onrechte op den naam roemen, tenzij 3s ze van harte hun leven tot de gehoorzaamheid Gods pogen te ,n schikken. Het is wel zoo, dat de Pelagianen en Katharen eertijds ft dit getuigenis misbruikt hebben, versierende dat de geloovigen in r- deze wereld een engelen-zuiverheid hebben, en dat in onzen tijd is sommige wederdoopers deze razernij vernieuwd hebben. Maar die g dusdanige volmaaktheid droomen, geven genoeg te kennen wat een ), ongevoelige conscientie zij hebben. Zoo verre is het ook, dat deze n woorden des apostels hunne dwaling toestemmen, dat ze genoeg-zaam zijn om die te wederleggen. Hij zegt: Zij zondigen niet, die n uit God geboren zijn. Nu is te bezien, of ons God wederbaart in ti één oogenblik. Maar het is klaar, dat de wedergeboorte alzoo in ti ons begonnen wordt, dat de overblijfselen van den ouden mensch
Dl, VIII. 12
I
177
JOHANNES 3 :9.
tot den dood toe in ons blijven. Zoo nu de wedergeboorte nog niet1 volkomen en gansch is, zoo bevrijdt ze ons maar van den dienst der zonde, naar hare mate. Hieruit blijkt, dat het onmogelijk is, dat de kinderen Gods met geene gebreken zouden behangen zijn, en dagelijks zondigen, namelijk in zooveel, als zij nog wat overig hebben van de oude natuur. Evenwel dit blijft vast, dat de apostel wil beweren, dat dit het einde is der wedergeboorte, dat de zonde vernield wordt, en dat daarom allen, die uit God geboren zijn, recht-. vaardig en godzalig leven, dewijl Gods Geest de begeerte der zonde bedwingt. En dit verstaat de apostel door het zaad Gods. Want de Geest Gods maakt dat de harten der godvruchtigen alzoo tot het goede genegen worden, dat het vleesch met zijne begeerten de overhand niet krijgt, maar dat bet getemd, en als onder het juk gehouden wordt. In één woord, de apostel schrijft den Heiligen Geest in de uitverkorenen toe die voornaamste deelen, als dat Hij door zijn kracht de zonde bedwingt, en niet toelaat krachtig te zijn.
? En hij kan niet zondigen. Hier klimt nu de apostel hooger, want hij zegt ronduit dat de harten der godvruchtigen, krachtig van den Geest Gods geregeerd worden, zoodat ze met eene onbuigzame genegenheid zijn leiding volgen. Maar dit is zeer verre van de paap-sche leer. De leeraars van de Sorbonne bekennen wel, dat des menschen wil, tenzij hij van den Geest Gods geholpen worde, niets kan begeeren dan wat recht is; dan, zij versieren eene zoodanige beweging des Geestes, die ons laat de vrije keur van goed en kwaad. Hieruit trekken zij de verdiensten, omdat wij den Geest der genade uit onszelven gehoorzaam zijn, denwelken in onze macht ware te verwerpen. Eindelijk zij beschrijven dit alleen te wezen de genade des Geestes, dat wij goed kunnen willen, indien het ons lust. Maar Johannes leert hier heel anders: want hij leert niet alleen dat wij vermogen niet te zondigen, maar dat de beweging des Geestes zoo krachtig is, dat Hij ons noodzakelijk in de gestadige gehoorzaamheid der gerechtigheid is houdende. Ook is het deze plaats der Schrift alleen niet, die leert, dat de wil alzoo geformeerd wordt, dat hij niet dan recht kan zijn. Want God getuigt, dat Hij zijnen kinderen een nieuw hart wil geven, en belooft te maken, dat ze in zijne geboden zullen wandelen, Ez. 36 : 26. Hierbij gevoegd, dat Johannes niet alleen leert, hoe krachtig God in den mensch werkt eenmaal, maar zegt klaarlijk en voor zeker, dat zijn Geest de genade in ons achtervolgt tot het einde toe, alzoo dat de nieuwigheid des levens vergezelschapt wordt met een onbezwijklijke volharding. Hierom, laat ons met de Sophisten niet inbeelden eene beweging tusschen twee, die in des menschen vrijheid sta te volgen of te verwerpen: maar laat ons weten, hoe onze harten van den Geest Gods geregeerd worden, zoodat ze de gerechtigheid gestadig aankleven. Dat de Sophisten hier opwerpen, dat zulks ongerijmd is, wordt lichtelijk wederlegd. Zij zeggen, dat aldus den mensch ontnomen wordt zijn wil, maar valschelijk, want de wil is van nature. Maar dewijl de verdorvenheid der natuur alleen kwade genegenheden baart, zoo moet de Heilige Geest die noodzakelijk verbeteren, opdat ze beginnen goed te worden. Ten andere, aangezien de menschen terstond van het goede zouden vallen, zoo is het noo-dig, dat dezelfde Geest wat Hij begonnen heeft, tot het einde vol-voere. Nopens de verdienste, daarop is licht te antwoorden. Want
178
ï I
i â¢
W'i
\ '
â j . v '
quot;.vV â¢i
â C'i
I «'â¢
»' , V
liv'l
i
I
JOHANNES 3:9, 10. 179
ï niet men zai niet voor ongerijmd achten, dat de menschen niets verdienen,
iienst en dat nochtans die werken niet ophouden voor goede gerekend ijk is,
te worden, die uit de genade des Geestes vloeien, aangezien ze vrij-1 Z1JP) willig zijn. Zij hebben ook hun loon, want ze worden den menschen iveng genadig toegekend, alsof het hunne werken waren. Dan, hier rijst )ostel een vraag, of ook, zoo haast iemand door Gods Geest wederge-:onde boren is, de vreeze Gods en de godzaligheid in hem nimmer kan 'echt- uitgebluscht worden: want de woorden des apostels schijnen aldus :onde te luiden. Die anders gevoelen, brengen bij het voorbeeld van David, nt de (jjg voor een tijd zóó is overvallen met eene beestelijke ongevoelig-' het heid, dat niet e'én vonksken in hem blijkt, ja ook in Ps. 51:12, n ds begeert hij, dat hem de Geest wedergegeven worde: waaruit volgt t juk dat hij daarvan beroofd was geweest. Ik twijfel nochtans niet, of ligen het zaad, waardoor God zijne verkorenen wederbaart, gelijk het on-t Hij verderfelijk is, behoudt ook alzoo een gedurige kracht. Ik laat toe zlJn- dat het geschieden kan, dat het onderwijl verstikt wordt, als in want David: maar toch, wanneer alle godzaligheid in hem scheen uitgeven bluscht te zijn, zoo was daar nog een levende kool onder de asch 5 Se' verborgen. Satan arbeidt wel om uit de verkorenen uit te roeien iaaPquot; al wat zij van God hebben: maar waar hem ook veel toegelaten des wordt, blijft altijd een verborgen wortel, die daarna uitspruit. Doch niets Johannes spreekt hier niet van een werking, maar van den gedurigen e be- stand des levens. Sommige onzinnigen droomen ik weet niet wat 'aad. een eeuwig zaad in de uitverkorenen, dat zij altijd medebrengen aade van moeders lijf: maar zij verdraaien hiertoe geheel tegen den zin e te de woorden van Johannes: want hij disputeert hier niet van de iade eeuwige verkiezing, maar hij begint van de wedergeboorte. Daar «laar zijn nog anderen tweemaal onzinniger, die onder dit deksel willen, ⢠WIJ dat den geloovigen alles toegelaten zij, omdat Johannes zegt, dat 200 ze niet kunnen zondigen. Zoo willen zij dan, dat wij zonder onder-lam- scheid volgen, waarheen ons de lust drijft. Alzoo maken zij ruimheid Ver tot stelen, hoereeren en doodslaan, omdat er geen zonde zijn kan, irdt, waar Gods Geest regeert. Maar de meening des apostels is heel lnen anders: want hij zegt, dat de geloovigen niet zondigen, omdat God e m zijn wet in hunne harten ingegraven heeft, gelijk bij den profeet Vat staat.
srkt IO Hieraan zijn openbaar. Met korte woorden besluit hij, hoe ze
Sequot; tevergeefs zich de plaats en den naam der kinderen Gods aantrekken,
vlgquot; die zich met een godzalig en heilig leven zoodanig niet bewijzen,
vo^ aangezien door dit merkteeken de kinderen Gods en des duivels
ene onderscheiden worden. Nochtans verstaat hij niet, dat ze alzoo
gen openbaar zijn, om van heel de wereld onderkend te worden: maar
Ven dit wil hij alleen, dat de vrucht en werking der aanneming tot
Vig kinderen Gods in het leven altijd blijke.
jmd
sch Die niet gerechtigheid doet, die is uit God niet, en die zijnen
na- broeder niet liefheeft.
ge- 11 Want dit is de boodschap, die gij gehoord hebt van den be-
'er- ginne. dat wij elkander liefhebben.
ien 12 Niet als Kaïn, die uit den booze was, en zijn broeder doodde.
00- En waarom doodde hij hem ? omdat zijne werken kwaad waren,
01- maar die zijns broeders waren rechtvaardig.
an' 13 Verwondert u niet, mijne broeders! zoo u de wereld haat.
JOHANNES 3 : 10â13.
Die gerechtigheid doet. Gerechtigheid doen en zonde doen, zijn leen
hier tegen elkander gesteld. Aldus is gerechtigheid doen, hier niets ons anders dan van harte God vreezen, en in zijne wegen wandelen, zooveel de menschelijke zwakheid lijdt: hoewel de gerechtigheid, zoo men ze nauw schatten wil, niets anders is dan een volle onderhouding der wet, waarvan de geloovigen altijd verre zijn. Doch,
dewijl God hun hunne vergrijpingen en feilen niet toerekent, zoo wordt ook die halve dienst, dien ze Gode doen, gerechtigheid genoemd. Wederom zegt Johannes ronduit, dat ze uit God niet zijn, die niet rechtvaardig leven, aangezien God allen die Hij roept,
door zijn Geest wederbaart. Zoo is dan de nieuwheid des levens een gedurig getuigenis, dat men onder de kinderen Gods door aanneming gerekend wordt. En die zijn broeder niet liefheeft. Hij schikt de algemeene leer tot zijn oogmerk, want tot nu toe heeft hij de geloovigen vermaand tot broederlijke liefde: nu wijst hij hen op de hoofdsom der ware gerechtigheid. Hierom is dit deel daarbij gedaan bijwijze van uitlegging. Dan, ik heb reeds tevoren gezegd op wat wijze de gansche gerechtigheid begrepen
wordt onder de broederlijke liefde. De liefde tot God heeft wel l
de eerste plaats, maar aangezien de broederlijke liefde onder de een
menschen daaraan verbonden is, zoo wordt dikwijls de liefde Gods Wa
begrepen onder de broederlijke liefde, en wederom de broederlijke ma:
liefde begrepen onder de liefde Gods. Hierom, gelijk een iegelijk over- gee
gegeven is tot weldadigheid en beleefdheid, alzoo verklaart Johannes dar
die gerechtig te zijn en geacht te worden, omdat de liefde de ver- mo
vulling der wet is. Deze rede bevestigt hij, als hij zegt, dat de uit
geloovigen van den beginne alzoo geleerd zijn. Want met deze zoc
woorden geeft hij te kennen, dat de beschrijving, die hij hen daar- alsi
van doet, niet behoorde nieuw te schijnen. lev
ia Niet als Kaïn. Dit is een andere bevestiging van het tegendeel zal
genomen, als dat in de verworpenen en kinderen des duivels de is,
haat regeert, en als de overhand heeft in hun gansche leven, dai
waarvan hij Kaïn tot een spiegel voorstelt. Intusschen, dit dient tot de
vertroosting der geloovigen, gelijk hij eindelijk besluit: Verwondert dai
u niet zoo u de wereld haat. Deze verklaring is wel aan te bei
merken, want de menschen dwalen altijd in de wijze van leven, die
omdat ze heiligheid stellen in versierde werken, en als zij zich- in\
zeiven verteren in beuzelingen, meenen zij Gode dubbel aangenaam lie
te wezen. Gelijk de monniken hun wijze van leven hoovaardig noe- alc
men den staat der volmaaktheid. En in 't pausdom wordt geen he
andere godsdienst geacht, dan een hoop superstitiën. Maar Jo- wc
hannes getuigt, dat deze gerechtigheid vooreerst Gode bevalt, zoo ga
wij elkander liefhebben. Wederom dat de duivel regeert, zoo waar tai
haat, veete, nijd, en vijandschap in zwang gaat. Hierbenevens is te G(
gedenken wat ik boven aangeroerd heb, hoe de broederlijke liefde, de
dewijl zij uit de liefde Gods ontstaat, als het gevolg uit de oor- da
zaak, niet van de andere wordt afgezonderd, maar dat ze veelmeer sti
van Johannes geprezen wordt, omdat zij is het getuigenis onzer god- zilt;
vruchtigheid. Als hij zegt, dat Kaïn gedreven is geweest om zijn he
broeder te vermoorden uit oorzaak dat zijne werken kwaad waren, kc
zoo verklaart hij, wat ik reeds geleerd heb, dat waar goddeloosheid m regeert, de haat zich vertoont heel 's menschen leven door. Hij
180
verhaalt de rechtvaardige werken van Abel, opdat wij lijdzamelijk wi
J
_ j JOHANNES 3 : 13 â15. 181
zijn leeren dragen, zoo ons de wereld haat zonder oorzaak, schoon van niets ons met geen onrecht getergd zijnde.
14 Wij weten, dat wij van den dood doorgegaan zijn in het leven, wijl wij de broeders beminnen; die den broeder niet liefheeft, die blijft in den dood.
15 Zoo wie zijn broeder haat, die is een doodslager: en gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
16 Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij moeten ook het leven voor de broeders stellen.
17 Maar zoo wie het goed dezer wereld heeft, en zijnen broeder ziet gebrek hebben, en sluit zijn ingewand voor hem toe, hoe blijft de liefde Gods in hem?
18 Mijne kinderkens! laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.
Hij prijst ons de liefde aan met een heerlijken lof, dat zij namelijk een getuigenis is van onzen doorgang van den dood in het leven. Waaruit volgt, dat wij gelukkig zijn, zoo wij de broederen liefhebben, maar ongelukkig zoo wij die haten. Daar is niemand, die niet begeert van den dood verlost te zijn, en vrij te gaan. Zoo moeten zij dan meer dan verstokt zijn, die met den haat te voeden, zichzelven moedwillig onder den dood houden. Dan, als de apostel zegt, hoe uit de liefde bekend wordt, dat wij doorgegaan zijn in het leven, zoo geeft hij niet te kennen, dat de mensch zijnszelfs verlosser is, alsof hij met de broederlijke liefde zich uit den dood trok, en het leven verwierf: want hij disputeert hier niet van de oorzaak der zaligheid, maar dewijl de liefde de voornaamste vrucht des Geestes is, zoo is zij ook een zeker teeken der wedergeboorte. Zoo maakt dan de apostel zijn argument of bewijs uit het teeken, en niet uit de oorzaak. Want mitsdien niemand de broeders oprechtelijk bemint, dan die door den Geest Gods wedergeboren is, wordt hieruit recht besloten, dat de Geest Gods, die het leven is, in die allen woont, die de broederen liefhebben. Maar hieruit zou iemand verkeerdelijk invoeren, dat door de liefde het leven verkregen wordt, gemerkt de liefde in orde achteraan komt. Dit bewijs*zou meer schijn hebben aldus: indien de liefde ons van ons leven verzekert, zoo moet dan het betrouwen der zaligheid op de werken rusten. Maar het antwoord ook hierop is niet zwaar. Want hoewel het geloof door alle gaven Gods, als door middelen versterkt wordt, zoo laat het nochtans niet na zijn fundament te hebben op die eenige barmhartigheid Gods. Bijvoorbeeld, wanneer wij het licht genieten, zijn wij zeker dat de zon schijnt. Zoo de zon doorstraalt tot de plaats waarin wij zijn, dan hebben wij een klaarder aanschouwen. Maar schoon de zienlijke stralen tot ons niet genaken, wij zijn hiermede tevreden, dat de zon zich uitspreidt over ons, dat wij ze gebruiken mogen. Alzoo, nadat het geloof op Christus gegrond is, kunnen daar zekere dingen bijkomen, die het helpen, doch het rust intusschen op de eenige genade van Christus.
15 Hü is een doodslager. Opdat hij ons te beter tot liefde ver-wekke, zoo toont hij wat een vervloekte zaak de haat is voor God.
JOHANNES 3 ; 15â17.
Daar is niemand, of hij heeft een schrik van den doodslag, ja wij gruwen allen voor den naam zeiven. Nu verklaart de apostel voor doodslagers allen, die hunnen broeder haten. Daar kon niets schrikke-lijkers gezegd worden: nochtans is het niet te sterk gesproken. Want dien wij haten, wilden wij dat verging. En dit gaat evenzeer door, ook als iemand zijn handen van de misdaad afhoudt. Want de begeerte zelf van te schaden, is voor God verdoemelijk, even zoowel als de poging om het te doen. Ja ook wanneer wij niet begeeren te schaden, zoo wij nochtans begeeren, dat onze broeder van elders het kwaad toekome, ook dan zijn wij doodslagers. Zoo beschrijft dan de apostel de zaak eenvoudig, gelijk zij is, als hij den haat den naam geeft van doodslag. Waaruit overtuigd wordt der menschen dwaasheid, die wel voor den naam gruwen, maar de daad zelve bijna niet achten. Waaruit komt dat? Hieruit, dat al onze zinnen bezig zijn met op het uitwendige te letten, zoo toch voor God de inwendige genegenheid in rekening komt. Daarom, opdat niemand meer zulk een groot kwaad verkleine, laat ons leeren onze oordeelen te brengen bij den rechterstoel Gods.
16 Hieraan hebben wij gekend. Nu toont hij, welke de ware liefde is: want het ware niet genoeg die te prijzen, zoo men hare kracht niet wist. Hij stelt nu een volmaakten regel der liefde voor in het voorbeeld van Christus, wijl Hij zijn eigen leven niet sparende, wel betuigd heeft hoe lief Hij ons had. Naar dit doel dan beveelt hij ons te jagen. De inhoud is, dat onze liefde daarmede bewezen wordt, zoo wij de liefde jegens onszelf den broederen bewijzen, zoodat een ieder zichzelven eenigszins vergetende, anderen bevordert. Het is wel waar, dat wij Christus zeer ongelijk zijn, maar de apostel prijst ons aan de navolging: want ofschoon wij Hem niet bijkomen, zoo betaamt het ons nochtans zijn voetstappen van verre te volgen. Voorwaar, dewijl des apostels voornemen is den huichelaren hunnen ijdelen roem te ontnemen, die zonder broederlijke liefde zijnde, zich beroemen het geloof van Christus te hebben, zoo geeft hij met dit woord te kennen, dat, tenzij wij in onze harten levendig daarnaar trachten, wij met Christus niets gemeens hebben. Toch stelt hij ons (gelijk ik gezegd heb) de liefde van Christus alzoo niet voor, dat hij eene even gelijke van ons vereischt. Want wat ware dat anders dan ons allen tegelijk tot wanhoop drijven? Maar hij wil, dat onze «genegenheden alzoo geregeld zijn, dat wij begeeren én leven én dood allereerst Gode, daarna ook den naasten ten goede te laten komen. Daar is nog een ander onderscheid tus-schen Christus en ons, dat onze dood niet van zulke kracht kan zijn, als de zijne, want de toorn Gods wordt door ons bloed niet gestild, noch het leven door onzen dood verworven, noch de straf, die anderen verschuldigd waren, geboet. Dan, in deze vergelijking heeft de apostel niet aangezien welke het eind, of de werking van den dood van Christus geweest is, maar heeft alleen gewild, dat ons leven zijn exempel zou gelijkvormig wezen.
17 Zoo iemand het goed heeft. Nu spreekt hij van de gemeene weldadigheden der liefde, welke uit de hoogste fontein vloeien, wanneer wij namelijk bereid zijn ons den naasten tot den dood toe over te geven. Hoewel, hij schijnt zijn bewijs te maken van het meeste tot het minste, want zoo wie weigert den nooddruft zijns broeders te verlichten met zijn goederen, behoudende zijn leven
182
JOHANNES 3; 17 â19.
ia wij onbeschadigd, veel minder zal die zijn leven te pand stellen. Zoo
voor zegt hij dan, dat in ons geen liefde is, zoo wij den naasten onze
ikke- hulpe onttrekken. Verder, zoo prijst hij alzoo aan de uitwendige
Want weldadigheid, dat hij meteen zeer wel uitdrukt, welke de rechte
, ook manier is van wel te doen, en van hoedanige beweging zij moet
e zelf geregeerd zijn. Laat dan dit zijn de eerste stelregel, dat niemand
; po- zijne broeders naar recht bemint, dan die het met de daad toont,
iden, als de nood het vereischt. De tweede, zooveel een iegelijk goed
tvaad ontvangen heeft, dat hij zooverre verbonden is, zijne broederen te
ostel helpen. Want God geeft ons door zulk middel stof om de liefde te
jeeft oefenen. De derde, dat men moet aanzien ieders nood: want een
heid, iegelijk behoeft spijs en drank, of andere dingen, van welke wij
niet overvloed hebbende, alzoo roept hij in onze hulpvaardigheid. De
zijn vierde, dat geen weldadigheid Gode behaagt, dan die met mede-
dige lijden gepaard is. Velen zijn mild in den schijn, die nochtans door
zulk de ellendigheden hunner broederen gansch niet geroerd zijn. Maar
iren- de apostel gebiedt, men zou het ingewand opendoen, 'twelk geschiedt als wij hetzelfde gevoelen aantrekken, zoodat wij niet minder over
vare den tegenspoed der anderen dan over onzen eigen bedroefd zijn. De
hare liefde Gods. Hier wordt gehandeld van de broederen lief te hebben,
raor Waartoe dan noemt hij de liefde Gods? Zoo moeten wij dan dat
nde, beginsel vasthouden, dat het niet mogelijk is, dat de liefde Gods in
reelt ons niet voortbrengt de liefde der broederen. En aldus beproeft
;zen ons God, of wij Hem liefhebben, als Hij ons beveelt om Zijnentwil
zen, de menschen te beminnen, gelijk daar staat, Ps. 16, Mijn weldadig-
vor- heid komt tot U niet, maar mijn wil en mijn lust is tot de heiligen,
⢠de die op de aarde zijn.
niet 18 Laat ons niet beminnen met het woord. In dit eerste deel
erre is een toegeving, want wij kunnen niet met de tong alleen lief-
:he- hebben, maar dewijl velen daarvan roemen, zoo geeft de apostel,
ïfde gelijk het dikwijls gebeurt, hunne geveinsdheid toe den naam van
zoo de zaak, hoewel hij met het andere deel hunne ijdelheid overtuigt,
â¢ten zeggende, dat de waarheid niets is dan in de daad. Want aldus
)en. moeten de woorden tot opening gesteld zijn: En laat ons met de
stus tong niet uitgeven, dat wij liefhebben, maar met liet werk bewijzen,
ant Want dit is eerst de rechte wijze van lief te hebben.
en?
wjj 19 En hieraan bekennen wij, dat wij ait de waarheid zijn, dat wij
ten onze harten zullen verzekeren voor Hem.
;us- 20 Indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart,
can en weet alle ding.
liet 21 Geliefden! indien ons ons hart niet veroordeelt, zoo hebben
raf, wij vrijmoedigheid tot God;
ing 22 En zoo wat wij van Hem zullen bidden, dat zullen wij ontman vangen: want wij houden zijne geboden, en doen wat voor 5115 Hem behagelijk is.
;ne Het woord waarheid, neemt hij nu in een verscheidenen zin, maar
en, dat doet hij zeer fijn, aldus sluitende: Zoo wij onze naasten recht
;oe beminnen, hebben wij hieruit getuigenis, dat wij geboren zijn uit
iet God, die de waarheid is, of omdat zijne waarheid plaats in ons heeft,
jns Doch wij zullen altijd gedenken, dat wij de kennis, waarvan de
en apostel hier spreekt, niet hebben uit de liefde, alsof de zekerheid
183
184 JOHANNES 3: 19, 20.
der zaligheid daaruit te halen ware. En waarlijk, wij weten nergens anders uit dat wij Gods kinderen zijn, dan omdat Hij door zijnen ' Geest onze harten verzegelt, dat Hij ons uit genade tot zijne kin
deren aangenomen heeft, en dat wij daarvan het zeker pand, ons in Christus aangeboden, met het geloof aannemen. Zoo is dan de liefde een bijstand of behulpsel tot onderhouding des geloofs, en niet als het fundament, waarop het steunt. Waarom zegt dan de apostel: wrj zullen voor God onze harten verzekeren? Met deze woorden vermaant hij, dat het geloof zonder de goede conscientie niet bestaat: niet dat de verzekering daaruit spruit, of daaraan hangt, maar omdat wij dan eerst waarachtig, en niet bedriegelijk verzekerd zijn van onze vereeniging met God, wanneer de werking des Heiligen Geestes zich vertoont in onze liefde. Want wij moeten altijd overwegen, waarvan de apostel handelt. Want dewijl hij veroordeelt een geveinsde en bedriegelijke belijdenis des geloofs, zoo zegt hij, dat wij ons voor God niet anders grondig kunnen verzekeren, dan zoo zijn Geest de vrucht der liefde in ons voortbrengt. Dan, hoewel 'V , de goede conscientie van het geloof niet kan gescheiden zijn, zoo
â v zal nochtans hieruit niemand met reden afleiden, dat wij op onze
Vï/,» werken moeten zien, om ons vastelijk te mogen verzekeren.
2o Zoo ons hart ons veroordeelt. Hij bewijst uit het tegendeel, dat ze tevergeefs den naam en schijn der Christenen hebben, dien lil;; het getuigenis eener goede conscientie ontbreekt. Want zoo iemand
; ; een kwade conscientie heeft, en door het eigen gevoelen zijns
'y4, harten veroordeeld wordt, veel minder zal hij ontvlieden het oor
deel Gods. Zoo volgt dan dat door de ongerustheid der kwade conscientie, het geloof omgekeerd wordt. Hij noemt God grooter dan ons hart, ten aanzien des oordeels, namelijk omdat Hij veel scherper ziet dan wij, en omdat Hij dieper onderzoekt, en strenger f.',' oordeelt. Uit welke oorzaak Paulus zegt, dat hoewel hij zich geen
' ding kwaad bewust is, dat hij daarom niet gerechtvaardigd is, 1 Cor.
4:4. Want hij bekent, dat, hoe zorgvuldig hij in zijn ambt toezag, hij nochtans in veel faalde, en zich in vele feilen door onbedachtzaamheid toegaf, die God aanmerkte. Dit wil dan de apostel zeggen, V', dat het onmogelijk is, dat degene, welken zijn eigen conscientie
wroegt en wringt, Gods oordeel zou kunnen ontvlieden. Hiertoe Ills dient dat hij kort daarbij voegt, hoe God alles ziet. Want hoe zou
Hem iets verborgen zijn, 'twelk wij, die bij Hem plomp, ja blind zijn, noodzakelijk zien moeten? Zoo besluit hij dan aldus: Dewijl _ God alles ziet, is Hij verre boven ons hart. Nu is de zin klaar,
A'ï quot; te weten, dewijl de wetenschap Gods dieper doordringt, dan het
gevoelen onzer conscientie, dat niemand voor Hem bestaan kan, dan die door eene oprechte conscientie opgehouden wordt. Maar 'J hier wordt eene vraag opgeworpen: het is zeker, dat de verwor-
penen van den satan somtijds in zulke ongevoeligheid verzonken | , worden, dat ze hun kwaad niet meer gevoelen, en zonder droefheid
en vreeze zichzelven gerustelijk in hun verderf werpen, gelijk Paulus
iiV
ii«' '4 1
m
⢠TV â¢
' ' . . .
|'||
jV - â * zegt, Ef. 4; 19. Het is ook gewis, dat de huichelaren zich plegen
e-:-'/' te pluimstrijken, en hoogmoedig Gods oordeel te verachten, omdat
f;:;/; zij met een valschen waan der gerechtigheid dronken zijnde, door
hunne zonden niet beroerd worden. Het antwoord is licht, dat de huichelaren hierom bedrogen worden, dat ze 't licht schuwen; dat ook de verworpenen geen gevoelen hebben, omdat ze van God
â r';
-'â¢â¢V
li
JOHANNES 3 : 20â22.
wijken, ja zij hebben geene gerustheid, dan verborgen liggende onder een booze conscientie. Maar de apostel spreekt hier van die conscientiën, die God in het licht trekt, tot zijn rechterstoel dwingt, en met het gevoel zijns oordeels oefent. Evenwel is dit ook in 't algemeen waar, dat wij nimmermeer een genisten vrede hebben, dan dien ons de Geest Gods (onze harten gezuiverd hebbende) verleent. Want degenen, die wij gezegd hebben verstokt te zijn, die gevoelen nochtans onderwijl blinde steken, en worden in hun wijn of dronkenschap gepijnigd.
21 Geliefden! indien ons hart niet veroordeelt. Ik heb nu verklaard, hoe dit niet behoort tot de geveinsdheid, noch tot de grove verachting Gods. Want hoewel den verworpenen hun eigen wegen behagen, zoo weegt nochtans de Heere de harten, zegt Salomo, Spr. 21:2. Deze weegschaal Gods met hare weging maakt dat zich niemand kan beroemen een rein hart te hebben. Zoo hebben dan de woorden des apostels dezen zin; Dat wij dan eerst met een geruste vrijmoedigheid voor Gods aanschijn komen, als wij eene goede conscientie hebbende, met ons brengen het getuigenis van een oprecht en vroom hart. Dit is wel waar, dat Paulus zegt, dat ons door het geloof, dat op Christus' genade steunt, een toegang met vertrouwen tot God geopend wordt, Ef. 3: 12; insgelijks, dat ons door het geloof vrede gegeven wordt, dat onze conscientiën voor God gerust staan mogen, Rom. 5:1. Maar tusschen die spreuken is geen verschil. Want Paulus toont de oorzaak des betrouwens, maar Johannes verhaalt alleen een bijkomende zaak, die daar altijd onafscheidelijk bijkomt, en noodzakelijk daaraan kleeft, hoewel zij geene oorzaak is. Maar hier rijst nog een grooter zwarigheid, dat hij niet schijnt eenig betrouwen over te laten in de gansche wereld. Want wie wordt daar gevonden, dien zijn hart niet in eenige zaak beschuldigt? Ik antwoord, dat de geloovigen alzoo beschuldigd worden, dat zij zich ook tegelijk vrijspreken. Want het is wel noodig, dat ze van binnen ernstig met hun zonden gestoken worden, opdat hen de vreeze onderwijze tot ootmoedigheid en mishagen van zichzelven: maar terstond vluchten zij tot de offerande van Christus, waar zij een zekeren vrede vinden. Evenwel de apostel zegt met een andere meening, dat ze niet beschuldigd worden. Want of zij wel bekennen, dat ze in vele dingen ontbreken, zoo worden zij nochtans verlicht met dit getuigenis der conscientie, dat ze waarlijk en van harte God vreezen, en zich begeeren zijner gerechtigheid te onderwerpen. Allen, die dit godvruchtig gevoelen hebben, en intusschen weten, dat hun naarstigheid, hoe verre zij van de volkomenheid verschilt, evenwel Gode behaagt, die worden terecht gezegd een stil en gepaaid hart te hebben: want daar is geen inwendige prikkeling, die hunne vredige vroolijkheid kan verstoren.
22 En zoo wij iets begeeren. Dewijl het betrouwen en de aanroeping Gods twee dingen zijn aan elkander verbonden, gelijk hij tevoren geleerd heeft, dat de kwade conscientie tegen het betrouwen strijdt, alzoo verklaart hij nu, dat God niet kan aangeroepen zijn, dan van die, welke Hem met een rein hart vreezen, en recht dienen. Dit laatste volgt uit het voorgaande. Dit is een algemeene regel der Schrift, dat de goddeloozen van God niet zijn verhoord, maar dat veelmeer hunne offers en gebeden Hem een gruwel zijn. Zoo wordt hier dan den geveinsden de deur gesloten, dat ze God ver-
185
I
186 JOHANNES 3 : 22, 23.
achtende, niet voor zijne oogen komen. Evenwel geeft hij niet te wel
kennen, dat men eene goede conscientie brengen moet, om daar- heili
mede onze gebeden van waarde te maken. Wee ons, zoo wij op de heid
werken zien, die in zich niets anders hebben dan oorzaak van ver- is k
sagen. Zoo zullen dan de geloovigen niet anders aan Gods rechter- rech
stoel denken, dan steunende op den Middelaar Christus. Maar aan- duis'
gezien de liefde Gods altijd met het geloof gevoegd is, opdat de rech
apostel die geveinsden te meer doorhale, zoo berooft hij ze van van
dat zonderlinge privilegie, hetwelk God zijnen kinderen verwaardigt wij lt;
te geven, opdat de geveinsden niet meenen, dat hunne gebeden tot God uit
geraken. Als hij zegt: Want wij houden zyne geboden, zoo ver- getu
staat hij niet, dat de vrijmoedigheid des gebeds op onze werken de j
gegrond is: maar drijft alleen dit, dat de godvruchtigheid en reine gen
godsdienst van het geloof niet kan gescheiden worden. En het moet telij
niet vreemd schijnen, dat hij het woord want gebruikt, zoo hij toch omlquot;
van de oorzaak niet handelt, want hetgeen aan een zaak onaf- vok
scheidelijk hangt, pleegt men somtijds in plaats van de oorzaak te Ron
stellen. Gelijk wanneer iemand zeide: omdat de zon des middags het
over ons licht, daarom is er dan te meer hitte; zoo toch daaruit beel
niet volgt, dat de hitte uit de helderheid komt. hek
kun
23 En dit is zijn gebod, dat wij gelooven den naam zijns Zoons 2 Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een ge- gez bod gegeven beeft. geo
24 Die zijne geboden houdt, die blijft in Hem, en Hij in Den- gin] zeiven. Eu hieraan bekennen wij, dat Hij in ons bljift, aan zijn zon Geest, dien Hij ons gegeven heeft. doe
WO]
23 En dit is het gebod. Hij schikt wederom die algemeene kra
waarheid tot zijn oogmerk. De inhoud is, dat wij met God zulk anc
een tweedracht hebben, dat wij verhinderd worden tot Hem te gaan, gel
tenzij wij onder elkander met broederlijke liefde vereenigd zijn, hoe- wo
wel hij hier de liefde alleen niet aanprijst gelijk boven, maar ze voegt de
bij het geloof, als haar metgezellin of navolgster zijnde. De sophis- des
ten verkeeren deze woorden met hunne versieringen, alsof wij eens- Ro
deels door het geloof, anderdeels door de werken de vrijheid van wij
bidden verkregen. Dewijl Johannes tot een rechten vorm des ge- Ab
beds dit vereischt, dat wij Gods geboden houden, en daarna leert Pa
dat deze houding bestaat in geloof en liefde: zoo besluiten zij, dat de:
men uit deze tweede vrijmoedigheid des gebeds grijpen moet. Maar Jol
ik heb nu ettelijke malen vermaand, dat bier niet gehandeld wordt, vo
vanwaar of door wat middelen de menschen verwerven mogen, dat kii
ze God durven aanroepen. Want hier wordt van de oorzaak of hij
waardigheid niet gesproken. Alleen toont Johannes, hoe God nie- Di
mand dan zijnen kinderen, die namelijk doorzijn Geest wedergeboren zo
zijn, de eer of dat voordeel geeft van met hen te spreken. Hierom Jo
is de rede aldus ordelijk te stellen: Zoo waar de vreeze en eerbied dc
Gods niet regeert, daar is het onmogelijk, dat ons God verhoore: kr dan zoo wij voorgenomen hebben zijn geboden gehoorzaam te zijn, zoo moeten wij zien wat hij gebiedt. Doch hij scheidt het geloof van de liefde niet, maar die beide als omhelzende, vereischt ze van ons tegelijk. En dit is de reden, dat hij het woord gebod zegt, sprekende van één. Verder, zoo is dit een heerlijke plaats, die zoo-
I
JOHANNES 3 : 23, 24.
t te vvel klaar als kort beschrijft, waarin de gansche volmaaktheid des
aar- heiligen levens bestaat. Wij hebben dan geen reden om eenige zwarig-
gt; de heid voor te wenden, aangezien ons God geenszins langs omwegen
ver- is leidende, maar ons eenvoudig verklaart, en niet één woord wat
'ter- recht is en Hem behaagt. Hierenboven is in deze kortheid niets
lan- duisters, want hij toont ons klaarlijk het beginsel en het einde des
de rechten levens. Dat hier nu de liefde Gods achterwege gelaten, en
van van de liefde der broederen alleen gemeld wordt, is dit de reden (gelijk
3'gt wij elders gezegd hebben) dat de broederlijke liefde, gelijk zij alleen
jod uit de liefde Gods vloeit, zij ook alzoo is een zeker en waarachtig
ver- getuigenis van de liefde Gods. Den naam zijns Zoons. De naam is
ken de prediking van Christus, en dit is wel op te merken, want weini-
;ine gen verstaan wat het is, in Christus te gelooven. Uit deze spreuk is lich-
ioet telijk af te leiden, dat dit eerst een recht geloof is, hetwelk Christus
och omhelst, gelijk Hij in het Evangelie gepredikt wordt. Waaruit ook
laf- volgt, dat er geen geloof is zonder leer, gelijk ook Paulus leert,
: te Rom. 10: 14. Hierbenevens is ook dit op te merken, dat de apostel
ags het geloof sluit in de kennis van Christus. Want Hij is het levende
ruit beeld des Vaders, en in Hem zijn verborgen alle schatten der wijsheid en kennis. Hierom, zoo haast wij van Hem geweken zijn, wij kunnen niet dan dwalen, en in het wilde loopen.
ons 24 Die zijne geboden houdt. Hij bevestigt wat hij nu tevoren
ge- gezegd heeft, hoe de vereeniging, die wij met God hebben, aldus geopenbaard wordt, zoo wij elkander liefhebben. Niet dat de vereeni-
en- ging vandaar begint, maar omdat waar zij is, kan zij niet ledig en
lijn zonder werking zijn. En dit bewijst hij met een reden, die hij daarbij doet, namelijk dat God in ons niet blijft, tenzij zijn Geest in ons wone. Zoo waar nu de Geest is, daar moet Hij noodzakelijk zijn
me kracht en werking toonen. Waaruit lichtelijk te verstaan is, dat geen
tilk anderen in God blijven, en met Hem vereenigd zijn, dan die zijne
an, geboden houden. Als hij dan zegt; En hieraan weten wy. Het
De- woord, en, geldt hier zooveel als want, óf overmits. Dan, men moet
ïgt de omstandigheid der tegenwoordige zaak overwegen. Want hoewel
lis- deze spreuk in woorden overeenkomt met die Paulus gebruikt
ns- Rom. 8 : 15, waar hij zegt, hoe de Geest in onze harten getuigt, dat
an wij Gods kinderen zijn, en dat wij door Denzelven tot God roepen,
ije- Abba, Vader! zoo is nochtans in den zin wat verschil. Want
srt Paulus spreekt van de zekerheid der genadige aanneming tot kin-
iat deren Gods, welke de Heilige Geest aan onze harten verzegelt, maar
.ar Johannes ziet op de vruchten, welke de Geest in ons wonende,
dt, voortbrengt. Gelijk ook Paulus zelve, als hij zegt, dat die Gods
lat kinderen zijn, die door Gods Geest gedreven zijn. Want daar spreekt
of hij ook van de dooding des vleesches en nieuwigheid des levens,
ie- Dit is de inhoud, dat hieruit blijkt of wij Gods kinderen zijn,
en zoo zijn Geest ons leven geleidt en regeert. Intusschen leert
im Johannes, dat alle goede werken, die wij hebben, in ons voortkomen
ed door de genade des Geestes, en dat deze Geest niet wordt ver-
ei kregen door onze gerechtigheid, maar onverdiend wordt geschonken.
in,
of __
m
rt gt;Lgt;
O-
187
JOHANNES 4.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Geliefden! gelooft niet alle geesten, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn: want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld.
2 Kent hieraan den Geest Gods: alle geest, die bekent dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God.
3 En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; en deze is van den antichrist, van welken gij gehoord hebt, dat Hij komen zal, en is nu aireede in de wereld.
Hij keert weder tot de voorgaande leer, die hij in het tweede hfdst. aangeroerd had, want velen (gelijk het in nieuwe zaken pleegt te geschieden) misbruikten den naam van Christus om hunne dwalingen uit te strooien. Anderen beleden Christus maar ten halve. Intusschen, dewijl zij geteld waren onder de huisgenooten der gemeente, zoo konden zij des te meer schaden. Inzonderheid zocht de satan in Christus zeiven oorzaak om de gemeente te beroeren. Want Deze is de steen des aanstoots, aan welken zich noodzakelijk stooten moeten al degenen, die den effen weg, gelijk ons God dien toont, niet houden. Doch deze rede des apostels bestaat in drie deelen. Want eerstelijk toont hij het kwaad, waaruit den geloovigen gevaar aanstaande was. En door dit middel vermaant hij ze toe te zien, waarvan hij ook het middel voorschrijft, namelijk dat ze de geesten oordeelen en onderscheiden, en dit is het tweede deel. Ten laatste wijst hij aan een soort, waarvan zij het meeste gevaar hadden. Hij verbiedt dan die te hooren, welke loochenen, dat de Zone Gods in het vleesch geopenbaard is. Laat ons nu elk stuk in 't bijzonder ordelijk verhandelen. Hoewel nu in den tekst deze rede, dat er vele valsche profeten in de wereld uitgegaan zijn, achteraan gesteld is, zoo behoort men nochtans daarmede te beginnen. Zoo bevat ook deze rede een nuttige vermaning: want is het, dat satan alstoen velen bewogen had, dat ze onder den naam van Christus hun bedrog zouden uitstrooien, zoo moet ons hedendaags zulk een exempel niet verslagen maken. Want dit is eenparig het lot des Evangelies, dat satan poogt met verscheiden dwalingen de zuiverheid deszelven te bevlekken en te bederven. Deze onze eeuw heeft sommige gruwzame monsters van secten voortgebracht, waardoor, velen verslagen zijnde, twijfelen, en niet wetende waarheen zij zich behooren te keeren, van zich werpen alle zorg der godzaligheid, als die geen korteren weg weten om zich uit alle gevaar der dwalingen te wikkelen. Dit doen zij gansch zottelijk, want schuwende het licht der waarheid, werpen zij zichzelven moedwillig in de duisternis der dwalingen. Hierom, laat dit in onze harten vastblijven: van dat men begonnen heeft het Evangelie te openbaren, zijn er terstond valsche profeten opgestaan; dan zal ons ook deze leer wapenen tegen dien aanstoot. De oudheid der dwalingen houdt velen als gebondenen, dat ze zich daarvan niet durven losmaken. Dan, Johannes wijst hier aan het inwendig kwaad der kerk. Zoo reeds toen onder de apostelen en andere getrouwe leeraars de bedriegers vermengd waren, wat wonder isij keert weder tot de voorgaande leer, die hij in het tweede hfdst. aangeroerd had, want velen (gelijk het in nieuwe zaken pleegt te geschieden) misbruikten den naam van Christus om hunne dwalingen uit te strooien. Anderen beleden Christus maar ten halve. Intusschen, dewijl zij geteld waren onder de huisgenooten der gemeente, zoo konden zij des te meer schaden. Inzonderheid zocht de satan in Christus zeiven oorzaak om de gemeente te beroeren. Want Deze is de steen des aanstoots, aan welken zich noodzakelijk stooten moeten al degenen, die den effen weg, gelijk ons God dien toont, niet houden. Doch deze rede des apostels bestaat in drie deelen. Want eerstelijk toont hij het kwaad, waaruit den geloovigen gevaar aanstaande was. En door dit middel vermaant hij ze toe te zien, waarvan hij ook het middel voorschrijft, namelijk dat ze de geesten oordeelen en onderscheiden, en dit is het tweede deel. Ten laatste wijst hij aan een soort, waarvan zij het meeste gevaar hadden. Hij verbiedt dan die te hooren, welke loochenen, dat de Zone Gods in het vleesch geopenbaard is. Laat ons nu elk stuk in 't bijzonder ordelijk verhandelen. Hoewel nu in den tekst deze rede, dat er vele valsche profeten in de wereld uitgegaan zijn, achteraan gesteld is, zoo behoort men nochtans daarmede te beginnen. Zoo bevat ook deze rede een nuttige vermaning: want is het, dat satan alstoen velen bewogen had, dat ze onder den naam van Christus hun bedrog zouden uitstrooien, zoo moet ons hedendaags zulk een exempel niet verslagen maken. Want dit is eenparig het lot des Evangelies, dat satan poogt met verscheiden dwalingen de zuiverheid deszelven te bevlekken en te bederven. Deze onze eeuw heeft sommige gruwzame monsters van secten voortgebracht, waardoor, velen verslagen zijnde, twijfelen, en niet wetende waarheen zij zich behooren te keeren, van zich werpen alle zorg der godzaligheid, als die geen korteren weg weten om zich uit alle gevaar der dwalingen te wikkelen. Dit doen zij gansch zottelijk, want schuwende het licht der waarheid, werpen zij zichzelven moedwillig in de duisternis der dwalingen. Hierom, laat dit in onze harten vastblijven: van dat men begonnen heeft het Evangelie te openbaren, zijn er terstond valsche profeten opgestaan; dan zal ons ook deze leer wapenen tegen dien aanstoot. De oudheid der dwalingen houdt velen als gebondenen, dat ze zich daarvan niet durven losmaken. Dan, Johannes wijst hier aan het inwendig kwaad der kerk. Zoo reeds toen onder de apostelen en andere getrouwe leeraars de bedriegers vermengd waren, wat wonder is
188
JOHANNES 4:1. 189
--I-.---------
het, dat de leer des Evangelies nu lang onderdrukt zijnde, vele verdorvenheden in de wereld verbreid zijn? Zoo zal ons dan de oudheid niet beletten, dat wij niet vrijelijk de waarheid van de leugen onderscheiden.
csten, i Gelooft niet eiken geest. Als de kerk met oneenigheid en egaan twist gekweld wordt, velen, gelijk gezegd is, verbaasd zijnde, wijken van het Evangelie. Maar de Geest schrijft ons een heel andere Jezus remedie voor, namelijk dat de geloovigen niet lichtvaardig en zonder onderscheid alle leering ontvangen. Zoo moeten wij dan wachten, eesch dat wij door de verscheidenheid der opiniën niet geërgerd zijnde, hrist, de leeraars te zamen met het woord Gods vrijheid geven. Maar m al- deze matiging is genoeg, dat men een ieder zonder onderscheid niet hoore. Het woord Geest neem ik voor dien, die zich roemt de gave des Geestes te hebben om het ambt eens profeten te be-/eede dienen. Want aangezien niemand toegelaten is in zijn eigenen naam :aken te spreken, en dat men die daar spreken niet mag gelooven, dan is om zooverre zij instrumenten des Heiligen Geestes zijn, zoo heeft God ir ten de profeten, opdat ze te meer autoriteit hadden, met dit heerlijk i der getuigenis versierd, alsof Hij ze uit het gemeene getal der menschen ht de uitverkoren had. Zoo waren dan die geesten genaamd, die alleen kVant hun tong lieten gebruiken van den Heiligen Geest, en niet anders )oten waren dan aandieners. Zij brachten niets voort uit eigen zin, oont, en kwamen niet te voorschijn in hun bijzonderen naam. Deze elen. heerlijke titel diende hiertoe, opdat om de verachtelijkheid des ;vaar dienaars, Gods woord niet zou in te minder achting komen. Want zien, God heeft altijd gewild, dat men zijn woord uit den mond der ssten menschen zou ontvangen niet anders, dan alsof Hijzelf uit den atste hemel verschenen ware. Hier heeft zich de satan tusschengeworpen, . Hij en alzoo hij de valsche leeraars klaarmaakte, die Gods woord ver-Is in valschten, zoo heeft hij ze ook met een naam bekleed, onder welken nder zij te beter bedriegen konden. Alzoo plegen zich de valsche pro-vele feten hoovaardig en met volle kaken altijd toe te meten de eer, die d is. God zijnen dienaren gegeven had. En het schijnt, dat de apostel ook willens dezen naam gebruikt heeft, opdat zij ons met hunne mom-zelen aangezichten niet bedriegen, die den naam Gods valschelijk voordrog wenden: gelijk wij hedendaags velen zien zóó van 't stuk gebracht niet door den blooten naam kerk, dat ze zich liever tot hun eeuwig dat verderf den paus willen onderwerpen, dan hem iets ook het n te minste af te trekken van zijn autoriteit. Zoo is dan deze toege-:ame ving wel op te merken; want de apostel kon zeggen: Gelooft aller-inde, lei menschen niet. Maar overmits dc valsche leeraars den naam van des Geestes valschelijk voorwenden, zoo laat hij hen denzelven, weg doch alzoo, dat hij daarbenevens vermane, hoe het maar ijdelheid loen en beuzelingen zijn, tenzij ze met de daad toonen, wat zij uit-rpen geven; en leert hoe zij dwazen zijn, die alleen door het geluid van rom, den heerlijken titel verschrikt zijnde, naar de zaak niet durven ver-het nemen. Onderzoekt de Geesten. Ãmdat alle profetieën niet waar aan; zijn, zoo verklaart hier de apostel, dat men die tot de proef moet oud- brengen. Hij spreekt niet alleen het gansche lichaam der gemeente rvan aan, maar eiken geloovige. Dan, hier wordt gevraagd, vanwaar adig ons dit onderscheid komt. Degenen, die antwoorden, dat Gods woord dere de regel is, waaraan men meten zal al wat de menschen voort-;r is brengen, die zeggen wel wat, maar niet genoeg. Ik stem toe, dat
190 JOHANNES 4:1,2.
de leeringen uit Gods Woord moeten beproefd zijn, maar indien nie jrnaar de geest der voorzichtigheid er bij zij, zoo zal het niets of weinit alle % baten het Woord Gods voorhanden te hebben, waardoor ons de uit n's ^ legging verborgen blijft. Gelijk, bijvoorbeeld, het goud wordt be- daaru proefd door het vuur, of door den toetssteen, maar dat geschied 1 waar' van die de kunst weten: want noch de toetssteen, noch het vuur geko zou den onervarenen nuttig zijn. Opdat wij dan bekwame rechters vlees' zijn, zoo moeten wij noodzakelijk van den Geest des onderscheids natui begaafd en geregeerd wezen. Dan, dewijl de apostel ons dit tever- dat geefs bevelen zou, zoo men niet vermocht daarvan te oordeelen, laat:s1 zoo moet men zekerlijk houden, dat de Geest der voorzichtigheid oorz£ (zoover het nood wordt) nimmer den godvreezenden zal ontbreken,! zond' zoo zij dien alleen van den Heere begeeren. Maar alzoo zal ons de Geest eerst tot recht onderscheid drijven, zoo wij al onze zinnen: de lt; aan het Woord onderwerpen. Want dat is, gelijk gezegd is, als een l00c' toetssteen, ja moet bij ons nog veel meer wezen: want dat is eerst; en .J1 een wettige leer, die daaruit genomen is. Maar hier rijst een zware vraag, want zoo bij elkeen het recht en de macht van oordeelen krac' staan zal, zoo zal nimmer iets zekers kunnen besloten worden, maar werk veelmeer zal de gansche religie wankelen. Ik antwoord, daar is der tweeërlei proeve der leer, de een is privaat of bijzonder, de ander Chris publiek of openbaar. De private is, waarmede een ieder zijn geloof vaP versterkt, opdat hij zekerlijk rusten kan op die leer, die hij weet ^eid van God gekomen te zijn, want de conscientiën zullen nergens wli r dan in God een zekere en geruste haven vinden. De publieke proeve en d of onderzoek behoort tot de gemeene overeenstemming en regeering krac der kerken. Want dewijl daar gevaar is, dat er onzinnige menschen 3 oprijzen, die lichtvaardig van den Geest Gods roemen, zoo is; 0Pd: dit remedie van noode, dat de geloovigen samenkomen, en middel' Chri zoeken van eene godvruchtige en zuivere overeenkoming. Dan, nade- r*jk maal dit oude spreekwoord al te waar is: zooveel hoofden, zooveel 0Pd; zinnen, zoo is dit zeker een bijzonder werk Gods, dat Hij alle v5rrl halsstarrigheid temmende, ons tot eenerlei gevoelen, en tot een rein- zij ' heid des geloofs doet vereenigen. Maar dat de papisten onder dit Onol deksel voor Goddelijke spreuken gehouden hebben willen, alles wat aMel daar ooit in de conciliën besloten is, omdat de kerk hetzelve een- antl maal als van God komende, goed bekend heeft, dat is al te kwalijk wan gegrond. Want hoewel dat een ordelijk middel is om eenigheid te zijn zoeken, dat men een godvruchtig en heilig concilie samenbrengt, dat zoo heeft ons God nochtans nooit aan de besluiten eens concilies ond gebonden. Noch ook wanneer in eenige plaats honderd bisschoppen, nog of meer samengekomen zijn, volgt daaruit terstond niet, dat ze God een behoorlijk aangeroepen hebben, en dat ze uit zijn mond naar de 0Pg waarheid vernomen hebben. Ja er is niets klaarders, dan dat ze baa dikwijls van het zuivere Woord Gods afgeweken zijn. Zoo moet dan ook hier gelden dat onderzoek, hetwelk de apostel hier voorschrijft, namelijk, dat men de geesten beproeven za).
2 Kent hieraan. Hij stelt daar een bijzonder kenteeken bij, waardoor men te beter de rechte profeten van de valsche mocht onderkennen, hoewel hij hier alleen verhaalt, wat wij tevoren gehad hebben, namelijk dat gelijk Christus het doel is, waarnaar het rechte geloof mikt, dat Hij alzoo de klip is, waaraan zich alle ketters stoeten. Zoolang wij dan in Christus blijven, zoo is de zaak behouden.
JOHANNES 4 : 2, 3. 191
maar wanneer men van Hem wijkt, zoo is het geloof vergaan, en alle waarheid verdwenen. Dan, laat ons bedenken wat deze belijdenis behelst. Want als de apostel zegt, dat Christus gekomen is, daaruit besluiten wij, dat Hij tevoren bij den Vader geweest is, waarmede zijn eeuwige Godheid bewezen is. Als hij zegt, dat Hij gekomen is in het vleesch, zoo geeft hij te kennen, dat Christus vleesch aannemende, waarachtig mensch geworden is, van dezelfde natuur als wij zijn, opdat Hij onze broeder werd, uitgenomen dat Hij van alle gebrek en verdorvenheid vrij is geweest. Ten laatste als hij zegt, dat Hij gekomen is, zoo is op te merken de oorzaak zijner komst, want Hij is van den Vader niet tevergeefs gezonden. Hieraan hangt het ambt en de kracht van Christus. Hierom gelijk de ketters eertijds van het geloof gevallen zijn, eensdeels de Goddelijke, anderdeels de menschelijke natuur van Christus loochenende, alzoo hedendaags de papisten, hoewel zij Christus God en menschen bekennen, zoo behouden ze nochtans geenszins de belijdenis, die de apostel vereischt, omdat ze Christus van zijne kracht berooven. Want als zij den vrijen wil, de verdiensten der werken, versierde godsdiensten, genoegdoeningen, en voorsprekingen der heiligen hebben opgesteld, wat laten zij toch een weinig van Christus overblijven? Dit gevoelt dan de apostel, dewijl de kennis van Christus in zich begrijpt het hoofdstuk van de leer der godzaligheid, dat men daarop altijd de oogen slaan en vestigen zal, opdat rgens vvij n'et bedrogen worden. En waarlijk Christus is het einde der wet roeve en der profeten, en wij leeren uit het Evangelie niet anders dan zijn ering kracht en genade.
schen 3 En deze is van den antichrist. Dit doet de apostel daarbij, )o is opdat hij voor ons te afgrijselijker make de bedriegingen, die ons van liddel Christus afleiden. Want wij hebben gezegd, hoe de leer van het nade- rijk van den antichrist zeer vermaard, en in den mond is geweest, oveel opdat de geloovigen van de toekomende verwoesting der kerken alle vermaand zijnde, zich zorgvuldig zouden wachten. Zoo verschrikten rein- z'j dan terecht voor dien naam, als van kwaad gerucht, en vol r dit ongeluk zijnde. Nu zegt de apostel, hoe zij leden van dit rijk zijn 3 wat allen die Christus verkleinen. En hij zegt, dat de geest van den een- antichrist komen zal, en aireede in de wereld is, in tweeërlei zin: ralijk want hij verstaat, dat hij aireede in de wereld geweest is, omdat hij id te zijn verholen ongerechtigheid aanrichtte, 2 Thess. 2 ; 7. Dan, om-engt, dat Gods waarheid door die valsche en bastaard leeringen nog niet :ilies onderdrukt was, omdat de superstitie met verderf van den godsdienst )pen, nog niet i'1 zwang ging, omdat de wereld nog niet van Christus met God een schandelijke trouweloosheid afgeweken was, eindelijk, omdat de r de opgerichte tirannie tegen het rijk van Christus zich nog niet opgn-it ze baar verhief, daarom zegt hij, hoe dezelve nog te komen staat.
dan 'rijft,
raar-der-;had chte too-den,
Kinderkens! gij zijt, uit God. en hebt hen overwonnen: want Die in u is, is meerder dan die in de wereld is.
Zij zijn van de wereld, daarom spreken zij van de wereld, en de wereld hoort ze.
Wij zijn uit God. Die God kent, hoort ons. Die uit God niet is, die hoort ons niet. Hieraan kennen wij den Geest der waarheid en den Geest der dwaling.
sn me weinig de uit-dt be-chied' t vuur chters :heids tever leelen, igheid reken, ms de :innen Is een eerst zware leelen maar iar is ander ;eloof weet
JOHANNES 4: 4â6.
4 Gjj zjjt uit God. Hij had van één antichrist gesproken, nu verhaalt hij er meer. Maar het getal van velen wordt geduid op de valsche profeten, die van toen opgekomen waren, eer het hoofd oprees. Des apostels voornemen is, den geloovigen moed te geven, dat ze dapper en onversaagd de bedriegers wederstaan: want men verliest veel blijmoedigheid, als men strijdt op een onzekeren uitgang. Nu kon dit den goeden een vrees aanjagen, dat zij zagen, hoe het rijk van Christus nauwelijks uitgesproten zijnde, de vijanden aireede in slagorde stonden om dat te onderdrukken. Maar hoezeer zij dan te strijden hadden, zoo zegt hij nochtans, dat ze overwonnen hebben, omdat ze verkrijgen zullen een gelukkigen uitgang. Alsof hij zeide, dat ze in het midden van den strijd buiten gevaar zijn, omdat ze dien zullen te boven komen. Deze leer moet breeder uitgestrekt worden: want wat strijden wij te houden hebben tegen de wereld en het vleesch, dat kampen wij al met een zekere hoop van overwinning. Wij hebben wel harde en scherpe worstelingen te verwachten, welke komen de een na de ander; maar aangezien wij strijden met de kracht van Christus, en toegerust zijn met de wapenen Gods, zoo zijn wij al vechtende en arbeidende overwinnaars. Zooveel de omstandigheid dezer plaats belangt, het is een heerlijke troost, dat met wat listen satan ons bespringt, wij nochtans in Gods waarheid blijven zullen. Doch wel is op te merken de reden, die hij terstond daarbij voegt, namelijk dat Hij meerder, dat is, sterker is, die in ons is, dan die in de wereld is. Want onze zwakheid is zoo groot, dat wij moeten ten ondergaan, eer wij tegen den vijand den strijd aangrijpen. Want wij steken in onwetendheid, en daarom staan wij open voor alle bedrog, en satan is een wonderlijk kunstenaar om te bedriegen. Zoo wij eenen dag tegenstaan, wij worden in onze harten twijfelende wat het morgen zijn zal, alzoo worden wij altijd beangst. Zoo vermaant ons dan de apostel, dat wij sterk zijn, niet uit onze eigene, maar door Gods kracht: waaruit hij besluit, dat wij niet meer kunnen overwonnen worden, dan God zelve, die ons met zijne kracht tot het einde der wereld gewapend heeft. En in onzen ganschen geestelijken strijd, moeten wij dit altijd gedenken, dat het terstond met ons gedaan ware, zoo wij met onze krachten strijden moesten. Maar aangezien ook als wij rusten, God de vijanden verdrijft, zoo is de overwinning ongetwijfeld.
5 Zij zjjn van de wereld. Dit is geen kleine troost, dat die God in ons durven aantasten, alleen met 's werelds macht gewapend zijn. Dan, de apostel verstaat de wereld, zoover de satan een vorst der-zelve is. Daarbenevens wordt de andere troost daarbij gedaan, als hij zegt, dat de wereld in de valsche profeten aanneemt, wat zij voor het hare bekent. Wij zien hoezeer de menschen tot ijdelheid genegen zijn. Hierom is het, dat de valsche leeringen terstond doordringen, en wijd en breed uitloopen. De apostel zegt, dat wij daarom niet behooren beroerd te zijn, want het is niets nieuws of zeldzaams, dat de wereld, die gansch leugenachtig is, de leugen gaarne hoort.
6 Wy zijn uit God. Hoewel dit met waarheid allen godzaligen toekomt, zoo behoort het nochtans eigenlijk tot de getrouwe dienaars des Evangelies. Want de apostel roemt hier uit vrijmoedigheid des Geestes, dat hij en zijne mededienaren Gode oprecht dienen, en van Hem genomen .hebben wat ze leeren. Het zal geschieden, dat de valsche apostelen van ditzelve roemen, gelijk hunne gewoonte is
192
JOHANNES 4:0.
193
13
3er het momaangezicht Gods te bedriegen. Maar de getrouwe raars verschillen veel van hen, want zij prediken niet met woor-i, wat ze niet bewijzen met de daad. Toch moeten wij altijd ge-iken wat zaak hij hier verhandelt. Het getal der godvruchtigen s klein, de ongeloovigheid had bijna overal de plaats ingenomen, inigen waren het Evangelie zuiver aanhangende, het meerder-ïl was tot dwalingen genegen. Hieruit kwam oorzaak van aan-ot, waaromtrent, opdat Johannes tegemoet kome, hij ons beveelt reden te zijn met het klein hoopske der geloovigen, dewijl alle ideren Gods Hem de eere doen, en zich zijner leer onderwerpen, int kort daarna stelt hij het tegendeel, dat die uit God niet zijn, zuivere leer des Evangelies niet hooren. Met welke woorden hij kennen geeft, hoe de groote hoop, dien het Evangelie niet aakt, daarom de vrome en wettige dienaars Gods niet hoort, om-t deze van God zeiven vervreemd is, zoodat hierom de autoriteit ; Evangelies niet te minder is, al wordt het van velen verworpen, tar aan deze leering is een nuttige vermaning toegevoegd, name-;, dat wij met de gehoorzaamheid des geloofs bewijzen, dat wij God zijn. Ons valt niets lichter te doen dan te roemen dat wij )de toebehooren, en daarom is er onder de menschen niets ge-lener. Gelijk zich hedendaags de papisten hoogmoedig uitgeven or dienaars Gods, zoo zij toch met gelijke hoogmoedigheid Gods Dord verwerpen. Want hoewel zij veinzen Gods Woord te gelooven, nneer men evenwel tot de zaak zelve komt, hebben zij de ooren stopt. Maar dit is het eenig getuigenis der godvreezendheid, dat ;n zijn Woord in eere houdt. Ook heeft hier geen plaats die ver-tschuldiging, die velen plegen voor te wenden, dat zij daarom leer des Evangelies, als zij hun voorgesteld wordt, schuwen, om-t ze niet bekwaam zijn daarvan te oordeelen; want het is onmoge-:, dat hij God in zijn woord niet zou kennen, die Hem van harte ïest en gehoorzaam is. Zoo iemand opwerpt, dat velen van de verkorenen niet terstond tot het geloof komen, maar wel in eerst dat met voeten treden, ik antwoord, dat die alsdan, naar s oordeel, niet zijn te houden onder de kinderen Gods. Dan, dit een teeken van een verworpen mensch, als de waarheid van hem rdnekkig verworpen wordt. Hierbenevens is ook aan te merken, t dit hooren, waarvan de apostel meldt, te verstaan is van een vendig en ernstig gehoor des harten, hetwelk in het geloof beat. Hieraan kennen wij. Dit woord, hieraan, bevat de twee orgaande stukken, alsof hij zeide: Hieruit kent men de waarheid n de leugen, dewijl de een uit God, de ander van de wereld reekt. Maar dat sommigen meenen, dat door den geest der dwa-g en der waarheid de hoorders aangewezen worden, alsof hij zeide, t zij, die zich den bedriegers overgeven om bedrogen te worden, : de dwaling geboren zijn, en het zaad der leugen in zich hebben, dat daarentegen zij, die het woord Gods toestemmen, met dat :ken bewijzen dat ze waar zijn, neem ik niet aan. Want aangezien apostel hier de geesten neemt voor de leeraars of profeten, 3 acht ik, dat hij niet anders wil zeggen, dan dat men hun leer n deze twee voorgaande dingen moet beproeven, of zij van )d zijn, of van de wereld. Maar aldus sprekende schijnt hij niets zeggen: want het is aan een iegelijk licht te beweren, dat hij ;t spreekt dan uit God. Alzoo roemen hedendaags de papisten
Dl. VIII.
JOHANNES 4:6â8.
met een meesterlijken hoogmoed, dat al hunne verzinningen Goddelijke spreuken des Geestes zijn. Alzoo roemt zich ook Mohammed, dat hij zijne beuzelingen nergens elders dan uit den hemel gehaald heeft. Ja ook de Egyptenaren voortijds hebben versierd, dat hunne vuile ongeschikte ceremoniën, waarmede zij zichzelven en anderen verdwaasden, hun van God geopenbaard waren. Maar ik antwoord, dat wij het woord des Heeren hebben, waarmede men vóór alles moet te rade gaan. Als dan de bedriegende geesten den naam Gods voorwenden, zoo betaamt uit de Schrift te onderzoeken, of de zaak zoo is. Zoover wij een godvruchtige naarstigheid met alle ootmoedigheid en nederig gevoelen aanwenden, zal de Geest des onderscheids ons bijkomen, die als een getrouwe uitlegger Zichzelven, gelijk Hij in de Schrift spreekt, zal verklaren.
7 Geliefden! laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en die liefheeft is uit God geboren, en kent God.
8 Die niet liefheeft, die kent God niet, want God is de liefde.
9 Hierin is de liefde Gods tot ons geopenbaard, dat God zijn eengeborenen Zoon in de wereld gezonden heeft, dat wij door Hem leven zouden.
10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons liefgehad heeft, en zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.
Hij keert wederom tot de vermaning, welke hij bijna door den ganschen brief vervolgt; want wij hebben gezegd, hoe in dezen brief de leer des geloofs met de vermaning tot de liefde vermengd is. Deze twee voorname stukken drijft hij alzoo, dat hij altemet van de een tot de ander gaat. Als hij ons onderlinge liefde beveelt, zoo verstaat hij niet, dat wij ons gekweten hebben, zoo wij onze vrienden wederom liefhebben, omdat zij ons liefhebben. Maar aangezien hij de geloovigen in het algemeen aanspreekt, zoo heeft hij niet anders moeten spreken, dan dat zij elkander beminnen. Deze rede bevestigt hij met een oorzaak, die hij nu eenige malen bijgebracht heeft; namelijk, omdat zich niemand kan bewijzen een kind Gods te zijn, tenzij hij zijn naasten liefhebbe, en omdat de rechte kennis Gods de liefde Gods in ons noodzakelijk voortbrengt. Hij stelt ook het tegendeel daartegen naar zijn wijze: dat daar geen kennis Gods is, waar geen liefde omgaat. Doch hij neemt tot bewijs een algemeen hoofdstuk, als dat God de liefde is, dat is, het is zijn natuur de menschen lief te hebben. Ik weet hoe velen scherpzinnig daarvan philosopheeren, en voornamelijk hoe de oude leeraars deze plaats misbruikt hebben om de Godheid des Geestes te bewijzen. Maar de zin des apostels is eenvoudig, namelijk, omdat God de oorsprong der liefde is, dat deze genegenheid van Hem vloeit, en uitgebreid wordt alom waar zijn kennis geraakt. Gelijk hij Hem te voren een licht genoemd heeft, omdat in Hem niets duisters is, maar dat Hij veel meer met zijn glans alles verlicht, zoo spreekt hij dan hier niet van het wezen Gods, maar leert alleen hoedanig Hij van ons ge- ' voeld wordt. Verder, zoo zijn in de woorden des apostels twee dingen op te merken, ten eerste, dat dit is de ware kennis Gods, die ons wederbaart en herschept, dat wij nieuwe creaturen zijn; ten andere, dat het onmogelijk is, dat zij ons niet met God gelijkvormig
194
JOHANNES 4:8-10.
zou maken. Laat dan dat zotte versiersel van het ongeformeerd geloof henenloopen, want zoo wie het geloof van de liefde scheidt, die doet even, als wilde hij de hitte van de zon wegnemen.
9 Hierin is geopenbaard. Wij hebben vele andere bewijzen meer, die ons getuigen van de liefde Gods te onswaart. Want zoo men vraagt: waarom de wereld geschapen is, waarom wij daarin gesteld zijn om heerschappij over de aarde te hebben, waarom wij in dit leven behouden worden om ontallijke goedheden te genieten, waarom wij geschapen zijn tot de hope eens beteren levens, waarom wij met licht en verstand begaafd zijn, men zal van alle deze dingen geen andere oorzaak bijbrengen, dan de onverdiende liefde Gods te onswaart. Dan, de apostel heeft hieruit gekozen het uitnemendste bewijs, en dat al de andere verre overtreft. Want dit is niet alleen geweest een onmetelijke liefde Gods, dat Hij zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, opdat Hij ons door zijn dood tot het leven weder-bracht, maar is geweest eene al te wonderbare goedheid, die onze zinnen moet doen verschrikken. Zoo is dan Christus een zoo klaar en bijzonder bewijs der Goddelijke liefde te onswaart, dat zoo dikwijls wij op Hem zien. Hij ons deze leer klaarlijk bevestigt, dat God de liefde is. Dat hij Christus noemt eengeborenen, dient tot verheffing der zaak, want daarin heeft hij klaarlijk getoond, hoe innerlijk Hij ons liefhad, dat Hij zijnen eenigen Zoon om onzentwil in den dood gegeven heeft. Intusschen Hij, die van nature de eenige Zoon is, maakt er velen door genade en aanneming, namelijk zoo velen, als Hij er door het geloof in zijn lichaam inlijft. Hij drukt uit het einde, waartoe Christus van den Vader gezonden is, opdat wü door Hem leven: want buiten Hem zijn wij allen dood, maar met zijne komst heeft Hij ons het leven aangebracht. En zoo het onze ongeloovigheid niet verhindert, wij gevoelen in ons de vrucht dezer genade.
10 Hierin is de liefde. Met een andere rede verheerlijkt hij de liefde Gods, dat Hij ons namelijk zijn Zoon gegeven heeft, toen wij nog zijne vijanden waren, gelijk ook Paulus leert, Rom. 5:6. Maar hij gebruikt andere woorden: hoe God door geene liefde der menschen verwekt zijnde, hen vrijwillig liefgehad heeft, met welke woorden hij heeft willen leeren, dat Gods liefde te onswaart onverdiend is. Doch hoewel des apostels voornemen is, ons de liefde Gods voor te stellen, dat wij die navolgen, zoo zal men nochtans de leer des geloofs, die hij daaronder mengt, niet verzuimen. God heeft ons om niet liefgehad. Waarom? Omdat wij nog niet geboren waren; verder, omdat wij in deze verkeerdheid der natuur het hart van Hem afgekeerd, en het tot rechte Goddelijke genegenheden gansch onbuigzaam hebben. Indien de scherpzinnigheid der papisten plaats had, namelijk dat een iegelijk verkoren is van God, nadat Hij dien der liefde waardig, tevoren gezien heeft, zoo zou deze leer niet bestaan, dat Hij ons eerst liefgehad heeft. Want alsdan zou onze liefde tot God naar orde de eerste plaats hebben, ofschoon zij naar tijd de laatste ware. Dan, de apostel neemt voor een onbetwist hoofdartikel, (waarvan de onheilige sophisten niets weten) dat wij alzoo verdorven en verkeerd geboren worden, dat ons de haat tegen God als aangeboren is, dat ons niets gelust dan zulks wat Hem mishaagt, en dat elke genegenheid onzes vleesches tegen zijne gerechtigheid een gedurigen oorlog voert. En heeft zjjn
195
JOHANNES 4: 10.
196
Zoon gezonden. Zoo is dan Christus met al zijne goederen tot ons gevloeid uit de loutere goedheid Gods, als uit een fontein. Gelijker-wijs nu ons van noode is deze kennis, als dat wij daarom in Christus zaligheid hebben, omdat ons de hemelsche Vader vrijwillig liefgehad heeft, alzoo wederom als men zoeken wil een grondige en volkomene zekerheid der Goddelijke liefde te onswaart, men kan nergens op zien dan op Christus. Hierom zijn dol tot hun verderf, allen die Christus achterwege latende, onderzoeken wat God van hen in zijnen verborgen raad besloten heeft Verder, toont hij wederom de oorzaak der komst van Christus, en zijn ambt, als hij vermeldt dat Hij daartoe gezonden is, dat Hij ware éen verzoening voor de zonden. En vooreerst worden wij door deze woorden geleerd, hoe wij allen door de zonde van God vervreemd zijn, en dat deze tweedracht blijft, totdat Christus tusschenkome, die ons verzoent. Ten andere worden wij geleerd, hoe dit is het beginsel onzes levens, dat God door zijns Zoons dood tevreden gesteld zijnde, ons in genade ontvangt, want dat Hij een verzoener genoemd wordt, behoort eigenlijk tot de offerande zijns doods. Zoo houden wij dan vast, dat deze eer aan Christus alleen toekomt, dat Hij de zonde der wereld verzoent, en de vijandschap tusschen God en ons wegneemt. Maar hier ontstaat een schijnbare tegenstrijdigheid. Want zoo ons God liefhad, eer zich Christus voor ons in den dood gaf, wat is van noode geweest nieuwe verzoening? Alzoo kan Christus dood onnoodig schijnen. Ik antwoord: als Christus gezegd wordt den Vader met ons verzoend te hebben, dan wordt dit verstaan ten aanzien van ons gevoelen. Want als wij een kwade conscientie hebben, wij kunnen van God niet anders vermoeden, dan dat Hij vertoornd en verbolgen is, totdat ons Christus van de schuld vrij make: want zoo waar zonde gezien wordt, daar wil God, dat zijne gramschap en het oordeel des eeuwigen doods gevoeld wordt. Hieruit volgt, dat wij door het tegenwoordig aanschouwen des doods moeten verschrikt worden, totdat Christus met zijnen dood de zonde uitwissche, en met den prijs zijns bloeds van den dood verlosse. Wederom, vereischt de liefde, dat God rechtvaardig is. Opdat wij dan verzekerd zijn, dat wij bemind worden, zoo moeten wij noodzakelijk tot Christus komen, in wien alleen onze gerechtigheid bestaat. Nu zien wij, hoe die verscheidenheid van spreken, die in de Schrift te vinden is, naar het verscheiden aanzien, zeer bekwaam, en het geloof zonderling nut is. Hierom heeft God zijnen Zoon tusschenbeide gesteld om ons te verzoenen, overmits Hij ons liefhad, maar de liefde was verborgen, want ondertusschen waren wij Gods vijanden, die zijn toorn dagelijks opwekten. Ten andere, de vreeze en schrik der kwade conscientie benam ons allen smaak des levens. Zooveel wij dan door het geloof beseffen, zoo begint ons God in Christus lief te hebben. Doch, hoewel de apostel hier handelt van de eerste verzoening, zoo laat ons nochtans weten, hoe dit is eene altijddurende weldaad van Christus, dat Hij onze zonden verzoent, en ons eenen genadigen God maakt. Dit laten ook de papisten in eenig deel wel toe, maar daarna verkleinen zij deze genade, en maken ze bijna tot niets, met in te voeren hunne versierde genoegdoeningen. Dan, zoo de menschen zichzelven met den prijs hunner werken verlossen, zoo zal Christus de eenige verzoening niet zijn, gelijk Hij hier genoemd wordt.
JOHANNES 4: 11â13.
11 Geliefden! indien God ons alzoo lief heeft gehad, zoo moeten wij ook elkander liefhebben.
12 Niemand heeft ooit God gezien. Indien wij elkander liefheb-Joh. i; is. ben, zoo blijft God in ons, en zijn liefde is volmaakt in ons. 1 rim' 5'16,
13 Hieraan bekennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons,
omdat Hij ons van zijnen Geest gegeven heeft.
14 En wij hebben gezien, en getuigen, dat de Vader den Zoon gezonden heeft tot eenen Zaligmaker der wereld.
15 Zoo wie belijdt, dat Jezus Gods Zoon is. God blijft in Hen^
en hij in God.
16 En wij hebben bekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft.
De apostel schikt nu tot zijn oogmerk wat Hij tevoren van de onverdiende liefde Gods geleerd heeft, namelijk, dat hij ons met het exempel Gods vermane tot broederlijke liefde. Alzoo stelt ons ook Paulus Christus voor, die Zich als een offerande eens zoeten reuks den Vader geofferd heeft, opdat elk van ons zich zijnen naasten ten dienst geve, Ef. 5 :2. Ook vermaant Johannes, dat onze liefde geen liefde van een huurling zijn moet, als hij ons beveelt den naaste lief te hebben, gelijk ons God liefgehad heeft. Want dit moet men herhalen, dat wij onverdiend liefgehad zijn. En voorwaar, als wij op ons nut zien, of onze vrienden gelijkelijk vergelden, zoo is het geen rechte liefde, maar eigenliefde.
12 Niemand heeft ooit God gezien. Dezelfde woorden staan in het eerste hfdst. van zijn Evangelie vs. 18. Maar Johannes de Doo-per ziet daar alleszins niet op hetzelfde einde, want hij geeft daar alleen te kennen, dat God niet anders kan gekend worden, dan zoo verre Hij Zich in Christus openbaart. De apostel strekt hier dezelfde leering wijder uit, namelijk dat wij Gods deugd met het geloof en de liefde begrijpen, opdat wij weten, hoe wij zijne kinderen zijn, en dat Hij in ons woont. Nochtans spreekt hij eerst van de liefde, ais hij zegt, dat God in ons blijft, zoo wij elkander liefhebben. Want hierdoor is zijn liefde in ons volmaakt, dat is recht beproefd. Alsof hij zeide, dat Zich God als tegenwoordig aanbiedt, als Hij onze harten door zijnen Geest tot broederlijke liefde geschikt maakt. Hij verhaalt wat hij reeds eenmaal gezegd had, in denzelfden zin, dat wij uit den Geest, dien Hij ons gegeven heeft, bekennen dat Hij in ons woont: want het is een bevestiging der naastvoorgaande rede, dat de liefde een vrucht des Geestes is. Zoo is dan dit de inhoud: aangezien de liefde uit den Geest Gods is, kunnen wij de broeders niet oprechtelijk en met een ongeveinsd hart liefhebben, tenzij de Geest zijne kracht betoone. Aldus bewijst Hij, dat Hij in ons woont. Nu woont God in ons door zijnen Geest. Zoo zullen wij dan met de liefde doen blijken, dat wij God in ons hebben wonende. Wederom zoo wie zich roemt God te hebben, en de broederen niet liefheeft, met dit eene wordt zijne ijdelheid wederlegd, omdat hij God van Zichzelven scheurt. Als hij zegt: en zjjn liefde is volmaakt. Het woord en neemt hij in plaats van want. Ook kan hier liefde Gods op tweeërlei wijs uitgelegd worden, te weten, van de liefde, die wij Hem toedragen, of die Hij ons ingeeft. Eindelijk, dat God ons zijnen Geest gegeven heeft, of van zijnen Geest gegeven heeft, dit beteekent hetzelfde, want wij weten,
dat de Geest een iegelijk uitgedeeld wordt naar de mate.
197
JOHANNES 4: 14â16.
14 En wjj hebben gezien. Nu verklaart hij het andere deel der kennis Gods, hetwelk wij aangeroerd hebben, namelijk dat Hij Zich in zijnen Zoon ons mededeelt en te genieten geeft: waaruit volgt,
dat Hij door het geloof van ons ontvangen wordt. Want hiertoe dient het voornemen des apostels, dat wij door het geloof en de liefde alzoo met God vereenigd worden, dat Hij in ons waarlijk woont, en door de werking zijner kracht Zich eenigszins te aanschouwen aanbiedt, die anderszins niet kan gezien worden. Als hij zegt:
Wy hebben gezien en betuigen, zoo ziet hij op zichzelven en ne
de andere apostelen, en verstaat niet allerlei aanschouwen, maar een ge
aanschouwen des geloofs, waardoor zij Gods heerlijkheid in Christus tr(
gekend hebben, gelijk er ook volgt, dat Hij gezonden is om te zijn ell
een Zaligmaker der wereld, welke kennis uit de verlichting des G-
Heiligen Geestes is vloeiende. ni
15 Zoo wie belydt. Hij verhaalt het voorname stuk, dat wij met hi God vereenigd worden door Christus, en dat wij Christus niet ze kunnen bijgevoegd zijn, of God blijft in ons; doch, geloof en bely- be denis, worden in denzelfden zin genomen zonder onderscheid. Want ar hoewel de geveinsden van het geloof valschelijk roemen, zoo be- zi kent hier de apostel niemand te zijn van de orde der belijders, dan 01 die oprecht en van harte gelooven. Daarenboven, als hij zegt dat hi Jezus Gods Zoon is, zoo vat hij in die weinige woorden samen 01 den ganschen inhoud des geloofs, want er is niets ter zaligheid noo- E dig, dat het geloof niet vindt in Christus. Dan, nadat hij in het alge- sc meen gezegd heeft, hoe de menschen door het geloof alzoo Christus sc toegedaan worden, dat Christus ze met God vereenigt, zoo zegt hij di daarna als een exempel, dat zij het gezien hebben, opdat hij die gi algemeene rede zou schikken tot wie hij schrijft. Ten laatste volgt m daar een vermaning, dat ze anderen liefhebben, gelijk zij van God k liefgehad zijn. Hierom is dit de orde en de samenhang der woorden: ir Het geloof in Christus maakt, dat God in de menschen blijft. Nu n zijn wij deze genade deelachtig. Dan, dewijl God de liefde is, zoo d kan niemand in Hem blijven, of hij hebbe zijn broederen lief. Aan- zi gezien Zich dan God met ons vereenigd heeft, zoo is het behoorlijk, h dat de liefde in ons regeere. o
16 Wü hebben bekend en geloofd. Het is alsof hij zeide; geloo- w vende hebben wij bekend. Want zoodanige kennis wordt niet dan door w het geloof ontvangen. Dan, hieruit besluiten wij hoever een hangende d ot twijfelachtige meening van het geloof verwijderd is. Evenwel, t( hoewel hij de naastvoorgaande spreuk hier wil schikken tot de b lezers, gelijk ik aireede gezegd heb, zoo beschrijft hij nochtans het k wezen des geloofs op verscheiden wijze. Tevoren had hij gezegd, t: die gelooft dat Jezus de Zoon Gods is, maar nu zegt hij, door het d geloof bekennen wij de liefde Gods jegens ons. Waaruit blijkt, dat de 0 vaderlijke liefde Gods in Christus begrepen wordt, en dat zij niets t zekers van Christus weten, dan die bekennen, dat ze door zijn ge- r nade kinderen Gods zijn. Want daarom stelt ons de Vader zijn c Zoon dagelijks voor, opdat Hij ons in Hem tot kinderen aanneme. t God is de liefde. Hij neemt zijn bewijsreden van het geloof op de z liefde aldus: God woont in ons door het geloof; nu is God de \ liefde; zoo waar dan God blijft, daar moet ook tegelijk de liefde c krachtig zijn. Hieruit volgt, dat de liefde noodzakelijk aan het ge- 1 loof verbonden is. 1
198
JOHANNES 4; 17.
17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij een betrouwen hebben in den dag des oordeels, dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.
18 Daar is geen vrees in de liefde, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees heeft pijn; die nu vreest, is niet volmaakt in de liefde.
Deze rede heeft twee deelen. De eerste is, dat wij dan de aanneming tot kinderen Gods deelachtig zijn, als wij God navolgen, gelijk aardsche kinderen hunnen vader. De andere is, dat dit betrouwen een onvergelijkelijk goed is, omdat wij zonder dat de aller-ellendigsten zijn. Zoo toont hij dan vooreerst, met wat voorwaarde God ons in zijne liefde omhelsd heeft, en hoe wij deze weldaad genieten, die Hij ons in Christus gedaan heeft. Zoo moet men dan hier de liefde Gods verstaan, die Hij tot ons draagt. Hij zegt, dat ze volmaakt is, omdat ze overvloedig uitgestort, en ganschelijk bewezen is, dat er niets aan ontbreekt. Doch hij verklaart, dat geen anderen van dit goed deelachtig zijn, dan die Gode gelijkvormig, zich zijne kinderen bewijzen te zijn. Alzoo bevestigt hij zijn rede, omdat deze dingen onafscheidelijk zijn. Opdat wjj een betrouwen hebben. Nu begint hij te toonen de vrucht der liefde Gods tot ons, hoewel hij die hierna klaarder door het tegendeel zal bewijzen. Evenwel is dit een onbegrijpelijke gelukzaligheid, dat wij onver-schrikt voor Gods aanschijn durven verschijnen. Want van nature schromen wij voor het aangezicht Gods, en dit met recht. Want dewijl Hij de rechter der wereld is, en onze zonden ons tot straf gebonden houden, zoo kunnen wij aan God niet gedenken, of wij moeten tevens den dood en de hel in gedachtenis hebben. Hieruit komt de vrees, waarvan ik gezegd heb, dat de menschen, zooveel in hen is. God schuwen. Maar Johannes zegt, dat de geloovigen niet vreezen, als zij van het laatste oordeel hooren, maar veelmeer dat ze gerust en vroolijk tot Gods rechterstoel gaan, omdat ze van zijn vaderlijke liefde wel verzekerd zijn. Zoo is dan een iegelijk in het geloof zooveel toegenomen, als hij in zijn gemoed welgesteld is om den dag des oordeels te verwachten. Gelijk Hy is. Met deze woorden geeft hij te kennen, gelijk gezegd is, dat er van ons wederom vereischt wordt, dat wij Gods beeld uitdrukken. Opdat wij dan kinderen Gods geacht worden, zoo beveelt hij ons zoodanig te zijn hier in deze wereld, als God is in den hemel. Want het beeld Gods, als het in ons licht, is als een zegel, dat wij tot zijne kinderen aangenomen zijn. Maar aldus schijnt hij een deel des be-trouwens in de werken te stellen. Hierom heffen hier de papisten de hoornen op, alsof Johannes ontkende, dat wij alleen steunende op de genade Gods, een zeker betrouwen der zaligheid hebben, tenzij de werken medehelpen. Maar hierin zijn ze bedrogen, dat ze niet overwegen, hoe de apostel hier zijn bewijs geenszins trekt uit de oorzaak, maar van dingen, die bij elkander gevoegd zijn. Wij bekennen toch gaarne, dat niemand met God door Christus verzoend wordt, tenzij hij meteen naar het beeld Gods vernieuwd worde, en dat het een van het ander niet kan gescheiden zijn. Zoo doet dan de apostel recht, die ze allen van het betrouwen der genade wegdrijft, in welke de gelijkheid Gods niet gezien wordt. Want het is zeker, dat zulken van den Geest Gods, en van Christus
199
200 JOHANNES 4:17, 18.
gansch vreemd zijn. Wij loochenen ook niet, of de nieuwigheid des levens, als zijnde een bewijs, dat men tot een kind Gods aangenomen is, dient om het betrouwen te versterken, maar dat is als een tweede behulpsel, om zoo te spreken, doch intusschen moeten wij op de eenige genade gegrond staan. En anderszins zou voorwaar de leer van Johannes met zichzelve niet overeenkomen. Want de bevinding wijst het uit, en ook de papisten moeten bekennen, dat er altijd in het aanzien der werken, oorzaak is van beven. Hierom zal niemand ooit met een gerust gemoed tot Gods rechterstoel komen, dan die vast zal houden, dat hij van God zonder zijn verdiensten bemind is. Maar dat de papisten hiervan niets smaken, zal zich niemand verwonderen, dewijl de ellendige lieden geen geloof kennen, dan dat met twijfeling behangen is. Hierenboven verblindt de geveinsdheid hen, dat zij niet ernstig kunnen bedenken, hoe vree-selijk het oordeel Gods zij, wanneer Christus de Middelaar daar niet bij is. Anderen verachten de verrijzenis als een gedichtsel zijnde, maar wij moeten, zoo wij blijde en vroolijk Christus willen tegemoet gaan, ons geloof alleen op zijne genade gevestigd hebben.
18 Daar is geen vrees. Uit het tegendeel prijst hij nu aan de uitnemendheid van dit goed. Want hij zegt, hoe wij eenparig gepijnigd worden, totdat ons God door het medicijn zijner liefde tot ons, van die ellendige pijn verlost. De inhoud is: Dewijl niets ellendiger is dan met een gedurige ongerustheid gekweld te zijn, dat wij door het bekennen der liefde Gods te onswaart dit verkrijgen, dat wij zonder vrees stil rusten mogen. Waaruit blijkt, wat een bijzondere weldaad Gods het is, dat Hij ons verwaardigt lief te hebben. Dan, uit deze leer zal hij terstond een vermaning trekken. Maar eer hij ons tot onzen plicht vermaant, zoo prijst hij ons aan de gave Gods, die ons door het geloof de vrees wegneemt. Ik weet, dat velen deze
gansche plaats anders uitleggen: maar ik zie niet aan, wat anderen gevoelen, maar wat de apostel gemeend heeft. Zij zeggen, daar is geen vrees in de liefde, omdat wanneer wij God vrijwillig liefhebben, wij door kracht en vrees tot zijn dienst niet gedwongen worden. Naar hun gevoelen dan, zoo wordt hier de knechtelijke vrees gesteld tegenover de gewillige eerbiediging: waaruit ook ontsproten is het onderscheid tusschen de knechtelijke en kinderlijke vrees. Ik beken dit wel waar te zijn, als wij God vrijwillig als een vader liefhebben, dat wij door de vrees der straf niet meer gedwongen worden. Doch die leer heeft niets gemeen met deze tegenwoordige plaats. Want de apostel leert alleen, dat wanneer wij de liefde Gods bevinden, en door het geloof kennen, onze conscientiën daardoor vrede krijgen, dat ze ons niet meer beroeren. Men kon nochtans vragen: op welken tijd de volmaakte liefde de vrees verdrijft, dewijl wij alleen eenigen smaak der Goddelijke liefde te onswaart hebbende, nimmermeer van de vrees ganschelijk verlost worden? Ik antwoord, hoewel de vrees niet ganschelijk uitgedreven wordt, wanneer wij nochtans tot God vlieden, als tot een geruste haven, die van alle gevaar van schipbreuk en stormen bewaart en vrij is, dat alsdan de vrees waarlijk verdreven wordt, omdat het betrouwen de plaats inneemt. Zoo wordt dan de vrees alzoo niet verdreven, dat ze onze harten niet bekommere, maar wordt alzoo verdreven, dat ze ons niet beroert, noch den vrede belet, dien wij door het geloof krijgen. De vrees heeft pijn. Hier verheft ook de apostel de grootheid der
JOHANNES 4: 18-20.
genade, waarvan hij spreekt: want aangezien daar geen ellendiger staat is, dan gedurige pijnigingen te lijden, zoo is er niets wensche-lijker, dan met een gestilde conscientie en welgesteld hart zich voor Gods aangezicht te stellen. Dat anderen zeggen, dat de knechten vreezen, omdat ze zich straf en slagen voor oogen stellen, en dat ze hunnen plicht niet doen dan uit dwang, doet, gelijk gezegd is, niets tot het oogmerk des apostels. Alzoo, in 't naastvoorgaande stuk, als zij uitleggen, dat die vreest, in de liefde niet volmaakt is, omdat hij zich vrijwillig Gode niet onderwerpt, maar zich liever zou vrijmaken, dient ook geenszins tot den tekst. Want de apostel vermaant veelmeer, dat het is een gebrek der ongeloovigheid als iemand vreest, dat is, die een ongerust hart heeft, want de liefde Gods, wel gekend zijnde, stilt het gemoed.
19 Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.
20 Zoo iemand zegt: Ik heb God lief, en zijnen naaste haat, die is een leugenaar. Want die zijn broeder, welken hij gezien heeft, niet liefheeft, hoe zal hij God liefhebben, dien hij niet gezien heeft?
21 En dit gebod hebben wij van Hem, dat die God liefheeft, ook zijnen broeder liefhebbe.
Naar het Grieksche woord kan men lezen; Wij hebben lief, of: Laat ons liefhebben. Dan, het eerste dient beter tot den zin. Want de apostel herhaalt (naar mijn gevoelen) de voorgaande rede, dewijl ons God met onverdiende liefde voorkomt, dat wij Hem behoorlijk vergelden moeten, zoodat hij haast daarbij voegt, dat men Hem in de menschen moet liefhebben, of jegens de menschen de liefde betuigen, die wij Hem toedragen. Nochtans, zoo iemand behaagt, dat de apostel vermane: Laat ons liefhebben, de rede zal op één uitkomen. Dewijl ons God onverdiend liefgehad heeft, laat ons Hem nu wederom liefhebben. Dan, de liefde kan niet bestaan, tenzij ze onder ons broederlijke liefde voortbrenge. Daarom zegt hij, dat ze liegen, die roemen dat ze God liefhebben, als zij nochtans hun naaste haten. Maar de reden, die hij daarbij voegt, schijnt niet zeer vast te zijn, want het is een vergelijking van het mindere met het meerdere. Zoo wij (zegt hij) onze naasten, met welke wij verkeeren, niet liefhebben, veel minder zullen wij God kunnen liefhebben, die onzienlijk is. Hierop zijn twee uitzonderingen gereed: want ook de liefde, die wij tot God dragen, spruit uit het geloof, en niet uit het aanschouwen, gelijk daar staat 1 Petr. 1:8. Ten andere, zoo is het een zeer verschillende zaak van God en de menschen. Want God trekt ons door zijne onmetelijke goedheid tot zijne liefde, de menschen daarentegen zijn dikwijls haat waardig. Ik antwoord, dat de apostel hier voor een bekende zaak neemt ('twelk onder ons buiten allen twijfel zijn moet) dat God Zich aan ons in de menschen aanbiedt, die zijn ingedrukt beeld dragen. En dat hij vereischt, dat wij hun doen de weldaden, die Hij niet behoeft, gelijk wij lezen, Ps. 16:2, 3: Mijne weldadigheid komt tot U niet, Heere; mijne genegenheid is tot de heiligen, die op de aarde zijn. En waarlijk, de gemeenschap derzelfder natuur, het gebruik van zoo vele dingen, en het onderlinge verkeer, zoo wij niet zeer versteend waren, zou ons tot
201
202 JOHANNES 4: 20, 21â5:1.
liefde verwekken. Maar Johannes heeft niets anders willen zeggen, dan dat het een bedriegelijke roem is, zoo iemand zegt, dat hij God liefheeft, en nochtans zijn beeld, dat daar voor oogen is veracht.
2i En dit gebod. Dit is nog een sterker bewijsreden, genomen van de autoriteit en de leer van Christus. Want Hij gebiedt ons liccii-niet alleen God lief te hebben, maar beveelt ook de broederen te dien, beminnen. Hierom zoo moet men alzoo van God beginnen, dat men tot d meteen doorga tot de menschen. -----
HET VIJFDE HOOFDSTUK.
1 Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus de Christus is, die is uit G-od geboren. En een iegelijk, die liefheeft Dengene, die gebaard heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.
2 Hieraan bekennen wij, dat wij Gods kinderen liefhebben, zoo wij God liefhebben, en zijne geboden onderhouden.
3 Want dit is de liefde Gods, dat wij zijne geboden onderhouden, en zijne geboden zijn niet zwaar.
4 Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft, namelijk uw geloof.
B Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus de Zone Gods is.
Hij bevestigt met een andere reden, dat het geloof en de broederlijke liefde dingen zijn die samengaan; want aangezien ons God door het geloof wederbaart, zoo moet Hij van ons als een Vader bemind worden. Nu omvangt deze liefde al zijne kinderen. Zoo kan dan het geloof van de liefde niet gescheiden worden. De eerste reden is, dat ze uit God geboren zijn allen die gelooven, dat Jezus de Christus is. Alwaar gij wederom ziet, hoe de eenige Christus ons tot het oogmerk des geloofs voorgesteld wordt, gelijk het ook in Hem vindt gerechtigheid, leven, en wat goeds men kan wenschen, ja God ganschelijk zelf. Hierom is dit de rechte wijze van gelooven, als wij aan Hem onze zinnen leggen. En te gelooven dat Hij Christus is, dat is, van Hem hopen alles wat van den Messias beloofd is. Want Hem wordt hier niet de bloote naam van Gezalfde gegeven, maar veelmeer het ambt, dat Hem van den Vader opgelegd is. Gelijk nu in de wet door den Messias een volkomen wederoprichting aller dingen en gelukzaligheid beloofd is, alzoo wordt hedendaags al hetzelve in het Evangelie klaarder uitgedrukt. Zoo kan dan Jezus voor Christus niet ontvangen worden, tenzij men van Hem de zaligheid zoeke, dewijl Hij tot dat einde van den Vader gezonden is, en ons dagelijks aangeboden wordt. Waaruit de apostel met recht verklaart, dat ze allen uit God geboren zijn die recht gelooven. Want het geloof overtreft verre het begrip des menschelijken verstands, zoodat wij door den hemel-schen Vader tot Christus moeten getrokken worden: wijl niemand van ons uit zijn eigen kracht zou opklimmen. En dit is het, watij bevestigt met een andere reden, dat het geloof en de broederlijke liefde dingen zijn die samengaan; want aangezien ons God door het geloof wederbaart, zoo moet Hij van ons als een Vader bemind worden. Nu omvangt deze liefde al zijne kinderen. Zoo kan dan het geloof van de liefde niet gescheiden worden. De eerste reden is, dat ze uit God geboren zijn allen die gelooven, dat Jezus de Christus is. Alwaar gij wederom ziet, hoe de eenige Christus ons tot het oogmerk des geloofs voorgesteld wordt, gelijk het ook in Hem vindt gerechtigheid, leven, en wat goeds men kan wenschen, ja God ganschelijk zelf. Hierom is dit de rechte wijze van gelooven, als wij aan Hem onze zinnen leggen. En te gelooven dat Hij Christus is, dat is, van Hem hopen alles wat van den Messias beloofd is. Want Hem wordt hier niet de bloote naam van Gezalfde gegeven, maar veelmeer het ambt, dat Hem van den Vader opgelegd is. Gelijk nu in de wet door den Messias een volkomen wederoprichting aller dingen en gelukzaligheid beloofd is, alzoo wordt hedendaags al hetzelve in het Evangelie klaarder uitgedrukt. Zoo kan dan Jezus voor Christus niet ontvangen worden, tenzij men van Hem de zaligheid zoeke, dewijl Hij tot dat einde van den Vader gezonden is, en ons dagelijks aangeboden wordt. Waaruit de apostel met recht verklaart, dat ze allen uit God geboren zijn die recht gelooven. Want het geloof overtreft verre het begrip des menschelijken verstands, zoodat wij door den hemel-schen Vader tot Christus moeten getrokken worden: wijl niemand van ons uit zijn eigen kracht zou opklimmen. En dit is het, wat
JOHANNES 5:1,2.
203
s uit
iden,
lit is : uw
ezus
^ggen, Kezelfde apostel leert in het eerste hfdst. zijns Evangelies, vers 13, at hij lat ze niet uit den bloede, noch uit het vleesch geboren zijn, die in ;n is, len naam des Eengeborenen gelooven. En Paulus zegt, dat wij niet len Geest dezer wereld, maar die uit God is, ontvangen hebben, opdat omen wij weten zouden, wat ons van Hem geschonken is. Want geen oog t ons heeft gezien, noch oor gehoord, noch verstand begrepen, wat loon en te dien, die God liefhebben, weggelegd is: maar de Geest alleen kan : men tot die verborgenheid komen. Ten andere, dewijl ons Christus gegeven is tot heiligmaking, en dat Hij den Geest der wedergeboorte met Zich brengt, eindelijk, dewijl Hij ons inlijft in zijn lichaam, dit is ook de andere reden, waarom niemand geloof kan hebben, of hij is uit God geboren. Hij heeft lief dengene, die geboren is. Augu-stinus en sommige anderen der oude schrijvers hebben dit op Christus getrokken, maar ten onrechte, want de apostel sprekende van éen, wijst aan alle geloovigen. En de tekst toont klaarlijk, dat hij geen ander voornemen heeft, dan dat hij uit het geloof als uit de fontein )aarrt ^ on{jeriinge liefde tot de broederen wil afleiden. Het is een bewijsreden genomen uit de gemeene orde der natuur: maar wat men in de menschen ziet, past hij toe op God. Toch is aan te merken dat de apostel niet daarom alleen van de geloovigen spreekt (degenen die buiten zijn voorbijgaande) alsof die alleen te beminnen zijn, en men op de anderen geen zorg of acht zou nemen, maar hiermede als met het eerste leerstuk onderwijst hij ons, dat wij ze allen zonder uitzondering liefhebben, als hij ons beveelt van de godzaligen te beginnen
2 Hieraan bekennen wij. Met deze woorden toont hij kortelijk, welke de rechte liefde is, namelijk die op God ziet. Tot nu toe heeft hij geleerd, dat er nergens rechte liefde Gods is, dan als ook de naasten bemind worden, want dit is een gedurige genegenheid. Nu leert hij, hoe de menschen recht en ordelijk bemind worden, als de liefde tot God voorgaat. En dit is een noodige beschrijving, want het geschiedt dikwijls, dat wij de menschen buiten God liefhebben: gelijk de wereldsche en vleeschelijke vriendschappen nergens toe strekdie ken dan tot eigen bate, of tot een ander ijdel einde. Gelijk hij dan
roezien ons :ijne den
de rdt, ieds de ;en. lies de dat ien lig-;lie jen dat len od rre eind /at
tevoren het werk gedreven heeft, zoo drijft hij nu de oorzaak, want hij wil dat de liefde alzoo bij ons onderling geoefend worde, dat God boven gesteld zij. Bij de liefde Gods voegt hij de onderhouding der wet, en dit met recht. Want als wij God liefhebben als een Vader en Heere, is het niet mogelijk, of eerbied moet bij deze liefde gevoegd zijn. Ten andere, zoo kan God van Zichzelven niet gescheiden worden. Daarom, dewijl Hij de fontein is aller rechtvaardigheid en gerechtigheid, zoo moet degene, die Hem liefheeft, noodzakelijk zijne genegenheden tot de gehoorzaamheid der gerechtigheid geschikt hebben. Zoo is dan de liefde Gods geen ledige zaak. Dan, hierbenevens besluiten wij uit deze plaats, welke een rechte onderhouding der wet is. Want zoo wij alleen door vreeze gedwongen Gode gehoorzaam zijn in het onderhouden zijner geboden, zoo zijn wij verre van rechte gehoorzaamheid. Hierom is dit het eerste, dat zich de harten Gode overgeven tofeene vrijwillige eerbiediging. Ten andere, dat het leven naar den regel der wet geschikt worde. Dit wil Mozes, Deut. 10: 12, waar hij de wet tot één stuk brengende, zegt: Israël, wat begeert de Heere, uw God, van u, dan dat gij Hem liefhebt, en gehoorzaam zijt ? Zijne geboden zijn niet zwaar. Dit
JOHANNES 5:2, 3.
204
is erbij gedaan, opdat de zwarigheid (gelijk het pleegt te geschieden) onze naarstigheid niet doe bezwijken of verminderen. Want die met een blijmoedigheid en groote vurigheid een godzalig en heilig leven aangrijpen, als zij daarna bevinden, hoe hunne krachten niet genoegzaam zijn, zoo worden zij traag. Hierom Johannes, opdat hij ons pogen opwekke, zegt dat de geboden Gods niet zwaar zijn. Maar hiertegen kon men opwerpen, dat wij veel anders bevinden. En ook de Schrift getuigt, dat het juk der wet ondragelijk is. Hand. 15 : 10. De reden is ook openbaar: want dewijl de verloochening onzes levens zooveel is als de aanvang van de wet te houden, zullen wij zeggen, dat het den mensch licht is zichzelven te verzaken? Ja, aangezien de wet geestelijk is, gelijk Paulus leert, Rom. 7 ; 14, en wij niet anders zijn dan vleesch, zoo moet er een groot verschil zijn tusschen ons en de wet Gods. Ik antwoord, dat de zwaarheid geenszins is uit de natuur der wet, maar uit de gebrekkigheid onzes vleesches, 'twelk ook Paulus klaarlijk uitdrukt. Want nadat hij gezegd heeft, hoe het der wet onmogelijk geweest is ons gerechtigheid toe te brengen, zoo werpt hij terstond de schuld op het vleesch. Dit antwoord ver-eenigt zeer wel de woorden van Paulus en David, die in het eerst zeer tegen elkander schijnen te strijden. Paulus maakt de wet een aandienster des doods; hij verklaart dat ze niets werkt dan Gods gramschap, 2 Cor. 3 : 7. Dat ze gegeven is om de zonde te vermeerderen, Rom. 4: 15. Dat ze leeft om ons te dooden, Rom. 7 : 10, 13. Daarentegen verklaart David dat ze zoeter is dan honig, en dat hij ze meer dan goud begeerd heeft, Ps. 19 :9. Onder andere lofprijzingen stelt hij deze, dat ze de harten verblijdt, tot God bekeert, en levend maakt. Maar Paulus vergelijkt de wet met de ge-brekkelijke natuur des menschen, en daaruit spruit dien vijandelijken strijd. Wederom, David leert hoe ze gezind zijn, die God door zijn Geest wedergeboren heeft. Hieruit komt die zoetheid en verheuging, waarvan het vleesch geen smaak ontvangt. Johannes heeft ook dit onderscheid niet nagelaten. Want opdat niemand dit in 't breede name, dat Gods geboden niet zwaar zjjn, zoo duidt hij hetzelve op de kinderen Gods alleen: waarmede hij te kennen geeft, dat het geschiedt door des Geestes kracht, dat het ons niet zwaar noch moeilijk valt Gode gehoorzaam te zijn. Nochtans schijnt de vraag nog niet ganschelijk beantwoord te zijn. Want de geloovigen, ofschoon zij wel door den Geest Gods geregeerd worden, hebben nochtans een harden strijd te dragen tegen hun vleesch, en hoezeer zij daarover zweeten, zoo kunnen zij zich nauwelijks ten halve kwijten van hun plicht, ja als van beide zijde gedrukt zijnde, bezwijken zij bijna onder den last. Wij zien hoe Paulus zucht, dat hij gevangen gehouden wordt, en roept uit dat hij onzalig is, omdat hij God niet vrijelijk kan dienen. Ik antwoord, dat de wet licht genoemd wordt, zooverre wij met hemelsche kracht begaafd zijnde, de begeerlijkheden des vleesches overwinnen. Want hoezeer het vleesch tegenspartelt, zoo gevoelen nochtans de geloovigen, dat ze in geen zaak zoo verblijd zijn, als in God te volgen. Bovendien is op te merken hoe Johannes niet spreekt van dé bloote wet, die niet dan geboden behelst, maar dat hij daarmede voegt de vaderlijke geduldigheid Gods, waardoor de strengheid der wet verzacht wordt. Dewijl wij dan weten, dat ons God genadig vergeeft, ofschoon onze werken aan de wet niet genoegdoen, zoo maakt ons dat veel gewilliger tot gehoor-
JOHANNES 5 : 3â5.
zaamheid, gelijk daar staat Ps. 130: 4: Bij U is vergeving, opdat men U vreeze. Hieruit komt dan de lichtheid van de wet te houden, dat de geloovigen door de vergeving verlicht zijnde, zoo zij ergens ontbreken, den moed niet verloren geven. Intusschen vermaant de apostel, dat men strijden moet om God te dienen. Want de gansche wereld staat ons tegen, dat wij niet voortgaan waar ons God roept. Hierom zal hij eerst de wet houden, die de wereld vromelijk weder-staan zal.
4 Dit is de overwinning. Omdat hij gezegd had, dat allen die uit God geboren zijn, overwinnaars zijn der wereld, zoo drukt hij ook uit de wijze van overwinning: want men kon nog vragen, vanwaar komt de overwinning? Zoo stelt hij dan in het geloof de overwinning der gansche wereld. Dit is een schoone plaats. Want hoewel satan dagelijks harde en schrikkelijke aanvallen doet, zoo is het dat de Geest Gods, verklarende dat wij buiten gevaar zijn, ons alle vrees beneemt, en om vromelijk te strijden moed geeft. En het is meer, als hij zegt dat wij overwonnen hebben, alsof het aireede geschied ware, want aldus spreekt hij, opdat wij even zoo zeker zijn mogen, alsof de vijand van heden reeds verslagen ware. Het is wel waar, dat onze krijg ons gansche leven lang duurt, dat wij dagelijks kampen moeten, ja dat ons de vijand elk oogenblik nieuwe en verscheiden strijden verwekt van de eene en de andere zijde: maar aangezien ons God niet alleen wapent voor één dag, en dat het geloof ook niet van één dag is, maar een gedurig werk des Heiligen Geestes, zoo hebben wij aireede de overwinning in handen, niet anders alsof het al uitgevochten ware. Nochtans brengt dit vertrouwen geen traagheid aan, dat wij niet altijd zorgvuldig toezien om te strijden, want de Heere beveelt ons alzoo zeker te zijn, dat Hij nochtans niet wil, dat wij zorgeloos zijn. Ja ook daarom veelmeer verklaart hij, dat de zijnen overwonnen hebben, opdat zij te moediger en dapperder strijden zouden. Het woord wereld strekt hier ver, want het begrijpt alles wat den Geest Gods tegen is. Alzoo is de boosheid onzer natuur een deel der wereld. Insgelijks, alle begeerlijkheden, alle listen des satans, en kortom, al wat ons van God aftrekt. In zulken menigvuldigen overvloed van menschen ligt ons een zware lastige oorlog op den hals, en wij zouden aireede overwonnen zijn, eer wij samenkomen om te strijden, ja honderdmaal onderliggen, zoo ons God de overwinning niet beloofde. Maar God vermaant ons te strijden met deze voorwaarde, dat hij eerst de overwinning belooft. Dan, gelijk ons deze belofte met een onver-winnelijke kracht Gods altijd versterkt, alzoo vernietigt ze daarentegen de krachten der menschen. Want de apostel leert hier niet, dat ons God alleen helpt, zoodat wij door zijn onderstand geholpen zijnde, machtig zijn te wederstaan, maar hij stelt de overwinning in het geloof alleen. Nu ontvangt het geloof van elders hetgeen waarmede het overwint. Hierom benemen zij Gode wat Hem toekomt, die over hun eigen kracht den triumf zingen.
5 Wie is het, die de wereld overwint? Dit is de reden der voorgaande woorden, namelijk dat wij daarom door het geloof overwinnen, omdat wij sterkte van Christus ontleenen, gelijk ook Paulus zegt: Ik vermag alles door Hem, die mij sterkt, Fil. 4; 13. Die zal dan eerst den satan, en de wereld te boven komen, en onder zijn vleesch niet verwonnen liggen, die zichzelven mistrouwende, alleen
205
JOHANNES 5 : 5, 6.
rusten zal op de kracht van Christus. Want door het woord geloof, verstaat hij de levende aangrijping van Christus, die zijn kracht en werk ons toeeigent.
6 Deze is het, die komt met water en bloed Jezus Christus ; niet met water alleen, maar met water en bloed. En de Geest is het die getuigt: want de Geest is de waarheid.
7 Want Drie zijn er die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn één.
8 En drie zijn er die getuigen pp de aarde: de Geest, het water i) zyn in en ijet bloed: en deze drie zijn één. ')
9 En indien wij der menschen getuigenis ontvangen, Gods getuigenis is grooter: want Gods getuigenis is dit, dat Hij getuigd heeft van zijnen Zoon.
6 Deze is het, die komt. Opdat ons geloof vrijelijk op Christus rusten mag, zoo zegt hij, hoe het vaste wezen der schaduwen der wet in Hem bestaat. Want ik twijfel niet, of hij heeft met deze woorden water en bloed, zijn oog gehad op de oude ceremoniën der wet. Deze vergelijking strekt hiertoe niet alleen, dat wij zouden weten, hoe Mozes' wet door de komst van Christus afgedaan is, maar ook opdat wij in Hem zoeken de vervulling der dingen, die eertijds door de ceremoniën voorgesteld zijn. En hoewel er vele soorten waren, zoo vervat nochtans de apostel onder deze twee de gansche volmaaktheid der heiligheid en gerechtigheid. Want door het water werden alle vuiligheden afgewasschen, zoodat de menschen niet dan zuiver en rein tot God kwamen. In het bloed was verzoening en een pand der volkomene vereeniging met God. Maar de wet heeft alleen met teekenen en schaduwen aangewezen, wat de Messias zeker en met de daad uitrichten moest. Zoo toont dan Johannes bekwamelijk hoe Jezus de Gezalfde des Heeren is, omdat Hij medegebracht heeft hetgeen waardoor Hij ons in allen deele heilig maakt. Aangaande het bloed, waardoor Christus God verzoend heeft, daarvan is geen twijfel: maar de vraag kon vallen, in welken zin hij met het water gekomen is? Want dat men dat op den doop brengt, is niet wel aannemelijk. Ik acht voor zeker, dat Johannes hier uitdrukt de vrucht en werking van wat hij in de Evangelische geschiedenis verhaalt. Want dat hij daar zegt, dat uit de zijde van Christus gevloeid is water en bloed, dat is ongetwijfeld voor een wonder te houden. Ik weet wel, dat zulks van nature bij de dooden geschiedt, evenwel is het door een zekeren raad Gods geschied, dat de zijde van Christus geweest is een fontein des bloeds en waters. Opdat de geloovigen zouden weten, dat ze de rechte zuivering (waarvan de oude wasschingen voorbeelden waren) in Hem hadden. Opdat zij ook wisten, hoe vervuld was wat de besprengingen met bloed eertijds beloofd hadden. Hierom heeft deze korte indeeling groote bevalligheid, omdat zij in één hoofdstuk toont, waartoe de oude ceremoniën voornamelijk gestrekt hebben: namelijk opdat de menschen van de besmettingen gezuiverd, en van alle misdaden los zijnde, een genadigen God zouden hebben, en Hem toegeheiligd worden. Daarna leert hij, hoe de waarheid in Christus aangeboden is, omdat de wet niets had dan zienlijke figuren. Waarvan wij breeder gesproken hebben in Hebreen 9 en 10. De Geest
206
JOHANNES 5 : 6â8. 207
is het die getuigt. Met dit stuk getuigt hij, hoe de geloovigen de kracht van Christus gevoelen, namelijk omdat hen de Geest Gods verzekert. En opdat hun geloof niet wankele, zoo doet hij daarbij dat de volle en grondige vastigheid bestaat in het getuigenis des Geestes, want de Geest wordt de waarheid genoemd, omdat zijne autoriteit buiten twijfel is, en ons overvloedig moet genoeg zijn.
7 Drie zijn er in den hemel. Dit alles is van sommigen weggelaten. Hieronymus acht dat hetzelve meer geschied is uit boosheid, dan uit misverstand, en dat van de Latijnen alleen. Maar dewijl ook de Grieksche handschriften niet overeenstemmen, zoo durf ik nauwelijks iets zekers zeggen. Doch, aangezien, zoo dit stuk daarbij gedaan wordt, de tekst zeer wel vloeit, en ik zie, dat het in de beste en geloofwaardigste handschriften gevonden wordt, zoo neem ik het ook gaarne aan. Zoo zal de zin zijn, dat God, om ons geloof in Christus te overvloediger te bevestigen, op drieërlei wijze getuigt dat men daarin berusten moet, want gelijk ons geloof in het eene Goddelijke wezen Drie personen bekent, alzoo wordt het op zoo velerlei wijze tot Christus geroepen, dat het zich daarin stelle. Dat hij zegt: Deze drie zyn één, wordt niet verstaan van het wezen, maar liever van het overeenstemmend getuigenis. Alsof hij zeide, dat de Vader, en zijn eeuwig Woord, en de Geest samen gelijkelijk erkennen dat Jezus de Christus is. Zoodat het geen twijfel is, of de Vader, het Woord en de Geest worden gezegd één te zijn in denzelfden zin, als hij daarna het bloed, water en Geest één noemt. Maar, dewijl de Geest, die een getuige is, tweemaal voortgebracht is, zoo schijnt het een ongeschikte herhaling te zijn. Ik antwoord, aangezien Hij van Christus op verscheiden wijze getuigt, zoo worden Hem twee plaatsen van het getuigenis bekwame-lijk toegeschreven: want de Vader uit den hemel met zijn eeuwige wijsheid en Geest verklaren, als gebiedenderwijze, dat Jezus de Christus is, zoo is ons dan daar de majesteit der Godheid alleen te bedenken. Maar overmits de Geest, die in onze harten woont, de voorpenning, het onderpand en zegel is, om dat besluit te verzegelen, zoo spreekt Hij wederom door zijn genade op deze wijze tot ons op de aarde. Maar aangezien niet allen mogelijk deze lezing zullen aannemen, zoo zal ik wat er volgt uitleggen, alsof de apostel alleen deze getuigen op de aarde genoemd had.
8 Drie zyn daar. Nu schikt hij tot zijn oogmerk de rede van het water en bloed, dat ze namelijk geene verontschuldiging hebben die Christus verwerpen, dewijl Hij met genoeg vaste en klare getuigenissen Zich bewezen heeft die te wezen, die voortijds beloofd was: want aangezien het bloed en water panden en vruchten zijn der zaligheid, die Hij ons gebracht heeft, zoo getuigen zij waarlijk dat Hij van God gezonden is. Ten andere komt hierbij de derde getuige, namelijk de Heilige Geest, die toch de principaalste is, wijl anderszins het water en bloed zonder eenig nut zouden uitvloeien. Want Hij is het die onzen harten het getuigenis van water en bloed bezegelt. Deze is het, die door zijn kracht maakt, dat de vrucht des doods van Christus tot ons komt, ja dat het bloed, hetwelk tot onze verlossing gestort is, tot in onze zielen doordringt, of (opdat ik het met één woord zegge) Hij maakt dat Christus met al zijne goederen onze is. Alzoo Paulus, Rom. 1 ; 4. Nadat hij gezegd heeft, dat Christus door de kracht zijner verrijzenis bewezen is Gods Zoon te zijn, doet
'-r
JOHANNES 5 ; 8, 9.
terstond daarbij, door de heiligmaking des Geestes. Want wat teekenen der Goddelijke heerlijkheid in Christus lichtende zijn, zij zouden ons evenwel donker wezen, en van ons niet kunnen aanschouwd worden, indien niet de Geest ons de oogen des geloofs opendeed. Nu verstaan de lezers waarom Johannes den Geest met het water en bloed tot één getuige bijgebracht heeft, namelijk, omdat het eigen werk des Geestes is onze conscientiën met het bloed van Christus te reinigen, en te maken, dat de zuivering door Hem gebracht, in ons krachtig zij. Waarvan gesproken is in het begin van den voor-gaanden brief, waar Petrus bijna dezelfde spreekwijze gebruikt, te weten, dat de Heilige Geest onze zielen reinigt met de besprenging des bloeds van Christus. Verder, zoo kan men uit deze woorden afleiden, dat het geloof niet aangrijpt een blooten of ledigen Christus, maar ook meteen zijne levendmakende kracht. Want wat zou het baten, dat Christus in de wereld gezonden ware, zoo Hij God met het offer zijns doods niet tevreden gesteld had? zoo het werk van af te wasschen Hem van den Vader niet opgelegd ware? Nochtans zal men kunnen opwerpen, dat het onderscheid, dat hier gesteld wordt, overbodig is, dewijl ons Christus met ons te ontzondigen, gereinigd heeft. Zoo noemt dan de apostel één zaak tweemaal. Ik beken wel, dat in de ontzondiging ook de afwassching mede ingesloten is. Daarom heb ik geen onderscheid gesteld tusschen water en bloed, alsof het verscheiden dingen waren. Dan, zoo elk van ons zijne zwakheid overlegt, die zal lichtelijk bekennen, dat het bloed van het water niet tevergeefs en onbedachtzaam onderscheiden wordt. Ten andere, ziet de apostel, gelijk gezegd is, op de instellingen der wet. Nu had God uit oorzaak der menschelijke zwakheid, niet ^ alleen offeranden, maar ook eertijds afwasschingen ingesteld. En de apostel heeft onderscheiden willen uitdrukken, hoe de waarheid van beide deelen in Christus aangeboden is, waarom hij een weinig tevoren gezegd had, niet in het water alleen: want hij verklaart, dat niet alleen een deel onzer zaligheid in Christus gevonden wordt, maar alle deelen volkomen, zoodat elders niet meer iets te zoeken is.
9 Indien wjj het getuigenis der menschen. Hij maakt zijn sluitrede van het minste tot het meeste, toonende hoe ondankbaar de menschen zijn, zoo zij Christus, die van God, gelijk gezegd, aangewezen is, verwerpen. Want zoo wij in menschelijke handelingen het zeggen van menschen gelooven, die toch liegen en bedriegen kunnen, hoe ongeschikt of onredelijk zal het zijn, dat God in zijn vierschaar (waar Hij de hoogste rechter is) minder geloof bij ons zal hebben ? Zoo is het dan alleen onze boosheid, die ons verhindert, dat wij Christus niet ontvangen, dewijl Hij zijn deugd met een wettig bewijs geloofwaardig maakt. Verder, hij noemt Gods getuigenis niet alleen wat de Geest aan onze harten geeft, maar ook wat wij hebben van het water en bloed. Want de kracht van zuiveren en ontzondigen is niet aardsch, maar hemelsch geweest. Hierom is het bloed van Christus niet te achten naar de gemeene wijze der menschen, maar men behoort veelmeer aan te zien den raad Gods, waardoor Hij verordineerd is geweest om de zonden uit te doen, en de Goddelijke kracht, die daaruit gevloeid is.
Want dit is het getuigenis Gods, dat Hij van zijnen Zoon getuigd heeft.
208
JOHANNES 5:9â11.
10 Zoo wie in den Zoon Gods gelooft, die heeft Gods getuigenis in zich. Die God niet gelooft, die heeft Hem tot een leugenaar gemaakt: want hij heeft niet geloofd het getuigenis, dat God van zijnen Zoon getuigd heeft.
11 En dit is het getuigenis, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in zijn Zoon. ^
12 Zoo wie den Zoon heeft, die heeft het leven. Die den Zoon Gods niet heeft, die heeft het leven niet.
r v
Dit is het getuigenis. Nadat de apostel vermaand heeft, dat God veelmeer geloofwaardig is dan de menschen, voegt hij daaraan, hoe men Gode geen geloof geven kan, dan met in Christus te gelooven:
wijl ons God Dezen alleen voorstelt, en in Hem doet blijven. Hieruit besluit hij, dat wij vrijelijk en met een gerust hart in Christus betrouwen, aangezien God door zijn autoriteit ons geloof bevestigt. Hij zegt ook niet, dat God van buiten af spreekt, maar dat elk godzalig mensch in zichzelven gevoelt, dat God de auteur zijns geloofs is:
waaruit blijkt hoever een voorbijgaande meening, die aan wat anders hangt, van het geloof verschilt.
10 Die niet gelooft. Gelijk de geloovigen dit goed hebben, dat ze weten, dat zij buiten gevaar van dwalen zijn, omdat ze op God gegrond staan, alzoo beschuldigt hij de goddeloozen van de hoogste godslastering, omdat ze God logenstraffen. Voorwaar, God heeft niets zoo dierbaar, als zijn waarheid. Daarom kan Hem geen gruwzamer onrecht geschieden, dan als Hij van die eere beroofd wordt.
Opdat hij ons dan tot gelooven verwekke, zoo neemt hij zijn bewijs van het tegendeel, want zoo God leugenachtig maken een schrikkelijke en vervloekte goddeloosheid is, (want alsdan wordt Hem ontnomen, wat Hem meest eigen is) wie zou niet gruwen aan het Evangelie het geloof te benemen, waarin God alleen waarachtig en getrouw wil gehouden worden? Dit is naarstiglijk op te merken.
Sommigen zijn verwonderd, waarom God het geloof zoo aanprijst,
waarom de ongeloovigheid zoo streng veroordeeld wordt. Maar hieraan is de hoogste eere Gods gelegen. Want aangezien Hij in het Evangelie het krachtigste vertoog zijner waarheid heeft willen doen, zij laten Hem niets overblijven, allen die Christus (ons daarin aangeboden) verwerpen. Hierom, ofschoon iemand al in alle andere r
deelen zijns levens een engel gelijk ware, zoo is nochtans zijne
heiligheid duivelsch, zoolang hij Christus verwerpt. Gelijk wij sommigen in 't pausdom zien zichzelven zeer behagende op een ik weet : niet wat vertooning van heiligheid, waar ze nochtans hardnekkig het Evangelie tegenstaan. Laat ons dan dit het begin der godzalig- j', heid houden te zijn, dat wij gehoorzaam de leer aannemen, die Hij
zoo vastelijk voor een getuigenis bevestigt. .j'
11 Dat Hy het eeuwige leven. Nu noodigt hij ons te gelooven met voor te stellen de vrucht. Men is Gode wel dezen eerbied schuldig, dat wat Hij toezegt, terstond buiten allen twijfel gehouden worde, maar wanneer Hij ons het leven uit genade aanbiedt, zoo is het een gansch ondragelijke ondankbaarheid, zoo wij zulk een liefelijke en zoete leer met een bereid geloof niet aannemen. En voorwaar, hiertoe strekken de woorden des apostels, dat wij niet alleen met eerbied het Evangelie gehoorzaam zullen zijn, opdat wij God niet verongelijken, maar dat wij ook hetzelve moeten liefhebben,
Di. vm. u
209
JOHANNES 5: 11, 12.
omdat het ons het eeuwige leven aanbrengt. Waaruit wij ook afleiden wat er in het Evangelie meest te zoeken is, namelijk de onverdiende gave der zaligheid. Want dat ons God daarin tot boete en vrees vermaant, moet van de genade van Christus niet gescheiden worden. En opdat ons de apostel in Christus vasthoude, zoo verhaalt hij wederom hoe in Hem het leven besloten is. Alsof hij zeide, dat ons van God den Vader geen ander middel om het leven te verkrijgen, voorgesteld wordt. De apostel heeft hier kortelijk drie dingen samengevat, namelijk dat wij allen den dood toebehooren, totdat ons God door zijne loutere goedheid in het leven weder-stelle. Want hij verklaart openlijk höe het leven van God geschonken wordt: waaruit volgt, dat wij van hetzelve beroofd zijn, en met geen verdiensten kunnen verkrijgen. Ten andere leert hij, dat dit leven ons door het Evangelie toegebracht wordt, omdat aldaar Gods goedheid en vaderlijke liefde jegens ons geopenbaard is. Ten laatste zegt hij, dat wij dit leven niet anders deelachtig worden, dan als wij door het geloof in Christus geplant worden.
12 Die niet heeft. Dit is de bevestiging der voorgaande zaak. Dit behoorde wel genoeg te zijn, dat God nergens dan in Christus het leven gesteld heeft, opdat men het vandaar hale. Maar opdat niemand elders afwijke, zoo sluit hij buiten de hope des levens allen, die het in Christus niet zoeken. Wij weten wat het is Christus hebben, want Hij wordt door het geloof bezeten. Zoo berooft hij dan van het leven al degenen, die vreemd zijn van het lichaam van Christus. Maar dit schijnt gansch niet redelijk te zijn; want de historiën verhalen, dat er uitnemende mannen geweest zijn met voortreffelijke deugden begaafd, die nochtans van Christus gansch vreemd waren. Nu schijnt het ongerijmd te zijn, dat men zulke voortreffelijkheid niet eert. Ik antwoord, dat wij bedrogen worden, zoo wij mee-nen dat God voor goed aanneemt al wat uitnemend is in onze oogen; maar veelmeer gelijk bij Lukas 16:15 staat: wat hoog is voor den mensch, dat is een gruwel bij God. Want omdat de onzuiverheid des harten ons verborgen is, zoo zijn wij met de uitwendige gedaante tevreden. Maar onder deze ziet God de allerleelijkste verborgen vuiligheden. Hierom is het geen wonder, dat die blinkende deugden voor Hem stinken, die uit een onzuiver hart vloeien, en tot geen recht einde strekken. Vanwaar komt nu de zuiverheid des harten, vanwaar komt een rechte ijver der godzaligheid, dan van den Geest van Christus. Zoo is er dan niets lofwaardig dan in Christus. Hoewel daar een andere reden is, die allen twijfel wegneemt. Want der menschen gerechtigheid is gelegen in de vergeving der zonden, welke geweerd zijnde, zoo hebben alle menschen niet anders te verwachten dan den gewissen vloek Gods en den eeuwigen dood. Het is Christus alleen, die ons den Vader verzoent, gelijk Hij Hem eenmaal met de offerande zijns doods verzoend heeft: waaruit volgt dat God niemand genadig is, dan in Christus, dat er ook geene gerechtigheid is dan in Denzelven. Zoo iemand Cornelius voortbrengt, welken Lukas getuigt Gode aangenaam geweest te zijn, eer hij tot het geloof des Evangelies geroepen werd, ik antwoord, dat God somtijds in ons alzoo werkt, dat het zaad des geloofs niet terstond met den eersten dag voortkomt. Cornelius heeft geen klare en duidelijke kennis van Christus gehad, maar alzoo hij eenig gevoelen had van de barmhartigheid Gods, zoo heeft hij ook meteen wat
210
JOHANNES 5 ; 12â14. 211
' .â r
moeten weten van den Middelaar. Maar dewijl God zijn dingen op verborgen en wonderbare wijze doet, zoo zullen wij weglatende de onnutte bedenkingen, alleen ons houden aan den effen weg der zaligheid, dien Hij ons toont.
13 Dit heb ik u geschreven, gij die gelooft in den naam des V Zoons Gods, opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, , , en opdat gij gelooft in den naam des Zoons Gods. , V'
14 En dit is het betrouwen, dat wij tot Hem hebben, dat, zoo wij ;{ iets bidden naar zijnen wil, Hij ons verhoort.
15 En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij bidden,
zoo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem begeerd hebben.
'ij'V
13 Dit heb ik u geschreven. Dewijl het geloof dagelijks behoort
toe te nemen, daarom zegt hij, dat hij schrijft tot die, die nu ge- '!
loofd hebben, opdat ze vaster en zekerder gelooven, en alzoo de volle verzekerdheid des eeuwigen levens genieten. Dit is dan de nuttigheid der leer, niet alleen, dat ze onontwikkelde menschen in Christus onderrichte, maar ook dat ze die nu onderwezen zijn, meer en meer bevestige. Daarom moeten wij altijd naarstigheid doen te leeren, opdat ons geloof den ganschen loop onzes levens toeneme,
want in ons zijn nog vele overblijfselen der ongeloovigheid, en ons geloof is zoo zwak, dat hetgeen wij gelooven, nog niet is grondig gelooven, tenzij er breeder bevestiging bijkome. Maar het is de moeite waard op te merken, welke de rechte wijze is van hèt geloof te versterken, namelijk als men verklaart het ambt en de kracht van Christus. Want de apostel zegt, dat hij dit geschreven heeft, namelijk, dat het eeuwige leven nergens is te zoeken dan in
Christus, opdat degenen, die nu geloovigen zijn, gelooven, dat is .'
geloovende toenemen. Hierom is dit het ambt eens godzaligen leeraars, opdat hij zijne leerjongeren in het geloof versterken, de genade van Christus, zooveel het mogelijk is, te verheften: opdat wij daarmede tevreden zijnde, niets breeders begeeren. Aangezien de papisten die op allerlei wijze verdonkeren en verkleinen, zoo geven zij met dit alleen wel te kennen, dat ze naar niets zoo weinig vragen, als naar de rechte leer des geloofs. Ja hierom zijn hunne scholen meer te schuwen dan eenige klippen of zandbanken, want er kan nauwelijks iemand inkomen zonder een gewisse schipbreuk des geloofs. Verder, leert ook de apostel in deze plaats, hoe Christus het eigen oogmerk des geloofs is, en dat het betrouwen der zaligheid is verknocht aan het geloof, dat wij in zijnen naam hebben. Want dit is het einde des geloofs, dat wij Gods kinderen en erfgenamen mogen zijn.
14 Dit is het betrouwen. Hij prijst het geloof, waarvan hij gemeld heeft, vanwege de vrucht, of hij toont waarin voornamelijk het geloof gelegen is, namelijk dat de godvruchtigen met een onversaagd hart God durven aanroepen. Gelijk ook Paulus spreekt, Ef.
3: 12, dat ons door het geloof een toegang tot God open staat met vrijmoedigheid. En Rom. 8:15 dat de Geest ons den mond opent,
dat wij durven roepen Abba Vader! En voorwaar, zoo wij van den toegang tot God verhinderd worden, zoo is er niets ellendigers dan wij. Wederom, zoo ons de toevlucht openstaat, zoo zijn wij niet-
t â
â¢1quot;
JOHANNES 5 :14, 15.
tegenstaande alle ellendigheden, gelukzalig. Ja dit eene ding maakt onze jammeren gelukkig, als wij zekerlijk besluiten, dat God onze verlosser zijn zal, en dat wij op zijn vaderlijke liefde te onswaart betrouwende, tot Hem vlieden. Laat ons dan deze spreuk des apostels behouden, hoe de aanroeping tot God de beste proef van ons geloof is, en dat God niet behoorlijk, noch uit het geloof wordt aangeroepen, dan als wij ten volle verzekerd zijn, dat onze gebeden niet ijdel zijn. Want die onzeker en twijfelachtig zijn, hebben geen betrouwen, zegt de apostel. Waaruit blijkt, dat de leer des geloofs begraven, en bijna uitgebluscht ,is in het pausdom, daar alle zekerheid weggenomen wordt. Zij mompelen daar wel vele gebeden, en klappen veel van God aan te roepen, maar zij bidden en bevelen te bidden met twijfelachtige en wankelachtige harten, ja zij veroordeelen dit betrouwen, dat de apostel noodzakelijk vereischt. Naar zijnen wil. Met dit deel heeft hij als in 't voorbijgaan willen vermanen, welke de rechte regel is van bidden, namelijk als de menschen hun begeerten Gode onderwerpen. Want als de Heere den zijnen beloofd heeft te doen alles wat zij begeeren, zoo heeft Hij hun geene onbepaalde vrijheid gegeven, van alles te begeeren wat hun in den zin kon vallen, maar heeft hun daarbenevens een wet van recht te bidden voorgeschreven. En waarlijk ons is niets nuttiger dan een dusdanige breidel, want zoo een iegelijk van ons toegelaten wordt te bidden wat hem lust, en dat God onze begeerten toegeeft, zoo zal het met ons niet wel staan, want wij weten niet wat ons nut is, ja wij branden van kwade en schandelijke begeerlijkheden. Nu verleent ons God tweëerlei raad om niet anders te bidden dan naar het voorschrift van zijn wil: want vooreerst leert Hij ons in zijn Woord wat Hij wil dat wij bidden, en ten andere stglt! Hij over ons zijnen Geest tot een voorganger en leidsman, die onze genegenheden bedwinge, en niet late loopen buiten de palen. Want Paulus zegt, wij weten niet wat en hoe wij behooren te bidden, maar de Geest, die onze zwakheden helpt, verwekt in ons onuitsprekelijke zuchten, Rom. 8 : 26. Intusschen moet men ook uit des ' Heeren mond verzoeken, dat Hij onze gebeden besture, want God, gelijk gezegd is, stelt ons in zijne beloften voor de rechte of wettelijke wijze van bidden.
15 Maar zoo wij weten. Dit is geen onnoodige herhaling, gelijk het bij het eerste aanzien schijnt. Want wat de apostel in het algemeen van de uitkomst der gebeden verklaard heeft, bevestigt hij nu in het bijzonder, dat de godzaligen van God niets wenschen of begeeren, dat ze niet verkrijgen. Als hij nu zegt, dat al de begeerten der geloovigen verhoord worden, zoo spreekt hij van de rechte en matige begeerten, en die naar den regel der gehoorzaamheid geschikt zijn: want de geloovigen zijn niet ongebreideld, en zich-zelven alles toegevende, als zij zich tot het gebed voegen, maar zien altijd in hunne gebeden wat God beveelt. Zoo wordt dan hier de algemeene leer op een iegelijk bijzonder en op eigen gebruik toegepast, opdat de geloovigen niet twijfelen of zij hebben in alle en elke bede een genadigen God, opdat ze met stil gemoed verwachten, dat de Heere volbrenge wat ze gebeden hebben, en dat ze alzoo van alle vermoeiing en angst verlicht zijnde, den last hunner zorgen op God leggen. Toch moet deze rust en zekerheid de vurigheid des gebeds in ons niet uitblusschen, dat degene, die zeker is van
212
JOHANNES 5: 15, 16.
een zalige uitkomst, zich van God aan te roepen zou onthouden; want de zekerheid des geloofs werkt geenszins zorgeloosheid en ledigheid. Maar de apostel wil alleen, dat elk in zijne nooden stil zij, als hij zijne zuchten in den schoot Gods gelegd heeft.
16 Zoo iemand zijnen broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal bidden, en hem het leven geven. Ik spreek van die zondigen niet tot den dood. Daar is zonde tot den dood, daarvoor zeg ik niet, dat iemand bidde.
17 Alle ongerechtigheid is zonde. En daar is een zonde niet tot den dood.
18 Wij weten, dat die uit God geboren is, niet zondigt. Maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de booze raakt hem niet aan.
Nu breidt de apostel verder uit de vrucht des geloofs, waarvan hij gemeld heeft, dat ook onze gebeden voor de broeders gelden. Dit was een groote zaak, dat zoo haast wij gedrukt of benauwd worden, ons God zoo mildelijk tot Zich noodigt, en bereid is te helpen; maar dat Hij ons ook geduldig hoort als wij voor anderen bidden, daaruit komt geen kleine versterking onzes geloofs, dat wij ons verzekeren mogen, dat wij in onze eigen zaak geenszins immer zullen verstooten worden. Intusschen vermaant de apostel, dat wij voor elkanders zaligheid onderling zorgvuldig zijn zullen. Daarna wil hij, dat de val der broederen ons een opwekking tot bidden zij, en voorwaar, het ware een ijzeren hardigheid, met geen barmhartigheid bewogen te zijn, als wij de zielen, die met het bloed van Christus gekocht zijn, verloren zien gaan. Ook toont hij, hoe het middel voorhanden is, waardoor de broederen elkander te hulp komen. Hij spreekt, dat die bidt voor die verloren gaat, hem het leven wedergeven zal. Hoewel het woord geven van God kan verstaan worden, alsof daar gezegd ware, God zal den broeder door onze gebeden het leven geven, toch zal het altijd dezelfde zin wezen, dat de gebeden der geloovigen zooveel vermogen, dat ze een broeder van den dood verlossen. Zoo gij het verstaat van den mensch, dat hij den broeder het leven geeft, zoo zal het een overdrachtelijke wijze van spreken zijn, doch die niets ongeschikts in zich heeft. Want wat ons uit de loutere goedheid Gods gegeven is, ja wat om onzentwil anderen gegeven wordt, dat worden wij gezegd anderen te geven. Deze nuttigheid moet ons niet weinig prikkelen om te bidden, dat onzen broederen de zonden vergeven worden. Als ons nu de apostel medelijden aanprijst, zoo vermaant hij meteen, hoezeer men zich moet wachten van die wreedheid in het ver-oordeelen der broederen, of die al te groote strengheid in het wanhopen aan hunne zaligheid. Een zonde niet tot den dood. Opdat wij niet terstond de hope verliezen over de zaligheid dergenen die zondigen, zoo toont hij hoe God den val van de zijnen niet zoo zwaarlijk wil wreken, dat Hij ze daarom verwerpe. Waaruit volgt, dat wij die moeten voor broeders houden, aangezien God ze houdt in het getal zijner kinderen. Verder zegt hij, dat het geen zonden tot den dood zijn, niet alleen die, waarin zich de heiligen dagelijks misgrijpen, maar ook die, met welke het somtijds mocht geschieden, dat ze Gods toorn zwaarlijk opwekten. Want zoolang de
213
JOHANNES 5 : 16.
214
vergeving plaats heeft, zoo heeft de dood nog ganschelijk geen geweld. Toch maakt de apostel hier geen onderscheid tusschen de vergefelijke en doodelijke zonde, gelijk men later gemeenlijk gedaan heeft. Want het onderscheid, hetwelk in het pausdom in zwang gaat, is gansch ongeschikt. De Sorbonisten bekennen nauwelijks geen doodelijke zonde, dan in welke zulk een grove leelijkheid blijkt, dat men die met de handen tasten kan. Alzoo tellen zij onder de vergefelijke zonden de allerleelijkste vuiligheden, die in het hart verborgen liggen. Ten laatste zoo meenen zij dat al de gevolgen der erfzonde (zoover die niet in daden uitbreken) met een lichte besprenging des wijwaters uitgewasschen worden. En wat wonder is dit, aangezien zij ook zelfs de godslasterlijke twijfelingen van Gods genade, en wat daar is van booze lusten en begeerlijkheden, indien men slechts daarin niet bewilligt, voor geen zonden achten ? Zoo des menschen hart wordt gedreven van ongeloovigheid, zoo de onlijdzaamheid hem daartoe stiert, dat hij tegen God mort, en wat gruwzame begeerlijkheden hem kittelen, dit al is te gering voor de papisten, dat zij het zonde zouden achten, ten minste na den doop. Zoo is het dan geen wonder, dat ze uit groote lasterstukken vergefelijke zonden maken, want zij wegen ze niet in Gods schaal, maar in de hunne. Dan, dit moet ongetwijfeld een hoofdpunt zijn onder de geloovigen: Dat al wat daar strijdt tegen Gods wet, zonde, ja sterfelijke zonde is in zichzelve. Want waar de overtreding der wet is, daar is zonde en dood. Wat zal dan de zin wezen van de woorden des apostels? Hij zegt, dat het geen doodelijke zonden zijn, welke, ofschoon zij den dood waardig zijn, nochtans van God zoo gruwelijk niet gestraft worden. Hierom schat hij de zonden niet op zichzelven, maar hij oordeelt daarvan naar de vaderlijke lankmoedigheid Gods, die de straf vergeeft, waar nochtans schuld was. In één woord, de apostel wil ze niet den dood toeëigenen, die God opricht en in het leven herstelt, hoewel zij verdiend hebben van het leven vervreemd te zijn. Daar is een zonde tot den dood. Ik heb reeds gezegd, dat alzoo de zonde genoemd is, van welke geen hope van vergeving overblijft. Maar men vraagt wat die zonde is, want zij moet zeer gruwzaam zijn, die God zoo strengelijk wreekt. Uit den tekst kan afgeleid worden, dat het niet is een particuliere of eenige val, gelijk men dat noemt, noch de overtreding van een gebod : maar een afwijking, waardoor de menschen van God gansch vervreemd worden. Want later stelt de apostel daarbij hoe de kinderen Gods niet zondigen, namelijk dat ze God zouden verlaten, en zich den satan gansch overgeven, en eigen maken. Dat een zoodanige wijking een doodelijke val is, is geen wonder, want God berooft de zijnen nimmer zoo van de genade des Geestes, dat ze niet eenige sprank der godzaligheid behouden. Zoo moeten zij dan verworpen, en der verderfenis toebehooren, die alzoo afvallen, dat zij de vreeze Gods wegwerpen. Zoo iemand vraagt, of de deur der zaligheid hun gesloten is, zoo zij berouw hebben? het antwoord is gereed. Aangezien zij in een verworpenen zin overgeleverd, en van den Heiligen Geest beroofd zijn, kunnen zij niet anders dan met moedwillige hardnekkigheid altijd in erger vallen, en de eene zonde op de andere hoopen. Dewijl nu de zonde of lastering tegen den Geest zoodanige afwijking altijd met zich trekt, zoo is het geen twijfel, of zij wordt hier aangewezen. Maar wederom wordt hier gevraagd uit
JOHANNES 5 : 16â18. 215
wat teekenen wij kunnen weten, dat iemands val doodelijk is.
Want zoo deze zaak niet zeker kon geweten worden, zoo zou de apostel tevergeefs uitzonderen, dat men voor zoodanige zonde niet behoort te bidden. Hierom zal men dan somtijds mogen besluiten,
dat daar geen hope meer is van die gevallen is, of dat er nog wat raad is. Dit beken ik wel waar te zijn, en het wordt uit deze plaats gt;
zonder zwarigheid klaarlijk betuigd. Doch omdat dit zeer zelden geschiedt, en God met ons aan te prijzen den rijkdom zijner onmetelijke genade, ons naar zijn exempel beveelt barmhartig te zijn,
zoo zal men niet lichtelijk over iemand het vonnis des eeuwigen doods strijken. Laat de liefde ons veelmeer bewegen om wel te hopen. Doch zoo de heillooze goddeloosheid van sommigen ons zoo klaarlijk blijkt, alsof God ze met den vinger toonde, zoo laat ons met Gods rechtvaardig oordeel niet twisten, noch begeeren barmhartiger te wezen dan Hij.
17 Alle ongerechtigheid. Deze plaats kan onderscheiden uitgelegd worden, eerst aldus: Hoewel alle ongerechtigheid zonde is,
zoo is er nochtans eene zonde niet tot den dood. Doch de andere zin zou wel zoo passen; Dewijl alle ongerechtigheid zonde is, daaruit volgt dat er is eene zonde niet tot den dood. Anderen nemen dit woord alle ongerechtigheid voor geheele ongerechtigheid, alsof de apostel zeide, dat de zonde, waarvan hij handelt, de volle mate der ongerechtigheid is. Doch ik neem de eerste of tweede uitlegging gaarne aan, en aangezien ze op één uitkomen, zoo laat ik den lezers vrijelijk toe te oordeelen, welke van beide de beste is.
18 Wjj weten, dat die. Zoo gij verstaat, dat de kinderen Gods gansch zuiver en vrij van alle zonden zijn, gelijk de verdwaalde geesten beweren, zoo zou de apostel tegen zichzelven strijden: want alzoo zou hij de onderlinge naarstigheid van bidden onder de broederen wegnemen. Zoo zegt hij dan dat ze niet zondigen, omdat ze niet gansch van de genade afvallen. Dan, hieruit heeft hij willen besluiten, dat men voor alle kinderen Gods bidden moet, omdat ze tot den dood niet zondigen. Het bewijs doet hij daarbij, dat zoo wie uit God geboren is, zichzelven bewaart, dat is, zich onthoudt in de vreeze Gods, en niet duldt alzoo weggevoerd te worden, dat hij alle gevoelen der godzaligheid uitgebluscht hebbende, zich den duivel en het vleesch gansch overgeve. Want als hij zegt, dat hij van den booze niet aangeroerd wordt, dat is te verstaan van een doodelijke wonde. Want ook de kinderen Gods blijven niet onaangeroerd van de wonden des satans, maar met het schild des geloofs verdrijven zij alzoo zijne slagen, dat ze geenszins tot het hart zelve doordringen. Hierom wordt het geestelijk leven in hen nimmer uitgebluscht. Dit is het niet zondigen, als namelijk de geloovigen wel vallen door zwakheid des vleesches, maar onder den last der zonden zuchten, zichzelven mishagen, en niet ophouden God te vreezen.
Hy bewaart zichzelven. Hij , brengt over op ons, wat Gode eigen is. Want zoo een iegelijk van ons de bewaarder is zijner zaligheid.
zij zal ellendig beschermd wezen. Daarom bidt Christus den Vader,
dat Hij ons beware, Joh. 17; 11, aanwijzende dat het bij ons niet staat. De voorstanders van den vrijen wil grijpen dat woord om daaruit te bewijzen, dat wij eensdeels door Gods genade en anderdeels door onze eigen kracht van de zonde verlost worden: maar zij merken niet, dat de geloovigen van zichzelven deze bewaring
JOHANNES 5 : 18â20.
niet hebben, waarvan de apostel spreekt. Alzoo prijst hij ook voorwaar hier hunne deugd niet, alsof zij zich door hun eigen kracht bewaarden, maar leert alleen, dat ze den satan wederstaan, zoodat ze met zijn pijlen nimmer doodelijk verwond worden. Nu weten wij, dat ze met geen andere dan met Gods wapenen voorzien zijn om te vechten. Zoo behoeden zich dan de geloovigen van de zonde, zoover zij van God behoed worden.
19 Wij weten, dat wij uit God zijn, en de gansche wereld in i) Of: in de het booze ') is gesteld.
20 Maar wij weten, dat de Zone Gods gekomen is, en heeft ons een zin gegeven, dat wij zouden bekennen dien Waarachtige, en wij zijn in den Waarachtige, in zijnen Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige leven.
21 Kinderkens! wacht u van de afgoden. Amen.
19 Wjj zyn uit God. Uit de voorgaande leer neemt hij oorzaak van vermaning. Want wat hij in 't gemeen van alle kinderen Gods gezegd heeft, past hij nu toe op degenen, aan wie hij schrijft, en dit doet hij, opdat hij ze bewege zich voor de zonde te wachten, en opdat hij ze moed geve om die aanvallen des satans af te slaan. Laat de lezers opmerken, dat dit eerst een waar geloof is, 'twelk ons de genade Gods toevoegt, om zoo te spreken. Want de apostel bekent geen anderen voor geloovigen, dan die verzameld worden in de orde der kinderen Gods. Ook stelt hij geen geloofelijke gissing in plaats van het betrouwen, gelijk de Sophisten spreken: want hij zegt: Wy weten. Hiertoe strekt het slot zijner rede: dewijl wij uit God geboren zijn, dat wij moeten pogen om (van de wereld gescheiden zijnde) met heiligheid des levens te bewijzen, dat wij niet tevergeefs tot zulke eere geroepen zijn. Welke vermaning allen godvruchtigen zeer van noode is, want waar zij de oogen slaan, satan heeft zijne aanlokselen gereed, waarmede hij ze van God afleidt. Hierom zou het hun zwaar wezen den rechten gang te houden, indien zij hunne roeping niet meer achtten dan alle hinderingen der wereld. Opdat wij dan om wel te strijden gewapend mogen zijn, moeten wij deze twee stukken vasthouden, namelijk, dat de wereld verkeerd is, en dat wij van God geroepen zijn. Het lijdt geen twijfel, of de apostel vervat onder het woord wereld, het gansche men-schelijke geslacht. Als hij zegt, dat ze in den booze gesteld is, zoo stelt hij ze onder de heerschappij des satans. Zoo behooren wij dan geen zwarigheid te maken de wereld te schuwen, die met Gods verachting zichzelve den satan ten dienste overgeeft, wij hebben niet te vreezen met dezelve oneens te wezen, dewijl zij vreemd van God is. In één woord, aangezien onze gansche natuur verdorven is, zoo moeten de geloovigen daarnaar staan, dat ze zichzelven verzaken. Dewijl in de wereld niet anders gezien wordt dan boosheid, zoo moeten zij noodzakelijk vleesch en bloed vaarwel geven, om den Heere te volgen. Toch moet men hierbenevens het andere deel daarbij doen, dat het God is, die ze heeft geroepen, opdat ze zijne hulpe tegen alle aanslagen der wereld en des satans stellen mogen.
20 Maar wjj weten, dat de Zone Gods gekomen is. Overmits de kinderen Gods van alle zijden besprongen worden, zoo geeft hij ze moed, en vermaant ze tot standvastigheid om te wederstaan, met
216
macht des boozen, enz.
JOHANNES 5:20.
217
deze reden, gelijk wij gezegd hebben, namelijk dat ze strijden onder Gods leiding, en zeker zijn, dat ze van zijnen Geest geregeerd worden. Maar nu laat hij weten, vanwaar men die kennis halen moet. Zoo zegt hij dan, dat ons God in Christus alzoo geopenbaard is, dat er geen reden meer is van twijfelen. De apostel is niet zonder reden zoo naarstig in dit deel, want zoo niet het geloof vastelijk op God gegrond is, wij zullen nimmermeer vaststaan in den strijd. Hiertoe leert de apostel, dat wij door de weldaad van Christus de zekere kennis des waren Gods gekregen hebben, opdat wij onzeker zijnde, niet zouden wankelen. Door den waren God verstaat hij, niet den waarachtigen, maar dien, die waarlijk God is, opdat Hij Zich van alle afgoden onderscheide. Alzoo wordt de ware God gesteld tegen een versierden, gelijk ook staat Joh. 17 : 3, Dit is het eeuwige leven, dat ze U kennen den waren God, en dien Gij gezonden hebt, Jezus Christus. En met recht schrijft hij Christus dit ambt toe, dat Hij ons verstand verlicht tot de kennis Gods. Want dewijl Hij is het eenig beeld des onzienlijken Gods, dewijl Hij is de eenige uitlegger des Vaders, de eenige leidsman des levens, ja het leven, het licht der wereld, en de waarheid, zoo haast wij van Hem gegaan zijn, zoo moeten wij ijdel worden in onze gedichtselen. Christus wordt gezegd ons verstand gegeven te hebben, niet alleen omdat Hij met de leer des Evangelies getoond heeft wie de ware God is, en dat Hij ons ook verlicht met zijn Geest: maar omdat wij in Christus zeiven God hebben in het vleesch geopenbaard, gelijk Paulus spreekt: dewijl in Hem woont alle volheid der Godheid, 1 Tim. 3 : 16, en dat in Hem verborgen zijn alle schatten der kennis en des verstands. Col. 2:3, 9. Alzoo geschiedt dat ons eenigszins zichtbaar schijnt het aangezicht Gods in Christus. Niet dat vóór de komst van Christus geen, of een twijfelachtige kennis Gods geweest is, maar omdat Hij Zich nu volkomener en als duidelijk geopenbaard heeft. En dit is het wat Paulus zegt, 2 Cor. 4: 6, dat God, die voortijds het licht bevolen heeft uit de duisternis te schijnen, toen Hij de wereld schiep, nu in onze harten gelicht heeft, door den glans der kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus. Ook is op te merken, hoe dit een bijzondere gave is, den uitverkorenen alleen gegeven, 't Is wel waar, dat Christus allen zonder onderscheid den fakkel zijns Evangelies ontsteekt, maar allen hebben geen oogen des verstands om te zien, maar de satan verblindt ze veelmeer met een deksel, dat hij daarover doet. Zoo verstaat dan de apostel het licht, 'twelk Christus van binnen in de harten der zijnen ontsteekt, hetwelk eenmaal ontstoken zijnde, nimmer uitgebluscht wordt, hoewel het somtijds geschiedt, dat het in sommigen voor een tijd verstikt wordt. Wjj zyn in den waren. Met dit woord geeft hij te kennen, hoe krachtig de kennis is, waarvan hij vermeld heeft, wijl wij daardoor worden ingelijfd in Christus, en ee'n gemaakt met God, wijl zij een wortel heeft, die levend is, en diep stekende in onze harten, waardoor het geschiedt, dat God in ons leeft, en wij in Hem. Dewijl hij aldus spreekt: Wy zjjn in den Waarachtige, (en) in zjjnen Zoon, (weglatende het woordje en) zoo schijnt hij uit te drukken de wijze onzer eenigheid met God, alsof hij zeide, dat wij in God zijn door Christus. Deze is de waarachtige God. Hoewel de Arianen gepoogd hebben deze plaats in den wind te slaan, en dat hedendaags sommigen hun toestaan, zoo
JOHANNES 5:20, 21.
hebben wij nochtans een schoon en loffelijk getuigenis der Godheid van Christus. De Arianen trekken dit op den Vader, alsof de apostel Dien wederom verklaarde de ware God te zijn, maar het ware een al te matte herhaling. Hij had reeds tweemaal getuigd, dat Hij de ware God is, die ons in Christus bekend is geworden: waartoe zou hij terstond daarbij voegen, deze is de ware God? Maar dit komt gepast Christus toe. Want nadat hij geleerd heeft, hoe Christus de leidsman is, door wiens hand wij tot God geleid worden, nu om de zaak heerlijker uit te breiden, zegt hij vastelijk, dat Christus die God is, opdat wij niet meenen, dat Hij ver te zoeken is. Dit bevestigt ook het bijgevoegde woord,, eeuwig leven. Het is zeker, dat hij van den eenen en zelfden Christus dit beide getuigt. Ik verzwijg dat ook het woord deze alleen van den naastgenoemden persoon pleegt verstaan te worden. Dit zeg ik, dat Christus eigenlijk het eeuwige leven genoemd wordt, en men kan niet loochenen, of Johannes heeft meest overal deze gewoonte van spreken. De inhoud is, als wij Christus hebben, dat wij den waren en eeuwigen God genieten, wijl Hij elders niet te zoeken is. Ten andere, dat wij alzoo des eeuwigen levens deelachtig worden, wijl het in den Vader verborgen zijnde, ons in Christus aangeboden wordt. De Vader is wel de oorsprong des levens, maar Christus is de fontein, waaruit wij putten mogen.
2i Kinderkens! wacht u van de afgoden. Hoewel deze rede van de voorgaande onderscheiden is, zoo is zij nochtans als een aanhangsel der voorgaande leer. Want het levendmakende licht des Evangelies moet niet alleen alle duisternis, maar ook allen nevel uit de harten der godzaligen verdrijven, en verjagen. Alzoo veroordeelt de apostel niet alleen de afgoderij, maar beveelt ook dat men zich van de beelden zelve wachte, waarmede hij verklaart hoe de godsdienst niet kan ongeschonden en onvervalscht bewaard worden, zoo haast de mengchen beginnen naar beelden te staan: want de superstitie is ons zoo aangeboren, dat de minste gelegenheid ons door aanroering besmet. Een droog hout zal zoo haast niet branden, wanneer een kool daaronder ligt, als de harten der men-schen met de afgoderij gegrepen en bevangen worden, wanneer hun eenige stof voorgeworpen wordt. Maar wie ziet niet, dat de beelden spranken zijn? Maar wat zeg ik spranken, ja veel meer fakkelen, die genoegzaam zijn om de gansche wereld te ontsteken, hoewel de apostel niet alleen spreekt van de beelden, maar insluit ook de altaren en allerlei instrumenten der superstitie. Daarom zijn de papisten bespottelijk, die deze plaats verkeerd duiden op de beelden van Jupiter, Mercurius, en dergelijke. Even alsof de apostel in 't gemeen niet leerde, dat het een verderf van den godsdienst is, wanneer men God eenige lichamelijke gelijkenis toedicht, of wanneer beelden en schilderijen opgericht worden om Hem te dienen. Laat ons dan gedenken, dat wij in den geestelijken godsdienst zoo zorgvuldig moeten blijven, dat wij verre van ons afhouden alles, wat ons tot grove en vleeschelijke superstitiën kon leiden.
218
DE ZENDBRIEF VAN JAKOBUS.
DE INHOUD
VAN DEN
ZENDBRIEF VAN JAKOBUS.
Het is bekend uit het getuigenis van Hieronymus en Eusebius, dat deze zendbrief vroeger niet zonder strijd door vele kerken is ontvangen. Hedendaags zijn daar ook sommigen, die denzelven geene autoriteit waardig achten. Maar ik (niet ziende eenige billijke en genoegzame oorzaak om dien te verwerpen,) neem hem gaarne aan zonder zwarigheid. Want dat in het tweede hfdst. de leer der recht-vaardigmaking uit genade schijnt omgestooten te worden, daarop zullen wij te zijner plaats gemakkelijk antwoorden. Dat hij verder niet heerlijk genoeg schijnt te verkondigen de genade van Christus, gelijk een apostel betaamt, daarop is te antwoorden, dat het voorwaar van allen niet te eischen is, dat ze dezelfde zaak behandelen. De schriften van Salomo verschillen veel in den vorm van de schriften van David. Want alzoo Salomo hiertoe meer naarstigheid doet, dat hij den uitwendigen mensch geschikt make, en regelen voorschrijve van het burgerlijke leven, alzoo is het openbaar, dat David doorgaans predikt van den geestelijken godsdienst, van den vrede der conscientie, van de barmhartigheid Gods, en van de genadige belofte der zaligheid. Toch maakt deze verscheidenheid niet, dat wij den een aannemen, en den ander verwerpen. Ja ook wat meer is, onder de Evangelisten zelf is zulk een groot onderscheid in de verklaring der kracht van Christus, dat de drie anderen met Johannes vergeleken zijnde, nauwelijks hebben de vonken van dien vollen glans, die in hem zoo klaar gezien wordt. Nochtans omhelzen wij die alle te gelijk. Hierom is mij genoeg om dezen brief te ontvangen, omdat hij niets inhoudt wat een apostel van Christus onbetamelijk is. Dan, hij vloeit over van menigerlei leer, welker nuttigheid wijd strekt tot alle deelen des Christelijken levens: want hier zijn schoone spreuken van lijdzaamheid, van de aanroeping Gods, van de voortreffelijkheid en de vrucht der hemelsche leer, van ootmoedigheid, van heilige oefeningen, van de bedwinging der tong, van vrede te onderhouden, van de begeerlijkheden te bedwingen, van de verachting des tegenwoordigen levens, en dergelijke, die wij in 't bijzonder elk te zijner plaatse zullen verhandelen. Maar daar is wat meer reden om te twijfelen nopens den auteur. Dit is zeker, dat hij niet is geweest de zoon van Zebedeus, die door Herodes een weinig
222
tijd na des Heeren verrijzenis gedood is. De oudvaders komen hierin meest overeen, dat het geweest is een van de discipelen met den bijnaam Oblias, van de maagschap van Christus, die een overste was der kerk van Jeruzalem. En zij achten, dat hij dezelfde is, dien Paulus in den brief aan de Galaten rekent met Petrus en Johannes, van wie hij zegt, dat zij als pilaren geacht waren. Maar het dunkt mij niet waarschijnlijk, dat een van de discipelen onder de drie pilaren zou geteld worden, en verheven zijn boven de apostelen. Zoo val ik dan veel meer tot deze meening, dat die, van welken Paulus spreekt, de zoon van Alfeus geweest is. Hoewel ik niet ontken, dat een ander is geweest een overste der kerk van Jeruzalem, en ook wel uit het getal der discipelen. Want de apostelen mochten aan geen vaste plaats gebonden zijn. Wie nu van deze twee de schrijver van dezen brief geweest is, staat mij niet vast te zeggen. Dat die Oblias bij de Joden van zeer groot aanzien geweest is, blijkt ook daaruit, dat, als hij door het oproer van den goddeloozen overpriester gedood werd, Josefus vrijelijk de verwoesting der stad voor een deel aan diens dood durft toe te schrijven.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Jakobus, een dienstknecht van God, en onzen Heere Jezus Christus, aan de twaalf geslachten, die in de verstrooiing zijn,
zaligheid.
2 Mijne broeders! acht het voor enkel blijdschap, als gij valt in velerlei verzoekingen.
3 Wetende, dat de beproeving ') uws geloofs lijdzaamheid werkt, i) of: Hoop.
4 Maar laat de lijdzaamheid een volkomen werk hebben.
UITLEGGING.
i i an de twaalf geslachten. Toen de tien geslachten zijn weg-gevoerd, heeft de Assyriër, die ze gevangen had, ze in ver-^-scheiden woonsteden gezet. Daarna, gelijk het pleegt te geschieden in veranderingen van koninkrijken, hoedanige toen voorvielen, zoo is het waarschijnlijk dat ze her- en derwaarts in het bijzonder verhuisd zijn. Doch de Joden waren meest in alle landschappen der wereld verstrooid. Zoo vermaant hij dan met schrijven alle dezen, die hij nu niet kon aanspreken. Dat hij nu van de genade van Christus, en het geloof in Denzelven niet handelt, schijnt dit de reden te zijn, dat hij zijn schrift zond aan hen, die aireede van anderen wel onderricht waren; zoodat ze niet zoozeer de leering, als prikkelen der vermaning van noode hadden.
2 Enkel blijdschap. Dit is de eerste vermaning, dat zij met een blij gemoed opnemen de verzoekingen, waardoor hun geloof beproefd wordt. Het was toch noodig, dat de Joden allereerst te dien tijde zouden verkwikt worden, die door zoo vele jammeren bijna overvallen waren. Want de Joodsche naam was zoo kwalijk berucht, dat ze bij alle volken, waar zij kwamen, gehaat en veracht waren. Maar der Christenen staat was nog ellendiger, dat ze hun eigen volk tot de grootste vijanden hadden, hoewel dat deze troost niet alzoo voor één tijd gediend heeft, dat hij niet altijd den geloovigen nut is geweest, welker leven een gedurige strijd is op de aarde Maar opdat wij te beter weten wat hij wil zeggen, zoo lijdt het geen twijfel, of de verzoekingen worden hier genomen voor tegenspoed, want het zijn onderzoekingen betrekkelijk onze gehoorzaamheid tot God. Als de geloovigen daardoor geoefend worden, zoo wil hij, dat ze zich zullen verblijden, en dit niet alleen als zij in ée'ne verzoeking vallen, maar in vele, en niet alleen op ééne wijze, maar op velerlei en verscheiden wijzen verzocht worden. En waarlijk, aangezien zij dienen tot dooding onzes vleesches, zoo is het ook alzoo noodig dat, gelijk de gebreken des vleesches in ons gedurig opspruiten, deze dikwijls herhaald wor-
224 JAKOBUS 1; 2, 3.
den of ons overkomen. Ten andere, gelijk wij aan verscheidene ziekten krank liggen, alzoo is het geen wonder, dat er verscheidene medicijnen aangeboden worden om die te genezen. Zoo slaat ons dan God op verscheidene wijze, omdat onze eergierigheid, geldgierigheid, nijdigheid, onmatige gulzigheid, te groote liefde der wereld, en ontal-lijke andere lusten, waarvan wij vol steken, met één drank niet kunnen genezen worden. Als hij zegt, acht het enkel blijdschap,
is het alsof hij zeide, dat men de verzoekingen alzoo moet voor gewin achten, dat ze niet zijn dan oorzaak der vreugd. In één woord, ^ hij verklaart dat in de verdrukkingen niets is, dat onze vreugd kan Fai beroeren. En aldus beveelt hij niet alleen, den tegenspoed stil en met een zacht gemoed te dragen: maar hij leert dat hij de oorzaak is, waarom de geloovigen, daarmede gedrukt zijnde, zich mogen verblijden. Dit is wel gewis, dat al de zinnen onzer natuur alzoo gesteld zijn, dat allerlei verzoeking ons bedroeft, en treurig maakt. Ook kan niemand van ons de natuur zoover uitdoen, dat hij niet droevig, is en treurt, zoo haast hij wat kwaads gevoelt: maar dit verhindert niet, dat de kinderen Gods door de leiding des Geestes de droefheid des vleesches niet zouden te boven komen. Hieruit komt,
dat ze ook in het middel der droefheid niet ophouden blijde te zijn.
3 Wetende, dat de beproeving. Nu zien wij waarom hij den tegenspoed noemt verzoekingen, namelijk, omdat zij tot onderzoeking onzes geloofs dienen. Hier nu geeft hij de reden om zijn voorgaande gevoelen te bevestigen. Want men kan daartegen opwerpen, hoe kan geschieden, dat wij hetgeen bitter is om te gevoelen, zoet zouden achten? Zoo toont hij dan uit de vrucht, dat men in verdrukkingen zich verheugen moet, want ze baren een vrucht, namelijk lijdzaamheid, die groot te achten is. Zoo dan God onze zaligheid bevordert, zoo geeft Hij ons oorzaak van blijdschap. Petrus gebruikt dezelve bewijsreden aan het begin van den eersten brief: opdat de beproeving uws geloofs kostelijker zij tot lof, enz.
Want waarlijk wij gruwen daarom voor ziekten, armoede en ballingschap, gevangenis, oneer, en dood, omdat wij meenen, dat het kwaad is. Maar als wij verstaan, dat dit alles door Gods weldaad tot behulpselen der zaligheid veranderd worden, zoo ware het een ondankbaarheid daartegen te murmureeren, en ons niet gewillig aan Hem over te geven, die ons zoo vaderlijk zal handelen. Paulus, Rom. 5 : 3, zegt te roemen, waar Jakobus hier zegt vroolijk zijn. Wij roemen, zegt hij, in verdrukkingen, wetende dat verdrukking lijdzaamheid werkt: hoewel hetgeen, dat hij terstond daarbij voegt met de woorden van Jakobus schijnt te strijden. Want hij stelt de beproeving in de derde plaats, als de vrucht der lijdzaamheid, die hier in de orde als oorzaak voorop staat. Maar dit is gemakkelijk op te lossen. Jakobus zegt, dat de beproeving lijdzaamheid werkt, omdat, zoo ons God niet onderzocht, maar ledig liet, er geen lijdzaamheid ware,
welke niet anders is dan vromigheid des gemoeds in het kwaad te verdragen. Maar Paulus verstaat, dat als wij met lijden het kwaad overwinnen, wij bevinden wat de hulp Gods in den nood vermag.
Want alsdan wordt ons als met de zaak zelf getoond Gods waarheid, waaruit geschiedt, dat wij voor het toekomende te meer durven hopen. Want de getrouwheid Gods, uit ondervinding bekend zijnde, krijgt bij ons te meer geloof. Hierom zegt Paulus, dat uit zulke beproeving, dat is ondervinding der Goddelijke genade, de
i
.
JAKOBUS 1:3â5.
hoop voortkomt. Niet dat de hoop dan eerst begint, maar omdat ze toeneemt en bevestigd wordt. Doch zij geven beide te kennen, dat de verdrukking de stof is voor de lijdzaamheid. Nochtans zijn de harten der menschen van nature alzoo niet gesteld, dat hun de verdrukking lijdzaamheid medebrengt. Maar Paulus en Jakobus zien meer op de voorzienigheid Gods, dan op de natuur der menschen: waardoor het geschiedt, dat de geloovigen uit de jammer en de nooden lijdzaamheid leeren, niettegenstaande de goddeloozen daardoor meer en meer tot onzinnigheid opgewekt worden, gelijk het exempel van Farao uitwijst.
4 Maar laat de lijdzaamheid een volkomen werk. Omdat zich de moed des geestes in ons dikwijls verheft, en terstond inzinkt, daarom eischt Jakobus standvastigheid. Dit zal rechte lijdzaamheid zijn, zegt hij, die ten einde toe duren zal, want werk wordt hier genomen voor de vrucht of het gevolg. En niet alleen wil hij, dat wij in e'én strijd boven blijven, maar dat wij al ons leven lang volharden.
Deze volmaaktheid kon ook geduid worden op de ongeveinsde genegenheid des harten, dat zich de menschen gewillig, en niet geveinsd Gode onderwerpen. Maar aangezien het woord werk daarbij gedaan wordt, zoo wil ik het liever van de volstandigheid uitleggen.
Want gelijk ik gezegd heb, velen die in het begin een dapperen moed toonen, worden een weinig tijds daarna moede. Daarom beveelt hij ten einde toe te volharden dengenen, die volmaakt en vroom begeeren te wezen, met welke twee woorden hij te kennen geeft ('twelk hij terstond uitlegt) dat hij verstaat die niets ontbreken of niet bezwijken. Want die door onlijdzaamheid overwonnen zijnde, den moed verliezen, die moeten noodzakelijk mettertijd allengskens afgaan, en eindelijk geheel bezwijken.
5 Maar zoo iemand van u wijsheid behoeft, die begeere ze van
God, die ze allen overvloedig ') geeft, en niet verwijt: en zij i) of: Een-i t i voudig, of
zal hem gegeven worden. miideliik.
6 Maar hij moet bidden in het geloof, niet twijfelende: want die Mart. n: 2i. twijfelt is gelijk een golf der zee, die van den wind bewogen
en gedreven wordt.
7 Die mensoh meene niet, dat hij iets van den Heere ontvangen zal.
8 quot;Want een dubbelhartig man is ongestadig in al zijne wegen.
5 Zoo iemand behoeft. Aangezien ons vernuft, ja ook al onze zinnen verre vandaar zijn, dat ze zouden gelooven dat wij, in ellendigheid stekende, zalig zijn, beveelt hij van God te bidden, dat Hij ons zulke wijsheid instorte. Want ik versta het woord wysheid niet verder, dan naar de omstandigheid der plaats. Alsof hij zeide: zoo deze leer uw verstand en begrip le hoog is, bidt God, dat Hij u met zijn Geest verlichte. Want gelijk deze overdenking alleen (namelijk dat al wat ons vleesch lastig valt, ons zalig is) genoegzaam is om allerlei bitterheid des tegenspoeds te verzachten, alzoo ook zoo wij niet met dusdanigen troost opgehouden worden, wij moeten door onlijdzaamheid overwonnen worden. Aldus zien wij, hoe de Heere alzoo van ons niets eischt wat aan onze krachten te boven gaat,
of Hij is gereed te helpen, zoover wij Hem bidden. Hierom, zoo haast Hij ons wat beveelt, laat ons leeren van Hem de macht te begeeren om dat te doen. Maar hoewel in deze plaats, w|js zijn, be-
Dl. VUI. 15
225
JAKOBUS 1 ; 5, 6.
teekent zich Gode onderwerpen om alle kwaad te verdragen, als wij recht overleggen, hoe Hij alle dingen alzoo regeert, dat ze tot onze zaligheid gedijen, zoo kan nochtans deze spreuk in 't algemeen geschikt worden tot al de deelen der rechte kennis. Maar waarom zegt hij, zoo iemand, alsof zij niet allen dit van noode hadden ? Ik antwoord, dat zij wel allen van nature dit behoeven, maar dat de een met den geest der wijsheid begaafd is, dien de anderen niet hebben. Overmits dan niet allen zoover gekomen zijn, dat ze zich in de verdrukkingen verblijden, maar dat weinigen dit gegeven is, zoo komt Jakobus dit tegemoet, en vermaant degenen, dien het nog niet wijs gemaakt is, dat .door het kruis onze zaligheid door God bevorderd wordt, dat ze begeeren met deze wijsheid begaafd te worden. Evenwel lijdt het geen twijfel, of de nood vermaant een iegelijk ditzelve te begeeren. Want die wat toegenomen is, die is nog verre van den eindpaal. Maar het is wat anders wasdom' of voortgang te begeeren, dan het begin. Als hij het beveelt van den Heere te begeeren, zoo verklaart hij, dat het Die alleen is, die onze ziekte genezen, en onze nooddruft te hulpe komen kan. Die allen een-voudiglyk geeft. Hij verstaat allen die bidden, want die geen hulpe zoeken voor hun nooddruft, zijn waardig dat ze daarin verdwijnen. Doch de algemeene rede heeft groote kracht, waarmede hij een ieder van ons zonder uitzondering noodt. Hierom moet zich niemand berooven van een zoo groot goed. Hierbij komt de belofte, die daar terstond bijgevoegd wordt. Want gelijk hij met dit gebod aanwijst wat eens iegelijks plicht is, alzoo verklaart hij, dat zij het niet tevergeefs doen zullen wat hij gebiedt, volgens hetgeen Christus ,zegt: Klopt, en u zal opengedaan worden, Matth. 7 : 7. Het woord eenvoudigljjk verklaart de gereedheid van geven. Alzoo eischt Paulus, Rom. 12 : 8, van de diakenen eenvoudigheid. En in 2 Cor. 8 en 9, waar hij spreekt van de aalmoezen, zoo gebruikt hij ettelijke malen ditzelfde woord. Zoo is dan de zin, dat God zoo genegen, en gewillig is te geven, dat Hij niemand verstoot, of trotsch uitstelt. Dat Hij ook niet is gelijk die zuinige en taaie lieden, die altijd karig als met een half gesloten hand mager uitdeden, of die iets van wat ze geven wilden, afsnijden, of die van binnen bij zichzelven lang twijfelen, of zij wat geven zullen of niet. En niet verwjjt. Dit is erbij gedaan, opdat niemand vreeze dikwijls tot God te gaan. Ook die onder de menschen de mildsten zijn, zoo wanneer iemand herhaaldelijk begeert van hen geholpen te zijn, zoo herhalen zij de voorgaande weldaden, om daarmede zich te verontschuldigen voor het toekomende. Hierom schamen wij ons een sterfelijk mensch, hoe mild hij zij, moede te maken met dikwijls te eischen: maar Jakobus vermaant, dat er niets zoodanigs in God is, dewijl Hij gereed is zonder einde en mate bij de voorgaande weldaden nieuwe herhaaldelijk daarbij te doen.
6 Maar hy bidde in het geloof. Vooreerst leert hij hier welke de wettige wijze is van bidden. Want gelijk wij niet kunnen bidden, of het woord Gods ga voor, alzoo moeten wij gelooven, eer wij bidden: want met bidden geven wij getuigenis van de genade, die God ons belooft van Hem te verwachten. Hierom wie de beloften niet gelooft, die bidt geveinsdelijk. Hieruit leeren wij ook wat een recht geloof is. Want zoo haast Jakobus bevolen heeft met het geloof te bidden, zoo doet hij de verklaring daarbij, niet twijfelende.
226
JAKOBUS 1 ; 8, 9.
Zoo is het dan het geloof, 'twelk, steunende op Gods beloften, ons verzekert dat wij zullen verkrijgen wat wij begeeren. Waaruit volgt dat het gevoegd is met een vertrouwen en zekerheid der Goddelijke liefde te onswaart. Het woord, dat wij overzetten twijfelen, 'twelk hij gebruikt, beteekent over beide zijden overleggen en onderzoeken.
Zoo wil hij dan, dat wij zoo zeker houden wat God eenmaal beloofd heeft, dat wij niet in twijfel stellen of wij zullen verhoord worden of niet. Die twjjfelt. Met deze gelijkenis drukt hij zeer fijn uit, hoe God de ongeloovigheid straft dergenen, die aan zijne beloften twijfelen: want zij pijnigen zichzelven van binnen met hunne ongerustheid. Want onze harten hebben nergens geen stilte, dan als zij rusten op Gods waarheid. Eindelijk besluit hij, hoe zulken onwaardig zijn iets van God te verwerven. Dit is een merkwaardige plaats, om te wederleggen dat goddeloos leerstuk, 'twelk in het gansche pausdom voor Gods Woord gehouden wordt, namelijk dat men twijfelachtig,
en met een onzekere meening aangaande de uitkomst moet bidden.
Daarom, laat ons dit hoofdstuk vasthouden, dat onze gebeden niet anders van den Heere verhoord worden, dan als daar een vast vertrouwen bij is van te verkrijgen. Het is waar, dat het in deze zwakheid des vleesches niet mogelijk is, dat wij niet met verscheiden aanvechtingen gedreven worden, welke als instrumenten zijn om ons betrouwen te verzwakken. Alzoo zal daar ook niemand gevonden worden, die door het gevoelen zijns vleesches niet wankelt en schudt.
Maar zoodanige aanvechtingen moeten eindelijk door het geloof overwonnen worden. Gelijk een boom, die diep geworteld is, hij wordt wel door het geweld des winds aangetast, maar niet uitge-worteld, maar veel meer blijft hij vast op zijne plaats. Een dubbelhartig man. Deze spreuk kan op zichzelve gelezen worden, dat hij in het gemeen van de hypocrieten spreekt. Nochtans dunkt het mij meer te zijn een besluit der voorgaande leer, en alzoo zal het zijn een bedekte tegenstelling van de eenvoudigheid Gods, waarvan hij tevoren vermeld heeft, en van de dubbelhartigheid des menschen.
Want gelijk God ons geeft met uitgerekte hand, alzoo moet desgelijks de schoot onzes harten geopend zijn. Zoo zegt hij dan dat de ongeloovigen, welke allerlei uitwijkingen hebben, ongestadig zijn, omdat ze nimmermeer eenzelfde zaak vast besloten hebben.
Maar nu eens zijn ze opgeblazen door verwaandheid des vleesches,
dan weer worden zij in de diepte verdronken door wanhoop.
9 Maar een broeder die nederig is, roeme in zijne hoogheid.
10 En de rijke roeme in zijne nederigheid: want hij zal vergaan Jes. 40:6. als een bloem des gras.
11 Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras verdord, en zijne bloem is afgevallen, en de schoonheid harer gedaante is vergaan, alzoo zal ook de rijke in zijne wegen ') i) Dat is: in verwelken. ' «e aaD-
9 De nederige broeder. Gelijk Paulus, als hij de dienstknechten vermaant om met geduld hun staat te dragen, hun dezen troost voorstelt, dat ze vrijgemaakten Gods zijn, door zijne genade verlost uit de ellendigste dienstbaarheid des satans, en wederom de vrijen vermaant te gedenken, dat ze knechten Gods zijn, alzoo beveelt hier onze apostel in denzelfden zin de ootmoedigen daarin te roemen.
227
JAKOBUS 1:9â11.
dat ze van den Heere tot kinderen aangenomen zijn: doch dat de rijken, toonende de ijdelheid der wereld, ten onder gehouden zijn. Alzoo wil hij dat de eersten tevreden zijn met hun nederigen en verachten staat, en den tweeden verbiedt hij hoogmoedig te zijn, dewijl dit dc hoogste en onvergelijkelijke waardigheid is, dat wij in de gemeenschap der engelen aangenomen zijn, ja Christus deelachtig geworden. Zoo wie deze groote weldaad Gods naar hare waardigheid acht, zal alle andere dingen niet achten, zoodat noch armoede, noch versmaadheid, noch naaktheid, noch honger, noch dorst, zijn hart zoo benauwen zal, dat hij zich met dezen troost niet ophoude, als hij denkt, aangezien mij God gegeven heeft, wat het voornaamste was, zoo behoor ik met een geduldig hart de andere geringer dingen te derven. Ziet, hoe een veracht broeder moet roemen in zijn hoogheid. Want zoo hij Gode behaagt, zoo heeft hij alleen in zijn aanneming tot kind Gods, stof volkomen en genoegzaam om zich te troosten, opdat hij bovenmate niet beangst zij over den voorspoedigen staat dezes levens.
io De rijke in zün nederigheid. Hij heeft gesteld een deel voor het geheel, want deze vermaning komt allen toe, die in eer of in adel, of in andere uitwendige dingen overtreften. Deze beveelt hij in hunne nederigheid of kleinheid te roemen, opdat hij dien hoogmoed bedwinge, die door den voorspoed pleegt opgeblazen te zijn. Hij noemt het nederigheid, omdat het geopenbaarde rijk Gods ons daartoe brengen moet, dat wij de wereld verachten, opdat wij weten dat alles, wat ons tevoren in groote verwondering was, niets of zeer gering is. Want Christus, die alleen der kleinen meester is, slaat met zijne leer alle pracht des vleesches neder. Hierom, opdat de ijdele blijdschap der wereld de rijken niet wegrukke, laten zij zich gewennen te roemen in de afwerping hunner uitnemendheid des vleesches. Als een bloem des gras. Zoo iemand meent dat Jakobus ziet op de woorden van Jesaja, ik ben daar niet zeer tegen. Maar ik zal niet toestaan, dat de profeet als getuige van hem bijgebracht is, als die niet alleen spreekt van de uitwendige goederen, en van den ijdelen schijn der wereld, maar van den ganschen mensch, en zoowel van de ziel, als van het lichaam. Maar hier wordt gehandeld van de pracht der rijkdommen en der eer. Waarvan dit de inhoud is, dat het een dwaas en verkeerd roemen is in de rijkdommen, die in een oogenblik wegvloeien. Ditzelve leeren ook de phi-losophen, maar het is voor eens dooven mans deur geklopt, totdat de ooren van den Heere geopend zijn, om te hooren dat het rijk der hemelen eeuwig is. Daarom zegt hij broeder, waarmede hij te kennen geeft, hoe wij deze leer niet eer plaats geven, dan wij in het getal der kinderen Gods aangenomen zijn. Dat er staat in zyne wegen, men kan ook wel overzetten in zjjn overvloed, gelijk de Grieksche tekst ook wel lijden kan. Alzoo heeft het Erasmus ook overgezet, en het behaagt mij beter.
12 Zalig is de man, die aanvechting verdraagt, want als hij beproefd is, zal hij de kroon des levens ontvangen, die God beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.
13 Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik ben van God verzocht, want God kan met geen kwaad verzocht worden, en Hij verzoekt niemand.
228
JAKOBUS 1 : 12, 13.
14 Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid getrokken en verlokt wordt.
15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende, baart de zonde, en als de zonde volbracht is, baart zij den dood.
12 Zalig is de man. Nadat hij met zijne aangewende vertroosting gematigd heeft de droefheid dergenen, die in deze wereld hard behandeld worden, en wederom den hoogmoed der grooten vernederd heeft, zoo besluit hij nu, dat ze gelukzalig zijn, die verdrukkingen en andere aanvechtingen met een kloek gemoed verdragen, alzoo dat zij ze te boven komen. Het woord verzoeking, kon wel anders genomen worden, namelijk voor de prikkelen der begeerlijkheden, die 't hart van binnen steken. Dan, ik acht dat hier de vroomheid in tegenspoed te dragen geprezen wordt. Zoodat het tegen het gemeens gevoelen is, dat die, welken alles gaat naar hartelust, niet gelukzalig zijn, gelijk zij van den gemeenen man gehouden worden, maar dat die gelukzalig zijn, welke van het ongeluk niet worden overwonnen. Want als hy beproeft. Hij geeft de reden der voorgaande spreuk, want de kroon volgt na den strijd. Zoo nu de hoogste gelukzaligheid in het rijk Gods is gekroond te worden, zoo volgt dat de strijden, waarmede ons de Heere oefent, behulpselen zijn onzer gelukzaligheid. Aldus is het een bewijsreden genomen van het einde of de vrucht, waaruit wij afleiden, dat de geloovigen daarom met zooveel ellenden gekweld worden, opdat hunne godzaligheid en gehoorzaamheid openbaar worde, en dat ze alzoo eerst om de kroon des levens te ontvangen, bereid worden. Maar zij maken een kwaad argument, die hieruit besluiten, dat wij met strijden de kroon verdienen. Want dewijl ons God die uit genade toegeschikt heeft, zoo maakt Hij ons alleen om die te ontvangen, bekwaam. Want dat hij daarbij voegt, dat ze beloofd is dengenen die God liefhebben: met alzoo te spreken beweert hij niet, dat de liefde des menschen oorzaak daarvan is (want God voorkomt ons met zijne liefde te ons-waart) maar hij geeft alleen te kennen, dat die alleen worden bewezen Gods uitverkorenen te zijn, die Hem liefhebben. Intusschen vermaant hij, dat zij, die God liefhebben, alle aanvechtingen zullen overwinnen, en dat er geen andere oorzaak is, waarom wij van harte in de verzoeking bezwijken, dan omdat de liefde der wereld in ons de overhand heeft.
13 Niemand, als hij verzocht. Het is ongetwijfeld, dat hij hier spreekt van een ander soort van verzoeking. Het is meer dan genoeg bekend, dat alle uitwendige aanvechtingen, waarvan tot nu toe gemeld is, ons van God toegeschikt worden. In dezer voege heeft God Abraham verzocht. Gen. 22 : 1 en verzoekt Hij ons dagelijks, dat is, onderzoekt hoedanig wij zijn, met voor te werpen eenige oorzaak, waardoor ons hart ontdekt wordt. Maar het is een heel ander ding uithalen wat in het hart verborgen lag, dan van binnen de harten tergen met kwade begeerlijkheden. Zoo handelt hij dan hier van inwendige verzoekingen, die niet anders zijn dan ongematigde lusten, welke ons tot zondigen opwekken. Met recht zegt hij, dat God geen ingever daarvan is, want zij spruiten uit de verdorvenheid onzes vleesches. Deze waarschuwing is zeer noodig, want den menschen is niets gemeener, dan dat elk de schuld van het kwaad, dat hij doet, op iets anders werpt. Maar dan meenen zij best bevrijd te
229
JAKOBUS 1 : 13â15.
wezen, zoo zij die op God zeiven werpen mogen. Wij volgen naarstig na deze kunst van uitvluchten, die ons van den eersten mensch overgeleverd is. Hierom brengt ons Jakobus tot de belijdenis onzer eigen schuld, opdat wij God in onze plaats niet stellen, alsof Hij ons tot zondigen dreef. Maar deze spreuk schijnt te strijden tegen de gansche leer der Schrift, welke leert, dat de menschen van God verblind worden, geworpen in een verkeerden zin, overgegeven tot schandelijke en ongeoorloofde begeerten, Rom. 1 ; 24 en 16 ; 28. Ik antwoord, dat Jakobus misschien hierom bewogen is geweest te zeggen, dat wij van God niet verzocht worden, omdat de goddeloozen, opdat ze een schijngrond zouden hebben, zich met de getuigenissen der Schrift wapenen. Maar hier zijn twee dingen aan te merken. Want als de Schrift Gode de verblinding of verharding des harten toeschrijft, zoo schrijft zij Hem het begin des kwaads niet toe, noch maakt Hem daarvan auteur of ingever, dat Hij de schuld zou moeten dragen, welke twee dingen alleen Jakobus hier wil leeren. De Schrift zegt vast, dat de verworpenen van den Heere tot kwade begeerlijkheden overgeleverd worden, maar hoe? dat de Heere hun hart zou kwaad maken of bederven? Geenszins; want daarom wordt het hart onderworpen den kwaden begeerten, omdat het aireede verdorven en zondig was. Maar als ook God iemand verblindt of verhardt, is Hij de oorsprong of aandiener der zonde ? Ja veelmeer wreekt Hij door dit middel de zonden, en vergeldt den goddeloozen hun verdiend loon, die door zijnen Geest niet hebben willen geregeerd worden. Waaruit volgt, dat noch de oorsprong der zonden in God is, en dat Hem de schuld niet kan opgelegd worden, alsof Hij in het kwaad genoegen nam. Dit is het besluit: dat de mensch tevergeefs uitvlucht zoekt, die de schuld zijner zonden op God wil werpen, want wat kwaad is, komt uit geen andere fontein dan uit de verkeerde begeerlijkheid der menschen. En dit is voorwaar de zaak, dat wij van elders niet gedreven worden, maar dat elk zijn kwade genegenheid heeft tot een leidsman en drijver. Maar dat God niemand verzoekt, bewijst hij hieruit, omdat Hij van geen kwaad verzocht wordt. Want hierom beweegt ons de duivel tot zondigen, omdat hij van een onzinnige begeerte tot zondigen gansch brandt. Maar God heeft geen lust in het kwade, zoo is Hij ons dan geen ingever van kwaad te doen.
14 Als hjj van zjjne begeerlijkheden. Aangezien de beweging tot het kwaad inwendig is, zoo zal de zondaar tevergeefs uit die uitwendige aandrijving een deksel zoeken om zich te verontschuldigen. Doch deze twee vruchten der begeerlijkheid zijn aan te merken, dat zij ons met hare aanlokselen als met een ras verstrikt, en wegleidt, welke beide dingen genoegzaam zijn, om ons te beschuldigen.
15 Daarna ontvangen hebbende. Vooreerst noemt hij hier begeerlijkheid niet allerlei lust, maar de oorsprong aller lusten. Hij zegt, dat de zondige vruchten daaruit ontvangen worden, omdat ze eindelijk tot zonden uitbreken. Evenwel schijnt hij oneigenlijk, en geenszins naar de gewoonte der Schrift het woord zonde alleen te trekken op de uiterlijke werken, even alsof ook de begeerlijkheid in zichzelve geen zonde ware, even ook alsof de verkeerde lusten, die van binnen gesloten zijn, en in 't onderste schuilen, niet zoovele zonden waren. Maar aangezien dit woord op velerlei wijze gebruikt is, zoo rijmt het niet kwalijk, zoo het hier voor de zonde met
230
JAKOBUS 1 : 15â17.
irstig de daad genomen wordt, gelijk het geschiedt in vele andere plaatsen. ;nsch Hierom nemen de papisten dit getuigenis zeer onverstandig, als zij daaruit willen aantoonen, dat de zondige, ja leelijke, schandelijke en gansch ongeoorloofde begeerten geen zonden zijn, zoover men daarin niet bewilligt. Want ook Jakobus disputeert hier niet wanneer de zonde begint voort te spruiten, alzoo dat ze zonde is, en voor God gerekend wordt, maar wanneer ze uitbreekt. Want alzoo gaat hij voort van trap tot trap, dat de volbrenging der zonde de oorzaak is des eeuwigen doods, en dat de zonde spruit uit de ongeoorloofde begeerlijkheden, dat ook verder deze ongeoorloofde begeerlijkheden haren wortel hebben in dien eerst aankomenden lust. Waaruit volgt, dat de menschen, die in 't eeuwig verderf komen, de vrucht verzamelen, die ze voortgebracht hebben. Aldus versta ik geen volmaakte zonde te zijn een eenig begaan werk, maar een volvoerden loop van zondigen. Want hoewel elke zonde den dood verdient, zoo wordt de dood nochtans gezegd het loon te wezen eens godde-loozen en schandelijken levens. Waaruit wederlegd wordt de razernij dergenen, die uit deze woorden afleiden, dat het geen doodelijke zonde is, totdat ze in het uitwendig werk, gelijk men zegt, uitbreekt: want toch Jakobus behandelt dit hier niet, maar is alleen hiermede bezig, dat hij leere, dat de wortel onzes verderfs in ons is.
16 Mijn beminde broeders! dwaalt niet.
17 Alle goede gave en alle volmaakte gave is van boven, afkomende van den Vader der lichten, bij welken geen verandering, noch omschaduwing van omkeering is.
18 Want Hij heeft ons naar zijnen wil gebaard door het woord der waarheid, opdat wij eenige eerstelingen wezen zouden zijner schepselen.
Dit is een bewijsreden genomen van dingen, die tegen elkander strijden: want dewijl God een auteur is alles goeds, zoo is het ongerijmd, dat men Hem houdt voor auteur des kwaads. Het is Hem, zeg ik, eigen en natuurlijk goed te doen, van wien alle goederen voortkomen. Zoo duldt dan zijn natuur niet iets kwaads te doen. Maar aangezien het somtijds geschiedt, dat hij, die zich al zijn leven lang anderszins eerlijk gedragen heeft, toch in eenigen deele struikelt, zoo komt hij deze twijfeling tegen, als hij zegt, dat God niet veranderlijk is gelijk de menschen. Indien hij nu in alles en altijd Zichzelven gelijk is, zoo volgt uit deze gestadigheid, dat Hij behoudt een gedurige genegenheid om wel te doen. Dit is een heel ander besluit dan Plato maakt, die staande houdt, dat geen kwade plagen van God toegeschikt worden, omdat Hij goed is. Want aangezien het billijk is, dat de boosheden der menschen van God gestraft worden, zoo betaamt het niet, te dien aanzien, dat men de straffen, die Hij rechtvaardig aanlegt, onder 't kwaad rekene. Plato spreekt wel onverstandig; maar Jakobus, Gode latende het recht en ambt van straften, wendt alleen de schuld van Hem af. Deze plaats leert, hoe wij door de ontallijke weldaden Gods, die wij dagelijks van zijne hand ontvangen, alzoo moeten gezind zijn, dat wij niet denken dan wat Hem heerlijk is. En zoo wat ons in den zin komt, of van anderen ingegeven wordt, dat met zijne eere niet overeenkomt, dat wij daarvan een schrik van ganscher
231
f
i'.
li
JAKOBUS 1 : 17â19.
harte hebben. God wordt genoemd een Vader der lichten, als zijnde de oorsprong aller deugd en goede orde. En als hij aanstonds daarbij doet, dat in Hem geen schaduw van verandering is, zoo vervolgt hij zijn verbloemde wijze van spreken, opdat wij den heerlijken schijn Gods niet beoordeelen uit den glans der zon, die ons beschijnt.
18 Hjj heeft ons naar zyn wil. Hij brengt nu voor oogen het voornaamste bewijs van de Goddelijke goedheid, die hij geprezen heeft, te weten, dat Hij ons tot het eeuwige leven wederbaard heeft. Deze onbegrijpelijke weldaad gevoelt elk geloovige in zichzelven. Hierom moet de goedheid Gods bij allen ondervonden, het tegenovergesteld gevoelen wegnemen. Als hij zegt, dat God ons willens, of vrijwillig gebaard heeft, zoo verklaart hij, dat God door geen uitwendige oorzaak daartoe is gebracht geworden, gelijk dikwijls Gods wil en raad tegen de verdiensten der menschen plegen gesteld te zijn. Want wat zou het reeds veel zijn indien hij zeide, dat God daartoe niet is gedwongen geweest? Zoo drukt hij dan wat meer uit, namelijk dat God ons naar zijn welbehagen gebaard heeft, en alzoo Zichzelven de oorzaak geweest is. Waaruit volgt, dat het God natuurlijk is wel te doen. Dan, deze plaats leert, dat gelijk onze verkiezing uit genade is vóór 's wereld schepping, wij ook alzoo uit zijne loutere genade tot de kennis der waarheid verlicht worden, opdat de
Ef. i:4,6. roeping met de verkiezing overeenkome. De Schrift leert, hoe wij buiten onze verdienste van God tot kinderen aangenomen zijn, eer wij geboren waren. Maar Jakobus drukt hier nog wat meer uit, hoe wij het recht van het kindschap door 't geloof krijgen, omdat ons God ook uit genade roept. Bovendien leeren wij hieruit, dat het Gode eigenlijk toekomt ons geestelijk te baren. Want dat dit somtijds den dienaren des Evangelies toegeschreven wordt, heeft anders geen grond, dan omdat God door hen werkt, 'twelk toch alzoo geschiedt door hen, dat Hij desniettegenstaande alleen werkt. De naam baring, verklaart dat wij nieuwe menschen worden, dat wij de eerste natuur uittrekken, als wij krachtig van God geroepen worden. Hij doet erbij, hoe God ons wederbaart, namelijk door het woord der waarheid, opdat wij weten, hoe wij door geene andere deur in Gods rijk kunnen ingaan. Opdat wy eerstelingen zyn. Het woord sommige, is alsof hij gezegd had, dat wij eenigszins de eerstelingen zijn. Toch moet dit niet van weinige geloovigen alleen verstaan worden, maar komt allen toe in 't gemeen. Want gelijk de mensch onder alle creaturen uitblinkt, alzoo heeft de Heere zijn geloovigen uit den hoop der anderen verkoren, die Hij Zich afzondert tot een heilig offer. Dit is geen gewone adel, waartoe God zijne kinderen verheft. Hierom worden zij terecht gezegd als eerstelingen uitgezonderd te worden, als het beeld Gods in hen vernieuwd wordt.
19 Daarom, mijne beminde broeders! elk mensch zij snel om te hooren, maar traag om te spreken, en traag tot toorn.
20 Want des menschen toom werkt Gods gerechtigheid niet.
i) Of: Over- 21 Hierom alle onreinigheid, en overvloeiende boosheid ') afgelegd
boosheid.â¢1 hebbende, ontvangt met zachtmoedigheid het ingeplante woord,
hetwelk uwe zielen kan zalig maken.
19 Elk mensch zy. Zoo dit een algemeene spreuk is, zoo wordt
232
i
JAKOBUS 1 : 19â21. 233
het besluit verweg gehaald. Maar dewijl hij een zin overeenstemmende met den naastvoorgaanden betrekkelijk het woord der waarheid dadelijk daarbij voegt, zoo twijfel ik niet, of hij schikt deze vermaning bizonder tot zijn oogmerk. Nadat hij dan Gods goedheid voorgesteld heeft, zoo toont hij, hoe men zich moet aanstellen om de onbegrijpelijke weldaad, die ons God doet, aan te nemen, welke leer zeer nut is, want het werk der wedergeboorte geschiedt niet in e'én oogenblik. Dewijl sommige overblijfselen van den ouden mensch ons altijd aankleven, zoo moeten wij dagelijks hervormd worden, totdat het vleesch vernietigd wordt. Onze wildheid, vermetelheid, of onacht-zaamheid is Gode eene groote verhindering, dat Hij zijn werk in ons niet volbrenge. Hierom, als Jakobus wil, dat wij snel zijn om te hooren, zoo prijst hij ons aan de vlijtigheid, alsof hij zeide: dewijl Zich God te uwaart zoo mildelijk aanbiedt, stelt u ook jegens Hem leerzaam aan, dat uwe traagheid Hem niet vertrage. Doch omdat, wanneer wij ons te wijs laten dunken, wij niet stil Godkunnen hooren spreken, maar door onze haastigheid zijn rede eenigszins afbreken, zoo beveelt ons de apostel stilzwijging. En waarlijk niemand zal een goed leerjonger Gods zijn, dan die Hem met stilzwijgen hooren zal. Dan, hij gebiedt geen stilzwijgen gelijk Pytha-goras in zijne school deed, dat het ongeoorloofd zou zijn iets te onderzoeken, als wij wat begeeren te leeren, dat ons nut is te weten:
maar alleen wil hij onze dartelheid bedwingen, dat wij, gelijk het pleegt te geschieden, Gode niet ontijdig in de rede vallen, en dat wij, zoolang Hij zijnen heiligen mond open heeft. Hem ons gemoed en ooren openen, en dat wij zelf met spreken niet vooruitloopen.
Traag tot toorn. Ik acht, dat ook de toorn veroordeeld wordt,
doordien deze met zijn beroerlijkheid verstoort en verhindert het gehoor, dat God vereischt, wijl God niet anders dan met een gestild gemoed kan gehoord worden. Daarom doet hij er bij, dat Gods gerechtigheid geen plaats heeft, zoo lang de toorn regeert. Kortom,
tenzij de hittigheid der twisting henenga, zoo zullen wij Gode nimmer bewijzen de behoorlijke stilzwijging, waarvan hij zooeven gesproken heeft.
2i Hierom afgelegd hebbende. Nu besluit hij, hoe het woord des levens moet ontvangen worden. En eerstelijk zegt hij, dat het niet
behoorlijk ontvangen wordt, tenzij het ingeplant worde, zoodat het :'r
in ons wortelt. Want deze spreuk ontvangt het ingeplante woord,
moet op deze of gelijke wijze genomen en verklaard worden. Neemt
het zoo, dat het ingeplant worde. Want hij heeft zijn oogmerk op , .1
het zaad, hetwelk dikwijls valt op dorre plaatsen, en niet wordt ontvangen in den vochtigen schoot der aarde, of op die spruitkens,
die in de aarde geworpen, of op een verstorven stam geënt zijnde,
verwelken. Zoo beveelt hij dan, dat het een levende inplanting zij, %
die als met ons hart ée'n worde. Daarbenevens toont hij de wijze te dezer inplanting, namelijk met zachtmoedigheid. Met welk woord hij te kennen geeft die zedigheid en gedweeheid des harten, dat zich aanstelt om te leeren. Gelijk Jesaja schrijft, hfdst. 66; 2, als hij zegt: Bij wien zal mijn Geest rusten, dan op den ootmoedige en stille? Hieruit komt het, dat zoo weinigen in de school Gods toenemen. Want nauwelijks legt ée'n van de honderd de grootschheid
zijns gemoeds af, om zich Gode zachtelijk te onderwerpen, maar â¢-
meest allen komen daarheen opgeblazen en wederspannig. Maar wij,
â â¢v.
JAKOBUS 1:21.
zoo wij een levende enting Gods willen zijn, laat ons benaarstigen dat wij ons verstand tot nederigheid brengen, dat wij ons als lammeren van onzen herder laten regeeren. Maar aangezien de men-schen nimmer zoo getemd worden, dat ze van een stillen en zach-ten zin zijn, tenzij ze eerst van hun kwade genegenheden gezuiverd worden, daarom beveelt hij de onreinigheid en overvloeiende boosheid af te leggen. En dewijl Jakobus een gelijkenis ontleent van het akkerwerk, zoo heeft hij deze orde moeten houden, dat hij beginne van de kwade kruiden uit te roeien. Maar aangezien hij ze allen aanspreekt, is hieruit te besluiten, dat dit kwaad onzer natuur aangeboren is, en ons allen aankleeft, ja gemerkt hij de geloovigen aanspreekt, zoo toont hij, dat wij van dezelve in dit leven nimmer ganschelijk gezuiverd worden, maar dat ze herhaaldelijk weder uitspruiten, en hierom vereischt hij een gedurige zorg om uit te roeien. Maar aangezien Gods Woord een heilige zaak is, zoo behooren wij de vuiligheden, waar wij mede besmet zijn, af te leggen, opdat wij bekwaam worden datzelve te ontvangen. Onder het woord boosheid, begrijpt hij zoowel de geveinsdheid en hardnekkigheid, als alle kwade begeerten. En niet tevreden zijnde met te bewijzen, dat in des menschen ziel de stoel der boosheid is, leert hij zelfs ook dat daar zulk een overvloedige stof woont, dat ze overloopt, of als een hooge hoop wordt. En voorwaar, zoo zich iemand wel wil onderzoeken, hij zal in zich een afgrond van kwaad vinden. Hetwelk kan zalig maken. Dit is een heerlijke lof der hemelsche leer, dat wij daaruit een zekere zaligheid verkrijgen. Dit is erbij gedaan, opdat wij het woord als een uitnemenden schat zouden leeren be-geeren, liefhebben, en hoogachten. Zoo is dit dan een scherpe prikkel om onze slappigheid te berispen, dat het woord, naar hetwelk wij zoo onachtzaam de ooren plegen te leenen, de oorzaak is onzer zaligheid. Evenwel wordt aan het woord niet tot dit einde de kracht van zalig te maken toegeschreven, alsof de zaligheid in het uiterlijk geklank der stem ingesloten ware, of dat het ambt van zalig te maken, van God geweerd, en op iets anders overgedragen wordt. Want Jakobus spreekt van dat woord, hetwelk door het geloof doordringt in de harten der menschen, en verklaart alleen, dat God, die de auteur der zaligheid is, dezelve door zijn Evangelie teweegbrengt.
22 Maar zijfc daders des woords, en geen hoorders alleen, uzelven bedriegende.
23 Want zoo iemand een hoorder des woords is, en geen dader, die is gelijk een man, die zijn natuurlijk aangezicht ziet in een spiegel;
24 Want hij heeft zichzelven bezien, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten hoedanig hij was.
25 Maar die daar ziet in de volmaakte wet der vrijheid, en daarin blijft, deze geen vergetelijk hoorder, maar een dader des werks, die zal zalig zijn in zijn doen.
l) Of: De- 26 Zoo zich iemand onder u godsdienstig 'j acht te zijn, en bedwingt
alsof zfln le- zijn tong niet, maar bedriegt zijn hart, diens godsdienst is ijdel.
ven God be- 27 De reine en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader
haagt' is deze: de weezen en weduwen in hunne verdrukking te be
zoeken, en zichzelven van de wereld onbevlekt te bewaren.
234
JAKOBUS 1 :22â25.
22 Zyt daders. Een dader beteekent hier niet gelijk Rom. 2 : 13, degenen, die der wet Gods genoeg doen, en deze in allen deele vervullen, maar die het woord Gods van harte omhelst, en met het leven betuigt, dat hij ernstig geloofd heeft, volgens deze sententie van Christus: Zalig zijn ze, die Gods woord hooren, en dat bewaren. Want hij verklaart hier uit de vruchten, welke de inplanting is, waarvan hij gemeld heeft. Hierenboven is op te merken, dat het geloof met andere werken hier te zamen van Jakobus begrepen wordt, ja het geloof inzonderheid, gelijk dat het voornaamste werk is, hetwelk God van ons eischt. De inhoud is, dat wij naarstigheid moeten doen, dat des Heeren woord in ons wortele, opdat het daarna vruchtbaar zij.
23 Hü is gelyk een mensch. De hemelsche leer is wel een spiegel, in welken God zich voorstelt om van ons aanschouwd te zijn, maar alzoo, opdat wij naar zijn beeld veranderd worden, gelijk Paulus zegt 2 Cor. 3 ; 18. Maar hier wordt gehandeld van het uitwendig aanschouwen der oogen, en niet van de levende en krachtige aanschouwing, die in 't hart zelf doordringt. Dit is een fijne gelijkenis, waarmede hij kortelijk verklaart, dat de leering, welke met het gehoor alleen, en niet met de inwendige beweging des harten ontvangen wordt, niet nut is, omdat ze terstond verdwijnt.
25 In de volmaakte wet. Nadat hij van de ijdele aanschouwing gesproken heeft, komt hij tot dat doordringende aanschouwen, 'twelk ons naar Gods gelijkenis vernieuwt. Doch dewijl hij met de Joden te doen heeft, zoo gebruikt hij het woord wet, 'twelk hun zeer gemeenzaam was, voor de gansche leering Gods. Maar waarom hij ze noemt een volmaakte en een wet der vrijheid, hebben de uitleggers niet gevat, omdat ze niet gemerkt hebben, hoe hier een tegenstelling aangewezen wordt, die men uit andere plaatsen der Schrift kan afleiden. Zoolang de wet door de uiterlijke stem des menschen gepredikt wordt, en door den vinger of Geest Gods in de harten niet wordt geschreven, zoo is zij eene doode letter, en als een lichaam zonder ziel. Zoo is het dan geen wonder, dat de wet verminkt wordt geacht, totdat ze met de harten ontvangen wordt. Het is een gelijke zaak met de dienstbaarheid, want gelijk Paulus leert Gal. 4; 24, de wet van Christus afgescheiden zijnde, brengt kinderen voort tot slaven, en gelijk dezelfde apostel leert Rom. 8, zij kan niet anders dan door wantrouwen en vreeze ons ternederwerpen. Maar de Geest der wedergeboorte, die haar in onze harten graveert, brengt ook tegelijk mede onze genadige aanneming tot kinderen Gods. Zoo is dan dit zooveel, alsof Jakobus gezegd had: Opdat de onderwijzing der wet niet meer slaafsch zij, maar u veelmeer vrijmake, opdat ze niet meer uw tuchtmeester alleen zij, maar tot de volkomenheid leide, zoo moet ze van u met een oprechte genegenheid des harten ontvangen worden, dat gij godzalig en heilig leeft. Maar aangezien uit het getuigenis van Je-remia, en vele andere plaatsen blijkt, dat dit een weldaad des Nieuwen Testaments is, dat de wet Gods ons vernieuwe, zoo volgt dat dit niet kan verkregen worden, totdat men tot Christus gekomen zij, en voorwaar hij alleen is het einde en de volbrenging der wet. Hierom stelt Jakobus daarbij de vrjjheid, als een onafscheidelijk metgezel, want de Geest van Christus wederbaart ons nimmer, of Hij is ook tegelijk een getuige en onderpand, dat wij tot
235
JAKOBUS 1:25â27.
Gods kinderen aangenomen zijn, opdat Hij onze harten van vreeze en beven verlosse. Die Dat is, vast volhardt in de kennis
Gods. En als hij daarbij doet, hjj zal zalig zyn in zyn werk, zoo geeft hij te kennen, hoe de zaligheid gelegen is in de daad zelve, en niet in het koude gehoor.
26 Schijnt godsdienstig. Nu berispt hij ook in degenen, die zich voor daders der wet uitgeven, het gebrek, waarmede de geveinsden gemeenlijk behangen zijn, namelijk die ongebondenheid der tong om te lasteren. Hij heeft voorhenen van het bedwingen der tong wat aangeroerd, maar tot een ander einde: want toen beval hij ons Gode stil te zwijgen, opdat wij te beter geschikt waren om te lee-ren. Nu behandelt hij wat anders, te weten, dat de geloovigen hun tong niet oefenen tot kwaadspreken. Dit gebrek moest in het bizonder gestraft worden, dewijl er van de onderhouding der wet gesproken wordt. Want ook die, welke grover gebreken afgelegd hebben, zijn met deze ziekte meestendeels besmet. Die noch echtbreker, noch dief, noch dronkaard wordt, maar veelmeer door een uiterlijke gedaante der heiligheid een schijn hebben zal, zoo wanneer hij den goeden naam van anderen lastert, zal hij roemen niet van een lust tot naamrooven, maar van een ijver, dien hij voorwendt. Hierom heeft hij hier de rechte dienaars Gods van de geveinsden willen onderscheiden, die met een farizeeschen hoogmoed zoo opgeblazen zijn, dat ze een lof zoeken in anderen leelijk te maken. Zoo iemand schjjnt, zegt hij, dat is, zoo hij anders een schijn der heiligheid heeft: maar intusschen in lasteren vreugd schept, hieruit wordt hij overtuigd God niet recht te dienen. Want als hij zegt, dat zijn godsdienst ijdel is, zoo verklaart hij, dat niet alleen zijne andere deugden door die smet van kwaadspreken verdorven worden, maar hij besluit, dat die naarstigheid der godsdienstigheid, die daar uiterlijk schijnt, niet oprecht is. En hü bedriegt zyn hart. Hij wijst aan den oorsprong der dartelheid, waartoe de geveinsden genegen zijn, dat ze zich door eene onmatige eigenliefde verblind zijnde, wijs maken, dat ze veel beter zijn, dan ze zijn. En waarlijk hieruit komt die ziekte van achterklappen, wijl men niet ziet de reiszak, die op eigen rug hangt, gelijk men leest in een fabel van Esopus. Zoo doet dan Jakobus wel, welke de vrucht willende verbeteren, namelijk dien lust van kwaadspreken, de oorzaak daarbij gevoegd heeft, te weten, dat de geveinsden zichzelven meer dan recht is, toegeven. Want zij zouden genegen zijn om te vergeven, indien zij bekenden, hoe zij desgelijks de vergeving van anderen van noode hebben. Doordien dan zij zichzelven pluimstrijken, en hun eigen gebreken verschoonen, zoo bedriegen zij zichzelven, en dit maakt ze tot zulke hoogmoedige berispers van anderen.
27 De zuivere godsdienst. Dewijl hij voorbijgaat wat in den godsdienst het voornaamste is, zoo beschrijft hij den godsdienst niet in zijn geheel, maar vermaant, dat deze zonder deze dingen geenszins bestaan kan; gelijk iemand tot wijn en brasserij genegen, roemde van zijne matigheid, en dat een ander daartegen opwierp, dat hij matig is, die zich met wijn en lekkernijen niet overlaadt. De meening van den laatste was niet de gansche eigenschap der matigheid uit te drukken, maar alleen een deel op te nemen, dat tot de tegenwoordige zaak diende. Want deze ijdele godsdienstigen, waarvan hij spreekt, zijn voor het meerendeel on.
236
JAKOBUS 1:27â2:1.
237
â â¢y
nutte pochers. Hierom leert Jakobus, hoe men betrekkelijk de religie uit wat anders oordeelen zal, dan uit de pracht der ceremoniën, omdat er ernstige oefeningen zijn, waarmede zich de dienaars Gods moeten bezig houden. Te bezoeken in den nood, is de hand toesteken om die op te helpen, die verdrukt worden. Maar aangezien er nog vele anderen zijn, die de Heere beveelt te helpen, zoo is het, dat hij alleen meldende weduwen en weezen, een zekere wijze van spreken gebruikt, als men een deel neemt voor het geheel. Daarom lijdt het geen twijfel, of onder deze eene soort, beveelt hij ons de gansche liefde te oefenen. Alsof hij zeide: Zoo wie godsdienstig wil gehouden zijn, die bewijze zich zoodanig met verloochening van zichzelven, en met barmhartigheid en weldadigheid jegens zijne naasten. Doch zegt hij bij God, om te verklaren, dat het wel den menschen anders dunkt, die door den uiterlijken schijn gedreven worden, maar dat men moet zoeken wat Gode behaagt. Als hij zegt: God en den Vader, neem het dan alsof daar stond: God, die de Vader is.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 Mijne broeders! hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, in het aanzien der personen naar het dunken. ')
2 Want zoo in uwe vergadering komt een man met een gouden ring, heerlijk gekleed, en er komt ook in een arme met een slecht kleed.
3 En gij ziet op hem, die het kostelijk kleed draagt, en zegt hem: zit gij hier eerlijk, en zegt tot den arme: sta gij daar, of zit hier onder mijn voetbank.
4 Is daar niet bij u onderscheidenlijk geoordeeld, en zijt rechters geworden der kwade gedachten? 2)
Deze berisping schijnt op het eerste gezicht hard en ongeschikt te zijn. Want onder andere behoorlijke beleefdheden, is dit niet te verachten, dat men degenen eert, welke voortreffelijk zijn in de wereld. Ten andere, zoo de aanneming der personen strafwaardig is, zoo zullen de knechten van alle onderdanigheid moeten ontslagen worden, want vrijheid en dienstbaarheid worden van Paulus betrekkelijk de personen gerekend. Hetzelfde zal men ook van de overheden moeten gevoelen. Maar deze vragen worden lichtelijk beantwoord, zoo men niet scheidt, wat Jakobus te zamen voegt. Want hij verwerpt niet zonder meer, dat zij de rijken eeren, maar dat zij het doen met smaad der armen: hetwelk beter zal blijken uit het navolgende, waar hij alles zal brengen op den regel der liefde. Hierom laat ons behouden, dat hier die aanneming der personen gestraft wordt, waardoor de rijke alzoo verheven wordt, dat den armen ongelijk geschiedt: 'twelk ook het verband der woorden klaarlijk bewijst. Het is ook waarlijk een grootsche eer en vol ijdelheid, die men den rijken doet met verachting des armen. En het is geen twijfel, of daar gaat eergierigheid en ijdelheid om, waar alleen zulke momaangezichten in waarde zijn. Wij moeten dit richtsnoer houden, dat die onder de erfgenamen des rijks Gods gere-eze berisping schijnt op het eerste gezicht hard en ongeschikt te zijn. Want onder andere behoorlijke beleefdheden, is dit niet te verachten, dat men degenen eert, welke voortreffelijk zijn in de wereld. Ten andere, zoo de aanneming der personen strafwaardig is, zoo zullen de knechten van alle onderdanigheid moeten ontslagen worden, want vrijheid en dienstbaarheid worden van Paulus betrekkelijk de personen gerekend. Hetzelfde zal men ook van de overheden moeten gevoelen. Maar deze vragen worden lichtelijk beantwoord, zoo men niet scheidt, wat Jakobus te zamen voegt. Want hij verwerpt niet zonder meer, dat zij de rijken eeren, maar dat zij het doen met smaad der armen: hetwelk beter zal blijken uit het navolgende, waar hij alles zal brengen op den regel der liefde. Hierom laat ons behouden, dat hier die aanneming der personen gestraft wordt, waardoor de rijke alzoo verheven wordt, dat den armen ongelijk geschiedt: 'twelk ook het verband der woorden klaarlijk bewijst. Het is ook waarlijk een grootsche eer en vol ijdelheid, die men den rijken doet met verachting des armen. En het is geen twijfel, of daar gaat eergierigheid en ijdelheid om, waar alleen zulke momaangezichten in waarde zijn. Wij moeten dit richtsnoer houden, dat die onder de erfgenamen des rijks Gods gere-
1) Anders: Hebt het geloof onzes Heeren Jezus Christus niet, ziende op het aanzien der personen.
2) Anders: Hebt gij niet onderscheid gemaakt by uzelven, en zyt oordee-lers geworden der verkeerde gedachten, dat is, der booze bewegingen.
238 JAKOBUS 2 : 1â5.
kend worden, welke de verworpenen veracht, maar de godvreezen-den vereert, Ps. 15:4. Hier dan wordt het tegenovergesteld gebrek gestraft, te weten, als men alleen ten aanzien der rijkdommen ook den kwaden eer aandoet met smaad der goeden, gelijk gezegd is. Hierom, zoo gij dit op zichzelve leest: Hij zondigt die opstaande den rijken eer doet, het zal een ongeschikte rede zijn. Maar zoo gij het gezamenlijk aldus leest: Hij zondigt, die alleen de rijken eert, verachtende de armen, ja dezelven schandelijk behandelende, zoo zal dit een godvruchtige en ware leer wezen. Hebt het geloof niet in aanneming. Hij verklaart dat de aanneming der personen zoo verschilt van het geloof van Christus, dat ze niet te zamen kunnen gevoegd worden, want door het geloof worden wij gemaakt één lichaam, waarvan Christus het hoofd is. Wanneer nu dan 's werelds pracht uitsteekt, alzoo dat ze verduistert wat van Christus is, zoo is het openbaar, dat het geloof weinig kracht heeft. Dat ik gesteld heb naar het dunken, daarin heb ik Erasmus gevolgd, die het aldus neemt: Wij hebben niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus in de onderscheiding der personen, wanneer de een den ander oordeelt naar zjjn waan, naar zijn meening. Hoewel de oude overzetter niet te berispen is, die het overgezet heeft heerlijkheid. Want bij de Grieken heeft dit woord deze twee betee-kenissen, en dit kan ook naar de omstandigheid of eisch der plaats, bekwamelijk op Christus geduid worden. Want de heerlijkheid van Christus is zoo groot, dat ze alle heerlijkheid der wereld lichtelijk doet verdwijnen, zoo verre zij onze oogen doorstraalt. Waaruit volgt, dat wij Christus klein achten, als wij 's werelds pracht in verwondering hebben. Doch de andere uitlegging rijmt ook zeer wel, want als de waan der rijkdommen en eer onze oogen verblindt, zoo wordt de waarheid, die alleen behoort te gelden, ten onder gedrukt. Eerlyk zitten heeft hij gezegd voor een voorname zitplaats.
4 Hebt gü niet onderscheid. Men kan dit vraagsgewijs, of als een bevestiging lezen, doch het komt bijna op één zin uit. Want hij maakt de schuld te grooter, daarom dat ze zich behagen of toegeven in zulke boosheid. Zoo gij het leest vraagsgewijs, zal de zin zijn: houdt uw eigen conscientie u niet overtuigd, zoodat er geen ander richter van noode is ? Zoo gij het liever hebt bevestigender wijze, zoo zal het zijn zooveel alsof hij gezegd had: dit kwaad komt daar ook bij, dat gij niet gevoelt, dat gij zondigt, noch bekent uwe gedachten kwaad te wezen, gelijk ze zijn.
5 Hoort, mijne geliefde broeders! heeft God niet verkoren de armen dezer wereld, die rijken zijn in het geloof, en erfgenamen des rijks, dat God beloofd heeft dien, die Hem liefhebben?
6 Maar gij hebt de armen onteert. En overweldigen de rijken u ^i) Of: Mis- niet, '} en trekken zij u niet voor het recht?
rtjken niet 7 Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is?
tegen u? Nu bewijst hij met eene tweevoudige reden, hoe zij verkeerdelijk doen, als zij om de rijken te behagen, de armen versmaden. De eerste is, het is onbetamelijk te vernederen, die God verhoogt, en smadelijk te handelen, die Hij verwaardigt te eeren. Nu eert God de armen, zoo wie ze dan verwerpt, die verkeert Gods ordening. De andere reden is genomen van de gemeene ondervinding. Want aangezien de rijken meest den goeden en onschuldigen lastig vallen.
JAKOBUS 2:5â7. 239
zoo is het zeer ongeschikt, dat ze voor hun onrecht zulk een prijs
krijgen, dat zij ons hooger bevolen zouden zijn dan de armen, die gt;
ons meer helpen dan beschadigen. Maar hoe verre dit beide strekt,
zullen wij onderscheidenlijk zien. Hy heeft de armen verkoren.
Dit is waar, doch niet van hen alleen, maar heeft van die willen
beginnen, om de hoovaardigheid der rijken neder te slaan. Dit is het
wat Paulus zegt, 1 Cor. 1 : 26, Niet vele edelen, niet vele machtigen
van de wereld, maar wat zwak was, heeft God verkoren, opdat Hij
het sterke beschaamde. In één woord, aangezien God zijne genade 'â
over rijken en armen in het gemeen uitgestort heeft, zoo heeft Hij
nochtans de armen vooraan willen stellen, opdat de grooten leerden A
zichzelven niet te behagen, en opdat de onedelen en verachten alles wat ze zijn, der barmhartigheid Gods zouden toeschrijven, en dat ze beiden tot een klein gevoelen van zichzelf, en tot ootmoedigheid zouden onderwezen worden. Hij noemt rjjken in het geloof, gt;â niet die overvloedig groot geloof hebben, maar die God met verscheiden gaven zijns Geestes (die wij door het geloof aannemen)
verrijkt heeft. Want voorwaar, dewijl Zich God mildelijk aan allen aanbiedt, zoo wordt een ieder naar de mate zijns geloofs Deszelven gaven deelachtig. Hierom zoo wij ledig en arm zijn, dat is een teeken, dat ons geloof ontbreekt. Want zoo wij slechts den schoot des geloofs uitstrekken. God is altijd gereed dien te vullen. Hij zegt, dat het rijk beloofd is dien, die God liefhebben. Niet dat de belofte hangt aan de liefhebbing, maar opdat hij ons vermane, dat wij van God tot een hope des eeuwigen levens geroepen worden met deze conditie en tot dat einde, dat wij geroepenen Hem zouden liefhebben. Zoo wordt hier dan het einde, en niet het begin aangewezen.
6 Overweldigen de r|)ken niet. Hij schijnt aan te zetten tot wraak,
als hij voortbrengt de ongerechtige heerschappij der rijken, dat degenen, die van dezen onrechtvaardig gehandeld worden, het gelijke zouden vergelden, daar ons toch alom geboden wordt den vijanden,
die ons tegen zijn, wel te doen. Maar het oogmerk van Jakobus is anders. Want hij wil alleen aanwijzen, dat ze geen rede, noch oordeel hébben, die hun pijnigers al te groote eere aandoen, en in-tusschen onrecht doen dengenen, die hun vrienden zijn, of van dewelke zij ten minste nooit schade geleden hebben. Want hieruit ziet lt; men te beter de ijdelheid, dat ze door geene weldaden verwekt
zijnde, de rijken alleen daarom voortrekken, omdat ze rijk zijn. Ja dat
ze degenen, die zij door hun schade als ongerechtigen en wreeden '
oordeelen, snoodelijk pluimstrijken. Onder de rijken zijn wel sommige
redelijken en bescheidenen, die van alle ongerechtigheid een gruwel ('â
hebben, maar zulken worden er weinigen gevonden. Zoo verhaalt dan ;
Jakobus, wat meest pleegt te geschieden, en bijna dagelijks gebruikt %
en bevonden wordt. Want omdat de menschen gemeenlijk hun krachten aanleggen om te schaden, daaruit komt het, dat hoe meer iemand | vermag, hoe erger hij is, en ongerechtiger tegen zijn naaste. Des te naar- ' stiger moeten zich de rijken wachten, dat ze niet wat krijgen van deze be- r smetting, die overal onder degenen, die van hun soort zijn, doordringt. '
7 Den goeden naam. Ik twijfel niet, of hij verstaat den naam van God en Christus. Nu hij zegt, dat die over de geloovigen aangeroepen wordt, niet in de gebeden, gelijk de Schrift somtijds pleegt â¢; te spreken, maar ten aanzien der belijdenis, gelijk gezegd wordt,
JAKOBUS 2 ; 7â9.
dat de naam eens vaders over zijn kinderen aangeroepen wordt, Gen. 48: 16 en de naam des mans over de huisvrouw, Jes. 4:1. Zoo is het dan hetzelfde alsof hij gezegd had: Den goeden naam, waarop gij u roemt, of naar welken gij eershalve wilt geacht wezen. Indien zij nu Gods eer hoovaardig smaden, hoe onwaardig zijn ze, dat de Christenen hun eer bewijzen zouden?
Lev. 19:18. 8 Indien gij volbrengt de koninklijke wet naar de Schrift: Hebt
lief awen naaste als uzelven, zoo doet gij wel;
9 Maar indien gij aanziet den persoon, zoo doet gij zonde, en wordt overtuigd van de wet als overtreders.
10 Want wie de gansche wet onderhouden zal, en falen zal in een, die is schuldig geworden aan allen.
11 Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doodslaan. Indien gij nu geen overspel doet, maar doodslaat, gij zijt een overtreder der wet.
Nu volgt daar een breeder verklaring, want hij wijst openlijk aan de oorzaak der voorgaande berisping, hoe ze jegens de rijken beleefd waren, niet uit liefde, maar veelmeer daardoor zoekende wat ijdele gunst te behalen. En aldus voorkomt hij wat de tegenpartij tot hare verontschuldiging kon voorwerpen. Want zij konden daartegen zeggen, dat hij niet berispelijk is, die zich ook den onwaardigen ootmoedig onderwerpt. Jakobus staat wel toe, dat dit waar is, maar hij leert hoe zulks valschelijk van hen voorgewend wordt, omdat ze zulke gedienstigheid niet den naasten, maar den personen bewijzen. In het eerste deel, zeg ik, bekent hij, dat alle beleefdheden, die wij den naasten doen, recht zijn en lofwaardig. In het tweede zegt hij, dat de eergierige aanneming der personen hieronder niet te rekenen is, omdat zij zeer ver is van den regel der wet. De knoop van dit antwoord is gelegen in de woorden naaste en persoon, alsof hij zeide: Zoo gij uw doen bekleedt met den schijn der liefde, dat wordt lichtelijk ontdaan: want God beveelt de naasten lief te hebben, en niet de personen uit te kiezen. Nu begrijpt dit woord naasten, het gansche menschelijke geslacht. Die zich dan weinigen voorstelt te eeren naar zijn goeddunken, de anderen voorbijgaande, die onderhoudt Gods wet niet, maar volgt de kwade genegenheid zijns harten. God beveelt ons uitdrukkelijk de vreemden, de vijanden, en die anderszins verachtelijk zijn, tegen welke leer de aanneming der personen ganschelijk strijdt. Daarom stelt Jakobus terecht vast, dat de aanneming der personen tegen de liefde strijdt.
8 De koninklijke wet volbrengt. Ik neem in 't begin der rede de wet eenvoudig voor een regel, en volbrengen versta ik met een oprecht onvervalscht hart en rondelijk, gelijk men zegt, die houden; en dit stelt hij tegen het gedeeltelijk onderhouden van sommigen. Zij wordt geheeten een koninklijke wet, gelijk men zegt een koninklijke weg, dat is, een rechte en gebaande, welke bedektelijk gesteld wordt tegen de bochtige zijwegen. Toch is naar mijn gevoelen op te merken, dat hij het oog heeft op dien slaaf-schen dienst, dien zij den rijken deden; zoo zij toch met den naaste waardiglijk te dienen, niet alleen als vrijen, maar als koningen konden zijn. Ten andere, als hij zegt, dat ze van de wet overtuigd worden, die de personen aannemen, zoo wordt de wet hier in haar
240
JAKOBUS 2:9â11.
eigen beteekenis genomen: want dewijl ons door Gods bevel geboden wordt alle menschen lief te hebben, zoo wie weinigen uitgenomen, alle anderen verwerpt, en dan nog de onwaardigsten boven die beter zijn, verheft, aangezien hij den band Gods afbreekt, gelijk hij ook Gods orde omkeert, die is terecht een overtreder der wet te noemen.
10 Want wie ook de gansche wet. Dit wil hij alleen, dat God niet begeert met een voorwaarde gediend te zijn, noch alzoo met ons te deelen, dat ons zou geoorloofd zijn iets, dat ons niet wel smaakt, van zijne wet af te snijden. Deze spreuk dunkt sommigen
Ihard te wezen op het eerste aanzien, alsof hij toestond de wondere leer der Stoïcijnen, die alle zonden gelijk maakten., en alsof hij stelde, dat die, welke zich maar in één zaak misgrepen heeft, zoozeer zou te straffen zijn, alsof hij zijn gansche leven een schalk en boosdoener geweest ware. Maar uit den tekst blijkt, dat zulks niet den apostel in den zin is gekomen. Want men moet altijd opmerken waarom elk ding gezegd wordt. Hij zegt, dat de naasten niet bemind worden, als alleen een deel eergierig uitgelezen, en de anderen veracht worden. Dit bewijst hij, omdat het geen gehoorzaamheid tot God is, als er geen gelijkmatige naarstigheid is Hem te dienen, volgens zijn gebod. Gelijk dan de regel Gods eenvoudig en volkomen is, alzoo behooren wij een volkomenheid te brengen, dat niemand van ons verkeerdelijk scheide, wat Hij samengevoegd heeft. Laat daar dan een gelijkmatigheid zijn, willen wij Gode behoorlijk gehoorzaam wezen. Gelijk bijvoorbeeld; Indien eenig rechter tien diefstallen straft, maar één ongestraft laat: hieruit toont hij de slimme verkeerdheid zijns harten, dat hij meer den menschen, dan den boozen stukken vijand is geweest. Want wat hij in den een veroordeelt, dat spreekt hij vrij in den ander. Nu verstaan wij de meening van Jakobus, namelijk, zoo wij uit de wet Gods afsnoeien wat ons niet wel handt, ofschoon wij ons wel in andere deelen gehoorzaam aanstellen, dat wij nochtans in alles te beschuldigen zijn, omdat wij in één hoofdstuk de gansche wet geschonden hebben. Maar hoewel hij deze spreuk, naar de gelegenheid der zaak waarvan hij handelt, aanwendt, zoo is zij nochtans genomen uit dit al-gemeene hoofdstuk, dat ons God den regel des levens voorgeschreven heeft, die van ons niet kan gescheurd worden. Want dit wordt niet gezegd van een deel der wet, als daar staat: Dit is de weg, wandelt daarin, Jes. 31 : 21. Ook belooft de wet geen loon, tenzij men haar gehoorzaam zij. Hierom doen de Scholastieken dwaas, die aan de gedeeltelijke gerechtigheid (gelijk zij die noemen) toeschrijven dat ze verdienen kan. Maar zoowel deze plaats, als vele andere, toonen klaar, dat er geene gerechtigheid is, dan in de volmaakte onderhouding der wet.hard te wezen op het eerste aanzien, alsof hij toestond de wondere leer der Stoïcijnen, die alle zonden gelijk maakten., en alsof hij stelde, dat die, welke zich maar in één zaak misgrepen heeft, zoozeer zou te straffen zijn, alsof hij zijn gansche leven een schalk en boosdoener geweest ware. Maar uit den tekst blijkt, dat zulks niet den apostel in den zin is gekomen. Want men moet altijd opmerken waarom elk ding gezegd wordt. Hij zegt, dat de naasten niet bemind worden, als alleen een deel eergierig uitgelezen, en de anderen veracht worden. Dit bewijst hij, omdat het geen gehoorzaamheid tot God is, als er geen gelijkmatige naarstigheid is Hem te dienen, volgens zijn gebod. Gelijk dan de regel Gods eenvoudig en volkomen is, alzoo behooren wij een volkomenheid te brengen, dat niemand van ons verkeerdelijk scheide, wat Hij samengevoegd heeft. Laat daar dan een gelijkmatigheid zijn, willen wij Gode behoorlijk gehoorzaam wezen. Gelijk bijvoorbeeld; Indien eenig rechter tien diefstallen straft, maar één ongestraft laat: hieruit toont hij de slimme verkeerdheid zijns harten, dat hij meer den menschen, dan den boozen stukken vijand is geweest. Want wat hij in den een veroordeelt, dat spreekt hij vrij in den ander. Nu verstaan wij de meening van Jakobus, namelijk, zoo wij uit de wet Gods afsnoeien wat ons niet wel handt, ofschoon wij ons wel in andere deelen gehoorzaam aanstellen, dat wij nochtans in alles te beschuldigen zijn, omdat wij in één hoofdstuk de gansche wet geschonden hebben. Maar hoewel hij deze spreuk, naar de gelegenheid der zaak waarvan hij handelt, aanwendt, zoo is zij nochtans genomen uit dit al-gemeene hoofdstuk, dat ons God den regel des levens voorgeschreven heeft, die van ons niet kan gescheurd worden. Want dit wordt niet gezegd van een deel der wet, als daar staat: Dit is de weg, wandelt daarin, Jes. 31 : 21. Ook belooft de wet geen loon, tenzij men haar gehoorzaam zij. Hierom doen de Scholastieken dwaas, die aan de gedeeltelijke gerechtigheid (gelijk zij die noemen) toeschrijven dat ze verdienen kan. Maar zoowel deze plaats, als vele andere, toonen klaar, dat er geene gerechtigheid is, dan in de volmaakte onderhouding der wet.
241
11 Want die gezegd heeft. Dit is het bewijs der voorgaande rede, doordien men veelmeer moet aanzien den wetgever, dan elk gebod bijzonder. De gerechtigheid Gods, als zijnde een ondeelbaar lichaam, is in de wet vervat. Zoo wie dan een stuk der wet overtreedt, die schendt, zooveel in hem is, Gods gerechtigheid. Ten andere, gelijk God onze gehoorzaamheid beproeven wil in een deel, alzoo wil Hij ook in elk bijzonder. Hierom is hij een overtreder der wet, zoo wie in eenig gebod struikelt, volgens dit: Vervloekt is hij, die niet alles vervult, Deut. 27 : 26. Verder zien wij, dat een
ic
Dl. VIII.
242 JAKOBUSquot;^ : 12, 13.
overtreder der wet, en een die in alles te beschuldigen is, bij den apostel Jakobus hetzelfde beteekent.
12 Spreekt alzoo, en doet alzoo, als die door de wet der vrijheid geoordeeld zult worden.
13 Want een oordeel zonder barmhartigheid zal over hem gaan, die geen barmhartigheid gedaan heeft. En de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
12 Spreekt alzoo. Sommigen verklaren dit aldus: Dewijl zij zich te zeer pluimstrijkten, dat ze worden geroepen tot Gods wettigen rechterstoel. Want daarom spreken zich de menschen vrij in hun gedachte, omdat ze zich aan het oordeel der Goddelijke wet onttrekken. Derhalve zal hij vermanen, dat al onze werken en woorden daartoe tot beproeving mogen gebracht worden, omdat God de wereld naar zijn wet oordeelen zal. Maar omdat zulke aankondiging een onmatig schrikken kon aanjagen, zoo meenen zij, dat die hardheid verbeterd of verzacht wordt, als hij daarbij doet de wet der vrjjheid. Want wij hooren wat Paulus zegt, Gal. 3 : 10, namelijk dat allen, die onder de wet zijn, den vloek onderworpen zijn. Hierom zal het oordeel der wet uit zichzelve zijn de schuld des eeuwigen doods. Maar naar het zeggen van diezelfden, door het woord vrijheid, verklaart hij, dat wij van de strengheid der wet verlost worden. Dit gevoelen past gansch niet kwaad, hoewel, zoo iemand wat dieper onderzoekt wat er dadelijk op volgt, hij zal zien, dat Jakobus wat anders wil. Alsof hij gezegd had: tenzij gij wilt komen onder de strengheid der wet, zoo weest niet al te streng tegen uwe naasten. Want de wet der vryheid beteekent hier zooveel als Gods goedertierenheid, die ons van den vloek der wet verlost. En alzoo zal men dit lezen in ée'n verband met wat er volgt, waar hij spreken zal van de zwakken te dragen. En waarlijk, deze zin vloeit zeer wel. Aangezien niemand van ons voor God bestaan zou, ware hij niet ontbonden en vrij van de hoogste strengheid der wet, dat wij zoo handelen moeten, opdat wij niet door te groote strafheid Gods goedertierenheid uitsluiten, welke allen tot het uiterste behoeven.
13 Want een oordeel. Nu wordt de voorgaande rede geschikt tot de tegenwoordige zaak, welke de tweede uitlegging, van mij bijgebracht, gansch bevestigt. Want hij leert, dat aangezien wij door Gods barmhartigheid alleen staan, wij dezelve bewijzen moeten dengenen, die ons de Heere beveelt. Maar hier wordt ons een bijzondere beleefdheid en weldadigheid aangeprezen, dat ons God belooft barmhartig te zijn, zoo wij zoodanig zijn jegens de broederen. Niet dat deze onze barmhartigheid (zoodanig als zij is) die wij den menschen aandoen, Gods barmhartigheid verdient, maar van hen, die God aangenomen heeft, dat Hij hun een geduldig en goedwillig Vader zij, wil Hij, dat ze op aarde zijn beeld dragen en uitdrukken, volgens wat Christus zegt: Wees barmhartig, gelijk uw hemelsche Vader is. Luk. 6: 36. Daarentegen is op te merken, dat hij niets harders, of schrikkelijkers kan verkondigen dan Gods oordeel. Waaruit volgt dat ze meer dan ellendig en verloren zijn allen, die tot den genadestoel der vergeving niet vluchten En roemt. Alsof hij zeide: het is alleen Gods barmhartigheid, die ons van de vreeze des oordeels verlost, want hij neemt roemen voor overwinnen, of te boven gaan.
JAKOBUS 2; 13-15.
Want het oordeel der verdoemenis ligt op de gansche wereld, zoo de barmhartigheid niet te hulpe komt. Degenen, die willen, dat hier de persoon aangewezen zij onder den naam van de zaak, die brengen een harde en gedwongen uitlegging bij. Want de mensch roemt niet eigenlijk tegen Gods oordeel, maar de barmhartigheid Gods zelve triumfeert om zoo te zeggen, en regeert alleen, als de strengheid des oordeels ophoudt. Hoewel ik niet loochen, dat daaruit een vrijmoedigheid van roemen spruit, als de geloovigen bekennen, dat Gods gramschap eenigszins voor de barmhartigheid wijkt, opdat zij door deze opgelicht zijnde, van de gramschap niet ten ondergedrukt worden.
14 Mijne broeders! wat baat het, zoo iemand zegt, dat hij het geloof heeft, zoo hij de werken niet heeft? kan hem dat geloof zalig maken?
15 Want zoo een broeder of zuster naakt zijn, en dagelijksohen leeftocht behoeven,
16 En iemand van u zou tot hen zeggen: gaat in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd, en gij geeft hem niet den nooddruft des lichaams, wat zal het baten ?
17 Alzoo is het geloof, indien het geen werken heeft, het is dood in zichzelve.
Hij gaat voort in het aanprijzen der barmhartigheid. Maar dewijl hij ons gedreigd had, dat wij God tot een strengen en vreeselijken rechter zouden hebben, tenzij wij vriendelijk en barmhartig zijn jegens onze naasten, en dat de geveinsden daartegen hun uitvlucht namen, zeggende dat ons het geloof genoeg was, waarin der menschen zaligheid gelegen is, zoo gaat hij nu dien ijdelen roem doorhalen. De inhoud is deze, dat het geloof zonder de liefde onnut, ja gansch dood is. Maar hier rijst een vraag, of het geloof van de liefde kan gescheiden worden. En waarlijk, de verkeerde uitlegging dezer plaats heeft bij de Sophisten voortgebracht die gebruikelijke onderscheiding van een ongeformeerd en geformeerd geloof. Doch Jakobus heeft zulks niet gedacht: want dat hij spreekt van een valsche belijdenis of voorwending des geloofs, blijkt uit zijne eerste woorden. Want aldus begint hij niet: Zoo iemand geloof heeft, maar zoo iemand zegt, dat hij het heeft. Waarmee hij voorwaar aanwijst, hoe de geveinsden op een ijdelen naam van geloof roemen, die hun met de daad geenszins toekomt. Dat hij het dan zelf geloof noemt, dat is bij toelating. Want als wij op de zaak zelve ingaan, het schaadt niet, ja is somtijds nut tot ons oogmerk, dat wij onze wederpartij het woord toegeven dat ze vereischt, want de zaak bekend zijnde, zoo zal hun ook het woord lichtelijk terstond ontnomen worden. Dewijl het dan Jakobus ge noeg was den geveinsden dien valschen mantel, waarmede zij zich dekten, af te trekken, zoo heeft hij om het woord geen verschil willen maken. Toch zullen wij gedenken, dat hij uit het eigen gevoelen zijns harten niet spreekt zoo dikwijls hij dit geloof noemt, maar dat hij veelmeer twist tegen die het geloof, waarvan zij ledig waren, valschelijk voorwendden. Kan het geloof. Dit is zooveel, alsof hij gezegd had, dat wij door een koude en bloote kennis Gods geenszins zalig worden. Hetwelk een ieder bekent gansch waarachtig te zijn, want daarom is de zaligheid uit het geloof, omdat het ons met God vereenigt. Nu geschiedt dit niet anders dan
243
244 JAKOBUS 2 : 15â18.
als wij worden ingelijfd in het lichaam van Christus, opdat wij door zijnen Geest leven, en ook geregeerd worden. Daar is niets van dit al in dit doode beeld des geloofs, daarom is het geen wonder, dat Jakobus daaraan de kracht van zalig te maken ontneemt.
16 Want zoo een broeder. Hij neemt een voorbeeld van de tegenwoordige zaak. Want hij vermaant, gelijk gezegd is, tot de werken der liefde. Zoo iemand hiertegen roemt, dat hij met het geloof zonder werken tevreden is, zoo vergelijkt hij deze schaduw des geloofs bij een rede, die aan een hongerig mensch beveelt verzadigd te worden, zonder hem nochtans spijze te geven, die hem ontbreekt. Gelijk hij dan een arme bespot, door hem met woorden weg te zenden, en geen hulpe te bieden, alzoo spotten zij met God, die zich een leven versieren, dat van alle werken en oefeningen der godzaligheid ledig is.
17 Is dood in zichzelve. Hij zegt, dat een geloof dood is in zichzelve, 'twelk ledig is van goede werken. Waaruit wij afleiden, dat het zelf geen geloof is: want naardien het dood is, zoo behoudt het strikt genomen den naam niet. De Sophisten drijven dit woord, dat er dan eenig geloof bij zichzelven kan gevonden worden: maar zulk een onnutte uitvlucht kan lichtelijk wederlegd worden, aangezien genoeg blijkt, dat de apostel zijn bewijsreden ontleent aan wat onmogelijk is, gelijk Paulus Gal. 1 :8, een engel een vervloeking noemt, die het Evangelie zou pogen te verkeeren.
i) of: Ja 18 Maar zal iemand zeggen: gij hebt het geloof, en ik heb de
werken: toon mij uw geloof uit uwe werken, en ik zal u uit mijne werken mijn geloof toonen.
19 Gij gelooft, dat er één God is, en doet wel, ook de duivelen gelooven, en beven.
Dat Erasmus hier invoert twee samensprekende personen, waarvan de een voorwerpt een geloof zonder werken, en de ander werken zonder geloof, en dat hij meent, dat ze beiden eindelijk met een middelmatig antwoord des apostels wederlegd worden, dunkt mij al te gedwongen. Hij acht het ongerijmd, dat dit in den persoon van Jakobus gezegd worde, gij hebt het geloof, dewijl hij geen geloof kent zonder werken. Maar hierin wordt hij zeer bedrogen, dat hij deze woorden, als spottenderwijze gesproken, niet aanneemt. Daarom neem ik deze woorden alzoo, dat hij wederlegt den zotten roem dergenen, die zich inbeelden geloof te hebben, zoo zij zich toch met het leven ongeloovig bewijzen. Want Jakobus zegt, dat het allen godvruchti-gen, die heilig leven, gemakkelijk valt den geveinsden zoodanigen roem, waarmede zij opgeblazen zijn, te ontnemen. Toon mjj. Hoewel men in de Grieksche handschriften meest aldus vindt; Toon mjj uit de werken, nochtans past de Latijnsche overzetting beter; Toon mij uw geloof zonder werken, 'twelk ook in sommige Grieksche handschriften gelezen wordt; en dit houd ik ook ongetwijfeld voor beter. Als hij dan beveelt een geloof zonder werken te toonen, zoo maakt hij een bewijs van wat onmogelijk is, om te toonen, dat er zulk een geloof niet is. Alzoo is het een ironisch spreken. Doch zoo iemand liever de andere lezing wil volgen, het zal op ée'n uitkomen; toon mij het geloof uit de werken. Want aangezien het geloof geen ledig ding is, zoo moet het uit de werken blijken. Zoo
iemand, enz.
JAKOBUS 2 : 18â20.
is dan de zin: Indien gij niet vruchten uws geloofs voortbrengt,
ontken ik dat gij geloof hebt. Maar men kon vragen, of dan de uiterlijke vromigheid des levens een zeker bewijs des geloofs is, want Jakobus zegt: Ik zal het toonen uit de werken. Ik antwoord, dat ook de ongeloovigen somtijds uitnemend schoone deugden hebben,
of een eerlijk leven lijden, dat verre is van allen laster, en dat daarom de schoone werken in soort van het geloof kunnen gescheiden zijn. Want ook Jakobus houdt niet staande, dat zoo wie vroom schijnt, terstond geloof heeft. Alleen wil hij dit, dat men het geloof zonder het getuigenis der goede werken te vergeefs roemt, dewijl uit den levenden wortel van den goeden boom, altijd goede vruchten voortkomen.
19 Gij gelooft, dat er één God is. Uit dit woord alleen blijkt overvloedig, dat hier ganschelijk van het geloof niet wordt gehandeld, maar van een gemeene kennis Gods, die den mensch met God niet meer vereenigt, dan het aanschouwen der zon hem verheft in den hemel. Nu is het openbaar, dat wij door het geloof Gode genaken: daarenboven zal het bespottelijk zijn, zoo iemand zegt, dat de duivelen geloof hebben. Doch Jakobus stelt ze in dezen deele boven de hypocrieten. De duivel beeft, zegt hij, als men van God spreekt, omdat hij Hem voor zijnen rechter kent, zoo vreest hij Hem. Zoo wie dan God, dien hij kent, veracht, die is erger dan de duivel. Gij doet wel, is hier gesteld om de zaak te verkleinen,
alsof hij gezegd had, dit is immers wat groots, minder te zijn dan de duivel.
20 Maar wilt gij weten, o ijdel mensch! dat het geloof zonder de werken dood is?
21 Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, Gen. 22:10. als hij zijnen zoon Izak op het altaar geofferd heeft?
22 Ziet gij, hoe het geloof mede gewrocht heeft met zijne werken,
en het geloof door de werken volmaakt is.
23 En de Schrift is vervuld, die daar spreekt: Abraham geloofde Gen. 15:6. God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en is een vriend Gods geheeten ?
24 Zoo ziet gij dan, dat de mensch gerechtvaardigd wordt uit j0Z- 2:1-de werken, en niet uit het geloof alleen.
25 Desgelijks ook Rachab de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd. toen zij de boden ontving, en door eenen anderen weg uitleidde?
245
26 Want gelijk het lichaam zonder den Geest dood is, alzoo is ook het geloof dood zonder de werken.
20 Maar wilt gij weten. Men moet hier weten waarvan gehandeld wordt. Want hier is geen verschil betrekkelijk de oorzaak der rechtvaardigmaking, maar alleen wat van een belijdenis des geloofs zonder werken gelden mag, en waarvoor zij te houden is. Hierom doen zij kwalijk, die uit dit getuigenis willen bewijzen, dat de mensch door de werken gerechtvaardigd wordt, want Jakobus heeft zulks niet willen zeggen. Want de bewijzen, die hij daarbij voegt moet men tot dit oogmerk brengen, dat het geloof zonder werken niets of ten minste dood is. Want nimmermeer zal iemand ver-
JAKOBUS 2 : 20â23.
staan wat er gezegd wordt, noch wijselijk van de woorden oordee-len, dan dien het voornemen des schrijvers zal bekend hebben.
ai Abraham, is h|j niet. De Sophisten grijpen het woord rechtvaardig maken, daarna, als zij het gewonnen hebben, roepen zij, dat een deel der gerechtigheid in de werken gelegen is: maar men behoorde de rechte uitlegging uit de omstandigheid der tegenwoordige plaats te geven. Nu hebben wij gezegd, dat Jakobus hier niet handelt vanwaar, of hoe de menschen de gerechtigheid verkrijgen, hetwelk een ieder openbaar is, maar dat hij alleen hiertoe poogt, dat hij toone, dat de goede werken altijd met het geloof gevoegd zijn. Hierom als hij verklaart, dat Abraham door het geloof gerechtvaardigd is, zoo spreekt hij van de toestemming der gerechtigheid. Als dan de Sophisten Jakobus tegen Paulus stellen, zij dwalen in de verscheidene twijfelachtige beteekenis van het woord. Want als Paulus leert, dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden, zoo geeft hij niets anders te kennen, dan hoe wij verkrijgen, dat wij voor God rechtvaardig gerekend worden. Maar Jakobus ziet op geheel wat anders, namelijk, dat die, welke zich voor geloovig uitgeeft, de waarheid zijns geloofs met de werken bewijze. Voorwaar Jakobus wil hier niet leeren, waarop het betrouwen der zaligheid moet steunen, hetwelk Paulus alleen drijft. Opdat wij dan hier geen kwaad besluit zullen maken (gelijk de Sophisten bedrogen zijn) zoo moeten wij dit verscheiden spreken aanmerken: dat het woord rechtvaardigen van Paulus gebruikt is voor een genadige toerekening der rechtvaardigheid bij den rechterstoel Gods. Maar van Jakobus is het genomen voor een bewijs der gerechtigheid uit de vruchten, en dit bij de menschen, gelijk uit de voorgaande woorden is af te leiden: Toon mij uw geloof. In dezen zin bekennen wij zonder zwarigheid, dat de mensch gerechtvaardigd wordt uit de werken. Gelijk iemand zeide, dat een man door den koop van een groo-ten en kostelijken erfgrond rijk geworden is, omdat zijne rijkdommen, die tevoren in de kist verborgen en gesloten lagen, te voorschijn gekomen zijn. Als hij zegt, dat het geloof gewrocht heeft met de werken, en daaruit volmaakt is, zoo toont hij wederom, hoe hier niet gevraagd wordt van de oorzaak onzer zaligheid, maar of de werken noodzakelijk het geloof navolgen. Want in dezen zin wordt het geloof gezegd te werken met werken, omdat het niet ledig is. Het geloof wordt ook gezegd uit de werken volmaakt te zijn, niet dat het daaruit zijn volmaaktheid krijgt, maar dat het daaruit bewezen wordt een waar geloof te zijn. Dat nu de Sophisten uit deze woorden hun onnut onderscheid van het geformeerd en onge-formeerd geloof trekken, behoeft geen lange wederlegging: want Abrahams geloof was geformeerd, en fijn ontwikkeld, eer hij zijn zoon offerde. Ook is dat werk niet geweest als de laatste hand om dat te volmaken, dewijl er nog vele nagevolgd zijn, waarmede Abraham den wasdom zijns geloofs getoond heeft. Hierom is dat niet geweest de volmaking zijns geloofs, en heeft ook niet toen eerst zijn vorm gekregen. Zoo verstaat dan Jakobus anders niets, dan dat Abrahams vromigheid hieruit gebleken is, dat hij de schoone vrucht der gehoorzaamheid voortgebracht heeft.
23 De Schrift is vervuld. Die met het getuigenis van Jakobus willen bewijzen, dat de werken van Abraham hem tot gerechtigheid gerekend zijn, die moeten belijden, dat de Schrift van Jakobus verdraaid
246
JAKOBUS 2:23â25.
wordt. Want waar zij zich ook keeren, zij zullen nimmermeer maken' dat het werk is vóór de oorzaak. Daar wordt bijgebracht de plaats Gen. 15; 6. De toerekening der gerechtigheid, waarvan Mozes daar spreekt, is meer dan dertig jaren geschied vóór dat werk, waardoor zij willen, dat Abraham gerechtvaardigd is geweest. Voorwaar, aangezien het geloof Abraham tot gerechtigheid is gerekend, vijftien jaren, eer Izak geboren werd, zoo kon dit niet geschieden door denzelven te offeren. Ik houd ze vast met een onontbindbaren knoop allen, die versieren dat aan Abraham het geloof voor God gerechtigheid is gerekend, omdat hij zijn zoon Izak geofferd heeft, die nog niet was geboren, als de Heilige Geest verklaarde, dat Abraham rechtvaardig was. Zoo blijft er dan noodzakelijk dit over, dat wij leeren, dat daaruit aangewezen wordt iets dat later gevolgd is. Hoe zegt dan Jakobus, dat hetzelve vervuld is geweest ? Hij heeft namelijk willen toonen wat het voor een geloof geweest is, dat Abraham gerechtvaardigd heeft, te weten, geen ledig of ijdel, maar dat hem Gode gehoorzaam gemaakt heeft, gelijk daar ook Hebr. 11 : 8 staat. Het besluit, dat terstond er bij gedaan wordt, dewijl het daaraan hangt, zoo heeft het geen anderen zin. De mensch wordt door een geloof alleen, dat is door een bloote en ijdele kennis Gods niet gerechtvaardigd: hij wordt gerechtvaardigd uit de werken, dat is, uit de werken wordt zijne gerechtigheid bekend en voor goed gehouden.
25 Desgelijks ook Rachab. Hij schijnt ongeschiktelijk te doen, dat hij deze twee (zoo onderscheiden) bijeenvoegt. Waarom heeft hij niet liever uit dat groot getal der uitnemende vaderen sommigen uitverkoren, die hij bij Abraham voegde? Waarom heeft hij in plaats van deze allen een hoer gesteld? Met opzet heeft hij twee zoo verscheiden personen met elkander vergeleken, om te klaarder te toonen, dat er nooit iemand van wat volk, of staat hij ware, onder de rechtvaardigen en geloovigen geacht is geweest zonder goede werken. Hij heeft den aartsvader genoemd, als ver de uitnemendste van allen; nu onder den persoon der hoer, begrijpt hij allen, die tevoren vreemd zijnde van de gemeente, daar ingelijfd worden. Zoo wie dan rechtvaardig wil gehouden zijn, ofschoon hij onder de geringsten geteld wordt, dat hij zich zoodanig toone met goede werken. Omdat Jakobus naar zijn oogmerk verklaart dat Rachab door de werken gerechtvaardigd is, daaruit besluiten de sophisten, dat wij uit de verdiensten der werken gerechtigheid krijgen. Maar wij zeggen, dat hier geen verschil is, hoe wij de rechtvaardigheid verkrijgen. Wij bekennen wel, dat de goede werken tot de gerechtigheid vereischt worden, maar alleen berooven wij ze van de kracht van rechtvaardigheid aan te brengen, omdat onze werken voor Gods rechterstoel niet bestaan kunnen.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 Mijne broeders! zijt niet vele meesters, wetende dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.
2 Want wij falen allen in vele. Zoo iemand niet zondigt in het woord, die is een volkomen man, en kan ook het geheele lichaam in den toom houden.
247
rdee-,
echt-n zij, men i^oor-han-het-, dat zijn. scht-tieid. n de Pau-jeeft God Iers, heid hier het-sluit i wij , aar- | der s is ! iten, ; s af ider ken. roo- i om-oor- | icht we-ilig-t in het .t te lar-uit ige-ant zijn ind sde dat jen ïts,
)ne
DUS
eid aid
JAKOBUS 3 : 1, 2.
3 Ziet, wij werpen den paarden den breidel in de monden, opdat ze ons gehoorzaam zijn, en wij buigen liun geheele lichaam.
4 En ziet de schepen, die zoo groot zijn, en van straffe winden gedreven worden, worden met een klein roer omgevoerd, waarheen de stuurman wil.
5 Alzoo is de tong een klein lid, en roemt groote dingen.
i'T' xele meesters. De gemeene en meest aangenomene uitlegging \/ dezer plaats is, dat hij zou afschrikken van het leerambt te ' begeeren. En dit uit oorzaak, dat het gevaarlijk, en aan een zwaar oordeel Gods onderworpen is, zoo iemand daarin faalt. Zij meenen ook, hij heeft gezegd; Z|jt niet vele, omdat er sommigen moeten zijn. Maar ik versta door meesters, niet die een openbaar ambt in de gemeente bedienen, maar die zichzelven het recht van berispers over anderen aantrekken. Want zulke berispers willen als zedemeesters gehouden zijn. En deze wijze van spreken is zoowel bij de Grieken, als bij de Latijnen gebruikelijk, dat zij meesters noemen, die vermetelijk anderen bestraffen. Dat hij er nu verbiedt velen te worden, is daarom, dat velen overal zich indringen. Want deze ziekte is den menschelijken aard als aangeboren, dat ze naar roem staan door anderen te berispen. In dezen deele regeert daar een dubbel gebrek, dat ze allen in het gemeen zich voor meesters uitgeven, zoo toch weinigen daartoe geschikt zijn. Ten andere, weinigen zijn daartoe gedreven met een recht voornemen, want geveinsdheid en eergierigheid drijft ze veelmeer, dan de zorg over huns broeders zaligheid. Want men moet opmerken, dat Jakobus hier niet afraadt van de broederlijke vermaningen, die de Heilige Geest ons zoo dikmaals en zoozeer beveelt, maar dat hij veroordeelt die onmatige begeerte, die uit eergierigheid en hoovaardigheid spruit, als zich elk verheft tegen zijnen naaste, als hij tegenspreekt, berispt, en booselijk wat zoekt, dat hij ten kwaadste duidt: want zulke ontijdige berispers plegen zich vermetelijk te beroemen, dat ze anderer gebreken weggenomen hebben. Van deze onmatigheid en verwaandheid trekt ons Jakobus af. Hij voegt daar de reden bij, omdat zij, die tegen anderen zoo streng zijn, een zwaarder oordeel zullen dragen. Want zoo wie ieders woorden en werken op het strengste zift, die legt zichzelven een zware wet op, die ook niemand sparen wil, en verdient geen vergeving. Dit is een opmerkelijke spreuk, dat zij, die tegen hun broederen al te straf zijn, Gods strengheid tegen zichzelven verwekken.
2 Maar wij falen allen in vele. Dit kan genomen worden bij toelating gezegd te zijn. Alsof hij gezegd had: het zij zoo, gij vindt wat in uwe broederen te straffen, want niemand is zonder gebreken. Ja elkeen is behangen met vele gebreken. Maar acht gij u volmaakt te zijn met uw kwaadspreken en venijnige tong? Nochtans dunkt mij, dat ons Jakobus met deze bewijsreden veelmeer vermaant tot zachtmoedigheid, dewijl ook wij met vele zwakheden bevangen zijn. Want hij doet onrechtvaardig, die anderen vergeving weigert, waaraan hij zelf behoefte heeft. Alzoo ook Paulus, waar hij vermaant de gevallenen te vermanen vriendelijk en met een zachtmoedigen geest: hij stelt daar terstond bij, bedenkt uzelven, dat gij ook niet bekoord wordt. Gal. 6: 1. Want daar is niets krachtiger om die al te groote strafheid te matigen, dan de kennis onzer zwakheid. Zoo iemand in het woord. Naardien hij gezegd heeft, dat er niemand is, die
248
JAKOBUS 3:2â6.
niet op verscheidene wijzen zondigt, zoo toont hij nu, dat het gebrek van kwaadspreken onder andere zonden hatelijk is. Want dat hij dien volmaakt noemt, die met de tong niet faalt, daarmede verklaart hij, dat het bedwingen der tong een uitnemende, en een der voornaamste deugden is. Daarom doen ze al te verkeerd, die de minste gebreken neuswijselijk uitziften, en zichzelven in zulk een grof feil toegeven. Aldus hekelt hij hier zeer fijn de geveinsdheid der berispers, omdat zij zich onderzoekende, het voornaamste en gewichtigste, namelijk het kwaadspreken voorbijgaan. Want die anderen straffen, toonen een ijver der heiligheid: maar zoo zij wilden volmaakt zijn, zij moesten van de tong beginnen. Aangezien zij nu geen acht nemen om hun tong te breidelen, maar veelmeer met anderen te bijten en te verscheuren een geveinsde heiligheid voorwenden, hieruit blijkt, dat zij het meest van allen te berispen zijn,
als die de voortreffelijkste deugd verzuimen. Dit aldus samengenomen, zal ons des apostels meening duidelijk maken.
3 Ziet, de paarden. Met deze twee gelijkenissen bewijst hij, dat in de tong veel gelegen is van de rechte volmaaktheid, en dat dezelve (gelijk hij boven 'gezegd heeft) het gansche leven regeert.
Allereerst vergelijkt hij de tong bij een breidel, daarna bij het roer van een schip. Zoo een paard, 'twelk zulk een wild dier is, omgeleid wordt naar den wil des berijders, omdat het gebreideld is, zoo zal de tong geen geringe macht hebben, om den mensch te regee-ren. Alzoo zal men ook oordeelen van het roer eens schips, 'twelk dat zwaar gewicht tegelijk met het geweld des winds overwint. Hoewel dan de tong een klein lid is, zoo vermag zij nochtans veel in de regeering des menschelijken levens. Het Grieksche woord be-teekent zich beroemen, opvijzelen. Maar Jakobus heeft hier niet zoozeer het roemen willen bestraffen, als zeggen, dat de tong groote dingen uitricht. Want dit laatste deel schikt de voorgaande gelijkenissen tot zijn tegenwoordig voornemen. Nu zou de ijdele beroeming zich met den breidel en het roer niet rijmen: zoo toont hij dan dat de tong groote macht heeft.
Ziet, een klein vuur, hoe grooten hoop houts het ontsteekt.
6 En de tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid.
Alzoo is de tong onder onze leden, en zij bevlekt het gansche
lichaam, en ontsteekt ') den loop onzer natuur, als zij ont- i) Anders: . i â ⢠j i i En ontsteekt
stoken is van de hel. het rad onzer
geboorte, of
Nu verklaart hij de zwarigheden, die uit een ongetemde tong 0°zes le-voortkomen, opdat wij weten, dat de tong veel vermag aan beide ujkende^deu zijden. Daarom, zoo zij zedig en wel geschikt is, zoo is zij een toom 1oop ?es des ganschen levens, maar zoo zij dartel en boos is, zoo steekt zij quot;ïen^evens het al tegelijk in brand. Hij stelt een klein vuur, opdat hij toone dat de kleinheid der tong haar niet verhindert, dat ze hare kracht eeu ra quot; niet wijd en breed kan uitstrekken om te beschadigen. Als hij daarbij doet, dat ze een wereld der ongerechtigheid is, dat is zooveel als noemde hij ze een zee of afgrond. En hij vergelijkt zeer juist de kleinheid der tong met de onmetelijke grootte der wereld, in dezen zin, dat een stuk dun vleesch de gansche wereld der ongerechtigheid in zich begrijpt.
6 Zoo ook de tong. Hij verklaart wat hij gemeend heeft met
249
250
het woord wereld, namelijk, omdat de besmetting derzelve uitgespreid wordt door alle deelen des levens, of veelmeer toont hij wat hij door dit woord brand verstaan heeft, namelijk, dat de gansche mensch besmet wordt. Doch hij keert terstond weder tot de ontbranding, als hij zegt, dat de loop onzer geboorte van de tong ontstoken wordt. Alzoo vergelijkt hij den loop des menschelijken levens bij een wiel. Geboorte neemt hij gelijk boven, instede van natuur. Aldus is de zin: Dewijl andere gebreken óf door den ouderdom, óf door langheid des tijds gebeterd worden, óf tenminste den ganschen mensch niet bezitten, zoo is het nochtans, dat het kwaad der tong uitgespreid wordt, en loopt door het gansche leven. Tenzij iemand ontsteking liever wil nemen voor een geweldige drijving, want wij noemen hittig wat met geweld gedreven wordt. En alzoo heeft Horatius van de wielen gesproken, want hij noemt ze hittig in den wagenstrijd om hunne snelle lichtheid. Aldus zou de zin wezen, dat de tong gelijk is den ongetemden paarden: want gelijk de paarden een wagen, alzoo werpt deze den mensch terneder door hare onbeschaamdheid. Als hij zegt, dat zij van de hel ontstoken wordt, is het alsof hij zeide, dat de onmatigheid der tong een vlam des helschen vuurs is. Want gelijk de heidensche dichters versieren, dat de fakkelen der furiën de booswichten aanblazen, alzoo is het waar, dat satan door zijn blaasbalken der bekoringen het vuur aller boosheid in de wereld aansteekt. Maar Jakobus verklaart, dat het vuur van satan toegezonden, lichtelijk van de tong ontvangen wordt om terstond te branden. Kortom, dat zij is een bekwame stof om het helsche vuur te ontvangen, te voeden en te vermeerderen.
7 Want alle natuur der dieren, en der vogelen, en der slangen, en der zeedieren, die wordt en is getemd van de mensch elijke natuur.
8 Maar geen mensch kan de tong temmen, als zijnde een onbe-dwingelijk kwaad vol van doodelijk venijn.
9 Met haar zegenen wij den God en Vader, en met haar vervloeken wij de menschen, die naar Gods beeld gemaakt zijn.
10 Uit denzelfden mond gaat zegen en vloek. Mijne broeders! dit behoort aldus niet te geschieden.
11 Werpt ook de fontein uit één opening zoet en bitter uit?
12 Kan ook, mijne broeders! de vijgeboom olie, of de wijngaard vijgen dragen? Alzoo kan een fontein geen zout en zoet water geven.
7 Want alle. Dit is de bevestiging van het naastvoorgaande stuk. Want dat satan in de tong met een wonderlijke kracht regeert, bewijst hij daaruit, dat ze met geene middelen kan in orde gehouden worden, en dit legt hij uit met gelijkenissen, die hij bijbrengt. Want hij zegt, dat daar geen zoo wreed noch geweldig dier is, dat door der menschen kloekheid niet getemd wordt. De visschen, die als in een andere wereld wonen, de vogelen, die zoo licht en ver vliegend zijn, ook de slangen, die het menschelijke geslacht vijandig zijn, worden somtijds getemd. Dewijl dan de tong niet kan bedwongen worden, zoo moet er wel noodzakelijk een verborgen helsch vuur
JAKOBUS 3 : 7â11.
onder liggen en schuilen. Wat hij van de wilde beesten, slangen en anderen zegt, is op alle dieren niet toepasselijk. Het is genoeg, dat sommige van de wildste beesten door der menschen kunst tot gehoorzaamheid gebracht worden, desgelijks dat ook de slangen somtijds getemd worden. Daarom heeft hij twee tijden, den tegenwoordigen en verledenen gebruikt: de tegenwoordige tijd wijst aan de macht en toelating, maar de verledene bewijst het gebruik en ervaring. Hieruit besluit hij terecht, dat de tong vol doodelijk venijn is. En hoewel dit alles allereerst naar den eisch dezer plaats moet verstaan worden, dat zij al te verkeerdelijk het meesterschap over anderen aannemen, die met dat gansch leelijk gebrek behebt zijn, zoo is nochtans deze algemeene leer te houden: zoo wij ons leven recht willen schikken, dat wij de meeste naarstigheid moeten doen om onze tong te beteren, omdat geen deel des menschen schadelijker is.
9 Met haar zegenen wjj. Dit is een klaar betoog des doode-lijken venijns, dat zij zich met een zeldzame lichtheid alzoo verstelt.
Want alzoo zij zich veinst God te zegenen, terstond vervloekt zij Hem in zijn beeld, als zij van de menschen kwaad spreekt. Want zoo God te prijzen is in al zijn werken, moet dit voornamelijk gelden in de menschen, waarin zijn beeld en heerlijkheid bijzonder lichten. Hierom is het een ondragelijke geveinsdheid, als de mensch dezelfde tong keert om God te prijzen, en de menschen te vervloeken. Hierom, zoo waar kwaadspreken regeert, daar kan geen aanroeping Gods zijn, en daar moet zijn lof noodzakelijk ophouden.
Want dit is een goddelooze ontheiliging des naams Gods, als een tong, die tegen de broederen vol venijn is, God gebruikt onder den schijn van te loven. Hierom, opdat wij God recht loven, moeten wij vooral beteren het gebrek van kwaadspreken tegen den naaste. Intusschen moeten wij ook behouden die voorname leering, dat die sture berispers hunne venijnigheid ontdekken, welke, nadat zij God zoetelijk geloofd hebben, haastelijk tegen de broederen uitspuwen al de lasterredenen, die men kan versieren. Zoo iemand hier tegenwerpt, dat door Adams zonde het beeld Gods in de menschelijke natuur uitgeroeid is: men moet wel bekennen, dat ze leelijk mismaakt is, maar alzoo dat er nog sommige trekken gezien worden. De rechtvaardigheid, vroomheid, en de vrijheid van het goed te begeeren is weggenomen, maar daar blijven vele uitnemende gaven, waardoor wij de beesten overtreffen. Zoo wie dan God recht dient en eert, zal zich ontzien van den mensch te smaden.
ii Kan een fontein. Deze gelijkenissen brengt hij bij om te toonen, dat de kwaadsprekende tong een zeldzaam ding is, vreemd van de gansche natuur, en omkeert de orde, die God overal gesteld heeft. Want de zaken, die elkander tegen zijn, heeft God zoo onderscheiden, dat de onbezielde dingen ons behooren af te schrikken van de onordelijkheid en vermenging, die daar is in eene dubbele tong.
13 Wie is onder u wijs en verstandig? die toone zijne werken uit de goede wandeling in zachtmoedige wijsheid.
14 Maar hebt gij bittertn nijd en tweedracht ') in het hart, zoo t) of: roemt niet, en liegt niet tegen de waarheid. tigheid.
15 Deze wijsheid is niet van boven komende, maar is aardsch, vleeschelijk, duivelsch.
251
JAKOBUS 3: 13â15.
16 Want waar nijd en twist is, daar is verwarring en alle kwaad werk.
17 Maar de wijsheid van boven is ten eerste rein, daarna vreedzaam, bescheiden '), gezeggeiijk, vol barmhartigheid, en goede vruchten, zonder verschil s), zonder geveinsdheid.
18 Maar de vrucht der gerechtigheid wordt in vrede gezaaid dien, die vrede maken.
13 Wie is wjjs. Aangezien de lust tot kwaadspreken gemeenlijk uit hoovaardigheid komt, en daar nu de valsche waan der wijsheid voor het meerendeel hoovaardigheid voortbrengt, daarom spreekt hij hier van de wijsheid. Het is den hypocrieten gebruikelijk zich te verheffen en te roemen met elkeen te lasteren, gelijk eertijds velen van de philosophen naar eere stonden met alle rangen en standen bitterlijk te beschimpen. Dusdanigen hoogmoed, waarmede die kwaadsprekende menschen opgeblazen en verblind zijn, slaat hier Jakobus terneder, als hij zegt, dat die verwaande wijsheid, waarin zij zich behagen niets Goddelijks heeft, maar veelmeer drijft, dat ze uit den duivel is. Aldus is de zin: De grootsche berispers, die zichzelven ruimelijk toegeven, maar daarenboven niemand sparen, laten zich dunken, dat ze vóór anderen wijs zijn, maar zij zijn zeer bedrogen, want God onderricht de zijnen gansch anders, namelijk dat ze zachtmoedig en beleefd zijn jegens anderen. Zoo zijn dan die alleen voor God wijs, die deze zachtmoedigheid hebben met eenen eerlijken wandel, want die wreed en onverbiddelijk zijn, of anderszins met vele deugden begaafd zijn, verstaan nochtans de rechte wijze der wijsheid niet.
14 Hebt gjj bitteren nijd. Hij wijst aan de vruchten, die uit te groote stuurschheid spruiten, welke de zachtmoedigheid tegengesteld is: want die onmatige strengheid moet noodzakelijk kwade jaloersch-heid voortbrengen, die in twist haast uitbreekt. Hij spreekt wel oneigenlijk, als hij den twist in het hart stelt, maar dit doet niets of zeer weinig tot den zin. Want hij heeft willen aanwijzen den oorsprong dezes kwaads, namelijk de booze genegenheid des harten. Hij heeft gezegd bitteren nijd, omdat hij niet regeert, dan als de harten met het venijn der kwaadwilligheid besmet zijn, dat ze alles tot bitterheid verkeeren. Opdat wij ons dan terecht mogen roemen Gods kinderen te zijn, zoo beveelt hij ons vredelijk en zedelijk met de broederen te handelen, anders zegt hij vrijelijk, dat wij liegen, als wij van den Christelijken naam roemen. Verder, zoo stelt hij den twist niet zonder oorzaak tot een metgezel van den nijd, omdat uit kwaadwilligheid en nijd altijd strijden en twisten oprijzen.
15 De wijsheid is niet. Omdat de hypocrieten moeilijk wijken, zoo stoot hij hun pracht dapper terneder, zeggende, dat de wijsheid, waardoor zij opgeblazen zijn, geen wijsheid is, dewijl zij in het uitplukken van anderer gebreken, al te korzelig zijn. Doch hun toegevende den naam wijsheid, zoo toont hij met de namen, die hij bijvoegt, hoedanig zij is, namelijk aardsch, vleeschelijk, duivelsch, waar de rechte wijsheid zou zijn, hemelsch, geestelijk. Goddelijk, welke drie aan de voorgaande rechtstreeks tegen zijn. Want Jakobus neemt voor een klare zaak, dat wij niet anders wijs zijn, dan zoo wij uit den hemel van God door den Geest verlicht zijn. Werwaarts dan des menschen vernuft zich strekt, al zijn scherpzinnigheid wordt
252
1) Of: Ee-delyk, 2) Of: Zonder uitzondering.
JAKOBUS 3: 15â18.
ijdelheid, en niet alleen dat, maar eindelijk door de huichelarij des satans verward zijnde, zal het zeer schandelijk razen. De ziel wordt hier gesteld tegen den geest, gelijk 1 Cor. 2, als Paulus zegt: De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die God aangaan. En des menschen hoovaardigheid kon niet beter terneder geslagen worden, dan als aldus veroordeeld wordt, wat ze aan wijsheid heeft uit haar ziel, zonder den Geest Gods, ja als hare wijsheid veroordeeld wordt niet alleen als van de ziel, maar als van den duivel komende. Want dit is zooveel, alsof er gezegd werd, wanneer de menschen hun eigen zin volgen, dat ze haast tot de bedriegerijen des satans vervallen.
16 Want waar nijd. Dit is een bewijs van het tegendeel genomen, want de nijd, waardoor de hypocrieten gedreven worden, brengt de tegenovergestelde vruchten voort van de wijsheid. Want de wijsheid vereischt een welgestelden stand des vernufts, maar de nijd beroert dien, zoodat het verstand in zichzelve als oproerig is, en tegen anderen onmatig hittig wordt. Sommigen zetten het Grieksche woord over door ongestadigheid, gelijk het soms beteekent: maar dewijl het ook beduidt oproer en onrust, zoo heeft mij het woord beroerte bekwamer gedacht voor deze plaats. Want Jakobus heeft wat meer willen zeggen dan lichtvaardigheid, te weten, dat de kwaadwillige en lasteraar, als ware hij buiten zichzelven, alle dingen onordelijk en booselijk doet. Daarom doet hij erbij: alle kwaad werk.
17 Die van boven is. Nu verhaalt hij de vruchten der hemelsche wijsheid, welke aan de eerste tegenovergesteld zijn. Vooreerst zegt hij, dat ze zuiver is, met welk woord de geveinsdheid en eergierigheid uitgesloten wordt. Ten tweede, noemt hij ze vreedzaam, te toonen dat ze ver is van twisten. Ten derde, noemt hij ze bescheiden of beleefd, opdat wij weten, dat ze ver is van onmatige stuurschheid, die in de broederen niets verdragen wil. Hij noemt ze vriendelijk en gezeggelijk, daarmede verklaart hij, dat ze een schrikken heeft van hoovaardigheid en boosheid. Ten laatste leert hij, dat ze is vol barmhartigheid, daar integendeel de hypocrieten onbeleefd en onverbiddelijk zijn. Door de goede vruchten, wijst hij in het ge-
Imeen aan alle gedienstigheden, die de goedwillige menschen hun broederen bewijzen, alsof hij met e'én woord gezegd had, vol van weldadigheid. Hieruit volgt, dat zij liegen, die op een stijle strafheid roemen. Hoewel hij gezegd hebbende, dat deze wijsheid zuiver is, de geveinsdheid genoeg veroordeeld had, zoo herhaalt hij nochtans hetzelfde nog klaarder in het einde. Waaruit wij vermaand worden, dat wij uit geene andere oorzaak al te onmatig korzelig zijn, dan omdat wij ons te zeer verschoonen, en onze eigen gebreken door de vingers zien. Maar dit kon ongerijmd schijnen, dat hij wil, dat men zij zonder oordeel of onderscheid. Want ook de Geest Gods neemt niet weg het onderscheid van goed en kwaad, en maakt ons zoo verstandeloos niet, dat wij zonder oordeel zijnde, de zonde voor deugd zouden prijzen. Ik antwoord, dat Jakobus met het woord meen aan alle gedienstigheden, die de goedwillige menschen hun broederen bewijzen, alsof hij met e'én woord gezegd had, vol van weldadigheid. Hieruit volgt, dat zij liegen, die op een stijle strafheid roemen. Hoewel hij gezegd hebbende, dat deze wijsheid zuiver is, de geveinsdheid genoeg veroordeeld had, zoo herhaalt hij nochtans hetzelfde nog klaarder in het einde. Waaruit wij vermaand worden, dat wij uit geene andere oorzaak al te onmatig korzelig zijn, dan omdat wij ons te zeer verschoonen, en onze eigen gebreken door de vingers zien. Maar dit kon ongerijmd schijnen, dat hij wil, dat men zij zonder oordeel of onderscheid. Want ook de Geest Gods neemt niet weg het onderscheid van goed en kwaad, en maakt ons zoo verstandeloos niet, dat wij zonder oordeel zijnde, de zonde voor deugd zouden prijzen. Ik antwoord, dat Jakobus met het woord onderscheid aanwijst die al te nauwe en curieuse onderzoeking, gelijk men meest in de hypocrieten zien kan, die, als zij te nauw de woorden en werken hunner broederen ziften, alles op zijn kwaadst nemen.
18 Maar de vrucht der gerechtigheid. De zin kan tweëerlei zijn, als dat voor de vreedzamen een vrucht gezaaid wordt, die zij daarna
253
JAKOBUS 3 ; 18â4 : 1, 2.
verzamelen, of dat zij, ofschoon zij in de naasten vele dingen matig verdragen, nochtans niet aflaten gerechtigheid te zaaien. Doch dit is een voorkoming. Want die uit lust van lasteren tot kwaadspreken gedreven worden, wenden dit altijd voor. Hoe? zullen wij het kwaad met onze toegeeflijkheid voeden? Zoo zegt dan Jakobus, die waarlijk naar God wijs zijn, dat ze alzoo bescheiden, zedig, stil en barmhartig zijn, dat ze nochtans de zonden door de vingeren niet zien, noch gunstig zijn, maar meer zoeken te beteren, doch in vrede, dat is zulke matigheid gebruikende, dat de eenig-heid ongeschonden blijve. En aldus getuigt hij, dat wat hij tot nu toe gezegd heeft, geenszins hiertoe dient, dat de vreemdzame berispingen zouden geweerd worden, maar dat ze geen beulen zijn, die voor medicijnmeesters der gebreken willen gehouden wezen. Zoo moet men dan deze woorden aldus stellen, dat die naar den vrede staan, desniettemin zorg dragen om gerechtigheid te zaaien. Dat ze ook in de bevordering en drijving der goede werken niet slap en onnut zijn, maar dat ze hun ijver met die saus des vredes temperen, waar daarentegen de hypocrieten met een blinde en razende overvalling alles beroeren.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Vanwaar komen oorlogen en vechterijen onder u? Is het hier-Begeeriykquot;1 Uit uwe wellusten '), die in uwe leden strijden.
hedeu. ' 2 Gij begeert, en hebt niet. Gij benijdt, en zijt afgunstig, en
kunt niet verkrijgen; gij strijdt en oorloogt, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.
3 Gij bidt, en ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudt.
Omdat hij van den vrede gehandeld had, en vermaand, dat de gebreken alzoo uit te roeien zijn, dat vrede onderhouden worde, komt hij naar aanleiding daarvan tot de twisten, waarmede zij elkander kwelden, en toont dat dezelve meer spruiten uit de ongeordende lusten, dan uit het staan naar recht; want zoo elk voor zich maat hield, zij zouden elkander niet opzetten. Daarom dan, dat de lusten ongestraft uitbreken, rijzen de strijden op: waaruit blijkt, dat onder ons meer vrede ware, zoo elk van onrecht afhield: maar de gebreken, die in ons regeeren, zijn als gewapende krijgsknechten om gevecht op te wekken.mdat hij van den vrede gehandeld had, en vermaand, dat de gebreken alzoo uit te roeien zijn, dat vrede onderhouden worde, komt hij naar aanleiding daarvan tot de twisten, waarmede zij elkander kwelden, en toont dat dezelve meer spruiten uit de ongeordende lusten, dan uit het staan naar recht; want zoo elk voor zich maat hield, zij zouden elkander niet opzetten. Daarom dan, dat de lusten ongestraft uitbreken, rijzen de strijden op: waaruit blijkt, dat onder ons meer vrede ware, zoo elk van onrecht afhield: maar de gebreken, die in ons regeeren, zijn als gewapende krijgsknechten om gevecht op te wekken. Leden, noemt hij alle deelen van ons. Wellusten neemt hij voor ongeoorloofde en schandelijke lusten, die niet dan met verkorting van anderen kunnen verzadigd worden.
2 Gü begeert, en hebt niet. Hij schijnt te verklaren, dat 's men-schen hart onverzadelijk is, als het den kwaden lusten opvolgt. En zoo is het voorwaar; want die zijn lusten in 't ruim laat loepen, die zal nimmer een einde van begeeren hebben. Ja schoon ook hem de wereld gegeven werd, hij zou begeeren, dat men hem nieuwe werelden schiep. Alzoo komt het, dat zich de menschen de pijnigingen opladen, die aller scherprechters wreedheid te boven gaan. Want dit heeft Horatius recht gezegd, dat de tirannen van* Sicilië geen meerder kwelling hebben gevonden dan de nijdigheid. Gj) strijdt.
254
JAKOBUS 4: 2â4.
Hij verstaat geen oorlogen en strijden, waardoor de menschen onder elkander vechten met uitgetogen zwaard, maar allerlei twist en ge-kijf, als elk wil opkomen met een ander te verdrukken. Dat ze nu
door zulke strijden niet vorderen, daarin zegt hij, dat ze straf lijden ;
om hunne boosheid. Want God laat die terecht ledig weggaan, die Hem voor den gever des goeds niet bekennen. Want als zij alzoo met ongeoorloofde middelen twisten, zoo begeeren zij veel meer l .
rijk te worden door de verleiding des satans, dan door Gods wel- ./f
daad. Allen staan naar geluk met kwade en schandelijke listen, deze met bedrog, die met geweld, een ander met lasteringen. Zoo be-geeren zij alsdan gelukkig te zijn, maar niet uit God. Hierom is het {
geen wonder, dat ze in hun voornemen teruggedreven worden, aangezien de gelukkige voortgangen niet zijn te verwachten dan alleen van de zegening Gods. *gt;'
3 Gij bidt, en ontvangt niet. Hij gaat verder, ofschoon zij bid-den, dat ze nochtans waardig zijn afgeslagen te worden, omdat ze God wel wilden maken een dienaar hunner kwade lusten. Want zij stellen hun begeerten geen maat, gelijk hij gebiedt, maar uit een ongetoomde vrijheid breken zij uit zulke dingen te begeeren, waarvan zij zich zouden schamen, dat ze ook eenig mensch wist. Plinius bespot ergens zulke onbeschaamdheid, en met recht, dat de menschen de ooren Gods zoo snoodelijk misbruiken. Hoeveel te min is het dragelijk in de Christenen, dien de hemelsche Meester een regel van bidden gegeven heeft. En dit is gewisselijk klaar, dat wij God niet ontzien, noch vreezen, noch achten, als wij van Hem durven bidden,
wat ons zelfs onze conscientie zou weigeren. Kortom, dit wil Ja- /
kobus, dat wij ons begeeren breidelen. Dit is nu de wijze om te breidelen, zoo zij Gode onderworpen zijn. Daarna leert hij, dat wat wij matig begeeren, van God zullen bidden. Hetwelk zoo het geschieden zal, zullen wij ons onthouden van kwade twistingen, van bedrog, van geweld, en van alle onrecht onder elkander. '
4 Gij overspelers, en overspeleressen! weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zoo wie dan der wereld vriend wil zijn, die wordt Gods vijand.
5 Of meent gij, dat de Schrift te vergeefs spreekt '): Begeert i) of: Zuu-niet de geest, die in u woont tot nijdigheid. .0 Jéquot;
6 Maar â¢) Hij geeft meerder genade. geest, die in
/ quot; 0 0 u woont, is
-ii i geneigd tot
4 Overspelers. Deze spreuk voeg ik met de voorgaande, want nijdigheid. ' \ hij noemt overspelers, naar mijn gevoelen, die door de ijdelheid M^arA3y0rs:
dezer wereld verdorven zijnde, van God vervreemd worden, alsof geeft, euz.
hij ze noemde ontaarden, of met een ander zoodanigen naam. Wij weten, dat de Heilige Schrift dikmaals spreekt van het huwelijk, zijF God we-
T i . T . *1 /â¢. /-» â¢1 1 â¢â¢ 1 1
tl
dat God met ons gemaakt heeft. Zoo wil hij dan, dat wij eene ^^'aardi-611 kuische maagd gelijk zijn, gelijk Paulus zegt 2 Cor. 11:2. Deze ge, en doet kuischheid wordt geschonden en verdorven met allerlei onzuivere ®â¢^?gt;eclen lusten dezer wereld. Hierom vergelijkt Jakobus niet zonder oorzaak quot; ' gt;.
de liefde der wereld bij overspel. Die deze woorden eenvoudig 1
nemen, gelijk zij luiden, die merken niet genoeg op den tekst: want hij gaat voort met de lusten der menschen te bestraffen, die hen in de wereld wikkelen, en van God aftrekken, gelijk daar volgt. De i:
vriendschap der wereld. Hij noemt vriendschap der wereld, als ,â¢
.1
jfvi
255
7'
256
zicli de menschen begeven tot en toeëigenen de verdorvenheden der wereld: want daar is zulk een groot verschil der wereld met God, dat zoo veel elk naar de wereld is genegen, zoo ver wordt hij van God vervreemd. Daarom vermaant de Schrift zoo dikwijls, dat wij de wereld zullen afzeggen, willen wij God dienen.
5 Of meent gij. Hij schijnt de naastvolgende spreuk als uit de Schrift bij te brengen, zoodat zich de uitleggers zeer beangsten, omdat nergens in de Schrift een zoodanig of ten minste dergelijk getuigenis gevonden wordt. Maar dat let niet, of wij kunnen dat duiden op wat nu gezegd is, namelijk dat 's werelds vriendschap tegen God is. Nu is gezegd, dat dit een leer is, die overal in de Schrift gevonden wordt. Begeert de Geest. Sommigen meenen, dat dit van de ziel des menschen gezegd is: daarom lezen zij dit, alsot de apostel zelf oordeelt en bevestigt, dat des menschen geest, gelijk hij is, alzoo besmet is met nijd, dat zijn genegenheden daarmede altijd gemengd zijn. Doch zij gevoelen beter, die dit verstaan van den Geest Gods: want die is ons gegeven, dat Hij in ons wone. Ik versta ook deze spreuk van den Geest Gods, en lees die vragenderwijze, want naardien zij nijdig zijn, zoo wil hij daaruit bewijzen, dat ze van den Geest Gods niet geregeerd worden, dewijl Deze den geloovigen anders onderwijst. En dit bevestigt hij met het navolgende deel, als hij daarbij doet dat Hij meerder genade geeft: want dit is een bewijsreden van het tegendeel. De nijdigheid is een teeken der kwaadwilligheid. Maar de Geest Gods betoont Zich mild met de overvloedigheid zijner gaven. Zoo is dan zijner natuur niets zoo tegen als nijdigheid. In een woord. Jakobus zegt, dat Gods Geest niet regeert, waar kwade begeerten in zwang gaan, die ons tot ouderlingen twist opwekken: want het is den Geest eigen, dat Hij de menschen onderwijl met nieuwe gaven meer en meer verrijke. Ik blijf niet lang in andere uitleggingen te wederleggen. Sommigen leggen dit uit, dat de Geest begeert tegen de nijdigheid, hetwelk al te hard is, en gedwongen. Meerder genade geven, leggen zij uit, dat daardoor de begeerlijkheden getemd, en gematigd worden. Maar de zin, dien ik bijgebracht heb, is natuurlijker, namelijk, dat Hij ons door zijn weldadigheid van eene afgunstige nijdigheid aftrekt.
7 Daarom zijt Gode onderdanig, wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.
8 Naakt tot God, en Hij zal tot u genaken. Reinigt de handen, l) Gij dub- gij zondaren! en zuivert de harten, gij dubbelhartigen! l)
gemoed. 9 Zijt ellendig, treurt, en weent: want uw lachen zal in treuren
verkeeren, en uwe blijdschap in rouw.
1 Petr. 5:3. 10 Vernedert u voor God, en Hij zal u verhoogen.
De onderdanigheid, die hij beveelt, behoort tot de ootmoedigheid. Want hij vermaant niet alleen in het gemeen, dat wij Gode gehoorzaam zijn, maar vereischt onderwerping, want de Geest des Heeren is over de ootmoedigen en stillen. Daarom gebruikt hij het besluitende voegwoord: Daarom. Want omdat hij den Geest Gods mild geroemd had in zijn gaven te vermeerderen, daaruit besluit hij, dat wij den nijd afgelegd hebbende, Gode zullen onderworpen zijn. Vele handschriften hebben dezen zin daartusschen gesteld: Daarom zegt hij, God
JAKOBUS 4; 7, 8.
257
wederstaat den hoovaardige, maar den ootmoedige geeft Hij genade. Maar dewijl het in andere handschriften niet gelezen wordt, zoo vermoedt Erasmus, dat een lezer dit op den kant aangeteekend heeft, en dat het daarna in den tekst geslopen is. Hetwelk wel geschieden kon, hoewel het met den zin van den tekst zich niet kwalijk schikt. Want dat sommigen meenen, dat het ongerijmd is, dat dit als uit de Schrift aangehaald wordt, wat men toch alleen bij Petrus vindt, wordt lichtelijk weerlegd. Ik gis veelmeer, dat uit de gemeene leer der Schrift, deze rede als een gebruikelijk spreekwoord is geweest onder de Joden te dien tijde. En waarlijk, het bevat niets dan wat er staat, Ps. 18 : 28, Een ootmoedig volk zult gij Heere! zalig maken, en de oogen der hoovaardigen vernederen; alzoo in vele andere plaatsen. Wederstaat den duivel. Hij toont, waartegen wij behooren te strijden. Gelijk Paulus, Ef. 6: 12, zegt, dat wij den strijd niet hebben tegen vleesch en bloed, maar ons scherpt tot den geestelijken strijd. Nadat hij dan de zedigheid jegens de menschen, en onderdanigheid jegens God geleerd heeft, zoo stelt hij satan als een vijand voor, tegen welken wij behooren op te staan. Dat hij nochtans daarbij voegt de belofte van satans vlucht, schijnt door de dagelijksche ondervinding wederlegd te worden. Want het is zeker, hoe vromer iemand vecht, hoe dapperder hij besprongen wordt. Want het is den satan maar als een spel, wanneer hij niet met een ern-stigen kamp wederstaan wordt, maar tegen die hem wederstreven, legt hij al zijn kracht te werk. Ten andere, zoo wordt hij van vechten niet moede, maar in ée'n strijd overwonnen zijnde, begint ondertusschen een anderen. Ik antwoord, dat hier vlucht wordt genomen voor verdryving. En waarlijk, hoewel hij gedurig bespringt, zoo wijkt hij nochtans altijd, en wordt uitgesloten.
8 Naakt tot God. Hij vermaant wederom, dat ons Gods hulp niet ontbreken zal, zoo wij haar alleen plaats geven. Want als hij ons beveelt Gode te genaken, opdat wij Hem van nabij gevoelen, zoo verklaart hij, dat wij Gods genade ontberen, omdat wij ons onttrekken. Maar als God aan onze zijde is, hebben wij niet te vreezen onder te liggen. Maar zoo iemand uit deze plaats wilde invoeren, dat wij eerst moeten beginnen, en dat Gods genade daarna volgt; de apostel heeft niet gewild zoo iets te zeggen. En schoon wij ook dit doen moeten, daaruit volgt terstond niet, dat wij het vermogen. Wanneer ook de Geest Gods ons vermaant tot onzen plicht, zoo vermindert Hij Zichzelven of zijne kracht niet, dat Hij zelf in ons niet vervulle wat Hij ons beveelt. In ée'n woord. Jakobus heeft hier nie.t anders gewild, dan dat ons God nimmer ontbreekt, dan als wij ons van Hem vervreemden, alsof iemand de hongerigen van de tafel, en de dorstigen van de fontein wegvoerde. Dit onderscheid is er, dat onze paden van den Heere moeten geregeerd en onderhouden zijn, omdat de voeten ons ontbreken. Maar dat ze de uitvlucht nemen, dat Gods genade onze voorbereiding maar achterna komt als een dienstvrouw, omdat Jakobus zegt, dat God Zich bijvoegt in de tweede plaats, is ongegrond, aangezien wij weten hoe dit niet nieuw is, dat God zijn voorgaande gaven met nieuwe vermeerdert, en dat Hij alzoo meer en meer verrijkt, dien Hij aireede veel gegeven had. Zuivert de handen. Hier spreekt hij aan allen, die van God vervreemd zijn: en wijst geen twee soorten van menschen aan, maar dezelfden, die hij zondaars noemt, noemt hij ook dubbelhartigen.
17
Di. vm.
JAKOBUS 4:8â11.
Hij meent ook niet allerlei zondaars, maar die schandelijk zijn, en van verdorven leven. Gelijk Joh. 9 ; 31, God hoort de zondaars niet. In welken zin de vrouw bij Luk. 7 : 37 een zondares genoemd wordt. En gelijk bij Lukas en de andere evangelisten staat: Deze eet en drinkt met de zondaren, Matth. 11 : IQ, Mark. 2 : 15, Luk. 15 : 2. Hierom roept hij ze niet allen tegelijk tot die wijze der boete, waarvan hier vermeld wordt: maar die van kwaad en verdorven gemoed zijn, en van een vuil, boos of ook schandelijk leven; van dezen eischt hij zuiverheid des harten en reinheid der werken. Waaruit wij besluiten welke de rechte wijze en aard is der bekeering, namelijk als niet alleen het uitwendige leven gebeterd wordt, maar als men begint van de zuivering des harten, gelijk het wederom noodig is, dat de vruchten der inwendige bekeering in de vroomheid der werken blijken. Zyt ellendig, treurt. Christus verkondigt treurigheid als een vloek, dien die lachen. En Jakobus een weinig hierna dreigt de rijken in denzelfden zin, dat ze rouw hebben zullen. Dan, hier handelt hij van de zalige droefheid, die ons tot bekeering brengt. Hij spreekt die aan, welke in het verstand dronken zijnde, Gods oordeel niet gevoelen: alzoo geschiedt het, dat zij zich in hunne gebreken behagen. Opdat hij hun deze doodelijke verstoktheid wegneme, vermaant hij ze, dat ze leeren treuren, namelijk door de droefheid der conscientie geroerd zijnde, en dat ze aflaten zich te pluimstrijken en te kittelen, als het verderf ophanden is. Zoo wordt hier dan het gelach genomen voor de wellustigheid, die de goddeloozen zichzelven maken, als zij in de zoetheid der boosheden ongevoelig zijnde, Gods oordeel vergeten. Vernedert u. Dit is het besluit van het voorgaande: dat de genade Gods alsdan gereed zal zijn ons op te richten, als Hij zal zien, dat wij dien hoovaardigen geest afgelegd hebben. Daarom zijn wij nijdig en afgunstig, omdat wij naar het hooge staan. Dit is een verkeerde wijze. Want het is Gode eigen de verworpenen op te richten, en voornamelijk, die zich vanzelfs vernederen. Zoo wie dan een vaste hoogheid begeert, deze door het gevoelen zijner eigen zwakheid nedergeworpen zijnde, denke van zich niet dan wat nederig is. Augustinus zegt ergens terecht, gelijk een boom, opdat hij opwaarts groeie, nederwaarts diep wortelen moet, alzoo, zoo wie zijn hart niet vast heeft in den wortel der ootmoedigheid, die wordt verheven tot zijn val.
11 Broeders! wilt van elkander niet achterklappen. Die van zijn broeder achterklapt, of zijn broeder oordeelt, die lastert de wet, en oordeelt de wet. Zoo gij nu de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een richter.
12 Er is één Richter, die zalig maken en verdoemen kan. Wie zijt Bom. 14:4. gij, die een ander oordeelt?
Wij zien wat naarstigheid Jakobus doet om te verbeteren dien lust tot kwaadspreken. Want de geveinsdheid is altijd hoovaardig, en wij zijn van nature geveinsden, die ons met anderen te smaden gaarne verheffen. Daar is nog een ander gebrek aan de menschelijke natuur eigen, dat elk wil, dat alle man leve naar zijn goeddunken. Deze verwaandheid bestraft hier Jakobus eigenlijk, dat wij onzen broederen een wet des levens durven opleggen. Zoo neemt hij dan achterklap voor allerlei lasteringen en verdraaide redenen, die uit
258
JAKOBUS 4: tl, 12.
een kwaad en verkeerd gevoelen spruiten. Het kwaad van achterklap strekt zeer ver, maar hier drijft hij alleen dit eene soort, dat ik gezegd heb, namelijk als wij van der anderen doen en spreken, vermetel oordeelen, alsof onze korzelheid hem een wet moest zijn, als wij vrijelijk veroordeelen al wat ons niet behaagt. Dat zoodanige stoutheid hier bestraft wordt, blijkt uit de reden, die terstond daarbij gedaan is. Die zijn broeder achterklapt. Hij verklaart, dat zooveel recht ieder zich over zijne broederen aantrekt, hij zooveel de wet verkort. Zoo wordt dan dit lasteren tegen de wet, gesteld tegenover de eerbieding, die wij haar behooren te bewijzen. Paulus, Rom. 14; 4, behandelt bijna dezelfde zaak, hoewel hij daar uit een andere oorzaak bewogen is: want alzoo enkelen superstitieus waren in het verkiezen der spijzen, zoo veroordeelden zij in anderen wat zij zichzelven ongeoorloofd achtten te wezen. Zoo vermaant hij daar, dat er e'én Heere is, naar wiens welbehagen wij allen staan en vallen, en voor wiens rechterstoel wij allen moeten gesteld worden. Waaruit hij besluit, dat degene, die naar zijn gevoelen zijne broeders oordeelt, zich aantrekt wat God eigen is. Nu bestraft Jakobus die, welke met hunne broederen te veroordeelen als heilige lieden zochten vermaard te zijn, en daarom stellen zij hunne korzelheid in de plaats der Goddelijke wet. Doch hij strijdt met dezelfde rede van Paulus, namelijk dat wij verwaand doen, zoo wij onderstaan het leven onzer broederen te regeeren, dewijl Gods wet elkeen onder onderdanigheid brengt. Zoo worden wij dan geleerd niet te oordeelen, dan naar de wet Gods. Gij zijt geen dader der wet, maar een rechter. Zoo moet de rede gesteld worden : dewijl gij u aantrekt de macht over de wet Gods te oordeelen, zoo onttrekt gij u aireede van de onderdanigheid der wet. Zoo wie dan zijn broeder lichtvaardiglijk oordeelt, schudt Gods juk af, omdat hij zich den gemeenen regel des levens niet onderwerpt. Zoo is het dan een bewijsreden van het tegendeel, omdat het onderhouden der wet veel verschilt van deze vermetelheid, als de menschen aan hun zotten waan de kracht en autoriteit eener wet toeschrijven. Waaruit volgt, dat wij dan de wet houden, als wij gansch aan hare leer alleen hangen, en nergens elders uit het goed van het kwaad onderscheiden, gelijk ook aller menschen werken en woorden daarnaar moeten gericht worden. Zoo iemand daartegen werpt, dat de heiligen nochtans de wereld zullen oordeelen, 1 Cor. 6:2, daarop is licht te antwoorden, dat zulke eer hun door eigen recht niet toekomt, dan zoover zij leden van Christus zijn. Dat ze nu oordeelen naar de wet, daarin zijn zij geen rechters te achten, dewijl zij alleen hunnen God, die aller rechter is, gehoorzaam toestemmen. Zooveel God belangt, Hij moet geen maker der wet geacht worden, want zijne gerechtigheid is boven de wet. Want de wet vloeit uit de eeuwige en onmetelijke gerechtigheid Gods, als een beekje uit de fontein.
12 Eén wetgever. Als hij de macht van behouden en verderven aan het ambt des wetgevers toevoegt, zoo verklaart hij, dat die de gansche majesteit Gods zich aantrekken, die zichzelven het recht van een wet te stellen toekennen. Nu zijn ze zoodanig, die hun bedenken anderen voor een wet opdringen. Toch zullen wij gedenken, dat hier niet gehandeld wordt van die uiterlijke orde, waar de geboden en wetten der overheden plaats hebben: maar van het geestelijk bestuur der ziel, in hetwelk Gods Woord alleen behoort te regeeren.
259
JAKOBUS 4: 12,' 13.
260
i
Zoo is er dan één God, die de conscientiën met recht aan zijne wetten onderworpen heeft, gelijk Hij alleen de zaligheid of het verderf der ziel in zijne hand heeft. Hieruit blijkt wat men gevoelen zal van de geboden der menschen, die den conscientiën een strik der noodzakelijkheid aanwerpen. Sommigen eischen matigheid in ons, als wij den paus antichrist noemen, die de conscientiën tiranniseert, zich makende een wetgever Gode gelijk. Maar uit deze plaats besluiten wij nog veel meer, namelijk dat ze leden van den antichrist zijn, die zulke strikken gewillig aantrekken, en dat zij Christus in zooveel verzaken, als zij zich vergezelschappen met hem, die niet alleen een sterfelijk mensch is, maar zich tegen God' verheft. Het is, zeg ik, een overtredende gehoorzaamheid, en die men den duivel doet, als wij een anderen wetgever dan God om onze zielen te regeeren, toelaten. Wie zijt gij. Sommigen meenen, dat hier de berispers van hunne gebreken vermaand worden, dat ze zouden beginnen van zichzelven te onderzoeken, en bevindende, dat zij niet reiner zijn dan de anderen, van hunne strengheid aflaten. Ik acht, dat den menschen slechts hun staat voorgehouden wordt, dat ze denken, hoever zij van die hoogheid zijn, waartoe zij zich verheffen. Gelijk Paulus spreekt: wie zijt gij, die eens anders knecht oordeelt, Rom. 14:4.
13 Nu welaan gij, die zegt: Laat ons heden en morgen in de stad gaan, en daar een jaar liggen, koophandel doen, en winnen.
14 Gij, die niet weet wat morgen zijn zal, want watis uw leven: het is toch een damp, die een weinig verschijnt, daarna zoo verdwijnt hij.
15 Waarvoor gij zoudt zeggen: Zoo de Heere wil, en zoo wij leven, zullen wij dit, of dat doen.
16 Maar nu roemt gij in uwe prachten. Al zoodanige roem is kwaad.
17 Daarom, die goed weet te doen, en niet doet, dien is het zonde.
Hier bestraft hij een ander soort van hoovaardigheid, namelijk dat velen, die aan Gods voorzienigheid zouden hangen, stoutelijk besluiten wat zij doen zullen, en beschikken hunne raadslagen voor een langen tijd, alsof zij een langen loop der jaren in hun hand hadden, zoo zij toch van niet één oogenblik zeker zijn. Zoodanige dwaze !⢠beroeming werd ook door Salomo fijn belachen, als hij zegt: dat de menschen met het hart hunne wegen beschikken, doch dat God de tong regeert. Nu is het een groote onzinnigheid, dat wij vermeten uit te richten wat wij zelfs met de tong niet kunnen uitspreken. Jakobus bestraft niet de wijze van spreken, maar veelmeer de zorgeloosheid des harten, dat de menschen vergetende hun eigen zwakheid, zoo verwaand zijn. Want het kan altemet geschieden, dat de godzaligen, die van zichzelven nederig gevoelen, en bekennen dat hunne paden naar Gods wil geregeerd worden, nochtans wel zonder deze conditie zeggen, dat ze dit of dat doen zullen. Het is wel recht en nut, als wij iets beloven tegen den toekomenden tijd, dat men zich gewenne aldus te spreken: zoo het den Heere belieft, zoo het de Heere toelaat. Toch zal men daarvan geen conscientie maken, alsof het een lasterstuk ware het na te laten. Want wij lezen in vele plaatsen der Schrift, dat de dienaars Gods zonder deze conditie gesproken hebben van toekomende dingen, daar zij nochtans in hun oordeel vast hadden, dat zij zonder Gods toelating niets vermochten. Zooveel dan
JAKOBUS 4: 13, 14.
het gebruik van deze spreekwijze aangaat, namelijk, zoo de Heere het willen of het geven zal, die zullen alle godvruchtigen ernstig onderhouden. Maar Jakobus wekt op de plompigheid dergenen, die achteraanstellende het overwegen van de voorzienigheid Gods, den ganschen loop des jaars regeeren willen, zoo zij toch niet één oogenblik in hun macht hebben. Zij beloven zichzelven een gewin, dat nog ver is, waar zij nog niet vasthouden wat voorhanden is.
14 Want wat is uw leven ? Hij kon met vele andere redenen deze zotte vrijheid van raadslaan bedwingen. Want wij zien, hoe de Heere dagelijks deze hoovaardigen uitstrijkt, die zich prachtig beloven alles te doen. Dan, hij is met deze eene bewijsreden tevreden: wie heeft u het leven beloofd tot morgen, zult gij dood zijnde doen, wat gij zoo dapper voorneemt? Want die de kortheid des levens gedenkt, diens stoutigheid wordt lichtelijk bedwongen, dat hij zijne beradingen niet al te ver uitstrekt. Ja dat zich de ongoddelijke menschen zooveel toegeven, geschiedt uit geen andere oorzaak, dan dat zij vergeten, dat ze menschen zijn. Met de gelijkenis van den damp geeft hij fijn te kennen, dat die raadslagen meer dan ijdel zijn, die alleen in de schaduw des levens bestaan. Zoo de Heere wil. Daar wordt tweeërlei conditie gesteld, de eerste, zoo wij zoo lang leven, de andere, zoo het de Heere zal toelaten. Want veel kan daar invallen, hetwelk, wat bij ons besloten was, omkeert: want de afloop van wat toekomende is, is ons onbekend. Door den wil, verstaat hij niet dien God in zijn wet uitgedrukt heeft, maar dien raad, waardoor Hij alles regeert. Maar nu roemt gij. Uit deze woorden kan men besluiten, dat Jakobus wat meer berispt dan een licht voorbijgaande rede. Gü roemt, zegt hij, in uwe trotschheden, dat is schoon zij God zijn regeering benamen, zoo hebben zij desniettemin zich daarin behaagt. Niet dat ze zich openlijk boven God stellen, zelfs niet die het meest opgeblazen zijn door het betrouwen op zichzelf, maar omdat zij, dronken zijnde in de ijdelheid hunner zinnen, op geen ding minder zien dan op God. En overmits zulke vermaningen van de ongoddelijke menschen plegen verachtelijk ontvangen te worden, ja dit antwoord hoort men terstond, dat ze beter weten wat men hun voorhoudt, dan dat ze behoeven vermaand te worden, zoo keert hij tegen hen de kennis, waarop zij roemen konden, verklarende dat zij des te zwaarder zondigen, omdat ze niet uit onwetendheid, maar uit verachting zondigen.
HET VIJFDE HOOFDSTUK.
1 Welaan, gij rijken! weent en huilt over uwe ellendigheden, die u toekomen zullen.
2 Uwe rijkdommen zijn verrot, en uwe kleederen zijn van de motten gegeten.
3 Uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u tot getuigenis zijn, en zal uw vleesch eten gelijk een vuur. Gij hebt een schat vergaderd in de laatste dagen.
261
JAKOBUS 5 :1, 2.
4 Ziet, het loon der arbeiders, die uw land gemaaid hebben, en van u verkort is, roept; en de roep der maaiers is gekomen in de ooren des Heeren der Heirscbaren.
5 Gij hebt in geneugte ') geleefd op de aarde, en uwen wellust gehad, gij hebt uwe harten geweid, als in den dag der slachting.
6 Gij hebt den rechtvaardige veroordeeld en gedood, en hij heeft u niet wederstaan.
Zij falen, naar mijn oordeel, die meenen dat Jakobus hier de rijken vermaant tot bekeering. Het dunkt mij meer een eenvoudige aankondiging van het oordeel Gods te zijn, waarmede hij ze heeft willen verschrikken zonder hope van vergeving, want al wat hij zegt, strekt niet dan tot wanhoop. Hierom zoo spreekt hij ze niet aan, dat hij ze tot betering noode, maar hij ziet meer op de geloovigen, dat die, hoorende den onzaligen uitgang der rijken, hun voorspoed niet benijden. Ten andere, opdat ze met een geduldig en stil hart het onrecht dragen, dat ze lijden, wetende, dat God het wreken zal. Hij spreekt ook niet alle rijken aan, maar die, welke in wellusten verdronken, en door hoogmoed opgeblazen zijnde, niet denken dan op de wereld, die als onuitputtelijke kuilen alles opeten, die tirannisch anderen kwellen, als uit den tekst zal blijken.ij falen, naar mijn oordeel, die meenen dat Jakobus hier de rijken vermaant tot bekeering. Het dunkt mij meer een eenvoudige aankondiging van het oordeel Gods te zijn, waarmede hij ze heeft willen verschrikken zonder hope van vergeving, want al wat hij zegt, strekt niet dan tot wanhoop. Hierom zoo spreekt hij ze niet aan, dat hij ze tot betering noode, maar hij ziet meer op de geloovigen, dat die, hoorende den onzaligen uitgang der rijken, hun voorspoed niet benijden. Ten andere, opdat ze met een geduldig en stil hart het onrecht dragen, dat ze lijden, wetende, dat God het wreken zal. Hij spreekt ook niet alle rijken aan, maar die, welke in wellusten verdronken, en door hoogmoed opgeblazen zijnde, niet denken dan op de wereld, die als onuitputtelijke kuilen alles opeten, die tirannisch anderen kwellen, als uit den tekst zal blijken. Weent en huilt. Het leedwezen heeft ook wel zijnen rouw, maar die met troost vermengd zijnde, komt niet tot weenen. Zoo verklaart dan Jakobus, dat de vloek Gods over de rijken zoo zwaar, schrikkelijk, en gruwzaam wordt, dat ze zullen gedwongen zijn in huilen uit te breken. Alsof hij met e'e'n woord zeide: wee u. Maar dit is ook een profetische wijze van spreken, als men den goddeloozen alzoo voorstelt de straffen, die ze te verwachten hebben, dat ze als daarbij getrokken worden om die aanwezig zijnde te zien. Dewijl zij dan zich nu pluimstrijken, en zichzelven toezeggen dat de fortuin, in welke zij zich zalig achten, eeuwig zal zijn, zoo verklaart hij, dat hun zeer zware jammeren aanstaande zijn.
2 Uwe rijkdommen. De zin kan tweëerlei zijn, of dat hij belacht hun zot betrouwen, dewijl de rijkdommen, in welke zij hun zaligheid stellen, meer dan vergankelijk zijn, ja dat ze met een wind Gods tot niet gebracht kunnen worden; of dat hij berispt hunne onver-zadelijke gierigheid, omdat ze alleen daartoe rijkdom vergaderen, opdat het zonder eenig nut verga. Deze tweede zin past beter. Dit is wel waar, dat de rijken onzinnig zijn, die in zulke ijdele dingen, als daar zijn kleederen, goud, zilver, en dergelijke beroemen, aangezien dit niet anders is dan zijne heerlijkheid den roest en motten onderwerpen. Voorts is dit genoeg bekend, dat wat kwalijk vergaard is, haast vergaat, want Gods vloek verteert het al weg. Het is ook niet billijk, dat de goddeloozen, of hun erfgenamen die goederen genieten, die zij als met geweld uit Gods hand getrokken hebben. Maar omdat Jakobus hier de gebreken optelt, door welke de rijken op zich laden die ellendigheid, die hij vermeld heeft, zoo vereischt de tekst (naar mijn gevoelen) dat wij zeggen, dat hier die onmatige plukking der rijken gehekeld wordt, als zij vasthouden wat ze van elders tot zich kunnen trekken, opdat het doelloos in de kist verrotte: want alzoo geschiedt, dat zij hetgeen God tot der menschen nut geschapen had, verderven als vijanden der mensche-lijke natuur. Dan, wij moeten opmerken, dat de feilen, die hij hier
262
1) Anders: Gy zijt kostelijk of overvloedig geweest.
JAKOBUS 5 : 2â5.
verhaalt niet ieder toekomen: want sommige rijken geven zich toe in lekkernijen, sommigen brengen veel door in pracht en pronkerij, ettelijken hun nooddruft te kort doende, leven in hun ellendige gierigheid. Daarom, laat ons weten, dat verscheidene zonden ver-scheidenerwijze verweten worden, maar in 't gemeen worden zij veroordeeld, die hun rijkdommen onrechtvaardig verzamelen, of kwalijk gebruiken. Wat Jakobus nu zegt, komt niet alleen den geheel gie-rigen rijke toe, gelijk die Euclio bij Plautus beschreven is, maar ook sommigen, die anderszins sierlijk en kostelijk leven, die liever hebben dat de hoop der rijkdommen bij hen verderft, dan dat ze dien besteden tot noodig gebruik: want sommigen zijn zoo afgunstig, dat ze kwalijk lijden, dat de zon en lucht anderen gemeen is.
3 Het zal u tot een getuigenis. Dit bevestigt de uitlegging, die ik boven bijgebracht heb. Want God heeft het goud niet geschikt voor den roest, noch de kleederen voor de mot, maar heeft veelmeer gewild, dat deze dingen zouden zijn behulpselen des mensche-lijken levens. Hierom de vertering zonder het gebruik zal een getuige hunner onmenschelijkheid zijn. De verrotting van goud en zilver wordt een stof om des Heeren toorn te ontsteken, die ze als een vuur verteert. Gij hebt een schat verzameld. Dit kan ook op tweëerlei wijs uitgelegd worden, dat de rijken, alsof zij altijd leven zouden, nimmermeer verzadigd zijn, maar pogen te verzamelen, wat genoeg is tot het einde der wereld, of dat ze Gods toorn en vloek vergaderen tegen den laatsten dag, welke tweede uitlegging ik liever aanneem.
4 Ziet het loon. Nu hekelt hij hun wreedheid, die een gedurige metgezellin is der gierigheid. Toch roert hij alleen aan een zaak, die boven anderen gehaat is: want zoo een beleefd en bescheiden man acht heeft op zijn beest, gelijk Salomo zegt Spr. 12 : 10, zoo is dit een ongehoorde wreedheid, als de eene mensch over den anderen mensch, wiens zweet hij te zijne bate opzuipt, met geen barmhartigheid geroerd wordt. Hierom verbiedt de Heere strengelijk in de wet, dat het loon des arbeiders bij ons niet overnachte, Lev. IQ: 13. Deut. 24: 14. Hierenboven noemt Jakobus niet allerlei werklieden: maar (opdat hij de zaak te zwaarder make) de akkerlieden en maaiers. Wat is er toch onredelijker dan die, die ons het brood door hun arbeid toebrengen, van gebrek en honger te doen vergaan? Nochtans is dit zeldzaam stuk zeer gemeen, want velen hebben een tirannischen aard, die meenen dat het menschelijk geslacht alleen voor hen leeft. Verder zegt hij, dat het loon roept, want al wat eens anders is, en van de menschen door bedrog, of onrecht vastgehouden wordt, dat begeert wraak als met een luide stem. Daar is op te merken, dat hij daarbij stelt, dat het geschrei der armen tot Gods ooren komt, opdat wij weten, dat het onrecht niet ongestraft zal blijven. Hierom laat ze geduldig zijn, die van de onge-rechtigen verdrukt worden, want zij zullen God tot een wreker hebben. Laat ze zich van onrecht onthouden, die de macht hebben te beschadigen, opdat ze God niet tegen zich verwekken, die der armen voogd en voorstander is. Hierom noemt hij Hem Heer der Heirscharen, aanwijzende zijn mogendheid en krachten, opdat hij hun Gods oordeel te vreeselijker make.
5 In wellusten. Nu komt hij tot een ander gebrek, namelijk tot overdaad en wellust: want die de mate te buiten gaan, matigen zich zelden zoo, dat ze niet hun overvloed tot onmatige lekkernij
263
JAKOBUS 5:1, 2.
4 Ziet, het loon der arbeiders, die uw land gemaaid hebben, en van u verkort is, roept; en de roep der maaiers is gekomen in de ooren des Heeren der Heirs char en.
5 Gij hebt in geneugte ') geleefd op de aarde, en uwen wellust gehad, gij hebt uwe harten geweid, als in den dag der slachting.
6 Grij hebt den rechtvaardige veroordeeld en gedood, en hij heeft u niet wederstaan.
Zij falen, naar mijn oordeel, die meenen dat Jakobus hier de rijken vermaant tot bekeering. Het dunkt mij meer een eenvoudige aankondiging van het oordeel Gods te zijn, waarmede hij ze heeft willen verschrikken zonder hope van vergeving, want al wat hij zegt, strekt niet dan tot wanhoop. Hierom zoo spreekt hij ze niet aan, dat hij ze tot betering noode, maar hij ziet meer op de geloovigen, dat die, hoorende den onzaligen uitgang der rijken, hun voorspoed niet benijden. Ten andere, opdat ze met een geduldig en stil hart het onrecht dragen, dat ze lijden, wetende, dat God het wreken zal. Hij spreekt ook niet alle rijken aan, maar die, welke in wellusten verdronken, en door hoogmoed opgeblazen zijnde, niet denken dan op de wereld, die als onuitputtelijke kuilen alles opeten, die tirannisch anderen kwellen, als uit den tekst zal blijken.ij falen, naar mijn oordeel, die meenen dat Jakobus hier de rijken vermaant tot bekeering. Het dunkt mij meer een eenvoudige aankondiging van het oordeel Gods te zijn, waarmede hij ze heeft willen verschrikken zonder hope van vergeving, want al wat hij zegt, strekt niet dan tot wanhoop. Hierom zoo spreekt hij ze niet aan, dat hij ze tot betering noode, maar hij ziet meer op de geloovigen, dat die, hoorende den onzaligen uitgang der rijken, hun voorspoed niet benijden. Ten andere, opdat ze met een geduldig en stil hart het onrecht dragen, dat ze lijden, wetende, dat God het wreken zal. Hij spreekt ook niet alle rijken aan, maar die, welke in wellusten verdronken, en door hoogmoed opgeblazen zijnde, niet denken dan op de wereld, die als onuitputtelijke kuilen alles opeten, die tirannisch anderen kwellen, als uit den tekst zal blijken. Weent en huilt. Het leedwezen heeft ook wel zijnen rouw, maar die met troost vermengd zijnde, komt niet tot weenen. Zoo verklaart dan Jakobus, dat de vloek Gods over de rijken zoo zwaar, schrikkelijk, en gruwzaam wordt, dat ze zullen gedwongen zijn in huilen uit te breken. Alsof hij met één woord zeide: wee u. Maar dit is ook een profetische wijze van spreken, als men den goddeloozen alzoo voorstelt de straffen, die ze te verwachten hebben, dat ze als daarbij getrokken worden om die aanwezig zijnde te zien. Dewijl zij dan zich nu pluimstrijken, en zichzelven toezeggen dat de fortuin, in welke zij zich zalig achten, eeuwig zal zijn, zoo verklaart hij, dat hun zeer zware jammeren aanstaande zijn.
2 Uwe rijkdommen. De zin kan tweëerlei zijn, of dat hij belacht hun zot betrouwen, dewijl de rijkdommen, in welke zij hun zaligheid stellen, meer dan vergankelijk zijn, ja dat ze met een wind Gods tot niet gebracht kunnen worden; of dat hij berispt hunne onver-zadelijke gierigheid, omdat ze alleen daartoe rijkdom vergaderen, opdat het zonder eenig nut verga. Deze tweede zin past beter. Dit is wel waar, dat de rijken onzinnig zijn, die in zulke ijdele dingen, als daar zijn kleederen, goud, zilver, en dergelijke beroemen, aangezien dit niet anders is dan zijne heerlijkheid den roest en motten onderwerpen. Voorts is dit genoeg bekend, dat wat kwalijk vergaard is, haast vergaat, want Gods vloek verteert het al weg. Het is ook niet billijk, dat de goddeloozen, of hun erfgenamen die goederen genieten, die zij als met geweld uit Gods hand getrokken hebben. Maar omdat Jakobus hier de gebreken optelt, door welke de rijken op zich laden die ellendigheid, die hij vermeld heeft, zoo vereischt de tekst (naar mijn gevoelen) dat wij zeggen, dat hier die onmatige plukking der rijken gehekeld wordt, als zij vasthouden wat ze van elders tot zich kunnen trekken, opdat het doelloos in de kist verrotte: want alzoo geschiedt, dat zij hetgeen God tot der menschen nut geschapen had, verderven als vijanden der mensche-lijke natuur. Dan, wij moeten opmerken, dat de feilen, die hij hier
262
1) Anders: Gü zijt kostelijk of overvloedig geweest.
JAKOBUS 5; 2â5.
verhaalt niet ieder toekomen: want sommige rijken geven zich toe in lekkernijen, sommigen brengen veel door in pracht en pronkerij, ettelijken hun nooddruft te kort doende, leven in hun ellendige gierigheid. Daarom, laat ons weten, dat verscheidene zonden ver-scheidenerwijze verweten worden, maar in 't gemeen worden zij veroordeeld, die hun rijkdommen onrechtvaardig verzamelen, of kwalijk gebruiken. Wat Jakobus nu zegt, komt niet alleen den geheel gie-rigen rijke toe, gelijk die Euclio bij Plautus beschreven is, maar ook sommigen, die anderszins sierlijk en kostelijk leven, die liever hebben dat de hoop der rijkdommen bij hen verderft, dan dat ze dien besteden tot noodig gebruik: want sommigen zijn zoo afgunstig, dat ze kwalijk lijden, dat de zon en lucht anderen gemeen is.
3 Het zal u tot een getuigenis. Dit bevestigt de uitlegging, die ik boven bijgebracht heb. Want God heeft het goud niet geschikt voor den roest, noch de kleederen voor de mot, maar heeft veelmeer gewild, dat deze dingen zouden zijn behulpselen des mensche-lijken levens. Hierom de vertering zonder het gebruik zal een getuige hunner onmenschelijkheid zijn. De verrotting van goud en zilver wordt een stof om des Heeren toorn te ontsteken, die ze als een vuur verteert. Gij hebt een schat verzameld. Dit kan ook op tweëerlei wijs uitgelegd worden, dat de rijken, alsof zij altijd leven zouden, nimmermeer verzadigd zijn, maar pogen te verzamelen, wat genoeg is tot het einde der wereld, of dat ze Gods toorn en vloek vergaderen tegen den laatsten dag, welke tweede uitlegging ik liever aanneem.
4 Ziet het loon. Nu hekelt hij hun wreedheid, die een gedurige metgezellin is der gierigheid. Toch roert hij alleen aan een zaak, die boven anderen gehaat is: want zoo een beleefd en bescheiden man acht heeft op zijn beest, gelijk Salomo zegt Spr. 12 : 10, zoo is dit een ongehoorde wreedheid, als de eene mensch over den anderen mensch, wiens zweet hij te zijne bate opzuipt, met geen barmhartigheid geroerd wordt. Hierom verbiedt de Heere strengelijk in de wet, dat het loon des arbeiders bij ons niet overnachte. Lev. IQ: 13. Deut. 24: 14. Hierenboven noemt Jakobus niet allerlei werklieden: maar (opdat hij de zaak te zwaarder make) de akkerlieden en maaiers. Wat is er toch onredelijker dan die, die ons het brood door hun arbeid toebrengen, van gebrek en honger te doen vergaan? Nochtans is dit zeldzaam stuk zeer gemeen, want velen hebben een tirannischen aard, die meenen dat het menschelijk geslacht alleen voor hen leeft. Verder zegt hij, dat het loon roept, want al wat eens anders is, en van de menschen door bedrog, of onrecht vastgehouden wordt, dat begeert wraak als met een luide stem. Daar is op te merken, dat hij daarbij stelt, dat het geschrei der armen tot Gods ooren komt, opdat wij weten, dat het onrecht niet ongestraft zal blijven. Hierom laat ze geduldig zijn, die van de onge-rechtigen verdrukt worden, want zij zullen God tot een wreker hebben. Laat ze zich van onrecht onthouden, die de macht hebben te beschadigen, opdat ze God niet tegen zich verwekken, die der armen voogd en voorstander is. Hierom noemt hij Hem Heer der Heirscharen, aanwijzende zijn mogendheid en krachten, opdat hij hun Gods oordeel te vreeselijker make.
5 In wellusten. Nu komt hij tot een ander gebrek, namelijk tot overdaad en wellust: want die de mate te buiten gaan, matigen zich zelden zoo, dat ze niet hun overvloed tot onmatige lekkernij
263
JAKOBUS 5: 5â7.
misbruiken. Daar zijn wel sommige rijken, gelijk ik gezegd heb, die in hun overvloed honger lijden, want de dichters hebben niet zonder oorzaak versierd een Tantalus, die aan een welvoorzienen disch hongerig zat. Maar gelijk gezegd is, Jakobus spreekt niet van een iegelijk. Het is genoeg, dat wij dit gebrek gemeenlijk onder de rijken I zien regeeren, dat ze om hun goede sier al te kostelijk en overvloedig zijn. Hoewel hun de Heere toelaat van het hunne mildelijk te leven, zoo moeten zij nochtans altijd de gulzigheid mijden, en soberheid onderhouden. Want niet zonder oorzaak bestraft de Heere door zijne profeten zoo scherpelijk degenen, die op ivoren bedden ) slapen, die met kostelijke zalf overgoten zijn, die zich gemakkelijk onder den drank vermaken met snarenspel, die daar zijn als vette koeien op de vette weiden, Amos 6:4. Want dit alles wordt hierom gezegd, opdat wij weten, dat men in de wellusten maat moet houden, en dat de onmatigheid Gode mishaagt. De harten opvoeden, be-teekent zichzelven te goed doen, niet alleen tot verzading der natuur, maar tot wellust der begeerlijkheid. Hij doet daar een gelijkenis bij, als in den dag der slachting, omdat men bij plechtige offerfeesten wat meer placht te eten, dan van den dagelijkschen kost. Zoo zegt hij dan, dat de rijken gedurende hun gansche leven kermis houden, dewijl zij altijd in wellusten verdronken liggen.
6 Gij hebt veroordeeld. Daar volgt een ander soort van wreedheid, dat de rijken door hun macht de zwakken verdrukken, en omverwerpen. Hij zegt als bij gelijkenis, dat de gerechtigen van hen gedood en veroordeeld worden. Want ofschoon zij die al niet met de hand vermoorden, noch het werk doen dèr rechteren, dewijl zij nochtans hun macht, die ze hebben, aanleggen om te beschadigen, als zij het recht verkeeren, en verscheiden listen versieren om die onschuldigen te verdoen, dat is in der waarheid dooden, en verdoemen. Als hij daartoe doet, dat de gerechtige niet wederstaat, verklaart hij hoe de rijken te stouter worden, omdat die zij vertreden, van allen bijstand beroofd zijn. Toch vermaant hij, dat de wraak Gods des te gereeder en vaardiger wordt, omdat de arme van de menschen geen bescherming heeft. Maar hoewel de gerechtige daarom geenen wederstand doet, omdat hij het onrecht lijdzamelijk dragen moet, nochtans acht ik, dat hierbenevens ook zijn onvermogen aangewezen wordt, namelijk dat hij niet wederstaat, omdat hij ongewapend, en van aller menschen hulp verlaten is.
7 Daarom, broeders! zijt lankmoedig tot de toekomst des Heeren. Ziet, de landman verbeidt de kostelijke vrucht der aarde, zich geduldig daarover gedragende, totdat hij den vroegen en spaden regen ontvangt.
8 Zoo zijt dan ook gij lijdzaam, en sterkt uwe harten, want de toekomst des Heeren naakt.
9 Broeders! zucht niet tegen elkander, opdat gij niet veroordeeld wordt. Ziet, de rechter staat voor de deur.
7 Lankmoedig. Uit dit besluit volgt, dat hetgeen er totnogtoe gezegd is tegen de rijken, tot troost dergenen behoort, die voor een tijd schenen gesteld geweest te zijn, om van dezelven ongestraft onrecht te lijden: want verhaald hebbende de oorzaken der ellendigheden, die de rijken nakende zijn, en dat hij onder anderen deze eene ge-
264
JAKOBUS 5 : 7â9.
steld heeft, dat zij hoovaardig en wreed over de armen geregeerd hebben, zoo stelt hij terstond daarbij, dat wij, die ten onrechte verdrukt worden, stof hebben van lijdzaamheid, omdat God rechter zijn zal. Want dit is zijn meening, als hij zegt: tot de komst des Heeren, namelijk dat alle dingen niet altijd onordelijk zullen toegaan, gelijk nu in de wereld gezien wordt, omdat de Heere met zijn toekomst de wereld weder in orde zal brengen, waaruit het hart goeden moed zal scheppen. Want ook niet zonder oorzaak wordt ons beloofd, dat alle dingen in dien dag zullen hersteld worden. Doch hoewel overal meest in de Schrift de dag des Heeren genoemd wordt voor elke openbaring zijns oordeels en zijner genade, als Hij de zijnen helpt en de goddeloozen straft, zoo wil ik nochtans liever deze plaats van de laatste verlossing uitleggen. Ziet de landman. Paulus roert dezelfde gelijkenis aan, 2 Tim. 2 :6, als hij zegt, dat de landman eerst arbeiden moet, eer hij de vruchten verzamele. Maar de rede van Jakobus is wat klaarder, want hij verhaalt de langdurige lijdzaamheid des landmans, die gezaaid hebbende, gerust, of immers geduldig verwacht, dat de tijd des oogstes kome, omdat de aarde niet terstond rijpe vruchten voortbrengt. Waaruit hij besluit, dat wij niet bovenmate moeten beangst zijn, zoo wij nu moeten arbeiden en zaaien tot den dag des Heeren, als de oogst verschijnt. Een kostelijke vrucht verklaar ik alzoo genoemd te zijn, omdat het een voedsel is, en middel van ons leven te onderhouden. Aldus verklaart Jakobus: dewijl de landman zijn leven, dat hem zoo kostelijk is, in den schoot der aarde lang laat verborgen liggen, en zijn begeerte van de vruchten in te zamelen stil opschort, dat wij al te haastig en ontijdig zijn, zoo wij niet met geduldig hart den dag onzer verlossing verwachten. Het is onnoodig de andere deelen der gelijkenis in 't bijzonder na te gaan. Den vroegen regen. Met deze twee toevoegingen worden twee tijden aangewezen. De eerste, die spoedig volgt na den zaaitijd, de ander, als de vruchten rijp worden. Alzoo spreken de profeten, als zij willen uitdrukken den bekwamen tijd des regens, dien Mozes beloofd heeft, Deut. 28 : 12, Joel 2 :23 en Hozea 6: 3. Hij verhaalt hier ook beiden, om te beter uit te drukken, dat de akkerlieden door den langen tijd niet verdrietig worden, en den moed laten zinken, wanneer ze lijdzaam vertoeven.
8 Sterkt uwe harten. Opdat niemand tegenwerpe, dat de tijd der verlossing te lang uitgesteld wordt, zoo voorkomt hij dit, zeggende, dat de Heere nabij is, of (wat hetzelfde is) dat zijn toekomst naakt. Intusschen beveelt hij, dat men betere de weekhartigheid, die ons verzwakt, dat wij in de hope niet zouden volharden. En waarlijk, daarom dunkt ons de tijd lang, omdat wij al te teer en gemakkelijk zijn. Zoo moet men dan kracht grijpen om te volharden. Nu kan die niet beter genomen worden dan uit de hope, en als uit het aanschouwen der aanstaande toekomst des Heeren.
9 Zucht niet. Omdat men velen hoort klagen, dat ze harder behandeld worden dan anderen, zoo wordt deze plaats van sommigen alzoo uitgelegd, alsof Jakobus een ieder beval met zijnen staat tevreden te zijn. anderen niet te benijden, nöch kwalijk te nemen, dat anderen een dragelijker staat hebben. Maar ik leg dit anders uit. Want naardien hij gesproken heeft van den ongelukkigen afloop dergenen, die de goede en stille lieden met hun tirannie overlast
265
266 JAKOBUS 5:9, 10.
aandoen, zoo vermaant hij nu de geloovigen, dat ze onder elkander 'i bescheiden zijn, en gewillig om de feilen te vergeven. Dat dit de
rechte zin is, kan men afleiden uit de reden daarbij gedaan. En wilt, zegt hij, tegen elkander niet klachtig vallen, dat gy allen niet veroordeeld wordt. Wij mogen wel zuchten als ons iets kwaads benauwt, maar hij verstaat het zuchten der aanklagers, als de een den ander bij den Heere verklaagt. Nu verklaart hij, dat het geschieden zal, dat zij allen veroordeeld worden in dezer voege, aangezien daar niemand is, die zijne broeders niet verbelgt, en oorzaak geeft van zuchten. Zoo nu ieder klaagt, zoo zullen zij allen elkander beschuldigen; want niemand is er zoo onschuldig, die niet sommigen beschadigd heeft; God zal ze allen in 't gemeen oordeelen. Wat zal daar dan geschieden, dan dat een ieder het oordeel ont-vange, dat hij over anderen begeert gesproken te zijn, en dat ze allen tot elkanders verderf verhoord worden. Hierom eischte niemand wrake over anderen, dan die ze begeert op zijn hals te laden. En opdat ze niet onbedachtelijk tot zoodanige klachten uitvallen, zoo verklaart hij, dat de rechter voor de deur staat. Want alzoo wij genegen zijn om den naam Gods te ontheiligen, zoo beroepen wij ons ook in de geringste misgrijpen op zijn oordeel. Nu is er geen bekwamer breidel om onze lichtvaardigheid te bedwingen, dan zoo wij overleggen, dat onze vloeken in de lucht niet verzwinden, dewijl Gods gericht nabij is.
10 Mijne broeders! neemt tot een exempel des lijdens en der lankmoedigheid de profeten, die in des Heeren naam gesproken hebben.
11 Ziet, wij prijzen ze zalig, die lijden. Gij hebt gehoord de lijdzaamheid van Job, en gezien het einde des Heeren, dat Hij zeer barmhartig is en ontfermende.
io Neemt tot een exempel. De troost, dien hij bijbrengt, is die niet, waarvan men gemeenlijk spreekt, bijvoorbeeld dat de ellendigen be-geeren eenige metgezellen in hun tegenspoed te hebben. Dan, hij stelt die voor tot metgezellen, onder welker getal wenschelijk is gerekend te worden, en met welke een gemeenen staat te hebben, geen ellendige staat kan wezen. Want daar wij in de uiterste treurigheid moeten zijn, wanneer ons iets kwaads toekomt, hetwelk de kinderen Gods niet ondervonden hebben, alzoo is dit een bijzondere troost, als wij weten, dat wij geen onderscheiden lijden van hen hebben. Ja als wij bekennen, dat wij geschikt worden, om een gelijk juk met hen te dragen. Als Job hoorde, hfdst. 5 : 1, van zijne vrienden: Keer u tot de heiligen, of gij één vinden zult, die u gelijk is, dit was een stem des satans, waarmede satan hem in wanhoop wilde nederwerpen. Daarentegen, als ons de Geest door den mond van Jakobus tot een goede hope wil oprichten, zoo toont Hij ons, hoe alle heiligen voorgaan, die ons als de hand bieden, en met hun exempel trekken om de ver-drukkingen aan te nemen en te overwinnen. Het leven der menschen is wel in 't gemeen ellendigheden en tegenspoeden onderworpen, maar Jakobus stelt ons ieder tot geen exempel, want het zou niet baten met de menigte verloren te gaan: maar hij kiest de profeten uit, welker gemeenschap zalig is. Daar is niets anders dat ons krachteloos en moedeloos maakt, dan het gevoel der ellendigheid.
«V
JAKOBUS 5 : 10, 11.
Hierom is dit een rechte troost, als wij gevoelen dat, wat men gemeenlijk kwaad acht, ons een behulpsel der zaligheid is. Dit is wel zeer vreemd van den zin des vleesches: nochtans moeten de geloovigen dit houden, dat ze gelukkig zijn, als zij van den Heere met menigerlei ellenden beproefd worden. Opdat Jakobus dit duidelijk make, zoo vermaant hij, dat men het eind der verdrukkingen in de profeten moet bedenken. Want wijl wij in onze eigen tegenheden door droefheid, treurigheid, of eenige andere onmatige beweging bevangen zijn, zoo zijn wij beroofd van oordeel, en als door een storm gedreven zijnde onder een beroerlijken hemel, en in 't midden des onweders zien wij gansch niets. Hierom is het noodig elders heen de oogen te keeren, waar de hemel als schoon en helder is. Als de verdrukkingen der heiligen ons verhaald worden, niemand bekent ze ellendig, maar veelmeer zalig geweest te zijn. Zoo stelt dan Jakobus terecht dit exempel voor oogen, dat wij leeren daarop te zien, zoo dikwijls wij met ongeduld of wanhoop verzocht worden. Maar hij neemt dit voor een grondstuk, dat de profeten in hun lijden zalig geacht zijn, omdat ze hetzelve standvastig droegen. 'tWelk zoo zijnde, zoo moet men gelijkelijk oordeelen (besluit hij) als wij verdrukt worden. Hij zegt de profeten, die in des Heeren naam gesproken hebben, waarmede hij verklaart, dat ze Gode aangenaam en bevallig geweest zijn. Hierom, zoo het hun nut geweest ware van ellendigheden bevrijd te zijn. God had ze zonder twijfel vrijgehouden. Nu heeft Hij dat niet gedaan: daaruit volgt dan, dat het lijden den geloovigen zalig is. In dien zin wil hij, dat ze als voorbeelden des lijdens aangenomen worden. Maar de lijdzaamheid moet daarbij komen, die het rechte getuigenis is onzer gehoorzaamheid. Daarom heeft hij beide samengevoegd.
ii De lijdzaamheid van Job. Hij heeft van de profeten in 't algemeen gesproken. Nu kiest hij een exempel uit dat boven anderen opmerkelijk is. Want niemand als Job (zooveel men uit de historie verstaan kan) is ooit zoo overvallen geweest met zoo harde en velerlei ellendigheden. Nochtans is hij uit dien diepen afgrond opgekomen. Zoo wie dan diens lijdzaamheid navolgen zal, die zal zonder twijfel Gods hand desgelijks ondervinden, die hem ten laatste verlossen zal. Wij zien tot wat einde de historiën geschreven zijn. God heeft zijn dienaar Job, omdat hij de verdrukkingen zoo lijdzaam verdroeg, niet laten onderdrukt worden: zoo zal Hij dan niemands lijdzaamheid beschaamd laten blijven. Doch wordt hier gevraagd waarom de apostel Jobs lijdzaamheid zoozeer prijst, zoo hij nochtans door een blinde beweging gedreven, vele teekenen der onlijdzaamheid toont? Ik antwoord, schoon hij somtijds uit zwakheid des vleesches struikelt, en in zichzelven opstandig is, dat hij nochtans altijd hierin eindigt, dat hij zich Gode ganschelijk overgeeft, en zich aanbiedt, om van Hem gebreideld en geregeerd te worden. Het einde des Heeren. Met dit woord verklaart hij, dat men van het lijden altijd uit het einde moet oordeelen, want God schijnt in den beginne verre te zijn; tijdens die beroerte loopt satan zeer stoutelijk al razende, het vleesch geeft ons in, dat wij van God verlaten en verraden zijn: zoo moeten wij dan verder zien, aangezien ons van nabij geen licht verschijnt. Dan, hij heeft gezegd het einde des Heeren, omdat het Hem toekomt in tegenspoed een goeden afloop te geven. Zoo wij ons kwijten met gehoorzaam te verdragen,
267
268 JAKOBUS 5; 11, 12.
Hij zal van zijne zijde geenszins ontbreken. Zoo slechts de hope ons ' op den uitgang drijve, God zal zich desgelijks aldaar meer dan barm
hartig betoonen, hoewel Hij hard en straf schijnt, zoolang Hij slaat.
12 Vóór alle dingen, mijne broeders! zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch een anderen eed; maar uw ja i) Anders: zij ja, en uw neen zij neen, opdat gij niet valt in het oordeel ').
heideTeinSd' 13 Is iemand onder u, dien het kwalijk gaat? hij bidde. Is iemand
goedsmoeds? hij zinge psalmen.
Dit is bijna ten allen tijde een gemeen gebrek geweest, dat men lichtvaardig en onbedachtzaam gezworen heeft. Want dit is onze boosheid, dat wij niet overleggen wat een gruwzame misdaad het is den naam Gods te misbruiken. Maar, dewijl ons de Heere intusschen strengelijk beveelt de eerbiediging zijns naams, zoo bedenken de men-schen verscheidene uitvluchten, om ongestraft te mogen zweren. Zij versieren dan dat er geen kwaad in is, zoo men den naam Gods maar niet openlijk gebruikt. En dit is een oud gedichtsel geweest. Alzoo, als de Joden zwoeren bij hemel en bij de aarde, meenden zij Gods naam niet te misbruiken, omdat ze dien verzwegen. Maar als de menschen scherpzinnig willen zijn om de zaak voor God te bewimpelen, zoo doen zij niets anders met hun ijdel uitvluchten dan zichzelven bedriegen. Zoodanige ijdelheid had Christus bestraft, Matth. 5:34. Jakobus nu, het oordeel zijns meesters onderschrijvende, beveelt van zulke sluwe manieren zich te onthouden. Want zoo wie overbodig, en om een onnutte zaak zweert, die misbruikt den naam Gods, hoezeer hij ook de zaak met woorden verven kan. Zoo is dan de inhoud, dat het niet meerder geoorloofd is te zweren bij den hemel of aarde, dan openlijk bij den naam Gods. Christus heeft de reden uitgedrukt, omdat Gods heerlijkheid alom ingegraven is, en overal licht. Ja ook, zoo gebruiken de menschen de woorden van hemel en aarde tot geen andere meening in hun eeden, dan of zij God zeiven noemden: want alzoo sprekende, zoo wijzen zij aan den Werker uit zijn werk. Hij zegt nu vóór alle dingen, want het is geen kleine misdaad den naam Gods te' ontheiligen. Dat de vveder-doopers onder het deksel van deze plaats alle eeden veroordeelen, is onverstandig. Want Jakobus handelt hier in 't gemeen niet van de eeden, gelijk ook Christus niet doet in de plaats, die ik aangehaald heb, maar beide wederleggen zij die uitvlucht, die tot nadeel der wet uitgevonden was, als de menschen vrijheid zoeken om te zweren, zoo ze Gods naam maar niet noemen. Ik noem dit een vrijheid of ruimheid, die tegen het verbod der wet strijdt. En aldus luiden de woorden klaar: noch by den hemel, noch by de aarde. Want was de kwestie betrekkelijk de zaak zelve, wat was het noodig de vormen of manieren van zweren aan te wijzen. Zoo is het dan zeker, dat Christus en Jakobus bestraffen die kinderachtige slimheid dergenen, die meenden ongestraft te zweren, zoo zij dit slechts deden met omwegen. Opdat wij dan de meening van Jakobus verstaan mogen, zoo moeten wij vooreerst het gebod der wet weten: Gij zult den naam uws Gods niet in ijdelheid nemen. Waaruit blijkt, dat de Goddelijke naam eenigszins recht en wettig kan gebruikt worden. Nu bestraft Jakobus degenen, die wel niet ronduit Gods naam durven misbruiken, maar met eene bewimpeling der woorden het
;.'-Vr
JAKOBUS 5: 12â14.
misbruik, dat de wet veroordeelt, zoeken te ontvlieden. Maar uw ja zij ja. Hij brengt een zeer goede remedie bij, om dat gebrek te beteren, 'twelk hij berispt, namelijk dat ze zich gewennen getrouw en standvastig te zijn in al hun woorden. Want waaruit komt dat kwaad gebruik van zweren, dan dat de menschen zoo lichtvaardig zijn, dat men ze op hun woord eenvoudig niet gelooft? Want zoo zij in hunne woorden trouw hielden, gelijk het betaamt, men behoefde niet zooveel onnoodige zweringen. Dewijl dan der menschen ontrouw of lichtvaardigheid de oorsprong is, waaruit de verdorvenheid van den eed spruit, zoo leert Jakobus, dat men het eerste gebrek were, opdat het volgende geweerd worde: want dit is de wijze van heelen, men moet beginnen van de oorzaak. Sommige handschriften luiden wel wat anders in de woorden, doch de zin is, gelijk ik verklaard heb, dat wij waarachtig en vast zijn in alle woorden. Tot dit oogmerk getuigt Paulus, 2 Cor. 1, dat men in zijn predikatie niet bevonden heeft ja en neen, maar dat hij op denzelfden voet voortgegaan is, als hij begonnen was. Opdat gij niet in het oordeel. Deze woorden kan men op verscheidene wijzen lezen. Zoo gij leest: in het oordeel of verdoemenis, de zin wordt klaar, namelijk dat het ijdellijk opnemen van den naam Gods niet ongestraft zal blijven Maar het zal niet kwalijk schikken zoo men leest in geveinsdheid, want gelijk reeds gezegd is, als eenvoudigheid onder ons omgaat, zoo is de oorzaak van onnoodige eeden weggenomen. Indien dan al onze woorden in trouw bestaan, zoo wordt de geveinsdheid geweerd, die ons lichtvaardig tot zweren opwekt.
13 Is iemand, dien het kwalijk gaat. Hij verklaart, dat er geen tijd is, in welken ons God niet tot Zich noodt. Want de verdrukkingen moeten ons tot bidden opwekken. De voorspoed geeft oorzaak God te loven. Dan, der menschen boosheid is zoo, dat ze zich niet kunnen verblijden zonder God te vergeten, en dat ze bedroefd zijnde den moed verliezen, en van wanhoop overvallen worden. Zoo moet men dan deze maat houden, dat de blijdschap, die gewoonlijk God doet vergeten, ons opwekke Gods goedheid te roemen, en dat de droefheid ons tot bidden onderwijze. Want het woord psalmen zingen, heeft hij gesteld tegen die wereldsche en ongetoomde blijdschap, waarmede verheugd worden die, welke door den voorspoed niet tot God, gelijk het behoorde, geleid worden.
14 Is iemand krank onder u ? die ontbiede de oudsten der gemeente, en dat ze over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren.
15 En het gebed des geloofs zal den kranke behouden, en de Heere zal hem oprichten. En zoo hij zonden gedaan heeft, zij worden hem vergeven.
Dewijl toen de gave der gezondmaking nog krachtig was, zoo beveelt hij, dat de kranken tot dat remedie vlieden. Het is wel zeker, dat ze niet allen gezond zijn geworden, maar dat de Heere aan deze gave plaats gegeven heeft, zoo dikwijls en zoover Hij oordeelde het nuttig te zijn. Het is ook niet waarschijnlijk, dat men zonder onderscheid de olie daarbij voegde, maar alleen waar zeker hope was van herstelling, want tegelijk met de kracht was den kerkendienaren ook gegeven een oordeel des onderscheids, opdat ze het teeken door misbruik niet ont-
269
JAKOBUS 5: 14.
270
heiligden. Het oogmerk van Jakobus is niet anders geweest, dan de genade Gods, welke de geloovigen toen konden genieten, aan te prijzen, opdat het nut daarvan door verachting of verzuim niet ver ging. Tot dit einde wil hij de ouderlingen ontboden hebben. Dan ! het gebruik der zalving moet aan de werking des Heiligen Geestes gebonden worden. De papisten beroemen zich hoogelijk op deze plaats, als zij hun laatste oliesel willen aanprijzen, maar hoever dat hun verdorven gebruik van de oude instelling, waarvan Jakobus meldt, verschilt, laat ik nu na uit te leggen. Dit stuk mogen de lezers leeren uit mijn »Institutie.quot; Dit zeg ik alleen, dat deze plaats gt; kwalijk en ongeschiktelijk aangewend wordt, dat de laatste zalving zou zijn en heeten een sacrament, dat in de kerk altijd zou moeten gebruikt worden. Ik beken, dat het van de discipelen van Christus voor een sacrament gebruikt is geweest (want ik stem dit niet toe, die meenen dat het een medicijn geweest is) maar gelijk de waarheid van het teeken slechts voor een tijd geduurd heeft, alzoo zeg ik, is het uiterlijk teeken tijdelijk geweest. En dit is klaar, want er is niets onredelijkers dan een sacrament noemen hetgeen ledig is, en dat ons de beteekende zaak niet waarlijk aanbiedt. Dat de gave der gezondmaking tijdelijk geweest is, moet elk bekennen, en de zaak zelf bewijst het. Zoo moet dan het teeken daarvan niet altijd duren. Waaruit volgt, dat ze geen rechte navolgers, maar nabootsers zijn der apostelen, die hedendaags de zalving rekenen onder de sacramenten, tenzij ze de kracht ook wedergeven, die God vóór veertien honderd jaren aan de wereld benomen heeft. Alzoo hebben wij geen strijd, of het oliesel eertijds een sacrament geweest is, maar of het ons gegeven is, opdat wij het heden nog zouden gebruiken, welk laatste stuk wij loochenen, omdat het openbaar is, dat de beteekende zaak nu overlang opgehouden heeft. De ouderlingen. Ik versta in het gemeen allen, die over de regeering der kerk gesteld waren. Want niet alleen de herders zijn ouderlingen genoemd, maar ook die uit het volk verkoren waren, als achtnemers tot handhaving der tucht. Want elke kerk had haren raad, bestaande uit uitgelezen mannen, die zedig, vroom, en oprecht waren. Doch wijl men die voornamelijk placht te kiezen, die in gaven anderen overtroffen, daarom beveelt hij de ouderlingen te ontbieden, als in welke de kracht en genade des Heiligen Geestes meest bespeurd werd. Dat ze over hem bidden. Deze wijze van bidden dient hiertoe, dat hij als voor God gesteld wordt, wijl, als men de zaak zelf komt te zien, zoo bidden wij met meerder genegenheid. Gelijk niet alleen Elisa 2 Kon. 4: 23 en Paulus Hand. 20: 10, maar ook Christus zelf. Joh. 11:41, met deze ceremonie het vuur des gebeds hebben ontstoken, en Gods genade geprezen. Doch is op te merken, dat hij de belofte bij het gebed voegt, opdat het niet zonder geloof zij. Want daar hij, die twijfelt, God niet behoorlijk aanroept, zoo is hij onwaardig iets te krijgen, gelijk wij in het eerste hfdst. gehad hebben. Zoo wie dan zal willen verhoord zijn, die besluite vast bij zichzelven, dat hij niet tevergeefs bidt. Gelijk ook Jakobus die bijzondere gave voortbrengt, waarvan de uiterlijke ceremonie slechts een bijzaak was. Waaruit wij afleiden, dat ook het gebruik der olie niet wettig is zonder geloof. Dewijl nu de papisten geen zekerheid hebben van hun oliesel, zoodat het openbaar is dat ze die gave niet hebben, daarom is het klaar, dat hetzelve valsch is.
JAKOBUS 5 : 15, 16. 271
15 En zoo hjj zonden. Dit is daarbij gedaan niet alleen om de zaak te vermeerderen, alsof hij gezegd had, dat God den zieke wat meer geven zal dan gezondheid des lichaams, maar omdat de ziekten meest opgelegd worden om de zonden, zoo is het dat hij van
1 de vergeving derzelve sprekende te kennen geeft, dat de oorzaak des kwaads zal geweerd worden. En wij zien voorwaar, hoe David met ziekte geslagen, waar hij verlichting begeert, gansch daarop uit
Iis, dat hem de zonden vergeven werden. Waarom dat? Omdat hij bekennende, dat de straften gevolgen zijner misdaad zijn, acht dat daar geen ander hulpe is, dan dat de Heere ophoude hem de zonden toe te rekenen. De profeten zijn vol van deze leer, dat de men-schen van het kruis verlicht worden, als zij van de schuld hunneris, dat hem de zonden vergeven werden. Waarom dat? Omdat hij bekennende, dat de straften gevolgen zijner misdaad zijn, acht dat daar geen ander hulpe is, dan dat de Heere ophoude hem de zonden toe te rekenen. De profeten zijn vol van deze leer, dat de men-schen van het kruis verlicht worden, als zij van de schuld hunner
ongerechtigheden los zijn. Laat ons dan weten, dat dit juist het be- ;V
kwame medicijn voor onze ziekten en ellenden is, zoo wij zorgvuldig zijn om God te verzoenen, en om vergeving der zonden te verkrijgen, onszelven naarstig daartoe onderzoekende.
16 Belijdt elkander uwe zonden, en bidt voor elkander, dat gij zalig wordt. Het krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.
17 Elias was een mensoh van gelijke bewegingen als wij, en hij |8Ko°5quot;17:15;
deed een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende op de aarde niet in drie jaren en zes maanden.
18 En wederom bad hij, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht hare vrucht voort.
16 Belijdt elkander, In sommige handschriften staat: Belijdt dan,
hetwelk wel past: want schoon dit woord dan, niet uitgedrukt is, zoo moet het nochtans daarbij verstaan worden. Hij heeft gezegd, dat de zonden vergeven worden aan de zieken, over welke de ouderlingen zullen gebeden hebben. Nu vermaant hij, tot wat nut wij onze zonden den broederen ontdekken, namelijk dat wij door hun voorbidden, vergeving zullen mogen krijgen. Ik weet, dat deze plaats door velen uitgelegd wordt van de verzoening der misdaden. Want die tot genade willen wederkeeren, die moeten eerst hun schuld bekennen en belijden. Want als elk zijn zaak hardnekkig wil voorstaan, daaruit komt, dat de vijandschap wortelt, ja toeneemt, en onverzoenlijk wordt.
Zoo meenen dan velen, dat Jakobus hier dezen weg der broederlijke verzoening voorhoudt, zoo zij onderling elkander zonden bekennen.
Maar hij heeft op iets anders gezien, gelijk gezegd is. Want hij voegt het onderling gebed met de onderlinge belijdenis, waarmede hij verklaart, hoe de belijdenis hiertoe nut is, dat wij door de gebeden der broederen door God geholpen worden. Want die mede bewust zijn van onzen nood, worden tot bidden verwekt om ons te
helpen; maar die onze ziekten niet weten, die zijn trager tot onze Vï;
hulp. Het is dan een wonderlijke en onvrome zottigheid der papisten, die hunne gemommelde biecht met dit getuigenis willen vast maken. Want uit de woorden van Jakobus ware licht te besluiten, dat alleen de papen behoorden te biechten, want dewijl hier een onderlinge belijdenis, of om duidelijk te spreken, een belijdenis van beide zijden vereischt wordt, zoo wordt voorwaar aan geen ander bevolen zijn zonden te biechten, dan die wederom bekwaam is om eens anders biecht te hooren. Nu schrijven zich de papen alleen deze bekwaamheid toe. Zoo moet dan ook tot hen alleen de biecht
JAKOBUS 5 : 14.
270
heiligden. Het oogmerk van Jakobus is niet anders geweest, dan de genade Gods, welke de geloovigen toen konden genieten, aan te i prijzen, opdat het nut daarvan door verachting of verzuim niet ver ging. Tot dit einde wil hij de ouderlingen ontboden hebben. Dan het gebruik der zalving moet aan de werking des Heiligen Geestes â gebonden worden. De papisten beroemen zich hoogelijk op deze plaats, als zij hun laatste oliesel willen aanprijzen, maar hoever dat hun verdorven gebruik van de oude instelling, waarvan Jakobus meldt, verschilt, laat ik nu na uit te leggen. Dit stuk mogen de lezers leeren uit mijn »Institutie.quot; Dit zeg ik alleen, dat deze plaats kwalijk en ongeschiktelijk aangewend wordt, dat de laatste zalving zou zijn en heeten een sacrament, dat in de kerk altijd zou moeten gebruikt worden. Ik beken, dat het van de discipelen van Christus voor een sacrament gebruikt is geweest (want ik stem dit niet toe, die meenen dat het een medicijn geweest is) maar gelijk de waarheid van het teeken slechts voor een tijd geduurd heeft, alzoo zeg ik, is het uiterlijk teeken tijdelijk geweest. En dit is klaar, want er is niets onredelijkers dan een sacrament noemen hetgeen ledig is, en dat ons de beteekende zaak niet waarlijk aanbiedt. Dat de gave der gezondmaking tijdelijk geweest is, moet elk bekennen, en de zaak zelf bewijst het. Zoo moet dan het teeken daarvan niet altijd duren. Waaruit volgt, dat ze geen rechte navolgers, maar nabootsers zijn der apostelen, die hedendaags de zalving rekenen onder de sacramenten, tenzij ze de kracht ook wedergeven, die God vóór veertien honderd jaren aan de wereld benomen heeft. Alzoo hebben wij geen strijd, of het oliesel eertijds een sacrament geweest is, maar of het ons gegeven is, opdat wij het heden nog zouden gebruiken, welk laatste stuk wij loochenen, omdat het openbaar is, dat de beteekende zaak nu overlang opgehouden heeft. De ouderlingen. Ik versta in het gemeen allen, die over de regeering der kerk gesteld waren. Want niet alleen de herders zijn ouderlingen genoemd, maar ook die uit het volk verkoren waren, als achtnemers tot handhaving der tucht. VVant elke kerk had haren raad, bestaande uit uitgelezen mannen, die zedig, vroom, en oprecht waren. Doch wijl men die voornamelijk placht te kiezen, die in gaven anderen overtroffen, daarom beveelt hij de ouderlingen te ontbieden, als in welke de kracht en genade des Heiligen Geestes meest bespeurd werd. Dat ze over hem bidden. Deze wijze van bidden dient hiertoe, dat hij als voor God gesteld wordt, wijl, als men de zaak zelf komt te zien, zoo bidden wij met meerder genegenheid. Gelijk niet alleen Elisa 2 Kon. 4: 23 en Paulus Hand. 20: 10, maar ook Christus zelf. Joh. 11 :41, met deze ceremonie het vuur des gebeds hebben ontstoken, en Gods genade geprezen. Doch is op te merken, dat hij de belofte bij het gebed voegt, opdat het niet zonder geloof zij. Want daar hij, die twijfelt. God niet behoorlijk aanroept, zoo is hij onwaardig iets te krijgen, gelijk wij in het eerste hfdst. gehad hebben. Zoo wie dan zal willen verhoord zijn, die besluite vast bij zichzelven, dat hij niet tevergeefs bidt. Gelijk ook Jakobus die bijzondere gave voortbrengt, waarvan de uiterlijke ceremonie slechts een bijzaak was. Waaruit wij afleiden, dat ook het gebruik der olie niet wettig is zonder geloof. Dewijl nu de papisten geen zekerheid hebben van hun oliesel, zoodat het openbaar is dat ze die gave niet hebben, daarom is het klaar, dat hetzelve valsch is.
JAKOBUS 5 :15, 16, 271
15 En zoo hy zonden. Dit is daarbij gedaan niet alleen om de zaak te vermeerderen, alsof hij gezegd had, dat God den zieke wat meer geven zal dan gezondheid des lichaams, maar omdat de ziekten meest opgelegd worden om de zonden, zoo is het dat hij van de vergeving derzelve sprekende te kennen geeft, dat de oorzaak des kwaads zal geweerd worden. En wij zien voorwaar, hoe David met ziekte geslagen, waar hij verlichting begeert, gansch daarop uit is, dat hem de zonden vergeven werden. Waarom dat? Omdat hij bekennende, dat de straften gevolgen zijner misdaad zijn, acht dat daar geen ander hulpe is, dan dat de Heere ophoude hem de zonden toe te rekenen. De profeten zijn vol van deze leer, dat de men-schen van het kruis verlicht worden, als zij van de schuld hunner ongerechtigheden los zijn. Laat ons dan weten, dat dit juist het bekwame medicijn voor onze ziekten en ellenden is, zoo wij zorgvuldig zijn om God te verzoenen, en om vergeving der zonden te verkrijgen, onszelven naarstig daartoe onderzoekende,
16 Belijdt elkander uwe zonden, en bidt voor elkander, dat gij zalig wordt. Het krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.
17 Elias was een mensch van gelijke bewegingen als wij, en hij i Kon, 17:15 deed een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende op de aarde niet in drie jaren en zes maanden,
18 En wederom bad hij, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht hare vrucht voort,
16 Belijdt elkander. In sommige handschriften staat: Belijdt dan,
hetwelk wel past: want schoon dit woord dan, niet uitgedrukt is, zoo moet het nochtans daarbij verstaan worden. Hij heeft gezegd, dat de zonden vergeven worden aan de zieken, over welke de ouderlingen zullen gebeden hebben. Nu vermaant hij, tot wat nut wij onze zonden den broederen ontdekken, namelijk dat wij door hun voorbidden, vergeving zullen mogen krijgen. Ik weet, dat deze plaats door velen uitgelegd wordt van de verzoening der misdaden. Want die tot genade willen wederkeeren, die moeten eerst hun schuld bekennen en belijden. Want als elk zijn zaak hardnekkig wil voorstaan, daaruit komt, dat de vijandschap wortelt, ja toeneemt, en onverzoenlijk wordt. Zoo meenen dan velen, dat Jakobus hier dezen weg der broederlijke verzoening voorhoudt, zoo zij onderling elkander zonden bekennen.
Maar hij heeft op iets anders gezien, gelijk gezegd is. Want hij voegt het onderling gebed met de onderlinge belijdenis, waarmede hij verklaart, hoe de belijdenis hiertoe nut is, dat wij door de gebeden der broederen door God geholpen worden. Want die mede bewust zijn van onzen nood, worden tot bidden verwekt om ons te helpen; maar die onze ziekten niet weten, die zijn trager tot onze hulp. Het is dan een wonderlijke en onvrome zottigheid der papisten, die hunne gemommelde biecht met dit getuigenis willen vast maken. Want uit de woorden van Jakobus ware licht te besluiten, dat alleen de papen behoorden te biechten, want dewijl hier een onderlinge belijdenis, of om duidelijk te spreken, een belijdenis van beide zijden vereischt wordt, zoo wordt voorwaar aan geen ander bevolen zijn zonden te biechten, dan die wederom bekwaam is om eens anders biecht te hooren. Nu schrijven zich de papen alleen deze bekwaamheid toe. Zoo moet dan ook tot hen alleen de biecht
JAKOBUS 5 : 16, 17.
geschikt worden. Maar aangezien hunne beuzelingen niet waardig zijn om ons bezig te houden met wederleggen, laat ons tevreden zijn met de rechte en eigen uitlegging, die ik bijgebracht heb. Want de woorden luiden klaar, dat de belijdenis tot geen ander einde bevolen wordt, dan opdat degenen, die onze ellende weten, te zorgvuldiger zijn mogen om ons te helpen. Vermag veel. Opdat niemand meene, dat dit geschiedt zonder vrucht, als anderen voor ons bidden, zoo prijst hij het nut en de kracht des gebeds. Maar hij zegt voornamelijk: het gebed des rechtvaardigen, omdat God de god-deloozen niet verhoort, en dat men niet tot God kan gaan, dan door een goede conscientie. Niet dat onze gebeden op onze eigen waardigheid gegrond staan, maar omdat wij een hart moeten hebben door het geloof gezuiverd, opdat wij ons voor Gods aanschijn stellen. Zoo betuigt dan Jakobus, dat de rechtvaardigen of geloovigen nuttig en niet zonder vrucht voor ons bidden. Maar wat beduidt, hetgeen hij daarbij voegt krachtig? Want dat schijnt overtollig te zijn; want zoo het gebed veel vermag, zoo is het ongetwijfeld krachtig. Men kon de rede alzoo zetten: Het vermag veel, omdat het krachtig is, opdat het zij een bewijsreden, genomen van dit grondstuk, dat God niet wil, dat der geloovigen gebeden tevergeefs of ledig zouden zijn. Daaruit leidt hij met recht af, dat het veel vermag. Maar ik duid het liever alleen op de tegenwoordige omstandigheid. Want onze gebeden kunnen eigenlijk krachtig gezegd worden, als ons eenige nood voorgeworpen wordt, die een ernstige genegenheid tot bidden verwekt. Wij bidden dagelijks voor de gansche kerk, dat God haar de zonden vergeve: maar ons gebed wordt dan met recht te werk gelegd, als wij trachten om te helpen hen, die nood hebben. Zoodanige kracht kan in het gebed onzer broederen niet zijn, tenzij ze onze benauwdheid weten. Hierom, dat hij deze reden hier stelt, is niet algemeen, maar moet eigenlijk tot den voorgaanden zin gevoegd worden.
17 Elias was een mensch. In de Schrift staan ontallijke exempelen van wat hij wil bewijzen, maar hij heeft een uitgekozen, dat vóór anderen klaar is. Want dit was een groote zaak, dat God den hemel eenigszins heeft onderworpen aan de gebeden van Elia, opdat Hij aan zijne begeerte voldeed. Elia heeft den hemel twee en een half jaar gesloten gehouden door zijne gebeden. Wederom, heeft hij dien geopend, zoodat hij een overvloedigen regen snellijk uitgoot. Hieruit dan blijkt een wonderlijke kracht des gebeds. De historie is bekend en vermaard, die gelezen wordt 2 Kon. 17 en 18. Hoewel daar niet uitdrukkelijk gezegd wordt, dat Elia gebeden heeft, zoo kan men nochtans lichtelijk afleiden, dat er droogte en regen op zijne gebeden gegeven is. Dan, het is opmerkelijk, hoe hij dit exempel toepast. Jakobus zegt niet, dat men van den Heere droogte zal begeeren, omdat Elia die verkregen heeft. Want wij konden lichtvaardiglijk en dwaselijk met eenen onbedachten ijver den profeet navolgen. Zoo moet men dan den regel des gebeds houden van uit het geloof te bidden. Hiertoe dan schikt hij dit exempel. Zoo Elia verhoord is, dat wij recht biddende ook verhoord zullen worden: want aangezien het een gemeen bevel is van te bidden en een gemeene belofte, zoo volgt dat ook het gevolg gemeen zal zijn. Maar opdat niemand hier tegenwerpe, dat wij verre zijn van de waardigheid van Elia, zoo stelt hij dien met ons gelijk, als hij zegt, dat hij een sterfelijk mensch ge-
272
JAKOBUS 5 : 18â20.
weest is, en gelijke bewegingen als wij onderworpen. Want wij trekken te weinig voordeel uit de exempelen der heiligen, doordien wij ons inbeelden, zij zijn halve goden, of zulke uitnemende personen geweest, dat ze een zonderlinge gemeenschap met God hadden. Alzoo krijgen wij geen toeverzicht uit dat zij verhoord zijn geweest. Opdat Jakobus deze heidensche en ongoddelijke superstitie weg-neme, zoo vermaant hij, dat men de heiligen moet aanzien naar de zwakheid des vleesches, opdat wij leeren niet aan hunne verdiensten, maar aan de kracht des gebeds toeschrijven, dat ze van God alles verkregen hebben. Hieruit blijkt hoe kinderachtig de papisten beuzelen, die ons leeren vlieden tot de voorbidding der heiligen, omdat ze van den Heere verhoord zijn geweest. Want alzoo besluiten zij: omdat die verkreeg, wat hij begeerde, zoolang hij in de wereld leefde, zoo wordt hij nu na den dood de beste voorspraak. Deze scherpzinnigheid is den Heiligen Geest onbekend geweest. Want Jakobus brengt zijn bewijsreden uit het tegenovergestelde, namelijk, omdat hunne gebeden zooveel vermochten, dat wij hedendaags desgelijks naar hun voorbeeld moeten bidden, en dat wij dit niet tevergeefs zullen doen.
19 Mijne broeders! zoo iemand onder u van de waarheid afdwaalt, en dat iemand hem bekeert,
20 Die zal weten, dat zoo wie een zondaar bekeerd beeft van zijnen dwalenden weg, die zal een ziel behouden van den dood, en zal bedekken menigte van zonden.
273
Die zal weten. Ik twijfel, of men niet behoort te lezen: Weet. Doch de zin is goed op beide wijzen. Want Jakobus prijst ons aan de verbetering der broederen, met het oog op de vrucht, opdat wij te naarstiger daartoe pogen. Daar is niets uitnemenders noch wensche-lijkers dan een ziel uit den eeuwigen dood te trekken. Dit doet hij nu, die een dwalenden broeder terecht brengt. Zoo is dan zulk een heerlijk werk geenszins na te laten. Wij zien hoe grootelijks Christus het acht den hongerigen spijs, en den dorstigen drank te geven, maar de zaligheid der ziel is hem veel dierbaarder, dan het leven des lichaams. Zoo moeten wij dan toezien, dat de zielen, van Christus verlost, en welker zaligheid God eenigszins in onze hand gesteld heeft, door onze slappigheid niet vergaan. Niet, dat wij zelf zaligheid geven, maar omdat God door onzen dienst verlost en behoedt, wat anderszins het verderf nabij scheen. Hij zal bedekken menigte van zonden. Hij zinspeelt meer op het woord van Salomo, dan dat hij het aanhaalt tot getuigenis. Salomo zegt, dat de liefde sPr-de zonden bedekt, gelijk de haat zonden voortbrengt. Want die haten, zijn ontstoken met een lust van elkander te eerrooven. Die liefhebben, vergeven elkander gaarne vele dingen. De liefde dan begraaft de zonden bij de menschen. Jakobus leert hier iets hoogers, namelijk dat ze worden uitgedaan voor God. Alsof hij zeide, Salomo prijst deze vrucht der liefde, dat ze de zonden bedekt: maar er is geen beter noch zaliger middel van bedekken, dan als die ganschelijk voor God uitgewischt worden. Dit geschiedt nu, als de zondaar door onze vermaning terecht gebracht wordt. Zoo moet men dan hiertoe vooral en ernstig arbeiden.
18
Di. vm.
DE ZENDBRIEF
INHOUD.
Hoewel onder de oude schrijvers ook qver dezen brief onderscheiden gevoelen en twist geweest is, nochtans dewijl hij nuttig is, om gelezen te worden, en niets inhoudt, vreemd van de zuiverheid der apostolische leer, en dat hij eertijds bij de besten in aanzien geweest is, zoo tel ik dien gaarne onder de anderen. Maar aangezien hij kort is, zoo vereischt hij geen lange handeling van wat hij inhoudt. Ook komt de gansche hoofdinhoud meest overeen met 2 Petr. 2. Want doordien er goddelooze boeven onder den naam van Christenen ingeslopen waren, die hun hoogste vreugd namen in de ongestadigen en zwakken te brengen tot een onheilige verachting Gods, zoo toont Judas allereerst, dat de geloovigen niet moeten verslagen zijn door zoodanige aanslagen, waarmede de kerk altijd besprongen is geweest. Doch hij vermaant, dat ze zich van zoodanige pesten ernstig wachten. En opdat hij te beter toone, hoe hatelijk en gruwelijk zij zijn, zoo verkondigt hij hun strengelijk de aanstaande wrake Gods, gelijk hunne goddeloosheid verdient. Zoo wij nu bedenken wat ook de satan ten onzen tijde, als het Evangelie begon op te komen, gepoogd heeft, en met wat listen hij nog arbeidt om het geloof en de vreeze Gods om te keeren, zoo is de vermaning, die ten tijde van Judas nut was, voor onzen tijd meer dan noodig. Maar dit alles zal bij het lezen van dezen brief geleerd worden.
VAN JUDAS,
1 Judas, een dienaar van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die in God den Vader geheiligd zijn, en behouden in Jezus Christus.
2 Barmhartigheid en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd!
UITLEGGING.
Hij noemt zich een dienaar van Christus, niet gelijk dit in 't gemeen allen godvruchtigen toekomt, maar ten aanzien zijns apostelschaps. Want die worden op bijzondere wijze Christus dienaars geacht, dien Hij eenig algemeen ambt opgelegd heeft. Nu weten wij, waarom zich de apostelen met dezen naam plegen te versieren. Zoo wie niet geroepen is, die schrijft zichzelven lichtvaardig toe het recht en de macht van te leeren. Zoo is dan voor de apostelen hun roeping een getuigenis, dat ze zichzelven door eigen wil niet ingedrongen hebben. Evenwel dit alleen, dat ze in het ambt gesteld zijn, zou niet genoeg zijn, zoo zij zich daarin niet getrouwelijk gedroegen. En waarlijk, zoo wie zich een knecht Gods noemt, begrijpt dit beide, namelijk dat God de auteur van den dienst is, dien hij bedient, en dat hij met goeden trouw uitricht wat hem opgelegd is. Maar omdat velen dezen titel versieren, en zich val-schelijk roemen te zijn, waarvan zij zeer verre zijn, zoo moet men altijd zien, of de daad zoodanig is, als zij zich uitgeven.ij noemt zich een dienaar van Christus, niet gelijk dit in 't gemeen allen godvruchtigen toekomt, maar ten aanzien zijns apostelschaps. Want die worden op bijzondere wijze Christus dienaars geacht, dien Hij eenig algemeen ambt opgelegd heeft. Nu weten wij, waarom zich de apostelen met dezen naam plegen te versieren. Zoo wie niet geroepen is, die schrijft zichzelven lichtvaardig toe het recht en de macht van te leeren. Zoo is dan voor de apostelen hun roeping een getuigenis, dat ze zichzelven door eigen wil niet ingedrongen hebben. Evenwel dit alleen, dat ze in het ambt gesteld zijn, zou niet genoeg zijn, zoo zij zich daarin niet getrouwelijk gedroegen. En waarlijk, zoo wie zich een knecht Gods noemt, begrijpt dit beide, namelijk dat God de auteur van den dienst is, dien hij bedient, en dat hij met goeden trouw uitricht wat hem opgelegd is. Maar omdat velen dezen titel versieren, en zich val-schelijk roemen te zijn, waarvan zij zeer verre zijn, zoo moet men altijd zien, of de daad zoodanig is, als zij zich uitgeven. Broeder van Jakobus, hij heeft een naam daarbij geschreven, die bij de gemeenten meer ruchtbaar en bekend was. Want hoewel de geloofwaardigheid en autoriteit der leer aan geen sterfelijk mensch hangt, zoo is nochtans dit een groot steunsel des geloofs, als wij bevonden hebben de vromigheid desgenen, die een leeraarsambt aanneemt. Daarenboven wordt hier niet voorgewend de autoriteit van Jakobus als van een gemeen man, maar omdat hij bij alle gemeenten voor een van de voornaamste apostelen van Christus gehouden werd. En deze was de zoon van Alpheüs, gelijk ik elders gezegd heb, ja deze plaats dient mij tegen Eusebius en anderen, die zeggen dat een discipel ik weet niet wie, met den bijnaam Oblias degene is, waarvan Lukas vermeldt in Hand. 15: 13 en 21 : 18 dat hij in de gemeente voortreftelijk was onder de apostelen. Maar het is ongetvvijfeld, dat Judas hier zijn broeder genoemd heeft, omdat hij onder de apostelen meest bekend was. Zoo is het dan geloofelijk, dat hij die geweest is, dien de meeste eer van de anderen, gelijk Lukas verhaalt, is toegekend. Aan de geroepenen, die in God. Met dit woord beteekent hij alle geloovigen, omdat ze de Heere voor Zich afgezonderd heeft. Maar aangezien de roeping'niet anders is dan een vrucht der eeuwige verkiezing, zoo wordt ze soms daarvoor genomen. In deze plaats ligt er weinig aan op welke van beide wijzen gij het uitlegt.
Wa
JUDAS vs. 1â3.
Want hij prijst hun ongetwijfeld aan de genade Gods, waardoor Hij ze tot zijn eigendom had verwaardigd aan te nemen. Hij verklaart ook, dat de menschen God niet voorkomen, en nimmer tot Hem komen, totdat Hij ze trekt. Hij zegt, dat ze geheiligd zijn in God den Vader, of wat ook kan: door God, den Vader. Doch ik heb de wijze van spreken behouden, dat het den lezers vrij sta te oordee-len. Want dit kan ook de zin wezen, dat zij, in zichzelven onheilig,
in God heiligheid hebben. Nu is de wijze der heiligmaking, als Hij ons door zijn Geest wederbaart. Daarenboven doet hij daarbij, dat ze in Christus bewaard zyn: want wij zouden bij den satan steeds blootstaan voor den dood, ja hij zou ons elk oogenblik honderdmaal als een te gemoet komenden roof wegnemen, zoo wij niet beschut waren door de bewaring van Christus, welken ons de Vader daarom tot een bewaarder gegeven heeft, opdat er niets van wat Hij in zijn trouw en bewaring genomen heeft, verga. Zoo prijst hier dan Judas drieërlei weldaden Gods in alle godzaligen, dat Hij ze door zijne roeping het Evangelie deelachtig gemaakt heeft, dat Hij ze door zijn Geest tot nieuwigheid des levens wederbaard heeft, en dat Hij ze door de hand van Christus bewaart, dat ze van de zaligheid niet vervallen.
2 Barmhartigheid zjj u. Het woord barmhartigheid geldt hier bijna zooveel, als het woord genade in de groetenissen van Paulus. Zoo iemand een scherper onderscheid wil hebben: de genade is eigenlijk de vrucht der barmhartigheid, want uit geen andere oorzaak omhelst ons God in zijne liefde, dan omdat Hij onze ellendigheden aanziet.
De liefde kan men zoowel verstaan in den zin van: die God tot de menschen draagt, als die de menschen hebben onder elkander.
Zoo gij ze op God duidt, zoo zal de zin wezen, dat het betrouwen op de Goddelijke liefde in hen vermeerdere, en dagelijks meer in hunne harten versterkt worde. Het andere nochtans past niet kwalijk, dat God in hen ontsteke en bevestige de onderlinge liefde.
3 Geliefden! alle naarstigheid gedaan hebbende om u te schrijven van de gemeene zaligheid, zoo is mij van noode geweest u te schrijven, om u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof,
dat den heiligen eens gegeven is '). D Anders:
4 Want er zijn sommige menschen ingeslopen, die eertijds te- aeude'het!'' voren beschreven zijn tot dat oordeel '), goddeloozen, die de ^at' genade onzes Gods verkeeren tot dartelheid; verloochenende den, enz. God, die alleen de Heere is, en onzen Heere Jezus Christus. verdoeme-16
nis.
3 Alle naarstigheid. Vele uitleggers ontleden dezen zin aldus;
dat de groote naarstigheid Judas tot schrijven bewogen heeft. Gelijk wij plegen te zeggen van degenen, die met eenige ernstige genegenheid ontstoken zijn, dat ze zich niet kunnen inhouden. Volgens hen is dan de noodzakelijkheid hierin geweest, dat de begeerte van schrijven Judas niet liet zwijgen. Maar ik acht veelmeer, dat hier twee verscheiden stukken zijn, dat alzoo hij anderszins genoeg genegen, en naarstig gesteld was te schrijven, hem ook de nood gedwongen heeft. Zoo verklaart hij dan, dat hij vrijelijk en gaarne aan hen schrijft, maar dat hij nochtans door den nood ook gedrongen wordt dit te doen: namelijk omdat ze, gelijk in den tekst volgt,
door de ongoddelijken bevochten zijnde, tot den strijd moesten
277
JUDAS vs. 3, 4.
toebereid worden. Zoo getuigt dan Judas dit in de eerste plaats, dat hij zóó zorgt voor hunne zaligheid, dat hij vrijwillig en ook naarstig gewenscht heeft te schrijven. Daarna, opdat hij ze te beter doe luisteren, zegt hij, dat het ook tevens de zaak zoo vereischt ' heeft, want de nood steekt met scherpe prikkelen. Indien zij niet
vooraf onderwezen geweest waren, hoe noodig hun deze vermaning was, zij konden tot lezen traag en slap zijn. Maar als hij vooraf zegt, dat hij vanwege hun tegenwoordigen nood schrijft, zoo is het alsof hij de veldtrompet stak, om de slaperigheid te verdrijven, Van de gemeene zaligheid. Sommige handschriften doen daarbij, uwe, maar verkeerdelijk, naar mijn gevoelen. Want hij stelt een zaligheid, die hij met hen gemeen heeft. En dit brengt geen klein gewicht tot de leering, die men voorstellen wil, als iemand uit zijn eigen besef en ondervinding spreekt. Want het wordt een onnutte rede, zoo wij bij anderen van de zaligheid spreken, waarvan wij zeiven geen smaak hebben. Zoo verklaart zich dan Judas te zijn een fc' leeraar, die de leer te werk legt, als hij zich stelt in 't getal der
godzaligen, om dezelfde zaligheid deelachtig te worden. Dat ik u vermane te strjjden. Hij vermaant, opdat ze in het geloof volharden, dat ze verscheiden strijden te ondernemen hebben, en dat hun een gedurige oorlog nakende is. Hij zegt, dat het geloof eens gegeven is, opdat ze weten, dat zij het op deze voorwaarde verkregen hebben, dat ze nimmermeer daarvan afwijken of vervallen zouden.
4 Ingeslopen. Hoewel de satan den godzaligen altijd partijdig is, en niet aflaat ze onderwijl te tergen, zoo vermaant hij nochtans die, welken hij schrijft, van den tegenwoordigen nood. Nu zegt hij: in het bijzonder komt u de satan aan, en tergt u, zoo moet gij dan de wapenen nemen om te wederstaan. Hieruit verstaan wij, dat een goed en getrouw herder bezien moet, wat de tegenwoordige nood der kerk vereischt, opdat hij hiernaar zijn leer schikke. Het woord insluipen, dat hij gebruikt, beteekent een slimme en diefelijke inkruiping, waardoor des satans dienaars de eenvoudigen bedriegen. Want de satan strooit zijn onkruid bij nacht, wanneer de akkerlieden slapen, om het reine zaad des Heeren te verderven. Daarbenevens leert hij, dat dit een inwendig kwaad is: want hierin ligt ook des satans list, dat hij schadelijke lieden verwekt, die van de kudde zijn, opdat ze te beter ingang hebben. Tevoren beschreven. Een oordeel noemt hij èf verdoemenis, èf een verkeerden zin, waarmede zij gedreven worden, opdat ze de leer der godzaligheid verkeeren, want dit kan niemand doen dan tot zijn verderf. Dan, deze figuurlijke wijze van spreken is daaruit genomen, dat de eeuwige raad Gods, waardoor de geloovigen tot de zaligheid verordineerd zijn, een boek genoemd wordt. Als nu de geloovigen hooren, dat die tot den eeuwigen dood toegeëigend zijn, moeten zij zich wachten, dat ze in gelijke verderfenis niet gewikkeld worden. Evenwel Judas heeft daarbenevens het gevaar willen voorkomen, dat de nieuwigheid der zaak niemand zou beroeren of verslaan. Want zoo die reeds i eertijds beschreven zijn, zoo volgt dat de gemeente niet geoefend
wordt dan door een zekeren raad Gods. De genade onzes Gods. Nu drukt hij klaarder uit, hoedanig die pest geweest was. Want hij zegt, dat ze des Heeren genade misbruikt hebben, opdat ze zich-zelven en anderen tot een onzuivere en onheilige vrijheid van zonden zouden overgeven. Dan, de genade Gods is tot een heel ander
278
JUDAS vs. 4, 5.
einde verschenen, dat wij namelijk verzaakt hebbende alle goddeloosheid en de aardsche begeerlijkheden, sober, rechtvaardig, en godzalig leven in deze wereld. Laat ons dan weten, dat er geen schadelijker volk is, dan dat uit de genade van Christus oorzaak zoekt tot dartelheid. Van dit lasterstuk beschuldigen ons de papisten, omdat wij leeren, dat wij door Gods onverdiende genade de zaligheid krijgen. Maar wat nood is het, hun onbeschaamdheid met woorden te wederleggen, dewijl wij alom drijven bekeering,
de vreeze Gods, en nieuwigheid des levens? Doch zij verderven daarentegen de wereld niet alleen met de booze exempelen, maar nemen ook met hun goddelooze leer de ware heiligheid en den zuiveren godsdienst van de wereld weg. Evenwel acht ik meer dat die, van welke Judas spreekt, gelijk zijn geweest aan de Libertijnen onzes tijds, als uit den tekst klaarder blijken zal. God, die alleen de Heere is. Sommige oude handschriften hebben: Christus, die alleen God en de Heere is. En voorwaar, in den Tweeden brief van Petrus wordt alleen van Christus vermeld, en Hij wordt daar de Heere genoemd. Dat Christus verloochend wordt, verstaat hij,
wanneer die, welke door zijn bloed gekocht waren, zich den duivel weder tot slaven makende, dien onmetelijken schat, zooveel in hen is, vernietigen. Opdat dan Christus ons voor zijn eigendom behoude,
laat ons gedenken, dat Hij daarom voor ons gestorven en verrezen is, opdat Hij over ons leven en onzen dood regeere.
5 Doch ik wil u vermanen, dat gij dit eenmaal weet, dat de Heere Num. u; 34. het volk uit Egypteland behouden hebbende, ten anderen male
die niet geloofden, verdorven heeft.
6 En de engelen, die hunne heerschappij ') niet bewaard hebben, 2 petr. 2:4. maar die verlaten hebben hun eigen huis, die heeft Hij be-houden tot het oordeel des grooten dags met eeuwige banden niet, enz. onder de duisternis.
7 Gelijk Sodom en Gomorra, en de omliggende steden, die op Geu 19.4 gelijke wijze als deze gehoereerd hadden, en nagegaan zijn een
ander vleesch, zijn gesteld tot een exempel, dragende het oordeel des eeuwigen vuurs.
5 Vermanen. Hij verontschuldigt zich óf uit zedigheid, dat hij ze niet schijne als onwetende lieden van onbekende dingen te leeren,
of ook (wat mij beter behaagt) om zijn rede te meer kracht te geven, belijdt hij dat hij hun niets nieuws of ongehoords bijbrengt,
opdat al wat hij zeggen zal, te meer geloof en aanzien hebbe. Ik breng u alleen in gedachtenis, zegt hij, wat gij eens geleerd hebt.
En gelijk hij hun die wetenschap toegeeft, opdat ze te beter zouden toezien, en zich wachten, alzoo zegt hij ook, dat ze vermaning behoeven, opdat ze den arbeid, dien hij voor hen onderneemt, niet 011-noodig achten. Want het woord Gods dient ons niet alleen, dat wij daaruit leeren wat wij tevoren nooit geleerd hebben, maar ook dat het ons opwekke tot ernstige bedenking van wat wij reeds weten,
dat het ons niet toelate te verflauwen in onze koude wetenschap. De inhoud is, nadat wij van God geroepen zijn, dat wij niet zorgeloos zullen roemen op zijn genade, maar dat wij veelmeer zorgvuldig in zijn vreeze moeten wandelen, omdat, zoo iemand aldus met God spot, hij niet ongestraft zal blijven van de verachting zijner genade.
279
280 JUDAS vs. 5â7.
Dit bewijst hij met drie voorbeelden. Want eerstelijk verhaalt hij de wrake, die God over de ongeloovigen gedaan heeft, die Hij door zijne kracht verlost, en tot zijn volk aangenomen had. Het is bijna dezelfde gelijkenis, die bij Paulus staat, 1 Cor. 10. De inhoud is, die God met de hoogste weldaden versierd had, die Hij tot gelijke hoogheid van eere verheven had, als Hij ons hedendaags verwaardigt, over die heeft Hij daarna strenge wrake gedaan. Hierom zijn tevergeefs hoogmoedig op zijn genade allen, die hun roeping niet genoegdoen. De naam volk wordt hier heerlijk genomen voor een heilig en uitverkoren volk. Alsof hij zeide: Het heeft hun niet gebaat, dat ze door een bijzonder voordeel in het verbond aangenomen waren. Als hij ze ongeloovigen noemt, zoo wijst hij aan den oorsprong alles kwaads, want al hunne zonden, die Mozes verhaalt, zijn daaruit gekomen, dat ze door Gods woord niet wilden geregeerd zijn. Want zoo waar onderdanigheid des geloofs is, daar moet ook noodzakelijk wezen een gehoorzaamheid tot God in alle deelen des levens.
6 En de engelen. Dit is een bewijs van meerder tot minder. Want de staat der engelen is beter geweest dan de onze, nochtans heeft God hun val met een schrikkelijk bewijs gewroken. Zoo zal Hij dan onze trouweloosheid niet dulden, zoo wij afwijken van de genade, tot welke Hij ons geroepen heeft. Voorwaar, deze straf, die aan de inwoners des hemels, en aan zulke uitnemende dienaren Gods opgelegd is, moet ons altijd voor oogen zijn, opdat wij nimmermeer tot verachting der genade Gods opgeblazen worden, van welke wij ten verderve mochten afvallen. Het woord, dat Judas hier gebruikt, kan zoowel voor oorsprong of begin, als voor heerschappij genomen worden. Want Judas verklaart, dat ze daarom gestraft zijn, omdat ze Gods goedheid verachtende, van hun eerste roeping gevallen zijn. En terstond volgt de uitlegging, als hij zegt, dat ze hunne woning verlaten hebben. Want zij hebben de plaats verlaten, gelijk van overloopende soldaten pleegt te geschieden. Ook is op te merken de gruwzaamheid der straf, die de apostel uitdrukt. Zij waren niet alleen vrije geesten, maar hemelsche heerschappijen, die nu met eeuwige banden vastgehouden worden. Zij genoten niet alleen het heerlijk licht Gods, maar zijn heerlijkheid lichtte in hen, zoodat ze uit hen als door stralen tot alle deelen der wereld uitgebreid werd. Maar nu zijn ze verdronken onder de duisternis. Maar wij zullen geen plaats versieren, waarbinnen de duivelen gesloten zijn: want de apostel heeft eenvoudig willen leeren, hoe ellendig hun staat is, nadat ze om hun afwijking van hun waardigheid beroofd zijn. Want waar zij gaan, zij trekken met zich hunne banden, en blijven overdekt met hunne duisternis. Intusschen wordt hun laatste straf tot den grooten dag uitgesteld.
7 Als Sodom en Gomorra. Dit voorbeeld is algemeener, want het getuigt hoe God, zonder eenigerlei menschen uit te zonderen, zonder onderscheid alle goddeloozen straft. En Judas zelve verhaalt daarna, hoe die brand, waardoor vijf steden vergaan zijn, een voorbeeld is des eeuwigen vuurs. Zoo heeft dan God reeds toen een klaar bewijs gesteld, 'twelk de menschen tot het einde der wereld in vreeze zou houden. Daarom wordt hiervan in de Schrift zoo dikwijls gemeld. Ja zoo dikwijls de profeten eenig opmerkelijk en schrikkelijk oordeel Gods willen aanwijzen, zoo zinspelen zij op het verderf van
u
â¢riquot;
JUDAS vs. 7, 8.
Sodom en Gomorra, en beschrijven dat levendig onder de teekenen van vuur en sulfer. Hierom jaagt Judas niet zonder oorzaak allen eeuwen een schrik aan, met zulk een spiegel voor te stellen. Als hij zegt, dat de naastliggende steden op gelijke wijze met hen gehoereerd hebben, dit duid ik niet op de Israëlieten, en engelen, maar op Sodom en Gomorra, 'twelk Judas veelmeer van de inwoners, dan van de plaatsen verstaat. Nagaan een ander vleesch, heeft hij gesteld voor: getrokken worden tot onnatuurlijke lusten: want . wij weten, hoe de Sodomieten niet zijn tevreden geweest met de gemeene vrijheid van hoereeren, maar dat ze met eene schandelijkheid, die vervloekt en onnatuurlijk is, bevlekt zijn geweest. Daar is op te merken, dat hij ze onderwerpt aan het eeuwige vuur, want hieruit besluiten wij, hoe het vreeselijk schouwspel, dat Mozes beschrijft, alleen een beeld van zwaarder straf geweest is.
8 Desgelijks ook dezen, droomende, besmetten het vleesoh, en verwerpen de heerschappij, ') en lasteren de heerlijkheden. quot;)
9 Zoo toch Michaël, de archangel, als hij met den duivel twistende, hem besprak van het lichaam van Mozes, niet durfde een oordeel der lastering opleggen: maar heeft gezegd: de Heere bestrafte u.
10 Maar dezen lasteren hetgeen ze niet weten. En zooveel zij natuurlijk bekennen als de onredelijke beesten, daarin verderven zij zich.
8 Desgelijks dezen. Deze gelijkenis is zoo nauw niet te nemen, alsof hij ze in alles, waarvan hij meldt, vergeleek met de Sodomieten, of afgevallene engelen, of met het ongeloovige volk. Alleen geeft hij te kennen, dat ze vaten des toorns tot het verderf zijn toebereid, en dat ze Gods hand niet kunnen ontvlieden, dat Hij ze niet eenmaal stelle tot gelijk voorbeeld. Want zijn voornemen is de geloovigen, welken hij schrijft, af te schrikken, dat ze met die niet vergezelschapt worden. Hier begint hij nu de bedriegers duidelijker te beschrijven. En eerst zegt hij, dat ze als droomende hun vleesch besmetten, met welk woord hij een verstokte onbeschaamdheid aanwijst. Alsof hij zeide, dat ze vervallen zijn tot alle vuiligheid, van welke ook de snoodste lieden gruwen, tenzij hun de slaap alle schaamte en gevoelen wegneme. Zoo is het dan een verbloemde wijze van spreken, waarmede hij te kennen geeft, dat ze zoo zonder besef zijn, dat ze zich zonder eenige schaamte tot alle schandelijkheid overgeven. Maar hier is aan te merken de tegenstelling, als hij zegt, dat zij het vleesch besmetten, dat is, onteeren wat minder eere heeft, en nochtans versmaden als oneerlijk, wat onder het menschelijk geslacht het voortreffelijkst is. Uit dit tweede deel blijkt, dat het geweest zijn oproerige menschen, die geen regeering zochten, opdat ze, geen wetten vreezende, te vrijer konden zondigen. En deze twee dingen zijn bijna altijd samengevoegd, dat zij, die tot alle snoodheid overgegeven zijn, ook wel alle orde geheel weg wilden hebben. Doch hoewel zij hierop zagen, dat ze zonder straf konden opspringen, zoo blijkt nochtans uit de woorden van Judas, dat ze wulpsch en smadelijk van de overheden plegen te spreken. Gelijk hedendaags de onzinnige menschen niet alleen grimmen, dat ze door de regeering der overheid bedwongen zijn, maar al razende roepen
281
1) Anders: Bedrogen wezende door droo-men, of als slapende ontreinigen
zü het vleesch, enz.
2) Anders: De heerlijke lieden.
282 JUDAS vs. 8-10.
tegen alle orde. Zij zeggen, dat het gebruik van het zwaard een on- ^ heilige zaak is, en tegen de godzaligheid. In e'én woord, zij verbannen vermetelijk uit de gemeente Gods de koningen en alle overheden. Heerlijkheden noemt hij die standen die voortreffelijk zijn, en in eere andere te boven gaan.
g Doch Michaël, de archangel. Deze rede verhaalt Petrus korter, en in 't algemeen, dat de engelen, die aan de menschen verre te boven gaan, nochtans niet een smadelijk oordeel durven geven. Maar omdat men gemeend heeft, dat deze historie uit een apocrief boek getrokken is, is het gekomen, dat deze brief van te kleiner waarde geweest is. Dan, dewijl de Joden zoovele dingen van hun vaderen overgeleverd gehad hebben,'zoo zie ik niets ongeschikts, zoo wij zeggen, dat Judas verhaald heeft, wat reeds door vele eeuwen van hand tot hand overgeleverd was. Ik weet wel, dat vele beuzelingen onder dit deksel aangenomen zijn, gelijk hedendaags de papisten onder dit getal verhalen allerlei ongeschikte droomerijen der monniken. Dan, dit belet niet, of zij hebben sommige historiën gehad, die niet . geschreven waren. Hierover is geen verschil, dat Mozes van den Heere begraven is, dat is, dat zijn graf door een zekeren raad Gods verborgen is. Nu, de oorzaak waarom zijn graf verborgen is, is ieder bekend, namelijk opdat de Joden zijn lichaam niet zouden gebruiken tot superstitie. Wat wonder is het dan, dat satan het lichaam van den profeet, 'twelk van God verborgen was, gezocht heeft voort te brengen? en dat de engelen daartegen gestaan hebben, gelijk zij altijd gereed staan om God te dienen. En waarlijk, wij zien, hoe satan ten allen tijde hiertoe gepoogd heeft, dat de lichamen der dienaren Gods als zoovele afgoden mochten worden voor de dwaze menschen. Hierom moet ons deze brief niet verdacht zijn om dit getuigenis, schoon het in de Schrift niet gevonden wordt. Dat Michaël hier alleen tegen den satan twistende ingevoerd wordt, is niets nieuws. Wij weten, hoevele duizenden der engelen altijd gereed zijn ten dienste Gods. Maar om de zaken uit te voeren, verkiest God dezen of dien, naar zijn behagen. Wat Judas verhaalt van Michaël gezegd te zijn, vindt men ook Zach. 3 : 1, God schelde of bedwinge u, satan! Dit is nu een vergelijking van meerder en minder, gelijk men zegt. Michaël durft den satan niet gruwzamer lasteren (die nochtans verworpen en veroordeeld is) dan dat hij hem Gode overgaf om bedwongen te worden. Maar dezen durven met den hoogsten smaad de overheden lasteren, die God met een bijzondere eere versiert.
io Hetgeen ze niet weten. Hij verklaart, dat ze niets gevoelen, dan wat grof, en als beestelijk is, en daarom niet verstaan wat eere waardig is. Dat ze nochtans daarbij zoo stout en onzinnig zijn, dat ze durven verdoemen wat ze niet kunnen begrijpen. Daarenboven, dat ze nog met een verscheiden gebrek behangen zijn, dat, wanneer zij gelijk het vee tot datgene gedreven worden, dat met de lichamelijke zintuigen gevoeld wordt, zij ook daarin geen matigheid houden, maar zichzelven ganschelijk daarin versmoren, gelijk een zwijn zich wentelt in het stinkende slijk. Het woord natuurlijk wordt gesteld tegen de rede en het oordeel. Want in de onvernuftige dieren regeert niets dan de beweging der natuur, maar het verstand moet de menschen tot matigheid regeeren, en hunne begeerlijkheden breidelen.
JUDAS vs. 11, 12.
11 Wee liun! want zij zijn Kaïns weg ingegaan. En zijn uitge- Gen. 4:8. stort door het bedriegelijke loon van Balaam, en zijn vergaan 115. in de tegenspreking van Korach. Num. 16 : l.
12 Deze zijn smetten in uwe broederlijke maaltijden '), onder elk- I)g^1n!^rs: ander brassende, gerustelijk zichzelven weidende, wolken zon- met u ter der water, die van den wind omgedreven worden, boomen die maaltijd
in den herfst verwelken2), onvruchtbaar, tweemaal verstorven 2 Petr. 2:17. en uitgeworteld. _ _ uftg^dord?'
13 Wilde golven der zee, uitschuimende hun eigen schande, do- boomen, of lende sterren, welken de donkerheid der duisternis tot in der w,,,,â¢,,' eeuwigheid bewaard is.
11 Wee hun! Het is wonder, dat hij ze zoo hard doorhaalt, dewijl hij zooeven gezegd heeft, dat ook den engelen niet toegelaten is geweest tegen den satan zeiven een smadelijk oordeel te geven.
Doch hij heeft geen algemeenen regel willen voorschrijven. Hij toont alleen kortelijk met het exempel van Michael, hoe ondragelijk de onzinnigheid van dezen is, als zij onbeschaamdelijk lasteren wat God eert. Het was waarlijk aan Michael geoorloofd tegen den satan met de hoogste verbanning te donderen. Wij zien ook hoe heftig somtijds de profeten tegen de goddeloozen oprijzen. Maar dewijl Michaël zich onthoudt van de uiterste strengheid, die hem anders geoorloofd was: wat razernij is het geen mate te houden tegen de creaturen,
die in heerlijkheid uitblinken? Doch van hen vrijuit sprekende, waarschuwt hij veelmeer wat uitgang zij te verwachten hebben, dan dat hij hun kwaad wenscht. En dit doet hij, opdat ze niemand onverhoeds met zich in 't verderf zouden trekken. Hij zegt, zij zijn Kains navolgers, die Gode ondankbaar was, en die zijn dienst met een goddeloos en boosachtig hart verkeerende, zich van het recht der eerstgeboorte beroofd heeft. Hij zegt, dat ze als Balaam door het loon bedrogen zijn, doordien zij om vuil gewin de leer der godzaligheid vervalschen. Doch de beeldspraak die hij gebruikt, drukt wat meer uit. Want hij zegt, dat ze uitgestort zijn, omdat ze hunne onmatigheid uitgieten, als wegvloeiend water. Ten derde zegt hij, dat ze navolgen de tegenspreking van Korach, namelijk,
omdat ze den welgestelden stand der kerken verstoren.
12 Smetten in uwe broederlijke maaltijden. Zij, die lezen,
onder uwe liefden, verklaren, naar mijn gevoelen, niet genoeg den rechten zin. Want hij noemt die maaltijden liefden, welke de ge-loovigen onder elkander hielden om van de broederlijke eenigheid te getuigen. Zulke maaltijden, zegt hij, worden onteerd van de onzuivere menschen, welke daarna zich wulpsch voeden: want in die maaltijden was zeer goede orde en matigheid. Zoo was het dan niet geoorloofd zulke slempers toe te laten, die later elders den borst zouden gaan smeren. Sommige handschriften hebben, etende met ulieden. Zoo men liever alzoo leest, zal de zin wezen, dat zulke niet alleen tot schande zijn, maar dat ze ook zwaar en lastig vallen,
omdat ze stoutelijk den buik vullen, op de gemeene kosten der gemeente. Petrus zegt dit een weinig anders, als hij schrijft, dat ze wellustig zijn in hunne dwalingen, en dat ze met de kudde der ge-loovigen eten. Alsof hij zeide, dat die onbedachtelijk doen, welke zoo schadelijke slangen voeden, en dat ze meer dan zot zijn, die aan hunne gulzige overdaad toegeven. En och, of sommige goede lieden
283
waarvan de vruchten verrotten, enz.
284 JUDAS vs. 12â14.
hedendaags wat meer onderscheid hadden, welke als zij jegens de goddeloozen al te weldadig willen zijn, der gansche gemeente groote schade aanbrengen. Wolken zonder water. Hij vat twee gelijkenissen, die bij Petrus staan, te zamen, doch tot hetzelfde oogmerk, want beide bestraffen zij dien ijdelen pracht. Want ofschoon die boeven veel beloven, zoo zijn ze nochtans van binnen droog en ledig, gelijk de wolken van stormwinden gedreven, hope geven van regen, maar terstond verzwinden tot niet. Petrus doet erbij, de gelijkenis van een droge en ijdele fontein: maar Judas voegt meer gelijkenissen tot hetzelfde einde samen, dat het zijn verwelkende hoornen, gelijk in den herfst de jeugd der boomen verdwijnt. Daarna noemt hij ze onvruchtbare boomen, uitgeworteld, en tweemaal verstorven, alsof hij zeide: van binnen is geen sap, wat bladeren ze ook toonen.
13 Wilde golven der zee. Waarom dit daarbij gedaan is, kan men uit de woorden van Petrus beter afleiden, namelijk dat ze hoo-vaardig opgeblazen zijnde, groote en prachtige woorden uitblazen, of uitwerpen, gelijk de zee haar schuim doet. Intusschen hebben zij niets geestelijks, zoodat ze de menschen veelmeer tot de gevoelloosheid der onvernuftige beesten henenvoeren. Zoodanig zijn hedendaags de onzinnige menschen, die men Libertijnen noemt, gelijk ik hierboven gezegd heb. Gij zoudt zeggen, dat hun redenen enkel donderslagen zijn: want verachtende de gemeene taal, versieren zij een ik weet niet wat vreemde spraak, en nadat zij geschenen hebben hunne leerjongers boven den hemel te trekken, zoo vervallen zij terstond in beestelijke dwalingen. Want zij houden voor een staat van onschuld, waar men geen onderscheid maakt tusschen eer en schande. Zij dichten, dat er een geestelijk leven is, als zich een iegelijk zonder vreeze gerustelijk den toom geeft, en dat wij goden worden, omdat de geesten uit het lichaam scheidende, van God in-gezvvolgen worden. Hierom moeten wij met des te meer vlijt en eerbied ons houden aan de eenvoudigheid der Schrift, opdat wij niet scherpzinniger dan het betaamt philosopheerende, niet alleen den hemel niet naderen, maar daarentegen in velerlei doolhoven verward worden. Hierom noemt hij ze ook dolende sterren, omdat ze door een verzwindende soort van licht, onze oogen verbloemen.
14 Van dezen heeft ook Henoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is met vele duizend heiligen gekomen,
15 Om oordeel te houden tegen allen, en te straffen alle goddeloozen onder hen van alle goddelooze werken, die zij ongoddelijk gedaan hebben, en van alle hardigheden, die de goddelooze zondaars tegen Hem gesproken hebben.
16 Deze zijn murmureerders, klagers, naar hunne eigen begeerlijkheden wandelende, en hun mond spreekt opgeblazen dingen, zij hebben de personen in verwondering om des voordeels wille.
14 Van dezen heeft. Ik acht veelmeer, dat deze profetie onbeschreven is geweest, dan dat het uit een apocrief boek aangehaald is. Want het kan zijn, dat de voorvaders hun nakomelingen deze opmerkelijke spreuk overgeleverd hebben. Zoo iemand vraagt, dewijl
i
JUDAS vs. 14â17.
'in de Schrift dergelijke spreuken overal te vinden zijn, waarom hij niet uit eenigen profeet een geschreven getuigenis aangehaald heeft, het antwoord is gereed, dat hij van den alleroudsten tijd heeft willen verhalen, wat de Geest van zulken gesproken heeft. Dit geven ook de woorden te kennen. Want hij heeft met opzet gezegd de zevende van Adam, om de oudheid der profetie aan te prijzen,
namelijk dat het reeds in de eerste wereld geweest is. Doch dat ik gezegd heb, dat deze profetie den Joden door overlevering bekend is geweest, zoo iemand anders gevoelt, ik laat het vallen, gelijk ik ook doe in zake den brief zeiven, of hij van Judas is, of van iemand anders. In twijfelachtige zaken volg ik alleen wat het waarschijnlijkst is. Ziet, Hü is gekomen, in plaats van Hij zal komen, naar de wijze der profeten. Hij zegt, dat Hij komen zal met duizenden der heiligen. Onder welke woorden hij zoowel de geloovigen als de engelen beteekent. Want zij zullen beide versieren den rechterstoel van Christus, als Hij zal nederkomen om de wereld te oordeelen.
Hij zegt duizenden, gelijk ook Dan. 7 : 10 van vele duizenden der engelen spreekt; opdat de menigte der goddeloozen, als een sterke zee, de kinderen Gods niet doe wegstroomen, als zij bedenken dat de Heere de zijnen eenmaal zal vergaderen, waarvan een deel nu in den hemel wonende, deels buiten ons gezicht is, en een deel onder een grooten hoop kaf diep verborgen ligt. Nu moet de straf,
die den verworpenen naakt, de verkorenen in vreeze en zorgvuldigheid houden. Hij spreekt van de werken en woorden. Want de verdervers hebben niet alleen veel schade gedaan met hun schadelijk leven, maar ook met hunne onzuivere en verkeerde redenen. Hij noemt ze harde redenen, om die onbuigzame stoutheid,
waardoor zij opgeblazen waren, en zich onbeschaamdelijk indrongen.
16 Deze zijn murmureerders. Omdat ze zich in de kwade lusten toegeven, daarom zijn ze ook moeilijk en korzelig, dat ze zich nimmer tevreden houden. Hieruit komt, dat ze altijd tegenmorren en klagen, hoewel de menschen zich jegens hen vriendelijk aanbieden. Hij bestraft die hooge woorden, dat ze zich zoo grootschelijk roemen. Doch hij toont intusschen, dat ze van snooden aard zijn, die zich als slaven vernederen om gewinswille. En men ziet gemeenlijk zulke ongelijkheid in zoodanige boeven. Als daar niemand.is, die hun moedwil breidelt, of daar geen ontzag is, dat ze verhindert,
zoo is hun hoovaardigheid ondragelijk, zulke meesters zijn ze, die zich alles toemeten. Maar die zij vreezen, of van welke zij wat voordeel verwachten, die pluimstrijken zij schandelijk. De personen neemt hij voor de uitwendige hoogheid of macht.
17 Maar gij beminden! zijt gedachtig der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus.
18 Dat zij u gezegd hebben, dat in de laatste tijden zouden komen spotters, die naar de lusten hunner goddeloosheden zouden wandelen.
285
19 Dezen zijn het, die zichzelven afzonderen '), vleeschelijken, die i) of: Die den Geest niet hebben. schending61
aanrichten.
17 Maar gjj. Hij voegt nu bij de oudste profetie de vermaningen der apostelen, die nog in versche gedachtenis waren. Hetzij dat men leze, gij zyt gedachtig, of als vermanende, zijt gedachtig, de zin
JUDAS vs. 18â20.
blijft deze, dat ze door de voorzegging, die hij aanhaalt, gewapend, niet moeten verslagen zijn. Door den laatsten tyd verstaat hij dien, als de staat der kerken vernieuwd zijnde, een vasten grond krijgt tot het einde der wereld, en die is begonnen van de eerste komst van Christus. Spotters noemt hij naar de wijze der Schrift, die met een goddelooze en onheilige verachting Gods dronken zijnde, tot een beestelijke versmading Gods uitbreken, zoodat ze door geen godsdienst meer in hun behoorlijken staat gehouden worden: dewijl geen vreeze des toekomenden oordeels, noch hope des eeuwigen levens in hun hart meer kleeft. Gelijk hedendaags de wereld overal vol is van Epicureïsche verachters Gods, die allen eerbied gansch afgeslagen hebbende, met alle onzinnigheid de gansche leer der godzaligheid als een fabel bespotten.
19 Die afzonderen. Hij geeft te kennen, dat ze een afscheiding maken van de gemeente, omdat zij het juk der Christelijke straf niet | dragen kunnen, omdat zij tot het vleesch genegen zijn, en van het leven naar den Geest, een afschuw hebben. De ziel wordt hier I gesteld tegen den Geest, dat is tegen de vernieuwing der genade, en daarom beteekent zij dien gebrekkelijken aard, gelijk hij is in degenen, die nog niet wedergeboren zijn. Want in deze ontaarde i natuur, die wij van Adam ontvangen, is niets dan wat grof en aardsch j is. Zoodat er in ons niet een deel is, dat naar God zucht, totdat ^ wij door zijnen Geest vernieuwd zijn.
20 Maar gij beminden! bouwt uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest.
i) Anders: 21 Bewaart uzelven in de liefde '), verwachtende de barmhartigheid
Behoudt TT _ , 0
elkander in van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.
22 En ontfermt u dezer, maar onderscheidt ze.
23 Doch behoudt met vreeze de anderen, die trekkende uit het vuur, hatende ook den rok, die van het vleesch bevlekt is.
24 Doch Dien, die u zonder aanstoot bewaren kan, en stellen voor het aanschijn zijner heerlijkheid, onstraffelijk met vreugde,
25 Dien God, die alleen wijs is, onzen Zaligmaker, zij prijs en majesteit, en rijk, en macht, nu en in alle eeuwigheid. Amen.
20 Maar gij. Hij toont de wijze, waardoor zij al de aanslagen des satans kunnen verdrijven, namelijk zoo zij, bij hun geloof de liefde hebbende, als op de wacht staan tot de toekomst van Christus. Maar gelijk hij overvloedig is in figuurlijke spreekwijzen, zoo doet hij ook hier, gebruikende spreekwijzen, die kortelijk aan te merken zijn. Vooreerst beveelt hij, dat ze zich op het geloof bouwen, waarmede hij verklaart, dat zij den grond des geloofs moeten houden. Doch dat de eerste onderrichting niet genoeg is, zoo degene, die nu in het rechte geloof gegrond zijn, niet dagelijks : staan om toe te nemen. Hij noemt hun geloof het allerheiligste, opdat ze grondig daarop zouden steunen, op zijne vastigheid leven, en nimmermeer wankelen. Maar dewijl de gansche volmaaktheid des menschen in het geloof bestaat, zoo schijnt ongeschikt te wezen, dat hij een ander gebouw daarop beveelt te bouwen, alsof het geloof den mensch alleen een beginsel gaf. De apostel beantwoordt deze vraag, als hij terstond daarbij doet, dat de menschen gebouwd worden op het geloof, als de liefde daarbij komt, tenzij
286
de liefde Gods.
JUDAS vs. 20â22.
iemand het misschien liever aldus wilde verstaan, dat de menschen op het geloof gebouwd worden, zooveel zij daarin toenemen. En voorwaar de dagelijksche toenemingen in het geloof maken, dat het redelijk en behoorlijk gebouwd wordt. Aldus zou de apostel bevelen, dat men in het geloof wasse, met gebeden aanhoude, en door de liefde zijn roeping vasthoude. Biddende in den Geest. Dit is het middel om te volharden, zoo wij met Gods kracht voorzien zijn. Hierom, zoo dikwijls als er kwestie is van de volstandigheid des geloofs, moet men zijn toevlucht tot de gebeden nemen. Maar omdat wij gemeenlijk om welstaanswille bidden, zoo doet hij daarbij, in den Geest. Alsof hij zeide, de traagheid en koudheid onzes vleesches is zoo groot, dat niemand recht bidden kan dan door den Geest Gods opgewekt zijnde. Wij zijn ook zoo genegen tot mistrouwen en versagen, dat niemand God Vader durft noemen, tenzij dezelve Geest het hem in den mond legge: want uit Hem komt de zorgvuldigheid, komt de fierheid en dapperheid, ook de blijmoedigheid en het vertrouwen van te verkrijgen. In één woord, van dezen Geest spruiten die onuitsprekelijke zuchten, waarvan Paulus vermeldt, Rom. 8. Zoo leert dan Judas niet tevergeefs, dat niemand bidden kan zoo het behoort, of de Geest moet hem leiden.
21 Bewaart u in de liefde. Hij stelt de liefde als een bewaarster en geleidster onzes levens. Niet opdat hij ze tegen de genade Gods stelle, maar omdat dit de rechte loop is onzer roeping, zoo wij in de liefde voortgaan. Maar omdat vele dingen ons tot afwijking opwekken, zoodat het zwaar is ons Gode ongeschonden te bewaren tot het einde toe, zoo stelt hij den geloovigen den laatsten dag voor. Want alleen de verwachting daarvan moet ons ophouden, dat wij nimmer den moed verliezen, anderszins moesten wij alle oogenblik bezwijken. Dan, hier is op te merken, dat hij het eeuwig leven niet wil verwacht hebben, dan uit de barmhartigheid van Christus. Want alzoo zal Hij onze rechter zijn, dat Hem de genadige weldaad onzer verlossing, die Hij ons verkregen heeft, de regel wordt, naar welken Hij zal oordeelen.
22 Ontfermt u dezer. Hij voegt daarbij de andere vermaning, hoe zich de geloovigen moeten dragen in het verbeteren der broederen, opdat ze di^ tot den Heere wederbrengen. Hij vermaant, hoe ze onderscheiden moeten behandeld worden, te weten, elk naar zijn aard, want jegens de zachtzinnigen en leerzamen moet men geduld gebruiken. Anderen, die harder zijn, moet men met vreeze ten onder houden. Dit is het onderscheid, waarvan hij meldt. De inhoud is, zoo wij de zaligheid der dwalenden willen gadeslaan, dat wij op eens iegelijks aard moeten letten, opdat die, welke zacht en leide-lijk zijn, zoetelijk op den rechten weg gebracht worden, als die der barmhartigheid waardig zijn. Maar zoo iemand halsstarrig is, dat hij strenger berispt worde, en omdat de strafheid gemeenlijk gehaat is, zoo verontschuldigt hij haar om des noods wille, dat die, welke vrijwillig geen goeden raad volgen, anders niet kunnen behouden worden. En hiertoe gebruikt hij eene schoone gelijkenis; want waar gevaar is van brand, daar trekken wij met geweld zonder zwarigheid uit, die wij gansch begeeren te hebben, want het ware niet genoeg die met den vinger te wenken, of zachtelijk de hand te bieden. Alzoo moet men ter zaligheid helpen, die, zoo zij niet hard behandeld werden, tot God niet zouden komen. Het woord
287
JUDAS vs. 22-24.
behouden, wordt op de menschen geduid, niet alzoo, dat ze zijn werkers der zaligheid, maar bedienaars daarvan.
23 Hatende. Deze plaats, die anderszins duister schijnt, zal niets zwaars hebben, als de gelijkenis wel uitgelegd wordt. Hij wil, dat zich de geloovigen niet alleen wachten van de zonden aan te roeren, maar hij vermaant ook, dat ze schuwen al wat derwaarts trekt en genaakt, opdat hun geen besmetting rake. Gelijk als wij spreken van de onkuischheid, wij zullen zeggen, dat men alle aanleidingen tot kwade lusten moet, wegnemen. Dit zal nog klaarder zijn, als de rede aldus aangevuld wordt, namelijk, dat wij niet alleen het vleesch mijden, maar ook den rok, die door het aanroeren des vleesches besmet is. Want het woord ook, versterkt de zaak. Zoo ver is het vandaan, dat hij zou toelaten, dat men het kwaad door toegeving voede, dat hij veelmeer beveelt, dat men alle voorbereidingen en oorzaken afsnijde.
24 Dien, die u bewaren kan. Hij besluit den brief, met God te loven, waarmede hij toont, dat onze vermaningen en vlijtigheden niet vermogen, zoo de vrucht niet voortkomt uit de kracht Gods, Sommige handschriften hebben, die hen bewaren kan. Indien wij zoo lezen, zoo wordt de zin; U komt toe, te pogen dat ze zalig worden, maar God alleen moet het uitvoeren. Doch mij behaagt meer de andere lezing, in welke ook een toespeling is op den voorgaan-den zin. Want nadat hij de geloovigen vermaand heeft te behouden wat verloren is, opdat ze verstaan, dat alle arbeid tevergeefs wordt, zoo God niet werkt, zoo getuigt hij, dat zij ook zeiven niet anders dan door Gods kracht kunnen zalig worden, of zichzelven behouden.
288
REGISTER
DER
VOORNAME ZAKEN.
REGISTER.
|
Aalmoezen zijn eene oft'erande, 2 Cor. 9 ; 7, 11, Fil. 4:18, Hebr. 13 : 1G; zijn een bewijs des ge-loofs en der liefde, 1 Joh. 3 ; 17, Jak. 2 : 15. Aanneming tot kinderen voor de bezitting zelve. Gal. 4:5; hangt aan do onverdiende verkiezing. Col. 1:12; is de eenige oorzaak onzer zaligheid, 1 Joh. 3 :1; is de eerste oorzaak van gehoorzaamheid, Hebr. 2:13; maakt alleen de menschen bekwaam, Col. 1; 13; maakt erfgenamen des eeuwigen levens, Hebr. G: 12; wat het is te verwachten, Kom. 8 : 23; komt nit genade, 1 Joh. 3 :1; verkrijgen wij door het geloof, Jak. 1:18. Aanroeping voor de gansche zaak des geloofs in Christus, 1 Cor. 1:2; voor den ganschen godsdienst, 2 Tim. 2:19; en geloof zijn bij elkander gevoegd, Eom. 10 ; 14; bewijst het geloof, Bom. 8 : 1G; hare vrucht, Fil. 4 : 7. Aaron voor een tijd tot priester gesteld, Hebr. 5 : 4. Abba-Vader, Eom. 8 :15, Gal. 4 : G. Abel, zijn geloof en offer, Hebr. 11:4. Abraham is de vader der geloovigen, en hoe, Eom. 4:1, 1G, Hebr. 6:12; 11:8, 1 Petr. 2 : 9; heeft den naam ontvangen van de daad zelve, 1 Joh. 3:1; hoe gerechtvaardigd, Gal. 3:6, Eom. 4: 3; dat zijne werken hem tot gerechtigheid gerekend zijn, kan kwalijk uit Jakobus' getuigenis bewezen worden, Jak. 2 : 21; hoe een erfgenaam der wereld, Eom. 4:13, Hebr. 2:5; zijn geloof, Eom. 4 : 3, Hebr. 11:8; zijn volstandigheid, Hebr. 11:9; zijn roeping, Hebr. 11:8; zijn gastvrijheid, Hebr. 13 : 2; zijn lachen was zonder zonde, Eom. 4:20; zijn lichaam onvruchtbaar, eer God hem zegende, Eom. 4:19; was minder dan de koning Melchizedek, Hebr. 7 : 4, 6. Absolutie des pausen, gansch tooverachtig, 2 Cor. 5:19. Achterklap is boven andere zonden te haten. Jak. 3 : 2; wordt ernstig bestraft, Jak. 4:11. Achterklappers, Eom. 1:30. Adam is een voorbeeld der zonde, Eom. 5:14; geloofde des duivels leugen, 1 Tim. 2 : 14; zijn val heeft ons van God vervreemd, Hebr. 2:5; hoe schadelijk zijn ongehoorzaamheid is, Eom. 5:19; wordt vergeleken met Christus, 1 Cor. 15:47. Afgod, wat hij is, 1 Cor. 10:19, 2 Thess. 2 :4, Hebr. 11:6; hoe hij gezegd wordt niets te zijn, Gal. 4: 8, 1 Cor. 8 : 4. |
Afgodendienaar, wie, 1 Cor. 5 :11. Afgodendienaars, die den duivel dienen, 1 Cor. 10:20. Afgoderij moet men vlieden, 1 Cor. 10:14,2 Cor. 6 :14; 7 :1. Aflaten des pausen wederlegd, 1 Cor. 1:13. Afval van God is eene zonde tot den dood, 1 Joh. 5: 1G. Afvallige, wie, 2 Thess. 2 : 3, 1 Tim. 4 :1, Hebr. 6:4; 10: 26. Afvalligen, of zij leden der gemeente geweest zijn, 1 Joh. 2 :19; beroeren krachtiger de zwakke dan duizend vijanden buiten, 1 Joh. 2:19. Afwasschingen, waartoe zij eertijds ingesteld zijn, 1 Joh. 5 : 6. Agrippa. een goddeloos mensch, 1 Petr. 1: 25. Alexander, een ketter, 1 Tim. 1: 20. Alexander, de smid, een vijand des Evangelies, 2 Tim. 4 : 14. Allegoriën verduisteren somtijds de zaak, Hebr. 10 : 19; zijn ontijdig, Gal. 4 : 22. Amen, wat het is, 2 Cor. 1: 20; 12 :16. Anathema, wat het is, Eom. 9 : 3, 1 Cor. 12 : 3. Antichrist, wie hij is, 2 Thess. 2 : 3; beschrijving van dien, 2 Thess. 2 : 9; of hij slechts één mensch zal wezen, 1 Joh. 2 :18; zijne tirannie geestelijk, 2 Thess. 2 : 4; zijn rijk eertijds zeer vermaard, 1 Joh. 4: 3; zijn teekenen in den paus, 1 Joh. 2 : 18; zijne lidmaten zijn die des pausen strikken gewillig aantrekken. Jak. 4 :12; zijn komst, hoe dwaselijk zij van de papisten verwacht wordt, 1 Joh. 2 : 18; dat hij komen zal, en aireede in de wereld is, hoe dit van Johannes gezegd is, 1 Joh. 4: 3; zijn wreedheid tegen Gods volk, Hebr. 11:35; zijn verderf, 2 Thess. 2 : 8. Antichristen zijn die Christus willen verkeeren, 1 Joh. 2 : 22. Apollinaris, bisschop van Laodicea, zijn dwaling van de ziel van Christus, 1 Cor. 15 : 45. Apollos is in Paulus' plaats gekomen, 1 Cor. 1:12. Apostel, wie, 1 Cor. 1:1; 12 : 28, Ef. 4 :11; de naam strekt wijd, Kom. 16:7, 1 Cor. 15:5,2 Cor. 8 : 22, Fil. 2 : 25; het ambt, Eom. 1:1; 15 : 20, 1 Cor. 15 :11. Apostelen zijn de grondleggers der gemeente, Eom. 15 : 20; zijn dikwijls vrij in 't aanhalen der woorden der Schrift, Eom. 3:4; 11:26, 1 Cor. |
ARBEIDâBLIJDSCHAP.
|
14: 20, Ef. 4: 8, Tit. 1: 3, Hebr. 2 ; 7; 3 ; 9; 10 : 5, 38; 12:21; door hen en de profeten heeft God tot ons gesproken, 1 Petr. 1:25; hoewel gestorven, nochtans is han leer levend, 2 Petr. 1: 14. Arbeid der handen, of die allen mensohen geboden is, Ef. 4: 28, 1 Thess. 4:11,2 Thess. 3:10. Archippus, een dienaar der gemeente, Filem. vs. 2; wordt van zijn ambt vermaand. Col. 4:17. Arianen wederlegd, 2 Cor. 4:4; 13:4, Ef. 4: 5, Fil. 2:6, Col. 1:15, 1 Tim. 3:16, Tit. 2:13, Hebr. 1: 3. Arius, presbyter te Alexandrië, versierende Christus met den naam van God, beroofde Hem van zijn eeuwige Godheid, 1 Joh. 2 :22; is met andere ketters lid geweest van het rijk van den Antichrist, 1 Joh. 2:18. Arisiarchus, een metgezel van Paulus, Col. 4:10. Aristoteles, een Grieksch wijsgeer, 384â322 v. C., aangehaald, 1 Cor. 14:11,2 Cor. 8 :13, Gal. 5 :19. Ark van Noach, een tegenbeeld van den doop, 1 Petr. 3:21. Armen, hun gebreken, 2 Thess. 3 : 13; hun roepen komt tot God, Jak. 5:4; verzameling voor hen, Eom. 15:25, 1 Cor. 16:1. Armoede in Christus geheiligd, 2 Cor. 8 : 9. lï. Babylon, of het Eome beteekent, 1 Petr. 5 :13. Balaam is van een ezelin berispt, 2 Petr. 2 :14. Barmhartigheid is een Christelijke deugd, Eom. 1:30. Basilides, leeraar te Alexandrië, een ketter, 1 Joh. 2:18. Basilius. bisschop van Cesarea, aangehaald, 1 Cor. 15 : 33, Tit. 1:12. Bazuin, de laatste, 1 Cor. 15: 52; des Archangels, 1 Thess. 4:16. Bedriegerij, drieërlei, 1 Thess. 2 : 3. Beeld Gods is in ons overgebleven, doch leelijk mismaakt, Jak. 3:9; is in ons als een zegel, dat wij tot Gods kinderen aangenomen zijn. Joh. 4:17. Beelden, wanneer zij in de kerken gekomen zijn. Gal. 3 :1; zijn te schuwen, 1 Joh. 5 : 21. Begeerlijkheid is zonde, Eom. 7 : 7; wordt genomen voor dwaze en lichtvaardige begeerten, 2 Tim. 3 :6; heeft twee gevolgen, en welke die zijn. Jak. 1:14, 15; wordt verdeeld in drieën, waarvan eenige in alle wereldsche menschen re-geeren, 1 Joh. 2:16; heeft geen mate, als men die toegeeft. Jak. 4 : 2. Begeerlijkheden, die tot twist verwekken, laten Gods Geest niet regeeren. Jak. 4 : 5. Behagen; in het vleesch willen behagen, Gal. 6 : 12; den menschen behagen. Gal. 1:10,1 Thess. 2:4. Bekeering is van God, 2 Tim. 2 : 25; haar aard en wijze, Jak. 4: 8; hoe groot zij te achten is, Filem. vs. 12. Bekennen voor achting hebben, 1 Thess. 5 : 12. Belial genomen voor duivel, 2 Cor. 6 :15. Belijdenis des geloofs genomen voor geloof. * V'( |
Hebr. 3:1; 4:14; is niet de oorzaak onzer zaligheid, Eom. 10:10; is allen godzaligen noodig, Hebr. 10 : 23; behaagt Gode en moeten wij altijd gereed hebben, 1 Petr. 3 :15, 16. Belijdenis van zonde brengt ons een tweevoudige vrucht, 1 Joh. 1: 9; hoedanig en waartoe zij van ons geëischt wordt. Jak. 5 :16; haar te doen, geeft belofte van vergeving, 1 Joh. 1: 9. Belofte, door Christus bevestigd, Hebr. 6 :17; dezes levens, 1 Tim. 4 : 8, 1 Petr. 3 :12; en des toekomenden, 1 Tim. 4:8; des koninklijks. Jak. 2:5. Beloften moet men niet vermengen met het Evangelie, Eom. 1: 2; verkrijgt men door het geloof, Hebr. 6:12; hoe het ongeloof daarvan door God gestraft wordt. Jak. 1: 8; aan wie ze tevergeefs zijn, Hebr. 11: 32. Benauwdheid, wat zij is, Eom. 8 :35. Beproeving, tweeërlei, Eom. 2 :18; wat het beteekent bij Paulus en bij Jakobus, Eom. 5 : 4; des geloofs, hoe dierbaar en nuttig, 1 Petr. 1: 7, Jak. 1:3. Berisping der broeders. Jak. 3 :1; is noodig en nuttig, 1 Cor. 4:21, 2 Cor. 2:4, Ef. 5:11,12, 2 Tim. 3 :16; 4: 2; hoe te geschieden, 1 Tim. 5 :1; is te matigen, Jud. vs. 22. Berouw genomen voor droefheid hebben, 2 Cor. 7:8; is een gave Gods, Hebr. 6:6; welk het ware is, 2 Tim. 2 : 25; of het de oorzaak der zaligheid is, 2 Cor. 7:10; het na te laten, Hebr. 12:17; zijn beginsel, Hebr. 6 :1; zijne deelen, Ef. 4 : 22; zijne teekenen, 2 Cor. 7:11. Besnijdenis, genomen voor Joden, Gal. 2 : 7, Ef. 2 :11; tweeërlei, Eom. 2:28, Ef. 2:11, Col. 2:11, Fil. 3 : 3; welke de ware is, Eom. 2 : 25; is een tijd lang geboden. Gal. 5 : 3; is een teeken der heiligmaking, Ef. 2 : 11; maakt niet rechtvaardig, Eom. 2:25, 28. Betamelijkheid moet men in de gemeente bewaren, 1 Cor. 14: 40. Betering, waarin zij verschilt van bestraffing, 2 Tim. 3 : 16; moet men matigen, 1 Cor. 4: 14. Betrouwen, zijn natuur, 1 Joh. 3 : 21; is noodig in de ware aanroeping, Ef. 3:12; op onszelven, hoezeer het Gode mishaagt, 2 Cor. 1: 9. Bewaring des huisgezlns, hoezeer den vrouwen betamelijk, 1 Tim. 5:13. Bidden moet met vertrouwen geschieden. Jak. 1:6; moet men voor allen, voornamelijk voor de heiligen, Ef. 6:18. Zie voorts onder Gebed. Bijgeloof, zie Superstitie. Bisschop gelijk aan opziener, 1 Tim. 3:1. Bisschoppen in het pausdom zijn stomme menschen, Gal. 6 : 6; zijn de apostelen niet nagevolgd, Eom. 1:1, 1 Cor. 1:1; 4:15; 9:16, Gal. 4:14, 1 Thess. 5 :11, 13, 1 Tim. 3 : 2, Tit. 1:5, 9, Hebr. 5:4; 13:17. Blijdschap, tweeërlei, 2 Cor. 7:10; genomen voor geestelijke vertroosting, 2 Cor. 8 :2; voor blijmoedigheid. Gal. 5:22; is een vrucht des Geestes en des geloofs. Gal. 5 : 22, 1 Petr. 1: 8; moet ons opwekken Gods goedheid te roemen, Jak. 5 -.13. |
BLINDHEIDâCHEISTUS.
5
|
Blindheid des menschelijken vernufts, hoe groot zij is, 1 Cor. 1:21. Bloed van Christus, het pand onzer zaligheid en de oorzaak onzer roeping, 1 Petr. 1:18. Bloed en water, wat het in de wet beteekende, 1 Joh. 5 ; 6. Boek genomen voor wet of rol, Hebr. 10:7; voor den raad Gods, Jad. vs. 4; des levens, Fil. 4:3, Hebr. 12:23. Boosheid heeft haar stoel in de ziel des men-schen. Jak. 1:21; haar af te leggen, 1 Petr. 2 : 2. Bouwlieden genomen voor de regeerders der kerk, 1 Petr. 2 : 7. Branden, wat Paulus daardoor verstaat, 1 Cor. 7:9. Brood, hoe genoemd het lichaam van Christus, 1 Cor. 11:24. Broodbreking genomen voor het gansche nachtmaal, 1 Cor. 10:17. CJ. Carpocratcs, een ketter in Alexandrië, 1 Joh. 2:22. Cataphryges, ketters, 1 Tim. 4:3. Catechismus. Hebr. 6 :1, 2. Ceremoniën, waarom zij zwakke beginselen der wereld zijn, Gal. 4: 9, Col. 2: 8; zijn den schaduwen gelijk, Hebr. 10: 1; zijn weggenomen. Col. 2 : 14, Hebr. 13 :10, 15; haar gebruik, Hebr. 9 : 9; waartoe zij eertijds voornamelijk zijn ingezet en gediend hebben, Hebr. 8:5,1 Joh. 5 : 6. Cerinthus, een ketter in Klein-Azië, 1 Joh. 2 :18. Chiliasten, hun razernij, 1 Thess. 4:17,2 Thess. 2 :1. Chloë, 1 Cor. 1:11. Christelijke Straf, 1 Cor. 14: 32. Christus heeft twee naturen, Kom. 9 : 5, Gal. 4: 4, Fil. 1:6, 7, 1 Joh. 4:2; is eeuwig God, Rom. 1:3, 4; 8:11; 9:5; 14:11; 15:12, 1 Cor. 1:2; 10:9, Gal. 4: 4, Fil. 2:6,9, Col. 2:9,10.1 Thess. 3:11,2 Thess. 2:16,1 Tim. 2 : 5; 3:16, Tit. 2 :13, Hebr. 1: 2â4, 8; 2:10; 3 : 2,1 Joh. 5 : 20;isGods Zoon, Kom. 1: 4, 5, 1 Joh. 1:1; 2 : 22; is Gods Beeld, 2 Cor. 4: 4, Col. 1:15,1 Joh. 2 : 22; is de eerstgeborene Zoon, Eom. 8 : 29; is de Zoon der liefde. Col. 1:13; is het afschijnsel van Vaders heerlijkheid, Hebr. 1: 3; is het Woord Gods, Tit. 1: 3, 1 Joh. 1:1; is de eerstgeborene der gansche creatuur. Col. 1:15; hoeverre Hij minder is dan de Vader, 1 Cor. 11:3; is nooit met de natuur der engelen bekleed, Hebr. 2 : 16. Christus, zijne menschheid, Kom. 1:3; 9:5, 2 Cor. 5:16, Gal. 4: 4, Ef. 1:16, Col. 1:22,1 Tim. 2: 5; 3:16, 2 Tim 2:8, Hebr. 2 :11,16; 3 : l;zijn lichaam, hoe het gezegd wordt niet geweest te zijn van deze schepping, Hebr. 9:11; in zijne menschheid aan te merken twee dingen. Gal. 3:13; was den menschelijken bewegingen onderworpen, Hebr. 2 : 13, 17; 4:15; de vrucht zijner menschheid, Hebr. 2 : 14. Christus middelaar, 2 Cor. 5:19, Gal. 3:20, Ef. 2 : 14â16; 3: 12, Col. 1: 20, 22; 2 :18, 1 Tim. |
2 : 5, Hebr. 4:15; 5:1; 7 : 25; 9 :15; 12 :23; 13 : 15; Zaligmaker, Tit. 1: 3, Fil. 1: 21; de ware Im-manuel, 2 Cor. 5:19; waarom Hij Heere genoemd wordt. Kom. 10 : 9; 14: 9, 11, 1 Cor. 1:13; 8 : 6, Ef. 4:5; zijn ambt. Kom. 1:16; 9:32; 11:26, 1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:19, 1 Tim. 1:15, Hebr. 4:12, 1 Joh. 2:1; 4:2; zijne vergelijking met Adam, en waarom de laatste Adam genoemd, 1 Cor. 15 :45, 47. Christus, de eenige meester der gemeente, 1 Cor. 1:12, 13; 3:4, 12; de eenige meester van ons geloof, Hebr. 3 :1; de herder en opziener der zielen, 1 Petr. 2 :15, Hebr. 13 : 20; het Woord des levens, 1 Joh. 1:1; de eerste verkondiger des Evangelies, Hebr. 2 : 3; de inhoud en volheid aller geestelijke leer, 2 Cor. 1:19; moet men alleen hooren in de gemeente, Ef. 4: 11; zijn leer wordt van de ongeloovigen geoordeeld naar het leven der geloovigen, 1 Petr. 3:2. â Is alleen onze vrede. Kom. 5:1, Ef. 2 :14; Koning en priester, Hebr. 5:6; de ware priester, 1 Tim. 2 : 6, Hebr. 2:17; 4: 14; 5 : 1; 7:12; alleen bekwaam priester, Hebr. 7 : 2; waarom hemelsch priester, Hebr. 7 :14; ook onze priester, Hebr. 9:25; hoe Hij den Vader voor ons bidt, Rom. 8:34; zijn priesterschap eeuwig en hemelsch, Hebr. 5:6; 8:2; de twee deelen van zijn priesterschap, 1 Tim. 2:6; zijn bloed reinigt de harten, Hebr. 9 : 20; hoe zijn bloed roept, Hebr. 12 : 24; de kracht van zijn bloed, Hebr. 10 : 19; 12 : 24; 13 :20; is het leven onzer ziel, Ef. 2 : 4; het onderscheid tusschen Hem en Mozes, Hebr. 3:3, 5; 7 :12; vergeleken met den hoogepriester des O. T., Hebr. 9 :11, en met de Levitische priesters, Hebr. 5:1; het onderscheid tusschen Hem en de Lev. priesters, Hebr. 1: 3; 5 : 2; 7 :17, 27. â Is de Wetgever, Hebr. 7 :12; de Koning der rechtvaardigheid, Hebr. 7:1; moet men aanbidden, Hebr. 1: 3, 6; uitnemender dan de engelen, Hebr. 1: 4, 13; 3 : 3; 7 : 26; zijn rijk eeuwig, Hebr. 1:13; 5 : 6, 2 Petr. 3 :17; zijn rijk geestelijk, Hebr. 9 : 23; zijn rijk de ingang tot het leven, 2 Petr. 1:11, Fil. 2 :10; de gestalte van zijn rijk, 2 Tim. 3 :1. Christus, hoedanig van den Vader gegeven, 1 Cor. 1: 30, 1 Joh. 4 ; 9; zijne openbaring is dei-wereld geschied naar den eeuwigen raad Gods, doch komt niet allen toe, 1 Petr. 1: 20; tot ons gezonden vol van hemelsche schatten. Kom. 8 : 32; waartoe Hij gezonden is, 1 Tim. 1:15; een voortreffelijk bewijs van de liefde Gods, 1 Joh. 4 : 9; zijn komst, 2 Petr. 3 : 4, 9, 1 Joh. 2 :18, 20; 4:2; hoe Hij arm geworden is, 2 Cor. 8 : 9; zijne vernedering bij de godzaligen heerlijk, Hebr. 2:10; het einde zijner vernedering, Hebr. 5:7; zonder zonde, 2 Cor. 5:21, Hebr. 5: 2; 7 : 26; zijne onschuld volmaakt, 1 Petr. 2 : 22; is van de drie discipelen gezien met heerlijkheid versierd, 2 Petr. 1:16; hoe Hij uit zijne vreeze verhoord is, Hebr. 5:7; hoe Hij de vervloeking is. Gal. 3 : 13; is in de uiterste benauwdheid gesteld, Hebr. 5: 7; zijn geweldig roepen en tranen, Hebr. 5:7; zijn gehoorzaamheid, Rom. 5:19, Fil. 2:8, Hebr. 5:8, 9; 10:5, 7; hoe der zonde gestorven. Kom. 6:10; zijn dood het begin en een offer onzer verzoening, |
CHRISTUSâCHRISTENDOM.
6
|
Eom. 5:10, 1 Petr. 2 : 24; zijn dood is het leven der gansche wereld geweest, Hebr. 8 :2; heeft voor ons de zonden gedragen, 1 Petr. 2 : 24; hoe door Hem de dood is tenietegedaan, Hebr. 9 ; 26; de kracht van zijn dood, Eom. 6 : 5, Ef. 5:2,1 Petr. 2: 24; het einde van zijn dood, 2 Cor. 5 :14, Gal. 1; 4, 1 Thess. 5 :10, Tit. 2 :14; de vracht van zijn dood, Hebr. 2 : 9; is voor anderen, niet voor Zich-zelven gestorven, Hebr. 9:28; hoe Hij ons de zaligheid heeft verkregen, Rom. 4: 25; zijn dood doet de zonde uit de geloovigen, Kom. 6 : 4; heeft onze zonden uitgewischt. Kom. 4: 25; waaruit men zijn dood moet waardeeren, Hebr. 9:14; tweeërlei gemeenschap aan zijn dood, Rom. 6 : 7, Fil. 8:10; zijne dooding, wat dit is, 2 Cor. 4:10; zijn dood niet buitengesloten, maar begrepen onder de verrijzenis, 1 Petr. 3:21. Christus is de eersteling, 1 Cor. 15 : 23; de eerstgeborene uit de dooden. Col. 1:18; door zijn eigen kracht opgestaan, Eom. 1: 4; 8 :11; hoe na zijne opstanding gezien, 1 Cor. 15 : 5; hoe van de engelen gezien, 1 Tim. 3 :16; zijn opstanding een werk der mogendheid Gods, Rom. 1:4; 8:11; 10:9, Ef. 1:20, Col. 2:12, Hebr. 13:20; door zijne opstanding ons overwinning bereid, Rom. 10 : 9 en ons rechtvaardigheid gegeven, Rom. 4:25; het einde zijner opstanding, Rom. 10 : 9, 1 Thess. 4: 14; â Is een voorlooper der geloovigen, Hebr. 6 : 20; in heerlijkheid ontvangen, 1 Tim. 3 :10; zijne opklimming ten hemel, Ef. 4:8,9; hoe Hij in den hemel is. Col. 3:1; hoe ons zijn lichaam op de aarde gegeven wordt, 1 Cor. 11:24; zijne overwinning, Gal. 2 : 15; is der engelen hoofd, 1 Cor. 11:10; der gemeente hoofd, Ef. 1: 22, Col. 1 :18; 2 :10,19, Hebr. 3 : 4; des mans hoofd, 1 Cor. 11:3; de vervulling alles goeds, 1 Cor. 1: 30; het eenig voorbeeld om wel te leven. 1 Cor. 11:1; zijn rijkdom, Hebr. 1: 2; zijne uitnemendheid, hoe groot, Ef. 1:21, Hebr. 1: 3, 13; zijne heerlijkheid, Hebr. 1:3; 2:9; zijn zitting ter rechterhand. Hebr. 10 : 12; zijn triumf, Rom. 7 : 4, Col. 2 : 25; waarom zijn oordeel van zoo weinigen gadegeslagen wordt, 2 Petr. 3:14; â Is de richter der gansche wereld, Rom. 2:16; 14:11, Pil. 2: 10; 3:20, 1 Thess. 4: 16, 2 Tim. 4:1; is uit den hemel te verwachten, Fil. 3:20, 1 Thess. 1:10; 3:13, 2 Thess. 1: 7, Tit. 2:13; Hebr. 9 : 28; hoe alles Hem onderworpen is, 1 Cor. 15:27, Fil. 3:21, Col. 1:18, Hebr. 2:5, 8; hoever Hij Gode onderworpen is, 1 Cor. 8 : 23, Ef. 1:16; hoe Hij de Vader moet onderworpen worden, 1 Cor. 15 : 2 7; hoe Hij het rijk den Yader zal overgeven, 1 Cor. 15 : 24; zijn komst ten oordeel. Col. 3 : 4, 2 Tim. 4:1, Tit. 2 :13, Hebr. 9:27; 10:5, 25; zijne verwachting voor de hope der eeuwige zaligheid, 1 Thess. 1: 9; waarom zijne vijanden tot den laatsten dag tegen Hem strijden zullen, Hebr. 2:8; zijne vijanden moeten onderworpen worden, 1 Cor. 15 : 25, 26, Hebr. 1:13; onder 't koninkrijk van Christus verwachten velen een gunstigen staat der kerk, 1 Petr. 2:5. Christus de leidsman van het Israëlietische volk, 1 Cor. 10 : 9; heteenige voorbeeld der geloovigen, Rom. 8 : 29, Ef. 5 :1, Fil. 2 : 5, Hebr. 10 : 7; 12 : 3; |
zijn voorbeeld tot navolging voorgesteld, 1 Petr. 2:21; het einde der wet, Rom. 10 : 4, 2 Cor. 1:19; 3 :16, Hebr. 4 :10, 1 Joh. 4 : 2; het einde en vervulling aller dingen, 1 Joh. 2 : 8; de broeder aller geloovigen, Rom. 8:17, Hebr. 2 :11, 13; 3 : 3; het eenige fundament der gemeente, 1 Cor. 3:11, Ef. 2 : 20; het fundament aller beloften en hope, Ef. 2 :12; het fundament onzer zaligheid, Hebr. 1: 2; de hoeksteen, Ef. 2 : 20; hoe Hij een steen des aanstoots is, Rom. 9 : 32, 1 Petr. 2 : 8; een dienaar der besnijdenis, Rom. 15 : 8; hoe des mensehen dienaar, Hebr. 1:14; geen dienaar der zonde. Gal. 2:17; hoe Hij zonde gemaakt is, 2 Cor. 5:21; het einde des doops, 1 Cor. 1:13; het eigen einde des geloofs. Col. 1:13; het ware einde der Schrift, Hebr. 13 : 9; de hope dor geloovigen, 1 Tim. 1:1; de geest of ziel der wot, 2 Cor. 3:17; Gods tempel, Hebr. 3: 3; de stadhouder en voornaamste gezant des Vaders, Hebr. 1:13; in het Evangelie j afgemaald. Gal. 3:1; hoe Hij Zich heeft verijdeld, Fil. 2:7; hoe Hij in de geloovigen woont, Rom. 8 : 10, Ef. 3 :17; hoe den besnedene onnut. Gal. 5:2; alleen de godzaligen genoeg, 2 Cor. 5:19, Gal. 2 : 21, Fil. 8:20, Col. 1: 27; 2 : 3, 9, 1 Tim. 2 : 5,Hebr. 13:8; leeft in ons tweeërlei wijze. Gal. 2 : 20; de ; verloochening van Hem menigerlei, Rom. 6:8; 10:16, Fil. 1: 20, Col. 2:19,2 Tim 2 :12, 2 Petr. 1:2; zijn kruis voor de weldaad der verlossing, 1 Cor. 1:17; zijn kruis is zijn triomf. Col. 2 : 15; zijn kruis wordt verworpen, 2 Cor. 13 : 4; zijne genade brengt de vernieuwing des levens. Tit. 2:14; zijn ootmoedigheid, Fil. 2 : 6; zijn wet, Gal. 6 : 2; zijn openbaring tweeërlei, Rom. 3: 21, en menigerlei, Hebr. 3: 8; zijn naam gesteld in plaats van de gemeente, 1 Cor. 12:12; hoe gezegd wordt zijn naam over de geloovigen te worden aangeroepen. Jak. 2:7; zijn vreeze, Ef. 5 :21; Hem en der geloovigen verdrukkingen gemeen, Fil. 1: 7, Hebr. 13 : 13; zijne en der geloovigen eenheid, 1 Cor. 6 :15,17, Gal. 3 : 17,Ef. 5 :29, Col. 1: 24,1 Thess. 4:18; 2 Tim 2:11; Hebr. 2:11, 13; 3:14; het onderscheid tusschen Hem en de geloovigen, Hebr. 12 : 4, 1 Petr. 4 : 1; de gemeenschap van Hem en de geloovigen, 1 Cor. 1:2,1 Thess. 1: 2; zijn leven en sterven wat het is, Fil. 1:23; draagt tweeërlei persoon, Hebr. 4:14; Hem aandoen, Rom. 13 : 14; Hem wederom kruisigen, Hebr. 6 : 6; niet minder te achten omdat Hij van de wereld veracht is, 1 Petr. 2 : 3; wordt verloochend, zoo dikwijls Hij beroofd wordt van wat Hem eigen is, 1 Joh. 2:22; wordt van velen veracht, naar het verkeerd oordeel der wereld, 1 Petr. 2 : 6; op Hem steunen, is men buiten gevaar van vallen, 1 Petr. 2 : 6; Hem kennen, wat een levende en krachtige zaak dit is, 1 Joh. 3 : 6, 2 Petr. 1: 8; Hem niet ontvangen is Gode en zijn Woord tegenstaan, 1 Petr. 2: 8. Christendom, zijn beginsel hoedanig het is, 2 Petr. 1:9. Christendom, wat het ware is, Gal. 5:24; 1 Thess. 1:8; moet men niet dichten zonder kruis, 2 Cor. 4:12; zijne stukken, Hebr. 6:11; hoedanig het onder het pausdom is. Gal. 4:6, Fil. 3:5, Hebr. 5:14. |
7
|
Christenen, waarvan zij alzoo genoemd zijn, Hebr. 1:9; die naam wordt misbruikt van die geen zekerheid hebben van hun geloof, 1 Petr. 3:15; die het waarlijk zijn, Eom. 8:9; waren gewoon in den vroegen morgen lofzangen te zingen, 1 Cor. 14:15; die zonder nieuwigheid des levens, zijn nooit recht in zijn leering onderwezen, 2 Petr. 1: 8; hunne wijsheid, Fil. 1:10. Coelestinen wederlegd, Ef. 1; 4, Col. 1: 22. Conciliën, hun wettig gebruik, 1 Joh. 4 :1; of hunne besluiten voor Goddelijke spreuken te houden zijn, 1 Joh. 4; 1. Conscientie, hoe groot zij te achten is, 2 Cor. 12 : 19, Hebr. 10 : 22; 13 : 18; is de heerschappij Gods alleen ouderworpen, Hom. 6:16, Jak. 4:12; is zooveel als duizend getuigen. Kom. 2 :15, Gal. 5 :13; geen strik aanwerpen, 1 Cor. 7: 35; 14 : 40, 2 Cor. 1: 24, Col. 2 :16, 22, 1 Tim. 4 :1, Tit. 1: 13; hare kracht, 1 Cor. 4:4; 14: 24; alleen gerust in het geloof, Hebr. 13: 5; hare roem. Gal. 6 : 4. Conscientie, goede, wordt geprezen, 1 Tim. 1: 5, 19; 3 : 9; 6 :20, 2 Tim. 1:12; 2 :19; maakt vrijheid, 1 Tim. 3 :13,1 Petr. 3 :16; geeft den mensch sterkte genoeg, 1 Petr. 3:17; geeft groote kracht, Fil. 1:13; -reine, een metgezellin der Evangelische leer, 1 Joh. 2 : 3; -oprechte, onderscheidt alleen het licht van de duisternis, 1 Joh. 1: 7; -geruste, daarmede te komen voor Gods aangezicht zeer wenschelijk, 1 Joh. 4 :18; -kwade, een zeer booze scherprechter. Kom. 2:15; 6:21, Ef. 4:19, 1 Tim. 4:2; 6:10, Tit. 3:11, Hebr. 10: 27; is een moeder aller ketterijen, 1 Tim. 1:19. Corinthe, een der eerste handelsteden der oude wereld, gelegen in Achaje, 2 Cor. 11:10. Corinthiërs zijn van Paulus geestelijk geboren, 1 Petr. 1: 25; hun geloof, hoe Paulus' werk, 2 Cor. 3: 3; waren in Christus' rijk, 1 Cor. 1: 4; hun samenkomen was gebrekkig, 1 Cor. 11:17; hun gebreken, 1 Cor. 6 : 9, 2 Cor. 12 : 20; hun ondankbaarheid, 1 Cor. 10 :13, 2 Cor. 12 :13; hun ijdele roem, 1 Cor. 5 : 6. Cornelius, de hoofdman, Gode aangenaam vóór zijn roeping tot het geloof, 1 Joh. 5:12. Cretensers, zeer boos. Tit. 1:12, 13. Cyprianus, bisschop van Carthago, aangehaald, 1 Cor. 4: 7, Tit. 1: 7. 1gt;. Dag, genomen voor de klaarheid des hemel-schen levens. Kom. 13 :12. Dag der bezoeking. 1 Petr. 2 :12. Dag des Heeren, welke, 1 Cor. 3 :13, 2 Cor. 1: 14, Fil. 1:6; als eerste dag der week, 1 Cor. 16:2; als een dief in den nacht en aanstaande, 1 Thess. 5 : 3, 2 Thess. 2 : 2; als de openbaring zijns oordeels en zijner genade. Jak. 5 : 7. Dag der mcnschen, 1 Cor. 4: 3. Dag des oordeels, verschrikkelijk. Kom. 2:5; te verwachten, Kom. 2:16,1 Thess. 4:15, 2 Thess. 2 : 2, Jud. vs. 21; wordt genoemd de laatste tijd, 1 Petr. 1: 5. Dag des toorns, Kom. 2 : 5. |
Dag onzer verlossing zullen wij verwachten, Jak. 5: 7. Dagen, de laatste, aanwijzende het rijk van Christus, 2 Petr. 3 : 3. Dagen, waarom boos, Ef. 5:16, Col. 4:5; hunne bijgeloovige onderhoudingen, Kom. 14:6; hoever te bestraffen. Gal. 4 :10. Dagen des vleesches, genomen voor het tegenwoordige leven, Hebr. 5:7. Dankzegging is den geloovigen noodig. Kom. 14 : 6; 16 : 21, 1 Cor. 11: 24, 2 Cor. 2 : 3, Gal. 1: 5, Ef. 1:15; 3 :20; 5 : 20, Fil. 4: 6, 20, Col. 1:3, 12; 2:7; 3:17; 4:2, 1 Thess. 1:2; 3:9; 5:16, 2 Thess. 1: 3; 2 :13, 1 Tim. 1:12; 2 :1; 4: 3, 4, 2 Tim. 4:17, Hebr. 11:21; 13:15; moet door Christus geschieden, Kom. 1:8. David, een voorbeeld van Christus, Kom. 11: 9, Hebr. 2:13; zijn profetie van den verworpen hoeksteen, 1 Petr. 2:7; voor een tijd schijnbaar zonder godzaligheid, 1 Joh. 3 : 9. Debora, gesteld over het volk, 1 Tim. 2 :11. Demas, een veriater van zijn ambt, 2 Tim. 4: 10, Filem. vs. 24. Denken naar het vleesch, 2 Cor. 1:17. Deugd genomen voor een eerlijk welgeschikt leven, 2 Petr. 1:5. Deugden der ongeloovigen stinken voor God, 1 Joh. 5 :12. Deur, geopend, 2 Cor. 2 :12. Diakenen, wie zoo genoemd worden, Fil. 1:1; hoedanig zij behooren te zijn, 1 Tim. 3:8; hoe men ze zal beproeven, 1 Tim. 3:10; hoedanig hunne vrouwen behooren te zijn, 1 Tim. 3:11; hoedanige in het pausdom, 1 Tim. 3:12. Diaksnschap, tweeërlei, Kom. 12 : 1, 1 Cor. 12:28. Diefstal bestraft, 1 Cor. 6: 9, Ef. 4 : 28, Tit. 2 :10. Dienaar van Christus, wie, 1 Cor. 1:1; 4 :1. Dienaar des Woords, hoe hij gezegd wordt zalig te maken, Kom. 11:14, 1 Tim. 4 :16. Dienaren, hun vriendelijkheid en zoetheid. Kom. 16 :18; hun kenteeken, 1 Cor. 1 :12. Dienst des Woords, den mensch verordend, Ef. 3 :10; wordt geprezen, Kom. 1 :16; 10 :15; 11: 14, 1 Cor. 2:13; 3:5, 9, 10; 13 : 3, 2 Cor. 13 : 3, Gal. 4 :14, 19, Ef. 4:12, 1 Thess. 3 : 10; 5 : 20, 1 Tim. 4: 16, 2 Tim. 4:1, Tit. 1: 5, Filem. vs. 10, Hebr. 2:12, 4: 12; 8 :10, 11; 13 : 22; zijne verachting, waaruit die voortkomt, 1 Thess. 5:21; zijne kracht. Gal. 4:19; zijn vrucht is een werk Gods, Hebr. 3 : 4. Dienstbaarheid, het ellendigst, waar men de wellusten dient, 2 Petr. 2 :19. Dienstknechten, in den Heere, 1 Cor. 7: 22; vroeger wel dieven genoemd. Tit. 2 : 9; hun staat voortijds hard, 1 Tim. 6 :1, Tit. 2 : 9; hun feilen. Tit. 2 : 9; hun loon, Ef. 6 : 5; hun vertroosting, 1 Cor. 7 : 22, Col. 3 : 22, 1 Tim. 6 :1. Dionysius, van Heracléa, eerst stoicijn, latei-epicurist, zijn lastering, 2 Thess. 1: 5. Dionysius Areopagita, valschelijk genoemde schrijver der hemelsche hierarchiën, 1 Tim. 1: 7. |
DONATISTENâENGELEN.
8
|
Donatisten, een sekte der 4e eeuw wederlegd, Ef. 1:4, Col. 1:23. Dood, wat hij is, Fil. 1:23, 1 Thess. 4:16, 2 Tim. 4 : 6, Hebr. 2:15; genomen voor aflegging, Col. 2 : 2 0; voor uitwendige dooding, 2 Tim. 2:11; voor onnut zijn, 1 Tim. 5 : 6; hoeveel hij verschilt van liet verderf, 2 Petr. 1:14; zijn oorsprong, Hebr. 2:15; is uit de zonde, Ef. 2:1; overgroote vreeze voor hem is een zeker teeken van ongeloof, Hebr. 2 :15; de verachting van dien, 1 Cor. 15:30, 31, 2 Cor. 5:1, 8, 2 Tim. 4:6, Hebr. 11: 35; is te wenschen, 2 Tim. 4: 8; den dienaren Gods meest altijd tegenwoordig, Eom. 8:36; is voor de godzaligen niet te vreezen, Fil. 1: 23; 2 :18, Hebr. 2 :14, 15, 2 Petr. 1:14; om wat einde de godzaligen dien zullen begeeren, Eom. 7:24; is ons een beeld des levens, 2 Thess. 1:5; hindert hun zaligheid niet, 1 Petr. 4 : 6; is geen voldoening voor hunne zonden, 2 Tim. 2 :10; of hij over Christus heerschappij gehad heeft. Kom. 6:9; hoe hij door Christus is teniet gedaan, 1 Cor. 15 : 26; is den goddelooze eeuwig bereid, 2 Thess. 1: 9; is hun genoeg groot loon, Eom. 6 : 23. Dooden, hoe zij door den Geest van Christus levend gemaakt worden, 1 Petr. 4: 6; hoe men ze zal beweenen, Fil. 2:27, 1 Thess. 4:13; moeten niet aangeroepen worden. Col. 4 :3, 1 Tim. 2 : 5, Hebr. 8:3. Dooding, tweeërlei. Col. 3 : 5; van den uitwen-digen mensch, Fil. 3:10; hoe zij een kruis genoemd wordt, 1 Petr. 4: 1; is den godzaligen noo-dig, Eom. 6 : 8, Hebr. 4:10, 1 Petr. 4:13. Doodslager is die zijn broeder haat, 1 Joh. 3:15. Doop: dit woord wordt veelzins gebruikt, Hebr. 6:2; één doop, Ef. 4:5; hoe hij gezegd wordt een tegenbeeld van den doop van Noach te zijn, 1 Petr. 3:21; voortijds door de wolk en de zee afgebeeld, 1 Cor. 10:l;in plaatsderbesnijdenis,Kom. 4:11; in Christus' naam, 1 Cor. 1:13; is een teeken der genade Gods, Col. 2:12; een verzegeling der zaligheid, Tit. 3:5; zijn kracht, Ef. 5:26; maakt niet rechtvaardig, Eom. 2 : 25; waarom genoemd bad der wedergeboorte. Tit. 3: 5; zijn einde en doelwit in Christus, 1 Cor. 1:13; zijn einde, Eom. 2 : 25; 6 : 3, 4, Ef. 5 : 26; den kinderen niet te weigeren, 1 Cor. 7:14, Hebr. 6: 2; ontvangen sommigen alleen naar de letter, 1 Petr. 3:21; zijn voornaamste deel is geestelijk, 1 Petr. 3:21; zijn misbruik in het pausdom, 1 Petr. 3:21. Dreigingen zijn somtijds noodig, Hebr. 12:29. Drie genomen voor het hoogste onvolmaaktste, 2 Cor. 12: 2. Drinkbeker der zegening, wat deze is, 1 Cor. 10:1G. Drinkerijen, die groot en onmatig zijn, verboden, Ef. 5:18. Droefheid, tweeërlei, 2 Cor. 7 :10, 1 Petr. 1: 6. Dronkenschap moet gelaten worden, 1 Petr. 4: 3; wordt bestraft, Ef. 5:18,1 Tim. 3 : 3. Duivel is niet boos van nature, maar door zijn afval, van de schepping der wereld aan, 1 Joh. 3 : 8; hoedanig zijn heerschajipii is, Ef. 6 :12; is het hoofd der goddeloozen, Ef. 2 : 2, Hebr. 2 :14; y. ''yt. amp; â V-lt;». |
vermag niets dan naar den wil zijns Scheppers, ⢠1 Joh. 3 : 8; waarom hij beeft, als men van God i spreekt. Jak. 2 : 19; is een beschuldiger aller godzaligen, Eom. 8:33, Col. 2:15; zijn zaligheid? wordt door sommigen verkeerdelijk gehoopt uit, 1 Cor. 15 : 28. Duivelen; onderscheid tusschen hen en de goddeloozen, Col. 1:20; hebben geen geloof, Hebr. 4:2; 6 :11; of ze geloof hebben, Jak. 2 :19; of zo binnen een zekere plaats gesloten zijn, Jud. vs. 6. Dwalingen, vanwaar zij komen, 1 Tim. 1:19; vanwaar zij in het pausdom komen, Col. 2 :4. Ebion, een ketter, 1 Joh. 2:18. Eendrachtig gevoelen, welke het ware is, Eom. 15 : 5, Fil. 4: 2; in de leer, Fil. 3:16. Eendrachtigheid is den godzaligen noodig, 1 Cor. 1:10, Fil. 1:27, 2 Thess. 3 :16, Tit. 3 : 2, Hebr. 10:24; 12:14. Eenigheid, wat middel om deze te houden onder de menschen, 1 Petr. 4:10; hare band Gods eenvoudige waarheid, 2 Petr. 1:1; haar fundament en waarheid, Ef. 4 :15; die van Christus en de geloovigen, 1 Cor. 6 : 15, 17. Eenvoudigheid, als eigenschap Gods, wat zij is, 2 Cor. 1:12; van de geloovigen geëischt, en hoedanig die zijn moet, 1 Petr. 2:2; die te prijzen is. Kom. 16:19, 1 Cor. 14 : 20, is den diakenen noodig, 2 Cor. 8 : 2. Eer, wat zij is, 1 Tim. 5:3; heeft bij de Hebreen vele beteekenissen, 1 Petr. 2:17; genomen voor bezorging. Col. 2:23; voor allerlei hulp en dienst, Kom. 12 :10; gaatver,Ef. 6:1;alleenGodeschuldig, Kom. 1: 25; die men den ouden schuldig is, E£. 5 : 31; 6:1. Eerbaarheid is een deel der orde der gemeente, 1 Cor. 11:3. Eergierigheid is de moeder van den twist, 1 Tim. 1: 4, Tit. 3:9; hoe schadelijk zij der gemeente is, 1 Cor. 14:4, 36, Gal. 5 : 26; moet men vlieden, Kom. 13 :13, 1 Cor. 8 :1, 2; 14:19. Eerstgeborenen zijn de patriarchen, Hebr. 12:22. Einde aller dingen nabij, 1 Petr. 4 : 7. Engelen zijn geesten, Hebr. 1: 14; zijn onsterfelijk, 1 Tim. 6:16; der macht, 2 Thess. 1:7; waarom vorstendommen genoemd, Ef. 1: 21, Col. 1:16; waarom gezegd wordt uitverkorenen, 1 Tim. 5:21; hoe zij kinderen Gods zijn, Hebr. 1:5; hun conditie, Hebr. 1:14, die beter is dan de onze, Hebr. 4:15; hoe zij toenemen, Ef. 3 :10; zijn dienaren der toornigheid Gods, 1 Cor. 10:10; acht men voor middelaars, Ef. 6:21; zijn Christus onderworpen, Col. 1:17, Hebr. 1:4, 13; of zij van de zondaren afgescheiden zijn, Hebr. 7: 26; hun middelaar is Christus, Col. 1: 20; wandelen niet door geloof, Ef. 3:10; hun is de zorg der gemeente bevolen, 1 Tim. 5 : 21; hun waardigheid, Col. 1:16; waarom zij geen lasterlijk oordeel tegen de overheid geven, 2 Petr. 2:11. Engelen, gevallene, nu met eeuwige ketenen |
ENGELEN-DIENSTârABEL.
9
|
vastgebonden, Jnd. vs. 6; en hoe schrikkelijk hnn val door God gewroken is, Jud. vs. 6; van hun val moet men matig spreken, 2 Petr. 2 ; 4. Engelen-dienst is afgodisch, Col. 2:18. Engelen-taal gesteld voor uitnemende taal, 1 Cor. 13:1. Enkratieten, een sekte der 2e eeuw, zijn vijanden van het huwelijk, 1 Tim. 4:3. Epafras' lof. Col. 1: 7. Epafroditus' lof, Fil. 2 ; 25. Epicureën zijn verachters Gods, Gal. 4:29; waarvan de wereld vol is, 2 Petr. 3: 3; hun razernij, 1 Tim. 1:19; hun spreekwoord, 1 Cor. 15 : 32. Epicurus, eengrieksch wijsgeer f 270 vóór Chr., deelde de begeerlijkheden in drieën, Uoh. 2 :16. Eplmenldes, een beroemde wijze van Creta, in de 5e eeuw vóór Chr., Tit. 1:12. Erfzonde, wat zij is, Hom. 5 :12. Ergernissen moet men vlieden. Bom. 14:20; hoe men ze moet vlieden. Kom. 3:8; 6 :1; 9 :1, 14; 10 :1; 16 :17, 1 Cor. 9 : 22, 1 Thess. 2 :14, 2 Tim. 1:15; 2 :19, Hebr. 3 : 7, 16; vanwege het kruis, Fil. 1: 12. Euchieten of Psallianen, 1 Tim. 5:5. Eunice, haar geloof, 2 Tim. 1: 5. Eusebius, kerkelijk geschiedschrijver, f 338, aangehaald 1 Cor. 9: 4, Fil. 4:3; berispt, 1 Petr. 5:13. Eutyches van Constantinopel, 448, wederlegd, 1 Tim. 3 :16. Evangelie, wat het is, Rom. 1: 2; is een verborgen wijsheid Gods, 1 Cor. 1:21; waarom een verborgenheid genoemd, Ef. 3: 4, Col. 1: 16, 1 Tim. 3:16; is een leer der zaligheid, Eom. 1:16; is de verlichting des levens, 2 Tim. I : 10; is een dienst der verzoening. Kom. 5 : 2; is een verborgenheid van Christus, Col. 4:3; bevat in der waarheid niets dan Christus, 2 Petr. 1:16; waarom genoemd de Zoon van God, Kom 1:9; soms genoemd kruis, Gal. 5:11; waarom genoemd een dienst des levens, 2 Cor. 3:7; genoemd een woord des geloofs. Kom. 10:8; waarom het rijk Gods geheeten, Col. 4 :11; en Gods getuigenis en Christus' getuigenis, 1 Cor. 2:1; 1: 6, 2 Tim. 1 : 8; waarom Evangelie des vredes, Ef. 6 :15; waarom zijn leer genoemd een getuigenis, 2 Thess. 1 : 10. Evangelie, zijn hoofdsom, 2 Tim. 1:13; zijn substantie is Christus, 1 Joh. 1 : 1; wordt geheel in Christus vervat. Kom. 1: 3; is voornamelijk gelegen in den dood en wederopstanding van Christus, 1 Cor. 15:14; het is niet nieuw. Kom. 16:21, El'. 3 : 5, 1 Joh. 2 : 7, Bom. 1: 2, 2 Tim. 1 :10; het is melk en spijze, Hebr. 5 : 12; men moet het eenvoudig leeren, 1 Tim. 1: 3; moet allen godzaligen gemeenzaam zijn. Col. 3 : 16; wordt door vermaningen geholpen, 2 Cor. 6:1; regent niet bijgeval uit de wolken. Kom. 10 :15; niet samengesmeed uit onzekere geruchten, 2 Petr. 1 : 1G; wien verordend, Kom. 1:14; wie zijn ware dienaar is, 2 Cor. 4:1; waarom het gepredikt wordt. Kom. 1:5; heeft tot ingever den H. Geest, 1 Petr. 1:11; het onderscheid tusschen de Evangelie-prediking en de oude leer, 1 Petr. 1:12; waarom het een dwaasheid der prediking is, 1 Cor. 1:21; zijn levende verkondiging, 1 Thess. 2:12; hoe groot zijn prediking te achten is, Kom. 10: 15; zijn prediking een aangename dienst, Eom. 1 : 9; zijn prediking een zeker getuigenis der zaligheid, Ef. 2:17; zijn prediking een zoete reuk, 2 Cor. 2:15; hoe het een reuke des doods kan zijn, dewijl het een dienst des levens is, 2 Cor. 2 :15; in wie het onvruchtbaar is, Hebr. 5:13; wordt door het geloof verstaan, Col. 2 : 2; wordt door het getuigenis des Geestes begrepen, 1 Cor. 2 :11; in zijne belijdenis zijn drie trappen, 1 Joh. 2:19; wie hij is, die wel in het Evangelie toegenomen is, 2 Petr. 1:16; volgens Johannes geschikt tot elk gebruik, 1 Joh. 2:3; zijn eigenschap, 2 Cor. 2:15; zijn einde. Kom. 15 :16, 1 Cor. 1: 9, 13; 2 : 7, 2 Cor. 3:18; 5:18; 10:6, 1 Thess. 1:9; 4:3, Hebr. 2:12, |
1 Joh. 2 : 5. Evangelie, wat daarin te zoeken is, 1 Joh. 5:11; zijn waardigheid, 2 Cor. 3:6, 7,Ef. 3 :10, Fil. 3 : 8, Col. 1: 26; 4:3, 4, Hebr. 6:18; zijn schat onwaardeerbaar, 2 Cor. 4 : 7; zijn bevestiging, 1 Cor. 1:6, Fil. 1: 7, Col. 1:6; zijn zekerheid, hoe noodig die is, 1 Joh. 1:1; waarop gegrond, 2 Petr. 1:19; zijn waarheid, vanwaar zij haar getuigenis heeft, 2 Petr. 1:19; zijn gezag, waaraan dit hangt, Ef. 2:17, Col. 1:23, 1 Thess. 2:13; zijn majesteit. Gal. 4:14; zijn nederheid, 2 Tim. 4 : 3; zijn eenvoudigheid moet men houden, 1 Cor. 1:17, 1 Tim. 6:20, Tit. 2:15, zijn zuiverheid zoekt satan altijd te besmetten, 1 Joh. 4:1; zijne bescherming, Fil. 1:17; is uitnemender dan de wet, Hebr. 2:1; 12:18; en wet, hun beider overeenkomst, Hebr. 1:1; en wet, vergelijking van beide. Kom. 8:15; en wet, hun beider onderscheid, Hebr. 6: 4; 10:1; zijn onderscheid met de philosophic, Kora. 12:1; is verachtelijk voor de wereld. Kom. 1: 16; waarom aldus veracht, 1 Cor. 2:14; de valsche beschuldigingen onderworpen. Kom. 3 : 8; zijne verachting eene zware zonde, Hebr. 2:3, 13; 12:25; waarom het van sommigen wordt geschuwd, 1 Joh. 4:6; de gevolgen van zijne verwerping, 1 Petr. 1:18; waarom vele van hetzelve afwijken, 1 Petr. 2:4, 2 Petr. 2:21; zijne verwerping menigerlei, 2 Tim. 4:3; hoedanig het bij de papisten is. Gal. 2:5; wordt gruwelijk in het pausdom omgekeerd. Gal. 1:9; zijn licht in het pausdom uitgebluscht, Hebr. 4 :16, 2 Tim. 2 : 17. Evangelisten, wie, 1 Cor. 12 : 28, Ef. 4 : 11; hun werk, 2 Tim. 4 : 5. Exempelen, hun gebruik. Kom. 4: 2S, Hebr.l2:l. Ezau. waarom onder zijn broeder gesteld. Kom. 9 :13; is onheilig, Hebr. 12:16. F. Faam, hoever men haar moet bezorgen. Bom. 12 :17, 2 Cor. 5:12;8:21;13:7; hoever men die der naasten moet sparen, 1 Thess, 2:4,2 Tim. 2 : 17, Tit. 1: 10; hare onsterfelijkheid met den dood te koopen is een duivelsche razernij, 1 Cor. 15:30. Fabel, wat Paulus zoo noemt, 1 Tim. 1:4; Tit. 1:14; die van Henoch en Elia, Hebr. 11:5. |
FABELENâGELOOF.
10
|
Fabelen hebben de apostelen niet nagevolgd, 2 Petr. 1:16. Faraö, gesteld om God te wederstaan. Kom. 9 : 17, 1 Petr. 2 : 8. Farizeën, waarom zij alzoo genoemd zijn, Fil. 3:5. Febé, eene dienaresse der gemeente te Ken-chreën. Bom. 16:1. Feestdagen der Papisten zijn gruwelijk, Gal. 4:1. Feilen, die des naasten niet voeden door toegeving of veinzing, Gal. G : 2, Tit. 3 : 2; zijn te beklagen, 1 Cor. 5:2, 2 Cor. 12:21. Filetus, een ketter, 2 Tim. 2 : 17. Filippensen, hun gehoorzaamheid, Fil. 2:12. Fundament, genomen voor de leer, Ef. 2: 20. Fygcllus, een valsche broeder, 2 Tim. 1:15. Gr. Galaten, hun ongestadigheid. Gal. 5 : 6, 4:13; hun ondankbaarheid. Gal. 1 : 6. Galatië, landschap van Klein-Azië, een groot land. Gal. 1:2. Gastvrijheid wordt geprezen. Bom. 12:13, 1 Tim. 3:2, Hebr. 13:12; wordt bevolen, zonder murmureering te oefenen, 1 Petr. 4:9. Gaven te verachten, wat dat is, 1 Tim. 4 :14; hare schandelijke bevlekking, 1 Petr. 4:11. Gaven Gods worden verscheiden uitgedeeld, Ef. 4:7; zijn bij de roepingen, Ef. 4:11; moet men altijd eeren, 1 Cor. 16:15, Fil. 1:7; moet men niet misbruiken, 2 Tim. 1: 14; haar verscheidenheid, Bom. 12:6; haar recht gebruik, Fil. 2 : 3. Gebed, wat het is, 1 Tim. 2:1; welke het ware is. Bom. 8 : 27; 10 :14; welk zijn regel is. Joh. 5 : 14, Jak. 1: 6; in den geest, Jnd. vs. 20; lucht het hart, 1 Cor. 14:14; zonder ophouden, Bom. 12 : 12; zijn waardigheid niet te stellen in het betrouwen op onze werken, 1 Joh. 3:22, Jak. 5:16; zijn kracht en nuttigheid. Jak. 5:16; hoe het te matigen is. Jak. 4 : 3; het aan te wenden tot bekeering zijner wederpartij, 1 Petr. 2 : 23; moet geschieden voor allen, die niet zondigen tot den dood toe, 1 Joh. 5:16. Gebeden moeten geschieden voor alle men-schen, voornamelijk voor de heiligen, Ef. 6:18; die openbaar zijn, 1 Cor. 14: 16; hoe noodig zij den godzaligen zijn. Kom. 15:31, Fil. 4 : 6, Col. 4:2; hoe zij verhoord worden, 2 Cor. 12:8; moeten geschieden zonder twijfel, anders niet verhoord, Jak. 1: 6, 7; die der papisten vol twijfeling. Jak. 1:7; kunnen niet geschieden onder twist en gekijf, 1 Petr. 3:7; daarin te volharden is noodig. Kom. 12: 12, Hebr. 3:6, 14; 6:10, 11, 23,26, 35; â welke Gode aangenaam zijn. Bom. 8 : 27. Gedachte genomen voor meening. Col. 1:21. Gedachten in het kwade gesteld, 2 Cor. 2:11; die aan God buiten Christus een onmetelijke afgrond, 1 Petr. 1:20. Geest, genomen voor ziel, 1 Cor. 2 :11, 2 Cor. 7:1; voor geestelijke gaven, 1 Cor. 14: 12; voor Evangelie, 2 Cor. 3 :6; voor geloof, 2 Cor. 4:18; voor geestelijk einde der ceremoniën. Bom. 2:28; |
voor genade der wedergeboorte. Gal. 3 : 2; voor profeten of leeraars, 1 Tim. 4:1,1 Joh. 4:1,6; voor het wedergeboren deel des menschen. Bom. 7 :18; voor geestelijk leven. Gal. 6 : 8. Geest, de Heilige, is God, 1 Cor. 3 :16; 12 :13; is een wezenlijke macht Gods, 1 Cor. 12 : 4; is de Geest der genade, Hebr. 10 : 2 9; der heiligmaking. Bom. 1: 4; der dienstbaarheid. Kom. 8 : 15; is een bekwaam richter der leer, 1 Joh. 2:27; waarom Hij een pand en voorpenning genoemd wordt, 2 Cor. 1:21; 5:5, Gal. 4: 6, Ef. 1: 14, Fil. 4 : 7; en een zegel, 2 Cor. 1: 21, Ef. 4 : 30; is in de geloo-vigen niet ledig. Gal. 5 : 25; is een getrouw getuige der verkiezing, 1 Cor. 1:9; wordt door het water beduid, Hebr. 10:22; naar Dien te wandelen, wat dit is. Kom. 8:1; hoe Hij uitgeblascht wordt, 1 Thess. 5:19, 1 Joh. 3 : 9; en bedroefd wordt, Ef. 4 : 30; hoe Hij voor ons bidt. Kom. 8 : 20; zijne bedeelingen, Hebr. 2:4; zijn ambt, 1 Cor. 12:4, 2 Cor. 1: 21, 13 :13, Ef. 1: 13,14, 1 Thess. 5 : 19, Tit. 3:5; zijn eenigheid, Ef. 4 : 3; zijne verscheidenheid van de letter. Kom. 7:6; zijne hulpe, hoe noodig den godzaligen. Kom. 8:26, Fil. 1:19. Geest des onderscheids, van God te eischen, 1 Joh. 4: 1. Geestelijk, Gal. 6:1. Geestelijken, (Clerici), wie de ouden zoo noemden, 1 Petr. 5 : 3; in het pausdom vrij van alle berisping, 1 Tim. 5 : 20; hun hoovaardigheid, 2 Tim. 3:2. Geesten, de onderscheiding van die, 1 Cor. 12 : 8; moet men beproeven, 1 Joh. 4:1. Geesten beteekenen de zielen, van de lichamen gescheiden, 1 Petr. 3:19. Gehoorzaamheid is uit het geloof, Hebr. 3:13; haar meester het geloof alleen, Hebr. 11:7,8; den geloovigen noodig. Kom. G : 16, 2 Cor. 9:13; 10 : 15, Ef. 5:9, Hebr. 3:7; 5:9; 10: 7; hoedanig noodig. Kom. 14; 15; hare eerste oorzaak, Hebr. 2: 13; die des geloofs bewijst, dat men uit God is, 1 Joh. 4:6; onderscheidt ons als kinderen Gods van de vreemden, 1 Petr. 1:14; zij wordt bewezen door lijdzaamheid. Jak. 5:10; moet gepaard gaan met kennis, 1 Joh. 2:23; haar exempel in de stomme schepselen voorgesteld, Kom. 8 : 20. Gelijkmatigheid, welke die is ten opzichte der gemeente, 1 Cor. 11 :4, 2 Cor. 8:13. Geloof genomen voor de artikelen des geloofs, Hebr. 6:1; voor de voornaamste hoofdstukken der religie. Kom. 12 : 6; voor den hoofdinhoud dei-Christelijke leer, 1 Tim. 4:6; voor den inhoud der religie en de gezonde leer, 1 Tim. 6 : 21; voor de gezonde leer, 1 Tim. 1 :19; voor standvastige en vaste zekerheid des harten. Kom. 14:23; voor volkomene openbaring der dingen. Gal. 3:23; voor trouw. Tit. 2 : 9; voor de belijdenis des geloofs, Kom. 10:9. Geloof, slechts één, Ef. 4 : 5; welke het ware is. Kom. 10:10, Ef. 4 :13, 1 Tim. 4 : 3; zijne beschrijving, 1 Petr. 1: 8, Hebr. 3:6; 11:1; in Christus, wat dit is, 1 Joh. 3: 23; zijn natuur, Kom.1: 5,17, Fil. 2 :17, 3 : 10, Hebr. 11:1, 6, 8, 27; zijn eigenschap, 1 Cor. 2 : 5; zijn zetel. Kom. 10 :10; is niet |
GELOOF-GELOOVIGEN.
11
|
te meten naar het aanzien en is ook geen koude kennis, 1 I'etr. 1; 8; wordt bij goud vergeleken, 1 Petr. 1:7; kan niet bestaan dan op Christus ziende, 1 Petr. 1: 20; waarom een werk genoemd, Thess. 1:11, 1 Petr. 1 ; 17; is een gave Gods, Kom. 1:8; 10 :16, 2 Cor. 4 :15, Ef. 1:18; C : 23, KI. 1: 29; 3:9, Col. 1:3.1 Thess. 1; 2, 2 Thess. 1:3; 3:2, Hebr. 10:32; komt uit GodsWoord, Eom. 10: 13, 17, Ef. 2 : 20, Hebr. 11:11; uit de [ belofte, Hebr.11 : 17; uit het gehoor, Eom. 10: 17, 1 Cor. 3 : C, 1 Tim. 3:15; zijne werkende oorzaak Gods roeping, 2 Petr. 1: 3, dat vergankelijk is, Hebr. B:4; dat eene bloote kennis is, maakt niet zalig. Jak. 2:14; alleen geloof wordt door God geacht, Hebr. 11:31; is in de godzaligen niet ledig, Gal. 3:12; werkt rechtvaardigheid, Gal. 3: 12; maakt alleen rechtvaardig, Rom. 1:17; 4:6,' Gal. 2 :15, 16; 3 : G, Ef. 2 :1(J; hoe het rechtvaardigt, Kom. 3:21, Gal. 3:6; hoe het alleen van; Jakobus gezegd wordt niet te rechtvaardigen. Jak. 2:24; zijne overwinning van de wereld, 2 Tim. 1:12, 1 Joh. 5 : 4, 5; zijn vrucht, 1 Petr. 1:8; zijn kracht, Hebr. 11 : 27; baart alleen gehoorzaamheid, Tit. 3 : 3; grijpt geen ledigen Christus aan, 1 Joh. 5 : 8; is de moeder der aanroeping. Kom. 10:14;wordt doormirakelen gediend, 1 Cor.1: 22. Geloof wordt niet aanstonds gevonden, waar het , Woord is. Kom. 10: 16; komt de uitverkorenen toe. Tit. 1:1; of het ook buiten het Christendom gevonden wordt, 2 Tim. 1:5; den naam van ge- i loof wenden de geveinsden voor. Jak. 2 : H; geveinsd in de goddeloozen, Hebr. 6:11; moet vrij zijn van alle juk der menschen, 2 Cor. 1:24; geloof en verdiensten zijn tegenstrijdige dingen, Kom. 9 : 32; wordt van meening onderscheiden. Col. 2:2; is gebonden aan het kruis, Fil. 1:29; heiligt ons Gode, Fil. 2:17; is noodzakelijk gevoegd met een rein en heilig leven, 1 Joh. 2 : 29; bestaat niet zonder goede conscientie, 1 Joh. 3:19; is niet zonder leer, 1 Joh. 3 : 2-5; kan van de liefde niet gescheiden worden, 1 Joh. 5:1; hoe met het werk mede gewrocht heeft. Jak. 2 : 22; zonder de werken dood. Jak. 2:17; zijne onafscheidelijke metgezellen, 2 Petr. 1:5â7; maakt ons medege-nooten van Petrus en de apostelen, 2 Petr. 1:1; hoewel onvolmaakt, behaagt Gode, Hebr. 11:11, 23, 32; der godzaligen behoeft bevestiging. Kom. 1:11; moet van vertrouwen niet gescheiden zijn, Ef. 3:12; waaraan zijn zekerheid hangt. Gal. 2:2, Ef. 3:19, Col. 2:2, 7, 2 Tim. 1:12, Tit. 1:1, Hebr. 2:13; 6:11; zijn standvastigheid, 2 Cor. 1:21; zijne trappen, Ef. 3:12; zijn wasdom van God, 2 Thess. 1:3; zijn zwakheid tweeërlei, Eom. 4:19; in hetzelve zwak zijn, Eom. 14 : 1, 1 Cor. 8:7, 9; 10: 29; zijn vastigheid in Gods kracht, 1 Petr. 1:5; zijne belijdenis gereed, 1 Petr. 3:15; getuigenis daarvan uit de werken. 1 Joh. 2:3; zijn zekerheid rust alleen op de genade van Christus, 1 Joh. 2:3; kan niet bestaan, dan als het ziet op de komst van Christus, 1 Joh. 3 : 2; door wat middel het kan versterkt worden, 1 Joh. 5:13; daarop zich opbouwen, Jud. vs. 20; zijne zekerheid maakt geen zorgeloosheid of traagheid, 1 Joh. 5 :55; !; voor :l,6; Kom. |
zijne zekerheid wordt door de papisten verzwakt, 1 Cor. 4 : 4;hetgeloofderpapistenisingewikkeld, 1 Petr. 1:8; waaruit de papisten het geloof beschreven hebben geformeerd en ongeformeerd. Jak. 2:14. Geloovig, genomen voor waarachtig, 1 Cor. 7 : 2quot;; wie. Kom. 5:2,1 Tim. 4 : 3, 2 Tim. 4 : 8. Geloovigen zijn van God geliefd, eer de wereld geschapen was, 2 Cor. 13:13; waarom zij eerstelingen genoemd zijn, Eom. 8:23; hoe zij den heelde van Christus gelijk zijn, Eom. 8: 29; zijn huisgenooten Gods, Ef. 2 :19; zijn kinderen des lichts, Ef. 5 : 8, 1 Thess. 5:4; zijn broeders, Hebr. 13 : 1; 2 : 12; zijn de eer van Christus, 2 Cor. 8:22; zijn erfgenamen der wereld, 1 Tim. 4 : 3; zijn ter zaligheid verordend. Kom. 9:11; zijn lichten in deze wereld, Fil. 2:15, 16; zijn eerstgeborenen, Hebr. 12 : 16; zijn tempelen Gods, 1 Cor. 3:16, 2 Cor. 6:16, Ef. 2 : 20, 21; 5: 30; zijn verlicht met de kennis Gods, 1 Petr. 1:14; zijn verlicht uit loutere genade. Jak. 1:18; hun leven is in Christus, Gal. 2 : 20; hoe zij Christus ingeplant zijn. Kom. 6:5; hun eenigheid met Christus, 1 Cor. 6 : 15, 17; het einde hunner roeping, 1 Thess. 3 : 13; 4:7; hoe zij gerechtvaardigd worden, Eom. 4:5; hoe zij rechters der engelen en menschen zijn, 1 Cor. 6:2,3; zijn onvolmaakt, Eom. 6 : 14; 7 : 14, 15; hoe zij heilig zijn 1 Cor. 1: 2, 2 Cor. 1: 1, Ef. 1 : 1, Col. 1:1,2 Thess. 1 :10, Hebr. 13 : 24; hoe zij der zonden sterven, Rom. 6:10. Geloovigen; hun ambt, 1 Thess. 5 : 4, Hebr. 10 : 24; hun betrouwen, 1 Joh. 5 : 14; hun blijdschap, Rom. 12:12, Fil. 1 :4; 2 :2; 3 :1; 4 : 4; Col. 1:11, Hebr. 10:34; 12:2; hoe zij zich verheugen en droevig zijn, 1 Petr. 1: 6; hun dood voor God dierbaar, Hebr. 11:4; hun eendrachtigheid, Fil. 1:27; hun eenigheid, Ef. 4:4, 6, 12, 25, 2 Thess. 1 : 3; hun eenvoudigheid, Rom. 6:19, 1 Cor. 11:20; hun erfenis, Rom. 8:17, 1 Petr. 1: 4; hun gebed voor elkander, 2 Cor. 1:11; hoedanig dit behoort te zijn, 1 Tim. 2:8, Hebr. 13:18; hoe het verhoord wordt, Hebr. 8:3; hun gehoorzaamheid, Hebr. 2: 13; hun zaligheid. Col. 1:20; hun gemeenschap onderling, Rom. 12 :4, 15, 2 Cor. 4: 15; 8 : 4; 9 : 8, Ef. 4 :16, Fil. 1: 5; 2 :1, 1 Thess. 3 : 2; 5 :11, 2 Thess. 1 : 3, Filem. vs. 6, Hebr. 10: 33; 13:16; hun klein getal, Rom. 10 :16, 1 Cor. 1:21, 2 Thess. 2 : 10; hun gewin met alles, 1 Tim. 4:10; hun heerlijkheid, 2 Tim. 4 : 8, die door ellendigheden bevorderd wordt, Eom. 5:3; hun heiligheid in deze wereld, 1 Thess. 3:13; hun hope, 1 Tim. 1: 1; 1 Thess. 1:10; hun huisgezin. Col. 4:14; of hun kastijding geschiedt van God, wanneer zij van elders lijden, 1 Petr. 3:18; hun leven, Eom. 12 : 11, Ef. 5 : 5, Fil. 2 :15; is verborgen in Christus, 1 Petr. 1 : 7, 2 Thess. 1:12; hun lijdzaamheid, hoedanig zij behoort te zijn, Eom. 15 :4, Fil. 2: 27; hun menigte, Hebr. 12:1; hun rechte oogmerk. Kom. 2 : 7, Hebr. 4:10, 11; hun overlegging, Fil. 4 : 8; Col. 3 :1, 2, 2 Tim. 2:12, Hebr. 6 : 1, 6; 12: 3; 13:14; hun offerande, Hebr. 13:15, 16; hun opwekking uit den dood, wanneer, 1 Thess. 4:15, 16; hun overwinning. Kom. 8 : 37; 12 : 21; 16 :19, |
GEMEEN-GOD.
12
|
1 Thess. 5:9, Hebr. 11:31, Uoh. 5:4, 5; hun raadslagen somtijds van den Heere gekeerd. Kom. 1:13; hun ware roem. Bom. 5: 2, 3, 11; 8 : 32; 1 Cor. 1: 31; 4: 7, 2 Cor. 1:12, Gal. 5 : 2G,Fil. 1: 2C; 3:8, 13, Col. 1:23; hun rust, Hebr. 4:3; hun staat in dit leven, 2 Cor. 4 : 10; 5: 7, 1 Thess. 3:3, 1 Tim. 4:10; 6:14, 2 Tim. 3:12; waarom die ellendig is, 1 Cor. 15:19, Jak. 1:12; hun sterkte, 2 Cor. 12:10; hun strijd. Bom. 6 : 13; 12 : 12; 16 : 19, 1 Cor. 9:24, 25, 2 Cor. 2 :14, Ef. 6 : 11, 12, 1 Thess. 2 : 18; 5 : 8, 2 Thess. 1: 6; 2 : 3,Hebr. 10 : 32; 12:1; 13:13; hun troost. Bom. 2:5; 4 :13; 5:3; 6:14; 8: 1; 9 : 32; 10: 8; 2 Cor. 4 :10; 5 :18; 7 : 6; 11: 15, Gal. 3 :12, Ef. 1:14; 2 : 6, Fil. 1 : 28; 3:10, 20; 4:5, Col. 1:6; 3:4, 1 Thess. 4:17, 2 Thess. 1:5, 10, 1 Tim. 4 : 8, 10; 5 : 25; 6 :14, 2 Tim. 2:9, 11, 19, Tit. 2:13, Hebr. 1:10, 14; 2:10, 11, 14; 5:7; 6:18; 10:36, 37; 11:38, 1 Petr. 3:18; hun hemelsch verkeer, Fil. 3:20; hun volmaaktheid, hoedanig. Bom. 7 : 25; 8 : 5, 1 Cor. 1:7; 13: 10, 11, Ef. 1: 4; 3 : 7; 4: 13, Col. 1 :12; 4:12, Hebr. 4 :10; 6 :1.11; hoe ze gezegd worden niet te zondigen, 1 Joh. 3:9; hun voortgang. Bom. 1:17;Ef. 1: 16; 2 : 22; 3 : 16; 5 :27, Pil. 3 : 12,13, Col. 1:3; 2:2, 1 Thess. 3:10; 4:1; 5:23, 2 Thess. 1: 3, Filem. vs. 4, Hebr. 3 :15; 6 : 7; 8 :10, 11;10:39;13:10; hun vrijheid. Bom. 6:18; 7:14; hun waardigheid, 1 Cor. 0 : 19, Ef. 2:19, Hebr. 2:12; hun wijsheid, Col. 2 : 3, 1 Cor. 1:17; hun wil van God zoo geordineerd, dat hij niet dan recht kan zijn, 1 Joh. 3 : 9; hun woorden. Col. 4: 6, Ef. 4:29;5:4. Gemeen genomen voor onheilig, Bom. 14 :14. Gemeente is een lichaam, 1 Cor. 12:12, 13; is het lichaam van Christus, Ef. 1:22; het huis Gods, 1 Tim. 3:15; is een stad gelijk. Col. 4 : 5; is de moeder der geloovigen. Gal. 4:26, Ef. 4 : 12, 1 Tim. 3:15; is geheel het erfdeel des Heeren, 1 Petr. 5:3; is alleen op Christus gefundeerd, 1 Cor. 3:11; hare bouw niet zonder Christus, 1 Petr. 2:6; haar teeken, Ef. 2 : 20; haar grootste eer, Ef. 1:23; haar stichting een zwaar werk, ïit. 1 : 5; een werk Gods, Hebr. 3:3; een werk der herders, 1 Thess. 5:12; hare kindsheid. Gal. 4:1; haar macht, 1 Cor. 5 : 2; hare versiering, Ef. 5:2 7; hare bewaking door Gods verborgen voorzienigheid, Bom. 11:2; hare regeering van God door Christus, 1 Tim. 1:1; kan niet van de leer worden afgescheiden, 1 Tim. 3 : 2; hare vernieuwing noo-dig. Bom. 12:2, Ef. 4 : 22; hare eeuwigheid waarin gelegen, 1 Cor. 1 :12; 14 : 36, Ef. 1: 22; hare verstrooiing, door Paulus voorzegd, 2 Thess. 2:3; hare beroering. Gal. 5:10, 12, 2 Tim. 2:15, Tit. 1 :14; zal nimmer van de valsche profeten vrij zijn, 2 Petr. 2:1; hare geestelijke regeering, Ef. 1: 23, 1 Thess. 5:13, 1 Tim. 5: 21, Hebr. 10 : 20; haar stand, 2 Tim. 2 : 20; 3 : 1; 4:14; hare tucht, met wat zachtmoedigheid men haar moet matigen, 2 Cor. 2 : 6; moet de zonde van een elk lid beweenen, 1 Cor. 5:2; wie door de gemeente behoorden aangenomen te worden, 1 Tim. 5:16; zonder smet niet te vinden in deze wereld, 1 Cor. 1: 2, Gal. 1:2; door de gansche wereld verbreid. |
Gal. 4:26; waarom genoemd hemelsch. Gal. 4:26; hoe genoemd een pilaar der waarheid, 1 Tim. 3:15; hoe zij behoorlijk geordend wordt, Ef. 4:12; moet niet zichzelven toegedaan zijn en anderen vergeten, 1 Cor. 14 : 36; hoe der papisten gemeente is. Col. 1:23; 1 Tim. 3:15, Gal. 4: 26; hare schat in 't pausdom, 1 Cor. 1:13, Col. 1:24; haar titel trekt velen tot het verderf des pausdoms, 1 Joh. 4: 1. Gemoed, onverzadelijk in het volgen van zijn snoode lusten. Jak. 4 : 2; zijn vernieuwing is noo-dig. Bom. 12 : 2, Ãf. 4: 22. Genade, wat zij is volgens de Scholastieken, Bom. 5:15. Genade wordt genomen voor de hulpe des H. Geestes, 2 Cor. 12:9; voor de weldaad der verlossing, 2 Cor. 13 : 13; voor vertroosting en vermaning, Ef. 4:29; voor den geestelijken godsdienst der wedergeboorte, Hebr. 13:9; voor gaven, die God den menschen onverdiend geeft, 1 Cor. 1 : 4; voor aalmoezen, 2 Cor. 8 :4; voor de onverdiende gunst Gods, Bom. 4 :16, Ef. 6 :24; voor vreugd, Filem. vs. 7; voor onze geheele roeping, Hebr. 12: 15; voor prijs, 1 Petr. 2:19; hare leer is der goddeloozen laster onderworpen, 1 Joh. 2 :1. Genegenheid is in de geloovigen tweeërlei. Bom. 8:23; 9:2; 11:19; des vleesches verschilt veel van het oordeel Gods, 1 Petr. 2:23. Genoegzaamheid, een toeworp der godzaligheid, 1 Tim. 6: 6. Gerustheid is tweeërlei, 1 Cor. 10 :12; der goddeloozen is een verderfelijke maalstroom, Ef.4:19; des vleesches, 1 Joh. 2 : 28. Getuigenissen uit Heidensche schrijvers. Tit. 1:12. Geveinsden, Geveinsdheid, zijn onder de godzaligen vermengd, Hebr. 2:13,1 Joh. 2:19; zijn ook vele onder de godzalige herders, 1 Tim. 5 : 2 4; de kerk moet er velen dragen, 1 Joh. 2:19; zijn apen, 1 Tim. 2 :8; zijn vijanden der gemeente. Gal. 4:30; hoe gruwelijk zij zijn voor God, 1 Tim. 1:15; worden door voorspoed opgeblazen. Bom. 2 : 4; ontzien zich niet met hunne gemaakte godsdiensten tegen de waarheid te stellen. Bom. 2: 8; roepen tevergeefs God aan. Bom. 10:14; vleien zichzelven door een dronken betrouwen. Bom. 7:9; waarom zij zich vleien en Gods oordeel verachten, 1 Joh. 3:20; hun gerustheid. Bom. 2:1; hun geveinsde gehoorzaamheid, Fil. 2:12; schuwen het licht, 1 Joh. 3 : 20; hebben dit gemeen, dat zij anderen berispen. Jak. 1:26; hoe zij zich ontdekken, Tit. 1:16. Gewoonte, gehouden voor wet, 1 Cor. 6:12. Gideon is niet gestraft, omdat hij oen teeken begeerde, 1 Cor. 1: 22. Gierigheid, haar oorsprong wantrouwen, Hebr. 13:15; waarom zij afgodendienst is, Ef. 5:5: wordt veroordeeld. Bom. 1: 29, 2 Cor. 12:14, Ef. 5 : 3, 1 Tim. 3 :3; 6 : 5, 6, 7, Hebr. 13:5; hoe men ze zal beteren, 1 Tim. 6:11. God is eenig, 1 Cor. 8 : 4, 1 Tim. 2 : 5; is een wonderlijk kunstenaar. Bom. 3:8; is alleen allo |
GOD-GODS LIEFDE.
13
|
lof waardig, Eom. 16: 21; is onzienlijk, Col. 1:15; of Hij geheel onzienlijk is, 1 Tim. 6:16; is de eenige rechter van allen, Eom. 2 : 3; 3: 6, 2 Thess. 1: 5; 2:12, Hebr. 12:23; is onze eenige wetgever. Col. 2: 23, 2 Thess. 2 : 4; is vrij in het verkiezen en verwerpen, Bom. 9 : 11; is in 't vleesch geopenbaard, 1 Tim. 3 :16; is aller dingen begin en einde. Kom. 11: 36; is der harten doorzoeker, Hebr. 4 ; 13; is een wreker van het onrecht. Jak. 5; 4; is altijd Zichzelven gelijk, 1 Cor. 10:11, Gal. 3:20, Hebr. 1:1; 6 :18; is geen aannemer der personen. Bom. 2:1, 11, Ef. 6 : 9; is geen menseh schuldig, Eom. 9:15; 11:32, 34, 35, 1 Cor. 4:7; 6:10; wordt menigerlei wijze beschreven, Hebr. 10: 30; moet men geenszins afbeelden. Hom. 1:23; zorgt voor de zijnen, 2 Cor. 9:11, Fil. 4:5, 1 Thess. 5:16; ziet het hart aan, Eom. 14: 23,1 Cor. 9:17; 2 Cor. 8:11; 9: 7, Ef. 1: 4; 4 : 24; 6 : 5, Tit. 1:15; spreekt nimmer tevergeefs, Hebr. 4:12; moet men verzoenen, eer men bidt, Hebr. 9:22; weigert dikmaals uit barmhartigheid den zijnen, wat Hij met toornigheid den goddeloozen toelaat, 2 Cor. 12:8; voorkomt den mensch, en niet de mensch God, Bom. 11: 35, Gal. 2 : 20, 1 Tim. 1:16, Tit. 3:5, Hebr. 11: 6; wordt niet tevergeefs gezocht, Hebr. 11:6; wordt somtijds toegeschreven wat den menseh toebehoort, Hebr. 11 : 17; moet men alleen betrouwen, Hebr. 2:13; Hem leven, wat dit is, Eom. 6:10, Gal. 2:19, 20; is alles in allen, 1 Cor. 15 : 28; is niet anders te kennen, in Christus, 1 Joh. 2 : 23; is den vaderen nooit verschenen in zijn wezen, maar onder uiterlijke teekenen, 1 Joh. 3 : 2. God, Vader genoemd, 1 Petr. 1: 3; hoe Hij Vader is, Hebr. 12:9; de Vader van Christus genoemd, 2 Cor. 1 : 3, Col. 1:3; om recht beleden te worden, 1 Petr. 1 : 3; de Vader der lichten, waarom, 1 Joh. 1: 5, Jak. 1:17; een Vader aller men-schen, 1 Tim. 2 :8; der lijdzaamheid, Eom. 15:5; des vredes, 1 Thess. 5 : 23, 2 Thess. 3 :16, Hebr. 13 : 20, ïil. 4 : 9; hoe getrouw Hij is, 1 Cor. 1; 9, 10, 13, 2 Thess. 3 : 3, Hebr. 10 : 23; hoe Hij alleen onsterfelijk is, 1 Tim. 6 : 16; hoe Hij rechtvaardig gezegd wordt, Eom. 3: 26; hoe Hij alleen Vorst is, 1 Tim. 6: 15; hoe Hij waarachtig gezegd wordt, Eom. 3: 4, 2 Cor. 1: 20, Tit. 1: 2; waarom Hij levende genoemd wordt, 1 Thess. 1:9; hoe Hij bekend wordt, Eom. 1:20; of Hij Zichzelven aan iemand uit de Heidenen geopenbaard heeft, Ef. 2 : 12; moet men in den Geest dienen, Eom. 1: 9; hoe Hij de zijnen verhoort, Hebr. 5:7; hoe Hij in de godzaligen woont, 2 Cor. 6 : 16, Ef. 2 : 20; waarom Hij heeft willen zweren, Hebr. 3 :11; 7 : 20; waarom Hij zweert bij Zichzelven, Hebr. 6:13,16; hoe Hij ons rechtvaardigt, Eom. 4:5; hoe Hij wil, dat alle menschen zalig worden, 1 Tim. 2:3; Hem verzoeken, Hebr. 3:8; hoe Hij verzoekt, Hebr. 11:17; Hij verzoekt niemand. Jak. 1:13; hoe Hij den mensch tot zonde overgeeft, Eom. 1; 24; in der papisten scholen het oogmerk des geloofs, 1 Petr. 1: 20. Gods aanroeping is der geloovigen sterkte, Bom. 15:30. â ambt, 2 Cor. 7 : 6, Hebr. 10: 30. |
â barmhartigheid, wat zij is, Eom. 1:21; is groot, Ef. 2 : 4; in de uitverkorenen aan te merken. Kom. 9:14; sommigen bijzonder verordend. Bom. 9: 15; maakt alleen de conscientiën gerust. Bom. 3 : 21; is geen aanlokking tot zondigen, 1 Joh. 1:9; haar einde. Tit. 3:7; wordt ons aangeprezen. Jak. 2 : 13; zal ons van God geschieden, zoo wij die onzen naaste bewijzen. Jak. 2:13. â beeld is in deze wereld zienlijk, Hebr. 11:3; hoe het in ons weder opgericht wordt; Ef. 4:24. â beloften steunen op Christus alleen, 2 Cor. 1:10. â dienst. Bom. 1 :9, Hebr. 13:15. â eenvoudigheid, wat zij is, 2 Cor. 1:12. â eer, wat zij is, Tit. 2:13; hoe groot wij ze moeten achten, 1 Cor. 10 : 31, Ef. 1: 5, 14. â gaven worden verscheiden uitgedeeld, 1 Cor. 12 : 4,11; en waarom, Eom. 1:11; moet men eeren, Gal. 1: 24; 2 : 8, Fil. 2 : 3; 4 : 3, Col. 1: 4. â genade, wat zij is, Eom. 1:7; 6 : 14; is de fontein en oorzaak alles goeds, Eom. 1:7;beduidt zijn gunst te onswaart, 2 Petr. 1: 2; is krachtiger dan Adams val, Eom. 5:15; hoe zij allen menschen gemeen is. Tit. 2:11; hoe zij allen gemeen is, Eom. 5:18; wordt niet allen even gelijk gegeven, Eom. 9 :11; is aan geen teekenen gebonden, Ef. 5:26; in Christus, waarom zoo hoogelijk geprezen, 1 Petr. 1:3; in wulpschheid verkeerd is een verloochening van Christus, 2 Petr. 2:1; tot wat einde ons verschenen, Jud. vs. 4; op haar verheffen zij zich tevergeefs, die hunne roeping niet genoeg doen, Jud. vs. 5. â getuigenis genomen voor de leer des Evangelies, 1 Cor. 2:1. â goedertierenheid jegens de godzaligen, Eom. 8:15, Hebr. 6:17. â goedheid te onswaart is bij geen ding te vergelijken, 1 Petr. 2:9. â gunst genoeg vooralle droefheid, Eom. 8:31. â hand tweeërlei, 1 Petr. 5 : 5; waarom krachtig genoemd, 1 Petr. 5:6. â heerlijkheid genomen voor zijn barmhartigheid, Eom. 9:23; wordt in der verworpenen verderf geopenbaard. Bom. 9:23. â hulpe is tweeërlei, 1 Cor. 10:13. â kennis is allen menschen ingedrukt. Bom. 1: 21; ware kennis. Col. 1 :10; is de hoogste wijsheid, Hebr. 8:11; uit het Evangelie is niet ledig, 1 Joh. 2:3; brengt noodzakelijk mede liefde tot God, 1 Joh. 4:7; is het beginsel des levens en de eerste ingang tot de godzaligheid, 2 Petr. 1 : 3; werkt vernedering, 1 Cor. 8:2; 14 : 25. â kracht waarom die niet getoond is vóór de schepping, 1 Joh. 1:2; wordt in zwakheid volbracht, 2 Cor. 12:9. â leer wordt tweeërlei wijze verdorven, 2 Cor. 2 : 17. â leven, wat het is, Ef. 4:18. â liefde niet te zoeken buiten Christus, Eom. 8 : 35, 2 Petr. 1:17; moet men niet van de iefde der menschen scheiden, Gal. 5:14; tot ons geeft overwinning, Eom. 8 : 37; jegens het menschelijk geslacht is wonderbaar, 2 Petr. 3:9. |
GODS LOF-GOED.
14
|
â lof, openlijk te zingen, Hebr. 2:12. â majesteit; die haar buiten Christns inbeelden hebben in stede van God een afgod, 1 Petr. 1: 3. â mildheid, 1 Tim. 6:17, Tit. 3:6. â mogendheid, Eom. 1:21; hoe zij is aan te merken, Bom. 4:21; 9:21; 11:23, Ef. 1:19; 3:20, 2 Tim. 4:17. â naam; dien aanroepen, 2 Tim. 2:19; hoe die recht gebrnikt wordt en misbruikt. Jak. 4:12; hoe die gelasterd wordt, Eom. 2 : 24; van sommigen valsehelijk voorgewend, 1 Joh. 4:1. â onderscheid en der mensehen, Hebr. 6:18; l2:S;en der afgoden, Hebr. 11:16. â rechterhand, wat zij is, Ef. 1:20, Col. 8:1, Hebr. 1:3. â rechtvaardigheid, wat zij is, Eom. 1:17, 21; hoedanig, Eom. 6:10; in de verworpenen, Eom. 9: 14; is het tegenovergestelde van 's menschen rechtvaardigheid, Eom. 10:3. â rijk, waarin gelegen, Eom. 14 :17; genomen voor bediening des Evangelies, 1 Cor. 4: 20. â â tegenwoordigheid, hoe noodig die is, Fil. 4:9. â tempel, of hij daar is, waar de paus regeert, 2 Thess. 2: 4. â toorn tegen de ongeloovigen, Hebr. 3: 18; is te vreezen, Col. 3 :6, Hebr. 10 : 30. â verborgenheden zijn allen vleeschc ongeloo-felijk, Rom. 3:5. â verdraagzaamheid jegens de mensehen, 1 Cor. 11: 31. â verkiezing is een vaste grond, 2 Tim. 2:19. â voorwetenschap neemt alle aanzien der mensehelijke waardigheid weg, 1 Petr. 1:2. â voorzienigheid, hoe men ze moet bedenken, Eom. 3:8; 8 : 28, 1 Cor. 11 :19, 2 Cor. 8:16: 9: 11, Fil. 4 : 5, 1 Thess. 5 :16, 2 Thess. 2 : 2, 1 Tim. 2 : 6, 2 Tim. 2 : 20, Tit. 1: 3, Filem. vs. 15, Hebr. 9 : 26; 11:3; 12:6; 13:5; op haar moet men alleen rusten, 1 Petr. 5 : 7. â vrede, wat hij is, Fil. 4 : 7, Col. 3:15. â vreeze is het hoofd der wijsheid, Eom. 3:18; hoe noodzakelijk den godzaligen, 2 Cor. 7:1; wordt bewezen door het in eere houden van zijn Woord, 1 Joh. 4 : 6. â waarheid, wat zij is. Eom. 1:21; genomen voor de ware kennis Gods, Eom. 1:18; is zeer vast, Ef. 4 : 21; is bij God zeiven het dierbaarste, 1 Joh. 5:10; kan door der menschen leugen niet omgestooten worden, Eom. 3 : 4; moet men eenvoudig leeren, 1 Tim. 1: 3. â welbehagen, de oorzaak onzer zaligheid, Eom. 11:7. â weldadigheid is ongemeten, Hebr. 4 ; 1; is Hem eigen. Jak. 1:7: jegens alle godzaligen drieerlei, Jud. vs. 2; strekt to' alle menschen, 1 Tim. 4 : 10: maakt ons bereid tot den geestelijken strijd, 1 Petr. 1:3; strekt tot zijn eer, 1 Petr. 2:9. â wijsheid, Eom. 1:21: genomen voor het schepsel der gansche wereld, 1 Cor. 1:21. |
â wil, welke die is, 1 Thess. 5; 18, Hebr. 13 : 20; is het rechte einde aller dingen, Hebr. 2:10; moet men stellen volmaakt te zijn, Eom. 12:2; heeft de voornaamste plaats in de zaligheid en het verderf der mensehen, Eom. 9 :19; is het doelwit der geloovigen, Eom. 14:7; hoe noodig dien te kennen, Ef. 5 :17; wie dien doet, 1 Joh. 2:17; moet men in alle dingen erkennen, Eom. 1:10; moet men in zijn Woord zoeken. Col. 1: 9; dien moeten onze begeerten onderworpen zijn, 1 Cor. 4:19; 16:5. â woorden spreken, 1 Petr. 4:11. â zegen is anders dan der menschen, 1 Petr. 3:9. â zegening volgt uit de aanroeping, Col. 3:17; is altijd noodig, 1 Tim. 6 :17. Goddeloos, wie, Ef. 2:12. Goddeloosheid, wat zij is, Tit. 2:12; hare trappen, Hebr. 3 :12; is hoovaardig, Hebr. 10 : 38. Goddeloozen zijn zonder geloof, Hebr. 3:12; 6 :11; zijn met voornemen geschapen, opdat zij zouden vergaan, Eom. 9:18; zijn door Gods rechtvaardig oordeel tot het verderf verordend, Eom. 9:2; worden door Gods goedheid boozer, Eom. 2 : 5; zijn niet te verontschuldigen, 2 Tim. 2 : 25, Hebr. 11:7; worden door voorspoed hoovaardig, 2 Thess. 1:5; zijn des duivels instrumenten, 1 Thess. 2:18; of zij, sierlijk van Christus sprekende, den Geest Gods hebben, 1 Cor. 12:3; bevorderen somtijds het Evangelie, Fil. 1 :18; vlieden altijd van het juk Gods, Eom. 2 ; 8; worden van God niet verhoord, 1 Joh. 3:22; hun staat is ellendig, 2 Tim. 2 : 26;hun eendracht is vervloekt, Fil. 1:16; hun gezelschap moet men vlieden, 1 Cor. 5 : 9, 2 Cor. 6 : 17,Ef. 5 ; 11; hun roem, Eom. 1: 30; hun verderf, zwaar, 2 Thess. 1:9; hun dood vol verschrikking, Hebr. 12:17; hun menigte, 2 Thess. 2 ; 12; hun straf, waarom dikmaals uitgesteld, 1 Thess. 2:16, 2 Thess. 1: 5, 2 Tim. 2 : 25, Hebr. 6:4; 12:17; hun woorden, Ef. 5 : 6, 2 Tim. 2 :21, Hebr. 6:6; hun onderscheid van de duivelen. Col. 1:20; zullen eenmaal rekenschap Gode den Eech-ter geven, 1 Petr. 4:5; hun straf na den dood, 2 Petr. 2:4. Godsdienst is de ware, die naar Gods Woord is, Eom. 10:2; wordt genomen voor ceremoniën, Eom. 9:4; is niet met menschelijk gevoelen te meten. Col. 2:23; is alleen in het geloof gefundeerd, 1 Tim. 1 : 4; is geestelijk, waarin men volharden moet, 1 Joh. 5:21; welke waarlijk oud is, 1 Joh. 2:13; is uit wat anders te oordeelen, dan uit de pracht der ceremoniën. Jak. 1:27; hoedanig in het pausdom, Hebr. 1 :1; in het pausdom een hoop van superstitiën, 1 Joh. 3:12. Godzaligen worden harder onder het kruis geoefend dan de goddeloozen, 1 Petr. 4:17. Godzaligheid, haar inhoud, 1 Thess. 3 : 6; onder de liefde vervat, Eom. 8 : 28; hare verborgenheid, 1 Tim. 3:16; hare oefeningen, 1 Tim. 2 :1; 4: 7; haar begin is het gehoorzaam aannemen der leer, 1 Joh. 5 ; 10. Goed genomen voor vriendelijkheid, Gal. 6:9; voor recht en behoorlijk, 1 Tim. 2:3; is niet altijd het tegendeel van kwaad of misdadig, 1 Cor. 7:1; is al uit Gods genade, Fil. 2:13; wat naar Plato's beschrijving het hoogste goed is, 2 Petr. 1:4. Goed, hoe men het bij de menschen zal verkrij- |
GOEDENâHERDERS.
15
|
gen, Kom. 12:17; der gemeente, aan wien men het zal uitdeelen, 1 Tim. 5 :16; de gemeenschap daarvan niet noodig, 2 Cor. 8:13. Goeden zijn met de boozen vermengd, Eom. 16:11,1 Cor. 5:10, Fil. 2:15; 3: 20, 2 Tim. 2: 20; 3 : 2, Hebr. 3 :16; 12 : 15. Grieken, genomen voor Heidenen, Eom. 1:16, Gal. 3: 28. IT. Haastelijk te verwachten, hoe dit te verstaan, 2 Petr. 3 :12. Haastigheid moet men vermijden, 1 Tim. 5 : 22. Haat is doodslag en van God vervloekt, 1 Joh. 3 : 15; der wereld zullen wij lijdzamelijk dragen, 1 Joh. 3:13; regeert in de verworpenen en in de kinderen des duivels, 1 Joh. 3:12. Handelingen der Apostelen vervatten de geheele historie niet, 2 Cor. 11: 25. Handen-opheffen, 1 Tim. 2 : 8. Handen-oplegging, wat zij is, 2 Tim. 1:6; genomen voor ordineering, 1 Tim. 5 : 22; waaruit zij ontstaan is, Hebr. 6:2. Hardnekkigheid, moet men vlieden, 1 Tim. 3:14. Hart. genomen voor ernstige en oprechte genegenheid, Eom. 10 : 10; voorconscientie, 1 Thess. 3 :13; voor verstand, Kom. 2 ; 15; kan tot God niet spreken zonder nienwigheid des levens, 1 Joh.1: 9; is onverzadelijk, als het zich weggeeft aan de kwade begeerten. Jak. 4:2; dat gerust is en niet veroordeelt, 1 Joh. 3:21; is hoogmoedig, 1 Petr. 5 : 5; het opvoeden, wat dit is. Jak. 5:5. Haters Gods, Rom. 1; 30. Hebreen, waarnaar zij genoemd zijn, 2 Cor.ll:22. Heden genomen voor den geheelen tijd, waarin God ons roept, Hebr. 13:8. Heeren, hun ambt. Col. 4:1; hoeveel den dienstknechten schuldig, Ef. 6 : 9. Heerlijkheid (Eer) genomen voor barmhartigheid, Ef. 3:16; alleen Godc schuldig, liom. 16: 21; die ijdel is, te vlieden. Gal. 5 : 26; 6:1. Fil. 2: 3. Heidenen worden door het voorwenden van onwetendheid niet verontschuldigd, liom. 2 :14; hun offeranden, Hebr. 9 :16; of zij allen gelijkelijk door Petrus terecht van dartelheid beschuldigd zijn, 1 Petr. 4: 3; door het gemis van hot licht des Evangelies niet te verontschuldigen. Hom. 2 : 12; zijn tot Gods volk aangenomen, Ef. 3 : 5; zijn van God geroepen, 2 Tim. 4 : 17; hun roeping van God verordend, 1 Tim. 2 : 6; Hebr. 2 : 12, en door de profeten voorzegd, Eom. 9: 25, hun roeping is een nieuwe en ongewone zaak, 1 Tim. 3:16, en een wonderlijk werk der goedheid Gods, Ef. 2:7; hun roeping een verborgenheid van Christus, Ef. 3 : â }; plaatsen, waarin van hun roeping gesproken wordt, Eom. 10 : 20; 11 : 26; 15:9, Gal. 4 : 23, 2 Tim. 1:11; hun onderscheid van de Joden, Eom. 3:1. |
Heiligen zijn in dit leven nog toenemende, Fil. 1: 6; behoeven allen de vergeving der zonde, 1 Joh. 1:7; hebben allen den voorspreker Christus noodig, 1 Joh. 2:11; moet men aanzien naar de zwakheid des vleesches. Jak. 5:18; behoeven elkanders gebed, Ef. 6:19; hnn gemeenschap, 2 Cor. 8:14; hun waardigheid, hoedanig, 1 Tim. 2 : 5; waarom zij den dood vreezen, 2 Cor. 5 : 8; moet men bovenal helpen, Eom. 12:13; hoe zij de wereld zullen oordeelen. Joh. 4: 11; zijn geen verlossers. Col. 1: 24; die dood zijn, moet men niet aanroepen, Ef. 6:19; waaruit de paus leert, dat zij, dood zijnde, voor ons bidden, Eom. 15:30, 1 Cor. 15 : 8, 2 Cor. 1:10, 1 Joh. 2 :1. Heiligheid genomen voor waardigheid, Eom. 11:16; die Gode behaagt, 1 Thess. 3 :13; is een vrucht der verkiezing en moet daarna niet gescheiden worden, Ef. 1: 4; is alleen in de godzaligen begonnen. Col. 2:22; moet in hem niet verkouden, 1 Joh. 3 : 3; des pausdoms is in de mon-nikerij gelegen. Col. 2:23; hoe die des pausdoms met alle andere heiligheid duivelsch is, zoolang zij Christus verwerpt, 1 Joh. 5:10. Heiligmaken, hoe God zulks doet, 1 Petr. 1: 2; dat des vleesches, Hebr. 9:10. Heiligmaking, wat zij is, 1 Thess. 4 :3; hoedanig in de godzaligen geëischt, 1 Thess. 5:23; een vrucht der rechtvaardigmaking, Eom. 6:22; der verkiezing, 1 Petr. 1:2; die wij Gode doen, wat zij is, 1 Petr. 3:14. Hel regeert waar geen vrede met God, 1 Joh. 1 r9. Hemel, waarom genoemd eene gefundeerde stad, Hebr. 11:10; genomen voor de plaats der lucht tusschen de beide wateren, 2 Petr. 3:6; hoe deze door den zondvloed verdronken is, 2 Petr. 3:6; zijne verdorvenheid en die der aarde zal door het vuur gezuiverd worden, 2 Petr. 3:11. Hemelen spreken van de mogendheid Gods, Rom. 10:18; hoo zij vergaan zullen, Hebr. 1:10. Henoch, zijn profetie de Joden bij overlevering bekend, Jud. vs. 14; zijn opneming hoedanig, Hebr. 11:5. Herder en opziener van gelijke betcekenis, Fil. 1:1; wie een goede is, 1 Cor. 7 : 25, 2 Tim. 3:10; zijn teekenen, 2 Tim. 4:5; moet twee dingen bezorgen, 1 Tim. 4:16; zijne onderwijzing moet tweeërlei zijn. Tit. 1 : 9; moet een geschikt huisvader zijn, 1 Tim. 3: 4; hoe hij behoort te handelen, 1 Cor. 4:11; hoedanig zijn huisgezin behoort te zijn, Tit. 1 : 6. Herders, wie het waarlijk zijn, 1 Cor. 12:28, Ef. 4:11, 1 Thess. 5:12; die het waarlijk zijn, niet vele, 2 Tim. 1: 7, Hebr. 13 : 17; hoedanig zij behooren te zijn, 1 Tim. 3:2, Tit. 1:6; worden bij engelen vergeleken. Gal. 4 :14; moeten dienaars zijn en geen heeren, 1 Cor. 4:1,2 Cor. 4 : 5, Col. 1: 25; hoe zij dienaars des Geestes zijn, 2 Cor. 3:6; hoe zij priesters zijn, Fil. 2:17; hoe zij vaders zijn dergenen, die zij leeren, 1 Cor. 4 : 5, Tit. 1: 4, Filem. vs. 10, Hebr. 13:7; moeten niet alleen de schapen verzamelen, maar ook de wolven verdrijven, 1 Joh. 2 : 26; moet men onderhouden, 1 Cor. 9:11; moeten met matigen kost tevreden zijn. Gal. G : 6; of zij rijk mogen zijn, 2 Cor. 6 : 4; moet men in waarde houden, 1 Thess. 5 :12; moet men ook liefhebben. Gal. 6:6; en niet alleen eeren. Gal. 4:15, Fil. 2 : 22; zijn aan valsche beschuldi- |
HERDERSâINZETTINGEN.
1G
|
gingen onderworpen, 1 Tim. 5 :19, 2 Tim. 1:15; zijn meest altijd veracht. Gal. G : C; hebben geen heerschappij over de conscientiën, 2 Cor. 1:24; welke vrijheid onder hen behoort te wezen, 1 Petr. 5:1; hoever zij zichzelven mogen zoeken, Fil. 2:21. â hun ware aanneming, 2 Cor. 7 :15, 1 Thess. 2 :13. â hun ambt, Eom. 3 :10; 15 :16, 1 Cor. 3 : 2; 4:1; 9:18, 2 Cor. 1:18; 2 : 2; 5:19; 6 :1; 10: 2; 11:2; 12:14, 15, 20; 13 :7, Gal. 4:12, 19; 6:16, Ef. 3 :14, Fil. 3 :1; 3:1, Col. 4: 12, 1 Thess. 2 : 4, 11, 13; 5:12, 13, 1 Tim. 2:7; 4:11; 5:1, 7, 2 Tim. 4:2, 3, 4, Tit. 1 : 1, 11; 2 :11; 3 : 8, Hebr. 3:12; 4:1; 13 :17. â hun arbeid niet tevergeefs, 1 Cor. 3 : 7. â hun armoede, 1 Tim. 3 : 3. â hun autoriteit. Tit. 2:15. â hun betrouwen, 2 Cor. 3 :12; 13 : 5. â hun eendrachtigheid, hoe noodig, 1 Cor. 3: 8; 14 :33, Fil. 2:1. â hun eergierigheid, hoe schadelijk, 1 Thess. 2 : 5, 1 Tim. 3 : 6. â hun faam en gerucht moet zeer goed zijn, 1 Tim. 3 : 7. â hun gebeden, Ef. 3 :14. â hun genegenheid tot de gemeente, 2 Cor. 11:2, 3, 1 Thess. 2:7, 11. â hun gierigheid, hoe hinderlijk, 1 Thess. 2 :5, 1 Tim. 3 : 3, Tit. 1:11. â hun heerschappij over de gemeente wordt bestraft, 1 Petr. 5 :3. â hun huwelijk geoorloofd, 1 Tim. 3 : 2. â hun ijver voor Christus, 2 Cor. 11:2. â hun kinderen, hoedanig deze behooren te zijn, 1 Tim. 3 : 4, Tit. 1: 6. â hun krijg, 2 Cor. 6 : 7; 10 :4, Gal. 1:10; Fil. 2 : 25, 1 Tim. 1:18; 6: 12, 2 Tim. 2 :3; 3 :13; 4 : 8. â hun lankmoedigheid, 2 Tim. 4: 2. â hun leven, hoedanig het behoort te zijn. Tit. 2:7; moet der gemeente dierbaar zijn, 1 Cor. 16 : 10, Fil. 2:29. â hun lichamen zijn den dwazen menschen door Satans list tot afgoden, Jud. vs. 9. â hun lijdzaamheid, 1 Tim. 5 : 24, 2 Tim. 2 : 24; 4: 2. â hun loon, 1 Cor. 3 : 8. â hun macht, 2 Cor. 10:4â6,8;13:10, Filem. vs. 8, Hebr. 4:12. â hun roeping is uit God, Hebr. 5: 4, Gal. 1:1. â hun staat, Fil. 2:25. â hun triumf, 2 Cor. 2 :14, 1 Thess. 2 : 19. â hun troost, Eom. 1 : 9, 2 Tim. 3:9, 11. â hun verachting, 1 Tim. 4:12. â hun verkiezing, 1 Tim. 3:1. â hun versiering, 1 Tim. 4:12. â hun voorspoed, 1 Thess. 3 : 8. â hun voorzichtigheid, Tit. 1:8. â hun vreesachtigheid, 2 Tim. 1:7. â hun vriendelijkheid. Tit. 1: 7. â hun vrouwen, hoedanig te zijn, 1 Tim. 3:11. â hun waardigheid, 2 Cor. 5:18, Fil. 2 :29. â hun werk, 1 Thess. 5 :12. |
Hermógenes, een valsche broeder, 2 Tim. 1:15. Hilarius, bisschop vanPictavium f 368, aangehaald, Hebr. 1 : 3; wordt bestraft, 2 Cor. 4 : 4; zijne sterkte, Hebr. 11: 38. Hoererij wordt bestraft en is te vlieden, Rom. 1:28, 1 Cor. 6:14, 18, Ef. 5:3, Col. 3:5,1 Thess. 4 : 3, Hebr. 13:4: wat overeenkomst zij heeft met het huwelijk, 1 Cor. 6:16; had bij de Corinthiërs groote vrijheid, 1 Cor. 10:8. Honden, wie zoo genoemd kunnen worden, 1 Petr. 2:22. Hoofdstukken; de verdeeling daarvan omge-schikt, 1 Cor. 4: 21; 11:1; 13 :1, 2 Cor. 2:1; 7:1, Gal. 4:1, Hebr. 11:1. Hoop genomen voor geloof, Hebr. 3 : 6; 6:11; voor belofte, Hebr. 6 :18; voor wat gehoopt wordt. Col. 1:5; Tit. 2:13; komt uit het geloof, Hebr. 10:23; is altijd gepaard met lijdzaamheid, Eom. 5:5; waarom een anker gelijk, Hebr. 6:19; der geloovigen is Christus, 1 Tim. 1:1; in God is door Christus, 1 Petr. 1:21; is allen godzaligen noodig, Eom. 12 :12, Tit. 3 : 7; is levend, waartoe wij wedergeboren zijn, 1 Petr. 1: 3; is van dingen die verborgen zijn, 1 Joh. 3 : 3; haar werk, Hebr. 10 : 23; des eeuwigen levens werkt liefde in de godzaligen, Col. 1:5; moet men hebben uit de voorleden weldaden Gods, 1 Cor. 1 : 9, 2 Cor. 1 :10, 1 Tim. 5 : 24; waarom zij den creaturen toegeschreven wordt, Eom. 8:19; zal men niet verliezen over de zaligheid dergenen, die zondigen, 1 Joh. 5:16. Hoovaardigheid komt als men dunkt wijs te zijn. Jak. 4:13; bestraft. Jak. 5:13; wordt met pracht des . levens veroordeeld, 1 Joh. 2: 16; moet men vlieden, Eom. 12:16, Fil. 2:3, Tit. 3:3, Filem. vs. 15; haar venijn, 2 Cor. 12 : 7. Huisgezin te verzorgen, 1 Tim. 5 : 8; heeft God altijd verzorgd, Ef. 6:5; die der geloovigen moeten gemeenten zijn, 1 Cor. 16:19. Huwelijk, waartoe ingesteld, 1 Cor. 7 :2; is geen sacrament, Ef. 5 : 32; zijne wederzijdsche verbinding, 1 Cor. 7:5; zijn band, hoe heilig, 1 Cor. 9; 4, cn onverbrekelijk, 1 Cor. 7:10; zijn recht gebruik, 1 Cor. 7 ; 29; is in allen eerlijk, Hebr. 13 : 4; of dat der goddeloozen onrein is, 1 Cor. 7:14; zijne wetten, 1 Cor. 7:3; zijne moeilijkheden en verdrukkingen, 1 Cor. 7 :28, 32, 33: zijne duivelsche verbieding, 1 Tim. 4 : 3; is den dienaren des Woords geoorloofd, 1 Cor. 9:4; is voor de tweede maal geoorloofd, 1 Cor. 7 : 39;dochditwasbij deouden schandelijk, en werd voortijds bij de Christenen niet ingezegend, 1 Cor. 7 :39; dochters ten huwelijk geven, 1 Cor. 7 : 36; welke ouderdom volgens de wetgeleerden daarvoor geschikt, 1 Cor. 7: 36. Hypocrieten, zie Geveinsden. IJver, die zeer goed is, 1 Thess. 4:10, Hebr. 10:24. inplanting drieërlei, Eom. 11: 22. Inzettingen, die der vaderen, Gal. 1:13; die der menschen zijn een doolhof, Col. 2 :21; zijn schade- |
ISRAELâKÃISCHHEID.
17
|
lijk, Col. 2:8; waarom zij velen behagen. Col. 2 : 23; worden wederlegd, Col. 2 : 22, 1 Thess 2:13. Israël tweeërlei, Gal. 6 ; 1G; hoe hij Gods zoon is, Hebr. 1: 5. Israëlieten, uit Egypte geleid, zijn gestraft om hun ongeloof. Judas vs. 5. izak, hoe een eenige zoon genaamd, Hebr. 11: 17; zijn geloof, Hebr. 11: 20. j. Jakob, zijn eerstgeboorte weinig voordeel, Rom. 9:12; waarom gesteld boven Ezau, Bom. 9:13. Jakobus, zoon van Alfeus, Gal. 1: 19; waarom gesteld boven Petrus, Gal. 2:9; een der voornaamste apostelen, Jud. vs. 1. Job, zijn lijdzaamheid te volgen. Jak. 5:11. Joden, vanwaar die naam is. Bom. 2:17; hun naam kwalijk berucht. Jak. 1: 2; hunne aanneming. Kom. 9:4; zijn de eerstgeborenen in Gods huisgezin, Bom. 9 : 4; 11: 2C; als erfgenamen der genade geboren. Bom. 3:30; hoe zij kinderen der belofte zijn. Bom. 9:6; heerlijke titelen worden hun gegeven, 1 Petr. 2:9; hoe zij heilig zijn. Bom. 11:16, Gal. 2:15; hunne uitnemendheid. Bom. 9:5; waarom zij verworpen zijn. Bom. 9:30; hun ijdele roem. Bom. 2 :17; de oorzaak hunner verblinding. Kom. 10:19; hun haat tegen het evangelie, 1 Thess. 2:15; hun onverantwoordelijkheid, 1 Petr. 2:8; hun wreedheid tegen Paulus, 2 Cor. 11:24; voor een zekeren tijd van de heidenen onderscheiden, Ef. 2:14; vergelijking tussehen hen en de heidenen, Bom. 3 : 30; de gelijkheid van hen en de heidenen. Bom. 11: 32, Gal. 3 :14, Ef. 2 :13, 14, Col. 3:11, Hebr. 10:24; het onderscheid tussehen hen beiden. Bom. 3:1,1 Cor. 1: 22; hun verbolgenheid tegen de heidenen, 1 Tim. 2:8; waren bij de heidenen hatelijk wegens hun halsstarrigheid, 1 Petr. 3 :13; hoe dwaselijk zij den Messias verwachten, 1 Joh. 2:18; in afgoderij gewandeld te hebben, hoe dit te verstaan, 1 Petr. 4:3; waarom zij van Paulus als onwetenden en blinden geoordeeld worden, 1 Petr. 1 : 14; zij en de Turken hebben een rechten afgod in plaats van God, 1 Joh. 2:22; waarom zij vreemdelingen van Petrus genoemd worden, 1 Petr. 2:11; zijn meest verstrooid in al de landschappen der wereld. Jak. 1:1. Jongelingen, hoedanig zij behooren te zijn. Tit. 2: 6; hun leven, 2 Tim. 2: 22; hun plicht, 1 Petr. 5: 5; hun gebreken, 1 Joh. 2:13. Jood, een waarachtige, waaruit hij te achten is, Rom. 2:28. Jozef, zijn geloof, Hebr. 11: 22. Judas had den Geest der wedergeboorte niet, 1 Cor. 12:8; 13:2. Judas, waarom hij zich noemt een dienaar van Christus, Jud. vs. 1. Judas de Makkabeër, de waarschijnlijke invoerder van den naam âJodenquot;, Bom. 2:17. Juk drieërlei, Ef. 5 : 22. |
Iv- Kanaïn, een afbeelding en teekeu der geestelijke erve, Hebr. 4: 8. Karei van Avignon, voortijds een dienaar des Heeren, Fil. 1:18. Kastijding begint God eerst aan zijn volk, 1 Petr. 4:17. Katharen, eene secte der 11° eeuw, wederlegd. Bom. 7 : 26, Ef. 1: 4, 1 Tim. 4 : 3. Kerk zie Gemeente. Ketter, wie. Tit. 3:10. Ketters zijn die Christus verloochenen, 1 Joh. 2:22; moet men vlieden. Tit. 3:10; of men ze aanstonds mag verwerpen. Tit. 3:10. Kijverij moet men schuwen. Bom. 13:13, en waarom, 1 Petr. 3:7. Kinderen, dit wordt genomen in goeden en kwaden zin, 1 Cor. 3 :1; wat zij den ouders schuldig zijn, Ef. 6:1; moet men vriendelijk opvoeden, Ef. 6 : 4; hoe die der geloovigen in moeders buik geheiligd zijn, 1 Cor. 7:14, Hebr. 6:2; hun komt het Evangelie toe, 1 Joh. 2:14. Kinderen, der belofte, wie. Bom. 9:8; Gods, wie eigenlijk, Bom. 9 : 25; van den Heiligen Geest verzegeld, 1 Joh. 3 :19; zijn de geloovigen, 1 Joh. 3:1; hun staat na den dood, 2 Petr. 1: 4; der ongehoorzaamheid, wie, Ef. 2 : 2; des toorns, genomen voor verdoemden voor God, Ef. 2 : 3; des vleesches. Bom. 9 : 8. Kindsheid gesteld tegen de oudheid des vleesches, 1 Petr. 2:1; tweeërlei, Hebr. 5 :12; moet men vlieden, 1 Cor. 14 : 20. Klachten der godzaligen over het geluk der goddeloozen, 1 Petr. 4:17; zijn soms vol vertwijfeling, Bom. 5:3. Klapachticjlieid is te vlieden, 1 Tim. 5 :13; der vrouwen gebrek. Tit. 2: 3; wordt bestraft. Col. 4:6. Knechten, hun roeping, 1 Petr. 2 :18; opgelegd hunne heeren te dienen, 1 Petr. 2 :18; hun staat eertijds hard, 1 Petr. 2:19. Kniebuiging is een teeken der aanbidding, Fil. 2: 10. Kolen op 's vijands hoofd, wat dit is, Rom. 12 : 20. Koningen zijn van God gesteld, 1 Tim. 2 : 2; hun ambt, 1 Tim. 2 : 2; moet men eeren, 1 Petr. 2:17. Koningschap was eertijds van het priesterschap onderscheiden, Hebr. 1:13. Korzelen, wat dit is volgens het zeggen der Sorbonisten, 1 Petr. 2:18. Kracht des menschen, niet te achten uit de geboden Gods, 2 Tim. 1:14; haar iets toe te schrijven is God berooven van wat zijne is, 1 Joh. 5 : 4. Krijg is geestelijk, 2 Cor. 10 : 4, Ef. 6 : II, 12, Hebr. 10:32; 18:13; is noodzakelijk in deze wereld, 1 Petr. 5:8; hoe hij verschilt van den wereldlijken krijg, 1 Joh. 2 :13. Kruis, genomen voor de zuivere prediking des Evangelies, Gal. 6:12, Fil. 3:18; volgt op het geloof, Fil. 1: 29; zijne oefening, hoe den geloovigen nuttig, 1 Petr. 4 :12. Kuischheid, die een ware is en Gode aangenaam, |
KUNSTEN-LIEFDE.
18
|
1 Cor. 1: 34; hare gelofte, hoe zorgelijk die is, 1 Cor. 7:8, 37. Kunsten zijn uitnemende gaven Gods, 1 Cor. 1:17; zijn aangewend, 1 Cor. 1:17; tot wellust aangewend, worden bestraft, Ef. 4:28. Kus, gebruikelijk bij de ouden, Eom. 16 :16; de heilige kus, 1 Cor. 16 : 20; dio der liefde, 1 Petr. 5:14. Kwaad, niet met kwaad vergelden, Eom. 12:17, 1 Thess. 5:15; moet men door het goede overwinnen, Kom. 12:21; de schuld daarvan pleegt men van zich af te werpen. Jak. 1:13. 't Kwaad, wat men gemeenlijk daarvoor acht, is ons een behulpsel der zaligheid. Jak. 5 :10; dat voor het tegenwoordige bitter is moet de kinderen Gods niet doen bezwijken, 1 Petr. 4:17. Kwaadspreken, de oorsprong daarvan. Joh. 1: 26; de lust daartoe komt uit hoogmoed, Jak. 3:13; de aanleiding daartoe moet men den ongeloovigen benemen, 1 Petr. 2:15; wat kwaads het medebrengt, Jak. 3 : 9, 10; wordt bestraft, 1 Cor. 6:10. Kwalijk vergaard, haastig vergaat, Jak. 2: 5. Lastering, wat zij is, 1 Cor. 4:12; zie voorts Achterklap. Ledigheid wordt bestraft, 1 Thess. 4:11, 2 Thess. 3:10, 12. Leer, genomen voor nuttige onderwijzing, Col. 3 :16; die nut is, 1 Tim. 6 : 3; waarom gezond genoemd, Tit. 2:1; heeft twee deelen. Tit. 2:1; is tweeërlei, der wet en des Evangelies, G-al. 4 : 24; wordt op tweeërlei wijze onderzocht, 1 Joh. 4:1; hare onderzoeking, 2 Cor. 13 : 3, 1 Thess. 5: 21, 1 Tim. 1 : 4; haar gebruik, Hebr. 5 : 14, dat tweeërlei is, Hebr. 8:11; haar enkel voorstellen is niet genoeg, 2 Cor. 6 :1; is een spiegel, in welken God Zich te aanschouwen geeft. Jak. 1:23; zij is niet overbodig, Ef. 3:14; haar voornaamste einde, 2 Tim. 2:15, 1 Joh. 5:13; hare zekerheid, hoe noodig, Ef. 4:14, 2 Tim. 3:14, Hebr. 13 : 9; en waarmee men haar moet beginnen, 1 Joh. 2: 25; hare vervalsching, vanwaar. Gal. 1:10; wordt tweeërlei verdorven, 2 Cor. 2 : 17; de eens aangenomen leer niet te willen verlaten is een teeken van hardnekkigheid, 1 Joh. 2: 24;waarom degod-delooze leer zoo groote kracht heeft, 2 Tim. 3:13, Tit. 1: 11, en zoo hinderlijk, 1 Cor. 15 : 33; hoe men de zuivere leer weer zal oprichten. Col. 1:12. Leeraars, wie, Ef. 4 :11; hun ambt in de gemeente 1 Petr. 4:11; wie bekwaam zijn 1 Joh. 1:3; valsche 2 Tim. 4:1; die te schuwen zijn, 2 Petr. 2 : 3. Zie voorts Herders. Leeren, de ware wijze daarvan, 1 Cor. 7:10, 2 Cor. 10 : 6, Col. 1: 21,Hebr. 5 :12; 6 : 11; 12 : 28; het voornaamste einde, 2 Tim. 2 :15. Leerzaamheid wordt geprezen. Col. 1 : 8. Letter, genomen voor het Oude Testament, 2 Cor. 3:6; voor uitwendige onderhouding zonder godzaligheid, Eom. 2:28; in tegenstelling van Geest, Eom. 7: 6. Leugen wordt bestraft. Col. 8:9. |
Leugenachtig, wie van Johannes zoo genoemd, 1 Joh. 2 : 22. Leugenachtige mirakelen, welke, 2 Thess. 2 :9. Leven der menschen is een gevaarvolle scheepvaart, 1 Petr. 4:18; is niets dan een loop, Hebr. 3: 6; is kort, 1 Cor. 7 : 29; is verderfelijk vóór de bekeering, IPetr. 1: 18; hoe korter hoe naarstiger in ons ambt, 2 Petr. 1:13; in hoever men een lang leven moet begeeren, Ef. 6 : 2; in wijze van leven falen altijd de menschen, 1 Joh. 3 : 12; wèl leven kan niemand, of hij moet God aanhangen, 1 Joh. 1:7; of zuiverheid des levens ons met God verzoend, 1 Joh. 1:7; wat God voornamelijk in ons léven begeert, 1 Petr. 1: 22; zijn tegenwoordige voorspoed ligt in twee dingen, 1 Tim. 4:10; zijn regel. Tit. 2:12; zijn einde, 1 Cor. 10:31, 32, 2 Thess. 3 : 6, Hebr. 4 : 3; zijn goede loop, vanwaar die te beginnen is, 1 Petr. 4:2. 't Leven is in Christus alleen, Ef. 2:1; is uit den Vader, doch de fontein, waaruit men putten moet, is Christus, 1 Joh. 5 : 20; moet men in het Evangelie zoeken, Eom. 1:17; in Christus ons aangeboden, 1 Joh. 1:1; wanneer het in Christus geopenbaard is, 1 Joh. l:2;zijn begin en oorsprong uit het licht des geloofs, Eom. 10:19; zijn oogmerk, Kom. 14:7, Tit. 2:2, 10; Gode en den Heere leven, wat ditis, Gal. 2 :19, 20,Eom. 14 : 7; zijn inhoud. Tit. 2:12; hetwelk niet moet ledig zijn, Eom. 12:11; kan nimmer worden uitge-bluscht, 1 Joh. 5:11; zijn nieuwheid is een gedurig getuigenis, dat wij tot kinderen Gods zijn aangenomen, 1 Joh. 3 : 11, en hoever die geldt tot bevestiging des vertrouwens, 1 Joh. 4:17. 't Leven, eeuwig, komt uit de rechtvaardigheid van Christus, Eom. 6: 23; is alleen den godzaligen bereid, Eom. 2:7; kan men niet verwachten dan uit de barmhartigheid van Christus, Jud. vs. 21. Levendmaken, wanneer God zulks waarlijk gezegd wordt te doen, 2 Petr. 1 : 3. Levi heeft in Abraham tienden gegeven, Hebr. 7:9. Libertijnen uit Calvijns dagen zijn gelijk waarvan Judas spreekt, Jud. vs. 4. Libertijnsche sekte, hoedanig zij is, 2 Petr. 2:18, Jud. vs. 13. Lichaam, genomen voor het deel des menschen, dat niet wedergeboren is, Eom. 8:10; des vlee-sches voor menschelijk lichaam. Col. 1: 22; voor de gausche massa der zonden. Col. 2:11; des doods, wat het is, Eom. 7 :24, der zonde, wat het is, Eom. 6:12; is zoowel als de ziel Gode onderworpen, 1 Cor 6 : 20; moet men onbesmet van allo bijgeloof bewaren, Eom. 11:4; wordt niet uitgesloten van de heerlijkheid, 1 Petr. 1: 9. Liefde is een gave Gods, Col. 1 : 4, Thess. 1: 3; is de voornaamste vrucht des Geestes en een zeker teeken der wedergeboorte, 1 Joh. 3 :14; haar begin en wasdom is van God, 1 Thess. 3 :12, 2 Thess. 1:3; is een bijstand of behulpsel des geloofs, 1 Joh. 3 :19; is de band der volmaaktheid, Eom. 12:19, Col. 3:14; is de eenige regel der werken, 1 Cor. 13:3; sticht, 1 Cor. 8 :1; zij volmaakt 1 Thess. 4 : 10; of zij rechtvaardig maakt, |
19
|
1 Cor. 13:13; hoe zij alle ding gelooft, l Cor. 13:7; hoe zij het einde der wet is, Kom. 13 : 8,10, 1 Tim. 1:5; is de rechte onderhouding der wet, 1 Joh. 2:5; de trappen der liefde. Kom. 16:1; 12:13; Gal. 6 :10, Ef. 1:15; 6 : 18, Col. 1: 4; Filem. vs. 1, 4, Hebr. 6:10; wordt geprezen, Ef. 4:15, 16; 5 : 2, Fil. 2:2, Col. 3:14, Hebr. 13:1; gaat tot alle mensohen, 1 Tim. 2 : 1, 1 Petr. 2 :17; is arbeidzaam, 1 Thess. 1: 3; Hebr. 6 :10; wordt ons bevolen en aangeprezen, 1 Petr. 4 : 8; is de oefening der geloovigen, Gal. 5:6; haar niet hebbende zijn we blind en dwalen in duisternis, 1 Joh. 2 : 9; of de liefde, die Johannes eischt, der liefde van Christus moet gelijk zijn, 1 Joh. 3:16; moet de regel onzes levens zijn, 1 Joh. 2:10; die uit onszelven is, is vol geveinsdheid, 1 Petr. 1: 22 ; moet met eerbied gepaard gaan, 1 Petr. 3:7; jegens denaas-ten mag naar geen loon zien, 1 Joh. 4:11; tot God maakt ons gerust voor zijn rechterstoel, 1 Joh. 4 : 17; hare zorg, 1 Cor. 13: 4, Gal. 2: 3, Hebr. 13:16. Liefde der broederen wordt door de liefde Gods in ons voortgebracht, 1 Joh. 3 :16; waarom zij vermeld wordt met voorbijgang der liefde Gods, 1 Joh. 3:23; hoe zij gezegd wordt menigte van zonden te bedekken. Jak. 5 : 20; moet alzoo geoefend, dat God voorga, 1 Joh. 5:2. Liefde der w:reld, hoe schadelijk zij is, 2 Tim. 4:10; wordt vergeleken bij overspel. Jak. 4:4; moet verworpen, opdat Gods liefde in ons regeere, 1 Joh. 2 ; 15, wordt veroordeeld, 1 Joh. 2 :15. Lijden schijnt zonder verdienste onwaardig en ondragelijk, 1 Petr. 2:21; om de gerechtigheid, 1 Petr. 3:13; om een goede zaak is beter dan om zijn misdaden, 1 Petr. 3:17. Lijdzaamheid, wat zij is, 1 Petr. 1:6; is Gods gave, Fil. 1 ;28, 29; komt uit het geloof, Hebr. 10 :38; is onafscheidelijk van het geloof, Kom. 8 : 25; is prijselijk. Kom. 15:4; welk een gewin zij is, 1 Petr. 3 : 9; is een recht getuigenis onzer gehoorzaamheid, Jak. 5:10; volgt noodwendig de hope. Kom. 8 : 25, 1 Thess. 1: 3; is den geloovigen noo-dig. Kom. 2:7; 8 :18; 12 :19, 1 Cor. 6 : 7; 13 : 7, Gal. 6:9, Ef. 4:1, Col. 3:3, 13, 1 Thess. 5:14, 2 Thess. 1 : 4; 2 : 7, 1 Tim. 6 :14, Tit. 2 :2, Hebr. 10 : 34, 36; 12:1; wordt ons geleerd door het lijden van Christus, 1 Petr. 2:21; die der Christenen is verre van philosophische hardnekkigheid, Fil. 2:27; haar voorbeeld in de stomme creaturen. Kom. 8:19; hoe zij geen lof heeft, als iemand terecht lijdt, 1 Petr. 2 : 20. Loon den arbeiders niet te onthouden. Jak. 5 : 4. Lucianische menschen, hun goddeloosheid, die nu overal regeert, 1 Petr. 1: 25. Luiheid moet men afleggen, Kom. 8 :12; 9 : 16, 17, 1 Cor. 1 : 9; 10 :12; 15 : 34; 16: 3, 2 Cor. 7:11, Gal. 6:5; Ef. 6:10, 12, 13, Pil. 2:13; 3: 10, 1 Thess. 5:3, 6, 8, 19, 2 Thess. 2:8, 1 Tim. 4:15; 5 :6, 2 Tim. 1: 6,14; 2:1; 4 : 2, Hebr. 3 :13; 5 :10; 6: 3; 7:12; 12:12; 13:22. Lust zie Begeerlijkheid. |
JVI. Macedoniërs, waarom van Paulus geprezen, 2 Cor. 8:1; hun ijver, 2 Cor. 11:8. Machten, wat Paulus daaronder verstaat. Kom. 13:1, 1 Cor. 12: 28. Manicheën versieren twee beginselen, 1 Joh. 3:8; droomden ook, dat wij uit God gesproten zijn, 2 Petr. 1 :4; hoedanigo volmaaktheid zij droomden, 1 Tim. 4 : 3; hun dwaling van het lichaam van Christus, 1 Cor. 15 : 47, 2 Tim. 2 : 8, Hebr. 2:16. Manna was een voorbeeld van Christus, 1 Cor. 10 : 3; hoe het geestelijke spijze was, 1 Cor. 10 : 3. Marcion, in het begin der 2e eeuw, droomde, dat Christus alleen de gedaante van een mensch had, 1 Joh. 2 : 22. Markus, waarom een zoon van Petrus genoemd, 1 Petr. 3:13; wanneer volgens Kome gestorven, 1 Petr. 5: 13. Martelaren moet men alleszins bijstaan, Filem. vs. 13; hoe zij voortijds gestraft werden, 1 Cor. 13:3; zijn geen verlossers. Col. 1:24; hoe zij voor de gemeente geleden hebben. Col. 1 : 24; vanwaar hunne standvastigheid is, Fil. 1:7; hun onoverwinnelijke sterkte, 2 Tim. 2 : 9; hun bloed het zaad der kerk, Fil. 1 : 7. Medelijden wordt ons bevolen te hebben, 1 Petr. 3:8; met goddeloozen is den godzaligen vrij. Kom. 9 : 2;isdengodzaligennoodig,llom. 12:15,1 Cor. 12:26, 27, Hebr. 13:3. Meening is het tegenovergestelde van geloof. Gal. 1: 9, Col. 1: 23, 1 Thess. 2 : 13, 2 Tim. 1:12, 1 Joh. 5:9. Meeningen, waartoe zij den mensch brengen, Kom. 10: 2, 1 Cor. 2 : 8, Ef. 2 : 8. Melchizedck was een voorbeeld van Christus, Hebr. 5 : 10; waarin hij Christus gelijk was, Hebr. 7:1; was grooter dan Abraham, Hebr. 7 : 4, 6; was niet geboren naar gewone wijze, Hebr. 7 : 3; of hij nog leeft, Hebr. 7:8. Melk, die wij zullen begeeren, 1 Petr. 2 : 2. Mensch, tweeërlei, Kom. 7:22; waarom van God geschapen. Kom. 1: 19; hoe hij door het Woord Gods eeuwig gemaakt wordt, 1 Petr. 1: 25; zijn deelen, 1 Thess. 5: 23; hoe leugenachtig hij is. Kom. 3 : 4; zijn waardigheid, Hebr. 2:10; zijn aard, eer hij verlicht is. Tit. 3:3; zijn wil is in alles tegen den wil Gods, Kom. 8:7; 12 : 2; zijn macht niet te meten met de geboden dor wet, 1 Thess. 3:12; 5:23; hem wordt somtijds toegeschreven wat God alleen toekomt. Kom. 11:14, 1 Thess. 3:10, 1 Tim. 1: 2; 4:16. Menschen zijn allen naar Gods beeld geschapen. Kom. 3 : 29; zijn blind in God te bidden. Kom. 8 : 26; hoever men ze zal navolgen, 1 Cor. 4: 16; 11:1; hoever zij slaven der zonden zijn, dat zij niet anders dan kunnen zondigen. Kom. 6:6; zijn vergetelijk, waar gehandeld wordt van hun eeuwige zaligheid, 2 Thess. 2:5; willen bedrogen worden, 2 Tim. 4 : 3; behoeven allen Christus tot een vredemaker, Col. 1:21. |
MENSCHâONDANKBAARHEID.
20
|
Mensch, geestelijke, hoe hij alle dingen onderscheidt, 1 Cor. 2:15; inwendige, wat hij is, Eom. 7:22, Ef. 3:16; uitwendige, wat hij is, 2 Cor. 4 :16, Ef. 3:16; nieuwe, wat hij is, Ef. 4 : 24, Col. 3:10; oude, wat hij is. Bom. 6 : 6, Ef. 4: 22, Col. 3:9; moet worden uitgetrokken, 1 Petr. 1:14. Menschelijk geslacht heeft twee wortelen Adam en Christus, 1 Cor. 15 : 48. Messias, dien de Joden zich inbeelden, 1 Joh. 2:18. Michael, zijn twist met Satan, en vanwaar Judas dit heeft, Jud. vs. 9. Middelaar is één alleen, 1 Tim. 2 : 5; zijn ambt, Hebr. 7 : 25; zie voorts Christus. Middelaars, door wie gedicht, 1 Tim. 2 : 5. Middelen, die ons met God verzoenen, geen ander te zoeken dan den naam van Christus, 1 Joh. 2: 12. Mirakelen zijn zegelen der leer, Hebr. 2:4; waarom het teekenen en krachten genoemd worden, 2 Cor. 12:12; hun gebruik, Eom. 15:18, 1 Cor. 1:12, Hebr. 2 : 4; der papisten, hoedanig die zijn, Hebr. 2:4. Mis, hare offerande onbloedig, Hebr. 9 : 26;met wat schild zij van de papisten beschermd wordt, 1 Cor. 11: 34; wordt wederlegd, 1 Cor. 5: 7; 11: 24, Hebr. 5 :1; 7 : 9; 9 : 26; 10: 1, 15. Misbruik der gaven Gods, 1 Tim. 2 : 9; der kennis des Evangelies, Eom. 2:21; der genadegaven Gods, 1 Cor. 12:1, 1 Tim. 6:20. Mogendheid genomen voor do geestelijke kracht der leer, 1 Thess. 1: 4. Mohammed, zijn razernij, 1 Joh. 4 : 6. Monniken zijn ledige buiken, 2 Thess. 3:10, 1 Tim. 5:6; hebben den naam broeder tot zich getrokken, Hebr. 13 : 1; hun oefeningen, 1 Cor. 9 : 27; hun wreedheid, 2 Cor. 11: 20; zijn een mengelmoes in het pausdom, 2 Tim. 4 : 3; hunne ra-zernijen, onder wat deksel zij van de papisten ontvangen worden, Jud. vs. 9. Monnikerij is des pausen heiligheid. Col. 2 : 23; haar zaad ten tijde van Paulus, 2 Thess. 3:11; waaruit zij gekomen is, 2 Tim. 4 : 3; is onrein, 1 Cor. 7: 5; haar beeld van Paulus geteekend, 2 Tim. 3:6. Montanus, uit de 2e eeuw, een vijand des huwelijks, 1 Tim. 4:3. Mczes een profeet, Hebr. 1:1; een verkondiger des Evangelies, Eom. 10:5; veel minder dan Christus, Hebr. 3:3; het onderscheid tusschen hem en Christus, Hebr. 3:3, 5; 7:12; de zeer goede overeenkomst tusschen hem en Paulus, Eom. 10:8; zijn geloof, Hebr. 11:24, 28; zijn eigen en bijzonder ambt, Eom. 10:5; zijn zonde, Hebr. 3:18; hoe hij begeerde uitgeroeid te worden, Eom. 9:4; van den Heere begraven en zijn graf verborgen, Jud. vs. 9. Murtnureering wordt bestraft, 1 Cor. 10:10. Muziek heeft groote kracht op de zinnen der menschen, 1 Cor. 14:7. |
IV. Naam genomen voor kennis, Eom. 1:5; voor grootheid of uitnemendheid, Ef. 1: 21, Fil. 2 : 9. Naaste, wie. Col. 1:4; daaronder wordt het gan-schelijke menschelijke geslacht begrepen, Jak. 2:8. Naasten bemint hij niet, die een deel uitkiest, anderen verzuimende. Jak. 2:10; hun worden van sommigen zon en lucht benijd. Jak. 5: 2. Nacht genomen voor onwetendheid, Eom.13:11. Nachtmaal, waarom van Christus ingesteld des nachts, 1 Cor. 11: 23; zijn teeken is tweevoudig, 1 Cor. 11: 25; zijn gruwelijke ontheiliging in het paüsdom, 1 Cor. 11: 30. Natuur genomen voor de zaak zelf of de substantie, Gal. 4 : 8; moet men tweeërlei aanmerken, Ef. 2 : 3. Navolgen, wien men moet, Fil. 3:17; van Christus, waarin bestaat, 1 Petr. 2:21. Navolging, die heilig is, Ef. 5:1,1 Thess. 1: 6; 2:14, 2 Thess. 3:6, Pil. 3:16, 2 Tim. 3:10, Hebr. 5:9; 6:12; 11:2; 13:7; die verkeerd is, 1 Cor. 11:1, 2 Tim. 4: 14, Hebr. 3:8. Nero, zijn wreedheid tegen de Christenen, 1 Cor. 13:3. Nieuwheid is altijd verdacht, 2 Petr. 1:19; 1 Joh. 2 : 7. Nieuwsgierigheid is te vlieden, Eom. 9 :14; 11 : 33; 12:3, 1 Cor. 3 :12; 13:8, Col. 1 -.26; 2:18; 3:16, 1 Thess. 4 : 11,15; 5:1,2 Thess. 1: 7; 2: 1; 3:11, 1 Tim. 1 : 4; 5 :13; 6:1, 3, 16, 20, 2 Tim. 3 :16, Tit. 1:3; 2:15, Hebr. 4 : 15; 7 : 3; 8 : 5; 9 : 5, 16; 10 : 27; 11: 5; 13 : 20. Nijd is een teeken van slechtheid. Jak. 4:5; moet verre van de Christenen zijn, Eom. 10 :12, 1 Cor. 13:4; 14:31. Nikodemussen, 1 Cor. 8:13, 2 Cor. 4:13. Noach, zijn geloof en rechtvaardigheid, Hebr. 11: 7; zijn gehoorzaamheid, Hebr. 11:7; door God vermaand zijnde, zag den zondvloed te voren, 1 Petr. 3 : 20; waarom hij van Petrus genoemd wordt een prediker der gerechtigheid, 2 Petr. 2: 5; zijne bewaring in de ark het voorbeeld van den doop, 1 Petr. 3 : 20. Nonnen, vanwaar zij zijn, Eom. 16:1, 1 Tim. 5:11. Novatianus, presbyter te Eome 250, zijn dwaling wederlegd, Eom. 3 : 25, Hebr. 10: 26. O. Offerande des lofs, Hebr. 13 : 15; des Evangelies, Fil. 2:17; der geloovigen. Bom. 12:1, Hebr. 13:15; der papisten, Fil. 2:17. Offeren eerst onszelven, vóór wij iets anders Gode kunnen offeren, 1 Petr. 2 : 5. Olie, hoe deze tot genezing der kranken gebruikt is. Jak. 5:14. Onbeschaamdheid is het hoogste kwaad, Eom. 1: 30. Ondankbaarheid der menschen is niet te verontschuldigen, Eom. 1: 24; is oorzaak der dwalingen, 2 Tim. 3:13; wordt bestraft, Eom. 1:18, Gal. 6: 6, |
ONDERSCHEIDINGâOVERSTE.
21
|
Col. 2:7,1 Tim. 5 : 4, 2 Tim. 3:13, Hebr. 10 : 26, 27; 12: 18. Onderscheiding is allen Christenen noodig, Hebr. 5:14. Onderscheidingen zijn noodig, 1 Cor. 9 : 22, Fil. 3 : 8, Hebr. 6 :4. Onderzoek; 1 Cor. 1: 20. Ongehoorzaamheid volgt altijd ongeloovigheid, Ef. 2: 2. Ongeloof is de oorsprong en het hoofd van alle kwaad, 1 Petr. 1 : 4, Jnd. vs. 5, Hebr. 3 :17; is de grootste zonde in de Joden, Kom. 11:28; hoe zware zonde het is bij God, 1 Tim. 1:15; berooft de mensohen van het leven, Ef. 2:1; is blind, 1 Tim. 1: 13; 2 Thess. 1:8. Ongeloovigen zijn dwalende, Tit. 3 : 3; zijn ongestadig, Jak. 1:8; zijn te bestraften, Ef. 5 :11, 13, 14; waarom zij gezegd worden van dubbel hart te zijn. Jak. 1: 8; hun mond moet gestopt door de geloovigen, 1 Petr. 2: 15; of zij zullen opstaan, 1 Thess. 4: 14; hun straf en verderf, 2 Thess. 1: 8; 2:12. Ongeschikten, wie die zijn, 2 Thess. 3 : G; moet men bestraffen, 1 Thess. 5:14. Ongestadigheid wordt bestraft, 1 Oor. 15 :1, 2, 11, 2 Cor. 1: 17, Gal. 1 : 6, Ef. 4: 14. Ongestraft, die dit hoopt te blijven wordt hoogmoedig, 1 Petr. 5 : 5. Ongevoeligheid is een teeken der verwerping, Ef. 4:19. Onheiligen ontkennen, dat de wet en de profeten ons aangaan, Ef. 2 : 20; verwerpen dwaselijk het uitwendige woord, 1 Thess. 5 : 20; zijn vijanden der overheid, 1 Tim. 2 : 2. Onlijdzaatnheid moet men bedwingen, Eom. 7 : 25, 1 Cor. 10: 9; 15:24, Fil. 4 : 5, 1 Thess. 2:17; 5:14, 2 Thess. 2:1, 1 Tim. 2: 8, 2 Tim. 4:2, Hebr. 10:37;12:11; haar geneesmiddel, 1 Thess. 5 : 18. Onrecht moet men zaehtelijk lijden naar Christus' voorbeeld, 1 Petr. 2:21; het geduldig te dragen is de meeste moedigheid voor God, 1 Petr. 3:9. Onrechtvaardige, 1 Cor. 6:9. Onstraffelijk, of iemand zoo gevonden kan worden, 2 Petr. 3:14. Onwetendheid genomen voor allerlei zonde, Hebr. 9:7; is tweeërlei, 1 Cor. 2:8; is oorzaak aller dwalingen. Col. 2 : 4; is een dood, Ef. 4 :18; of zij den zondaar verontschuldigt, 1 Tim. 1:13; hoe zorgelijk zij is, 1 Cor. 15 : 34, Ef. 4:18, Fil. 3:7,2 Thess. 1 : 8, Hebr. 8:11; dat men uit haar, volgens Plato, alleen zou zondigen is valsch, 1 Petr. 1:14; moot gedragen in den zwakken broeder, Fil. 3:15; die der papisten, 1 Cor. 14:20; hoedanig zij in het pausdom is. Col. 1:12, Hebr. 5:14; 13:9. Oorbiecht, 1 Cor. 11 : 28. Oorblazers, wie, Kom. 1: 30. Oordeel genomen voor allerlei wrake Gods, Kom. 13 :4; waarin zijne waarheid gelegen is. Kom. 2 : 2; gaat altijd recht uit. Jak. 2 : begint van het huis Gods, 1 Petr. 4:17; zullen wij zachtmoedig verwachten, als wij onrecht doen, 1 Petr. 2 : 23; van zijne vreeze bevrijdt ons alleen Gods barmhartigheid. Jak. 2 :13. |
Oordeel, het laatste, zal van de geloovigen niet gevreesd worden, 1 Joh. 4:17. Oordeelen genomen voor regeeren, Hebr. 10: 30; moet men niet dan uit de wet. Jak. 4:1 l;zijne broeder lichtvaardig te oordeelen, wordt bestraft, Jak. 4:11. Oordeelen der menschen moeten bij Gods rechterstoel gebracht worden, 1 Joh. 3 :15. Ootmoedig, wie dit in waarheid is, 1 Petr. 5 : 5; tot wat einde wij het zijn moeten, 1 Petr. 5:6. Ootmoedigheid, Eom. 12:1G, Ef. 4: l,Fil. 2:3, 5, Col. 3:12; die de ware is, Fil. 2:3; uit de kennisse Gods, 1 Cor. 8 : 2; 14 : 25; is de moeder der eenig-heid, Ef. 4 :1; voorgewend. Col. 2:18 ; is de eeni-ge weg om tot God te komen, 1 Petr. 5 : 5; is het schoonste en passendste versiersel, 1 Petr. 5:5; wordt ons aangeprezen. Jak. 4:10. Openbaringen en gezichten, het onderscheid tus-schen beide, 2 Cor. 12:1. Opstanding zie Wederopstanding. Opziener beteekent hetzelfde als ouderling. Tit. 1: 7; als herder, Fil. 1:1. Opzienersambt, wat het bij Paulus is, 1 Tim, 3:1; is opzicht nemen, 1 Petr. 5:2; of men het mag begeeren, 1 Tim. 3:1. Orde wordt niet altijd vastgehouden, 1 Tim. 1:2; die God ingesteld heeft moet men gehoorzaam zijn, 1 Cor. 12:18; willen zij geheel weg hebben, die tot alle snoodheid genegen zijn, Jud. vs. 8; die der overheid wordt aangeprezen, IPetr. 2 : 13, 14. Ouden, hoe men ze zal bestraften. Tit. 2 : 2. Ouderdom volkomen voor rijpen ouderdom, Ef. 4:13. Ouderling, dit woord bevat in zich een ambt, 1 Petr. 5:1. Ouderlingen, tweeërlei. Tit. 1: 5, 1 Tim. 5:17; te ontbieden om den zieke te zalven. Jak. 5:14. Ouderlingschap genomen voor vergadering der ouderlingen, 1 Tim. 4:14. Ouders, hun ambt. Col. 3: 20; hun macht over de kinderen, 1 Cor. 7 : 36; hun gebreken, 1 Joh. 2: 13. Oude vrouwen, hoedanig zo behooren te zijn. Tit. 2 : 3; hare gebreken. Tit. 2 : 3. Oudheid, hoe hoog geschat in het pausdom, 1 Cor. 11: 21. Overheden, haar ambt. Kom. 13 : 3, 1 Tim. 2 : 2; moet men onderdanig zijn, 1 Petr. 3:13; ook wanneer ze boos zijn, Kom. 13:3; hoe kinderen Gods, Hebr. 1: 5; hare verachters bestraft, 2 Petr. 2 : 10, Jud. vs. 8; waren tegenpartijders van Christus ten tijde van Petrus, 1 Petr. 2:13. Overspel is een doodzonde, 1 Cor. 7:11. Overspelers aangesproken, als staande in Gods vijandschap, Jak. 4 :4. Overste, die boos is, is een geesel Gods, Kom. 13:3. |
1*.
PAPISTEN-PELAGIANEN.
22
|
Papisten willen hun leer niet laten oordeelen, Fil. 3:1; dichten, dat de menschen buiten Christus half dood zijn, Ef. 2:1; roemen dat zij Christenen zijn buiten Christus' Geest, Ef. 2:1; beweren streng, dat in de wedergeborenen geen zonde is. Kom. 7:7; waaruit zij hunne verdiensten bewijzen, Rom. 10:5; hun duivelsche hardnekkigheid, 1 Cor. 14:16; hun tirannische wetten, 1 Tim. 4:1; hunne priesters zijn allen kerkroovers, 1 Cor. 9:13; maken zich moede met vele versierde bij-geloovigheden, de liefde achteraan stellende, 1 Petr. 1:22; aanbidden den blooten naam van Christus, 1 Petr. 2:8; hoe zij een versierden Christus hebben, 1 Joh. 2 : 22; berooven Christus van zijne kracht, 1 Joh. 4: 2; geven zich uit voor dienaars Gods, zoo zij toch zijn Woord verwerpen, 1 Joh. 4 : 6; geven hunne verzinningen uit voor Goddelijke spreuken des Geestes, 1 Joh. 4: G, achten de rechte leer des geloofs klein, 1 Joh.5:13. Pardbole genomen voor gelijkenis, Hebr. 11:19. Paradijs, wat het is, 2 Cor. 12:4. PaulllS, zijn afkomst, Eom. 11:1; een recht Israëliet, Eom. 11:1; was eertijds een lasteraar, 1 Tim. 1:13; waarom hij zich een ontijdig geborene noemt, 1 Cor. 15:8; der wereld gekruist. Gal. fgt;: 14; hoe hij de minste onder al de heiligen was, Ef. 3:8; hoe hij alle dagen stierf, 1 Cor. 15: 31; hoe hij de voornaamste zondaar was, 1 Tim. 1:15; zijn wondere bekeering. Gal. 1:15, 1 Tim. 1 : 13, 14, 16; was der menschen zwakheid en gemeenen bewegingen onderworpen, Fil. 2 : 27, 2 Cor. 1 : 9; of hij getrouwd was, 1 Cor. 7 : 8; 9 : 4, Pil. 4: 3; of hij over de muren mocht springen, 2 Cor. 11:31; zijn reis naar Arabië, Gal. 1:17; zijn leven allen heidenen dierbaar, Eom. 16:4; zijn dood, 2 Tim. 4:6. Paulus een waar apostel des Heeren, Eom. 1:1; een apostel der heidenen. Gal. 2:7,1 Tim. 2 : 7, 2 Tim. 1:11; een waar dienaar Gods, Eom. 1:9; zijn roeping in de verborgen verkiezing Gods gelegen, Gal. 1:15; hoe getrouw hij is in de bediening des Woords, 1 Cor. 3:10; hoe hij allen alles geworden is, 1 Cor. 9:22; was een priester in den dienst des Evangelies, Eom. 15: 16; waarom hij spreekt van zijn Evangelie, Eom. 2:16, 2 Thess. 2:14, 2 Tim. 2 :8; was ijverig voor Christus, 2 Cor. 11:2; stelt zichzelven tot een voorbeeld, 1 Cor. 4:6; 11:1; 14 :6, Fil. 3:16; waarom hij niet velen gedoopt heeft, 1 Cor. 1:14, 17; waarom Timotheus besneden. Gal. 2:3; spreekt tweeërlei van de besnijdenis. Gal. 5:3; was naarstig in 't lezen der Schrift, 2 Tim. 4:13. |
Paulus, hoe hij ongeleerd was in woorden, 2 Cor. ll;6;wasmetden Geest Gods begaafd, 1 Cor.7:40; is niet vrij geweest van vreeze, 1 Cor. 2 : 3; zijne wonderlijke goedheid, Filem. vs. 1, 12; zijne zeer groote liefde, Eom. 9 : 3, 2 Cor. 12:15, Fil. 1: 23; zijn goede conscientie, 1 Cor. 4 : 4, 5, 1 Tim. 2 : 7; zijn betrouwen. Gal. 1 : 8; 6 :17; zijn klaarheid in de leer. Gal. 3:1; zijn droefenis om der Joden verderf, Eom. 9:2; zijn geloof, 2 Tim. 4:7; zijn wonderlijke standvastigheid, 1 Cor. 4 : 9, 2 Cor. 1:17; 11:21, Gal. 2:5, 11, 1 Thess. 2:1; zijn brieven zijn allen eeuwen gemeen. Col. 4:16; zijn brieven niet alle te vinden, Ef. 3:3; de lezing daarvan niet door Petrus verboden, 2 Petr. 3:16; zijn blijdschap, Fil. 1:4, 5;2:2;4:1, Col. 1:24; zijn roem, 2 Cor. 4: 2; 12 : 9, Gal. 6:14, Fil. 3 :3, 4, 1 Thess. 2 : 19, 2 Thess. 1:4, 1 Tim. 1: 3; 4 : 7; zijn dankbaarheid, 2 Tim. 1:16; zijn vriendelijkheid, 1 Thess. '4:1; zijn onwetendheid, hoedanig die geweest is, 1 Tim. 1 :13; zijn oprechtheid, 1 Thess. 2:3, 10; zijn eed, 1 Cor. 15:31, 2 Cor. 1:18, 23, Gal. 1: 20, Fil. 1: 8, 1 Thess. 2: 5, 10, 2 Thess. 2 :1; zijne tranen, 2 Cor. 2 : 4, Fil. 3:18; zijn zachtmoedigheid, Eom. 15:31; zijn matigheid, 2 Thess. 3 : 9; zijn wijze in het leeren, 1 Tim. 5 : 8, 23; zijn onoverwinlijke lijdzaamheid, 2 Cor. 12 : 12; zijn macht, 2 Cor. 10 : 8; 13 : 2, 8,10; het ware nut van zijne verdrukkingen, Ef. 3:13; hoe gedurig hij was in de gebeden, Eom. 1: 9; begeert, dat men voor hem zal bidden, Eom. 15:30, Ef. 6:19, Col. 4: 3, 2 Thess. 3:1; zijne gebeden, Eom. 1:10, 1 Thess. 3:10, 2 Thess. 1:11; 2: 16; 3:4,2 Tim. 1 : 3, 16; 2 : 7, Filem. vs. 4; zijn voorzichtigheid, Col. 4:7; zijn inzettingen, 2 Thess. 2:15; zijn triumf, 2 Cor. 2:14, Gal. 6:14;, Fil. 4:1, 1 Thess. 2:19; het onderscheid tusschen hem en de andere apostelen. Gal. 2 : 7; de goede overeenkomst tusschen hem enMozes, Eom. 10:8. Paulus zorgt voor de gemeente alsof hij zichzelven vergeten had, 1 Thess. 3:8,2 Tim. 2:10; hoe hij de gemeente beroofd heeft, 2 Cor. 11 : 8; hoe hij van de Galaten ontvangen was. Gal. 4:14; was eerwaardiglijk van de Thessalonicensen ontvangen, 1 Thess. 2:13; hoe hij voor de gemeente geleden heeft. Col. 1: 24, 25; hoe hij een vader der Corinthiërs was, 1 Cor. 4:15; hoe een vader van Timotheus, 1 Tim. 1: 2, 2 Tim. 1: 2; heeft aan de Laodicensers wel geschreven. Col. 4:16; zijne genegenheid tot de gemeente, 1 Thess. 2 : 7, 11, 3:6, 1 Tim. 1:3; zijn profetie van de verwoesting der gemeente, 2 Thess. 2 : 3, en die van do valsche leeraars, 1 Tim. 4:1; was om Christus' wil gehaat van alle menschen, 2 Cor. 11 : 25; was velen valschen beschuldigingen onderworpen, Eom. 15:30, 1 Cor. 1: 2; 4 :17; 7 :17, 2 Cor. 12: 16, 19, Gal. 2 : 2, Ef. 3 : 2, 1 Thess. 2 : 10, 2Thess. 3 : 3, 1 Tim. 1 : 8. Paus is de antichrist, 2 Thess. 2:4; dat hij antichrist genoemd wordt, wordt van sommigen kwalijk genomen. Joh. 4 :12; is niet het hoofd der gemeente, Ef. 1: 22; 4 :15, Col. 1: 18; 2:19; hoe onbehoorlijk hij het priesterschap zichzelven toeeigent, Hebr. 7:12; zijne groote tirannie, 1 Cor. 14:40, 2 Cor. 11:20, Gal. 5:1, Ef. 4:11, Col. 2:21,2 Thess. 2 : 4, 1 Tim. 4:1, Tit. 1:15, Hebr. 13 :17; zijn rijk wel hoog en breed, nochtans gruwelijk voor God, Col. 2:19. Pausdom is een leelijke bult, Ef. 4:15; is uit onwetendheid te zamen gesmeed, Col. 2 :4; zijn leer, hoedanig zij is, Hebr. 3 : 6; zijn goddeloosheid, Ef. 4:14; wordt neergeworpen. Gal. 2:11. Pelagianen, hun dwaling omtrent de erfzonde. |
PELAGIUS -ROEPING.
23
|
Rom. 5:12;9:16;Ef. 2: 3,10;3:14; 5:27,Col. 1:22. Pelagius, een Britsehe monnik, uit de 5e eeuw, zijn ketterij, 1 Joh. 2:22. Personen niet aan te zien, hoe het Jakobus gebiedt, Jak. 2 : 1; hen aan te zien is de wet overtreden, Jak. 2 : 9, en wordt bestraft, 1 Tim. 5:21. Persoon, wat het in de Schrift beteekent, Rom. 2:11, Gal. 2:6; wordt genomen voor de uitwendige hoogheid of macht. Judas vs. 16. Petrus is een getuige van Christus' heerlijkheid geweest, 2 Petr. 1: 16; of hij te Rome geweest is, 1 Petr. 5:13. Philosopheeren over goddelijke zaken buiten Christus is onzinnigheid, 1 Joh. 2 : 22. Philosophie, wat Paulus zoo noemt, Ooi. 2:8; hoe ijdel zij is, Hebr. 6:11; het onderscheid tus-schen haar en het Evangelie, Rom. 12:1. Pinksteren, 1 Cor. 16 : 8. Plato, een Grieksch wijsgeer, (429 â 348 v. Chr.), aangehaald, 1 Cor. 10:20; 14:7, Tit. 1:7, 12; 2 : 6, 2 Petr. 1 : 4. Plautus, een Romeinsch blijspeldichter, (254â 184 v. Chr.) aangehaald, 2 Thess. 3:10. Plinius, een Romeinsch schrijver (23â79 n. Chr.) aangehaald, 1 Cor. 8: 5; 14:15, Jak. 4 : 3. Plutarchus, een Grieksch wijsgeer, (50â120 n. Chr.) aangehaald, Col. 2 : 21, 1 Tim. 5:13. Praedestinatie, wat zij is, Rom. 8: 30; 2 Tim. 1:9; is wezenlijk een doolhof, Rom. 9:14; haar leer moet men matig behandelen, Ef. 1: 4; haar leer is nut, Ef. 1:4; haar overdenking moet men niet vlieden Rom. 9:14. Presbyters zie Ouderlingen. Priesterschap van Levi afgeschaft, Hebr. 7:11, 12; komt nu alleen Christus toe, 1 Joh. 2:1; dat van een Christenherder, Rom. 15 :16. Prinsen dezer wereld, wie, 1 Cor. 2: 6. Prisca, vrouw van Aquilla, Rom. 16 : 3. Profeteeren, wat dit bij Paulus beteekent, 1 Cor. 11:4. Profeten, wie zij zijn, Ef. 4 :11; hun leer komt van den Heiligen Geest, Hebr. 3:7; met mate hebben zij ons geleerd, 1 Petr. 1:10; hun wijze, Rom. 9:25; hebben gesproken door den Heiligen Geest, 1 Petr. 1:11, hun leer den geloovigen noodig in deze wereld, 2 Petr. 1:19; hun leer aangeprezen, 1 Petr. 1:11; hun dreigingen zijn altijd bespot, Ef. 5 : 6; hebben meer ons, dan zichzelven bediend, 1 Petr. 1:12. Profetie, wat zij is, 1 Thess. 5 :20; genomen voor oen recht verstand der Schrift, Rom. 12:6; is boven andere gaven te achten, 1 Cor. 14: 39; moet men gelooven, 2 Petr. 1:20; heeft God doen zijn in het midden der afgoderij, 2 Petr. 1 :19; is als een spiegel om ons in benauwdheden het beeld der hemelsche heerlijkheid uit te drukken, 1 Petr. 1:11. Profetieën zijn de zekerheid des Evangelies, 2 Petr. 1:19; in de aanwijzing der tijden te zoeken is onnoodig, 1 Petr. 1:10. Psallianen, wie, 1 Tim. 5:5. Psalm, wat dit is. Col. 3 : 16; de gewoonte van psalmen te zingen, 1 Cor. 14 :15. |
JR. Rachab, haar geloof, Hebr. 11: 31; hoe zij uit de werken gerechtvaardigd is, Jak. 2:25. Recht en onrecht, hoe het onderscheid tusschen beide aller menschen harten is ingedrukt, Rom. 2 : 15. Rechtvaardige, wie hij is, 1 Tim. 1:9, 2 Petr. 3:8; nauwlijks behouden, hoe te verstaan, 2 Petr. 3:8. Rechtvaardigen, wat het bij Paulus beteekent, Rom. 8:3,33; beduidt wat anders bij Jakobus, dan bij Paulus, Jak. 2:21. Rechtvaardigheid, wat zij is, 1 Joh. 3:11; genomen voor weldadigheid, 2 Cor. 9 :10; voor een wet en regel om rechtvaardig te leven, Rom. 6:19; voor vergeving der zonden, Rom. 4:6; voor volmaaktheid, Hebr. 5:13; die des geloofs, Fil. 3:9 en is niet te scheiden van de nieuwigheid des levens, 1 Petr. 1:2; die der wet tweeërlei, Fil. 3: 6, Rom. 1:17; welke Gode bevalt, 1 Joh. 3 :12; des geloovigen komt uit 't geloof, Fil. 1:11; verwekt eendracht en liefde, gelijk de onrechtvaardigheid oproer en haat, 1 Petr. 3 : 13; wordt geheel begrepen onder de broederliefde, 1 Joh. 3:11; die God schenkt en de verdienste des menschen zijn zaken tegen elkander staande, 2 Petr. 1:1. Rechtvaardiging genomen voor vrijspraak en kwijtschelding, Rom. 5: 18; voor vergeving der zonden. Tit. 3:7; hare drie oorzaken, Rom. 3: 24. Rede des menschen is blind, Ef. 4:17. Regeering, wat Paulus zoo noemt, 1 Cor. 12:28; geen regeering zoo kwaad, of zij is beter dan geene, 1 Petr. 2: 14. Richten genomen voor regeeren, Hebr. 10:30; voor verdoemen, 1 Cor. 10:29. Rijken zijn Gods uitdeelers, 1 Petr. 4:10; zijn niet uitgesloten uit liet rijk Gods, l Cor. 1:26; hoe zij zich behooren te gedragen, 1 Tim. 6:17; zijn Gode grooter schatting schuldig, 2 Cor. 8:11; zullen niet hoovaardig zijn. Jak. 1:10; of Jakobus ze niet geëerd wil hebben. Jak. 2 :1; te eeren, met verachting der armen, wordt bestraft, Jak. 2:5; weinigen zijn bescheiden en nederig. Jak. 2:6; worden verschrikt met Gods oordeel. Jak. 5:1; hun wreedheid en onrecht worden bestraft. Jak. 5 : 4; hoe meer ze vermogen, hoe erger ze zijn, Jak. 2:6; of'zij van het hunne niet vrij mogen leven, Jak. 5:5. Rijken in het geloof, wie zij zijn. Jak. 2 :5. Rijkdom, waarom die zorgelijk is, 1 Tim. 6:9; of men dien moet wegwerpen om Christus te volgen, Fil. 3:8; die vergaderd wordt met verongelijking der broederen, is vervloekt, 2 Cor. 8:15. Rijkdom, geestelijke, Rom. 8:32, 1 Cor. 1:4, 2 Cor. 6: 10; 9: 11, Ef. 1 : 7, 18; 2:7, Col. 1: 27; 2:2,1 Tim. 6 : 11. Roede genomen voor strengheid der herders, 1 Cor. 4:21. Roem der geloovigen is zeker, Rom. 8:32, 2 Cor. 5 : 12; der ijdele menschen. Jak 3:16. Roemen naar het vleesch, wat dit is, 2 Cor. 11:18. Roeping, wat zij is, Rom. 8:30; of deze en de |
24 ROEPING-1
|
verkiezing steunen op onze goede werken, 2 Petr. 1:10; inwendig en krachtig, alleen den uitverkoren eigen, Eom. 10: 16; is uit de verkiezing. Bom. 1: C; is een werk en getuigenis der verkiezing, 1 Cor. 1: 9; Tit. 3:5; is in Christus gefundeerd, 1 Petr. 5 :10; is eon getuigenis der eeuwige genade, 1 Thess. 5:24; is de oorzaak der heiligmaking, 1 Cor. 1 : 2; waar zij krachtig is, daar is de volharding zeker, 1 Joh. 2 : 19, is de verzegeling der zaligheid, 2 Tim. 1 : 9; in haar zorgvuldig voort te gaan, 2 Petr. 2:21, Jud. vs. 21; hare zekerheid, hoe noodig, Ef. 3 : 4; haren rechten loop heeft zij, als wij in de liefde voortgaan, 2 Petr. 2 : 21, Jud. vs. 21; haar einde, 1 Oor. ) : 8, 1 Thess. 3 :13; 4 : 7, Hebr. 10 : 39, 1 Petr. 1: 2; 2 : 9. Roeping moet men dienen, 1 Cor. 7:18, 20; 9 : IC, 1 Thess. 4:11; Tit. 1 : 3, Hebr. 11:8. Roomsche Stoel, wat de oude schrijvers daarvan geoordeeld hebben, 1 Petr. 5 : 13. s. Sabbat, eeuwige, welke die is, Hebr. 4 :10; zijne aflegging, Hebr. 4:10. Sabellius, presbyter van Ptolomaïs 250, verdichtte dat Christus van den Vader niet verschilde, 1 Joh. 2:22; zijn dwalingen wederlegd, Ef. 4 : 5, Hebr. 1 :3. Sacrament, wat het is, Hebr, 9 : 24; waarom zijn toeken soms krachteloos is, 1 Petr. 3:21; het toeken wordt bij de papisten niet behoorlijk van de beteekenende zaak onderscheiden, 1 Petr. 3:21. Sacramenten moot men van het woord niet afscheiden, Hebr. 9 : 20; moeten alleen van de herders worden uitgedeeld, 1 Cor. 4:1; zijn hulpmiddelen onzer zwakheid, 1 Cor. 11 : 24; hebben twee deelen, Eom. 4:11; hun gebruik, Eom. 4:11; huu misbruik, Hebr. 9 : 20; die des Ouden Testaments, 1 Cor. 10:1,3; in hen op twee dingen acht te nemen, 1 Petr. 3:21; hoedanig zij in het pausdom zijn, Ef. 5:26. Sadduceën, hoedanig zij waren, 1 Cor. 15:1, Salomo was een voorbeeld van Christus, Hebr. 1 : 5, 8. S ara, haar geloof, Hebr. 11 :11; haar lachen was niet goed, Eom. 4:20; een moeder der geloovigen, en waarom zij haren man heer noemde, 1 Petr. 3:6. Satan, hoe hij de god en de vorst dezer wereld is. 2 Cor. 4 : 4; Eom. 12:18; het hoofd van alle goddeloozen, Ef. 2 : 2; is een dienaar der toornigheid Gods, Eom. 1 : 24; 9 :18; Gods scherprechter, Ef. 2 : 2; een bode des duivels, 2 Cor. 12:7; zijn oordeel, wat dit is, 1 Tim. 3:6; zijn wreede heerschappij, 2 Tim. 2 : 26; zijn eigen werk is verzoeken, 1 Thess. 3: 5; hem overgegeven te worden, 1 Cor. 5 : 5; 1 Tim. 1 : 20; hem volgen, 1 Tim. 5 : 15; wondt wel de kinderen Gods, 1 Joh. 2 :18;zijn verzoeking is gevaarlijk, als zij ons van hel lichaam van Christus scheidt, 1 Petr. 5:9; wordt van de geloovigen overwonnen, Eom. 16:19. Schaamte is somtijds van nut, Eom. 6 : 21,1 Cor. 4 :14; 15 :34, Ef. 5 : 12, 2 Thess. 3 :14; is de eerste trap der betering, Ef. 5:12. |
Schepping tweeërlei, Ef. 4 : 24; welke de tweede is, 1 Petr. 1 : 3. Schepsel, dat der ijdelheid onderworpen, Eom. 8:20. Schepselen Gods zijn goed, 1 Tim. 4:3,4. Scheuring, wat zij is, 1 Cor. 11:19; moet men vlieden, Hebr. 10 : 25. Schrift, haar gezag, hoe groot, 2 Tim. 3:16; haar groote nuttigheid, 2 Tim. 3 :16; haar gewoonte, Hebr. 11:17; haar voornaamste einde, Eom. 15:4; haar lof, 2 Tim. 3:15;isgenoegzaamtotvolmaking, 2 Tim. 3:17; haar te lezen is noodig, 1 Thess. 5:27; haar te lezen den leeraars noodig, 1 Tim. 4: 13 ;is den godzaligen noodig en nut, Eom. 15 : 4; 2 Tim. 3 :15; 4: 13, Hebr. 5:14; haar te lezen, of het genoegzaam is, 2 Tim. 4:1; hoe men ze moet behandelen, Hebr. 7 : 3; Jud. vs. 13; wat voorbereiding tot hare lezing noodig is, 1 Petr. 1 : 20; wordt genoemd een lantaarn, 2 Petr. 1:19; verduistert de oogen niet volgons de papisten, 2 Petr. 1 :19; hare duisterheid, vanwaar ze komt, 2 Petr. 3:16. Schwenkfeld uit Silezie, f 1561, een ketter, 1 Cor. 10:3, 1 Petr. 3:21. Secten, ten tijde der apostelen, 1 Joh, 2 :18;trek-ken sommigen van de godzaligheid af, 1 Joh. 4:1. Servetus uit Spanje r 1553, een ketter, wiens lastering en dwaling wederlegd wordt, Eom. 1 : 3, 2 Cor. 5:16, Gal. 4:1,1 Joh. 1:1. Slapen genomen voor gestorven zijn, 1 Cor. 7 : 39, 1 Thess. 4 : 13. Sleutelen zijn den dienaren gegeven, 2 Cor. 5 : 20; die der papisten, 1 Joh. 1 : 7. Soberheid ons bevolen, 1 Petr. 5:8; des ge-moeds, Hebr. 7 : 3; daartoe wijs te zijn, wat dit is, Eom. 12:3;is den godzaligen noodig, Eom. 13:14, 1 Thess. 5:6,1 Tim. 3 : 2, Tit. 2 : 2. Sodomieten, hun verderf is een treffend voorbeeld der wrake Gods, Jud. vs. 7; hun ongehoorde onkuischheid, Jud. vs. 7. Spijzen, het onderscheid daarin, Eom. 14 : 3, 5, Tit. 1 : 15; daarin wandelen, Hebr. 13:9; haar recht gebruik, 1 Tim. 4: 4; haar duivelsche verbieding, 1 Tim. 4: 3. Spotters, hoe ze te vreezen zijn, 2 Petr. 3 : 3. Spreken, tot stichting, wat dit is, 1 Cor. 14 : 3; naar den mensch, 1 Cor. 9 : 8, Gal. 3:15. Standvastigheid moet men van den Heere bidden, Filem. vs. 24; wordt geprezen, 2 Cor. 1 :17. Stichting is een vrucht der leer, 1 Tim. 1 : 4; die der gemeente moet men altijd bedenken, 1 Cor. 14:5; is den godzaligen noodig, Eom. 14:19;is vierderlei, 1 Cor. 14 :6; moet men altijd zoeken. Col. 4: 6, 1 Thess. 5:11,1 Tim. 1: 6, 2 Tim. 1: 7; 2 : 14, Tit. 1 : 9; 2 :1, Hebr. 5:12. Strengheid is soms noodig, 2 Cor. 7 : 8: 13 : 2; Tit. 2:15; die te groot is, wordt bestraft. Jak. 3:1. Superstitie moet men niet voeden door veinzing, 2 Cor. 6:14; onder wat deksel zij van sommigen gevoed wordt, 1 Cor. 8:13; 10:14. rr. Tabernakel, in drie deelen, Hebr. 9 : 2. |
TALEN-VERDRUKKINGEN.
25
|
Talen, hare kennis een gave des Geestes, 1 Cor. 12:8; hoe noodig die kennis was, 1 Cor. 14 : 5. Tantalus, uit de Grioksohe Fabelleer, waarom hij bij de dichters versierd wordt hongerig te zijn aan een welvoorzienen disch. Jak. 5:5. Teeken begeeren is op ziehzelve niet kwaad, 1 Cor. 1: 22. Tempel Gods, waarin de paus regeert, 2Thess.2:4. Testament, Oude, of het den Christenen eveneens aangaat, Eom. 15:4; vergelijking tussehen het Oude en Nieuwe, Eora. 3:26, Gal. 4:1; onderscheid tussehen beide, Hora. 2:28; 8:15, 1 Cor. 10:11, 2 Tim. 3:17; aan het Oude niets bijge-voegdzooveel do substantie aangaat, 2 Tim. 3:17. Theologie der Sorbonne, hoedanig zij is, 1 Tim. 1:4, 2 Tim. 1: 13; 2: 14, 24, Tit. 1:1; 3 : 9; hare leer van de orde en heerschappij der engelen, 2 Petr. 2 : 4. Thessalonicensen, hun lof, 2 Thess. 1: 4; hun gehoorzaamheid, 1 Thess. 1 : 6; hun lijdzaamheid, 1 Thess. 1:7. Tijd, de tegenwoordige genomen voor den toekomenden, Col. 3 : 6, 1 Thess. 4 :15; de verledene voor den tegenwoordigen, Bom. 8 : 30; de verledene voor den toekomenden, Eom. 10:20; een uur tijds genomen voor een zeer kleinen tijd, 1 Thess. 2:17; zijne burgerlijke onderhouding wordt niet gestraft. Gal. 4 :10; dezen te dienen, wat het is, Eom. 12:11; dezen uit te koopen, Ef. 5 :16, Col. 4:5. Tijd, laatste, wat dit is, 1 Cor. 10:11, 2 Tim. 3 :1, Hebr. 1: 1; 10 : 25, 1 Joh. 2 :18, Jnd. vs. 18. Tijd der onwetendheid, welke die is, 1 Petr. 1:14. Timotheus van kindsbeen in de Schriften onderwezen, 2 Tim. 3:15; in zijn jeugd een dienaar van Christus, 1 Tim. 4:12; waarom hij besneden is. Gal. 2 : 3; hoe hij tot een dienaar verordend was, 1 Tim. 1:18, 2 Tim. 1 : 6; was niet alleen sober, maar ook streng in zijn leven, 1 Tim. 5 : 23; zijn lof, 1 Cor. 16:10, Fil. 2:20, 22, 1 Thess. 3 : 2, 1 Tim. 1: 2. Titus, waarom hij niet besneden is, Gal. 2 :3. Tirannen moet men eeren, 1 Petr. 2 :14. Tong richt groote dingen uit en regeert het ge-heele leven. Jak. 3: 3; is vol doodelijk venijn. Jak. 3:7; hare gebreken te schuwen, 1 Petr. 3:10; die daarmee niet misdoet, is volmaakt, 1 Petr. 2 : 22, Jak. 3 : 2; haar bedwingen is eene uitnemende deugd. Jak. 3 : 2. Toorn genomen voor Gods oordeel, Eom. 4:15, 1 Thess. 5:9. Toornigheid wordt bestraft, Ef. 4 : 26. Troon genomen voor het hemelsch paleis der majesteit Gods, Col. 1:16. Turken hebben evenals de Joden en de Papisten een afgod en onder den naam van God aanbidden zij hunne droomen, 1 Petr. 1: 3, 20, 1 Joh. 2 : 22. Twist, waaruit ze voortkomt, Jak. 4:1; verhindert het gebed, 1 Petr. 3:7. XJ. Uitwendige dingen, hun gebruik, 1 Cor. 6:12. |
Uitverkiezing en Uitverkorenen, zie Verkiezing en Verkorenen. V. Vaderen, hun gezag wordt van de papisten val-schelijk voorgewend, 1 Petr. 1:18. Vaders des 0. Test. hadden geloof. Gal. 3 : 23; hoedanig hun geloof geweest is. Gal. 5:5,2 Tim. 1:1,10; hun staat onder het O. T., Tit. 3 : 4; zijn in Christus zalig, Eom. 5: G, Col. 2:14; 1 Joh. 1: 2; hoe zij zaligheid verkregen hebben, Hebr. 9:26; 11:2; hoe zij gezegd worden de beloften niet ontvangen te hebben, Hebr. 11: 13; hun ondankbaarheid en ongehoorzaamheid, Hebr. 3:8; onderscheid tussehen hen en de geloovigen dezer be-| diening, 1 Cor. 2 :7, Gal. 4:1, Hebr. 1:1; 8 : 6,10; 10:15; 11: 13, 39. Vagevuur, waaruit de papisten het bewijzen, j 1 Oor. 3:15, Fil. 2:10. Val, tweeërlei, Hebr. 6 : 4; 10 : 26; van Gods genade geschiedt lichtelijk, Hebr. 12 :15. Vallen genomen voor vergaan, Hebr. 4:11. Valsche broeders, 2 Tim. 1 :15. Valsche profeten zijn van den beginne in de gemeente geweest, 2 Petr. 2:1; zullen de wrake Gods niet ontgaan, 2 Petr. 2 : 4. Vat genomen voor instrument, Eom. 9 : 22; wat het in de Schrift beteekent, 1 Petr. 3 : 7. Vaten der barmhartigheid en des toorns, Eom. i 9 : 22. Velen genomen voor allen, Hebr. 9 : 28. Verblinding des harten, hoe zij Gode wordt toe-i geschreven, Jak. 1:13. Verbond Gods heeft twee deelen, Hebr, 3: 2. Verborgenheid in kwaden zin, 1 Cor. 14:2. Verborgenheid des geloofs genomen voor de hoofdsom der godzalige leer, 1 Tim. 3 : 9. Verdiensten moet men niet vaststellen uit het loon, Eom. 2:6; der menschen wederlegd, Eom. 2:6; 3:27; 4:2; 5:5; 8 :18; 9 : 32, Ef. 2 : 8, Fil. 1: 29: 3 : 9, 2 Thess. 1 :11, 2 Tim. 1: 9, Tit. 3:5, , Hebr. 6:12; doen het niet, dat wij op den rechten weg gebracht worden, 1 Petr. 1:18; waaruit zij van de papisten bewezen worden, Eom. 10:5, 2 Cor. 5: 10, Col. 1: 5, 1 Tim. 4 : 8; 6 :18, 2 Tim. 4 : 8, I Joh. 3 : 9; worden te voren gezien van God, gelijk de Sophisten versieren, 1 Petr. 1: 2. Verdoemenis des menschelijken geslachts is allen creaturen ingedrukt. Kom. 8:21: die haar [ poogt te ontgaan, strijdt tegen God, 1 Joh. 1:10. Verdrukkingen, wat zij zijn, Eom. 8 : 35; hoe zij .lijdzaamheid werken, Eom. 5: 3; beiden godzaligen en goddeloozen gemeen, 2 Cor. 1: 5, 2 Tim. 3:12, Hebr. 12:6; der godzaligen zijn versmadingen van Christus, Hebr. 11:25; betuigen dat God i de wereld zal richten, 2 Thess. 1:5; zijn niet altijd teekenen der toornigheid Gods, Hebr. 12:5; zijn behulpselen der zaligheid der godvreezenden, Eom. 8 : 28; of zij oorzaak onzer zaligheid zijn, 2 Cor. 4 : 17; bevorderen de eer der geloovigen; Eora. 5: 3; zijn getuigenissen der genade Gods, Fil. 1:28; gaan vóór heerlijkheid, 1 Petr. 1:11, |
VERGEFELIJKE ZONDEN-VLEESCH.
26
|
waaruit Jakobus ze zalig acht, Jak. 5 :10; maken de godzaligen niet ellendig, 1 Tim. 4; 10, 1 Petr. 1:11; zijn te oordeelen naar het einde, Jak. 5:11; hoe nut zij den godzaligen zijn, 1 Cor. 11:32, Fil. 1: 28, 2 Tim. 2 : 9, Hebr. 5 :8; 12 : 4, 1 Petr. I ; 6; zijn licht en vergankelijk, Eom. 8:18,2 Cor. 4:17; het einde waartoe, Eom. 5 : 3; 8 : 30; zijn menigerlei, 2 Tim. 3:12; moet men gewillig lijden, Eom. 8 : 29, 30, Col. 1:24, Hebr. 12:12, Jak. 1:12;zijn in Christus te achten, en moeten de oogen op Christus doen slaan, 1 Petr. 1:7, 11; die van Christus en der martelaren gemeen, 2 Cor. 1:5; 4: 10; 13: 4, Fil. 1: 7, Col. 1:24. Vergefelijke zonden bij de papisten, 1 Joh. 5:10. Vergeving der zonden onverdiend. Col. 2:13, Hebr. 8:10; is den heiligen dagelijks van noode, 1 Joh. 1:7; hare leer door de papisten gansch verdorven, 1 Joh. 1: 7. Verharding, hoe de Schrift dit woord gebruikt, Eom. 9:18. Verkeerde zin, Eom. 1: 28. Verkiezing, die van God en verborgen is, heeft heerschappij boven de uitwendige roeping, Eom. 9: 6, 7; is de oorzaak aller weldaden Gods, Ef. 1: 4; is de eerste oorzaak onzer zaligheid, Ef. 1 : 3, 2 Thess. 2 :13; is alleen in Gods goeddunken gefundeerd, Eom. 9 : 24; is een vast fundament, 2 Tim. 2:19; ziet niet op de toekomende werken, Eom. 9:11; hangt niet aan de rechtvaardigheid der werken, Ef. 1 : 4; is onverdiend, Eom. 2:11; 9:11; 11:5, Gal. 4:9; aan geen uitwendige oorzaken gebonden, Eom. 9: 15; die der godzaligen moet men alleen Gods raad toeschrijven, Eom. 9: Ifi; hoe zeker zij is, 1 Thess. 1: 4, C; hare oorzaak in Gods voornemen zoeken, Eom. 9:14; hare zekerheid waaruit, Eom. 8 : 33; haar einde, Hebr. 10:7, 2 Petr. 1:10; hare twee einden, Ef. 1: 4; hare vrucht, Ef. 1: 4, 1 Petr. 1:2; hare teekenen, 2 Thess. 2 :13, 1 Petr. 1 : 2. Verkiezing en roeping wordenin de Schrift soms voor elkander gesteld, 2 Petr. 1:10. Verkorenen genomen voor afgezonderden. Col. 3:13; wie zij zijn, 1 Petr. 1: 2; zijn niet allen, hoewel de leer algemeen is, Eom. 10:16; worden alleen verlicht, 2 Tim; 3:lG,Hebr. 8:11; worden alleen wedergeboren. Tit. 3 : 6; worden alleen inwendig geroepen, Eom. 10: 16, Hebr. 6:4; krijgen alleen zaligheid, 1 Cor. 1:14; hoe ze door Gods woorden worden bewogen, Hebr. 4 :12; zijn somtijds scherp te bestraffen, Hebr. G : 9; waarom God ze bijzonder kastijdt, 1 Petr. 4:17; zijn niet te houden voor Gods kinderen, zoolang ze niet tot het geloof gekomen zijn, 1 Joh. 4 : 6; hun getal alleen Gode bekend, Eom. 11:3; hun uitnemendheid, Hebr. 1:14. Verkorenen en verworpenen, het onderscheid tusschen beiden, Eom. 1:13; 7:15; 8:9, 28, 1 Cor. 15:51, 2 Cor. 4: 17; 5 : 4, Gal. 4 : 27; 5:21, Ef. 4 : 30; 5:11, Fil. 1: 23, 27, Col. 3: 6, 1 Thess. 4:1,8, 13; 5 : 4, 2 Tim. 3 :16, 18, Tit. 2 :11; 3 : 3, Hebr. 6: 4; 9: 27; 10: 37; 11:3, 29; 12:6. Verlichten moeten toezien het vleesch geen vrijheid tot wulpschheid te geven, 2 Petr. 2:18. |
Verlichting, tweeërlei, 2 Cor. 4 : 6; is een werk des Geestes, Hebr. 8:11. VerloochenDn moeten wij onszelven, om ons Gode op te offeren, 1 Petr. 2 : 5. Verloochening van zichzelven wordt geboden, 2 Cor. 4:10, Gal. 5:17, Ef. 4: 22, Hebr. 4 :10; is de voornaamste lof der Christenen, 2 Cor. 5:17. Verlossing door Christus' dood is een waar goddelijk werk, Hebr. 8:2; haar einde. Tit. 2:11, Hebr. 9: 14, 2 Petr, 2:1. Vermaningen moeten met de leer gepaard gaan, Eom. 6:12; 8 :12, 1 Cor. 9:24, Ef. 4:15, Fil. 4:1, 1 Thess. 2:12, 1 Tim. 6 : 2, 2 Tim. 3 :16; 4 : 2, Hebr. 13 :16, Tit. 1: 9; 2 :1, 15; zijn de bevestiging en prikkel der leer. Col. 3 :16; hoe nut en noodig zij ons zijn, 2 Petr. 3:1; zijn krachteloos zonder Gods kracht, Jud. vs. 24. Vertroosting genomen voor ware gerustheid. Col. 2 : 2; die door Christus is de ware, 2 Cor. 1 : 6, 7; die der godzaligen in verdrukkingen, 1 Petr. 4:13. Vervloeken, in Sodom of Israël, wat dit is. Gal. 3: 16. Vervloeking van God, hoe, Eom. 11:12. Vervolging, wat zij is, Eom. 8:35; inwendig. Gal. 4 : 29, 2 Tim. 3 : 2; moet van de geloovigen geduldig gedragen worden, 1 Petr. 3:18; waarom God de zijnen hiermede oefent, 1 Petr. 4 : 12; om Christus' wil een weldaad Gods, 1 Petr. 4:12. Verwerping is de oorzaak des verderfs, Eom. 9:11; hare oorzaak is in den wonderlijken raad Gods verborgen, Eom. 11: 7; 9 :14, haar teeken, 1 Tim. 1: 13. Verworpenen zijn vaten des toorns, Eom. 9:22, 2 3; zijn planten niet van God geplant, Hebr. 2:13; zijn ten verderve verordineerd vóór hun geboorte, Eom. 9:23; worden geschapen met het voornemen om te vergaan, Eom. 9:18; zijn verblind, 2 Thess. 2:11; zijn ledig van de genade Gods, Hobr. 6 : 4; zijn ten verderve overgegeven, Eom. 9 :18, 2 Tim. 2 :16, 21; zijn die de leer van Paulus versmaden, 2 Cor. 4:3; zijn allen, die twijfelen, of zij Christus bezitten, 2 Cor. 13:5; hoe zij door Gods Woord bewogen worden, Hebr. 4:12; hoe zij van God tot kwade begeerlijkheden overgeleverd worden, Jak. 1:13; waarom God hun boosheid door de vingeren ziet, 1 Petr. 4:17; hun gevangenis is met wil, 2 Tim. 2:25; hun teeken, 1 Joh. 4:6. Verzoeking genomen voor bevinding of proef, Hebr. 2:18; voor alles wat ons kwelt, 1 Cor. 10 : 13; voor smart aandoen, Hebr. 3 : 8. Verzoekingen, in- en uitwendige. Jak. 1:13; moet men geduldig dragen, 2 Petr. 2 : 9, Jak. 1: 2, 12; moet men altoos vreezen, 1 Thess. 3:5; hoe ze ons overvallen of van ons overwonnen worden. Jak. 1:12; hoe God de zijnen er uit weet te verlossen, 2 Petr. 2 : 9. Vijand, Eom. 12:20; moet men liefhebben, Eom. 12:20, 1 Petr. 3:9; de geestelijke vijand bestrijdt ons altijd, 1 Petr. 5:9. Vleesch genomen voor de menschelijke natuur, 2 Cor. 13:4; voor genegenheid der natuur, Ef. 2 : 3; voor lichamelijk leven. Gal. 2 : 20; voor li- |
27
|
chaam, 2 Cor. 7 ; 1; voor uitwendige vergankelijke dingen, Gal. 3:3; voor alles wat buiten Christus is, Fil. 3: 3; voor den uitwendigen mensoh, 1 Cor. 7 ; 28, 1 Petr. 3 :18; voor menschen. Bom. 3 : 20; voor menschon, uit verachting, 1 Cor. 1:29; voor dit tegenwoordige leven, 1 Petr. 4:2; voor uitwendig aanzien. Gal. 4:13; voor menschelijken schijn, Gal. 4:29; voor verdorven menschen. Kom. 7:14; 8:3, Gal. 5:19, 24, Col. 2:11; voor den ganschen mensc'-, 1 Joh. 2 : IC, Hom. 7 : 18; voor een deel der ziel, dat nog niet wedergeboren is, 2 Cor. 12:7; in goeden zin genomen, 2 Cor. 3:3; hoever men het moet verzorgen, Eom. 13: 14; zijne werken. Gal. 5:19; vleesch en bloed, wat dat is, 1 Cor. 15: 50; Gal. 1:10; zijne lusten, wat ze zijn, 1 Petr. 2:11; daarnaar wandelen, wat dit is, Eom. 8:1,2 Petr. 2:10; zijne wijsheid, 2 Cor. 1:12; van zijne wellusten moeten wij ons ontdoen, 2 Petr. 2:13. Vleierij moet men vlieden. Bom. 12 : 18; 10:18. Vleiers van den Boomschen afgod, Ef. 1:22. Vloeken wordt bestraft, 1 Cor. 0 : 9; zie Kwaadspreken. Voeten genomen voor komst, Eom. 10 :15. Voelwassching, wat zij is, 1 Tim. 5 :10. Voldoening der papisten wederlegd. Bom. 4 : 6, 2 Cor. 5: 20, Gal. 1:4, Col. 1 : 14, 1 Tim. 2: C. Voleinding der lijden voor volheid des tijds, Hebr. 9:26. Volharden in het aangenomen geloof, hoe zwaar het is, 1 Petr. 5:12. Volharding is eene gave Gods, Fil. 2:13, IThess. 5:24, 2 Thess. 2:14, 16, Hebr. 13:20, 2 Petr. 1:7; wordt zelden gevonden, Fil. 1: 5; is uit hot geloof; Hebr. 11:8; ten einde toe is volgens de papisten onzeker, 1 Petr. 1: 5; tot den einde toe moet zeker zijn, Kom. 16:21, 1 Cor. 1 : 9, en is den godzaligen eigen, Eom. 8:38, 1 Cor. 9:24; 15 : 58; in de heiligen is noodig, Kom. 2: 7; 11: 22, Ef. 6 : 18, Fil, 2:16; 3 :13, Col. 1 : 23; 2 : 5; 4: 4, 1 Thess. 1 : 2, 2 Thess. 1:11,1 Tim. 4: 6, 2 Tim. 2: 3, 5; 3 :10, 14. Volheid der lijden, Gal. 4 :4, Ef. 1: 9. Volmaakt, wie, 1 Cor. 2: 6; voor volwassenen, Hebr. 5:14. Volmaaktheid, waar men ze zoeken zal, 1 Tim. 4: 3; is in Christus alleen, Col. 2:9; wordt in de wet Gods geleerd. Tit. 2 :12; hare hoofdinhoud. Tit. 2: 2; hoedanig in dit leven, Ef. 1: 4, Fil. 3: 15, 1 Thess. 3:12; der geloovigen ligt inde liefde, 1 Petr. 1: 22; hoedanig zij van de monniken gedicht wordt, Fil. 3:15. Volmaaktheid van den staat der monniken, 1 Joh. 3:12; die der tijden, Hebr. 9 : 26. Voorhuid genomen voor heidenen. Gal. 2 : 7. Voorspoed is oorzaak der hoovaardigheid. Kom. 2 : 4; is somtijds zorgelijk, 1 Tim. 6 : 17; moet men niet misbruiken, 1 Tim. 4 : 8, Hebr. 5 : 8. Vragen, allerlei, die ons voorgeworpen worden, zijn wij niet verplicht op te lossen, 1 Petr. 3:15; die twistig en onnut zijn, moet men vlieden. Kom. 14 :1, 1 Cor. 13 : 8; 15 : 34, 1 Tim. 6 : 4, 2 Tim. 2:14,23, Tit. 3:9. |
Vrede genomen voor gerustigheid der conscienquot; tie. Kom. 5:1; voor voorspoed. Kom. 1: 6; 8 : 6,Ef. 6:23; wat die is, 2 Petr. 3:14; wat die bij de He-breën beteekent, Hebr. 7:1; hoe te houden. Tit. 3:2; niet gerust, dan die ons de H. Geest verleent, 1 Joh. 3 :20; met de menschen, hoever men dien houden zal, Kom. 12:18, 1 Cor. 7:15; 14 ; 33, 2 Cor. 13:11, Gal. 5 : 22, Hebr. 12: 14. Vrcedzamen, hun vrucht in gerechtigheid, Jak. 3:18. Vreezegenomenvooreerbied,Ef. 5 : 33;gesteld tegen gerustigheid, 1 Petr. 1 :17; strijdt niet altijd tegen de gerustheid desgeloofs. Kom. 11: 19, Fil. 2:12, 13, Hebr. 4 :1; 11 : 7; is tweeërlei, Fil. 2 :13; of de geloovigen er geheel van verlost worden, 1 Joh. 4:18; wanneer ze volmaakt is door de liefde, 1 Joh. 4:18. Vreeze, de knechtelijke en de kinderlijke, 1 Joh. 4: 18. Vrekheid bestraft, 2 Cor. 8 : 2. Vrije wil, waaruit die van de papisten bewezen wordt, 1 Cor. 3 : 9; 15 : 10, 1 Thess. 5:19, 2 Tim. 2:21; 4:8, Hebr. 3:7; wordt wederlegd. Kom. 6:18; 7:15; 8:6, 7; 9 :16, 1 Cor. 15 :10, 2 Cor. 3:5, Ef. 2:2, 8, 10; 4:17, Fil. 2:13, IThess. 3:12; 5:23, 2 Tim. 2 :1, Hebr. 8: 10; 12:15; of die door Petrus verheven is, en of ze zondigen, die dezen in den mensch stellen, 2 Petr. 1: 6, 7. Vrijheid, welke de ware is. Gal. 5: 18; uit een goede conscientie, 1 Tim. 3:13; uit het geloof. Gal. 3 : 26; door Christus verkregen, geeft geen vrijheid tot zonde. Kom. 6:19, 20; die der Christenen wordt bewezen, Tit. 1:15, 1 Petr. 2:16, en is der liefde onderworpen, 1 Cor. 8:1,9; hoe zij altijd van sommigen valschelijk is voorgewend, 1 Petr. 2:16, 2 Petr. 2:19; geestelijk zijnde, 1 Cor. 7 :22; strijdt niet tegen lichamelijke dienstbaarheid, Ef. 6 : 5; haar recht gebruik. Gal. 5 :13; hoe zij der wet als een onafscheidelijk metgezel is bijgevoegd, Jak. 1: 25. Vrouw, of zij ook een beeld Gods is, 1 Cor. 11:7. Vrouwen moet men van het leerambt afhouden, 1 Tim. 2 : 11; of zij mogen profeteeren, 1 Cor. 11 : 1 5; velen worden bedrogen, 2 Tim. 3 : 6; zijn meer kwaad vermoedende, vreesachtig, 1 Tim. 2:15; zijn den mannen onderworpen, 1 Cor. 14:34, Ef. 5:22, 1 Tim. 2 :11; haar troost, 1 Tim. 2 :15; haar ambt, 1 Tim. 2:9, 11, Tit. 2 : 4; haar versiering, 1 Tim. 2:9; haar heiligmaking, 1 Tim. 2:15. Vuur genomen voor den Geest des Heeren, 1 Cor. 3:13. Vuur der hel, 2 Thess. 1 : 7, Hebr. 10 : 27. w. Waarheid genomen voor den regel van den Goddelijken wil, Kom. 2 : 8; voor een oprecht gemoed, Ef. 6 : 14, Fil. 4 : 8; of zij de sacramenten uitsluiten, Fil. 3 : 3; is het fundament der eendrachtigheid, Ef. 4:15; is de band der heilige eenheid, Col. 2:2, Jak. 2:1; gaat door kijven verloren, 2 Tim. 2:14; waarheid in lengen veranderen, 2 Petr. 2:15. |
WAKEN-WET.
28
|
Waken is den godzaligen noodig, 1 Thess. 5 : 6, 8, 1 Petr. 5 :8, 2 Petr. 3 ; 17. Wapenen, geestelijke, 2 Cor. 10:4, Ef. 6 : 11; des lichts, Eom. 13 : 11. Water genomen voor den Geest Gods, Hebr. 10 : 22, 1 Joh. 5 : 6; van God gebruikt om de wereld te verderven, 2 Petr. 3:5,0. Wedergeboorte is Gods werk, Ef. 1:19; 2:10, Filem. vs. 10; hoe het een werk der menschen is, 1 Cor. 9:1; geschiedt door Christus, Col. 2:10; is allen menschen noodig. Gal. 6:15, Ef, 3:8; 4:21; wordt allengs in de heidenen volbracht, Eom. 6:7; 7: 15; 8:10, 11, 1 Cor. 1 : 8; begint in de geloovigen alzoo, dat de overblijfselen van den ouden mensch tot den dood toe blijven, 1 Joh. 3:9; hare uitnemendheid, 2 Cor. 5:17; haar einde, Col. 3:10. Wederopstanding is van Christus alleen, 1 Cor. 15: 12; genomen voor de vervulling der verlossing, Fil. 3:10; of zij ook den ongeloovigen gemeen is, 1 Thess. 4 :14; van sommigen allegorisch genomen, 2 Tim. 2:17; haar weggenomen, dan de allerellendigste menschen, 1 Petr. 4: 17; hoe noodig dit geloof is, 2 Tim. 2:18; niet vast zijnde valt alle godzaligheid, 2 Petr. 3:4; hare zekerheid, 1 Thess. 4:13, 14, door sommige godde-loozen bij de Corinthiërs verzwakt, 1 Cor. 15 : 1; het geloof daarin duister in Paulus' tijden, 1 Thess. 4:15. Wederspannigheid tegen God, waaruit zij komt, Hebr. 3:7. Weduwen, hoedanig do gemeente die behoort te verzorgen, 1 Tim. 5 : 9; moet men eeren, 1 Tim. 5 : 3; moet men bezorgen, 1 Tim. 5 :4, 5. Weduw-staat, of die beter is dan het huwelijk, 1 Cor. 7 : 8, 38, 40; tot wat einde die te begeeren is, 1 Cor. 7 : 25. Weggenomen voorwijze van doen,Eom.11: 33. Weldadigheid wordt van God meer gerekend naar 't hart, dan naar de gave, 2 Cor. 9:7; wordt geprezen, 1 Cor. 18:1, 2 Cor. 9 : 5â8, Gal. 6 : 9, Fil. 4:18, 1 Tim. 6:18, Tit. 3 :1, Hebr. 13: IC; moet men allen menschen bewijzen. Gal. 6: 10, 1 Thess. 5:15, 2 Thess. 3:13; haar regel, 2 Cor. 8 : 3; moet mild en blij geschieden, 1 Petr. 4 : 9; uitwendige, jegens den naaste bevolen, 1 Joh.3:17. Welsprekendheid, of zij tegen de eenvoudigheid des Evangelies strijdt, 1 Cor. 1:17; zonder liefde is Gode niet aangenaam, 1 Cor. 13:1. Wereld, tweeërlei, Hebr. 2 : 5; genomen voor den toestand des aardschen levens, 1 Cor. 7 : 33; voor der menschen aard en wijze, Eom. 12:2; voor alles wat met Christus' geestelijk rijk strijdt. Gal. 6 :14; is een spiegel der godheid, Hebr. 11:3; is door Christus geschapen, Fil. 3:21, Hebr. 1:2; 2 :10; hare schepping door het geloofte verstaan, Hebr. 11 : 3; hare ordeningen behagen Gode, 1 Cor. 8:0; bestaat uit water, 2 Petr. 3 : 5; is altijd tegen de godzaligen, 2 Tim. 3 : 12; is geheel duisternis. Col. 1:13; hoe zij door de ark veroordeeld werd, Hebr. 11:7; is zonder Christus geheel een ongeschikt ding en gruwelijke verwarring, Ef. 1: 10; 3: 15; is ongestadig en vergankelijk, Hebr. 11:10; |
hare verachting allen godzaligen geboden. Col. 3:1â3; hare ondankbaarheid. Gal. 6 : G, Hebr. 11: 38; hare wijsheid, 1 Cor. 1 : 20; 3 :19, 1 Petr. 2 : 25; hare ijdelheid, hoe groot, 1 Cor. 7 : 31;hare vriendschap. Jak. 4 : 4; moeten wij verloochenen, willen wij God dienen, Jak. 4 : 4; hare liefde, hoe schadelijk, 2 Tim. 4: 10; haar ondergang van sommigen voor een verdichting geacht, 2 Petr. 3: 4; haar einde, waarom hel door God niet gehaast wordt, 2 Petr. 3 : 9. Work, hoe het Gode en den duivel wordt toegeschreven, 2 Cor. 4 : 4, 1 Thess. 2:18. Werken, die Gode aangenaam zijn, Hebr. 11:4; maken niet rechtvaardig, Eom. 2:13; die goed zijn, waaruit zij komen. Tit. 3:5; volgen het geloof, Tit. 3 : 8; zijn een deel der genade Gods, Ef. 2:10; hoe zij van God gekroond worden, Eom. 2:6; worden geprezen, Ef. 2:10, Tit. 2 :14; 3 : 13, Hebr. 6:10; die dood zijn, Hebr. 9 :14; der duisternis voor schandelijke werken, Eom. 13: 11; waaruit de papisten hunne rechtvaardigmaking besluiten, Eom. 13:8, 1 Tim. 2 : 15; hun loon, 1 Cor. 3 : 8; 2 Cor. 5:10, Gal. 6:8; 2 Tim. 1:16, 18, Hebr. 6:10; 11:26; 10:34, 35; hoewel onvolmaakt, nochtans in Christus aangenaam, 1 Petr. 2 : 5; zijn voor goede gerekend, wanneer zij uit de genade des Geestes vloeien, 1 Joh. 3 : 9; aangezien wordende, is er oorzaak van beven, 1 Joh. 4:17; die schoon zijn in schijn, kunnen wel van het geloof gescheiden zijn. Jak. 2 :18; of ze tot rechtvaardigheid noodig zijn; waarom zij niet rechtvaardigen, en hoe hun gerechtigheid toegeschreven wordt. Jak. 2 : 23â25. Wet wordt niet altijd in eenerlei beteekenis genomen, Eom. 7 : 3; tweeërlei genomen, Eom. 10 : 5; wordt van Paulus vierderlei gesteld, Eom .7:21; genomen voor dienst, Hebr. 7:12; voor de vijf boeken van Mozes, Gal. 4:22; voor de openbaring des Goddelijken wils, Eom. 13:11; voor het Le-vietische priesterdom, Hebr. 7:19; voor het gan-sche Oude Test., Eom. 3:19; tot wat einde gegeven, Eom. 3:31; ziet in al hare stukken op Christus, Eom. 10:4; is een regel des levens, Eom. 6 :15; 7:12, Gal. 3:19; waarom voor het Evangelie wijken, Hebr. 7 : 19, 20; hoe zij gezegd wordt geestelijk te zijn, Eom. 7 : 10, 14, 2 Cor. 3:7; hoe zij afgelegd is, Eom. 6:15; 7:1, 2, Gal. 3:25, Hebr. 7:12, 18; hoever zij onnut is, Hebr. 7:18; hoe zij door het geloof in Christus bevestigd wordt, Eom. 3:31; hoe zij door de liefde volbracht wordt, Eom. 13:8; wanneer ze alleen een doodeletter is. Jak. 1:25; hoe ze van Johannes licht genoemd wordt, 1 Joh. 5 : 3; vloeit uit de eeuwige en onmetelijke rechtvaardigheid Gods, Jak. 4:11; hoe zij eene doodelijke wonde geeft, Eom. 7: 10, 11; hoe zij den vaderen een leiding geweest is, Gal. 3:24; hoe zij met het geloof overeenkomt, Eom. 10:5, Gal. 3:12; hare uitnemendheid. Gal. 3:19; hare zwakheid, Eom. 8:3, Hebr. 9:15; hare rechtvaardigheid tweeërlei, Fil. 3 : 6; hare ware onderhouding, 1 Joh. 2 : 5; haar kort begrip, 1 Petr. 1: 14; aan haar sterven. Gal. 2:19; haar gebruik menigerlei. Gal. 3:19; haar ambt, 2 Cor. 3:7, |
WET-ZEGENING.
20
|
1 Tim. 1:9; hare werken, Gal. 2:15; de vergelijking tussehen haar en het huwelijk, Kom. 7 : 2, en tus-schen haar on hot Evangelie, Eom. 8: 15, 2 Cor. 3 : 7,Hebr. 12 :18; de overeenkomst tussehen haaien het Evangelie, Hebr. 1:1, en het verschil tussehen beide, 2 Cor. 3:12, Hebr. 6:4;10:1;12: 19; die haar schendt in een, is in alles schuldig, Jak. 2 : 8; hoe wij gezegd worden die te volbrengen, Jak. 2 : 8; naar haar zal God oordeelen. Jak. 2:12; hare lezing, waartoe nut, 1 Petr. 1 : 19. Wet van Christus, Gal. 6:2; des Geestes genomen voor den Geest Gods, Kom. 8:2; der rechtvaardigheid genomen voor rechtvaardigheid dei-wet, Kom. 9 :31; koninklijke wet. Jak. 2 : 2; der vrijheid. Jak. 2 :12; der werken, Kom. 3 ; 27; der zonde en des doods, Kom. 8^ 2. Wet en Profeten, ofzij ook ons aangaan, Ef. 2:20. Wetenschap, wat zij is, 2 Cor. 12: 8; genomen voor de substantie der leer, 2 Cor. 11:6; voor ervaring of voorzichtigheid, 2 Cor. 8:7; die de ware is. Col. 2 : 2, 3, 1 Tim. 6 : 20; waarom zij gezegd wordt op te blazen, 1 Cor. 8:1; wordt bijzonder in de godzaligen geëischt, 2 Cor. 5 :1 ;haar fundament, 1 Cor. 8:1; voor de wijzen om voor-zichtiglijk te handelen, 2 Petr. 1 : 7. Wetten, goddelijke en ongoddelijke, haar onderscheid, 1 Cor. 14 : 40. Wijsheid, wat zij is, 1 Cor. 12 : 8; Col. 1: 9; die de ware is. Col. 1:28, Hebr. 8 :11; komt door des Geestes verlichting, 1 Joh. 2 : 20; hare vrucht. Jak. 4:17; wijsheid der woorden, 1 Cor. 1:17; hare valsche opinio is do moeder der opgeblazenheid, Jak. 4:13; wijsheid zonder onderscheid, hoe zij van Jakobus vereischt is. Jak. 4:17. Wijs zijn w ordt gevonden bij die zachtmoedig en heerlijk wandelen. Jak. 3 : 13; moet men alleen zijn in God, 1 Petr. 2:15. Wijzen der wereld, 1 Cor. 1: 20. Wil genomen voor natuurlijke genegenheid. Kom. 8 : 20; die goed is; komt van God, Fil. 2:13; zie voorts onder Geloovigen, God, Mensch. Wolk, hoe zij een teeken van den doop is, 1 Cor. 10:1. Woord, genomen voor belofte, Ef. 5 :26; voor leer der godzaligheid. Gal. 6 : G; voor heerlijkheid der redenen, 2 Cor. 11: C; des geloofs voor Evangelie, Kom. 10:8; getrouw, Tit. 1: 9; gezond. Tit. 2: 7; is de ziel des sacraments, Hebr. 9 : 20; is het voorwerp des geloofs, Ef. 6 :16. Woord Gods, waarom het allen voorgesteld wordt, Hebr. 3 : IC; hoe men het moet uitdeden, 2 Tim. 2:15; zijne zekerheid, waaruit die komt. Kom. 10:8, 1 Tim. 3 : 15: 2 Tim. 1: 12; waar hot te zoeken is en hoe het vast en eeuwig is, 1 Petr. 1 : 25; zijn zekerheid in het pausdom weggenomen, Ef. 4 :13; zijn prediking noodig en aangeprezen, 1 Cor. 3 : 6, 1 Petr. 1 : 25; zijn kracht, 1 Cor. 14 : 24, Hebr. 4: 12; zijn gebruik, Hebr. 4:12; moet men alleen in de gemeente verkondigen, 1 Thess. 2:13; wordt nergens gepredikt dan door bijzondere voorzienigheid Gods, Kom. 10:13; waaraan zijn zekerheid hangt, Eom. 3:4; zijne majesteit, hoe groot, Gal. 1:8; zijn lof, Tit. 1: 9; zijne duisterheid, waaruit zij komt, Hebr. 5 :10; het te hoo-ren niet genoeg, tenzij menookgeloove, Hebr. 4:2; ontdekt de geveinsdheid, Hebr. 4:12; waartoe het nut is, Jud. vs. 5; wat men daarvoor houden zal en hoe het den geloovige wederbaart, 1 Petr. 1: 25; geen kracht, zoo wij hetzelve niet proeven en smaken, 2 Petr. 3 :16, Jud. vs. 3; zonder dit ons niets gelaten dan duisternis, 2 Petr. 1:19. |
Woord der waarheid. Jak. 1:18; des levens, 1 Joh. 1:1; dor zaligheid, hoe 't van ons ontvangen moet worden, Jak. 1:21. Wraak is verboden. Kom. 12:19; 1 Cor. 6:7; 1 Thess. 5:15,1 Petr. 3:9; die prijselijk is, 2 Cor. 7:11; 10:6; te begeeren, of dit den godzaligen geoorloofd is, 2 Thess. 1: 8, 1 Petr. 2 : 23; daarvan zich onthouden, of dit genoeg is, 1 Petr. 3 : 9. Wreedheid is een metgezel der gierigheid. Jak. 5:4; komt uit haat, 2 Tim. 3:12. z. Zaad der wedergeboorte, 1 Petr. 1 : 23. Zaaien In het vleesch, wat dit is. Gal. 6:8. Zachtmoedigheid is den godzaligen noodig. Gal. 6:1; wordt in het vermanen der broederen geprezen, Gal. 6:1. Zaligheid genomen voor de leer des Evangelies, Hebr. 2:3; komt van God alleen. Kom. 6: 23, Ef. 2: 8, 1 ïhess. 5 : 9, Hebr. 5:7; hangt alleen aan het welbehagen Gods, Kom. 8:28; 11:7; hare oorzaken, Ef. 1: 5; hangt aan de vrije verkiezing. Kom. 9:14; komt uit de onverdiende genade Gods, Kom. 1:6, Ef. 2 : 5, 8; vloeit alleen uit de barmhartigheid Gods, 2 Cor. 6 : 2; wordt alleen in het Evangelie gevonden. Kom. 1:18; is in de hope gelegen, Hebr. 4 : 8; onze zaligheid is in Gods hand, 2 Tim. 1: 12; kwam eigenlijk uit het verbond den Joden toe. Kom. 15 :8; hebben de vaders en wij gemeen, 1 Petr 1:10; hare deelen worden alle der genade Gods toegeschreven, 2 Thess. 1:11, en zijn in Christus vervat. Col. 1:14; waarom zij eensdeels den geloovigen wordt toegeschreven. Kom. 10:10; is geheel in Christus gelegen, 1 Petr. 2:6, 1 Joh. 5:1; zoeken zij niet die in Christus niet berusten, 1 Petr. 2 : 6; waardoor zij in de geloovigen bevorderd wordt. Kom. 8:30; hare zekerheid is uit de vaderlijke goedwilligheid Gods, Kom. 8 :32; en steunt op twee fundamenten. Kom. 10:6; daarvan zeker te zijn. Kom. 8 :14, 30; hare zekerheid hebben do geloovigen gewis, 1 Thess. 5 : 9; hare bewaring niet bij ons, noch de behoeding van de zonde, 1 Joh. 5:18; wordt door lijdzaamheid volmaakt. Kom. 8: 25; wat heerlijks zij heeft, dat van de profeten gezocht is, 1 Petr. 1:10; op wat wijzo zij te verkrijgen is, 2 Petr. 3:9; hare verachting is in de wereld zeer groot, Hebr. 13 : 17; hoe hoog wij dor broederen zaligheid beboeren te achten, 1 Cor. 8:11. Zang, wat die is. Col. 3:16. Zangen, geestelijke, zijn Gode aangenaam, Ef. 5 : 18, Col. 3:16. Zegening, wat die is, Hebr. 7 : 7; genomen voor aanneming tot de erfenis, Gal. 3:8; voor welda- |
ZEKERâZWAKHEID.
30
|
digheid, 2 Cor. 9:5, 6; haar onderscheid tusschen die der heilige en der gemeene tafel, 1 Tim. 4:5. Zeker te zijn gebiedt God ons alzoo, dat wij niet zorgeloos zijn, 1 Joh. 5:4. Zendbrief aan de Corinthiërs, de eerste, te Efeze geschreven, 1 Cor. 16 : 5, 19, Fil. 4: 3; aan de Galaten, wanneer en waar die geschreven is. Gal. 2:1; aan Timotheus, de eerste, waar die geschreven, 1 Tim. 3 :14; aan de Hebreen, waarom van velen verworpen, Hebr. 6 : 4; 10 : 26; wanneer geschreven, Hebr. 6:1; niet in het Hebreeuwsch geschreven, Hebr. 9:16; van Petrus, den eersten, wat hij beoogt en waarom den Joden gegeven, 1 Petr. 1: 3. Zendbrieven van Paulus, waarom vele verloren zijn gegaan, 1 Cor. 5 : 9, Ef. 3 : 3. Ziel genomen voor mensch. Bom. 13:1; voor wil, Hebr. 4:12; wordt somtijds gesteld tegen den Geest, 1 Cor, 2 : 14; Jak. 3:15; is onsterfelijk, 1 Cor. 15 :18; 2 Cor. 5 :1; 1 Tim. 6 :16; haar verdeeling, 1 Cor. 1:10; haar macht, 1 Thess. 5:23; haar leven is onze vereeniging met God, Hebr. 9:14, haar dooding tweeërlei, Hebr. 4 :12; haar sieraad is onverderfelijk, 1 Petr. 3 : 4; hare vijanden laten wij toe, waar we ons evenwel voor die des lichaams wachten, 1 Petr. 2:11; wordt getrokken uit den eeuwigen dood, die zijn dwalenden broeder terecht brengt. Jak. 5 : 19, 20. Zielen, verlost van de lichamen, behouden haar leven, 1 Cor. 15 :19, 2 Cor. 5 : 8, Filip. 1: 23, 1 Thess. 4:13, Hebr. 12:23; der godzaligen, waarom van Petrus in de gevangenis gesteld, nadat zij uit het lichaam gescheiden zijn, 1 Petr. 3:19. Zijn genomen voor bekend en openlijk gezien worden, 1 Cor. 15: 28; voor geacht worden, Rom. 4:12. Zijn uit het geloof. Gal. 3:7; uit de werken der wet. Gal. 3:10; in het vleesch, Eom. 7 : 5; ouder de wet, Eom. 6:14, Gal. 4:21; 5:18; onder de genade, Eom. 6:14; onder de zonde, Rom. 3 : 9. Zoeken, wat het is God zoeken, Rom. 15:12; hoe men Hem zoeken moet, Rom. 15:12,2 Cor. 4: 6, Col. 1:15; Hebr. 11:6; van Hem is vergeefsch, zoo het niet geschiedt in Christus, 1 Petr. 1: 3. Zondaar, of hij door zijn berouw niet vordert, Hebr. 12:17 ;die zich bekeert, met wat groote naarstigheid men hem behoort te helpen, Filem. vs. 17. |
Zondaars genomen voor die der zonde zijn toegedaan, Rom. 5 : 8, Gal. 2 :15, 1 Tim. 1:19; hoe men ze behoort te behandelen, 2 Cor. 7:12, Gal. 2 :14, 1 Thess. 4: 7; 5 :14, 2 Thess. 3 :15,1 Tim. 5:20; Tit. 1:13; 2:15. | Zonde genomen voor onze aangeborene verdorvenheid, Rom. 6 :12; voor verzoenoffer, Rom. 8 : 3; is overtreding der goddelijke wet, 1 Joh. 3 :4; wat Johannes door haar verstaat, 1 Joh. 1: 8; is den mensch aangeboren, Ef. 2:3; hoe zij vóór de wet niet toegerekend wordt, Rom. 5 :13; hoe zij door de wet vermeerderd wordt, Rom. 5 : 20; is de oorzaak des doods, Ef. 2:1; is met wil, Rom. 7:14; is een doodelijk werk, Hebr. 6 :1; of God de auteur der zonde is, als Hij de verworpenen verblindt. Joh'. 1:13; van haar is niemand vrij, 1 Joh. 1:7; haar te verzoenen komt alleen Christus toe, 1 Joh. 4:11; zonde volbracht, wat men daardoor verstaat, Jak. 1:15; hoe grootelijks zij van het geloof verschilt, 1 Joh. 3:5; waarom God ons die niet toerekent, 1 Joh. 2:1; hare kennis is begraven zonder de wet, Rom. 7 : 8; haar aard, Hebr. 9:7; haar rijk, Rom. 6:13; haar nuttigheid, Hebr. 11: 25; zonde tot den dood, door wat teeken gekend, 1 Joh. 5:16; zonde tegen den Heiligen Geest, 1 Cor. 2 : 8, Hebr. 6 : 4; hare belijdenis, waaruit zij komt, Rom. 7 : 7; haar dood des menschen leven, Rom. 7 : 9; door welk middel haar te vermijden, 1 Petr. 4 :2; wordt in de geloovigen gedood, Rom. 6 : 3; hoe zij de geloovigen niet doet afvallen van de genade, 2 Petr. 2:21. Zonden worden nu anders vergeven dan voortijds, Hebr. 10:15; zijn alle doodelijk uit hare natuur, 1 Joh. 5:16: hoe nuttig het is, ze voor onze broeders te ontdekken, Jak. 5:16; hoe zij den uitverkorenen Gods vergeven worden, 2 Petr. 2 : 4; der heiligen zijn niet tot den dood, lJoh.5:17,18. Zondigen, hoe zulks niet gezegd kan worden van de kinderen Gods, 1 Joh. 5:18. Zorg moeten wij geheel op God werpen, 1 Petr. 5:7. Zorgvuldigheid genomen voor benauwdheid, Fil. 4:5; drieërlei, 1 Cor. 7:33. Zuurdeesem wordt onderscheiden genomen, 1 Cor. 5 : 6. Zwak heeft wijde beteekenis, 2 Cor. 11: 20; genomen voor goddeloos en onwaardig, Eom. 5:6; voor verachten, 1 Cor. 12 : 21. Zwakheid genomen voor geringheid. Gal. 4:13; onderscheiden gebruikt, 2 Cor. 12:10, Hebr. 4 : 15; wat Paulus daaronder verstaat, 1 Cor. 2 : 3. |
1 (
(
c I S s d d k b
lf T o: a
w 4
w
d. glt;
h( 6,
zc
H.
sti
ge
Universiteit Utrecht BIBLIOTHEEK CENTRUM UITHOF